summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/11288.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '11288.txt')
-rw-r--r--11288.txt5772
1 files changed, 5772 insertions, 0 deletions
diff --git a/11288.txt b/11288.txt
new file mode 100644
index 0000000..9b05817
--- /dev/null
+++ b/11288.txt
@@ -0,0 +1,5772 @@
+The Project Gutenberg EBook of Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de
+15de eeuw, by M. Lievevrouw-Coopman
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw
+
+Author: M. Lievevrouw-Coopman
+
+Release Date: February 25, 2004 [EBook #11288]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ONS VADERLAND ***
+
+
+
+
+Produced by Joris Van Dael and PG Distributed Proofreaders
+
+
+
+
+ONS VADERLAND
+
+van de vroegste tijden tot de 15de eeuw door
+
+M. LIEVEVROUW-COOPMAN
+HOOFDONDERWIJZERES
+
+
+Teekeningen van E. ROELANT, kunstschilder.
+
+
+1904
+
+
+
+1.--De Hut in het Woud.
+
+
+Er waren eens twee kinderen, een jongen en een meisje. Zij bewoonden
+eene kleine hut, uit leem en riet vervaardigd. Die hut had
+schoorsteenpijp, noch vensters, dus konden licht en lucht er enkel langs
+de deur binnendringen, terwijl de rook van het haardvuur de woning
+verliet door eene nauwe opening, midden in het dak.
+
+Wel was de hut armoedig, maar het groote woud, dat haar omringde, was
+wonderschoon. Heerlijk mos bedekte den grond, hooge varens wiegelden er
+hare bleekgroene pluimen, terwijl forsche eiken, ver boven de hut, hunne
+takken broederlijk dooreen strengelden.
+
+'s Zomers zongen honderden vogeltjes in het gebladerte: vinken, meezen,
+winterkoninkjes, meerlen, nachtegalen vereenigden er hunne stemmen, tot
+een enkel koor van levenslust.
+
+"Koekoek! koekoek!" klonk het dan schaterend in de verte en de kleine
+hutbewoners lachten en herhaalden het spottend geroep van den
+zwartgevlerkten zanger.
+
+Dat vroolijk spelletje duurde dagen en dagen, "Koekoek! koekoek! waar
+zijt ge?" vroegen thans de kinderen, "Kom bij ons, we zullen u wormpjes
+zoeken en broodkruimels voor u strooien," maar de vogel kwam niet en
+deed, luider en luider zijn eentonigen zang door de blauwe zomerlucht
+weergalmen.
+
+"Willen wij hem opzoeken?" sprak de knaap tot zijn zusje.--"Ik durf
+niet, Atto, moeder zegt gedurig, dat wij ons van hier niet mogen
+verwijderen."--"Zij zal het niet weten" lachtte Atto, "zij is vader
+tegemoet, die heden van de jacht terugkomt."
+
+En Juna liet zich overreden.
+
+Hand aan hand, blootsvoets, half naakt, stapten de kleinen over het
+zachte mos, en zochten den koekoek, wiens spottend gezang, door het woud
+weergalmde. Maar, hoe zij ook zochten en zochten, zij vonden den
+spottenden zanger niet.
+
+Vermoeid en treurig rustten zij een poosje en besloten toen huiswaarts
+te keeren. De bloote voetjes der kleine Juna waren vurig rood en Atto
+had zich, vlak onder de knie aan een scherpen doorn bezeerd, doch om
+zijn zusje niet bang te maken, beet hij zich op de lippen en beweerde
+geen pijn te gevoelen.
+
+Maar, waar toch was het smalle pad, waarlangs zij gekomen waren? Atto
+zocht het vruchteloos onder de varens en Juna vreesde, dat zij verdwaald
+vaaren.
+
+Klapwiekend vloog de zwarte woudraaf uit een naburig berkenbosje en
+daarna werd alles stil, doodstil.
+
+Langzaam, o! zeer langzaam verstreek de tijd. Atto zocht en zocht, klom
+op een boom, tuurde in de verte ... hij zag enkel boomen en niets dan
+boomen.
+
+Eensklaps werd de lucht duister, de wind stak op, bliksemschichten
+flikkerden, de donder rommelde. Broer en zuster klappertandden van angst
+en koude, maar zij gingen verder, altijd verder. Eindelijk bereikten zij
+eene grot, waar zij zich vermoeid in nederzetten.
+
+En thans vernamen de arme kinderen een vervaarlijk gehuil.... "De
+wolven! de wolven!" kreet Juna en sloot zich heel dicht bij haren
+broeder aan.
+
+Atto verzamelde groote steenen en aardklompen, waarmede hij den ingang
+der grot versperde, want de avond viel en hij voorzag, dat zij den nacht
+in de eenzame schuilplaats zouden moeten doorbrengen. Toen nam hij zijn
+schreiend zusje op den schoot en het arme meisje, uitgeput van angst en
+vermoeidheid, viel weldra op zijne knieen in slaap.
+
+Atto echter waakte, hij hoorde het gehuil der wolven, en andere wilde
+dieren, dat akelig door het woud weerklonk....
+
+'s Anderendaags, vroeg in den morgen, ontwaaktte Juna. Atto nam haar bij
+de hand en beide kinderen hervatten hun gevaarvollen tocht.
+
+ * * * * *
+
+Na een half uur gaans vernamen zij het gemurmel van een beekje dat,
+tusschen lisch en weegbree, zijne heldere golfjes voortstuwde. "Wij zijn
+gered!" murmelde Atto, "laten wij langs den boord van het water
+voortgaan, want het leidt naar de woningen der menschen."
+
+Hoopvol nam hij zijn zusje bij de hand en zette zijnen weg voort. De
+tocht was lastig; soms verdween het beekje onder hooge struiken of de
+kinderen bezeerden zich aan bramen en doornen. Nu en dan hurkten zij
+neder, bogen zich over den vliet en schepten met hunne kleine handen,
+water, dat zij begeerig aan den mond brachten.... Arme kleinen, zij
+leden zoo geweldig door honger en dorst!
+
+Eindelijk bereikten zij eene plaats, waar het water veel breeder was,
+want een tweede beekje vereenigde er zijne golfjes met die van het
+eerste. Hier zwommen eendvogels, in menigte en Atto bemertke, dat zijn
+zusje en hij, den zoom van het woud hadden bereikt. Wilgjes ruischten
+aan den oever van den vliet en de kinderen betraden vol blijdschap eene
+malsche weide, waar verscheidene koeien graasden.
+
+"Daar komt een man," kreet eensklaps Juna met blijde verrassing.
+
+"Gangusso! vaders vriend! dezelfde, die verleden jaar onze berenhuid
+kocht!" lachte Atto en de man, van zijnen kant, scheen de kinderen te
+herkennen, want hij liet een rooden doek boven zijn hoofd zwaaien en
+spoedde zich naar de kleinen.
+
+Gangusso was een man van groote gestalte, met blauwe oogen en lange,
+blonde haarvlechten. Hij droeg lederen schoenen en korte, nauwsluitende
+kleederen.
+
+Hij nam de verdwaalde kinderen bij de hand, bracht ze naar zijne
+woning, op welker drempel zijne vrouw en een paar dienstmaagden, naar de
+kinderen stonden te zien.
+
+Snikkend verhaalden de kleinen hun treurig wedervaren, maar Gangusso
+stelde hen gerust en beloofde, hen zoo spoedig mogelijk naar hunne
+ouders te brengen.
+
+Een verkwikkend maal: brood, melk, gebraden zwijnevleesch werd den
+kinderen aangeboden, maar toen zij verzadigd waren, verklaarde Gangusso,
+dat de dag te ver gevorderd was om den terugtocht aan te nemen.
+
+De dienstmaagden brachten versch stroo, spreidden het op den grond en
+bedekten het met zachte huiden. Dit was het bed, waarop de kleinen den
+nacht doorbrachten.
+
+'s Anderendaags verlieten zij, onder het geleidde van Gangusso, de
+herbergzame woning, waar hun zulk vriendelijk onthaal te beurt viel.
+
+De bewoners der naburige hutten, die reeds van hunne komst verwittigd
+waren, groetten hen lachend en wenschten hun hartelijk "goede reis!"
+
+Omtrent den middag bereikten de kinderen een breed water, dat niet diep
+was, want de reizigers doorwaadden het zonder moeite.
+
+Nu stapten zij verder over heiden en dwars door wouden en bereikten
+omstreeks den avond, de ouderlijke hut.
+
+Hoe gelukkig waren de ouders van Juna en Atto, toen zij hunne kinderen
+wederzagen! Hoe hartelijk schonken zij hun vergiffenis en hoe vurig
+dankten zij hunnen vriend, den braven, dienstvaardigen Gangusso.
+
+
+
+
+2.--Oud Belgie.
+
+
+[Illustration: Gallische landbouwer.]
+
+Welke eigenaardige hut bewoonden Atto en Juna! 'k Wed, dat men, in onze
+dagen, in geen enkel land der wereld, eene dergelijke meer zou
+aantreffen! Zulks moet mijne lezers niet verwonderen, want de twee
+kinderen leefden niet in onzen tijd, maar voor honderden en honderden,
+ja, schrikt niet ... voor 2000 jaar.
+
+De hut, die zij bewoonden, stond midden in het woud en dat woud was zoo
+dicht en uitgestrekt, dat men er heel licht in verdwaalde. Bezit ons
+vaderland heden nog wouden? Voorzeker, maar ze zijn kleiner, minder
+talrijk, dan vroeger. De menschen hebben ze gedeeltelijk uitgeroeid en
+in akkers herschapen.
+
+De vader der kleine, onvoorzichtige kinderen was een jager. In de wouden
+van ons land huisden vroeger beren, talrijke wolven, everzwijnen.
+
+Gevaar schrikte den man weinig af, ofschoon hij zulke goede wapens niet
+bezat als de jagers van onzen tijd. Schietgeweren, pistolen, waren
+onbekend; de tijdgenooten van Gangusso bezigden pijlen, bogen, slingers,
+knotsen, lansen en trachtten, heel waarschijnlijk, het wild in
+hinderlagen te lokken.
+
+Sommige menschen deden echter iets anders dan jagen: Gangusso fokte vee
+en zijne huisgenooten sliepen op stroo, hetgeen bewijst, dat de man ook
+graan verbouwde. Eendvogels zwommen in beken en plassen en deze vogels
+... gij raadt het zelf, verschaften den menschen eieren, vleesch, dons.
+
+Waarom had Gangusso zijne woning dichtbij de samenvloeiing van twee
+beken gebouwd?
+
+Wel! omdat het water hem onmisbaar was en, omdat in dun bevolkte of
+weinig beschaafde streken, de oevers van het water, soms ook zijne
+uitgedroogde bedding, als wegen dienst doen.
+
+Bestonden er, voor tweeduizend jaar in ons land geene groote zand-of
+aardwegen? Neen, die waren er niet; vandaar dat de menschen heel weinig
+betrekking met elkander hadden. Koopen of verkoopen gebeurde zelden;
+steden of groote dorpen zoudt gij hier vruchteloos hebben gezocht.
+
+De menschen van dien tijd hadden echter een goed hart: Gangusso nam de
+verdwaalde kinderen in zijn huis op en schonk hun spijs en ligging.
+
+De menschen van voorheen waren zeer gastvrij en die eigenschap is bij
+ons, hunne nakomelingen, niet verdwenen.
+
+Op het land, en vooral in de Ardennen, waar steden en dorpen ver van
+elkander liggen, gebeurt het niet zelden, dat reizigers, in eenzaam
+staande hoeven, voor den nacht worden opgenomen.
+
+Bewoonden Gangusso, Atto en Juna misschien het Zuid-Oostelijk deel van
+ons land? Dat deden zij ... maar, nu mijn verhaal ten einde loopt, wil
+ik u vertellen van de oude bewoners van Laag-Belgie.
+
+
+
+
+3.--Langs Poel en Plas.
+
+
+De najaarszon neigde ten Westen en wierp hare schuine stralen op een
+groep vrouwen en kinderen, die zich over zandheuvels en door duinpannen
+naar zee begaven. Vuurroode wolken hingen over den schuimenden waterplas
+en een paar visschersschuiten naderden het strand, waarop millioenen
+schelpjes, als zoovele parelen, lagen te blinken.
+
+Met blijdschap begroetten de vrouwen de naderende vaartuigen die, met
+hunne bemanning, weldra in eene naburige kreek binnenliepen.
+
+De schuiten waren log en stevig, voorzien van zeilen, die, uit aan
+elkander genaaide huiden waren vervaardigd.
+
+Waarschijnlijk hadden de visschers eene goede vangst gehad; want, toen
+de vrouwen, over zandbanken en door plassen zeewater de schuiten
+bereikten, vulden zij hare teenen manden met een rijken buit van versche
+tongen, schollen, roggen.
+
+De mannen laadden hunne netten en fuiken op den rug en weldra trok de
+heele troep landwaarts.
+
+De streek had een treurig aanzien: rechts en links lagen eindelooze
+moerassen, waarboven heele zwermen raven en meeuwen vlogen; hier en daar
+bemerkte men een schraal boschje van wilge-, essche-of elzeboompjes.
+
+De weg, waarlangs de visschers en hunne vrouwen stapten, lag hooger dan
+het omliggende land en was eigenlijk het bovenvlak van een dijk, door
+menschenhanden aangelegd.
+
+Thans bereikte de karavaan een groepje ellendige hutten, de
+verblijfplaatsen der visschersfamilien.
+
+Eene plotselinge regenvlaag noopte vrouwen en kinderen eene schuilplaats
+in de woningen te zoeken. "De wind waait uit het Zuid-Westen" sprak een
+der mannen. "De storm is in aantocht en dezen nacht hebben wij
+springvloed."
+
+Na een paar uren waaide de wind zoo hevig, dat de kloeke mannen moeite
+hadden zich overeind te houden. De zee donderde, de nacht daalde over
+het aardrijk en de regen viel bij stroomen.
+
+"Ik vrees, dat de dijk, dien wij verleden zomer aanlegden, tegen het
+water niet bestand zal wezen" sprak een der mannen.
+
+Een ander voegde er bij: "Ik stel voor, dezen nacht de wacht te houden,
+om bij het minste gevaar, onze vrouwen, onze kinderen en ons vee in
+veiligheid te brengen."
+
+Dit voorstel werd aangenomen; de mannen bleven bij elkander en, hoe
+vervaarlijk de wind ook huilde, hoe plassend de regen ook nederviel,
+toch gingen ze, bij beurten, den dijk op en neder.
+
+De storm intusschen hield aan; met grenzenlooze woede beukte de zee de
+duinen, baande zich eenen weg door het land en bereikte den dijk.
+
+Het hart der mannen klopte angstig; zou de vrucht van hunnen arbeid
+bestand zijn tegen den vertoorden Oceaan?... De dag brak aan, heviger
+nog huilde de storm, hooger en hooger stegen de golven en!... de mannen
+bemerkten eene breuk midden in den dijk.
+
+De vrouwen brachten kleiaarde, steenen, takkebossen aan, hijgend en
+zweetend arbeidden zij, onder den plassenden regen, aan het herstellen
+van den dijk ... vruchtelooze moeite; eene tweede, eene derde dijkbreuk
+ontstond; de vrouwen weenden, de kinderen huilden.
+
+"Allen naar de hutten! drijft het vee voor u uit! neemt manden en netten
+mede, richt u zuidwaarts!" riepen thans de mannen en met koortsige haast
+gehoorzaamden allen aan het bevel. In radeloozen angst vloden de
+ongelukkigen over heiden en moerassen en bereikten eene hooger gelegen
+streek, waar de hutten talrijker en akkers en weiland waren aangelegd.
+
+De arme vluchtelingen werden er liefderijk ontvangen en dagen lang
+geherbergd, maar, toen de mannen eindelijk naar hunne vroegere
+verblijfplaats terugkeerden, waren dijk en woningen weggespoeld.
+
+
+
+
+4.--Bij de Menapiers.
+
+
+Wat moesten de arme, wreedbeproefde lieden thans aanvangen?... Klagen,
+weenen, helpt zoo weinig! Onze mannen waren moedig en kloek, zij
+vereenigden hunne krachten, arbeidden samen en, door tegenspoed wijzer
+geworden, legden zij een nieuwen dijk aan, die breeder en sterker was
+dan de eerste; ook richtten zij eene terp op en bouwden zich hutten,
+die, op eene verhevenheid staande, minder van overstrooming zouden te
+lijden hebben. Daar het moeras thans volkomen tegen het water was
+beschut, droogde het uit en kon men het in weiland, later in akkers
+herscheppen.
+
+De vrouwen naaiden zeilen, vlochten fuiken, breiden vischnetten; de
+mannen timmerden eene schuit en weldra dobberden onze moedige arbeiders
+op den Oceaan, bereikten de Britsche kusten, waar zij lood en tin
+haalden, alsook mergelaarde, waarmede zij hunne akkers bemestten.
+
+Deze moedige menschen waren de Menapiers die, voor 2000 jaar, in
+Laag-Belgie ten Westen en aan de monding der Schelde woonden.
+
+Hun lijden en strijden leert ons genoegzaam, hoe woest en bar ons land
+toen nog was: de kusten der zee waren diep ingesneden, de zee vormde
+talrijke inhammen, zelfs golven, vooral bij de monding der rivieren,
+wier overtollig water zich soms over het land verspreidde en plassen en
+modderpoelen deed ontstaan. Heel waarschijnlijk dachten de brave
+Menapiers er nog niet aan, kanalen te graven, die het nat opvangen, en
+sluizen te vervaardigen, die den loop van het water zouden regelen.
+
+Ik zeg niet zonder reden "de brave Menapiers." Hadden zij niet, op eigen
+kracht steunend, den strijd tegen de woedende zee volgehouden? Hunne
+werktuigen waren ruw en onvolkomen, machines kenden ze niet en toch, al
+mocht de zee hunne schuiten verzwelgen, het water hunne dijken
+verbrijzelen, hunne woningen vernielen, altijd weer begonnen zij hunne
+nimmer eindigende taak.
+
+Lezers, denkt er aan, als gij Vlaanderens lachende beemden bewondert, of
+u in de mooie badplaatsen aan den Belgischen zeeoever gaat vermeien.
+
+
+
+
+5.--Aan den Voet van den Reuzeneik.
+
+
+Heerlijk en trotsch verhief zich de machtige boom in het midden der
+vlakte; honderden stormen had hij getrotseerd, honderden winters
+beleefd; 's zomers rustte het vee in zijne schaduw en honderden vogels
+kweelden in zijne takken.
+
+Thans, ofschoon de lente nauwelijks in aantocht was, hielden aan zijn
+bemosten voet, de menschen eene plechtige vergadering;--vroeg in den
+morgen waren zij in menigte aangekomen, langs de kronkelende paden, die
+men, hier en daar, in wouden en heiden aantrof.
+
+De meesten onderscheidden zich door hunne hooge gestalte, hunne lange,
+roodgeverfde lokken en krachtige ledematen.
+
+[Illustration: Hoofddeksel.]
+[Illustration: Schild.]
+[Illustration: Helm.]
+
+Allen schenen krijgslieden te zijn, sommigen hadden op het hoofd eenen
+helm, waaraan vleugels van roofvogels of hoornen van dieren waren
+vastgemaakt en hunne wapens: lansen, pieken, zwaarden, schitterden in
+het zonnelicht. Allen droegen nauwsluitende kleederen, sommigen ook
+bontgestreepte kolders, zonder mouwen en, als sieraad of
+herkenningsteeken, fraai bewerkte hals-of armbanden, terwijl nog anderen
+een korten pelsmantel om de schouders hadden geslagen.
+
+Die mantel bewees dat zij jagers waren, want zij hadden de klauwen van
+het door hen gedoode dier niet weggenomen, zelfs bemerkte men hier en
+daar eenen krijgsman, die zijne kap met den ruigen kop van eenen beer of
+van een everzwijn had versierd.
+
+De opperhoofden herkende men aan de pracht hunner wapens en telkens
+wanneer een nieuwe troep verscheen, begroetten de aanwezigen dien met
+luide welkomskreten.
+
+Plotseling verving eene eerbiedige stilte het luide gegons der menigte,
+de stoet der druiden of priesters naderde. Voetknechten, voorzien van
+lansen en schitterende pieken gingen vooraan.--Op eenigen afstand
+volgden de barden of gewijde zangers; zij hielden snarentuigen in de
+hand en hieven, bij beurten, strijdzangen aan, die de anderen in koor
+herhaalden.
+
+Nu verscheen een man, die door al de omstanders met eerbied werd
+begroet. "Boduognat! hoofdman der Nerviers," fluisterden de dichte
+scharen en Boduognat, wiens naam "Gewoon aan overwinning" beteekende,
+scheen dien eeretitel te verdienen; heel zijn uiterlijk getuigde van
+mannelijke kracht, terwijl zijn hoog voorhoofd en zijne donkere,
+ernstige oogen wijsheid en nadenken verrieden.
+
+De beste krijgslieden des lands hadden zich, als eene eerewacht, om hem
+geschaard. De opperdruide en zijne priesters, in lange, witte kleederen,
+volgden en hunne lijfwacht sloot den stoet, die zich in volmaakte orde
+rondom den eik plaatste.
+
+De krijgsbazuinen schalden en onmiddellijk daarna nam een der
+opperhoofden het woord.
+
+"Mannen" sprak hij, "groote gevaren bedreigen ons. Julius Caesar, de
+vermaarde Romeinsche krijgsoverste, nadert onze streek en stelt zich
+voor, ons aan zijne macht te onderwerpen. Zullen wij, kloeke Nerviers,
+de dapperste der Belgen, zulks laten gebeuren?"
+
+Een vreeselijk gemompel, dat het geraas van den naderenden storm geleek,
+verhief zich op deze vraag.--"Neen," vervolgde de spreker, "neen, we
+zullen onze vrouwen, onze vrijheid, onze velden, dapper verdedigen."
+
+Daverende toejuichingen beantwoordden deze aanspraak, maar de
+krijgshoorn schalde, de mannen zwegen en de spreker vervolgde: "De
+vijand is listig en behendig; tegenover Caesar, die, zegt men, al de
+stammen van Midden-Gallie overwon, moeten wij een opperhoofd plaatsen,
+dat voor geen Romein in dapperheid en krijgskunst onderdoet!"
+
+"Boduognat! Boduognat!" riepen allen uit eenen mond en duizenden
+krijgslieden, hunkerend naar strijd en overwinning, staken zwaarden,
+lansen, standaards, schilden omhoog en begroetten aldus den bij
+algemeenheid van stemmen gekozen hoofdman.
+
+Toen de geestdrift eenigszins was bedaard, brachten de dienaars der
+druiden twee jonge, witte stieren aan. Deze werden als offeranden aan de
+godheid geslacht en, in het nog rookend ingewand dezer dieren, lazen de
+priesters den wil des Allerhoogsten.
+
+"God is ons genegen" sprak de opperdruide, "de fortuin zal ons gunstig
+wezen."
+
+Wederom klonk het gekletter der wapens, schilden werden in de hoogte
+geheven, luide vreugdekreten weerklonken.
+
+Toen de offerande was volbracht, keerden de priesters en hun gevolg naar
+het geheimzinnig woud terug, waar zij in volledige afzondering hun leven
+wijdden aan studie en godgeleerdheid.
+
+Het volk echter toefde nog langen tijd onder den eik.--Mondbehoeften en
+schuimend bier werden aangebracht en de drinkhoorn geledigd op de
+aanstaande overwinning.
+
+
+
+
+6.--Verovering van ons land door de Romeinen.
+
+
+Waar verhief zich de reuzeneik, in welker schaduw de menschen zulk eene
+gewichtige vergadering hielden?--Is de gebeurtenis, waarvan het
+voorgaande verhaal gewaagt, reeds lang geleden?
+
+De reuzeneik groeide voor meer dan 1900 jaar in Midden-Belgie, aldus
+genoemd omdat de grond er meer verheven is dan in Laag-Belgie en echter
+de hoogte niet bereikt van Hoog-Belgie met zijne heuvelen en steile
+rotsen.
+
+In een woudrijk land, als het onze toen was, trof men talrijke, zeer
+groote en zeer oude boomen aan; dat de menschen, aan den voet van zulke
+boomen vergaderden, moet ons niet verwonderen in eene streek, waar
+steden, noch groote dorpen, dus nog veel minder pleinen of groote
+vergaderzalen waren.
+
+Wij hadden toen zelfs nog geene bedehuizen, want de priesters boden de
+godheid hunne offeranden aan in de open lucht.
+
+Welken eeredienst beleden onze voorouders? Zij aanbaden de sterren des
+hemels, de zon, de maan, den donder, den wind. Zij hadden hier en daar
+steenen altaren, onder een boom of dicht bij eene bron. Hunne priesters
+of druiden genoten de algemeene achting; want, ofschoon hunne leer voor
+ons zeer duister is, waren zij wijzer en geleerder dan gewone menschen.
+
+Misschien wel hebt gij bij u zelven gezeid dat, in het voorgaand
+verhaal, meest over krijgslieden wordt gesproken.
+
+Weet gij wel, dat de krijgskunst toen algemeen werd geacht, en wie zich
+door lichaamskracht onderscheidde, in hoog aanzien stond?
+
+Herinnert u Boduognat, die tot opperhoofd werd gekozen; denkt aan de
+forsche gestalte, aan de glinsterende wapens van de strijders, die hem
+omringden.
+
+[Illustration: Oud-Belgie.]
+
+Boduognat was een Nervier; de Nerviers bewoonden die deelen van ons
+land, die men heden Henegouwen, Brabant en Antwerpen noemt. Men trof
+hier te lande nog aan: de Eburonen, de Aduatieken, de Trevieren en de
+Morinnen.
+
+Zij vormden te zamen de Belgen of Bolgs. Eenige namen der Zuider-Belgen
+zijn bewaard gebleven in de namen van sommige aloude Fransche steden: de
+Bellovaken (Bavai), de Atrebaten (Atrecht). Zij bewoonden niet alleen
+het huidige Belgie, maar een deel van het Noorden van Frankrijk en der
+Rijnprovincie. Zij vereenigden zich enkel in oorlogstijd om samen aan
+een gemeenschappelijken vijand weerstand te bieden.
+
+Voorgaand verhaal leert ons, dat de Belgen aangevallen werden door de
+Romeinen[1]. Deze, van het Zuiden komende, volgden den rechter oever der
+Sambre en leverden slag tegen de Nerviers, die, langs den linkeroever
+der rivier, den top van een houtrijken heuvel bezet en zich in het
+struikgewas verborgen hadden. Caesar, de aanvoerder der Romeinen, zond
+zijne lichte ruiterij op hen af, doch de Nerviers daalden van den
+heuvel, staken de Sambre over, vielen de Romeinsche benden aan en
+vochten met ongewone dapperheid onder aanvoering van Boduognat.
+
+Caesar en zijne krijgslieden waren de onzen te machtig; duizenden en
+duizenden Nerviers, ook Boduognat, werden gedood.
+
+Wat moest het, na dit akelig bloedbad, doodelijk treurig zijn in het
+land der Nerviers: duizenden weeskinderen weenden er om den verloren
+vader, moeders zuchtten er om de zonen, die de vijanden haar ontrukten.
+
+[Illustration: Vesting der Aduatieken.]
+
+De Aduatieken, die de Nerviers ter hulp snelden, trokken naar hunne
+vesting, maar Caesar kwam ze daar belegeren en nam hunne vesting in.
+Zegevierend zetten de Romeinsche krijgsbenden hunnen tocht voort; hutten
+en wouden verbrandden zij, akkers liepen zij plat, vrije mannen
+verkochten zij als slaven.
+
+Ellende, dood, slavernij gingen steeds met oorlog hand aan hand.
+
+ * * * * *
+
+Drie bange jaren kropen traag en somber voorbij. 's Zomers, trokken de
+Romeinen al verder en verder in ons land, maar in het najaar, als
+plasregens nedervielen, als de rivieren overstroomden en dikke nevels
+uit de moerassen opstegen, staakten zij tijdelijk den oorlog.
+
+Zij deden voorraad op voor soldaten en paarden en legden in verscheiden
+streken kampen of legerplaatsen aan, die zij betrokken en vanwaar zij de
+overwonnen volksstammen in bedwang hielden.
+
+In dien tijd leefde in het land der Eburonen, de beroemde Ambiorix. Het
+ongeluk zijner landgenooten had hem zoo diep getroffen, dat alle
+levenslust voor altijd uit zijn hart was verdwenen.
+
+'s Avonds, bij het knetterend haardvuur gezeten, zuchtte hij over de
+bange tijden en droomde van opstand tegen de vreemdelingen, van
+wraakoefening over het geleden onrecht.
+
+'s Daags dwaalde hij door het woud, sprak tot de lieden, die zich ter
+jacht begaven of zich met akkerwerk onledig hielden, begaf zich van
+gehucht tot gehucht en deelde aan allen, den haat mede, dien hij tegen
+de overwinnaars koesterde.
+
+Van tijd tot tijd sloop hij voorbij de legerplaats der Romeinen,
+bespiedde hunne handelingen, ging hunne getalsterkte na, zag de aarden
+wallen, die het kamp der vijanden omringden, de slooten, de houten
+torens, de valbruggen, de poorten, die de legerplaats beschermden en
+keerde daarna, laat in den nacht, met gebalde vuisten en fonkelende
+oogen huiswaarts.
+
+Verscheidene malen riep hij de inwoners zijner landstreek heimelijk bij
+elkander, sprak hun over de verloren vrijheid en, toen hij, in aller
+hart, het vuur der wraak had doen ontvlammen en de hoop op verlossing
+had doen herleven, lokte hij de Romeinsche bezetting uit hare
+legerplaats en behaalde eene eerste overwinning op den vijand.
+
+Weldra vertrok hij naar het land der Aduatieken en, dag en nacht zijn
+marsch voortzettend, begaf hij zich naar het land der Nerviers, waar
+hij ook dezen, tot den opstand aanzette en de legerplaats van Cicero,
+een Romeinsch opperhoofd, aanrandde.
+
+Cicero zond in allerhaast boden en brieven naar Caesar, die al spoedig
+in versnelde marschen het land der Nerviers bereikte, de zijnen verloste
+en besloot de Eburonen te straffen.
+
+Bij den aanvang van den oogsttijd trok de groote veldheer op tegen
+Ambiorix, wiens onbedreven moed, helaas! niet bestand was tegen de
+krijgskunst van den grooten Romein. Caesars soldaten staken hutten en
+hoeven in brand, namen de paarden, het vee, de strijdwagens der Eburonen
+als krijgsbuit mede.
+
+Talrijke inwoners werden gedood, eenigen slaagden er in de groote wouden
+te bereiken, waar zij, tot in de dichtste struiken, tot in het riet der
+moerassen werden nagezet.
+
+Honger, angst, vermoeidheid doodden hen, die niet door het zwaard der
+vijanden werden getroffen.
+
+Als een wild dier opgejaagd, vluchtte Ambiorix van woud tot woud.
+Vergezeld van eenige verkleefde ruiters, gelukte het hem, de oevers van
+den Rijn te bereiken. Langen tijd zwierf hij van de eene woestenij naar
+de andere en verborg zich in verlaten hutten of ongenaakbare bergkloven.
+
+Waarschijnlijk stierf hij, ver van den geboortegrond, alleen, verlaten
+en diep ongelukkig.
+
+In het jaar 50 voor J.-Chr. was heel ons land aan de Romeinen
+onderworpen.
+
+
+
+
+7.--Twee Eeuwen later.
+
+
+Op een mooien zomerdag stapte een reiziger langs den heirweg, die door
+ons land, over Tongeren, van Gallie naar Duitschland liep. Hij leunde op
+een doornenstok; stof bedekte zijnen mantel. De zon had zijne wangen
+gebruind en twee litteekens doorploegden die. Nu en dan liet de man met
+welgevallen zijnen blik rusten op het landschap en geleek dan wel
+iemand, die blij is eene streek weder te zien, die hij voor lange jaren
+verliet; zulks was hier het geval.
+
+Marcus Liberius Victor, zoo heette de reiziger, werd geboren in de
+omstreken van Aarlen, waar hij tot een frisschen jongeling opgroeide.
+In zwemmen, jagen, loopen, te paard rijden, was niemand zoo bekwaam als
+hij; ook werden zijne lichaamskracht, en behendigheid, wijd en zijd
+geroemd.
+
+Op zekeren dag bevond de jongeling zich aan den oever der rivier, toen
+het dochtertje van een Romeinschen ambtenaar, dat in de nabijheid
+wandelde, in het water viel en door den stroom werd medegesleept.
+
+De jongeling sprong haar na, dook als een visch en bracht het meisje
+behouden aan wal.
+
+De Romeinsche ambtenaar en zijne vrouw waren den redder van hun kind
+zeer dankbaar en schonken hem hulp en bescherming. Marcus, die toen nog
+Punto heette, werd soldaat in het Romeinsche leger; hij verliet zijne
+eenige zuster, eene weduwe, met een lief knaapje, dat pas zes maanden
+oud was. Punto schonk haar, als aandenken, het mooie gouden kruisje met
+den fonkelenden rooden steen, dat hij van zijne rijke beschermers had
+ontvangen.
+
+Sedert waren jaren verloopen. Punto had gereisd, gezien, geleerd en zich
+in Italie en elders als krijgsman onderscheiden. Maar, hoe ver hij ook
+weg was, hoe hoog hij in aanzien klom, toch verdoofde de liefde tot den
+geboortegrond in hem niet; integendeel, hij wenschte vurig naar zijn
+land terug te keeren, zijne zuster, zijn neefje te zien en zijne laatste
+levensjaren te slijten op dezelfde plaats, waar zijne gelukkige jeugd
+voorbijvlood.
+
+Eene ernstige wonde hem door een vijandelijk krijgsman toegebracht, had
+hem bijna ten grave gesleept, maar hij herstelde, hoewel langzaam, nam
+zijn ontslag en reisde naar het verre vaderland.
+
+Hij zocht er zijne familieleden op, maar vond ze niet terug; zijne
+zuster was overleden, haar zoon had de streek verlaten en niemand wist,
+waarheen hij zich begeven had.
+
+Nu werd het den krijgsman treurig te moede; hij had zooveel gereisd,
+zooveel gezien en gehoord, maar liefde had hij niet gevonden. Hij
+verliet de schilderachtige geboortestreek en begaf zich op weg naar
+Tongeren, waar zijne vroegere weldoeners zich hadden gevestigd.
+
+In den namiddag bereikte hij eene mooie villa, door tuinen en
+landerijen omgeven. Een paar slaven stonden voor den ingang en koutten
+met eenen landman, die door een blonden, forschen jongeling was
+vergezeld.
+
+"Ben ik nog ver van Tongeren" vroeg hun de reiziger? "Nog vier mijlen"
+luidde het antwoord en de landman, die heel praatziek was, voegde er
+bij: "Zoo gij wilt, kunnen wij samen een deel van den weg afleggen, want
+ik woon op eene mijl van de stad. "Hier Vertico", riep hij op norschen
+toon tot zijn gezel, "draag deze ledige korven en volg ons".
+
+Marcus aanvaardde het aanbod van den landman en weldra stapte het
+tweetal den heirweg op.--Zwijgend, het hoofd ter aarde gebogen, ging
+Vertico, die de knecht des landmans was, achteraan, terwijl zijn meester
+aan zijn toevalligen reisgenoot, allerlei inlichtingen gaf, die Marcus
+hem in het geheel niet vroeg.
+
+"Ik bewoon eene hoeve" sprak hij, "ik fok zwijnen, runderen, schapen;
+mijne vrouw teelt ganzen en eendvogels; dezen morgen leidde ik naar de
+villa, waar gij mij ontmoettet, een mooi zwart paard, dat ik aan den
+heer des huizes verkocht...." en hij klopte lachend op zijn welgevulde
+beugeltasch.
+
+Eenige schreden verder bereikten onze reizigers eene woonstede, die,
+naar het uiterlijke te oordeelen, een herberg was.
+
+"Ik heb dorst", sprak de landman, "willen wij hier binnentreden en den
+beker ledigen op uwe voorspoedige reis?"
+
+Marcus bewilligde en, nauwelijks hadden onze mannen in de gelagkamer
+plaats genomen, of eenige Romeinsche soldaten traden binnen.
+
+Zij waren zeer luidruchtig, bestelden eene kruik wijn en vroegen
+dobbelsteenen aan den waard, die zich haastte aan hun eisch te voldoen.
+
+"Wie speelt mede?" vroegen zij luid, en de landman, wiens oogen van
+verlangen fonkelden, wierp een geldstuk op de tafel.
+
+Het lot was hem ongunstig, hij verloor slag op slag. Weldra was zijne
+beurs ledig, maar het spel ging zijnen gang.
+
+"Schei uit" fluisterde hem Marcus in het oor, maar de man schudde
+halsstarrig het hoofd.
+
+"Is de jongeling, die u vergezelt, uw knecht?" vroeg een der soldaten.
+"Ik zet het geld, dat ik u afwon, tegen hem in, hij is jong en schoon
+... een slaaf, die geld waard is...."
+
+"Ik ben geen slaaf, hatelijke vreemdeling" klonk het opeens uit
+Vertico's mond, terwijl hij dreigend opsprong en de kloeke vuisten
+balde.
+
+"Dat zullen wij zien!" riepen de soldaten en trokken hun zwaard uit de
+scheede.
+
+Marcus ook was opgesprongen. "Wie dezen jongeling aanraakt, klaag ik te
+Tongeren bij den bevelhebber aan!" sprak hij met krachtige stem, terwijl
+hij zich fier en gebiedend in het midden der soldaten plaatste.
+
+Maar nauwelijks was de eerste indruk van verbazing voorbij of een der
+soldaten hernam spottend: "Wie zijt gij, vreemdeling, die ons Romeinen,
+als nietige slaven toespreekt?"--"In het land mijner vaderen heet ik
+Punto, maar in het Romeinsch leger, waar ik Hoofdman[2] was noemde men
+mij Marcus Liberius Victor".
+
+De soldaten stoven verschrikt uiteen; Marcus nam zijnen geldbuidel,
+wierp eenige geldstukken voor de voeten van den verbluften landman en
+sprak tot dezen: "Ziedaar de losprijs voor uwen dienaar.--Volg mij,
+jongeling," zeide hij tot Vertico en beiden verlieten zwijgend de
+herberg.
+
+Weldra sprak de jongeling met tranen in de oogen: "Ik ben u wel
+dankbaar, goede heer," doch Marcus viel hem in de rede: "Daar zoo even
+beweerdet gij geen slaaf maar een vrij man te zijn, uw kernachtig
+antwoord beviel mij, zeg jongeling, hoe kwaamt gij in dienst bij uwen
+meester?"
+
+"Ik ben een wees," sprak Vertico, "en werd geboren in de omstreken van
+Aarlen; mijn vader heb ik nooit gekend en mijne moeder stierf toen ik
+twaalf jaar oud was. Een vriend en buurman huurde mij als veehoeder,
+maar toen ook hij na eenige maanden stierf, begaf ik mij naar Tongeren,
+waar ik hoopte brood en bezigheid te vinden. Daar ontmoette ik mijn
+vorigen meester, bij wien ik veel te lijden had, want de man is aan
+drank en spel verslaafd."
+
+Marcus dacht onwillekeurig aan zijne zuster, en aan haren zoon, dien
+hij niet had wedergevonden. "Hadt gij geene nabestaanden, die voor u
+zorgen of u met raad en daad konden bijstaan?" vroeg hij peinzend.
+
+"Toen ik een kind was," antwoordde Vertico, "vertelde moeder mij
+dikwijls van mijn oom, die soldaat was in Italie. Moeder zeide, dat hij
+goed, krachtig en verstandig was. Hij heette Punto...."
+
+"Bezit gij niets, dat uwe moeder of uwen oom toebehoorde?" vroeg Marcus
+met van hoop kloppend hart.
+
+"Ja toch" antwoordde Vertico "eer oom vertrok, schonk hij moeder een
+gouden kruisje met rooden steen, het was een kleinood van waarde, dat
+ik, hoe nijpend de nood ook was, niet verkoopen wilde, uit eerbied voor
+den afwezige...."
+
+"Toon mij dat kruisje!" sprak de soldaat, die tranen in de oogen kreeg.
+
+"Sedert jaren draag ik het op het hart," sprak de jongeling met zachte
+stem, "ik smeek u, heer krijgsoverste, neem het mij niet af," en hij
+haalde het kleinood van onder zijn kleed te voorschijn.
+
+Bevend van ontroering nam Marcus het kruisje in de hand, herkende het en
+vroeg, als wilde hij een laatsten twijfel uit zijn hart wegnemen: "Hoe
+heette uwe moeder?"
+
+"Pruscia" stamelde de jongeling en zag tot zijn weldoener op "zij had
+bruine oogen en golvende haarlokken als gij. Ik weet niet waarom, heer
+Hoofdman, maar uw gelaat herinnert mij aan dat mijner arme moeder."
+
+"Ik ben uw oom, Vertico," besloot Marcus. "Hoe gelukkig ben ik u weder
+te vinden! Wij zullen elkander niet meer verlaten, naar onze
+geboortestreek terugkeeren en, als vader en zoon, vreedzame jaren
+slijten."
+
+
+
+
+8.--De Romeinsche Overheersching.
+
+
+"Wie toch hadden, hier te lande, door wouden, moerassen en heiden, die
+breede heirwegen aangelegd, die wij in het voorgaande verhaal leerden
+kennen?"--Dat waren de Romeinen.--Wel is waar deden zij zulks niet uit
+genegenheid voor de inwoners, maar wel opdat de krijgslieden, langs die
+wegen, gemakkelijk van de eene plaats naar de andere konden gaan en zij
+heel dikwijls paarden, wagens, oorlogstuig, voeder en voedsel moesten
+vervoeren.
+
+Het aanleggen dier wegen was eene weldaad voor de bevolking; de menschen
+kwamen meer dan vroeger met elkander in aanraking, kooplieden uit het
+Zuiden en elders brachten onzen voorouders allerlei zaken, waarvan deze
+eenvoudige lieden vroeger geen denkbeeld hadden.
+
+Hier en daar bouwden de Romeinsche ambtenaars villa's of lusthuizen, die
+weelderig ingericht en van tuinen, boom-en wijngaarden omgeven waren.
+Verscheiden vroeger onbekende voedings-en sierplanten, ooftboomen, zelfs
+diersoorten werden hier ingevoerd; de bevolking groeide aan, de menschen
+weefden wollen mantels, lijnwaad, zonden ganzen en hammen naar Italie en
+leerden tichels en vaatwerk bakken, glas en glazuur vervaardigen.
+
+De landbouw ontwikkelde zich vooral in het vruchtbare Haspengouw.
+Tongeren en Doornik zijn de vroegst bekende steden van ons land, dat,
+voor handel en nijverheid, zeer voordeelig gelegen was, tusschen Gallie
+en Germanie.
+
+
+
+
+9.--De Romeinsche Villa.
+
+
+Gedurende de III^{de} eeuw onzer jaartelling, woonden niet ver van
+Borgworm, op eene mooie villa een rijk Romeinsch grondeigenaar en zijne
+eenige dochter Liberia. Het meisje, dat door haren vader werd
+aangebeden, was haar achttienden jaar ingetreden en, ten einde deze
+blijde gebeurtenis op waardige wijze te vieren, had de rijke Romein
+zijne talrijke vrienden aan een heerlijk gastmaal genoodigd.
+
+[Illustration: Romeinsche villa.]
+
+De villa was daartoe bijzonder geschikt: kostbare zijden behangsels
+scheidden de verschillende zalen van elkander, overal stonden zachte
+bedden, met kussens bedekt of met tapijtwerk behangen. Op de tafels
+prijkten zilveren en gouden schalen vol zeldzame en fijne vruchten en
+talrijke slaven en slavinnen, dragende fraaie kruiken, goten parelenden
+wijn in kristallen roemers en drinkschalen.
+
+De gasten, in rijke kleederen gehuld, met bloemen en juweelen versierd,
+hielden zich met muziek, dans en spel onledig, toen plotseling, de
+algemeene vreugde door eene schrikwekkende tijding werd gestoord.
+
+"De Barbaren zijn in aantocht," riep een dienaar, die hijgend en bezweet
+de kamer binnenstormde. "Uren in den omtrek, hebben zij alles geplunderd
+en verwoest! Laten we op tegenweer bedacht zijn! Ze zijn hier dichtbij,
+op het terras kan men ze, in eene wolk van stof gehuld, zien naderen."
+
+De aanwezigen waren door schrik als verlamd. Liberia en hare gezellinnen
+klaagden en weenden luid, de mannen zagen elkander in stomme
+vertwijfeling aan.
+
+"Te laat! wij zijn overrompeld!" gilde eensklaps een toesnellend dienaar
+en inderdaad, paardengetrappel, wapengekletter weerklonk, woeste mannen
+met sombere aangezichten, stoven de woning binnen. "Wij eischen voeder
+voor onze paarden, vleesch voor onze mannen!" schreeuwden zij in eene
+ruwe, vreemde taal, die geen der aanwezigen verstond en, toen de
+eigenaar der villa, door gebaren te kennen gaf, dat hij hen niet
+begreep, toen enkele der aanwezigen, genoodigden en slaven, met wapens
+verschenen, stormden de aanvallers door de prachtige vertrekken,
+scheurden de zijden behangsels af en sloegen het kostbare vaatwerk stuk.
+
+Nu werd men handgemeen; wie dapper was verdedigde zijn leven of dat
+zijner vrienden of meesters, wie bang was vluchtte voor de woeste
+aanvallers, die juweelen, muntstukken, kunstwerken roofden ... en, toen
+de bleeke maan haar zilveren licht over de aarde goot, waren al de
+bewoners der villa gevlucht, gewond of gedood.
+
+Liberia's dienaressen hadden hare meesteres behouden in een naburig
+bosch gebracht en de vader van het vroeger zoo gelukkige meisje, lag
+stervend op de kille steenen zijner voormalige feestzaal.
+
+De Barbaren stalden hunne paarden in de prachtige kamers der villa; zij
+slachtten het vee, dat zij in de stallen aantroffen en, daar zij niet
+aanstonds hout vonden, stapelden zij de kostbare meubels opeen, staken
+ze in brand en vormden aldus een haard, waarop zij het vleesch braadden
+der gedoode dieren, dat hun tot avondmaal verstrekte.
+
+
+
+
+10.--Invallen der Barbaren.
+
+
+Voorgaand verhaal zegt ons genoeg, dat de Romeinen, de onverwinnelijke
+krijgslieden niet meer waren, die ten tijde van Boduognat en Ambiorix
+ons land overmeesterden. Langzamerhand lieten zij zich door weelde en
+gemakzucht verleiden en hechtten meer waarde aan feesten en
+uitspattingen, dan aan de verdediging van hun uitgestrekt rijk.
+
+Tot in de V^{de} eeuw bleven zij meester over ons land, maar konden niet
+beletten dat herhaalde malen vreemde volksstammen naar hier kwamen en
+groote onheilen in ons land aanrichtten.
+
+Onze voorouders beleefden een bang en treurig tijdvak van rampen en
+algemeene ellende. De binnendringende of voorbijtrekkende volkeren
+plunderden villa's, dorpen, steden, de verschrikte inwoners begroeven
+hunne schatten in den grond; maar velen werden gedood voor zij die weer
+konden opgraven.
+
+Op onze dagen nog, haalt men niet zelden, vooral langs de vroegere
+Romeinsche heirwegen, kruiken en potten vol muntstukken uit den grond.
+
+Zij wijzen ons den weg, door de binnendringende volksstammen gevolgd,
+terwijl het jaartal, dat in de muntstukken is gegrift, de
+oudheidkundigen bekend maakt met het tijdvak, waarin de invallen plaats
+grepen. De ellende was zoo groot, dat er handen te weinig waren om den
+grond te bebouwen, graan te zaaien en voor het vee te zorgen.
+
+Niet zelden moesten de Romeinen aan indringende volksstammen toelaten,
+zich als landbouwers of kolonisten te vestigen in de verlaten vlakten,
+waar vroeger Eburonen, Nerviers, Menapiers woonden.
+
+Wie die stammen waren, hoe zij leefden, wat zij tot stand brachten, zal
+het volgende verhaal u duidelijk maken.
+
+
+
+
+11.--Een Frankische Knaap.
+
+
+Edo was vijftien jaar oud en bewoonde omstreeks de vijfde eeuw onzer
+jaartelling met zijne ouders en zusters, eene hofstede, die aan den
+oever der Schelde was gelegen.
+
+Hij was een gezonde, forsche knaap, met lange, blonde haarlokken en
+helderblauwe oogen, die hoopvol en stout, de wijde wereld inkeken.
+
+Vrij als een veulen sleet hij zijne levensdagen op het land, in de
+uitgestrekte, gezonde natuur. 's Zomers vermeide hij zich in de weiden,
+die zijne geboorteplaats omringden, reed te paard, baadde zich in de
+rivier of luisterde, gezeten in de schaduw van eeuwenoude boomen, naar
+de tooververhalen en sprookjes, die Bertha en Reinilde, zijne zusters,
+hem mededeelden.
+
+'s Winters vergezelde hij vader, ooms en neven op de jacht en
+achtervolgde uren lang, reebok of hert, wolf of everzwijn. Edo leerde
+met de wapens omgaan en wenschte vurig op te groeien tot een krachtig
+man, die alle andere in vlugheid en behendigheid zou overtreffen.
+
+Zijne moeder, eene krachtige vrouw, deelde in dat verlangen: "Mijn zoon"
+sprak zij, "weldra zal ik u de framei[3] schenken, waarmede uw
+grootvader tegen de vijanden van ons volk te velde trok en u zijn
+veelkleurig schild aan den arm hangen." "Ik geef u mijne francisca[4],
+mijn kostbaren halsband en fraaien mantelhaak" zeide de vader. "Wij
+weven u een prachtigen, gekleurden mantel" voltooiden Bertha en
+Reinhilde, want zij waren fier op haar jongen broeder.
+
+Op zekeren avond was de geheele familie in de woonhalle vergaderd, de
+koeien loeiden in de stallen, die aan het huis paalden, de groote hond
+liep van Reinilde naar Bertha en een knetterend vuur brandde in den haard.
+Men zong aloude krijgsliederen, men dronk schuimend bier en vader
+verhaalde de roemrijke daden van Walther, den voorvader en held der
+familie, die zich met andere Franken aan de oevers der Schelde gevestigd
+had.
+
+Edo luisterde met aandacht en 's nachts droomde hij heerlijk: Prachtig
+uitgedoscht, van schitterende wapens voorzien, trok hij, op een
+brieschend paard gezeten, ten oorlog. Hij zong woeste krijgsliederen,
+versloeg honderden vijanden en weerde met zijn schild, de slagen der
+vreemde krijgslieden af.
+
+Maar zie! daar stiet een vijand hem op het onverwachts zijne speer in de
+borst. Edo viel badend in zijn bloed neder, hij sloot de oogen en dacht
+te sterven, toen ... o wonder! eene sneeuwwitte zwaan hem opnam en hem
+naar het Walhalla[5] voerde, tot vlak voor den troon van Odin, den
+oorlogsgod.
+
+Odin begroette den jongen held met minzaamheid en sprak: "Mijn zoon, gij
+zijt waardig in mijn gevolg opgenomen te worden; hier, in mijn
+godenverblijf, onder mijne leiding, zult gij uwe krijgsopvoeding
+voltooien. Later zult gij mij vergezellen als ik tegen de reuzen te
+velde trek...."
+
+Edo ontwaakte en eenige jaren later werd zijn droom gedeeltelijk
+verwezenlijkt. Met de Franken rukte hij naar het Zuiden en onder
+aanvoering van vorst Hlodio bereikte hij de stad Doornik.
+
+Hier vielen de Franken de Romeinen aan, overwonnen hen, namen Kamerijk
+en Atrecht in, bereikten de oevers der Somme en zetten zegevierend hunne
+tochten voort.
+
+
+
+
+12.--De Franken.
+
+
+[Illustration: Frankisch opperhoofd.]
+
+Willen wij trachten aan 't voorgaand verhaal eenige geschiedkundige
+gebeurtenis vast te knoopen?
+
+'s Avonds bij het knetterend haardvuur gezeten, verhaalt Edo's vader de
+heldendaden zijner voorouders, die, van de Romeinen verlof kregen zich
+als landbouwers of kolonisten in Toxandrie (de Kempen) te vestigen.
+
+Van de Kempen richtten zij zich naar de oevers van Lei en Schelde, naar
+de vruchtbare gouwen van Midden-Belgie. Het Zuid-Oosten van ons land
+was, met zijne dichte wouden, hun geruimen tijd ontoegankelijk, terwijl
+de Ardennen met hunne naakte bergtoppen en met bosch begroeide
+hellingen, hen weinig aanlokten.
+
+De Franken bezaten toen nog geene steden, maar leefden op het land, in
+hoeven, met moestuinen, ooftboomen, grasperken.
+
+Die hoeven waren door hooge hagen ingesloten en voorzien van stallen
+voor paarden en vee, bergplaatsen voor hooi, stroo, graan.
+
+Dunkt u niet, dat deze hoeven, in vele opzichten, op de hoeven onzer
+hedendaagsche Vlaamsche boeren geleken?
+
+De woningen der Franken waren wel is waar van hout, maar koningen en
+opperhoofden bezaten soms wel een steenen huis "sale, seele, halle"
+genaamd.
+
+[Illustration: Frankische vrouw.]
+
+Vandaar Swevezele in West-Vlaanderen, Herzele in Oost-Vlaanderen,
+Liezele in de provincie Antwerpen, Wilzele in Brabant.
+
+Nog andere plaatsnamen vooral in Laag-en Midden-Belgie, herinneren ons
+aan de Franken: Bornhem[6] bij de stad Mechelen, Cureghem in Brabant,
+Lovendeghem, Sotteghem in Oost-Vlaanderen, Anseghem bij Kortrijk in
+West-Vlaanderen, enz.
+
+De Franken hadden koningen; de oudste, die de geschiedenis ons leert
+kennen is Hlodio, die het land van Doornik en dat van Kamerijk innam.
+
+Later trof men ook Frankische koningen aan te Keulen, en te Tongeren.
+
+Herinnert gij u dat Edo's vader, ja zelfs zijne moeder hunnen zoon
+schoone wapens beloofden?
+
+Onder de Franken waren uitmuntende smeden, ook vervaardigden zij
+juweelen en aarden vaatwerk.
+
+Niet zelden ontdekt men, in onze dagen, in ons land, Frankische graven,
+waarin wapens, juweelen en andere voorwerpen gevonden worden. Men
+bewaart die in musea. Het museum van Brussel is rijk aan voorwerpen uit
+het Frankisch tijdvak.
+
+Het volgende verhaal zal u de Franken nog beter leeren kennen.
+
+
+
+
+13.--Grimbald en Bertolf.
+
+
+"Neen Grimbald" sprak Bertolf tot zijn rijken buurman, "neen, mijn paard
+wil ik u niet verkoopen. Ik zelf richtte het af, verleden zomer nog
+voerde het mij ten strijde en hielp mij de vijanden van ons volk
+overwinnen, het werd mij een trouwe vriend, van wien ik niet meer
+scheiden kan."
+
+Grimbalds gelaat werd somber. De man was jaloersch op Bertolf die,
+ofschoon veel armer dan hij, door elkeen werd gewaardeerd om zijn
+aangenaam karakter, zijne bekwaamheid. Bertolf was een uitmuntend
+landbouwer, een bedreven jager, een flink ruiter die, sedert hij met
+zijn schrander paard, den onverwinnelijken Sleipnir, te velde trok,
+zelfs door graven en andere hooggeplaatste lieden, met achting werd
+bejegend.
+
+Grimbald was rijk, hij bezat schoon huisraad, mooie runderen, talrijke
+zwijnen, maar de menschen hielden niet van hem; hij was boosaardig,
+wraakzuchtig en had zich, in meer dan een geval, op wreede en hartlooze
+wijze gedragen.
+
+Somber en dreigend verliet hij de woning van Bertolf en niet zoodra was
+hij de haag voorbij of hij balde de vuisten en grinnikte spottend: "Die
+weigering zult gij mij duur betalen!"
+
+Hij verzonk in gepeinzen, bereikte het elzenboschje, dat aan den oever
+der beek gelegen was, verborg zich in het struikgewas en hield zich stil
+als de boschkat, die de duisternis afwacht om hare prooi aan te vallen.
+
+Langzaam, zeer langzaam spreidde de nacht haar floers over het aardrijk;
+tot driemaal toe hief de boschuil zijn onheilspelend gefluit aan.
+
+Grimbald verliet zijne schuilplaats en keerde naar Bertolfs woning
+terug. Hij brak door de haag, kroop op handen en voeten naar den
+paardestal....
+
+Eenige tijd verliep en als een moordenaar sloop hij naar het
+elzenboschje terug.
+
+Plotseling drong de maan door de duisternis en wierp haar weifelend
+licht op den boosdoener. Hij bemerkte twee mannen, die onbeweeglijk en
+sprakeloos, in den stillen zomernacht, aan den oever der beek zaten te
+visschen.
+
+Grimbald schrikte en, als ontwaakte zijn geweten, vluchtte hij, over
+weiden en velden, over heggen en struiken, in de richting zijner woning.
+
+De visschers echter hadden den man bemerkt; zij ook schrikten, maar
+zeiden:
+
+"Wat kwaad bedreef de man, die als een laffe moordenaar van hier
+wegvlucht?"
+
+Niet langer echter dachten zij over het gebeurde na; zij hernamen hunne
+bezigheid en, zoodra het eerste morgenrood het Oosten kleurde, begaven
+zij zich naar de hoeve van Bertolf.
+
+"Wij zullen onzen vader met onze mooie vangst verrassen" zeiden zij
+onderweg, want het waren Bertolfs zoons.
+
+Het was klaar dag toen zij aan de houten deur der woonhalle klopten en
+hun vader, die altijd vroeg op de been was, opende. Hij was bleek en
+beefde aan al zijne leden. De jongelingen schrikten: "Een ijselijke
+moord is hier dezen nacht gepleegd," sprak Bertolf met sidderende stem:
+"Mijn edel paard ligt dood, badend in zijn bloed. Het mes eens
+moordenaars heeft het arme dier doorstoken en de misdaad werd een paar
+uren geleden gepleegd. Komt kinderen, vergezelt mij naar het tooneel der
+slachting."
+
+Sprakeloos volgden de zoons hun bedroefden vader. In den stal lag de
+arme Sleipnir levenloos op den grond; de kloeke Bertolf, de oorlogsheld,
+weende als een kind. Hij boog zich over het doode lichaam en, als wilde
+hij het arme dier tot het leven terugroepen, streek hij snikkend zijne
+ruwe hand over de gitzwarte manen van het slachtoffer.
+
+De zoons trachtten hunnen vader te troosten en ... juist toen de jongste
+hem wilde naderen, struikelde hij over een voorwerp, dat op den grond
+lag. Hij raapte het op, beschouwde het eene wijl en sprak binnensmonds:
+"Een mantelhaak! een kostbare mantelhaak! Vader, wien behoort dat
+voorwerp?" vroeg hij toen.
+
+Bertolf nam den mantelhaak in de hand, bezag hem aandachtig en riep:
+"Dit voorwerp behoort den rijken Grimbald! Gister avond bood hij het mij
+met andere kostbare voorwerpen aan, in ruiling voor mijn armen
+Sleipnir."
+
+De zoons keken elkander aan en na eene poos sprak de oudste: "Dezen
+nacht vluchtte Grimbald als een gemeene dief door het elzenboschje. Mijn
+broeder en ik herkenden hem duidelijk. Hij is de moordenaar.
+Waarschijnlijk pleegde hij zijne laffe daad in haast en gejaagdheid en
+bemerkte niet, dat hij in den stal, zijn mantelhaak verloor.
+
+"Die booswicht! die moordenaar!" kreet Bertolf "hij zal boeten voor
+zijne laffe daad" en, van toorn blakend, verliet hij den stal, gevolgd
+door zijne beide zoons.
+
+
+
+
+14.--De Salische Wet.[7]
+
+
+Wat stond den armen, bedroefden Bertolf thans te doen? Zich wreken op
+Grimbald? Hem aanvallen, bevechten, dooden? Dat kon niet! De Franken
+waren geene wilden; zij hadden gebruiken, wetten, rechters en voor deze
+laatsten zou Bertolf den moordenaar dagen.
+
+Nog bij de Franken der V^{de} eeuw werd de rechtspleging uitgeoefend
+door vrije mannen, onder voorzitterschap van een gekozen of erfelijk
+hoofd. Deze rechtbank echter zetelde niet zoo als bij ons in een huis of
+paleis, maar in de open lucht, in een bosch of onder een alleen staanden
+boom.
+
+Een in den grond bevestigd schild, duidde de plechtigheid der
+vergadering aan en een kring, gevormd door een gespannen koord, scheidde
+de rechtsprekenden van de menigte.
+
+Binnen den kring waren scarnen of banken geplaatst, meestal vier, voor
+den voorzitter en zijne bijzitters, voor den aanklager, voor den
+beschuldigde.
+
+
+
+Verstaat gij thans, waarom men heden nog zegt: iemand voor de
+vierschaar (vier scarnen) dagen?
+
+Grimbald, de lafhartige werd veroordeeld tot het betalen eener
+aanzienlijke geldboete. Een deel der boete, het weergeld, kwam aan
+Bertolf, een ander deel, het vredegeld, werd in de schatkist gestort.
+
+Waren de gebruiken der Franken opgeteekend of geschreven? In den beginne
+natuurlijk niet, doch later, toen zij zich in ons land vestigden en met
+de Romeinen in aanraking kwamen, lieten zij door geleerde mannen het
+oude volksrecht opteekenen. Men noemt het: de Salische Wet.
+
+
+
+
+15.--Van een Koning en eene Prinses.
+
+
+Het kan meer dan duizend jaren geleden zijn, dat in een ver land, eene
+prinses leefde, die zeer ongelukkig was. Haar vader was dood, vermoord,
+zegde men, door haren oom, die een boos mensch was.
+
+De arme prinses had veel verdriet en weende bitter, en haar booze oom
+gebood haar de stad Geneve te gaan bewonen. Daar leerden de menschen
+haar weldra liefhebben; want, zij was zacht en schoon en hielp de arme
+lieden, zooveel zij maar kon.
+
+Zulks vernam een machtig koning, die, aan het hoofd zijner krijgslieden,
+groote overwinningen had behaald. Zijne gezanten vertelden hem zooveel
+goeds van de prinses, dat hij wenschte haar tot vrouw te nemen.
+
+Dit voornemen deelde hij mede aan zijnen vriend en vertrouweling,
+Aurelius. Hij verzocht hem zich in het geheim naar Geneve te begeven en
+er zijn verlangen aan de prinses bekend te maken.
+
+De vriend begaf zich op weg en nam den ring zijns meesters mede, maar,
+ten einde geen argwaan op te wekken, kleedde hij zich als bedelaar. Den
+staf in de hand en den knapzak op den rug, bereikte hij de woning der
+prinses, die, zeer gastvrij zijnde, den vreemdeling in hare woning
+opnam.
+
+Terwijl zij hem, in tegenwoordigheid harer dienaressen, de voeten
+wiesch, sprak hij met gedempte stem: "Jonkvrouw, ik wensch met u een
+onderhoud te hebben."
+
+De prinses deed alsof zij den bedelaar niet hoorde, maar 's avonds het
+zij hem roepen en vroeg wat hij verlangde. "Jonkvrouw," sprak hij, "de
+koning, mijn meester, zendt mij tot u, hij wenschte u, naast zich, als
+koningin op den troon te plaatsen en gaf mij, als bewijs zijner
+vereering, dezen prachtigen ring voor u mede."
+
+[Illustration: Gallie]
+
+De prinses, zeer gevleid over het aanbod des konings, aanvaardde den
+ring en antwoordde: "Ik schenk u eene beurs met honderd goudstukken,
+doch verzoek u aanstonds tot uwen meester weder te keeren. Zeg hem, dat
+hij zonder uitstel gezanten zende naar mijnen oom om zijne toestemming
+tot ons huwelijk te vragen. Dat hij niet drale; want, als Aridius, de
+raadsheer van mijnen oom voor dien tijd uit Konstantinopel terugkeert,
+dan zal hij hem tot weigeren aanzetten.
+
+Aurelius vertrok, maar toen hij Orleans, zijne verblijfplaats, naderde,
+ontmoette hij een bedelaar, die hem een eind weegs vergezelde.
+
+Aurelius was moede en legde zich onder eenen boom te slapen, en
+ondertusschen stal de bedelaar de beurs met de honderd goudstukken der
+prinses.
+
+Aurelius ontwaakte, bemerkte den diefstal, spoedde zich huiswaarts en
+gelastte zijnen dienaren den dief na te zetten. Zij achterhaalden en
+brachten hem voor hunnen meester, die den ontrouwen reisgenoot drie
+dagen lang stokslagen liet geven en hem daarna losliet.
+
+Nu spoedde Aurelius zich tot zijnen heer en koning en gaf hem verslag
+van zijne reis. De koning zond gezanten naar den oom der prinses, om hem
+de hand zijner nicht te vragen. De oom durfde niet weigeren en gaf zijne
+toestemming tot het huwelijk.
+
+De prinses pakte hare juweelen en andere kostbaarheden bijeen, steeg in
+eene draagkoets en begaf zich met de gezanten op weg naar den koning. Na
+een paar uren echter zeide zij tot hare geleiders: "Wij reizen veel te
+langzaam, ik verkies uit de draagkoets te stappen en den weg te paard af
+te leggen."
+
+De gezanten voldeden aan den wil der prinses en dat was zeer gelukkig;
+want, Aridius, van zijne reis naar Konstantinopel teruggekeerd, en het
+gebeurde vernemende, sprak tot den oom: "Gij handeldet verkeerd, niet
+zoodra zal uwe nicht eene machtige koningin wezen, of zij zal wraak
+nemen over den dood haars vaders en u den oorlog verklaren. Zend haar
+zonder uitstel krijgslieden achterna, met bevel haar hier terug te
+brengen."
+
+En, de oom, deed zooals Aridius zeide. De krijgslieden vertrokken, maar
+onderweg vonden zij enkel de ledige draagkoets, met den schat van de
+prinses.
+
+Deze laatste had, na eene voorspoedige reis, het land van den vreemden
+koning bereikt. Hier trad zij met hem in het huwelijk en leefde lang en
+gelukkig.
+
+
+
+
+16.--Hlodwig en Clotildis.
+
+
+"Jammer" zegt een mijner lezers, "dat voorgaand verhaal een sprookje, en
+in werkelijkheid niet gebeurd is."
+
+Een grond van waarheid echter bevat het; want, onze prinses heette
+Clotildis, leefde in de V^{de} eeuw onzer tijdrekening en haar oom was
+de koning der Burgonden[8]. De koning, die haar tot vrouw nam, was
+Hlodwig, beroemde Frankische vorst.
+
+Deze had het rijk der Franken aanmerkelijk uitgebreid. Door list of
+geweld overwon hij de koningen van Tongeren en Kamerijk, verder den
+romein Siagrius en breidde zijn rijksgebied uit tot aan de Loire, in
+Frankrijk.
+
+Burgonden en Franken leefden niet altijd op vredelievenden voet met
+elkander, daarbij was de V^{de} eeuw een tijd van ruw geweld, oorlog en
+tweedracht.
+
+Niet zelden werden in Gallie de oogsten vernield door ruwe krijgslieden,
+die akkers en wijngaarden vertrapten, kudden roofdden en menschen
+wondden en doodden.
+
+In dien tijd waren de meeste Franken nog heidenen, maar in Gallie trof
+men talrijke christenen aan. In de V^{de} eeuw reeds waren hunne
+bisschoppen invloedrijke personen, die door prinsen en koningen werden
+geeerbiedigd. Een der beroemdste is Remigius, bisschop van Reims.
+
+Clotildis was eene christin. Haar gemaal Hlodwig behaalde roemrijke
+overwinningen in Gallie, en versloeg de Romeinen en Alemannen (496).
+
+De zachtzinnige Clotildis had grooten invloed op Hlodwig. Na zijne
+overwinning op de Alemannen verzaakte hij de goden van zijn volk en
+besloot Christen te worden. In 497 werd de vorst gedoopt te Reims, eene
+zeer oude Gallische stad, waar de plechtigheid van den doop des konings
+met ongemeenen luister gepaard ging.
+
+Geschiedschrijvers verhalen, dat de straten van Reims prachtig waren
+versierd, dat kostbare behangsels de gevels der huizen bedekten en
+gouden en zilveren wierookvaten in de kerken geurden. Een aanzienlijke
+stoet begeleidde den koning naar de hoofdkerk; hij was omringd door
+zijne familieleden, vergezeld van den bisschop Remigius en gevolgd door
+eene schaar priesters in sneeuwwit gewaad, die lofliederen ter eere Gods
+aanhieven.
+
+De bekeering van Hlodwig was de gewichtigste gebeurtenis van dien tijd.
+Hlodwig breidde zijn rijk aanmerkelijk uit. Hij overwon de Westgothen,
+bij Poitiers en maakte zich meester van zuidelijk Gallie tot aan de
+Pyreneeen. Hij stierf in 511.
+
+
+
+
+17.--Amandus.
+
+
+Toen, in de VII^{de} eeuw, Dagobert, een afstammeling van Hlodwig
+regeerde, leefde in Aquitanie[9] een zeer rijk paar, dat maar een zoon
+had, Amandus genaamd. Dien jongen lieten de ouders in den Christelijken
+godsdienst opvoeden en in alle toen bekende wetenschappen onderwijzen.
+
+Amandus groeide op tot een zeer ontwikkeld en geleerd man en mocht hopen
+in zijn geboorteland tot hooge waardigheden op te klimmen. Hij begeerde
+echter eer noch roem en besloot Christen zendeling te worden.
+
+Hij reisde naar de oevers der Schelde, waar de inwoners aan den
+Germaanschen godsdienst getrouw waren gebleven.
+
+Vergezeld van enkele geloofsgenooten bereikte hij de plaats, waar Lei en
+Schelde samenvloeien, ongeveer waar zich heden de stad Gent bevindt. In
+dien tijd echter was de landstreek woest en bar, en de inwoners namen
+tegenover Amandus eene vijandige, zelfs dreigende houding aan.
+
+Zulks schrikte zijne vrienden af; zij verlieten hem, op twee na, die
+noch voor ontberingen, noch voor bedreigingen terugdeinsden.
+
+Langzaam, zeer langzaam, verminderde het wantrouwen der bevolking. Eenige,
+en later een groot aantal menschen bekeerden zich tot den nieuwen
+godsdienst.
+
+Omstreeks het jaar 631 bouwde Amandus eene kerk, die heel
+waarschijnlijk van hout was, een kegelvormig dak bezat en met stroo was
+gedekt. Rondom deze kerk vestigden zich geloovigen, leerlingen en
+volgelingen van Amandus.
+
+Dit was de oorsprong der abdij van Sint Bavo.
+
+Waarom zij aldus werd genoemd, zult gij in het volgend verhaal vernemen.
+
+
+
+
+18.--Sint Bavo.
+
+
+In Haspengouw woonde toen een zeer rijk en voornaam heer, Bavo genaamd.
+Met vorsten was hij verwant en hij leefde gedurende langen tijd enkel
+voor wereldsche genoegens.
+
+[Illustration: Doopkapel van Sint Macharius (1179), in de abdij van Sint
+Bavo.]
+
+Het voorbeeld van enkele zijner familieleden en vooral dat van Amandus
+bracht hem tot inkeer. Bavo besloot zijn leven aan den godsdienst te
+wijden. Hij deed afstand van weelde en wereldsche genoegens,
+onderscheidde zich door zijne milddadigheid en toefde geruimen tijd in
+de abdij, gesticht door Amandus.
+
+Hij schonk haar rijkdommen en uitgestrekte landerijen. Na zijnen dood,
+in 654, werd de abdij naar zijnen naam genoemd.
+
+Vele rijke mannen en vrouwen schonken, in navolging van Bavo, gronden,
+bosschen, weilanden, vijvers, aan de abdij, die langzamerhand rijk werd.
+
+[Illustration: Fragment van een Romaansch klooster.]
+
+Weldra was de houten kerk door eenen steenen kerk vervangen; een
+klooster werd gebouwd waarin zich de cellen der monniken bevonden,
+talrijke bijgebouwen werden opgetrokken: schoollokalen, molen,
+brouwerij, smis, werkplaatsen voor handenarbeid, stallingen, schuren. In
+het omliggende strekten zich tuinen, weiden en boomgaarden uit; want, de
+monniken bebouwden de velden en ontgonnen de woestenijen.
+
+De abdij van Sint Bavo was de eenige niet, die door den heiligen Amandus
+werd gesticht. Op den Blandinusberg, stichtte hij de Sint
+Pieters-abdij, die op hare beurt zeer bloeiend werd.
+
+Gedurende de VII^{de} eeuw werden op verscheidene plaatsen van ons land,
+vrouwen-en mannenkloosters gesticht, in wier nabijheid zich niet zelden
+landbouwers en ambachtslieden vestigden.
+
+Verscheidene dorpen en steden hebben aan abdijen hun ontstaan, hunne
+ontwikkeling of hunnen bloei te danken. Bergen, Nijvel, Andenne, S^t
+Ghislain, Stavelot, Lobbes, Zinik, Fosse, S^t Hubert, Moustier-s/Sambre,
+Marchienne, Denain.
+
+Aan de bekeering onzer voorouders tot den Christelijken godsdienst
+arbeidden niet alleen Sint Amandus maar ook in het Scheldedal Sint
+Eligius +659; in het Maasdal, Sint Remaclius +668. In het begin der
+VIII^e eeuw bekeerden Sint Lambertus en anderen, de laatste heidenen van
+Kempenland, Brabant, Ardennen.
+
+
+
+
+19.--Het Wandelend Woud.
+
+
+Het was een koude najaarsdag; de zwaluwen waren naar verre streken
+vertrokken, de wind huilde en plasregens maakten, in het vruchtbare
+Haspengouw, den vetten kleigrond week en glibberig.
+
+In de woonhalle eener groote Frankische villa zaten drie vrouwen, die
+zich met handwerk onledig hielden. De oudste, eene zestigjarige, droeg
+eenvoudige grove kleederen en was druk aan het vertellen, terwijl hare
+twee gezellinnen, mooie jonkvrouwen met zachte, ernstige oogen, zwegen
+en van tijd tot tijd treurig en als gejaagd, elkander aanstaarden.
+
+De oudste vrouw, Machteld, was de dienstmaagd der jonkvrouwen die, naar
+hare kleeding en manieren te oordeelen, tot eene zeer hooggeplaatste
+familie behoorden.
+
+De oude Machteld ondertusschen vertelde:
+
+"Childebert, koning van Austrasie[10], verklaarde den oorlog aan
+Fredegonde, de booze koningin van Neustrie[11]. Deze stelde zich aan het
+hoofd van hare krijgslieden, vertrok en bereikte de stad Brennacum[12],
+waar zij vernam, dat het leger van Childebert talrijk was en haar, op
+bepaalden dag en uur, slag zou leveren."
+
+De booze, doch krachtdadige vrouw, de nederlaag vreezende, verzon eene
+list: "Dezen nacht" sprak zij tot hare krijgslieden, "zullen wij onzen
+tocht voortzetten; gij moet brandende fakkels aansteken, groene takken
+van de boomen hakken, die medenemen en schelletjes vastmaken aan den hals
+der paarden. Bij het krieken van den dag zullen wij onze vijanden
+aanvallen en ze gemakkelijk overwinnen."
+
+En de krijgslieden volbrachten het bevel der koningin. Met hunne lange
+zwaarden hakten zij de groene takken der boomen af, hingen rinkelende
+belletjes aan den hals hunner paarden en, toen zij, na dezen arbeid
+oprukten, vormden zij een wandelend woud dat, van de helling der heuvels
+in de vlakte afdaalde.
+
+Een schildknaap in het kamp van Childebert zeide: "Wat wonder gebeurt
+hier! Een woud verrijst op de plaats waar zich gisteren nog naakte
+velden uitstrekten!"--Zijn aangesproken gezel lachte en antwoordde:
+Slaapt of droomt gij? Hoort gij de schelletjes niet onzer paarden, die
+hier dichtbij aan het grazen zijn?" Maar de soldaten van Fredegonde
+bliezen op hunne oorlogstrompetten, vielen de Austrasiers aan, doodden
+er velen en joegen de anderen op de vlucht.
+
+Zegevierend zette Fredegonde haren tocht voort tot aan Reims, en
+plunderde de heele landstreek...."
+
+Hier onderbrak Begga het verhaal van Machteld en sprak: "Altijd oorlog,
+altijd bloed en moord!" waarop Geertrui, hare zuster, vervolgde:
+
+"Staak uw verhaal, Machteld", het stemt mij al te droevig. De ooievaars
+zijn vertrokken, de wegen zijn slecht en onveilig en onze vader, Pepijn,
+die in het voorjaar tegen de Friezen[13] te velde trok, is nog niet
+teruggekeerd."
+
+De oude Machteld schudde het hoofd en sprak vastberaden:
+
+"Uw heer vader, jonkvrouwen, zal niet lang meer toeven. Hij is niet
+alleen de beste mensch maar ook de meest bedreven krijgsman van
+Austrasie. Geen Fries, hoe dapper ook, is tegen hem opgewassen, Pepijn
+zal den roem der Franken handhaven en onze gouwen tegen de invallen der
+vreemde krijgers weten te beschutten."
+
+"Mocht gij waarheid spreken" zuchtte Begga. "Gisteren nog heb ik God
+beloofd dat, zoo mijn vader ongedeerd terugkeert, ik Hem in het hier
+dichtbij gelegen woud, een fraai bedehuis zal laten oprichten."
+
+"En ik beloofde den Heer een kostbaar altaar, dat ik behangen zal met
+borduursels, eigenhandig door mij vervaardigd," zeide Geertrui.
+
+De beide meisjes bogen het hoofd en zwegen, terwijl de getrouwe
+Machteld, die de treurige jonkvrouwen niet meer storen durfde, zuchtte
+en de oogen van haar werk niet meer ophief."
+
+Eene pijnlijke stilte heerschte in het vertrek, terwijl daarbuiten de
+wind bedaarde en de regen niet langer nederviel....
+
+Eensklaps weergalmde een krachtig hoorngeschal door de wijde vlakte. De
+vrouwen sprongen op en riepen met blijde verrassing: "De hertog! onze
+heer! onze vader is daar!"
+
+In hoopvolle verwachting, haastig, hijgend, verlieten zij de woonhalle,
+gevolgd door eene talrijke schaar dienaars die, evenals zij, het
+opwekkend hoorngeschal hadden gehoord en den lang verwachten heer en
+meester wenschten te begroeten.
+
+Weldra verscheen hij aan de houten poort der villa, te paard gezeten, de
+wapens in de hand en gevolgd door eene machtige schaar krijgslieden die,
+ten teeken van zege, met hunne wapens op hunne schilden sloegen, terwijl
+de dienaars en dienstmaagden, alsmede de juichende jonkvrouwen in de
+handen klapten en, uit volle borst "Heil Pepijn! heil onzen hertog!"
+riepen.
+
+
+
+
+20.--De Zonen van Hlodwig.
+
+
+Na den dood van hunnen vader, in 511, verdeelden de zonen zijn rijk. Zij
+en hunne afstammelingen breidden de macht der Franken zuidwaarts in
+Burgondie en oostwaarts in Germanie uit.
+
+De zonen en afstammelingen van Hlodwig waren gedurig met elkander in
+twist. De vertelling van het "Wandelend Woud" herinnert aan die
+bloedige, vaak gruwelijke worstelingen, tusschen de leden eener zelfde,
+koninklijke familie.
+
+Ten gevolge dier twisten verzwakte het gezag der Frankische koningen
+aanmerkelijk. Zij bleven niet langer de ruwe, kloeke strijders, die wij
+vroeger, dorstend naar roem en buit, te velde zagen trekken. Misschien
+wel ondergingen zij, in Gallie gevestigd, den invloed van het zachte
+klimaat en den vruchtbaren bodem.... Niet zelden geeft men hun den
+leelijken naam van "Luie of Vadsige koningen." Of zij dien verdienden
+zal ik hier niet beslissen.
+
+Pepijn, bijgenaamd van Landen, behoorde tot een aanzienlijk geslacht;
+hij woonde in Haspengouw, waar hij uitgestrekte landgoederen bezat. Die
+rijkdommen, gij vermoedt het licht, waren van groote beteekenis, bij een
+volk, dat schier uitsluitend van den landbouw leefde.
+
+Evenals andere beroemde vrouwen harer familie onderscheidden Geertrui en
+Begga zich door hare vroomheid. Begga stichtte de beroemde abdij van
+Andenne aan de Maas, terwijl de nagedachtenis van Geertrui heden nog te
+Nijvel in Brabant wordt geeerd.
+
+Beide vrouwen werden, na haren dood, door de Kerk heilig verklaard.
+
+Wat Pepijn betreft, hij werd, na zijnen roemvollen tocht tegen de
+Friezen, door koning Lotharius II verheven tot het ambt van Majordomus
+of hofmeier.
+
+Nu was hij de hoogste hof-en staatsdienaar. Hij bestuurde de
+landgoederen des konings, die zeer talrijk en uitgestrekt waren, en
+voerde de krijgslieden aan.
+
+Die taak was niet gemakkelijk, maar moedig en vastberaden, volbracht hij
+haar, tot aan zijnen dood, in 647.
+
+De zoon van Begga, Pepijn van Herstal bekleedde in 687 de waardigheid
+van Majordomus. Hij verbeterde het Frankische leger en breidde zijne
+heerschappij uit over onderscheiden Germaansche volken. Zijn zoon, Karel
+Martel, werd door zijne overwinning op de Mooren, de redder van de
+Christenheid.
+
+Intusschen was het koningschap der Merovingers[14] zoo onbeduidend
+geworden, dat de zoon van Karel Martel, Pepijn de Korte (741-768) na de
+zege te hebben behaald in den strijd tegen deSaksers in Germanie en tegen
+de Longobarden in Italie, zich niet ontzag den laatsten Merovinger in een
+klooster te plaatsen en zelf den troon te beklimmen. Dit gebeurde in 752.
+
+In het volgende verhaal zullen wij kennis maken met Karel, bijgenaamd
+den Grooten, den vermaarden zoon van Pepijn.
+
+
+
+
+21.--Van eenen armen, kleinen Zanger en een grooten Keizer.
+
+
+Er was eens een stokoud moedertje, dat, met haren kleinzoon Engel, een
+tienjarigen knaap, eene kleine, lage hut bewoonde, vlak aan den oever
+der Schelde, dichtbij de abdij van Sint Bavo, te Gent.
+
+Engel had een stemmetje, zoo helder als kristal; de jongen deed dan ook,
+dag in, dag uit, niets dan zingen. In huis, aan den oever der rivier, in
+het woud, op de weide, liet hij de eenvoudige volksliederen weerklinken,
+die herders en herderinnen, knapen en meisjes hem leerden, als zij
+bloemen plukten of hout sprokkelden.
+
+De heeren der abdij kenden Bertilia en haren kleinzoon en, toen de oude
+vrouw, op zekeren stillen zomeravond voor eeuwig insliep, ontfermden zij
+zich over de wees en besloten voor zijne opvoeding te zorgen. Zij
+onderwezen den knaap in het kerkgezang en in de Latijnsche taal en
+Engel, die vlug van begrip en leerzaam was, werd een uitmuntend
+kerkzanger.
+
+Op zekeren dag had in de abdij van Sint Bavo eene plechtige gebeurtenis
+plaats. Karel, koning der Franken, keizer van het Westen, die de oevers
+der Noordzee wilde bezoeken, stapte af in de abdij en genoot in de kerk
+eene luisterrijke ontvangst.
+
+Het bedehuis was met kostbare draperieen behangen; gouden wierookvaten
+geurden, heerlijke Halleluja's weerklonken. Engel zong ter eer van den
+vorst eene prachtige hymne die, op al de aanwezigen een diepen indruk
+maakte en niet het minst op den keizer die, behalve een groot krijgsman
+en vroom Christen, ook een bewonderaar was van de gewijde toonkunst.
+
+Na de plechtigheid liet Karel zich den jongen zanger voorstellen, die
+hem, om zijn innemend voorkomen en bescheiden manieren, zoo beviel, dat
+hij besloot Engel naar zijn paleis te zenden, waar hij, onder leiding
+van Italiaansche meesters, zijne muzikale opleiding voltooien zou.
+
+De keizer zette zijne reis voort. De abt, die door Karel met eene
+dringende zending naar Aken was belast, zou ook den zanger naar de stad
+geleiden.
+
+De keizer had een twintigtal gewapende mannen ter beschikking gesteld
+van de reizigers, die weldra, vergezeld van een tiental geestelijken en
+eenige dienstknechten, vertrokken.
+
+De reis van Gent naar Aken, die wij heden per spoor, in eenige uren
+afleggen, duurde in dien tijd verscheidene dagen. De abt volbracht haar,
+gezeten in eene draagkoets, terwijl de lieden van zijn gevolg te paard,
+te voet, in wagens, achteraan kwamen of vooraan reden.
+
+De tocht was niet eentonig en overal genoten de reizigers het beste
+onthaal; reeds in den namiddag van den eersten dag, kwam de
+_Centgraaf_[15] hen te gemoet. Hij begroette den abt en verzocht hem
+den nacht onder zijn dak te willen doorbrengen.
+
+Dit vriendelijk aanbod werd dankbaar aanvaard en 's anderendaags, heel
+vroeg in den morgen, vertrokken uit de woonhalle van den gastheer twee
+boden te paard, om de bewoners van een klooster, dat op zes uren afstand
+lag, te verwittigen, dat de reizigers er tegen den avond zouden
+aankomen; want, in dien tijd waren kloosters en abdijen de plaatsen,
+waar reizigers van aanzien, abten, bisschoppen, hertogen, zelfs koningen
+werden geherbergd.
+
+In Haspengouw vertoefden Engel en zijne reisgenooten eenige uren op de
+villa van eenen graaf, waar hun een groot gastmaal werd aangeboden. Niet
+ver vandaar bezochten de reizigers een landgoed van den keizer en
+bewonderden het vernuft van den grooten man die, wat veeteelt en
+tuinbouw betreft, met groote kennis van zaken handelde. Op zijne
+domeinen, werden voedingsgewassen en artsenijplanten gekweekt, zelfs
+meekrap, die tot het verkrijgen van verfstof werd gebezigd. Tal van
+vruchtboomen, verschillende soorten van appels, peren, pruimen, perziken
+groeiden in zijne tuinen.
+
+Op twee uren afstand van Maastricht ontmoette de karavaan den
+_Zendgraaf_, een vriend van den abt. Hij was vergezeld van een talrijk
+gevolg.
+
+De _Zendgraaf_ was een aanzienlijk en ervaren man; hij bereisde het
+Land om overal een wakend oog te houden en de rechten en wetten van den
+keizer te doen eerbiedigen.
+
+Hij bracht zijnen vriend tot aan Maastricht en hier rustte men gedurende
+een geheelen dag. De stad was toen zeer bloeiend; er lag eene brug over
+de Maas en talrijke booten beladen met koopwaren, wijn, graan en andere
+levensmiddelen voeren op den breeden stroom.
+
+Engel had in de laatste tien dagen zeer veel gezien en geleerd en
+nochtans wenschte hij vurig de stad Aken te leeren kennen, en er zijne
+muzikale opleiding te voltooien.
+
+ * * * * *
+
+Eindelijk braak het lang gewenschte oogenblik aan en onze reizigers
+mochten de beroemde stad binnentreden.
+
+Engel oordeelde haar zeer "prachtig" en stemde ten volle in met de
+inwoners, die Aken een tweede Rome noemden. Het verkeer was er levendig,
+men trof er een ruim plein aan met prachtige huizen, bewoond door
+prinsen en hertogen.
+
+De stad was een schouwburg rijk, ook verscheidene badhuizen en een
+heerlijk paleis, waar Karel niet zelden den winter doorbracht.
+
+De abt van Sint Bavo stelde Engel voor aan den Italiaanschen meester,
+onder wiens leiding de jonge zanger studeeren zou en, eer hij vertrok,
+sprak hij Engel in dezer voege toe:
+
+"Mijn zoon, ik stel vertrouwen in u, werk en studeer naarstig; als ik
+hier den landdag hoop bij te wonen, wil ik van uwe meesters en van onzen
+doorluchtigen keizer niets dan goeds over u vernemen."
+
+Engel beloofde zijn best te doen; hij studeerde dan ook veel en voldeed
+dermate zijnen nieuwen meester, dat deze besloot den jongen zanger ter
+gelegenheid van het verjaringsfeest van de kroning des keizers, in de
+kapel van het paleis te laten zingen.
+
+Karel de Groote van zijne reis teruggekeerd, woonde met zijn gevolg, de
+kerkelijke plechtigheid bij en, toen Engel zijn gezang aanhief, wist hij
+er zooveel dankbaar gevoel, zooveel kunst in te leggen, dat al de
+aanwezigen er door getroffen waren.
+
+[Illustration: Mannelijke kleederdracht (IX^e eeuw).]
+
+Karel wenschte meester en leerling geluk en besloot den jongen zanger
+aan zijn hof te verbinden.
+
+Schier elken dag zong nu Engel in de kapel van het paleis, een der
+schoonste bedehuizen der IX^{de} eeuw en leerde meer en meer den grooten
+man waardeeren, die door zijne tijdgenooten zoo hoog werd geroemd.
+
+De keizer was zeer werkzaam; het grootste deel van zijnen tijd wijdde
+hij aan het welzijn zijner onderdanen.
+
+Wel is waar liet hij de verschillende volken, waarover hij regeerde, in
+het bezit van hunne eigenaardige instellingen en wetten, maar hij
+trachtte toch eenheid in zijn bestuur te brengen en daartoe vaardigde
+hij onderscheidene besluiten uit, die men capitularien, noemt.
+
+Niet zelden liet hij, na een dag ernstigen arbeid en studie, Engel bij
+den maaltijd ontbieden om te zingen; als er geene muziek gemaakt werd,
+deed de vorst zich iets uit de geschiedenis der Oudheid voorlezen, of
+iets uit de werken van den heiligen Augustinus, dien hij bijzonder
+hoogschatte.
+
+Engel ontmoette aan het hof den geleerden Alcuinus, een Angelsaksischen
+monnik, ook wel den geschiedschrijver Paulus Diaconus, den taalkundige
+Pieter van Pisa, Eginhard, die Karels geschiedenis schreef, en anderen
+meer.
+
+De jonge zanger, die wenschte zich te volmaken in de kennis der
+Latijnsche taal, kreeg verlof van den keizer om de lessen bij te wonen
+aan de hofschool, waarin de kinderen van den vorst en de zonen der
+rijksgrooten onderricht ontvingen.
+
+[Illustration: Vrouwelijke kleederdracht (IX^e eeuw).]
+
+De maand Mei brak aan en de lang gewenschte landdag, waarop Engel den
+abt van Sint Bavo zou terugzien, naderde.
+
+Het hart van den jongeling klopte van blijde verwachting en op den
+bepaalden dag trok hij, vol ongeduld, voor het krieken van den morgen,
+de stadspoort uit en zijne weldoeners te gemoet.
+
+Wat was er leven en beweging langs den weg! Schilderachtige groepen
+begaven zich stedewaarts. Krijgslieden met glinsterende wapens en bonte
+schilden, Zend-en Markgraven, Honderdmannen met talrijk gevolg, gezanten
+uit vreemde landen in zonderlinge kleederdrachten, bisschoppen in rijke
+draagkoetsen, donkergetinte zuiderlingen, Saksers van hooge gestalte
+begaven zich naar het Meiveld, waarop de keizer de Rijksgrooten had
+bijeengeroepen.
+
+Na een half uur gegaan te hebben ontsnapte een vreugdekreet de borst
+van den zanger. Hij herkende de lieden uit zijn land, de zware paarden
+uit het Scheldedal, den wagen der abdij van Sint Bavo! Hij verhaastte
+zijne schreden en o! zalig oogenblik ... hij mocht den waarden abt
+begroeten, die ondanks zijne hooge jaren, zonder hinder voor zijne
+gezondheid, den langen weg had afgelegd.
+
+Haastig maakte hem Engel bekend met talrijke bijzonderheden over zijn
+verblijf te Aken, over zijne studien, over den keizer.
+
+Na een paar uren verliet hij den eerwaarden heer, die de vergadering op
+het Meiveld ging bijwonen. Hier werd door den keizer en de grooten
+beraadslaagd over den toestand des rijks, over het voeren van oorlog,
+over geschillen; ambtenaren werden aangesteld, nieuwe wetten
+uitgevaardigd en gehoor verleend aan gezanten van naburige landen.
+
+Verscheidene dagen bracht de abt te Aken door en toen keerde hij naar
+Gent terug, zijn jongen vriend achterlatende, die hem een dankbaar en
+hartelijk "tot wederzien" toeriep.
+
+Helaas! het heerlijk verblijf van Engel te Aken, zou niet lang duren! In
+814 stierf de groote keizer en diepbedroefd zong de zanger in de kapel
+van het paleis, een lijkzang ter eere van den grooten man, dien hij zoo
+hoogschatte.
+
+Engel keerde naar Gent terug, beoefende uitsluitend de gewijde toonkunst
+en vormde talrijke leerlingen, niet alleen te Gent, maar ook in de Sint
+Amandusabdij te _Elnone_[16] aan de Schelde, waar hij eindelijk, evenals
+vroeger zijn moedertje, op hoogen ouderdom, zachtjes insliep....
+
+
+
+
+22.--Karel de Groote.
+
+
+Het voorgaande verhaal was lang en toch zou ik er nog eenige
+oogenblikken bij willen stil staan.
+
+Ik ben overtuigd, dat de groote keizer,[17] die zich het lot van den armen
+zanger aantrok, u niet meer onverschillig is. Hij verdient ten volle uwe
+achting; hij was goed, verstandig, ontwikkeld, werkzaam, beschermde
+kunstenaars en geleerden en bestuurde zijn uitgestrekt rijk op uitstekende
+wijze.
+
+[Illustration: Hoofdletters van handschriften der VIII^e eeuw.]
+
+Weet gij ook, dat hij een groot krijgsman was? Hij bedwong de Saksers,
+de Lombarden, de Arabieren, de Beierlingen en de Slaven. Ten jare 800
+werd hij door den Paus van Rome, tot keizer van het Westen gekroond. Hij
+zond geestelijken en zendelingen naar Germanie om er de beschaving en
+het Christendom te verspreiden.
+
+Hier te lande, heerschten gedurende zijne lange regeering rust en vrede;
+onze voorouders woonden in het hartje van Karels rijk. Al wie van het
+Zuiden, dus van Gallie naar Aken reisde, trok door ons land, dat
+levendiger en dichter bevolkt was dan vroeger. Landbouw en veeteelt
+verkeerden in bloeienden toestand, en het bezoek, dat onze vrienden
+brachten aan de stad Maastricht, leert ons, dat er handel gedreven werd.
+Op de Schelde, de Maas, den Rijn, de Moezel voeren booten en vlotten;
+aan de oevers der zee fokte men schapen en de wollen stoffen van ons
+land werden tot in Midden-Europa verzonden.
+
+Onze voorouders dreven handel met Groot-Brittanje en Scandinavie;
+immers, in Engeland en aan de kusten der Baltische zee heeft men
+muntstukken der IX^{de} eeuw ontdekt, die hier geslagen werden.
+
+Verscheidene bisschoppen en abten van ons vaderland waren vrienden of
+beschermlingen van den keizer. De geestelijken bestudeerden de fraaie
+letteren en Karel zond hun de beste meesters; Eginhard bestuurde
+gedurende eenigen tijd de abdijen van Sint Pieter en Sint Bavo te Gent.
+
+In de vrouwenkloosters zaten de geestelijke zusters niet ledig. Te
+Maeseyck vervaardigden zij prachtig borduurwerk of versierden schoone
+handschriften met de fraaiste penteekeningen.
+
+Overal stichtte men bibliotheken; de scholen van het Sint
+Amandusklooster te _Elnone_ aan de Schelde verwierven grooten roem onder
+het bestuur van Hucbald, dichter, geschiedschrijver en de bijzonderste
+toonkunstenaar der X^{de} eeuw. Hij geeft de eerste berichten over het
+begin der meerstemmige muziek.
+
+Te S^t Amand of _Elnone_ waren Dietsche en Waalsche of Romaansche
+schrijvers.
+
+Ook de scholen van het bisdom Luik waren beroemd. Zij brachten dichters,
+taalkundigen, kunstenaars voort; bisschop Hartgar deed zich een paleis
+bouwen versierd met fraai beeldhouwwerk en gekleurde glasruiten.
+
+Karel was de grootste man zijner eeuw; zelfs na zijnen dood leefde hij
+voort in de werken, die hij tot stand bracht en door het voorbeeld, dat
+hij gaf.
+
+
+
+
+23.--Renier en Albrade.
+
+
+Omtrent het midden der X{de} eeuw leefde in Henegouwen een dappere en
+geduchte graaf, Renier geheeten. Albrade, zijne vrouw, was een toonbeeld
+van zachtheid en goedhartigheid.
+
+Beiden woonden aan de oevers der Schelde in het midden hunner
+onderdanen, die hun edelen heer en zijne doorluchtige gade om het zeerst
+liefhadden.
+
+Op zekeren dag verspreidde zich eene schrikwekkende mare door de
+landstreek. De wreede Noormannen waren in aantocht; onder aanvoering
+van Rollo, hun wreed opperhoofd, voeren zij de Schelde op, en onder het
+zingen van woeste krijgsliederen, plunderden zij hoeven, kerken,
+abdijen, dorpen, steden. Hier verschenen zij, snel als de wind, midden
+in het gewoel eener jaarmarkt; ginds staken zij de woningen der menschen
+in brand, doodden al wie zich durfden verzetten, stalen het goud-en
+zilverwerk der inwoners, de heilige vaten der kerken. "Van de woede der
+Noormannen, verlos ons Heer"! baden de menschen en weinigen waren er,
+die tot verdediging durfden overgaan.
+
+Tot deze laatsten behoorde Renier: "ik zal mijn volk tot den dood
+verdedigen", sprak hij vastberaden en Albrade, de zachte, goede Albrade,
+moedigde hem aan in zijn besluit.
+
+Renier verzamelde zijne krijgslieden, doch in stede van een enkelen
+grooten veldslag te wagen, lokte hij den vijand in hinderlagen en
+bevocht hem in schermutselingen.
+
+[Illustration: Schip der Noormannen.]
+
+In eene daarvan nam hij twaalf voorname krijgslieden gevangen.
+
+Toen Rollo zulks vernam, ontstak hij in vreeselijke woede, viel Renier
+aan en nam, na een bloedig gevecht, den dapperen graaf gevangen.
+
+In angstvolle verwachting vertoefde Albrade op haren burcht en, toen
+zij de treurmare vernam, besloot zij alle middelen in het werk te
+stellen om haren echtgenoot te redden.
+
+Zij zond eenen bode naar Rollo met het voorstel hem zijne twaalf
+krijgslieden tot lossing van graaf Renier terug te zenden, maar de
+wreede Rollo kende geen medelijden: "Voor morgen", antwoordde hij "eisch
+ik de gevangen krijgslieden terug, en daarbij al het goud en zilver van
+de abdijen dezer streek."
+
+Albrade zond aan Rollo de twaalf gevangenen, daarbij eenen wagen vol
+goud en kostbaarheden. Maar de wreedaard wilde meer.
+
+Hij liet het goud wegen, wierp zijn met Runen[18] versierd zwaard in
+eene der twee schalen en riep: "Brengt mij goud, tot beide schalen in
+evenwicht blijven."
+
+Albrade zocht haar laatste goudwerk: den met edelgesteenten versierden
+ring, dien zij, voor jaren als bruidsgeschenk van haren echtgenoot had
+ontvangen; het kostbare kruis, een aandenken harer moeder, het zilveren
+gevest van het zwaard haars vaders, doch de wreede Rollo was nog niet
+voldaan.
+
+Albrade was wanhopig en zocht in vertwijfeling naar een laatste
+redmiddel, toen hare onderdanen, haar te hulp kwamen. Uit eigen
+beweging, ontdeden zij zich van het goud en de kostbaarheden, die zij
+nog bezaten en gingen die nederleggen aan de voeten van den wreeden
+Noorman.
+
+Rollo, die niet eens wist wat genegenheid was, zag dit alles eerst met
+verwondering, daarna met aandoening aan.
+
+Hij ontbood Renier, ontdeed hem van zijne boeien en sprak: "Wat zijt gij
+gelukkig, Graaf, die door eene zoo brave echtgenoote en door talrijke
+onderdanen teeder wordt bemind. Keer tot hen terug, blijf niet langer
+mijn vijand, maar word mijn vriend."
+
+Rollo gaf al de aangebrachte schatten terug en sloot met Renier een
+vredeverbond.
+
+
+
+
+24.--Invallen der Noormannen.
+
+
+Wat moest het er, gedurende die lang vervlogen eeuwen, in ons land
+akelig uitzien! Platgeloopen akkers, geplunderde kerken en kloosters,
+dooden, gewonden, armoede, verdriet en lijden.
+
+Zoolang Karel de Groote leefde, durfden de geduchte Noorsche Zeeroovers
+zich op onze kusten niet vertoonen, maar, na zijnen dood, was het geheel
+anders.
+
+[Illustration: Verdeeling van het rijk van Karel den Groote.]
+
+De zoon en opvolger van Karel, Lodewijk de Vrome, bezat de
+krachtdadigheid zijns vaders niet. Zijne zonen Karel, Lother, en
+Lodewijk betwistten elkander het vaderlijk erfdeel. In 843 sloten zij
+het verdrag van Verdun[19], dat het rijk van Karel den Groote in drie
+rijken verdeelde. De hierbij gevoegde landkaart zal u over deze
+verdeeling een juister denkbeeld geven. Bezie ze met aandacht en bemerk
+dat de landstreek gelegen tusschen de Schelde en de Noordzee aan Karel
+kwam, en deel maakte van Frankrijk; het overige-het grootste deel van
+het tegenwoordig Belgie--kwam aan Lother, terwijl Germanie ten deel viel
+aan Lodewijk.
+
+Deze verdeeling die, voor de toekomst, van groot gewicht was, werd later
+door andere verdeelingen gevolgd: de landstreek tusschen Schelde en
+Rijn, weldra Neder-Lotharingen of Lotherrijk geheeten kwam aan Germanie.
+De streek tusschen de Schelde en de Noordzee, bleef aan Frankrijk.
+
+Verdeeld door hunne onderlinge twisten en oorlogen, waren de zwakke
+opvolgers van Karel den Groote, zelden in staat de Noormannen tegen te
+houden; ook ondernamen deze niet een maar herhaalde invallen aan de
+oevers van den Rijn, de Maas, de Schelde en hunne bijrivieren.
+
+Langzamerhand lieten zij hun zwervend leven varen.--Eenigen vestigden
+zich in het gedeelte van Frankrijk, dat naar hen, Normandie geheeten
+werd.
+
+Wie klommen, denkt gij, gedurende die akelige tijden, bij het volk in
+aanzien? Zonder twijfel waren het de onverschrokken mannen, hertogen,
+graven en andere heeren, die, evenals Renier, zich tegen de Noormannen
+durfden verzetten. Men achtte ze veel meer, dan de machtelooze koningen,
+die niet in staat waren hun land en hunne onderdanen tegen vreemde
+indringers te verdedigen.
+
+Vele weerlooze, zwakke menschen stelden zich vrijwillig, zooals
+voorgaand verhaal ons leerde, onder de bescherming dier heeren. Deze
+legden hier en daar sterke burchten aan, waar zij zich konden verdedigen
+tegen hunne vijanden.
+
+De macht dezer heeren ging over op hunne zonen en latere afstammelingen
+met wier eigenaardig schilderachtig leven, gij in het volgend verhaal
+kennis zult leeren maken.
+
+
+
+
+25.--Anneken Soete, de kleine herderin.
+
+
+Op een verzengend heeten zomer waren frissche, kalme najaarsdagen
+gevolgd.
+
+'s Morgens, na zonsopgang, hingen zilveren nevels over de heerlijke
+Vlaamsche vlakte en duizenden vogels maakten zich gereed om de
+jaarlijksche reis naar de warme zuiderlanden aan te vangen.
+
+Aan den zoom van het mastbosch, voor het lage deurtje van eene leemen
+hut, stond een vijftienjarig meisje, dat angstig in de verte tuurde.
+Tranen rolden over hare zachte wangen, terwijl haar fijnbesneden mond
+prevelde:
+
+"Belle! ondankbare geit! waarom hebt gij ons gisteren zoo lichtzinnig
+verlaten?" Wie zal u melken? Wie zal uw leger spreiden, u streelen en
+liefkozen?... Waar zal ik u vinden?... want _vinden_ zal ik u, al moest
+ik u zoeken, uren lang, over de vlakte en door de sparrebosschen.
+
+En Anneken Soete, het herderinnetje vertrok; zij liep op hare bloote
+voeten, over de purperen heide, tot aan den kronkelenden oever der beek,
+waar het slot van den heer van Oostcamp zijn toren in de lucht verhief.
+
+Juist hadden eenige mannen de valbrug nedergelaten, dienaars openden de
+zware poortdeuren, honden blaften, paarden hinnikten en een voorname
+stoet van heeren en dames verliet de sombere woning.
+
+Met eerbiedige bewondering trad Anneken Soete op zijde en zag de
+geduchte edellieden en hunne vrouwen voorbijtrekken.
+
+Allen behoorden tot de grootste familien van het land en waren door den
+heer van het slot ter jacht genoodigd.
+
+Vooraan, op een forsch paard gezeten, reed Boudewijn, de edele graaf van
+Vlaanderen en achter hem, op eene witte hakkenei[20], verscheen
+Machteld, zijne dochter, een der rijkste edelvrouwen van het land.
+
+Zij was jong en schoon, groot en slank van gestalte, statig en
+gebiedend in hare houding. Met de linkerhand hield zij de teugels van
+haar paard vast, terwijl een valk met roode kap en gulden schelletjes,
+op hare rechterhand rustte.
+
+"Wat is zij mooi" lispelde Anneken en haar oog rustte op het
+rijkgeborduurde kleed der gravin, dat in breede plooien tot op den grond
+afhing.
+
+Op eerbiedigen afstand volgden de andere genoodigden, verder schild-en
+hofknapen, jagers met honden en valkeniers met valken en andere
+jachtvogels.
+
+Met popelend hart zag Anneken al deze lieden voorbijtrekken. Zij vergat
+schier hare geit, de lichtzinnige Belle en eerst toen de laatste honden
+voorbij waren en de jachthoorn niet meer schalde, kwam zij tot bezinning
+en zette haren tocht voort, over heide en gras, langs beek en plas,
+langs heg en mastbosch.
+
+Lachend en koutend trok de schitterende jachtstoet over de geurige
+vlakte; vrouw Machteld scheen buitengewoon opgeruimd maar Boudewijn, de
+wijze graaf van Vlaanderen, schudde het hoofd en sprak: "Altijd
+onvoorzichtig, mijne dochter, ik smeek u, verlaat mijne zijde niet;
+want, telkens wanneer gij mij op de jacht vergezelt, maak ik mij om u
+ongerust."
+
+Tot eenig antwoord schudde de fiere Machteld het blondgelokte hoofd en
+toen een uur later, haar vader met den heer van Komen in een ernstig
+gesprek was verdiept, verliet zij hem om, geheel alleen, in de richting
+van het bosch voort te rijden.
+
+Eensklaps bemerkte zij eene boschduif, die boven de beek vloog; haastig
+trok zij de bellenkap van haren valk en wierp den vogel op.
+
+Pijlsnel steeg de valk en bleef toen eenigen tijd onbeweeglijk in de
+lucht hangen. Hij bemerkte de arme boschduif, daalde neder en worgde
+haar met zijne scherpe klauwen.
+
+Machteld klapte van blijdschap in de handen en daar, naar hare meening,
+de valk zijne prooi niet spoedig genoeg aan zijne meesteres bracht, gaf
+zij haar paard de sporen en reed in de richting der beek, tot aan den
+zoom van het mastbosch.
+
+Waarschijnlijk verschrikte haar wilde ren de arme dieren, die onder het
+heidekruid verborgen zaten; want, een haasje sprong op, vlak voor de
+pooten van het paard; het beest werd schichtig en het vlood met zijne
+edele berijdster het mastbosch in.
+
+Wat de gravin ook aanwendde om het verschrikte dier tot bedaren te
+brengen, niets mocht baten; in wilden galop rende het voort, altijd
+voort en wierp eindelijk zijne berijdster met zooveel geweld af, dat
+haar hoofd tegen een mastboom bonsde en zij gewond en bloedend nederlag.
+
+Brieschend zette het paard zijnen weg voort en weldra werd alles weer
+doodstil. Bewusteloos lag de gravin op het zachte mos; geen vogel zong
+in de hooge mastboomen, wier donkergroene takken zich als een prieel
+ineenvlochten boven het hoofd der eenzame vrouw.
+
+ * * * * *
+
+Langzaam keerde Anneken, de kleine herderin, naar de woudhut terug.
+Bosch en heide had zij doorloopen, hare voeten bezeerd aan braamstruiken
+en distels, maar haar geitje, helaas! niet gevonden.
+
+Tranen vloeiden over de wangen van het arme meisje; zij weende niet om
+zich zelve maar om hare moeder, die oud en ziekelijk was en thans de
+voedzame geitenmelk zou moeten missen.
+
+Ze waren zoo arm en verlaten, de weduwe Soete en hare eenige dochter.
+Jaar in, jaar uit, voedden zij zich met rogge-of gerstebrood; in het
+najaar zamelden zij beukenoten als wintervoorraad, sprokkelden droog
+hout en zochten pijnappels in de bosschen.
+
+Zuchtend naderde Anneken hare woning, toen zij tot haren schrik onder de
+hooge boomen eene donkere gestalte liggen zag. Zij naderde, herkende het
+schoone, met goudgeborduurde rijkleed der gravin, sloeg een kruis en
+riep: "Dat is de edelvrouw van dezen morgen!"
+
+Hoe jong ook, was Anneken moedig en vastberaden; zij vloog naar de hut,
+vulde eene aarden kruik met frisch water, nam een groven, doch hagel
+witten linnen doek en riep hare moeder toe: "Gauw, moeder, gauw, neem
+onze peluw, volg en help mij!"
+
+De weduwe schrok maar deed zooals hare dochter verlangde. Beide vrouwen
+liepen naar de nog altijd bewustelooze edelvrouw, legden de peluw onder
+haar hoofd, maakten hare kleederen los en wieschen haar met frisch
+water.
+
+Machteld kwam tot bezinning, opende de oogen en keek hare weldoensters
+eerst verbaasd, daarna dankbaar aan.
+
+"Waar ben ik?" lispelde zij.
+
+"Stel u gerust, Vrouw," antwoordde Anneken, "we zijn arm, doch zullen
+voor u doen, wat wij kunnen ... spreek, verlangt gij iets?"
+
+"Een dronk water," murmelde de gekwetste en vrouw Soete spoedde zich
+naar de beek, vulde een aarden drinkkom, dien zij de edelvrouw aan de
+lippen bracht.
+
+Machteld had eene wonde aan het voorhoofd, die Anneken en hare moeder
+omzichtig uitwieschen en met een linnen doek verbonden.
+
+Na eenigen tijd voelde zij zich in staat om, steunend op den arm harer
+weldoenster, naar de hut te wandelen.
+
+Spoedig had de weduwe haar bed van mos opgeschud, en de edelvrouw was
+blijde toen zij hare pijnlijke ledematen erop uit kon strekken.
+
+Langzaam daalde de nacht over de aarde; de wind stak op en groote
+regendruppels vielen uit de voorbijdrijvende wolken.... Geene enkele
+lichtende ster blonk aan het uitspansel en onheilspellend floot de
+nachtvogel in het bosch.
+
+Gravin Machteld dacht aan haren vader, aan hare vrienden in het verre
+slot. Wat zouden zij om harentwille ongerust zijn! Graaf Boudewijn had
+verscheidene kinderen, doch Machteld had hij boven allen lief.
+
+Zij was opgeruimd, vriendelijk, moedig tot onvoorzichtigheid toe. Meer
+dan eens had hij aan vrienden en magen verklaard dat hij, boven zijn
+uitgestrekt graafschap, boven het land van Aalst, de liefde zijner
+Machteld stelde en thans lag zij, zonder dat hij wist waar, gewond, in
+eene afgelegen, armzalige hut.
+
+Naar hem terugkeeren kon zij niet, haar geheele lichaam deed haar pijn,
+de nacht was aangebroken, de wind loeide en zou weldra tot storm
+aangroeien.
+
+Welk een angstvollen nacht zou hij doorbrengen, hij Boudewijn, de
+geduchte graaf, die burchten en steden had ingenomen, zelfs den
+machtigen keizer van Germanie had overwonnen.
+
+Machteld weende en deelde haren kommer mede aan hare gezellinnen....
+"Arme, genadige graaf," zuchtte Anneken, "hoe diep ongelukkig moet hij
+wezen."
+
+Toen nam het meisje een kort, doch moedig besluit. Zij zou zich naar den
+burcht van Oostcamp begeven, duisternis en storm trotseeren en den graaf
+geruststellen, terwijl hare moeder, vrouw Machteld verzorgen zou.
+
+Anneken Soete sloeg een kruis, prevelde een Vader-Ons, opende het lage
+deurtje der hut en verdween in de duisternis.
+
+De weg was lang, doch het meisje stapte altijd door, bad, en sloeg kruis
+op kruis.
+
+Eensklaps, midden op de vlakte bemerkte zij een rossen gloed. Zwarte
+gestalten, dragende brandende toorsten, naderden.
+
+Zouden het ook struikroovers zijn, die eene hoeve of een slot gingen
+aanranden?
+
+Het regende niet meer en bij wijlen kwam de bleeke maan van achter de
+wolken kijken.
+
+De mannen naderden en, vol vrees, verborg zich het herderinnetje, aan
+den oever der beek.
+
+"Hier aan deze beek, heb ik gravin Machteld voor het laatst gezien"
+sprak de aanvoerder.
+
+"In de vlakte is zij niet" antwoordde eene stem, "zij moet de
+mastbosschen zijn ingetreden. Zouden wij het wagen, met onze brandende
+toortsen, in de bosschen te zoeken?"
+
+"Dat zou gevaarlijk zijn" sprak een derde, laten wij naar de hut gaan
+der weduwe Soete, zij of hare dochter, hebben wellicht onze vrouw of
+haar paard gezien."
+
+Anneken wist genoeg; de mannen, die zij voor boosdoeners aanzag, waren
+dienaars, die hunne meesteres zochten.
+
+Vastberaden verliet zij hare schuilplaats, en vertelde aan de mannen,
+wat er met de arme gravin was gebeurd.
+
+Hoe gelukkig waren zij te vernemen, dat Machteld leefde en door Anneken
+Soete en hare moeder liefderijk was verzorgd.
+
+Vier hunner keerden naar het slot terug om de gelukkige tijding aan
+graaf Boudewijn mede te deelen en eene draagkoets voor de gravin te
+halen.
+
+De overigen vergezelden Anneken tot in hare hut en 's anderendaags,
+vroeg in den morgen, hield eene prachtige draagkoets voor de schamele
+woning stil.
+
+Gravin Machteld nam afscheid van hare weldoensters en beloofde haar niet
+te vergeten.
+
+Anneken Soete en hare brave moeder wilden van geene belooning hooren,
+maar de gravin dacht er anders over.
+
+Eenige dagen later, toen zij volkomen hersteld was, bracht zij Anneken
+en hare moeder een bezoek.
+
+"Gij hebt mij het leven gered" sprak zij, "thans is het mijn plicht voor
+u te zorgen. Ik keer met mijnen heer vader naar Rijsel terug. Wilt gij
+mij vergezellen? Voortaan zal u niets ontbreken; want, ik zal voor u
+zorgen, zoolang ik leef...."
+
+Belle, de ondankbare geit was niet teruggekeerd en waarschijnlijk door
+een wild dier verslonden; de rogge was mislukt en honger en gebrek
+grijnsden als spoken aan het deurtje der hut.
+
+Anneken en hare moeder aanvaardden, vol blijdschap, het voorstel der
+gravin.
+
+Zij vergezelden haar naar Rijsel en leefden er eenigen tijd vreedzaam en
+gelukkig, toen er eene nieuwe verandering in haar leven kwam.
+
+Machteld huwde Willem van Normandie, een der beroemdste edellieden van
+zijnen tijd.
+
+Jaren lang voerde hij krijg in Engeland, terwijl zijne vrouw in
+Normandie bleef.
+
+Eindelijk, toen haar echtgenoot tot koning van Engeland werd
+uitgeroepen, volgde zij hem over zee met Anneken Soete, hare moeder,
+alsook verscheidene Vlaamsche edellieden die, door de nieuwe koningin,
+rijkelijk werden begiftigd.
+
+
+
+
+26.--De Graven van Vlaanderen.
+
+
+Anneken Soete, de moedige, kleine herderin, leefde in de XI^{de} eeuw
+onzer tijdrekening.
+
+Zij en hare moeder waren arme, eenvoudige vrouwen, die heel afgezonderd
+leefden en niet zelden honger en gebrek leden.
+
+In dien tijd was de grond minder goed bebouwd dan thans; verscheidene
+voedingsgewassen, zooals aardappelen, waren geheel onbekend.
+Stoombooten, spoorwegen bestonden niet; vaarten, breede wegen waren
+zeldzaam, zoodat het veel moeite kostte om de voortbrengselen van
+elders, hierheen te brengen.
+
+Op het land woonden de menschen in schamele hutten, maar sommige
+edellieden hadden steenen woningen "burchten, of steenen" genoemd.
+
+De burcht van den heer van Oostcamp, was naar alle waarschijnlijkheid
+een steenen woning.
+
+Toen Anneken den schitterenden jachtstoet uit den burcht treden zag,
+beefde zij en trad eerbiedig ter zijde; want, evenals vele landlieden
+uit den omtrek, was het arme kind eene hoorige van den heer van
+Oostcamp, meester van het omliggende land.
+
+Dat land had hij in leen ontvangen van den graaf van Vlaanderen, die
+zijn leen_heer_ was, terwijl hij leen_man_ was van den machtigen
+graaf.
+
+De heer van Oostcamp moest, als het noodig was den graaf van Vlaanderen
+ten oorlog vergezellen, hem helpen vrijkoopen, indien hij krijgsgevangen
+genomen werd.
+
+Ook Robrecht, heer van Komen, Drogon van Beveren, Gilbert van Gent en
+anderen, die deelnamen aan de jacht te Oostcamp, waren leenmannen van
+graaf Boudewijn.
+
+Deze heerschte over het uitgestrekt grondgebied, dat zich ten Oosten der
+Schelde, tot aan de Somme uitstrekte.
+
+Dit grondgebied had hij van den koning van Frankrijk in leen ontvangen.
+Hij bezat er de rechterlijke macht, mocht belastingen heffen, zelfs munt
+slaan.
+
+Misschien denkt gij, dat hij den koning van Frankrijk gewichtige
+diensten bewezen had en deze hem, als belooning, uitgestrekte landerijen
+had geschonken?
+
+Neen, dat was zoo niet. In de XI^{de} eeuw en vroeger reeds, waren de
+leenen erfelijk.
+
+Boudewijn, de V^{de} van dien naam, was zijnen vader, als graaf van
+Vlaanderen opgevolgd. Voor dezen hadden reeds van 864 (?) tot 988, vijf
+graven van Vlaanderen geregeerd.
+
+[Illustration: Leenroerig Tijdvak.]
+
+Boudewijn V, bijgenaamd van Rijsel, was een der machtigste heeren van
+zijnen tijd. Als krijgsman had hij grooten roem verworven; hij en zijne
+dappere leenmannen waren onoverwinnelijk.
+
+In 1056 kwamen de eilanden van Zeeland, de vier Ambachten en het land
+van Aalst in zijn bezit, zoodat Boudewijn leenman was van den koning van
+Frankrijk en van den keizer van Duitschland.
+
+Van 1060 tot 1063 was hij ook voogd over den minderjarigen koning van
+Frankrijk.
+
+Het voorgaande verhaal leerde ons, dat zijne dochter koningin van
+Engeland werd. Om u te bewijzen, hoe machtig en geeerd Boudewijn was,
+zal ik er nog bijvoegen, dat zijn oudste zoon de gravin van Henegouwen
+huwde en zijn tweede zoon, in het huwelijk trad met eene Hollandsche
+prinses.
+
+[Illustration: Poort van het Gravensteen. Gent.]
+
+Al die gebeurtenissen waren rijk aan gevolgen. Talrijke Vlamingen
+vestigden zich als kolonisten in Engeland, anderen werden kooplieden,
+die handel dreven langs stroomen en rivieren, zich op zee naar
+Denemarken, Scandinavie en Engeland waagden. Jaarmarkten werden gehouden
+en Brugge, Rijsel, Meenen, Thorhout, Yperen, Gent werden belangrijke
+steden.
+
+
+
+
+27.--Een Sprookje.
+
+
+Geen slot der Middeleeuwen of er is een min of meer dramatisch verhaal
+aan verbonden, dat, hoewel zelden met de geschiedkundige waarheid
+overeenkomende, het poetisch gevoel bevredigt, dat in het hart van elken
+mensch verborgen ligt.
+
+Daarom schrijven wij hieronder een sprookje, verbonden aan den
+merkwaardigen burcht van Bouillon.
+
+Gilbert van de Ardennen was een edel en dapper ridder. Op zekeren dag
+begaf hij zich ter jacht en verdwaalde.
+
+Uren lang zwierf hij rond in de wouden en bereikte eindelijk den voet
+eener hooge, steile rots, gelegen in een heerlijk dal, waardoor de
+Semois zich kronkelde.
+
+Gilbert was vermoeid; hij vlijde zich neder op het zachte mos, toen hij
+eensklaps eene wonderzoete meisjesstem vernam, die een klagend liedje
+zong.
+
+Gilbert luisterde met welgevallen, richtte zich op, baande zich een weg
+door het struikgewas en bereikte de plaats vanwaar de stem scheen te
+komen.
+
+Tot zijne verwondering bemerkte hij eene schoone jonkvrouw, die bitter
+weende en, met hare lange, blonde haren, de tranen afdroogde, die langs
+hare wangen rolden.
+
+Zij hief de handen smeekend tot den ridder op, terwijl deze haar vroeg:
+
+"Wie zijt gij, edele jonkvrouw, en hoe komt gij op deze woeste, eenzame
+plaats?"
+
+"Spreek zachter, heer ridder," fluisterde de maagd, "Ik ben Julia van
+Bouillon en mijne geboorteplaats ligt niet ver van hier."
+
+"Op den top der hooge rots, die gij van hier ziet, woont een reus. Hij
+doodde mijn broeder en nam mij als zijne gevangene mede. Elken namiddag
+slaapt hij gedurende een uur op den top der rots."
+
+Gilbert keek omhoog en bemerkte een reusachtig grooten man, die
+werkelijk, op den top der rots lag te slapen.
+
+De ridder trok zijn zwaard uit de scheede en sprak: "Stel u gerust,
+edele jonkvrouw, ik zal u van den moordenaar verlossen."
+
+"Val hem niet aan, edele ridder," fluisterde Julia; hij draagt een
+malienkolder[21], waardoor geen zwaard dringen kan.
+
+"Nu dan," hernam Gilbert, "ik zal hem van den top der rots in de rivier
+storten."
+
+"Dat is onmogelijk," jammerde Julia, "de reus is zoo zwaar, dat honderd
+armen hem niet naar beneden kunnen werpen."
+
+"Wel" sprak de ridder, "vlucht met mij, ik zal u in veiligheid brengen."
+
+"Dat ook is onmogelijk" kreet de arme jonkvrouw, "ziet gij niet dat ik
+met eene ijzeren ketting aan den rotswand ben vastgeklonken? Ik smeek u,
+ga tot mijn vader en vraag hem het groote net van ijzerdraad, dat zijn
+grootvader, niet ver van Tours in Frankrijk, aan de Sarracenen[22]
+ontnam, daarin zullen wij den reus vangen.
+
+Nauwelijks had zij dit gezeid of de reus ontwaakte met groot gedruisch
+en Gilbert haastte zich de jonkvrouw te verlaten.
+
+Hij wilde aan haar verzoek voldoen, en begaf zich naar het kasteel haars
+vaders, waar hij van den torenwachter het groote ijzeren net ontving.
+
+'s Anderendaags, tegen den middag, keerde hij naar de rots terug,
+verborg zich in het bosch en wachtte de komst van den reus af.
+
+Het duurde niet lang of de vreeselijke man verscheen en daalde van de
+rots naar beneden om zich uit het riet, dat aan den oever groeide, eene
+pijp te snijden.
+
+Gilbert zocht Julia op, en spreidde met haar het net uit, op den top der
+rots. Het meisje bedekte het met mos en bloemen, en, toen de reus
+terugkeerde en het zachte tapijt bemerkte door Julia's handen gespreid,
+lachte hij minzaam, vergat het meisje vast te binden, vlijde zich op de
+bloemen neder, en viel in een diepen slaap.
+
+Dit was het lang gewenschte oogenblik. Julia trok het net toe en de reus
+zat er in vast. Toen riep zij Gilbert terug en verzocht hem haar naar
+het slot haars vaders terug te voeren, maar Gilbert vreesde, dat de reus
+het net zou scheuren.
+
+De gevreesde man ontwaakte en huilde zoo vervaarlijk, dat de heuvels van
+zijn geroep daverden. Hij wilde opspringen en het net scheuren, maar op
+hetzelfde oogenblik gaf Gilbert hem zulk een geweldigen stoot, dat hij
+naar beneden stortte en in de Semois viel, waar hij verdronk.
+
+Nu bracht de ridder de edelvrouw naar het slot haars vaders terug en
+leerde haar zacht karakter en hare deugd waardeeren.
+
+Hij nam haar tot vrouw en, op dezelfde plaats, waar zij den reus uit de
+hoogte naar beneden wierpen, bouwden zij het geduchte slot van Bouillon,
+dat heden nog bestaat.
+
+
+
+
+28.--Het Slot van Bouillon.
+
+
+Laten wij handelen als zoovele toeristen en een bezoek brengen aan het
+geduchte slot. Wij moeten 235 meter klimmen en eerst na een vrij
+lastigen tocht bereiken wij de slotpoort, waar wij aankloppen.
+
+De bewaker opent de poort en leidt ons, over de binnenplaats, naar het
+eigenlijke slot, dat wij met hem in al zijne bijzonderheden leeren
+kennen. Nu eens bevinden wij ons in een killen, duisteren gang, dalen
+daarna in diepe kelders, tot in een onderaardsch gewelf, waar geen
+zonnestraal kan doordringen en ijzeren ringen in den dikken muur zijn
+aangebracht.
+
+Onze geleider zegt ons, dat men hier krijgsgevangenen, ook wel
+misdadigers heenvoerde, en dat zij, die er binnentraden, nimmermeer het
+zonnelicht aanschouwden.
+
+Eene rilling doorloopt onze leden en zuchtend verlaten wij de sombere
+plaats, waar vroeger zooveel werd geweend en geleden en waar heden nog
+de voetstappen der bezoekers zoo akelig weerklinken.
+
+Wij klimmen den wenteltrap op en bereiken den toren, waar wij, door een
+eng schietgat naar beneden staren.
+
+Wel zijn we verbazend hoog geklommen; de Semois schijnt een kronkelend
+lintje en de huisjes der stad zijn zoo klein, dat zij uit eene
+speelgoeddoos schijnen te komen.
+
+Onwillekeurig vergelijken wij de sombere plaats met een hooggelegen
+arendsnest, waaruit zich de roofvogel op zijne levende prooi laat
+nedervallen.
+
+Wij dalen de trap af, hier en daar nog een blik werpend op de dikke
+muren en in de menigvuldige schietgaten.
+
+Eindelijk opent onze geleider de zware poort en wij zijn blij, dat we
+het sombere gebouw verlaten, de blauwe lucht aanschouwen en de warmte
+der koesterende zonnestralen genieten.
+
+Het kasteel van Bouillon is het eenige niet, dat een bezoek waard is. Te
+Gent, werden de bouwvallen van het oude Gravensteen onlangs hersteld en
+aan de oevers der Maas en hare bijrivieren, treft men, meestal op hooge
+bergen en steile rotsen, bouwvallen aan van Middeleeuwsche burchten,
+waar norsche ridders woonden, waarvan sommigen naar het voorbeeld der
+Noormannen, van plundering en roof leefden of met elkander gedurig
+twistten en oorloogden.
+
+Meer dan eens werden, om nietige redenen, onze heden zoo bloeiende
+provincien te vuur en te zwaard verwoest.
+
+Het kwaad was zoo erg, dat de graaf van Vlaanderen, de bisschop van Luik
+en andere groote leenheeren den "Godsvrede" invoerden, waarbij het
+verboden werd te strijden tusschen den Woensdag avond en den Maandag
+morgen, verder gedurende den Advent, de Vasten, enz.
+
+In 1082 stelden de prins bisschop van Luik en andere vorsten een
+vredegerecht in, waar ieder, die de Godsvrede durfde verstoren, tot
+strenge straffen werd veroordeeld.
+
+Ongelukkig werd dit vredegerecht niet altijd gehandhaafd.
+
+In het voorbijgaan moet ik u ook herinneren wat gij vroeger leerdet,
+namelijk dat Neder-Lotharingen of Lotherrijk de landstreek tusschen
+Schelde en Rijn, heette. Zij bevatte: 1 deg. Het hertogdom Brabant, dat zich
+in het hartje van ons land en in Nederland tot aan de Maas uitstrekte;
+2 deg. Het graafschap Henegouwen; 3 deg. het graafschap Namen; 4 deg. het graafschap
+Luxemburg; 5 deg. het hertogdom Limburg; 6 deg. het prinsbisdom Luik. De keizers
+van Germanie aan wie zij in werkelijkheid toebehoorden, oefenden er
+nooit grooten invloed op uit; de leenheeren waren machtiger dan zij,
+daarbij was Germanie zeer groot en, onze provincien vormden als het ware
+een weinig belangrijk uithoekje van een uitgestrekt grondgebied.
+
+
+
+
+29.--De Boetvaardige Zondaar.
+
+
+Op de Reye te Brugge woonde in de tweede helft der XI^e eeuw een
+wisselaar, die belangrijke zaken deed, zoowel met de kooplieden zijner
+stad als met die van het buitenland.
+
+Jacob, zoo heette hij, was eerlijk en zeer werkzaam, maar de rijkdommen,
+welke hij vergaarde, maakten hem zelfzuchtig en zoo hoogmoedig, dat hij
+met minachting nederzag op lieden van geringen stand.
+
+Hij had eene zuster, die weduwe was, met een kind, een zoontje dat zij
+in liefde en deugd trachtte groot te brengen.
+
+Met haar rijken broeder kwam zij zelden of nooit in aanraking; zij wist,
+dat hij zich schaamde over zijne zuster, die armoedig was gekleed en
+dicht bij den Burcht een schamel zolderkamertje bewoonde, waar armoede
+en ziekte haar heel onverwacht kwamen bezoeken.
+
+Koud en duister was de maand December ingevallen; lange ijskegels hingen
+aan de houten gevels der huizen en in de grachten lagen de schepen vast
+in het ijs.
+
+De arme weduwe werd al zieker en zieker, zij had hout noch brood en in
+den uitersten nood dacht zij aan haar rijken broeder.
+
+"Johannes," sprak zij tot haar zoontje, "begeef u naar oom op de Reye
+en zeg hem hoe diep ongelukkig wij zijn."
+
+Johannes vertrok en bereikte weldra het huis van den wisselaar.
+
+Warm en sierlijk gekleed zat deze met twee vrienden in zijne rijke
+woonkamer, bij het flikkerend haardvuur, doch het schamele knaapje zag
+hij met toornigen blik aan.
+
+"Heer oom," stotterde de kleine, moeder zendt mij tot u, "wij hebben
+brood noch vuur en zijn diep ongelukkig."
+
+"Elk zorge voor zich zelven" luidde het norsche antwoord.
+
+"Moeder is ziek" vervolgde de knaap.
+
+"Maak dat ge wegkomt," antwoordde de wreedaard, die verstoord was, omdat
+de in lompen gehulde knaap hem in tegenwoordigheid zijner rijke vrienden
+"heer oom" had genoemd.
+
+De knaap verliet de woning en keerde naar moeder terug, op het akelige
+zolderkamertje.
+
+Twee dagen lang vroos het zoo geweldig, dat de vogeltjes dood bleven. De
+arme weduwe en haar zoontje leden verschrikkelijk en, op den derden dag
+verspreidde zich eene akelige mare door de stad. Dicht bij den burcht,
+op een zolderkamertje, waren eene weduwe en haar zoontje van koude en
+honger gestorven.
+
+Toen de rijke wisselaar de ontzettende tijding vernam, rilde hij over
+zijn gansch lichaam, hij meende, te sterven van berouw en schaamte, maar
+hij herstelde zich. Hij zou leven, zeer lang leven om zijn wraakroepend
+misdrijf te boeten.
+
+Wroeging verteerde zijn hart en belette hem te slapen. Niet zelden
+doolde hij met gebogen hoofd door de straten der stad en, toen het
+voorjaar aanbrak, verkocht hij zijn huis, borg zijn goud in eene lederen
+tasch en verliet Brugge.
+
+Waarheen? Hij zelf wist het niet; het weder was frisch en de vogels
+zongen, maar Jakob ging verder, altijd verder, tot zijne voeten waren
+doorgeloopen en hij uitgeput, aan den zoom van een mastbosch
+nederstortte.
+
+Toen de dag aanbrak stond hij op, trok door het bosch en bevond zich
+weldra aan den voet van een kruisbeeld, dat, door eene vrome hand, op
+deze eenzame plaats was opgericht.
+
+Jakob zonk op de knieen, doch bidden kon hij niet. Krampachtig vouwde
+hij de handen en, stroomen van tranen vloeiden over zijne heete wangen.
+
+Eensklaps voelde hij eene bevende hand op zijnen schouder, terwijl eene
+zachte stem sprak: "Gij weent, arme vreemdeling, zeg mij, kan ik u soms
+troosten?"
+
+Jakob hief het hoofd op. Een eerbiedwaardige grijsaard, met witten
+baard, in een donker, lang boetkleed, stond voor hem.
+
+"Ik ben diep ongelukkig" snikte de zondaar, maar de grijsaard nam hem
+bij de hand en leidde hem naar eene houten kluis.
+
+"Wie gij ook zijn moogt," welk leed u ook het hart verscheurt, deel het
+mij mede," sprak de kluizenaar, "ik zal u troosten, u opbeuren, u raad
+geven."
+
+Zijne stem was zoo roerend en zacht, zijne woorden waren zoo
+verkwikkend, dat zij den berouwhebbenden misdadiger, als hemeldauw in
+het hart vielen.
+
+Met gebogen hoofd, snikkend, zuchtend, bekende Jakob zijne schuld en,
+toen zijne biecht was geeindigd, bleef de grijsaard geruimen tijd in
+diepe gedachten verzonken. Eindelijk sprak hij, op treurigen, ernstigen
+toon:
+
+"Uwe zelfzucht, uwe verwaandheid hebben uwe arme zuster en haar zoontje
+gedood, voortaan zult gij u geheel en al aan het welzijn van anderen
+wijden."
+
+"Hoe kan ik zulks doen?" vroeg de door smart gefolterde zwerver en de
+grijsaard antwoordde:
+
+"Dagelijks vertrekken uit stad en dorp honderden Christenen naar het
+verre Oosten.
+
+Aan de ongeloovigen hebben zij den oorlog verklaard en zullen niet
+rusten, voor zij de zege behalen.
+
+Volg de kruisvaarders, mijn zoon, onderweg zult gij ze spijzen, laven,
+kleeden, in een woord, helpen waar gij helpen kunt, troosten waar het
+noodig zal zijn."
+
+ * * * * *
+
+Nog verscheidene weken bleef Jakob bij den kluizenaar. Deze had in
+zijne jeugd, de reis naar het Heilige land[23] gemaakt, hij gaf zijnen
+gast allerlei nuttige raadgevingen en zond hem eindelijk naar Brussel,
+bij eenige zijner vrienden, vrome monniken, die zich voorstelden, het
+Christen leger te vergezellen, niet als strijders, maar als verplegers
+van zieken en gewonden.
+
+[Illustration: De Kruistochten.]
+
+Deze brave menschen ontvingen met liefde den boetvaardigen zondaar en
+vol hoop en vertrouwen, voegden zij zich bij de legerscharen, die langs
+den Rijn en den Donau, over Konstantinopel en door Syrie, Jerusalem
+wenschten te bereiken.
+
+Thans begon voor Jakob en zijne nieuwe vrienden een leven van
+opoffering en ontbering.
+
+De tocht duurde maanden en maanden, niet zelden ontbrak het den
+kruisvaarders aan levensmiddelen en aan drinkwater.
+
+Hoe nader zij aan het einddoel hunner reis waren, hoe grooter hun lijden
+werd.
+
+Brandende hitte, besmettelijke ziekten, vermoeienis doodden duizenden
+kruisvaarders. Niet zelden waren de inwoners der streken, die zij
+doortrokken, den reizigers vijandig en, zoodra zij in Azie aanlandden,
+verdubbelden de moeilijkheden.
+
+Dank aan zijn krachtig gestel, bood Jakob weerstand aan ziekte en
+vermoeienis; dag en nacht was hij op de been; de pijlen des vijands
+schrikten hem niet af en de akelige slagvelden betrad hij zonder vrees.
+
+Eindelijk, na een zwaar beleg en eene bloedige bestorming, werd
+Jeruzalem ingenomen. Jakob woonde soms gruwelijke slachtingen bij; maar
+hij nam daaraan geen deel, hij verzorgde de gekwetste strijders en
+begroef de dooden. Na de inneming van Jeruzalem keerden talrijke
+kruisvaarders naar hun vaderland terug, doch Jakob bleef in Palestina om
+zich te volmaken in de heel-en geneeskunde, die er veel meer gevorderd
+waren dan in zijne geboortestreek.
+
+Toen hij, na zeven jaar naar hier terug keerde, vertoefde hij in
+verschillende steden, waar hij, als ziekenverpleger, aan de bevolking
+groote diensten bewees.
+
+[Illustration: Lijder aan melaatschheid.[24]]
+
+De vrome kluizenaar was reeds lang overleden.
+
+
+
+
+30.--De Kruistochten.
+
+
+Alhoewel de wegen slecht en onveilig waren, ondernamen onze voorouders
+niet zelden verre bedevaarten: naar Tours in Frankrijk, naar Rome in
+Italie, naar Jeruzalem in Azie. Maar toen de Turken laatstgenoemde stad
+bezaten, stonden de Christenen er aan mishandelingen bloot. Ook vreesden
+de volkeren van Westelijk Europa, met reden, dat bovengenoemde Turken
+zich weldra van de stad Konstantinopel meester maken en verder ons
+werelddeel zouden bedreigen.
+
+Om dit te beletten ondernamen zij krijgstochten, die men "Kruistochten"
+noemt, want het schijnt, dat zij die er aan deel namen als
+herkenningsteeken een kruis van roode stof op hunnen schouder of hunne
+borst naaiden.
+
+De kruisvaarders waren: edellieden, die alvorens te vertrekken, hunne
+goederen aan kloosters of kerken afstonden, of hun slot, hunne velden,
+hunne wouden verkochten om wapens te koopen en krijgslieden aan te
+werven; ook wel monniken, die naar de eeuwige zaligheid trachtten;
+kooplieden, ambachtslieden, naar vrijheid snakkende lijfeigenen,
+berouwhebbende zondaars.
+
+De held van den eersten kruistocht was Godfried van Bouillon, hertog van
+Lotharingen, een volmaakt ridder, bedreven in alle krijgsverrichtingen,
+gehard tegen vermoeienis, verstandig, welsprekend, kalm, zedig en
+geduldig.
+
+Ten einde deel te kunnen nemen aan den verren tocht, verkocht hij zijn
+slot van Bouillon aan den bisschop van Luik en liet toe, dat de inwoners
+van Metz, wier heer hij was, hunne stad vrij kochten.
+
+Hij geleidde de kruisvaarders door Duitschland, Hongarije en bereikte
+met hen de stad Konstantinopel, waar zich Robrecht, graaf van
+Vlaanderen, Boudewijn van Henegouwen en talrijke edellieden, die over
+zee gekomen waren, bij het Christenleger voegden en naar Azie
+overstaken.
+
+In de geschiedenis van Jakob, den boetvaardigen zondaar, verhaalden wij
+van het lijden en strijden der kruisvaarders in Azie. Wij mogen echter
+niet vergeten er bij te voegen, dat Godfried boven alle andere ridders
+er blijken gaf van wijsheid, moed en beleid. Met algemeene toestemming
+werd hij tot koning van Jeruzalem uitgeroepen, doch hij weigerde "eene
+gouden kroon te dragen, waar Jezus-Christus eene doornen kroon had
+gedragen; hij aanvaardde enkel den titel van Beschermer van het Heilig
+Graf."
+
+Hij voerde het leenstelsel in Palestina in; verdeelde het land in groote
+leenen, die hij aan de voornaamste ridders schonk, en vaardigde werken
+en bevelen uit, die men Assisen of Grondwetten van Jeruzalem noemt.
+
+Het volgend jaar reeds, in 1100, stierf Godfried van Bouillon. Later
+onderscheidde zich Boudewijn, Graaf van Vlaanderen en Henegouwen, in den
+vierden kruistocht.
+
+[Illustration: Kruisvaarder der XIII^e eeuw.]
+
+Men noemt hem, in de geschiedenis, niet zelden Boudewijn van
+Konstantinopel, en ziehier waarom.
+
+In de lente van het jaar 1202 trok hij met talrijke ridders de Alpen
+over en ging scheep te Venetie, maar in plaats van rechtstreeks naar
+Palestina te varen, zeilde hij met de christenvloot naar Konstantinopel.
+
+Deze stad werd ingenomen door de kruisvaarders en Boudewijn tot keizer
+uitgeroepen. Hij onderscheidde zich als krijgsman en stierf in eenen
+oorlog tegen de Bulgaren.
+
+
+
+
+31.--Twee Vluchtelingen.
+
+
+Jan en Klaas waren hoorigen van den heer van Gaver, in Vlaanderen. Zij
+telden nauwelijks zestien jaar en Jan hoedde de zwijnen zijns meesters,
+terwijl Klaas arbeidde aan den heirweg, dien de heer deed leggen van af
+zijn slot, over de heuvels, naar eene naburige heerlijkheid, erfdeel van
+zijne vrouw.
+
+Beide jongelingen leidden een hoogst ellendig leven. Zij waren slecht
+gevoed en gekleed en kenden van heel de mooie, wijde wereld, niets dan
+hunne armoedige hut en het slot van hunnen heer.
+
+"Willen wij vluchten" sprak op zekeren lentenmorgen Klaas tot zijnen
+vriend, en op zijn bevestigend antwoord, verlieten zij hunne
+geboorteplaats en gingen door bosch en brem tot aan den oever der
+Schelde, langswaar zij de naburige stad Gent hoopten te bereiken. "In
+steden" zei Klaas, "zijn de menschen gelukkiger, vrijer, en hangen er
+niet af van de willekeur van een gestrengen heer."
+
+"Laten wij verder gaan, altijd verder," antwoordde Jan en stapte moedig
+voort aan de zijde van zijnen vriend.
+
+Een schip, geladen met Doorniksche steenen voer langzaam op het water
+voorbij; twee mannen hadden moeite om het voort te trekken.
+
+"Schipper, mogen wij helpen" vroeg Jan en toen hij een bevestigend
+antwoord ontving, lieten de knapen zich in het gareel spannen en trokken
+er duchtig op los.
+
+Na een paar uren liet de schipper hun brood, kaas en bier voorzetten,
+waarna zij weder lustig den arbeid hernamen.
+
+Te Gent was er veel drukte; schepen werden geladen en ontladen,
+koopwaren gekocht en verkocht.
+
+Op de marktplaatsen durfden de jongens zich niet wagen, omdat zij
+vreesden herkend te worden, maar, van den schipper vernomen hebbende,
+dat hij naar Brugge moest, vroegen zij tot in deze stad in zijnen dienst
+te mogen blijven.
+
+Hij stemde er in toe, maar weldra moesten de knapen hunnen weldoener
+verlaten, want van Brugge voer hij terug naar Gent en vandaar voorbij
+Gaver en Oudenaarde naar Doornik om eene nieuwe lading.
+
+Onderweg echter had de brave schipper de twee vluchtelingen leeren
+waardeeren. Zij hadden hem hun droevig lot kenbaar gemaakt en door zijne
+voorspraak, vonden zij te Brugge werk bij reizende kooplieden, die zich
+maar de jaarmarkt van Thorhout begaven.
+
+Die jaarmarkt was toen de voornaamste van het land; op de wegen, die er
+henen leidden, ontmoette men rijtuigen en reizigers uit verschillende
+streken, alsook zware wagens, door zes paarden getrokken en beladen met
+laken, leder, wapens, koperen en tinnen vaatwerk, wijn, bier en wat al
+meer.
+
+De jaarmarkt te Thorhout duurde verscheidene weken; zij werd niet alleen
+door Vlamingen bezocht, maar ook door Walen, Franschen, Duitschers,
+Italianen. Honderden koopers verdrongen zich tusschen de tenten;
+potsenmakers en kermisvolk vertoonden er allerlei kunsten en grappen,
+bedelaars riepen de weldadigheid in der aanwezigen.
+
+Aangenaam en helaas, al te spoedig vlogen dagen en weken voorbij ... de
+kooplieden verlieten de stad en Klaas en Jan bevonden zich weldra zonder
+werk of brood, verlaten, alleen op de wereld.
+
+Hoeveel moeite zij zich ook gaven, te Thorhout vonden zij geene
+bezigheid. Zij verlieten de stad, doolden over heiden en in
+sparrebosschen, bedelden van dorp tot dorp.
+
+Nu eens hoedden zij de kudden van eenen schapenfokker, dan hielpen zij
+de landbouwers bij het maaien en oogsten.
+
+De arme jongens sliepen op stroo in de schuren, brachten ettelijke
+nachten onder den blooten hemel door en ... de zomer snelde voorbij.
+
+November bracht wind en koude regenvlagen over het land en in December
+vroos het zoo erg, dat rivieren en waterplassen met eene dikke ijskorst
+bedekt werden.
+
+ * * * * *
+
+Al bedelend bereikten Jan en Klaas de stad Yperen. In dien tijd was
+deze alom vermaard om haren rijkdom, haren handel en de vlijt harer
+inwoners.
+
+"Hier komen wij aan het einde van al ons lijden" sprak Klaas en trok met
+zijn jongen vriend moedig en opgeruimd een der stadspoorten van Yperen
+binnen.
+
+Wel was zij de bloeiende stad, die de arme jongelingen zich hadden
+voorgespiegeld; in hare voorsteden, in ontelbare nauwe straten,
+arbeidden honderden wevers, volders, ververs. Overal klapperden de
+weefgetouwen, op de uitgestrekte marktplaats verdrongen zich koopers en
+verkoopers, in de weidsche hallen lagen de koopwaren tot bergen
+opgestapeld.
+
+Maar Jan en Klaas vonden niet wat zij zochten. Overal werden de arme
+jongens, met hunne vermagerde trekken, hunne havelooze kleederen, zonder
+genade afgewezen.
+
+Op zekeren kouden namiddag hadden zij in de prachtige S^t-Maartenskerk
+gebeden, gerust en geweend.
+
+Maar de avond viel, de kerk moest gesloten worden en, zonder
+schuilplaats voor den nacht, doolden de twee vrienden door de straten.
+
+Tegen middernacht verborgen zij zich in het somberste hoekje van het
+groote kerkportaal.
+
+Spookachtig vielen de koude stralen der maan op de spitse gevels der
+houten huizen, die in dien tijd nog algemeen met stroo waren gedekt.
+Slapen konden Klaas noch Jan; de steenen waren zoo koud en de wind blies
+zoo akelig.
+
+Beide jongelingen vouwden de handen tot een laatste gebed en hieven de
+doffe oogen ten hemel ... maar, wat was dat? Eene vlam kronkelde zich
+aan den gevel der houten huizen, een schrikwekkende gloed verhelderde
+den duisteren nacht.
+
+"Brand! brand!" gilden Klaas en Jan, terwijl zij naar de bedreigde
+woningen snelden, er aanklopten en de bewoners uit hunne nachtrust
+wekten.
+
+Weldra was elkeen op de been, ladders werden aangebracht, ontelbare
+emmers water op de vlam gegoten, maar ... deze vermeerderde, werd een
+vuurgloed, die dreigend, machtig, zich verder uitstrekte.
+
+Akelig kermden vrouwen en kinders; in sombere wanhoop trachtten de
+mannen hun goed, hunne kostbaarheden, hunne kleederen te redden.
+
+De brandklok klepte, hulpbiedende poorters kwamen toegesneld.... "Wie
+redt Liesbeth, mijn kleindochtertje!" kreet als uitzinnig van smart, een
+grijsaard, zeer rijk koopman, wiens huis door de vlammen was aangestast.
+
+Niemand antwoordde, terwijl steeds luider en luider, de klachten van den
+grootvader weerklonken.
+
+Twee edele harten echter voelden medelijden met den armen man: "Jan,
+willen wij het wagen," fluisterde Klaas zijnen vriend toe en: "Tot den
+dood volg ik u" luidde het korte doch zielroerende antwoord van den
+armen hoorige.
+
+Een ijzeren ladder werd aangebracht en tegen den gevel van het huis
+geplaatst.
+
+Klaas beklom die het eerst, en vlug als eene boschkat, volgde hem zijn
+vriend.
+
+Beiden verdwenen in het brandend huis.
+
+Een ... twee ... drie ... vier stonden, als uren zoo lang, gingen
+voorbij en beneden in de straat, jammerde een bevende grijsaard, woelde
+eene anstige volksmenigte.
+
+Goddank! daar verscheen de wakkere Klaas, de kleine Liesbeth in de
+armen. Jan volgde hem, een ijzeren kistje op den rug, dat vergeten was
+en waarschijnlijk goud of kostbaarheden bevatte.
+
+Beiden daalden de ijzeren ladder af; de menigte verdrong zich om de
+moedige knapen, de beangste vader zegende hen als de redders van zijn
+kleinkind.
+
+De koopman nam intrek bij zijne zuster, die aan de andere zijde der stad
+woonde.
+
+Hij verzocht Klaas en Jan hem daarheen te volgen, want hij wilde zijne
+belofte houden en de redders van zijn kleindochtertje rijkelijk
+beloonen,
+
+"Wie zijt gij? Van waar komt gij en wat kan ik voor u doen?" sprak hij
+tot de knapen.
+
+Zij bogen het hoofd en zuchtten.
+
+"Spreekt vrienden," vervolgde de koopman, "hebt vertrouwen in mij, want
+ik verlang niets dan uw welzijn."
+
+Nu vertelde Jan, die de tranen in de oogen kreeg, wat er met zijn vriend
+en hem het laatste jaar was gebeurd; hij sprak van hunnen zucht naar
+arbeid en vrijheid, van hunne vlucht, van den schipper, van Thorhout,
+van den langen, bangen zwerftocht door stad en dorp, over heide en
+bosch.
+
+De rijke koopman weende. "Gij blijft bij mij, sprak hij, ik zal voor u
+zorgen."
+
+Intusschen had hij het zeer druk; zijn huis moest hij doen opbouwen en
+zijne uitgebreide zaken nazien.
+
+Klaas en Jan bleven in zijnen dienst; de eerste hielp de metselaars,
+want het afgebrande, houten huis werd door een steenen woning vervangen;
+de tweede deed boodschappen voor den koopman, die handel in laken dreef
+en aan talrijke wevers der stad arbeid verschafte.
+
+Twee jaar later, toen de ramp volledig was hersteld, riep de dankbare
+heer de jongelingen tot zich en vroeg hun, welke plannen zij voor de
+toekomst vormden.
+
+Klaas wenschte metselaar, Jan wolwever te worden.
+
+De koopman keurde dit besluit goed en deed Klaas bij eenen metselaar,
+Jan bij eenen wolwever in de leer.
+
+Zijn edel werk werd met goeden uitslag bekroond. De jongelingen
+onderscheidden zich door ijver en werkzaamheid en de brave man had het
+geluk zijne beschermelingen waardige poorters der stad Yperen te zien
+worden.
+
+
+
+
+32.--Koophandel en Nijverheid.
+
+
+Wie heeft bij het lezen van het voorgaande verhaal niet gezeid, dat het
+lot der arme hoorigen niet zelden beklagenswaardig was?
+
+Evenals Jan en Klaas verlieten vele dezer lieden het platte land om
+elders een waardiger en rustiger bestaan te zoeken.
+
+De eerste mensch, die aan onze jonge vrienden de behulpzame hand
+reikte, was een schipper; want reeds in de X^{de} en XI^{de} eeuw werden
+de waterwegen in ons land druk bevaren; hout, schors, steenen, graan,
+wol, vlas, wijn, vervoerde men op de Yperlee, den Yzer, de Lei, de
+Schelde, de Durme, de Dijle, de Maas en den Rijn; plaatsen, die aan den
+oever van eene rivier, aan eenen inham van het water, aan de
+samenvloeiing van twee bevaarbare rivieren gelegen waren, trokken de
+bevolking tot zich.
+
+[Illustration: Schip der XII^e eeuw.]
+
+Aldus zien wij, dat onze vrienden het dorp Gaver vluchtten, Gent en
+Brugge bezochten.
+
+Vroeger leerden wij, dat deze twee plaatsen reeds in de X^{de} en
+XI^{de} eeuw zeer belangrijk waren, doch hoewel er reeds talrijke
+handelaars en ambachtslieden woonden, trof men er als in de steden van
+onzen tijd geene schitterende winkels, groote magazijnen of fabrieken
+aan; de ambachtslieden werkten tehuis en de voortbrengselen van hunnen
+arbeid werden niet zelden ter markt verkocht.
+
+Geruimen tijd was de voornaamste jaarmarkt van ons land, die van
+Thorhout, waar Klaas en Jan eenige weken doorbrachten.
+
+De kooplieden, allen goed gewapend, reisden in troepen of karavanen,
+want de wegen waren onveilig, struikroovers talrijk en sommige
+edellieden schaamden zich niet de karavanen aan te randen, ze tol te
+doen betalen, aan de reizigers goud, juweelen, paarlen te ontstelen en
+de kooplieden of hunne dienaars te dooden.
+
+[Illustration: Wagen der XIII^e eeuw.]
+
+De graven van Vlaanderen, de bisschoppen van Luik trachtten die
+misbruiken uit te roeien; roovers, al waren het ook edellieden werden
+gevangen genomen en--naar de gebruiken van dien tijd,--met den dood
+gestraft.
+
+Nu werd ons land rustig, de wegen werden veilig en de handel bloeide.
+
+Fransche en Duitsche wijnen werden hier aangebracht, verkocht of naar
+Engeland verzonden, en hetzelfde gebeurde met de specerijen der
+Italiaansche kooplieden.
+
+Keeren wij echter tot ons verhaal terug. Van Thorhout begaven zich onze
+twee vrienden naar Yperen.
+
+In 1073 telde deze stad reeds twee groote kerken en duizenden inwoners.
+Evenals te Brugge en te Gent was de lakenhandel er zeer belangrijk.
+
+De beschermer van Jan en Klaas was koopman in laken en de man was zoo
+rijk dat, toen zijn houten huis was afgebrand, hij zich eene steenen
+woning kon doen bouwen, hetgeen in dien tijd zeker geene kleinigheid
+was.
+
+In die lang vervlogen eeuwen was het uitoefenen der ambachten niet vrij.
+
+Zoo bij voorbeeld moest men om leder te mogen maken noodzakelijk tot de
+nering der huidevetters behooren; de leden van het ambacht der smeden
+alleen mochten ijzer bewerken en, om het truweel te hanteeren, moest men
+tot de metselaarsnering behooren. Om in een ambacht opgenomen te worden
+als gezel moest men 21 jaar oud zijn, den katholieken godsdienst
+belijden en gedurende verscheidene jaren bij eenen baas of meester
+gewerkt hebben. Om baas of meester te worden moest men alweer gedurende
+lange jaren arbeiden en een meesterstuk vervaardigen.
+
+De werkuren waren voor elk ambacht bepaald, niemand mocht tegen
+verminderden prijs of buiten den gestelden tijd arbeiden.
+
+Gemeenlijk bewoonden de ambachtslieden, die een zelfde bedrijf
+uitoefenden, dezelfde straat of wijk der stad, vandaar de namen van
+Ketelvest, Huidevettershoek, Kalanderstraat, enz.
+
+De koopwaren werden eerst door overheden gekeurd, deze stelden er den
+prijs van vast, daarna werden zij uitgestald op de openbare markten of
+in groote gebouwen, _Hallen_ geheeten. De hallen van Yperen vormen een
+der schoonste gebouwen van ons land.
+
+Elke koopman had daar zijne afgepaste en genummerde plaats, waar zijn
+toog of kraam stond, maar het was streng verboden de koopers te roepen,
+en vooral hen te bedriegen.
+
+In vele steden: Yperen, Gent, Brugge was de nering der lakenhandelaars,
+zooniet de voornaamste, dan toch een der voornaamste.
+
+Vlaamsch laken was zoo degelijk en schoon, dat men het overal in Europa,
+zelfs tot in Azie verkocht.
+
+
+
+
+33.--Eene Klokkenvertelling.
+
+
+Op zekeren avond, vergastte ons grootmoeder op de volgende vertelling:
+
+"Elk jaar, op Witten Donderdag, zegt men, verlaten de klokken der torens
+hunne hooge verblijfplaatsen, om naar Rome te vliegen en er den zegen
+van den Paus te ontvangen. Op den avond voor Paschen keeren zij naar
+huis terug, onderweg gekleurde eieren strooiende als geschenk aan de
+brave kinderen van hun vaderland.
+
+Op zekeren Goeden Vrijdag van het jaar 1250 reisden hoog, zeer hoog in
+de lucht, drie klokken naast elkander.
+
+"Ik behoor tot eene abdij, sprak de oudste en bewoon het zonnige Zuiden;
+sedert honderd jaar roep ik de vrome abten tot het gebed of tot den
+arbeid.
+
+Op feestdagen laat ik mijne stem helder en frisch door de lucht
+weergalmen, en van tijd tot tijd melden mijne trage, treurige klanken
+aan de menschen, dat een hunner broeders het tijdelijke met het eeuwige
+heeft verwisseld."
+
+"En ik, sprak de tweede klok, kom uit een trotschen, dreigenden burcht,
+die zich op eene hooge rots, aan den linkeroever van den Rijn verheft.
+Mijn heer en meester is een krijgsman, een hertog, wien honderden
+hoorigen gehoorzamen. Hij erfde den toren, mijne verblijfplaats, en den
+burcht, die er zich onder bevindt, van zijne voorouders, die, evenals
+hij, roemrijke krijgslieden waren.
+
+Zijn overgrootvader ontving van den keizer brieven van adeldom; mijn
+meester erfde die en bewaart ze in den toren, daarbij bezit hij een
+zegel, een blazoen en eene kostbare wapenrusting.
+
+Woeste aanvallen van wreede krijgslieden heb ik in mijn slot beleefd,
+roemrijke steekspelen heb ik er bijgewoond."
+
+"En gij" sprak de klok tot de derde reisgenoote, die, ofschoon veel
+grooter dan de twee andere nog steeds een bescheiden stilzwijgen had
+bewaard "vanwaar komt gij en hoe is uw naam?"
+
+En donderend, zoodat berg en dal er van dreunden, klonk het eensklaps
+uit den bronzen mond der reizende klok:
+
+"Roelandt, Roelandt, als ick kleppe, dan ist brandt.
+Als ick luy, dan ist storm in Vlaenderlandt."[25]
+
+Verschrikt stoven de twee klokken op zijde, maar de aangesprokene
+vervolgde:
+
+"Vreest niet, vriendinnen, want alhoewel heden groot en machtig, ben ik
+van nederigen oorsprong. Ik werd niet in het leven geroepen door een
+machtigen hertog, maar door noeste werkers, ambachtslieden, die mij
+liefhebben als het licht hunner oogen.
+
+Als woonplaats bouwden zij mij tusschen hunne houten en steenen
+woningen, een hoogen, slanken toren, versierd met een koperen,
+glinsterenden draak, zinnebeeld der vrijheid. Dien toren noemen wij het
+Belfort."
+
+"Bij ons, aan den voet van den burcht, ondernemen de hoorigen niets
+zonder de toestemming van hunnen heer" sprak de klok uit de Rijnlanden.
+
+"Wij zijn niet meer aan den grond verbonden, wij mogen naar goeddunken
+koopen en verkoopen, reizen en handel drijven, goederen bezitten, er
+vrij over beschikken en een anders goed erven.
+
+In stede van cijnsbaar te wezen naar willekeur des heeren, betalen wij
+eerst dan buitengewone belastingen en schattingen als wij er vrijelijk
+in toegestemd hebben.
+
+Wij benoemen zelven onze meesters."--"Staat dat alles wel geschreven,"
+onderbrak de klok uit den burcht, op ongeloovigen toon?
+
+"Zonder twijfel, hernam de fiere Roelandt, en dat nog wel op
+perkamenten, die wij bewaren in ijzeren koffers met verscheidene sloten,
+in de geheimkamer van het Belfort. Die perkamenten noemen wij keuren,
+handvesten, charters, voorrechten. Wij ontvingen of kochten die van
+onzen vorst, die gezworen heeft, ze te zullen eerbiedigen."
+
+"Zijt gij rijk," sprak de klok der abdij?
+
+"Voorzeker, antwoordde Roelandt, en wij hebben eene kas, waarin wij onze
+penningen bewaren, een zegel, eene banier. Onze rijkdommen echter hebben
+wij niet bekomen door deelname aan roemrijke veldtochten, maar door
+arbeid, vlijt en volharding."
+
+"Dat alles is heel schoon en goed, antwoordde de klok uit de Rijnlanden,
+maar, indien gij enkel voor arbeid leeft, wat doet gij dan, als gij met
+uwen heer in onmin geraakt, als vijanden u aanranden, als gewapende
+benden uwe schatten, uwe woningen, uwe vrouwen en kinderen bedreigen?"
+
+"Stel u gerust, wij vormen onder elkander, broederschappen of gilden,
+wier leden zich oefenen in het hanteeren van hand-, kruis-, voetboog en
+andere wapenen.
+
+Zoodra ons eenig gevaar bedreigt, luid en roep ik uit al mijne macht; de
+poorters verlaten hunne bezigheden, loopen te wapen, scharen zich rondom
+onze banier en verweeren zich dapper tegen den vijand."
+
+"Is uwe verblijfplaats, evenals de burcht van mijnen heer, door muren,
+poorten, torens of diepe grachten omgeven?"
+
+"Dat is zij, sprak de machtige Roelandt, maar, hoe stevig die muren, hoe
+zwaar die poorten, hoe hoog die torens ook zijn, ik beheersch ze alle en
+de landlieden, die uren ver, in den omtrek op den harden grond zwoegen,
+begroeten het Belfort als het zinnebeeld der vrijheid."
+
+"Bezit gij ten uwent ook bedehuizen en zijt gij den Godsdienst
+verkleefd?" vroeg de klok der abdij, die zich tot hiertoe heel weinig in
+het gesprek had gemengd.
+
+"Wij bezitten heerlijke kerken, antwoordde Roelandt, schier alle zijn
+juweelen van kunst en goeden smaak; daarbij heeft elke onzer neringen,
+haren patroon, hare kapel, haren bijzonderen feest-of heiligdag. Zie,
+vriendin, ik wenschte wel dat gij ten onzent een godsdienstigen ommegang
+kondet bijwonen. Al onze neringen, en wij tellen er meer dan vijftig,
+onze gilden met vlaggen, wimpels, banieren, nemen er deel aan, en zich
+tot de klok uit de Rijnlanden wendend, vervolgde zij:
+
+"Ook de graven van Vlaanderen vereeren wij op dergelijke wijze."
+
+"Als zij van een roemrijken veldtocht wederkeeren" vroeg de klok?
+
+"Neen, neen, als zij hunne intrede doen in hunne goede stad, als wij hun
+de sleutels der poorten aanbieden, als edellieden, poorters,
+ambachtslieden hun te gemoet gaan en...."
+
+"Gij eerbiedig en gedwee voor uwen wettigen vorst nederbuigt?" vroeg de
+klok der abdij.
+
+"Neen, dat niet, vervolgde Roelandt, als wij den plechtigen eed
+aanhooren, die onze heer bij dergelijke gelegenheden zweert:
+
+Onze duurgekochte vrijheden te handhaven en te eerbiedigen."
+
+"Dat moet schoon en plechtig wezen, zuchtte de klok der Rijnlanden. Het
+spijt mij, vriendin, zulk een feest niet te kunnen bijwonen; maar ik zal
+in mijn vaderland verkonden, fiere Roelandt, wat gij mij hebt
+medegedeeld; alle volkeren hebben er belang bij te weten, wat het vrije
+Vlaanderen tot stand heeft gebracht."
+
+De klokken namen afscheid van elkander. Roelandt vloog naar hare
+geboorteplaats en ter gelegenheid van het Paaschfeest, als duizenden
+poorters in feestgewaad, zich aan den voet van het Belfort in de
+schilderachtige straten verdrongen, als, in de prachtige bedehuizen in
+gouden vaten, de wierook walmde en dankgebeden ten hemel stegen, zong
+zij hoog in den machtigen toren:
+
+"Roelandt, Roelandt, als ick kleppe, dan ist brandt.
+"Als ick luy, dan ist storm in Vlaenderlandt!"
+
+
+
+
+34.--De Gemeenten.
+
+
+Roelandt, de groote, machtige klok werd gegoten in het begin der
+XIV^{de} eeuw en eenige jaren later gehangen in het Belfort van Gent.
+
+Met rechtmatige fierheid mocht zij zeggen, dat zij, uit hare hooge
+verblijfplaats, op eene schoone en bloeiende landstreek, op eene
+werkzame en vrijheidslievende bevolking nederzag, want, in de XIII^{de}
+en XIV^{de} eeuw hadden onze voorouders, door groote vlijt, inspanning
+en taai geduld, het vroeger zoo barre Vlaanderen tot den tuin van Belgie
+gemaakt, woeste heiden, droge zandvlakten, kille moerassen hadden zij in
+weiden en velden herschapen, ontelbare kanalen gegraven en dijken
+aangelegd, terwijl zij, in hunne dichtbewoonde steden, leder, wol,
+hennep, vlas, hout, koper, ijzer, steen bewerkten.
+
+In dien tijd was Gent reeds geklommen tot den rang van gemeente, en,
+onze lezers, die de klokkenvertelling met eenige aandacht lazen, zullen
+spoedig vinden waarom.
+
+Ten einde hunne nasporingen gemakkelijk en het onthouden ervan mogelijk
+te maken, zullen wij het vroeger geleerde aldus samenvatten:
+
+De steden hadden het recht zelven hare zaken te besturen, zij kozen hare
+stedelijke magistraten, onderhielden een leger. Elke stad was ommuurd,
+bezat een belfort, eene groote klok, en had net als de edellieden een
+blazoen en een zegel.
+
+Jegens den heer had de stad zekere verplichtingen; zij moest hem
+behulpzaam zijn bij de verdediging van den grond, bij het uitoefenen van
+het gerecht en hem in sommige gevallen met geld bijstaan.
+
+De steden die dergelijke voorrechten verkregen, noemde men gemeenten.
+
+De poorters bezaten: 1 deg. de persoonlijke vrijheid, 2 deg. staatkundige
+rechten en 3 deg. roemrijke zinnebeelden hunner onafhankelijkheid.
+
+In de Middeleeuwen waren in ons land talrijke gemeenten en sommige waren
+zeer oud, doch vele perkamenten, keuren, voorrechten zijn in den loop
+der eeuwen verloren gegaan.
+
+Met zekerheid echter weet men, dat Boudewijn VI, graaf van Henegouwen en
+Vlaanderen, reeds in 1068 aan de gemeente Geeraardsbergen eene vermaarde
+keure gaf, die verklaarde dat, al wie zich in de stad vestigde, geen
+hoorige, maar vrije zou wezen. Zij verleende daarenboven aan de
+inwoners nog talrijke andere voorrechten.
+
+Waren de groote leenheeren wellicht vrienden en beschermers der
+gemeenten?
+
+Eenigen verdienden wel dien naam, daarom ook schrijven wij hem hier
+dankbaar neer.
+
+Filips van Elzaten, graaf van Vlaanderen, breidde de voorrechten uit,
+die Gent, Brugge, Veurne, Oudenaarde reeds bezaten en gaf nieuwe keuren
+aan Damme, Aalst, Duinkerken. Meest al deze keuren zijn in het Dietsch
+of Nederlandsen opgesteld. Filips begunstigde den handel, liet
+verscheidene vaarten graven en bekwam van Duitschlands keizer, talrijke
+voorrechten voor de Vlaamsche kooplieden, die op den Rijn, handel
+dreven.
+
+Boudewijn van Konstantinopel, dezelfde, die zich in de kruistochten
+onderscheidde, schonk talrijke voorrechten aan de gemeenten en zijne
+dochters Johanna en Margaretha volgden het voorbeeld van haren vader.
+
+Ook in Luik en Brabant leefden vorsten, die de ontwikkeling der
+gemeenten bevorderden.
+
+In verdere verhalen zullen wij ze leeren kennen, want eerst moeten wij,
+naar aanleiding van de _Klokkenvertelling_, nog eenige opmerkingen
+maken.
+
+De machtige Roelandt zeide niet zonder reden, dat de landlieden uren ver
+in den omtrek, met liefde het hooge Belfort begroetten.
+
+Hoe rijker de steden werden, hoe hooger het cijfer der bevolking klom,
+hoe grooter ook hunne behoeften waren en hoe bloeiender de veeteelt en
+de landbouw moesten worden.
+
+[Illustration: Gentsche Poorter (Steenen beeld).]
+
+Ten einde de bevolking van het platte land te beletten zich meer en meer
+naar de steden te begeven, waren de heeren verplicht aan hunne hoorigen
+vrijheden te schenken, zoodat het leven der landlieden aanmerkelijk
+beterde en de meeste dorpen werden ontvoogd.
+
+De gemeentevrijheden van ons land werden in den vreemde hooggeschat; de
+wetten en gebruiken van eenige onzer steden werden "voorbeelden" voor de
+Fransche steden, terwijl de invloed der Vlaamsche en Brabantsche
+gemeenten zich in Zeeland en Holland gelden deed.
+
+
+
+
+35.--Kapitein Lorenzo en zijne reis naar Brugge.
+
+
+Op een morgen der maand April verliet een groot koopvaardijschip de
+haven van Venetie in Italie.
+
+De saamgestroomde menigte zond het als afscheidsgroet een aanmoedigend
+"addio"[26] achterna en het scheepsvolk beantwoordde dien groet, zoo
+lang en zoo ver het maar kon.
+
+De zuiderzon goot hare milde stralen over de kabbelende golfjes der
+blauwe zee, witte meeuwen scheerden de oppervlakte van het heldere water
+en langzaam, zeer langzaam voer eene kleine gondel uit de haven naar de
+stad terug.
+
+In die gondel zaten eene oude dame en een jong meisje, wier rijke
+kleederdracht genoegzaam aanduidde, dat zij tot eene voorname familie
+behoorden.
+
+De oude dame hield het hoofd gebogen en wischte van tijd tot tijd met
+een kanten doek de tranen af, die langzaam over hare wangen vloeiden.
+
+Ook de jonge dame scheen geweend te hebben, doch zij deed zich geweld
+aan om hare tranen te bedwingen en sprak met zoete, streelende stem:
+
+"Troost u, lieve moeder, onze Lorenzo volbracht reeds zoovele reizen op
+zee! Telkenmale keerde hij ongehinderd tot zijne moeder en zuster
+terug."
+
+"Tot hiertoe voer Lorenzo enkel op de Middellandsche zee, heden
+onderneemt hij eene reis naar het verre Noorden, die reis schrikt mij
+af, Lenora, zij zal lang duren, want in de afgelegen streken, die Lorenzo
+bezoeken zal, is de winter streng en mistig, hevige orkanen woeden er op
+den Oceaan, zij beletten de schepen naar huis terug te keeren en ik ben
+oud en ziekelijk, wie weet of ik Lorenzo nog zal wederzien."
+
+Lorenzo was de kapitein van het groote koopvaardijschip, dat zoo juist
+Venetie had verlaten om de havens der Noord-en Oostzee te bezoeken;
+Lenora was zijne zuster, Dona Maria zijne moeder.
+
+"De tijd vliegt zoo spoedig voorbij, troostte Lenora, alle dagen moeder,
+zullen wij bidden voor den afwezige, heel dikwerf zullen wij ter kerke
+gaan, aalmoezen uitreiken aan de arme lieden, zieken bezoeken,
+bedroefden vertroosten en intusschen met moed en betrouwen, Lorenzo's
+terugkomst verbeiden."
+
+Dona Maria schudde het hoofd, veegde nogmaals hare tranen af en, daar
+beide dames hare woning genaderd waren, stapten zij aan wal.
+
+Helaas ... dagen, weken, maanden vervlogen en het groote Venetiaansche
+schip, met den jongen, moedigen kapitein Lorenzo keerde niet weder.
+
+Elken dag, 's morgens, 's avonds begaven Dona Maria en hare dochter zich
+naar de haven, hopende op de terugkomst van haren lieveling, doch zij
+vernamen enkel onrustwekkende tijdingen.
+
+Bruingebrande zeelieden verhaalden van hevige stormen, die de kusten van
+Spanje, van Frankrijk, van Vlaanderen teisterden, van Italiaansche
+schepen, die door de golven verzwolgen of door stranddieven waren
+geplunderd, maar van kapitein Lorenzo, van het groote Venetiaansche
+schip wisten zij niets ... niets.
+
+Het nieuwe jaar brak aan, de lentebloemen ontloken en verwelkten, de
+zomer kwam in het land en moeder en dochter verloren hare laatste hoop,
+toen, op zekeren namiddag der maand Augustus eene blijde mare zich door
+de stad verspreidde; het langvermiste schip was de haven binnengeloopen,
+kapitein Lorenzo en zijne manschappen waren in leven, weldra zouden zij
+aan wal stappen en vrienden en magen begroeten.
+
+Dona Maria en Lenora weenden van ontroering, en, o zalige stond!
+Lorenzo, de langverbeide zoon, de teergeliefde broeder zag zijne moeder
+en zuster terug.
+
+Angst en lijden werden vergeten om plaats te maken voor de vreugde van
+het blijde wederzien.
+
+Lorenzo wist zooveel te vertellen over de reis, die zoo lang geduurd en
+zoo vol afwisseling was geweest.
+
+Drie weken lang waren wind en weder het groote koopvaardijschip gunstig
+geweest, maar, na dien tijd werd het, in de wateren van de golf van
+Gasconje en in die van het Kanaal herhaaldelijk door hevige stormen
+overvallen, zoodat het averij leed, herstellingen noodig had
+eer het de eigenlijke plaats zijner bestemming, de groote handelsstad
+Brugge bereikte.
+
+Hier had het schip zijne lading afgezet, maar, daar het schoone
+jaargetijde voorbij was, moesten kapitein Lorenzo en de bemanning te
+Brugge overwinteren, om zich eerst in de lente weer op zee te begeven.
+
+Op zijne reis had kapitein Lorenzo vele wonderlijke zaken ontmoet,
+volkrijke steden, heerlijke gebouwen, schilderachtige kleederdrachten
+aanschouwd, het liefst echter sprak hij over Brugge, de rijke fiere
+stad, die hij als de meeste zijner landgenooten, het Venetie van het
+Noorden noemde.
+
+
+
+
+36.--Brugge.
+
+
+Brugge, zeide Lorenzo, had heerlijke straten met fraaie gebouwen en
+schilderachtige huizen, waarvan vele op het water zagen. Die stad telde
+prachtige bedehuizen, fiere torenspitsen en duizenden inwoners.
+
+Zij was door een kanaal verbonden met de naburige stad Damme, die, door
+eene golf met de Noordzee in verbinding stond.
+
+Brugge, dat ongeveer halverwege tusschen de straat van Gibraltar en de
+Baltische zee gelegen was, ontving koopwaren uit Brittanje, Noorwegen,
+Denemarken, Zweden, Rusland, Hongarije, Duitschland, Frankrijk, Spanje,
+Portugal, Italie, Konstantinopel Jeruzalem, Egypte.
+
+Het Noorden zond er hout, leder, pelterijen, gedroogde visch;
+Brittanje, wol, lood, tin; het Oosten, goud en zilver; Duitschland,
+graan, ijzer, wijn; Frankrijk, wijn en zout; de Zuiderlanden, gedroogde
+vruchten, zijde, kwikzilver; Afrika en Azie, suiker, peper, en andere
+specerijen, artsenijplanten, rijst, katoen, aluin; Italie bracht er
+zijden en fluweelen stoffen, juweelen, schoone wapens.
+
+[Illustration: Hanzeschip der XIV^e eeuw.]
+
+Te Brugge zeilden honderden schepen de haven binnen. In die stad werden
+de eerste verzekeringsmaatschappijen opgericht; de naam "beurs" is te
+Brugge ontstaan.
+
+De hanze[27] van Londen werd door Bruggenaars gesticht en door
+Bruggenaars bestuurd. Wisselbrieven waren al vroeg te Brugge bekend.
+
+De burgemeester der stad was eene aanzienlijke persoonlijkheid, die met
+vorsten briefwisseling hield.
+
+De overheid deinsde voor geene opoffering terug om den bloei der stad te
+bevestigen.
+
+Brugge bezat eene groote loskraan, consulaten, geplaveide straten,
+riolen, eene heerlijke waterleiding, badplaatsen of stoven; er woonden
+ook verscheidene geneesheeren.
+
+De haven en het kanaal van Damme waren goed onderhouden; de groote sluis
+dezer laatste stad was een bewonderenswaardig werk, evenals de
+overwelving der Reye, die in een dok veranderd was.
+
+Alle wijken der stad waren voorzien van drinkwater, dat in rood koperen
+buizen vloeide; er bestonden openbare pompen en fonteinen.
+
+De Brugsche ambachtslieden en kunstenaars vervaardigden allerlei nuttige
+en mooie voorwerpen en om zijne woorden door bewijzen te staven, liet
+kapitein Lorenzo door een bediende de geschenken brengen, die hij uit
+Brugge voor zijne dierbaren had medegebracht.
+
+Voor zijne zuster fraaie juweelen en een heerlijk geborduurd kleed; voor
+zijne moeder een schoon gebedenboek versierd met mooie penteekeningen en
+voorzien van een kunstig bewerkt slot in gedreven zilver.
+
+Dona Maria en Lenora konden hare oogen niet gelooven; overgelukkig
+dankten zij den jongen kapitein en luisterden nog uren lang naar de
+heerlijke beschrijving van Brugge, de wereldstad der XIII^{de} en
+XIV^{de} eeuw.
+
+
+
+
+37.--Een Dichter.
+
+
+Het was nacht. Bij een smokend lampje, in een kleine woning van het
+stadje Damme, zat, in diepe gepeinzen verzonken, een man, die, bij den
+eersten aanblik, in de volle kracht des levens scheen te zijn.
+
+Voor hem, op eene schrijftafel, lag eene rol perkament, waarop hij, van
+tijd tot tijd, eenige regels neerschreef.
+
+Daarna legde hij de pen neder, liet het hoofd op de vlakke hand zakken
+en sprak tot zich zelven:
+
+"Arme Jakob, uw werk vordert niet, uwe denkbeelden zijn verward, uw
+stijl is gedwongen ... waarom dag en nacht arbeiden, uwe rust, uwen
+zielevrede aan de dichtkunst opofferen? Geniet de genoegens van het
+leven, vermaak u bij spel en dans, verlustig u in de lieve natuur, in
+stede van, arme droomer, uwen geest af te matten en uw gansche leven aan
+de studie te wijden."
+
+Een traan rolde over de wangen des dichters; hij las nog eens de verzen
+over, die hij daareven neerschreef, greep het perkament met beide handen
+en gooide het, als wanhopig, in een hoek der kamer.
+
+Toen werd het zoo stil, zoo stil, dat men het zachte geritsel vernam van
+de groene linde die, voor het huis, in den zoelen zomernacht, den
+balsemgeur van hare duizenden bloempjes verspreidde.
+
+Het lamplicht verbleekte en een zachte glans, voorbode van den
+naderenden dag, vervulde de kamer.
+
+Jakob bemerkte er niets van en bleef in zijne mijmering verdiept, toen
+eensklaps, rein als zilver, helder als de ontluikende dag een
+zoetluidend gezang zijne ooren kwam streelen:
+
+"Aloette, vogel clein,
+"Dijn nature is zoet ende rein,
+"So es dijn edel sanc,
+"Daar dient u met den Here allein
+"Te love om sinen danc."
+
+"Het herderinnetje leidt hare kudde naar de weide," sprak de dichter,
+"straks zal de landman zich naar het veld begeven, de Vlaamsche wever
+zal zijn getouw laten klapperen."
+
+Jakob keek naar buiten en ademde met volle borst de heerlijke
+morgenlucht in, die in het gouden licht der opgaande zon over de vlakte
+stroomde.
+
+Nieuwe zangen troffen zijn oor:
+
+"Wi willen van den Kerle singen,
+"Si dragen eenen langen baert."
+
+"De Vlaamsche visschers gaan naar zee," murmelde de dichter. "Al mijne
+broeders hervatten den arbeid, ieder van hen werkt mede aan de welvaart
+van anderen."
+
+Hij keerde naar de schrijftafel terug, verdiepte zich in den arbeid en
+schreef:
+
+"Elken man,
+Al en hadde hi gheen groot goet,
+Es hi hovesch ende vroet
+Van wat lande dat hi si,
+Al en ware sin geslachte niet vri,
+Ware hi geheten van goeden seden,
+Men zouden eren t' allen steden;
+Want dieghene is edel allene,
+Die hovesche van seden is ende rene."
+
+
+
+
+38.--Jakob van Maerlant.
+
+
+In die lang vervlogen eeuwen bracht ons land niet alleen noeste werkers
+maar ook vruchtbare dichters voort.
+
+Uit de XII^{de} eeuw reeds dagteekent: Van den here Wisselau; in de
+XIII^{de} eeuw verscheen: Karel en Elegast; omstreeks 1240 schreef
+Diederic van Assenede, klerk van Margaretha van Konstantinopel de
+aandoenlijke geschiedenis van: Floris en Blancefloer en meester
+Wilhelmus van Gent, dichtte: Van den vos Reinaerde.
+
+De dichter, dien wij in het voorgaande verhaal aan onze lezers
+voorstelden was Jakob van Maerlant, die in de XIII^{de} eeuw, de stad
+Damme bewoonde.
+
+Een wijze, zeer geleerde professor spreekt over hem ongeveer in dezer
+voege:
+
+"In stille eenzaamheid, dag aan dag, met onverdroten geduld, arbeidde
+hij aan de zedelijke ontvoogding van ons volk.
+
+Hij was buitengewoon ontwjkkeld en zijne kennis was verbazend.
+
+Buiten zijne moedertaal was hij even vertrouwd met het Fransch als met
+het Latijn en met het voornaamste, dat daarin geschreven was. Hij kende
+de natuurleer en het Duitsche recht."
+
+In zijnen tijd waren de meeste wetenschappelijke werken in het Latijn
+geschreven, zoodat geringe menschen, die niet konden lezen.
+
+Van Maerlant besloot voor zijn volk in het Dietsch te schrijven. Hij
+vertaalde in 15000 verzen een Latijnsch boek over natuurkunde en andere
+wetenschappen en noemde het: Der naturen bloeme. Een tweede werk, dat
+hij vertaalde draagt voor titel: de Rijmbijbel en bevat 2700 verzen.
+Zijn Spiegel Historiael, geschiedkundig werk, bestaat uit 7500 verzen,
+doch is ongelukkig niet voltooid geworden.
+
+Maerlant is een leeraar en weldoener van zijn volk geweest. De Vlamingen
+hebben hem veel te danken, daarom ook verwierf hij den eerenaam van:
+
+"Vader der Dietsche dichters."
+
+
+
+
+39.--Een Verhaal van Lijden en Tranen.
+
+
+Op eenen Zondag van het jaar 1281, bij het vallen van den avond, stapte
+een Minderbroeder door de straten van Gent en haastte zich merkbaar om
+zijn klooster te bereiken.
+
+Dien dag toch, had hij het bijzonder druk gehad; arme zieken had hij
+bezocht, geholpen en getroost, aalmoezen ingezameld en, in een der
+talrijke bedehuizen der stad een preek gehouden, die door honderden
+lieden, grootendeels menschen uit den lagen stand, met buitengewone
+vroomheid was aangehoord.
+
+Broeder Johannes was een volksvriend in den vollen zin van het woord:
+Zoon van een armen weversgezel, had hij zich door studie en deugd
+gevormd, en, als jongeling opgenomen in de orde van den Heiligen
+Franciscus, had hij, als Minderbroeder, zijn gansche leven aan de armen
+en ongelukkigen zijner geboortestad gewijd.
+
+Streng voor zich zelven, was hij het ook voor de rijke poorters der stad
+en herinnerde hun gedurig de nederigheid en de vrijwillige armoede van
+den zoeten Jezus.
+
+Broeder Johannes troostte de bedrukten en wist de ellendigen op te
+beuren, zoodat hij op de talrijke gezellen, nederige ambachtslieden der
+stad een grooten zedelijken invloed had verworven.
+
+De Minderbroeder bereikte de poort van zijn klooster en wilde er
+aankloppen, toen hij eene vrouwelijke gestalte bemerkte, die op den
+kouden grond zat nedergehurkt en de weenende stem vernam van een kindje,
+dat de vrouw met zachte woorden trachtte te sussen.
+
+"Arm schaapje," troostte zij, "ongelukkig Betteken, ween niet zoo
+bitter, wij zullen uwen oom terugvinden en die zal ons helpen, want hij
+is zoo goed en liefderijk...."
+
+Broeder Johannes schrikte; "mijne zuster," fluisterde hij ...
+"onmogelijk, Veerle bewoont Brugge," en, de stem verheffende, sprak hij
+tot de vrouw:
+
+"Sta op, moedertje, en volg mij."
+
+Hij klopte aan de kloosterpoort en zoodra men deze voor hem ontsloot,
+leidde hij de bedrukte in de spreekzaal, die verlicht was door eene
+brandende lamp.
+
+Hij wierp eenen blik op de vreemde en "zuster! arme zuster!" "broeder, o
+broeder, help mij!" klonk het door de kamer.
+
+Broeder Johannes kon zijne oogen niet gelooven: zijne zuster Veerle
+stond voor hem, bleek en bevend, haar weenend kindje in de armen.
+
+Hoe, waarom had zij Brugge verlaten? Waar bevond zich haar echtgenoot
+en wat kwam zij hier doen?
+
+Eensklaps schenen hare laatste krachten de vrouw te begeven. Zij sloot
+de oogen en zakte buiten kennis in de armen van haren broeder.
+
+Deze riep om hulp en twee kloosterbroeders brachten de lijdende op een
+bed, legden het kindje naast haar en verzorgden de kranke zoo goed zij
+konden.
+
+Na een half uur opende Veerle de oogen en kwam tot bezinning. Haar
+broeder bereidde haar een verkwikkenden drank en bracht den heelen nacht
+wakend aan hare sponde door.
+
+Veerle, de zuster van Johannes, was tot voor eenige dagen de gelukkige
+echtgenoote geweest van eenen blauwverver, die sedert vijf jaar te
+Brugge gevestigd was.
+
+Het gezin was niet rijk, maar de werkzaamheid en het voorbeeldig gedrag
+van den man waren voldoende om armoede en ellende op een afstand te
+houden.
+
+Voor een paar maanden nog had broeder Johannes zijne zuster en haren
+echtgenoot een bezoek gebracht en zich verheugd over de eensgezindheid,
+die in het gezin heerschte.
+
+De vrome Minderbroeder verloor zich in gissingen maar, bij het krieken
+van den dag ontwaakte Veerle en voelde zich sterk genoeg om haren
+broeder mede te deelen, wat te Brugge was gebeurd.
+
+"Sedert geruimen tijd:" sprak zij, was de goede verstandhouding tusschen
+de ambachtslieden en de rijke poorters der stad verbroken.
+
+Waarom, kon zij, arme onwetende vrouw, niet begrijpen, maar haar man,
+wiens leven vroeger zoo geregeld was, bleef soms tot laat in den nacht
+van huis weg en zijne gezellen, alsook de wevers, vollers en de leden
+van andere neringen, handelden eveneens.
+
+Weldra weenden te Brugge honderden volksvrouwen om hare afwezige
+echtgenooten. Bange moeders, zusters, echtgenooten, spraken van oproer
+en gevecht, van brand en plundering.
+
+Helaas! hare vrees was maar al te gegrond: Op zekeren avond werden de
+verbitterde poorters met de ambachtslieden handgemeen, bloed stroomde
+in de straten van Brugge, verscheidene gebouwen werden aan plundering
+prijs gegeven, gewapende benden doorliepen de stad tot laat in den
+nacht.
+
+Angstig biddend, geknield voor haar kruisbeeld, lag Veerle in hare
+eenzame woning, toen eensklaps de lage deur werd opengestooten en de
+arme blauwverver, gewond, bebloed, de woning binnenstoof.
+
+"Verberg mij, vrouw," riep hij wanhopig, maar nog was Veerle niet
+opgesprongen of woedende, met bijlen gewapende mannen, verschenen in de
+woning en wierpen zich op den vluchteling.
+
+Deze trachtte zich te verdedigen, maar een bijlslag van een zijner
+vervolgers deed hem dood nedervallen voor de voeten zijner vrouw.
+
+Half waanzinnig had Veerle haar kind aan het hart gedrukt, en toen de
+bijlen der moordenaars ook haar bedreigden, was zij, evenals andere
+vrouwen, de stad ontvlucht, waar de vlammen des oproers zoo
+onheilspellend flikkerden.
+
+Zij was steeds vooertgeloopen, menigmaal onderweg gevallen, maar had zich
+weer opgericht onder de slagen van het zweepend noodlot.
+
+"Naar mijnen broeder te Gent wil ik gaan" had zij snikkend uitgeroepen
+en thans rustte zij in het vreedzame klooster, waar elkeen zich over
+haar scheen te ontfermen.
+
+Haar broeder boog het hoofd en weende. "Arme zuster! arm, hulpeloos
+volk" zuchtte hij; want hij, die geleerd was en den toestand der
+Vlaamsche gemeenten kende, besefte ten volle de uitgestrektheid der
+ramp, die Brugge had getroffen.
+
+"Wat stond hem te doen?" Zijne zuster naar Brugge terugzenden kon hij
+niet, haar echtgenoot was dood en broeder Johannes onvermogend.
+
+Hij dacht aan de talrijke vrienden, die hij te Gent bezat, maar ... hulp
+afsmeeken voor zijne eigene familieleden, neen, dat ging niet....
+
+De overste van het begijnhof der stad was eene vrouw, die door haar
+verstand en liefderijk hart, boven anderen uitblonk. Die zou hij
+opzoeken, die zou hem raad geven en zijne arme zuster helpen.
+
+In den morgen nog verliet hij het klooster der Minderbroeders, begaf
+zich naar het begijnhof en was zoo gelukkig er de overste aan tes
+treffen.
+
+Hij deelde haar de ramp mede, die Brugge en zijne zuster getroffen had
+en, nauwelijks was zijn treurig verhaal geeindigd of de brave vrouw
+sprak met bewogen stem:
+
+"Breng de arme bedrukte naar hier, wij zullen haar herbergen, haar
+troosten, haar genezen."
+
+Broeder Johannes leidde zijne zuster naar het stille begijnhof. Langzaam
+keerden hare krachten terug en de zoete oogjes, de zachte liefkozingen
+van haar Betteken, verdreven hare wanhoop en schonken haar levensmoed.
+
+Dank aan de bescherming der bewoonsters van hare nieuwe verblijfplaats,
+was zij weldra in staat door handwerken in hare behoeften en in die van
+haar dochterje te voorzien.
+
+De tijd, die alle wonden heelt, stilde ook de smart der zwaar-beproefde
+vrouw en hare stille dankbaarheid zegende den broeder, die haar en
+honderden bedrukten had getroost en geholpen.
+
+
+
+
+40.--Innerlijke Twisten in de Gemeenten.
+
+
+Laten wij nog eenige oogenblikken stilstaan bij ons verhaal, of liever,
+laten wij trachten het nader te verklaren:
+
+Schier in al onze gemeenten, was de handel zeer bloeiend en rijke
+kooplieden waren er talrijk. Geruimen tijd waren het alleen de rijke
+poorters, de burgers bij erfenis, de "coomans" die de stad bestuurden.
+
+Zij vormden de "poorterij" of poorters bij uitnemendheid. Dank aan hunne
+bekwaamheid, hunne werkzaamheid, hunne volharding verkregen de gemeenten
+hunne voornaamste voorrechten en het waren de "poorters bij
+uitnemendheid" de coomans, die de muren der gemeenten lieten opbouwen,
+hallen en bedehuizen stichtten, straten plaveiden, kanalen deden graven,
+waterleidingen deden overwelven, hospitalen stichtten.
+
+In den loop der XIII^e eeuw echter, leefden en arbeidden naast die
+"poorters bij uitnemendheid" de massa der eenvoudige ambachtslieden en
+kleine burgers, die in "neringen" waren vereenigd.
+
+Deze menschen werden op verre na niet als de gelijken der "rijken"
+behandeld.
+
+Zij waren wel is waar vrij, verzekerd van de bescherming der schepenen,
+zij genoten de voordeelen, welke de charters aan de gemeenten
+gewaarborgd hadden, doch zij mochten geene aanspraak maken op eenige
+deelname in het bestuur hunner stad.
+
+Dit laatste voorrecht wenschten zij te bezitten, maar zij veroverden het
+niet gemakkelijk. De erfgerechtigden en coomans verdedigden zich
+hardnekkig; zij waren niet zelden verwaand, hoogmoedig en maakten soms
+misbruik van hun gezag.
+
+Menschen, die met elkander in slechte verstandhouding leven, slaan
+helaas! heel licht over tot geweld; vandaar oproeren, waarbij burgers
+derzelfde gemeente elkanders bloed vergoten en de woningen, de openbaren
+gebouwen, de kerken plunderden of vernielden.
+
+Verstaat gij thans, hoe Veerle's echtgenoot in Brugge werd gedood,
+waarom zijne arme vrouw naar Gent vluchtte?
+
+De Minderbroeders, tot welker orde broeder Johannes behoorde,
+begunstigden het streven der geringe ambachten, vandaar dat het volk een
+ongemeen groot vertrouwen stelde in deze geestelijken.
+
+De begijnen vormden eene zusterschap van godvruchtige vrouwen, die van
+haren arbeid leefden; edelmoedige begiftigers bouwden haar
+gemeenschappelijke huizen, prinsessen namen ze onder hare bescherming.
+Heden nog bestaan begijnhoven in vele steden van ons land.
+
+
+
+
+41.--Eene Voorspelling.
+
+
+Er was eens een stroom; een frissche, jeugdige stroom, die eene
+schilderachtige landstreek besproeide en onderweg rivieren en beekjes in
+zijnen schoot ontving.
+
+Hij vloeide door mooie valleien, omzoomd met wilgjes, die zich in zijne
+golven spiegelden of dartelde langs groene wouden, die zich hier en daar
+aan zijne oevers verhieven.
+
+Zijne machtige armen omstrengelden talrijke eilanden, waarop de reizende
+ooievaars in het najaar rustten, waar bronnetjes murmelden en, in de
+lente, goudgele lischbloemen tusschen het riet ontloken.
+
+Nu en dan, vloeide hij tusschen hooge rotsen met grillige koppen en
+diepe, met mos begroeide kloven, maar dit laatste beviel hem weinig; hij
+vond, dat de rotsen zijne leden knelden en de vrijheid zijner bewegingen
+beletten.
+
+Op zekeren nacht, dat de maan helder scheen en het weder bijzonder zacht
+was, vergat de jonge stroom het slapen en speelde verstoppertje met eene
+heldere beek, die gedurig tusschen de rotsblokken van den oever wegdook.
+
+Hij achtervolgde haar en bereikte eene fraaie grot, met kronkelende
+gangen, prachtige zuilen, mooie dropsteenen en ziet!... hier verdwaalde
+de jonge stroom en zocht vruchteloos naar eenen uitweg. Hij werd
+ongeduldig, gejaagd en stiet weldra zijne golven met zooveel geweld
+tegen de rotswanden, dat duizenden waterdroppelen, als zoovele pareltjes
+naar omhoog stoven.
+
+De stroom maakte zulk een geweld, dat de gangen der grot er luid van
+weergalmden en de bewoners harer geheimzinnige vertrekken, in hunnen
+slaap gestoord, kwamen zien wat er gebeurde.
+
+Tien, twintig, dertig ... misschien wel honderd aardmannetjes, elk
+hunner voorzien van een brandend lampje, daalden van den steilen
+rotswand naar beneden en vroegen den stroom "wat hij begeerde?"
+
+"Ik wil er uit! ik wil er uit!" gilde de gevangene, maar de
+aardmannetjes lachten en zeiden, dat zulks voor zonsopgang niet mogelijk
+was.
+
+"Stel u gerust, stroompje" spraken zij, we zullen met u spelen en u al
+de wonderen van ons onderaardsch paleis laten zien."
+
+"Ik wil niet" antwoordde de stroom.
+
+"We zullen u mooie sprookjes vertellen" lachte een aardmannetje en ...
+"ik ben de kinderschoenen ontwassen" sprak het fiere water.
+
+Eensklaps onstond eene eerbiedige stilte onder de aardmannetjes; zij
+plaatsten zich ordelijk langs den rotswand, namen de roode petjes van
+het hoofd en bogen zoo diep, dat hunne lange, witte baarden den grond
+raakten.
+
+"De fee! de weldoende fee der onderwereld" fluisterden de aanwezigen en
+zwegen dan weer stil, eerbiedig stil ... stil....
+
+Eene statige vrouw in ruischende zijde gekleed, verscheen en groette den
+jongen stroom.
+
+Fonkelende edelgesteenten blonken in hare zwarte haarvlechten, gouden
+banden versierden haar keurslijf en den langen sleep van haar ruischend
+gewaad.
+
+"Vrees niet, heer ridder," sprak zij tot den stroom, "ik zal u
+gezelschap houden, u bij het krieken van den dag op de rechte baan
+helpen; bij mijne geboorte schonk mijne meter mij de gave der
+voorspelling, wilt gij mij uwe hand reiken? Ik zal in hare lijnen lezen,
+wat de toekomst voor u heeft weggelegd."
+
+De stroom bedaarde en reikte de fee zijne opene hand.
+
+Zij nam ze aan, las er aandachtig in, verdiepte zich langen tijd in die
+lezing en sprak met trage, zachte stem, in tegenwoordigheid der
+zwijgende aardmannetjes:
+
+"Weldra zal een vroom en verstandig man langs uwe oevers reizen. Hij zal
+er een wijd, mooi dal ontdekken, begrensd door heerlijke heuvels en
+talrijke frissche wouden: "Ik wenschte wel hier eene groote stad te
+kunnen aanleggen" zal hij zeggen en, alvorens zijne reis voort te
+zetten, zal hij, in de mooie vallei, eene kapel stichten.
+
+De fee zweeg en ... "is dat alles" fluisterde de stroom?
+
+"Bij lange na niet" antwoordde de fee, "ik zie zooveel, zooveel.
+
+"Zeg mij nog iets, voorspel mij mijn gansche toekomst" vroeg de
+nieuwsgierige stroom en de fee vervolgde:
+
+"Rondom de kapel, in het mooie dal, verheffen zich menschelijke
+woningen, geloovige christenen richten en hunne schreden heen. Ik zie
+een heilig man, den bisschoppelijken staf in de hand. Hij predikt
+godsvrucht en broederliefde; aan de grooten der aarde herinnert hij
+hunnen plicht en laakt hun zondig leven.
+
+Helaas! zulks doet hij niet ongestraft; wreede moordenaars heffen hunne
+bijl tot hem op en koelen hunne wraak in het onschuldig bloed van den
+martelaar.
+
+Nu zuchten en weenen de menschen aan uwe oevers, jonkheer stroom; zij
+betreuren den man, die een wreeden dood onderging, omdat hij enkel
+"rechtvaardigheid" betrachtte.
+
+De menschen brengen zijn stoffelijk overschot naar de kapel midden in
+het stille dal, waar het weldra door duizenden bedevaartgangers wordt
+bezocht.
+
+Jaren en jaren verloopen. Een machtig man, prins en bisschop, laat in
+het dal eene mooie, groote kerk bouwen en er eene stad aanleggen,
+verschanst achter kloeke muren.
+
+Die stad wordt de zetel van een prins-bisdom met kanunniken, kloosters,
+scholen, monniken en kloosterzusters.
+
+Langzamerhand vestigden zich handelaars in de bisschoppelijke stad;
+bootslieden brengen er hout en steenen aan, menschelijke woningen
+ontstaan als door tooverslag; ik zie teekenaars, bouwmeesters, schilders
+en andere kunstenaars, die goud, zilver, koper verwerken en de heilige
+vaten der bedehuizen scheppen; ik zie beeldhouwers, die marmer, arduin,
+eikenhout bezielen en naast hen een wriemelenden drom van nederige
+ambachtslieden, leerlooiers, smeden, kopergieters en anderen.
+
+Hoe talrijk worden die menschen! Ik kan ze niet meer tellen, ze zijn
+levendig van aard, werkzaam, opgeruimd. Zij doorboren de ingewanden der
+heuvels, zoeken er steenen en allerlei ertsen. Eindelijk ontdekken zij
+de zwarte steenkool, nederige brandstof, die hun onschatbare diensten
+bewijst.
+
+Aan uwe oevers, heer stroom, ontstaan nog andere steden, ik zie
+ontelbare lachende dorpen, wijngaarden, boomgaarden, ik bemerk hooge
+torenspitsen, bruggen, marktplaatsen.
+
+De bevolking groeit aan, de stoffelijke welvaart vermeerdert en gij zijt
+de koning, de vader der heele landstreek.
+
+De jonge stroom lachte en schudde ongeloovig het met wier en loof
+omkransde hoofd. Ook de bergmannetjes lachten en een hunner spoedde zich
+naar den ingang der grot.
+
+Weldra echter keerde hij terug en kondigde aan:
+
+"De nachtster verbleekt, de morgenzon breekt door de nevelen, de
+leeuwrik zingt hoog boven de toppen der rotsen."
+
+"Kom met mij" sprak de fee tot den stroom.
+
+Zij nam hem bij de hand, leidde hem door de heimnisvolle gangen, door
+afgronden en over rotsblokken, tot aan de poort van haar onderaardsch
+verblijf.
+
+Hier nam zij afscheid en sprak op zachten toon.
+
+"Vaarwel, heer ridder, leef lang en gelukkig."
+
+Eensklaps goot de morgenzon een schat van zilveren starren over het
+donkere harnas van den stroom. De glans, die er van uitging was zoo
+verblindend, dat de oogen der fee die niet verdragen konden en zij zich
+in hare duistere woning terugtrok.
+
+De stroom echter vloeide verder, hij groette de vlugge hinde, die aan
+zijn helder water, haren dorst kwam lesschen; hij kuste de slapende
+bloempjes wakker en speelde met de zilveren vischjes, die in zijn
+vochtigen schoot zwommen.
+
+Hij murmelde, hij zong, hij juichte van levensblijheid en vergat weldra
+de schitterende fee en de lachende, goedaardige bergmannetjes der
+onderwereld.
+
+
+
+
+42.--Het Prins-Bisdom Luik.
+
+
+"Wie toch is de stroom, die zulke tooverachtige avonturen beleefde?"
+vraagt mij eene nieuwsgierige lezeres.
+
+De Schelde is het niet, die vloeit bijna overal tusschen lachende
+beemden en malsche weiden, die is te kalm en te ernstig om in grotten te
+spelen en voorbij rotsen te dartelen.
+
+"Is het misschien de Maas?"--"Inderdaad, die telt hooge rotsen aan hare
+oevers, die vloeit door diepe dalen, door heuvels omzoomd; die is
+schilderachtig, romantisch schoon, die besproeit eene landstreek, die
+glinsterende ertsen en gitzwarte kool in haren schoot verbergt.
+
+Maar, die aardmannetjes met hunne roode petjes en lange, witte baarden,
+die schitterende fee met haar ruischend gewaad, bewonen zij wel de
+grotten, die men in Hoog-Belgie aantreft?
+
+De geleerden, de wijzen zeggen "neen" de dorpslieden, vooral de ouden
+van dagen beweren "ja". Zij kennen zoovele sprookjes waarin feeen en
+kabouters voorkomen en zijn die niet "waar gebeurd" ze zijn toch lief en
+schilderachtig mooi.
+
+Willen we maar voor "een keer" onderzoeken of de voorspelling der fee is
+uitgekomen?
+
+Zoo volgt mij en beantwoordt de vragen, die ik u stellen zal.
+
+"Waar strekte zich het breede, mooie dal uit, dat, voor eeuwen, door den
+vromen, verstandigen reiziger werd bezocht?"
+
+"Dit dal strekt zich uit midden in onze huidige provincie Luik en ligt
+dichtbij de samenvloeiing van Maas en Ourthe.
+
+De heilige Monulphus, bisschop van Tongeren, naar Dinant reizende,
+bezocht het ten jare 578.
+
+Hij was het die, getroffen door de schoonheid der landstreek, er eene
+kapel stichtte en voorzag, dat zich hier, in later jaren, eene mooie,
+groote stad zou verheffen.
+
+"Wie werd er vermoord?"
+
+De heilige Lambertus, dezelfde die zoo rechtschapen was, dat hij zelfs
+aan de machtigen der aarde hunne ondeugden verwijten durfde.
+
+Sint Hubertus, opvolger van Lambertus, liet eene mooie, groote kerk
+bouwen op de plaats, waar de heilige martelaar een gewelddadigen dood
+onderging en bracht naar die kerk, het stoffelijk overschot van Sint
+Lambertus over.
+
+Rondom ontwikkelde zich eene bisschoppelijke stad, met hare kerken en
+torens, hare abdijen, hare talrijke bedehuizen, hare scholen.
+
+Ziedaar den oorsprong van Luik, heden eene der grootste steden van ons
+land.
+
+In dien tijd behoorde het grootste deel van haar grondgebied aan de
+geestelijkheid, alsmede vele domeinen, burchten, wouden, abdijen uit den
+omtrek.
+
+Gedurende de Middeleeuwen, ja veel later nog, bezat de bisschop van
+Luik niet alleen eene geestelijke, maar ook eene wereldlijke
+waardigheid. Hij was "prins-bisschop."
+
+Waar haalden de menschen de grondstoffen vandaan, noodig tot het bouwen
+der stad Luik?
+
+In de steengroeven; in de wouden der landstreek vonden de menschen niet
+alleen de noodige grondstoffen, voor het oprichten van bedehuizen,
+abdijen en andere gebouwen, maar, zooals de fee zeide: weldra bezielden
+beeldhouwers arduin en marmer, terwijl zilver-en goudsmeden, koper-en
+bronsgieters menig kunstgewrocht voortbrachten, vooral ter verfraaiing
+der bedehuizen.
+
+Dit alles echter gebeurde niet op eenen dag, zelfs niet op een jaar,
+maar het duurde vijftig, honderd, tweehonderd en meer jaren.
+
+Aan wie had de stad Luik hare eerste verfraaiingen te danken?
+
+Aan bisschop Notger of Notkerus, die in 1008 overleed.
+
+Notger was een groot man. Hij deed de stad Luik ommuren, liet schoone
+bedehuizen bouwen, kanalen graven, deed de steden Thuin, Fosse en
+Mechelen[28] van vestingwerken voorzien. Sommige edellieden zooals de
+heer van Chevremont gedroegen zich als roofzuchtige plunderaars. Notger
+wist ze te bedwingen en deed hunne burchten afbreken.
+
+Niet alleen de kunst, ook de wetenschap bloeide te Luik; want in die
+stad waren scholen, woonden geleerden, volkomen op de hoogte der
+wetenschap van hunnen tijd.
+
+Hoei en Dinant bezaten smederijen, die zoo bloeiend waren, dat onze
+voorouders niet genoeg hebbende aan de ertsen van hun vaderland, ook
+aankoopen deden in Duitschland, voornamelijk te Goslar.
+
+De Dinanteezen, beroemde kopergieters en koperslagers, verkochten de
+voortbrengselen hunner nijverheid en kunst, in Vlaanderen, in Engeland,
+in Frankrijk.
+
+Te Londen bezaten zij eene afzonderlijke halle en in de XIV^{de} eeuw,
+maakte de stad Dinant deel van de Teutonische (Duitsche) hanze.
+
+Op het gebied van nijverheid en handel was de ontwikkeling der stad Luik
+langzamer, maar het ontginnen der steenkool, het vervaardigen van wapens
+bevorderden weldra den welstand harer inwoners, alsook de
+handelsbetrekkingen, die zij aanknoopte met de groote stad Brugge.
+
+Vormden de handelaars, de ambachtslieden der Luiksche steden evenals die
+der Vlaamsche en Brabantsche ook neringen, ambachten, gilden? Kan men
+bij de studie der Luiksche geschiedenis, de vorming, de ontwikkeling der
+gemeenten nagaan?
+
+Zonder twijfel, jammer echter, dat de voorspelling onzer fee juist daar
+eindigt, waar zij het belangrijkst worden moest. We zullen hier dus,
+zonder hare hulp, ons verhaal voortzetten.
+
+De inwoners der Luiksche gemeenten kregen of eischten al vroeg
+burgerlijke rechten.
+
+In 1198 gaf bisschop Albrecht van Cuyck aan zijne onderdanen eene
+vermaarde keure. Zij bepaalde, dat de woning der burgers onschendbaar
+was, dat de Luikenaar vrij was in persoon en goederen, dat hij aan geene
+schattingen noch gerechtelijke proeven mocht onderworpen, dat hij niet
+mocht aangehouden worden, dan krachtens een vonnis der Schepenen.
+
+Denkt nu echter niet, dat het verkrijgen dier voorrechten gemakkelijk
+ging. Heel dikwerf kwamen de bisschop, de hooge geestelijkheid, de
+edellieden, de groote en kleine burgers met elkander in botsing.
+
+Dit gebeurde vooral in de XIII^{de} en XIV^{de} eeuwen, wanneer, eerst
+de rijke burgers, daarna de geringe ambachtslieden, voorrechten vergden.
+
+Ik wil u echter niet verontrusten met de beschrijving der ruwe, bloedige
+twisten, die de stad Luik teisterden gedurende de XIII^{de} en XIV^{de}
+eeuwen; ik wil doen, zooals de fee, die van oorlog, brand, moord en
+andere akeligheden liefst in het geheel niet gewaagde.
+
+Een laatste vraag echter:
+
+"Wie behaalden, bij die innerlijke beroerten, de overwinning? Was het de
+bisschop, de hooge geestelijkheid? Waren het de rijke burgers of de
+leden der neringen?
+
+Oordeelt zelven:
+
+In 1337 onderteekende bisschop Adolf van der Marck den "Vrede van
+Angleur." Zoo noemt men een verdrag, waarin bepaald werd, dat alleen de
+leden der neringen van den stedelijken raad mochten deel maken.
+
+Drie jaar later bevestigde de Vrede van Fexhe al de oude vrijheden des
+lands; hij wordt beschouwd als de grondwet des vorstendoms.
+
+In 1343 richtte de bisschop de rechtbank der XXII op, welke in de
+gewichtigste zaken van Kerk en land moest vonnissen; daar de meerderheid
+dier rechtbank uit de burgerij bestond, werd zij de kostbaarste waarborg
+der Luiksche vrijheden.
+
+
+
+
+43.--Broeder en Zuster.
+
+
+Hertog Jan had eene zuster, Maria genaamd en gehuwd met den koning van
+Frankrijk, Filips de Stoute.
+
+Deze vorstin was zeer schoon en aanminnig, bovendien had zij van haren
+vader een verwonderlijke dichtgave geerfd. Zij ondersteunde begaafde
+zangers en dichtte fraaie liederen.
+
+Daar was in dien tijd aan het Fransche hof een zekere heer de Labrosse,
+kamerheer en gunsteling van den koning.
+
+Hij was jaloersch op de koningin, en gebruikte al zijnen invloed om haar
+bij den koning in een valsch daglicht te stellen.
+
+Filips had Maria in tweede huwelijk getrouwd en bezat kinderen van zijne
+eerste vrouw.
+
+Op zekeren dag stierf de oudste zoon des konings en de Labrosse wist bij
+den bedroefden vader het vermoeden te doen ontstaan, dat Maria door
+vergif aan zijn kind het leven had benomen.
+
+Het gemoed des konings was door deze verdenking op het hevigst
+ontroerd, hij ging peinzend daarhenen, zegt de kronijk, het hart vol
+druks.
+
+Men verhaalt, dat hij Maria in eenen burcht liet opsluiten en haar ter
+dood wilde laten brengen.
+
+Uit hare gevangenis meldde de ongelukkige haren nood aan haren broeder
+
+"Beschreven met haren bloede root,
+"In eene scale daer zij uit dranc."
+
+[Illustration: Ridder ten tijde van Jan I.]
+
+Op het ontvangen der akelige tijding, springt hertog Jan te paard en
+snelt naar Parijs. Een schildknaap, Godekin van Stalle en Vlieger, een
+hazewind, vergezelden hem alleen.
+
+Na tweemaal vier en twintig uren is hij in de hoofdstad van Frankrijk,
+trekt eene monnikspij aan, begeeft zich naar Maria's gevangenis, en, als
+biechtvader tot haar toegelaten, verneemt hij de onschuld zijner zuster.
+
+Nu werpt de hertog zijne vermomming af, meldt zich ten hove aan, treedt
+voor den koning--naar het gebruik dier tijden--als kampvechter der
+koningin en daagt ieder tot een tweegevecht uit, die de schuld der
+belasterde vrouw mocht staande houden.
+
+De laffe de Labrosse, door de verschijning des vermaarden krijgsmans
+verschrikt, door het geweten gefolterd, neemt de vlucht.
+
+Geen zijner vrienden waagt het, de eer des kamerheers met het zwaard te
+verdedigen.
+
+De twijfel aan Maria's onschuld ware een smaad aan de nagedachtenis
+dezer vorstin, daarom besluiten wij ons verhaal met het oordeel van een
+beroemden, Franschen geschiedschrijver[29]:
+
+"Het is niet mogelijk, dat deze vrouw tot een laffen en snooden aanslag
+bekwaam zij geweest."
+
+
+
+
+44.--Jan I en het hertogdom Brabant.
+
+
+Jan I, de held van ons verhaal was hertog van Brabant; het voormalige
+Brabant strekte zich uit over het grondgebied, dat onze hedendaagsche
+provincie Brabant, de provincie Antwerpen en, in Nederland,
+Noord-Brabant bevatte. Leuven, Brussel, Antwerpen en 's Hertogenbosch
+waren er de hoofdplaatsen van.
+
+Hertog Jan, die zijne arme zuster zoo dapper verdedigde, was een
+uitstekend ruiter; in den wapenhandel was hij zeer bedreven en ook als
+veldoverste wist hij eer en roem te verwerven.
+
+In twist zijnde met verscheidene vorsten van zijnen tijd, die meenden
+recht te hebben op het bezit van het hertogdom Limburg, sloeg hij het
+beleg voor de sterkte Woeringen, die op den oever van den Rijn gelegen
+was. Zijne vijanden kwamen hem aldaar aanranden en er werd een veldslag
+geleverd op eene heide nabij Woeringen (1288).
+
+Hertog Jan behaalde er eene roemrijke overwinning en wordt om dit
+wapenfeit, in de geschiedenis niet zelden de Overwinnaar of de
+Zeeghaftige genaamd.
+
+Na den slag van Woeringen werd Limburg met Brabant vereenigd.
+
+Ter eer van hertog Jan dient vermeld te worden, dat hij van zijne
+overwinning geen misbruik maakte; reeds op het slagveld, had hij aan
+krijgsgevangenen genade verleend; weldra wist hij de genegenheid der
+Limburgers te winnen door zijne zachtmoedigheid en rechtvaardigheid.
+
+Talrijke dichters bezongen Jan I en zijne roemrijke wapenfeiten; want,
+niet alleen in Vlaanderen, maar ook in Brabant trof men reeds in de
+XIII^{de} en XIV^{de} eeuwen, beoefenaars aan der fraaie letteren.
+
+Adinez-li-Rois, een Brabander, was de grootste Fransche zanger zijner
+eeuw, terwijl Jan van Heelu in het Dietsch den slag van Woeringen
+beschreef en Lodewijk van Velthem den Spiegel Historiael van Maerlant
+voltooide.
+
+Jan De Clercq ook Jan van Boendaele genaamd, schreef eene Rijmkronijk
+van Brabant en verscheidene andere dichtwerken.
+
+De beroemde Jan van Ruysbroec geboren in 1294 is een merkwaardig
+prozaschrijver. Zijne werken werden in het Hoogduitsch, ook in het
+Latijn overgezet.
+
+[Illustration: _An alle deghene die dese lettren selen sien ofte hoeren
+lesen. Schepenen Raet ende alle de goede ghemeene liede van der poort
+van audenarde saluut._ Schrift van 1350.]
+
+Jan I schonk talrijke voorrechten aan de Brabantsche gemeenten. Zijn
+opvolger was Jan II. Om de oneenigheden te beslechten die tusschen de
+geslachten[30] en de ambachten gerezen waren, riep deze vorst, in 1312,
+eene vergadering bijeen te Kortenberg, tusschen Leuven en Brussel.
+
+Daar werd besloten, dat er alle drie weken, te dier plaats, een raad zou
+vergaderen van 4 afgevaardigden des adels en 10 afgevaardigden der
+Brabantsche steden.
+
+Die raad zou over de goede uitvoering der wetten waken, de heeren
+verhinderen het volk te verdrukken en misbruiken beletten, waarop men de
+aandacht der leden roepen zou.
+
+Gedurende de regeering van de hertogen Wencelyn en Johanna (1355-1383)
+ontstond te Leuven en te Brussel oneenigheid tusschen de ambachtslieden
+en de rijke poorters of patriciers, die groote voorrechten bezaten.
+
+Het bloed vloeide vooral te Leuven, vanwaar ontelbare ambachtslieden,
+meest wevers, naar Engeland weken.
+
+Burgeroorlog sleept talrijke onheilen na zich; de stad Leuven ging te
+niet en erlangde nooit meer haren bloei der XII^{de} en XIII^{de}
+eeuwen.
+
+In 1356 moest hertog Wencelyn zweren al de vrijheden van het land en de
+voorrechten der steden te handhaven.
+
+De keure, die hij toen verleende werd de "Blijde inkomst van Brabant"
+geheeten. Zij geldt om zoo te zeggen als grondwet der Brabanders, want
+de gebruiken, die er in voorkomen, bleven voor het grootste deel in
+zwang, tot op het einde der XVIII^{de} eeuw.
+
+
+
+
+45.--Twee Vorstinnen.
+
+(SPROOKJE)
+
+
+Er was eens eene machtige koningin, die over duizenden onderdanen
+regeerde.
+
+Zij bewoonde een prachtig paleis en was steeds in kostbare, ruischende
+zijde gekleed. Schitterende juweelen versierden hare armen en borst en
+haar fluweelen mantel was met hermelijn gevoerd en met zilveren lelien
+geborduurd.
+
+Een rijke stoet van hofdames, edelknapen en ridders omgaf de koningin
+en, waar zij haar schreden ook richtte, overal bogen hare onderdanen
+voor haar in het stof.
+
+"Ik ben wel de machtigste vrouw der wereld, sprak de koningin tot haren
+echtgenoot, maar toch, wenschte ik mij op reis te begeven en mijn
+rijkdom en glans door duizenden te laten bewonderen."
+
+"Uw wil geschiede!" antwoordde de koning en de fiere vorstin begaf zich
+op weg.
+
+In steden en dorpen werd zij met ongemeenen luister ontvangen en de
+burchtheeren der trotsche kasteelen betwistten elkander de eer, de
+geduchte vrouw en haar schitterend gevolg te ontvangen en te herbergen.
+
+De reis der koningin was een onafgebroken zegetocht.
+
+"Gevoelt uwe Majesteit geen lust naar ons koninklijk hof terug te
+keeren?" vroeg de koning aan de koningin.
+
+Maar de fiere vorstin schudde het met goud gekroonde hoofd, streelde het
+prachtig ros, waarop zij gezeten was, reisde verder en bereikte een haar
+onbekende landstreek.
+
+Hier zat eene nog jonge vrouw op den troon, schoon als een heldere
+zomerdag, kalm en krachtig, minzaam en zacht als eene teedere moeder.
+
+Zij was in goudgele zijde gekleed; een zwarte leeuw lag aan hare voeten
+en een schilderachtige stoet van jongelingen en meisjes omringde en
+beschermde haar.
+
+Zij ontving de trotsche vorstin met eerbied, doch niet met de slaafsche
+onderwerping, waaraan de ijdele vrouw gewoon was; daarom ontstak deze in
+toorn en sprak op bitsen toon:
+
+"Weet gij dan niet, dat, zelfs zij, die tot den hoogsten adel behooren,
+voor mij in het stof buigen?"
+
+"Ik ken geen anderen adeldom, dan arbeid en deugd" antwoordde de schoone
+vrouw.
+
+De koningin lachtte spottend: "Zijn dat misschien uwe vazallen" vroeg
+zij, een afgunstigen blik werpend op de jongelingen, die rondom den
+troon waren geschaard.
+
+"Neen, vorstin, dat zijn mijne zonen," luidde het fiere antwoord. "Niet
+in rijkdom, maar met onuitsprekelijke liefde heb ik ze grootgebracht."
+
+"Ik dacht hier alleen koningin te zijn" sprak de afgunstige vorstin,
+maar ik zie hier honderd vrouwen, die meer op koninginnen gelijken dan
+ik zelve."
+
+"Mijne dochters bedoelt gij, vorstin? Inderdaad, zij zijn schoon en
+prachtig uitgedoscht, en toch werden mijne kinderen niet in weelde en
+overvloed grootgebracht. Ik leerde hun den arbeid liefhebben en
+waardeeren; mijne zonen zaaien en maaien, zij weven, metselen en
+timmeren, zij bevaren de zee en reizen van land tot land. Mijne dochters
+spinnen, naaien, borduren...."
+
+"Genoeg" gebood de koningin, "dit onderhoud duurt al te lang. Buigt
+allen de knie voor mij en erkent mij als uwe wettige, uwe eenige
+gebiedster."
+
+Maar nu zag en hoorde de trotsche vrouw, wat zij nog nooit had gezien
+noch gehoord.
+
+"Wij buigen voor niemand," spraken moeder en kinderen als uit eenen
+mond, terwijl de leeuw aan den voet van den troon opsprong, zijne fiere
+manen schudde en een vervaarlijk gebrul aanhief.
+
+De koningin vlood ijlings weg en, nog denzelfden dag sprak zij tot haren
+echtgenoot:
+
+"Die gemeene vrouw en hare kinderen hebben mij bloedig gehoond. Zend
+gewapende dienaars tot hen, dat zij hunne zwaarden, messen, bogen en
+pijlen gebruiken en heel het hoogmoedige ras aan onze heerschappij
+onderwerpen."
+
+Maar de koning schudde het hoofd en sprak:
+
+"Er bestaan, o koningin, veel doeltreffender wapens dan zwaarden,
+messen, bogen en pijlen, laat mij begaan, ik zal u bewijzen dat "list,
+niet zelden overwint, geweld."
+
+De sluwe vorst toonde zich zacht en gedwee als een lam en trachtte zijne
+slachtoffers door honingzoete woorden en schoone beloften te misleiden;
+maar, na eenigen tijd, ontdeed hij zich van zijne schapevacht, toonde
+zich in zijne werkelijke gedaante en volbracht het bevel zijner trotsche
+echtgenoote.
+
+Maar de kloeke vrouw en hare knappe kinderen waakten, lieten zich niet
+bedwingen en verjoegen de huurlingen des konings.
+
+Deze keerden naar hunnen meester terug en onderrichtten hem van het
+gebeurde.
+
+"Keert terug" sprak de vorst, dat krijgslieden en soldeniers u
+vergezellen. Neemt de wederspannige vrouw gevangen, slaat haar in
+boeien, brengt haar naar hier, dat ik haar opsluite, haar doe verkwijnen
+in eene kille en duistere gevangenis.
+
+En de krijgslieden vertrokken om het bevel huns meesters ten uitvoer te
+brengen.
+
+Nu hadden de talrijke kinderen der edele vrouw groot verdriet, maar twee
+hunner, de meest geliefde zonen der waardige moeder, wisten hunne
+broeders en zusters moed in te spreken en ze tot krachtdadige tegenweer
+aan te zetten.
+
+"Plicht en liefde dwingen ons te handelen," spraken zij, "het goede
+recht is met ons. Onze moeder schonk ons het leven, zij leerde ons
+arbeiden, voortbrengen, scheppen, zij ontwikkelde onzen geest en leerde
+ons de deugd liefhebben. Vrij! eeuwig vrij zal zij wezen; boven de
+trotsche koningin moet zij uitblinken, de heele wereld moet haar eeren
+en achten, niet om hare adellijke geboorte, niet om hare schatten, maar
+om hare hoedanigheden, om haren geest en hare deugd, om haren
+vrijheidszin, om de voortbrengselen van haren arbeid en van hare kunst."
+
+En allen togen ten strijde, allen besloten te overwinnen of hun leven te
+laten voor de vrijheid hunner innig geliefde moeder.
+
+De koning ondertusschen riep zijne edelste en dapperste ridders op.
+
+"Gaat" sprak hij, "vernielt het gemeene ras, dat mijne macht trotseeren
+durft."
+
+De ridders vertrokken op hunne steigerende rossen; hunne helmen en
+harnassen blonken in het zonnelicht, hunne vaandels wapperden in den
+morgenwind, hunne krijgstrompetten schalden door bosschen en dalen, over
+heuvels, over velden, over duinen en weiden.
+
+Bij voorbaat verheugden zij zich over hunne overwinning. Waren zij niet
+de bloem der krijgslieden? Hadden, tot hiertoe, niet alle vijanden voor
+de macht hunner wapenen moeten zwichten?
+
+Minachtend, honend zagen zij op hunne tegenstanders neer en, door
+hoogmoed verblind, zonder nadenken, gingen zij den onrechtvaardigen
+strijd aan, tegen hen, die, als helden, het dierbaarste verdedigden, dat
+menschen op aarde bezitten kunnen.
+
+Hevig woedde de kamp. Menschenbloed werd bij stroomen vergoten,
+doodskreten klonken, akelige zuchten van gewonden lieten zich hooren en
+de gouden Julizon, die veel liever eene zee van ruischende korenaren had
+doen rijpen, weende omdat zij de kinderen der menschen, als te vroeg
+afgemaaide halmen, ter aarde zag vallen.
+
+Omstreeks den middag, lagen meestal de trotsche ridders in het zand;
+hunne gulden sporen, hunne harnassen, helmen, waren met bloed bevlekt,
+hunne wapperende vaandels gescheurd, bezoedeld en door het slijk
+gesleurd.
+
+Een daverende kreet van vrijheid en verlossing galmde over stad en dorp,
+over land en water; de beste, de liefderijkste aller moeders was gered
+door hare minnende, dankbare kinderen.
+
+
+
+
+46.--Strijd der vlaamsche Gemeenten tegen den koning van Frankrijk.
+
+
+Alvorens nog het slot van het voorgaande sprookje gelezen te hebben,
+hadden de meeste mijner lezers waarschijnlijk geraden, dat de trotsche
+vorstin Frankrijk was en de liefderijke moeder Vlaanderen.
+
+De koningin draagt eenen mantel, die met zilveren lelien is geborduurd;
+een zwarte leeuw, op gouden veld, rust aan de voeten der kloeke,
+Vlaamsche moeder.
+
+Wie gevoelt zich niet aangetrokken tot Vlaanderen, dat arbeid als
+adeldom beschouwde, welks kinderen leerden spinnen, weven, metselen,
+timmeren, den akker bebouwen en dat dan ook, door diezelfde kinderen, om
+zijn kloek verstand, zijne rechtschapenheid, zijn gulden hart werd
+bemind en verdedigd?
+
+De koning van Frankrijk, Philippe le Bel (de Schoone) en zijne vrouw
+Johanna van Navarre[31] beseften ten volle de stoffelijke waarde van
+Vlaanderen.
+
+Maar Philippe was listig; hij wachtte zich wel zijne inzichten openbaar
+te maken.
+
+Op sluwe wijze mengde hij zich in de innerlijke twisten, die, zooals wij
+vroeger leerden, de inwoners onzer gemeenten verdeelden.
+
+Langzamerhand won hij de gunst der edellieden en rijke burgers, die
+hoopten, dat de koning hunne zucht naar alleenheerschappij zou
+begunstigen.
+
+Zoo kwam het dat, al wie in Vlaanderen den koning van Frankrijk genegen
+was, den naam kreeg van Leliaart.
+
+De menschen van den lagen stand, de nederige ambachtslieden, hielden van
+de Leliaarts niet, en heetten "Klauwaarts" naar de klauwen van den
+Vlaamschen Leeuw.
+
+Gwyde, graaf van Vlaanderen, ijverzuchtig op den invloed der Leliaarts
+zijnde, steunde de Klauwaarts. Gwyde werd tot tweemaal toe gevangen
+genomen door den koning van Frankrijk, die Vlaanderen bemachtigde.
+
+[Illustration: Fransch wapenschild.]
+
+[Illustration: Vlaamsch wapenschild.]
+
+In 1301 brachten Philippe le Bel en zijne gemalin een bezoek aan
+Vlaanderen en de koning vertrouwde het bestuur van het graafschap toe
+aan een Fransch edelman, Jacques de Chatillon.
+
+Maar de Klauwaarts, de wakkere zonen van Vlaanderen waakten. Zij zouden
+de plannen van den arglistigen koning verijdelen!
+
+De Leliaarts intusschen zagen hoe langer hoe meer, misnoegd neer op de
+Klauwaarts en Jacques de Chatillon toonde zich zoo onkundig in het
+besturen van het graafschap, dat de geheele volksklasse tegen hem aan
+het morren ging.
+
+Te Brugge kwamen de inwoners in opstand en doodden op eenen nacht
+honderden Franschen en Leliaarts.
+
+Jacques de Chatillon vluchtte naar Frankrijk en de meeste gemeenten
+kozen partij voor de Klauwaarts.
+
+Te Brugge stelden zich Pieter de Coninc, deken der wevers en Jan
+Breydel, deken der vleeschhouwers aan het hoofd der neringen, die de
+wapenen hadden opgenomen. De Bruggenaars vielen in hunne stad onverhoeds
+de Franschen aan en doodden ze in grooten getale. Deze gebeurtenis noemt
+men de "Brugsche Metten."
+
+ * * * * *
+
+Weldra zond Philippe le Bel naar Vlaanderen een schitterend leger, dat
+onder bevel stond van zijn broeder Robrecht van Artois.
+
+De bloem der Fransche ridders maakte deel uit van dat leger en de
+koning, in zijne gramschap, had bevolen de steden te plunderen, de
+velden te verwoesten, de bevolking uit te roeien en--hoe schandelijk
+zulks in het boek der Geschiedenis te moeten neerschrijven--de ridders
+haakten er naar het bevel des konings ten uitvoer te brengen!
+
+Maar de Vlaamsche gemeentemannen zouden het menschonteerende schelmstuk
+beletten!
+
+Op den Groeningen kouter, bij Kortrijk, wachtten zij, in dichte
+gelederen, de vreemde indringers af en deze meenden, reeds bij den
+eersten aanval, de nederige poorters te verpletteren, die zij
+verachtten.
+
+Eene smalle beek liep door de moerassige weide en scheidde beide legers
+van elkander.
+
+In onstuimige vaart, waagden het de Fransche ridders de beek over te
+springen, maar, belemmerd door hunne zware wapenrustingen, zonken zij
+met hunne paarden in het slijk.
+
+Toen trokken de gemeentemannen in gesloten gelederen voorwaarts,
+roepende: "Vlaanderen den Leeuw!" Zij richtten onder de Fransche edelen
+eene vreeselijke slachting aan; prinsen, ridders, voetknechten, Robrecht
+van Artois, Jacques de Chatillon bleven op het slagveld.
+
+Na den veldslag raapte men, op de met lijken bezaaide vlakte, meer dan
+700 gulden sporen op, welke men als zegeteekens in Onze Lieve Vrouwkerk
+te Kortrijk ophing.
+
+De bloedige veldslag, die plaats greep op 2 Juli 1302, draagt den naam
+van Gulden Sporenslag.
+
+De mare van deze nederlaag weerklonk in ons land en in den vreemde. Te
+Rijsel, te Yperen, te Gent kwamen de Klauwaarts aan het hoofd der
+gemeenten en de gemeentemannen bekwamen talrijke voorrechten. Zelfs in
+Frankrijk verzetten de nederige ambachtslieden van sommige steden zich
+tegen den koning en de steden van Italie zonden hare gelukwenschen aan
+de Vlaamsche gemeenten.
+
+De merkwaardige Sporenslag had nog een ander belangrijk gevolg:
+
+[Illustration: Zegel van 1305.]
+
+Hadden de Fransche ridders de overwinning behaald, Vlaanderen ware bij
+Frankrijk ingelijfd en een Fransch wingewest geworden. Zijne taal, zijne
+beschaving, zijne kunst zouden uitgeroeid zijn en het tegenwoordige
+Belgie niet bestaan.
+
+Eere dus aan de Vlaamsche Zonen, die zoo heldhaftig hunne moeder
+verdedigden.
+
+
+
+
+47.--Hongersnood!
+
+
+Het was winter en nijpend koud. Op een zolderkamertje, in een houten
+huis der Wolvesteeg, dicht bij de Vrijdagsmarkt te Gent, zat eene jonge
+vrouw te zuchten en te weenen.
+
+Zij was mager als een geraamte en het kindje, dat op hare knieen lag,
+kreunde pijnlijk en met zwakke stem. Zijne handjes waren rimpelig als
+die eener oude vrouw, zijne gelaatskleur was blauw en koortsvuur gloeide
+in zijn wijdgeopende oogjes[32].
+
+"Arm Betteken, ween zoo droevig niet" snikte de jonge moeder. "Gij zijt
+ziek van honger en gebrek en ik heb geen korstje brood om u te spijzen,
+geen druppel melk om u te laven. Uw vader en zijne gezellen zitten
+werkeloos op de Vrijdagsmarkt.
+
+Arm kind! wat zal er van ons geworden! In Gent is geen slag werk te
+vinden, alle weefgetouwen liggen stil.... God weet! wanneer die akelige
+toestand veranderen zal!..."
+
+Het scheen alsof de klagende stem der moeder het arme Betteken in slaap
+suste, want, langzamerhand verzwakte het gekreun om eindelijk geheel op
+te houden.
+
+De moeder echter suste het wichtje voort en zag het bij wijlen aan met
+treurigen, doch liefderijken blik.
+
+Eensklaps teekende zich eene ontzettende uitdrukking van schrik op haar
+bleek gelaat. Bettekens oogjes waren gesloten, haar lichaampje was stijf
+en onbeweeglijk, zij ademde niet meer en....
+
+"Dood! dood! mijn kind is dood! gestorven van honger, verstijfd van
+koude!" gilde de arme vrouw met radeloozen schrik, waarop zij, het
+wichtje aan hare borst drukkend, de deur openwierp en huilend en
+weenend, de trap af, naar beneden stormde.
+
+Weldra bevond zij zich in eene woonkamer, waar een jong meisje aan het
+ziekbed harer moeder was gezeten.
+
+Bij het akelig gekerm der binnentredende, sprong de maagd ijlings op,
+terwijl de kranke zich in de bedstede oprichtte.
+
+"Om Gods wil, bedaar, vrouw Katelijne, bedaar," sprak het meisje, maar
+de vrouw schreide maar immer door en bedekte het aangezicht van haar
+Betteken met tranen en kussen.
+
+"Ontkleed het kindje, leg het op tafel, Livina," sprak de zieke moeder
+tot hare dochter, neem een wollen doek en wrijf het arme schaapje tot
+het bijkomt...." en uitgeput liet de zieke het hoofd weer op de peluw
+vallen.
+
+Livina deed zooals de kranke had gezegd. Zij wreef het koude lichaampje,
+dat na eene poos weder warm werd, toen opende zij het mondje van het
+wichtje en goot eenige druppeltjes melk tusschen zijne paarse lipjes.
+
+De doodskleur verdween van de magere wangetjes, het kind sloeg de
+oogleden op, en zijne zachte blauwe oogjes zochten de nog altijd
+weenende moeder.
+
+"Goede Livina, heb dank!" kreet Katelijne, maar Livina scheen hare
+dankende woorden niet te hooren; zij bracht de vrouw bij den haard,
+dwong haar zich op eene bank neder te zetten en hare koude ledematen te
+verwarmen.
+
+"Keer naar uw zolderkamertje niet terug, Katelijne," sprak Livina,
+"blijf bij ons tot uw echtgenoot terugkeert...."
+
+"Wij ook zijn ongelukkig," vervolgde zij op de kranke wijzend, "maar
+eigen leed heeft bij ons de liefde niet uitgedoofd, die wij onzen
+evenmensch verschuldigd zijn."
+
+"Er is nog brood in de schapraai," sprak de zieke moeder, "Livina, zet
+het Katelijne voor en warm heur wat melk. "
+
+"Ik dank u, Geertrui," antwoordde Katelijne. "Gij zijt al te, goed, gij
+zelve zijt ziek van gebrek en uw zoon Antoon is werkeloos."
+
+"Dezen morgen," zei thans Livina, "verkocht ik bij den juwelier in de
+Geldmunt, den gouden ring, dien moeder van hare grootouders erfde. Van
+honger zullen wij dus niet sterven en de ongelukkige toestand waarin
+alle Gentenaars zich bevinden, zal veranderen."
+
+Katelijne schudde het hoofd. "In onze stad is alle nering uitgedoofd,"
+sprak zij treurig.... "Nog altijd weigeren de Engelschen ons wol te
+zenden, nog veertien dagen en Gent sterft van honger en gebrek."
+
+"Hoop op de toekomst," vervolgde Livina. "Heeft de Wijze Man niet
+beloofd met den koning van Engeland te onderhandelen en Vlaanderen van
+den ondergang te redden? Geloof mij, Katelijne, eer het laatste
+geldstukje, dat ik voor onzen gouden ring ontving verteerd zal wezen,
+zullen de neringen den arbeid hebben hervat."
+
+"Moogt gij waarheid spreken," hernam de jonge moeder, ... "maar de
+honger, de angst hebben mij, arme, het hopen afgeleerd."
+
+Eensklaps werd de huisdeur van buiten geopend en de twee mannen stormden
+juichend binnen.
+
+"De Engelsche wol komt weer vrij in Vlaanderen!" riepen zij als uit
+eenen mond. De Wijze Man van Gent heeft ons gered! Nog drie dagen en de
+Neringen kunnen den arbeid hervatten!
+
+De oogen der beide mannen straalden van blijdschap.
+
+De jongste, Livina's broeder, was een weversgezel, klein van gestalte,
+mager, doch ongemeen vlug in al zijne bewegingen.
+
+Zijn gezel, de echtgenoot van Katelijne, was een groote, krachtige
+voller, met grove handen en sterkgespierde ledematen.
+
+Hij nam zijn kind in de armen en trachtte zijne vrouw op te beuren.
+
+Deze verhaalde hem, wat er gedurende zijne afwezigheid was voorgevallen
+en de stoere voller, veegde met zijne grove hand de tranen af, die hem
+over de wangen biggelden.
+
+"Heb dank, Livina, heb dank, moeder Geertrui, stotterde hij...." maar
+Livina hoorde niet.
+
+Zij stond met haren broeder voor de bedsponde der kranke.
+
+"Thans zult gij spoedig genezen, moeder," lachte Antoon. "Naarstig en
+onvermoeid zal ik voor u werken, u vleesch en eieren koopen! Nog
+veertien dagen en, aan Livina's arm, wandelt gij op de Vrijdagsmarkt.
+
+De zieke glimlachte. Katelijne en Simon de voller, wilden met Betteken
+naar het zolderkamertje gaan, maar Antoon de wever hield ze terug.
+
+"Boven is het veel te koud" sprak hij "warmt u bij den haard en deelt
+ons brood. Laten wij den avond gezellig doorbrengen en praten over den
+arbeid, dien wij welhaast zullen hervatten!"
+
+
+
+
+48.--Jakob Van Artevelde, de Wijze Man van Gent.
+
+
+Het treurige tooneel, dat wij in het somber huisje der Wolvesteeg
+bijwoonden, was te Gent en elders, niet eenig in zijn soort; ten jare
+1339 heerschten ellende, gebrek, ziekte in gansch Vlaanderen.
+
+[Illustration: Kruisboogschutter. (ten tijde van Jacob van Artevelde)]
+
+Ziehier wat er was gebeurd: Karel IV, koning van Frankrijk, was
+gestorven zonder mannelijke erfgenamen na te laten en twee vorsten
+betwistten elkaar zijne kroon.
+
+Het waren Filips van Valois, neef van den overleden koning en Eduard
+III, koning van Engeland. Een verschrikkelijke strijd, de honderdjarige
+oorlog, brak uit tusschen Frankrijk en Engeland. De graaf van
+Vlaanderen, Lodewijk van Nevers, koos partij voor Filips van Valois en
+wilde Vlaanderen in een verbond met Frankrijk betrekken.
+
+Weldra verbood Eduard III den uitvoer der Engelsche wol naar Vlaanderen
+en door dien maatregel was de wolweverij, de voornaamste tak van
+nijverheid onzer streken, ten gronde gericht.
+
+De vollers, wevers, ververs bevonden zich zonder werk en onze arme
+voorouders leden verschrikkelijk. Te Gent vergingen de inwoners
+letterlijk van honger en gebrek.
+
+In deze stad leefde toen een man, die boven zijne tijdgenooten uitblonk
+door zijne wijsheid en welsprekendheid.
+
+Hij heette Jakob Van Artevelde, maar zijne stadgenooten noemden hem "den
+Wijzen Man van Gent."
+
+"Laten wij om raad gaan bij den Wijzen Man" riepen de Gentenaars als
+uit eenen mond. "Hij alleen kan ons redden."
+
+Artevelde bewees aan zijne medeburgers, dat zij bevriend moesten blijven
+met den koning van Engeland, zonder daarom tegen den koning van
+Frankrijk te strijden of anders gezegd, dat zij onzijdig moesten
+blijven.
+
+Jakob Van Artevelde onderhandelde met beide vorsten en volbracht zijne
+taak op uitstekende wijze.
+
+Filips van Valois en Eduard III erkenden de onzijdigheid van Vlaanderen,
+de Vlaamsche schepen mochten vrij de zee doorkruisen, de Engelsche wol
+werd hier heengebracht, ellende en hongersnood weken uit stad en dorp.
+
+De invloed van den Wijzen Man groeide gedurig aan. Door zijne
+bemiddeling sloten de gemeenten van Vlaanderen en Brabant een verbond,
+dat weldra erkend werd door Henegouwen, Holland en Zeeland.
+
+Frankrijk echter erkende niet langer Vlaanderens onzijdigheid. Op raad
+van Van Artevelde, nam Eduard III den titel aan van koning van
+Frankrijk[33] en sloot in 1342 een verbond met Vlaanderen.
+
+De Franschen verloren den zeeslag van Sluis en Eduard maakte zich deze
+overwinning ten nutte om Doornik te belegeren. Weldra kwam een
+wapenstilstand de vijandelijkheden schorsen.
+
+Graaf Lodewijk van Nevers was naar Frankrijk teruggekeerd; Jacob Van
+Artevelde zag zich, met den titel van Ruwaert, het bestuur van
+Vlaanderen toevertrouwd. Handel en nijverheid bloeiden, landbouw,
+rivier-en zeevaart herleefden.
+
+
+
+
+49.--Broedermoord.
+
+
+Eenige jaren zijn verloopen en, in het houten huis der Wolvesteeg, wonen
+nog altijd onze vroegere bekenden Livina, Antoon en hunne moeder, Simon,
+Katelijne en Betteken, dat tot een lief meisje is opgegroeid.
+
+Het akelige spook van den honger bedreigt niet langer de sombere woning,
+gezondheid en welstand zijn er teruggekeerd, maar helaas ... vrede noch
+geluk zijn er binnengedrongen.
+
+Antoon de wever en Simon de voller zijn geene vrienden meer maar
+vijanden. Als zij elkander ontmoeten ballen zij de vuisten en roepen
+elkander scheldnamen toe.
+
+En weder is voor de arme vrouwen een treurig tijdvak van lijden en
+tranen aangebroken.
+
+Op eenen Maandag morgen had Simon al vroeg zijn zolderkamertje verlaten.
+
+"Zoek eene andere woning," had hij zijne vrouw toegesnauwd, "bij den
+hoogmoedigen wever blijf ik niet langer inwonen."
+
+Betteken had vader om een kus gesmeekt, maar toen zij dien ontving, had
+zij, onder vaders kolder, het harde staal eener scherpe bijl gevoeld.
+
+Ook Antoon de wever, was sedert geruimen tijd opgewonden, ruw en barsch.
+De zoete stem zijner zuster, de tranen zijner moeder konden den storm
+niet bedaren, die in zijn binnenste woedde.
+
+Op dien akeligen Maandag morgen had hij, gewapend, de moederlijke woning
+verlaten, terwijl hij, bij het henengaan, gruwelijke woorden van dood en
+moord had gemompeld.
+
+Thans zaten de vrouwen biddend in de sombere woonkamer, tranen van angst
+biggelden over hare wangen en treurig klonk hare smeekbede:
+
+"En vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onze schuldenaren."
+
+"Verlos ons van den kwade" prevelde Livina, maar sprong weldra, evenals
+de andere vrouwen, verschrikt op.
+
+Huilend en schreeuwend, met kletterende wapens, trokken scharen
+ambachtslieden door de enge steeg, terwijl van de naburige Vrijdagsmarkt
+een verward gedruisch van menschenstemmen, als de deining eener woelige
+zee, tot het oor der vrouwen doordrong.
+
+"Ik blijf hier niet langer, kermde Livina. Ik wil Antoon halen ... bij
+de liefde zijner moeder zal ik hem bezweren naar huis te komen."
+
+"Ik vergezel u, Livina" sprak Katelijne. Misschien kunnen wij, vrouwen,
+moord en doodslag beletten.
+
+"Moeder" sprak Livina vastberaden, "sluit de deur dicht achter ons,
+verberg u met Betteken op het zolderkamertje en bid voor de Gentsche
+ambachtslieden."
+
+De twee vrouwen verlieten de woning en bevonden zich weldra op de markt.
+
+Eene grijze stofwolk verhief zich boven het uitgestrekte plein, waar een
+akelig schouwspel de oogen der vrouwen trof.
+
+Honderden ambachtslieden vochten er tegen elkander; vollers met
+opgestroopte mouwen, blauwververs met donkergekleurde handen,
+vleeschhouwers met messen en priemen, smeden met zware bijlen,
+sjouwerslieden met lasthaken, brouwers, timmerlieden, bakkers, schippers
+woelden door elkander, bloed vloeide langs den grond, droevige klachten
+van stervenden, pijnlijke kreten van gekwetsten, stegen naar omhoog.
+
+Livina sloot de oogen en meende te sterven, maar eensklaps stiet
+Katelijne een ontzettenden kreet van wanhoop en smart uit, trok Livina
+bij den arm mede in de richting der Waaistraat.
+
+De knieen van het meisje knikten en toch volgde zij hare gezellin....
+Was het zinsbedrog? Was het werkelijkheid?... Neen, zij droomde niet,
+haar broeder lag op den grond, terwijl Simon de voller hem de knie op de
+borst drukte en het moordend staal boven zijn hoofd zwaaide.
+
+"Gij zult niet doodslaan," riep Katelijne, "hebt gij vergeten dat Simons
+zuster ons kind van den dood redde?"
+
+Zij sprong op haren echtgenoot toe, trok hem het moordende wapen uit de
+hand en vluchtte met hem door de Zuivelsteeg.
+
+Ondertusschen had Livina haren broeder opgericht en het bloed
+afgeveegd, dat langs zijne wangen sijpelde. Antoon waggelde als een
+dronken man, doch Livina ondersteunde en bracht hem, dwars door de
+vechtende ambachtslieden, bij zijne moeder in het somber huisje der
+Wolvesteeg.
+
+
+
+
+50.--Dood van Jakob Van Artevelde.
+
+
+De vreeselijke dag, waarop de Gentenaars, alle broederliefde vergetende,
+zich aan de gruwelijkste moorderijen overgaven, wordt door de
+geschiedenis met den naam van "Quade Maendach" bestempeld.
+
+De gemeenten, die het nageslacht zulke schoone voorbeelden van
+werkzaamheid en vrijheidsliefde gaven, waren niet vrij te pleiten van
+groote gebreken, die onvermijdelijk haren ondergang moesten bewerken.
+Zij waren ijverzuchtig, jaloersch op elkander; de groote gemeenten
+beheerschten de kleine, alsook het platteland. Niet zelden leefden de
+verschillende neringen eener zelfde gemeente in onmin met elkander.
+
+In 1345 leefden te Gent de vollers, wevers en de kleine neringen in
+volslagen vijandschap.
+
+De haat der ambachtslieden onder elkander was zoo hevig, dat zij, zooals
+het vorige verhaal ons leerde, elkander gewapend aanvielen en
+afgrijselijke broedermoorden pleegden.
+
+Niets was in staat den steeds klimmenden haat der ambachtslieden te
+dooven, zelfs de stem van Artevelde, den Wijzen Man, was niet krachtig
+genoeg om de opgewonden bevolking kalmer en redelijker te maken.
+
+Allengs vergaten vele Gentenaars, al wat zij den Wijzen Man verschuldigd
+waren; zijn invloed verminderde en benijders, vijanden, schijnen
+getracht te hebben zijn goeden naam te bezoedelen.
+
+In de maand Juli 1345 begaf Artevelde zich naar Sluis om met Eduard III
+te onderhandelen en, bij zijne terugkomst naar Gent werd hij ongemeen
+koel ontvangen, ja, dreigende stemmen verhieven zich tegen den eens zoo
+geliefden volksvriend.... 's Avonds begaf zich eene woedende
+volksmenigte naar Artevelde's huis en sloeg de deuren in.
+
+De Wijze Man trad vooruit, wilde tot het volk spreken, het bedaren,
+maar, hij werd niet eens aangehoord en ... onvergeeflijke snoodheid, de
+bijl eens moordenaars durfde zich boven het hoofd van den grooten
+volksvriend verheffen.
+
+Zij viel neer en doodde den doorluchtigsten inwoner der Gentsche stad.
+
+Het nageslacht erkende de groote verdiensten van Jakob Van Artevelde.
+Heden verheft zich het bronzen standbeeld van den grooten Man op de
+Vrijdagsmarkt, waar hij zoo menigmaal sprak tot het volk.
+
+
+
+
+51.--Graaf Lodewijk van Male.
+
+
+Hij leefde in weelde en overvloed, hij maakte muziek met zijne
+minstreelen[34] of hield zich bezig met zijne vogels, honden en apen.
+
+"Ik houd het met den graaf" zei Ghysbrecht Mahu "hij is rijk en machtig.
+Hij zal mij aan zijn hof uitnoodigen, mij prachtige steekspelen en
+ridderfeesten laten bijwonen. Met vorsten en edellieden zal ik omgaan en
+mijne dochters, in zijde en fluweel gekleed, met peerlen en smaragden
+getooid, zullen uitblinken tusschen de meest schitterende vrouwen van
+Vlaanderen."
+
+"Ik houd het met mijn volk" sprak Jan Yoens. "Ik wil lijden als het
+lijdt, arbeiden aan zijn welzijn, sterven voor zijne vrijheid."
+
+En beide Gentenaars hielden woord. Lodewijk van Male gaf schitterende
+feesten en noodigde al de ridders van Brabant, van Holland, Henegouwen,
+Picardie[35], aan zijn hof.
+
+Te Gent woonden doorluchtige heeren en edele vrouwen. De graaf ontving
+die in zijne paleizen en op zijne kasteelen.
+
+De heeren droegen lange mantels, met bontwerk gevoerd, groote hoeden
+van beverhaar, gevlamde gordelriemen en schoenen met zilveren gespen.
+
+De vrouwen hadden scharlaken kleederen, versierd met edelgesteenen; zij
+droegen falien van rood fluweel of van venetiaansche stoffen met goud of
+zilver doorweven.
+
+Jan Yoens en zijn volk arbeidden en leden, want zij waren het die de
+feesten des graven moesten betalen; te Gent deed de graaf eene belasting
+afkondigen, die hij wilde heffen, maar de inwoners verhieven de stem en
+verzetten zich tegen die onwettige afpersing.
+
+"De schattingen door 't volk opgebracht moeten niet dienen om
+kluchtspelers en potsenmakers te betalen," sprak een hunner en al de
+andere poorters vereenigden zich met zijne weigering.
+
+Zeer verbitterd, begaf zich de graaf naar Brugge, waar hij hulpgeld aan
+de gemeente vroeg.
+
+"Ik zal u toelaten eene vaart te graven, waardoor gij de wateren der
+Leie kunt afvoeren," beloofde hij, "die vaart kunt gij verbinden met de
+Reye, en het graan van Artois[36] zal niet langer naar Gent, maar naar
+Brugge worden gevoerd.
+
+De Gentenaars zullen het voorrecht verliezen, dat zij tot hiertoe hadden
+genoten.
+
+Het ijverzuchtige Brugge voldeed aan het verlangen van den graaf en
+weldra begaven zich vijfhonderd Brugsche werkers aan den arbeid om den
+loop der Leie te verleggen.
+
+De Gentenaars vernemen het gevaar, dat hunnen handel en hunne welvaart
+bedreigt, allen scharen zich rondom Yoens, hem smeekende, hen toch met
+zijne raadgevingen bij te staan.
+
+"Laten wij opstaan en strijden" sprak Yoens. "Als wij overwinnen zullen
+wij gewroken zijn en, als wij vallen, zullen onze kinderen den strijd
+voortzetten."
+
+Dat elke nering de wapens opneme, en de stadsbannier volge, dat, bij het
+hooren der stormklok, ieder onder het vaandel zijner nering sta en dat
+God ons bescherme!"
+
+Weldra werd in Gent het gilde der Witte Kaproenen opgericht, aldus
+genaamd naar hun hoofddeksel.
+
+Zij trokken de Stad uit en dreven het werkvolk uiteen dat, tusschen
+Aalter en Knesselare, aan de nieuwe vaart arbeidde.
+
+In verraderlijke taal berichtte Mahu den graaf, hetgeen in Gent voorviel
+en, op zijn kasteel van Male gebood Lodewijk, dat men Jan Yoens en zijne
+helpers gevangen nemen en ze ter dood brengen zou.
+
+Maar de Gentenaars waakten; zij versloegen de lieden van den graaf en
+staken te Wondelgem zijn kasteel in brand.
+
+Jan Yoens, als hoofdman van Gent uitgeroepen, bezocht Dendermonde,
+Aalst, Deynze, Ninove, begaf zich naar Brugge en trad met den
+burgemeester en de hoofden der neringen in onderhandeling.
+
+Van Brugge reisde hij naar Damme. Eene maand tijds was hem genoeg
+geweest om in gansch Vlaanderen het gezag der gemeenten te herstellen;
+eene schoone toekomst lachte Yoens tegen, reeds waande hij Gent, waande
+hij Vlaanderen gered.
+
+Helaas! het noodlot of ... zijne vijanden achtervolgden hem. Op het
+onverwachts, onmiddellijk na een gastmaal, dat hij bijwoonde, werd Yoens
+ongesteld en voelde zijn einde naderen.
+
+Zijne vrienden legden hem op eene draagbaar om hem naar Gent terug te
+brengen, doch Yoens stierf onderweg.
+
+Langzaam bereikte de treurige stoet de diepbeproefde stad; de
+geestelijkheid kwam het lijk van den hoofdman te gemoet en het dankbare
+Gent begroef Yoens met zulke groote plechtigheden, als ware hij
+Vlaanderens graaf geweest.
+
+De verraders zegepraalden; Mahu won de gunst van den graaf, maar die
+gunst was tijdelijk, terwijl, zes eeuwen na zijnen dood, Jan Yoens immer
+voort leeft in de harten van het dankbare nageslacht.
+
+
+
+
+52.--Philips Van Artevelde.
+
+
+Het was in het jaar 1382. In de benedenkamer zijner woning, eenzaam, bij
+het vallen van den avond, zat een rijzig man in diepe gedachten
+verzonken.
+
+Die man was Filips, zoon van Jakob Van Artevelde.
+
+Hij dacht aan zijne vaderstad, aan het eens zoo machtige, thans zoo
+ongelukkige Gent.
+
+Plotseling treft geraas en dof gemompel het oor van Filips. Het was
+alsof eene groote volksmenigte zich voor de deur verzamelde.
+
+Filips opent een venster en ziet honderden poorters en ambachtslieden
+voor zijn huis vergaderd.
+
+Welk was hunne bedoeling? Op aller gelaat staat diepe verslagenheid,
+ellende, gebrek te lezen.
+
+De klopper bonst op de deur. Filips opent en voor hem staat het bestuur
+der stad, dat hij zich haast binnen te noodigen en eenvoudig, doch
+roerend luidt de aanspraak van den eersten schepen:
+
+"Ser Filips, onze stad bezwijkt, zij is belegerd en hongersnood bedreigt
+ons.
+
+De Wijze Man is niet meer daar om ons te redden ... zal de zoon minder
+vaderlandlievend zijn dan de vader?
+
+Op u hebben wij onze laatste hoop gevestigd, Ser Filips, wij plaatsen
+Gent onder uwe bescherming."
+
+Filips Van Artevelde was diep ontroerd. Een oogenblik verrees het
+bloedig lijk van zijnen vader voor zijne oogen.
+
+Wat zou hij doen? Zich wreken over geleden onrecht of, groot van ziel,
+zich opofferen voor het welzijn zijner stadgenooten?
+
+"Wat mijn vader deed en nog zou doen indien hij kon herleven, zal ik
+zijn zoon, voor u beproeven," sprak hij vastberaden.
+
+"Gaat tot het Gentsche volk en zegt dat ik hun, heden nog, op de
+Vrijdagsmarkt, mijne plannen zal blootleggen."
+
+Het bestuur vertrok en even daarna steeg uit de opeengedrongen
+volksmassa een ontzaglijke jubelkreet: "Heil! Ser Filips, heil!" galmde
+het door de straten der stad.
+
+Onmiddellijk zette Artevelde zich aan den arbeid. Hij kocht al het graan
+op, dat zich in de abdijen en bij rijke poorters bevond en deed het aan
+het volk uitdeelen.
+
+Maar dit was onvoldoende; de hongersnood breidde zich uit en meer dan
+duizend menschen bevonden zich weldra zonder brood.
+
+Filips verliet de stad en toog naar Doornik, waar hij met den graaf
+onderhandelde, maar deze stelde zulke onmogelijke eischen, dat het
+Gentsehe volk besloot liever tot den laatsten man te sterven, dan zich
+daaraan te onderwerpen.
+
+Filips wist de Gentsche poorters met een heilig vuur te bezielen: "Vrij
+of dood" riepen zij uit en meer dan vijfduizend wapenknechten, al die
+nog kracht genoeg bezaten om eene bijl of een zwaard te dragen,
+verlieten in 't geheim de stad en begaven zich op weg naar Brugge,
+waarheen de graaf zich begeven had.
+
+Deze echter, verwittigd zijnde, keerde terug, en werd handgemeen met de
+Gentenaars, op de heide van Beverhout.
+
+Na lang en hardnekkig worstelen werden de benden des graven
+uiteengedreven en de Gentenaars behaalden eene schitterende overwinning.
+
+De graaf ontsnapte slechts bij toeval. De Gentenaars achtervolgden hem
+tot in de straten van Brugge, waar een arm vrouwtje hem op haar
+zolderkamertje verborg.
+
+'s Anderendaags gelukte het Lodewijk van Male vermomd uit Brugge te
+ontvluchten. Hij begaf zich naar Frankrijk en verzocht hulp tegen zijne
+onderdanen.
+
+Alle steden trokken partij voor de Gentenaars.
+
+In November 1382 deed de ontelbare Fransche legermacht met den
+veertienjarigen koning Karel VI aan het hoofd, een inval in ons land.
+
+Yperen gaf zich over, hetgeen Filips Van Artevelde, die Oudenaarde
+belegerde, noodzaakte haastig naar West-Vlaanderen op te rukken om den
+vijand den weg naar Brugge te versperren.
+
+De twee legers ontmoetten elkander te West-Rozebeke; een ongelooflijk
+vertrouwen op den uitslag bezielde Artevelde, maar de slag viel niet
+uit, zooals hij het had voorspeld.
+
+Nooit leden de Vlamingen zulk een bloedige nederlaag; duizenden
+gemeentemannen, waaronder ook Filips Van Artevelde, vonden den dood op
+het slagveld.
+
+Trots de slagen van het noodlot bleef aan Gent nog levenskracht genoeg
+over om den strijd voort te zetten. Eerst in 1386 werd de vrede
+geteekend.
+
+
+
+
+BLADWIJZER
+
+
+1. De Hut in 't Woud
+2. Oud Belgie
+3. Langs Poel en Plas
+4. Bij de Menapiers
+5. Aan den Voet van den Reuzeneik
+6. Verovering van ons Land door de Romeinen
+7. Twee Eeuwen later
+8. De Romeinsche Overheersching
+9. De Romeinsche Villa
+10. Invallen der Barbaren
+11. Een Frankische Knaap
+12. De Franken
+13. Grimbald en Bertolf
+14. De Salische Wet
+15. Van een Koning en eene Prinses
+16. Hlodwig en Clotildis
+17. Amandus
+18. Sint-Bavo
+19. Het Wandelend Woud
+20. De Zonen van Hlodwig
+21. Van een armen kleinen Zanger en een grooten Keizer
+22. Karel de Groote
+23. Renier en Albrade
+24. Invallen der Noormannen
+25. Anneken Soete, de kleine Herderin
+26. De Graven van Vlaanderen
+27. Een Sprookje
+28. Het Slot van Bouillon
+29. De boetvaardige Zondaar
+30. De Kruistochten
+31. Twee Vluchtelingen
+32. Koophandel en Nijverheid
+33. Eene Klokkenvertelling
+34. De Gemeenten
+35. Kapitein Lorenzo en zijne Reis naar Brugge
+36. Brugge
+37. Een Dichter
+38. Jakob van Maerlant
+39. Een Verhaal van Lijden en Tranen
+40. Innerlijke Twisten in de Gemeenten
+41. Eene Voorspelling
+42. Het Prins-Bisdom Luik
+43. Broeder en Zuster
+44. Jan I en het hertogdom Brabant
+45. Twee Vorstinnen
+46. Strijd der Gemeenten tegen den Koning van Frankrijk
+47. Hongersnood
+48. Jakob Van Artevelde, de Wijze Man van Gent
+49. Broedermoord
+50. Dood van Jakob Van Artevelde
+51. Graaf Lodewijk van Male
+52. Filips Van Artevelde
+
+
+
+
+VOORNAAMSTE GERAADPLEEGDE WERKEN.
+
+
+BORMANS S. Le bon metier des Tanneurs de l'ancienne cite de Liege.
+
+DE GERLACHE G. Histoire de Liege depuis Cesar jusqu'a Maximilien de
+Baviere.
+
+DEMAREZ G. Les luttes sociales en Flandre au XIII^e et XIV^e siecles.
+
+FRIS V. Vlaanderens vrijmaking in 1302.
+
+HOTTON J. James and Philip van Arteveld.
+
+HYMANS L. Histoire populaire de Belgique.
+
+JONCKBLOET. Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde.
+
+KURTH. Histoire poetique des Merovingiens.
+ Id. Clovis.
+ Id. La frontiere linguistique.
+ Id. Les origines de la ville de Liege
+
+LUeBKE W. Grundriss der Kunstgeschichte.
+
+MONE F. Uebersicht der Niederlaendischen Volks-Literatur aelterer Zeiten.
+
+NAMECHE. Histoire nationale.
+
+PIRENNE H. Histoire de Belgique.
+ Id. Histoire du meurtre de Charles le Bon.
+
+STALLAERT K. Geschiedenis van Hertog Jan den Eersten van Brabant en zijn
+tijdvak.
+
+TEN BRINK H. Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde.
+
+THONISSEN. La loi salique.
+
+VANDERKINDERE L. De Eeuw der Artevelden
+
+VAN LENNEP. Onze Voorouders.
+
+WAUTERS A. Les libertes communales.
+ Id. Le duc Jan I et le Brabant.
+
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[Noot 1: Herinnert u, dat de Romeinen van Rome kwamen; in
+krijgskunde zeer bedreven waren, en dat de toen bekende wereld hun
+toebehoorde.]
+
+[Noot 2: Hoofdman of centurio, die bevel voert over honderd
+soldaten.]
+
+[Noot 3: Scherpe, platte lans.]
+
+[Noot 4: Zware bijl.]
+
+[Noot 5: Hemel.]
+
+[Noot 6: Hem, heem, heim beteekent woonplaats, erf.]
+
+[Noot 7: Salische komt van Sala (Ysel), rivier in Nederland, dus wet
+van de Franken die woonden aan den oever van de Ysel.]
+
+[Noot 8: Germaansche volksstam, die zich in Oost-Gallie had
+gevestigd.]
+
+[Noot 9: Oude naam van het Zuidelijk gedeelte van Gallie.]
+
+[Noot 10: Austrasie of oostelijke landstreek, tusschen Rijn en
+Schelde.]
+
+[Noot 11: Neustrie of westelijke landstreek, ten westen der Schelde
+en der Boven-Maas.]
+
+[Noot 12: Thans Braine s/la Vesle, bij Soissons, in Frankrijk.]
+
+[Noot 13: De Friezen, woonden langs de kusten der zee aan de monding
+van den Weser, tot aan die van de Schelde. Evenals de Saksers waren zij
+gedurig in oorlog met de Franken.]
+
+[Noot 14: Aldus geheeten naar Merwig, voorvader van Hlodwig.]
+
+[Noot 15: Centgraaf, die rechterlijk toezicht had over honderd vrije
+huisgezinnen (oud Germaansch recht).]
+
+[Noot 16: Thans S^t Amand bij Valencijn in het Noorden van
+Frankrijk.]
+
+[Noot 17: Men beweert, dat hij te Luik of in de omstreken geboren
+werd in 742.]
+
+[Noot 18: Runen = rechtlijnige letters der Noordsche volkeren.]
+
+[Noot 19: Heden eene Fransche stad.]
+
+[Noot 20: Damespaardje.]
+
+[Noot 21: Een malienkolder of hemd; eene soort van hemd of harnas,
+uit malien of ijzeren ringetjes gemaakt.]
+
+[Noot 22: Naam waarmede de Arabieren, in Spanje in Frankrijk en aan
+de noordwestkust van Afrika benoemd werden.]
+
+[Noot 23: Palestina, Syrie (West-Azie).]
+
+[Noot 24: Hardnekkige, slepende huidziekte, die tegenwoordig in
+Europa zelden voorkomt.]
+
+[Noot 25: Sanderus, Flandria illustrata, Keulen. 1641.]
+
+[Noot 26: Addio = vaarwel.]
+
+[Noot 27: Handelsvereeniging.]
+
+[Noot 28: Deze steden maakten geruimen tijd deel van het
+prins-bisdom Luik, dat dus vroeger uitgestrekter was dan onze
+hedendaagsche provincie Luik.]
+
+[Noot 29: Henri Martin.]
+
+[Noot 30: De eersten onder de poorters bij uitnemendheid.]
+
+[Noot 31: Een voormalig koninkrijk in Spanje.]
+
+[Noot 32: Zie _Jacob van Artevelde_.--Hendrik Conscience.]
+
+[Noot 33: Langs moederlijke zijde was hij kleinzoon van Philippe le
+Bel terwijl Filips VI enkel de neef was van den overleden koning.]
+
+[Noot 34: Middeleeuwsche muzikanten of speelmannen.]
+
+[Noot 35: Oude provincie in het Noorden van Frankrijk.]
+
+[Noot 36: Weleer eene noordwestelijke provincie en een der
+korenschuren van Frankrijk.]
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Ons Vaderland van de vroegste tijden
+tot de 15de eeuw, by M. Lievevrouw-Coopman
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ONS VADERLAND ***
+
+***** This file should be named 11288.txt or 11288.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/1/2/8/11288/
+
+Produced by Joris Van Dael and PG Distributed Proofreaders
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's
+eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII,
+compressed (zipped), HTML and others.
+
+Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over
+the old filename and etext number. The replaced older file is renamed.
+VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving
+new filenames and etext numbers.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000,
+are filed in directories based on their release date. If you want to
+download any of these eBooks directly, rather than using the regular
+search system you may utilize the following addresses and just
+download by the etext year.
+
+ https://www.gutenberg.org/etext06
+
+ (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99,
+ 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90)
+
+EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are
+filed in a different way. The year of a release date is no longer part
+of the directory path. The path is based on the etext number (which is
+identical to the filename). The path to the file is made up of single
+digits corresponding to all but the last digit in the filename. For
+example an eBook of filename 10234 would be found at:
+
+ https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234
+
+or filename 24689 would be found at:
+ https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689
+
+An alternative method of locating eBooks:
+ https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL
+
+