diff options
Diffstat (limited to 'old/11288-h')
33 files changed, 8167 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/11288-h/11288-h.htm b/old/11288-h/11288-h.htm new file mode 100644 index 0000000..e50f4a3 --- /dev/null +++ b/old/11288-h/11288-h.htm @@ -0,0 +1,8167 @@ +<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"> +<html> + <head> + <meta http-equiv="Content-Language" content="nl"> + <meta http-equiv="Content-Type" content= + "text/html; charset=iso-8859-1"> + <title> + Ons Vaderland + </title> +<style type="text/css"> + a.c4 {color: #000000} + p.c3 {font-family: Verdana} + span.c2 {font-family: Verdana; font-size: 150%} + span.c1 {font-family: Verdana; font-size: 80%} +</style> + +</head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de +15de eeuw, by M. Lievevrouw-Coopman + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw + +Author: M. Lievevrouw-Coopman + +Release Date: February 25, 2004 [EBook #11288] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ONS VADERLAND *** + + + + +Produced by Joris Van Dael and PG Distributed Proofreaders + + + + + +</pre> + + +<p><span class="c1"><br> +<br> +<br></span><span class="c2"><b>ONS +VADERLAND<br></b></span><span class="c1"><br> +<b>van de vroegste tijden tot de 15de eeuw</b></span> +<p class="c3">door<br> +<br> +M. LIEVEVROUW-COOPMAN<br> +HOOFDONDERWIJZERES<br> +<br> +<br> +Teekeningen van E. ROELANT, kunstschilder.<br> +<br> +<br> +1904<br> +<br> +* * * * *<br> +<br> +<br> +<p class="c3" id="a1">1.--De Hut in het Woud.<br> +Er waren eens twee kinderen, een jongen en een meisje. Zij +bewoonden<br> +eene kleine hut, uit leem en riet vervaardigd. Die hut had<br> +schoorsteenpijp, noch vensters, dus konden licht en lucht er enkel +langs<br> +de deur binnendringen, terwijl de rook van het haardvuur de +woning<br> +verliet door eene nauwe opening, midden in het dak.<br> +<br> +Wel was de hut armoedig, maar het groote woud, dat haar omringde, +was<br> +wonderschoon. Heerlijk mos bedekte den grond, hooge varens +wiegelden er<br> +hare bleekgroene pluimen, terwijl forsche eiken, ver boven de hut, +hunne<br> +takken broederlijk dooreen strengelden.<br> +<br> +'s Zomers zongen honderden vogeltjes in het gebladerte: vinken, +meezen,<br> +winterkoninkjes, meerlen, nachtegalen vereenigden er hunne stemmen, +tot<br> +één enkel koor van levenslust.<br> +<br> +«Koekoek! koekoek!» klonk het dan schaterend in de +verte en de kleine<br> +hutbewoners lachten en herhaalden het spottend geroep van den<br> +zwartgevlerkten zanger.<br> +<br> +Dat vroolijk spelletje duurde dagen en dagen, «Koekoek! +koekoek! waar<br> +zijt ge?» vroegen thans de kinderen, «Kom bij ons, we +zullen u wormpjes<br> +zoeken en broodkruimels voor u strooien,» maar de vogel kwam +niet en<br> +deed, luider en luider zijn eentonigen zang door de blauwe +zomerlucht<br> +weergalmen.<br> +<br> +«Willen wij hem opzoeken?» sprak de knaap tot zijn +zusje.--«Ik durf<br> +niet, Atto, moeder zegt gedurig, dat wij ons van hier niet +mogen<br> +verwijderen.»--«Zij zal het niet weten» lachtte +Atto, «zij is vader<br> +tegemoet, die heden van de jacht terugkomt.»<br> +<br> +En Juna liet zich overreden.<br> +<br> +Hand aan hand, blootsvoets, half naakt, stapten de kleinen over +het<br> +zachte mos, en zochten den koekoek, wiens spottend gezang, door het +woud<br> +weergalmde. Maar, hoe zij ook zochten en zochten, zij vonden +den<br> +spottenden zanger niet.<br> +<br> +Vermoeid en treurig rustten zij een poosje en besloten toen +huiswaarts<br> +te keeren. De bloote voetjes der kleine Juna waren vurig rood en +Atto<br> +had zich, vlak onder de knie aan een scherpen doorn bezeerd, doch +om<br> +zijn zusje niet bang te maken, beet hij zich op de lippen en +beweerde<br> +geen pijn te gevoelen.<br> +<br> +Maar, waar toch was het smalle pad, waarlangs zij gekomen waren? +Atto<br> +zocht het vruchteloos onder de varens en Juna vreesde, dat zij +verdwaald<br> +vaaren.<br> +<br> +Klapwiekend vloog de zwarte woudraaf uit een naburig berkenbosje +en<br> +daarna werd alles stil, doodstil.<br> +<br> +Langzaam, o! zeer langzaam verstreek de tijd. Atto zocht en zocht, +klom<br> +op een boom, tuurde in de verte ... hij zag enkel boomen en niets +dan<br> +boomen.<br> +<br> +Eensklaps werd de lucht duister, de wind stak op, +bliksemschichten<br> +flikkerden, de donder rommelde. Broer en zuster klappertandden van +angst<br> +en koude, maar zij gingen verder, altijd verder. Eindelijk +bereikten zij<br> +eene grot, waar zij zich vermoeid in nederzetten.<br> +<br> +En thans vernamen de arme kinderen een vervaarlijk gehuil.... +«De<br> +wolven! de wolven!» kreet Juna en sloot zich heel dicht bij +haren<br> +broeder aan.<br> +<br> +Atto verzamelde groote steenen en aardklompen, waarmede hij den +ingang<br> +der grot versperde, want de avond viel en hij voorzag, dat zij den +nacht<br> +in de eenzame schuilplaats zouden moeten doorbrengen. Toen nam hij +zijn<br> +schreiend zusje op den schoot en het arme meisje, uitgeput van +angst en<br> +vermoeidheid, viel weldra op zijne knieën in slaap.<br> +<br> +Atto echter waakte, hij hoorde het gehuil der wolven, en andere +wilde<br> +dieren, dat akelig door het woud weerklonk....<br> +<br> +'s Anderendaags, vroeg in den morgen, ontwaaktte Juna. Atto nam +haar bij<br> +de hand en beide kinderen hervatten hun gevaarvollen tocht.<br> +<br> +* * * * *<br> +<br> +Na een half uur gaans vernamen zij het gemurmel van een beekje +dat,<br> +tusschen lisch en weegbree, zijne heldere golfjes voortstuwde. +«Wij zijn<br> +gered!» murmelde Atto, «laten wij langs den boord van +het water<br> +voortgaan, want het leidt naar de woningen der menschen.»<br> +<br> +Hoopvol nam hij zijn zusje bij de hand en zette zijnen weg voort. +De<br> +tocht was lastig; soms verdween het beekje onder hooge struiken of +de<br> +kinderen bezeerden zich aan bramen en doornen. Nu en dan hurkten +zij<br> +neder, bogen zich over den vliet en schepten met hunne kleine +handen,<br> +water, dat zij begeerig aan den mond brachten.... Arme kleinen, +zij<br> +leden zoo geweldig door honger en dorst!<br> +<br> +Eindelijk bereikten zij eene plaats, waar het water veel breeder +was,<br> +want een tweede beekje vereenigde er zijne golfjes met die van +het<br> +eerste. Hier zwommen eendvogels, in menigte en Atto bemertke, dat +zijn<br> +zusje en hij, den zoom van het woud hadden bereikt. Wilgjes +ruischten<br> +aan den oever van den vliet en de kinderen betraden vol blijdschap +eene<br> +malsche weide, waar verscheidene koeien graasden.<br> +<br> +«Daar komt een man,» kreet eensklaps Juna met blijde +verrassing.<br> +<br> +«Gangusso! vaders vriend! dezelfde, die verleden jaar onze +berenhuid<br> +kocht!» lachte Atto en de man, van zijnen kant, scheen de +kinderen te<br> +herkennen, want hij liet een rooden doek boven zijn hoofd zwaaien +en<br> +spoedde zich naar de kleinen.<br> +<br> +Gangusso was een man van groote gestalte, met blauwe oogen en +lange,<br> +blonde haarvlechten. Hij droeg lederen schoenen en korte, +nauwsluitende<br> +kleederen.<br> +<br> +Hij nam de verdwaalde kinderen bij de hand, bracht ze naar +zijne<br> +woning, op welker drempel zijne vrouw en een paar dienstmaagden, +naar de<br> +kinderen stonden te zien.<br> +<br> +Snikkend verhaalden de kleinen hun treurig wedervaren, maar +Gangusso<br> +stelde hen gerust en beloofde, hen zoo spoedig mogelijk naar +hunne<br> +ouders te brengen.<br> +<br> +Een verkwikkend maal: brood, melk, gebraden zwijnevleesch werd +den<br> +kinderen aangeboden, maar toen zij verzadigd waren, verklaarde +Gangusso,<br> +dat de dag te ver gevorderd was om den terugtocht aan te nemen.<br> +<br> +De dienstmaagden brachten versch stroo, spreidden het op den grond +en<br> +bedekten het met zachte huiden. Dit was het bed, waarop de kleinen +den<br> +nacht doorbrachten.<br> +<br> +'s Anderendaags verlieten zij, onder het geleidde van Gangusso, +de<br> +herbergzame woning, waar hun zulk vriendelijk onthaal te beurt +viel.<br> +<br> +De bewoners der naburige hutten, die reeds van hunne komst +verwittigd<br> +waren, groetten hen lachend en wenschten hun hartelijk «goede +reis!»<br> +<br> +Omtrent den middag bereikten de kinderen een breed water, dat niet +diep<br> +was, want de reizigers doorwaadden het zonder moeite.<br> +<br> +Nu stapten zij verder over heiden en dwars door wouden en +bereikten<br> +omstreeks den avond, de ouderlijke hut.<br> +<br> +Hoe gelukkig waren de ouders van Juna en Atto, toen zij hunne +kinderen<br> +wederzagen! Hoe hartelijk schonken zij hun vergiffenis en hoe +vurig<br> +dankten zij hunnen vriend, den braven, dienstvaardigen +Gangusso.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a2">2.--Oud België.<br> +<img alt="" border="0" src="gallischelandbouwer.png" width="192" +height="530"> +<p>[Gallische landbouwer.]<br> +<br> +Welke eigenaardige hut bewoonden Atto en Juna! 'k Wed, dat men, in +onze<br> +dagen, in geen enkel land der wereld, eene dergelijke meer zou<br> +aantreffen! Zulks moet mijne lezers niet verwonderen, want de +twee<br> +kinderen leefden niet in onzen tijd, maar vóór +honderden en honderden,<br> +ja, schrikt niet ... vóór 2000 jaar.<br> +<br> +De hut, die zij bewoonden, stond midden in het woud en dat woud was +zoo<br> +dicht en uitgestrekt, dat men er heel licht in verdwaalde. Bezit +ons<br> +vaderland heden nog wouden? Voorzeker, maar ze zijn kleiner, +minder<br> +talrijk, dan vroeger. De menschen hebben ze gedeeltelijk uitgeroeid +en<br> +in akkers herschapen.<br> +<br> +De vader der kleine, onvoorzichtige kinderen was een jager. In de +wouden<br> +van ons land huisden vroeger beren, talrijke wolven, +everzwijnen.<br> +<br> +Gevaar schrikte den man weinig af, ofschoon hij zulke goede wapens +niet<br> +bezat als de jagers van onzen tijd. Schietgeweren, pistolen, +waren<br> +onbekend; de tijdgenooten van Gangusso bezigden pijlen, bogen, +slingers,<br> +knotsen, lansen en trachtten, heel waarschijnlijk, het wild in<br> +hinderlagen te lokken.<br> +<br> +Sommige menschen deden echter iets anders dan jagen: Gangusso fokte +vee<br> +en zijne huisgenooten sliepen op stroo, hetgeen bewijst, dat de man +ook<br> +graan verbouwde. Eendvogels zwommen in beken en plassen en deze +vogels<br> +... gij raadt het zelf, verschaften den menschen eieren, vleesch, +dons.<br> +<br> +Waarom had Gangusso zijne woning dichtbij de samenvloeiing van +twee<br> +beken gebouwd?<br> +<br> +Wel! omdat het water hem onmisbaar was en, omdat in dun bevolkte +of<br> +weinig beschaafde streken, de oevers van het water, soms ook +zijne<br> +uitgedroogde bedding, als wegen dienst doen.<br> +<br> +Bestonden er, vóór tweeduizend jaar in ons land geene +groote zand-of<br> +aardwegen? Neen, die waren er niet; vandaar dat de menschen heel +weinig<br> +betrekking met elkander hadden. Koopen of verkoopen gebeurde +zelden;<br> +steden of groote dorpen zoudt gij hier vruchteloos hebben +gezocht.<br> +<br> +De menschen van dien tijd hadden echter een goed hart: Gangusso nam +de<br> +verdwaalde kinderen in zijn huis op en schonk hun spijs en +ligging.<br> +<br> +De menschen van voorheen waren zeer gastvrij en die eigenschap is +bij<br> +ons, hunne nakomelingen, niet verdwenen.<br> +<br> +Op het land, en vooral in de Ardennen, waar steden en dorpen ver +van<br> +elkander liggen, gebeurt het niet zelden, dat reizigers, in +eenzaam<br> +staande hoeven, voor den nacht worden opgenomen.<br> +<br> +Bewoonden Gangusso, Atto en Juna misschien het Zuid-Oostelijk deel +van<br> +ons land? Dat deden zij ... maar, nu mijn verhaal ten einde loopt, +wil<br> +ik u vertellen van de oude bewoners van Laag-België.<br> +<br> +<br> +<p id="a3">3.--Langs Poel en Plas.<br> +De najaarszon neigde ten Westen en wierp hare schuine stralen op +een<br> +groep vrouwen en kinderen, die zich over zandheuvels en door +duinpannen<br> +naar zee begaven. Vuurroode wolken hingen over den schuimenden +waterplas<br> +en een paar visschersschuiten naderden het strand, waarop +millioenen<br> +schelpjes, als zoovele parelen, lagen te blinken.<br> +<br> +Met blijdschap begroetten de vrouwen de naderende vaartuigen die, +met<br> +hunne bemanning, weldra in eene naburige kreek binnenliepen.<br> +<br> +De schuiten waren log en stevig, voorzien van zeilen, die, uit +aan<br> +elkander genaaide huiden waren vervaardigd.<br> +<br> +Waarschijnlijk hadden de visschers eene goede vangst gehad; want, +toen<br> +de vrouwen, over zandbanken en door plassen zeewater de +schuiten<br> +bereikten, vulden zij hare teenen manden met een rijken buit van +versche<br> +tongen, schollen, roggen.<br> +<br> +De mannen laadden hunne netten en fuiken op den rug en weldra trok +de<br> +heele troep landwaarts.<br> +<br> +De streek had een treurig aanzien: rechts en links lagen +eindelooze<br> +moerassen, waarboven heele zwermen raven en meeuwen vlogen; hier en +daar<br> +bemerkte men een schraal boschje van wilge-, essche-of +elzeboompjes.<br> +<br> +De weg, waarlangs de visschers en hunne vrouwen stapten, lag hooger +dan<br> +het omliggende land en was eigenlijk het bovenvlak van een dijk, +door<br> +menschenhanden aangelegd.<br> +<br> +Thans bereikte de karavaan een groepje ellendige hutten, de<br> +verblijfplaatsen der visschersfamiliën.<br> +<br> +Eene plotselinge regenvlaag noopte vrouwen en kinderen eene +schuilplaats<br> +in de woningen te zoeken. «De wind waait uit het +Zuid-Westen» sprak een<br> +der mannen. «De storm is in aantocht en dezen nacht hebben +wij<br> +springvloed.»<br> +<br> +Na een paar uren waaide de wind zoo hevig, dat de kloeke mannen +moeite<br> +hadden zich overeind te houden. De zee donderde, de nacht daalde +over<br> +het aardrijk en de regen viel bij stroomen.<br> +<br> +«Ik vrees, dat de dijk, dien wij verleden zomer aanlegden, +tegen het<br> +water niet bestand zal wezen» sprak een der mannen.<br> +<br> +Een ander voegde er bij: «Ik stel voor, dezen nacht de wacht +te houden,<br> +om bij het minste gevaar, onze vrouwen, onze kinderen en ons vee +in<br> +veiligheid te brengen.»<br> +<br> +Dit voorstel werd aangenomen; de mannen bleven bij elkander en, +hoe<br> +vervaarlijk de wind ook huilde, hoe plassend de regen ook +nederviel,<br> +toch gingen ze, bij beurten, den dijk op en neder.<br> +<br> +De storm intusschen hield aan; met grenzenlooze woede beukte de zee +de<br> +duinen, baande zich eenen weg door het land en bereikte den +dijk.<br> +<br> +Het hart der mannen klopte angstig; zou de vrucht van hunnen +arbeid<br> +bestand zijn tegen den vertoorden Oceaan?... De dag brak aan, +heviger<br> +nog huilde de storm, hooger en hooger stegen de golven en!... de +mannen<br> +bemerkten eene breuk midden in den dijk.<br> +<br> +De vrouwen brachten kleiaarde, steenen, takkebossen aan, hijgend +en<br> +zweetend arbeidden zij, onder den plassenden regen, aan het +herstellen<br> +van den dijk ... vruchtelooze moeite; eene tweede, eene derde +dijkbreuk<br> +ontstond; de vrouwen weenden, de kinderen huilden.<br> +<br> +«Allen naar de hutten! drijft het vee voor u uit! neemt +manden en netten<br> +mede, richt u zuidwaarts!» riepen thans de mannen en met +koortsige haast<br> +gehoorzaamden allen aan het bevel. In radeloozen angst vloden +de<br> +ongelukkigen over heiden en moerassen en bereikten eene hooger +gelegen<br> +streek, waar de hutten talrijker en akkers en weiland waren +aangelegd.<br> +<br> +De arme vluchtelingen werden er liefderijk ontvangen en dagen +lang<br> +geherbergd, maar, toen de mannen eindelijk naar hunne vroegere<br> +verblijfplaats terugkeerden, waren dijk en woningen +weggespoeld.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a4">4.--Bij de Menapiërs.<br> +Wat moesten de arme, wreedbeproefde lieden thans aanvangen?... +Klagen,<br> +weenen, helpt zoo weinig! Onze mannen waren moedig en kloek, +zij<br> +vereenigden hunne krachten, arbeidden samen en, door tegenspoed +wijzer<br> +geworden, legden zij een nieuwen dijk aan, die breeder en sterker +was<br> +dan de eerste; ook richtten zij eene terp op en bouwden zich +hutten,<br> +die, op eene verhevenheid staande, minder van overstrooming zouden +te<br> +lijden hebben. Daar het moeras thans volkomen tegen het water +was<br> +beschut, droogde het uit en kon men het in weiland, later in +akkers<br> +herscheppen.<br> +<br> +De vrouwen naaiden zeilen, vlochten fuiken, breiden vischnetten; +de<br> +mannen timmerden eene schuit en weldra dobberden onze moedige +arbeiders<br> +op den Oceaan, bereikten de Britsche kusten, waar zij lood en +tin<br> +haalden, alsook mergelaarde, waarmede zij hunne akkers +bemestten.<br> +<br> +Deze moedige menschen waren de Menapiërs die, +vóór 2000 jaar, in<br> +Laag-België ten Westen en aan de monding der Schelde +woonden.<br> +<br> +Hun lijden en strijden leert ons genoegzaam, hoe woest en bar ons +land<br> +toen nog was: de kusten der zee waren diep ingesneden, de zee +vormde<br> +talrijke inhammen, zelfs golven, vooral bij de monding der +rivieren,<br> +wier overtollig water zich soms over het land verspreidde en +plassen en<br> +modderpoelen deed ontstaan. Heel waarschijnlijk dachten de +brave<br> +Menapiërs er nog niet aan, kanalen te graven, die het nat +opvangen, en<br> +sluizen te vervaardigen, die den loop van het water zouden +regelen.<br> +<br> +Ik zeg niet zonder reden «de brave Menapiërs.» +Hadden zij niet, op eigen<br> +kracht steunend, den strijd tegen de woedende zee volgehouden? +Hunne<br> +werktuigen waren ruw en onvolkomen, machines kenden ze niet en +toch, al<br> +mocht de zee hunne schuiten verzwelgen, het water hunne dijken<br> +verbrijzelen, hunne woningen vernielen, altijd weer begonnen zij +hunne<br> +nimmer eindigende taak.<br> +<br> +Lezers, denkt er aan, als gij Vlaanderens lachende beemden +bewondert, of<br> +u in de mooie badplaatsen aan den Belgischen zeeoever gaat +vermeien.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a5">5.--Aan den Voet van den Reuzeneik.<br> +Heerlijk en trotsch verhief zich de machtige boom in het midden +der<br> +vlakte; honderden stormen had hij getrotseerd, honderden +winters<br> +beleefd; 's zomers rustte het vee in zijne schaduw en honderden +vogels<br> +kweelden in zijne takken.<br> +<br> +Thans, ofschoon de lente nauwelijks in aantocht was, hielden aan +zijn<br> +bemosten voet, de menschen eene plechtige vergadering;--vroeg in +den<br> +morgen waren zij in menigte aangekomen, langs de kronkelende paden, +die<br> +men, hier en daar, in wouden en heiden aantrof.<br> +<br> +De meesten onderscheidden zich door hunne hooge gestalte, hunne +lange,<br> +roodgeverfde lokken en krachtige ledematen.<br> +<br> +<img alt="" border="0" src="hoofddeksel.png" width="162" height= +"252"> +<p>[Hoofddeksel.] +<p><img alt="" border="0" src="schild.png" width="139" height= +"334"> +<p>[Schild.] +<p><img alt="" border="0" src="helm.png" width="155" height="164"> +<p>[Helm.]<br> +<br> +Allen schenen krijgslieden te zijn, sommigen hadden op het hoofd +eenen<br> +helm, waaraan vleugels van roofvogels of hoornen van dieren +waren<br> +vastgemaakt en hunne wapens: lansen, pieken, zwaarden, schitterden +in<br> +het zonnelicht. Allen droegen nauwsluitende kleederen, sommigen +ook<br> +bontgestreepte kolders, zonder mouwen en, als sieraad of<br> +herkenningsteeken, fraai bewerkte hals-of armbanden, terwijl nog +anderen<br> +een korten pelsmantel om de schouders hadden geslagen.<br> +<br> +Die mantel bewees dat zij jagers waren, want zij hadden de klauwen +van<br> +het door hen gedoode dier niet weggenomen, zelfs bemerkte men hier +en<br> +daar eenen krijgsman, die zijne kap met den ruigen kop van eenen +beer of<br> +van een everzwijn had versierd.<br> +<br> +De opperhoofden herkende men aan de pracht hunner wapens en +telkens<br> +wanneer een nieuwe troep verscheen, begroetten de aanwezigen dien +met<br> +luide welkomskreten.<br> +<br> +Plotseling verving eene eerbiedige stilte het luide gegons der +menigte,<br> +de stoet der druïden of priesters naderde. Voetknechten, +voorzien van<br> +lansen en schitterende pieken gingen vooraan.--Op eenigen +afstand<br> +volgden de barden of gewijde zangers; zij hielden snarentuigen in +de<br> +hand en hieven, bij beurten, strijdzangen aan, die de anderen in +koor<br> +herhaalden.<br> +<br> +Nu verscheen een man, die door al de omstanders met eerbied +werd<br> +begroet. «Boduognat! hoofdman der Nerviërs,» +fluisterden de dichte<br> +scharen en Boduognat, wiens naam «Gewoon aan +overwinning» beteekende,<br> +scheen dien eeretitel te verdienen; heel zijn uiterlijk getuigde +van<br> +mannelijke kracht, terwijl zijn hoog voorhoofd en zijne +donkere,<br> +ernstige oogen wijsheid en nadenken verrieden.<br> +<br> +De beste krijgslieden des lands hadden zich, als eene eerewacht, om +hem<br> +geschaard. De opperdruïde en zijne priesters, in lange, witte +kleederen,<br> +volgden en hunne lijfwacht sloot den stoet, die zich in volmaakte +orde<br> +rondom den eik plaatste.<br> +<br> +De krijgsbazuinen schalden en onmiddellijk daarna nam een der<br> +opperhoofden het woord.<br> +<br> +«Mannen» sprak hij, «groote gevaren bedreigen +ons. Julius Caesar, de<br> +vermaarde Romeinsche krijgsoverste, nadert onze streek en stelt +zich<br> +voor, ons aan zijne macht te onderwerpen. Zullen wij, kloeke +Nerviërs,<br> +de dapperste der Belgen, zulks laten gebeuren?»<br> +<br> +Een vreeselijk gemompel, dat het geraas van den naderenden storm +geleek,<br> +verhief zich op deze vraag.--«Neen,» vervolgde de +spreker, «neen, we<br> +zullen onze vrouwen, onze vrijheid, onze velden, dapper +verdedigen.»<br> +<br> +Daverende toejuichingen beantwoordden deze aanspraak, maar de<br> +krijgshoorn schalde, de mannen zwegen en de spreker vervolgde: +«De<br> +vijand is listig en behendig; tegenover Caesar, die, zegt men, al +de<br> +stammen van Midden-Gallië overwon, moeten wij een opperhoofd +plaatsen,<br> +dat voor geen Romein in dapperheid en krijgskunst +onderdoet!»<br> +<br> +«Boduognat! Boduognat!» riepen allen uit éenen +mond en duizenden<br> +krijgslieden, hunkerend naar strijd en overwinning, staken +zwaarden,<br> +lansen, standaards, schilden omhoog en begroetten aldus den bij<br> +algemeenheid van stemmen gekozen hoofdman.<br> +<br> +Toen de geestdrift eenigszins was bedaard, brachten de dienaars +der<br> +druïden twee jonge, witte stieren aan. Deze werden als +offeranden aan de<br> +godheid geslacht en, in het nog rookend ingewand dezer dieren, +lazen de<br> +priesters den wil des Allerhoogsten.<br> +<br> +«God is ons genegen» sprak de opperdruide, «de +fortuin zal ons gunstig<br> +wezen.»<br> +<br> +Wederom klonk het gekletter der wapens, schilden werden in de +hoogte<br> +geheven, luide vreugdekreten weerklonken.<br> +<br> +Toen de offerande was volbracht, keerden de priesters en hun gevolg +naar<br> +het geheimzinnig woud terug, waar zij in volledige afzondering hun +leven<br> +wijdden aan studie en godgeleerdheid.<br> +<br> +Het volk echter toefde nog langen tijd onder den +eik.--Mondbehoeften en<br> +schuimend bier werden aangebracht en de drinkhoorn geledigd op +de<br> +aanstaande overwinning.<br> +<br> +<br> +<p id="a6">6.--Verovering van ons land door de Romeinen.<br> +Waar verhief zich de reuzeneik, in welker schaduw de menschen zulk +eene<br> +gewichtige vergadering hielden?--Is de gebeurtenis, waarvan het<br> +voorgaande verhaal gewaagt, reeds lang geleden?<br> +<br> +De reuzeneik groeide vóór meer dan 1900 jaar in +Midden-België, aldus<br> +genoemd omdat de grond er meer verheven is dan in Laag-België +en echter<br> +de hoogte niet bereikt van Hoog-België met zijne heuvelen en +steile<br> +rotsen.<br> +<br> +In een woudrijk land, als het onze toen was, trof men talrijke, +zeer<br> +groote en zeer oude boomen aan; dat de menschen, aan den voet van +zulke<br> +boomen vergaderden, moet ons niet verwonderen in eene streek, +waar<br> +steden, noch groote dorpen, dus nog veel minder pleinen of +groote<br> +vergaderzalen waren.<br> +<br> +Wij hadden toen zelfs nog geene bedehuizen, want de priesters boden +de<br> +godheid hunne offeranden aan in de open lucht.<br> +<br> +Welken eeredienst beleden onze voorouders? Zij aanbaden de sterren +des<br> +hemels, de zon, de maan, den donder, den wind. Zij hadden hier en +daar<br> +steenen altaren, onder een boom of dicht bij eene bron. Hunne +priesters<br> +of druïden genoten de algemeene achting; want, ofschoon hunne +leer voor<br> +ons zeer duister is, waren zij wijzer en geleerder dan gewone +menschen.<br> +<br> +Misschien wel hebt gij bij u zelven gezeid dat, in het +voorgaand<br> +verhaal, meest over krijgslieden wordt gesproken.<br> +<br> +Weet gij wel, dat de krijgskunst toen algemeen werd geacht, en wie +zich<br> +door lichaamskracht onderscheidde, in hoog aanzien stond?<br> +<br> +Herinnert u Boduognat, die tot opperhoofd werd gekozen; denkt aan +de<br> +forsche gestalte, aan de glinsterende wapens van de strijders, die +hem<br> +omringden. +<p><img alt="" border="0" src="oudbelgie.png" width="717" height= +"541"> +<p>[Oud-België.]<br> +<br> +Boduognat was een Nervier; de Nerviërs bewoonden die deelen +van ons<br> +land, die men heden Henegouwen, Brabant en Antwerpen noemt. Men +trof<br> +hier te lande nog aan: de Eburonen, de Aduatieken, de Trevieren en +de<br> +Morinnen.<br> +<br> +Zij vormden te zamen de Belgen of Bolgs. Eenige namen der +Zuider-Belgen<br> +zijn bewaard gebleven in de namen van sommige aloude Fransche +steden: de<br> +Bellovaken (Bavai), de Atrebaten (Atrecht). Zij bewoonden niet +alleen<br> +het huidige België, maar een deel van het Noorden van +Frankrijk en der<br> +Rijnprovincie. Zij vereenigden zich enkel in oorlogstijd om samen +aan<br> +een gemeenschappelijken vijand weerstand te bieden.<br> +<br> +Voorgaand verhaal leert ons, dat de Belgen aangevallen werden door +de<br> +Romeinen<a class="c4" href="#een">[1]</a>. Deze, van het Zuiden +komende, volgden den rechter oever der<br> +Sambre en leverden slag tegen de Nerviërs, die, langs den +linkeroever<br> +der rivier, den top van een houtrijken heuvel bezet en zich in +het<br> +struikgewas verborgen hadden. Caesar, de aanvoerder der Romeinen, +zond<br> +zijne lichte ruiterij op hen af, doch de Nerviërs daalden van +den<br> +heuvel, staken de Sambre over, vielen de Romeinsche benden aan +en<br> +vochten met ongewone dapperheid onder aanvoering van Boduognat.<br> +<br> +Caesar en zijne krijgslieden waren de onzen te machtig; duizenden +en<br> +duizenden Nerviërs, ook Boduognat, werden gedood.<br> +<br> +Wat moest het, na dit akelig bloedbad, doodelijk treurig zijn in +het<br> +land der Nerviërs: duizenden weeskinderen weenden er om den +verloren<br> +vader, moeders zuchtten er om de zonen, die de vijanden haar +ontrukten.<br> +<br> +<img alt="" border="0" src="vestingaduatieken.png" width="594" +height="193"> +<p>[Vesting der Aduatieken.]<br> +<br> +De Aduatieken, die de Nerviërs ter hulp snelden, trokken naar +hunne<br> +vesting, maar Caesar kwam ze daar belegeren en nam hunne vesting +in.<br> +Zegevierend zetten de Romeinsche krijgsbenden hunnen tocht voort; +hutten<br> +en wouden verbrandden zij, akkers liepen zij plat, vrije mannen<br> +verkochten zij als slaven.<br> +<br> +Ellende, dood, slavernij gingen steeds met oorlog hand aan +hand.<br> +<br> +* * * * *<br> +<br> +Drie bange jaren kropen traag en somber voorbij. 's Zomers, trokken +de<br> +Romeinen al verder en verder in ons land, maar in het najaar, +als<br> +plasregens nedervielen, als de rivieren overstroomden en dikke +nevels<br> +uit de moerassen opstegen, staakten zij tijdelijk den oorlog.<br> +<br> +Zij deden voorraad op voor soldaten en paarden en legden in +verscheiden<br> +streken kampen of legerplaatsen aan, die zij betrokken en vanwaar +zij de<br> +overwonnen volksstammen in bedwang hielden.<br> +<br> +In dien tijd leefde in het land der Eburonen, de beroemde Ambiorix. +Het<br> +ongeluk zijner landgenooten had hem zoo diep getroffen, dat +alle<br> +levenslust voor altijd uit zijn hart was verdwenen.<br> +<br> +'s Avonds, bij het knetterend haardvuur gezeten, zuchtte hij over +de<br> +bange tijden en droomde van opstand tegen de vreemdelingen, van<br> +wraakoefening over het geleden onrecht.<br> +<br> +'s Daags dwaalde hij door het woud, sprak tot de lieden, die zich +ter<br> +jacht begaven of zich met akkerwerk onledig hielden, begaf zich +van<br> +gehucht tot gehucht en deelde aan allen, den haat mede, dien hij +tegen<br> +de overwinnaars koesterde.<br> +<br> +Van tijd tot tijd sloop hij voorbij de legerplaats der +Romeinen,<br> +bespiedde hunne handelingen, ging hunne getalsterkte na, zag de +aarden<br> +wallen, die het kamp der vijanden omringden, de slooten, de +houten<br> +torens, de valbruggen, de poorten, die de legerplaats beschermden +en<br> +keerde daarna, laat in den nacht, met gebalde vuisten en +fonkelende<br> +oogen huiswaarts.<br> +<br> +Verscheidene malen riep hij de inwoners zijner landstreek heimelijk +bij<br> +elkander, sprak hun over de verloren vrijheid en, toen hij, in +aller<br> +hart, het vuur der wraak had doen ontvlammen en de hoop op +verlossing<br> +had doen herleven, lokte hij de Romeinsche bezetting uit hare<br> +legerplaats en behaalde eene eerste overwinning op den vijand.<br> +<br> +Weldra vertrok hij naar het land der Aduatieken en, dag en nacht +zijn<br> +marsch voortzettend, begaf hij zich naar het land der Nerviers, +waar<br> +hij ook dezen, tot den opstand aanzette en de legerplaats van +Cicero,<br> +een Romeinsch opperhoofd, aanrandde.<br> +<br> +Cicero zond in allerhaast boden en brieven naar Caesar, die al +spoedig<br> +in versnelde marschen het land der Nerviers bereikte, de zijnen +verloste<br> +en besloot de Eburonen te straffen.<br> +<br> +Bij den aanvang van den oogsttijd trok de groote veldheer op +tegen<br> +Ambiorix, wiens onbedreven moed, helaas! niet bestand was tegen +de<br> +krijgskunst van den grooten Romein. Caesars soldaten staken hutten +en<br> +hoeven in brand, namen de paarden, het vee, de strijdwagens der +Eburonen<br> +als krijgsbuit mede.<br> +<br> +Talrijke inwoners werden gedood, eenigen slaagden er in de groote +wouden<br> +te bereiken, waar zij, tot in de dichtste struiken, tot in het riet +der<br> +moerassen werden nagezet.<br> +<br> +Honger, angst, vermoeidheid doodden hen, die niet door het zwaard +der<br> +vijanden werden getroffen.<br> +<br> +Als een wild dier opgejaagd, vluchtte Ambiorix van woud tot +woud.<br> +Vergezeld van eenige verkleefde ruiters, gelukte het hem, de oevers +van<br> +den Rijn te bereiken. Langen tijd zwierf hij van de eene woestenij +naar<br> +de andere en verborg zich in verlaten hutten of ongenaakbare +bergkloven.<br> +<br> +Waarschijnlijk stierf hij, ver van den geboortegrond, alleen, +verlaten<br> +en diep ongelukkig.<br> +<br> +In het jaar 50 vóór J.-Chr. was heel ons land aan de +Romeinen<br> +onderworpen.<br> +<br> +<br> +<p id="a7">7.--Twee Eeuwen later.<br> +Op een mooien zomerdag stapte een reiziger langs den heirweg, die +door<br> +ons land, over Tongeren, van Gallië naar Duitschland liep. Hij +leunde op<br> +een doornenstok; stof bedekte zijnen mantel. De zon had zijne +wangen<br> +gebruind en twee litteekens doorploegden die. Nu en dan liet de man +met<br> +welgevallen zijnen blik rusten op het landschap en geleek dan +wel<br> +iemand, die blij is eene streek weder te zien, die hij +vóór lange jaren<br> +verliet; zulks was hier het geval.<br> +<br> +Marcus Liberius Victor, zoo heette de reiziger, werd geboren in +de<br> +omstreken van Aarlen, waar hij tot een frisschen jongeling +opgroeide.<br> +In zwemmen, jagen, loopen, te paard rijden, was niemand zoo bekwaam +als<br> +hij; ook werden zijne lichaamskracht, en behendigheid, wijd en +zijd<br> +geroemd.<br> +<br> +Op zekeren dag bevond de jongeling zich aan den oever der rivier, +toen<br> +het dochtertje van een Romeinschen ambtenaar, dat in de +nabijheid<br> +wandelde, in het water viel en door den stroom werd +medegesleept.<br> +<br> +De jongeling sprong haar na, dook als een visch en bracht het +meisje<br> +behouden aan wal.<br> +<br> +De Romeinsche ambtenaar en zijne vrouw waren den redder van hun +kind<br> +zeer dankbaar en schonken hem hulp en bescherming. Marcus, die toen +nog<br> +Punto heette, werd soldaat in het Romeinsche leger; hij verliet +zijne<br> +eenige zuster, eene weduwe, met een lief knaapje, dat pas zes +maanden<br> +oud was. Punto schonk haar, als aandenken, het mooie gouden kruisje +met<br> +den fonkelenden rooden steen, dat hij van zijne rijke beschermers +had<br> +ontvangen.<br> +<br> +Sedert waren jaren verloopen. Punto had gereisd, gezien, geleerd en +zich<br> +in Italië en elders als krijgsman onderscheiden. Maar, hoe ver +hij ook<br> +weg was, hoe hoog hij in aanzien klom, toch verdoofde de liefde tot +den<br> +geboortegrond in hem niet; integendeel, hij wenschte vurig naar +zijn<br> +land terug te keeren, zijne zuster, zijn neefje te zien en zijne +laatste<br> +levensjaren te slijten op dezelfde plaats, waar zijne gelukkige +jeugd<br> +voorbijvlood.<br> +<br> +Eene ernstige wonde hem door een vijandelijk krijgsman toegebracht, +had<br> +hem bijna ten grave gesleept, maar hij herstelde, hoewel langzaam, +nam<br> +zijn ontslag en reisde naar het verre vaderland.<br> +<br> +Hij zocht er zijne familieleden op, maar vond ze niet terug; +zijne<br> +zuster was overleden, haar zoon had de streek verlaten en niemand +wist,<br> +waarheen hij zich begeven had.<br> +<br> +Nu werd het den krijgsman treurig te moede; hij had zooveel +gereisd,<br> +zooveel gezien en gehoord, maar liefde had hij niet gevonden. +Hij<br> +verliet de schilderachtige geboortestreek en begaf zich op weg +naar<br> +Tongeren, waar zijne vroegere weldoeners zich hadden gevestigd.<br> +<br> +In den namiddag bereikte hij eene mooie villa, door tuinen en<br> +landerijen omgeven. Een paar slaven stonden voor den ingang en +koutten<br> +met eenen landman, die door een blonden, forschen jongeling was<br> +vergezeld.<br> +<br> +«Ben ik nog ver van Tongeren» vroeg hun de reiziger? +«Nog vier mijlen»<br> +luidde het antwoord en de landman, die heel praatziek was, voegde +er<br> +bij: «Zoo gij wilt, kunnen wij samen een deel van den weg +afleggen, want<br> +ik woon op ééne mijl van de stad. «Hier +Vertico», riep hij op norschen<br> +toon tot zijn gezel, «draag deze ledige korven en volg +ons».<br> +<br> +Marcus aanvaardde het aanbod van den landman en weldra stapte +het<br> +tweetal den heirweg op.--Zwijgend, het hoofd ter aarde gebogen, +ging<br> +Vertico, die de knecht des landmans was, achteraan, terwijl zijn +meester<br> +aan zijn toevalligen reisgenoot, allerlei inlichtingen gaf, die +Marcus<br> +hem in het geheel niet vroeg.<br> +<br> +«Ik bewoon eene hoeve» sprak hij, «ik fok +zwijnen, runderen, schapen;<br> +mijne vrouw teelt ganzen en eendvogels; dezen morgen leidde ik naar +de<br> +villa, waar gij mij ontmoettet, een mooi zwart paard, dat ik aan +den<br> +heer des huizes verkocht....» en hij klopte lachend op zijn +welgevulde<br> +beugeltasch.<br> +<br> +Eenige schreden verder bereikten onze reizigers eene woonstede, +die,<br> +naar het uiterlijke te oordeelen, een herberg was.<br> +<br> +«Ik heb dorst», sprak de landman, «willen wij +hier binnentreden en den<br> +beker ledigen op uwe voorspoedige reis?»<br> +<br> +Marcus bewilligde en, nauwelijks hadden onze mannen in de +gelagkamer<br> +plaats genomen, of eenige Romeinsche soldaten traden binnen.<br> +<br> +Zij waren zeer luidruchtig, bestelden eene kruik wijn en +vroegen<br> +dobbelsteenen aan den waard, die zich haastte aan hun eisch te +voldoen.<br> +<br> +«Wie speelt mede?» vroegen zij luid, en de landman, +wiens oogen van<br> +verlangen fonkelden, wierp een geldstuk op de tafel.<br> +<br> +Het lot was hem ongunstig, hij verloor slag op slag. Weldra was +zijne<br> +beurs ledig, maar het spel ging zijnen gang.<br> +<br> +«Schei uit» fluisterde hem Marcus in het oor, maar de +man schudde<br> +halsstarrig het hoofd.<br> +<br> +«Is de jongeling, die u vergezelt, uw knecht?» vroeg +een der soldaten.<br> +«Ik zet het geld, dat ik u afwon, tegen hem in, hij is jong +en schoon<br> +... een slaaf, die geld waard is....»<br> +<br> +«Ik ben geen slaaf, hatelijke vreemdeling» klonk het +opeens uit<br> +Vertico's mond, terwijl hij dreigend opsprong en de kloeke +vuisten<br> +balde.<br> +<br> +«Dat zullen wij zien!» riepen de soldaten en trokken +hun zwaard uit de<br> +scheede.<br> +<br> +Marcus ook was opgesprongen. «Wie dezen jongeling aanraakt, +klaag ik te<br> +Tongeren bij den bevelhebber aan!» sprak hij met krachtige +stem, terwijl<br> +hij zich fier en gebiedend in het midden der soldaten plaatste.<br> +<br> +Maar nauwelijks was de eerste indruk van verbazing voorbij of een +der<br> +soldaten hernam spottend: «Wie zijt gij, vreemdeling, die ons +Romeinen,<br> +als nietige slaven toespreekt?»--«In het land mijner +vaderen heet ik<br> +Punto, maar in het Romeinsch leger, waar ik Hoofdman<a class="c4" +href="#twee">[2]</a> was noemde men<br> +mij Marcus Liberius Victor».<br> +<br> +De soldaten stoven verschrikt uiteen; Marcus nam zijnen +geldbuidel,<br> +wierp eenige geldstukken voor de voeten van den verbluften landman +en<br> +sprak tot dezen: «Ziedaar de losprijs voor uwen +dienaar.--Volg mij,<br> +jongeling,» zeide hij tot Vertico en beiden verlieten +zwijgend de<br> +herberg.<br> +<br> +Weldra sprak de jongeling met tranen in de oogen: «Ik ben u +wel<br> +dankbaar, goede heer,» doch Marcus viel hem in de rede: +«Daar zoo even<br> +beweerdet gij geen slaaf maar een vrij man te zijn, uw +kernachtig<br> +antwoord beviel mij, zeg jongeling, hoe kwaamt gij in dienst bij +uwen<br> +meester?»<br> +<br> +«Ik ben een wees,» sprak Vertico, «en werd +geboren in de omstreken van<br> +Aarlen; mijn vader heb ik nooit gekend en mijne moeder stierf toen +ik<br> +twaalf jaar oud was. Een vriend en buurman huurde mij als +veehoeder,<br> +maar toen ook hij na eenige maanden stierf, begaf ik mij naar +Tongeren,<br> +waar ik hoopte brood en bezigheid te vinden. Daar ontmoette ik +mijn<br> +vorigen meester, bij wien ik veel te lijden had, want de man is +aan<br> +drank en spel verslaafd.»<br> +<br> +Marcus dacht onwillekeurig aan zijne zuster, en aan haren zoon, +dien<br> +hij niet had wedergevonden. «Hadt gij geene nabestaanden, die +voor u<br> +zorgen of u met raad en daad konden bijstaan?» vroeg hij +peinzend.<br> +<br> +«Toen ik een kind was,» antwoordde Vertico, +«vertelde moeder mij<br> +dikwijls van mijn oom, die soldaat was in Italië. Moeder +zeide, dat hij<br> +goed, krachtig en verstandig was. Hij heette Punto....»<br> +<br> +«Bezit gij niets, dat uwe moeder of uwen oom +toebehoorde?» vroeg Marcus<br> +met van hoop kloppend hart.<br> +<br> +«Ja toch» antwoordde Vertico «eer oom vertrok, +schonk hij moeder een<br> +gouden kruisje met rooden steen, het was een kleinood van waarde, +dat<br> +ik, hoe nijpend de nood ook was, niet verkoopen wilde, uit eerbied +voor<br> +den afwezige....»<br> +<br> +«Toon mij dat kruisje!» sprak de soldaat, die tranen in +de oogen kreeg.<br> +<br> +«Sedert jaren draag ik het op het hart,» sprak de +jongeling met zachte<br> +stem, «ik smeek u, heer krijgsoverste, neem het mij niet +af,» en hij<br> +haalde het kleinood van onder zijn kleed te voorschijn.<br> +<br> +Bevend van ontroering nam Marcus het kruisje in de hand, herkende +het en<br> +vroeg, als wilde hij een laatsten twijfel uit zijn hart wegnemen: +«Hoe<br> +heette uwe moeder?»<br> +<br> +«Pruscia» stamelde de jongeling en zag tot zijn +weldoener op «zij had<br> +bruine oogen en golvende haarlokken als gij. Ik weet niet waarom, +heer<br> +Hoofdman, maar uw gelaat herinnert mij aan dat mijner arme +moeder.»<br> +<br> +«Ik ben uw oom, Vertico,» besloot Marcus. «Hoe +gelukkig ben ik u weder<br> +te vinden! Wij zullen elkander niet meer verlaten, naar onze<br> +geboortestreek terugkeeren en, als vader en zoon, vreedzame +jaren<br> +slijten.»<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a8">8.--De Romeinsche Overheersching.<br> +«Wie toch hadden, hier te lande, door wouden, moerassen en +heiden, die<br> +breede heirwegen aangelegd, die wij in het voorgaande verhaal +leerden<br> +kennen?»--Dat waren de Romeinen.--Wel is waar deden zij zulks +niet uit<br> +genegenheid voor de inwoners, maar wel opdat de krijgslieden, langs +die<br> +wegen, gemakkelijk van de eene plaats naar de andere konden gaan en +zij<br> +heel dikwijls paarden, wagens, oorlogstuig, voeder en voedsel +moesten<br> +vervoeren.<br> +<br> +Het aanleggen dier wegen was eene weldaad voor de bevolking; de +menschen<br> +kwamen meer dan vroeger met elkander in aanraking, kooplieden uit +het<br> +Zuiden en elders brachten onzen voorouders allerlei zaken, waarvan +deze<br> +eenvoudige lieden vroeger geen denkbeeld hadden.<br> +<br> +Hier en daar bouwden de Romeinsche ambtenaars villa's of +lusthuizen, die<br> +weelderig ingericht en van tuinen, boom-en wijngaarden omgeven +waren.<br> +Verscheiden vroeger onbekende voedings-en sierplanten, ooftboomen, +zelfs<br> +diersoorten werden hier ingevoerd; de bevolking groeide aan, de +menschen<br> +weefden wollen mantels, lijnwaad, zonden ganzen en hammen naar +Italië en<br> +leerden tichels en vaatwerk bakken, glas en glazuur +vervaardigen.<br> +<br> +De landbouw ontwikkelde zich vooral in het vruchtbare +Haspengouw.<br> +Tongeren en Doornik zijn de vroegst bekende steden van ons land, +dat,<br> +voor handel en nijverheid, zeer voordeelig gelegen was, tusschen +Gallië<br> +en Germanië.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a9">9.--De Romeinsche Villa.<br> +Gedurende de III<sup>de</sup> eeuw onzer jaartelling, woonden niet +ver van<br> +Borgworm, op eene mooie villa een rijk Romeinsch grondeigenaar en +zijne<br> +eenige dochter Liberia. Het meisje, dat door haren vader werd<br> +aangebeden, was haar achttienden jaar ingetreden en, ten einde +deze<br> +blijde gebeurtenis op waardige wijze te vieren, had de rijke +Romein<br> +zijne talrijke vrienden aan een heerlijk gastmaal genoodigd.<br> + +<p><img alt="" border="0" src="romeinschevilla.png" width="598" +height="402"> +<p>[Romeinsche villa.]<br> +<br> +De villa was daartoe bijzonder geschikt: kostbare zijden +behangsels<br> +scheidden de verschillende zalen van elkander, overal stonden +zachte<br> +bedden, met kussens bedekt of met tapijtwerk behangen. Op de +tafels<br> +prijkten zilveren en gouden schalen vol zeldzame en fijne vruchten +en<br> +talrijke slaven en slavinnen, dragende fraaie kruiken, goten +parelenden<br> +wijn in kristallen roemers en drinkschalen.<br> +<br> +De gasten, in rijke kleederen gehuld, met bloemen en juweelen +versierd,<br> +hielden zich met muziek, dans en spel onledig, toen plotseling, +de<br> +algemeene vreugde door eene schrikwekkende tijding werd +gestoord.<br> +<br> +«De Barbaren zijn in aantocht,» riep een dienaar, die +hijgend en bezweet<br> +de kamer binnenstormde. «Uren in den omtrek, hebben zij alles +geplunderd<br> +en verwoest! Laten we op tegenweer bedacht zijn! Ze zijn hier +dichtbij,<br> +op het terras kan men ze, in eene wolk van stof gehuld, zien +naderen.»<br> +<br> +De aanwezigen waren door schrik als verlamd. Liberia en hare +gezellinnen<br> +klaagden en weenden luid, de mannen zagen elkander in stomme<br> +vertwijfeling aan.<br> +<br> +«Te laat! wij zijn overrompeld!» gilde eensklaps een +toesnellend dienaar<br> +en inderdaad, paardengetrappel, wapengekletter weerklonk, woeste +mannen<br> +met sombere aangezichten, stoven de woning binnen. «Wij +eischen voeder<br> +voor onze paarden, vleesch voor onze mannen!» schreeuwden zij +in eene<br> +ruwe, vreemde taal, die geen der aanwezigen verstond en, toen +de<br> +eigenaar der villa, door gebaren te kennen gaf, dat hij hen +niet<br> +begreep, toen enkele der aanwezigen, genoodigden en slaven, met +wapens<br> +verschenen, stormden de aanvallers door de prachtige +vertrekken,<br> +scheurden de zijden behangsels af en sloegen het kostbare vaatwerk +stuk.<br> +<br> +Nu werd men handgemeen; wie dapper was verdedigde zijn leven of +dat<br> +zijner vrienden of meesters, wie bang was vluchtte voor de +woeste<br> +aanvallers, die juweelen, muntstukken, kunstwerken roofden ... en, +toen<br> +de bleeke maan haar zilveren licht over de aarde goot, waren al +de<br> +bewoners der villa gevlucht, gewond of gedood.<br> +<br> +Liberia's dienaressen hadden hare meesteres behouden in een +naburig<br> +bosch gebracht en de vader van het vroeger zoo gelukkige meisje, +lag<br> +stervend op de kille steenen zijner voormalige feestzaal.<br> +<br> +De Barbaren stalden hunne paarden in de prachtige kamers der villa; +zij<br> +slachtten het vee, dat zij in de stallen aantroffen en, daar zij +niet<br> +aanstonds hout vonden, stapelden zij de kostbare meubels opeen, +staken<br> +ze in brand en vormden aldus een haard, waarop zij het vleesch +braadden<br> +der gedoode dieren, dat hun tot avondmaal verstrekte.<br> +<br> +<br> +<p id="a10">10.--Invallen der Barbaren.<br> +Voorgaand verhaal zegt ons genoeg, dat de Romeinen, de +onverwinnelijke<br> +krijgslieden niet meer waren, die ten tijde van Boduognat en +Ambiorix<br> +ons land overmeesterden. Langzamerhand lieten zij zich door weelde +en<br> +gemakzucht verleiden en hechtten meer waarde aan feesten en<br> +uitspattingen, dan aan de verdediging van hun uitgestrekt rijk.<br> +<br> +Tot in de V<sup>de</sup> eeuw bleven zij meester over ons land, +maar konden niet<br> +beletten dat herhaalde malen vreemde volksstammen naar hier kwamen +en<br> +groote onheilen in ons land aanrichtten.<br> +<br> +Onze voorouders beleefden een bang en treurig tijdvak van rampen +en<br> +algemeene ellende. De binnendringende of voorbijtrekkende +volkeren<br> +plunderden villa's, dorpen, steden, de verschrikte inwoners +begroeven<br> +hunne schatten in den grond; maar velen werden gedood voor zij die +weer<br> +konden opgraven.<br> +<br> +Op onze dagen nog, haalt men niet zelden, vooral langs de +vroegere<br> +Romeinsche heirwegen, kruiken en potten vol muntstukken uit den +grond.<br> +<br> +Zij wijzen ons den weg, door de binnendringende volksstammen +gevolgd,<br> +terwijl het jaartal, dat in de muntstukken is gegrift, de<br> +oudheidkundigen bekend maakt met het tijdvak, waarin de invallen +plaats<br> +grepen. De ellende was zoo groot, dat er handen te weinig waren om +den<br> +grond te bebouwen, graan te zaaien en voor het vee te zorgen.<br> +<br> +Niet zelden moesten de Romeinen aan indringende volksstammen +toelaten,<br> +zich als landbouwers of kolonisten te vestigen in de verlaten +vlakten,<br> +waar vroeger Eburonen, Nerviers, Menapiers woonden.<br> +<br> +Wie die stammen waren, hoe zij leefden, wat zij tot stand brachten, +zal<br> +het volgende verhaal u duidelijk maken.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a11">11.--Een Frankische Knaap.<br> +Edo was vijftien jaar oud en bewoonde omstreeks de vijfde eeuw +onzer<br> +jaartelling met zijne ouders en zusters, eene hofstede, die aan +den<br> +oever der Schelde was gelegen.<br> +<br> +Hij was een gezonde, forsche knaap, met lange, blonde haarlokken +en<br> +helderblauwe oogen, die hoopvol en stout, de wijde wereld +inkeken.<br> +<br> +Vrij als een veulen sleet hij zijne levensdagen op het land, in +de<br> +uitgestrekte, gezonde natuur. 's Zomers vermeide hij zich in de +weiden,<br> +die zijne geboorteplaats omringden, reed te paard, baadde zich in +de<br> +rivier of luisterde, gezeten in de schaduw van eeuwenoude boomen, +naar<br> +de tooververhalen en sprookjes, die Bertha en Reinilde, zijne +zusters,<br> +hem mededeelden.<br> +<br> +'s Winters vergezelde hij vader, ooms en neven op de jacht en<br> +achtervolgde uren lang, reebok of hert, wolf of everzwijn. Edo +leerde<br> +met de wapens omgaan en wenschte vurig op te groeien tot een +krachtig<br> +man, die alle andere in vlugheid en behendigheid zou +overtreffen.<br> +<br> +Zijne moeder, eene krachtige vrouw, deelde in dat verlangen: +«Mijn zoon»<br> +sprak zij, «weldra zal ik u de framei<a class="c4" href= +"#drie">[3]</a> schenken, waarmede uw<br> +grootvader tegen de vijanden van ons volk te velde trok en u +zijn<br> +veelkleurig schild aan den arm hangen.» «Ik geef u +mijne francisca<a class="c4" href="#vier">[4]</a>,<br> +mijn kostbaren halsband en fraaien mantelhaak» zeide de +vader. «Wij<br> +weven u een prachtigen, gekleurden mantel» voltooiden Bertha +en<br> +Reinhilde, want zij waren fier op haar jongen broeder.<br> +<br> +Op zekeren avond was de geheele familie in de woonhalle vergaderd, +de<br> +koeien loeiden in de stallen, die aan het huis paalden, de groote +hond<br> +liep van Reinilde naar Bertha en een knetterend vuur brandde in den +haard.<br> +Men zong aloude krijgsliederen, men dronk schuimend bier en +vader<br> +verhaalde de roemrijke daden van Walther, den voorvader en held +der<br> +familie, die zich met andere Franken aan de oevers der Schelde +gevestigd<br> +had.<br> +<br> +Edo luisterde met aandacht en 's nachts droomde hij heerlijk: +Prachtig<br> +uitgedoscht, van schitterende wapens voorzien, trok hij, op een<br> +brieschend paard gezeten, ten oorlog. Hij zong woeste +krijgsliederen,<br> +versloeg honderden vijanden en weerde met zijn schild, de slagen +der<br> +vreemde krijgslieden af.<br> +<br> +Maar zie! daar stiet een vijand hem op het onverwachts zijne speer +in de<br> +borst. Edo viel badend in zijn bloed neder, hij sloot de oogen en +dacht<br> +te sterven, toen ... o wonder! eene sneeuwwitte zwaan hem opnam en +hem<br> +naar het Walhalla<a class="c4" href="#vijf">[5]</a> voerde, tot vlak +voor den troon van Odin, den<br> +oorlogsgod.<br> +<br> +Odin begroette den jongen held met minzaamheid en sprak: +«Mijn zoon, gij<br> +zijt waardig in mijn gevolg opgenomen te worden; hier, in mijn<br> +godenverblijf, onder mijne leiding, zult gij uwe +krijgsopvoeding<br> +voltooien. Later zult gij mij vergezellen als ik tegen de reuzen +te<br> +velde trek....»<br> +<br> +Edo ontwaakte en eenige jaren later werd zijn droom +gedeeltelijk<br> +verwezenlijkt. Met de Franken rukte hij naar het Zuiden en +onder<br> +aanvoering van vorst Hlodio bereikte hij de stad Doornik.<br> +<br> +Hier vielen de Franken de Romeinen aan, overwonnen hen, namen +Kamerijk<br> +en Atrecht in, bereikten de oevers der Somme en zetten zegevierend +hunne<br> +tochten voort.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a12">12.--De Franken.<br> +<img alt="" border="0" src="frankischopperhoofd.png" width="234" +height="584"> +<p>[Frankisch opperhoofd.]<br> +<br> +Willen wij trachten aan 't voorgaand verhaal eenige +geschiedkundige<br> +gebeurtenis vast te knoopen?<br> +<br> +'s Avonds bij het knetterend haardvuur gezeten, verhaalt Edo's +vader de<br> +heldendaden zijner voorouders, die, van de Romeinen verlof kregen +zich<br> +als landbouwers of kolonisten in Toxandrië (de Kempen) te +vestigen.<br> +<br> +Van de Kempen richtten zij zich naar de oevers van Lei en Schelde, +naar<br> +de vruchtbare gouwen van Midden-België. Het Zuid-Oosten van +ons land<br> +was, met zijne dichte wouden, hun geruimen tijd ontoegankelijk, +terwijl<br> +de Ardennen met hunne naakte bergtoppen en met bosch begroeide<br> +hellingen, hen weinig aanlokten.<br> +<br> +De Franken bezaten toen nog geene steden, maar leefden op het land, +in<br> +hoeven, met moestuinen, ooftboomen, grasperken.<br> +<br> +Die hoeven waren door hooge hagen ingesloten en voorzien van +stallen<br> +voor paarden en vee, bergplaatsen voor hooi, stroo, graan.<br> +<br> +Dunkt u niet, dat deze hoeven, in vele opzichten, op de hoeven +onzer<br> +hedendaagsche Vlaamsche boeren geleken?<br> +<br> +De woningen der Franken waren wel is waar van hout, maar koningen +en<br> +opperhoofden bezaten soms wel een steenen huis «sale, seele, +halle»<br> +genaamd. +<p><img alt="" border="0" src="frankischevrouw.png" width="267" +height="522"> +<p>[Frankische vrouw.]<br> +<br> +Vandaar Swevezele in West-Vlaanderen, Herzele in +Oost-Vlaanderen,<br> +Liezele in de provincie Antwerpen, Wilzele in Brabant.<br> +<br> +Nog andere plaatsnamen vooral in Laag-en Midden-België, +herinneren ons<br> +aan de Franken: Bornhem<a class="c4" href="#zes">[6]</a> bij de stad +Mechelen, Cureghem in Brabant,<br> +Lovendeghem, Sotteghem in Oost-Vlaanderen, Anseghem bij Kortrijk +in<br> +West-Vlaanderen, enz.<br> +<br> +De Franken hadden koningen; de oudste, die de geschiedenis ons +leert<br> +kennen is Hlodio, die het land van Doornik en dat van Kamerijk +innam.<br> +<br> +Later trof men ook Frankische koningen aan te Keulen, en te +Tongeren.<br> +<br> +Herinnert gij u dat Edo's vader, ja zelfs zijne moeder hunnen +zoon<br> +schoone wapens beloofden?<br> +<br> +Onder de Franken waren uitmuntende smeden, ook vervaardigden +zij<br> +juweelen en aarden vaatwerk.<br> +<br> +Niet zelden ontdekt men, in onze dagen, in ons land, Frankische +graven,<br> +waarin wapens, juweelen en andere voorwerpen gevonden worden. +Men<br> +bewaart die in musea. Het museum van Brussel is rijk aan voorwerpen +uit<br> +het Frankisch tijdvak.<br> +<br> +Het volgende verhaal zal u de Franken nog beter leeren kennen.<br> +<br> +<br> +<p id="a13">13.--Grimbald en Bertolf.<br> +«Neen Grimbald» sprak Bertolf tot zijn rijken buurman, +«neen, mijn paard<br> +wil ik u niet verkoopen. Ik zelf richtte het af, verleden zomer +nog<br> +voerde het mij ten strijde en hielp mij de vijanden van ons +volk<br> +overwinnen, het werd mij een trouwe vriend, van wien ik niet +meer<br> +scheiden kan.»<br> +<br> +Grimbalds gelaat werd somber. De man was jaloersch op Bertolf +die,<br> +ofschoon veel armer dan hij, door elkeen werd gewaardeerd om +zijn<br> +aangenaam karakter, zijne bekwaamheid. Bertolf was een +uitmuntend<br> +landbouwer, een bedreven jager, een flink ruiter die, sedert hij +met<br> +zijn schrander paard, den onverwinnelijken Sleipnir, te velde +trok,<br> +zelfs door graven en andere hooggeplaatste lieden, met achting +werd<br> +bejegend.<br> +<br> +Grimbald was rijk, hij bezat schoon huisraad, mooie runderen, +talrijke<br> +zwijnen, maar de menschen hielden niet van hem; hij was +boosaardig,<br> +wraakzuchtig en had zich, in meer dan één geval, op +wreede en hartlooze<br> +wijze gedragen.<br> +<br> +Somber en dreigend verliet hij de woning van Bertolf en niet zoodra +was<br> +hij de haag voorbij of hij balde de vuisten en grinnikte spottend: +«Die<br> +weigering zult gij mij duur betalen!»<br> +<br> +Hij verzonk in gepeinzen, bereikte het elzenboschje, dat aan den +oever<br> +der beek gelegen was, verborg zich in het struikgewas en hield zich +stil<br> +als de boschkat, die de duisternis afwacht om hare prooi aan te +vallen.<br> +<br> +Langzaam, zeer langzaam spreidde de nacht haar floers over het +aardrijk;<br> +tot driemaal toe hief de boschuil zijn onheilspelend gefluit +aan.<br> +<br> +Grimbald verliet zijne schuilplaats en keerde naar Bertolfs +woning<br> +terug. Hij brak door de haag, kroop op handen en voeten naar +den<br> +paardestal....<br> +<br> +Eenige tijd verliep en als een moordenaar sloop hij naar het<br> +elzenboschje terug.<br> +<br> +Plotseling drong de maan door de duisternis en wierp haar +weifelend<br> +licht op den boosdoener. Hij bemerkte twee mannen, die onbeweeglijk +en<br> +sprakeloos, in den stillen zomernacht, aan den oever der beek zaten +te<br> +visschen.<br> +<br> +Grimbald schrikte en, als ontwaakte zijn geweten, vluchtte hij, +over<br> +weiden en velden, over heggen en struiken, in de richting zijner +woning.<br> +<br> +De visschers echter hadden den man bemerkt; zij ook schrikten, +maar<br> +zeiden:<br> +<br> +«Wat kwaad bedreef de man, die als een laffe moordenaar van +hier<br> +wegvlucht?»<br> +<br> +Niet langer echter dachten zij over het gebeurde na; zij hernamen +hunne<br> +bezigheid en, zoodra het eerste morgenrood het Oosten kleurde, +begaven<br> +zij zich naar de hoeve van Bertolf.<br> +<br> +«Wij zullen onzen vader met onze mooie vangst +verrassen» zeiden zij<br> +onderweg, want het waren Bertolfs zoons.<br> +<br> +Het was klaar dag toen zij aan de houten deur der woonhalle klopten +en<br> +hun vader, die altijd vroeg op de been was, opende. Hij was bleek +en<br> +beefde aan al zijne leden. De jongelingen schrikten: «Een +ijselijke<br> +moord is hier dezen nacht gepleegd,» sprak Bertolf met +sidderende stem:<br> +«Mijn edel paard ligt dood, badend in zijn bloed. Het mes +eens<br> +moordenaars heeft het arme dier doorstoken en de misdaad werd een +paar<br> +uren geleden gepleegd. Komt kinderen, vergezelt mij naar het +tooneel der<br> +slachting.»<br> +<br> +Sprakeloos volgden de zoons hun bedroefden vader. In den stal lag +de<br> +arme Sleipnir levenloos op den grond; de kloeke Bertolf, de +oorlogsheld,<br> +weende als een kind. Hij boog zich over het doode lichaam en, als +wilde<br> +hij het arme dier tot het leven terugroepen, streek hij snikkend +zijne<br> +ruwe hand over de gitzwarte manen van het slachtoffer.<br> +<br> +De zoons trachtten hunnen vader te troosten en ... juist toen de +jongste<br> +hem wilde naderen, struikelde hij over een voorwerp, dat op den +grond<br> +lag. Hij raapte het op, beschouwde het eene wijl en sprak +binnensmonds:<br> +«Een mantelhaak! een kostbare mantelhaak! Vader, wien behoort +dat<br> +voorwerp?» vroeg hij toen.<br> +<br> +Bertolf nam den mantelhaak in de hand, bezag hem aandachtig en +riep:<br> +«Dit voorwerp behoort den rijken Grimbald! Gister avond bood +hij het mij<br> +met andere kostbare voorwerpen aan, in ruiling voor mijn armen<br> +Sleipnir.»<br> +<br> +De zoons keken elkander aan en na eene poos sprak de oudste: +«Dezen<br> +nacht vluchtte Grimbald als een gemeene dief door het elzenboschje. +Mijn<br> +broeder en ik herkenden hem duidelijk. Hij is de moordenaar.<br> +Waarschijnlijk pleegde hij zijne laffe daad in haast en gejaagdheid +en<br> +bemerkte niet, dat hij in den stal, zijn mantelhaak verloor.<br> +<br> +«Die booswicht! die moordenaar!» kreet Bertolf +«hij zal boeten voor<br> +zijne laffe daad» en, van toorn blakend, verliet hij den +stal, gevolgd<br> +door zijne beide zoons.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a14">14.--De Salische Wet.<a class="c4" href= +"#zeven">[7]</a><br> +Wat stond den armen, bedroefden Bertolf thans te doen? Zich wreken +op<br> +Grimbald? Hem aanvallen, bevechten, dooden? Dat kon niet! De +Franken<br> +waren geene wilden; zij hadden gebruiken, wetten, rechters en voor +deze<br> +laatsten zou Bertolf den moordenaar dagen.<br> +<br> +Nog bij de Franken der V<sup>de</sup> eeuw werd de rechtspleging +uitgeoefend<br> +door vrije mannen, onder voorzitterschap van een gekozen of +erfelijk<br> +hoofd. Deze rechtbank echter zetelde niet zoo als bij ons in een +huis of<br> +paleis, maar in de open lucht, in een bosch of onder een alleen +staanden<br> +boom.<br> +<br> +Een in den grond bevestigd schild, duidde de plechtigheid der<br> +vergadering aan en een kring, gevormd door een gespannen koord, +scheidde<br> +de rechtsprekenden van de menigte.<br> +<br> +Binnen den kring waren scarnen of banken geplaatst, meestal vier, +voor<br> +den voorzitter en zijne bijzitters, voor den aanklager, voor +den<br> +beschuldigde.<br> +<br> +<br> +<br> +Verstaat gij thans, waarom men heden nog zegt: iemand voor de<br> +vierschaar (vier scarnen) dagen?<br> +<br> +Grimbald, de lafhartige werd veroordeeld tot het betalen eener<br> +aanzienlijke geldboete. Een deel der boete, het weergeld, kwam +aan<br> +Bertolf, een ander deel, het vredegeld, werd in de schatkist +gestort.<br> +<br> +Waren de gebruiken der Franken opgeteekend of geschreven? In den +beginne<br> +natuurlijk niet, doch later, toen zij zich in ons land vestigden en +met<br> +de Romeinen in aanraking kwamen, lieten zij door geleerde mannen +het<br> +oude volksrecht opteekenen. Men noemt het: de Salische Wet.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a15">15.--Van een Koning en eene Prinses.<br> +Het kan meer dan duizend jaren geleden zijn, dat in een ver land, +eene<br> +prinses leefde, die zeer ongelukkig was. Haar vader was dood, +vermoord,<br> +zegde men, door haren oom, die een boos mensch was.<br> +<br> +De arme prinses had veel verdriet en weende bitter, en haar booze +oom<br> +gebood haar de stad Genève te gaan bewonen. Daar leerden de +menschen<br> +haar weldra liefhebben; want, zij was zacht en schoon en hielp de +arme<br> +lieden, zooveel zij maar kon.<br> +<br> +Zulks vernam een machtig koning, die, aan het hoofd zijner +krijgslieden,<br> +groote overwinningen had behaald. Zijne gezanten vertelden hem +zooveel<br> +goeds van de prinses, dat hij wenschte haar tot vrouw te nemen.<br> +<br> +Dit voornemen deelde hij mede aan zijnen vriend en +vertrouweling,<br> +Aurelius. Hij verzocht hem zich in het geheim naar Genève te +begeven en<br> +er zijn verlangen aan de prinses bekend te maken.<br> +<br> +De vriend begaf zich op weg en nam den ring zijns meesters mede, +maar,<br> +ten einde geen argwaan op te wekken, kleedde hij zich als bedelaar. +Den<br> +staf in de hand en den knapzak op den rug, bereikte hij de woning +der<br> +prinses, die, zeer gastvrij zijnde, den vreemdeling in hare +woning<br> +opnam.<br> +<br> +Terwijl zij hem, in tegenwoordigheid harer dienaressen, de +voeten<br> +wiesch, sprak hij met gedempte stem: «Jonkvrouw, ik wensch +met u een<br> +onderhoud te hebben.»<br> +<br> +De prinses deed alsof zij den bedelaar niet hoorde, maar 's avonds +het<br> +zij hem roepen en vroeg wat hij verlangde. «Jonkvrouw,» +sprak hij, «de<br> +koning, mijn meester, zendt mij tot u, hij wenschte u, naast zich, +als<br> +koningin op den troon te plaatsen en gaf mij, als bewijs zijner<br> +vereering, dezen prachtigen ring voor u mede.»<br> + +<p><img alt="" border="0" src="gallie.png" width="637" height= +"673"> +<p>[Gallië]<br> +<br> +De prinses, zeer gevleid over het aanbod des konings, aanvaardde +den<br> +ring en antwoordde: «Ik schenk u eene beurs met honderd +goudstukken,<br> +doch verzoek u aanstonds tot uwen meester weder te keeren. Zeg hem, +dat<br> +hij zonder uitstel gezanten zende naar mijnen oom om zijne +toestemming<br> +tot ons huwelijk te vragen. Dat hij niet drale; want, als Aridius, +de<br> +raadsheer van mijnen oom vóór dien tijd uit +Konstantinopel terugkeert,<br> +dan zal hij hem tot weigeren aanzetten.<br> +<br> +Aurelius vertrok, maar toen hij Orleans, zijne verblijfplaats, +naderde,<br> +ontmoette hij een bedelaar, die hem een eind weegs vergezelde.<br> +<br> +Aurelius was moede en legde zich onder eenen boom te slapen, en<br> +ondertusschen stal de bedelaar de beurs met de honderd goudstukken +der<br> +prinses.<br> +<br> +Aurelius ontwaakte, bemerkte den diefstal, spoedde zich huiswaarts +en<br> +gelastte zijnen dienaren den dief na te zetten. Zij achterhaalden +en<br> +brachten hem voor hunnen meester, die den ontrouwen reisgenoot +drie<br> +dagen lang stokslagen liet geven en hem daarna losliet.<br> +<br> +Nu spoedde Aurelius zich tot zijnen heer en koning en gaf hem +verslag<br> +van zijne reis. De koning zond gezanten naar den oom der prinses, +om hem<br> +de hand zijner nicht te vragen. De oom durfde niet weigeren en gaf +zijne<br> +toestemming tot het huwelijk.<br> +<br> +De prinses pakte hare juweelen en andere kostbaarheden bijeen, +steeg in<br> +eene draagkoets en begaf zich met de gezanten op weg naar den +koning. Na<br> +een paar uren echter zeide zij tot hare geleiders: «Wij +reizen veel te<br> +langzaam, ik verkies uit de draagkoets te stappen en den weg te +paard af<br> +te leggen.»<br> +<br> +De gezanten voldeden aan den wil der prinses en dat was zeer +gelukkig;<br> +want, Aridius, van zijne reis naar Konstantinopel teruggekeerd, en +het<br> +gebeurde vernemende, sprak tot den oom: «Gij handeldet +verkeerd, niet<br> +zoodra zal uwe nicht eene machtige koningin wezen, of zij zal +wraak<br> +nemen over den dood haars vaders en u den oorlog verklaren. Zend +haar<br> +zonder uitstel krijgslieden achterna, met bevel haar hier terug +te<br> +brengen.»<br> +<br> +En, de oom, deed zooals Aridius zeide. De krijgslieden vertrokken, +maar<br> +onderweg vonden zij enkel de ledige draagkoets, met den schat van +de<br> +prinses.<br> +<br> +Deze laatste had, na eene voorspoedige reis, het land van den +vreemden<br> +koning bereikt. Hier trad zij met hem in het huwelijk en leefde +lang en<br> +gelukkig.<br> +<br> +<br> +<p id="a16">16.--Hlodwig en Clotildis.<br> +«Jammer» zegt een mijner lezers, «dat voorgaand +verhaal een sprookje, en<br> +in werkelijkheid niet gebeurd is.»<br> +<br> +Een grond van waarheid echter bevat het; want, onze prinses +heette<br> +Clotildis, leefde in de V<sup>de</sup> eeuw onzer tijdrekening en +haar oom was<br> +de koning der Burgonden<a class="c4" href="#acht">[8]</a>. De koning, +die haar tot vrouw nam, was<br> +Hlodwig, beroemde Frankische vorst.<br> +<br> +Deze had het rijk der Franken aanmerkelijk uitgebreid. Door list +of<br> +geweld overwon hij de koningen van Tongeren en Kamerijk, verder +den<br> +romein Siagrius en breidde zijn rijksgebied uit tot aan de Loire, +in<br> +Frankrijk.<br> +<br> +Burgonden en Franken leefden niet altijd op vredelievenden voet +met<br> +elkander, daarbij was de V<sup>de</sup> eeuw een tijd van ruw +geweld, oorlog en<br> +tweedracht.<br> +<br> +Niet zelden werden in Gallië de oogsten vernield door ruwe +krijgslieden,<br> +die akkers en wijngaarden vertrapten, kudden roofdden en +menschen<br> +wondden en doodden.<br> +<br> +In dien tijd waren de meeste Franken nog heidenen, maar in +Gallië trof<br> +men talrijke christenen aan. In de V<sup>de</sup> eeuw reeds waren +hunne<br> +bisschoppen invloedrijke personen, die door prinsen en koningen +werden<br> +geëerbiedigd. Een der beroemdste is Remigius, bisschop van +Reims.<br> +<br> +Clotildis was eene christin. Haar gemaal Hlodwig behaalde +roemrijke<br> +overwinningen in Gallië, en versloeg de Romeinen en Alemannen +(496).<br> +<br> +De zachtzinnige Clotildis had grooten invloed op Hlodwig. Na +zijne<br> +overwinning op de Alemannen verzaakte hij de goden van zijn volk +en<br> +besloot Christen te worden. In 497 werd de vorst gedoopt te Reims, +eene<br> +zeer oude Gallische stad, waar de plechtigheid van den doop des +konings<br> +met ongemeenen luister gepaard ging.<br> +<br> +Geschiedschrijvers verhalen, dat de straten van Reims prachtig +waren<br> +versierd, dat kostbare behangsels de gevels der huizen bedekten +en<br> +gouden en zilveren wierookvaten in de kerken geurden. Een +aanzienlijke<br> +stoet begeleidde den koning naar de hoofdkerk; hij was omringd +door<br> +zijne familieleden, vergezeld van den bisschop Remigius en gevolgd +door<br> +eene schaar priesters in sneeuwwit gewaad, die lofliederen ter eere +Gods<br> +aanhieven.<br> +<br> +De bekeering van Hlodwig was de gewichtigste gebeurtenis van dien +tijd.<br> +Hlodwig breidde zijn rijk aanmerkelijk uit. Hij overwon de +Westgothen,<br> +bij Poitiers en maakte zich meester van zuidelijk Gallië tot +aan de<br> +Pyreneeën. Hij stierf in 511.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a17">17.--Amandus.<br> +Toen, in de VII<sup>de</sup> eeuw, Dagobert, een afstammeling van +Hlodwig<br> +regeerde, leefde in Aquitanië<a class="c4" href="#negen">[9]</a> +een zeer rijk paar, dat maar éen zoon<br> +had, Amandus genaamd. Dien jongen lieten de ouders in den +Christelijken<br> +godsdienst opvoeden en in alle toen bekende wetenschappen +onderwijzen.<br> +<br> +Amandus groeide op tot een zeer ontwikkeld en geleerd man en mocht +hopen<br> +in zijn geboorteland tot hooge waardigheden op te klimmen. Hij +begeerde<br> +echter eer noch roem en besloot Christen zendeling te worden.<br> +<br> +Hij reisde naar de oevers der Schelde, waar de inwoners aan den<br> +Germaanschen godsdienst getrouw waren gebleven.<br> +<br> +Vergezeld van enkele geloofsgenooten bereikte hij de plaats, waar +Lei en<br> +Schelde samenvloeien, ongeveer waar zich heden de stad Gent +bevindt. In<br> +dien tijd echter was de landstreek woest en bar, en de inwoners +namen<br> +tegenover Amandus eene vijandige, zelfs dreigende houding aan.<br> +<br> +Zulks schrikte zijne vrienden af; zij verlieten hem, op twee na, +die<br> +noch voor ontberingen, noch voor bedreigingen terugdeinsden.<br> +<br> +Langzaam, zeer langzaam, verminderde het wantrouwen der bevolking. +Eenige,<br> +en later een groot aantal menschen bekeerden zich tot den +nieuwen<br> +godsdienst.<br> +<br> +Omstreeks het jaar 631 bouwde Amandus eene kerk, die heel<br> +waarschijnlijk van hout was, een kegelvormig dak bezat en met stroo +was<br> +gedekt. Rondom deze kerk vestigden zich geloovigen, leerlingen +en<br> +volgelingen van Amandus.<br> +<br> +Dit was de oorsprong der abdij van Sint Bavo.<br> +<br> +Waarom zij aldus werd genoemd, zult gij in het volgend verhaal +vernemen.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a18">18.--Sint Bavo.<br> +In Haspengouw woonde toen een zeer rijk en voornaam heer, Bavo +genaamd.<br> +Met vorsten was hij verwant en hij leefde gedurende langen tijd +enkel<br> +voor wereldsche genoegens.<br> + +<p><img alt="" border="0" src="doopkapel.png" width="356" height= +"256"> +<p>[Doopkapel van Sint Macharius (1179), in de abdij van Sint +Bavo.]<br> +<br> +Het voorbeeld van enkele zijner familieleden en vooral dat van +Amandus<br> +bracht hem tot inkeer. Bavo besloot zijn leven aan den godsdienst +te<br> +wijden. Hij deed afstand van weelde en wereldsche genoegens,<br> +onderscheidde zich door zijne milddadigheid en toefde geruimen tijd +in<br> +de abdij, gesticht door Amandus.<br> +<br> +Hij schonk haar rijkdommen en uitgestrekte landerijen. Na zijnen +dood,<br> +in 654, werd de abdij naar zijnen naam genoemd.<br> +<br> +Vele rijke mannen en vrouwen schonken, in navolging van Bavo, +gronden,<br> +bosschen, weilanden, vijvers, aan de abdij, die langzamerhand rijk +werd.<br> + +<p><img alt="" border="0" src="fragment.png" width="276" height= +"380"> +<p>[Fragment van een Romaansch klooster.]<br> +<br> +Weldra was de houten kerk door eenen steenen kerk vervangen; +een<br> +klooster werd gebouwd waarin zich de cellen der monniken +bevonden,<br> +talrijke bijgebouwen werden opgetrokken: schoollokalen, molen,<br> +brouwerij, smis, werkplaatsen voor handenarbeid, stallingen, +schuren. In<br> +het omliggende strekten zich tuinen, weiden en boomgaarden uit; +want, de<br> +monniken bebouwden de velden en ontgonnen de woestenijen.<br> +<br> +De abdij van Sint Bavo was de eenige niet, die door den heiligen +Amandus<br> +werd gesticht. Op den Blandinusberg, stichtte hij de Sint<br> +Pieters-abdij, die op hare beurt zeer bloeiend werd.<br> +<br> +Gedurende de VII<sup>de</sup> eeuw werden op verscheidene plaatsen +van ons land,<br> +vrouwen-en mannenkloosters gesticht, in wier nabijheid zich niet +zelden<br> +landbouwers en ambachtslieden vestigden.<br> +<br> +Verscheidene dorpen en steden hebben aan abdijen hun ontstaan, +hunne<br> +ontwikkeling of hunnen bloei te danken. Bergen, Nijvel, Andenne, +S<sup>t</sup><br> +Ghislain, Stavelot, Lobbes, Zinik, Fosse, S<sup>t</sup> Hubert, +Moustier-s/Sambre,<br> +Marchienne, Denain.<br> +<br> +Aan de bekeering onzer voorouders tot den Christelijken +godsdienst<br> +arbeidden niet alleen Sint Amandus maar ook in het Scheldedal +Sint<br> +Eligius †659; in het Maasdal, Sint Remaclius †668. In +het begin der<br> +VIII<sup>e</sup> eeuw bekeerden Sint Lambertus en anderen, de +laatste heidenen van<br> +Kempenland, Brabant, Ardennen.<br> +<br> +<br> +<p id="a19">19.--Het Wandelend Woud.<br> +Het was een koude najaarsdag; de zwaluwen waren naar verre +streken<br> +vertrokken, de wind huilde en plasregens maakten, in het +vruchtbare<br> +Haspengouw, den vetten kleigrond week en glibberig.<br> +<br> +In de woonhalle eener groote Frankische villa zaten drie vrouwen, +die<br> +zich met handwerk onledig hielden. De oudste, eene zestigjarige, +droeg<br> +eenvoudige grove kleederen en was druk aan het vertellen, terwijl +hare<br> +twee gezellinnen, mooie jonkvrouwen met zachte, ernstige oogen, +zwegen<br> +en van tijd tot tijd treurig en als gejaagd, elkander +aanstaarden.<br> +<br> +De oudste vrouw, Machteld, was de dienstmaagd der jonkvrouwen die, +naar<br> +hare kleeding en manieren te oordeelen, tot eene zeer +hooggeplaatste<br> +familie behoorden.<br> +<br> +De oude Machteld ondertusschen vertelde:<br> +<br> +«Childebert, koning van Austrasië<a class="c4" href= +"#tien">[10]</a>, verklaarde den oorlog aan<br> +Fredegonde, de booze koningin van Neustrië<a class="c4" href= +"#elf">[11]</a>. Deze stelde zich aan het<br> +hoofd van hare krijgslieden, vertrok en bereikte de stad +Brennacum<a class="c4" href="#twaalf">[12]</a>,<br> +waar zij vernam, dat het leger van Childebert talrijk was en haar, +op<br> +bepaalden dag en uur, slag zou leveren.»<br> +<br> +De booze, doch krachtdadige vrouw, de nederlaag vreezende, verzon +eene<br> +list: «Dezen nacht» sprak zij tot hare krijgslieden, +«zullen wij onzen<br> +tocht voortzetten; gij moet brandende fakkels aansteken, groene +takken<br> +van de boomen hakken, die medenemen en schelletjes vastmaken aan +den hals<br> +der paarden. Bij het krieken van den dag zullen wij onze +vijanden<br> +aanvallen en ze gemakkelijk overwinnen.»<br> +<br> +En de krijgslieden volbrachten het bevel der koningin. Met hunne +lange<br> +zwaarden hakten zij de groene takken der boomen af, hingen +rinkelende<br> +belletjes aan den hals hunner paarden en, toen zij, na dezen +arbeid<br> +oprukten, vormden zij een wandelend woud dat, van de helling der +heuvels<br> +in de vlakte afdaalde.<br> +<br> +Een schildknaap in het kamp van Childebert zeide: «Wat wonder +gebeurt<br> +hier! Een woud verrijst op de plaats waar zich gisteren nog +naakte<br> +velden uitstrekten!»--Zijn aangesproken gezel lachte en +antwoordde:<br> +Slaapt of droomt gij? Hoort gij de schelletjes niet onzer paarden, +die<br> +hier dichtbij aan het grazen zijn?» Maar de soldaten van +Fredegonde<br> +bliezen op hunne oorlogstrompetten, vielen de Austrasiërs aan, +doodden<br> +er velen en joegen de anderen op de vlucht.<br> +<br> +Zegevierend zette Fredegonde haren tocht voort tot aan Reims, +en<br> +plunderde de heele landstreek....»<br> +<br> +Hier onderbrak Begga het verhaal van Machteld en sprak: +«Altijd oorlog,<br> +altijd bloed en moord!» waarop Geertrui, hare zuster, +vervolgde:<br> +<br> +«Staak uw verhaal, Machteld», het stemt mij al te +droevig. De ooievaars<br> +zijn vertrokken, de wegen zijn slecht en onveilig en onze vader, +Pepijn,<br> +die in het voorjaar tegen de Friezen<a class="c4" href= +"#dertien">[13]</a> te velde trok, is nog niet<br> +teruggekeerd.»<br> +<br> +De oude Machteld schudde het hoofd en sprak vastberaden:<br> +<br> +«Uw heer vader, jonkvrouwen, zal niet lang meer toeven. Hij +is niet<br> +alleen de beste mensch maar ook de meest bedreven krijgsman van<br> +Austrasië. Geen Fries, hoe dapper ook, is tegen hem +opgewassen, Pepijn<br> +zal den roem der Franken handhaven en onze gouwen tegen de invallen +der<br> +vreemde krijgers weten te beschutten.»<br> +<br> +«Mocht gij waarheid spreken» zuchtte Begga. +«Gisteren nog heb ik God<br> +beloofd dat, zoo mijn vader ongedeerd terugkeert, ik Hem in het +hier<br> +dichtbij gelegen woud, een fraai bedehuis zal laten +oprichten.»<br> +<br> +«En ik beloofde den Heer een kostbaar altaar, dat ik behangen +zal met<br> +borduursels, eigenhandig door mij vervaardigd,» zeide +Geertrui.<br> +<br> +De beide meisjes bogen het hoofd en zwegen, terwijl de getrouwe<br> +Machteld, die de treurige jonkvrouwen niet meer storen durfde, +zuchtte<br> +en de oogen van haar werk niet meer ophief.»<br> +<br> +Eene pijnlijke stilte heerschte in het vertrek, terwijl daarbuiten +de<br> +wind bedaarde en de regen niet langer nederviel....<br> +<br> +Eensklaps weergalmde een krachtig hoorngeschal door de wijde +vlakte. De<br> +vrouwen sprongen op en riepen met blijde verrassing: «De +hertog! onze<br> +heer! onze vader is daar!»<br> +<br> +In hoopvolle verwachting, haastig, hijgend, verlieten zij de +woonhalle,<br> +gevolgd door eene talrijke schaar dienaars die, evenals zij, +het<br> +opwekkend hoorngeschal hadden gehoord en den lang verwachten heer +en<br> +meester wenschten te begroeten.<br> +<br> +Weldra verscheen hij aan de houten poort der villa, te paard +gezeten, de<br> +wapens in de hand en gevolgd door eene machtige schaar krijgslieden +die,<br> +ten teeken van zege, met hunne wapens op hunne schilden sloegen, +terwijl<br> +de dienaars en dienstmaagden, alsmede de juichende jonkvrouwen in +de<br> +handen klapten en, uit volle borst «Heil Pepijn! heil onzen +hertog!»<br> +riepen.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a20">20.--De Zonen van Hlodwig.<br> +Na den dood van hunnen vader, in 511, verdeelden de zonen zijn +rijk. Zij<br> +en hunne afstammelingen breidden de macht der Franken zuidwaarts +in<br> +Burgondië en oostwaarts in Germanië uit.<br> +<br> +De zonen en afstammelingen van Hlodwig waren gedurig met elkander +in<br> +twist. De vertelling van het «Wandelend Woud» herinnert +aan die<br> +bloedige, vaak gruwelijke worstelingen, tusschen de leden eener +zelfde,<br> +koninklijke familie.<br> +<br> +Ten gevolge dier twisten verzwakte het gezag der Frankische +koningen<br> +aanmerkelijk. Zij bleven niet langer de ruwe, kloeke strijders, die +wij<br> +vroeger, dorstend naar roem en buit, te velde zagen trekken. +Misschien<br> +wel ondergingen zij, in Gallië gevestigd, den invloed van het +zachte<br> +klimaat en den vruchtbaren bodem.... Niet zelden geeft men hun +den<br> +leelijken naam van «Luie of Vadsige koningen.» Of zij +dien verdienden<br> +zal ik hier niet beslissen.<br> +<br> +Pepijn, bijgenaamd van Landen, behoorde tot een aanzienlijk +geslacht;<br> +hij woonde in Haspengouw, waar hij uitgestrekte landgoederen bezat. +Die<br> +rijkdommen, gij vermoedt het licht, waren van groote beteekenis, +bij een<br> +volk, dat schier uitsluitend van den landbouw leefde.<br> +<br> +Evenals andere beroemde vrouwen harer familie onderscheidden +Geertrui en<br> +Begga zich door hare vroomheid. Begga stichtte de beroemde abdij +van<br> +Andenne aan de Maas, terwijl de nagedachtenis van Geertrui heden +nog te<br> +Nijvel in Brabant wordt geëerd.<br> +<br> +Beide vrouwen werden, na haren dood, door de Kerk heilig +verklaard.<br> +<br> +Wat Pepijn betreft, hij werd, na zijnen roemvollen tocht tegen +de<br> +Friezen, door koning Lotharius II verheven tot het ambt van +Majordomus<br> +of hofmeier.<br> +<br> +Nu was hij de hoogste hof-en staatsdienaar. Hij bestuurde de<br> +landgoederen des konings, die zeer talrijk en uitgestrekt waren, +en<br> +voerde de krijgslieden aan.<br> +<br> +Die taak was niet gemakkelijk, maar moedig en vastberaden, +volbracht hij<br> +haar, tot aan zijnen dood, in 647.<br> +<br> +De zoon van Begga, Pepijn van Herstal bekleedde in 687 de +waardigheid<br> +van Majordomus. Hij verbeterde het Frankische leger en breidde +zijne<br> +heerschappij uit over onderscheiden Germaansche volken. Zijn zoon, +Karel<br> +Martel, werd door zijne overwinning op de Mooren, de redder van +de<br> +Christenheid.<br> +<br> +Intusschen was het koningschap der Merovingers<a class="c4" href= +"#veertien">[14]</a> zóo onbeduidend<br> +geworden, dat de zoon van Karel Martel, Pepijn de Korte (741-768) +na de<br> +zege te hebben behaald in den strijd tegen deSaksers in +Germanië en tegen<br> +de Longobarden in Italië, zich niet ontzag den laatsten +Merovinger in een<br> +klooster te plaatsen en zelf den troon te beklimmen. Dit gebeurde +in 752.<br> +<br> +In het volgende verhaal zullen wij kennis maken met Karel, +bijgenaamd<br> +den Grooten, den vermaarden zoon van Pepijn.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a21">21.--Van eenen armen, kleinen Zanger en een grooten +Keizer.<br> +Er was eens een stokoud moedertje, dat, met haren kleinzoon Engel, +een<br> +tienjarigen knaap, eene kleine, lage hut bewoonde, vlak aan den +oever<br> +der Schelde, dichtbij de abdij van Sint Bavo, te Gent.<br> +<br> +Engel had een stemmetje, zoo helder als kristal; de jongen deed dan +ook,<br> +dag in, dag uit, niets dan zingen. In huis, aan den oever der +rivier, in<br> +het woud, op de weide, liet hij de eenvoudige volksliederen +weerklinken,<br> +die herders en herderinnen, knapen en meisjes hem leerden, als +zij<br> +bloemen plukten of hout sprokkelden.<br> +<br> +De heeren der abdij kenden Bertilia en haren kleinzoon en, toen de +oude<br> +vrouw, op zekeren stillen zomeravond voor eeuwig insliep, +ontfermden zij<br> +zich over de wees en besloten voor zijne opvoeding te zorgen. +Zij<br> +onderwezen den knaap in het kerkgezang en in de Latijnsche taal +en<br> +Engel, die vlug van begrip en leerzaam was, werd een uitmuntend<br> +kerkzanger.<br> +<br> +Op zekeren dag had in de abdij van Sint Bavo eene plechtige +gebeurtenis<br> +plaats. Karel, koning der Franken, keizer van het Westen, die de +oevers<br> +der Noordzee wilde bezoeken, stapte af in de abdij en genoot in de +kerk<br> +eene luisterrijke ontvangst.<br> +<br> +Het bedehuis was met kostbare draperieën behangen; gouden +wierookvaten<br> +geurden, heerlijke Halleluja's weerklonken. Engel zong ter eer van +den<br> +vorst eene prachtige hymne die, op al de aanwezigen een diepen +indruk<br> +maakte en niet het minst op den keizer die, behalve een groot +krijgsman<br> +en vroom Christen, ook een bewonderaar was van de gewijde +toonkunst.<br> +<br> +Na de plechtigheid liet Karel zich den jongen zanger voorstellen, +die<br> +hem, om zijn innemend voorkomen en bescheiden manieren, zóo +beviel, dat<br> +hij besloot Engel naar zijn paleis te zenden, waar hij, onder +leiding<br> +van Italiaansche meesters, zijne muzikale opleiding voltooien +zou.<br> +<br> +De keizer zette zijne reis voort. De abt, die door Karel met +eene<br> +dringende zending naar Aken was belast, zou ook den zanger naar de +stad<br> +geleiden.<br> +<br> +De keizer had een twintigtal gewapende mannen ter beschikking +gesteld<br> +van de reizigers, die weldra, vergezeld van een tiental +geestelijken en<br> +eenige dienstknechten, vertrokken.<br> +<br> +De reis van Gent naar Aken, die wij heden per spoor, in eenige +uren<br> +afleggen, duurde in dien tijd verscheidene dagen. De abt volbracht +haar,<br> +gezeten in eene draagkoets, terwijl de lieden van zijn gevolg te +paard,<br> +te voet, in wagens, achteraan kwamen of vooraan reden.<br> +<br> +De tocht was niet eentonig en overal genoten de reizigers het +beste<br> +onthaal; reeds in den namiddag van den eersten dag, kwam de<br> +<i>Centgraaf</i><a class="c4" href="#vijftien">[15]</a> hen te gemoet. +Hij begroette den abt en verzocht hem<br> +den nacht onder zijn dak te willen doorbrengen.<br> +<br> +Dit vriendelijk aanbod werd dankbaar aanvaard en 's anderendaags, +heel<br> +vroeg in den morgen, vertrokken uit de woonhalle van den gastheer +twee<br> +boden te paard, om de bewoners van een klooster, dat op zes uren +afstand<br> +lag, te verwittigen, dat de reizigers er tegen den avond zouden<br> +aankomen; want, in dien tijd waren kloosters en abdijen de +plaatsen,<br> +waar reizigers van aanzien, abten, bisschoppen, hertogen, zelfs +koningen<br> +werden geherbergd.<br> +<br> +In Haspengouw vertoefden Engel en zijne reisgenooten eenige uren op +de<br> +villa van eenen graaf, waar hun een groot gastmaal werd aangeboden. +Niet<br> +ver vandaar bezochten de reizigers een landgoed van den keizer +en<br> +bewonderden het vernuft van den grooten man die, wat veeteelt +en<br> +tuinbouw betreft, met groote kennis van zaken handelde. Op +zijne<br> +domeinen, werden voedingsgewassen en artsenijplanten gekweekt, +zelfs<br> +meekrap, die tot het verkrijgen van verfstof werd gebezigd. Tal +van<br> +vruchtboomen, verschillende soorten van appels, peren, pruimen, +perziken<br> +groeiden in zijne tuinen.<br> +<br> +Op twee uren afstand van Maastricht ontmoette de karavaan den<br> +<i>Zendgraaf</i>, een vriend van den abt. Hij was vergezeld van een +talrijk<br> +gevolg.<br> +<br> +De <i>Zendgraaf</i> was een aanzienlijk en ervaren man; hij +bereisde het<br> +Land om overal een wakend oog te houden en de rechten en wetten van +den<br> +keizer te doen eerbiedigen.<br> +<br> +Hij bracht zijnen vriend tot aan Maastricht en hier rustte men +gedurende<br> +een geheelen dag. De stad was toen zeer bloeiend; er lag eene brug +over<br> +de Maas en talrijke booten beladen met koopwaren, wijn, graan en +andere<br> +levensmiddelen voeren op den breeden stroom.<br> +<br> +Engel had in de laatste tien dagen zeer veel gezien en geleerd +en<br> +nochtans wenschte hij vurig de stad Aken te leeren kennen, en er +zijne<br> +muzikale opleiding te voltooien.<br> +<br> +* * * * *<br> +<br> +Eindelijk braak het lang gewenschte oogenblik aan en onze +reizigers<br> +mochten de beroemde stad binnentreden.<br> +<br> +Engel oordeelde haar zeer «prachtig» en stemde ten +volle in met de<br> +inwoners, die Aken een tweede Rome noemden. Het verkeer was er +levendig,<br> +men trof er een ruim plein aan met prachtige huizen, bewoond +door<br> +prinsen en hertogen.<br> +<br> +De stad was een schouwburg rijk, ook verscheidene badhuizen en +een<br> +heerlijk paleis, waar Karel niet zelden den winter doorbracht.<br> +<br> +De abt van Sint Bavo stelde Engel voor aan den Italiaanschen +meester,<br> +onder wiens leiding de jonge zanger studeeren zou en, eer hij +vertrok,<br> +sprak hij Engel in dezer voege toe:<br> +<br> +«Mijn zoon, ik stel vertrouwen in u, werk en studeer +naarstig; als ik<br> +hier den landdag hoop bij te wonen, wil ik van uwe meesters en van +onzen<br> +doorluchtigen keizer niets dan goeds over u vernemen.»<br> +<br> +Engel beloofde zijn best te doen; hij studeerde dan ook veel en +voldeed<br> +dermate zijnen nieuwen meester, dat deze besloot den jongen zanger +ter<br> +gelegenheid van het verjaringsfeest van de kroning des keizers, in +de<br> +kapel van het paleis te laten zingen.<br> +<br> +Karel de Groote van zijne reis teruggekeerd, woonde met zijn +gevolg, de<br> +kerkelijke plechtigheid bij en, toen Engel zijn gezang aanhief, +wist hij<br> +er zooveel dankbaar gevoel, zooveel kunst in te leggen, dat al +de<br> +aanwezigen er door getroffen waren.<br> + +<p><img alt="" border="0" src="mannelijkekleederdracht.png" width= +"227" height="473"> +<p>[Mannelijke kleederdracht (IX<sup>e</sup> eeuw).]<br> +<br> +Karel wenschte meester en leerling geluk en besloot den jongen +zanger<br> +aan zijn hof te verbinden.<br> +<br> +Schier elken dag zong nu Engel in de kapel van het paleis, een +der<br> +schoonste bedehuizen der IX<sup>de</sup> eeuw en leerde meer en +meer den grooten<br> +man waardeeren, die door zijne tijdgenooten zoo hoog werd +geroemd.<br> +<br> +De keizer was zeer werkzaam; het grootste deel van zijnen tijd +wijdde<br> +hij aan het welzijn zijner onderdanen.<br> +<br> +Wel is waar liet hij de verschillende volken, waarover hij +regeerde, in<br> +het bezit van hunne eigenaardige instellingen en wetten, maar +hij<br> +trachtte toch eenheid in zijn bestuur te brengen en daartoe +vaardigde<br> +hij onderscheidene besluiten uit, die men capitulariën, +noemt.<br> +<br> +Niet zelden liet hij, na een dag ernstigen arbeid en studie, Engel +bij<br> +den maaltijd ontbieden om te zingen; als er geene muziek gemaakt +werd,<br> +deed de vorst zich iets uit de geschiedenis der Oudheid voorlezen, +of<br> +iets uit de werken van den heiligen Augustinus, dien hij +bijzonder<br> +hoogschatte.<br> +<br> +Engel ontmoette aan het hof den geleerden Alcuinus, een +Angelsaksischen<br> +monnik, ook wel den geschiedschrijver Paulus Diaconus, den +taalkundige<br> +Pieter van Pisa, Eginhard, die Karels geschiedenis schreef, en +anderen<br> +meer.<br> +<br> +De jonge zanger, die wenschte zich te volmaken in de kennis der<br> +Latijnsche taal, kreeg verlof van den keizer om de lessen bij te +wonen<br> +aan de hofschool, waarin de kinderen van den vorst en de zonen +der<br> +rijksgrooten onderricht ontvingen.<br> + +<p><img alt="" border="0" src="vrouwelijkekleederdracht.png" width= +"315" height="470"> +<p>[Vrouwelijke kleederdracht (IX<sup>e</sup> eeuw).]<br> +<br> +De maand Mei brak aan en de lang gewenschte landdag, waarop Engel +den<br> +abt van Sint Bavo zou terugzien, naderde.<br> +<br> +Het hart van den jongeling klopte van blijde verwachting en op +den<br> +bepaalden dag trok hij, vol ongeduld, vóór het +krieken van den morgen,<br> +de stadspoort uit en zijne weldoeners te gemoet.<br> +<br> +Wat was er leven en beweging langs den weg! Schilderachtige +groepen<br> +begaven zich stedewaarts. Krijgslieden met glinsterende wapens en +bonte<br> +schilden, Zend-en Markgraven, Honderdmannen met talrijk gevolg, +gezanten<br> +uit vreemde landen in zonderlinge kleederdrachten, bisschoppen in +rijke<br> +draagkoetsen, donkergetinte zuiderlingen, Saksers van hooge +gestalte<br> +begaven zich naar het Meiveld, waarop de keizer de Rijksgrooten +had<br> +bijeengeroepen.<br> +<br> +Na een half uur gegaan te hebben ontsnapte een vreugdekreet de +borst<br> +van den zanger. Hij herkende de lieden uit zijn land, de zware +paarden<br> +uit het Scheldedal, den wagen der abdij van Sint Bavo! Hij +verhaastte<br> +zijne schreden en o! zalig oogenblik ... hij mocht den waarden +abt<br> +begroeten, die ondanks zijne hooge jaren, zonder hinder voor +zijne<br> +gezondheid, den langen weg had afgelegd.<br> +<br> +Haastig maakte hem Engel bekend met talrijke bijzonderheden over +zijn<br> +verblijf te Aken, over zijne studiën, over den keizer.<br> +<br> +Na een paar uren verliet hij den eerwaarden heer, die de +vergadering op<br> +het Meiveld ging bijwonen. Hier werd door den keizer en de +grooten<br> +beraadslaagd over den toestand des rijks, over het voeren van +oorlog,<br> +over geschillen; ambtenaren werden aangesteld, nieuwe wetten<br> +uitgevaardigd en gehoor verleend aan gezanten van naburige +landen.<br> +<br> +Verscheidene dagen bracht de abt te Aken door en toen keerde hij +naar<br> +Gent terug, zijn jongen vriend achterlatende, die hem een dankbaar +en<br> +hartelijk «tot wederzien» toeriep.<br> +<br> +Helaas! het heerlijk verblijf van Engel te Aken, zou niet lang +duren! In<br> +814 stierf de groote keizer en diepbedroefd zong de zanger in de +kapel<br> +van het paleis, een lijkzang ter eere van den grooten man, dien hij +zoo<br> +hoogschatte.<br> +<br> +Engel keerde naar Gent terug, beoefende uitsluitend de gewijde +toonkunst<br> +en vormde talrijke leerlingen, niet alleen te Gent, maar ook in de +Sint<br> +Amandusabdij te <i>Elnone</i><a class="c4" href="#zestien">[16]</a> aan +de Schelde, waar hij eindelijk, evenals<br> +vroeger zijn moedertje, op hoogen ouderdom, zachtjes +insliep....<br> +<br> +<br> +<p id="a22">22.--Karel de Groote.<br> +Het voorgaande verhaal was lang en toch zou ik er nog eenige<br> +oogenblikken bij willen stil staan.<br> +<br> +Ik ben overtuigd, dat de groote keizer,<a class="c4" href= +"#zeventien">[17]</a> die zich het lot van den armen<br> +zanger aantrok, u niet meer onverschillig is. Hij verdient ten +volle uwe<br> +achting; hij was goed, verstandig, ontwikkeld, werkzaam, +beschermde<br> +kunstenaars en geleerden en bestuurde zijn uitgestrekt rijk op +uitstekende<br> +wijze.<br> + +<p><img alt="" border="0" src="hoofdletters.png" width="178" +height="406"> +<p>[Hoofdletters van handschriften der VIII<sup>e</sup> eeuw.]<br> +<br> +Weet gij ook, dat hij een groot krijgsman was? Hij bedwong de +Saksers,<br> +de Lombarden, de Arabieren, de Beierlingen en de Slaven. Ten jare +800<br> +werd hij door den Paus van Rome, tot keizer van het Westen +gekroond. Hij<br> +zond geestelijken en zendelingen naar Germanië om er de +beschaving en<br> +het Christendom te verspreiden.<br> +<br> +Hier te lande, heerschten gedurende zijne lange regeering rust en +vrede;<br> +onze voorouders woonden in het hartje van Karels rijk. Al wie van +het<br> +Zuiden, dus van Gallië naar Aken reisde, trok door ons land, +dat<br> +levendiger en dichter bevolkt was dan vroeger. Landbouw en +veeteelt<br> +verkeerden in bloeienden toestand, en het bezoek, dat onze +vrienden<br> +brachten aan de stad Maastricht, leert ons, dat er handel gedreven +werd.<br> +Op de Schelde, de Maas, den Rijn, de Moezel voeren booten en +vlotten;<br> +aan de oevers der zee fokte men schapen en de wollen stoffen van +ons<br> +land werden tot in Midden-Europa verzonden.<br> +<br> +Onze voorouders dreven handel met Groot-Brittanje en +Scandinavië;<br> +immers, in Engeland en aan de kusten der Baltische zee heeft +men<br> +muntstukken der IX<sup>de</sup> eeuw ontdekt, die hier geslagen +werden.<br> +<br> +Verscheidene bisschoppen en abten van ons vaderland waren vrienden +of<br> +beschermlingen van den keizer. De geestelijken bestudeerden de +fraaie<br> +letteren en Karel zond hun de beste meesters; Eginhard +bestuurde<br> +gedurende eenigen tijd de abdijen van Sint Pieter en Sint Bavo te +Gent.<br> +<br> +In de vrouwenkloosters zaten de geestelijke zusters niet ledig. +Te<br> +Maeseyck vervaardigden zij prachtig borduurwerk of versierden +schoone<br> +handschriften met de fraaiste penteekeningen.<br> +<br> +Overal stichtte men bibliotheken; de scholen van het Sint<br> +Amandusklooster te <i>Elnone</i> aan de Schelde verwierven grooten +roem onder<br> +het bestuur van Hucbald, dichter, geschiedschrijver en de +bijzonderste<br> +toonkunstenaar der X<sup>de</sup> eeuw. Hij geeft de eerste +berichten over het<br> +begin der meerstemmige muziek.<br> +<br> +Te S<sup>t</sup> Amand of <i>Elnone</i> waren Dietsche en Waalsche +of Romaansche<br> +schrijvers.<br> +<br> +Ook de scholen van het bisdom Luik waren beroemd. Zij brachten +dichters,<br> +taalkundigen, kunstenaars voort; bisschop Hartgar deed zich een +paleis<br> +bouwen versierd met fraai beeldhouwwerk en gekleurde +glasruiten.<br> +<br> +Karel was de grootste man zijner eeuw; zelfs na zijnen dood leefde +hij<br> +voort in de werken, die hij tot stand bracht en door het voorbeeld, +dat<br> +hij gaf.<br> +<br> +<br> +<p id="a23">23.--Renier en Albrade.<br> +Omtrent het midden der X{de} eeuw leefde in Henegouwen een dappere +en<br> +geduchte graaf, Renier geheeten. Albrade, zijne vrouw, was een +toonbeeld<br> +van zachtheid en goedhartigheid.<br> +<br> +Beiden woonden aan de oevers der Schelde in het midden hunner<br> +onderdanen, die hun edelen heer en zijne doorluchtige gade om het +zeerst<br> +liefhadden.<br> +<br> +Op zekeren dag verspreidde zich eene schrikwekkende mare door +de<br> +landstreek. De wreede Noormannen waren in aantocht; onder +aanvoering<br> +van Rollo, hun wreed opperhoofd, voeren zij de Schelde op, en onder +het<br> +zingen van woeste krijgsliederen, plunderden zij hoeven, +kerken,<br> +abdijen, dorpen, steden. Hier verschenen zij, snel als de wind, +midden<br> +in het gewoel eener jaarmarkt; ginds staken zij de woningen der +menschen<br> +in brand, doodden al wie zich durfden verzetten, stalen het +goud-en<br> +zilverwerk der inwoners, de heilige vaten der kerken. «Van de +woede der<br> +Noormannen, verlos ons Heer»! baden de menschen en weinigen +waren er,<br> +die tot verdediging durfden overgaan.<br> +<br> +Tot deze laatsten behoorde Renier: «ik zal mijn volk tot den +dood<br> +verdedigen», sprak hij vastberaden en Albrade, de zachte, +goede Albrade,<br> +moedigde hem aan in zijn besluit.<br> +<br> +Renier verzamelde zijne krijgslieden, doch in stede van een +enkelen<br> +grooten veldslag te wagen, lokte hij den vijand in hinderlagen +en<br> +bevocht hem in schermutselingen.<br> + +<p><img alt="" border="0" src="schipdernoormannen.png" width="574" +height="457"> +<p>[Schip der Noormannen.]<br> +<br> +In éene daarvan nam hij twaalf voorname krijgslieden +gevangen.<br> +<br> +Toen Rollo zulks vernam, ontstak hij in vreeselijke woede, viel +Renier<br> +aan en nam, na een bloedig gevecht, den dapperen graaf +gevangen.<br> +<br> +In angstvolle verwachting vertoefde Albrade op haren burcht en, +toen<br> +zij de treurmare vernam, besloot zij alle middelen in het werk +te<br> +stellen om haren echtgenoot te redden.<br> +<br> +Zij zond eenen bode naar Rollo met het voorstel hem zijne +twaalf<br> +krijgslieden tot lossing van graaf Renier terug te zenden, maar +de<br> +wreede Rollo kende geen medelijden: «Voor morgen», +antwoordde hij «eisch<br> +ik de gevangen krijgslieden terug, en daarbij al het goud en zilver +van<br> +de abdijen dezer streek.»<br> +<br> +Albrade zond aan Rollo de twaalf gevangenen, daarbij eenen wagen +vol<br> +goud en kostbaarheden. Maar de wreedaard wilde meer.<br> +<br> +Hij liet het goud wegen, wierp zijn met Runen<a class="c4" href= +"#achttien">[18]</a> versierd zwaard in<br> +eene der twee schalen en riep: «Brengt mij goud, tot beide +schalen in<br> +evenwicht blijven.»<br> +<br> +Albrade zocht haar laatste goudwerk: den met edelgesteenten +versierden<br> +ring, dien zij, vóór jaren als bruidsgeschenk van +haren echtgenoot had<br> +ontvangen; het kostbare kruis, een aandenken harer moeder, het +zilveren<br> +gevest van het zwaard haars vaders, doch de wreede Rollo was nog +niet<br> +voldaan.<br> +<br> +Albrade was wanhopig en zocht in vertwijfeling naar een laatste<br> +redmiddel, toen hare onderdanen, haar te hulp kwamen. Uit eigen<br> +beweging, ontdeden zij zich van het goud en de kostbaarheden, die +zij<br> +nog bezaten en gingen die nederleggen aan de voeten van den +wreeden<br> +Noorman.<br> +<br> +Rollo, die niet eens wist wat genegenheid was, zag dit alles eerst +met<br> +verwondering, daarna met aandoening aan.<br> +<br> +Hij ontbood Renier, ontdeed hem van zijne boeien en sprak: +«Wat zijt gij<br> +gelukkig, Graaf, die door eene zoo brave echtgenoote en door +talrijke<br> +onderdanen teeder wordt bemind. Keer tot hen terug, blijf niet +langer<br> +mijn vijand, maar word mijn vriend.»<br> +<br> +Rollo gaf al de aangebrachte schatten terug en sloot met Renier +een<br> +vredeverbond.<br> +<br> +<br> +<p id="a24">24.--Invallen der Noormannen.<br> +Wat moest het er, gedurende die lang vervlogen eeuwen, in ons +land<br> +akelig uitzien! Platgeloopen akkers, geplunderde kerken en +kloosters,<br> +dooden, gewonden, armoede, verdriet en lijden.<br> +<br> +Zoolang Karel de Groote leefde, durfden de geduchte Noorsche +Zeeroovers<br> +zich op onze kusten niet vertoonen, maar, na zijnen dood, was het +geheel<br> +anders.<br> + +<p><img alt="" border="0" src="verdeling.png" width="590" height= +"388"> +<p>[Verdeeling van het rijk van Karel den Groote.]<br> +<br> +De zoon en opvolger van Karel, Lodewijk de Vrome, bezat de<br> +krachtdadigheid zijns vaders niet. Zijne zonen Karel, Lother, +en<br> +Lodewijk betwistten elkander het vaderlijk erfdeel. In 843 sloten +zij<br> +het verdrag van Verdun<a class="c4" href="#negentien">[19]</a>, dat het +rijk van Karel den Groote in drie<br> +rijken verdeelde. De hierbij gevoegde landkaart zal u over deze<br> +verdeeling een juister denkbeeld geven. Bezie ze met aandacht en +bemerk<br> +dat de landstreek gelegen tusschen de Schelde en de Noordzee aan +Karel<br> +kwam, en deel maakte van Frankrijk; het overige-het grootste deel +van<br> +het tegenwoordig België--kwam aan Lother, terwijl +Germanië ten deel viel<br> +aan Lodewijk.<br> +<br> +Deze verdeeling die, voor de toekomst, van groot gewicht was, werd +later<br> +door andere verdeelingen gevolgd: de landstreek tusschen Schelde +en<br> +Rijn, weldra Neder-Lotharingen of Lotherrijk geheeten kwam aan +Germanië.<br> +De streek tusschen de Schelde en de Noordzee, bleef aan +Frankrijk.<br> +<br> +Verdeeld door hunne onderlinge twisten en oorlogen, waren de +zwakke<br> +opvolgers van Karel den Groote, zelden in staat de Noormannen tegen +te<br> +houden; ook ondernamen deze niet één maar herhaalde +invallen aan de<br> +oevers van den Rijn, de Maas, de Schelde en hunne bijrivieren.<br> +<br> +Langzamerhand lieten zij hun zwervend leven varen.--Eenigen +vestigden<br> +zich in het gedeelte van Frankrijk, dat naar hen, Normandië +geheeten<br> +werd.<br> +<br> +Wie klommen, denkt gij, gedurende die akelige tijden, bij het volk +in<br> +aanzien? Zonder twijfel waren het de onverschrokken mannen, +hertogen,<br> +graven en andere heeren, die, evenals Renier, zich tegen de +Noormannen<br> +durfden verzetten. Men achtte ze veel meer, dan de machtelooze +koningen,<br> +die niet in staat waren hun land en hunne onderdanen tegen +vreemde<br> +indringers te verdedigen.<br> +<br> +Vele weerlooze, zwakke menschen stelden zich vrijwillig, zooals<br> +voorgaand verhaal ons leerde, onder de bescherming dier heeren. +Deze<br> +legden hier en daar sterke burchten aan, waar zij zich konden +verdedigen<br> +tegen hunne vijanden.<br> +<br> +De macht dezer heeren ging over op hunne zonen en latere +afstammelingen<br> +met wier eigenaardig schilderachtig leven, gij in het volgend +verhaal<br> +kennis zult leeren maken.<br> +<br> +<br> +<p id="a25">25.--Anneken Soete, de kleine herderin.<br> +Op een verzengend heeten zomer waren frissche, kalme +najaarsdagen<br> +gevolgd.<br> +<br> +'s Morgens, na zonsopgang, hingen zilveren nevels over de +heerlijke<br> +Vlaamsche vlakte en duizenden vogels maakten zich gereed om de<br> +jaarlijksche reis naar de warme zuiderlanden aan te vangen.<br> +<br> +Aan den zoom van het mastbosch, vóór het lage deurtje +van eene leemen<br> +hut, stond een vijftienjarig meisje, dat angstig in de verte +tuurde.<br> +Tranen rolden over hare zachte wangen, terwijl haar fijnbesneden +mond<br> +prevelde:<br> +<br> +«Belle! ondankbare geit! waarom hebt gij ons gisteren +zóo lichtzinnig<br> +verlaten?» Wie zal u melken? Wie zal uw leger spreiden, u +streelen en<br> +liefkozen?... Waar zal ik u vinden?... want <i>vinden</i> zal ik u, +al moest<br> +ik u zoeken, uren lang, over de vlakte en door de +sparrebosschen.<br> +<br> +En Anneken Soete, het herderinnetje vertrok; zij liep op hare +bloote<br> +voeten, over de purperen heide, tot aan den kronkelenden oever der +beek,<br> +waar het slot van den heer van Oostcamp zijn toren in de lucht +verhief.<br> +<br> +Juist hadden eenige mannen de valbrug nedergelaten, dienaars +openden de<br> +zware poortdeuren, honden blaften, paarden hinnikten en een +voorname<br> +stoet van heeren en dames verliet de sombere woning.<br> +<br> +Met eerbiedige bewondering trad Anneken Soete op zijde en zag +de<br> +geduchte edellieden en hunne vrouwen voorbijtrekken.<br> +<br> +Allen behoorden tot de grootste familiën van het land en waren +door den<br> +heer van het slot ter jacht genoodigd.<br> +<br> +Vooraan, op een forsch paard gezeten, reed Boudewijn, de edele +graaf van<br> +Vlaanderen en achter hem, op eene witte hakkenei<a class="c4" href= +"#twintig">[20]</a>, verscheen<br> +Machteld, zijne dochter, een der rijkste edelvrouwen van het +land.<br> +<br> +Zij was jong en schoon, groot en slank van gestalte, statig en<br> +gebiedend in hare houding. Met de linkerhand hield zij de teugels +van<br> +haar paard vast, terwijl een valk met roode kap en gulden +schelletjes,<br> +op hare rechterhand rustte.<br> +<br> +«Wat is zij mooi» lispelde Anneken en haar oog rustte +op het<br> +rijkgeborduurde kleed der gravin, dat in breede plooien tot op den +grond<br> +afhing.<br> +<br> +Op eerbiedigen afstand volgden de andere genoodigden, verder +schild-en<br> +hofknapen, jagers met honden en valkeniers met valken en andere<br> +jachtvogels.<br> +<br> +Met popelend hart zag Anneken al deze lieden voorbijtrekken. Zij +vergat<br> +schier hare geit, de lichtzinnige Belle en eerst toen de laatste +honden<br> +voorbij waren en de jachthoorn niet meer schalde, kwam zij tot +bezinning<br> +en zette haren tocht voort, over heide en gras, langs beek en +plas,<br> +langs heg en mastbosch.<br> +<br> +Lachend en koutend trok de schitterende jachtstoet over de +geurige<br> +vlakte; vrouw Machteld scheen buitengewoon opgeruimd maar +Boudewijn, de<br> +wijze graaf van Vlaanderen, schudde het hoofd en sprak: +«Altijd<br> +onvoorzichtig, mijne dochter, ik smeek u, verlaat mijne zijde +niet;<br> +want, telkens wanneer gij mij op de jacht vergezelt, maak ik mij om +u<br> +ongerust.»<br> +<br> +Tot eenig antwoord schudde de fiere Machteld het blondgelokte hoofd +en<br> +toen een uur later, haar vader met den heer van Komen in een +ernstig<br> +gesprek was verdiept, verliet zij hem om, geheel alleen, in de +richting<br> +van het bosch voort te rijden.<br> +<br> +Eensklaps bemerkte zij eene boschduif, die boven de beek vloog; +haastig<br> +trok zij de bellenkap van haren valk en wierp den vogel op.<br> +<br> +Pijlsnel steeg de valk en bleef toen eenigen tijd onbeweeglijk in +de<br> +lucht hangen. Hij bemerkte de arme boschduif, daalde neder en +worgde<br> +haar met zijne scherpe klauwen.<br> +<br> +Machteld klapte van blijdschap in de handen en daar, naar hare +meening,<br> +de valk zijne prooi niet spoedig genoeg aan zijne meesteres bracht, +gaf<br> +zij haar paard de sporen en reed in de richting der beek, tot aan +den<br> +zoom van het mastbosch.<br> +<br> +Waarschijnlijk verschrikte haar wilde ren de arme dieren, die onder +het<br> +heidekruid verborgen zaten; want, een haasje sprong op, vlak voor +de<br> +pooten van het paard; het beest werd schichtig en het vlood met +zijne<br> +edele berijdster het mastbosch in.<br> +<br> +Wat de gravin ook aanwendde om het verschrikte dier tot bedaren +te<br> +brengen, niets mocht baten; in wilden galop rende het voort, +altijd<br> +voort en wierp eindelijk zijne berijdster met zóoveel geweld +af, dat<br> +haar hoofd tegen een mastboom bonsde en zij gewond en bloedend +nederlag.<br> +<br> +Brieschend zette het paard zijnen weg voort en weldra werd alles +weer<br> +doodstil. Bewusteloos lag de gravin op het zachte mos; geen vogel +zong<br> +in de hooge mastboomen, wier donkergroene takken zich als een +priëel<br> +ineenvlochten boven het hoofd der eenzame vrouw.<br> +<br> +* * * * *<br> +<br> +Langzaam keerde Anneken, de kleine herderin, naar de woudhut +terug.<br> +Bosch en heide had zij doorloopen, hare voeten bezeerd aan +braamstruiken<br> +en distels, maar haar geitje, helaas! niet gevonden.<br> +<br> +Tranen vloeiden over de wangen van het arme meisje; zij weende niet +om<br> +zich zelve maar om hare moeder, die oud en ziekelijk was en thans +de<br> +voedzame geitenmelk zou moeten missen.<br> +<br> +Ze waren zoo arm en verlaten, de weduwe Soete en hare eenige +dochter.<br> +Jaar in, jaar uit, voedden zij zich met rogge-of gerstebrood; in +het<br> +najaar zamelden zij beukenoten als wintervoorraad, sprokkelden +droog<br> +hout en zochten pijnappels in de bosschen.<br> +<br> +Zuchtend naderde Anneken hare woning, toen zij tot haren schrik +onder de<br> +hooge boomen eene donkere gestalte liggen zag. Zij naderde, +herkende het<br> +schoone, met goudgeborduurde rijkleed der gravin, sloeg een kruis +en<br> +riep: «Dat is de edelvrouw van dezen morgen!»<br> +<br> +Hoe jong ook, was Anneken moedig en vastberaden; zij vloog naar de +hut,<br> +vulde eene aarden kruik met frisch water, nam een groven, doch +hagel<br> +witten linnen doek en riep hare moeder toe: «Gauw, moeder, +gauw, neem<br> +onze peluw, volg en help mij!»<br> +<br> +De weduwe schrok maar deed zooals hare dochter verlangde. Beide +vrouwen<br> +liepen naar de nog altijd bewustelooze edelvrouw, legden de peluw +onder<br> +haar hoofd, maakten hare kleederen los en wieschen haar met +frisch<br> +water.<br> +<br> +Machteld kwam tot bezinning, opende de oogen en keek hare +weldoensters<br> +eerst verbaasd, daarna dankbaar aan.<br> +<br> +«Waar ben ik?» lispelde zij.<br> +<br> +«Stel u gerust, Vrouw,» antwoordde Anneken, «we +zijn arm, doch zullen<br> +voor u doen, wat wij kunnen ... spreek, verlangt gij +iets?»<br> +<br> +«Een dronk water,» murmelde de gekwetste en vrouw Soete +spoedde zich<br> +naar de beek, vulde een aarden drinkkom, dien zij de edelvrouw aan +de<br> +lippen bracht.<br> +<br> +Machteld had eene wonde aan het voorhoofd, die Anneken en hare +moeder<br> +omzichtig uitwieschen en met een linnen doek verbonden.<br> +<br> +Na eenigen tijd voelde zij zich in staat om, steunend op den arm +harer<br> +weldoenster, naar de hut te wandelen.<br> +<br> +Spoedig had de weduwe haar bed van mos opgeschud, en de edelvrouw +was<br> +blijde toen zij hare pijnlijke ledematen erop uit kon strekken.<br> +<br> +Langzaam daalde de nacht over de aarde; de wind stak op en +groote<br> +regendruppels vielen uit de voorbijdrijvende wolken.... Geene +enkele<br> +lichtende ster blonk aan het uitspansel en onheilspellend floot +de<br> +nachtvogel in het bosch.<br> +<br> +Gravin Machteld dacht aan haren vader, aan hare vrienden in het +verre<br> +slot. Wat zouden zij om harentwille ongerust zijn! Graaf Boudewijn +had<br> +verscheidene kinderen, doch Machteld had hij boven allen lief.<br> +<br> +Zij was opgeruimd, vriendelijk, moedig tot onvoorzichtigheid toe. +Meer<br> +dan eens had hij aan vrienden en magen verklaard dat hij, boven +zijn<br> +uitgestrekt graafschap, boven het land van Aalst, de liefde +zijner<br> +Machteld stelde en thans lag zij, zonder dat hij wist waar, gewond, +in<br> +eene afgelegen, armzalige hut.<br> +<br> +Naar hem terugkeeren kon zij niet, haar geheele lichaam deed haar +pijn,<br> +de nacht was aangebroken, de wind loeide en zou weldra tot +storm<br> +aangroeien.<br> +<br> +Welk een angstvollen nacht zou hij doorbrengen, hij Boudewijn, +de<br> +geduchte graaf, die burchten en steden had ingenomen, zelfs den<br> +machtigen keizer van Germanië had overwonnen.<br> +<br> +Machteld weende en deelde haren kommer mede aan hare +gezellinnen....<br> +«Arme, genadige graaf,» zuchtte Anneken, «hoe +diep ongelukkig moet hij<br> +wezen.»<br> +<br> +Toen nam het meisje een kort, doch moedig besluit. Zij zou zich +naar den<br> +burcht van Oostcamp begeven, duisternis en storm trotseeren en den +graaf<br> +geruststellen, terwijl hare moeder, vrouw Machteld verzorgen +zou.<br> +<br> +Anneken Soete sloeg een kruis, prevelde een Vader-Ons, opende het +lage<br> +deurtje der hut en verdween in de duisternis.<br> +<br> +De weg was lang, doch het meisje stapte altijd door, bad, en sloeg +kruis<br> +op kruis.<br> +<br> +Eensklaps, midden op de vlakte bemerkte zij een rossen gloed. +Zwarte<br> +gestalten, dragende brandende toorsten, naderden.<br> +<br> +Zouden het ook struikroovers zijn, die eene hoeve of een slot +gingen<br> +aanranden?<br> +<br> +Het regende niet meer en bij wijlen kwam de bleeke maan van achter +de<br> +wolken kijken.<br> +<br> +De mannen naderden en, vol vrees, verborg zich het herderinnetje, +aan<br> +den oever der beek.<br> +<br> +«Hier aan deze beek, heb ik gravin Machteld voor het laatst +gezien»<br> +sprak de aanvoerder.<br> +<br> +«In de vlakte is zij niet» antwoordde eene stem, +«zij moet de<br> +mastbosschen zijn ingetreden. Zouden wij het wagen, met onze +brandende<br> +toortsen, in de bosschen te zoeken?»<br> +<br> +«Dat zou gevaarlijk zijn» sprak een derde, laten wij +naar de hut gaan<br> +der weduwe Soete, zij of hare dochter, hebben wellicht onze vrouw +of<br> +haar paard gezien.»<br> +<br> +Anneken wist genoeg; de mannen, die zij voor boosdoeners aanzag, +waren<br> +dienaars, die hunne meesteres zochten.<br> +<br> +Vastberaden verliet zij hare schuilplaats, en vertelde aan de +mannen,<br> +wat er met de arme gravin was gebeurd.<br> +<br> +Hoe gelukkig waren zij te vernemen, dat Machteld leefde en door +Anneken<br> +Soete en hare moeder liefderijk was verzorgd.<br> +<br> +Vier hunner keerden naar het slot terug om de gelukkige tijding +aan<br> +graaf Boudewijn mede te deelen en eene draagkoets voor de gravin +te<br> +halen.<br> +<br> +De overigen vergezelden Anneken tot in hare hut en 's +anderendaags,<br> +vroeg in den morgen, hield eene prachtige draagkoets voor de +schamele<br> +woning stil.<br> +<br> +Gravin Machteld nam afscheid van hare weldoensters en beloofde haar +niet<br> +te vergeten.<br> +<br> +Anneken Soete en hare brave moeder wilden van geene belooning +hooren,<br> +maar de gravin dacht er anders over.<br> +<br> +Eenige dagen later, toen zij volkomen hersteld was, bracht zij +Anneken<br> +en hare moeder een bezoek.<br> +<br> +«Gij hebt mij het leven gered» sprak zij, «thans +is het mijn plicht voor<br> +u te zorgen. Ik keer met mijnen heer vader naar Rijsel terug. Wilt +gij<br> +mij vergezellen? Voortaan zal u niets ontbreken; want, ik zal voor +u<br> +zorgen, zoolang ik leef....»<br> +<br> +Belle, de ondankbare geit was niet teruggekeerd en waarschijnlijk +door<br> +een wild dier verslonden; de rogge was mislukt en honger en +gebrek<br> +grijnsden als spoken aan het deurtje der hut.<br> +<br> +Anneken en hare moeder aanvaardden, vol blijdschap, het voorstel +der<br> +gravin.<br> +<br> +Zij vergezelden haar naar Rijsel en leefden er eenigen tijd +vreedzaam en<br> +gelukkig, toen er eene nieuwe verandering in haar leven kwam.<br> +<br> +Machteld huwde Willem van Normandië, een der beroemdste +edellieden van<br> +zijnen tijd.<br> +<br> +Jaren lang voerde hij krijg in Engeland, terwijl zijne vrouw in<br> +Normandië bleef.<br> +<br> +Eindelijk, toen haar echtgenoot tot koning van Engeland werd<br> +uitgeroepen, volgde zij hem over zee met Anneken Soete, hare +moeder,<br> +alsook verscheidene Vlaamsche edellieden die, door de nieuwe +koningin,<br> +rijkelijk werden begiftigd.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a26">26.--De Graven van Vlaanderen.<br> +Anneken Soete, de moedige, kleine herderin, leefde in de +XI<sup>de</sup> eeuw<br> +onzer tijdrekening.<br> +<br> +Zij en hare moeder waren arme, eenvoudige vrouwen, die heel +afgezonderd<br> +leefden en niet zelden honger en gebrek leden.<br> +<br> +In dien tijd was de grond minder goed bebouwd dan thans; +verscheidene<br> +voedingsgewassen, zooals aardappelen, waren geheel onbekend.<br> +Stoombooten, spoorwegen bestonden niet; vaarten, breede wegen +waren<br> +zeldzaam, zoodat het veel moeite kostte om de voortbrengselen +van<br> +elders, hierheen te brengen.<br> +<br> +Op het land woonden de menschen in schamele hutten, maar +sommige<br> +edellieden hadden steenen woningen «burchten, of +steenen» genoemd.<br> +<br> +De burcht van den heer van Oostcamp, was naar alle +waarschijnlijkheid<br> +een steenen woning.<br> +<br> +Toen Anneken den schitterenden jachtstoet uit den burcht treden +zag,<br> +beefde zij en trad eerbiedig ter zijde; want, evenals vele +landlieden<br> +uit den omtrek, was het arme kind eene hoorige van den heer van<br> +Oostcamp, meester van het omliggende land.<br> +<br> +Dat land had hij in leen ontvangen van den graaf van Vlaanderen, +die<br> +zijn leen<i>heer</i> was, terwijl hij leen<i>man</i> was van den +machtigen<br> +graaf.<br> +<br> +De heer van Oostcamp moest, als het noodig was den graaf van +Vlaanderen<br> +ten oorlog vergezellen, hem helpen vrijkoopen, indien hij +krijgsgevangen<br> +genomen werd.<br> +<br> +Ook Robrecht, heer van Komen, Drogon van Beveren, Gilbert van Gent +en<br> +anderen, die deelnamen aan de jacht te Oostcamp, waren leenmannen +van<br> +graaf Boudewijn.<br> +<br> +Deze heerschte over het uitgestrekt grondgebied, dat zich ten +Oosten der<br> +Schelde, tot aan de Somme uitstrekte.<br> +<br> +Dit grondgebied had hij van den koning van Frankrijk in leen +ontvangen.<br> +Hij bezat er de rechterlijke macht, mocht belastingen heffen, zelfs +munt<br> +slaan.<br> +<br> +Misschien denkt gij, dat hij den koning van Frankrijk +gewichtige<br> +diensten bewezen had en deze hem, als belooning, uitgestrekte +landerijen<br> +had geschonken?<br> +<br> +Neen, dat was zoo niet. In de XI<sup>de</sup> eeuw en vroeger +reeds, waren de<br> +leenen erfelijk.<br> +<br> +Boudewijn, de V<sup>de</sup> van dien naam, was zijnen vader, als +graaf van<br> +Vlaanderen opgevolgd. Vóór dezen hadden reeds van 864 +(?) tot 988, vijf<br> +graven van Vlaanderen geregeerd.<br> + +<p><img alt="" border="0" src="leenroerig.png" width="716" height= +"593"> +<p>[Leenroerig Tijdvak.]<br> +<br> +Boudewijn V, bijgenaamd van Rijsel, was een der machtigste heeren +van<br> +zijnen tijd. Als krijgsman had hij grooten roem verworven; hij en +zijne<br> +dappere leenmannen waren onoverwinnelijk.<br> +<br> +In 1056 kwamen de eilanden van Zeeland, de vier Ambachten en het +land<br> +van Aalst in zijn bezit, zoodat Boudewijn leenman was van den +koning van<br> +Frankrijk en van den keizer van Duitschland.<br> +<br> +Van 1060 tot 1063 was hij ook voogd over den minderjarigen koning +van<br> +Frankrijk.<br> +<br> +Het voorgaande verhaal leerde ons, dat zijne dochter koningin +van<br> +Engeland werd. Om u te bewijzen, hoe machtig en geëerd +Boudewijn was,<br> +zal ik er nog bijvoegen, dat zijn oudste zoon de gravin van +Henegouwen<br> +huwde en zijn tweede zoon, in het huwelijk trad met eene +Hollandsche<br> +prinses.<br> + +<p><img alt="" border="0" src="poortvanhetgravensteen.png" width= +"354" height="414"> +<p>[Poort van het Gravensteen. Gent.]<br> +<br> +Al die gebeurtenissen waren rijk aan gevolgen. Talrijke +Vlamingen<br> +vestigden zich als kolonisten in Engeland, anderen werden +kooplieden,<br> +die handel dreven langs stroomen en rivieren, zich op zee naar<br> +Denemarken, Scandinavië en Engeland waagden. Jaarmarkten +werden gehouden<br> +en Brugge, Rijsel, Meenen, Thorhout, Yperen, Gent werden +belangrijke<br> +steden.<br> +<br> +<br> +<p id="a27">27.--Een Sprookje.<br> +Geen slot der Middeleeuwen of er is een min of meer dramatisch +verhaal<br> +aan verbonden, dat, hoewel zelden met de geschiedkundige +waarheid<br> +overeenkomende, het poëtisch gevoel bevredigt, dat in het hart +van elken<br> +mensch verborgen ligt.<br> +<br> +Daarom schrijven wij hieronder een sprookje, verbonden aan den<br> +merkwaardigen burcht van Bouillon.<br> +<br> +Gilbert van de Ardennen was een edel en dapper ridder. Op zekeren +dag<br> +begaf hij zich ter jacht en verdwaalde.<br> +<br> +Uren lang zwierf hij rond in de wouden en bereikte eindelijk den +voet<br> +eener hooge, steile rots, gelegen in een heerlijk dal, waardoor +de<br> +Semois zich kronkelde.<br> +<br> +Gilbert was vermoeid; hij vlijde zich neder op het zachte mos, toen +hij<br> +eensklaps eene wonderzoete meisjesstem vernam, die een klagend +liedje<br> +zong.<br> +<br> +Gilbert luisterde met welgevallen, richtte zich op, baande zich een +weg<br> +door het struikgewas en bereikte de plaats vanwaar de stem scheen +te<br> +komen.<br> +<br> +Tot zijne verwondering bemerkte hij eene schoone jonkvrouw, die +bitter<br> +weende en, met hare lange, blonde haren, de tranen afdroogde, die +langs<br> +hare wangen rolden.<br> +<br> +Zij hief de handen smeekend tot den ridder op, terwijl deze haar +vroeg:<br> +<br> +«Wie zijt gij, edele jonkvrouw, en hoe komt gij op deze +woeste, eenzame<br> +plaats?»<br> +<br> +«Spreek zachter, heer ridder,» fluisterde de maagd, +«Ik ben Julia van<br> +Bouillon en mijne geboorteplaats ligt niet ver van hier.»<br> +<br> +«Op den top der hooge rots, die gij van hier ziet, woont een +reus. Hij<br> +doodde mijn broeder en nam mij als zijne gevangene mede. Elken +namiddag<br> +slaapt hij gedurende één uur op den top der +rots.»<br> +<br> +Gilbert keek omhoog en bemerkte een reusachtig grooten man, die<br> +werkelijk, op den top der rots lag te slapen.<br> +<br> +De ridder trok zijn zwaard uit de scheede en sprak: «Stel u +gerust,<br> +edele jonkvrouw, ik zal u van den moordenaar verlossen.»<br> +<br> +«Val hem niet aan, edele ridder,» fluisterde Julia; hij +draagt een<br> +maliënkolder<a class="c4" href="#eenentwintig">[21]</a>, waardoor geen +zwaard dringen kan.<br> +<br> +«Nu dan,» hernam Gilbert, «ik zal hem van den top +der rots in de rivier<br> +storten.»<br> +<br> +«Dat is onmogelijk,» jammerde Julia, «de reus is +zoo zwaar, dat honderd<br> +armen hem niet naar beneden kunnen werpen.»<br> +<br> +«Wel» sprak de ridder, «vlucht met mij, ik zal u +in veiligheid brengen.»<br> +<br> +«Dat ook is onmogelijk» kreet de arme jonkvrouw, +«ziet gij niet dat ik<br> +met eene ijzeren ketting aan den rotswand ben vastgeklonken? Ik +smeek u,<br> +ga tot mijn vader en vraag hem het groote net van ijzerdraad, dat +zijn<br> +grootvader, niet ver van Tours in Frankrijk, aan de +Sarracenen<a class="c4" href="#tweeentwintig">[22]</a><br> +ontnam, daarin zullen wij den reus vangen.<br> +<br> +Nauwelijks had zij dit gezeid of de reus ontwaakte met groot +gedruisch<br> +en Gilbert haastte zich de jonkvrouw te verlaten.<br> +<br> +Hij wilde aan haar verzoek voldoen, en begaf zich naar het kasteel +haars<br> +vaders, waar hij van den torenwachter het groote ijzeren net +ontving.<br> +<br> +'s Anderendaags, tegen den middag, keerde hij naar de rots +terug,<br> +verborg zich in het bosch en wachtte de komst van den reus af.<br> +<br> +Het duurde niet lang of de vreeselijke man verscheen en daalde van +de<br> +rots naar beneden om zich uit het riet, dat aan den oever groeide, +eene<br> +pijp te snijden.<br> +<br> +Gilbert zocht Julia op, en spreidde met haar het net uit, op den +top der<br> +rots. Het meisje bedekte het met mos en bloemen, en, toen de +reus<br> +terugkeerde en het zachte tapijt bemerkte door Julia's handen +gespreid,<br> +lachte hij minzaam, vergat het meisje vast te binden, vlijde zich +op de<br> +bloemen neder, en viel in een diepen slaap.<br> +<br> +Dit was het lang gewenschte oogenblik. Julia trok het net toe en de +reus<br> +zat er in vast. Toen riep zij Gilbert terug en verzocht hem haar +naar<br> +het slot haars vaders terug te voeren, maar Gilbert vreesde, dat de +reus<br> +het net zou scheuren.<br> +<br> +De gevreesde man ontwaakte en huilde zoo vervaarlijk, dat de +heuvels van<br> +zijn geroep daverden. Hij wilde opspringen en het net scheuren, +maar op<br> +hetzelfde oogenblik gaf Gilbert hem zulk een geweldigen stoot, dat +hij<br> +naar beneden stortte en in de Semois viel, waar hij verdronk.<br> +<br> +Nu bracht de ridder de edelvrouw naar het slot haars vaders terug +en<br> +leerde haar zacht karakter en hare deugd waardeeren.<br> +<br> +Hij nam haar tot vrouw en, op dezelfde plaats, waar zij den reus +uit de<br> +hoogte naar beneden wierpen, bouwden zij het geduchte slot van +Bouillon,<br> +dat heden nog bestaat.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a28">28.--Het Slot van Bouillon.<br> +<br> +Laten wij handelen als zoovele toeristen en een bezoek brengen aan +het<br> +geduchte slot. Wij moeten 235 meter klimmen en eerst na een +vrij<br> +lastigen tocht bereiken wij de slotpoort, waar wij aankloppen.<br> +<br> +De bewaker opent de poort en leidt ons, over de binnenplaats, naar +het<br> +eigenlijke slot, dat wij met hem in al zijne bijzonderheden +leeren<br> +kennen. Nu eens bevinden wij ons in een killen, duisteren gang, +dalen<br> +daarna in diepe kelders, tot in een onderaardsch gewelf, waar +geen<br> +zonnestraal kan doordringen en ijzeren ringen in den dikken muur +zijn<br> +aangebracht.<br> +<br> +Onze geleider zegt ons, dat men hier krijgsgevangenen, ook wel<br> +misdadigers heenvoerde, en dat zij, die er binnentraden, nimmermeer +het<br> +zonnelicht aanschouwden.<br> +<br> +Eene rilling doorloopt onze leden en zuchtend verlaten wij de +sombere<br> +plaats, waar vroeger zooveel werd geweend en geleden en waar heden +nog<br> +de voetstappen der bezoekers zoo akelig weerklinken.<br> +<br> +Wij klimmen den wenteltrap op en bereiken den toren, waar wij, door +een<br> +eng schietgat naar beneden staren.<br> +<br> +Wel zijn we verbazend hoog geklommen; de Semois schijnt een +kronkelend<br> +lintje en de huisjes der stad zijn zoo klein, dat zij uit eene<br> +speelgoeddoos schijnen te komen.<br> +<br> +Onwillekeurig vergelijken wij de sombere plaats met een +hooggelegen<br> +arendsnest, waaruit zich de roofvogel op zijne levende prooi +laat<br> +nedervallen.<br> +<br> +Wij dalen de trap af, hier en daar nog een blik werpend op de +dikke<br> +muren en in de menigvuldige schietgaten.<br> +<br> +Eindelijk opent onze geleider de zware poort en wij zijn blij, dat +we<br> +het sombere gebouw verlaten, de blauwe lucht aanschouwen en de +warmte<br> +der koesterende zonnestralen genieten.<br> +<br> +Het kasteel van Bouillon is het eenige niet, dat een bezoek waard +is. Te<br> +Gent, werden de bouwvallen van het oude Gravensteen onlangs +hersteld en<br> +aan de oevers der Maas en hare bijrivieren, treft men, meestal op +hooge<br> +bergen en steile rotsen, bouwvallen aan van Middeleeuwsche +burchten,<br> +waar norsche ridders woonden, waarvan sommigen naar het voorbeeld +der<br> +Noormannen, van plundering en roof leefden of met elkander +gedurig<br> +twistten en oorloogden.<br> +<br> +Meer dan eens werden, om nietige redenen, onze heden zoo +bloeiende<br> +provinciën te vuur en te zwaard verwoest.<br> +<br> +Het kwaad was zoo erg, dat de graaf van Vlaanderen, de bisschop van +Luik<br> +en andere groote leenheeren den «Godsvrede» invoerden, +waarbij het<br> +verboden werd te strijden tusschen den Woensdag avond en den +Maandag<br> +morgen, verder gedurende den Advent, de Vasten, enz.<br> +<br> +In 1082 stelden de prins bisschop van Luik en andere vorsten +een<br> +vredegerecht in, waar ieder, die de Godsvrede durfde verstoren, +tot<br> +strenge straffen werd veroordeeld.<br> +<br> +Ongelukkig werd dit vredegerecht niet altijd gehandhaafd.<br> +<br> +In het voorbijgaan moet ik u ook herinneren wat gij vroeger +leerdet,<br> +namelijk dat Neder-Lotharingen of Lotherrijk de landstreek +tusschen<br> +Schelde en Rijn, heette. Zij bevatte: 1° Het hertogdom Brabant, +dat zich<br> +in het hartje van ons land en in Nederland tot aan de Maas +uitstrekte;<br> +2° Het graafschap Henegouwen; 3° het graafschap Namen; +4° het graafschap<br> +Luxemburg; 5° het hertogdom Limburg; 6° het prinsbisdom +Luik. De keizers<br> +van Germanië aan wie zij in werkelijkheid toebehoorden, +oefenden er<br> +nooit grooten invloed op uit; de leenheeren waren machtiger dan +zij,<br> +daarbij was Germanië zeer groot en, onze provinciën +vormden als het ware<br> +een weinig belangrijk uithoekje van een uitgestrekt +grondgebied.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a29">29.--De Boetvaardige Zondaar.<br> +<br> +Op de Reye te Brugge woonde in de tweede helft der XI<sup>e</sup> +eeuw een<br> +wisselaar, die belangrijke zaken deed, zoowel met de kooplieden +zijner<br> +stad als met die van het buitenland.<br> +<br> +Jacob, zoo heette hij, was eerlijk en zeer werkzaam, maar de +rijkdommen,<br> +welke hij vergaarde, maakten hem zelfzuchtig en zóó +hoogmoedig, dat hij<br> +met minachting nederzag op lieden van geringen stand.<br> +<br> +Hij had eene zuster, die weduwe was, met een kind, een zoontje dat +zij<br> +in liefde en deugd trachtte groot te brengen.<br> +<br> +Met haar rijken broeder kwam zij zelden of nooit in aanraking; zij +wist,<br> +dat hij zich schaamde over zijne zuster, die armoedig was gekleed +en<br> +dicht bij den Burcht een schamel zolderkamertje bewoonde, waar +armoede<br> +en ziekte haar heel onverwacht kwamen bezoeken.<br> +<br> +Koud en duister was de maand December ingevallen; lange ijskegels +hingen<br> +aan de houten gevels der huizen en in de grachten lagen de schepen +vast<br> +in het ijs.<br> +<br> +De arme weduwe werd al zieker en zieker, zij had hout noch brood en +in<br> +den uitersten nood dacht zij aan haar rijken broeder.<br> +<br> +«Johannes,» sprak zij tot haar zoontje, «begeef u +naar oom op de Reye<br> +en zeg hem hoe diep ongelukkig wij zijn.»<br> +<br> +Johannes vertrok en bereikte weldra het huis van den wisselaar.<br> +<br> +Warm en sierlijk gekleed zat deze met twee vrienden in zijne +rijke<br> +woonkamer, bij het flikkerend haardvuur, doch het schamele knaapje +zag<br> +hij met toornigen blik aan.<br> +<br> +«Heer oom,» stotterde de kleine, moeder zendt mij tot +u, «wij hebben<br> +brood noch vuur en zijn diep ongelukkig.»<br> +<br> +«Elk zorge voor zich zelven» luidde het norsche +antwoord.<br> +<br> +«Moeder is ziek» vervolgde de knaap.<br> +<br> +«Maak dat ge wegkomt,» antwoordde de wreedaard, die +verstoord was, omdat<br> +de in lompen gehulde knaap hem in tegenwoordigheid zijner rijke +vrienden<br> +«heer oom» had genoemd.<br> +<br> +De knaap verliet de woning en keerde naar moeder terug, op het +akelige<br> +zolderkamertje.<br> +<br> +Twee dagen lang vroos het zoo geweldig, dat de vogeltjes dood +bleven. De<br> +arme weduwe en haar zoontje leden verschrikkelijk en, op den derden +dag<br> +verspreidde zich eene akelige mare door de stad. Dicht bij den +burcht,<br> +op een zolderkamertje, waren eene weduwe en haar zoontje van koude +en<br> +honger gestorven.<br> +<br> +Toen de rijke wisselaar de ontzettende tijding vernam, rilde hij +over<br> +zijn gansch lichaam, hij meende, te sterven van berouw en schaamte, +maar<br> +hij herstelde zich. Hij zou leven, zéér lang leven om +zijn wraakroepend<br> +misdrijf te boeten.<br> +<br> +Wroeging verteerde zijn hart en belette hem te slapen. Niet +zelden<br> +doolde hij met gebogen hoofd door de straten der stad en, toen +het<br> +voorjaar aanbrak, verkocht hij zijn huis, borg zijn goud in eene +lederen<br> +tasch en verliet Brugge.<br> +<br> +Waarheen? Hij zelf wist het niet; het weder was frisch en de +vogels<br> +zongen, maar Jakob ging verder, altijd verder, tot zijne voeten +waren<br> +doorgeloopen en hij uitgeput, aan den zoom van een mastbosch<br> +nederstortte.<br> +<br> +Toen de dag aanbrak stond hij op, trok door het bosch en bevond +zich<br> +weldra aan den voet van een kruisbeeld, dat, door eene vrome hand, +op<br> +deze eenzame plaats was opgericht.<br> +<br> +Jakob zonk op de knieën, doch bidden kon hij niet. Krampachtig +vouwde<br> +hij de handen en, stroomen van tranen vloeiden over zijne heete +wangen.<br> +<br> +Eensklaps voelde hij eene bevende hand op zijnen schouder, terwijl +eene<br> +zachte stem sprak: «Gij weent, arme vreemdeling, zeg mij, kan +ik u soms<br> +troosten?»<br> +<br> +Jakob hief het hoofd op. Een eerbiedwaardige grijsaard, met +witten<br> +baard, in een donker, lang boetkleed, stond voor hem.<br> +<br> +«Ik ben diep ongelukkig» snikte de zondaar, maar de +grijsaard nam hem<br> +bij de hand en leidde hem naar eene houten kluis.<br> +<br> +«Wie gij ook zijn moogt,» welk leed u ook het hart +verscheurt, deel het<br> +mij mede,» sprak de kluizenaar, «ik zal u troosten, u +opbeuren, u raad<br> +geven.»<br> +<br> +Zijne stem was zoo roerend en zacht, zijne woorden waren +zóo<br> +verkwikkend, dat zij den berouwhebbenden misdadiger, als hemeldauw +in<br> +het hart vielen.<br> +<br> +Met gebogen hoofd, snikkend, zuchtend, bekende Jakob zijne schuld +en,<br> +toen zijne biecht was geëindigd, bleef de grijsaard geruimen +tijd in<br> +diepe gedachten verzonken. Eindelijk sprak hij, op treurigen, +ernstigen<br> +toon:<br> +<br> +«Uwe zelfzucht, uwe verwaandheid hebben uwe arme zuster en +haar zoontje<br> +gedood, voortaan zult gij u geheel en al aan het welzijn van +anderen<br> +wijden.»<br> +<br> +«Hoe kan ik zulks doen?» vroeg de door smart gefolterde +zwerver en de<br> +grijsaard antwoordde:<br> +<br> +«Dagelijks vertrekken uit stad en dorp honderden Christenen +naar het<br> +verre Oosten.<br> +<br> +Aan de ongeloovigen hebben zij den oorlog verklaard en zullen +niet<br> +rusten, voor zij de zege behalen.<br> +<br> +Volg de kruisvaarders, mijn zoon, onderweg zult gij ze spijzen, +laven,<br> +kleeden, in een woord, helpen waar gij helpen kunt, troosten waar +het<br> +noodig zal zijn.»<br> +<br> +* * * * *<br> +<br> +Nog verscheidene weken bleef Jakob bij den kluizenaar. Deze had +in<br> +zijne jeugd, de reis naar het Heilige land<a class="c4" href= +"#drieentwintig">[23]</a> gemaakt, hij gaf zijnen<br> +gast allerlei nuttige raadgevingen en zond hem eindelijk naar +Brussel,<br> +bij eenige zijner vrienden, vrome monniken, die zich voorstelden, +het<br> +Christen leger te vergezellen, niet als strijders, maar als +verplegers<br> +van zieken en gewonden.<br> + +<p><img alt="" border="0" src="kruischtochten.png" width="715" +height="682"> +<p>[De Kruistochten.]<br> +<br> +Deze brave menschen ontvingen met liefde den boetvaardigen zondaar +en<br> +vol hoop en vertrouwen, voegden zij zich bij de legerscharen, die +langs<br> +den Rijn en den Donau, over Konstantinopel en door Syrië, +Jerusalem<br> +wenschten te bereiken.<br> +<br> +Thans begon voor Jakob en zijne nieuwe vrienden een leven van<br> +opoffering en ontbering.<br> +<br> +De tocht duurde maanden en maanden, niet zelden ontbrak het den<br> +kruisvaarders aan levensmiddelen en aan drinkwater.<br> +<br> +Hoe nader zij aan het einddoel hunner reis waren, hoe grooter hun +lijden<br> +werd.<br> +<br> +Brandende hitte, besmettelijke ziekten, vermoeienis doodden +duizenden<br> +kruisvaarders. Niet zelden waren de inwoners der streken, die +zij<br> +doortrokken, den reizigers vijandig en, zoodra zij in Azië +aanlandden,<br> +verdubbelden de moeilijkheden.<br> +<br> +Dank aan zijn krachtig gestel, bood Jakob weerstand aan ziekte +en<br> +vermoeienis; dag en nacht was hij op de been; de pijlen des +vijands<br> +schrikten hem niet af en de akelige slagvelden betrad hij zonder +vrees.<br> +<br> +Eindelijk, na een zwaar beleg en eene bloedige bestorming, werd<br> +Jeruzalem ingenomen. Jakob woonde soms gruwelijke slachtingen bij; +maar<br> +hij nam daaraan geen deel, hij verzorgde de gekwetste strijders +en<br> +begroef de dooden. Na de inneming van Jeruzalem keerden +talrijke<br> +kruisvaarders naar hun vaderland terug, doch Jakob bleef in +Palestina om<br> +zich te volmaken in de heel-en geneeskunde, die er veel meer +gevorderd<br> +waren dan in zijne geboortestreek.<br> +<br> +Toen hij, na zeven jaar naar hier terug keerde, vertoefde hij +in<br> +verschillende steden, waar hij, als ziekenverpleger, aan de +bevolking<br> +groote diensten bewees.<br> + +<p><img alt="" border="0" src="lijder.png" width="178" height= +"409"> +<p>[Lijder aan melaatschheid.<a class="c4" href="#vierentwintig">[24]</a>]<br> +<br> +De vrome kluizenaar was reeds lang overleden.<br> +<br> +<br> +<p id="a30">30.--De Kruistochten.<br> +Alhoewel de wegen slecht en onveilig waren, ondernamen onze +voorouders<br> +niet zelden verre bedevaarten: naar Tours in Frankrijk, naar Rome +in<br> +Italië, naar Jeruzalem in Azië. Maar toen de Turken +laatstgenoemde stad<br> +bezaten, stonden de Christenen er aan mishandelingen bloot. Ook +vreesden<br> +de volkeren van Westelijk Europa, met reden, dat bovengenoemde +Turken<br> +zich weldra van de stad Konstantinopel meester maken en verder +ons<br> +werelddeel zouden bedreigen.<br> +<br> +Om dit te beletten ondernamen zij krijgstochten, die men +«Kruistochten»<br> +noemt, want het schijnt, dat zij die er aan deel namen als<br> +herkenningsteeken een kruis van roode stof op hunnen schouder of +hunne<br> +borst naaiden.<br> +<br> +De kruisvaarders waren: edellieden, die alvorens te vertrekken, +hunne<br> +goederen aan kloosters of kerken afstonden, of hun slot, hunne +velden,<br> +hunne wouden verkochten om wapens te koopen en krijgslieden aan +te<br> +werven; ook wel monniken, die naar de eeuwige zaligheid +trachtten;<br> +kooplieden, ambachtslieden, naar vrijheid snakkende +lijfeigenen,<br> +berouwhebbende zondaars.<br> +<br> +De held van den eersten kruistocht was Godfried van Bouillon, +hertog van<br> +Lotharingen, een volmaakt ridder, bedreven in alle +krijgsverrichtingen,<br> +gehard tegen vermoeienis, verstandig, welsprekend, kalm, zedig +en<br> +geduldig.<br> +<br> +Ten einde deel te kunnen nemen aan den verren tocht, verkocht hij +zijn<br> +slot van Bouillon aan den bisschop van Luik en liet toe, dat de +inwoners<br> +van Metz, wier heer hij was, hunne stad vrij kochten.<br> +<br> +Hij geleidde de kruisvaarders door Duitschland, Hongarije en +bereikte<br> +met hen de stad Konstantinopel, waar zich Robrecht, graaf van<br> +Vlaanderen, Boudewijn van Henegouwen en talrijke edellieden, die +over<br> +zee gekomen waren, bij het Christenleger voegden en naar +Azië<br> +overstaken.<br> +<br> +In de geschiedenis van Jakob, den boetvaardigen zondaar, verhaalden +wij<br> +van het lijden en strijden der kruisvaarders in Azië. Wij +mogen echter<br> +niet vergeten er bij te voegen, dat Godfried boven alle andere +ridders<br> +er blijken gaf van wijsheid, moed en beleid. Met algemeene +toestemming<br> +werd hij tot koning van Jeruzalem uitgeroepen, doch hij weigerde +«eene<br> +gouden kroon te dragen, waar Jezus-Christus eene doornen kroon +had<br> +gedragen; hij aanvaardde enkel den titel van Beschermer van het +Heilig<br> +Graf.»<br> +<br> +Hij voerde het leenstelsel in Palestina in; verdeelde het land in +groote<br> +leenen, die hij aan de voornaamste ridders schonk, en vaardigde +werken<br> +en bevelen uit, die men Assisen of Grondwetten van Jeruzalem +noemt.<br> +<br> +Het volgend jaar reeds, in 1100, stierf Godfried van Bouillon. +Later<br> +onderscheidde zich Boudewijn, Graaf van Vlaanderen en Henegouwen, +in den<br> +vierden kruistocht.<br> + +<p><img alt="" border="0" src="kruisvaarder.png" width="285" +height="406"> +<p>[Kruisvaarder der XIII<sup>e</sup> eeuw.]<br> +<br> +Men noemt hem, in de geschiedenis, niet zelden Boudewijn van<br> +Konstantinopel, en ziehier waarom.<br> +<br> +In de lente van het jaar 1202 trok hij met talrijke ridders de +Alpen<br> +over en ging scheep te Venetië, maar in plaats van +rechtstreeks naar<br> +Palestina te varen, zeilde hij met de christenvloot naar +Konstantinopel.<br> +<br> +Deze stad werd ingenomen door de kruisvaarders en Boudewijn tot +keizer<br> +uitgeroepen. Hij onderscheidde zich als krijgsman en stierf in +eenen<br> +oorlog tegen de Bulgaren.<br> +<br> +<br> +<p id="a31">31.--Twee Vluchtelingen.<br> +Jan en Klaas waren hoorigen van den heer van Gaver, in Vlaanderen. +Zij<br> +telden nauwelijks zestien jaar en Jan hoedde de zwijnen zijns +meesters,<br> +terwijl Klaas arbeidde aan den heirweg, dien de heer deed leggen +van af<br> +zijn slot, over de heuvels, naar eene naburige heerlijkheid, +erfdeel van<br> +zijne vrouw.<br> +<br> +Beide jongelingen leidden een hoogst ellendig leven. Zij waren +slecht<br> +gevoed en gekleed en kenden van heel de mooie, wijde wereld, niets +dan<br> +hunne armoedige hut en het slot van hunnen heer.<br> +<br> +«Willen wij vluchten» sprak op zekeren lentenmorgen +Klaas tot zijnen<br> +vriend, en op zijn bevestigend antwoord, verlieten zij hunne<br> +geboorteplaats en gingen door bosch en brem tot aan den oever +der<br> +Schelde, langswaar zij de naburige stad Gent hoopten te bereiken. +«In<br> +steden» zei Klaas, «zijn de menschen gelukkiger, +vrijer, en hangen er<br> +niet af van de willekeur van een gestrengen heer.»<br> +<br> +«Laten wij verder gaan, altijd verder,» antwoordde Jan +en stapte moedig<br> +voort aan de zijde van zijnen vriend.<br> +<br> +Een schip, geladen met Doorniksche steenen voer langzaam op het +water<br> +voorbij; twee mannen hadden moeite om het voort te trekken.<br> +<br> +«Schipper, mogen wij helpen» vroeg Jan en toen hij een +bevestigend<br> +antwoord ontving, lieten de knapen zich in het gareel spannen en +trokken<br> +er duchtig op los.<br> +<br> +Na een paar uren liet de schipper hun brood, kaas en bier +voorzetten,<br> +waarna zij weder lustig den arbeid hernamen.<br> +<br> +Te Gent was er veel drukte; schepen werden geladen en ontladen,<br> +koopwaren gekocht en verkocht.<br> +<br> +Op de marktplaatsen durfden de jongens zich niet wagen, omdat +zij<br> +vreesden herkend te worden, maar, van den schipper vernomen +hebbende,<br> +dat hij naar Brugge moest, vroegen zij tot in deze stad in zijnen +dienst<br> +te mogen blijven.<br> +<br> +Hij stemde er in toe, maar weldra moesten de knapen hunnen +weldoener<br> +verlaten, want van Brugge voer hij terug naar Gent en vandaar +voorbij<br> +Gaver en Oudenaarde naar Doornik om eene nieuwe lading.<br> +<br> +Onderweg echter had de brave schipper de twee vluchtelingen +leeren<br> +waardeeren. Zij hadden hem hun droevig lot kenbaar gemaakt en door +zijne<br> +voorspraak, vonden zij te Brugge werk bij reizende kooplieden, die +zich<br> +maar de jaarmarkt van Thorhout begaven.<br> +<br> +Die jaarmarkt was toen de voornaamste van het land; op de wegen, +die er<br> +henen leidden, ontmoette men rijtuigen en reizigers uit +verschillende<br> +streken, alsook zware wagens, door zes paarden getrokken en beladen +met<br> +laken, leder, wapens, koperen en tinnen vaatwerk, wijn, bier en wat +al<br> +meer.<br> +<br> +De jaarmarkt te Thorhout duurde verscheidene weken; zij werd niet +alleen<br> +door Vlamingen bezocht, maar ook door Walen, Franschen, +Duitschers,<br> +Italianen. Honderden koopers verdrongen zich tusschen de +tenten;<br> +potsenmakers en kermisvolk vertoonden er allerlei kunsten en +grappen,<br> +bedelaars riepen de weldadigheid in der aanwezigen.<br> +<br> +Aangenaam en helaas, al te spoedig vlogen dagen en weken voorbij +... de<br> +kooplieden verlieten de stad en Klaas en Jan bevonden zich weldra +zonder<br> +werk of brood, verlaten, alleen op de wereld.<br> +<br> +Hoeveel moeite zij zich ook gaven, te Thorhout vonden zij geene<br> +bezigheid. Zij verlieten de stad, doolden over heiden en in<br> +sparrebosschen, bedelden van dorp tot dorp.<br> +<br> +Nu eens hoedden zij de kudden van eenen schapenfokker, dan hielpen +zij<br> +de landbouwers bij het maaien en oogsten.<br> +<br> +De arme jongens sliepen op stroo in de schuren, brachten +ettelijke<br> +nachten onder den blooten hemel door en ... de zomer snelde +voorbij.<br> +<br> +November bracht wind en koude regenvlagen over het land en in +December<br> +vroos het zoo erg, dat rivieren en waterplassen met eene dikke +ijskorst<br> +bedekt werden.<br> +<br> +* * * * *<br> +<br> +Al bedelend bereikten Jan en Klaas de stad Yperen. In dien tijd +was<br> +deze alom vermaard om haren rijkdom, haren handel en de vlijt +harer<br> +inwoners.<br> +<br> +«Hier komen wij aan het einde van al ons lijden» sprak +Klaas en trok met<br> +zijn jongen vriend moedig en opgeruimd een der stadspoorten van +Yperen<br> +binnen.<br> +<br> +Wel was zij de bloeiende stad, die de arme jongelingen zich +hadden<br> +voorgespiegeld; in hare voorsteden, in ontelbare nauwe straten,<br> +arbeidden honderden wevers, volders, ververs. Overal klapperden +de<br> +weefgetouwen, op de uitgestrekte marktplaats verdrongen zich +koopers en<br> +vèrkoopers, in de weidsche hallen lagen de koopwaren tot +bergen<br> +opgestapeld.<br> +<br> +Maar Jan en Klaas vonden niet wat zij zochten. Overal werden de +arme<br> +jongens, met hunne vermagerde trekken, hunne havelooze kleederen, +zonder<br> +genade afgewezen.<br> +<br> +Op zekeren kouden namiddag hadden zij in de prachtige +S<sup>t</sup>-Maartenskerk<br> +gebeden, gerust en geweend.<br> +<br> +Maar de avond viel, de kerk moest gesloten worden en, zonder<br> +schuilplaats voor den nacht, doolden de twee vrienden door de +straten.<br> +<br> +Tegen middernacht verborgen zij zich in het somberste hoekje van +het<br> +groote kerkportaal.<br> +<br> +Spookachtig vielen de koude stralen der maan op de spitse gevels +der<br> +houten huizen, die in dien tijd nog algemeen met stroo waren +gedekt.<br> +Slapen konden Klaas noch Jan; de steenen waren zoo koud en de wind +blies<br> +zoo akelig.<br> +<br> +Beide jongelingen vouwden de handen tot een laatste gebed en hieven +de<br> +doffe oogen ten hemel ... maar, wat was dat? Eene vlam kronkelde +zich<br> +aan den gevel der houten huizen, een schrikwekkende gloed +verhelderde<br> +den duisteren nacht.<br> +<br> +«Brand! brand!» gilden Klaas en Jan, terwijl zij naar +de bedreigde<br> +woningen snelden, er aanklopten en de bewoners uit hunne +nachtrust<br> +wekten.<br> +<br> +Weldra was elkeen op de been, ladders werden aangebracht, +ontelbare<br> +emmers water op de vlam gegoten, maar ... deze vermeerderde, werd +een<br> +vuurgloed, die dreigend, machtig, zich verder uitstrekte.<br> +<br> +Akelig kermden vrouwen en kinders; in sombere wanhoop trachtten +de<br> +mannen hun goed, hunne kostbaarheden, hunne kleederen te +redden.<br> +<br> +De brandklok klepte, hulpbiedende poorters kwamen toegesneld.... +«Wie<br> +redt Liesbeth, mijn kleindochtertje!» kreet als uitzinnig van +smart, een<br> +grijsaard, zeer rijk koopman, wiens huis door de vlammen was +aangestast.<br> +<br> +Niemand antwoordde, terwijl steeds luider en luider, de klachten +van den<br> +grootvader weerklonken.<br> +<br> +Twee edele harten echter voelden medelijden met den armen man: +«Jan,<br> +willen wij het wagen,» fluisterde Klaas zijnen vriend toe en: +«Tot den<br> +dood volg ik u» luidde het korte doch zielroerende antwoord +van den<br> +armen hoorige.<br> +<br> +Een ijzeren ladder werd aangebracht en tegen den gevel van het +huis<br> +geplaatst.<br> +<br> +Klaas beklom die het eerst, en vlug als eene boschkat, volgde hem +zijn<br> +vriend.<br> +<br> +Beiden verdwenen in het brandend huis.<br> +<br> +Een ... twee ... drie ... vier stonden, als uren zóó +lang, gingen<br> +voorbij en beneden in de straat, jammerde een bevende grijsaard, +woelde<br> +eene anstige volksmenigte.<br> +<br> +Goddank! daar verscheen de wakkere Klaas, de kleine Liesbeth in +de<br> +armen. Jan volgde hem, een ijzeren kistje op den rug, dat vergeten +was<br> +en waarschijnlijk goud of kostbaarheden bevatte.<br> +<br> +Beiden daalden de ijzeren ladder af; de menigte verdrong zich om +de<br> +moedige knapen, de beangste vader zegende hen als de redders van +zijn<br> +kleinkind.<br> +<br> +De koopman nam intrek bij zijne zuster, die aan de andere zijde der +stad<br> +woonde.<br> +<br> +Hij verzocht Klaas en Jan hem daarheen te volgen, want hij wilde +zijne<br> +belofte houden en de redders van zijn kleindochtertje rijkelijk<br> +beloonen,<br> +<br> +«Wie zijt gij? Van waar komt gij en wat kan ik voor u +doen?» sprak hij<br> +tot de knapen.<br> +<br> +Zij bogen het hoofd en zuchtten.<br> +<br> +«Spreekt vrienden,» vervolgde de koopman, «hebt +vertrouwen in mij, want<br> +ik verlang niets dan uw welzijn.»<br> +<br> +Nu vertelde Jan, die de tranen in de oogen kreeg, wat er met zijn +vriend<br> +en hem het laatste jaar was gebeurd; hij sprak van hunnen zucht +naar<br> +arbeid en vrijheid, van hunne vlucht, van den schipper, van +Thorhout,<br> +van den langen, bangen zwerftocht door stad en dorp, over heide +en<br> +bosch.<br> +<br> +De rijke koopman weende. «Gij blijft bij mij, sprak hij, ik +zal voor u<br> +zorgen.»<br> +<br> +Intusschen had hij het zeer druk; zijn huis moest hij doen opbouwen +en<br> +zijne uitgebreide zaken nazien.<br> +<br> +Klaas en Jan bleven in zijnen dienst; de eerste hielp de +metselaars,<br> +want het afgebrande, houten huis werd door een steenen woning +vervangen;<br> +de tweede deed boodschappen voor den koopman, die handel in laken +dreef<br> +en aan talrijke wevers der stad arbeid verschafte.<br> +<br> +Twee jaar later, toen de ramp volledig was hersteld, riep de +dankbare<br> +heer de jongelingen tot zich en vroeg hun, welke plannen zij voor +de<br> +toekomst vormden.<br> +<br> +Klaas wenschte metselaar, Jan wolwever te worden.<br> +<br> +De koopman keurde dit besluit goed en deed Klaas bij eenen +metselaar,<br> +Jan bij eenen wolwever in de leer.<br> +<br> +Zijn edel werk werd met goeden uitslag bekroond. De jongelingen<br> +onderscheidden zich door ijver en werkzaamheid en de brave man had +het<br> +geluk zijne beschermelingen waardige poorters der stad Yperen te +zien<br> +worden.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a32">32.--Koophandel en Nijverheid.<br> +Wie heeft bij het lezen van het voorgaande verhaal niet gezeid, dat +het<br> +lot der arme hoorigen niet zelden beklagenswaardig was?<br> +<br> +Evenals Jan en Klaas verlieten vele dezer lieden het platte land +om<br> +elders een waardiger en rustiger bestaan te zoeken.<br> +<br> +De eerste mensch, die aan onze jonge vrienden de behulpzame +hand<br> +reikte, was een schipper; want reeds in de X<sup>de</sup> en +XI<sup>de</sup> eeuw werden<br> +de waterwegen in ons land druk bevaren; hout, schors, steenen, +graan,<br> +wol, vlas, wijn, vervoerde men op de Yperlee, den Yzer, de Lei, +de<br> +Schelde, de Durme, de Dijle, de Maas en den Rijn; plaatsen, die aan +den<br> +oever van eene rivier, aan eenen inham van het water, aan de<br> +samenvloeiing van twee bevaarbare rivieren gelegen waren, trokken +de<br> +bevolking tot zich.<br> + +<p><img alt="" border="0" src="schipderxiideeeuw.png" width="536" +height="456"> +<p>[Schip der XII<sup>e</sup> eeuw.]<br> +<br> +Aldus zien wij, dat onze vrienden het dorp Gaver vluchtten, Gent +en<br> +Brugge bezochten.<br> +<br> +Vroeger leerden wij, dat deze twee plaatsen reeds in de +X<sup>de</sup> en<br> +XI<sup>de</sup> eeuw zeer belangrijk waren, doch hoewel er reeds +talrijke<br> +handelaars en ambachtslieden woonden, trof men er als in de steden +van<br> +onzen tijd geene schitterende winkels, groote magazijnen of +fabrieken<br> +aan; de ambachtslieden werkten tehuis en de voortbrengselen van +hunnen<br> +arbeid werden niet zelden ter markt verkocht.<br> +<br> +Geruimen tijd was de voornaamste jaarmarkt van ons land, die +van<br> +Thorhout, waar Klaas en Jan eenige weken doorbrachten.<br> +<br> +De kooplieden, allen goed gewapend, reisden in troepen of +karavanen,<br> +want de wegen waren onveilig, struikroovers talrijk en sommige<br> +edellieden schaamden zich niet de karavanen aan te randen, ze tol +te<br> +doen betalen, aan de reizigers goud, juweelen, paarlen te ontstelen +en<br> +de kooplieden of hunne dienaars te dooden.<br> + +<p><img alt="" border="0" src="wagen.png" width="426" height="197"> +<p>[Wagen der XIII<sup>e</sup> eeuw.]<br> +<br> +De graven van Vlaanderen, de bisschoppen van Luik trachtten die<br> +misbruiken uit te roeien; roovers, al waren het ook edellieden +werden<br> +gevangen genomen en--naar de gebruiken van dien tijd,--met den +dood<br> +gestraft.<br> +<br> +Nu werd ons land rustig, de wegen werden veilig en de handel +bloeide.<br> +<br> +Fransche en Duitsche wijnen werden hier aangebracht, verkocht of +naar<br> +Engeland verzonden, en hetzelfde gebeurde met de specerijen der<br> +Italiaansche kooplieden.<br> +<br> +Keeren wij echter tot ons verhaal terug. Van Thorhout begaven zich +onze<br> +twee vrienden naar Yperen.<br> +<br> +In 1073 telde deze stad reeds twee groote kerken en duizenden +inwoners.<br> +Evenals te Brugge en te Gent was de lakenhandel er zeer +belangrijk.<br> +<br> +De beschermer van Jan en Klaas was koopman in laken en de man was +zóó<br> +rijk dat, toen zijn houten huis was afgebrand, hij zich eene +steenen<br> +woning kon doen bouwen, hetgeen in dien tijd zeker geene +kleinigheid<br> +was.<br> +<br> +In die lang vervlogen eeuwen was het uitoefenen der ambachten niet +vrij.<br> +<br> +Zoo bij voorbeeld moest men om leder te mogen maken noodzakelijk +tot de<br> +nering der huidevetters behooren; de leden van het ambacht der +smeden<br> +alléén mochten ijzer bewerken en, om het truweel te +hanteeren, moest men<br> +tot de metselaarsnering behooren. Om in een ambacht opgenomen te +worden<br> +als gezel moest men 21 jaar oud zijn, den katholieken +godsdienst<br> +belijden en gedurende verscheidene jaren bij eenen baas of +meester<br> +gewerkt hebben. Om baas of meester te worden moest men alweer +gedurende<br> +lange jaren arbeiden en een meesterstuk vervaardigen.<br> +<br> +De werkuren waren voor elk ambacht bepaald, niemand mocht tegen<br> +verminderden prijs of buiten den gestelden tijd arbeiden.<br> +<br> +Gemeenlijk bewoonden de ambachtslieden, die een zelfde bedrijf<br> +uitoefenden, dezelfde straat of wijk der stad, vandaar de namen +van<br> +Ketelvest, Huidevettershoek, Kalanderstraat, enz.<br> +<br> +De koopwaren werden eerst door overheden gekeurd, deze stelden er +den<br> +prijs van vast, daarna werden zij uitgestald op de openbare markten +of<br> +in groote gebouwen, <i>Hallen</i> geheeten. De hallen van Yperen +vormen een<br> +der schoonste gebouwen van ons land.<br> +<br> +Elke koopman had daar zijne afgepaste en genummerde plaats, waar +zijn<br> +toog of kraam stond, maar het was streng verboden de koopers te +roepen,<br> +en vooral hen te bedriegen.<br> +<br> +In vele steden: Yperen, Gent, Brugge was de nering der +lakenhandelaars,<br> +zooniet de voornaamste, dan toch een der voornaamste.<br> +<br> +Vlaamsch laken was zoo degelijk en schoon, dat men het overal in +Europa,<br> +zelfs tot in Azië verkocht.<br> +<br> +<br> +<p id="a33">33.--Eene Klokkenvertelling.<br> +Op zekeren avond, vergastte ons grootmoeder op de volgende +vertelling:<br> +<br> +«Elk jaar, op Witten Donderdag, zegt men, verlaten de klokken +der torens<br> +hunne hooge verblijfplaatsen, om naar Rome te vliegen en er den +zegen<br> +van den Paus te ontvangen. Op den avond vóór Paschen +keeren zij naar<br> +huis terug, onderweg gekleurde eieren strooiende als geschenk aan +de<br> +brave kinderen van hun vaderland.<br> +<br> +Op zekeren Goeden Vrijdag van het jaar 1250 reisden hoog, zeer hoog +in<br> +de lucht, drie klokken naast elkander.<br> +<br> +«Ik behoor tot eene abdij, sprak de oudste en bewoon het +zonnige Zuiden;<br> +sedert honderd jaar roep ik de vrome abten tot het gebed of tot +den<br> +arbeid.<br> +<br> +Op feestdagen laat ik mijne stem helder en frisch door de lucht<br> +weergalmen, en van tijd tot tijd melden mijne trage, treurige +klanken<br> +aan de menschen, dat een hunner broeders het tijdelijke met het +eeuwige<br> +heeft verwisseld.»<br> +<br> +«En ik, sprak de tweede klok, kom uit een trotschen, +dreigenden burcht,<br> +die zich op eene hooge rots, aan den linkeroever van den Rijn +verheft.<br> +Mijn heer en meester is een krijgsman, een hertog, wien +honderden<br> +hoorigen gehoorzamen. Hij erfde den toren, mijne verblijfplaats, en +den<br> +burcht, die er zich onder bevindt, van zijne voorouders, die, +evenals<br> +hij, roemrijke krijgslieden waren.<br> +<br> +Zijn overgrootvader ontving van den keizer brieven van adeldom; +mijn<br> +meester erfde die en bewaart ze in den toren, daarbij bezit hij +een<br> +zegel, een blazoen en eene kostbare wapenrusting.<br> +<br> +Woeste aanvallen van wreede krijgslieden heb ik in mijn slot +beleefd,<br> +roemrijke steekspelen heb ik er bijgewoond.»<br> +<br> +«En gij» sprak de klok tot de derde reisgenoote, die, +ofschoon veel<br> +grooter dan de twee andere nog steeds een bescheiden stilzwijgen +had<br> +bewaard «vanwaar komt gij en hoe is uw naam?»<br> +<br> +En donderend, zoodat berg en dal er van dreunden, klonk het +eensklaps<br> +uit den bronzen mond der reizende klok:<br> +<br> +"Roelandt, Roelandt, als ick kleppe, dan ist brandt.<br> +Als ick luy, dan ist storm in Vlaenderlandt."<a class="c4" href= +"#vijfentwintig">[25]</a><br> +<br> +Verschrikt stoven de twee klokken op zijde, maar de +aangesprokene<br> +vervolgde:<br> +<br> +«Vreest niet, vriendinnen, want alhoewel heden groot en +machtig, ben ik<br> +van nederigen oorsprong. Ik werd niet in het leven geroepen door +een<br> +machtigen hertog, maar door noeste werkers, ambachtslieden, die +mij<br> +liefhebben als het licht hunner oogen.<br> +<br> +Als woonplaats bouwden zij mij tusschen hunne houten en steenen<br> +woningen, een hoogen, slanken toren, versierd met een koperen,<br> +glinsterenden draak, zinnebeeld der vrijheid. Dien toren noemen wij +het<br> +Belfort.»<br> +<br> +«Bij ons, aan den voet van den burcht, ondernemen de hoorigen +niets<br> +zonder de toestemming van hunnen heer» sprak de klok uit de +Rijnlanden.<br> +<br> +«Wij zijn niet meer aan den grond verbonden, wij mogen naar +goeddunken<br> +koopen en verkoopen, reizen en handel drijven, goederen bezitten, +er<br> +vrij over beschikken en een anders goed erven.<br> +<br> +In stede van cijnsbaar te wezen naar willekeur des heeren, betalen +wij<br> +eerst dan buitengewone belastingen en schattingen als wij er +vrijelijk<br> +in toegestemd hebben.<br> +<br> +Wij benoemen zelven onze meesters.»--«Staat dat alles +wel geschreven,»<br> +onderbrak de klok uit den burcht, op ongeloovigen toon?<br> +<br> +«Zonder twijfel, hernam de fiere Roelandt, en dat nog wel +op<br> +perkamenten, die wij bewaren in ijzeren koffers met verscheidene +sloten,<br> +in de geheimkamer van het Belfort. Die perkamenten noemen wij +keuren,<br> +handvesten, charters, voorrechten. Wij ontvingen of kochten die +van<br> +onzen vorst, die gezworen heeft, ze te zullen +eerbiedigen.»<br> +<br> +«Zijt gij rijk,» sprak de klok der abdij?<br> +<br> +«Voorzeker, antwoordde Roelandt, en wij hebben eene kas, +waarin wij onze<br> +penningen bewaren, een zegel, eene banier. Onze rijkdommen echter +hebben<br> +wij niet bekomen door deelname aan roemrijke veldtochten, maar +door<br> +arbeid, vlijt en volharding.»<br> +<br> +«Dat alles is heel schoon en goed, antwoordde de klok uit de +Rijnlanden,<br> +maar, indien gij enkel voor arbeid leeft, wat doet gij dan, als gij +met<br> +uwen heer in onmin geraakt, als vijanden u aanranden, als +gewapende<br> +benden uwe schatten, uwe woningen, uwe vrouwen en kinderen +bedreigen?»<br> +<br> +«Stel u gerust, wij vormen onder elkander, broederschappen of +gilden,<br> +wier leden zich oefenen in het hanteeren van hand-, kruis-, +voetboog en<br> +andere wapenen.<br> +<br> +Zoodra ons eenig gevaar bedreigt, luid en roep ik uit al mijne +macht; de<br> +poorters verlaten hunne bezigheden, loopen te wapen, scharen zich +rondom<br> +onze banier en verweeren zich dapper tegen den vijand.»<br> +<br> +«Is uwe verblijfplaats, evenals de burcht van mijnen heer, +door muren,<br> +poorten, torens of diepe grachten omgeven?»<br> +<br> +«Dat is zij, sprak de machtige Roelandt, maar, hoe stevig die +muren, hoe<br> +zwaar die poorten, hoe hoog die torens ook zijn, ik beheersch ze +alle en<br> +de landlieden, die uren ver, in den omtrek op den harden grond +zwoegen,<br> +begroeten het Belfort als het zinnebeeld der vrijheid.»<br> +<br> +«Bezit gij ten uwent ook bedehuizen en zijt gij den +Godsdienst<br> +verkleefd?» vroeg de klok der abdij, die zich tot hiertoe +heel weinig in<br> +het gesprek had gemengd.<br> +<br> +«Wij bezitten heerlijke kerken, antwoordde Roelandt, schier +alle zijn<br> +juweelen van kunst en goeden smaak; daarbij heeft elke onzer +neringen,<br> +haren patroon, hare kapel, haren bijzonderen feest-of heiligdag. +Zie,<br> +vriendin, ik wenschte wel dat gij ten onzent een godsdienstigen +ommegang<br> +kondet bijwonen. Al onze neringen, en wij tellen er meer dan +vijftig,<br> +onze gilden met vlaggen, wimpels, banieren, nemen er deel aan, en +zich<br> +tot de klok uit de Rijnlanden wendend, vervolgde zij:<br> +<br> +«Ook de graven van Vlaanderen vereeren wij op dergelijke +wijze.»<br> +<br> +«Als zij van een roemrijken veldtocht wederkeeren» +vroeg de klok?<br> +<br> +«Neen, neen, als zij hunne intrede doen in hunne goede stad, +als wij hun<br> +de sleutels der poorten aanbieden, als edellieden, poorters,<br> +ambachtslieden hun te gemoet gaan en....»<br> +<br> +«Gij eerbiedig en gedwee voor uwen wettigen vorst +nederbuigt?» vroeg de<br> +klok der abdij.<br> +<br> +«Neen, dat niet, vervolgde Roelandt, als wij den plechtigen +eed<br> +aanhooren, die onze heer bij dergelijke gelegenheden zweert:<br> +<br> +Onze duurgekochte vrijheden te handhaven en te +eerbiedigen.»<br> +<br> +«Dat moet schoon en plechtig wezen, zuchtte de klok der +Rijnlanden. Het<br> +spijt mij, vriendin, zulk een feest niet te kunnen bijwonen; maar +ik zal<br> +in mijn vaderland verkonden, fiere Roelandt, wat gij mij hebt<br> +medegedeeld; alle volkeren hebben er belang bij te weten, wat het +vrije<br> +Vlaanderen tot stand heeft gebracht.»<br> +<br> +De klokken namen afscheid van elkander. Roelandt vloog naar +hare<br> +geboorteplaats en ter gelegenheid van het Paaschfeest, als +duizenden<br> +poorters in feestgewaad, zich aan den voet van het Belfort in +de<br> +schilderachtige straten verdrongen, als, in de prachtige bedehuizen +in<br> +gouden vaten, de wierook walmde en dankgebeden ten hemel stegen, +zong<br> +zij hoog in den machtigen toren:<br> +<br> +"Roelandt, Roelandt, als ick kleppe, dan ist brandt.<br> +"Als ick luy, dan ist storm in Vlaenderlandt!"<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a34">34.--De Gemeenten.<br> +Roelandt, de groote, machtige klok werd gegoten in het begin +der<br> +XIV<sup>de</sup> eeuw en eenige jaren later gehangen in het Belfort +van Gent.<br> +<br> +Met rechtmatige fierheid mocht zij zeggen, dat zij, uit hare +hooge<br> +verblijfplaats, op eene schoone en bloeiende landstreek, op +eene<br> +werkzame en vrijheidslievende bevolking nederzag, want, in de +XIII<sup>de</sup><br> +en XIV<sup>de</sup> eeuw hadden onze voorouders, door groote vlijt, +inspanning<br> +en taai geduld, het vroeger zoo barre Vlaanderen tot den tuin van +België<br> +gemaakt, woeste heiden, droge zandvlakten, kille moerassen hadden +zij in<br> +weiden en velden herschapen, ontelbare kanalen gegraven en +dijken<br> +aangelegd, terwijl zij, in hunne dichtbewoonde steden, leder, +wol,<br> +hennep, vlas, hout, koper, ijzer, steen bewerkten.<br> +<br> +In dien tijd was Gent reeds geklommen tot den rang van gemeente, +en,<br> +onze lezers, die de klokkenvertelling met eenige aandacht lazen, +zullen<br> +spoedig vinden waarom.<br> +<br> +Ten einde hunne nasporingen gemakkelijk en het onthouden ervan +mogelijk<br> +te maken, zullen wij het vroeger geleerde aldus samenvatten:<br> +<br> +De steden hadden het recht zelven hare zaken te besturen, zij kozen +hare<br> +stedelijke magistraten, onderhielden een leger. Elke stad was +ommuurd,<br> +bezat een belfort, eene groote klok, en had net als de edellieden +een<br> +blazoen en een zegel.<br> +<br> +Jegens den heer had de stad zekere verplichtingen; zij moest +hem<br> +behulpzaam zijn bij de verdediging van den grond, bij het +uitoefenen van<br> +het gerecht en hem in sommige gevallen met geld bijstaan.<br> +<br> +De steden die dergelijke voorrechten verkregen, noemde men +gemeenten.<br> +<br> +De poorters bezaten: 1° de persoonlijke vrijheid, 2° +staatkundige<br> +rechten en 3° roemrijke zinnebeelden hunner +onafhankelijkheid.<br> +<br> +In de Middeleeuwen waren in ons land talrijke gemeenten en sommige +waren<br> +zeer oud, doch vele perkamenten, keuren, voorrechten zijn in den +loop<br> +der eeuwen verloren gegaan.<br> +<br> +Met zekerheid echter weet men, dat Boudewijn VI, graaf van +Henegouwen en<br> +Vlaanderen, reeds in 1068 aan de gemeente Geeraardsbergen eene +vermaarde<br> +keure gaf, die verklaarde dat, al wie zich in de stad vestigde, +geen<br> +hoorige, maar vrije zou wezen. Zij verleende daarenboven aan de<br> +inwoners nog talrijke andere voorrechten.<br> +<br> +Waren de groote leenheeren wellicht vrienden en beschermers der<br> +gemeenten?<br> +<br> +Eenigen verdienden wel dien naam, daarom ook schrijven wij hem +hier<br> +dankbaar neer.<br> +<br> +Filips van Elzaten, graaf van Vlaanderen, breidde de voorrechten +uit,<br> +die Gent, Brugge, Veurne, Oudenaarde reeds bezaten en gaf nieuwe +keuren<br> +aan Damme, Aalst, Duinkerken. Meest al deze keuren zijn in het +Dietsch<br> +of Nederlandsen opgesteld. Filips begunstigde den handel, liet<br> +verscheidene vaarten graven en bekwam van Duitschlands keizer, +talrijke<br> +voorrechten voor de Vlaamsche kooplieden, die op den Rijn, +handel<br> +dreven.<br> +<br> +Boudewijn van Konstantinopel, dezelfde, die zich in de +kruistochten<br> +onderscheidde, schonk talrijke voorrechten aan de gemeenten en +zijne<br> +dochters Johanna en Margaretha volgden het voorbeeld van haren +vader.<br> +<br> +Ook in Luik en Brabant leefden vorsten, die de ontwikkeling der<br> +gemeenten bevorderden.<br> +<br> +In verdere verhalen zullen wij ze leeren kennen, want eerst moeten +wij,<br> +naar aanleiding van de <i>Klokkenvertelling</i>, nog eenige +opmerkingen<br> +maken.<br> +<br> +De machtige Roelandt zeide niet zonder reden, dat de landlieden +uren ver<br> +in den omtrek, met liefde het hooge Belfort begroetten.<br> +<br> +Hoe rijker de steden werden, hoe hooger het cijfer der bevolking +klom,<br> +hoe grooter ook hunne behoeften waren en hoe bloeiender de veeteelt +en<br> +de landbouw moesten worden.<br> + +<p><img alt="" border="0" src="gentschepoorter.png" width="179" +height="530"> +<p>[Gentsche Poorter (Steenen beeld).]<br> +<br> +Ten einde de bevolking van het platte land te beletten zich meer en +meer<br> +naar de steden te begeven, waren de heeren verplicht aan hunne +hoorigen<br> +vrijheden te schenken, zoodat het leven der landlieden +aanmerkelijk<br> +beterde en de meeste dorpen werden ontvoogd.<br> +<br> +De gemeentevrijheden van ons land werden in den vreemde +hooggeschat; de<br> +wetten en gebruiken van eenige onzer steden werden +«voorbeelden» voor de<br> +Fransche steden, terwijl de invloed der Vlaamsche en +Brabantsche<br> +gemeenten zich in Zeeland en Holland gelden deed.<br> +<br> +<br> +<p id="a35">35.--Kapitein Lorenzo en zijne reis naar Brugge.<br> +Op een morgen der maand April verliet een groot koopvaardijschip +de<br> +haven van Venetië in Italië.<br> +<br> +De saamgestroomde menigte zond het als afscheidsgroet een +aanmoedigend<br> +«addio»<a class="c4" href="#zesentwintig">[26]</a> achterna en +het scheepsvolk beantwoordde dien groet, zoo<br> +lang en zoo ver het maar kon.<br> +<br> +De zuiderzon goot hare milde stralen over de kabbelende golfjes +der<br> +blauwe zee, witte meeuwen scheerden de oppervlakte van het heldere +water<br> +en langzaam, zeer langzaam voer eene kleine gondel uit de haven +naar de<br> +stad terug.<br> +<br> +In die gondel zaten eene oude dame en een jong meisje, wier +rijke<br> +kleederdracht genoegzaam aanduidde, dat zij tot eene voorname +familie<br> +behoorden.<br> +<br> +De oude dame hield het hoofd gebogen en wischte van tijd tot tijd +met<br> +een kanten doek de tranen af, die langzaam over hare wangen +vloeiden.<br> +<br> +Ook de jonge dame scheen geweend te hebben, doch zij deed zich +geweld<br> +aan om hare tranen te bedwingen en sprak met zoete, streelende +stem:<br> +<br> +«Troost u, lieve moeder, onze Lorenzo volbracht reeds zoovele +reizen op<br> +zee! Telkenmale keerde hij ongehinderd tot zijne moeder en +zuster<br> +terug.»<br> +<br> +«Tot hiertoe voer Lorenzo enkel op de Middellandsche zee, +heden<br> +onderneemt hij eene reis naar het verre Noorden, die reis schrikt +mij<br> +af, Lenora, zij zal lang duren, want in de afgelegen streken, die +Lorenzo<br> +bezoeken zal, is de winter streng en mistig, hevige orkanen woeden +er op<br> +den Oceaan, zij beletten de schepen naar huis terug te keeren en ik +ben<br> +oud en ziekelijk, wie weet of ik Lorenzo nog zal +wederzien.»<br> +<br> +Lorenzo was de kapitein van het groote koopvaardijschip, dat zoo +juist<br> +Venetië had verlaten om de havens der Noord-en Oostzee te +bezoeken;<br> +Lenora was zijne zuster, Dona Maria zijne moeder.<br> +<br> +«De tijd vliegt zoo spoedig voorbij, troostte Lenora, alle +dagen moeder,<br> +zullen wij bidden voor den afwezige, heel dikwerf zullen wij ter +kerke<br> +gaan, aalmoezen uitreiken aan de arme lieden, zieken bezoeken,<br> +bedroefden vertroosten en intusschen met moed en betrouwen, +Lorenzo's<br> +terugkomst verbeiden.»<br> +<br> +Dona Maria schudde het hoofd, veegde nogmaals hare tranen af en, +daar<br> +beide dames hare woning genaderd waren, stapten zij aan wal.<br> +<br> +Helaas ... dagen, weken, maanden vervlogen en het groote +Venetiaansche<br> +schip, met den jongen, moedigen kapitein Lorenzo keerde niet +weder.<br> +<br> +Elken dag, 's morgens, 's avonds begaven Dona Maria en hare dochter +zich<br> +naar de haven, hopende op de terugkomst van haren lieveling, doch +zij<br> +vernamen enkel onrustwekkende tijdingen.<br> +<br> +Bruingebrande zeelieden verhaalden van hevige stormen, die de +kusten van<br> +Spanje, van Frankrijk, van Vlaanderen teisterden, van +Italiaansche<br> +schepen, die door de golven verzwolgen of door stranddieven +waren<br> +geplunderd, maar van kapitein Lorenzo, van het groote +Venetiaansche<br> +schip wisten zij niets ... niets.<br> +<br> +Het nieuwe jaar brak aan, de lentebloemen ontloken en verwelkten, +de<br> +zomer kwam in het land en moeder en dochter verloren hare laatste +hoop,<br> +toen, op zekeren namiddag der maand Augustus eene blijde mare zich +door<br> +de stad verspreidde; het langvermiste schip was de haven +binnengeloopen,<br> +kapitein Lorenzo en zijne manschappen waren in leven, weldra zouden +zij<br> +aan wal stappen en vrienden en magen begroeten.<br> +<br> +Dona Maria en Lenora weenden van ontroering, en, o zalige +stond!<br> +Lorenzo, de langverbeide zoon, de teergeliefde broeder zag zijne +moeder<br> +en zuster terug.<br> +<br> +Angst en lijden werden vergeten om plaats te maken voor de vreugde +van<br> +het blijde wederzien.<br> +<br> +Lorenzo wist zooveel te vertellen over de reis, die zoo lang +geduurd en<br> +zoo vol afwisseling was geweest.<br> +<br> +Drie weken lang waren wind en weder het groote koopvaardijschip +gunstig<br> +geweest, maar, na dien tijd werd het, in de wateren van de golf +van<br> +Gasconje en in die van het Kanaal herhaaldelijk door hevige +stormen<br> +overvallen, zoodat het averij leed, herstellingen noodig had<br> +eer het de eigenlijke plaats zijner bestemming, de groote +handelsstad<br> +Brugge bereikte.<br> +<br> +Hier had het schip zijne lading afgezet, maar, daar het schoone<br> +jaargetijde voorbij was, moesten kapitein Lorenzo en de bemanning +te<br> +Brugge overwinteren, om zich eerst in de lente weer op zee te +begeven.<br> +<br> +Op zijne reis had kapitein Lorenzo vele wonderlijke zaken +ontmoet,<br> +volkrijke steden, heerlijke gebouwen, schilderachtige +kleederdrachten<br> +aanschouwd, het liefst echter sprak hij over Brugge, de rijke +fiere<br> +stad, die hij als de meeste zijner landgenooten, het Venetië +van het<br> +Noorden noemde.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a36">36.--Brugge.<br> +Brugge, zeide Lorenzo, had heerlijke straten met fraaie gebouwen +en<br> +schilderachtige huizen, waarvan vele op het water zagen. Die stad +telde<br> +prachtige bedehuizen, fiere torenspitsen en duizenden inwoners.<br> +<br> +Zij was door een kanaal verbonden met de naburige stad Damme, die, +door<br> +eene golf met de Noordzee in verbinding stond.<br> +<br> +Brugge, dat ongeveer halverwege tusschen de straat van Gibraltar en +de<br> +Baltische zee gelegen was, ontving koopwaren uit Brittanje, +Noorwegen,<br> +Denemarken, Zweden, Rusland, Hongarije, Duitschland, Frankrijk, +Spanje,<br> +Portugal, Italië, Konstantinopel Jeruzalem, Egypte.<br> +<br> +Het Noorden zond er hout, leder, pelterijen, gedroogde visch;<br> +Brittanje, wol, lood, tin; het Oosten, goud en zilver; +Duitschland,<br> +graan, ijzer, wijn; Frankrijk, wijn en zout; de Zuiderlanden, +gedroogde<br> +vruchten, zijde, kwikzilver; Afrika en Azië, suiker, peper, en +andere<br> +specerijen, artsenijplanten, rijst, katoen, aluin; Italië +bracht er<br> +zijden en fluweelen stoffen, juweelen, schoone wapens.<br> + +<p><img alt="" border="0" src="hanzeschip.png" width="464" height= +"491"> +<p>[Hanzeschip der XIV<sup>e</sup> eeuw.]<br> +<br> +Te Brugge zeilden honderden schepen de haven binnen. In die stad +werden<br> +de eerste verzekeringsmaatschappijen opgericht; de naam +«beurs» is te<br> +Brugge ontstaan.<br> +<br> +De hanze<a class="c4" href="#zevenentwintig">[27]</a> van Londen werd door +Bruggenaars gesticht en door<br> +Bruggenaars bestuurd. Wisselbrieven waren al vroeg te Brugge +bekend.<br> +<br> +De burgemeester der stad was eene aanzienlijke persoonlijkheid, die +met<br> +vorsten briefwisseling hield.<br> +<br> +De overheid deinsde voor geene opoffering terug om den bloei der +stad te<br> +bevestigen.<br> +<br> +Brugge bezat eene groote loskraan, consulaten, geplaveide +straten,<br> +riolen, eene heerlijke waterleiding, badplaatsen of stoven; er +woonden<br> +ook verscheidene geneesheeren.<br> +<br> +De haven en het kanaal van Damme waren goed onderhouden; de groote +sluis<br> +dezer laatste stad was een bewonderenswaardig werk, evenals de<br> +overwelving der Reye, die in een dok veranderd was.<br> +<br> +Alle wijken der stad waren voorzien van drinkwater, dat in rood +koperen<br> +buizen vloeide; er bestonden openbare pompen en fonteinen.<br> +<br> +De Brugsche ambachtslieden en kunstenaars vervaardigden allerlei +nuttige<br> +en mooie voorwerpen en om zijne woorden door bewijzen te staven, +liet<br> +kapitein Lorenzo door een bediende de geschenken brengen, die hij +uit<br> +Brugge voor zijne dierbaren had medegebracht.<br> +<br> +Voor zijne zuster fraaie juweelen en een heerlijk geborduurd kleed; +voor<br> +zijne moeder een schoon gebedenboek versierd met mooie +penteekeningen en<br> +voorzien van een kunstig bewerkt slot in gedreven zilver.<br> +<br> +Dona Maria en Lenora konden hare oogen niet gelooven; +overgelukkig<br> +dankten zij den jongen kapitein en luisterden nog uren lang naar +de<br> +heerlijke beschrijving van Brugge, de wereldstad der +XIII<sup>de</sup> en<br> +XIV<sup>de</sup> eeuw.<br> +<br> +<br> +<p id="a37">37.--Een Dichter.<br> +Het was nacht. Bij een smokend lampje, in een kleine woning van +het<br> +stadje Damme, zat, in diepe gepeinzen verzonken, een man, die, bij +den<br> +eersten aanblik, in de volle kracht des levens scheen te zijn.<br> +<br> +Vóór hem, op eene schrijftafel, lag eene rol +perkament, waarop hij, van<br> +tijd tot tijd, eenige regels neerschreef.<br> +<br> +Daarna legde hij de pen neder, liet het hoofd op de vlakke hand +zakken<br> +en sprak tot zich zelven:<br> +<br> +«Arme Jakob, uw werk vordert niet, uwe denkbeelden zijn +verward, uw<br> +stijl is gedwongen ... waarom dag en nacht arbeiden, uwe rust, +uwen<br> +zielevrede aan de dichtkunst opofferen? Geniet de genoegens van +het<br> +leven, vermaak u bij spel en dans, verlustig u in de lieve natuur, +in<br> +stede van, arme droomer, uwen geest af te matten en uw gansche +leven aan<br> +de studie te wijden.»<br> +<br> +Een traan rolde over de wangen des dichters; hij las nog eens de +verzen<br> +over, die hij daareven neerschreef, greep het perkament met beide +handen<br> +en gooide het, als wanhopig, in een hoek der kamer.<br> +<br> +Toen werd het zóo stil, zóo stil, dat men het zachte +geritsel vernam van<br> +de groene linde die, voor het huis, in den zoelen zomernacht, +den<br> +balsemgeur van hare duizenden bloempjes verspreidde.<br> +<br> +Het lamplicht verbleekte en een zachte glans, voorbode van den<br> +naderenden dag, vervulde de kamer.<br> +<br> +Jakob bemerkte er niets van en bleef in zijne mijmering verdiept, +toen<br> +eensklaps, rein als zilver, helder als de ontluikende dag een<br> +zoetluidend gezang zijne ooren kwam streelen:<br> +<br> +"Aloëtte, vogel clein,<br> +"Dijn nature is zoet ende rein,<br> +"So es dijn edel sanc,<br> +"Daar dient u met den Here allein<br> +"Te love om sinen danc."<br> +<br> +«Het herderinnetje leidt hare kudde naar de weide,» +sprak de dichter,<br> +«straks zal de landman zich naar het veld begeven, de +Vlaamsche wever<br> +zal zijn getouw laten klapperen.»<br> +<br> +Jakob keek naar buiten en ademde met volle borst de heerlijke<br> +morgenlucht in, die in het gouden licht der opgaande zon over de +vlakte<br> +stroomde.<br> +<br> +Nieuwe zangen troffen zijn oor:<br> +<br> +"Wi willen van den Kerle singen,<br> +"Si dragen eenen langen baert."<br> +<br> +«De Vlaamsche visschers gaan naar zee,» murmelde de +dichter. «Al mijne<br> +broeders hervatten den arbeid, ieder van hen werkt mede aan de +welvaart<br> +van anderen.»<br> +<br> +Hij keerde naar de schrijftafel terug, verdiepte zich in den arbeid +en<br> +schreef:<br> +<br> +"Elken man,<br> +Al en hadde hi gheen groot goet,<br> +Es hi hovesch ende vroet<br> +Van wat lande dat hi si,<br> +Al en ware sin geslachte niet vri,<br> +Ware hi geheten van goeden seden,<br> +Men zouden eren t' allen steden;<br> +Want dieghene is edel allene,<br> +Die hovesche van seden is ende rene."<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a38">38.--Jakob van Maerlant.<br> +In die lang vervlogen eeuwen bracht ons land niet alleen noeste +werkers<br> +maar ook vruchtbare dichters voort.<br> +<br> +Uit de XII<sup>de</sup> eeuw reeds dagteekent: Van den here +Wisselau; in de<br> +XIII<sup>de</sup> eeuw verscheen: Karel en Elegast; omstreeks 1240 +schreef<br> +Diederic van Assenede, klerk van Margaretha van Konstantinopel +de<br> +aandoenlijke geschiedenis van: Floris en Blancefloer en meester<br> +Wilhelmus van Gent, dichtte: Van den vos Reinaerde.<br> +<br> +De dichter, dien wij in het voorgaande verhaal aan onze lezers<br> +voorstelden was Jakob van Maerlant, die in de XIII<sup>de</sup> +eeuw, de stad<br> +Damme bewoonde.<br> +<br> +Een wijze, zeer geleerde professor spreekt over hem ongeveer in +dezer<br> +voege:<br> +<br> +«In stille eenzaamheid, dag aan dag, met onverdroten geduld, +arbeidde<br> +hij aan de zedelijke ontvoogding van ons volk.<br> +<br> +Hij was buitengewoon ontwjkkeld en zijne kennis was verbazend.<br> +<br> +Buiten zijne moedertaal was hij even vertrouwd met het Fransch als +met<br> +het Latijn en met het voornaamste, dat daarin geschreven was. Hij +kende<br> +de natuurleer en het Duitsche recht.»<br> +<br> +In zijnen tijd waren de meeste wetenschappelijke werken in het +Latijn<br> +geschreven, zoodat geringe menschen, die niet konden lezen.<br> +<br> +Van Maerlant besloot voor zijn volk in het Dietsch te schrijven. +Hij<br> +vertaalde in 15000 verzen een Latijnsch boek over natuurkunde en +andere<br> +wetenschappen en noemde het: Der naturen bloeme. Een tweede werk, +dat<br> +hij vertaalde draagt voor titel: de Rijmbijbel en bevat 2700 +verzen.<br> +Zijn Spiegel Historiael, geschiedkundig werk, bestaat uit 7500 +verzen,<br> +doch is ongelukkig niet voltooid geworden.<br> +<br> +Maerlant is een leeraar en weldoener van zijn volk geweest. De +Vlamingen<br> +hebben hem veel te danken, daarom ook verwierf hij den eerenaam +van:<br> +<br> +"Vader der Dietsche dichters."<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a39">39.--Een Verhaal van Lijden en Tranen.<br> +Op eenen Zondag van het jaar 1281, bij het vallen van den avond, +stapte<br> +een Minderbroeder door de straten van Gent en haastte zich merkbaar +om<br> +zijn klooster te bereiken.<br> +<br> +Dien dag toch, had hij het bijzonder druk gehad; arme zieken had +hij<br> +bezocht, geholpen en getroost, aalmoezen ingezameld en, in een +der<br> +talrijke bedehuizen der stad een preek gehouden, die door +honderden<br> +lieden, grootendeels menschen uit den lagen stand, met +buitengewone<br> +vroomheid was aangehoord.<br> +<br> +Broeder Johannes was een volksvriend in den vollen zin van het +woord:<br> +Zoon van een armen weversgezel, had hij zich door studie en +deugd<br> +gevormd, en, als jongeling opgenomen in de orde van den +Heiligen<br> +Franciscus, had hij, als Minderbroeder, zijn gansche leven aan de +armen<br> +en ongelukkigen zijner geboortestad gewijd.<br> +<br> +Streng voor zich zelven, was hij het ook voor de rijke poorters der +stad<br> +en herinnerde hun gedurig de nederigheid en de vrijwillige armoede +van<br> +den zoeten Jezus.<br> +<br> +Broeder Johannes troostte de bedrukten en wist de ellendigen op +te<br> +beuren, zoodat hij op de talrijke gezellen, nederige ambachtslieden +der<br> +stad een grooten zedelijken invloed had verworven.<br> +<br> +De Minderbroeder bereikte de poort van zijn klooster en wilde +er<br> +aankloppen, toen hij eene vrouwelijke gestalte bemerkte, die op +den<br> +kouden grond zat nedergehurkt en de weenende stem vernam van een +kindje,<br> +dat de vrouw met zachte woorden trachtte te sussen.<br> +<br> +«Arm schaapje,» troostte zij, «ongelukkig +Betteken, ween niet zoo<br> +bitter, wij zullen uwen oom terugvinden en die zal ons helpen, want +hij<br> +is zoo goed en liefderijk....»<br> +<br> +Broeder Johannes schrikte; «mijne zuster,» fluisterde +hij ...<br> +«onmogelijk, Veerle bewoont Brugge,» en, de stem +verheffende, sprak hij<br> +tot de vrouw:<br> +<br> +«Sta op, moedertje, en volg mij.»<br> +<br> +Hij klopte aan de kloosterpoort en zoodra men deze voor hem +ontsloot,<br> +leidde hij de bedrukte in de spreekzaal, die verlicht was door +eene<br> +brandende lamp.<br> +<br> +Hij wierp eenen blik op de vreemde en «zuster! arme +zuster!» «broeder, o<br> +broeder, help mij!» klonk het door de kamer.<br> +<br> +Broeder Johannes kon zijne oogen niet gelooven: zijne zuster +Veerle<br> +stond voor hem, bleek en bevend, haar weenend kindje in de +armen.<br> +<br> +Hoe, waarom had zij Brugge verlaten? Waar bevond zich haar +echtgenoot<br> +en wat kwam zij hier doen?<br> +<br> +Eensklaps schenen hare laatste krachten de vrouw te begeven. Zij +sloot<br> +de oogen en zakte buiten kennis in de armen van haren broeder.<br> +<br> +Deze riep om hulp en twee kloosterbroeders brachten de lijdende op +een<br> +bed, legden het kindje naast haar en verzorgden de kranke zoo goed +zij<br> +konden.<br> +<br> +Na een half uur opende Veerle de oogen en kwam tot bezinning. +Haar<br> +broeder bereidde haar een verkwikkenden drank en bracht den heelen +nacht<br> +wakend aan hare sponde door.<br> +<br> +Veerle, de zuster van Johannes, was tot vóór eenige +dagen de gelukkige<br> +echtgenoote geweest van eenen blauwverver, die sedert vijf jaar +te<br> +Brugge gevestigd was.<br> +<br> +Het gezin was niet rijk, maar de werkzaamheid en het voorbeeldig +gedrag<br> +van den man waren voldoende om armoede en ellende op een afstand +te<br> +houden.<br> +<br> +Vóór een paar maanden nog had broeder Johannes zijne +zuster en haren<br> +echtgenoot een bezoek gebracht en zich verheugd over de +eensgezindheid,<br> +die in het gezin heerschte.<br> +<br> +De vrome Minderbroeder verloor zich in gissingen maar, bij het +krieken<br> +van den dag ontwaakte Veerle en voelde zich sterk genoeg om +haren<br> +broeder mede te deelen, wat te Brugge was gebeurd.<br> +<br> +«Sedert geruimen tijd:» sprak zij, was de goede +verstandhouding tusschen<br> +de ambachtslieden en de rijke poorters der stad verbroken.<br> +<br> +Waarom, kon zij, arme onwetende vrouw, niet begrijpen, maar haar +man,<br> +wiens leven vroeger zóó geregeld was, bleef soms tot +laat in den nacht<br> +van huis weg en zijne gezellen, alsook de wevers, vollers en de +leden<br> +van andere neringen, handelden eveneens.<br> +<br> +Weldra weenden te Brugge honderden volksvrouwen om hare +afwezige<br> +echtgenooten. Bange moeders, zusters, echtgenooten, spraken van +oproer<br> +en gevecht, van brand en plundering.<br> +<br> +Helaas! hare vrees was maar al te gegrond: Op zekeren avond werden +de<br> +verbitterde poorters met de ambachtslieden handgemeen, bloed +stroomde<br> +in de straten van Brugge, verscheidene gebouwen werden aan +plundering<br> +prijs gegeven, gewapende benden doorliepen de stad tot laat in +den<br> +nacht.<br> +<br> +Angstig biddend, geknield voor haar kruisbeeld, lag Veerle in +hare<br> +eenzame woning, toen eensklaps de lage deur werd opengestooten en +de<br> +arme blauwverver, gewond, bebloed, de woning binnenstoof.<br> +<br> +«Verberg mij, vrouw,» riep hij wanhopig, maar nog was +Veerle niet<br> +opgesprongen of woedende, met bijlen gewapende mannen, verschenen +in de<br> +woning en wierpen zich op den vluchteling.<br> +<br> +Deze trachtte zich te verdedigen, maar een bijlslag van een +zijner<br> +vervolgers deed hem dood nedervallen vóór de voeten +zijner vrouw.<br> +<br> +Half waanzinnig had Veerle haar kind aan het hart gedrukt, en toen +de<br> +bijlen der moordenaars ook haar bedreigden, was zij, evenals +andere<br> +vrouwen, de stad ontvlucht, waar de vlammen des oproers zoo<br> +onheilspellend flikkerden.<br> +<br> +Zij was steeds voörtgeloopen, menigmaal onderweg gevallen, +maar had zich<br> +weer opgericht onder de slagen van het zweepend noodlot.<br> +<br> +«Naar mijnen broeder te Gent wil ik gaan» had zij +snikkend uitgeroepen<br> +en thans rustte zij in het vreedzame klooster, waar elkeen zich +over<br> +haar scheen te ontfermen.<br> +<br> +Haar broeder boog het hoofd en weende. «Arme zuster! arm, +hulpeloos<br> +volk» zuchtte hij; want hij, die geleerd was en den toestand +der<br> +Vlaamsche gemeenten kende, besefte ten volle de uitgestrektheid +der<br> +ramp, die Brugge had getroffen.<br> +<br> +«Wat stond hem te doen?» Zijne zuster naar Brugge +terugzenden kon hij<br> +niet, haar echtgenoot was dood en broeder Johannes onvermogend.<br> +<br> +Hij dacht aan de talrijke vrienden, die hij te Gent bezat, maar ... +hulp<br> +afsmeeken voor zijne eigene familieleden, neen, dat ging +niet....<br> +<br> +De overste van het begijnhof der stad was eene vrouw, die door +haar<br> +verstand en liefderijk hart, boven anderen uitblonk. Die zou +hij<br> +opzoeken, die zou hem raad geven en zijne arme zuster helpen.<br> +<br> +In den morgen nog verliet hij het klooster der Minderbroeders, +begaf<br> +zich naar het begijnhof en was zoo gelukkig er de overste aan +tes<br> +treffen.<br> +<br> +Hij deelde haar de ramp mede, die Brugge en zijne zuster getroffen +had<br> +en, nauwelijks was zijn treurig verhaal geëindigd of de brave +vrouw<br> +sprak met bewogen stem:<br> +<br> +«Breng de arme bedrukte naar hier, wij zullen haar herbergen, +haar<br> +troosten, haar genezen.»<br> +<br> +Broeder Johannes leidde zijne zuster naar het stille begijnhof. +Langzaam<br> +keerden hare krachten terug en de zoete oogjes, de zachte +liefkozingen<br> +van haar Betteken, verdreven hare wanhoop en schonken haar +levensmoed.<br> +<br> +Dank aan de bescherming der bewoonsters van hare nieuwe +verblijfplaats,<br> +was zij weldra in staat door handwerken in hare behoeften en in die +van<br> +haar dochterje te voorzien.<br> +<br> +De tijd, die alle wonden heelt, stilde ook de smart der +zwaar-beproefde<br> +vrouw en hare stille dankbaarheid zegende den broeder, die haar +en<br> +honderden bedrukten had getroost en geholpen.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a40">40.--Innerlijke Twisten in de Gemeenten.<br> +Laten wij nog eenige oogenblikken stilstaan bij ons verhaal, of +liever,<br> +laten wij trachten het nader te verklaren:<br> +<br> +Schier in al onze gemeenten, was de handel zeer bloeiend en +rijke<br> +kooplieden waren er talrijk. Geruimen tijd waren het alleen de +rijke<br> +poorters, de burgers bij erfenis, de «coomans» die de +stad bestuurden.<br> +<br> +Zij vormden de «poorterij» of poorters bij +uitnemendheid. Dank aan hunne<br> +bekwaamheid, hunne werkzaamheid, hunne volharding verkregen de +gemeenten<br> +hunne voornaamste voorrechten en het waren de «poorters +bij<br> +uitnemendheid» de coomans, die de muren der gemeenten lieten +opbouwen,<br> +hallen en bedehuizen stichtten, straten plaveiden, kanalen deden +graven,<br> +waterleidingen deden overwelven, hospitalen stichtten.<br> +<br> +In den loop der XIII<sup>e</sup> eeuw echter, leefden en arbeidden +naast die<br> +«poorters bij uitnemendheid» de massa der eenvoudige +ambachtslieden en<br> +kleine burgers, die in «neringen» waren vereenigd.<br> +<br> +Deze menschen werden op verre na niet als de gelijken der +«rijken»<br> +behandeld.<br> +<br> +Zij waren wel is waar vrij, verzekerd van de bescherming der +schepenen,<br> +zij genoten de voordeelen, welke de charters aan de gemeenten<br> +gewaarborgd hadden, doch zij mochten geene aanspraak maken op +eenige<br> +deelname in het bestuur hunner stad.<br> +<br> +Dit laatste voorrecht wenschten zij te bezitten, maar zij +veroverden het<br> +niet gemakkelijk. De erfgerechtigden en coomans verdedigden +zich<br> +hardnekkig; zij waren niet zelden verwaand, hoogmoedig en maakten +soms<br> +misbruik van hun gezag.<br> +<br> +Menschen, die met elkander in slechte verstandhouding leven, +slaan<br> +helaas! heel licht over tot geweld; vandaar oproeren, waarbij +burgers<br> +derzelfde gemeente elkanders bloed vergoten en de woningen, de +openbaren<br> +gebouwen, de kerken plunderden of vernielden.<br> +<br> +Verstaat gij thans, hoe Veerle's echtgenoot in Brugge werd +gedood,<br> +waarom zijne arme vrouw naar Gent vluchtte?<br> +<br> +De Minderbroeders, tot welker orde broeder Johannes behoorde,<br> +begunstigden het streven der geringe ambachten, vandaar dat het +volk een<br> +ongemeen groot vertrouwen stelde in deze geestelijken.<br> +<br> +De begijnen vormden eene zusterschap van godvruchtige vrouwen, die +van<br> +haren arbeid leefden; edelmoedige begiftigers bouwden haar<br> +gemeenschappelijke huizen, prinsessen namen ze onder hare +bescherming.<br> +Heden nog bestaan begijnhoven in vele steden van ons land.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a41">41.--Eene Voorspelling.<br> +Er was eens een stroom; een frissche, jeugdige stroom, die eene<br> +schilderachtige landstreek besproeide en onderweg rivieren en +beekjes in<br> +zijnen schoot ontving.<br> +<br> +Hij vloeide door mooie valleien, omzoomd met wilgjes, die zich in +zijne<br> +golven spiegelden of dartelde langs groene wouden, die zich hier en +daar<br> +aan zijne oevers verhieven.<br> +<br> +Zijne machtige armen omstrengelden talrijke eilanden, waarop de +reizende<br> +ooievaars in het najaar rustten, waar bronnetjes murmelden en, in +de<br> +lente, goudgele lischbloemen tusschen het riet ontloken.<br> +<br> +Nu en dan, vloeide hij tusschen hooge rotsen met grillige koppen +en<br> +diepe, met mos begroeide kloven, maar dit laatste beviel hem +weinig; hij<br> +vond, dat de rotsen zijne leden knelden en de vrijheid zijner +bewegingen<br> +beletten.<br> +<br> +Op zekeren nacht, dat de maan helder scheen en het weder bijzonder +zacht<br> +was, vergat de jonge stroom het slapen en speelde verstoppertje met +eene<br> +heldere beek, die gedurig tusschen de rotsblokken van den oever +wegdook.<br> +<br> +Hij achtervolgde haar en bereikte eene fraaie grot, met +kronkelende<br> +gangen, prachtige zuilen, mooie dropsteenen en ziet!... hier +verdwaalde<br> +de jonge stroom en zocht vruchteloos naar eenen uitweg. Hij +werd<br> +ongeduldig, gejaagd en stiet weldra zijne golven met zooveel +geweld<br> +tegen de rotswanden, dat duizenden waterdroppelen, als zoovele +pareltjes<br> +naar omhoog stoven.<br> +<br> +De stroom maakte zulk een geweld, dat de gangen der grot er luid +van<br> +weergalmden en de bewoners harer geheimzinnige vertrekken, in +hunnen<br> +slaap gestoord, kwamen zien wat er gebeurde.<br> +<br> +Tien, twintig, dertig ... misschien wel honderd aardmannetjes, +elk<br> +hunner voorzien van een brandend lampje, daalden van den +steilen<br> +rotswand naar beneden en vroegen den stroom «wat hij +begeerde?»<br> +<br> +«Ik wil er uit! ik wil er uit!» gilde de gevangene, +maar de<br> +aardmannetjes lachten en zeiden, dat zulks vóór +zonsopgang niet mogelijk<br> +was.<br> +<br> +«Stel u gerust, stroompje» spraken zij, we zullen met u +spelen en u al<br> +de wonderen van ons onderaardsch paleis laten zien.»<br> +<br> +«Ik wil niet» antwoordde de stroom.<br> +<br> +«We zullen u mooie sprookjes vertellen» lachte een +aardmannetje en ...<br> +«ik ben de kinderschoenen ontwassen» sprak het fiere +water.<br> +<br> +Eensklaps onstond eene eerbiedige stilte onder de aardmannetjes; +zij<br> +plaatsten zich ordelijk langs den rotswand, namen de roode petjes +van<br> +het hoofd en bogen zoo diep, dat hunne lange, witte baarden den +grond<br> +raakten.<br> +<br> +«De fee! de weldoende fee der onderwereld» fluisterden +de aanwezigen en<br> +zwegen dan weer stil, eerbiedig stil ... stil....<br> +<br> +Eene statige vrouw in ruischende zijde gekleed, verscheen en +groette den<br> +jongen stroom.<br> +<br> +Fonkelende edelgesteenten blonken in hare zwarte haarvlechten, +gouden<br> +banden versierden haar keurslijf en den langen sleep van haar +ruischend<br> +gewaad.<br> +<br> +«Vrees niet, heer ridder,» sprak zij tot den stroom, +«ik zal u<br> +gezelschap houden, u bij het krieken van den dag op de rechte +baan<br> +helpen; bij mijne geboorte schonk mijne meter mij de gave der<br> +voorspelling, wilt gij mij uwe hand reiken? Ik zal in hare lijnen +lezen,<br> +wat de toekomst voor u heeft weggelegd.»<br> +<br> +De stroom bedaarde en reikte de fee zijne opene hand.<br> +<br> +Zij nam ze aan, las er aandachtig in, verdiepte zich langen tijd in +die<br> +lezing en sprak met trage, zachte stem, in tegenwoordigheid der<br> +zwijgende aardmannetjes:<br> +<br> +«Weldra zal een vroom en verstandig man langs uwe oevers +reizen. Hij zal<br> +er een wijd, mooi dal ontdekken, begrensd door heerlijke heuvels +en<br> +talrijke frissche wouden: «Ik wenschte wel hier eene groote +stad te<br> +kunnen aanleggen» zal hij zeggen en, alvorens zijne reis +voort te<br> +zetten, zal hij, in de mooie vallei, eene kapel stichten.<br> +<br> +De fee zweeg en ... «is dat alles» fluisterde de +stroom?<br> +<br> +«Bij lange na niet» antwoordde de fee, «ik zie +zóoveel, zóoveel.<br> +<br> +«Zeg mij nog iets, voorspel mij mijn gansche toekomst» +vroeg de<br> +nieuwsgierige stroom en de fee vervolgde:<br> +<br> +«Rondom de kapel, in het mooie dal, verheffen zich +menschelijke<br> +woningen, geloovige christenen richten en hunne schreden heen. Ik +zie<br> +een heilig man, den bisschoppelijken staf in de hand. Hij +predikt<br> +godsvrucht en broederliefde; aan de grooten der aarde herinnert +hij<br> +hunnen plicht en laakt hun zondig leven.<br> +<br> +Helaas! zulks doet hij niet ongestraft; wreede moordenaars heffen +hunne<br> +bijl tot hem op en koelen hunne wraak in het onschuldig bloed van +den<br> +martelaar.<br> +<br> +Nu zuchten en weenen de menschen aan uwe oevers, jonkheer stroom; +zij<br> +betreuren den man, die een wreeden dood onderging, omdat hij +enkel<br> +«rechtvaardigheid» betrachtte.<br> +<br> +De menschen brengen zijn stoffelijk overschot naar de kapel midden +in<br> +het stille dal, waar het weldra door duizenden bedevaartgangers +wordt<br> +bezocht.<br> +<br> +Jaren en jaren verloopen. Een machtig man, prins en bisschop, laat +in<br> +het dal eene mooie, groote kerk bouwen en er eene stad +aanleggen,<br> +verschanst achter kloeke muren.<br> +<br> +Die stad wordt de zetel van een prins-bisdom met kanunniken, +kloosters,<br> +scholen, monniken en kloosterzusters.<br> +<br> +Langzamerhand vestigden zich handelaars in de bisschoppelijke +stad;<br> +bootslieden brengen er hout en steenen aan, menschelijke +woningen<br> +ontstaan als door tooverslag; ik zie teekenaars, bouwmeesters, +schilders<br> +en andere kunstenaars, die goud, zilver, koper verwerken en de +heilige<br> +vaten der bedehuizen scheppen; ik zie beeldhouwers, die marmer, +arduin,<br> +eikenhout bezielen en naast hen een wriemelenden drom van +nederige<br> +ambachtslieden, leerlooiers, smeden, kopergieters en anderen.<br> +<br> +Hoe talrijk worden die menschen! Ik kan ze niet meer tellen, ze +zijn<br> +levendig van aard, werkzaam, opgeruimd. Zij doorboren de ingewanden +der<br> +heuvels, zoeken er steenen en allerlei ertsen. Eindelijk ontdekken +zij<br> +de zwarte steenkool, nederige brandstof, die hun onschatbare +diensten<br> +bewijst.<br> +<br> +Aan uwe oevers, heer stroom, ontstaan nog andere steden, ik zie<br> +ontelbare lachende dorpen, wijngaarden, boomgaarden, ik bemerk +hooge<br> +torenspitsen, bruggen, marktplaatsen.<br> +<br> +De bevolking groeit aan, de stoffelijke welvaart vermeerdert en gij +zijt<br> +de koning, de vader der heele landstreek.<br> +<br> +De jonge stroom lachte en schudde ongeloovig het met wier en +loof<br> +omkransde hoofd. Ook de bergmannetjes lachten en een hunner spoedde +zich<br> +naar den ingang der grot.<br> +<br> +Weldra echter keerde hij terug en kondigde aan:<br> +<br> +«De nachtster verbleekt, de morgenzon breekt door de nevelen, +de<br> +leeuwrik zingt hoog boven de toppen der rotsen.»<br> +<br> +«Kom met mij» sprak de fee tot den stroom.<br> +<br> +Zij nam hem bij de hand, leidde hem door de heimnisvolle gangen, +door<br> +afgronden en over rotsblokken, tot aan de poort van haar +onderaardsch<br> +verblijf.<br> +<br> +Hier nam zij afscheid en sprak op zachten toon.<br> +<br> +«Vaarwel, heer ridder, leef lang en gelukkig.»<br> +<br> +Eensklaps goot de morgenzon een schat van zilveren starren over +het<br> +donkere harnas van den stroom. De glans, die er van uitging was +zoo<br> +verblindend, dat de oogen der fee die niet verdragen konden en zij +zich<br> +in hare duistere woning terugtrok.<br> +<br> +De stroom echter vloeide verder, hij groette de vlugge hinde, die +aan<br> +zijn helder water, haren dorst kwam lesschen; hij kuste de +slapende<br> +bloempjes wakker en speelde met de zilveren vischjes, die in +zijn<br> +vochtigen schoot zwommen.<br> +<br> +Hij murmelde, hij zong, hij juichte van levensblijheid en vergat +weldra<br> +de schitterende fee en de lachende, goedaardige bergmannetjes +der<br> +onderwereld.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a42">42.--Het Prins-Bisdom Luik.<br> +«Wie toch is de stroom, die zulke tooverachtige avonturen +beleefde?»<br> +vraagt mij eene nieuwsgierige lezeres.<br> +<br> +De Schelde is het niet, die vloeit bijna overal tusschen +lachende<br> +beemden en malsche weiden, die is te kalm en te ernstig om in +grotten te<br> +spelen en voorbij rotsen te dartelen.<br> +<br> +«Is het misschien de Maas?»--«Inderdaad, die telt +hooge rotsen aan hare<br> +oevers, die vloeit door diepe dalen, door heuvels omzoomd; die +is<br> +schilderachtig, romantisch schoon, die besproeit eene landstreek, +die<br> +glinsterende ertsen en gitzwarte kool in haren schoot verbergt.<br> +<br> +Maar, die aardmannetjes met hunne roode petjes en lange, witte +baarden,<br> +die schitterende fee met haar ruischend gewaad, bewonen zij wel +de<br> +grotten, die men in Hoog-België aantreft?<br> +<br> +De geleerden, de wijzen zeggen «neen» de dorpslieden, +vooral de ouden<br> +van dagen beweren «ja». Zij kennen zóovele +sprookjes waarin feeën en<br> +kabouters voorkomen en zijn die niet «waar gebeurd» ze +zijn toch lief en<br> +schilderachtig mooi.<br> +<br> +Willen we maar voor «een keer» onderzoeken of de +voorspelling der fee is<br> +uitgekomen?<br> +<br> +Zoo volgt mij en beantwoordt de vragen, die ik u stellen zal.<br> +<br> +«Waar strekte zich het breede, mooie dal uit, dat, +vóór eeuwen, door den<br> +vromen, verstandigen reiziger werd bezocht?»<br> +<br> +«Dit dal strekt zich uit midden in onze huidige provincie +Luik en ligt<br> +dichtbij de samenvloeiing van Maas en Ourthe.<br> +<br> +De heilige Monulphus, bisschop van Tongeren, naar Dinant +reizende,<br> +bezocht het ten jare 578.<br> +<br> +Hij was het die, getroffen door de schoonheid der landstreek, er +eene<br> +kapel stichtte en voorzag, dat zich hier, in later jaren, eene +mooie,<br> +groote stad zou verheffen.<br> +<br> +«Wie werd er vermoord?»<br> +<br> +De heilige Lambertus, dezelfde die zoo rechtschapen was, dat hij +zelfs<br> +aan de machtigen der aarde hunne ondeugden verwijten durfde.<br> +<br> +Sint Hubertus, opvolger van Lambertus, liet eene mooie, groote +kerk<br> +bouwen op de plaats, waar de heilige martelaar een gewelddadigen +dood<br> +onderging en bracht naar die kerk, het stoffelijk overschot van +Sint<br> +Lambertus over.<br> +<br> +Rondom ontwikkelde zich eene bisschoppelijke stad, met hare kerken +en<br> +torens, hare abdijen, hare talrijke bedehuizen, hare scholen.<br> +<br> +Ziedaar den oorsprong van Luik, heden eene der grootste steden van +ons<br> +land.<br> +<br> +In dien tijd behoorde het grootste deel van haar grondgebied aan +de<br> +geestelijkheid, alsmede vele domeinen, burchten, wouden, abdijen +uit den<br> +omtrek.<br> +<br> +Gedurende de Middeleeuwen, ja veel later nog, bezat de bisschop +van<br> +Luik niet alleen eene geestelijke, maar ook eene wereldlijke<br> +waardigheid. Hij was «prins-bisschop.»<br> +<br> +Waar haalden de menschen de grondstoffen vandaan, noodig tot het +bouwen<br> +der stad Luik?<br> +<br> +In de steengroeven; in de wouden der landstreek vonden de menschen +niet<br> +alleen de noodige grondstoffen, voor het oprichten van +bedehuizen,<br> +abdijen en andere gebouwen, maar, zooals de fee zeide: weldra +bezielden<br> +beeldhouwers arduin en marmer, terwijl zilver-en goudsmeden, +koper-en<br> +bronsgieters menig kunstgewrocht voortbrachten, vooral ter +verfraaiing<br> +der bedehuizen.<br> +<br> +Dit alles echter gebeurde niet op éénen dag, zelfs +niet op een jaar,<br> +maar het duurde vijftig, honderd, tweehonderd en meer jaren.<br> +<br> +Aan wie had de stad Luik hare eerste verfraaiingen te danken?<br> +<br> +Aan bisschop Notger of Notkerus, die in 1008 overleed.<br> +<br> +Notger was een groot man. Hij deed de stad Luik ommuren, liet +schoone<br> +bedehuizen bouwen, kanalen graven, deed de steden Thuin, Fosse +en<br> +Mechelen<a class="c4" href="#achtentwintig">[28]</a> van vestingwerken +voorzien. Sommige edellieden zooals de<br> +heer van Chevremont gedroegen zich als roofzuchtige plunderaars. +Notger<br> +wist ze te bedwingen en deed hunne burchten afbreken.<br> +<br> +Niet alleen de kunst, ook de wetenschap bloeide te Luik; want in +die<br> +stad waren scholen, woonden geleerden, volkomen op de hoogte +der<br> +wetenschap van hunnen tijd.<br> +<br> +Hoei en Dinant bezaten smederijen, die zoo bloeiend waren, dat +onze<br> +voorouders niet genoeg hebbende aan de ertsen van hun vaderland, +ook<br> +aankoopen deden in Duitschland, voornamelijk te Goslar.<br> +<br> +De Dinanteezen, beroemde kopergieters en koperslagers, verkochten +de<br> +voortbrengselen hunner nijverheid en kunst, in Vlaanderen, in +Engeland,<br> +in Frankrijk.<br> +<br> +Te Londen bezaten zij eene afzonderlijke halle en in de +XIV<sup>de</sup> eeuw,<br> +maakte de stad Dinant deel van de Teutonische (Duitsche) hanze.<br> +<br> +Op het gebied van nijverheid en handel was de ontwikkeling der stad +Luik<br> +langzamer, maar het ontginnen der steenkool, het vervaardigen van +wapens<br> +bevorderden weldra den welstand harer inwoners, alsook de<br> +handelsbetrekkingen, die zij aanknoopte met de groote stad +Brugge.<br> +<br> +Vormden de handelaars, de ambachtslieden der Luiksche steden +evenals die<br> +der Vlaamsche en Brabantsche ook neringen, ambachten, gilden? Kan +men<br> +bij de studie der Luiksche geschiedenis, de vorming, de +ontwikkeling der<br> +gemeenten nagaan?<br> +<br> +Zonder twijfel, jammer echter, dat de voorspelling onzer fee juist +daar<br> +eindigt, waar zij het belangrijkst worden moest. We zullen hier +dus,<br> +zonder hare hulp, ons verhaal voortzetten.<br> +<br> +De inwoners der Luiksche gemeenten kregen of eischten al vroeg<br> +burgerlijke rechten.<br> +<br> +In 1198 gaf bisschop Albrecht van Cuyck aan zijne onderdanen +eene<br> +vermaarde keure. Zij bepaalde, dat de woning der burgers +onschendbaar<br> +was, dat de Luikenaar vrij was in persoon en goederen, dat hij aan +geene<br> +schattingen noch gerechtelijke proeven mocht onderworpen, dat hij +niet<br> +mocht aangehouden worden, dan krachtens een vonnis der +Schepenen.<br> +<br> +Denkt nu echter niet, dat het verkrijgen dier voorrechten +gemakkelijk<br> +ging. Heel dikwerf kwamen de bisschop, de hooge geestelijkheid, +de<br> +edellieden, de groote en kleine burgers met elkander in +botsing.<br> +<br> +Dit gebeurde vooral in de XIII<sup>de</sup> en XIV<sup>de</sup> +eeuwen, wanneer, eerst<br> +de rijke burgers, daarna de geringe ambachtslieden, voorrechten +vergden.<br> +<br> +Ik wil u echter niet verontrusten met de beschrijving der ruwe, +bloedige<br> +twisten, die de stad Luik teisterden gedurende de XIII<sup>de</sup> +en XIV<sup>de</sup><br> +eeuwen; ik wil doen, zooals de fee, die van oorlog, brand, moord +en<br> +andere akeligheden liefst in het geheel niet gewaagde.<br> +<br> +Een laatste vraag echter:<br> +<br> +«Wie behaalden, bij die innerlijke beroerten, de overwinning? +Was het de<br> +bisschop, de hooge geestelijkheid? Waren het de rijke burgers of +de<br> +leden der neringen?<br> +<br> +Oordeelt zelven:<br> +<br> +In 1337 onderteekende bisschop Adolf van der Marck den «Vrede +van<br> +Angleur.» Zoo noemt men een verdrag, waarin bepaald werd, dat +alleen de<br> +leden der neringen van den stedelijken raad mochten deel maken.<br> +<br> +Drie jaar later bevestigde de Vrede van Fexhe al de oude vrijheden +des<br> +lands; hij wordt beschouwd als de grondwet des vorstendoms.<br> +<br> +In 1343 richtte de bisschop de rechtbank der XXII op, welke in +de<br> +gewichtigste zaken van Kerk en land moest vonnissen; daar de +meerderheid<br> +dier rechtbank uit de burgerij bestond, werd zij de kostbaarste +waarborg<br> +der Luiksche vrijheden.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a43">43.--Broeder en Zuster.<br> +Hertog Jan had eene zuster, Maria genaamd en gehuwd met den koning +van<br> +Frankrijk, Filips de Stoute.<br> +<br> +Deze vorstin was zeer schoon en aanminnig, bovendien had zij van +haren<br> +vader een verwonderlijke dichtgave geërfd. Zij ondersteunde +begaafde<br> +zangers en dichtte fraaie liederen.<br> +<br> +Daar was in dien tijd aan het Fransche hof een zekere heer de +Labrosse,<br> +kamerheer en gunsteling van den koning.<br> +<br> +Hij was jaloersch op de koningin, en gebruikte al zijnen invloed om +haar<br> +bij den koning in een valsch daglicht te stellen.<br> +<br> +Filips had Maria in tweede huwelijk getrouwd en bezat kinderen van +zijne<br> +eerste vrouw.<br> +<br> +Op zekeren dag stierf de oudste zoon des konings en de Labrosse +wist bij<br> +den bedroefden vader het vermoeden te doen ontstaan, dat Maria +door<br> +vergif aan zijn kind het leven had benomen.<br> +<br> +Het gemoed des konings was door deze verdenking op het hevigst<br> +ontroerd, hij ging peinzend daarhenen, zegt de kronijk, het hart +vol<br> +druks.<br> +<br> +Men verhaalt, dat hij Maria in eenen burcht liet opsluiten en haar +ter<br> +dood wilde laten brengen.<br> +<br> +Uit hare gevangenis meldde de ongelukkige haren nood aan haren +broeder<br> +<br> +"Beschreven met haren bloede root,<br> +"In eene scale daer zij uit dranc."<br> + +<p><img alt="" border="0" src="riddertentijdevanjani.png" width= +"216" height="479"> +<p>[Ridder ten tijde van Jan I.]<br> +<br> +Op het ontvangen der akelige tijding, springt hertog Jan te paard +en<br> +snelt naar Parijs. Een schildknaap, Godekin van Stalle en Vlieger, +een<br> +hazewind, vergezelden hem alleen.<br> +<br> +Na tweemaal vier en twintig uren is hij in de hoofdstad van +Frankrijk,<br> +trekt eene monnikspij aan, begeeft zich naar Maria's gevangenis, +en, als<br> +biechtvader tot haar toegelaten, verneemt hij de onschuld zijner +zuster.<br> +<br> +Nu werpt de hertog zijne vermomming af, meldt zich ten hove aan, +treedt<br> +voor den koning--naar het gebruik dier tijden--als kampvechter +der<br> +koningin en daagt ieder tot een tweegevecht uit, die de schuld +der<br> +belasterde vrouw mocht staande houden.<br> +<br> +De laffe de Labrosse, door de verschijning des vermaarden +krijgsmans<br> +verschrikt, door het geweten gefolterd, neemt de vlucht.<br> +<br> +Geen zijner vrienden waagt het, de eer des kamerheers met het +zwaard te<br> +verdedigen.<br> +<br> +De twijfel aan Maria's onschuld ware een smaad aan de +nagedachtenis<br> +dezer vorstin, daarom besluiten wij ons verhaal met het oordeel van +een<br> +beroemden, Franschen geschiedschrijver<a class="c4" href= +"#negenentwintig">[29]</a>:<br> +<br> +«Het is niet mogelijk, dat deze vrouw tot een laffen en +snooden aanslag<br> +bekwaam zij geweest.»<br> +<br> +<br> +<p id="a44">44.--Jan I en het hertogdom Brabant.<br> +Jan I, de held van ons verhaal was hertog van Brabant; het +voormalige<br> +Brabant strekte zich uit over het grondgebied, dat onze +hedendaagsche<br> +provincie Brabant, de provincie Antwerpen en, in Nederland,<br> +Noord-Brabant bevatte. Leuven, Brussel, Antwerpen en 's +Hertogenbosch<br> +waren er de hoofdplaatsen van.<br> +<br> +Hertog Jan, die zijne arme zuster zoo dapper verdedigde, was +een<br> +uitstekend ruiter; in den wapenhandel was hij zeer bedreven en ook +als<br> +veldoverste wist hij eer en roem te verwerven.<br> +<br> +In twist zijnde met verscheidene vorsten van zijnen tijd, die +meenden<br> +recht te hebben op het bezit van het hertogdom Limburg, sloeg hij +het<br> +beleg voor de sterkte Woeringen, die op den oever van den Rijn +gelegen<br> +was. Zijne vijanden kwamen hem aldaar aanranden en er werd een +veldslag<br> +geleverd op eene heide nabij Woeringen (1288).<br> +<br> +Hertog Jan behaalde er eene roemrijke overwinning en wordt om +dit<br> +wapenfeit, in de geschiedenis niet zelden de Overwinnaar of de<br> +Zeeghaftige genaamd.<br> +<br> +Na den slag van Woeringen werd Limburg met Brabant vereenigd.<br> +<br> +Ter eer van hertog Jan dient vermeld te worden, dat hij van +zijne<br> +overwinning geen misbruik maakte; reeds op het slagveld, had hij +aan<br> +krijgsgevangenen genade verleend; weldra wist hij de genegenheid +der<br> +Limburgers te winnen door zijne zachtmoedigheid en +rechtvaardigheid.<br> +<br> +Talrijke dichters bezongen Jan I en zijne roemrijke wapenfeiten; +want,<br> +niet alleen in Vlaanderen, maar ook in Brabant trof men reeds in +de<br> +XIII<sup>de</sup> en XIV<sup>de</sup> eeuwen, beoefenaars aan der +fraaie letteren.<br> +<br> +Adinez-li-Rois, een Brabander, was de grootste Fransche zanger +zijner<br> +eeuw, terwijl Jan van Heelu in het Dietsch den slag van +Woeringen<br> +beschreef en Lodewijk van Velthem den Spiegel Historiael van +Maerlant<br> +voltooide.<br> +<br> +Jan De Clercq ook Jan van Boendaele genaamd, schreef eene +Rijmkronijk<br> +van Brabant en verscheidene andere dichtwerken.<br> +<br> +De beroemde Jan van Ruysbroec geboren in 1294 is een +merkwaardig<br> +prozaschrijver. Zijne werken werden in het Hoogduitsch, ook in +het<br> +Latijn overgezet.<br> + +<p><img alt="" border="0" src="schrift.png" width="594" height= +"275"> +<p>[<i>An alle deghene die dese lettren selen sien ofte hoeren<br> +lesen. Schepenen Raet ende alle de goede ghemeene liede van der +poort<br> +van audenarde saluut.</i> Schrift van 1350.]<br> +<br> +Jan I schonk talrijke voorrechten aan de Brabantsche gemeenten. +Zijn<br> +opvolger was Jan II. Om de oneenigheden te beslechten die tusschen +de<br> +geslachten<a class="c4" href="#dertig">[30]</a> en de ambachten gerezen +waren, riep deze vorst, in 1312,<br> +eene vergadering bijeen te Kortenberg, tusschen Leuven en +Brussel.<br> +<br> +Daar werd besloten, dat er alle drie weken, te dier plaats, een +raad zou<br> +vergaderen van 4 afgevaardigden des adels en 10 afgevaardigden +der<br> +Brabantsche steden.<br> +<br> +Die raad zou over de goede uitvoering der wetten waken, de +heeren<br> +verhinderen het volk te verdrukken en misbruiken beletten, waarop +men de<br> +aandacht der leden roepen zou.<br> +<br> +Gedurende de regeering van de hertogen Wencelyn en Johanna +(1355-1383)<br> +ontstond te Leuven en te Brussel oneenigheid tusschen de +ambachtslieden<br> +en de rijke poorters of patriciërs, die groote voorrechten +bezaten.<br> +<br> +Het bloed vloeide vooral te Leuven, vanwaar ontelbare +ambachtslieden,<br> +meest wevers, naar Engeland weken.<br> +<br> +Burgeroorlog sleept talrijke onheilen na zich; de stad Leuven ging +te<br> +niet en erlangde nooit meer haren bloei der XII<sup>de</sup> en +XIII<sup>de</sup><br> +eeuwen.<br> +<br> +In 1356 moest hertog Wencelyn zweren al de vrijheden van het land +en de<br> +voorrechten der steden te handhaven.<br> +<br> +De keure, die hij toen verleende werd de «Blijde inkomst van +Brabant»<br> +geheeten. Zij geldt om zoo te zeggen als grondwet der Brabanders, +want<br> +de gebruiken, die er in voorkomen, bleven voor het grootste deel +in<br> +zwang, tot op het einde der XVIII<sup>de</sup> eeuw.<br> +<br> +<br> +<p id="a45">45.--Twee Vorstinnen.<br> +(SPROOKJE)<br> +Er was eens eene machtige koningin, die over duizenden +onderdanen<br> +regeerde.<br> +<br> +Zij bewoonde een prachtig paleis en was steeds in kostbare, +ruischende<br> +zijde gekleed. Schitterende juweelen versierden hare armen en borst +en<br> +haar fluweelen mantel was met hermelijn gevoerd en met zilveren +leliën<br> +geborduurd.<br> +<br> +Een rijke stoet van hofdames, edelknapen en ridders omgaf de +koningin<br> +en, waar zij haar schreden ook richtte, overal bogen hare +onderdanen<br> +voor haar in het stof.<br> +<br> +«Ik ben wel de machtigste vrouw der wereld, sprak de koningin +tot haren<br> +echtgenoot, maar toch, wenschte ik mij op reis te begeven en +mijn<br> +rijkdom en glans door duizenden te laten bewonderen.»<br> +<br> +«Uw wil geschiede!» antwoordde de koning en de fiere +vorstin begaf zich<br> +op weg.<br> +<br> +In steden en dorpen werd zij met ongemeenen luister ontvangen en +de<br> +burchtheeren der trotsche kasteelen betwistten elkander de eer, +de<br> +geduchte vrouw en haar schitterend gevolg te ontvangen en te +herbergen.<br> +<br> +De reis der koningin was een onafgebroken zegetocht.<br> +<br> +«Gevoelt uwe Majesteit geen lust naar ons koninklijk hof +terug te<br> +keeren?» vroeg de koning aan de koningin.<br> +<br> +Maar de fiere vorstin schudde het met goud gekroonde hoofd, +streelde het<br> +prachtig ros, waarop zij gezeten was, reisde verder en bereikte een +haar<br> +onbekende landstreek.<br> +<br> +Hier zat eene nog jonge vrouw op den troon, schoon als een +heldere<br> +zomerdag, kalm en krachtig, minzaam en zacht als eene teedere +moeder.<br> +<br> +Zij was in goudgele zijde gekleed; een zwarte leeuw lag aan hare +voeten<br> +en een schilderachtige stoet van jongelingen en meisjes omringde +en<br> +beschermde haar.<br> +<br> +Zij ontving de trotsche vorstin met eerbied, doch niet met de +slaafsche<br> +onderwerping, waaraan de ijdele vrouw gewoon was; daarom ontstak +deze in<br> +toorn en sprak op bitsen toon:<br> +<br> +«Weet gij dan niet, dat, zelfs zij, die tot den hoogsten adel +behooren,<br> +voor mij in het stof buigen?»<br> +<br> +«Ik ken geen anderen adeldom, dan arbeid en deugd» +antwoordde de schoone<br> +vrouw.<br> +<br> +De koningin lachtte spottend: «Zijn dat misschien uwe +vazallen» vroeg<br> +zij, een afgunstigen blik werpend op de jongelingen, die rondom +den<br> +troon waren geschaard.<br> +<br> +«Neen, vorstin, dat zijn mijne zonen,» luidde het fiere +antwoord. «Niet<br> +in rijkdom, maar met onuitsprekelijke liefde heb ik ze +grootgebracht.»<br> +<br> +«Ik dacht hier alleen koningin te zijn» sprak de +afgunstige vorstin,<br> +maar ik zie hier honderd vrouwen, die meer op koninginnen gelijken +dan<br> +ik zelve.»<br> +<br> +«Mijne dochters bedoelt gij, vorstin? Inderdaad, zij zijn +schoon en<br> +prachtig uitgedoscht, en toch werden mijne kinderen niet in weelde +en<br> +overvloed grootgebracht. Ik leerde hun den arbeid liefhebben en<br> +waardeeren; mijne zonen zaaien en maaien, zij weven, metselen +en<br> +timmeren, zij bevaren de zee en reizen van land tot land. Mijne +dochters<br> +spinnen, naaien, borduren....»<br> +<br> +«Genoeg» gebood de koningin, «dit onderhoud duurt +al te lang. Buigt<br> +allen de knie voor mij en erkent mij als uwe wettige, uwe +eenige<br> +gebiedster.»<br> +<br> +Maar nu zag en hoorde de trotsche vrouw, wat zij nog nooit had +gezien<br> +noch gehoord.<br> +<br> +«Wij buigen voor niemand,» spraken moeder en kinderen +als uit eenen<br> +mond, terwijl de leeuw aan den voet van den troon opsprong, zijne +fiere<br> +manen schudde en een vervaarlijk gebrul aanhief.<br> +<br> +De koningin vlood ijlings weg en, nog denzelfden dag sprak zij tot +haren<br> +echtgenoot:<br> +<br> +«Die gemeene vrouw en hare kinderen hebben mij bloedig +gehoond. Zend<br> +gewapende dienaars tot hen, dat zij hunne zwaarden, messen, bogen +en<br> +pijlen gebruiken en heel het hoogmoedige ras aan onze +heerschappij<br> +onderwerpen.»<br> +<br> +Maar de koning schudde het hoofd en sprak:<br> +<br> +«Er bestaan, o koningin, veel doeltreffender wapens dan +zwaarden,<br> +messen, bogen en pijlen, laat mij begaan, ik zal u bewijzen dat +«list,<br> +niet zelden overwint, geweld.»<br> +<br> +De sluwe vorst toonde zich zacht en gedwee als een lam en trachtte +zijne<br> +slachtoffers door honingzoete woorden en schoone beloften te +misleiden;<br> +maar, na eenigen tijd, ontdeed hij zich van zijne schapevacht, +toonde<br> +zich in zijne werkelijke gedaante en volbracht het bevel zijner +trotsche<br> +echtgenoote.<br> +<br> +Maar de kloeke vrouw en hare knappe kinderen waakten, lieten zich +niet<br> +bedwingen en verjoegen de huurlingen des konings.<br> +<br> +Deze keerden naar hunnen meester terug en onderrichtten hem van +het<br> +gebeurde.<br> +<br> +«Keert terug» sprak de vorst, dat krijgslieden en +soldeniers u<br> +vergezellen. Neemt de wederspannige vrouw gevangen, slaat haar +in<br> +boeien, brengt haar naar hier, dat ik haar opsluite, haar doe +verkwijnen<br> +in eene kille en duistere gevangenis.<br> +<br> +En de krijgslieden vertrokken om het bevel huns meesters ten +uitvoer te<br> +brengen.<br> +<br> +Nu hadden de talrijke kinderen der edele vrouw groot verdriet, maar +twee<br> +hunner, de meest geliefde zonen der waardige moeder, wisten +hunne<br> +broeders en zusters moed in te spreken en ze tot krachtdadige +tegenweer<br> +aan te zetten.<br> +<br> +«Plicht en liefde dwingen ons te handelen,» spraken +zij, «het goede<br> +recht is met ons. Onze moeder schonk ons het leven, zij leerde +ons<br> +arbeiden, voortbrengen, scheppen, zij ontwikkelde onzen geest en +leerde<br> +ons de deugd liefhebben. Vrij! eeuwig vrij zal zij wezen; boven +de<br> +trotsche koningin moet zij uitblinken, de heele wereld moet haar +eeren<br> +en achten, niet om hare adellijke geboorte, niet om hare schatten, +maar<br> +om hare hoedanigheden, om haren geest en hare deugd, om haren<br> +vrijheidszin, om de voortbrengselen van haren arbeid en van hare +kunst.»<br> +<br> +En allen togen ten strijde, allen besloten te overwinnen of hun +leven te<br> +laten voor de vrijheid hunner innig geliefde moeder.<br> +<br> +De koning ondertusschen riep zijne edelste en dapperste ridders +op.<br> +<br> +«Gaat» sprak hij, «vernielt het gemeene ras, dat +mijne macht trotseeren<br> +durft.»<br> +<br> +De ridders vertrokken op hunne steigerende rossen; hunne helmen +en<br> +harnassen blonken in het zonnelicht, hunne vaandels wapperden in +den<br> +morgenwind, hunne krijgstrompetten schalden door bosschen en dalen, +over<br> +heuvels, over velden, over duinen en weiden.<br> +<br> +Bij voorbaat verheugden zij zich over hunne overwinning. Waren zij +niet<br> +de bloem der krijgslieden? Hadden, tot hiertoe, niet alle vijanden +voor<br> +de macht hunner wapenen moeten zwichten?<br> +<br> +Minachtend, honend zagen zij op hunne tegenstanders neer en, +door<br> +hoogmoed verblind, zonder nadenken, gingen zij den +onrechtvaardigen<br> +strijd aan, tegen hen, die, als helden, het dierbaarste +verdedigden, dat<br> +menschen op aarde bezitten kunnen.<br> +<br> +Hevig woedde de kamp. Menschenbloed werd bij stroomen vergoten,<br> +doodskreten klonken, akelige zuchten van gewonden lieten zich +hooren en<br> +de gouden Julizon, die veel liever eene zee van ruischende +korenaren had<br> +doen rijpen, weende omdat zij de kinderen der menschen, als te +vroeg<br> +afgemaaide halmen, ter aarde zag vallen.<br> +<br> +Omstreeks den middag, lagen meestal de trotsche ridders in het +zand;<br> +hunne gulden sporen, hunne harnassen, helmen, waren met bloed +bevlekt,<br> +hunne wapperende vaandels gescheurd, bezoedeld en door het +slijk<br> +gesleurd.<br> +<br> +Een daverende kreet van vrijheid en verlossing galmde over stad en +dorp,<br> +over land en water; de beste, de liefderijkste aller moeders was +gered<br> +door hare minnende, dankbare kinderen.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a46">46.--Strijd der vlaamsche Gemeenten tegen den koning +van Frankrijk.<br> +Alvorens nog het slot van het voorgaande sprookje gelezen te +hebben,<br> +hadden de meeste mijner lezers waarschijnlijk geraden, dat de +trotsche<br> +vorstin Frankrijk was en de liefderijke moeder Vlaanderen.<br> +<br> +De koningin draagt eenen mantel, die met zilveren leliën is +geborduurd;<br> +een zwarte leeuw, op gouden veld, rust aan de voeten der +kloeke,<br> +Vlaamsche moeder.<br> +<br> +Wie gevoelt zich niet aangetrokken tot Vlaanderen, dat arbeid +als<br> +adeldom beschouwde, welks kinderen leerden spinnen, weven, +metselen,<br> +timmeren, den akker bebouwen en dat dan ook, door diezelfde +kinderen, om<br> +zijn kloek verstand, zijne rechtschapenheid, zijn gulden hart +werd<br> +bemind en verdedigd?<br> +<br> +De koning van Frankrijk, Philippe le Bel (de Schoone) en zijne +vrouw<br> +Johanna van Navarre<a class="c4" href="#eenendertig">[31]</a> beseften ten +volle de stoffelijke waarde van<br> +Vlaanderen.<br> +<br> +Maar Philippe was listig; hij wachtte zich wel zijne inzichten +openbaar<br> +te maken.<br> +<br> +Op sluwe wijze mengde hij zich in de innerlijke twisten, die, +zooals wij<br> +vroeger leerden, de inwoners onzer gemeenten verdeelden.<br> +<br> +Langzamerhand won hij de gunst der edellieden en rijke burgers, +die<br> +hoopten, dat de koning hunne zucht naar alleenheerschappij zou<br> +begunstigen.<br> +<br> +Zoo kwam het dat, al wie in Vlaanderen den koning van Frankrijk +genegen<br> +was, den naam kreeg van Leliaart.<br> +<br> +De menschen van den lagen stand, de nederige ambachtslieden, +hielden van<br> +de Leliaarts niet, en heetten «Klauwaarts» naar de +klauwen van den<br> +Vlaamschen Leeuw.<br> +<br> +Gwyde, graaf van Vlaanderen, ijverzuchtig op den invloed der +Leliaarts<br> +zijnde, steunde de Klauwaarts. Gwyde werd tot tweemaal toe +gevangen<br> +genomen door den koning van Frankrijk, die Vlaanderen +bemachtigde.<br> + +<p><img alt="" border="0" src="franschwapenschild.png" width="178" +height="204"> +<p>[Fransch wapenschild.] +<p><img alt="" border="0" src="vlaamschwapenschild.png" width="182" +height="205"> +<p>[Vlaamsch wapenschild.]<br> +<br> +In 1301 brachten Philippe le Bel en zijne gemalin een bezoek +aan<br> +Vlaanderen en de koning vertrouwde het bestuur van het graafschap +toe<br> +aan een Fransch edelman, Jacques de Châtillon.<br> +<br> +Maar de Klauwaarts, de wakkere zonen van Vlaanderen waakten. Zij +zouden<br> +de plannen van den arglistigen koning verijdelen!<br> +<br> +De Leliaarts intusschen zagen hoe langer hoe meer, misnoegd neer op +de<br> +Klauwaarts en Jacques de Châtillon toonde zich zoo onkundig +in het<br> +besturen van het graafschap, dat de geheele volksklasse tegen hem +aan<br> +het morren ging.<br> +<br> +Te Brugge kwamen de inwoners in opstand en doodden op +éénen nacht<br> +honderden Franschen en Leliaarts.<br> +<br> +Jacques de Châtillon vluchtte naar Frankrijk en de meeste +gemeenten<br> +kozen partij voor de Klauwaarts.<br> +<br> +Te Brugge stelden zich Pieter de Coninc, deken der wevers en +Jan<br> +Breydel, deken der vleeschhouwers aan het hoofd der neringen, die +de<br> +wapenen hadden opgenomen. De Bruggenaars vielen in hunne stad +onverhoeds<br> +de Franschen aan en doodden ze in grooten getale. Deze gebeurtenis +noemt<br> +men de «Brugsche Metten.»<br> +<br> +* * * * *<br> +<br> +Weldra zond Philippe le Bel naar Vlaanderen een schitterend leger, +dat<br> +onder bevel stond van zijn broeder Robrecht van Artois.<br> +<br> +De bloem der Fransche ridders maakte deel uit van dat leger en +de<br> +koning, in zijne gramschap, had bevolen de steden te plunderen, +de<br> +velden te verwoesten, de bevolking uit te roeien en--hoe +schandelijk<br> +zulks in het boek der Geschiedenis te moeten neerschrijven--de +ridders<br> +haakten er naar het bevel des konings ten uitvoer te brengen!<br> +<br> +Maar de Vlaamsche gemeentemannen zouden het menschonteerende +schelmstuk<br> +beletten!<br> +<br> +Op den Groeningen kouter, bij Kortrijk, wachtten zij, in dichte<br> +gelederen, de vreemde indringers af en deze meenden, reeds bij +den<br> +eersten aanval, de nederige poorters te verpletteren, die zij<br> +verachtten.<br> +<br> +Eene smalle beek liep door de moerassige weide en scheidde beide +legers<br> +van elkander.<br> +<br> +In onstuimige vaart, waagden het de Fransche ridders de beek over +te<br> +springen, maar, belemmerd door hunne zware wapenrustingen, zonken +zij<br> +met hunne paarden in het slijk.<br> +<br> +Toen trokken de gemeentemannen in gesloten gelederen +voorwaarts,<br> +roepende: «Vlaanderen den Leeuw!» Zij richtten onder de +Fransche edelen<br> +eene vreeselijke slachting aan; prinsen, ridders, voetknechten, +Robrecht<br> +van Artois, Jacques de Châtillon bleven op het slagveld.<br> +<br> +Na den veldslag raapte men, op de met lijken bezaaide vlakte, meer +dan<br> +700 gulden sporen op, welke men als zegeteekens in Onze Lieve +Vrouwkerk<br> +te Kortrijk ophing.<br> +<br> +De bloedige veldslag, die plaats greep op 2 Juli 1302, draagt den +naam<br> +van Gulden Sporenslag.<br> +<br> +De mare van deze nederlaag weerklonk in ons land en in den vreemde. +Te<br> +Rijsel, te Yperen, te Gent kwamen de Klauwaarts aan het hoofd +der<br> +gemeenten en de gemeentemannen bekwamen talrijke voorrechten. Zelfs +in<br> +Frankrijk verzetten de nederige ambachtslieden van sommige steden +zich<br> +tegen den koning en de steden van Italië zonden hare +gelukwenschen aan<br> +de Vlaamsche gemeenten.<br> +<br> +De merkwaardige Sporenslag had nog een ander belangrijk gevolg:<br> + +<p><img alt="" border="0" src="zegel.png" width="411" height="415"> +<p>[Zegel van 1305.]<br> +<br> +Hadden de Fransche ridders de overwinning behaald, Vlaanderen ware +bij<br> +Frankrijk ingelijfd en een Fransch wingewest geworden. Zijne taal, +zijne<br> +beschaving, zijne kunst zouden uitgeroeid zijn en het +tegenwoordige<br> +België niet bestaan.<br> +<br> +Eere dus aan de Vlaamsche Zonen, die zoo heldhaftig hunne +moeder<br> +verdedigden.<br> +<br> +<br> +<p id="a47">47.--Hongersnood!<br> +Het was winter en nijpend koud. Op een zolderkamertje, in een +houten<br> +huis der Wolvesteeg, dicht bij de Vrijdagsmarkt te Gent, zat eene +jonge<br> +vrouw te zuchten en te weenen.<br> +<br> +Zij was mager als een geraamte en het kindje, dat op hare +knieën lag,<br> +kreunde pijnlijk en met zwakke stem. Zijne handjes waren rimpelig +als<br> +die eener oude vrouw, zijne gelaatskleur was blauw en koortsvuur +gloeide<br> +in zijn wijdgeopende oogjes<a class="c4" href="#tweeendertig">[32]</a>.<br> +<br> +«Arm Betteken, ween zoo droevig niet» snikte de jonge +moeder. «Gij zijt<br> +ziek van honger en gebrek en ik heb geen korstje brood om u te +spijzen,<br> +geen druppel melk om u te laven. Uw vader en zijne gezellen +zitten<br> +werkeloos op de Vrijdagsmarkt.<br> +<br> +Arm kind! wat zal er van ons geworden! In Gent is geen slag werk +te<br> +vinden, alle weefgetouwen liggen stil.... God weet! wanneer die +akelige<br> +toestand veranderen zal!...»<br> +<br> +Het scheen alsof de klagende stem der moeder het arme Betteken in +slaap<br> +suste, want, langzamerhand verzwakte het gekreun om eindelijk +geheel op<br> +te houden.<br> +<br> +De moeder echter suste het wichtje voort en zag het bij wijlen aan +met<br> +treurigen, doch liefderijken blik.<br> +<br> +Eensklaps teekende zich eene ontzettende uitdrukking van schrik op +haar<br> +bleek gelaat. Bettekens oogjes waren gesloten, haar lichaampje was +stijf<br> +en onbeweeglijk, zij ademde niet meer en....<br> +<br> +«Dood! dood! mijn kind is dood! gestorven van honger, +verstijfd van<br> +koude!» gilde de arme vrouw met radeloozen schrik, waarop +zij, het<br> +wichtje aan hare borst drukkend, de deur openwierp en huilend +en<br> +weenend, de trap af, naar beneden stormde.<br> +<br> +Weldra bevond zij zich in eene woonkamer, waar een jong meisje aan +het<br> +ziekbed harer moeder was gezeten.<br> +<br> +Bij het akelig gekerm der binnentredende, sprong de maagd ijlings +op,<br> +terwijl de kranke zich in de bedstede oprichtte.<br> +<br> +«Om Gods wil, bedaar, vrouw Katelijne, bedaar,» sprak +het meisje, maar<br> +de vrouw schreide maar immer door en bedekte het aangezicht van +haar<br> +Betteken met tranen en kussen.<br> +<br> +«Ontkleed het kindje, leg het op tafel, Livina,» sprak +de zieke moeder<br> +tot hare dochter, neem een wollen doek en wrijf het arme schaapje +tot<br> +het bijkomt....» en uitgeput liet de zieke het hoofd weer op +de peluw<br> +vallen.<br> +<br> +Livina deed zooals de kranke had gezegd. Zij wreef het koude +lichaampje,<br> +dat na eene poos weder warm werd, toen opende zij het mondje van +het<br> +wichtje en goot eenige druppeltjes melk tusschen zijne paarse +lipjes.<br> +<br> +De doodskleur verdween van de magere wangetjes, het kind sloeg +de<br> +oogleden op, en zijne zachte blauwe oogjes zochten de nog +altijd<br> +weenende moeder.<br> +<br> +«Goede Livina, heb dank!» kreet Katelijne, maar Livina +scheen hare<br> +dankende woorden niet te hooren; zij bracht de vrouw bij den +haard,<br> +dwong haar zich op eene bank neder te zetten en hare koude +ledematen te<br> +verwarmen.<br> +<br> +«Keer naar uw zolderkamertje niet terug, Katelijne,» +sprak Livina,<br> +«blijf bij ons tot uw echtgenoot terugkeert....»<br> +<br> +«Wij ook zijn ongelukkig,» vervolgde zij op de kranke +wijzend, «maar<br> +eigen leed heeft bij ons de liefde niet uitgedoofd, die wij +onzen<br> +evenmensch verschuldigd zijn.»<br> +<br> +«Er is nog brood in de schapraai,» sprak de zieke +moeder, «Livina, zet<br> +het Katelijne voor en warm heur wat melk. »<br> +<br> +«Ik dank u, Geertrui,» antwoordde Katelijne. «Gij +zijt al te, goed, gij<br> +zelve zijt ziek van gebrek en uw zoon Antoon is +werkeloos.»<br> +<br> +«Dezen morgen,» zei thans Livina, «verkocht ik +bij den juwelier in de<br> +Geldmunt, den gouden ring, dien moeder van hare grootouders erfde. +Van<br> +honger zullen wij dus niet sterven en de ongelukkige toestand +waarin<br> +alle Gentenaars zich bevinden, zal veranderen.»<br> +<br> +Katelijne schudde het hoofd. «In onze stad is alle nering +uitgedoofd,»<br> +sprak zij treurig.... «Nog altijd weigeren de Engelschen ons +wol te<br> +zenden, nog veertien dagen en Gent sterft van honger en +gebrek.»<br> +<br> +«Hoop op de toekomst,» vervolgde Livina. «Heeft +de Wijze Man niet<br> +beloofd met den koning van Engeland te onderhandelen en Vlaanderen +van<br> +den ondergang te redden? Geloof mij, Katelijne, eer het laatste<br> +geldstukje, dat ik voor onzen gouden ring ontving verteerd zal +wezen,<br> +zullen de neringen den arbeid hebben hervat.»<br> +<br> +«Moogt gij waarheid spreken,» hernam de jonge moeder, +... «maar de<br> +honger, de angst hebben mij, arme, het hopen afgeleerd.»<br> +<br> +Eensklaps werd de huisdeur van buiten geopend en de twee mannen +stormden<br> +juichend binnen.<br> +<br> +«De Engelsche wol komt weer vrij in Vlaanderen!» riepen +zij als uit<br> +eenen mond. De Wijze Man van Gent heeft ons gered! Nog drie dagen +en de<br> +Neringen kunnen den arbeid hervatten!<br> +<br> +De oogen der beide mannen straalden van blijdschap.<br> +<br> +De jongste, Livina's broeder, was een weversgezel, klein van +gestalte,<br> +mager, doch ongemeen vlug in al zijne bewegingen.<br> +<br> +Zijn gezel, de echtgenoot van Katelijne, was een groote, +krachtige<br> +voller, met grove handen en sterkgespierde ledematen.<br> +<br> +Hij nam zijn kind in de armen en trachtte zijne vrouw op te +beuren.<br> +<br> +Deze verhaalde hem, wat er gedurende zijne afwezigheid was +voorgevallen<br> +en de stoere voller, veegde met zijne grove hand de tranen af, die +hem<br> +over de wangen biggelden.<br> +<br> +«Heb dank, Livina, heb dank, moeder Geertrui, stotterde +hij....» maar<br> +Livina hoorde niet.<br> +<br> +Zij stond met haren broeder voor de bedsponde der kranke.<br> +<br> +«Thans zult gij spoedig genezen, moeder,» lachte +Antoon. «Naarstig en<br> +onvermoeid zal ik voor u werken, u vleesch en eieren koopen! +Nog<br> +veertien dagen en, aan Livina's arm, wandelt gij op de +Vrijdagsmarkt.<br> +<br> +De zieke glimlachte. Katelijne en Simon de voller, wilden met +Betteken<br> +naar het zolderkamertje gaan, maar Antoon de wever hield ze +terug.<br> +<br> +«Boven is het veel te koud» sprak hij «warmt u +bij den haard en deelt<br> +ons brood. Laten wij den avond gezellig doorbrengen en praten over +den<br> +arbeid, dien wij welhaast zullen hervatten!»<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a48">48.--Jakob Van Artevelde, de Wijze Man van Gent.<br> +Het treurige tooneel, dat wij in het somber huisje der +Wolvesteeg<br> +bijwoonden, was te Gent en elders, niet eenig in zijn soort; ten +jare<br> +1339 heerschten ellende, gebrek, ziekte in gansch Vlaanderen.<br> + +<p><img alt="" border="0" src="kruisboogschutter.png" width="182" +height="388"> +<p>[Kruisboogschutter. (ten tijde van Jacob van Artevelde)]<br> +<br> +Ziehier wat er was gebeurd: Karel IV, koning van Frankrijk, was<br> +gestorven zonder mannelijke erfgenamen na te laten en twee +vorsten<br> +betwistten elkaar zijne kroon.<br> +<br> +Het waren Filips van Valois, neef van den overleden koning en +Eduard<br> +III, koning van Engeland. Een verschrikkelijke strijd, de +honderdjarige<br> +oorlog, brak uit tusschen Frankrijk en Engeland. De graaf van<br> +Vlaanderen, Lodewijk van Nevers, koos partij voor Filips van Valois +en<br> +wilde Vlaanderen in een verbond met Frankrijk betrekken.<br> +<br> +Weldra verbood Eduard III den uitvoer der Engelsche wol naar +Vlaanderen<br> +en door dien maatregel was de wolweverij, de voornaamste tak +van<br> +nijverheid onzer streken, ten gronde gericht.<br> +<br> +De vollers, wevers, ververs bevonden zich zonder werk en onze +arme<br> +voorouders leden verschrikkelijk. Te Gent vergingen de inwoners<br> +letterlijk van honger en gebrek.<br> +<br> +In deze stad leefde toen een man, die boven zijne tijdgenooten +uitblonk<br> +door zijne wijsheid en welsprekendheid.<br> +<br> +Hij heette Jakob Van Artevelde, maar zijne stadgenooten noemden hem +«den<br> +Wijzen Man van Gent.»<br> +<br> +«Laten wij om raad gaan bij den Wijzen Man» riepen de +Gentenaars als<br> +uit éénen mond. «Hij alleen kan ons +redden.»<br> +<br> +Artevelde bewees aan zijne medeburgers, dat zij bevriend moesten +blijven<br> +met den koning van Engeland, zonder daarom tegen den koning van<br> +Frankrijk te strijden of anders gezegd, dat zij onzijdig +moesten<br> +blijven.<br> +<br> +Jakob Van Artevelde onderhandelde met beide vorsten en volbracht +zijne<br> +taak op uitstekende wijze.<br> +<br> +Filips van Valois en Eduard III erkenden de onzijdigheid van +Vlaanderen,<br> +de Vlaamsche schepen mochten vrij de zee doorkruisen, de Engelsche +wol<br> +werd hier heengebracht, ellende en hongersnood weken uit stad en +dorp.<br> +<br> +De invloed van den Wijzen Man groeide gedurig aan. Door zijne<br> +bemiddeling sloten de gemeenten van Vlaanderen en Brabant een +verbond,<br> +dat weldra erkend werd door Henegouwen, Holland en Zeeland.<br> +<br> +Frankrijk echter erkende niet langer Vlaanderens onzijdigheid. Op +raad<br> +van Van Artevelde, nam Eduard III den titel aan van koning van<br> +Frankrijk<a class="c4" href="#drieendertig">[33]</a> en sloot in 1342 een +verbond met Vlaanderen.<br> +<br> +De Franschen verloren den zeeslag van Sluis en Eduard maakte zich +deze<br> +overwinning ten nutte om Doornik te belegeren. Weldra kwam een<br> +wapenstilstand de vijandelijkheden schorsen.<br> +<br> +Graaf Lodewijk van Nevers was naar Frankrijk teruggekeerd; Jacob +Van<br> +Artevelde zag zich, met den titel van Ruwaert, het bestuur van<br> +Vlaanderen toevertrouwd. Handel en nijverheid bloeiden, +landbouw,<br> +rivier-en zeevaart herleefden.<br> +<br> +<br> +<p id="a49">49.--Broedermoord.<br> +Eenige jaren zijn verloopen en, in het houten huis der Wolvesteeg, +wonen<br> +nog altijd onze vroegere bekenden Livina, Antoon en hunne moeder, +Simon,<br> +Katelijne en Betteken, dat tot een lief meisje is opgegroeid.<br> +<br> +Het akelige spook van den honger bedreigt niet langer de sombere +woning,<br> +gezondheid en welstand zijn er teruggekeerd, maar helaas ... vrede +noch<br> +geluk zijn er binnengedrongen.<br> +<br> +Antoon de wever en Simon de voller zijn geene vrienden meer +maar<br> +vijanden. Als zij elkander ontmoeten ballen zij de vuisten en +roepen<br> +elkander scheldnamen toe.<br> +<br> +En weder is voor de arme vrouwen een treurig tijdvak van lijden +en<br> +tranen aangebroken.<br> +<br> +Op eenen Maandag morgen had Simon al vroeg zijn zolderkamertje +verlaten.<br> +<br> +«Zoek eene andere woning,» had hij zijne vrouw +toegesnauwd, «bij den<br> +hoogmoedigen wever blijf ik niet langer inwonen.»<br> +<br> +Betteken had vader om een kus gesmeekt, maar toen zij dien ontving, +had<br> +zij, onder vaders kolder, het harde staal eener scherpe bijl +gevoeld.<br> +<br> +Ook Antoon de wever, was sedert geruimen tijd opgewonden, ruw en +barsch.<br> +De zoete stem zijner zuster, de tranen zijner moeder konden den +storm<br> +niet bedaren, die in zijn binnenste woedde.<br> +<br> +Op dien akeligen Maandag morgen had hij, gewapend, de moederlijke +woning<br> +verlaten, terwijl hij, bij het henengaan, gruwelijke woorden van +dood en<br> +moord had gemompeld.<br> +<br> +Thans zaten de vrouwen biddend in de sombere woonkamer, tranen van +angst<br> +biggelden over hare wangen en treurig klonk hare smeekbede:<br> +<br> +«En vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onze +schuldenaren.»<br> +<br> +«Verlos ons van den kwade» prevelde Livina, maar sprong +weldra, evenals<br> +de andere vrouwen, verschrikt op.<br> +<br> +Huilend en schreeuwend, met kletterende wapens, trokken scharen<br> +ambachtslieden door de enge steeg, terwijl van de naburige +Vrijdagsmarkt<br> +een verward gedruisch van menschenstemmen, als de deining eener +woelige<br> +zee, tot het oor der vrouwen doordrong.<br> +<br> +«Ik blijf hier niet langer, kermde Livina. Ik wil Antoon +halen ... bij<br> +de liefde zijner moeder zal ik hem bezweren naar huis te +komen.»<br> +<br> +«Ik vergezel u, Livina» sprak Katelijne. Misschien +kunnen wij, vrouwen,<br> +moord en doodslag beletten.<br> +<br> +«Moeder» sprak Livina vastberaden, «sluit de deur +dicht achter ons,<br> +verberg u met Betteken op het zolderkamertje en bid voor de +Gentsche<br> +ambachtslieden.»<br> +<br> +De twee vrouwen verlieten de woning en bevonden zich weldra op de +markt.<br> +<br> +Eene grijze stofwolk verhief zich boven het uitgestrekte plein, +waar een<br> +akelig schouwspel de oogen der vrouwen trof.<br> +<br> +Honderden ambachtslieden vochten er tegen elkander; vollers met<br> +opgestroopte mouwen, blauwververs met donkergekleurde handen,<br> +vleeschhouwers met messen en priemen, smeden met zware bijlen,<br> +sjouwerslieden met lasthaken, brouwers, timmerlieden, bakkers, +schippers<br> +woelden door elkander, bloed vloeide langs den grond, droevige +klachten<br> +van stervenden, pijnlijke kreten van gekwetsten, stegen naar +omhoog.<br> +<br> +Livina sloot de oogen en meende te sterven, maar eensklaps +stiet<br> +Katelijne een ontzettenden kreet van wanhoop en smart uit, trok +Livina<br> +bij den arm mede in de richting der Waaistraat.<br> +<br> +De knieën van het meisje knikten en toch volgde zij hare +gezellin....<br> +Was het zinsbedrog? Was het werkelijkheid?... Neen, zij droomde +niet,<br> +haar broeder lag op den grond, terwijl Simon de voller hem de knie +op de<br> +borst drukte en het moordend staal boven zijn hoofd zwaaide.<br> +<br> +«Gij zult niet doodslaan,» riep Katelijne, «hebt +gij vergeten dat Simons<br> +zuster ons kind van den dood redde?»<br> +<br> +Zij sprong op haren echtgenoot toe, trok hem het moordende wapen +uit de<br> +hand en vluchtte met hem door de Zuivelsteeg.<br> +<br> +Ondertusschen had Livina haren broeder opgericht en het bloed<br> +afgeveegd, dat langs zijne wangen sijpelde. Antoon waggelde als +een<br> +dronken man, doch Livina ondersteunde en bracht hem, dwars door +de<br> +vechtende ambachtslieden, bij zijne moeder in het somber huisje +der<br> +Wolvesteeg.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a50">50.--Dood van Jakob Van Artevelde.<br> +De vreeselijke dag, waarop de Gentenaars, alle broederliefde +vergetende,<br> +zich aan de gruwelijkste moorderijen overgaven, wordt door de<br> +geschiedenis met den naam van «Quade Maendach» +bestempeld.<br> +<br> +De gemeenten, die het nageslacht zulke schoone voorbeelden van<br> +werkzaamheid en vrijheidsliefde gaven, waren niet vrij te pleiten +van<br> +groote gebreken, die onvermijdelijk haren ondergang moesten +bewerken.<br> +Zij waren ijverzuchtig, jaloersch op elkander; de groote +gemeenten<br> +beheerschten de kleine, alsook het platteland. Niet zelden leefden +de<br> +verschillende neringen eener zelfde gemeente in onmin met +elkander.<br> +<br> +In 1345 leefden te Gent de vollers, wevers en de kleine neringen +in<br> +volslagen vijandschap.<br> +<br> +De haat der ambachtslieden onder elkander was zoo hevig, dat zij, +zooals<br> +het vorige verhaal ons leerde, elkander gewapend aanvielen en<br> +afgrijselijke broedermoorden pleegden.<br> +<br> +Niets was in staat den steeds klimmenden haat der ambachtslieden +te<br> +dooven, zelfs de stem van Artevelde, den Wijzen Man, was niet +krachtig<br> +genoeg om de opgewonden bevolking kalmer en redelijker te +maken.<br> +<br> +Allengs vergaten vele Gentenaars, al wat zij den Wijzen Man +verschuldigd<br> +waren; zijn invloed verminderde en benijders, vijanden, +schijnen<br> +getracht te hebben zijn goeden naam te bezoedelen.<br> +<br> +In de maand Juli 1345 begaf Artevelde zich naar Sluis om met Eduard +III<br> +te onderhandelen en, bij zijne terugkomst naar Gent werd hij +ongemeen<br> +koel ontvangen, ja, dreigende stemmen verhieven zich tegen den eens +zoo<br> +geliefden volksvriend.... 's Avonds begaf zich eene woedende<br> +volksmenigte naar Artevelde's huis en sloeg de deuren in.<br> +<br> +De Wijze Man trad vooruit, wilde tot het volk spreken, het +bedaren,<br> +maar, hij werd niet eens aangehoord en ... onvergeeflijke +snoodheid, de<br> +bijl eens moordenaars durfde zich boven het hoofd van den +grooten<br> +volksvriend verheffen.<br> +<br> +Zij viel neer en doodde den doorluchtigsten inwoner der Gentsche +stad.<br> +<br> +Het nageslacht erkende de groote verdiensten van Jakob Van +Artevelde.<br> +Heden verheft zich het bronzen standbeeld van den grooten Man op +de<br> +Vrijdagsmarkt, waar hij zoo menigmaal sprak tot het volk.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a51">51.--Graaf Lodewijk van Male.<br> +Hij leefde in weelde en overvloed, hij maakte muziek met zijne<br> +minstreelen<a class="c4" href="#vierendertig">[34]</a> of hield zich bezig +met zijne vogels, honden en apen.<br> +<br> +«Ik houd het met den graaf» zei Ghysbrecht Mahu +«hij is rijk en machtig.<br> +Hij zal mij aan zijn hof uitnoodigen, mij prachtige steekspelen +en<br> +ridderfeesten laten bijwonen. Met vorsten en edellieden zal ik +omgaan en<br> +mijne dochters, in zijde en fluweel gekleed, met peerlen en +smaragden<br> +getooid, zullen uitblinken tusschen de meest schitterende vrouwen +van<br> +Vlaanderen.»<br> +<br> +«Ik houd het met mijn volk» sprak Jan Yoens. «Ik +wil lijden als het<br> +lijdt, arbeiden aan zijn welzijn, sterven voor zijne +vrijheid.»<br> +<br> +En beide Gentenaars hielden woord. Lodewijk van Male gaf +schitterende<br> +feesten en noodigde al de ridders van Brabant, van Holland, +Henegouwen,<br> +Picardië<a class="c4" href="#vijfendertig">[35]</a>, aan zijn hof.<br> +<br> +Te Gent woonden doorluchtige heeren en edele vrouwen. De graaf +ontving<br> +die in zijne paleizen en op zijne kasteelen.<br> +<br> +De heeren droegen lange mantels, met bontwerk gevoerd, groote +hoeden<br> +van beverhaar, gevlamde gordelriemen en schoenen met zilveren +gespen.<br> +<br> +De vrouwen hadden scharlaken kleederen, versierd met edelgesteenen; +zij<br> +droegen faliën van rood fluweel of van venetiaansche stoffen +met goud of<br> +zilver doorweven.<br> +<br> +Jan Yoens en zijn volk arbeidden en leden, want zij waren het die +de<br> +feesten des graven moesten betalen; te Gent deed de graaf eene +belasting<br> +afkondigen, die hij wilde heffen, maar de inwoners verhieven de +stem en<br> +verzetten zich tegen die onwettige afpersing.<br> +<br> +«De schattingen door 't volk opgebracht moeten niet dienen +om<br> +kluchtspelers en potsenmakers te betalen,» sprak een hunner +en al de<br> +andere poorters vereenigden zich met zijne weigering.<br> +<br> +Zeer verbitterd, begaf zich de graaf naar Brugge, waar hij hulpgeld +aan<br> +de gemeente vroeg.<br> +<br> +«Ik zal u toelaten eene vaart te graven, waardoor gij de +wateren der<br> +Leie kunt afvoeren,» beloofde hij, «die vaart kunt gij +verbinden met de<br> +Reye, en het graan van Artois<a class="c4" href="#zesendertig">[36]</a> zal +niet langer naar Gent, maar naar<br> +Brugge worden gevoerd.<br> +<br> +De Gentenaars zullen het voorrecht verliezen, dat zij tot hiertoe +hadden<br> +genoten.<br> +<br> +Het ijverzuchtige Brugge voldeed aan het verlangen van den graaf +en<br> +weldra begaven zich vijfhonderd Brugsche werkers aan den arbeid om +den<br> +loop der Leie te verleggen.<br> +<br> +De Gentenaars vernemen het gevaar, dat hunnen handel en hunne +welvaart<br> +bedreigt, allen scharen zich rondom Yoens, hem smeekende, hen toch +met<br> +zijne raadgevingen bij te staan.<br> +<br> +«Laten wij opstaan en strijden» sprak Yoens. «Als +wij overwinnen zullen<br> +wij gewroken zijn en, als wij vallen, zullen onze kinderen den +strijd<br> +voortzetten.»<br> +<br> +Dat elke nering de wapens opneme, en de stadsbannier volge, dat, +bij het<br> +hooren der stormklok, ieder onder het vaandel zijner nering sta en +dat<br> +God ons bescherme!»<br> +<br> +Weldra werd in Gent het gilde der Witte Kaproenen opgericht, +aldus<br> +genaamd naar hun hoofddeksel.<br> +<br> +Zij trokken de Stad uit en dreven het werkvolk uiteen dat, +tusschen<br> +Aalter en Knesselare, aan de nieuwe vaart arbeidde.<br> +<br> +In verraderlijke taal berichtte Mahu den graaf, hetgeen in Gent +voorviel<br> +en, op zijn kasteel van Male gebood Lodewijk, dat men Jan Yoens en +zijne<br> +helpers gevangen nemen en ze ter dood brengen zou.<br> +<br> +Maar de Gentenaars waakten; zij versloegen de lieden van den graaf +en<br> +staken te Wondelgem zijn kasteel in brand.<br> +<br> +Jan Yoens, als hoofdman van Gent uitgeroepen, bezocht +Dendermonde,<br> +Aalst, Deynze, Ninove, begaf zich naar Brugge en trad met den<br> +burgemeester en de hoofden der neringen in onderhandeling.<br> +<br> +Van Brugge reisde hij naar Damme. Eene maand tijds was hem +genoeg<br> +geweest om in gansch Vlaanderen het gezag der gemeenten te +herstellen;<br> +eene schoone toekomst lachte Yoens tegen, reeds waande hij Gent, +waande<br> +hij Vlaanderen gered.<br> +<br> +Helaas! het noodlot of ... zijne vijanden achtervolgden hem. Op +het<br> +onverwachts, onmiddellijk na een gastmaal, dat hij bijwoonde, werd +Yoens<br> +ongesteld en voelde zijn einde naderen.<br> +<br> +Zijne vrienden legden hem op eene draagbaar om hem naar Gent terug +te<br> +brengen, doch Yoens stierf onderweg.<br> +<br> +Langzaam bereikte de treurige stoet de diepbeproefde stad; de<br> +geestelijkheid kwam het lijk van den hoofdman te gemoet en het +dankbare<br> +Gent begroef Yoens met zulke groote plechtigheden, als ware hij<br> +Vlaanderens graaf geweest.<br> +<br> +De verraders zegepraalden; Mahu won de gunst van den graaf, maar +die<br> +gunst was tijdelijk, terwijl, zes eeuwen na zijnen dood, Jan Yoens +immer<br> +voort leeft in de harten van het dankbare nageslacht.<br> +<br> +<br> +<br> +<p id="a52">52.--Philips Van Artevelde.<br> +Het was in het jaar 1382. In de benedenkamer zijner woning, +eenzaam, bij<br> +het vallen van den avond, zat een rijzig man in diepe gedachten<br> +verzonken.<br> +<br> +Die man was Filips, zoon van Jakob Van Artevelde.<br> +<br> +Hij dacht aan zijne vaderstad, aan het eens zoo machtige, thans +zoo<br> +ongelukkige Gent.<br> +<br> +Plotseling treft geraas en dof gemompel het oor van Filips. Het +was<br> +alsof eene groote volksmenigte zich voor de deur verzamelde.<br> +<br> +Filips opent een venster en ziet honderden poorters en +ambachtslieden<br> +voor zijn huis vergaderd.<br> +<br> +Welk was hunne bedoeling? Op aller gelaat staat diepe +verslagenheid,<br> +ellende, gebrek te lezen.<br> +<br> +De klopper bonst op de deur. Filips opent en voor hem staat het +bestuur<br> +der stad, dat hij zich haast binnen te noodigen en eenvoudig, +doch<br> +roerend luidt de aanspraak van den eersten schepen:<br> +<br> +"Ser Filips, onze stad bezwijkt, zij is belegerd en hongersnood +bedreigt<br> +ons.<br> +<br> +De Wijze Man is niet meer daar om ons te redden ... zal de zoon +minder<br> +vaderlandlievend zijn dan de vader?<br> +<br> +Op u hebben wij onze laatste hoop gevestigd, Ser Filips, wij +plaatsen<br> +Gent onder uwe bescherming."<br> +<br> +Filips Van Artevelde was diep ontroerd. Een oogenblik verrees +het<br> +bloedig lijk van zijnen vader voor zijne oogen.<br> +<br> +Wat zou hij doen? Zich wreken over geleden onrecht of, groot van +ziel,<br> +zich opofferen voor het welzijn zijner stadgenooten?<br> +<br> +"Wat mijn vader deed en nog zou doen indien hij kon herleven, zal +ik<br> +zijn zoon, voor u beproeven," sprak hij vastberaden.<br> +<br> +"Gaat tot het Gentsche volk en zegt dat ik hun, heden nog, op +de<br> +Vrijdagsmarkt, mijne plannen zal blootleggen."<br> +<br> +Het bestuur vertrok en even daarna steeg uit de opeengedrongen<br> +volksmassa een ontzaglijke jubelkreet: «Heil! Ser Filips, +heil!» galmde<br> +het door de straten der stad.<br> +<br> +Onmiddellijk zette Artevelde zich aan den arbeid. Hij kocht al het +graan<br> +op, dat zich in de abdijen en bij rijke poorters bevond en deed het +aan<br> +het volk uitdeelen.<br> +<br> +Maar dit was onvoldoende; de hongersnood breidde zich uit en meer +dan<br> +duizend menschen bevonden zich weldra zonder brood.<br> +<br> +Filips verliet de stad en toog naar Doornik, waar hij met den +graaf<br> +onderhandelde, maar deze stelde zulke onmogelijke eischen, dat +het<br> +Gentsehe volk besloot liever tot den laatsten man te sterven, dan +zich<br> +daaraan te onderwerpen.<br> +<br> +Filips wist de Gentsche poorters met een heilig vuur te bezielen: +«Vrij<br> +of dood» riepen zij uit en meer dan vijfduizend +wapenknechten, al die<br> +nog kracht genoeg bezaten om eene bijl of een zwaard te dragen,<br> +verlieten in 't geheim de stad en begaven zich op weg naar +Brugge,<br> +waarheen de graaf zich begeven had.<br> +<br> +Deze echter, verwittigd zijnde, keerde terug, en werd handgemeen +met de<br> +Gentenaars, op de heide van Beverhout.<br> +<br> +Na lang en hardnekkig worstelen werden de benden des graven<br> +uiteengedreven en de Gentenaars behaalden eene schitterende +overwinning.<br> +<br> +De graaf ontsnapte slechts bij toeval. De Gentenaars achtervolgden +hem<br> +tot in de straten van Brugge, waar een arm vrouwtje hem op haar<br> +zolderkamertje verborg.<br> +<br> +'s Anderendaags gelukte het Lodewijk van Male vermomd uit Brugge +te<br> +ontvluchten. Hij begaf zich naar Frankrijk en verzocht hulp tegen +zijne<br> +onderdanen.<br> +<br> +Alle steden trokken partij voor de Gentenaars.<br> +<br> +In November 1382 deed de ontelbare Fransche legermacht met den<br> +veertienjarigen koning Karel VI aan het hoofd, een inval in ons +land.<br> +<br> +Yperen gaf zich over, hetgeen Filips Van Artevelde, die +Oudenaarde<br> +belegerde, noodzaakte haastig naar West-Vlaanderen op te rukken om +den<br> +vijand den weg naar Brugge te versperren.<br> +<br> +De twee legers ontmoetten elkander te West-Rozebeke; een +ongelooflijk<br> +vertrouwen op den uitslag bezielde Artevelde, maar de slag viel +niet<br> +uit, zooals hij het had voorspeld.<br> +<br> +Nooit leden de Vlamingen zulk een bloedige nederlaag; duizenden<br> +gemeentemannen, waaronder ook Filips Van Artevelde, vonden den dood +op<br> +het slagveld.<br> +<br> +Trots de slagen van het noodlot bleef aan Gent nog levenskracht +genoeg<br> +over om den strijd voort te zetten. Eerst in 1386 werd de vrede<br> +geteekend.<br> +<br> +<br> +<br> +<br> +BLADWIJZER<br> +<br> +<br> +<a class="c4" href="#a1">1. De Hut in 't Woud</a><br> +<a class="c4" href="#a2">2. Oud België</a><br> +<a class="c4" href="#a3">3. Langs Poel en Plas</a><br> +<a class="c4" href="#a4">4. Bij de Menapiërs</a><br> +<a class="c4" href="#a5">5. Aan den Voet van den Reuzeneik</a><br> +<a class="c4" href="#a6">6. Verovering van ons Land door de +Romeinen</a><br> +<a class="c4" href="#a7">7. Twee Eeuwen later</a><br> +<a class="c4" href="#a8">8. De Romeinsche Overheersching</a><br> +<a class="c4" href="#a9">9. De Romeinsche Villa</a><br> +<a class="c4" href="#a10">10. Invallen der Barbaren</a><br> +<a class="c4" href="#a11">11. Een Frankische Knaap</a><br> +<a class="c4" href="#a12">12. De Franken</a><br> +<a class="c4" href="#a13">13. Grimbald en Bertolf</a><br> +<a class="c4" href="#a14">14. De Salische Wet</a><br> +<a class="c4" href="#a15">15. Van een Koning en eene +Prinses</a><br> +<a class="c4" href="#a16">16. Hlodwig en Clotildis</a><br> +<a class="c4" href="#a17">17. Amandus</a><br> +<a class="c4" href="#a18">18. Sint-Bavo</a><br> +<a class="c4" href="#a19">19. Het Wandelend Woud</a><br> +<a class="c4" href="#a20">20. De Zonen van Hlodwig</a><br> +<a class="c4" href="#a21">21. Van een armen kleinen Zanger en een +grooten Keizer</a><br> +<a class="c4" href="#a22">22. Karel de Groote</a><br> +<a class="c4" href="#a23">23. Renier en Albrade</a><br> +<a class="c4" href="#a24">24. Invallen der Noormannen</a><br> +<a class="c4" href="#a25">25. Anneken Soete, de kleine +Herderin</a><br> +<a class="c4" href="#a26">26. De Graven van Vlaanderen</a><br> +<a class="c4" href="#a27">27. Een Sprookje</a><br> +<a class="c4" href="#a28">28. Het Slot van Bouillon</a><br> +<a class="c4" href="#a29">29. De boetvaardige Zondaar</a><br> +<a class="c4" href="#a30">30. De Kruistochten</a><br> +<a class="c4" href="#a31">31. Twee Vluchtelingen</a><br> +<a class="c4" href="#a32">32. Koophandel en Nijverheid</a><br> +<a class="c4" href="#a33">33. Eene Klokkenvertelling</a><br> +<a class="c4" href="#a34">34. De Gemeenten</a><br> +<a class="c4" href="#a35">35. Kapitein Lorenzo en zijne Reis naar +Brugge</a><br> +<a class="c4" href="#a36">36. Brugge</a><br> +<a class="c4" href="#a37">37. Een Dichter</a><br> +<a class="c4" href="#a38">38. Jakob van Maerlant</a><br> +<a class="c4" href="#a39">39. Een Verhaal van Lijden en +Tranen</a><br> +<a class="c4" href="#a40">40. Innerlijke Twisten in de +Gemeenten</a><br> +<a class="c4" href="#a41">41. Eene Voorspelling</a><br> +<a class="c4" href="#a42">42. Het Prins-Bisdom Luik</a><br> +<a class="c4" href="#a43">43. Broeder en Zuster</a><br> +<a class="c4" href="#a44">44. Jan I en het hertogdom +Brabant</a><br> +<a class="c4" href="#a45">45. Twee Vorstinnen</a><br> +<a class="c4" href="#a46">46. Strijd der Gemeenten tegen den Koning +van Frankrijk</a><br> +<a class="c4" href="#a47">47. Hongersnood</a><br> +<a class="c4" href="#a48">48. Jakob Van Artevelde, de Wijze Man van +Gent</a><br> +<a class="c4" href="#a49">49. Broedermoord</a><br> +<a class="c4" href="#a50">50. Dood van Jakob Van Artevelde</a><br> +<a class="c4" href="#a51">51. Graaf Lodewijk van Male</a><br> +<a class="c4" href="#a52">52. Filips Van Artevelde</a><br> +<br> +<br> +<br> +<br> +VOORNAAMSTE GERAADPLEEGDE WERKEN.<br> +<br> +<br> +BORMANS S. Le bon métier des Tanneurs de l'ancienne +cité de Liège.<br> +<br> +DE GERLACHE G. Histoire de Liège depuis César +jusqu'à Maximilien de<br> +Bavière.<br> +<br> +DEMAREZ G. Les luttes sociales en Flandre au XIII<sup>e</sup> et +XIV<sup>e</sup> siècles.<br> +<br> +FRIS V. Vlaanderens vrijmaking in 1302.<br> +<br> +HOTTON J. James and Philip van Arteveld.<br> +<br> +HYMANS L. Histoire populaire de Belgique.<br> +<br> +JONCKBLOET. Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde.<br> +<br> +KURTH. Histoire poétique des Mérovingiens.<br> +Id. Clovis.<br> +Id. La frontière linguistique.<br> +Id. Les origines de la ville de Liège<br> +<br> +LÜBKE W. Grundriss der Kunstgeschichte.<br> +<br> +MONE F. Übersicht der Niederländischen Volks-Literatur +älterer Zeiten.<br> +<br> +NAMÈCHE. Histoire nationale.<br> +<br> +PIRENNE H. Histoire de Belgique.<br> +Id. Histoire du meurtre de Charles le Bon.<br> +<br> +STALLAERT K. Geschiedenis van Hertog Jan den Eersten van Brabant en +zijn<br> +tijdvak.<br> +<br> +TEN BRINK H. Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde.<br> +<br> +THONISSEN. La loi salique.<br> +<br> +VANDERKINDERE L. De Eeuw der Artevelden<br> +<br> +VAN LENNEP. Onze Voorouders.<br> +<br> +WAUTERS A. Les libertés communales.<br> +Id. Le duc Jan I et le Brabant.<br> +<br> +<br> +<br> +<br> +NOTEN:<br> +<br> +<p id="een">[Noot 1: Herinnert u, dat de Romeinen van Rome +kwamen; in<br> +krijgskunde zeer bedreven waren, en dat de toen bekende wereld +hun<br> +toebehoorde.] +<p id="twee">[Noot 2: Hoofdman of centurio, die bevel voert over +honderd<br> +soldaten.] +<p id="drie">[Noot 3: Scherpe, platte lans.] +<p id="vier">[Noot 4: Zware bijl.] +<p id="vijf">[Noot 5: Hemel.] +<p id="zes">[Noot 6: Hem, heem, heim beteekent woonplaats, erf.] +<p id="zeven">[Noot 7: Salische komt van Sala (Ysel), rivier in +Nederland, dus wet<br> +van de Franken die woonden aan den oever van de Ysel.] +<p id="acht">[Noot 8: Germaansche volksstam, die zich in +Oost-Gallië had<br> +gevestigd.] +<p id="negen">[Noot 9: Oude naam van het Zuidelijk gedeelte van +Gallië.] +<p id="tien">[Noot 10: Austrasië of oostelijke landstreek, +tusschen Rijn en<br> +Schelde.] +<p id="elf">[Noot 11: Neustrië of westelijke landstreek, +ten westen der Schelde<br> +en der Boven-Maas.] +<p id="twaalf">[Noot 12: Thans Braine s/la Vesle, bij Soissons, in +Frankrijk.] +<p id="dertien">[Noot 13: De Friezen, woonden langs de kusten der +zee aan de monding<br> +van den Weser, tot aan die van de Schelde. Evenals de Saksers waren +zij<br> +gedurig in oorlog met de Franken.] +<p id="veertien">[Noot 14: Aldus geheeten naar Merwig, voorvader van +Hlodwig.] +<p id="vijftien">[Noot 15: Centgraaf, die rechterlijk toezicht had +over honderd vrije<br> +huisgezinnen (oud Germaansch recht).] +<p id="zestien">[Noot 16: Thans S<sup>t</sup> Amand bij Valencijn in +het Noorden van<br> +Frankrijk.] +<p id="zeventien">[Noot 17: Men beweert, dat hij te Luik of in de +omstreken geboren<br> +werd in 742.] +<p id="achttien">[Noot 18: Runen = rechtlijnige letters der Noordsche +volkeren.] +<p id="negentien">[Noot 19: Heden eene Fransche stad.] +<p id="twintig">[Noot 20: Damespaardje.] +<p id="eenentwintig">[Noot 21: Een maliënkolder of hemd; eene soort +van hemd of harnas,<br> +uit maliën of ijzeren ringetjes gemaakt.] +<p id="tweeentwintig">[Noot 22: Naam waarmede de Arabieren, in Spanje in +Frankrijk en aan<br> +de noordwestkust van Afrika benoemd werden.] +<p id="drieentwintig">[Noot 23: Palestina, Syrië (West-Azië).] +<p id="vierentwintig">[Noot 24: Hardnekkige, slepende huidziekte, die +tegenwoordig in<br> +Europa zelden voorkomt.] +<p id="vijfentwintig">[Noot 25: Sanderus, Flandria illustrata, Keulen. +1641.] +<p id="zesentwintig">[Noot 26: Addio = vaarwel.] +<p id="zevenentwintig">[Noot 27: Handelsvereeniging.] +<p id="achtentwintig">[Noot 28: Deze steden maakten geruimen tijd deel van +het<br> +prins-bisdom Luik, dat dus vroeger uitgestrekter was dan onze<br> +hedendaagsche provincie Luik.] +<p id="negenentwintig">[Noot 29: Henri Martin.] +<p id="dertig">[Noot 30: De eersten onder de poorters bij +uitnemendheid.] +<p id="eenendertig">[Noot 31: Een voormalig koninkrijk in Spanje.] +<p id="tweeendertig">[Noot 32: Zie <i>Jacob van Artevelde</i>.--Hendrik +Conscience.] +<p id="drieendertig">[Noot 33: Langs moederlijke zijde was hij kleinzoon +van Philippe le<br> +Bel terwijl Filips VI enkel de neef was van den overleden koning.] +<p id="vierendertig">[Noot 34: Middeleeuwsche muzikanten of speelmannen.] +<p id="vijfendertig">[Noot 35: Oude provincie in het Noorden van +Frankrijk.] +<p id="zesendertig">[Noot 36: Weleer eene noordwestelijke provincie en +een der<br> +korenschuren van Frankrijk.] + + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Ons Vaderland van de vroegste tijden +tot de 15de eeuw, by M. Lievevrouw-Coopman + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ONS VADERLAND *** + +***** This file should be named 11288-h.htm or 11288-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/1/2/8/11288/ + +Produced by Joris Van Dael and PG Distributed Proofreaders + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's +eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII, +compressed (zipped), HTML and others. + +Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over +the old filename and etext number. The replaced older file is renamed. +VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving +new filenames and etext numbers. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000, +are filed in directories based on their release date. If you want to +download any of these eBooks directly, rather than using the regular +search system you may utilize the following addresses and just +download by the etext year. + + https://www.gutenberg.org/etext06 + + (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99, + 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90) + +EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are +filed in a different way. The year of a release date is no longer part +of the directory path. The path is based on the etext number (which is +identical to the filename). The path to the file is made up of single +digits corresponding to all but the last digit in the filename. For +example an eBook of filename 10234 would be found at: + + https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234 + +or filename 24689 would be found at: + https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689 + +An alternative method of locating eBooks: + https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL + + + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/old/11288-h/doopkapel.png b/old/11288-h/doopkapel.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..74fbf45 --- /dev/null +++ b/old/11288-h/doopkapel.png diff --git a/old/11288-h/fragment.png b/old/11288-h/fragment.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..31a9703 --- /dev/null +++ b/old/11288-h/fragment.png diff --git a/old/11288-h/frankischevrouw.png b/old/11288-h/frankischevrouw.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..6cf544b --- /dev/null +++ b/old/11288-h/frankischevrouw.png diff --git a/old/11288-h/frankischopperhoofd.png b/old/11288-h/frankischopperhoofd.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..76977b4 --- /dev/null +++ b/old/11288-h/frankischopperhoofd.png diff --git a/old/11288-h/franschwapenschild.png b/old/11288-h/franschwapenschild.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..0dd1c2a --- /dev/null +++ b/old/11288-h/franschwapenschild.png diff --git a/old/11288-h/gallie.png b/old/11288-h/gallie.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a909307 --- /dev/null +++ b/old/11288-h/gallie.png diff --git a/old/11288-h/gallischelandbouwer.png b/old/11288-h/gallischelandbouwer.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ec77fb2 --- /dev/null +++ b/old/11288-h/gallischelandbouwer.png diff --git a/old/11288-h/gentschepoorter.png b/old/11288-h/gentschepoorter.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..289d9ba --- /dev/null +++ b/old/11288-h/gentschepoorter.png diff --git a/old/11288-h/hanzeschip.png b/old/11288-h/hanzeschip.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..230ad49 --- /dev/null +++ b/old/11288-h/hanzeschip.png diff --git a/old/11288-h/helm.png b/old/11288-h/helm.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..674b849 --- /dev/null +++ b/old/11288-h/helm.png diff --git a/old/11288-h/hoofddeksel.png b/old/11288-h/hoofddeksel.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..49ddd47 --- /dev/null +++ b/old/11288-h/hoofddeksel.png diff --git a/old/11288-h/hoofdletters.png b/old/11288-h/hoofdletters.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..413f58c --- /dev/null +++ b/old/11288-h/hoofdletters.png diff --git a/old/11288-h/kruisboogschutter.png b/old/11288-h/kruisboogschutter.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..491126a --- /dev/null +++ b/old/11288-h/kruisboogschutter.png diff --git a/old/11288-h/kruischtochten.png b/old/11288-h/kruischtochten.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..27e5b9c --- /dev/null +++ b/old/11288-h/kruischtochten.png diff --git a/old/11288-h/kruisvaarder.png b/old/11288-h/kruisvaarder.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b82ebd0 --- /dev/null +++ b/old/11288-h/kruisvaarder.png diff --git a/old/11288-h/leenroerig.png b/old/11288-h/leenroerig.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..34dc5fa --- /dev/null +++ b/old/11288-h/leenroerig.png diff --git a/old/11288-h/lijder.png b/old/11288-h/lijder.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..61803b9 --- /dev/null +++ b/old/11288-h/lijder.png diff --git a/old/11288-h/mannelijkekleederdracht.png b/old/11288-h/mannelijkekleederdracht.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ca8b28e --- /dev/null +++ b/old/11288-h/mannelijkekleederdracht.png diff --git a/old/11288-h/oudbelgie.png b/old/11288-h/oudbelgie.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..754fd99 --- /dev/null +++ b/old/11288-h/oudbelgie.png diff --git a/old/11288-h/poortvanhetgravensteen.png b/old/11288-h/poortvanhetgravensteen.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a238c9f --- /dev/null +++ b/old/11288-h/poortvanhetgravensteen.png diff --git a/old/11288-h/riddertentijdevanjani.png b/old/11288-h/riddertentijdevanjani.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..bda7917 --- /dev/null +++ b/old/11288-h/riddertentijdevanjani.png diff --git a/old/11288-h/romeinschevilla.png b/old/11288-h/romeinschevilla.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..21b1083 --- /dev/null +++ b/old/11288-h/romeinschevilla.png diff --git a/old/11288-h/schild.png b/old/11288-h/schild.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7fb4fd4 --- /dev/null +++ b/old/11288-h/schild.png diff --git a/old/11288-h/schipdernoormannen.png b/old/11288-h/schipdernoormannen.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c143fcf --- /dev/null +++ b/old/11288-h/schipdernoormannen.png diff --git a/old/11288-h/schipderxiideeeuw.png b/old/11288-h/schipderxiideeeuw.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..348924a --- /dev/null +++ b/old/11288-h/schipderxiideeeuw.png diff --git a/old/11288-h/schrift.png b/old/11288-h/schrift.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..fa2f294 --- /dev/null +++ b/old/11288-h/schrift.png diff --git a/old/11288-h/verdeling.png b/old/11288-h/verdeling.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..fc8d1ff --- /dev/null +++ b/old/11288-h/verdeling.png diff --git a/old/11288-h/vestingaduatieken.png b/old/11288-h/vestingaduatieken.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e35c565 --- /dev/null +++ b/old/11288-h/vestingaduatieken.png diff --git a/old/11288-h/vlaamschwapenschild.png b/old/11288-h/vlaamschwapenschild.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f43f51c --- /dev/null +++ b/old/11288-h/vlaamschwapenschild.png diff --git a/old/11288-h/vrouwelijkekleederdracht.png b/old/11288-h/vrouwelijkekleederdracht.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7d43a6f --- /dev/null +++ b/old/11288-h/vrouwelijkekleederdracht.png diff --git a/old/11288-h/wagen.png b/old/11288-h/wagen.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9d9f871 --- /dev/null +++ b/old/11288-h/wagen.png diff --git a/old/11288-h/zegel.png b/old/11288-h/zegel.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b05ba44 --- /dev/null +++ b/old/11288-h/zegel.png |
