diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:36:29 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:36:29 -0700 |
| commit | 1ef8de6b5f74ee0db933d7d1866bd598ada40e09 (patch) | |
| tree | c865292ae80ab6222d12497b53f5889444da3257 /old/11287.txt | |
Diffstat (limited to 'old/11287.txt')
| -rw-r--r-- | old/11287.txt | 3940 |
1 files changed, 3940 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/11287.txt b/old/11287.txt new file mode 100644 index 0000000..1da15a0 --- /dev/null +++ b/old/11287.txt @@ -0,0 +1,3940 @@ +The Project Gutenberg EBook of De omwenteling van 1830, by Hendrik Conscience + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De omwenteling van 1830 + +Author: Hendrik Conscience + +Release Date: February 25, 2004 [EBook #11287] +[Last updated: August 11, 2011] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE OMWENTELING VAN 1830 *** + + + + +Produced by Joris Van Dael and PG Distributed Proofreaders + + + + +DE + +OMWENTELING VAN 1830 + +DOOR + +HENDRIK CONSCIENCE + +[Illustration] + +DE + +OMWENTELING VAN 1830 + +UITTREKSEL +uit de REVUE CONTEMPORAINE, aflevering van Januari 1851[1] + + + + +Petrus Conscience, vader van onzen schrijver, was Franschman en geboren +te Besancon. Door het lot tot den krijgsdienst geroepen, werd hij +soldaat in de _marine_ van Napoleon, en geraakte tot den graad van +opperstuurman _(chef de timonerie)_ aan boord van het oorlogschip _la +Ville de Bordeaux_. Driemaal krijgsgevangen genomen, doorstond hij eene +lange en wreede opsluiting in de Engelsche pontons te Normancross. +Eindelijk door uitwisseling vrij geworden, kwam hij zich te Antwerpen +vestigen, waar hij het ambt van onderhavenmeester op de groote +oorlogstimmerwerf bekwam. Hij trouwde niet lang daarna met eene +Vlaamsche vrouw, en uit dit huwelijk werd, den 3^{den} December 1812, +Hendrik Conscience geboren. + +Het kind was uiterst zwak en ziekelijk: men geloofde, dat het niet zou +leven. Een Fransche geneesheer, met name Tartare, voorzeide, dat het zou +kwijnen tot zijne zeven jaar; maar dat het zou gered zijn, indien het +dezen ouderdom overleefde. Twee jaren later werd Petrus Conscience een +tweede zoon geboren, zoo groot en sterk als de eerste zwak en lijdend +was. + +Op dit tijdstip bezweek de groote Napoleon onder de vereenigde macht der +bondgenooten; en de onderhavenmeester verloor zijn ambt. Als een moedig +man beproefde hij een ander beroep. Zijne echtgenoote hield eenen +kruidenierswinkel. Hij zelf legde zich toe op eenen anderen handel: hij +kocht oude schepen, om ze af te breken en de stukken er van afzonderlijk +te verkoopen. Een weinig later begon hij eenen gelijkslachtigen handel +in oude boeken, bestemd om tot _boterpapier_ te worden verbruikt. + +Deze nijverheid, van eenen letterkundigen aard, ten minste door de +stoffen, die zij behandelde, oefende eenen gewissen invloed op de +toekomst van Hendrik Conscience uit. Elken dag hielden gansche wagens +met boeken voor de ouderlijke woning stil; de dichters, de geleerden, de +geschiedschrijvers werden op eenen uitgestrekten zolder neergeworpen, om +er den oogenblik af te wachten, dat men hen tot koffiezakken of +suikerpakjes zou vervormen. + +Hendrik Conscience kende geen grooter vermaak dan deze arme bannelingen +der letterkunde in hun treurig verblijf te gaan bezoeken; hij +doorbladerde een voor een al deze boekdeelen, die op voorhand tot eenen +smadelijken dood waren veroordeeld. De bladzijden bleven stom voor hem; +maar de prenten, die tot zijne oogen en tot zijne inbeelding spraken, +openbaarden hem somtijds de geheimzinnige beteekenissen, welke hij +wenschte te doorgronden. Hij hechtte zich bovenal aan de werken over +geneeskunst, over natuurlijke geschiedenis en over verre reizen, om de +eenvoudige reden, dat deze meer prenten en _beeldekens_ behelsden. Zijn +geliefd boek droeg voor titel: _Johan Nieuhofs Gedenkweerdige Zee- en +Landreizen_. Het was een oud foliant, gansch vervuld met beeltenissen +van wilde mannen en vreemde gedierten, en gedrukt te Amsterdam, bij +Jacob van Meurs, in 1682. + +Evenwel, gedurende de avondstonden in den huiselijken kring leerde zijn +vader hem de letteren van het ABC onderscheiden, en, bij rassche +vorderingen, kon Hendrik spoedig lezen. Van dit oogenblik verslond hij, +om zoo te zeggen, den vaderlijken boekenstapel. + +Ontwikkelde zich zijn geest, zoo goed stond het niet met zijn lichaam, +dat krachteloos en kwijnend bleef. Zooverre reikte welhaast de +verslapping zijner leden, dat hij niet meer kon gaan dan met krukken. +Allengs werd dit middel zelfs ontoereikend, en men zag zich verplicht +den zieken jongen van de eene plaats naar de andere te dragen. Hij +bracht alsdan dagelijks vele uren door, in een hoogen stoel met kussens, +achter het venster, droevige en zwijgende aanschouwer van de spelen der +andere kinderen, die onder zijnen treurigen blik in vrijheid en in +vreugde hunne lichaamskrachten ontwikkelden. + +Zoo het meesttijds gebeurt, had Consciences moeder eene groote +voorliefde voor datgene harer kinderen, dat ziek en lijdend was. Zij +leerde hem eenvoudige gebeden, sprak hem veel van Gods goedheid en +vertelde hem, honderdmaal opnieuw, allerlei aardige vertelsels, welke +het kind met vurige gretigheid aanhoorde, vooral als zij van wonderbaren +of bovennatuurlijken aard waren. + +De arme moeder, overtuigd dat haar zoon eenen zekeren dood was +toegewijd, en hem willende bereiden tot het uiterst oogenblik, sprak hem +onophoudend van den schoonen hemel daarboven, en maakte hem van dit +ander vaderland de eenvoudigste, maar tevens de verleidendste +schilderingen. Het was een prachtige lusthof vol schoone boomen, waarvan +men naar begeerte de blozende vruchten mocht plukken; het waren +vlietende beken, helder als kristal, waarop lieve bootjes vol kinderen +wiegelend dreven. Daar speelden men met de engelen; daar hoorde men +onverpoosd eene onzeglijk schoone muziek; daar was men nooit ziek; daar +kende men verdriet noch smart; men was er licht als een vogel, want men +had er vleugelen, en men werd er zelf een engel; en de goede God +wandelde door den schoonen hof en deelde glimlachend suikergoed uit, zoo +lekker en zoo zoet, dat het niet te zeggen is. Bij deze schildering zag +het kind met verbazing zijne moeder de woorden uit den mond, en wenschte +innig om het oogenblik van zijn vertrek naar het andere vaderland, dat +men zoo prachtig en zoo verleidend voor zijne inbeelding schetste. + +Omtrent den ouderdom van zeven jaar gebeurde er, volgens de voorzegging +van M. Tartare, een beslissende omkeer in de gezondheid van Hendrik. +Zonder sterk te worden, kreeg hij allengs het gebruik zijner leden +terug, en kon leven als de andere kinderen zijner jaren. Hij trad alsdan +met zijnen broeder in eene lagere school en deed er zulke snelle +vorderingen, dat hij welhaast zijne medeleerlingen vooruitstreefde. Op +hetzelfde tijdstip trof hem een groot ongeluk: de dood ontrukte zijne +goede moeder aan zijne liefde... + +Zijn vader, onder wiens leiding hij nu zou opgroeien, had gansch +bijzondere gedachten over de opvoeding der kinderen. Hij meende, dat men +zooveel mogelijk hunnen geest evenals hun lichaam zich moet laten +ontwikkelen door eigene ondervinding en eigene krachten. + +Hendrik had diensvolgens eenen vrijen loop en kon naar lust tusschen de +straatjongens der wijk zich mengen, des daags met hen op de naaste +markten spelen, of ze des avonds op den keldermond der ouderlijke woning +rond zich verzamelen, om er op beurt _vertelsels_ te vertellen. Wat men +hier verhaalde, was niet van _Blauwbaard_, van het _Ezelsvel_, of van +eenige andere volksvertellingen, uit Fransche boeken vertaald. Het waren +meest legenden en overleveringen, gehecht aan eenig gebouw of straat der +stad. Het spreekt van zelf, dat spoken, tooverheksen, mirakels en +allerlei bovennatuurlijke wezens en voorvallen daarin eene voorname +plaats bekleedden, en dat er elken avond van het nationale spook der +Antwerpenaars, _de Lange Wapper_, iets wonderbaars of iets schrikkelijks +werd verteld. Men kan wel vermoeden, dat Hendrik, wiens verbeelding +gedurende zijne lange kwijnziekte zich bovenmate had ontwikkeld, de +beste verteller en de schilderachtigste spreker was. + +Gedurende twee jaren was Hendrik insgelijks een ijverige bezoeker van +den _Polichinellenkelder_ of het Antwerpsen marionettenspel, waar men +voor eenen stuiver op de eerste plaats werd toegelaten en de vertooning +kon bijwonen van _Doctor Faustus, Ourson en Valentyn, Genoveva van +Brabant_ en vele andere treurspelen uit de middeleeuwen. + +Terzelfdertijd besteedde Hendrik al zijn speelgeld om een voor een zich +al de verhalen aan te schaffen, welke men _Blauwe boeken_ noemt, als: +_Fortunatus beurze, Reinaert de Vos, de Vier Aymonskinderen, Malegys, de +Vrouwenpeirle_, enz. Al zijne gedachten strekten naar het wonderbare, al +zijn lust vestigde zich op verhalen van een fabelachtigen of +bovennatuurlijken aard. + +De lichaamszwakheid van Hendrik, die niet was verdwenen, alhoewel zijne +gezondheid was verbeterd, stelde hem, tegenover de makkers zijner +kindsheid, in eenen staat van minderheid en onderwerping, die zwaar op +zijne inborst woog en hem eene uitzonderlijke vreesachtigheid +inboezemde. Overtuigd van deze lichamelijke minderheid, poogde hij niet +haar te loochenen of er tegen op te staan. Wanneer hij weenende te huis +kwam, met een blauw oog of eenen bloedenden neus, dan gaf zijn vader, de +fiere zeeman, hem den raad zich te verdedigen, in stede van om zoo +weinig als een meisje te krijten; maar Hendriks vredelievende inborst +werd er niet door gewijzigd en nooit ontstond in hem de bekoring om +opnieuw de tegenstrevers te gaan uitdagen, wier overmacht hij lijdzaam +erkende. In alle ander geval nochtans toonde hij moed en zelfs +vermetelheid; hij zwom in de Schelde als eene waterrat, waagde zich op +het ijs, wanneer niemand den voet er op zetten durfde, en klom als een +eekhoorn op alles, wat maar eenigen kans aanbood om den hals te breken. +Maar de _mensch_, de sterke mensch, was een wezen, voor welks oogslag +hij zich altijd vreesachtig bukte en welks gramschap hij nooit durfde +verwekken of trotsen. + +"Ofschoon ik later," zegt hij zelf, "als man, mij van de menschenvrees +bijna geheel heb ontdaan, gevoel ik nu nog dikwijls, dat deze springveer +hare kracht op mijn doen en laten uitoefent. Het _ik_, voor zooveel men +alleenlijk de eigene inborst bedoele, is niets anders dan het geheel der +indrukken, die men in zijn eerste kindsheid heeft ontvangen; en hoezeer +eene latere opvoeding en latere voorvallen den mensch wijzigen, het kind +blijft immer van binnen in hem voortleven." + +Wij hebben op dit zonderling feit aangedrongen, omdat het tot verklaring +dient van vele gebeurtenissen, die in Consciences levensbeschrijving +zijn verhaald, en die anders moeilijk zouden uit te leggen zijn. + +Hendrik was tien jaar oud geworden, toen zijn vader eensklaps het +voornemen opvatte om de stad te verlaten en buiten in de volledigste +eenzamheid te te gaan leven. Petrus Conscience verkoos ten dien einde +eene plaats te midden der velden, _de Groene Hoek_ genaamd, ongeveer een +kwartuurs van de Borgerhoutsche Poort gelegen. Die streek, waar men nu, +ten gevolge van het openen der ijzeren banen, vele huizen heeft +gebouwd, was alsdan zeer eenzaam. De vader bouwde daar een soort van +kluis, te midden van eenen grooten tuin, en bracht er zijne woning over. +Daar leefden zijne zonen in eene schier volstrekte afgezonderdheid. Hun +vader was dikwijls afwezig en soms vele dagen op reis voor zaken van +zijnen handel, dien hij nog niet had verlaten. Hendrick Conscience en +zijn broeder verdeelden onder elkander den arbeid van de huishouding en +van den hofbouw. Slechts elken Zaterdag kwam eene oude vrouw hunne taak +verlichten en het grove werk der week afdoen. Wat de eigenlijke +opvoeding der beide jongens betreft, daarvan was geen spraak meer. "God +en de Natuur," zegt Conscience zelf, "werden voortaan onze eenige +meesters." + +Op deze wijze verliepen er drie jaren, drie jaren van eenzaamheid en +droomerij, gedurende dewelke Hendrik, van alle speelgenooten verwijderd, +niets meer had om zijnen geest bezig te houden dan het gezicht der +werken Gods. Laten wij hem zelven den invloed beschrijven, door dit +prachtig schouwspel op zijn gemoed uitgeoefend. + +"Het is daar, in de kluis _ten Groenen Hoek_," zegt hij, "dat in mij een +innig gevoel der natuurschoonheid ontstond. Toen ik, bij het aanbreken +der Lente, voor de eerste maal er ontwaakte, was alles, wat mij +omringde, geheel nieuw voor mij. Ik voelde de zoele lucht mij in de +longen dringen; ik zag de dauwdruppelen in het hart der bloemen +glinsteren, het zonnelicht tusschen de kruiden spelen, de zingende +vogelen in het geboomte dartelen, duizende diertjes onder mijne oogen +wemelen.... Ik hoorde den nachtegaal zijne liefelijke tonen gorgelen, +het morgenlied van mindere zangers door de ruimte galmen, het gesnor der +werkzame honigbij aan mijne ooren dommelen... Alles, alles rond mij zong +en juichte van levensblijheid, onder eenen blauwen hemel, zoo breed als +mijne gansche wereld en zoo onpeilbaar diep als de oneindigheid zelve! + +"Dit aangrijpend schouwspel, de stilte die mij omringde, de eenzaamheid +waarin ik leefde, deden eenen machtigen indruk op mijnen geest; en nu +werd ik in de volle beteekenis des woords een droomer. Ik sleet mijn +leven in eene altijddurende mijmerij, en er ontstond tusschen mij en de +schepsels, die rond mij groeiden en leefden, een soort van onuitlegbare +samenneiging als waren planten en dieren voor mij gezellen en vrienden +geweest, die bewustheid hadden van mijne tegenwoordigheid en van mijne +liefde..... + +"Bij zulke beschouwingen zag ik meer in de natuur dan zij werkelijk +bevat, en zij kreeg voor mij, boven hare ware schoonheid nog al de +pracht, haar door eene geestdriftige verbeelding bijgezet. Een gevoel +van eerbiedige bewondering voor het werk des Scheppers groeide in mij, +en niet zelden hief ik den ontstelden blik in de hoogte, om dankbaar op +tezien tot Hem, die alles heeft gemaakt." + +Men herkent aan deze woorden des schrijvers de bron, waaraan hij heeft +geput tot het opstellen van het schoone werk _Eenige bladzijden uit het +boek der natuur_. Het is inderdaad gedurende zijn verblijf in de kluis +_ten Groenen Hoek_, dat Conscience den grijsaard heeft ontmoet, wiens +zoet en indrukwekkend beeld zijn gansche werk beheerscht en, met de +poezie der verbeelding, het tevens de bekoorlijkheid der waarheid +bijzet. + +Hendrik leefde te midden dezer indrukken tot op zijn veertiende jaar. + +Op dit tijdstip werd de toestand van het huisgezin door eene gewichtige +gebeurtenis veranderd. Vader Conscience werd zijne lange eenzaamheid +moede, ging een tweede huwelijk aan, ofschoon hij reeds zijn zeven en +veertigste jaar had bereikt, verkocht de kluis _ten Groenen Hoek_, en +ging zich metterwoon te Borgerhout, eene gemeente bij Antwerpen, +vestigen. Zijne nieuwe echtgenoote was eene jonge vrouw van vijf en +twintig jaar, goed en eenvoudig van harte, en die, volgens wat +Conscience zegt, voorzag, dat God haar kinderen zou verleenen. Haar +vooruitzicht verwezenlijkte zich inderdaad: haar werden beurtelings +negen kinderen geschonken. Bij den spoedigen aangroei des huisgezins +begon zij, als eene zorgvuldige moeder, de strengste spaarzaamheid in te +voeren, en eischte, dat de beide jongens, die nu groot genoeg waren om +een beroep of ambacht te leeren, wierden opgeleid, om zoohaast mogelijk +hunnen eigen kost te kunnen verdienen, zooals men zegt. In eenen +geheimen raad, waarin naar gewoonte de belanghebbenden niet werden +geroepen, besliste men dat de oudste, die geleerd was, onderwijzer zou +worden, en de tweede, die struisch en sterk was, schrijnwerker. + +Er was alsdan in het voorgeborchte Borgerhout eene school, welke onder +de leiding van M. Verkammen, een man, dien Conscience met dankbaarheid +noemt, voor geene van de beste scholen der stad moest achteruitstaan. De +jonge Hendrik werd er heengezonden, eerst als leerling; maar welhaast +werd hij er hulponderwijzer voor de mindere klassen. M. Verkammen nam +belang in zijnen veelbelovenden leerling en gaf hem les in het Engelsch, +met zulk goed gevolg, dat Hendrik zich op weinig tijd in staat vond om +zich met nut van deze taal te bedienen. Later ging hij over naar het +gesticht van den heer Shaw, in de stad, om er zijne kennis der Fransche +taal te volledigen. Eindelijk zijne studien geeindigd hebbende, werd +hij, op aanbeveling van den heer Shaw, als ondermeester aanvaard in het +gesticht van den heer Delin, waar de kinderen der edellieden en der +voornaamste burgers hunne opvoeding beginnen. Daar werd hij belast met +het onderwijs der mindere klassen. Hij had alsdan den ouderdom van +zestien jaar bereikt. Wij zullen de voorvallen niet beschrijven, die het +verblijf van Conscience in dit gesticht kenmerken. De voornaamste +aantrekkelijkheid van dit verhaal zou slechts kunnen bestaan in de +bevallige eenvoudigheid der beschrijving en in de fijnheid der +opmerkingen, welke men in den oorspronkelijken tekst aantreft. Wij +spoeden ons liever om tot een beslissend tijdstip in het leven van +Hendrik Conscience te geraken. + +De omwenteling van 1830 was in Frankrijk losgeborsten. De weergalm er +van deed zich in gansch Europa gevoelen.... Hier laten wij nu het woord +aan den schrijver; hij zelf gaat ons de gebeurtenissen verhalen, die +zijn lot veranderden en zijne loopbaan eene nieuwe richting kwamen +geven. + + + + +DE OMWENTELING VAN 1830 + + + + +I + + +Ten dien tijde waren Belgie en Holland onder eenen zelfden vorst +vereenigd en maakten het koninkrijk der Nederlanden uit. Zoo was de +toestand sedert 1815. + +Langzamerhand was er echter zekere ijverzucht tusschen de beide +broederstammen ontstaan. In de Wetgevende Kamers toonden de Belgische +leden eenen hardnekkigen geest van tegenstand aan het Staatsbestuur. Men +klaagde met bitsigheid, dat de vruchten en voordeelen van het +gezamenlijk leven der beide stammen bijna uitsluitelijk aan inboorlingen +van Holland werden toegeeigend, en dat men de Belgische provincien +schier als een wingewest behandelde. Twisten over vrijheden en over +Godsdienst kwamen de tweedracht nog aanvuren. + +Wat mij betreft, ik wist niets van hetgeen er op het veld der staatkunde +geschiedde; dagbladen kwamen mij nooit onder het oog; en in alle geval, +de twisten en aanvechtingen in de Kamers hadden jaren lang, geen ander +merkbaar doel, dan den invloed van Noord-Nederland op de +Zuiderprovincien aan te toonen. + +Maar toen in Juli 1830 de tijding in Belgie kwam, dat de troon der +Bourbons door eenen zegepralenden volksopstand was verbrijzeld geworden, +dan werd het woord _Vrijheid_ eensklaps met geestdrift uitgesproken en +zelfs tot in de scholen herhaald. + +Vrijheid! Hoe moest dit woord niet tot mijn jong gemoed spreken; met +welke onbewuste hoop moest ik het niet begroeten, ik, die sedert vier +jaren mijn leven aanschouwde als eene ondragelijke slavernij! Vrijheid +was voor mij het middel om de gehoorzaamheid aan mijne stiefmoeder te +ontloopen, vrijheid was mijne manwording, de verlossing van het +smachtend schoolleven, mijne opbeuring uit de zielesmart en uit de +vernedering, die mij het leven zoo bitter en zoo somber hadden +gemaakt..... + +Meer zeide het woord niet tot mijn gemoed; maar toch, het dreef mij het +bloed naar de hersens, het deed mijnen boezem zwellen; het verbreedde +mijnen gezichtskring op eenmaal, en het toonde mij wel eene onbestemde, +doch tevens eene betere en minder duistere toekomst. + +In den nacht van den 25^{sten} Augustus 1830 borst de omwenteling te +Brussel los. De krijgsmacht werd uit de stad gedreven, en het oud +driekleurig Brabantsch vaandel ten teeken van 's volks zegepraal op den +toren van het stadhuis uitgestoken. + +Den 23^{sten} September naderde prins Frederik der Nederlanden met een +leger van 10,000 man en overmeesterde de Warande bij het koninklijk +paleis. + +Intusschentijd waren uit al de provincien, maar voornamelijk uit het +Waalsche gedeelte des lands, talrijke opstandelingen komen toeloopen; +ja, zelfs hadden gansche scharen Fransche vrijwilligers zich naar +Brussel begeven. Men was diensvolgens aldaar eenigszins bestand om het +leger van prins Frederik het hoofd te bieden. + +Na een hevig gevecht, dat drie dagen zonder verpoozing duurde, werden de +Hollandsche troepen tot den aftocht gedwongen, en begaven zich naar +Antwerpen, waar het sterk kasteel, onder bevel van den ouden krijgsheld +baron Chasse, hun een vast steunpunt aanbood. Zij werden op de hielen +gevolgd door de vrijwilligers van Brussel, en moesten na verschillige +gevechten bij Duffel, Lier en Waelhem hunnen aftocht nog bespoedigen. + +Antwerpen had nog geen deel aan den opstand genomen, ofschoon de +gemoederen er hevig aan het gisten waren geraakt. Het gesticht, waar ik +het ambt van ondermeester vervulde, was, evenals alle andere scholen +gesloten; ik bevond mij te Borgerhout in de woning mijns vaders, elken +dag van 's morgens tot 's avonds rondloopend om de geruchten der straat +op te vatten, en hijgend naar de beloofde vrijheid, zonder echter te +beseffen, hoe zij iets tot verandering van mijnen bijzonderen toestand +kon bijdragen. + +Op eenen morgen was ik met mijnen broeder in het veld, toen wij +eensklaps uit de verte het doffe gedonder van kanonnen hoorden. Een gil +van blijdschap ontsnapte ons, terwijl wij in geestdrift uitriepen: + +"De Belgen! Daar zijn de Belgen!" + +En zonder te weten wat wij deden, liepen wij uit al onze macht in de +richting der gemeente Berchem, van waar het gedommel des geschuts scheen +te komen. Nauwelijks waren wij de brug der Herenthalsche vaart +overgeraakt, of wij zagen niet verre van ons, achter het geboomte, de +rookwolken van eenen grooten brand in de hoogte stijgen. Een oude man, +eene vrouw, en een jong meisje liepen ons kermend voorbij; zij hielden +elk eene koe bij een zeel en dreven de dieren, onder droevig misbaar, +met geweld vooruit. Zoozeer moest hen de schrik getroffen hebben, dat +zij op eene ondiepe plaats der vaart in het water sprongen en hun vee op +den anderen boord brachten, waarna zij even gejaagd in de richting van +Borgerhout wegvloden. + +Dit vertoog had eene wijl onze aandacht gevestigd gehouden; doch +zoohaast het verdwenen was, begaven wij ons weder op weg en naderden +eindelijk den brand. + +Het was op Zurenborg, tusschen Borgerhout en Berchem; er stond eene +groote hoeve in volle vlam. De obitsen of veldbommen der Belgen hadden +den brand veroorzaakt. Reeds was de stal ten gronde vernield; een +twaalftal half verkoolde lijken van koeien lagen er tusschen de +smeulende puinen van het strooien dak. + +Wij vonden eenige Hollandsche soldaten bezig met uit de rompen van het +verbrande vee stukken vleesch te snijden om er van te eten. Mijn broeder +en ik, wij proefden er insgelijks van: het was bitter als gal en smaakte +onzeglijk naar den versmachten rook van stroo. + +Daar ik nog het voorkomen had van een kind, en mijn broeder jonger was +dan ik, lieten de Hollanders ons zonder mistrouwen bij den brand staan. +Een raadde ons vriendelijk aan, de plaats te verlaten, dewijl er gevaar +voor ons leven was; doch wij hingen den held uit en bleven juist, omdat +men ons raadde te vertrekken. + +Ondertusschen vloog er nog van tijd tot tijd eene obits over de +brandende hoeve. Wij hoorden geweerschoten bij duizenden, en wel +klaarblijkend waren de beide legers in strijd tegen elkander; maar het +werkelijk gevecht scheen meer naar den kant van Berchem te geschieden. + +Het was de heuglijke stond, dat de heldhaftige jonge graaf Frederik van +Merode in de rangen der Belgen doodelijk gewond nederviel... + +Eene obits plofte niet verre van ons neder en drong een paar voeten diep +in den grond van een veld; de Hollandsche soldaten navolgende, legden +wij ons ten gronde, totdat de veldbom zou gesprongen zijn. + +Na eene lange wijl wachtens richtten de soldaten zich weder op, en ik +hoorde zeggen, dat de wiek of lont der obits was uitgedoofd. Wij +naderden tot de plaats waar ze was gevallen; ik delfde ze met de handen +uit den grond. + +Mijn hoogmoed over het bezit der obits was uitermate groot; met dezen +oorlogsbuit op den arm kwam ik bij de Hollandsche soldaten staan, en ik +hief het hoofd met zelfvoldoening in de hoogte, als moest men mij om +mijne stoutheid bewonderen. Weinig acht schenen de Hollanders op mij en +mijne obits te geven; zij stonden nu met geveld geweer achter de muren +der brandende hoeve, en loerden aandachtig in de verte op iets, dat hen +scheen te verschrikken. + +Eensklaps hoorden wij de trom met snel geroffel achter een verwijderd +kreupelhout slaan, en onmiddellijk ontplooide zich in de verte eene +schaar mannen met blauwe kielen. Het waren de Belgen, die dezen voorpost +der Hollanders door een hevig geweervuur aanvielen. + +De Hollandsche soldaten, te weinig in getal om tegenstand te bieden, +verlieten de hoeve in allerijl; het gezicht hunner vlucht trof ons met +schrik; mijn broeder en ik, die nog altijd de obits in den arm droeg, +wij liepen uit al onze kracht van de hoeve weg, en brachten in +Borgerhout het nieuws van der Belgen zegepraal. + +Inderdaad, de Belgen waren in het gevecht te Berchem overwinnaars +gebleven; de Hollandsche krijgsmacht had zich binnen de wallen der stad +teruggetrokken. + +Op den middag reeds was een gedeelte der Belgische vrijwilligers +in het gansche voorgeborcht en in de gemeente Borgerhout door +logement-biljetten geherbergd. Ten onzen huize kregen wij twee zeer +jonge Brusselaars, die niets deden dan juichen over de waarschijnlijke +verlossing des lands, en met zulke geestdrift de woorden vaderland, +vrijheid en onafhankelijkheid uitspraken, dat mij, bij het hooren hunner +manhaftige taal, de tranen uit de oogen wilden springen van bewondering. + +Een hunner kon geen twee jaar ouder zijn dan ik; hij insgelijks was te +Brussel ondermeester geweest, en de stemming zijns geestes kwam met de +mijne nauw genoeg overeen. Nog denzelfden dag werd hij mijn vriend. Ik +volgde hem waar hij ging; ja, zelfs wanneer hij niet verre van de +stadswallen, achter eene barricade onder een hagel van _biscayens_ op de +Hollandsche soldaten vuurde, bleef ik aan zijne zijde, totdat hij met +mij huiswaarts keerde. + +Wanneer men de zoogenaamde _Belgen_ in menigte bijeenzag, leverden hunne +rangen een zonderling vertoog op, waarvan men zich nu geen juist +denkbeeld meer vormen kan. De eigenlijk aangenomen kleederdracht scheen +te bestaan in eenen blauwen kiel, aan hals en armen met dunne roode +koordjes afgezet, en in eene haren klak of muts, waaruit van boven een +gedeelte neerhing als een lakensch puntzakje. Officiers en sergeanten +waren herkennelijk aan een driekleurig lint, dat met eenen strik om den +arm was geknoopt. Evenwel degenen, die dus gekleed waren, vormden de +meerderheid niet; de overigen droegen allerlei kleederen en gewaad: +tusschen frakken, vesten en grauwe kielen, zag men ook hier en daar +eenen Hollandschen soldatenrok of den dolman eens huzaars zich +uitlossen; burgerhoeden, klakken, schako's of kolbaks, ja, zelfs +Waalsche slaapmutsen met roode strepen, kon men boven de scharen der +vrijwilligers zien dooreenwemelen. + +Eveneens was het met de wapening dezer mannen. Aanschouwde men eenen +dergenen, die uit eigen middelen zich naar lust had kunnen uitrusten, +dan droeg hij onfeilbaar den voormelden blauwen kiel van fijn linnen en +de haren muts; daarbij had hij lakensche schachten om de beenen, tot aan +de knieen met witte knoopjes gesloten. Zijne wapens bestonden in eenen +uiterst schoonen jachttweeloop met ingesneden versiersels; eene kromme +officierssabel met stalen scheede sleepte hem achterna, en in zijnen +gordel staken twee groote pistolen, elk met dubbelen loop. + +Maar op vijfhonderd was er zoo slechts een; de overigen droegen meest +geweren, die men in de Hollandsche kazernen en magazijnen had gevonden, +of welke men krijgsgevangenen en _deserteurs_ had ontnomen; dan, er +waren er insgelijks oneindig velen, die een verroest jachtgeweer, +dikwijls zonder haan of pistool, of eene piek, of eene bajonet op eenen +bezemstok voor eenig wapen hadden. + +Niet minder gemengd waren de menschen zelven; men kon in eenen hoop +vrijwilligers, hij mocht dan weinig talrijk zijn, de tongvallen van al +onze provincien hooren, en zelfs Franschen en Duitschers aan hunne +spraak herkennen. + +Al deze mannen waren uiterst vuil en beslijkt; zij schenen op den +slechten toestand hunner kleeding hoogmoed te dragen, en zouden zich wel +gewacht hebben het zwartsel van het buskruid van hun aangezicht te doen +verdwijnen. Ik heb zelfs gezien, dat sommigen zich natgemaakt poeder +rond de lippen wreven, om er nog schrikkelijker uit te zien. + +Waar de vrijwilligers te zamen waren, werd onophoudend met geestdrift +gezongen, en men kon uit de verte de galmen hunner strijdhaftige +blijdschap boven de huizen hooren vlotten. Soms zongen zij het +Brabantsch omwentelingslied _la Brabanconne_; doch meesttijds was het de +krijgszang van den Parijschen opstand, met het referein: + +En avant! marchons +Contre leurs canons; +A travers le fer, le feu des bataillons, +Courons a la victoire! + +De _Marseillaise_ hoorde men zelden. + +Het ware den Belgischen vrijwilligers nimmer mogelijk geworden, door +eigen macht binnen de sterke vesting te geraken; doch terwijl zij van +verre geweerschoten tegen de wallen losten en door de _biscayens_ en +_kartetsen_ der Hollanders nutteloos eenige mannen verloren, was het +volk binnen Antwerpen zelf in opstand geraakt. + +Des morgens was ik met mijnen vriend, den Brusselaar, op +St.-Willebrords, niet verre van de barricade, die dicht bij de stad, +omtrent de danszaal _De Gouden Appel_, opgeworpen was. Wij hielden ons +schuil achter de huizen der straat. Den ganschen nacht had men in de +stad een hevig geweervuur gehoord, en klonk het er nog met meer +aanhoudendheid. + +Ik had een pistool, dat weleer eenen Franschen dragonder had toebehoord, +en dat ik te huis had weggenomen. Nu stond ik te midden der Belgen; ik +sprak en juichte van vrijheid en van vaderland, als hadde ik aan al de +gevechten van Brussel, van Waelhem en van Berchem deelgenomen. Niemand +vond het kwalijk of ongerijmd, dewijl men elkander tusschen zulken +bijeengeraapten hoop menschen onmogelijk kon kennen. + +Ten huize van mijnen vriend Jan De Laat moest een voornaam overste +geherbergd zijn; want ik zag, hoe alle oogenblikken lieden met brieven +daar uit- en ingingen, en eindelijk, toen de tijding zich verspreidde, +dat de Antwerpenaars, twee der stadspoorten hadden vermeesterd, werd +insgelijks, zoo het mij toescheen, uit de woning van De Laat het teeken +gegeven tot het roffelen van het _appel_. + +Al de Belgen, welke in ons voorgeborcht zich bevonden, liepen te zamen. +Met ontrolde Vaandels trok hunne verwarde schaar stadwaarts op. Mijn +vriend, de Brusselaar, was een waaghals; alhoewel wij nog niet goed +wisten, hoe wij zouden worden ontvangen, deed hij geweld om vooraan te +blijven; ik verliet hem geen oogenblik en liep als een ander held, met +mijn groot pistool in de vermoeide vuist, juichend nevens zijne zijde. + +Toen wij op de stadsbruggen waren, zagen wij nog Hollandsche soldaten +boven over de Borgerhoutsche poort, langs de binnenwallen naar het +kasteel optrekken. Wij kwamen echter, zonder ernstigen tegenstand te +ontmoeten, binnen de stad, en werden er jubelend ontvangen door de +gewapende Antwerpenaars, die de Hollanders tot den aftocht hadden +gedwongen. + +Nevens de poort, op den hoek der straat die men _Meulenberg_ noemt, +stond een hoop arme vrouwen te juichen en _leven de Belgen!_ te +schreeuwen; zij schenen dol of dronken. Onder dezen kreeg een leelijk, +oud wijf mij in het oog. Mijne uiterste jonkheid boezemde haar +waarschijnlijk bewondering of medelijden voor mij in; want zij sprong +met de twee armen vooruit op mij toe en riep: + +"Ach, mijn klein Belgsken-lief! Kom hier, kind, u moet ik toch eens +kussen, al stond er de koning bij!" + +Zij sprong mij zoo vurig en zoo woest aan den hals, dat ik, onder het +onverwacht geweld zwichtend, met wijf en al op den rug ten gronde viel +en mij ter dege aan het achterhoofd bezeerde. + +Mijn vriend, de Brusselaar, verjaagde het dolle mensch en hielp mij te +been. + +Op dit oogenblik bracht men het lijk eener Hollandsche marketentster +van boven den wal; bloed stroomde nog over hare kleederen, en het +jenevertonneken sleepte aan zijne riemkens haar achterna. + +Deze vrouw was, bij het wegvluchten der laatste Hollandsche soldaten, +een eind achteruitgebleven; zij liep boven de poort voorbij, juist toen +de vrijwilligers begonnen er onder door te komen. De eersten, die haar +zagen, wilden niet op eene vrouw schieten; doch de marketentster keerde +zich om, toonde hun den rug, en met de hand er op slaande, deed zij een +alsdan bekend teeken van verachting en spot. Een geweer mikte op haar, +en de stoute vrouw viel ten gronde; een kogel was haar door het hart +gegaan. + +Het gezicht van het lijk weerhield ons een oogenblik; dan volgde ik +mijnen vriend den Brusselaar naar de Groote Markt, waar al de geweren +ten teeken van vreugde werden afgeschoten, onder aanheffen van een +onbeschrijfelijk geschreeuw en gejubel. + +Mijn vriend beweerde, dat ik ook schieten moest, en om mij dit mogelijk +te maken, laadde hij mijn groot pistool, dat misschien sedert Napoleons +tijd nog geen vuur had gezien. + +Hij gaf het mij in de hand en leerde mij, hoe ik den arm gebogen moest +houden, om het stooten van het wapen te voorkomen. Ik deed wat hij zeide +en loste stoutelijk den slag. Hoe het kwam, weet ik niet; maar het +pistool gaf een machtigen knal en rukte mij, als het ware, het gansch +gebeente uiteen. Mijn elleboog en schouder deden mij zoo zeer, dat mijn +vriend meende te barsten van lachen bij de pijnlijke en droeve +gezichten, die ik trok. + +De smart verminderde echter spoedig. Wij bleven op de markt; de burgers +brachten voedsel en drank aan, en ik at uit eenen pot met mijnen vriend. + +Omtrent twee uren na den middag gingen wij over de Graanmarkt, waar men +bezig was met het _arsenaal_ uit te plunderen. Ik zag er allerlei lieden +komen uitgestroomd, elk met een nieuw geweer op den schouder; en dewijl +het bezit van een nieuw geweer mijn innigste verlangen was, verzocht ik +den Brusselaar met mij er binnen te gaan, om te beproeven, of ik +insgelijks een wapen zou kunnen bekomen. + +Na lang dringen en stooten geraakte ik in een magazijn, waar vele lange +houten kisten opeengestapeld lagen; uit eene van deze nam ik een geweer. +Mijnen vriend zag ik niet meer omtrent mij; hoezeer ik ook in het +arsenaal rondzocht, ik kon hem niet meer vinden. + +Bij den ingang van het gesticht staande, schouwde ik met angst op de uit +en instroomende menigte; en toen ik na een uur wachtens mijnen vriend +nog niet had gezien, zou ik wel van verdriet geweend hebben. De +Brusselaar was mijn moed, mijne macht, mijne hoedanigheid van man; nu ik +hem had verloren, was ik weder een kind geworden, dat nog niet tot de +hoogte zelfs van eenen omwentelingssoldaat was opgegroeid. + +Eene bijzonderheid, die ik na eerst aan mijn geweer en aan al de geweren +uit het arsenaal bemerkte, was, dat de Hollanders, voor hunnen aftocht +naar het kasteel, al de hanen er van hadden medegenomen; en zoo liepen +er dus eene menigte mannen in de stad rond met vuurwapens, die tot +schieten onbekwaam waren. + +Terwijl ik nog altijd voor het arsenaal stond en innerlijk God bad, dat +Hij mij toch zou toelaten den Brusselaar weder te vinden, hoorde ik van +verre doffe kanonknallen en welhaast daarop klonk over de stad de +akelige noodkreet: "het bombardement! het bombardement!" + +En inderdaad, toen de Belgen, ondanks zeker wapenbestand, dat er +gesloten was geworden, dicht onder het kasteel verschenen en daar, bij +het einde der Kloosterstraat, een arsenaal wilden overrompelen, dat nog +eene Hollandsche bezetting in had, dan gaf baron Chasse bevel om de stad +met bommen en gloeiende kogels te beschieten. De talrijke +oorlogsschepen, die in de Schelde voor de Werf op stroom lagen, voegden +hun vuur bij dat des kasteels en der forten, en zoo werd Antwerpen in +alle richtingen met verbrijzelende kogels of brandstichtende bommen +overdekt. + +Zonder op het gevaar te letten, dwaalde ik tot den laten avond van de +eene straat naar de andere, over alle plaatsen en markten, met mijn +geweer zonder haan op den schouder, om, indien het mogelijk ware, mijnen +vriend den Brusselaar te ontdekken. Ik vond hem niet en heb hem zelfs, +sedert het oogenblik onzer scheiding in het arsenaal, nooit meer gezien, +hetgeen mij doet vermoeden, dat hij dien dag aan de Werf of in de +Kloosterstraat moet gesneuveld zijn. + +Te elf uren des avonds bevond ik mij op de Groote Markt, omtrent de +Hoofdwacht. Het bombardement was alsdan op het hevigst: de stad scheen +te daveren onder de ontzaglijke losdondering van het geschut der +oorlogsschepen. Van uit den grond des kasteels gingen menigvuldige +bommen in de hoogte en beschreven haren tragen loop door het ruim, om op +de eene of andere markt te barsten en alles rondom zich te dooden of te +verbrijzelen. Men hoorde de eenzame stilte der straten soms eensklaps, +bij het springen eener bom, door een vervaarlijk gerinkel vervangen: al +de ruiten der huizen vielen door den fellen schok in gruis ten gronde. + +'s Rijks Entrepot of Handelsstapel, waar voor millioenen en millioenen +goederen van alle natien geborgen waren, stond in vollen brand; de oude +Sint-Michielskerk werd insgelijks door het vuur verslonden; tot boven +haren toren golfden de reusachtige vlammen als eene gloeiende zee, +welker roode baren door den wind werden voortgezweept. Wolken gensters +en gansche brokken vuur dreven als een stroom uit den vulkaan, waarin de +koopwaren, uit al de streken der wereld samengevoerd, met ijselijk +gebruis lagen te koken en te branden. De hemel was als met bloed +geverfd; men kon in de verlatene straten alles in een vaal en akelig +licht onderscheiden. Een gewisse ondergang scheen der gansche stad +beschoren!... + +Op dit oogenblik kwam een overste bij de Hoofdwacht roepen: "Mannen van +goeden wil! _Des hommes de bonne volonte_." + +Zoo riep men telkens, wanneer men mannen noodig had, om ergens hulp te +brengen. Er was nog geene inrichting, en ieder deed wat hij wilde. + +De overste zeide, dat er achter het stadhuis, nog drie _caissons_, dat +is wagens met buskruid, stonden, en men deze noodzakelijk ter stad uit +moest voeren, wilde men ze niet in de lucht zien springen. + +Ik bood mij aan met eenige anderen; wij stapten nevens de caissons en +de paarden voort, als eene wacht tot beschutting aangesteld. + +Zonder hinder kwamen wij tot omtrent de Borgerhoutsche poort; maar dan +werd het ons onmogelijk door de saamgepakte menigte te geraken, die +huilend en kermend bad en smeekte om de stad te mogen verlaten. + +Als gewapend krijgsman drong ik door het volk en naderde de poort om te +zien, wat er geschiedde. + +Daar trof mij een schouwspel, dat ik nimmer vergeten zal. Ik zag er +moeders met zieke wichtjes in den arm, oude afgeleefde vrouwen en +grijsaards, kinderen in menigte, allen geknield, met de handen biddend +opgestoken en met tranen in de oogen de wacht smeeken, dat men toch de +poort voor hen zou openen. Zij boden geld en goud in overvloed, en +sloegen met schrik en afgrijzen den blik terug in de stad, van waar het +bloedroode licht van den vuurgloed hun in de oogen glinsterde. + +Eenigen werden in mijn bijzijn de stad uitgelaten; doch toen, op verzoek +van onzen overste, de poort eindelijk wagenwijd werd geopend om onze +caissons door te laten, sprong een blijde schreeuw uit de menigte +op,--en allen, mannen, vrouwen, kinderen, zieken en kreupelen, stroomden +juichend en God om zijne genade dankend de poort uit. + +Hoe er geenen onder onze wagens verpletterd werden, is mij +onbegrijpelijk; want, om niet door de wachten teruggedreven te worden, +kropen er velen op handen en voeten tusschen de wielen en tusschen de +paarden onzer caissons. + +Ten einde een denkbeeld te geven van den onmatigen schrik, die de +Antwerpenaars bevangen had, zal ik hier terloops een feit verhalen, +waarvan de getuigen nog leven. + +In de Lange Nieuwstraat, ten huize van een kuiper, hielden de lieden +zich gedurende het bombardement in hunnen kelder verborgen, toen een bal +of eene bom niet verre van daar, in de Cellebroedersstraat, eene schouw +afwierp. Het gerucht, dat uit den val der steenen op de daken ontstond, +verschrikte de verborgene lieden zoozeer, dat zij den kelder in allerijl +verlieten, hem toesloten, de stadspoort uitvloden, en uren en uren verre +bleven gaan, vooraleer zij zich in veiligheid dorsten wanen. De arme man +werd eerst na achtenveertig uren uit den kelder geholpen door +voorbijgangers, die zijn gekerm hadden gehoord. + +Uit de stad geraakt zijnde, brachten wij onze caissons door het +voorgeborcht op eene vlakte, het Borgerhoutsveld genaamd, en stelden ze +daar tusschen eene kleine herberg en den hoogen, steenen molen. + +Men riep ons in de herherg om elk zijn nummer te geven en de wachtbeurt +te regelen. Ik verstoutte mij, op de vraag des oversten eene +vreesachtige aanmerking te maken over de wegen, welke op dit veld +uitkwamen. Een der vrijwilligers, ik geloof, dat hij een Antwerpenaar +was, aanschouwde mij met misprijzen en riep, terwijl hij met de kolf van +zijn geweer ten gronde stampte: + +"Wat meent die _blanc-bec!_ Ik wil met geene kinderen ter wacht zijn!" + +En mij onder het lachen der anderen mijn geweer ontnemende, zeide hij: + +"Ga naar huis, manneken, bij uwe moeder, en vraag...eene borst!" + +Zonder iets op deze vernederende scherts te antwoorden, verliet ik het +wachthuis met verbroken hart. Hadde ik de stoutheid gehad om tegen den +spotter in te gaan en mijn recht ter verdediging van het vaderland te +doen gelden, men hadde mij waarschijnlijk geeerbiedigd en gelijk +gegeven; doch het lag in mijne inborst, voor den _mensch_ immer te +zwichten, wanneer hij zich als persoon dreigend tegenover mij stelde. +Het moge onuitlegbaar schijnen, het is echter zoo; tegen vuur, kanonnen +en alle stoffelijke gevaren kon ik staan zonder merkelijken schrik; maar +den _mensch_ alleen vreesde ik als een wezen, voor hetwelk ik altijd +moest wijken. Dit gevoel lag in mij sedert mijne eerste kindsheid, omdat +mijne lichamelijke macht te verre beneden de strekking en de begeerten +van mijn hart en van mijnen geest gebleven was. Mijne zonderlinge +opvoeding had ook niet weinig bijgedragen om mijne _menschenvrees_ te +doen aangroeien. + +Met den boezem opgekropt van verdriet en schaamte, treurende om het +verlies van mijnen vriend den Brusselaar, sukkelde ik langzaam naar +mijns vaders woning, die ik gansch met gevluchte lieden vond opgevuld. +In al de kamers lag het beddegoed tusschen busselen stroo uitgespreid. +Wel dertig stedelingen zouden ten onzent eene schuilplaats en herberge +vinden. + +Zoo was het in alle huizen, stallen en schuren rondom Antwerpen; de +dorpen, tot op vijf uren afstands, krielden van Antwerpsche +huisgezinnen. + +Ik kreeg van mijnen vader eene harde berisping, omdat ik zoo lang +uitgebleven was; doch wanneer ik in tegenwoordigheid der vreemde gasten +vertelde, wat ik had gedaan en gezien, dan verkalmde mijns vaders +gramschap, en hij vond het braaf, dat ik zooveel onverschrokkenheid had +getoond. + +Het bombardement was denzelfden nacht nog opgeschorst geworden, ten +gevolge van eenen wapenstilstand, waarvan baron Chasse zelf de +voorwaarden had bepaald. Deze liepen echter meest daarop uit, dat het +kasteel, de schepen en de forten, benevens het Vlaamsche Hoofd over de +Schelde in het rustig en onverstoord bezit der Hollanders zouden worden +gelaten, zoolang het wapenbestand door geene der beide partijen zou +worden opgezegd. + +Des anderen daags was ik uiterst treurig. Mij vloeiden allerlei +zonderlinge gepeinzen door het hoofd; ik mijmerde van schitterende +wapenfeiten en van oorlogsroem: soms zag ik mij zelven in +tegenwoordigheid des vijands op het oogenblik van den aanval; ik hief +het zwaard in de hoogte, en mij vooruitwerpende, riep ik al mijne +makkers tot heldenmoed op. Dank aan mijne welsprekendheid, werd de +vijand geslagen, en iedereen in het Belgisch leger bewonderde den +zwakken jongen, die zooveel manhaftigheid had getoond. + +Na zulken droom kwam de onttoovering. De held herinnerde zich, dat hij +gisteren nog zijn geweer zonder tegenspraak zich had laten ontnemen, en +dat men hem spottend had gezegd: "Ga naar uwe moeder, manneken!" + +Dan overwoog ik zeer ernstig, dat de waarde van den mensch niet zelden +afhangt van het tijdstip zijner geboorte; want indien ik tien jaren +vroeger ter wereld ware gekomen, niemand zou mij nu de hoedanigheid van +_man_ betwist hebben, en ik hadde kunnen beproeven, of er waarlijk eene +heldenziel in mijnen boezem leefde. Het einde dezer gepeinzen was, dat +ik voor eenen spiegel mij van hoofd tot voeten beschouwde, en mijn +gelaat zoo streng als mogelijk plooide. Ik erkende zelf dat er nog veel +_kind_ in mijne uiterlijke gedaante stak; en van spijt ten gronde +trappelend, betreurde ik het ongeluk van zoo klein te zijn. + +Evenwel, de denkbeelden van oorlogsroem ontstonden immer opnieuw in mijn +hoofd. Ik was eenen gansenen dag _man_ geweest; die herinnering was te +verleidend om mij niet onweerstaanbaar tot zich terug te lokken. + +Dienzelfden dag nog zeide ik aan mijnen vader, dat ik soldaat wilde +worden, om voor de vrijheid van mijn vaderland te strijden; hij poogde +mij te doen begrijpen, dat ik nog te jong was; doch ik hield mijn +voornemen staande. Waarschijnlijk geloofde hij aan mijne beslissing +niet; want hij verliet mij met eenen glimlach van schertsenden twijfel, +die alleen genoegzaam was om mij te ontmoedigen en mijne krijgsdroomen +in rook te doen vergaan. + +Vier dagen nog bleef ik besluiteloos ronddwalen, met nijd en begeerte de +_Belgen_ aanziende, die door ons voorgeborcht trokken, om zich naar de +Hollandsche grenzen te begeven. Mij was geboodschapt geworden, dat ik +ten huize van den heer Delin komen moest, om er mede te helpen tot het +schikken der school, die tijdens het _bombardement_ gansch het onderste +boven was geraakt. + +Zoohaast ik de poort mijner schole zag, ontstond er eene opbruising in +mijn bloed;--daar binnen was mijne gevangenis.....en ik hoorde het woord +_vrijheid_ in tooverende galmen uit al de straten der stad mij +tegenklinken! + +Het was laat in den namiddag, toen ik, half dwaas in het hooid, de +schole verliet en vol gepeinzen naar het Groen kerkhof en naar de Groote +Markt dwaalde, in de hoop van er Belgen te zien. + +Op de laatstgenoemde plaats bemerkte ik een huis, voor welks venster in +groote letteren stond geschreven: _Bureau d'engagement._ + +Een gansch uur bleef ik, met den blik op dit huis gevestigd, roerloos +staan. Eene onbeschrijfelijke ontsteltenis had mij aangegrepen; mijn +boezem hijgde, mijn hart klopte onstuimig, mijne wangen gloeiden. Er +werd in mijn binnenste een koortsige strijd geleverd: ik kon soldaat +worden en aldus het onbetwistbaar recht aanwinnen om als man de wapenen +voor de vrijheid te voeren;--maar mijn vader, zou hij wel toestemmen in +deze daad?... Ik zag hem in den geest voor mij staan; zijn strenge blik +ontnam mij allen moed; zijn ontzaglijk woord deed mij beven.... Dan weder +herinnerde ik mij al de wonden, door schaamte in het hart geslagen, en +ik overwoog met angst, dat mijne schole weder ging geopend worden. Mijne +ziel murmelde van vrijheid, mijn geest droomde van roem en van groote +daden. Onder de toovermacht van zulke aandoening, bezweek eindelijk +mijne vrees, en ik trad sidderend het bureel binnen. + +Vier of vijf officieren, waaronder een kapitein met name Fichaux, +stonden er voor eenen lessenaar. Op mijne aanvraag liet men mij eene +dienstverbintenis voor _twee jaren_ teekenen, die men mij, vier maanden +later, in eene nieuwe voor _vijf jaren_ deed veranderen. + +Mijn ouderdom was alsdan tusschen de zeventien en achttien jaren. + +Ik kreeg een logement-biljet voor het huis van M. Van Erthorn, op de +Kleine Markt, waar slechts een knecht en eene dienstbode zich bevonden. + +Hier vroeg ik pen en papier en begon aan mijnen vader eenen brief te +schrijven, waarin ik hem meldde, dat ik als _vrijwilliger onder de +Belgen_ voor twee jaren had geteekend; ik vroeg hem verontschuldiging, +indien deze beslissing hem mocht mishagen, en sprak oneindig veel van +vrijheid en van de plichten jegens het vaderland. Ik eindigde met een +teeder vaarwel, hem tevens aankondigende, dat ik des anderen daags, voor +den middag, met vele andere vrijwilligers naar de grenzen zou +vertrekken. + +Na een rusteloozen nacht stond ik op met het krieken van den dag; ik +bezat een guldenstuk, dat mij door eenen der vluchtelingen ten onzen +huize was geschonken. Voor dit geld kocht ik van eenen _Belg_ eene oude +sabel zonder scheede en eene patroontasch zonder draagband. Dit laatste +kruistuig hing ik met een koord over den schouder; een dun lederen +riemken bevestigde de sabel aan mijne zijde. + +Dus aangetakeld, wandelde ik de stad op en neer, met het hoofd in de +hoogte en het hart vol blijde fierheid. Belachelijk was alsdan zulke +uitrusting niet; er liepen er oneindig velen, die zelfs niet hadden dan +een groot mes of eene Hollandsche schako, om te toonen, dat zij in +dienst des vaderlands waren getreden. + +Mijne hoedanigheid van wettig soldaat, welke niemand mij nu betwisten +kon, gaf mij een groot vertrouwen; en toen het tien uren sloeg, ging ik +op het Groen kerkhof zonder schroom in de rangen der vrijwilligers +staan, die evenals ik moesten worden ingelijfd in de nieuwe compagnien, +om eenige uren later naar de grenzen te vertrekken. + +Terwijl men bezig was met het oproepen der namen, beving mij eensklaps +een hevige schrik; mijn vader wandelde in de verte over en weder op de +plaats, en keerde het hoofd naar alle zijden, ongetwijfeld om mij te +ontdekken. Ik zag aan de strengheid van zijnen blik en aan het plooien +zijner lippen, dat hij diep was verstoord. + +Mij zoo klein makende als het mogelijk was, hoopte ik aan zijnen +zoekenden oogslag te ontsnappen, toen men onverwachts mijnen naam +opriep. Mijn vader had het gehoord en kwam rechtstreeks naar de plaats, +waar ik stond. + +Mij bij het oor grijpend, alsof ik geen soldaat ware geweest, trok hij +mij, in het gezicht mijner makkers, uit de rangen en zeide bevelend: + +"Kom, volg mij!" + +Ik meende van schaamte te sterven; doch ik was dermate gewoon mijnen +vader te eerbiedigen, dat ik met gebogen hoofd hem achterna ging tot +voor het _Paleis van Justitie_, waar hij staan bleef en mij bitterlijk +en met luider stemme berispte over hetgeen hij mijn ontloopen uit het +ouderlijk huis noemde. Hij beweerde, dat mijne dienstverbintenis van +geener waarde was, en wilde mij mede naar huis hebben; doch mijn smeeken +scheen hem eindelijk te overwinnen. Dan veranderde hij eensklaps van +gedachten. + +"Het is geene gekke daad van uwentwege?" vroeg hij. "Wat gij gedaan +hebt, is het gevolg van een rijp beraad? Welaan, strijd voor uw +vaderland. Het soldatenleven zal u misschien goed doen, en daarbinnen +uit uw hoofd de droomen doen verhuizen, die u beletten _man_ te worden. +Komaan dan, ik zal u eenen kiel en eene haren muts koopen, dat gij ten +minste aan uwe kameraden gelijkt." + +Ditmaal was mijn vader mild met mij; hij kocht mij eenen fijnen kiel met +roode boordsels, eene schoone haren muts en eenen verlakten gordelband. + +Terwijl men op het Groen kerkhof nog immer bezig was met de nieuwe +compagnien te vormen, wandelde ik met mijnen vader over en weder. Hij +legde mij uit wat het soldatenleven is, en poogde mij op voorhand te +wapenen tegen de wederwaardigheden, welke ik er zou ontmoeten. Onder +anderen zeide hij: + +"Ziet gij wel, karakters als het uwe zijn voor het krijgsleven niet +gevormd: gij zijt te teergevoelig. Een zacht woord maakt u blijde, maar +ook een hard woord maakt u diep ongelukkig. Wanneer u iets onaangenaams +wedervaart, loopt gij er dagen lang mede in het hoofd, en, droomend, +overdrijft gij alles. Van deze gewoonte moet gij u ontdoen, en u bestand +maken tegen de schijnbare ruwheid uwer gezellen en oversten. Overtuig u +op voorhand, dat de soldaten, ook de officieren, meest altijd de +krachtigste woorden bezigen tot het uitdrukken der gewoonste dingen. +Indien gij dit uit het oog verliest, zult gij u dagelijks tienmaal +gewond gevoelen, wegkruipen, droomen en treuren. Het is tijd, dat gij +_man_ wordt, vermits gij mannendaden wilt doen." + +Een geroffel der trom brak eindelijk mijns vaders wijze raadgevingen; de +vrijwilligers gingen vertrekken. + +Toen mijn vader tot vaarwel mij in de armen drukte, murmelde hij nog: + +"En Hendrik, gedenk immer het spreekwoord: _ieder is het kind zijner +eigene werken_. Van nu af is uw lot in uwe handen; het zal zijn, wat gij +het zelf zult maken." + +De tranen stonden hem in de oogen; ik weende snikkend en voelde zijnen +laatsten handdruk schier niet. + +In mij stond de gedachte om hem te volgen en den soldatendienst te +ontvluchten; doch nu begonnen de trommen den marsen te slaan, en ik zag +de compagnien zich bewegen om te vertrekken. Met het aangezicht nog nat +van tranen, liep ik in mijn gelid ... en weg was ik naar de grenzen! + + + + +II + + +Wij bleven eenige dagen te Oostmalle, op vijf uren gaans van Antwerpen. +Hier kwam mijn vader mij bezoeken, met het inzicht om de bescherming +mijner officiers voor mij in te roepen. Hij bleef lang in gezelschap met +den overste onzer compagnie, die een Franschman was, en sprak +waarschijnlijk met hem over Napoleons tijd, over de roemrijke +wapenfeiten der Fransche legers en over de rampen der keizerlijke +vloten; want toen ik mijnen vader uitgeleide had gedaan en te Oostmalle +wederkeerde, sloeg de overste mij vriendelijk op den schouder, terwijl +hij mij zeide: + +"Uw vader heeft _den grooten man_ gediend; hij is een oude zeewolf, die +zijn bloed voor het vaderland heeft gestort. Dit is mij voldoende om +zijnen zoon voor te staan waar ik kan; de brave man hoefde het mij zoo +dringend niet te verzoeken. Ik maak u korporaal; later zullen wij zien +wat ik voor u nog kan doen. Zorg intusschen, dat gij wat soldaat wordet; +maar geef den moed niet op: ik zal mij uws vaders woorden herinneren en +u helpen." + +Drie weken later (den 31^{sten} November 1830) te Turnhout werd ik +_fourier_ gemaakt. De titel van onderofficier, welken ik nu bekwam, +klonk mij in de ooren als de aankondiging eener schitterende loopbaan, +en ik schreef naar huis, dat ik God dankte, omdat Hij mij niet alleen +het voornemen had doen opvatten van soldaat te worden, maar nog +daarenboven mij de noodige stoutheid had vergund om het uit te voeren. + +Dat ik te midden der woeste vrijwilligers zoo goed in mijnen schik was +en geene merkelijke vernedering meer onderging, dit had ik te danken aan +den officier, die het bevel over mijne compagnie voerde. Hij heette +Schmit, en had, zeide men, van zijne zestien jaar in de jonge _garde_ +van Napoleon gediend. Hoog van gestalte en schoon van lichaamsbouw was +hij; uiterst behendig in de schermkunst met sabel en degen, krikkel op +het punt van eer, moedig tot overdrevenheid, vroolijk van inborst en +geestig in al zijne gezegden; daarbij goed van harte en onbekwaam om +iemand leed te doen of met inzicht te bedroeven; in een woord, het ware +beeld van den _Franschen soldaat_, zooals hij ons in poezie wordt +voorgeschetst. + +Deze had mij zichtbaar onder zijne bescherming genomen en waakte met +vaderlijke bezorgdheid en met waren edelmoed over _son petit fourrier_, +zooals hij mij altijd noemde. Aan hem was ik mijne spoedige verheffing +tot fourier verschuldigd. + +De onderofficiers, mijne gezellen in de 3^{de} compagnie van het 3^{de} +bataljon der _Jagers-Niellon_, waren insgelijks goede jongens, en hun +gedrag ten mijnen opzichte was even alsof zij samengespannen hadden, om +hun _fourierken_ tegen alle ongeval te verdedigen. Met hen ook had mijn +vader te Oostmalle gesproken. Onder dezen, mijne beschermers en +ambtgenooten, was de sergeant-majoor Collette, van Brussel, en een +sergeant van Luik, met name Deguee, die mij lachende zijnen zoon noemde, +en waarlijk uit rechtzinnige goedheid met de sabel het minste ongelijk +zou hebben gewroken, dat men mij hadde durven aandoen. + +Aldus omringd van goede vrienden, gevoelde ik den overgang van den +burgerstand tot het soldatenleven niet anders, dan door de onbeperkte +onafhankelijkheid, welke wij genoten. De vrijwilligers zonder +verbintenis, die de overgroote meerderheid van ons regiment uitmaakten, +toonden zich wars van alle onderschikking en verdedigden hunne +persoonlijke vrijheid tegen den minsten schijn van tucht. Zij gingen +naar huis voor zoovele dagen als het hun beliefde, en keerden weder in +de rangen, zonder dat men hen durfde bestraffen. De officiers hadden nog +geene regelmatige benoeming; het behoud van hun ambt hing af van de +willekeur der mannen, waarover zij moesten bevelen. Hieruit volgde, dat +ieder deed wat hij wilde, en het gansche regiment nog bestond uit vrije +burgers, die geenen krijgsdwang erkenden. Wij hadden geene +soldatenkleeding en oefenden ons niet in den wapen-handel. Wie tweemaal +elken dag op het _appel_ verscheen, was een vlijtig man en mocht zeggen, +dat hij aan al zijne plichten had voldaan. Het overige van den tijd +sleten velen in de herbergen; de anderen bleven ten huize der burgers of +boeren, bij wie zij ingekwartierd lagen; en, dewijl de vaderlandsliefde +der Kempenaars hun de Belgen zeer deed beminnen, werden dezen aanschouwd +en behandeld als waren het leden van het huisgezin. + +De vrijwilligers, die men naar hunnen generaal _Chasseurs-Niellon_ +noemde, bleven werkeloos in Turnhout of op de naaste dorpen liggen, tot +het einde der maand December. Alsdan vertrokken wij met een sneeuwig +weder naar den kant van Limburg, om, zoo men ons zeide, den vijand in te +wachten, die uit de vesting Maastricht eene krijgsmacht over de heide +naar Holland wilde zenden. + +Wat hiervan zij, men hield ons tegen den avond staan op eene onmeetbare +heide, die wel tot eenen voet hoogte met sneeuw was overdekt. + +De wind was in het Oosten gekeerd en zoo koud, dat wij ons de handen +voor de ooren hielden, om ze niet te laten bevriezen. + +Bevel werd er gegeven, dat wij te dezer plaatse den nacht op bivak +zouden doorbrengen, dit wil zeggen, dat wij op de sneeuw konden slapen, +indien wij niet liever tot den morgen met stampen en armenslaan ons +wilden verwarmen. Onze verwondering was groot; de mijne bovenal. + +Ik zag niets voor mijne oogen dan eene onafzienbare vlakte, waarvan de +eentonige witheid het gezicht verbijsterde. Slechts langs een zjjde, op +een vierendeel uurs afstand, begrensde een hoog mastbosch de kimme, en +daarachter wel een uur verre, schoot de klokketoren van een dorp in de +hoogte: het was de gemeente Baelen, op de grenzen der provincie Limburg. + +Wij hadden sedert ons vertrek uit Turnhout nog geen voedsel genuttigd. +Dewijl de Belgen sedert de omwenteling immer bij burgers en boeren waren +ingekwartierd geweest, bestond er nog geen voorraaddienst in het leger; +wij hadden diensvolgens het vooruitzicht, dat wij hier zonder eten +zouden blijven. + +Zoohaast de moedigsten dezen toestand hadden begrepen, begonnen zij +naar middelen uit te zien om vuur en voedsel te bekomen. Er werden +ploegen of _corvees_ ingericht, om hout uit het mastbosch te halen Nog +geen half uur was het geleden, of honderden mannen kwamen ieder met +eenen sparreboom naar het bivak gesleurd. Voor elke compagnie werd een +vuur ontstoken, dat allengs grooter en grooter wordende, eer het op de +heide donker was, zijne slingerende vlammen tot dertig voet hoog deed +stijgen. + +Deze eerste nacht van het bivak liet op mijn gemoed eenen diepen indruk +na;--de nijpende koude vergetend stond ik, uren lang, in stomme +verbazing op het ontzettend schouwspel te staren, dat zich daar voor +mijn oog ontrolde. + +Achttien vuren, uit stapels mastboomen in de hoogte golvend, verlengden +hunne rij over de vlakte. De hemel blaakte boven onze hoofden; de sneeuw +zelve scheen te branden; en dewijl, bij het dansen der vlammen, de +vurige tonen van het bloedroode licht dan eens met de helderheid des +bliksems, dan weder met vale rosheid over de heide golfden, was het voor +de oogen en voor den geest, alsof eene onstuimige zee van onzichtbaar +vuur over de sneeuw hadde gevlot... + +Bij elken gloed, als een zwerm duivels rond het vuur krielend, zag men +de donkere schimmen der vrijwilligers tegen de vlammen zich uitlossen, +in menigte gaan en komen, boomen op het vuur werpen, of den brandstapel +met geweld omrukken, ten einde zijne woede nog aan te hitsen. Op zulk +oogenblik gingen gansche wolken gensters en brandende vonken ten hemel +en dreven als een groot vuurwerk over het leger. + +Door de eentonige nachtstilte der vlakte klonk het even eentonig, doch +ontzaglijk gekraak der duizende boomstammen, die eenige oogenblikken +vroeger nog groen in het woud stonden te groeien en nu, in den schoot +der vlammen, als dunne twijgen werden verslonden. Tusschen dit +overheerschend gerucht galmde de stem der vrijwilligers, die elkander +bij hunne namen riepen; soms ook wel ontstond in de verte het lied _en +avant, marchons_! of men hoorde het noodgehuil van een varken, dat men +bezig was met kelen, of het gebrul eener koe, die door onze _maraudeurs_ +of voedselzoekers uit een naburig gehucht was weggehaald. + +Omtrent mij werd een kalf met sabelhouwen neergeveld en oogenblikkelijk, +zooals het was gevallen, in stukken gehakt. + +Een sergeant duwde mij eenen lap vleesch in de hand; en, de anderen +navolgend, begon ik het aan het reusachtig vuur te braden. + +Vermits wij niet dicht bij den gloed konden naderen, staken wij het +vleesch op de punt van den laadstok onzes geweers en hielden het aldus +op eenen afstand in de vlam. Wanneer het dan eenigszins was verbrand, +aten wij het gebraden gedeelte er af, en herhaalden deze handeling +totdat er ons niets meer van het vleesch overschoot. + +Bijna den ganschen nacht bleven wij te been; doch tegen den morgen +overviel ons eene onoverwinnelijke slaapzucht. Velen legden zich neder, +op vier of vijf stappen van het vuur, en sluimerden op den grond even +goed als in een donzen bed. + +Niets aan het lijf hebbend dan eenen lijnwaden kiel over mijn zwart +schoolkleed, zat ik als gevoelloos rond te staren. Mijn aangezicht en +mijne borst waren brandend van den blaak des vuurs, terwijl mijn rug, +door den scherpen oostenwind aangedaan, schier bevroor van koude. + +Allengs verzwaarde mijn hoofd; ik legde mij neder, blikte nog eene wijl +in de vlammen, en viel dan in slaap. + +Toen ik twee uren later ontwaakte en meende op te staan, was het mij +onmogelijk. Men had het vuur laten verzwakken, en het water van de +gesmolten sneeuw was onder mij vastgevrozen. Men moest letterlijk met +sabelhouwen mijnen kiel van den grond loshakken, vooraleer ik mij +oprichten kon. Ik bibberde van koude; mijne ledematen waren verstijfd; +ik was bleek en gansch moedeloos. + +Zoo bleven wij drie dagen en drie nachten, zonder ander voedsel dan wat +er werd geroofd, op de sneeuw rond de groote vuren gelegerd. Reeds den +tweeden dag had het zonderling schouwspel zijne aantrekkelijkheid voor +mij verloren; ik bewoog mij langzaam en voelde iets in mij, alsof ik +ziek worden ging. Mijne vrienden der compagnie bemerkten het wel; zij +omringden den _petit fourrier_ met de liefderijkste zorgen en hadden +zelfs eenen bussel hooi gebracht om hem er op te laten slapen. + +Den derden dag was het mij nog erger; ik zat ineengekropen onder eenige +boomstammen, die men als beschutting tegen den wind had opgericht; ik +dacht aan mijnen vader, aan mijn leven in de kluis, aan mijnen broeder +en aan alles, wat ik op aarde meest beminde.... + +De sergeant Deguee, mijn goede beschermer, wilde mij naar den +regimentsdokter leiden om een briefje tot inkwartiering te Baelen te +bekomen; doch het kwetste mijne fierheid zoo diep, te moeten zwichten +voor iets, waaraan mijne meeste gezellen wederstonden, dat de schaamte +mij nog meer deed lijden dan mijne onpasselijkheid. Ik had mij _man_ +gewaand, en ik bezweek als een _kind_ onder koude en derving van gewoon +voedsel! In mijne spijt antwoordde ik mijne vrienden, dat men om mij +niet moest bezorgd zijn, dat het wel zou overgaan, en meer andere +machtspreuken, die slechts de laatste teekenen waren mijner worsteling +tegen het noodlot, dat mij vernederen zou. + +In den namiddag waren er eindelijk karren met voorraad in het bivak +verschenen, en ik werd geroepen, om als fourier de mannen van _corvee_ +naar de karren te vergezellen. Ofschoon de koorts mij schrikkelijk deed +beven en mij nauwelijks toeliet op mijne beenen te staan; alhoewel de +pijn in het hoofd mij verbijsterde, begaf ik mij vooruit en toonde mij +bereid tot het volvoeren van mijnen dienst; doch de officier Schmit +wilde het niet toelaten, en liep zelf om den bataljonsdokter te halen. +Deze gaf mij een briefje, waarmede ik naar Baelen zou gaan; en de +burgemeester zou mij, bij het vertoonen van het schrift, in een huis van +het dorp doen herbergen. + +De tranen schoten mij in de oogen, toen ik op het gelaat mijner vrienden +zulk diep medelijden met mijnen ellendigen toestand bespeurde. De +sergeantmajoor Collette en de sergeant Deguee dwongen mij tot het +aanvaarden van geld; een korporaal van Verviers, met name Fabry, stak +eene halve zijde gerookt spek in mijnen ransel; want, zeide hij, er was +op een uur in het ronde niets meer te vinden, en het vleesch kon mij van +dienst zijn. + +[Illustration: Ik klopte en bleef kloppen: men opende niet.] + +Dus beladen met wenschen tot herstelling en met allerlei bewijzen van +vriendschap, begaf ik mij op weg naar het dorp Baelen. Ik stapte +langzaam en rustte dikwijls. De vermoeidheid zich bij de ijzing der +koorts voegende, werd ik eindelijk zoo moedeloos, dat ik mijne handen +schier op mijn geweer liet bevriezen, zonder nog de kracht te hebben om +het zware wapen van schouder te veranderen. + +Toen ik, dus voortsukkelend, het dorp bereikte, was het donker geworden. +De huizen waren gesloten en ik zag er geene boeren op de straat; slechts +vrijwilligers, die het bivak waren ontloopen, zwermden er rond en +sloegen, onder ruw geschreeuw, met de kolf des geweers tegen de deuren, +om te worden binnengelaten. + +Men wees mij het huis des burgemeesters; ik klopte en bleef kloppen: men +opende niet. Dan, eindelijk antwoordde men mij van boven uit een +venster, dat er geen logement in het dorp meer was, en dat de generaal +zelf verboden had nog eenen enkelen _Belg_ te herbergen. + +Ik bleef eene wijl verpletterd staan, en zou wellicht voor de deur des +burgemeesters mij neergelegd hebben; doch mijne koorts en mijne +hoofdpijn waren verminderd. Het gevoel des hongers verkrampte mijn +ingewand. + +Door den nood voortgezweept, klopte ik op de deuren der huizen, +waarbinnen ik nog licht zag; aan de meeste kreeg ik geen antwoord; de +overige waren opgevuld met vrijwilligers, die vloekten en tierden, dat +zij geene levende ziel meer zouden binnenlaten. + +De wanhoop vervulde mij het hart. Krachteloos, uitgeput van vermoeidheid +en schier bezwijkend van honger, geraakte ik tot bij de laatste huizen +des dorps: overal vergeefsche moeite om toegelaten te worden ... en +sterkmoedigheid, om de deuren aan stukken te slaan of de lieden te +dwingen, ontbrak mij gansch! + +Daar zag ik eensklaps in de verre velden een lichtje! Men moge er om +lachen; maar dat lichtje, evenals in het vertelsel van _Duimken_ en in +vele andere volksvertellingen, blonk mij in de oogen als eene star der +hoop. Ik stapte er op aan en bleef, om het te bereiken, wel vijfmaal +verder gaan dan ik had verwacht. + +Het was een klein, leemen huisje, tegen de baan naar Roslaer. Ik klopte, +en men opende oogenblikkelijk. + +Een schreeuw van schrik ontvloog den inwoners, als zij mij met het +geweer in de hand zagen binnentreden, en zij begonnen smeekend mij te +zeggen, dat zij niets meer bezaten. Men had hunne kiekens en hunne +eenige geit beroofd; zelfs hun laatste brood hadden de Belgen +weggehaald. + +Ik zeide hun, dat ik ziek was, vertelde in weinige woorden, hoe ik in +het dorp vruchteloos had gebeden en gesmeekt om een nachtverblijf, en +eindigde met hun om een plaatsken in hunne hut te verzoeken, totdat de +morgen kwame. + +Mijne jonkheid en de klagende toon mijner stem troffen de goede lieden; +zij wezen mij eenen stoel bij het smeulend vuur, hielpen allen te gelijk +om den ransel van mijne schouders te krijgen, en zeiden mij onder +betuigingen van vriendschap en medelijden, dat hun huisje gansch tot +mijnen dienst stond. Een bed konden zij mij niet geven; maar op de +schelf, boven het geitenstalleken, lag hooi: daarin kon ik slapen, en de +baas zou wel zorgen, dat ik er geene koude leed. Geen ander eten was er +in huis dan een zwart roggebrood, dat ergens voor de rondzoekende +vrijwilligers was verborgen geweest; van dit brood mocht ik nemen wat +mij beliefde. + +De hut was bewoond door eenen man en zijne vrouw en door hunne dochter, +een meisje van omtrent de zeventien jaar. Deze laatste beklaagde den +armen _Belg_ met luider stemme, en aanschouwde hem met zulk liefderijk +medelijden, dat haar zoete blik alleen mij troost in den boezem goot en +mij als het ware uit de moedeloosheid opriep. + +Ik wilde den lieden geld geven: doch man en vrouw stonden met +verontwaardiging tegen mijn aanbod op. Konden zij iets ten mijnen +dienste er voor bekomen, dan zouden zij het wel aanvaarden; maar er was +nergens in de gansche gemeente iets voor geld te bekomen. + +Dan slechts schoot mij te binnen, dat korporaal Fabry eenige ponden spek +in mijnen ransel had gestoken. In allerhaast sneed ik er van aan +stukken; de pan werd over het vuur gehangen ... en weinige oogenblikken +later zat ik met mijne nieuwe huisgenooten aan den disch. + +Ik vertelde van mijne ouders, van mijn vorig leven en van mijn +wedervaren op het bivak. Eer ik mij tot de rust begeven zou, waren wij +alle vier zulke goede vrienden en bekenden, alsof ik sedert mijne +kindsheid van het huisgezin hadde deelgemaakt. + +De man bracht mij boven het stalleken, maakte eene diepte in het hooi, +deed mij er in nederliggen, schikte dan nog meer hooi boven mijn lichaam +en op mijne voeten, en wenschte mij dan den goeden nacht. + +Welhaast doordrong eene milde warmte mijne leden, en met haar stroomde +er nieuw leven mij door het hart. Mij dacht, een koning, op het fijnste +zwanendons rustend, kon niet zoo zacht en zoo verkwikkend liggen als ik +nu, tusschen het gastvrije hooi boven den geitenstal lag uitgestrekt. Ik +dankte God met innig gevoelde erkentenis om Zijne goedheid,--en, +zwemmend op den zoelen stroom van allerlei blijde gedachten, viel ik in +eenen wellustigen sluimer. + +Des morgens wekte men mij niet; het was reeds lang dag, eer ik van zelf +ontwaakte. + +Toen ik beneden kwam, vond ik de koffie op de tafel staan en de goede +lieden die op mij hadden gewacht om te ontbijten. Mijn blik viel op het +meisje; zij lachte mij eenvoudig, doch zoo minnelijk toe, dat ik het +hoofd boog, en schaamrood op mijn voorhoofd voelde klimmen. + +Omtrent den middag kwam er een officier, vergezeld van eene talrijke +wacht, wien gelast was al de huizen te doorzoeken en de vrijwilligers +naar het bivak te doen terugkeeren. Het briefje van den dokter +beschermde mij tegen de uitdrijving. + +De koorts greep mij in den vooravond weder aan, evenwel met minder +hevigheid; en na drie telkens verminderde aanvallen, was ik gansch +genezen. + +Zoo bleef ik omtrent tien dagen in de hut, meesttijds bij het vuur onder +den schouwmantel gezeten en in stille, diepe mijmering mijn oog op de +jonge maagd houdend, die niet verre van mij zat te spinnen. Wanneer ik +aan de minste beweging van haar hoofd kon raden, dat zij den blik tot +mij ging richten, keerde ik met schuchterheid mijn gezicht ter zijde. + +Zij scheen mij schoon, de tengere, zoete maagd, met hare frissche wangen +en helderblauwe oogen! Zoo schoon en zoo zuiver, dat zij mij voorkwam +als een engellijk beeld, omhuld met eenen wasemkring van kuischheid en +van betooverende onnoozelheid. In mijn eenvoudig gemoed wenschte ik, dat +God mij hadde toegelaten haar broeder te zijn. Hoe gelukkig en hoe blijde +hadde ik mijn leven aan hare zijde gesleten! + +Des avonds, wanneer moeder en vader ook rondom het vuur gezeten waren, +dan moest ik vertellen. Omdat ik wist, dat het Bethken vermaak deed, +spande ik al de krachten mijner verbeelding in, en ik schiep en +schilderde de zonderlingste voorvallen, die mijne toehoorders zoozeer +boeiden, dat zij uren lang, met gapende monden, op mijne verhalen +luisterden. De ziel der maagd, terwijl zij dus met hare groote oogen mij +aanschouwde, scheen op haar gelaat te zweven: onder den indruk van haren +hemelreinen blik voelde ik de macht mijns geestes verdubbelen: ik werd +_dichter_ door de opwelling van een voor mij nog onbewust gevoel.... + +Bethken was ten uiterste in haren schik met _onzen Belg_, zooals zij mij +noemde; zij roemde zijn verstand als eene wonderheid; zij was hem +vriendelijk en nam hem bij de hand, wanneer zij hem ter tafel wilde +roepen; maar haar voorhoofd bleef leliewit, en als het schaamrood mijne +wangen kleurde, glimlachte zij met schuldelooze vrijheid. + +Op eenen namiddag kwam een korporaal mijner compagnie mij verwittigen, +dat het regiment des anderen daags 's morgens, te negen uren, het bivak +zou verlaten, om naar de kanten van Gheel of van Moll te vertrekken, en +dat ik mij gereed moest houden om de compagnie te volgen, hetzij te voet +of op een der vrachtkarren. + +Dien avond vertelde ik geene vertelsels, wij waren allen in stilte +rondom het vuur gezeten en treurden over het noodlottig afscheid. +Bethken jammerde over _haren armen Belg_, die zeker in het woeste en +harde soldatenleven weder ziek zou worden, ik betuigde den goeden lieden +mijnen dank en deed geweld om bij de herhaalde bewijzen van zoete, +zusterlijke genegenheid, mij door Bethken gegeven, niet in tranen los te +barsten. + +Des anderen daags 's morgens, toen wij in de verte de marschtrommen +hoorden, gaf Bethken mij twee boterhammen en twee hardgekookte eieren, +welke zij van de meid des pastoors had gekregen: die moest ik, of ik +wilde of niet, in mijnen ransel steken. Dan volgde het treurig afscheid; +wij drukten elkaar met vochtige oogen de hand, en de goede lieden +beloofden, dat zij God voor mij zouden bidden. + +Bethken volgde _haren Belg_ van verre, tot in het dorp, waar mijn +regiment juist op de groote baan verscheen. Ik voegde mij in den rang +der onderofficieren mijner compagnie, die over mijne wederkomst +jubelden, terwijl zij met blijdschap riepen: "Ah, daar is ons +fourierken!" + +In het voorbijtrekken zag ik Bethken nog; ik boog het hoofd, want er +sprongen tranen in mijne oogen; en nog dieper werd ik ontroerd, als ik +verder mij omkeerende, het droeve Bethken tegen een huis met het +voorschoot voor het aangezicht zag staan.... + +De eieren, welke zij mij had geschonken, nuttigde ik dien dag met +kloppend hart; ook eene der beide boterhammen; maar de tweede liet ik +tot aandenken in mijnen ransel. Maanden lang werd zij bewaard; ja, +zoolang, dat zij gansch in morzelen was gevallen. Langer nog bleef het +beeld van het zoete Bethken mij volgen; doch het verzwakte mettertijd, +en er bleef mij niets van over dan de dankbare herinnering aan de zorg +en de vriendschap, door eenvoudige hutbewoners mij bewezen. + +Slechts zestien jaren later heb ik het dorp Baelen voor de tweede maal +gezien, en ik heb mij ter plaatse begeven, waar de zieke Belg eens zulke +liefderijke verpleging vond. De hut was verdwenen; niemand wist mij met +eenige juistheid te zeggen, waarheen de ouders van Bethken of zij zelve +waren vertrokken of versukkeld. Men scheen slechts door eene +twijfelachtige herinnering nog te weten, dat daar ooit het leemen +hutteken van eenen armen werkman had gestaan. Een tweede bezoek te +Baelen leverde mij geenen beteren uitslag op. + + + + +III + + +Van het bivak bij Baelen trokken wij naar het kleine stedeken Gheel en +zijne omliggende dorpen; dan naar Moll, en eindelijk weder naar +Turnhout. + +Hier kwam mijn vader mij bezoeken en bleef twee dagen met mij; ik vernam +van hem, dat mijn broeder Jan Balthazar, evenals ik, dienst had genomen +in het Belgische leger, en dat hij vrijwilliger was in een regiment, dat +omtrent Westwezel op de grenzen lag. + +Mijn vader moest den eersten dag zijner aankomst reeds met mijne +oversten gesproken hebben; want tusschen woorden van vaderlijke +genegenheid en van aanmoediging, mengde hij voortdurend vermaningen, om +mij te doen begrijpen, dat ik wat meer _mensch_ en wat meer _man_ moest +zijn, en, zooals hij zeide, het voorkomen van een wittebroodskind moest +pogen af te schudden. Ik begreep hem wel en was hem dankbaar voor zijnen +raad; doch ik meende, dat mijne inborst beter was dan het ruw en +schijnbaar gevoelloos karakter, dat men van een echt soldaat scheen te +eischen. Mijn vader keerde te voet naar huis en zou, van den vroegen +morgen tot den avond, niet veel minder dan tien uren wegs afleggen. Ik +vergezelde hem twee uren verre, omhelsde hem en keerde dan weder naar +Turnhout. + +De vrijwilligers, sedert eenige maanden reeds op de grenzen werkeloos +gehouden, begonnen te morren, omdat men hen niet tegen den vijand +leidde; doch men deed hun verstaan, dat de groote mogendheden van Europa +te Londen bezig waren met over het lot van Belgie te beramen; en, dewijl +Holland weigeren zou zich aan hunne beslissing te onderwerpen, moest men +slechts wat geduld hebben: het spel zou wel voor goed aan den gang +geraken. + +Ondertusschen zwierven wij, tot de maand Juli 1831, gedurig in de +Antwerpsche Kempen rond, overal op de dorpen en gehuchten bij de boeren +herbergende. + +Nu was het Lente geworden; ik beleefde voor de eerste maal het ontwaken +der natuur in het nog oorspronkelijk Kempenland. Jong als de hernieuwde +schepping was mijn hart, frisch en zuiver als de heide mijne +droomachtige ziel. + +Niet mijne latere reizen door de Kempen hebben mij het gevoel van de +schoonheid der heide gegeven; alsdan, toen ik eerst de kindsheid +ontgroeide, heb ik hare indrukken in mij vergaderd, hare kruiden geteld, +hare geruchten afgeluisterd, ben ik in hare geheimen gedrongen en heb ik +ze geliefd en bemind, als hadde mijne wiege op hare maagdelijke vlakte +gestaan. + +De frissche herinnering aan dit gelukkig tijdvak mijns levens heeft mij +twintig jaren later nog doen uitroepen: + +"Wat moet in de jonkheid onze ziel toch beminnend en machtig zijn, dat +zij alles, wat haar omringt, in zich zelve opsluit en met eene +onvergankelijke liefdewolk omhult. Menschen, boomen, huizen, woorden, +alles,--levend of levenloos,--wordt een gedeelte van ons eigen wezen; +aan elk voorwerp hechten wij eene herinnering, zoo schoon en zoo zoet +als onze jeugd zelve. Onze ziel loopt over van kracht; zij spat vonken +en sprankels van haar leven over al het geschapene; en, terwijl wij +onophoudelijk het geluk tegenjuichen, dat ons, kinderen of jongelingen, +te wachten staat, juicht en zingt alles in de natuur, eenstemmig met +ons." + +"Ach, hoe bemin ik de weide, den lindeboom, de pachthoeve, het kerksken +en alle andere dingen, die mij zagen, toen de rozen der jeugd en de +lelien der zuivere levenspoezie mij den schedel sierden! Zij hebben +genoten wat ik genoot; ik zag ze weelderig groeien en lachend in het +zonnelicht glanzen, toen ik vroolijk was en dartelend vooruitstroomde in +de onbekende baan der menschelijke bestemming. Zij zijn mijne oude +speelgenooten, mijne gezellen; elk van haar roept iets aangenaams, iets +verrukkends tot mij; zij spreken de taal mijns harten; al de fijnste +snaren mijner ziel trillen weder met jeugdige kracht bij dien roep ... +en in stille, godsdienstige aandoeningen dank ik den Heer, dat Hij, +zelfs in het bevrozen hart van den afgesloofden mensch, nog de zoete +bron der herinnering vlieten laat!" + +Het was insgelijks gedurende den eersten tijd van mijn soldatenleven, +dat ik de bewoners der Kempen, hunne gewoonten en hunne eenvoudige, doch +uiterst schoone inborst leerde kennen en doorgronden. Het Belgisch +fourierken, waar hij met een logement-biljet verscheen, deed zich +spoedig beminnen door menschen, wier karakter zoozeer met het zijne +overeenkwam in zachtheid, in levenslust en in eene onuitlegbare zucht +tot mildheid en tot liefde. Hij zat met de lieden bij het vuur rondom +den koeketel en vertelde wondere dingen; hij voegde de handen te zamen +en bad met hen aan den disch; hij volgde hen ter kerke en knielde nevens +hen; hij liep met de jongelieden naar het veld en hielp aan den arbeid; +maar bovenal was hij de lieveling der kinderen, die met hoogmoed aan +beide zijne handen wandelden en niet zelden tranen stortten, als de +Belg, hun goede vriend, naar een ander dorp vertrekken moest. + + + + +IV + + +Nadat de _Chasseurs-Niellon_ acht maanden in volle rust op de dorpen +gelegen hadden, werden zij op eenen regelmatigen voet ingericht, onder +de benaming van 2^{de} regiment jagers te voet, en kregen nu eerst +soldatenkleederen van groen laken met roode boordsels. + +Er liepen geruchten, dat de Hollanders bezig waren met het vergaderen +eener groote krijgsmacht, en dat zij eenen inval in Belgie wilden wagen. +Deze geruchten ontstonden en vergingen menigmaal. + +Ondertusschen werden wij, op het einde der maand Juli 1831, al te zamen +op eene heide omtrent Turnhout vergaderd. Daar werd, onder het aanheffen +van een ontzaglijk gejubel, uitgeroepen, dat vorst Leopold, als eerste +koning der Belgen, zijne intrede in Brussel had gedaan en volgens +voorvaderlijk gebruik 's lands grondwet had bezworen. + +Twaalf dagen later, in den nacht van den 1^{sten} tot den 2^{den} +Augustus, terwijl wij gerust in onze logementen te Oud-Turnhout sliepen, +werden wij eensklaps door de alarmtrom gewekt en liepen op de gewone +vergaderplaats der compagnie te zamen. + +Men leide ons door de duisternis en langs afgelegen banen naar eene +onmeetbare heide tusschen Ravels, Baerle-Hertog en Weelde. Hier vonden +wij het overige van ons regiment, alsook een ander bataljon +vrijwilligers, reeds gelegerd. + +Men deed ons de wapens en patroontasschen onderzoeken, ten einde met den +morgen strijdvaardig te zijn; want de vijand was met groote macht over +de grenzen gekomen en bevond zich niet verre van ons. Wij hoorden +inderdaad, in de richting van het dorp Weelde, gebriesch van paarden en +bijwijlen een zeker onuitlegbaar dof gerucht, dat ons de nabijheid van +eene groote menigte menschen aankondigde. + +In de duisternis drukten wij elkaar met geestdrift de handen; wij waren +blijde, dat het ons eindelijk werd vergund, ons bloed voor het vaderland +te vergieten. Niemand onder ons twijfelde aan de overwinning; onze moed +was groot, en ons vertrouwen zonder palen. + +Op mij deed echter het naderen van eenen grooten veldslag eenen diepen +indruk; na in de eerste machtspreuken en wederzijdsche aanhitsingen te +hebben deelgenomen, liet ik het hoofd op de borst zinken, en ik dacht +aan mijnen vader en aan al wie mij te huis dierbaar waren. Deze zucht, +naar de beminde dingen is als het testament der ziel: wie jong is en +verre van zijne geboorteplaats in een groot gevaar verkeert, zal altijd +gevoelen, hoe zijn geest een droevig en teeder vaarwel toewerpt aan al +wat zijn hart betreurt en vreest te zullen verliezen. + +Om den lezer eenigszins de voorvallen te doen begrijpen, welke gaan +volgen, is het noodig eenige inlichtigen over dezen inval der Hollanders +te geven. + +Het Belgische leger was in eenen beklaaglijken toestand; te Brussel had +men den tijd besteed aan de gewichtige beraadslagingen over onze +onvergelijkelijk schoone Grondwet en over de keus eens Konings. Op het +papier had men eene eerbiedwekkende krijgsmacht ingericht, doch deze +bestond niet werkelijk. Geen voorraaddienst voor oorlogstijd was er +ingericht; niets was voorzien: de regimenten voor den vijand hadden +zelfs niet meer buskruid onder hun bereik, dan men op eenen enkelen dag +verbruiken kon. Vele generaals en de meeste officieren hadden nooit +eenen regelmatigen krijg gevoerd: moed en onversaagdheid was er genoeg; +maar ondervinding en beleid ontbrak er gansch. + +De Belgische krijgsmacht,--buiten de burgerwachten, die meer hinder dan +hulp bijbrachten,--kon beloopen tot de 30,000 man en was in twee groote +afdeelingen gescheiden. De eerste, het _Scheldeleger_, lag rondom +Antwerpen, onder bevel van generaal De Tieken de Terhove, die zijn +hoofdkwartier op het dorp _Schilde_ hield; de tweede, het _Maasleger_, +lag rondom Hasselt, onder bevel van generaal Daine.--Tusschen deze beide +legers bleef een afstand van dertien uren gaans! + +De Hollanders hadden integendeel hun leger tot den inval met eene +uiterste doelmatigheid vergaderd en ingericht; hunne krijgsmacht, onder +bevel van den Prins van Oranje en den Prins van Saksen-Weimar, telde +40,000 man geregelde troepen en 30,000 man der _schutterij_; daarenboven +4,000 ruiters en 72 stukken geschut. + +De eene helft der Hollandsche troepen rukte langs Limburg tegen het +Maasleger in; de andere helft zakte naar Turnhout af, om op Antwerpen +in te dringen. + +Ons regiment jagers te voet, dat met eenige onregelmatige bataljons op +de Ravelsche heide lag, vormde de zoogenaamde _brigade d'avant-garde_ of +voorwacht. Wij waren al te zamen 800 man en hadden twee veldkanonnen; +een twintigtal jagers te paard waren ons toegevoegd om den postdienst te +verrichten. + +De afdeeling der Hollanders, die te Weelde op den Belgischen bodem had +stand gevat, was eene voorwacht van 1,000 man. + +Van al deze bijzonderheden wisten wij niets; slechts een ding was ons +bewust, namelijk dat de Hollanders daar waren en dat wij gingen +strijden. + +Zoohaast de morgenschemer de nachtelijke duisternis had vervangen, +werden de twee vleugelcompagnien van elk bataljon als scherpschutters +tegen den vijand gezonden; de middelcompagnien, waartoe ik behoorde, +bleven langen tijd als _reserve_, werkeloos bijeengeschaard. + +Een hevig geweervuur bleef den ganschen dag aanhouden; maar dewijl men +uit gebosschen en van achter boomen schoot, hadden wij weinig +gekwetsten. Eenige Hollandsche jagers werden krijgsgevangen gemaakt, of, +beter gezegd, zij liepen tot ons over. Geen enkele kende Hollandsch of +Fransch: allen waren Pruisen of Zwitsers. + +Naarmate het geweervuur duurde, begon men het gebrek aan voorraad te +gevoelen: op den middag reeds kwamen de jagers te paard de pakken +kardoezen uit de patroontasschen der middelcompagnien halen, om ze naar +de scherpschutters te dragen. + +De gedachte, dat wij eerlang zonder buskruid voor den vijand zouden +staan, verontrustte onze officieren. In mijne tegenwoordigheid deed onze +dappere generaal Niellon onzen eenigen, doch ledigen voorraadwagen +bijbrengen, en riep eenen sergeant uit onze compagnie, met name Nagels, +eenen stoutmoedigen jongeling uit Fontaine-l'Eveque. De generaal schreef +met potlood, en den kop van zijnen zadel tot lessenaar nemende, een +bevel om buskruid te halen.... naar Antwerpen! De sergeant zou met den +_fourgon_ over den steenweg vliegen; en, verongelukten er paarden, hij +moest maar andere bij de boeren nemen, al ware het met geweld der +wapenen. + +Ondertusschen vuurden wij zonder verpoozing op de Hollandsche +voorposten; zij deden eveneens op onze uitgezette schutters. + +Zoo kwam de nacht zonder ander voorval; in mijne compagnie had elk man +nog tien kardoezen, en er moesten dagen verloopen, eer wij er andere +zouden bekomen. + +Wij konden niet begrijpen, waarom men ons niet had laten vooruitgaan, om +den vijand in zijne legerplaats aan te vallen; voorwaar, zoo meenden +wij, hij zou bij onze verschijning de wijk genomen hebben, vermits hij, +ondanks zijne groote macht, ons niet durfde aangrijpen. Het gebrek aan +buskruid had velen verbitterd, en in stilte werd er onder de soldaten +reeds gemord van verraad en verkooperij. + +Den volgenden morgen, toen de nachtelijke dampen in de hoogte stegen, +zagen wij eerst op de verre kimmen eene grijze streep, die scheen te +bewegen; zij verlengde zich over de gansene heide. + +Allengskens werd het ons duidelijk, dat het een drom ruiters was, +waarschijnlijk kurassiers, want van hunnen hals tot achter hunne paarden +daalde een wijde mantel, die hun in ons oog de gestalte en de vormen van +reuzen gaf. Op de ruiters volgde eene dikke wolk voetgangers, wier +duizenden en duizenden geweren met bliksemend gefonkel in de eerste +zonnestalen schitterden. Het hield niet af; welhaast scheen in het +verschiet de gansche heide, zoo wijd het gezicht reiken kon, met +vijandelijke scharen overdekt. + +Gedurende den nacht was het gansche leger der Hollanders zijne +voorposten genaderd; en, terwijl de kurassiers eenen omweg deden, om de +baan naar Antwerpen te gaan bezetten, ontplooide het zijne drommen over +de vlakte, als om ons den strijd aan te bieden. + +Met verbaasdheid, doch zonder vrees schouwden wij op de onmeetbare reeks +vijanden, die langzaam en met uitgespreide vleugelen naar ons kwam +afgezakt. De krijgsmacht, die wij zagen, mocht tot de 20,000 man +beloopen; zij voerde 40 stukken geschut en had eene talrijke +ruiterij;--wij waren 800 man, hadden geene ruiterij en slechts twee +veldkanonnen. + +Wij stonden met den rug tegen een jong mastboschken; voor ons, op +eenigen afstand, lag een veen of waterplas. Onze twee veldkanonnen waren +wel honderd stappen vooruit, achter den hoek van een ander dennenbosch +verborgen en met schroot geladen. + +Ik vergat den krijg en het gevaar, zoozeer greep het ontzaglijk +schouwspel mijne inbeelding aan; de zon was in eene helderblauwe lucht +opgerezen, en zij fonkelde zoo tooverend in het glinsterend ijzer der +wapenen, dat de reeks der Hollandsche troepen mij voorkwam als een +stroom van tintelend vuur. + +De losbarsting van een tiental zware kanonnen riep mij op uit mijne +vergetelheid: ik beefde en was vervaard ... maar bij de tweede ontploffing +was die ontsteltenis of liever die siddering des harten reeds verdwenen: +er bleef mij niets over dan de overtuiging des gevaars en eene koortsige +zucht om te strijden, als moest de dadigheid van den kamp mij verlossen +van een gevoel, dat mij lastig en pijnlijk was. + +De kanonskogels der Hollanders vielen meest in het veen en deden het +water wonderhoog ten hemel springen; slechts een onzer gezellen werd +gedood door eenen kanonsbal, die hem voor den mond was heengevlogen, +doch hem niet anders had geraakt. + +Wij morden hevig en wilden vooruit; maar onze officieren smeekten ons, +dat wij toch niets zonder bevel des generaals zouden bestaan,--en, +dewijl de officiers in ons regiment zoo niet ontzien, echter meestal +bemind werden, bleven wij, tandenknarsend van ongeduld, in onze rangen +staan. + +Nog eenige oogenblikken, en het Hollandsche leger zou tot onder bereik +van geweervuur ons genaderd zijn; wij zagen dien gewenschten stond met +blijdschap te gemoet. + +De vijand hield zijne slagorde staan; hij zond door eene opening een +zestiental lanciers te paard op ons af; wij hielden ons gereed om er +duchtig onder te schieten. Deze ruiters zouden slechts eene verkenning +doen en bespieden, welke macht de Belgen tegen hunne vijanden konden +stellen. + +Alzoo de lanciers met hunne oranjekleurige vaantjes een eind vooruit +kwamen gereden, begaven zij zich, tot hun ongeluk, onder het bereik +onzer twee verborgene kanonnen. Eene dubbele losbarsting galmde over de +heide: tien of twaalf ruiters en zoovele paarden vielen dood of gewond +ter aarde; de overigen vluchtten in allerijl terug naar de slagorde huns +legers. + +Op dit gezicht van dit eerste voordeel, hoe gering het ook ware, +ontstond er een onbeschrijfelijk gejubel onder de Belgen, en allen +sprongen vooruit onder het donderend geroep van: "_Leve de Vrijheid! +Leve Leopold!_" + +Geen twijfel of deze 800 man zouden zich zonder aarzelen tegen den +ontelbaren drom des vijands geworpen hebben; en wie weet wat er ware +geschied? Een zekere dood was hun, wel is waar, beschoren; doch hoe duur +zouden zij in die eerste drift hun leven niet verkocht hebben? Misschien +had de indruk van zulk heldhaftig bezwijken zwaar gewogen in de +weegschaal der latere gebeurtenissen.... Maar de meesten dezer +opgewondene strijders moesten, uithoofde van het veen, eenen omweg doen, +en dit gaf den officieren den tijd hen te wederhouden. + +Terwijl de oversten met open armen aan het vermetel vooruitloopen +tegenstand boden, donderde het geschut der Hollanders met vernieuwde +kracht; hunne gansche slagorde zakte vooruit, als om wraak te nemen over +het gebeurde, en wij hijgden van blijde ontsteltenis bij de nadering van +den slag. + +Op dit oogenblik kwam een onzer jagers te paard onzen generaal eene +haastige boodschap brengen. De Hollandsche kurassiers hadden de baan +naar Antwerpen afgesneden; de Belgen waren langs alle zijden omsingeld! + +Hoezeer de vrijwilligers huilden van woede en zich de vuisten ten +bloede beten, er was niets aan te doen; wij moesten de heide verlaten, +terugwijken naar Turnhout, en verder eenen doorgang naar het binnenland +zoeken, om, ware het mogelijk, aan eene zekere nederlaag of +gevangenneming te ontsnappen. + +In goede orde, en nog gereed tot eenen hevigen tegenstand, trokken wij +af naar Turnhout. De stad had het voorkomen van een graf: geen levend +wezen was er op de straten te zien; deuren en vensters waren gesloten +gelijk in het midden des nachts. Dit vertoog deed eenen ongunstigen +indruk op onzen geest, en het was inderdaad niet aanmoedigend, al de +inwoners dus gevlucht of verkropen te zien, alsof zij, reeds vroeger dan +dien dag, ons onbekwaam hadden geacht om hunne haardsteden te +verdedigen. + +In Turnhout bleef ons regiment niet stil; wij trokken de Herenthalsche +baan in en slingerden door bosschen, voetpaden en veldwegen immer met +versnelden marsch voort. + +Het was uitermate heet; de oogstzon brandde onverdraaglijk boven onze +hoofden; wij hadden eten noch drinken. + +Reeds te Casterlee deed de felle dorst het bevel der officieren voor +eene wijl miskennen. Er stond in dit dorp, in den hof des pastoors, een +groote appelboom, overladen met vruchten, die slechts twee maanden later +eetbaar zouden zijn. De boom werd door honderden mannen bestormd, +beklommen, gebroken en ontbladerd. Men smeekte, men vocht om eene beet +der wrange vruchten.... De zure smaak, meende men, zou het branden van +den dorst koelen. + +Zoo bleven wij acht dagen tusschen Lier en Leuven in de grootste hitte +dwalen, elken dag tien of twaalf uren gaande, zonder voedsel en drank, +en letterlijk verzengd door de hitte. Wij aten de schors der mastboomen +en droegen voor den dorst eenen geweerkogel in den mond; des nachts +lagen wij op den grond en verstijfden van den overvloedigen morgendauw. + +Men zeide onder ons, dat wij nog altijd door de Hollanders ingesloten +waren, en dat ons gaan en komen voor doel had aan de vervolging des +vijands te ontsnappen, om ons omtrent Leuven met het groote Belgische +leger te vervoegen. + +Wat hiervan zij, wij kwamen dikwijls op banen en in dorpen, waar het +Hollandsche leger ons inderdaad was voorafgegaan; want wij vonden +onderweg _pompons_ en andere kleine dingen, die onze vijanden al gaande +hadden verloren. + +Op eenen middag hield men ons staan in de nabijheid van een dorp,--ik +meen dat het Boisschot heet,--waar nog het stroo lag, dat den Hollanders +tot nachtleger had gediend. + +Uitgeput van vermoeidheid en van honger, lieten wij ons op een veld +nedervallen om te rusten; wij hadden daags te voren weinig voedsel +gevonden, en van dezen dag hadden wij nog niets gegeten. + +Mij werd bevolen, dat ik met een tiental mannen van goeden wil naar het +dorp zou gaan, om nooddruft voor onze compagnie te zoeken en met dank of +met geweld, te nemen wat er te vinden was. + +De stoutste en ruwste vrijwilligers boden zich aan. Toen wij in het dorp +kwamen, waren de inwoners gevlucht; wij braken de deuren met kolfslagen +open, doch ontdekten niets dat eetbaar was. + +In het midden van het dorp vonden wij eenen man en eene vrouw, die hun +huis niet hadden verlaten. Op onzen eisch om brood of ander voedsel te +hebben, antwoordden zij ons klagend, dat de Hollanders daags te voren +alles hadden weggenomen. Mijne vrijwilligers, door de wanhoop des +hongers gedreven, begonnen den man met het plat van de sabel te slaan en +hem met nog ergere behandeling te dreigen. + +Na langen tegenstand leidde de verschrikte man ons achter in den hof, en +groef daar uit den grond drie zeer groote roggebrooden, die in eenen zak +gewikkeld waren. Wij namen de brooden mede en ook den zak. + +Na vruchteloos nog vele ontruimde huizen te hebben doorzocht, kwamen wij +buiten het dorp in eene leemen hut, waar eene jonge vrouw met een kind +van drie of vier jaar zich bevond. Op onze dreigende vragen haalde zij +eene roggeboterham uit de wiege van haar kind; en ons die toereikende, +zeide zij met tranen in de oogen: + +"Ziet, vrienden, dit is al wat mij overblijft: ik had het bewaard voor +mijn arm schaapken." + +Reeds had een mijner makkers de boterham aanvaard, en meende er een stuk +af te bijten; maar de anderen hielden hem met geweld terug en deden hem +het geringe stuk brood in den zak werpen. + +Door een diep medelijden met de ongelukkige moeder aangedaan, wilde ik +haar de boterham doen terug geven. Te vergeefs; het spreekwoord is waar: +hongerige magen hebben geene ooren. + +Dan vatte ik de hand der vrouw en vroeg haar of zij in een naburig dorp +voor geld geen brood zou krijgen. + +Op haar bevestigend antwoord staken al mijne makkers de hand in den +zak; de meesten gaven elk een stuk van vijf en twintig centen; eenigen +gaven iets minder, ik gaf iets meer, en zoo kreeg de arme vrouw omtrent +vijf franken.... Tranen ontliepen haar nu nog overvloediger; het was van +dankbaarheid: hare stem klonk de weldadige _stroopers_ zegenend +achterna. + +Onderweg maakten mijne gezellen een _komplot_ aangaande de boterham; zij +werd gedeeld: wij kregen ieder een stuk zoo groot als een vinger. + +Op het bivak werden de drie roggebrooden eerst met sabelhouwen in groote +brokken gehakt en dan verder met messen gesneden. Van den kapitein tot +den laatsten soldaat, elk bekwam er iets van. + +Den 10^{den} Augustus, in den namiddag, gingen wij voorbij de +wijnheuvels van het dorp Wesemael, op ongeveer anderhalve mijl van +Aerschot. Hier vonden wij vele karren met brood en vleesch, die ons tot +voorraad waren bestemd. + +Men hield het regiment staan, en brandwachten werden op groote afstanden +uitgezet, alsof wij ter dezer plaatse op bivak zouden blijven; de +weinige jagers te paard, die ons van Turnhout af hadden vergezeld, +werden op hoogten en op verre banen gezonden, om alle nadering van +gevaar intijds te kunnen vernemen. + +Uit elke compagnie riep men eenige stoute mannen te zamen; dezen zouden +naar Wesemael gaan en halen wat er noodig is tot het koken van +vleeschsoep. + +Na een half uur tijds stond voor iedere compagnie eene groote koeketel, +op steenen verheven en met water gevuld. Men hakte het vleesch met +sabels aan stukken en legde het in de ketels; vele mannen kwamen +toegeloopen met koolen van alle kleuren, met selder, met ajuin, met +salade: al wat maar groen en eetbaar was, wierp men boven de zwemmende +bonken vleesch. De vuren kraakten, de aangehitste vlammen kronkelden +rondom de ketels, en al de mannen der compagnie stonden met begeerigen +blik en vochtigen mond de veel belovende bobbels na te zien, die in +menigte uit den grond van het ziedende water opklommen. + +Men zou meenen, dewijl wij brood in overvloed hadden, dat de honger ons +nu niet aandreef. Inderdaad, zoo was het; doch het raadselwoord van ons +innig verlangen naar de vleeschsoep ligt in _warm eten_. Het was nu +reeds eenige dagen geleden, dat wij niets anders dan koud eten genuttigd +hadden, en dan nog in ontoereikende hoeveelheid. Nu gingen wij warm +vleesch eten! In onze meening,--in de meening onzer verhongerde +magen,--was niets zoo lekker en zoo onbegrijpelijk versterkend als _warm +eten_. + +Reeds toen het water slechts eenigen tijd gezoden had, waren er mannen, +die met de punt hunner bajonet, zooals zij op het geweer stak, een +koolsblad of eenen struik selder poogden op te visschen. De anderen +stelden zich tegen de rooverij: men stiet elkander weg; er werd +gevochten en geworsteld tot zooverre, dat de oversten zich verplicht +zagen bij elken ketel twee schildwachten te zetten. + +Eindelijk toen de soep eenigen tijd gezoden had en de oogen vet zich +boven het water begonnen te vertoonen, riep men algemeenlijk, dat het +vleesch genoeg gekookt had. Waarschijnlijk zou het nog niet half gaar +zijn; maar van den nood eene deugd gemaakt: indien het slechts van de +warmte was doordrongen, zou het wel goed smaken. + +De oversten toonden zich bereid om den algemeenen wensch te voldoen; nog +eenige minuten, en het regiment zou eten. + +Wie eene gamelle had, hield ze in de hand gereed; iedereen had zijn +knipmes geopend: de lippen verroerden met die eigendommelijke +uitdrukking van iemand, die zich aan het smaken van lekkere spijzen +verwacht. + +Op dit uiterst oogenblik komt een jager te paard in vollen draf +aangerend en zegt eenige haastige woorden tot den generaal. Onmiddellijk +ontstaat het geroffel der trom, die elkeen te wapen en in zijn gelid +roept. Het Hollandsche leger is in onze nabijheid; wij zijn achthonderd, +zij waarschijnlijk tienduizend of meer. Daarenboven, wij mogen niet +strijden; onze bevelen luiden, dat wij den vijand moeten pogen te +ontkomen, om ons te Leuven met het leger onder bevel des Konings te +vereenigen.... Er is geen tijd tot beraadslagen: de ketels worden +omgeworpen; sommige mannen steken een brok vleesch of een kool op hunne +bajonet; doch het ziedend water, dat hun in den hals of op hunne +kameraden druipt, doet hun het geredde voedsel wegsmijten; de oversten +dwingen de compagnien tot een spoedig vertrek.... en eenige minuten +later zijn wij verre van daar, op de baan naar Aerschot, nog immer +mijmerend van het warm eten en de lekkere vleeschsoep, die onder ons +gezicht over den grond is weggestroomd.... + +Wij brachten den nacht buiten de stad Aerschot door, op eene hoogte +tegen de baan naar Hauwaert, waar wij nog een gedeelte van het 9^{de} +linie-regiment aantroffen. Hier kookten wij ons vleesch op het bivak, +zonder gestoord te worden, en kregen buskruid. + +In den morgen werden wij onvoorziens te wapen getrommeld; onze +brandwachten beweerden, dat eene talrijke afdeeling Hollandsche lanciers +op den steenweg naar Diest zich vertoonde. Dewijl de hoogte, waarop wij +ons bevonden, nevens voormelden weg voortloopt en hem diensvolgens +beheerscht, zouden wij de vijandelijke ruiterij pogen te bereiken en ze +van boven de heuvelen met voordeel aanvallen. Dit ten minste werd er +onder ons verteld, toen wij reeds het bivak hadden verlaten. + +Uren lang gingen wij met verhaaste stappen, zonder iets te vernemen. De +zon stond te branden aan den diep blauwen hemel; het was +onbeschrijfelijk heet; en dewijl wij, zonder eene baan te volgen, dwars +door havervelden en aardappelloof onzen marsch rusteloos voortzetten, +waren wij eindelijk door hitte en dorst tot zooverre uitgeput, dat +sommige mannen zich ten gronde lieten vallen en weigerden op te staan. +Wanneer het geviel, dat wij in eenen hollen weg traden, zooals er in die +landstreek vele zijn, legden gansche gelederen, ondanks den wil der +officieren, zich met den mond tegen de vochtige wanden der baan, waaruit +een ijzerachtig water sijperde, en zoo zogen wij uit de aarde eenig +vocht op, om onzen verterenden dorst te koelen. Velen onzer zaaiden +hunne kleedingstukken langs de baan, bovenal de kapotten, om het gewicht +van hunnen ransel te verminderen. + +Omtrent den middag, toen wij buiten adem en schier versmacht van dorst, +gevoelloos en met hangend hoofd voortstapten, beklommen wij eenen +heuvel, waarboven een molen en een huis stonden. Zoohaast hadden wij den +top des heuvels niet bereikt, of een bataljon van het 9^{de} regiment, +dat ons vergezelde, liep in wanorde uiteen naar een bornput, welke met +zijne hooge wip nevens het huis zich vertoonde. Een aantal onzer jagers, +dit ziende, stormden insgelijks uit hunne rangen om, ware het mogelijk, +eene teug water te bekomen. + +Rondom den bornput werd er een waar gevecht geleverd: men sleurde, men +stiet, men stompte, men wondde elkander, om omtrent den emmer te +geraken. Velen, die geen ander middel zagen om hunnen dorst te lesschen, +staken hun brandend hoofd in den emmer en dronken zoo het ijskoude +water, totdat men ze er van wegrukte. De dokters en vele oversten baden +en smeekten de mannen, dat zij zich toch niet aldus aan eenen zekeren +dood zouden blootstellen; zij dreigden en sloegen met hunne degens, het +hielp niets: wij waren als razend van dorst. + +Onderwijl was er een wolk andere mannen op den grooten wijngaard +gevallen, die zijne groene ranken over den gevel van des molenaars huis +uitspreidde: druiven, bladeren, twijgen, ja, het hout zelf, tot in den +wortel toe, werd verslonden en tot lafenis genuttigd en verknabbeld. +Voor vijftig cents kreeg ik twee druivekorrels van eenen soldaat onzer +compagnie; ik was gelukkig: de zure smaak bracht mij vocht in den +mond.... + +Na eenigen tijd bemerkten onze oversten wel, dat hunne poging om de +mannen van den bornput te houden, vruchteloos zouden blijven. De +trommen hieven den marsch aan, en wij vertrokken. Ten halve den heuvel +zag ik eenige mannen met paarse wangen en koolzwarte lippen op den rug +uitgestrekt liggen: zij waren levenloos, het koude water had hen gedood. + +Na een uiterst moeilijken marsch en veel gaan en keeren, zonder een voor +ons merkbaar doel, kwamen wij des avonds, toen het reeds donker was, +boven eene hoogte bij het dorp Lubbeck, op twee mijlen van Leuven. + +Hier sloegen wij ons bivak neder en kookten aardappelen in koeketels, +welke wij uit het dorp hadden gehaald. + +Onze oversten zeiden ons, dat er des anderen daags een beslissende +veldslag zou geleverd worden; zij vuurden onzen moed aan, herinnerden +ons de dagen der omwenteling en bezwoeren ons om als ware Belgen voor +land en Koning te strijden. + +In de vlakte, beneden de heuvelen, was de Hollandsche krijgsmacht +gelegerd; zij had haren staf bij het dorp Winghe; doch hare voorposten +strekten zich tot in onze nabijheid uit. + +Onze uitgezette brandwachten hadden de gewoonte, elkander van verre +onverpoosd de volgende woorden toe te roepen: "_Sentinelles, prenez +garde a vous!_" waarop de Duitsche of Zwitsersche soldaten, die rondom +het bivak der Hollanders waakten, den onzen spottend toeriepen: + +"_Was der Hund sch..... fresst du !_" + +Het meerendeel van het Belgische leger bevond zich te Leuven, onder +bevel van Koning Leopold; ons regiment, met twee bataljons van het +9^{de}, was een der voorwachten. Diensvolgens mochten wij ons overtuigd +houden, dat wij bij het krieken van den komenden dag den eersten +aanstoot des vijands zouden doorstaan hebben. + +Alhoewel deze zekerheid wel van aard was om ons den slaap moeilijk te +maken, waren de gekookte aardappelen niet zoohaast genuttigd, of allen +legden zich ter aarde, en vielen, onder de vermoeidheid bezwijkend, in +eenen zwaren sluimer. Ik luisterde nog eene wijl op den roep der +schildwachten, die akelig door de nachtstilte rondom ons bivak herklonk +en voortliep; ik dacht aan onzen zonderlingen toestand, droomde van +Borgerhout en mijnen vader, en sloot dan insgelijks de verzwaarde +oogleden ... om, evenals mijne makkers, ze niet meer te openen dan +onder den knal van geweren en kanonnen.... + + + + +V + + +Terwijl wij dus in volle vergetelheid sliepen, was er een Hollandsch +regiment jagers in stilte ons genaderd. Deze scherpschutters, over den +grond kruipend, hadden zich in eene linie uitgespreid, in een breed +haverveld, dat zich nevens ons bivak verlengde. + +De eerste morgenschemer daagde in het Oosten; wij sliepen nog even +bewusteloos en vast..... toen eensklaps eene donderende ontploffing ons +tegelijk deed opspringen. Honderden kogels huilden ons rondom de ooren; +velen onzer makkers waren getroffen en lagen te spartelen in hun bloed. +Er bleef een oogenblik van onbeschrijfelijke verwarring onder ons; dus +verrast, opschietend uit den loodzwaren slaap, duizelig en dwaas, grepen +wij het eerste geweer het beste en begonnen tot verdediging op de +vijandelijke jagers te schieten, wier hoofden wij nu in groote menigte +boven de haver zagen uitsteken. Zij gaven ons geenen tijd om onzen +toestand te herkennen, en vuurden onophoudend op onze dooreenslingerende +schaar. + +Mijn vriend en ambtgenoot, de fourier Walgraff, die zich te verre +vooruitgegeven had, werd op eens door drie kogels, waarvan een in de +zijde, getroffen en viel neder; de drie gebroeders Grad, Jules, Ange en +Lucien, liepen tot dicht bij de Hollandsche schutters en haalden, onder +eenen hagel kogels, den gevallen fourier uit het bereik des vijands weg, +Lucien ontving een geweerschot in den arm[2]. + +Welhaast gelukte het onzen oversten, ons in gelederen te schikken, en +dan boden wij den vijand een hardnekkigen, doch hopeloozen tegenstand. + +Een soldaat mijner compagnie, Blancpain genaamd,--een zeer bloode kerel, +die beroemd was, omdat hij eenen ganschen emmer aardappelen in eens kon +opeten,--kreeg eenen kogel op het kruis zijner draagbanden en sloeg met +zooveel geweld achterover, dat hij mij bijna omverre wierp. Men wilde +hem wegrukken, ofschoon hij gevoelloos scheen als een lijk; doch hij +opende de oogen met zonderlinge verbaasdheid, en vroeg gansch eenvoudig +aan mij: + +"Fourier, ben ik niet dood?" + +Men hief hem van den grond en duwde hem opnieuw in zijn gelid. + +Onderwijl werd het geweervuur met groote hevigheid voortgezet, totdat +een andere troep jagers onze vijanden kwam versterken. + +Dan deden de oversten ons een honderdtal stappen terugwijken en brachten +ons bij het dorp Lubbeck in eenen boomgaard, die omringd was met eene +dikke beukenhaag, welker stammen over kruis in elkanderen waren +vastgegroeid. + +Van achter deze beschutting verdedigden wij ons nog eenigen tijd met +voordeel, alhoewel een hagel kogels over onze hoofden en tusschen onze +gelederen huilde. Velen onzer gezellen werden getroffen; bij het +schetterend geknal der geweren mengde zich ook bijwijlen de pijnlijke +schreeuw der gekwetsten. + +Wij hadden moed genoeg, en het voorbeeld van onzen grootmajoor Maenhout +ware alleen toereikend geweest om ons onversaagdheid in te spreken. Deze +bataljonsoverste was te paard gezeten en meer dan anderen blootgesteld +aan het vijandelijk vuur. Onze officieren wilden hem doen afstijgen; +doch hij, met eenen koelen glimlach op de lippen, sloeg zijn paard +streelend met de hand op den hals, om het te bedaren, terwijl hij +onbewogen zeide: + +"Pietje, Pietje, stil, Pietje; het is niets, Pietje!" + +Op dit oogenblik verscheen eene Hollandsche batterij veldkanonnen boven +den heuvel; zij stelden zich op eenen afstand van ons, borst los met +ontzettend gedonder en stuurde eene wolk schroot op ons af. Gelukkig was +het schot te hoog gemikt; het regende bladeren en takken van de +appelboomen, onder welker kruinen wij stonden. + +De plaats was niet meer te behouden; nutteloos zouden wij tot den +laatsten man vernietigd worden, indien wij langer in den boomgaard +bleven. + +Al strijdend weken wij terug tot den hollen weg, die naar Leuven +afdaalde; wij werden door het geschut der Hollanders vervolgd en moesten +dikwijls onze richting veranderen, om in de plooien des gronds eene +borstweer tegen de vijandelijke ballen te zoeken. + +Hoezeer wij ook in gevaar verkeerden, drukten wij elkander onze +bewondering uit over de snelheid, met welke het Hollandsch veldgeschut +zich bewoog; en waarlijk, het scheen over heuvelen en diepten te +vliegen. + +De kanonskogels schoten meest over onze hoofden weg; wij vervorderden +onzen aftocht zonder merkelijk verlies en zonder onzen stap te +bespoedigen. Hier gaf onze bataljonsoverste eene bittere vermaning aan +eenen officier, die de twee handen met verrassing aan zijne schako +geslagen had, omdat een kanonsbal huilend nevens zijn oor was +voorbijgegaan. + +Omtrent den middag geraakten wij behouden binnen Leuven, waar wij nevens +de Tiensche poort, uitgeput van vermoeidheid, ons ten gronde +nederzetten. + +Terwijl wij in Lubbeck hadden gestreden, waren nog andere onzer +voorwachten buiten Leuven aangevallen geweest. Men vertelde ons, dat het +12^{de} regiment der Belgen grootendeels was vernietigd geworden. + +Eenige soldaten van de troepen, die in Leuven gebleven waren, kwamen bij +ons en verhaalden met groot misbaar, hoe het gansche Maasleger door +verraad was bezweken en op de vlucht geslagen, zoodat wij, verkocht +zijnde door onze oversten zelven, vruchteloos aan den overmachtigen +vijand zouden pogen te weerstaan. Niets is verderfelijker in een leger +voor den vijand, dan de verdenking dat men verraden is; ook werden wij +door deze schrikkelijke mare zeer ontmoedigd; en het is slechts later, +toen wij onzen dapperen koning Leopold evenals den minsten soldaat het +vijandelijk vuur zagen trotsen, dat er ons weder vertrouwen in den +boezem zonk. + +Tot meerdere verstaanbaarheid der voorvallen dienen hier eenige +uitleggingen te worden gegeven. + +Bij den inval der Hollanders op onze grenzen was het Belgische leger, +zooals gezegd is, in twee groote afdeelingen gescheiden. Generaal Daine +voerde het bevel over eene dezer afdeelingen, het Maasleger genaamd, en +was omtrent Hasselt aan het hoofd van 15000 man. Hem was bevel gezonden +om naar Leuven af te wijken en zich daar met het Scheldeleger te +vereenigen, om gezamenlijk den vooruitrukkenden vijand eenen +beslissenden veldslag aan te bieden. Misverstand in het begrijpen der +bevelen, anderen zeggen stijfhoofdigheid vanwege generaal Daine, gaf +aanleiding tot eene noodlottige vertraging in het uitvoeren der +ontvangene bevelen. Het Maasleger werd door de Hollanders afgesneden en +met overmacht aangetast; het verdedigde zich lang en moedig; doch +eindelijk werd het tot eenen verwarden aftocht gedwongen en nam de wijk +naar de stad Luik. Daar bevonden zich nu de overblijfsels van de helft +der Belgische krijgsmacht; terwijl het gansche Hollandsche leger, +voorwaar wel 60,000 man sterk, zich gereedmaakte om Leuven te omsingelen +en ons tot eenen wanhopigen strijd te dwingen. + +Ik heb later in een boek gelezen, dat de Belgen te Leuven slechts 7,000 +man telden[3]. Dit schijnt mij eene onwaarheid: met de hulptroepen der +burgerwacht moest onze macht wel tot de 20,000 man reiken, zoo ten +minste was alsdan onze overtuiging, en de bestaande dingen beloochenden +ons gevoelen niet. + +[Illustration: .... Eenen priester als kanonnier bij een der stukken +staan.] + +Terwijl wij op de binnenvesten van Leuven ten gronde lagen en werkelijk +sliepen, bewoog zich het Hollandsche leger; zijne eene helft trok in +dikke kolommen en onder bereik van ons grof geschut over de heuvelen, +die nevens de stad zich verlengen. + +Er werd van wederzijde een hevig kanonvuur geopend; en gedurende langen +tijd galmde het gedonder van meer dan vijftig stukken onverpoosd door de +lucht. + +Ons regiment lag niet verre van de batterijen; alles geschiedde op +eenige stappen van ons. Mijne gezellen hadden zich in het eerst +opgericht; maar ziende, dat slechts de kanonnen tot den strijd werden +gebezigd, legden de meesten zich weder met het hoofd op hunnen ransel en +sluimerden even vast in, alsof het gebeurende hen niet raakte. Mocht ook +al een kanonsbal iemand onder hen tot slachtoffer komen uitkiezen, het +waken kon het niet beletten. + +Ik, door het tooneel van den kanonnenstrijd getroffen, bleef rechtzitten +en hield het oog op de batterijen gevestigd. Daar zag ik tot mijne +groote verwondering eenen priester als kanonnier bij een der stukken +staan en het geschut op den vijand mikken; hij droeg de kleederen van +zijn ambt en had den tikkenhaan op het hoofd. Allen, die niet sliepen, +bewonderden den pastoor, die aan de stukken zwoegde en arbeidde, als +hadde hij zijn gansche leven dezen dienst gedaan. Een angstschreeuw +ontvloog ons, toen wij in de nabijheid des priesters eenen wagen of +_caisson_ met buskruid in de lucht zagen springen. Eene wijl betreurden +wij zijnen waarschijnlijken dood; doch niet zoohaast was de dikke +rookwolk opgeklaard, of wij zagen hem ongedeerd en even werkzaam bij +zijn kanon staan[4]. + +Onze koning reed te paard nevens de batterijen; zijn gelaat was +onbewogen en droeg dien stempel van stille, indrukwekkende kalmte, welke +den wijzen vorst nu ook nog bij den eersten blik doet eerbiedigen en +beminnen door alwie hem nadert. Zijne tegenwoordigheid bracht moed en +vertrouwen in aller harten; de hoop dat wij, door hem aangevoerd, de +overwinning nog konden behalen, verlichtte den nevel, dien de verdenking +van verraden te zijn over onzen geest geworpen had. + +Terwijl elks aandacht op het vuur der batterijen gekeerd bleef, hadden +de Hollanders op den IJzerenberg, nevens den steenweg naar Mechelen, +stand genomen. Van deze hoogte konden zij de stad Leuven tot puin +schieten. Daarenboven had eene hunner afdeelingen den steenweg op +Brussel bezet en ons diensvolgens de gemeenschap met de hoofdstad +afgesneden. + +Eensklaps bracht men onzen oversten zekere bevelen; wij werden in +allerhaast in dichte gelederen geschikt en tot eene kolom gevormd. Men +zeide in weinige woorden, dat wij met den Koning aan het hoofd den +IJzerberg stormenderhand gingen beklimmen, om kost wat kost, den vijand +uit dezen dreigenden stand weg te slaan; dat wij als _voorwachtbrigade_ +aan het hoofd der kolom zouden vooruitrukken en den aanval beginnen, en +wij te toonen hadden, dat de oude vrijwilligers van Niellon het +vertrouwen des Konings waardig waren.... + +Wij ontvingen het nieuws met blijdschap en onder luid gejubel; doch men +beval ons het stilzwijgen, om alle verwarring te voorkomen. + +Opgevolgd door het gansche leger, trokken wij de Mechelsche poort uit, +tot aan den voet van den IJzerberg, waarboven de vijand ons verwachtte. + +Hier werd onze luitenant Van Diepenbeek door eenen kogel in het +voorhoofd gedood. + +De trommen begonnen storm te slaan; de horens en trompetten deden hunne +aanjagende tonen galmen; het bevel _au pas de charge!_ klonk ons in de +ooren; wij sprongen tegen den berg op en geraakten, na eene wijl van den +vurigsten marsch, tamelijk verward op de vlakke hoogte. Onvoorziens +vielen wij tegen eene machtige batterij kanonnen, die op ons losdonderde +en velen onzer makkers ter neder wierp. Deze schrikkelijke ontploffing +bracht eene zekere aarzeling in onze rangen; doch op de stem onzer +officieren sprongen wij weder met gevelde bajonet vooruit, met het +inzicht om de kanonnen des vijands te overrompelen. + +Den sergeant-majoor Honore, eenen mijner vrienden, werden de twee beenen +door eenen kanonsbal afgerukt; onzer dokter, de heer Dardespinne, deed +den gewonde op zijn eigen paard zetten om hem uit den slag te voeren. De +arme Honore deed nog het Brabantsch volkslied in de hoogte galmen, +terwijl bloed en leven hem uit de gepletterde leden golvend +ontstroomden. + +Ondertusschen werd de berg door de andere gedeelten van ons leger +insgelijks en met evenveel aandrift beklommen; de Hollanders konden dien +eersten aanstoot niet wederstaan en weken terug naar het midden huns +legers. Zij gaven aldus aan het Belgische leger tijd en plaats om zijne +regimenten te ontplooien; en, toen onze stormloop tegen de dikste wolk +der vijanden was gestuit geworden, begon er op de gansche linie een heet +gevecht, dat zich voor alsdan nog bij geweervuur en kanongebulder op +eenigen afstand bepaalde. + +Hier stortte een onzer trommelaars, Bilocq genaamd, door eenen kogel in +het been getroffen, ten gronde. + +Een sergeant van ons bataljon, een Brusselaar met name Jacques, was +zoodanig door strijdlust aangejaagd, dat hij bij het terugwijken der +Hollanders met eenige grenadiers zijner compagnie door hunne slagorde +was geraakt, en onverwachts tegen de ruiters aanviel, die den +oppergeneraal des vijands, Prins van Saksen-Weimar, omringden. De +Belgische sergeant richtte reeds zijne bajonet tot den prins en meende +hem te doorsteken; doch de ruiters vielen in macht op hem aan: hij en +zijne gezellen werden neergesabeld. Men wilde den sergeant voorts +afmaken en dooden; de prins weerhield zijne mannen, nam den dapperen +Jacques onder zijne bescherming en deed hem achteruit van het slagveld +dragen.[5] + +De veldslag duurde voort; ik, als eenvoudig strijder kon niet weten wat +er op eenige stappen van mij geschiedde; ik zag niets voor mij dan eene +onmeetbare wolk rook, die de slagorde des vijands afteekende; ik hoorde +niets dan de duizenden geweerschoten, die zich tot een aanhoudend geknal +vermengden, de ontzaglijke stem der kanonnen, die den IJzerberg onder +onze voeten deden sidderen, het gefluit der kogels, het gehuil der +ballen en bijwijlen ook het gekerm mijner broeders, die met afgerukte +leden of doorboorde ingewanden nedervielen en eenen pijnlijken +doodskreet slaakten of, stervend, nog den nationalen roep aanhieven: +"_Leve de Vrijheid! Leve Leopold!_" + +Op dit oogenblik kreeg ons regiment bevel om zich langs de zijden des +vijands uit te spreiden en hem door een scherpschuttersvuur te +verontrusten. + +Wij zakten den berg af, tusschen de stad Leuven en het slagveld; daar +werden wij volgens krijgsgebruik over eene lange uitgestrektheid gronds +verdeeld, derwijze, dat op elke vijf of zes stappen zich slechts een +paar mannen bevonden. + +De grond was zeer bewogen en de velden nog met den oogst overdekt, +zoodat wij wel de Hollanders, onze vijanden, op de helling van den berg +zagen staan, maar echter onze eigene gezellen slechts gedeeltelijk +konden zien. + +Ik bevond mij met eenen soldaat boven den boord van eenen hollen weg, +die wel tien voet diepte had; en, alhoewel wij zeer van den vijand +verwijderd waren, schoten wij onverpoosd op zijne rechterzijde. + +Onderwijl hoorden wij, hoe op den berg het gedonder der kanonnen +aanhoudend boven de strijders galmde en hoe de strijd daar meer en meer +in hevigheid toenam. + +Eensklaps klonk over de vlakte, waar wij ons bevonden, een akelige +waarschuwingskreet: "de ruiterij! _la cavalerie! la cavalerie!_" En +inderdaad, wij zagen eene wolk vijandelijke dragonders den berg +afzakken, om ons te komen bevechten. + +Men zegt gewoonlijk onder de soldaten, dat een voetganger voor eenen +ruiter niet hoeft te vreezen. Voor oude en geoefende soldaten moge dit +eene waarheid zijn; voor ons, die als vrijwilligers onzen tijd bij de +boeren hadden gesleten, was het er echter geheel anders mede gesteld. +Het gezicht van die groote mannen, op groote paarden gezeten en met +bliksemende zwaarden in de hand, boezemde ons zoo niet vrees dan toch +angst in. Wij stonden bij paren, verre van elkander, en konden onze +officiers niet zien. Zoo verlaten of afgezonderd moesten wij den aanval +afwachten der ruiterij, die in groote menigte den berg afdaalde! + +Eens in de vlakte geraakt zijnde, verdeelden de dragonders zich +insgelijks in eene lange reeks; en, als hadde elk eenen scherpschutter +tot slachtoffer uitgekozen, reden zij bij paren met slingerende zwaarden +op ons los. + +Ik begreep, dat mijn laatste uur gekomen was; ik voelde mij verbleeken, +mijn ingewand sidderde; en van dan af hield ik mijnen blik met zooveel +vastheid op de twee vijanden gericht, die ons schenen uitgekozen te +hebben, dat mijn makker van mijne zijde verdween, zonder dat ik het +bemerkte. + +Minder dan een boogschot waren de dragonders van mij verwijderd, toen ik +mijn geweer op hen afschoot zonder er een' te raken; ik meende nog te +laden, doch ik liet de kardoes uit mijne hand vallen; want ik had +nauwelijks den tijd om de bajonet tot verdediging te vellen. + +Een der twee dragonders sprong ter zijde door de haver, waarschijnlijk +om mijnen kameraad aan te vallen. Mij dacht, ik hoorde zijnen laatsten +doodskreet mij in de ooren galmen! + +Ik hield de bajonet vooruit, welbesloten om, indien het mogelijk ware, +mij hardnekkiglijk te verdedigen. De overtuiging, dat ik sterven ging, +ontrukte mij eenen zucht der treurnis, eenen afscheidsgroet aan het +leven. + +Het zwaard des dragonders bliksemde mij in de oogen; hij riep, dat ik +mij overgeven zou; doch ik bleef met den verslindenden blik van den +doodsangst sprakeloos de plaats zoeken, waar ik hem of zijn paard zou +kunnen wonden. + +Het moet zijn, dat het paard verschrikt of onbedwingbaar was; misschien +dat de dragonder zelf mijn wapen ontweek, om mij van ter zijde onder +bereik van zijn zwaard te krijgen; want, ofschoon dit alles +ongeloofelijk snel geschiedde, zwenkte mijn vijand twee- of driemaal +rondom mij, tot zooverre dat het mij gelukte, zijn paard eene wonde aan +den schouder toe te brengen. + +Wat er verder tusschen hem en mij gebeurde, weet ik niet. Terwijl ik het +hoofd afkeerde om zijn slingerend zwaard te ontwijken, voelde ik, dat +een felle slag mij trof, en ik in eene diepte tuimelde, die voor mijne +geschokte inbeelding grondeloos scheen te zijn. Ik daalde en daalde, +alsof ik in de eeuwigheid wegzonk.... + +Met geweer en ransel was ik achterover in den hollen weg gestort en +bleef daar, door den val bedwelmd, een oogenblik roerloos op den rug +liggen; evenwel, het bewustzijn keerde onmiddellijk in mij terug. Ik +opende de oogen en zag verbaasd in het ronde; mijn blik ging ten hemel, +en ik dankte God, dat Hij mij zoo wonderbaar van eenen zekeren dood had +gered. + +Boven mij hoorde ik nog twee pistoolschoten lossen. Ik meende de plaats +te ontloopen; doch mijn linkervoet, wanneer ik hem opheffen wilde, +ontrukte mij eenen schreeuw der pijn. Desniettegenstaande sukkelde ik +door den hollen weg voort in de richting der stad. + +Toen ik den steenweg bereikte en op de plaats kwam, waar wij allereerst +stormenderhand den IJzerberg hadden beklommen, was de veldslag verloren +en het grootste gedeelte onzes legers in volle vlucht. Nog een of twee +regimenten, streden wijkend boven den berg. + +De poort der stad Leuven, die op den Mechelschen steenweg uitziet, +spuwde als het ware kanonnen, karren en wagens bij honderden; de +voerlieden er van sloegen op de paarden met zweepen en sabels..... en +alles rolde als een verwarde stroom over de baan naar Mechelen. + +Nevens mij stond een sergeant van mijn regiment, met name Lemaigre, die +nu kapitein is. Terwijl hij zich de haren van woede en razernij +uitrukte, zag hij in de verte eene batterij Belgische artillerie uit +Leuven komen aangerend, bestaande uit acht stukken van twaalf pond +ijzer. Geen ander overste dan een sergeant scheen over de batterij te +bevelen; en dewijl Lemaigre hem persoonlijk kende, hield hij hem staan +en bezwoer hem, dat hij toch de batterij tegen de zijde des vijands zou +stellen, om zoo onze beslissende nederlaag te vertragen en den aftocht +een ogenblik te dekken. + +De sergeant des kanonniers,--mijn vriend Lemaigre noemde hem +Mathieu,--volgde den raad en brandde al zijne stukken los; eene wolk +schroot drong in de rangen des vijands, en er deed zich werkelijk eene +aarzeling in zijnen aanval op de laatste dapperen onzes legers bemerken. + +Ik verliet deze plaats en sleepte mijnen voet met onbeschrijfelijke pijn +achterna, tot op eenigen afstand, waar ik over eene groote afspanning, +tegen eenen boom der baan mij nederzette. + +Onderwijl was ook het laatste regiment der Belgen bezweken, en nu was +het gansche leger in aftocht. + +Op dien stond liep van mond tot mond de schreeuw: "_Armistice! +armistice!_ Wapenstilstand! Vrede!" + +Maar ofschoon de wijkende Belgen dit woord herhaalden, gaven zij er toch +geen gehoor aan; misschien omdat nog uit de verte eenige schaarsche +kanonschoten over de vlakte donderden. + +Dan zag ik plotseling voor de afspanning onzen koning Leopold, te paard +gezeten en omringd van eenige stafofficieren; hij scheen met hen te +beraadslagen, en reed welhaast met zijn geleide naar Leuven op, in de +richting van het vijandelijk leger. Ik had het gelaat des Konings +aandachtig beschouwd: eene droeve, doch grootsche kalmte maakte het +indrukwekkend, zelfs op dezen smartelijken oogenblik. + +De Hollanders vervolgden de Belgen niet; geen geweervuur liet zich nog +vernemen: er was inderdaad een wapenstilstand gesloten, waarvan de +mogelijkheid en de reden slechts door eenige uitleggingen kunnen worden +verstaanbaar gemaakt. + +De Conferentie der groote Europeesche Mogendheden, te Londen vergaderd, +had de scheiding van Holland en Belgie uitgesproken; en het was om zich +tegen deze beslissing te verzetten, dat de Koning van Holland den inval +in Belgie had gewaagd. Frankrijk was gelast, desnoods met geweld de +uitvoering van den wil der Conferentie te verzekeren. Met dit inzicht +was er sedert lang een Fransch leger van 50,000 man op onze +Zuidergrenzen vergaderd. Bij het vernemen der tijding van het verlies +van het Maasleger hadden de Fransche generaals met reden gemeend, dat de +Belgen weinig kans hadden om tegen hunnen overmachtigen vijand te staan; +en zij waren met hun leger over de grenzen gerukt, om koning Leopold ter +hulp te snellen. + +Juist toen de veldslag van Leuven op het hoogste was en de meeste +Belgische regimenten met groot verlies den IJzerberg afgedreven werden, +boden de eerste Fransche officieren, als zendelingen huns generaals, +zich bij den hoofdstaf der Hollanders aan, en deden den Prins Van Oranje +en den Prins van Saksen-Weimar begrijpen, dat, indien er nog een +kanonsbal geschoten werd, het Fransche leger in naam der Mogendheden, +hun eenen nieuwen veldslag zou komen aanbieden, waarin de Hollanders +ontwijfelbaar zouden bezwijken. Een Engelsch zaakgelastigde, dien wij +dien dag meermaals met onzen Koning gezien hadden, was daar insgelijks +tegenwoordig. Er werd een wapenbestand getroffen, waarbij men bepaalde, +dat alle vijandelijkheden zouden ophouden, en dat het Hollandsche leger +des anderen daags,--wel door de Franschen opgevolgd, doch +ongehinderd,--naar de grenzen zou vertrekken. Het geschiedde zoo. + +[Illustration: Wij werden elk in een bed gelegd.] + +Wanneer alles rondom mij stil geworden was, richtte ik mij op en poogde +van boom tot boom voort te gaan. Mijn voet was zeer gezwollen; ik had +mijnen schoen in stukken gesneden, om hem te kunnen uitdoen, en ik +sukkelde nu onder het lijden van hevige pijnen, langzaam nevens den +steenweg voort, van tijd tot tijd mij nederzettende om te rusten. + +De avond begon reeds te vallen; en ik lag weder met den rug tegen eenen +boom der baan, wanneer een open fourgon voorbijreed, waarin nog eenige +gekwetste soldaten zich bevonden. Men vroeg mij, waarom ik daar zoo +eenzaam bleef zitten; op mijn antwoord hieven de voerlieden mij in den +fourgon. + +Toen wij te Mechelen kwamen, vonden wij al de straten overdekt met +Belgische soldaten van alle regimenten en wapenen, die in de grootste +verwarring op de steenen uitgestrekt lagen en sliepen. Ik bleef in den +fourgon tot den morgen, als wanneer ik met behulp van eenen kameraad mij +naar de Antwerpsche poort begaf, waar de verstrooide mannen van ons +regiment zouden vergaderen. Na de oproeping der namen zouden wij +Mechelen verlaten en weder den steenweg naar Leuven optrekken. + +Omtrent elf uren des morgens was alles tot het vertrek gereed; eenige +gekwetsten, waaronder ik zelf, lagen op karren en zouden volgen. + +Bij de poort der stad werden de karren echter teruggehouden, en er werd +bevel gegeven om de gekwetsten naar het hospitaal te voeren. + +Het hospitaal, waarbinnen men ons bracht, was slechts voorloopig +ingericht, en men noemde het eene _infirmerie_. + +Wij werden elk in een bed gelegd; er kwamen zusters van liefde, die ons +allerlei goed voedsel, wijn, lekkernijen en zelfs geld gaven. Een +heelmeester verbond mijnen voet..... en, alhoewel mijne pijn nog uiterst +hevig was, viel ik welhaast in eenen diepen slaap, die bijna tot den +volgenden morgen duurde. + +Mijn voet bleef zeer pijnlijk gloeiend tot den tienden dag; dan kwam er +eene spoedige beternis, eene week later kon ik reeds de _infirmerie_ +verlaten, om mij naar mijn regiment te begeven, dat zich in en rondom +Dendermonde bevond. + + + + +VI + + +De slag van Leuven en de voorvallen, die hem waren voorafgegaan, hadden +elkeen de overtuiging gegeven, dat onze nederlaag alleenlijk toe te +wijten was aan de slechte inrichting des legers en aan de afwezigheid +van het gevoel der onderschikking, zoowel tusschen de officieren als +tusschen de soldaten. Het Staatsbestuur, door eenen ervaringrijken +koning aangedreven, hield zich onverwijld met de herinrichting des +legers bezig; men zou den officiers, die de noodige bekwaamheid niet +bezaten, hun ontslag geven, andere, oudgediende oversten in hunne plaats +stellen, de tucht strengelijk doen handhaven, en met onverbiddelijke +krachtdadigheid de gedachte van persoonlijke onafhankelijkheid +versmachten, welke de vrijwilligers in het leger hadden gebracht. + +Bij mijnen terugkeer in het regiment had men mij aangewezen, om +voorloopig het ambt van sergeant-majoor in eene andere compagnie te gaan +waarnemen. Ik deed mijn uiterste best om de gunst mijner nieuwe oversten +te verdienen, en arbeidde zes halve nachten om de achtergeblevene +schriften der compagnie gansch in orde te brengen. Men sprak grooten lof +van mijnen ijver en van mijne bekwaamheid; niemand twijfelde of ik zou +tot den graad van sergeant-majoor worden verheven. In dezelfde +overtuiging schreef ik met hoogmoed en blijdschap aan mijnen vader +aangaande mijne onfeilbare verhooging, en ik ontving daarover zijne +liefderijke gelukwenschen. + +Eenige dagen later kwam de generaal-inspecteur Olivier te Dendermonde, +om de herinrichting van ons regiment te bestieren. Vele +officieren,--onze kolonel zelfs,--werden op halve soldij weggezonden of +verplaatst; anderen, die wij niet kenden, werden ons tot oversten +gegeven; de nauwe uitvoering der tuchtwetten werd verzekerd, en zoo +kreeg ons regiment een gansch nieuw voorkomen. + +Toen men de benoemingen tot de openstaande plaatsen van onderofficier +wilde doen, werd ik door den nieuwen kolonel onderzocht. Ik was slechts +negentien jaar oud; en, tot overmaat van ongeluk, deed mijne magerheid +en iets kinderlijks in mijn opzicht, mij nog veel jonger schijnen. + +Met mijne bekwaamheid had de kolonel wel vrede; maar een +sergeant-majoor, zeide hij, moet ontzag kunnen inboezemen, dewijl hij in +eene compagnie de ware werkspil is en met de uitvoering der ontvangene +bevelen is belast. Nu men voor doel had, de tucht in het leger te doen +eerbiedigen, mocht men geene kinderen tot sergeant-majoor aanstellen. + +Hij deed mij met goedheid in de stemme begrijpen, dat ik nog te jong en +te klein was om zulk gewichtig ambt naar behooren te vervullen; ik had +tijd genoeg om te wachten, en men zou zich mijner herinneren, wanneer +het nieuwe regiment aan de nieuwe inrichting zou gewend zijn. Ik werd +ter zelfder tijd aangewezen, om in eene nieuwe compagnie van het eerste +bataljon mijnen vorigen dienst van fourier te hernemen. + +Het was met het hoofd onder smart en spijt gebogen, dat ik de woning des +kolonels en de stad verliet, om mij naar het dorp te begeven, waar onze +compagnie alsdan geherbergd lag. + +Onderweg dreven mij allerlei treurige gepeinzen door het hoofd; ik morde +met bitterheid tegen mijnen geringen ouderdom en mijne kleine gestalte, +en klaagde het den boomen, dat mijn uiterlijk voorkomen mij als een kind +met minachting deed behandelen, ofschoon, volgens mijne meening, een +krachtig mannenhart, mij in den boezem klopte. Daarbij voegde zich de +overweging, dat mijn vader mijne teleurstelling met verdriet zou +vernemen en mij misschien van laatdunkendheid zou beschuldigen! Mijne +vrienden in het regiment zouden weten, waarom ik tegen de algemeene +verwachting niet was verhoogd geworden.... Omdat ik nog te veel aan een +kind geleek! Dewijl deze reden mij reeds veel had doen lijden, en +waarlijk in het krijgsleven mij een bestendige hinderpaal en eener bron +van kleinachting was geweest, was ik ten uiterste gevoelig geworden aan +allen twijfel aangaande mijne hoedanigheid van man. + +Twee dagen later werd ik bij mijne nieuwe compagnie ingelijfd. Daar +kende mij niemand, en ook niemand scheen geneigd om mijn stil en zoet +karakter te ontzien of te sparen. + +Nu begint voor mij een tijdstip van ramp en lijden, van ziekte der +inbeelding, van droomachtige zelfverknaging, van kwalen, die mij alle +lichaamskracht zullen ontrooven en mij tot op den boord van het graf +moeten voeren.... + +De kapitein mijner nieuwe compagnie was een zonderling man, wiens +inborst en daden als een ondoorgrondelijk raadsel iedereen verwonderden; +hij had vele jaren als stafofficier onder de Turken gediend: ik +twijfelde somwijlen, of hij zelf niet een Turk was, die zich voor eenen +Franschman deed doorgaan. + +Tamelijk lang van gestalte was hij, hoekig en baldadig in al zijne +bewegingen, uiterst ruw, kort en streng in al zijne woorden. Zijne +kleine, grijze oogen fonkelden in diepe holen, en hun doordringende blik +was indrukwekkend voor ieder, als de blik des arends. Meest stampte hij +onder het spreken geweldig met de scheede van zijnen sabel op den grond, +mengde de krachtigste soldatenwoorden, tusschen zijne rede en had de +gewoonte, onverpoosd naar alle kanten in het ronde te spuwen. Somwijlen +zou men gewaand hebben, dat hem iets in de hersens faalde en hij +zinneloos was. + +In zulke oogenblikken was het hem eenerlei wie voor hem stond: +officieren of soldaten, ieder moest zwichten en zijne harde verwijten in +stilte verkroppen. Geraakte hij in twist met zijne gelijken, hij liet +hooren, dat hij gereed was, om met sabel of pistool zijn woord gestand +te doen; en dikwijls was een tweegevecht--voor hem altijd gelukkig +afloopend--het einde zijner schijnbare ruwheid. + +Met sommigen zijner oversten was hij even hard; ook werden door dezen +niet zelden pogingen aangewend om hem ernstigere straffen te doen +ondergaan, dan men er bij het regiment kon opleggen. Hoe het kwam, weet +niemand, maar telkenmaal--zelfs voor het krijgsgerechtshof--kreeg hij +gelijk en bleef ongehinderd. Zijne verdedigingen, welke hij zelf +schriftelijk opstelde, waren ongemeen krachtig en talentvol: wie hem tot +tegenstrever had, kwam er nooit ongedeerd van af. + +Vele redenen maakten hem echter bij de meeste soldaten der compagnie +bemind en ontzien; eenigen zelfs zouden voor hem zonder aarzelen hun +leven in gevaar gebracht hebben, indien hij het hadde verlangd. In den +slag van Leuven had hij zich als een onversaagd officier gedragen, en +zich meer dan eens met wonderbare vermetelheid ten doel der vijandelijke +kogels vooruitgeworpen. In alle gevallen, waar het mogelijk was, +verdedigde hij de soldaten tegen de mindere officiers en onderofficiers; +soms ook wel tegen de hoogere oversten. Een groot gedeelte zijner soldij +schonk hij aan de wakkerste mannen der compagnie tot drinkgeld weg, en +toonde zich bij vlagen zoo goedhartig en zoo mild jegens hen, dat men +hem roemde als een voorbeeld van belangeloosheid en van edelmoed. + +Wat hij niet lijden kon, was de zachtheid van taal en zeden, welke +sommige officiers uit het burgerlijk leven hadden behouden. Hij schold +zulke manieren uit voor verwijfdheid en zwoer, dat elkeen onder zijn +bevel _soldaat_ zou worden in den vollen zin des woords, of er onder zou +bezwijken. + +Met eene opmerkelijke ruwheid bezat deze onbegrijpelijke man een diep en +vlug verstand; hij was zeer geleerd en wist over zaken van krijgsdienst +zooveel als een generaal hoeft te weten. Daarenboven pleitten vele +zijner daden in hem voor zekere goedheid des harten. Dit mengsel van +allerlei hoedanigheden maakte hem tot een soort van raadselachtig wezen, +dat den meesten eenen geheimzinnigen schrik of ten minste een gevoel van +verwijdering inboezemde. + +Deze kapitein zou mijn overste worden! Men begrijpt lichtelijk tot +hoeverre mijne inborst, mijne zwakheid en mijne lijdzame +achterhoudendheid hem moesten mishagen. + +Toen ik, met den ransel op den rug en het geweer op den schouder, voor +de eerste maal bij mijne nieuwe compagnie mij vertoonde, stonden de +mannen tot eenen oogenschouw der wapenen in gelederen geschaard. De +adjudant-majoor van het bataljon leidde mij tot de compagnie en +verwijderde zich, terwijl hij kortweg zeide: "Kapitein, ziehier uwen +nieuwen fourier!" + +Het was een onuitdrukkelijke blik van spijt en minachting, dien de +kapitein op mij wierp; hij aanschouwde mij van hoofd tot voeten, keerde +rondom mij, spuwde langs alle kanten met gramstorig gemor en riep dan, +als in woede, tusschen vele indrukwekkende woorden, die men niet +nederschrijft: + +"Ah sa, wat hebben ze ginder in het hoofd? Of meenen ze, dat mijne +compagnie eene kinderschool is! Men spot met mij! Er zijn andere mannen +noodig om de _gaillards_ mijner compagnie te bevelen. Wij zullen het +zien: het zal er niet bij blijven!" + +En onder het uitspreken dezer woorden liep hij verder de Markt op naar +den kant, waar zich de kolonel en de groot-majoor bevonden. + +Ik was, van schaamte bevend, in mijn gelid tusschen de onderofficieren +gaan staan, en van daar zag ik, hoe de kapitein voor den kolonel +geweldig met armen en beenen gebaarde en zijne sabel ten gronde stiet. +Mij was het klaarblijkend, dat hij zich tegen mijne benoeming in zijne +compagnie verzette en weigerde mij als fourier te aanvaarden. + +Hij gelukte echter in zijne pogingen niet, vermits hij, een oogenblik +later, vloekend en morrend tot mij kwam geloopen, mij nog eens van hoofd +tot voeten beschouwde, en dan op scherpen toon zeide: + +"Het is wel, wij zullen zien! Maak dat gij recht in uwe schoenen loopt, +en toon, dat gij haar op uwe tanden hebt, of gij zult een zuur leven met +mij hebben!" + +Den bliksem van zijnen oogslag niet kunnende verdragen, liet ik het +hoofd voorovergaan. + +"Hoofd recht, en zie mij in de oogen!" riep de kapitein. + +Ik weet niet, maar het was mij, alsof iets vreeselijks uit zijnen blik +mij in de ziele drong; en opnieuw boog ik het hoofd, van benauwdheid en +van schaamte schier bezwijkend. + +"Wie heeft om Gods wil zulke soldaten geschapen? Hij beeft als een oud +wijf!" morde de kapitein met verachting. + +"Te twee uren in mijne herberg!" beval hij. "Wij zullen beproeven of het +mogelijk is, iets van u te maken." + +Verder bemoeide hij zich niet meer met mij, dan alleenlijk dat hij nog +bijwijlen eenen minachtenden blik op mij wierp. Ik was zoozeer onthutst +door deze ruwe behandeling, dat ik bijna niet wist wat te antwoorden op +de vragen en bevelen, mij door den sergeant-majoor, mijnen +onmiddellijken overste, toegestuurd. + +Te twee uren begaf ik mij naar de herberg des kapiteins. Mij sidderde +het hart, en ik was benauwd, alsof mij iets zeer ongelukkigs moest +overkomen. + +In zijne kamer toegelaten, vond ik hem bij eene tafel aan het schrijven; +hij sprong, op met eene geweldige beweging, beschouwde mij eene wijl, +beklaagde zich nog, dat ik hem tot fourier was gegeven, en vroeg mij +dan, van waar ik was, en wat ik had geleerd. + +Met zoete, nederige stemme vertelde ik hem van mijnen vader en van mijne +vorige bestemming tot het onderwijzerschap. Ik beloofde hem mijn +uiterste best te zullen doen om hem te believen, en smeekte hem, mij +toch niet zoo ruw te behandelen, dewijl mij dit oneindig meer verdriet +aandeed dan hij mij wilde veroorzaken. + +In het eerst scheen hij met genoegen of met geduld op mijne uitleggingen +te luisteren; maar mijn gebed tot zachtere behandeling deed hem in woede +ontsteken, of ten minste hij gebaarde, dat het hem tot het uiterste punt +der gramschap had vervoerd. + +Nu rolden de toornige woorden als een vloed van zijne lippen, en uit +zijn oog schoten gensters, die mij deden sidderen; dan weder verkalmde +hij en beweerde, dat ik van den groven borstel noodig had om _soldaat_ +te worden. Andere malen greep hij mij gulhartig bij de hand en zeide: + +"Gij zijt vervaard van mij? Gij beeft? Hoe kreegt gij het toch in uw +hoofd, soldaat te worden? Gij trekt gezichten, alsof gij nog op den +schoot uws moeders zaat! Kom, schep moed, ik zal eenen man van u maken. +Wat ik doe, is voor u goed.... Maar zoo gij kind wilt blijven, dan +vindt gij geene verschooning voor mijne oogen: ieder moet zijn' stiel +doen, en het is al veel te lang, dat men in het leger _muscadyns_ en +oude wijven hunnen vrijen gang laat gaan." + +Mijne vreesachtige antwoorden en bovenal de moedelooze toon mijner stem +bevielen hem niet. Opnieuw begon hij mij te bedreigen en voor kind en +melkbaard te schelden, tot zooverre dat ik, onder eene ware +verschriktheid bezwijkend, in tranen losborst. + +Dan kende zijne woede geene palen meer; hij vatte mij bulderend bij den +schouder, duwde mij de kamer uit en sloot de deure toe. + +Met vermorzeld hart, gansch moedeloos en van de toekomst schrikkend, +sukkelde ik naar mijne herberg, waar ik den sergeant-majoor mijn +wedervaren vertelde. + +Deze poogde mij te doen begrijpen, dat de kapitein inderdaad zonderlinge +manieren had, maar dat men het niet ernstig opvatten moest, dewijl hij +zelf het zoo niet meende; dat hij in den grond een goed hart had, en +niemand wetens en willens kwaad zou doen; ja, dat het gebeurde een +bewijs was, dat hij veel geneigdheid voor mij gevoelde, en +rechtzinnelijk moeite wilde doen om mij _soldaat_ te maken, eene +hoedanigheid, die mij klaarblijkend ontbrak. + +Hoe het zij, de wijze, op welke men mijne inborst wilde veranderen, +krenkte mij den geest en maakte mij wanhopig. Elken dag overlaadde de +kapitein mij met harde woorden, en poogde als het ware mijn lijdzaam +gemoed tegen zijne ruwe behandeling in opstand te brengen; hij scheurde +mijn schrijfwerk onder alle voorwendsels aan stukken, strafte mij om de +minste schijnreden, en vernederde mij bloedig in tegenwoordigheid der +soldaten, die ik in vele gevallen te gebieden had. + +Welhaast verlieten wij Dendermonde, om in het kamp bij Diest te gaan +liggen, waarna wij eenigen tijd op de dorpen geherbergd bleven, en +eindelijk te Bergen-Henegouw in de groote kazerne geraakten. + +In November 1831 vertrokken onze sergeant-majoors naar het _depot_, om +er de schriften der compagnien door wederzijdsche vergelijking in orde +te brengen. Zij bleven zes maanden afwezig, en lieten gedurende dien +tijd de fouriers met de vervulling van hun ambt belast. Dezen laatsten +werd een korporaal toegevoegd, om hen in hunne dubbele hoedanigheid te +helpen. + +Nu vielen mij eene groote verantwoordelijkheid en ongemeen veel +bezigheid ten laste; mijne vreesachtigheid maakte mij de taak veel +zwaarder dan zij was; ik kon schier niet slapen van ongerustheid en +bekommernis, en beging daarom juist nu en dan wel eens eenen misgreep in +de uitvoering der ontvangen bevelen. + +Mijn kapitein bleef nog immer bij zijn inzicht om, zooals hij zeide, een +_soldaat_ van mij te maken. Bijna elk uur van den dag moest ik nu met +hem in aanraking komen; hij bejegende mij telkens met ontmoedigende +hardheid, strafte mij onbarmhartiglijk en vervulde mijn neergeknakt +gemoed met hopeloosheid en met schrik. + +Langzamerhand werd mijne inbeelding krank; mijn verstand geraakte in de +war; de kapitein met zijne bliksemende oogen kreeg voor mij de vormen +van een geheimzinnig wezen, van eenen boozen geest. Zijne stem deed mij +sidderen; des nachts droomde ik van vervaarlijke dingen, van uitteren en +van sterven, en telkens stond de vreeselijke beeltenis des kapiteins bij +mijne doodsponde te lachen, als verblijdde hem het laatste oogenblik +zijner uitgeputte prooi.... Ook mijn lichaam vermagerde spoedig; de +wangen werden mij geel en doorschijnend, en alhoewel ik mij zelden over +mijn lot beklaagde, gevoelde ik iets in mij, dat mij een vroegen dood +voorspelde. + +Dat mijn kapitein een boosaardig man was, mag men niet gelooven; maar +wat doet het er toe? De inbeelding, wanneer zij met ziekelijke +ontsteltenis is getroffen, schept spoken en ondergaat hunnen invloed, +alsof zij werkelijk bestonden.--Met mij was het zoo gesteld. + +Ik was tot zooverre geraakt, dat ik elk mensch voor eenen vijand en voor +een zielloos en kwaadaardig wezen aanschouwde, en ik haatte in mijn +binnenste de wereld en het leven, wier onschuldig slachtoffer ik mij +waande te zijn. + +Mijne gezellen vluchtte ik; des avonds, wanneer mij geene haastige +bezigheden tot den arbeid dwongen, zat ik eenzaam in mijne kamer, met +het hoofd op de handen, te mijmeren en te droomen van mijn vorig leven; +alsdan somtijds tot eene ziekelijke begeestering der smart opgevoerd, +sprak ik tot God, Hem zeggende, dat ik mij verduldig boog onder het +gewicht van Zijnen arm, en lijdzaam het lot te gemoet zag, dat Zijn wil +mij had beschikt. + +Terwijl mijne kameraden zich buiten de kazerne vermaakten en den avond +in vreugde doorbrachten, hield ik mij dus bezig met mijn eigen hart te +verknagen en mij de gemoedskracht te ontnemen, die er noodig was om niet +onder het verdriet te bezwijken.... + +Ik leed aan de schrikkelijke en meest altijd doodelijke kwaal, die men +_landziekte_ of _heimwee_ noemt... + +Het heimwee is eene zonderlinge en geheimzinnige ziekte der hersens. Zij +vindt hare meeste slachtoffers onder de jonge soldaten; eenige ook onder +de scholieren, die verre van het ouderlijk huis met dwang in eene +kostschool worden opgevoed; of onder jonge kloosterlingen, of onder +jonge gevangenen: in een woord, onder zulke menschen, die te vroeg van +de geboorteplek zijn weggerukt en nog iets van de teergevoeligheid +hunner kindsheid hebben behouden. + +Wanneer een soldaat de landziekte krijgen zal, bekomt zijn gelaat eene +bleeke kleur van eenen eigendommelijken toon; zijne oogen worden +weifelend en bewegen langzaam; het hoofd nijgt hem op de borst. Hij +schijnt altijd in diepe mijmering verzonken; en, spreekt men hem hard +toe, hij schiet met verrassing uit zijnen droom, als iemand die +ontwaakt. Niets kan hem vermaken; zijn lach, indien hij nog bekwaam is +om te veinzen, is bitter en droef als eene klacht. Hij vlucht zijne +vrienden en is liefst alleen; wanneer zijne gezellen de kazerne +verlaten, om uit wandelen te gaan, blijft hij in de kamer; als zij te +huis zijn, verbergt hij zich in den eenen of anderen hoek der kazerne om +ongezien met het hoofd op de borst in vrijheid te kunnen droomen. + +Altijd mijmert hij van dezelfde dingen; zijne oogen zien het vaderlijke +huis en de bergen, waar zijne wiege stond. Hij spreekt tot zijne +afwezige moeder; hij noemt de namen der vrienden zijner kindsheid; hij +ziet en hoort alles, wat hem te huis dierbaar was. In dezen engen kring +beweegt zich zijne ziel; en, of hij onder de wapens zij of niet, wat hij +doe of verrichte, er is geene plaats voor andere gedachten meer in zijn +hoofd. + +Door deze _eendenkerij_ vervallen zijne hersens welhaast in eene durende +verlamming, die voor gevolg heeft, dat het lichaam de noodige +zenuwsappen niet meer toegezonden worden. + +Allengs begint de maag van den heimzieken soldaat voedsel te weigeren; +hij vermagert spoedig, laat zijne leden krachteloos hangen en beweegt +zich met eene opmerkelijke traagheid. Onderwijl geschiedt er in zijn +binnenste iets vervaarlijks: zijne longen verdrogen, verengen en baren +in de verholenheid zijner borst die ronde verhardingen, welke een +doodvonnis zijn.... Hij begint te kuchen en te hoesten.... Men schrijft +hem een briefje om naar het hospitaal te gaan; zijne kameraden zien hem +met treurigen oogslag achterna, terwijl hij de kazerne uitsukkelt.... Zij +weten wel, dat hij niet wederkeeren zal...! + +Er zijn zoovele jonge soldaten, welke dien weg ingaan! En het zijn de +begaafdste zielen, de gevoeligste harten; want een ruw jongeling of een +kerel met stoffelijke neigingen krijgt het heimwee niet. + +Vele regimentsdokters pogen, wanneer zij de teekens dezer ziekte in +eenen loteling bespeuren, hem een verlof te bezorgen, om voor eenige +dagen naar het ouderlijk huis terug te keeren. Mochten zij allen dus +handelen! Er is geen ander geneesmiddel: al het overige dient slechts om +den noodlottigen loop der kwaal te verhaasten. Maar men moet het +aanwenden, zoohaast de gemakkelijk herkenbare teekenen der kwaal zich +openbaren; want heeft het heimwee eens de kiemen des doods in de longen +neergelegd, dan is het voor alle menschelijke hulp te laat. + +Die ijselijke ziekte ondermijnde mijn leven;--ik hoestte echter nog +niet.... + +Tot overmaat van ongeluk _deserteerde_ omtrent dien tijd de korporaal, +dien men mij als hulp had toegevoegd. Hij had de schriften der +broodlevering vervalscht en zeven paar nieuwe beddelakens verkocht of +medegenomen. Deze laatste voorwerpen en eene groote hoeveelheid brood +moest ik te goed doen; men zou de waarde er van, die eene voor mij +aanzienlijke som beliep, op mijne soldij afhouden. Daarbij, men +beschuldigde mij van lafheid. + +Dien dag onderstond ik vanwege mijnen kapitein eene wreede berisping, +die mij verpletterde en de laatste vonk van levenslust in mij verdoofde. + +In den loop van den avond, terwijl ik in eenzaamheid zat te treuren, +werden mijne leden allengskens ijskoud; alles beefde met groot geweld +aan mijn lichaam. Geneigd om immer den zwartsten kant der zaken te zien, +meende ik, dat mijn stervensuur ging naderen; doch, alzoo ik mij nu op +mijn bed had neergelegd, begonnen mijne hersens te gloeien en mijne huid +te blaken, alsof mijn leger een brandstapel ware geworden. Zoo duurde +het den halven nacht, totdat ik eindelijk in eenen lastigen slaap +wegzonk. Eene zenuwkoorts had mij aangedaan, en nu keerde deze kwaal +elken dag op ongeregelde uren met hernieuwde kracht terug. + +Evenals aan iederen ontmoedigden soldaat, boezemde het hospitaal mij +eenen hevigen schrik in: ik had de overtuiging, dat, indien ik eens +onder de poort van het ziekenhuis moest doorgaan, zij zich nimmer weder +voor mij zou openen, dan alleen tot het wegvoeren van mijn lijk. Daarom, +ik verborg mijne kwaal en smeekte de weinigen, die er van wisten, dat +zij toch niets er over zouden zeggen. + +Den dag na den eersten aanval had ik eenen brief vol verzuchtingen en +vol tranen voor mijnen vader geschreven; zelfs had ik er eenen zin in +gesteld, die beteekende, dat hij zich haasten moest, wilde hij de +zekerheid hebben mij nog in leven te zien; doch de gedachte, dat ik +mijnen vader te veel schrik en verdriet zou aandoen, deed mij eenen +anderen brief schrijven, waarin ik mij bepaalde bij droeve klachten en +bij het gebed om een bezoek van hem te ontvangen. + +Hij antwoordde mij, dat hij binnen vijf of zes dagen te Bergen zou +komen; maar hij schreef ook onder anderen: + +"Gij zegt dat uw kapitein u behandelt als eenen slaaf? Wat beteekent +dit? Wat doet gij dan om zoo te worden bejegend? Ik geloof, dat er veel +van uwe schuld in dit alles is: uw karakter is niet wat het zou moeten +zijn. De _philosophische_ gedachten, die u door het hoofd rollen, zijn +de oorzaak van uw misnoegen en van uwen onwil. Dit is het wat u +onaangenaam maakt bij uwe oversten en kameraden, die uwe bewegingen van +ontevredenheid wel bemerken, bovenal wanneer gij iets te doen hebt, dat +u niet aanstaat. Geloof mij, verander van gedachten; zoo niet, zult gij +ongelukkig zijn, zoowel in den burgerstand als onder dienst. Het leven +is geen droom, al zeggen het de _philosofen_; het is een werkelijke +strijd; het lot is de vijand, en men overwint hem met hem onversaagd in +de oogen te zien."[6] + +Mijn goede vader kende mijn hart; hij wist, wat er te veel en wat er te +weinig in was, en nu ook wees hij mij de wonde mijns gemoeds met +klaarheid aan. In den toestand, waarin ik mij bevond, kon ik hem echter +niet begrijpen; zijne wijze vermaningen vielen als olie in het vuur +mijner verterende smart, en ik waande mij door iedereen op de wereld +verlaten, ook door mijnen vader! + +Des anderen daags greep de koorts mij in den morgen aan; en het was +reeds tien uren, wanneer ik, van de eerste koude huiverende, nog half +gekleed op mijn bed lag. + +Op dit oogenblik trad de kapitein in de kamer; ik sprong verschrikt ten +gronde en bedwong de siddering des koorts een kort oogenblik; doch de +kwaal was mij meester en deed mij onmiddellijk met meer geweld beven. +Mijne bleeke wangen en blauwachtige lippen verrieden ook genoeg mijnen +toestand. + +Mij doordringend bezien hebbende, zeide de kapitein: + +"Gij hebt de koorts? Stel u op het ziekenrapport: gij moet naar het +hospitaal." + +Hij zag, hoe dit woord mij met angst en vervaardheid sloeg. + +"Wat beteekent dit?" vroeg hij. + +"Ach, kapitein," smeekte ik, met de handen biddend te zaam gevouwen, +"doe mij niet naar het hospitaal gaan; ik ben zeker, dat ik er zal +sterven!" + +"Zinnelooze droomer!" morde hij, "ik geloof inderdaad, dat gij de +waarheid zegt! Kom aan, schep moed, volg mij, _ik_ zal u genezen!" + +En, alzoo ik nu met trage bewegingen mijne kleederen aantrok, begon hij +van ongeduld te bulderen, mij mijne _lamheid_ te verwijten en mij +zoodanig met ruwe woorden te overladen, terwijl hij zijn inzicht om zelf +mij te genezen herhaalde, dat ik schier van schrik bezweek, in de +gedachte, dat hij iets ijselijks met mij voorhad. + +Ik volgde hem evenwel, daar hij de kazerne verliet, om met mij naar +zijne woning te gaan. Zoo diep rampzalig in mijn gemoed was ik, dat ik +onderweg met glinsterende oogen eenen bedelaar aanschouwde, en in mij +zelven met een gevoel van heeten nijd uitriep: + +"Hoe gelukkig! Hij is vrij!" + +Ware het mij vergund geworden, mijne soldatenkleederen en mijn +fourierschap tegen de gescheurde plunje en tegen de ellende van dien +bedelaar te verwisselen, hoe hadde ik God gedankt om die weldaad! Hoe +hadde ik door eenen blijden zegekreet mijne verlossing begroet! + +Terwijl wij de hooge straat naar de markt opklommen, ontmoette ons de +kolonel des regiments, M. Le Hardy. + +Van verre reeds bezag hij mij met opmerkzaam medelijden, en, genaderd +zijnde, vroeg hij den kapitein: + +"Wat heeft toch uw arme fourier? Hij schijnt wel ernstig ziek? Gij moest +hem wat rust gunnen." + +Uit mijne oogen lichtte eene vonk der dankbaarheid den medelijdenden +overste tegen. De kapitein vervorderde echter zijnen weg, terwijl hij +groetend antwoordde: + +"Eene lichte ontsteltenis, kolonel; het is zijn hoofd, dat niet deugt. +Ik ga hem genezen...." + +Eindelijk kwamen wij in zijne woning en op de kamer, waar hij zich +gewoonlijk hield. Hij kondigde mij aan, dat hij mij een geneesmiddel zou +doen nemen, dat mij onfeilbaar en voor altijd genezen zou; zijne oogen, +die op mij gevestigd waren, schenen mij met een geheimzinnig vuur te +flikkeren; zijne woorden waren dubbelzinnig en voor mij +schrikverwekkend. + +Ik durf het bijna niet bekennen; maar mijne zieke inbeelding zeide mij, +dat de kapitein mij vergif ging aanbieden! Ik sidderde; en, op mijne +beenen waggelend, steunde ik mij met de hand aan den rug van eenen +stoel. + +De kapitein had intusschen eene kas geopend. Hij haalde er eene flesch +uit, en schonk een donkergroen vocht in een glas. + +Groen was voor mijnen geest de eigen kleur van vergif. Onzeglijk werd +mijn schrik; als met versteendheid geslagen, zag ik het glas mij tot de +lippen naderen! + +In het eerst weigerde ik van het gevreesde vocht te drinken; doch ik kon +het tegen den kapitein niet lang uithouden, en welhaast, mij in mijn lot +gelatende als iemand, die den marteldood aanvaardt, ledigde ik de helft +van het glas in een enkele koortsige teug. De groene drank was bitter +als gal, en liep daarbij brandend door mijn ingewand. + +Mij hebbende doen nederzitten, begon de kapitein op vriendelijken toon +eene lange rede over de hoedanigheden van een goed soldaat; hij +beloofde als een vader voor mijne verhooging te zullen zorgen, indien ik +slechts man wilde worden en, zooals hij zeide mijn kindervel wilde +uitschudden. Hij noemde mijne droomachtige gevoeligheid eene ellendige +_sensiblerie_, die zelfs in een meisje van zestien jaar belachelijk zou +schijnen. + +Hoe gegrond zijne redenen ook mochten zijn, ik aanschouwde ze, in de +dweepzucht des lijdens, als louter valschheid en spot; ik hoorde ze aan +met een versteend en gesloten hart. + +Onderwijl had de kapitein mij het glas doen ledigen en het ten tweeden +male gevuld. Wanneer insgelijks deze tweede hoeveelheid vochts door mij +gedronken was, begonnen mijne denkbeelden op eene vreemde wijze in de +war te geraken; en als de kapitein mij dwong tot antwoorden, had ik +moeite om te spreken. + +Dan stond hij van zijnen zetel op en zeide: + +"Het is genoeg; ga nu naar de kazerne, kruip in uw bed en blijf rusten, +zoolang gij wilt. Ik zal bevelen geven, dat niemand u store; laat u noch +aan dienst, noch aan schrijfwerk gelegen; ik geef u vier dagen verlof en +volle vrijheid.... Welnu, sta op, zeg ik; vertrek!" + +Ik verliet de kamer. Wat ik had, wist ik niet, maar ik moest mij met +beide handen aan de leuning van de trap steunen om niet te vallen. + +Toen ik op de straat getreden was en na een twintigtal stappen den +indruk der lucht onderging, greep ik mij aan het ijzer van een venster +vast: de huizen begonnen in woeste vaart rond mij te draaien; ik zag +dansende lichten voor mijne oogen, en ik verloor in de bliksemsnelle +wentelkolk, waarin ik scheen weg te zinken, mijn bewustzijn geheel en +gansch.... Ik was dronken: voor de eerste maal mijns levens! + +Bij geluk ging op dit oogenblik een sergeant van ons bataljon in de +straat voorbij: hij hief mij van den grond op en leidde mij naar de +kazerne, waar men mij in mijn bed legde.... Dat ik dien ganschen dag +veel zieker was dan te voren, behoeft niet te worden gezegd. + +Mijn kapitein had bevel gezonden, dat ik mijne kamer onder geen +hoegenaamd voorwendsel mocht verlaten. + +Slechts den derden dag zag ik hem voor de eerste maal weder; hij vond +mij, terwijl ik met ongemeenen eetlust een groot stuk vleesch nuttigde. + +"Zoo, zoo!" riep hij, "het schijnt, dat het geneesmiddel goed gewerkt +heeft!--En de koorts, is zij teruggekeerd?" + +Het speet mij, te moeten bekennen, dat ik waarlijk van de koorts was +genezen; want inderdaad, ik had de minste huivering niet meer gevoeld, +sedert ik van het groene vocht had gedronken. + +De goede uitslag zijner poging scheen den kapitein zeer te verblijden. +Hij moedigde mij opnieuw aan tot het verdrijven mijner zinnelooze +gedachten, zooals hij ze wel eenigszins met reden noemde; en dan +eindelijk mij een stuk van vijf franken in de hand duwende, verliet hij +mij, zeggende: + +"Gij hebt geen geld? Daar, wandel nu en zoek eenig vermaak. Wat de +beddelakens betreft, die men u ontstolen heeft, denk er niet te veel +aan: ik zal die zaak wel regelen." + +Met tegenzin begaf ik mij, volgens zijn bevel, ter wandeling buiten de +stad; ik dwaalde er uren lang in eenzaamheid, droomend van mijne +ijselijke slavernij, van den vurigen haat, dien ik meende, dat de +kapitein mij toedroeg, van der menschen onrechtvaardigheid en van +allerlei andere dingen, die mijne krankzinnige dweepzucht konden voeden. + +Bij het terugkeeren naar de stad ontmoette ik eenen kreupelen man, die +mij eene aalmoes vroeg. Ik gaf hem het stuk van vijf franken, mij door +den kapitein geschonken. De bedelaar aanschouwde mij met verbaasden +blik, als wilde hij mij vragen, of ik wel bij mijne zinnen was. Een +soldaat, die vijf franken wegschenkt, moest in zijne oogen zot of iets +dergelijks zijn! Wel een vierendeel uurs bleef de verbaasde man mij +achterna zien; wat mij betreft, ik was tevreden, dat het geld van hem, +dien ik de oorzaak van mijn ongeluk waande, uit mijnen zak verdwenen +was, zonder dat mijn geweten mij kon verwijten, iets er van te hebben +gebruikt. + +Des anderen daags kwam mijn vader te Bergen. Toen mijne oogen hem zagen, +vloog ik hem weenend aan den hals en bezwijmde schier van aandoening. +Mijne bleeke wangen boezemden hem een diep medelijden in: liefderijk en +troostend waren zijne woorden in het eerst, doch na eene wijl begon hij +eene hevige berisping tegen mijn gedrag uit te spreken, bovenal toen ik +den kapitein van wreedheid en van haat tegen mij beschuldigde. + +Mijn vader, om te weten, wat er in mijne brieven gegrond kon zijn, was +tot den kapitein gegaan, vooraleer naar de kazerne te komen; hij was +door hem gulhartig en vriendelijk onthaald geworden, had ten zijne +huizen het middagmaal genomen, had met hem gesproken over Napoleon en de +oorlogen van het keizerrijk; in een woord, men had hem bejegend als +eenen broeder. De kapitein had hem ook uitgelegd, dat al mijn lijden +slechts in mijne inbeelding bestond, hoe hij zich vele moeite gaf om mij +van mijne droomkwaal te genezen; hij had hem gerustgesteld over mijnen +toestand en hem beloofd, voor mij als voor zijn eigen kind te zullen +zorgen. + +Het spreekt van zelf, dat mijn vader in zulke gemoedsstemming mijne +klachten niet kon goedkeuren. Hij laakte mijne dwaze denkbeelden met +bitterheid; ja, hij werd gram en spijtig als hij zag, dat mijne +overtuiging door geene woorden of bewijzen te veranderen was, en ik met +eene onplooibare stijfhoofdigheid allen troost, die mij ongelijk gaf, +wegwierp als eene onrechtvaardigheid. + +Na anderhalve dag verblijf te Bergen, keerde mijn vader mistroostig naar +Antwerpen terug. Ik gevoelde mij ongelukkiger dan te voren. Niemand, +niemand kon mij begrijpen, zelfs niet mijn vader! + + + + +VII + + +In den loop der maand Mei 1832 borst eensklaps de choleraziekte in +Bergen los; het was hare eerste verschijning in Belgie. Deze +schrikkelijke kwaal, die voor zoovele huisgezinnen eene bron van smart +en ongeluk moest zijn, werd mijne redding. + +Om de soldaten zooveel mogelijk van de ziekte te bevrijden, verspreidde +men ons regiment op de dorpen der provincie Henegouwen; deze bewegingen +en het vrijere leven bij de boeren gaven mijnen geest wat rust en mijn +lichaam den tijd om zijne krachten een weinig te herstellen. Mijne +bleekheid verdween; en, alhoewel ik nog zeer mager bleef, scheen toch +het gevaar des doods van mij afgekeerd. Mijn sergeant-majoor was uit het +depot teruggekeerd; daardoor werd ik verlost van zorgen en +hoofdbrekerij, welke in den toestand mijns geestes veel hadden +bijgebracht om mijne zinnen te verwarren. + +Wij vertrokken welhaast naar de provincie Limburg, om het Hollandsch +garnizoen der stad Maastricht te bewaken; op de dorpen rondom deze +vesting bleven wij eenigen tijd bij de boeren geherbergd. + +In zekere gemeente, niet verre van Meersen, geraakte ik over zaken van +dienst in twist met eenen sergeant onzer compagnie, die een zeer ruwe +en ongemeen sterke kerel was. In zijne gramschap sloeg hij mij geweldig +in het aangezicht, en misschien zou hij mij nog verder mishandeld +hebben, zoo niet de sergeant-majoor mijne verdediging genomen hadde. Men +sprak wel van een noodig tweegevecht, om mijne gekrenkte eer te +herstellen; doch mijn moed was te verre weg om aan zulk iets te durven +denken. + +De kapitein vernam het gebeurde en deed mij naar zijne herberg komen. Op +zijn bevel verhaalde ik hem wat er was geschied; maar ik sprak +waarschijnlijk op een toon van uiterste zwakheid, want mijne woorden +deden hem opbruisen van spijt en gramschap. Toen eindelijk mijne +opgehouden tranen losbraken, nam hij mij bij den schouder en stiet mij +ten huize uit, zeggende, dat hij mij van mijne kinderachtige lafheid zou +genezen, even gelijk hij mij van de koorts genezen had. + +Een half uur daarna kwam de sergeant-majoor mij melden, dat ik voor vier +dagen in de politiekamer moest gezet worden, en dat ik hem onmiddellijk +te volgen had om mijne straf te onderstaan. + +De politiekamer was een vertrek in een steenen huis des dorps; ik ging +er zonder groote ontroering naar toe, want ik wist, dat vier dagen +gevangenis voor mij vier dagen van eenzaamheid en van rust waren. + +Hoe verschrikte ik echter niet, toen ik, nadat de deur achter mij was +gesloten, een aangezicht, van blijde wraakzucht en van haat verkrampt, +uit eenen duisteren hoek des vertreks mij zag tegengrijnzen.... Het was +de sergeant, die mij een uur te voren had geslagen! + +[Illustration: Te slaan en te stampen.] + +Verpletterd en sidderend, bleef ik met gebogen hoofd staan, zonder mij +te verroeren. + +"Ah, ah, domme lafaard," brulde de sergeant, "nu heb ik u in mijne +klauwen! Gij hebt voor den kapitein eenen hoop valschheden over mij +gezegd; maar nu zult gij het duur gaan betalen!" + +Bij deze woorden begon hij mij zonder ophouden te schudden, te slaan en +te stampen. Van angst en vervaardheid schier bewusteloos, liet ik mij +zonder klacht of tegenspraak over en weder stooten als iemand, die allen +moed opgeeft en zich gedwee aan een onvermijdelijk lot overlevert. +Slechts toen mijn vijand zich vermoeid gevoelde, gunde hij mij eene +verpoozing, terwijl hij zich nederzette en, met de vuist dreigend, mij +toeriep: + +"Ellendige bloodaard! Dat laat zich hoonen en mishandelen als een kind, +waar ziel noch hart insteekt! Gij gelooft dat het gedaan is? dat ik u +gerust zal laten? Neen, neen, geen oogenblik rust zult gij hebben: +meteenen zal ik u de kapot eens voor goed uitkloppen: elk half uur zult +gij knoflook eten, dat u hooren en zien vergaan!" + +Met het aangezicht naar den muur gekeerd, stond ik in eenen hoek der +donkere kamer; tranen vloeiden uit mijne oogen, en ik sidderde in de +gedachte, dat de sergeant mij een ongeluk zou doen. + +Niet lang bleef ik aan mijne wanhopige gepeinzen overgeleverd; +onvoorziens rukte de hand mijns vijands mij geweldig uit den hoek en +smeet mij met eenen krachtigen zwaai tot aan den anderen kant der kamer. +Opnieuw begon hij mij te slaan en te stooten, totdat hij weder, om te +rusten, zich van mij vewijderde. + +Zoo duurde het den ganschen dag. + +Alhoewel ik deze bemerking slechts later maakte, was het echter +klaarblijkend, dat de sergeant mij niet ernstig wilde bezeeren; want met +al zijn slaan en schudden voelde ik toch geene blijvende pijn aan mijne +leden. + +Op dit oogenblik echter deed mijn verschrikt gemoed mij gelooven, dat +hij zich wel vast voorgenomen had, mij dood te martelen; en het was met +ijzing, dat ik den avond zag dalen, in de overtuiging, dat mijn vijand +mij des nachts zou kunnen doodslaan. Ik had reeds meer dan eens op +wanhopigen toon om hulp geschreeuwd; doch de schildwacht voor de deur, +noch de lieden uit den huize schenen er aandacht op te geven. + +Het was reeds duister in de politiekamer, toen de sergeant opnieuw tegen +mij inviel en, onder het schokken en schudden, mij voor de eerste maal +zulke gevoelige pijn veroorzaakte, dat een schreeuw der smart mij +ontvloog. De overtuiging dat mijn laatste uur gekomen was, voerde mij +tot eene zinnelooze vertwijfeling, en bracht eenen ganschen omkeer in +mijn gemoed. In blinde razernij ontstoken, begon ik mij met verrassend +geweld te verdedigen: ik stompte met vuisten, ik krabde, ik beet, ik +scheurde als een zwak dier, welks krachten door de vrees des doods zijn +verdubbeld. + +Met verbaasdheid liet de sergeant mij los, om het bloed te stelpen, dat +hem ten neuze uitvloeide; hij bulderde, vloekte en dreigde met +verschrikkelijke woorden, dat hij mij onmiddellijk den hals ging breken; +doch ik, sidderend van ontroering, zeide hem op heeschen toon: + +"Kom, ik verwacht u, ik ben gereed, mijn leven ben ik moede; maar ik +zal het u duur verkoopen Kom, dat het eindige! Kom!" + +Hij schoot inderdaad op mij toe en gaf mij eenen bedwelmenden vuistslag +op het voorhoofd; ik boog wel de knie onder zijn geweld, maar even ras +sprong ik in de hoogte en begon opnieuw in het wild te slaan, te stampen +en te krabben. Ik moest mijnen tegenstrever zeer pijnlijk in het +aangezicht getroffen hebben, want hem ook ontsnapte een kreet der pijn, +en hij verwijderde zich voor goed van mij. + +Dan zeide hij, onder vele grove woorden: + +"Ik vecht niet meer in de duisternis. Morgen vroeg zullen wij onze +rekening vereffenen: ik zal u vermorzelen, u vertrappen onder mijne +voeten!" + +"Ah," riep ik hem toe, "bij dag of bij nacht, het is mij gelijk; gij +moogt met mij doen wat gij wilt, ik ben tot alles gereed. Het is +beslist: sterven of niet, zoo gij mij nog met den vinger aanraakt, +scheur ik u het vleesch van het aangezicht!" + +De sergeant scheen te zwichten voor de onbegrijpelijke opgevoerdheid +mijns geestes; misschien vreesde hij, dat ik zinneloos geworden was. +Althans, hij raadde mij aan, in het stroo neer te liggen en te slapen; +des anderen daags 's morgens zouden wij vechten, totdat een van beiden +ter plaatse bleve liggen. + +Uren lang staarde ik in de donkere ruimte; mijne borst scheen mij tot +eene ongewone breedte gezwollen; ik hijgde met machtige ademhalingen; de +vuisten waren mij krampachtig gesloten; het voorhoofd gloeide mij van +gramschap en van strijdlust. Meer dan eens meende ik op te staan en +mijnen vijand tot een nieuw en beslissend gevecht te dwingen; niet +omdat ik hem haatte, maar er gebeurde iets onuitlegbaars in mij. + +Nu had ik eens in mijn leven tegen een bijzonder mensch gestaan, zonder +plooien. Hij was sterk als een reus, en ik had hem overwonnen! De moed +en de onversaagdheid waren dus krachten, die tegen lichaamssterkte +bestand zijn? + +Zulke overwegingen vervulden mijnen boezem met blijdschap. Voortaan zou +ik mij niet meer laten hoonen! + +Den volgenden morgen, als het licht geworden was, konden wij op +elkanders aangezicht de teekens van den strijd bemerken; wij hadden elk +een blauw oog, en het aangezicht van mijnen makker was daarenboven met +sporen mijner nagelen overdekt. + +Hij was merkelijk bedaard en bepaalde zich nu met mij te zeggen, dat ik +tegen hem in tweegevecht zou gaan, zoohaast wij uit de politiekamer +zouden vrijgelaten worden. Ik antwoordde hem met stil, doch vast +besluit, dat mij alles gelijk was; maar dat ik, als uitgedaagde, de +pistolen tot het tweegevecht verkoos, om reden dat door dit wapen de +zaak zich spoediger en ernstiger liet beslissen: het ergste was mij het +beste.... + +Omtrent zeven uren des morgens werd de sergeant uit de politiekamer +gelaten; ik bleef diensvolgens alleen. + +In de eenzaamheid begon ik te overwegen, wat mij was geschied en hoe ik +den sterken en gevreesden kerel tot rust en tot zwijgen had gedwongen. +Mij door de inbeelding aanjagend, tooverde ik al de personen voor mijne +oogen, die mij ooit hadden mishandeld of gehoond; ik sprak met luider +stemme en hield redevoeringen, om dezen mijnen vijanden te doen +verstaan, dat ik geene minachting meer wilde verdragen en mij over elke +beleediging zou wreken. Allerlei machtspreuken rolden mij in klinkende +bewoordingen van de lippen; en zooverre voerde mij de koorts des +geestes, dat ik mij de vuisten tegen de muren ten bloede bezeerde, als +waren deze de vijanden geweest, die ik tot den strijd had uitgedaagd. +Het spreekt van zelf, dat het grootste gedeelte mijner bedreigingen +tegen mijnen kapitein waren gericht. + +Een uur na het vertrek des sergeants stelde men mij insgelijks in +vrijheid! + +Nu durf ik niet vooronderstellen, dat de kapitein den sergeant bevolen +had, mij te mishandelen. Misschien heeft hij hem slechts gezegd, dat hij +moest pogingen doen om mij wat los te schudden; of, zooals hij in zijne +soldatentaal zich kon uitdrukken: "_Tache donc de le degourdir un peu._" + +Hoe het zij, in dien tijd meende ik mij verzekerd te mogen houden, dat +de sergeant slechts gedaan had, wat hem letterlijk was bevolen geworden. +In deze overtuiging zou ik den kapitein dankbaar moeten geweest zijn; +want hij had mij werkelijk van mijne kinderachtige blooheid genezen en +mij eensklaps tot _man_ gemaakt, iets wat ik, zonder de krachtdadigste +middelen, in vele jaren waarschijnlijk niet zou geworden zijn. + +In mijne herberg komende, vond ik den sergeant, die op mij scheen te +wachten. + +Zonder hem den tijd te gunnen om iets te zeggen, liep ik naar den koffer +des sergeant-majoors, nam er twee pistolen uit en sprak: + +"Hier zijn twee wapenen; kom, dat het spoedig beslist zij!" + +"De kapitein heeft allen verderen twist tusschen ons verboden," was +zijn antwoord. + +"Zulks kan mij niet wederhouden!" riep ik. + +"Maar, fourier, misschien hebt gij zelden of nooit met een pistool naar +het doel geschoten; ik integendeel, tref eenen pijpekop op dertig +stappen...." + +"Het is gelijk; maak zooveel beslag niet; mijn moed zou kunnen +verkoelen; nu gevoel ik mij sterk. Kom!" + +Mij de hand reikende, zeide de sergeant met stillen glimlach: + +"Het is de gewoonte, ja de wet der eer, dat het tweegevecht onderblijft, +zoohaast eene der beide partijen haar ongelijk bekent. Welnu, fourier, +het lag niet in mijn inzicht u te bezeeren. Het was eene grap, die +ongelukkiglijk door uwen hardnekkigen tegenstand in een ernstig gevecht +is veranderd. Ik heb mij over u bedrogen, en ik erken, dat ik ongelijk +had. Vergeet wat er is geschied en laat ons vrienden zijn als te voren! +Indien nog iemand u een kwaad woord durft toesturen, hij zal mij tot +vijand hebben.--Welnu?" + +Mijn gemoed verweet mij mijne hardheid; want inderdaad, deze sergeant, +hoe ruw ook van taal en omgang, was in den grond een goede jongen, die +meer dan eens bewijzen van genegenheid had gegeven. Ik greep zijne hand +met gulhartigheid en stemde toe in de verzoening. + +De sergeant hield zijn woord: sedert dit voorval bleef hij altijd mijn +vriend. + +Dienzelfden morgen deed de kapitein mij bevel brengen om naar zijne +herberg te gaan. Ditmaal gevoelde ik mij geenszins ontsteld; het hart +klopte mij wel krachtig, doch in volle vrijheid, en ik hitste mij +zelven onderweg tot stoutheid aan, om mijnen kapitein eens en voor +altijd te doen begrijpen, dat ik als een man wilde behandeld worden. + +Toen ik voor hem verscheen, zag hij eene wijl mij sprakeloos in de oogen +met denzelfden blik, die mij zoo dikwijls heeft doen sidderen. Ik +schouwde hem onversaagd in het aangezicht, zoo vast, dat hij zelf het +moede werd, en eindelijk, het hoofd schuddende, met een en glimlach +uitriep: + +"Gij zijt zinneloos op mijn woord! Gij ziet er knap uit, met uw blauw +oog!" + +"Kapitein, gij hebt mij doen roepen," zeide ik op ernstigen toon, "ik +wacht uwe bevelen." + +Nogmaals zag hij mij diep in de oogen, en, bemerkende dat mijn gelaat +even onbewogen bleef, vroeg hij in gedachten: + +"Nu, zeg mij, is het ditmaal gemeend? Of hebt gij weder de koorts?" + +Ik antwoordde niet. De kapitein zette zich neder; en, met het +doordringend oog immer op mij gevestigd, beval hij: + +"Nu, zeg mij, wat is er in de politiezaal omgegaan? Ik weet het reeds; +zorg aldus, dat gij waarheid spreket,--of anders!" + +Zonder de minste bijzonderheid te verzwijgen, verhaalde ik hem mijn +wedervaren met den sergeant; en zelfs voegde ik er bij, dat het +tweegevecht slechts was ondergebleven, omdat mijn tegenstrever zijn +ongelijk had bekend. Tot slot zeide ik: + +"En nu, kapitein, laat mij toe u te zeggen, dat ik wel vast en +onherroepelijk heb besloten, voortaan zelfs geenen schijn van minachting +meer te verdragen, van niemand hoegenaamd...." + +"Van mij ook niet?" bulderde de kapitein met geveinsde gramschap. + +Ik liet mij evenwel niet ontroeren en herhaalde: + +"Van niemand.... Ik weet, kapitein, dat gij mijn overste zijt; maar +dezelfde wet, die mij aan uwe bevelen onderwerpt, legt u insgelijks de +rechtvaardigheid tot plicht op. Ik heb overwogen, dat het toch +voordeeliger is, met gevaar des levens zelfs tegen geweld en onrecht op +de staan, dan uit te teren en langzaam te sterven van verdriet...." + +"Wat beteekent dit?" riep hij uit. "Weet gij wel, dat wij hier voor den +vijand zijn, en ik, bij de minste weigering tot gehoorzaamheid, over uw +lot kan beschikken?" + +Met koele stijfhoofdigheid antwoordde ik: + +"Mijnen dienst zal ik doen, kapitein, beter dan te voren; maar ik +herhaal het u, ik wil behandeld zijn als een man!" + +"En zoo het mij beliefde, u anders te behandelen, wat zoudt gij doen?" + +"Ik weet het niet: eene zinneloosheid misschien." + +"Onbegrijpelijk!" morde hij, terwijl hij van zijnen stoel opstond en +twee- of driemaal rond de kamer stapte. + +Eensklaps sprong hij op mij toe, greep mij de hand, schudde ze zeer +hevig en wees mij eenen stoel. + +"Gij zijt een zonderlinge geest; er zijn veel goede dingen in u, doch +zij liggen nog in de war. Kon het slechts klaar in uw hoofd worden! Zit +neer: ik wil met u een ernstig onderhoud hebben." + +"Zit neer!" herhaalde hij met ongeduld. + +Zoohaast ik zijn bevel had gehoorzaamd, langde hij eene flesch en twee +glazen uit eenen koffer. + +"Trek zulk afkeerig gezicht niet," morde hij. + +"Meent gij, dat ik u weder van het groene vocht wil doen drinken? Neen, +ik bewaar dat sterke alsembitter om de koorts te genezen. Ziehier een +glas fijnen Madera-wijn. Neem aan! Drink, ik wil het!" + +Er was niets aan te doen; ofschoon al zijne woorden en zijne +vriendelijkheid mij bitteren spot schenen, moest ik het glas tot den +bodem ledigen. + +"Luister nu, fourier," sprak hij op zoeten, bedaarden toon. "Ik heb uwen +ouden vader beloofd, dat ik zou pogingen doen, om uwe inborst de +vastheid te geven, die haar ontbreekt. Uw hoofd is hard; ik beken, dat +het mij vele moeite heeft gekost. Gij hebt gemeend, dat ik boos tegen u +was, dat ik u haatte? Ik heb het u inderdaad doen gelooven, omdat het +noodig was tot mijn doel; maar gij hebt verstand genoeg om te begrijpen, +dat ik mij niet elken dag zoo bijzonder met u zou hebben bezig gehouden, +indien geen gevoel van geneigdheid of van achting, al ware het slechts +voor uwen vader, mij hadde aangedreven. Genoeg daarover. Indien ik mij +niet bedrieg,--wie kan het weten met een veranderlijken kerel als +gij?--indien ik mij niet bedrieg, is er nu sterkmoedigheid genoeg in +uwen boezem gegroeid, om u voortaan toe te laten, den last en de +wederwaardigheden van het krijgsleven zonder plooien te dragen, ja zelfs +om deze baan met geluk en tevredenheid te doorwandelen. Evenwel, geloof +mij, uwe inborst is gevaarlijk voor u zelven: zij kent geene maat. +Indien ik nu voortvoer met mijne pogingen om u uit uwe schadelijke +droomzucht los te rukken, zoudt gij u misschien te veel _man_ willen +toonen, gekheden begaan en u zelven ongelukkig maken. Dit zou uwen +ouden vader verdriet aandoen. Alzoo, ik zal mij voortaan jegens u +houden, alsof ik met een echt soldaat te doen had. Verrechtvaardig gij +van uwen kant dit vermoeden, en gij zult ondervinden, dat ik geen boos +mensch ben, gelijk gij het tot nu toe waarschijnlijk hebt gedacht. Uw +vader hoopt, dat gij eens officier worden zult; hij heeft zijn vaderland +onder Napoleon met eere gediend en ziet het krijgsleven aan als eene +schoone loopbaan. Het hangt van uwen wil af, zijne liefderijke hoop te +verwezenlijken. Wat mij betreft, ik zal naar mijn vermogen er toe +helpen." + +Ik luisterde verbaasd op de woorden des kapiteins; zulken toon van +ongeveinsde kalmte en van ware goedhartigheid had ik nooit in zijne stem +opgemerkt, en ik vroeg mij zelven met wantrouwen, of ik zijne +betuigingen van genegenheid voor waarheid of voor spot te nemen had. + +Intusschen had de kapitein ten tweeden male wijn in mijn glas +geschonken; en opstaande, zeide hij met dezelfde bevelende blikken en +scherpen toon, die hem eigen waren: + +"Drink,--en houd u voortaan recht in uwe schoenen!--Geloof niet, dat ik +van zin ben u te behandelen als eenen porseleinen soldaat, dien men +vreest te breken. Ik ben kapitein, en ieder moet het weten. Wat gezegd +is, blijft gezegd. Ga nu naar uwe herberg, herkauw mijne woorden +onderweg zeer goed, en hang er al droomende geene nuttelooze staarten +aan." + +Ik deed wat hij mij had bevolen, en overwoog zijne woorden zoo lang en +zoo diep, dat mijne spijt tegen hem--mijn haat zou ik moeten +zeggen--verminderde, verkoelde en geheel verging. Alhoewel ik het nog +voor mij zelven poogde te verbergen, toch erkende ik innerlijk, dat ik +ten minste grootendeels door overdrijving had gedwaald. + +Van dien tijd af was deze kapitein niet bijzonder barsch meer tegen mij; +ja, hij betoonde mij somwijlen achting en vriendschap. Hij bleef wel +dezelfde als te voren, wierp mij nog bij gelegenheid eenen vloed harde +woorden naar het hoofd, spuwde en bulderde, evenals hij het jegens +iedereen deed; doch nu had ik begrepen, dat deze uiterlijke gebaren en +woorden hem niet uit het hart kwamen. Ik genoot rust en vrede; mijne +lichaamskrachten herstelden zich geheel; en, alhoewel ik weinig lust in +het soldatenleven vond, ik leed er geen verdriet meer. + + +EINDE. + + +NOTEN: + +[Noot 1: Nog voor het verschijnen der eerste uitgave van _de +Omwenteling van 1830,_ gaf de heer Leon Wocquier, professor aan de +Hoogeschool te Gent, daarvan eene Fransche vertaling in de _Revue +contemporaine_, die hij deed voorafgaan door eenige korte biographische +aanteekeningen over de eerste levensjaren van Hendrik Conscience. Uit +deze aanteekeningen van de hand van genoemden hoogleeraar geven wij hier +dit uittreksel.] + +[Noot 2: Er waren in ons regiment zeven gebroeders Grad, te Ath, in +de provincie Henegouwen, van eenen zelfden vader en eene zelfde moeder +geboren. Allen waren dappere jongelieden, die zich in elke gelegenheid +onderscheidden. Lucien, Ange en Jules zijn nu kapiteins in het Belgische +leger; een is brigadier der douane, twee zijn sergeants in +keurregimenten, en de beide overigen zijn sedert gestorven. Onder allen +was Jules langen tijd mijn bijzondere vriend.] + +[Noot 3: _La Belgique depuis 1830_, par CH. POPLIMONT. Gand, D. +Verhulst, 1848.] + +[Noot 4: Deze priester is om het verhaalde feit met het eerekruis +van Leopold begiftigd geworden.] + +[Noot 5: De sergeant Jacques had vele wonden, waarvan vier of vijf +aan het hoofd. De Prins van Saksen-Weimar heeft hem in het hospitaal te +Leuven doen verzorgen en hem, zoo men zeide, zelf aan den Koning der +Belgen aanbevolen. Nu is de heer Jacques kapitein in het Belgische +leger; het eerekruis op zijne borst is de belooning zijner moedige daad +in den slag van Leuven.] + +[Noot 6: Ik heb de oorspronkelijke brieven mijns vaders en de mijne nog +meestendeels in bezit.] + + + + + +End of Project Gutenberg's De omwenteling van 1830, by Hendrik Conscience + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE OMWENTELING VAN 1830 *** + +***** This file should be named 11287.txt or 11287.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/1/2/8/11287/ + +Produced by Joris Van Dael and PG Distributed Proofreaders + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's +eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII, +compressed (zipped), HTML and others. + +Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over +the old filename and etext number. The replaced older file is renamed. +VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving +new filenames and etext numbers. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000, +are filed in directories based on their release date. If you want to +download any of these eBooks directly, rather than using the regular +search system you may utilize the following addresses and just +download by the etext year. + + https://www.gutenberg.org/etext06 + + (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99, + 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90) + +EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are +filed in a different way. The year of a release date is no longer part +of the directory path. The path is based on the etext number (which is +identical to the filename). The path to the file is made up of single +digits corresponding to all but the last digit in the filename. For +example an eBook of filename 10234 would be found at: + + https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234 + +or filename 24689 would be found at: + https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689 + +An alternative method of locating eBooks: + https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL + + |
