diff options
Diffstat (limited to '11430-h/11430-h.htm')
| -rw-r--r-- | 11430-h/11430-h.htm | 4551 |
1 files changed, 4551 insertions, 0 deletions
diff --git a/11430-h/11430-h.htm b/11430-h/11430-h.htm new file mode 100644 index 0000000..794e741 --- /dev/null +++ b/11430-h/11430-h.htm @@ -0,0 +1,4551 @@ +<!DOCTYPE html> +<!-- +This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. +--> +<html lang="nl"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=UTF-8"> +<title> +Goede Vaêr Tromp, +of +Hoe de Vereenigde Provinciën eene Zeemogendheid Werden. +</title> +<link href="style/gutenberg.css" rel="stylesheet" type="text/css"> +<link href="style/arctic.css" rel="stylesheet" type="text/css"> +</head> +<body> +<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11430 ***</div> +<p id="d0e125"> +<div id="d0e127" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/kaft.jpg" alt=""> +</div> +<span id="d0e129" class="pageno">bladzijde 2</span> + +<h1 class="docTitle"> +Goede Vaêr Tromp, +<br> +of +<br> +Hoe de Vereenigde Provinciën eene Zeemogendheid Werden. +</h1> +<h2 class="byline">Geschiedkundig Verhaal<br> +Voor ’t jonge Nederland,<br> +door<br> +<span class="docAuthor">P. Louwerse.</span> +</h2> +<span id="d0e164" class="pageno">bladzijde 3</span> +<h1 id="d0e166">Jong Nederland!</h1> +<p id="d0e171"> +<i>Toen de Uitgever van</i> Mannen van Sta-vast <i>mij uitnoodigde weer een geschiedkundig verhaal voor U te schrijven, meende ik eerst u het leven van onzen grootsten zeeheld</i> +<span class="smallcaps">M. A. De Ruyter</span> +<i>te schetsen. Reeds had ik hiertoe eenige bouwstoffen verzameld, toen ’k</i> Mr. <span class="smallcaps">J. van Lenneps</span> Beroemde Nederlanders <i>in handen kreeg.—Deze geleerde schrijver wijdt in dat werk ook eenige bladzijden aan den vlootvoogd</i> +<span class="smallcaps">Marten Harpertsz. Tromp</span> +<i>en zegt o. a. van hem: ... “en nog heden wordt</i> +<span class="smallcaps">Tromp</span> +<i>niet geschat op die hoogte waarop hij werkelijk behoort geplaatst te worden</i>.” + +<p id="d0e204"> +<i>En dit is nu het oordeel van een Nederlander, wiens hart warm klopte voor de geschiedenis van zijn Vaderland; maar zelfs de +Engelsche schrijvers vereeren Tromp, en zijne beeltenis hangt in de galerij te Greenwich.</i> + +<p id="d0e210"> +<i>Mijn besluit was genomen; ik zou onzen</i> +<span class="smallcaps">De Ruyter</span> +<i>niet schetsen, maar het leven van</i> +<span class="smallcaps">M. H. Tromp</span> +<i>met u behandelen. ’K hoop, dat die ruil u niet berouwen</i> +<span id="d0e227" class="pageno">bladzijde 4</span> +<i>zal. Van den “Vlissinger Michiel” weet ge immers toch al zooveel, daar er in alle leerboeken over de geschiedenis des Vaderlands +over dezen man breedvoeriger gesproken wordt dan over anderen? Bovendien kan ’k, door het leven van</i> +<span class="smallcaps">Tromp</span> +<i>te nemen, beter voldoen aan het tweede gedeelte van den titel</i>: Hoe de Vereenigde Provinciën eene Zeemogendheid werden. <i>Mocht</i> “Goede Vaêr Tromp” <i>eene welverdiende plaats in uw hart veroveren, dan zou het waarheid worden wat</i> +<span class="smallcaps">Joost van den Vondel</span> +<i>eens schreef:</i> + +<p class="poetry"> +<br id="d0e253">“Hij heeft zich-zelf in ’t hart der burghren uitghehouwen, +<br id="d0e256">Dat beelt verduurt de pracht van graf en marmersteen.” + +<p id="d0e260"> +<span class="smallcaps">’s-Gravenhage, P. Louwerse.</span> + +<p id="d0e266">Juni 1875. + +<span id="d0e273" class="pageno">bladzijde 5</span> +<h1 id="d0e275">Een Winterdag op de Noordzee.</h1> +<p id="d0e280">Het jaar 1650 had zich ruw en guur ingezet. Het vroor niet, het sneeuwde niet, maar het regende gestadig aan. Dagen achtereen +was de wind noordwest en alleen tegen den avond gebeurde het, dat hij even door het noorden naar het noordoosten ging.—Alsdan +flonkerden de sterren en werd het eenigszins glad op de straat en aan het scheepsboord.—Op straat hebben we echter niets noodig; +want we bevinden ons op de <span class="letterspaced">Noordzee</span>. Als de lucht niet zoo bewolkt was en de regen niet den horizon verduisterde, zouden wij den toren van het aardige visschersdorp +<span class="letterspaced">Schevelingen</span> kunnen zien.— + +<p id="d0e289">Op het voorschip van <i>de Zuyerhuys</i>, aan welks boord we zijn, liep een stoere jongen van omstreeks veertien jaren heen en weer. + +<p id="d0e295">Hij had de pelsmuts diep over de oogen getrokken en zijne handen zaten in de wijde zakken van den nog wijder broek van dik +friesch laken gemaakt. + +<p id="d0e298">Een lederen riem om zijn middel met een mes er aan, doen ons dadelijk bemerken, dat we met een jong matroos te doen hebben. + +<p id="d0e301">’T was koud en guur, zeiden we zoo even, en dat kon men den jongen wel aanzien ook. Zijne roode, volle <span id="d0e303" class="pageno">bladzijde 6</span>wangen waren nat geregend, doch het guitachtige, blauwe oog keek zoo vroolijk rond, dat men wel kon zien, dat de knaap zich +niet veel van het onaangename weder aantrok. Integendeel, hij scheen er zelfs pret in te hebben; want, gewapend met een eind +touw, dat hij gebruikte om zoo wat terzijde te slaan, even als een ruiter zijn karwats, als deze zijn paard niet slaan wil, +begon hij eerst een deuntje te fluiten en daarna zacht te zingen. Het was een “Prince-liedt” van den Frieschen dichter Jan +Janszoon Starter, die in den dertigjarigen oorlog, als soldaat, onder den Graaf Van Mansfelt, verdwenen was om nooit weer +iets van zich te laten hooren. + +<p class="poetry"> +<p class="poetry"> +<br id="d0e310">“Vive le Prince de Oranje! +<br id="d0e313">Vive ons Bescherm-Heer teghen Spanje. +<br id="d0e316">Vive ons vrijheyds vaste Borgh. +<br id="d0e319">Vive de Baeck daer wij na zeylen. +<br id="d0e322">Vive de Loots-man van ons peylen. +<br id="d0e325">Vive ons alderhooghste Sorgh! + +<p class="poetry"> +<br id="d0e331">Vive den Oorsprong van ons blijheyd. +<br id="d0e334">Vive de Handhaver van ons Vrijheyd. +<br id="d0e337">Vive die Schrijft: “Je Maintiendray.” +<br id="d0e340">Vive die onse saeck houd staende. +<br id="d0e343">Vive die onse weeld houd gaende. +<br id="d0e346">Vive dat groene Pluijm-geway! + +<p class="poetry"> +<br id="d0e352">Vive de Vorsten van Nassouwen. +<br id="d0e355">Vive den Held daer wij op bouwen. +<br id="d0e358">Vive naest God ons toeverlaet. +<br id="d0e361">Vive den geessel der vijanden. +<br id="d0e364">Vive den Troost der Nederlanden. +<br id="d0e367">Vive den Stuerman van ons Staet! + +<p class="poetry"> +<br id="d0e373">Vive ons Roem in Kloeke Daden +<br id="d0e376">Vive ons Sorgh in wijse Raden.<span id="d0e378" class="pageno">bladzijde 7</span> +<br id="d0e381">Vive de Waker voor ons Rust. +<br id="d0e384">Vive ons Hoop in bange tijden. +<br id="d0e387">Vive de Leydsman van ons strijden. +<br id="d0e390">Vive den Vinder van ons Lust. + +<p class="poetry"> +<br id="d0e396">Vive de Spieghel aller deughden. +<br id="d0e399">Vive de Schild van onze Vreughden. +<br id="d0e402">Vive daar elck voor sterven zou. +<br id="d0e405">Vive de Velt-heer in de Velden, +<br id="d0e408">Vive, o Roem van alle Helden, +<br id="d0e411">Vive Maurice de Nassou!” + + +<p id="d0e416">Onder het zingen van dit liedje had hij zijne schreden steeds versneld, precies als één, die zich haast om gauw ergens onder +dak te komen, doch nauwelijks had hij het geëindigd, of hij stond stil, wiesch de regendroppels van zijn gelaat, schudde zijne +lange blonde haren naar achter, keek naar den man aan het roer, vervolgens naar den wimpel, maakte een luchtsprong als een +speelsch jong katje, en begon aan Brederoo’s kluchtig <span class="letterspaced">Boeren Gezelschap</span>. + +<p class="poetry"> +<p class="poetry"> +<br id="d0e426">“Arent Pieter Gijsen, met Mieuwes Jaap en Leen, +<br id="d0e429">Klaasjen, en Kloentjen, trocken t’ samen heen +<br id="d0e432">Na ’t dorp van Vinckeveen: +<br id="d0e435">Wangt ouwe Franghs, die gaf sen Gangs, +<br id="d0e438">Die worden off’ creen. + +<p class="poetry"> +<br id="d0e444">Arent Pieter Gijsen die was so reyn in ’t Bruyn, +<br id="d0e447">Sen hoedt met bloem-fuwiel die zat hem vrij wat kuyn, +<br id="d0e450">Wat scheefjes en wat schuyn. +<br id="d0e453">Soo datse bloot, ter nauwer noot +<br id="d0e456">Stongt hallif op sen kruyn. + +<p class="poetry"> +<br id="d0e462">Maer Mieuwes, en Leentjen, en Jaapje Claas, en Kloen +<br id="d0e465">Die waren ekliedt noch op het ouwt fitsoen, +<br id="d0e468">In ’t root, in ’t wit, in ’t Groen,<span id="d0e470" class="pageno">bladzijde 8</span> +<br id="d0e473">In ’t grijs, in ’t graeuw, in ’t paers, in ’t blaeuw, +<br id="d0e476">Gelijck de Huysluy doen.” + + +<p id="d0e481">De regen en de wind werden den zanger thans te machtig, en daarom verschool hij zich achter de boot en weldra klonk vandaar +opnieuw: + +<p class="poetry"> +<br id="d0e486">“As nou dat vollickje te Vinckeveen an quam, +<br id="d0e489">Daer vongdese Keesjen, en Teunis en Jan Schram, +<br id="d0e492">En Dirck van Diemerdam, +<br id="d0e495">Met Sijmen Sloot, en Jan de Doodt, +<br id="d0e498">Met Tijs, en Barend Bam.” + +<p id="d0e502">Onder het zingen van het laatste versje kwam er een oud matroos naar boven en, zich begevende naar de plaats vanwaar nog altijd +het gezang klonk, riep hij: “Ho, Jonge Kees, eeuwige dodelaar, waar zit-je?”— + +<p id="d0e505">“In mijn vel en als ik er uit kom dan ben ik niet wel, ouwentje,” hoorde men spottend van achter de boot roepen. + +<p id="d0e508">“Bijlo, jij zult me daar ook veel zien, ja! ge staat me daar achter die boot te koekeloeren, als een bakker in den oven of +de maan niet rijst!” zeide de oude matroos eenigszins ontevreden. + +<p id="d0e511">“Welja,” antwoordde de knaap, dien we, “Jonge Kees” hoorden noemen, “wel ja, mij dacht: Huib schaft ook liever dan naar de +Koningsmoorders<a id="d0e513src" href="#d0e513" class="noteref">1</a> uit te zien, en mij laat hij gerust in den regen staan! Heeft de kost je wel gesmaakt, ja ofte neen. + +<p class="poetry"> +<br id="d0e522">Want als de kost u niet en smaeckt, +<br id="d0e525">Dan ben je in ’t Sieckenhuys gheraeckt.”— + +<p id="d0e529">“Kapitein Joost Verschuyr van <i>de Zuyerhuys</i> laat zijn manschap geen gebrek lijden, bengel, dat weet je wel. Jij moest maar eens eene maand lang je voeten zetten op het +dek van de <i>Blinkert</i> dan zou je wel minder zanglustig zijn en minder praats hebben!”—<a id="d0e537src" href="#d0e537" class="noteref">2</a> +<span id="d0e540" class="pageno">bladzijde 9</span> + +<p id="d0e543">“Heusch, ouwentje, de gort was aangebrand, anders zou je zoo brommig niet zijn en mijne liedekens verwenschen!”— + +<p id="d0e546">“<span class="letterspaced">Mijne</span> liedekens!—Als Starter en Brederoo nog leefden zonden ze je wel wat anders zeggen! Van mijn part, zing zoo veel je wilt, +al was het van den noen tot middernacht!”— + +<p id="d0e552">“En ’t spek was niet gaar of net smaakte naar het vat!” sarde Jonge Kees. + +<p id="d0e555">“Kwâjongen, die je bent! Als je nu niet op en houdt met over onzen scheepskost te kallen en te schreeuwen, dan smijt ik je +over boord, dan kan je de roôrokken opzoeken!”—<a id="d0e557src" href="#d0e557" class="noteref">3</a> + +<p id="d0e561">“Dankje hartelijk, Huib, dankje! Als je smijten wil, smijt dan je kwaad humeur over boord, ga op wacht en in den regen staan, +en laat mij aan den bak gaan, anders eten mijne maats alles op!”— + +<p id="d0e564">“Nou, ga maar, dan ben ik je kwijt! Ik kan je missen als ... als ... + +<p id="d0e567">“Als aangebrande gort met rauw spek! Ha, ha, ha!” riep Jonge Kees en spoedde zich tusschendeks om zich daar aan den bak wat +te verwarmen met het gewone scheepskostje: gort met spek. + +<p id="d0e570">Weldra was hij echter weer boven en bij den ouden zeerob, dien hij, niettegenstaande zijne onvriendelijke uitvallen, toch +gaarne lijden mocht. + +<p id="d0e573">“Bar weer, hè?” zeide Jonge Kees om een gesprek aan te knoopen. + +<p id="d0e576">“Ja!” was het antwoord; maar de oude keerde zich om en zag in zee. + +<p id="d0e579">De jongen was een weinig uit het veld geslagen en wist niet, wat hij nu zeggen moest. Ten slotte bedacht hij <span id="d0e581" class="pageno">bladzijde 10</span>wat. “Ligt de <i>Brederode</i> nog te Vlissingen, Huib? “Of is ze al uitgezeild?”— + +<p id="d0e587">“Weet ik het?” bromde Huib. “Van mijn part blijft hij voor goed aan wal!”— + +<p id="d0e590">“Voor goed aan wal? Wel, dan zou het er mooi voor ons uitzien! Dan konden de <span class="letterspaced">Vereenigde Provinciën</span> ook wel zeggen: “Nacht, Nies, ik ga de nachtschuit in!”— + +<p id="d0e596">“Alsof ze alevel de nachtschuit niet ingingen! Kijk, zoo waar als ik Huib Maerlant heet en vijf en twintig jaren ter zee gevaren +heb, zoo waar is het, dat de <span class="letterspaced">Vereenigde Provinciën</span> zich er onder zullen werken!”— + +<p id="d0e602">“Alsof we niemendal meer waren! Daar zou onze Ammiraal Tromp een ander boekje van opendoen, Huib! Ben-je dan dat kostelijk +zeegevecht bij <span class="letterspaced">Duins</span> vergeten?”— + +<p id="d0e608">“Ho, dat is al elf jaren geleden, en toen liep je aan moeders hand naar het strand om schelpkens te zoeken! Zoo’n jongske +moest daar niet van willen meêpraten. Toen was toen, en nu is nu!”— + +<p id="d0e611">“Denk-je dan, Huib, dat wij te <span class="letterspaced">Scheveling</span> nooit ergens anders over kallen dan over scholletjes en tongetjes? Vader heeft me dikwijls verteld....” + +<p id="d0e617">“Dat je een wijsneus waart, zeker! Maar ik geef onzen Vice-Ammiraal Witte Corneliszoon De With gelijk. Die klaagt ook over +den slechten toestand der vloot, en zal er bij gelegenheid wel eens een woordje over spreken ook. Als ’t moet dan durft hij +’t onzen Hoog-Mogenden wel vlak in het aangezicht te zeggen!”— + +<p id="d0e620">“Een lieve jongen, die De With! Een.... + +<p id="d0e623">“Wel ja, ’t staat je fraai zoo over je meerderen te spreken! Heb ik geen gelijk gehad toen ik zeî, dat je een wijsneus was?”— +<span id="d0e625" class="pageno">bladzijde 11</span> + +<p id="d0e628">“Een wijsneus? Je scheldt me altijd uit ook! Heb je dan zelf niet verteld, dat hij eens voor een krijgsraad, waarvan Tromp +voorzitter was, heeft moeten verschijnen, en dat hij op den raad, hem gegeven, om den Stadhouder vergiffenis te vragen, geantwoord +heeft: “Dat en doe ik nooit ofte nimmer! Ik ben een eerlijk man, en geen kwajongen!”— + +<p id="d0e631">“Dat’s waar!” zeide Huib. + +<p id="d0e634">“Zoo, dàt jok ik dus niet! En is het ook niet waar, dat hij met Tromp, Evertsen, De Ruyter, ja, met de heele wereld overhoop +ligt?”— + +<p id="d0e637">“Dat ’s ook waar!” was het antwoord. + +<p id="d0e640">“En vloekt hij onze matrozen niet doof, en zien wij hem niet liever gaan dan komen, zeg?”— + +<p id="d0e643">“’t Is waar, ’t is altemaal waar, Jonge Kees!” luidde het eenigszins ontevreden. “Maar, jongen, je moest hem van zijne jeugd +afaan gekend hebben, zooals ik hem ken! Je moest net, als ik, met hem, al vechtende, van den Burgheuvel te <span class="letterspaced">Oostvoorne</span> gerold zijn, dan zou je anders praten. Een ruw man, dat is hij, door en door! Vloeken, razen, kijven en schelden, dat kan +hij als de beste Schevelingster, die er naar <span class="letterspaced">Den Haag</span> loopt. Maar vechten kan hij ook, en bang-zijn is een woord, dat hij niet en kent. Eerlijk is hij als goud en ... het Vaderlandt +ghetrouwe!”— + +<p id="d0e652">“Dat’s waar!” zeide Jonge Kees op zijne beurt. + +<p id="d0e655">“En,” vervolgde Huib, “als je je plicht doet en toont dat je nog wat meer kan dan een schaftbak leeg maken, dan mag hij je +eens uitschelden voor al wat leelijk is, als hij een uur later bij je komt, dan is hij alles weer vergeten!”— + +<p id="d0e658">“Ei, Huib, dat zou ’k maar zachtkens zeggen! Is hij <span id="d0e660" class="pageno">bladzijde 12</span>dan van onzen “Goeden Vaêr Tromp” zulk een excellent vriend? En van den Zeeuwschen Ammiraal Jan Evertsen?”— + +<p id="d0e663">“Hoor eens, Kees, je slaat daar als een blinde vink door! Onze De With vind het niet pleizierig, dat hij gelijk gesteld wordt +mèt, ja, soms onder de bevelen moet staan van een Ammiraal uit een kleiner gewest dan <span class="letterspaced">Holland</span>. En wat Tromp betreft, goed is hij, en die durft te zeggen, dat hij dat niet en is, die moet dat maar eens onder vier oogen +durven vertellen, dan zal ik toonen, dat de oude Huib Maerlant nog knuisten aan zijn lijf heeft! Ik zal hem....” + +<p id="d0e669">Onderwijl Huib dit zeî, raakte hij meer en meer in vuur. Eensklaps pakte hij Jonge Kees bij de schouders en schudde hem gevoelig +heen en weer. + +<p id="d0e672">“Wat, Satan, Huib, ben-je behekst? Ik en heb dat niet gezegd!” schreeuwde Jonge Kees. + +<p id="d0e675">“Ja, ik zal hem ringelooren, dat zal ik!” riep Huib en ging voort met schudden. + +<p id="d0e678">“Laat me los, laat me los, laat me los!” klonk het thans nog luider uit den mond van den knaap. + +<p id="d0e681">Huib scheen echter tot bedaren te komen en Jonge Kees, loslatende, zeî hij: Zie-je, zóó, zóó zal ik doen!”— + +<p id="d0e684">“Ik wou met dat al, dat je twintig zeemijlen van mij af waart, leelijk vernageld kanon!” antwoordde Jonge Kees en wreef met +de linkerhand over het bijna ontwrichte rechter schouderblad. + +<p id="d0e687">“Wat, ik een vernageld kanon?” riep Huib verwonderd en toornig uit, “waarom zeg-je dat, kwajongen?”— + +<p id="d0e690">“Jawel, hij speelt de Leuke Piet nog! Heb-je me daar pas niet door elkander geschud dat mij alles groen en geel voor de oogen +werd?”— + +<p id="d0e693">“Heb ik dat gedaan? Ik?”— +<span id="d0e695" class="pageno">bladzijde 13</span> + +<p id="d0e698">“Welja, zeker heb-je dat gedaan! De sterrekens dansten me voor de oogen alsof het klaar nacht was. De scheepsbarbier mag straks +mijn armen en schouders wel verbinden!”— + +<p id="d0e701">“Hoor, Kees, ’t is waar, ik herinner me nu ook, dat ik je zoo even heen en weer geschud heb! Maar, jongen, dat moet-je me +niet euvel duiden! Als ze van mijn “Goeden Vaêr,” van mijnen ouden speelkameraad, kwaad beginnen te spreken, dan ben ik mij +zelven niet meer meester!”— + +<p id="d0e704">“Ei, maar heb ik dan wat kwaads van hem gezegd?”— + +<p id="d0e707">“Neen, maar....” + +<p id="d0e710">“Nu, wat dan?”— + +<p id="d0e713">“Nù zal je nooit kwaad van hem spreken, dat ’s vast!”— + +<p id="d0e716">“’n Lieve jongen!”— + +<p id="d0e719">“Ben-je boos, Kees?”— + +<p id="d0e722">“Wou-je me dan altemet ook vriendelijk hebben? Zeker ben ik boos, en ik zeg nog eens, ik wou dat je twintig zeemijlen van +me af waart!”— + +<p id="d0e725">“’t Was een ongelukje, Kees, ’t was een ongelukje! Jij bent een veel te flinke “jooi” om jou te mishandelen.— Beloof me, dat +je ’t me vergeven zult, dan vertel ik u morgen, als we in <span class="letterspaced">Vlissingen</span> liggen om gekalefaat te worden, de historie van onzen “Goeden Vaêr!”— + +<p id="d0e731">“Top, dat doe ik! Maar woord houden, hoor!”— + +<p id="d0e734">“Een man, een man; een woord, een woord! Maar nu naar de Engelschen en de Duinkerkers uitgekeken!”— + +<p id="d0e737">“Ik meende daar straks een zeil te zien!”— + +<p id="d0e740">“Toen ik je zoo heen en weer schudde?”— + +<p id="d0e743">“Neen, vernageld kanon, toen niet; maar zoo even! Kijk, daar is het weer!”— + +<p id="d0e746">Thans keek Huib in de door Jonge Kees aangeduide <span id="d0e748" class="pageno">bladzijde 14</span>richting en riep: “Eén zeil! Bij mijne ziel, er zijn er twee! Het voorste is een Duinkerker. Brutaal als de cipier van het +rasp-en spinhuis, zijn ze. Dat durft zich bijna op onze kusten vertoonen!”— + +<p id="d0e751">“En ’t andere schip, Huib?”— + +<p id="d0e754">Dat en weet ik niet! Ik ga er onzen kapitein kondschap af geven!”— + +<p id="d0e757">Huib verwijderde zich en kwam weldra terug met den bevelhebber van <i>de Zuyerhuys</i>, kapitein Joost Verschuyr. + +<p id="d0e763">“Waar zag-je ze, Huib?” vroeg de kapitein. + +<p id="d0e766">“Op de hoogte van <span class="letterspaced">Ter Heyden</span>, kapitein!”— + +<p id="d0e772">Verschuyr vestigde zijnen scheepskijker naar de plaats en riep weldra: “nu nog schooner! Een Duinkerker kaper, die jacht maakt +op een onzer straatvaarders! Dacht-je dat? Mis man, mis. ’T is een Engelschman, ’k zie het aan zijne geheele tuigage; hij +kan me niet bedotten al voert hij de Duinkerker vlag. In alle gevallen we zullen trachten den straatvaarder te verlossen.<a id="d0e774src" href="#d0e774" class="noteref">4</a> + +<p id="d0e781">In een oogenblik was alle man in de weer! Er woei een stevige bries uit het noordwesten; <i>de Zuyerhuys</i> telde vijftig kanonstukken en had ruim twee honderd man aan boord; maar, al wilden kapitein en bemanning ook nog zoo gaarne +aan den dans, hunne handen waren te veel gebonden door het bevel van Hunne Hoogmogenden om alleen in de grootste noodzakelijkheid +tegenover den Engelschman tot vijandelijkheden over te gaan. Men wilde zoo lang mogelijk den vrede bewaren. + +<p id="d0e787">Vroolijk danste het welbemande oorlogschip op de baren; en scheen beter bezeild te zijn dan de kaper en de straatvaarder, +althans na verloop van drie uren was men den kaper voorbij en het koopvaardijschip was onder bescherming van <i>de Zuyerhuys</i>. +<span id="d0e792" class="pageno">bladzijde 15</span> + +<p id="d0e795">“Dat valt den Roôrok vast niet meê!” zeide Jonge Kees tot Huib. + +<p id="d0e798">“Meevallen of tegenvallen, ’t is me om ’t even,” bromde deze en mompelde tusschen de tanden, “en dat moeten wij zoo maar toezien!”— + +<p id="d0e801">Zoo stonden ze nog een poosje te kijken. De zon, die op het punt van ondergaan was, kwam nog even door de wildjagende wolken +kijken, en.... + +<p id="d0e804">“’T weerlicht!” riep Jonge Kees. + +<p id="d0e807">Nauwelijks echter had hij dit gezegd of er vloog iets door het want dat de groote ra aan stukken sloeg, en een donderslag +klonk langs de baren. + +<p id="d0e810">“Kapitein, kapitein, nòg niet?” vroeg Huib aan Verschuyr, die dicht bij hem stond. + +<p id="d0e813">In plaats van antwoord stampte Verschuyr met zijn langen degen op het dek en knarste op de tanden.— + +<p id="d0e816">“Ze schieten weer!” schreeuwde Jonge Kees, die ’t nu niet langer voor weerlicht aanzag. Geen tien tellen later hoorden ze +een oorverdovend geruisch, alsof er wel honderd ketels water over eene rood gloeiende ijzeren plaat gegoten werden.— ’T was +de kogel van den vijand, die op eenige vademen afstands van het schip door het water vloog. + +<p id="d0e819">“In vrede, hij voert een Duinkerker-kapers vlag,” zeî Verschuyr. “Niet gesammeld, jongens! Houdt je goed en geeft dien Koningsmoorder +een paar ijzeren pillen te slikken!”— + +<p id="d0e822">Dat was geen dooven gezegd.— Alles beijverde zich om aan dat bevel gehoor te geven, en net toen de zon onderging en alles +in duisternis verkeerde, flikkerde er een licht uit een der geschutspoorten van <i>de Zuyerhuys</i>, een hevige slag volgde en door de felle beweging van het <span id="d0e827" class="pageno">bladzijde 16</span>schip werd Jonge Kees, die nog nooit een zeegevecht had bijgewoond, het onderste boven gesmeten. + +<p id="d0e830">“Fij, wiegekindeke, gaode ge liggen rollen? Blaif maor liggen zulle, daor kommen er nog meer. We zullen portaon dien Roôrok +’nen kier zainen zin geven! Blaif maor liggen, manneken; gai ligt daor goed!” zeî een Vlaamsch matroos. + +<p id="d0e833">“Ik kan wel opstaan, hoor,” antwoordde Jonge Kees, maar juist toen hij hiertoe pogingen aanwendde, gaf <i>de Zuyerhuys</i> het tweede schot en de knaap kwam nu met het hoofd tusschen de voeten van den Antwerpenaar terecht. + +<p id="d0e839">“Kaik, ie staot; jaowel, ie staot!” hernam deze lachende, doch rolde toen het derde schot gelost werd, daar hij door het woelen +van Jonge Kees zelf al niet vast meer op zijne beenen stond, ook op het dek, tot groot genoegen van Huib, die den Antwerpenaar +napraatte en zeî: “Kaik, ie staot; jawel, ie staot! Blaif maor liggen, kompeer, daor kommen er nog meer! Ikkik verrassereer +het doe!” + +<p id="d0e842">Huib had echter onwaarheid gesproken; want de Engelschman hield af en aan vervolgen was in den donkeren nacht niet te denken. +Daarenboven was de Hollandsche straatvaarder <i>de Vrije Konsten</i> zwaar geladen en een slecht zeiler.— + +<p id="d0e848">Men wendde derhalve den steven en zette koers naar <span class="letterspaced">Brielle</span>, doch de felle tegenwind, die bijna tot een storm aangegroeid was, dreef de beide schepen af en den breeden mond van de <span class="letterspaced">Honte</span> of <span class="letterspaced">Westerschelde</span> in. + +<p id="d0e860">Bij het aanbreken van den dag lagen ze voor <span class="letterspaced">Vlissingen</span>. <i>De Zuyerkuys</i> liep de haven binnen en <i>de Vrije Konsten</i> zette koers naar <span class="letterspaced">Rotterdam</span>, waar het twee dagen later behouden aankwam. +<span id="d0e874" class="pageno">bladzijde 17</span> + +<p id="d0e877">Zoodra het schip aan de kade gelegd was, kwamen vele nieuwsgierige Vlissingers aan boord om een en ander van de laatste gebeurtenissen +ter zee te vernemen. + +<p id="d0e880">Jonge Kees echter troonde Huib mee naar het voorschip en zeî: “Vertel me nu de geschiedenis van onzen “Goeden Vaêr!” We hebben +nu volop den tijd!” + +<p id="d0e883">Huib voldeed hieraan met graagte; want al had hij het aan dezen of genen al zoo vaak verteld, ’t was hem nooit te veel om +het nog eens en nog eens te doen.—Hij zette zich daarom op een hoop zeilen en uit den wind en begon zijn verhaal. +<span id="d0e885" class="pageno">bladzijde 18</span> + +<p> +<hr class="noteseparator"> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e513" href="#d0e513src" class="noteref">1</a> De scheldnaam “<span class="letterspaced">Koningsmoorders</span>” werd door den Kommandeur Jan Van Galen in 1653 aan de Engelschen gegeven. Daar het Nederlandsche zeevolk echter zeer op +het Engelsche geheten was, zoo is het wel waarschijnlijk dat Van Galen geen nieuw scheldwoord verzon, maar dat het al kort +na de onthoofding van koning Karel I in 1649 hij onze zeelieden in gebruik gekomen is. + +</div> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e537" href="#d0e537src" class="noteref">2</a> Tot 1636 was de voeding en het geheele onderhoud van de manschappen op een oorlogsschip aan den kapitein toevertrouwd.—Niet +zelden gebeurde het nu dat een kapitein zich ten koste van den minderen man wist te verrijken. Toen de klachten hierover algemeen +werden beproefde men een ander middel en men liet het geheele onderhoud van een schip eenvoudig aanbesteden. Dit gaf nog meer +stof tot ontevredenheid en daarom keerde men in 1641 weer tot het oude gebruik terug. —Wie nu een eerlijk kapitein had, trof +het; maar wie dien niet had, klaagde dikwijls, en niet ten onrechte, steen en been.—Hoe lang deze wijze van handelen geduurd +heeft, ben ik niet te weten kunnen komen; maar dat is vast, dat in 1653 bij de Zeeuwsche Admiraliteit die gewoonte nog bestond. + +</div> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e557" href="#d0e557src" class="noteref">3</a> In een der journalen van Tromp leest men van “Capteijn Fielding en nog een andere Roôrok.” De haat tegen al wat Engelschman +was strekte zich dus ook uit tot de Nederlandsche bevelhebbers. + +</div> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e774" href="#d0e774src" class="noteref">4</a> +<span class="letterspaced">Straatvaarders</span> waren schepen, die op de Walvischvangst uitgingen. + +</div> +<h1 id="d0e889">Een dag Vacantie.</h1> +<p id="d0e894">’T was een prachtige Octoberdag van het jaar onzes Heeren 1606. Wij hadden dien dag ter school verlof, en reeds driemaal had +ik mijne goede moeder bij haar huiswerk in den weg geloopen. Ik stond, geheel onschuldig, gereed dit voor den vierden keer +te doen, toen mijne moeder zei: “Hoor eens jongen, ik wenschte wel dat de schoolmeester je vandaag geen verlof gegeven hadde; +want gij loopt mij telkens in den weg. Is er niets te doen voor je?” + +<p id="d0e897">“Ik en weet het niet, moeder!”— + +<p id="d0e900">“Ik en weet het niet! Fij, dat een jongen van negen jaar met zijnen ledigen tijd geenen weg weet. ’T is meer dan erg!”— + +<p id="d0e903">“Maar, moeder, laat mij dan maar boodschappen doen!”— + +<p id="d0e906">“Ik en heb geen boodschappen voor je! Maar ja, toch. Weet-je den <span class="letterspaced">Hoogendijk</span>?” + +<p id="d0e912">“Ja, moeder!” + +<p id="d0e915">“Kostelijk. En weet-je daar net op den hoek van het <span class="letterspaced">Lage Woudt</span> en de <span class="letterspaced">Drie Stucken</span>, dat kleine boerenhuisje staan?”— + +<p id="d0e924">“Ja, moeder, ja, daar woont het “Kregelige Mennonietje!”— +<span id="d0e926" class="pageno">bladzijde 19</span> + +<p id="d0e929">“Wie zegt je, daar, jongen? Het “Kregelige Mennonietje?”— + +<p id="d0e932">“Ja, moeder, dat is een jongentje van zeven jaar, die o, zoo kwarrig en kregel is. Wij plagen hem wat dikwijls en dan moest +ge zijne facie eens zien. Vooral als wij hem “Kregel Mennonietje” noemen dan stampt hij van kwaadheid en krabbelt zichzelven +in ’t aangezicht. Want weet u, moeder, Witte’s vader, de oude Cornelis Wittensz. De With en zijne Moeder Neeltjen Andries, +zijn beiden Mennonieten en deze mogen niet slaan, niet vechten, niet zweren en wat weet ik daar nog al meer af!”— + +<p id="d0e935">“’T staat u waarlijk fraai, Huib, zoo’n armen knaap te bespotten omdat zijn vader en moeder een soort van ongeloovigen zijn! +En doet ge dat spulletje alleen?”— + +<p id="d0e938">“Welneen, Moeder! Daar heb-je Marten, den zoon van Herbert Martensz. Tromp, den zeekapitein, die is altijd haantje de voorste!” + +<p id="d0e941">“Dat wil ik wel gelooven! Wat er van dat jongsken worden moet, dat en weet ik niet. Hij is heelemaal baas over zijne moeder, +die veel te goed voor zoo’n bengel is. Die Marten moest mijn jongen zijn, ik zou wel raad met hem weten, ja, dat zou ik!” + +<p id="d0e944">“Gij zoudt hem slaan, Moeder?—Als Marten uw jongen was zoudt ge dat niet doen; want hij is door en door goed, als een kalf, +ja!”— + +<p id="d0e947">“Sla ik jou wel eens, Huib? En ben-je ook niet dikwijls heel kwaadwillig en ondeugend? Neen, ik zou met Marten doen, zoo als +ik plan heb met jou te doen, als je vader uit de <span class="letterspaced">Oostzee</span> terug is!”— + +<p id="d0e953">“Wat dan, Moeder, wat dan?” + +<p id="d0e956">“Dan ga-je naar zee, jongen! Aan boord gaan er die wilde haren wel uit! Reken daarop!”— +<span id="d0e958" class="pageno">bladzijde 20</span> + +<p id="d0e961">Toen moeder dit zeî sprong ik wel twee voet hoog van den grond en begon haar te omhelzen en te kussen van belang! Want naar +zee te gaan, dat beviel me vrij wat beter dan in het school op die harde banken te zitten. Ik leerde bovendien heel weinig, +omdat ik er geen lust in had. Lacie, wat heb ik mij hierover later beklaagd!—Kan-je lezen en schrijven, Jonge Kees?”— + +<p id="d0e964">“Jawel, ik heb dat te <span class="letterspaced">Schevelingen</span> van onzen dominé geleerd. Die man houdt veel van me!”— + +<p id="d0e970">“Zoo, dan is het goed, dan kan-je ook nog wat worden in de wereld. Maar ik, oude stumperd, ik, die niet en wilde leeren, ik +ben niets geworden, niets dan matroos.—Voor matroos geboren zal ik ook wel voor matroos sterven! Spiegel u aan mij, knaap, +en zorg dat ge wat meer wordt dan ik.—Doch laat ik nu met mijne vertelling voortgaan. + +<p id="d0e973">Toen mijne Moeder zich uit mijne woeste omhelzing losgemaakt had, zeî ze: “Welnu, Marten moet ook naar zee. Vader Herbert +zal hem de ooren wel wasschen, als hij het verdient! Doch wat ik zeggen wil, ga nu naar den ouden Cornelis Wittensz. De With +en haal me daar een paar maten kippenvoer. Ik heb gehoord, dat hij het goedkooper geeft dan Meeuwisz. hier in de buurt!”— + +<p id="d0e976">Onderwijl ik in ons schuurtje ging om eenen zak te halen, hoorde ik een geweldig gejoel op straat. De bovendeur werd open +gedaan en de stem van mijn vriend Marten riep: “Moeder Maerlant, mag Huib zich wat met ons buiten de poort gaan vermeien?”— + +<p id="d0e979">“Huib moet eene boodschap gaan doen op den <span class="letterspaced">Hoogendijk</span>, Marten!” + +<p id="d0e985">“Top, dan gaan wij met hem mede! Eene frissche wandeling op zulk eenen schoonen dag!”— +<span id="d0e987" class="pageno">bladzijde 21</span> + +<p id="d0e990">“Nu, mijnentwegen kunt gij medegaan! Maar pas op, hoor, dat ik geene klachten over u krijg en dat ge mijn Huib tot geene dolle +streken verleidt!— + +<p id="d0e993">Zoo’n oorlof, zoo’n oorlof! Ik zou wel eens willen weten waarom die schoolmeester hun dat gegeven heeft. Zes dagen zult gij +arbeiden en al uw werk doen, zegt de Schrift en zoo’n schoolmeester arbeidt van de week maar vier en een halven dag! ’T is +erg, meer dan erg!”— + +<p id="d0e996">’T gejoel op de straat nam steeds toe. Wel twintig jongens, die stokken droegen waaraan ze doeken geknoopt hadden, stonden +voor de deur en ontvingen mij, toen ik buiten kwam, met luid gejuich.— + +<p id="d0e999">“Je moet naar den vader van ’t “Kregelige Mennonietje,” Huib,—riep Marten en stopte mij een stok met een doek er aan in de +hand.— + +<p id="d0e1002">“Ja,” gaf ik ten antwoord. “’K moet kippenvoer gaan halen!” + +<p id="d0e1005">Moeder kwam aan de deur en riep ons toe: “Voor den noen terug, hoor! Heb-je ’t verstaan, Huib? Als ge er niet en zijt, dan +vindt ge den hond in den pot!”— + +<p id="d0e1008">Ik zeide “ja!” doch mijn antwoord ging onder al het gejoel verloren. + +<p id="d0e1011">Zingende, springende, lachende en snappende ging het langs de <span class="letterspaced">Voorstraat</span> naar de <span class="letterspaced">Zuidpoort</span>. Bij het Gasthuis gekomen hieven wij een gejuich aan, dat al de oude en zieke luiden vast van schrik moeten opgesprongen +zijn, en draafden in eenen stevigen draf de <span class="letterspaced">Zuidpoort</span> uit. + +<p id="d0e1023">“Hei, jongens, een liedje ter eere van onzen Reinier Claessensz!” riep nu op eens Simon, de jongste zoon van onzen Baljuw +Dirk Van Duvenvoorde. + +<p id="d0e1026">“Ja, ja, een Wilhelmusje, een Wilhelmusje!” antwoordde Joost Van de Werve, dien we wel eens uitscholden voor +<span id="d0e1028" class="pageno">bladzijde 22</span> + +<p id="d0e1031">“Spanjool” omdat zijn grootvader, die ook Joost heette, Baljuw onzer stad en het land van Voorne was, toen de dappere Watergeuzen +haar innamen. Hij bleef den Spaanschen Koning getrouw, totdat hij in 1574 in den Waterslag bij <span class="letterspaced">Hoorn</span> gevangen genomen werd, en daar in de gevangenis van verdriet en ergenis stierf. Zijn zoon was in <span class="letterspaced">Den Briel</span> gebleven en was een zoo heftig vijand van den Spanjool als zijn vader een groot vriend. + +<p id="d0e1040">“Maar wat is er toch met dien Reinier Claessensz. voorgevallen?” vroeg ik. + +<p id="d0e1043">“Jongens, hoort ge ’t? Hoort ge ’t?” riep Marten. “Hier is een sul, die nog niet en weet wat er gebeurd is. Die Huib vraagt +wat er met dien Reinier Claessenz is voorgevallen!”— + +<p id="d0e1046">“Lacht hem uit! lacht hem uit!” klonk het thans van alle kanten. + +<p id="d0e1049">“Jaagt hem door de braamstruiken daar aan den weg! schreeuwde Gerrit Claesz. Van Valkesteijn. “Wat doet hij dan met eene vlag +te loopen, als hij niet en weet waarom hij er eene draagt!” + +<p id="d0e1052">“Ja, ja, door de braamstruiken! Gerrit heeft gelijk!” riepen thans eenige jongens. + +<p id="d0e1055">Thans vatte echter Marten mijne partij op, en zich voor mij plaatsende, zei hij: “Jongens, is Huib niet net zoo oud als ik? +Is hij geen negen jaar oud en ben ik het ook niet?”— + +<p id="d0e1058">“Ja, ja,” joelde het troepje. “Gijlieden zijt even oud!” + +<p id="d0e1061">“En is Huib mijn vriend niet?” hernam Marten. + +<p id="d0e1064">“Ja, dat is hij!” antwoordde Simon Van Duvenvoorde. “Hij krijgt op de school al de klappen, die gij verdient!”— + +<p id="d0e1067">“Dat is niet waar!” zeide Marten. “Gisteren nog heeft de meester mij een striem gegeven, dien ik nog voel! Maar wie heeft +jelui het geval van onzen Claessensz. verteld?”— +<span id="d0e1069" class="pageno">bladzijde 23</span> + +<p id="d0e1072">“Dat hebt gij gedaan!” sprak Gerrit. + +<p id="d0e1075">“En als ik dat eens niet gedaan hadde, wat zoudt gij-lieden dan weten, zegt?”— + +<p id="d0e1078">“Dan wisten wij niemendal, Marten!” sprak Simon. + +<p id="d0e1081">“Welnu,” hervatte Marten, “ik en heb het onzen Huib nog niet gezegd wat er gebeurd is, en daarom kan hij ’t niet weten ook! +Luister, Huib, ik zal het u vertellen. Mijne moeder kreeg van morgen eenen brief van vader, die thans met zijn schip te <span class="letterspaced">Enkhuizen</span> ligt. In dien brief nu stond ook dit:— + +<p id="d0e1087">In den loop van dezen zomer is de Ammiraal Hautain met vierentwintig schepen uitgeloopen om de Spaansche en Portugeesche vaartuigen, +die uit de <span class="letterspaced">Oost</span>- en <span class="letterspaced">Westindiën</span> kwamen, te onderscheppen en als prijs naar onze havens te brengen. Door eenen fellen storm werden echter zes schepen van +de vloot afgescheiden; de “Vice-Ammiraal Reinier Claessensz. was aan boord van een der zes. Bij kaap <span class="letterspaced">Sint Vincent</span> gekomen ontmoetten ze acht zwaar gewapende Spaansche galjoenen, onder bevel van den laffen zoutdief Fiasciardo.<a id="d0e1098src" href="#d0e1098" class="noteref">1</a> Deze zond onverwijld het grootste galjoen op onzen Vice-Ammiraal af, en terstond gingen de vijf Hollandsche schepen op de +vlucht.—Claessensz. wilde van geene overgave weten. Veel liever stierf hij den heldendood, dan als gevangen man wreed om hals +gebracht te worden. Twee geheele dagen vocht hij met onbezweken moed tegen de overmacht. Zijn groote mast was al over boord +geslagen en zijn schip van alle kanten lek geschoten; vele van zijne matrozen waren reeds gesneuveld en aan ontzet viel er +niet te denken. Hierop liet hij de overgeblevenen bij elkander komen en vroeg hun wat ze liever wilden, door den Spanjool +gevangen genomen worden, of de lont in het buskruit steken.—Ze kozen allen het <span id="d0e1101" class="pageno">bladzijde 24</span>laatste en na een kort gebed tot onzen Lieven Heer stak Claessensz, zelf den brand in ’t kruit en ... vloog toen met de zijnen +in de lucht. Twee er van zijn half dood in de handen van den vijand gevallen. Die moeten dat zeker verteld hebben! Hoe vind-je +’t, Huib, mooi, hé?” + +<p id="d0e1104">“Ja, mooi, mooi!” riep ik en schreeuwde: “Leve Reinier Claessensz!” + +<p id="d0e1107">“Leve Reinier Claessensz!” klonk het uit den mond der anderen. “En weet ge wat we nu gaan doen, Huib?” vroeg Marten. + +<p id="d0e1110">“Neen,” antwoordde ik. + +<p id="d0e1113">“Nu, gaan wij naar den <span class="letterspaced">Burgheuvel</span> te <span class="letterspaced">Oostvoorne</span> om daar zeegevechtje te spelen! Ga-je meê?”— + +<p id="d0e1122">“Ik en kan niet! Ik moet om kippenvoêr bij Cornelis Wittensz. De With en vóór den noen thuis zijn!”—antwoordde ik. + +<p id="d0e1125">“Bijlo, alsof dat niet en kon! ’T is nu acht uur. We gaan eerst naar den <span class="letterspaced">Hoogendijk</span> om kippenvoêr te koopen. Daar heb-je geen vijf minuten voor noodig. Dan gaan wij voorbij <span class="letterspaced">De Tinte</span> en langs den <span class="letterspaced">Ruyghendijk</span> naar den molen. Als we daar zijn dan kunnen we in een omzien langs den <span class="letterspaced">Voorweg</span> op den <span class="letterspaced">Burgheuvel</span> zijn!” sprak Marten. + +<p id="d0e1143">“Neen, langs den <span class="letterspaced">Rick</span>, den <span class="letterspaced">Konnewegh</span> en <span class="letterspaced">Langenwegh</span> is het nader!” meende Willem Hugensz. + +<p id="d0e1155">“Dat zal geen vijf minuten verschillen,” zeide Marten. + +<p id="d0e1158">“’T is de vraag maar of Huib mede gaat, ja ofte neen!”—- + +<p id="d0e1161">“Zullen we voor den noen thuis zijn?” vroeg ik; want mijne moeder was niet gemakkelijk als ik niet en deed wat zij beval— + +<p id="d0e1164">“Een uur vóór den noen zelfs!” sprak Jan Roete. “’T gevecht is in een uur afgeloopen!”— +<span id="d0e1166" class="pageno">bladzijde 25</span> + +<p id="d0e1169">“Dan doe ik het!” riep ik en snelde toen met de anderen naar het huisken van het “Kregelige Mennonietje.”— + +<p id="d0e1172">Toen wij daar aankwamen stond de kleine Witte aan het hekje waardoor men op het erf van zijnen vader kwam. + +<p id="d0e1175">“Is je vader thuis? vroeg ik. + +<p id="d0e1178">“Nee,” antwoordde hij kortaf. + +<p id="d0e1181">“Je moeder dan?” vroeg Marten. + +<p id="d0e1184">“Ook al niet,” zeide Witte. + +<p id="d0e1187">“Komen ze niet gauw thuis ook?” vroeg Simon. + +<p id="d0e1190">“Dat en weet ik niet. Ik moet op het huis passen, zie-je, dat moet ik! En als je me plaagt dan ga ik schreeuwen!”— + +<p id="d0e1193">“Wat moet jeluî hier doen, bengels?” vroeg eensklaps eene vrouw, die van achter het huis kwam, “Komt gijlieden mijn arm jongske +weer plagen?”— + +<p id="d0e1196">“Neen moeder De With, ik kwam twee maten kippenvoer halen,” zeide ik en liet haar mijne penningen en den ledigen zak zien. + +<p id="d0e1199">“Zoo, dat is wat anders,” zeî ze en mijn zak nemende kwam ze er weldra mede terug. + +<p id="d0e1202">“Gebruik je het oorlof om buiten wat te gaan jagen en tieren?” vroeg ze mij onderwijl ik den krop van den zak stevig dichtknoopte. + +<p id="d0e1205">“Neen, moeder De With,” zeide Marten, “er is heel wat anders gebeurd.” Hier begon hij haar de geschiedenis van Reinier Claessensz. +te vertellen en toen hij geëindigd had, sloeg Witte’s moeder de handen in elkander en riep: “Fij, fij, en hierover maken de +jongskens zulk een getier? ’T ware beter dat gijlieden deedt als mijn Witte, die keert u de rechterwang toe, als ge-hem op +de linker- eenen slag geeft!”— + +<p id="d0e1208">Daar zag Witte op het oogenblik anders niet naar uit; want onderwijl Marten vertelde, was de kleine jongen,—die <span id="d0e1210" class="pageno">bladzijde 26</span>echter nog al kloek en stevig voor zijn leeftijd was, daar hij een paar dagen geleden eerst zeven jaar oud was geworden,—naar +buiten gekomen en stond met glinsterende oogen en gloeiende wangen te luisteren. + +<p id="d0e1213">“En waarheen gaat het nu?” vervolgde moeder De With. + +<p id="d0e1216">“Naar den <span class="letterspaced">Burgheuvel</span> te <span class="letterspaced">Oostvoorne</span> om zeegevechtje te spelen!” zeide Jan Boete en voegde er terstond bij: “komt, jongens, anders wordt het te laat!”— + +<p id="d0e1225">“Gijlieden moet zeker allen wel van die vechtersbazen ter zee worden, hé? Nu, mijn Witte zal daar gelukkig voor bespaard blijven. +Hij zal het vreedzame handwerk van lijndraaien leeren, nietwaar, vent?”— + +<p id="d0e1228">“Ik zou ook wel willen varen, moeder!” antwoordde Witte. + +<p id="d0e1231">“Nu, dat en zult gij niet! Jongskens van zeven jaar en weten niet wat ze willen, die moeten doen wat vader en moeder begeeren!”— + +<p id="d0e1234">“Maar waarom mag ik dan niet gaan varen, moeder? Een matroos moet toch niet altijd vechten, wel?”— + +<p id="d0e1237">“Zwijg, Witte, zwijg! Je heb je door die bengels daar, den kleinen kop warm laten praten, dat hebt ge! En, wat ik zeggen wil, +moet er nog iemand kippenvoêr? Niet? Nu, gaat dan maar heen en bedrijft uw zondig spel tot de Baljuw je voor je straf achter +slot en grendel zet!”—Zeide moeder De With en haar zoontje in huis trekkende, deed ze de deur toe. + +<p id="d0e1240">“Leve Reinier Claessensz. en het “Kregelige Mennonietje!” schreeuwde een der jongens, en zijn uitroep werd door allen krachtig +herhaald.— + +<p id="d0e1243">En thans zou het naar den <span class="letterspaced">Burgheuvel</span> gaan; maar niettegenstaande Marten en Willem Hugensz. over den kortsten weg getwist hadden, weldra bleek het dat zij dien +<span id="d0e1248" class="pageno">bladzijde 27</span>kortsten weg alleen van hooren zeggen hadden; want in plaats van den <span class="letterspaced">Ruyghendijck</span> op te gaan, sloegen we te gauw links af en kwamen langs den <span class="letterspaced">Rietdijck</span> en den <span class="letterspaced">Pannewegh</span> voorbij de huizinge <span class="letterspaced">Kranenhout</span>, wel een half uur later bij den molen, dan we gedacht hadden. + +<p id="d0e1263">Het zweet droop mij langs het voorhoofd; want in het eerst droeg nu de een dan de ander mijn pakje; doch toen we bemerkten, +dat wij verdwaald waren, lieten ze het mij alleen dragen. + +<p id="d0e1266">De torenklok van <span class="letterspaced">Oostvoorne</span> sloeg tien uren toen we op het dorp kwamen. De meeste menschen waren aan den arbeid en de kinderen in de school, zoodat we +ongestoord naar den <span class="letterspaced">Heuvel</span> konden gaan. + +<p id="d0e1275">“Kijk, daar staat al een jongen op!” riep Simon. + +<p id="d0e1278">“’t Is ons Kregel Mennonietje!” zeî Marten. + +<p id="d0e1281">Het was zoo. Nauwelijks waren wij op de plaats waar we prachtig zeegevechtje konden spelen, of Willem Roete ging naar hem +toe en zeî: “Hoe komt gij hier?”— + +<p id="d0e1284">“Op mijne beenen!” antwoordde Witte. “Denk-je dat ik vliegen kan?”— + +<p id="d0e1287">“En wat kom-je doen? Kom-je meevechten?” vroeg ik. + +<p id="d0e1290">“Neen, ik en mag niet vechten; ik kom maar kijken!” sprak Witte. + +<p id="d0e1293">“Nu, als je ons dan maar niet in den weg loopt, dan is het minder,” zeide ik. “Hier, ga daar maar staan en pas dan op mijnen +zak met kippenvoer!”— + +<p id="d0e1296">“Kogels maken, jongens, kogels maken! We nemen de doeken van onze stokken af en vullen die dan met zand! Wie zal er Claessensz. zijn?” riep Marten. + +<p id="d0e1302">“We zullen er om trekken!” antwoordde Simon Van Duvenvoorde. “Hier, Witte, onderwijl wij kogels maken, moet <span id="d0e1304" class="pageno">bladzijde 28</span>gij twintig stokskens snijden, maar een moet er bij zijn, dat langer is dan al de andere. Wie het langste trekt, die is Reinier +Claessensz. en mag vijf andere jongens voor zijne matrozen kiezen!”— + +<p id="d0e1307">Eerlijker kon het niet! Wij gingen kogels maken en Witte liet zich van de hoogte glijden om stokskens te halen. Weldra kwam +hij terug en daar ging het op een trekken. De “Spanjool” had het langste en koos mij en Marten met nog drie andere jongens +tot zijne matrozen. + +<p id="d0e1310">“Onze wapenkreet is “<span class="letterspaced">Holland!</span>” sprak de “Spanjool.” + +<p id="d0e1316">“En de onze is “<span class="letterspaced">Spanje</span>,” antwoordde Simon, die voor Fiasciardo speelde. + +<p id="d0e1322">Plof! daar viel de eerste kogel en vier jongens klauterden de hoogte op. + +<p id="d0e1325">“Wacht,” riep ik, “’k zal je leeren mij aan boord te klampen! <span class="letterspaced">Holland! Holland!</span> Kom hier, als je durft!”— + +<p id="d0e1331">“<span class="letterspaced">Spanje! Spanje!</span>” klonk het van beneden. + +<p id="d0e1337">Plof! Alweer een kogel net tegen mijne beenen. Ik tuimelde en zou van den <span class="letterspaced">Heuvel</span> af te midden mijner vijanden gerold zijn, had niet de “Spanjool” het gevaar ziende, mij bij den arm gegrepen en tegengehouden. + +<p id="d0e1343">“Je moet mij niet gooien, leelijke Spanjolen!” schreeuwde thans Witte uit al zijn macht, “ik zit hier maar te kijken! Wat +doe-je mij zoo’n kogel tegen mijn hoofd te smijten?”— + +<p id="d0e1346">“Het Kregel Mennonietje is ziekentrooster aan boord van Ammiraal Claesensz.!” schreeuwde ik naar beneden. + +<p id="d0e1349">Plof! Daar kwam al weer zoo’n doek met zand tegen mijn lijf aan. Ik verloor het evenwicht, liep nog een eind vooruit om op +de been te blijven, doch kwam toen tegen Witte terecht, en rolde met hem van boven neer. + +<p id="d0e1352">Met daverend gejuich werden wij onder het geroep van “<span class="letterspaced">Spanje! Spanje!</span>” ontvangen. Onder het rollen voelde ik <span id="d0e1357" class="pageno">bladzijde 29</span>dat ik vreeselijk gekrabbeld werd, doch ik had geen tijd om te zien of Witte dat deed. Wij kwamen in de braamstruiken, die +beneden aan den heuvel en tegen de hoogte groeiden, aanrollen. Hoewel versufd door den val stond ik dadelijk op en naar Witte +gaande zeide ik: “Je hebt mij gekrabbeld, Kregel Mennonietje!”— + +<p id="d0e1360">“Ik en mag niet krabbelen!” zeî hij bedaard. Misschien zou hij nog meer gezegd hebben, doch daar kwam Simon met drie andere +jongens aan die ons gevangen namen onder het schreeuwen van: “<span class="letterspaced">Spanje! Spanje!</span> de ziekentrooster en de konstabelsmaat van den vijand! Hangen! hangen!” + +<p id="d0e1366">“Ik en wil niet hangen! Ik en heb niet gevochten ofte gekrabbeld! Ik heb maar staan kijken! Blijft van mijn lijf of ik zal +“moord” roepen!”— + +<p id="d0e1369">“Wel hoor me dien razenden ziekentrooster eens aan!” riepen onze vijanden en zouden ons misschien zoogenaamd opgehangen hebben, +als niet van de andere zijde van den heuvel een vreeselijk geschreeuw ons in de ooren geklonken had.— + +<p id="d0e1372">Twee kampioenen, de beide bazen van het spel, Reinier Claessensz. en Fiasciardo, rolden arm in arm van boven neer en vielen +met hun beiden op mijnen zak met kippenvoêr, die heelemaal berstte. Onder het worstelen van die twee kreeg de zak een schop, +dat hij een heel eind verder in het water terecht kwam. Het regende kippenvoêr en dat, wat nog in den zak gebleven was, kon +niet meer gebruikt worden, want het was doornat en vol modder en kroos. + +<p id="d0e1375">“Dat is jou schuld, krabbelaar!” riep ik. “Jij hadt er op moeten passen! ’T is jou schuld en jij zult me twee maten kippenvoêr +en eenen nieuwen zak teruggeven!”— + +<p id="d0e1378">“’T is mijn schuld niet! Jij hebt me naar beneden gegooid <span id="d0e1380" class="pageno">bladzijde 30</span>en ik en heb niet gekrabbeld!” antwoordde Witte terwijl hem de tranen van nijd uit de oogen sprongen. + +<p id="d0e1383"> +<div id="d0e1385" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/pl030.jpg" alt=""> +</div> + +<p id="d0e1388">Ongelukkig genoeg gaf men den arme Witte van alles de schuld en het kwam niemand in de gedachten hem te beschermen. Scheldnamen, +schoppen en duwen kreeg hij, van alle kanten, en wellicht hadden wij den armen knaap nog wel erger mishandeld, als niet een +paar arbeiders, die van hun werk kwamen, Witte ontzet hadden en ons wegjoegen. + +<p id="d0e1391">“Ik en heb niet meê gevochten! Ik en heb niet gekrabbeld ook; maar ik zal me wel laten doopen, dan mag ik ook slaan!” schreeuwde +Witte terwijl zijne tranen zich vermengden met het stof dat op zijn gelaat lag, en hem het voorkomen van een neger gaven. + +<p id="d0e1394">“Nu is hij een Neger-Mennoniet!” riep Simon en de nieuwe scheldnaam werd wel honderd malen door ons herhaald, doch hem op +nieuw te lijf te gaan, dat durfden wij toch niet! De arbeiders zouden ons dat wel verleerd hebben. + +<p id="d0e1397">Onderwijl wij nu stonden te beraadslagen wat we doen zouden en hoe ik mij tegenover mijne moeder verantwoorden zou, sloeg +de torenklok twaalf uren. + +<p id="d0e1400">“o Wee, daar is ’t al noen, en nu vind ik bovendien nog den hond in den pot!” riep ik. “Mijn kippenvoêr weg,—geen eten, en +morgen misschien Wittes vader bij ons aan huis! Dat is allemaal jou schuld, Marten! Jij hebt mij meê getroond!”— + +<p id="d0e1403">“Ja, Martens schuld!” herhaalden de overigen, die graag zich wilden voordoen, alsof ze aan het geheele geval part noch deel +hadden! + +<p id="d0e1406">“Ik weet wat, jongens, ik weet wat!” sprak Marten, die erg in den knoei zat. “Wij zullen allen uit onze zakduiten wat bijpassen +en nog eens twee maten kippenvoêr halen!”— +<span id="d0e1408" class="pageno">bladzijde 31</span> + +<p id="d0e1411">“Maar ik en durf bij Wittes vader niet meer komen!” sprak Simon. + +<p id="d0e1414">“En ik niet! en ik niet!” was het algemeen geroep. + +<p id="d0e1417">“Dat behoeft ook niet!” hernam Marten. “Wij koopen het bij Meeuwisz. op het <span class="letterspaced">Maerlant</span> en halen eerst bij ons thuis eenen anderen zak!”— + +<p id="d0e1423">“En als uwe moeder dien niet geven wil, wat dan?” vroeg Joost Van de Werve. + +<p id="d0e1426">“o, Als moeder hoort wat er gebeurd is, dan krijgen we niet alleen eenen zak, maar nog geld voor twee maten kippenvoêr bovendien!” +antwoordde Marten. + +<p id="d0e1429">Dat plan werd goedgevonden en langs den hobbeligen <span class="letterspaced">Schrijversdijck</span> liepen we, zoo snel als onze vermoeide beenen dit toelieten, naar <span class="letterspaced">Den Briel</span>, waar we een paar minuten voor één uur aankwamen. + +<p id="d0e1438">Langzamerhand verminderde echter het aantal jongens, en op het lest waren Marten en ik alleen toen we den klopper op de deur +van de woning zijner moeder lieten vallen. + +<p id="d0e1441">Ik kwam daar wel meer in huis en nauw had Marten uitgesproken of zijne Moeder zeî, dat zulke kwâjongens als wij waren maar +zien moesten, dat zij hunne eigen bedorven zaken goedmaakten. Ik liet de lip al hangen, doch Marten vloog zijne Moeder om +den hals en wist zóó te vleien, dat zij mij niet alleen eenen zak liet geven met de noodige penningen om ander kippenvoêr +te koopen, maar ook uit puur medelijden, omdat ik thuis den maaltijd zou afgeloopen vinden, mij met Marten liet mede eten.—Toen +ik hiermede klaar was nam Mie, de meid, een kleerschuier, borstelde mijne kleederen schoon en wiesch mij zelfs het aangezicht. +De krabbels van Wittes nagels, of, zooals het Kregelige Mennonietje zeî, de schrammen van de braamdoornen <span id="d0e1443" class="pageno">bladzijde 32</span>kon ze niet wegkrijgen. Met die litteekenen op het gelaat kwam ik twee uren na den noen bij Moeder, die al dadelijk zag, dat +ik eenen anderen zak medebracht. + +<p id="d0e1446">Ontkennen hielp niet; ik was wel verplicht de geheele geschiedenis te vertellen en toen dat gebeurd was, gaf ze mij de penningen, +die vrouw Tromp mij gegeven had en zeî: “Breng dat geld terug, kwâjongen! Je moeder heeft geene aalmoes noodig!”— + +<p id="d0e1449">Schoorvoetende voldeed ik hieraan. + +<p id="d0e1452">“Zeg aan uwe moeder, dat ik te avond eens met haar over een en ander kom spreken,” sprak vrouw Tromp onderwijl zij het geld +in haren fluweelen beugeltasch, dien zij onder haar voorschoot had hangen, liet glijden. + +<p id="d0e1455">Ik beloofde het te zullen doen en toen ik dit aan Moeder verteld had, zei ze: “Best, en jij nou naar bed! Je zult wel moede +zijn van dat vechten, stoeien en ravotten!” + +<p id="d0e1458">“Neen, Moeder, ik ben niet moede! Ik wou....” + +<p id="d0e1461">“Dat je naar bed gingt!” sprak moeder gestreng. + +<p id="d0e1464">“Ja, maar Moeder, ’t is nog maar drie uren in den achternoen en nog veel te vroeg om te gaan slapen!”— + +<p id="d0e1467">“Maar niet te vroeg om eens bedaard te liggen nadenken welk een verdriet gij uwe Moeder aandoet! Marsch, uit mijne oogen! +Bij de Trompen heb-je voor eenen geheelen dag genoeg gegeten! Scheer je weg!” + +<p id="d0e1470">Ik pruttelde nog wel wat tegen, maar Moeder bracht mij naar mijne slaapplaats op den zolder.—Ik ging dan ook werkelijk naar +bed en of het nu kwam, omdat ik dien dag zoo druk in beweging geweest was, ik weet het niet; maar dat weet ik wel, dat ik +weldra insliep en eerst ontwaakte toen de groote torenklok het uur van middernacht sloeg. + +<p id="d0e1473">“De dag van ons oorlof is om,” dacht ik even en mij <span id="d0e1475" class="pageno">bladzijde 33</span>eens omkeerende viel ’k alweer in eenen diepen slaap.— + +<p id="d0e1478">“Goeden morgen, Moeder,” zeî ik toen ’k den volgenden morgen, wel wat vroeg, beneden kwam. + +<p id="d0e1481">“Goeden morgen, Huib!” was haar antwoord. + +<p id="d0e1484">“Is Vrouwe Tromp gisteren avond geweest, Moeder?”— + +<p id="d0e1487">“Ja, jongen, zij is geweest!”— + +<p id="d0e1490">“En?”— + +<p id="d0e1493">“We hebben’t over Marten en u gehad. Als Herbert Martensz. Tromp weer naar zee gaat, kunt ge beide meêgaan!”— + +<p id="d0e1496">“Hoezee! Hoezee!” juichte ik van blijdschap. + +<p id="d0e1499">“Wat zijt gij blijde, jongen! Hebt ge ’t dan waarlijk zoo kwaad bij uwe Moeder! kind?” vroeg ze met tranen in de oogen. + +<p id="d0e1502">“Neen, Moeder, maar het leven op zee moet zoo heerlijk zijn! En ’k zal goed oppassen ook, dat beloof ik u!” + +<p id="d0e1505">“God geve ’t, Huib! Ge zijt anders nog zoo jong, en als ge uit Vaders en Moeders oog zijt, en zoo geheel alleen op eigen beenen +door de wereld moet gaan, dan kunt ge zoo licht verkeerde wegen inslaan!”— + +<p id="d0e1508">“Maar kan ik dan niet aan boord bij vader?” vroeg ik. + +<p id="d0e1511">“Neen, dat kan niet, jongen! Je vader is geen kapitein of schipper zooals de oude Tromp is, je Vader is maar matroos!” + +<p id="d0e1514">Moeder sprak nog veel met me eer ’k naar school ging, en als ik me nu eens bedenk, wat die goede Moeder toen zeî, en hoe ze +er slag van had, mij te leiden, dan bejammer ik het, dat ik zoo vroeg naar zee ging en niet langer thuis bleef! ’K zou het +dan verder in de wereld gebracht hebben, dan nu! Maar, lacie, ’t is te laat! Hoor, Jonge Kees, je hebt wel eens van onzen +dichter, den wijdberoemden Cats gehoord, niet?”— +<span id="d0e1516" class="pageno">bladzijde 34</span> + +<p id="d0e1519">“’K heb met Moeder wel eens visch aan zijne vrouw verkocht! Hij woont op <span class="letterspaced">Zorghvliet</span> tusschen <span class="letterspaced">Schevelingen</span> en <span class="letterspaced">Den Haag</span>, weet-je!” antwoordde Jonge Kees, die met gespannen aandacht had zitten luisteren. + +<p id="d0e1531">“Zoo, maar ’k had nog liever, dat ge zijne kostelijke veerzen kendet, dan hem zelf; want hij is de man, die spijkers met koppen +slaat, en ’k denk dikwijls aan zijn veersken: Jonck rijs is te buijgen, maer geen oude boomen!” + +<p id="d0e1534">“Dat veersken ken ik,” zeide Jonge Kees, “dat heb ik van stuurman Pronk geleerd; hoor maar. + +<p class="poetry"> +<br id="d0e1539">“Terwijl het rijs is jonck en zwack, +<br id="d0e1542">En heeft niet eenen harden tack, +<br id="d0e1545">Terwijl het spruytje buygen kan, +<br id="d0e1548">Zoo moet een geestig boogert-man +<br id="d0e1551">Het boomken leyden metter handt, +<br id="d0e1554">Het boomken houden in den handt; +<br id="d0e1557">Ten eynde dattet zonder bocht +<br id="d0e1560">Ter voller hooghte komen mocht. +<br id="d0e1563">Leyt vriend’ en leert u weerde kint, +<br id="d0e1566">Zoo haest zijn eerste jeught begint, +<br id="d0e1569">Want kromt het dan, en recht gij ’t niet; +<br id="d0e1572">Zoo ist een eeuwigh huysverdriet.” + +<p id="d0e1576">Is het zoo niet, Huib?”— + +<p id="d0e1579">“Ja, jongen, zóó is het. Vergeet dat nooit. Vergeet het niet, zooals ik het vergeten heb, dan zult ge op drieënvijftigjarigen +leeftijd, als de Heere u het leven zoolang gunt, iets meer zijn dan matroos!” +<span id="d0e1581" class="pageno">bladzijde 35</span> + +<p> +<hr class="noteseparator"> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e1098" href="#d0e1098src" class="noteref">1</a> Fiasciardo had eenigen tijd te voren op de hoogte van de West-Indische eilanden zeven weerlooze zoutschepen genomen en de +bemanning op eene wreedaardige wijze om het leven laten brengen. + +</div> +<h1 id="d0e1585">In de baai van Gibraltar.</h1> +<p id="d0e1590">Vier weken later gingen Marten en ik te zamen naar onzen schoolmeester, dien we zoo vaak geplaagd en gesard hadden. Vooral +was ik hierin altijd de eerste geweest en Wat nog wel het ergste van al was, ’k had gedurende vier jaren zoo goed als niemendal +geleerd en menigmaal anderen van het werk gehouden bovendien. + +<p id="d0e1593">De meester was een oud, vriendelijk man, die nimmer naar de plak of de gard zou grijpen, als het niet meer dan noodig was. +Het was half vijf toen wij de school binnentraden en het begon daar binnen al duister te worden; want de kleine vensterkens +met in lood gezette ruitjes lieten, zelfs midden op den dag, maar heel weinig licht door. + +<p id="d0e1596">De oude man stond aan zijnen hoogen lessenaar toen wij binnenkwamen en vroeg ons vriendelijk wat we begeerden. + +<p id="d0e1599">“Zeg jij het maar!” zeide ik en stootte Marten even aan. + +<p id="d0e1602">“Neen, ik en durf niet!” luidde zijn antwoord. + +<p id="d0e1605">“Nu, jongens, wat is het? Heb-je wat te zeggen, dat ge niet en durft uit te brengen?” klonk het andermaal. + +<p id="d0e1608">Thans vatte ik moed en wat vooruit komende, zeide ik: “Meester, wij zijn volleerd en weten genoeg; wij gaan met de volgende +week naar zee!”— + +<p id="d0e1611">De meester lachte even en herhaalde mijn woord “volleerd,” <span id="d0e1613" class="pageno">bladzijde 36</span>doch rekte dat uit als de draad van een kluwen, en trok er zulk een zonderling gezicht bij, dat ik onwillekeurig in den lach +schoot. + +<p id="d0e1616">“Ja, jongen, lach maar! Eens komt er een tijd dat gij niet en-zult kunnen lachen, al wildet ge ook nog zoo geerne! “Volleerd!” +Wie heeft u gezegd, dat ge zoo spreken moest?” + +<p id="d0e1619">Ik stond met den vinger in den mond, doch zeide niets. + +<p id="d0e1622">“Nu, kan iemand, die “volleerd” is, niet spreken als hem wat gevraagd wordt? Fij, zoo’n bijster verstandige kop moest weten, +wat hij antwoorden moest en begrijpen, dat alleen domme, kleine jongskens, die hunnen tijd met spelen en tuischen doorbrengen +alleen met den vinger in den mond staan. Quidquid transiit temporis, periit!”— + +<p id="d0e1628">“De oude man had mij beleedigd, meende ik, en daarom zeide ik heel driest: “Ik en versta geen Latijn, meester!” + +<p id="d0e1631">“Ha, ha, alsof ik dat niet en wist! Ge verstaat zelfs geen Hollandsch, en ik twijfel er aan of ge mij begrijpt, als ik zeg, +dat die Latijnsche spreuk, die ik zoo even aanhaalde, beteekent: “De tijd, die voorbij ging, is verloren!”— + +<p id="d0e1634">Marten begon medelijden met mij te krijgen en zeide: “Jawel, meester, maar Huib heeft zich versproken. Hij meende te zeggen, +dat wij beiden van school afgingen; maar wij weten ook wel beter, dat wij niet “volleerd” zijn!” + +<p id="d0e1637">“De tijd, die voorbij ging, is verloren, Marten! Schade genoeg! Maar ge zijt nog jong en kunt beiden nog veel inhalen van +hetgeen gij verzuimd hebt. Geef mij de hand, knaap, keer u naar ’t venster in het licht, en laat mij in uwe oogen zien!” + +<p id="d0e1640">Hierop draaide hij Marten naar het licht, legde de rechterhand op zijn hoofd, keek hem in de oogen en zeide: “Marten, ge hebt +een’ braven vader, luister naar hem; leer nog veel en ... vergeet God niet! Gij kunt en zult <span id="d0e1642" class="pageno">bladzijde 37</span>een groot man worden, als ge dat doet! Dag Marten! De Heere zij met u!”— + +<p id="d0e1645">Meester gaf hem de hand en schreiënde verliet Marten het schoolgebouw. Ook ik stak de hand uit en de oude man weigerde niet +deze aan te nemen; maar hij draaide mij niet naar het licht; hij legde zijne hand ook niet op mijn hoofd; maar zeî alleen: +“Kom over een paar jaar eens bij me terug dan zal ik ook uwe toekomst voorspellen!”— Hij drukte mij flauwkens de hand en sprak: +“Dag, Huib! Vergeet deze ure nooit ofte nimmer! Vaarwel!”— + +<p id="d0e1648">Buiten de school stond Marten op mij te wachten en zijne eerste vraag was: “Wat heeft hij u voorspeld?” + +<p id="d0e1651">“Niemendal,” antwoordde ik en haastte mij om thuis te komen. Ik ging ’s avonds vroeg naar bed en viel weenende in slaap. + +<p id="d0e1654">In de drokte van de volgende dagen vergat ik de ontmoeting bij den meester geheel en al en dacht slechts aan het vrije leven +op zee. + +<p id="d0e1657">Des Dinsdags na den noen zouden wij vertrekken en toen ik om half negen in den morgen van dien dag nog even bij grootje afscheid +ging nemen, hoorde ik, terwijl ik de <span class="letterspaced">Voorstraat</span> overstak, mijnen naam noemen. Ik keek om en zag het “Kregelige Mennonietje” op mij afkomen. + +<p id="d0e1663">“Ga-je naar zee, Huib?” vroeg hij gejaagd. + +<p id="d0e1666">“Ja, wat is er van? Wou-je meê?”— + +<p id="d0e1669">“o, Geerne; maar ik en mag niet. Ik moet lijndraaier worden, weetje!”— + +<p id="d0e1672">“Nu, ieder zijn meug; maar ik zou je kostelijk bedanken!”— + +<p id="d0e1675">“Ja, Huib, ik bedank ook wel; maar Vader zegt dat ik moet en dan helpt het niet of ik al bedank! Is het prettig op zee?”— +<span id="d0e1677" class="pageno">bladzijde 38</span> + +<p id="d0e1680">“Dat moet wel waar zijn! maar ik en heb daaraf geene +ondervinding!” + +<p id="d0e1683">“En wil-je dan toch zeeman worden?”— + +<p id="d0e1686">“Hé, waarom niet? Dol graag!”— + +<p id="d0e1689">“En ik moet lijndraaier worden en ik weet dat het in de lijnbaan niet prettig is!” zeide Witte zuchtende. + +<p id="d0e1692">“Loop stilletjes met ons meê, jongen!” zeî ik. + +<p id="d0e1695">“Meeloopen, neen, dat nog niet! Eerst moet ik nog een paar jaren schoolgaan, en dan, dan,—als ze me willen doopen, dan word +ik zeeman!”— + +<p id="d0e1698">“Ei wat, dat doopen zal wel terecht komen,” antwoordde ik. “En dan een matroos is niet enkel op de wereld om te vechten! Als +er gevochten wordt, dan kunnen ze wel een baantje voor je vinden, dat je niet van noode hebt mee te kloppen! Kom, ga stilletjes +meê; wij zullen je wel verstoppen tot we in volle zee zijn!”— + +<p id="d0e1701">“Neen, ik moet leeren,—nog veel leeren, Huib! Heb-je wel eens gehoord van eenen Ammiraal, die niet lezen of schrijven kon?”— + +<p id="d0e1704">“Ik? Wel neen! Maar ge wilt toch geen Ammiraal worden?”— + +<p id="d0e1707">“Zeker wil ik dat! Als ik zeeman word, dan moet ik ook Ammiraal worden, anders doe ik het niet!”— + +<p id="d0e1710">Die kleine jongen met zijn leeren,—hij was mij in de school al heel wat vooruit,—en met zijn Ammiraal-worden, deed mij denken +aan het afscheid van den meester. Ik werd nijdig; maar niet op mij-zelven, zooals het behoord had, doch op den zonderlingen +knaap, en met een “Wel jou Kregel Mennonietje, wou jij Ammiraal worden? Pluimgraaf, man, pluimgraaf word-je, anders niet! +Als ik kapitein ben, dan neem ik je bij mij aan boord om op de varkens en kippen te passen. Dag leelijke krabbelaar!”— +<span id="d0e1712" class="pageno">bladzijde 39</span> + +<p id="d0e1715">Ik liet Witte beteuterd staan en vervolgde lachend mijnen weg. + +<p id="d0e1718">Des middags kwamen wij gelijk met kapitein Herbert Martensz. Tromp aan het hoofd. + +<p id="d0e1721">“Nu, jongen, ga met God,” zeî moeder; boog zich over mij heen en kuste mij op het voorhoofd. Hier, Jonge Kees, hier vlak op +dit plekje kuste zij mij, zij, die lieve goede, moeder! Toen ik vijf jaren later weer in <span class="letterspaced">Den Briel</span> kwam, had ik geerne weer op die plek een’ kus willen hebben; maar eene week voor mijne aankomst stierf zij. Ik zag haar nooit +meer!”— + +<p id="d0e1727">Onderwijl Huib dit vertelde rolden een paar dikke tranen over zijne wangen, en alsof hij zich hierover schaamde, wischte hij +ze schielijk af en vervolgde zijn verhaal. + +<p id="d0e1730">Het was een bezeilde wind en toen we aan boord van <i>De Bare</i> kwamen, werden de zeilen geheschen en de ankers gelicht.—Midden op de rivier gekomen liet de kapitein, als afscheidsgroet, +een paar gotelingen afschieten en wij, Marten en ik, tuimelden op het dek, even als gij gisteren avond in het looze gevecht +met den Roôrok! + +<p id="d0e1736">“Waar gaat het heen, Marten?” vroeg ik. + +<p id="d0e1739">Marten haalde de schouders op en zeide: “Vader heeft het wel tegen Moeder gezegd, maar tegen mij niet!”— + +<p id="d0e1742">“Wel, jonge brasems, braaf zeer gedaan? Zoo’n scheepsdek is wel wat hard om er zoo maar op neer geploft te worden, vind-je +niet?”— + +<p id="d0e1745">Wij keken achter ons en zagen een zwaar gebouwd jonkman achter ons staan. Hij scheen wel stuurman of zoo iets te zijn.—Heel +vriendelijk zag hij er niet uit. Hij had donker zwarte oogen en hij scheen de gewoonte te hebben het rechter steeds half gesloten +te houden. Zijn gelaat was vol en bijna zoo rond als een appeltje, <span id="d0e1747" class="pageno">bladzijde 40</span>en men kon het hem zoo aanzien, dat hij al vast niet aan den haal zou gaan, als de Spanjool kwam, maar wakker meekloppen. + +<p id="d0e1750">Hij zag ons eenige oogenblikken aan, en toen hij bemerkte, dat wij geen van beiden een woord spraken, vroeg hij: + +<p id="d0e1753">“Wie van u beiden is de zoon van onzen kapitein?” + +<p id="d0e1756">“Dat ben ik!” antwoordde Marten. + +<p id="d0e1759">“Zoo, zoo, dat is al vroeg aan het varen! En kunt ge al wat lezen, schrijven en rekenen, ja, of hebt ge uwen tijd verluierd?” + +<p id="d0e1762">“Ik kan wel wat; maar ik zal bij vader nog meer leeren!” sprak Marten. + +<p id="d0e1765">“Dat is goed, dan zie ik u nog eens kapitein of misschien wel meer nog! En gij, jongen, hoe heet gij?” + +<p id="d0e1768">Deze laatste woorden richtte hij tot mij, en ik antwoordde: “Huib Maerlant” + +<p id="d0e1771">“Ei, ei, heet je vader dan Jacob Van Maerlant en is hij niet een excellent poëet?”— + +<p id="d0e1774">Mijn vader een poëet? hield hij mij voor het lapje? Naderhand heb ik wel eens gehoord, dat een vierhonderd jaren geleden ergens +in <span class="letterspaced">Vlaanderland</span> die poëet moet geleefd hebben, maar toen wist ik daar niets af. + +<p id="d0e1780">“Mijn vader is matroos, en vaart op de <span class="letterspaced">Oostzee</span>!” zeide ik. + +<p id="d0e1786">“Ei, ei, matroos, en jij in zoo’n mooi pak?” + +<p id="d0e1789">Mijne goede Moeder had hare laatste spaarpenningen uitgegeven om mij eene nette uitrusting te geven. “Als ge zoo slordig gekleed +zijt,” had ze mij gezegd, “dan zal kapitein Tromp niet willen hebben, dat je met zijnen zoon omgaat! En dat moet toch; want +als dat niet en gebeurt en ge wordt bij en onder de matrozen gerekend, dan groeit er nooit iets van je, jongen!”— + +<p id="d0e1792">Op de verwonderde vraag van den zeeman antwoordde <span id="d0e1794" class="pageno">bladzijde 41</span>ik daarom: “Moeder gaf mij dit pak, omdat Marten mijn speelkameraad is!”— + +<p id="d0e1797">“Zoo, zoo, je speelkameraad! En kan je ook lezen, schrijven en wat rekenen, zooals onze Marten of zooals die poëet, die dan +toch zeker wel van je maagschap zal zijn! Misschien is die man ook al lang dood! Ik houd mij met die poëterij niet op. Als +ik te schrijven heb, dan doe ik het liefst met mijn degen, die spat nooit en moet ook nooit vermaakt worden!”— + +<p id="d0e1800">“Ja, ik kan nog niet lezen en ik zou juist op het schrijven gegaan zijn, toen ik van school af moest!”— + +<p id="d0e1803">“Hm, hm, maar als jij dan niet gauw begint te leeren, dan zal Marten niet zoo heel lang je dagelijksche kameraad kunnen wezen, +manneke! Ze zeggen wel eens voor een spreekwoord, dat Hans door zijne domheid voortkomt; maar als je dan vraagt: “Wie is die +Hans?” dan kennen ze hem evenmin als jij dien poëet Jacob Van Maerlant kent, weet-je! En wij houden er hier aan boord van, +dat ieder zoowat zijn soort zoekt. De pluimgraaf moet geen kameraadschap maken willen met den schipper en de barbier niet +met den kapitein, weet-je! Wat mij betreft, ik ben hier aan boord zooveel als schipper en ik heet Pieter Pietersz. Hein, als +je ’t niet en weet! En nu, zoekt wat te doen, ik wil je groeten; want ik heb ook mijn werk! Adjuus!”— + +<p id="d0e1806">“Wat ’n aardig man is dat! Die lijkt me!” zeide Marten. + +<p id="d0e1812">“Dat wil ik wel gelooven,” antwoordde ik. “Hij heeft je ook schoon gevleid; maar op mij schijnt hij een pik te hebben, net +als die oude Brielsche schoolmeester. Kan ik het helpen, dat mijn Vader maar matroos is!”— + +<p id="d0e1815">“Nu, maar daar zeide hij ook niemendal af! Hij vroeg je alleen maar of je kon lezen, schr....” +<span id="d0e1817" class="pageno">bladzijde 42</span> + +<p id="d0e1820">“Och, loop jij naar de <span class="letterspaced">Mookerheide!</span> Begin-je ook al van dat lezen, schrijven en rekenen te snappen. Als jij dan zooveel weet, laat me dan maar links liggen!” +gaf ik zeer verstoord ten antwoord. + +<p id="d0e1826">“Je bent boos, Huib, maar dat kan ik niet helpen! Ik heb je niets in den weg gelegd, wel?” + +<p id="d0e1829">Ik zweeg en keerde mij om; want ik was, o, zoo nijdig, en al weer niet op mij zelven, maar op den ouden schoolmeester, op +“Kregel Mennonietje,” op Marten, op Pieter Pietersz. Hein, ja, op heel de wereld. Alleen op mij zelven was ik het niet! Ze +hadden allen het land aan mij dacht ik. + +<p id="d0e1832">“Ben-je heusch boos, Huib?” vroeg Marten vriendelijk en ging lachende voor mij staan. + +<p id="d0e1835">Nu werd ik nog nijdiger, en ik dacht, dat hij me uit valschheid uitlachte en daarom zeide ik: “Zeker ben ik boos! Maar zoo +’n voornaam kapiteinszoontje is veel te deftig en te rijk voor den jongen van een arm matroos, die op de <span class="letterspaced">Oostzee</span> vaart! Ga maar weg en maak maar kameraadschap met een ander; ik ben veel te gemeen voor je!”— + +<p id="d0e1841">Zonder nog een woord te spreken ging Marten thans werkelijk heen, en wel om zich bij zijnen vader over mijne onvriendelijkheid, +te beklagen. Den ganschen dag zag hij niet meer naar mij om en toen ik ’s avonds nog “genacht” wilde zeggen, was hij al in +de hut van den schipper, waar ook hij zijne kooi had.— + +<p id="d0e1844">“Ruzie gehad, kameraad?” vroeg een jong matroos met een heel ongunstig uiterlijk. “Ja, man, ’t is kwaad kersen eten met de +groote lui, ze gooien je met de pitten! Toen ik aan boord kwam, dat is nu zes jaren geleden, had ik ook zoo’n mooien kameraad +medegebracht; maar die vriendschap <span id="d0e1846" class="pageno">bladzijde 43</span>duurde aan boord niet langer dan van twaalf uren tot den noen! Dat is een heele tijd, hé? Maar ik heb hem laten walsen. Als +je ’m eens ontmoet, doe hem dan mijne groeten, en zeg dat ik hem volstrekt nog niet gemist heb. Ik heet Jurrie Zwijn en hij +Katt. Wij zijn dus allebeî viervoetige dieren! Vreemd, hè! Zeg, vind je’t niet? Ha, ha, ha!”— + +<p id="d0e1849">Hoewel ’k eigenlijk gezegd niet veel lust had om met dezen Jurrie Zwijn aan te leggen, en kameraadschap te maken, zoo stond +ik toch den volgenden dag heel dikwijls met hem te praten en ik deed dat vooral als Marten mij zien kon, om hem alzoo te toonen, +dat ik hem best missen kon. Dwaze knaap, die ik was! Toen ik later dien Jurrie Zwijn gaarne links had laten liggen om weer +goede maats met Marten te worden, hing hij mij aan ’t lijf als een klit en ik had geen moed genoeg om hem te zeggen, dat het +tusschen ons uit moest zijn. Langzamerhand raakten Marten en ik dan ook meer en meer van elkander verwijderd. Van leeren kwam +niemendal; want als ik mijn werk gedaan had, en ’k een oogenblik begon na te denken, dat er op die manier nooit iets van mij +komen zou, dan greep ik wel eens naar een boek; maar ’t was of Jurrie op zijn loer lag; om mij van het leeren af te troonen. +Oogenblikkelijk was hij dan bij me en zeî: “Zoo, zoo, de student is weer aan het letters eten? ’K zou naar de Hoogeschool +te <span class="letterspaced">Leiden</span> gaan, als ik jou was, dan wordt ge een knap man, hm, hm, een knap man; zoo ’n soort van een Marnix Van Aldegonde of een Johan +Van Oldenbarneveld! Wanneer denk-je examen te doen? Zeker wel al gauw, is ’t niet?” En zoo ging zijn ratel als een lazarusklap +totdat ik het boek neerleî en luisterde naar de mopsjes, die hij wist op te dreunen. +<span id="d0e1854" class="pageno">bladzijde 44</span> + +<p id="d0e1857">Eens op een’ dag, we waren geloof ik wel al zes weken aan ’t kruisen op de <span class="letterspaced">Noordzee</span> en in Het <span class="letterspaced">Kanaal</span>, was ik bezig mijn baaitjen af te schuieren toen de schipper naar mij toe kwam en zeî: “’T baaitje vuil, Huib? Ja, dat komt +er van als men met zwijnen omgaat! Die diertjes zijn niet al te zindelijk, zou ik zeggen!” + +<p id="d0e1866">Ik werd rood over mijn geheele aangezicht. Ik voelde ’t wel, wie hij met die zwijnen bedoelde en telkens, als hij mij in gesprek +met Jurrie zag, dan schaamde ik mij. + +<p id="d0e1869">Ondertusschen leefde ik met Marten toch niet als geslagen vijand. Wij waren nog jongskens en vergaten gauw; maar toch, die +vertrouwelijke omgang met hem kwam niet meer tot stand en ik geloof zelfs, dat de kapitein niet gaarne zag, dat ik met zijn’ +zoon veel in aanraking kwam. + +<p id="d0e1872">Eens op een’ dag echter had Marten mij in vertrouwen gezegd, dat hij zeker wist wat het doel van ons kruisen in de <span class="letterspaced">Noordzee</span> en in <span class="letterspaced">Het Kanaal</span> was. Er werd in het land eene vloot uitgerust om den Spanjaard in zijne eigen wateren te tuchtigen. Die vloot zou onder bevel +staan van Jacob Van Heemskerk, denzelfden man, die met Barentsz. en zijne lotgenooten op <span class="letterspaced">Nova-Zembla</span> overwinterd had. Zoodra Van Heemskerk uitzeilde zouden wij ons bij hem aansluiten. Marten verzocht mij echter, dat ik het +niemand zeggen zou; want dat alleen de officieren en de schipper het wisten. Zijn vader had het hem verteld, doch er ook uitdrukkelijk +bijgevoegd: “Niet over-vertellen, hoor!” + +<p id="d0e1884">Nu wilde echter het geval, dat er s’avonds niemand meer aan boord was, die het niet wist. Ik denk voor het naaste, dat er +nog een ander geweest is, die het ook verteld heeft. Ik had dien dag wel veel en soms lang met Jurrie loopen praten, doch +nu het al zooveel jaren geleden is, mag ik <span id="d0e1886" class="pageno">bladzijde 45</span>het gerust zeggen, ik heb het niet verteld. Zoodra de oude Tromp er achter kwam, dat het volk er alles van wist, begon hij +te onderzoeken, wie het oververteld had. Marten viel al dadelijk door de mand en nu werd ik geroepen. + +<p id="d0e1889">“Zeg eens, knaap, aan wien hebt gij verteld, dat we op de vloot van Jacob Van Heemskerk wachten en dat het dan rechtstreeks +naar <span class="letterspaced">Spanje</span> gaat?” + +<p id="d0e1895">“Ik heb het aan niemand verteld, kapitein!” + +<p id="d0e1898">“Lieg niet, jongen, ik vraag u, de waarheid. Hebt ge ’t aan Zwijn overgebriefd? Zeg maar “ja”, want uw gelaat wijst het uit, +dat het zoo is!”— + +<p id="d0e1901">Ik hield vol, dat ik er met geen mensch over gesproken had en toen liet de kapitein Jurrie roepen. + +<p id="d0e1904">“Wie heeft je gezegd, dat we naar <span class="letterspaced">Spanje</span> gaan?” vroeg Tromp op eenen zeer barschen toon. + +<p id="d0e1910">En hoor me nu dien onbeschaamden leugenaar eens aan! Weet ge wat hij antwoordde? Nu, hoor dan! + +<p id="d0e1913">“Huib Maerlant heeft het mij in den achternoen verteld, toen we bezig waren met een kabel te splitsen!” + +<p id="d0e1916">Ik sprong op als een leeuw en riep: “Kapitein, hij liegt het!”— + +<p id="d0e1919">Tromp fronste de wenkbrauwen en zeî alleen: “Ga heen, deugniet! Gij zijt uw gezelschap waard!”— + +<p id="d0e1922">Van dien dag af ondervond ik, dat het waar is wat het spreekwoord zegt: “Wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat!” Niemand +vertrouwde mij; de goeden lieten mij links liggen en met dien leugenaar Jurrie Zwijn, wilde ik niets meer te doen hebben. +Zoo was ik dan den ganschen dag alleen. Dat er nu van het leeren niemendal kwam, dat sprak vanzelf; ik had eigenlijk nergens +lust in en verlangde alleen naar mijne Moeder. Die zou me toch nog wel gelooven, als ik waarheid sprak. +<span id="d0e1924" class="pageno">bladzijde 46</span> + +<p id="d0e1927">Gelukkig dat er door de verschijning van de vloot meer bezigheid kwam en ik daardoor de muizenissen meer en beter verdrijven +kon. + +<p id="d0e1930">Den tienden van Grasmaand kwamen we aan de groote rivier van <span class="letterspaced">Lissabon</span>, die <span class="letterspaced">De Taag</span> genoemd wordt.— Alras vernam de Ammiraal dat er voor ons hier niets te doen viel; want zestien galjoenen waren van hier naar +de <span class="letterspaced">West-Indiën</span> vertrokken en nog tien andere naar de <span class="letterspaced">Straat van Gibraltar</span>. Deze laatste zouden we opzoeken en uit alles wat ik hoorde vertellen en zag gebeuren, zouden we daar meer doen dan een kijkje +nemen. Den vijf en twintigsten kwamen we tot in de nabijheid der stad, die, op eenige hoogten gelegen, het aanzien had van +ons heel veel kwaad te kunnen doen. De Ammiraal gaf een sein dat al de scheepsbevelhebbers aan boord moesten komen om met +hem te beraadslagen over hetgeen er gedaan zou worden. Zeker was het meer toeval dan geluk, dat ik tot de bemanning van de +sloep behoorde, waarin onze kapitein aan boord van het Ammiraalschip <i>Aeolus</i> gebracht werd. Wat er in dien krijgsraad besproken werd, heb ik eerst later vernomen. De Ammiraal zou met kapitein Lambert +Hendrikse van <i>de Tijger</i> den Spaanschen Ammiraal,—en de Vice-Ammiraal Alteras, die op de <i>Roode Leeuw</i> bevel voerde zou met kapitein Bras van <i>de Stadt Hoorn</i> den Spaanschen Vice-Ammiraal aanklampen. Onze overige schepen zouden twee aan twee een galjoen voor hunne rekening nemen.—Zooals +ik zeî vernam ik dat eerst later: maar onderwijl we met onze sloep bij den valreep van de <i>Aeolus</i> op onzen kapitein lagen te wachten, hoorden we Jacob Van Heemskerk zeggen:. “En nu mannen, zoo als besloten is, moedig op +den vijand los. Zoekt er uwe eer in uwe manschappen in goede courage voor te <span id="d0e1959" class="pageno">bladzijde 47</span>gaan. Een ieder doe zijn plicht; ik hoop den mijnen te doen. Voor God en de <span class="letterspaced">Vereenigde Provinciën!</span>” + +<p id="d0e1965">’K werd er warm van toen ik dat zoo hoorde. De kapitein stapte in de sloep, en ik sloeg met mijn riem in ’t water, alsof dat +de vijand was, dien ’k wat geven moest.— + +<p id="d0e1968">Weldra waren wij allen aan boord van <i>de Bare</i> terug. + +<p id="d0e1974">“Mannen,” zeî de kapitein, “er is besloten den vijand aan te vallen! ’T is geene kleinigheid! Maar onze dappere Ammiraal rekent +op u allen en houdt zich van de overwinning verzekerd, zoo ge van den oudsten tot den jongsten toont, dat er nog iets in u +is overgebleven van den moed der Watergeuzen. Ginds ligt het galjoen dat wij met <i>de Griffioen</i> aanvallen zullen! Wat zult ge doen? Vechten of vluchten?” + +<p id="d0e1980">“Vechten, kapitein, vechten tot den laatsten man!” klonk het van alle kanten. + +<p id="d0e1983">“Maar eerst God om kracht en bijstand gesmeekt,” sprak de oude Tromp bedaard, en wenkte den schrijver om het gebed te komen +doen.—Daar wij geenen predikant aan boord hadden, voldeed deze hieraan en met vrome aandacht spraken wij langzaam zijne woorden +na. Toen het gebed afgeloopen was, kregen we ieder een oorlam en ... daar ging het op den vijand los. + +<p id="d0e1986">Ik stond bij den grooten mast en had wel gewild dat hij een kanon ware geweest, dat ik afschieten mocht. Eensklaps werd mij +op den schouder getikt en toen ik achter mij keek, zag ik Marten staan. + +<p id="d0e1989">“Ben je nog boos, Huib?” vroeg hij. + +<p id="d0e1992">“Ja, zeker,” gaf ik ten antwoord. “Zeker ben ik nog boos! Ik en heb niet geklapt en toch gelooven ze het allemaal en jij gelooft +het ook nog, en daarom ben ik boos! Maar ik zal daarom toch wel meê vechten, hoor!” +<span id="d0e1994" class="pageno">bladzijde 48</span> + +<p id="d0e1997">“En als ik nu zeg, dat ik het niet geloof, dat je geklapt, +hebt?” + +<p id="d0e2000">“Dan jok-je, want je gelooft het toch!” + +<p id="d0e2003">“Gaat op zij, jongens, je staat in den weg! Er is hier geen plaats meer voor je op het dek! Gaat maar naar beneden, daar zijt +ge veiliger!” zeide Piet Hein. + +<p id="d0e2006">“Ik blijf bij Vader,” zeide Marten, “en Huib blijft bij mij! Wij zijn Brielsche jongens, schipper, en niet zoo heel bang!”— + +<p id="d0e2009">Marten sprak mij voor en dat trof mij zoo dat ik hem mijne hand gaf; maar juist toen ik wilde zeggen, dat ik nu niet meer +boos en was, vloog er met vreeselijk geruisch een kogel door het groot marszeil en oogenblikkelijk daarop werd ons schip hevig +heen en weer geslingerd, want de kapitein kommandeerde “vuur!” en de twaalf stukken, die we aan bakboordszijde hadden, gaven +den Spanjool de volle laag.—Toen hoorden wij het schieten niet meer: er was ook zooveel te hooren en te zien.—Te midden van +het vreeselijk gedonder der kanonnen klonken allerlei kreten. Daar liep Jurrie Zwijn met eene brandende lont ons voorbij en +Piet Hein achter hem. Eensklaps viel Jurrie Zwijn neer en Piet Hein buitelde over hem heen. + +<p id="d0e2012">“Kan-je niet beter op je beenen blijven staan?” vroeg Hein aan Jurrie, die daar nog altijd op het dek lag. + +<p id="d0e2015">“Een schot in de borst, schipper! Ik - ik sterf! Heb ik nog - veel - veel kwaad - g- goed-gemaakt, z- zeg?’ sprak Jurrie. + +<p id="d0e2018">“Einde goed, alles goed! Je hebt je wakker gehouden, kameraad!” zeide Hein en stak hem de hand toe. + +<p id="d0e2021">Jurrie poogde den handdruk te beantwoorden, lachte even en zeî: “D - d - dank-je, schip-schipper! A - a - d - die!’ + +<p id="d0e2024">De ongelukkige was dood. +<span id="d0e2026" class="pageno">bladzijde 49</span> + +<p id="d0e2029">“Geleefd als een zwijn, gestorven als een man!” bromde Hein en pinkte eenen traan weg. “Mannen, legt hem uit den weg; hij +is de eerste aan boord!” beval hij aan een paar matrozen. Deze deden dit en toen Jurrie daar zoo lag, zeî Marten: + +<p id="d0e2032">“Was hij je vriend, Huib?” + +<p id="d0e2035">“Neen,” antwoordde ik, “ik was bang van hem!” + +<p id="d0e2040">Marten zeî niets, maar legde een zeil over den gesneuvelde. Toen hij dit gedaan had en opkeek riep hij: “Huib, kijk, kijk!” + +<p id="d0e2043">En wat was er te kijken? + +<p id="d0e2046">Toen ik omkeek was het haast niet meer te zien. Een vijandelijk vaartuig, dat in brand stond, vloog in de lucht. Stukken balken, +ijzers, brokken van kettingen, menschen, vuur, vlam, rook, alles vloog in de hoogte en werd wijd weggeslingerd! Hu, er ging +eene rilling over mijn lijf! Dat was akelig!— + +<p id="d0e2049">Intusschen waren wij het galjoen tot op een musketschot afstands genaderd. Nog eenmaal gaven we den vijand de volle laag en +grepen toen naar de musketten, enterhaken, bijlen en sabels.—Daar sloegen de vlammen uit het galjoen! Wij kwamen het al nader +en nader!—De vlammen knetterden en dansten tegen het want op. Gegil, geschreeuw, musketschoten, alles klonk door elkaâr! Wat +ik toen gedaan heb, weet ik niet. ’K zag mijne kameraads voor en achter mij vallen en het brandende galjoen vlak tegen ons +aan liggen. Daar vlogen onze zeilen in brand! De groote ra en de fokkera volgden! De vlammen krulden om het want en kropen +naar voor, naar achter, naar boven, naar beneden, rechts, links, naar alle kanten!— + +<p id="d0e2052">Ik dacht aan het Spaansche schip, dat ik zoo even in de lucht had zien vliegen en ... als dat gebeurde dan... <span id="d0e2054" class="pageno">bladzijde 50</span>dan waren we allen dood!—Ik dacht aan mijne moeder!—Arme moeder!—Ik dacht aan den ouden schoolmeester, aan ’t Kregel Mennonietje.... +Daar vlogen de matrozen het want in!—He, wat kerels!—De kogels floten hun om de ooren;—de vlammen verschroeiden hunne hoofdharen, +bakkebaarden, en kleeren!—Te vergeefs! De brand was niet te stuiten!—De matrozen kwamen weer naar beneden, en reeds stonden +enkelen gereed om zich van de sloepen meester te maken toen het brandende galjoen afdreef! Welk geluk! Nu was er nog kans +op behoud! Opnieuw werden er pogingen aangewend om den brand te stuiten, toen eensklaps het galjoen, dat ons pas een minuut +of tien geleden verlaten had, gedeeltelijk in de lucht sprong. Het water kwam in eene vreeselijke beweging en ons schip slingerde +geweldig. Toch deden de wakkere gasten al wat zij konden om het schip te behouden en eindelijk zagen ze hunne onvermoeide +pogingen met een gewenschten uitslag bekroond!—Wat zag <i>de Bare</i> er uit! Men kon zien, dat ze in het gevecht geweest was, en dat onze kapitein het woord aan den Ammiraal gegeven, wakker +gehouden had. Ook <i>de Griffioen</i> had zijn aandeel in het gevecht gehad, doch was niet zoo gehavend als wij. Langzamerhand verminderde echter het geschutgedonder +en zoo goed en zoo kwaad dit kon, trachtten wij ons met de overige schepen te vereenigen.— + +<p id="d0e2063">Daar zag ik <i>de Aeölus</i> en: “Marten, schipper, kapitein!” riep ik en liep ondertusschen van ’t voor naar ’t achterschip waar deze drie personen zich +bevonden.— + +<p id="d0e2069">“Wat is het, dolleman? Wat is het?” vroeg Hein. + +<p id="d0e2072">“Kijkt dan toch!” riep ik. “De Ammiraals-vlag is te halver steng!”— + +<p id="d0e2075">Het blozende gelaat van Piet Hein werd bleek toen hij <span id="d0e2077" class="pageno">bladzijde 51</span>dat zag en de kapitein riep: “Kinderkens, onze Ammiraal is gesneuveld!” + +<p id="d0e2080">“Onze Ammiraal is gesneuveld,” in een oogenblik was het op de geheele <i>Bare</i> bekend en iedereen sloeg de schrik om het hart. + +<p id="d0e2086">o, Als we nu nog hadden moeten vechten, dan.... + +<p id="d0e2089">“Kapitein Pieter Willemsz. Verhoef had dat niet moeten doen! Ei ziet, hoe ’t ons allen den moed ontneemt nu het gevecht is +afgeloopen en wij de overwinning behaald hebben! Zoo hij ’t niet gedaan had, dan zouden we de Spaansche vloot misschien wel +geheel en al vernield hebben!” zeide de oude Tromp. + +<p id="d0e2092">“Met uw verlof, kapitein,” hernam ik, “toen ’k <i>de Aeölus</i> naderen zag, was hare vlag nog niet te halver steng! Ik heb haar zien neêrhalen!”— + +<p id="d0e2098">“Dan is onze brave Ammiraal ook pas gesneuveld!” sprak Hein. “Een wakker man verloren!”— + +<p id="d0e2101">“De overwinning is te duur gekocht!” bromde de kapitein en naar de davids gaande beval hij de sloep neer te laten.<a id="d0e2103src" href="#d0e2103" class="noteref">1</a> + +<p id="d0e2110">Kort daarop roeiden wij weer naar het Ammiraalschip! Maar, o jongen, welk eene verwoesting! De zee was bedekt met stukken +hout, masten met fladderend want, brandende vaartuigen, wrakken en honderden dingen meer. Hier trachtte er nog een zwemmende +het leven te redden en daar verdween een ander voor altijd in de diepte. + +<p id="d0e2113">Onze kapitein bleef er niet lang aan boord, en toen hij in de sloep stapte om naar zijn eigen vaartuig terug te keeren, beefde +hij van aandoening. + +<p id="d0e2116">Ho, wat al nieuwsgierige blikken omringden ons toen we weder op het dek van <i>de Bare</i> stonden. Het was alsof ze allen begrepen, dat onze kapitein iets te zeggen had, dat <span id="d0e2121" class="pageno">bladzijde 52</span>ons allen aanging. Iedereen wilde weten of de Ammiraal werkelijk dood was, dan wel of de kapitein was gesneuveld. + +<p id="d0e2124">“Luistert, jongens, luistert!” sprak hij. + +<p id="d0e2127">“Laat mij ook luisteren!” sprak een onzer matrozen, die vreeselijk gewond op het dek lag. “Draag mij dicht bij onzen kapitein!”— + +<p id="d0e2130">Men voldeed aan zijn verzoek en toen dat geschied was had men eene speld kunnen hooren vallen. + +<p id="d0e2133">“Jongens,” hervatte Tromp, “wat zou ik trotsch geweest zijn zoo onze wakkere Ammiraal ons schip in dezen toestand had kunnen +zien! Wat zou hij ons geprezen hebben als echte, kloeke Nederlanders! Eilacie, ’t mocht zoo niet zijn! + +<p id="d0e2136">Reeds in het begin van het gevecht nam een kogel zijn linker been weg. + +<p id="d0e2139">Hij is in zijne volle wapenrusting gestorven, zijn volk ten strijde aanmoedigende, zijne ziele Gode bevelende! De glansrijke +overwinning is duur, heel duur gekocht! De <span class="letterspaced">Vereenigde Provinciën</span> hebben een rechtschapen, dapper, beleidvol, edelmoedig en groot man verloren. Gij allen weet het, dat hij de Ammiraalswedde +geweigerd heeft; hij diende zijn Vaderland om niet, en <span class="letterspaced">hoe</span> diende hij het! Waar zullen ze een vinden als hij? Wie zal hem ooit gelijken?” + +<p id="d0e2148">Martens wangen werden vuurrood, zijne oogen glinsterden en de hand zijns Vaders vattende zeî hij: “Vader, ik wil zoo’n Ammiraal +worden!”— + +<p id="d0e2151">“Gij zijt dwaas, jongen! Gij en weet niet wat gij wilt!” zeide Tromp; maar schipper Hein legde zijne hand op Martens hoofd +en sprak: “Met God is alles mogelijk, jongen!”— + +<p id="d0e2154">Zoo’n Hein! Onderwijl hij zoo sprak dacht hij zeker, <span id="d0e2156" class="pageno">bladzijde 53</span>niet, dat hij eenmaal aan ’t Vaderland eenen anderen Heemskerk in zichzelven geven zou. + +<p id="d0e2159">Nadat onze schade zoo goed mogelijk hersteld was, keerden wij allen met roem beladen naar het Vaderland terug; maar wij werden +toch niet met die blijdschap begroet, als het geval zou geweest zijn, zoo Jacob Van Heemskerk zelf had kunnen zeggen: “Wij +brengen u de overwinning! De Spanjaard is verslagen en zijne vloot is verbrand! De geheele wereld erkent onze meerderheid +ter zee!”— +<span id="d0e2161" class="pageno">bladzijde 54</span> + +<p> +<hr class="noteseparator"> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e2103" href="#d0e2103src" class="noteref">1</a> +<span class="letterspaced">Davids</span> zijn de ijzeren standers aan de zijden van het achterschip, waaraan de booten en sloepen hangen. + +</div> +<h1 id="d0e2165">Gevangen genomen.</h1> +<p id="d0e2170">Wij bleven ruim een halfjaar te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> liggen. <i>De Bare</i> had in den slag bij <span class="letterspaced">Gibraltar</span> ontzettend geleden en moest nu van onder tot boven worden nagezien. In al dien tijd was ik echter geen dag in <span class="letterspaced">Den Briel</span> geweest; want ik kreeg daartoe geen verlof, omdat ik het niet en vroeg.—Ik had niet veel goeds van mij-zelven te zeggen.—Marten +had echter van dien tijd gebruik gemaakt om tweemaal per dag bij onzen ouden meester ter les te gaan, en daar die jonge schipper +Piet Hein hem zoo nadrukkelijk verzekerd had, dat er vast een kapitein uit hem groeien zou, als hij maar wakker leeren wilde, +zoo deed hij dubbel zijn best.— + +<p id="d0e2185">Eindelijk was ons schip in Wintermaand van ’t jaar ’7 weer kant en klaar voor de reize en op zekeren dag kwamen de kapitein +en Marten onverwacht aan boord.— + +<p id="d0e2188">Marten kwam terstond bij me en betoonde zijne vreugde door mij alles te vertellen wat hij van <span class="letterspaced">Den Briel</span> wist.—Het “Kregel Mennonietje” ging nog altijd school en was in dien tijd heel wat gegroeid. Leeren deed hij als de beste, +maar daar hij door zijn boos humeur altijd met iedereen overhoop lag, zoo had hij onder de jongens niet een, die veel van +hem hield. Zelfs de meester hield niet <span id="d0e2193" class="pageno">bladzijde 55</span>van hem, hoewel deze toch nooit last van hem had. Van mijne moeder bracht hij eenen duevekater<a id="d0e2195src" href="#d0e2195" class="noteref">1</a> mede en ... meester had gevraagd of ik aan boord nog wat leerde lezen en of ik goed oppaste? + +<p id="d0e2202">Op die laatste vraag gaf ik geen antwoord. Ik wilde niet zeggen “ja,” want dan hadde ik eene onwaarheid gezegd. Ik had den +weg in <span class="letterspaced">Rotterdam</span> leeren vinden, dat was al. Wanneer ’k aan boord niet noodig had, dan was ik aan den wal gegaan, en ’k had al spoedig een +paar kornuiten gevonden, die mij overal brachten waar ik niet en noodig had. Geen steegje zoo klein of ik wist het! Maar leeren! +bah, wat zou’k leeren? Ik werd tóch nooit kapitein! + +<p id="d0e2208">“Nu,” zeî Marten, “kunt ge dat boekske, dat ik u met Allerheiligen zond, al lezen?”— + +<p id="d0e2211">“Neen, ’t was zoo moeielijk, ik en kon niet!”— + +<p id="d0e2214">“Maar waarom hebt ge het dan den schipper niet gevraagd? Dat is een abel, bekwaam en treffelijk man!” + +<p id="d0e2217">“Ik en durfde dat niet te doen; hij was zelf altijd met heel dikke boeken over de zeevaart-konst in de weer!”— + +<p id="d0e2220">“’T is jammer, Huib! Maar als we nu maar weer in zee zijn, dan zullen we samen eens gaan leeren, hé? Ik reken nu al uit de +cijferkonste van onzen treffelijken, geleerden Simon Stevin. Dat is een heel nieuw rekenboek en onze meester was er zelf nog +niet recht achter!—Maar wat leelijke, gemeene slabbakken daar aan den weg staan. ’T is of ze staan te wachten!” + +<p id="d0e2223">Marten wees naar den wal waar de twee jongens stonden, die mij den weg in <span class="letterspaced">Rotterdam</span> geleerd hadden. Ik keek om, en, zoodra ze mij zagen, riepen ze: + +<p id="d0e2229">“Kom-je, Huib? Kom-je? Trijn van de <span class="letterspaced">Floer Battensheul</span> heeft naar je gevraagd?” + +<p id="d0e2235">Ik keerde mij beschaamd om en meende dat Marten op <span id="d0e2237" class="pageno">bladzijde 56</span>mijn aangezicht zou kunnen lezen wat die jongens meenden. De <span class="letterspaced">Floer Battensheul</span> was eene brug, die aan de <span class="letterspaced">Delftsche poort</span> over eene vaart lag. Daar zat Trijn Blomzoetken, zooals wij, kwâjongens, haar noemden, iederen dag met warmoes en ooft. Menige +penning was daar door mij besteed en toen ’k verleden week geene penningen meer had, toen schonk zij mij eene maat vol zure +schijvelingen, daar mijne twee kameraads haar vertelden, dat ik kajuitswachter op <i>de Bare</i> was en de volgende week mijne gage ontving. Ik wist wel dat zulks niet waar was, maar nam alevel de appels aan en weldra +hadden wij deze met ons drieën allemaal opgepeuzeld.—Na dien tijd waren we daar niet geweest, en nu had Trijn de jongens er +zeker op afgestuurd om mij te halen.— + +<p id="d0e2249">“Ken je die vuile, gelapte borsten, Huib?” vroeg Marten. + +<p id="d0e2252">“Of hij ze kent?” sprak schipper Hein, die stillekens achter ons gekomen was, “of hij ze kent, Marten? Bijlo, het zijn zijne +beste vrienden! Niet, Huibje?”— + +<p id="d0e2255">“Hé, Huib! Huib! Huib! Kom-je?” klonk het van den wal. + +<p id="d0e2258">Ik vatte moed en, als wilde ik schipper Hein tot eenen logenaar maken, riep ik: “Loopt, ik ken je niet!” + +<p id="d0e2261">“Heeee! Hij en kent ons niet, Jan?” schreeuwde de een en begon met den ander, die Joost heette, allerlei sprongen te maken, +en toen ze moede waren van al die malle luchtsprongen begonnen ze te zingen: + +<p class="poetry"> +<p class="poetry"> +<br id="d0e2268">Fideldine, fideldijn! +<br id="d0e2271"> Ick en dans nyet, +<br id="d0e2274"> Ick en schrans nyet! +<br id="d0e2277">Fideldine, fideldyn, +<br id="d0e2280">Ick ken jou en jij kent mijn! + +<span id="d0e2284" class="pageno">bladzijde 57</span> +<p class="poetry"> +<br id="d0e2288">Fideldine, Heyntjeman, +<br id="d0e2291"> Ick en roep nyet, +<br id="d0e2294"> Ick en snoep nyet! +<br id="d0e2297">Fideldine, Heyntjeman, +<br id="d0e2300">Drinckt den wijn uit volle kan. + +<p class="poetry"> +<br id="d0e2306">Fideldine, Zuyerzee, +<br id="d0e2309"> Ick en klinck nyet, +<br id="d0e2312"> Ick en drinck nyet! +<br id="d0e2315">Fideldine, Zuyerzee, +<br id="d0e2318">Huib blijft hier en Trijn gaet meê! + +<p class="poetry"> +<br id="d0e2324">Fideldine, kakelbonght, +<br id="d0e2327"> Ick en krijgh nyet, +<br id="d0e2330"> Ick en swijgh nyet! +<br id="d0e2333">Fideldine, kakelbonght, +<br id="d0e2336">Volle kannen syn ghesont! + + +<p id="d0e2341">“Kom, Huib, zing dat fijne mopsjen toch mee, man!” zeî Hein. + +<p id="d0e2344">“Ik en ken dat mopsjen niet’,” gaf ik ten antwoord; maar de roode kleur, die ik kreeg, zeide maar al te wel dat ik loog. + +<p id="d0e2347">“Heeee, fijnman, heeee! Kom dan toch, of we gaan alleen naar onze goede Trijn Blomzoetken!” schreeuwde Joost en gooide zijne +muts in de hoogte, duikelde tweemalen over den kop, pakte Jan bij den arm en voort gingen ze. Al lang waren ze de naaste straat +ingeslagen toen ik hen nog hoorde zingen: + +<p class="poetry"> +<br id="d0e2352">Die backer Joosten al op den hoek, - Hi - ha - hoe! +<br id="d0e2355">Die slaet syn wijf met Bagynenkoeck, - Bi - ba - boe! +<br id="d0e2358"> En so die Backer dat nyet en deed, +<br id="d0e2361"> Dan segh ick nyet wat ick wel weet! +<br id="d0e2364"> Hi - ha - hoe! Bi - ba - boe! + +<span id="d0e2368" class="pageno">bladzijde 58</span> +<p id="d0e2370">Marten had zich met den schipper verwijderd en was drok met hem in gesprek. + +<p id="d0e2373">Ik bleef moederziel alleen staan en tranen van spijt sprongen mij uit de oogen. Intusschen was ik in duizend vreezen, dat +Trijn Blomzoetken komen zou en mij om geld vragen, dat ik niet en had. o, Als dat gebeurde, wat dan? + +<p id="d0e2376">Het eene uur na het andere verstreek evenwel en het werd één uur. Nog een half uur dan gingen we heen en als de kabels maar +los waren, als de loopplank maar weggenomen was, dan.... + +<p id="d0e2379">Waarlijk, het geluk diende mij. Juist met klokke half twee werden de kabels losgemaakt, de plank werd ingehaald en onder het +“Hoezee!” der toeschouwers verlieten we den wal. Juist bij tijds! Daar verscheen eene vrouw aan den kant, die de vuisten naar +ons opstak en zeker allerlei scheldwoorden schreeuwde. Wij waren echter al te ver af en er was te veel beweging aan boord +om haar te verstaan. De kapitein had haar echter wel gezien en deed bij den schipper onderzoek naar de zaak. Of die Hein er +nu achter gekomen was, dat ik bij Trijn Blomzoetken schuld op den kerfstok had, dan wel of hij haar verstaan had, ik en weet +het niet; maar toen wij des avonds met gunstigen wind <span class="letterspaced">Den Briel</span> passeerden en ik onzen stompen toren naoogde zoo lang ik kon, kwam de kapitein bij me en zeî: + +<p id="d0e2385">“Huib, ik en wil niet meer, dat mijn zoon met je omgaat. Een jongen als jij, die den kostelijken tijd verluilakt, goêvrindschap +maakt met gemeene straatjongens, en er een kerfstok op na houdt bij appelvrouwen, als Trijn Blomzoetken van de <span class="letterspaced">Floer Battensheul</span>, zulk een is geen geschikt kompeer voor mijn jongen! Ik zal je voortaan behandelen als ieder ander mijner matrozen, dat zal +ik; maar reken er op dat joffer Driestreng<a id="d0e2390src" href="#d0e2390" class="noteref">2</a> gereed ligt, als <span id="d0e2399" class="pageno">bladzijde 59</span>ik je op het achterschip zie. Je plaats is voor en je heet pluimgraaf! Begrepen?”— + +<p id="d0e2402">Ik knikte maar gaf geen antwoord. + +<p id="d0e2405">Mijn lot was treurig; maar in plaats van mijzelven de schuld te geven en te denken aan het spreekwoord. “Wie met pek omgaat +raakt er mede besmet,” gaf ik anderen, vooral dien babbelaar van een schipper de schuld. Ik meende maar dat elk en een ieder +het er op toelegde om mij ongelukkig te maken. Dat was zeer verkeerd; want zoo ik berouw gevoeld had, dan hadden de anderen +mij niet altijd links laten liggen.— + +<p id="d0e2408">Wij zetten eerst koers naar <span class="letterspaced">Vlissingen</span> en wat ’n geluk! Daar ging schipper Hein aan boord van een ander vaartuig over, en wij kregen in zijne plaats een kloek Arnemuidenaar, +die er uitzag als eene Maartsche bui en al dadelijk begon met mij te vertellen, dat hij mij, als ik hem in den weg liep, een +schop zou geven dat ik in de <span class="letterspaced">Wielingen</span> zou vliegen om met de bruinvisschen te leeren duikelen. + +<p id="d0e2417">Met eene stevige bries zett’en wij koers naar <span class="letterspaced">Engeland</span>, voeren door het <span class="letterspaced">Kanaal</span> en kwamen weldra in den <span class="letterspaced">Oceaan</span>. + +<p id="d0e2429">Waarheen was de tocht? En waarom was ons schip zoo sterk bemand? Waarom hadden we zooveel kruit en kogels aan boord? Ging +het naar den Spanjaard en mogelijk alweer naar <span class="letterspaced">Gibraltar</span>? Ik zag geen land en niets dan lucht en water en water en lucht. De wind was omgeloopen en thans werd de koers, nadat we +wel acht dagen lang maar altijd westelijk aangehouden hadden, naar het zuiden gericht. + +<p id="d0e2435">Kon ik toch maar eens te weten komen waarheen het ging! Maar ik had met geen mensch kameraadschap gesloten, en ’k wist nu +ook niet wien ik het zou durven <span id="d0e2437" class="pageno">bladzijde 60</span>vragen. Het werd al heeter en heeter! Midden op den dag was het in de zon op het dek niet uit te houden! Intusschen begonnen +de konstabels en matrozen <i>de Bare</i> in eenen geduchten staat van verdediging te stellen. De kogels lagen op het dek en de vaatjes met kruit werden voor den dag +gehaald.— + +<p id="d0e2443">Ik wist niet eens welken dag van de maand wij hadden; en of het Zondag of midden in de week was, daar bekommerde ik mij niet +om; ik zat en leefde maar alleen. Doch eens op een’ dag,—’t moest Zondag zijn, want de schrijver las eene preek voor en deed +het gebed,—riep de wacht ineens: “Een zeil! een zeil!” In een oogenblik was alles op het dek. + +<p id="d0e2446">Dat was zeker geen schip van de Compagnie; want de wijze waarop wij het gingen ontvangen, was alles behalve vriendelijk. Het +bleek ook weldra dat het niet één schip was; want ik telde er al heel gauw zeven en later zelfs twaalf. + +<p id="d0e2449">In hunne vlag was een halve Maan en terstond begreep ik dat het Turksche zeeroovers waren. Denkelijk kwamen ze wel van <span class="letterspaced">Salee</span> en loerden ze op onze rijk geladen Compagnie-schepen. + +<p id="d0e2455">Daar klonk een schot van een der roovers en terstond werd het door de onzen beantwoord. + +<p id="d0e2458">“Mannen,” zeide de kapitein, “de vijand is talrijk, maar moed verloren, al verloren! Houdt dan couragie, jongens! Wakker er +op in! Die Turksche rabauwen zullen weten dat wij geen katten zijn, die men zonder handschoenen kan aanvatten! Voor Zijne +Excellentie Prins Maurits en de Compagnie! Hoezee! Hoezee!”— + +<p id="d0e2461">Ik had volstrekt geen plan om meê te roepen, doch ’t is aanstekelijk geloof ik; want ik schreeuwde meê, zoo hard <span id="d0e2463" class="pageno">bladzijde 61</span>ik kon: “Voor Zijne Excellentie Prins Maurits en de Compagnie! Hoezee! Hoezee!”— + +<p id="d0e2466">De vreemde schelmen schenen zich om ons geschreeuw al heel weinig te bekommeren en hielden, voortgaande met schieten, steeds +op ons aan. Zij schenen nog weinig verstand van het geschut te hebben, want al de kogels vlogen hoog door het want heen.—Onze +konstabels daarentegen waren betere schutters; bijna elk schot was raak. Maar wat hielp het? In minder dan een uur waren wij +rondom ingesloten. We hadden het thans van alle kanten te kwaad. Die rabauwen, ’t moet gezegd worden, waren niet bang, en +zonder dat wij het verhinderen konden, werd <i>de Bare</i> geënterd en klommen de vijanden als katten bij ons aan boord. Toen werd het een bloedig gevecht! De kapitein stond vooraan +en sloeg er wakker op in; maar eensklaps ontving hij eene doodelijke wonde en viel voorover op het dek. Een oogenblik staakten +de onzen het gevecht, doch toen Marten dit zag, bukte hij, greep den degen van zijnen vader en met vuurstralende oogen en +met tranen op de wangen schreeuwde hij: “Jongens, helpt dan mijn arm vadertje wreken! Toe dan, toe dan, helpt mij!”— + +<p id="d0e2472">“Ja, ik wil je helpen,” riep de lange schipper en zijn bijl wegwerpende pakte hij eensklaps een der opperhoofden om zijn middel, +tilde hem van het dek op en smeet hem over boord. + +<p id="d0e2475">“Doet als ik!” riep hij en wilde eenen tweeden vijand op dezelfde manier over boord smijten, doch deze zag het spelletje aankomen +en deed een geduchten houw naar hem. + +<p id="d0e2478">“Wel ja, wou je me daar zoo maar een lik uit de pan geven?” riep de Arnemuidenaar lachende. “Ik en lust geen likjes, maar +misschien lust jij wel een zoopje haaienwijn!” +<span id="d0e2480" class="pageno">bladzijde 62</span> + +<p id="d0e2483">Ook deze vijand werd als een veer opgetild; doch hij was sterker dan de ander en hield zich aan den schipper vast. + +<p id="d0e2486">“Nou, niet of graag! Wil je me niet loslaten dan gaan we samen! Adie, jongens, houdt je goed!”— + +<p id="d0e2489">Zoo riep hij en eensklaps sprong hij van de verschansing en verdween in de diepte.— + +<p id="d0e2492">Nog een oogenblik hielden we den ongelijken strijd vol; maar ten leste moesten wij den kamp opgeven en we zagen ons genoodzaakt, +wilden we het voorbeeld van den wakkeren en moedigen schipper niet volgen, de wapenen neer te leggen en ons over te geven.— + +<p id="d0e2495">Marten en ik werden met nog drie anderen aan boord van het grootste roofschip gebracht, om daar als honden behandeld te worden +en den bevelhebber op zijne wenken te bedienen.—Op zijne wenken, precies, want geen van de vijf kon die kerels verstaan. Gelukkig +dat we nog aanspraak aan elkander hadden en, dat Marten vergat, dat ik te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> met zulke gemeene jongens kennis had gemaakt. Het liefst sprak hij met mij over zijn’ Vader en zijne Moeder, en ook ik hoorde +er graag over spreken; want als Marten van zijne Ouders vertelde, dan vertelde ik van de mijne, en als hij ’t over <span class="letterspaced">Den Briel</span> had, dan had ik het ook daarover. Wij aten uit één bak; wij dronken uit één kroes; wij sliepen in één vuil hok; wij kregen +slagen met dezelfde zweep! Wij waren de beste vrienden; wij waren beide gevangenman en nu ... nu kent hij mij amper en hij +is Luitenant-Ammiraal en ik ben matroos! Jonge Kees, jongen, spiegel je aan mij! Maar de zon is onder; ik ga ter kooi! Morgen +de rest! Wel te rusten!”— +<span id="d0e2503" class="pageno">bladzijde 63</span> + +<p> +<hr class="noteseparator"> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e2195" href="#d0e2195src" class="noteref">1</a> Een <span class="letterspaced">duevekater</span> was een soort van koek of gebak. Men zond het elkander op sommige feestdagen tot een geschenk. + +</div> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e2390" href="#d0e2390src" class="noteref">2</a> Een <span class="letterspaced">driestreng, knuttel</span> of <span class="letterspaced">knut</span> is een touw waarmede de matrozen geslagen worden, als ze straf verdiend hebben. + +</div> +<h1 id="d0e2507">Ontvlucht en nog eens bij t’ “Kregel Mennonietje.”</h1> +<p id="d0e2512">“Onze galei zette koers naar <span class="letterspaced">Salee</span>. Bijna twee jaren lang hadden we met de roovers heen en weer gezworven en in al dien tijd geen enkel schip van de Compagnie +gezien. Wel hadden we in dien tijd een stuk of drie Spaansche schepen overmeesterd, maar voor het overige hadden we niet veel +meer gedaan dan geluierd.”— + +<p id="d0e2518">Zoo begon Huib den volgenden morgen zijne vertelling, doch in plaats van enkel Jonge Kees tot toehoorder te hebben, had hij +er nu wel tien van de bemanning om zich heen. Nauwelijks toch had Jonge Kees aan één zijner makkers verteld, dat de oude Huib +bezig was de geschiedenis van Goede Vaêr Tromp te verhalen, of deze briefde het aan anderen over. Zoolang Huib nog niet aanwezig +was, vertelde Jonge Kees alles wat de oude man hem den vorigen dag verhaald had. De matrozen waren dus redelijk op de hoogte +der geschiedenis en luisterden met ingespannen aandacht naar hetgeen Huib thans ging mededeelen. + +<p id="d0e2521"> +<div id="d0e2523" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/pl063.jpg" alt=""> +</div> + +<p id="d0e2526">“We hadden gedurende die twee jaren niet veel anders gedaan dan geluierd,” zoo vervolgde de verteller. “Hadden we maar beter +voedsel gekregen, waren we maar niet zoo mishandeld geworden en hadden we maar geene Moeder <span id="d0e2528" class="pageno">bladzijde 64</span>in <span class="letterspaced">Den Briel</span> gehad, zie, we zouden ons vrij goed in ons lot hebben kunnen schikken! Maar nu! o, Wat hebben we met ons vijven al plannen +gemaakt om te ontvluchten! Nu verzon de een dit, dan de ander dat plan! Maar de Turken hielden ons altijd in het oog en bewaakten +ons zorgvuldig. + +<p id="d0e2534">Ten leste hadden we alle plannen ter ontvluchting maar opgegeven, en hoopten we alleen, dat de goede God ons onverwacht uitkomst +zou geven. + +<p id="d0e2537">Zoo als ik zeî, wij zett’en koers naar <span class="letterspaced">Salee</span>, en dat wel hoofdzakelijk omdat ons vaartuig eenige noodzakelijke herstellingen moest ondergaan. ’T was een oude, versleten +kast!—Daar vertoonde zich eensklaps aan den gezichteinder donkere wolken, die al hooger en hooger kwamen. ’T werd bladstil +en de groote zee leek meer op eenen gladden spiegel dan op een stormachtig bewogen waterplas.—De rooverkapitein zag het onweder +nader komen en scheen er niet veel vrede meê te hebben, daar hij wel begreep, dat het oude schip niet veel weerstand zou kunnen +bieden.—Achter aan ’t vaartuig had men de boot al gereed liggen om, als de nood drong, hiermede te trachten althans het leven +te redden.—Intusschen brak er een hevig onweder over ons hoofd los. De storm verdubbelde zijn geweld. + +<p id="d0e2543">’T was klaar dat het schip het niet houden zou en daarenboven schenen we in de nabijheid van vele blinde klippen te zijn. + +<p id="d0e2546">De rooverkapitein gaf het teeken, de bemanning maakte de boot los, vulde ze met proviand, bond ons alle vijf aan scheepsboord +vast en verliet het vaartuig. + +<p id="d0e2549">Marten lag dicht bij me en scheen te bidden. Nu, dat was dan ook wel noodig; want het gevaar waarin wij verkeerden <span id="d0e2551" class="pageno">bladzijde 65</span>was zeer groot. We zagen niets dan den dood voor oogen. + +<p id="d0e2554">Het brooze vaartuig werd naar alle zijden heen en weer geslingerd.—Maar dat zou juist ons geluk zijn. Men had Marten met de +handen aan een touw gebonden, dat als een muur zoo vast, tusschen twee watervaten zat.—Er zouden reuzenkrachten noodig geweest +zijn om zich los te rukken, maar de holle zee was sterker dan een reus.— Eene golf, zoo groot als ik nog nooit gezien heb, +sloeg over de verschansing; wij dachten dat ons laatste uur geslagen was, en...een der vaten was omgekanteld en het touw was +los. Thans waren Martens handen spoedig vrij en al lag de knoop ook vast om zijn beenen, die kwam toch ook los. + +<p id="d0e2557">“Ik zal u helpen, mannen,” sprak hij, en kroop op handen en voeten naar de kajuit. Weldra kwam hij met een mes terug, hij +sneed onze banden los en, juist toen de storm op het felste was, waren we alle vijf vrij.—De andere drie matrozen waren bevaren +gasten en inplaats van zich kleinmoedig te betoonen, sloegen ze de handen aan het werk. De hoop, van nog eenmaal het lieve +Vaderland terug te zien, gaf dubbele kracht. + +<p id="d0e2560">Langzamerhand bedaarde de storm. Wel stond de zee nog hol; maar wij vertrouwden er op dat de Heer redding zou geven. + +<p id="d0e2563">“Wien God bewaart is wel bewaard, mannen,” sprak de oudste matroos en wij allen zeiden hierop: “Amen!” + +<p id="d0e2566">Na meer dan twee uren lang tegen den storm en de zee geworsteld te hebben, waren we het gevaar te boven, als we maar zorgden +dat de twee pompen nooit stil stonden. Zoodoende was er altijd één eenige oogenblikken vrij om wat te rusten of te eten.—Twee +dagen lang hadden we <span id="d0e2568" class="pageno">bladzijde 66</span>zoo doorgebracht; we waren door en door moede en langzamerhand begonnen we te vreezen, dat we ten leste het toch nog zouden +moeten opgeven.—We hadden geen tijd om behoorlijk uit te zien of er ook een schip naderde, zoodat we opschrikten toen we een +schot hoorden klinken. + +<p id="d0e2571">We keken op, en... o, vreugde, niet zoo heel ver van ons kwam een Oostindie-vaarder op ons af.— + +<p id="d0e2574">Nog altijd woei de vlag met de Halve maan van den achtersteven! Schielijk werd ze neergehaald en door allerlei teekenen gaven +wij te kennen, dat wij geene zeeroovers waren. Men scheen ons maar half te gelooven, want vier welgewapende booten kwamen +op ons af.—Met gejuich werden ze door ons begroet en met groot gejuich werden we door die mannen opgenomen. + +<p id="d0e2577">Wij waren gered; maar, o jongens, toen ’k eindelijk het dek van de <i>Maria</i> onder mijne voeten had, toen scheen er aan mijne vreugde geen einde te zullen komen. + +<p id="d0e2583">De <i>Maria</i> was een goed bezeild schip; de wind was voorbeeldeloos gunstig en toch gingen we naar onzen zin veel te langzaam. Eindelijk +kwamen we echter toch waar we wezen moesten en den 14den van Wintermaand in ’t jaar 1610 lagen we weer voor <span class="letterspaced">Rotterdam</span>. + +<p id="d0e2592">Spoedig begaven we ons naar <span class="letterspaced">Den Briel</span>. Wat zou mijne goede moeder blijde zijn als ze me weer zag!—-Maar, eilacie, nog was ik niet in de stad toen ’k een droeve +tijding vernam.— + +<p id="d0e2598">“Hei, hei!” hoorden we achter ons roepen. + +<p id="d0e2601">We keken om en zagen een breedgeschouderden knaap op ons afkomen. Marten meende hem te kennen, maar toch.... + +<p id="d0e2604">“Waar kom jeluî van daan?” vroeg de knaap toen hij ons genaderd was. +<span id="d0e2606" class="pageno">bladzijde 67</span> + +<p id="d0e2609">“Heb ik het niet gedacht,” riep Marten, “’t is ons “Kregel Mennonietje!”— + +<p id="d0e2612">“Ei, ei, wat ge goed raden kunt, en jij bent, he— heee—die bruine is Marten en die halve zwarte is Huib! Heee!”— + +<p id="d0e2615">“En hoe gaat het in <span class="letterspaced">Den Briel</span>?” vroeg ik. + +<p id="d0e2621">“Goed, goed, best, opperbest zelfs! Sinds een paar weken geef ik geregeld iederen dag een stuk of drie jongens op hun falie +want, weet-je, ’k heb me laten doopen! Lekker, hé? Kom nog eens aan mijn lijf als je durft!”<a id="d0e2623src" href="#d0e2623" class="noteref">1</a> + +<p id="d0e2630">Wij stonden met groote oogen te kijken en Witte had er zooveel pret in, dat hij dadelijk zijn buis op den grond smeet en zeî: +“Wil-je, zeg, wil-je? Allebei te gelijk, kom maar op!”— + +<p id="d0e2633">“Neen, Witte, we willen niet vechten! Zeg ons maar hoe ’t in <span class="letterspaced">Den Briel</span> is!” zeide Marten. + +<p id="d0e2639">“o Goed, goed! ’K heb gisteren je moeder nog gezien, springlevend maar een weinig treurig.—Jou vader en moeder zijn dood, +Huib! Je vader is hier in ’t zeegat over boord geslagen en verdronken, en je moeder is vandaag voor eene week gestorven. Ze +zeggen van verdriet! Maar zeg, wil-je nou niet ereis?”— + +<p id="d0e2642">“Wil-je nou niet ereis?” Wie zou nu lust in ’t vechten hebben? Maar hij kon het wel zeggen om mij te plagen en daarom vraagde +ik: “Maar zeg, Witte, is het waar?”— + +<p id="d0e2645">“Als je me niet gelooft dan begin ik dadelijk! Ik en ben geen leugenaar!” was het antwoord. + +<p id="d0e2648">Ik snelde naar de stad, kwam bij ons huisje en vernam daar van de buren wat er gebeurd was!— + +<p id="d0e2651">Ik keerde mij om en ging buiten de poort eens uitweenen! + +<p id="d0e2654">Die arme goede, goede, brave, lieve Moeder! +<span id="d0e2656" class="pageno">bladzijde 68</span> + +<p id="d0e2659">Ik kwam niet in de stad terug; maar twee dagen later was ik weer te <span class="letterspaced">Rotterdam</span>, waar ik mij op een Straatvaarder liet aanmonsteren. + +<p id="d0e2665">Een half jaar later dan ik kwam Marten aan boord van <i>De Haai</i>, een schoon schip waarover Pieter Pietersz. Hein Kapitein was. + +<p id="d0e2671">Marten was in goede handen! + +<p id="d0e2674">En ik?— +<span id="d0e2676" class="pageno">bladzijde 69</span> + +<p> +<hr class="noteseparator"> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e2623" href="#d0e2623src" class="noteref">1</a> Witte Cornelisz. De With liet zich in 1610 door den predikant Leuwins van <span class="smallcaps">Nieuwenhoorn</span> doopen. Zijn vader was reeds in 1602 overleden. Witte zelf bleef tot zijn 17de jaar aan wal en had in dien tijd twaalf ambachten +en dertien ongelukken.— Toen ik tot zoover in mijn verhaal gekomen was, wist ik niet dat Witte’s vader al gestorven was.—Zijne +moeder overleed echter eerst in 1624. + +</div> +<h1 id="d0e2680">Bezuiden de Linie.</h1> +<p id="d0e2685">Het was in den zomer van 1625 dat ik te <span class="letterspaced">Enkhuizen</span> met een mooie som gelds in den zak door de straten liep wandelen. Vijftien jaren lang had ik op onderscheidene Straatvaarders +als matroos dienst gedaan. Zonder nu nog slecht opgepast te hebben, had ik toch niemendal gedaan om mij boven anderen te onderscheiden. +Ik bleef, die ik was. Als matroos zeilde ik uit, als matroos kwam ik terug, en als matroos liet ik mij telkens opnieuw aanmonsteren. +Soms verdiende ik weinig, soms weer veel geld, maar onverschillig of het veel of weinig was wat ik aan den wal bracht, het +was altijd veertien dagen later, soms al vroeger, schoon op en dan was er weer maar niets anders te doen dan als matroos dienst +te nemen. Wat heb ik wel met dat zuurverdiende, kostelijke geld geleefd! Het rolde zoo maar mijn zakken uit; nu eens in een +huis waar men toeback dronk, dan weer in de gelagkamer van eene matrozentaveerne en menigmaal ook in den zak van dat soort +volk, dat den onbezorgden matroos den laatsten duit voor allerlei snorrepijperijen weet af te troggelen. + +<p id="d0e2691">Mijne laatste reize was eene uitmuntende geweest. De buidel was nog nooit ofte nimmer zoo goed voorzien geweest, en daarom +besloot ik eens naar <span class="letterspaced">Amsterdam</span> te <span id="d0e2696" class="pageno">bladzijde 70</span>gaan om daar,—och, wat helpt het al geef ik er een mooi kleurtje aan?—om daar mijn geld zoek te maken. + +<p id="d0e2699">Wat zou ik doen? Varen, loopen of rijden? Varen? Dank-je, dat was wat al te saai, daar en had ik geen lust in! Loopen? Eene +lieve wandeling van <span class="letterspaced">Enkhuizen</span> naar <span class="letterspaced">Amsterdam</span>! Rijden? Wel ja, dat moest ik eens doen! Ik had het zeker in geen twintig jaren gedaan!— + +<p id="d0e2708">Dat was dus besloten! Ik zou rijden!— + +<p id="d0e2711">Toen ik goed en wel op weg was, had ik er wel spijt van en dacht ik aan het zeggen van een oud kameraad: “Liever met eene +oude schuit op zee, dan met eenen nieuwen wagen op het land,” maar, ik had gekozen en ’k wilde nu niet als een echte flauwerd +terug krabbelen. + +<p id="d0e2714">Half ziek van het hotsen en schudden kwam ik’s avonds om tien uur te <span class="letterspaced">Amsterdam</span> aan.—Er was weinig verkeer meer op straat, doch aan den <span class="letterspaced">IJkant</span> hoorde ik uit eene kleine taveerne een vroolijk gelach klinken.— Waar gelachen werd daar moest ik wezen, dat zou me wat opknappen. +Ik trad de taveerne binnen en kon in het eerst bijna niets onderscheiden, zoo vol was het met toebacksrook. Eene kaars, die +op eene toonbank stond, geleek veel op een maantje in ’t laatste kwartier dat in den mist opkomt. Ik hield de handen voor +de oogen en ontdekte eindelijk aan een tafeltje, waar nog zoo’n laatst-kwartier-maantje stond te walmen, een stuk of zes matrozen. +Ik schikte bij en weldra moest de nieuweling een rondje bier geven. De pijpen werden nog eens aangestoken, en de pret begon +opnieuw. + +<p id="d0e2723">Maar of het nu kwam door den rook, door het bier of door de vermoeienissen van de reis, ik en weet het niet, doch dat weet +ik wel, dat ik op het laatst wat hoorde gonzen en babbelen; maar ik sliep eindelijk zoo <span id="d0e2725" class="pageno">bladzijde 71</span>vast, dat men wel een kanon aan mijne ooren had kunnen afschieten eer ik wakker was geworden. + +<p id="d0e2728">Hoe lang ik geslapen had weet ik niet; maar ik werd wakker toen de zon al lang aan den hemel stond, en niet in de gelagkamer +van de taveerne, maar op een’ steekwagen, die op straat onder eene poort stond.—Ik wreef mijne oogen eens uit, ging overeind +zitten en trachtte mij te herinneren waar ik den vorigen avond geweest was. Zou ik soms...? Ik voelde naar mijnen buidel en +... hier niet, daar niet,—weg! In een oogenblik was ik van den steekwagen aan den <span class="letterspaced">IJkant</span>! Maar inplaats van ééne taveerne te vinden, zag ik er wel meer dan een dozijn en zij geleken allen op elkander als de eene +droppel water op den anderen.—Ik ging ze binnen, doch werd overal ruw bejegend, ja, soms dreigde men mij met den Schout.— +Wat moest ik doen?— + +<p id="d0e2734">“Zoek-je een schip, kompeer?” vroeg mij een varensgezel. + +<p id="d0e2737">“Ja, hoe eer hoe liever!” gaf ik ten antwoord. + +<p id="d0e2740">“Ga dan maar mee,” sprak hij. + +<p id="d0e2743">Ik volgde mijnen nieuwen makker en een half uur later was ik aan boord van de <i>Drie Zusters</i>, een flink oorlogsfregat.— + +<p id="d0e2749">De bemanning was voltallig. De kapitein kwam aan boord en ... bedrogen mij mijne oogen? Wie was dat? Nog zoo jong, lang, veel +ouder geworden, maar.... + +<p id="d0e2752">“Zeg eens, ouwentje,” vroeg ik een mijner kameraads, “hoe heet de kapitein?” + +<p id="d0e2755">“De kapitein?” was het antwoord, “de kapitein? ’K zal dertigmaal eene reis om de wereld maken, als ik het weet! Ik ben hier +ook pas! Zeg, jij daar met je bruine buis en je dunne spillebeenen, hoe heet de kapitein?”— +<span id="d0e2757" class="pageno">bladzijde 72</span> + +<p id="d0e2760">De aangesprokene keerde zich even om en zei: “Wou je ’t weten?”— + +<p id="d0e2763">“Ja, ik, ik wou het weten!” gaf ’k ten antwoord. + +<p id="d0e2766">“Welnu dan, hij heet Marten Harpertsz. Tromp.” + +<p id="d0e2769">“Marten Harpertsz. Tromp uit <span class="letterspaced">Den Briel</span>?” riep ik. + +<p id="d0e2775">“Je raadt het. Hij is de lieveling van onzen Onder-Ammiraal Pieter Pietersz. Hein. Hij heeft met hem twee malen bij de Spanjolen +gevangen gezeten en ik geloof haast, dat de een niet buiten den ander kan!”— + +<p id="d0e2778">Het was of het dek van de <i>Drie Gezusters</i> een kogel geworden was met zeep besmeerd. Ik kon haast niet blijven staan en alles draaide voor mijne oogen in het rond. +Dàt Marten Harpertsz. Tromp! Dàt mijn vroegere speelkameraad! Dàt op de Turksche zeeroover mijn slaapmakker, mijn gelijke! +En nu—hij kapitein en ik—matroos!—O, die Zwijn, die Zwijn!—Hij was de schuld van alles! Ware die niet aan boord van <i>De Bare</i> geweest, dan, dan ... + +<p id="d0e2787">Maar daar kwam die oude Brielsche schoolmeester weer in mijne gedachten en het was of ’k hem nog hoorde zeggen: “Kwikkwik, +janslik demp mijn oor is peperpit” of hoe dat Latijnsche spreekwoord heeten mag, maar dat zooveel moest beteekenen als: “De +tijd die voorbijging is verloren!” + +<p id="d0e2790">We waren al veertien dagen in volle zee en hoe slim ik het ook menigmaal aangelegd had om Marten eens aan te spreken, het +was mij niet gelukt. + +<p id="d0e2793">Zoo peinzende op een nieuw middel liep ik ’s morgens op den vijftienden dag doelloos van stuurboord naar bakboord en keek +maar gestadig op het dek. + +<p id="d0e2796">“Zoek-je wat, matroos?” klonk op eens eene stem naast mij. + +<p id="d0e2799">Het was die van Marten. + +<p id="d0e2802">“Neen, kapitein, maar, maar ...” + +<p id="d0e2805">“Nu, wat is het? Heb je wat te vragen?”— +<span id="d0e2807" class="pageno">bladzijde 73</span> + +<p id="d0e2810">“Ja, kapitein, maar, maar ik durf haast niet!” + +<p id="d0e2813">“Ben-je behekst, kerel? Ik ben toch geen haai! Vraag op, wat is het?”— + +<p id="d0e2816">Ik beefde van, ja, ik weet niet waarvan, maar ik kon mijzelven haast niet verstaan toen ik vroeg: “Kent u mij niet, kapitein?”— + +<p id="d0e2819">Marten bekeek me nauwkeurig en zei: “Ja, jawel, je bent,—je bent ... neen, ik ken je toch niet!” + +<p id="d0e2822">Ik lachte als een kind dat slaag krijgt en dat lacht, omdat het anders nog meer krijgt.— + +<p id="d0e2825">“Nu, wie ben-je dan?” vroeg Marten. + +<p id="d0e2828">“Huib Maerlant!” stotterde ik.— + +<p id="d0e2831">Tromp sprong wel drie schreden achteruit, doch kwam spoedig naar mij toe en zeî: “Huib, Huib, wie had dat gedacht toen we +op den <span class="letterspaced">Burgheuvel</span> te <span class="letterspaced">Oostvoorne</span> zeegevechtje speelden, toen we te zamen voeren en—te zamen zweepslagen ontvingen! Je bent niet gelukkig geweest, Huib!”— + +<p id="d0e2840">Ik meende te zeggen: “Zoo gelukkig niet als jij, Marten!” maar ik bedacht mij gelukkig intijds en sprak zuchtende: “Neen, +kapitein, daar ontbreekt veel aan!” + +<p id="d0e2843">“Ook niet zoo gelukkig, als ik!” sprak Tromp. “Maar jongen, om het zoo ver te brengen heb ik heel wat moeten doen en heel +wat moeten doorstaan! Maar, herinner je dien jongen schipper nog, die eerst aan boord van <i>De Bare</i> was?” + +<p id="d0e2849">“Jawel, kapitein! U bedoelt dien Pieter Pietersz. Hein?” + +<p id="d0e2852">“Juist! Nu, ik ben gelukkig in zijne handen gevallen. Hij heeft mij gemaakt, die ik ben; aan hem heb ik alles te danken. Hij +is nu onze Onder-Ammiraal!” + +<p id="d0e2855">“Ik weet het kapitein! Maar weet u ook wat er van het “Kregel Mennonietje” geworden is?”— + +<p id="d0e2858">“Die volgt mij op den voet, Huib! Hij is nu al luitenant <span id="d0e2860" class="pageno">bladzijde 74</span>aan boord van Boudewijn Hendriksz. den Ammiraal.— Als Witte zoo voortgaat dan ...” + +<p id="d0e2863">“o, Kapitein, toen ik als knaap afscheid van hem nam, zeî hij: “Als ik zeeman word dan moet ik ook Ammiraal worden!” Dat zeî +hij en ... God, God, gij allen gaat mij vooruit en ik, ik blijf, die ik ben, een arm, arm matroos!” + +<p id="d0e2866">Ik barstte in tranen uit.— + +<p id="d0e2869">“Wat niet is kan nog worden, Huib! Moed gehouden! Later spreek ik u nog wel eens!”— + +<p id="d0e2872">Tromp verwijderde zich; maar ik fluisterde: “Te laat! Verloren tijd keert nimmer weer!”— + +<p id="d0e2875">Op de hoogte der <span class="letterspaced">Vlaamsche eilanden</span> werden al de schepen vereenigd. Hadden we, zooals het plan was, ons met den Ammiraal kunnen vereenigen, dan hadden we eene +schoone macht uitgemaakt, doch dit plan werd verijdeld en met negen oorlogsschepen en vijf jachten zett’en wij koers naar +<span class="letterspaced">Amerika</span> om de Spaansche Zilvervloot te onderscheppen. Ook deze toeleg mislukte en thans besloot onze bevelhebber Piet Hein naar <span class="letterspaced">Brazilië</span> te stevenen en aldaar de Spaansche vloot op te zoeken.—Dit was niet moeielijk; want weldra vonden wij haar in de <span class="letterspaced">Allerheiligen baai</span>, maar goed en wel gedekt door het geschut der stad.— + +<p id="d0e2890">Toen Tromp van den krijgsraad terugkwam, werden wij allen bij elkander geroepen, en toen dit geschied was, sprak hij: + +<p id="d0e2893">“Mannen, onze Onder-Ammiraal wil een stout stuk bestaan waarvan, als het ons gelukt, de wereld gewagen zal.—Er is roem, eer +en lof te behalen. Gij allen weet hoe vreeselijk fel onze Opperbevelhebber op den Spanjool gebeten is. Werd hij niet eenmaal +door den Spanjool gevangen genomen en gegeeseld? Heeft hij in de <span class="letterspaced">West-Indiën</span> +<span id="d0e2898" class="pageno">bladzijde 75</span>niet andermaal onder hen eene harde krijgsgevangenschap moeten verduren, en is hij daar niet twee volle jaren lang als een +hond behandeld geworden?—Maar wat spreken wij van hem? Hebben wij niet allen een vader, grootvader, broeder of vriend op hen +te wreken? Komt aan, toont dan den Braziliaan en den Spanjool wat ge durft en wat ge kunt! + +<p id="d0e2901">Hoort, daar klinkt het eerste kanonschot! Piet Hein is de voorste en gaat op den vijand in! Wat zullen wij doen, hem volgen +of....” + +<p id="d0e2904">“Volgen, volgen, volgen!” klonk het van alle zijden. + +<p id="d0e2907">Tromp wuifde zijn hoed en riep: “Leve de West-Indische Compagnie! Leven de <span class="letterspaced">Vereenigde Nederlanden</span>!”— + +<p id="d0e2913">Wij allen herhaalden die woorden, en daar ging het. De <i>Gelderland</i> en de <i>Holland</i> waren den Ammiraal spoedig op zijde, doch wij met nog vijf andere schepen vervielen onder den wind en konden niet volgen, +zoodat die drie schepen den hond zijn kluif moesten ontnemen. En, heer, heer, wat ging het er langs. Piet Hein schoot, als +of hij alleen alles wilde vernielen en toen wij eindelijk ook op zijde waren, begonnen de poppen eerst recht te dansen. + +<p id="d0e2922">De Spanjaarden riepen genade! + +<p id="d0e2925">Maar, jawel, wij hoorden er geen van allen wat van, dat wil zeggen, wij waren Engelsch doof en wilden niet hooren!— + +<p id="d0e2928">Daar werd van het Ammiraalsschip eene boot neergelaten! + +<p id="d0e2931">“De booten uit! De booten uit!” beval Tromp. + +<p id="d0e2934">En nu ging het er zoo op los. + +<p id="d0e2937">Als katten klauterden wij daar tegen die renzenschepen op en de Spanjolen waren zoo verslagen en stonden zoo versuft te kijken, +dat we dit durfden doen, dat ze een <span id="d0e2939" class="pageno">bladzijde 76</span>- twee - drie rechtsomkeert maakten en over boord sprongen om hun leven te redden. + +<p id="d0e2942">Ja, ’t hielp wat of ze ook uit de stad schoten, we gaven er zoo goed als niemendal om, en die luiden moesten het zoo maar +aanzien, dat we twee en twintig schepen vlak voor hunnen neus weghaalden. + +<p id="d0e2945">Maar op het onverwachts bleef het Ammiraalsschip vast zitten en weldra volgde de <i>Gelderland</i> dat leelijke voorbeeld. + +<p id="d0e2951">Welke moeite er ook gedaan werd, alleen de <i>Gelderland</i> kwam los en het Ammiraalsschip bleef zitten als een muur, niettegenstaande wij alle pogingen in het werk stelden om het vlot +te krijgen. + +<p id="d0e2957">Piet Hein kwam thans bij ons aan boord en het was eene liefhebberij om te zien hoe hij Tromp behandelde. + +<p id="d0e2960">Om de waarheid te zeggen, ik had liever gezien, dat hij maar aan boord van een ander schip gegaan was; want ik verkeerde maar +in de meening, dat hij mij ontdekken en herkennen zou. Ik bleef hem zooveel mogelijk uit zijn vaarwater en ik zorgde ook wel +dat ik hem niet voor den boeg kwam. Was hij met Tromp in gesprek dan dacht ik: “Wie weet of ze ’t nu niet over mij hebben!” +— + +<p id="d0e2963">Gelukkig was ik voor niemendal bevreesd geweest, en als ik maar een gerust geweten gehad had, dan zou ik begrepen moeten hebben, +dat een Ammiraal zich zelden met matrozen ophoudt. + +<p id="d0e2966">Intusschen ging ’k dien avond vroeg ter kooi en bekommerde mij al heel weinig om het schieten uit de stad op het nog vastliggend +schip. Den anderen dag gingen wij er nog eens heen om weer andere middelen in het werk te stellen teneinde het vaartuig vlot +te krijgen. — ’T geleek veel op een zeef en Piet Hein zei: “Bij mijne trouw, <span id="d0e2968" class="pageno">bladzijde 77</span>het schijnt dat de Spanjool zich gisteren avond in het schijfschieten heeft geoefend! Bah! kwâjongens werk!”— + +<p id="d0e2971">Na meer dan een uur lang onder het vuur des vijands alles gedaan te hebben wat we maar konden verzinnen, zonder ook maar een +duimbreed te vorderen, gaf Piet Hein bevel alles uit het schip te halen wat er maar uit te halen was. Het geschut werd vernageld +en vervolgens kregen we in last om op vier plaatsen den brand er in te jagen.—Juist toen ik hiermede bezig was hoorde ik eenen +hevigen slag. Ik stormde naar het dek en zag de zee bedekt met de overblijfselen van het schip <i>De Oranjeboom</i>, dat, òf door eigen vuur, òf door dat van den vijand in brand geraakt was. Meer dan veertig man kwam bij deze gelegenheid +op eene ellendige wijze om het leven. Slechts veertien van de zestig manschappen werden nog half levend, doch met verminkte +ledematen uit het water gehaald. + +<p id="d0e2977">Eindelijk scheen de Ammiraal over den behaalden buit tevreden te zijn en den vijand genoeg naar zijnen zin getuchtigd te hebben. +Hij gaf bevel om af te houden en den koers naar het Vaderland te richten. + +<p id="d0e2980">Zoodra dit geschied was zeide Piet Hein: “Tromp, waar is je barbier of houdt je er zoo’n meubel niet op na?” + +<p id="d0e2983">“Zeker, zeker,” sprak Tromp, “maar ... maar ...” + +<p id="d0e2986">“Je kijkt zoo naar mijn baard, Tromp, neen, ik moet niet geschoren worden; hij moet mij wat verbinden!” + +<p id="d0e2989">“Verbinden?” vroeg Tromp en zijne oogen werden zoo groot als twee rijstbeschuiten, “verbinden? U is toch niet gewond?” + +<p id="d0e2992">“Och, ’t is de moeite niet waard er veel water over vuil te maken. Ik kreeg een splinter in het been en een musketkogel aan +den linkerarm, meer niet! Nu, nu, doe maar niet zoo raar, ik zal er niet van dood gaan!” +<span id="d0e2994" class="pageno">bladzijde 78</span> + +<p id="d0e2997">Ik had dat gesprek ongemerkt afgeluisterd en spoedde mij heen om den barbier te halen. + +<p id="d0e3000">Deze kwam weldra en een uurtje later wandelde de dappere en kordate man heel bedaard over het dek. + +<p id="d0e3003">Nu had ik altijd een ekel aan hem gehad, omdat hij mij, toen hij nog schipper was, gestadig zoo ongezouten de waarheid had +gezegd, maar dat veranderde nu in een oogenblik. “Sapperloot,” dacht ik, “dat is een man!” en nauwelijks had ik dat gedacht +of, iemand tikte mij op de schouders. + +<p id="d0e3006">“Wel, Huib, ben je er nu al zeker van of die vermaarde en excellente poëet Jakob Van Maerlant van je maagschap is?”— + +<p id="d0e3009">Ik groette beleefd en lachte. + +<p id="d0e3012">“Nu ja, maar alle gekheid terzijde, waarom ben je niet ten oorlog blijven varen, ge zoudt het licht zoo ver hebben kunnen +brengen als ... als ... Tromp.—Heb je in dien tijd braaf wat geleerd?”— + +<p id="d0e3015">Ik kreeg weer een ekel aan hem, was dat nu vragen! Tromp lachte mij toe, alsof hij zeggen wou: “Maak van de gelegenheid gebruik, +wees vriendelijk en bescheiden! Piet Hein is nu Ammiraal, wie weet wat hij nog van je maken kan!”—Maar, neen, dat wilde ik +niet, ik wilde niet vriendelijk en bescheiden zijn en om maar te maken dat ik gauw van hem afkwam, zei ik: “Ik en ken niemendal, +geen letter, dat weet u wel!”— + +<p id="d0e3018">Tromp fronste de wenkbrauwen en zonder nog een woord te spreken, draaide Piet Hein mij den rug toe.—Na dien tijd ben ik Tromp +ook als trouw vriend kwijt geraakt. Toen meende ik mij tegenover dien grooten geluksvogel van <span class="letterspaced">Delfshaven</span> al eens heel kordaat gehouden te hebben; maar ik heb mij later wat beklaagd! Vooral toen ik in <span id="d0e3023" class="pageno">bladzijde 79</span>1641 met den Ammiraal Gijsels naar <span class="letterspaced">Portugal</span> vertrok. Een kapitein Franse Jacobzen Touw werd toen benoemd tot lid van den krijgsraad, maar moest voor die eer bedanken, +omdat ... hij niet lezen of schrijven kon. Toen gingen mijne oogen eerst goed open en ik dacht: kon Touw kapitein worden, +dan hadden ze het mij nog beter kunnen maken; want ik kan in alle gevallen toch iets van de lees-en schrijfkonst!—Maar ’t +was te laat!”— + +<p id="d0e3029">Hier hield Maerlant even op en toen Jonge Kees vroeg: “Nu Huib, wat volgde nu?” antwoordde hij: “Wij kwamen behouden in ’t +Vaderland aan! Maar laat mij eene wijle rusten; er zit eene haai in mijn keel, ik en kan niet meer spreken!”— + +<p id="d0e3032">De waarheid was dat Huib te erg aangedaan was en nu meer dan vroeger misschien dacht aan de spreuk van den Brielschen schoolmeester: +De tijd, die voorbijging is verloren!” +<span id="d0e3034" class="pageno">bladzijde 80</span> + +<h1 id="d0e3038">Toegejuicht en beweend.</h1> +<p id="d0e3043">Reeds twee jaren lang had ik op een der oorlogsschepen van de West-Indische Compagnie gevaren en er was geene sprake geweest +van verhooging in rang. Vermoedelijk had Tromp liet zoo bewerkt dat ik op een ander schip dan het zijne geplaatst werd, maar +ik weet het niet recht. Men zeide dat er aan boord van <i>de Witte Leeuw</i> kapitein Jan Jansz. van <span class="letterspaced">Hoorn</span> gebrek aan bevaren matrozen was, en daar men mij toch in alle gevallen de eer gunde tot de bevaren matrozen te behooren, +zoo werd ik overgeplaatst. Ik had er geen spijt af. Kapitein Jan Jansz. was een abel en dapper man en bij het volk zeer gezien.— + +<p id="d0e3052">“Mannen,” zeî hij op zekeren mooien Meidag van het jaar 1628, “mannen, de West-Indische Compagnie heeft geld noodig en daar +wij, lacie, bij ons te lande geen zilver of goud kunnen vinden, zoo is er besloten geworden den Spanjool eens aan den pols +te voelen. Dat <span class="letterspaced">Amerika</span> levert ieder jaar onzen vijand goud en zilver in overvloed en dat wordt overgebracht met eene vloot, die door de Spanjaarden +zelven de Zilvervloot genoemd wordt!—Dat vosje gaan we vangen, maar ik zegge u, dat geen uwer het hart in zijn lijf moet hebben +aan het plunderen te slaan; want zoo waar ik kapitein Jan Jansz. ben, ik zal <span id="d0e3057" class="pageno">bladzijde 81</span>ieder, die dat durft te doen als deugniet ergens aan wal laten zetten.—De kat komt een graatje toe, zegt het spreekwoord en +ik en zeg niet dat dit logen is; maar zij die dat zeggen nemen gewoonlijk de visch voor zich en gunnen de graat een ander! +En nu, handen aan het werk! Vooruit!” + +<p id="d0e3060">Wij voegden ons bij de vloot, die een en dertig schepen telde en onder bevel van Piet Hein stond. Aanvankelijk hadden we geen +tegenspoed, doch toen we dicht bij <span class="letterspaced">Amerika</span> kwamen hadden we zooveel met tegenwind te kampen, dat iedereen dacht: “Nu zal de buit ons toch ontgaan!” + +<p id="d0e3066">Wij waren al in de nabijheid van liet eiland <span class="letterspaced">Cuba</span> en wel in de baai van <span class="letterspaced">Matanza</span> bij <span class="letterspaced">Havana</span> gekomen, toen we eensklaps de ontdekking deden, dat de prachtige vogeltjes daar in de kevie zaten. Zoo handig als de gouverneur +van <span class="letterspaced">Havana</span> dit doen kon, zond hij een schip uit om den bevelhebber der Zilvervloot te zeggen: “Den g’ndag van mijn baas, en hij laat +je weten, dat je de vogeltjes niet moet laten vliegen; want de kat loopt te tafelschuimen!” + +<p id="d0e3081">Maar wij waren dat meneertje te vlug af en spoedig was het: “Kip, ik heb-je! We zullen zelf de boodschap wel doen!” + +<p id="d0e3084">De bevelhebber der Zilvervloot nu, denkende dat er geen vuiltje aan de lucht was, zeilde uit en kwam midden in den nacht tusschen +onze schepen in. Hij meende echter dat wij ook Spanjolen waren en toen het dag was geworden, en hij zijne leelijke vergissing +zag, was het te laat om zich nog voor eene flinke kloppartij gereed te maken, zoodat er niets anders op zat, dan zich als +een weerlooze te laten doodschieten, of zich over te geven. De man lustte echter te graag zijn fleschken Malaga om zich zoo +maar te laten vermoorden, en daarom besloot hij, op voorwaarde <span id="d0e3086" class="pageno">bladzijde 82</span>van lijfsbehoud, zich met het geheele boeltje, zooals het reilde en zeilde, aan de Hollanders over te geven. + +<p id="d0e3089">Dat was eene schoone vangst en dat zonder slag of stoot! ’T was haast niet om te gelooven. Geen wonder dat het volk, toen +wij in het Vaderland weergekeerd waren, Hein als het ware, op de handen droeg. Elf millioen guldens was ook geene kleinigheid! +En wij? Nu, we deelden meê in den lof, die onzen Ammiraal toegezwaaid werd, maar voor het overige viel er niet veel te verdienen. +Als wij niet ietewat voor ons zelven gezorgd hadden, dan zouden we van het vischje nog minder dan het graatje gekregen hebben. +Piet Hein werd tot Luitenant-Ammiraal van <span class="letterspaced">Holland</span> benoemd en de heeren van de West-Indische Compagnie deelden vijftig percent winst uit. + +<p id="d0e3095">Zoo er echter één naar verdienste beloond werd, dan was het onze Ammiraal, en meer dan jammer was het, dat hij van zijne hooge +waardigheid zoo weinig pleizier zou hebben. Weet-je waarom? Luister maar! + +<p id="d0e3098">Die van <span class="letterspaced">Duinkerken</span> hebben altijd vele noten op hunnen zang gehad en toch zingen ze leelijk; maar in dien tijd hadden ze nog veel te vertellen. +Ze zaten maar op den loer of er ook rijkgeladen koopvaarders door <span class="letterspaced">Het Kanaal</span> kwamen en, wee het schip, dat geene mooie dubbele rij holle ijzeren tanden kon laten zien; want om een paar kiezen en eenige +melktandjes gaven ze net zooveel, als een boer om eene rotte kool. + +<p id="d0e3107">Om deze luidjes nu eens wat tot rede en plicht te brengen, werd Piet Hein het volgende jaar met eenige schepen uitgezonden. +Zijn eerste werk was de haven der stad zoo netjes in te sluiten, dat er geen schip in of uit kon. Drie der roofschepen waren +echter bijna nog ontsnapt, maar de wakkere Ammiraal liet zich nu maar niet zoo <span id="d0e3109" class="pageno">bladzijde 83</span>bedotten. Hij zette hen achterna en begon een scherp gevecht. Marten was er ook weer bij en op het oogenblik, dat deze een +bevel ontving, zag hij den bevelhebber aan zijne zijde wankelen en neervallen. + +<p id="d0e3112">Geen woord kwam er meer over zijne lippen; de man was ineens dood. Een stuk schroot uit grof geschut had een einde gemaakt +aan het leven van eenen man, dien de <span class="letterspaced">Vereenigde Provinciën</span> zoo zeer noodig hadden. + +<p id="d0e3118">Met groote droefheid werd de tijding van zijnen dood in <span class="letterspaced">Holland</span> ontvangen, en veertien dagen later werd het overschot van den moedigen man, onder eenen grooten toeloop van nieuwsgierigen, +te <span class="letterspaced">Delft</span> in de Oude kerk begraven. + +<p id="d0e3127">Met Piet Hein verloor Marten ook zijnen grootsten beschermer en machtigsten voorspraak. Hij bleef nog eenigen tijd, als kapitein, +aan boord van <i>de Groene Draak</i>, doch werd toen van zijne betrekking ontslagen. Waarom dit geschiedde weet ik niet recht. + +<p id="d0e3133">Geen wonder dat Marten zich thans geheel aan den zeedienst onttrok en rustig aan den wal ging leven.— + +<p id="d0e3136">De oorlogszaken ter zee gingen echter weldra verkeerd en eindelijk werd er besloten, dat men een wakker zeeman, een moedig +en beleidvol kapitein zoeken moest, om dezen aan het hoofd der vloot te plaatsen en aan den slechten toestand, waarin zij +verkeerde, een einde te maken. Lang zocht men nu eens hier en dan eens daar, doch men kon maar tot geene keus komen, totdat +de oogen van Stadhouder Frederik Hendrik, zaliger, op onzen Tromp vielen. + +<p id="d0e3139">Dit geschiedde in ’t jaar ’37. +<span id="d0e3141" class="pageno">bladzijde 84</span> + +<h1 id="d0e3145">Bij Duins.</h1> +<p id="d0e3150">Na het sneuvelen van Piet Hein had ik den dienst ter zee voor de West-Indische Compagnie verlaten, en maakte even als vroeger, +weer tochten met de Straatvaarders. Langzamerhand begon echter de walvischvangst minder voordeelen af te werpen, en daarom +besloot ik andermaal weer in dienst van den Lande te gaan. Ik deed dit vooral omdat ik in ’s Lands dienst nu elf gulden per +maand verdienen kon en ... omdat ik naar afwisseling verlangde. En afwisseling zou er komen, dat stond zoo vast als eene belboei +aan eenen hardsteen. Allerlei geruchten deden de ronde in het land. Nu eens was het: “<span class="letterspaced">Spanje</span> rust eene sterke vloot uit om de Oostenrijkers en enkele Duitsche staten tegen de Zweden te helpen!” Dan weer was het: “Mis +mannetje, misgeschoten, er wordt eene landing in ons land voorbereid!” Eindelijk kwam een derde en die vertelde, dat geen +van ons allen van toeten noch blazen wist, want dat “de Landvoogd in de <span class="letterspaced">Spaansche Nederlanden</span>,”—ik meen dat het toen de kardinaal Infant Ferdinand was,—aan den koning van <span class="letterspaced">Spanje</span> om hulp had gevraagd en dat die vloot te <span class="letterspaced">Duinkerken</span> zou binnenloopen. + +<p id="d0e3165">De vloot, die dan afgezonden was om in <span class="letterspaced">Duitschland</span>, in ons Land, of te <span class="letterspaced">Duinkerken</span> de poppen aan het <span id="d0e3173" class="pageno">bladzijde 85</span>dansen te krijgen, was wel zeven en zestig zeilen sterk. Zelfs waren er vier galjoenen bij, die van vier en vijftig tot acht +en zestig kanonnen aan boord hadden.—Ze had bovendien tienduizend man landingstroepen aan boord en even zooveel zeesoldaten. +De Ammiraal van die vloot was Don Antonio D’ Oquendo, die in dien tijd voor een heelen bol doorging. Maar eer die vloot in +<span class="letterspaced">Het Kanaal</span> kwam, had Tromp nog een ander appeltje te schillen met de Duinkerkers. Die luî waren met den dag brutaler geworden. In zes +jaren tijds hadden ze van die van <span class="letterspaced">Maassluis</span> alleen ruim tweehonderd haringbuizen genomen, die te samen zoo ongeveer een millioen guldens waarde hadden. Men zegt zelfs, +dat een Duinkerker door zeeroof zoo rijk geworden was, dat hij den Koning van <span class="letterspaced">Spanje</span> twaalf oorlogsschepen aanbood, als deze hem eene ridderorde wilde schenken. + +<p id="d0e3185">Nu was Tromp van plan de haven in te sluiten, maar eer wij er waren hadden reeds twintig schepen het ruime sop gekozen. Onze +heele macht bestond uit twaalf scheepjes, doch de Ammiraal was de man niet om het nu op een loopen te zetten, en daarom pakte +hij ze maar dadelijk aan, en hij deed dit zoo knap, dat de vijand na twee schepen en zestienhonderd man verloren te hebben, +het hazepad koos. En, het mag gezegd worden, zijn de Duinkerkers en Spanjolen knap in het stelen, ze zijn ook knap in het +aan den haal gaan.— + +<p id="d0e3188">Toen we van dien vijand zoo netjes afgekomen waren, was er wat te doen in ons Landje, en de Heeren Staten waren er zoo mede +in hunnen schik, dat ze Tromp eene prachtige gouden keten gaven. De Koning van <span class="letterspaced">Frankrijk</span> vereerde hem met de orde van Sint-Michiel. + +<p id="d0e3194">Ondertusschen bleven wij in <span class="letterspaced">Het Kanaal</span> kruisen, verlangend naar het oogenblik, dat we de vloot, waarover al <span id="d0e3199" class="pageno">bladzijde 86</span>zooveel geschreven en gezegd was, eens onder de oogen konden zien. + +<p id="d0e3202">De vijandelijke schepen waren vast grooter van bouw dan de onze, maar wat gaven wij daar om? + +<p id="d0e3205">“Grooter,” riep er een, “ei wat, grooter! ’T zit ’m in de grootte niet! Als een olifant eene kat vervolgt, en poesje kruipt +door de tralies van ’t keldergat, dan staat meneer de olifant op zijne lange slurf te kijken, als Jut voor het landhek!” + +<p id="d0e3208">De vijandelijke vloot telde ook meer schepen dan de onze! Maar wat gaven wij daar om? + +<p id="d0e3211">“Meer schepen,” riep een tweede, “meer schepen, wat zou dat? ’T zit ’m niet in zoo ’n menigte schepen! Eén vliegje maakt het +twintig paarden op een’ dag lastig!”— + +<p id="d0e3214">De vijandelijke vloot telde meer kanonnen en meer manschappen! Maar wat gaven wij daar om? + +<p id="d0e3217">“Meer kanonnen en meer zeevolk,” riep een derde, “wat zou dat? Twintig haviken pikken naar ééne zwaluw en zij krijgen haar +toch niet; want het beestje is die luî te glad af!”— + +<p id="d0e3220">De vijand had een bekwaam, machtig, ervaren en dapper Ammiraal! Maar wat gaven wij daar om? + +<p id="d0e3223">“Een bekwaam, machtig, ervaren en dapper Ammiraal,” riep een vierde, “wat zou dat? Wij hebben Tromp, De With en Banckers! +Tellen die drie niet voor honderd Spaansche Dons met namen van ’k weet niet hoe lang wel?”—- + +<p id="d0e3226">Zoo kon men nu eens dit en dan eens dat hooren; maar niet een was er, die den kop moedeloos hangen liet en voor Jan Bang speelde. + +<p id="d0e3229">Eindelijk kregen we den vijftienden van Herfstmaand de vijandelijke schepen in het gezicht. Het was een prachtig schouwspel, +vooral daar ze den wind vlak voor het lapje hadden.— +<span id="d0e3231" class="pageno">bladzijde 87</span> + +<p id="d0e3234">Tromp zond dadelijk een der kleinste vaartuigen uit om De With, die op de hoogte van <span class="letterspaced">De Cingels</span> kruiste en Banckers, die de haven van <span class="letterspaced">Duinkerken</span> ingesloten hield te gaan waarschuwen.—Om de zijnen te laten weten waar ergens hij zich bevond, liet onze Ammiraal om het +half uur seinschoten doen, en vast moet Witte die gehoord hebben, want hij was met zijne vijf schepen al op weg om Tromp op +te zoeken toen hij de tijding kreeg, dat de Spanjaard in het gezicht was. Toch verliep er nog een geheele dag eer hij zich +met ons vereenigen kon, want hij had den wind vlak tegen. + +<p id="d0e3243">Ik, die weer aan boord van Tromp diende, maar door hem niet herkend, of mogelijk niet gezien was, stond onbewegelijk op de +boot te kijken, die van Witte’s schip neergelaten werd. ’T spreekt van zelf, dat hij bij Tromp moest komen, omdat hij als +Vice-Ammiraal onder hem stond.— + +<p id="d0e3246">De boot leî aan den valreep, doch door onvoorzichtigheid van één der roeiers sloeg ze alweer terug, en daar had je het lieve +leven gaande. + +<p id="d0e3249">Razen, vloeken, schelden, tieren, anders hoorde men niet. De roeier kreeg, zooals mijn neef uit <span class="letterspaced">Sommersdijk</span> zeggen zou, een boterham van belang. + +<p id="d0e3255">Toen hoorde ik geschop, gestommel en getrap en eindelijk, daar stond hij in levenden lijve! Wat was dat “Kregel Mennonietje” +veranderd! Zijne oogen draaiden onder zijne donkere wenkbrauwen als kooltjes vuur in het rond, en dikke plooien liepen van +zijnen neus naar zijn hoog en breed voorhoofd. Alles was beweging aan hem; hij stond geen oogenblik stil en hij keek naar +de Spaansche vloot, alsof hij die geheel alleen zoo maar op de vlucht kijken kon. +<span id="d0e3257" class="pageno">bladzijde 88</span> + +<p id="d0e3260">“Daer eî-je noe dat vloekbeest van ’n veint!” zeî een Zeeuwsch matroos achter me tot zijn kameraad, die ook uit <span class="letterspaced">Zeeland</span> was, en per ongeluk op de Hollandsche schepen dienst deed. + +<p id="d0e3266">“Wat eit ie alevel ’n zuur gezicht! Ie liekt veel op vaoders wacht’ond Turk! Nee, mer oor is, ik zou ik ok liever z’n biebel +weze as z’n matroos, ’oore! En jie Uub?”— + +<p id="d0e3269">Met dat “Uub” bedoelde hij mij, maar ik was te veel in gedachten om met die twee Zeeuwsche mannen te gaan praten en daarom +zei ik maar: “’K en weet niet!”— + +<p id="d0e3272">Ik kon mijne oogen niet van Tromp en Witte afhouden! Een goede dertig jaren geleden waren die twee mijne speelkameraads! En +hier waren we weer alle drie. Een Luitenant-Ammiraal, een Vice-Ammiraal en ... een matroos!—Als ik kapitein ben dan wordt +ge mijn pluimgraaf, had ik tot Witte gezegd, toen hij nog “Kregel Mennonietje” was. En nu ... Jonge Kees, ik heb me toen een +klap in mijn gezicht gegeven van nijd, en ’t was me, of ’k alweer dien Brielschen schoolmeester met zijn “Kwikkwik” voor me +zag staan! + +<p id="d0e3275">Hoe lang ik daar had staan droomen, dat en weet ik niet; maar eensklaps werd ik wakker en ik hoorde Tromp zeggen: + +<p id="d0e3278">“Dus De With! je denkt dat....” + +<p id="d0e3281">“Ik denk niet, ik zeg dat wij die luî daar aanpakken <i>moeten</i> Zeventien Hollandsche jongens kunnen het wel een paar dagen tegen die vijgeneters uithouden, durf ik zeggen! Er zal wel versterking +komen uit <span class="letterspaced">Holland</span> en <span class="letterspaced">Zeeland</span>. Laat mij maar voorop gaan! Ik zal die Spaansche langslapers een deuntje voortrommelen, dat ze een paar ooren opzetten zoo +lang als die van hunne ezels! +<span id="d0e3292" class="pageno">bladzijde 89</span> + +<p id="d0e3295">“Bang,—bah, wie bang is moet op schildwacht!”— + +<p id="d0e3298">“Goed, sprak Tromp, maar bleef heel bedaard, “goed, we zullen den vijand te lijf gaan! Bottelier, breng wijn! We zullen op +den goeden uitslag klinken en drinken!”— + +<p id="d0e3301">“En als de wijn op is, dan halen we wat bij den Spanjool,” riep Witte en dronk in eenen zijnen beker ledig. + +<p id="d0e3304">Het was of de Spanjaard geroken had wat er bij ons aan boord besloten was; want de vloot stelde zich in beweging en kwam recht +op ons af. Don D’Oquendo was voorop! + +<p id="d0e3307">Eer de vijand nog één schot gedaan had, was Witte al aan den gang. Hij liet zijne kogels vliegen als een bakker, die op Sint +Silvester pepernoten te grabbelen gooit. Maar wij deden voor hem niet onder, dat verzeker ik je. ’T ging er aardig langs en +het duurde niet lang of de vijand bedankte er voor den strijd langer voort te zetten, en liep met klein zeil om de noord naar +den hoek van <span class="letterspaced">De Cingels</span>. Den volgenden dag werden we door stilte en mist genoodzaakt stilletjes te blijven liggen, doch tegen elf uren in den nacht, +toen de mist optrok, gaf Tromp bevel om het spelletje van den vorigen dag nog eens te beginnen. Om één uur begonnen we en +eerst des morgens te tien uren hielden we op. Zoo vechtende waren we met den vijand naar <span class="letterspaced">De Hoofden</span> afgedreven en hadden we al eens een enkel oogenblik eene harde noot te kraken gehad, niemand dacht er aan, dat we het wel +eens konden verliezen, en vooral dachten we dat niet meer, toen de Commandeur Banckers onze kleine vloot met twaalf schepen +kwam versterken.—De Spanjaard had ondertusschen de wijk genomen naar <span class="letterspaced">Duins</span> en meende zeker, dat we ’t wel niet in het hoofd zouden krijgen hem daar aan te pakken. En jawel, net waren <span id="d0e3318" class="pageno">bladzijde 90</span>we van plan den vijand al weer aan te vallen, toen meneer John Pennington bij ons aan boord kwam en in zijn Koeterwaalsch +zeî: “Tromp, je hebt de groetenissen van Koning Karel van <span class="letterspaced">Engeland</span>, en hij laat je weten, dat je, als je met den Spanjaard aan het bakkeleien en plukharen wilt gaan, dat dan maar op een ander +plaatsje doen moet; want de Koning wil geen vreemde pottekijkers in zijn keuken hebben! Begrepen?”— + +<p id="d0e3324">Hier werd Huib door een der matrozen in de rede gevallen, die zeî: “Zeg, Huibje, je verstaat geen Engelsch, hoe weet je dat +die Pennington dat gezegd heeft?”— + +<p id="d0e3327">“Och, loop,” hernam Huib, “dat kon ik wel raden; want van vechten kwam er dien dag niemendal. Dat speet ons wat, dat kunt +ge begrijpen; want we hadden er pret in gekregen. We hadden ons hart opgehaald “als Keuningen”!— Ondertusschen begon het bij +ons een mooi gezicht te worden; want met iederen dag werd onze vloot versterkt. Daar was leven in ons Land gekomen, en een +leven, daar je geen begrip van hebt!”— + +<p id="d0e3330">“Tuit, tuit, niet zoo haastig, kompeer,” sprak thans dezelfde matroos. “Ik kan me dat best voorstellen, want ik heb Witsen’s +<i>Scheepsbouw en Bestier</i>, gelezen en daarin stond: De kaden, havens en scheepstimmerwerven van <span class="letterspaced">Holland</span> en <span class="letterspaced">Zeeland</span> woelden en grimmelden van nieuwe toerustingen te water en te land. Het scheen niet dat men van alle kanten schepen timmerde, +maar of ze van zelve groeiden. Men zag geen opbod van Matrozen, maar hen van zelven in de schepen vallen!”— + +<p id="d0e3342">“Ja,” hervatte Huib, “gelezen is niemendal, je moet het gezien hebben, zooals ik het gezien heb. Met De With werd ik naar +’t Vaderland gezonden om de gekwetsten en den behaalden buil over te brengen en om versterking te <span id="d0e3344" class="pageno">bladzijde 91</span>vragen. Toen heb ik het met mijne eigen oogen gezien, dat er te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> op één dag meer dan honderd matrozen zich aanmeldden. Het scheen wel, dat daar bij <span class="letterspaced">Duins</span> suiker met potlepels en goud met emmers te scheppen was. Waar je kwam, ging of stond, daar hoorde je niets dan van Tromp, +De With, Banckers, Evertsen, <span class="letterspaced">Duins</span>, <span class="letterspaced">Engeland</span> en <span class="letterspaced">Spanje</span> praten. Jongens, ik ben blij, dat ik dien tijd beleefd heb! Wat gaf ik er toen om, dat ik maar matroos was! “Alles voor mijn +Land en voor onzen Ammiraal!” dacht ik en duizenden dachten als ik. + +<p id="d0e3362">Ondertusschen lagen we reeds eene maand voor <span class="letterspaced">Duins</span>. Onze vloot was reeds tot negentig schepen aangegroeid en iedereen brandde van verlangen, om toch weer eens van leer te trekken; +maar hierin werden we iederen dag teleurgesteld. De Engelschen wilden niet hebben, dat we op hunne reede aan het vechten zouden +gaan, en reeds was men begonnen ons te dreigen, dat ze den Spanjaard helpen zouden, en uit <span class="letterspaced">Holland</span>, waar men ook bevreesd was, aan te tasten, omdat men vreesde met <span class="letterspaced">Engeland</span> in onmin te komen, kwamen ook iederen dag allerlei boodschappen. + +<p id="d0e3374">“Welnu,” zeî Tromp, “dat de Spanjaard dan in de open zee kome, daar vecht ik ook liever!”— + +<p id="d0e3377">Meneer Pennington bracht die boodschap naar zijnen vriend D’Oquendo, doch kwam al heel gauw terug en zeî: “De groeten van +Don Antonio en hij laat je weten, dat hij niet kan uitzeilen, omdat hij gebrek heeft aan masten en stengen, die hij te <span class="letterspaced">Dover</span> heeft laten liggen!”— + +<p id="d0e3383">“Als ’t anders niet is, dan zullen we dat varkentje wel wasschen,” sprak Tromp. “Ik zal ze laten halen!”— + +<p id="d0e3386">Terstond werden eenige schepen naar <span class="letterspaced">Dover</span> afgezonden, en de Spanjaard had zijn wensch; maar toch kwam hij niet. +<span id="d0e3391" class="pageno">bladzijde 92</span> + +<p id="d0e3394">Daar kwam Pennington alweer en zeî: “Hoor eens, Tromp, onze goede vriend zou wel eens even met je aan den slag willen gaan; +maar de man heeft geen buskruit!” + +<p id="d0e3397">“Dat ’s niemendal,” luidde weer Tromps antwoord, “ik zal hem eenige duizenden ponden verschaffen!”— + +<p id="d0e3400">Ook hieraan werd terstond gevolg gegeven, maar.... de Spanjaard bleef waar hij was. + +<p id="d0e3403">Eindelijk kwam er bericht van Hunne Hoogmogenden, dat men nu terwille van <span class="letterspaced">Engeland</span> genoeg gesammeld had, en dat er een einde aan komen moest. Tromp mocht gerust den Spanjaard aanvallen, onverschillig waar +hij hem vond. + +<p id="d0e3409">In den nacht tusschen den twintigsten en eenentwintigsten van Wijnmaand liep de wind naar het noordwesten en was dus bijzonder +in ons voordeel om den vijand van de reede te verjagen. Hoe lang D’Oqueudo ook al had kunnen voorzien, dat hij eindelijk toch +wel aangevallen zou worden, toch kwam de aanval nog onverwacht en vele schepen waren genoodzaakt hunne ankers te kappen. Hierdoor +ontstond verwarring en deze werd niet weinig vermeerderd toen ze elkander op de nauwe reede weldra in den weg kwamen, en eindelijk +aan den grond bleven zitten. + +<p id="d0e3412">Hieraan stoorde Tromp zich niet en hij stoorde zich nog minder aan de Roôrokken, die met het geschut uit hunne sterkten de +Spaansche schepen in bescherming namen. Oorverdoovend was het gedonder van het geschut, en de Spanjaarden van de schepen, +die omhoog zaten, kregen het zoodanig te kwaad, dat ze hals over kop in het water sprongen en zwemmende hun leven trachtten +te redden. Onderwijl Tromp zich zoo bezig hield met de schepen op de reede, had Ammiraal Jan Evertsen het Portugeesche gedeelte +<span id="d0e3414" class="pageno">bladzijde 93</span>der vloot aangetast. De Portugeezen vochten dapper, en zeker zouden ze niet zoo geheel verslagen zijn geworden, als het Ammiraalschip +<i>De Theresea</i>, die wel duizend man aan boord had, niet in de lucht gevlogen was. Onder al die bedrijven was het D’ Oquendo toch gelukt +in zee te loopen, doch hier was hij evenmin veilig als op de reede. Woedend werd hij aangevallen en woedend verdedigde hij +zich. Toch zou hij op het laatst zich hebben moeten overgeven; maar eene mist en daarna een hevige wind stelden hem in staat +met een tiental schepen te <span class="letterspaced">Duinkerken</span> binnen te loopen. Van de zevenenzestig schepen bleven er achttien behouden; voor het overige was die schoone vloot vernield, +of in handen der onzen. Wij namen ongeveer tweeduizend man gevangen en vijfduizend waren gesneuveld of verdronken. Wij verloren +slechts honderd man en één schip. De vreugde te beschrijven, die er in ons land heerschte, kan ik niet! Dat moet men bijgewoond +hebben. Groot en klein, rijk en arm, oud, jong, aanzienlijk en gering, iedereen was vol vreugde. Gedenkpenningen werden geslagen, +gouden ketenen werden uitgedeeld en de poëeten maakten liederen, die klonken als klokken. En de luiden, die zoo juichten hadden +het bij het rechte end, want als de Spanjaarden eens overwonnen hadden, dan had het er voor <span class="letterspaced">de Vereenigde Nederlanden</span> niet te best uitgezien. Met de vrijheid en onze macht ter zee was het al vast gedaan geweest en, als we die moeten missen, +dan is liet met ons land mis. Op de zee ligt onze welvaart; op de zee ligt ons bestaan;—op de zee ligt ons alles! De Zee is +de bruid van ons Gemeenebest, en wee ons, als die bruid door eenen driesten vijand ons ontnomen wordt! +<span id="d0e3425" class="pageno">bladzijde 94</span> + +<h1 id="d0e3429">Naar Zee! Naar Zee!</h1> +<p id="d0e3435">Na de schitterende overwinning bij <span class="letterspaced">Duins</span> kon een groot gedeelte van de oorlogsvloot, waaronder ook vele koopvaarders waren, naar de havens terugkeeren, of hunne reizen +naar <span class="letterspaced">Oost</span> en <span class="letterspaced">West</span> hervatten. + +<p id="d0e3447">Rust kwam er evenwel niet; want de Duinkerkers waren er nog met hunne roofschepen, en, al zeî ook heel de wereld, dat <i>wij</i> de eerste mogendheid ter zee waren, daaraan stoorden deze luiden zich niet, ja, ’t was of ze met den dag brutaler werden. + +<p id="d0e3453">Onderwijl wij voor <span class="letterspaced">Duins</span> lagen hadden zij hun kans waargenomen, en ze waren aan het rooven getrokken, dat het een aard had. Op één enkelen dag maakten +ze eens elf schepen prijs. Ze kwamen zelfs tot voor <span class="letterspaced">Aland</span> in de <span class="letterspaced">Bothnische golf</span>, namen daar een Nederlandsch oorlogsschip en vier koopvaarders en sleepten uit de <span class="letterspaced">baai</span> van <span class="letterspaced">Shetland</span> nog vier onzer oorlogsschepen mede. + +<p id="d0e3471">Het gebeurde dat er wel zestig Duinkerker-kapers te gelijk in zee waren. + +<p id="d0e3474">Nu deed Tromp wel wat hij kon om dien luiden dat rooven, plunderen en moorden af te leeren; maar hij kon toch met zijne vloot +niet op alle plaatsen te gelijk zijn. En toch, hoe akelig en naar het voor onze kooplieden <span id="d0e3476" class="pageno">bladzijde 95</span>was zoo telkens bestolen te worden, toch houd ik vol dat ze die Duinkerksche baasjes wel eens mochten gaan bedanken, inplaats +van ze te verwenschen. + +<p id="d0e3479">Weet je waarom? + +<p id="d0e3482">’T is anders zoo duidelijk en klaar als een lantaarn in het donker. + +<p id="d0e3485">Door die slimme en dappere Duinkerkers telkens gefopt, moesten we op het laatst ook wel slim en dapper worden, of we wilden +of niet! We werden, als ik het zoo eens zeggen mag, zoo glad als een aal, zoo slim als een vos, zoo brutaal als een wolf en +zoo dapper als een leeuw. + +<p id="d0e3488">De geest van Tromp is in velen gevaren, en er is nooit een schoolmeester geweest, die zijnen discipelen zoo goed zijne schrijfhand +leerde namaken, als Tromp zijnen kapiteins zijne manier van oorlog ter zee voeren! + +<p id="d0e3491">Laat Witte Cornelisz. De With maar eens toekijken als we aan het vechten gaan, dan zal hij zien van wien de onderbevelhebbers +meer geleerd hebben, van hem of van Tromp. + +<p id="d0e3494">Die eene Brielsche kwâjongen is méér dan de andere, de roem van zijne stad en de eer van zijn Land geworden! + +<p id="d0e3497">Onderwijl we zoo tegen de Duinkerkers kruisten kreeg <i>De Haese</i>, dit was de naam van het schip waarop ik voer, bevel om met nog eenige andere vaartuigen, die onder het oppergezag van Ammiraal +Aertus Gijsels stonden, naar <span class="letterspaced">Portugal</span> te stevenen om daar den nieuwen Koning een handje tegen de Spanjaarden te helpen. + +<p id="d0e3506">In Oogstmaand van ’41 liepen we uit, zoodat ik tot mijn spijt niet behoorde tot de luî, die met Ammiraal Tromp, den zoon van +Frederik Hendrik naar Engeland gingen brengen. + +<p id="d0e3509">Ik had dolgraag dat gezicht van dien Engelschen Koning <span id="d0e3511" class="pageno">bladzijde 96</span>Karel eens gezien. Hij ontving Tromp heel beleefd en stelde hem zelfs aan de koningin voor als den grootsten Ammiraal der +wereld. Nu kunnen ze me nooit wijsmaken dat die Koning dat meende; want bij <i>Duins</i> had Tromp getoond dat Koning Karel bij hem niet erg in tel was. Maar dat zijn dingen waaraan een zeeman niet denken moet +en ik zou haast gelooven, dat de wakkere stuurman Willem Adriaense Warmont gelijk had toen hij zeî: “Ben-je mal, jongen, wat +bekommer je jezelven over dingen, daar je toch niet bij en kunt met je verstand? Weet je dan nog niet dat er tweeërlei soort +van menschen zijn en wel matrozen en landkrabben? Als ik jou tegenkom en ik heb wat tegen je, dan zeg ik: “Hier ben ik! en +jij zegt dan: “En ik ben hier!”—En als we dan zoo over en weer mekaêr gegroet hebben, dan pak ik jou bij je kraag en jij mij, +en dan gaat het links, rechts, neer, op, rechts, links, op, neer! net zoo lang tot een van ons beiden zijn bekomst heeft en +zegt: “’K heb niemendal meer in te brengen, je bent, de baas!” Zie-je, Huib, zoo zouden wij, matrozen en varensluî, doen, +en daar we toch wel nooit grutter of raadpensionaris zullen worden, zoo moesten we er ons zelven ook maar geen oogenblik het +hoofd mee vermoeien met te denken wat de landkrabben doen!”— + +<p id="d0e3517">Het was een rare sijs die stuurman, en daar hij veel geleerd had en bijster knap was, zoo en heb ik me ook maar nooit meer +bekommerd over dingetjes, die geen stuurboord of bakboord gezien hebben. + +<p id="d0e3520">Maar ik dwaal heelemaal van mijne geschiedenis af. + +<p id="d0e3523">Onderwijl Ammiraal Tromp dan de Duinkerkers vervolgde en heel deftige bezoeken in <span class="letterspaced">Engeland</span> bracht gingen wij naar <span class="letterspaced">Portugal</span> om dat land een handje te helpen tegen de Spanjaarden.<a id="d0e3531src" href="#d0e3531" class="noteref">1</a> Behalve Gijsels, die onze <span id="d0e3543" class="pageno">bladzijde 97</span>vlootvoogd was, hadden we onder hem nog als Vice-Ammiraal Jacob Pieterse Tolck, en als Schout bij Nacht den Vlissinger, Michiel +Adriaensz. De Ruijter. Onder dezen laatsten diende ik.—Dat Gijsels een dapper en ervaren zeeman was is vast, maar of die Tolck +dat ook was, dat en weet ik niet. Maar dat onze Schout bij Nacht een flinke kerel was, daar af zou ik jelui heel wat kunnen +vertellen. Hij was toen nog maar vier en dertig jaren oud; maar zelden heb ik iemand van dien ouderdom gezien, die zóó moedig, +zóó verstandig, zóó slim, zóó beleidvol, zóó goed, zóó rechtvaardig en zóó vriendelijk was als hij. Kijkt, jongens, ik en +ben geen profeet, maar ik zie er in, dat diezelfde Michiel De Ruijter, die een kwâjongen moet geweest zijn zoo groot als er +ooit een geleefd heeft, een Ammiraal zal worden zoo groot, dat hij den roem van onzen Marten in de schaduw zal zetten. Die +man heeft alles wat een <span class="letterspaced">jong</span> man hebben moet om eens een <span class="letterspaced">groot</span> man te kunnen worden.—Van iedereen wil hij leeren van den Ammiraal af tot den kajuitswachter toe. Hij is niet zoo trotsch +en eigenwijs om te gelooven, dat hij alleen alles weet! En dat behoort zoo! Zoo deden Piet Hein en Tromp ook. Zoo doet Witte +Cornelisz. De With niet altijd en dat is zijn ongeluk.— + +<p id="d0e3552">Onze vloot was slechts twintig schepen sterk en, daar ze meest allen nieuw waren en nog geen proeftocht gedaan hadden, zoo +hadden we met veel moeielijkheden te kampen. En dan was de uitrusting ook alles behalve in orde. Het Ammiraalschip telde slechts +118 man, en bestond dan nog voor een groot deel uit luî, die nooit zeewater geproefd hadden. Reeds in <span class="letterspaced">Het Kanaal</span> werden onze bevelhebbers het met elkander oneens, en toen er zoo’n klein stormpje opstak, liepen er zes van de tien te grienen +<span id="d0e3557" class="pageno">bladzijde 98</span>en te huilebalken, te lamenteeren en te klagen, alsof hun leste uurtje al geslagen was. + +<p id="d0e3560">En met zulke baliekluivers moesten we uit bakkeleien gaan. ’T stond bijster mooi aan. + +<p id="d0e3563">Na verscheidene weken gekruist te hebben, ontdekten we in den vroegen morgen van den derden van Slachtmaand eene sterke vloot. +Wij dachten eerst dat het de Portugeezen zouden zijn. Wij kwamen die luî helpen en het was dus niet meer dan een staaltje +van hunnen plicht om ook mede te doen. Maar, jawel, ze lieten zich fluiten als een kikker in het riet, en al heel gauw werden +we gewaar, dat het vlootje, dat we zagen aankomen maar eens even bestond uit negen groote Spaansche galjoenen, tien Duinkerksche +koningsschepen, vier fregatten en één jacht.<a id="d0e3565src" href="#d0e3565" class="noteref">2</a> + +<p id="d0e3587">“Goeien morgen, Huib,” zeî ik tot mij zelven, “goeien morgen, Huib, dat katje moet jelui vandaag de bel aanbinden! Dat zal +er spannen!”— + +<p id="d0e3590">Onderwijl ik dat zoo zeî, hoorde ik iemand achter me snikken. Ik keerde mij om, en, ’t was om de oogen uit het hoofd te schamen, +een reus van een kerel stond achter me te schreien als een kind, dat zijne koekskens in den modder heeft laten vallen. + +<p id="d0e3593">“Wat hapert er aan jou, kameraad?” vroeg ik. + +<p id="d0e3596">“Och, nou en zal ik nooit meer mijn lief <span class="letterspaced">Smeerdiek</span> terugzien!” gaf hij mij ten antwoord.<a id="d0e3601src" href="#d0e3601" class="noteref">3</a> + +<p id="d0e3614">Zoo’n lummel! + +<p id="d0e3617">“Denk-je dan dat je vandaag blind zal worden?” vroeg ik. + +<p id="d0e3620">“Nee, jae, en toch nee! Mer ze zulle me herstikke dood schieten! En as ik dood bin, dan kom ik nooit niet meer weromme, en +ik zien ik nooit niet meer m’n <span class="letterspaced">Smeerdiekje</span> mee z’n klokkespilletje!”— + +<p id="d0e3626">“Och, och, hoe erg!”— +<span id="d0e3628" class="pageno">bladzijde 99</span> + +<p id="d0e3631">“Jae, en dicht bie dat mooie torentje mee z’n klokkespilletje, daer weunt m’n meutje en daer ’oud ik zoovee van!”— + +<p id="d0e3634">“Wel, wel, dat ’s verschrikkelijk!”— + +<p id="d0e3637">“En as ze me noe is doodschiete, wat zal m’n meutje dan jule!”<a id="d0e3639src" href="#d0e3639" class="noteref">4</a> + +<p id="d0e3652">’T was of de kerel gek werd zoo stelde hij zich aan; hij zette een mond open als een bakkersoven en huilde als een wervelwind. + +<p id="d0e3655">Eindelijk kwam onze Schout bij Nacht ook aan en toen hij mij zoo zag gieren van het lachen, zeî hij: “Dat moet je niet doen, +Huib! En jij, goeie vrind, moest niet huilen; want dat helpt toch niemendal. Maar weet je wat je doen moet?”— + +<p id="d0e3658">“Nee, nee, lieve Schout bie Nachtje, dat en weet ik nie!” snikte de man. + +<p id="d0e3661">“Nu, luister dan, vrind! Vooreerst moet je een weinigje op den goeden God vertrouwen; want die heeft voor ’n armen zeeman +ook wel wat over. En dan, je heb knuisteu als voorhamers en armen als kluifhouten! Denk je dat je die gekregen hebt om er +je tranen meê af te vegen? Mis, man, mis! Jij hebt die nou is om er vandaag klappen mee uit te deelen, links en rechts! En +als je niet weet, hoe je dat doen moet, kijk dan maar eens naar onzen Huib, en als je wil, naar mij, dan wed ik dat je er +vanavond schik in hebben zult, dat je vandaag zooveel geleerd hebt!” + +<p id="d0e3664">Zoo sprak De Ruyter en begon terstond zich tot den slag gereed te maken. Het gebed werd gedaan, daarna kreeg ieder gelegenheid +om eens goed te schaften, de vlag werd aan de vlaggespil vast gespijkerd en ... daar ging het er van door! + +<p id="d0e3667">Gijsels trachtte zich met den Vice-Ammiraal Tolck te <span id="d0e3669" class="pageno">bladzijde 100</span>vereenigen. De vijand hield het er voor, dat hij aan den haal ging on zette hem na. Maar Gijsels dacht: “Neen, dat bedoel +ik niet!” en terstond liet hij wenden en gaf den Spanjaard de volle laag. De vijand meende echter dat hij zoo ’n hoopje garnaalschuitjes +best aan kon en gaf Gijsels dubbel en dwars terug wat hij gegeven had, + +<p id="d0e3672">“Mannen,” riep De Ruyter, “onze Ammiraal krijgt het met die Spaansche Dons te kwaad; we gaan hem helpen!” + +<p id="d0e3675">Zoo gezegd zoo gedaan. + +<p id="d0e3678">Van ’s morgens half tien tot laat in den achternoen vochten we als leeuwen. + +<p id="d0e3681">“Aoist, aoist, aoist!” klonk het op eens naast me.<a id="d0e3683src" href="#d0e3683" class="noteref">5</a> + +<p id="d0e3693">Het was de Smeerdieksche reus, die een kanon afgeschoten had en ontdekte dat hij met zijnen kogel de vijandelijke Ammiraals-vlag +aan narden schoot. + +<p id="d0e3696">“Dat heb je ’m eens secuur gelapt, kompeer!” zeî ik. + +<p id="d0e3699">“Jae, jae, dat ’eb ik net! Aoist, aoist, aoist!” juichte hij. + +<p id="d0e3702">“Aan de pompen, aan de pompen!” kommandeerde De Ruyter, en ’t was noodig ook; want de romp van <i>De Haese</i> moet veel op eene spons geleken hebben, zóó hadden ze ons beschoten. + +<p id="d0e3708">Eindelijk ging Tolck, die een beetje minder dan niemendal gedaan had aan den haal, en of Gijsels ook al op hem schoot om hem +te noodzaken terug te keeren, Tolck deed alsof hij het niet hoorde, en zette zijne wandeling voort. Misschien dat de man door +zijn volk gedwongen werd om zoo te doen, ik en weet het niet, maar daar ben ik zeker af, dat hij ons leelijk in de pekel liet +zitten. + +<p id="d0e3711">Nu riep de Ammiraal de bevelhebbers der schepen, die hem trouw bijgestaan hadden, aan boord om te overleggen <span id="d0e3713" class="pageno">bladzijde 101</span>wat er gedaan moest worden. Ze besloten bijna eenparig het gevecht te staken, omdat de schepen te veel geleden hadden en het +onmogelijk nog langer vol konden honden.— + +<p id="d0e3716">De Spanjool scheen ook niet veel lust te hebben om de partij nog eens op te nemen en verwijderde zich van ons. In den nacht, +die op dit gevecht volgde, kregen we nog eenen vreeselijken storm op ons dak en met heel veel moeite en zware averij waren +we wel genoodzaakt om te <span class="letterspaced">Lissabon</span> binnen te loopen. + +<p id="d0e3722">De koning van <span class="letterspaced">Portugal</span> gaf aan onze bevelhebbers mooie gouden ketenen met penningen, misschien wel in de hoop, dat we onze kunsten nog eens zouden +toonen; maar Gijsels had daar geen lust toe, als de Portugeezen ons niet hielpen. Die luî waren echter liever koud dan moê, +en daarom zeî onze Ammiraal op een’ mooien morgen den Koning goeien dag en wij keerden naar het Vaderland terug. + +<p id="d0e3728">Ik wil je wel zeggen, dat ik hard verlangde om weer eens een poosje aan den wal te leven; maar daar kwam niet veel van! Nauwelijks +toch was ik aangekomen of ’t was alweer maar: “Vooruit, Huibje! Help de Duinkerkers eens achter den broek zitten!”—Was dàt +afgeloopen, dan was het weêr: “Ga nou met Witte Cornelisz. De With eens naar de <span class="letterspaced">Sont</span>, Huibje! Die koning van <span class="letterspaced">Denemarken</span> is een levende schrok, eene haai van de grootste soort! Omdat wij goede vrienden zijn met Christientje, die voor Koninginnetje +van <span class="letterspaced">Zweden</span> speelt, en omdat die Kris, die koning van <span class="letterspaced">Denemarken</span>, uit meenens met haar ravot en stoeit, zoodat de splinters er afvliegen, zoo laat hij onze schepen, die de <span class="letterspaced">Sont</span> passeeren schandelijk veel losgeld betalen! Toe, Huibje, <span id="d0e3745" class="pageno">bladzijde 102</span>help jij met je Brielschen kameraad, ’t “Kregel Mennonietje,” dien Kris eens op zijn nummer zetten! En jawel, hoor, daar ging +het! + +<p id="d0e3748">In Hooimaand van het jaar ’44 staken twee en veertig oorlogsschepen onder bevel van onzen Witte, als Vice-Ammiraal, in zee. +Wij hadden te zorgen voor negenhonderd koopvaardijschepen, maar Witte kreeg de boodschap mee alleen maar te waken, dat onze +schepen den gewonen tol moesten betalen en geen geweld aangedaan werden. Ik diende bij hem aan boord, en dikwijls dacht ik +zoo, in mijn eentje, aan dien morgen toen ik voor het eerst naar zee zou gaan en afscheid ging nemen. Toen had ik al heel +leelijk gekeken, als Witte zeî: “Als ik ga varen, wil ik Ammiraal worden!”—En ik, dwaaskop, die ik was, ik had hem uitgescholden +en gezegd, dat hij pluimgraaf zou worden op het schip waarop ik kapitein was!— + +<p id="d0e3751">En nu! ’T is me gegaan zooals de Ridder Cats zegt: + +<p class="poetry"> +<br id="d0e3756">“Veel roemen met een dommen geest, +<br id="d0e3759">Een ijdel vat bomt aldermeest.”<a id="d0e3761src" href="#d0e3761" class="noteref">6</a> + +<p id="d0e3778">Onze tocht liep goed af en beter dan ik gedacht had. Wel zag ik Witte nu en dan met zijnen degen op het dek stampen, wel hoorde +ik hem enkele malen van kwaadaardigheid op de tanden knarsen, maar hij hield zich goed en geen pond kruit heeft hij laten +verschieten. Nauwelijks was de goede man echter thuis, of de Denen begonnen het spelletje van voren af aan, en thans besloten +de Staten-Generaal om in ’45 nog eens eene vloot uit te zenden om de koopvaarders te beschermen. Nu was zijn lastbrief eenigszins +anders. De koopvaardijschepen mochten in het geheel geen tol betalen, en hij zelf zou ze met <span id="d0e3780" class="pageno">bladzijde 103</span>zijne oorlogsvloot door de <span class="letterspaced">Sont</span> brengen. Bij de minste beleediging kon hij van leer trekken, zoo hard hij wilde. Dat was een kolfje naar Witte’s hand. Met +vijftig wél uitgeruste schepen zeilde hij uit om eene vloot van weer maar zoo eventjes negenhonderd koopvaarders door de <span class="letterspaced">Sont</span> te voeren. + +<p id="d0e3789">Toen we dicht bij het kasteel <span class="letterspaced">Kroonenburg</span> gekomen waren ging de eerste konstabel naar den Ammiraal en vroeg beleefd hoeveel schoten hij doen moest om den koning van +<span class="letterspaced">Denemarken</span>, die op het kasteel was, te begroeten. + +<p id="d0e3798">Witte gaf geen antwoord. + +<p id="d0e3801">“Hoeveel schoten zullen er ter eere van de Koning gelost worden, Ammiraal?” klonk andermaal de vraag. + +<p id="d0e3804">“Hoeveel schoten? Eén, maar dan liefst met een zes-en-dertig ponder en dan zoo netjes gemikt, dat die Kris op den grond tolt +als een dronken kadraaier!”<a id="d0e3806src" href="#d0e3806" class="noteref">7</a> + +<p id="d0e3816">“Dus maar dadelijk met scherp, Ammiraal?” + +<p id="d0e3819">“Loop heen, kerel, je staat me daar net bij als eene geit voor het Prinsenhof. Snor uit, ik zal wel groeten!” + +<p id="d0e3822">De konstabel verwijderde zich en ieder, die hem verstaan had, keek nieuwsgierig uit om te zien wat de wildeman doen zou. + +<p id="d0e3825">Dáár lag het sterke <span class="letterspaced">Kroonenburg</span> en dáár stond de Koning. + +<p id="d0e3831">Zoodra Witte hem zag klom hij op de kampanje en lichtte dood bedaard een paar keeren zijnen hoed af, en zeî: “Dag Kris! Je +hebt de groeten van de Heeren Staten, en wij betalen je nu eens geen duit! Als je ze hebben wil, dan kom je ze maar halen! +Wij zullen in looden bolletjes uitbetaling houden.” + +<p id="d0e3837">De Denen stonden te kijken, alsof ze een klap van den molen gekregen hadden, toen ze ons zoo deftig door de <span class="letterspaced">Sont</span> zagen trekken en de Koning kreeg zooveel eerbied <span id="d0e3842" class="pageno">bladzijde 104</span>voor onze macht, dat hij weldra vrede met <span class="letterspaced">Zweden</span> maakte en de verhooging van de tollen wijselijk achterwegen liet. Ja, onze roem begon toen zóó te stijgen, dat zelfs vreemden +bij ons de zeevaart kwamen leeren.<a id="d0e3847src" href="#d0e3847" class="noteref">8</a> Na deze tochten naar het <span class="letterspaced">Noorden</span> had ik nog al geen rust; want nauwelijks was ons schip voor den dienst afgekeurd, of ik kwam op een ander en ging naar ... +<span class="letterspaced">Duinkerken</span>.— + +<p id="d0e3860">Ja, alweer naar <span class="letterspaced">Duinkerken</span> waar Tromp de haven hield ingesloten. De Franschen sloegen het beleg aan de landzijde en langen tijd hielden de belegerden, +wien het aan geen moed ontbrak, het beleg vol. Eindelijk moest Markies De Lede, die het bevel binnen de stad voerde, zich +overgeven en het befaamde en geduchte roofnest was in handen van den Franschen Koning. Dit geschiedde den tienden van Wijnmaand +van ’46. + +<p id="d0e3866">Ik kwam eindelijk weer in het Vaderland terug en daar mijne dienstjaren om waren zoo besloot ik te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> kaaigast te worden. + +<p id="d0e3872">Kaaigast, jawel, een goed baantje voor die landkrabben, maar niet voor een zeeman, die al bijna veertig jaren op de zee had +rondgezwalkt. + +<p id="d0e3875">Als ik zoo bezig was een Oostindievaarder te helpen lossen, dan dacht ik dikwijls: “Huib Maerlant, wat ben je toch een gek! +Je gaat hier aan den wal om een vrachtje vechten, je verdient soms net zooveel als je noodig hebt om te kunnen leven en soms +niemendal! Je kost is dunnetjes, je slaapplaats niet te best en slaven en draven is de boodschap als je niet van honger sterven +wilt. Je doet nou net als die lange slungels, die bang zijn om ter zee te varen, omdat ze op zee kunnen verdrinken. Je bent +een flauwerd, Huib, een rechte Jan Salie, ja, dat ben-je!” +<span id="d0e3877" class="pageno">bladzijde 105</span> + +<p id="d0e3880">Bovendien was het aan den wal ook al niet pluis. De vrede met <span class="letterspaced">Spanje</span> is tegen den zin van onzen Stadhouder Willem gesloten en sedert, is liet tusschen hem en de voornaamste Heeren in <span class="letterspaced">Holland</span> ook al geen botertje tot den boôm. Dat is harrewarren hier en harrewarren daar. Zelfs onder ons sjouwerluî kwam er al verdeeldheid, +en dat gaf maar oorzaak tot ruzie en vechtpartijen. + +<p id="d0e3889">Jelui weet het allen zoo goed als ik, dat de Prins zes heeren op <span class="letterspaced">Loevestein</span> heeft gevangen laten zetten omdat hij deze voor de hoofdpersonen hield, die alles wisten door te drijven wat hij niet geern +zag. + +<p id="d0e3895">En wat was het gevolg? + +<p id="d0e3898">Jan trok partij voor de mannen van <span class="letterspaced">Loevestein</span> en hunne kornuiten, en Piet zeî alweêr: “De Prins heeft wel groot gelijk, dat hij zoo doet!” + +<p id="d0e3904">Zoo dat, wil ik maar zeggen, iedereen partij koos. + +<p id="d0e3907">Nu ben ik op mijn manier niemendal. Ik kan niet zeggen dat ik zoo bijzonder voor den Prins ben, en ik kan ook niet zeggen, +dat ik zooveel op heb met de Heeren Staten van <span class="letterspaced">Holland</span>. Ik heb in die dagen ondervonden, dat ik voor landkrab niemendal deug; maar het leelijkste was, dat ik daar zelf nooit aan +gedacht had, tot op zekeren mooien dag, nu misschien een jaar geleden. + +<p id="d0e3913">Het ging me nu altijd zoo wat als dien Voornschen boer in den tijd van de Hoeken en Kabeljauwen!” + +<p id="d0e3916">“Welke boer was dat, Huib?” vroeg Jonge Kees. + +<p id="d0e3919">“En weet je dat niet? Luistert dan maar, ik zal je ’t vertellen. In den tijd toen de menschen hier te lande verdeeld waren +in Hoekschen en Kabeljauwschen, liep Krelisboer van <span class="letterspaced">Nieuwenhoorn</span>, toen hij van zijn werk <span id="d0e3924" class="pageno">bladzijde 106</span>kwam, met een dorschvlegel op zijne schouders naar huis. Pas had hij een stap of wat gedaan, of daar kwam een troepje Kabeljauwsche +schobbejakken aan.<a id="d0e3926src" href="#d0e3926" class="noteref">9</a> + +<p id="d0e3933">“Hei, boer,” riepen ze, “wat ben je, Kabeljauwsch of Hoeksch?” + +<p id="d0e3936">Krelisboer, die geen onderscheid zien kon tusschen Hoeken of Kabeljauwen, zeî op de bonnefooi<a id="d0e3938src" href="#d0e3938" class="noteref">10</a>: “Wel Hoeksch, mannen!”— + +<p id="d0e3954">“Wacht, we zullen je Hoekschen,” riepen die luî en gaven Krelis een hard pak slaag. + +<p id="d0e3957">“Dat heb ik al vast beet,” dacht onze maat en ging verder. + +<p id="d0e3960">’T was of het werk sprak, daar kwam weer zoo’n troepje van die vechtersbazen; maar dat waren Hoekschen, en die vroegen ook +aan Krelis: “Boer, wat ben-je? Hoeksch of Kabeljauwsch?” + +<p id="d0e3963">Krelis voelde nog de klappen, die hij had gehad en zeî: “Kabeljauwsch, mannen! Rondom Kabeljauwsch!” + +<p id="d0e3966">“We zullen je Kabeljauwschen!” was het antwoord en daar ging het weer, van hetzelfde laken een pak. + +<p id="d0e3969">“Die heb ik al weer beet,” zeî Krelis, “maar nou zullen ze me niet weer vangen!”— + +<p id="d0e3972">Daar kwam het derde troepje en ’t was al weer: “Boer, wat ben-je? Hoeksch of Kabeljauwsch?” + +<p id="d0e3975">“Wel,” zei Krelis, “dat zal ik jelui nou eens netjes vertellen! Eerst ben ik Hoeksch geweest, toen Kabeljauwsch en nou ben +ik duivelsch!” en den dorschvlegel van zijn schouder nemende, sloeg hij net zoo lang links en rechts, tot al de lui op den +loop gingen.— + +<p id="d0e3978">Maar hoort nu, hoe het verder met me afliep. + +<p id="d0e3981">Daar was een rijk geladen Oostindie-vaarder thuis gekomen en lag aan den wal te <span class="letterspaced">Rotterdam</span>. Ik stond <span id="d0e3986" class="pageno">bladzijde 107</span>al sedert een paar dagen op werk te loeren, en schoot nu als een pijl uit den boog op het schip toe, dat nog niet eens aan +de ringen gemeerd was.<a id="d0e3988src" href="#d0e3988" class="noteref">11</a> + +<p id="d0e3995">“Hei, jij, ouwe robbevanger, houd je maar mak!” riep een jonge kaaigast, dien ik tegen het lijf liep. “Dat vrachtje is voor +ons!” + +<p id="d0e3998">“Heeft de kapitein jeluî dan al aangenomen?” vroeg ik. + +<p id="d0e4001">“Neê, maar jij blijft er af, ’t is voor ons!” zeide de ander en duwde me met een flinken ribbestoot terzijde. + +<p id="d0e4004">Nou ben ik wel geen vechtersbaas in mijn hart, althans niet op het land, maar om me zoo maar een opstopper te laten geven +door den eersten den besten kwâjongen, dat en ging toch niet en daarom lichtte ik mijn’ arm even op om mijn vuist op zijn +ruigen krullebol te laten vallen en zeî: “Daar heb je al vast een teerpenning op het vrachtjen vooruit!”— + +<p id="d0e4007">Maar, o wee, pas had ik dat gedaan of een stuk of tien van zijne kameraads trokken zijne partij en begonnen me te kloppen, +dat mij alles groen en geel voor de oogen werd. Gelukkig hadden eenige van mijne kameraads, die vroeger ook gevaren hadden, +gezien hoe ik er van langs kreeg en in een ommezien, waren ze bij me. + +<p id="d0e4010">“We zullen je helpen, Huib! Houd je maar taai!” riepen ze en begonnen onder het schreeuwen van: “Landkrabben!” ankersmidje +te spelen. Hunne vuisten waren de voorhamers en de koppen van de “Landkrabben” de aanbeelden. Dat was een geklop en een getier +van belang! Al vechtende schoven we al verder en verder achteruit en hiervan maakten andere kaaigasten, die niet van kloppen +hielden, gebruik om aan boord van het schip te gaan en ons de lading te ontfutselen.—Wij, oude zeerobben, waren in de minderheid +en weken meer <span id="d0e4012" class="pageno">bladzijde 108</span>en meer achteruit, totdat wij onzen kans schoon zagen en aan den haal gingen. + +<p id="d0e4015">Ik zag er vreeselijk uit, en juist was ik bezig met mezelven wat op te knappen, toen een man mij op den schouder tikte. + +<p id="d0e4018">Ik keek hem aan en dacht: “Jou heb ik meer gezien!” + +<p id="d0e4021">Hij had een netzakje met springlevende bot aan zijnen arm hangen en het zakje openende, haalde hij er een van de wildste botjes +uit en leî het op straat neer. Het dier lag erg te spartelen, maar kwam niet ver. + +<p id="d0e4024">Ik keek hem aan, alsof ik zeggen wou: “Schort het je in je bol?” + +<p id="d0e4027">De man lachte even en zeî: “Als een visch op het droge, Huib!” + +<p id="d0e4030">Nu herkende ik hem. Het was stuurman Willem Adriaense Warmont, die mij vroeger gezegd had, dat er tweeërlei soort van menschen +waren, doch ik was het vergeten. + +<p id="d0e4033">“Hoe maak-je ’t, ouwe jongen?” vroeg ik en stak mijne hand uit. + +<p id="d0e4036">“Goed, goed, Huib! Zeker tienmaal beter dan jij! Je ziet er uit als een uitgeklopte wolbaal! Ben-je heelemaal vergeten wat +ik je eens gezegd heb?” + +<p id="d0e4039">“Jij mij gezegd? Wàt heb je mij gezegd?” + +<p id="d0e4042">“Ja, ja, ik! Weet je niet meer hoeveel soorten van menschen er zijn?”— + +<p id="d0e4045">“o, Ja, dat ’s waar ook: matrozen en landkrabben!”— + +<p id="d0e4048">“Precies, Huib! Maar wat doe je nu hier? Kan een visch op het droge en eene krabbe aan den wal leven? Neen, man, je bent buiten +je element en ’t zal je gaan als de Wolf waarvan de Heer Raadpensionaris Jacob Cats spreekt!”— + +<p id="d0e4051">“Wat zegt die excellente puikpoëet dan?”— +<span id="d0e4053" class="pageno">bladzijde 109</span> + +<p id="d0e4056">“Ken je ’t versje niet? Nou hoor dan: Er staat boven: <span class="letterspaced">Wann de Wolff altet, soo reiten hem de Krehen.</span> + +<p class="poetry"> +<br id="d0e4064">“Eens was ick hoogh geducht; geen beyr en quam mij tergen, +<br id="d0e4067">Geen leeuw en hadder lust om mij een krijght te vergen, +<br id="d0e4070"> Ick was in ’t woudt gesien, en overal gevreest, +<br id="d0e4073"> Maer nu ben ick een spot oock van het minste beest, +<br id="d0e4076">Oock van ’k en weet niet wat: nu rijen mij de kraeijen, +<br id="d0e4079">Omdat ick mijnen hals niet om en weet te draeijen, +<br id="d0e4082"> Omdat ick niet en ben, omdat ick niet en mach, +<br id="d0e4085"> Omdat ick niet en doe, gelijck ick eertijts plach. +<br id="d0e4088">Nu ben ick maer een romp; want oock mijn eijgen jonghen, +<br id="d0e4091">Die komen tegen mij, en over mij gesprongen: +<br id="d0e4094"> Eijlaes! wat sal ick doen? mijn gantsche lichaam beeft, +<br id="d0e4097"> ’t Is uijt wanneer de wolf sijn tanden over-leeft.” + +<p id="d0e4101">“Nou, ja, maar ik en heb mijne tanden nog niet overleefd,” zeide ik. + +<p id="d0e4104">“Nee, Huib, nog niet; maar blijf nog eens een jaar aan den wal, dan ben je net als dit botje!” + +<p id="d0e4107">Hij wees op den visch, die niet meer spartelde, maar dood op den grond lag. + +<p id="d0e4110">“Ik wil het gelooven, je hebt er op getrapt!” gaf ik heel wijs ten antwoord. + +<p id="d0e4115">“Je bent gladder dan ik dacht, Huib,” zeî de ander weer, en na nog eene levende bot uit het netzakje gehaald te hebben, smeet +hij het beest in de <span class="letterspaced">Maas</span>. + +<p id="d0e4121">“Ben je nou heelemaal van lorretje gepikt?” vroeg ik. + +<p id="d0e4124">“Ik geloof het niet; maar trap <span class="letterspaced">die</span> bot eens dood als je kan!”— + +<p id="d0e4130">“Welke bot?” + +<p id="d0e4133">“Wel, die ik in de <span class="letterspaced">Maas</span> smeet!” + +<p id="d0e4139">“Dat kan niet, dat beest is vrij en jij en krijgt je vischje nooit meer weerom!” antwoordde ik. + +<p id="d0e4142">“Dat ’s niemendal, Huib! Als ik jou maar overtuigen <span id="d0e4144" class="pageno">bladzijde 110</span>kan, dat een matroos nooit eene goede landrot worden kan, dan heb ik er het heele zootje voor over! Je moet alweer naar zee, +Huib, anders, en ’t is zoo vast als een ringbout in het dek, heb je, eer we een jaar ouder zijn, even als de wolf, je tanden +overleefd!”— + +<p id="d0e4147">“Maar ik en heb geen zin meer in het varen!” gaf ik eenigszins schoorvoetend ten antwoord. + +<p id="d0e4150">Rrrt, daar vloog de netzak met bot de <span class="letterspaced">Maas</span> in en stampvoetende van kwaadheid, riep hij: “Daar heb-je ’t! Daar heb-je ’t! Jawel, als de luî bang beginnen te worden voor +een mondvol zeewater, als ze liever dunne landkrabbensoep eten dan matrozengort, zeg dan maar: “Adjuus, <span class="letterspaced">Vereenigde Provinciën</span>! Heel de wereld groeit je over den kop en je bent in tel als eene rotte kool bij eene groenvrouw! Huib, Huib, weet-je ’t +dan niet, ouwe jongen, dat de zee voor ons Gemeenebest alles is? Ze geeft ons brood, drank, kleeding, woning, geld, macht, +kloekheid en stevigheid! Hoor naar mijne woorden, Huib, en let er wel op! De dag waarop voor het eerst gebrek is aan zeevolk +op onze schepen, die dag zal de eerste zijn van den ondergang van ons Land! + +<p id="d0e4159">Heb je je Land lief? Naar zee! + +<p id="d0e4162">Wil je graag een eerlijk en goed stuk brood verdienen? Naar zee! Naar zee! + +<p id="d0e4165">Wil je weten hoe rijk de lieve God onze aarde geschapen heeft; wil je knap, wijs en verstandig worden; wil je gezond blijven, +oud worden en een gerusten, onbezorgden ouden dag beleven? Naar zee! Naar zee! + +<p id="d0e4168">Wil je graag rond en oprecht blijven; houd je niet van listen en streken? Naar zee! Naar zee!” + +<p id="d0e4171">Onderwijl de stuurman zoo in vuur geraakt was onder het spreken, waren er van alle kanten mannen en vrouwen <span id="d0e4173" class="pageno">bladzijde 111</span>komen opdagen, die met open ooren en monden stonden te luisteren. Dat zag de wakkere man en toen hij even ophield met spreken +om adem te halen, klonk het hier en daar: “Ga voort, ga voort!” + +<p id="d0e4176">En Warmont sprak: “Ik en weet niet of jeluî altemaal Rotterdammers zijt; maar wat geeft dat? Ik ben een vrije, vrije Fries, +die daar”—hij wees op mij—is een Briellenaar! De Unie telt zeven gewesten en bijna ieder van de zeven kibbelt om den voorrang! +Hier aan den wal zijn we niet één, niet twee, niet zeven, neen, wel honderden meer! Zooveel vroedschappen, zooveel landjes,—zooveel +gilden, zooveel baasjes! Maar op zee, op zee zijn we één! Daar legt de Ommelander zijn knuist in die van den Zeeuw, de Drentenaar +maakt kameraadschap met den Hollander, de Stichtenaar zweert den Fries houw en trouw, en als ze allemaal bij elkaêr zijn, +dan kijken ze naar het <i>oranje, blanje, bleu</i>, aan den achtersteven en hebben maar één vijand en één vriend! De vijand is hij, die ons voor den boeg komt;—de vriend is +de <span class="letterspaced">Oceaan</span>, die ons op zijne golven de schatten van <span class="letterspaced">Oost</span> en <span class="letterspaced">West</span> van <span class="letterspaced">Zuid</span> en <span class="letterspaced">Noord</span> aanbrengt, die ons kloek en krachtig maakt, en die ons den vedel speelt of den trommel slaat, als we aan den dans willen +gaan! Mannen van het Gemeenebest der <span class="letterspaced">Vereenigde Nederlanden</span>, meen je ’t wel met je Land, met je vrouw, met je kinderen, meen je ’t wel met je zelven, smijt dan den kiel van den baliekluiver, +de ganzenveer van den armen klerk weg, schiet het matrozenbuis aan en, naar zee, naar zee!”<a id="d0e4199src" href="#d0e4199" class="noteref">12</a> + +<p id="d0e4203">Het zweet gutste den stuurman van het voorhoofd en terwijl hij zich het gelaat stond af te drogen, schreeuwde de menigte: +“Hoezee! Hoezee!” +<span id="d0e4205" class="pageno">bladzijde 112</span> + +<p id="d0e4208">Dien dag werd ik met nog twintig anderen weer zeeman; ik ben het nog en ik hoop het nog een poosje te blijven om “Goede vaer +Tromp” nog eens in al zijne kracht te zien; want dat is vast: vrede met <span class="letterspaced">Engeland</span> houden we niet! En, als de oorlog uitbreekt, dan zullen we toonen, dat we, al zijn we oud, onze tanden en handen niet overleefd +hebben. “Goede vaer Tromp” zal voorgaan, dat is zeker, en wij zullen volgen, dat is ook zeker!”— + +<p id="d0e4214"> + +<p id="d0e4217">Huib rees op en ging ter kooi; want de avond was gevallen, en ieder der hoorders volgde zijn voorbeeld. + +<p id="d0e4220">Thans wist men ook wie Tromp was. +<span id="d0e4222" class="pageno">bladzijde 113</span> + +<p> +<hr class="noteseparator"> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e3531" href="#d0e3531src" class="noteref">1</a> +<span class="smallcaps">Portugal</span> was van 1580 tot 1640 met <span class="smallcaps">Spanje</span> vereenigd geweest. In 1640 echter werd <span class="smallcaps">Portugal</span> onder Johan IV, Hertog van Bragança, weer een onafhankelijk koninkrijk en nu lag het op onzen weg de Portugeezen tegen de +Spanjaarden te helpen. + +</div> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e3565" href="#d0e3565src" class="noteref">2</a> Een <i>fregat</i> was een vaartuig dat vooral in dezen tijd veel in gebruik kwam. Daar het niet zoo log gebouwd was als de groote oorlogsschepen +bewees het in de zeeoorlogen door zijne snelheid van bewegingen, uitnemende diensten.—Een <i>jacht</i> was mede een zeer snelzeilend vaartuig dat, òf tot den oorlog uitgerust werd en dan <i>oorlogsjacht</i> heette, of mede genomen werd om brieven of boodschappen over te brengen. Deze laatsten kregen den naam van <i>adviesjachten</i>.—<i>Galjoenen</i> waren vaartuigen, die vooral door de Spanjaarden als vrachtschepen gebezigd werden.—<i>Koningsschepen</i> waren die groote oorlogsvaartuigen, die de hoofdmacht van de vloot uitmaakten. Zij werden nergens anders toe gebruikt dan +om oorlog te voeren, terwijl de andere na afloop van den oorlog dikwijls ook weer als koopvaarders in dienst werden gesteld. + +</div> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e3601" href="#d0e3601src" class="noteref">3</a> +<span class="smallcaps">Sint Maartensdijk</span> een dorp op het eiland <span class="smallcaps">Tolen</span> heet in de wandeling steeds <span class="smallcaps">Smeerdiek</span>. + +</div> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e3639" href="#d0e3639src" class="noteref">4</a> +<span class="letterspaced">Jule</span> is hetzelfde als weenen en <span class="letterspaced">meutje</span> of <span class="letterspaced">moei</span> de echte Nederlandsche naam van tante. + +</div> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e3683" href="#d0e3683src" class="noteref">5</a> +<span class="letterspaced">Aoist</span>! is vooral op <span class="smallcaps">Walcheren</span> een uitroep van buitengewone blijdschap. + +</div> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e3761" href="#d0e3761src" class="noteref">6</a> +<span class="letterspaced">Veel roemen</span> beteekent <span class="letterspaced">velen roemen</span> en een <span class="letterspaced">ijdel vat</span> is een <span class="letterspaced">ledig vat</span>. + +</div> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e3806" href="#d0e3806src" class="noteref">7</a> Een <span class="letterspaced">kadraaier</span> of <span class="letterspaced">kaaidraaier</span> is een man, die met een roeivaartuig bij de schepen komt om eetwaren te verkoopen. + +</div> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e3847" href="#d0e3847src" class="noteref">8</a> De beroemde Zweedsche vlootvoogd Carel Gustaaf Wrangel vertoefde een jaar in ons land om de zeevaartkunde te bestudeeren; +men zegt zelfs, dat hij op onze vloot gediend heeft.—Nicolaas De Witte een Deen, Oloff Steffers en Morgester zijn officieren +in Nederlandschen dienst geweest en Gustaaf Adolf koning van <span class="smallcaps">Zweden</span> had reeds twintig jaren vroeger Nederlandsche officieren en onder-officieren uitgenoodigd bij hem in dienst te treden. + +</div> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e3926" href="#d0e3926src" class="noteref">9</a> Een <span class="letterspaced">schobbejak</span> was in de riddertijden het geschubde jak dat de mindere man in den oorlog droeg. Later werd het een scheldnaam. + +</div> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e3938" href="#d0e3938src" class="noteref">10</a> De Kabeljauwschen droegen grauwe en de Hoekschen roode mutsen.—<span class="letterspaced">Bonne fooi</span> is eene verbastering van het Fransche <span class="letterspaced">bonne foi</span> en beteekent eigenlijk <span class="letterspaced">goede trouw</span>. Zooals wij het gebruiken beteekent het <span class="letterspaced">op goed geluk af</span>. + +</div> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e3988" href="#d0e3988src" class="noteref">11</a> +<span class="letterspaced">Meeren</span> is het vastleggen van schepen aan palen of ringen. + +</div> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e4199" href="#d0e4199src" class="noteref">12</a> Die toespraak van Warmont moogt ge wel eens goed overlezen. Me dunkt, dat zulk eene toespraak in den tegenwoordigen tijd ook +niet ongepast zou zijn. Veel lust tot den zeedienst bestaat er althans bij onze knapen niet en dat is wel jammer; want er +is veel van waar als onze bekende kinderdichter Dr. J. P. Heije zegt: “Zout water geeft het zoetste brood!” + +</div> +<h1 id="d0e4226">Houw en Trouw.</h1> +<p id="d0e4232">Koning Karel I van <span class="letterspaced">Engeland</span> had zijne stijfhoofdigheid en de woelingen der burger-partijen met zijn leven moeten boeten. Den negenden van Sprokkelmaand +beklom Karel het schavot en ten aanzien van duizenden toeschouwers sloeg een gemaskerde beul hem het hoofd af. + +<p id="d0e4238">Zulks geschiedde op bevel van zijne tegenpartij aan wier hoofd een zekere Olivier Cromwell stond. + +<p id="d0e4241">Die Cromwell was ontegenzeggelijk een knap man—Engeland heeft veel aan hem te danken—en Koning Karel had groote gebreken gehad +en vele verkeerdheden begaan; maar de haat, dien hij den Vorst toedroeg was veel te verregaand.—Toen hij het doodvonnis van +den Koning onderteekend had, streek hij zijne met inkt gevulde pen over het gelaat van zijnen vriend Martyn en zeide: “De +beurt is aan u!” + +<p id="d0e4244">Een mensch, die rechtschapen is, kan zóó al vast geene doodvonnissen onderteekenen. + +<p id="d0e4247">Intusschen was Karels oudste zoon, die hem later als Koning opvolgde, na vele vergeefsche pogingen aangewend te hebben om +de kroon te heroveren, het land ontweken, en vertoefde nu eens hier en dan daar. Zoo <span id="d0e4249" class="pageno">bladzijde 114</span>kwam hij ook in <span class="letterspaced">Den Haag</span> en genoot daar van vele zijden gastvrijheid. + +<p id="d0e4255">Cromwell, die na het eindigen van den burgeroorlog Lord-protector van Engeland geworden was, had al vroeger bij onze Staten +aanzoek gedaan om zich met <span class="letterspaced">Groot-Brittannië</span> tot één gemeenebest te vereenigen. Maar hoe genegen sommigen Cromwell nu ook waren, dáárin hadden ze volstrekt geen lust, +en het aanbod werd dan ook eenstemmig van de hand gewezen.—Dit hinderde den Lord-Protector erg en bovendien was hij ontevreden +op ons, omdat de Prins van <span class="letterspaced">Wales</span>, Koning Karels oudste zoon, hier te lande zulk eene gastvrijheid genoot. Ieder oogenblik had de man wat met ons uitstaande, +nu over dit, dan over dat; maar het meest over zeezaken. Het ging ons gemeenebest zeer voordeelig en nog hadden we in <span class="letterspaced">Europa</span> den naam, dat we de eerste mogendheid ter zee waren! Dat hinderde de Engelsche natie vreeselijk en Cromwell was er steeds +op uit dat aanzien en die eer te fnuiken.—Stoutweg verklaarde de Engelsche regeering, dat zij de eerste zeemogendheid was +en beweerde, dat iedere Natie verschuldigd was hare vlag te eeren en hulde te bewijzen. Wie dat niet deed zou als vijand beschouwd +en behandeld worden. Men gaf brieven van kaapvaart aan ieder, die meende, dat hij door de Nederlanders in een of ander opzicht +benadeeld was geworden. Stoutweg voeren die kapers dikwijls onder de Engelsche vlag, en dan was het toch wel erg vernederend +om de vlag voor eenen kaper te strijken. + +<p id="d0e4267">Eindelijk begon men hier toch in te zien, dat het zoo niet langer blijven kon en daarom werd er den derden van Lentemaand +1652 besloten honderdvijftig schepen van oorlog uit te rusten. +<span id="d0e4269" class="pageno">bladzijde 115</span> + +<p id="d0e4272">Het duurde dan ook niet heel lang of Admiraal Tromp kon met vijftig tamelijk goed uitgeruste schepen zee kiezen. De bestemming +van die vloot was, onze koopvaarders te beschermen en zorg te dragen, dat maar niet iedereen, die daartoe lust gevoelde, ze +onderzocht. Over het strijken van de vlag werd niets gezegd. Zeker omdat men toch wel begreep, dat dit den oorlog niet verhinderen +kon. Toch kreeg Tromp bevel zoo veel mogelijk van de Engelsche kust af te houden, daar men zelf zoo lang dit maar kon den +oorlog wilde uitstellen, en althans dien niet beginnen. + +<p id="d0e4275">De Admiraal besloot, was het ook met heel veel moeite, dit bevel ten uitvoer te brengen en ankerde met zijne vloot tusschen +<span class="letterspaced">Duinkerken</span> en <span class="letterspaced">Nieuwpoort</span>; maar door een Noord-oosten storm beloopen was hij genoodzaakt de ankers te lichten en zich om den hoek van <span class="letterspaced">Dover</span> in veiligheid te stellen. Nauwelijks was hij daar aangekomen, of hij zond twee fregatten uit om den Engelschen Kommandeur +Bourne, die bij <span class="letterspaced">Duins</span> lag, uit zijnen naam te begroeten en tevens te zeggen, dat hij van <span class="letterspaced">Dover</span> vertrekken zou, als hij het doel van zijnen tocht bereikt had.—Bourne liet hem heel beleefd terug groeten en het scheen wel, +dat het haast eene onmogelijkheid was, dat er van oorlog sprake kon zijn. + +<p id="d0e4293">Maar, ’t was de stilte, die de uitbarsting van een vulkaan voorafgaat.— + +<p id="d0e4296">’T was nacht! + +<p id="d0e4299">Eenzaam en stil lag daar een schip op de baren der <span class="letterspaced">Noordzee</span> te wiegelen. Als men evenwel wat scherper toekeek dan zag men hier en daar, donkere plekken zich tegen de bewolkte lucht +afteekenen, en zoo nu en dan een licht. +<span id="d0e4304" class="pageno">bladzijde 116</span> + +<p id="d0e4307">Aan boord van het schip, dat we thans betreden, vinden we drie mannen, die de wacht houden. + +<p id="d0e4310">De oudste is Huib, die, op een hellebaard geleund, zijne oogen in het rond laat gaan als eene kat, die eene prooi zoekt. + +<p id="d0e4313">De andere is wat jonger, maar veel langer dan Huib. Het is de lange Smeerdiekenaar, dien we zich als een kind zagen aanstellen +toen hij voor het eerst in het vuur moest. + +<p id="d0e4316">De derde is een heel jong en kort matroosje met eene flauwe stem. Hij heet Adriaan. + +<p id="d0e4319">“Wel, ’Uib, zie je nog niks niemendalle?” vraagt de lange.<a id="d0e4321src" href="#d0e4321" class="noteref">1</a> + +<p id="d0e4331">“Jawel, ’k zie onze vloot, maar anders niet!” + +<p id="d0e4334">“En jie, zie jie niks?” klinkt de vraag aan den jongen Adriaan. + +<p id="d0e4337">“Een vraagal en wat schepen!” is het zachte antwoord. + +<p id="d0e4340">“Hoor eens, Adriaan, je kunt dan vreeselijk kortaf zijn! Komt dat omdat men geen baard bij jou kan zien van al dat vel? Je +lijkt, bij m’n ziel, meer op een vroolijk zusterken dan op een matroos. Hoe oud ben-je al?” vraagt Huib. + +<p id="d0e4343">“Zoo oud als mijn handen en niet als mijn tanden!” klinkt het even bits. + +<p id="d0e4346">“Brrrr, wat ’n antwoord! Heusch, Adriaan, dat komt omdat je geen baard hebt, dat je zoo kort van stof bent!” + +<p id="d0e4349">“Wel, geef jij me dan maar wat pootjes! Je gezicht lijkt veel op een stoppelveld van zaadstroo! Maar weet je wel waar jij +veel op gelijkt?” + +<p id="d0e4352">“Neen, weet jij dat?” +<span id="d0e4354" class="pageno">bladzijde 117</span> + +<p id="d0e4357">“Jawel, je gelijkt precies op een, die altijd ontevreden is! Schort er wat aan?” + +<p id="d0e4360">“Ja, Adriaan, er schort wat aan en dat ik ontevreden ben, dat is waar!” + +<p id="d0e4363">“Zoo,” zegt de Smeerdieker met een langgerekten uithaal, “zoo, ik docht ik dat er bie joe niks kon besannen!”<a id="d0e4365src" href="#d0e4365" class="noteref">2</a> + +<p id="d0e4375">“Zoo, Gerrit, dacht je dat? Nou, maar dan heb je ’t mis, hoor!” + +<p id="d0e4378">“Maar wat schort er dan aan?” vroeg Adriaan. + +<p id="d0e4381">“Wel, dat zal ik je eens zeggen. Ik heb een kameraad gehad, een jongen daar wel wat in zat. Hij kwam van <span class="letterspaced">Schevelingen</span> en heette “Jonge Kees.” Oud was hij nog niet; ik denk dat hij tusschen de veertien en zestien jaar geweest is! Dat was er +net een daar ik mee doen kon wat ik wilde. Ik kon op hem grommen, knorren, razen en tieren; ik kon hem zoo nu en dan eens +door malkander schudden; maar ik kon hem ook dikwijls vertellen wat mij naar op het hart lag. We waren beste vrinden en sedert +hij van boord is, ben ’k als iemand, die iets verloren heeft!” + +<p id="d0e4387">“En waarom ging hij van boord?” vroeg Adriaan verder. + +<p id="d0e4390">“Wel, zijne ouders gingen op <span class="letterspaced">Vlieland</span> wonen en daar zijne dienstjaren om waren ging hij weg en werd haringvisscher. Een aardige jongen was het, en ik heb veel +aan hem verloren! Als je er niet zoo meisjesachtig uitzaagt, Adriaan, dan zoudt gij zijne plaats kunnen vervangen!”— + +<p id="d0e4396">“Zoo? Geef me dan van uwe stoppels, Huib,” zeide Adriaan, “dan heb ik binnen veertien dagen een baard en ... maar stil, zie +je daar niemendal, daar om de zuidwest?”— +<span id="d0e4398" class="pageno">bladzijde 118</span> + +<p id="d0e4401">“Verbeeldienge is erger as de derdendaegsche koose!” viel Gerrit in.<a id="d0e4403src" href="#d0e4403" class="noteref">3</a> “Ik zien ik niks as....” + +<p id="d0e4413">“’N schip, Huib, ik zeg je dat het een schip is!” riep Adriaan. + +<p id="d0e4416">Gedurende eenigen tijd stonden de drie wachten uit te zien, maar ontdekten niets. Tegen het aanbreken van den dag echter zagen +ze het schip alweer en toen het nader kwam, bleek het dat het <i>De Crèvecoeur,</i> kapitein Joris Van der Zaen, was. + +<p id="d0e4422">De Admiraal werd gewekt en nu bracht Van der Zaen hem de tijding dat zeven straatvaarders, die te zamen wel vijftig tonnen +gouds waarde hadden, groot gevaar liepen door de Engelschen genomen te worden. + +<p id="d0e4425">“Dan is het mijn plicht deze te gaan beschermen,” zeide Tromp en beval dat de vloot zich in beweging zou stellen. + +<p id="d0e4428">Nauwelijks waren zij onder zeil of ze ontdekten eene Engelsche vloot, die uit vijftien kloeke oorlogsschepen bestond. Een +van deze schepen voerde de Admiraalsvlag en later bleek het, dat het die van den dapperen Robert Blake was. + +<p id="d0e4431">Kan men van Marten Harpertsz. Tromp zeggen dat hij de Nederlandsche vloot tot eene geduchte sterkte wist te brengen, kan men +van hem getuigen, dat hij het verwarde zeewezen van de <span class="letterspaced">Vereenigde Provinciën</span> voor een groot gedeelte in het reine bracht, dat hij leerlingen had, die naderhand hem na- of voorbij streefden en dat hij +onder het zeevolk eenen geest wist te brengen, die één man zooveel waard deed zijn als twee,—hetzelfde mag men ook gerust +zeggen van Robert Blake, in wien Tromp een hem waardig tegenstander vond. Boven onze scheepsbevelhebbers had Blake nog dit +voor, dat hij een zeer geletterd man was.<a id="d0e4436src" href="#d0e4436" class="noteref">4</a> +<span id="d0e4448" class="pageno">bladzijde 119</span> + +<p id="d0e4451">Zoodra Tromp deze zeemacht ontdekte, meende hij dat de straatvaarders reeds genomen waren en, om nog den schijn van alle vijandelijkheid +te mijden, liet hij bijna alle zeilen innemen en stelde eenen man bij de vlag om dezen te strijken. + +<p id="d0e4454">Nu was Blake echter zoo dom niet om te denken, dat de Nederlandsche vloot daar zoo maar voor eene aardigheid kruiste. Hij +begreep zeer goed waarom men hem als een hond nazat. Dat kon de voortvarende man niet dulden, en daarom liet hij ook, als +een hond, een hol gegrom hooren, dat wil zeggen, hij joeg een kanonskogel over Tromps schip. Dit schot werd weldra door een +tweede en nog door een derde gevolgd. De laatste kogel nam den arm van een onzer matrozen weg. + +<p id="d0e4457">Tromp zag bij dat alles bedaard rond, maar toch schitterden zijne oogen als vuurkolen. + +<p id="d0e4460">Aan boord van alle schepen was ieder man op zijn post. Ook Gerrit Leinsz. de konstabel, stond gereed. + +<p id="d0e4463">Tromp ging naar dezen toe en zeî: “Geen bloed, Leinsz! De eerste kogel zij voor de kabeljauwen!” + +<p id="d0e4466">De konstabel volbracht het bevel, doch Blake beschouwde het nog immer als geene gekheid en gaf Tromp de volle laag. + +<p id="d0e4469">Thans werd het gevecht algemeen en ofschoon Tromp over eene veel sterkere macht beschikken kon dan de Engelschman, zoo maakte +hij er toch geen gebruik van, omdat hij letterlijk wilde handelen naar het bevel, dat hij mede gekregen had, om namelijk slechts +te zorgen, dat onze vlag geen schande werd aangedaan. + +<p id="d0e4472">Het gevecht duurde vijf uren; men moest toen wel eindigen omdat de nacht inviel. + +<p id="d0e4475">In <span class="letterspaced">Nederland</span> vernam men de tijding van het zeegevecht <span id="d0e4480" class="pageno">bladzijde 120</span>met een verdeeld gevoelen. Aan de eene zijde juichte men er over, dat de Engelschen eens flink onder de oogen waren gezien; +maar aan de andere zijde schrikte men er van terug, als men aan eenen oorlog met <span class="letterspaced">Engeland</span> dacht. Intusschen was de noodlottige Eerste Engelsche oorlog begonnen.—Van weerszijden trachtte men zich te verontschuldigen. +Tromp zeî: “Blake heeft het eerst geschoten,” en Blake zeî: “Tromp heeft zijne vlag niet gestreken!” + +<p id="d0e4486">Nog deden de Nederlanders bijna het onmogelijke om den vrede te behouden en zond men gezantschap op gezantschap naar <span class="letterspaced">Engeland</span>, maar niets mocht baten. De gezanten werden soms met minachting ontvangen en wat ze ook vertelden, niemand geloofde hen. +De oorlog was onvermijdelijk, men moest vechten of men wilde of niet, en vele leden der Regeering gaven thans Tromp van alles +de schuld en zouden hem gaarne door een ander hebben doen vervangen, als ze maar iemand hadden kunnen vinden. + +<p id="d0e4492">Maar De Ruyters zon was nog lang niet ter middaghoogte en voor die van den wakkeren Briellenaar was het nog geen tijd om onder +te gaan.— + +<p id="d0e4495">Gedurende dien tijd was Jonge Kees ook op zee. Maar niet bij <span class="letterspaced">Duins</span>, <span class="letterspaced">Dover</span> of <span class="letterspaced">Duinkerken</span>; niet op een oorlogsschip, dat ieder oogenblik gereed is een ander schip aan te vallen, en dat sterk bemand en gewapend is. + +<p id="d0e4507">Het vaartuig waarop onze Jonge Kees thans vertoeft is eene kloeke, stevige vischschuit, van ’t voorjaar eerst nieuw. De schuit +draagt op den achtersteven den naam van: <i>De vrouw Neeltje</i>.—Neeltje, zoo heet zijne moeder. + +<p id="d0e4513">De vorige reis heeft de vader van Jonge Kees een tros tegen zijne beenen gekregen, en deze zoo erg bezeerd, dat hij ditmaal +niet met zijne schuit meê kon.<a id="d0e4515src" href="#d0e4515" class="noteref">5</a> +<span id="d0e4521" class="pageno">bladzijde 121</span> + +<p id="d0e4524">Maar Jonge Kees is een wakkere borst, een stoere jongen, een knaap daar staal in zit, dat wist moeder Neeltje ook wel, en +daarom zeî ze, toen haar man, hoe zwaar het hem ook viel, toch mee wilde gaan: “Laat je beenen nou rust houden, vader! Blijf +deze reis maar eens thuis en laat onze Jonge Kees je plaats vervangen! De zee is tegenwoordig rustig, de jongen is bij de +hand en het <span class="letterspaced">Schagerrif</span> of <span class="letterspaced">Doggerzand</span> is niet zoo heel ver af!” + +<p id="d0e4533">“Ja, maar, moeder, de jongen is toch nog wel wat jong! Pas,—was ’t niet met Drie Koningen?—zestien jaar! Wel wat jong, moeder, +wel wat jong!” + +<p id="d0e4536">Maar moeder Neeltje wist zoo te praten dat de vader eindelijk toegaf en zijn’ zoon, voor ééne reis, tot stuurman op de mooie +schuit aanstelde. + +<p id="d0e4539">Op dit oogenblik is hij in de nabijheid van het <span class="letterspaced">Doggerzand</span>. Hij en zijne manschappen zijn recht tevreden, want de vangst was uitmuntend. + +<p id="d0e4545">“Nog één uurtje, mannen, dan gaan we eens kijken of er aan het <span class="letterspaced">Schagerrif</span> ook wat te halen is!” zegt de jonge stuurman. + +<p id="d0e4551">“Daar ginder komt een Roôrok, Jonge Kees!” zegt een der matrozen. + +<p id="d0e4554">“Wel, dan gaan we niet weg! Die Koningsmoorder zou wel denken, dat we aan den haal gingen!”— + +<p id="d0e4557">Men gaat voort met visschen.— + +<p id="d0e4560">De Engelsche vischschuit komt al nader en nader en er klinkt een hevig gelach aan boord nu Jonge Kees zijne netten leêg ophaalt. + +<p id="d0e4563">“Hij lacht ons uit!” zegt een matroos. + +<p id="d0e4566">“Laat ze maar lachen! ’T is beter dat ze om ons lachen dan dat ze om ons huilen!”— +<span id="d0e4568" class="pageno">bladzijde 122</span> + +<p id="d0e4571">Nu haalt de Engelschman zijne netten ook leeg op. + +<p id="d0e4574">Een hevig gelach klinkt er thans van <i>De vrouw Neeltje</i>. Ieder zijne beurt. + +<p id="d0e4580">Maar dat kan de Engelschman niet dulden! Hij mag uitlachen wien hij wil, maar niemand mag dat doen te zijnen koste. En in +zijne boosheid neemt hij een der steenen, die op zijn dek liggen, en smijt dien naar den brutalen Vlielander. + +<p id="d0e4583">“Leer om leer kan ik je niet geven!” roept Jonge Kees, “maar smijt jij met steenen dan doe ik het met talhouten!”— + +<p id="d0e4586">Zjst—daar vloog er al een. + +<p id="d0e4589">Nu smeten al de Engelschen met steenen en al de Hollanders met talhouten.—Het was een grappig gezicht, vooral omdat geen van +allen raak gooide. + +<p id="d0e4592">Jonge Kees houdt op met smijten en roept: “Legt neer dat hout!”— + +<p id="d0e4595">“Moeten we ons dan maar dood laten gooien?” vraagt er een. + +<p id="d0e4598">“Wel neen,” zegt Jonge Kees, “maar als je niet bang zijt, dan weet ik wel wat!” + +<p id="d0e4601">“Bang? ’ Ik en weet niet wat bang is!” + +<p id="d0e4604">“Mooi, dan gaan we dien Roorok enteren, en als we ’t gedaan kunnen krijgen, dan zullen we die luî aan hun eigen boord een +pak rammel geven!”— + +<p id="d0e4607">“Dat ’s goed! Dat doen we!” roepen ze allen en in een oogenblik ligt <i>De vrouw Neeltje</i> tegen <i>The Seal</i>. + +<p id="d0e4616">Vlug als katten springen de Hollanders met een talhout in de hand en het kaakmes in den mond aan boord van den Engelschman, +die, na bont en blauw, geslagen te zijn, in zijn ruim vlucht. + +<p id="d0e4619">“Spijkert het dicht, spijkert het dicht!” roept Jonge <span id="d0e4621" class="pageno">bladzijde 123</span>Kees en houdt, onderwijl er een man naar boord terugkeert om hamer en spijkers te halen, met vier man bij het luik de wacht. + +<p id="d0e4624">De ander is spoedig terug, en daar gaat het,— klop-klop-klop, de eene spijker na den anderen wordt er flink ingedreven.—’T +is of het nooit meer open moet. + +<p id="d0e4627">“En nu naar huis,” zegt Jonge Kees. + +<p id="d0e4630">Daar heerschte pret op <span class="letterspaced">Vlieland</span> toen <i>De vrouw Neeltje</i> met zoo’n flinken prijs aankwam, en er werd dadelijk besloten, dat Jonge Kees en zijne matrozen het vaartuig naar <span class="letterspaced">Amsterdam</span> mochten opbrengen. + +<p id="d0e4642">De Admiraliteit van <span class="letterspaced">Amsterdam</span> hoorde met wonder veel genoegen het verslag van het gebeurde aan en gaf Jonge Kees en de zijnen de Engelsche vischschuit +met alles wat er op en in was. De visschers werden gevangen gehouden.— + +<p id="d0e4648">Vroolijk begaf Jonge Kees zich thans aan boord van <i>The Seal</i>, maar eer hij nog van den wal gestoken was, kwam Dr. Andries Bicker, lid van de Admiraliteit, aan de loopplank, en verzocht +den jongen stuurman te spreken. + +<p id="d0e4654">Jonge Kees verscheen. + +<p id="d0e4657">“Het Collegie der Admiraliteit zendt mij tot u af, om je te vragen of je niet aan boord van Tromp zou willen dienen. Hij moet +een stuurman hebben!” zeide Bicker. + +<p id="d0e4660">De flinke knaap, die ook wel wist, dat het Vaderland bedreigd werd, had wel lust, doch wilde eerst zijnen vader daartoe verlof +vragen. Het zou in alle gevallen maar voor zoolang zijn als de oorlog duurde. + +<p id="d0e4663">Toen Jonge Kees den heer Bicker gezegd had wat hij wilde doen, vond deze het goed mits hij dan maar spoedig bericht zond; +want Tromp was erg verlegen. +<span id="d0e4665" class="pageno">bladzijde 124</span> + +<p id="d0e4668">Niet dan met veel moeite gelukte het hem zijn vader over te halen; maar toen deze daartoe verlof gaf, was er niemand blijder +dan hij. In plaats van een bericht aan de heeren te sturen ging hij zelf, zoodat we hem een paar dagen later alweer voor Dr. +Bicker zien staan. + +<p id="d0e4671">“Het doet ons veel genoegen, Jonge Kees,” zeide deze, “dat ge uw Vaderland dienen wilt ook daar, waar er meer eer dan voordeel +te behalen is. Maar <span class="letterspaced">eer</span> zult ge behalen; wij beginnen er nu al mede!”—en dit zeggende hing hij den blozenden knaap een eerepenning aan een rood-wit-blauw +lint om den hals. + +<p id="d0e4677"> +<div id="d0e4679" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/pl124.jpg" alt=""> +</div> + +<p id="d0e4682">“Hoezee!” juichte Jonge Kees zonder op de tegenwoordigheid van zoovele aanzienlijke personages te letten. “Hoezee! Als Huib +en de Ammiraal me zoo terugzien, dan zullen ze net zoo blij zijn als ik ben! Ja, dat zullen ze! Hoezee!” + +<p id="d0e4685">En ’t was zooals Jonge Kees gedacht had. De heer Bicker gaf hem eenen brief voor den Admiraal mede en toen Tromp dien gelezen +had, gaf hij den knaap de hand en zeî: “Jonge Kees, het Vaderland verwacht groote dingen van u! Blijf altijd zoo trouw, eerlijk +en moedig, dan zal het u wèlgaan!” + +<p id="d0e4688">Jonge Kees bloosde van blijdschap en had de handen van Goede vaêr Tromp wel willen kussen. + +<p id="d0e4691">Een groot deel der bemanning stond van verre toe te zien wat er toch gebeurde. De kampanje naderen om te luisteren durfde +men evenwel niet; want de Admiraal was wel goed, maar ook gestreng en dikwijls had de een of ander, die al te vrijmoedig was, +al eens moeten hooren: “Hoor eens, jongen, al te goed is buurmans gek, hoor!” + +<p id="d0e4694">Maar Tromp liet hem los en in een oogenblik was <span id="d0e4696" class="pageno">bladzijde 125</span>Jonge Kees onder de matrozen, die hem met allerlei vragen bestormden. + +<p id="d0e4699">De knaap stond echter niemand te woord en zag maar naar alle kanten rond. + +<p id="d0e4702">“Wien zoek-je, maat?” vroeg Adriaan. + +<p id="d0e4705">Jonge Kees zag den matroos met zijne fijne stem in het vriendelijke, baardelooze gelaat en zeî: “Ik zoek Huib, Huib Maerlant!”— + +<p id="d0e4708">“Die is ziek; maar zelfs de barbier weet niet wat hem deert! Wij gelooven, dat hij het heimwee heeft,” zeide Adriaan. + +<p id="d0e4711">“Dan zal ik hem wel beter maken,” was het snel gegeven antwoord en in een omzien was hij beneden en stond voor de hangmat +waarin de oude Huib lusteloos, bleek en vermagerd terneder lag. + +<p id="d0e4714">“Dag Huib, dag Huib! Hier ben ik alweer!” riep de knaap. + +<p class="poetry"> +<br id="d0e4719">“Eylaes! wat sal ick doen? mijn gantsche lichaem beeft, +<br id="d0e4722"> ’t Is uyt wanneer de wolf syn tanden over-leeft!” + +<p id="d0e4726">zeide Huib, zonder zich om te keeren. + +<p id="d0e4729">“Ben-je wel dwaas, Huib! Jij je tanden al overleefd hebben? Kom, vent, keer-je om! Kijk eens wie hier voor je staat en zie +eens hoe mooi ik ben!”— + +<p id="d0e4732">Huib keerde zich om, doch nauwelijks had hij Jonge Kees gezien, of hij riep, terwijl hij beide handen van den knaap tusschen +de zijne drukte: “Jij, Jonge Kees, jij hier? Ja, nou wordt de oude Huib weer beter! Ik had het heimwee naar je, jongen, en +ik en durfde het niemand zeggen! Maar wat hangt daar op je borst te slingeren?” + +<p id="d0e4735">“Nou, kijk maar eens! Je mag wel zien hoe mooi ik ben!” +<span id="d0e4737" class="pageno">bladzijde 126</span> + +<p id="d0e4740">“Een eerepenning? Hoe kom-je daaraan?”— + +<p id="d0e4743">De knaap vertelde het, maar onderwijl hij dat deed werd Huib steeds onrustiger. Hij keerde zich heen en weer en riep eindelijk: +“Er uit, ik moet er uit! Help me dan toch, ik moet er uit!”— + +<p id="d0e4746">Daar stond hij van zwakte te waggelen als eene eend. + +<p id="d0e4749">“Jonge Kees, je zal het verder brengen dan ik, dat zal je! De goede God zegen je, jongen!” riep hij eindelijk en gaf den knaap +op elke wang een kus. + +<p id="d0e4752">De zeelui waren de een na den ander naar beneden gekomen, doch Huib zag het niet. Eindelijk sloeg hij de oogen op en riep: +“Ja, Jaantje, een meisken ben je vast, en jij daar, Gerrit Leinsz, dit is nou mijn Jonge Kees, en nou de jonge den ouwen weer +opzoekt, nou zal het weer gaan als een lier op een’ Zondag! Dit is nou Jonge Kees, daar ik zooveel van verteld heb; maar alles +weet jelui nog niet. Het mooiste komt achteraan. Ziet jelui die eerepenning op zijn borst slingeren? Nou die....” + +<p id="d0e4755">“Neen, ik en wil niet dat je ’t vertelt, Huib!” riep Jonge Kees. + +<p id="d0e4758">“Ja, ja, vertellen, vertellen!” klonk het in koor. + +<p id="d0e4761">Er was niets aan te doen; Huib zou zijn zin hebben en vertelde nu de geschiedenis van <i>De Vrouw Neeltje</i> en <i>The Seal</i> in al zijne kleuren. + +<p id="d0e4770">“’Ier ei-je m’n knuuste, joengen!” zeî de lange Gerrit Leinsz. “Pak an, je bint mien kameraad ok!” + +<p id="d0e4773">“En de mijne, en de mijne!” riepen de anderen. + +<p id="d0e4776">Jonge Kees werd letterlijk verdrongen door die ruwe mannen, die met tranen van geestdrift in de oogen om de vriendschap van +den jeugdigen held vroegen. + +<p id="d0e4779">Alleen Adriaan hield zich van achteren en eerst toen Jonge Kees alleen was, kwam hij naar hem toe en hem <span id="d0e4781" class="pageno">bladzijde 127</span>de hand biedende zeide hij blozende: “Wil je mijn vriend ook zijn, zooals je van Huib bent? Ik wil je voorbeeld volgen!”— + +<p id="d0e4784">“Welja,” zeî Huib, “dat kunnen we wel doen! De handen in elkander! Zie zoo, dat is er zes. Zoo sterk als een ketting! Wie +kan die verbreken? Geen mensch; want ik zeg: Houw en trouw in nood en dood!—En wat zeg jij, jonge Kees?” + +<p id="d0e4787">“Houw en trouw in nood en dood!” klonk het ferm. + +<p id="d0e4790">“En jij, Jaantje,—neen, ik en wil je niet meer voor den gek houden; want je hebt verleden met die Rôorokken gevochten als +een leeuw;—Adriaan dus, wat zeg-je?” + +<p id="d0e4793">“Houw en trouw in nood en dood!” + +<p id="d0e4796">De stem was nauwelijks hoorbaar; maar toch was het: “Houw en trouw in nood en dood!”— +<span id="d0e4798" class="pageno">bladzijde 128</span> + +<p> +<hr class="noteseparator"> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e4321" href="#d0e4321src" class="noteref">1</a> +<span class="letterspaced">Niks</span> is <span class="letterspaced">niets</span>. + +</div> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e4365" href="#d0e4365src" class="noteref">2</a> “<span class="letterspaced">Zoo, ik docht ik dat er bie joe niks kon besannen</span>,” beteekent: “<span class="letterspaced">zoo, ik dacht dat er bij u niets op aankwam</span>!” + +</div> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e4403" href="#d0e4403src" class="noteref">3</a> “<span class="letterspaced">as de derdendaegsche koose</span>” beteekent: <span class="letterspaced">dan de derdendaagsche koorts</span>. + +</div> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e4436" href="#d0e4436src" class="noteref">4</a> Blake was oorspronkelijk voor de letteren opgeleid en een zeer geleerd man. Hij was een vurig aanhanger van Cromwell, die +zijne veelvuldige diensten, hem bewezen, beloonde met hem eene aanstelling als generaal te geven. Later plaatste hij hem op +de vloot als opperbevelhebber. Onder hem stonden ook nog de generaals George Monk en Richard Deane.—Cromwell, die zeer goed +begreep, dat een oorlog ter zee andere bekwaamheden vereischt dan een landoorlog, stelde ook nog andere bevelhebbers aan, +die volkomen met de zeezaken bekend waren. De voornaamste dezer waren: George Ayscue, William Penn en John lawson.—Blake was +niet te trotsch om gedurig met deze laatsten te raadplegen en hieraan is het dan ook hoofdzakelijk toe te schrijven, dat hij +als bevelhebber der vloot zooveel roem inoogstte.— Onze Admiralen waren over het algemeen zeer ongeletterd, zoodat er in hunne +brieven dikwijls heel veel fouten voorkomen, en men moeielijk begrijpen kan, wat zij eigenlijk bedoelden.—Cornelis Tromp kan +hierop eene gunstige uitzondering gemaakt hebben.— De beroemste onzer vlootvoogden, Michiel Adriaensz. De Ruyter, schreef +in 1641 aan de Admiraliteit van <span class="smallcaps">Zeeland</span>: “Ick sal mij als een heerlijck (eerlijk) capiteijn in mijn harte gedraghen, in de hoope, dat Godt het werck daer wij om +uitgesonden zijn sal segenen tot heere (eere) van ons lieve Vaderlandt.” + +<p id="d0e4444" class="notetext">Machgyl Adriaense De Ruyter. +</div> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e4515" href="#d0e4515src" class="noteref">5</a> Een <span class="letterspaced">tros</span> is een lijn, die uit drie of vier strengen gevlochten is. + +</div> +<h1 id="d0e4802">Miskend en Erkend.</h1> +<p id="d0e4808">Met eene vloot van 96 schepen en eenige branders, te zamen elf duizend man aan boord hebbende, zette Tromp koers naar <span class="letterspaced">Duins</span> in de hoop daar Blake te vinden. + +<p id="d0e4814">“Zeg, Huib, denk-je dat die Blake nog te <span class="letterspaced">Duins</span> is?” vroeg Jonge Kees. + +<p id="d0e4820">“Ik en-weet het niet! Maar waarom? Zou-je denken, dat onze Ammiraal hem ook niet kan opzoeken als hij daar niet meer en is?”— + +<p id="d0e4823">“Dat weet ik wel; maar ik wilde zoo geern mijn eerepenning wat beter verdienen. ’K heb met die Roôrokken meer dan één appeltje +te schillen, hoor!” + +<p id="d0e4826">“Daar ligt <span class="letterspaced">Duins</span>,” zeide Adriaan, “en ik zie de masten van groote schepen. Je zal dus je zin hebben, Jonge Kees!” + +<p id="d0e4832">Maar Jonge Kees kreeg zijnen zin niet en Tromp natuurlijk ook niet; want weldra vernamen ze, dat de hoofdvloot onder Blake +uitgeloopen was. Slechts een smaldeel van 31 schepen, onder bevel van den Vice-Admiraal Ayscue lag er nog.—Tromp besloot al +vast te kunnen beginnen met deze schepen aan te vallen en te vernielen; maar door stilte en daarna door eenen fellen wind +werd hij in zijn voornemen verhinderd. +<span id="d0e4834" class="pageno">bladzijde 129</span> + +<p id="d0e4837">Na zoo verscheidene dagen verloren te hebben laten gaan, gaf Tromp bevel Blake op te zoeken. Eilacie, ’t was te laat om een +groot verlies te voorkomen; want Blake had de heele Hollandsche haringvloot genomen, niettegenstaande de oorlogsschepen, die +deze vloot moesten beschermen zich dapper geweerd hadden. Maar, hij kon ze Blake weer afnemen! Ja, dat kon hij ook, maar dan +moest hij dien Blake toch vinden, en ziet, dat gelukte hem eerst na lang heen en weer varen. + +<p id="d0e4840">Het was aan den avond van den vijfden van Oogstmaand toen hij de Engelsche vloot in het gezicht kreeg; maar in den nacht, +die daarop volgde werd hij door eene vreeselijken storm overvallen. Den anderen morgen was zijne geheele vloot naar alle kanten +verstrooid; ze had ook ontzettend geleden en, Blake was er niet meer. + +<p id="d0e4843">Er zat nu voor het oogenblik niets anders op dan met de ontredderde schepen, wier aantal tot op de helft verminderd was, naar +het vaderland terug te keeren. + +<p id="d0e4846">Nu was <span class="letterspaced">Leiden</span> in nood en <span class="letterspaced">Holland</span> in last. + +<p id="d0e4855">Van zulk eene schoone vloot had men de grootste verwachting gehad, en waarop kwam het uit? Op groote verliezen. + +<p id="d0e4858">“’T is me een schoone vlootvoogd, die ons eenen oorlog op den hals haalt en niets dan verliezen weet te bezorgen,” zeî de +een. + +<p id="d0e4861">“De man is over het paard getild en meent nu dat zijn uil al een wonder mooie valk is!” sprak een tweede. + +<p id="d0e4864">“Daar heb-je nu den moed van dien Tromp! Veel geschreeuw en weinig wol! Omdat het geluk hem bij <span class="letterspaced">Duins</span> gediend heeft, dachten alle luiden, dat hij een onovertreffelijk, moedig en beleidvol Ammiraal was!” schreeuwde een derde. +<span id="d0e4869" class="pageno">bladzijde 130</span> + +<p id="d0e4872">“Ze moesten dien kalen Briellenaar van zijn ambt ontzetten!” meende een vierde. + +<p id="d0e4875">“Ja, en hem alleen al de schade, die hij ons berokkend heeft en door zijn onverstand nog berokkenen zal, doen vergoeden. Die +kerel zal wel al lang zijne schaapjes op het droge hebben!” liet een handelaar in koloniale waren zich hooren. + +<p id="d0e4878">De geest van het volk, dat gewoonlijk al heel gauw oordeelt, was sterk tegen hem. En niet alleen het volk, neen, ook velen +uit de Staten-Generaal en uit de Admiraliteits-Collegiën verhieven hunne stem tegen hem, en brachten het zelfs zoo ver, dat +de Admiraal ter verantwoording geroepen werd. + +<p id="d0e4881">Nu bleek het wel, dat hij onschuldig was, maar ... men kon het voor een keer toch wel eens met een ander beproeven. + +<p id="d0e4884">Maar wien zou men nemen? + +<p id="d0e4887">De Ruyter? Ja, als dát kon! Maar De Ruyter was aan het hoofd van een smaldeel op zee en had meer dan zijne handen vol tegen +den Engelschen Vice-Admiraal George Ayscue, dien hij reeds eenmaal verslagen had! Anders, De Ruyter, ja ... maar wat nu niet +kon, dat kon niet, en men moest een ander zoeken. + +<p id="d0e4890">Douwe Aukes dan? + +<p id="d0e4893">Douwe Aukes? Wie was dat? + +<p id="d0e4896">Wel, hij was op het oogenblik in ’t Vaderland om zijn schip, dat zwaar geleden had, te laten herstellen. Dat was anders een +man! Had hij <i>De Struisvogel</i> in het gevecht onder De Ruyter tegen Ayscue, niet door zijn moedig gedrag behouden? Wat zou er van het schip en de bemanning +geworden zijn, als hij,—toen hij van alle zijden door den vijand werd aangetast en het volk den <span id="d0e4901" class="pageno">bladzijde 131</span>moed verloor,—niet met eene brandende lont naar de kruitkamer gesneld was en gezegd had: “Houdt moed jongens, houdt moed! +Als we ’t niet meer houden kunnen, dan zal ik met deze lont u den weg wijzen, dien we bewandelen moeten om niet schandelijk +gevangen genomen te worden!”— + +<p id="d0e4904">Ja, die Douwe Aukes was een flinke kerel, maar ... zoo jong, zoo onervaren! + +<p id="d0e4907">De wakkere Jan Van Galen dan? Had deze in den gedurigen krijg tegen de Turksche zeeroovers niet getoond dat men op hem vertrouwen +kon? Hij was niet jong meer; zijn beleid was zoo groot als zijn moed! Waarom hem niet? + +<p id="d0e4910">Ja, Jan Van Galen zou een uitmuntend opperbevelhebber zijn; maar er was op staanden voet iemand noodig en hij kruiste met +eene vloot in de <span class="letterspaced">Middellandsche zee</span> om de Hollandsche koopvaarders tegen de Engelschen en de Turken te beschermen. + +<p id="d0e4916">Witte Cornelisz. De With dan? Die was met een smaldeel in de <span class="letterspaced">Noordzee</span>. Hem hadden ze dadelijk bij de hand! En zeg eens dat deze geen moed had! Was er één op de vloot, die durfde wat hij waagde +te doen? Had hij zijn Vaderland niet boven alles lief? En zoo hij vroeger ook al blijken had gegeven, dat hij meer moed dan +beleid bezat, hij was een jaartje of wat ouder geworden en zou nu wel een weinig bedaarder zijn! + +<p id="d0e4922">Ja, dat alles was wel waar, zeker, zeker, maar.... + +<p id="d0e4925">Nu maar? + +<p id="d0e4928">De matrozen, ja, zelfs de kapiteins haten hem! + +<p id="d0e4931">Tut, tut, dat zal zoo erg niet wezen, als ze wel roepen, Die zeeluî zetten er altijd een stukje aan. Me dunkt, we konden het +met hem wel eens beproeven!— +<span id="d0e4933" class="pageno">bladzijde 132</span> + +<p id="d0e4936">Het werd beproefd en ’t Kregelige Mennonietje, de man, die geene vrees kende, die goed en bloed voor ’t Vaderland veil had, +die, al had hij tien levens, ook tien levens zou willen opofferen om zijn Land groot te maken, zag de stoute wensch van zijne +jeugd vervuld: hij was bevelhebber eener vloot! + +<p id="d0e4939">“Waar onze Ammiraal toch zoo lang blijft?” zeide op zekeren dag Adriaan tegen Huib. + +<p id="d0e4942">“Dat weet de Hemel! Als die landkrabben hem maar geene kool gestoofd hebben!” + +<p id="d0e4945">“Hoe bedoel-je dat?” + +<p id="d0e4948">“Wel, dat ze hem de schuld geven van alles wat er in den laatsten tijd gebeurd is! Als er overwonnen wordt dan is hij, die +overwonnen heeft, de beste; maar als er verliezen geleden worden, dan en is er geen slechter dan hij. Maar stil, daar komt +Jonge Kees van den Vice-Ammiraal Jan Evertsen terug. Misschien weet hij wel wat!” + +<p id="d0e4951">Eenige oogenblikken later kwam de kapitein aan boord. Jan Evertsen had de verschillende kapiteins bij elkander geseind om +hun eene mededeeling te doen. + +<p id="d0e4954">“Laat alle man op het dek komen!” beval de kapitein met een gelaat, dat op eene noordsche bui geleek. “Ik heb u allen wat +te zeggen!”— + +<p id="d0e4957">In een oogenblik was de gansche bemanning bij elkander en thans zeide de kapitein: “Mannen, de <span class="letterspaced">Vereenigde Provinciën</span> worden thans door oude vrouwen geregeerd, of een booze geest is in ’s Lands Raadzaal gevaren!” + +<p id="d0e4963">Doodsche stilte. + +<p id="d0e4966">“Onze Goede Vaêr Tromp, de lieveling van al wat zeeman, heet, de held van <span class="letterspaced">Duins</span>, de man, dien we op de handen zouden kunnen dragen en aan wien het Gemeenebest meer dank schuldig is dan zelfs aan den onvergetelijken +<span id="d0e4971" class="pageno">bladzijde 133</span>Piet Hein, die milioenen thuis bracht,—die man is in ongenade gevallen. Men heeft alles op zijne rekening geschoven, en,—als +het ons geen leed deed, dan zouden we er om kunnen lachen,—men geeft hem zelfs de schuld van den storm, die onze vloot uit +elkander joeg, toen we gereed stonden den vuigen Koningsmoorder aan te vallen! Maar, al is Goede Vaêr in ongenade bij de regeering, +toch niet bij ons! Leve Goede Vaêr Tromp!”— + +<p id="d0e4974">Ze schreeuwden hunne kelen heesch die ronde, trouwe en dappere zonen der zee: “Leve Goede Vaer Tromp!”— + +<p id="d0e4977">Weer was er een oogenblik van stilte. + +<p id="d0e4980">“Witte Cornelisz. De With is zijn opvolger! Over een uur zal hij hier aan boord zijn. Tromps Ammiraalsschip wordt het zijne!” + +<p id="d0e4983">“Geen vloekbeest hier aan boord!” klonk het uit den hoop. + +<p id="d0e4986">“Wij jagen hem een kogel door den kop!” riep een ander. + +<p id="d0e4989">“Het bevel kwam onzen Jan Evertsen toe!” bromde Gerrit Leinsz. “Ik en wil onder zoo’n ruw stuk vleesch niet dienen!”— + +<p id="d0e4992">“Weg met het Kregelige Mennonietje!” schreeuwde Huib. + +<p id="d0e4995">Daar klinken riemslagen. + +<p id="d0e4998">De nieuwe opperbevelhebber nadert zijn schip. + +<p id="d0e5001">“Jaagt hem een kogel door den kop! Weg, weg, met het vloekbeest! Haalt den valreep op! Als hij aan boord komt dan is hij onze +Jonas en stuurt ons allen naar den kabeljauwskelder! Een musket! Geef hier een handspaak! Leve Goede Vaêr Tromp! Weg met Witte!” +zoo klonk het van alle kanten. + +<p id="d0e5004">Met tranen van spijt in de oogen verlaat Witte het oproerige schip zonder een voet op het dek gezet te <span id="d0e5006" class="pageno">bladzijde 134</span>hebben. Het kost hem eene ontzettende kracht zich niet aan zijnen bruisenden hartstocht over te geven, en aan boord te springen +om de oproerkraaiers geheel alleen aan te vallen. Maar bij zijne aanstelling hadden Hunne Hoogmogenden hem ernstig op het +hart gedrukt om door beleid goed te maken, wat Tromp verkorven had. En dát wilde, dát wenschte hij! Hij zou eerst zichzelven +overwinnen om daarna over den vijand te triomfeeren. + +<p id="d0e5009">In den korten tijd van zijn bevelhebberschap heeft Witte door die gestadige overwinningen op zichzelven getoond, dat hij sterker +was dan een held, die steden verovert. + +<p id="d0e5012">Maar die onvergelijkelijke moed werd later met ondank beloond. Ook Witte zou ondervinden, dat het volk slechts in hem een +held ziet, die vele overwinningen op den vijand behaalt en gelukkig in zijne ondernemingen is. + +<p id="d0e5015">Onderwijl De Ruyter nog met zijn smaldeel in zee kruiste, vernam hij dat Blake met de geheele Engelsche vloot uitgeloopen +was om hem te bevechten, en daarom besloot De Ruyter in overleg met zijne kapiteins zich met De With te vereenigen. Dit gelukte +hem en hierdoor was De With bijna even sterk in schepen als Blake; maar de vloot van den Engelschman was veel beter ten strijde +uitgerust dan de onze. Toch zou dat niet zoo zwaar gewogen hebben bij Witte, maar door stormen beloopen, leden zijne schepen +zooveel schade, dat er verscheidene naar het Vaderland terug moesten, wijl ze niet langer in zee konden blijven. Dit was ook +het geval met Tromps voormalig Admiraalsschip waarvan de bemanning voor het grootste deel overging op <i>De Gorcum</i>, kapitein Aert Jansse Van Nes, die onder het zeevolk den bijnaam van “Boer Jaap” had. + +<p id="d0e5021">Zoo kwam de achtste van Wijnmaand. +<span id="d0e5023" class="pageno">bladzijde 135</span> + +<p id="d0e5026">Witte had het plan gevormd de Engelsche vloot bij <span class="letterspaced">Duins</span> aan te tasten, doch Blake was hem voor en overviel hem zoo onverwacht, dat de Admiraal geen tijd meer had de onderbevelhebers +bij elkander te roepen. Door middel van seinen gaf hij thans het bevel zich tot den slag te vereenigen. + +<p id="d0e5032">Tegen drie uren in den namiddag nam het gevecht een aanvang, en De Ruyter, die de voorhoede onder zijn bevel had, zeilde den +vijand onverschrokken te gemoet. Met leeuwenmoed streed Witte tegen Blake, wien hij zoo gaarne op de vlucht gejaagd of overwonnen +zou hebben. + +<p id="d0e5035">Had ieder kapitein het voorbeeld van Witte, De Ruyter, De Wilde en Evertsen gevolgd, dan zou de uitslag van het gevecht heel +anders geweest zijn; maar velen volgden hun eigen zin en schoten zelfs door onze schepen heen, terwijl anderen zich geheel +aan het gevecht onttrokken of op de vlucht gingen. Dat was nu juist geene lafhartigheid, maar bijna alleen onwil om De With +te gehoorzamen. De haat tegen dien man ging zóó ver, dat ze de belangen van het Vaderland er aan opofferden. + +<p id="d0e5038">Midden in het gevecht bevindt zich <i>De Gorcum</i>. Haar grooten mast, fokkemast, haar boegspriet en galjoen is ze al kwijt. + +<p id="d0e5044">“We zijn verloren! Een ieder redde zich!” roept Boer Jaap en springt met zijnen zoon en een paar matrozen in eene boot en +vlucht. + +<p id="d0e5047">De Engelschen naderen om het schip te nemen. + +<p id="d0e5050">“Zullen we ons om dien De With, dat vloekbeest, gevangen laten nemen!” riepen anderen en snelden naar de overgeblevene booten. + +<p id="d0e5053">“Staat, lafhartige kerels!” dondert thans de stem van den opperstuurman Willem Adriaense Warmont. “Niet <span id="d0e5055" class="pageno">bladzijde 136</span>voor De With vechten wij, maar voor de eer van ’s Lands vlag! Zijt gij een hoop losgelaten boeven of jongens van onzen Goeden +Vaer? Op, op, slaat erdoorheen!”— + +<p id="d0e5058">“Ik zal ik je ’n andje ’elpen,” roept Gerrit Leinsz, en zich met eene lont in de hand bij eenige kruitvaten plaatsende, roept +hij: “Ik vlieg ik liever mee schip en aol in de lucht as op den loop te gaen! As je niet an boord bluuft, dan gaet ie, ’oor!”— + +<p id="d0e5061">De lange Smeerdieker zag er niet naar uit om zoo maar wat te zeggen wat hij niet meende. + +<p id="d0e5064">Huib, Adriaan en Jonge Kees plaatsten zich naast Leinsz. en riepen: “Dood aan de Roôrokken! Leve Goede Vaer Tromp!” + +<p id="d0e5067">Die vijf kloeke mannen bedwongen in de ure des gevaars door hun moedig gedrag eene gansche bent lafhartigen en wekten hunnen +moed zóó op, dat ze de handen aan het werk sloegen en in weinige oogenblikken den vijand verdreven. + +<p id="d0e5070"> +<i>De Gorcum</i> was behouden, en vreeselijk gehavend brengt Warmond haar binnen op veilige reede.<a id="d0e5075src" href="#d0e5075" class="noteref">1</a> + +<p id="d0e5079">De avond viel en De With had zich met zijne getrouwen staande gehouden. Vreeselijk was het verwijt dat hij richtte tot de +kapiteins, die zijne bevelen in den wind geslagen hadden, en eindelijk moesten ze zich nog de woorden hooren toeduwen: “Voor +lafaards is nog hout genoeg in het Vaderland om er galgen van te maken!” + +<p id="d0e5082">Zoodra echter het gevecht hervat werd, gingen er nog veel meer op de vlucht dan bij de eerste ontmoeting, en thans zat er +voor De With niets anders op dan den raad van De Ruyter te volgen en strijdend terug te trekken. + +<p id="d0e5085">Het eerste werk van De With zoodra hij in het Vaderland was aangekomen, bestond daarin, dat hij bij de Algemeene <span id="d0e5087" class="pageno">bladzijde 137</span>Staten eene aanklacht tegen de weggeloopen kapiteins inzond. + +<p id="d0e5090">Nu werden deze mannen wel tot onteerende straffen en boeten veroordeeld; maar men begreep toch ook waar de schoen het meeste +wrong, en ze zagen te laat in, dat ze door het benoemen van De With tot bevelhebber eene verkeerde daad verricht hadden. + +<p id="d0e5093">Toch had onze dappere Briellenaar in dezen strijd bijna het onmogelijke verricht door zich-zelven te beheerschen. Hij had +zich geschikt naar de inzichten van De Ruyter, Evertsen en De Wind. Het was waarlijk zijne schuld niet, dat het eerste gevecht +niet reeds eene overwinning was geweest; maar ... “wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat!— + +<p id="d0e5096">De With werd op zijde gezet en de Algemeene Staten stelden andermaal Goede Vaer Tromp tot Luitenant-Admiraal aan. + +<p id="d0e5099">De miskende werd erkend; de erkende werd thans miskend! + +<p id="d0e5102">Toch betoonde Tromp niet veel lust voor dat vernieuwde bewijs van vertrouwen en toen men hem naar de oorzaak vroeg, schreef +hij: “Want met den vijand te slaan en mijn leven te wagen, verwekt bij mij geene de minste bekommering; maar dat ik, alles +doende ten dienste van het Vaderland wat in mijn vermogen staat, te huis komende blootgesteld ben aan de verdenkingen en de +afgunst van kwaadwilligen, en, na alles wat soldaat- en zeemanschap, naar het verstand, dat God mij gegeven heeft, te hebben +aangewend, genoodzaakt werd rekenschap te geven van mijne verrichtingen en mijne beste daden misduid worden, dat is het wat +mij bekommert en dat mij den lust en ijver ontneemt!” +<span id="d0e5104" class="pageno">bladzijde 138</span> + +<p id="d0e5107">Goede Vaêr Tromp had gelijk en het strekt hem tot groote eer, dat hij na zooveel onverdiende beschuldigingen, na zooveel laster +tegen hem ingebracht, het welzijn van den Lande hooger schatte dan zijn eigenbelang.— + +<p id="d0e5110">Daar heerschte vreugde op de vloot toen men vernam dat Tromp alweder met het opperbevel belast was en de goede geest, die +op dat bericht zich van het scheepsvolk meester maakte, was eene halve zeemacht. + +<p id="d0e5113">“Heb ik het niet gedacht?” riep Huib. “Ze kunnen Goede Vaer niet missen! Nou ga ik weer met pleizier aan den dans, al was +het vandaag! Gaat ge mede, Jonge Kees? En jij ook, Adriaan?” + +<p id="d0e5116">“Houw en trouw!” was beider antwoord. +<span id="d0e5118" class="pageno">bladzijde 139</span> + +<p> +<hr class="noteseparator"> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e5075" href="#d0e5075src" class="noteref">1</a> Willem Adriaense Warmont werd tot kapitein over het schip dat hij had helpen behouden, benoemd, terwijl hij daarenboven nog +een gouden eerepenning kreeg. De moedige konstabel werd luitenant. + +</div> +<h1 id="d0e5122">Daar werd gestreden.</h1> +<p id="d0e5128">Als bevelhebber van 78 oorlogschepen ging Tromp den eersten van Wintermaand onder zeil. Tweehonderd koopvaarders hadden zich +onder zijne bescherming gesteld en na verloop van eenige dagen werd het aantal schepen van oorlog zelfs tot over de honderd +gebracht. + +<p id="d0e5131">Deze vloot had gerust de “Onoverwinlijke” mogen heeten, als ze maar niet zoo gebrekkig samengesteld ware geweest, en die gebrekkige +samenstelling weer was een gevolg van het bestaan van vijf Admiraliteits-collegiën, die elkander in vele opzichten dikwijls +zeer vijandig waren. Naijver was er altijd, en inplaats dat die naijver de leden dier Collegiën aansporen zou om door daden +met de andere te wedijveren, bleven ze dikwijls met hunne daden achter, omdat ze zich in deze of die opzichten verongelijkt +gevoelden. Zelfs vreemdelingen viel dit in het oog. + +<p id="d0e5134">Tromp verdeelde zijne vloot in vier smaldeelen. Hij zelf nam het eerste; het tweede gaf hij aan zijnen stadgenoot Witte Cornelisz. +De With, doch daar deze door ziekte verhinderd was aan den tocht deel te nemen, liet hij het bevel er van aan Michiel Adriaensz. +De Ruyter. Het derde stelde hij onder de bevelen van den Zeeuwschen Vice-Ammiraal <span id="d0e5136" class="pageno">bladzijde 140</span>Jan Evertsen en het vierde vertrouwde hij aan den Schout-bij-Nacht Pieter Floriszoon toe. + +<p id="d0e5139">De geheele vloot bestond thans, daar er nog vele koopvaarders bijgekomen waren, uit bijna vijfhonderd zeilen. + +<p id="d0e5142">Aanvankelijk beloofde deze tocht alweer niet veel goeds; want wind en regen en nog eens regen en wind noodzaakten Tromp naar +de vaderlandsche kusten weder te keeren. + +<p id="d0e5145">Eerst den 9den van de maand kwam de vloot te <span class="letterspaced">Dover</span> aan en den 10den kwam het tot eene ontmoeting met de Engelschen onder Blake. + +<p id="d0e5151">Al aanstonds bij den aanvang van het gevecht werd Tromp door twee groote schepen <i>De Bonaventura</i> en <i>De Rozenkrans</i> aangevallen. Hevig was het gevecht en het vermoeden is niet zoo heel onwaarschijnlijk, dat de twee Engelsche kapiteins gezworen +hadden, dat ze den Hollandschen Admiraal levend of dood hunnen bevelhebber zouden aanbieden. Maar, kon onze Marten de kogels, +die, uit een vreeselijk schrootvuur op hem gericht werden, niet van zich weren, dan zou de vijand toch ervaren, dat een man +als Tromp wel sneuvelen, maar zich niet overgeven kon. + +<p id="d0e5160">“Marten, berg-je!” riep eensklaps Huib toen hij zag dat een achttal musketten op hem gericht waren. + +<p id="d0e5163">Tromp boog zich en zes kogels doorboorden den wand van de hut waartegen hij geleund had. + +<p id="d0e5166">“Kinderen, nu moet het ons gelden! Elk doe zijn best!” sprak hij tot de matrozen en zich even tot Huib wendende, vroeg hij: +“Zijt gij niet mijn oude speelmakker Huib Maerland?” + +<p id="d0e5169">“Jawel, Ammiraal!” was Huibs verlegen antwoord; want hij schaamde zich dat hij van een onbewaakt oogenblik gebruik had gemaakt +en Marten bij zijnen naam had genoemd. +<span id="d0e5171" class="pageno">bladzijde 141</span> + +<p id="d0e5174">“Zoo gaat het goed, Huib!” zeide Tromp lachend, doch verwijderde zich terstond om elders nieuwe bevelen te brengen. + +<p id="d0e5177">“Hij kent me nog, die ouwe, trouwe, goeië Marten!” fluisterde Huib en pinkte een traan van blijdschap weg. + +<p id="d0e5180">Daar lag <i>De Rozenkrans</i> tegen het Admiraalschip aan. Het want liep in elkander. + +<p id="d0e5186">“Huib, Huib, dat gaat er van langs!” riep Jonge Kees. “Als er nu niet spoedig een einde aan komt dan zullen de haaien gauw +met mijn eerepenning zich opschikken! Maar wat ga-je doen? Huib, ben-je dol? Huib, Huib dan!” + +<p id="d0e5189">’T was te laat; Huib hoorde niet meer! + +<p id="d0e5192">Met eene vlugheid, die men niet bij den ouden zeerob zou gezocht hebben, slingert hij zich in het want, klimt in den grooten +mast van <i>De Rozenkrans</i> en.... + +<p id="d0e5198">“Hoezee! Hoezee!” klinkt het uit de hoogte. + +<p id="d0e5201">Huib scheurt de Engelsche vlag in flarden en laat de stukken met den opkomenden wind wegwaaien. De Hollandsche vlag wordt +er opgezet, en na nog twee keer “Hoezee! Hoezee!” geroepen te hebben, daalt hij zoo vlug als eene kat naar beneden en komt +ongedeerd aan boord van zijn schip terug. + +<p id="d0e5204">“Huib Maerland, je bent een held!” roept Tromp. Maar Jonge Kees pakt den ouden matroos beet en omhelst hem, zeggende: “Huib, +wat ben ik blij dat jij mijn vrind bent!” + +<p id="d0e5207">“Stil, Jonge Kees, stil! Kijk eens, wie wordt daar weggedragen?” + +<p id="d0e5210">“’T is Adriaan, ik zie het! ’T is Adriaan! Ik ga hem even troosten!” roept Jonge Kees, maar wordt in zijn wensch teleurgesteld, +want niemand mag naar beneden als hij tot de dekmaats behoort. +<span id="d0e5212" class="pageno">bladzijde 142</span> + +<p id="d0e5215">Al vinniger en vinniger werd de strijd en ware Jan Evertsen niet juist van pas te hulp gesneld, dan had Tromp met heel de +bemanning zich moeten doodvechten of... zich gevangen geven!—Neen, niet gevangen geven, dat deed een man als Tromp niet, dat +wilden mannen als Huib Maerlant en Gerrit Leinsz. niet. + +<p id="d0e5218">De laatste had immers nog eene brandende lont en beneden was nog buskruit! + +<p id="d0e5221">“Jae, jae, Jan Evertsen komt Goede Vaer ’elpen! toe mer joengers, saobelt ze neer, slaet ze dood! Ik eb ik ok nog wat!” roept +Gerrit, maar het geluid van zijn schot gaat onder het gedonder van honderden vuurmonden geheel verloren. + +<p id="d0e5224">Maar al hoort men het schot niet, de kogel treft toch zijn doel. De groote mast van <i>De Bonaventura</i> stort krakend over boord en in de blijdschap zijns harten maakt Gerrit eenen luchtsprong en schreeuwt weer: “Aoist! aoist!”— + +<p id="d0e5230">De vijandelijke schepen wijken en nu Tromp vrijer gezicht over zee heeft, ziet hij dat Blake weldra den strijd zal opgeven. + +<p id="d0e5233">“Houd moed, kinderkens, houd moed! ’T is nog om een kwaad half uur te doen!” klinkt de stem van Tromp. + +<p id="d0e5236">En alsof ze zooeven bij het gevecht zijn gekomen, zoo trekt iedereen aan het werk. Het voorbeeld van den wakkeren bevelhebber +werkt ongelooflijk; maar dat hartelijke woord: “Kinderkens!” doet nog veel meer! Het is een tooverwoord, dat den vermoeide +zijne krachten teruggeeft, den lafhartige moed inboezemt, den half stervende nog het wapen doet hanteeren. + +<p id="d0e5239">’T werd avond en het gevecht van dezen dag was beslist, —de Hollanders hadden overwonnen. +<span id="d0e5241" class="pageno">bladzijde 143</span> + +<p id="d0e5244">Toen men geschaft had en weer ijverig aan den gang ging om den volgenden morgen het gevecht te hervatten, naderde de scheepsbarbier +den Admiraal en fluisterde hem wat in het oor. + +<p id="d0e5247">Een oogenblik later liet Tromp zijnen ouden kameraad roepen. + +<p id="d0e5250">“Zoo Huib,” dus begon hij en stak hem de hand toe, “wat ben ik blij, dat ik je al weer eens zie! Een heete dag geweest, nietwaar?” + +<p id="d0e5253">“Ja, Ammiraal!” + +<p id="d0e5256">“Maar je bent er nog niet veel op veranderd, Huib! Ik zou ’t je niet graag nadoen! Je hebt een verdienstelijk werk gedaan +en ik zal zorgen, dat Hunne Hoogmogenden uw heldenfeit te weten komen! Maar zeg eens, heeft Jonge Kees nog eene zuster?”— + +<p id="d0e5259">“Ik en weet niet, Ammiraal!”— + +<p id="d0e5262">“Zoo; maar ken-je dien Adriaan ook al lang?” + +<p id="d0e5265">“Sinds eene maand of zes, Ammiraal! Toen is hij aan boord gekomen en bracht een hart mede daar staal en vuur in zat!” + +<p id="d0e5268">“Je sprak wel eens met hem, is ’t niet?” + +<p id="d0e5271">“Jawel, Ammiraal!” + +<p id="d0e5274">“En nooit iets opgemerkt?” + +<p id="d0e5277">“Nee, Ammiraal, en—ja, toch wel wat!” + +<p id="d0e5280">“Nu, wat dan?” + +<p id="d0e5283">“Dat hij zulk eene fijne stem heeft en geen baard kan krijgen!” + +<p id="d0e5286">“Ei-ei!” + +<p id="d0e5289">“Ja, en daarom noemden wij hem wel eens uit gekheid: “Jaantje” of “Adriana”!” + +<p id="d0e5292">“Maar als het nu eens werkelijk een meisje was, wat zou je dan zeggen?” +<span id="d0e5294" class="pageno">bladzijde 144</span> + +<p id="d0e5297">“Dan zou ik zeggen, dat ik het altijd gedacht heb. Mar, ... Ammiraal! Maar voor een meisje is ze toch heel wat mans en menig +matroos, ja, menig kapitein heeft ze ’t in moed, dapperheid en trouw aan den Lande afgewonnen!”— + +<p id="d0e5300">“Je weet wel, Huib, wat Joost Van den Vondel van Huig De Groots vrouw, de edele Maria Van Reijgersbergen gezegd heeft: + +<p class="poetry"> +<br id="d0e5305">“Een vrou is duizent mannen t’ ergh. +<br id="d0e5308">“o Eeuwighe Eer van Reygersbergh!” + +<p id="d0e5312">Zoo even is de barbier bij me geweest en deze zei: “De matroos Adriaan is een meisje! Ze heeft een schrampschot in het rechterbeen +gekregen! Jij als goede vrind van die arme meid moest nu haar oppasser worden en zorgen, dat er geen mensch van de bemanning +achter komt. Het kind zou zich dan zeker schamen en dat heeft ze aan ons niet verdiend!”— + +<p id="d0e5315">Huib beloofde dat hij haar oppassen en haar geheim aan niemand verklappen zou, en het moet tot zijne eer gezegd worden, dat +hij het zelfs voor Jonge Kees verzweeg.—<a id="d0e5317src" href="#d0e5317" class="noteref">1</a> + +<p id="d0e5324">Den volgenden morgen was de vloot weer in slagorde geschaard doch Blake was naar <span class="letterspaced">Duins</span> geweken en bracht zich in veiligheid op de <span class="letterspaced">Theems</span>. + +<p id="d0e5333">Terstond liet Tromp de onderbevelhebbers en de voornaamste kapiteins aan boord seinen. + +<p id="d0e5336">De eerste, die aan de oproeping gevolg gaf was Michiel Adriaensz. De Ruyter. + +<p id="d0e5339">“Kijk eens, Huib. wat een patertje Goedleven!” zeî Jonge Kees. + +<p id="d0e5342">“Een echte zeerob! Maar heb ik je ’t niet gezegd, dat die De Ruyter nog eens een man worden zou, die <span id="d0e5344" class="pageno">bladzijde 145</span>de lust van ons kleine Landje zal zijn? Hij is al mooi op weg!” sprak Huib. + +<p id="d0e5347">“En dat is noe een lans van mien!” zei Gerrit. “Wat ’n patente kerel, é? ’T is een veint as’n beer!”<a id="d0e5349src" href="#d0e5349" class="noteref">2</a> + +<p id="d0e5353">Vriendelijk naar alle kanten groetende trad De Ruyter op Tromp toe. De kloeke, zwaargebouwde zeeman met de kleur der gezondheid +op de bolle wangen, en met opgeruimdheid, kracht en moed in de donkere oogen, was op dit oogenblik vijfenveertig jaar oud. + +<p id="d0e5356">“Dag, De Ruyter, hoe maak-je ’t?” zeî Tromp en stak de hand uit. + +<p id="d0e5359">De hand van “Vlissinger Michiel” scheen intusschen wel een soort van bankschroef te zijn; want Tromp zette een eenigszins +pijnlijk gezicht toen De Ruyter de aangeboden hand met echte zeemansrondheid schudde. + +<p id="d0e5362">“Best, best, Ammiraal! Jongen, dat heeft gisteren een warm daagje gegeven, hé? ’— + +<p id="d0e5365">“Ja, ik had niet gedacht dat Blake zoo gauw krimp zou geven!” + +<p id="d0e5368">“Nou, hij zou misschien zelf wel niet aan ’t wandelen gegaan zijn; maar als een mensch gekwetst is dan.... + +<p id="d0e5371">“Zoo, is Blake gekwetst?”— + +<p id="d0e5374">“Hoezee! Hoezee! Hoezee!” klonk het thans daverend uit den mond van een paar honderd matrozen. + +<p id="d0e5377">Het was een lange, magere man, die thans aan boord kwam. + +<p id="d0e5380">“Leve de Vice-Ammiraal Jan Evertsen!” riep het volk. + +<p id="d0e5383">Met een vriendelijken hoofdknik beantwoordde Evertsen het gejuich. + +<p id="d0e5386">“Het volk dankt je voor je kostelijk gedrag, Evertsen! Het dankt u omdat ge ons leven gered hebt, en ik voeg mijn dank bij +den hunnen!” +<span id="d0e5388" class="pageno">bladzijde 146</span> + +<p id="d0e5391">“Geen dank, Ammiraal! Ik deed mijne verschuldigde plicht. Gij zoudt hetzelfde gedaan hebben zoo ik in nood had gezeten! Dag, +De Ruyter! Kerel, je zult nog zoo dik worden, dat je niet meer door de <span class="letterspaced">Rammekenspoort</span> kunt! Sinds lang niet in <span class="letterspaced">Vlissingen</span> geweest?”— + +<p id="d0e5400">“Neen, Evertsen, neen, ik heb nu te <span class="letterspaced">Amsterdam</span> mijne huisgoden: + +<p class="poetry"> +<br id="d0e5408">“Zeven kind’ren en een wijf +<br id="d0e5411">Zijn een aardig tijdverdrijf!” + +<p id="d0e5415">“Zoo, De Ruyter, heb-je zeven kinderen?” vroeg Tromp. + +<p id="d0e5418">“Wel neen, Ammiraal, dat is zoo maar bij manier van spreken!”— + +<p id="d0e5421">Thans kwam Pieter Florisz. aan boord. + +<p id="d0e5424">“Nou maar, als er een schip met dikke luî vaart dan gaat onze goede vriend Pieter Florisz. ook meê, hoor!” + +<p id="d0e5427">“Vindt ge ’t, De Ruyter?” zeî Florisz. tot den man wien hij die opmerking lachende hoorde maken.—“Ik wil je anders wel zeggen, +dat een mensch niet zoo heel veel dagen, als gisteren, noodig heeft om zoo mager te worden als een talhout! Jongens, jongens, +wat ging dat er van langs! ’K geloof dat ik de helft van mijn kruit verschoten heb!”— + +<p id="d0e5430">“Ja, Florisz., wij hebben ons hart als keuningen opgehaald! Maar gaat mede in de kajuit, daar komen de andere heeren!” sprak +Tromp. + +<p id="d0e5433">Het was een mooi gezicht zooveel kloeke mannen bij elkander te zien. Daar had je vooreerst Jan De Liefde en De Haes, twee +mannen, die zich de kaas niet van hunne boterham lieten halen; vervolgens Bastiaan Centen, Hendrik Jansze Camp, Jan Gideonsz. +Verburgh, Jan Van Hoesen en Lein Pijcke en eindelijk, toen deze kapiteins ook <span id="d0e5435" class="pageno">bladzijde 147</span>al binnen gegaan waren, kwamen er nog een stuk of drie, die ook mochten genoemd worden, namelijk Brandt, Gilles Boone en Michiel +Foort. + +<p id="d0e5438">De vergadering had plaats genomen en Tromp stond thans op. + +<p id="d0e5441">“Mannen, ik heet u allen van harte welkom op dezen scheepsbodem! Gij hebt gisteren allen getoond, dat het Vaderland op u vertrouwen +kan! En, voor ’t heil van den Lande te leven is schoon. De vijand is thans aan ons kanon ontweken en heeft zich in veiligheid +gesteld op de <span class="letterspaced">Theems</span>. Wat zullen wij thans doen om Hunne Hoogmogenden zooveel redenen tot tevredenheid te geven als ons mogelijk is?” + +<p id="d0e5447">“Den vijand uit zijne laatste verschansing jagen!” riep De Ruyter. + +<p id="d0e5450">“Dat is eene gevaarlijke onderneming!” sprak Evertsen. + +<p id="d0e5453">“Ik dacht dat een echte Vlissinger geen gevaar kent!” merkte Jan Van Hoesen aan. + +<p id="d0e5456">Wij zijn de vloot niet, kapitein!” antwoordde Evertsen kalm. “Al wil ik mijn leven wagen, daarom is het nog niet gezegd, dat +ik er het welzijn van den Lande mede bevorderen kan! Overigens als het algemeen gevoelen is dat we de <span class="letterspaced">Theems</span> zullen opzeilen, ik zal medegaan en mijn plicht doen!” + +<p id="d0e5462">“Ik houd het er voor dat het wel kan,” zeide De Ruyter, “edoch, daar komt een groote maar bij!” + +<p id="d0e5465">“En dat is?” vroeg Tromp. + +<p id="d0e5468">“Wij en hebben geene geschikte loodsen!” was het antwoord. + +<p id="d0e5471">“En aan een Rôorok zijn bodem te vertrouwen, dat gaat niet! De kerel zou ons zoo kostelijk omhoog laten zeilen, als je ’t +ooit gezien hebt!” meende Pieter Floriszoon. +<span id="d0e5473" class="pageno">bladzijde 148</span> + +<p id="d0e5476">Na veel over- en weerpraten werd het voorstel van Tromp in stemming gebracht. Eene kleine meerderheid besliste om zijn plan +ten uitvoer te leggen, doch toen men in ernst begon te overleggen, hoe de zaak moest aangelegd worden, kwam het er op uit, +dat men eerst maar geschikte loodsen moest zien te krijgen, en had men die, dan kon men verder zien. + +<p id="d0e5479">Later bleek het dat De Ruyter goed geoordeeld had; want loodsen waren nergens te krijgen. De zaak had dus geen voortgang. + +<p id="d0e5482">Gedurende eenige weken bleef Tromp nu op de Engelsche kusten kruisen, en bracht eindelijk eene vloot van meer dan honderd +koopvaarders door <span class="letterspaced">Het Kanaal</span> heen in den <span class="letterspaced">Oceaan</span>, waar ze tamelijk veilig hunne reis konden voortzetten. + +<p id="d0e5491">Hij zelf liet te <span class="letterspaced">Sint Martin</span>, eene stad op het eiland <span class="letterspaced">Ré</span>, de schade, die zijne schepen in het gevecht bekomen hadden, herstellen en ging niet eer in zee, voor alles weer zoo goed +mogelijk in orde was. + +<p id="d0e5500">Intusschen hadden zich weer een honderdvijftig rijkgeladen koopvaarders onder zijne bescherming gesteld, en met deze zeilde +Tromp uit met het voornemen den schat van <span class="letterspaced">Oost</span> en <span class="letterspaced">West</span> in behouden haven te brengen. + +<p id="d0e5509">Maar Olivier Cromwell was de man niet om na de geleden nederlaag met de handen in den schoot te gaan zitten. Neen, met eene +verbazende snelheid werd er weder eene sterke vloot uitgerust, en daar Blake nog niet geheel van zijne wonden hersteld was, +zoo werd het bevel voor een gedeelte opgedragen aan George Monk, hoewel Blake altijd met het opperbevel belast bleef. + +<p id="d0e5512">De Engelschen telden zeventig schepen waaronder er waren van de grootste soort. +<span id="d0e5514" class="pageno">bladzijde 149</span> + +<p id="d0e5517">Op de hoogte van <span class="letterspaced">Portland</span> stieten de vloten op elkander en dadelijk besloot Tromp den vijand aan te tasten. + +<p id="d0e5523">Onze Admiraal, die met Pieter Florisz. de voorhoede kommandeerde, viel eerst Blake aan en deed dat door hem eerst van bakboord +en daarna van stuurboord de volle laag te geven. + +<p id="d0e5526">“Dat zal er weer spannen, Jonge Kees!” zeide Adriaan, die van zijne wonden hersteld was en weer dienst deed als gewoon matroos. +De Ammiraal had haar hiertoe de vergunning gegeven tot ze weer in het Vaderland zouden aangekomen zijn. + +<p id="d0e5529">“Ja, Adriaan, dat zal het net!” zeî Jonge Kees. + +<p id="d0e5532">“Ben-je zoo nu en dan toch niet eens bang, dat je doodgeschoten zult worden?” vroeg Adriaan weer. + +<p id="d0e5535">“Nu, een enkele maal denk ik er wel eens aan en dan wordt het mij raar om het hart. Maar als ik dan zie hoe Goede Vaer Tromp +zich weert, dan zeg ik tot mij zelven: “Flauwerd, denk-je weer om je moeders pappot? Pak ân, anders gaan ze nog aan ’t schijfschieten +op je luie lichaam!” + +<p id="d0e5538">“Wat staat gij daar te parlesanzen als ge kloppen moet? Hei daar, jij met je mooie eerepenning, steek je handen uit je mouw, +of....” + +<p id="d0e5541">“Ik ga al, stuurman, ik ga al!” antwoordde Jonge Kees. “Maar zeg, zie-je wel, dat Blake zoo raar doet?” + +<p id="d0e5544">“Hij zelf of zijn schip? Wien of wat meen-je?” + +<p id="d0e5547">“Het schip, ik en ken hem niet!” + +<p id="d0e5550">“Welnu, hij ontwijkt het plekje waar ze zulke pepernoten strooien; ik denk voor ’t naaste dat Gerrit Leinsz. hem weer een +schot onder water gegeven heeft!” + +<p id="d0e5553">Andermaal gaf Tromp aan Blake de volle laag en bijna <span id="d0e5555" class="pageno">bladzijde 150</span>onmiddellijk daarop klonk het geschreeuw van den konstabel Gerrit: + +<p id="d0e5558">“Aoist! aoist! aoist! De baes eit piene in z’n buukje! Kiek ’m is gek doen!” + +<p id="d0e5561">Wend het roer!” kommandeerde thans Tromp. + +<p id="d0e5564">De stuurman deed het en richtte den steven naar den Oost-Indievaarder <i>De Struis</i>, kapitein Adriaen Cruick. Zulk een rijke buit zou den Engelschman welkom zijn! Met woede wordt hij aangevallen, maar Cruick +geeft leer om leer. + +<p id="d0e5570">“Wat henker! is er dan geen mensch, die dien armen vent bijstaat, dan zullen wij het doen!” zeide Tromp. “Kan je geschut het +halen, Gerrit?” + +<p id="d0e5573">“Jawel, Ammiraal, ’eel best!” + +<p id="d0e5576">“Mooi, geef jij dan die twee Engelschen, die daar dien Oostindievaarder zoo fel bestoken, eens hun bekomst!” + +<p id="d0e5579">“Ze zullen ze ’ebben, Ammiraal!” antwoordde Gerrit, en deed zooals hij zeî. + +<p id="d0e5582">Voor den moedigen Cruick was het echter te laat; want hij stierf met den degen in de vuist en zwichtende voor al te groote +overmacht. + +<p id="d0e5585">Niet ver van de plaats waar Cruick sneuvelde, lag kapitein Jacob Cleydyck, omringd door drie groote Engelsche schepen. + +<p id="d0e5588">“Ze krijgen me niet levend!” roept hij en verdedigt zich aan alle kanten. Toch zou hij het eindelijk hebben moeten opgeven, +als niet de Zeeuwsche kapitein Regemorter hem te hulp gesneld was. + +<p id="d0e5591">“Daar komen ze, daar komen ze!” juicht hij en smijt zijnen hoed van het hoofd. “Nou zullen die Koningsmoorders peper eten!” + +<p id="d0e5594">Bom!—Bom!— +<span id="d0e5596" class="pageno">bladzijde 151</span> + +<p id="d0e5599">De Engelschman, die het dichtst bij hem ligt, krijgt zijn laatste schot en zinkt in de diepte. + +<p id="d0e5602">“Kapitein, kapitein! wij zinken ook!” roept de stuurman. + +<p id="d0e5605">“Dat zie ik wel!” geeft Cleydyck ten antwoord, en met den degen in de vuist op den anderen Engelschman overspringende, roept +hij: “Hier is de loopplank om bij Regemorter te komen!” + +<p id="d0e5608">Zijne manschappen volgen het voorbeeld van den wakkeren man. De Engelschen kijken verslagen rond en weten niet wat er eigenlijk +gebeurt.—Ook Cleydycks stuurman waagt eindelijk den sprong, en zoo als hij zijn voet op het vijandelijke dek heeft, zinkt +zijn eigen bodem achter hem. + +<p id="d0e5611">Keeds in het begin van het gevecht is Regemorter gestorven, zoodat Cleydyck niets beters weet te doen dan het bevel van het +Zeeuwsche schip op zich te nemen, en dat bevel is hem zoo goed toevertrouwd, dat de beide aanvallers op de vlucht slaan. + +<p id="d0e5614">Een donderslag, die alles dreunen doet, die de zee doet bruisen en koken, wordt thans gehoord! + +<p id="d0e5617">“Wat is dat?” vraagt Jonge Kees verschrikt. + +<p id="d0e5620">“Wat gebeurt er?” vraagt Adriaan terwijl zijne kleur verschiet. + +<p id="d0e5623">Huib kent dat vreeselijk geluid zeer goed. Hij hoorde ’t voor het eerst in de <span class="letterspaced">Baai van Gibraltar</span> en ofschoon dat reeds zesenveertig jaar geleden is, toch herinnert hij het zich, alsof het pas gisteren gebeurd was. Naderhand +heeft hij het meer gehoord; maar nooit maakte het op hem zulk een indruk als toen. + +<p id="d0e5629">“Er vliegt een schip in de lucht!” antwoordt hij kalm. + +<p id="d0e5632">“Vreeselijk!” zegt Jonge Kees. +<span id="d0e5634" class="pageno">bladzijde 152</span> + +<p id="d0e5637">Adriaan zucht en fluistert: ,Heere, wees de zielen van zoovele arme menschen genadig!”— + +<p id="d0e5640">“Heb-je gezien wie daar in de lucht vloog, Huib?” vraagt Gerrit Leinsz. + +<p id="d0e5643">“Neen, weet jij het?” + +<p id="d0e5646">“Jawel, ’t is Schelte Wiglema! Hij werd door twee Britten erg in het nauw gebracht!” + +<p id="d0e5649">“Dan heeft hij zelf de lont in het buskruit gestoken,” zegt Huib. “Hij heeft het reeds meer dan eens gezegd, dat hij het doen +zou! God hebbe zijne ziel!” + +<p id="d0e5652">“En de ziel van zoovele wakkere Friesche borsten!” murmelde Adriaan. + +<p id="d0e5655">“Amen!’ fluisterde Jonge Kees. + +<p id="d0e5658">Hoe meer de zon ten ondergang neeg, hoe meer ook hier en daar het gevecht gestaakt werd, en toen de avond gevallen was, kwam +alles tot rust. + +<p id="d0e5661">Van weerszijden had men de uren van den nacht meer dan noodig om de geleden schade eenigszins te herstellen. + +<p id="d0e5664">Tromp liet De Ruyter en Evertsen aan boord komen om met hen te overleggen wat er nu diende gedaan te worden. + +<p id="d0e5667">“Vochten we alleen voor de eer,” zeide Evertsen, “dan zou mijn raad zijn den strijd voort te zetten. Maar we moeten eene vloot +beschermen, en deze met hare rijke lading behouden binnen te brengen, moet nu ons hoofddoel zijn!” + +<p id="d0e5670">“Ook is onze krijgsvoorraad niet zoo wonder groot meer,” merkte De Ruyter aan. + +<p id="d0e5673">“Zoudt gijlieden het dan goedkeuren, als we de koopvaarders insloten en ons bij eene verdediging bepalende, langzamerhand +naar de <span class="letterspaced">Maas</span> of <span class="letterspaced">Schelde</span> terugweken?” vroeg Tromp. +<span id="d0e5681" class="pageno">bladzijde 153</span> + +<p id="d0e5684">De Ruyter en Evertsen meenden van ja, en hiermede was de zaak, zooals men meende, beslist. + +<p id="d0e5687">Reeds vroeg in den morgen werden alle bevelhebbers aan boord geseind, en Tromp drukte allen op het hart toch te bedenken, +dat ze Nederlanders waren en eenen eervollen naam droegen. + +<p id="d0e5690">Gedurende den nacht was Blake de Hollandsche vloot gevolgd. Die rijkgeladen koopvaarders waren een te rijken buit om dien +zoo maar te laten glippen. + +<p id="d0e5693">Admiraal Tromp schaarde zijne schepen in slagorde en liet ze eene halve maan vormen. Tusschen de twee hoornen in kwamen de +koopvaarders te liggen. + +<p id="d0e5696">Daar kwam Blake aan. Zijn voornemen was dwars door de halve maan heen te breken, doch tot zesmalen toe werd hij zoo moedig +ontvangen, dat hij het voor de zevende maal niet meer beproefde. + +<p id="d0e5699">De bodems van De Ruyter en Florisz. waren bijna reddeloos geschoten; maar moedig bleven zij onverzwakt standhouden; zij wisten +van geen wijken! + +<p id="d0e5702">Den ganschen dag door beproefde de vijand de koopvaarders te vermeesteren, hetgeen hem slechts met weinigen gelukte, en die +nog in zijne handen kwamen, hadden het aan eigen onvoorzichtigheid te wijten. + +<p id="d0e5705">Van alle zijden kwam men Tromp berichten dat er gebrek aan kruit en lood was. Uit het eenige voorraadschip, dat hij bij zich +had, liet hij uitdeelen zoolang de voorraad strekte; maar alras bleek het, dat er voor zulk een ontzettend gebrek op verre +na niet genoeg was. + +<p id="d0e5708">En toch had men den vijand nog steeds in de nabijheid en het was aan alles te zien, dat Blake de behaalde voordeelen niet +prijs zou geven. + +<p id="d0e5711">De derde dag kwam. +<span id="d0e5713" class="pageno">bladzijde 154</span> + +<p id="d0e5716">Men bevond zich op de hoogte van <span class="letterspaced">Bevesier</span>. + +<p id="d0e5722">Hier was het dat veertien jaren geleden de machtige Spaansche vloot door Tromp ontdekt werd, doch zijne kansen waren toen +minder hachelijk dan nu!— + +<p id="d0e5725">De moedige man blikte peinzend over den waterspiegel. + +<p id="d0e5728">“Veertien jaren geleden reeds,” mompelde hij. “Wat de vloot toen gebrekkig samengesteld was!—Wat is zij nu? Hebben de Staten-Generaal +naar mijnen raad gehandeld? Ten deele; maar er ontbreekt nog zooveel.— De Engelsche vloot is één, en wij?—“Eendraght maeckt +maght,” wanneer zal dat daar ginds begrepen worden?” + +<p id="d0e5731">Nog lang bleef Tromp peinzend voor zich staren, doch eindelijk ontwaakte het oude heldenvuur. + +<p id="d0e5734">“De wind is even als gisteren in het voordeel van den vijand,” bromde hij; doch de prediker, die bij hem aan boord was, deze +uitdrukking gehoord hebbende, trad hem stoutweg op zijde en sprak: “Heer Ammiraal, er staat geschreven: “En sijt nyet besorgd +tegen den morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen: elcke dagh heeft genoegh aen zijnszelfs quaed ”— + +<p id="d0e5737">“Ge hebt gelijk,” antwoordde Tromp. “Dat de manschap op het dek kome en bidden wij!” + +<p id="d0e5740">Met eerbiedige aandacht werd het gebed gevolgd en het scheen ieder toe, alsof er kracht in hunne matgestreden ledematen gekomen +was. + +<p id="d0e5743">Te negen ure in den morgen greep Blake de Hollanders aan. + +<p id="d0e5746">Mannelijke tegenweer werd van alle kanten geboden, totdat enkelen, die volstrekt geen kruit of lood meer hadden den moed verloren +en met volle zeilen op de vlucht wilden slaan. Tromp zag dat en sloot de vluchtelingen in. +<span id="d0e5748" class="pageno">bladzijde 155</span> + +<p id="d0e5751">Met nog geen dertig schepen moest hij thans den vijand wederstaan en hij, De Ruyter, Evertsen, Floriszoon en anderen kweten +zich zoo wakker van die moeielijke taak, dat twee uren voor zonsondergang de vijand het vervolgen staakte en afhield. + +<p id="d0e5754">’T was meer dan tijd; want geen half uur hadden de Hollanders den strijd kunnen volhouden. Ze konden hunne kanonnen toch met +geen moed laden! En kruit was er niet meer. + +<p id="d0e5757">Tromp rustte een weinig uit toen hij den predikant andermaal voor zich verschijnen zag. + +<p id="d0e5760">“En sijt nyet besorgd voor den dagh van morgen!” sprak hij. + +<p id="d0e5763">“De Voorzienigheid heeft de oogen des vijands met blindheid geslagen, dominé,” zeide Tromp. “Een halfuur langer en...” + +<p id="d0e5766">“De Heere kent zijnen tijd!” sprak de ander. + +<p id="d0e5769">Een oogenblik later stonden de ruwe matrozen in eerbiedige houding het dankgebed na te prevelen, dat de dominé uitsprak. + +<p id="d0e5772">En aan wien was nu de eer der overwinning? + +<p id="d0e5775">Aan de Engelschen. + +<p id="d0e5778">Omdat Blake zwaargebouwde schepen onder zijn bevel had, waagde hij zich niet te dicht bij de <span class="letterspaced">Vlaamsche kusten</span> waarheen Tromp vechtende geweken was. Dat was de oorzaak dat hij afhield. + +<p id="d0e5784">Maar was Blake de overwinnaar, Tromp was de roemrijk overwonnene en zelfs een Engelsch schrijver zegt: “De overwinnaar Blake +heeft geen grooter roem behaald-dan Tromp, die de overwonnene was!” + +<p id="d0e5787">Dat deze driedaagsche zeeslag ons op groote verliezen te staankwam, spreekt vanzelf. Vijf onzer oorlogsschepen werden vernield +en vier werden door den vijand genomen. <span id="d0e5789" class="pageno">bladzijde 156</span>De koopvaardijvloot werd van vier en twintig bodems beroofd en menig wakker held verloor het leven. + +<p id="d0e5792">Thans waren de Staten-Generaal overtuigd, dat bijna allen van den Luitenant-Admiraal af tot den minsten bevelhebber toe gedaan +hadden wat zij konden. De belooningen bleven dan ook niet achter. Tromp, Evertsen, De Ruyter en Florisz. kregen gouden kettingen +met eerepenningen, en de mindere bevelhebbers ontvingen mede een blijk van tevredenheid. De moedige opperstuurman van de <i>De Gorcum</i> Willem Adriaense Warmont werd tot kapitein en Gerrit Leinsz., de kordate Smeerdieker, tot luitenant bevorderd. En onze Huib +ontving op zekeren dag namens de Admiraliteit van de Maze eene belooning van vijfhonderd gulden voor zijn manmoedig gedrag +bij het wegnemen der Engelsche en het vasthechten der Nederlandsche vlag. +<span id="d0e5797" class="pageno">bladzijde 157</span> + +<p> +<hr class="noteseparator"> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e5317" href="#d0e5317src" class="noteref">1</a> Dat er reeds vroeger meisjes aan boord kwamen om dienst te doen, als matroos, bewijst het oude liedeke: “Daar was laatst een +meisje loos.”—Behalve van Adriana Lanoy lezen we in de geschiedenis ook nog van eene Anna Jans van <span class="smallcaps">Tessel</span>. + +</div> +<div class="notetext"> +<p class="notetext"><a id="d0e5349" href="#d0e5349src" class="noteref">2</a> Een lans beteekent hier landsman. + +</div> +<h1 id="d0e5801">Van Maassluis naar Livorno.</h1> +<p id="d0e5807">De Bloeimaand was in ’t land en strooide geur en kleur langs veld en wegen. Zelfs de stad droeg de kleuren van den Mei waar +hier en daar een potje met voorjaarsbloemen voor de ramen stond. + +<p id="d0e5810">Maar blind voor al dat heerlijke en schoone der natuur en doof voor het gezang der vogelen, die op den boomtak en in de lucht +hunne voorjaarsliedjes deden weergalmen, was de man die daar langs den toen nog weinig bewoonden weg van <span class="letterspaced">Schiedam</span> naar <span class="letterspaced">Maassluis</span> liep. + +<p id="d0e5819">Nu en dan rammelde hij met gerande zilverstukken of stond stil om er enkelen, die hij uit den zak haalde, te bekijken. + +<p id="d0e5822">“Was ik nu nog een twintig jaren jonger, dan wist ik wel wat ik deed. Maar nu, oud en ongeleerd, nergens goed voor dan voor +matroos! Ver gebracht, Huib Maerlant, ver gebracht. Ze draven je allemaal voorbij. Warmont wordt kapitein en Leinsz. luitenant; +Jonge Kees krijgt een eerepenning en ik... ik... ik krijg vijfhonderd guldens. Eene mooie som als ik maar wist wat ik er mee +doen moest!— +<span id="d0e5824" class="pageno">bladzijde 158</span> + +<p id="d0e5827">Maar, halt, wat ik er mee doen moet, dat weet ik toch! +Waarom ga ik naar <span class="letterspaced">Maassluis</span>?”— + +<p class="poetry"> +<br id="d0e5835">“Wat zongh het vrolyck vogheleyn +<br id="d0e5838">Dat in den boomgaert zat? +<br id="d0e5841">Hoe heerlyck blinckt de zonneschyn +<br id="d0e5844">Van ryckdom en van schat!” + +<p id="d0e5848">klonk het op een flinken toon een heel eind voor hem uit. + +<p id="d0e5851">Huib Maerlant hoorde het niet en liep mijmerend voort. + +<p class="poetry"> +<br id="d0e5856">“Hoe ruischt de koelte in ’t eickenhout, +<br id="d0e5859">En versch gesproten lof! +<br id="d0e5862">Hoe straelt de boterbloem als gout! +<br id="d0e5865">Wat heeft de wiltzangh stof! + +<p id="d0e5869">Huib hoorde wat van “eickenhout, boterbloem en gout,” en begon het een met het ander in verband te brengen; maar het gezang +hoorde hij echter nog niet goed, hoewel het steeds nader kwam. + +<p class="poetry"> +<br id="d0e5874">“Wat is een dier zyn vryheid waert! +<br id="d0e5877">Wat mist het aan zyn wensch; +<br id="d0e5880">Terwyl de vreck zyn potgelt spaert! +<br id="d0e5883">O slaef! O, arme mensch!” + +<p id="d0e5887">“Nu nog mooier! Nu ik “potgelt” heb,zou ik een “vreck” zijn. Neen, ik en ben geen “vreck”, ik en wil geen “vreck” zijn ook!” + +<p id="d0e5890">Het gezang klonk nu heel dichtbij. + +<p class="poetry"> +<p class="poetry"> +<br id="d0e5897">“Waar groeien eicken ’t Amsterdam? +<br id="d0e5900">O kommerziecke Beurs, +<br id="d0e5903">Daar noit genoeghen binnen quam! +<br id="d0e5906">Wat mist die plaets al geurs! +<br id="d0e5909">Wy voghels vlieghen warm gedost +<br id="d0e5912">Gerust van tack tot tack. +<br id="d0e5915">De hemel schaft ons dranck en kost, +<br id="d0e5918">De hemel is ons dack. + +<p class="poetry"> +<br id="d0e5924">Wy zaeien noch.....” + + +<span id="d0e5929" class="pageno">bladzijde 159</span> +<p id="d0e5931">Het gezang houdt ineens op en een stoere varensgezel van ongeveer zeventien jaar snelt op den eenzamen wandelaar toe en roept: +“Huib, Huib, waar jij heen?” + +<p id="d0e5934">Huib kijkt op en ... “Bijlo, kwâjongen, je laat me schrikken. Waar kom-je vandaan, Jonge Kees?” + +<p id="d0e5937">“Wel, ik ben eens even naar <span class="letterspaced">Vlieland</span> geweest en op zee ben ik overgestapt op eene visschersschuit van <span class="letterspaced">Maassluis</span>! En waar gaat gij heen?” + +<p id="d0e5946">“Ik ga naar <span class="letterspaced">Maassluis</span>!” + +<p id="d0e5952">“Naar <span class="letterspaced">Maassluis</span>? En dan?” + +<p id="d0e5958">“Naar <span class="letterspaced">Rotterdam</span>!” + +<p id="d0e5964">“En dan?” + +<p id="d0e5967">“Aan boord!” + +<p id="d0e5970">“Dan ga ik met je meê! Dat treft! Ik en had niet gedacht dat ik zulk schoon gezelschap hebben zou!” + +<p id="d0e5973">“Jawel, maar kan-je hier niet blijven wachten tot ik terug ben?” + +<p id="d0e5976">“Zeker kan ik dat; maar dat en doe ik liever niet! Goed gezelschap maakt korte mijlen, Huib!” + +<p id="d0e5979">“Nou, ga dan maar meê! Je mag ook wel weten wat ik doe!” + +<p id="d0e5982">“Je maakt me nieuwsgierig, Huib!” + +<p id="d0e5985">“Dat kan wel zijn; maar ik en zeg toch nu nog niet wat ik daar ginds ga uitvoeren!” + +<p id="d0e5988">“Mij goed, ik kan wel zoo lang wachten!” + +<p id="d0e5991">Gedurende een vijf minuten liepen onze twee bekenden langs den weg zonder een woord te spreken. Dat begon Jonge Kees te vervelen +en in de hoop, dat hij zijn makker wat opvroolijken zou, zette hij Joost Van den Vondels keurigen <span class="letterspaced">Wilt-zangh</span> voort. + +<p class="poetry"> +<br id="d0e5999">“Wy zaeien noch wy maeien niet: +<br id="d0e6002">Wy teeren op den boer.<span id="d0e6004" class="pageno">bladzijde 160</span> +<br id="d0e6007">Als ’t koren in zijn airen schiet +<br id="d0e6010">Bestelt al ’t land ons voêr. +<br id="d0e6013">Wy minnen zonder haet of nyt. +<br id="d0e6016">En danssen om de bruit: +<br id="d0e6019">Ons bruiloft bint zich aan geen tydt, +<br id="d0e6022">Zy duurt ons leven uit!” + +<p id="d0e6026">“Ben-je al getrouwd, Jonge Kees?” vraagt Huib eensklaps. + +<p id="d0e6029">Een luide schaterlach, die de vogels opjaagt en de kikvorschen van schrik in de sloot doet springen, klinkt langs den weg. + +<p id="d0e6032">“Nou, ik en zie niet in waarom jij daar zoo om lachen moet!” + +<p id="d0e6035">“Ik wel,” zeî Jonge Kees, “ik wel! Ik ben pas drie weken van boord en nog geen zeventien jaar oud! Is dat niet om te lachen?” + +<p id="d0e6038">“’T is waar ook, Jonge Kees, ’t is waar ook.—Maar zeg, weet-je wat ik van de Ammiraliteit van de Maze gekregen heb voor het +neerhalen van de Engelsche vlag?” + +<p id="d0e6041">“Neen! Een toebacks-doos?” + +<p id="d0e6044">“Ik en drink geen toeback! Neen, vijfhonderd gulden!” + +<p id="d0e6047">“Vijfhonderd gulden? Maar, Huib, dan ben-je een rijk man! En wat zal je er meê doen?” + +<p id="d0e6050">“Die breng ik naar <span class="letterspaced">Maassluis</span> bij eene goede vriendin van me om ze voor me te bewaren!” + +<p id="d0e6056">“Bij eene goede vriendin! Huib, Huib! Vroeg-je daarom of ik getrouwd was? Zoo’n oude paai! Hij is bang dat ik hem zijne vriendin +onder de hand ontfutselen zal! Huib! Huib!” + +<p id="d0e6059">Op deze wijze werd het gesprek voortgezet tot ze te <span class="letterspaced">Maassluis</span> kwamen en daar een eenvoudig huisje binnentraden. +<span id="d0e6064" class="pageno">bladzijde 161</span> + +<p id="d0e6067">“Goeden morgen, vrouw Lanoy! Is je dochter thuis?” + +<p id="d0e6070">“Ik en weet niet, ik, mannen, mijne dochter.. maar..” + +<p id="d0e6073">De dochter had evenwel de stem van Huib gehoord en kwam uit het schuurtje, dat bij de achterdeur was, in haar werkpak te voorschijn. + +<p id="d0e6076">“Dag Huib! dag Jonge Kees!” zeî ze. + +<p id="d0e6079">“Dag Adriana!” sprak Huib en Jonge Kees bromde dien naam na, doch stond heel vreemd op te kijken, dat een meisje, dat hij, +zoover hij wist, nooit gezien had, zijnen naam kende. Toch kwamen die gelaatstrekken hem wel bekend voor, maar ... + +<p id="d0e6082">“Komt binnen, komt binnen! je treft het, moeder heeft net de koffie gezet!” + +<p id="d0e6085">Die stem kwam Jonge Kees ook bekend voor. Maar waar kon hij die Adriana gehoord of gezien hebben? + +<p id="d0e6088">“Nou, even willen wij wel binnen komen; maar ik en heb niet veel tijd en deze jonge borst ook niet. Wij moeten vanavond nog +te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> zijn, zie-je!” + +<p id="d0e6094">“Kom, kom, één bakje troost nemen, daarvoor is er toch tijd genoeg zou ik meenen! Maar ik en wist niet dat je me zoo gauw +zou komen opzoeken! Er is toch geene zwarigheid, wel?” + +<p id="d0e6097">“Nou, zwarigheid neen en ja! Mijne zakken zitten tot berstens toe vol met guldens, die ik gekregen heb voor het afhalen van +de Engelsche vlag. En daar ik zonder maagschap ben en niet en weet waar ik dat geld veilig zal laten, zoo kom ik vragen of +ik het jou geven mag. Ik en heb het niet noodig!” + +<p id="d0e6100">“Welzeker, we willen het dolgeern voor je bewaren, nietwaar moeder?” + +<p id="d0e6103">“Ja, ja, kind, dat willen we! Daar boven in dat kastje in eene kous of in die oude pulle daar op het kabinet!” +<span id="d0e6105" class="pageno">bladzijde 162</span> + +<p id="d0e6108">“Bewaren?” roept Huib, “neen, dat meen ik niet! Ik geef het jeluî om het te gebruiken!” + +<p id="d0e6111">“Jaantje, is dat die Huib Maerlant, die je aan boord zoo goed opgepast heeft, toen je dat schampschot aan je been gekregen +hadt?” + +<p id="d0e6114">Jonge Kees sprong op! Thans wist hij wie dat meisje was en naar het blozende Jaantje, die haar geheim door hare moeder zoo +eensklaps verraden zag, gaande, sprak de flinke knaap: “Oude makker, nou ken ik je! Nou weet ik wie je ben! Moeder Lanoy, +je dochter is eene heldin!” + +<p id="d0e6117">“Ja, jongen, daaraf heeft ze ook mooie brieven! Jaantje, kind, haal die pampieren ereis!” + +<p id="d0e6120">“Welke brieven zijn dat?” vroeg Huib. + +<p id="d0e6123">“Och, het zijn maar brieven vanwege de Ammiraliteit van de Maze!” + +<p id="d0e6126">“Ja mannen, en ze wordt daarin wat geprezen! o, Ze zijn zoo mooi! Als ik de leeskonst machtig was, dan las ik die brieven +driemaal per dag! Toe dan, kind, haal ze eens!” + +<p id="d0e6129">Jaantje voldeed aan het verlangen harer moeder en reikte ze Huib en Jonge Kees over, die beide hun best deden om dat geschreven +schrift met slingertjes, slangetjes en krulletters te lezen. + +<p id="d0e6132">Een paar uren brachten Huib en Jonge Kees in de woning van de weduwe en dochter door, en verlieten haar na eenen stevigen +maaltijd, en na de belofte gedaan te hebben gauw terug te komen. + +<p id="d0e6135">De vijfhonderd gulden bleven bij haar in bewaring. De moeder had ze in eene kous en in de ledige pulle geborgen. + +<p id="d0e6138">“En nou vraag ik je nog eens, Jonge Kees, of je getrouwd <span id="d0e6140" class="pageno">bladzijde 163</span>bent, ja ofte neen!” zeî Huib toen <span class="letterspaced">Maassluis</span> achter hem lag. + +<p id="d0e6146">“Ik heb immers straks al gezegd van neen, wat maal je toch?” + +<p id="d0e6149">“Nou, als je dan eens trek krijgt om aan den wal een vrouwtje te vinden bij je thuiskomst, dan weet ik er een voor je, hoor! +En laat me nou eens samen met je zingen. Als je wil dat liedeken van zoo even. + +<p class="poetry"> +<br id="d0e6154">“Wat zongh het vrolyck voghelkyn, +<br id="d0e6157"> Dat in den boomgaert zat?” + +<p id="d0e6161">Hun vroolijk gezang klonk in den lieven Meiavond wijd in het rond en ze waren te <span class="letterspaced">Vlaardingen</span> eer ze er aan dachten. + +<p id="d0e6167">“We willen hier eens even ankeren en een glaasje drinken op Jaantje Lanoy, het matroosje! Vind-je ’t goed, Jonge Kees?” + +<p id="d0e6170">Deze maakte geene tegenwerpingen en weldra traden ze eene herberg bij het hoofd binnen. + +<p id="d0e6173">Er was zooeven eene sloep met zeevolk aangekomen, dat hier ook binnen gegaan was. Bovendien waren er nog al enkele burgers +ook, zoodat er heel wat drokte en beweging heerschten. + +<p id="d0e6176">“Stilte!” klonk op eens eene stem als eene klok en iedereen zweeg. + +<p id="d0e6179">“Wat er onlangs in de <span class="letterspaced">Noordzee</span> gebeurd is, dat weet gij allen! Wij waren er trotsch op toen we dit vernamen! Maar niet alleen hier in de buurt hebben we +’t met de Engelschen te kwaad!. Wij komen uit de <span class="letterspaced">Middellandsche zee</span> en brengen nieuws mede!” + +<p id="d0e6188">“Vertel, vertel!” klonk het van alle kanten. + +<p id="d0e6191">“Het is er een van de vloot van Jan Van Galen!” fluisterde Huib. “Ik ken hem wel!” +<span id="d0e6193" class="pageno">bladzijde 164</span> + +<p id="d0e6196">“Heb-je wel eens gehoord van Jan Van Galen, mannen?” dus begon de verteller. + +<p id="d0e6199">“Van Van Galen gehoord, wie zou dat niet? Maar weet je dat hij gestorven is aan eene wonde, die hij in een gevecht tegen de +Roôrokken ontving? Dat en weet gij niet! Maar luistert wat er gebeurd is. + +<p id="d0e6202">Nadat de moedige Kommandeur reeds verscheidene malen met roem en voordeel tegen de Duinkerker kapers en de Turksche zeeroovers +gestreden had, vielen de oogen van Hunne Hoogmogenden op hem, als op een geschikt man om onze koopvaardijvloot in de <span class="letterspaced">Middellandsche zee</span> tegen de Engelschen en Turken te verdedigen. Nu, dat bevel was hem wel toevertrouwd; hij was een leerling van onzen roemruchten +Tromp. Reeds vóór het uitbreken van den oorlog hadden de onzen eene vloot in de <span class="letterspaced">Middellandsche zee</span>. Ze stond onder het bevel van den Kommandeur Joris Catz, doch toen de Engelschen hunne macht daar versterkten, werd het noodzakelijk +dat wij het ook deden. + +<p id="d0e6211">Ten vorigen jare togen wij er heen en we behoeven er geen doekjes om te winden, wij waren grootsch op onzen Kommandeur. Hij +zelf trok, om er gauw te zijn, over land naar <span class="letterspaced">Livorno</span> en was er dus wel wat eer dan wij, al waren wij ook vroeger vertrokken. + +<p id="d0e6217">Onze vloot was, behalve de branders, veertien schepen sterk en toen Van Galen te <span class="letterspaced">Livorno</span> aankwam, zag hij dat zes kloeke Engelsche schepen in de haven lagen. Deze stonden onder bevel van Appleton en nauwelijks +waren wij aangekomen, of Van Galen besloot dien Engelschman eens zoo netjes op te sluiten als je ’t ooit gezien hadt. + +<p id="d0e6223">Als jeluî ’t niet weet, dan wil ik je wel zeggen, dat <span class="letterspaced">Livorno</span> eene handelsstad is in het groothertogdom <span class="letterspaced">Toscane</span>, <span id="d0e6231" class="pageno">bladzijde 165</span>en nu was de Groothertog volstrekt niet in zijn schik, dat Appleton maar in, en Van Galen maar vóór de haven bleef liggen; +want daardoor stond de handel geheel en al stil. + +<p id="d0e6234">Toen dat een poosje geduurd had, vernam de Kommandant dat Bodley met eenige oorlogsschepen en gewapende koopvaarders uit <span class="letterspaced">De Levant</span> kwam. Hierop gaf hij het bevel over eenige schepen, die voor de haven lagen aan kapitein Van Salingen en zeilde zelf den +Kommandeur Bodley te gemoet. Hij ontmoette hem dicht bij <span class="letterspaced">Elba</span> en viel hem zoo krachtig aan, dat Bodley na een dapperen tegenstand de wijk nam naar <span class="letterspaced">Elba</span>. Hier hield Van Galen hem tot aan het begin van Sprokkelmaand ingesloten. Dat verveelde hem en daarom zette hij koers naar +<span class="letterspaced">Livorno</span> in de hoop dat de Engelschen hem zouden volgen. Dit gebeurde ook; want Bodley meende zijn kans nu schoon te zien om ons tusschen +twee vuren te brengen. + +<p id="d0e6249">Dit had Appleton gezien en verliet de haven van <span class="letterspaced">Livorno</span>, maar Van Galen viel hem zoo onverwachts en hevig aan, dat die mooie oom met verlies van twee schepen op de vlucht ging. +Thans wendden wij den steven en zeilden regelrecht op Bodley aan. Deze was echter op een fellen tegenstand voorbereid en ontving +ons met de volle laag. + +<p id="d0e6255">“Vooruit ligt de weg der victorie!” riep Van Galen en sloeg zich door twee schepen heen. Kapitein De Boer veroverde <i>De Luipaard</i>, het grootste schip, dat Bodley onder zijn bevel had. + +<p id="d0e6261">“Houdt je goed, mannen, houdt je goed!” klonk de stem van den Kommandeur alweder, doch nauwelijks had hij dit geroepen of +hij kreeg eene wond aan den voet. Wij <span id="d0e6263" class="pageno">bladzijde 166</span>dachten, dat het erger was en schaarden ons om hem heen, doch hij hinkte naar den grooten mast en riep: “Wat sammelt gij om +eene kleine wonde! Op, op! Het is schoon voor het Vaderland te sterven te midden der overwinning!” + +<p id="d0e6266">De wakkere man had gelijk; het werd eene overwinning, doch eer het zoover was, moest hij in de kajuit gedragen worden waar +hem het been werd afgezet! En wat denkt gij, mannen van <span class="letterspaced">Vlaardingen</span>, dat Van Galen deed? Schreeuwen en gillen van pijn en smart? Neen, geen enkele klaagtoon kwam over zijne lippen en toen de +pijnlijke bewerking geëindigd was eischte hij een glas wijn, dronk het uit en het glas op den grond smijtende riep hij: “De +Engelsche koningsmoorders moeten toch alles betalen!” Eenige dagen later stierf hij aan eene wondkoorts in de haven van <span class="letterspaced">Livorno</span> waar de Groothertog hem met vele bewijzen van hoogachting ontvangen had!—Hé, wat zeg-je? Heeft de Kommandeur zich wél gekweten +ja, ofte neen!” + +<p id="d0e6275">Een onstuimig geschreeuw van bijval vervulde de kleine ruimte. + +<p id="d0e6278">“Ja, nu schreeuwt gijlieden allen dat het zoo mooi is! Maar denkt er eens aan wat Van Galen gezegd heeft: “De Engelsche koningsmoorders +moeten toch alles betalen!”— En weet je wat wij hen nog niet betaald gezet hebben? Zijn dood! Mannen van <span class="letterspaced">Vlaardingen</span>, nog is de oorlog met <span class="letterspaced">Engeland</span> niet geëindigd, toont dan dat ge den heldendood van een moedig man te wreken hebt!” + +<p id="d0e6287">Hier zweeg de matroos, en daar het op een groot leven en geschreeuw uitliep, zoo verlieten Huib en Jonge Kees de herberg en +begaven zich verder op weg. Eerst laat in den avond kwamen ze te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> aan. +<span id="d0e6292" class="pageno">bladzijde 167</span> + +<h1 id="d0e6296">Wie niet hooren wil moet voelen.</h1> +<p id="d0e6302">“Zoo, zoo, gaan we weer maar dadelijk naar zee?” vroeg Huib den volgenden morgen aan Leinsz., die, al was hij luitenant geworden, +toch niet te trotsch was om met zijne makkers van eenigen tijd geleden vertrouwelijk om te gaan.— “Zoo, zoo, gaan we weer +maar dadelijk naar zee!” + +<p id="d0e6305">“Ja, man, daar en is niemendal aan te doen. De Heeren willen het zoo!” + +<p id="d0e6308">“Maar willen ze dan niet meer zien? Hoe kan onze vloot nu zee bouwen? Ziedaar ons schip! Hoe ziet het er uit! Eene modderschouw +is er een paleis bij, en dat is nu het Ammiraalschip! ’T is schande! Het en is geen wonder, dat wij zeevolk te kort komen! +Wie wil er ook dienen op eene vloot, die uit doornagelde turfschuiten en verteerde vischsloepen bestaat! Dat onze Tromp er +niets-van zegt, dat en begrijp ik niet!” + +<p id="d0e6311">“Tromp er niets van zeggen!” sprak luitenant Leinsz. “Man, man, heb-je dan ook je ooren in je wambuis en je oogen in je hozen +zitten even als Hunne Hoogmogenden?” + +<p id="d0e6314">“Sst, sst, de wanden hebben soms ooren en je verrader slaapt niet!” +<span id="d0e6316" class="pageno">bladzijde 168</span> + +<p id="d0e6319">“Mijnenthalve mogen ze mijne woorden overbrengen waar ze willen. Ik zeg, dat het schande is zooals de belangen van den Lande +verwaarloosd worden. Geld verzamelen, goud op hoopen brengen, een leven leiden als een Spaansche Don in zijn suikerveld, dat +kunnen ze! Geld uitgeven voor allerlei snorrepijperijen om hunne huizen en woonvertrekken te versieren en op te schikken, +dat kunnen ze; maar als er eenige weinige penningen van dien goudhoop gevraagd worden om hiermede het welzijn der <span class="letterspaced">Vereenigde Provinciën</span> te bevorderen, dan blijven de koorden der beurs gesloten en moeten ze er eerst eens ampel en breedvoerig over spreken. Maar +inmiddels verloopt de tijd met babbelen en beraadslagen en de toestand der vloot blijft dezelfde!” + +<p id="d0e6325">“Er is veel van aan, geloof ik!” mompelde Huib. + +<p id="d0e6328">“Veel van aan? Veel van aan? Neen, alles is er van aan! Zoodra onze Ammiraal den laatsten keer in het land terug kwam, heeft +hij om betere en grootere schepen gevraagd!” + +<p id="d0e6331">“Zoo, heeft hij dat?” + +<p id="d0e6334">“Ja, dat heeft hij. Hij heeft hen alles uiteen gedaan hoe het op de Engelsche vloot was, kortom, hij heeft gesproken zooals +we van onzen Ammiraal verwachten kunnen! En wat was het antwoord?” + +<p id="d0e6337">“Ik en weet het niet!” + +<p id="d0e6340">“We zullen eens zien!” zeide een en met dat: “Wij zullen eens zien!” werd Tromp afgescheept, alsof het een Poolsche jood of +Polak was, die wat stond te zwetsen van pillen voor den dood!” + +<p id="d0e6343">“En is de Ammiraal al aan boord?” + +<p id="d0e6346">“Ja, hij is in de kajuit! Maar stil, daar komt jou Kregel Mennonietje aan. ’T is toch een vent, die Witte! +<span id="d0e6348" class="pageno">bladzijde 169</span> + +<p id="d0e6351">Jammer, eeuwig jammer, dat hij zoo ’n bullebak is!” + +<p id="d0e6354">“Hei daar, luie slampampers, waar is je Ammiraal?” vroeg Witte zoodra hij een voet op het dek zette en onze twee mannen in +het oog kreeg. + +<p id="d0e6357">“’K zal hem gaan roepen, Ammiraal! Hij is in de kajuit!” + +<p id="d0e6360">“Hoeft niet, ’k zal hem zelf wel vinden!” was het norsche antwoord. Tromp had hem echter aan zien komen en trad hem te gemoet. + +<p id="d0e6363">“Dag de With!” + +<p id="d0e6366">“Dag Tromp! Een mooie boel, hé?” + +<p id="d0e6369">“Ja, ’t is erg!” + +<p id="d0e6372">“En moet dat nou jou Ammiraalschip heeten? Kerel, laat me eens uitvloeken, ’k heb er behoefte aan, ’t is schande! ’T is schande!” + +<p id="d0e6375">“Ja De With! het kon wel beter zijn!” sprak Tromp bedaard. + +<p id="d0e6378">Maar Witte bleef niet bedaard. Hij smeet zijn hoed over het dek, stampte met zijnen degen, alsof hij door de planken heen +wilde, en zeî: “Kon-het-wel-beter-zijn? Nederige Tromp, tevreden Ammiraal, kon het wel beter zijn? Eene klomp met drie zwavelstokskens +lijkt meer op een Ammiraalschip dan deze oude kast, die zoo doornageld is als een plankje van de grootte mijner hand met honderd +spijkergaten! Weet-je, dat ik me bij de Heeren beklaagd heb?” + +<p id="d0e6381">“Jawel, en ik heb het ook gedaan!” + +<p id="d0e6384">“Ei, en zeker ook zoo’n alles afdoend antwoord, nietwaar? Ze zullen ver komen, die luiden met hun hoogeschool-wijsheid, ze +zullen ver komen! Maar weet je wat ik zeg? Wie niet hooren wil moet voelen! En voor het overige, ik heb me als kwajongen laten +doopen om te kunnen <span id="d0e6386" class="pageno">bladzijde 170</span>vechten, het komt er voor mij zoo precies niet op aan! Herinner je jezelven dien tijd nog wel eens, Marten?” + +<p id="d0e6389">“Ja, nog dikwijls Witte, nog dikwijls!” + +<p id="d0e6392">“Wie had dat ooit gedacht, dat wij het zóó ver brengen zouden! Ik denk nog dikwijls aan een van jou goede kameraads, die met +jou gelijk naar zee ging! Hoe heette hij ook? Wacht, ik weet het,—Huib Maerlant heette hij. Toen ik hem vertelde dat ik, als +ik naar zee ging, Ammiraal zou moeten worden, schold hij mij uit en zeî: ,Je wordt pluimgraaf op het schip waarop ik kapitein +ben! Je bent nog al lang met hem in kennis geweest, weet-je ook wat er van hem geworden is?” + +<p id="d0e6395">“Jawel, Witte! Daar staat hij!” sprak Tromp en wees op den ouden matroos, die nog altijd bij Leinsz. stond. + +<p id="d0e6398">In een paar stappen was Witte bij hem, tikte hem op den schouder en zeî: “Dag Huib Maerlant!” + +<p id="d0e6401">“Dag, heer Ammiraal!” antwoordde Huib ontroerd. + +<p id="d0e6404">“Nou, waarom zeg je nu niet als voor een goede veertig jaar: “Leelijk Kregel Mennonietje?” + +<p id="d0e6407">Huib zweeg. + +<p id="d0e6410">“Jawel, nou denk je zeker dat ik je dat inpeperen zal! Maar... maar... Tromp, kom eens hier! Is dit dezelfde Huib Maerlant, +die in het laatste gevecht zoo netjes de Engelsche vlag naar beneden wist te halen?” + +<p id="d0e6413">“Dezelfde, Witte!” + +<p id="d0e6416">“Een poot, ouwe jongen! Voor jou heb ik respect, al heb je ’t niet ver gebracht! ’T geluk zal je wel niet gediend hebben, +zooals ons! Maar zeg, heb je geen lust om bij mij aan boord te komen? Ik zal je vooruit schoppen, dat je met je oude beenen +jezelven niet bijhouden kunt!” +<span id="d0e6418" class="pageno">bladzijde 171</span> + +<p id="d0e6421">“Ik wilde liever hier aan boord blijven, heer Ammiraal!” + +<p id="d0e6424">“Nou goed, goed! Als je wilt, dan kan je komen! Dag Huib!” + +<p id="d0e6427">Witte verwijderde zich en na nog een en ander met Tromp afgesproken te hebben ging hij van boord, in ’t voorbijgaan tot Huib +roepende: “Als je soms nog kippenvoêr mocht noodig hebben, dan weet je waar mijne oude luî wonen! Gegroet!” + +<p id="d0e6430">Denzelfden dag reeds vertrok Tromp om de vloot, die 98 schepen sterk was te verzamelen. Het getal schepen was dus groot genoeg; +maar de grootte, de bemanning, de wapening en de geschikte geest lieten veel te wenschen over. Alras zag men dat het weer +mis zou loopen. + +<p id="d0e6433">In <span class="letterspaced">Duins</span> was niets te doen dan alleen een drietal koopvaarders prijs te verklaren. De Engelsche vloot was onder bevel van George Monk +en Richard Deane naar onze kust vertrokken. + +<p id="d0e6439">Tromp besloot haar op te zoeken en ontdekte haar den 15den van Zomermaand op de hoogte van <span class="letterspaced">Nieuwpoort</span>. Hij verdeelde zijne vloot in vijf smaldeelen en wachtte de Engelsche vloot moedig af. Den geheelen dag werd er zoowel door +de Nederlanders als door de Engelschen met ongeëvenaarden moed gevochten.—Ook nu kwam het weer duidelijk uit, dat vele kapiteins +van onze vloot niet voor hunne taak berekend waren, en weldra kwam er zooveel verwarring, dat het voordeel geheel aan de zijde +der Engelschen was. + +<p id="d0e6445">Den volgenden dag werd de strijd hervat. + +<p id="d0e6448">“Ziet ge dat groote schip daar, jongens? Dat is de bodem van den Vice-Ammiraal William Penn! Voorwaarts kinderen, houdt moed! +Voor ons dat schip!” + +<p id="d0e6451">De aanval was woedend, de ontvangst moorddadig! +<span id="d0e6453" class="pageno">bladzijde 172</span> + +<p id="d0e6456">Vijfmaal gaf Tromp het de volle laag, klampte hem eindelijk aan boord en nam zijn bovenschip in. Doch William Penn was bij +het Engelsche zeevolk geliefd en dertien schepen snelden toe om hem te helpen. + +<p id="d0e6459">Maar Goede Vaer Tromp werd door het Hollandsche zee volk als een vader vereerd. + +<p id="d0e6462">“Mannen, Goede Vaer Tromp krijgt het te kwaad, helpt hem! Vooruit, vooruit!” schreeuwde Witte. Ook De Ruyter, die gezien had, +dat de Ammiraal het onmogelijk langer volhouden kon, snelde hem te hulp. + +<p id="d0e6465">’T was meer dan tijd, dat hij ontzet werd, want de Engelschen waren hem bijna meester. + +<p id="d0e6468">Met zijn bijkans ontredderd schip voegt Tromp zich weer bij de vloot. + +<p id="d0e6471">De Engelschen volgen hem en dringen al verder en verder door. Men vecht met leeuwenmoed, maar niets baat. De gansche vloot +is verloren als men den strijd nog langer voortzet. Het sein tot den aftocht wordt gegeven. De Engelschen hebben eene schitterende +overwinning behaald! + +<p id="d0e6474">De <span class="letterspaced">Vereenigde Provinciën</span> verschrikken op dit vreeselijke bericht! + +<p id="d0e6480">Wat te doen? + +<p id="d0e6483">Wat te doen? Eenige dagen later begeven zich drie bevelhebbers ter zee langs het <span class="letterspaced">Buitenhof</span> te <span class="letterspaced">’s-Gravenhage</span> naar de zaal waar Hunne Hoogmogenden vergaderd zijn. + +<p id="d0e6492">’T is de Luitenant Admiraal Tromp met twee zijner onderbevelhebbers, Michiel de Ruyter en De With. + +<p id="d0e6495">Ze worden ter vergadering binnengeleid en beleefd ontvangen. + +<p id="d0e6498">De Luitenant-Admiraal is het eerst aan het woord. + +<p id="d0e6501">In scherpe trekken schetst hij den toestand der vloot <span id="d0e6503" class="pageno">bladzijde 173</span>en eindigt met te zeggen: “Meer dan vijftig schepen bevinden zich bij de Engelsche vloot, die beter zijn dan het beste schip +der <span class="letterspaced">Vereenigde Provinciën!</span>” + +<p id="d0e6509">Men houdt van dit verslag getrouw aanteekening. + +<p id="d0e6512">Thans staat De With op en na de woorden van Tromp bevestigd te hebben, zegt hij: “Wat helpt het dat ik zwijg; ik ben voor +mijne Opperheeren; ik mag en moet het zeggen, de Engelschen zijn meester van de zee, maar ze zijn ook meester van ons!” + +<p id="d0e6515">Nu is de beurt aan De Ruyter. + +<p id="d0e6518">“Ik en wil niet veel woorden verspillen,” zegt deze. “Wat de heeren Tromp en De With gezegd hebben is waar, ja, ze hebben +nog niet alles gezegd! Maar ik zeg u, ik en verkies niet meer in zee te steken als de toestand niet verandert. De Heeren moeten +nu maar weten wat zij doen! Wie niet hooren wil moet voelen!” +<span id="d0e6520" class="pageno">bladzijde 174</span> + +<h1 id="d0e6524">Hoe men vrede kreeg.</h1> +<p id="d0e6530">Eindelijk werden Hunne Hoogmogenden wijs genoeg om in te zien, dat het zoo niet langer kon, en ze besloten handen aan het +werk te slaan en vooral trachtten ze de vloot van grootere schepen te voorzien. Het handgeld en de soldij werden mede verhoogd +en de ongelukkige uitslag van de laatste twee zeegevechten had bij oud en jong de geestdrift van een vrij volk, dat zich bedreigd +ziet, doen ontwaken. + +<p id="d0e6533">Overal heerschte leven en beweging. + +<p id="d0e6536">“Naar zee!” klonk het hier. “Naar zee!” klonk het daar. “Naar zee!” klonk het overal. + +<p id="d0e6539">Het was of de dagen van <span class="letterspaced">Duins</span> weer teruggekeerd waren. + +<p id="d0e6545">Rijken en armen, aanzienlijken en geringen boden zich aan om op de vloot te dienen. De Amsterdamsche secretaris Gerardt Hulst +kwam met vierentwintig wel uitgeruste zeelieden, die hij zelf bezoldigde en den kost gaf, aan boord van Witte Cornelisz. De +With, zich als vrijwilliger inschepen. Jan Oomes en Jan Van Uffelen kwamen elk met acht man en Jacobus Van den Kerckhove bracht +er vier mede. Zelfs vrouwen wisten weer in mansgewaad vermomd op do vloot te komen en de Predikant Robert Junius verliet zijne +stille pastorie om den armen <span id="d0e6547" class="pageno">bladzijde 175</span>stervenden zeeman bij zijn heengaan woorden van troost te kunnen toespreken. + +<p id="d0e6550">Zoo was de vloot in het begin van Oogstmaand gereed om zee te kiezen. + +<p id="d0e6553">Eene groote zwarigheid bestond er. Ze was deze: + +<p id="d0e6556">Nog altijd kruiste de Engelsche vloot op onze kusten en te <span class="letterspaced">Vlissingen</span> in de <span class="letterspaced">Wielingen</span>, te <span class="letterspaced">Goedereede</span> en te <span class="letterspaced">Tessel</span> bevond zich de onze. Die uit de <span class="letterspaced">Wielingen</span> met die te <span class="letterspaced">Goedereede</span> te vereenigen ging nog, maar te zamen telden ze dan nog maar tweeëntachtig schepen, zoo groot als klein, en hoewel er heel +veel verbetering was aangebracht, ze was toch nog niet voldoende om met hoop op een goeden uitslag de Engelschen aan te tasten, +die eene kostelijk uitgeruste vloot van ongeveer honderdtwintig schepen onder zich hadden. Te <span class="letterspaced">Tessel</span> lagen nog zevenentwintig schepen en vier branders onder bevel van De With en Tromp begreep, dat het zaak was zich met deze +te vereenigen. + +<p id="d0e6580">Toch diende er niet lang gemard; want veel tijd was al verloren gegaan en de handel had reeds onnoemelijke schade geleden. + +<p id="d0e6583">Tromp besloot dus aan boord te gaan, doch richtte vooraf het verzoek aan de Algemeene Staten, dat eenigen van ’s Lands regeering +mochten mede gaan om de zaken te helpen besturen. Het kon ook zijn dat hij door ziekte verhinderd werd de noodige bevelen +te geven, en—het kon ook zijn dat een noodlottige kogel hem het leven benam. + +<p id="d0e6586">De Algemeene Staten vertrouwden echter op zijne kennis, hoopten dat de noodlottige kogel nog in lang niet gegoten mocht zijn +en bleven aan den wal. + +<p id="d0e6589">Den zesden van Oogstmaand stak Tromp in zee. +<span id="d0e6591" class="pageno">bladzijde 176</span> + +<p id="d0e6594">Met harten vol verwachting staarden de Amsterdamsche kooplieden op de met gras begroeide straten;— de winkeliers droomden +weer van een rijk gewin;—de handwerkstand hoopte op de dagen van vroeger toen er volop werk was; —de Admiraliteiten keken +over het ontzaggelijk hooge cijfer der genomen koopvaardijschepen heen en zagen in hunne verbeelding alweder de havens in +een mastbosch herschapen. Toch wisten ze toen nog niet dat er reeds meer dan zestienhonderd koopvaarders door den vijand genomen +waren.— + +<p id="d0e6597">Admiraal Tromp wist zich gelukkig met die uit de <span class="letterspaced">Wielingen</span> te vereenigen zonder door de Engelschen daarin verhinderd te worden. Nu was het nog maar te doen om De With uit <span class="letterspaced">Tessel</span> te krijgen. + +<p id="d0e6606">Als hij aangevallen werd zou hij zich maar verdedigen, meer niet. + +<p id="d0e6609">En hij werd aangevallen, en uit de verdediging ontstond een gevecht. + +<p id="d0e6612">De With hoorde het gebulder van het geschut; hij schudde zijne lange hoofdharen in den nek als een leeuw zijne manen en beklom +zijn smaldeel. + +<p id="d0e6615">De wind was pal tegen en stond op de kust! + +<p id="d0e6618">“Dan maar tegen den wind in! Vooruit!” + +<p id="d0e6621">De eb, waarmee hij moest uitloopen viel in den nacht in! + +<p id="d0e6624">“Er is geen helpen aan, het moet! Ginds moeten we zijn!” + +<p id="d0e6627">De volle maan kroop weg achter de wolken waaruit een fijne regen viel. + +<p id="d0e6630">“Wij zullen ons morgen wel droogvechten! Het Vaderland houdt de oogen op ons gevestigd!” + +<p id="d0e6633">Er waren geene loodsen, die hem met zulk weder in zee durfden brengen! +<span id="d0e6635" class="pageno">bladzijde 177</span> + +<p id="d0e6638">“Dan zal ik mijn eigen loods zijn! Voorwaarts! Voorwaarts! Goede Vaer Tromp wacht ons!” + +<p id="d0e6641">De tonnen waren weggenomen; hij zou zijne eigen schepen omhoog varen. + +<p id="d0e6644">“Dan zal ik tonnen maken! De visschersschuiten met lantaarnen en toortsen voorzien moeten ons vooruitzeilen en in twee rijen +de banken in het <span class="letterspaced">Spanjaardsgat</span> afzetten! Voorwaarts! Voorwaarts! De koningsmoorders moeten met Witte aan den dans! Van Galen moet gewroken worden! Voorwaarts!” + +<p id="d0e6650">Daar gaat de leeuw van het koude noorden, wiens heerschappij niet de woestijn, maar de zee,—niet het dichte woud,—maar de +open Oceaan is. + +<p id="d0e6653">Langzaam breekt het licht in het oosten door en.... + +<p id="d0e6656">“Mannen, mannen, daar ligt Goede Vaer Tromp! Hoezee! Verwelkomt hem met de volle laag op de Engelsche Rôorokken!” + +<p id="d0e6659">’T was te vroeg gezegd. Een eenzame kruiser van de Hollandsche vloot is het, die zich bij hem aansluit. + +<p id="d0e6662">Den ganschen dag door worstelt hij met weer en wind, maar toch tegen vijf uur in den avond heeft hij Tromp bereikt en groet +den Admiraal met het losbranden van het geschut! + +<p id="d0e6665">Tromp beantwoordt het en de Engelschen zien deze vereeniging met leedwezen aan. + +<p id="d0e6668">Maar de nacht valt en vriend zoowel als vijand slaapt in. + +<p id="d0e6671">Alleen de wachters waken. + +<p id="d0e6674">Den anderen dag, Zondag den tienden van Oogstmaand wordt in den vroegen morgen de kerkklok te <span class="letterspaced">Schevelingen</span> al geluid. + +<p id="d0e6680">De eenvoudige visschers gaan met vrouw en kind naar <span id="d0e6682" class="pageno">bladzijde 178</span>het huis des Heeren en smeeken daar van God den zegen op onze wapenen af. + +<p id="d0e6685">Midden onder het gebed klinkt een dof gerommel. + +<p id="d0e6688">Er komt beweging in de kerk! Zou ’t een opkomend onweder zijn? + +<p id="d0e6691">Het gerommel laat zich weer hooren, maar ’t is kort en afgebroken. + +<p id="d0e6694">Dat is geen onweder! Dat is kanongebulder! De deuren van de kerk worden opengesmeten! In een oogenblik staat het strand vol! +Ginds liggen de vloten! Hier de Hollanders, daar de Engelschen! Het kanongebulder verheft zich! De Hagenaars hooren het en +zien niet tegen den moeielijken weg op om naar <span class="letterspaced">Schevelingen</span> te gaan. + +<p id="d0e6700">Bezweet, bestoven, hijgend en afgemat komen ze op het strand! + +<p id="d0e6703">Een vreeselijk tooneel vertoont zich aan hunne oogen! + +<p id="d0e6706">Vrouwen loopen met loshangende haren langs het strand en gillen het uit van angst! + +<p id="d0e6709">Kinderen schuilen zich angstig weg achter hunne moeders en roepen om hunne vaders! + +<p id="d0e6712">De vaders staren naar de vloot waarop hunne zonen hun leven voor het land wagen! + +<p id="d0e6715">Moeders kermen en klagen en roepen den knaap of den volwassen jongeling, die haar verliet bij hunnen naam, doch het gedonder +uit honderden vuurmonden doet den machtigsten smartkreet in den mond verstommen!— + +<p id="d0e6718">De Hagenaars prachtig gekleed of in eenvoudig huisgewaad mengen zich vragend tusschen de Schevelingers: “Wie is die? Wie is +die? Is dat Tromp? Is dat De With? Is dat De Ruyter?”— + +<p id="d0e6721">Maar de Schevelingers geven geen antwoord, of het <span id="d0e6723" class="pageno">bladzijde 179</span>moest zijn dat er hier of daar nog een gevonden wordt, die zegt: “Wel mensch, en zie je dat niet? Die vlugge, kleine dat binne +de onze! Die groote dat binne de Rôorokken!” + +<p id="d0e6726">De vloten naderen al meer en meer. + +<p id="d0e6729">Daar vliegt met een ijselijk gekraak een schip in de lucht! + +<p id="d0e6732">Nieuwe kreten van woede en smart verheffen zich onder het volk. Men verdringt elkander tegen het water, alsof men door dichter +bij den strijd te komen, het gevaar voor de onzen verminderen zal. Er wordt gevloekt, gehuild, geschreeuwd, geroepen, handen +gewrongen en dat alles onder het bulderen van een donder, zooals onder het hevigste onweder nog nimmer gehoord werd. + +<p id="d0e6735">En te midden van al dat gewoel klimt een oud manneke van het duin, treedt door de openstaande deur in de kerk, legt zijn versleten +zuidwester neer, vouwt de handen, sluit de oogen en bidt: “Heere, Heere, behoed ons, behoed ons!”— + +<p id="d0e6738">Tranen rollen langs zijne gerimpelde wangen. + +<p id="d0e6741">De man heeft vijf zonen en drie kleinzonen op de vloot!.. + +<p id="d0e6744">Begeven we ons nu naar de vloot. + +<p id="d0e6747">Daar is het Admiraalschip en daar staat Huib. + +<p id="d0e6750">“Wel, Huib, warmpjes vandaag hé!” + +<p id="d0e6753">Huib kijkt op en zegt eenvoudig: ja!” maar onderwijl hij dit doet, loopt er een traan langs zijne gebruinde kaken. + +<p id="d0e6756">“Huib, wat scheelt er aan? Wat is ’t Huib?” + +<p id="d0e6759">“Marten, mijn oude, trouwe vriend Marten is dood!” luidt het antwoord. + +<p id="d0e6762">Als de Nederlandsche vloot nu nog eens overwon, als <span id="d0e6764" class="pageno">bladzijde 180</span>al die Engelsche schepen eens in brand geschoten en vernield werden, als <span class="letterspaced">Engeland</span> ons ootmoedig om den vrede kwam smeeken, dan hadden we veel, heel veel gewonnen, maar ons verlies zou altijd nog grooter +zijn dan onze winst.— + +<p id="d0e6770">Reeds bij den aanvang van het gevecht en juist toen hij eenige bevelen stond te geven werd hij door eenen musketkogel doodelijk +getroffen. Hij viel neder en na met zwakke stem gezegd te hebben: “Ik heb gedaan! Mijne kinderkens, houdt goeden moed!” gaf +hij den geest. + +<p id="d0e6773">Zoodra Huib zag dat zijn Ammiraal, “zijn ouwe trouwe speelkameraad Tromp” viel, snelde hij naar hem heen, doch kwam alleen +om zijne laatste woorden te verstaan en zijne oogen te sluiten. + +<p id="d0e6776">De gansche bemanning was een oogenblik radeloos van droefheid. Het was een vreeselijk oogenblik. Aller oogen zouden op het +Ammiraalschip gevestigd zijn en, als dat zich aan het gevecht onttrok, dan ... dan was nu al het lot van den dag beslist. + +<p id="d0e6779">Egbert Meussen Cortenaer was kapitein op het schip. Wat zou hij doen? Stil, daar schiet hem wat te binnen. + +<p id="d0e6782">“Mannen,” roept hij, “onze brave, goede Ammiraal is dood en God hebbe zijne ziel! De <span class="letterspaced">Vereenigde Provinciën</span> verliezen in hem den grootsten man, dien ze hadden. Maar toen deze man nog een knaap was en zijn vader door de Turksche roovers +aangevallen en gedood werd, riep hij: “Mannen, zult gij den dood mijns vaders niet wreken?” en nam den degen van den gevallene +in de hand om zich op de Turken te werpen.—Ammiraal Tromp was <i>onze</i> Goede Vaer en als zijn kind roep ik u toe: “Mannen, zult gij den dood van onzen Goeden Vaer niet wreken?”— +<span id="d0e6790" class="pageno">bladzijde 181</span> + +<p id="d0e6793">Dat hielp. Huib sprong op en riep: “Ja, ja, wreken! wreken!” + +<p id="d0e6796">Cortenaer seint Evertsen en De Ruyter aan boord. + +<p id="d0e6799">Beiden komen en nauwelijks ziet De Ruyter den gevallen held liggen of hij roept uit: “Ach, ware ik voor Goede Vaer gestorven!” + +<p id="d0e6802">Evertsen die de oudste in jaren was, nam nu het opperbevel op zich, doch beval aan Cortenaer voor de overige schepen den dood +van Tromp verborgen te houden. + +<p id="d0e6805">Tot driemalen toe loopen de twee vijandelijke vloten tegen elkander in als bokken, die elkaar met de horens willen stooten. + +<p id="d0e6808">“De aardsche donders uit duizend metalen monden gedreven, verbijsterden den hoorder, de zeedorpen trilden op hunne zandgronden +en de zee loeide!” + +<p id="d0e6811">Maar er komt verwarring in onze slagorde! Er is geene eenheid genoeg! Men mist den man, die met zijn helderen blik alles bestuurde +en bij ongunstige omstandigheden soms nog een licht plekje zag, dat de uitkomst heel anders deed worden dan men vermoed had. + +<p id="d0e6814">En Evertsen kan niet meer bij de vloot blijven! De Ruyter ook niet! Hunne schepen hebben zoo vreeselijk geleden dat ze zich +naar <span class="letterspaced">Goedereede</span> moeten laten sleepen. + +<p id="d0e6820">De bevelhebber is thans Witte Cornelisz. De With, die ten laatste ook den dood van Tromp vernomen en uitgeroepen heeft: “Is +Tromp dood! Dat strekt tot aller leedwezen! Hij was een groot man!” + +<p id="d0e6823">Met eenen moed, die door geen woorden te bepalen is, stort hij op den vijand in. + +<p id="d0e6826">Pieter Florisz. en Cortenaer staan hem trouw bij en weten van geen wijken. Van wijken weet kapitein Marrevelt <span id="d0e6828" class="pageno">bladzijde 182</span>ook niet, en toch is van de drie masten, die op zijn schip stonden, slechts een stomp van den fokkemast over. Hij zelf heeft +eene zijner handen verloren en twintig wonden ontvangen. Achttien van zijne manschappen zijn gesneuveld, vierentwintig zijn +gekwetst, maar wijken, neen, dat nooit! + +<p id="d0e6831">De bodems van Sangher, Schutter, een Evertsen en een Banckers dreigen te zinken; maar zij houden stand, ze willen niet wijken: +“Het is schoon voor het Vaderland te sterven al is het niet te midden der overwinning!” denken ze! + +<p id="d0e6834">Maar <i>wie</i> niet wijken, <i>wie</i> zich liever dood vechten of in het gezicht van den vijand hun laatste stuk geschut lossen en dan te gronde gaan, niet die +vierentwintig lafhartige scheepskapiteins, die op de vlucht slaan. + +<p id="d0e6843">Witte wil die vlucht verhinderen door met scherp op die schepen te schieten; maar dit verdubbelt hunnen angst en met volle +zeilen verlaten ze het tooneel des gevechts. Door hunne lafhartigheid wordt een vreeselijke nederlaag wat eene schitterende +overwinning had kunnen worden. + +<p id="d0e6846">De With knarsetandt van spijt en geeft bevel tot den aftocht, dien hij in orde volbrengt. Wel is het vechten tot hij in <span class="letterspaced">Tessel</span> aankomt, maar toch zijn ze er!... + +<p id="d0e6852">Het verlies der Nederlanders was groot. Twaalf of dertien schepen werden in den grond geboord of verbrand. Slechts één schip +werd genomen. Het aantal gesneuvelden was aanzienlijk en dat der gekwetsten niet minder. + +<p id="d0e6855">De Engelschen, die overwonnen hadden, waren niet minder geteisterd en dit was de oorzaak, dat men van beide zijden hard naar +den vrede verlangde, hoewel hij door onderhandelingen vertraagd, eindelijk op voor ons nadeelige voorwaarden eerst in Grasmaand +van het jaar 1654 te <span class="letterspaced">Westminster</span> gesloten werd. +<span id="d0e6860" class="pageno">bladzijde 183</span> + +<p id="d0e6863">Groot was de rouw, die er op de vloot en in het geheele land heerschte toen de tijding zich verspreidde: “De Luitenant-Ammiraal +Marten Harpertsz. Tromp is gesneuveld!” + +<p id="d0e6866">Op bevel van de Algemeene Staten werd zijn lijk te <span class="letterspaced">Delft</span> in de Oude kerk plechtstatig begraven, en later richtten zij een prachtig praalgraf voor hem op. Zijne weduwe en kinderen +werden op onbekrompen wijze door ’s Lands Staten begiftigd en zelfs achtte men den gesneuvelden held zoo hoog, dat men zijn’ +lijfknecht Gerrit Simons, dien hij kort voor zijnen dood ter bevordering had aanbevolen, tot Luitenant aanstelde. + +<p id="d0e6872"> +<div id="d0e6874" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/pl183.jpg" alt=""> +</div> + +<p id="d0e6877">Ook de groote Dichters van die dagen en later verheerlijkten hem. Vondel schreef: + +<p class="poetry"> +<br id="d0e6882">“Hij ruste nimmer onbeweent. +<br id="d0e6885">Al heeft de doot het lijf verslonden: +<br id="d0e6888">De Faem is aen geen graf gebonden. +<br id="d0e6891">De deugd verduert het koud gebeent. + +<p id="d0e6895">en Jeremias De Decker drukte zich aan het slot van een lofzang op onzen held aldus uit: + +<p class="poetry"> +<br id="d0e6900">“Doch schoon het lichaem moet verwelken en vergaen, +<br id="d0e6903">De naem van Marten Tromp zal euwichlick hestaan, +<br id="d0e6906">Tot schande van den Brit, tot lof der Batavieren.” + +<span id="d0e6910" class="pageno">bladzijde 184</span> +<h1 id="d0e6913">De tanden zijn overleefd.</h1> +<p id="d0e6919">De Augustus-zon stond brandend heet op het Scheveningsche strand. + +<p id="d0e6922">’T was kort na den vrede te <span class="letterspaced">Breda</span>, die aan den tweeden Engelschen oorlog een einde had gemaakt. De vredesvoorwaarden waren voor een deel door ons gesteld en +dat het magtige <span class="letterspaced">Engeland</span> zich zoo vernederen moest, hadden de <span class="letterspaced">Vereenigde Provinciën</span> hoofdzakelijk te danken aan Michiel Adriaensz. De Ruyter, die thans gedaan had wat Tromp in Wintermaand van 1652 reeds voorgesteld +had. Hij was <span class="letterspaced">De Theems</span> opgezeild en had bij <span class="letterspaced">Chattam</span> de trotsche Engelsche vloot vernield. + +<p id="d0e6940">Een jaar te voren was door de bemoeiingen van Constantijn Huygens een straatweg aangelegd tusschen <span class="letterspaced">Den Haag</span> en <span class="letterspaced">Scheveningen</span>. Het was een kostbaar en moeielijk werk geweest om dwars door de hooge duinen en het rulle zand zulk een weg te banen, die +naderhand het sieraad van de <span class="letterspaced">Hofstad</span> worden zou. Wat kon die weg vol wandelaars zijn en wat voer het voormaals zoo armoedige dorp er wèl bij! + +<p id="d0e6952">Nu echter was er op den ganschen weg geen mensch te zien, dan hier en daar eene vischvrouw, die hare waren naar de stad bracht +of met ledige manden naar huis keerde. +<span id="d0e6954" class="pageno">bladzijde 185</span> + +<p id="d0e6957">En geen wonder! Wel had men terzijden van den weg boompjes geplant en op enkele plaatsen kroop de berk met den kreupeleik +wel langs het duin naar de hoogte, maar het was er overigens even zonnig en even heet als op het strand. De tijd om te wandelen +was voor de Hagenaars nog niet aangebroken. + +<p id="d0e6960">Tegen eene der hoogten op eene steenen bank, tusschen het kreupelhout in, zat echter toch nog een man, dien we van den weg, +en nog minder van het strand af, niet zoo aanstonds konden ontdekken. Hij zit zoo dat hij de zee zien kan; al het andere is +hem geheel onverschillig. + +<p id="d0e6963">Zoo op den gis geven we dien grijze een zeventig jaar hoewel hij voor dien leeftijd wel wat kras schijnt te zijn. + +<p id="d0e6966">Hoe lang de oude daar al gezeten had, wist hij misschien zelf niet, en hij zou nog geen haast gemaakt hebben om op te staan +indien niet eene kloeke vrouw van ruim dertig jaren hem was komen roepen. Drie van hare kinderen waren haar gevolgd en rolden +nu van het duin af dat het een aard had. + +<p id="d0e6969">Een visscher, die langs den weg naar huis keert, zingt. + +<p id="d0e6972">Dat hoort de jongste van de drie kinderen en de handjes naar den ouden uitstekende, roept het: “Grootvader, ook zingen!” + +<p id="d0e6975">“Zoo dreumes, moet ik weer aan den slag, ja?” + +<p id="d0e6978">“Stil, Betje, laat grootvader met rust. Het is nu te warm!” zegt de vrouw. + +<p id="d0e6981">“Jaantje, Jaantje denk-je dan dat het zonnetje me hindert? Oude katten en oude mannen varen er wel bij, ja! Kom jij maar hier, +kind!” + +<p id="d0e6984">Betje zit op de knieën van den ouden man en deze zegt: “Nou zal ik het liedje eens zingen, dat ik met je vader gezongen heb +op den weg van <span class="letterspaced">Maassluis</span> naar <span class="letterspaced">Rotterdam</span>. <span id="d0e6992" class="pageno">bladzijde 186</span>We hadden toen een matroosje van onze kennis opgezocht! Niet, Jaantje?” + +<p id="d0e6995">“Grootvader Huib zet er stukjes aan, kinderen, hij zegt wel eens meer wat om me te plagen!” antwoordt de vrouw en hierop begint +Huib met eene sterk bevende stem te zingen: + +<p class="poetry"> +<br id="d0e7000">“Wat zongh het vrolyck vogelkyn, +<br id="d0e7003">Dat in den boomgaert zat?” + +<p id="d0e7007">en zoo ging het voort tot hij bleef steken midden in den regel: + +<p class="poetry"> +<br id="d0e7012">Wy zaeien noch wy maeien nyet +<br id="d0e7015">Wy teeren op.... + +<p id="d0e7019">“Jaantje, Jaantje, daar komt <i>De Marten Harpertsz. Tromp</i> aan! Komt, kinderen, nou naar huis!” + +<p id="d0e7025">“Langzaam gaat zeker, grootvader! Niet te wild! Je zal er wel komen!” zegt de vrouw. + +<p id="d0e7028">“Ja, Jaantje, kind, ik heb mijne tanden overleefd, hoor! Maar, dat is niemendal! Een mensch moet toch eens oud worden en....” + +<p id="d0e7031">“Stil, grootvader, niet zulke praat! Je kan nog lang genoeg leven. Jonge Kees en ik zullen immers alles doen wat we kunnen +om je ’t leven zoo prettig en pleizierig te maken? Jan, geef grootvader eene hand!” + +<p id="d0e7034">Jan is een jongen van een jaar of negen en de oudste van de drie. + +<p id="d0e7037">Babbelende en snappende, maar heel langzaam, èn om de hitte, èn omdat grootvader niet meer zoo vlug weg kan, vervolgen ze +hunnen weg naar het dorp. + +<p id="d0e7040">Ik behoef u niet meer te zeggen, jongens en meisjes, wie die twee zijn! Ge begrijpt dat al lang. + +<p id="d0e7043">“Maar hoe komen ze hier?” + +<p id="d0e7046">’K zal het u zeggen. + +<p id="d0e7049">Kort na het sluiten van den vrede te <span class="letterspaced">Westminster</span> +<span id="d0e7054" class="pageno">bladzijde 187</span>nam Huib zijn ontslag uit den dienst, “want,” zeide hij, “nu Tromp dood is, kan ik er geen pleizier meer in vinden!” + +<p id="d0e7057">Hij ging eerst in <span class="letterspaced">Den Briel</span> wonen; maar niemand kende hem daar meer en daarom zag hij ook al uit naar eene andere woonplaats. Had <span class="letterspaced">Vlieland</span> wat dichter bij gelegen dan zou hij daar zijn gaan wonen. Dan was hij dicht bij Jonge Kees, die al dadelijk van de vloot +was gegaan toen deze na den dood van Tromp geheel verslagen thuis kwam. + +<p id="d0e7066">Maar als hij eens naar <span class="letterspaced">Maassluis</span> ging. Jaantje Lanoy kende hem toch, en die zou den ouden man wel voor een enkelen keer te woord willen staan. Ja, dat zou +hij doen! Veertien dagen later zat hij bij Jaantjes moeder koffie te drinken, en zij had hem altijd zoo’n gezellig ouwentje +gevonden, dat zij hem zelfs wel in huis wilde hebben. + +<p id="d0e7072">Dat nam Huib gaarne aan. Overdag breide hij netten, knoopte touw of sjouwde wat aan de haven en ’s avonds vertelde hij historietjes +uit zijn zeemansleven. Gewoonlijk verdiende hij iedere week wel zooveel, dat hij zijn kostgeld betalen kon, en als dat een +enkelen keer eens te weinig was, dan sprak hij zijn spaarpot aan; want, zie-je, behalve die vijfhonderd guldens, die daar +nog altijd in eene kous en eene pulle in het kastje lagen, had hij nog een ander potje zuiver opgespaard geld. + +<p id="d0e7075">Zoo had hij daar al vijf jaren gewoond. Jaantje bleef ongetrouwd en zeî altijd: “Moeder en Vader Huib kunnen me niet missen.” + +<p id="d0e7078">Ze leefden heel gelukkig en tevreden en juist toen ze op zekeren middag aan tafel zouden gaan, wordt de bovendeur opengedaan +en iemand roept: “Hola!” +<span id="d0e7080" class="pageno">bladzijde 188</span> + +<p id="d0e7083">Huib rijst op en in den gang komende roept hij uit: “Jonge Kees, jongen, hoe maak-je ’t? Wel, dat is goed dat je me eens komt +opzoeken! Dat is goed!” + +<p id="d0e7086">De persoon, die binnentrad en niemand ander was dan Jonge Kees, verwonderde zich zeer Huib hier te vinden en toen deze hem +vroeg: “Hoe wist je dat ik hier woon?” antwoordde de jonge visscher: “Ik en wist niet, dat je hier woonde!”— + +<p id="d0e7089">“Zoo, zoo,” zegt Huib, “dus je komt niet om mij, maar.... Zeg eens, Jonge Kees, ben je al getrouwd?” + +<p id="d0e7092">Jonge Kees wordt rood en Jaantje even aankijkende die ook al rood wordt, antwoordt hij: “Neen! Ik leef tegenwoordig met mijne +moeder weer te <span class="letterspaced">Schevelingen</span>. Vader is een paar maanden geleden gestorven en nu wilde moeder liefst niet te <span class="letterspaced">Vlieland</span> blijven wonen. Ik heb nu mijne eigen schuit en raadt eens hoe die heet?”— + +<p id="d0e7101">“De vrouw Adriana!” zegt Huib vroolijk lachende. + +<p id="d0e7104">“Neen, <i>De Harten Harpertsz. Tromp</i>!” verbetert Jonge Kees. + +<p id="d0e7110">“<i>De Marten Harpertsz. Tromp</i>? Dat is flink van je, jongen, dat is goed! Met die schuit moet je zegen hebben! Mag ik er mijne spaarduitjes in steken en +deelen in de winst?” + +<p id="d0e7116">“Welzeker mag je dat! Maar dan moet je bij ons te <span class="letterspaced">Schevelingen</span> komen wonen!” + +<p id="d0e7122">“O, Wat dat betreft—” + +<p id="d0e7125">“Mannen, de boontjes worden koud,” zeide vrouw Lanoy. “schikt bij en eet!” + +<p id="d0e7128">Wat er na het maal zooal gesproken werd weet ik niet; maar dat weet ik wel dat Jonge Kees een half jaar later zijne Jaantje +Lanoy als vrouw te <span class="letterspaced">Schevelingen</span> had. Van zichzelve bracht zij mede: hare moeder en.... de <span id="d0e7133" class="pageno">bladzijde 189</span>mooie brieven. Huib had zichzelf meegebracht, was het altijd, als men hem vroeg hoe hij hier was komen wonen. + +<p id="d0e7136">En ’t gaat onze luidjes goed; er is welvaart in huis. + +<p id="d0e7139">“Dat komt omdat onze schuit <i>De Marten Harpertsz. Tromp</i> heet. Dat is dankbaarheid, en dankbaarheid wordt door God beloond Als ons Landje dat ook maar doet! Als het zijne groote +mannen maar in eere houdt en nooit vergeet wat ze voor het lieve Vaderland geleden, en hoe ze er voor gestreden hebben, dan +kan het goed gaan! Maar als ze die mannen niet alleen niet vergeten, maar ze ook navolgen, dan zal het goed gaan; want ze +waren braaf! En de brave mensch wordt nooit verlaten;— voor de braven is er een Vader, die waakt! + +<p id="d0e7145">Nederlandsche jongens en meisjes! Onze historie kan op vele mannen wijzen, die zijn zooals Huib, die bedoelt Vereert die mannen +dan en volgt hen na. Maar, eer ge dat kunt doen, leert hen kennen. Een hunner hoop ik voor u geschetst te hebben in + +<p id="d0e7148"> +<span class="smallcaps">Goede Vaer Tromp</span>. + +<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11430 ***</div> +</body> +</html> |
