summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/11430-h/11430-h.htm
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '11430-h/11430-h.htm')
-rw-r--r--11430-h/11430-h.htm4551
1 files changed, 4551 insertions, 0 deletions
diff --git a/11430-h/11430-h.htm b/11430-h/11430-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..794e741
--- /dev/null
+++ b/11430-h/11430-h.htm
@@ -0,0 +1,4551 @@
+<!DOCTYPE html>
+<!--
+This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source.
+-->
+<html lang="nl">
+<head>
+<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=UTF-8">
+<title>
+Goede Va&ecirc;r Tromp,
+of
+Hoe de Vereenigde Provinci&euml;n eene Zeemogendheid Werden.
+</title>
+<link href="style/gutenberg.css" rel="stylesheet" type="text/css">
+<link href="style/arctic.css" rel="stylesheet" type="text/css">
+</head>
+<body>
+<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11430 ***</div>
+<p id="d0e125">
+<div id="d0e127" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/kaft.jpg" alt="">
+</div>
+<span id="d0e129" class="pageno">bladzijde 2</span>
+
+<h1 class="docTitle">
+Goede Va&ecirc;r Tromp,
+<br>
+of
+<br>
+Hoe de Vereenigde Provinci&euml;n eene Zeemogendheid Werden.
+</h1>
+<h2 class="byline">Geschiedkundig Verhaal<br>
+Voor &#8217;t jonge Nederland,<br>
+door<br>
+<span class="docAuthor">P. Louwerse.</span>
+</h2>
+<span id="d0e164" class="pageno">bladzijde 3</span>
+<h1 id="d0e166">Jong Nederland!</h1>
+<p id="d0e171">
+<i>Toen de Uitgever van</i> Mannen van Sta-vast <i>mij uitnoodigde weer een geschiedkundig verhaal voor U te schrijven, meende ik eerst u het leven van onzen grootsten zeeheld</i>
+<span class="smallcaps">M.&nbsp;A. De Ruyter</span>
+<i>te schetsen. Reeds had ik hiertoe eenige bouwstoffen verzameld, toen &#8217;k</i> Mr. <span class="smallcaps">J. van Lenneps</span> Beroemde Nederlanders <i>in handen kreeg.&#8212;Deze geleerde schrijver wijdt in dat werk ook eenige bladzijden aan den vlootvoogd</i>
+<span class="smallcaps">Marten Harpertsz. Tromp</span>
+<i>en zegt o. a. van hem: ... &#8220;en nog heden wordt</i>
+<span class="smallcaps">Tromp</span>
+<i>niet geschat op die hoogte waarop hij werkelijk behoort geplaatst te worden</i>.&#8221;
+
+<p id="d0e204">
+<i>En dit is nu het oordeel van een Nederlander, wiens hart warm klopte voor de geschiedenis van zijn Vaderland; maar zelfs de
+Engelsche schrijvers vereeren Tromp, en zijne beeltenis hangt in de galerij te Greenwich.</i>
+
+<p id="d0e210">
+<i>Mijn besluit was genomen; ik zou onzen</i>
+<span class="smallcaps">De Ruyter</span>
+<i>niet schetsen, maar het leven van</i>
+<span class="smallcaps">M.&nbsp;H. Tromp</span>
+<i>met u behandelen. &#8217;K hoop, dat die ruil u niet berouwen</i>
+<span id="d0e227" class="pageno">bladzijde 4</span>
+<i>zal. Van den &#8220;Vlissinger Michiel&#8221; weet ge immers toch al zooveel, daar er in alle leerboeken over de geschiedenis des Vaderlands
+over dezen man breedvoeriger gesproken wordt dan over anderen? Bovendien kan &#8217;k, door het leven van</i>
+<span class="smallcaps">Tromp</span>
+<i>te nemen, beter voldoen aan het tweede gedeelte van den titel</i>: Hoe de Vereenigde Provinci&euml;n eene Zeemogendheid werden. <i>Mocht</i> &#8220;Goede Va&ecirc;r Tromp&#8221; <i>eene welverdiende plaats in uw hart veroveren, dan zou het waarheid worden wat</i>
+<span class="smallcaps">Joost van den Vondel</span>
+<i>eens schreef:</i>
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e253">&#8220;Hij heeft zich-zelf in &#8217;t hart der burghren uitghehouwen,
+<br id="d0e256">Dat beelt verduurt de pracht van graf en marmersteen.&#8221;
+
+<p id="d0e260">
+<span class="smallcaps">&#8217;s-Gravenhage, P. Louwerse.</span>
+
+<p id="d0e266">Juni 1875.
+
+<span id="d0e273" class="pageno">bladzijde 5</span>
+<h1 id="d0e275">Een Winterdag op de Noordzee.</h1>
+<p id="d0e280">Het jaar 1650 had zich ruw en guur ingezet. Het vroor niet, het sneeuwde niet, maar het regende gestadig aan. Dagen achtereen
+was de wind noordwest en alleen tegen den avond gebeurde het, dat hij even door het noorden naar het noordoosten ging.&#8212;Alsdan
+flonkerden de sterren en werd het eenigszins glad op de straat en aan het scheepsboord.&#8212;Op straat hebben we echter niets noodig;
+want we bevinden ons op de <span class="letterspaced">Noordzee</span>. Als de lucht niet zoo bewolkt was en de regen niet den horizon verduisterde, zouden wij den toren van het aardige visschersdorp
+<span class="letterspaced">Schevelingen</span> kunnen zien.&#8212;
+
+<p id="d0e289">Op het voorschip van <i>de Zuyerhuys</i>, aan welks boord we zijn, liep een stoere jongen van omstreeks veertien jaren heen en weer.
+
+<p id="d0e295">Hij had de pelsmuts diep over de oogen getrokken en zijne handen zaten in de wijde zakken van den nog wijder broek van dik
+friesch laken gemaakt.
+
+<p id="d0e298">Een lederen riem om zijn middel met een mes er aan, doen ons dadelijk bemerken, dat we met een jong matroos te doen hebben.
+
+<p id="d0e301">&#8217;T was koud en guur, zeiden we zoo even, en dat kon men den jongen wel aanzien ook. Zijne roode, volle <span id="d0e303" class="pageno">bladzijde 6</span>wangen waren nat geregend, doch het guitachtige, blauwe oog keek zoo vroolijk rond, dat men wel kon zien, dat de knaap zich
+niet veel van het onaangename weder aantrok. Integendeel, hij scheen er zelfs pret in te hebben; want, gewapend met een eind
+touw, dat hij gebruikte om zoo wat terzijde te slaan, even als een ruiter zijn karwats, als deze zijn paard niet slaan wil,
+begon hij eerst een deuntje te fluiten en daarna zacht te zingen. Het was een &#8220;Prince-liedt&#8221; van den Frieschen dichter Jan
+Janszoon Starter, die in den dertigjarigen oorlog, als soldaat, onder den Graaf Van Mansfelt, verdwenen was om nooit weer
+iets van zich te laten hooren.
+
+<p class="poetry">
+<p class="poetry">
+<br id="d0e310">&#8220;Vive le Prince de Oranje!
+<br id="d0e313">Vive ons Bescherm-Heer teghen Spanje.
+<br id="d0e316">Vive ons vrijheyds vaste Borgh.
+<br id="d0e319">Vive de Baeck daer wij na zeylen.
+<br id="d0e322">Vive de Loots-man van ons peylen.
+<br id="d0e325">Vive ons alderhooghste Sorgh!
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e331">Vive den Oorsprong van ons blijheyd.
+<br id="d0e334">Vive de Handhaver van ons Vrijheyd.
+<br id="d0e337">Vive die Schrijft: &#8220;Je Maintiendray.&#8221;
+<br id="d0e340">Vive die onse saeck houd staende.
+<br id="d0e343">Vive die onse weeld houd gaende.
+<br id="d0e346">Vive dat groene Pluijm-geway!
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e352">Vive de Vorsten van Nassouwen.
+<br id="d0e355">Vive den Held daer wij op bouwen.
+<br id="d0e358">Vive naest God ons toeverlaet.
+<br id="d0e361">Vive den geessel der vijanden.
+<br id="d0e364">Vive den Troost der Nederlanden.
+<br id="d0e367">Vive den Stuerman van ons Staet!
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e373">Vive ons Roem in Kloeke Daden
+<br id="d0e376">Vive ons Sorgh in wijse Raden.<span id="d0e378" class="pageno">bladzijde 7</span>
+<br id="d0e381">Vive de Waker voor ons Rust.
+<br id="d0e384">Vive ons Hoop in bange tijden.
+<br id="d0e387">Vive de Leydsman van ons strijden.
+<br id="d0e390">Vive den Vinder van ons Lust.
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e396">Vive de Spieghel aller deughden.
+<br id="d0e399">Vive de Schild van onze Vreughden.
+<br id="d0e402">Vive daar elck voor sterven zou.
+<br id="d0e405">Vive de Velt-heer in de Velden,
+<br id="d0e408">Vive, o Roem van alle Helden,
+<br id="d0e411">Vive Maurice de Nassou!&#8221;
+
+
+<p id="d0e416">Onder het zingen van dit liedje had hij zijne schreden steeds versneld, precies als &eacute;&eacute;n, die zich haast om gauw ergens onder
+dak te komen, doch nauwelijks had hij het ge&euml;indigd, of hij stond stil, wiesch de regendroppels van zijn gelaat, schudde zijne
+lange blonde haren naar achter, keek naar den man aan het roer, vervolgens naar den wimpel, maakte een luchtsprong als een
+speelsch jong katje, en begon aan Brederoo&#8217;s kluchtig <span class="letterspaced">Boeren Gezelschap</span>.
+
+<p class="poetry">
+<p class="poetry">
+<br id="d0e426">&#8220;Arent Pieter Gijsen, met Mieuwes Jaap en Leen,
+<br id="d0e429">Klaasjen, en Kloentjen, trocken t&#8217; samen heen
+<br id="d0e432">Na &#8217;t dorp van Vinckeveen:
+<br id="d0e435">Wangt ouwe Franghs, die gaf sen Gangs,
+<br id="d0e438">Die worden off&#8217; creen.
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e444">Arent Pieter Gijsen die was so reyn in &#8217;t Bruyn,
+<br id="d0e447">Sen hoedt met bloem-fuwiel die zat hem vrij wat kuyn,
+<br id="d0e450">Wat scheefjes en wat schuyn.
+<br id="d0e453">Soo datse bloot, ter nauwer noot
+<br id="d0e456">Stongt hallif op sen kruyn.
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e462">Maer Mieuwes, en Leentjen, en Jaapje Claas, en Kloen
+<br id="d0e465">Die waren ekliedt noch op het ouwt fitsoen,
+<br id="d0e468">In &#8217;t root, in &#8217;t wit, in &#8217;t Groen,<span id="d0e470" class="pageno">bladzijde 8</span>
+<br id="d0e473">In &#8217;t grijs, in &#8217;t graeuw, in &#8217;t paers, in &#8217;t blaeuw,
+<br id="d0e476">Gelijck de Huysluy doen.&#8221;
+
+
+<p id="d0e481">De regen en de wind werden den zanger thans te machtig, en daarom verschool hij zich achter de boot en weldra klonk vandaar
+opnieuw:
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e486">&#8220;As nou dat vollickje te Vinckeveen an quam,
+<br id="d0e489">Daer vongdese Keesjen, en Teunis en Jan Schram,
+<br id="d0e492">En Dirck van Diemerdam,
+<br id="d0e495">Met Sijmen Sloot, en Jan de Doodt,
+<br id="d0e498">Met Tijs, en Barend Bam.&#8221;
+
+<p id="d0e502">Onder het zingen van het laatste versje kwam er een oud matroos naar boven en, zich begevende naar de plaats vanwaar nog altijd
+het gezang klonk, riep hij: &#8220;Ho, Jonge Kees, eeuwige dodelaar, waar zit-je?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e505">&#8220;In mijn vel en als ik er uit kom dan ben ik niet wel, ouwentje,&#8221; hoorde men spottend van achter de boot roepen.
+
+<p id="d0e508">&#8220;Bijlo, jij zult me daar ook veel zien, ja! ge staat me daar achter die boot te koekeloeren, als een bakker in den oven of
+de maan niet rijst!&#8221; zeide de oude matroos eenigszins ontevreden.
+
+<p id="d0e511">&#8220;Welja,&#8221; antwoordde de knaap, dien we, &#8220;Jonge Kees&#8221; hoorden noemen, &#8220;wel ja, mij dacht: Huib schaft ook liever dan naar de
+Koningsmoorders<a id="d0e513src" href="#d0e513" class="noteref">1</a> uit te zien, en mij laat hij gerust in den regen staan! Heeft de kost je wel gesmaakt, ja ofte neen.
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e522">Want als de kost u niet en smaeckt,
+<br id="d0e525">Dan ben je in &#8217;t Sieckenhuys gheraeckt.&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e529">&#8220;Kapitein Joost Verschuyr van <i>de Zuyerhuys</i> laat zijn manschap geen gebrek lijden, bengel, dat weet je wel. Jij moest maar eens eene maand lang je voeten zetten op het
+dek van de <i>Blinkert</i> dan zou je wel minder zanglustig zijn en minder praats hebben!&#8221;&#8212;<a id="d0e537src" href="#d0e537" class="noteref">2</a>
+<span id="d0e540" class="pageno">bladzijde 9</span>
+
+<p id="d0e543">&#8220;Heusch, ouwentje, de gort was aangebrand, anders zou je zoo brommig niet zijn en mijne liedekens verwenschen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e546">&#8220;<span class="letterspaced">Mijne</span> liedekens!&#8212;Als Starter en Brederoo nog leefden zonden ze je wel wat anders zeggen! Van mijn part, zing zoo veel je wilt,
+al was het van den noen tot middernacht!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e552">&#8220;En &#8217;t spek was niet gaar of net smaakte naar het vat!&#8221; sarde Jonge Kees.
+
+<p id="d0e555">&#8220;Kw&acirc;jongen, die je bent! Als je nu niet op en houdt met over onzen scheepskost te kallen en te schreeuwen, dan smijt ik je
+over boord, dan kan je de ro&ocirc;rokken opzoeken!&#8221;&#8212;<a id="d0e557src" href="#d0e557" class="noteref">3</a>
+
+<p id="d0e561">&#8220;Dankje hartelijk, Huib, dankje! Als je smijten wil, smijt dan je kwaad humeur over boord, ga op wacht en in den regen staan,
+en laat mij aan den bak gaan, anders eten mijne maats alles op!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e564">&#8220;Nou, ga maar, dan ben ik je kwijt! Ik kan je missen als ... als ...
+
+<p id="d0e567">&#8220;Als aangebrande gort met rauw spek! Ha, ha, ha!&#8221; riep Jonge Kees en spoedde zich tusschendeks om zich daar aan den bak wat
+te verwarmen met het gewone scheepskostje: gort met spek.
+
+<p id="d0e570">Weldra was hij echter weer boven en bij den ouden zeerob, dien hij, niettegenstaande zijne onvriendelijke uitvallen, toch
+gaarne lijden mocht.
+
+<p id="d0e573">&#8220;Bar weer, h&egrave;?&#8221; zeide Jonge Kees om een gesprek aan te knoopen.
+
+<p id="d0e576">&#8220;Ja!&#8221; was het antwoord; maar de oude keerde zich om en zag in zee.
+
+<p id="d0e579">De jongen was een weinig uit het veld geslagen en wist niet, wat hij nu zeggen moest. Ten slotte bedacht hij <span id="d0e581" class="pageno">bladzijde 10</span>wat. &#8220;Ligt de <i>Brederode</i> nog te Vlissingen, Huib? &#8220;Of is ze al uitgezeild?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e587">&#8220;Weet ik het?&#8221; bromde Huib. &#8220;Van mijn part blijft hij voor goed aan wal!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e590">&#8220;Voor goed aan wal? Wel, dan zou het er mooi voor ons uitzien! Dan konden de <span class="letterspaced">Vereenigde Provinci&euml;n</span> ook wel zeggen: &#8220;Nacht, Nies, ik ga de nachtschuit in!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e596">&#8220;Alsof ze alevel de nachtschuit niet ingingen! Kijk, zoo waar als ik Huib Maerlant heet en vijf en twintig jaren ter zee gevaren
+heb, zoo waar is het, dat de <span class="letterspaced">Vereenigde Provinci&euml;n</span> zich er onder zullen werken!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e602">&#8220;Alsof we niemendal meer waren! Daar zou onze Ammiraal Tromp een ander boekje van opendoen, Huib! Ben-je dan dat kostelijk
+zeegevecht bij <span class="letterspaced">Duins</span> vergeten?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e608">&#8220;Ho, dat is al elf jaren geleden, en toen liep je aan moeders hand naar het strand om schelpkens te zoeken! Zoo&#8217;n jongske
+moest daar niet van willen me&ecirc;praten. Toen was toen, en nu is nu!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e611">&#8220;Denk-je dan, Huib, dat wij te <span class="letterspaced">Scheveling</span> nooit ergens anders over kallen dan over scholletjes en tongetjes? Vader heeft me dikwijls verteld....&#8221;
+
+<p id="d0e617">&#8220;Dat je een wijsneus waart, zeker! Maar ik geef onzen Vice-Ammiraal Witte Corneliszoon De With gelijk. Die klaagt ook over
+den slechten toestand der vloot, en zal er bij gelegenheid wel eens een woordje over spreken ook. Als &#8217;t moet dan durft hij
+&#8217;t onzen Hoog-Mogenden wel vlak in het aangezicht te zeggen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e620">&#8220;Een lieve jongen, die De With! Een....
+
+<p id="d0e623">&#8220;Wel ja, &#8217;t staat je fraai zoo over je meerderen te spreken! Heb ik geen gelijk gehad toen ik ze&icirc;, dat je een wijsneus was?&#8221;&#8212;
+<span id="d0e625" class="pageno">bladzijde 11</span>
+
+<p id="d0e628">&#8220;Een wijsneus? Je scheldt me altijd uit ook! Heb je dan zelf niet verteld, dat hij eens voor een krijgsraad, waarvan Tromp
+voorzitter was, heeft moeten verschijnen, en dat hij op den raad, hem gegeven, om den Stadhouder vergiffenis te vragen, geantwoord
+heeft: &#8220;Dat en doe ik nooit ofte nimmer! Ik ben een eerlijk man, en geen kwajongen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e631">&#8220;Dat&#8217;s waar!&#8221; zeide Huib.
+
+<p id="d0e634">&#8220;Zoo, d&agrave;t jok ik dus niet! En is het ook niet waar, dat hij met Tromp, Evertsen, De Ruyter, ja, met de heele wereld overhoop
+ligt?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e637">&#8220;Dat &#8217;s ook waar!&#8221; was het antwoord.
+
+<p id="d0e640">&#8220;En vloekt hij onze matrozen niet doof, en zien wij hem niet liever gaan dan komen, zeg?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e643">&#8220;&#8217;t Is waar, &#8217;t is altemaal waar, Jonge Kees!&#8221; luidde het eenigszins ontevreden. &#8220;Maar, jongen, je moest hem van zijne jeugd
+afaan gekend hebben, zooals ik hem ken! Je moest net, als ik, met hem, al vechtende, van den Burgheuvel te <span class="letterspaced">Oostvoorne</span> gerold zijn, dan zou je anders praten. Een ruw man, dat is hij, door en door! Vloeken, razen, kijven en schelden, dat kan
+hij als de beste Schevelingster, die er naar <span class="letterspaced">Den Haag</span> loopt. Maar vechten kan hij ook, en bang-zijn is een woord, dat hij niet en kent. Eerlijk is hij als goud en ... het Vaderlandt
+ghetrouwe!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e652">&#8220;Dat&#8217;s waar!&#8221; zeide Jonge Kees op zijne beurt.
+
+<p id="d0e655">&#8220;En,&#8221; vervolgde Huib, &#8220;als je je plicht doet en toont dat je nog wat meer kan dan een schaftbak leeg maken, dan mag hij je
+eens uitschelden voor al wat leelijk is, als hij een uur later bij je komt, dan is hij alles weer vergeten!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e658">&#8220;Ei, Huib, dat zou &#8217;k maar zachtkens zeggen! Is hij <span id="d0e660" class="pageno">bladzijde 12</span>dan van onzen &#8220;Goeden Va&ecirc;r Tromp&#8221; zulk een excellent vriend? En van den Zeeuwschen Ammiraal Jan Evertsen?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e663">&#8220;Hoor eens, Kees, je slaat daar als een blinde vink door! Onze De With vind het niet pleizierig, dat hij gelijk gesteld wordt
+m&egrave;t, ja, soms onder de bevelen moet staan van een Ammiraal uit een kleiner gewest dan <span class="letterspaced">Holland</span>. En wat Tromp betreft, goed is hij, en die durft te zeggen, dat hij dat niet en is, die moet dat maar eens onder vier oogen
+durven vertellen, dan zal ik toonen, dat de oude Huib Maerlant nog knuisten aan zijn lijf heeft! Ik zal hem....&#8221;
+
+<p id="d0e669">Onderwijl Huib dit ze&icirc;, raakte hij meer en meer in vuur. Eensklaps pakte hij Jonge Kees bij de schouders en schudde hem gevoelig
+heen en weer.
+
+<p id="d0e672">&#8220;Wat, Satan, Huib, ben-je behekst? Ik en heb dat niet gezegd!&#8221; schreeuwde Jonge Kees.
+
+<p id="d0e675">&#8220;Ja, ik zal hem ringelooren, dat zal ik!&#8221; riep Huib en ging voort met schudden.
+
+<p id="d0e678">&#8220;Laat me los, laat me los, laat me los!&#8221; klonk het thans nog luider uit den mond van den knaap.
+
+<p id="d0e681">Huib scheen echter tot bedaren te komen en Jonge Kees, loslatende, ze&icirc; hij: Zie-je, z&oacute;&oacute;, z&oacute;&oacute; zal ik doen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e684">&#8220;Ik wou met dat al, dat je twintig zeemijlen van mij af waart, leelijk vernageld kanon!&#8221; antwoordde Jonge Kees en wreef met
+de linkerhand over het bijna ontwrichte rechter schouderblad.
+
+<p id="d0e687">&#8220;Wat, ik een vernageld kanon?&#8221; riep Huib verwonderd en toornig uit, &#8220;waarom zeg-je dat, kwajongen?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e690">&#8220;Jawel, hij speelt de Leuke Piet nog! Heb-je me daar pas niet door elkander geschud dat mij alles groen en geel voor de oogen
+werd?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e693">&#8220;Heb ik dat gedaan? Ik?&#8221;&#8212;
+<span id="d0e695" class="pageno">bladzijde 13</span>
+
+<p id="d0e698">&#8220;Welja, zeker heb-je dat gedaan! De sterrekens dansten me voor de oogen alsof het klaar nacht was. De scheepsbarbier mag straks
+mijn armen en schouders wel verbinden!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e701">&#8220;Hoor, Kees, &#8217;t is waar, ik herinner me nu ook, dat ik je zoo even heen en weer geschud heb! Maar, jongen, dat moet-je me
+niet euvel duiden! Als ze van mijn &#8220;Goeden Va&ecirc;r,&#8221; van mijnen ouden speelkameraad, kwaad beginnen te spreken, dan ben ik mij
+zelven niet meer meester!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e704">&#8220;Ei, maar heb ik dan wat kwaads van hem gezegd?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e707">&#8220;Neen, maar....&#8221;
+
+<p id="d0e710">&#8220;Nu, wat dan?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e713">&#8220;N&ugrave; zal je nooit kwaad van hem spreken, dat &#8217;s vast!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e716">&#8220;&#8217;n Lieve jongen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e719">&#8220;Ben-je boos, Kees?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e722">&#8220;Wou-je me dan altemet ook vriendelijk hebben? Zeker ben ik boos, en ik zeg nog eens, ik wou dat je twintig zeemijlen van
+me af waart!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e725">&#8220;&#8217;t Was een ongelukje, Kees, &#8217;t was een ongelukje! Jij bent een veel te flinke &#8220;jooi&#8221; om jou te mishandelen.&#8212; Beloof me, dat
+je &#8217;t me vergeven zult, dan vertel ik u morgen, als we in <span class="letterspaced">Vlissingen</span> liggen om gekalefaat te worden, de historie van onzen &#8220;Goeden Va&ecirc;r!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e731">&#8220;Top, dat doe ik! Maar woord houden, hoor!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e734">&#8220;Een man, een man; een woord, een woord! Maar nu naar de Engelschen en de Duinkerkers uitgekeken!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e737">&#8220;Ik meende daar straks een zeil te zien!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e740">&#8220;Toen ik je zoo heen en weer schudde?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e743">&#8220;Neen, vernageld kanon, toen niet; maar zoo even! Kijk, daar is het weer!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e746">Thans keek Huib in de door Jonge Kees aangeduide <span id="d0e748" class="pageno">bladzijde 14</span>richting en riep: &#8220;E&eacute;n zeil! Bij mijne ziel, er zijn er twee! Het voorste is een Duinkerker. Brutaal als de cipier van het
+rasp-en spinhuis, zijn ze. Dat durft zich bijna op onze kusten vertoonen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e751">&#8220;En &#8217;t andere schip, Huib?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e754">Dat en weet ik niet! Ik ga er onzen kapitein kondschap af geven!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e757">Huib verwijderde zich en kwam weldra terug met den bevelhebber van <i>de Zuyerhuys</i>, kapitein Joost Verschuyr.
+
+<p id="d0e763">&#8220;Waar zag-je ze, Huib?&#8221; vroeg de kapitein.
+
+<p id="d0e766">&#8220;Op de hoogte van <span class="letterspaced">Ter Heyden</span>, kapitein!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e772">Verschuyr vestigde zijnen scheepskijker naar de plaats en riep weldra: &#8220;nu nog schooner! Een Duinkerker kaper, die jacht maakt
+op een onzer straatvaarders! Dacht-je dat? Mis man, mis. &#8217;T is een Engelschman, &#8217;k zie het aan zijne geheele tuigage; hij
+kan me niet bedotten al voert hij de Duinkerker vlag. In alle gevallen we zullen trachten den straatvaarder te verlossen.<a id="d0e774src" href="#d0e774" class="noteref">4</a>
+
+<p id="d0e781">In een oogenblik was alle man in de weer! Er woei een stevige bries uit het noordwesten; <i>de Zuyerhuys</i> telde vijftig kanonstukken en had ruim twee honderd man aan boord; maar, al wilden kapitein en bemanning ook nog zoo gaarne
+aan den dans, hunne handen waren te veel gebonden door het bevel van Hunne Hoogmogenden om alleen in de grootste noodzakelijkheid
+tegenover den Engelschman tot vijandelijkheden over te gaan. Men wilde zoo lang mogelijk den vrede bewaren.
+
+<p id="d0e787">Vroolijk danste het welbemande oorlogschip op de baren; en scheen beter bezeild te zijn dan de kaper en de straatvaarder,
+althans na verloop van drie uren was men den kaper voorbij en het koopvaardijschip was onder bescherming van <i>de Zuyerhuys</i>.
+<span id="d0e792" class="pageno">bladzijde 15</span>
+
+<p id="d0e795">&#8220;Dat valt den Ro&ocirc;rok vast niet me&ecirc;!&#8221; zeide Jonge Kees tot Huib.
+
+<p id="d0e798">&#8220;Meevallen of tegenvallen, &#8217;t is me om &#8217;t even,&#8221; bromde deze en mompelde tusschen de tanden, &#8220;en dat moeten wij zoo maar toezien!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e801">Zoo stonden ze nog een poosje te kijken. De zon, die op het punt van ondergaan was, kwam nog even door de wildjagende wolken
+kijken, en....
+
+<p id="d0e804">&#8220;&#8217;T weerlicht!&#8221; riep Jonge Kees.
+
+<p id="d0e807">Nauwelijks echter had hij dit gezegd of er vloog iets door het want dat de groote ra aan stukken sloeg, en een donderslag
+klonk langs de baren.
+
+<p id="d0e810">&#8220;Kapitein, kapitein, n&ograve;g niet?&#8221; vroeg Huib aan Verschuyr, die dicht bij hem stond.
+
+<p id="d0e813">In plaats van antwoord stampte Verschuyr met zijn langen degen op het dek en knarste op de tanden.&#8212;
+
+<p id="d0e816">&#8220;Ze schieten weer!&#8221; schreeuwde Jonge Kees, die &#8217;t nu niet langer voor weerlicht aanzag. Geen tien tellen later hoorden ze
+een oorverdovend geruisch, alsof er wel honderd ketels water over eene rood gloeiende ijzeren plaat gegoten werden.&#8212; &#8217;T was
+de kogel van den vijand, die op eenige vademen afstands van het schip door het water vloog.
+
+<p id="d0e819">&#8220;In vrede, hij voert een Duinkerker-kapers vlag,&#8221; ze&icirc; Verschuyr. &#8220;Niet gesammeld, jongens! Houdt je goed en geeft dien Koningsmoorder
+een paar ijzeren pillen te slikken!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e822">Dat was geen dooven gezegd.&#8212; Alles beijverde zich om aan dat bevel gehoor te geven, en net toen de zon onderging en alles
+in duisternis verkeerde, flikkerde er een licht uit een der geschutspoorten van <i>de Zuyerhuys</i>, een hevige slag volgde en door de felle beweging van het <span id="d0e827" class="pageno">bladzijde 16</span>schip werd Jonge Kees, die nog nooit een zeegevecht had bijgewoond, het onderste boven gesmeten.
+
+<p id="d0e830">&#8220;Fij, wiegekindeke, gaode ge liggen rollen? Blaif maor liggen zulle, daor kommen er nog meer. We zullen portaon dien Ro&ocirc;rok
+&#8217;nen kier zainen zin geven! Blaif maor liggen, manneken; gai ligt daor goed!&#8221; ze&icirc; een Vlaamsch matroos.
+
+<p id="d0e833">&#8220;Ik kan wel opstaan, hoor,&#8221; antwoordde Jonge Kees, maar juist toen hij hiertoe pogingen aanwendde, gaf <i>de Zuyerhuys</i> het tweede schot en de knaap kwam nu met het hoofd tusschen de voeten van den Antwerpenaar terecht.
+
+<p id="d0e839">&#8220;Kaik, ie staot; jaowel, ie staot!&#8221; hernam deze lachende, doch rolde toen het derde schot gelost werd, daar hij door het woelen
+van Jonge Kees zelf al niet vast meer op zijne beenen stond, ook op het dek, tot groot genoegen van Huib, die den Antwerpenaar
+napraatte en ze&icirc;: &#8220;Kaik, ie staot; jawel, ie staot! Blaif maor liggen, kompeer, daor kommen er nog meer! Ikkik verrassereer
+het doe!&#8221;
+
+<p id="d0e842">Huib had echter onwaarheid gesproken; want de Engelschman hield af en aan vervolgen was in den donkeren nacht niet te denken.
+Daarenboven was de Hollandsche straatvaarder <i>de Vrije Konsten</i> zwaar geladen en een slecht zeiler.&#8212;
+
+<p id="d0e848">Men wendde derhalve den steven en zette koers naar <span class="letterspaced">Brielle</span>, doch de felle tegenwind, die bijna tot een storm aangegroeid was, dreef de beide schepen af en den breeden mond van de <span class="letterspaced">Honte</span> of <span class="letterspaced">Westerschelde</span> in.
+
+<p id="d0e860">Bij het aanbreken van den dag lagen ze voor <span class="letterspaced">Vlissingen</span>. <i>De Zuyerkuys</i> liep de haven binnen en <i>de Vrije Konsten</i> zette koers naar <span class="letterspaced">Rotterdam</span>, waar het twee dagen later behouden aankwam.
+<span id="d0e874" class="pageno">bladzijde 17</span>
+
+<p id="d0e877">Zoodra het schip aan de kade gelegd was, kwamen vele nieuwsgierige Vlissingers aan boord om een en ander van de laatste gebeurtenissen
+ter zee te vernemen.
+
+<p id="d0e880">Jonge Kees echter troonde Huib mee naar het voorschip en ze&icirc;: &#8220;Vertel me nu de geschiedenis van onzen &#8220;Goeden Va&ecirc;r!&#8221; We hebben
+nu volop den tijd!&#8221;
+
+<p id="d0e883">Huib voldeed hieraan met graagte; want al had hij het aan dezen of genen al zoo vaak verteld, &#8217;t was hem nooit te veel om
+het nog eens en nog eens te doen.&#8212;Hij zette zich daarom op een hoop zeilen en uit den wind en begon zijn verhaal.
+<span id="d0e885" class="pageno">bladzijde 18</span>
+
+<p>
+<hr class="noteseparator">
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e513" href="#d0e513src" class="noteref">1</a> De scheldnaam &#8220;<span class="letterspaced">Koningsmoorders</span>&#8221; werd door den Kommandeur Jan Van Galen in 1653 aan de Engelschen gegeven. Daar het Nederlandsche zeevolk echter zeer op
+het Engelsche geheten was, zoo is het wel waarschijnlijk dat Van Galen geen nieuw scheldwoord verzon, maar dat het al kort
+na de onthoofding van koning Karel I in 1649 hij onze zeelieden in gebruik gekomen is.
+
+</div>
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e537" href="#d0e537src" class="noteref">2</a> Tot 1636 was de voeding en het geheele onderhoud van de manschappen op een oorlogsschip aan den kapitein toevertrouwd.&#8212;Niet
+zelden gebeurde het nu dat een kapitein zich ten koste van den minderen man wist te verrijken. Toen de klachten hierover algemeen
+werden beproefde men een ander middel en men liet het geheele onderhoud van een schip eenvoudig aanbesteden. Dit gaf nog meer
+stof tot ontevredenheid en daarom keerde men in 1641 weer tot het oude gebruik terug. &#8212;Wie nu een eerlijk kapitein had, trof
+het; maar wie dien niet had, klaagde dikwijls, en niet ten onrechte, steen en been.&#8212;Hoe lang deze wijze van handelen geduurd
+heeft, ben ik niet te weten kunnen komen; maar dat is vast, dat in 1653 bij de Zeeuwsche Admiraliteit die gewoonte nog bestond.
+
+</div>
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e557" href="#d0e557src" class="noteref">3</a> In een der journalen van Tromp leest men van &#8220;Capteijn Fielding en nog een andere Ro&ocirc;rok.&#8221; De haat tegen al wat Engelschman
+was strekte zich dus ook uit tot de Nederlandsche bevelhebbers.
+
+</div>
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e774" href="#d0e774src" class="noteref">4</a>
+<span class="letterspaced">Straatvaarders</span> waren schepen, die op de Walvischvangst uitgingen.
+
+</div>
+<h1 id="d0e889">Een dag Vacantie.</h1>
+<p id="d0e894">&#8217;T was een prachtige Octoberdag van het jaar onzes Heeren 1606. Wij hadden dien dag ter school verlof, en reeds driemaal had
+ik mijne goede moeder bij haar huiswerk in den weg geloopen. Ik stond, geheel onschuldig, gereed dit voor den vierden keer
+te doen, toen mijne moeder zei: &#8220;Hoor eens jongen, ik wenschte wel dat de schoolmeester je vandaag geen verlof gegeven hadde;
+want gij loopt mij telkens in den weg. Is er niets te doen voor je?&#8221;
+
+<p id="d0e897">&#8220;Ik en weet het niet, moeder!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e900">&#8220;Ik en weet het niet! Fij, dat een jongen van negen jaar met zijnen ledigen tijd geenen weg weet. &#8217;T is meer dan erg!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e903">&#8220;Maar, moeder, laat mij dan maar boodschappen doen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e906">&#8220;Ik en heb geen boodschappen voor je! Maar ja, toch. Weet-je den <span class="letterspaced">Hoogendijk</span>?&#8221;
+
+<p id="d0e912">&#8220;Ja, moeder!&#8221;
+
+<p id="d0e915">&#8220;Kostelijk. En weet-je daar net op den hoek van het <span class="letterspaced">Lage Woudt</span> en de <span class="letterspaced">Drie Stucken</span>, dat kleine boerenhuisje staan?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e924">&#8220;Ja, moeder, ja, daar woont het &#8220;Kregelige Mennonietje!&#8221;&#8212;
+<span id="d0e926" class="pageno">bladzijde 19</span>
+
+<p id="d0e929">&#8220;Wie zegt je, daar, jongen? Het &#8220;Kregelige Mennonietje?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e932">&#8220;Ja, moeder, dat is een jongentje van zeven jaar, die o, zoo kwarrig en kregel is. Wij plagen hem wat dikwijls en dan moest
+ge zijne facie eens zien. Vooral als wij hem &#8220;Kregel Mennonietje&#8221; noemen dan stampt hij van kwaadheid en krabbelt zichzelven
+in &#8217;t aangezicht. Want weet u, moeder, Witte&#8217;s vader, de oude Cornelis Wittensz. De With en zijne Moeder Neeltjen Andries,
+zijn beiden Mennonieten en deze mogen niet slaan, niet vechten, niet zweren en wat weet ik daar nog al meer af!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e935">&#8220;&#8217;T staat u waarlijk fraai, Huib, zoo&#8217;n armen knaap te bespotten omdat zijn vader en moeder een soort van ongeloovigen zijn!
+En doet ge dat spulletje alleen?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e938">&#8220;Welneen, Moeder! Daar heb-je Marten, den zoon van Herbert Martensz. Tromp, den zeekapitein, die is altijd haantje de voorste!&#8221;
+
+<p id="d0e941">&#8220;Dat wil ik wel gelooven! Wat er van dat jongsken worden moet, dat en weet ik niet. Hij is heelemaal baas over zijne moeder,
+die veel te goed voor zoo&#8217;n bengel is. Die Marten moest mijn jongen zijn, ik zou wel raad met hem weten, ja, dat zou ik!&#8221;
+
+<p id="d0e944">&#8220;Gij zoudt hem slaan, Moeder?&#8212;Als Marten uw jongen was zoudt ge dat niet doen; want hij is door en door goed, als een kalf,
+ja!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e947">&#8220;Sla ik jou wel eens, Huib? En ben-je ook niet dikwijls heel kwaadwillig en ondeugend? Neen, ik zou met Marten doen, zoo als
+ik plan heb met jou te doen, als je vader uit de <span class="letterspaced">Oostzee</span> terug is!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e953">&#8220;Wat dan, Moeder, wat dan?&#8221;
+
+<p id="d0e956">&#8220;Dan ga-je naar zee, jongen! Aan boord gaan er die wilde haren wel uit! Reken daarop!&#8221;&#8212;
+<span id="d0e958" class="pageno">bladzijde 20</span>
+
+<p id="d0e961">Toen moeder dit ze&icirc; sprong ik wel twee voet hoog van den grond en begon haar te omhelzen en te kussen van belang! Want naar
+zee te gaan, dat beviel me vrij wat beter dan in het school op die harde banken te zitten. Ik leerde bovendien heel weinig,
+omdat ik er geen lust in had. Lacie, wat heb ik mij hierover later beklaagd!&#8212;Kan-je lezen en schrijven, Jonge Kees?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e964">&#8220;Jawel, ik heb dat te <span class="letterspaced">Schevelingen</span> van onzen domin&eacute; geleerd. Die man houdt veel van me!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e970">&#8220;Zoo, dan is het goed, dan kan-je ook nog wat worden in de wereld. Maar ik, oude stumperd, ik, die niet en wilde leeren, ik
+ben niets geworden, niets dan matroos.&#8212;Voor matroos geboren zal ik ook wel voor matroos sterven! Spiegel u aan mij, knaap,
+en zorg dat ge wat meer wordt dan ik.&#8212;Doch laat ik nu met mijne vertelling voortgaan.
+
+<p id="d0e973">Toen mijne Moeder zich uit mijne woeste omhelzing losgemaakt had, ze&icirc; ze: &#8220;Welnu, Marten moet ook naar zee. Vader Herbert
+zal hem de ooren wel wasschen, als hij het verdient! Doch wat ik zeggen wil, ga nu naar den ouden Cornelis Wittensz. De With
+en haal me daar een paar maten kippenvoer. Ik heb gehoord, dat hij het goedkooper geeft dan Meeuwisz. hier in de buurt!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e976">Onderwijl ik in ons schuurtje ging om eenen zak te halen, hoorde ik een geweldig gejoel op straat. De bovendeur werd open
+gedaan en de stem van mijn vriend Marten riep: &#8220;Moeder Maerlant, mag Huib zich wat met ons buiten de poort gaan vermeien?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e979">&#8220;Huib moet eene boodschap gaan doen op den <span class="letterspaced">Hoogendijk</span>, Marten!&#8221;
+
+<p id="d0e985">&#8220;Top, dan gaan wij met hem mede! Eene frissche wandeling op zulk eenen schoonen dag!&#8221;&#8212;
+<span id="d0e987" class="pageno">bladzijde 21</span>
+
+<p id="d0e990">&#8220;Nu, mijnentwegen kunt gij medegaan! Maar pas op, hoor, dat ik geene klachten over u krijg en dat ge mijn Huib tot geene dolle
+streken verleidt!&#8212;
+
+<p id="d0e993">Zoo&#8217;n oorlof, zoo&#8217;n oorlof! Ik zou wel eens willen weten waarom die schoolmeester hun dat gegeven heeft. Zes dagen zult gij
+arbeiden en al uw werk doen, zegt de Schrift en zoo&#8217;n schoolmeester arbeidt van de week maar vier en een halven dag! &#8217;T is
+erg, meer dan erg!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e996">&#8217;T gejoel op de straat nam steeds toe. Wel twintig jongens, die stokken droegen waaraan ze doeken geknoopt hadden, stonden
+voor de deur en ontvingen mij, toen ik buiten kwam, met luid gejuich.&#8212;
+
+<p id="d0e999">&#8220;Je moet naar den vader van &#8217;t &#8220;Kregelige Mennonietje,&#8221; Huib,&#8212;riep Marten en stopte mij een stok met een doek er aan in de
+hand.&#8212;
+
+<p id="d0e1002">&#8220;Ja,&#8221; gaf ik ten antwoord. &#8220;&#8217;K moet kippenvoer gaan halen!&#8221;
+
+<p id="d0e1005">Moeder kwam aan de deur en riep ons toe: &#8220;Voor den noen terug, hoor! Heb-je &#8217;t verstaan, Huib? Als ge er niet en zijt, dan
+vindt ge den hond in den pot!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1008">Ik zeide &#8220;ja!&#8221; doch mijn antwoord ging onder al het gejoel verloren.
+
+<p id="d0e1011">Zingende, springende, lachende en snappende ging het langs de <span class="letterspaced">Voorstraat</span> naar de <span class="letterspaced">Zuidpoort</span>. Bij het Gasthuis gekomen hieven wij een gejuich aan, dat al de oude en zieke luiden vast van schrik moeten opgesprongen
+zijn, en draafden in eenen stevigen draf de <span class="letterspaced">Zuidpoort</span> uit.
+
+<p id="d0e1023">&#8220;Hei, jongens, een liedje ter eere van onzen Reinier Claessensz!&#8221; riep nu op eens Simon, de jongste zoon van onzen Baljuw
+Dirk Van Duvenvoorde.
+
+<p id="d0e1026">&#8220;Ja, ja, een Wilhelmusje, een Wilhelmusje!&#8221; antwoordde Joost Van de Werve, dien we wel eens uitscholden voor
+<span id="d0e1028" class="pageno">bladzijde 22</span>
+
+<p id="d0e1031">&#8220;Spanjool&#8221; omdat zijn grootvader, die ook Joost heette, Baljuw onzer stad en het land van Voorne was, toen de dappere Watergeuzen
+haar innamen. Hij bleef den Spaanschen Koning getrouw, totdat hij in 1574 in den Waterslag bij <span class="letterspaced">Hoorn</span> gevangen genomen werd, en daar in de gevangenis van verdriet en ergenis stierf. Zijn zoon was in <span class="letterspaced">Den Briel</span> gebleven en was een zoo heftig vijand van den Spanjool als zijn vader een groot vriend.
+
+<p id="d0e1040">&#8220;Maar wat is er toch met dien Reinier Claessensz. voorgevallen?&#8221; vroeg ik.
+
+<p id="d0e1043">&#8220;Jongens, hoort ge &#8217;t? Hoort ge &#8217;t?&#8221; riep Marten. &#8220;Hier is een sul, die nog niet en weet wat er gebeurd is. Die Huib vraagt
+wat er met dien Reinier Claessenz is voorgevallen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1046">&#8220;Lacht hem uit! lacht hem uit!&#8221; klonk het thans van alle kanten.
+
+<p id="d0e1049">&#8220;Jaagt hem door de braamstruiken daar aan den weg! schreeuwde Gerrit Claesz. Van Valkesteijn. &#8220;Wat doet hij dan met eene vlag
+te loopen, als hij niet en weet waarom hij er eene draagt!&#8221;
+
+<p id="d0e1052">&#8220;Ja, ja, door de braamstruiken! Gerrit heeft gelijk!&#8221; riepen thans eenige jongens.
+
+<p id="d0e1055">Thans vatte echter Marten mijne partij op, en zich voor mij plaatsende, zei hij: &#8220;Jongens, is Huib niet net zoo oud als ik?
+Is hij geen negen jaar oud en ben ik het ook niet?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1058">&#8220;Ja, ja,&#8221; joelde het troepje. &#8220;Gijlieden zijt even oud!&#8221;
+
+<p id="d0e1061">&#8220;En is Huib mijn vriend niet?&#8221; hernam Marten.
+
+<p id="d0e1064">&#8220;Ja, dat is hij!&#8221; antwoordde Simon Van Duvenvoorde. &#8220;Hij krijgt op de school al de klappen, die gij verdient!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1067">&#8220;Dat is niet waar!&#8221; zeide Marten. &#8220;Gisteren nog heeft de meester mij een striem gegeven, dien ik nog voel! Maar wie heeft
+jelui het geval van onzen Claessensz. verteld?&#8221;&#8212;
+<span id="d0e1069" class="pageno">bladzijde 23</span>
+
+<p id="d0e1072">&#8220;Dat hebt gij gedaan!&#8221; sprak Gerrit.
+
+<p id="d0e1075">&#8220;En als ik dat eens niet gedaan hadde, wat zoudt gij-lieden dan weten, zegt?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1078">&#8220;Dan wisten wij niemendal, Marten!&#8221; sprak Simon.
+
+<p id="d0e1081">&#8220;Welnu,&#8221; hervatte Marten, &#8220;ik en heb het onzen Huib nog niet gezegd wat er gebeurd is, en daarom kan hij &#8217;t niet weten ook!
+Luister, Huib, ik zal het u vertellen. Mijne moeder kreeg van morgen eenen brief van vader, die thans met zijn schip te <span class="letterspaced">Enkhuizen</span> ligt. In dien brief nu stond ook dit:&#8212;
+
+<p id="d0e1087">In den loop van dezen zomer is de Ammiraal Hautain met vierentwintig schepen uitgeloopen om de Spaansche en Portugeesche vaartuigen,
+die uit de <span class="letterspaced">Oost</span>- en <span class="letterspaced">Westindi&euml;n</span> kwamen, te onderscheppen en als prijs naar onze havens te brengen. Door eenen fellen storm werden echter zes schepen van
+de vloot afgescheiden; de &#8220;Vice-Ammiraal Reinier Claessensz. was aan boord van een der zes. Bij kaap <span class="letterspaced">Sint Vincent</span> gekomen ontmoetten ze acht zwaar gewapende Spaansche galjoenen, onder bevel van den laffen zoutdief Fiasciardo.<a id="d0e1098src" href="#d0e1098" class="noteref">1</a> Deze zond onverwijld het grootste galjoen op onzen Vice-Ammiraal af, en terstond gingen de vijf Hollandsche schepen op de
+vlucht.&#8212;Claessensz. wilde van geene overgave weten. Veel liever stierf hij den heldendood, dan als gevangen man wreed om hals
+gebracht te worden. Twee geheele dagen vocht hij met onbezweken moed tegen de overmacht. Zijn groote mast was al over boord
+geslagen en zijn schip van alle kanten lek geschoten; vele van zijne matrozen waren reeds gesneuveld en aan ontzet viel er
+niet te denken. Hierop liet hij de overgeblevenen bij elkander komen en vroeg hun wat ze liever wilden, door den Spanjool
+gevangen genomen worden, of de lont in het buskruit steken.&#8212;Ze kozen allen het <span id="d0e1101" class="pageno">bladzijde 24</span>laatste en na een kort gebed tot onzen Lieven Heer stak Claessensz, zelf den brand in &#8217;t kruit en ... vloog toen met de zijnen
+in de lucht. Twee er van zijn half dood in de handen van den vijand gevallen. Die moeten dat zeker verteld hebben! Hoe vind-je
+&#8217;t, Huib, mooi, h&eacute;?&#8221;
+
+<p id="d0e1104">&#8220;Ja, mooi, mooi!&#8221; riep ik en schreeuwde: &#8220;Leve Reinier Claessensz!&#8221;
+
+<p id="d0e1107">&#8220;Leve Reinier Claessensz!&#8221; klonk het uit den mond der anderen. &#8220;En weet ge wat we nu gaan doen, Huib?&#8221; vroeg Marten.
+
+<p id="d0e1110">&#8220;Neen,&#8221; antwoordde ik.
+
+<p id="d0e1113">&#8220;Nu, gaan wij naar den <span class="letterspaced">Burgheuvel</span> te <span class="letterspaced">Oostvoorne</span> om daar zeegevechtje te spelen! Ga-je me&ecirc;?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1122">&#8220;Ik en kan niet! Ik moet om kippenvo&ecirc;r bij Cornelis Wittensz. De With en v&oacute;&oacute;r den noen thuis zijn!&#8221;&#8212;antwoordde ik.
+
+<p id="d0e1125">&#8220;Bijlo, alsof dat niet en kon! &#8217;T is nu acht uur. We gaan eerst naar den <span class="letterspaced">Hoogendijk</span> om kippenvo&ecirc;r te koopen. Daar heb-je geen vijf minuten voor noodig. Dan gaan wij voorbij <span class="letterspaced">De Tinte</span> en langs den <span class="letterspaced">Ruyghendijk</span> naar den molen. Als we daar zijn dan kunnen we in een omzien langs den <span class="letterspaced">Voorweg</span> op den <span class="letterspaced">Burgheuvel</span> zijn!&#8221; sprak Marten.
+
+<p id="d0e1143">&#8220;Neen, langs den <span class="letterspaced">Rick</span>, den <span class="letterspaced">Konnewegh</span> en <span class="letterspaced">Langenwegh</span> is het nader!&#8221; meende Willem Hugensz.
+
+<p id="d0e1155">&#8220;Dat zal geen vijf minuten verschillen,&#8221; zeide Marten.
+
+<p id="d0e1158">&#8220;&#8217;T is de vraag maar of Huib mede gaat, ja ofte neen!&#8221;&#8212;-
+
+<p id="d0e1161">&#8220;Zullen we voor den noen thuis zijn?&#8221; vroeg ik; want mijne moeder was niet gemakkelijk als ik niet en deed wat zij beval&#8212;
+
+<p id="d0e1164">&#8220;Een uur v&oacute;&oacute;r den noen zelfs!&#8221; sprak Jan Roete. &#8220;&#8217;T gevecht is in een uur afgeloopen!&#8221;&#8212;
+<span id="d0e1166" class="pageno">bladzijde 25</span>
+
+<p id="d0e1169">&#8220;Dan doe ik het!&#8221; riep ik en snelde toen met de anderen naar het huisken van het &#8220;Kregelige Mennonietje.&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1172">Toen wij daar aankwamen stond de kleine Witte aan het hekje waardoor men op het erf van zijnen vader kwam.
+
+<p id="d0e1175">&#8220;Is je vader thuis? vroeg ik.
+
+<p id="d0e1178">&#8220;Nee,&#8221; antwoordde hij kortaf.
+
+<p id="d0e1181">&#8220;Je moeder dan?&#8221; vroeg Marten.
+
+<p id="d0e1184">&#8220;Ook al niet,&#8221; zeide Witte.
+
+<p id="d0e1187">&#8220;Komen ze niet gauw thuis ook?&#8221; vroeg Simon.
+
+<p id="d0e1190">&#8220;Dat en weet ik niet. Ik moet op het huis passen, zie-je, dat moet ik! En als je me plaagt dan ga ik schreeuwen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1193">&#8220;Wat moet jelu&icirc; hier doen, bengels?&#8221; vroeg eensklaps eene vrouw, die van achter het huis kwam, &#8220;Komt gijlieden mijn arm jongske
+weer plagen?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1196">&#8220;Neen moeder De With, ik kwam twee maten kippenvoer halen,&#8221; zeide ik en liet haar mijne penningen en den ledigen zak zien.
+
+<p id="d0e1199">&#8220;Zoo, dat is wat anders,&#8221; ze&icirc; ze en mijn zak nemende kwam ze er weldra mede terug.
+
+<p id="d0e1202">&#8220;Gebruik je het oorlof om buiten wat te gaan jagen en tieren?&#8221; vroeg ze mij onderwijl ik den krop van den zak stevig dichtknoopte.
+
+<p id="d0e1205">&#8220;Neen, moeder De With,&#8221; zeide Marten, &#8220;er is heel wat anders gebeurd.&#8221; Hier begon hij haar de geschiedenis van Reinier Claessensz.
+te vertellen en toen hij ge&euml;indigd had, sloeg Witte&#8217;s moeder de handen in elkander en riep: &#8220;Fij, fij, en hierover maken de
+jongskens zulk een getier? &#8217;T ware beter dat gijlieden deedt als mijn Witte, die keert u de rechterwang toe, als ge-hem op
+de linker- eenen slag geeft!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1208">Daar zag Witte op het oogenblik anders niet naar uit; want onderwijl Marten vertelde, was de kleine jongen,&#8212;die <span id="d0e1210" class="pageno">bladzijde 26</span>echter nog al kloek en stevig voor zijn leeftijd was, daar hij een paar dagen geleden eerst zeven jaar oud was geworden,&#8212;naar
+buiten gekomen en stond met glinsterende oogen en gloeiende wangen te luisteren.
+
+<p id="d0e1213">&#8220;En waarheen gaat het nu?&#8221; vervolgde moeder De With.
+
+<p id="d0e1216">&#8220;Naar den <span class="letterspaced">Burgheuvel</span> te <span class="letterspaced">Oostvoorne</span> om zeegevechtje te spelen!&#8221; zeide Jan Boete en voegde er terstond bij: &#8220;komt, jongens, anders wordt het te laat!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1225">&#8220;Gijlieden moet zeker allen wel van die vechtersbazen ter zee worden, h&eacute;? Nu, mijn Witte zal daar gelukkig voor bespaard blijven.
+Hij zal het vreedzame handwerk van lijndraaien leeren, nietwaar, vent?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1228">&#8220;Ik zou ook wel willen varen, moeder!&#8221; antwoordde Witte.
+
+<p id="d0e1231">&#8220;Nu, dat en zult gij niet! Jongskens van zeven jaar en weten niet wat ze willen, die moeten doen wat vader en moeder begeeren!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1234">&#8220;Maar waarom mag ik dan niet gaan varen, moeder? Een matroos moet toch niet altijd vechten, wel?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1237">&#8220;Zwijg, Witte, zwijg! Je heb je door die bengels daar, den kleinen kop warm laten praten, dat hebt ge! En, wat ik zeggen wil,
+moet er nog iemand kippenvo&ecirc;r? Niet? Nu, gaat dan maar heen en bedrijft uw zondig spel tot de Baljuw je voor je straf achter
+slot en grendel zet!&#8221;&#8212;Zeide moeder De With en haar zoontje in huis trekkende, deed ze de deur toe.
+
+<p id="d0e1240">&#8220;Leve Reinier Claessensz. en het &#8220;Kregelige Mennonietje!&#8221; schreeuwde een der jongens, en zijn uitroep werd door allen krachtig
+herhaald.&#8212;
+
+<p id="d0e1243">En thans zou het naar den <span class="letterspaced">Burgheuvel</span> gaan; maar niettegenstaande Marten en Willem Hugensz. over den kortsten weg getwist hadden, weldra bleek het dat zij dien
+<span id="d0e1248" class="pageno">bladzijde 27</span>kortsten weg alleen van hooren zeggen hadden; want in plaats van den <span class="letterspaced">Ruyghendijck</span> op te gaan, sloegen we te gauw links af en kwamen langs den <span class="letterspaced">Rietdijck</span> en den <span class="letterspaced">Pannewegh</span> voorbij de huizinge <span class="letterspaced">Kranenhout</span>, wel een half uur later bij den molen, dan we gedacht hadden.
+
+<p id="d0e1263">Het zweet droop mij langs het voorhoofd; want in het eerst droeg nu de een dan de ander mijn pakje; doch toen we bemerkten,
+dat wij verdwaald waren, lieten ze het mij alleen dragen.
+
+<p id="d0e1266">De torenklok van <span class="letterspaced">Oostvoorne</span> sloeg tien uren toen we op het dorp kwamen. De meeste menschen waren aan den arbeid en de kinderen in de school, zoodat we
+ongestoord naar den <span class="letterspaced">Heuvel</span> konden gaan.
+
+<p id="d0e1275">&#8220;Kijk, daar staat al een jongen op!&#8221; riep Simon.
+
+<p id="d0e1278">&#8220;&#8217;t Is ons Kregel Mennonietje!&#8221; ze&icirc; Marten.
+
+<p id="d0e1281">Het was zoo. Nauwelijks waren wij op de plaats waar we prachtig zeegevechtje konden spelen, of Willem Roete ging naar hem
+toe en ze&icirc;: &#8220;Hoe komt gij hier?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1284">&#8220;Op mijne beenen!&#8221; antwoordde Witte. &#8220;Denk-je dat ik vliegen kan?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1287">&#8220;En wat kom-je doen? Kom-je meevechten?&#8221; vroeg ik.
+
+<p id="d0e1290">&#8220;Neen, ik en mag niet vechten; ik kom maar kijken!&#8221; sprak Witte.
+
+<p id="d0e1293">&#8220;Nu, als je ons dan maar niet in den weg loopt, dan is het minder,&#8221; zeide ik. &#8220;Hier, ga daar maar staan en pas dan op mijnen
+zak met kippenvoer!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1296">&#8220;Kogels maken, jongens, kogels maken! We nemen de doeken van onze stokken af en vullen die dan met zand! Wie zal er Claessensz. zijn?&#8221; riep Marten.
+
+<p id="d0e1302">&#8220;We zullen er om trekken!&#8221; antwoordde Simon Van Duvenvoorde. &#8220;Hier, Witte, onderwijl wij kogels maken, moet <span id="d0e1304" class="pageno">bladzijde 28</span>gij twintig stokskens snijden, maar een moet er bij zijn, dat langer is dan al de andere. Wie het langste trekt, die is Reinier
+Claessensz. en mag vijf andere jongens voor zijne matrozen kiezen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1307">Eerlijker kon het niet! Wij gingen kogels maken en Witte liet zich van de hoogte glijden om stokskens te halen. Weldra kwam
+hij terug en daar ging het op een trekken. De &#8220;Spanjool&#8221; had het langste en koos mij en Marten met nog drie andere jongens
+tot zijne matrozen.
+
+<p id="d0e1310">&#8220;Onze wapenkreet is &#8220;<span class="letterspaced">Holland!</span>&#8221; sprak de &#8220;Spanjool.&#8221;
+
+<p id="d0e1316">&#8220;En de onze is &#8220;<span class="letterspaced">Spanje</span>,&#8221; antwoordde Simon, die voor Fiasciardo speelde.
+
+<p id="d0e1322">Plof! daar viel de eerste kogel en vier jongens klauterden de hoogte op.
+
+<p id="d0e1325">&#8220;Wacht,&#8221; riep ik, &#8220;&#8217;k zal je leeren mij aan boord te klampen! <span class="letterspaced">Holland! Holland!</span> Kom hier, als je durft!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1331">&#8220;<span class="letterspaced">Spanje! Spanje!</span>&#8221; klonk het van beneden.
+
+<p id="d0e1337">Plof! Alweer een kogel net tegen mijne beenen. Ik tuimelde en zou van den <span class="letterspaced">Heuvel</span> af te midden mijner vijanden gerold zijn, had niet de &#8220;Spanjool&#8221; het gevaar ziende, mij bij den arm gegrepen en tegengehouden.
+
+<p id="d0e1343">&#8220;Je moet mij niet gooien, leelijke Spanjolen!&#8221; schreeuwde thans Witte uit al zijn macht, &#8220;ik zit hier maar te kijken! Wat
+doe-je mij zoo&#8217;n kogel tegen mijn hoofd te smijten?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1346">&#8220;Het Kregel Mennonietje is ziekentrooster aan boord van Ammiraal Claesensz.!&#8221; schreeuwde ik naar beneden.
+
+<p id="d0e1349">Plof! Daar kwam al weer zoo&#8217;n doek met zand tegen mijn lijf aan. Ik verloor het evenwicht, liep nog een eind vooruit om op
+de been te blijven, doch kwam toen tegen Witte terecht, en rolde met hem van boven neer.
+
+<p id="d0e1352">Met daverend gejuich werden wij onder het geroep van &#8220;<span class="letterspaced">Spanje! Spanje!</span>&#8221; ontvangen. Onder het rollen voelde ik <span id="d0e1357" class="pageno">bladzijde 29</span>dat ik vreeselijk gekrabbeld werd, doch ik had geen tijd om te zien of Witte dat deed. Wij kwamen in de braamstruiken, die
+beneden aan den heuvel en tegen de hoogte groeiden, aanrollen. Hoewel versufd door den val stond ik dadelijk op en naar Witte
+gaande zeide ik: &#8220;Je hebt mij gekrabbeld, Kregel Mennonietje!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1360">&#8220;Ik en mag niet krabbelen!&#8221; ze&icirc; hij bedaard. Misschien zou hij nog meer gezegd hebben, doch daar kwam Simon met drie andere
+jongens aan die ons gevangen namen onder het schreeuwen van: &#8220;<span class="letterspaced">Spanje! Spanje!</span> de ziekentrooster en de konstabelsmaat van den vijand! Hangen! hangen!&#8221;
+
+<p id="d0e1366">&#8220;Ik en wil niet hangen! Ik en heb niet gevochten ofte gekrabbeld! Ik heb maar staan kijken! Blijft van mijn lijf of ik zal
+&#8220;moord&#8221; roepen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1369">&#8220;Wel hoor me dien razenden ziekentrooster eens aan!&#8221; riepen onze vijanden en zouden ons misschien zoogenaamd opgehangen hebben,
+als niet van de andere zijde van den heuvel een vreeselijk geschreeuw ons in de ooren geklonken had.&#8212;
+
+<p id="d0e1372">Twee kampioenen, de beide bazen van het spel, Reinier Claessensz. en Fiasciardo, rolden arm in arm van boven neer en vielen
+met hun beiden op mijnen zak met kippenvo&ecirc;r, die heelemaal berstte. Onder het worstelen van die twee kreeg de zak een schop,
+dat hij een heel eind verder in het water terecht kwam. Het regende kippenvo&ecirc;r en dat, wat nog in den zak gebleven was, kon
+niet meer gebruikt worden, want het was doornat en vol modder en kroos.
+
+<p id="d0e1375">&#8220;Dat is jou schuld, krabbelaar!&#8221; riep ik. &#8220;Jij hadt er op moeten passen! &#8217;T is jou schuld en jij zult me twee maten kippenvo&ecirc;r
+en eenen nieuwen zak teruggeven!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1378">&#8220;&#8217;T is mijn schuld niet! Jij hebt me naar beneden gegooid <span id="d0e1380" class="pageno">bladzijde 30</span>en ik en heb niet gekrabbeld!&#8221; antwoordde Witte terwijl hem de tranen van nijd uit de oogen sprongen.
+
+<p id="d0e1383">
+<div id="d0e1385" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/pl030.jpg" alt="">
+</div>
+
+<p id="d0e1388">Ongelukkig genoeg gaf men den arme Witte van alles de schuld en het kwam niemand in de gedachten hem te beschermen. Scheldnamen,
+schoppen en duwen kreeg hij, van alle kanten, en wellicht hadden wij den armen knaap nog wel erger mishandeld, als niet een
+paar arbeiders, die van hun werk kwamen, Witte ontzet hadden en ons wegjoegen.
+
+<p id="d0e1391">&#8220;Ik en heb niet me&ecirc; gevochten! Ik en heb niet gekrabbeld ook; maar ik zal me wel laten doopen, dan mag ik ook slaan!&#8221; schreeuwde
+Witte terwijl zijne tranen zich vermengden met het stof dat op zijn gelaat lag, en hem het voorkomen van een neger gaven.
+
+<p id="d0e1394">&#8220;Nu is hij een Neger-Mennoniet!&#8221; riep Simon en de nieuwe scheldnaam werd wel honderd malen door ons herhaald, doch hem op
+nieuw te lijf te gaan, dat durfden wij toch niet! De arbeiders zouden ons dat wel verleerd hebben.
+
+<p id="d0e1397">Onderwijl wij nu stonden te beraadslagen wat we doen zouden en hoe ik mij tegenover mijne moeder verantwoorden zou, sloeg
+de torenklok twaalf uren.
+
+<p id="d0e1400">&#8220;o Wee, daar is &#8217;t al noen, en nu vind ik bovendien nog den hond in den pot!&#8221; riep ik. &#8220;Mijn kippenvo&ecirc;r weg,&#8212;geen eten, en
+morgen misschien Wittes vader bij ons aan huis! Dat is allemaal jou schuld, Marten! Jij hebt mij me&ecirc; getroond!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1403">&#8220;Ja, Martens schuld!&#8221; herhaalden de overigen, die graag zich wilden voordoen, alsof ze aan het geheele geval part noch deel
+hadden!
+
+<p id="d0e1406">&#8220;Ik weet wat, jongens, ik weet wat!&#8221; sprak Marten, die erg in den knoei zat. &#8220;Wij zullen allen uit onze zakduiten wat bijpassen
+en nog eens twee maten kippenvo&ecirc;r halen!&#8221;&#8212;
+<span id="d0e1408" class="pageno">bladzijde 31</span>
+
+<p id="d0e1411">&#8220;Maar ik en durf bij Wittes vader niet meer komen!&#8221; sprak Simon.
+
+<p id="d0e1414">&#8220;En ik niet! en ik niet!&#8221; was het algemeen geroep.
+
+<p id="d0e1417">&#8220;Dat behoeft ook niet!&#8221; hernam Marten. &#8220;Wij koopen het bij Meeuwisz. op het <span class="letterspaced">Maerlant</span> en halen eerst bij ons thuis eenen anderen zak!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1423">&#8220;En als uwe moeder dien niet geven wil, wat dan?&#8221; vroeg Joost Van de Werve.
+
+<p id="d0e1426">&#8220;o, Als moeder hoort wat er gebeurd is, dan krijgen we niet alleen eenen zak, maar nog geld voor twee maten kippenvo&ecirc;r bovendien!&#8221;
+antwoordde Marten.
+
+<p id="d0e1429">Dat plan werd goedgevonden en langs den hobbeligen <span class="letterspaced">Schrijversdijck</span> liepen we, zoo snel als onze vermoeide beenen dit toelieten, naar <span class="letterspaced">Den Briel</span>, waar we een paar minuten voor &eacute;&eacute;n uur aankwamen.
+
+<p id="d0e1438">Langzamerhand verminderde echter het aantal jongens, en op het lest waren Marten en ik alleen toen we den klopper op de deur
+van de woning zijner moeder lieten vallen.
+
+<p id="d0e1441">Ik kwam daar wel meer in huis en nauw had Marten uitgesproken of zijne Moeder ze&icirc;, dat zulke kw&acirc;jongens als wij waren maar
+zien moesten, dat zij hunne eigen bedorven zaken goedmaakten. Ik liet de lip al hangen, doch Marten vloog zijne Moeder om
+den hals en wist z&oacute;&oacute; te vleien, dat zij mij niet alleen eenen zak liet geven met de noodige penningen om ander kippenvo&ecirc;r
+te koopen, maar ook uit puur medelijden, omdat ik thuis den maaltijd zou afgeloopen vinden, mij met Marten liet mede eten.&#8212;Toen
+ik hiermede klaar was nam Mie, de meid, een kleerschuier, borstelde mijne kleederen schoon en wiesch mij zelfs het aangezicht.
+De krabbels van Wittes nagels, of, zooals het Kregelige Mennonietje ze&icirc;, de schrammen van de braamdoornen <span id="d0e1443" class="pageno">bladzijde 32</span>kon ze niet wegkrijgen. Met die litteekenen op het gelaat kwam ik twee uren na den noen bij Moeder, die al dadelijk zag, dat
+ik eenen anderen zak medebracht.
+
+<p id="d0e1446">Ontkennen hielp niet; ik was wel verplicht de geheele geschiedenis te vertellen en toen dat gebeurd was, gaf ze mij de penningen,
+die vrouw Tromp mij gegeven had en ze&icirc;: &#8220;Breng dat geld terug, kw&acirc;jongen! Je moeder heeft geene aalmoes noodig!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1449">Schoorvoetende voldeed ik hieraan.
+
+<p id="d0e1452">&#8220;Zeg aan uwe moeder, dat ik te avond eens met haar over een en ander kom spreken,&#8221; sprak vrouw Tromp onderwijl zij het geld
+in haren fluweelen beugeltasch, dien zij onder haar voorschoot had hangen, liet glijden.
+
+<p id="d0e1455">Ik beloofde het te zullen doen en toen ik dit aan Moeder verteld had, zei ze: &#8220;Best, en jij nou naar bed! Je zult wel moede
+zijn van dat vechten, stoeien en ravotten!&#8221;
+
+<p id="d0e1458">&#8220;Neen, Moeder, ik ben niet moede! Ik wou....&#8221;
+
+<p id="d0e1461">&#8220;Dat je naar bed gingt!&#8221; sprak moeder gestreng.
+
+<p id="d0e1464">&#8220;Ja, maar Moeder, &#8217;t is nog maar drie uren in den achternoen en nog veel te vroeg om te gaan slapen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1467">&#8220;Maar niet te vroeg om eens bedaard te liggen nadenken welk een verdriet gij uwe Moeder aandoet! Marsch, uit mijne oogen!
+Bij de Trompen heb-je voor eenen geheelen dag genoeg gegeten! Scheer je weg!&#8221;
+
+<p id="d0e1470">Ik pruttelde nog wel wat tegen, maar Moeder bracht mij naar mijne slaapplaats op den zolder.&#8212;Ik ging dan ook werkelijk naar
+bed en of het nu kwam, omdat ik dien dag zoo druk in beweging geweest was, ik weet het niet; maar dat weet ik wel, dat ik
+weldra insliep en eerst ontwaakte toen de groote torenklok het uur van middernacht sloeg.
+
+<p id="d0e1473">&#8220;De dag van ons oorlof is om,&#8221; dacht ik even en mij <span id="d0e1475" class="pageno">bladzijde 33</span>eens omkeerende viel &#8217;k alweer in eenen diepen slaap.&#8212;
+
+<p id="d0e1478">&#8220;Goeden morgen, Moeder,&#8221; ze&icirc; ik toen &#8217;k den volgenden morgen, wel wat vroeg, beneden kwam.
+
+<p id="d0e1481">&#8220;Goeden morgen, Huib!&#8221; was haar antwoord.
+
+<p id="d0e1484">&#8220;Is Vrouwe Tromp gisteren avond geweest, Moeder?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1487">&#8220;Ja, jongen, zij is geweest!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1490">&#8220;En?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1493">&#8220;We hebben&#8217;t over Marten en u gehad. Als Herbert Martensz. Tromp weer naar zee gaat, kunt ge beide me&ecirc;gaan!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1496">&#8220;Hoezee! Hoezee!&#8221; juichte ik van blijdschap.
+
+<p id="d0e1499">&#8220;Wat zijt gij blijde, jongen! Hebt ge &#8217;t dan waarlijk zoo kwaad bij uwe Moeder! kind?&#8221; vroeg ze met tranen in de oogen.
+
+<p id="d0e1502">&#8220;Neen, Moeder, maar het leven op zee moet zoo heerlijk zijn! En &#8217;k zal goed oppassen ook, dat beloof ik u!&#8221;
+
+<p id="d0e1505">&#8220;God geve &#8217;t, Huib! Ge zijt anders nog zoo jong, en als ge uit Vaders en Moeders oog zijt, en zoo geheel alleen op eigen beenen
+door de wereld moet gaan, dan kunt ge zoo licht verkeerde wegen inslaan!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1508">&#8220;Maar kan ik dan niet aan boord bij vader?&#8221; vroeg ik.
+
+<p id="d0e1511">&#8220;Neen, dat kan niet, jongen! Je vader is geen kapitein of schipper zooals de oude Tromp is, je Vader is maar matroos!&#8221;
+
+<p id="d0e1514">Moeder sprak nog veel met me eer &#8217;k naar school ging, en als ik me nu eens bedenk, wat die goede Moeder toen ze&icirc;, en hoe ze
+er slag van had, mij te leiden, dan bejammer ik het, dat ik zoo vroeg naar zee ging en niet langer thuis bleef! &#8217;K zou het
+dan verder in de wereld gebracht hebben, dan nu! Maar, lacie, &#8217;t is te laat! Hoor, Jonge Kees, je hebt wel eens van onzen
+dichter, den wijdberoemden Cats gehoord, niet?&#8221;&#8212;
+<span id="d0e1516" class="pageno">bladzijde 34</span>
+
+<p id="d0e1519">&#8220;&#8217;K heb met Moeder wel eens visch aan zijne vrouw verkocht! Hij woont op <span class="letterspaced">Zorghvliet</span> tusschen <span class="letterspaced">Schevelingen</span> en <span class="letterspaced">Den Haag</span>, weet-je!&#8221; antwoordde Jonge Kees, die met gespannen aandacht had zitten luisteren.
+
+<p id="d0e1531">&#8220;Zoo, maar &#8217;k had nog liever, dat ge zijne kostelijke veerzen kendet, dan hem zelf; want hij is de man, die spijkers met koppen
+slaat, en &#8217;k denk dikwijls aan zijn veersken: Jonck rijs is te buijgen, maer geen oude boomen!&#8221;
+
+<p id="d0e1534">&#8220;Dat veersken ken ik,&#8221; zeide Jonge Kees, &#8220;dat heb ik van stuurman Pronk geleerd; hoor maar.
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e1539">&#8220;Terwijl het rijs is jonck en zwack,
+<br id="d0e1542">En heeft niet eenen harden tack,
+<br id="d0e1545">Terwijl het spruytje buygen kan,
+<br id="d0e1548">Zoo moet een geestig boogert-man
+<br id="d0e1551">Het boomken leyden metter handt,
+<br id="d0e1554">Het boomken houden in den handt;
+<br id="d0e1557">Ten eynde dattet zonder bocht
+<br id="d0e1560">Ter voller hooghte komen mocht.
+<br id="d0e1563">Leyt vriend&#8217; en leert u weerde kint,
+<br id="d0e1566">Zoo haest zijn eerste jeught begint,
+<br id="d0e1569">Want kromt het dan, en recht gij &#8217;t niet;
+<br id="d0e1572">Zoo ist een eeuwigh huysverdriet.&#8221;
+
+<p id="d0e1576">Is het zoo niet, Huib?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1579">&#8220;Ja, jongen, z&oacute;&oacute; is het. Vergeet dat nooit. Vergeet het niet, zooals ik het vergeten heb, dan zult ge op drie&euml;nvijftigjarigen
+leeftijd, als de Heere u het leven zoolang gunt, iets meer zijn dan matroos!&#8221;
+<span id="d0e1581" class="pageno">bladzijde 35</span>
+
+<p>
+<hr class="noteseparator">
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e1098" href="#d0e1098src" class="noteref">1</a> Fiasciardo had eenigen tijd te voren op de hoogte van de West-Indische eilanden zeven weerlooze zoutschepen genomen en de
+bemanning op eene wreedaardige wijze om het leven laten brengen.
+
+</div>
+<h1 id="d0e1585">In de baai van Gibraltar.</h1>
+<p id="d0e1590">Vier weken later gingen Marten en ik te zamen naar onzen schoolmeester, dien we zoo vaak geplaagd en gesard hadden. Vooral
+was ik hierin altijd de eerste geweest en Wat nog wel het ergste van al was, &#8217;k had gedurende vier jaren zoo goed als niemendal
+geleerd en menigmaal anderen van het werk gehouden bovendien.
+
+<p id="d0e1593">De meester was een oud, vriendelijk man, die nimmer naar de plak of de gard zou grijpen, als het niet meer dan noodig was.
+Het was half vijf toen wij de school binnentraden en het begon daar binnen al duister te worden; want de kleine vensterkens
+met in lood gezette ruitjes lieten, zelfs midden op den dag, maar heel weinig licht door.
+
+<p id="d0e1596">De oude man stond aan zijnen hoogen lessenaar toen wij binnenkwamen en vroeg ons vriendelijk wat we begeerden.
+
+<p id="d0e1599">&#8220;Zeg jij het maar!&#8221; zeide ik en stootte Marten even aan.
+
+<p id="d0e1602">&#8220;Neen, ik en durf niet!&#8221; luidde zijn antwoord.
+
+<p id="d0e1605">&#8220;Nu, jongens, wat is het? Heb-je wat te zeggen, dat ge niet en durft uit te brengen?&#8221; klonk het andermaal.
+
+<p id="d0e1608">Thans vatte ik moed en wat vooruit komende, zeide ik: &#8220;Meester, wij zijn volleerd en weten genoeg; wij gaan met de volgende
+week naar zee!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1611">De meester lachte even en herhaalde mijn woord &#8220;volleerd,&#8221; <span id="d0e1613" class="pageno">bladzijde 36</span>doch rekte dat uit als de draad van een kluwen, en trok er zulk een zonderling gezicht bij, dat ik onwillekeurig in den lach
+schoot.
+
+<p id="d0e1616">&#8220;Ja, jongen, lach maar! Eens komt er een tijd dat gij niet en-zult kunnen lachen, al wildet ge ook nog zoo geerne! &#8220;Volleerd!&#8221;
+Wie heeft u gezegd, dat ge zoo spreken moest?&#8221;
+
+<p id="d0e1619">Ik stond met den vinger in den mond, doch zeide niets.
+
+<p id="d0e1622">&#8220;Nu, kan iemand, die &#8220;volleerd&#8221; is, niet spreken als hem wat gevraagd wordt? Fij, zoo&#8217;n bijster verstandige kop moest weten,
+wat hij antwoorden moest en begrijpen, dat alleen domme, kleine jongskens, die hunnen tijd met spelen en tuischen doorbrengen
+alleen met den vinger in den mond staan. Quidquid transiit temporis, periit!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1628">&#8220;De oude man had mij beleedigd, meende ik, en daarom zeide ik heel driest: &#8220;Ik en versta geen Latijn, meester!&#8221;
+
+<p id="d0e1631">&#8220;Ha, ha, alsof ik dat niet en wist! Ge verstaat zelfs geen Hollandsch, en ik twijfel er aan of ge mij begrijpt, als ik zeg,
+dat die Latijnsche spreuk, die ik zoo even aanhaalde, beteekent: &#8220;De tijd, die voorbij ging, is verloren!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1634">Marten begon medelijden met mij te krijgen en zeide: &#8220;Jawel, meester, maar Huib heeft zich versproken. Hij meende te zeggen,
+dat wij beiden van school afgingen; maar wij weten ook wel beter, dat wij niet &#8220;volleerd&#8221; zijn!&#8221;
+
+<p id="d0e1637">&#8220;De tijd, die voorbij ging, is verloren, Marten! Schade genoeg! Maar ge zijt nog jong en kunt beiden nog veel inhalen van
+hetgeen gij verzuimd hebt. Geef mij de hand, knaap, keer u naar &#8217;t venster in het licht, en laat mij in uwe oogen zien!&#8221;
+
+<p id="d0e1640">Hierop draaide hij Marten naar het licht, legde de rechterhand op zijn hoofd, keek hem in de oogen en zeide: &#8220;Marten, ge hebt
+een&#8217; braven vader, luister naar hem; leer nog veel en ... vergeet God niet! Gij kunt en zult <span id="d0e1642" class="pageno">bladzijde 37</span>een groot man worden, als ge dat doet! Dag Marten! De Heere zij met u!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1645">Meester gaf hem de hand en schrei&euml;nde verliet Marten het schoolgebouw. Ook ik stak de hand uit en de oude man weigerde niet
+deze aan te nemen; maar hij draaide mij niet naar het licht; hij legde zijne hand ook niet op mijn hoofd; maar ze&icirc; alleen:
+&#8220;Kom over een paar jaar eens bij me terug dan zal ik ook uwe toekomst voorspellen!&#8221;&#8212; Hij drukte mij flauwkens de hand en sprak:
+&#8220;Dag, Huib! Vergeet deze ure nooit ofte nimmer! Vaarwel!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1648">Buiten de school stond Marten op mij te wachten en zijne eerste vraag was: &#8220;Wat heeft hij u voorspeld?&#8221;
+
+<p id="d0e1651">&#8220;Niemendal,&#8221; antwoordde ik en haastte mij om thuis te komen. Ik ging &#8217;s avonds vroeg naar bed en viel weenende in slaap.
+
+<p id="d0e1654">In de drokte van de volgende dagen vergat ik de ontmoeting bij den meester geheel en al en dacht slechts aan het vrije leven
+op zee.
+
+<p id="d0e1657">Des Dinsdags na den noen zouden wij vertrekken en toen ik om half negen in den morgen van dien dag nog even bij grootje afscheid
+ging nemen, hoorde ik, terwijl ik de <span class="letterspaced">Voorstraat</span> overstak, mijnen naam noemen. Ik keek om en zag het &#8220;Kregelige Mennonietje&#8221; op mij afkomen.
+
+<p id="d0e1663">&#8220;Ga-je naar zee, Huib?&#8221; vroeg hij gejaagd.
+
+<p id="d0e1666">&#8220;Ja, wat is er van? Wou-je me&ecirc;?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1669">&#8220;o, Geerne; maar ik en mag niet. Ik moet lijndraaier worden, weetje!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1672">&#8220;Nu, ieder zijn meug; maar ik zou je kostelijk bedanken!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1675">&#8220;Ja, Huib, ik bedank ook wel; maar Vader zegt dat ik moet en dan helpt het niet of ik al bedank! Is het prettig op zee?&#8221;&#8212;
+<span id="d0e1677" class="pageno">bladzijde 38</span>
+
+<p id="d0e1680">&#8220;Dat moet wel waar zijn! maar ik en heb daaraf geene
+ondervinding!&#8221;
+
+<p id="d0e1683">&#8220;En wil-je dan toch zeeman worden?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1686">&#8220;H&eacute;, waarom niet? Dol graag!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1689">&#8220;En ik moet lijndraaier worden en ik weet dat het in de lijnbaan niet prettig is!&#8221; zeide Witte zuchtende.
+
+<p id="d0e1692">&#8220;Loop stilletjes met ons me&ecirc;, jongen!&#8221; ze&icirc; ik.
+
+<p id="d0e1695">&#8220;Meeloopen, neen, dat nog niet! Eerst moet ik nog een paar jaren schoolgaan, en dan, dan,&#8212;als ze me willen doopen, dan word
+ik zeeman!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1698">&#8220;Ei wat, dat doopen zal wel terecht komen,&#8221; antwoordde ik. &#8220;En dan een matroos is niet enkel op de wereld om te vechten! Als
+er gevochten wordt, dan kunnen ze wel een baantje voor je vinden, dat je niet van noode hebt mee te kloppen! Kom, ga stilletjes
+me&ecirc;; wij zullen je wel verstoppen tot we in volle zee zijn!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1701">&#8220;Neen, ik moet leeren,&#8212;nog veel leeren, Huib! Heb-je wel eens gehoord van eenen Ammiraal, die niet lezen of schrijven kon?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1704">&#8220;Ik? Wel neen! Maar ge wilt toch geen Ammiraal worden?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1707">&#8220;Zeker wil ik dat! Als ik zeeman word, dan moet ik ook Ammiraal worden, anders doe ik het niet!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1710">Die kleine jongen met zijn leeren,&#8212;hij was mij in de school al heel wat vooruit,&#8212;en met zijn Ammiraal-worden, deed mij denken
+aan het afscheid van den meester. Ik werd nijdig; maar niet op mij-zelven, zooals het behoord had, doch op den zonderlingen
+knaap, en met een &#8220;Wel jou Kregel Mennonietje, wou jij Ammiraal worden? Pluimgraaf, man, pluimgraaf word-je, anders niet!
+Als ik kapitein ben, dan neem ik je bij mij aan boord om op de varkens en kippen te passen. Dag leelijke krabbelaar!&#8221;&#8212;
+<span id="d0e1712" class="pageno">bladzijde 39</span>
+
+<p id="d0e1715">Ik liet Witte beteuterd staan en vervolgde lachend mijnen weg.
+
+<p id="d0e1718">Des middags kwamen wij gelijk met kapitein Herbert Martensz. Tromp aan het hoofd.
+
+<p id="d0e1721">&#8220;Nu, jongen, ga met God,&#8221; ze&icirc; moeder; boog zich over mij heen en kuste mij op het voorhoofd. Hier, Jonge Kees, hier vlak op
+dit plekje kuste zij mij, zij, die lieve goede, moeder! Toen ik vijf jaren later weer in <span class="letterspaced">Den Briel</span> kwam, had ik geerne weer op die plek een&#8217; kus willen hebben; maar eene week voor mijne aankomst stierf zij. Ik zag haar nooit
+meer!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1727">Onderwijl Huib dit vertelde rolden een paar dikke tranen over zijne wangen, en alsof hij zich hierover schaamde, wischte hij
+ze schielijk af en vervolgde zijn verhaal.
+
+<p id="d0e1730">Het was een bezeilde wind en toen we aan boord van <i>De Bare</i> kwamen, werden de zeilen geheschen en de ankers gelicht.&#8212;Midden op de rivier gekomen liet de kapitein, als afscheidsgroet,
+een paar gotelingen afschieten en wij, Marten en ik, tuimelden op het dek, even als gij gisteren avond in het looze gevecht
+met den Ro&ocirc;rok!
+
+<p id="d0e1736">&#8220;Waar gaat het heen, Marten?&#8221; vroeg ik.
+
+<p id="d0e1739">Marten haalde de schouders op en zeide: &#8220;Vader heeft het wel tegen Moeder gezegd, maar tegen mij niet!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1742">&#8220;Wel, jonge brasems, braaf zeer gedaan? Zoo&#8217;n scheepsdek is wel wat hard om er zoo maar op neer geploft te worden, vind-je
+niet?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1745">Wij keken achter ons en zagen een zwaar gebouwd jonkman achter ons staan. Hij scheen wel stuurman of zoo iets te zijn.&#8212;Heel
+vriendelijk zag hij er niet uit. Hij had donker zwarte oogen en hij scheen de gewoonte te hebben het rechter steeds half gesloten
+te houden. Zijn gelaat was vol en bijna zoo rond als een appeltje, <span id="d0e1747" class="pageno">bladzijde 40</span>en men kon het hem zoo aanzien, dat hij al vast niet aan den haal zou gaan, als de Spanjool kwam, maar wakker meekloppen.
+
+<p id="d0e1750">Hij zag ons eenige oogenblikken aan, en toen hij bemerkte, dat wij geen van beiden een woord spraken, vroeg hij:
+
+<p id="d0e1753">&#8220;Wie van u beiden is de zoon van onzen kapitein?&#8221;
+
+<p id="d0e1756">&#8220;Dat ben ik!&#8221; antwoordde Marten.
+
+<p id="d0e1759">&#8220;Zoo, zoo, dat is al vroeg aan het varen! En kunt ge al wat lezen, schrijven en rekenen, ja, of hebt ge uwen tijd verluierd?&#8221;
+
+<p id="d0e1762">&#8220;Ik kan wel wat; maar ik zal bij vader nog meer leeren!&#8221; sprak Marten.
+
+<p id="d0e1765">&#8220;Dat is goed, dan zie ik u nog eens kapitein of misschien wel meer nog! En gij, jongen, hoe heet gij?&#8221;
+
+<p id="d0e1768">Deze laatste woorden richtte hij tot mij, en ik antwoordde: &#8220;Huib Maerlant&#8221;
+
+<p id="d0e1771">&#8220;Ei, ei, heet je vader dan Jacob Van Maerlant en is hij niet een excellent po&euml;et?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1774">Mijn vader een po&euml;et? hield hij mij voor het lapje? Naderhand heb ik wel eens gehoord, dat een vierhonderd jaren geleden ergens
+in <span class="letterspaced">Vlaanderland</span> die po&euml;et moet geleefd hebben, maar toen wist ik daar niets af.
+
+<p id="d0e1780">&#8220;Mijn vader is matroos, en vaart op de <span class="letterspaced">Oostzee</span>!&#8221; zeide ik.
+
+<p id="d0e1786">&#8220;Ei, ei, matroos, en jij in zoo&#8217;n mooi pak?&#8221;
+
+<p id="d0e1789">Mijne goede Moeder had hare laatste spaarpenningen uitgegeven om mij eene nette uitrusting te geven. &#8220;Als ge zoo slordig gekleed
+zijt,&#8221; had ze mij gezegd, &#8220;dan zal kapitein Tromp niet willen hebben, dat je met zijnen zoon omgaat! En dat moet toch; want
+als dat niet en gebeurt en ge wordt bij en onder de matrozen gerekend, dan groeit er nooit iets van je, jongen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1792">Op de verwonderde vraag van den zeeman antwoordde <span id="d0e1794" class="pageno">bladzijde 41</span>ik daarom: &#8220;Moeder gaf mij dit pak, omdat Marten mijn speelkameraad is!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1797">&#8220;Zoo, zoo, je speelkameraad! En kan je ook lezen, schrijven en wat rekenen, zooals onze Marten of zooals die po&euml;et, die dan
+toch zeker wel van je maagschap zal zijn! Misschien is die man ook al lang dood! Ik houd mij met die po&euml;terij niet op. Als
+ik te schrijven heb, dan doe ik het liefst met mijn degen, die spat nooit en moet ook nooit vermaakt worden!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1800">&#8220;Ja, ik kan nog niet lezen en ik zou juist op het schrijven gegaan zijn, toen ik van school af moest!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1803">&#8220;Hm, hm, maar als jij dan niet gauw begint te leeren, dan zal Marten niet zoo heel lang je dagelijksche kameraad kunnen wezen,
+manneke! Ze zeggen wel eens voor een spreekwoord, dat Hans door zijne domheid voortkomt; maar als je dan vraagt: &#8220;Wie is die
+Hans?&#8221; dan kennen ze hem evenmin als jij dien po&euml;et Jacob Van Maerlant kent, weet-je! En wij houden er hier aan boord van,
+dat ieder zoowat zijn soort zoekt. De pluimgraaf moet geen kameraadschap maken willen met den schipper en de barbier niet
+met den kapitein, weet-je! Wat mij betreft, ik ben hier aan boord zooveel als schipper en ik heet Pieter Pietersz. Hein, als
+je &#8217;t niet en weet! En nu, zoekt wat te doen, ik wil je groeten; want ik heb ook mijn werk! Adjuus!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1806">&#8220;Wat &#8217;n aardig man is dat! Die lijkt me!&#8221; zeide Marten.
+
+<p id="d0e1812">&#8220;Dat wil ik wel gelooven,&#8221; antwoordde ik. &#8220;Hij heeft je ook schoon gevleid; maar op mij schijnt hij een pik te hebben, net
+als die oude Brielsche schoolmeester. Kan ik het helpen, dat mijn Vader maar matroos is!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1815">&#8220;Nu, maar daar zeide hij ook niemendal af! Hij vroeg je alleen maar of je kon lezen, schr....&#8221;
+<span id="d0e1817" class="pageno">bladzijde 42</span>
+
+<p id="d0e1820">&#8220;Och, loop jij naar de <span class="letterspaced">Mookerheide!</span> Begin-je ook al van dat lezen, schrijven en rekenen te snappen. Als jij dan zooveel weet, laat me dan maar links liggen!&#8221;
+gaf ik zeer verstoord ten antwoord.
+
+<p id="d0e1826">&#8220;Je bent boos, Huib, maar dat kan ik niet helpen! Ik heb je niets in den weg gelegd, wel?&#8221;
+
+<p id="d0e1829">Ik zweeg en keerde mij om; want ik was, o, zoo nijdig, en al weer niet op mij zelven, maar op den ouden schoolmeester, op
+&#8220;Kregel Mennonietje,&#8221; op Marten, op Pieter Pietersz. Hein, ja, op heel de wereld. Alleen op mij zelven was ik het niet! Ze
+hadden allen het land aan mij dacht ik.
+
+<p id="d0e1832">&#8220;Ben-je heusch boos, Huib?&#8221; vroeg Marten vriendelijk en ging lachende voor mij staan.
+
+<p id="d0e1835">Nu werd ik nog nijdiger, en ik dacht, dat hij me uit valschheid uitlachte en daarom zeide ik: &#8220;Zeker ben ik boos! Maar zoo
+&#8217;n voornaam kapiteinszoontje is veel te deftig en te rijk voor den jongen van een arm matroos, die op de <span class="letterspaced">Oostzee</span> vaart! Ga maar weg en maak maar kameraadschap met een ander; ik ben veel te gemeen voor je!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1841">Zonder nog een woord te spreken ging Marten thans werkelijk heen, en wel om zich bij zijnen vader over mijne onvriendelijkheid,
+te beklagen. Den ganschen dag zag hij niet meer naar mij om en toen ik &#8217;s avonds nog &#8220;genacht&#8221; wilde zeggen, was hij al in
+de hut van den schipper, waar ook hij zijne kooi had.&#8212;
+
+<p id="d0e1844">&#8220;Ruzie gehad, kameraad?&#8221; vroeg een jong matroos met een heel ongunstig uiterlijk. &#8220;Ja, man, &#8217;t is kwaad kersen eten met de
+groote lui, ze gooien je met de pitten! Toen ik aan boord kwam, dat is nu zes jaren geleden, had ik ook zoo&#8217;n mooien kameraad
+medegebracht; maar die vriendschap <span id="d0e1846" class="pageno">bladzijde 43</span>duurde aan boord niet langer dan van twaalf uren tot den noen! Dat is een heele tijd, h&eacute;? Maar ik heb hem laten walsen. Als
+je &#8217;m eens ontmoet, doe hem dan mijne groeten, en zeg dat ik hem volstrekt nog niet gemist heb. Ik heet Jurrie Zwijn en hij
+Katt. Wij zijn dus allebe&icirc; viervoetige dieren! Vreemd, h&egrave;! Zeg, vind je&#8217;t niet? Ha, ha, ha!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1849">Hoewel &#8217;k eigenlijk gezegd niet veel lust had om met dezen Jurrie Zwijn aan te leggen, en kameraadschap te maken, zoo stond
+ik toch den volgenden dag heel dikwijls met hem te praten en ik deed dat vooral als Marten mij zien kon, om hem alzoo te toonen,
+dat ik hem best missen kon. Dwaze knaap, die ik was! Toen ik later dien Jurrie Zwijn gaarne links had laten liggen om weer
+goede maats met Marten te worden, hing hij mij aan &#8217;t lijf als een klit en ik had geen moed genoeg om hem te zeggen, dat het
+tusschen ons uit moest zijn. Langzamerhand raakten Marten en ik dan ook meer en meer van elkander verwijderd. Van leeren kwam
+niemendal; want als ik mijn werk gedaan had, en &#8217;k een oogenblik begon na te denken, dat er op die manier nooit iets van mij
+komen zou, dan greep ik wel eens naar een boek; maar &#8217;t was of Jurrie op zijn loer lag; om mij van het leeren af te troonen.
+Oogenblikkelijk was hij dan bij me en ze&icirc;: &#8220;Zoo, zoo, de student is weer aan het letters eten? &#8217;K zou naar de Hoogeschool
+te <span class="letterspaced">Leiden</span> gaan, als ik jou was, dan wordt ge een knap man, hm, hm, een knap man; zoo &#8217;n soort van een Marnix Van Aldegonde of een Johan
+Van Oldenbarneveld! Wanneer denk-je examen te doen? Zeker wel al gauw, is &#8217;t niet?&#8221; En zoo ging zijn ratel als een lazarusklap
+totdat ik het boek neerle&icirc; en luisterde naar de mopsjes, die hij wist op te dreunen.
+<span id="d0e1854" class="pageno">bladzijde 44</span>
+
+<p id="d0e1857">Eens op een&#8217; dag, we waren geloof ik wel al zes weken aan &#8217;t kruisen op de <span class="letterspaced">Noordzee</span> en in Het <span class="letterspaced">Kanaal</span>, was ik bezig mijn baaitjen af te schuieren toen de schipper naar mij toe kwam en ze&icirc;: &#8220;&#8217;T baaitje vuil, Huib? Ja, dat komt
+er van als men met zwijnen omgaat! Die diertjes zijn niet al te zindelijk, zou ik zeggen!&#8221;
+
+<p id="d0e1866">Ik werd rood over mijn geheele aangezicht. Ik voelde &#8217;t wel, wie hij met die zwijnen bedoelde en telkens, als hij mij in gesprek
+met Jurrie zag, dan schaamde ik mij.
+
+<p id="d0e1869">Ondertusschen leefde ik met Marten toch niet als geslagen vijand. Wij waren nog jongskens en vergaten gauw; maar toch, die
+vertrouwelijke omgang met hem kwam niet meer tot stand en ik geloof zelfs, dat de kapitein niet gaarne zag, dat ik met zijn&#8217;
+zoon veel in aanraking kwam.
+
+<p id="d0e1872">Eens op een&#8217; dag echter had Marten mij in vertrouwen gezegd, dat hij zeker wist wat het doel van ons kruisen in de <span class="letterspaced">Noordzee</span> en in <span class="letterspaced">Het Kanaal</span> was. Er werd in het land eene vloot uitgerust om den Spanjaard in zijne eigen wateren te tuchtigen. Die vloot zou onder bevel
+staan van Jacob Van Heemskerk, denzelfden man, die met Barentsz. en zijne lotgenooten op <span class="letterspaced">Nova-Zembla</span> overwinterd had. Zoodra Van Heemskerk uitzeilde zouden wij ons bij hem aansluiten. Marten verzocht mij echter, dat ik het
+niemand zeggen zou; want dat alleen de officieren en de schipper het wisten. Zijn vader had het hem verteld, doch er ook uitdrukkelijk
+bijgevoegd: &#8220;Niet over-vertellen, hoor!&#8221;
+
+<p id="d0e1884">Nu wilde echter het geval, dat er s&#8217;avonds niemand meer aan boord was, die het niet wist. Ik denk voor het naaste, dat er
+nog een ander geweest is, die het ook verteld heeft. Ik had dien dag wel veel en soms lang met Jurrie loopen praten, doch
+nu het al zooveel jaren geleden is, mag ik <span id="d0e1886" class="pageno">bladzijde 45</span>het gerust zeggen, ik heb het niet verteld. Zoodra de oude Tromp er achter kwam, dat het volk er alles van wist, begon hij
+te onderzoeken, wie het oververteld had. Marten viel al dadelijk door de mand en nu werd ik geroepen.
+
+<p id="d0e1889">&#8220;Zeg eens, knaap, aan wien hebt gij verteld, dat we op de vloot van Jacob Van Heemskerk wachten en dat het dan rechtstreeks
+naar <span class="letterspaced">Spanje</span> gaat?&#8221;
+
+<p id="d0e1895">&#8220;Ik heb het aan niemand verteld, kapitein!&#8221;
+
+<p id="d0e1898">&#8220;Lieg niet, jongen, ik vraag u, de waarheid. Hebt ge &#8217;t aan Zwijn overgebriefd? Zeg maar &#8220;ja&#8221;, want uw gelaat wijst het uit,
+dat het zoo is!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1901">Ik hield vol, dat ik er met geen mensch over gesproken had en toen liet de kapitein Jurrie roepen.
+
+<p id="d0e1904">&#8220;Wie heeft je gezegd, dat we naar <span class="letterspaced">Spanje</span> gaan?&#8221; vroeg Tromp op eenen zeer barschen toon.
+
+<p id="d0e1910">En hoor me nu dien onbeschaamden leugenaar eens aan! Weet ge wat hij antwoordde? Nu, hoor dan!
+
+<p id="d0e1913">&#8220;Huib Maerlant heeft het mij in den achternoen verteld, toen we bezig waren met een kabel te splitsen!&#8221;
+
+<p id="d0e1916">Ik sprong op als een leeuw en riep: &#8220;Kapitein, hij liegt het!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1919">Tromp fronste de wenkbrauwen en ze&icirc; alleen: &#8220;Ga heen, deugniet! Gij zijt uw gezelschap waard!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e1922">Van dien dag af ondervond ik, dat het waar is wat het spreekwoord zegt: &#8220;Wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat!&#8221; Niemand
+vertrouwde mij; de goeden lieten mij links liggen en met dien leugenaar Jurrie Zwijn, wilde ik niets meer te doen hebben.
+Zoo was ik dan den ganschen dag alleen. Dat er nu van het leeren niemendal kwam, dat sprak vanzelf; ik had eigenlijk nergens
+lust in en verlangde alleen naar mijne Moeder. Die zou me toch nog wel gelooven, als ik waarheid sprak.
+<span id="d0e1924" class="pageno">bladzijde 46</span>
+
+<p id="d0e1927">Gelukkig dat er door de verschijning van de vloot meer bezigheid kwam en ik daardoor de muizenissen meer en beter verdrijven
+kon.
+
+<p id="d0e1930">Den tienden van Grasmaand kwamen we aan de groote rivier van <span class="letterspaced">Lissabon</span>, die <span class="letterspaced">De Taag</span> genoemd wordt.&#8212; Alras vernam de Ammiraal dat er voor ons hier niets te doen viel; want zestien galjoenen waren van hier naar
+de <span class="letterspaced">West-Indi&euml;n</span> vertrokken en nog tien andere naar de <span class="letterspaced">Straat van Gibraltar</span>. Deze laatste zouden we opzoeken en uit alles wat ik hoorde vertellen en zag gebeuren, zouden we daar meer doen dan een kijkje
+nemen. Den vijf en twintigsten kwamen we tot in de nabijheid der stad, die, op eenige hoogten gelegen, het aanzien had van
+ons heel veel kwaad te kunnen doen. De Ammiraal gaf een sein dat al de scheepsbevelhebbers aan boord moesten komen om met
+hem te beraadslagen over hetgeen er gedaan zou worden. Zeker was het meer toeval dan geluk, dat ik tot de bemanning van de
+sloep behoorde, waarin onze kapitein aan boord van het Ammiraalschip <i>Aeolus</i> gebracht werd. Wat er in dien krijgsraad besproken werd, heb ik eerst later vernomen. De Ammiraal zou met kapitein Lambert
+Hendrikse van <i>de Tijger</i> den Spaanschen Ammiraal,&#8212;en de Vice-Ammiraal Alteras, die op de <i>Roode Leeuw</i> bevel voerde zou met kapitein Bras van <i>de Stadt Hoorn</i> den Spaanschen Vice-Ammiraal aanklampen. Onze overige schepen zouden twee aan twee een galjoen voor hunne rekening nemen.&#8212;Zooals
+ik ze&icirc; vernam ik dat eerst later: maar onderwijl we met onze sloep bij den valreep van de <i>Aeolus</i> op onzen kapitein lagen te wachten, hoorden we Jacob Van Heemskerk zeggen:. &#8220;En nu mannen, zoo als besloten is, moedig op
+den vijand los. Zoekt er uwe eer in uwe manschappen in goede courage voor te <span id="d0e1959" class="pageno">bladzijde 47</span>gaan. Een ieder doe zijn plicht; ik hoop den mijnen te doen. Voor God en de <span class="letterspaced">Vereenigde Provinci&euml;n!</span>&#8221;
+
+<p id="d0e1965">&#8217;K werd er warm van toen ik dat zoo hoorde. De kapitein stapte in de sloep, en ik sloeg met mijn riem in &#8217;t water, alsof dat
+de vijand was, dien &#8217;k wat geven moest.&#8212;
+
+<p id="d0e1968">Weldra waren wij allen aan boord van <i>de Bare</i> terug.
+
+<p id="d0e1974">&#8220;Mannen,&#8221; ze&icirc; de kapitein, &#8220;er is besloten den vijand aan te vallen! &#8217;T is geene kleinigheid! Maar onze dappere Ammiraal rekent
+op u allen en houdt zich van de overwinning verzekerd, zoo ge van den oudsten tot den jongsten toont, dat er nog iets in u
+is overgebleven van den moed der Watergeuzen. Ginds ligt het galjoen dat wij met <i>de Griffioen</i> aanvallen zullen! Wat zult ge doen? Vechten of vluchten?&#8221;
+
+<p id="d0e1980">&#8220;Vechten, kapitein, vechten tot den laatsten man!&#8221; klonk het van alle kanten.
+
+<p id="d0e1983">&#8220;Maar eerst God om kracht en bijstand gesmeekt,&#8221; sprak de oude Tromp bedaard, en wenkte den schrijver om het gebed te komen
+doen.&#8212;Daar wij geenen predikant aan boord hadden, voldeed deze hieraan en met vrome aandacht spraken wij langzaam zijne woorden
+na. Toen het gebed afgeloopen was, kregen we ieder een oorlam en ... daar ging het op den vijand los.
+
+<p id="d0e1986">Ik stond bij den grooten mast en had wel gewild dat hij een kanon ware geweest, dat ik afschieten mocht. Eensklaps werd mij
+op den schouder getikt en toen ik achter mij keek, zag ik Marten staan.
+
+<p id="d0e1989">&#8220;Ben je nog boos, Huib?&#8221; vroeg hij.
+
+<p id="d0e1992">&#8220;Ja, zeker,&#8221; gaf ik ten antwoord. &#8220;Zeker ben ik nog boos! Ik en heb niet geklapt en toch gelooven ze het allemaal en jij gelooft
+het ook nog, en daarom ben ik boos! Maar ik zal daarom toch wel me&ecirc; vechten, hoor!&#8221;
+<span id="d0e1994" class="pageno">bladzijde 48</span>
+
+<p id="d0e1997">&#8220;En als ik nu zeg, dat ik het niet geloof, dat je geklapt,
+hebt?&#8221;
+
+<p id="d0e2000">&#8220;Dan jok-je, want je gelooft het toch!&#8221;
+
+<p id="d0e2003">&#8220;Gaat op zij, jongens, je staat in den weg! Er is hier geen plaats meer voor je op het dek! Gaat maar naar beneden, daar zijt
+ge veiliger!&#8221; zeide Piet Hein.
+
+<p id="d0e2006">&#8220;Ik blijf bij Vader,&#8221; zeide Marten, &#8220;en Huib blijft bij mij! Wij zijn Brielsche jongens, schipper, en niet zoo heel bang!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2009">Marten sprak mij voor en dat trof mij zoo dat ik hem mijne hand gaf; maar juist toen ik wilde zeggen, dat ik nu niet meer
+boos en was, vloog er met vreeselijk geruisch een kogel door het groot marszeil en oogenblikkelijk daarop werd ons schip hevig
+heen en weer geslingerd, want de kapitein kommandeerde &#8220;vuur!&#8221; en de twaalf stukken, die we aan bakboordszijde hadden, gaven
+den Spanjool de volle laag.&#8212;Toen hoorden wij het schieten niet meer: er was ook zooveel te hooren en te zien.&#8212;Te midden van
+het vreeselijk gedonder der kanonnen klonken allerlei kreten. Daar liep Jurrie Zwijn met eene brandende lont ons voorbij en
+Piet Hein achter hem. Eensklaps viel Jurrie Zwijn neer en Piet Hein buitelde over hem heen.
+
+<p id="d0e2012">&#8220;Kan-je niet beter op je beenen blijven staan?&#8221; vroeg Hein aan Jurrie, die daar nog altijd op het dek lag.
+
+<p id="d0e2015">&#8220;Een schot in de borst, schipper! Ik - ik sterf! Heb ik nog - veel - veel kwaad - g- goed-gemaakt, z- zeg?&#8217; sprak Jurrie.
+
+<p id="d0e2018">&#8220;Einde goed, alles goed! Je hebt je wakker gehouden, kameraad!&#8221; zeide Hein en stak hem de hand toe.
+
+<p id="d0e2021">Jurrie poogde den handdruk te beantwoorden, lachte even en ze&icirc;: &#8220;D - d - dank-je, schip-schipper! A - a - d - die!&#8217;
+
+<p id="d0e2024">De ongelukkige was dood.
+<span id="d0e2026" class="pageno">bladzijde 49</span>
+
+<p id="d0e2029">&#8220;Geleefd als een zwijn, gestorven als een man!&#8221; bromde Hein en pinkte eenen traan weg. &#8220;Mannen, legt hem uit den weg; hij
+is de eerste aan boord!&#8221; beval hij aan een paar matrozen. Deze deden dit en toen Jurrie daar zoo lag, ze&icirc; Marten:
+
+<p id="d0e2032">&#8220;Was hij je vriend, Huib?&#8221;
+
+<p id="d0e2035">&#8220;Neen,&#8221; antwoordde ik, &#8220;ik was bang van hem!&#8221;
+
+<p id="d0e2040">Marten ze&icirc; niets, maar legde een zeil over den gesneuvelde. Toen hij dit gedaan had en opkeek riep hij: &#8220;Huib, kijk, kijk!&#8221;
+
+<p id="d0e2043">En wat was er te kijken?
+
+<p id="d0e2046">Toen ik omkeek was het haast niet meer te zien. Een vijandelijk vaartuig, dat in brand stond, vloog in de lucht. Stukken balken,
+ijzers, brokken van kettingen, menschen, vuur, vlam, rook, alles vloog in de hoogte en werd wijd weggeslingerd! Hu, er ging
+eene rilling over mijn lijf! Dat was akelig!&#8212;
+
+<p id="d0e2049">Intusschen waren wij het galjoen tot op een musketschot afstands genaderd. Nog eenmaal gaven we den vijand de volle laag en
+grepen toen naar de musketten, enterhaken, bijlen en sabels.&#8212;Daar sloegen de vlammen uit het galjoen! Wij kwamen het al nader
+en nader!&#8212;De vlammen knetterden en dansten tegen het want op. Gegil, geschreeuw, musketschoten, alles klonk door elka&acirc;r! Wat
+ik toen gedaan heb, weet ik niet. &#8217;K zag mijne kameraads voor en achter mij vallen en het brandende galjoen vlak tegen ons
+aan liggen. Daar vlogen onze zeilen in brand! De groote ra en de fokkera volgden! De vlammen krulden om het want en kropen
+naar voor, naar achter, naar boven, naar beneden, rechts, links, naar alle kanten!&#8212;
+
+<p id="d0e2052">Ik dacht aan het Spaansche schip, dat ik zoo even in de lucht had zien vliegen en ... als dat gebeurde dan... <span id="d0e2054" class="pageno">bladzijde 50</span>dan waren we allen dood!&#8212;Ik dacht aan mijne moeder!&#8212;Arme moeder!&#8212;Ik dacht aan den ouden schoolmeester, aan &#8217;t Kregel Mennonietje....
+Daar vlogen de matrozen het want in!&#8212;He, wat kerels!&#8212;De kogels floten hun om de ooren;&#8212;de vlammen verschroeiden hunne hoofdharen,
+bakkebaarden, en kleeren!&#8212;Te vergeefs! De brand was niet te stuiten!&#8212;De matrozen kwamen weer naar beneden, en reeds stonden
+enkelen gereed om zich van de sloepen meester te maken toen het brandende galjoen afdreef! Welk geluk! Nu was er nog kans
+op behoud! Opnieuw werden er pogingen aangewend om den brand te stuiten, toen eensklaps het galjoen, dat ons pas een minuut
+of tien geleden verlaten had, gedeeltelijk in de lucht sprong. Het water kwam in eene vreeselijke beweging en ons schip slingerde
+geweldig. Toch deden de wakkere gasten al wat zij konden om het schip te behouden en eindelijk zagen ze hunne onvermoeide
+pogingen met een gewenschten uitslag bekroond!&#8212;Wat zag <i>de Bare</i> er uit! Men kon zien, dat ze in het gevecht geweest was, en dat onze kapitein het woord aan den Ammiraal gegeven, wakker
+gehouden had. Ook <i>de Griffioen</i> had zijn aandeel in het gevecht gehad, doch was niet zoo gehavend als wij. Langzamerhand verminderde echter het geschutgedonder
+en zoo goed en zoo kwaad dit kon, trachtten wij ons met de overige schepen te vereenigen.&#8212;
+
+<p id="d0e2063">Daar zag ik <i>de Ae&ouml;lus</i> en: &#8220;Marten, schipper, kapitein!&#8221; riep ik en liep ondertusschen van &#8217;t voor naar &#8217;t achterschip waar deze drie personen zich
+bevonden.&#8212;
+
+<p id="d0e2069">&#8220;Wat is het, dolleman? Wat is het?&#8221; vroeg Hein.
+
+<p id="d0e2072">&#8220;Kijkt dan toch!&#8221; riep ik. &#8220;De Ammiraals-vlag is te halver steng!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2075">Het blozende gelaat van Piet Hein werd bleek toen hij <span id="d0e2077" class="pageno">bladzijde 51</span>dat zag en de kapitein riep: &#8220;Kinderkens, onze Ammiraal is gesneuveld!&#8221;
+
+<p id="d0e2080">&#8220;Onze Ammiraal is gesneuveld,&#8221; in een oogenblik was het op de geheele <i>Bare</i> bekend en iedereen sloeg de schrik om het hart.
+
+<p id="d0e2086">o, Als we nu nog hadden moeten vechten, dan....
+
+<p id="d0e2089">&#8220;Kapitein Pieter Willemsz. Verhoef had dat niet moeten doen! Ei ziet, hoe &#8217;t ons allen den moed ontneemt nu het gevecht is
+afgeloopen en wij de overwinning behaald hebben! Zoo hij &#8217;t niet gedaan had, dan zouden we de Spaansche vloot misschien wel
+geheel en al vernield hebben!&#8221; zeide de oude Tromp.
+
+<p id="d0e2092">&#8220;Met uw verlof, kapitein,&#8221; hernam ik, &#8220;toen &#8217;k <i>de Ae&ouml;lus</i> naderen zag, was hare vlag nog niet te halver steng! Ik heb haar zien ne&ecirc;rhalen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2098">&#8220;Dan is onze brave Ammiraal ook pas gesneuveld!&#8221; sprak Hein. &#8220;Een wakker man verloren!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2101">&#8220;De overwinning is te duur gekocht!&#8221; bromde de kapitein en naar de davids gaande beval hij de sloep neer te laten.<a id="d0e2103src" href="#d0e2103" class="noteref">1</a>
+
+<p id="d0e2110">Kort daarop roeiden wij weer naar het Ammiraalschip! Maar, o jongen, welk eene verwoesting! De zee was bedekt met stukken
+hout, masten met fladderend want, brandende vaartuigen, wrakken en honderden dingen meer. Hier trachtte er nog een zwemmende
+het leven te redden en daar verdween een ander voor altijd in de diepte.
+
+<p id="d0e2113">Onze kapitein bleef er niet lang aan boord, en toen hij in de sloep stapte om naar zijn eigen vaartuig terug te keeren, beefde
+hij van aandoening.
+
+<p id="d0e2116">Ho, wat al nieuwsgierige blikken omringden ons toen we weder op het dek van <i>de Bare</i> stonden. Het was alsof ze allen begrepen, dat onze kapitein iets te zeggen had, dat <span id="d0e2121" class="pageno">bladzijde 52</span>ons allen aanging. Iedereen wilde weten of de Ammiraal werkelijk dood was, dan wel of de kapitein was gesneuveld.
+
+<p id="d0e2124">&#8220;Luistert, jongens, luistert!&#8221; sprak hij.
+
+<p id="d0e2127">&#8220;Laat mij ook luisteren!&#8221; sprak een onzer matrozen, die vreeselijk gewond op het dek lag. &#8220;Draag mij dicht bij onzen kapitein!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2130">Men voldeed aan zijn verzoek en toen dat geschied was had men eene speld kunnen hooren vallen.
+
+<p id="d0e2133">&#8220;Jongens,&#8221; hervatte Tromp, &#8220;wat zou ik trotsch geweest zijn zoo onze wakkere Ammiraal ons schip in dezen toestand had kunnen
+zien! Wat zou hij ons geprezen hebben als echte, kloeke Nederlanders! Eilacie, &#8217;t mocht zoo niet zijn!
+
+<p id="d0e2136">Reeds in het begin van het gevecht nam een kogel zijn linker been weg.
+
+<p id="d0e2139">Hij is in zijne volle wapenrusting gestorven, zijn volk ten strijde aanmoedigende, zijne ziele Gode bevelende! De glansrijke
+overwinning is duur, heel duur gekocht! De <span class="letterspaced">Vereenigde Provinci&euml;n</span> hebben een rechtschapen, dapper, beleidvol, edelmoedig en groot man verloren. Gij allen weet het, dat hij de Ammiraalswedde
+geweigerd heeft; hij diende zijn Vaderland om niet, en <span class="letterspaced">hoe</span> diende hij het! Waar zullen ze een vinden als hij? Wie zal hem ooit gelijken?&#8221;
+
+<p id="d0e2148">Martens wangen werden vuurrood, zijne oogen glinsterden en de hand zijns Vaders vattende ze&icirc; hij: &#8220;Vader, ik wil zoo&#8217;n Ammiraal
+worden!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2151">&#8220;Gij zijt dwaas, jongen! Gij en weet niet wat gij wilt!&#8221; zeide Tromp; maar schipper Hein legde zijne hand op Martens hoofd
+en sprak: &#8220;Met God is alles mogelijk, jongen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2154">Zoo&#8217;n Hein! Onderwijl hij zoo sprak dacht hij zeker, <span id="d0e2156" class="pageno">bladzijde 53</span>niet, dat hij eenmaal aan &#8217;t Vaderland eenen anderen Heemskerk in zichzelven geven zou.
+
+<p id="d0e2159">Nadat onze schade zoo goed mogelijk hersteld was, keerden wij allen met roem beladen naar het Vaderland terug; maar wij werden
+toch niet met die blijdschap begroet, als het geval zou geweest zijn, zoo Jacob Van Heemskerk zelf had kunnen zeggen: &#8220;Wij
+brengen u de overwinning! De Spanjaard is verslagen en zijne vloot is verbrand! De geheele wereld erkent onze meerderheid
+ter zee!&#8221;&#8212;
+<span id="d0e2161" class="pageno">bladzijde 54</span>
+
+<p>
+<hr class="noteseparator">
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e2103" href="#d0e2103src" class="noteref">1</a>
+<span class="letterspaced">Davids</span> zijn de ijzeren standers aan de zijden van het achterschip, waaraan de booten en sloepen hangen.
+
+</div>
+<h1 id="d0e2165">Gevangen genomen.</h1>
+<p id="d0e2170">Wij bleven ruim een halfjaar te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> liggen. <i>De Bare</i> had in den slag bij <span class="letterspaced">Gibraltar</span> ontzettend geleden en moest nu van onder tot boven worden nagezien. In al dien tijd was ik echter geen dag in <span class="letterspaced">Den Briel</span> geweest; want ik kreeg daartoe geen verlof, omdat ik het niet en vroeg.&#8212;Ik had niet veel goeds van mij-zelven te zeggen.&#8212;Marten
+had echter van dien tijd gebruik gemaakt om tweemaal per dag bij onzen ouden meester ter les te gaan, en daar die jonge schipper
+Piet Hein hem zoo nadrukkelijk verzekerd had, dat er vast een kapitein uit hem groeien zou, als hij maar wakker leeren wilde,
+zoo deed hij dubbel zijn best.&#8212;
+
+<p id="d0e2185">Eindelijk was ons schip in Wintermaand van &#8217;t jaar &#8217;7 weer kant en klaar voor de reize en op zekeren dag kwamen de kapitein
+en Marten onverwacht aan boord.&#8212;
+
+<p id="d0e2188">Marten kwam terstond bij me en betoonde zijne vreugde door mij alles te vertellen wat hij van <span class="letterspaced">Den Briel</span> wist.&#8212;Het &#8220;Kregel Mennonietje&#8221; ging nog altijd school en was in dien tijd heel wat gegroeid. Leeren deed hij als de beste,
+maar daar hij door zijn boos humeur altijd met iedereen overhoop lag, zoo had hij onder de jongens niet een, die veel van
+hem hield. Zelfs de meester hield niet <span id="d0e2193" class="pageno">bladzijde 55</span>van hem, hoewel deze toch nooit last van hem had. Van mijne moeder bracht hij eenen duevekater<a id="d0e2195src" href="#d0e2195" class="noteref">1</a> mede en ... meester had gevraagd of ik aan boord nog wat leerde lezen en of ik goed oppaste?
+
+<p id="d0e2202">Op die laatste vraag gaf ik geen antwoord. Ik wilde niet zeggen &#8220;ja,&#8221; want dan hadde ik eene onwaarheid gezegd. Ik had den
+weg in <span class="letterspaced">Rotterdam</span> leeren vinden, dat was al. Wanneer &#8217;k aan boord niet noodig had, dan was ik aan den wal gegaan, en &#8217;k had al spoedig een
+paar kornuiten gevonden, die mij overal brachten waar ik niet en noodig had. Geen steegje zoo klein of ik wist het! Maar leeren!
+bah, wat zou&#8217;k leeren? Ik werd t&oacute;ch nooit kapitein!
+
+<p id="d0e2208">&#8220;Nu,&#8221; ze&icirc; Marten, &#8220;kunt ge dat boekske, dat ik u met Allerheiligen zond, al lezen?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2211">&#8220;Neen, &#8217;t was zoo moeielijk, ik en kon niet!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2214">&#8220;Maar waarom hebt ge het dan den schipper niet gevraagd? Dat is een abel, bekwaam en treffelijk man!&#8221;
+
+<p id="d0e2217">&#8220;Ik en durfde dat niet te doen; hij was zelf altijd met heel dikke boeken over de zeevaart-konst in de weer!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2220">&#8220;&#8217;T is jammer, Huib! Maar als we nu maar weer in zee zijn, dan zullen we samen eens gaan leeren, h&eacute;? Ik reken nu al uit de
+cijferkonste van onzen treffelijken, geleerden Simon Stevin. Dat is een heel nieuw rekenboek en onze meester was er zelf nog
+niet recht achter!&#8212;Maar wat leelijke, gemeene slabbakken daar aan den weg staan. &#8217;T is of ze staan te wachten!&#8221;
+
+<p id="d0e2223">Marten wees naar den wal waar de twee jongens stonden, die mij den weg in <span class="letterspaced">Rotterdam</span> geleerd hadden. Ik keek om, en, zoodra ze mij zagen, riepen ze:
+
+<p id="d0e2229">&#8220;Kom-je, Huib? Kom-je? Trijn van de <span class="letterspaced">Floer Battensheul</span> heeft naar je gevraagd?&#8221;
+
+<p id="d0e2235">Ik keerde mij beschaamd om en meende dat Marten op <span id="d0e2237" class="pageno">bladzijde 56</span>mijn aangezicht zou kunnen lezen wat die jongens meenden. De <span class="letterspaced">Floer Battensheul</span> was eene brug, die aan de <span class="letterspaced">Delftsche poort</span> over eene vaart lag. Daar zat Trijn Blomzoetken, zooals wij, kw&acirc;jongens, haar noemden, iederen dag met warmoes en ooft. Menige
+penning was daar door mij besteed en toen &#8217;k verleden week geene penningen meer had, toen schonk zij mij eene maat vol zure
+schijvelingen, daar mijne twee kameraads haar vertelden, dat ik kajuitswachter op <i>de Bare</i> was en de volgende week mijne gage ontving. Ik wist wel dat zulks niet waar was, maar nam alevel de appels aan en weldra
+hadden wij deze met ons drie&euml;n allemaal opgepeuzeld.&#8212;Na dien tijd waren we daar niet geweest, en nu had Trijn de jongens er
+zeker op afgestuurd om mij te halen.&#8212;
+
+<p id="d0e2249">&#8220;Ken je die vuile, gelapte borsten, Huib?&#8221; vroeg Marten.
+
+<p id="d0e2252">&#8220;Of hij ze kent?&#8221; sprak schipper Hein, die stillekens achter ons gekomen was, &#8220;of hij ze kent, Marten? Bijlo, het zijn zijne
+beste vrienden! Niet, Huibje?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2255">&#8220;H&eacute;, Huib! Huib! Huib! Kom-je?&#8221; klonk het van den wal.
+
+<p id="d0e2258">Ik vatte moed en, als wilde ik schipper Hein tot eenen logenaar maken, riep ik: &#8220;Loopt, ik ken je niet!&#8221;
+
+<p id="d0e2261">&#8220;Heeee! Hij en kent ons niet, Jan?&#8221; schreeuwde de een en begon met den ander, die Joost heette, allerlei sprongen te maken,
+en toen ze moede waren van al die malle luchtsprongen begonnen ze te zingen:
+
+<p class="poetry">
+<p class="poetry">
+<br id="d0e2268">Fideldine, fideldijn!
+<br id="d0e2271"> Ick en dans nyet,
+<br id="d0e2274"> Ick en schrans nyet!
+<br id="d0e2277">Fideldine, fideldyn,
+<br id="d0e2280">Ick ken jou en jij kent mijn!
+
+<span id="d0e2284" class="pageno">bladzijde 57</span>
+<p class="poetry">
+<br id="d0e2288">Fideldine, Heyntjeman,
+<br id="d0e2291"> Ick en roep nyet,
+<br id="d0e2294"> Ick en snoep nyet!
+<br id="d0e2297">Fideldine, Heyntjeman,
+<br id="d0e2300">Drinckt den wijn uit volle kan.
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e2306">Fideldine, Zuyerzee,
+<br id="d0e2309"> Ick en klinck nyet,
+<br id="d0e2312"> Ick en drinck nyet!
+<br id="d0e2315">Fideldine, Zuyerzee,
+<br id="d0e2318">Huib blijft hier en Trijn gaet me&ecirc;!
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e2324">Fideldine, kakelbonght,
+<br id="d0e2327"> Ick en krijgh nyet,
+<br id="d0e2330"> Ick en swijgh nyet!
+<br id="d0e2333">Fideldine, kakelbonght,
+<br id="d0e2336">Volle kannen syn ghesont!
+
+
+<p id="d0e2341">&#8220;Kom, Huib, zing dat fijne mopsjen toch mee, man!&#8221; ze&icirc; Hein.
+
+<p id="d0e2344">&#8220;Ik en ken dat mopsjen niet&#8217;,&#8221; gaf ik ten antwoord; maar de roode kleur, die ik kreeg, zeide maar al te wel dat ik loog.
+
+<p id="d0e2347">&#8220;Heeee, fijnman, heeee! Kom dan toch, of we gaan alleen naar onze goede Trijn Blomzoetken!&#8221; schreeuwde Joost en gooide zijne
+muts in de hoogte, duikelde tweemalen over den kop, pakte Jan bij den arm en voort gingen ze. Al lang waren ze de naaste straat
+ingeslagen toen ik hen nog hoorde zingen:
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e2352">Die backer Joosten al op den hoek, - Hi - ha - hoe!
+<br id="d0e2355">Die slaet syn wijf met Bagynenkoeck, - Bi - ba - boe!
+<br id="d0e2358"> En so die Backer dat nyet en deed,
+<br id="d0e2361"> Dan segh ick nyet wat ick wel weet!
+<br id="d0e2364"> Hi - ha - hoe! Bi - ba - boe!
+
+<span id="d0e2368" class="pageno">bladzijde 58</span>
+<p id="d0e2370">Marten had zich met den schipper verwijderd en was drok met hem in gesprek.
+
+<p id="d0e2373">Ik bleef moederziel alleen staan en tranen van spijt sprongen mij uit de oogen. Intusschen was ik in duizend vreezen, dat
+Trijn Blomzoetken komen zou en mij om geld vragen, dat ik niet en had. o, Als dat gebeurde, wat dan?
+
+<p id="d0e2376">Het eene uur na het andere verstreek evenwel en het werd &eacute;&eacute;n uur. Nog een half uur dan gingen we heen en als de kabels maar
+los waren, als de loopplank maar weggenomen was, dan....
+
+<p id="d0e2379">Waarlijk, het geluk diende mij. Juist met klokke half twee werden de kabels losgemaakt, de plank werd ingehaald en onder het
+&#8220;Hoezee!&#8221; der toeschouwers verlieten we den wal. Juist bij tijds! Daar verscheen eene vrouw aan den kant, die de vuisten naar
+ons opstak en zeker allerlei scheldwoorden schreeuwde. Wij waren echter al te ver af en er was te veel beweging aan boord
+om haar te verstaan. De kapitein had haar echter wel gezien en deed bij den schipper onderzoek naar de zaak. Of die Hein er
+nu achter gekomen was, dat ik bij Trijn Blomzoetken schuld op den kerfstok had, dan wel of hij haar verstaan had, ik en weet
+het niet; maar toen wij des avonds met gunstigen wind <span class="letterspaced">Den Briel</span> passeerden en ik onzen stompen toren naoogde zoo lang ik kon, kwam de kapitein bij me en ze&icirc;:
+
+<p id="d0e2385">&#8220;Huib, ik en wil niet meer, dat mijn zoon met je omgaat. Een jongen als jij, die den kostelijken tijd verluilakt, go&ecirc;vrindschap
+maakt met gemeene straatjongens, en er een kerfstok op na houdt bij appelvrouwen, als Trijn Blomzoetken van de <span class="letterspaced">Floer Battensheul</span>, zulk een is geen geschikt kompeer voor mijn jongen! Ik zal je voortaan behandelen als ieder ander mijner matrozen, dat zal
+ik; maar reken er op dat joffer Driestreng<a id="d0e2390src" href="#d0e2390" class="noteref">2</a> gereed ligt, als <span id="d0e2399" class="pageno">bladzijde 59</span>ik je op het achterschip zie. Je plaats is voor en je heet pluimgraaf! Begrepen?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2402">Ik knikte maar gaf geen antwoord.
+
+<p id="d0e2405">Mijn lot was treurig; maar in plaats van mijzelven de schuld te geven en te denken aan het spreekwoord. &#8220;Wie met pek omgaat
+raakt er mede besmet,&#8221; gaf ik anderen, vooral dien babbelaar van een schipper de schuld. Ik meende maar dat elk en een ieder
+het er op toelegde om mij ongelukkig te maken. Dat was zeer verkeerd; want zoo ik berouw gevoeld had, dan hadden de anderen
+mij niet altijd links laten liggen.&#8212;
+
+<p id="d0e2408">Wij zetten eerst koers naar <span class="letterspaced">Vlissingen</span> en wat &#8217;n geluk! Daar ging schipper Hein aan boord van een ander vaartuig over, en wij kregen in zijne plaats een kloek Arnemuidenaar,
+die er uitzag als eene Maartsche bui en al dadelijk begon met mij te vertellen, dat hij mij, als ik hem in den weg liep, een
+schop zou geven dat ik in de <span class="letterspaced">Wielingen</span> zou vliegen om met de bruinvisschen te leeren duikelen.
+
+<p id="d0e2417">Met eene stevige bries zett&#8217;en wij koers naar <span class="letterspaced">Engeland</span>, voeren door het <span class="letterspaced">Kanaal</span> en kwamen weldra in den <span class="letterspaced">Oceaan</span>.
+
+<p id="d0e2429">Waarheen was de tocht? En waarom was ons schip zoo sterk bemand? Waarom hadden we zooveel kruit en kogels aan boord? Ging
+het naar den Spanjaard en mogelijk alweer naar <span class="letterspaced">Gibraltar</span>? Ik zag geen land en niets dan lucht en water en water en lucht. De wind was omgeloopen en thans werd de koers, nadat we
+wel acht dagen lang maar altijd westelijk aangehouden hadden, naar het zuiden gericht.
+
+<p id="d0e2435">Kon ik toch maar eens te weten komen waarheen het ging! Maar ik had met geen mensch kameraadschap gesloten, en &#8217;k wist nu
+ook niet wien ik het zou durven <span id="d0e2437" class="pageno">bladzijde 60</span>vragen. Het werd al heeter en heeter! Midden op den dag was het in de zon op het dek niet uit te houden! Intusschen begonnen
+de konstabels en matrozen <i>de Bare</i> in eenen geduchten staat van verdediging te stellen. De kogels lagen op het dek en de vaatjes met kruit werden voor den dag
+gehaald.&#8212;
+
+<p id="d0e2443">Ik wist niet eens welken dag van de maand wij hadden; en of het Zondag of midden in de week was, daar bekommerde ik mij niet
+om; ik zat en leefde maar alleen. Doch eens op een&#8217; dag,&#8212;&#8217;t moest Zondag zijn, want de schrijver las eene preek voor en deed
+het gebed,&#8212;riep de wacht ineens: &#8220;Een zeil! een zeil!&#8221; In een oogenblik was alles op het dek.
+
+<p id="d0e2446">Dat was zeker geen schip van de Compagnie; want de wijze waarop wij het gingen ontvangen, was alles behalve vriendelijk. Het
+bleek ook weldra dat het niet &eacute;&eacute;n schip was; want ik telde er al heel gauw zeven en later zelfs twaalf.
+
+<p id="d0e2449">In hunne vlag was een halve Maan en terstond begreep ik dat het Turksche zeeroovers waren. Denkelijk kwamen ze wel van <span class="letterspaced">Salee</span> en loerden ze op onze rijk geladen Compagnie-schepen.
+
+<p id="d0e2455">Daar klonk een schot van een der roovers en terstond werd het door de onzen beantwoord.
+
+<p id="d0e2458">&#8220;Mannen,&#8221; zeide de kapitein, &#8220;de vijand is talrijk, maar moed verloren, al verloren! Houdt dan couragie, jongens! Wakker er
+op in! Die Turksche rabauwen zullen weten dat wij geen katten zijn, die men zonder handschoenen kan aanvatten! Voor Zijne
+Excellentie Prins Maurits en de Compagnie! Hoezee! Hoezee!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2461">Ik had volstrekt geen plan om me&ecirc; te roepen, doch &#8217;t is aanstekelijk geloof ik; want ik schreeuwde me&ecirc;, zoo hard <span id="d0e2463" class="pageno">bladzijde 61</span>ik kon: &#8220;Voor Zijne Excellentie Prins Maurits en de Compagnie! Hoezee! Hoezee!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2466">De vreemde schelmen schenen zich om ons geschreeuw al heel weinig te bekommeren en hielden, voortgaande met schieten, steeds
+op ons aan. Zij schenen nog weinig verstand van het geschut te hebben, want al de kogels vlogen hoog door het want heen.&#8212;Onze
+konstabels daarentegen waren betere schutters; bijna elk schot was raak. Maar wat hielp het? In minder dan een uur waren wij
+rondom ingesloten. We hadden het thans van alle kanten te kwaad. Die rabauwen, &#8217;t moet gezegd worden, waren niet bang, en
+zonder dat wij het verhinderen konden, werd <i>de Bare</i> ge&euml;nterd en klommen de vijanden als katten bij ons aan boord. Toen werd het een bloedig gevecht! De kapitein stond vooraan
+en sloeg er wakker op in; maar eensklaps ontving hij eene doodelijke wonde en viel voorover op het dek. Een oogenblik staakten
+de onzen het gevecht, doch toen Marten dit zag, bukte hij, greep den degen van zijnen vader en met vuurstralende oogen en
+met tranen op de wangen schreeuwde hij: &#8220;Jongens, helpt dan mijn arm vadertje wreken! Toe dan, toe dan, helpt mij!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2472">&#8220;Ja, ik wil je helpen,&#8221; riep de lange schipper en zijn bijl wegwerpende pakte hij eensklaps een der opperhoofden om zijn middel,
+tilde hem van het dek op en smeet hem over boord.
+
+<p id="d0e2475">&#8220;Doet als ik!&#8221; riep hij en wilde eenen tweeden vijand op dezelfde manier over boord smijten, doch deze zag het spelletje aankomen
+en deed een geduchten houw naar hem.
+
+<p id="d0e2478">&#8220;Wel ja, wou je me daar zoo maar een lik uit de pan geven?&#8221; riep de Arnemuidenaar lachende. &#8220;Ik en lust geen likjes, maar
+misschien lust jij wel een zoopje haaienwijn!&#8221;
+<span id="d0e2480" class="pageno">bladzijde 62</span>
+
+<p id="d0e2483">Ook deze vijand werd als een veer opgetild; doch hij was sterker dan de ander en hield zich aan den schipper vast.
+
+<p id="d0e2486">&#8220;Nou, niet of graag! Wil je me niet loslaten dan gaan we samen! Adie, jongens, houdt je goed!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2489">Zoo riep hij en eensklaps sprong hij van de verschansing en verdween in de diepte.&#8212;
+
+<p id="d0e2492">Nog een oogenblik hielden we den ongelijken strijd vol; maar ten leste moesten wij den kamp opgeven en we zagen ons genoodzaakt,
+wilden we het voorbeeld van den wakkeren en moedigen schipper niet volgen, de wapenen neer te leggen en ons over te geven.&#8212;
+
+<p id="d0e2495">Marten en ik werden met nog drie anderen aan boord van het grootste roofschip gebracht, om daar als honden behandeld te worden
+en den bevelhebber op zijne wenken te bedienen.&#8212;Op zijne wenken, precies, want geen van de vijf kon die kerels verstaan. Gelukkig
+dat we nog aanspraak aan elkander hadden en, dat Marten vergat, dat ik te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> met zulke gemeene jongens kennis had gemaakt. Het liefst sprak hij met mij over zijn&#8217; Vader en zijne Moeder, en ook ik hoorde
+er graag over spreken; want als Marten van zijne Ouders vertelde, dan vertelde ik van de mijne, en als hij &#8217;t over <span class="letterspaced">Den Briel</span> had, dan had ik het ook daarover. Wij aten uit &eacute;&eacute;n bak; wij dronken uit &eacute;&eacute;n kroes; wij sliepen in &eacute;&eacute;n vuil hok; wij kregen
+slagen met dezelfde zweep! Wij waren de beste vrienden; wij waren beide gevangenman en nu ... nu kent hij mij amper en hij
+is Luitenant-Ammiraal en ik ben matroos! Jonge Kees, jongen, spiegel je aan mij! Maar de zon is onder; ik ga ter kooi! Morgen
+de rest! Wel te rusten!&#8221;&#8212;
+<span id="d0e2503" class="pageno">bladzijde 63</span>
+
+<p>
+<hr class="noteseparator">
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e2195" href="#d0e2195src" class="noteref">1</a> Een <span class="letterspaced">duevekater</span> was een soort van koek of gebak. Men zond het elkander op sommige feestdagen tot een geschenk.
+
+</div>
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e2390" href="#d0e2390src" class="noteref">2</a> Een <span class="letterspaced">driestreng, knuttel</span> of <span class="letterspaced">knut</span> is een touw waarmede de matrozen geslagen worden, als ze straf verdiend hebben.
+
+</div>
+<h1 id="d0e2507">Ontvlucht en nog eens bij t&#8217; &#8220;Kregel Mennonietje.&#8221;</h1>
+<p id="d0e2512">&#8220;Onze galei zette koers naar <span class="letterspaced">Salee</span>. Bijna twee jaren lang hadden we met de roovers heen en weer gezworven en in al dien tijd geen enkel schip van de Compagnie
+gezien. Wel hadden we in dien tijd een stuk of drie Spaansche schepen overmeesterd, maar voor het overige hadden we niet veel
+meer gedaan dan geluierd.&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2518">Zoo begon Huib den volgenden morgen zijne vertelling, doch in plaats van enkel Jonge Kees tot toehoorder te hebben, had hij
+er nu wel tien van de bemanning om zich heen. Nauwelijks toch had Jonge Kees aan &eacute;&eacute;n zijner makkers verteld, dat de oude Huib
+bezig was de geschiedenis van Goede Va&ecirc;r Tromp te verhalen, of deze briefde het aan anderen over. Zoolang Huib nog niet aanwezig
+was, vertelde Jonge Kees alles wat de oude man hem den vorigen dag verhaald had. De matrozen waren dus redelijk op de hoogte
+der geschiedenis en luisterden met ingespannen aandacht naar hetgeen Huib thans ging mededeelen.
+
+<p id="d0e2521">
+<div id="d0e2523" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/pl063.jpg" alt="">
+</div>
+
+<p id="d0e2526">&#8220;We hadden gedurende die twee jaren niet veel anders gedaan dan geluierd,&#8221; zoo vervolgde de verteller. &#8220;Hadden we maar beter
+voedsel gekregen, waren we maar niet zoo mishandeld geworden en hadden we maar geene Moeder <span id="d0e2528" class="pageno">bladzijde 64</span>in <span class="letterspaced">Den Briel</span> gehad, zie, we zouden ons vrij goed in ons lot hebben kunnen schikken! Maar nu! o, Wat hebben we met ons vijven al plannen
+gemaakt om te ontvluchten! Nu verzon de een dit, dan de ander dat plan! Maar de Turken hielden ons altijd in het oog en bewaakten
+ons zorgvuldig.
+
+<p id="d0e2534">Ten leste hadden we alle plannen ter ontvluchting maar opgegeven, en hoopten we alleen, dat de goede God ons onverwacht uitkomst
+zou geven.
+
+<p id="d0e2537">Zoo als ik ze&icirc;, wij zett&#8217;en koers naar <span class="letterspaced">Salee</span>, en dat wel hoofdzakelijk omdat ons vaartuig eenige noodzakelijke herstellingen moest ondergaan. &#8217;T was een oude, versleten
+kast!&#8212;Daar vertoonde zich eensklaps aan den gezichteinder donkere wolken, die al hooger en hooger kwamen. &#8217;T werd bladstil
+en de groote zee leek meer op eenen gladden spiegel dan op een stormachtig bewogen waterplas.&#8212;De rooverkapitein zag het onweder
+nader komen en scheen er niet veel vrede me&ecirc; te hebben, daar hij wel begreep, dat het oude schip niet veel weerstand zou kunnen
+bieden.&#8212;Achter aan &#8217;t vaartuig had men de boot al gereed liggen om, als de nood drong, hiermede te trachten althans het leven
+te redden.&#8212;Intusschen brak er een hevig onweder over ons hoofd los. De storm verdubbelde zijn geweld.
+
+<p id="d0e2543">&#8217;T was klaar dat het schip het niet houden zou en daarenboven schenen we in de nabijheid van vele blinde klippen te zijn.
+
+<p id="d0e2546">De rooverkapitein gaf het teeken, de bemanning maakte de boot los, vulde ze met proviand, bond ons alle vijf aan scheepsboord
+vast en verliet het vaartuig.
+
+<p id="d0e2549">Marten lag dicht bij me en scheen te bidden. Nu, dat was dan ook wel noodig; want het gevaar waarin wij verkeerden <span id="d0e2551" class="pageno">bladzijde 65</span>was zeer groot. We zagen niets dan den dood voor oogen.
+
+<p id="d0e2554">Het brooze vaartuig werd naar alle zijden heen en weer geslingerd.&#8212;Maar dat zou juist ons geluk zijn. Men had Marten met de
+handen aan een touw gebonden, dat als een muur zoo vast, tusschen twee watervaten zat.&#8212;Er zouden reuzenkrachten noodig geweest
+zijn om zich los te rukken, maar de holle zee was sterker dan een reus.&#8212; Eene golf, zoo groot als ik nog nooit gezien heb,
+sloeg over de verschansing; wij dachten dat ons laatste uur geslagen was, en...een der vaten was omgekanteld en het touw was
+los. Thans waren Martens handen spoedig vrij en al lag de knoop ook vast om zijn beenen, die kwam toch ook los.
+
+<p id="d0e2557">&#8220;Ik zal u helpen, mannen,&#8221; sprak hij, en kroop op handen en voeten naar de kajuit. Weldra kwam hij met een mes terug, hij
+sneed onze banden los en, juist toen de storm op het felste was, waren we alle vijf vrij.&#8212;De andere drie matrozen waren bevaren
+gasten en inplaats van zich kleinmoedig te betoonen, sloegen ze de handen aan het werk. De hoop, van nog eenmaal het lieve
+Vaderland terug te zien, gaf dubbele kracht.
+
+<p id="d0e2560">Langzamerhand bedaarde de storm. Wel stond de zee nog hol; maar wij vertrouwden er op dat de Heer redding zou geven.
+
+<p id="d0e2563">&#8220;Wien God bewaart is wel bewaard, mannen,&#8221; sprak de oudste matroos en wij allen zeiden hierop: &#8220;Amen!&#8221;
+
+<p id="d0e2566">Na meer dan twee uren lang tegen den storm en de zee geworsteld te hebben, waren we het gevaar te boven, als we maar zorgden
+dat de twee pompen nooit stil stonden. Zoodoende was er altijd &eacute;&eacute;n eenige oogenblikken vrij om wat te rusten of te eten.&#8212;Twee
+dagen lang hadden we <span id="d0e2568" class="pageno">bladzijde 66</span>zoo doorgebracht; we waren door en door moede en langzamerhand begonnen we te vreezen, dat we ten leste het toch nog zouden
+moeten opgeven.&#8212;We hadden geen tijd om behoorlijk uit te zien of er ook een schip naderde, zoodat we opschrikten toen we een
+schot hoorden klinken.
+
+<p id="d0e2571">We keken op, en... o, vreugde, niet zoo heel ver van ons kwam een Oostindie-vaarder op ons af.&#8212;
+
+<p id="d0e2574">Nog altijd woei de vlag met de Halve maan van den achtersteven! Schielijk werd ze neergehaald en door allerlei teekenen gaven
+wij te kennen, dat wij geene zeeroovers waren. Men scheen ons maar half te gelooven, want vier welgewapende booten kwamen
+op ons af.&#8212;Met gejuich werden ze door ons begroet en met groot gejuich werden we door die mannen opgenomen.
+
+<p id="d0e2577">Wij waren gered; maar, o jongens, toen &#8217;k eindelijk het dek van de <i>Maria</i> onder mijne voeten had, toen scheen er aan mijne vreugde geen einde te zullen komen.
+
+<p id="d0e2583">De <i>Maria</i> was een goed bezeild schip; de wind was voorbeeldeloos gunstig en toch gingen we naar onzen zin veel te langzaam. Eindelijk
+kwamen we echter toch waar we wezen moesten en den 14den van Wintermaand in &#8217;t jaar 1610 lagen we weer voor <span class="letterspaced">Rotterdam</span>.
+
+<p id="d0e2592">Spoedig begaven we ons naar <span class="letterspaced">Den Briel</span>. Wat zou mijne goede moeder blijde zijn als ze me weer zag!&#8212;-Maar, eilacie, nog was ik niet in de stad toen &#8217;k een droeve
+tijding vernam.&#8212;
+
+<p id="d0e2598">&#8220;Hei, hei!&#8221; hoorden we achter ons roepen.
+
+<p id="d0e2601">We keken om en zagen een breedgeschouderden knaap op ons afkomen. Marten meende hem te kennen, maar toch....
+
+<p id="d0e2604">&#8220;Waar kom jelu&icirc; van daan?&#8221; vroeg de knaap toen hij ons genaderd was.
+<span id="d0e2606" class="pageno">bladzijde 67</span>
+
+<p id="d0e2609">&#8220;Heb ik het niet gedacht,&#8221; riep Marten, &#8220;&#8217;t is ons &#8220;Kregel Mennonietje!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2612">&#8220;Ei, ei, wat ge goed raden kunt, en jij bent, he&#8212; heee&#8212;die bruine is Marten en die halve zwarte is Huib! Heee!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2615">&#8220;En hoe gaat het in <span class="letterspaced">Den Briel</span>?&#8221; vroeg ik.
+
+<p id="d0e2621">&#8220;Goed, goed, best, opperbest zelfs! Sinds een paar weken geef ik geregeld iederen dag een stuk of drie jongens op hun falie
+want, weet-je, &#8217;k heb me laten doopen! Lekker, h&eacute;? Kom nog eens aan mijn lijf als je durft!&#8221;<a id="d0e2623src" href="#d0e2623" class="noteref">1</a>
+
+<p id="d0e2630">Wij stonden met groote oogen te kijken en Witte had er zooveel pret in, dat hij dadelijk zijn buis op den grond smeet en ze&icirc;:
+&#8220;Wil-je, zeg, wil-je? Allebei te gelijk, kom maar op!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2633">&#8220;Neen, Witte, we willen niet vechten! Zeg ons maar hoe &#8217;t in <span class="letterspaced">Den Briel</span> is!&#8221; zeide Marten.
+
+<p id="d0e2639">&#8220;o Goed, goed! &#8217;K heb gisteren je moeder nog gezien, springlevend maar een weinig treurig.&#8212;Jou vader en moeder zijn dood,
+Huib! Je vader is hier in &#8217;t zeegat over boord geslagen en verdronken, en je moeder is vandaag voor eene week gestorven. Ze
+zeggen van verdriet! Maar zeg, wil-je nou niet ereis?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2642">&#8220;Wil-je nou niet ereis?&#8221; Wie zou nu lust in &#8217;t vechten hebben? Maar hij kon het wel zeggen om mij te plagen en daarom vraagde
+ik: &#8220;Maar zeg, Witte, is het waar?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2645">&#8220;Als je me niet gelooft dan begin ik dadelijk! Ik en ben geen leugenaar!&#8221; was het antwoord.
+
+<p id="d0e2648">Ik snelde naar de stad, kwam bij ons huisje en vernam daar van de buren wat er gebeurd was!&#8212;
+
+<p id="d0e2651">Ik keerde mij om en ging buiten de poort eens uitweenen!
+
+<p id="d0e2654">Die arme goede, goede, brave, lieve Moeder!
+<span id="d0e2656" class="pageno">bladzijde 68</span>
+
+<p id="d0e2659">Ik kwam niet in de stad terug; maar twee dagen later was ik weer te <span class="letterspaced">Rotterdam</span>, waar ik mij op een Straatvaarder liet aanmonsteren.
+
+<p id="d0e2665">Een half jaar later dan ik kwam Marten aan boord van <i>De Haai</i>, een schoon schip waarover Pieter Pietersz. Hein Kapitein was.
+
+<p id="d0e2671">Marten was in goede handen!
+
+<p id="d0e2674">En ik?&#8212;
+<span id="d0e2676" class="pageno">bladzijde 69</span>
+
+<p>
+<hr class="noteseparator">
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e2623" href="#d0e2623src" class="noteref">1</a> Witte Cornelisz. De With liet zich in 1610 door den predikant Leuwins van <span class="smallcaps">Nieuwenhoorn</span> doopen. Zijn vader was reeds in 1602 overleden. Witte zelf bleef tot zijn 17de jaar aan wal en had in dien tijd twaalf ambachten
+en dertien ongelukken.&#8212; Toen ik tot zoover in mijn verhaal gekomen was, wist ik niet dat Witte&#8217;s vader al gestorven was.&#8212;Zijne
+moeder overleed echter eerst in 1624.
+
+</div>
+<h1 id="d0e2680">Bezuiden de Linie.</h1>
+<p id="d0e2685">Het was in den zomer van 1625 dat ik te <span class="letterspaced">Enkhuizen</span> met een mooie som gelds in den zak door de straten liep wandelen. Vijftien jaren lang had ik op onderscheidene Straatvaarders
+als matroos dienst gedaan. Zonder nu nog slecht opgepast te hebben, had ik toch niemendal gedaan om mij boven anderen te onderscheiden.
+Ik bleef, die ik was. Als matroos zeilde ik uit, als matroos kwam ik terug, en als matroos liet ik mij telkens opnieuw aanmonsteren.
+Soms verdiende ik weinig, soms weer veel geld, maar onverschillig of het veel of weinig was wat ik aan den wal bracht, het
+was altijd veertien dagen later, soms al vroeger, schoon op en dan was er weer maar niets anders te doen dan als matroos dienst
+te nemen. Wat heb ik wel met dat zuurverdiende, kostelijke geld geleefd! Het rolde zoo maar mijn zakken uit; nu eens in een
+huis waar men toeback dronk, dan weer in de gelagkamer van eene matrozentaveerne en menigmaal ook in den zak van dat soort
+volk, dat den onbezorgden matroos den laatsten duit voor allerlei snorrepijperijen weet af te troggelen.
+
+<p id="d0e2691">Mijne laatste reize was eene uitmuntende geweest. De buidel was nog nooit ofte nimmer zoo goed voorzien geweest, en daarom
+besloot ik eens naar <span class="letterspaced">Amsterdam</span> te <span id="d0e2696" class="pageno">bladzijde 70</span>gaan om daar,&#8212;och, wat helpt het al geef ik er een mooi kleurtje aan?&#8212;om daar mijn geld zoek te maken.
+
+<p id="d0e2699">Wat zou ik doen? Varen, loopen of rijden? Varen? Dank-je, dat was wat al te saai, daar en had ik geen lust in! Loopen? Eene
+lieve wandeling van <span class="letterspaced">Enkhuizen</span> naar <span class="letterspaced">Amsterdam</span>! Rijden? Wel ja, dat moest ik eens doen! Ik had het zeker in geen twintig jaren gedaan!&#8212;
+
+<p id="d0e2708">Dat was dus besloten! Ik zou rijden!&#8212;
+
+<p id="d0e2711">Toen ik goed en wel op weg was, had ik er wel spijt van en dacht ik aan het zeggen van een oud kameraad: &#8220;Liever met eene
+oude schuit op zee, dan met eenen nieuwen wagen op het land,&#8221; maar, ik had gekozen en &#8217;k wilde nu niet als een echte flauwerd
+terug krabbelen.
+
+<p id="d0e2714">Half ziek van het hotsen en schudden kwam ik&#8217;s avonds om tien uur te <span class="letterspaced">Amsterdam</span> aan.&#8212;Er was weinig verkeer meer op straat, doch aan den <span class="letterspaced">IJkant</span> hoorde ik uit eene kleine taveerne een vroolijk gelach klinken.&#8212; Waar gelachen werd daar moest ik wezen, dat zou me wat opknappen.
+Ik trad de taveerne binnen en kon in het eerst bijna niets onderscheiden, zoo vol was het met toebacksrook. Eene kaars, die
+op eene toonbank stond, geleek veel op een maantje in &#8217;t laatste kwartier dat in den mist opkomt. Ik hield de handen voor
+de oogen en ontdekte eindelijk aan een tafeltje, waar nog zoo&#8217;n laatst-kwartier-maantje stond te walmen, een stuk of zes matrozen.
+Ik schikte bij en weldra moest de nieuweling een rondje bier geven. De pijpen werden nog eens aangestoken, en de pret begon
+opnieuw.
+
+<p id="d0e2723">Maar of het nu kwam door den rook, door het bier of door de vermoeienissen van de reis, ik en weet het niet, doch dat weet
+ik wel, dat ik op het laatst wat hoorde gonzen en babbelen; maar ik sliep eindelijk zoo <span id="d0e2725" class="pageno">bladzijde 71</span>vast, dat men wel een kanon aan mijne ooren had kunnen afschieten eer ik wakker was geworden.
+
+<p id="d0e2728">Hoe lang ik geslapen had weet ik niet; maar ik werd wakker toen de zon al lang aan den hemel stond, en niet in de gelagkamer
+van de taveerne, maar op een&#8217; steekwagen, die op straat onder eene poort stond.&#8212;Ik wreef mijne oogen eens uit, ging overeind
+zitten en trachtte mij te herinneren waar ik den vorigen avond geweest was. Zou ik soms...? Ik voelde naar mijnen buidel en
+... hier niet, daar niet,&#8212;weg! In een oogenblik was ik van den steekwagen aan den <span class="letterspaced">IJkant</span>! Maar inplaats van &eacute;&eacute;ne taveerne te vinden, zag ik er wel meer dan een dozijn en zij geleken allen op elkander als de eene
+droppel water op den anderen.&#8212;Ik ging ze binnen, doch werd overal ruw bejegend, ja, soms dreigde men mij met den Schout.&#8212;
+Wat moest ik doen?&#8212;
+
+<p id="d0e2734">&#8220;Zoek-je een schip, kompeer?&#8221; vroeg mij een varensgezel.
+
+<p id="d0e2737">&#8220;Ja, hoe eer hoe liever!&#8221; gaf ik ten antwoord.
+
+<p id="d0e2740">&#8220;Ga dan maar mee,&#8221; sprak hij.
+
+<p id="d0e2743">Ik volgde mijnen nieuwen makker en een half uur later was ik aan boord van de <i>Drie Zusters</i>, een flink oorlogsfregat.&#8212;
+
+<p id="d0e2749">De bemanning was voltallig. De kapitein kwam aan boord en ... bedrogen mij mijne oogen? Wie was dat? Nog zoo jong, lang, veel
+ouder geworden, maar....
+
+<p id="d0e2752">&#8220;Zeg eens, ouwentje,&#8221; vroeg ik een mijner kameraads, &#8220;hoe heet de kapitein?&#8221;
+
+<p id="d0e2755">&#8220;De kapitein?&#8221; was het antwoord, &#8220;de kapitein? &#8217;K zal dertigmaal eene reis om de wereld maken, als ik het weet! Ik ben hier
+ook pas! Zeg, jij daar met je bruine buis en je dunne spillebeenen, hoe heet de kapitein?&#8221;&#8212;
+<span id="d0e2757" class="pageno">bladzijde 72</span>
+
+<p id="d0e2760">De aangesprokene keerde zich even om en zei: &#8220;Wou je &#8217;t weten?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2763">&#8220;Ja, ik, ik wou het weten!&#8221; gaf &#8217;k ten antwoord.
+
+<p id="d0e2766">&#8220;Welnu dan, hij heet Marten Harpertsz. Tromp.&#8221;
+
+<p id="d0e2769">&#8220;Marten Harpertsz. Tromp uit <span class="letterspaced">Den Briel</span>?&#8221; riep ik.
+
+<p id="d0e2775">&#8220;Je raadt het. Hij is de lieveling van onzen Onder-Ammiraal Pieter Pietersz. Hein. Hij heeft met hem twee malen bij de Spanjolen
+gevangen gezeten en ik geloof haast, dat de een niet buiten den ander kan!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2778">Het was of het dek van de <i>Drie Gezusters</i> een kogel geworden was met zeep besmeerd. Ik kon haast niet blijven staan en alles draaide voor mijne oogen in het rond.
+D&agrave;t Marten Harpertsz. Tromp! D&agrave;t mijn vroegere speelkameraad! D&agrave;t op de Turksche zeeroover mijn slaapmakker, mijn gelijke!
+En nu&#8212;hij kapitein en ik&#8212;matroos!&#8212;O, die Zwijn, die Zwijn!&#8212;Hij was de schuld van alles! Ware die niet aan boord van <i>De Bare</i> geweest, dan, dan ...
+
+<p id="d0e2787">Maar daar kwam die oude Brielsche schoolmeester weer in mijne gedachten en het was of &#8217;k hem nog hoorde zeggen: &#8220;Kwikkwik,
+janslik demp mijn oor is peperpit&#8221; of hoe dat Latijnsche spreekwoord heeten mag, maar dat zooveel moest beteekenen als: &#8220;De
+tijd die voorbijging is verloren!&#8221;
+
+<p id="d0e2790">We waren al veertien dagen in volle zee en hoe slim ik het ook menigmaal aangelegd had om Marten eens aan te spreken, het
+was mij niet gelukt.
+
+<p id="d0e2793">Zoo peinzende op een nieuw middel liep ik &#8217;s morgens op den vijftienden dag doelloos van stuurboord naar bakboord en keek
+maar gestadig op het dek.
+
+<p id="d0e2796">&#8220;Zoek-je wat, matroos?&#8221; klonk op eens eene stem naast mij.
+
+<p id="d0e2799">Het was die van Marten.
+
+<p id="d0e2802">&#8220;Neen, kapitein, maar, maar ...&#8221;
+
+<p id="d0e2805">&#8220;Nu, wat is het? Heb je wat te vragen?&#8221;&#8212;
+<span id="d0e2807" class="pageno">bladzijde 73</span>
+
+<p id="d0e2810">&#8220;Ja, kapitein, maar, maar ik durf haast niet!&#8221;
+
+<p id="d0e2813">&#8220;Ben-je behekst, kerel? Ik ben toch geen haai! Vraag op, wat is het?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2816">Ik beefde van, ja, ik weet niet waarvan, maar ik kon mijzelven haast niet verstaan toen ik vroeg: &#8220;Kent u mij niet, kapitein?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2819">Marten bekeek me nauwkeurig en zei: &#8220;Ja, jawel, je bent,&#8212;je bent ... neen, ik ken je toch niet!&#8221;
+
+<p id="d0e2822">Ik lachte als een kind dat slaag krijgt en dat lacht, omdat het anders nog meer krijgt.&#8212;
+
+<p id="d0e2825">&#8220;Nu, wie ben-je dan?&#8221; vroeg Marten.
+
+<p id="d0e2828">&#8220;Huib Maerlant!&#8221; stotterde ik.&#8212;
+
+<p id="d0e2831">Tromp sprong wel drie schreden achteruit, doch kwam spoedig naar mij toe en ze&icirc;: &#8220;Huib, Huib, wie had dat gedacht toen we
+op den <span class="letterspaced">Burgheuvel</span> te <span class="letterspaced">Oostvoorne</span> zeegevechtje speelden, toen we te zamen voeren en&#8212;te zamen zweepslagen ontvingen! Je bent niet gelukkig geweest, Huib!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2840">Ik meende te zeggen: &#8220;Zoo gelukkig niet als jij, Marten!&#8221; maar ik bedacht mij gelukkig intijds en sprak zuchtende: &#8220;Neen,
+kapitein, daar ontbreekt veel aan!&#8221;
+
+<p id="d0e2843">&#8220;Ook niet zoo gelukkig, als ik!&#8221; sprak Tromp. &#8220;Maar jongen, om het zoo ver te brengen heb ik heel wat moeten doen en heel
+wat moeten doorstaan! Maar, herinner je dien jongen schipper nog, die eerst aan boord van <i>De Bare</i> was?&#8221;
+
+<p id="d0e2849">&#8220;Jawel, kapitein! U bedoelt dien Pieter Pietersz. Hein?&#8221;
+
+<p id="d0e2852">&#8220;Juist! Nu, ik ben gelukkig in zijne handen gevallen. Hij heeft mij gemaakt, die ik ben; aan hem heb ik alles te danken. Hij
+is nu onze Onder-Ammiraal!&#8221;
+
+<p id="d0e2855">&#8220;Ik weet het kapitein! Maar weet u ook wat er van het &#8220;Kregel Mennonietje&#8221; geworden is?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2858">&#8220;Die volgt mij op den voet, Huib! Hij is nu al luitenant <span id="d0e2860" class="pageno">bladzijde 74</span>aan boord van Boudewijn Hendriksz. den Ammiraal.&#8212; Als Witte zoo voortgaat dan ...&#8221;
+
+<p id="d0e2863">&#8220;o, Kapitein, toen ik als knaap afscheid van hem nam, ze&icirc; hij: &#8220;Als ik zeeman word dan moet ik ook Ammiraal worden!&#8221; Dat ze&icirc;
+hij en ... God, God, gij allen gaat mij vooruit en ik, ik blijf, die ik ben, een arm, arm matroos!&#8221;
+
+<p id="d0e2866">Ik barstte in tranen uit.&#8212;
+
+<p id="d0e2869">&#8220;Wat niet is kan nog worden, Huib! Moed gehouden! Later spreek ik u nog wel eens!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2872">Tromp verwijderde zich; maar ik fluisterde: &#8220;Te laat! Verloren tijd keert nimmer weer!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2875">Op de hoogte der <span class="letterspaced">Vlaamsche eilanden</span> werden al de schepen vereenigd. Hadden we, zooals het plan was, ons met den Ammiraal kunnen vereenigen, dan hadden we eene
+schoone macht uitgemaakt, doch dit plan werd verijdeld en met negen oorlogsschepen en vijf jachten zett&#8217;en wij koers naar
+<span class="letterspaced">Amerika</span> om de Spaansche Zilvervloot te onderscheppen. Ook deze toeleg mislukte en thans besloot onze bevelhebber Piet Hein naar <span class="letterspaced">Brazili&euml;</span> te stevenen en aldaar de Spaansche vloot op te zoeken.&#8212;Dit was niet moeielijk; want weldra vonden wij haar in de <span class="letterspaced">Allerheiligen baai</span>, maar goed en wel gedekt door het geschut der stad.&#8212;
+
+<p id="d0e2890">Toen Tromp van den krijgsraad terugkwam, werden wij allen bij elkander geroepen, en toen dit geschied was, sprak hij:
+
+<p id="d0e2893">&#8220;Mannen, onze Onder-Ammiraal wil een stout stuk bestaan waarvan, als het ons gelukt, de wereld gewagen zal.&#8212;Er is roem, eer
+en lof te behalen. Gij allen weet hoe vreeselijk fel onze Opperbevelhebber op den Spanjool gebeten is. Werd hij niet eenmaal
+door den Spanjool gevangen genomen en gegeeseld? Heeft hij in de <span class="letterspaced">West-Indi&euml;n</span>
+<span id="d0e2898" class="pageno">bladzijde 75</span>niet andermaal onder hen eene harde krijgsgevangenschap moeten verduren, en is hij daar niet twee volle jaren lang als een
+hond behandeld geworden?&#8212;Maar wat spreken wij van hem? Hebben wij niet allen een vader, grootvader, broeder of vriend op hen
+te wreken? Komt aan, toont dan den Braziliaan en den Spanjool wat ge durft en wat ge kunt!
+
+<p id="d0e2901">Hoort, daar klinkt het eerste kanonschot! Piet Hein is de voorste en gaat op den vijand in! Wat zullen wij doen, hem volgen
+of....&#8221;
+
+<p id="d0e2904">&#8220;Volgen, volgen, volgen!&#8221; klonk het van alle zijden.
+
+<p id="d0e2907">Tromp wuifde zijn hoed en riep: &#8220;Leve de West-Indische Compagnie! Leven de <span class="letterspaced">Vereenigde Nederlanden</span>!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2913">Wij allen herhaalden die woorden, en daar ging het. De <i>Gelderland</i> en de <i>Holland</i> waren den Ammiraal spoedig op zijde, doch wij met nog vijf andere schepen vervielen onder den wind en konden niet volgen,
+zoodat die drie schepen den hond zijn kluif moesten ontnemen. En, heer, heer, wat ging het er langs. Piet Hein schoot, als
+of hij alleen alles wilde vernielen en toen wij eindelijk ook op zijde waren, begonnen de poppen eerst recht te dansen.
+
+<p id="d0e2922">De Spanjaarden riepen genade!
+
+<p id="d0e2925">Maar, jawel, wij hoorden er geen van allen wat van, dat wil zeggen, wij waren Engelsch doof en wilden niet hooren!&#8212;
+
+<p id="d0e2928">Daar werd van het Ammiraalsschip eene boot neergelaten!
+
+<p id="d0e2931">&#8220;De booten uit! De booten uit!&#8221; beval Tromp.
+
+<p id="d0e2934">En nu ging het er zoo op los.
+
+<p id="d0e2937">Als katten klauterden wij daar tegen die renzenschepen op en de Spanjolen waren zoo verslagen en stonden zoo versuft te kijken,
+dat we dit durfden doen, dat ze een <span id="d0e2939" class="pageno">bladzijde 76</span>- twee - drie rechtsomkeert maakten en over boord sprongen om hun leven te redden.
+
+<p id="d0e2942">Ja, &#8217;t hielp wat of ze ook uit de stad schoten, we gaven er zoo goed als niemendal om, en die luiden moesten het zoo maar
+aanzien, dat we twee en twintig schepen vlak voor hunnen neus weghaalden.
+
+<p id="d0e2945">Maar op het onverwachts bleef het Ammiraalsschip vast zitten en weldra volgde de <i>Gelderland</i> dat leelijke voorbeeld.
+
+<p id="d0e2951">Welke moeite er ook gedaan werd, alleen de <i>Gelderland</i> kwam los en het Ammiraalsschip bleef zitten als een muur, niettegenstaande wij alle pogingen in het werk stelden om het vlot
+te krijgen.
+
+<p id="d0e2957">Piet Hein kwam thans bij ons aan boord en het was eene liefhebberij om te zien hoe hij Tromp behandelde.
+
+<p id="d0e2960">Om de waarheid te zeggen, ik had liever gezien, dat hij maar aan boord van een ander schip gegaan was; want ik verkeerde maar
+in de meening, dat hij mij ontdekken en herkennen zou. Ik bleef hem zooveel mogelijk uit zijn vaarwater en ik zorgde ook wel
+dat ik hem niet voor den boeg kwam. Was hij met Tromp in gesprek dan dacht ik: &#8220;Wie weet of ze &#8217;t nu niet over mij hebben!&#8221;
+&#8212;
+
+<p id="d0e2963">Gelukkig was ik voor niemendal bevreesd geweest, en als ik maar een gerust geweten gehad had, dan zou ik begrepen moeten hebben,
+dat een Ammiraal zich zelden met matrozen ophoudt.
+
+<p id="d0e2966">Intusschen ging &#8217;k dien avond vroeg ter kooi en bekommerde mij al heel weinig om het schieten uit de stad op het nog vastliggend
+schip. Den anderen dag gingen wij er nog eens heen om weer andere middelen in het werk te stellen teneinde het vaartuig vlot
+te krijgen. &#8212; &#8217;T geleek veel op een zeef en Piet Hein zei: &#8220;Bij mijne trouw, <span id="d0e2968" class="pageno">bladzijde 77</span>het schijnt dat de Spanjool zich gisteren avond in het schijfschieten heeft geoefend! Bah! kw&acirc;jongens werk!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e2971">Na meer dan een uur lang onder het vuur des vijands alles gedaan te hebben wat we maar konden verzinnen, zonder ook maar een
+duimbreed te vorderen, gaf Piet Hein bevel alles uit het schip te halen wat er maar uit te halen was. Het geschut werd vernageld
+en vervolgens kregen we in last om op vier plaatsen den brand er in te jagen.&#8212;Juist toen ik hiermede bezig was hoorde ik eenen
+hevigen slag. Ik stormde naar het dek en zag de zee bedekt met de overblijfselen van het schip <i>De Oranjeboom</i>, dat, &ograve;f door eigen vuur, &ograve;f door dat van den vijand in brand geraakt was. Meer dan veertig man kwam bij deze gelegenheid
+op eene ellendige wijze om het leven. Slechts veertien van de zestig manschappen werden nog half levend, doch met verminkte
+ledematen uit het water gehaald.
+
+<p id="d0e2977">Eindelijk scheen de Ammiraal over den behaalden buit tevreden te zijn en den vijand genoeg naar zijnen zin getuchtigd te hebben.
+Hij gaf bevel om af te houden en den koers naar het Vaderland te richten.
+
+<p id="d0e2980">Zoodra dit geschied was zeide Piet Hein: &#8220;Tromp, waar is je barbier of houdt je er zoo&#8217;n meubel niet op na?&#8221;
+
+<p id="d0e2983">&#8220;Zeker, zeker,&#8221; sprak Tromp, &#8220;maar ... maar ...&#8221;
+
+<p id="d0e2986">&#8220;Je kijkt zoo naar mijn baard, Tromp, neen, ik moet niet geschoren worden; hij moet mij wat verbinden!&#8221;
+
+<p id="d0e2989">&#8220;Verbinden?&#8221; vroeg Tromp en zijne oogen werden zoo groot als twee rijstbeschuiten, &#8220;verbinden? U is toch niet gewond?&#8221;
+
+<p id="d0e2992">&#8220;Och, &#8217;t is de moeite niet waard er veel water over vuil te maken. Ik kreeg een splinter in het been en een musketkogel aan
+den linkerarm, meer niet! Nu, nu, doe maar niet zoo raar, ik zal er niet van dood gaan!&#8221;
+<span id="d0e2994" class="pageno">bladzijde 78</span>
+
+<p id="d0e2997">Ik had dat gesprek ongemerkt afgeluisterd en spoedde mij heen om den barbier te halen.
+
+<p id="d0e3000">Deze kwam weldra en een uurtje later wandelde de dappere en kordate man heel bedaard over het dek.
+
+<p id="d0e3003">Nu had ik altijd een ekel aan hem gehad, omdat hij mij, toen hij nog schipper was, gestadig zoo ongezouten de waarheid had
+gezegd, maar dat veranderde nu in een oogenblik. &#8220;Sapperloot,&#8221; dacht ik, &#8220;dat is een man!&#8221; en nauwelijks had ik dat gedacht
+of, iemand tikte mij op de schouders.
+
+<p id="d0e3006">&#8220;Wel, Huib, ben je er nu al zeker van of die vermaarde en excellente po&euml;et Jakob Van Maerlant van je maagschap is?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3009">Ik groette beleefd en lachte.
+
+<p id="d0e3012">&#8220;Nu ja, maar alle gekheid terzijde, waarom ben je niet ten oorlog blijven varen, ge zoudt het licht zoo ver hebben kunnen
+brengen als ... als ... Tromp.&#8212;Heb je in dien tijd braaf wat geleerd?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3015">Ik kreeg weer een ekel aan hem, was dat nu vragen! Tromp lachte mij toe, alsof hij zeggen wou: &#8220;Maak van de gelegenheid gebruik,
+wees vriendelijk en bescheiden! Piet Hein is nu Ammiraal, wie weet wat hij nog van je maken kan!&#8221;&#8212;Maar, neen, dat wilde ik
+niet, ik wilde niet vriendelijk en bescheiden zijn en om maar te maken dat ik gauw van hem afkwam, zei ik: &#8220;Ik en ken niemendal,
+geen letter, dat weet u wel!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3018">Tromp fronste de wenkbrauwen en zonder nog een woord te spreken, draaide Piet Hein mij den rug toe.&#8212;Na dien tijd ben ik Tromp
+ook als trouw vriend kwijt geraakt. Toen meende ik mij tegenover dien grooten geluksvogel van <span class="letterspaced">Delfshaven</span> al eens heel kordaat gehouden te hebben; maar ik heb mij later wat beklaagd! Vooral toen ik in <span id="d0e3023" class="pageno">bladzijde 79</span>1641 met den Ammiraal Gijsels naar <span class="letterspaced">Portugal</span> vertrok. Een kapitein Franse Jacobzen Touw werd toen benoemd tot lid van den krijgsraad, maar moest voor die eer bedanken,
+omdat ... hij niet lezen of schrijven kon. Toen gingen mijne oogen eerst goed open en ik dacht: kon Touw kapitein worden,
+dan hadden ze het mij nog beter kunnen maken; want ik kan in alle gevallen toch iets van de lees-en schrijfkonst!&#8212;Maar &#8217;t
+was te laat!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3029">Hier hield Maerlant even op en toen Jonge Kees vroeg: &#8220;Nu Huib, wat volgde nu?&#8221; antwoordde hij: &#8220;Wij kwamen behouden in &#8217;t
+Vaderland aan! Maar laat mij eene wijle rusten; er zit eene haai in mijn keel, ik en kan niet meer spreken!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3032">De waarheid was dat Huib te erg aangedaan was en nu meer dan vroeger misschien dacht aan de spreuk van den Brielschen schoolmeester:
+De tijd, die voorbijging is verloren!&#8221;
+<span id="d0e3034" class="pageno">bladzijde 80</span>
+
+<h1 id="d0e3038">Toegejuicht en beweend.</h1>
+<p id="d0e3043">Reeds twee jaren lang had ik op een der oorlogsschepen van de West-Indische Compagnie gevaren en er was geene sprake geweest
+van verhooging in rang. Vermoedelijk had Tromp liet zoo bewerkt dat ik op een ander schip dan het zijne geplaatst werd, maar
+ik weet het niet recht. Men zeide dat er aan boord van <i>de Witte Leeuw</i> kapitein Jan Jansz. van <span class="letterspaced">Hoorn</span> gebrek aan bevaren matrozen was, en daar men mij toch in alle gevallen de eer gunde tot de bevaren matrozen te behooren,
+zoo werd ik overgeplaatst. Ik had er geen spijt af. Kapitein Jan Jansz. was een abel en dapper man en bij het volk zeer gezien.&#8212;
+
+<p id="d0e3052">&#8220;Mannen,&#8221; ze&icirc; hij op zekeren mooien Meidag van het jaar 1628, &#8220;mannen, de West-Indische Compagnie heeft geld noodig en daar
+wij, lacie, bij ons te lande geen zilver of goud kunnen vinden, zoo is er besloten geworden den Spanjool eens aan den pols
+te voelen. Dat <span class="letterspaced">Amerika</span> levert ieder jaar onzen vijand goud en zilver in overvloed en dat wordt overgebracht met eene vloot, die door de Spanjaarden
+zelven de Zilvervloot genoemd wordt!&#8212;Dat vosje gaan we vangen, maar ik zegge u, dat geen uwer het hart in zijn lijf moet hebben
+aan het plunderen te slaan; want zoo waar ik kapitein Jan Jansz. ben, ik zal <span id="d0e3057" class="pageno">bladzijde 81</span>ieder, die dat durft te doen als deugniet ergens aan wal laten zetten.&#8212;De kat komt een graatje toe, zegt het spreekwoord en
+ik en zeg niet dat dit logen is; maar zij die dat zeggen nemen gewoonlijk de visch voor zich en gunnen de graat een ander!
+En nu, handen aan het werk! Vooruit!&#8221;
+
+<p id="d0e3060">Wij voegden ons bij de vloot, die een en dertig schepen telde en onder bevel van Piet Hein stond. Aanvankelijk hadden we geen
+tegenspoed, doch toen we dicht bij <span class="letterspaced">Amerika</span> kwamen hadden we zooveel met tegenwind te kampen, dat iedereen dacht: &#8220;Nu zal de buit ons toch ontgaan!&#8221;
+
+<p id="d0e3066">Wij waren al in de nabijheid van liet eiland <span class="letterspaced">Cuba</span> en wel in de baai van <span class="letterspaced">Matanza</span> bij <span class="letterspaced">Havana</span> gekomen, toen we eensklaps de ontdekking deden, dat de prachtige vogeltjes daar in de kevie zaten. Zoo handig als de gouverneur
+van <span class="letterspaced">Havana</span> dit doen kon, zond hij een schip uit om den bevelhebber der Zilvervloot te zeggen: &#8220;Den g&#8217;ndag van mijn baas, en hij laat
+je weten, dat je de vogeltjes niet moet laten vliegen; want de kat loopt te tafelschuimen!&#8221;
+
+<p id="d0e3081">Maar wij waren dat meneertje te vlug af en spoedig was het: &#8220;Kip, ik heb-je! We zullen zelf de boodschap wel doen!&#8221;
+
+<p id="d0e3084">De bevelhebber der Zilvervloot nu, denkende dat er geen vuiltje aan de lucht was, zeilde uit en kwam midden in den nacht tusschen
+onze schepen in. Hij meende echter dat wij ook Spanjolen waren en toen het dag was geworden, en hij zijne leelijke vergissing
+zag, was het te laat om zich nog voor eene flinke kloppartij gereed te maken, zoodat er niets anders op zat, dan zich als
+een weerlooze te laten doodschieten, of zich over te geven. De man lustte echter te graag zijn fleschken Malaga om zich zoo
+maar te laten vermoorden, en daarom besloot hij, op voorwaarde <span id="d0e3086" class="pageno">bladzijde 82</span>van lijfsbehoud, zich met het geheele boeltje, zooals het reilde en zeilde, aan de Hollanders over te geven.
+
+<p id="d0e3089">Dat was eene schoone vangst en dat zonder slag of stoot! &#8217;T was haast niet om te gelooven. Geen wonder dat het volk, toen
+wij in het Vaderland weergekeerd waren, Hein als het ware, op de handen droeg. Elf millioen guldens was ook geene kleinigheid!
+En wij? Nu, we deelden me&ecirc; in den lof, die onzen Ammiraal toegezwaaid werd, maar voor het overige viel er niet veel te verdienen.
+Als wij niet ietewat voor ons zelven gezorgd hadden, dan zouden we van het vischje nog minder dan het graatje gekregen hebben.
+Piet Hein werd tot Luitenant-Ammiraal van <span class="letterspaced">Holland</span> benoemd en de heeren van de West-Indische Compagnie deelden vijftig percent winst uit.
+
+<p id="d0e3095">Zoo er echter &eacute;&eacute;n naar verdienste beloond werd, dan was het onze Ammiraal, en meer dan jammer was het, dat hij van zijne hooge
+waardigheid zoo weinig pleizier zou hebben. Weet-je waarom? Luister maar!
+
+<p id="d0e3098">Die van <span class="letterspaced">Duinkerken</span> hebben altijd vele noten op hunnen zang gehad en toch zingen ze leelijk; maar in dien tijd hadden ze nog veel te vertellen.
+Ze zaten maar op den loer of er ook rijkgeladen koopvaarders door <span class="letterspaced">Het Kanaal</span> kwamen en, wee het schip, dat geene mooie dubbele rij holle ijzeren tanden kon laten zien; want om een paar kiezen en eenige
+melktandjes gaven ze net zooveel, als een boer om eene rotte kool.
+
+<p id="d0e3107">Om deze luidjes nu eens wat tot rede en plicht te brengen, werd Piet Hein het volgende jaar met eenige schepen uitgezonden.
+Zijn eerste werk was de haven der stad zoo netjes in te sluiten, dat er geen schip in of uit kon. Drie der roofschepen waren
+echter bijna nog ontsnapt, maar de wakkere Ammiraal liet zich nu maar niet zoo <span id="d0e3109" class="pageno">bladzijde 83</span>bedotten. Hij zette hen achterna en begon een scherp gevecht. Marten was er ook weer bij en op het oogenblik, dat deze een
+bevel ontving, zag hij den bevelhebber aan zijne zijde wankelen en neervallen.
+
+<p id="d0e3112">Geen woord kwam er meer over zijne lippen; de man was ineens dood. Een stuk schroot uit grof geschut had een einde gemaakt
+aan het leven van eenen man, dien de <span class="letterspaced">Vereenigde Provinci&euml;n</span> zoo zeer noodig hadden.
+
+<p id="d0e3118">Met groote droefheid werd de tijding van zijnen dood in <span class="letterspaced">Holland</span> ontvangen, en veertien dagen later werd het overschot van den moedigen man, onder eenen grooten toeloop van nieuwsgierigen,
+te <span class="letterspaced">Delft</span> in de Oude kerk begraven.
+
+<p id="d0e3127">Met Piet Hein verloor Marten ook zijnen grootsten beschermer en machtigsten voorspraak. Hij bleef nog eenigen tijd, als kapitein,
+aan boord van <i>de Groene Draak</i>, doch werd toen van zijne betrekking ontslagen. Waarom dit geschiedde weet ik niet recht.
+
+<p id="d0e3133">Geen wonder dat Marten zich thans geheel aan den zeedienst onttrok en rustig aan den wal ging leven.&#8212;
+
+<p id="d0e3136">De oorlogszaken ter zee gingen echter weldra verkeerd en eindelijk werd er besloten, dat men een wakker zeeman, een moedig
+en beleidvol kapitein zoeken moest, om dezen aan het hoofd der vloot te plaatsen en aan den slechten toestand, waarin zij
+verkeerde, een einde te maken. Lang zocht men nu eens hier en dan eens daar, doch men kon maar tot geene keus komen, totdat
+de oogen van Stadhouder Frederik Hendrik, zaliger, op onzen Tromp vielen.
+
+<p id="d0e3139">Dit geschiedde in &#8217;t jaar &#8217;37.
+<span id="d0e3141" class="pageno">bladzijde 84</span>
+
+<h1 id="d0e3145">Bij Duins.</h1>
+<p id="d0e3150">Na het sneuvelen van Piet Hein had ik den dienst ter zee voor de West-Indische Compagnie verlaten, en maakte even als vroeger,
+weer tochten met de Straatvaarders. Langzamerhand begon echter de walvischvangst minder voordeelen af te werpen, en daarom
+besloot ik andermaal weer in dienst van den Lande te gaan. Ik deed dit vooral omdat ik in &#8217;s Lands dienst nu elf gulden per
+maand verdienen kon en ... omdat ik naar afwisseling verlangde. En afwisseling zou er komen, dat stond zoo vast als eene belboei
+aan eenen hardsteen. Allerlei geruchten deden de ronde in het land. Nu eens was het: &#8220;<span class="letterspaced">Spanje</span> rust eene sterke vloot uit om de Oostenrijkers en enkele Duitsche staten tegen de Zweden te helpen!&#8221; Dan weer was het: &#8220;Mis
+mannetje, misgeschoten, er wordt eene landing in ons land voorbereid!&#8221; Eindelijk kwam een derde en die vertelde, dat geen
+van ons allen van toeten noch blazen wist, want dat &#8220;de Landvoogd in de <span class="letterspaced">Spaansche Nederlanden</span>,&#8221;&#8212;ik meen dat het toen de kardinaal Infant Ferdinand was,&#8212;aan den koning van <span class="letterspaced">Spanje</span> om hulp had gevraagd en dat die vloot te <span class="letterspaced">Duinkerken</span> zou binnenloopen.
+
+<p id="d0e3165">De vloot, die dan afgezonden was om in <span class="letterspaced">Duitschland</span>, in ons Land, of te <span class="letterspaced">Duinkerken</span> de poppen aan het <span id="d0e3173" class="pageno">bladzijde 85</span>dansen te krijgen, was wel zeven en zestig zeilen sterk. Zelfs waren er vier galjoenen bij, die van vier en vijftig tot acht
+en zestig kanonnen aan boord hadden.&#8212;Ze had bovendien tienduizend man landingstroepen aan boord en even zooveel zeesoldaten.
+De Ammiraal van die vloot was Don Antonio D&#8217; Oquendo, die in dien tijd voor een heelen bol doorging. Maar eer die vloot in
+<span class="letterspaced">Het Kanaal</span> kwam, had Tromp nog een ander appeltje te schillen met de Duinkerkers. Die lu&icirc; waren met den dag brutaler geworden. In zes
+jaren tijds hadden ze van die van <span class="letterspaced">Maassluis</span> alleen ruim tweehonderd haringbuizen genomen, die te samen zoo ongeveer een millioen guldens waarde hadden. Men zegt zelfs,
+dat een Duinkerker door zeeroof zoo rijk geworden was, dat hij den Koning van <span class="letterspaced">Spanje</span> twaalf oorlogsschepen aanbood, als deze hem eene ridderorde wilde schenken.
+
+<p id="d0e3185">Nu was Tromp van plan de haven in te sluiten, maar eer wij er waren hadden reeds twintig schepen het ruime sop gekozen. Onze
+heele macht bestond uit twaalf scheepjes, doch de Ammiraal was de man niet om het nu op een loopen te zetten, en daarom pakte
+hij ze maar dadelijk aan, en hij deed dit zoo knap, dat de vijand na twee schepen en zestienhonderd man verloren te hebben,
+het hazepad koos. En, het mag gezegd worden, zijn de Duinkerkers en Spanjolen knap in het stelen, ze zijn ook knap in het
+aan den haal gaan.&#8212;
+
+<p id="d0e3188">Toen we van dien vijand zoo netjes afgekomen waren, was er wat te doen in ons Landje, en de Heeren Staten waren er zoo mede
+in hunnen schik, dat ze Tromp eene prachtige gouden keten gaven. De Koning van <span class="letterspaced">Frankrijk</span> vereerde hem met de orde van Sint-Michiel.
+
+<p id="d0e3194">Ondertusschen bleven wij in <span class="letterspaced">Het Kanaal</span> kruisen, verlangend naar het oogenblik, dat we de vloot, waarover al <span id="d0e3199" class="pageno">bladzijde 86</span>zooveel geschreven en gezegd was, eens onder de oogen konden zien.
+
+<p id="d0e3202">De vijandelijke schepen waren vast grooter van bouw dan de onze, maar wat gaven wij daar om?
+
+<p id="d0e3205">&#8220;Grooter,&#8221; riep er een, &#8220;ei wat, grooter! &#8217;T zit &#8217;m in de grootte niet! Als een olifant eene kat vervolgt, en poesje kruipt
+door de tralies van &#8217;t keldergat, dan staat meneer de olifant op zijne lange slurf te kijken, als Jut voor het landhek!&#8221;
+
+<p id="d0e3208">De vijandelijke vloot telde ook meer schepen dan de onze! Maar wat gaven wij daar om?
+
+<p id="d0e3211">&#8220;Meer schepen,&#8221; riep een tweede, &#8220;meer schepen, wat zou dat? &#8217;T zit &#8217;m niet in zoo &#8217;n menigte schepen! E&eacute;n vliegje maakt het
+twintig paarden op een&#8217; dag lastig!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3214">De vijandelijke vloot telde meer kanonnen en meer manschappen! Maar wat gaven wij daar om?
+
+<p id="d0e3217">&#8220;Meer kanonnen en meer zeevolk,&#8221; riep een derde, &#8220;wat zou dat? Twintig haviken pikken naar &eacute;&eacute;ne zwaluw en zij krijgen haar
+toch niet; want het beestje is die lu&icirc; te glad af!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3220">De vijand had een bekwaam, machtig, ervaren en dapper Ammiraal! Maar wat gaven wij daar om?
+
+<p id="d0e3223">&#8220;Een bekwaam, machtig, ervaren en dapper Ammiraal,&#8221; riep een vierde, &#8220;wat zou dat? Wij hebben Tromp, De With en Banckers!
+Tellen die drie niet voor honderd Spaansche Dons met namen van &#8217;k weet niet hoe lang wel?&#8221;&#8212;-
+
+<p id="d0e3226">Zoo kon men nu eens dit en dan eens dat hooren; maar niet een was er, die den kop moedeloos hangen liet en voor Jan Bang speelde.
+
+<p id="d0e3229">Eindelijk kregen we den vijftienden van Herfstmaand de vijandelijke schepen in het gezicht. Het was een prachtig schouwspel,
+vooral daar ze den wind vlak voor het lapje hadden.&#8212;
+<span id="d0e3231" class="pageno">bladzijde 87</span>
+
+<p id="d0e3234">Tromp zond dadelijk een der kleinste vaartuigen uit om De With, die op de hoogte van <span class="letterspaced">De Cingels</span> kruiste en Banckers, die de haven van <span class="letterspaced">Duinkerken</span> ingesloten hield te gaan waarschuwen.&#8212;Om de zijnen te laten weten waar ergens hij zich bevond, liet onze Ammiraal om het
+half uur seinschoten doen, en vast moet Witte die gehoord hebben, want hij was met zijne vijf schepen al op weg om Tromp op
+te zoeken toen hij de tijding kreeg, dat de Spanjaard in het gezicht was. Toch verliep er nog een geheele dag eer hij zich
+met ons vereenigen kon, want hij had den wind vlak tegen.
+
+<p id="d0e3243">Ik, die weer aan boord van Tromp diende, maar door hem niet herkend, of mogelijk niet gezien was, stond onbewegelijk op de
+boot te kijken, die van Witte&#8217;s schip neergelaten werd. &#8217;T spreekt van zelf, dat hij bij Tromp moest komen, omdat hij als
+Vice-Ammiraal onder hem stond.&#8212;
+
+<p id="d0e3246">De boot le&icirc; aan den valreep, doch door onvoorzichtigheid van &eacute;&eacute;n der roeiers sloeg ze alweer terug, en daar had je het lieve
+leven gaande.
+
+<p id="d0e3249">Razen, vloeken, schelden, tieren, anders hoorde men niet. De roeier kreeg, zooals mijn neef uit <span class="letterspaced">Sommersdijk</span> zeggen zou, een boterham van belang.
+
+<p id="d0e3255">Toen hoorde ik geschop, gestommel en getrap en eindelijk, daar stond hij in levenden lijve! Wat was dat &#8220;Kregel Mennonietje&#8221;
+veranderd! Zijne oogen draaiden onder zijne donkere wenkbrauwen als kooltjes vuur in het rond, en dikke plooien liepen van
+zijnen neus naar zijn hoog en breed voorhoofd. Alles was beweging aan hem; hij stond geen oogenblik stil en hij keek naar
+de Spaansche vloot, alsof hij die geheel alleen zoo maar op de vlucht kijken kon.
+<span id="d0e3257" class="pageno">bladzijde 88</span>
+
+<p id="d0e3260">&#8220;Daer e&icirc;-je noe dat vloekbeest van &#8217;n veint!&#8221; ze&icirc; een Zeeuwsch matroos achter me tot zijn kameraad, die ook uit <span class="letterspaced">Zeeland</span> was, en per ongeluk op de Hollandsche schepen dienst deed.
+
+<p id="d0e3266">&#8220;Wat eit ie alevel &#8217;n zuur gezicht! Ie liekt veel op vaoders wacht&#8217;ond Turk! Nee, mer oor is, ik zou ik ok liever z&#8217;n biebel
+weze as z&#8217;n matroos, &#8217;oore! En jie Uub?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3269">Met dat &#8220;Uub&#8221; bedoelde hij mij, maar ik was te veel in gedachten om met die twee Zeeuwsche mannen te gaan praten en daarom
+zei ik maar: &#8220;&#8217;K en weet niet!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3272">Ik kon mijne oogen niet van Tromp en Witte afhouden! Een goede dertig jaren geleden waren die twee mijne speelkameraads! En
+hier waren we weer alle drie. Een Luitenant-Ammiraal, een Vice-Ammiraal en ... een matroos!&#8212;Als ik kapitein ben dan wordt
+ge mijn pluimgraaf, had ik tot Witte gezegd, toen hij nog &#8220;Kregel Mennonietje&#8221; was. En nu ... Jonge Kees, ik heb me toen een
+klap in mijn gezicht gegeven van nijd, en &#8217;t was me, of &#8217;k alweer dien Brielschen schoolmeester met zijn &#8220;Kwikkwik&#8221; voor me
+zag staan!
+
+<p id="d0e3275">Hoe lang ik daar had staan droomen, dat en weet ik niet; maar eensklaps werd ik wakker en ik hoorde Tromp zeggen:
+
+<p id="d0e3278">&#8220;Dus De With! je denkt dat....&#8221;
+
+<p id="d0e3281">&#8220;Ik denk niet, ik zeg dat wij die lu&icirc; daar aanpakken <i>moeten</i> Zeventien Hollandsche jongens kunnen het wel een paar dagen tegen die vijgeneters uithouden, durf ik zeggen! Er zal wel versterking
+komen uit <span class="letterspaced">Holland</span> en <span class="letterspaced">Zeeland</span>. Laat mij maar voorop gaan! Ik zal die Spaansche langslapers een deuntje voortrommelen, dat ze een paar ooren opzetten zoo
+lang als die van hunne ezels!
+<span id="d0e3292" class="pageno">bladzijde 89</span>
+
+<p id="d0e3295">&#8220;Bang,&#8212;bah, wie bang is moet op schildwacht!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3298">&#8220;Goed, sprak Tromp, maar bleef heel bedaard, &#8220;goed, we zullen den vijand te lijf gaan! Bottelier, breng wijn! We zullen op
+den goeden uitslag klinken en drinken!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3301">&#8220;En als de wijn op is, dan halen we wat bij den Spanjool,&#8221; riep Witte en dronk in eenen zijnen beker ledig.
+
+<p id="d0e3304">Het was of de Spanjaard geroken had wat er bij ons aan boord besloten was; want de vloot stelde zich in beweging en kwam recht
+op ons af. Don D&#8217;Oquendo was voorop!
+
+<p id="d0e3307">Eer de vijand nog &eacute;&eacute;n schot gedaan had, was Witte al aan den gang. Hij liet zijne kogels vliegen als een bakker, die op Sint
+Silvester pepernoten te grabbelen gooit. Maar wij deden voor hem niet onder, dat verzeker ik je. &#8217;T ging er aardig langs en
+het duurde niet lang of de vijand bedankte er voor den strijd langer voort te zetten, en liep met klein zeil om de noord naar
+den hoek van <span class="letterspaced">De Cingels</span>. Den volgenden dag werden we door stilte en mist genoodzaakt stilletjes te blijven liggen, doch tegen elf uren in den nacht,
+toen de mist optrok, gaf Tromp bevel om het spelletje van den vorigen dag nog eens te beginnen. Om &eacute;&eacute;n uur begonnen we en
+eerst des morgens te tien uren hielden we op. Zoo vechtende waren we met den vijand naar <span class="letterspaced">De Hoofden</span> afgedreven en hadden we al eens een enkel oogenblik eene harde noot te kraken gehad, niemand dacht er aan, dat we het wel
+eens konden verliezen, en vooral dachten we dat niet meer, toen de Commandeur Banckers onze kleine vloot met twaalf schepen
+kwam versterken.&#8212;De Spanjaard had ondertusschen de wijk genomen naar <span class="letterspaced">Duins</span> en meende zeker, dat we &#8217;t wel niet in het hoofd zouden krijgen hem daar aan te pakken. En jawel, net waren <span id="d0e3318" class="pageno">bladzijde 90</span>we van plan den vijand al weer aan te vallen, toen meneer John Pennington bij ons aan boord kwam en in zijn Koeterwaalsch
+ze&icirc;: &#8220;Tromp, je hebt de groetenissen van Koning Karel van <span class="letterspaced">Engeland</span>, en hij laat je weten, dat je, als je met den Spanjaard aan het bakkeleien en plukharen wilt gaan, dat dan maar op een ander
+plaatsje doen moet; want de Koning wil geen vreemde pottekijkers in zijn keuken hebben! Begrepen?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3324">Hier werd Huib door een der matrozen in de rede gevallen, die ze&icirc;: &#8220;Zeg, Huibje, je verstaat geen Engelsch, hoe weet je dat
+die Pennington dat gezegd heeft?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3327">&#8220;Och, loop,&#8221; hernam Huib, &#8220;dat kon ik wel raden; want van vechten kwam er dien dag niemendal. Dat speet ons wat, dat kunt
+ge begrijpen; want we hadden er pret in gekregen. We hadden ons hart opgehaald &#8220;als Keuningen&#8221;!&#8212; Ondertusschen begon het bij
+ons een mooi gezicht te worden; want met iederen dag werd onze vloot versterkt. Daar was leven in ons Land gekomen, en een
+leven, daar je geen begrip van hebt!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3330">&#8220;Tuit, tuit, niet zoo haastig, kompeer,&#8221; sprak thans dezelfde matroos. &#8220;Ik kan me dat best voorstellen, want ik heb Witsen&#8217;s
+<i>Scheepsbouw en Bestier</i>, gelezen en daarin stond: De kaden, havens en scheepstimmerwerven van <span class="letterspaced">Holland</span> en <span class="letterspaced">Zeeland</span> woelden en grimmelden van nieuwe toerustingen te water en te land. Het scheen niet dat men van alle kanten schepen timmerde,
+maar of ze van zelve groeiden. Men zag geen opbod van Matrozen, maar hen van zelven in de schepen vallen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3342">&#8220;Ja,&#8221; hervatte Huib, &#8220;gelezen is niemendal, je moet het gezien hebben, zooals ik het gezien heb. Met De With werd ik naar
+&#8217;t Vaderland gezonden om de gekwetsten en den behaalden buil over te brengen en om versterking te <span id="d0e3344" class="pageno">bladzijde 91</span>vragen. Toen heb ik het met mijne eigen oogen gezien, dat er te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> op &eacute;&eacute;n dag meer dan honderd matrozen zich aanmeldden. Het scheen wel, dat daar bij <span class="letterspaced">Duins</span> suiker met potlepels en goud met emmers te scheppen was. Waar je kwam, ging of stond, daar hoorde je niets dan van Tromp,
+De With, Banckers, Evertsen, <span class="letterspaced">Duins</span>, <span class="letterspaced">Engeland</span> en <span class="letterspaced">Spanje</span> praten. Jongens, ik ben blij, dat ik dien tijd beleefd heb! Wat gaf ik er toen om, dat ik maar matroos was! &#8220;Alles voor mijn
+Land en voor onzen Ammiraal!&#8221; dacht ik en duizenden dachten als ik.
+
+<p id="d0e3362">Ondertusschen lagen we reeds eene maand voor <span class="letterspaced">Duins</span>. Onze vloot was reeds tot negentig schepen aangegroeid en iedereen brandde van verlangen, om toch weer eens van leer te trekken;
+maar hierin werden we iederen dag teleurgesteld. De Engelschen wilden niet hebben, dat we op hunne reede aan het vechten zouden
+gaan, en reeds was men begonnen ons te dreigen, dat ze den Spanjaard helpen zouden, en uit <span class="letterspaced">Holland</span>, waar men ook bevreesd was, aan te tasten, omdat men vreesde met <span class="letterspaced">Engeland</span> in onmin te komen, kwamen ook iederen dag allerlei boodschappen.
+
+<p id="d0e3374">&#8220;Welnu,&#8221; ze&icirc; Tromp, &#8220;dat de Spanjaard dan in de open zee kome, daar vecht ik ook liever!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3377">Meneer Pennington bracht die boodschap naar zijnen vriend D&#8217;Oquendo, doch kwam al heel gauw terug en ze&icirc;: &#8220;De groeten van
+Don Antonio en hij laat je weten, dat hij niet kan uitzeilen, omdat hij gebrek heeft aan masten en stengen, die hij te <span class="letterspaced">Dover</span> heeft laten liggen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3383">&#8220;Als &#8217;t anders niet is, dan zullen we dat varkentje wel wasschen,&#8221; sprak Tromp. &#8220;Ik zal ze laten halen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3386">Terstond werden eenige schepen naar <span class="letterspaced">Dover</span> afgezonden, en de Spanjaard had zijn wensch; maar toch kwam hij niet.
+<span id="d0e3391" class="pageno">bladzijde 92</span>
+
+<p id="d0e3394">Daar kwam Pennington alweer en ze&icirc;: &#8220;Hoor eens, Tromp, onze goede vriend zou wel eens even met je aan den slag willen gaan;
+maar de man heeft geen buskruit!&#8221;
+
+<p id="d0e3397">&#8220;Dat &#8217;s niemendal,&#8221; luidde weer Tromps antwoord, &#8220;ik zal hem eenige duizenden ponden verschaffen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3400">Ook hieraan werd terstond gevolg gegeven, maar.... de Spanjaard bleef waar hij was.
+
+<p id="d0e3403">Eindelijk kwam er bericht van Hunne Hoogmogenden, dat men nu terwille van <span class="letterspaced">Engeland</span> genoeg gesammeld had, en dat er een einde aan komen moest. Tromp mocht gerust den Spanjaard aanvallen, onverschillig waar
+hij hem vond.
+
+<p id="d0e3409">In den nacht tusschen den twintigsten en eenentwintigsten van Wijnmaand liep de wind naar het noordwesten en was dus bijzonder
+in ons voordeel om den vijand van de reede te verjagen. Hoe lang D&#8217;Oqueudo ook al had kunnen voorzien, dat hij eindelijk toch
+wel aangevallen zou worden, toch kwam de aanval nog onverwacht en vele schepen waren genoodzaakt hunne ankers te kappen. Hierdoor
+ontstond verwarring en deze werd niet weinig vermeerderd toen ze elkander op de nauwe reede weldra in den weg kwamen, en eindelijk
+aan den grond bleven zitten.
+
+<p id="d0e3412">Hieraan stoorde Tromp zich niet en hij stoorde zich nog minder aan de Ro&ocirc;rokken, die met het geschut uit hunne sterkten de
+Spaansche schepen in bescherming namen. Oorverdoovend was het gedonder van het geschut, en de Spanjaarden van de schepen,
+die omhoog zaten, kregen het zoodanig te kwaad, dat ze hals over kop in het water sprongen en zwemmende hun leven trachtten
+te redden. Onderwijl Tromp zich zoo bezig hield met de schepen op de reede, had Ammiraal Jan Evertsen het Portugeesche gedeelte
+<span id="d0e3414" class="pageno">bladzijde 93</span>der vloot aangetast. De Portugeezen vochten dapper, en zeker zouden ze niet zoo geheel verslagen zijn geworden, als het Ammiraalschip
+<i>De Theresea</i>, die wel duizend man aan boord had, niet in de lucht gevlogen was. Onder al die bedrijven was het D&#8217; Oquendo toch gelukt
+in zee te loopen, doch hier was hij evenmin veilig als op de reede. Woedend werd hij aangevallen en woedend verdedigde hij
+zich. Toch zou hij op het laatst zich hebben moeten overgeven; maar eene mist en daarna een hevige wind stelden hem in staat
+met een tiental schepen te <span class="letterspaced">Duinkerken</span> binnen te loopen. Van de zevenenzestig schepen bleven er achttien behouden; voor het overige was die schoone vloot vernield,
+of in handen der onzen. Wij namen ongeveer tweeduizend man gevangen en vijfduizend waren gesneuveld of verdronken. Wij verloren
+slechts honderd man en &eacute;&eacute;n schip. De vreugde te beschrijven, die er in ons land heerschte, kan ik niet! Dat moet men bijgewoond
+hebben. Groot en klein, rijk en arm, oud, jong, aanzienlijk en gering, iedereen was vol vreugde. Gedenkpenningen werden geslagen,
+gouden ketenen werden uitgedeeld en de po&euml;eten maakten liederen, die klonken als klokken. En de luiden, die zoo juichten hadden
+het bij het rechte end, want als de Spanjaarden eens overwonnen hadden, dan had het er voor <span class="letterspaced">de Vereenigde Nederlanden</span> niet te best uitgezien. Met de vrijheid en onze macht ter zee was het al vast gedaan geweest en, als we die moeten missen,
+dan is liet met ons land mis. Op de zee ligt onze welvaart; op de zee ligt ons bestaan;&#8212;op de zee ligt ons alles! De Zee is
+de bruid van ons Gemeenebest, en wee ons, als die bruid door eenen driesten vijand ons ontnomen wordt!
+<span id="d0e3425" class="pageno">bladzijde 94</span>
+
+<h1 id="d0e3429">Naar Zee! Naar Zee!</h1>
+<p id="d0e3435">Na de schitterende overwinning bij <span class="letterspaced">Duins</span> kon een groot gedeelte van de oorlogsvloot, waaronder ook vele koopvaarders waren, naar de havens terugkeeren, of hunne reizen
+naar <span class="letterspaced">Oost</span> en <span class="letterspaced">West</span> hervatten.
+
+<p id="d0e3447">Rust kwam er evenwel niet; want de Duinkerkers waren er nog met hunne roofschepen, en, al ze&icirc; ook heel de wereld, dat <i>wij</i> de eerste mogendheid ter zee waren, daaraan stoorden deze luiden zich niet, ja, &#8217;t was of ze met den dag brutaler werden.
+
+<p id="d0e3453">Onderwijl wij voor <span class="letterspaced">Duins</span> lagen hadden zij hun kans waargenomen, en ze waren aan het rooven getrokken, dat het een aard had. Op &eacute;&eacute;n enkelen dag maakten
+ze eens elf schepen prijs. Ze kwamen zelfs tot voor <span class="letterspaced">Aland</span> in de <span class="letterspaced">Bothnische golf</span>, namen daar een Nederlandsch oorlogsschip en vier koopvaarders en sleepten uit de <span class="letterspaced">baai</span> van <span class="letterspaced">Shetland</span> nog vier onzer oorlogsschepen mede.
+
+<p id="d0e3471">Het gebeurde dat er wel zestig Duinkerker-kapers te gelijk in zee waren.
+
+<p id="d0e3474">Nu deed Tromp wel wat hij kon om dien luiden dat rooven, plunderen en moorden af te leeren; maar hij kon toch met zijne vloot
+niet op alle plaatsen te gelijk zijn. En toch, hoe akelig en naar het voor onze kooplieden <span id="d0e3476" class="pageno">bladzijde 95</span>was zoo telkens bestolen te worden, toch houd ik vol dat ze die Duinkerksche baasjes wel eens mochten gaan bedanken, inplaats
+van ze te verwenschen.
+
+<p id="d0e3479">Weet je waarom?
+
+<p id="d0e3482">&#8217;T is anders zoo duidelijk en klaar als een lantaarn in het donker.
+
+<p id="d0e3485">Door die slimme en dappere Duinkerkers telkens gefopt, moesten we op het laatst ook wel slim en dapper worden, of we wilden
+of niet! We werden, als ik het zoo eens zeggen mag, zoo glad als een aal, zoo slim als een vos, zoo brutaal als een wolf en
+zoo dapper als een leeuw.
+
+<p id="d0e3488">De geest van Tromp is in velen gevaren, en er is nooit een schoolmeester geweest, die zijnen discipelen zoo goed zijne schrijfhand
+leerde namaken, als Tromp zijnen kapiteins zijne manier van oorlog ter zee voeren!
+
+<p id="d0e3491">Laat Witte Cornelisz. De With maar eens toekijken als we aan het vechten gaan, dan zal hij zien van wien de onderbevelhebbers
+meer geleerd hebben, van hem of van Tromp.
+
+<p id="d0e3494">Die eene Brielsche kw&acirc;jongen is m&eacute;&eacute;r dan de andere, de roem van zijne stad en de eer van zijn Land geworden!
+
+<p id="d0e3497">Onderwijl we zoo tegen de Duinkerkers kruisten kreeg <i>De Haese</i>, dit was de naam van het schip waarop ik voer, bevel om met nog eenige andere vaartuigen, die onder het oppergezag van Ammiraal
+Aertus Gijsels stonden, naar <span class="letterspaced">Portugal</span> te stevenen om daar den nieuwen Koning een handje tegen de Spanjaarden te helpen.
+
+<p id="d0e3506">In Oogstmaand van &#8217;41 liepen we uit, zoodat ik tot mijn spijt niet behoorde tot de lu&icirc;, die met Ammiraal Tromp, den zoon van
+Frederik Hendrik naar Engeland gingen brengen.
+
+<p id="d0e3509">Ik had dolgraag dat gezicht van dien Engelschen Koning <span id="d0e3511" class="pageno">bladzijde 96</span>Karel eens gezien. Hij ontving Tromp heel beleefd en stelde hem zelfs aan de koningin voor als den grootsten Ammiraal der
+wereld. Nu kunnen ze me nooit wijsmaken dat die Koning dat meende; want bij <i>Duins</i> had Tromp getoond dat Koning Karel bij hem niet erg in tel was. Maar dat zijn dingen waaraan een zeeman niet denken moet
+en ik zou haast gelooven, dat de wakkere stuurman Willem Adriaense Warmont gelijk had toen hij ze&icirc;: &#8220;Ben-je mal, jongen, wat
+bekommer je jezelven over dingen, daar je toch niet bij en kunt met je verstand? Weet je dan nog niet dat er twee&euml;rlei soort
+van menschen zijn en wel matrozen en landkrabben? Als ik jou tegenkom en ik heb wat tegen je, dan zeg ik: &#8220;Hier ben ik! en
+jij zegt dan: &#8220;En ik ben hier!&#8221;&#8212;En als we dan zoo over en weer meka&ecirc;r gegroet hebben, dan pak ik jou bij je kraag en jij mij,
+en dan gaat het links, rechts, neer, op, rechts, links, op, neer! net zoo lang tot een van ons beiden zijn bekomst heeft en
+zegt: &#8220;&#8217;K heb niemendal meer in te brengen, je bent, de baas!&#8221; Zie-je, Huib, zoo zouden wij, matrozen en varenslu&icirc;, doen,
+en daar we toch wel nooit grutter of raadpensionaris zullen worden, zoo moesten we er ons zelven ook maar geen oogenblik het
+hoofd mee vermoeien met te denken wat de landkrabben doen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3517">Het was een rare sijs die stuurman, en daar hij veel geleerd had en bijster knap was, zoo en heb ik me ook maar nooit meer
+bekommerd over dingetjes, die geen stuurboord of bakboord gezien hebben.
+
+<p id="d0e3520">Maar ik dwaal heelemaal van mijne geschiedenis af.
+
+<p id="d0e3523">Onderwijl Ammiraal Tromp dan de Duinkerkers vervolgde en heel deftige bezoeken in <span class="letterspaced">Engeland</span> bracht gingen wij naar <span class="letterspaced">Portugal</span> om dat land een handje te helpen tegen de Spanjaarden.<a id="d0e3531src" href="#d0e3531" class="noteref">1</a> Behalve Gijsels, die onze <span id="d0e3543" class="pageno">bladzijde 97</span>vlootvoogd was, hadden we onder hem nog als Vice-Ammiraal Jacob Pieterse Tolck, en als Schout bij Nacht den Vlissinger, Michiel
+Adriaensz. De Ruijter. Onder dezen laatsten diende ik.&#8212;Dat Gijsels een dapper en ervaren zeeman was is vast, maar of die Tolck
+dat ook was, dat en weet ik niet. Maar dat onze Schout bij Nacht een flinke kerel was, daar af zou ik jelui heel wat kunnen
+vertellen. Hij was toen nog maar vier en dertig jaren oud; maar zelden heb ik iemand van dien ouderdom gezien, die z&oacute;&oacute; moedig,
+z&oacute;&oacute; verstandig, z&oacute;&oacute; slim, z&oacute;&oacute; beleidvol, z&oacute;&oacute; goed, z&oacute;&oacute; rechtvaardig en z&oacute;&oacute; vriendelijk was als hij. Kijkt, jongens, ik en
+ben geen profeet, maar ik zie er in, dat diezelfde Michiel De Ruijter, die een kw&acirc;jongen moet geweest zijn zoo groot als er
+ooit een geleefd heeft, een Ammiraal zal worden zoo groot, dat hij den roem van onzen Marten in de schaduw zal zetten. Die
+man heeft alles wat een <span class="letterspaced">jong</span> man hebben moet om eens een <span class="letterspaced">groot</span> man te kunnen worden.&#8212;Van iedereen wil hij leeren van den Ammiraal af tot den kajuitswachter toe. Hij is niet zoo trotsch
+en eigenwijs om te gelooven, dat hij alleen alles weet! En dat behoort zoo! Zoo deden Piet Hein en Tromp ook. Zoo doet Witte
+Cornelisz. De With niet altijd en dat is zijn ongeluk.&#8212;
+
+<p id="d0e3552">Onze vloot was slechts twintig schepen sterk en, daar ze meest allen nieuw waren en nog geen proeftocht gedaan hadden, zoo
+hadden we met veel moeielijkheden te kampen. En dan was de uitrusting ook alles behalve in orde. Het Ammiraalschip telde slechts
+118 man, en bestond dan nog voor een groot deel uit lu&icirc;, die nooit zeewater geproefd hadden. Reeds in <span class="letterspaced">Het Kanaal</span> werden onze bevelhebbers het met elkander oneens, en toen er zoo&#8217;n klein stormpje opstak, liepen er zes van de tien te grienen
+<span id="d0e3557" class="pageno">bladzijde 98</span>en te huilebalken, te lamenteeren en te klagen, alsof hun leste uurtje al geslagen was.
+
+<p id="d0e3560">En met zulke baliekluivers moesten we uit bakkeleien gaan. &#8217;T stond bijster mooi aan.
+
+<p id="d0e3563">Na verscheidene weken gekruist te hebben, ontdekten we in den vroegen morgen van den derden van Slachtmaand eene sterke vloot.
+Wij dachten eerst dat het de Portugeezen zouden zijn. Wij kwamen die lu&icirc; helpen en het was dus niet meer dan een staaltje
+van hunnen plicht om ook mede te doen. Maar, jawel, ze lieten zich fluiten als een kikker in het riet, en al heel gauw werden
+we gewaar, dat het vlootje, dat we zagen aankomen maar eens even bestond uit negen groote Spaansche galjoenen, tien Duinkerksche
+koningsschepen, vier fregatten en &eacute;&eacute;n jacht.<a id="d0e3565src" href="#d0e3565" class="noteref">2</a>
+
+<p id="d0e3587">&#8220;Goeien morgen, Huib,&#8221; ze&icirc; ik tot mij zelven, &#8220;goeien morgen, Huib, dat katje moet jelui vandaag de bel aanbinden! Dat zal
+er spannen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3590">Onderwijl ik dat zoo ze&icirc;, hoorde ik iemand achter me snikken. Ik keerde mij om, en, &#8217;t was om de oogen uit het hoofd te schamen,
+een reus van een kerel stond achter me te schreien als een kind, dat zijne koekskens in den modder heeft laten vallen.
+
+<p id="d0e3593">&#8220;Wat hapert er aan jou, kameraad?&#8221; vroeg ik.
+
+<p id="d0e3596">&#8220;Och, nou en zal ik nooit meer mijn lief <span class="letterspaced">Smeerdiek</span> terugzien!&#8221; gaf hij mij ten antwoord.<a id="d0e3601src" href="#d0e3601" class="noteref">3</a>
+
+<p id="d0e3614">Zoo&#8217;n lummel!
+
+<p id="d0e3617">&#8220;Denk-je dan dat je vandaag blind zal worden?&#8221; vroeg ik.
+
+<p id="d0e3620">&#8220;Nee, jae, en toch nee! Mer ze zulle me herstikke dood schieten! En as ik dood bin, dan kom ik nooit niet meer weromme, en
+ik zien ik nooit niet meer m&#8217;n <span class="letterspaced">Smeerdiekje</span> mee z&#8217;n klokkespilletje!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3626">&#8220;Och, och, hoe erg!&#8221;&#8212;
+<span id="d0e3628" class="pageno">bladzijde 99</span>
+
+<p id="d0e3631">&#8220;Jae, en dicht bie dat mooie torentje mee z&#8217;n klokkespilletje, daer weunt m&#8217;n meutje en daer &#8217;oud ik zoovee van!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3634">&#8220;Wel, wel, dat &#8217;s verschrikkelijk!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3637">&#8220;En as ze me noe is doodschiete, wat zal m&#8217;n meutje dan jule!&#8221;<a id="d0e3639src" href="#d0e3639" class="noteref">4</a>
+
+<p id="d0e3652">&#8217;T was of de kerel gek werd zoo stelde hij zich aan; hij zette een mond open als een bakkersoven en huilde als een wervelwind.
+
+<p id="d0e3655">Eindelijk kwam onze Schout bij Nacht ook aan en toen hij mij zoo zag gieren van het lachen, ze&icirc; hij: &#8220;Dat moet je niet doen,
+Huib! En jij, goeie vrind, moest niet huilen; want dat helpt toch niemendal. Maar weet je wat je doen moet?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3658">&#8220;Nee, nee, lieve Schout bie Nachtje, dat en weet ik nie!&#8221; snikte de man.
+
+<p id="d0e3661">&#8220;Nu, luister dan, vrind! Vooreerst moet je een weinigje op den goeden God vertrouwen; want die heeft voor &#8217;n armen zeeman
+ook wel wat over. En dan, je heb knuisteu als voorhamers en armen als kluifhouten! Denk je dat je die gekregen hebt om er
+je tranen me&ecirc; af te vegen? Mis, man, mis! Jij hebt die nou is om er vandaag klappen mee uit te deelen, links en rechts! En
+als je niet weet, hoe je dat doen moet, kijk dan maar eens naar onzen Huib, en als je wil, naar mij, dan wed ik dat je er
+vanavond schik in hebben zult, dat je vandaag zooveel geleerd hebt!&#8221;
+
+<p id="d0e3664">Zoo sprak De Ruyter en begon terstond zich tot den slag gereed te maken. Het gebed werd gedaan, daarna kreeg ieder gelegenheid
+om eens goed te schaften, de vlag werd aan de vlaggespil vast gespijkerd en ... daar ging het er van door!
+
+<p id="d0e3667">Gijsels trachtte zich met den Vice-Ammiraal Tolck te <span id="d0e3669" class="pageno">bladzijde 100</span>vereenigen. De vijand hield het er voor, dat hij aan den haal ging on zette hem na. Maar Gijsels dacht: &#8220;Neen, dat bedoel
+ik niet!&#8221; en terstond liet hij wenden en gaf den Spanjaard de volle laag. De vijand meende echter dat hij zoo &#8217;n hoopje garnaalschuitjes
+best aan kon en gaf Gijsels dubbel en dwars terug wat hij gegeven had,
+
+<p id="d0e3672">&#8220;Mannen,&#8221; riep De Ruyter, &#8220;onze Ammiraal krijgt het met die Spaansche Dons te kwaad; we gaan hem helpen!&#8221;
+
+<p id="d0e3675">Zoo gezegd zoo gedaan.
+
+<p id="d0e3678">Van &#8217;s morgens half tien tot laat in den achternoen vochten we als leeuwen.
+
+<p id="d0e3681">&#8220;Aoist, aoist, aoist!&#8221; klonk het op eens naast me.<a id="d0e3683src" href="#d0e3683" class="noteref">5</a>
+
+<p id="d0e3693">Het was de Smeerdieksche reus, die een kanon afgeschoten had en ontdekte dat hij met zijnen kogel de vijandelijke Ammiraals-vlag
+aan narden schoot.
+
+<p id="d0e3696">&#8220;Dat heb je &#8217;m eens secuur gelapt, kompeer!&#8221; ze&icirc; ik.
+
+<p id="d0e3699">&#8220;Jae, jae, dat &#8217;eb ik net! Aoist, aoist, aoist!&#8221; juichte hij.
+
+<p id="d0e3702">&#8220;Aan de pompen, aan de pompen!&#8221; kommandeerde De Ruyter, en &#8217;t was noodig ook; want de romp van <i>De Haese</i> moet veel op eene spons geleken hebben, z&oacute;&oacute; hadden ze ons beschoten.
+
+<p id="d0e3708">Eindelijk ging Tolck, die een beetje minder dan niemendal gedaan had aan den haal, en of Gijsels ook al op hem schoot om hem
+te noodzaken terug te keeren, Tolck deed alsof hij het niet hoorde, en zette zijne wandeling voort. Misschien dat de man door
+zijn volk gedwongen werd om zoo te doen, ik en weet het niet, maar daar ben ik zeker af, dat hij ons leelijk in de pekel liet
+zitten.
+
+<p id="d0e3711">Nu riep de Ammiraal de bevelhebbers der schepen, die hem trouw bijgestaan hadden, aan boord om te overleggen <span id="d0e3713" class="pageno">bladzijde 101</span>wat er gedaan moest worden. Ze besloten bijna eenparig het gevecht te staken, omdat de schepen te veel geleden hadden en het
+onmogelijk nog langer vol konden honden.&#8212;
+
+<p id="d0e3716">De Spanjool scheen ook niet veel lust te hebben om de partij nog eens op te nemen en verwijderde zich van ons. In den nacht,
+die op dit gevecht volgde, kregen we nog eenen vreeselijken storm op ons dak en met heel veel moeite en zware averij waren
+we wel genoodzaakt om te <span class="letterspaced">Lissabon</span> binnen te loopen.
+
+<p id="d0e3722">De koning van <span class="letterspaced">Portugal</span> gaf aan onze bevelhebbers mooie gouden ketenen met penningen, misschien wel in de hoop, dat we onze kunsten nog eens zouden
+toonen; maar Gijsels had daar geen lust toe, als de Portugeezen ons niet hielpen. Die lu&icirc; waren echter liever koud dan mo&ecirc;,
+en daarom ze&icirc; onze Ammiraal op een&#8217; mooien morgen den Koning goeien dag en wij keerden naar het Vaderland terug.
+
+<p id="d0e3728">Ik wil je wel zeggen, dat ik hard verlangde om weer eens een poosje aan den wal te leven; maar daar kwam niet veel van! Nauwelijks
+toch was ik aangekomen of &#8217;t was alweer maar: &#8220;Vooruit, Huibje! Help de Duinkerkers eens achter den broek zitten!&#8221;&#8212;Was d&agrave;t
+afgeloopen, dan was het we&ecirc;r: &#8220;Ga nou met Witte Cornelisz. De With eens naar de <span class="letterspaced">Sont</span>, Huibje! Die koning van <span class="letterspaced">Denemarken</span> is een levende schrok, eene haai van de grootste soort! Omdat wij goede vrienden zijn met Christientje, die voor Koninginnetje
+van <span class="letterspaced">Zweden</span> speelt, en omdat die Kris, die koning van <span class="letterspaced">Denemarken</span>, uit meenens met haar ravot en stoeit, zoodat de splinters er afvliegen, zoo laat hij onze schepen, die de <span class="letterspaced">Sont</span> passeeren schandelijk veel losgeld betalen! Toe, Huibje, <span id="d0e3745" class="pageno">bladzijde 102</span>help jij met je Brielschen kameraad, &#8217;t &#8220;Kregel Mennonietje,&#8221; dien Kris eens op zijn nummer zetten! En jawel, hoor, daar ging
+het!
+
+<p id="d0e3748">In Hooimaand van het jaar &#8217;44 staken twee en veertig oorlogsschepen onder bevel van onzen Witte, als Vice-Ammiraal, in zee.
+Wij hadden te zorgen voor negenhonderd koopvaardijschepen, maar Witte kreeg de boodschap mee alleen maar te waken, dat onze
+schepen den gewonen tol moesten betalen en geen geweld aangedaan werden. Ik diende bij hem aan boord, en dikwijls dacht ik
+zoo, in mijn eentje, aan dien morgen toen ik voor het eerst naar zee zou gaan en afscheid ging nemen. Toen had ik al heel
+leelijk gekeken, als Witte ze&icirc;: &#8220;Als ik ga varen, wil ik Ammiraal worden!&#8221;&#8212;En ik, dwaaskop, die ik was, ik had hem uitgescholden
+en gezegd, dat hij pluimgraaf zou worden op het schip waarop ik kapitein was!&#8212;
+
+<p id="d0e3751">En nu! &#8217;T is me gegaan zooals de Ridder Cats zegt:
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e3756">&#8220;Veel roemen met een dommen geest,
+<br id="d0e3759">Een ijdel vat bomt aldermeest.&#8221;<a id="d0e3761src" href="#d0e3761" class="noteref">6</a>
+
+<p id="d0e3778">Onze tocht liep goed af en beter dan ik gedacht had. Wel zag ik Witte nu en dan met zijnen degen op het dek stampen, wel hoorde
+ik hem enkele malen van kwaadaardigheid op de tanden knarsen, maar hij hield zich goed en geen pond kruit heeft hij laten
+verschieten. Nauwelijks was de goede man echter thuis, of de Denen begonnen het spelletje van voren af aan, en thans besloten
+de Staten-Generaal om in &#8217;45 nog eens eene vloot uit te zenden om de koopvaarders te beschermen. Nu was zijn lastbrief eenigszins
+anders. De koopvaardijschepen mochten in het geheel geen tol betalen, en hij zelf zou ze met <span id="d0e3780" class="pageno">bladzijde 103</span>zijne oorlogsvloot door de <span class="letterspaced">Sont</span> brengen. Bij de minste beleediging kon hij van leer trekken, zoo hard hij wilde. Dat was een kolfje naar Witte&#8217;s hand. Met
+vijftig w&eacute;l uitgeruste schepen zeilde hij uit om eene vloot van weer maar zoo eventjes negenhonderd koopvaarders door de <span class="letterspaced">Sont</span> te voeren.
+
+<p id="d0e3789">Toen we dicht bij het kasteel <span class="letterspaced">Kroonenburg</span> gekomen waren ging de eerste konstabel naar den Ammiraal en vroeg beleefd hoeveel schoten hij doen moest om den koning van
+<span class="letterspaced">Denemarken</span>, die op het kasteel was, te begroeten.
+
+<p id="d0e3798">Witte gaf geen antwoord.
+
+<p id="d0e3801">&#8220;Hoeveel schoten zullen er ter eere van de Koning gelost worden, Ammiraal?&#8221; klonk andermaal de vraag.
+
+<p id="d0e3804">&#8220;Hoeveel schoten? E&eacute;n, maar dan liefst met een zes-en-dertig ponder en dan zoo netjes gemikt, dat die Kris op den grond tolt
+als een dronken kadraaier!&#8221;<a id="d0e3806src" href="#d0e3806" class="noteref">7</a>
+
+<p id="d0e3816">&#8220;Dus maar dadelijk met scherp, Ammiraal?&#8221;
+
+<p id="d0e3819">&#8220;Loop heen, kerel, je staat me daar net bij als eene geit voor het Prinsenhof. Snor uit, ik zal wel groeten!&#8221;
+
+<p id="d0e3822">De konstabel verwijderde zich en ieder, die hem verstaan had, keek nieuwsgierig uit om te zien wat de wildeman doen zou.
+
+<p id="d0e3825">D&aacute;&aacute;r lag het sterke <span class="letterspaced">Kroonenburg</span> en d&aacute;&aacute;r stond de Koning.
+
+<p id="d0e3831">Zoodra Witte hem zag klom hij op de kampanje en lichtte dood bedaard een paar keeren zijnen hoed af, en ze&icirc;: &#8220;Dag Kris! Je
+hebt de groeten van de Heeren Staten, en wij betalen je nu eens geen duit! Als je ze hebben wil, dan kom je ze maar halen!
+Wij zullen in looden bolletjes uitbetaling houden.&#8221;
+
+<p id="d0e3837">De Denen stonden te kijken, alsof ze een klap van den molen gekregen hadden, toen ze ons zoo deftig door de <span class="letterspaced">Sont</span> zagen trekken en de Koning kreeg zooveel eerbied <span id="d0e3842" class="pageno">bladzijde 104</span>voor onze macht, dat hij weldra vrede met <span class="letterspaced">Zweden</span> maakte en de verhooging van de tollen wijselijk achterwegen liet. Ja, onze roem begon toen z&oacute;&oacute; te stijgen, dat zelfs vreemden
+bij ons de zeevaart kwamen leeren.<a id="d0e3847src" href="#d0e3847" class="noteref">8</a> Na deze tochten naar het <span class="letterspaced">Noorden</span> had ik nog al geen rust; want nauwelijks was ons schip voor den dienst afgekeurd, of ik kwam op een ander en ging naar ...
+<span class="letterspaced">Duinkerken</span>.&#8212;
+
+<p id="d0e3860">Ja, alweer naar <span class="letterspaced">Duinkerken</span> waar Tromp de haven hield ingesloten. De Franschen sloegen het beleg aan de landzijde en langen tijd hielden de belegerden,
+wien het aan geen moed ontbrak, het beleg vol. Eindelijk moest Markies De Lede, die het bevel binnen de stad voerde, zich
+overgeven en het befaamde en geduchte roofnest was in handen van den Franschen Koning. Dit geschiedde den tienden van Wijnmaand
+van &#8217;46.
+
+<p id="d0e3866">Ik kwam eindelijk weer in het Vaderland terug en daar mijne dienstjaren om waren zoo besloot ik te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> kaaigast te worden.
+
+<p id="d0e3872">Kaaigast, jawel, een goed baantje voor die landkrabben, maar niet voor een zeeman, die al bijna veertig jaren op de zee had
+rondgezwalkt.
+
+<p id="d0e3875">Als ik zoo bezig was een Oostindievaarder te helpen lossen, dan dacht ik dikwijls: &#8220;Huib Maerlant, wat ben je toch een gek!
+Je gaat hier aan den wal om een vrachtje vechten, je verdient soms net zooveel als je noodig hebt om te kunnen leven en soms
+niemendal! Je kost is dunnetjes, je slaapplaats niet te best en slaven en draven is de boodschap als je niet van honger sterven
+wilt. Je doet nou net als die lange slungels, die bang zijn om ter zee te varen, omdat ze op zee kunnen verdrinken. Je bent
+een flauwerd, Huib, een rechte Jan Salie, ja, dat ben-je!&#8221;
+<span id="d0e3877" class="pageno">bladzijde 105</span>
+
+<p id="d0e3880">Bovendien was het aan den wal ook al niet pluis. De vrede met <span class="letterspaced">Spanje</span> is tegen den zin van onzen Stadhouder Willem gesloten en sedert, is liet tusschen hem en de voornaamste Heeren in <span class="letterspaced">Holland</span> ook al geen botertje tot den bo&ocirc;m. Dat is harrewarren hier en harrewarren daar. Zelfs onder ons sjouwerlu&icirc; kwam er al verdeeldheid,
+en dat gaf maar oorzaak tot ruzie en vechtpartijen.
+
+<p id="d0e3889">Jelui weet het allen zoo goed als ik, dat de Prins zes heeren op <span class="letterspaced">Loevestein</span> heeft gevangen laten zetten omdat hij deze voor de hoofdpersonen hield, die alles wisten door te drijven wat hij niet geern
+zag.
+
+<p id="d0e3895">En wat was het gevolg?
+
+<p id="d0e3898">Jan trok partij voor de mannen van <span class="letterspaced">Loevestein</span> en hunne kornuiten, en Piet ze&icirc; alwe&ecirc;r: &#8220;De Prins heeft wel groot gelijk, dat hij zoo doet!&#8221;
+
+<p id="d0e3904">Zoo dat, wil ik maar zeggen, iedereen partij koos.
+
+<p id="d0e3907">Nu ben ik op mijn manier niemendal. Ik kan niet zeggen dat ik zoo bijzonder voor den Prins ben, en ik kan ook niet zeggen,
+dat ik zooveel op heb met de Heeren Staten van <span class="letterspaced">Holland</span>. Ik heb in die dagen ondervonden, dat ik voor landkrab niemendal deug; maar het leelijkste was, dat ik daar zelf nooit aan
+gedacht had, tot op zekeren mooien dag, nu misschien een jaar geleden.
+
+<p id="d0e3913">Het ging me nu altijd zoo wat als dien Voornschen boer in den tijd van de Hoeken en Kabeljauwen!&#8221;
+
+<p id="d0e3916">&#8220;Welke boer was dat, Huib?&#8221; vroeg Jonge Kees.
+
+<p id="d0e3919">&#8220;En weet je dat niet? Luistert dan maar, ik zal je &#8217;t vertellen. In den tijd toen de menschen hier te lande verdeeld waren
+in Hoekschen en Kabeljauwschen, liep Krelisboer van <span class="letterspaced">Nieuwenhoorn</span>, toen hij van zijn werk <span id="d0e3924" class="pageno">bladzijde 106</span>kwam, met een dorschvlegel op zijne schouders naar huis. Pas had hij een stap of wat gedaan, of daar kwam een troepje Kabeljauwsche
+schobbejakken aan.<a id="d0e3926src" href="#d0e3926" class="noteref">9</a>
+
+<p id="d0e3933">&#8220;Hei, boer,&#8221; riepen ze, &#8220;wat ben je, Kabeljauwsch of Hoeksch?&#8221;
+
+<p id="d0e3936">Krelisboer, die geen onderscheid zien kon tusschen Hoeken of Kabeljauwen, ze&icirc; op de bonnefooi<a id="d0e3938src" href="#d0e3938" class="noteref">10</a>: &#8220;Wel Hoeksch, mannen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3954">&#8220;Wacht, we zullen je Hoekschen,&#8221; riepen die lu&icirc; en gaven Krelis een hard pak slaag.
+
+<p id="d0e3957">&#8220;Dat heb ik al vast beet,&#8221; dacht onze maat en ging verder.
+
+<p id="d0e3960">&#8217;T was of het werk sprak, daar kwam weer zoo&#8217;n troepje van die vechtersbazen; maar dat waren Hoekschen, en die vroegen ook
+aan Krelis: &#8220;Boer, wat ben-je? Hoeksch of Kabeljauwsch?&#8221;
+
+<p id="d0e3963">Krelis voelde nog de klappen, die hij had gehad en ze&icirc;: &#8220;Kabeljauwsch, mannen! Rondom Kabeljauwsch!&#8221;
+
+<p id="d0e3966">&#8220;We zullen je Kabeljauwschen!&#8221; was het antwoord en daar ging het weer, van hetzelfde laken een pak.
+
+<p id="d0e3969">&#8220;Die heb ik al weer beet,&#8221; ze&icirc; Krelis, &#8220;maar nou zullen ze me niet weer vangen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e3972">Daar kwam het derde troepje en &#8217;t was al weer: &#8220;Boer, wat ben-je? Hoeksch of Kabeljauwsch?&#8221;
+
+<p id="d0e3975">&#8220;Wel,&#8221; zei Krelis, &#8220;dat zal ik jelui nou eens netjes vertellen! Eerst ben ik Hoeksch geweest, toen Kabeljauwsch en nou ben
+ik duivelsch!&#8221; en den dorschvlegel van zijn schouder nemende, sloeg hij net zoo lang links en rechts, tot al de lui op den
+loop gingen.&#8212;
+
+<p id="d0e3978">Maar hoort nu, hoe het verder met me afliep.
+
+<p id="d0e3981">Daar was een rijk geladen Oostindie-vaarder thuis gekomen en lag aan den wal te <span class="letterspaced">Rotterdam</span>. Ik stond <span id="d0e3986" class="pageno">bladzijde 107</span>al sedert een paar dagen op werk te loeren, en schoot nu als een pijl uit den boog op het schip toe, dat nog niet eens aan
+de ringen gemeerd was.<a id="d0e3988src" href="#d0e3988" class="noteref">11</a>
+
+<p id="d0e3995">&#8220;Hei, jij, ouwe robbevanger, houd je maar mak!&#8221; riep een jonge kaaigast, dien ik tegen het lijf liep. &#8220;Dat vrachtje is voor
+ons!&#8221;
+
+<p id="d0e3998">&#8220;Heeft de kapitein jelu&icirc; dan al aangenomen?&#8221; vroeg ik.
+
+<p id="d0e4001">&#8220;Ne&ecirc;, maar jij blijft er af, &#8217;t is voor ons!&#8221; zeide de ander en duwde me met een flinken ribbestoot terzijde.
+
+<p id="d0e4004">Nou ben ik wel geen vechtersbaas in mijn hart, althans niet op het land, maar om me zoo maar een opstopper te laten geven
+door den eersten den besten kw&acirc;jongen, dat en ging toch niet en daarom lichtte ik mijn&#8217; arm even op om mijn vuist op zijn
+ruigen krullebol te laten vallen en ze&icirc;: &#8220;Daar heb je al vast een teerpenning op het vrachtjen vooruit!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e4007">Maar, o wee, pas had ik dat gedaan of een stuk of tien van zijne kameraads trokken zijne partij en begonnen me te kloppen,
+dat mij alles groen en geel voor de oogen werd. Gelukkig hadden eenige van mijne kameraads, die vroeger ook gevaren hadden,
+gezien hoe ik er van langs kreeg en in een ommezien, waren ze bij me.
+
+<p id="d0e4010">&#8220;We zullen je helpen, Huib! Houd je maar taai!&#8221; riepen ze en begonnen onder het schreeuwen van: &#8220;Landkrabben!&#8221; ankersmidje
+te spelen. Hunne vuisten waren de voorhamers en de koppen van de &#8220;Landkrabben&#8221; de aanbeelden. Dat was een geklop en een getier
+van belang! Al vechtende schoven we al verder en verder achteruit en hiervan maakten andere kaaigasten, die niet van kloppen
+hielden, gebruik om aan boord van het schip te gaan en ons de lading te ontfutselen.&#8212;Wij, oude zeerobben, waren in de minderheid
+en weken meer <span id="d0e4012" class="pageno">bladzijde 108</span>en meer achteruit, totdat wij onzen kans schoon zagen en aan den haal gingen.
+
+<p id="d0e4015">Ik zag er vreeselijk uit, en juist was ik bezig met mezelven wat op te knappen, toen een man mij op den schouder tikte.
+
+<p id="d0e4018">Ik keek hem aan en dacht: &#8220;Jou heb ik meer gezien!&#8221;
+
+<p id="d0e4021">Hij had een netzakje met springlevende bot aan zijnen arm hangen en het zakje openende, haalde hij er een van de wildste botjes
+uit en le&icirc; het op straat neer. Het dier lag erg te spartelen, maar kwam niet ver.
+
+<p id="d0e4024">Ik keek hem aan, alsof ik zeggen wou: &#8220;Schort het je in je bol?&#8221;
+
+<p id="d0e4027">De man lachte even en ze&icirc;: &#8220;Als een visch op het droge, Huib!&#8221;
+
+<p id="d0e4030">Nu herkende ik hem. Het was stuurman Willem Adriaense Warmont, die mij vroeger gezegd had, dat er twee&euml;rlei soort van menschen
+waren, doch ik was het vergeten.
+
+<p id="d0e4033">&#8220;Hoe maak-je &#8217;t, ouwe jongen?&#8221; vroeg ik en stak mijne hand uit.
+
+<p id="d0e4036">&#8220;Goed, goed, Huib! Zeker tienmaal beter dan jij! Je ziet er uit als een uitgeklopte wolbaal! Ben-je heelemaal vergeten wat
+ik je eens gezegd heb?&#8221;
+
+<p id="d0e4039">&#8220;Jij mij gezegd? W&agrave;t heb je mij gezegd?&#8221;
+
+<p id="d0e4042">&#8220;Ja, ja, ik! Weet je niet meer hoeveel soorten van menschen er zijn?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e4045">&#8220;o, Ja, dat &#8217;s waar ook: matrozen en landkrabben!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e4048">&#8220;Precies, Huib! Maar wat doe je nu hier? Kan een visch op het droge en eene krabbe aan den wal leven? Neen, man, je bent buiten
+je element en &#8217;t zal je gaan als de Wolf waarvan de Heer Raadpensionaris Jacob Cats spreekt!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e4051">&#8220;Wat zegt die excellente puikpo&euml;et dan?&#8221;&#8212;
+<span id="d0e4053" class="pageno">bladzijde 109</span>
+
+<p id="d0e4056">&#8220;Ken je &#8217;t versje niet? Nou hoor dan: Er staat boven: <span class="letterspaced">Wann de Wolff altet, soo reiten hem de Krehen.</span>
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e4064">&#8220;Eens was ick hoogh geducht; geen beyr en quam mij tergen,
+<br id="d0e4067">Geen leeuw en hadder lust om mij een krijght te vergen,
+<br id="d0e4070"> Ick was in &#8217;t woudt gesien, en overal gevreest,
+<br id="d0e4073"> Maer nu ben ick een spot oock van het minste beest,
+<br id="d0e4076">Oock van &#8217;k en weet niet wat: nu rijen mij de kraeijen,
+<br id="d0e4079">Omdat ick mijnen hals niet om en weet te draeijen,
+<br id="d0e4082"> Omdat ick niet en ben, omdat ick niet en mach,
+<br id="d0e4085"> Omdat ick niet en doe, gelijck ick eertijts plach.
+<br id="d0e4088">Nu ben ick maer een romp; want oock mijn eijgen jonghen,
+<br id="d0e4091">Die komen tegen mij, en over mij gesprongen:
+<br id="d0e4094"> Eijlaes! wat sal ick doen? mijn gantsche lichaam beeft,
+<br id="d0e4097"> &#8217;t Is uijt wanneer de wolf sijn tanden over-leeft.&#8221;
+
+<p id="d0e4101">&#8220;Nou, ja, maar ik en heb mijne tanden nog niet overleefd,&#8221; zeide ik.
+
+<p id="d0e4104">&#8220;Nee, Huib, nog niet; maar blijf nog eens een jaar aan den wal, dan ben je net als dit botje!&#8221;
+
+<p id="d0e4107">Hij wees op den visch, die niet meer spartelde, maar dood op den grond lag.
+
+<p id="d0e4110">&#8220;Ik wil het gelooven, je hebt er op getrapt!&#8221; gaf ik heel wijs ten antwoord.
+
+<p id="d0e4115">&#8220;Je bent gladder dan ik dacht, Huib,&#8221; ze&icirc; de ander weer, en na nog eene levende bot uit het netzakje gehaald te hebben, smeet
+hij het beest in de <span class="letterspaced">Maas</span>.
+
+<p id="d0e4121">&#8220;Ben je nou heelemaal van lorretje gepikt?&#8221; vroeg ik.
+
+<p id="d0e4124">&#8220;Ik geloof het niet; maar trap <span class="letterspaced">die</span> bot eens dood als je kan!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e4130">&#8220;Welke bot?&#8221;
+
+<p id="d0e4133">&#8220;Wel, die ik in de <span class="letterspaced">Maas</span> smeet!&#8221;
+
+<p id="d0e4139">&#8220;Dat kan niet, dat beest is vrij en jij en krijgt je vischje nooit meer weerom!&#8221; antwoordde ik.
+
+<p id="d0e4142">&#8220;Dat &#8217;s niemendal, Huib! Als ik jou maar overtuigen <span id="d0e4144" class="pageno">bladzijde 110</span>kan, dat een matroos nooit eene goede landrot worden kan, dan heb ik er het heele zootje voor over! Je moet alweer naar zee,
+Huib, anders, en &#8217;t is zoo vast als een ringbout in het dek, heb je, eer we een jaar ouder zijn, even als de wolf, je tanden
+overleefd!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e4147">&#8220;Maar ik en heb geen zin meer in het varen!&#8221; gaf ik eenigszins schoorvoetend ten antwoord.
+
+<p id="d0e4150">Rrrt, daar vloog de netzak met bot de <span class="letterspaced">Maas</span> in en stampvoetende van kwaadheid, riep hij: &#8220;Daar heb-je &#8217;t! Daar heb-je &#8217;t! Jawel, als de lu&icirc; bang beginnen te worden voor
+een mondvol zeewater, als ze liever dunne landkrabbensoep eten dan matrozengort, zeg dan maar: &#8220;Adjuus, <span class="letterspaced">Vereenigde Provinci&euml;n</span>! Heel de wereld groeit je over den kop en je bent in tel als eene rotte kool bij eene groenvrouw! Huib, Huib, weet-je &#8217;t
+dan niet, ouwe jongen, dat de zee voor ons Gemeenebest alles is? Ze geeft ons brood, drank, kleeding, woning, geld, macht,
+kloekheid en stevigheid! Hoor naar mijne woorden, Huib, en let er wel op! De dag waarop voor het eerst gebrek is aan zeevolk
+op onze schepen, die dag zal de eerste zijn van den ondergang van ons Land!
+
+<p id="d0e4159">Heb je je Land lief? Naar zee!
+
+<p id="d0e4162">Wil je graag een eerlijk en goed stuk brood verdienen? Naar zee! Naar zee!
+
+<p id="d0e4165">Wil je weten hoe rijk de lieve God onze aarde geschapen heeft; wil je knap, wijs en verstandig worden; wil je gezond blijven,
+oud worden en een gerusten, onbezorgden ouden dag beleven? Naar zee! Naar zee!
+
+<p id="d0e4168">Wil je graag rond en oprecht blijven; houd je niet van listen en streken? Naar zee! Naar zee!&#8221;
+
+<p id="d0e4171">Onderwijl de stuurman zoo in vuur geraakt was onder het spreken, waren er van alle kanten mannen en vrouwen <span id="d0e4173" class="pageno">bladzijde 111</span>komen opdagen, die met open ooren en monden stonden te luisteren. Dat zag de wakkere man en toen hij even ophield met spreken
+om adem te halen, klonk het hier en daar: &#8220;Ga voort, ga voort!&#8221;
+
+<p id="d0e4176">En Warmont sprak: &#8220;Ik en weet niet of jelu&icirc; altemaal Rotterdammers zijt; maar wat geeft dat? Ik ben een vrije, vrije Fries,
+die daar&#8221;&#8212;hij wees op mij&#8212;is een Briellenaar! De Unie telt zeven gewesten en bijna ieder van de zeven kibbelt om den voorrang!
+Hier aan den wal zijn we niet &eacute;&eacute;n, niet twee, niet zeven, neen, wel honderden meer! Zooveel vroedschappen, zooveel landjes,&#8212;zooveel
+gilden, zooveel baasjes! Maar op zee, op zee zijn we &eacute;&eacute;n! Daar legt de Ommelander zijn knuist in die van den Zeeuw, de Drentenaar
+maakt kameraadschap met den Hollander, de Stichtenaar zweert den Fries houw en trouw, en als ze allemaal bij elka&ecirc;r zijn,
+dan kijken ze naar het <i>oranje, blanje, bleu</i>, aan den achtersteven en hebben maar &eacute;&eacute;n vijand en &eacute;&eacute;n vriend! De vijand is hij, die ons voor den boeg komt;&#8212;de vriend is
+de <span class="letterspaced">Oceaan</span>, die ons op zijne golven de schatten van <span class="letterspaced">Oost</span> en <span class="letterspaced">West</span> van <span class="letterspaced">Zuid</span> en <span class="letterspaced">Noord</span> aanbrengt, die ons kloek en krachtig maakt, en die ons den vedel speelt of den trommel slaat, als we aan den dans willen
+gaan! Mannen van het Gemeenebest der <span class="letterspaced">Vereenigde Nederlanden</span>, meen je &#8217;t wel met je Land, met je vrouw, met je kinderen, meen je &#8217;t wel met je zelven, smijt dan den kiel van den baliekluiver,
+de ganzenveer van den armen klerk weg, schiet het matrozenbuis aan en, naar zee, naar zee!&#8221;<a id="d0e4199src" href="#d0e4199" class="noteref">12</a>
+
+<p id="d0e4203">Het zweet gutste den stuurman van het voorhoofd en terwijl hij zich het gelaat stond af te drogen, schreeuwde de menigte:
+&#8220;Hoezee! Hoezee!&#8221;
+<span id="d0e4205" class="pageno">bladzijde 112</span>
+
+<p id="d0e4208">Dien dag werd ik met nog twintig anderen weer zeeman; ik ben het nog en ik hoop het nog een poosje te blijven om &#8220;Goede vaer
+Tromp&#8221; nog eens in al zijne kracht te zien; want dat is vast: vrede met <span class="letterspaced">Engeland</span> houden we niet! En, als de oorlog uitbreekt, dan zullen we toonen, dat we, al zijn we oud, onze tanden en handen niet overleefd
+hebben. &#8220;Goede vaer Tromp&#8221; zal voorgaan, dat is zeker, en wij zullen volgen, dat is ook zeker!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e4214">
+
+<p id="d0e4217">Huib rees op en ging ter kooi; want de avond was gevallen, en ieder der hoorders volgde zijn voorbeeld.
+
+<p id="d0e4220">Thans wist men ook wie Tromp was.
+<span id="d0e4222" class="pageno">bladzijde 113</span>
+
+<p>
+<hr class="noteseparator">
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e3531" href="#d0e3531src" class="noteref">1</a>
+<span class="smallcaps">Portugal</span> was van 1580 tot 1640 met <span class="smallcaps">Spanje</span> vereenigd geweest. In 1640 echter werd <span class="smallcaps">Portugal</span> onder Johan IV, Hertog van Bragan&ccedil;a, weer een onafhankelijk koninkrijk en nu lag het op onzen weg de Portugeezen tegen de
+Spanjaarden te helpen.
+
+</div>
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e3565" href="#d0e3565src" class="noteref">2</a> Een <i>fregat</i> was een vaartuig dat vooral in dezen tijd veel in gebruik kwam. Daar het niet zoo log gebouwd was als de groote oorlogsschepen
+bewees het in de zeeoorlogen door zijne snelheid van bewegingen, uitnemende diensten.&#8212;Een <i>jacht</i> was mede een zeer snelzeilend vaartuig dat, &ograve;f tot den oorlog uitgerust werd en dan <i>oorlogsjacht</i> heette, of mede genomen werd om brieven of boodschappen over te brengen. Deze laatsten kregen den naam van <i>adviesjachten</i>.&#8212;<i>Galjoenen</i> waren vaartuigen, die vooral door de Spanjaarden als vrachtschepen gebezigd werden.&#8212;<i>Koningsschepen</i> waren die groote oorlogsvaartuigen, die de hoofdmacht van de vloot uitmaakten. Zij werden nergens anders toe gebruikt dan
+om oorlog te voeren, terwijl de andere na afloop van den oorlog dikwijls ook weer als koopvaarders in dienst werden gesteld.
+
+</div>
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e3601" href="#d0e3601src" class="noteref">3</a>
+<span class="smallcaps">Sint Maartensdijk</span> een dorp op het eiland <span class="smallcaps">Tolen</span> heet in de wandeling steeds <span class="smallcaps">Smeerdiek</span>.
+
+</div>
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e3639" href="#d0e3639src" class="noteref">4</a>
+<span class="letterspaced">Jule</span> is hetzelfde als weenen en <span class="letterspaced">meutje</span> of <span class="letterspaced">moei</span> de echte Nederlandsche naam van tante.
+
+</div>
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e3683" href="#d0e3683src" class="noteref">5</a>
+<span class="letterspaced">Aoist</span>! is vooral op <span class="smallcaps">Walcheren</span> een uitroep van buitengewone blijdschap.
+
+</div>
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e3761" href="#d0e3761src" class="noteref">6</a>
+<span class="letterspaced">Veel roemen</span> beteekent <span class="letterspaced">velen roemen</span> en een <span class="letterspaced">ijdel vat</span> is een <span class="letterspaced">ledig vat</span>.
+
+</div>
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e3806" href="#d0e3806src" class="noteref">7</a> Een <span class="letterspaced">kadraaier</span> of <span class="letterspaced">kaaidraaier</span> is een man, die met een roeivaartuig bij de schepen komt om eetwaren te verkoopen.
+
+</div>
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e3847" href="#d0e3847src" class="noteref">8</a> De beroemde Zweedsche vlootvoogd Carel Gustaaf Wrangel vertoefde een jaar in ons land om de zeevaartkunde te bestudeeren;
+men zegt zelfs, dat hij op onze vloot gediend heeft.&#8212;Nicolaas De Witte een Deen, Oloff Steffers en Morgester zijn officieren
+in Nederlandschen dienst geweest en Gustaaf Adolf koning van <span class="smallcaps">Zweden</span> had reeds twintig jaren vroeger Nederlandsche officieren en onder-officieren uitgenoodigd bij hem in dienst te treden.
+
+</div>
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e3926" href="#d0e3926src" class="noteref">9</a> Een <span class="letterspaced">schobbejak</span> was in de riddertijden het geschubde jak dat de mindere man in den oorlog droeg. Later werd het een scheldnaam.
+
+</div>
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e3938" href="#d0e3938src" class="noteref">10</a> De Kabeljauwschen droegen grauwe en de Hoekschen roode mutsen.&#8212;<span class="letterspaced">Bonne fooi</span> is eene verbastering van het Fransche <span class="letterspaced">bonne foi</span> en beteekent eigenlijk <span class="letterspaced">goede trouw</span>. Zooals wij het gebruiken beteekent het <span class="letterspaced">op goed geluk af</span>.
+
+</div>
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e3988" href="#d0e3988src" class="noteref">11</a>
+<span class="letterspaced">Meeren</span> is het vastleggen van schepen aan palen of ringen.
+
+</div>
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e4199" href="#d0e4199src" class="noteref">12</a> Die toespraak van Warmont moogt ge wel eens goed overlezen. Me dunkt, dat zulk eene toespraak in den tegenwoordigen tijd ook
+niet ongepast zou zijn. Veel lust tot den zeedienst bestaat er althans bij onze knapen niet en dat is wel jammer; want er
+is veel van waar als onze bekende kinderdichter Dr. J. P. Heije zegt: &#8220;Zout water geeft het zoetste brood!&#8221;
+
+</div>
+<h1 id="d0e4226">Houw en Trouw.</h1>
+<p id="d0e4232">Koning Karel I van <span class="letterspaced">Engeland</span> had zijne stijfhoofdigheid en de woelingen der burger-partijen met zijn leven moeten boeten. Den negenden van Sprokkelmaand
+beklom Karel het schavot en ten aanzien van duizenden toeschouwers sloeg een gemaskerde beul hem het hoofd af.
+
+<p id="d0e4238">Zulks geschiedde op bevel van zijne tegenpartij aan wier hoofd een zekere Olivier Cromwell stond.
+
+<p id="d0e4241">Die Cromwell was ontegenzeggelijk een knap man&#8212;Engeland heeft veel aan hem te danken&#8212;en Koning Karel had groote gebreken gehad
+en vele verkeerdheden begaan; maar de haat, dien hij den Vorst toedroeg was veel te verregaand.&#8212;Toen hij het doodvonnis van
+den Koning onderteekend had, streek hij zijne met inkt gevulde pen over het gelaat van zijnen vriend Martyn en zeide: &#8220;De
+beurt is aan u!&#8221;
+
+<p id="d0e4244">Een mensch, die rechtschapen is, kan z&oacute;&oacute; al vast geene doodvonnissen onderteekenen.
+
+<p id="d0e4247">Intusschen was Karels oudste zoon, die hem later als Koning opvolgde, na vele vergeefsche pogingen aangewend te hebben om
+de kroon te heroveren, het land ontweken, en vertoefde nu eens hier en dan daar. Zoo <span id="d0e4249" class="pageno">bladzijde 114</span>kwam hij ook in <span class="letterspaced">Den Haag</span> en genoot daar van vele zijden gastvrijheid.
+
+<p id="d0e4255">Cromwell, die na het eindigen van den burgeroorlog Lord-protector van Engeland geworden was, had al vroeger bij onze Staten
+aanzoek gedaan om zich met <span class="letterspaced">Groot-Brittanni&euml;</span> tot &eacute;&eacute;n gemeenebest te vereenigen. Maar hoe genegen sommigen Cromwell nu ook waren, d&aacute;&aacute;rin hadden ze volstrekt geen lust,
+en het aanbod werd dan ook eenstemmig van de hand gewezen.&#8212;Dit hinderde den Lord-Protector erg en bovendien was hij ontevreden
+op ons, omdat de Prins van <span class="letterspaced">Wales</span>, Koning Karels oudste zoon, hier te lande zulk eene gastvrijheid genoot. Ieder oogenblik had de man wat met ons uitstaande,
+nu over dit, dan over dat; maar het meest over zeezaken. Het ging ons gemeenebest zeer voordeelig en nog hadden we in <span class="letterspaced">Europa</span> den naam, dat we de eerste mogendheid ter zee waren! Dat hinderde de Engelsche natie vreeselijk en Cromwell was er steeds
+op uit dat aanzien en die eer te fnuiken.&#8212;Stoutweg verklaarde de Engelsche regeering, dat zij de eerste zeemogendheid was
+en beweerde, dat iedere Natie verschuldigd was hare vlag te eeren en hulde te bewijzen. Wie dat niet deed zou als vijand beschouwd
+en behandeld worden. Men gaf brieven van kaapvaart aan ieder, die meende, dat hij door de Nederlanders in een of ander opzicht
+benadeeld was geworden. Stoutweg voeren die kapers dikwijls onder de Engelsche vlag, en dan was het toch wel erg vernederend
+om de vlag voor eenen kaper te strijken.
+
+<p id="d0e4267">Eindelijk begon men hier toch in te zien, dat het zoo niet langer blijven kon en daarom werd er den derden van Lentemaand
+1652 besloten honderdvijftig schepen van oorlog uit te rusten.
+<span id="d0e4269" class="pageno">bladzijde 115</span>
+
+<p id="d0e4272">Het duurde dan ook niet heel lang of Admiraal Tromp kon met vijftig tamelijk goed uitgeruste schepen zee kiezen. De bestemming
+van die vloot was, onze koopvaarders te beschermen en zorg te dragen, dat maar niet iedereen, die daartoe lust gevoelde, ze
+onderzocht. Over het strijken van de vlag werd niets gezegd. Zeker omdat men toch wel begreep, dat dit den oorlog niet verhinderen
+kon. Toch kreeg Tromp bevel zoo veel mogelijk van de Engelsche kust af te houden, daar men zelf zoo lang dit maar kon den
+oorlog wilde uitstellen, en althans dien niet beginnen.
+
+<p id="d0e4275">De Admiraal besloot, was het ook met heel veel moeite, dit bevel ten uitvoer te brengen en ankerde met zijne vloot tusschen
+<span class="letterspaced">Duinkerken</span> en <span class="letterspaced">Nieuwpoort</span>; maar door een Noord-oosten storm beloopen was hij genoodzaakt de ankers te lichten en zich om den hoek van <span class="letterspaced">Dover</span> in veiligheid te stellen. Nauwelijks was hij daar aangekomen, of hij zond twee fregatten uit om den Engelschen Kommandeur
+Bourne, die bij <span class="letterspaced">Duins</span> lag, uit zijnen naam te begroeten en tevens te zeggen, dat hij van <span class="letterspaced">Dover</span> vertrekken zou, als hij het doel van zijnen tocht bereikt had.&#8212;Bourne liet hem heel beleefd terug groeten en het scheen wel,
+dat het haast eene onmogelijkheid was, dat er van oorlog sprake kon zijn.
+
+<p id="d0e4293">Maar, &#8217;t was de stilte, die de uitbarsting van een vulkaan voorafgaat.&#8212;
+
+<p id="d0e4296">&#8217;T was nacht!
+
+<p id="d0e4299">Eenzaam en stil lag daar een schip op de baren der <span class="letterspaced">Noordzee</span> te wiegelen. Als men evenwel wat scherper toekeek dan zag men hier en daar, donkere plekken zich tegen de bewolkte lucht
+afteekenen, en zoo nu en dan een licht.
+<span id="d0e4304" class="pageno">bladzijde 116</span>
+
+<p id="d0e4307">Aan boord van het schip, dat we thans betreden, vinden we drie mannen, die de wacht houden.
+
+<p id="d0e4310">De oudste is Huib, die, op een hellebaard geleund, zijne oogen in het rond laat gaan als eene kat, die eene prooi zoekt.
+
+<p id="d0e4313">De andere is wat jonger, maar veel langer dan Huib. Het is de lange Smeerdiekenaar, dien we zich als een kind zagen aanstellen
+toen hij voor het eerst in het vuur moest.
+
+<p id="d0e4316">De derde is een heel jong en kort matroosje met eene flauwe stem. Hij heet Adriaan.
+
+<p id="d0e4319">&#8220;Wel, &#8217;Uib, zie je nog niks niemendalle?&#8221; vraagt de lange.<a id="d0e4321src" href="#d0e4321" class="noteref">1</a>
+
+<p id="d0e4331">&#8220;Jawel, &#8217;k zie onze vloot, maar anders niet!&#8221;
+
+<p id="d0e4334">&#8220;En jie, zie jie niks?&#8221; klinkt de vraag aan den jongen Adriaan.
+
+<p id="d0e4337">&#8220;Een vraagal en wat schepen!&#8221; is het zachte antwoord.
+
+<p id="d0e4340">&#8220;Hoor eens, Adriaan, je kunt dan vreeselijk kortaf zijn! Komt dat omdat men geen baard bij jou kan zien van al dat vel? Je
+lijkt, bij m&#8217;n ziel, meer op een vroolijk zusterken dan op een matroos. Hoe oud ben-je al?&#8221; vraagt Huib.
+
+<p id="d0e4343">&#8220;Zoo oud als mijn handen en niet als mijn tanden!&#8221; klinkt het even bits.
+
+<p id="d0e4346">&#8220;Brrrr, wat &#8217;n antwoord! Heusch, Adriaan, dat komt omdat je geen baard hebt, dat je zoo kort van stof bent!&#8221;
+
+<p id="d0e4349">&#8220;Wel, geef jij me dan maar wat pootjes! Je gezicht lijkt veel op een stoppelveld van zaadstroo! Maar weet je wel waar jij
+veel op gelijkt?&#8221;
+
+<p id="d0e4352">&#8220;Neen, weet jij dat?&#8221;
+<span id="d0e4354" class="pageno">bladzijde 117</span>
+
+<p id="d0e4357">&#8220;Jawel, je gelijkt precies op een, die altijd ontevreden is! Schort er wat aan?&#8221;
+
+<p id="d0e4360">&#8220;Ja, Adriaan, er schort wat aan en dat ik ontevreden ben, dat is waar!&#8221;
+
+<p id="d0e4363">&#8220;Zoo,&#8221; zegt de Smeerdieker met een langgerekten uithaal, &#8220;zoo, ik docht ik dat er bie joe niks kon besannen!&#8221;<a id="d0e4365src" href="#d0e4365" class="noteref">2</a>
+
+<p id="d0e4375">&#8220;Zoo, Gerrit, dacht je dat? Nou, maar dan heb je &#8217;t mis, hoor!&#8221;
+
+<p id="d0e4378">&#8220;Maar wat schort er dan aan?&#8221; vroeg Adriaan.
+
+<p id="d0e4381">&#8220;Wel, dat zal ik je eens zeggen. Ik heb een kameraad gehad, een jongen daar wel wat in zat. Hij kwam van <span class="letterspaced">Schevelingen</span> en heette &#8220;Jonge Kees.&#8221; Oud was hij nog niet; ik denk dat hij tusschen de veertien en zestien jaar geweest is! Dat was er
+net een daar ik mee doen kon wat ik wilde. Ik kon op hem grommen, knorren, razen en tieren; ik kon hem zoo nu en dan eens
+door malkander schudden; maar ik kon hem ook dikwijls vertellen wat mij naar op het hart lag. We waren beste vrinden en sedert
+hij van boord is, ben &#8217;k als iemand, die iets verloren heeft!&#8221;
+
+<p id="d0e4387">&#8220;En waarom ging hij van boord?&#8221; vroeg Adriaan verder.
+
+<p id="d0e4390">&#8220;Wel, zijne ouders gingen op <span class="letterspaced">Vlieland</span> wonen en daar zijne dienstjaren om waren ging hij weg en werd haringvisscher. Een aardige jongen was het, en ik heb veel
+aan hem verloren! Als je er niet zoo meisjesachtig uitzaagt, Adriaan, dan zoudt gij zijne plaats kunnen vervangen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e4396">&#8220;Zoo? Geef me dan van uwe stoppels, Huib,&#8221; zeide Adriaan, &#8220;dan heb ik binnen veertien dagen een baard en ... maar stil, zie
+je daar niemendal, daar om de zuidwest?&#8221;&#8212;
+<span id="d0e4398" class="pageno">bladzijde 118</span>
+
+<p id="d0e4401">&#8220;Verbeeldienge is erger as de derdendaegsche koose!&#8221; viel Gerrit in.<a id="d0e4403src" href="#d0e4403" class="noteref">3</a> &#8220;Ik zien ik niks as....&#8221;
+
+<p id="d0e4413">&#8220;&#8217;N schip, Huib, ik zeg je dat het een schip is!&#8221; riep Adriaan.
+
+<p id="d0e4416">Gedurende eenigen tijd stonden de drie wachten uit te zien, maar ontdekten niets. Tegen het aanbreken van den dag echter zagen
+ze het schip alweer en toen het nader kwam, bleek het dat het <i>De Cr&egrave;vecoeur,</i> kapitein Joris Van der Zaen, was.
+
+<p id="d0e4422">De Admiraal werd gewekt en nu bracht Van der Zaen hem de tijding dat zeven straatvaarders, die te zamen wel vijftig tonnen
+gouds waarde hadden, groot gevaar liepen door de Engelschen genomen te worden.
+
+<p id="d0e4425">&#8220;Dan is het mijn plicht deze te gaan beschermen,&#8221; zeide Tromp en beval dat de vloot zich in beweging zou stellen.
+
+<p id="d0e4428">Nauwelijks waren zij onder zeil of ze ontdekten eene Engelsche vloot, die uit vijftien kloeke oorlogsschepen bestond. Een
+van deze schepen voerde de Admiraalsvlag en later bleek het, dat het die van den dapperen Robert Blake was.
+
+<p id="d0e4431">Kan men van Marten Harpertsz. Tromp zeggen dat hij de Nederlandsche vloot tot eene geduchte sterkte wist te brengen, kan men
+van hem getuigen, dat hij het verwarde zeewezen van de <span class="letterspaced">Vereenigde Provinci&euml;n</span> voor een groot gedeelte in het reine bracht, dat hij leerlingen had, die naderhand hem na- of voorbij streefden en dat hij
+onder het zeevolk eenen geest wist te brengen, die &eacute;&eacute;n man zooveel waard deed zijn als twee,&#8212;hetzelfde mag men ook gerust
+zeggen van Robert Blake, in wien Tromp een hem waardig tegenstander vond. Boven onze scheepsbevelhebbers had Blake nog dit
+voor, dat hij een zeer geletterd man was.<a id="d0e4436src" href="#d0e4436" class="noteref">4</a>
+<span id="d0e4448" class="pageno">bladzijde 119</span>
+
+<p id="d0e4451">Zoodra Tromp deze zeemacht ontdekte, meende hij dat de straatvaarders reeds genomen waren en, om nog den schijn van alle vijandelijkheid
+te mijden, liet hij bijna alle zeilen innemen en stelde eenen man bij de vlag om dezen te strijken.
+
+<p id="d0e4454">Nu was Blake echter zoo dom niet om te denken, dat de Nederlandsche vloot daar zoo maar voor eene aardigheid kruiste. Hij
+begreep zeer goed waarom men hem als een hond nazat. Dat kon de voortvarende man niet dulden, en daarom liet hij ook, als
+een hond, een hol gegrom hooren, dat wil zeggen, hij joeg een kanonskogel over Tromps schip. Dit schot werd weldra door een
+tweede en nog door een derde gevolgd. De laatste kogel nam den arm van een onzer matrozen weg.
+
+<p id="d0e4457">Tromp zag bij dat alles bedaard rond, maar toch schitterden zijne oogen als vuurkolen.
+
+<p id="d0e4460">Aan boord van alle schepen was ieder man op zijn post. Ook Gerrit Leinsz. de konstabel, stond gereed.
+
+<p id="d0e4463">Tromp ging naar dezen toe en ze&icirc;: &#8220;Geen bloed, Leinsz! De eerste kogel zij voor de kabeljauwen!&#8221;
+
+<p id="d0e4466">De konstabel volbracht het bevel, doch Blake beschouwde het nog immer als geene gekheid en gaf Tromp de volle laag.
+
+<p id="d0e4469">Thans werd het gevecht algemeen en ofschoon Tromp over eene veel sterkere macht beschikken kon dan de Engelschman, zoo maakte
+hij er toch geen gebruik van, omdat hij letterlijk wilde handelen naar het bevel, dat hij mede gekregen had, om namelijk slechts
+te zorgen, dat onze vlag geen schande werd aangedaan.
+
+<p id="d0e4472">Het gevecht duurde vijf uren; men moest toen wel eindigen omdat de nacht inviel.
+
+<p id="d0e4475">In <span class="letterspaced">Nederland</span> vernam men de tijding van het zeegevecht <span id="d0e4480" class="pageno">bladzijde 120</span>met een verdeeld gevoelen. Aan de eene zijde juichte men er over, dat de Engelschen eens flink onder de oogen waren gezien;
+maar aan de andere zijde schrikte men er van terug, als men aan eenen oorlog met <span class="letterspaced">Engeland</span> dacht. Intusschen was de noodlottige Eerste Engelsche oorlog begonnen.&#8212;Van weerszijden trachtte men zich te verontschuldigen.
+Tromp ze&icirc;: &#8220;Blake heeft het eerst geschoten,&#8221; en Blake ze&icirc;: &#8220;Tromp heeft zijne vlag niet gestreken!&#8221;
+
+<p id="d0e4486">Nog deden de Nederlanders bijna het onmogelijke om den vrede te behouden en zond men gezantschap op gezantschap naar <span class="letterspaced">Engeland</span>, maar niets mocht baten. De gezanten werden soms met minachting ontvangen en wat ze ook vertelden, niemand geloofde hen.
+De oorlog was onvermijdelijk, men moest vechten of men wilde of niet, en vele leden der Regeering gaven thans Tromp van alles
+de schuld en zouden hem gaarne door een ander hebben doen vervangen, als ze maar iemand hadden kunnen vinden.
+
+<p id="d0e4492">Maar De Ruyters zon was nog lang niet ter middaghoogte en voor die van den wakkeren Briellenaar was het nog geen tijd om onder
+te gaan.&#8212;
+
+<p id="d0e4495">Gedurende dien tijd was Jonge Kees ook op zee. Maar niet bij <span class="letterspaced">Duins</span>, <span class="letterspaced">Dover</span> of <span class="letterspaced">Duinkerken</span>; niet op een oorlogsschip, dat ieder oogenblik gereed is een ander schip aan te vallen, en dat sterk bemand en gewapend is.
+
+<p id="d0e4507">Het vaartuig waarop onze Jonge Kees thans vertoeft is eene kloeke, stevige vischschuit, van &#8217;t voorjaar eerst nieuw. De schuit
+draagt op den achtersteven den naam van: <i>De vrouw Neeltje</i>.&#8212;Neeltje, zoo heet zijne moeder.
+
+<p id="d0e4513">De vorige reis heeft de vader van Jonge Kees een tros tegen zijne beenen gekregen, en deze zoo erg bezeerd, dat hij ditmaal
+niet met zijne schuit me&ecirc; kon.<a id="d0e4515src" href="#d0e4515" class="noteref">5</a>
+<span id="d0e4521" class="pageno">bladzijde 121</span>
+
+<p id="d0e4524">Maar Jonge Kees is een wakkere borst, een stoere jongen, een knaap daar staal in zit, dat wist moeder Neeltje ook wel, en
+daarom ze&icirc; ze, toen haar man, hoe zwaar het hem ook viel, toch mee wilde gaan: &#8220;Laat je beenen nou rust houden, vader! Blijf
+deze reis maar eens thuis en laat onze Jonge Kees je plaats vervangen! De zee is tegenwoordig rustig, de jongen is bij de
+hand en het <span class="letterspaced">Schagerrif</span> of <span class="letterspaced">Doggerzand</span> is niet zoo heel ver af!&#8221;
+
+<p id="d0e4533">&#8220;Ja, maar, moeder, de jongen is toch nog wel wat jong! Pas,&#8212;was &#8217;t niet met Drie Koningen?&#8212;zestien jaar! Wel wat jong, moeder,
+wel wat jong!&#8221;
+
+<p id="d0e4536">Maar moeder Neeltje wist zoo te praten dat de vader eindelijk toegaf en zijn&#8217; zoon, voor &eacute;&eacute;ne reis, tot stuurman op de mooie
+schuit aanstelde.
+
+<p id="d0e4539">Op dit oogenblik is hij in de nabijheid van het <span class="letterspaced">Doggerzand</span>. Hij en zijne manschappen zijn recht tevreden, want de vangst was uitmuntend.
+
+<p id="d0e4545">&#8220;Nog &eacute;&eacute;n uurtje, mannen, dan gaan we eens kijken of er aan het <span class="letterspaced">Schagerrif</span> ook wat te halen is!&#8221; zegt de jonge stuurman.
+
+<p id="d0e4551">&#8220;Daar ginder komt een Ro&ocirc;rok, Jonge Kees!&#8221; zegt een der matrozen.
+
+<p id="d0e4554">&#8220;Wel, dan gaan we niet weg! Die Koningsmoorder zou wel denken, dat we aan den haal gingen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e4557">Men gaat voort met visschen.&#8212;
+
+<p id="d0e4560">De Engelsche vischschuit komt al nader en nader en er klinkt een hevig gelach aan boord nu Jonge Kees zijne netten le&ecirc;g ophaalt.
+
+<p id="d0e4563">&#8220;Hij lacht ons uit!&#8221; zegt een matroos.
+
+<p id="d0e4566">&#8220;Laat ze maar lachen! &#8217;T is beter dat ze om ons lachen dan dat ze om ons huilen!&#8221;&#8212;
+<span id="d0e4568" class="pageno">bladzijde 122</span>
+
+<p id="d0e4571">Nu haalt de Engelschman zijne netten ook leeg op.
+
+<p id="d0e4574">Een hevig gelach klinkt er thans van <i>De vrouw Neeltje</i>. Ieder zijne beurt.
+
+<p id="d0e4580">Maar dat kan de Engelschman niet dulden! Hij mag uitlachen wien hij wil, maar niemand mag dat doen te zijnen koste. En in
+zijne boosheid neemt hij een der steenen, die op zijn dek liggen, en smijt dien naar den brutalen Vlielander.
+
+<p id="d0e4583">&#8220;Leer om leer kan ik je niet geven!&#8221; roept Jonge Kees, &#8220;maar smijt jij met steenen dan doe ik het met talhouten!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e4586">Zjst&#8212;daar vloog er al een.
+
+<p id="d0e4589">Nu smeten al de Engelschen met steenen en al de Hollanders met talhouten.&#8212;Het was een grappig gezicht, vooral omdat geen van
+allen raak gooide.
+
+<p id="d0e4592">Jonge Kees houdt op met smijten en roept: &#8220;Legt neer dat hout!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e4595">&#8220;Moeten we ons dan maar dood laten gooien?&#8221; vraagt er een.
+
+<p id="d0e4598">&#8220;Wel neen,&#8221; zegt Jonge Kees, &#8220;maar als je niet bang zijt, dan weet ik wel wat!&#8221;
+
+<p id="d0e4601">&#8220;Bang? &#8217; Ik en weet niet wat bang is!&#8221;
+
+<p id="d0e4604">&#8220;Mooi, dan gaan we dien Roorok enteren, en als we &#8217;t gedaan kunnen krijgen, dan zullen we die lu&icirc; aan hun eigen boord een
+pak rammel geven!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e4607">&#8220;Dat &#8217;s goed! Dat doen we!&#8221; roepen ze allen en in een oogenblik ligt <i>De vrouw Neeltje</i> tegen <i>The Seal</i>.
+
+<p id="d0e4616">Vlug als katten springen de Hollanders met een talhout in de hand en het kaakmes in den mond aan boord van den Engelschman,
+die, na bont en blauw, geslagen te zijn, in zijn ruim vlucht.
+
+<p id="d0e4619">&#8220;Spijkert het dicht, spijkert het dicht!&#8221; roept Jonge <span id="d0e4621" class="pageno">bladzijde 123</span>Kees en houdt, onderwijl er een man naar boord terugkeert om hamer en spijkers te halen, met vier man bij het luik de wacht.
+
+<p id="d0e4624">De ander is spoedig terug, en daar gaat het,&#8212; klop-klop-klop, de eene spijker na den anderen wordt er flink ingedreven.&#8212;&#8217;T
+is of het nooit meer open moet.
+
+<p id="d0e4627">&#8220;En nu naar huis,&#8221; zegt Jonge Kees.
+
+<p id="d0e4630">Daar heerschte pret op <span class="letterspaced">Vlieland</span> toen <i>De vrouw Neeltje</i> met zoo&#8217;n flinken prijs aankwam, en er werd dadelijk besloten, dat Jonge Kees en zijne matrozen het vaartuig naar <span class="letterspaced">Amsterdam</span> mochten opbrengen.
+
+<p id="d0e4642">De Admiraliteit van <span class="letterspaced">Amsterdam</span> hoorde met wonder veel genoegen het verslag van het gebeurde aan en gaf Jonge Kees en de zijnen de Engelsche vischschuit
+met alles wat er op en in was. De visschers werden gevangen gehouden.&#8212;
+
+<p id="d0e4648">Vroolijk begaf Jonge Kees zich thans aan boord van <i>The Seal</i>, maar eer hij nog van den wal gestoken was, kwam Dr. Andries Bicker, lid van de Admiraliteit, aan de loopplank, en verzocht
+den jongen stuurman te spreken.
+
+<p id="d0e4654">Jonge Kees verscheen.
+
+<p id="d0e4657">&#8220;Het Collegie der Admiraliteit zendt mij tot u af, om je te vragen of je niet aan boord van Tromp zou willen dienen. Hij moet
+een stuurman hebben!&#8221; zeide Bicker.
+
+<p id="d0e4660">De flinke knaap, die ook wel wist, dat het Vaderland bedreigd werd, had wel lust, doch wilde eerst zijnen vader daartoe verlof
+vragen. Het zou in alle gevallen maar voor zoolang zijn als de oorlog duurde.
+
+<p id="d0e4663">Toen Jonge Kees den heer Bicker gezegd had wat hij wilde doen, vond deze het goed mits hij dan maar spoedig bericht zond;
+want Tromp was erg verlegen.
+<span id="d0e4665" class="pageno">bladzijde 124</span>
+
+<p id="d0e4668">Niet dan met veel moeite gelukte het hem zijn vader over te halen; maar toen deze daartoe verlof gaf, was er niemand blijder
+dan hij. In plaats van een bericht aan de heeren te sturen ging hij zelf, zoodat we hem een paar dagen later alweer voor Dr.
+Bicker zien staan.
+
+<p id="d0e4671">&#8220;Het doet ons veel genoegen, Jonge Kees,&#8221; zeide deze, &#8220;dat ge uw Vaderland dienen wilt ook daar, waar er meer eer dan voordeel
+te behalen is. Maar <span class="letterspaced">eer</span> zult ge behalen; wij beginnen er nu al mede!&#8221;&#8212;en dit zeggende hing hij den blozenden knaap een eerepenning aan een rood-wit-blauw
+lint om den hals.
+
+<p id="d0e4677">
+<div id="d0e4679" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/pl124.jpg" alt="">
+</div>
+
+<p id="d0e4682">&#8220;Hoezee!&#8221; juichte Jonge Kees zonder op de tegenwoordigheid van zoovele aanzienlijke personages te letten. &#8220;Hoezee! Als Huib
+en de Ammiraal me zoo terugzien, dan zullen ze net zoo blij zijn als ik ben! Ja, dat zullen ze! Hoezee!&#8221;
+
+<p id="d0e4685">En &#8217;t was zooals Jonge Kees gedacht had. De heer Bicker gaf hem eenen brief voor den Admiraal mede en toen Tromp dien gelezen
+had, gaf hij den knaap de hand en ze&icirc;: &#8220;Jonge Kees, het Vaderland verwacht groote dingen van u! Blijf altijd zoo trouw, eerlijk
+en moedig, dan zal het u w&egrave;lgaan!&#8221;
+
+<p id="d0e4688">Jonge Kees bloosde van blijdschap en had de handen van Goede va&ecirc;r Tromp wel willen kussen.
+
+<p id="d0e4691">Een groot deel der bemanning stond van verre toe te zien wat er toch gebeurde. De kampanje naderen om te luisteren durfde
+men evenwel niet; want de Admiraal was wel goed, maar ook gestreng en dikwijls had de een of ander, die al te vrijmoedig was,
+al eens moeten hooren: &#8220;Hoor eens, jongen, al te goed is buurmans gek, hoor!&#8221;
+
+<p id="d0e4694">Maar Tromp liet hem los en in een oogenblik was <span id="d0e4696" class="pageno">bladzijde 125</span>Jonge Kees onder de matrozen, die hem met allerlei vragen bestormden.
+
+<p id="d0e4699">De knaap stond echter niemand te woord en zag maar naar alle kanten rond.
+
+<p id="d0e4702">&#8220;Wien zoek-je, maat?&#8221; vroeg Adriaan.
+
+<p id="d0e4705">Jonge Kees zag den matroos met zijne fijne stem in het vriendelijke, baardelooze gelaat en ze&icirc;: &#8220;Ik zoek Huib, Huib Maerlant!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e4708">&#8220;Die is ziek; maar zelfs de barbier weet niet wat hem deert! Wij gelooven, dat hij het heimwee heeft,&#8221; zeide Adriaan.
+
+<p id="d0e4711">&#8220;Dan zal ik hem wel beter maken,&#8221; was het snel gegeven antwoord en in een omzien was hij beneden en stond voor de hangmat
+waarin de oude Huib lusteloos, bleek en vermagerd terneder lag.
+
+<p id="d0e4714">&#8220;Dag Huib, dag Huib! Hier ben ik alweer!&#8221; riep de knaap.
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e4719">&#8220;Eylaes! wat sal ick doen? mijn gantsche lichaem beeft,
+<br id="d0e4722"> &#8217;t Is uyt wanneer de wolf syn tanden over-leeft!&#8221;
+
+<p id="d0e4726">zeide Huib, zonder zich om te keeren.
+
+<p id="d0e4729">&#8220;Ben-je wel dwaas, Huib! Jij je tanden al overleefd hebben? Kom, vent, keer-je om! Kijk eens wie hier voor je staat en zie
+eens hoe mooi ik ben!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e4732">Huib keerde zich om, doch nauwelijks had hij Jonge Kees gezien, of hij riep, terwijl hij beide handen van den knaap tusschen
+de zijne drukte: &#8220;Jij, Jonge Kees, jij hier? Ja, nou wordt de oude Huib weer beter! Ik had het heimwee naar je, jongen, en
+ik en durfde het niemand zeggen! Maar wat hangt daar op je borst te slingeren?&#8221;
+
+<p id="d0e4735">&#8220;Nou, kijk maar eens! Je mag wel zien hoe mooi ik ben!&#8221;
+<span id="d0e4737" class="pageno">bladzijde 126</span>
+
+<p id="d0e4740">&#8220;Een eerepenning? Hoe kom-je daaraan?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e4743">De knaap vertelde het, maar onderwijl hij dat deed werd Huib steeds onrustiger. Hij keerde zich heen en weer en riep eindelijk:
+&#8220;Er uit, ik moet er uit! Help me dan toch, ik moet er uit!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e4746">Daar stond hij van zwakte te waggelen als eene eend.
+
+<p id="d0e4749">&#8220;Jonge Kees, je zal het verder brengen dan ik, dat zal je! De goede God zegen je, jongen!&#8221; riep hij eindelijk en gaf den knaap
+op elke wang een kus.
+
+<p id="d0e4752">De zeelui waren de een na den ander naar beneden gekomen, doch Huib zag het niet. Eindelijk sloeg hij de oogen op en riep:
+&#8220;Ja, Jaantje, een meisken ben je vast, en jij daar, Gerrit Leinsz, dit is nou mijn Jonge Kees, en nou de jonge den ouwen weer
+opzoekt, nou zal het weer gaan als een lier op een&#8217; Zondag! Dit is nou Jonge Kees, daar ik zooveel van verteld heb; maar alles
+weet jelui nog niet. Het mooiste komt achteraan. Ziet jelui die eerepenning op zijn borst slingeren? Nou die....&#8221;
+
+<p id="d0e4755">&#8220;Neen, ik en wil niet dat je &#8217;t vertelt, Huib!&#8221; riep Jonge Kees.
+
+<p id="d0e4758">&#8220;Ja, ja, vertellen, vertellen!&#8221; klonk het in koor.
+
+<p id="d0e4761">Er was niets aan te doen; Huib zou zijn zin hebben en vertelde nu de geschiedenis van <i>De Vrouw Neeltje</i> en <i>The Seal</i> in al zijne kleuren.
+
+<p id="d0e4770">&#8220;&#8217;Ier ei-je m&#8217;n knuuste, joengen!&#8221; ze&icirc; de lange Gerrit Leinsz. &#8220;Pak an, je bint mien kameraad ok!&#8221;
+
+<p id="d0e4773">&#8220;En de mijne, en de mijne!&#8221; riepen de anderen.
+
+<p id="d0e4776">Jonge Kees werd letterlijk verdrongen door die ruwe mannen, die met tranen van geestdrift in de oogen om de vriendschap van
+den jeugdigen held vroegen.
+
+<p id="d0e4779">Alleen Adriaan hield zich van achteren en eerst toen Jonge Kees alleen was, kwam hij naar hem toe en hem <span id="d0e4781" class="pageno">bladzijde 127</span>de hand biedende zeide hij blozende: &#8220;Wil je mijn vriend ook zijn, zooals je van Huib bent? Ik wil je voorbeeld volgen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e4784">&#8220;Welja,&#8221; ze&icirc; Huib, &#8220;dat kunnen we wel doen! De handen in elkander! Zie zoo, dat is er zes. Zoo sterk als een ketting! Wie
+kan die verbreken? Geen mensch; want ik zeg: Houw en trouw in nood en dood!&#8212;En wat zeg jij, jonge Kees?&#8221;
+
+<p id="d0e4787">&#8220;Houw en trouw in nood en dood!&#8221; klonk het ferm.
+
+<p id="d0e4790">&#8220;En jij, Jaantje,&#8212;neen, ik en wil je niet meer voor den gek houden; want je hebt verleden met die R&ocirc;orokken gevochten als
+een leeuw;&#8212;Adriaan dus, wat zeg-je?&#8221;
+
+<p id="d0e4793">&#8220;Houw en trouw in nood en dood!&#8221;
+
+<p id="d0e4796">De stem was nauwelijks hoorbaar; maar toch was het: &#8220;Houw en trouw in nood en dood!&#8221;&#8212;
+<span id="d0e4798" class="pageno">bladzijde 128</span>
+
+<p>
+<hr class="noteseparator">
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e4321" href="#d0e4321src" class="noteref">1</a>
+<span class="letterspaced">Niks</span> is <span class="letterspaced">niets</span>.
+
+</div>
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e4365" href="#d0e4365src" class="noteref">2</a> &#8220;<span class="letterspaced">Zoo, ik docht ik dat er bie joe niks kon besannen</span>,&#8221; beteekent: &#8220;<span class="letterspaced">zoo, ik dacht dat er bij u niets op aankwam</span>!&#8221;
+
+</div>
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e4403" href="#d0e4403src" class="noteref">3</a> &#8220;<span class="letterspaced">as de derdendaegsche koose</span>&#8221; beteekent: <span class="letterspaced">dan de derdendaagsche koorts</span>.
+
+</div>
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e4436" href="#d0e4436src" class="noteref">4</a> Blake was oorspronkelijk voor de letteren opgeleid en een zeer geleerd man. Hij was een vurig aanhanger van Cromwell, die
+zijne veelvuldige diensten, hem bewezen, beloonde met hem eene aanstelling als generaal te geven. Later plaatste hij hem op
+de vloot als opperbevelhebber. Onder hem stonden ook nog de generaals George Monk en Richard Deane.&#8212;Cromwell, die zeer goed
+begreep, dat een oorlog ter zee andere bekwaamheden vereischt dan een landoorlog, stelde ook nog andere bevelhebbers aan,
+die volkomen met de zeezaken bekend waren. De voornaamste dezer waren: George Ayscue, William Penn en John lawson.&#8212;Blake was
+niet te trotsch om gedurig met deze laatsten te raadplegen en hieraan is het dan ook hoofdzakelijk toe te schrijven, dat hij
+als bevelhebber der vloot zooveel roem inoogstte.&#8212; Onze Admiralen waren over het algemeen zeer ongeletterd, zoodat er in hunne
+brieven dikwijls heel veel fouten voorkomen, en men moeielijk begrijpen kan, wat zij eigenlijk bedoelden.&#8212;Cornelis Tromp kan
+hierop eene gunstige uitzondering gemaakt hebben.&#8212; De beroemste onzer vlootvoogden, Michiel Adriaensz. De Ruyter, schreef
+in 1641 aan de Admiraliteit van <span class="smallcaps">Zeeland</span>: &#8220;Ick sal mij als een heerlijck (eerlijk) capiteijn in mijn harte gedraghen, in de hoope, dat Godt het werck daer wij om
+uitgesonden zijn sal segenen tot heere (eere) van ons lieve Vaderlandt.&#8221;
+
+<p id="d0e4444" class="notetext">Machgyl Adriaense De Ruyter.
+</div>
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e4515" href="#d0e4515src" class="noteref">5</a> Een <span class="letterspaced">tros</span> is een lijn, die uit drie of vier strengen gevlochten is.
+
+</div>
+<h1 id="d0e4802">Miskend en Erkend.</h1>
+<p id="d0e4808">Met eene vloot van 96 schepen en eenige branders, te zamen elf duizend man aan boord hebbende, zette Tromp koers naar <span class="letterspaced">Duins</span> in de hoop daar Blake te vinden.
+
+<p id="d0e4814">&#8220;Zeg, Huib, denk-je dat die Blake nog te <span class="letterspaced">Duins</span> is?&#8221; vroeg Jonge Kees.
+
+<p id="d0e4820">&#8220;Ik en-weet het niet! Maar waarom? Zou-je denken, dat onze Ammiraal hem ook niet kan opzoeken als hij daar niet meer en is?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e4823">&#8220;Dat weet ik wel; maar ik wilde zoo geern mijn eerepenning wat beter verdienen. &#8217;K heb met die Ro&ocirc;rokken meer dan &eacute;&eacute;n appeltje
+te schillen, hoor!&#8221;
+
+<p id="d0e4826">&#8220;Daar ligt <span class="letterspaced">Duins</span>,&#8221; zeide Adriaan, &#8220;en ik zie de masten van groote schepen. Je zal dus je zin hebben, Jonge Kees!&#8221;
+
+<p id="d0e4832">Maar Jonge Kees kreeg zijnen zin niet en Tromp natuurlijk ook niet; want weldra vernamen ze, dat de hoofdvloot onder Blake
+uitgeloopen was. Slechts een smaldeel van 31 schepen, onder bevel van den Vice-Admiraal Ayscue lag er nog.&#8212;Tromp besloot al
+vast te kunnen beginnen met deze schepen aan te vallen en te vernielen; maar door stilte en daarna door eenen fellen wind
+werd hij in zijn voornemen verhinderd.
+<span id="d0e4834" class="pageno">bladzijde 129</span>
+
+<p id="d0e4837">Na zoo verscheidene dagen verloren te hebben laten gaan, gaf Tromp bevel Blake op te zoeken. Eilacie, &#8217;t was te laat om een
+groot verlies te voorkomen; want Blake had de heele Hollandsche haringvloot genomen, niettegenstaande de oorlogsschepen, die
+deze vloot moesten beschermen zich dapper geweerd hadden. Maar, hij kon ze Blake weer afnemen! Ja, dat kon hij ook, maar dan
+moest hij dien Blake toch vinden, en ziet, dat gelukte hem eerst na lang heen en weer varen.
+
+<p id="d0e4840">Het was aan den avond van den vijfden van Oogstmaand toen hij de Engelsche vloot in het gezicht kreeg; maar in den nacht,
+die daarop volgde werd hij door eene vreeselijken storm overvallen. Den anderen morgen was zijne geheele vloot naar alle kanten
+verstrooid; ze had ook ontzettend geleden en, Blake was er niet meer.
+
+<p id="d0e4843">Er zat nu voor het oogenblik niets anders op dan met de ontredderde schepen, wier aantal tot op de helft verminderd was, naar
+het vaderland terug te keeren.
+
+<p id="d0e4846">Nu was <span class="letterspaced">Leiden</span> in nood en <span class="letterspaced">Holland</span> in last.
+
+<p id="d0e4855">Van zulk eene schoone vloot had men de grootste verwachting gehad, en waarop kwam het uit? Op groote verliezen.
+
+<p id="d0e4858">&#8220;&#8217;T is me een schoone vlootvoogd, die ons eenen oorlog op den hals haalt en niets dan verliezen weet te bezorgen,&#8221; ze&icirc; de
+een.
+
+<p id="d0e4861">&#8220;De man is over het paard getild en meent nu dat zijn uil al een wonder mooie valk is!&#8221; sprak een tweede.
+
+<p id="d0e4864">&#8220;Daar heb-je nu den moed van dien Tromp! Veel geschreeuw en weinig wol! Omdat het geluk hem bij <span class="letterspaced">Duins</span> gediend heeft, dachten alle luiden, dat hij een onovertreffelijk, moedig en beleidvol Ammiraal was!&#8221; schreeuwde een derde.
+<span id="d0e4869" class="pageno">bladzijde 130</span>
+
+<p id="d0e4872">&#8220;Ze moesten dien kalen Briellenaar van zijn ambt ontzetten!&#8221; meende een vierde.
+
+<p id="d0e4875">&#8220;Ja, en hem alleen al de schade, die hij ons berokkend heeft en door zijn onverstand nog berokkenen zal, doen vergoeden. Die
+kerel zal wel al lang zijne schaapjes op het droge hebben!&#8221; liet een handelaar in koloniale waren zich hooren.
+
+<p id="d0e4878">De geest van het volk, dat gewoonlijk al heel gauw oordeelt, was sterk tegen hem. En niet alleen het volk, neen, ook velen
+uit de Staten-Generaal en uit de Admiraliteits-Collegi&euml;n verhieven hunne stem tegen hem, en brachten het zelfs zoo ver, dat
+de Admiraal ter verantwoording geroepen werd.
+
+<p id="d0e4881">Nu bleek het wel, dat hij onschuldig was, maar ... men kon het voor een keer toch wel eens met een ander beproeven.
+
+<p id="d0e4884">Maar wien zou men nemen?
+
+<p id="d0e4887">De Ruyter? Ja, als d&aacute;t kon! Maar De Ruyter was aan het hoofd van een smaldeel op zee en had meer dan zijne handen vol tegen
+den Engelschen Vice-Admiraal George Ayscue, dien hij reeds eenmaal verslagen had! Anders, De Ruyter, ja ... maar wat nu niet
+kon, dat kon niet, en men moest een ander zoeken.
+
+<p id="d0e4890">Douwe Aukes dan?
+
+<p id="d0e4893">Douwe Aukes? Wie was dat?
+
+<p id="d0e4896">Wel, hij was op het oogenblik in &#8217;t Vaderland om zijn schip, dat zwaar geleden had, te laten herstellen. Dat was anders een
+man! Had hij <i>De Struisvogel</i> in het gevecht onder De Ruyter tegen Ayscue, niet door zijn moedig gedrag behouden? Wat zou er van het schip en de bemanning
+geworden zijn, als hij,&#8212;toen hij van alle zijden door den vijand werd aangetast en het volk den <span id="d0e4901" class="pageno">bladzijde 131</span>moed verloor,&#8212;niet met eene brandende lont naar de kruitkamer gesneld was en gezegd had: &#8220;Houdt moed jongens, houdt moed!
+Als we &#8217;t niet meer houden kunnen, dan zal ik met deze lont u den weg wijzen, dien we bewandelen moeten om niet schandelijk
+gevangen genomen te worden!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e4904">Ja, die Douwe Aukes was een flinke kerel, maar ... zoo jong, zoo onervaren!
+
+<p id="d0e4907">De wakkere Jan Van Galen dan? Had deze in den gedurigen krijg tegen de Turksche zeeroovers niet getoond dat men op hem vertrouwen
+kon? Hij was niet jong meer; zijn beleid was zoo groot als zijn moed! Waarom hem niet?
+
+<p id="d0e4910">Ja, Jan Van Galen zou een uitmuntend opperbevelhebber zijn; maar er was op staanden voet iemand noodig en hij kruiste met
+eene vloot in de <span class="letterspaced">Middellandsche zee</span> om de Hollandsche koopvaarders tegen de Engelschen en de Turken te beschermen.
+
+<p id="d0e4916">Witte Cornelisz. De With dan? Die was met een smaldeel in de <span class="letterspaced">Noordzee</span>. Hem hadden ze dadelijk bij de hand! En zeg eens dat deze geen moed had! Was er &eacute;&eacute;n op de vloot, die durfde wat hij waagde
+te doen? Had hij zijn Vaderland niet boven alles lief? En zoo hij vroeger ook al blijken had gegeven, dat hij meer moed dan
+beleid bezat, hij was een jaartje of wat ouder geworden en zou nu wel een weinig bedaarder zijn!
+
+<p id="d0e4922">Ja, dat alles was wel waar, zeker, zeker, maar....
+
+<p id="d0e4925">Nu maar?
+
+<p id="d0e4928">De matrozen, ja, zelfs de kapiteins haten hem!
+
+<p id="d0e4931">Tut, tut, dat zal zoo erg niet wezen, als ze wel roepen, Die zeelu&icirc; zetten er altijd een stukje aan. Me dunkt, we konden het
+met hem wel eens beproeven!&#8212;
+<span id="d0e4933" class="pageno">bladzijde 132</span>
+
+<p id="d0e4936">Het werd beproefd en &#8217;t Kregelige Mennonietje, de man, die geene vrees kende, die goed en bloed voor &#8217;t Vaderland veil had,
+die, al had hij tien levens, ook tien levens zou willen opofferen om zijn Land groot te maken, zag de stoute wensch van zijne
+jeugd vervuld: hij was bevelhebber eener vloot!
+
+<p id="d0e4939">&#8220;Waar onze Ammiraal toch zoo lang blijft?&#8221; zeide op zekeren dag Adriaan tegen Huib.
+
+<p id="d0e4942">&#8220;Dat weet de Hemel! Als die landkrabben hem maar geene kool gestoofd hebben!&#8221;
+
+<p id="d0e4945">&#8220;Hoe bedoel-je dat?&#8221;
+
+<p id="d0e4948">&#8220;Wel, dat ze hem de schuld geven van alles wat er in den laatsten tijd gebeurd is! Als er overwonnen wordt dan is hij, die
+overwonnen heeft, de beste; maar als er verliezen geleden worden, dan en is er geen slechter dan hij. Maar stil, daar komt
+Jonge Kees van den Vice-Ammiraal Jan Evertsen terug. Misschien weet hij wel wat!&#8221;
+
+<p id="d0e4951">Eenige oogenblikken later kwam de kapitein aan boord. Jan Evertsen had de verschillende kapiteins bij elkander geseind om
+hun eene mededeeling te doen.
+
+<p id="d0e4954">&#8220;Laat alle man op het dek komen!&#8221; beval de kapitein met een gelaat, dat op eene noordsche bui geleek. &#8220;Ik heb u allen wat
+te zeggen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e4957">In een oogenblik was de gansche bemanning bij elkander en thans zeide de kapitein: &#8220;Mannen, de <span class="letterspaced">Vereenigde Provinci&euml;n</span> worden thans door oude vrouwen geregeerd, of een booze geest is in &#8217;s Lands Raadzaal gevaren!&#8221;
+
+<p id="d0e4963">Doodsche stilte.
+
+<p id="d0e4966">&#8220;Onze Goede Va&ecirc;r Tromp, de lieveling van al wat zeeman, heet, de held van <span class="letterspaced">Duins</span>, de man, dien we op de handen zouden kunnen dragen en aan wien het Gemeenebest meer dank schuldig is dan zelfs aan den onvergetelijken
+<span id="d0e4971" class="pageno">bladzijde 133</span>Piet Hein, die milioenen thuis bracht,&#8212;die man is in ongenade gevallen. Men heeft alles op zijne rekening geschoven, en,&#8212;als
+het ons geen leed deed, dan zouden we er om kunnen lachen,&#8212;men geeft hem zelfs de schuld van den storm, die onze vloot uit
+elkander joeg, toen we gereed stonden den vuigen Koningsmoorder aan te vallen! Maar, al is Goede Va&ecirc;r in ongenade bij de regeering,
+toch niet bij ons! Leve Goede Va&ecirc;r Tromp!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e4974">Ze schreeuwden hunne kelen heesch die ronde, trouwe en dappere zonen der zee: &#8220;Leve Goede Vaer Tromp!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e4977">Weer was er een oogenblik van stilte.
+
+<p id="d0e4980">&#8220;Witte Cornelisz. De With is zijn opvolger! Over een uur zal hij hier aan boord zijn. Tromps Ammiraalsschip wordt het zijne!&#8221;
+
+<p id="d0e4983">&#8220;Geen vloekbeest hier aan boord!&#8221; klonk het uit den hoop.
+
+<p id="d0e4986">&#8220;Wij jagen hem een kogel door den kop!&#8221; riep een ander.
+
+<p id="d0e4989">&#8220;Het bevel kwam onzen Jan Evertsen toe!&#8221; bromde Gerrit Leinsz. &#8220;Ik en wil onder zoo&#8217;n ruw stuk vleesch niet dienen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e4992">&#8220;Weg met het Kregelige Mennonietje!&#8221; schreeuwde Huib.
+
+<p id="d0e4995">Daar klinken riemslagen.
+
+<p id="d0e4998">De nieuwe opperbevelhebber nadert zijn schip.
+
+<p id="d0e5001">&#8220;Jaagt hem een kogel door den kop! Weg, weg, met het vloekbeest! Haalt den valreep op! Als hij aan boord komt dan is hij onze
+Jonas en stuurt ons allen naar den kabeljauwskelder! Een musket! Geef hier een handspaak! Leve Goede Va&ecirc;r Tromp! Weg met Witte!&#8221;
+zoo klonk het van alle kanten.
+
+<p id="d0e5004">Met tranen van spijt in de oogen verlaat Witte het oproerige schip zonder een voet op het dek gezet te <span id="d0e5006" class="pageno">bladzijde 134</span>hebben. Het kost hem eene ontzettende kracht zich niet aan zijnen bruisenden hartstocht over te geven, en aan boord te springen
+om de oproerkraaiers geheel alleen aan te vallen. Maar bij zijne aanstelling hadden Hunne Hoogmogenden hem ernstig op het
+hart gedrukt om door beleid goed te maken, wat Tromp verkorven had. En d&aacute;t wilde, d&aacute;t wenschte hij! Hij zou eerst zichzelven
+overwinnen om daarna over den vijand te triomfeeren.
+
+<p id="d0e5009">In den korten tijd van zijn bevelhebberschap heeft Witte door die gestadige overwinningen op zichzelven getoond, dat hij sterker
+was dan een held, die steden verovert.
+
+<p id="d0e5012">Maar die onvergelijkelijke moed werd later met ondank beloond. Ook Witte zou ondervinden, dat het volk slechts in hem een
+held ziet, die vele overwinningen op den vijand behaalt en gelukkig in zijne ondernemingen is.
+
+<p id="d0e5015">Onderwijl De Ruyter nog met zijn smaldeel in zee kruiste, vernam hij dat Blake met de geheele Engelsche vloot uitgeloopen
+was om hem te bevechten, en daarom besloot De Ruyter in overleg met zijne kapiteins zich met De With te vereenigen. Dit gelukte
+hem en hierdoor was De With bijna even sterk in schepen als Blake; maar de vloot van den Engelschman was veel beter ten strijde
+uitgerust dan de onze. Toch zou dat niet zoo zwaar gewogen hebben bij Witte, maar door stormen beloopen, leden zijne schepen
+zooveel schade, dat er verscheidene naar het Vaderland terug moesten, wijl ze niet langer in zee konden blijven. Dit was ook
+het geval met Tromps voormalig Admiraalsschip waarvan de bemanning voor het grootste deel overging op <i>De Gorcum</i>, kapitein Aert Jansse Van Nes, die onder het zeevolk den bijnaam van &#8220;Boer Jaap&#8221; had.
+
+<p id="d0e5021">Zoo kwam de achtste van Wijnmaand.
+<span id="d0e5023" class="pageno">bladzijde 135</span>
+
+<p id="d0e5026">Witte had het plan gevormd de Engelsche vloot bij <span class="letterspaced">Duins</span> aan te tasten, doch Blake was hem voor en overviel hem zoo onverwacht, dat de Admiraal geen tijd meer had de onderbevelhebers
+bij elkander te roepen. Door middel van seinen gaf hij thans het bevel zich tot den slag te vereenigen.
+
+<p id="d0e5032">Tegen drie uren in den namiddag nam het gevecht een aanvang, en De Ruyter, die de voorhoede onder zijn bevel had, zeilde den
+vijand onverschrokken te gemoet. Met leeuwenmoed streed Witte tegen Blake, wien hij zoo gaarne op de vlucht gejaagd of overwonnen
+zou hebben.
+
+<p id="d0e5035">Had ieder kapitein het voorbeeld van Witte, De Ruyter, De Wilde en Evertsen gevolgd, dan zou de uitslag van het gevecht heel
+anders geweest zijn; maar velen volgden hun eigen zin en schoten zelfs door onze schepen heen, terwijl anderen zich geheel
+aan het gevecht onttrokken of op de vlucht gingen. Dat was nu juist geene lafhartigheid, maar bijna alleen onwil om De With
+te gehoorzamen. De haat tegen dien man ging z&oacute;&oacute; ver, dat ze de belangen van het Vaderland er aan opofferden.
+
+<p id="d0e5038">Midden in het gevecht bevindt zich <i>De Gorcum</i>. Haar grooten mast, fokkemast, haar boegspriet en galjoen is ze al kwijt.
+
+<p id="d0e5044">&#8220;We zijn verloren! Een ieder redde zich!&#8221; roept Boer Jaap en springt met zijnen zoon en een paar matrozen in eene boot en
+vlucht.
+
+<p id="d0e5047">De Engelschen naderen om het schip te nemen.
+
+<p id="d0e5050">&#8220;Zullen we ons om dien De With, dat vloekbeest, gevangen laten nemen!&#8221; riepen anderen en snelden naar de overgeblevene booten.
+
+<p id="d0e5053">&#8220;Staat, lafhartige kerels!&#8221; dondert thans de stem van den opperstuurman Willem Adriaense Warmont. &#8220;Niet <span id="d0e5055" class="pageno">bladzijde 136</span>voor De With vechten wij, maar voor de eer van &#8217;s Lands vlag! Zijt gij een hoop losgelaten boeven of jongens van onzen Goeden
+Vaer? Op, op, slaat erdoorheen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e5058">&#8220;Ik zal ik je &#8217;n andje &#8217;elpen,&#8221; roept Gerrit Leinsz, en zich met eene lont in de hand bij eenige kruitvaten plaatsende, roept
+hij: &#8220;Ik vlieg ik liever mee schip en aol in de lucht as op den loop te gaen! As je niet an boord bluuft, dan gaet ie, &#8217;oor!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e5061">De lange Smeerdieker zag er niet naar uit om zoo maar wat te zeggen wat hij niet meende.
+
+<p id="d0e5064">Huib, Adriaan en Jonge Kees plaatsten zich naast Leinsz. en riepen: &#8220;Dood aan de Ro&ocirc;rokken! Leve Goede Vaer Tromp!&#8221;
+
+<p id="d0e5067">Die vijf kloeke mannen bedwongen in de ure des gevaars door hun moedig gedrag eene gansche bent lafhartigen en wekten hunnen
+moed z&oacute;&oacute; op, dat ze de handen aan het werk sloegen en in weinige oogenblikken den vijand verdreven.
+
+<p id="d0e5070">
+<i>De Gorcum</i> was behouden, en vreeselijk gehavend brengt Warmond haar binnen op veilige reede.<a id="d0e5075src" href="#d0e5075" class="noteref">1</a>
+
+<p id="d0e5079">De avond viel en De With had zich met zijne getrouwen staande gehouden. Vreeselijk was het verwijt dat hij richtte tot de
+kapiteins, die zijne bevelen in den wind geslagen hadden, en eindelijk moesten ze zich nog de woorden hooren toeduwen: &#8220;Voor
+lafaards is nog hout genoeg in het Vaderland om er galgen van te maken!&#8221;
+
+<p id="d0e5082">Zoodra echter het gevecht hervat werd, gingen er nog veel meer op de vlucht dan bij de eerste ontmoeting, en thans zat er
+voor De With niets anders op dan den raad van De Ruyter te volgen en strijdend terug te trekken.
+
+<p id="d0e5085">Het eerste werk van De With zoodra hij in het Vaderland was aangekomen, bestond daarin, dat hij bij de Algemeene <span id="d0e5087" class="pageno">bladzijde 137</span>Staten eene aanklacht tegen de weggeloopen kapiteins inzond.
+
+<p id="d0e5090">Nu werden deze mannen wel tot onteerende straffen en boeten veroordeeld; maar men begreep toch ook waar de schoen het meeste
+wrong, en ze zagen te laat in, dat ze door het benoemen van De With tot bevelhebber eene verkeerde daad verricht hadden.
+
+<p id="d0e5093">Toch had onze dappere Briellenaar in dezen strijd bijna het onmogelijke verricht door zich-zelven te beheerschen. Hij had
+zich geschikt naar de inzichten van De Ruyter, Evertsen en De Wind. Het was waarlijk zijne schuld niet, dat het eerste gevecht
+niet reeds eene overwinning was geweest; maar ... &#8220;wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat!&#8212;
+
+<p id="d0e5096">De With werd op zijde gezet en de Algemeene Staten stelden andermaal Goede Vaer Tromp tot Luitenant-Admiraal aan.
+
+<p id="d0e5099">De miskende werd erkend; de erkende werd thans miskend!
+
+<p id="d0e5102">Toch betoonde Tromp niet veel lust voor dat vernieuwde bewijs van vertrouwen en toen men hem naar de oorzaak vroeg, schreef
+hij: &#8220;Want met den vijand te slaan en mijn leven te wagen, verwekt bij mij geene de minste bekommering; maar dat ik, alles
+doende ten dienste van het Vaderland wat in mijn vermogen staat, te huis komende blootgesteld ben aan de verdenkingen en de
+afgunst van kwaadwilligen, en, na alles wat soldaat- en zeemanschap, naar het verstand, dat God mij gegeven heeft, te hebben
+aangewend, genoodzaakt werd rekenschap te geven van mijne verrichtingen en mijne beste daden misduid worden, dat is het wat
+mij bekommert en dat mij den lust en ijver ontneemt!&#8221;
+<span id="d0e5104" class="pageno">bladzijde 138</span>
+
+<p id="d0e5107">Goede Va&ecirc;r Tromp had gelijk en het strekt hem tot groote eer, dat hij na zooveel onverdiende beschuldigingen, na zooveel laster
+tegen hem ingebracht, het welzijn van den Lande hooger schatte dan zijn eigenbelang.&#8212;
+
+<p id="d0e5110">Daar heerschte vreugde op de vloot toen men vernam dat Tromp alweder met het opperbevel belast was en de goede geest, die
+op dat bericht zich van het scheepsvolk meester maakte, was eene halve zeemacht.
+
+<p id="d0e5113">&#8220;Heb ik het niet gedacht?&#8221; riep Huib. &#8220;Ze kunnen Goede Vaer niet missen! Nou ga ik weer met pleizier aan den dans, al was
+het vandaag! Gaat ge mede, Jonge Kees? En jij ook, Adriaan?&#8221;
+
+<p id="d0e5116">&#8220;Houw en trouw!&#8221; was beider antwoord.
+<span id="d0e5118" class="pageno">bladzijde 139</span>
+
+<p>
+<hr class="noteseparator">
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e5075" href="#d0e5075src" class="noteref">1</a> Willem Adriaense Warmont werd tot kapitein over het schip dat hij had helpen behouden, benoemd, terwijl hij daarenboven nog
+een gouden eerepenning kreeg. De moedige konstabel werd luitenant.
+
+</div>
+<h1 id="d0e5122">Daar werd gestreden.</h1>
+<p id="d0e5128">Als bevelhebber van 78 oorlogschepen ging Tromp den eersten van Wintermaand onder zeil. Tweehonderd koopvaarders hadden zich
+onder zijne bescherming gesteld en na verloop van eenige dagen werd het aantal schepen van oorlog zelfs tot over de honderd
+gebracht.
+
+<p id="d0e5131">Deze vloot had gerust de &#8220;Onoverwinlijke&#8221; mogen heeten, als ze maar niet zoo gebrekkig samengesteld ware geweest, en die gebrekkige
+samenstelling weer was een gevolg van het bestaan van vijf Admiraliteits-collegi&euml;n, die elkander in vele opzichten dikwijls
+zeer vijandig waren. Naijver was er altijd, en inplaats dat die naijver de leden dier Collegi&euml;n aansporen zou om door daden
+met de andere te wedijveren, bleven ze dikwijls met hunne daden achter, omdat ze zich in deze of die opzichten verongelijkt
+gevoelden. Zelfs vreemdelingen viel dit in het oog.
+
+<p id="d0e5134">Tromp verdeelde zijne vloot in vier smaldeelen. Hij zelf nam het eerste; het tweede gaf hij aan zijnen stadgenoot Witte Cornelisz.
+De With, doch daar deze door ziekte verhinderd was aan den tocht deel te nemen, liet hij het bevel er van aan Michiel Adriaensz.
+De Ruyter. Het derde stelde hij onder de bevelen van den Zeeuwschen Vice-Ammiraal <span id="d0e5136" class="pageno">bladzijde 140</span>Jan Evertsen en het vierde vertrouwde hij aan den Schout-bij-Nacht Pieter Floriszoon toe.
+
+<p id="d0e5139">De geheele vloot bestond thans, daar er nog vele koopvaarders bijgekomen waren, uit bijna vijfhonderd zeilen.
+
+<p id="d0e5142">Aanvankelijk beloofde deze tocht alweer niet veel goeds; want wind en regen en nog eens regen en wind noodzaakten Tromp naar
+de vaderlandsche kusten weder te keeren.
+
+<p id="d0e5145">Eerst den 9den van de maand kwam de vloot te <span class="letterspaced">Dover</span> aan en den 10den kwam het tot eene ontmoeting met de Engelschen onder Blake.
+
+<p id="d0e5151">Al aanstonds bij den aanvang van het gevecht werd Tromp door twee groote schepen <i>De Bonaventura</i> en <i>De Rozenkrans</i> aangevallen. Hevig was het gevecht en het vermoeden is niet zoo heel onwaarschijnlijk, dat de twee Engelsche kapiteins gezworen
+hadden, dat ze den Hollandschen Admiraal levend of dood hunnen bevelhebber zouden aanbieden. Maar, kon onze Marten de kogels,
+die, uit een vreeselijk schrootvuur op hem gericht werden, niet van zich weren, dan zou de vijand toch ervaren, dat een man
+als Tromp wel sneuvelen, maar zich niet overgeven kon.
+
+<p id="d0e5160">&#8220;Marten, berg-je!&#8221; riep eensklaps Huib toen hij zag dat een achttal musketten op hem gericht waren.
+
+<p id="d0e5163">Tromp boog zich en zes kogels doorboorden den wand van de hut waartegen hij geleund had.
+
+<p id="d0e5166">&#8220;Kinderen, nu moet het ons gelden! Elk doe zijn best!&#8221; sprak hij tot de matrozen en zich even tot Huib wendende, vroeg hij:
+&#8220;Zijt gij niet mijn oude speelmakker Huib Maerland?&#8221;
+
+<p id="d0e5169">&#8220;Jawel, Ammiraal!&#8221; was Huibs verlegen antwoord; want hij schaamde zich dat hij van een onbewaakt oogenblik gebruik had gemaakt
+en Marten bij zijnen naam had genoemd.
+<span id="d0e5171" class="pageno">bladzijde 141</span>
+
+<p id="d0e5174">&#8220;Zoo gaat het goed, Huib!&#8221; zeide Tromp lachend, doch verwijderde zich terstond om elders nieuwe bevelen te brengen.
+
+<p id="d0e5177">&#8220;Hij kent me nog, die ouwe, trouwe, goei&euml; Marten!&#8221; fluisterde Huib en pinkte een traan van blijdschap weg.
+
+<p id="d0e5180">Daar lag <i>De Rozenkrans</i> tegen het Admiraalschip aan. Het want liep in elkander.
+
+<p id="d0e5186">&#8220;Huib, Huib, dat gaat er van langs!&#8221; riep Jonge Kees. &#8220;Als er nu niet spoedig een einde aan komt dan zullen de haaien gauw
+met mijn eerepenning zich opschikken! Maar wat ga-je doen? Huib, ben-je dol? Huib, Huib dan!&#8221;
+
+<p id="d0e5189">&#8217;T was te laat; Huib hoorde niet meer!
+
+<p id="d0e5192">Met eene vlugheid, die men niet bij den ouden zeerob zou gezocht hebben, slingert hij zich in het want, klimt in den grooten
+mast van <i>De Rozenkrans</i> en....
+
+<p id="d0e5198">&#8220;Hoezee! Hoezee!&#8221; klinkt het uit de hoogte.
+
+<p id="d0e5201">Huib scheurt de Engelsche vlag in flarden en laat de stukken met den opkomenden wind wegwaaien. De Hollandsche vlag wordt
+er opgezet, en na nog twee keer &#8220;Hoezee! Hoezee!&#8221; geroepen te hebben, daalt hij zoo vlug als eene kat naar beneden en komt
+ongedeerd aan boord van zijn schip terug.
+
+<p id="d0e5204">&#8220;Huib Maerland, je bent een held!&#8221; roept Tromp. Maar Jonge Kees pakt den ouden matroos beet en omhelst hem, zeggende: &#8220;Huib,
+wat ben ik blij dat jij mijn vrind bent!&#8221;
+
+<p id="d0e5207">&#8220;Stil, Jonge Kees, stil! Kijk eens, wie wordt daar weggedragen?&#8221;
+
+<p id="d0e5210">&#8220;&#8217;T is Adriaan, ik zie het! &#8217;T is Adriaan! Ik ga hem even troosten!&#8221; roept Jonge Kees, maar wordt in zijn wensch teleurgesteld,
+want niemand mag naar beneden als hij tot de dekmaats behoort.
+<span id="d0e5212" class="pageno">bladzijde 142</span>
+
+<p id="d0e5215">Al vinniger en vinniger werd de strijd en ware Jan Evertsen niet juist van pas te hulp gesneld, dan had Tromp met heel de
+bemanning zich moeten doodvechten of... zich gevangen geven!&#8212;Neen, niet gevangen geven, dat deed een man als Tromp niet, dat
+wilden mannen als Huib Maerlant en Gerrit Leinsz. niet.
+
+<p id="d0e5218">De laatste had immers nog eene brandende lont en beneden was nog buskruit!
+
+<p id="d0e5221">&#8220;Jae, jae, Jan Evertsen komt Goede Vaer &#8217;elpen! toe mer joengers, saobelt ze neer, slaet ze dood! Ik eb ik ok nog wat!&#8221; roept
+Gerrit, maar het geluid van zijn schot gaat onder het gedonder van honderden vuurmonden geheel verloren.
+
+<p id="d0e5224">Maar al hoort men het schot niet, de kogel treft toch zijn doel. De groote mast van <i>De Bonaventura</i> stort krakend over boord en in de blijdschap zijns harten maakt Gerrit eenen luchtsprong en schreeuwt weer: &#8220;Aoist! aoist!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e5230">De vijandelijke schepen wijken en nu Tromp vrijer gezicht over zee heeft, ziet hij dat Blake weldra den strijd zal opgeven.
+
+<p id="d0e5233">&#8220;Houd moed, kinderkens, houd moed! &#8217;T is nog om een kwaad half uur te doen!&#8221; klinkt de stem van Tromp.
+
+<p id="d0e5236">En alsof ze zooeven bij het gevecht zijn gekomen, zoo trekt iedereen aan het werk. Het voorbeeld van den wakkeren bevelhebber
+werkt ongelooflijk; maar dat hartelijke woord: &#8220;Kinderkens!&#8221; doet nog veel meer! Het is een tooverwoord, dat den vermoeide
+zijne krachten teruggeeft, den lafhartige moed inboezemt, den half stervende nog het wapen doet hanteeren.
+
+<p id="d0e5239">&#8217;T werd avond en het gevecht van dezen dag was beslist, &#8212;de Hollanders hadden overwonnen.
+<span id="d0e5241" class="pageno">bladzijde 143</span>
+
+<p id="d0e5244">Toen men geschaft had en weer ijverig aan den gang ging om den volgenden morgen het gevecht te hervatten, naderde de scheepsbarbier
+den Admiraal en fluisterde hem wat in het oor.
+
+<p id="d0e5247">Een oogenblik later liet Tromp zijnen ouden kameraad roepen.
+
+<p id="d0e5250">&#8220;Zoo Huib,&#8221; dus begon hij en stak hem de hand toe, &#8220;wat ben ik blij, dat ik je al weer eens zie! Een heete dag geweest, nietwaar?&#8221;
+
+<p id="d0e5253">&#8220;Ja, Ammiraal!&#8221;
+
+<p id="d0e5256">&#8220;Maar je bent er nog niet veel op veranderd, Huib! Ik zou &#8217;t je niet graag nadoen! Je hebt een verdienstelijk werk gedaan
+en ik zal zorgen, dat Hunne Hoogmogenden uw heldenfeit te weten komen! Maar zeg eens, heeft Jonge Kees nog eene zuster?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e5259">&#8220;Ik en weet niet, Ammiraal!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e5262">&#8220;Zoo; maar ken-je dien Adriaan ook al lang?&#8221;
+
+<p id="d0e5265">&#8220;Sinds eene maand of zes, Ammiraal! Toen is hij aan boord gekomen en bracht een hart mede daar staal en vuur in zat!&#8221;
+
+<p id="d0e5268">&#8220;Je sprak wel eens met hem, is &#8217;t niet?&#8221;
+
+<p id="d0e5271">&#8220;Jawel, Ammiraal!&#8221;
+
+<p id="d0e5274">&#8220;En nooit iets opgemerkt?&#8221;
+
+<p id="d0e5277">&#8220;Nee, Ammiraal, en&#8212;ja, toch wel wat!&#8221;
+
+<p id="d0e5280">&#8220;Nu, wat dan?&#8221;
+
+<p id="d0e5283">&#8220;Dat hij zulk eene fijne stem heeft en geen baard kan krijgen!&#8221;
+
+<p id="d0e5286">&#8220;Ei-ei!&#8221;
+
+<p id="d0e5289">&#8220;Ja, en daarom noemden wij hem wel eens uit gekheid: &#8220;Jaantje&#8221; of &#8220;Adriana&#8221;!&#8221;
+
+<p id="d0e5292">&#8220;Maar als het nu eens werkelijk een meisje was, wat zou je dan zeggen?&#8221;
+<span id="d0e5294" class="pageno">bladzijde 144</span>
+
+<p id="d0e5297">&#8220;Dan zou ik zeggen, dat ik het altijd gedacht heb. Mar, ... Ammiraal! Maar voor een meisje is ze toch heel wat mans en menig
+matroos, ja, menig kapitein heeft ze &#8217;t in moed, dapperheid en trouw aan den Lande afgewonnen!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e5300">&#8220;Je weet wel, Huib, wat Joost Van den Vondel van Huig De Groots vrouw, de edele Maria Van Reijgersbergen gezegd heeft:
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e5305">&#8220;Een vrou is duizent mannen t&#8217; ergh.
+<br id="d0e5308">&#8220;o Eeuwighe Eer van Reygersbergh!&#8221;
+
+<p id="d0e5312">Zoo even is de barbier bij me geweest en deze zei: &#8220;De matroos Adriaan is een meisje! Ze heeft een schrampschot in het rechterbeen
+gekregen! Jij als goede vrind van die arme meid moest nu haar oppasser worden en zorgen, dat er geen mensch van de bemanning
+achter komt. Het kind zou zich dan zeker schamen en dat heeft ze aan ons niet verdiend!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e5315">Huib beloofde dat hij haar oppassen en haar geheim aan niemand verklappen zou, en het moet tot zijne eer gezegd worden, dat
+hij het zelfs voor Jonge Kees verzweeg.&#8212;<a id="d0e5317src" href="#d0e5317" class="noteref">1</a>
+
+<p id="d0e5324">Den volgenden morgen was de vloot weer in slagorde geschaard doch Blake was naar <span class="letterspaced">Duins</span> geweken en bracht zich in veiligheid op de <span class="letterspaced">Theems</span>.
+
+<p id="d0e5333">Terstond liet Tromp de onderbevelhebbers en de voornaamste kapiteins aan boord seinen.
+
+<p id="d0e5336">De eerste, die aan de oproeping gevolg gaf was Michiel Adriaensz. De Ruyter.
+
+<p id="d0e5339">&#8220;Kijk eens, Huib. wat een patertje Goedleven!&#8221; ze&icirc; Jonge Kees.
+
+<p id="d0e5342">&#8220;Een echte zeerob! Maar heb ik je &#8217;t niet gezegd, dat die De Ruyter nog eens een man worden zou, die <span id="d0e5344" class="pageno">bladzijde 145</span>de lust van ons kleine Landje zal zijn? Hij is al mooi op weg!&#8221; sprak Huib.
+
+<p id="d0e5347">&#8220;En dat is noe een lans van mien!&#8221; zei Gerrit. &#8220;Wat &#8217;n patente kerel, &eacute;? &#8217;T is een veint as&#8217;n beer!&#8221;<a id="d0e5349src" href="#d0e5349" class="noteref">2</a>
+
+<p id="d0e5353">Vriendelijk naar alle kanten groetende trad De Ruyter op Tromp toe. De kloeke, zwaargebouwde zeeman met de kleur der gezondheid
+op de bolle wangen, en met opgeruimdheid, kracht en moed in de donkere oogen, was op dit oogenblik vijfenveertig jaar oud.
+
+<p id="d0e5356">&#8220;Dag, De Ruyter, hoe maak-je &#8217;t?&#8221; ze&icirc; Tromp en stak de hand uit.
+
+<p id="d0e5359">De hand van &#8220;Vlissinger Michiel&#8221; scheen intusschen wel een soort van bankschroef te zijn; want Tromp zette een eenigszins
+pijnlijk gezicht toen De Ruyter de aangeboden hand met echte zeemansrondheid schudde.
+
+<p id="d0e5362">&#8220;Best, best, Ammiraal! Jongen, dat heeft gisteren een warm daagje gegeven, h&eacute;? &#8217;&#8212;
+
+<p id="d0e5365">&#8220;Ja, ik had niet gedacht dat Blake zoo gauw krimp zou geven!&#8221;
+
+<p id="d0e5368">&#8220;Nou, hij zou misschien zelf wel niet aan &#8217;t wandelen gegaan zijn; maar als een mensch gekwetst is dan....
+
+<p id="d0e5371">&#8220;Zoo, is Blake gekwetst?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e5374">&#8220;Hoezee! Hoezee! Hoezee!&#8221; klonk het thans daverend uit den mond van een paar honderd matrozen.
+
+<p id="d0e5377">Het was een lange, magere man, die thans aan boord kwam.
+
+<p id="d0e5380">&#8220;Leve de Vice-Ammiraal Jan Evertsen!&#8221; riep het volk.
+
+<p id="d0e5383">Met een vriendelijken hoofdknik beantwoordde Evertsen het gejuich.
+
+<p id="d0e5386">&#8220;Het volk dankt je voor je kostelijk gedrag, Evertsen! Het dankt u omdat ge ons leven gered hebt, en ik voeg mijn dank bij
+den hunnen!&#8221;
+<span id="d0e5388" class="pageno">bladzijde 146</span>
+
+<p id="d0e5391">&#8220;Geen dank, Ammiraal! Ik deed mijne verschuldigde plicht. Gij zoudt hetzelfde gedaan hebben zoo ik in nood had gezeten! Dag,
+De Ruyter! Kerel, je zult nog zoo dik worden, dat je niet meer door de <span class="letterspaced">Rammekenspoort</span> kunt! Sinds lang niet in <span class="letterspaced">Vlissingen</span> geweest?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e5400">&#8220;Neen, Evertsen, neen, ik heb nu te <span class="letterspaced">Amsterdam</span> mijne huisgoden:
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e5408">&#8220;Zeven kind&#8217;ren en een wijf
+<br id="d0e5411">Zijn een aardig tijdverdrijf!&#8221;
+
+<p id="d0e5415">&#8220;Zoo, De Ruyter, heb-je zeven kinderen?&#8221; vroeg Tromp.
+
+<p id="d0e5418">&#8220;Wel neen, Ammiraal, dat is zoo maar bij manier van spreken!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e5421">Thans kwam Pieter Florisz. aan boord.
+
+<p id="d0e5424">&#8220;Nou maar, als er een schip met dikke lu&icirc; vaart dan gaat onze goede vriend Pieter Florisz. ook me&ecirc;, hoor!&#8221;
+
+<p id="d0e5427">&#8220;Vindt ge &#8217;t, De Ruyter?&#8221; ze&icirc; Florisz. tot den man wien hij die opmerking lachende hoorde maken.&#8212;&#8220;Ik wil je anders wel zeggen,
+dat een mensch niet zoo heel veel dagen, als gisteren, noodig heeft om zoo mager te worden als een talhout! Jongens, jongens,
+wat ging dat er van langs! &#8217;K geloof dat ik de helft van mijn kruit verschoten heb!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e5430">&#8220;Ja, Florisz., wij hebben ons hart als keuningen opgehaald! Maar gaat mede in de kajuit, daar komen de andere heeren!&#8221; sprak
+Tromp.
+
+<p id="d0e5433">Het was een mooi gezicht zooveel kloeke mannen bij elkander te zien. Daar had je vooreerst Jan De Liefde en De Haes, twee
+mannen, die zich de kaas niet van hunne boterham lieten halen; vervolgens Bastiaan Centen, Hendrik Jansze Camp, Jan Gideonsz.
+Verburgh, Jan Van Hoesen en Lein Pijcke en eindelijk, toen deze kapiteins ook <span id="d0e5435" class="pageno">bladzijde 147</span>al binnen gegaan waren, kwamen er nog een stuk of drie, die ook mochten genoemd worden, namelijk Brandt, Gilles Boone en Michiel
+Foort.
+
+<p id="d0e5438">De vergadering had plaats genomen en Tromp stond thans op.
+
+<p id="d0e5441">&#8220;Mannen, ik heet u allen van harte welkom op dezen scheepsbodem! Gij hebt gisteren allen getoond, dat het Vaderland op u vertrouwen
+kan! En, voor &#8217;t heil van den Lande te leven is schoon. De vijand is thans aan ons kanon ontweken en heeft zich in veiligheid
+gesteld op de <span class="letterspaced">Theems</span>. Wat zullen wij thans doen om Hunne Hoogmogenden zooveel redenen tot tevredenheid te geven als ons mogelijk is?&#8221;
+
+<p id="d0e5447">&#8220;Den vijand uit zijne laatste verschansing jagen!&#8221; riep De Ruyter.
+
+<p id="d0e5450">&#8220;Dat is eene gevaarlijke onderneming!&#8221; sprak Evertsen.
+
+<p id="d0e5453">&#8220;Ik dacht dat een echte Vlissinger geen gevaar kent!&#8221; merkte Jan Van Hoesen aan.
+
+<p id="d0e5456">Wij zijn de vloot niet, kapitein!&#8221; antwoordde Evertsen kalm. &#8220;Al wil ik mijn leven wagen, daarom is het nog niet gezegd, dat
+ik er het welzijn van den Lande mede bevorderen kan! Overigens als het algemeen gevoelen is dat we de <span class="letterspaced">Theems</span> zullen opzeilen, ik zal medegaan en mijn plicht doen!&#8221;
+
+<p id="d0e5462">&#8220;Ik houd het er voor dat het wel kan,&#8221; zeide De Ruyter, &#8220;edoch, daar komt een groote maar bij!&#8221;
+
+<p id="d0e5465">&#8220;En dat is?&#8221; vroeg Tromp.
+
+<p id="d0e5468">&#8220;Wij en hebben geene geschikte loodsen!&#8221; was het antwoord.
+
+<p id="d0e5471">&#8220;En aan een R&ocirc;orok zijn bodem te vertrouwen, dat gaat niet! De kerel zou ons zoo kostelijk omhoog laten zeilen, als je &#8217;t
+ooit gezien hebt!&#8221; meende Pieter Floriszoon.
+<span id="d0e5473" class="pageno">bladzijde 148</span>
+
+<p id="d0e5476">Na veel over- en weerpraten werd het voorstel van Tromp in stemming gebracht. Eene kleine meerderheid besliste om zijn plan
+ten uitvoer te leggen, doch toen men in ernst begon te overleggen, hoe de zaak moest aangelegd worden, kwam het er op uit,
+dat men eerst maar geschikte loodsen moest zien te krijgen, en had men die, dan kon men verder zien.
+
+<p id="d0e5479">Later bleek het dat De Ruyter goed geoordeeld had; want loodsen waren nergens te krijgen. De zaak had dus geen voortgang.
+
+<p id="d0e5482">Gedurende eenige weken bleef Tromp nu op de Engelsche kusten kruisen, en bracht eindelijk eene vloot van meer dan honderd
+koopvaarders door <span class="letterspaced">Het Kanaal</span> heen in den <span class="letterspaced">Oceaan</span>, waar ze tamelijk veilig hunne reis konden voortzetten.
+
+<p id="d0e5491">Hij zelf liet te <span class="letterspaced">Sint Martin</span>, eene stad op het eiland <span class="letterspaced">R&eacute;</span>, de schade, die zijne schepen in het gevecht bekomen hadden, herstellen en ging niet eer in zee, voor alles weer zoo goed
+mogelijk in orde was.
+
+<p id="d0e5500">Intusschen hadden zich weer een honderdvijftig rijkgeladen koopvaarders onder zijne bescherming gesteld, en met deze zeilde
+Tromp uit met het voornemen den schat van <span class="letterspaced">Oost</span> en <span class="letterspaced">West</span> in behouden haven te brengen.
+
+<p id="d0e5509">Maar Olivier Cromwell was de man niet om na de geleden nederlaag met de handen in den schoot te gaan zitten. Neen, met eene
+verbazende snelheid werd er weder eene sterke vloot uitgerust, en daar Blake nog niet geheel van zijne wonden hersteld was,
+zoo werd het bevel voor een gedeelte opgedragen aan George Monk, hoewel Blake altijd met het opperbevel belast bleef.
+
+<p id="d0e5512">De Engelschen telden zeventig schepen waaronder er waren van de grootste soort.
+<span id="d0e5514" class="pageno">bladzijde 149</span>
+
+<p id="d0e5517">Op de hoogte van <span class="letterspaced">Portland</span> stieten de vloten op elkander en dadelijk besloot Tromp den vijand aan te tasten.
+
+<p id="d0e5523">Onze Admiraal, die met Pieter Florisz. de voorhoede kommandeerde, viel eerst Blake aan en deed dat door hem eerst van bakboord
+en daarna van stuurboord de volle laag te geven.
+
+<p id="d0e5526">&#8220;Dat zal er weer spannen, Jonge Kees!&#8221; zeide Adriaan, die van zijne wonden hersteld was en weer dienst deed als gewoon matroos.
+De Ammiraal had haar hiertoe de vergunning gegeven tot ze weer in het Vaderland zouden aangekomen zijn.
+
+<p id="d0e5529">&#8220;Ja, Adriaan, dat zal het net!&#8221; ze&icirc; Jonge Kees.
+
+<p id="d0e5532">&#8220;Ben-je zoo nu en dan toch niet eens bang, dat je doodgeschoten zult worden?&#8221; vroeg Adriaan weer.
+
+<p id="d0e5535">&#8220;Nu, een enkele maal denk ik er wel eens aan en dan wordt het mij raar om het hart. Maar als ik dan zie hoe Goede Vaer Tromp
+zich weert, dan zeg ik tot mij zelven: &#8220;Flauwerd, denk-je weer om je moeders pappot? Pak &acirc;n, anders gaan ze nog aan &#8217;t schijfschieten
+op je luie lichaam!&#8221;
+
+<p id="d0e5538">&#8220;Wat staat gij daar te parlesanzen als ge kloppen moet? Hei daar, jij met je mooie eerepenning, steek je handen uit je mouw,
+of....&#8221;
+
+<p id="d0e5541">&#8220;Ik ga al, stuurman, ik ga al!&#8221; antwoordde Jonge Kees. &#8220;Maar zeg, zie-je wel, dat Blake zoo raar doet?&#8221;
+
+<p id="d0e5544">&#8220;Hij zelf of zijn schip? Wien of wat meen-je?&#8221;
+
+<p id="d0e5547">&#8220;Het schip, ik en ken hem niet!&#8221;
+
+<p id="d0e5550">&#8220;Welnu, hij ontwijkt het plekje waar ze zulke pepernoten strooien; ik denk voor &#8217;t naaste dat Gerrit Leinsz. hem weer een
+schot onder water gegeven heeft!&#8221;
+
+<p id="d0e5553">Andermaal gaf Tromp aan Blake de volle laag en bijna <span id="d0e5555" class="pageno">bladzijde 150</span>onmiddellijk daarop klonk het geschreeuw van den konstabel Gerrit:
+
+<p id="d0e5558">&#8220;Aoist! aoist! aoist! De baes eit piene in z&#8217;n buukje! Kiek &#8217;m is gek doen!&#8221;
+
+<p id="d0e5561">Wend het roer!&#8221; kommandeerde thans Tromp.
+
+<p id="d0e5564">De stuurman deed het en richtte den steven naar den Oost-Indievaarder <i>De Struis</i>, kapitein Adriaen Cruick. Zulk een rijke buit zou den Engelschman welkom zijn! Met woede wordt hij aangevallen, maar Cruick
+geeft leer om leer.
+
+<p id="d0e5570">&#8220;Wat henker! is er dan geen mensch, die dien armen vent bijstaat, dan zullen wij het doen!&#8221; zeide Tromp. &#8220;Kan je geschut het
+halen, Gerrit?&#8221;
+
+<p id="d0e5573">&#8220;Jawel, Ammiraal, &#8217;eel best!&#8221;
+
+<p id="d0e5576">&#8220;Mooi, geef jij dan die twee Engelschen, die daar dien Oostindievaarder zoo fel bestoken, eens hun bekomst!&#8221;
+
+<p id="d0e5579">&#8220;Ze zullen ze &#8217;ebben, Ammiraal!&#8221; antwoordde Gerrit, en deed zooals hij ze&icirc;.
+
+<p id="d0e5582">Voor den moedigen Cruick was het echter te laat; want hij stierf met den degen in de vuist en zwichtende voor al te groote
+overmacht.
+
+<p id="d0e5585">Niet ver van de plaats waar Cruick sneuvelde, lag kapitein Jacob Cleydyck, omringd door drie groote Engelsche schepen.
+
+<p id="d0e5588">&#8220;Ze krijgen me niet levend!&#8221; roept hij en verdedigt zich aan alle kanten. Toch zou hij het eindelijk hebben moeten opgeven,
+als niet de Zeeuwsche kapitein Regemorter hem te hulp gesneld was.
+
+<p id="d0e5591">&#8220;Daar komen ze, daar komen ze!&#8221; juicht hij en smijt zijnen hoed van het hoofd. &#8220;Nou zullen die Koningsmoorders peper eten!&#8221;
+
+<p id="d0e5594">Bom!&#8212;Bom!&#8212;
+<span id="d0e5596" class="pageno">bladzijde 151</span>
+
+<p id="d0e5599">De Engelschman, die het dichtst bij hem ligt, krijgt zijn laatste schot en zinkt in de diepte.
+
+<p id="d0e5602">&#8220;Kapitein, kapitein! wij zinken ook!&#8221; roept de stuurman.
+
+<p id="d0e5605">&#8220;Dat zie ik wel!&#8221; geeft Cleydyck ten antwoord, en met den degen in de vuist op den anderen Engelschman overspringende, roept
+hij: &#8220;Hier is de loopplank om bij Regemorter te komen!&#8221;
+
+<p id="d0e5608">Zijne manschappen volgen het voorbeeld van den wakkeren man. De Engelschen kijken verslagen rond en weten niet wat er eigenlijk
+gebeurt.&#8212;Ook Cleydycks stuurman waagt eindelijk den sprong, en zoo als hij zijn voet op het vijandelijke dek heeft, zinkt
+zijn eigen bodem achter hem.
+
+<p id="d0e5611">Keeds in het begin van het gevecht is Regemorter gestorven, zoodat Cleydyck niets beters weet te doen dan het bevel van het
+Zeeuwsche schip op zich te nemen, en dat bevel is hem zoo goed toevertrouwd, dat de beide aanvallers op de vlucht slaan.
+
+<p id="d0e5614">Een donderslag, die alles dreunen doet, die de zee doet bruisen en koken, wordt thans gehoord!
+
+<p id="d0e5617">&#8220;Wat is dat?&#8221; vraagt Jonge Kees verschrikt.
+
+<p id="d0e5620">&#8220;Wat gebeurt er?&#8221; vraagt Adriaan terwijl zijne kleur verschiet.
+
+<p id="d0e5623">Huib kent dat vreeselijk geluid zeer goed. Hij hoorde &#8217;t voor het eerst in de <span class="letterspaced">Baai van Gibraltar</span> en ofschoon dat reeds zesenveertig jaar geleden is, toch herinnert hij het zich, alsof het pas gisteren gebeurd was. Naderhand
+heeft hij het meer gehoord; maar nooit maakte het op hem zulk een indruk als toen.
+
+<p id="d0e5629">&#8220;Er vliegt een schip in de lucht!&#8221; antwoordt hij kalm.
+
+<p id="d0e5632">&#8220;Vreeselijk!&#8221; zegt Jonge Kees.
+<span id="d0e5634" class="pageno">bladzijde 152</span>
+
+<p id="d0e5637">Adriaan zucht en fluistert: ,Heere, wees de zielen van zoovele arme menschen genadig!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e5640">&#8220;Heb-je gezien wie daar in de lucht vloog, Huib?&#8221; vraagt Gerrit Leinsz.
+
+<p id="d0e5643">&#8220;Neen, weet jij het?&#8221;
+
+<p id="d0e5646">&#8220;Jawel, &#8217;t is Schelte Wiglema! Hij werd door twee Britten erg in het nauw gebracht!&#8221;
+
+<p id="d0e5649">&#8220;Dan heeft hij zelf de lont in het buskruit gestoken,&#8221; zegt Huib. &#8220;Hij heeft het reeds meer dan eens gezegd, dat hij het doen
+zou! God hebbe zijne ziel!&#8221;
+
+<p id="d0e5652">&#8220;En de ziel van zoovele wakkere Friesche borsten!&#8221; murmelde Adriaan.
+
+<p id="d0e5655">&#8220;Amen!&#8217; fluisterde Jonge Kees.
+
+<p id="d0e5658">Hoe meer de zon ten ondergang neeg, hoe meer ook hier en daar het gevecht gestaakt werd, en toen de avond gevallen was, kwam
+alles tot rust.
+
+<p id="d0e5661">Van weerszijden had men de uren van den nacht meer dan noodig om de geleden schade eenigszins te herstellen.
+
+<p id="d0e5664">Tromp liet De Ruyter en Evertsen aan boord komen om met hen te overleggen wat er nu diende gedaan te worden.
+
+<p id="d0e5667">&#8220;Vochten we alleen voor de eer,&#8221; zeide Evertsen, &#8220;dan zou mijn raad zijn den strijd voort te zetten. Maar we moeten eene vloot
+beschermen, en deze met hare rijke lading behouden binnen te brengen, moet nu ons hoofddoel zijn!&#8221;
+
+<p id="d0e5670">&#8220;Ook is onze krijgsvoorraad niet zoo wonder groot meer,&#8221; merkte De Ruyter aan.
+
+<p id="d0e5673">&#8220;Zoudt gijlieden het dan goedkeuren, als we de koopvaarders insloten en ons bij eene verdediging bepalende, langzamerhand
+naar de <span class="letterspaced">Maas</span> of <span class="letterspaced">Schelde</span> terugweken?&#8221; vroeg Tromp.
+<span id="d0e5681" class="pageno">bladzijde 153</span>
+
+<p id="d0e5684">De Ruyter en Evertsen meenden van ja, en hiermede was de zaak, zooals men meende, beslist.
+
+<p id="d0e5687">Reeds vroeg in den morgen werden alle bevelhebbers aan boord geseind, en Tromp drukte allen op het hart toch te bedenken,
+dat ze Nederlanders waren en eenen eervollen naam droegen.
+
+<p id="d0e5690">Gedurende den nacht was Blake de Hollandsche vloot gevolgd. Die rijkgeladen koopvaarders waren een te rijken buit om dien
+zoo maar te laten glippen.
+
+<p id="d0e5693">Admiraal Tromp schaarde zijne schepen in slagorde en liet ze eene halve maan vormen. Tusschen de twee hoornen in kwamen de
+koopvaarders te liggen.
+
+<p id="d0e5696">Daar kwam Blake aan. Zijn voornemen was dwars door de halve maan heen te breken, doch tot zesmalen toe werd hij zoo moedig
+ontvangen, dat hij het voor de zevende maal niet meer beproefde.
+
+<p id="d0e5699">De bodems van De Ruyter en Florisz. waren bijna reddeloos geschoten; maar moedig bleven zij onverzwakt standhouden; zij wisten
+van geen wijken!
+
+<p id="d0e5702">Den ganschen dag door beproefde de vijand de koopvaarders te vermeesteren, hetgeen hem slechts met weinigen gelukte, en die
+nog in zijne handen kwamen, hadden het aan eigen onvoorzichtigheid te wijten.
+
+<p id="d0e5705">Van alle zijden kwam men Tromp berichten dat er gebrek aan kruit en lood was. Uit het eenige voorraadschip, dat hij bij zich
+had, liet hij uitdeelen zoolang de voorraad strekte; maar alras bleek het, dat er voor zulk een ontzettend gebrek op verre
+na niet genoeg was.
+
+<p id="d0e5708">En toch had men den vijand nog steeds in de nabijheid en het was aan alles te zien, dat Blake de behaalde voordeelen niet
+prijs zou geven.
+
+<p id="d0e5711">De derde dag kwam.
+<span id="d0e5713" class="pageno">bladzijde 154</span>
+
+<p id="d0e5716">Men bevond zich op de hoogte van <span class="letterspaced">Bevesier</span>.
+
+<p id="d0e5722">Hier was het dat veertien jaren geleden de machtige Spaansche vloot door Tromp ontdekt werd, doch zijne kansen waren toen
+minder hachelijk dan nu!&#8212;
+
+<p id="d0e5725">De moedige man blikte peinzend over den waterspiegel.
+
+<p id="d0e5728">&#8220;Veertien jaren geleden reeds,&#8221; mompelde hij. &#8220;Wat de vloot toen gebrekkig samengesteld was!&#8212;Wat is zij nu? Hebben de Staten-Generaal
+naar mijnen raad gehandeld? Ten deele; maar er ontbreekt nog zooveel.&#8212; De Engelsche vloot is &eacute;&eacute;n, en wij?&#8212;&#8220;Eendraght maeckt
+maght,&#8221; wanneer zal dat daar ginds begrepen worden?&#8221;
+
+<p id="d0e5731">Nog lang bleef Tromp peinzend voor zich staren, doch eindelijk ontwaakte het oude heldenvuur.
+
+<p id="d0e5734">&#8220;De wind is even als gisteren in het voordeel van den vijand,&#8221; bromde hij; doch de prediker, die bij hem aan boord was, deze
+uitdrukking gehoord hebbende, trad hem stoutweg op zijde en sprak: &#8220;Heer Ammiraal, er staat geschreven: &#8220;En sijt nyet besorgd
+tegen den morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen: elcke dagh heeft genoegh aen zijnszelfs quaed &#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e5737">&#8220;Ge hebt gelijk,&#8221; antwoordde Tromp. &#8220;Dat de manschap op het dek kome en bidden wij!&#8221;
+
+<p id="d0e5740">Met eerbiedige aandacht werd het gebed gevolgd en het scheen ieder toe, alsof er kracht in hunne matgestreden ledematen gekomen
+was.
+
+<p id="d0e5743">Te negen ure in den morgen greep Blake de Hollanders aan.
+
+<p id="d0e5746">Mannelijke tegenweer werd van alle kanten geboden, totdat enkelen, die volstrekt geen kruit of lood meer hadden den moed verloren
+en met volle zeilen op de vlucht wilden slaan. Tromp zag dat en sloot de vluchtelingen in.
+<span id="d0e5748" class="pageno">bladzijde 155</span>
+
+<p id="d0e5751">Met nog geen dertig schepen moest hij thans den vijand wederstaan en hij, De Ruyter, Evertsen, Floriszoon en anderen kweten
+zich zoo wakker van die moeielijke taak, dat twee uren voor zonsondergang de vijand het vervolgen staakte en afhield.
+
+<p id="d0e5754">&#8217;T was meer dan tijd; want geen half uur hadden de Hollanders den strijd kunnen volhouden. Ze konden hunne kanonnen toch met
+geen moed laden! En kruit was er niet meer.
+
+<p id="d0e5757">Tromp rustte een weinig uit toen hij den predikant andermaal voor zich verschijnen zag.
+
+<p id="d0e5760">&#8220;En sijt nyet besorgd voor den dagh van morgen!&#8221; sprak hij.
+
+<p id="d0e5763">&#8220;De Voorzienigheid heeft de oogen des vijands met blindheid geslagen, domin&eacute;,&#8221; zeide Tromp. &#8220;Een halfuur langer en...&#8221;
+
+<p id="d0e5766">&#8220;De Heere kent zijnen tijd!&#8221; sprak de ander.
+
+<p id="d0e5769">Een oogenblik later stonden de ruwe matrozen in eerbiedige houding het dankgebed na te prevelen, dat de domin&eacute; uitsprak.
+
+<p id="d0e5772">En aan wien was nu de eer der overwinning?
+
+<p id="d0e5775">Aan de Engelschen.
+
+<p id="d0e5778">Omdat Blake zwaargebouwde schepen onder zijn bevel had, waagde hij zich niet te dicht bij de <span class="letterspaced">Vlaamsche kusten</span> waarheen Tromp vechtende geweken was. Dat was de oorzaak dat hij afhield.
+
+<p id="d0e5784">Maar was Blake de overwinnaar, Tromp was de roemrijk overwonnene en zelfs een Engelsch schrijver zegt: &#8220;De overwinnaar Blake
+heeft geen grooter roem behaald-dan Tromp, die de overwonnene was!&#8221;
+
+<p id="d0e5787">Dat deze driedaagsche zeeslag ons op groote verliezen te staankwam, spreekt vanzelf. Vijf onzer oorlogsschepen werden vernield
+en vier werden door den vijand genomen. <span id="d0e5789" class="pageno">bladzijde 156</span>De koopvaardijvloot werd van vier en twintig bodems beroofd en menig wakker held verloor het leven.
+
+<p id="d0e5792">Thans waren de Staten-Generaal overtuigd, dat bijna allen van den Luitenant-Admiraal af tot den minsten bevelhebber toe gedaan
+hadden wat zij konden. De belooningen bleven dan ook niet achter. Tromp, Evertsen, De Ruyter en Florisz. kregen gouden kettingen
+met eerepenningen, en de mindere bevelhebbers ontvingen mede een blijk van tevredenheid. De moedige opperstuurman van de <i>De Gorcum</i> Willem Adriaense Warmont werd tot kapitein en Gerrit Leinsz., de kordate Smeerdieker, tot luitenant bevorderd. En onze Huib
+ontving op zekeren dag namens de Admiraliteit van de Maze eene belooning van vijfhonderd gulden voor zijn manmoedig gedrag
+bij het wegnemen der Engelsche en het vasthechten der Nederlandsche vlag.
+<span id="d0e5797" class="pageno">bladzijde 157</span>
+
+<p>
+<hr class="noteseparator">
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e5317" href="#d0e5317src" class="noteref">1</a> Dat er reeds vroeger meisjes aan boord kwamen om dienst te doen, als matroos, bewijst het oude liedeke: &#8220;Daar was laatst een
+meisje loos.&#8221;&#8212;Behalve van Adriana Lanoy lezen we in de geschiedenis ook nog van eene Anna Jans van <span class="smallcaps">Tessel</span>.
+
+</div>
+<div class="notetext">
+<p class="notetext"><a id="d0e5349" href="#d0e5349src" class="noteref">2</a> Een lans beteekent hier landsman.
+
+</div>
+<h1 id="d0e5801">Van Maassluis naar Livorno.</h1>
+<p id="d0e5807">De Bloeimaand was in &#8217;t land en strooide geur en kleur langs veld en wegen. Zelfs de stad droeg de kleuren van den Mei waar
+hier en daar een potje met voorjaarsbloemen voor de ramen stond.
+
+<p id="d0e5810">Maar blind voor al dat heerlijke en schoone der natuur en doof voor het gezang der vogelen, die op den boomtak en in de lucht
+hunne voorjaarsliedjes deden weergalmen, was de man die daar langs den toen nog weinig bewoonden weg van <span class="letterspaced">Schiedam</span> naar <span class="letterspaced">Maassluis</span> liep.
+
+<p id="d0e5819">Nu en dan rammelde hij met gerande zilverstukken of stond stil om er enkelen, die hij uit den zak haalde, te bekijken.
+
+<p id="d0e5822">&#8220;Was ik nu nog een twintig jaren jonger, dan wist ik wel wat ik deed. Maar nu, oud en ongeleerd, nergens goed voor dan voor
+matroos! Ver gebracht, Huib Maerlant, ver gebracht. Ze draven je allemaal voorbij. Warmont wordt kapitein en Leinsz. luitenant;
+Jonge Kees krijgt een eerepenning en ik... ik... ik krijg vijfhonderd guldens. Eene mooie som als ik maar wist wat ik er mee
+doen moest!&#8212;
+<span id="d0e5824" class="pageno">bladzijde 158</span>
+
+<p id="d0e5827">Maar, halt, wat ik er mee doen moet, dat weet ik toch!
+Waarom ga ik naar <span class="letterspaced">Maassluis</span>?&#8221;&#8212;
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e5835">&#8220;Wat zongh het vrolyck vogheleyn
+<br id="d0e5838">Dat in den boomgaert zat?
+<br id="d0e5841">Hoe heerlyck blinckt de zonneschyn
+<br id="d0e5844">Van ryckdom en van schat!&#8221;
+
+<p id="d0e5848">klonk het op een flinken toon een heel eind voor hem uit.
+
+<p id="d0e5851">Huib Maerlant hoorde het niet en liep mijmerend voort.
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e5856">&#8220;Hoe ruischt de koelte in &#8217;t eickenhout,
+<br id="d0e5859">En versch gesproten lof!
+<br id="d0e5862">Hoe straelt de boterbloem als gout!
+<br id="d0e5865">Wat heeft de wiltzangh stof!
+
+<p id="d0e5869">Huib hoorde wat van &#8220;eickenhout, boterbloem en gout,&#8221; en begon het een met het ander in verband te brengen; maar het gezang
+hoorde hij echter nog niet goed, hoewel het steeds nader kwam.
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e5874">&#8220;Wat is een dier zyn vryheid waert!
+<br id="d0e5877">Wat mist het aan zyn wensch;
+<br id="d0e5880">Terwyl de vreck zyn potgelt spaert!
+<br id="d0e5883">O slaef! O, arme mensch!&#8221;
+
+<p id="d0e5887">&#8220;Nu nog mooier! Nu ik &#8220;potgelt&#8221; heb,zou ik een &#8220;vreck&#8221; zijn. Neen, ik en ben geen &#8220;vreck&#8221;, ik en wil geen &#8220;vreck&#8221; zijn ook!&#8221;
+
+<p id="d0e5890">Het gezang klonk nu heel dichtbij.
+
+<p class="poetry">
+<p class="poetry">
+<br id="d0e5897">&#8220;Waar groeien eicken &#8217;t Amsterdam?
+<br id="d0e5900">O kommerziecke Beurs,
+<br id="d0e5903">Daar noit genoeghen binnen quam!
+<br id="d0e5906">Wat mist die plaets al geurs!
+<br id="d0e5909">Wy voghels vlieghen warm gedost
+<br id="d0e5912">Gerust van tack tot tack.
+<br id="d0e5915">De hemel schaft ons dranck en kost,
+<br id="d0e5918">De hemel is ons dack.
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e5924">Wy zaeien noch.....&#8221;
+
+
+<span id="d0e5929" class="pageno">bladzijde 159</span>
+<p id="d0e5931">Het gezang houdt ineens op en een stoere varensgezel van ongeveer zeventien jaar snelt op den eenzamen wandelaar toe en roept:
+&#8220;Huib, Huib, waar jij heen?&#8221;
+
+<p id="d0e5934">Huib kijkt op en ... &#8220;Bijlo, kw&acirc;jongen, je laat me schrikken. Waar kom-je vandaan, Jonge Kees?&#8221;
+
+<p id="d0e5937">&#8220;Wel, ik ben eens even naar <span class="letterspaced">Vlieland</span> geweest en op zee ben ik overgestapt op eene visschersschuit van <span class="letterspaced">Maassluis</span>! En waar gaat gij heen?&#8221;
+
+<p id="d0e5946">&#8220;Ik ga naar <span class="letterspaced">Maassluis</span>!&#8221;
+
+<p id="d0e5952">&#8220;Naar <span class="letterspaced">Maassluis</span>? En dan?&#8221;
+
+<p id="d0e5958">&#8220;Naar <span class="letterspaced">Rotterdam</span>!&#8221;
+
+<p id="d0e5964">&#8220;En dan?&#8221;
+
+<p id="d0e5967">&#8220;Aan boord!&#8221;
+
+<p id="d0e5970">&#8220;Dan ga ik met je me&ecirc;! Dat treft! Ik en had niet gedacht dat ik zulk schoon gezelschap hebben zou!&#8221;
+
+<p id="d0e5973">&#8220;Jawel, maar kan-je hier niet blijven wachten tot ik terug ben?&#8221;
+
+<p id="d0e5976">&#8220;Zeker kan ik dat; maar dat en doe ik liever niet! Goed gezelschap maakt korte mijlen, Huib!&#8221;
+
+<p id="d0e5979">&#8220;Nou, ga dan maar me&ecirc;! Je mag ook wel weten wat ik doe!&#8221;
+
+<p id="d0e5982">&#8220;Je maakt me nieuwsgierig, Huib!&#8221;
+
+<p id="d0e5985">&#8220;Dat kan wel zijn; maar ik en zeg toch nu nog niet wat ik daar ginds ga uitvoeren!&#8221;
+
+<p id="d0e5988">&#8220;Mij goed, ik kan wel zoo lang wachten!&#8221;
+
+<p id="d0e5991">Gedurende een vijf minuten liepen onze twee bekenden langs den weg zonder een woord te spreken. Dat begon Jonge Kees te vervelen
+en in de hoop, dat hij zijn makker wat opvroolijken zou, zette hij Joost Van den Vondels keurigen <span class="letterspaced">Wilt-zangh</span> voort.
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e5999">&#8220;Wy zaeien noch wy maeien niet:
+<br id="d0e6002">Wy teeren op den boer.<span id="d0e6004" class="pageno">bladzijde 160</span>
+<br id="d0e6007">Als &#8217;t koren in zijn airen schiet
+<br id="d0e6010">Bestelt al &#8217;t land ons vo&ecirc;r.
+<br id="d0e6013">Wy minnen zonder haet of nyt.
+<br id="d0e6016">En danssen om de bruit:
+<br id="d0e6019">Ons bruiloft bint zich aan geen tydt,
+<br id="d0e6022">Zy duurt ons leven uit!&#8221;
+
+<p id="d0e6026">&#8220;Ben-je al getrouwd, Jonge Kees?&#8221; vraagt Huib eensklaps.
+
+<p id="d0e6029">Een luide schaterlach, die de vogels opjaagt en de kikvorschen van schrik in de sloot doet springen, klinkt langs den weg.
+
+<p id="d0e6032">&#8220;Nou, ik en zie niet in waarom jij daar zoo om lachen moet!&#8221;
+
+<p id="d0e6035">&#8220;Ik wel,&#8221; ze&icirc; Jonge Kees, &#8220;ik wel! Ik ben pas drie weken van boord en nog geen zeventien jaar oud! Is dat niet om te lachen?&#8221;
+
+<p id="d0e6038">&#8220;&#8217;T is waar ook, Jonge Kees, &#8217;t is waar ook.&#8212;Maar zeg, weet-je wat ik van de Ammiraliteit van de Maze gekregen heb voor het
+neerhalen van de Engelsche vlag?&#8221;
+
+<p id="d0e6041">&#8220;Neen! Een toebacks-doos?&#8221;
+
+<p id="d0e6044">&#8220;Ik en drink geen toeback! Neen, vijfhonderd gulden!&#8221;
+
+<p id="d0e6047">&#8220;Vijfhonderd gulden? Maar, Huib, dan ben-je een rijk man! En wat zal je er me&ecirc; doen?&#8221;
+
+<p id="d0e6050">&#8220;Die breng ik naar <span class="letterspaced">Maassluis</span> bij eene goede vriendin van me om ze voor me te bewaren!&#8221;
+
+<p id="d0e6056">&#8220;Bij eene goede vriendin! Huib, Huib! Vroeg-je daarom of ik getrouwd was? Zoo&#8217;n oude paai! Hij is bang dat ik hem zijne vriendin
+onder de hand ontfutselen zal! Huib! Huib!&#8221;
+
+<p id="d0e6059">Op deze wijze werd het gesprek voortgezet tot ze te <span class="letterspaced">Maassluis</span> kwamen en daar een eenvoudig huisje binnentraden.
+<span id="d0e6064" class="pageno">bladzijde 161</span>
+
+<p id="d0e6067">&#8220;Goeden morgen, vrouw Lanoy! Is je dochter thuis?&#8221;
+
+<p id="d0e6070">&#8220;Ik en weet niet, ik, mannen, mijne dochter.. maar..&#8221;
+
+<p id="d0e6073">De dochter had evenwel de stem van Huib gehoord en kwam uit het schuurtje, dat bij de achterdeur was, in haar werkpak te voorschijn.
+
+<p id="d0e6076">&#8220;Dag Huib! dag Jonge Kees!&#8221; ze&icirc; ze.
+
+<p id="d0e6079">&#8220;Dag Adriana!&#8221; sprak Huib en Jonge Kees bromde dien naam na, doch stond heel vreemd op te kijken, dat een meisje, dat hij,
+zoover hij wist, nooit gezien had, zijnen naam kende. Toch kwamen die gelaatstrekken hem wel bekend voor, maar ...
+
+<p id="d0e6082">&#8220;Komt binnen, komt binnen! je treft het, moeder heeft net de koffie gezet!&#8221;
+
+<p id="d0e6085">Die stem kwam Jonge Kees ook bekend voor. Maar waar kon hij die Adriana gehoord of gezien hebben?
+
+<p id="d0e6088">&#8220;Nou, even willen wij wel binnen komen; maar ik en heb niet veel tijd en deze jonge borst ook niet. Wij moeten vanavond nog
+te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> zijn, zie-je!&#8221;
+
+<p id="d0e6094">&#8220;Kom, kom, &eacute;&eacute;n bakje troost nemen, daarvoor is er toch tijd genoeg zou ik meenen! Maar ik en wist niet dat je me zoo gauw
+zou komen opzoeken! Er is toch geene zwarigheid, wel?&#8221;
+
+<p id="d0e6097">&#8220;Nou, zwarigheid neen en ja! Mijne zakken zitten tot berstens toe vol met guldens, die ik gekregen heb voor het afhalen van
+de Engelsche vlag. En daar ik zonder maagschap ben en niet en weet waar ik dat geld veilig zal laten, zoo kom ik vragen of
+ik het jou geven mag. Ik en heb het niet noodig!&#8221;
+
+<p id="d0e6100">&#8220;Welzeker, we willen het dolgeern voor je bewaren, nietwaar moeder?&#8221;
+
+<p id="d0e6103">&#8220;Ja, ja, kind, dat willen we! Daar boven in dat kastje in eene kous of in die oude pulle daar op het kabinet!&#8221;
+<span id="d0e6105" class="pageno">bladzijde 162</span>
+
+<p id="d0e6108">&#8220;Bewaren?&#8221; roept Huib, &#8220;neen, dat meen ik niet! Ik geef het jelu&icirc; om het te gebruiken!&#8221;
+
+<p id="d0e6111">&#8220;Jaantje, is dat die Huib Maerlant, die je aan boord zoo goed opgepast heeft, toen je dat schampschot aan je been gekregen
+hadt?&#8221;
+
+<p id="d0e6114">Jonge Kees sprong op! Thans wist hij wie dat meisje was en naar het blozende Jaantje, die haar geheim door hare moeder zoo
+eensklaps verraden zag, gaande, sprak de flinke knaap: &#8220;Oude makker, nou ken ik je! Nou weet ik wie je ben! Moeder Lanoy,
+je dochter is eene heldin!&#8221;
+
+<p id="d0e6117">&#8220;Ja, jongen, daaraf heeft ze ook mooie brieven! Jaantje, kind, haal die pampieren ereis!&#8221;
+
+<p id="d0e6120">&#8220;Welke brieven zijn dat?&#8221; vroeg Huib.
+
+<p id="d0e6123">&#8220;Och, het zijn maar brieven vanwege de Ammiraliteit van de Maze!&#8221;
+
+<p id="d0e6126">&#8220;Ja mannen, en ze wordt daarin wat geprezen! o, Ze zijn zoo mooi! Als ik de leeskonst machtig was, dan las ik die brieven
+driemaal per dag! Toe dan, kind, haal ze eens!&#8221;
+
+<p id="d0e6129">Jaantje voldeed aan het verlangen harer moeder en reikte ze Huib en Jonge Kees over, die beide hun best deden om dat geschreven
+schrift met slingertjes, slangetjes en krulletters te lezen.
+
+<p id="d0e6132">Een paar uren brachten Huib en Jonge Kees in de woning van de weduwe en dochter door, en verlieten haar na eenen stevigen
+maaltijd, en na de belofte gedaan te hebben gauw terug te komen.
+
+<p id="d0e6135">De vijfhonderd gulden bleven bij haar in bewaring. De moeder had ze in eene kous en in de ledige pulle geborgen.
+
+<p id="d0e6138">&#8220;En nou vraag ik je nog eens, Jonge Kees, of je getrouwd <span id="d0e6140" class="pageno">bladzijde 163</span>bent, ja ofte neen!&#8221; ze&icirc; Huib toen <span class="letterspaced">Maassluis</span> achter hem lag.
+
+<p id="d0e6146">&#8220;Ik heb immers straks al gezegd van neen, wat maal je toch?&#8221;
+
+<p id="d0e6149">&#8220;Nou, als je dan eens trek krijgt om aan den wal een vrouwtje te vinden bij je thuiskomst, dan weet ik er een voor je, hoor!
+En laat me nou eens samen met je zingen. Als je wil dat liedeken van zoo even.
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e6154">&#8220;Wat zongh het vrolyck voghelkyn,
+<br id="d0e6157"> Dat in den boomgaert zat?&#8221;
+
+<p id="d0e6161">Hun vroolijk gezang klonk in den lieven Meiavond wijd in het rond en ze waren te <span class="letterspaced">Vlaardingen</span> eer ze er aan dachten.
+
+<p id="d0e6167">&#8220;We willen hier eens even ankeren en een glaasje drinken op Jaantje Lanoy, het matroosje! Vind-je &#8217;t goed, Jonge Kees?&#8221;
+
+<p id="d0e6170">Deze maakte geene tegenwerpingen en weldra traden ze eene herberg bij het hoofd binnen.
+
+<p id="d0e6173">Er was zooeven eene sloep met zeevolk aangekomen, dat hier ook binnen gegaan was. Bovendien waren er nog al enkele burgers
+ook, zoodat er heel wat drokte en beweging heerschten.
+
+<p id="d0e6176">&#8220;Stilte!&#8221; klonk op eens eene stem als eene klok en iedereen zweeg.
+
+<p id="d0e6179">&#8220;Wat er onlangs in de <span class="letterspaced">Noordzee</span> gebeurd is, dat weet gij allen! Wij waren er trotsch op toen we dit vernamen! Maar niet alleen hier in de buurt hebben we
+&#8217;t met de Engelschen te kwaad!. Wij komen uit de <span class="letterspaced">Middellandsche zee</span> en brengen nieuws mede!&#8221;
+
+<p id="d0e6188">&#8220;Vertel, vertel!&#8221; klonk het van alle kanten.
+
+<p id="d0e6191">&#8220;Het is er een van de vloot van Jan Van Galen!&#8221; fluisterde Huib. &#8220;Ik ken hem wel!&#8221;
+<span id="d0e6193" class="pageno">bladzijde 164</span>
+
+<p id="d0e6196">&#8220;Heb-je wel eens gehoord van Jan Van Galen, mannen?&#8221; dus begon de verteller.
+
+<p id="d0e6199">&#8220;Van Van Galen gehoord, wie zou dat niet? Maar weet je dat hij gestorven is aan eene wonde, die hij in een gevecht tegen de
+Ro&ocirc;rokken ontving? Dat en weet gij niet! Maar luistert wat er gebeurd is.
+
+<p id="d0e6202">Nadat de moedige Kommandeur reeds verscheidene malen met roem en voordeel tegen de Duinkerker kapers en de Turksche zeeroovers
+gestreden had, vielen de oogen van Hunne Hoogmogenden op hem, als op een geschikt man om onze koopvaardijvloot in de <span class="letterspaced">Middellandsche zee</span> tegen de Engelschen en Turken te verdedigen. Nu, dat bevel was hem wel toevertrouwd; hij was een leerling van onzen roemruchten
+Tromp. Reeds v&oacute;&oacute;r het uitbreken van den oorlog hadden de onzen eene vloot in de <span class="letterspaced">Middellandsche zee</span>. Ze stond onder het bevel van den Kommandeur Joris Catz, doch toen de Engelschen hunne macht daar versterkten, werd het noodzakelijk
+dat wij het ook deden.
+
+<p id="d0e6211">Ten vorigen jare togen wij er heen en we behoeven er geen doekjes om te winden, wij waren grootsch op onzen Kommandeur. Hij
+zelf trok, om er gauw te zijn, over land naar <span class="letterspaced">Livorno</span> en was er dus wel wat eer dan wij, al waren wij ook vroeger vertrokken.
+
+<p id="d0e6217">Onze vloot was, behalve de branders, veertien schepen sterk en toen Van Galen te <span class="letterspaced">Livorno</span> aankwam, zag hij dat zes kloeke Engelsche schepen in de haven lagen. Deze stonden onder bevel van Appleton en nauwelijks
+waren wij aangekomen, of Van Galen besloot dien Engelschman eens zoo netjes op te sluiten als je &#8217;t ooit gezien hadt.
+
+<p id="d0e6223">Als jelu&icirc; &#8217;t niet weet, dan wil ik je wel zeggen, dat <span class="letterspaced">Livorno</span> eene handelsstad is in het groothertogdom <span class="letterspaced">Toscane</span>, <span id="d0e6231" class="pageno">bladzijde 165</span>en nu was de Groothertog volstrekt niet in zijn schik, dat Appleton maar in, en Van Galen maar v&oacute;&oacute;r de haven bleef liggen;
+want daardoor stond de handel geheel en al stil.
+
+<p id="d0e6234">Toen dat een poosje geduurd had, vernam de Kommandant dat Bodley met eenige oorlogsschepen en gewapende koopvaarders uit <span class="letterspaced">De Levant</span> kwam. Hierop gaf hij het bevel over eenige schepen, die voor de haven lagen aan kapitein Van Salingen en zeilde zelf den
+Kommandeur Bodley te gemoet. Hij ontmoette hem dicht bij <span class="letterspaced">Elba</span> en viel hem zoo krachtig aan, dat Bodley na een dapperen tegenstand de wijk nam naar <span class="letterspaced">Elba</span>. Hier hield Van Galen hem tot aan het begin van Sprokkelmaand ingesloten. Dat verveelde hem en daarom zette hij koers naar
+<span class="letterspaced">Livorno</span> in de hoop dat de Engelschen hem zouden volgen. Dit gebeurde ook; want Bodley meende zijn kans nu schoon te zien om ons tusschen
+twee vuren te brengen.
+
+<p id="d0e6249">Dit had Appleton gezien en verliet de haven van <span class="letterspaced">Livorno</span>, maar Van Galen viel hem zoo onverwachts en hevig aan, dat die mooie oom met verlies van twee schepen op de vlucht ging.
+Thans wendden wij den steven en zeilden regelrecht op Bodley aan. Deze was echter op een fellen tegenstand voorbereid en ontving
+ons met de volle laag.
+
+<p id="d0e6255">&#8220;Vooruit ligt de weg der victorie!&#8221; riep Van Galen en sloeg zich door twee schepen heen. Kapitein De Boer veroverde <i>De Luipaard</i>, het grootste schip, dat Bodley onder zijn bevel had.
+
+<p id="d0e6261">&#8220;Houdt je goed, mannen, houdt je goed!&#8221; klonk de stem van den Kommandeur alweder, doch nauwelijks had hij dit geroepen of
+hij kreeg eene wond aan den voet. Wij <span id="d0e6263" class="pageno">bladzijde 166</span>dachten, dat het erger was en schaarden ons om hem heen, doch hij hinkte naar den grooten mast en riep: &#8220;Wat sammelt gij om
+eene kleine wonde! Op, op! Het is schoon voor het Vaderland te sterven te midden der overwinning!&#8221;
+
+<p id="d0e6266">De wakkere man had gelijk; het werd eene overwinning, doch eer het zoover was, moest hij in de kajuit gedragen worden waar
+hem het been werd afgezet! En wat denkt gij, mannen van <span class="letterspaced">Vlaardingen</span>, dat Van Galen deed? Schreeuwen en gillen van pijn en smart? Neen, geen enkele klaagtoon kwam over zijne lippen en toen de
+pijnlijke bewerking ge&euml;indigd was eischte hij een glas wijn, dronk het uit en het glas op den grond smijtende riep hij: &#8220;De
+Engelsche koningsmoorders moeten toch alles betalen!&#8221; Eenige dagen later stierf hij aan eene wondkoorts in de haven van <span class="letterspaced">Livorno</span> waar de Groothertog hem met vele bewijzen van hoogachting ontvangen had!&#8212;H&eacute;, wat zeg-je? Heeft de Kommandeur zich w&eacute;l gekweten
+ja, ofte neen!&#8221;
+
+<p id="d0e6275">Een onstuimig geschreeuw van bijval vervulde de kleine ruimte.
+
+<p id="d0e6278">&#8220;Ja, nu schreeuwt gijlieden allen dat het zoo mooi is! Maar denkt er eens aan wat Van Galen gezegd heeft: &#8220;De Engelsche koningsmoorders
+moeten toch alles betalen!&#8221;&#8212; En weet je wat wij hen nog niet betaald gezet hebben? Zijn dood! Mannen van <span class="letterspaced">Vlaardingen</span>, nog is de oorlog met <span class="letterspaced">Engeland</span> niet ge&euml;indigd, toont dan dat ge den heldendood van een moedig man te wreken hebt!&#8221;
+
+<p id="d0e6287">Hier zweeg de matroos, en daar het op een groot leven en geschreeuw uitliep, zoo verlieten Huib en Jonge Kees de herberg en
+begaven zich verder op weg. Eerst laat in den avond kwamen ze te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> aan.
+<span id="d0e6292" class="pageno">bladzijde 167</span>
+
+<h1 id="d0e6296">Wie niet hooren wil moet voelen.</h1>
+<p id="d0e6302">&#8220;Zoo, zoo, gaan we weer maar dadelijk naar zee?&#8221; vroeg Huib den volgenden morgen aan Leinsz., die, al was hij luitenant geworden,
+toch niet te trotsch was om met zijne makkers van eenigen tijd geleden vertrouwelijk om te gaan.&#8212; &#8220;Zoo, zoo, gaan we weer
+maar dadelijk naar zee!&#8221;
+
+<p id="d0e6305">&#8220;Ja, man, daar en is niemendal aan te doen. De Heeren willen het zoo!&#8221;
+
+<p id="d0e6308">&#8220;Maar willen ze dan niet meer zien? Hoe kan onze vloot nu zee bouwen? Ziedaar ons schip! Hoe ziet het er uit! Eene modderschouw
+is er een paleis bij, en dat is nu het Ammiraalschip! &#8217;T is schande! Het en is geen wonder, dat wij zeevolk te kort komen!
+Wie wil er ook dienen op eene vloot, die uit doornagelde turfschuiten en verteerde vischsloepen bestaat! Dat onze Tromp er
+niets-van zegt, dat en begrijp ik niet!&#8221;
+
+<p id="d0e6311">&#8220;Tromp er niets van zeggen!&#8221; sprak luitenant Leinsz. &#8220;Man, man, heb-je dan ook je ooren in je wambuis en je oogen in je hozen
+zitten even als Hunne Hoogmogenden?&#8221;
+
+<p id="d0e6314">&#8220;Sst, sst, de wanden hebben soms ooren en je verrader slaapt niet!&#8221;
+<span id="d0e6316" class="pageno">bladzijde 168</span>
+
+<p id="d0e6319">&#8220;Mijnenthalve mogen ze mijne woorden overbrengen waar ze willen. Ik zeg, dat het schande is zooals de belangen van den Lande
+verwaarloosd worden. Geld verzamelen, goud op hoopen brengen, een leven leiden als een Spaansche Don in zijn suikerveld, dat
+kunnen ze! Geld uitgeven voor allerlei snorrepijperijen om hunne huizen en woonvertrekken te versieren en op te schikken,
+dat kunnen ze; maar als er eenige weinige penningen van dien goudhoop gevraagd worden om hiermede het welzijn der <span class="letterspaced">Vereenigde Provinci&euml;n</span> te bevorderen, dan blijven de koorden der beurs gesloten en moeten ze er eerst eens ampel en breedvoerig over spreken. Maar
+inmiddels verloopt de tijd met babbelen en beraadslagen en de toestand der vloot blijft dezelfde!&#8221;
+
+<p id="d0e6325">&#8220;Er is veel van aan, geloof ik!&#8221; mompelde Huib.
+
+<p id="d0e6328">&#8220;Veel van aan? Veel van aan? Neen, alles is er van aan! Zoodra onze Ammiraal den laatsten keer in het land terug kwam, heeft
+hij om betere en grootere schepen gevraagd!&#8221;
+
+<p id="d0e6331">&#8220;Zoo, heeft hij dat?&#8221;
+
+<p id="d0e6334">&#8220;Ja, dat heeft hij. Hij heeft hen alles uiteen gedaan hoe het op de Engelsche vloot was, kortom, hij heeft gesproken zooals
+we van onzen Ammiraal verwachten kunnen! En wat was het antwoord?&#8221;
+
+<p id="d0e6337">&#8220;Ik en weet het niet!&#8221;
+
+<p id="d0e6340">&#8220;We zullen eens zien!&#8221; zeide een en met dat: &#8220;Wij zullen eens zien!&#8221; werd Tromp afgescheept, alsof het een Poolsche jood of
+Polak was, die wat stond te zwetsen van pillen voor den dood!&#8221;
+
+<p id="d0e6343">&#8220;En is de Ammiraal al aan boord?&#8221;
+
+<p id="d0e6346">&#8220;Ja, hij is in de kajuit! Maar stil, daar komt jou Kregel Mennonietje aan. &#8217;T is toch een vent, die Witte!
+<span id="d0e6348" class="pageno">bladzijde 169</span>
+
+<p id="d0e6351">Jammer, eeuwig jammer, dat hij zoo &#8217;n bullebak is!&#8221;
+
+<p id="d0e6354">&#8220;Hei daar, luie slampampers, waar is je Ammiraal?&#8221; vroeg Witte zoodra hij een voet op het dek zette en onze twee mannen in
+het oog kreeg.
+
+<p id="d0e6357">&#8220;&#8217;K zal hem gaan roepen, Ammiraal! Hij is in de kajuit!&#8221;
+
+<p id="d0e6360">&#8220;Hoeft niet, &#8217;k zal hem zelf wel vinden!&#8221; was het norsche antwoord. Tromp had hem echter aan zien komen en trad hem te gemoet.
+
+<p id="d0e6363">&#8220;Dag de With!&#8221;
+
+<p id="d0e6366">&#8220;Dag Tromp! Een mooie boel, h&eacute;?&#8221;
+
+<p id="d0e6369">&#8220;Ja, &#8217;t is erg!&#8221;
+
+<p id="d0e6372">&#8220;En moet dat nou jou Ammiraalschip heeten? Kerel, laat me eens uitvloeken, &#8217;k heb er behoefte aan, &#8217;t is schande! &#8217;T is schande!&#8221;
+
+<p id="d0e6375">&#8220;Ja De With! het kon wel beter zijn!&#8221; sprak Tromp bedaard.
+
+<p id="d0e6378">Maar Witte bleef niet bedaard. Hij smeet zijn hoed over het dek, stampte met zijnen degen, alsof hij door de planken heen
+wilde, en ze&icirc;: &#8220;Kon-het-wel-beter-zijn? Nederige Tromp, tevreden Ammiraal, kon het wel beter zijn? Eene klomp met drie zwavelstokskens
+lijkt meer op een Ammiraalschip dan deze oude kast, die zoo doornageld is als een plankje van de grootte mijner hand met honderd
+spijkergaten! Weet-je, dat ik me bij de Heeren beklaagd heb?&#8221;
+
+<p id="d0e6381">&#8220;Jawel, en ik heb het ook gedaan!&#8221;
+
+<p id="d0e6384">&#8220;Ei, en zeker ook zoo&#8217;n alles afdoend antwoord, nietwaar? Ze zullen ver komen, die luiden met hun hoogeschool-wijsheid, ze
+zullen ver komen! Maar weet je wat ik zeg? Wie niet hooren wil moet voelen! En voor het overige, ik heb me als kwajongen laten
+doopen om te kunnen <span id="d0e6386" class="pageno">bladzijde 170</span>vechten, het komt er voor mij zoo precies niet op aan! Herinner je jezelven dien tijd nog wel eens, Marten?&#8221;
+
+<p id="d0e6389">&#8220;Ja, nog dikwijls Witte, nog dikwijls!&#8221;
+
+<p id="d0e6392">&#8220;Wie had dat ooit gedacht, dat wij het z&oacute;&oacute; ver brengen zouden! Ik denk nog dikwijls aan een van jou goede kameraads, die met
+jou gelijk naar zee ging! Hoe heette hij ook? Wacht, ik weet het,&#8212;Huib Maerlant heette hij. Toen ik hem vertelde dat ik, als
+ik naar zee ging, Ammiraal zou moeten worden, schold hij mij uit en ze&icirc;: ,Je wordt pluimgraaf op het schip waarop ik kapitein
+ben! Je bent nog al lang met hem in kennis geweest, weet-je ook wat er van hem geworden is?&#8221;
+
+<p id="d0e6395">&#8220;Jawel, Witte! Daar staat hij!&#8221; sprak Tromp en wees op den ouden matroos, die nog altijd bij Leinsz. stond.
+
+<p id="d0e6398">In een paar stappen was Witte bij hem, tikte hem op den schouder en ze&icirc;: &#8220;Dag Huib Maerlant!&#8221;
+
+<p id="d0e6401">&#8220;Dag, heer Ammiraal!&#8221; antwoordde Huib ontroerd.
+
+<p id="d0e6404">&#8220;Nou, waarom zeg je nu niet als voor een goede veertig jaar: &#8220;Leelijk Kregel Mennonietje?&#8221;
+
+<p id="d0e6407">Huib zweeg.
+
+<p id="d0e6410">&#8220;Jawel, nou denk je zeker dat ik je dat inpeperen zal! Maar... maar... Tromp, kom eens hier! Is dit dezelfde Huib Maerlant,
+die in het laatste gevecht zoo netjes de Engelsche vlag naar beneden wist te halen?&#8221;
+
+<p id="d0e6413">&#8220;Dezelfde, Witte!&#8221;
+
+<p id="d0e6416">&#8220;Een poot, ouwe jongen! Voor jou heb ik respect, al heb je &#8217;t niet ver gebracht! &#8217;T geluk zal je wel niet gediend hebben,
+zooals ons! Maar zeg, heb je geen lust om bij mij aan boord te komen? Ik zal je vooruit schoppen, dat je met je oude beenen
+jezelven niet bijhouden kunt!&#8221;
+<span id="d0e6418" class="pageno">bladzijde 171</span>
+
+<p id="d0e6421">&#8220;Ik wilde liever hier aan boord blijven, heer Ammiraal!&#8221;
+
+<p id="d0e6424">&#8220;Nou goed, goed! Als je wilt, dan kan je komen! Dag Huib!&#8221;
+
+<p id="d0e6427">Witte verwijderde zich en na nog een en ander met Tromp afgesproken te hebben ging hij van boord, in &#8217;t voorbijgaan tot Huib
+roepende: &#8220;Als je soms nog kippenvo&ecirc;r mocht noodig hebben, dan weet je waar mijne oude lu&icirc; wonen! Gegroet!&#8221;
+
+<p id="d0e6430">Denzelfden dag reeds vertrok Tromp om de vloot, die 98 schepen sterk was te verzamelen. Het getal schepen was dus groot genoeg;
+maar de grootte, de bemanning, de wapening en de geschikte geest lieten veel te wenschen over. Alras zag men dat het weer
+mis zou loopen.
+
+<p id="d0e6433">In <span class="letterspaced">Duins</span> was niets te doen dan alleen een drietal koopvaarders prijs te verklaren. De Engelsche vloot was onder bevel van George Monk
+en Richard Deane naar onze kust vertrokken.
+
+<p id="d0e6439">Tromp besloot haar op te zoeken en ontdekte haar den 15den van Zomermaand op de hoogte van <span class="letterspaced">Nieuwpoort</span>. Hij verdeelde zijne vloot in vijf smaldeelen en wachtte de Engelsche vloot moedig af. Den geheelen dag werd er zoowel door
+de Nederlanders als door de Engelschen met onge&euml;venaarden moed gevochten.&#8212;Ook nu kwam het weer duidelijk uit, dat vele kapiteins
+van onze vloot niet voor hunne taak berekend waren, en weldra kwam er zooveel verwarring, dat het voordeel geheel aan de zijde
+der Engelschen was.
+
+<p id="d0e6445">Den volgenden dag werd de strijd hervat.
+
+<p id="d0e6448">&#8220;Ziet ge dat groote schip daar, jongens? Dat is de bodem van den Vice-Ammiraal William Penn! Voorwaarts kinderen, houdt moed!
+Voor ons dat schip!&#8221;
+
+<p id="d0e6451">De aanval was woedend, de ontvangst moorddadig!
+<span id="d0e6453" class="pageno">bladzijde 172</span>
+
+<p id="d0e6456">Vijfmaal gaf Tromp het de volle laag, klampte hem eindelijk aan boord en nam zijn bovenschip in. Doch William Penn was bij
+het Engelsche zeevolk geliefd en dertien schepen snelden toe om hem te helpen.
+
+<p id="d0e6459">Maar Goede Vaer Tromp werd door het Hollandsche zee volk als een vader vereerd.
+
+<p id="d0e6462">&#8220;Mannen, Goede Vaer Tromp krijgt het te kwaad, helpt hem! Vooruit, vooruit!&#8221; schreeuwde Witte. Ook De Ruyter, die gezien had,
+dat de Ammiraal het onmogelijk langer volhouden kon, snelde hem te hulp.
+
+<p id="d0e6465">&#8217;T was meer dan tijd, dat hij ontzet werd, want de Engelschen waren hem bijna meester.
+
+<p id="d0e6468">Met zijn bijkans ontredderd schip voegt Tromp zich weer bij de vloot.
+
+<p id="d0e6471">De Engelschen volgen hem en dringen al verder en verder door. Men vecht met leeuwenmoed, maar niets baat. De gansche vloot
+is verloren als men den strijd nog langer voortzet. Het sein tot den aftocht wordt gegeven. De Engelschen hebben eene schitterende
+overwinning behaald!
+
+<p id="d0e6474">De <span class="letterspaced">Vereenigde Provinci&euml;n</span> verschrikken op dit vreeselijke bericht!
+
+<p id="d0e6480">Wat te doen?
+
+<p id="d0e6483">Wat te doen? Eenige dagen later begeven zich drie bevelhebbers ter zee langs het <span class="letterspaced">Buitenhof</span> te <span class="letterspaced">&#8217;s-Gravenhage</span> naar de zaal waar Hunne Hoogmogenden vergaderd zijn.
+
+<p id="d0e6492">&#8217;T is de Luitenant Admiraal Tromp met twee zijner onderbevelhebbers, Michiel de Ruyter en De With.
+
+<p id="d0e6495">Ze worden ter vergadering binnengeleid en beleefd ontvangen.
+
+<p id="d0e6498">De Luitenant-Admiraal is het eerst aan het woord.
+
+<p id="d0e6501">In scherpe trekken schetst hij den toestand der vloot <span id="d0e6503" class="pageno">bladzijde 173</span>en eindigt met te zeggen: &#8220;Meer dan vijftig schepen bevinden zich bij de Engelsche vloot, die beter zijn dan het beste schip
+der <span class="letterspaced">Vereenigde Provinci&euml;n!</span>&#8221;
+
+<p id="d0e6509">Men houdt van dit verslag getrouw aanteekening.
+
+<p id="d0e6512">Thans staat De With op en na de woorden van Tromp bevestigd te hebben, zegt hij: &#8220;Wat helpt het dat ik zwijg; ik ben voor
+mijne Opperheeren; ik mag en moet het zeggen, de Engelschen zijn meester van de zee, maar ze zijn ook meester van ons!&#8221;
+
+<p id="d0e6515">Nu is de beurt aan De Ruyter.
+
+<p id="d0e6518">&#8220;Ik en wil niet veel woorden verspillen,&#8221; zegt deze. &#8220;Wat de heeren Tromp en De With gezegd hebben is waar, ja, ze hebben
+nog niet alles gezegd! Maar ik zeg u, ik en verkies niet meer in zee te steken als de toestand niet verandert. De Heeren moeten
+nu maar weten wat zij doen! Wie niet hooren wil moet voelen!&#8221;
+<span id="d0e6520" class="pageno">bladzijde 174</span>
+
+<h1 id="d0e6524">Hoe men vrede kreeg.</h1>
+<p id="d0e6530">Eindelijk werden Hunne Hoogmogenden wijs genoeg om in te zien, dat het zoo niet langer kon, en ze besloten handen aan het
+werk te slaan en vooral trachtten ze de vloot van grootere schepen te voorzien. Het handgeld en de soldij werden mede verhoogd
+en de ongelukkige uitslag van de laatste twee zeegevechten had bij oud en jong de geestdrift van een vrij volk, dat zich bedreigd
+ziet, doen ontwaken.
+
+<p id="d0e6533">Overal heerschte leven en beweging.
+
+<p id="d0e6536">&#8220;Naar zee!&#8221; klonk het hier. &#8220;Naar zee!&#8221; klonk het daar. &#8220;Naar zee!&#8221; klonk het overal.
+
+<p id="d0e6539">Het was of de dagen van <span class="letterspaced">Duins</span> weer teruggekeerd waren.
+
+<p id="d0e6545">Rijken en armen, aanzienlijken en geringen boden zich aan om op de vloot te dienen. De Amsterdamsche secretaris Gerardt Hulst
+kwam met vierentwintig wel uitgeruste zeelieden, die hij zelf bezoldigde en den kost gaf, aan boord van Witte Cornelisz. De
+With, zich als vrijwilliger inschepen. Jan Oomes en Jan Van Uffelen kwamen elk met acht man en Jacobus Van den Kerckhove bracht
+er vier mede. Zelfs vrouwen wisten weer in mansgewaad vermomd op do vloot te komen en de Predikant Robert Junius verliet zijne
+stille pastorie om den armen <span id="d0e6547" class="pageno">bladzijde 175</span>stervenden zeeman bij zijn heengaan woorden van troost te kunnen toespreken.
+
+<p id="d0e6550">Zoo was de vloot in het begin van Oogstmaand gereed om zee te kiezen.
+
+<p id="d0e6553">Eene groote zwarigheid bestond er. Ze was deze:
+
+<p id="d0e6556">Nog altijd kruiste de Engelsche vloot op onze kusten en te <span class="letterspaced">Vlissingen</span> in de <span class="letterspaced">Wielingen</span>, te <span class="letterspaced">Goedereede</span> en te <span class="letterspaced">Tessel</span> bevond zich de onze. Die uit de <span class="letterspaced">Wielingen</span> met die te <span class="letterspaced">Goedereede</span> te vereenigen ging nog, maar te zamen telden ze dan nog maar twee&euml;ntachtig schepen, zoo groot als klein, en hoewel er heel
+veel verbetering was aangebracht, ze was toch nog niet voldoende om met hoop op een goeden uitslag de Engelschen aan te tasten,
+die eene kostelijk uitgeruste vloot van ongeveer honderdtwintig schepen onder zich hadden. Te <span class="letterspaced">Tessel</span> lagen nog zevenentwintig schepen en vier branders onder bevel van De With en Tromp begreep, dat het zaak was zich met deze
+te vereenigen.
+
+<p id="d0e6580">Toch diende er niet lang gemard; want veel tijd was al verloren gegaan en de handel had reeds onnoemelijke schade geleden.
+
+<p id="d0e6583">Tromp besloot dus aan boord te gaan, doch richtte vooraf het verzoek aan de Algemeene Staten, dat eenigen van &#8217;s Lands regeering
+mochten mede gaan om de zaken te helpen besturen. Het kon ook zijn dat hij door ziekte verhinderd werd de noodige bevelen
+te geven, en&#8212;het kon ook zijn dat een noodlottige kogel hem het leven benam.
+
+<p id="d0e6586">De Algemeene Staten vertrouwden echter op zijne kennis, hoopten dat de noodlottige kogel nog in lang niet gegoten mocht zijn
+en bleven aan den wal.
+
+<p id="d0e6589">Den zesden van Oogstmaand stak Tromp in zee.
+<span id="d0e6591" class="pageno">bladzijde 176</span>
+
+<p id="d0e6594">Met harten vol verwachting staarden de Amsterdamsche kooplieden op de met gras begroeide straten;&#8212; de winkeliers droomden
+weer van een rijk gewin;&#8212;de handwerkstand hoopte op de dagen van vroeger toen er volop werk was; &#8212;de Admiraliteiten keken
+over het ontzaggelijk hooge cijfer der genomen koopvaardijschepen heen en zagen in hunne verbeelding alweder de havens in
+een mastbosch herschapen. Toch wisten ze toen nog niet dat er reeds meer dan zestienhonderd koopvaarders door den vijand genomen
+waren.&#8212;
+
+<p id="d0e6597">Admiraal Tromp wist zich gelukkig met die uit de <span class="letterspaced">Wielingen</span> te vereenigen zonder door de Engelschen daarin verhinderd te worden. Nu was het nog maar te doen om De With uit <span class="letterspaced">Tessel</span> te krijgen.
+
+<p id="d0e6606">Als hij aangevallen werd zou hij zich maar verdedigen, meer niet.
+
+<p id="d0e6609">En hij werd aangevallen, en uit de verdediging ontstond een gevecht.
+
+<p id="d0e6612">De With hoorde het gebulder van het geschut; hij schudde zijne lange hoofdharen in den nek als een leeuw zijne manen en beklom
+zijn smaldeel.
+
+<p id="d0e6615">De wind was pal tegen en stond op de kust!
+
+<p id="d0e6618">&#8220;Dan maar tegen den wind in! Vooruit!&#8221;
+
+<p id="d0e6621">De eb, waarmee hij moest uitloopen viel in den nacht in!
+
+<p id="d0e6624">&#8220;Er is geen helpen aan, het moet! Ginds moeten we zijn!&#8221;
+
+<p id="d0e6627">De volle maan kroop weg achter de wolken waaruit een fijne regen viel.
+
+<p id="d0e6630">&#8220;Wij zullen ons morgen wel droogvechten! Het Vaderland houdt de oogen op ons gevestigd!&#8221;
+
+<p id="d0e6633">Er waren geene loodsen, die hem met zulk weder in zee durfden brengen!
+<span id="d0e6635" class="pageno">bladzijde 177</span>
+
+<p id="d0e6638">&#8220;Dan zal ik mijn eigen loods zijn! Voorwaarts! Voorwaarts! Goede Vaer Tromp wacht ons!&#8221;
+
+<p id="d0e6641">De tonnen waren weggenomen; hij zou zijne eigen schepen omhoog varen.
+
+<p id="d0e6644">&#8220;Dan zal ik tonnen maken! De visschersschuiten met lantaarnen en toortsen voorzien moeten ons vooruitzeilen en in twee rijen
+de banken in het <span class="letterspaced">Spanjaardsgat</span> afzetten! Voorwaarts! Voorwaarts! De koningsmoorders moeten met Witte aan den dans! Van Galen moet gewroken worden! Voorwaarts!&#8221;
+
+<p id="d0e6650">Daar gaat de leeuw van het koude noorden, wiens heerschappij niet de woestijn, maar de zee,&#8212;niet het dichte woud,&#8212;maar de
+open Oceaan is.
+
+<p id="d0e6653">Langzaam breekt het licht in het oosten door en....
+
+<p id="d0e6656">&#8220;Mannen, mannen, daar ligt Goede Vaer Tromp! Hoezee! Verwelkomt hem met de volle laag op de Engelsche R&ocirc;orokken!&#8221;
+
+<p id="d0e6659">&#8217;T was te vroeg gezegd. Een eenzame kruiser van de Hollandsche vloot is het, die zich bij hem aansluit.
+
+<p id="d0e6662">Den ganschen dag door worstelt hij met weer en wind, maar toch tegen vijf uur in den avond heeft hij Tromp bereikt en groet
+den Admiraal met het losbranden van het geschut!
+
+<p id="d0e6665">Tromp beantwoordt het en de Engelschen zien deze vereeniging met leedwezen aan.
+
+<p id="d0e6668">Maar de nacht valt en vriend zoowel als vijand slaapt in.
+
+<p id="d0e6671">Alleen de wachters waken.
+
+<p id="d0e6674">Den anderen dag, Zondag den tienden van Oogstmaand wordt in den vroegen morgen de kerkklok te <span class="letterspaced">Schevelingen</span> al geluid.
+
+<p id="d0e6680">De eenvoudige visschers gaan met vrouw en kind naar <span id="d0e6682" class="pageno">bladzijde 178</span>het huis des Heeren en smeeken daar van God den zegen op onze wapenen af.
+
+<p id="d0e6685">Midden onder het gebed klinkt een dof gerommel.
+
+<p id="d0e6688">Er komt beweging in de kerk! Zou &#8217;t een opkomend onweder zijn?
+
+<p id="d0e6691">Het gerommel laat zich weer hooren, maar &#8217;t is kort en afgebroken.
+
+<p id="d0e6694">Dat is geen onweder! Dat is kanongebulder! De deuren van de kerk worden opengesmeten! In een oogenblik staat het strand vol!
+Ginds liggen de vloten! Hier de Hollanders, daar de Engelschen! Het kanongebulder verheft zich! De Hagenaars hooren het en
+zien niet tegen den moeielijken weg op om naar <span class="letterspaced">Schevelingen</span> te gaan.
+
+<p id="d0e6700">Bezweet, bestoven, hijgend en afgemat komen ze op het strand!
+
+<p id="d0e6703">Een vreeselijk tooneel vertoont zich aan hunne oogen!
+
+<p id="d0e6706">Vrouwen loopen met loshangende haren langs het strand en gillen het uit van angst!
+
+<p id="d0e6709">Kinderen schuilen zich angstig weg achter hunne moeders en roepen om hunne vaders!
+
+<p id="d0e6712">De vaders staren naar de vloot waarop hunne zonen hun leven voor het land wagen!
+
+<p id="d0e6715">Moeders kermen en klagen en roepen den knaap of den volwassen jongeling, die haar verliet bij hunnen naam, doch het gedonder
+uit honderden vuurmonden doet den machtigsten smartkreet in den mond verstommen!&#8212;
+
+<p id="d0e6718">De Hagenaars prachtig gekleed of in eenvoudig huisgewaad mengen zich vragend tusschen de Schevelingers: &#8220;Wie is die? Wie is
+die? Is dat Tromp? Is dat De With? Is dat De Ruyter?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e6721">Maar de Schevelingers geven geen antwoord, of het <span id="d0e6723" class="pageno">bladzijde 179</span>moest zijn dat er hier of daar nog een gevonden wordt, die zegt: &#8220;Wel mensch, en zie je dat niet? Die vlugge, kleine dat binne
+de onze! Die groote dat binne de R&ocirc;orokken!&#8221;
+
+<p id="d0e6726">De vloten naderen al meer en meer.
+
+<p id="d0e6729">Daar vliegt met een ijselijk gekraak een schip in de lucht!
+
+<p id="d0e6732">Nieuwe kreten van woede en smart verheffen zich onder het volk. Men verdringt elkander tegen het water, alsof men door dichter
+bij den strijd te komen, het gevaar voor de onzen verminderen zal. Er wordt gevloekt, gehuild, geschreeuwd, geroepen, handen
+gewrongen en dat alles onder het bulderen van een donder, zooals onder het hevigste onweder nog nimmer gehoord werd.
+
+<p id="d0e6735">En te midden van al dat gewoel klimt een oud manneke van het duin, treedt door de openstaande deur in de kerk, legt zijn versleten
+zuidwester neer, vouwt de handen, sluit de oogen en bidt: &#8220;Heere, Heere, behoed ons, behoed ons!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e6738">Tranen rollen langs zijne gerimpelde wangen.
+
+<p id="d0e6741">De man heeft vijf zonen en drie kleinzonen op de vloot!..
+
+<p id="d0e6744">Begeven we ons nu naar de vloot.
+
+<p id="d0e6747">Daar is het Admiraalschip en daar staat Huib.
+
+<p id="d0e6750">&#8220;Wel, Huib, warmpjes vandaag h&eacute;!&#8221;
+
+<p id="d0e6753">Huib kijkt op en zegt eenvoudig: ja!&#8221; maar onderwijl hij dit doet, loopt er een traan langs zijne gebruinde kaken.
+
+<p id="d0e6756">&#8220;Huib, wat scheelt er aan? Wat is &#8217;t Huib?&#8221;
+
+<p id="d0e6759">&#8220;Marten, mijn oude, trouwe vriend Marten is dood!&#8221; luidt het antwoord.
+
+<p id="d0e6762">Als de Nederlandsche vloot nu nog eens overwon, als <span id="d0e6764" class="pageno">bladzijde 180</span>al die Engelsche schepen eens in brand geschoten en vernield werden, als <span class="letterspaced">Engeland</span> ons ootmoedig om den vrede kwam smeeken, dan hadden we veel, heel veel gewonnen, maar ons verlies zou altijd nog grooter
+zijn dan onze winst.&#8212;
+
+<p id="d0e6770">Reeds bij den aanvang van het gevecht en juist toen hij eenige bevelen stond te geven werd hij door eenen musketkogel doodelijk
+getroffen. Hij viel neder en na met zwakke stem gezegd te hebben: &#8220;Ik heb gedaan! Mijne kinderkens, houdt goeden moed!&#8221; gaf
+hij den geest.
+
+<p id="d0e6773">Zoodra Huib zag dat zijn Ammiraal, &#8220;zijn ouwe trouwe speelkameraad Tromp&#8221; viel, snelde hij naar hem heen, doch kwam alleen
+om zijne laatste woorden te verstaan en zijne oogen te sluiten.
+
+<p id="d0e6776">De gansche bemanning was een oogenblik radeloos van droefheid. Het was een vreeselijk oogenblik. Aller oogen zouden op het
+Ammiraalschip gevestigd zijn en, als dat zich aan het gevecht onttrok, dan ... dan was nu al het lot van den dag beslist.
+
+<p id="d0e6779">Egbert Meussen Cortenaer was kapitein op het schip. Wat zou hij doen? Stil, daar schiet hem wat te binnen.
+
+<p id="d0e6782">&#8220;Mannen,&#8221; roept hij, &#8220;onze brave, goede Ammiraal is dood en God hebbe zijne ziel! De <span class="letterspaced">Vereenigde Provinci&euml;n</span> verliezen in hem den grootsten man, dien ze hadden. Maar toen deze man nog een knaap was en zijn vader door de Turksche roovers
+aangevallen en gedood werd, riep hij: &#8220;Mannen, zult gij den dood mijns vaders niet wreken?&#8221; en nam den degen van den gevallene
+in de hand om zich op de Turken te werpen.&#8212;Ammiraal Tromp was <i>onze</i> Goede Vaer en als zijn kind roep ik u toe: &#8220;Mannen, zult gij den dood van onzen Goeden Vaer niet wreken?&#8221;&#8212;
+<span id="d0e6790" class="pageno">bladzijde 181</span>
+
+<p id="d0e6793">Dat hielp. Huib sprong op en riep: &#8220;Ja, ja, wreken! wreken!&#8221;
+
+<p id="d0e6796">Cortenaer seint Evertsen en De Ruyter aan boord.
+
+<p id="d0e6799">Beiden komen en nauwelijks ziet De Ruyter den gevallen held liggen of hij roept uit: &#8220;Ach, ware ik voor Goede Vaer gestorven!&#8221;
+
+<p id="d0e6802">Evertsen die de oudste in jaren was, nam nu het opperbevel op zich, doch beval aan Cortenaer voor de overige schepen den dood
+van Tromp verborgen te houden.
+
+<p id="d0e6805">Tot driemalen toe loopen de twee vijandelijke vloten tegen elkander in als bokken, die elkaar met de horens willen stooten.
+
+<p id="d0e6808">&#8220;De aardsche donders uit duizend metalen monden gedreven, verbijsterden den hoorder, de zeedorpen trilden op hunne zandgronden
+en de zee loeide!&#8221;
+
+<p id="d0e6811">Maar er komt verwarring in onze slagorde! Er is geene eenheid genoeg! Men mist den man, die met zijn helderen blik alles bestuurde
+en bij ongunstige omstandigheden soms nog een licht plekje zag, dat de uitkomst heel anders deed worden dan men vermoed had.
+
+<p id="d0e6814">En Evertsen kan niet meer bij de vloot blijven! De Ruyter ook niet! Hunne schepen hebben zoo vreeselijk geleden dat ze zich
+naar <span class="letterspaced">Goedereede</span> moeten laten sleepen.
+
+<p id="d0e6820">De bevelhebber is thans Witte Cornelisz. De With, die ten laatste ook den dood van Tromp vernomen en uitgeroepen heeft: &#8220;Is
+Tromp dood! Dat strekt tot aller leedwezen! Hij was een groot man!&#8221;
+
+<p id="d0e6823">Met eenen moed, die door geen woorden te bepalen is, stort hij op den vijand in.
+
+<p id="d0e6826">Pieter Florisz. en Cortenaer staan hem trouw bij en weten van geen wijken. Van wijken weet kapitein Marrevelt <span id="d0e6828" class="pageno">bladzijde 182</span>ook niet, en toch is van de drie masten, die op zijn schip stonden, slechts een stomp van den fokkemast over. Hij zelf heeft
+eene zijner handen verloren en twintig wonden ontvangen. Achttien van zijne manschappen zijn gesneuveld, vierentwintig zijn
+gekwetst, maar wijken, neen, dat nooit!
+
+<p id="d0e6831">De bodems van Sangher, Schutter, een Evertsen en een Banckers dreigen te zinken; maar zij houden stand, ze willen niet wijken:
+&#8220;Het is schoon voor het Vaderland te sterven al is het niet te midden der overwinning!&#8221; denken ze!
+
+<p id="d0e6834">Maar <i>wie</i> niet wijken, <i>wie</i> zich liever dood vechten of in het gezicht van den vijand hun laatste stuk geschut lossen en dan te gronde gaan, niet die
+vierentwintig lafhartige scheepskapiteins, die op de vlucht slaan.
+
+<p id="d0e6843">Witte wil die vlucht verhinderen door met scherp op die schepen te schieten; maar dit verdubbelt hunnen angst en met volle
+zeilen verlaten ze het tooneel des gevechts. Door hunne lafhartigheid wordt een vreeselijke nederlaag wat eene schitterende
+overwinning had kunnen worden.
+
+<p id="d0e6846">De With knarsetandt van spijt en geeft bevel tot den aftocht, dien hij in orde volbrengt. Wel is het vechten tot hij in <span class="letterspaced">Tessel</span> aankomt, maar toch zijn ze er!...
+
+<p id="d0e6852">Het verlies der Nederlanders was groot. Twaalf of dertien schepen werden in den grond geboord of verbrand. Slechts &eacute;&eacute;n schip
+werd genomen. Het aantal gesneuvelden was aanzienlijk en dat der gekwetsten niet minder.
+
+<p id="d0e6855">De Engelschen, die overwonnen hadden, waren niet minder geteisterd en dit was de oorzaak, dat men van beide zijden hard naar
+den vrede verlangde, hoewel hij door onderhandelingen vertraagd, eindelijk op voor ons nadeelige voorwaarden eerst in Grasmaand
+van het jaar 1654 te <span class="letterspaced">Westminster</span> gesloten werd.
+<span id="d0e6860" class="pageno">bladzijde 183</span>
+
+<p id="d0e6863">Groot was de rouw, die er op de vloot en in het geheele land heerschte toen de tijding zich verspreidde: &#8220;De Luitenant-Ammiraal
+Marten Harpertsz. Tromp is gesneuveld!&#8221;
+
+<p id="d0e6866">Op bevel van de Algemeene Staten werd zijn lijk te <span class="letterspaced">Delft</span> in de Oude kerk plechtstatig begraven, en later richtten zij een prachtig praalgraf voor hem op. Zijne weduwe en kinderen
+werden op onbekrompen wijze door &#8217;s Lands Staten begiftigd en zelfs achtte men den gesneuvelden held zoo hoog, dat men zijn&#8217;
+lijfknecht Gerrit Simons, dien hij kort voor zijnen dood ter bevordering had aanbevolen, tot Luitenant aanstelde.
+
+<p id="d0e6872">
+<div id="d0e6874" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/pl183.jpg" alt="">
+</div>
+
+<p id="d0e6877">Ook de groote Dichters van die dagen en later verheerlijkten hem. Vondel schreef:
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e6882">&#8220;Hij ruste nimmer onbeweent.
+<br id="d0e6885">Al heeft de doot het lijf verslonden:
+<br id="d0e6888">De Faem is aen geen graf gebonden.
+<br id="d0e6891">De deugd verduert het koud gebeent.
+
+<p id="d0e6895">en Jeremias De Decker drukte zich aan het slot van een lofzang op onzen held aldus uit:
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e6900">&#8220;Doch schoon het lichaem moet verwelken en vergaen,
+<br id="d0e6903">De naem van Marten Tromp zal euwichlick hestaan,
+<br id="d0e6906">Tot schande van den Brit, tot lof der Batavieren.&#8221;
+
+<span id="d0e6910" class="pageno">bladzijde 184</span>
+<h1 id="d0e6913">De tanden zijn overleefd.</h1>
+<p id="d0e6919">De Augustus-zon stond brandend heet op het Scheveningsche strand.
+
+<p id="d0e6922">&#8217;T was kort na den vrede te <span class="letterspaced">Breda</span>, die aan den tweeden Engelschen oorlog een einde had gemaakt. De vredesvoorwaarden waren voor een deel door ons gesteld en
+dat het magtige <span class="letterspaced">Engeland</span> zich zoo vernederen moest, hadden de <span class="letterspaced">Vereenigde Provinci&euml;n</span> hoofdzakelijk te danken aan Michiel Adriaensz. De Ruyter, die thans gedaan had wat Tromp in Wintermaand van 1652 reeds voorgesteld
+had. Hij was <span class="letterspaced">De Theems</span> opgezeild en had bij <span class="letterspaced">Chattam</span> de trotsche Engelsche vloot vernield.
+
+<p id="d0e6940">Een jaar te voren was door de bemoeiingen van Constantijn Huygens een straatweg aangelegd tusschen <span class="letterspaced">Den Haag</span> en <span class="letterspaced">Scheveningen</span>. Het was een kostbaar en moeielijk werk geweest om dwars door de hooge duinen en het rulle zand zulk een weg te banen, die
+naderhand het sieraad van de <span class="letterspaced">Hofstad</span> worden zou. Wat kon die weg vol wandelaars zijn en wat voer het voormaals zoo armoedige dorp er w&egrave;l bij!
+
+<p id="d0e6952">Nu echter was er op den ganschen weg geen mensch te zien, dan hier en daar eene vischvrouw, die hare waren naar de stad bracht
+of met ledige manden naar huis keerde.
+<span id="d0e6954" class="pageno">bladzijde 185</span>
+
+<p id="d0e6957">En geen wonder! Wel had men terzijden van den weg boompjes geplant en op enkele plaatsen kroop de berk met den kreupeleik
+wel langs het duin naar de hoogte, maar het was er overigens even zonnig en even heet als op het strand. De tijd om te wandelen
+was voor de Hagenaars nog niet aangebroken.
+
+<p id="d0e6960">Tegen eene der hoogten op eene steenen bank, tusschen het kreupelhout in, zat echter toch nog een man, dien we van den weg,
+en nog minder van het strand af, niet zoo aanstonds konden ontdekken. Hij zit zoo dat hij de zee zien kan; al het andere is
+hem geheel onverschillig.
+
+<p id="d0e6963">Zoo op den gis geven we dien grijze een zeventig jaar hoewel hij voor dien leeftijd wel wat kras schijnt te zijn.
+
+<p id="d0e6966">Hoe lang de oude daar al gezeten had, wist hij misschien zelf niet, en hij zou nog geen haast gemaakt hebben om op te staan
+indien niet eene kloeke vrouw van ruim dertig jaren hem was komen roepen. Drie van hare kinderen waren haar gevolgd en rolden
+nu van het duin af dat het een aard had.
+
+<p id="d0e6969">Een visscher, die langs den weg naar huis keert, zingt.
+
+<p id="d0e6972">Dat hoort de jongste van de drie kinderen en de handjes naar den ouden uitstekende, roept het: &#8220;Grootvader, ook zingen!&#8221;
+
+<p id="d0e6975">&#8220;Zoo dreumes, moet ik weer aan den slag, ja?&#8221;
+
+<p id="d0e6978">&#8220;Stil, Betje, laat grootvader met rust. Het is nu te warm!&#8221; zegt de vrouw.
+
+<p id="d0e6981">&#8220;Jaantje, Jaantje denk-je dan dat het zonnetje me hindert? Oude katten en oude mannen varen er wel bij, ja! Kom jij maar hier,
+kind!&#8221;
+
+<p id="d0e6984">Betje zit op de knie&euml;n van den ouden man en deze zegt: &#8220;Nou zal ik het liedje eens zingen, dat ik met je vader gezongen heb
+op den weg van <span class="letterspaced">Maassluis</span> naar <span class="letterspaced">Rotterdam</span>. <span id="d0e6992" class="pageno">bladzijde 186</span>We hadden toen een matroosje van onze kennis opgezocht! Niet, Jaantje?&#8221;
+
+<p id="d0e6995">&#8220;Grootvader Huib zet er stukjes aan, kinderen, hij zegt wel eens meer wat om me te plagen!&#8221; antwoordt de vrouw en hierop begint
+Huib met eene sterk bevende stem te zingen:
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e7000">&#8220;Wat zongh het vrolyck vogelkyn,
+<br id="d0e7003">Dat in den boomgaert zat?&#8221;
+
+<p id="d0e7007">en zoo ging het voort tot hij bleef steken midden in den regel:
+
+<p class="poetry">
+<br id="d0e7012">Wy zaeien noch wy maeien nyet
+<br id="d0e7015">Wy teeren op....
+
+<p id="d0e7019">&#8220;Jaantje, Jaantje, daar komt <i>De Marten Harpertsz. Tromp</i> aan! Komt, kinderen, nou naar huis!&#8221;
+
+<p id="d0e7025">&#8220;Langzaam gaat zeker, grootvader! Niet te wild! Je zal er wel komen!&#8221; zegt de vrouw.
+
+<p id="d0e7028">&#8220;Ja, Jaantje, kind, ik heb mijne tanden overleefd, hoor! Maar, dat is niemendal! Een mensch moet toch eens oud worden en....&#8221;
+
+<p id="d0e7031">&#8220;Stil, grootvader, niet zulke praat! Je kan nog lang genoeg leven. Jonge Kees en ik zullen immers alles doen wat we kunnen
+om je &#8217;t leven zoo prettig en pleizierig te maken? Jan, geef grootvader eene hand!&#8221;
+
+<p id="d0e7034">Jan is een jongen van een jaar of negen en de oudste van de drie.
+
+<p id="d0e7037">Babbelende en snappende, maar heel langzaam, &egrave;n om de hitte, &egrave;n omdat grootvader niet meer zoo vlug weg kan, vervolgen ze
+hunnen weg naar het dorp.
+
+<p id="d0e7040">Ik behoef u niet meer te zeggen, jongens en meisjes, wie die twee zijn! Ge begrijpt dat al lang.
+
+<p id="d0e7043">&#8220;Maar hoe komen ze hier?&#8221;
+
+<p id="d0e7046">&#8217;K zal het u zeggen.
+
+<p id="d0e7049">Kort na het sluiten van den vrede te <span class="letterspaced">Westminster</span>
+<span id="d0e7054" class="pageno">bladzijde 187</span>nam Huib zijn ontslag uit den dienst, &#8220;want,&#8221; zeide hij, &#8220;nu Tromp dood is, kan ik er geen pleizier meer in vinden!&#8221;
+
+<p id="d0e7057">Hij ging eerst in <span class="letterspaced">Den Briel</span> wonen; maar niemand kende hem daar meer en daarom zag hij ook al uit naar eene andere woonplaats. Had <span class="letterspaced">Vlieland</span> wat dichter bij gelegen dan zou hij daar zijn gaan wonen. Dan was hij dicht bij Jonge Kees, die al dadelijk van de vloot
+was gegaan toen deze na den dood van Tromp geheel verslagen thuis kwam.
+
+<p id="d0e7066">Maar als hij eens naar <span class="letterspaced">Maassluis</span> ging. Jaantje Lanoy kende hem toch, en die zou den ouden man wel voor een enkelen keer te woord willen staan. Ja, dat zou
+hij doen! Veertien dagen later zat hij bij Jaantjes moeder koffie te drinken, en zij had hem altijd zoo&#8217;n gezellig ouwentje
+gevonden, dat zij hem zelfs wel in huis wilde hebben.
+
+<p id="d0e7072">Dat nam Huib gaarne aan. Overdag breide hij netten, knoopte touw of sjouwde wat aan de haven en &#8217;s avonds vertelde hij historietjes
+uit zijn zeemansleven. Gewoonlijk verdiende hij iedere week wel zooveel, dat hij zijn kostgeld betalen kon, en als dat een
+enkelen keer eens te weinig was, dan sprak hij zijn spaarpot aan; want, zie-je, behalve die vijfhonderd guldens, die daar
+nog altijd in eene kous en eene pulle in het kastje lagen, had hij nog een ander potje zuiver opgespaard geld.
+
+<p id="d0e7075">Zoo had hij daar al vijf jaren gewoond. Jaantje bleef ongetrouwd en ze&icirc; altijd: &#8220;Moeder en Vader Huib kunnen me niet missen.&#8221;
+
+<p id="d0e7078">Ze leefden heel gelukkig en tevreden en juist toen ze op zekeren middag aan tafel zouden gaan, wordt de bovendeur opengedaan
+en iemand roept: &#8220;Hola!&#8221;
+<span id="d0e7080" class="pageno">bladzijde 188</span>
+
+<p id="d0e7083">Huib rijst op en in den gang komende roept hij uit: &#8220;Jonge Kees, jongen, hoe maak-je &#8217;t? Wel, dat is goed dat je me eens komt
+opzoeken! Dat is goed!&#8221;
+
+<p id="d0e7086">De persoon, die binnentrad en niemand ander was dan Jonge Kees, verwonderde zich zeer Huib hier te vinden en toen deze hem
+vroeg: &#8220;Hoe wist je dat ik hier woon?&#8221; antwoordde de jonge visscher: &#8220;Ik en wist niet, dat je hier woonde!&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e7089">&#8220;Zoo, zoo,&#8221; zegt Huib, &#8220;dus je komt niet om mij, maar.... Zeg eens, Jonge Kees, ben je al getrouwd?&#8221;
+
+<p id="d0e7092">Jonge Kees wordt rood en Jaantje even aankijkende die ook al rood wordt, antwoordt hij: &#8220;Neen! Ik leef tegenwoordig met mijne
+moeder weer te <span class="letterspaced">Schevelingen</span>. Vader is een paar maanden geleden gestorven en nu wilde moeder liefst niet te <span class="letterspaced">Vlieland</span> blijven wonen. Ik heb nu mijne eigen schuit en raadt eens hoe die heet?&#8221;&#8212;
+
+<p id="d0e7101">&#8220;De vrouw Adriana!&#8221; zegt Huib vroolijk lachende.
+
+<p id="d0e7104">&#8220;Neen, <i>De Harten Harpertsz. Tromp</i>!&#8221; verbetert Jonge Kees.
+
+<p id="d0e7110">&#8220;<i>De Marten Harpertsz. Tromp</i>? Dat is flink van je, jongen, dat is goed! Met die schuit moet je zegen hebben! Mag ik er mijne spaarduitjes in steken en
+deelen in de winst?&#8221;
+
+<p id="d0e7116">&#8220;Welzeker mag je dat! Maar dan moet je bij ons te <span class="letterspaced">Schevelingen</span> komen wonen!&#8221;
+
+<p id="d0e7122">&#8220;O, Wat dat betreft&#8212;&#8221;
+
+<p id="d0e7125">&#8220;Mannen, de boontjes worden koud,&#8221; zeide vrouw Lanoy. &#8220;schikt bij en eet!&#8221;
+
+<p id="d0e7128">Wat er na het maal zooal gesproken werd weet ik niet; maar dat weet ik wel dat Jonge Kees een half jaar later zijne Jaantje
+Lanoy als vrouw te <span class="letterspaced">Schevelingen</span> had. Van zichzelve bracht zij mede: hare moeder en.... de <span id="d0e7133" class="pageno">bladzijde 189</span>mooie brieven. Huib had zichzelf meegebracht, was het altijd, als men hem vroeg hoe hij hier was komen wonen.
+
+<p id="d0e7136">En &#8217;t gaat onze luidjes goed; er is welvaart in huis.
+
+<p id="d0e7139">&#8220;Dat komt omdat onze schuit <i>De Marten Harpertsz. Tromp</i> heet. Dat is dankbaarheid, en dankbaarheid wordt door God beloond Als ons Landje dat ook maar doet! Als het zijne groote
+mannen maar in eere houdt en nooit vergeet wat ze voor het lieve Vaderland geleden, en hoe ze er voor gestreden hebben, dan
+kan het goed gaan! Maar als ze die mannen niet alleen niet vergeten, maar ze ook navolgen, dan zal het goed gaan; want ze
+waren braaf! En de brave mensch wordt nooit verlaten;&#8212; voor de braven is er een Vader, die waakt!
+
+<p id="d0e7145">Nederlandsche jongens en meisjes! Onze historie kan op vele mannen wijzen, die zijn zooals Huib, die bedoelt Vereert die mannen
+dan en volgt hen na. Maar, eer ge dat kunt doen, leert hen kennen. Een hunner hoop ik voor u geschetst te hebben in
+
+<p id="d0e7148">
+<span class="smallcaps">Goede Vaer Tromp</span>.
+
+<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11430 ***</div>
+</body>
+</html>