diff options
Diffstat (limited to '11288-0.txt')
| -rw-r--r-- | 11288-0.txt | 5353 |
1 files changed, 5353 insertions, 0 deletions
diff --git a/11288-0.txt b/11288-0.txt new file mode 100644 index 0000000..e9c7983 --- /dev/null +++ b/11288-0.txt @@ -0,0 +1,5353 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11288 *** + +ONS VADERLAND + +van de vroegste tijden tot de 15de eeuw door + +M. LIEVEVROUW-COOPMAN +HOOFDONDERWIJZERES + + +Teekeningen van E. ROELANT, kunstschilder. + + +1904 + + + +1.--De Hut in het Woud. + + +Er waren eens twee kinderen, een jongen en een meisje. Zij bewoonden +eene kleine hut, uit leem en riet vervaardigd. Die hut had +schoorsteenpijp, noch vensters, dus konden licht en lucht er enkel langs +de deur binnendringen, terwijl de rook van het haardvuur de woning +verliet door eene nauwe opening, midden in het dak. + +Wel was de hut armoedig, maar het groote woud, dat haar omringde, was +wonderschoon. Heerlijk mos bedekte den grond, hooge varens wiegelden er +hare bleekgroene pluimen, terwijl forsche eiken, ver boven de hut, hunne +takken broederlijk dooreen strengelden. + +'s Zomers zongen honderden vogeltjes in het gebladerte: vinken, meezen, +winterkoninkjes, meerlen, nachtegalen vereenigden er hunne stemmen, tot +één enkel koor van levenslust. + +«Koekoek! koekoek!» klonk het dan schaterend in de verte en de kleine +hutbewoners lachten en herhaalden het spottend geroep van den +zwartgevlerkten zanger. + +Dat vroolijk spelletje duurde dagen en dagen, «Koekoek! koekoek! waar +zijt ge?» vroegen thans de kinderen, «Kom bij ons, we zullen u wormpjes +zoeken en broodkruimels voor u strooien,» maar de vogel kwam niet en +deed, luider en luider zijn eentonigen zang door de blauwe zomerlucht +weergalmen. + +«Willen wij hem opzoeken?» sprak de knaap tot zijn zusje.--«Ik durf +niet, Atto, moeder zegt gedurig, dat wij ons van hier niet mogen +verwijderen.»--«Zij zal het niet weten» lachtte Atto, «zij is vader +tegemoet, die heden van de jacht terugkomt.» + +En Juna liet zich overreden. + +Hand aan hand, blootsvoets, half naakt, stapten de kleinen over het +zachte mos, en zochten den koekoek, wiens spottend gezang, door het woud +weergalmde. Maar, hoe zij ook zochten en zochten, zij vonden den +spottenden zanger niet. + +Vermoeid en treurig rustten zij een poosje en besloten toen huiswaarts +te keeren. De bloote voetjes der kleine Juna waren vurig rood en Atto +had zich, vlak onder de knie aan een scherpen doorn bezeerd, doch om +zijn zusje niet bang te maken, beet hij zich op de lippen en beweerde +geen pijn te gevoelen. + +Maar, waar toch was het smalle pad, waarlangs zij gekomen waren? Atto +zocht het vruchteloos onder de varens en Juna vreesde, dat zij verdwaald +vaaren. + +Klapwiekend vloog de zwarte woudraaf uit een naburig berkenbosje en +daarna werd alles stil, doodstil. + +Langzaam, o! zeer langzaam verstreek de tijd. Atto zocht en zocht, klom +op een boom, tuurde in de verte ... hij zag enkel boomen en niets dan +boomen. + +Eensklaps werd de lucht duister, de wind stak op, bliksemschichten +flikkerden, de donder rommelde. Broer en zuster klappertandden van angst +en koude, maar zij gingen verder, altijd verder. Eindelijk bereikten zij +eene grot, waar zij zich vermoeid in nederzetten. + +En thans vernamen de arme kinderen een vervaarlijk gehuil.... «De +wolven! de wolven!» kreet Juna en sloot zich heel dicht bij haren +broeder aan. + +Atto verzamelde groote steenen en aardklompen, waarmede hij den ingang +der grot versperde, want de avond viel en hij voorzag, dat zij den nacht +in de eenzame schuilplaats zouden moeten doorbrengen. Toen nam hij zijn +schreiend zusje op den schoot en het arme meisje, uitgeput van angst en +vermoeidheid, viel weldra op zijne knieën in slaap. + +Atto echter waakte, hij hoorde het gehuil der wolven, en andere wilde +dieren, dat akelig door het woud weerklonk.... + +'s Anderendaags, vroeg in den morgen, ontwaaktte Juna. Atto nam haar bij +de hand en beide kinderen hervatten hun gevaarvollen tocht. + + * * * * * + +Na een half uur gaans vernamen zij het gemurmel van een beekje dat, +tusschen lisch en weegbree, zijne heldere golfjes voortstuwde. «Wij zijn +gered!» murmelde Atto, «laten wij langs den boord van het water +voortgaan, want het leidt naar de woningen der menschen.» + +Hoopvol nam hij zijn zusje bij de hand en zette zijnen weg voort. De +tocht was lastig; soms verdween het beekje onder hooge struiken of de +kinderen bezeerden zich aan bramen en doornen. Nu en dan hurkten zij +neder, bogen zich over den vliet en schepten met hunne kleine handen, +water, dat zij begeerig aan den mond brachten.... Arme kleinen, zij +leden zoo geweldig door honger en dorst! + +Eindelijk bereikten zij eene plaats, waar het water veel breeder was, +want een tweede beekje vereenigde er zijne golfjes met die van het +eerste. Hier zwommen eendvogels, in menigte en Atto bemertke, dat zijn +zusje en hij, den zoom van het woud hadden bereikt. Wilgjes ruischten +aan den oever van den vliet en de kinderen betraden vol blijdschap eene +malsche weide, waar verscheidene koeien graasden. + +«Daar komt een man,» kreet eensklaps Juna met blijde verrassing. + +«Gangusso! vaders vriend! dezelfde, die verleden jaar onze berenhuid +kocht!» lachte Atto en de man, van zijnen kant, scheen de kinderen te +herkennen, want hij liet een rooden doek boven zijn hoofd zwaaien en +spoedde zich naar de kleinen. + +Gangusso was een man van groote gestalte, met blauwe oogen en lange, +blonde haarvlechten. Hij droeg lederen schoenen en korte, nauwsluitende +kleederen. + +Hij nam de verdwaalde kinderen bij de hand, bracht ze naar zijne +woning, op welker drempel zijne vrouw en een paar dienstmaagden, naar de +kinderen stonden te zien. + +Snikkend verhaalden de kleinen hun treurig wedervaren, maar Gangusso +stelde hen gerust en beloofde, hen zoo spoedig mogelijk naar hunne +ouders te brengen. + +Een verkwikkend maal: brood, melk, gebraden zwijnevleesch werd den +kinderen aangeboden, maar toen zij verzadigd waren, verklaarde Gangusso, +dat de dag te ver gevorderd was om den terugtocht aan te nemen. + +De dienstmaagden brachten versch stroo, spreidden het op den grond en +bedekten het met zachte huiden. Dit was het bed, waarop de kleinen den +nacht doorbrachten. + +'s Anderendaags verlieten zij, onder het geleidde van Gangusso, de +herbergzame woning, waar hun zulk vriendelijk onthaal te beurt viel. + +De bewoners der naburige hutten, die reeds van hunne komst verwittigd +waren, groetten hen lachend en wenschten hun hartelijk «goede reis!» + +Omtrent den middag bereikten de kinderen een breed water, dat niet diep +was, want de reizigers doorwaadden het zonder moeite. + +Nu stapten zij verder over heiden en dwars door wouden en bereikten +omstreeks den avond, de ouderlijke hut. + +Hoe gelukkig waren de ouders van Juna en Atto, toen zij hunne kinderen +wederzagen! Hoe hartelijk schonken zij hun vergiffenis en hoe vurig +dankten zij hunnen vriend, den braven, dienstvaardigen Gangusso. + + + + +2.--Oud België. + + +[Illustration: Gallische landbouwer.] + +Welke eigenaardige hut bewoonden Atto en Juna! 'k Wed, dat men, in onze +dagen, in geen enkel land der wereld, eene dergelijke meer zou +aantreffen! Zulks moet mijne lezers niet verwonderen, want de twee +kinderen leefden niet in onzen tijd, maar vóór honderden en honderden, +ja, schrikt niet ... vóór 2000 jaar. + +De hut, die zij bewoonden, stond midden in het woud en dat woud was zoo +dicht en uitgestrekt, dat men er heel licht in verdwaalde. Bezit ons +vaderland heden nog wouden? Voorzeker, maar ze zijn kleiner, minder +talrijk, dan vroeger. De menschen hebben ze gedeeltelijk uitgeroeid en +in akkers herschapen. + +De vader der kleine, onvoorzichtige kinderen was een jager. In de wouden +van ons land huisden vroeger beren, talrijke wolven, everzwijnen. + +Gevaar schrikte den man weinig af, ofschoon hij zulke goede wapens niet +bezat als de jagers van onzen tijd. Schietgeweren, pistolen, waren +onbekend; de tijdgenooten van Gangusso bezigden pijlen, bogen, slingers, +knotsen, lansen en trachtten, heel waarschijnlijk, het wild in +hinderlagen te lokken. + +Sommige menschen deden echter iets anders dan jagen: Gangusso fokte vee +en zijne huisgenooten sliepen op stroo, hetgeen bewijst, dat de man ook +graan verbouwde. Eendvogels zwommen in beken en plassen en deze vogels +... gij raadt het zelf, verschaften den menschen eieren, vleesch, dons. + +Waarom had Gangusso zijne woning dichtbij de samenvloeiing van twee +beken gebouwd? + +Wel! omdat het water hem onmisbaar was en, omdat in dun bevolkte of +weinig beschaafde streken, de oevers van het water, soms ook zijne +uitgedroogde bedding, als wegen dienst doen. + +Bestonden er, vóór tweeduizend jaar in ons land geene groote zand-of +aardwegen? Neen, die waren er niet; vandaar dat de menschen heel weinig +betrekking met elkander hadden. Koopen of verkoopen gebeurde zelden; +steden of groote dorpen zoudt gij hier vruchteloos hebben gezocht. + +De menschen van dien tijd hadden echter een goed hart: Gangusso nam de +verdwaalde kinderen in zijn huis op en schonk hun spijs en ligging. + +De menschen van voorheen waren zeer gastvrij en die eigenschap is bij +ons, hunne nakomelingen, niet verdwenen. + +Op het land, en vooral in de Ardennen, waar steden en dorpen ver van +elkander liggen, gebeurt het niet zelden, dat reizigers, in eenzaam +staande hoeven, voor den nacht worden opgenomen. + +Bewoonden Gangusso, Atto en Juna misschien het Zuid-Oostelijk deel van +ons land? Dat deden zij ... maar, nu mijn verhaal ten einde loopt, wil +ik u vertellen van de oude bewoners van Laag-België. + + + + +3.--Langs Poel en Plas. + + +De najaarszon neigde ten Westen en wierp hare schuine stralen op een +groep vrouwen en kinderen, die zich over zandheuvels en door duinpannen +naar zee begaven. Vuurroode wolken hingen over den schuimenden waterplas +en een paar visschersschuiten naderden het strand, waarop millioenen +schelpjes, als zoovele parelen, lagen te blinken. + +Met blijdschap begroetten de vrouwen de naderende vaartuigen die, met +hunne bemanning, weldra in eene naburige kreek binnenliepen. + +De schuiten waren log en stevig, voorzien van zeilen, die, uit aan +elkander genaaide huiden waren vervaardigd. + +Waarschijnlijk hadden de visschers eene goede vangst gehad; want, toen +de vrouwen, over zandbanken en door plassen zeewater de schuiten +bereikten, vulden zij hare teenen manden met een rijken buit van versche +tongen, schollen, roggen. + +De mannen laadden hunne netten en fuiken op den rug en weldra trok de +heele troep landwaarts. + +De streek had een treurig aanzien: rechts en links lagen eindelooze +moerassen, waarboven heele zwermen raven en meeuwen vlogen; hier en daar +bemerkte men een schraal boschje van wilge-, essche-of elzeboompjes. + +De weg, waarlangs de visschers en hunne vrouwen stapten, lag hooger dan +het omliggende land en was eigenlijk het bovenvlak van een dijk, door +menschenhanden aangelegd. + +Thans bereikte de karavaan een groepje ellendige hutten, de +verblijfplaatsen der visschersfamiliën. + +Eene plotselinge regenvlaag noopte vrouwen en kinderen eene schuilplaats +in de woningen te zoeken. «De wind waait uit het Zuid-Westen» sprak een +der mannen. «De storm is in aantocht en dezen nacht hebben wij +springvloed.» + +Na een paar uren waaide de wind zoo hevig, dat de kloeke mannen moeite +hadden zich overeind te houden. De zee donderde, de nacht daalde over +het aardrijk en de regen viel bij stroomen. + +«Ik vrees, dat de dijk, dien wij verleden zomer aanlegden, tegen het +water niet bestand zal wezen» sprak een der mannen. + +Een ander voegde er bij: «Ik stel voor, dezen nacht de wacht te houden, +om bij het minste gevaar, onze vrouwen, onze kinderen en ons vee in +veiligheid te brengen.» + +Dit voorstel werd aangenomen; de mannen bleven bij elkander en, hoe +vervaarlijk de wind ook huilde, hoe plassend de regen ook nederviel, +toch gingen ze, bij beurten, den dijk op en neder. + +De storm intusschen hield aan; met grenzenlooze woede beukte de zee de +duinen, baande zich eenen weg door het land en bereikte den dijk. + +Het hart der mannen klopte angstig; zou de vrucht van hunnen arbeid +bestand zijn tegen den vertoorden Oceaan?... De dag brak aan, heviger +nog huilde de storm, hooger en hooger stegen de golven en!... de mannen +bemerkten eene breuk midden in den dijk. + +De vrouwen brachten kleiaarde, steenen, takkebossen aan, hijgend en +zweetend arbeidden zij, onder den plassenden regen, aan het herstellen +van den dijk ... vruchtelooze moeite; eene tweede, eene derde dijkbreuk +ontstond; de vrouwen weenden, de kinderen huilden. + +«Allen naar de hutten! drijft het vee voor u uit! neemt manden en netten +mede, richt u zuidwaarts!» riepen thans de mannen en met koortsige haast +gehoorzaamden allen aan het bevel. In radeloozen angst vloden de +ongelukkigen over heiden en moerassen en bereikten eene hooger gelegen +streek, waar de hutten talrijker en akkers en weiland waren aangelegd. + +De arme vluchtelingen werden er liefderijk ontvangen en dagen lang +geherbergd, maar, toen de mannen eindelijk naar hunne vroegere +verblijfplaats terugkeerden, waren dijk en woningen weggespoeld. + + + + +4.--Bij de Menapiërs. + + +Wat moesten de arme, wreedbeproefde lieden thans aanvangen?... Klagen, +weenen, helpt zoo weinig! Onze mannen waren moedig en kloek, zij +vereenigden hunne krachten, arbeidden samen en, door tegenspoed wijzer +geworden, legden zij een nieuwen dijk aan, die breeder en sterker was +dan de eerste; ook richtten zij eene terp op en bouwden zich hutten, +die, op eene verhevenheid staande, minder van overstrooming zouden te +lijden hebben. Daar het moeras thans volkomen tegen het water was +beschut, droogde het uit en kon men het in weiland, later in akkers +herscheppen. + +De vrouwen naaiden zeilen, vlochten fuiken, breiden vischnetten; de +mannen timmerden eene schuit en weldra dobberden onze moedige arbeiders +op den Oceaan, bereikten de Britsche kusten, waar zij lood en tin +haalden, alsook mergelaarde, waarmede zij hunne akkers bemestten. + +Deze moedige menschen waren de Menapiërs die, vóór 2000 jaar, in +Laag-België ten Westen en aan de monding der Schelde woonden. + +Hun lijden en strijden leert ons genoegzaam, hoe woest en bar ons land +toen nog was: de kusten der zee waren diep ingesneden, de zee vormde +talrijke inhammen, zelfs golven, vooral bij de monding der rivieren, +wier overtollig water zich soms over het land verspreidde en plassen en +modderpoelen deed ontstaan. Heel waarschijnlijk dachten de brave +Menapiërs er nog niet aan, kanalen te graven, die het nat opvangen, en +sluizen te vervaardigen, die den loop van het water zouden regelen. + +Ik zeg niet zonder reden «de brave Menapiërs.» Hadden zij niet, op eigen +kracht steunend, den strijd tegen de woedende zee volgehouden? Hunne +werktuigen waren ruw en onvolkomen, machines kenden ze niet en toch, al +mocht de zee hunne schuiten verzwelgen, het water hunne dijken +verbrijzelen, hunne woningen vernielen, altijd weer begonnen zij hunne +nimmer eindigende taak. + +Lezers, denkt er aan, als gij Vlaanderens lachende beemden bewondert, of +u in de mooie badplaatsen aan den Belgischen zeeoever gaat vermeien. + + + + +5.--Aan den Voet van den Reuzeneik. + + +Heerlijk en trotsch verhief zich de machtige boom in het midden der +vlakte; honderden stormen had hij getrotseerd, honderden winters +beleefd; 's zomers rustte het vee in zijne schaduw en honderden vogels +kweelden in zijne takken. + +Thans, ofschoon de lente nauwelijks in aantocht was, hielden aan zijn +bemosten voet, de menschen eene plechtige vergadering;--vroeg in den +morgen waren zij in menigte aangekomen, langs de kronkelende paden, die +men, hier en daar, in wouden en heiden aantrof. + +De meesten onderscheidden zich door hunne hooge gestalte, hunne lange, +roodgeverfde lokken en krachtige ledematen. + +[Illustration: Hoofddeksel.] +[Illustration: Schild.] +[Illustration: Helm.] + +Allen schenen krijgslieden te zijn, sommigen hadden op het hoofd eenen +helm, waaraan vleugels van roofvogels of hoornen van dieren waren +vastgemaakt en hunne wapens: lansen, pieken, zwaarden, schitterden in +het zonnelicht. Allen droegen nauwsluitende kleederen, sommigen ook +bontgestreepte kolders, zonder mouwen en, als sieraad of +herkenningsteeken, fraai bewerkte hals-of armbanden, terwijl nog anderen +een korten pelsmantel om de schouders hadden geslagen. + +Die mantel bewees dat zij jagers waren, want zij hadden de klauwen van +het door hen gedoode dier niet weggenomen, zelfs bemerkte men hier en +daar eenen krijgsman, die zijne kap met den ruigen kop van eenen beer of +van een everzwijn had versierd. + +De opperhoofden herkende men aan de pracht hunner wapens en telkens +wanneer een nieuwe troep verscheen, begroetten de aanwezigen dien met +luide welkomskreten. + +Plotseling verving eene eerbiedige stilte het luide gegons der menigte, +de stoet der druïden of priesters naderde. Voetknechten, voorzien van +lansen en schitterende pieken gingen vooraan.--Op eenigen afstand +volgden de barden of gewijde zangers; zij hielden snarentuigen in de +hand en hieven, bij beurten, strijdzangen aan, die de anderen in koor +herhaalden. + +Nu verscheen een man, die door al de omstanders met eerbied werd +begroet. «Boduognat! hoofdman der Nerviërs,» fluisterden de dichte +scharen en Boduognat, wiens naam «Gewoon aan overwinning» beteekende, +scheen dien eeretitel te verdienen; heel zijn uiterlijk getuigde van +mannelijke kracht, terwijl zijn hoog voorhoofd en zijne donkere, +ernstige oogen wijsheid en nadenken verrieden. + +De beste krijgslieden des lands hadden zich, als eene eerewacht, om hem +geschaard. De opperdruïde en zijne priesters, in lange, witte kleederen, +volgden en hunne lijfwacht sloot den stoet, die zich in volmaakte orde +rondom den eik plaatste. + +De krijgsbazuinen schalden en onmiddellijk daarna nam een der +opperhoofden het woord. + +«Mannen» sprak hij, «groote gevaren bedreigen ons. Julius Caesar, de +vermaarde Romeinsche krijgsoverste, nadert onze streek en stelt zich +voor, ons aan zijne macht te onderwerpen. Zullen wij, kloeke Nerviërs, +de dapperste der Belgen, zulks laten gebeuren?» + +Een vreeselijk gemompel, dat het geraas van den naderenden storm geleek, +verhief zich op deze vraag.--«Neen,» vervolgde de spreker, «neen, we +zullen onze vrouwen, onze vrijheid, onze velden, dapper verdedigen.» + +Daverende toejuichingen beantwoordden deze aanspraak, maar de +krijgshoorn schalde, de mannen zwegen en de spreker vervolgde: «De +vijand is listig en behendig; tegenover Caesar, die, zegt men, al de +stammen van Midden-Gallië overwon, moeten wij een opperhoofd plaatsen, +dat voor geen Romein in dapperheid en krijgskunst onderdoet!» + +«Boduognat! Boduognat!» riepen allen uit éenen mond en duizenden +krijgslieden, hunkerend naar strijd en overwinning, staken zwaarden, +lansen, standaards, schilden omhoog en begroetten aldus den bij +algemeenheid van stemmen gekozen hoofdman. + +Toen de geestdrift eenigszins was bedaard, brachten de dienaars der +druïden twee jonge, witte stieren aan. Deze werden als offeranden aan de +godheid geslacht en, in het nog rookend ingewand dezer dieren, lazen de +priesters den wil des Allerhoogsten. + +«God is ons genegen» sprak de opperdruide, «de fortuin zal ons gunstig +wezen.» + +Wederom klonk het gekletter der wapens, schilden werden in de hoogte +geheven, luide vreugdekreten weerklonken. + +Toen de offerande was volbracht, keerden de priesters en hun gevolg naar +het geheimzinnig woud terug, waar zij in volledige afzondering hun leven +wijdden aan studie en godgeleerdheid. + +Het volk echter toefde nog langen tijd onder den eik.--Mondbehoeften en +schuimend bier werden aangebracht en de drinkhoorn geledigd op de +aanstaande overwinning. + + + + +6.--Verovering van ons land door de Romeinen. + + +Waar verhief zich de reuzeneik, in welker schaduw de menschen zulk eene +gewichtige vergadering hielden?--Is de gebeurtenis, waarvan het +voorgaande verhaal gewaagt, reeds lang geleden? + +De reuzeneik groeide vóór meer dan 1900 jaar in Midden-België, aldus +genoemd omdat de grond er meer verheven is dan in Laag-België en echter +de hoogte niet bereikt van Hoog-België met zijne heuvelen en steile +rotsen. + +In een woudrijk land, als het onze toen was, trof men talrijke, zeer +groote en zeer oude boomen aan; dat de menschen, aan den voet van zulke +boomen vergaderden, moet ons niet verwonderen in eene streek, waar +steden, noch groote dorpen, dus nog veel minder pleinen of groote +vergaderzalen waren. + +Wij hadden toen zelfs nog geene bedehuizen, want de priesters boden de +godheid hunne offeranden aan in de open lucht. + +Welken eeredienst beleden onze voorouders? Zij aanbaden de sterren des +hemels, de zon, de maan, den donder, den wind. Zij hadden hier en daar +steenen altaren, onder een boom of dicht bij eene bron. Hunne priesters +of druïden genoten de algemeene achting; want, ofschoon hunne leer voor +ons zeer duister is, waren zij wijzer en geleerder dan gewone menschen. + +Misschien wel hebt gij bij u zelven gezeid dat, in het voorgaand +verhaal, meest over krijgslieden wordt gesproken. + +Weet gij wel, dat de krijgskunst toen algemeen werd geacht, en wie zich +door lichaamskracht onderscheidde, in hoog aanzien stond? + +Herinnert u Boduognat, die tot opperhoofd werd gekozen; denkt aan de +forsche gestalte, aan de glinsterende wapens van de strijders, die hem +omringden. + +[Illustration: Oud-België.] + +Boduognat was een Nervier; de Nerviërs bewoonden die deelen van ons +land, die men heden Henegouwen, Brabant en Antwerpen noemt. Men trof +hier te lande nog aan: de Eburonen, de Aduatieken, de Trevieren en de +Morinnen. + +Zij vormden te zamen de Belgen of Bolgs. Eenige namen der Zuider-Belgen +zijn bewaard gebleven in de namen van sommige aloude Fransche steden: de +Bellovaken (Bavai), de Atrebaten (Atrecht). Zij bewoonden niet alleen +het huidige België, maar een deel van het Noorden van Frankrijk en der +Rijnprovincie. Zij vereenigden zich enkel in oorlogstijd om samen aan +een gemeenschappelijken vijand weerstand te bieden. + +Voorgaand verhaal leert ons, dat de Belgen aangevallen werden door de +Romeinen[1]. Deze, van het Zuiden komende, volgden den rechter oever der +Sambre en leverden slag tegen de Nerviërs, die, langs den linkeroever +der rivier, den top van een houtrijken heuvel bezet en zich in het +struikgewas verborgen hadden. Caesar, de aanvoerder der Romeinen, zond +zijne lichte ruiterij op hen af, doch de Nerviërs daalden van den +heuvel, staken de Sambre over, vielen de Romeinsche benden aan en +vochten met ongewone dapperheid onder aanvoering van Boduognat. + +Caesar en zijne krijgslieden waren de onzen te machtig; duizenden en +duizenden Nerviërs, ook Boduognat, werden gedood. + +Wat moest het, na dit akelig bloedbad, doodelijk treurig zijn in het +land der Nerviërs: duizenden weeskinderen weenden er om den verloren +vader, moeders zuchtten er om de zonen, die de vijanden haar ontrukten. + +[Illustration: Vesting der Aduatieken.] + +De Aduatieken, die de Nerviërs ter hulp snelden, trokken naar hunne +vesting, maar Caesar kwam ze daar belegeren en nam hunne vesting in. +Zegevierend zetten de Romeinsche krijgsbenden hunnen tocht voort; hutten +en wouden verbrandden zij, akkers liepen zij plat, vrije mannen +verkochten zij als slaven. + +Ellende, dood, slavernij gingen steeds met oorlog hand aan hand. + + * * * * * + +Drie bange jaren kropen traag en somber voorbij. 's Zomers, trokken de +Romeinen al verder en verder in ons land, maar in het najaar, als +plasregens nedervielen, als de rivieren overstroomden en dikke nevels +uit de moerassen opstegen, staakten zij tijdelijk den oorlog. + +Zij deden voorraad op voor soldaten en paarden en legden in verscheiden +streken kampen of legerplaatsen aan, die zij betrokken en vanwaar zij de +overwonnen volksstammen in bedwang hielden. + +In dien tijd leefde in het land der Eburonen, de beroemde Ambiorix. Het +ongeluk zijner landgenooten had hem zoo diep getroffen, dat alle +levenslust voor altijd uit zijn hart was verdwenen. + +'s Avonds, bij het knetterend haardvuur gezeten, zuchtte hij over de +bange tijden en droomde van opstand tegen de vreemdelingen, van +wraakoefening over het geleden onrecht. + +'s Daags dwaalde hij door het woud, sprak tot de lieden, die zich ter +jacht begaven of zich met akkerwerk onledig hielden, begaf zich van +gehucht tot gehucht en deelde aan allen, den haat mede, dien hij tegen +de overwinnaars koesterde. + +Van tijd tot tijd sloop hij voorbij de legerplaats der Romeinen, +bespiedde hunne handelingen, ging hunne getalsterkte na, zag de aarden +wallen, die het kamp der vijanden omringden, de slooten, de houten +torens, de valbruggen, de poorten, die de legerplaats beschermden en +keerde daarna, laat in den nacht, met gebalde vuisten en fonkelende +oogen huiswaarts. + +Verscheidene malen riep hij de inwoners zijner landstreek heimelijk bij +elkander, sprak hun over de verloren vrijheid en, toen hij, in aller +hart, het vuur der wraak had doen ontvlammen en de hoop op verlossing +had doen herleven, lokte hij de Romeinsche bezetting uit hare +legerplaats en behaalde eene eerste overwinning op den vijand. + +Weldra vertrok hij naar het land der Aduatieken en, dag en nacht zijn +marsch voortzettend, begaf hij zich naar het land der Nerviers, waar +hij ook dezen, tot den opstand aanzette en de legerplaats van Cicero, +een Romeinsch opperhoofd, aanrandde. + +Cicero zond in allerhaast boden en brieven naar Caesar, die al spoedig +in versnelde marschen het land der Nerviers bereikte, de zijnen verloste +en besloot de Eburonen te straffen. + +Bij den aanvang van den oogsttijd trok de groote veldheer op tegen +Ambiorix, wiens onbedreven moed, helaas! niet bestand was tegen de +krijgskunst van den grooten Romein. Caesars soldaten staken hutten en +hoeven in brand, namen de paarden, het vee, de strijdwagens der Eburonen +als krijgsbuit mede. + +Talrijke inwoners werden gedood, eenigen slaagden er in de groote wouden +te bereiken, waar zij, tot in de dichtste struiken, tot in het riet der +moerassen werden nagezet. + +Honger, angst, vermoeidheid doodden hen, die niet door het zwaard der +vijanden werden getroffen. + +Als een wild dier opgejaagd, vluchtte Ambiorix van woud tot woud. +Vergezeld van eenige verkleefde ruiters, gelukte het hem, de oevers van +den Rijn te bereiken. Langen tijd zwierf hij van de eene woestenij naar +de andere en verborg zich in verlaten hutten of ongenaakbare bergkloven. + +Waarschijnlijk stierf hij, ver van den geboortegrond, alleen, verlaten +en diep ongelukkig. + +In het jaar 50 vóór J.-Chr. was heel ons land aan de Romeinen +onderworpen. + + + + +7.--Twee Eeuwen later. + + +Op een mooien zomerdag stapte een reiziger langs den heirweg, die door +ons land, over Tongeren, van Gallië naar Duitschland liep. Hij leunde op +een doornenstok; stof bedekte zijnen mantel. De zon had zijne wangen +gebruind en twee litteekens doorploegden die. Nu en dan liet de man met +welgevallen zijnen blik rusten op het landschap en geleek dan wel +iemand, die blij is eene streek weder te zien, die hij vóór lange jaren +verliet; zulks was hier het geval. + +Marcus Liberius Victor, zoo heette de reiziger, werd geboren in de +omstreken van Aarlen, waar hij tot een frisschen jongeling opgroeide. +In zwemmen, jagen, loopen, te paard rijden, was niemand zoo bekwaam als +hij; ook werden zijne lichaamskracht, en behendigheid, wijd en zijd +geroemd. + +Op zekeren dag bevond de jongeling zich aan den oever der rivier, toen +het dochtertje van een Romeinschen ambtenaar, dat in de nabijheid +wandelde, in het water viel en door den stroom werd medegesleept. + +De jongeling sprong haar na, dook als een visch en bracht het meisje +behouden aan wal. + +De Romeinsche ambtenaar en zijne vrouw waren den redder van hun kind +zeer dankbaar en schonken hem hulp en bescherming. Marcus, die toen nog +Punto heette, werd soldaat in het Romeinsche leger; hij verliet zijne +eenige zuster, eene weduwe, met een lief knaapje, dat pas zes maanden +oud was. Punto schonk haar, als aandenken, het mooie gouden kruisje met +den fonkelenden rooden steen, dat hij van zijne rijke beschermers had +ontvangen. + +Sedert waren jaren verloopen. Punto had gereisd, gezien, geleerd en zich +in Italië en elders als krijgsman onderscheiden. Maar, hoe ver hij ook +weg was, hoe hoog hij in aanzien klom, toch verdoofde de liefde tot den +geboortegrond in hem niet; integendeel, hij wenschte vurig naar zijn +land terug te keeren, zijne zuster, zijn neefje te zien en zijne laatste +levensjaren te slijten op dezelfde plaats, waar zijne gelukkige jeugd +voorbijvlood. + +Eene ernstige wonde hem door een vijandelijk krijgsman toegebracht, had +hem bijna ten grave gesleept, maar hij herstelde, hoewel langzaam, nam +zijn ontslag en reisde naar het verre vaderland. + +Hij zocht er zijne familieleden op, maar vond ze niet terug; zijne +zuster was overleden, haar zoon had de streek verlaten en niemand wist, +waarheen hij zich begeven had. + +Nu werd het den krijgsman treurig te moede; hij had zooveel gereisd, +zooveel gezien en gehoord, maar liefde had hij niet gevonden. Hij +verliet de schilderachtige geboortestreek en begaf zich op weg naar +Tongeren, waar zijne vroegere weldoeners zich hadden gevestigd. + +In den namiddag bereikte hij eene mooie villa, door tuinen en +landerijen omgeven. Een paar slaven stonden voor den ingang en koutten +met eenen landman, die door een blonden, forschen jongeling was +vergezeld. + +«Ben ik nog ver van Tongeren» vroeg hun de reiziger? «Nog vier mijlen» +luidde het antwoord en de landman, die heel praatziek was, voegde er +bij: «Zoo gij wilt, kunnen wij samen een deel van den weg afleggen, want +ik woon op ééne mijl van de stad. «Hier Vertico», riep hij op norschen +toon tot zijn gezel, «draag deze ledige korven en volg ons». + +Marcus aanvaardde het aanbod van den landman en weldra stapte het +tweetal den heirweg op.--Zwijgend, het hoofd ter aarde gebogen, ging +Vertico, die de knecht des landmans was, achteraan, terwijl zijn meester +aan zijn toevalligen reisgenoot, allerlei inlichtingen gaf, die Marcus +hem in het geheel niet vroeg. + +«Ik bewoon eene hoeve» sprak hij, «ik fok zwijnen, runderen, schapen; +mijne vrouw teelt ganzen en eendvogels; dezen morgen leidde ik naar de +villa, waar gij mij ontmoettet, een mooi zwart paard, dat ik aan den +heer des huizes verkocht....» en hij klopte lachend op zijn welgevulde +beugeltasch. + +Eenige schreden verder bereikten onze reizigers eene woonstede, die, +naar het uiterlijke te oordeelen, een herberg was. + +«Ik heb dorst», sprak de landman, «willen wij hier binnentreden en den +beker ledigen op uwe voorspoedige reis?» + +Marcus bewilligde en, nauwelijks hadden onze mannen in de gelagkamer +plaats genomen, of eenige Romeinsche soldaten traden binnen. + +Zij waren zeer luidruchtig, bestelden eene kruik wijn en vroegen +dobbelsteenen aan den waard, die zich haastte aan hun eisch te voldoen. + +«Wie speelt mede?» vroegen zij luid, en de landman, wiens oogen van +verlangen fonkelden, wierp een geldstuk op de tafel. + +Het lot was hem ongunstig, hij verloor slag op slag. Weldra was zijne +beurs ledig, maar het spel ging zijnen gang. + +«Schei uit» fluisterde hem Marcus in het oor, maar de man schudde +halsstarrig het hoofd. + +«Is de jongeling, die u vergezelt, uw knecht?» vroeg een der soldaten. +«Ik zet het geld, dat ik u afwon, tegen hem in, hij is jong en schoon +... een slaaf, die geld waard is....» + +«Ik ben geen slaaf, hatelijke vreemdeling» klonk het opeens uit +Vertico's mond, terwijl hij dreigend opsprong en de kloeke vuisten +balde. + +«Dat zullen wij zien!» riepen de soldaten en trokken hun zwaard uit de +scheede. + +Marcus ook was opgesprongen. «Wie dezen jongeling aanraakt, klaag ik te +Tongeren bij den bevelhebber aan!» sprak hij met krachtige stem, terwijl +hij zich fier en gebiedend in het midden der soldaten plaatste. + +Maar nauwelijks was de eerste indruk van verbazing voorbij of een der +soldaten hernam spottend: «Wie zijt gij, vreemdeling, die ons Romeinen, +als nietige slaven toespreekt?»--«In het land mijner vaderen heet ik +Punto, maar in het Romeinsch leger, waar ik Hoofdman[2] was noemde men +mij Marcus Liberius Victor». + +De soldaten stoven verschrikt uiteen; Marcus nam zijnen geldbuidel, +wierp eenige geldstukken voor de voeten van den verbluften landman en +sprak tot dezen: «Ziedaar de losprijs voor uwen dienaar.--Volg mij, +jongeling,» zeide hij tot Vertico en beiden verlieten zwijgend de +herberg. + +Weldra sprak de jongeling met tranen in de oogen: «Ik ben u wel +dankbaar, goede heer,» doch Marcus viel hem in de rede: «Daar zoo even +beweerdet gij geen slaaf maar een vrij man te zijn, uw kernachtig +antwoord beviel mij, zeg jongeling, hoe kwaamt gij in dienst bij uwen +meester?» + +«Ik ben een wees,» sprak Vertico, «en werd geboren in de omstreken van +Aarlen; mijn vader heb ik nooit gekend en mijne moeder stierf toen ik +twaalf jaar oud was. Een vriend en buurman huurde mij als veehoeder, +maar toen ook hij na eenige maanden stierf, begaf ik mij naar Tongeren, +waar ik hoopte brood en bezigheid te vinden. Daar ontmoette ik mijn +vorigen meester, bij wien ik veel te lijden had, want de man is aan +drank en spel verslaafd.» + +Marcus dacht onwillekeurig aan zijne zuster, en aan haren zoon, dien +hij niet had wedergevonden. «Hadt gij geene nabestaanden, die voor u +zorgen of u met raad en daad konden bijstaan?» vroeg hij peinzend. + +«Toen ik een kind was,» antwoordde Vertico, «vertelde moeder mij +dikwijls van mijn oom, die soldaat was in Italië. Moeder zeide, dat hij +goed, krachtig en verstandig was. Hij heette Punto....» + +«Bezit gij niets, dat uwe moeder of uwen oom toebehoorde?» vroeg Marcus +met van hoop kloppend hart. + +«Ja toch» antwoordde Vertico «eer oom vertrok, schonk hij moeder een +gouden kruisje met rooden steen, het was een kleinood van waarde, dat +ik, hoe nijpend de nood ook was, niet verkoopen wilde, uit eerbied voor +den afwezige....» + +«Toon mij dat kruisje!» sprak de soldaat, die tranen in de oogen kreeg. + +«Sedert jaren draag ik het op het hart,» sprak de jongeling met zachte +stem, «ik smeek u, heer krijgsoverste, neem het mij niet af,» en hij +haalde het kleinood van onder zijn kleed te voorschijn. + +Bevend van ontroering nam Marcus het kruisje in de hand, herkende het en +vroeg, als wilde hij een laatsten twijfel uit zijn hart wegnemen: «Hoe +heette uwe moeder?» + +«Pruscia» stamelde de jongeling en zag tot zijn weldoener op «zij had +bruine oogen en golvende haarlokken als gij. Ik weet niet waarom, heer +Hoofdman, maar uw gelaat herinnert mij aan dat mijner arme moeder.» + +«Ik ben uw oom, Vertico,» besloot Marcus. «Hoe gelukkig ben ik u weder +te vinden! Wij zullen elkander niet meer verlaten, naar onze +geboortestreek terugkeeren en, als vader en zoon, vreedzame jaren +slijten.» + + + + +8.--De Romeinsche Overheersching. + + +«Wie toch hadden, hier te lande, door wouden, moerassen en heiden, die +breede heirwegen aangelegd, die wij in het voorgaande verhaal leerden +kennen?»--Dat waren de Romeinen.--Wel is waar deden zij zulks niet uit +genegenheid voor de inwoners, maar wel opdat de krijgslieden, langs die +wegen, gemakkelijk van de eene plaats naar de andere konden gaan en zij +heel dikwijls paarden, wagens, oorlogstuig, voeder en voedsel moesten +vervoeren. + +Het aanleggen dier wegen was eene weldaad voor de bevolking; de menschen +kwamen meer dan vroeger met elkander in aanraking, kooplieden uit het +Zuiden en elders brachten onzen voorouders allerlei zaken, waarvan deze +eenvoudige lieden vroeger geen denkbeeld hadden. + +Hier en daar bouwden de Romeinsche ambtenaars villa's of lusthuizen, die +weelderig ingericht en van tuinen, boom-en wijngaarden omgeven waren. +Verscheiden vroeger onbekende voedings-en sierplanten, ooftboomen, zelfs +diersoorten werden hier ingevoerd; de bevolking groeide aan, de menschen +weefden wollen mantels, lijnwaad, zonden ganzen en hammen naar Italië en +leerden tichels en vaatwerk bakken, glas en glazuur vervaardigen. + +De landbouw ontwikkelde zich vooral in het vruchtbare Haspengouw. +Tongeren en Doornik zijn de vroegst bekende steden van ons land, dat, +voor handel en nijverheid, zeer voordeelig gelegen was, tusschen Gallië +en Germanië. + + + + +9.--De Romeinsche Villa. + + +Gedurende de III^{de} eeuw onzer jaartelling, woonden niet ver van +Borgworm, op eene mooie villa een rijk Romeinsch grondeigenaar en zijne +eenige dochter Liberia. Het meisje, dat door haren vader werd +aangebeden, was haar achttienden jaar ingetreden en, ten einde deze +blijde gebeurtenis op waardige wijze te vieren, had de rijke Romein +zijne talrijke vrienden aan een heerlijk gastmaal genoodigd. + +[Illustration: Romeinsche villa.] + +De villa was daartoe bijzonder geschikt: kostbare zijden behangsels +scheidden de verschillende zalen van elkander, overal stonden zachte +bedden, met kussens bedekt of met tapijtwerk behangen. Op de tafels +prijkten zilveren en gouden schalen vol zeldzame en fijne vruchten en +talrijke slaven en slavinnen, dragende fraaie kruiken, goten parelenden +wijn in kristallen roemers en drinkschalen. + +De gasten, in rijke kleederen gehuld, met bloemen en juweelen versierd, +hielden zich met muziek, dans en spel onledig, toen plotseling, de +algemeene vreugde door eene schrikwekkende tijding werd gestoord. + +«De Barbaren zijn in aantocht,» riep een dienaar, die hijgend en bezweet +de kamer binnenstormde. «Uren in den omtrek, hebben zij alles geplunderd +en verwoest! Laten we op tegenweer bedacht zijn! Ze zijn hier dichtbij, +op het terras kan men ze, in eene wolk van stof gehuld, zien naderen.» + +De aanwezigen waren door schrik als verlamd. Liberia en hare gezellinnen +klaagden en weenden luid, de mannen zagen elkander in stomme +vertwijfeling aan. + +«Te laat! wij zijn overrompeld!» gilde eensklaps een toesnellend dienaar +en inderdaad, paardengetrappel, wapengekletter weerklonk, woeste mannen +met sombere aangezichten, stoven de woning binnen. «Wij eischen voeder +voor onze paarden, vleesch voor onze mannen!» schreeuwden zij in eene +ruwe, vreemde taal, die geen der aanwezigen verstond en, toen de +eigenaar der villa, door gebaren te kennen gaf, dat hij hen niet +begreep, toen enkele der aanwezigen, genoodigden en slaven, met wapens +verschenen, stormden de aanvallers door de prachtige vertrekken, +scheurden de zijden behangsels af en sloegen het kostbare vaatwerk stuk. + +Nu werd men handgemeen; wie dapper was verdedigde zijn leven of dat +zijner vrienden of meesters, wie bang was vluchtte voor de woeste +aanvallers, die juweelen, muntstukken, kunstwerken roofden ... en, toen +de bleeke maan haar zilveren licht over de aarde goot, waren al de +bewoners der villa gevlucht, gewond of gedood. + +Liberia's dienaressen hadden hare meesteres behouden in een naburig +bosch gebracht en de vader van het vroeger zoo gelukkige meisje, lag +stervend op de kille steenen zijner voormalige feestzaal. + +De Barbaren stalden hunne paarden in de prachtige kamers der villa; zij +slachtten het vee, dat zij in de stallen aantroffen en, daar zij niet +aanstonds hout vonden, stapelden zij de kostbare meubels opeen, staken +ze in brand en vormden aldus een haard, waarop zij het vleesch braadden +der gedoode dieren, dat hun tot avondmaal verstrekte. + + + + +10.--Invallen der Barbaren. + + +Voorgaand verhaal zegt ons genoeg, dat de Romeinen, de onverwinnelijke +krijgslieden niet meer waren, die ten tijde van Boduognat en Ambiorix +ons land overmeesterden. Langzamerhand lieten zij zich door weelde en +gemakzucht verleiden en hechtten meer waarde aan feesten en +uitspattingen, dan aan de verdediging van hun uitgestrekt rijk. + +Tot in de V^{de} eeuw bleven zij meester over ons land, maar konden niet +beletten dat herhaalde malen vreemde volksstammen naar hier kwamen en +groote onheilen in ons land aanrichtten. + +Onze voorouders beleefden een bang en treurig tijdvak van rampen en +algemeene ellende. De binnendringende of voorbijtrekkende volkeren +plunderden villa's, dorpen, steden, de verschrikte inwoners begroeven +hunne schatten in den grond; maar velen werden gedood voor zij die weer +konden opgraven. + +Op onze dagen nog, haalt men niet zelden, vooral langs de vroegere +Romeinsche heirwegen, kruiken en potten vol muntstukken uit den grond. + +Zij wijzen ons den weg, door de binnendringende volksstammen gevolgd, +terwijl het jaartal, dat in de muntstukken is gegrift, de +oudheidkundigen bekend maakt met het tijdvak, waarin de invallen plaats +grepen. De ellende was zoo groot, dat er handen te weinig waren om den +grond te bebouwen, graan te zaaien en voor het vee te zorgen. + +Niet zelden moesten de Romeinen aan indringende volksstammen toelaten, +zich als landbouwers of kolonisten te vestigen in de verlaten vlakten, +waar vroeger Eburonen, Nerviers, Menapiers woonden. + +Wie die stammen waren, hoe zij leefden, wat zij tot stand brachten, zal +het volgende verhaal u duidelijk maken. + + + + +11.--Een Frankische Knaap. + + +Edo was vijftien jaar oud en bewoonde omstreeks de vijfde eeuw onzer +jaartelling met zijne ouders en zusters, eene hofstede, die aan den +oever der Schelde was gelegen. + +Hij was een gezonde, forsche knaap, met lange, blonde haarlokken en +helderblauwe oogen, die hoopvol en stout, de wijde wereld inkeken. + +Vrij als een veulen sleet hij zijne levensdagen op het land, in de +uitgestrekte, gezonde natuur. 's Zomers vermeide hij zich in de weiden, +die zijne geboorteplaats omringden, reed te paard, baadde zich in de +rivier of luisterde, gezeten in de schaduw van eeuwenoude boomen, naar +de tooververhalen en sprookjes, die Bertha en Reinilde, zijne zusters, +hem mededeelden. + +'s Winters vergezelde hij vader, ooms en neven op de jacht en +achtervolgde uren lang, reebok of hert, wolf of everzwijn. Edo leerde +met de wapens omgaan en wenschte vurig op te groeien tot een krachtig +man, die alle andere in vlugheid en behendigheid zou overtreffen. + +Zijne moeder, eene krachtige vrouw, deelde in dat verlangen: «Mijn zoon» +sprak zij, «weldra zal ik u de framei[3] schenken, waarmede uw +grootvader tegen de vijanden van ons volk te velde trok en u zijn +veelkleurig schild aan den arm hangen.» «Ik geef u mijne francisca[4], +mijn kostbaren halsband en fraaien mantelhaak» zeide de vader. «Wij +weven u een prachtigen, gekleurden mantel» voltooiden Bertha en +Reinhilde, want zij waren fier op haar jongen broeder. + +Op zekeren avond was de geheele familie in de woonhalle vergaderd, de +koeien loeiden in de stallen, die aan het huis paalden, de groote hond +liep van Reinilde naar Bertha en een knetterend vuur brandde in den haard. +Men zong aloude krijgsliederen, men dronk schuimend bier en vader +verhaalde de roemrijke daden van Walther, den voorvader en held der +familie, die zich met andere Franken aan de oevers der Schelde gevestigd +had. + +Edo luisterde met aandacht en 's nachts droomde hij heerlijk: Prachtig +uitgedoscht, van schitterende wapens voorzien, trok hij, op een +brieschend paard gezeten, ten oorlog. Hij zong woeste krijgsliederen, +versloeg honderden vijanden en weerde met zijn schild, de slagen der +vreemde krijgslieden af. + +Maar zie! daar stiet een vijand hem op het onverwachts zijne speer in de +borst. Edo viel badend in zijn bloed neder, hij sloot de oogen en dacht +te sterven, toen ... o wonder! eene sneeuwwitte zwaan hem opnam en hem +naar het Walhalla[5] voerde, tot vlak voor den troon van Odin, den +oorlogsgod. + +Odin begroette den jongen held met minzaamheid en sprak: «Mijn zoon, gij +zijt waardig in mijn gevolg opgenomen te worden; hier, in mijn +godenverblijf, onder mijne leiding, zult gij uwe krijgsopvoeding +voltooien. Later zult gij mij vergezellen als ik tegen de reuzen te +velde trek....» + +Edo ontwaakte en eenige jaren later werd zijn droom gedeeltelijk +verwezenlijkt. Met de Franken rukte hij naar het Zuiden en onder +aanvoering van vorst Hlodio bereikte hij de stad Doornik. + +Hier vielen de Franken de Romeinen aan, overwonnen hen, namen Kamerijk +en Atrecht in, bereikten de oevers der Somme en zetten zegevierend hunne +tochten voort. + + + + +12.--De Franken. + + +[Illustration: Frankisch opperhoofd.] + +Willen wij trachten aan 't voorgaand verhaal eenige geschiedkundige +gebeurtenis vast te knoopen? + +'s Avonds bij het knetterend haardvuur gezeten, verhaalt Edo's vader de +heldendaden zijner voorouders, die, van de Romeinen verlof kregen zich +als landbouwers of kolonisten in Toxandrië (de Kempen) te vestigen. + +Van de Kempen richtten zij zich naar de oevers van Lei en Schelde, naar +de vruchtbare gouwen van Midden-België. Het Zuid-Oosten van ons land +was, met zijne dichte wouden, hun geruimen tijd ontoegankelijk, terwijl +de Ardennen met hunne naakte bergtoppen en met bosch begroeide +hellingen, hen weinig aanlokten. + +De Franken bezaten toen nog geene steden, maar leefden op het land, in +hoeven, met moestuinen, ooftboomen, grasperken. + +Die hoeven waren door hooge hagen ingesloten en voorzien van stallen +voor paarden en vee, bergplaatsen voor hooi, stroo, graan. + +Dunkt u niet, dat deze hoeven, in vele opzichten, op de hoeven onzer +hedendaagsche Vlaamsche boeren geleken? + +De woningen der Franken waren wel is waar van hout, maar koningen en +opperhoofden bezaten soms wel een steenen huis «sale, seele, halle» +genaamd. + +[Illustration: Frankische vrouw.] + +Vandaar Swevezele in West-Vlaanderen, Herzele in Oost-Vlaanderen, +Liezele in de provincie Antwerpen, Wilzele in Brabant. + +Nog andere plaatsnamen vooral in Laag-en Midden-België, herinneren ons +aan de Franken: Bornhem[6] bij de stad Mechelen, Cureghem in Brabant, +Lovendeghem, Sotteghem in Oost-Vlaanderen, Anseghem bij Kortrijk in +West-Vlaanderen, enz. + +De Franken hadden koningen; de oudste, die de geschiedenis ons leert +kennen is Hlodio, die het land van Doornik en dat van Kamerijk innam. + +Later trof men ook Frankische koningen aan te Keulen, en te Tongeren. + +Herinnert gij u dat Edo's vader, ja zelfs zijne moeder hunnen zoon +schoone wapens beloofden? + +Onder de Franken waren uitmuntende smeden, ook vervaardigden zij +juweelen en aarden vaatwerk. + +Niet zelden ontdekt men, in onze dagen, in ons land, Frankische graven, +waarin wapens, juweelen en andere voorwerpen gevonden worden. Men +bewaart die in musea. Het museum van Brussel is rijk aan voorwerpen uit +het Frankisch tijdvak. + +Het volgende verhaal zal u de Franken nog beter leeren kennen. + + + + +13.--Grimbald en Bertolf. + + +«Neen Grimbald» sprak Bertolf tot zijn rijken buurman, «neen, mijn paard +wil ik u niet verkoopen. Ik zelf richtte het af, verleden zomer nog +voerde het mij ten strijde en hielp mij de vijanden van ons volk +overwinnen, het werd mij een trouwe vriend, van wien ik niet meer +scheiden kan.» + +Grimbalds gelaat werd somber. De man was jaloersch op Bertolf die, +ofschoon veel armer dan hij, door elkeen werd gewaardeerd om zijn +aangenaam karakter, zijne bekwaamheid. Bertolf was een uitmuntend +landbouwer, een bedreven jager, een flink ruiter die, sedert hij met +zijn schrander paard, den onverwinnelijken Sleipnir, te velde trok, +zelfs door graven en andere hooggeplaatste lieden, met achting werd +bejegend. + +Grimbald was rijk, hij bezat schoon huisraad, mooie runderen, talrijke +zwijnen, maar de menschen hielden niet van hem; hij was boosaardig, +wraakzuchtig en had zich, in meer dan één geval, op wreede en hartlooze +wijze gedragen. + +Somber en dreigend verliet hij de woning van Bertolf en niet zoodra was +hij de haag voorbij of hij balde de vuisten en grinnikte spottend: «Die +weigering zult gij mij duur betalen!» + +Hij verzonk in gepeinzen, bereikte het elzenboschje, dat aan den oever +der beek gelegen was, verborg zich in het struikgewas en hield zich stil +als de boschkat, die de duisternis afwacht om hare prooi aan te vallen. + +Langzaam, zeer langzaam spreidde de nacht haar floers over het aardrijk; +tot driemaal toe hief de boschuil zijn onheilspelend gefluit aan. + +Grimbald verliet zijne schuilplaats en keerde naar Bertolfs woning +terug. Hij brak door de haag, kroop op handen en voeten naar den +paardestal.... + +Eenige tijd verliep en als een moordenaar sloop hij naar het +elzenboschje terug. + +Plotseling drong de maan door de duisternis en wierp haar weifelend +licht op den boosdoener. Hij bemerkte twee mannen, die onbeweeglijk en +sprakeloos, in den stillen zomernacht, aan den oever der beek zaten te +visschen. + +Grimbald schrikte en, als ontwaakte zijn geweten, vluchtte hij, over +weiden en velden, over heggen en struiken, in de richting zijner woning. + +De visschers echter hadden den man bemerkt; zij ook schrikten, maar +zeiden: + +«Wat kwaad bedreef de man, die als een laffe moordenaar van hier +wegvlucht?» + +Niet langer echter dachten zij over het gebeurde na; zij hernamen hunne +bezigheid en, zoodra het eerste morgenrood het Oosten kleurde, begaven +zij zich naar de hoeve van Bertolf. + +«Wij zullen onzen vader met onze mooie vangst verrassen» zeiden zij +onderweg, want het waren Bertolfs zoons. + +Het was klaar dag toen zij aan de houten deur der woonhalle klopten en +hun vader, die altijd vroeg op de been was, opende. Hij was bleek en +beefde aan al zijne leden. De jongelingen schrikten: «Een ijselijke +moord is hier dezen nacht gepleegd,» sprak Bertolf met sidderende stem: +«Mijn edel paard ligt dood, badend in zijn bloed. Het mes eens +moordenaars heeft het arme dier doorstoken en de misdaad werd een paar +uren geleden gepleegd. Komt kinderen, vergezelt mij naar het tooneel der +slachting.» + +Sprakeloos volgden de zoons hun bedroefden vader. In den stal lag de +arme Sleipnir levenloos op den grond; de kloeke Bertolf, de oorlogsheld, +weende als een kind. Hij boog zich over het doode lichaam en, als wilde +hij het arme dier tot het leven terugroepen, streek hij snikkend zijne +ruwe hand over de gitzwarte manen van het slachtoffer. + +De zoons trachtten hunnen vader te troosten en ... juist toen de jongste +hem wilde naderen, struikelde hij over een voorwerp, dat op den grond +lag. Hij raapte het op, beschouwde het eene wijl en sprak binnensmonds: +«Een mantelhaak! een kostbare mantelhaak! Vader, wien behoort dat +voorwerp?» vroeg hij toen. + +Bertolf nam den mantelhaak in de hand, bezag hem aandachtig en riep: +«Dit voorwerp behoort den rijken Grimbald! Gister avond bood hij het mij +met andere kostbare voorwerpen aan, in ruiling voor mijn armen +Sleipnir.» + +De zoons keken elkander aan en na eene poos sprak de oudste: «Dezen +nacht vluchtte Grimbald als een gemeene dief door het elzenboschje. Mijn +broeder en ik herkenden hem duidelijk. Hij is de moordenaar. +Waarschijnlijk pleegde hij zijne laffe daad in haast en gejaagdheid en +bemerkte niet, dat hij in den stal, zijn mantelhaak verloor. + +«Die booswicht! die moordenaar!» kreet Bertolf «hij zal boeten voor +zijne laffe daad» en, van toorn blakend, verliet hij den stal, gevolgd +door zijne beide zoons. + + + + +14.--De Salische Wet.[7] + + +Wat stond den armen, bedroefden Bertolf thans te doen? Zich wreken op +Grimbald? Hem aanvallen, bevechten, dooden? Dat kon niet! De Franken +waren geene wilden; zij hadden gebruiken, wetten, rechters en voor deze +laatsten zou Bertolf den moordenaar dagen. + +Nog bij de Franken der V^{de} eeuw werd de rechtspleging uitgeoefend +door vrije mannen, onder voorzitterschap van een gekozen of erfelijk +hoofd. Deze rechtbank echter zetelde niet zoo als bij ons in een huis of +paleis, maar in de open lucht, in een bosch of onder een alleen staanden +boom. + +Een in den grond bevestigd schild, duidde de plechtigheid der +vergadering aan en een kring, gevormd door een gespannen koord, scheidde +de rechtsprekenden van de menigte. + +Binnen den kring waren scarnen of banken geplaatst, meestal vier, voor +den voorzitter en zijne bijzitters, voor den aanklager, voor den +beschuldigde. + + + +Verstaat gij thans, waarom men heden nog zegt: iemand voor de +vierschaar (vier scarnen) dagen? + +Grimbald, de lafhartige werd veroordeeld tot het betalen eener +aanzienlijke geldboete. Een deel der boete, het weergeld, kwam aan +Bertolf, een ander deel, het vredegeld, werd in de schatkist gestort. + +Waren de gebruiken der Franken opgeteekend of geschreven? In den beginne +natuurlijk niet, doch later, toen zij zich in ons land vestigden en met +de Romeinen in aanraking kwamen, lieten zij door geleerde mannen het +oude volksrecht opteekenen. Men noemt het: de Salische Wet. + + + + +15.--Van een Koning en eene Prinses. + + +Het kan meer dan duizend jaren geleden zijn, dat in een ver land, eene +prinses leefde, die zeer ongelukkig was. Haar vader was dood, vermoord, +zegde men, door haren oom, die een boos mensch was. + +De arme prinses had veel verdriet en weende bitter, en haar booze oom +gebood haar de stad Genève te gaan bewonen. Daar leerden de menschen +haar weldra liefhebben; want, zij was zacht en schoon en hielp de arme +lieden, zooveel zij maar kon. + +Zulks vernam een machtig koning, die, aan het hoofd zijner krijgslieden, +groote overwinningen had behaald. Zijne gezanten vertelden hem zooveel +goeds van de prinses, dat hij wenschte haar tot vrouw te nemen. + +Dit voornemen deelde hij mede aan zijnen vriend en vertrouweling, +Aurelius. Hij verzocht hem zich in het geheim naar Genève te begeven en +er zijn verlangen aan de prinses bekend te maken. + +De vriend begaf zich op weg en nam den ring zijns meesters mede, maar, +ten einde geen argwaan op te wekken, kleedde hij zich als bedelaar. Den +staf in de hand en den knapzak op den rug, bereikte hij de woning der +prinses, die, zeer gastvrij zijnde, den vreemdeling in hare woning +opnam. + +Terwijl zij hem, in tegenwoordigheid harer dienaressen, de voeten +wiesch, sprak hij met gedempte stem: «Jonkvrouw, ik wensch met u een +onderhoud te hebben.» + +De prinses deed alsof zij den bedelaar niet hoorde, maar 's avonds het +zij hem roepen en vroeg wat hij verlangde. «Jonkvrouw,» sprak hij, «de +koning, mijn meester, zendt mij tot u, hij wenschte u, naast zich, als +koningin op den troon te plaatsen en gaf mij, als bewijs zijner +vereering, dezen prachtigen ring voor u mede.» + +[Illustration: Gallië] + +De prinses, zeer gevleid over het aanbod des konings, aanvaardde den +ring en antwoordde: «Ik schenk u eene beurs met honderd goudstukken, +doch verzoek u aanstonds tot uwen meester weder te keeren. Zeg hem, dat +hij zonder uitstel gezanten zende naar mijnen oom om zijne toestemming +tot ons huwelijk te vragen. Dat hij niet drale; want, als Aridius, de +raadsheer van mijnen oom vóór dien tijd uit Konstantinopel terugkeert, +dan zal hij hem tot weigeren aanzetten. + +Aurelius vertrok, maar toen hij Orleans, zijne verblijfplaats, naderde, +ontmoette hij een bedelaar, die hem een eind weegs vergezelde. + +Aurelius was moede en legde zich onder eenen boom te slapen, en +ondertusschen stal de bedelaar de beurs met de honderd goudstukken der +prinses. + +Aurelius ontwaakte, bemerkte den diefstal, spoedde zich huiswaarts en +gelastte zijnen dienaren den dief na te zetten. Zij achterhaalden en +brachten hem voor hunnen meester, die den ontrouwen reisgenoot drie +dagen lang stokslagen liet geven en hem daarna losliet. + +Nu spoedde Aurelius zich tot zijnen heer en koning en gaf hem verslag +van zijne reis. De koning zond gezanten naar den oom der prinses, om hem +de hand zijner nicht te vragen. De oom durfde niet weigeren en gaf zijne +toestemming tot het huwelijk. + +De prinses pakte hare juweelen en andere kostbaarheden bijeen, steeg in +eene draagkoets en begaf zich met de gezanten op weg naar den koning. Na +een paar uren echter zeide zij tot hare geleiders: «Wij reizen veel te +langzaam, ik verkies uit de draagkoets te stappen en den weg te paard af +te leggen.» + +De gezanten voldeden aan den wil der prinses en dat was zeer gelukkig; +want, Aridius, van zijne reis naar Konstantinopel teruggekeerd, en het +gebeurde vernemende, sprak tot den oom: «Gij handeldet verkeerd, niet +zoodra zal uwe nicht eene machtige koningin wezen, of zij zal wraak +nemen over den dood haars vaders en u den oorlog verklaren. Zend haar +zonder uitstel krijgslieden achterna, met bevel haar hier terug te +brengen.» + +En, de oom, deed zooals Aridius zeide. De krijgslieden vertrokken, maar +onderweg vonden zij enkel de ledige draagkoets, met den schat van de +prinses. + +Deze laatste had, na eene voorspoedige reis, het land van den vreemden +koning bereikt. Hier trad zij met hem in het huwelijk en leefde lang en +gelukkig. + + + + +16.--Hlodwig en Clotildis. + + +«Jammer» zegt een mijner lezers, «dat voorgaand verhaal een sprookje, en +in werkelijkheid niet gebeurd is.» + +Een grond van waarheid echter bevat het; want, onze prinses heette +Clotildis, leefde in de V^{de} eeuw onzer tijdrekening en haar oom was +de koning der Burgonden[8]. De koning, die haar tot vrouw nam, was +Hlodwig, beroemde Frankische vorst. + +Deze had het rijk der Franken aanmerkelijk uitgebreid. Door list of +geweld overwon hij de koningen van Tongeren en Kamerijk, verder den +romein Siagrius en breidde zijn rijksgebied uit tot aan de Loire, in +Frankrijk. + +Burgonden en Franken leefden niet altijd op vredelievenden voet met +elkander, daarbij was de V^{de} eeuw een tijd van ruw geweld, oorlog en +tweedracht. + +Niet zelden werden in Gallië de oogsten vernield door ruwe krijgslieden, +die akkers en wijngaarden vertrapten, kudden roofdden en menschen +wondden en doodden. + +In dien tijd waren de meeste Franken nog heidenen, maar in Gallië trof +men talrijke christenen aan. In de V^{de} eeuw reeds waren hunne +bisschoppen invloedrijke personen, die door prinsen en koningen werden +geëerbiedigd. Een der beroemdste is Remigius, bisschop van Reims. + +Clotildis was eene christin. Haar gemaal Hlodwig behaalde roemrijke +overwinningen in Gallië, en versloeg de Romeinen en Alemannen (496). + +De zachtzinnige Clotildis had grooten invloed op Hlodwig. Na zijne +overwinning op de Alemannen verzaakte hij de goden van zijn volk en +besloot Christen te worden. In 497 werd de vorst gedoopt te Reims, eene +zeer oude Gallische stad, waar de plechtigheid van den doop des konings +met ongemeenen luister gepaard ging. + +Geschiedschrijvers verhalen, dat de straten van Reims prachtig waren +versierd, dat kostbare behangsels de gevels der huizen bedekten en +gouden en zilveren wierookvaten in de kerken geurden. Een aanzienlijke +stoet begeleidde den koning naar de hoofdkerk; hij was omringd door +zijne familieleden, vergezeld van den bisschop Remigius en gevolgd door +eene schaar priesters in sneeuwwit gewaad, die lofliederen ter eere Gods +aanhieven. + +De bekeering van Hlodwig was de gewichtigste gebeurtenis van dien tijd. +Hlodwig breidde zijn rijk aanmerkelijk uit. Hij overwon de Westgothen, +bij Poitiers en maakte zich meester van zuidelijk Gallië tot aan de +Pyreneeën. Hij stierf in 511. + + + + +17.--Amandus. + + +Toen, in de VII^{de} eeuw, Dagobert, een afstammeling van Hlodwig +regeerde, leefde in Aquitanië[9] een zeer rijk paar, dat maar éen zoon +had, Amandus genaamd. Dien jongen lieten de ouders in den Christelijken +godsdienst opvoeden en in alle toen bekende wetenschappen onderwijzen. + +Amandus groeide op tot een zeer ontwikkeld en geleerd man en mocht hopen +in zijn geboorteland tot hooge waardigheden op te klimmen. Hij begeerde +echter eer noch roem en besloot Christen zendeling te worden. + +Hij reisde naar de oevers der Schelde, waar de inwoners aan den +Germaanschen godsdienst getrouw waren gebleven. + +Vergezeld van enkele geloofsgenooten bereikte hij de plaats, waar Lei en +Schelde samenvloeien, ongeveer waar zich heden de stad Gent bevindt. In +dien tijd echter was de landstreek woest en bar, en de inwoners namen +tegenover Amandus eene vijandige, zelfs dreigende houding aan. + +Zulks schrikte zijne vrienden af; zij verlieten hem, op twee na, die +noch voor ontberingen, noch voor bedreigingen terugdeinsden. + +Langzaam, zeer langzaam, verminderde het wantrouwen der bevolking. Eenige, +en later een groot aantal menschen bekeerden zich tot den nieuwen +godsdienst. + +Omstreeks het jaar 631 bouwde Amandus eene kerk, die heel +waarschijnlijk van hout was, een kegelvormig dak bezat en met stroo was +gedekt. Rondom deze kerk vestigden zich geloovigen, leerlingen en +volgelingen van Amandus. + +Dit was de oorsprong der abdij van Sint Bavo. + +Waarom zij aldus werd genoemd, zult gij in het volgend verhaal vernemen. + + + + +18.--Sint Bavo. + + +In Haspengouw woonde toen een zeer rijk en voornaam heer, Bavo genaamd. +Met vorsten was hij verwant en hij leefde gedurende langen tijd enkel +voor wereldsche genoegens. + +[Illustration: Doopkapel van Sint Macharius (1179), in de abdij van Sint +Bavo.] + +Het voorbeeld van enkele zijner familieleden en vooral dat van Amandus +bracht hem tot inkeer. Bavo besloot zijn leven aan den godsdienst te +wijden. Hij deed afstand van weelde en wereldsche genoegens, +onderscheidde zich door zijne milddadigheid en toefde geruimen tijd in +de abdij, gesticht door Amandus. + +Hij schonk haar rijkdommen en uitgestrekte landerijen. Na zijnen dood, +in 654, werd de abdij naar zijnen naam genoemd. + +Vele rijke mannen en vrouwen schonken, in navolging van Bavo, gronden, +bosschen, weilanden, vijvers, aan de abdij, die langzamerhand rijk werd. + +[Illustration: Fragment van een Romaansch klooster.] + +Weldra was de houten kerk door eenen steenen kerk vervangen; een +klooster werd gebouwd waarin zich de cellen der monniken bevonden, +talrijke bijgebouwen werden opgetrokken: schoollokalen, molen, +brouwerij, smis, werkplaatsen voor handenarbeid, stallingen, schuren. In +het omliggende strekten zich tuinen, weiden en boomgaarden uit; want, de +monniken bebouwden de velden en ontgonnen de woestenijen. + +De abdij van Sint Bavo was de eenige niet, die door den heiligen Amandus +werd gesticht. Op den Blandinusberg, stichtte hij de Sint +Pieters-abdij, die op hare beurt zeer bloeiend werd. + +Gedurende de VII^{de} eeuw werden op verscheidene plaatsen van ons land, +vrouwen-en mannenkloosters gesticht, in wier nabijheid zich niet zelden +landbouwers en ambachtslieden vestigden. + +Verscheidene dorpen en steden hebben aan abdijen hun ontstaan, hunne +ontwikkeling of hunnen bloei te danken. Bergen, Nijvel, Andenne, S^t +Ghislain, Stavelot, Lobbes, Zinik, Fosse, S^t Hubert, Moustier-s/Sambre, +Marchienne, Denain. + +Aan de bekeering onzer voorouders tot den Christelijken godsdienst +arbeidden niet alleen Sint Amandus maar ook in het Scheldedal Sint +Eligius +659; in het Maasdal, Sint Remaclius +668. In het begin der +VIII^e eeuw bekeerden Sint Lambertus en anderen, de laatste heidenen van +Kempenland, Brabant, Ardennen. + + + + +19.--Het Wandelend Woud. + + +Het was een koude najaarsdag; de zwaluwen waren naar verre streken +vertrokken, de wind huilde en plasregens maakten, in het vruchtbare +Haspengouw, den vetten kleigrond week en glibberig. + +In de woonhalle eener groote Frankische villa zaten drie vrouwen, die +zich met handwerk onledig hielden. De oudste, eene zestigjarige, droeg +eenvoudige grove kleederen en was druk aan het vertellen, terwijl hare +twee gezellinnen, mooie jonkvrouwen met zachte, ernstige oogen, zwegen +en van tijd tot tijd treurig en als gejaagd, elkander aanstaarden. + +De oudste vrouw, Machteld, was de dienstmaagd der jonkvrouwen die, naar +hare kleeding en manieren te oordeelen, tot eene zeer hooggeplaatste +familie behoorden. + +De oude Machteld ondertusschen vertelde: + +«Childebert, koning van Austrasië[10], verklaarde den oorlog aan +Fredegonde, de booze koningin van Neustrië[11]. Deze stelde zich aan het +hoofd van hare krijgslieden, vertrok en bereikte de stad Brennacum[12], +waar zij vernam, dat het leger van Childebert talrijk was en haar, op +bepaalden dag en uur, slag zou leveren.» + +De booze, doch krachtdadige vrouw, de nederlaag vreezende, verzon eene +list: «Dezen nacht» sprak zij tot hare krijgslieden, «zullen wij onzen +tocht voortzetten; gij moet brandende fakkels aansteken, groene takken +van de boomen hakken, die medenemen en schelletjes vastmaken aan den hals +der paarden. Bij het krieken van den dag zullen wij onze vijanden +aanvallen en ze gemakkelijk overwinnen.» + +En de krijgslieden volbrachten het bevel der koningin. Met hunne lange +zwaarden hakten zij de groene takken der boomen af, hingen rinkelende +belletjes aan den hals hunner paarden en, toen zij, na dezen arbeid +oprukten, vormden zij een wandelend woud dat, van de helling der heuvels +in de vlakte afdaalde. + +Een schildknaap in het kamp van Childebert zeide: «Wat wonder gebeurt +hier! Een woud verrijst op de plaats waar zich gisteren nog naakte +velden uitstrekten!»--Zijn aangesproken gezel lachte en antwoordde: +Slaapt of droomt gij? Hoort gij de schelletjes niet onzer paarden, die +hier dichtbij aan het grazen zijn?» Maar de soldaten van Fredegonde +bliezen op hunne oorlogstrompetten, vielen de Austrasiërs aan, doodden +er velen en joegen de anderen op de vlucht. + +Zegevierend zette Fredegonde haren tocht voort tot aan Reims, en +plunderde de heele landstreek....» + +Hier onderbrak Begga het verhaal van Machteld en sprak: «Altijd oorlog, +altijd bloed en moord!» waarop Geertrui, hare zuster, vervolgde: + +«Staak uw verhaal, Machteld», het stemt mij al te droevig. De ooievaars +zijn vertrokken, de wegen zijn slecht en onveilig en onze vader, Pepijn, +die in het voorjaar tegen de Friezen[13] te velde trok, is nog niet +teruggekeerd.» + +De oude Machteld schudde het hoofd en sprak vastberaden: + +«Uw heer vader, jonkvrouwen, zal niet lang meer toeven. Hij is niet +alleen de beste mensch maar ook de meest bedreven krijgsman van +Austrasië. Geen Fries, hoe dapper ook, is tegen hem opgewassen, Pepijn +zal den roem der Franken handhaven en onze gouwen tegen de invallen der +vreemde krijgers weten te beschutten.» + +«Mocht gij waarheid spreken» zuchtte Begga. «Gisteren nog heb ik God +beloofd dat, zoo mijn vader ongedeerd terugkeert, ik Hem in het hier +dichtbij gelegen woud, een fraai bedehuis zal laten oprichten.» + +«En ik beloofde den Heer een kostbaar altaar, dat ik behangen zal met +borduursels, eigenhandig door mij vervaardigd,» zeide Geertrui. + +De beide meisjes bogen het hoofd en zwegen, terwijl de getrouwe +Machteld, die de treurige jonkvrouwen niet meer storen durfde, zuchtte +en de oogen van haar werk niet meer ophief.» + +Eene pijnlijke stilte heerschte in het vertrek, terwijl daarbuiten de +wind bedaarde en de regen niet langer nederviel.... + +Eensklaps weergalmde een krachtig hoorngeschal door de wijde vlakte. De +vrouwen sprongen op en riepen met blijde verrassing: «De hertog! onze +heer! onze vader is daar!» + +In hoopvolle verwachting, haastig, hijgend, verlieten zij de woonhalle, +gevolgd door eene talrijke schaar dienaars die, evenals zij, het +opwekkend hoorngeschal hadden gehoord en den lang verwachten heer en +meester wenschten te begroeten. + +Weldra verscheen hij aan de houten poort der villa, te paard gezeten, de +wapens in de hand en gevolgd door eene machtige schaar krijgslieden die, +ten teeken van zege, met hunne wapens op hunne schilden sloegen, terwijl +de dienaars en dienstmaagden, alsmede de juichende jonkvrouwen in de +handen klapten en, uit volle borst «Heil Pepijn! heil onzen hertog!» +riepen. + + + + +20.--De Zonen van Hlodwig. + + +Na den dood van hunnen vader, in 511, verdeelden de zonen zijn rijk. Zij +en hunne afstammelingen breidden de macht der Franken zuidwaarts in +Burgondië en oostwaarts in Germanië uit. + +De zonen en afstammelingen van Hlodwig waren gedurig met elkander in +twist. De vertelling van het «Wandelend Woud» herinnert aan die +bloedige, vaak gruwelijke worstelingen, tusschen de leden eener zelfde, +koninklijke familie. + +Ten gevolge dier twisten verzwakte het gezag der Frankische koningen +aanmerkelijk. Zij bleven niet langer de ruwe, kloeke strijders, die wij +vroeger, dorstend naar roem en buit, te velde zagen trekken. Misschien +wel ondergingen zij, in Gallië gevestigd, den invloed van het zachte +klimaat en den vruchtbaren bodem.... Niet zelden geeft men hun den +leelijken naam van «Luie of Vadsige koningen.» Of zij dien verdienden +zal ik hier niet beslissen. + +Pepijn, bijgenaamd van Landen, behoorde tot een aanzienlijk geslacht; +hij woonde in Haspengouw, waar hij uitgestrekte landgoederen bezat. Die +rijkdommen, gij vermoedt het licht, waren van groote beteekenis, bij een +volk, dat schier uitsluitend van den landbouw leefde. + +Evenals andere beroemde vrouwen harer familie onderscheidden Geertrui en +Begga zich door hare vroomheid. Begga stichtte de beroemde abdij van +Andenne aan de Maas, terwijl de nagedachtenis van Geertrui heden nog te +Nijvel in Brabant wordt geëerd. + +Beide vrouwen werden, na haren dood, door de Kerk heilig verklaard. + +Wat Pepijn betreft, hij werd, na zijnen roemvollen tocht tegen de +Friezen, door koning Lotharius II verheven tot het ambt van Majordomus +of hofmeier. + +Nu was hij de hoogste hof-en staatsdienaar. Hij bestuurde de +landgoederen des konings, die zeer talrijk en uitgestrekt waren, en +voerde de krijgslieden aan. + +Die taak was niet gemakkelijk, maar moedig en vastberaden, volbracht hij +haar, tot aan zijnen dood, in 647. + +De zoon van Begga, Pepijn van Herstal bekleedde in 687 de waardigheid +van Majordomus. Hij verbeterde het Frankische leger en breidde zijne +heerschappij uit over onderscheiden Germaansche volken. Zijn zoon, Karel +Martel, werd door zijne overwinning op de Mooren, de redder van de +Christenheid. + +Intusschen was het koningschap der Merovingers[14] zóo onbeduidend +geworden, dat de zoon van Karel Martel, Pepijn de Korte (741-768) na de +zege te hebben behaald in den strijd tegen deSaksers in Germanië en tegen +de Longobarden in Italië, zich niet ontzag den laatsten Merovinger in een +klooster te plaatsen en zelf den troon te beklimmen. Dit gebeurde in 752. + +In het volgende verhaal zullen wij kennis maken met Karel, bijgenaamd +den Grooten, den vermaarden zoon van Pepijn. + + + + +21.--Van eenen armen, kleinen Zanger en een grooten Keizer. + + +Er was eens een stokoud moedertje, dat, met haren kleinzoon Engel, een +tienjarigen knaap, eene kleine, lage hut bewoonde, vlak aan den oever +der Schelde, dichtbij de abdij van Sint Bavo, te Gent. + +Engel had een stemmetje, zoo helder als kristal; de jongen deed dan ook, +dag in, dag uit, niets dan zingen. In huis, aan den oever der rivier, in +het woud, op de weide, liet hij de eenvoudige volksliederen weerklinken, +die herders en herderinnen, knapen en meisjes hem leerden, als zij +bloemen plukten of hout sprokkelden. + +De heeren der abdij kenden Bertilia en haren kleinzoon en, toen de oude +vrouw, op zekeren stillen zomeravond voor eeuwig insliep, ontfermden zij +zich over de wees en besloten voor zijne opvoeding te zorgen. Zij +onderwezen den knaap in het kerkgezang en in de Latijnsche taal en +Engel, die vlug van begrip en leerzaam was, werd een uitmuntend +kerkzanger. + +Op zekeren dag had in de abdij van Sint Bavo eene plechtige gebeurtenis +plaats. Karel, koning der Franken, keizer van het Westen, die de oevers +der Noordzee wilde bezoeken, stapte af in de abdij en genoot in de kerk +eene luisterrijke ontvangst. + +Het bedehuis was met kostbare draperieën behangen; gouden wierookvaten +geurden, heerlijke Halleluja's weerklonken. Engel zong ter eer van den +vorst eene prachtige hymne die, op al de aanwezigen een diepen indruk +maakte en niet het minst op den keizer die, behalve een groot krijgsman +en vroom Christen, ook een bewonderaar was van de gewijde toonkunst. + +Na de plechtigheid liet Karel zich den jongen zanger voorstellen, die +hem, om zijn innemend voorkomen en bescheiden manieren, zóo beviel, dat +hij besloot Engel naar zijn paleis te zenden, waar hij, onder leiding +van Italiaansche meesters, zijne muzikale opleiding voltooien zou. + +De keizer zette zijne reis voort. De abt, die door Karel met eene +dringende zending naar Aken was belast, zou ook den zanger naar de stad +geleiden. + +De keizer had een twintigtal gewapende mannen ter beschikking gesteld +van de reizigers, die weldra, vergezeld van een tiental geestelijken en +eenige dienstknechten, vertrokken. + +De reis van Gent naar Aken, die wij heden per spoor, in eenige uren +afleggen, duurde in dien tijd verscheidene dagen. De abt volbracht haar, +gezeten in eene draagkoets, terwijl de lieden van zijn gevolg te paard, +te voet, in wagens, achteraan kwamen of vooraan reden. + +De tocht was niet eentonig en overal genoten de reizigers het beste +onthaal; reeds in den namiddag van den eersten dag, kwam de +_Centgraaf_[15] hen te gemoet. Hij begroette den abt en verzocht hem +den nacht onder zijn dak te willen doorbrengen. + +Dit vriendelijk aanbod werd dankbaar aanvaard en 's anderendaags, heel +vroeg in den morgen, vertrokken uit de woonhalle van den gastheer twee +boden te paard, om de bewoners van een klooster, dat op zes uren afstand +lag, te verwittigen, dat de reizigers er tegen den avond zouden +aankomen; want, in dien tijd waren kloosters en abdijen de plaatsen, +waar reizigers van aanzien, abten, bisschoppen, hertogen, zelfs koningen +werden geherbergd. + +In Haspengouw vertoefden Engel en zijne reisgenooten eenige uren op de +villa van eenen graaf, waar hun een groot gastmaal werd aangeboden. Niet +ver vandaar bezochten de reizigers een landgoed van den keizer en +bewonderden het vernuft van den grooten man die, wat veeteelt en +tuinbouw betreft, met groote kennis van zaken handelde. Op zijne +domeinen, werden voedingsgewassen en artsenijplanten gekweekt, zelfs +meekrap, die tot het verkrijgen van verfstof werd gebezigd. Tal van +vruchtboomen, verschillende soorten van appels, peren, pruimen, perziken +groeiden in zijne tuinen. + +Op twee uren afstand van Maastricht ontmoette de karavaan den +_Zendgraaf_, een vriend van den abt. Hij was vergezeld van een talrijk +gevolg. + +De _Zendgraaf_ was een aanzienlijk en ervaren man; hij bereisde het +Land om overal een wakend oog te houden en de rechten en wetten van den +keizer te doen eerbiedigen. + +Hij bracht zijnen vriend tot aan Maastricht en hier rustte men gedurende +een geheelen dag. De stad was toen zeer bloeiend; er lag eene brug over +de Maas en talrijke booten beladen met koopwaren, wijn, graan en andere +levensmiddelen voeren op den breeden stroom. + +Engel had in de laatste tien dagen zeer veel gezien en geleerd en +nochtans wenschte hij vurig de stad Aken te leeren kennen, en er zijne +muzikale opleiding te voltooien. + + * * * * * + +Eindelijk braak het lang gewenschte oogenblik aan en onze reizigers +mochten de beroemde stad binnentreden. + +Engel oordeelde haar zeer «prachtig» en stemde ten volle in met de +inwoners, die Aken een tweede Rome noemden. Het verkeer was er levendig, +men trof er een ruim plein aan met prachtige huizen, bewoond door +prinsen en hertogen. + +De stad was een schouwburg rijk, ook verscheidene badhuizen en een +heerlijk paleis, waar Karel niet zelden den winter doorbracht. + +De abt van Sint Bavo stelde Engel voor aan den Italiaanschen meester, +onder wiens leiding de jonge zanger studeeren zou en, eer hij vertrok, +sprak hij Engel in dezer voege toe: + +«Mijn zoon, ik stel vertrouwen in u, werk en studeer naarstig; als ik +hier den landdag hoop bij te wonen, wil ik van uwe meesters en van onzen +doorluchtigen keizer niets dan goeds over u vernemen.» + +Engel beloofde zijn best te doen; hij studeerde dan ook veel en voldeed +dermate zijnen nieuwen meester, dat deze besloot den jongen zanger ter +gelegenheid van het verjaringsfeest van de kroning des keizers, in de +kapel van het paleis te laten zingen. + +Karel de Groote van zijne reis teruggekeerd, woonde met zijn gevolg, de +kerkelijke plechtigheid bij en, toen Engel zijn gezang aanhief, wist hij +er zooveel dankbaar gevoel, zooveel kunst in te leggen, dat al de +aanwezigen er door getroffen waren. + +[Illustration: Mannelijke kleederdracht (IX^e eeuw).] + +Karel wenschte meester en leerling geluk en besloot den jongen zanger +aan zijn hof te verbinden. + +Schier elken dag zong nu Engel in de kapel van het paleis, een der +schoonste bedehuizen der IX^{de} eeuw en leerde meer en meer den grooten +man waardeeren, die door zijne tijdgenooten zoo hoog werd geroemd. + +De keizer was zeer werkzaam; het grootste deel van zijnen tijd wijdde +hij aan het welzijn zijner onderdanen. + +Wel is waar liet hij de verschillende volken, waarover hij regeerde, in +het bezit van hunne eigenaardige instellingen en wetten, maar hij +trachtte toch eenheid in zijn bestuur te brengen en daartoe vaardigde +hij onderscheidene besluiten uit, die men capitulariën, noemt. + +Niet zelden liet hij, na een dag ernstigen arbeid en studie, Engel bij +den maaltijd ontbieden om te zingen; als er geene muziek gemaakt werd, +deed de vorst zich iets uit de geschiedenis der Oudheid voorlezen, of +iets uit de werken van den heiligen Augustinus, dien hij bijzonder +hoogschatte. + +Engel ontmoette aan het hof den geleerden Alcuinus, een Angelsaksischen +monnik, ook wel den geschiedschrijver Paulus Diaconus, den taalkundige +Pieter van Pisa, Eginhard, die Karels geschiedenis schreef, en anderen +meer. + +De jonge zanger, die wenschte zich te volmaken in de kennis der +Latijnsche taal, kreeg verlof van den keizer om de lessen bij te wonen +aan de hofschool, waarin de kinderen van den vorst en de zonen der +rijksgrooten onderricht ontvingen. + +[Illustration: Vrouwelijke kleederdracht (IX^e eeuw).] + +De maand Mei brak aan en de lang gewenschte landdag, waarop Engel den +abt van Sint Bavo zou terugzien, naderde. + +Het hart van den jongeling klopte van blijde verwachting en op den +bepaalden dag trok hij, vol ongeduld, vóór het krieken van den morgen, +de stadspoort uit en zijne weldoeners te gemoet. + +Wat was er leven en beweging langs den weg! Schilderachtige groepen +begaven zich stedewaarts. Krijgslieden met glinsterende wapens en bonte +schilden, Zend-en Markgraven, Honderdmannen met talrijk gevolg, gezanten +uit vreemde landen in zonderlinge kleederdrachten, bisschoppen in rijke +draagkoetsen, donkergetinte zuiderlingen, Saksers van hooge gestalte +begaven zich naar het Meiveld, waarop de keizer de Rijksgrooten had +bijeengeroepen. + +Na een half uur gegaan te hebben ontsnapte een vreugdekreet de borst +van den zanger. Hij herkende de lieden uit zijn land, de zware paarden +uit het Scheldedal, den wagen der abdij van Sint Bavo! Hij verhaastte +zijne schreden en o! zalig oogenblik ... hij mocht den waarden abt +begroeten, die ondanks zijne hooge jaren, zonder hinder voor zijne +gezondheid, den langen weg had afgelegd. + +Haastig maakte hem Engel bekend met talrijke bijzonderheden over zijn +verblijf te Aken, over zijne studiën, over den keizer. + +Na een paar uren verliet hij den eerwaarden heer, die de vergadering op +het Meiveld ging bijwonen. Hier werd door den keizer en de grooten +beraadslaagd over den toestand des rijks, over het voeren van oorlog, +over geschillen; ambtenaren werden aangesteld, nieuwe wetten +uitgevaardigd en gehoor verleend aan gezanten van naburige landen. + +Verscheidene dagen bracht de abt te Aken door en toen keerde hij naar +Gent terug, zijn jongen vriend achterlatende, die hem een dankbaar en +hartelijk «tot wederzien» toeriep. + +Helaas! het heerlijk verblijf van Engel te Aken, zou niet lang duren! In +814 stierf de groote keizer en diepbedroefd zong de zanger in de kapel +van het paleis, een lijkzang ter eere van den grooten man, dien hij zoo +hoogschatte. + +Engel keerde naar Gent terug, beoefende uitsluitend de gewijde toonkunst +en vormde talrijke leerlingen, niet alleen te Gent, maar ook in de Sint +Amandusabdij te _Elnone_[16] aan de Schelde, waar hij eindelijk, evenals +vroeger zijn moedertje, op hoogen ouderdom, zachtjes insliep.... + + + + +22.--Karel de Groote. + + +Het voorgaande verhaal was lang en toch zou ik er nog eenige +oogenblikken bij willen stil staan. + +Ik ben overtuigd, dat de groote keizer,[17] die zich het lot van den armen +zanger aantrok, u niet meer onverschillig is. Hij verdient ten volle uwe +achting; hij was goed, verstandig, ontwikkeld, werkzaam, beschermde +kunstenaars en geleerden en bestuurde zijn uitgestrekt rijk op uitstekende +wijze. + +[Illustration: Hoofdletters van handschriften der VIII^e eeuw.] + +Weet gij ook, dat hij een groot krijgsman was? Hij bedwong de Saksers, +de Lombarden, de Arabieren, de Beierlingen en de Slaven. Ten jare 800 +werd hij door den Paus van Rome, tot keizer van het Westen gekroond. Hij +zond geestelijken en zendelingen naar Germanië om er de beschaving en +het Christendom te verspreiden. + +Hier te lande, heerschten gedurende zijne lange regeering rust en vrede; +onze voorouders woonden in het hartje van Karels rijk. Al wie van het +Zuiden, dus van Gallië naar Aken reisde, trok door ons land, dat +levendiger en dichter bevolkt was dan vroeger. Landbouw en veeteelt +verkeerden in bloeienden toestand, en het bezoek, dat onze vrienden +brachten aan de stad Maastricht, leert ons, dat er handel gedreven werd. +Op de Schelde, de Maas, den Rijn, de Moezel voeren booten en vlotten; +aan de oevers der zee fokte men schapen en de wollen stoffen van ons +land werden tot in Midden-Europa verzonden. + +Onze voorouders dreven handel met Groot-Brittanje en Scandinavië; +immers, in Engeland en aan de kusten der Baltische zee heeft men +muntstukken der IX^{de} eeuw ontdekt, die hier geslagen werden. + +Verscheidene bisschoppen en abten van ons vaderland waren vrienden of +beschermlingen van den keizer. De geestelijken bestudeerden de fraaie +letteren en Karel zond hun de beste meesters; Eginhard bestuurde +gedurende eenigen tijd de abdijen van Sint Pieter en Sint Bavo te Gent. + +In de vrouwenkloosters zaten de geestelijke zusters niet ledig. Te +Maeseyck vervaardigden zij prachtig borduurwerk of versierden schoone +handschriften met de fraaiste penteekeningen. + +Overal stichtte men bibliotheken; de scholen van het Sint +Amandusklooster te _Elnone_ aan de Schelde verwierven grooten roem onder +het bestuur van Hucbald, dichter, geschiedschrijver en de bijzonderste +toonkunstenaar der X^{de} eeuw. Hij geeft de eerste berichten over het +begin der meerstemmige muziek. + +Te S^t Amand of _Elnone_ waren Dietsche en Waalsche of Romaansche +schrijvers. + +Ook de scholen van het bisdom Luik waren beroemd. Zij brachten dichters, +taalkundigen, kunstenaars voort; bisschop Hartgar deed zich een paleis +bouwen versierd met fraai beeldhouwwerk en gekleurde glasruiten. + +Karel was de grootste man zijner eeuw; zelfs na zijnen dood leefde hij +voort in de werken, die hij tot stand bracht en door het voorbeeld, dat +hij gaf. + + + + +23.--Renier en Albrade. + + +Omtrent het midden der X{de} eeuw leefde in Henegouwen een dappere en +geduchte graaf, Renier geheeten. Albrade, zijne vrouw, was een toonbeeld +van zachtheid en goedhartigheid. + +Beiden woonden aan de oevers der Schelde in het midden hunner +onderdanen, die hun edelen heer en zijne doorluchtige gade om het zeerst +liefhadden. + +Op zekeren dag verspreidde zich eene schrikwekkende mare door de +landstreek. De wreede Noormannen waren in aantocht; onder aanvoering +van Rollo, hun wreed opperhoofd, voeren zij de Schelde op, en onder het +zingen van woeste krijgsliederen, plunderden zij hoeven, kerken, +abdijen, dorpen, steden. Hier verschenen zij, snel als de wind, midden +in het gewoel eener jaarmarkt; ginds staken zij de woningen der menschen +in brand, doodden al wie zich durfden verzetten, stalen het goud-en +zilverwerk der inwoners, de heilige vaten der kerken. «Van de woede der +Noormannen, verlos ons Heer»! baden de menschen en weinigen waren er, +die tot verdediging durfden overgaan. + +Tot deze laatsten behoorde Renier: «ik zal mijn volk tot den dood +verdedigen», sprak hij vastberaden en Albrade, de zachte, goede Albrade, +moedigde hem aan in zijn besluit. + +Renier verzamelde zijne krijgslieden, doch in stede van een enkelen +grooten veldslag te wagen, lokte hij den vijand in hinderlagen en +bevocht hem in schermutselingen. + +[Illustration: Schip der Noormannen.] + +In éene daarvan nam hij twaalf voorname krijgslieden gevangen. + +Toen Rollo zulks vernam, ontstak hij in vreeselijke woede, viel Renier +aan en nam, na een bloedig gevecht, den dapperen graaf gevangen. + +In angstvolle verwachting vertoefde Albrade op haren burcht en, toen +zij de treurmare vernam, besloot zij alle middelen in het werk te +stellen om haren echtgenoot te redden. + +Zij zond eenen bode naar Rollo met het voorstel hem zijne twaalf +krijgslieden tot lossing van graaf Renier terug te zenden, maar de +wreede Rollo kende geen medelijden: «Voor morgen», antwoordde hij «eisch +ik de gevangen krijgslieden terug, en daarbij al het goud en zilver van +de abdijen dezer streek.» + +Albrade zond aan Rollo de twaalf gevangenen, daarbij eenen wagen vol +goud en kostbaarheden. Maar de wreedaard wilde meer. + +Hij liet het goud wegen, wierp zijn met Runen[18] versierd zwaard in +eene der twee schalen en riep: «Brengt mij goud, tot beide schalen in +evenwicht blijven.» + +Albrade zocht haar laatste goudwerk: den met edelgesteenten versierden +ring, dien zij, vóór jaren als bruidsgeschenk van haren echtgenoot had +ontvangen; het kostbare kruis, een aandenken harer moeder, het zilveren +gevest van het zwaard haars vaders, doch de wreede Rollo was nog niet +voldaan. + +Albrade was wanhopig en zocht in vertwijfeling naar een laatste +redmiddel, toen hare onderdanen, haar te hulp kwamen. Uit eigen +beweging, ontdeden zij zich van het goud en de kostbaarheden, die zij +nog bezaten en gingen die nederleggen aan de voeten van den wreeden +Noorman. + +Rollo, die niet eens wist wat genegenheid was, zag dit alles eerst met +verwondering, daarna met aandoening aan. + +Hij ontbood Renier, ontdeed hem van zijne boeien en sprak: «Wat zijt gij +gelukkig, Graaf, die door eene zoo brave echtgenoote en door talrijke +onderdanen teeder wordt bemind. Keer tot hen terug, blijf niet langer +mijn vijand, maar word mijn vriend.» + +Rollo gaf al de aangebrachte schatten terug en sloot met Renier een +vredeverbond. + + + + +24.--Invallen der Noormannen. + + +Wat moest het er, gedurende die lang vervlogen eeuwen, in ons land +akelig uitzien! Platgeloopen akkers, geplunderde kerken en kloosters, +dooden, gewonden, armoede, verdriet en lijden. + +Zoolang Karel de Groote leefde, durfden de geduchte Noorsche Zeeroovers +zich op onze kusten niet vertoonen, maar, na zijnen dood, was het geheel +anders. + +[Illustration: Verdeeling van het rijk van Karel den Groote.] + +De zoon en opvolger van Karel, Lodewijk de Vrome, bezat de +krachtdadigheid zijns vaders niet. Zijne zonen Karel, Lother, en +Lodewijk betwistten elkander het vaderlijk erfdeel. In 843 sloten zij +het verdrag van Verdun[19], dat het rijk van Karel den Groote in drie +rijken verdeelde. De hierbij gevoegde landkaart zal u over deze +verdeeling een juister denkbeeld geven. Bezie ze met aandacht en bemerk +dat de landstreek gelegen tusschen de Schelde en de Noordzee aan Karel +kwam, en deel maakte van Frankrijk; het overige-het grootste deel van +het tegenwoordig België--kwam aan Lother, terwijl Germanië ten deel viel +aan Lodewijk. + +Deze verdeeling die, voor de toekomst, van groot gewicht was, werd later +door andere verdeelingen gevolgd: de landstreek tusschen Schelde en +Rijn, weldra Neder-Lotharingen of Lotherrijk geheeten kwam aan Germanië. +De streek tusschen de Schelde en de Noordzee, bleef aan Frankrijk. + +Verdeeld door hunne onderlinge twisten en oorlogen, waren de zwakke +opvolgers van Karel den Groote, zelden in staat de Noormannen tegen te +houden; ook ondernamen deze niet één maar herhaalde invallen aan de +oevers van den Rijn, de Maas, de Schelde en hunne bijrivieren. + +Langzamerhand lieten zij hun zwervend leven varen.--Eenigen vestigden +zich in het gedeelte van Frankrijk, dat naar hen, Normandië geheeten +werd. + +Wie klommen, denkt gij, gedurende die akelige tijden, bij het volk in +aanzien? Zonder twijfel waren het de onverschrokken mannen, hertogen, +graven en andere heeren, die, evenals Renier, zich tegen de Noormannen +durfden verzetten. Men achtte ze veel meer, dan de machtelooze koningen, +die niet in staat waren hun land en hunne onderdanen tegen vreemde +indringers te verdedigen. + +Vele weerlooze, zwakke menschen stelden zich vrijwillig, zooals +voorgaand verhaal ons leerde, onder de bescherming dier heeren. Deze +legden hier en daar sterke burchten aan, waar zij zich konden verdedigen +tegen hunne vijanden. + +De macht dezer heeren ging over op hunne zonen en latere afstammelingen +met wier eigenaardig schilderachtig leven, gij in het volgend verhaal +kennis zult leeren maken. + + + + +25.--Anneken Soete, de kleine herderin. + + +Op een verzengend heeten zomer waren frissche, kalme najaarsdagen +gevolgd. + +'s Morgens, na zonsopgang, hingen zilveren nevels over de heerlijke +Vlaamsche vlakte en duizenden vogels maakten zich gereed om de +jaarlijksche reis naar de warme zuiderlanden aan te vangen. + +Aan den zoom van het mastbosch, vóór het lage deurtje van eene leemen +hut, stond een vijftienjarig meisje, dat angstig in de verte tuurde. +Tranen rolden over hare zachte wangen, terwijl haar fijnbesneden mond +prevelde: + +«Belle! ondankbare geit! waarom hebt gij ons gisteren zóo lichtzinnig +verlaten?» Wie zal u melken? Wie zal uw leger spreiden, u streelen en +liefkozen?... Waar zal ik u vinden?... want _vinden_ zal ik u, al moest +ik u zoeken, uren lang, over de vlakte en door de sparrebosschen. + +En Anneken Soete, het herderinnetje vertrok; zij liep op hare bloote +voeten, over de purperen heide, tot aan den kronkelenden oever der beek, +waar het slot van den heer van Oostcamp zijn toren in de lucht verhief. + +Juist hadden eenige mannen de valbrug nedergelaten, dienaars openden de +zware poortdeuren, honden blaften, paarden hinnikten en een voorname +stoet van heeren en dames verliet de sombere woning. + +Met eerbiedige bewondering trad Anneken Soete op zijde en zag de +geduchte edellieden en hunne vrouwen voorbijtrekken. + +Allen behoorden tot de grootste familiën van het land en waren door den +heer van het slot ter jacht genoodigd. + +Vooraan, op een forsch paard gezeten, reed Boudewijn, de edele graaf van +Vlaanderen en achter hem, op eene witte hakkenei[20], verscheen +Machteld, zijne dochter, een der rijkste edelvrouwen van het land. + +Zij was jong en schoon, groot en slank van gestalte, statig en +gebiedend in hare houding. Met de linkerhand hield zij de teugels van +haar paard vast, terwijl een valk met roode kap en gulden schelletjes, +op hare rechterhand rustte. + +«Wat is zij mooi» lispelde Anneken en haar oog rustte op het +rijkgeborduurde kleed der gravin, dat in breede plooien tot op den grond +afhing. + +Op eerbiedigen afstand volgden de andere genoodigden, verder schild-en +hofknapen, jagers met honden en valkeniers met valken en andere +jachtvogels. + +Met popelend hart zag Anneken al deze lieden voorbijtrekken. Zij vergat +schier hare geit, de lichtzinnige Belle en eerst toen de laatste honden +voorbij waren en de jachthoorn niet meer schalde, kwam zij tot bezinning +en zette haren tocht voort, over heide en gras, langs beek en plas, +langs heg en mastbosch. + +Lachend en koutend trok de schitterende jachtstoet over de geurige +vlakte; vrouw Machteld scheen buitengewoon opgeruimd maar Boudewijn, de +wijze graaf van Vlaanderen, schudde het hoofd en sprak: «Altijd +onvoorzichtig, mijne dochter, ik smeek u, verlaat mijne zijde niet; +want, telkens wanneer gij mij op de jacht vergezelt, maak ik mij om u +ongerust.» + +Tot eenig antwoord schudde de fiere Machteld het blondgelokte hoofd en +toen een uur later, haar vader met den heer van Komen in een ernstig +gesprek was verdiept, verliet zij hem om, geheel alleen, in de richting +van het bosch voort te rijden. + +Eensklaps bemerkte zij eene boschduif, die boven de beek vloog; haastig +trok zij de bellenkap van haren valk en wierp den vogel op. + +Pijlsnel steeg de valk en bleef toen eenigen tijd onbeweeglijk in de +lucht hangen. Hij bemerkte de arme boschduif, daalde neder en worgde +haar met zijne scherpe klauwen. + +Machteld klapte van blijdschap in de handen en daar, naar hare meening, +de valk zijne prooi niet spoedig genoeg aan zijne meesteres bracht, gaf +zij haar paard de sporen en reed in de richting der beek, tot aan den +zoom van het mastbosch. + +Waarschijnlijk verschrikte haar wilde ren de arme dieren, die onder het +heidekruid verborgen zaten; want, een haasje sprong op, vlak voor de +pooten van het paard; het beest werd schichtig en het vlood met zijne +edele berijdster het mastbosch in. + +Wat de gravin ook aanwendde om het verschrikte dier tot bedaren te +brengen, niets mocht baten; in wilden galop rende het voort, altijd +voort en wierp eindelijk zijne berijdster met zóoveel geweld af, dat +haar hoofd tegen een mastboom bonsde en zij gewond en bloedend nederlag. + +Brieschend zette het paard zijnen weg voort en weldra werd alles weer +doodstil. Bewusteloos lag de gravin op het zachte mos; geen vogel zong +in de hooge mastboomen, wier donkergroene takken zich als een priëel +ineenvlochten boven het hoofd der eenzame vrouw. + + * * * * * + +Langzaam keerde Anneken, de kleine herderin, naar de woudhut terug. +Bosch en heide had zij doorloopen, hare voeten bezeerd aan braamstruiken +en distels, maar haar geitje, helaas! niet gevonden. + +Tranen vloeiden over de wangen van het arme meisje; zij weende niet om +zich zelve maar om hare moeder, die oud en ziekelijk was en thans de +voedzame geitenmelk zou moeten missen. + +Ze waren zoo arm en verlaten, de weduwe Soete en hare eenige dochter. +Jaar in, jaar uit, voedden zij zich met rogge-of gerstebrood; in het +najaar zamelden zij beukenoten als wintervoorraad, sprokkelden droog +hout en zochten pijnappels in de bosschen. + +Zuchtend naderde Anneken hare woning, toen zij tot haren schrik onder de +hooge boomen eene donkere gestalte liggen zag. Zij naderde, herkende het +schoone, met goudgeborduurde rijkleed der gravin, sloeg een kruis en +riep: «Dat is de edelvrouw van dezen morgen!» + +Hoe jong ook, was Anneken moedig en vastberaden; zij vloog naar de hut, +vulde eene aarden kruik met frisch water, nam een groven, doch hagel +witten linnen doek en riep hare moeder toe: «Gauw, moeder, gauw, neem +onze peluw, volg en help mij!» + +De weduwe schrok maar deed zooals hare dochter verlangde. Beide vrouwen +liepen naar de nog altijd bewustelooze edelvrouw, legden de peluw onder +haar hoofd, maakten hare kleederen los en wieschen haar met frisch +water. + +Machteld kwam tot bezinning, opende de oogen en keek hare weldoensters +eerst verbaasd, daarna dankbaar aan. + +«Waar ben ik?» lispelde zij. + +«Stel u gerust, Vrouw,» antwoordde Anneken, «we zijn arm, doch zullen +voor u doen, wat wij kunnen ... spreek, verlangt gij iets?» + +«Een dronk water,» murmelde de gekwetste en vrouw Soete spoedde zich +naar de beek, vulde een aarden drinkkom, dien zij de edelvrouw aan de +lippen bracht. + +Machteld had eene wonde aan het voorhoofd, die Anneken en hare moeder +omzichtig uitwieschen en met een linnen doek verbonden. + +Na eenigen tijd voelde zij zich in staat om, steunend op den arm harer +weldoenster, naar de hut te wandelen. + +Spoedig had de weduwe haar bed van mos opgeschud, en de edelvrouw was +blijde toen zij hare pijnlijke ledematen erop uit kon strekken. + +Langzaam daalde de nacht over de aarde; de wind stak op en groote +regendruppels vielen uit de voorbijdrijvende wolken.... Geene enkele +lichtende ster blonk aan het uitspansel en onheilspellend floot de +nachtvogel in het bosch. + +Gravin Machteld dacht aan haren vader, aan hare vrienden in het verre +slot. Wat zouden zij om harentwille ongerust zijn! Graaf Boudewijn had +verscheidene kinderen, doch Machteld had hij boven allen lief. + +Zij was opgeruimd, vriendelijk, moedig tot onvoorzichtigheid toe. Meer +dan eens had hij aan vrienden en magen verklaard dat hij, boven zijn +uitgestrekt graafschap, boven het land van Aalst, de liefde zijner +Machteld stelde en thans lag zij, zonder dat hij wist waar, gewond, in +eene afgelegen, armzalige hut. + +Naar hem terugkeeren kon zij niet, haar geheele lichaam deed haar pijn, +de nacht was aangebroken, de wind loeide en zou weldra tot storm +aangroeien. + +Welk een angstvollen nacht zou hij doorbrengen, hij Boudewijn, de +geduchte graaf, die burchten en steden had ingenomen, zelfs den +machtigen keizer van Germanië had overwonnen. + +Machteld weende en deelde haren kommer mede aan hare gezellinnen.... +«Arme, genadige graaf,» zuchtte Anneken, «hoe diep ongelukkig moet hij +wezen.» + +Toen nam het meisje een kort, doch moedig besluit. Zij zou zich naar den +burcht van Oostcamp begeven, duisternis en storm trotseeren en den graaf +geruststellen, terwijl hare moeder, vrouw Machteld verzorgen zou. + +Anneken Soete sloeg een kruis, prevelde een Vader-Ons, opende het lage +deurtje der hut en verdween in de duisternis. + +De weg was lang, doch het meisje stapte altijd door, bad, en sloeg kruis +op kruis. + +Eensklaps, midden op de vlakte bemerkte zij een rossen gloed. Zwarte +gestalten, dragende brandende toorsten, naderden. + +Zouden het ook struikroovers zijn, die eene hoeve of een slot gingen +aanranden? + +Het regende niet meer en bij wijlen kwam de bleeke maan van achter de +wolken kijken. + +De mannen naderden en, vol vrees, verborg zich het herderinnetje, aan +den oever der beek. + +«Hier aan deze beek, heb ik gravin Machteld voor het laatst gezien» +sprak de aanvoerder. + +«In de vlakte is zij niet» antwoordde eene stem, «zij moet de +mastbosschen zijn ingetreden. Zouden wij het wagen, met onze brandende +toortsen, in de bosschen te zoeken?» + +«Dat zou gevaarlijk zijn» sprak een derde, laten wij naar de hut gaan +der weduwe Soete, zij of hare dochter, hebben wellicht onze vrouw of +haar paard gezien.» + +Anneken wist genoeg; de mannen, die zij voor boosdoeners aanzag, waren +dienaars, die hunne meesteres zochten. + +Vastberaden verliet zij hare schuilplaats, en vertelde aan de mannen, +wat er met de arme gravin was gebeurd. + +Hoe gelukkig waren zij te vernemen, dat Machteld leefde en door Anneken +Soete en hare moeder liefderijk was verzorgd. + +Vier hunner keerden naar het slot terug om de gelukkige tijding aan +graaf Boudewijn mede te deelen en eene draagkoets voor de gravin te +halen. + +De overigen vergezelden Anneken tot in hare hut en 's anderendaags, +vroeg in den morgen, hield eene prachtige draagkoets voor de schamele +woning stil. + +Gravin Machteld nam afscheid van hare weldoensters en beloofde haar niet +te vergeten. + +Anneken Soete en hare brave moeder wilden van geene belooning hooren, +maar de gravin dacht er anders over. + +Eenige dagen later, toen zij volkomen hersteld was, bracht zij Anneken +en hare moeder een bezoek. + +«Gij hebt mij het leven gered» sprak zij, «thans is het mijn plicht voor +u te zorgen. Ik keer met mijnen heer vader naar Rijsel terug. Wilt gij +mij vergezellen? Voortaan zal u niets ontbreken; want, ik zal voor u +zorgen, zoolang ik leef....» + +Belle, de ondankbare geit was niet teruggekeerd en waarschijnlijk door +een wild dier verslonden; de rogge was mislukt en honger en gebrek +grijnsden als spoken aan het deurtje der hut. + +Anneken en hare moeder aanvaardden, vol blijdschap, het voorstel der +gravin. + +Zij vergezelden haar naar Rijsel en leefden er eenigen tijd vreedzaam en +gelukkig, toen er eene nieuwe verandering in haar leven kwam. + +Machteld huwde Willem van Normandië, een der beroemdste edellieden van +zijnen tijd. + +Jaren lang voerde hij krijg in Engeland, terwijl zijne vrouw in +Normandië bleef. + +Eindelijk, toen haar echtgenoot tot koning van Engeland werd +uitgeroepen, volgde zij hem over zee met Anneken Soete, hare moeder, +alsook verscheidene Vlaamsche edellieden die, door de nieuwe koningin, +rijkelijk werden begiftigd. + + + + +26.--De Graven van Vlaanderen. + + +Anneken Soete, de moedige, kleine herderin, leefde in de XI^{de} eeuw +onzer tijdrekening. + +Zij en hare moeder waren arme, eenvoudige vrouwen, die heel afgezonderd +leefden en niet zelden honger en gebrek leden. + +In dien tijd was de grond minder goed bebouwd dan thans; verscheidene +voedingsgewassen, zooals aardappelen, waren geheel onbekend. +Stoombooten, spoorwegen bestonden niet; vaarten, breede wegen waren +zeldzaam, zoodat het veel moeite kostte om de voortbrengselen van +elders, hierheen te brengen. + +Op het land woonden de menschen in schamele hutten, maar sommige +edellieden hadden steenen woningen «burchten, of steenen» genoemd. + +De burcht van den heer van Oostcamp, was naar alle waarschijnlijkheid +een steenen woning. + +Toen Anneken den schitterenden jachtstoet uit den burcht treden zag, +beefde zij en trad eerbiedig ter zijde; want, evenals vele landlieden +uit den omtrek, was het arme kind eene hoorige van den heer van +Oostcamp, meester van het omliggende land. + +Dat land had hij in leen ontvangen van den graaf van Vlaanderen, die +zijn leen_heer_ was, terwijl hij leen_man_ was van den machtigen +graaf. + +De heer van Oostcamp moest, als het noodig was den graaf van Vlaanderen +ten oorlog vergezellen, hem helpen vrijkoopen, indien hij krijgsgevangen +genomen werd. + +Ook Robrecht, heer van Komen, Drogon van Beveren, Gilbert van Gent en +anderen, die deelnamen aan de jacht te Oostcamp, waren leenmannen van +graaf Boudewijn. + +Deze heerschte over het uitgestrekt grondgebied, dat zich ten Oosten der +Schelde, tot aan de Somme uitstrekte. + +Dit grondgebied had hij van den koning van Frankrijk in leen ontvangen. +Hij bezat er de rechterlijke macht, mocht belastingen heffen, zelfs munt +slaan. + +Misschien denkt gij, dat hij den koning van Frankrijk gewichtige +diensten bewezen had en deze hem, als belooning, uitgestrekte landerijen +had geschonken? + +Neen, dat was zoo niet. In de XI^{de} eeuw en vroeger reeds, waren de +leenen erfelijk. + +Boudewijn, de V^{de} van dien naam, was zijnen vader, als graaf van +Vlaanderen opgevolgd. Vóór dezen hadden reeds van 864 (?) tot 988, vijf +graven van Vlaanderen geregeerd. + +[Illustration: Leenroerig Tijdvak.] + +Boudewijn V, bijgenaamd van Rijsel, was een der machtigste heeren van +zijnen tijd. Als krijgsman had hij grooten roem verworven; hij en zijne +dappere leenmannen waren onoverwinnelijk. + +In 1056 kwamen de eilanden van Zeeland, de vier Ambachten en het land +van Aalst in zijn bezit, zoodat Boudewijn leenman was van den koning van +Frankrijk en van den keizer van Duitschland. + +Van 1060 tot 1063 was hij ook voogd over den minderjarigen koning van +Frankrijk. + +Het voorgaande verhaal leerde ons, dat zijne dochter koningin van +Engeland werd. Om u te bewijzen, hoe machtig en geëerd Boudewijn was, +zal ik er nog bijvoegen, dat zijn oudste zoon de gravin van Henegouwen +huwde en zijn tweede zoon, in het huwelijk trad met eene Hollandsche +prinses. + +[Illustration: Poort van het Gravensteen. Gent.] + +Al die gebeurtenissen waren rijk aan gevolgen. Talrijke Vlamingen +vestigden zich als kolonisten in Engeland, anderen werden kooplieden, +die handel dreven langs stroomen en rivieren, zich op zee naar +Denemarken, Scandinavië en Engeland waagden. Jaarmarkten werden gehouden +en Brugge, Rijsel, Meenen, Thorhout, Yperen, Gent werden belangrijke +steden. + + + + +27.--Een Sprookje. + + +Geen slot der Middeleeuwen of er is een min of meer dramatisch verhaal +aan verbonden, dat, hoewel zelden met de geschiedkundige waarheid +overeenkomende, het poëtisch gevoel bevredigt, dat in het hart van elken +mensch verborgen ligt. + +Daarom schrijven wij hieronder een sprookje, verbonden aan den +merkwaardigen burcht van Bouillon. + +Gilbert van de Ardennen was een edel en dapper ridder. Op zekeren dag +begaf hij zich ter jacht en verdwaalde. + +Uren lang zwierf hij rond in de wouden en bereikte eindelijk den voet +eener hooge, steile rots, gelegen in een heerlijk dal, waardoor de +Semois zich kronkelde. + +Gilbert was vermoeid; hij vlijde zich neder op het zachte mos, toen hij +eensklaps eene wonderzoete meisjesstem vernam, die een klagend liedje +zong. + +Gilbert luisterde met welgevallen, richtte zich op, baande zich een weg +door het struikgewas en bereikte de plaats vanwaar de stem scheen te +komen. + +Tot zijne verwondering bemerkte hij eene schoone jonkvrouw, die bitter +weende en, met hare lange, blonde haren, de tranen afdroogde, die langs +hare wangen rolden. + +Zij hief de handen smeekend tot den ridder op, terwijl deze haar vroeg: + +«Wie zijt gij, edele jonkvrouw, en hoe komt gij op deze woeste, eenzame +plaats?» + +«Spreek zachter, heer ridder,» fluisterde de maagd, «Ik ben Julia van +Bouillon en mijne geboorteplaats ligt niet ver van hier.» + +«Op den top der hooge rots, die gij van hier ziet, woont een reus. Hij +doodde mijn broeder en nam mij als zijne gevangene mede. Elken namiddag +slaapt hij gedurende één uur op den top der rots.» + +Gilbert keek omhoog en bemerkte een reusachtig grooten man, die +werkelijk, op den top der rots lag te slapen. + +De ridder trok zijn zwaard uit de scheede en sprak: «Stel u gerust, +edele jonkvrouw, ik zal u van den moordenaar verlossen.» + +«Val hem niet aan, edele ridder,» fluisterde Julia; hij draagt een +maliënkolder[21], waardoor geen zwaard dringen kan. + +«Nu dan,» hernam Gilbert, «ik zal hem van den top der rots in de rivier +storten.» + +«Dat is onmogelijk,» jammerde Julia, «de reus is zoo zwaar, dat honderd +armen hem niet naar beneden kunnen werpen.» + +«Wel» sprak de ridder, «vlucht met mij, ik zal u in veiligheid brengen.» + +«Dat ook is onmogelijk» kreet de arme jonkvrouw, «ziet gij niet dat ik +met eene ijzeren ketting aan den rotswand ben vastgeklonken? Ik smeek u, +ga tot mijn vader en vraag hem het groote net van ijzerdraad, dat zijn +grootvader, niet ver van Tours in Frankrijk, aan de Sarracenen[22] +ontnam, daarin zullen wij den reus vangen. + +Nauwelijks had zij dit gezeid of de reus ontwaakte met groot gedruisch +en Gilbert haastte zich de jonkvrouw te verlaten. + +Hij wilde aan haar verzoek voldoen, en begaf zich naar het kasteel haars +vaders, waar hij van den torenwachter het groote ijzeren net ontving. + +'s Anderendaags, tegen den middag, keerde hij naar de rots terug, +verborg zich in het bosch en wachtte de komst van den reus af. + +Het duurde niet lang of de vreeselijke man verscheen en daalde van de +rots naar beneden om zich uit het riet, dat aan den oever groeide, eene +pijp te snijden. + +Gilbert zocht Julia op, en spreidde met haar het net uit, op den top der +rots. Het meisje bedekte het met mos en bloemen, en, toen de reus +terugkeerde en het zachte tapijt bemerkte door Julia's handen gespreid, +lachte hij minzaam, vergat het meisje vast te binden, vlijde zich op de +bloemen neder, en viel in een diepen slaap. + +Dit was het lang gewenschte oogenblik. Julia trok het net toe en de reus +zat er in vast. Toen riep zij Gilbert terug en verzocht hem haar naar +het slot haars vaders terug te voeren, maar Gilbert vreesde, dat de reus +het net zou scheuren. + +De gevreesde man ontwaakte en huilde zoo vervaarlijk, dat de heuvels van +zijn geroep daverden. Hij wilde opspringen en het net scheuren, maar op +hetzelfde oogenblik gaf Gilbert hem zulk een geweldigen stoot, dat hij +naar beneden stortte en in de Semois viel, waar hij verdronk. + +Nu bracht de ridder de edelvrouw naar het slot haars vaders terug en +leerde haar zacht karakter en hare deugd waardeeren. + +Hij nam haar tot vrouw en, op dezelfde plaats, waar zij den reus uit de +hoogte naar beneden wierpen, bouwden zij het geduchte slot van Bouillon, +dat heden nog bestaat. + + + + +28.--Het Slot van Bouillon. + + +Laten wij handelen als zoovele toeristen en een bezoek brengen aan het +geduchte slot. Wij moeten 235 meter klimmen en eerst na een vrij +lastigen tocht bereiken wij de slotpoort, waar wij aankloppen. + +De bewaker opent de poort en leidt ons, over de binnenplaats, naar het +eigenlijke slot, dat wij met hem in al zijne bijzonderheden leeren +kennen. Nu eens bevinden wij ons in een killen, duisteren gang, dalen +daarna in diepe kelders, tot in een onderaardsch gewelf, waar geen +zonnestraal kan doordringen en ijzeren ringen in den dikken muur zijn +aangebracht. + +Onze geleider zegt ons, dat men hier krijgsgevangenen, ook wel +misdadigers heenvoerde, en dat zij, die er binnentraden, nimmermeer het +zonnelicht aanschouwden. + +Eene rilling doorloopt onze leden en zuchtend verlaten wij de sombere +plaats, waar vroeger zooveel werd geweend en geleden en waar heden nog +de voetstappen der bezoekers zoo akelig weerklinken. + +Wij klimmen den wenteltrap op en bereiken den toren, waar wij, door een +eng schietgat naar beneden staren. + +Wel zijn we verbazend hoog geklommen; de Semois schijnt een kronkelend +lintje en de huisjes der stad zijn zoo klein, dat zij uit eene +speelgoeddoos schijnen te komen. + +Onwillekeurig vergelijken wij de sombere plaats met een hooggelegen +arendsnest, waaruit zich de roofvogel op zijne levende prooi laat +nedervallen. + +Wij dalen de trap af, hier en daar nog een blik werpend op de dikke +muren en in de menigvuldige schietgaten. + +Eindelijk opent onze geleider de zware poort en wij zijn blij, dat we +het sombere gebouw verlaten, de blauwe lucht aanschouwen en de warmte +der koesterende zonnestralen genieten. + +Het kasteel van Bouillon is het eenige niet, dat een bezoek waard is. Te +Gent, werden de bouwvallen van het oude Gravensteen onlangs hersteld en +aan de oevers der Maas en hare bijrivieren, treft men, meestal op hooge +bergen en steile rotsen, bouwvallen aan van Middeleeuwsche burchten, +waar norsche ridders woonden, waarvan sommigen naar het voorbeeld der +Noormannen, van plundering en roof leefden of met elkander gedurig +twistten en oorloogden. + +Meer dan eens werden, om nietige redenen, onze heden zoo bloeiende +provinciën te vuur en te zwaard verwoest. + +Het kwaad was zoo erg, dat de graaf van Vlaanderen, de bisschop van Luik +en andere groote leenheeren den «Godsvrede» invoerden, waarbij het +verboden werd te strijden tusschen den Woensdag avond en den Maandag +morgen, verder gedurende den Advent, de Vasten, enz. + +In 1082 stelden de prins bisschop van Luik en andere vorsten een +vredegerecht in, waar ieder, die de Godsvrede durfde verstoren, tot +strenge straffen werd veroordeeld. + +Ongelukkig werd dit vredegerecht niet altijd gehandhaafd. + +In het voorbijgaan moet ik u ook herinneren wat gij vroeger leerdet, +namelijk dat Neder-Lotharingen of Lotherrijk de landstreek tusschen +Schelde en Rijn, heette. Zij bevatte: 1° Het hertogdom Brabant, dat zich +in het hartje van ons land en in Nederland tot aan de Maas uitstrekte; +2° Het graafschap Henegouwen; 3° het graafschap Namen; 4° het graafschap +Luxemburg; 5° het hertogdom Limburg; 6° het prinsbisdom Luik. De keizers +van Germanië aan wie zij in werkelijkheid toebehoorden, oefenden er +nooit grooten invloed op uit; de leenheeren waren machtiger dan zij, +daarbij was Germanië zeer groot en, onze provinciën vormden als het ware +een weinig belangrijk uithoekje van een uitgestrekt grondgebied. + + + + +29.--De Boetvaardige Zondaar. + + +Op de Reye te Brugge woonde in de tweede helft der XI^e eeuw een +wisselaar, die belangrijke zaken deed, zoowel met de kooplieden zijner +stad als met die van het buitenland. + +Jacob, zoo heette hij, was eerlijk en zeer werkzaam, maar de rijkdommen, +welke hij vergaarde, maakten hem zelfzuchtig en zóó hoogmoedig, dat hij +met minachting nederzag op lieden van geringen stand. + +Hij had eene zuster, die weduwe was, met een kind, een zoontje dat zij +in liefde en deugd trachtte groot te brengen. + +Met haar rijken broeder kwam zij zelden of nooit in aanraking; zij wist, +dat hij zich schaamde over zijne zuster, die armoedig was gekleed en +dicht bij den Burcht een schamel zolderkamertje bewoonde, waar armoede +en ziekte haar heel onverwacht kwamen bezoeken. + +Koud en duister was de maand December ingevallen; lange ijskegels hingen +aan de houten gevels der huizen en in de grachten lagen de schepen vast +in het ijs. + +De arme weduwe werd al zieker en zieker, zij had hout noch brood en in +den uitersten nood dacht zij aan haar rijken broeder. + +«Johannes,» sprak zij tot haar zoontje, «begeef u naar oom op de Reye +en zeg hem hoe diep ongelukkig wij zijn.» + +Johannes vertrok en bereikte weldra het huis van den wisselaar. + +Warm en sierlijk gekleed zat deze met twee vrienden in zijne rijke +woonkamer, bij het flikkerend haardvuur, doch het schamele knaapje zag +hij met toornigen blik aan. + +«Heer oom,» stotterde de kleine, moeder zendt mij tot u, «wij hebben +brood noch vuur en zijn diep ongelukkig.» + +«Elk zorge voor zich zelven» luidde het norsche antwoord. + +«Moeder is ziek» vervolgde de knaap. + +«Maak dat ge wegkomt,» antwoordde de wreedaard, die verstoord was, omdat +de in lompen gehulde knaap hem in tegenwoordigheid zijner rijke vrienden +«heer oom» had genoemd. + +De knaap verliet de woning en keerde naar moeder terug, op het akelige +zolderkamertje. + +Twee dagen lang vroos het zoo geweldig, dat de vogeltjes dood bleven. De +arme weduwe en haar zoontje leden verschrikkelijk en, op den derden dag +verspreidde zich eene akelige mare door de stad. Dicht bij den burcht, +op een zolderkamertje, waren eene weduwe en haar zoontje van koude en +honger gestorven. + +Toen de rijke wisselaar de ontzettende tijding vernam, rilde hij over +zijn gansch lichaam, hij meende, te sterven van berouw en schaamte, maar +hij herstelde zich. Hij zou leven, zéér lang leven om zijn wraakroepend +misdrijf te boeten. + +Wroeging verteerde zijn hart en belette hem te slapen. Niet zelden +doolde hij met gebogen hoofd door de straten der stad en, toen het +voorjaar aanbrak, verkocht hij zijn huis, borg zijn goud in eene lederen +tasch en verliet Brugge. + +Waarheen? Hij zelf wist het niet; het weder was frisch en de vogels +zongen, maar Jakob ging verder, altijd verder, tot zijne voeten waren +doorgeloopen en hij uitgeput, aan den zoom van een mastbosch +nederstortte. + +Toen de dag aanbrak stond hij op, trok door het bosch en bevond zich +weldra aan den voet van een kruisbeeld, dat, door eene vrome hand, op +deze eenzame plaats was opgericht. + +Jakob zonk op de knieën, doch bidden kon hij niet. Krampachtig vouwde +hij de handen en, stroomen van tranen vloeiden over zijne heete wangen. + +Eensklaps voelde hij eene bevende hand op zijnen schouder, terwijl eene +zachte stem sprak: «Gij weent, arme vreemdeling, zeg mij, kan ik u soms +troosten?» + +Jakob hief het hoofd op. Een eerbiedwaardige grijsaard, met witten +baard, in een donker, lang boetkleed, stond voor hem. + +«Ik ben diep ongelukkig» snikte de zondaar, maar de grijsaard nam hem +bij de hand en leidde hem naar eene houten kluis. + +«Wie gij ook zijn moogt,» welk leed u ook het hart verscheurt, deel het +mij mede,» sprak de kluizenaar, «ik zal u troosten, u opbeuren, u raad +geven.» + +Zijne stem was zoo roerend en zacht, zijne woorden waren zóo +verkwikkend, dat zij den berouwhebbenden misdadiger, als hemeldauw in +het hart vielen. + +Met gebogen hoofd, snikkend, zuchtend, bekende Jakob zijne schuld en, +toen zijne biecht was geëindigd, bleef de grijsaard geruimen tijd in +diepe gedachten verzonken. Eindelijk sprak hij, op treurigen, ernstigen +toon: + +«Uwe zelfzucht, uwe verwaandheid hebben uwe arme zuster en haar zoontje +gedood, voortaan zult gij u geheel en al aan het welzijn van anderen +wijden.» + +«Hoe kan ik zulks doen?» vroeg de door smart gefolterde zwerver en de +grijsaard antwoordde: + +«Dagelijks vertrekken uit stad en dorp honderden Christenen naar het +verre Oosten. + +Aan de ongeloovigen hebben zij den oorlog verklaard en zullen niet +rusten, voor zij de zege behalen. + +Volg de kruisvaarders, mijn zoon, onderweg zult gij ze spijzen, laven, +kleeden, in een woord, helpen waar gij helpen kunt, troosten waar het +noodig zal zijn.» + + * * * * * + +Nog verscheidene weken bleef Jakob bij den kluizenaar. Deze had in +zijne jeugd, de reis naar het Heilige land[23] gemaakt, hij gaf zijnen +gast allerlei nuttige raadgevingen en zond hem eindelijk naar Brussel, +bij eenige zijner vrienden, vrome monniken, die zich voorstelden, het +Christen leger te vergezellen, niet als strijders, maar als verplegers +van zieken en gewonden. + +[Illustration: De Kruistochten.] + +Deze brave menschen ontvingen met liefde den boetvaardigen zondaar en +vol hoop en vertrouwen, voegden zij zich bij de legerscharen, die langs +den Rijn en den Donau, over Konstantinopel en door Syrië, Jerusalem +wenschten te bereiken. + +Thans begon voor Jakob en zijne nieuwe vrienden een leven van +opoffering en ontbering. + +De tocht duurde maanden en maanden, niet zelden ontbrak het den +kruisvaarders aan levensmiddelen en aan drinkwater. + +Hoe nader zij aan het einddoel hunner reis waren, hoe grooter hun lijden +werd. + +Brandende hitte, besmettelijke ziekten, vermoeienis doodden duizenden +kruisvaarders. Niet zelden waren de inwoners der streken, die zij +doortrokken, den reizigers vijandig en, zoodra zij in Azië aanlandden, +verdubbelden de moeilijkheden. + +Dank aan zijn krachtig gestel, bood Jakob weerstand aan ziekte en +vermoeienis; dag en nacht was hij op de been; de pijlen des vijands +schrikten hem niet af en de akelige slagvelden betrad hij zonder vrees. + +Eindelijk, na een zwaar beleg en eene bloedige bestorming, werd +Jeruzalem ingenomen. Jakob woonde soms gruwelijke slachtingen bij; maar +hij nam daaraan geen deel, hij verzorgde de gekwetste strijders en +begroef de dooden. Na de inneming van Jeruzalem keerden talrijke +kruisvaarders naar hun vaderland terug, doch Jakob bleef in Palestina om +zich te volmaken in de heel-en geneeskunde, die er veel meer gevorderd +waren dan in zijne geboortestreek. + +Toen hij, na zeven jaar naar hier terug keerde, vertoefde hij in +verschillende steden, waar hij, als ziekenverpleger, aan de bevolking +groote diensten bewees. + +[Illustration: Lijder aan melaatschheid.[24]] + +De vrome kluizenaar was reeds lang overleden. + + + + +30.--De Kruistochten. + + +Alhoewel de wegen slecht en onveilig waren, ondernamen onze voorouders +niet zelden verre bedevaarten: naar Tours in Frankrijk, naar Rome in +Italië, naar Jeruzalem in Azië. Maar toen de Turken laatstgenoemde stad +bezaten, stonden de Christenen er aan mishandelingen bloot. Ook vreesden +de volkeren van Westelijk Europa, met reden, dat bovengenoemde Turken +zich weldra van de stad Konstantinopel meester maken en verder ons +werelddeel zouden bedreigen. + +Om dit te beletten ondernamen zij krijgstochten, die men «Kruistochten» +noemt, want het schijnt, dat zij die er aan deel namen als +herkenningsteeken een kruis van roode stof op hunnen schouder of hunne +borst naaiden. + +De kruisvaarders waren: edellieden, die alvorens te vertrekken, hunne +goederen aan kloosters of kerken afstonden, of hun slot, hunne velden, +hunne wouden verkochten om wapens te koopen en krijgslieden aan te +werven; ook wel monniken, die naar de eeuwige zaligheid trachtten; +kooplieden, ambachtslieden, naar vrijheid snakkende lijfeigenen, +berouwhebbende zondaars. + +De held van den eersten kruistocht was Godfried van Bouillon, hertog van +Lotharingen, een volmaakt ridder, bedreven in alle krijgsverrichtingen, +gehard tegen vermoeienis, verstandig, welsprekend, kalm, zedig en +geduldig. + +Ten einde deel te kunnen nemen aan den verren tocht, verkocht hij zijn +slot van Bouillon aan den bisschop van Luik en liet toe, dat de inwoners +van Metz, wier heer hij was, hunne stad vrij kochten. + +Hij geleidde de kruisvaarders door Duitschland, Hongarije en bereikte +met hen de stad Konstantinopel, waar zich Robrecht, graaf van +Vlaanderen, Boudewijn van Henegouwen en talrijke edellieden, die over +zee gekomen waren, bij het Christenleger voegden en naar Azië +overstaken. + +In de geschiedenis van Jakob, den boetvaardigen zondaar, verhaalden wij +van het lijden en strijden der kruisvaarders in Azië. Wij mogen echter +niet vergeten er bij te voegen, dat Godfried boven alle andere ridders +er blijken gaf van wijsheid, moed en beleid. Met algemeene toestemming +werd hij tot koning van Jeruzalem uitgeroepen, doch hij weigerde «eene +gouden kroon te dragen, waar Jezus-Christus eene doornen kroon had +gedragen; hij aanvaardde enkel den titel van Beschermer van het Heilig +Graf.» + +Hij voerde het leenstelsel in Palestina in; verdeelde het land in groote +leenen, die hij aan de voornaamste ridders schonk, en vaardigde werken +en bevelen uit, die men Assisen of Grondwetten van Jeruzalem noemt. + +Het volgend jaar reeds, in 1100, stierf Godfried van Bouillon. Later +onderscheidde zich Boudewijn, Graaf van Vlaanderen en Henegouwen, in den +vierden kruistocht. + +[Illustration: Kruisvaarder der XIII^e eeuw.] + +Men noemt hem, in de geschiedenis, niet zelden Boudewijn van +Konstantinopel, en ziehier waarom. + +In de lente van het jaar 1202 trok hij met talrijke ridders de Alpen +over en ging scheep te Venetië, maar in plaats van rechtstreeks naar +Palestina te varen, zeilde hij met de christenvloot naar Konstantinopel. + +Deze stad werd ingenomen door de kruisvaarders en Boudewijn tot keizer +uitgeroepen. Hij onderscheidde zich als krijgsman en stierf in eenen +oorlog tegen de Bulgaren. + + + + +31.--Twee Vluchtelingen. + + +Jan en Klaas waren hoorigen van den heer van Gaver, in Vlaanderen. Zij +telden nauwelijks zestien jaar en Jan hoedde de zwijnen zijns meesters, +terwijl Klaas arbeidde aan den heirweg, dien de heer deed leggen van af +zijn slot, over de heuvels, naar eene naburige heerlijkheid, erfdeel van +zijne vrouw. + +Beide jongelingen leidden een hoogst ellendig leven. Zij waren slecht +gevoed en gekleed en kenden van heel de mooie, wijde wereld, niets dan +hunne armoedige hut en het slot van hunnen heer. + +«Willen wij vluchten» sprak op zekeren lentenmorgen Klaas tot zijnen +vriend, en op zijn bevestigend antwoord, verlieten zij hunne +geboorteplaats en gingen door bosch en brem tot aan den oever der +Schelde, langswaar zij de naburige stad Gent hoopten te bereiken. «In +steden» zei Klaas, «zijn de menschen gelukkiger, vrijer, en hangen er +niet af van de willekeur van een gestrengen heer.» + +«Laten wij verder gaan, altijd verder,» antwoordde Jan en stapte moedig +voort aan de zijde van zijnen vriend. + +Een schip, geladen met Doorniksche steenen voer langzaam op het water +voorbij; twee mannen hadden moeite om het voort te trekken. + +«Schipper, mogen wij helpen» vroeg Jan en toen hij een bevestigend +antwoord ontving, lieten de knapen zich in het gareel spannen en trokken +er duchtig op los. + +Na een paar uren liet de schipper hun brood, kaas en bier voorzetten, +waarna zij weder lustig den arbeid hernamen. + +Te Gent was er veel drukte; schepen werden geladen en ontladen, +koopwaren gekocht en verkocht. + +Op de marktplaatsen durfden de jongens zich niet wagen, omdat zij +vreesden herkend te worden, maar, van den schipper vernomen hebbende, +dat hij naar Brugge moest, vroegen zij tot in deze stad in zijnen dienst +te mogen blijven. + +Hij stemde er in toe, maar weldra moesten de knapen hunnen weldoener +verlaten, want van Brugge voer hij terug naar Gent en vandaar voorbij +Gaver en Oudenaarde naar Doornik om eene nieuwe lading. + +Onderweg echter had de brave schipper de twee vluchtelingen leeren +waardeeren. Zij hadden hem hun droevig lot kenbaar gemaakt en door zijne +voorspraak, vonden zij te Brugge werk bij reizende kooplieden, die zich +maar de jaarmarkt van Thorhout begaven. + +Die jaarmarkt was toen de voornaamste van het land; op de wegen, die er +henen leidden, ontmoette men rijtuigen en reizigers uit verschillende +streken, alsook zware wagens, door zes paarden getrokken en beladen met +laken, leder, wapens, koperen en tinnen vaatwerk, wijn, bier en wat al +meer. + +De jaarmarkt te Thorhout duurde verscheidene weken; zij werd niet alleen +door Vlamingen bezocht, maar ook door Walen, Franschen, Duitschers, +Italianen. Honderden koopers verdrongen zich tusschen de tenten; +potsenmakers en kermisvolk vertoonden er allerlei kunsten en grappen, +bedelaars riepen de weldadigheid in der aanwezigen. + +Aangenaam en helaas, al te spoedig vlogen dagen en weken voorbij ... de +kooplieden verlieten de stad en Klaas en Jan bevonden zich weldra zonder +werk of brood, verlaten, alleen op de wereld. + +Hoeveel moeite zij zich ook gaven, te Thorhout vonden zij geene +bezigheid. Zij verlieten de stad, doolden over heiden en in +sparrebosschen, bedelden van dorp tot dorp. + +Nu eens hoedden zij de kudden van eenen schapenfokker, dan hielpen zij +de landbouwers bij het maaien en oogsten. + +De arme jongens sliepen op stroo in de schuren, brachten ettelijke +nachten onder den blooten hemel door en ... de zomer snelde voorbij. + +November bracht wind en koude regenvlagen over het land en in December +vroos het zoo erg, dat rivieren en waterplassen met eene dikke ijskorst +bedekt werden. + + * * * * * + +Al bedelend bereikten Jan en Klaas de stad Yperen. In dien tijd was +deze alom vermaard om haren rijkdom, haren handel en de vlijt harer +inwoners. + +«Hier komen wij aan het einde van al ons lijden» sprak Klaas en trok met +zijn jongen vriend moedig en opgeruimd een der stadspoorten van Yperen +binnen. + +Wel was zij de bloeiende stad, die de arme jongelingen zich hadden +voorgespiegeld; in hare voorsteden, in ontelbare nauwe straten, +arbeidden honderden wevers, volders, ververs. Overal klapperden de +weefgetouwen, op de uitgestrekte marktplaats verdrongen zich koopers en +vèrkoopers, in de weidsche hallen lagen de koopwaren tot bergen +opgestapeld. + +Maar Jan en Klaas vonden niet wat zij zochten. Overal werden de arme +jongens, met hunne vermagerde trekken, hunne havelooze kleederen, zonder +genade afgewezen. + +Op zekeren kouden namiddag hadden zij in de prachtige S^t-Maartenskerk +gebeden, gerust en geweend. + +Maar de avond viel, de kerk moest gesloten worden en, zonder +schuilplaats voor den nacht, doolden de twee vrienden door de straten. + +Tegen middernacht verborgen zij zich in het somberste hoekje van het +groote kerkportaal. + +Spookachtig vielen de koude stralen der maan op de spitse gevels der +houten huizen, die in dien tijd nog algemeen met stroo waren gedekt. +Slapen konden Klaas noch Jan; de steenen waren zoo koud en de wind blies +zoo akelig. + +Beide jongelingen vouwden de handen tot een laatste gebed en hieven de +doffe oogen ten hemel ... maar, wat was dat? Eene vlam kronkelde zich +aan den gevel der houten huizen, een schrikwekkende gloed verhelderde +den duisteren nacht. + +«Brand! brand!» gilden Klaas en Jan, terwijl zij naar de bedreigde +woningen snelden, er aanklopten en de bewoners uit hunne nachtrust +wekten. + +Weldra was elkeen op de been, ladders werden aangebracht, ontelbare +emmers water op de vlam gegoten, maar ... deze vermeerderde, werd een +vuurgloed, die dreigend, machtig, zich verder uitstrekte. + +Akelig kermden vrouwen en kinders; in sombere wanhoop trachtten de +mannen hun goed, hunne kostbaarheden, hunne kleederen te redden. + +De brandklok klepte, hulpbiedende poorters kwamen toegesneld.... «Wie +redt Liesbeth, mijn kleindochtertje!» kreet als uitzinnig van smart, een +grijsaard, zeer rijk koopman, wiens huis door de vlammen was aangestast. + +Niemand antwoordde, terwijl steeds luider en luider, de klachten van den +grootvader weerklonken. + +Twee edele harten echter voelden medelijden met den armen man: «Jan, +willen wij het wagen,» fluisterde Klaas zijnen vriend toe en: «Tot den +dood volg ik u» luidde het korte doch zielroerende antwoord van den +armen hoorige. + +Een ijzeren ladder werd aangebracht en tegen den gevel van het huis +geplaatst. + +Klaas beklom die het eerst, en vlug als eene boschkat, volgde hem zijn +vriend. + +Beiden verdwenen in het brandend huis. + +Een ... twee ... drie ... vier stonden, als uren zóó lang, gingen +voorbij en beneden in de straat, jammerde een bevende grijsaard, woelde +eene anstige volksmenigte. + +Goddank! daar verscheen de wakkere Klaas, de kleine Liesbeth in de +armen. Jan volgde hem, een ijzeren kistje op den rug, dat vergeten was +en waarschijnlijk goud of kostbaarheden bevatte. + +Beiden daalden de ijzeren ladder af; de menigte verdrong zich om de +moedige knapen, de beangste vader zegende hen als de redders van zijn +kleinkind. + +De koopman nam intrek bij zijne zuster, die aan de andere zijde der stad +woonde. + +Hij verzocht Klaas en Jan hem daarheen te volgen, want hij wilde zijne +belofte houden en de redders van zijn kleindochtertje rijkelijk +beloonen, + +«Wie zijt gij? Van waar komt gij en wat kan ik voor u doen?» sprak hij +tot de knapen. + +Zij bogen het hoofd en zuchtten. + +«Spreekt vrienden,» vervolgde de koopman, «hebt vertrouwen in mij, want +ik verlang niets dan uw welzijn.» + +Nu vertelde Jan, die de tranen in de oogen kreeg, wat er met zijn vriend +en hem het laatste jaar was gebeurd; hij sprak van hunnen zucht naar +arbeid en vrijheid, van hunne vlucht, van den schipper, van Thorhout, +van den langen, bangen zwerftocht door stad en dorp, over heide en +bosch. + +De rijke koopman weende. «Gij blijft bij mij, sprak hij, ik zal voor u +zorgen.» + +Intusschen had hij het zeer druk; zijn huis moest hij doen opbouwen en +zijne uitgebreide zaken nazien. + +Klaas en Jan bleven in zijnen dienst; de eerste hielp de metselaars, +want het afgebrande, houten huis werd door een steenen woning vervangen; +de tweede deed boodschappen voor den koopman, die handel in laken dreef +en aan talrijke wevers der stad arbeid verschafte. + +Twee jaar later, toen de ramp volledig was hersteld, riep de dankbare +heer de jongelingen tot zich en vroeg hun, welke plannen zij voor de +toekomst vormden. + +Klaas wenschte metselaar, Jan wolwever te worden. + +De koopman keurde dit besluit goed en deed Klaas bij eenen metselaar, +Jan bij eenen wolwever in de leer. + +Zijn edel werk werd met goeden uitslag bekroond. De jongelingen +onderscheidden zich door ijver en werkzaamheid en de brave man had het +geluk zijne beschermelingen waardige poorters der stad Yperen te zien +worden. + + + + +32.--Koophandel en Nijverheid. + + +Wie heeft bij het lezen van het voorgaande verhaal niet gezeid, dat het +lot der arme hoorigen niet zelden beklagenswaardig was? + +Evenals Jan en Klaas verlieten vele dezer lieden het platte land om +elders een waardiger en rustiger bestaan te zoeken. + +De eerste mensch, die aan onze jonge vrienden de behulpzame hand +reikte, was een schipper; want reeds in de X^{de} en XI^{de} eeuw werden +de waterwegen in ons land druk bevaren; hout, schors, steenen, graan, +wol, vlas, wijn, vervoerde men op de Yperlee, den Yzer, de Lei, de +Schelde, de Durme, de Dijle, de Maas en den Rijn; plaatsen, die aan den +oever van eene rivier, aan eenen inham van het water, aan de +samenvloeiing van twee bevaarbare rivieren gelegen waren, trokken de +bevolking tot zich. + +[Illustration: Schip der XII^e eeuw.] + +Aldus zien wij, dat onze vrienden het dorp Gaver vluchtten, Gent en +Brugge bezochten. + +Vroeger leerden wij, dat deze twee plaatsen reeds in de X^{de} en +XI^{de} eeuw zeer belangrijk waren, doch hoewel er reeds talrijke +handelaars en ambachtslieden woonden, trof men er als in de steden van +onzen tijd geene schitterende winkels, groote magazijnen of fabrieken +aan; de ambachtslieden werkten tehuis en de voortbrengselen van hunnen +arbeid werden niet zelden ter markt verkocht. + +Geruimen tijd was de voornaamste jaarmarkt van ons land, die van +Thorhout, waar Klaas en Jan eenige weken doorbrachten. + +De kooplieden, allen goed gewapend, reisden in troepen of karavanen, +want de wegen waren onveilig, struikroovers talrijk en sommige +edellieden schaamden zich niet de karavanen aan te randen, ze tol te +doen betalen, aan de reizigers goud, juweelen, paarlen te ontstelen en +de kooplieden of hunne dienaars te dooden. + +[Illustration: Wagen der XIII^e eeuw.] + +De graven van Vlaanderen, de bisschoppen van Luik trachtten die +misbruiken uit te roeien; roovers, al waren het ook edellieden werden +gevangen genomen en--naar de gebruiken van dien tijd,--met den dood +gestraft. + +Nu werd ons land rustig, de wegen werden veilig en de handel bloeide. + +Fransche en Duitsche wijnen werden hier aangebracht, verkocht of naar +Engeland verzonden, en hetzelfde gebeurde met de specerijen der +Italiaansche kooplieden. + +Keeren wij echter tot ons verhaal terug. Van Thorhout begaven zich onze +twee vrienden naar Yperen. + +In 1073 telde deze stad reeds twee groote kerken en duizenden inwoners. +Evenals te Brugge en te Gent was de lakenhandel er zeer belangrijk. + +De beschermer van Jan en Klaas was koopman in laken en de man was zóó +rijk dat, toen zijn houten huis was afgebrand, hij zich eene steenen +woning kon doen bouwen, hetgeen in dien tijd zeker geene kleinigheid +was. + +In die lang vervlogen eeuwen was het uitoefenen der ambachten niet vrij. + +Zoo bij voorbeeld moest men om leder te mogen maken noodzakelijk tot de +nering der huidevetters behooren; de leden van het ambacht der smeden +alléén mochten ijzer bewerken en, om het truweel te hanteeren, moest men +tot de metselaarsnering behooren. Om in een ambacht opgenomen te worden +als gezel moest men 21 jaar oud zijn, den katholieken godsdienst +belijden en gedurende verscheidene jaren bij eenen baas of meester +gewerkt hebben. Om baas of meester te worden moest men alweer gedurende +lange jaren arbeiden en een meesterstuk vervaardigen. + +De werkuren waren voor elk ambacht bepaald, niemand mocht tegen +verminderden prijs of buiten den gestelden tijd arbeiden. + +Gemeenlijk bewoonden de ambachtslieden, die een zelfde bedrijf +uitoefenden, dezelfde straat of wijk der stad, vandaar de namen van +Ketelvest, Huidevettershoek, Kalanderstraat, enz. + +De koopwaren werden eerst door overheden gekeurd, deze stelden er den +prijs van vast, daarna werden zij uitgestald op de openbare markten of +in groote gebouwen, _Hallen_ geheeten. De hallen van Yperen vormen een +der schoonste gebouwen van ons land. + +Elke koopman had daar zijne afgepaste en genummerde plaats, waar zijn +toog of kraam stond, maar het was streng verboden de koopers te roepen, +en vooral hen te bedriegen. + +In vele steden: Yperen, Gent, Brugge was de nering der lakenhandelaars, +zooniet de voornaamste, dan toch een der voornaamste. + +Vlaamsch laken was zoo degelijk en schoon, dat men het overal in Europa, +zelfs tot in Azië verkocht. + + + + +33.--Eene Klokkenvertelling. + + +Op zekeren avond, vergastte ons grootmoeder op de volgende vertelling: + +«Elk jaar, op Witten Donderdag, zegt men, verlaten de klokken der torens +hunne hooge verblijfplaatsen, om naar Rome te vliegen en er den zegen +van den Paus te ontvangen. Op den avond vóór Paschen keeren zij naar +huis terug, onderweg gekleurde eieren strooiende als geschenk aan de +brave kinderen van hun vaderland. + +Op zekeren Goeden Vrijdag van het jaar 1250 reisden hoog, zeer hoog in +de lucht, drie klokken naast elkander. + +«Ik behoor tot eene abdij, sprak de oudste en bewoon het zonnige Zuiden; +sedert honderd jaar roep ik de vrome abten tot het gebed of tot den +arbeid. + +Op feestdagen laat ik mijne stem helder en frisch door de lucht +weergalmen, en van tijd tot tijd melden mijne trage, treurige klanken +aan de menschen, dat een hunner broeders het tijdelijke met het eeuwige +heeft verwisseld.» + +«En ik, sprak de tweede klok, kom uit een trotschen, dreigenden burcht, +die zich op eene hooge rots, aan den linkeroever van den Rijn verheft. +Mijn heer en meester is een krijgsman, een hertog, wien honderden +hoorigen gehoorzamen. Hij erfde den toren, mijne verblijfplaats, en den +burcht, die er zich onder bevindt, van zijne voorouders, die, evenals +hij, roemrijke krijgslieden waren. + +Zijn overgrootvader ontving van den keizer brieven van adeldom; mijn +meester erfde die en bewaart ze in den toren, daarbij bezit hij een +zegel, een blazoen en eene kostbare wapenrusting. + +Woeste aanvallen van wreede krijgslieden heb ik in mijn slot beleefd, +roemrijke steekspelen heb ik er bijgewoond.» + +«En gij» sprak de klok tot de derde reisgenoote, die, ofschoon veel +grooter dan de twee andere nog steeds een bescheiden stilzwijgen had +bewaard «vanwaar komt gij en hoe is uw naam?» + +En donderend, zoodat berg en dal er van dreunden, klonk het eensklaps +uit den bronzen mond der reizende klok: + +"Roelandt, Roelandt, als ick kleppe, dan ist brandt. +Als ick luy, dan ist storm in Vlaenderlandt."[25] + +Verschrikt stoven de twee klokken op zijde, maar de aangesprokene +vervolgde: + +«Vreest niet, vriendinnen, want alhoewel heden groot en machtig, ben ik +van nederigen oorsprong. Ik werd niet in het leven geroepen door een +machtigen hertog, maar door noeste werkers, ambachtslieden, die mij +liefhebben als het licht hunner oogen. + +Als woonplaats bouwden zij mij tusschen hunne houten en steenen +woningen, een hoogen, slanken toren, versierd met een koperen, +glinsterenden draak, zinnebeeld der vrijheid. Dien toren noemen wij het +Belfort.» + +«Bij ons, aan den voet van den burcht, ondernemen de hoorigen niets +zonder de toestemming van hunnen heer» sprak de klok uit de Rijnlanden. + +«Wij zijn niet meer aan den grond verbonden, wij mogen naar goeddunken +koopen en verkoopen, reizen en handel drijven, goederen bezitten, er +vrij over beschikken en een anders goed erven. + +In stede van cijnsbaar te wezen naar willekeur des heeren, betalen wij +eerst dan buitengewone belastingen en schattingen als wij er vrijelijk +in toegestemd hebben. + +Wij benoemen zelven onze meesters.»--«Staat dat alles wel geschreven,» +onderbrak de klok uit den burcht, op ongeloovigen toon? + +«Zonder twijfel, hernam de fiere Roelandt, en dat nog wel op +perkamenten, die wij bewaren in ijzeren koffers met verscheidene sloten, +in de geheimkamer van het Belfort. Die perkamenten noemen wij keuren, +handvesten, charters, voorrechten. Wij ontvingen of kochten die van +onzen vorst, die gezworen heeft, ze te zullen eerbiedigen.» + +«Zijt gij rijk,» sprak de klok der abdij? + +«Voorzeker, antwoordde Roelandt, en wij hebben eene kas, waarin wij onze +penningen bewaren, een zegel, eene banier. Onze rijkdommen echter hebben +wij niet bekomen door deelname aan roemrijke veldtochten, maar door +arbeid, vlijt en volharding.» + +«Dat alles is heel schoon en goed, antwoordde de klok uit de Rijnlanden, +maar, indien gij enkel voor arbeid leeft, wat doet gij dan, als gij met +uwen heer in onmin geraakt, als vijanden u aanranden, als gewapende +benden uwe schatten, uwe woningen, uwe vrouwen en kinderen bedreigen?» + +«Stel u gerust, wij vormen onder elkander, broederschappen of gilden, +wier leden zich oefenen in het hanteeren van hand-, kruis-, voetboog en +andere wapenen. + +Zoodra ons eenig gevaar bedreigt, luid en roep ik uit al mijne macht; de +poorters verlaten hunne bezigheden, loopen te wapen, scharen zich rondom +onze banier en verweeren zich dapper tegen den vijand.» + +«Is uwe verblijfplaats, evenals de burcht van mijnen heer, door muren, +poorten, torens of diepe grachten omgeven?» + +«Dat is zij, sprak de machtige Roelandt, maar, hoe stevig die muren, hoe +zwaar die poorten, hoe hoog die torens ook zijn, ik beheersch ze alle en +de landlieden, die uren ver, in den omtrek op den harden grond zwoegen, +begroeten het Belfort als het zinnebeeld der vrijheid.» + +«Bezit gij ten uwent ook bedehuizen en zijt gij den Godsdienst +verkleefd?» vroeg de klok der abdij, die zich tot hiertoe heel weinig in +het gesprek had gemengd. + +«Wij bezitten heerlijke kerken, antwoordde Roelandt, schier alle zijn +juweelen van kunst en goeden smaak; daarbij heeft elke onzer neringen, +haren patroon, hare kapel, haren bijzonderen feest-of heiligdag. Zie, +vriendin, ik wenschte wel dat gij ten onzent een godsdienstigen ommegang +kondet bijwonen. Al onze neringen, en wij tellen er meer dan vijftig, +onze gilden met vlaggen, wimpels, banieren, nemen er deel aan, en zich +tot de klok uit de Rijnlanden wendend, vervolgde zij: + +«Ook de graven van Vlaanderen vereeren wij op dergelijke wijze.» + +«Als zij van een roemrijken veldtocht wederkeeren» vroeg de klok? + +«Neen, neen, als zij hunne intrede doen in hunne goede stad, als wij hun +de sleutels der poorten aanbieden, als edellieden, poorters, +ambachtslieden hun te gemoet gaan en....» + +«Gij eerbiedig en gedwee voor uwen wettigen vorst nederbuigt?» vroeg de +klok der abdij. + +«Neen, dat niet, vervolgde Roelandt, als wij den plechtigen eed +aanhooren, die onze heer bij dergelijke gelegenheden zweert: + +Onze duurgekochte vrijheden te handhaven en te eerbiedigen.» + +«Dat moet schoon en plechtig wezen, zuchtte de klok der Rijnlanden. Het +spijt mij, vriendin, zulk een feest niet te kunnen bijwonen; maar ik zal +in mijn vaderland verkonden, fiere Roelandt, wat gij mij hebt +medegedeeld; alle volkeren hebben er belang bij te weten, wat het vrije +Vlaanderen tot stand heeft gebracht.» + +De klokken namen afscheid van elkander. Roelandt vloog naar hare +geboorteplaats en ter gelegenheid van het Paaschfeest, als duizenden +poorters in feestgewaad, zich aan den voet van het Belfort in de +schilderachtige straten verdrongen, als, in de prachtige bedehuizen in +gouden vaten, de wierook walmde en dankgebeden ten hemel stegen, zong +zij hoog in den machtigen toren: + +"Roelandt, Roelandt, als ick kleppe, dan ist brandt. +"Als ick luy, dan ist storm in Vlaenderlandt!" + + + + +34.--De Gemeenten. + + +Roelandt, de groote, machtige klok werd gegoten in het begin der +XIV^{de} eeuw en eenige jaren later gehangen in het Belfort van Gent. + +Met rechtmatige fierheid mocht zij zeggen, dat zij, uit hare hooge +verblijfplaats, op eene schoone en bloeiende landstreek, op eene +werkzame en vrijheidslievende bevolking nederzag, want, in de XIII^{de} +en XIV^{de} eeuw hadden onze voorouders, door groote vlijt, inspanning +en taai geduld, het vroeger zoo barre Vlaanderen tot den tuin van België +gemaakt, woeste heiden, droge zandvlakten, kille moerassen hadden zij in +weiden en velden herschapen, ontelbare kanalen gegraven en dijken +aangelegd, terwijl zij, in hunne dichtbewoonde steden, leder, wol, +hennep, vlas, hout, koper, ijzer, steen bewerkten. + +In dien tijd was Gent reeds geklommen tot den rang van gemeente, en, +onze lezers, die de klokkenvertelling met eenige aandacht lazen, zullen +spoedig vinden waarom. + +Ten einde hunne nasporingen gemakkelijk en het onthouden ervan mogelijk +te maken, zullen wij het vroeger geleerde aldus samenvatten: + +De steden hadden het recht zelven hare zaken te besturen, zij kozen hare +stedelijke magistraten, onderhielden een leger. Elke stad was ommuurd, +bezat een belfort, eene groote klok, en had net als de edellieden een +blazoen en een zegel. + +Jegens den heer had de stad zekere verplichtingen; zij moest hem +behulpzaam zijn bij de verdediging van den grond, bij het uitoefenen van +het gerecht en hem in sommige gevallen met geld bijstaan. + +De steden die dergelijke voorrechten verkregen, noemde men gemeenten. + +De poorters bezaten: 1° de persoonlijke vrijheid, 2° staatkundige +rechten en 3° roemrijke zinnebeelden hunner onafhankelijkheid. + +In de Middeleeuwen waren in ons land talrijke gemeenten en sommige waren +zeer oud, doch vele perkamenten, keuren, voorrechten zijn in den loop +der eeuwen verloren gegaan. + +Met zekerheid echter weet men, dat Boudewijn VI, graaf van Henegouwen en +Vlaanderen, reeds in 1068 aan de gemeente Geeraardsbergen eene vermaarde +keure gaf, die verklaarde dat, al wie zich in de stad vestigde, geen +hoorige, maar vrije zou wezen. Zij verleende daarenboven aan de +inwoners nog talrijke andere voorrechten. + +Waren de groote leenheeren wellicht vrienden en beschermers der +gemeenten? + +Eenigen verdienden wel dien naam, daarom ook schrijven wij hem hier +dankbaar neer. + +Filips van Elzaten, graaf van Vlaanderen, breidde de voorrechten uit, +die Gent, Brugge, Veurne, Oudenaarde reeds bezaten en gaf nieuwe keuren +aan Damme, Aalst, Duinkerken. Meest al deze keuren zijn in het Dietsch +of Nederlandsen opgesteld. Filips begunstigde den handel, liet +verscheidene vaarten graven en bekwam van Duitschlands keizer, talrijke +voorrechten voor de Vlaamsche kooplieden, die op den Rijn, handel +dreven. + +Boudewijn van Konstantinopel, dezelfde, die zich in de kruistochten +onderscheidde, schonk talrijke voorrechten aan de gemeenten en zijne +dochters Johanna en Margaretha volgden het voorbeeld van haren vader. + +Ook in Luik en Brabant leefden vorsten, die de ontwikkeling der +gemeenten bevorderden. + +In verdere verhalen zullen wij ze leeren kennen, want eerst moeten wij, +naar aanleiding van de _Klokkenvertelling_, nog eenige opmerkingen +maken. + +De machtige Roelandt zeide niet zonder reden, dat de landlieden uren ver +in den omtrek, met liefde het hooge Belfort begroetten. + +Hoe rijker de steden werden, hoe hooger het cijfer der bevolking klom, +hoe grooter ook hunne behoeften waren en hoe bloeiender de veeteelt en +de landbouw moesten worden. + +[Illustration: Gentsche Poorter (Steenen beeld).] + +Ten einde de bevolking van het platte land te beletten zich meer en meer +naar de steden te begeven, waren de heeren verplicht aan hunne hoorigen +vrijheden te schenken, zoodat het leven der landlieden aanmerkelijk +beterde en de meeste dorpen werden ontvoogd. + +De gemeentevrijheden van ons land werden in den vreemde hooggeschat; de +wetten en gebruiken van eenige onzer steden werden «voorbeelden» voor de +Fransche steden, terwijl de invloed der Vlaamsche en Brabantsche +gemeenten zich in Zeeland en Holland gelden deed. + + + + +35.--Kapitein Lorenzo en zijne reis naar Brugge. + + +Op een morgen der maand April verliet een groot koopvaardijschip de +haven van Venetië in Italië. + +De saamgestroomde menigte zond het als afscheidsgroet een aanmoedigend +«addio»[26] achterna en het scheepsvolk beantwoordde dien groet, zoo +lang en zoo ver het maar kon. + +De zuiderzon goot hare milde stralen over de kabbelende golfjes der +blauwe zee, witte meeuwen scheerden de oppervlakte van het heldere water +en langzaam, zeer langzaam voer eene kleine gondel uit de haven naar de +stad terug. + +In die gondel zaten eene oude dame en een jong meisje, wier rijke +kleederdracht genoegzaam aanduidde, dat zij tot eene voorname familie +behoorden. + +De oude dame hield het hoofd gebogen en wischte van tijd tot tijd met +een kanten doek de tranen af, die langzaam over hare wangen vloeiden. + +Ook de jonge dame scheen geweend te hebben, doch zij deed zich geweld +aan om hare tranen te bedwingen en sprak met zoete, streelende stem: + +«Troost u, lieve moeder, onze Lorenzo volbracht reeds zoovele reizen op +zee! Telkenmale keerde hij ongehinderd tot zijne moeder en zuster +terug.» + +«Tot hiertoe voer Lorenzo enkel op de Middellandsche zee, heden +onderneemt hij eene reis naar het verre Noorden, die reis schrikt mij +af, Lenora, zij zal lang duren, want in de afgelegen streken, die Lorenzo +bezoeken zal, is de winter streng en mistig, hevige orkanen woeden er op +den Oceaan, zij beletten de schepen naar huis terug te keeren en ik ben +oud en ziekelijk, wie weet of ik Lorenzo nog zal wederzien.» + +Lorenzo was de kapitein van het groote koopvaardijschip, dat zoo juist +Venetië had verlaten om de havens der Noord-en Oostzee te bezoeken; +Lenora was zijne zuster, Dona Maria zijne moeder. + +«De tijd vliegt zoo spoedig voorbij, troostte Lenora, alle dagen moeder, +zullen wij bidden voor den afwezige, heel dikwerf zullen wij ter kerke +gaan, aalmoezen uitreiken aan de arme lieden, zieken bezoeken, +bedroefden vertroosten en intusschen met moed en betrouwen, Lorenzo's +terugkomst verbeiden.» + +Dona Maria schudde het hoofd, veegde nogmaals hare tranen af en, daar +beide dames hare woning genaderd waren, stapten zij aan wal. + +Helaas ... dagen, weken, maanden vervlogen en het groote Venetiaansche +schip, met den jongen, moedigen kapitein Lorenzo keerde niet weder. + +Elken dag, 's morgens, 's avonds begaven Dona Maria en hare dochter zich +naar de haven, hopende op de terugkomst van haren lieveling, doch zij +vernamen enkel onrustwekkende tijdingen. + +Bruingebrande zeelieden verhaalden van hevige stormen, die de kusten van +Spanje, van Frankrijk, van Vlaanderen teisterden, van Italiaansche +schepen, die door de golven verzwolgen of door stranddieven waren +geplunderd, maar van kapitein Lorenzo, van het groote Venetiaansche +schip wisten zij niets ... niets. + +Het nieuwe jaar brak aan, de lentebloemen ontloken en verwelkten, de +zomer kwam in het land en moeder en dochter verloren hare laatste hoop, +toen, op zekeren namiddag der maand Augustus eene blijde mare zich door +de stad verspreidde; het langvermiste schip was de haven binnengeloopen, +kapitein Lorenzo en zijne manschappen waren in leven, weldra zouden zij +aan wal stappen en vrienden en magen begroeten. + +Dona Maria en Lenora weenden van ontroering, en, o zalige stond! +Lorenzo, de langverbeide zoon, de teergeliefde broeder zag zijne moeder +en zuster terug. + +Angst en lijden werden vergeten om plaats te maken voor de vreugde van +het blijde wederzien. + +Lorenzo wist zooveel te vertellen over de reis, die zoo lang geduurd en +zoo vol afwisseling was geweest. + +Drie weken lang waren wind en weder het groote koopvaardijschip gunstig +geweest, maar, na dien tijd werd het, in de wateren van de golf van +Gasconje en in die van het Kanaal herhaaldelijk door hevige stormen +overvallen, zoodat het averij leed, herstellingen noodig had +eer het de eigenlijke plaats zijner bestemming, de groote handelsstad +Brugge bereikte. + +Hier had het schip zijne lading afgezet, maar, daar het schoone +jaargetijde voorbij was, moesten kapitein Lorenzo en de bemanning te +Brugge overwinteren, om zich eerst in de lente weer op zee te begeven. + +Op zijne reis had kapitein Lorenzo vele wonderlijke zaken ontmoet, +volkrijke steden, heerlijke gebouwen, schilderachtige kleederdrachten +aanschouwd, het liefst echter sprak hij over Brugge, de rijke fiere +stad, die hij als de meeste zijner landgenooten, het Venetië van het +Noorden noemde. + + + + +36.--Brugge. + + +Brugge, zeide Lorenzo, had heerlijke straten met fraaie gebouwen en +schilderachtige huizen, waarvan vele op het water zagen. Die stad telde +prachtige bedehuizen, fiere torenspitsen en duizenden inwoners. + +Zij was door een kanaal verbonden met de naburige stad Damme, die, door +eene golf met de Noordzee in verbinding stond. + +Brugge, dat ongeveer halverwege tusschen de straat van Gibraltar en de +Baltische zee gelegen was, ontving koopwaren uit Brittanje, Noorwegen, +Denemarken, Zweden, Rusland, Hongarije, Duitschland, Frankrijk, Spanje, +Portugal, Italië, Konstantinopel Jeruzalem, Egypte. + +Het Noorden zond er hout, leder, pelterijen, gedroogde visch; +Brittanje, wol, lood, tin; het Oosten, goud en zilver; Duitschland, +graan, ijzer, wijn; Frankrijk, wijn en zout; de Zuiderlanden, gedroogde +vruchten, zijde, kwikzilver; Afrika en Azië, suiker, peper, en andere +specerijen, artsenijplanten, rijst, katoen, aluin; Italië bracht er +zijden en fluweelen stoffen, juweelen, schoone wapens. + +[Illustration: Hanzeschip der XIV^e eeuw.] + +Te Brugge zeilden honderden schepen de haven binnen. In die stad werden +de eerste verzekeringsmaatschappijen opgericht; de naam «beurs» is te +Brugge ontstaan. + +De hanze[27] van Londen werd door Bruggenaars gesticht en door +Bruggenaars bestuurd. Wisselbrieven waren al vroeg te Brugge bekend. + +De burgemeester der stad was eene aanzienlijke persoonlijkheid, die met +vorsten briefwisseling hield. + +De overheid deinsde voor geene opoffering terug om den bloei der stad te +bevestigen. + +Brugge bezat eene groote loskraan, consulaten, geplaveide straten, +riolen, eene heerlijke waterleiding, badplaatsen of stoven; er woonden +ook verscheidene geneesheeren. + +De haven en het kanaal van Damme waren goed onderhouden; de groote sluis +dezer laatste stad was een bewonderenswaardig werk, evenals de +overwelving der Reye, die in een dok veranderd was. + +Alle wijken der stad waren voorzien van drinkwater, dat in rood koperen +buizen vloeide; er bestonden openbare pompen en fonteinen. + +De Brugsche ambachtslieden en kunstenaars vervaardigden allerlei nuttige +en mooie voorwerpen en om zijne woorden door bewijzen te staven, liet +kapitein Lorenzo door een bediende de geschenken brengen, die hij uit +Brugge voor zijne dierbaren had medegebracht. + +Voor zijne zuster fraaie juweelen en een heerlijk geborduurd kleed; voor +zijne moeder een schoon gebedenboek versierd met mooie penteekeningen en +voorzien van een kunstig bewerkt slot in gedreven zilver. + +Dona Maria en Lenora konden hare oogen niet gelooven; overgelukkig +dankten zij den jongen kapitein en luisterden nog uren lang naar de +heerlijke beschrijving van Brugge, de wereldstad der XIII^{de} en +XIV^{de} eeuw. + + + + +37.--Een Dichter. + + +Het was nacht. Bij een smokend lampje, in een kleine woning van het +stadje Damme, zat, in diepe gepeinzen verzonken, een man, die, bij den +eersten aanblik, in de volle kracht des levens scheen te zijn. + +Vóór hem, op eene schrijftafel, lag eene rol perkament, waarop hij, van +tijd tot tijd, eenige regels neerschreef. + +Daarna legde hij de pen neder, liet het hoofd op de vlakke hand zakken +en sprak tot zich zelven: + +«Arme Jakob, uw werk vordert niet, uwe denkbeelden zijn verward, uw +stijl is gedwongen ... waarom dag en nacht arbeiden, uwe rust, uwen +zielevrede aan de dichtkunst opofferen? Geniet de genoegens van het +leven, vermaak u bij spel en dans, verlustig u in de lieve natuur, in +stede van, arme droomer, uwen geest af te matten en uw gansche leven aan +de studie te wijden.» + +Een traan rolde over de wangen des dichters; hij las nog eens de verzen +over, die hij daareven neerschreef, greep het perkament met beide handen +en gooide het, als wanhopig, in een hoek der kamer. + +Toen werd het zóo stil, zóo stil, dat men het zachte geritsel vernam van +de groene linde die, voor het huis, in den zoelen zomernacht, den +balsemgeur van hare duizenden bloempjes verspreidde. + +Het lamplicht verbleekte en een zachte glans, voorbode van den +naderenden dag, vervulde de kamer. + +Jakob bemerkte er niets van en bleef in zijne mijmering verdiept, toen +eensklaps, rein als zilver, helder als de ontluikende dag een +zoetluidend gezang zijne ooren kwam streelen: + +"Aloëtte, vogel clein, +"Dijn nature is zoet ende rein, +"So es dijn edel sanc, +"Daar dient u met den Here allein +"Te love om sinen danc." + +«Het herderinnetje leidt hare kudde naar de weide,» sprak de dichter, +«straks zal de landman zich naar het veld begeven, de Vlaamsche wever +zal zijn getouw laten klapperen.» + +Jakob keek naar buiten en ademde met volle borst de heerlijke +morgenlucht in, die in het gouden licht der opgaande zon over de vlakte +stroomde. + +Nieuwe zangen troffen zijn oor: + +"Wi willen van den Kerle singen, +"Si dragen eenen langen baert." + +«De Vlaamsche visschers gaan naar zee,» murmelde de dichter. «Al mijne +broeders hervatten den arbeid, ieder van hen werkt mede aan de welvaart +van anderen.» + +Hij keerde naar de schrijftafel terug, verdiepte zich in den arbeid en +schreef: + +"Elken man, +Al en hadde hi gheen groot goet, +Es hi hovesch ende vroet +Van wat lande dat hi si, +Al en ware sin geslachte niet vri, +Ware hi geheten van goeden seden, +Men zouden eren t' allen steden; +Want dieghene is edel allene, +Die hovesche van seden is ende rene." + + + + +38.--Jakob van Maerlant. + + +In die lang vervlogen eeuwen bracht ons land niet alleen noeste werkers +maar ook vruchtbare dichters voort. + +Uit de XII^{de} eeuw reeds dagteekent: Van den here Wisselau; in de +XIII^{de} eeuw verscheen: Karel en Elegast; omstreeks 1240 schreef +Diederic van Assenede, klerk van Margaretha van Konstantinopel de +aandoenlijke geschiedenis van: Floris en Blancefloer en meester +Wilhelmus van Gent, dichtte: Van den vos Reinaerde. + +De dichter, dien wij in het voorgaande verhaal aan onze lezers +voorstelden was Jakob van Maerlant, die in de XIII^{de} eeuw, de stad +Damme bewoonde. + +Een wijze, zeer geleerde professor spreekt over hem ongeveer in dezer +voege: + +«In stille eenzaamheid, dag aan dag, met onverdroten geduld, arbeidde +hij aan de zedelijke ontvoogding van ons volk. + +Hij was buitengewoon ontwjkkeld en zijne kennis was verbazend. + +Buiten zijne moedertaal was hij even vertrouwd met het Fransch als met +het Latijn en met het voornaamste, dat daarin geschreven was. Hij kende +de natuurleer en het Duitsche recht.» + +In zijnen tijd waren de meeste wetenschappelijke werken in het Latijn +geschreven, zoodat geringe menschen, die niet konden lezen. + +Van Maerlant besloot voor zijn volk in het Dietsch te schrijven. Hij +vertaalde in 15000 verzen een Latijnsch boek over natuurkunde en andere +wetenschappen en noemde het: Der naturen bloeme. Een tweede werk, dat +hij vertaalde draagt voor titel: de Rijmbijbel en bevat 2700 verzen. +Zijn Spiegel Historiael, geschiedkundig werk, bestaat uit 7500 verzen, +doch is ongelukkig niet voltooid geworden. + +Maerlant is een leeraar en weldoener van zijn volk geweest. De Vlamingen +hebben hem veel te danken, daarom ook verwierf hij den eerenaam van: + +"Vader der Dietsche dichters." + + + + +39.--Een Verhaal van Lijden en Tranen. + + +Op eenen Zondag van het jaar 1281, bij het vallen van den avond, stapte +een Minderbroeder door de straten van Gent en haastte zich merkbaar om +zijn klooster te bereiken. + +Dien dag toch, had hij het bijzonder druk gehad; arme zieken had hij +bezocht, geholpen en getroost, aalmoezen ingezameld en, in een der +talrijke bedehuizen der stad een preek gehouden, die door honderden +lieden, grootendeels menschen uit den lagen stand, met buitengewone +vroomheid was aangehoord. + +Broeder Johannes was een volksvriend in den vollen zin van het woord: +Zoon van een armen weversgezel, had hij zich door studie en deugd +gevormd, en, als jongeling opgenomen in de orde van den Heiligen +Franciscus, had hij, als Minderbroeder, zijn gansche leven aan de armen +en ongelukkigen zijner geboortestad gewijd. + +Streng voor zich zelven, was hij het ook voor de rijke poorters der stad +en herinnerde hun gedurig de nederigheid en de vrijwillige armoede van +den zoeten Jezus. + +Broeder Johannes troostte de bedrukten en wist de ellendigen op te +beuren, zoodat hij op de talrijke gezellen, nederige ambachtslieden der +stad een grooten zedelijken invloed had verworven. + +De Minderbroeder bereikte de poort van zijn klooster en wilde er +aankloppen, toen hij eene vrouwelijke gestalte bemerkte, die op den +kouden grond zat nedergehurkt en de weenende stem vernam van een kindje, +dat de vrouw met zachte woorden trachtte te sussen. + +«Arm schaapje,» troostte zij, «ongelukkig Betteken, ween niet zoo +bitter, wij zullen uwen oom terugvinden en die zal ons helpen, want hij +is zoo goed en liefderijk....» + +Broeder Johannes schrikte; «mijne zuster,» fluisterde hij ... +«onmogelijk, Veerle bewoont Brugge,» en, de stem verheffende, sprak hij +tot de vrouw: + +«Sta op, moedertje, en volg mij.» + +Hij klopte aan de kloosterpoort en zoodra men deze voor hem ontsloot, +leidde hij de bedrukte in de spreekzaal, die verlicht was door eene +brandende lamp. + +Hij wierp eenen blik op de vreemde en «zuster! arme zuster!» «broeder, o +broeder, help mij!» klonk het door de kamer. + +Broeder Johannes kon zijne oogen niet gelooven: zijne zuster Veerle +stond voor hem, bleek en bevend, haar weenend kindje in de armen. + +Hoe, waarom had zij Brugge verlaten? Waar bevond zich haar echtgenoot +en wat kwam zij hier doen? + +Eensklaps schenen hare laatste krachten de vrouw te begeven. Zij sloot +de oogen en zakte buiten kennis in de armen van haren broeder. + +Deze riep om hulp en twee kloosterbroeders brachten de lijdende op een +bed, legden het kindje naast haar en verzorgden de kranke zoo goed zij +konden. + +Na een half uur opende Veerle de oogen en kwam tot bezinning. Haar +broeder bereidde haar een verkwikkenden drank en bracht den heelen nacht +wakend aan hare sponde door. + +Veerle, de zuster van Johannes, was tot vóór eenige dagen de gelukkige +echtgenoote geweest van eenen blauwverver, die sedert vijf jaar te +Brugge gevestigd was. + +Het gezin was niet rijk, maar de werkzaamheid en het voorbeeldig gedrag +van den man waren voldoende om armoede en ellende op een afstand te +houden. + +Vóór een paar maanden nog had broeder Johannes zijne zuster en haren +echtgenoot een bezoek gebracht en zich verheugd over de eensgezindheid, +die in het gezin heerschte. + +De vrome Minderbroeder verloor zich in gissingen maar, bij het krieken +van den dag ontwaakte Veerle en voelde zich sterk genoeg om haren +broeder mede te deelen, wat te Brugge was gebeurd. + +«Sedert geruimen tijd:» sprak zij, was de goede verstandhouding tusschen +de ambachtslieden en de rijke poorters der stad verbroken. + +Waarom, kon zij, arme onwetende vrouw, niet begrijpen, maar haar man, +wiens leven vroeger zóó geregeld was, bleef soms tot laat in den nacht +van huis weg en zijne gezellen, alsook de wevers, vollers en de leden +van andere neringen, handelden eveneens. + +Weldra weenden te Brugge honderden volksvrouwen om hare afwezige +echtgenooten. Bange moeders, zusters, echtgenooten, spraken van oproer +en gevecht, van brand en plundering. + +Helaas! hare vrees was maar al te gegrond: Op zekeren avond werden de +verbitterde poorters met de ambachtslieden handgemeen, bloed stroomde +in de straten van Brugge, verscheidene gebouwen werden aan plundering +prijs gegeven, gewapende benden doorliepen de stad tot laat in den +nacht. + +Angstig biddend, geknield voor haar kruisbeeld, lag Veerle in hare +eenzame woning, toen eensklaps de lage deur werd opengestooten en de +arme blauwverver, gewond, bebloed, de woning binnenstoof. + +«Verberg mij, vrouw,» riep hij wanhopig, maar nog was Veerle niet +opgesprongen of woedende, met bijlen gewapende mannen, verschenen in de +woning en wierpen zich op den vluchteling. + +Deze trachtte zich te verdedigen, maar een bijlslag van een zijner +vervolgers deed hem dood nedervallen vóór de voeten zijner vrouw. + +Half waanzinnig had Veerle haar kind aan het hart gedrukt, en toen de +bijlen der moordenaars ook haar bedreigden, was zij, evenals andere +vrouwen, de stad ontvlucht, waar de vlammen des oproers zoo +onheilspellend flikkerden. + +Zij was steeds voörtgeloopen, menigmaal onderweg gevallen, maar had zich +weer opgericht onder de slagen van het zweepend noodlot. + +«Naar mijnen broeder te Gent wil ik gaan» had zij snikkend uitgeroepen +en thans rustte zij in het vreedzame klooster, waar elkeen zich over +haar scheen te ontfermen. + +Haar broeder boog het hoofd en weende. «Arme zuster! arm, hulpeloos +volk» zuchtte hij; want hij, die geleerd was en den toestand der +Vlaamsche gemeenten kende, besefte ten volle de uitgestrektheid der +ramp, die Brugge had getroffen. + +«Wat stond hem te doen?» Zijne zuster naar Brugge terugzenden kon hij +niet, haar echtgenoot was dood en broeder Johannes onvermogend. + +Hij dacht aan de talrijke vrienden, die hij te Gent bezat, maar ... hulp +afsmeeken voor zijne eigene familieleden, neen, dat ging niet.... + +De overste van het begijnhof der stad was eene vrouw, die door haar +verstand en liefderijk hart, boven anderen uitblonk. Die zou hij +opzoeken, die zou hem raad geven en zijne arme zuster helpen. + +In den morgen nog verliet hij het klooster der Minderbroeders, begaf +zich naar het begijnhof en was zoo gelukkig er de overste aan tes +treffen. + +Hij deelde haar de ramp mede, die Brugge en zijne zuster getroffen had +en, nauwelijks was zijn treurig verhaal geëindigd of de brave vrouw +sprak met bewogen stem: + +«Breng de arme bedrukte naar hier, wij zullen haar herbergen, haar +troosten, haar genezen.» + +Broeder Johannes leidde zijne zuster naar het stille begijnhof. Langzaam +keerden hare krachten terug en de zoete oogjes, de zachte liefkozingen +van haar Betteken, verdreven hare wanhoop en schonken haar levensmoed. + +Dank aan de bescherming der bewoonsters van hare nieuwe verblijfplaats, +was zij weldra in staat door handwerken in hare behoeften en in die van +haar dochterje te voorzien. + +De tijd, die alle wonden heelt, stilde ook de smart der zwaar-beproefde +vrouw en hare stille dankbaarheid zegende den broeder, die haar en +honderden bedrukten had getroost en geholpen. + + + + +40.--Innerlijke Twisten in de Gemeenten. + + +Laten wij nog eenige oogenblikken stilstaan bij ons verhaal, of liever, +laten wij trachten het nader te verklaren: + +Schier in al onze gemeenten, was de handel zeer bloeiend en rijke +kooplieden waren er talrijk. Geruimen tijd waren het alleen de rijke +poorters, de burgers bij erfenis, de «coomans» die de stad bestuurden. + +Zij vormden de «poorterij» of poorters bij uitnemendheid. Dank aan hunne +bekwaamheid, hunne werkzaamheid, hunne volharding verkregen de gemeenten +hunne voornaamste voorrechten en het waren de «poorters bij +uitnemendheid» de coomans, die de muren der gemeenten lieten opbouwen, +hallen en bedehuizen stichtten, straten plaveiden, kanalen deden graven, +waterleidingen deden overwelven, hospitalen stichtten. + +In den loop der XIII^e eeuw echter, leefden en arbeidden naast die +«poorters bij uitnemendheid» de massa der eenvoudige ambachtslieden en +kleine burgers, die in «neringen» waren vereenigd. + +Deze menschen werden op verre na niet als de gelijken der «rijken» +behandeld. + +Zij waren wel is waar vrij, verzekerd van de bescherming der schepenen, +zij genoten de voordeelen, welke de charters aan de gemeenten +gewaarborgd hadden, doch zij mochten geene aanspraak maken op eenige +deelname in het bestuur hunner stad. + +Dit laatste voorrecht wenschten zij te bezitten, maar zij veroverden het +niet gemakkelijk. De erfgerechtigden en coomans verdedigden zich +hardnekkig; zij waren niet zelden verwaand, hoogmoedig en maakten soms +misbruik van hun gezag. + +Menschen, die met elkander in slechte verstandhouding leven, slaan +helaas! heel licht over tot geweld; vandaar oproeren, waarbij burgers +derzelfde gemeente elkanders bloed vergoten en de woningen, de openbaren +gebouwen, de kerken plunderden of vernielden. + +Verstaat gij thans, hoe Veerle's echtgenoot in Brugge werd gedood, +waarom zijne arme vrouw naar Gent vluchtte? + +De Minderbroeders, tot welker orde broeder Johannes behoorde, +begunstigden het streven der geringe ambachten, vandaar dat het volk een +ongemeen groot vertrouwen stelde in deze geestelijken. + +De begijnen vormden eene zusterschap van godvruchtige vrouwen, die van +haren arbeid leefden; edelmoedige begiftigers bouwden haar +gemeenschappelijke huizen, prinsessen namen ze onder hare bescherming. +Heden nog bestaan begijnhoven in vele steden van ons land. + + + + +41.--Eene Voorspelling. + + +Er was eens een stroom; een frissche, jeugdige stroom, die eene +schilderachtige landstreek besproeide en onderweg rivieren en beekjes in +zijnen schoot ontving. + +Hij vloeide door mooie valleien, omzoomd met wilgjes, die zich in zijne +golven spiegelden of dartelde langs groene wouden, die zich hier en daar +aan zijne oevers verhieven. + +Zijne machtige armen omstrengelden talrijke eilanden, waarop de reizende +ooievaars in het najaar rustten, waar bronnetjes murmelden en, in de +lente, goudgele lischbloemen tusschen het riet ontloken. + +Nu en dan, vloeide hij tusschen hooge rotsen met grillige koppen en +diepe, met mos begroeide kloven, maar dit laatste beviel hem weinig; hij +vond, dat de rotsen zijne leden knelden en de vrijheid zijner bewegingen +beletten. + +Op zekeren nacht, dat de maan helder scheen en het weder bijzonder zacht +was, vergat de jonge stroom het slapen en speelde verstoppertje met eene +heldere beek, die gedurig tusschen de rotsblokken van den oever wegdook. + +Hij achtervolgde haar en bereikte eene fraaie grot, met kronkelende +gangen, prachtige zuilen, mooie dropsteenen en ziet!... hier verdwaalde +de jonge stroom en zocht vruchteloos naar eenen uitweg. Hij werd +ongeduldig, gejaagd en stiet weldra zijne golven met zooveel geweld +tegen de rotswanden, dat duizenden waterdroppelen, als zoovele pareltjes +naar omhoog stoven. + +De stroom maakte zulk een geweld, dat de gangen der grot er luid van +weergalmden en de bewoners harer geheimzinnige vertrekken, in hunnen +slaap gestoord, kwamen zien wat er gebeurde. + +Tien, twintig, dertig ... misschien wel honderd aardmannetjes, elk +hunner voorzien van een brandend lampje, daalden van den steilen +rotswand naar beneden en vroegen den stroom «wat hij begeerde?» + +«Ik wil er uit! ik wil er uit!» gilde de gevangene, maar de +aardmannetjes lachten en zeiden, dat zulks vóór zonsopgang niet mogelijk +was. + +«Stel u gerust, stroompje» spraken zij, we zullen met u spelen en u al +de wonderen van ons onderaardsch paleis laten zien.» + +«Ik wil niet» antwoordde de stroom. + +«We zullen u mooie sprookjes vertellen» lachte een aardmannetje en ... +«ik ben de kinderschoenen ontwassen» sprak het fiere water. + +Eensklaps onstond eene eerbiedige stilte onder de aardmannetjes; zij +plaatsten zich ordelijk langs den rotswand, namen de roode petjes van +het hoofd en bogen zoo diep, dat hunne lange, witte baarden den grond +raakten. + +«De fee! de weldoende fee der onderwereld» fluisterden de aanwezigen en +zwegen dan weer stil, eerbiedig stil ... stil.... + +Eene statige vrouw in ruischende zijde gekleed, verscheen en groette den +jongen stroom. + +Fonkelende edelgesteenten blonken in hare zwarte haarvlechten, gouden +banden versierden haar keurslijf en den langen sleep van haar ruischend +gewaad. + +«Vrees niet, heer ridder,» sprak zij tot den stroom, «ik zal u +gezelschap houden, u bij het krieken van den dag op de rechte baan +helpen; bij mijne geboorte schonk mijne meter mij de gave der +voorspelling, wilt gij mij uwe hand reiken? Ik zal in hare lijnen lezen, +wat de toekomst voor u heeft weggelegd.» + +De stroom bedaarde en reikte de fee zijne opene hand. + +Zij nam ze aan, las er aandachtig in, verdiepte zich langen tijd in die +lezing en sprak met trage, zachte stem, in tegenwoordigheid der +zwijgende aardmannetjes: + +«Weldra zal een vroom en verstandig man langs uwe oevers reizen. Hij zal +er een wijd, mooi dal ontdekken, begrensd door heerlijke heuvels en +talrijke frissche wouden: «Ik wenschte wel hier eene groote stad te +kunnen aanleggen» zal hij zeggen en, alvorens zijne reis voort te +zetten, zal hij, in de mooie vallei, eene kapel stichten. + +De fee zweeg en ... «is dat alles» fluisterde de stroom? + +«Bij lange na niet» antwoordde de fee, «ik zie zóoveel, zóoveel. + +«Zeg mij nog iets, voorspel mij mijn gansche toekomst» vroeg de +nieuwsgierige stroom en de fee vervolgde: + +«Rondom de kapel, in het mooie dal, verheffen zich menschelijke +woningen, geloovige christenen richten en hunne schreden heen. Ik zie +een heilig man, den bisschoppelijken staf in de hand. Hij predikt +godsvrucht en broederliefde; aan de grooten der aarde herinnert hij +hunnen plicht en laakt hun zondig leven. + +Helaas! zulks doet hij niet ongestraft; wreede moordenaars heffen hunne +bijl tot hem op en koelen hunne wraak in het onschuldig bloed van den +martelaar. + +Nu zuchten en weenen de menschen aan uwe oevers, jonkheer stroom; zij +betreuren den man, die een wreeden dood onderging, omdat hij enkel +«rechtvaardigheid» betrachtte. + +De menschen brengen zijn stoffelijk overschot naar de kapel midden in +het stille dal, waar het weldra door duizenden bedevaartgangers wordt +bezocht. + +Jaren en jaren verloopen. Een machtig man, prins en bisschop, laat in +het dal eene mooie, groote kerk bouwen en er eene stad aanleggen, +verschanst achter kloeke muren. + +Die stad wordt de zetel van een prins-bisdom met kanunniken, kloosters, +scholen, monniken en kloosterzusters. + +Langzamerhand vestigden zich handelaars in de bisschoppelijke stad; +bootslieden brengen er hout en steenen aan, menschelijke woningen +ontstaan als door tooverslag; ik zie teekenaars, bouwmeesters, schilders +en andere kunstenaars, die goud, zilver, koper verwerken en de heilige +vaten der bedehuizen scheppen; ik zie beeldhouwers, die marmer, arduin, +eikenhout bezielen en naast hen een wriemelenden drom van nederige +ambachtslieden, leerlooiers, smeden, kopergieters en anderen. + +Hoe talrijk worden die menschen! Ik kan ze niet meer tellen, ze zijn +levendig van aard, werkzaam, opgeruimd. Zij doorboren de ingewanden der +heuvels, zoeken er steenen en allerlei ertsen. Eindelijk ontdekken zij +de zwarte steenkool, nederige brandstof, die hun onschatbare diensten +bewijst. + +Aan uwe oevers, heer stroom, ontstaan nog andere steden, ik zie +ontelbare lachende dorpen, wijngaarden, boomgaarden, ik bemerk hooge +torenspitsen, bruggen, marktplaatsen. + +De bevolking groeit aan, de stoffelijke welvaart vermeerdert en gij zijt +de koning, de vader der heele landstreek. + +De jonge stroom lachte en schudde ongeloovig het met wier en loof +omkransde hoofd. Ook de bergmannetjes lachten en een hunner spoedde zich +naar den ingang der grot. + +Weldra echter keerde hij terug en kondigde aan: + +«De nachtster verbleekt, de morgenzon breekt door de nevelen, de +leeuwrik zingt hoog boven de toppen der rotsen.» + +«Kom met mij» sprak de fee tot den stroom. + +Zij nam hem bij de hand, leidde hem door de heimnisvolle gangen, door +afgronden en over rotsblokken, tot aan de poort van haar onderaardsch +verblijf. + +Hier nam zij afscheid en sprak op zachten toon. + +«Vaarwel, heer ridder, leef lang en gelukkig.» + +Eensklaps goot de morgenzon een schat van zilveren starren over het +donkere harnas van den stroom. De glans, die er van uitging was zoo +verblindend, dat de oogen der fee die niet verdragen konden en zij zich +in hare duistere woning terugtrok. + +De stroom echter vloeide verder, hij groette de vlugge hinde, die aan +zijn helder water, haren dorst kwam lesschen; hij kuste de slapende +bloempjes wakker en speelde met de zilveren vischjes, die in zijn +vochtigen schoot zwommen. + +Hij murmelde, hij zong, hij juichte van levensblijheid en vergat weldra +de schitterende fee en de lachende, goedaardige bergmannetjes der +onderwereld. + + + + +42.--Het Prins-Bisdom Luik. + + +«Wie toch is de stroom, die zulke tooverachtige avonturen beleefde?» +vraagt mij eene nieuwsgierige lezeres. + +De Schelde is het niet, die vloeit bijna overal tusschen lachende +beemden en malsche weiden, die is te kalm en te ernstig om in grotten te +spelen en voorbij rotsen te dartelen. + +«Is het misschien de Maas?»--«Inderdaad, die telt hooge rotsen aan hare +oevers, die vloeit door diepe dalen, door heuvels omzoomd; die is +schilderachtig, romantisch schoon, die besproeit eene landstreek, die +glinsterende ertsen en gitzwarte kool in haren schoot verbergt. + +Maar, die aardmannetjes met hunne roode petjes en lange, witte baarden, +die schitterende fee met haar ruischend gewaad, bewonen zij wel de +grotten, die men in Hoog-België aantreft? + +De geleerden, de wijzen zeggen «neen» de dorpslieden, vooral de ouden +van dagen beweren «ja». Zij kennen zóovele sprookjes waarin feeën en +kabouters voorkomen en zijn die niet «waar gebeurd» ze zijn toch lief en +schilderachtig mooi. + +Willen we maar voor «een keer» onderzoeken of de voorspelling der fee is +uitgekomen? + +Zoo volgt mij en beantwoordt de vragen, die ik u stellen zal. + +«Waar strekte zich het breede, mooie dal uit, dat, vóór eeuwen, door den +vromen, verstandigen reiziger werd bezocht?» + +«Dit dal strekt zich uit midden in onze huidige provincie Luik en ligt +dichtbij de samenvloeiing van Maas en Ourthe. + +De heilige Monulphus, bisschop van Tongeren, naar Dinant reizende, +bezocht het ten jare 578. + +Hij was het die, getroffen door de schoonheid der landstreek, er eene +kapel stichtte en voorzag, dat zich hier, in later jaren, eene mooie, +groote stad zou verheffen. + +«Wie werd er vermoord?» + +De heilige Lambertus, dezelfde die zoo rechtschapen was, dat hij zelfs +aan de machtigen der aarde hunne ondeugden verwijten durfde. + +Sint Hubertus, opvolger van Lambertus, liet eene mooie, groote kerk +bouwen op de plaats, waar de heilige martelaar een gewelddadigen dood +onderging en bracht naar die kerk, het stoffelijk overschot van Sint +Lambertus over. + +Rondom ontwikkelde zich eene bisschoppelijke stad, met hare kerken en +torens, hare abdijen, hare talrijke bedehuizen, hare scholen. + +Ziedaar den oorsprong van Luik, heden eene der grootste steden van ons +land. + +In dien tijd behoorde het grootste deel van haar grondgebied aan de +geestelijkheid, alsmede vele domeinen, burchten, wouden, abdijen uit den +omtrek. + +Gedurende de Middeleeuwen, ja veel later nog, bezat de bisschop van +Luik niet alleen eene geestelijke, maar ook eene wereldlijke +waardigheid. Hij was «prins-bisschop.» + +Waar haalden de menschen de grondstoffen vandaan, noodig tot het bouwen +der stad Luik? + +In de steengroeven; in de wouden der landstreek vonden de menschen niet +alleen de noodige grondstoffen, voor het oprichten van bedehuizen, +abdijen en andere gebouwen, maar, zooals de fee zeide: weldra bezielden +beeldhouwers arduin en marmer, terwijl zilver-en goudsmeden, koper-en +bronsgieters menig kunstgewrocht voortbrachten, vooral ter verfraaiing +der bedehuizen. + +Dit alles echter gebeurde niet op éénen dag, zelfs niet op een jaar, +maar het duurde vijftig, honderd, tweehonderd en meer jaren. + +Aan wie had de stad Luik hare eerste verfraaiingen te danken? + +Aan bisschop Notger of Notkerus, die in 1008 overleed. + +Notger was een groot man. Hij deed de stad Luik ommuren, liet schoone +bedehuizen bouwen, kanalen graven, deed de steden Thuin, Fosse en +Mechelen[28] van vestingwerken voorzien. Sommige edellieden zooals de +heer van Chevremont gedroegen zich als roofzuchtige plunderaars. Notger +wist ze te bedwingen en deed hunne burchten afbreken. + +Niet alleen de kunst, ook de wetenschap bloeide te Luik; want in die +stad waren scholen, woonden geleerden, volkomen op de hoogte der +wetenschap van hunnen tijd. + +Hoei en Dinant bezaten smederijen, die zoo bloeiend waren, dat onze +voorouders niet genoeg hebbende aan de ertsen van hun vaderland, ook +aankoopen deden in Duitschland, voornamelijk te Goslar. + +De Dinanteezen, beroemde kopergieters en koperslagers, verkochten de +voortbrengselen hunner nijverheid en kunst, in Vlaanderen, in Engeland, +in Frankrijk. + +Te Londen bezaten zij eene afzonderlijke halle en in de XIV^{de} eeuw, +maakte de stad Dinant deel van de Teutonische (Duitsche) hanze. + +Op het gebied van nijverheid en handel was de ontwikkeling der stad Luik +langzamer, maar het ontginnen der steenkool, het vervaardigen van wapens +bevorderden weldra den welstand harer inwoners, alsook de +handelsbetrekkingen, die zij aanknoopte met de groote stad Brugge. + +Vormden de handelaars, de ambachtslieden der Luiksche steden evenals die +der Vlaamsche en Brabantsche ook neringen, ambachten, gilden? Kan men +bij de studie der Luiksche geschiedenis, de vorming, de ontwikkeling der +gemeenten nagaan? + +Zonder twijfel, jammer echter, dat de voorspelling onzer fee juist daar +eindigt, waar zij het belangrijkst worden moest. We zullen hier dus, +zonder hare hulp, ons verhaal voortzetten. + +De inwoners der Luiksche gemeenten kregen of eischten al vroeg +burgerlijke rechten. + +In 1198 gaf bisschop Albrecht van Cuyck aan zijne onderdanen eene +vermaarde keure. Zij bepaalde, dat de woning der burgers onschendbaar +was, dat de Luikenaar vrij was in persoon en goederen, dat hij aan geene +schattingen noch gerechtelijke proeven mocht onderworpen, dat hij niet +mocht aangehouden worden, dan krachtens een vonnis der Schepenen. + +Denkt nu echter niet, dat het verkrijgen dier voorrechten gemakkelijk +ging. Heel dikwerf kwamen de bisschop, de hooge geestelijkheid, de +edellieden, de groote en kleine burgers met elkander in botsing. + +Dit gebeurde vooral in de XIII^{de} en XIV^{de} eeuwen, wanneer, eerst +de rijke burgers, daarna de geringe ambachtslieden, voorrechten vergden. + +Ik wil u echter niet verontrusten met de beschrijving der ruwe, bloedige +twisten, die de stad Luik teisterden gedurende de XIII^{de} en XIV^{de} +eeuwen; ik wil doen, zooals de fee, die van oorlog, brand, moord en +andere akeligheden liefst in het geheel niet gewaagde. + +Een laatste vraag echter: + +«Wie behaalden, bij die innerlijke beroerten, de overwinning? Was het de +bisschop, de hooge geestelijkheid? Waren het de rijke burgers of de +leden der neringen? + +Oordeelt zelven: + +In 1337 onderteekende bisschop Adolf van der Marck den «Vrede van +Angleur.» Zoo noemt men een verdrag, waarin bepaald werd, dat alleen de +leden der neringen van den stedelijken raad mochten deel maken. + +Drie jaar later bevestigde de Vrede van Fexhe al de oude vrijheden des +lands; hij wordt beschouwd als de grondwet des vorstendoms. + +In 1343 richtte de bisschop de rechtbank der XXII op, welke in de +gewichtigste zaken van Kerk en land moest vonnissen; daar de meerderheid +dier rechtbank uit de burgerij bestond, werd zij de kostbaarste waarborg +der Luiksche vrijheden. + + + + +43.--Broeder en Zuster. + + +Hertog Jan had eene zuster, Maria genaamd en gehuwd met den koning van +Frankrijk, Filips de Stoute. + +Deze vorstin was zeer schoon en aanminnig, bovendien had zij van haren +vader een verwonderlijke dichtgave geërfd. Zij ondersteunde begaafde +zangers en dichtte fraaie liederen. + +Daar was in dien tijd aan het Fransche hof een zekere heer de Labrosse, +kamerheer en gunsteling van den koning. + +Hij was jaloersch op de koningin, en gebruikte al zijnen invloed om haar +bij den koning in een valsch daglicht te stellen. + +Filips had Maria in tweede huwelijk getrouwd en bezat kinderen van zijne +eerste vrouw. + +Op zekeren dag stierf de oudste zoon des konings en de Labrosse wist bij +den bedroefden vader het vermoeden te doen ontstaan, dat Maria door +vergif aan zijn kind het leven had benomen. + +Het gemoed des konings was door deze verdenking op het hevigst +ontroerd, hij ging peinzend daarhenen, zegt de kronijk, het hart vol +druks. + +Men verhaalt, dat hij Maria in eenen burcht liet opsluiten en haar ter +dood wilde laten brengen. + +Uit hare gevangenis meldde de ongelukkige haren nood aan haren broeder + +"Beschreven met haren bloede root, +"In eene scale daer zij uit dranc." + +[Illustration: Ridder ten tijde van Jan I.] + +Op het ontvangen der akelige tijding, springt hertog Jan te paard en +snelt naar Parijs. Een schildknaap, Godekin van Stalle en Vlieger, een +hazewind, vergezelden hem alleen. + +Na tweemaal vier en twintig uren is hij in de hoofdstad van Frankrijk, +trekt eene monnikspij aan, begeeft zich naar Maria's gevangenis, en, als +biechtvader tot haar toegelaten, verneemt hij de onschuld zijner zuster. + +Nu werpt de hertog zijne vermomming af, meldt zich ten hove aan, treedt +voor den koning--naar het gebruik dier tijden--als kampvechter der +koningin en daagt ieder tot een tweegevecht uit, die de schuld der +belasterde vrouw mocht staande houden. + +De laffe de Labrosse, door de verschijning des vermaarden krijgsmans +verschrikt, door het geweten gefolterd, neemt de vlucht. + +Geen zijner vrienden waagt het, de eer des kamerheers met het zwaard te +verdedigen. + +De twijfel aan Maria's onschuld ware een smaad aan de nagedachtenis +dezer vorstin, daarom besluiten wij ons verhaal met het oordeel van een +beroemden, Franschen geschiedschrijver[29]: + +«Het is niet mogelijk, dat deze vrouw tot een laffen en snooden aanslag +bekwaam zij geweest.» + + + + +44.--Jan I en het hertogdom Brabant. + + +Jan I, de held van ons verhaal was hertog van Brabant; het voormalige +Brabant strekte zich uit over het grondgebied, dat onze hedendaagsche +provincie Brabant, de provincie Antwerpen en, in Nederland, +Noord-Brabant bevatte. Leuven, Brussel, Antwerpen en 's Hertogenbosch +waren er de hoofdplaatsen van. + +Hertog Jan, die zijne arme zuster zoo dapper verdedigde, was een +uitstekend ruiter; in den wapenhandel was hij zeer bedreven en ook als +veldoverste wist hij eer en roem te verwerven. + +In twist zijnde met verscheidene vorsten van zijnen tijd, die meenden +recht te hebben op het bezit van het hertogdom Limburg, sloeg hij het +beleg voor de sterkte Woeringen, die op den oever van den Rijn gelegen +was. Zijne vijanden kwamen hem aldaar aanranden en er werd een veldslag +geleverd op eene heide nabij Woeringen (1288). + +Hertog Jan behaalde er eene roemrijke overwinning en wordt om dit +wapenfeit, in de geschiedenis niet zelden de Overwinnaar of de +Zeeghaftige genaamd. + +Na den slag van Woeringen werd Limburg met Brabant vereenigd. + +Ter eer van hertog Jan dient vermeld te worden, dat hij van zijne +overwinning geen misbruik maakte; reeds op het slagveld, had hij aan +krijgsgevangenen genade verleend; weldra wist hij de genegenheid der +Limburgers te winnen door zijne zachtmoedigheid en rechtvaardigheid. + +Talrijke dichters bezongen Jan I en zijne roemrijke wapenfeiten; want, +niet alleen in Vlaanderen, maar ook in Brabant trof men reeds in de +XIII^{de} en XIV^{de} eeuwen, beoefenaars aan der fraaie letteren. + +Adinez-li-Rois, een Brabander, was de grootste Fransche zanger zijner +eeuw, terwijl Jan van Heelu in het Dietsch den slag van Woeringen +beschreef en Lodewijk van Velthem den Spiegel Historiael van Maerlant +voltooide. + +Jan De Clercq ook Jan van Boendaele genaamd, schreef eene Rijmkronijk +van Brabant en verscheidene andere dichtwerken. + +De beroemde Jan van Ruysbroec geboren in 1294 is een merkwaardig +prozaschrijver. Zijne werken werden in het Hoogduitsch, ook in het +Latijn overgezet. + +[Illustration: _An alle deghene die dese lettren selen sien ofte hoeren +lesen. Schepenen Raet ende alle de goede ghemeene liede van der poort +van audenarde saluut._ Schrift van 1350.] + +Jan I schonk talrijke voorrechten aan de Brabantsche gemeenten. Zijn +opvolger was Jan II. Om de oneenigheden te beslechten die tusschen de +geslachten[30] en de ambachten gerezen waren, riep deze vorst, in 1312, +eene vergadering bijeen te Kortenberg, tusschen Leuven en Brussel. + +Daar werd besloten, dat er alle drie weken, te dier plaats, een raad zou +vergaderen van 4 afgevaardigden des adels en 10 afgevaardigden der +Brabantsche steden. + +Die raad zou over de goede uitvoering der wetten waken, de heeren +verhinderen het volk te verdrukken en misbruiken beletten, waarop men de +aandacht der leden roepen zou. + +Gedurende de regeering van de hertogen Wencelyn en Johanna (1355-1383) +ontstond te Leuven en te Brussel oneenigheid tusschen de ambachtslieden +en de rijke poorters of patriciërs, die groote voorrechten bezaten. + +Het bloed vloeide vooral te Leuven, vanwaar ontelbare ambachtslieden, +meest wevers, naar Engeland weken. + +Burgeroorlog sleept talrijke onheilen na zich; de stad Leuven ging te +niet en erlangde nooit meer haren bloei der XII^{de} en XIII^{de} +eeuwen. + +In 1356 moest hertog Wencelyn zweren al de vrijheden van het land en de +voorrechten der steden te handhaven. + +De keure, die hij toen verleende werd de «Blijde inkomst van Brabant» +geheeten. Zij geldt om zoo te zeggen als grondwet der Brabanders, want +de gebruiken, die er in voorkomen, bleven voor het grootste deel in +zwang, tot op het einde der XVIII^{de} eeuw. + + + + +45.--Twee Vorstinnen. + +(SPROOKJE) + + +Er was eens eene machtige koningin, die over duizenden onderdanen +regeerde. + +Zij bewoonde een prachtig paleis en was steeds in kostbare, ruischende +zijde gekleed. Schitterende juweelen versierden hare armen en borst en +haar fluweelen mantel was met hermelijn gevoerd en met zilveren leliën +geborduurd. + +Een rijke stoet van hofdames, edelknapen en ridders omgaf de koningin +en, waar zij haar schreden ook richtte, overal bogen hare onderdanen +voor haar in het stof. + +«Ik ben wel de machtigste vrouw der wereld, sprak de koningin tot haren +echtgenoot, maar toch, wenschte ik mij op reis te begeven en mijn +rijkdom en glans door duizenden te laten bewonderen.» + +«Uw wil geschiede!» antwoordde de koning en de fiere vorstin begaf zich +op weg. + +In steden en dorpen werd zij met ongemeenen luister ontvangen en de +burchtheeren der trotsche kasteelen betwistten elkander de eer, de +geduchte vrouw en haar schitterend gevolg te ontvangen en te herbergen. + +De reis der koningin was een onafgebroken zegetocht. + +«Gevoelt uwe Majesteit geen lust naar ons koninklijk hof terug te +keeren?» vroeg de koning aan de koningin. + +Maar de fiere vorstin schudde het met goud gekroonde hoofd, streelde het +prachtig ros, waarop zij gezeten was, reisde verder en bereikte een haar +onbekende landstreek. + +Hier zat eene nog jonge vrouw op den troon, schoon als een heldere +zomerdag, kalm en krachtig, minzaam en zacht als eene teedere moeder. + +Zij was in goudgele zijde gekleed; een zwarte leeuw lag aan hare voeten +en een schilderachtige stoet van jongelingen en meisjes omringde en +beschermde haar. + +Zij ontving de trotsche vorstin met eerbied, doch niet met de slaafsche +onderwerping, waaraan de ijdele vrouw gewoon was; daarom ontstak deze in +toorn en sprak op bitsen toon: + +«Weet gij dan niet, dat, zelfs zij, die tot den hoogsten adel behooren, +voor mij in het stof buigen?» + +«Ik ken geen anderen adeldom, dan arbeid en deugd» antwoordde de schoone +vrouw. + +De koningin lachtte spottend: «Zijn dat misschien uwe vazallen» vroeg +zij, een afgunstigen blik werpend op de jongelingen, die rondom den +troon waren geschaard. + +«Neen, vorstin, dat zijn mijne zonen,» luidde het fiere antwoord. «Niet +in rijkdom, maar met onuitsprekelijke liefde heb ik ze grootgebracht.» + +«Ik dacht hier alleen koningin te zijn» sprak de afgunstige vorstin, +maar ik zie hier honderd vrouwen, die meer op koninginnen gelijken dan +ik zelve.» + +«Mijne dochters bedoelt gij, vorstin? Inderdaad, zij zijn schoon en +prachtig uitgedoscht, en toch werden mijne kinderen niet in weelde en +overvloed grootgebracht. Ik leerde hun den arbeid liefhebben en +waardeeren; mijne zonen zaaien en maaien, zij weven, metselen en +timmeren, zij bevaren de zee en reizen van land tot land. Mijne dochters +spinnen, naaien, borduren....» + +«Genoeg» gebood de koningin, «dit onderhoud duurt al te lang. Buigt +allen de knie voor mij en erkent mij als uwe wettige, uwe eenige +gebiedster.» + +Maar nu zag en hoorde de trotsche vrouw, wat zij nog nooit had gezien +noch gehoord. + +«Wij buigen voor niemand,» spraken moeder en kinderen als uit eenen +mond, terwijl de leeuw aan den voet van den troon opsprong, zijne fiere +manen schudde en een vervaarlijk gebrul aanhief. + +De koningin vlood ijlings weg en, nog denzelfden dag sprak zij tot haren +echtgenoot: + +«Die gemeene vrouw en hare kinderen hebben mij bloedig gehoond. Zend +gewapende dienaars tot hen, dat zij hunne zwaarden, messen, bogen en +pijlen gebruiken en heel het hoogmoedige ras aan onze heerschappij +onderwerpen.» + +Maar de koning schudde het hoofd en sprak: + +«Er bestaan, o koningin, veel doeltreffender wapens dan zwaarden, +messen, bogen en pijlen, laat mij begaan, ik zal u bewijzen dat «list, +niet zelden overwint, geweld.» + +De sluwe vorst toonde zich zacht en gedwee als een lam en trachtte zijne +slachtoffers door honingzoete woorden en schoone beloften te misleiden; +maar, na eenigen tijd, ontdeed hij zich van zijne schapevacht, toonde +zich in zijne werkelijke gedaante en volbracht het bevel zijner trotsche +echtgenoote. + +Maar de kloeke vrouw en hare knappe kinderen waakten, lieten zich niet +bedwingen en verjoegen de huurlingen des konings. + +Deze keerden naar hunnen meester terug en onderrichtten hem van het +gebeurde. + +«Keert terug» sprak de vorst, dat krijgslieden en soldeniers u +vergezellen. Neemt de wederspannige vrouw gevangen, slaat haar in +boeien, brengt haar naar hier, dat ik haar opsluite, haar doe verkwijnen +in eene kille en duistere gevangenis. + +En de krijgslieden vertrokken om het bevel huns meesters ten uitvoer te +brengen. + +Nu hadden de talrijke kinderen der edele vrouw groot verdriet, maar twee +hunner, de meest geliefde zonen der waardige moeder, wisten hunne +broeders en zusters moed in te spreken en ze tot krachtdadige tegenweer +aan te zetten. + +«Plicht en liefde dwingen ons te handelen,» spraken zij, «het goede +recht is met ons. Onze moeder schonk ons het leven, zij leerde ons +arbeiden, voortbrengen, scheppen, zij ontwikkelde onzen geest en leerde +ons de deugd liefhebben. Vrij! eeuwig vrij zal zij wezen; boven de +trotsche koningin moet zij uitblinken, de heele wereld moet haar eeren +en achten, niet om hare adellijke geboorte, niet om hare schatten, maar +om hare hoedanigheden, om haren geest en hare deugd, om haren +vrijheidszin, om de voortbrengselen van haren arbeid en van hare kunst.» + +En allen togen ten strijde, allen besloten te overwinnen of hun leven te +laten voor de vrijheid hunner innig geliefde moeder. + +De koning ondertusschen riep zijne edelste en dapperste ridders op. + +«Gaat» sprak hij, «vernielt het gemeene ras, dat mijne macht trotseeren +durft.» + +De ridders vertrokken op hunne steigerende rossen; hunne helmen en +harnassen blonken in het zonnelicht, hunne vaandels wapperden in den +morgenwind, hunne krijgstrompetten schalden door bosschen en dalen, over +heuvels, over velden, over duinen en weiden. + +Bij voorbaat verheugden zij zich over hunne overwinning. Waren zij niet +de bloem der krijgslieden? Hadden, tot hiertoe, niet alle vijanden voor +de macht hunner wapenen moeten zwichten? + +Minachtend, honend zagen zij op hunne tegenstanders neer en, door +hoogmoed verblind, zonder nadenken, gingen zij den onrechtvaardigen +strijd aan, tegen hen, die, als helden, het dierbaarste verdedigden, dat +menschen op aarde bezitten kunnen. + +Hevig woedde de kamp. Menschenbloed werd bij stroomen vergoten, +doodskreten klonken, akelige zuchten van gewonden lieten zich hooren en +de gouden Julizon, die veel liever eene zee van ruischende korenaren had +doen rijpen, weende omdat zij de kinderen der menschen, als te vroeg +afgemaaide halmen, ter aarde zag vallen. + +Omstreeks den middag, lagen meestal de trotsche ridders in het zand; +hunne gulden sporen, hunne harnassen, helmen, waren met bloed bevlekt, +hunne wapperende vaandels gescheurd, bezoedeld en door het slijk +gesleurd. + +Een daverende kreet van vrijheid en verlossing galmde over stad en dorp, +over land en water; de beste, de liefderijkste aller moeders was gered +door hare minnende, dankbare kinderen. + + + + +46.--Strijd der vlaamsche Gemeenten tegen den koning van Frankrijk. + + +Alvorens nog het slot van het voorgaande sprookje gelezen te hebben, +hadden de meeste mijner lezers waarschijnlijk geraden, dat de trotsche +vorstin Frankrijk was en de liefderijke moeder Vlaanderen. + +De koningin draagt eenen mantel, die met zilveren leliën is geborduurd; +een zwarte leeuw, op gouden veld, rust aan de voeten der kloeke, +Vlaamsche moeder. + +Wie gevoelt zich niet aangetrokken tot Vlaanderen, dat arbeid als +adeldom beschouwde, welks kinderen leerden spinnen, weven, metselen, +timmeren, den akker bebouwen en dat dan ook, door diezelfde kinderen, om +zijn kloek verstand, zijne rechtschapenheid, zijn gulden hart werd +bemind en verdedigd? + +De koning van Frankrijk, Philippe le Bel (de Schoone) en zijne vrouw +Johanna van Navarre[31] beseften ten volle de stoffelijke waarde van +Vlaanderen. + +Maar Philippe was listig; hij wachtte zich wel zijne inzichten openbaar +te maken. + +Op sluwe wijze mengde hij zich in de innerlijke twisten, die, zooals wij +vroeger leerden, de inwoners onzer gemeenten verdeelden. + +Langzamerhand won hij de gunst der edellieden en rijke burgers, die +hoopten, dat de koning hunne zucht naar alleenheerschappij zou +begunstigen. + +Zoo kwam het dat, al wie in Vlaanderen den koning van Frankrijk genegen +was, den naam kreeg van Leliaart. + +De menschen van den lagen stand, de nederige ambachtslieden, hielden van +de Leliaarts niet, en heetten «Klauwaarts» naar de klauwen van den +Vlaamschen Leeuw. + +Gwyde, graaf van Vlaanderen, ijverzuchtig op den invloed der Leliaarts +zijnde, steunde de Klauwaarts. Gwyde werd tot tweemaal toe gevangen +genomen door den koning van Frankrijk, die Vlaanderen bemachtigde. + +[Illustration: Fransch wapenschild.] + +[Illustration: Vlaamsch wapenschild.] + +In 1301 brachten Philippe le Bel en zijne gemalin een bezoek aan +Vlaanderen en de koning vertrouwde het bestuur van het graafschap toe +aan een Fransch edelman, Jacques de Châtillon. + +Maar de Klauwaarts, de wakkere zonen van Vlaanderen waakten. Zij zouden +de plannen van den arglistigen koning verijdelen! + +De Leliaarts intusschen zagen hoe langer hoe meer, misnoegd neer op de +Klauwaarts en Jacques de Châtillon toonde zich zoo onkundig in het +besturen van het graafschap, dat de geheele volksklasse tegen hem aan +het morren ging. + +Te Brugge kwamen de inwoners in opstand en doodden op éénen nacht +honderden Franschen en Leliaarts. + +Jacques de Châtillon vluchtte naar Frankrijk en de meeste gemeenten +kozen partij voor de Klauwaarts. + +Te Brugge stelden zich Pieter de Coninc, deken der wevers en Jan +Breydel, deken der vleeschhouwers aan het hoofd der neringen, die de +wapenen hadden opgenomen. De Bruggenaars vielen in hunne stad onverhoeds +de Franschen aan en doodden ze in grooten getale. Deze gebeurtenis noemt +men de «Brugsche Metten.» + + * * * * * + +Weldra zond Philippe le Bel naar Vlaanderen een schitterend leger, dat +onder bevel stond van zijn broeder Robrecht van Artois. + +De bloem der Fransche ridders maakte deel uit van dat leger en de +koning, in zijne gramschap, had bevolen de steden te plunderen, de +velden te verwoesten, de bevolking uit te roeien en--hoe schandelijk +zulks in het boek der Geschiedenis te moeten neerschrijven--de ridders +haakten er naar het bevel des konings ten uitvoer te brengen! + +Maar de Vlaamsche gemeentemannen zouden het menschonteerende schelmstuk +beletten! + +Op den Groeningen kouter, bij Kortrijk, wachtten zij, in dichte +gelederen, de vreemde indringers af en deze meenden, reeds bij den +eersten aanval, de nederige poorters te verpletteren, die zij +verachtten. + +Eene smalle beek liep door de moerassige weide en scheidde beide legers +van elkander. + +In onstuimige vaart, waagden het de Fransche ridders de beek over te +springen, maar, belemmerd door hunne zware wapenrustingen, zonken zij +met hunne paarden in het slijk. + +Toen trokken de gemeentemannen in gesloten gelederen voorwaarts, +roepende: «Vlaanderen den Leeuw!» Zij richtten onder de Fransche edelen +eene vreeselijke slachting aan; prinsen, ridders, voetknechten, Robrecht +van Artois, Jacques de Châtillon bleven op het slagveld. + +Na den veldslag raapte men, op de met lijken bezaaide vlakte, meer dan +700 gulden sporen op, welke men als zegeteekens in Onze Lieve Vrouwkerk +te Kortrijk ophing. + +De bloedige veldslag, die plaats greep op 2 Juli 1302, draagt den naam +van Gulden Sporenslag. + +De mare van deze nederlaag weerklonk in ons land en in den vreemde. Te +Rijsel, te Yperen, te Gent kwamen de Klauwaarts aan het hoofd der +gemeenten en de gemeentemannen bekwamen talrijke voorrechten. Zelfs in +Frankrijk verzetten de nederige ambachtslieden van sommige steden zich +tegen den koning en de steden van Italië zonden hare gelukwenschen aan +de Vlaamsche gemeenten. + +De merkwaardige Sporenslag had nog een ander belangrijk gevolg: + +[Illustration: Zegel van 1305.] + +Hadden de Fransche ridders de overwinning behaald, Vlaanderen ware bij +Frankrijk ingelijfd en een Fransch wingewest geworden. Zijne taal, zijne +beschaving, zijne kunst zouden uitgeroeid zijn en het tegenwoordige +België niet bestaan. + +Eere dus aan de Vlaamsche Zonen, die zoo heldhaftig hunne moeder +verdedigden. + + + + +47.--Hongersnood! + + +Het was winter en nijpend koud. Op een zolderkamertje, in een houten +huis der Wolvesteeg, dicht bij de Vrijdagsmarkt te Gent, zat eene jonge +vrouw te zuchten en te weenen. + +Zij was mager als een geraamte en het kindje, dat op hare knieën lag, +kreunde pijnlijk en met zwakke stem. Zijne handjes waren rimpelig als +die eener oude vrouw, zijne gelaatskleur was blauw en koortsvuur gloeide +in zijn wijdgeopende oogjes[32]. + +«Arm Betteken, ween zoo droevig niet» snikte de jonge moeder. «Gij zijt +ziek van honger en gebrek en ik heb geen korstje brood om u te spijzen, +geen druppel melk om u te laven. Uw vader en zijne gezellen zitten +werkeloos op de Vrijdagsmarkt. + +Arm kind! wat zal er van ons geworden! In Gent is geen slag werk te +vinden, alle weefgetouwen liggen stil.... God weet! wanneer die akelige +toestand veranderen zal!...» + +Het scheen alsof de klagende stem der moeder het arme Betteken in slaap +suste, want, langzamerhand verzwakte het gekreun om eindelijk geheel op +te houden. + +De moeder echter suste het wichtje voort en zag het bij wijlen aan met +treurigen, doch liefderijken blik. + +Eensklaps teekende zich eene ontzettende uitdrukking van schrik op haar +bleek gelaat. Bettekens oogjes waren gesloten, haar lichaampje was stijf +en onbeweeglijk, zij ademde niet meer en.... + +«Dood! dood! mijn kind is dood! gestorven van honger, verstijfd van +koude!» gilde de arme vrouw met radeloozen schrik, waarop zij, het +wichtje aan hare borst drukkend, de deur openwierp en huilend en +weenend, de trap af, naar beneden stormde. + +Weldra bevond zij zich in eene woonkamer, waar een jong meisje aan het +ziekbed harer moeder was gezeten. + +Bij het akelig gekerm der binnentredende, sprong de maagd ijlings op, +terwijl de kranke zich in de bedstede oprichtte. + +«Om Gods wil, bedaar, vrouw Katelijne, bedaar,» sprak het meisje, maar +de vrouw schreide maar immer door en bedekte het aangezicht van haar +Betteken met tranen en kussen. + +«Ontkleed het kindje, leg het op tafel, Livina,» sprak de zieke moeder +tot hare dochter, neem een wollen doek en wrijf het arme schaapje tot +het bijkomt....» en uitgeput liet de zieke het hoofd weer op de peluw +vallen. + +Livina deed zooals de kranke had gezegd. Zij wreef het koude lichaampje, +dat na eene poos weder warm werd, toen opende zij het mondje van het +wichtje en goot eenige druppeltjes melk tusschen zijne paarse lipjes. + +De doodskleur verdween van de magere wangetjes, het kind sloeg de +oogleden op, en zijne zachte blauwe oogjes zochten de nog altijd +weenende moeder. + +«Goede Livina, heb dank!» kreet Katelijne, maar Livina scheen hare +dankende woorden niet te hooren; zij bracht de vrouw bij den haard, +dwong haar zich op eene bank neder te zetten en hare koude ledematen te +verwarmen. + +«Keer naar uw zolderkamertje niet terug, Katelijne,» sprak Livina, +«blijf bij ons tot uw echtgenoot terugkeert....» + +«Wij ook zijn ongelukkig,» vervolgde zij op de kranke wijzend, «maar +eigen leed heeft bij ons de liefde niet uitgedoofd, die wij onzen +evenmensch verschuldigd zijn.» + +«Er is nog brood in de schapraai,» sprak de zieke moeder, «Livina, zet +het Katelijne voor en warm heur wat melk. » + +«Ik dank u, Geertrui,» antwoordde Katelijne. «Gij zijt al te, goed, gij +zelve zijt ziek van gebrek en uw zoon Antoon is werkeloos.» + +«Dezen morgen,» zei thans Livina, «verkocht ik bij den juwelier in de +Geldmunt, den gouden ring, dien moeder van hare grootouders erfde. Van +honger zullen wij dus niet sterven en de ongelukkige toestand waarin +alle Gentenaars zich bevinden, zal veranderen.» + +Katelijne schudde het hoofd. «In onze stad is alle nering uitgedoofd,» +sprak zij treurig.... «Nog altijd weigeren de Engelschen ons wol te +zenden, nog veertien dagen en Gent sterft van honger en gebrek.» + +«Hoop op de toekomst,» vervolgde Livina. «Heeft de Wijze Man niet +beloofd met den koning van Engeland te onderhandelen en Vlaanderen van +den ondergang te redden? Geloof mij, Katelijne, eer het laatste +geldstukje, dat ik voor onzen gouden ring ontving verteerd zal wezen, +zullen de neringen den arbeid hebben hervat.» + +«Moogt gij waarheid spreken,» hernam de jonge moeder, ... «maar de +honger, de angst hebben mij, arme, het hopen afgeleerd.» + +Eensklaps werd de huisdeur van buiten geopend en de twee mannen stormden +juichend binnen. + +«De Engelsche wol komt weer vrij in Vlaanderen!» riepen zij als uit +eenen mond. De Wijze Man van Gent heeft ons gered! Nog drie dagen en de +Neringen kunnen den arbeid hervatten! + +De oogen der beide mannen straalden van blijdschap. + +De jongste, Livina's broeder, was een weversgezel, klein van gestalte, +mager, doch ongemeen vlug in al zijne bewegingen. + +Zijn gezel, de echtgenoot van Katelijne, was een groote, krachtige +voller, met grove handen en sterkgespierde ledematen. + +Hij nam zijn kind in de armen en trachtte zijne vrouw op te beuren. + +Deze verhaalde hem, wat er gedurende zijne afwezigheid was voorgevallen +en de stoere voller, veegde met zijne grove hand de tranen af, die hem +over de wangen biggelden. + +«Heb dank, Livina, heb dank, moeder Geertrui, stotterde hij....» maar +Livina hoorde niet. + +Zij stond met haren broeder voor de bedsponde der kranke. + +«Thans zult gij spoedig genezen, moeder,» lachte Antoon. «Naarstig en +onvermoeid zal ik voor u werken, u vleesch en eieren koopen! Nog +veertien dagen en, aan Livina's arm, wandelt gij op de Vrijdagsmarkt. + +De zieke glimlachte. Katelijne en Simon de voller, wilden met Betteken +naar het zolderkamertje gaan, maar Antoon de wever hield ze terug. + +«Boven is het veel te koud» sprak hij «warmt u bij den haard en deelt +ons brood. Laten wij den avond gezellig doorbrengen en praten over den +arbeid, dien wij welhaast zullen hervatten!» + + + + +48.--Jakob Van Artevelde, de Wijze Man van Gent. + + +Het treurige tooneel, dat wij in het somber huisje der Wolvesteeg +bijwoonden, was te Gent en elders, niet eenig in zijn soort; ten jare +1339 heerschten ellende, gebrek, ziekte in gansch Vlaanderen. + +[Illustration: Kruisboogschutter. (ten tijde van Jacob van Artevelde)] + +Ziehier wat er was gebeurd: Karel IV, koning van Frankrijk, was +gestorven zonder mannelijke erfgenamen na te laten en twee vorsten +betwistten elkaar zijne kroon. + +Het waren Filips van Valois, neef van den overleden koning en Eduard +III, koning van Engeland. Een verschrikkelijke strijd, de honderdjarige +oorlog, brak uit tusschen Frankrijk en Engeland. De graaf van +Vlaanderen, Lodewijk van Nevers, koos partij voor Filips van Valois en +wilde Vlaanderen in een verbond met Frankrijk betrekken. + +Weldra verbood Eduard III den uitvoer der Engelsche wol naar Vlaanderen +en door dien maatregel was de wolweverij, de voornaamste tak van +nijverheid onzer streken, ten gronde gericht. + +De vollers, wevers, ververs bevonden zich zonder werk en onze arme +voorouders leden verschrikkelijk. Te Gent vergingen de inwoners +letterlijk van honger en gebrek. + +In deze stad leefde toen een man, die boven zijne tijdgenooten uitblonk +door zijne wijsheid en welsprekendheid. + +Hij heette Jakob Van Artevelde, maar zijne stadgenooten noemden hem «den +Wijzen Man van Gent.» + +«Laten wij om raad gaan bij den Wijzen Man» riepen de Gentenaars als +uit éénen mond. «Hij alleen kan ons redden.» + +Artevelde bewees aan zijne medeburgers, dat zij bevriend moesten blijven +met den koning van Engeland, zonder daarom tegen den koning van +Frankrijk te strijden of anders gezegd, dat zij onzijdig moesten +blijven. + +Jakob Van Artevelde onderhandelde met beide vorsten en volbracht zijne +taak op uitstekende wijze. + +Filips van Valois en Eduard III erkenden de onzijdigheid van Vlaanderen, +de Vlaamsche schepen mochten vrij de zee doorkruisen, de Engelsche wol +werd hier heengebracht, ellende en hongersnood weken uit stad en dorp. + +De invloed van den Wijzen Man groeide gedurig aan. Door zijne +bemiddeling sloten de gemeenten van Vlaanderen en Brabant een verbond, +dat weldra erkend werd door Henegouwen, Holland en Zeeland. + +Frankrijk echter erkende niet langer Vlaanderens onzijdigheid. Op raad +van Van Artevelde, nam Eduard III den titel aan van koning van +Frankrijk[33] en sloot in 1342 een verbond met Vlaanderen. + +De Franschen verloren den zeeslag van Sluis en Eduard maakte zich deze +overwinning ten nutte om Doornik te belegeren. Weldra kwam een +wapenstilstand de vijandelijkheden schorsen. + +Graaf Lodewijk van Nevers was naar Frankrijk teruggekeerd; Jacob Van +Artevelde zag zich, met den titel van Ruwaert, het bestuur van +Vlaanderen toevertrouwd. Handel en nijverheid bloeiden, landbouw, +rivier-en zeevaart herleefden. + + + + +49.--Broedermoord. + + +Eenige jaren zijn verloopen en, in het houten huis der Wolvesteeg, wonen +nog altijd onze vroegere bekenden Livina, Antoon en hunne moeder, Simon, +Katelijne en Betteken, dat tot een lief meisje is opgegroeid. + +Het akelige spook van den honger bedreigt niet langer de sombere woning, +gezondheid en welstand zijn er teruggekeerd, maar helaas ... vrede noch +geluk zijn er binnengedrongen. + +Antoon de wever en Simon de voller zijn geene vrienden meer maar +vijanden. Als zij elkander ontmoeten ballen zij de vuisten en roepen +elkander scheldnamen toe. + +En weder is voor de arme vrouwen een treurig tijdvak van lijden en +tranen aangebroken. + +Op eenen Maandag morgen had Simon al vroeg zijn zolderkamertje verlaten. + +«Zoek eene andere woning,» had hij zijne vrouw toegesnauwd, «bij den +hoogmoedigen wever blijf ik niet langer inwonen.» + +Betteken had vader om een kus gesmeekt, maar toen zij dien ontving, had +zij, onder vaders kolder, het harde staal eener scherpe bijl gevoeld. + +Ook Antoon de wever, was sedert geruimen tijd opgewonden, ruw en barsch. +De zoete stem zijner zuster, de tranen zijner moeder konden den storm +niet bedaren, die in zijn binnenste woedde. + +Op dien akeligen Maandag morgen had hij, gewapend, de moederlijke woning +verlaten, terwijl hij, bij het henengaan, gruwelijke woorden van dood en +moord had gemompeld. + +Thans zaten de vrouwen biddend in de sombere woonkamer, tranen van angst +biggelden over hare wangen en treurig klonk hare smeekbede: + +«En vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onze schuldenaren.» + +«Verlos ons van den kwade» prevelde Livina, maar sprong weldra, evenals +de andere vrouwen, verschrikt op. + +Huilend en schreeuwend, met kletterende wapens, trokken scharen +ambachtslieden door de enge steeg, terwijl van de naburige Vrijdagsmarkt +een verward gedruisch van menschenstemmen, als de deining eener woelige +zee, tot het oor der vrouwen doordrong. + +«Ik blijf hier niet langer, kermde Livina. Ik wil Antoon halen ... bij +de liefde zijner moeder zal ik hem bezweren naar huis te komen.» + +«Ik vergezel u, Livina» sprak Katelijne. Misschien kunnen wij, vrouwen, +moord en doodslag beletten. + +«Moeder» sprak Livina vastberaden, «sluit de deur dicht achter ons, +verberg u met Betteken op het zolderkamertje en bid voor de Gentsche +ambachtslieden.» + +De twee vrouwen verlieten de woning en bevonden zich weldra op de markt. + +Eene grijze stofwolk verhief zich boven het uitgestrekte plein, waar een +akelig schouwspel de oogen der vrouwen trof. + +Honderden ambachtslieden vochten er tegen elkander; vollers met +opgestroopte mouwen, blauwververs met donkergekleurde handen, +vleeschhouwers met messen en priemen, smeden met zware bijlen, +sjouwerslieden met lasthaken, brouwers, timmerlieden, bakkers, schippers +woelden door elkander, bloed vloeide langs den grond, droevige klachten +van stervenden, pijnlijke kreten van gekwetsten, stegen naar omhoog. + +Livina sloot de oogen en meende te sterven, maar eensklaps stiet +Katelijne een ontzettenden kreet van wanhoop en smart uit, trok Livina +bij den arm mede in de richting der Waaistraat. + +De knieën van het meisje knikten en toch volgde zij hare gezellin.... +Was het zinsbedrog? Was het werkelijkheid?... Neen, zij droomde niet, +haar broeder lag op den grond, terwijl Simon de voller hem de knie op de +borst drukte en het moordend staal boven zijn hoofd zwaaide. + +«Gij zult niet doodslaan,» riep Katelijne, «hebt gij vergeten dat Simons +zuster ons kind van den dood redde?» + +Zij sprong op haren echtgenoot toe, trok hem het moordende wapen uit de +hand en vluchtte met hem door de Zuivelsteeg. + +Ondertusschen had Livina haren broeder opgericht en het bloed +afgeveegd, dat langs zijne wangen sijpelde. Antoon waggelde als een +dronken man, doch Livina ondersteunde en bracht hem, dwars door de +vechtende ambachtslieden, bij zijne moeder in het somber huisje der +Wolvesteeg. + + + + +50.--Dood van Jakob Van Artevelde. + + +De vreeselijke dag, waarop de Gentenaars, alle broederliefde vergetende, +zich aan de gruwelijkste moorderijen overgaven, wordt door de +geschiedenis met den naam van «Quade Maendach» bestempeld. + +De gemeenten, die het nageslacht zulke schoone voorbeelden van +werkzaamheid en vrijheidsliefde gaven, waren niet vrij te pleiten van +groote gebreken, die onvermijdelijk haren ondergang moesten bewerken. +Zij waren ijverzuchtig, jaloersch op elkander; de groote gemeenten +beheerschten de kleine, alsook het platteland. Niet zelden leefden de +verschillende neringen eener zelfde gemeente in onmin met elkander. + +In 1345 leefden te Gent de vollers, wevers en de kleine neringen in +volslagen vijandschap. + +De haat der ambachtslieden onder elkander was zoo hevig, dat zij, zooals +het vorige verhaal ons leerde, elkander gewapend aanvielen en +afgrijselijke broedermoorden pleegden. + +Niets was in staat den steeds klimmenden haat der ambachtslieden te +dooven, zelfs de stem van Artevelde, den Wijzen Man, was niet krachtig +genoeg om de opgewonden bevolking kalmer en redelijker te maken. + +Allengs vergaten vele Gentenaars, al wat zij den Wijzen Man verschuldigd +waren; zijn invloed verminderde en benijders, vijanden, schijnen +getracht te hebben zijn goeden naam te bezoedelen. + +In de maand Juli 1345 begaf Artevelde zich naar Sluis om met Eduard III +te onderhandelen en, bij zijne terugkomst naar Gent werd hij ongemeen +koel ontvangen, ja, dreigende stemmen verhieven zich tegen den eens zoo +geliefden volksvriend.... 's Avonds begaf zich eene woedende +volksmenigte naar Artevelde's huis en sloeg de deuren in. + +De Wijze Man trad vooruit, wilde tot het volk spreken, het bedaren, +maar, hij werd niet eens aangehoord en ... onvergeeflijke snoodheid, de +bijl eens moordenaars durfde zich boven het hoofd van den grooten +volksvriend verheffen. + +Zij viel neer en doodde den doorluchtigsten inwoner der Gentsche stad. + +Het nageslacht erkende de groote verdiensten van Jakob Van Artevelde. +Heden verheft zich het bronzen standbeeld van den grooten Man op de +Vrijdagsmarkt, waar hij zoo menigmaal sprak tot het volk. + + + + +51.--Graaf Lodewijk van Male. + + +Hij leefde in weelde en overvloed, hij maakte muziek met zijne +minstreelen[34] of hield zich bezig met zijne vogels, honden en apen. + +«Ik houd het met den graaf» zei Ghysbrecht Mahu «hij is rijk en machtig. +Hij zal mij aan zijn hof uitnoodigen, mij prachtige steekspelen en +ridderfeesten laten bijwonen. Met vorsten en edellieden zal ik omgaan en +mijne dochters, in zijde en fluweel gekleed, met peerlen en smaragden +getooid, zullen uitblinken tusschen de meest schitterende vrouwen van +Vlaanderen.» + +«Ik houd het met mijn volk» sprak Jan Yoens. «Ik wil lijden als het +lijdt, arbeiden aan zijn welzijn, sterven voor zijne vrijheid.» + +En beide Gentenaars hielden woord. Lodewijk van Male gaf schitterende +feesten en noodigde al de ridders van Brabant, van Holland, Henegouwen, +Picardië[35], aan zijn hof. + +Te Gent woonden doorluchtige heeren en edele vrouwen. De graaf ontving +die in zijne paleizen en op zijne kasteelen. + +De heeren droegen lange mantels, met bontwerk gevoerd, groote hoeden +van beverhaar, gevlamde gordelriemen en schoenen met zilveren gespen. + +De vrouwen hadden scharlaken kleederen, versierd met edelgesteenen; zij +droegen faliën van rood fluweel of van venetiaansche stoffen met goud of +zilver doorweven. + +Jan Yoens en zijn volk arbeidden en leden, want zij waren het die de +feesten des graven moesten betalen; te Gent deed de graaf eene belasting +afkondigen, die hij wilde heffen, maar de inwoners verhieven de stem en +verzetten zich tegen die onwettige afpersing. + +«De schattingen door 't volk opgebracht moeten niet dienen om +kluchtspelers en potsenmakers te betalen,» sprak een hunner en al de +andere poorters vereenigden zich met zijne weigering. + +Zeer verbitterd, begaf zich de graaf naar Brugge, waar hij hulpgeld aan +de gemeente vroeg. + +«Ik zal u toelaten eene vaart te graven, waardoor gij de wateren der +Leie kunt afvoeren,» beloofde hij, «die vaart kunt gij verbinden met de +Reye, en het graan van Artois[36] zal niet langer naar Gent, maar naar +Brugge worden gevoerd. + +De Gentenaars zullen het voorrecht verliezen, dat zij tot hiertoe hadden +genoten. + +Het ijverzuchtige Brugge voldeed aan het verlangen van den graaf en +weldra begaven zich vijfhonderd Brugsche werkers aan den arbeid om den +loop der Leie te verleggen. + +De Gentenaars vernemen het gevaar, dat hunnen handel en hunne welvaart +bedreigt, allen scharen zich rondom Yoens, hem smeekende, hen toch met +zijne raadgevingen bij te staan. + +«Laten wij opstaan en strijden» sprak Yoens. «Als wij overwinnen zullen +wij gewroken zijn en, als wij vallen, zullen onze kinderen den strijd +voortzetten.» + +Dat elke nering de wapens opneme, en de stadsbannier volge, dat, bij het +hooren der stormklok, ieder onder het vaandel zijner nering sta en dat +God ons bescherme!» + +Weldra werd in Gent het gilde der Witte Kaproenen opgericht, aldus +genaamd naar hun hoofddeksel. + +Zij trokken de Stad uit en dreven het werkvolk uiteen dat, tusschen +Aalter en Knesselare, aan de nieuwe vaart arbeidde. + +In verraderlijke taal berichtte Mahu den graaf, hetgeen in Gent voorviel +en, op zijn kasteel van Male gebood Lodewijk, dat men Jan Yoens en zijne +helpers gevangen nemen en ze ter dood brengen zou. + +Maar de Gentenaars waakten; zij versloegen de lieden van den graaf en +staken te Wondelgem zijn kasteel in brand. + +Jan Yoens, als hoofdman van Gent uitgeroepen, bezocht Dendermonde, +Aalst, Deynze, Ninove, begaf zich naar Brugge en trad met den +burgemeester en de hoofden der neringen in onderhandeling. + +Van Brugge reisde hij naar Damme. Eene maand tijds was hem genoeg +geweest om in gansch Vlaanderen het gezag der gemeenten te herstellen; +eene schoone toekomst lachte Yoens tegen, reeds waande hij Gent, waande +hij Vlaanderen gered. + +Helaas! het noodlot of ... zijne vijanden achtervolgden hem. Op het +onverwachts, onmiddellijk na een gastmaal, dat hij bijwoonde, werd Yoens +ongesteld en voelde zijn einde naderen. + +Zijne vrienden legden hem op eene draagbaar om hem naar Gent terug te +brengen, doch Yoens stierf onderweg. + +Langzaam bereikte de treurige stoet de diepbeproefde stad; de +geestelijkheid kwam het lijk van den hoofdman te gemoet en het dankbare +Gent begroef Yoens met zulke groote plechtigheden, als ware hij +Vlaanderens graaf geweest. + +De verraders zegepraalden; Mahu won de gunst van den graaf, maar die +gunst was tijdelijk, terwijl, zes eeuwen na zijnen dood, Jan Yoens immer +voort leeft in de harten van het dankbare nageslacht. + + + + +52.--Philips Van Artevelde. + + +Het was in het jaar 1382. In de benedenkamer zijner woning, eenzaam, bij +het vallen van den avond, zat een rijzig man in diepe gedachten +verzonken. + +Die man was Filips, zoon van Jakob Van Artevelde. + +Hij dacht aan zijne vaderstad, aan het eens zoo machtige, thans zoo +ongelukkige Gent. + +Plotseling treft geraas en dof gemompel het oor van Filips. Het was +alsof eene groote volksmenigte zich voor de deur verzamelde. + +Filips opent een venster en ziet honderden poorters en ambachtslieden +voor zijn huis vergaderd. + +Welk was hunne bedoeling? Op aller gelaat staat diepe verslagenheid, +ellende, gebrek te lezen. + +De klopper bonst op de deur. Filips opent en voor hem staat het bestuur +der stad, dat hij zich haast binnen te noodigen en eenvoudig, doch +roerend luidt de aanspraak van den eersten schepen: + +«Ser Filips, onze stad bezwijkt, zij is belegerd en hongersnood bedreigt +ons. + +De Wijze Man is niet meer daar om ons te redden ... zal de zoon minder +vaderlandlievend zijn dan de vader? + +Op u hebben wij onze laatste hoop gevestigd, Ser Filips, wij plaatsen +Gent onder uwe bescherming.» + +Filips Van Artevelde was diep ontroerd. Een oogenblik verrees het +bloedig lijk van zijnen vader voor zijne oogen. + +Wat zou hij doen? Zich wreken over geleden onrecht of, groot van ziel, +zich opofferen voor het welzijn zijner stadgenooten? + +«Wat mijn vader deed en nog zou doen indien hij kon herleven, zal ik +zijn zoon, voor u beproeven,» sprak hij vastberaden. + +«Gaat tot het Gentsche volk en zegt dat ik hun, heden nog, op de +Vrijdagsmarkt, mijne plannen zal blootleggen.» + +Het bestuur vertrok en even daarna steeg uit de opeengedrongen +volksmassa een ontzaglijke jubelkreet: «Heil! Ser Filips, heil!» galmde +het door de straten der stad. + +Onmiddellijk zette Artevelde zich aan den arbeid. Hij kocht al het graan +op, dat zich in de abdijen en bij rijke poorters bevond en deed het aan +het volk uitdeelen. + +Maar dit was onvoldoende; de hongersnood breidde zich uit en meer dan +duizend menschen bevonden zich weldra zonder brood. + +Filips verliet de stad en toog naar Doornik, waar hij met den graaf +onderhandelde, maar deze stelde zulke onmogelijke eischen, dat het +Gentsehe volk besloot liever tot den laatsten man te sterven, dan zich +daaraan te onderwerpen. + +Filips wist de Gentsche poorters met een heilig vuur te bezielen: «Vrij +of dood» riepen zij uit en meer dan vijfduizend wapenknechten, al die +nog kracht genoeg bezaten om eene bijl of een zwaard te dragen, +verlieten in 't geheim de stad en begaven zich op weg naar Brugge, +waarheen de graaf zich begeven had. + +Deze echter, verwittigd zijnde, keerde terug, en werd handgemeen met de +Gentenaars, op de heide van Beverhout. + +Na lang en hardnekkig worstelen werden de benden des graven +uiteengedreven en de Gentenaars behaalden eene schitterende overwinning. + +De graaf ontsnapte slechts bij toeval. De Gentenaars achtervolgden hem +tot in de straten van Brugge, waar een arm vrouwtje hem op haar +zolderkamertje verborg. + +'s Anderendaags gelukte het Lodewijk van Male vermomd uit Brugge te +ontvluchten. Hij begaf zich naar Frankrijk en verzocht hulp tegen zijne +onderdanen. + +Alle steden trokken partij voor de Gentenaars. + +In November 1382 deed de ontelbare Fransche legermacht met den +veertienjarigen koning Karel VI aan het hoofd, een inval in ons land. + +Yperen gaf zich over, hetgeen Filips Van Artevelde, die Oudenaarde +belegerde, noodzaakte haastig naar West-Vlaanderen op te rukken om den +vijand den weg naar Brugge te versperren. + +De twee legers ontmoetten elkander te West-Rozebeke; een ongelooflijk +vertrouwen op den uitslag bezielde Artevelde, maar de slag viel niet +uit, zooals hij het had voorspeld. + +Nooit leden de Vlamingen zulk een bloedige nederlaag; duizenden +gemeentemannen, waaronder ook Filips Van Artevelde, vonden den dood op +het slagveld. + +Trots de slagen van het noodlot bleef aan Gent nog levenskracht genoeg +over om den strijd voort te zetten. Eerst in 1386 werd de vrede +geteekend. + + + + +BLADWIJZER + + +1. De Hut in 't Woud +2. Oud België +3. Langs Poel en Plas +4. Bij de Menapiërs +5. Aan den Voet van den Reuzeneik +6. Verovering van ons Land door de Romeinen +7. Twee Eeuwen later +8. De Romeinsche Overheersching +9. De Romeinsche Villa +10. Invallen der Barbaren +11. Een Frankische Knaap +12. De Franken +13. Grimbald en Bertolf +14. De Salische Wet +15. Van een Koning en eene Prinses +16. Hlodwig en Clotildis +17. Amandus +18. Sint-Bavo +19. Het Wandelend Woud +20. De Zonen van Hlodwig +21. Van een armen kleinen Zanger en een grooten Keizer +22. Karel de Groote +23. Renier en Albrade +24. Invallen der Noormannen +25. Anneken Soete, de kleine Herderin +26. De Graven van Vlaanderen +27. Een Sprookje +28. Het Slot van Bouillon +29. De boetvaardige Zondaar +30. De Kruistochten +31. Twee Vluchtelingen +32. Koophandel en Nijverheid +33. Eene Klokkenvertelling +34. De Gemeenten +35. Kapitein Lorenzo en zijne Reis naar Brugge +36. Brugge +37. Een Dichter +38. Jakob van Maerlant +39. Een Verhaal van Lijden en Tranen +40. Innerlijke Twisten in de Gemeenten +41. Eene Voorspelling +42. Het Prins-Bisdom Luik +43. Broeder en Zuster +44. Jan I en het hertogdom Brabant +45. Twee Vorstinnen +46. Strijd der Gemeenten tegen den Koning van Frankrijk +47. Hongersnood +48. Jakob Van Artevelde, de Wijze Man van Gent +49. Broedermoord +50. Dood van Jakob Van Artevelde +51. Graaf Lodewijk van Male +52. Filips Van Artevelde + + + + +VOORNAAMSTE GERAADPLEEGDE WERKEN. + + +BORMANS S. Le bon métier des Tanneurs de l'ancienne cité de Liège. + +DE GERLACHE G. Histoire de Liège depuis César jusqu'à Maximilien de +Bavière. + +DEMAREZ G. Les luttes sociales en Flandre au XIII^e et XIV^e siècles. + +FRIS V. Vlaanderens vrijmaking in 1302. + +HOTTON J. James and Philip van Arteveld. + +HYMANS L. Histoire populaire de Belgique. + +JONCKBLOET. Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde. + +KURTH. Histoire poétique des Mérovingiens. + Id. Clovis. + Id. La frontière linguistique. + Id. Les origines de la ville de Liège + +LÜBKE W. Grundriss der Kunstgeschichte. + +MONE F. Übersicht der Niederländischen Volks-Literatur älterer Zeiten. + +NAMÈCHE. Histoire nationale. + +PIRENNE H. Histoire de Belgique. + Id. Histoire du meurtre de Charles le Bon. + +STALLAERT K. Geschiedenis van Hertog Jan den Eersten van Brabant en zijn +tijdvak. + +TEN BRINK H. Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde. + +THONISSEN. La loi salique. + +VANDERKINDERE L. De Eeuw der Artevelden + +VAN LENNEP. Onze Voorouders. + +WAUTERS A. Les libertés communales. + Id. Le duc Jan I et le Brabant. + + + + +NOTEN: + + +[Noot 1: Herinnert u, dat de Romeinen van Rome kwamen; in +krijgskunde zeer bedreven waren, en dat de toen bekende wereld hun +toebehoorde.] + +[Noot 2: Hoofdman of centurio, die bevel voert over honderd +soldaten.] + +[Noot 3: Scherpe, platte lans.] + +[Noot 4: Zware bijl.] + +[Noot 5: Hemel.] + +[Noot 6: Hem, heem, heim beteekent woonplaats, erf.] + +[Noot 7: Salische komt van Sala (Ysel), rivier in Nederland, dus wet +van de Franken die woonden aan den oever van de Ysel.] + +[Noot 8: Germaansche volksstam, die zich in Oost-Gallië had +gevestigd.] + +[Noot 9: Oude naam van het Zuidelijk gedeelte van Gallië.] + +[Noot 10: Austrasië of oostelijke landstreek, tusschen Rijn en +Schelde.] + +[Noot 11: Neustrië of westelijke landstreek, ten westen der Schelde +en der Boven-Maas.] + +[Noot 12: Thans Braine s/la Vesle, bij Soissons, in Frankrijk.] + +[Noot 13: De Friezen, woonden langs de kusten der zee aan de monding +van den Weser, tot aan die van de Schelde. Evenals de Saksers waren zij +gedurig in oorlog met de Franken.] + +[Noot 14: Aldus geheeten naar Merwig, voorvader van Hlodwig.] + +[Noot 15: Centgraaf, die rechterlijk toezicht had over honderd vrije +huisgezinnen (oud Germaansch recht).] + +[Noot 16: Thans S^t Amand bij Valencijn in het Noorden van +Frankrijk.] + +[Noot 17: Men beweert, dat hij te Luik of in de omstreken geboren +werd in 742.] + +[Noot 18: Runen = rechtlijnige letters der Noordsche volkeren.] + +[Noot 19: Heden eene Fransche stad.] + +[Noot 20: Damespaardje.] + +[Noot 21: Een maliënkolder of hemd; eene soort van hemd of harnas, +uit maliën of ijzeren ringetjes gemaakt.] + +[Noot 22: Naam waarmede de Arabieren, in Spanje in Frankrijk en aan +de noordwestkust van Afrika benoemd werden.] + +[Noot 23: Palestina, Syrië (West-Azië).] + +[Noot 24: Hardnekkige, slepende huidziekte, die tegenwoordig in +Europa zelden voorkomt.] + +[Noot 25: Sanderus, Flandria illustrata, Keulen. 1641.] + +[Noot 26: Addio = vaarwel.] + +[Noot 27: Handelsvereeniging.] + +[Noot 28: Deze steden maakten geruimen tijd deel van het +prins-bisdom Luik, dat dus vroeger uitgestrekter was dan onze +hedendaagsche provincie Luik.] + +[Noot 29: Henri Martin.] + +[Noot 30: De eersten onder de poorters bij uitnemendheid.] + +[Noot 31: Een voormalig koninkrijk in Spanje.] + +[Noot 32: Zie _Jacob van Artevelde_.--Hendrik Conscience.] + +[Noot 33: Langs moederlijke zijde was hij kleinzoon van Philippe le +Bel terwijl Filips VI enkel de neef was van den overleden koning.] + +[Noot 34: Middeleeuwsche muzikanten of speelmannen.] + +[Noot 35: Oude provincie in het Noorden van Frankrijk.] + +[Noot 36: Weleer eene noordwestelijke provincie en een der +korenschuren van Frankrijk.] + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Ons Vaderland van de vroegste tijden +tot de 15de eeuw, by M. Lievevrouw-Coopman + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11288 *** |
