summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/11287.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:36:29 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:36:29 -0700
commit1ef8de6b5f74ee0db933d7d1866bd598ada40e09 (patch)
treec865292ae80ab6222d12497b53f5889444da3257 /old/11287.txt
initial commit of ebook 11287HEADmain
Diffstat (limited to 'old/11287.txt')
-rw-r--r--old/11287.txt3940
1 files changed, 3940 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/11287.txt b/old/11287.txt
new file mode 100644
index 0000000..1da15a0
--- /dev/null
+++ b/old/11287.txt
@@ -0,0 +1,3940 @@
+The Project Gutenberg EBook of De omwenteling van 1830, by Hendrik Conscience
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De omwenteling van 1830
+
+Author: Hendrik Conscience
+
+Release Date: February 25, 2004 [EBook #11287]
+[Last updated: August 11, 2011]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE OMWENTELING VAN 1830 ***
+
+
+
+
+Produced by Joris Van Dael and PG Distributed Proofreaders
+
+
+
+
+DE
+
+OMWENTELING VAN 1830
+
+DOOR
+
+HENDRIK CONSCIENCE
+
+[Illustration]
+
+DE
+
+OMWENTELING VAN 1830
+
+UITTREKSEL
+uit de REVUE CONTEMPORAINE, aflevering van Januari 1851[1]
+
+
+
+
+Petrus Conscience, vader van onzen schrijver, was Franschman en geboren
+te Besancon. Door het lot tot den krijgsdienst geroepen, werd hij
+soldaat in de _marine_ van Napoleon, en geraakte tot den graad van
+opperstuurman _(chef de timonerie)_ aan boord van het oorlogschip _la
+Ville de Bordeaux_. Driemaal krijgsgevangen genomen, doorstond hij eene
+lange en wreede opsluiting in de Engelsche pontons te Normancross.
+Eindelijk door uitwisseling vrij geworden, kwam hij zich te Antwerpen
+vestigen, waar hij het ambt van onderhavenmeester op de groote
+oorlogstimmerwerf bekwam. Hij trouwde niet lang daarna met eene
+Vlaamsche vrouw, en uit dit huwelijk werd, den 3^{den} December 1812,
+Hendrik Conscience geboren.
+
+Het kind was uiterst zwak en ziekelijk: men geloofde, dat het niet zou
+leven. Een Fransche geneesheer, met name Tartare, voorzeide, dat het zou
+kwijnen tot zijne zeven jaar; maar dat het zou gered zijn, indien het
+dezen ouderdom overleefde. Twee jaren later werd Petrus Conscience een
+tweede zoon geboren, zoo groot en sterk als de eerste zwak en lijdend
+was.
+
+Op dit tijdstip bezweek de groote Napoleon onder de vereenigde macht der
+bondgenooten; en de onderhavenmeester verloor zijn ambt. Als een moedig
+man beproefde hij een ander beroep. Zijne echtgenoote hield eenen
+kruidenierswinkel. Hij zelf legde zich toe op eenen anderen handel: hij
+kocht oude schepen, om ze af te breken en de stukken er van afzonderlijk
+te verkoopen. Een weinig later begon hij eenen gelijkslachtigen handel
+in oude boeken, bestemd om tot _boterpapier_ te worden verbruikt.
+
+Deze nijverheid, van eenen letterkundigen aard, ten minste door de
+stoffen, die zij behandelde, oefende eenen gewissen invloed op de
+toekomst van Hendrik Conscience uit. Elken dag hielden gansche wagens
+met boeken voor de ouderlijke woning stil; de dichters, de geleerden, de
+geschiedschrijvers werden op eenen uitgestrekten zolder neergeworpen, om
+er den oogenblik af te wachten, dat men hen tot koffiezakken of
+suikerpakjes zou vervormen.
+
+Hendrik Conscience kende geen grooter vermaak dan deze arme bannelingen
+der letterkunde in hun treurig verblijf te gaan bezoeken; hij
+doorbladerde een voor een al deze boekdeelen, die op voorhand tot eenen
+smadelijken dood waren veroordeeld. De bladzijden bleven stom voor hem;
+maar de prenten, die tot zijne oogen en tot zijne inbeelding spraken,
+openbaarden hem somtijds de geheimzinnige beteekenissen, welke hij
+wenschte te doorgronden. Hij hechtte zich bovenal aan de werken over
+geneeskunst, over natuurlijke geschiedenis en over verre reizen, om de
+eenvoudige reden, dat deze meer prenten en _beeldekens_ behelsden. Zijn
+geliefd boek droeg voor titel: _Johan Nieuhofs Gedenkweerdige Zee- en
+Landreizen_. Het was een oud foliant, gansch vervuld met beeltenissen
+van wilde mannen en vreemde gedierten, en gedrukt te Amsterdam, bij
+Jacob van Meurs, in 1682.
+
+Evenwel, gedurende de avondstonden in den huiselijken kring leerde zijn
+vader hem de letteren van het ABC onderscheiden, en, bij rassche
+vorderingen, kon Hendrik spoedig lezen. Van dit oogenblik verslond hij,
+om zoo te zeggen, den vaderlijken boekenstapel.
+
+Ontwikkelde zich zijn geest, zoo goed stond het niet met zijn lichaam,
+dat krachteloos en kwijnend bleef. Zooverre reikte welhaast de
+verslapping zijner leden, dat hij niet meer kon gaan dan met krukken.
+Allengs werd dit middel zelfs ontoereikend, en men zag zich verplicht
+den zieken jongen van de eene plaats naar de andere te dragen. Hij
+bracht alsdan dagelijks vele uren door, in een hoogen stoel met kussens,
+achter het venster, droevige en zwijgende aanschouwer van de spelen der
+andere kinderen, die onder zijnen treurigen blik in vrijheid en in
+vreugde hunne lichaamskrachten ontwikkelden.
+
+Zoo het meesttijds gebeurt, had Consciences moeder eene groote
+voorliefde voor datgene harer kinderen, dat ziek en lijdend was. Zij
+leerde hem eenvoudige gebeden, sprak hem veel van Gods goedheid en
+vertelde hem, honderdmaal opnieuw, allerlei aardige vertelsels, welke
+het kind met vurige gretigheid aanhoorde, vooral als zij van wonderbaren
+of bovennatuurlijken aard waren.
+
+De arme moeder, overtuigd dat haar zoon eenen zekeren dood was
+toegewijd, en hem willende bereiden tot het uiterst oogenblik, sprak hem
+onophoudend van den schoonen hemel daarboven, en maakte hem van dit
+ander vaderland de eenvoudigste, maar tevens de verleidendste
+schilderingen. Het was een prachtige lusthof vol schoone boomen, waarvan
+men naar begeerte de blozende vruchten mocht plukken; het waren
+vlietende beken, helder als kristal, waarop lieve bootjes vol kinderen
+wiegelend dreven. Daar speelden men met de engelen; daar hoorde men
+onverpoosd eene onzeglijk schoone muziek; daar was men nooit ziek; daar
+kende men verdriet noch smart; men was er licht als een vogel, want men
+had er vleugelen, en men werd er zelf een engel; en de goede God
+wandelde door den schoonen hof en deelde glimlachend suikergoed uit, zoo
+lekker en zoo zoet, dat het niet te zeggen is. Bij deze schildering zag
+het kind met verbazing zijne moeder de woorden uit den mond, en wenschte
+innig om het oogenblik van zijn vertrek naar het andere vaderland, dat
+men zoo prachtig en zoo verleidend voor zijne inbeelding schetste.
+
+Omtrent den ouderdom van zeven jaar gebeurde er, volgens de voorzegging
+van M. Tartare, een beslissende omkeer in de gezondheid van Hendrik.
+Zonder sterk te worden, kreeg hij allengs het gebruik zijner leden
+terug, en kon leven als de andere kinderen zijner jaren. Hij trad alsdan
+met zijnen broeder in eene lagere school en deed er zulke snelle
+vorderingen, dat hij welhaast zijne medeleerlingen vooruitstreefde. Op
+hetzelfde tijdstip trof hem een groot ongeluk: de dood ontrukte zijne
+goede moeder aan zijne liefde...
+
+Zijn vader, onder wiens leiding hij nu zou opgroeien, had gansch
+bijzondere gedachten over de opvoeding der kinderen. Hij meende, dat men
+zooveel mogelijk hunnen geest evenals hun lichaam zich moet laten
+ontwikkelen door eigene ondervinding en eigene krachten.
+
+Hendrik had diensvolgens eenen vrijen loop en kon naar lust tusschen de
+straatjongens der wijk zich mengen, des daags met hen op de naaste
+markten spelen, of ze des avonds op den keldermond der ouderlijke woning
+rond zich verzamelen, om er op beurt _vertelsels_ te vertellen. Wat men
+hier verhaalde, was niet van _Blauwbaard_, van het _Ezelsvel_, of van
+eenige andere volksvertellingen, uit Fransche boeken vertaald. Het waren
+meest legenden en overleveringen, gehecht aan eenig gebouw of straat der
+stad. Het spreekt van zelf, dat spoken, tooverheksen, mirakels en
+allerlei bovennatuurlijke wezens en voorvallen daarin eene voorname
+plaats bekleedden, en dat er elken avond van het nationale spook der
+Antwerpenaars, _de Lange Wapper_, iets wonderbaars of iets schrikkelijks
+werd verteld. Men kan wel vermoeden, dat Hendrik, wiens verbeelding
+gedurende zijne lange kwijnziekte zich bovenmate had ontwikkeld, de
+beste verteller en de schilderachtigste spreker was.
+
+Gedurende twee jaren was Hendrik insgelijks een ijverige bezoeker van
+den _Polichinellenkelder_ of het Antwerpsen marionettenspel, waar men
+voor eenen stuiver op de eerste plaats werd toegelaten en de vertooning
+kon bijwonen van _Doctor Faustus, Ourson en Valentyn, Genoveva van
+Brabant_ en vele andere treurspelen uit de middeleeuwen.
+
+Terzelfdertijd besteedde Hendrik al zijn speelgeld om een voor een zich
+al de verhalen aan te schaffen, welke men _Blauwe boeken_ noemt, als:
+_Fortunatus beurze, Reinaert de Vos, de Vier Aymonskinderen, Malegys, de
+Vrouwenpeirle_, enz. Al zijne gedachten strekten naar het wonderbare, al
+zijn lust vestigde zich op verhalen van een fabelachtigen of
+bovennatuurlijken aard.
+
+De lichaamszwakheid van Hendrik, die niet was verdwenen, alhoewel zijne
+gezondheid was verbeterd, stelde hem, tegenover de makkers zijner
+kindsheid, in eenen staat van minderheid en onderwerping, die zwaar op
+zijne inborst woog en hem eene uitzonderlijke vreesachtigheid
+inboezemde. Overtuigd van deze lichamelijke minderheid, poogde hij niet
+haar te loochenen of er tegen op te staan. Wanneer hij weenende te huis
+kwam, met een blauw oog of eenen bloedenden neus, dan gaf zijn vader, de
+fiere zeeman, hem den raad zich te verdedigen, in stede van om zoo
+weinig als een meisje te krijten; maar Hendriks vredelievende inborst
+werd er niet door gewijzigd en nooit ontstond in hem de bekoring om
+opnieuw de tegenstrevers te gaan uitdagen, wier overmacht hij lijdzaam
+erkende. In alle ander geval nochtans toonde hij moed en zelfs
+vermetelheid; hij zwom in de Schelde als eene waterrat, waagde zich op
+het ijs, wanneer niemand den voet er op zetten durfde, en klom als een
+eekhoorn op alles, wat maar eenigen kans aanbood om den hals te breken.
+Maar de _mensch_, de sterke mensch, was een wezen, voor welks oogslag
+hij zich altijd vreesachtig bukte en welks gramschap hij nooit durfde
+verwekken of trotsen.
+
+"Ofschoon ik later," zegt hij zelf, "als man, mij van de menschenvrees
+bijna geheel heb ontdaan, gevoel ik nu nog dikwijls, dat deze springveer
+hare kracht op mijn doen en laten uitoefent. Het _ik_, voor zooveel men
+alleenlijk de eigene inborst bedoele, is niets anders dan het geheel der
+indrukken, die men in zijn eerste kindsheid heeft ontvangen; en hoezeer
+eene latere opvoeding en latere voorvallen den mensch wijzigen, het kind
+blijft immer van binnen in hem voortleven."
+
+Wij hebben op dit zonderling feit aangedrongen, omdat het tot verklaring
+dient van vele gebeurtenissen, die in Consciences levensbeschrijving
+zijn verhaald, en die anders moeilijk zouden uit te leggen zijn.
+
+Hendrik was tien jaar oud geworden, toen zijn vader eensklaps het
+voornemen opvatte om de stad te verlaten en buiten in de volledigste
+eenzamheid te te gaan leven. Petrus Conscience verkoos ten dien einde
+eene plaats te midden der velden, _de Groene Hoek_ genaamd, ongeveer een
+kwartuurs van de Borgerhoutsche Poort gelegen. Die streek, waar men nu,
+ten gevolge van het openen der ijzeren banen, vele huizen heeft
+gebouwd, was alsdan zeer eenzaam. De vader bouwde daar een soort van
+kluis, te midden van eenen grooten tuin, en bracht er zijne woning over.
+Daar leefden zijne zonen in eene schier volstrekte afgezonderdheid. Hun
+vader was dikwijls afwezig en soms vele dagen op reis voor zaken van
+zijnen handel, dien hij nog niet had verlaten. Hendrick Conscience en
+zijn broeder verdeelden onder elkander den arbeid van de huishouding en
+van den hofbouw. Slechts elken Zaterdag kwam eene oude vrouw hunne taak
+verlichten en het grove werk der week afdoen. Wat de eigenlijke
+opvoeding der beide jongens betreft, daarvan was geen spraak meer. "God
+en de Natuur," zegt Conscience zelf, "werden voortaan onze eenige
+meesters."
+
+Op deze wijze verliepen er drie jaren, drie jaren van eenzaamheid en
+droomerij, gedurende dewelke Hendrik, van alle speelgenooten verwijderd,
+niets meer had om zijnen geest bezig te houden dan het gezicht der
+werken Gods. Laten wij hem zelven den invloed beschrijven, door dit
+prachtig schouwspel op zijn gemoed uitgeoefend.
+
+"Het is daar, in de kluis _ten Groenen Hoek_," zegt hij, "dat in mij een
+innig gevoel der natuurschoonheid ontstond. Toen ik, bij het aanbreken
+der Lente, voor de eerste maal er ontwaakte, was alles, wat mij
+omringde, geheel nieuw voor mij. Ik voelde de zoele lucht mij in de
+longen dringen; ik zag de dauwdruppelen in het hart der bloemen
+glinsteren, het zonnelicht tusschen de kruiden spelen, de zingende
+vogelen in het geboomte dartelen, duizende diertjes onder mijne oogen
+wemelen.... Ik hoorde den nachtegaal zijne liefelijke tonen gorgelen,
+het morgenlied van mindere zangers door de ruimte galmen, het gesnor der
+werkzame honigbij aan mijne ooren dommelen... Alles, alles rond mij zong
+en juichte van levensblijheid, onder eenen blauwen hemel, zoo breed als
+mijne gansche wereld en zoo onpeilbaar diep als de oneindigheid zelve!
+
+"Dit aangrijpend schouwspel, de stilte die mij omringde, de eenzaamheid
+waarin ik leefde, deden eenen machtigen indruk op mijnen geest; en nu
+werd ik in de volle beteekenis des woords een droomer. Ik sleet mijn
+leven in eene altijddurende mijmerij, en er ontstond tusschen mij en de
+schepsels, die rond mij groeiden en leefden, een soort van onuitlegbare
+samenneiging als waren planten en dieren voor mij gezellen en vrienden
+geweest, die bewustheid hadden van mijne tegenwoordigheid en van mijne
+liefde.....
+
+"Bij zulke beschouwingen zag ik meer in de natuur dan zij werkelijk
+bevat, en zij kreeg voor mij, boven hare ware schoonheid nog al de
+pracht, haar door eene geestdriftige verbeelding bijgezet. Een gevoel
+van eerbiedige bewondering voor het werk des Scheppers groeide in mij,
+en niet zelden hief ik den ontstelden blik in de hoogte, om dankbaar op
+tezien tot Hem, die alles heeft gemaakt."
+
+Men herkent aan deze woorden des schrijvers de bron, waaraan hij heeft
+geput tot het opstellen van het schoone werk _Eenige bladzijden uit het
+boek der natuur_. Het is inderdaad gedurende zijn verblijf in de kluis
+_ten Groenen Hoek_, dat Conscience den grijsaard heeft ontmoet, wiens
+zoet en indrukwekkend beeld zijn gansche werk beheerscht en, met de
+poezie der verbeelding, het tevens de bekoorlijkheid der waarheid
+bijzet.
+
+Hendrik leefde te midden dezer indrukken tot op zijn veertiende jaar.
+
+Op dit tijdstip werd de toestand van het huisgezin door eene gewichtige
+gebeurtenis veranderd. Vader Conscience werd zijne lange eenzaamheid
+moede, ging een tweede huwelijk aan, ofschoon hij reeds zijn zeven en
+veertigste jaar had bereikt, verkocht de kluis _ten Groenen Hoek_, en
+ging zich metterwoon te Borgerhout, eene gemeente bij Antwerpen,
+vestigen. Zijne nieuwe echtgenoote was eene jonge vrouw van vijf en
+twintig jaar, goed en eenvoudig van harte, en die, volgens wat
+Conscience zegt, voorzag, dat God haar kinderen zou verleenen. Haar
+vooruitzicht verwezenlijkte zich inderdaad: haar werden beurtelings
+negen kinderen geschonken. Bij den spoedigen aangroei des huisgezins
+begon zij, als eene zorgvuldige moeder, de strengste spaarzaamheid in te
+voeren, en eischte, dat de beide jongens, die nu groot genoeg waren om
+een beroep of ambacht te leeren, wierden opgeleid, om zoohaast mogelijk
+hunnen eigen kost te kunnen verdienen, zooals men zegt. In eenen
+geheimen raad, waarin naar gewoonte de belanghebbenden niet werden
+geroepen, besliste men dat de oudste, die geleerd was, onderwijzer zou
+worden, en de tweede, die struisch en sterk was, schrijnwerker.
+
+Er was alsdan in het voorgeborchte Borgerhout eene school, welke onder
+de leiding van M. Verkammen, een man, dien Conscience met dankbaarheid
+noemt, voor geene van de beste scholen der stad moest achteruitstaan. De
+jonge Hendrik werd er heengezonden, eerst als leerling; maar welhaast
+werd hij er hulponderwijzer voor de mindere klassen. M. Verkammen nam
+belang in zijnen veelbelovenden leerling en gaf hem les in het Engelsch,
+met zulk goed gevolg, dat Hendrik zich op weinig tijd in staat vond om
+zich met nut van deze taal te bedienen. Later ging hij over naar het
+gesticht van den heer Shaw, in de stad, om er zijne kennis der Fransche
+taal te volledigen. Eindelijk zijne studien geeindigd hebbende, werd
+hij, op aanbeveling van den heer Shaw, als ondermeester aanvaard in het
+gesticht van den heer Delin, waar de kinderen der edellieden en der
+voornaamste burgers hunne opvoeding beginnen. Daar werd hij belast met
+het onderwijs der mindere klassen. Hij had alsdan den ouderdom van
+zestien jaar bereikt. Wij zullen de voorvallen niet beschrijven, die het
+verblijf van Conscience in dit gesticht kenmerken. De voornaamste
+aantrekkelijkheid van dit verhaal zou slechts kunnen bestaan in de
+bevallige eenvoudigheid der beschrijving en in de fijnheid der
+opmerkingen, welke men in den oorspronkelijken tekst aantreft. Wij
+spoeden ons liever om tot een beslissend tijdstip in het leven van
+Hendrik Conscience te geraken.
+
+De omwenteling van 1830 was in Frankrijk losgeborsten. De weergalm er
+van deed zich in gansch Europa gevoelen.... Hier laten wij nu het woord
+aan den schrijver; hij zelf gaat ons de gebeurtenissen verhalen, die
+zijn lot veranderden en zijne loopbaan eene nieuwe richting kwamen
+geven.
+
+
+
+
+DE OMWENTELING VAN 1830
+
+
+
+
+I
+
+
+Ten dien tijde waren Belgie en Holland onder eenen zelfden vorst
+vereenigd en maakten het koninkrijk der Nederlanden uit. Zoo was de
+toestand sedert 1815.
+
+Langzamerhand was er echter zekere ijverzucht tusschen de beide
+broederstammen ontstaan. In de Wetgevende Kamers toonden de Belgische
+leden eenen hardnekkigen geest van tegenstand aan het Staatsbestuur. Men
+klaagde met bitsigheid, dat de vruchten en voordeelen van het
+gezamenlijk leven der beide stammen bijna uitsluitelijk aan inboorlingen
+van Holland werden toegeeigend, en dat men de Belgische provincien
+schier als een wingewest behandelde. Twisten over vrijheden en over
+Godsdienst kwamen de tweedracht nog aanvuren.
+
+Wat mij betreft, ik wist niets van hetgeen er op het veld der staatkunde
+geschiedde; dagbladen kwamen mij nooit onder het oog; en in alle geval,
+de twisten en aanvechtingen in de Kamers hadden jaren lang, geen ander
+merkbaar doel, dan den invloed van Noord-Nederland op de
+Zuiderprovincien aan te toonen.
+
+Maar toen in Juli 1830 de tijding in Belgie kwam, dat de troon der
+Bourbons door eenen zegepralenden volksopstand was verbrijzeld geworden,
+dan werd het woord _Vrijheid_ eensklaps met geestdrift uitgesproken en
+zelfs tot in de scholen herhaald.
+
+Vrijheid! Hoe moest dit woord niet tot mijn jong gemoed spreken; met
+welke onbewuste hoop moest ik het niet begroeten, ik, die sedert vier
+jaren mijn leven aanschouwde als eene ondragelijke slavernij! Vrijheid
+was voor mij het middel om de gehoorzaamheid aan mijne stiefmoeder te
+ontloopen, vrijheid was mijne manwording, de verlossing van het
+smachtend schoolleven, mijne opbeuring uit de zielesmart en uit de
+vernedering, die mij het leven zoo bitter en zoo somber hadden
+gemaakt.....
+
+Meer zeide het woord niet tot mijn gemoed; maar toch, het dreef mij het
+bloed naar de hersens, het deed mijnen boezem zwellen; het verbreedde
+mijnen gezichtskring op eenmaal, en het toonde mij wel eene onbestemde,
+doch tevens eene betere en minder duistere toekomst.
+
+In den nacht van den 25^{sten} Augustus 1830 borst de omwenteling te
+Brussel los. De krijgsmacht werd uit de stad gedreven, en het oud
+driekleurig Brabantsch vaandel ten teeken van 's volks zegepraal op den
+toren van het stadhuis uitgestoken.
+
+Den 23^{sten} September naderde prins Frederik der Nederlanden met een
+leger van 10,000 man en overmeesterde de Warande bij het koninklijk
+paleis.
+
+Intusschentijd waren uit al de provincien, maar voornamelijk uit het
+Waalsche gedeelte des lands, talrijke opstandelingen komen toeloopen;
+ja, zelfs hadden gansche scharen Fransche vrijwilligers zich naar
+Brussel begeven. Men was diensvolgens aldaar eenigszins bestand om het
+leger van prins Frederik het hoofd te bieden.
+
+Na een hevig gevecht, dat drie dagen zonder verpoozing duurde, werden de
+Hollandsche troepen tot den aftocht gedwongen, en begaven zich naar
+Antwerpen, waar het sterk kasteel, onder bevel van den ouden krijgsheld
+baron Chasse, hun een vast steunpunt aanbood. Zij werden op de hielen
+gevolgd door de vrijwilligers van Brussel, en moesten na verschillige
+gevechten bij Duffel, Lier en Waelhem hunnen aftocht nog bespoedigen.
+
+Antwerpen had nog geen deel aan den opstand genomen, ofschoon de
+gemoederen er hevig aan het gisten waren geraakt. Het gesticht, waar ik
+het ambt van ondermeester vervulde, was, evenals alle andere scholen
+gesloten; ik bevond mij te Borgerhout in de woning mijns vaders, elken
+dag van 's morgens tot 's avonds rondloopend om de geruchten der straat
+op te vatten, en hijgend naar de beloofde vrijheid, zonder echter te
+beseffen, hoe zij iets tot verandering van mijnen bijzonderen toestand
+kon bijdragen.
+
+Op eenen morgen was ik met mijnen broeder in het veld, toen wij
+eensklaps uit de verte het doffe gedonder van kanonnen hoorden. Een gil
+van blijdschap ontsnapte ons, terwijl wij in geestdrift uitriepen:
+
+"De Belgen! Daar zijn de Belgen!"
+
+En zonder te weten wat wij deden, liepen wij uit al onze macht in de
+richting der gemeente Berchem, van waar het gedommel des geschuts scheen
+te komen. Nauwelijks waren wij de brug der Herenthalsche vaart
+overgeraakt, of wij zagen niet verre van ons, achter het geboomte, de
+rookwolken van eenen grooten brand in de hoogte stijgen. Een oude man,
+eene vrouw, en een jong meisje liepen ons kermend voorbij; zij hielden
+elk eene koe bij een zeel en dreven de dieren, onder droevig misbaar,
+met geweld vooruit. Zoozeer moest hen de schrik getroffen hebben, dat
+zij op eene ondiepe plaats der vaart in het water sprongen en hun vee op
+den anderen boord brachten, waarna zij even gejaagd in de richting van
+Borgerhout wegvloden.
+
+Dit vertoog had eene wijl onze aandacht gevestigd gehouden; doch
+zoohaast het verdwenen was, begaven wij ons weder op weg en naderden
+eindelijk den brand.
+
+Het was op Zurenborg, tusschen Borgerhout en Berchem; er stond eene
+groote hoeve in volle vlam. De obitsen of veldbommen der Belgen hadden
+den brand veroorzaakt. Reeds was de stal ten gronde vernield; een
+twaalftal half verkoolde lijken van koeien lagen er tusschen de
+smeulende puinen van het strooien dak.
+
+Wij vonden eenige Hollandsche soldaten bezig met uit de rompen van het
+verbrande vee stukken vleesch te snijden om er van te eten. Mijn broeder
+en ik, wij proefden er insgelijks van: het was bitter als gal en smaakte
+onzeglijk naar den versmachten rook van stroo.
+
+Daar ik nog het voorkomen had van een kind, en mijn broeder jonger was
+dan ik, lieten de Hollanders ons zonder mistrouwen bij den brand staan.
+Een raadde ons vriendelijk aan, de plaats te verlaten, dewijl er gevaar
+voor ons leven was; doch wij hingen den held uit en bleven juist, omdat
+men ons raadde te vertrekken.
+
+Ondertusschen vloog er nog van tijd tot tijd eene obits over de
+brandende hoeve. Wij hoorden geweerschoten bij duizenden, en wel
+klaarblijkend waren de beide legers in strijd tegen elkander; maar het
+werkelijk gevecht scheen meer naar den kant van Berchem te geschieden.
+
+Het was de heuglijke stond, dat de heldhaftige jonge graaf Frederik van
+Merode in de rangen der Belgen doodelijk gewond nederviel...
+
+Eene obits plofte niet verre van ons neder en drong een paar voeten diep
+in den grond van een veld; de Hollandsche soldaten navolgende, legden
+wij ons ten gronde, totdat de veldbom zou gesprongen zijn.
+
+Na eene lange wijl wachtens richtten de soldaten zich weder op, en ik
+hoorde zeggen, dat de wiek of lont der obits was uitgedoofd. Wij
+naderden tot de plaats waar ze was gevallen; ik delfde ze met de handen
+uit den grond.
+
+Mijn hoogmoed over het bezit der obits was uitermate groot; met dezen
+oorlogsbuit op den arm kwam ik bij de Hollandsche soldaten staan, en ik
+hief het hoofd met zelfvoldoening in de hoogte, als moest men mij om
+mijne stoutheid bewonderen. Weinig acht schenen de Hollanders op mij en
+mijne obits te geven; zij stonden nu met geveld geweer achter de muren
+der brandende hoeve, en loerden aandachtig in de verte op iets, dat hen
+scheen te verschrikken.
+
+Eensklaps hoorden wij de trom met snel geroffel achter een verwijderd
+kreupelhout slaan, en onmiddellijk ontplooide zich in de verte eene
+schaar mannen met blauwe kielen. Het waren de Belgen, die dezen voorpost
+der Hollanders door een hevig geweervuur aanvielen.
+
+De Hollandsche soldaten, te weinig in getal om tegenstand te bieden,
+verlieten de hoeve in allerijl; het gezicht hunner vlucht trof ons met
+schrik; mijn broeder en ik, die nog altijd de obits in den arm droeg,
+wij liepen uit al onze kracht van de hoeve weg, en brachten in
+Borgerhout het nieuws van der Belgen zegepraal.
+
+Inderdaad, de Belgen waren in het gevecht te Berchem overwinnaars
+gebleven; de Hollandsche krijgsmacht had zich binnen de wallen der stad
+teruggetrokken.
+
+Op den middag reeds was een gedeelte der Belgische vrijwilligers
+in het gansche voorgeborcht en in de gemeente Borgerhout door
+logement-biljetten geherbergd. Ten onzen huize kregen wij twee zeer
+jonge Brusselaars, die niets deden dan juichen over de waarschijnlijke
+verlossing des lands, en met zulke geestdrift de woorden vaderland,
+vrijheid en onafhankelijkheid uitspraken, dat mij, bij het hooren hunner
+manhaftige taal, de tranen uit de oogen wilden springen van bewondering.
+
+Een hunner kon geen twee jaar ouder zijn dan ik; hij insgelijks was te
+Brussel ondermeester geweest, en de stemming zijns geestes kwam met de
+mijne nauw genoeg overeen. Nog denzelfden dag werd hij mijn vriend. Ik
+volgde hem waar hij ging; ja, zelfs wanneer hij niet verre van de
+stadswallen, achter eene barricade onder een hagel van _biscayens_ op de
+Hollandsche soldaten vuurde, bleef ik aan zijne zijde, totdat hij met
+mij huiswaarts keerde.
+
+Wanneer men de zoogenaamde _Belgen_ in menigte bijeenzag, leverden hunne
+rangen een zonderling vertoog op, waarvan men zich nu geen juist
+denkbeeld meer vormen kan. De eigenlijk aangenomen kleederdracht scheen
+te bestaan in eenen blauwen kiel, aan hals en armen met dunne roode
+koordjes afgezet, en in eene haren klak of muts, waaruit van boven een
+gedeelte neerhing als een lakensch puntzakje. Officiers en sergeanten
+waren herkennelijk aan een driekleurig lint, dat met eenen strik om den
+arm was geknoopt. Evenwel degenen, die dus gekleed waren, vormden de
+meerderheid niet; de overigen droegen allerlei kleederen en gewaad:
+tusschen frakken, vesten en grauwe kielen, zag men ook hier en daar
+eenen Hollandschen soldatenrok of den dolman eens huzaars zich
+uitlossen; burgerhoeden, klakken, schako's of kolbaks, ja, zelfs
+Waalsche slaapmutsen met roode strepen, kon men boven de scharen der
+vrijwilligers zien dooreenwemelen.
+
+Eveneens was het met de wapening dezer mannen. Aanschouwde men eenen
+dergenen, die uit eigen middelen zich naar lust had kunnen uitrusten,
+dan droeg hij onfeilbaar den voormelden blauwen kiel van fijn linnen en
+de haren muts; daarbij had hij lakensche schachten om de beenen, tot aan
+de knieen met witte knoopjes gesloten. Zijne wapens bestonden in eenen
+uiterst schoonen jachttweeloop met ingesneden versiersels; eene kromme
+officierssabel met stalen scheede sleepte hem achterna, en in zijnen
+gordel staken twee groote pistolen, elk met dubbelen loop.
+
+Maar op vijfhonderd was er zoo slechts een; de overigen droegen meest
+geweren, die men in de Hollandsche kazernen en magazijnen had gevonden,
+of welke men krijgsgevangenen en _deserteurs_ had ontnomen; dan, er
+waren er insgelijks oneindig velen, die een verroest jachtgeweer,
+dikwijls zonder haan of pistool, of eene piek, of eene bajonet op eenen
+bezemstok voor eenig wapen hadden.
+
+Niet minder gemengd waren de menschen zelven; men kon in eenen hoop
+vrijwilligers, hij mocht dan weinig talrijk zijn, de tongvallen van al
+onze provincien hooren, en zelfs Franschen en Duitschers aan hunne
+spraak herkennen.
+
+Al deze mannen waren uiterst vuil en beslijkt; zij schenen op den
+slechten toestand hunner kleeding hoogmoed te dragen, en zouden zich wel
+gewacht hebben het zwartsel van het buskruid van hun aangezicht te doen
+verdwijnen. Ik heb zelfs gezien, dat sommigen zich natgemaakt poeder
+rond de lippen wreven, om er nog schrikkelijker uit te zien.
+
+Waar de vrijwilligers te zamen waren, werd onophoudend met geestdrift
+gezongen, en men kon uit de verte de galmen hunner strijdhaftige
+blijdschap boven de huizen hooren vlotten. Soms zongen zij het
+Brabantsch omwentelingslied _la Brabanconne_; doch meesttijds was het de
+krijgszang van den Parijschen opstand, met het referein:
+
+En avant! marchons
+Contre leurs canons;
+A travers le fer, le feu des bataillons,
+Courons a la victoire!
+
+De _Marseillaise_ hoorde men zelden.
+
+Het ware den Belgischen vrijwilligers nimmer mogelijk geworden, door
+eigen macht binnen de sterke vesting te geraken; doch terwijl zij van
+verre geweerschoten tegen de wallen losten en door de _biscayens_ en
+_kartetsen_ der Hollanders nutteloos eenige mannen verloren, was het
+volk binnen Antwerpen zelf in opstand geraakt.
+
+Des morgens was ik met mijnen vriend, den Brusselaar, op
+St.-Willebrords, niet verre van de barricade, die dicht bij de stad,
+omtrent de danszaal _De Gouden Appel_, opgeworpen was. Wij hielden ons
+schuil achter de huizen der straat. Den ganschen nacht had men in de
+stad een hevig geweervuur gehoord, en klonk het er nog met meer
+aanhoudendheid.
+
+Ik had een pistool, dat weleer eenen Franschen dragonder had toebehoord,
+en dat ik te huis had weggenomen. Nu stond ik te midden der Belgen; ik
+sprak en juichte van vrijheid en van vaderland, als hadde ik aan al de
+gevechten van Brussel, van Waelhem en van Berchem deelgenomen. Niemand
+vond het kwalijk of ongerijmd, dewijl men elkander tusschen zulken
+bijeengeraapten hoop menschen onmogelijk kon kennen.
+
+Ten huize van mijnen vriend Jan De Laat moest een voornaam overste
+geherbergd zijn; want ik zag, hoe alle oogenblikken lieden met brieven
+daar uit- en ingingen, en eindelijk, toen de tijding zich verspreidde,
+dat de Antwerpenaars, twee der stadspoorten hadden vermeesterd, werd
+insgelijks, zoo het mij toescheen, uit de woning van De Laat het teeken
+gegeven tot het roffelen van het _appel_.
+
+Al de Belgen, welke in ons voorgeborcht zich bevonden, liepen te zamen.
+Met ontrolde Vaandels trok hunne verwarde schaar stadwaarts op. Mijn
+vriend, de Brusselaar, was een waaghals; alhoewel wij nog niet goed
+wisten, hoe wij zouden worden ontvangen, deed hij geweld om vooraan te
+blijven; ik verliet hem geen oogenblik en liep als een ander held, met
+mijn groot pistool in de vermoeide vuist, juichend nevens zijne zijde.
+
+Toen wij op de stadsbruggen waren, zagen wij nog Hollandsche soldaten
+boven over de Borgerhoutsche poort, langs de binnenwallen naar het
+kasteel optrekken. Wij kwamen echter, zonder ernstigen tegenstand te
+ontmoeten, binnen de stad, en werden er jubelend ontvangen door de
+gewapende Antwerpenaars, die de Hollanders tot den aftocht hadden
+gedwongen.
+
+Nevens de poort, op den hoek der straat die men _Meulenberg_ noemt,
+stond een hoop arme vrouwen te juichen en _leven de Belgen!_ te
+schreeuwen; zij schenen dol of dronken. Onder dezen kreeg een leelijk,
+oud wijf mij in het oog. Mijne uiterste jonkheid boezemde haar
+waarschijnlijk bewondering of medelijden voor mij in; want zij sprong
+met de twee armen vooruit op mij toe en riep:
+
+"Ach, mijn klein Belgsken-lief! Kom hier, kind, u moet ik toch eens
+kussen, al stond er de koning bij!"
+
+Zij sprong mij zoo vurig en zoo woest aan den hals, dat ik, onder het
+onverwacht geweld zwichtend, met wijf en al op den rug ten gronde viel
+en mij ter dege aan het achterhoofd bezeerde.
+
+Mijn vriend, de Brusselaar, verjaagde het dolle mensch en hielp mij te
+been.
+
+Op dit oogenblik bracht men het lijk eener Hollandsche marketentster
+van boven den wal; bloed stroomde nog over hare kleederen, en het
+jenevertonneken sleepte aan zijne riemkens haar achterna.
+
+Deze vrouw was, bij het wegvluchten der laatste Hollandsche soldaten,
+een eind achteruitgebleven; zij liep boven de poort voorbij, juist toen
+de vrijwilligers begonnen er onder door te komen. De eersten, die haar
+zagen, wilden niet op eene vrouw schieten; doch de marketentster keerde
+zich om, toonde hun den rug, en met de hand er op slaande, deed zij een
+alsdan bekend teeken van verachting en spot. Een geweer mikte op haar,
+en de stoute vrouw viel ten gronde; een kogel was haar door het hart
+gegaan.
+
+Het gezicht van het lijk weerhield ons een oogenblik; dan volgde ik
+mijnen vriend den Brusselaar naar de Groote Markt, waar al de geweren
+ten teeken van vreugde werden afgeschoten, onder aanheffen van een
+onbeschrijfelijk geschreeuw en gejubel.
+
+Mijn vriend beweerde, dat ik ook schieten moest, en om mij dit mogelijk
+te maken, laadde hij mijn groot pistool, dat misschien sedert Napoleons
+tijd nog geen vuur had gezien.
+
+Hij gaf het mij in de hand en leerde mij, hoe ik den arm gebogen moest
+houden, om het stooten van het wapen te voorkomen. Ik deed wat hij zeide
+en loste stoutelijk den slag. Hoe het kwam, weet ik niet; maar het
+pistool gaf een machtigen knal en rukte mij, als het ware, het gansch
+gebeente uiteen. Mijn elleboog en schouder deden mij zoo zeer, dat mijn
+vriend meende te barsten van lachen bij de pijnlijke en droeve
+gezichten, die ik trok.
+
+De smart verminderde echter spoedig. Wij bleven op de markt; de burgers
+brachten voedsel en drank aan, en ik at uit eenen pot met mijnen vriend.
+
+Omtrent twee uren na den middag gingen wij over de Graanmarkt, waar men
+bezig was met het _arsenaal_ uit te plunderen. Ik zag er allerlei lieden
+komen uitgestroomd, elk met een nieuw geweer op den schouder; en dewijl
+het bezit van een nieuw geweer mijn innigste verlangen was, verzocht ik
+den Brusselaar met mij er binnen te gaan, om te beproeven, of ik
+insgelijks een wapen zou kunnen bekomen.
+
+Na lang dringen en stooten geraakte ik in een magazijn, waar vele lange
+houten kisten opeengestapeld lagen; uit eene van deze nam ik een geweer.
+Mijnen vriend zag ik niet meer omtrent mij; hoezeer ik ook in het
+arsenaal rondzocht, ik kon hem niet meer vinden.
+
+Bij den ingang van het gesticht staande, schouwde ik met angst op de uit
+en instroomende menigte; en toen ik na een uur wachtens mijnen vriend
+nog niet had gezien, zou ik wel van verdriet geweend hebben. De
+Brusselaar was mijn moed, mijne macht, mijne hoedanigheid van man; nu ik
+hem had verloren, was ik weder een kind geworden, dat nog niet tot de
+hoogte zelfs van eenen omwentelingssoldaat was opgegroeid.
+
+Eene bijzonderheid, die ik na eerst aan mijn geweer en aan al de geweren
+uit het arsenaal bemerkte, was, dat de Hollanders, voor hunnen aftocht
+naar het kasteel, al de hanen er van hadden medegenomen; en zoo liepen
+er dus eene menigte mannen in de stad rond met vuurwapens, die tot
+schieten onbekwaam waren.
+
+Terwijl ik nog altijd voor het arsenaal stond en innerlijk God bad, dat
+Hij mij toch zou toelaten den Brusselaar weder te vinden, hoorde ik van
+verre doffe kanonknallen en welhaast daarop klonk over de stad de
+akelige noodkreet: "het bombardement! het bombardement!"
+
+En inderdaad, toen de Belgen, ondanks zeker wapenbestand, dat er
+gesloten was geworden, dicht onder het kasteel verschenen en daar, bij
+het einde der Kloosterstraat, een arsenaal wilden overrompelen, dat nog
+eene Hollandsche bezetting in had, dan gaf baron Chasse bevel om de stad
+met bommen en gloeiende kogels te beschieten. De talrijke
+oorlogsschepen, die in de Schelde voor de Werf op stroom lagen, voegden
+hun vuur bij dat des kasteels en der forten, en zoo werd Antwerpen in
+alle richtingen met verbrijzelende kogels of brandstichtende bommen
+overdekt.
+
+Zonder op het gevaar te letten, dwaalde ik tot den laten avond van de
+eene straat naar de andere, over alle plaatsen en markten, met mijn
+geweer zonder haan op den schouder, om, indien het mogelijk ware, mijnen
+vriend den Brusselaar te ontdekken. Ik vond hem niet en heb hem zelfs,
+sedert het oogenblik onzer scheiding in het arsenaal, nooit meer gezien,
+hetgeen mij doet vermoeden, dat hij dien dag aan de Werf of in de
+Kloosterstraat moet gesneuveld zijn.
+
+Te elf uren des avonds bevond ik mij op de Groote Markt, omtrent de
+Hoofdwacht. Het bombardement was alsdan op het hevigst: de stad scheen
+te daveren onder de ontzaglijke losdondering van het geschut der
+oorlogsschepen. Van uit den grond des kasteels gingen menigvuldige
+bommen in de hoogte en beschreven haren tragen loop door het ruim, om op
+de eene of andere markt te barsten en alles rondom zich te dooden of te
+verbrijzelen. Men hoorde de eenzame stilte der straten soms eensklaps,
+bij het springen eener bom, door een vervaarlijk gerinkel vervangen: al
+de ruiten der huizen vielen door den fellen schok in gruis ten gronde.
+
+'s Rijks Entrepot of Handelsstapel, waar voor millioenen en millioenen
+goederen van alle natien geborgen waren, stond in vollen brand; de oude
+Sint-Michielskerk werd insgelijks door het vuur verslonden; tot boven
+haren toren golfden de reusachtige vlammen als eene gloeiende zee,
+welker roode baren door den wind werden voortgezweept. Wolken gensters
+en gansche brokken vuur dreven als een stroom uit den vulkaan, waarin de
+koopwaren, uit al de streken der wereld samengevoerd, met ijselijk
+gebruis lagen te koken en te branden. De hemel was als met bloed
+geverfd; men kon in de verlatene straten alles in een vaal en akelig
+licht onderscheiden. Een gewisse ondergang scheen der gansche stad
+beschoren!...
+
+Op dit oogenblik kwam een overste bij de Hoofdwacht roepen: "Mannen van
+goeden wil! _Des hommes de bonne volonte_."
+
+Zoo riep men telkens, wanneer men mannen noodig had, om ergens hulp te
+brengen. Er was nog geene inrichting, en ieder deed wat hij wilde.
+
+De overste zeide, dat er achter het stadhuis, nog drie _caissons_, dat
+is wagens met buskruid, stonden, en men deze noodzakelijk ter stad uit
+moest voeren, wilde men ze niet in de lucht zien springen.
+
+Ik bood mij aan met eenige anderen; wij stapten nevens de caissons en
+de paarden voort, als eene wacht tot beschutting aangesteld.
+
+Zonder hinder kwamen wij tot omtrent de Borgerhoutsche poort; maar dan
+werd het ons onmogelijk door de saamgepakte menigte te geraken, die
+huilend en kermend bad en smeekte om de stad te mogen verlaten.
+
+Als gewapend krijgsman drong ik door het volk en naderde de poort om te
+zien, wat er geschiedde.
+
+Daar trof mij een schouwspel, dat ik nimmer vergeten zal. Ik zag er
+moeders met zieke wichtjes in den arm, oude afgeleefde vrouwen en
+grijsaards, kinderen in menigte, allen geknield, met de handen biddend
+opgestoken en met tranen in de oogen de wacht smeeken, dat men toch de
+poort voor hen zou openen. Zij boden geld en goud in overvloed, en
+sloegen met schrik en afgrijzen den blik terug in de stad, van waar het
+bloedroode licht van den vuurgloed hun in de oogen glinsterde.
+
+Eenigen werden in mijn bijzijn de stad uitgelaten; doch toen, op verzoek
+van onzen overste, de poort eindelijk wagenwijd werd geopend om onze
+caissons door te laten, sprong een blijde schreeuw uit de menigte
+op,--en allen, mannen, vrouwen, kinderen, zieken en kreupelen, stroomden
+juichend en God om zijne genade dankend de poort uit.
+
+Hoe er geenen onder onze wagens verpletterd werden, is mij
+onbegrijpelijk; want, om niet door de wachten teruggedreven te worden,
+kropen er velen op handen en voeten tusschen de wielen en tusschen de
+paarden onzer caissons.
+
+Ten einde een denkbeeld te geven van den onmatigen schrik, die de
+Antwerpenaars bevangen had, zal ik hier terloops een feit verhalen,
+waarvan de getuigen nog leven.
+
+In de Lange Nieuwstraat, ten huize van een kuiper, hielden de lieden
+zich gedurende het bombardement in hunnen kelder verborgen, toen een bal
+of eene bom niet verre van daar, in de Cellebroedersstraat, eene schouw
+afwierp. Het gerucht, dat uit den val der steenen op de daken ontstond,
+verschrikte de verborgene lieden zoozeer, dat zij den kelder in allerijl
+verlieten, hem toesloten, de stadspoort uitvloden, en uren en uren verre
+bleven gaan, vooraleer zij zich in veiligheid dorsten wanen. De arme man
+werd eerst na achtenveertig uren uit den kelder geholpen door
+voorbijgangers, die zijn gekerm hadden gehoord.
+
+Uit de stad geraakt zijnde, brachten wij onze caissons door het
+voorgeborcht op eene vlakte, het Borgerhoutsveld genaamd, en stelden ze
+daar tusschen eene kleine herberg en den hoogen, steenen molen.
+
+Men riep ons in de herherg om elk zijn nummer te geven en de wachtbeurt
+te regelen. Ik verstoutte mij, op de vraag des oversten eene
+vreesachtige aanmerking te maken over de wegen, welke op dit veld
+uitkwamen. Een der vrijwilligers, ik geloof, dat hij een Antwerpenaar
+was, aanschouwde mij met misprijzen en riep, terwijl hij met de kolf van
+zijn geweer ten gronde stampte:
+
+"Wat meent die _blanc-bec!_ Ik wil met geene kinderen ter wacht zijn!"
+
+En mij onder het lachen der anderen mijn geweer ontnemende, zeide hij:
+
+"Ga naar huis, manneken, bij uwe moeder, en vraag...eene borst!"
+
+Zonder iets op deze vernederende scherts te antwoorden, verliet ik het
+wachthuis met verbroken hart. Hadde ik de stoutheid gehad om tegen den
+spotter in te gaan en mijn recht ter verdediging van het vaderland te
+doen gelden, men hadde mij waarschijnlijk geeerbiedigd en gelijk
+gegeven; doch het lag in mijne inborst, voor den _mensch_ immer te
+zwichten, wanneer hij zich als persoon dreigend tegenover mij stelde.
+Het moge onuitlegbaar schijnen, het is echter zoo; tegen vuur, kanonnen
+en alle stoffelijke gevaren kon ik staan zonder merkelijken schrik; maar
+den _mensch_ alleen vreesde ik als een wezen, voor hetwelk ik altijd
+moest wijken. Dit gevoel lag in mij sedert mijne eerste kindsheid, omdat
+mijne lichamelijke macht te verre beneden de strekking en de begeerten
+van mijn hart en van mijnen geest gebleven was. Mijne zonderlinge
+opvoeding had ook niet weinig bijgedragen om mijne _menschenvrees_ te
+doen aangroeien.
+
+Met den boezem opgekropt van verdriet en schaamte, treurende om het
+verlies van mijnen vriend den Brusselaar, sukkelde ik langzaam naar
+mijns vaders woning, die ik gansch met gevluchte lieden vond opgevuld.
+In al de kamers lag het beddegoed tusschen busselen stroo uitgespreid.
+Wel dertig stedelingen zouden ten onzent eene schuilplaats en herberge
+vinden.
+
+Zoo was het in alle huizen, stallen en schuren rondom Antwerpen; de
+dorpen, tot op vijf uren afstands, krielden van Antwerpsche
+huisgezinnen.
+
+Ik kreeg van mijnen vader eene harde berisping, omdat ik zoo lang
+uitgebleven was; doch wanneer ik in tegenwoordigheid der vreemde gasten
+vertelde, wat ik had gedaan en gezien, dan verkalmde mijns vaders
+gramschap, en hij vond het braaf, dat ik zooveel onverschrokkenheid had
+getoond.
+
+Het bombardement was denzelfden nacht nog opgeschorst geworden, ten
+gevolge van eenen wapenstilstand, waarvan baron Chasse zelf de
+voorwaarden had bepaald. Deze liepen echter meest daarop uit, dat het
+kasteel, de schepen en de forten, benevens het Vlaamsche Hoofd over de
+Schelde in het rustig en onverstoord bezit der Hollanders zouden worden
+gelaten, zoolang het wapenbestand door geene der beide partijen zou
+worden opgezegd.
+
+Des anderen daags was ik uiterst treurig. Mij vloeiden allerlei
+zonderlinge gepeinzen door het hoofd; ik mijmerde van schitterende
+wapenfeiten en van oorlogsroem: soms zag ik mij zelven in
+tegenwoordigheid des vijands op het oogenblik van den aanval; ik hief
+het zwaard in de hoogte, en mij vooruitwerpende, riep ik al mijne
+makkers tot heldenmoed op. Dank aan mijne welsprekendheid, werd de
+vijand geslagen, en iedereen in het Belgisch leger bewonderde den
+zwakken jongen, die zooveel manhaftigheid had getoond.
+
+Na zulken droom kwam de onttoovering. De held herinnerde zich, dat hij
+gisteren nog zijn geweer zonder tegenspraak zich had laten ontnemen, en
+dat men hem spottend had gezegd: "Ga naar uwe moeder, manneken!"
+
+Dan overwoog ik zeer ernstig, dat de waarde van den mensch niet zelden
+afhangt van het tijdstip zijner geboorte; want indien ik tien jaren
+vroeger ter wereld ware gekomen, niemand zou mij nu de hoedanigheid van
+_man_ betwist hebben, en ik hadde kunnen beproeven, of er waarlijk eene
+heldenziel in mijnen boezem leefde. Het einde dezer gepeinzen was, dat
+ik voor eenen spiegel mij van hoofd tot voeten beschouwde, en mijn
+gelaat zoo streng als mogelijk plooide. Ik erkende zelf dat er nog veel
+_kind_ in mijne uiterlijke gedaante stak; en van spijt ten gronde
+trappelend, betreurde ik het ongeluk van zoo klein te zijn.
+
+Evenwel, de denkbeelden van oorlogsroem ontstonden immer opnieuw in mijn
+hoofd. Ik was eenen gansenen dag _man_ geweest; die herinnering was te
+verleidend om mij niet onweerstaanbaar tot zich terug te lokken.
+
+Dienzelfden dag nog zeide ik aan mijnen vader, dat ik soldaat wilde
+worden, om voor de vrijheid van mijn vaderland te strijden; hij poogde
+mij te doen begrijpen, dat ik nog te jong was; doch ik hield mijn
+voornemen staande. Waarschijnlijk geloofde hij aan mijne beslissing
+niet; want hij verliet mij met eenen glimlach van schertsenden twijfel,
+die alleen genoegzaam was om mij te ontmoedigen en mijne krijgsdroomen
+in rook te doen vergaan.
+
+Vier dagen nog bleef ik besluiteloos ronddwalen, met nijd en begeerte de
+_Belgen_ aanziende, die door ons voorgeborcht trokken, om zich naar de
+Hollandsche grenzen te begeven. Mij was geboodschapt geworden, dat ik
+ten huize van den heer Delin komen moest, om er mede te helpen tot het
+schikken der school, die tijdens het _bombardement_ gansch het onderste
+boven was geraakt.
+
+Zoohaast ik de poort mijner schole zag, ontstond er eene opbruising in
+mijn bloed;--daar binnen was mijne gevangenis.....en ik hoorde het woord
+_vrijheid_ in tooverende galmen uit al de straten der stad mij
+tegenklinken!
+
+Het was laat in den namiddag, toen ik, half dwaas in het hooid, de
+schole verliet en vol gepeinzen naar het Groen kerkhof en naar de Groote
+Markt dwaalde, in de hoop van er Belgen te zien.
+
+Op de laatstgenoemde plaats bemerkte ik een huis, voor welks venster in
+groote letteren stond geschreven: _Bureau d'engagement._
+
+Een gansch uur bleef ik, met den blik op dit huis gevestigd, roerloos
+staan. Eene onbeschrijfelijke ontsteltenis had mij aangegrepen; mijn
+boezem hijgde, mijn hart klopte onstuimig, mijne wangen gloeiden. Er
+werd in mijn binnenste een koortsige strijd geleverd: ik kon soldaat
+worden en aldus het onbetwistbaar recht aanwinnen om als man de wapenen
+voor de vrijheid te voeren;--maar mijn vader, zou hij wel toestemmen in
+deze daad?... Ik zag hem in den geest voor mij staan; zijn strenge blik
+ontnam mij allen moed; zijn ontzaglijk woord deed mij beven.... Dan weder
+herinnerde ik mij al de wonden, door schaamte in het hart geslagen, en
+ik overwoog met angst, dat mijne schole weder ging geopend worden. Mijne
+ziel murmelde van vrijheid, mijn geest droomde van roem en van groote
+daden. Onder de toovermacht van zulke aandoening, bezweek eindelijk
+mijne vrees, en ik trad sidderend het bureel binnen.
+
+Vier of vijf officieren, waaronder een kapitein met name Fichaux,
+stonden er voor eenen lessenaar. Op mijne aanvraag liet men mij eene
+dienstverbintenis voor _twee jaren_ teekenen, die men mij, vier maanden
+later, in eene nieuwe voor _vijf jaren_ deed veranderen.
+
+Mijn ouderdom was alsdan tusschen de zeventien en achttien jaren.
+
+Ik kreeg een logement-biljet voor het huis van M. Van Erthorn, op de
+Kleine Markt, waar slechts een knecht en eene dienstbode zich bevonden.
+
+Hier vroeg ik pen en papier en begon aan mijnen vader eenen brief te
+schrijven, waarin ik hem meldde, dat ik als _vrijwilliger onder de
+Belgen_ voor twee jaren had geteekend; ik vroeg hem verontschuldiging,
+indien deze beslissing hem mocht mishagen, en sprak oneindig veel van
+vrijheid en van de plichten jegens het vaderland. Ik eindigde met een
+teeder vaarwel, hem tevens aankondigende, dat ik des anderen daags, voor
+den middag, met vele andere vrijwilligers naar de grenzen zou
+vertrekken.
+
+Na een rusteloozen nacht stond ik op met het krieken van den dag; ik
+bezat een guldenstuk, dat mij door eenen der vluchtelingen ten onzen
+huize was geschonken. Voor dit geld kocht ik van eenen _Belg_ eene oude
+sabel zonder scheede en eene patroontasch zonder draagband. Dit laatste
+kruistuig hing ik met een koord over den schouder; een dun lederen
+riemken bevestigde de sabel aan mijne zijde.
+
+Dus aangetakeld, wandelde ik de stad op en neer, met het hoofd in de
+hoogte en het hart vol blijde fierheid. Belachelijk was alsdan zulke
+uitrusting niet; er liepen er oneindig velen, die zelfs niet hadden dan
+een groot mes of eene Hollandsche schako, om te toonen, dat zij in
+dienst des vaderlands waren getreden.
+
+Mijne hoedanigheid van wettig soldaat, welke niemand mij nu betwisten
+kon, gaf mij een groot vertrouwen; en toen het tien uren sloeg, ging ik
+op het Groen kerkhof zonder schroom in de rangen der vrijwilligers
+staan, die evenals ik moesten worden ingelijfd in de nieuwe compagnien,
+om eenige uren later naar de grenzen te vertrekken.
+
+Terwijl men bezig was met het oproepen der namen, beving mij eensklaps
+een hevige schrik; mijn vader wandelde in de verte over en weder op de
+plaats, en keerde het hoofd naar alle zijden, ongetwijfeld om mij te
+ontdekken. Ik zag aan de strengheid van zijnen blik en aan het plooien
+zijner lippen, dat hij diep was verstoord.
+
+Mij zoo klein makende als het mogelijk was, hoopte ik aan zijnen
+zoekenden oogslag te ontsnappen, toen men onverwachts mijnen naam
+opriep. Mijn vader had het gehoord en kwam rechtstreeks naar de plaats,
+waar ik stond.
+
+Mij bij het oor grijpend, alsof ik geen soldaat ware geweest, trok hij
+mij, in het gezicht mijner makkers, uit de rangen en zeide bevelend:
+
+"Kom, volg mij!"
+
+Ik meende van schaamte te sterven; doch ik was dermate gewoon mijnen
+vader te eerbiedigen, dat ik met gebogen hoofd hem achterna ging tot
+voor het _Paleis van Justitie_, waar hij staan bleef en mij bitterlijk
+en met luider stemme berispte over hetgeen hij mijn ontloopen uit het
+ouderlijk huis noemde. Hij beweerde, dat mijne dienstverbintenis van
+geener waarde was, en wilde mij mede naar huis hebben; doch mijn smeeken
+scheen hem eindelijk te overwinnen. Dan veranderde hij eensklaps van
+gedachten.
+
+"Het is geene gekke daad van uwentwege?" vroeg hij. "Wat gij gedaan
+hebt, is het gevolg van een rijp beraad? Welaan, strijd voor uw
+vaderland. Het soldatenleven zal u misschien goed doen, en daarbinnen
+uit uw hoofd de droomen doen verhuizen, die u beletten _man_ te worden.
+Komaan dan, ik zal u eenen kiel en eene haren muts koopen, dat gij ten
+minste aan uwe kameraden gelijkt."
+
+Ditmaal was mijn vader mild met mij; hij kocht mij eenen fijnen kiel met
+roode boordsels, eene schoone haren muts en eenen verlakten gordelband.
+
+Terwijl men op het Groen kerkhof nog immer bezig was met de nieuwe
+compagnien te vormen, wandelde ik met mijnen vader over en weder. Hij
+legde mij uit wat het soldatenleven is, en poogde mij op voorhand te
+wapenen tegen de wederwaardigheden, welke ik er zou ontmoeten. Onder
+anderen zeide hij:
+
+"Ziet gij wel, karakters als het uwe zijn voor het krijgsleven niet
+gevormd: gij zijt te teergevoelig. Een zacht woord maakt u blijde, maar
+ook een hard woord maakt u diep ongelukkig. Wanneer u iets onaangenaams
+wedervaart, loopt gij er dagen lang mede in het hoofd, en, droomend,
+overdrijft gij alles. Van deze gewoonte moet gij u ontdoen, en u bestand
+maken tegen de schijnbare ruwheid uwer gezellen en oversten. Overtuig u
+op voorhand, dat de soldaten, ook de officieren, meest altijd de
+krachtigste woorden bezigen tot het uitdrukken der gewoonste dingen.
+Indien gij dit uit het oog verliest, zult gij u dagelijks tienmaal
+gewond gevoelen, wegkruipen, droomen en treuren. Het is tijd, dat gij
+_man_ wordt, vermits gij mannendaden wilt doen."
+
+Een geroffel der trom brak eindelijk mijns vaders wijze raadgevingen; de
+vrijwilligers gingen vertrekken.
+
+Toen mijn vader tot vaarwel mij in de armen drukte, murmelde hij nog:
+
+"En Hendrik, gedenk immer het spreekwoord: _ieder is het kind zijner
+eigene werken_. Van nu af is uw lot in uwe handen; het zal zijn, wat gij
+het zelf zult maken."
+
+De tranen stonden hem in de oogen; ik weende snikkend en voelde zijnen
+laatsten handdruk schier niet.
+
+In mij stond de gedachte om hem te volgen en den soldatendienst te
+ontvluchten; doch nu begonnen de trommen den marsen te slaan, en ik zag
+de compagnien zich bewegen om te vertrekken. Met het aangezicht nog nat
+van tranen, liep ik in mijn gelid ... en weg was ik naar de grenzen!
+
+
+
+
+II
+
+
+Wij bleven eenige dagen te Oostmalle, op vijf uren gaans van Antwerpen.
+Hier kwam mijn vader mij bezoeken, met het inzicht om de bescherming
+mijner officiers voor mij in te roepen. Hij bleef lang in gezelschap met
+den overste onzer compagnie, die een Franschman was, en sprak
+waarschijnlijk met hem over Napoleons tijd, over de roemrijke
+wapenfeiten der Fransche legers en over de rampen der keizerlijke
+vloten; want toen ik mijnen vader uitgeleide had gedaan en te Oostmalle
+wederkeerde, sloeg de overste mij vriendelijk op den schouder, terwijl
+hij mij zeide:
+
+"Uw vader heeft _den grooten man_ gediend; hij is een oude zeewolf, die
+zijn bloed voor het vaderland heeft gestort. Dit is mij voldoende om
+zijnen zoon voor te staan waar ik kan; de brave man hoefde het mij zoo
+dringend niet te verzoeken. Ik maak u korporaal; later zullen wij zien
+wat ik voor u nog kan doen. Zorg intusschen, dat gij wat soldaat wordet;
+maar geef den moed niet op: ik zal mij uws vaders woorden herinneren en
+u helpen."
+
+Drie weken later (den 31^{sten} November 1830) te Turnhout werd ik
+_fourier_ gemaakt. De titel van onderofficier, welken ik nu bekwam,
+klonk mij in de ooren als de aankondiging eener schitterende loopbaan,
+en ik schreef naar huis, dat ik God dankte, omdat Hij mij niet alleen
+het voornemen had doen opvatten van soldaat te worden, maar nog
+daarenboven mij de noodige stoutheid had vergund om het uit te voeren.
+
+Dat ik te midden der woeste vrijwilligers zoo goed in mijnen schik was
+en geene merkelijke vernedering meer onderging, dit had ik te danken aan
+den officier, die het bevel over mijne compagnie voerde. Hij heette
+Schmit, en had, zeide men, van zijne zestien jaar in de jonge _garde_
+van Napoleon gediend. Hoog van gestalte en schoon van lichaamsbouw was
+hij; uiterst behendig in de schermkunst met sabel en degen, krikkel op
+het punt van eer, moedig tot overdrevenheid, vroolijk van inborst en
+geestig in al zijne gezegden; daarbij goed van harte en onbekwaam om
+iemand leed te doen of met inzicht te bedroeven; in een woord, het ware
+beeld van den _Franschen soldaat_, zooals hij ons in poezie wordt
+voorgeschetst.
+
+Deze had mij zichtbaar onder zijne bescherming genomen en waakte met
+vaderlijke bezorgdheid en met waren edelmoed over _son petit fourrier_,
+zooals hij mij altijd noemde. Aan hem was ik mijne spoedige verheffing
+tot fourier verschuldigd.
+
+De onderofficiers, mijne gezellen in de 3^{de} compagnie van het 3^{de}
+bataljon der _Jagers-Niellon_, waren insgelijks goede jongens, en hun
+gedrag ten mijnen opzichte was even alsof zij samengespannen hadden, om
+hun _fourierken_ tegen alle ongeval te verdedigen. Met hen ook had mijn
+vader te Oostmalle gesproken. Onder dezen, mijne beschermers en
+ambtgenooten, was de sergeant-majoor Collette, van Brussel, en een
+sergeant van Luik, met name Deguee, die mij lachende zijnen zoon noemde,
+en waarlijk uit rechtzinnige goedheid met de sabel het minste ongelijk
+zou hebben gewroken, dat men mij hadde durven aandoen.
+
+Aldus omringd van goede vrienden, gevoelde ik den overgang van den
+burgerstand tot het soldatenleven niet anders, dan door de onbeperkte
+onafhankelijkheid, welke wij genoten. De vrijwilligers zonder
+verbintenis, die de overgroote meerderheid van ons regiment uitmaakten,
+toonden zich wars van alle onderschikking en verdedigden hunne
+persoonlijke vrijheid tegen den minsten schijn van tucht. Zij gingen
+naar huis voor zoovele dagen als het hun beliefde, en keerden weder in
+de rangen, zonder dat men hen durfde bestraffen. De officiers hadden nog
+geene regelmatige benoeming; het behoud van hun ambt hing af van de
+willekeur der mannen, waarover zij moesten bevelen. Hieruit volgde, dat
+ieder deed wat hij wilde, en het gansche regiment nog bestond uit vrije
+burgers, die geenen krijgsdwang erkenden. Wij hadden geene
+soldatenkleeding en oefenden ons niet in den wapen-handel. Wie tweemaal
+elken dag op het _appel_ verscheen, was een vlijtig man en mocht zeggen,
+dat hij aan al zijne plichten had voldaan. Het overige van den tijd
+sleten velen in de herbergen; de anderen bleven ten huize der burgers of
+boeren, bij wie zij ingekwartierd lagen; en, dewijl de vaderlandsliefde
+der Kempenaars hun de Belgen zeer deed beminnen, werden dezen aanschouwd
+en behandeld als waren het leden van het huisgezin.
+
+De vrijwilligers, die men naar hunnen generaal _Chasseurs-Niellon_
+noemde, bleven werkeloos in Turnhout of op de naaste dorpen liggen, tot
+het einde der maand December. Alsdan vertrokken wij met een sneeuwig
+weder naar den kant van Limburg, om, zoo men ons zeide, den vijand in te
+wachten, die uit de vesting Maastricht eene krijgsmacht over de heide
+naar Holland wilde zenden.
+
+Wat hiervan zij, men hield ons tegen den avond staan op eene onmeetbare
+heide, die wel tot eenen voet hoogte met sneeuw was overdekt.
+
+De wind was in het Oosten gekeerd en zoo koud, dat wij ons de handen
+voor de ooren hielden, om ze niet te laten bevriezen.
+
+Bevel werd er gegeven, dat wij te dezer plaatse den nacht op bivak
+zouden doorbrengen, dit wil zeggen, dat wij op de sneeuw konden slapen,
+indien wij niet liever tot den morgen met stampen en armenslaan ons
+wilden verwarmen. Onze verwondering was groot; de mijne bovenal.
+
+Ik zag niets voor mijne oogen dan eene onafzienbare vlakte, waarvan de
+eentonige witheid het gezicht verbijsterde. Slechts langs een zjjde, op
+een vierendeel uurs afstand, begrensde een hoog mastbosch de kimme, en
+daarachter wel een uur verre, schoot de klokketoren van een dorp in de
+hoogte: het was de gemeente Baelen, op de grenzen der provincie Limburg.
+
+Wij hadden sedert ons vertrek uit Turnhout nog geen voedsel genuttigd.
+Dewijl de Belgen sedert de omwenteling immer bij burgers en boeren waren
+ingekwartierd geweest, bestond er nog geen voorraaddienst in het leger;
+wij hadden diensvolgens het vooruitzicht, dat wij hier zonder eten
+zouden blijven.
+
+Zoohaast de moedigsten dezen toestand hadden begrepen, begonnen zij
+naar middelen uit te zien om vuur en voedsel te bekomen. Er werden
+ploegen of _corvees_ ingericht, om hout uit het mastbosch te halen Nog
+geen half uur was het geleden, of honderden mannen kwamen ieder met
+eenen sparreboom naar het bivak gesleurd. Voor elke compagnie werd een
+vuur ontstoken, dat allengs grooter en grooter wordende, eer het op de
+heide donker was, zijne slingerende vlammen tot dertig voet hoog deed
+stijgen.
+
+Deze eerste nacht van het bivak liet op mijn gemoed eenen diepen indruk
+na;--de nijpende koude vergetend stond ik, uren lang, in stomme
+verbazing op het ontzettend schouwspel te staren, dat zich daar voor
+mijn oog ontrolde.
+
+Achttien vuren, uit stapels mastboomen in de hoogte golvend, verlengden
+hunne rij over de vlakte. De hemel blaakte boven onze hoofden; de sneeuw
+zelve scheen te branden; en dewijl, bij het dansen der vlammen, de
+vurige tonen van het bloedroode licht dan eens met de helderheid des
+bliksems, dan weder met vale rosheid over de heide golfden, was het voor
+de oogen en voor den geest, alsof eene onstuimige zee van onzichtbaar
+vuur over de sneeuw hadde gevlot...
+
+Bij elken gloed, als een zwerm duivels rond het vuur krielend, zag men
+de donkere schimmen der vrijwilligers tegen de vlammen zich uitlossen,
+in menigte gaan en komen, boomen op het vuur werpen, of den brandstapel
+met geweld omrukken, ten einde zijne woede nog aan te hitsen. Op zulk
+oogenblik gingen gansche wolken gensters en brandende vonken ten hemel
+en dreven als een groot vuurwerk over het leger.
+
+Door de eentonige nachtstilte der vlakte klonk het even eentonig, doch
+ontzaglijk gekraak der duizende boomstammen, die eenige oogenblikken
+vroeger nog groen in het woud stonden te groeien en nu, in den schoot
+der vlammen, als dunne twijgen werden verslonden. Tusschen dit
+overheerschend gerucht galmde de stem der vrijwilligers, die elkander
+bij hunne namen riepen; soms ook wel ontstond in de verte het lied _en
+avant, marchons_! of men hoorde het noodgehuil van een varken, dat men
+bezig was met kelen, of het gebrul eener koe, die door onze _maraudeurs_
+of voedselzoekers uit een naburig gehucht was weggehaald.
+
+Omtrent mij werd een kalf met sabelhouwen neergeveld en oogenblikkelijk,
+zooals het was gevallen, in stukken gehakt.
+
+Een sergeant duwde mij eenen lap vleesch in de hand; en, de anderen
+navolgend, begon ik het aan het reusachtig vuur te braden.
+
+Vermits wij niet dicht bij den gloed konden naderen, staken wij het
+vleesch op de punt van den laadstok onzes geweers en hielden het aldus
+op eenen afstand in de vlam. Wanneer het dan eenigszins was verbrand,
+aten wij het gebraden gedeelte er af, en herhaalden deze handeling
+totdat er ons niets meer van het vleesch overschoot.
+
+Bijna den ganschen nacht bleven wij te been; doch tegen den morgen
+overviel ons eene onoverwinnelijke slaapzucht. Velen legden zich neder,
+op vier of vijf stappen van het vuur, en sluimerden op den grond even
+goed als in een donzen bed.
+
+Niets aan het lijf hebbend dan eenen lijnwaden kiel over mijn zwart
+schoolkleed, zat ik als gevoelloos rond te staren. Mijn aangezicht en
+mijne borst waren brandend van den blaak des vuurs, terwijl mijn rug,
+door den scherpen oostenwind aangedaan, schier bevroor van koude.
+
+Allengs verzwaarde mijn hoofd; ik legde mij neder, blikte nog eene wijl
+in de vlammen, en viel dan in slaap.
+
+Toen ik twee uren later ontwaakte en meende op te staan, was het mij
+onmogelijk. Men had het vuur laten verzwakken, en het water van de
+gesmolten sneeuw was onder mij vastgevrozen. Men moest letterlijk met
+sabelhouwen mijnen kiel van den grond loshakken, vooraleer ik mij
+oprichten kon. Ik bibberde van koude; mijne ledematen waren verstijfd;
+ik was bleek en gansch moedeloos.
+
+Zoo bleven wij drie dagen en drie nachten, zonder ander voedsel dan wat
+er werd geroofd, op de sneeuw rond de groote vuren gelegerd. Reeds den
+tweeden dag had het zonderling schouwspel zijne aantrekkelijkheid voor
+mij verloren; ik bewoog mij langzaam en voelde iets in mij, alsof ik
+ziek worden ging. Mijne vrienden der compagnie bemerkten het wel; zij
+omringden den _petit fourrier_ met de liefderijkste zorgen en hadden
+zelfs eenen bussel hooi gebracht om hem er op te laten slapen.
+
+Den derden dag was het mij nog erger; ik zat ineengekropen onder eenige
+boomstammen, die men als beschutting tegen den wind had opgericht; ik
+dacht aan mijnen vader, aan mijn leven in de kluis, aan mijnen broeder
+en aan alles, wat ik op aarde meest beminde....
+
+De sergeant Deguee, mijn goede beschermer, wilde mij naar den
+regimentsdokter leiden om een briefje tot inkwartiering te Baelen te
+bekomen; doch het kwetste mijne fierheid zoo diep, te moeten zwichten
+voor iets, waaraan mijne meeste gezellen wederstonden, dat de schaamte
+mij nog meer deed lijden dan mijne onpasselijkheid. Ik had mij _man_
+gewaand, en ik bezweek als een _kind_ onder koude en derving van gewoon
+voedsel! In mijne spijt antwoordde ik mijne vrienden, dat men om mij
+niet moest bezorgd zijn, dat het wel zou overgaan, en meer andere
+machtspreuken, die slechts de laatste teekenen waren mijner worsteling
+tegen het noodlot, dat mij vernederen zou.
+
+In den namiddag waren er eindelijk karren met voorraad in het bivak
+verschenen, en ik werd geroepen, om als fourier de mannen van _corvee_
+naar de karren te vergezellen. Ofschoon de koorts mij schrikkelijk deed
+beven en mij nauwelijks toeliet op mijne beenen te staan; alhoewel de
+pijn in het hoofd mij verbijsterde, begaf ik mij vooruit en toonde mij
+bereid tot het volvoeren van mijnen dienst; doch de officier Schmit
+wilde het niet toelaten, en liep zelf om den bataljonsdokter te halen.
+Deze gaf mij een briefje, waarmede ik naar Baelen zou gaan; en de
+burgemeester zou mij, bij het vertoonen van het schrift, in een huis van
+het dorp doen herbergen.
+
+De tranen schoten mij in de oogen, toen ik op het gelaat mijner vrienden
+zulk diep medelijden met mijnen ellendigen toestand bespeurde. De
+sergeantmajoor Collette en de sergeant Deguee dwongen mij tot het
+aanvaarden van geld; een korporaal van Verviers, met name Fabry, stak
+eene halve zijde gerookt spek in mijnen ransel; want, zeide hij, er was
+op een uur in het ronde niets meer te vinden, en het vleesch kon mij van
+dienst zijn.
+
+[Illustration: Ik klopte en bleef kloppen: men opende niet.]
+
+Dus beladen met wenschen tot herstelling en met allerlei bewijzen van
+vriendschap, begaf ik mij op weg naar het dorp Baelen. Ik stapte
+langzaam en rustte dikwijls. De vermoeidheid zich bij de ijzing der
+koorts voegende, werd ik eindelijk zoo moedeloos, dat ik mijne handen
+schier op mijn geweer liet bevriezen, zonder nog de kracht te hebben om
+het zware wapen van schouder te veranderen.
+
+Toen ik, dus voortsukkelend, het dorp bereikte, was het donker geworden.
+De huizen waren gesloten en ik zag er geene boeren op de straat; slechts
+vrijwilligers, die het bivak waren ontloopen, zwermden er rond en
+sloegen, onder ruw geschreeuw, met de kolf des geweers tegen de deuren,
+om te worden binnengelaten.
+
+Men wees mij het huis des burgemeesters; ik klopte en bleef kloppen: men
+opende niet. Dan, eindelijk antwoordde men mij van boven uit een
+venster, dat er geen logement in het dorp meer was, en dat de generaal
+zelf verboden had nog eenen enkelen _Belg_ te herbergen.
+
+Ik bleef eene wijl verpletterd staan, en zou wellicht voor de deur des
+burgemeesters mij neergelegd hebben; doch mijne koorts en mijne
+hoofdpijn waren verminderd. Het gevoel des hongers verkrampte mijn
+ingewand.
+
+Door den nood voortgezweept, klopte ik op de deuren der huizen,
+waarbinnen ik nog licht zag; aan de meeste kreeg ik geen antwoord; de
+overige waren opgevuld met vrijwilligers, die vloekten en tierden, dat
+zij geene levende ziel meer zouden binnenlaten.
+
+De wanhoop vervulde mij het hart. Krachteloos, uitgeput van vermoeidheid
+en schier bezwijkend van honger, geraakte ik tot bij de laatste huizen
+des dorps: overal vergeefsche moeite om toegelaten te worden ... en
+sterkmoedigheid, om de deuren aan stukken te slaan of de lieden te
+dwingen, ontbrak mij gansch!
+
+Daar zag ik eensklaps in de verre velden een lichtje! Men moge er om
+lachen; maar dat lichtje, evenals in het vertelsel van _Duimken_ en in
+vele andere volksvertellingen, blonk mij in de oogen als eene star der
+hoop. Ik stapte er op aan en bleef, om het te bereiken, wel vijfmaal
+verder gaan dan ik had verwacht.
+
+Het was een klein, leemen huisje, tegen de baan naar Roslaer. Ik klopte,
+en men opende oogenblikkelijk.
+
+Een schreeuw van schrik ontvloog den inwoners, als zij mij met het
+geweer in de hand zagen binnentreden, en zij begonnen smeekend mij te
+zeggen, dat zij niets meer bezaten. Men had hunne kiekens en hunne
+eenige geit beroofd; zelfs hun laatste brood hadden de Belgen
+weggehaald.
+
+Ik zeide hun, dat ik ziek was, vertelde in weinige woorden, hoe ik in
+het dorp vruchteloos had gebeden en gesmeekt om een nachtverblijf, en
+eindigde met hun om een plaatsken in hunne hut te verzoeken, totdat de
+morgen kwame.
+
+Mijne jonkheid en de klagende toon mijner stem troffen de goede lieden;
+zij wezen mij eenen stoel bij het smeulend vuur, hielpen allen te gelijk
+om den ransel van mijne schouders te krijgen, en zeiden mij onder
+betuigingen van vriendschap en medelijden, dat hun huisje gansch tot
+mijnen dienst stond. Een bed konden zij mij niet geven; maar op de
+schelf, boven het geitenstalleken, lag hooi: daarin kon ik slapen, en de
+baas zou wel zorgen, dat ik er geene koude leed. Geen ander eten was er
+in huis dan een zwart roggebrood, dat ergens voor de rondzoekende
+vrijwilligers was verborgen geweest; van dit brood mocht ik nemen wat
+mij beliefde.
+
+De hut was bewoond door eenen man en zijne vrouw en door hunne dochter,
+een meisje van omtrent de zeventien jaar. Deze laatste beklaagde den
+armen _Belg_ met luider stemme, en aanschouwde hem met zulk liefderijk
+medelijden, dat haar zoete blik alleen mij troost in den boezem goot en
+mij als het ware uit de moedeloosheid opriep.
+
+Ik wilde den lieden geld geven: doch man en vrouw stonden met
+verontwaardiging tegen mijn aanbod op. Konden zij iets ten mijnen
+dienste er voor bekomen, dan zouden zij het wel aanvaarden; maar er was
+nergens in de gansche gemeente iets voor geld te bekomen.
+
+Dan slechts schoot mij te binnen, dat korporaal Fabry eenige ponden spek
+in mijnen ransel had gestoken. In allerhaast sneed ik er van aan
+stukken; de pan werd over het vuur gehangen ... en weinige oogenblikken
+later zat ik met mijne nieuwe huisgenooten aan den disch.
+
+Ik vertelde van mijne ouders, van mijn vorig leven en van mijn
+wedervaren op het bivak. Eer ik mij tot de rust begeven zou, waren wij
+alle vier zulke goede vrienden en bekenden, alsof ik sedert mijne
+kindsheid van het huisgezin hadde deelgemaakt.
+
+De man bracht mij boven het stalleken, maakte eene diepte in het hooi,
+deed mij er in nederliggen, schikte dan nog meer hooi boven mijn lichaam
+en op mijne voeten, en wenschte mij dan den goeden nacht.
+
+Welhaast doordrong eene milde warmte mijne leden, en met haar stroomde
+er nieuw leven mij door het hart. Mij dacht, een koning, op het fijnste
+zwanendons rustend, kon niet zoo zacht en zoo verkwikkend liggen als ik
+nu, tusschen het gastvrije hooi boven den geitenstal lag uitgestrekt. Ik
+dankte God met innig gevoelde erkentenis om Zijne goedheid,--en,
+zwemmend op den zoelen stroom van allerlei blijde gedachten, viel ik in
+eenen wellustigen sluimer.
+
+Des morgens wekte men mij niet; het was reeds lang dag, eer ik van zelf
+ontwaakte.
+
+Toen ik beneden kwam, vond ik de koffie op de tafel staan en de goede
+lieden die op mij hadden gewacht om te ontbijten. Mijn blik viel op het
+meisje; zij lachte mij eenvoudig, doch zoo minnelijk toe, dat ik het
+hoofd boog, en schaamrood op mijn voorhoofd voelde klimmen.
+
+Omtrent den middag kwam er een officier, vergezeld van eene talrijke
+wacht, wien gelast was al de huizen te doorzoeken en de vrijwilligers
+naar het bivak te doen terugkeeren. Het briefje van den dokter
+beschermde mij tegen de uitdrijving.
+
+De koorts greep mij in den vooravond weder aan, evenwel met minder
+hevigheid; en na drie telkens verminderde aanvallen, was ik gansch
+genezen.
+
+Zoo bleef ik omtrent tien dagen in de hut, meesttijds bij het vuur onder
+den schouwmantel gezeten en in stille, diepe mijmering mijn oog op de
+jonge maagd houdend, die niet verre van mij zat te spinnen. Wanneer ik
+aan de minste beweging van haar hoofd kon raden, dat zij den blik tot
+mij ging richten, keerde ik met schuchterheid mijn gezicht ter zijde.
+
+Zij scheen mij schoon, de tengere, zoete maagd, met hare frissche wangen
+en helderblauwe oogen! Zoo schoon en zoo zuiver, dat zij mij voorkwam
+als een engellijk beeld, omhuld met eenen wasemkring van kuischheid en
+van betooverende onnoozelheid. In mijn eenvoudig gemoed wenschte ik, dat
+God mij hadde toegelaten haar broeder te zijn. Hoe gelukkig en hoe blijde
+hadde ik mijn leven aan hare zijde gesleten!
+
+Des avonds, wanneer moeder en vader ook rondom het vuur gezeten waren,
+dan moest ik vertellen. Omdat ik wist, dat het Bethken vermaak deed,
+spande ik al de krachten mijner verbeelding in, en ik schiep en
+schilderde de zonderlingste voorvallen, die mijne toehoorders zoozeer
+boeiden, dat zij uren lang, met gapende monden, op mijne verhalen
+luisterden. De ziel der maagd, terwijl zij dus met hare groote oogen mij
+aanschouwde, scheen op haar gelaat te zweven: onder den indruk van haren
+hemelreinen blik voelde ik de macht mijns geestes verdubbelen: ik werd
+_dichter_ door de opwelling van een voor mij nog onbewust gevoel....
+
+Bethken was ten uiterste in haren schik met _onzen Belg_, zooals zij mij
+noemde; zij roemde zijn verstand als eene wonderheid; zij was hem
+vriendelijk en nam hem bij de hand, wanneer zij hem ter tafel wilde
+roepen; maar haar voorhoofd bleef leliewit, en als het schaamrood mijne
+wangen kleurde, glimlachte zij met schuldelooze vrijheid.
+
+Op eenen namiddag kwam een korporaal mijner compagnie mij verwittigen,
+dat het regiment des anderen daags 's morgens, te negen uren, het bivak
+zou verlaten, om naar de kanten van Gheel of van Moll te vertrekken, en
+dat ik mij gereed moest houden om de compagnie te volgen, hetzij te voet
+of op een der vrachtkarren.
+
+Dien avond vertelde ik geene vertelsels, wij waren allen in stilte
+rondom het vuur gezeten en treurden over het noodlottig afscheid.
+Bethken jammerde over _haren armen Belg_, die zeker in het woeste en
+harde soldatenleven weder ziek zou worden, ik betuigde den goeden lieden
+mijnen dank en deed geweld om bij de herhaalde bewijzen van zoete,
+zusterlijke genegenheid, mij door Bethken gegeven, niet in tranen los te
+barsten.
+
+Des anderen daags 's morgens, toen wij in de verte de marschtrommen
+hoorden, gaf Bethken mij twee boterhammen en twee hardgekookte eieren,
+welke zij van de meid des pastoors had gekregen: die moest ik, of ik
+wilde of niet, in mijnen ransel steken. Dan volgde het treurig afscheid;
+wij drukten elkaar met vochtige oogen de hand, en de goede lieden
+beloofden, dat zij God voor mij zouden bidden.
+
+Bethken volgde _haren Belg_ van verre, tot in het dorp, waar mijn
+regiment juist op de groote baan verscheen. Ik voegde mij in den rang
+der onderofficieren mijner compagnie, die over mijne wederkomst
+jubelden, terwijl zij met blijdschap riepen: "Ah, daar is ons
+fourierken!"
+
+In het voorbijtrekken zag ik Bethken nog; ik boog het hoofd, want er
+sprongen tranen in mijne oogen; en nog dieper werd ik ontroerd, als ik
+verder mij omkeerende, het droeve Bethken tegen een huis met het
+voorschoot voor het aangezicht zag staan....
+
+De eieren, welke zij mij had geschonken, nuttigde ik dien dag met
+kloppend hart; ook eene der beide boterhammen; maar de tweede liet ik
+tot aandenken in mijnen ransel. Maanden lang werd zij bewaard; ja,
+zoolang, dat zij gansch in morzelen was gevallen. Langer nog bleef het
+beeld van het zoete Bethken mij volgen; doch het verzwakte mettertijd,
+en er bleef mij niets van over dan de dankbare herinnering aan de zorg
+en de vriendschap, door eenvoudige hutbewoners mij bewezen.
+
+Slechts zestien jaren later heb ik het dorp Baelen voor de tweede maal
+gezien, en ik heb mij ter plaatse begeven, waar de zieke Belg eens zulke
+liefderijke verpleging vond. De hut was verdwenen; niemand wist mij met
+eenige juistheid te zeggen, waarheen de ouders van Bethken of zij zelve
+waren vertrokken of versukkeld. Men scheen slechts door eene
+twijfelachtige herinnering nog te weten, dat daar ooit het leemen
+hutteken van eenen armen werkman had gestaan. Een tweede bezoek te
+Baelen leverde mij geenen beteren uitslag op.
+
+
+
+
+III
+
+
+Van het bivak bij Baelen trokken wij naar het kleine stedeken Gheel en
+zijne omliggende dorpen; dan naar Moll, en eindelijk weder naar
+Turnhout.
+
+Hier kwam mijn vader mij bezoeken en bleef twee dagen met mij; ik vernam
+van hem, dat mijn broeder Jan Balthazar, evenals ik, dienst had genomen
+in het Belgische leger, en dat hij vrijwilliger was in een regiment, dat
+omtrent Westwezel op de grenzen lag.
+
+Mijn vader moest den eersten dag zijner aankomst reeds met mijne
+oversten gesproken hebben; want tusschen woorden van vaderlijke
+genegenheid en van aanmoediging, mengde hij voortdurend vermaningen, om
+mij te doen begrijpen, dat ik wat meer _mensch_ en wat meer _man_ moest
+zijn, en, zooals hij zeide, het voorkomen van een wittebroodskind moest
+pogen af te schudden. Ik begreep hem wel en was hem dankbaar voor zijnen
+raad; doch ik meende, dat mijne inborst beter was dan het ruw en
+schijnbaar gevoelloos karakter, dat men van een echt soldaat scheen te
+eischen. Mijn vader keerde te voet naar huis en zou, van den vroegen
+morgen tot den avond, niet veel minder dan tien uren wegs afleggen. Ik
+vergezelde hem twee uren verre, omhelsde hem en keerde dan weder naar
+Turnhout.
+
+De vrijwilligers, sedert eenige maanden reeds op de grenzen werkeloos
+gehouden, begonnen te morren, omdat men hen niet tegen den vijand
+leidde; doch men deed hun verstaan, dat de groote mogendheden van Europa
+te Londen bezig waren met over het lot van Belgie te beramen; en, dewijl
+Holland weigeren zou zich aan hunne beslissing te onderwerpen, moest men
+slechts wat geduld hebben: het spel zou wel voor goed aan den gang
+geraken.
+
+Ondertusschen zwierven wij, tot de maand Juli 1831, gedurig in de
+Antwerpsche Kempen rond, overal op de dorpen en gehuchten bij de boeren
+herbergende.
+
+Nu was het Lente geworden; ik beleefde voor de eerste maal het ontwaken
+der natuur in het nog oorspronkelijk Kempenland. Jong als de hernieuwde
+schepping was mijn hart, frisch en zuiver als de heide mijne
+droomachtige ziel.
+
+Niet mijne latere reizen door de Kempen hebben mij het gevoel van de
+schoonheid der heide gegeven; alsdan, toen ik eerst de kindsheid
+ontgroeide, heb ik hare indrukken in mij vergaderd, hare kruiden geteld,
+hare geruchten afgeluisterd, ben ik in hare geheimen gedrongen en heb ik
+ze geliefd en bemind, als hadde mijne wiege op hare maagdelijke vlakte
+gestaan.
+
+De frissche herinnering aan dit gelukkig tijdvak mijns levens heeft mij
+twintig jaren later nog doen uitroepen:
+
+"Wat moet in de jonkheid onze ziel toch beminnend en machtig zijn, dat
+zij alles, wat haar omringt, in zich zelve opsluit en met eene
+onvergankelijke liefdewolk omhult. Menschen, boomen, huizen, woorden,
+alles,--levend of levenloos,--wordt een gedeelte van ons eigen wezen;
+aan elk voorwerp hechten wij eene herinnering, zoo schoon en zoo zoet
+als onze jeugd zelve. Onze ziel loopt over van kracht; zij spat vonken
+en sprankels van haar leven over al het geschapene; en, terwijl wij
+onophoudelijk het geluk tegenjuichen, dat ons, kinderen of jongelingen,
+te wachten staat, juicht en zingt alles in de natuur, eenstemmig met
+ons."
+
+"Ach, hoe bemin ik de weide, den lindeboom, de pachthoeve, het kerksken
+en alle andere dingen, die mij zagen, toen de rozen der jeugd en de
+lelien der zuivere levenspoezie mij den schedel sierden! Zij hebben
+genoten wat ik genoot; ik zag ze weelderig groeien en lachend in het
+zonnelicht glanzen, toen ik vroolijk was en dartelend vooruitstroomde in
+de onbekende baan der menschelijke bestemming. Zij zijn mijne oude
+speelgenooten, mijne gezellen; elk van haar roept iets aangenaams, iets
+verrukkends tot mij; zij spreken de taal mijns harten; al de fijnste
+snaren mijner ziel trillen weder met jeugdige kracht bij dien roep ...
+en in stille, godsdienstige aandoeningen dank ik den Heer, dat Hij,
+zelfs in het bevrozen hart van den afgesloofden mensch, nog de zoete
+bron der herinnering vlieten laat!"
+
+Het was insgelijks gedurende den eersten tijd van mijn soldatenleven,
+dat ik de bewoners der Kempen, hunne gewoonten en hunne eenvoudige, doch
+uiterst schoone inborst leerde kennen en doorgronden. Het Belgisch
+fourierken, waar hij met een logement-biljet verscheen, deed zich
+spoedig beminnen door menschen, wier karakter zoozeer met het zijne
+overeenkwam in zachtheid, in levenslust en in eene onuitlegbare zucht
+tot mildheid en tot liefde. Hij zat met de lieden bij het vuur rondom
+den koeketel en vertelde wondere dingen; hij voegde de handen te zamen
+en bad met hen aan den disch; hij volgde hen ter kerke en knielde nevens
+hen; hij liep met de jongelieden naar het veld en hielp aan den arbeid;
+maar bovenal was hij de lieveling der kinderen, die met hoogmoed aan
+beide zijne handen wandelden en niet zelden tranen stortten, als de
+Belg, hun goede vriend, naar een ander dorp vertrekken moest.
+
+
+
+
+IV
+
+
+Nadat de _Chasseurs-Niellon_ acht maanden in volle rust op de dorpen
+gelegen hadden, werden zij op eenen regelmatigen voet ingericht, onder
+de benaming van 2^{de} regiment jagers te voet, en kregen nu eerst
+soldatenkleederen van groen laken met roode boordsels.
+
+Er liepen geruchten, dat de Hollanders bezig waren met het vergaderen
+eener groote krijgsmacht, en dat zij eenen inval in Belgie wilden wagen.
+Deze geruchten ontstonden en vergingen menigmaal.
+
+Ondertusschen werden wij, op het einde der maand Juli 1831, al te zamen
+op eene heide omtrent Turnhout vergaderd. Daar werd, onder het aanheffen
+van een ontzaglijk gejubel, uitgeroepen, dat vorst Leopold, als eerste
+koning der Belgen, zijne intrede in Brussel had gedaan en volgens
+voorvaderlijk gebruik 's lands grondwet had bezworen.
+
+Twaalf dagen later, in den nacht van den 1^{sten} tot den 2^{den}
+Augustus, terwijl wij gerust in onze logementen te Oud-Turnhout sliepen,
+werden wij eensklaps door de alarmtrom gewekt en liepen op de gewone
+vergaderplaats der compagnie te zamen.
+
+Men leide ons door de duisternis en langs afgelegen banen naar eene
+onmeetbare heide tusschen Ravels, Baerle-Hertog en Weelde. Hier vonden
+wij het overige van ons regiment, alsook een ander bataljon
+vrijwilligers, reeds gelegerd.
+
+Men deed ons de wapens en patroontasschen onderzoeken, ten einde met den
+morgen strijdvaardig te zijn; want de vijand was met groote macht over
+de grenzen gekomen en bevond zich niet verre van ons. Wij hoorden
+inderdaad, in de richting van het dorp Weelde, gebriesch van paarden en
+bijwijlen een zeker onuitlegbaar dof gerucht, dat ons de nabijheid van
+eene groote menigte menschen aankondigde.
+
+In de duisternis drukten wij elkaar met geestdrift de handen; wij waren
+blijde, dat het ons eindelijk werd vergund, ons bloed voor het vaderland
+te vergieten. Niemand onder ons twijfelde aan de overwinning; onze moed
+was groot, en ons vertrouwen zonder palen.
+
+Op mij deed echter het naderen van eenen grooten veldslag eenen diepen
+indruk; na in de eerste machtspreuken en wederzijdsche aanhitsingen te
+hebben deelgenomen, liet ik het hoofd op de borst zinken, en ik dacht
+aan mijnen vader en aan al wie mij te huis dierbaar waren. Deze zucht,
+naar de beminde dingen is als het testament der ziel: wie jong is en
+verre van zijne geboorteplaats in een groot gevaar verkeert, zal altijd
+gevoelen, hoe zijn geest een droevig en teeder vaarwel toewerpt aan al
+wat zijn hart betreurt en vreest te zullen verliezen.
+
+Om den lezer eenigszins de voorvallen te doen begrijpen, welke gaan
+volgen, is het noodig eenige inlichtigen over dezen inval der Hollanders
+te geven.
+
+Het Belgische leger was in eenen beklaaglijken toestand; te Brussel had
+men den tijd besteed aan de gewichtige beraadslagingen over onze
+onvergelijkelijk schoone Grondwet en over de keus eens Konings. Op het
+papier had men eene eerbiedwekkende krijgsmacht ingericht, doch deze
+bestond niet werkelijk. Geen voorraaddienst voor oorlogstijd was er
+ingericht; niets was voorzien: de regimenten voor den vijand hadden
+zelfs niet meer buskruid onder hun bereik, dan men op eenen enkelen dag
+verbruiken kon. Vele generaals en de meeste officieren hadden nooit
+eenen regelmatigen krijg gevoerd: moed en onversaagdheid was er genoeg;
+maar ondervinding en beleid ontbrak er gansch.
+
+De Belgische krijgsmacht,--buiten de burgerwachten, die meer hinder dan
+hulp bijbrachten,--kon beloopen tot de 30,000 man en was in twee groote
+afdeelingen gescheiden. De eerste, het _Scheldeleger_, lag rondom
+Antwerpen, onder bevel van generaal De Tieken de Terhove, die zijn
+hoofdkwartier op het dorp _Schilde_ hield; de tweede, het _Maasleger_,
+lag rondom Hasselt, onder bevel van generaal Daine.--Tusschen deze beide
+legers bleef een afstand van dertien uren gaans!
+
+De Hollanders hadden integendeel hun leger tot den inval met eene
+uiterste doelmatigheid vergaderd en ingericht; hunne krijgsmacht, onder
+bevel van den Prins van Oranje en den Prins van Saksen-Weimar, telde
+40,000 man geregelde troepen en 30,000 man der _schutterij_; daarenboven
+4,000 ruiters en 72 stukken geschut.
+
+De eene helft der Hollandsche troepen rukte langs Limburg tegen het
+Maasleger in; de andere helft zakte naar Turnhout af, om op Antwerpen
+in te dringen.
+
+Ons regiment jagers te voet, dat met eenige onregelmatige bataljons op
+de Ravelsche heide lag, vormde de zoogenaamde _brigade d'avant-garde_ of
+voorwacht. Wij waren al te zamen 800 man en hadden twee veldkanonnen;
+een twintigtal jagers te paard waren ons toegevoegd om den postdienst te
+verrichten.
+
+De afdeeling der Hollanders, die te Weelde op den Belgischen bodem had
+stand gevat, was eene voorwacht van 1,000 man.
+
+Van al deze bijzonderheden wisten wij niets; slechts een ding was ons
+bewust, namelijk dat de Hollanders daar waren en dat wij gingen
+strijden.
+
+Zoohaast de morgenschemer de nachtelijke duisternis had vervangen,
+werden de twee vleugelcompagnien van elk bataljon als scherpschutters
+tegen den vijand gezonden; de middelcompagnien, waartoe ik behoorde,
+bleven langen tijd als _reserve_, werkeloos bijeengeschaard.
+
+Een hevig geweervuur bleef den ganschen dag aanhouden; maar dewijl men
+uit gebosschen en van achter boomen schoot, hadden wij weinig
+gekwetsten. Eenige Hollandsche jagers werden krijgsgevangen gemaakt, of,
+beter gezegd, zij liepen tot ons over. Geen enkele kende Hollandsch of
+Fransch: allen waren Pruisen of Zwitsers.
+
+Naarmate het geweervuur duurde, begon men het gebrek aan voorraad te
+gevoelen: op den middag reeds kwamen de jagers te paard de pakken
+kardoezen uit de patroontasschen der middelcompagnien halen, om ze naar
+de scherpschutters te dragen.
+
+De gedachte, dat wij eerlang zonder buskruid voor den vijand zouden
+staan, verontrustte onze officieren. In mijne tegenwoordigheid deed onze
+dappere generaal Niellon onzen eenigen, doch ledigen voorraadwagen
+bijbrengen, en riep eenen sergeant uit onze compagnie, met name Nagels,
+eenen stoutmoedigen jongeling uit Fontaine-l'Eveque. De generaal schreef
+met potlood, en den kop van zijnen zadel tot lessenaar nemende, een
+bevel om buskruid te halen.... naar Antwerpen! De sergeant zou met den
+_fourgon_ over den steenweg vliegen; en, verongelukten er paarden, hij
+moest maar andere bij de boeren nemen, al ware het met geweld der
+wapenen.
+
+Ondertusschen vuurden wij zonder verpoozing op de Hollandsche
+voorposten; zij deden eveneens op onze uitgezette schutters.
+
+Zoo kwam de nacht zonder ander voorval; in mijne compagnie had elk man
+nog tien kardoezen, en er moesten dagen verloopen, eer wij er andere
+zouden bekomen.
+
+Wij konden niet begrijpen, waarom men ons niet had laten vooruitgaan, om
+den vijand in zijne legerplaats aan te vallen; voorwaar, zoo meenden
+wij, hij zou bij onze verschijning de wijk genomen hebben, vermits hij,
+ondanks zijne groote macht, ons niet durfde aangrijpen. Het gebrek aan
+buskruid had velen verbitterd, en in stilte werd er onder de soldaten
+reeds gemord van verraad en verkooperij.
+
+Den volgenden morgen, toen de nachtelijke dampen in de hoogte stegen,
+zagen wij eerst op de verre kimmen eene grijze streep, die scheen te
+bewegen; zij verlengde zich over de gansene heide.
+
+Allengskens werd het ons duidelijk, dat het een drom ruiters was,
+waarschijnlijk kurassiers, want van hunnen hals tot achter hunne paarden
+daalde een wijde mantel, die hun in ons oog de gestalte en de vormen van
+reuzen gaf. Op de ruiters volgde eene dikke wolk voetgangers, wier
+duizenden en duizenden geweren met bliksemend gefonkel in de eerste
+zonnestalen schitterden. Het hield niet af; welhaast scheen in het
+verschiet de gansche heide, zoo wijd het gezicht reiken kon, met
+vijandelijke scharen overdekt.
+
+Gedurende den nacht was het gansche leger der Hollanders zijne
+voorposten genaderd; en, terwijl de kurassiers eenen omweg deden, om de
+baan naar Antwerpen te gaan bezetten, ontplooide het zijne drommen over
+de vlakte, als om ons den strijd aan te bieden.
+
+Met verbaasdheid, doch zonder vrees schouwden wij op de onmeetbare reeks
+vijanden, die langzaam en met uitgespreide vleugelen naar ons kwam
+afgezakt. De krijgsmacht, die wij zagen, mocht tot de 20,000 man
+beloopen; zij voerde 40 stukken geschut en had eene talrijke
+ruiterij;--wij waren 800 man, hadden geene ruiterij en slechts twee
+veldkanonnen.
+
+Wij stonden met den rug tegen een jong mastboschken; voor ons, op
+eenigen afstand, lag een veen of waterplas. Onze twee veldkanonnen waren
+wel honderd stappen vooruit, achter den hoek van een ander dennenbosch
+verborgen en met schroot geladen.
+
+Ik vergat den krijg en het gevaar, zoozeer greep het ontzaglijk
+schouwspel mijne inbeelding aan; de zon was in eene helderblauwe lucht
+opgerezen, en zij fonkelde zoo tooverend in het glinsterend ijzer der
+wapenen, dat de reeks der Hollandsche troepen mij voorkwam als een
+stroom van tintelend vuur.
+
+De losbarsting van een tiental zware kanonnen riep mij op uit mijne
+vergetelheid: ik beefde en was vervaard ... maar bij de tweede ontploffing
+was die ontsteltenis of liever die siddering des harten reeds verdwenen:
+er bleef mij niets over dan de overtuiging des gevaars en eene koortsige
+zucht om te strijden, als moest de dadigheid van den kamp mij verlossen
+van een gevoel, dat mij lastig en pijnlijk was.
+
+De kanonskogels der Hollanders vielen meest in het veen en deden het
+water wonderhoog ten hemel springen; slechts een onzer gezellen werd
+gedood door eenen kanonsbal, die hem voor den mond was heengevlogen,
+doch hem niet anders had geraakt.
+
+Wij morden hevig en wilden vooruit; maar onze officieren smeekten ons,
+dat wij toch niets zonder bevel des generaals zouden bestaan,--en,
+dewijl de officiers in ons regiment zoo niet ontzien, echter meestal
+bemind werden, bleven wij, tandenknarsend van ongeduld, in onze rangen
+staan.
+
+Nog eenige oogenblikken, en het Hollandsche leger zou tot onder bereik
+van geweervuur ons genaderd zijn; wij zagen dien gewenschten stond met
+blijdschap te gemoet.
+
+De vijand hield zijne slagorde staan; hij zond door eene opening een
+zestiental lanciers te paard op ons af; wij hielden ons gereed om er
+duchtig onder te schieten. Deze ruiters zouden slechts eene verkenning
+doen en bespieden, welke macht de Belgen tegen hunne vijanden konden
+stellen.
+
+Alzoo de lanciers met hunne oranjekleurige vaantjes een eind vooruit
+kwamen gereden, begaven zij zich, tot hun ongeluk, onder het bereik
+onzer twee verborgene kanonnen. Eene dubbele losbarsting galmde over de
+heide: tien of twaalf ruiters en zoovele paarden vielen dood of gewond
+ter aarde; de overigen vluchtten in allerijl terug naar de slagorde huns
+legers.
+
+Op dit gezicht van dit eerste voordeel, hoe gering het ook ware,
+ontstond er een onbeschrijfelijk gejubel onder de Belgen, en allen
+sprongen vooruit onder het donderend geroep van: "_Leve de Vrijheid!
+Leve Leopold!_"
+
+Geen twijfel of deze 800 man zouden zich zonder aarzelen tegen den
+ontelbaren drom des vijands geworpen hebben; en wie weet wat er ware
+geschied? Een zekere dood was hun, wel is waar, beschoren; doch hoe duur
+zouden zij in die eerste drift hun leven niet verkocht hebben? Misschien
+had de indruk van zulk heldhaftig bezwijken zwaar gewogen in de
+weegschaal der latere gebeurtenissen.... Maar de meesten dezer
+opgewondene strijders moesten, uithoofde van het veen, eenen omweg doen,
+en dit gaf den officieren den tijd hen te wederhouden.
+
+Terwijl de oversten met open armen aan het vermetel vooruitloopen
+tegenstand boden, donderde het geschut der Hollanders met vernieuwde
+kracht; hunne gansche slagorde zakte vooruit, als om wraak te nemen over
+het gebeurde, en wij hijgden van blijde ontsteltenis bij de nadering van
+den slag.
+
+Op dit oogenblik kwam een onzer jagers te paard onzen generaal eene
+haastige boodschap brengen. De Hollandsche kurassiers hadden de baan
+naar Antwerpen afgesneden; de Belgen waren langs alle zijden omsingeld!
+
+Hoezeer de vrijwilligers huilden van woede en zich de vuisten ten
+bloede beten, er was niets aan te doen; wij moesten de heide verlaten,
+terugwijken naar Turnhout, en verder eenen doorgang naar het binnenland
+zoeken, om, ware het mogelijk, aan eene zekere nederlaag of
+gevangenneming te ontsnappen.
+
+In goede orde, en nog gereed tot eenen hevigen tegenstand, trokken wij
+af naar Turnhout. De stad had het voorkomen van een graf: geen levend
+wezen was er op de straten te zien; deuren en vensters waren gesloten
+gelijk in het midden des nachts. Dit vertoog deed eenen ongunstigen
+indruk op onzen geest, en het was inderdaad niet aanmoedigend, al de
+inwoners dus gevlucht of verkropen te zien, alsof zij, reeds vroeger dan
+dien dag, ons onbekwaam hadden geacht om hunne haardsteden te
+verdedigen.
+
+In Turnhout bleef ons regiment niet stil; wij trokken de Herenthalsche
+baan in en slingerden door bosschen, voetpaden en veldwegen immer met
+versnelden marsch voort.
+
+Het was uitermate heet; de oogstzon brandde onverdraaglijk boven onze
+hoofden; wij hadden eten noch drinken.
+
+Reeds te Casterlee deed de felle dorst het bevel der officieren voor
+eene wijl miskennen. Er stond in dit dorp, in den hof des pastoors, een
+groote appelboom, overladen met vruchten, die slechts twee maanden later
+eetbaar zouden zijn. De boom werd door honderden mannen bestormd,
+beklommen, gebroken en ontbladerd. Men smeekte, men vocht om eene beet
+der wrange vruchten.... De zure smaak, meende men, zou het branden van
+den dorst koelen.
+
+Zoo bleven wij acht dagen tusschen Lier en Leuven in de grootste hitte
+dwalen, elken dag tien of twaalf uren gaande, zonder voedsel en drank,
+en letterlijk verzengd door de hitte. Wij aten de schors der mastboomen
+en droegen voor den dorst eenen geweerkogel in den mond; des nachts
+lagen wij op den grond en verstijfden van den overvloedigen morgendauw.
+
+Men zeide onder ons, dat wij nog altijd door de Hollanders ingesloten
+waren, en dat ons gaan en komen voor doel had aan de vervolging des
+vijands te ontsnappen, om ons omtrent Leuven met het groote Belgische
+leger te vervoegen.
+
+Wat hiervan zij, wij kwamen dikwijls op banen en in dorpen, waar het
+Hollandsche leger ons inderdaad was voorafgegaan; want wij vonden
+onderweg _pompons_ en andere kleine dingen, die onze vijanden al gaande
+hadden verloren.
+
+Op eenen middag hield men ons staan in de nabijheid van een dorp,--ik
+meen dat het Boisschot heet,--waar nog het stroo lag, dat den Hollanders
+tot nachtleger had gediend.
+
+Uitgeput van vermoeidheid en van honger, lieten wij ons op een veld
+nedervallen om te rusten; wij hadden daags te voren weinig voedsel
+gevonden, en van dezen dag hadden wij nog niets gegeten.
+
+Mij werd bevolen, dat ik met een tiental mannen van goeden wil naar het
+dorp zou gaan, om nooddruft voor onze compagnie te zoeken en met dank of
+met geweld, te nemen wat er te vinden was.
+
+De stoutste en ruwste vrijwilligers boden zich aan. Toen wij in het dorp
+kwamen, waren de inwoners gevlucht; wij braken de deuren met kolfslagen
+open, doch ontdekten niets dat eetbaar was.
+
+In het midden van het dorp vonden wij eenen man en eene vrouw, die hun
+huis niet hadden verlaten. Op onzen eisch om brood of ander voedsel te
+hebben, antwoordden zij ons klagend, dat de Hollanders daags te voren
+alles hadden weggenomen. Mijne vrijwilligers, door de wanhoop des
+hongers gedreven, begonnen den man met het plat van de sabel te slaan en
+hem met nog ergere behandeling te dreigen.
+
+Na langen tegenstand leidde de verschrikte man ons achter in den hof, en
+groef daar uit den grond drie zeer groote roggebrooden, die in eenen zak
+gewikkeld waren. Wij namen de brooden mede en ook den zak.
+
+Na vruchteloos nog vele ontruimde huizen te hebben doorzocht, kwamen wij
+buiten het dorp in eene leemen hut, waar eene jonge vrouw met een kind
+van drie of vier jaar zich bevond. Op onze dreigende vragen haalde zij
+eene roggeboterham uit de wiege van haar kind; en ons die toereikende,
+zeide zij met tranen in de oogen:
+
+"Ziet, vrienden, dit is al wat mij overblijft: ik had het bewaard voor
+mijn arm schaapken."
+
+Reeds had een mijner makkers de boterham aanvaard, en meende er een stuk
+af te bijten; maar de anderen hielden hem met geweld terug en deden hem
+het geringe stuk brood in den zak werpen.
+
+Door een diep medelijden met de ongelukkige moeder aangedaan, wilde ik
+haar de boterham doen terug geven. Te vergeefs; het spreekwoord is waar:
+hongerige magen hebben geene ooren.
+
+Dan vatte ik de hand der vrouw en vroeg haar of zij in een naburig dorp
+voor geld geen brood zou krijgen.
+
+Op haar bevestigend antwoord staken al mijne makkers de hand in den
+zak; de meesten gaven elk een stuk van vijf en twintig centen; eenigen
+gaven iets minder, ik gaf iets meer, en zoo kreeg de arme vrouw omtrent
+vijf franken.... Tranen ontliepen haar nu nog overvloediger; het was van
+dankbaarheid: hare stem klonk de weldadige _stroopers_ zegenend
+achterna.
+
+Onderweg maakten mijne gezellen een _komplot_ aangaande de boterham; zij
+werd gedeeld: wij kregen ieder een stuk zoo groot als een vinger.
+
+Op het bivak werden de drie roggebrooden eerst met sabelhouwen in groote
+brokken gehakt en dan verder met messen gesneden. Van den kapitein tot
+den laatsten soldaat, elk bekwam er iets van.
+
+Den 10^{den} Augustus, in den namiddag, gingen wij voorbij de
+wijnheuvels van het dorp Wesemael, op ongeveer anderhalve mijl van
+Aerschot. Hier vonden wij vele karren met brood en vleesch, die ons tot
+voorraad waren bestemd.
+
+Men hield het regiment staan, en brandwachten werden op groote afstanden
+uitgezet, alsof wij ter dezer plaatse op bivak zouden blijven; de
+weinige jagers te paard, die ons van Turnhout af hadden vergezeld,
+werden op hoogten en op verre banen gezonden, om alle nadering van
+gevaar intijds te kunnen vernemen.
+
+Uit elke compagnie riep men eenige stoute mannen te zamen; dezen zouden
+naar Wesemael gaan en halen wat er noodig is tot het koken van
+vleeschsoep.
+
+Na een half uur tijds stond voor iedere compagnie eene groote koeketel,
+op steenen verheven en met water gevuld. Men hakte het vleesch met
+sabels aan stukken en legde het in de ketels; vele mannen kwamen
+toegeloopen met koolen van alle kleuren, met selder, met ajuin, met
+salade: al wat maar groen en eetbaar was, wierp men boven de zwemmende
+bonken vleesch. De vuren kraakten, de aangehitste vlammen kronkelden
+rondom de ketels, en al de mannen der compagnie stonden met begeerigen
+blik en vochtigen mond de veel belovende bobbels na te zien, die in
+menigte uit den grond van het ziedende water opklommen.
+
+Men zou meenen, dewijl wij brood in overvloed hadden, dat de honger ons
+nu niet aandreef. Inderdaad, zoo was het; doch het raadselwoord van ons
+innig verlangen naar de vleeschsoep ligt in _warm eten_. Het was nu
+reeds eenige dagen geleden, dat wij niets anders dan koud eten genuttigd
+hadden, en dan nog in ontoereikende hoeveelheid. Nu gingen wij warm
+vleesch eten! In onze meening,--in de meening onzer verhongerde
+magen,--was niets zoo lekker en zoo onbegrijpelijk versterkend als _warm
+eten_.
+
+Reeds toen het water slechts eenigen tijd gezoden had, waren er mannen,
+die met de punt hunner bajonet, zooals zij op het geweer stak, een
+koolsblad of eenen struik selder poogden op te visschen. De anderen
+stelden zich tegen de rooverij: men stiet elkander weg; er werd
+gevochten en geworsteld tot zooverre, dat de oversten zich verplicht
+zagen bij elken ketel twee schildwachten te zetten.
+
+Eindelijk toen de soep eenigen tijd gezoden had en de oogen vet zich
+boven het water begonnen te vertoonen, riep men algemeenlijk, dat het
+vleesch genoeg gekookt had. Waarschijnlijk zou het nog niet half gaar
+zijn; maar van den nood eene deugd gemaakt: indien het slechts van de
+warmte was doordrongen, zou het wel goed smaken.
+
+De oversten toonden zich bereid om den algemeenen wensch te voldoen; nog
+eenige minuten, en het regiment zou eten.
+
+Wie eene gamelle had, hield ze in de hand gereed; iedereen had zijn
+knipmes geopend: de lippen verroerden met die eigendommelijke
+uitdrukking van iemand, die zich aan het smaken van lekkere spijzen
+verwacht.
+
+Op dit uiterst oogenblik komt een jager te paard in vollen draf
+aangerend en zegt eenige haastige woorden tot den generaal. Onmiddellijk
+ontstaat het geroffel der trom, die elkeen te wapen en in zijn gelid
+roept. Het Hollandsche leger is in onze nabijheid; wij zijn achthonderd,
+zij waarschijnlijk tienduizend of meer. Daarenboven, wij mogen niet
+strijden; onze bevelen luiden, dat wij den vijand moeten pogen te
+ontkomen, om ons te Leuven met het leger onder bevel des Konings te
+vereenigen.... Er is geen tijd tot beraadslagen: de ketels worden
+omgeworpen; sommige mannen steken een brok vleesch of een kool op hunne
+bajonet; doch het ziedend water, dat hun in den hals of op hunne
+kameraden druipt, doet hun het geredde voedsel wegsmijten; de oversten
+dwingen de compagnien tot een spoedig vertrek.... en eenige minuten
+later zijn wij verre van daar, op de baan naar Aerschot, nog immer
+mijmerend van het warm eten en de lekkere vleeschsoep, die onder ons
+gezicht over den grond is weggestroomd....
+
+Wij brachten den nacht buiten de stad Aerschot door, op eene hoogte
+tegen de baan naar Hauwaert, waar wij nog een gedeelte van het 9^{de}
+linie-regiment aantroffen. Hier kookten wij ons vleesch op het bivak,
+zonder gestoord te worden, en kregen buskruid.
+
+In den morgen werden wij onvoorziens te wapen getrommeld; onze
+brandwachten beweerden, dat eene talrijke afdeeling Hollandsche lanciers
+op den steenweg naar Diest zich vertoonde. Dewijl de hoogte, waarop wij
+ons bevonden, nevens voormelden weg voortloopt en hem diensvolgens
+beheerscht, zouden wij de vijandelijke ruiterij pogen te bereiken en ze
+van boven de heuvelen met voordeel aanvallen. Dit ten minste werd er
+onder ons verteld, toen wij reeds het bivak hadden verlaten.
+
+Uren lang gingen wij met verhaaste stappen, zonder iets te vernemen. De
+zon stond te branden aan den diep blauwen hemel; het was
+onbeschrijfelijk heet; en dewijl wij, zonder eene baan te volgen, dwars
+door havervelden en aardappelloof onzen marsch rusteloos voortzetten,
+waren wij eindelijk door hitte en dorst tot zooverre uitgeput, dat
+sommige mannen zich ten gronde lieten vallen en weigerden op te staan.
+Wanneer het geviel, dat wij in eenen hollen weg traden, zooals er in die
+landstreek vele zijn, legden gansche gelederen, ondanks den wil der
+officieren, zich met den mond tegen de vochtige wanden der baan, waaruit
+een ijzerachtig water sijperde, en zoo zogen wij uit de aarde eenig
+vocht op, om onzen verterenden dorst te koelen. Velen onzer zaaiden
+hunne kleedingstukken langs de baan, bovenal de kapotten, om het gewicht
+van hunnen ransel te verminderen.
+
+Omtrent den middag, toen wij buiten adem en schier versmacht van dorst,
+gevoelloos en met hangend hoofd voortstapten, beklommen wij eenen
+heuvel, waarboven een molen en een huis stonden. Zoohaast hadden wij den
+top des heuvels niet bereikt, of een bataljon van het 9^{de} regiment,
+dat ons vergezelde, liep in wanorde uiteen naar een bornput, welke met
+zijne hooge wip nevens het huis zich vertoonde. Een aantal onzer jagers,
+dit ziende, stormden insgelijks uit hunne rangen om, ware het mogelijk,
+eene teug water te bekomen.
+
+Rondom den bornput werd er een waar gevecht geleverd: men sleurde, men
+stiet, men stompte, men wondde elkander, om omtrent den emmer te
+geraken. Velen, die geen ander middel zagen om hunnen dorst te lesschen,
+staken hun brandend hoofd in den emmer en dronken zoo het ijskoude
+water, totdat men ze er van wegrukte. De dokters en vele oversten baden
+en smeekten de mannen, dat zij zich toch niet aldus aan eenen zekeren
+dood zouden blootstellen; zij dreigden en sloegen met hunne degens, het
+hielp niets: wij waren als razend van dorst.
+
+Onderwijl was er een wolk andere mannen op den grooten wijngaard
+gevallen, die zijne groene ranken over den gevel van des molenaars huis
+uitspreidde: druiven, bladeren, twijgen, ja, het hout zelf, tot in den
+wortel toe, werd verslonden en tot lafenis genuttigd en verknabbeld.
+Voor vijftig cents kreeg ik twee druivekorrels van eenen soldaat onzer
+compagnie; ik was gelukkig: de zure smaak bracht mij vocht in den
+mond....
+
+Na eenigen tijd bemerkten onze oversten wel, dat hunne poging om de
+mannen van den bornput te houden, vruchteloos zouden blijven. De
+trommen hieven den marsch aan, en wij vertrokken. Ten halve den heuvel
+zag ik eenige mannen met paarse wangen en koolzwarte lippen op den rug
+uitgestrekt liggen: zij waren levenloos, het koude water had hen gedood.
+
+Na een uiterst moeilijken marsch en veel gaan en keeren, zonder een voor
+ons merkbaar doel, kwamen wij des avonds, toen het reeds donker was,
+boven eene hoogte bij het dorp Lubbeck, op twee mijlen van Leuven.
+
+Hier sloegen wij ons bivak neder en kookten aardappelen in koeketels,
+welke wij uit het dorp hadden gehaald.
+
+Onze oversten zeiden ons, dat er des anderen daags een beslissende
+veldslag zou geleverd worden; zij vuurden onzen moed aan, herinnerden
+ons de dagen der omwenteling en bezwoeren ons om als ware Belgen voor
+land en Koning te strijden.
+
+In de vlakte, beneden de heuvelen, was de Hollandsche krijgsmacht
+gelegerd; zij had haren staf bij het dorp Winghe; doch hare voorposten
+strekten zich tot in onze nabijheid uit.
+
+Onze uitgezette brandwachten hadden de gewoonte, elkander van verre
+onverpoosd de volgende woorden toe te roepen: "_Sentinelles, prenez
+garde a vous!_" waarop de Duitsche of Zwitsersche soldaten, die rondom
+het bivak der Hollanders waakten, den onzen spottend toeriepen:
+
+"_Was der Hund sch..... fresst du !_"
+
+Het meerendeel van het Belgische leger bevond zich te Leuven, onder
+bevel van Koning Leopold; ons regiment, met twee bataljons van het
+9^{de}, was een der voorwachten. Diensvolgens mochten wij ons overtuigd
+houden, dat wij bij het krieken van den komenden dag den eersten
+aanstoot des vijands zouden doorstaan hebben.
+
+Alhoewel deze zekerheid wel van aard was om ons den slaap moeilijk te
+maken, waren de gekookte aardappelen niet zoohaast genuttigd, of allen
+legden zich ter aarde, en vielen, onder de vermoeidheid bezwijkend, in
+eenen zwaren sluimer. Ik luisterde nog eene wijl op den roep der
+schildwachten, die akelig door de nachtstilte rondom ons bivak herklonk
+en voortliep; ik dacht aan onzen zonderlingen toestand, droomde van
+Borgerhout en mijnen vader, en sloot dan insgelijks de verzwaarde
+oogleden ... om, evenals mijne makkers, ze niet meer te openen dan
+onder den knal van geweren en kanonnen....
+
+
+
+
+V
+
+
+Terwijl wij dus in volle vergetelheid sliepen, was er een Hollandsch
+regiment jagers in stilte ons genaderd. Deze scherpschutters, over den
+grond kruipend, hadden zich in eene linie uitgespreid, in een breed
+haverveld, dat zich nevens ons bivak verlengde.
+
+De eerste morgenschemer daagde in het Oosten; wij sliepen nog even
+bewusteloos en vast..... toen eensklaps eene donderende ontploffing ons
+tegelijk deed opspringen. Honderden kogels huilden ons rondom de ooren;
+velen onzer makkers waren getroffen en lagen te spartelen in hun bloed.
+Er bleef een oogenblik van onbeschrijfelijke verwarring onder ons; dus
+verrast, opschietend uit den loodzwaren slaap, duizelig en dwaas, grepen
+wij het eerste geweer het beste en begonnen tot verdediging op de
+vijandelijke jagers te schieten, wier hoofden wij nu in groote menigte
+boven de haver zagen uitsteken. Zij gaven ons geenen tijd om onzen
+toestand te herkennen, en vuurden onophoudend op onze dooreenslingerende
+schaar.
+
+Mijn vriend en ambtgenoot, de fourier Walgraff, die zich te verre
+vooruitgegeven had, werd op eens door drie kogels, waarvan een in de
+zijde, getroffen en viel neder; de drie gebroeders Grad, Jules, Ange en
+Lucien, liepen tot dicht bij de Hollandsche schutters en haalden, onder
+eenen hagel kogels, den gevallen fourier uit het bereik des vijands weg,
+Lucien ontving een geweerschot in den arm[2].
+
+Welhaast gelukte het onzen oversten, ons in gelederen te schikken, en
+dan boden wij den vijand een hardnekkigen, doch hopeloozen tegenstand.
+
+Een soldaat mijner compagnie, Blancpain genaamd,--een zeer bloode kerel,
+die beroemd was, omdat hij eenen ganschen emmer aardappelen in eens kon
+opeten,--kreeg eenen kogel op het kruis zijner draagbanden en sloeg met
+zooveel geweld achterover, dat hij mij bijna omverre wierp. Men wilde
+hem wegrukken, ofschoon hij gevoelloos scheen als een lijk; doch hij
+opende de oogen met zonderlinge verbaasdheid, en vroeg gansch eenvoudig
+aan mij:
+
+"Fourier, ben ik niet dood?"
+
+Men hief hem van den grond en duwde hem opnieuw in zijn gelid.
+
+Onderwijl werd het geweervuur met groote hevigheid voortgezet, totdat
+een andere troep jagers onze vijanden kwam versterken.
+
+Dan deden de oversten ons een honderdtal stappen terugwijken en brachten
+ons bij het dorp Lubbeck in eenen boomgaard, die omringd was met eene
+dikke beukenhaag, welker stammen over kruis in elkanderen waren
+vastgegroeid.
+
+Van achter deze beschutting verdedigden wij ons nog eenigen tijd met
+voordeel, alhoewel een hagel kogels over onze hoofden en tusschen onze
+gelederen huilde. Velen onzer gezellen werden getroffen; bij het
+schetterend geknal der geweren mengde zich ook bijwijlen de pijnlijke
+schreeuw der gekwetsten.
+
+Wij hadden moed genoeg, en het voorbeeld van onzen grootmajoor Maenhout
+ware alleen toereikend geweest om ons onversaagdheid in te spreken. Deze
+bataljonsoverste was te paard gezeten en meer dan anderen blootgesteld
+aan het vijandelijk vuur. Onze officieren wilden hem doen afstijgen;
+doch hij, met eenen koelen glimlach op de lippen, sloeg zijn paard
+streelend met de hand op den hals, om het te bedaren, terwijl hij
+onbewogen zeide:
+
+"Pietje, Pietje, stil, Pietje; het is niets, Pietje!"
+
+Op dit oogenblik verscheen eene Hollandsche batterij veldkanonnen boven
+den heuvel; zij stelden zich op eenen afstand van ons, borst los met
+ontzettend gedonder en stuurde eene wolk schroot op ons af. Gelukkig was
+het schot te hoog gemikt; het regende bladeren en takken van de
+appelboomen, onder welker kruinen wij stonden.
+
+De plaats was niet meer te behouden; nutteloos zouden wij tot den
+laatsten man vernietigd worden, indien wij langer in den boomgaard
+bleven.
+
+Al strijdend weken wij terug tot den hollen weg, die naar Leuven
+afdaalde; wij werden door het geschut der Hollanders vervolgd en moesten
+dikwijls onze richting veranderen, om in de plooien des gronds eene
+borstweer tegen de vijandelijke ballen te zoeken.
+
+Hoezeer wij ook in gevaar verkeerden, drukten wij elkander onze
+bewondering uit over de snelheid, met welke het Hollandsch veldgeschut
+zich bewoog; en waarlijk, het scheen over heuvelen en diepten te
+vliegen.
+
+De kanonskogels schoten meest over onze hoofden weg; wij vervorderden
+onzen aftocht zonder merkelijk verlies en zonder onzen stap te
+bespoedigen. Hier gaf onze bataljonsoverste eene bittere vermaning aan
+eenen officier, die de twee handen met verrassing aan zijne schako
+geslagen had, omdat een kanonsbal huilend nevens zijn oor was
+voorbijgegaan.
+
+Omtrent den middag geraakten wij behouden binnen Leuven, waar wij nevens
+de Tiensche poort, uitgeput van vermoeidheid, ons ten gronde
+nederzetten.
+
+Terwijl wij in Lubbeck hadden gestreden, waren nog andere onzer
+voorwachten buiten Leuven aangevallen geweest. Men vertelde ons, dat het
+12^{de} regiment der Belgen grootendeels was vernietigd geworden.
+
+Eenige soldaten van de troepen, die in Leuven gebleven waren, kwamen bij
+ons en verhaalden met groot misbaar, hoe het gansche Maasleger door
+verraad was bezweken en op de vlucht geslagen, zoodat wij, verkocht
+zijnde door onze oversten zelven, vruchteloos aan den overmachtigen
+vijand zouden pogen te weerstaan. Niets is verderfelijker in een leger
+voor den vijand, dan de verdenking dat men verraden is; ook werden wij
+door deze schrikkelijke mare zeer ontmoedigd; en het is slechts later,
+toen wij onzen dapperen koning Leopold evenals den minsten soldaat het
+vijandelijk vuur zagen trotsen, dat er ons weder vertrouwen in den
+boezem zonk.
+
+Tot meerdere verstaanbaarheid der voorvallen dienen hier eenige
+uitleggingen te worden gegeven.
+
+Bij den inval der Hollanders op onze grenzen was het Belgische leger,
+zooals gezegd is, in twee groote afdeelingen gescheiden. Generaal Daine
+voerde het bevel over eene dezer afdeelingen, het Maasleger genaamd, en
+was omtrent Hasselt aan het hoofd van 15000 man. Hem was bevel gezonden
+om naar Leuven af te wijken en zich daar met het Scheldeleger te
+vereenigen, om gezamenlijk den vooruitrukkenden vijand eenen
+beslissenden veldslag aan te bieden. Misverstand in het begrijpen der
+bevelen, anderen zeggen stijfhoofdigheid vanwege generaal Daine, gaf
+aanleiding tot eene noodlottige vertraging in het uitvoeren der
+ontvangene bevelen. Het Maasleger werd door de Hollanders afgesneden en
+met overmacht aangetast; het verdedigde zich lang en moedig; doch
+eindelijk werd het tot eenen verwarden aftocht gedwongen en nam de wijk
+naar de stad Luik. Daar bevonden zich nu de overblijfsels van de helft
+der Belgische krijgsmacht; terwijl het gansche Hollandsche leger,
+voorwaar wel 60,000 man sterk, zich gereedmaakte om Leuven te omsingelen
+en ons tot eenen wanhopigen strijd te dwingen.
+
+Ik heb later in een boek gelezen, dat de Belgen te Leuven slechts 7,000
+man telden[3]. Dit schijnt mij eene onwaarheid: met de hulptroepen der
+burgerwacht moest onze macht wel tot de 20,000 man reiken, zoo ten
+minste was alsdan onze overtuiging, en de bestaande dingen beloochenden
+ons gevoelen niet.
+
+[Illustration: .... Eenen priester als kanonnier bij een der stukken
+staan.]
+
+Terwijl wij op de binnenvesten van Leuven ten gronde lagen en werkelijk
+sliepen, bewoog zich het Hollandsche leger; zijne eene helft trok in
+dikke kolommen en onder bereik van ons grof geschut over de heuvelen,
+die nevens de stad zich verlengen.
+
+Er werd van wederzijde een hevig kanonvuur geopend; en gedurende langen
+tijd galmde het gedonder van meer dan vijftig stukken onverpoosd door de
+lucht.
+
+Ons regiment lag niet verre van de batterijen; alles geschiedde op
+eenige stappen van ons. Mijne gezellen hadden zich in het eerst
+opgericht; maar ziende, dat slechts de kanonnen tot den strijd werden
+gebezigd, legden de meesten zich weder met het hoofd op hunnen ransel en
+sluimerden even vast in, alsof het gebeurende hen niet raakte. Mocht ook
+al een kanonsbal iemand onder hen tot slachtoffer komen uitkiezen, het
+waken kon het niet beletten.
+
+Ik, door het tooneel van den kanonnenstrijd getroffen, bleef rechtzitten
+en hield het oog op de batterijen gevestigd. Daar zag ik tot mijne
+groote verwondering eenen priester als kanonnier bij een der stukken
+staan en het geschut op den vijand mikken; hij droeg de kleederen van
+zijn ambt en had den tikkenhaan op het hoofd. Allen, die niet sliepen,
+bewonderden den pastoor, die aan de stukken zwoegde en arbeidde, als
+hadde hij zijn gansche leven dezen dienst gedaan. Een angstschreeuw
+ontvloog ons, toen wij in de nabijheid des priesters eenen wagen of
+_caisson_ met buskruid in de lucht zagen springen. Eene wijl betreurden
+wij zijnen waarschijnlijken dood; doch niet zoohaast was de dikke
+rookwolk opgeklaard, of wij zagen hem ongedeerd en even werkzaam bij
+zijn kanon staan[4].
+
+Onze koning reed te paard nevens de batterijen; zijn gelaat was
+onbewogen en droeg dien stempel van stille, indrukwekkende kalmte, welke
+den wijzen vorst nu ook nog bij den eersten blik doet eerbiedigen en
+beminnen door alwie hem nadert. Zijne tegenwoordigheid bracht moed en
+vertrouwen in aller harten; de hoop dat wij, door hem aangevoerd, de
+overwinning nog konden behalen, verlichtte den nevel, dien de verdenking
+van verraden te zijn over onzen geest geworpen had.
+
+Terwijl elks aandacht op het vuur der batterijen gekeerd bleef, hadden
+de Hollanders op den IJzerenberg, nevens den steenweg naar Mechelen,
+stand genomen. Van deze hoogte konden zij de stad Leuven tot puin
+schieten. Daarenboven had eene hunner afdeelingen den steenweg op
+Brussel bezet en ons diensvolgens de gemeenschap met de hoofdstad
+afgesneden.
+
+Eensklaps bracht men onzen oversten zekere bevelen; wij werden in
+allerhaast in dichte gelederen geschikt en tot eene kolom gevormd. Men
+zeide in weinige woorden, dat wij met den Koning aan het hoofd den
+IJzerberg stormenderhand gingen beklimmen, om kost wat kost, den vijand
+uit dezen dreigenden stand weg te slaan; dat wij als _voorwachtbrigade_
+aan het hoofd der kolom zouden vooruitrukken en den aanval beginnen, en
+wij te toonen hadden, dat de oude vrijwilligers van Niellon het
+vertrouwen des Konings waardig waren....
+
+Wij ontvingen het nieuws met blijdschap en onder luid gejubel; doch men
+beval ons het stilzwijgen, om alle verwarring te voorkomen.
+
+Opgevolgd door het gansche leger, trokken wij de Mechelsche poort uit,
+tot aan den voet van den IJzerberg, waarboven de vijand ons verwachtte.
+
+Hier werd onze luitenant Van Diepenbeek door eenen kogel in het
+voorhoofd gedood.
+
+De trommen begonnen storm te slaan; de horens en trompetten deden hunne
+aanjagende tonen galmen; het bevel _au pas de charge!_ klonk ons in de
+ooren; wij sprongen tegen den berg op en geraakten, na eene wijl van den
+vurigsten marsch, tamelijk verward op de vlakke hoogte. Onvoorziens
+vielen wij tegen eene machtige batterij kanonnen, die op ons losdonderde
+en velen onzer makkers ter neder wierp. Deze schrikkelijke ontploffing
+bracht eene zekere aarzeling in onze rangen; doch op de stem onzer
+officieren sprongen wij weder met gevelde bajonet vooruit, met het
+inzicht om de kanonnen des vijands te overrompelen.
+
+Den sergeant-majoor Honore, eenen mijner vrienden, werden de twee beenen
+door eenen kanonsbal afgerukt; onzer dokter, de heer Dardespinne, deed
+den gewonde op zijn eigen paard zetten om hem uit den slag te voeren. De
+arme Honore deed nog het Brabantsch volkslied in de hoogte galmen,
+terwijl bloed en leven hem uit de gepletterde leden golvend
+ontstroomden.
+
+Ondertusschen werd de berg door de andere gedeelten van ons leger
+insgelijks en met evenveel aandrift beklommen; de Hollanders konden dien
+eersten aanstoot niet wederstaan en weken terug naar het midden huns
+legers. Zij gaven aldus aan het Belgische leger tijd en plaats om zijne
+regimenten te ontplooien; en, toen onze stormloop tegen de dikste wolk
+der vijanden was gestuit geworden, begon er op de gansche linie een heet
+gevecht, dat zich voor alsdan nog bij geweervuur en kanongebulder op
+eenigen afstand bepaalde.
+
+Hier stortte een onzer trommelaars, Bilocq genaamd, door eenen kogel in
+het been getroffen, ten gronde.
+
+Een sergeant van ons bataljon, een Brusselaar met name Jacques, was
+zoodanig door strijdlust aangejaagd, dat hij bij het terugwijken der
+Hollanders met eenige grenadiers zijner compagnie door hunne slagorde
+was geraakt, en onverwachts tegen de ruiters aanviel, die den
+oppergeneraal des vijands, Prins van Saksen-Weimar, omringden. De
+Belgische sergeant richtte reeds zijne bajonet tot den prins en meende
+hem te doorsteken; doch de ruiters vielen in macht op hem aan: hij en
+zijne gezellen werden neergesabeld. Men wilde den sergeant voorts
+afmaken en dooden; de prins weerhield zijne mannen, nam den dapperen
+Jacques onder zijne bescherming en deed hem achteruit van het slagveld
+dragen.[5]
+
+De veldslag duurde voort; ik, als eenvoudig strijder kon niet weten wat
+er op eenige stappen van mij geschiedde; ik zag niets voor mij dan eene
+onmeetbare wolk rook, die de slagorde des vijands afteekende; ik hoorde
+niets dan de duizenden geweerschoten, die zich tot een aanhoudend geknal
+vermengden, de ontzaglijke stem der kanonnen, die den IJzerberg onder
+onze voeten deden sidderen, het gefluit der kogels, het gehuil der
+ballen en bijwijlen ook het gekerm mijner broeders, die met afgerukte
+leden of doorboorde ingewanden nedervielen en eenen pijnlijken
+doodskreet slaakten of, stervend, nog den nationalen roep aanhieven:
+"_Leve de Vrijheid! Leve Leopold!_"
+
+Op dit oogenblik kreeg ons regiment bevel om zich langs de zijden des
+vijands uit te spreiden en hem door een scherpschuttersvuur te
+verontrusten.
+
+Wij zakten den berg af, tusschen de stad Leuven en het slagveld; daar
+werden wij volgens krijgsgebruik over eene lange uitgestrektheid gronds
+verdeeld, derwijze, dat op elke vijf of zes stappen zich slechts een
+paar mannen bevonden.
+
+De grond was zeer bewogen en de velden nog met den oogst overdekt,
+zoodat wij wel de Hollanders, onze vijanden, op de helling van den berg
+zagen staan, maar echter onze eigene gezellen slechts gedeeltelijk
+konden zien.
+
+Ik bevond mij met eenen soldaat boven den boord van eenen hollen weg,
+die wel tien voet diepte had; en, alhoewel wij zeer van den vijand
+verwijderd waren, schoten wij onverpoosd op zijne rechterzijde.
+
+Onderwijl hoorden wij, hoe op den berg het gedonder der kanonnen
+aanhoudend boven de strijders galmde en hoe de strijd daar meer en meer
+in hevigheid toenam.
+
+Eensklaps klonk over de vlakte, waar wij ons bevonden, een akelige
+waarschuwingskreet: "de ruiterij! _la cavalerie! la cavalerie!_" En
+inderdaad, wij zagen eene wolk vijandelijke dragonders den berg
+afzakken, om ons te komen bevechten.
+
+Men zegt gewoonlijk onder de soldaten, dat een voetganger voor eenen
+ruiter niet hoeft te vreezen. Voor oude en geoefende soldaten moge dit
+eene waarheid zijn; voor ons, die als vrijwilligers onzen tijd bij de
+boeren hadden gesleten, was het er echter geheel anders mede gesteld.
+Het gezicht van die groote mannen, op groote paarden gezeten en met
+bliksemende zwaarden in de hand, boezemde ons zoo niet vrees dan toch
+angst in. Wij stonden bij paren, verre van elkander, en konden onze
+officiers niet zien. Zoo verlaten of afgezonderd moesten wij den aanval
+afwachten der ruiterij, die in groote menigte den berg afdaalde!
+
+Eens in de vlakte geraakt zijnde, verdeelden de dragonders zich
+insgelijks in eene lange reeks; en, als hadde elk eenen scherpschutter
+tot slachtoffer uitgekozen, reden zij bij paren met slingerende zwaarden
+op ons los.
+
+Ik begreep, dat mijn laatste uur gekomen was; ik voelde mij verbleeken,
+mijn ingewand sidderde; en van dan af hield ik mijnen blik met zooveel
+vastheid op de twee vijanden gericht, die ons schenen uitgekozen te
+hebben, dat mijn makker van mijne zijde verdween, zonder dat ik het
+bemerkte.
+
+Minder dan een boogschot waren de dragonders van mij verwijderd, toen ik
+mijn geweer op hen afschoot zonder er een' te raken; ik meende nog te
+laden, doch ik liet de kardoes uit mijne hand vallen; want ik had
+nauwelijks den tijd om de bajonet tot verdediging te vellen.
+
+Een der twee dragonders sprong ter zijde door de haver, waarschijnlijk
+om mijnen kameraad aan te vallen. Mij dacht, ik hoorde zijnen laatsten
+doodskreet mij in de ooren galmen!
+
+Ik hield de bajonet vooruit, welbesloten om, indien het mogelijk ware,
+mij hardnekkiglijk te verdedigen. De overtuiging, dat ik sterven ging,
+ontrukte mij eenen zucht der treurnis, eenen afscheidsgroet aan het
+leven.
+
+Het zwaard des dragonders bliksemde mij in de oogen; hij riep, dat ik
+mij overgeven zou; doch ik bleef met den verslindenden blik van den
+doodsangst sprakeloos de plaats zoeken, waar ik hem of zijn paard zou
+kunnen wonden.
+
+Het moet zijn, dat het paard verschrikt of onbedwingbaar was; misschien
+dat de dragonder zelf mijn wapen ontweek, om mij van ter zijde onder
+bereik van zijn zwaard te krijgen; want, ofschoon dit alles
+ongeloofelijk snel geschiedde, zwenkte mijn vijand twee- of driemaal
+rondom mij, tot zooverre dat het mij gelukte, zijn paard eene wonde aan
+den schouder toe te brengen.
+
+Wat er verder tusschen hem en mij gebeurde, weet ik niet. Terwijl ik het
+hoofd afkeerde om zijn slingerend zwaard te ontwijken, voelde ik, dat
+een felle slag mij trof, en ik in eene diepte tuimelde, die voor mijne
+geschokte inbeelding grondeloos scheen te zijn. Ik daalde en daalde,
+alsof ik in de eeuwigheid wegzonk....
+
+Met geweer en ransel was ik achterover in den hollen weg gestort en
+bleef daar, door den val bedwelmd, een oogenblik roerloos op den rug
+liggen; evenwel, het bewustzijn keerde onmiddellijk in mij terug. Ik
+opende de oogen en zag verbaasd in het ronde; mijn blik ging ten hemel,
+en ik dankte God, dat Hij mij zoo wonderbaar van eenen zekeren dood had
+gered.
+
+Boven mij hoorde ik nog twee pistoolschoten lossen. Ik meende de plaats
+te ontloopen; doch mijn linkervoet, wanneer ik hem opheffen wilde,
+ontrukte mij eenen schreeuw der pijn. Desniettegenstaande sukkelde ik
+door den hollen weg voort in de richting der stad.
+
+Toen ik den steenweg bereikte en op de plaats kwam, waar wij allereerst
+stormenderhand den IJzerberg hadden beklommen, was de veldslag verloren
+en het grootste gedeelte onzes legers in volle vlucht. Nog een of twee
+regimenten, streden wijkend boven den berg.
+
+De poort der stad Leuven, die op den Mechelschen steenweg uitziet,
+spuwde als het ware kanonnen, karren en wagens bij honderden; de
+voerlieden er van sloegen op de paarden met zweepen en sabels..... en
+alles rolde als een verwarde stroom over de baan naar Mechelen.
+
+Nevens mij stond een sergeant van mijn regiment, met name Lemaigre, die
+nu kapitein is. Terwijl hij zich de haren van woede en razernij
+uitrukte, zag hij in de verte eene batterij Belgische artillerie uit
+Leuven komen aangerend, bestaande uit acht stukken van twaalf pond
+ijzer. Geen ander overste dan een sergeant scheen over de batterij te
+bevelen; en dewijl Lemaigre hem persoonlijk kende, hield hij hem staan
+en bezwoer hem, dat hij toch de batterij tegen de zijde des vijands zou
+stellen, om zoo onze beslissende nederlaag te vertragen en den aftocht
+een ogenblik te dekken.
+
+De sergeant des kanonniers,--mijn vriend Lemaigre noemde hem
+Mathieu,--volgde den raad en brandde al zijne stukken los; eene wolk
+schroot drong in de rangen des vijands, en er deed zich werkelijk eene
+aarzeling in zijnen aanval op de laatste dapperen onzes legers bemerken.
+
+Ik verliet deze plaats en sleepte mijnen voet met onbeschrijfelijke pijn
+achterna, tot op eenigen afstand, waar ik over eene groote afspanning,
+tegen eenen boom der baan mij nederzette.
+
+Onderwijl was ook het laatste regiment der Belgen bezweken, en nu was
+het gansche leger in aftocht.
+
+Op dien stond liep van mond tot mond de schreeuw: "_Armistice!
+armistice!_ Wapenstilstand! Vrede!"
+
+Maar ofschoon de wijkende Belgen dit woord herhaalden, gaven zij er toch
+geen gehoor aan; misschien omdat nog uit de verte eenige schaarsche
+kanonschoten over de vlakte donderden.
+
+Dan zag ik plotseling voor de afspanning onzen koning Leopold, te paard
+gezeten en omringd van eenige stafofficieren; hij scheen met hen te
+beraadslagen, en reed welhaast met zijn geleide naar Leuven op, in de
+richting van het vijandelijk leger. Ik had het gelaat des Konings
+aandachtig beschouwd: eene droeve, doch grootsche kalmte maakte het
+indrukwekkend, zelfs op dezen smartelijken oogenblik.
+
+De Hollanders vervolgden de Belgen niet; geen geweervuur liet zich nog
+vernemen: er was inderdaad een wapenstilstand gesloten, waarvan de
+mogelijkheid en de reden slechts door eenige uitleggingen kunnen worden
+verstaanbaar gemaakt.
+
+De Conferentie der groote Europeesche Mogendheden, te Londen vergaderd,
+had de scheiding van Holland en Belgie uitgesproken; en het was om zich
+tegen deze beslissing te verzetten, dat de Koning van Holland den inval
+in Belgie had gewaagd. Frankrijk was gelast, desnoods met geweld de
+uitvoering van den wil der Conferentie te verzekeren. Met dit inzicht
+was er sedert lang een Fransch leger van 50,000 man op onze
+Zuidergrenzen vergaderd. Bij het vernemen der tijding van het verlies
+van het Maasleger hadden de Fransche generaals met reden gemeend, dat de
+Belgen weinig kans hadden om tegen hunnen overmachtigen vijand te staan;
+en zij waren met hun leger over de grenzen gerukt, om koning Leopold ter
+hulp te snellen.
+
+Juist toen de veldslag van Leuven op het hoogste was en de meeste
+Belgische regimenten met groot verlies den IJzerberg afgedreven werden,
+boden de eerste Fransche officieren, als zendelingen huns generaals,
+zich bij den hoofdstaf der Hollanders aan, en deden den Prins Van Oranje
+en den Prins van Saksen-Weimar begrijpen, dat, indien er nog een
+kanonsbal geschoten werd, het Fransche leger in naam der Mogendheden,
+hun eenen nieuwen veldslag zou komen aanbieden, waarin de Hollanders
+ontwijfelbaar zouden bezwijken. Een Engelsch zaakgelastigde, dien wij
+dien dag meermaals met onzen Koning gezien hadden, was daar insgelijks
+tegenwoordig. Er werd een wapenbestand getroffen, waarbij men bepaalde,
+dat alle vijandelijkheden zouden ophouden, en dat het Hollandsche leger
+des anderen daags,--wel door de Franschen opgevolgd, doch
+ongehinderd,--naar de grenzen zou vertrekken. Het geschiedde zoo.
+
+[Illustration: Wij werden elk in een bed gelegd.]
+
+Wanneer alles rondom mij stil geworden was, richtte ik mij op en poogde
+van boom tot boom voort te gaan. Mijn voet was zeer gezwollen; ik had
+mijnen schoen in stukken gesneden, om hem te kunnen uitdoen, en ik
+sukkelde nu onder het lijden van hevige pijnen, langzaam nevens den
+steenweg voort, van tijd tot tijd mij nederzettende om te rusten.
+
+De avond begon reeds te vallen; en ik lag weder met den rug tegen eenen
+boom der baan, wanneer een open fourgon voorbijreed, waarin nog eenige
+gekwetste soldaten zich bevonden. Men vroeg mij, waarom ik daar zoo
+eenzaam bleef zitten; op mijn antwoord hieven de voerlieden mij in den
+fourgon.
+
+Toen wij te Mechelen kwamen, vonden wij al de straten overdekt met
+Belgische soldaten van alle regimenten en wapenen, die in de grootste
+verwarring op de steenen uitgestrekt lagen en sliepen. Ik bleef in den
+fourgon tot den morgen, als wanneer ik met behulp van eenen kameraad mij
+naar de Antwerpsche poort begaf, waar de verstrooide mannen van ons
+regiment zouden vergaderen. Na de oproeping der namen zouden wij
+Mechelen verlaten en weder den steenweg naar Leuven optrekken.
+
+Omtrent elf uren des morgens was alles tot het vertrek gereed; eenige
+gekwetsten, waaronder ik zelf, lagen op karren en zouden volgen.
+
+Bij de poort der stad werden de karren echter teruggehouden, en er werd
+bevel gegeven om de gekwetsten naar het hospitaal te voeren.
+
+Het hospitaal, waarbinnen men ons bracht, was slechts voorloopig
+ingericht, en men noemde het eene _infirmerie_.
+
+Wij werden elk in een bed gelegd; er kwamen zusters van liefde, die ons
+allerlei goed voedsel, wijn, lekkernijen en zelfs geld gaven. Een
+heelmeester verbond mijnen voet..... en, alhoewel mijne pijn nog uiterst
+hevig was, viel ik welhaast in eenen diepen slaap, die bijna tot den
+volgenden morgen duurde.
+
+Mijn voet bleef zeer pijnlijk gloeiend tot den tienden dag; dan kwam er
+eene spoedige beternis, eene week later kon ik reeds de _infirmerie_
+verlaten, om mij naar mijn regiment te begeven, dat zich in en rondom
+Dendermonde bevond.
+
+
+
+
+VI
+
+
+De slag van Leuven en de voorvallen, die hem waren voorafgegaan, hadden
+elkeen de overtuiging gegeven, dat onze nederlaag alleenlijk toe te
+wijten was aan de slechte inrichting des legers en aan de afwezigheid
+van het gevoel der onderschikking, zoowel tusschen de officieren als
+tusschen de soldaten. Het Staatsbestuur, door eenen ervaringrijken
+koning aangedreven, hield zich onverwijld met de herinrichting des
+legers bezig; men zou den officiers, die de noodige bekwaamheid niet
+bezaten, hun ontslag geven, andere, oudgediende oversten in hunne plaats
+stellen, de tucht strengelijk doen handhaven, en met onverbiddelijke
+krachtdadigheid de gedachte van persoonlijke onafhankelijkheid
+versmachten, welke de vrijwilligers in het leger hadden gebracht.
+
+Bij mijnen terugkeer in het regiment had men mij aangewezen, om
+voorloopig het ambt van sergeant-majoor in eene andere compagnie te gaan
+waarnemen. Ik deed mijn uiterste best om de gunst mijner nieuwe oversten
+te verdienen, en arbeidde zes halve nachten om de achtergeblevene
+schriften der compagnie gansch in orde te brengen. Men sprak grooten lof
+van mijnen ijver en van mijne bekwaamheid; niemand twijfelde of ik zou
+tot den graad van sergeant-majoor worden verheven. In dezelfde
+overtuiging schreef ik met hoogmoed en blijdschap aan mijnen vader
+aangaande mijne onfeilbare verhooging, en ik ontving daarover zijne
+liefderijke gelukwenschen.
+
+Eenige dagen later kwam de generaal-inspecteur Olivier te Dendermonde,
+om de herinrichting van ons regiment te bestieren. Vele
+officieren,--onze kolonel zelfs,--werden op halve soldij weggezonden of
+verplaatst; anderen, die wij niet kenden, werden ons tot oversten
+gegeven; de nauwe uitvoering der tuchtwetten werd verzekerd, en zoo
+kreeg ons regiment een gansch nieuw voorkomen.
+
+Toen men de benoemingen tot de openstaande plaatsen van onderofficier
+wilde doen, werd ik door den nieuwen kolonel onderzocht. Ik was slechts
+negentien jaar oud; en, tot overmaat van ongeluk, deed mijne magerheid
+en iets kinderlijks in mijn opzicht, mij nog veel jonger schijnen.
+
+Met mijne bekwaamheid had de kolonel wel vrede; maar een
+sergeant-majoor, zeide hij, moet ontzag kunnen inboezemen, dewijl hij in
+eene compagnie de ware werkspil is en met de uitvoering der ontvangene
+bevelen is belast. Nu men voor doel had, de tucht in het leger te doen
+eerbiedigen, mocht men geene kinderen tot sergeant-majoor aanstellen.
+
+Hij deed mij met goedheid in de stemme begrijpen, dat ik nog te jong en
+te klein was om zulk gewichtig ambt naar behooren te vervullen; ik had
+tijd genoeg om te wachten, en men zou zich mijner herinneren, wanneer
+het nieuwe regiment aan de nieuwe inrichting zou gewend zijn. Ik werd
+ter zelfder tijd aangewezen, om in eene nieuwe compagnie van het eerste
+bataljon mijnen vorigen dienst van fourier te hernemen.
+
+Het was met het hoofd onder smart en spijt gebogen, dat ik de woning des
+kolonels en de stad verliet, om mij naar het dorp te begeven, waar onze
+compagnie alsdan geherbergd lag.
+
+Onderweg dreven mij allerlei treurige gepeinzen door het hoofd; ik morde
+met bitterheid tegen mijnen geringen ouderdom en mijne kleine gestalte,
+en klaagde het den boomen, dat mijn uiterlijk voorkomen mij als een kind
+met minachting deed behandelen, ofschoon, volgens mijne meening, een
+krachtig mannenhart, mij in den boezem klopte. Daarbij voegde zich de
+overweging, dat mijn vader mijne teleurstelling met verdriet zou
+vernemen en mij misschien van laatdunkendheid zou beschuldigen! Mijne
+vrienden in het regiment zouden weten, waarom ik tegen de algemeene
+verwachting niet was verhoogd geworden.... Omdat ik nog te veel aan een
+kind geleek! Dewijl deze reden mij reeds veel had doen lijden, en
+waarlijk in het krijgsleven mij een bestendige hinderpaal en eener bron
+van kleinachting was geweest, was ik ten uiterste gevoelig geworden aan
+allen twijfel aangaande mijne hoedanigheid van man.
+
+Twee dagen later werd ik bij mijne nieuwe compagnie ingelijfd. Daar
+kende mij niemand, en ook niemand scheen geneigd om mijn stil en zoet
+karakter te ontzien of te sparen.
+
+Nu begint voor mij een tijdstip van ramp en lijden, van ziekte der
+inbeelding, van droomachtige zelfverknaging, van kwalen, die mij alle
+lichaamskracht zullen ontrooven en mij tot op den boord van het graf
+moeten voeren....
+
+De kapitein mijner nieuwe compagnie was een zonderling man, wiens
+inborst en daden als een ondoorgrondelijk raadsel iedereen verwonderden;
+hij had vele jaren als stafofficier onder de Turken gediend: ik
+twijfelde somwijlen, of hij zelf niet een Turk was, die zich voor eenen
+Franschman deed doorgaan.
+
+Tamelijk lang van gestalte was hij, hoekig en baldadig in al zijne
+bewegingen, uiterst ruw, kort en streng in al zijne woorden. Zijne
+kleine, grijze oogen fonkelden in diepe holen, en hun doordringende blik
+was indrukwekkend voor ieder, als de blik des arends. Meest stampte hij
+onder het spreken geweldig met de scheede van zijnen sabel op den grond,
+mengde de krachtigste soldatenwoorden, tusschen zijne rede en had de
+gewoonte, onverpoosd naar alle kanten in het ronde te spuwen. Somwijlen
+zou men gewaand hebben, dat hem iets in de hersens faalde en hij
+zinneloos was.
+
+In zulke oogenblikken was het hem eenerlei wie voor hem stond:
+officieren of soldaten, ieder moest zwichten en zijne harde verwijten in
+stilte verkroppen. Geraakte hij in twist met zijne gelijken, hij liet
+hooren, dat hij gereed was, om met sabel of pistool zijn woord gestand
+te doen; en dikwijls was een tweegevecht--voor hem altijd gelukkig
+afloopend--het einde zijner schijnbare ruwheid.
+
+Met sommigen zijner oversten was hij even hard; ook werden door dezen
+niet zelden pogingen aangewend om hem ernstigere straffen te doen
+ondergaan, dan men er bij het regiment kon opleggen. Hoe het kwam, weet
+niemand, maar telkenmaal--zelfs voor het krijgsgerechtshof--kreeg hij
+gelijk en bleef ongehinderd. Zijne verdedigingen, welke hij zelf
+schriftelijk opstelde, waren ongemeen krachtig en talentvol: wie hem tot
+tegenstrever had, kwam er nooit ongedeerd van af.
+
+Vele redenen maakten hem echter bij de meeste soldaten der compagnie
+bemind en ontzien; eenigen zelfs zouden voor hem zonder aarzelen hun
+leven in gevaar gebracht hebben, indien hij het hadde verlangd. In den
+slag van Leuven had hij zich als een onversaagd officier gedragen, en
+zich meer dan eens met wonderbare vermetelheid ten doel der vijandelijke
+kogels vooruitgeworpen. In alle gevallen, waar het mogelijk was,
+verdedigde hij de soldaten tegen de mindere officiers en onderofficiers;
+soms ook wel tegen de hoogere oversten. Een groot gedeelte zijner soldij
+schonk hij aan de wakkerste mannen der compagnie tot drinkgeld weg, en
+toonde zich bij vlagen zoo goedhartig en zoo mild jegens hen, dat men
+hem roemde als een voorbeeld van belangeloosheid en van edelmoed.
+
+Wat hij niet lijden kon, was de zachtheid van taal en zeden, welke
+sommige officiers uit het burgerlijk leven hadden behouden. Hij schold
+zulke manieren uit voor verwijfdheid en zwoer, dat elkeen onder zijn
+bevel _soldaat_ zou worden in den vollen zin des woords, of er onder zou
+bezwijken.
+
+Met eene opmerkelijke ruwheid bezat deze onbegrijpelijke man een diep en
+vlug verstand; hij was zeer geleerd en wist over zaken van krijgsdienst
+zooveel als een generaal hoeft te weten. Daarenboven pleitten vele
+zijner daden in hem voor zekere goedheid des harten. Dit mengsel van
+allerlei hoedanigheden maakte hem tot een soort van raadselachtig wezen,
+dat den meesten eenen geheimzinnigen schrik of ten minste een gevoel van
+verwijdering inboezemde.
+
+Deze kapitein zou mijn overste worden! Men begrijpt lichtelijk tot
+hoeverre mijne inborst, mijne zwakheid en mijne lijdzame
+achterhoudendheid hem moesten mishagen.
+
+Toen ik, met den ransel op den rug en het geweer op den schouder, voor
+de eerste maal bij mijne nieuwe compagnie mij vertoonde, stonden de
+mannen tot eenen oogenschouw der wapenen in gelederen geschaard. De
+adjudant-majoor van het bataljon leidde mij tot de compagnie en
+verwijderde zich, terwijl hij kortweg zeide: "Kapitein, ziehier uwen
+nieuwen fourier!"
+
+Het was een onuitdrukkelijke blik van spijt en minachting, dien de
+kapitein op mij wierp; hij aanschouwde mij van hoofd tot voeten, keerde
+rondom mij, spuwde langs alle kanten met gramstorig gemor en riep dan,
+als in woede, tusschen vele indrukwekkende woorden, die men niet
+nederschrijft:
+
+"Ah sa, wat hebben ze ginder in het hoofd? Of meenen ze, dat mijne
+compagnie eene kinderschool is! Men spot met mij! Er zijn andere mannen
+noodig om de _gaillards_ mijner compagnie te bevelen. Wij zullen het
+zien: het zal er niet bij blijven!"
+
+En onder het uitspreken dezer woorden liep hij verder de Markt op naar
+den kant, waar zich de kolonel en de groot-majoor bevonden.
+
+Ik was, van schaamte bevend, in mijn gelid tusschen de onderofficieren
+gaan staan, en van daar zag ik, hoe de kapitein voor den kolonel
+geweldig met armen en beenen gebaarde en zijne sabel ten gronde stiet.
+Mij was het klaarblijkend, dat hij zich tegen mijne benoeming in zijne
+compagnie verzette en weigerde mij als fourier te aanvaarden.
+
+Hij gelukte echter in zijne pogingen niet, vermits hij, een oogenblik
+later, vloekend en morrend tot mij kwam geloopen, mij nog eens van hoofd
+tot voeten beschouwde, en dan op scherpen toon zeide:
+
+"Het is wel, wij zullen zien! Maak dat gij recht in uwe schoenen loopt,
+en toon, dat gij haar op uwe tanden hebt, of gij zult een zuur leven met
+mij hebben!"
+
+Den bliksem van zijnen oogslag niet kunnende verdragen, liet ik het
+hoofd voorovergaan.
+
+"Hoofd recht, en zie mij in de oogen!" riep de kapitein.
+
+Ik weet niet, maar het was mij, alsof iets vreeselijks uit zijnen blik
+mij in de ziele drong; en opnieuw boog ik het hoofd, van benauwdheid en
+van schaamte schier bezwijkend.
+
+"Wie heeft om Gods wil zulke soldaten geschapen? Hij beeft als een oud
+wijf!" morde de kapitein met verachting.
+
+"Te twee uren in mijne herberg!" beval hij. "Wij zullen beproeven of het
+mogelijk is, iets van u te maken."
+
+Verder bemoeide hij zich niet meer met mij, dan alleenlijk dat hij nog
+bijwijlen eenen minachtenden blik op mij wierp. Ik was zoozeer onthutst
+door deze ruwe behandeling, dat ik bijna niet wist wat te antwoorden op
+de vragen en bevelen, mij door den sergeant-majoor, mijnen
+onmiddellijken overste, toegestuurd.
+
+Te twee uren begaf ik mij naar de herberg des kapiteins. Mij sidderde
+het hart, en ik was benauwd, alsof mij iets zeer ongelukkigs moest
+overkomen.
+
+In zijne kamer toegelaten, vond ik hem bij eene tafel aan het schrijven;
+hij sprong, op met eene geweldige beweging, beschouwde mij eene wijl,
+beklaagde zich nog, dat ik hem tot fourier was gegeven, en vroeg mij
+dan, van waar ik was, en wat ik had geleerd.
+
+Met zoete, nederige stemme vertelde ik hem van mijnen vader en van mijne
+vorige bestemming tot het onderwijzerschap. Ik beloofde hem mijn
+uiterste best te zullen doen om hem te believen, en smeekte hem, mij
+toch niet zoo ruw te behandelen, dewijl mij dit oneindig meer verdriet
+aandeed dan hij mij wilde veroorzaken.
+
+In het eerst scheen hij met genoegen of met geduld op mijne uitleggingen
+te luisteren; maar mijn gebed tot zachtere behandeling deed hem in woede
+ontsteken, of ten minste hij gebaarde, dat het hem tot het uiterste punt
+der gramschap had vervoerd.
+
+Nu rolden de toornige woorden als een vloed van zijne lippen, en uit
+zijn oog schoten gensters, die mij deden sidderen; dan weder verkalmde
+hij en beweerde, dat ik van den groven borstel noodig had om _soldaat_
+te worden. Andere malen greep hij mij gulhartig bij de hand en zeide:
+
+"Gij zijt vervaard van mij? Gij beeft? Hoe kreegt gij het toch in uw
+hoofd, soldaat te worden? Gij trekt gezichten, alsof gij nog op den
+schoot uws moeders zaat! Kom, schep moed, ik zal eenen man van u maken.
+Wat ik doe, is voor u goed.... Maar zoo gij kind wilt blijven, dan
+vindt gij geene verschooning voor mijne oogen: ieder moet zijn' stiel
+doen, en het is al veel te lang, dat men in het leger _muscadyns_ en
+oude wijven hunnen vrijen gang laat gaan."
+
+Mijne vreesachtige antwoorden en bovenal de moedelooze toon mijner stem
+bevielen hem niet. Opnieuw begon hij mij te bedreigen en voor kind en
+melkbaard te schelden, tot zooverre dat ik, onder eene ware
+verschriktheid bezwijkend, in tranen losborst.
+
+Dan kende zijne woede geene palen meer; hij vatte mij bulderend bij den
+schouder, duwde mij de kamer uit en sloot de deure toe.
+
+Met vermorzeld hart, gansch moedeloos en van de toekomst schrikkend,
+sukkelde ik naar mijne herberg, waar ik den sergeant-majoor mijn
+wedervaren vertelde.
+
+Deze poogde mij te doen begrijpen, dat de kapitein inderdaad zonderlinge
+manieren had, maar dat men het niet ernstig opvatten moest, dewijl hij
+zelf het zoo niet meende; dat hij in den grond een goed hart had, en
+niemand wetens en willens kwaad zou doen; ja, dat het gebeurde een
+bewijs was, dat hij veel geneigdheid voor mij gevoelde, en
+rechtzinnelijk moeite wilde doen om mij _soldaat_ te maken, eene
+hoedanigheid, die mij klaarblijkend ontbrak.
+
+Hoe het zij, de wijze, op welke men mijne inborst wilde veranderen,
+krenkte mij den geest en maakte mij wanhopig. Elken dag overlaadde de
+kapitein mij met harde woorden, en poogde als het ware mijn lijdzaam
+gemoed tegen zijne ruwe behandeling in opstand te brengen; hij scheurde
+mijn schrijfwerk onder alle voorwendsels aan stukken, strafte mij om de
+minste schijnreden, en vernederde mij bloedig in tegenwoordigheid der
+soldaten, die ik in vele gevallen te gebieden had.
+
+Welhaast verlieten wij Dendermonde, om in het kamp bij Diest te gaan
+liggen, waarna wij eenigen tijd op de dorpen geherbergd bleven, en
+eindelijk te Bergen-Henegouw in de groote kazerne geraakten.
+
+In November 1831 vertrokken onze sergeant-majoors naar het _depot_, om
+er de schriften der compagnien door wederzijdsche vergelijking in orde
+te brengen. Zij bleven zes maanden afwezig, en lieten gedurende dien
+tijd de fouriers met de vervulling van hun ambt belast. Dezen laatsten
+werd een korporaal toegevoegd, om hen in hunne dubbele hoedanigheid te
+helpen.
+
+Nu vielen mij eene groote verantwoordelijkheid en ongemeen veel
+bezigheid ten laste; mijne vreesachtigheid maakte mij de taak veel
+zwaarder dan zij was; ik kon schier niet slapen van ongerustheid en
+bekommernis, en beging daarom juist nu en dan wel eens eenen misgreep in
+de uitvoering der ontvangen bevelen.
+
+Mijn kapitein bleef nog immer bij zijn inzicht om, zooals hij zeide, een
+_soldaat_ van mij te maken. Bijna elk uur van den dag moest ik nu met
+hem in aanraking komen; hij bejegende mij telkens met ontmoedigende
+hardheid, strafte mij onbarmhartiglijk en vervulde mijn neergeknakt
+gemoed met hopeloosheid en met schrik.
+
+Langzamerhand werd mijne inbeelding krank; mijn verstand geraakte in de
+war; de kapitein met zijne bliksemende oogen kreeg voor mij de vormen
+van een geheimzinnig wezen, van eenen boozen geest. Zijne stem deed mij
+sidderen; des nachts droomde ik van vervaarlijke dingen, van uitteren en
+van sterven, en telkens stond de vreeselijke beeltenis des kapiteins bij
+mijne doodsponde te lachen, als verblijdde hem het laatste oogenblik
+zijner uitgeputte prooi.... Ook mijn lichaam vermagerde spoedig; de
+wangen werden mij geel en doorschijnend, en alhoewel ik mij zelden over
+mijn lot beklaagde, gevoelde ik iets in mij, dat mij een vroegen dood
+voorspelde.
+
+Dat mijn kapitein een boosaardig man was, mag men niet gelooven; maar
+wat doet het er toe? De inbeelding, wanneer zij met ziekelijke
+ontsteltenis is getroffen, schept spoken en ondergaat hunnen invloed,
+alsof zij werkelijk bestonden.--Met mij was het zoo gesteld.
+
+Ik was tot zooverre geraakt, dat ik elk mensch voor eenen vijand en voor
+een zielloos en kwaadaardig wezen aanschouwde, en ik haatte in mijn
+binnenste de wereld en het leven, wier onschuldig slachtoffer ik mij
+waande te zijn.
+
+Mijne gezellen vluchtte ik; des avonds, wanneer mij geene haastige
+bezigheden tot den arbeid dwongen, zat ik eenzaam in mijne kamer, met
+het hoofd op de handen, te mijmeren en te droomen van mijn vorig leven;
+alsdan somtijds tot eene ziekelijke begeestering der smart opgevoerd,
+sprak ik tot God, Hem zeggende, dat ik mij verduldig boog onder het
+gewicht van Zijnen arm, en lijdzaam het lot te gemoet zag, dat Zijn wil
+mij had beschikt.
+
+Terwijl mijne kameraden zich buiten de kazerne vermaakten en den avond
+in vreugde doorbrachten, hield ik mij dus bezig met mijn eigen hart te
+verknagen en mij de gemoedskracht te ontnemen, die er noodig was om niet
+onder het verdriet te bezwijken....
+
+Ik leed aan de schrikkelijke en meest altijd doodelijke kwaal, die men
+_landziekte_ of _heimwee_ noemt...
+
+Het heimwee is eene zonderlinge en geheimzinnige ziekte der hersens. Zij
+vindt hare meeste slachtoffers onder de jonge soldaten; eenige ook onder
+de scholieren, die verre van het ouderlijk huis met dwang in eene
+kostschool worden opgevoed; of onder jonge kloosterlingen, of onder
+jonge gevangenen: in een woord, onder zulke menschen, die te vroeg van
+de geboorteplek zijn weggerukt en nog iets van de teergevoeligheid
+hunner kindsheid hebben behouden.
+
+Wanneer een soldaat de landziekte krijgen zal, bekomt zijn gelaat eene
+bleeke kleur van eenen eigendommelijken toon; zijne oogen worden
+weifelend en bewegen langzaam; het hoofd nijgt hem op de borst. Hij
+schijnt altijd in diepe mijmering verzonken; en, spreekt men hem hard
+toe, hij schiet met verrassing uit zijnen droom, als iemand die
+ontwaakt. Niets kan hem vermaken; zijn lach, indien hij nog bekwaam is
+om te veinzen, is bitter en droef als eene klacht. Hij vlucht zijne
+vrienden en is liefst alleen; wanneer zijne gezellen de kazerne
+verlaten, om uit wandelen te gaan, blijft hij in de kamer; als zij te
+huis zijn, verbergt hij zich in den eenen of anderen hoek der kazerne om
+ongezien met het hoofd op de borst in vrijheid te kunnen droomen.
+
+Altijd mijmert hij van dezelfde dingen; zijne oogen zien het vaderlijke
+huis en de bergen, waar zijne wiege stond. Hij spreekt tot zijne
+afwezige moeder; hij noemt de namen der vrienden zijner kindsheid; hij
+ziet en hoort alles, wat hem te huis dierbaar was. In dezen engen kring
+beweegt zich zijne ziel; en, of hij onder de wapens zij of niet, wat hij
+doe of verrichte, er is geene plaats voor andere gedachten meer in zijn
+hoofd.
+
+Door deze _eendenkerij_ vervallen zijne hersens welhaast in eene durende
+verlamming, die voor gevolg heeft, dat het lichaam de noodige
+zenuwsappen niet meer toegezonden worden.
+
+Allengs begint de maag van den heimzieken soldaat voedsel te weigeren;
+hij vermagert spoedig, laat zijne leden krachteloos hangen en beweegt
+zich met eene opmerkelijke traagheid. Onderwijl geschiedt er in zijn
+binnenste iets vervaarlijks: zijne longen verdrogen, verengen en baren
+in de verholenheid zijner borst die ronde verhardingen, welke een
+doodvonnis zijn.... Hij begint te kuchen en te hoesten.... Men schrijft
+hem een briefje om naar het hospitaal te gaan; zijne kameraden zien hem
+met treurigen oogslag achterna, terwijl hij de kazerne uitsukkelt.... Zij
+weten wel, dat hij niet wederkeeren zal...!
+
+Er zijn zoovele jonge soldaten, welke dien weg ingaan! En het zijn de
+begaafdste zielen, de gevoeligste harten; want een ruw jongeling of een
+kerel met stoffelijke neigingen krijgt het heimwee niet.
+
+Vele regimentsdokters pogen, wanneer zij de teekens dezer ziekte in
+eenen loteling bespeuren, hem een verlof te bezorgen, om voor eenige
+dagen naar het ouderlijk huis terug te keeren. Mochten zij allen dus
+handelen! Er is geen ander geneesmiddel: al het overige dient slechts om
+den noodlottigen loop der kwaal te verhaasten. Maar men moet het
+aanwenden, zoohaast de gemakkelijk herkenbare teekenen der kwaal zich
+openbaren; want heeft het heimwee eens de kiemen des doods in de longen
+neergelegd, dan is het voor alle menschelijke hulp te laat.
+
+Die ijselijke ziekte ondermijnde mijn leven;--ik hoestte echter nog
+niet....
+
+Tot overmaat van ongeluk _deserteerde_ omtrent dien tijd de korporaal,
+dien men mij als hulp had toegevoegd. Hij had de schriften der
+broodlevering vervalscht en zeven paar nieuwe beddelakens verkocht of
+medegenomen. Deze laatste voorwerpen en eene groote hoeveelheid brood
+moest ik te goed doen; men zou de waarde er van, die eene voor mij
+aanzienlijke som beliep, op mijne soldij afhouden. Daarbij, men
+beschuldigde mij van lafheid.
+
+Dien dag onderstond ik vanwege mijnen kapitein eene wreede berisping,
+die mij verpletterde en de laatste vonk van levenslust in mij verdoofde.
+
+In den loop van den avond, terwijl ik in eenzaamheid zat te treuren,
+werden mijne leden allengskens ijskoud; alles beefde met groot geweld
+aan mijn lichaam. Geneigd om immer den zwartsten kant der zaken te zien,
+meende ik, dat mijn stervensuur ging naderen; doch, alzoo ik mij nu op
+mijn bed had neergelegd, begonnen mijne hersens te gloeien en mijne huid
+te blaken, alsof mijn leger een brandstapel ware geworden. Zoo duurde
+het den halven nacht, totdat ik eindelijk in eenen lastigen slaap
+wegzonk. Eene zenuwkoorts had mij aangedaan, en nu keerde deze kwaal
+elken dag op ongeregelde uren met hernieuwde kracht terug.
+
+Evenals aan iederen ontmoedigden soldaat, boezemde het hospitaal mij
+eenen hevigen schrik in: ik had de overtuiging, dat, indien ik eens
+onder de poort van het ziekenhuis moest doorgaan, zij zich nimmer weder
+voor mij zou openen, dan alleen tot het wegvoeren van mijn lijk. Daarom,
+ik verborg mijne kwaal en smeekte de weinigen, die er van wisten, dat
+zij toch niets er over zouden zeggen.
+
+Den dag na den eersten aanval had ik eenen brief vol verzuchtingen en
+vol tranen voor mijnen vader geschreven; zelfs had ik er eenen zin in
+gesteld, die beteekende, dat hij zich haasten moest, wilde hij de
+zekerheid hebben mij nog in leven te zien; doch de gedachte, dat ik
+mijnen vader te veel schrik en verdriet zou aandoen, deed mij eenen
+anderen brief schrijven, waarin ik mij bepaalde bij droeve klachten en
+bij het gebed om een bezoek van hem te ontvangen.
+
+Hij antwoordde mij, dat hij binnen vijf of zes dagen te Bergen zou
+komen; maar hij schreef ook onder anderen:
+
+"Gij zegt dat uw kapitein u behandelt als eenen slaaf? Wat beteekent
+dit? Wat doet gij dan om zoo te worden bejegend? Ik geloof, dat er veel
+van uwe schuld in dit alles is: uw karakter is niet wat het zou moeten
+zijn. De _philosophische_ gedachten, die u door het hoofd rollen, zijn
+de oorzaak van uw misnoegen en van uwen onwil. Dit is het wat u
+onaangenaam maakt bij uwe oversten en kameraden, die uwe bewegingen van
+ontevredenheid wel bemerken, bovenal wanneer gij iets te doen hebt, dat
+u niet aanstaat. Geloof mij, verander van gedachten; zoo niet, zult gij
+ongelukkig zijn, zoowel in den burgerstand als onder dienst. Het leven
+is geen droom, al zeggen het de _philosofen_; het is een werkelijke
+strijd; het lot is de vijand, en men overwint hem met hem onversaagd in
+de oogen te zien."[6]
+
+Mijn goede vader kende mijn hart; hij wist, wat er te veel en wat er te
+weinig in was, en nu ook wees hij mij de wonde mijns gemoeds met
+klaarheid aan. In den toestand, waarin ik mij bevond, kon ik hem echter
+niet begrijpen; zijne wijze vermaningen vielen als olie in het vuur
+mijner verterende smart, en ik waande mij door iedereen op de wereld
+verlaten, ook door mijnen vader!
+
+Des anderen daags greep de koorts mij in den morgen aan; en het was
+reeds tien uren, wanneer ik, van de eerste koude huiverende, nog half
+gekleed op mijn bed lag.
+
+Op dit oogenblik trad de kapitein in de kamer; ik sprong verschrikt ten
+gronde en bedwong de siddering des koorts een kort oogenblik; doch de
+kwaal was mij meester en deed mij onmiddellijk met meer geweld beven.
+Mijne bleeke wangen en blauwachtige lippen verrieden ook genoeg mijnen
+toestand.
+
+Mij doordringend bezien hebbende, zeide de kapitein:
+
+"Gij hebt de koorts? Stel u op het ziekenrapport: gij moet naar het
+hospitaal."
+
+Hij zag, hoe dit woord mij met angst en vervaardheid sloeg.
+
+"Wat beteekent dit?" vroeg hij.
+
+"Ach, kapitein," smeekte ik, met de handen biddend te zaam gevouwen,
+"doe mij niet naar het hospitaal gaan; ik ben zeker, dat ik er zal
+sterven!"
+
+"Zinnelooze droomer!" morde hij, "ik geloof inderdaad, dat gij de
+waarheid zegt! Kom aan, schep moed, volg mij, _ik_ zal u genezen!"
+
+En, alzoo ik nu met trage bewegingen mijne kleederen aantrok, begon hij
+van ongeduld te bulderen, mij mijne _lamheid_ te verwijten en mij
+zoodanig met ruwe woorden te overladen, terwijl hij zijn inzicht om zelf
+mij te genezen herhaalde, dat ik schier van schrik bezweek, in de
+gedachte, dat hij iets ijselijks met mij voorhad.
+
+Ik volgde hem evenwel, daar hij de kazerne verliet, om met mij naar
+zijne woning te gaan. Zoo diep rampzalig in mijn gemoed was ik, dat ik
+onderweg met glinsterende oogen eenen bedelaar aanschouwde, en in mij
+zelven met een gevoel van heeten nijd uitriep:
+
+"Hoe gelukkig! Hij is vrij!"
+
+Ware het mij vergund geworden, mijne soldatenkleederen en mijn
+fourierschap tegen de gescheurde plunje en tegen de ellende van dien
+bedelaar te verwisselen, hoe hadde ik God gedankt om die weldaad! Hoe
+hadde ik door eenen blijden zegekreet mijne verlossing begroet!
+
+Terwijl wij de hooge straat naar de markt opklommen, ontmoette ons de
+kolonel des regiments, M. Le Hardy.
+
+Van verre reeds bezag hij mij met opmerkzaam medelijden, en, genaderd
+zijnde, vroeg hij den kapitein:
+
+"Wat heeft toch uw arme fourier? Hij schijnt wel ernstig ziek? Gij moest
+hem wat rust gunnen."
+
+Uit mijne oogen lichtte eene vonk der dankbaarheid den medelijdenden
+overste tegen. De kapitein vervorderde echter zijnen weg, terwijl hij
+groetend antwoordde:
+
+"Eene lichte ontsteltenis, kolonel; het is zijn hoofd, dat niet deugt.
+Ik ga hem genezen...."
+
+Eindelijk kwamen wij in zijne woning en op de kamer, waar hij zich
+gewoonlijk hield. Hij kondigde mij aan, dat hij mij een geneesmiddel zou
+doen nemen, dat mij onfeilbaar en voor altijd genezen zou; zijne oogen,
+die op mij gevestigd waren, schenen mij met een geheimzinnig vuur te
+flikkeren; zijne woorden waren dubbelzinnig en voor mij
+schrikverwekkend.
+
+Ik durf het bijna niet bekennen; maar mijne zieke inbeelding zeide mij,
+dat de kapitein mij vergif ging aanbieden! Ik sidderde; en, op mijne
+beenen waggelend, steunde ik mij met de hand aan den rug van eenen
+stoel.
+
+De kapitein had intusschen eene kas geopend. Hij haalde er eene flesch
+uit, en schonk een donkergroen vocht in een glas.
+
+Groen was voor mijnen geest de eigen kleur van vergif. Onzeglijk werd
+mijn schrik; als met versteendheid geslagen, zag ik het glas mij tot de
+lippen naderen!
+
+In het eerst weigerde ik van het gevreesde vocht te drinken; doch ik kon
+het tegen den kapitein niet lang uithouden, en welhaast, mij in mijn lot
+gelatende als iemand, die den marteldood aanvaardt, ledigde ik de helft
+van het glas in een enkele koortsige teug. De groene drank was bitter
+als gal, en liep daarbij brandend door mijn ingewand.
+
+Mij hebbende doen nederzitten, begon de kapitein op vriendelijken toon
+eene lange rede over de hoedanigheden van een goed soldaat; hij
+beloofde als een vader voor mijne verhooging te zullen zorgen, indien ik
+slechts man wilde worden en, zooals hij zeide mijn kindervel wilde
+uitschudden. Hij noemde mijne droomachtige gevoeligheid eene ellendige
+_sensiblerie_, die zelfs in een meisje van zestien jaar belachelijk zou
+schijnen.
+
+Hoe gegrond zijne redenen ook mochten zijn, ik aanschouwde ze, in de
+dweepzucht des lijdens, als louter valschheid en spot; ik hoorde ze aan
+met een versteend en gesloten hart.
+
+Onderwijl had de kapitein mij het glas doen ledigen en het ten tweeden
+male gevuld. Wanneer insgelijks deze tweede hoeveelheid vochts door mij
+gedronken was, begonnen mijne denkbeelden op eene vreemde wijze in de
+war te geraken; en als de kapitein mij dwong tot antwoorden, had ik
+moeite om te spreken.
+
+Dan stond hij van zijnen zetel op en zeide:
+
+"Het is genoeg; ga nu naar de kazerne, kruip in uw bed en blijf rusten,
+zoolang gij wilt. Ik zal bevelen geven, dat niemand u store; laat u noch
+aan dienst, noch aan schrijfwerk gelegen; ik geef u vier dagen verlof en
+volle vrijheid.... Welnu, sta op, zeg ik; vertrek!"
+
+Ik verliet de kamer. Wat ik had, wist ik niet, maar ik moest mij met
+beide handen aan de leuning van de trap steunen om niet te vallen.
+
+Toen ik op de straat getreden was en na een twintigtal stappen den
+indruk der lucht onderging, greep ik mij aan het ijzer van een venster
+vast: de huizen begonnen in woeste vaart rond mij te draaien; ik zag
+dansende lichten voor mijne oogen, en ik verloor in de bliksemsnelle
+wentelkolk, waarin ik scheen weg te zinken, mijn bewustzijn geheel en
+gansch.... Ik was dronken: voor de eerste maal mijns levens!
+
+Bij geluk ging op dit oogenblik een sergeant van ons bataljon in de
+straat voorbij: hij hief mij van den grond op en leidde mij naar de
+kazerne, waar men mij in mijn bed legde.... Dat ik dien ganschen dag
+veel zieker was dan te voren, behoeft niet te worden gezegd.
+
+Mijn kapitein had bevel gezonden, dat ik mijne kamer onder geen
+hoegenaamd voorwendsel mocht verlaten.
+
+Slechts den derden dag zag ik hem voor de eerste maal weder; hij vond
+mij, terwijl ik met ongemeenen eetlust een groot stuk vleesch nuttigde.
+
+"Zoo, zoo!" riep hij, "het schijnt, dat het geneesmiddel goed gewerkt
+heeft!--En de koorts, is zij teruggekeerd?"
+
+Het speet mij, te moeten bekennen, dat ik waarlijk van de koorts was
+genezen; want inderdaad, ik had de minste huivering niet meer gevoeld,
+sedert ik van het groene vocht had gedronken.
+
+De goede uitslag zijner poging scheen den kapitein zeer te verblijden.
+Hij moedigde mij opnieuw aan tot het verdrijven mijner zinnelooze
+gedachten, zooals hij ze wel eenigszins met reden noemde; en dan
+eindelijk mij een stuk van vijf franken in de hand duwende, verliet hij
+mij, zeggende:
+
+"Gij hebt geen geld? Daar, wandel nu en zoek eenig vermaak. Wat de
+beddelakens betreft, die men u ontstolen heeft, denk er niet te veel
+aan: ik zal die zaak wel regelen."
+
+Met tegenzin begaf ik mij, volgens zijn bevel, ter wandeling buiten de
+stad; ik dwaalde er uren lang in eenzaamheid, droomend van mijne
+ijselijke slavernij, van den vurigen haat, dien ik meende, dat de
+kapitein mij toedroeg, van der menschen onrechtvaardigheid en van
+allerlei andere dingen, die mijne krankzinnige dweepzucht konden voeden.
+
+Bij het terugkeeren naar de stad ontmoette ik eenen kreupelen man, die
+mij eene aalmoes vroeg. Ik gaf hem het stuk van vijf franken, mij door
+den kapitein geschonken. De bedelaar aanschouwde mij met verbaasden
+blik, als wilde hij mij vragen, of ik wel bij mijne zinnen was. Een
+soldaat, die vijf franken wegschenkt, moest in zijne oogen zot of iets
+dergelijks zijn! Wel een vierendeel uurs bleef de verbaasde man mij
+achterna zien; wat mij betreft, ik was tevreden, dat het geld van hem,
+dien ik de oorzaak van mijn ongeluk waande, uit mijnen zak verdwenen
+was, zonder dat mijn geweten mij kon verwijten, iets er van te hebben
+gebruikt.
+
+Des anderen daags kwam mijn vader te Bergen. Toen mijne oogen hem zagen,
+vloog ik hem weenend aan den hals en bezwijmde schier van aandoening.
+Mijne bleeke wangen boezemden hem een diep medelijden in: liefderijk en
+troostend waren zijne woorden in het eerst, doch na eene wijl begon hij
+eene hevige berisping tegen mijn gedrag uit te spreken, bovenal toen ik
+den kapitein van wreedheid en van haat tegen mij beschuldigde.
+
+Mijn vader, om te weten, wat er in mijne brieven gegrond kon zijn, was
+tot den kapitein gegaan, vooraleer naar de kazerne te komen; hij was
+door hem gulhartig en vriendelijk onthaald geworden, had ten zijne
+huizen het middagmaal genomen, had met hem gesproken over Napoleon en de
+oorlogen van het keizerrijk; in een woord, men had hem bejegend als
+eenen broeder. De kapitein had hem ook uitgelegd, dat al mijn lijden
+slechts in mijne inbeelding bestond, hoe hij zich vele moeite gaf om mij
+van mijne droomkwaal te genezen; hij had hem gerustgesteld over mijnen
+toestand en hem beloofd, voor mij als voor zijn eigen kind te zullen
+zorgen.
+
+Het spreekt van zelf, dat mijn vader in zulke gemoedsstemming mijne
+klachten niet kon goedkeuren. Hij laakte mijne dwaze denkbeelden met
+bitterheid; ja, hij werd gram en spijtig als hij zag, dat mijne
+overtuiging door geene woorden of bewijzen te veranderen was, en ik met
+eene onplooibare stijfhoofdigheid allen troost, die mij ongelijk gaf,
+wegwierp als eene onrechtvaardigheid.
+
+Na anderhalve dag verblijf te Bergen, keerde mijn vader mistroostig naar
+Antwerpen terug. Ik gevoelde mij ongelukkiger dan te voren. Niemand,
+niemand kon mij begrijpen, zelfs niet mijn vader!
+
+
+
+
+VII
+
+
+In den loop der maand Mei 1832 borst eensklaps de choleraziekte in
+Bergen los; het was hare eerste verschijning in Belgie. Deze
+schrikkelijke kwaal, die voor zoovele huisgezinnen eene bron van smart
+en ongeluk moest zijn, werd mijne redding.
+
+Om de soldaten zooveel mogelijk van de ziekte te bevrijden, verspreidde
+men ons regiment op de dorpen der provincie Henegouwen; deze bewegingen
+en het vrijere leven bij de boeren gaven mijnen geest wat rust en mijn
+lichaam den tijd om zijne krachten een weinig te herstellen. Mijne
+bleekheid verdween; en, alhoewel ik nog zeer mager bleef, scheen toch
+het gevaar des doods van mij afgekeerd. Mijn sergeant-majoor was uit het
+depot teruggekeerd; daardoor werd ik verlost van zorgen en
+hoofdbrekerij, welke in den toestand mijns geestes veel hadden
+bijgebracht om mijne zinnen te verwarren.
+
+Wij vertrokken welhaast naar de provincie Limburg, om het Hollandsch
+garnizoen der stad Maastricht te bewaken; op de dorpen rondom deze
+vesting bleven wij eenigen tijd bij de boeren geherbergd.
+
+In zekere gemeente, niet verre van Meersen, geraakte ik over zaken van
+dienst in twist met eenen sergeant onzer compagnie, die een zeer ruwe
+en ongemeen sterke kerel was. In zijne gramschap sloeg hij mij geweldig
+in het aangezicht, en misschien zou hij mij nog verder mishandeld
+hebben, zoo niet de sergeant-majoor mijne verdediging genomen hadde. Men
+sprak wel van een noodig tweegevecht, om mijne gekrenkte eer te
+herstellen; doch mijn moed was te verre weg om aan zulk iets te durven
+denken.
+
+De kapitein vernam het gebeurde en deed mij naar zijne herberg komen. Op
+zijn bevel verhaalde ik hem wat er was geschied; maar ik sprak
+waarschijnlijk op een toon van uiterste zwakheid, want mijne woorden
+deden hem opbruisen van spijt en gramschap. Toen eindelijk mijne
+opgehouden tranen losbraken, nam hij mij bij den schouder en stiet mij
+ten huize uit, zeggende, dat hij mij van mijne kinderachtige lafheid zou
+genezen, even gelijk hij mij van de koorts genezen had.
+
+Een half uur daarna kwam de sergeant-majoor mij melden, dat ik voor vier
+dagen in de politiekamer moest gezet worden, en dat ik hem onmiddellijk
+te volgen had om mijne straf te onderstaan.
+
+De politiekamer was een vertrek in een steenen huis des dorps; ik ging
+er zonder groote ontroering naar toe, want ik wist, dat vier dagen
+gevangenis voor mij vier dagen van eenzaamheid en van rust waren.
+
+Hoe verschrikte ik echter niet, toen ik, nadat de deur achter mij was
+gesloten, een aangezicht, van blijde wraakzucht en van haat verkrampt,
+uit eenen duisteren hoek des vertreks mij zag tegengrijnzen.... Het was
+de sergeant, die mij een uur te voren had geslagen!
+
+[Illustration: Te slaan en te stampen.]
+
+Verpletterd en sidderend, bleef ik met gebogen hoofd staan, zonder mij
+te verroeren.
+
+"Ah, ah, domme lafaard," brulde de sergeant, "nu heb ik u in mijne
+klauwen! Gij hebt voor den kapitein eenen hoop valschheden over mij
+gezegd; maar nu zult gij het duur gaan betalen!"
+
+Bij deze woorden begon hij mij zonder ophouden te schudden, te slaan en
+te stampen. Van angst en vervaardheid schier bewusteloos, liet ik mij
+zonder klacht of tegenspraak over en weder stooten als iemand, die allen
+moed opgeeft en zich gedwee aan een onvermijdelijk lot overlevert.
+Slechts toen mijn vijand zich vermoeid gevoelde, gunde hij mij eene
+verpoozing, terwijl hij zich nederzette en, met de vuist dreigend, mij
+toeriep:
+
+"Ellendige bloodaard! Dat laat zich hoonen en mishandelen als een kind,
+waar ziel noch hart insteekt! Gij gelooft dat het gedaan is? dat ik u
+gerust zal laten? Neen, neen, geen oogenblik rust zult gij hebben:
+meteenen zal ik u de kapot eens voor goed uitkloppen: elk half uur zult
+gij knoflook eten, dat u hooren en zien vergaan!"
+
+Met het aangezicht naar den muur gekeerd, stond ik in eenen hoek der
+donkere kamer; tranen vloeiden uit mijne oogen, en ik sidderde in de
+gedachte, dat de sergeant mij een ongeluk zou doen.
+
+Niet lang bleef ik aan mijne wanhopige gepeinzen overgeleverd;
+onvoorziens rukte de hand mijns vijands mij geweldig uit den hoek en
+smeet mij met eenen krachtigen zwaai tot aan den anderen kant der kamer.
+Opnieuw begon hij mij te slaan en te stooten, totdat hij weder, om te
+rusten, zich van mij vewijderde.
+
+Zoo duurde het den ganschen dag.
+
+Alhoewel ik deze bemerking slechts later maakte, was het echter
+klaarblijkend, dat de sergeant mij niet ernstig wilde bezeeren; want met
+al zijn slaan en schudden voelde ik toch geene blijvende pijn aan mijne
+leden.
+
+Op dit oogenblik echter deed mijn verschrikt gemoed mij gelooven, dat
+hij zich wel vast voorgenomen had, mij dood te martelen; en het was met
+ijzing, dat ik den avond zag dalen, in de overtuiging, dat mijn vijand
+mij des nachts zou kunnen doodslaan. Ik had reeds meer dan eens op
+wanhopigen toon om hulp geschreeuwd; doch de schildwacht voor de deur,
+noch de lieden uit den huize schenen er aandacht op te geven.
+
+Het was reeds duister in de politiekamer, toen de sergeant opnieuw tegen
+mij inviel en, onder het schokken en schudden, mij voor de eerste maal
+zulke gevoelige pijn veroorzaakte, dat een schreeuw der smart mij
+ontvloog. De overtuiging dat mijn laatste uur gekomen was, voerde mij
+tot eene zinnelooze vertwijfeling, en bracht eenen ganschen omkeer in
+mijn gemoed. In blinde razernij ontstoken, begon ik mij met verrassend
+geweld te verdedigen: ik stompte met vuisten, ik krabde, ik beet, ik
+scheurde als een zwak dier, welks krachten door de vrees des doods zijn
+verdubbeld.
+
+Met verbaasdheid liet de sergeant mij los, om het bloed te stelpen, dat
+hem ten neuze uitvloeide; hij bulderde, vloekte en dreigde met
+verschrikkelijke woorden, dat hij mij onmiddellijk den hals ging breken;
+doch ik, sidderend van ontroering, zeide hem op heeschen toon:
+
+"Kom, ik verwacht u, ik ben gereed, mijn leven ben ik moede; maar ik
+zal het u duur verkoopen Kom, dat het eindige! Kom!"
+
+Hij schoot inderdaad op mij toe en gaf mij eenen bedwelmenden vuistslag
+op het voorhoofd; ik boog wel de knie onder zijn geweld, maar even ras
+sprong ik in de hoogte en begon opnieuw in het wild te slaan, te stampen
+en te krabben. Ik moest mijnen tegenstrever zeer pijnlijk in het
+aangezicht getroffen hebben, want hem ook ontsnapte een kreet der pijn,
+en hij verwijderde zich voor goed van mij.
+
+Dan zeide hij, onder vele grove woorden:
+
+"Ik vecht niet meer in de duisternis. Morgen vroeg zullen wij onze
+rekening vereffenen: ik zal u vermorzelen, u vertrappen onder mijne
+voeten!"
+
+"Ah," riep ik hem toe, "bij dag of bij nacht, het is mij gelijk; gij
+moogt met mij doen wat gij wilt, ik ben tot alles gereed. Het is
+beslist: sterven of niet, zoo gij mij nog met den vinger aanraakt,
+scheur ik u het vleesch van het aangezicht!"
+
+De sergeant scheen te zwichten voor de onbegrijpelijke opgevoerdheid
+mijns geestes; misschien vreesde hij, dat ik zinneloos geworden was.
+Althans, hij raadde mij aan, in het stroo neer te liggen en te slapen;
+des anderen daags 's morgens zouden wij vechten, totdat een van beiden
+ter plaatse bleve liggen.
+
+Uren lang staarde ik in de donkere ruimte; mijne borst scheen mij tot
+eene ongewone breedte gezwollen; ik hijgde met machtige ademhalingen; de
+vuisten waren mij krampachtig gesloten; het voorhoofd gloeide mij van
+gramschap en van strijdlust. Meer dan eens meende ik op te staan en
+mijnen vijand tot een nieuw en beslissend gevecht te dwingen; niet
+omdat ik hem haatte, maar er gebeurde iets onuitlegbaars in mij.
+
+Nu had ik eens in mijn leven tegen een bijzonder mensch gestaan, zonder
+plooien. Hij was sterk als een reus, en ik had hem overwonnen! De moed
+en de onversaagdheid waren dus krachten, die tegen lichaamssterkte
+bestand zijn?
+
+Zulke overwegingen vervulden mijnen boezem met blijdschap. Voortaan zou
+ik mij niet meer laten hoonen!
+
+Den volgenden morgen, als het licht geworden was, konden wij op
+elkanders aangezicht de teekens van den strijd bemerken; wij hadden elk
+een blauw oog, en het aangezicht van mijnen makker was daarenboven met
+sporen mijner nagelen overdekt.
+
+Hij was merkelijk bedaard en bepaalde zich nu met mij te zeggen, dat ik
+tegen hem in tweegevecht zou gaan, zoohaast wij uit de politiekamer
+zouden vrijgelaten worden. Ik antwoordde hem met stil, doch vast
+besluit, dat mij alles gelijk was; maar dat ik, als uitgedaagde, de
+pistolen tot het tweegevecht verkoos, om reden dat door dit wapen de
+zaak zich spoediger en ernstiger liet beslissen: het ergste was mij het
+beste....
+
+Omtrent zeven uren des morgens werd de sergeant uit de politiekamer
+gelaten; ik bleef diensvolgens alleen.
+
+In de eenzaamheid begon ik te overwegen, wat mij was geschied en hoe ik
+den sterken en gevreesden kerel tot rust en tot zwijgen had gedwongen.
+Mij door de inbeelding aanjagend, tooverde ik al de personen voor mijne
+oogen, die mij ooit hadden mishandeld of gehoond; ik sprak met luider
+stemme en hield redevoeringen, om dezen mijnen vijanden te doen
+verstaan, dat ik geene minachting meer wilde verdragen en mij over elke
+beleediging zou wreken. Allerlei machtspreuken rolden mij in klinkende
+bewoordingen van de lippen; en zooverre voerde mij de koorts des
+geestes, dat ik mij de vuisten tegen de muren ten bloede bezeerde, als
+waren deze de vijanden geweest, die ik tot den strijd had uitgedaagd.
+Het spreekt van zelf, dat het grootste gedeelte mijner bedreigingen
+tegen mijnen kapitein waren gericht.
+
+Een uur na het vertrek des sergeants stelde men mij insgelijks in
+vrijheid!
+
+Nu durf ik niet vooronderstellen, dat de kapitein den sergeant bevolen
+had, mij te mishandelen. Misschien heeft hij hem slechts gezegd, dat hij
+moest pogingen doen om mij wat los te schudden; of, zooals hij in zijne
+soldatentaal zich kon uitdrukken: "_Tache donc de le degourdir un peu._"
+
+Hoe het zij, in dien tijd meende ik mij verzekerd te mogen houden, dat
+de sergeant slechts gedaan had, wat hem letterlijk was bevolen geworden.
+In deze overtuiging zou ik den kapitein dankbaar moeten geweest zijn;
+want hij had mij werkelijk van mijne kinderachtige blooheid genezen en
+mij eensklaps tot _man_ gemaakt, iets wat ik, zonder de krachtdadigste
+middelen, in vele jaren waarschijnlijk niet zou geworden zijn.
+
+In mijne herberg komende, vond ik den sergeant, die op mij scheen te
+wachten.
+
+Zonder hem den tijd te gunnen om iets te zeggen, liep ik naar den koffer
+des sergeant-majoors, nam er twee pistolen uit en sprak:
+
+"Hier zijn twee wapenen; kom, dat het spoedig beslist zij!"
+
+"De kapitein heeft allen verderen twist tusschen ons verboden," was
+zijn antwoord.
+
+"Zulks kan mij niet wederhouden!" riep ik.
+
+"Maar, fourier, misschien hebt gij zelden of nooit met een pistool naar
+het doel geschoten; ik integendeel, tref eenen pijpekop op dertig
+stappen...."
+
+"Het is gelijk; maak zooveel beslag niet; mijn moed zou kunnen
+verkoelen; nu gevoel ik mij sterk. Kom!"
+
+Mij de hand reikende, zeide de sergeant met stillen glimlach:
+
+"Het is de gewoonte, ja de wet der eer, dat het tweegevecht onderblijft,
+zoohaast eene der beide partijen haar ongelijk bekent. Welnu, fourier,
+het lag niet in mijn inzicht u te bezeeren. Het was eene grap, die
+ongelukkiglijk door uwen hardnekkigen tegenstand in een ernstig gevecht
+is veranderd. Ik heb mij over u bedrogen, en ik erken, dat ik ongelijk
+had. Vergeet wat er is geschied en laat ons vrienden zijn als te voren!
+Indien nog iemand u een kwaad woord durft toesturen, hij zal mij tot
+vijand hebben.--Welnu?"
+
+Mijn gemoed verweet mij mijne hardheid; want inderdaad, deze sergeant,
+hoe ruw ook van taal en omgang, was in den grond een goede jongen, die
+meer dan eens bewijzen van genegenheid had gegeven. Ik greep zijne hand
+met gulhartigheid en stemde toe in de verzoening.
+
+De sergeant hield zijn woord: sedert dit voorval bleef hij altijd mijn
+vriend.
+
+Dienzelfden morgen deed de kapitein mij bevel brengen om naar zijne
+herberg te gaan. Ditmaal gevoelde ik mij geenszins ontsteld; het hart
+klopte mij wel krachtig, doch in volle vrijheid, en ik hitste mij
+zelven onderweg tot stoutheid aan, om mijnen kapitein eens en voor
+altijd te doen begrijpen, dat ik als een man wilde behandeld worden.
+
+Toen ik voor hem verscheen, zag hij eene wijl mij sprakeloos in de oogen
+met denzelfden blik, die mij zoo dikwijls heeft doen sidderen. Ik
+schouwde hem onversaagd in het aangezicht, zoo vast, dat hij zelf het
+moede werd, en eindelijk, het hoofd schuddende, met een en glimlach
+uitriep:
+
+"Gij zijt zinneloos op mijn woord! Gij ziet er knap uit, met uw blauw
+oog!"
+
+"Kapitein, gij hebt mij doen roepen," zeide ik op ernstigen toon, "ik
+wacht uwe bevelen."
+
+Nogmaals zag hij mij diep in de oogen, en, bemerkende dat mijn gelaat
+even onbewogen bleef, vroeg hij in gedachten:
+
+"Nu, zeg mij, is het ditmaal gemeend? Of hebt gij weder de koorts?"
+
+Ik antwoordde niet. De kapitein zette zich neder; en, met het
+doordringend oog immer op mij gevestigd, beval hij:
+
+"Nu, zeg mij, wat is er in de politiezaal omgegaan? Ik weet het reeds;
+zorg aldus, dat gij waarheid spreket,--of anders!"
+
+Zonder de minste bijzonderheid te verzwijgen, verhaalde ik hem mijn
+wedervaren met den sergeant; en zelfs voegde ik er bij, dat het
+tweegevecht slechts was ondergebleven, omdat mijn tegenstrever zijn
+ongelijk had bekend. Tot slot zeide ik:
+
+"En nu, kapitein, laat mij toe u te zeggen, dat ik wel vast en
+onherroepelijk heb besloten, voortaan zelfs geenen schijn van minachting
+meer te verdragen, van niemand hoegenaamd...."
+
+"Van mij ook niet?" bulderde de kapitein met geveinsde gramschap.
+
+Ik liet mij evenwel niet ontroeren en herhaalde:
+
+"Van niemand.... Ik weet, kapitein, dat gij mijn overste zijt; maar
+dezelfde wet, die mij aan uwe bevelen onderwerpt, legt u insgelijks de
+rechtvaardigheid tot plicht op. Ik heb overwogen, dat het toch
+voordeeliger is, met gevaar des levens zelfs tegen geweld en onrecht op
+de staan, dan uit te teren en langzaam te sterven van verdriet...."
+
+"Wat beteekent dit?" riep hij uit. "Weet gij wel, dat wij hier voor den
+vijand zijn, en ik, bij de minste weigering tot gehoorzaamheid, over uw
+lot kan beschikken?"
+
+Met koele stijfhoofdigheid antwoordde ik:
+
+"Mijnen dienst zal ik doen, kapitein, beter dan te voren; maar ik
+herhaal het u, ik wil behandeld zijn als een man!"
+
+"En zoo het mij beliefde, u anders te behandelen, wat zoudt gij doen?"
+
+"Ik weet het niet: eene zinneloosheid misschien."
+
+"Onbegrijpelijk!" morde hij, terwijl hij van zijnen stoel opstond en
+twee- of driemaal rond de kamer stapte.
+
+Eensklaps sprong hij op mij toe, greep mij de hand, schudde ze zeer
+hevig en wees mij eenen stoel.
+
+"Gij zijt een zonderlinge geest; er zijn veel goede dingen in u, doch
+zij liggen nog in de war. Kon het slechts klaar in uw hoofd worden! Zit
+neer: ik wil met u een ernstig onderhoud hebben."
+
+"Zit neer!" herhaalde hij met ongeduld.
+
+Zoohaast ik zijn bevel had gehoorzaamd, langde hij eene flesch en twee
+glazen uit eenen koffer.
+
+"Trek zulk afkeerig gezicht niet," morde hij.
+
+"Meent gij, dat ik u weder van het groene vocht wil doen drinken? Neen,
+ik bewaar dat sterke alsembitter om de koorts te genezen. Ziehier een
+glas fijnen Madera-wijn. Neem aan! Drink, ik wil het!"
+
+Er was niets aan te doen; ofschoon al zijne woorden en zijne
+vriendelijkheid mij bitteren spot schenen, moest ik het glas tot den
+bodem ledigen.
+
+"Luister nu, fourier," sprak hij op zoeten, bedaarden toon. "Ik heb uwen
+ouden vader beloofd, dat ik zou pogingen doen, om uwe inborst de
+vastheid te geven, die haar ontbreekt. Uw hoofd is hard; ik beken, dat
+het mij vele moeite heeft gekost. Gij hebt gemeend, dat ik boos tegen u
+was, dat ik u haatte? Ik heb het u inderdaad doen gelooven, omdat het
+noodig was tot mijn doel; maar gij hebt verstand genoeg om te begrijpen,
+dat ik mij niet elken dag zoo bijzonder met u zou hebben bezig gehouden,
+indien geen gevoel van geneigdheid of van achting, al ware het slechts
+voor uwen vader, mij hadde aangedreven. Genoeg daarover. Indien ik mij
+niet bedrieg,--wie kan het weten met een veranderlijken kerel als
+gij?--indien ik mij niet bedrieg, is er nu sterkmoedigheid genoeg in
+uwen boezem gegroeid, om u voortaan toe te laten, den last en de
+wederwaardigheden van het krijgsleven zonder plooien te dragen, ja zelfs
+om deze baan met geluk en tevredenheid te doorwandelen. Evenwel, geloof
+mij, uwe inborst is gevaarlijk voor u zelven: zij kent geene maat.
+Indien ik nu voortvoer met mijne pogingen om u uit uwe schadelijke
+droomzucht los te rukken, zoudt gij u misschien te veel _man_ willen
+toonen, gekheden begaan en u zelven ongelukkig maken. Dit zou uwen
+ouden vader verdriet aandoen. Alzoo, ik zal mij voortaan jegens u
+houden, alsof ik met een echt soldaat te doen had. Verrechtvaardig gij
+van uwen kant dit vermoeden, en gij zult ondervinden, dat ik geen boos
+mensch ben, gelijk gij het tot nu toe waarschijnlijk hebt gedacht. Uw
+vader hoopt, dat gij eens officier worden zult; hij heeft zijn vaderland
+onder Napoleon met eere gediend en ziet het krijgsleven aan als eene
+schoone loopbaan. Het hangt van uwen wil af, zijne liefderijke hoop te
+verwezenlijken. Wat mij betreft, ik zal naar mijn vermogen er toe
+helpen."
+
+Ik luisterde verbaasd op de woorden des kapiteins; zulken toon van
+ongeveinsde kalmte en van ware goedhartigheid had ik nooit in zijne stem
+opgemerkt, en ik vroeg mij zelven met wantrouwen, of ik zijne
+betuigingen van genegenheid voor waarheid of voor spot te nemen had.
+
+Intusschen had de kapitein ten tweeden male wijn in mijn glas
+geschonken; en opstaande, zeide hij met dezelfde bevelende blikken en
+scherpen toon, die hem eigen waren:
+
+"Drink,--en houd u voortaan recht in uwe schoenen!--Geloof niet, dat ik
+van zin ben u te behandelen als eenen porseleinen soldaat, dien men
+vreest te breken. Ik ben kapitein, en ieder moet het weten. Wat gezegd
+is, blijft gezegd. Ga nu naar uwe herberg, herkauw mijne woorden
+onderweg zeer goed, en hang er al droomende geene nuttelooze staarten
+aan."
+
+Ik deed wat hij mij had bevolen, en overwoog zijne woorden zoo lang en
+zoo diep, dat mijne spijt tegen hem--mijn haat zou ik moeten
+zeggen--verminderde, verkoelde en geheel verging. Alhoewel ik het nog
+voor mij zelven poogde te verbergen, toch erkende ik innerlijk, dat ik
+ten minste grootendeels door overdrijving had gedwaald.
+
+Van dien tijd af was deze kapitein niet bijzonder barsch meer tegen mij;
+ja, hij betoonde mij somwijlen achting en vriendschap. Hij bleef wel
+dezelfde als te voren, wierp mij nog bij gelegenheid eenen vloed harde
+woorden naar het hoofd, spuwde en bulderde, evenals hij het jegens
+iedereen deed; doch nu had ik begrepen, dat deze uiterlijke gebaren en
+woorden hem niet uit het hart kwamen. Ik genoot rust en vrede; mijne
+lichaamskrachten herstelden zich geheel; en, alhoewel ik weinig lust in
+het soldatenleven vond, ik leed er geen verdriet meer.
+
+
+EINDE.
+
+
+NOTEN:
+
+[Noot 1: Nog voor het verschijnen der eerste uitgave van _de
+Omwenteling van 1830,_ gaf de heer Leon Wocquier, professor aan de
+Hoogeschool te Gent, daarvan eene Fransche vertaling in de _Revue
+contemporaine_, die hij deed voorafgaan door eenige korte biographische
+aanteekeningen over de eerste levensjaren van Hendrik Conscience. Uit
+deze aanteekeningen van de hand van genoemden hoogleeraar geven wij hier
+dit uittreksel.]
+
+[Noot 2: Er waren in ons regiment zeven gebroeders Grad, te Ath, in
+de provincie Henegouwen, van eenen zelfden vader en eene zelfde moeder
+geboren. Allen waren dappere jongelieden, die zich in elke gelegenheid
+onderscheidden. Lucien, Ange en Jules zijn nu kapiteins in het Belgische
+leger; een is brigadier der douane, twee zijn sergeants in
+keurregimenten, en de beide overigen zijn sedert gestorven. Onder allen
+was Jules langen tijd mijn bijzondere vriend.]
+
+[Noot 3: _La Belgique depuis 1830_, par CH. POPLIMONT. Gand, D.
+Verhulst, 1848.]
+
+[Noot 4: Deze priester is om het verhaalde feit met het eerekruis
+van Leopold begiftigd geworden.]
+
+[Noot 5: De sergeant Jacques had vele wonden, waarvan vier of vijf
+aan het hoofd. De Prins van Saksen-Weimar heeft hem in het hospitaal te
+Leuven doen verzorgen en hem, zoo men zeide, zelf aan den Koning der
+Belgen aanbevolen. Nu is de heer Jacques kapitein in het Belgische
+leger; het eerekruis op zijne borst is de belooning zijner moedige daad
+in den slag van Leuven.]
+
+[Noot 6: Ik heb de oorspronkelijke brieven mijns vaders en de mijne nog
+meestendeels in bezit.]
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De omwenteling van 1830, by Hendrik Conscience
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE OMWENTELING VAN 1830 ***
+
+***** This file should be named 11287.txt or 11287.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/1/2/8/11287/
+
+Produced by Joris Van Dael and PG Distributed Proofreaders
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's
+eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII,
+compressed (zipped), HTML and others.
+
+Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over
+the old filename and etext number. The replaced older file is renamed.
+VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving
+new filenames and etext numbers.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000,
+are filed in directories based on their release date. If you want to
+download any of these eBooks directly, rather than using the regular
+search system you may utilize the following addresses and just
+download by the etext year.
+
+ https://www.gutenberg.org/etext06
+
+ (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99,
+ 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90)
+
+EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are
+filed in a different way. The year of a release date is no longer part
+of the directory path. The path is based on the etext number (which is
+identical to the filename). The path to the file is made up of single
+digits corresponding to all but the last digit in the filename. For
+example an eBook of filename 10234 would be found at:
+
+ https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234
+
+or filename 24689 would be found at:
+ https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689
+
+An alternative method of locating eBooks:
+ https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL
+
+