summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/11286-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '11286-0.txt')
-rw-r--r--11286-0.txt3364
1 files changed, 3364 insertions, 0 deletions
diff --git a/11286-0.txt b/11286-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..16c2ce4
--- /dev/null
+++ b/11286-0.txt
@@ -0,0 +1,3364 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11286 ***
+MEESTERSTUKKEN
+
+VAN
+
+REMBRANDT HARMENSZ. VAN RIJN.
+
+LEESBOEK VOOR HET LAGER EN VOORTGEZET ONDERWIJS
+
+DOOR
+
+G. KIELDER,
+
+HOOFD EENER SCHOOL TE 'S-GRAVENHAGE.
+
+AMSTERDAM.--1906.
+
+
+
+
+VOORBERICHT.
+
+
+_Nu dit boekje juist in het Rembrandtjaar verschijnt, zal men het
+allicht indeelen bij de huldebetoogingen. Toch wil het daartoe niet
+gerekend worden. Onze leerlingen geven dikwijls blijk, dat ze met
+welgevallen luisteren naar of lezen over kunst; het is deze
+belangstelling, die de schrijver heeft willen voeden en ontwikkelen. Men
+zal bij de kennismaking den opvoedenden ondergrond van de stof der
+besprekingen wel opmerken.
+
+Dat de onderwerpen ontleend werden aan de werken van Rembrandt, behoeft
+niet te bevreemden: deze schilder is voor de kunst en voor het
+kunstgevoel een geweldig opvoeder geweest, ook en vooral omdat hij sterk
+persoonlijk was in alles, wat van hem uitging.
+
+Het was onvermijdelijk, dat de bespreking van portretten hier en daar
+het karakter aannam van eene historische uiteenzetting; ze stellen ons
+immers voor oogen het geslacht, te midden waarvan Rembrandt leefde, een
+geslacht dat historisch is geworden. Dat we het zien juist door het oog
+van een psycholoog, is vast geen nadeel!
+
+De schrijver mag wel hopen, dat de menschen, die van kunst hun beroep
+maken, hem niet te hard vallen over de vrijmoedigheid, waarmee hij zijne
+laag-bij-den-grondsche inzichten ten beste geeft; hij heeft maar ééne
+verontschuldiging: dat van hen nog niemand iets gedaan heeft voor de
+aesthetische opvoeding van het opkomend geslacht. Het zij gezegd zonder
+miskenning van de verdiensten van den Heer H. P. Bremmer, die reeds
+jaren lang in de weer is, om onderwijzers voor deze taak op te leiden.
+Bij dezen aan hem een woord van dank voor de beschikking over zijne
+vermaarde prentenverzameling.
+
+Voor den gebruiker een wenk: bespreek elk plaatje, vóórdat de tekst
+gelezen wordt; als bij het lezen plaat en tekst in het boekje niet
+tegenover elkaar staan, laat dan een van de twee boekjes op eenzelfde
+bank bij de plaat open liggen. Open staan is nog beter._ Den Haag
+1906. G. KIELDER.
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+WAT GEEN HOOFDZAAK IS
+DE OPWEKKING VAn LAZARUS
+EENE LATERE OPWEKKING
+HISTORISCHE GEGEVENS
+REMBRANDT LANDSCHAPSCHILDER
+VROUWE SASKIA
+KLEINE TITUS
+ACTIE
+MISLEIDE AANDACHT
+AANRAKING MET HISTORISCHE PERSONEN
+MEER DAN PORTRET
+GEËTSTE PRENTEN
+VROUWTJE BAS VAN 'T RIJKSMUSEUM
+KUNST VAN GROEPEEREN
+VERVOLG VAN 'T KORPORAALSCHAP
+SIMEON IN DEN TEMPEL
+EENE ONDERGAANDE ZON
+VERGELIJKINGEN
+WAT PORTRETTEN BIJEENVOEGT
+
+
+
+
+WAT GEEN HOOFDZAAK IS.
+
+
+Vele eeuwen geleden leefde in Griekenland een schilder, van wien men de
+ongeloofelijkste dingen verhaalt, en wiens naam bij het nageslacht is
+blijven voortleven als die van een der grootste kunstenaars. Zeuxis, zoo
+heette hij, wist niet slechts de menschen, maar ook de dieren met de
+voortbrengselen van zijn penseel in verrukking te brengen. Dit blijkt
+uit het volgende.
+
+Hij schilderde eens een vruchtenstuk; in bevallige wanorde lagen bessen,
+druiven, noten en appelen door elkander, met hier en daar een groen blad
+er tusschen. Ieder, die het zag, stond verbaasd over de juistheid,
+waarmee elk onderdeel bewerkt was. En kijk, toen de toeschouwers zich
+verwijderd hadden van de muurschildering, kwamen de vogelen toevliegen
+en pikten naar de druiven. Misleid door den schijn, hadden ze deze voor
+echt gehouden.
+
+Een verhaal, dat er gaat van een paardenstuk, komt hier vrij wel mee
+overeen. Dit gaf de afbeelding van een paard te zien, en zoo
+bedriegelijk juist, dat het vurig strijdros van Alexander den Groote,
+toen het voor de schilderij werd gebracht, aan de teugels rukte en tegen
+zijn gewaanden natuurgenoot begon te hinneken.
+
+We hebben hier het oordeel van redelooze dieren over kunst van menschen.
+Het volk kende daar eene zekere waarde aan toe; het oordeelde zoo: "wie
+heeft beter kijk op paarden dan een paard, wie beter op vruchten dan
+een vogel? Als nu door dezen de gelijkenis in een schilderstuk wordt
+opgemerkt, moet ze wel bijzonder juist wezen; geene goedkeuring van
+menschen kan voor den kunstenaar zoo vleiend zijn als die van dieren,
+mits deze met het onderwerp in betrekking staan."
+
+Er is nog een oud verhaal van een beroemd schilder.
+
+Apelles had eene menschelijke figuur geschilderd en stelde die ten toon,
+terwijl hij zelf in een verborgen hoekje naar het oordeel der
+beschouwers luisterde. Een schoenmaker kwam daar langs en bleef staan.
+Zijn blik rustte onderzoekend op de voeten, en hoorbaar mompelde hij
+voor zich heen: "Ze zijn te groot, wat zou je een leest moeten hebben,
+om daarvoor schoenen te maken."
+
+Appelles nam den wenk ter harte, en den volgenden dag had hij de
+gelaakte lichaamsdeelen iet of wat kleiner gemaakt.
+
+Weer kwam de schoenmaker voorbij. "Kijk", dacht hij, "Appelles heeft
+zijn fout ingezien en verbeterd. Jammer, dat hij nu ook in houding en
+gebaar niet wat meer de fierheid van eenen krijgsman heeft uitgedrukt."
+ Nu werd het den schilder te kras. Hij kwam te voorschijn en voegde den
+schoenmaker toe: "Over houding en gebaar zwijg je! Een schoenmaker
+blijve bij zijne leest."
+
+Met deze terechtwijzing is het volk het geheel eens geweest, zoo zeer,
+dat de uitdrukking in den vorm van een spreekwoord is blijven
+voortleven. De schoenmaker kreeg hetzelfde recht van meepraten als de
+vogel en het paard, een recht, dat aan iedereen stilzwijgend is
+toegekend: wie door zijn vak verstand heeft van het onderwerp, dat op
+een schilderstuk is voorgesteld, heeft bevoegdheid om een oordeel uit te
+spreken.
+
+Dit komt dus hierop neer, dat het stuk pas goed is, wanneer het de
+menschen voldoet, die als vaklui verstand hebben van de dingen, die er
+op staan. Bijgevolg heeft de beschouwer meer met de dingen dan met den
+kunstenaar te maken.
+
+Grooter dwaling dan deze opvatting is niet denkbaar. Bij elk kunstwerk
+is juist de persoon van den maker de hoofdzaak. Hij is het eenige,
+waarop men te letten, waaraan men te denken heeft. De vraag is niet, wat
+staat er van het ding of van de gebeurtenis op, maar waaruit bespeur ik
+den kunstenaar; wat zie ik er in, dat door hem alleen is gezien en
+gevoeld; dat ik nu ook wel zie en voel, doch alleen doordat _hij_ het
+mij zoo voorhoudt. Alles wat ik van te voren al wist van het ding of van
+de gebeurtenis, is op de schilderij bijzaak. Want het is kennis, die
+iedereen heeft. En de kunstenaar gaat niet in zijn werk op, om datgene
+te vertoonen, wat alle oogen wel zien en alle harten wel voelen. Hij is
+juist kunstenaar door iets, wat een ander ontbreekt, door
+gewaarwordingen, die een ander alleen door hem kan krijgen.
+
+Het onderwerp is maar onderwerp. Natuurlijk geeft het den beschouwer
+reden tot tevredenheid, als hij met het onderwerp niet in de war zit,
+als hij alles een naam kan geven en van alles de gedaante en den vorm
+herkent. Maar van meer belang is het, dat hij zich rekenschap geeft van
+datgene, wat niet het onderwerp, maar wat de kunstenaar laat zien. Het
+verwondert ons daarom van Apelles, dat hij zooveel aandacht schonk aan
+de opmerkingen van eenen schoenmaker over de voeten van zijne figuur.
+Eerder zou men verwacht hebben, dat hij luisterde, toen die een oordeel
+uitsprak over dingen, die buiten zijn vak en zijnen werkkring lagen.
+
+Bij het beschouwen van werk van Rembrandt zullen wij goed doen, als we
+deze onderscheiding in het oog houden: wat stelt het voor, en waaraan
+bespeur ik, dat een buitengewoon oog dit onderwerp bekeken heeft.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+DE OPWEKKING VAN LAZARUS.
+
+
+De eerste prent draagt tot onderschrift: "De opwekking van Lazarus."
+
+Op de vraag, _wat_ er op staat, vinden we in den Bijbel het antwoord, en
+wel in het Evangelie van Johannes, daarvan het elfde hoofdstuk.
+
+[Illustration: Opwekking van Lazarus.]
+
+Volgens dezen tekst moet de plaat te zien geven: den gestorven Lazarus,
+liggende in het graf, den Heer Jezus, de zusters, de vrienden en de
+discipelen staande daar rondom. Bovendien lezen we er, welke handeling
+ieder der aanwezigen verricht.
+
+_Hoe_ staat een en ander er nu op? Hoe zijn de figuren geteekend? Hoe
+wordt datgene voorgesteld, wat elk figuurtje, volgens den aangewezen
+tekst, moet verrichten? Laten we met Lazarus beginnen. Na hem komen de
+anderen wel aan de beurt.
+
+Is er in de teekening van deze lijntjes, streepjes en krabbels iets, dat
+we buitenwoon vinden, dat wij zelf niet in ons hoofd hadden, als
+Rembrandt het ons niet zoo vertoonde.
+
+De figuur van Lazarus is in blanke tint uitgebeeld; ook de steenwanden,
+waar hij tusschen ligt. Het is, alsof zijn lichaam in teerheid en
+witheid één geheel vormt met het gesteente, alsof hij reeds een
+bestanddeel vormt van den schoot der aarde, waaraan zijne bloedverwanten
+hem hebben toevertrouwd. Nauwelijks onderscheidt zich zijn gestrekt
+liggend lijf van de groeve; als mensch was hij uit stof gemaakt;
+gestorven zijnde, is zijn stoffelijk omhulsel oogenschijnlijk al bijna
+weer in het stof opgenomen. De blankheid van het gewaad is zoo ongerept
+gehouden, als maar mogelijk was. Al de aanduidingen van kreukjes en
+plooien, van vouwen en rimpels zijn uiterst teer geteekend om niet te
+veel zwart aan te brengen. Bijna ongemerkt loopt de lijn voort, die den
+steenwand op den voorgrond afscheidt van de figuur. Even ongemerkt zien
+we de linkerhand langs den anderen wand tastende zoeken naar steun. In
+lijnwaad gewikkeld, onderscheidt de arm zich bijna niet van het
+gesteente; toch krijgen we wel de gewaarwording, dat onder al de plooien
+van de stof dat lichaamsdeel zich beweegt, zich opheft en voortschuift.
+Zoo ook, dat onder het doodskleed het lijf zich opricht, zich kromt. In
+de richting van de voeten is alles nog rust; daar smelten, om zoo te
+zeggen, stof en stof nog in een. Maar het hoofd en de hals hebben zich
+reeds losgemaakt van den schoot der aarde. Daar zijn de afscheidingen
+door den teekenaar duidelijker gegeven; scherpe schaduwkanten loopen
+langs schouder en afhangend haar, terwijl voorhoofd, gelaat en
+linkerschouder in fijne blankheid afsteken tegen een hoekje donkeren
+rotswand. Waar het leven terugkeert, scheidt zich het lichaam het eerst
+en het duidelijkst af van de aarde. Door de oogharen bezien, zal het ook
+lijken, alsof het hoofd zich opbeurt uit den bodem, alsof het zich
+daarvan losmaakt.
+
+Zie, dit zijn geen dingen, die ieder lezer van het Evangelie van
+Johannes in zijne verbeelding ziet. Ook is het geen bewijs van
+buitengewone getrouwheid in het uitbeelden van een lichaam dat in een
+graf ligt; want in werkelijkneid zal er wel altijd juist eene scherpe
+tegenstelling zijn tusschen de reine, witte gewaden en de donkere
+aardkluiten of rotsmuren. Het is een wijze van zien, die ons
+rechtstreeks aan Rembrandt zelf doet denken. Alles _was_ niet zoo, en
+alles staat niet zoo te lezen in de Schrift; hij _zag_ het zoo. In deze
+manier om de grafligging te zien leeft hij voort. Sedert hij het zoo
+gewaar werd voor zijn geestesoog, zien wij het ook, maar alleen door
+hem.
+
+Aangrijpend is het, te zien, hoe op het gelaat zich het wederkeerende
+leven openbaart.
+
+Het oog, dat in de diepe oogkas ligt weggezonken, opent zich en ontvangt
+wel de eerste lichtstralen, maar besef heeft het niet. Wezenloos en
+smartelijk staart het voor zich uit, het ooglid is zwaar en loom en
+schijnt gereed om weer toe te vallen, gelijk het reeds voor eeuwig
+scheen toegevallen te zijn. Flauw en gebroken is even de oogappel
+aangegeven.
+
+De mond is maar niet zoo een zwart streepje of een vlekje; hij heeft,
+hoe klein ook van afmetingen, eenen bepaalden vorm, en eenen vorm, die
+iets uitdrukt. Is het niet de eerste ademtocht, die we hier zien?
+Stroomt niet de levenslucht naar binnen in ademhalingsruimten, die reeds
+bestemd waren om geen adem meer te bevatten, en die ook reeds afgeplat
+en naar binnen gebogen neerlagen. Pijnlijk volbrengt de mond deze eerste
+levensuiting, maar zonder bewustzijn, zonder besef.
+
+De wangen zijn mager en hoekig, de onderkaak scherp afgeteekend, de neus
+smal en ingevallen. Het oor zit maar nauwelijks nog aan het hoofd,
+zooals we dat bij zieken waarnemen, die langzaam wegteren. Ook het
+halsje draagt de sporen van lijden; diepe groeven en rimpels strekken
+zich uit van boven naar beneden, en bij de kaak, van links naar rechts.
+Te zwak is het, om het hoofd te dragen; terwijl dit zich opricht, helt
+het machteloos naar links over.
+
+Zoo bespeuren we in elk onderdeel van deze figuur de aandoening van den
+teekenaar. Het feit, dat geteekend moest worden, de opleving van iemand
+uit zijn graf, stond vast. Dat het vreeselijk moet zijn geweest, om deze
+gebeurtenis mee aan te zien, stond ook wel vast. Maar nu komt de
+kunstenaar en houdt er zich mee bezig. Hij voelt het vreeselijke zoo
+sterk, zoo overweldigend, dat het kleinste krabbeltje, wat hem uit de
+hand vloeit, nog uiting geeft aan dat gevoel. En wij, de beschouwers,
+komen daardoor tot de erkenning: alles op zoo'n gezicht moet dien indruk
+hebben gemaakt; bij zulke oogen zoo'n mond, zoo'n neus, zoo'n hals en
+zoo'n houding.
+
+Laten we de proef eens nemen, of het echt is, wat we opmerken. Door met
+een paar stukjes papier de overige deelen van de plaat te bedekken,
+houden we Lazarus alleen over en kunnen nu beoordeelen, of in hem
+uitgedrukt is, hoe het feit zich toegedragen heeft. We zien
+onmiskenbaar, dat het figuurtje, wat zich hier opricht, iets vreeselijks
+doormaakt; dat het maar niet iemand is, die in zoo'n groeve te slapen
+lag en zich nu opricht; dat de wezenloosheid op het gezicht niet de
+uitdrukking is van een half slapende of van een, die bijvoorbeeld onder
+den invloed van sterken drank is. Alles is zoo sterk van aandoening en
+grijpt zoo aan, dat alleen deze figuur voldoende zou zijn om de tekst
+uit het Evangelie van Johannes te illustreeren.
+
+Nu de figuur van Jezus. Zooals Hij daar staat, naast het geopende graf,
+is alles waardigheid en hoogheid aan Hem. We zien Hem als eene gestalte,
+wie langs den rug de mantel in ééne groote beweging tot den grond
+afhangt. In zoo'n rijzigheid stellen we ons gaarne voor, iemand, die als
+verrichter van groote dingen optreedt. De opgeheven linkerhand, ofschoon
+de vingers niet mooi zijn geteekend, begeleidt in grootsch gebaar de
+woorden: "Lazarus, kom uit!" Rustig en vol majesteit wacht Jezus de
+uitwerking af. Bij Hem geene verbazing, verrassing of ontzetting over de
+herrijzenis; bij Hem slechts verzekerdheid, dat nu gebeuren zal, wat Hij
+gebiedt.
+
+Eene groote tegenstelling is er tusschen dat rustige staan en de
+omringende aandoeningen. Om dit duidelijk te voelen, nemen we een stukje
+papier en leggen het zoo over de prent, dat de gestalte van Jezus aan
+ons oog onttrokken wordt.
+
+Het geheel is nu een druk tooneeltje geworden. De omstanders geven op
+eene in 't oog loopende wijze uiting aan hun gevoel. Ze herinneren ons
+aan voorvalletjes, die we langs straat en gracht wel eens waarnamen,
+bijvoorbeeld als er iemand in het water viel; dan waren de menschen ook
+verschrikt, je hoorde ze door elkaar gillen, hard wegloopen,
+achteruitdeinzen, om hulp roepen, de handen uitsteken en op andere
+manieren zich lawaaierig aanstellen. Zoo'n volksoploopje met druk
+gedraai van lijven en gewring van handen blijft er van de prent over,
+als we die eene figuur er uitnemen.
+
+En met deze figuur, is alles plechtig en grootsch. Het statige dringt
+het drukke gedoe van de omstanders op den achtergrond. We denken niet
+langer aan onbeduidende straattooneelen, maar we krijgen weer den indruk
+van eene testamentische, eene aartsvaderlijke geschiedenis. Het
+oploopje, dat zoo in het voorbijgaan even de menschen in beweging
+bracht, is eene gebeurtenis geworden voor alle tijden, eene bladzijde
+uit de boeken der eeuwen. We behoeven de bijbeltekst niet te kennen, om
+reeds bij den eersten blik te begrijpen, dat dit voorval iets bijzonders
+is, iets groots, iets dat invloed zal hebben op geslachten en
+nageslachten.
+
+Waaraan is dit anders toe te schrijven, dan aan de majesteit, de
+verhevenheid van de gestalte, die naast het graf van Lazarus staat!
+
+Toch spreekt uit de teekening ook eene verkeerde neiging van Rembrandt.
+Hij zet zijne figuur daar neer, alsof ze een tooneelheld is; met
+sierlijk gebaar wordt de eene hand in de zij gezet en de andere met wat
+erg veel vertooning omhoog geheven. Hij overdrijft het grootsche en
+maakt er eenigszins comediespel van. We mogen deze opmerking gerust
+maken; al is het onderwerp aan de Heilige Schrift ontleend, wij spreken
+niet daarover maar over den teekenaar.
+
+Zijn streven om het mooi te maken blijkt bijvoorbeeld heel duidelijk uit
+de plooien, waarin de rechterhand den mantel heeft opgenomen. De zeven
+bochten maken den indruk, dat ze in stevig metaal of karton zijn
+gebogen. Niet aangenaam is het, dat we een paar dergelijke plooien op
+den achtergrond aan den linker kant in eene groote draperie terugvinden.
+Het lijken wel oude bekenden uit gordijnenwerk van menschen, die onze
+kamers stoffeeren.
+
+De indruk, dien de opwekking van den gestorvene op de omstanders maakt,
+is in allerlei verscheidenheid weergegeven. Het liefste is ons het
+vrouwenfiguurtje rechts op den voorgrond. Het staat in schaduwgedaante
+voor het felle zonlicht, dat van buiten af in de groeve doordringt. Met
+spanning ziet het vrouwtje de levensverschijnselen op het doodengelaat
+terugkeeren. Doch met eene spanning, die ingehouden wordt. Het
+rechterhandje legt zich zelfbedwang op, om nog geen uiting te geven aan
+de vreugde, om nog af te wachten. Te groot is het wonder, te groot het
+geluk, om reeds te kunnen gelooven. Van innigheid en liefde getuigt deze
+ingehoudenheid, meer dan de uitgelaten gebaren der anderen. Ook de
+plaats, waar dit figuurtje zich bevindt, aan het voeteneinde van het
+graf, afgescheiden van de overigen, is iets aparts.
+
+Van de overige personen geeft ieder, op eigen wijs, in
+gelaatsuitdrukking of handgebaar uiting aan zijne gewaarwordingen.
+Schrik, ontsteltenis, verrukking, ongeloovigheid en afschuw, iedere
+aandoening vindt hare vertolking. Wantrouwen zelfs, en de nuchtere
+berekening, hoe dit verrichte wonder als een wapen tegen Jezus gebruikt
+zal kunnen worden.
+
+De verlichting, waaronder deze figuren zijn geplaatst, heeft eene
+grootsche werking. Het ongeoefend oog zal bij den eersten aanblik
+misschien den indruk krijgen, dat de kunstenaar groote vlakten in zijn
+werk wit heeft gelaten en dus nog niet heeft bearbeid, alsof de
+teekening onvoltooid is gebleven. Maar tusschen de oogharen door gezien,
+gaat er een licht op. De ruimten, die niet met zwarte lijntjes zijn
+gearceerd, blijken verlicht te zijn.
+
+Door de opening van het rotsgraf vallen zonnestralen naar binnen en
+spreiden hunne helderheid over de groeve en den rotswand, over Lazarus
+en de groepjes terzijde van het graf; ook over het front van den Heer
+Jezus, terwijl daarenboven de achtergrond rechts in lichtelaaie schijnt
+te staan. Steeds door de oogharen moet men zien, hoe, daarbuiten, die
+gloed naar boven toe in ijle en zware wolken opwasemt, hoe, met het
+onhandelbare middel van harde zwarte krassen, de luchtigheid van
+opdampende lichtnevelen is verkregen. De tot het leven terugkeerende
+Lazarus is het middelpunt van de zonnebestraling, en als verlegen ligt
+hij onder de glorie van het grootsche licht, waarin hij ontwaakt. Zijne
+kleine machtelooze figuur wekt in dien gloed nog te meer ons medegevoel
+en medelijden op. Hij is het middelpunt niet slechts van de blikken der
+omstanders, maar ook van de binnenvallende zonnestralen. En onze blik
+dwaalde eveneens het eerst en het laatst naar hem.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+EENE LATERE OPWEKKING.
+
+
+Vele jaren later heeft Rembrandt voor de tweede maal het onderwerp "de
+opwekking van Lazarus" behandeld. We zullen deze plaat met de vorige
+vergelijken, om de verschillen vast te stellen, en de oorzaken van de
+verschillen op te sporen. Het ligt voor de hand om te zeggen: "als een
+groot teekenaar iets aflevert, levert hij het af, zoo goed als in zijn
+vermogen ligt, hij kan het een tweede maal dus niet beter, tenzij het
+den eersten keer gebrekkig is geweest." De vergelijking zal echter
+leeren, dat dezelfde kunstenaar een zelfde onderwerp anders _moet_
+behandelen, indien er later andere gevoelens in hem omgaan. Dat dus de
+levenslotgevallen invloed hebben op het werk.
+
+We herkennen weer een rotsgraf; maar nu met uitzicht op een landschap
+met geboomte; daarachter, op een berg, verrijst eene stad; verder,
+evenals op de eerste plaat, een groep omstanders, de Heer Jezus en de
+verrijzende Lazarus. Ook hier beschijnt het zonlicht een deel van het
+tafereel, maar het is minder opzettelijk, minder bepaald op de plek
+gericht, waar het wonder geschiedt. En het is thans niet het ontwaken
+uit een pijnlijk diepen slaap, wat de kunstenaar ons voor oogen stelt,
+maar de groote bevreemding van den ontwakende. Lazarus begrijpt niet,
+wat er voorvalt. Hij kent den persoon niet, die tegenover hem staat, hij
+herinnert zich niet, wat met hem gebeurd is. De mond, die de eerste
+levenslucht heeft ingeademd, blijft sprakeloos halfgeopend staan, en is
+vol verbazing. Met moeite en scheef richt het lijf zich half overeind.
+Er is eene ontzetting van zoo het middelpunt te zijn van aller aandacht,
+zonder nog te begrijpen waarom. De zintuigen zijn ontwaakt en nemen
+reeds waar, maar de herinnering, de kennis, het innerlijk leven, moeten
+nog terugkeeren.
+
+Rembrandts bedoeling is dus eene andere geweest dan in zijne eerste
+"Opwekking", en begrijpelijk zien we die bedoeling voor ons.
+
+In de figuur van Jezus missen we thans het verhevene, het goddelijke.
+Ook in het gelaat. Dit komt geheel niet overeen met de mooie gezichten,
+die we van den Zaligmaker zoo wel eens op platen hebben gezien. Men zou
+het bijna een ongunstig uiterlijk kunnen noemen. Maar er is één trek in,
+waardoor we voor deze voorstelling van Jezus meer voelen, dan voor de
+eerste. Het zijn de goedheid en de zachtheid, die hier spreken. De half
+neergeslagen oogen, het even gebogen hoofdje, het bijna verlegen
+afgewende gelaat, alles draagt daarvan de uitdrukking; de rechterhand,
+niet vast en krachtig tot vuist gebald, maar zacht en mild, en nauwlijks
+toegesloten; de linker, die op de eerste prent vol grootheid zich opheft
+bij het veelzeggend woord, maakt hier een vriendelijk, bijna weifelend
+gebaar, niet verder dan ter hoogte van de borst opgeheven.
+
+[Illustration: Latere opwekking (1642).]
+
+De opwekking is zoo geene uiting van goddelijke macht, geen wonder, om
+er ongeloovigen mee tot bekeering te dwingen, maar ze wordt eene daad
+van goedheid, van medegevoel voor hen, die bedroefd om het graf stonden,
+een daad van liefde en van innigheid. Wel is waar zal men op de eerste
+prent allicht de gestalte grootscher en mooier vinden; maar innerlijk
+laat ze ons koud. Ons _gevoel_ wordt meer getroffen door de uitdrukking
+van zachtheid op de tweede; door het echt menschelijke en vriendelijke
+van den Heer in den omgang met menschen.
+
+Rembrandt is teruggekomen van het ontzaglijke tot het gewone. Ook in de
+omstanders. Wel staan ze, evenals op de eerste plaat, ontdaan,
+getroffen, verbaasd, maar geen een slaat er meer een gat in de lucht met
+zijne handen. De teekenaar heeft zich weten te matigen, hij blijft
+sober, eenvoudig en kalm. Aan gevoel ontbreekt het hem echter niet: men
+zie slechts het gelukkige gezicht van het vrouwtje, dat naast Jezus
+staat. En wat heft ook het mannetje aan Zijne linkerhand de handjes in
+juistheid van gevoel: er is verbaasdheid over het wonder, in het
+vooruitgestoken gezicht zoowel als in de handen; maar de aandoening
+wordt met zelfbedwang ingehouden. Ingehouden ook in het geknielde
+figuurtje op den voorgrond, dat wel ontzet terugdeinst, maar zich niet
+aan groot misbaar te buiten gaat. Ondanks den indruk, dien het wonder op
+de omstanders maakt, blijft eene waardige kalmte heerschen. En we maken
+de opmerking, dat die kalmte wel past op eene plek, die toch altijd een
+graf is. Kalm neemt vooral het oudvadertje het op, dat rechts van Jezus
+op een steenblok zit. Hoogstens trekt hij de wenkbrauwen iets meer op
+dan gewoonlijk, en stulpt hij zijne uitgezakte onderlip iets verder
+vooruit, ten bewijze, dat hij niet volkomen begrijpt, wat hier voorvalt.
+Wijsgeerig en onderzoekend rust zijn rimpelig hoofd op de knokige hand.
+
+Bij de beschouwing van de figuren der omstanders krijgen we den indruk,
+dat Rembrandt al het vreemde en ongewone heeft willen vermijden, om des
+te dieper te doen gevoelen, welke de uitwerking heeft moeten zijn van
+dit wonder op de aanwezigen. Zelfs de achtergrond stemt tot kalmte; in
+plaats van laaiende lichtwolken en opwasemende zonneschijndampen vinden
+we een vredig landschap met vriendelijk uitzicht op de bergstad.
+
+De aandoening van grootheid, forschheid, uitgelatenheid en opwinding
+heeft plaats gemaakt voor stille ernst en innigheid. Er is over den
+teekenaar een zachtheid gekomen en eene mildheid, die ons weemoedig
+stemmen.
+
+In de eerste plaat was hij hartstochtelijk, en streefde hij naar vertoon
+van uiterlijke grootheid. Hij moest zich uitspreken met woeste en groote
+gebaren. In de tweede is hij innig en gevoelvol; alles lijkt gewoon;
+maar er zit teederheid en medegevoel in. In het dagelijksche leven
+merken we ook op, dat zij, die bij alles het meeste misbaar maken, niet
+juist de naturen zijn, die het diepst voelen.
+
+Door de twee platen zoo met elkaar te vergelijken, wordt het ons
+duidelijk, dat niet de bijbeltekst vaststelt, hoe eene teekening zal
+worden. Hetzelfde gegeven kan op twee uiteenloopende manieren behandeld
+worden. Wat den doorslag geeft, is de gemoedstoestand van den
+kunstenaar. Zooals hij de gebeurtenis voelt, zoo wordt de afbeelding.
+Kan men in eene afbeelding niet merken, dat de teekenaar onder den
+indruk van eene gemoedsbeweging heeft gewerkt, dan heeft men
+waarschijnlijk te doen met een stuk van geringe waarde.
+
+Eene goede teekening weerspiegelt zelfs de stemming van den teekenaar in
+een bepaald tijdperk van zijn levensloop.
+
+De gebeurtenis, die tusschen de twee bewerkingen van de opwekking van
+Lazarus ligt, was wel in staat, om in het gemoed van Rembrandt in te
+grijpen. In 1642 ontviel hem door den dood zijne jeugdige echtgenoote.
+In de eenzame, slapelooze nachten, die nu volgden, dacht hij aan haar,
+en peinsde hij over haar. Is het wonder, dat hij zich de mogelijkheid
+voorstelde van een weerzien? Maakte niet de Schrift gewag van een geval,
+dat een gestorvene uit den dood herrees en tot de zijnen wederkeerde?
+Maar ach, dat kon gebeuren eeuwen en eeuwen geleden! Voor hem geen hoop,
+dat Saskia tot hem terug zou komen, om nog op aarde naast hem voort te
+leven. Voor hem niets, dan het denkbeeldig geluk, wat het zou zijn, als
+_zij_ door Jezus uit het graf werd geroepen met de woorden: "Kom uit!"
+De behoefte ontstond, om de opwekking van Lazarus nog eens te
+behandelen. Maar nu met andere gedachten. Nu niet om te toonen, hoe
+grootsch hij den Zaligmaker vond, en hoe vreeselijk voor Lazarus de
+overgang uit het doodenrijk in het leven moet zijn geweest! Nu, om met
+zijne gedachten te verwijlen bij het geluk, de blijdschap, de innige
+zaligheid, die het herrijzen schonk aan de treurende nabestaanden; nu,
+om zich voor te stellen, hoe goed de Heer wel geweest moet zijn, om dit
+wonder voor zijne vrienden te verrichten.
+
+En zie: onder den indruk van deze gedachten bewerkte hij, kort na
+Saskia's dood, de tweede plaat. Om die ten volle te begrijpen, moet men
+met deze bijzonderheid uit het leven van Rembrandt bekend zijn. Zonder
+die kennis zou men kunnen denken, dat de tweede bewerking alleen de
+bedoeling had om iets te maken, dat beter was dan de eerste. Ze zou dan
+ook van teekening de beste van de twee moeten zijn. Dit ligt echter in
+de voorgaande beschouwing niet opgesloten: er is slechts aangetoond, dat
+de tweede "Opwekking" inniger, liefdevoller is; en dat we kort na 1642
+niet anders van Rembrandt konden verwachten.
+
+Wat voor deze prent eene noodzakelijke behoefte gebleken is, eenige
+kennis namelijk van de levensgeschiedenis van den kunstenaar,--dat kan
+men evenmin bij heel veel ander schilder-en teekenwerk ontberen. Daarom
+hebben geschiedvorschers met ijver datgene nagespoord, wat licht kon
+verspreiden over zijne levenshistorie. Nog lang is alles niet bereikt;
+veel bleef er in het duister gehuld; maar toch zijn er gegevens genoeg
+aan het licht gekomen, om te kunnen zeggen, dat we de
+hoofdgebeurtenissen kennen. Het is zelfs mogelijk geworden, om gedurende
+enkele tijdperken met den schilder alles mee te beleven, wat hij
+beleefde; om als het ware naast hem een met hem zijne lotgevallen door
+te maken. Onder deze zijn er wel geene, die meer invloed op het gemoed
+en op de werklust hebben gehad, dan die, welke hij met zijne vrouw
+ondervond. We zullen daarom trachten iets meer van nabij met haar bekend
+te worden.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+HISTORISCHE GEGEVENS.
+
+
+Het was in den zomer van het jaar 1634, dat Rembrandt zich aan den
+IJ-kant te Amsterdam inscheepte, om naar Friesland te gaan. De tocht
+ging over zee, zooals toenmaals vanzelf sprak. De vervoermiddelen te
+land waren slecht, de wegen eveneens, en bovendien was de Republiek nog
+in oorlog met Spanje, waardoor een reis over de Veluwe soms onaangename
+avonturen opleverde. In 1628 maakte de vijand onder aanvoering van
+Cuculi nog strooptochten tot onder de wallen van Amersfoort. De
+Zuiderzee daarentegen was veilig; de dagen van Bossu behoorden tot het
+verleden.
+
+De beurtschipper zette onzen schilder te Harlingen aan land. Vandaar
+ging het per binnenvaartuig over Franeker naar het weinig bekende dorpje
+Sint Anna-parochie, en wel met het doel om er in de echt te worden
+vereenigd met eene deftige Friesche jongedame.
+
+Rembrandts huwelijk is een merkwaardig staaltje van de geschiedenis van
+Geschiedenis.
+
+Men stelt zich gewoonlijk voor, dat de kennis van dit vak uit boeken
+wordt opgedaan. De schrijvers dezer boeken hebben op hunne beurt ook
+weer uit boeken geput, maar zijn even dikwijls langs anderen weg achter
+de toedracht der gebeurtenissen gekomen.
+
+Niet door overlevering, die van ouder op kind, van kind op kindskinderen
+overgaat. Immers, wij in onze dagen, weten meer van Rembrandt,--om bij
+hem te blijven--dan onze voorouders uit het jaar 1800, zelfs meer dan
+die uit 1700, ja! meer dan Rembrandts eigen tijdgenooten! Zijne vrienden
+en kennissen natuurlijk uitgezonderd. Onze kennis kan dus geene
+overgeleverde kennis zijn.
+
+Zoo heeft men honderd en vijftig jaar lang niet met zekerheid geweten,
+dat en met wie hij getrouwd is geweest.
+
+Men vertelde: met eene kleine, dikke boerin uit Raasdorp. Een dorp van
+dien naam is er niet. Men begon dus, met maar aan te nemen, dat Ransdorp
+was bedoeld, een plaatsje in Waterland. Echter wilde het niet gelukken,
+om op te sporen, wie dan die vrouw geweest was. In de stad Amsterdam
+snuffelde men allerlei papieren na, om het gewaar te worden. Ook in
+Leiden, zijne geboorteplaats.
+
+Maar vruchteloos.
+
+Het toeval bracht de oplossing van het vraagstuk. Ver van Amsterdam, in
+een vergeten dorpje in Friesland, werd, omstreeks het midden van de
+19^{de} eeuw, in de oude boeken van het gemeentehuis, tusschen honderden
+aanteekeningen, de ontdekking gedaan van deze regels:
+
+
+"23 Juni 1634 zijn in den echt vereenigd
+
+REMBRANDT HERMENS VAN RHIJN
+ wonende te Amsterdam
+ en
+ SASKIA VAN ULENBORGH
+thans gedomicileerd te Franeker."
+
+
+Toen men nu ook in Amsterdam de papieren en de registers van het jaar
+1634 doorzocht, en melding gemaakt vond van dit huwelijk, was de zaak
+opgehelderd. Het boerinnetje van Raasdorp bleek een sprookjes-boerin te
+zijn. Saskia van Ulenborgh kwam niet uit Noord-Holland en was allerminst
+boerin van geboorte. De vader toch was burgemeester van Leeuwarden
+geweest.
+
+Dit bewijst al, dat hij een man van aanzien was. Hij was bovendien
+iemand, die wat durfde, daar hij behoorde tot de eersten, die in
+Friesland in den Geuzentijd zich tegen den Spaanschen landvoogd
+verzetten. Zeer toevallig is hij zelfs voor iederen schooljongen een
+bekende, door eene gebeurtenis uit de vaderlandsche geschiedenis,
+ofschoon men zijnen naam gewoonlijk niet kent. Zooals men weet, is Prins
+Willem I van Oranje in 1584 binnen Delft op het Prinsenhof vermoord. Hij
+ontving het doodelijk schot, terwijl hij de trap af ging, na het
+middagmaal gebruikt te hebben. Bij dit middagmaal had hij als gast aan
+tafel gehad eenen burgemeester van Leeuwarden, die over regeeringszaken
+met hem gehandeld had. En deze nu was niemand anders dan de heer Van
+Ulenborgh, met wiens dochter Rembrandt vijftig jaar later is getrouwd.
+De schoonvader van Van Rijn is de laatste geweest, die met Willem den
+Zwijger aan tafel heeft gezeten. Saskia is dus uit eene historische
+familie!
+
+Wat wil het toch vreemd loopen! Menschen, die twintig of dertig jaar na
+Rembrandt leefden, wisten niet beter, of hij was gehuwd geweest met eene
+boerin. En wij, twee eeuwen later, zijn van zijne huiselijke
+aangelegenheden nauwkeurig op de hoogte. _Zij_ vergenoegden zich met een
+sprookje, _wij weten_, voor _ons_ is zijn levensloop eene bladzijde
+geschiedenis. Zoo gaat het steeds. Eerst gebeuren de dingen. Dan worden
+ze vergeten. Er komen geslachten, die zich er niet om bekommeren.
+Eindelijk staan er menschen op, die er belang in stellen. Ze onderzoeken
+en vorschen na. Een oud papier wordt gevonden, en het verleden is
+ontsluierd.
+
+Er is bijna geene bladzijde in onze historie, of ze heeft hare
+geschiedenis. Dikwijls is de geschiedenis van Geschiedenis even
+merkwaardig als de Geschiedenis zelf. Dit moge nog blijken uit het
+volgende staaltje.
+
+Nadat de ontdekking van Saskia van Ulenborgh had plaats gehad, zocht men
+naar meer gegevens omtrent Rembrandts leven; vooral in de kerkelijke
+boeken snuffelden de wijsgeeren. In die van de Westerkerk te Amsterdam,
+de kerk, waar in 1667 de groote schilder begraven is, ontdekte iemand,
+dat hij eene weduwe had nagelaten met twee kinderen, die onder den naam
+Catharina van Wijk beschreven stond. Eene andere, waarschijnlijk dus
+eene _tweede_ vrouw! Natuurlijk was de ontdekker met dit nieuws in de
+wolken. Gelooven moest men het wel; het stond onweerlegbaar in het
+register te lezen.
+
+Maar wat ontdekte later een tweede wijsgeer, die de registers van de
+Westerkerk doorsnuffelde? Zijn blik viel op eene bladzijde, waar het
+overlijden en het begraven beschreven stond van den echtgenoot van
+Catharina van Wijk. Hier ontbrak echter de aanteekening, dat deze
+overledene eene weduwe met twee kinderen naliet, eene aanteekening, die
+men juist wel leest op het folio, waar Rembrandts overlijden geboekt
+staat. Er moest een abuis hebben plaats gehad. En dit behoeft ons voor
+de zeventiende eeuw niet te bevreemden. Zaken van geboorte, huwelijk en
+overlijden werden met heel wat minder zorg behandeld dan tegenwoordig.
+_Wij_ moeten er voor naar het gemeentehuis, en daar, op de afdeeling
+"Burgerlijke Stand", hebben de ambtenaren niet anders te doen, dan te
+zorgen voor nauwkeurige registratie.
+
+In de zeventiende eeuw ging het anders, maar niet beter. De zaken van
+den burgerlijken stand werden in de kerken aangeteekend. Wilde men
+onderzoek doen naar iemands geboorte-of sterfjaar, dan moest men eerst
+trachten gewaar te worden, in welk kerkgebouw hij was gedoopt of
+begraven. Zoolang men dit niet wist, richtte men niets uit. De
+ambtenaar, die met het belangrijke werk van registratie was belast,
+leefde niet voor dit ambt alleen. Zelfs was dit niet zijn voornaamste
+werk. Hij was eigenlijk doodgraver van beroep, en kon gewoonlijk beter
+met de spa dan met de pen omgaan. Voor vele van deze
+waardigheidsbekleeders was het schrijven in de de kerkelijke registers
+eene dagelijksche kwelling. De doodgraver van de Westerkerk te Amsterdam
+lichtte er zelfs de hand wel eens mee! Hij liet soms aanteekeningen weg,
+die niet mochten ontbreken. Voelde hij zich later bezwaard over het
+begane plichtsverzuim, dan greep hij pen en inkt en trachtte de fout
+goed te maken. Zoo schijnt hij een zwak oogenblik te hebben gehad op den
+dag, toen de echtgenoot van Catharina van Wijk werd begraven. De naam
+van den overledene werd nauwgezet geboekt, maar dat er eene weduwe met
+twee kinderen achter bleef, liet hij maar weg. Eenigen tijd daarna begon
+hij zich hierover toch ongerust te maken. Hij sloeg het register op en
+zocht den overledene, wien hij te kort gedaan had. Daar hij zich den
+naam niet meer herinnerde, moest hij gissen. Gissen doet missen. De
+weduwe met hare twee bloeien van kinderen werd bij Rembrandt
+aangeteekend, die reeds eenige jaren vroeger gestorven en aldaar
+begraven was. Honderd en vijftig jaar lang bleef de groote schilder in
+dezen echt vereenigd, zonder dat man en vrouw, en zonder dat vader en
+kinderen elkaar misschien ooit gekend hadden. Het huwelijk, door den
+doodgraver in alle stilte voltrokken, bleef een geheim, totdat in de
+negentiende eeuw de eerste wijsgeer het ontdekte en openbaar maakte.
+Toen kwam wijsgeer nommer twee, betrapte den doodgraver op
+registervervalsching en plichtsverzuim, ontbond het huwelijk en wees de
+twee kleine Van Wijkjes aan den waren vader toe, hetgeen Rembrandt van
+de zorg voor hen ontsloeg.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+REMBRANDT LANDSCHAPSCHILDER.
+
+
+Rembrandt Hzn. van Rijn huwde alzoo in het jaar 1634 op den 22^{sten}
+Juni. Hij voerde zijne vrouw naar Amsterdam en betrok de woning in de
+Breedstraat, onder welks dak hij zooveel ernstige en gelukkige
+levensomstandigheden doormaken zou.
+
+De Breedstraat, thans een deel van de oude stad, was destijds eene
+nieuwe straat, een buitenwijk. In 1631 was Amsterdam opnieuw en voor de
+zooveelste maal uitgelegd. De toename van bevolking bleef maar
+aanhouden: handel en zeevaart deden schatten toevloeien, de hoop op
+fortuin nieuwe bewoners. Nadat de halve cirkel binnen de Heerengracht
+volgebouwd en te klein gebleken was, werd een breede gordel van
+omliggend weiland binnen nieuwe vestingwerken en eene gracht, de
+Keizersgracht, besloten en ter bebouwing bestemd.
+
+Doch spoedig bleken de Heeren den gordel te smal genomen te hebben, en
+maakten ze de fout goed, of trachtten die goed te maken, door aan de
+halve maan eene nieuwe verbreeding toe te voegen, begrensd door de
+Prinsengracht met hare vestingwerken.
+
+Het zal den schilder eene behoefte zijn geweest, niet al te ver van de
+vrije natuur te wonen. Slechts een paar honderd passen behoefde hij te
+maken, dan was hij buiten. Hier kon hij zijn hart ophalen aan het
+gezicht op grazige weilanden, van slooten doorsneden, op boerenwoningen,
+in geboomte verscholen, aan tal van windmolens, zoowel poldermolentjes
+als groote, statig rondwiekende houtzaag-en korenmolens. Vooral deze
+laatsten vond men even buiten de stad in grooten getale. Geboortig als
+hij was uit eene molenaarsfamilie, voelde Rembrandt zich steeds
+aangetrokken tot deze schilderachtige gebouwen. Zijn vader had er een in
+Leiden, in het aangrenzende huis was hij geboren en opgegroeid.
+
+Nog binnen de stadsgracht, op een zoogenaamd bastion van het bolwerk,
+dicht bij de Muiderpoort, stond het exemplaar, waarvan hij ons eene
+afbeelding heeft nagelaten.
+
+Rechts zien we het water van de gracht, waarin een visschersbootje met
+gestreken mast; op den achtergrond eene boomenrij, misschien een singel,
+een wandelpad, dat de gracht aan den buitenkant volgde. Van het water af
+loopt het terrein naar links een weinig omhoog, waarschijnlijk naar den
+stadsmuur, die de buitenzijde van het bolwerk vormt. Daar, waar de
+gracht eene bocht maakt, springt de muur boogvorming vooruit en vormt
+een hoog terras, het bastion. Hierop staat de molen met bijbehoorende
+gebouwen. In vele steden, die in de 19^{de} eeuw ontmanteld zijn, bleven
+de bastions gespaard om aan de molens het voortbestaan te verzekeren. Nu
+deze echter door de meelfabrieken doodgeconcurreerd worden, verdwijnen
+met hen ook de laatste overblijfselen van de vroegere vestingwerken.
+Houtzaagmolens vonden op bastions geen plaats: die moeten laag aan den
+waterkant staan.
+
+De schilderij bewaart ons dus een gezicht op de stad, zooals ze er aan
+de buitenzij uitzag. De schilder heeft het tooneeltje zitten aan te
+kijken op het lage pad, dat aan den binnenkant van de gracht liep,
+tusschen deze en den stadsmuur. Dit blijkt uit de schilderij zelf; die
+geeft ons het beeld van wat hij voor zich zag. Terwijl hij werkte en
+ijverig zijne penseelen hanteerde, liep het tegen den avond. De hemel
+heeft eene lichtende klaarte, alles wat van de aarde is, staat er in
+zware kleuren tegen af te steken; alleen het water, dat de klaarheid
+weerspiegelt, blinkt helder op uit de donkere omlijsting. Ook het
+voetpad, met zijne blanke tinten van zand of platgetreden steenstorting,
+is zacht van licht.
+
+Overigens staat alles in zware grijsheid tegen de heldere lucht. We
+voelen, hoe stil en schoon Rembrandt de lichtdiepte van den avondhemel
+heeft gevonden.
+
+[Illustration: Molen.]
+
+Van linksboven af naar het midden toe, worden de tinten ijler en ijler.
+De donkere kleuren, die het geheel aan den bovenkant als een boog
+omspannen, dringen het oog steeds meer naar het midden, naar het
+vooruitspringende deel van het bastion, waar de hemel in klare
+avondzuiverheid tot in verre diepte wegwelft.
+
+Vòòr die lichtdiepte rijst het zware muurgevaarte omhoog. Langdurig moet
+het den schilder geboeid hebben om te kijken naar de breede en hooge
+afmetingen van deze aard-en steenmassa, in tegenstelling met de luchtige
+doorschijnendheid van den avondhemel. Het was hem als een rotsgevaarte,
+als een brok voorgebergte, dat in het water vooruit staat. Het muurwerk
+is éen geworden met de aarde; ouderdom en verweerdheid gaven donkere,
+diepe kleuren, hier wat lichter, daar wat zwaarder, al naar gelang de
+buitenkant meer of minder afgebrokkeld, met mossen begroeid of van vocht
+doortrokken was. De bovenrand en de neerdalende zij-lijn missen de
+kantigheid en de strakheid van nieuwe steen. Het is, alsof de tijd ze
+rond heeft afgesleten; de staande lijn, die rechts den muur begrenst, is
+een weinig rond ingebogen en achterover gezakt, waardoor het geheel nog
+meer den indruk maakt van een zware massa, die geen steun behoeft, om
+zoo in elkaar te blijven hangen.
+
+Het grasveld, dat den bovenkant bedekt, hangt als een zwaar kleed rustig
+over den rand heen. De helling, die links het bolwerk verbindt met het
+lager gelegen pad, is een even zware massa als het muurwerk, waar ze
+tegenop ligt. Ofschoon niet steenachtig van aard, vormt ze er éen geheel
+mee; het gansche terrein is éen groote, breede opheffing geworden van de
+aarde; alles ligt in rustig evenwicht tegen elkaar aan: nergens staat
+een brok muur of grond los en afgezonderd van de rest. Het penseel wist
+er éen klomp van te maken, ofschoon de samenstellende deelen alle zich
+zelf bleven, hetzij muur, hetzij grasveld, hetzij voetpad. Ook dit
+laatste is in het geheel opgegaan. Wel is het lichter van kleur, zooals
+een pad in de schemering als een stille blankheid uit het donker van de
+omgeving opblinkt; maar het is geen afgezonderd tooneeltje gebleven; de
+blankheid en de donkerte liggen niet scherp naast elkaar. Het verschil
+in lichtheid is gering; we krijgen wel den indruk van eene zekere
+blankheid, maar dat gedeelte van de schilderij is toch nog vrij donker.
+En bovendien is er een overgang, die uit allerlei tusschentinten
+bestaat. Kijk maar eens, wat een rommelige ruigte van gras, struiken,
+puin of steenbrokken de geleidelijke verbinding is tusschen de twee
+partijen. En wat is in het pad zelf de afwisseling mooi weergegeven van
+vochtige en droge, van hooge en platgetreden gedeelten, van flauwe
+wagensporen, onmerkbare hellingen naar den waterkant, en opstaande
+kantjes tegen het grasveldje, links op den voorgrond. Toch bleef dit
+éen blanke plek, die zich rustig en vast tegen de oprijzende massa
+daarachter vlijt. Men voelt, op wat voor vasten puinbodem de figuurtjes
+zich bewegen, die van de hoogte afkomen, of aan den waterkant staan.
+
+Een vrouwtje ligt linnen uit te spoelen in de gracht. Spelende
+verspreiden zich kringen over het spiegelwater. Het trok den schilder
+aan, om dit stille bewegen op zijn doek vast te leggen en den indruk te
+bewaren. Het golflijntje, dat een voorbijzwemmend eendje of een in het
+water geworpen kluitje doet ontstaan, is iets, waarnaar we gaarne stil
+en in gedachten verzonken staan te kijken. Zoo ging het Rembrandt ook.
+Terwijl hij daar op het lage pad, op eenen vredigen avond, zat te
+schilderen, kwam een vrouwtje naar beneden om iets uit te spoelen; een
+oogenblik rustte zijn penseel, en volgde zijn oog de kringen, die zich
+verspreidden, tot ze tegen het bootje botsten, en daar eenige
+krinkeling te weeg brachten in het donkere spiegelbeeld. Het was eene
+kleine, onbeduidende gebeurtenis, die de rust van den avond verbrak
+zonder ze te storen. En met een paar zwierige, dartele penseelstreken
+werd ze snel en juist in beeld gebracht, om den lieflijken, vredigen
+indruk van zoo'n schoonen avond te bewaren. De stilte mocht geene
+levenlooze eenzaamheid worden; eene uiting van leven moest er zijn, als
+maar de rust niet verstoord werd. Lieflijker kon het wel niet, dan het
+zachte bedrijf van zoo'n vrouwtje er in te brengen, en het
+voorbijgaande, kortstondige opleven van den waterspiegel.
+
+Wat kunnen we ons zoo geheel indenken in den gemoedstoestand van den
+schilder, en een denkbeeld krijgen, hoe vatbaar hij was voor indrukken.
+Zonder naar het molentje gezien te hebben, dat anders door vele
+beschouwers voor hoofdzaak gehouden wordt, weten we, wat voor hem het
+eigenlijke onderwerp was, dat hij schilderde. Niet de inrichting van
+zoo'n stads-buitenkant, ook niet de vorm van een molen, maar de vredige,
+rustige, kalme stemming van een mensch, die daar zit, en die genieten
+kan van plechtige avondstilte, van mooie, klare luchten, boven bijna
+ingesluimerde stadsgedeelten.
+
+Denk toch niet, dat zoo'n kunststuk er is, om even op de vingers na te
+tellen, wat er op staat. We moeten er in doordringen, om tot het besef
+te komen, hoe de schilder voelde, hoe zijn gemoed door de verschijnselen
+bewogen werd.
+
+Het molentje is maar bijzaak, al is men geneigd, het stuk daarnaar te
+benoemen. Het staat er, om midden op het doek een verheffinkje aan te
+brengen, en het stond nu eenmaal op het bastion. Bevallig, rank en
+rustig is het weergegeven, ofschoon in onzen tijd de schilders er niet
+van houden, om op de wieken zoo'n witten glans aan te brengen. Het
+balkwerk van den kruistaart zit er handig en gemakkelijk achter tegen
+aan. Een klein spetje wit maakt scheiding tusschen boven-en onderstuk,
+waardoor de molen een onderkruier wordt.
+
+Het huizegroepje en een beetje laag geboomte staan gezellig bij elkaar.
+Je krijgt net een idee, alsof het een klein dorpje is, het eene dakje
+wat hooger of wat lager dan het andere. Het schoorsteentje staat er
+bovenuit te steken, alsof het een dorpstorentje wou wezen. Alles werkt
+mee om het vreedzame, landelijke uit te drukken.
+
+Zóó zag Rembrandt nu de wereld. Hij had aan vreemde gebouwen,
+wonderlijke rotsen en geheimzinnige spelonken geene behoefte, als hij
+natuurgenot wilde smaken. Het meest alledaagsche tooneeltje maakte
+indruk op hem. Vandaar zijne geringe reislust. Kunstbroeders achterna te
+trekken, de wonderen van Italië te zien, naar de grootsche tafereelen
+der Alpen op te kijken, hij voelde er geen behoefte aan. Hij was
+huiselijk, bleef gaarne bij moeder de vrouw en vond zijn vaderland een
+schoon land. Waartoe zou dan trekken en rondzwalken gediend hebben!
+
+Het is eene verheffende gedachte, dat hij, die een der grootste
+schilders der wereld is geweest, Holland mooi vond. Dat geeft ons moed,
+om het met dat vaak verguisde, platte, vlakke polderland toch ook maar
+te probeeren. Het moet, blijkens Rembrandts voorbeeld, mogelijk zijn,
+het mooi te vinden. Niet het zeldzame, niet het wonderbaarlijke, niet
+het verhevene doet 't em; alles, wat vreemde landen aanbieden, kan men
+ontberen, mits de goede wil er is.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+VROUWE SASKIA.
+
+
+Van Rijn behoefde zelfs niet de Muiderpoort uit naar Muiden, naar
+Naarden of naar het Gooi te wandelen, om tooneelen te vinden, die hem
+boeiden; hij had ze, om zoo te zeggen, naast de deur. En we kunnen ons
+denken, hoe hij met zijne jonge vrouw naar buiten wandelde, en het
+Friezinnetje attent maakte op al het schoone, wat Amsterdams buitenkant
+te zien gaf. Hoe hij, even stilstaande, met een potloodkrabbeltje wist
+aan te duiden, wat hem hier of daar het meest trof, of, aan den kant van
+den weg zich neerzette en een schetsje maakte, om het Saskia aan te
+bieden en haar oog voor natuurschoon te openen.
+
+Toch trok geen onderwerp den grooten teekenaar zoo aan, als Saskia zelf.
+Tot in het oneindige heeft hij haar uitgebeeld, haast dagelijks moest ze
+voor hem zitten, en maakte hij haar portret.
+
+Een luchtig teekeningetje is dat, wat hij maakte kort na zijn trouwen.
+Hij schreef er eigenhandig iets onder. Men ziet: schoonschrift is 't
+niet. Hij schreef, evenals zijn meeste tijdgenooten, steilschrift; zijn
+hand is los en vlug--geen wonder! de hand van Rembrandt!--Wie mocht
+meenen, dat je aan de penneschrappen eigenaardigheden opmerkt, die aan
+het schrijfgereedschap van die dagen, aan de ganzepen herinneren, hoede
+zich voor overijlde gevolgtrekkingen: ditmaal heeft de
+teekenaar-schrijver noch potlood, noch pen en inkt, noch krijt gebruikt,
+maar eenvoudig een zilveren stiftje, rijn toegepunt, en daarbij een
+bijzonder soort papier, op ivoor gelijkend; een schrap met de stift laat
+hierop een zwart spoor achter. Een zilverstiftschrift dus, en een
+zilverstiftteekening.
+
+Er staat te lezen:
+
+"Dit is naer mijn huijsvrou geconterfeit, do sij 21 jaer oud was, den
+derden dach als wij getroudt waeren.
+
+de 8 junijus
+1633."
+
+Den derden dag, nadat ze getrouwd waren; het huwelijk had plaats op 22
+Juni 1634; drie dagen later schreef men 25 Juni 1634. Dat is echter geen
+8 Juni 1633. Deze datum klopt niet met de opgave in het kerkregister te
+St. Annaparochie. Waar schuilt de fout? In het register? Dat is moeilijk
+te gelooven. De koster, die bij de huwelijksvoltrekking het feit
+aanteekende, zal toch wel met de almanak bekend geweest zijn. De datum
+mag iemand eens voor een oogenblik vergeten zijn, maar een vol jaar
+vergist men zich niet. Op de teekening dan? Maar wat voor den koster
+geldt, geldt ook voor Rembrandt. Het ging hem zelf aan, van hem kunnen
+we ons nog moeilijker eene vergissing denken. Wie van hun beiden heeft
+gelijk, wie ongelijk? Dat is een kolfje naar de hand van eenen
+geschiedvorscher: uit te zoeken, hoe het mogelijk is, dat Rembrandt,
+nadat hij drie dagen getrouwd was, niet op de hoogte van datum en jaar
+was. Wie het vraagstuk oplost, kan er eer mee inleggen.
+
+Wij zien intusschen de teekening verder aan.
+
+In dit schetsje zit leven. Leven is iets, wat men niet met den vinger
+kan aanwijzen of met eenen passer kan nameten, in werkelijkheid evenmin
+als in beeld. Maar als we den indruk krijgen, dat er leven in zit,
+moeten we het er ook over eens kunnen worden, waardoor die indruk
+ontstaat.
+
+We beginnen met het portretje op een kleinen afstand te houden. Dan
+hinderen de arceeringen in het gezichtje ons niet; die lossen zich op in
+eene gelijkmatige tint.
+
+Zie, ze zit nu naar iemand tegenover haar te kijken. Of is de blik op
+eenen muur gevestigd? Neen, op eenen persoon. Immers, de oogen staan
+schalksch, een beetje spottend. Het dikke randje onder het oog kennen we
+wel; dat is een lachje, het is dartelheid. Zoo zit iemand niet op een
+stuk muur te kijken. De blik geldt hem, dien ze lijden mag, en dien ze
+nu, in haar speelschheid, niet kan nalaten te plagen. Er tintelt iets in
+het oog, dat levenslust is. Let eens op, hoe, uit de geschaduwde linker
+helft van het gelaat, het oogwit tusschen oogappel en ooghoek speelsch
+en blijmoedig te voorschijn licht. Dat wit gelaten plekje draagt er wel
+toe bij, om ons den indruk van leven, van vroolijk, schalksch leven te
+geven.
+
+[Illustration: Portret van Saskia.]
+
+Zit het mondje strak en ernstig af te wachten, wat de teekenaar van de
+schets zal maken, of speelt ook daar niet hetzelfde lachje? Voelen we in
+den opgetrokken rechter mondhoek niet een beetje spot? Staat daar niet
+uitgedrukt: "mij teekenen, dat kun je niet?" Is dat trekje er niet op
+berekend, om hem aan 't lachen te maken? Het is, alsof we, tegenover
+haar, Rembrandt zien zitten, ijverig in de weer, om haar portret en haar
+leven vast te leggen op zijn teekenblad; de mond in ernstige plooi, het
+oog bij afwisseling op haar en op zijn werk gericht. En haar zien we
+probeeren, om den ernst van zijn gelaat te verdrijven, om door haar lach
+ook hem een lachje af te dwingen. Hare schalkschheid, de tinteling op
+hare trekken--we weten niet alleen, dat ze _hem_ gelden, we zien er
+zelfs _zijn_ ernstig gezicht in; in het spottende en plagerige lezen we,
+hoeveel moeite het hem kosten zal, om zich goed te houden, om er nu eens
+de gek niet mee te hebben, dat hy haar teekenen wil.
+
+Zij zit niet vóór ons als eene eenzame, die zich aan onze onbescheiden
+blikken blootstelt; ze heeft tegenover zich een, dien ze genegenheid
+toedraagt. Het is, alsof we in de ruimte rondom haar de aanwezigheid
+voelen van den persoon, tot wien haar glimlach zich richt. Die
+aanwezigheid spiegelt zich in haar oogen, om haar mond, op geheel haar
+gelaat. Zou die spiegeling niet het leven zijn, dat we in dit portretje
+zien? Leven is wel iets vreemds, dat vaak moeilijk nader te bepalen is.
+Men kan het soms hebben, dat men eene kamer binnenkomt, waar niemand te
+zien is; het vertrek schijnt leeg te zijn, en toch ziet men behoedzaam
+om zich heen, want men krijgt een gevoel, alsof er zich een levend wezen
+bevindt; men zou gaarne een gordijn oplichten, een kast openen of in een
+hoek kijken, om te weten te komen, of daar iemand schuilt. Men voelt
+zich door leven omgeven.
+
+Bij Saskia gaat het niet geheimzinnig toe. Maar ook _haar_ voelen we
+omgeven van leven; we kennen dit leven, en we weten, hoe hare gevoelens
+zijn ten opzichte van dat leven. Dit alles geeft het portret te zien.
+Meer dus, dan enkel een mond, een neus, een paar oogen, en wat verder
+het gezicht helpt voltooien. Wat kan het zelfs schelen, of de gelijkenis
+van deze onderdeelen volkomen is. Er zit iets in, dat van hoogere waarde
+is, iets waarom we het een lief portretje vinden.
+
+Rembrandt moet dit wel goed begrepen hebben, als hij Saskia aanzag. Want
+wat heeft hij in de eenvoudige krabbels en krasjes deze dingen zuiver
+laten voelen; en nog wel dingen, die men niet onder woorden kan brengen
+of in lijnen kan aanwijzen.
+
+Er is nog iets in Saskia, dat hem niet ontging, en wat het portret nog
+meer liefs geeft. Zij let niet op zichzelf. Ze gaat niet parmantig
+zitten met het idee: nu moet ik er mooi opkomen; en evenmin met het
+tegenovergestelde idee: het kan me niet schelen, hoe ik er op kom. Je
+kunt heelemaal niet zien, dat ze opzettelijk eene houding aanneemt.
+Zooals zij zit, zoo zit iemand, wanneer hij van eene lange wandeling
+thuiskomt. Men valt dan even op eenen stoel neer, om uit te blazen,
+voordat men van kleeren verwisselt. Zonder erg komt de hand onder het
+hoofd; het hoofd leunt er wel niet op; zie maar, de hand raakt het
+nauwelijks aan, maar het geeft eenigen steun en de arm vindt het een
+gemak om even op de tafel te rusten; iets waaraan de andere ook behoefte
+heeft; die ligt er languit over heen en is zelfs niet hupsch genoeg, om
+het roosje rechtop te dragen. Zoo laat men een bloem hangen, als de hand
+moe wordt.
+
+Beide ellebogen rusten op de tafel. Netjes is 't niet. Dat zal vrouwe
+Saskia ook wel weten. Maar ze kwam vermoeid thuis, en dan is het
+verleidelijk om eens op je gemak te zitten. Niet recht op en neer, maar
+het bovenlijf voorovergezakt; de borst zoo'n beetje tegen den tafelrand.
+De kleeren wat losgemaakt en den hoed nog op 't hoofd.
+
+Wie zich zoo neerzet, neemt niet plaats om uitgebeeld te worden, maar
+gaat zonder erg zitten, omdat zitten aangenaam is. Die let niet op
+zichzelf, op houding en postuur, maar geeft zich, zooals ze is. Die gaat
+zoo zitten, omdat zij bij haar echtgenoot is, en niet in gezelschap van
+menschen, die altijd op fatsoen en behoorlijkheid letten.
+
+Het is deze argeloosheid, die onze teekenaar in zijne vrouw zag; en hij
+gaf ze ons duidelijk in lichaamshouding, in armlegging, in handgebaar,
+zelfs in het roosje te verstaan. Want dit roosje hangt net zoo over de
+tafel heen als Saskia zelf.
+
+Eigenlijk is deze trek in haar dezelfde, als die, welke uit haar gelaat
+sprak. Beide komen ze voort uit een gevoel, dat haar aangenaam was: ze
+voelde zich prettig en op haar gemak, zoo bij haar beroemden heer
+gemaal. Ze geneert zich niet, hem lachend in de oogen te zien, en
+evenmin om het zich gemakkelijk te maken. Ze acht zich veilig voor
+onbescheiden blikken en onbescheiden op-en aanmerkingen.
+
+Het trekt ons in haar aan, dat ze zich zoo argeloos onschuldig geven kon
+aan den teekenaar; dat ze zelfs op dit oogenblik niet dacht aan nette
+houding, aan gezicht-in-de-plooien, aan toilet of kapsel.
+
+Ongetwijfeld is hier de verklaring te zoeken, waarom we het beeld lief
+vinden, en waardoor het ons bekoort.
+
+Daar komt nu nog iets bij, dat op den teekenaar betrekking heeft.
+
+Het schetsen van een portret ging hem zoo gemakkelijk van de hand, dat
+zijne gedachten eigenlijk met dit werk alleen niet gevuld waren. Hij
+behield een open oog voor de eigenaardige wijze van doen, zooals die op
+te merken was aan zijn model. Onderwijl hij omtrekken van gezicht, hoed,
+hoofd, lichaam, armen en handen zette, zag hij zeer goed, hoe weinig
+acht Saskia op zichzelf sloeg, hoe weinig ze aan zichzelf en hoe zeer ze
+aan hem dacht; hoe ze zich volkomen onbespied achtte, ofschoon tegenover
+hem zittende. Hij zag dit in hare trekken, in hare houding, in den arm,
+zooals die op de tafel lag, hij zag het in alles. En al schetsende, gaf
+hij in elke lijn de uitdrukking van het vertrouwelijke, dat hij in haar
+zag. De vriendelijkheid van hare verschijning, niet voor een ieder, maar
+voor hem alleen, wist hij uit te teekenen. Hij wist, dat die eigenschap
+van haar wezen kon verdwijnen, als anderen om den hoek gluurden. Hij
+wist, dat zijne teekening bestemd was, om gezien te worden, en dat dit
+streed met hare vertrouwelijkheid. Toch bracht het hem niet in
+verwarring; hij zette het denkbeeld, dat anderen zouden zien, van zich
+af en ging voort, om den indruk vast te houden en in beeld te brengen.
+Met oogen en handen arbeidde hij, om de uiterlijke vormen op papier te
+zetten, en intusschen bleef hem het besef bij, van de vertrouwelijkheid
+tusschen hem en haar. En, arbeidende aan de vormen, schreef hij
+eigenlijk in leesbaar schrift al maar door over die vertrouwelijkheid.
+Niet meer de lichaamsgedaante behandelde zijn teekenstift, maar hoe zij
+over de tafel heen naar hem toe gebogen lag; niet meer haar beeld, maar
+hoe in dat beeld de ziel, het leven zich afspiegelde.
+
+Lang behoefde hij aan zoo'n schetsje niet te werken: alles is los en
+vlug op papier geworpen. En toch raak en goed. Men lette bijvoorbeeld
+eens op de zwierige lijnen, die de rechtermouw weergeven; in éen veeg
+zijn ze opgezet, en in die éene veeg geven ze meteen aan, hoe in de
+buiging, bij den elleboog, het kleed in breede plooien valt. Of op de
+teere schrapjes van het linkerhandje, hoe als vanzelf de pink achterover
+buigt. Het is een genot, om de bewegelijkheid van al die lijnen te
+zien. In een photographisch portret ontbreekt dit. Men vindt er ook
+niets aan, het te bezichtigen, tenzij men den persoon kent.
+
+Het is waar, dat de photographie nauwkeuriger en precieser in
+kleinigheden is; dit weegt echter niet op tegen de uiting van echt
+leven, die een teekenaar in zijn werk neerlegt. We beklagen de eeuw van
+Rembrandt niet, omdat ze het zonder de camera obscura moest stellen, en
+zich behielp met handgemaakte afbeeldingen, integendeel, we achten haar
+gelukkig en betreuren het, dat later een werktuig is uitgevonden,
+waarmee aan kunstenaars het werk uit de hand genomen en het brood uit
+den mond gestooten is. Wel kunnen we thans voor weinig geld portretten
+hebben van allen, wien we genegen zijn, en wel gelijken die zóóveel, dat
+we de personen herkennen, maar ze zijn er naar! Het leven ontbreekt, en
+ook datgene, wat we, na langen omgang, in gelaat, houding, gebaar en
+lichaamsbouw hebben leeren opmerken. We zijn tevreden met den juisten
+vorm van oogen, neus, mond en kin, we eischen niet meer; sedert de
+zeventiende eeuw hebben de menschen zich leeren tevreden stellen met
+afbeeldingen zonder het schalksche leven, zonder tintelenden
+oogenopslag, zonder gemoed en karakter. Misschien zijn er zelfs reeds
+menschen in onzen tijd, die aan hunne bloedverwanten en vrienden deze
+eigenaardigheden niet eens meer opmerken.
+
+Het is best mogelijk, dat de kunst van photographeeren ons
+gezichtsorgaan voor nauwkeurige waarneming van menschen en hunne
+levensuiting heeft afgestompt.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+KLEINE TITUS.
+
+
+[Illustration: Titus van Rijn.]
+
+Laten we naast Saskia nog eens nemen deze afbeelding van Titus, het
+zoontje van Rembrandt. Dan zal ons blijken, dat ook hierin dingen
+voorkomen, die een photographisch portret niet kan geven.
+
+Het ventje zit echt lekker op zijn gemak. Hij zoekt dit op kinderlijke
+manier. Een volwassene gaat er anders bij zitten: niet zoo met het hoofd
+in de nabijheid van de handen, en niet zoo in elkaar gedoken op den rand
+van eene schoolbank of een raamkozijn liggende. Het omgebogen
+polsgewricht van het rechterhandje is echt kinderlijk, ook de duim, die
+het hoofdje steunt en een kuiltje in de kin drukt, waardoor de mondhoek
+een beetje omhoog geschoven wordt! Daar behoort precies bij, die manier
+om eene pen vast te houden, als men zit na te denken over hetgeen
+geschreven moet worden. En zie eens het linkerhandje! Het komt net te
+voorschijn, zooals we dat soms zien bij een poesje, dat behagelijk een
+breed, mollig pootje vooruitsteekt. De heele figuur, het verlichte
+driehoekje van gelaat, handen en boek, heeft iets poezeligs over zich.
+Dit neemt dadelijk in voor het ventje. Het is ons onverschillig, of
+oogen, neus, mond, gezichtsvorm en haar nauwkeurig gelijken, er is,
+buiten dat, iets aantrekkelijks in. Het portretje geeft ons te zien, hoe
+de vader zijn kind soms kon aantreffen, als het in school of thuis in
+een hoekje te leeren zat. De houding moet indruk op hem gemaakt hebben,
+want, toen hij ging schilderen, stelde hij zich het kereltje zóó voor.
+
+Het is niet waarschijnlijk, dat hij, zooals onze photograaf zou doen,
+gelastte: ga nu zus of zoo zitten. Immers, dan wordt alles stijf en
+houterig. Hier was geen afspraak; zonder erg zit Titus op zijn gemak na
+te denken en voor zich uit te kijken, en argeloosheid kon de vader hem
+niet als bevel opleggen.
+
+Dat we hem onbespied kunnen beschouwen, is juist het aantrekkelijke.
+Want nu komt zijn ware aard aan den dag: zijne neiging namelijk om knus
+en gemakkelijk ineen gedoken te zitten. Hij verloochent daarin niet, dat
+hij een kind van Saskia van Ulenburg is!
+
+Het aantrekkelijke wordt nog verhoogd door de groote, donkere kijkers en
+de lange, weelderige lokken. Bovendien vinden we het aardig, zoo
+toevallig eens iets te zien, dat op het schoolgaan en het leeren in de
+zeventiende eeuw betrekking heeft: een bundeltje vellen papier ligt op
+een opengeslagen boek; de inkt,--het zal wel zelfgemaakte inkt wezen,
+want dat was het gewoonlijk,--bevindt zich in eenen koker, die aan een
+koordje of kettinkje hangt. Dit gerei droeg de leerling mee naar school
+en zeulde er mee rond door huis; overal waar hij zich neerzette, om te
+schrijven, had hij het bij zich; als hij voor het open raam plaats nam,
+kon het best gebeuren, dat hij achteloos den inktkoker uit het raam heen
+en weer liet bungelen. Ingenaaide schriften waren niet zooveel in
+gebruik, als losse bladen papier. Deze omstandigheid gaf hier den
+schilder gelegenheid, om te laten zien, hoe de velletjes soms plat op
+elkaar, soms met eene gapende opening er tusschen kunnen liggen.
+
+Met Titus er bij hebben we nu den kleinen huiselijken kring compleet,
+waarin Rembrandt anno 1642 leefde. We moeten echter bedenken, dat de
+zoon nog heel klein was, toen Saskia overleed; de moeder heeft hem nooit
+gezien, zooals de vader hem hier afbeeldt.
+
+In de portretten van vrouw en zoon heeft hij wel duidelijk uitgedrukt,
+met hoeveel hart hij aan beide hing, hoe gelukkig hij zich aan den
+huiselijken haard voelde, toen Saskia nog leefde. Ook zal hij innerlijk
+bewogen geweest zijn, als hij later het kind uitbeeldde en opmerkte, hoe
+hare geaardheid, hare natuur daarin voortleefde, toen zij reeds lang
+ter ziele was.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+ACTIE.
+
+
+Naast elkaar zijn hier gesteld twee groepjes van twee personen, die
+eenige woorden met elkaar wisselen. Het eene stelt voor een Amsterdamsch
+burger uit het jaar 1633, scheepsbouwer en teekenaar van
+scheepsontwerpen van beroep, met zijne vrouw, die een briefje binnen
+brengt. Het andere is Michiel Azn. de Ruyter, in gesprek met zijnen
+stuurman Zeger. Al dadelijk valt het op, dat De Ruyter en Zeger, elk met
+een paar gelijke platvoeten en een paar zwarte kuiten, recht op en neer
+naast elkaar staan. Beider onderstel, met en benevens de wijde broeken,
+schijnen naar een en hetzelfde model te zijn gevormd. De enkels zijn te
+dik, en evenveel te dik, het aanzwellen der beenen, naar boven toe, gaat
+gelijk in zijn werk, de broeken hangen er gelijk om. Vervelend is het
+verder, dat beide gelijkelijk het front naar elkaar draaien, en dat ze
+beide den naar elkaar gekeerden arm schuin omlaag, den anderen arm
+opgeheven houden.
+
+[Illustration: De Ruyter en Zeger.]
+
+De Scheepsbouwmeester en zijne vrouw zijn zonder zulke toevalligheden
+tot een groep bijeengebracht. De houding van de handen der vrouw laat
+zich zeer goed met die van De Ruyter vergelijken. Zij houdt met de
+linker kloek en ferm de klink van de deur omvat, niet nuffig en met
+opzettelijke bevalligheid, maar zooals eene degelijke huisvrouw in
+drukke bezigheden alles doet. De Ruyter doet iets, dat, op zichzelf
+beschouwd, een daad is van kloekheid, van moed en van durf. Eigenlijk
+moest hij dus ook onverschrokken met de linkerhand naar den Engelschman
+wijzen, dien hij tot partuur heeft gekozen. Maar hoe is dit op de plaat
+uitgedrukt? De wereldvermaarde zeebonk steekt een blank, mollig, klein
+handje uit, de arm is slap en zonder fierheid opgeheven, het
+wijsvingertje bij het jongejuffrouwenduimpje wijst op kromme manier iets
+aan. Men zou haast denken, dat mijnheer Zeger heeft gevraagd: "Hoe loop
+ik het kortst van hier naar de Kipstraat?" en dat een voorbijgaand,
+ziekelijk oud heer met een pijnlijk gezicht antwoordt: "Hier links den
+hoek om." Waarop gemelde heer Zeger met vriendelijk gelaat voor de
+bekomen inlichting bedankt, beleefd den hoed licht, en den ouden heer
+eene prettige wandeling toewenscht.
+
+Zoo kan geen De Ruyter het vermaarde commando hebben gegeven, zoo strekt
+geen held met gebiedend gebaar den arm.
+
+[Illustration: Scheepsbouwmeester en vrouw.]
+
+De rechterhand is niet beter van teekening. Misschien loopen er
+verwaande menschen rond, die op deze manier met gebogen polsgewricht den
+knop van een wandelstok omvat houden, maar van onzen Vlissinger Michiel
+gelooven we het niet.
+
+Zie daarentegen, hoe het vrouwtje haren brief overreikt. De bedoeling is
+volkomen duidelijk uitgedrukt: ze laat hem niet zien, ze neemt hem niet
+weg, maar ze overhandigt. Zelfs zit in het handgebaar de beweging van
+iemand, die achterwaarts een briefje afgeeft. Men probeere zelf de
+houding na te bootsen.
+
+Ook de handen van den scheepsbouwmeester mogen gezien worden bij die van
+stuurman Zeger. Zijn linker, eene dikke, vleezige werkhand blijft rusten
+op het teekenwerk, terwijl het hoofd zich even opricht om te zien, wie
+den arbeid komt storen. Is het niet, alsof die hand, met gedachten
+vervuld, bij het werk tracht te blijven, alsof ze den gedachtengang wil
+vasthouden, tot de stoornis voorbij is?
+
+De rechter wil het briefje in ontvangst nemen. Echter niet met een
+gebaar van haastig aanpakken. Het binnenkomen van moeder de vrouw wordt
+euvel opgenomen, omdat het storend is. Vandaar dat de hand maar
+aarzelend uitgestoken wordt. Dit is geheel in overeenstemming met 's
+mans gelaat; de afdruk laat duidelijk een lichten graad van
+ontevredenheid zien; die blik op zijne vrouw en het voorhoofd-fronsen
+zijn er de blijken van.
+
+De rechterhand van stuurman Zeger neemt op eene wijze den hoed af, die
+noch de manier van een zeeman, noch die van een fijn heer is. Houvast
+zit er niet in; een groote, vilten, zeventiende-eeuwsche hoed zou wel
+anders doorbuigen, als men dien bij het uiterste randje tusschen duim en
+vinger aanvatte. Hij lijkt wel van hout. Wat is daarbij vergeleken het
+passertje goed geteekend; in de hand het ronde gewricht, naar beneden de
+gepunte, driekante beenen, waarvan een, door lang gebruik, iets
+kromgebogen is; met een soort van gretige werklust hapt het instrumentje
+naar het papier. Zelfs in zoo'n gering bijzaakje heeft Rembrandt het
+bijzondere gevoeld. De scheepsroeper is lang niet van hetzelfde gehalte;
+de rand van het geslagen koperblik is veel te dik geworden; de
+trechtervormige beker is aan den onderkant bijna recht, aan den
+bovenkant bolvormig; het mondstuk heeft een verkeerden stand; van onze
+plaats af moesten we er niet in kunnen zien; het heeft bepaald in de
+klem gezeten en is verbogen geraakt. Letten we op de handeling, die op
+beide afbeeldingen tusschen de twee personen voorvalt, dan moeten we
+allereerst onze bewondering uitspreken voor het vrouwtje. Er zit in hare
+houding buitengewone bewegelijkheid; het overhandigen van den brief gaat
+niet bedaard in zijn werk, maar haastig en gejaagd. Zij blijft bijna bij
+de deur staan, om geen tijd te verliezen met verder te loopen dan noodig
+is; met over den stoel heen te buigen bereikt ze haar doel even goed.
+Het bovenlijf helt niet alleen zijdelings naar den bouwmeester over, het
+maakt ook eene kleine buiging voorover. Intusschen draaien de
+linkerheup, de linkerschouder en de linkerarm zich reeds weer
+achterwaarts, terug naar de deur.
+
+De rechterhand en-arm, en het gezicht zijn nog verdiept in de beweging
+van het overhandigen. In al de onderdeelen van deze figuur dus eene
+aanduiding van wenden, buigen en draaien, nergens de stijve rust van een
+lid, dat aan de handeling geen deel neemt. Sommige beschouwers maken
+hiervan Rembrandt wel eens een verwijt. Ze vinden het schielijke
+binnenkomen storend voor de rust van de schilderij; het maakt hun
+gejaagd, als ze er een oogenblikje kalm naar zouden willen kijken. Daar
+is wel iets van aan; het is hinderlijk, als je het idee krijgt, dat
+zoo'n figuurtje zoo aanstonds zal wegsnellen, en als men zichzelf
+betrapt, dat men daarop staat te wachten. Maar we moeten den schilder de
+eer geven, die hem toekomt; hij heeft in de lichaams houding van eene
+vrouw, die even binnenkomt en dadelijk weer heengaat, met een fijn oog
+de bewegelijkheid van buiging en draaiing waargenomen en weergegeven.
+
+De plaat van De Ruyter is er, om een geschiedkundig feit voor te
+stellen; alles moest dus eigenlijk handeling zijn; de handeling moest
+althans zeer sterk tot ons spreken. Neem nu den admiraal eens; hij staat
+er zoo houterig en schutterig bij, dat er geen schijn van beweging in
+hem zit. Van onder tot boven, van zijn voeten tot zijn hoofddeksel,
+alles stijf en recht; nergens in de heele figuur eenige zwenking; geen
+enkele lenigheid van draaiing of buiging. Hij zit diep in zijn hoedje
+weggeslagen, en schijnt aan een stijven nek te lijden. Misschien trekt
+hij daarom zoo'n pijnlijk gezicht. Kijk daarentegen eens, hoe mooi rond
+het vrouwenkopje is, hoe het mutsje meewerkt, om de ronding uit te
+beelden, en hoe los en gemakkelijk het hoofd zich keert en wendt boven
+den kraag.
+
+Zoo krijgen we tot slotsom van de vergelijking: de plaat, die eene
+handeling moet voorstellen, geeft houterige, stijve figuren, die de
+armen oplichten om te doen, alsof ze zich bewegen, maar ze bewegen niet.
+De andere, die gemaakt werd om de portretten van eerzame inwoonderen van
+Amsterdam te geven, tintelt van actie, zonder nochtans in het geven van
+portretten te kort te komen. De handeling maakt zooveel indruk, dat we
+beginnen te denken aan een historisch feit. Het lijkt wel, dat dit nu
+het beroemde briefje is, waarover we in boeken lezen, hetwelk
+binnengebracht werd, om den verraderlijken aanslag op een of andere stad
+te verijdelen. Maar 't is zoo niet! De schilderij is er een, waar niets
+achter zit. Zij is een portretstuk, meer niet.
+
+We zullen deze neiging van Rembrandt, om den aard van het portret te
+verbloemen, meer opmerken. Men kan hem ook hiervan een verwijt maken;
+het _is_ misschien niet heelemaal in orde, dat we tegenover de twee
+konterfeitsels van een paar burgerluitjes gedachten hebben van vermaarde
+gebeurtenissen; dat we dus aan dingen denken, die hier niet te pas
+komen. Maar--wat een kunst, om dat te kunnen! Wat een schilder moet men
+wezen, om zoo, spelend weg, in een portretstukje een aardigheidje te
+vertellen, en het dan zoo te doen, dat de beschouwer heelemaal de klus
+kwijt raakt.
+
+De Anatomische les heeft hiervan ook wel een tikje weg, zooals we zullen
+zien.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+MISLEIDE AANDACHT.
+
+
+Onder de drommen van reizigers, die jaarlijks de stad 's-Gravenhage
+bezoeken, zijn er gelukkig niet weinigen, die een uurtje over hebben, om
+de schatten van het Mauritshuis te gaan zien. En onder dezen merkt men
+dikwijls bezoekers op, voor wie de gang daarheen eene bedevaart is. Ze
+komen uit steden en stadjes, die binnen hare muren geen enkel staaltje
+bevatten van de groote kunst onzer voorvaderen; van Rembrandt gehoord
+hebben ze; photographieën naar zijne schilderijen hebben ze gezien. Maar
+nog nooit hadden ze gelegenheid om het hart eens op te halen aan zoo'n
+lapje doek, waarvoor hij zelf, twee en een halve eeuw geleden, met palet
+en penseel heeft gezeten; waarop hij eigenhandig de klonters verf heeft
+geklutst, gewreven en aangesmeerd. Binnen de muren van dit eenvoudig,
+onaanzienlijk gebouw zal dan eindelijk de begeerte bevredigd en het
+verlangen gestild worden. De trappen gaat het op, rechts den hoek om,
+eene kamerdeur door en het vertrek binnen. Dit is het heilige der
+heiligen. Wat hier hangt, draagt groote namen: we lezen er Jan Steen, P.
+Potter, Ostade, Brouwer, maar voor allen lezen we Rembrandt Harmenszoon
+van Rijn. Tegen deze weinige vierkante meters muur hangen een tiental
+zijner stukken bijeen, een schat, dien honderd musea het kleine
+Mauritshuis benijden. Het statig middelpunt daarvan vormt de
+Anatomische les, die waard is, eenigszins uitvoerig beschouwd te worden.
+
+De Anatomische of Ontleedkundige les is een portretstuk. Rembrandt
+maakte het op bestelling, voor acht geneeskundigen uit de stad
+Amsterdam. Dezen hadden het oogmerk, om er hun vereenigingsgebouw, de
+chirurgijnshal, mee te versieren. In plaats van acht afzonderlijke
+portretten, verlangden ze een groep; ze lieten het aan den schilder
+over, de groep samen te stellen, op voorwaarde natuurlijk, dat ieder van
+de acht koppen tot zijn recht kwam. Zij verwachtten niet anders, dan dat
+hij het met deze voorwaarde ernstig op zou nemen. Nu, de koppen kwamen
+tot hun recht; maar toch zou de eerste blik van den beschouwer op een
+ander deel van de schilderij gevestigd worden. De schilder wilde, dat
+het lijk, in uitgestrekte houding op de snijtafel neergelegd, het eerst
+de aandacht zou vragen.
+
+Hij had dit kunnen bereiken, door het aanwenden van een eenvoudig
+middel: als hij er een griezelig voorwerp van had gemaakt, zoo akelig om
+te zien, dat een ieder er naar _moest_ zien. Maar dit deed hij niet. Het
+lijk is zoo geschilderd, dat ook de teergevoeligste lieden den aanblik
+kunnen verdragen. Zelfs de opengelegde arm heeft niets afschuwelijks.
+Alles wat de zenuwen van aanstellerige jongejuffrouwen zou kunnen
+prikkelen, vermeed hij. Wel is het gelaat het gelaat van een doode, en
+dus niet aangenaam om te zien; maar het wekt geen weerzin.
+
+Waarom is het dan wel, dat we, als van zelf, steeds het eerst op het
+lijk het oog richten?
+
+We ondergaan een gelijk lot, als het avondvlindertje, dat door ons
+openstaand venster komt binnenvliegen. Het _licht_ trekt ons aan. Het
+licht is de geheimzinnige macht, die _ons_ gezichtsorgaan, evenzeer als
+dat van het onnoozel gedierte, weet te leiden, waarheen ze wil. Zitten
+we des winters in schemerdonker bij open haard of kachel,
+onweerstaanbaar wordt het oog door den vlammengloed aangetrokken.
+Schrijden we des zomers door de donkerte van eenen boschweg, we
+verhaasten onzen tred, als op het eind van de laan het zonlicht door
+eene open ruimte binnendringt.
+
+Licht geeft op het netvlies een aangenaam gevoel, zooals frisch water
+aan tong en gehemelte, wanneer ze van dorst verschroeien. Het kost soms
+moeite, om den blik van de vlam eener lamp af te wenden, als de omgeving
+door de duisternis eene scherpe tegenstelling vormt.
+
+Nu; de Anatomische les is eene schilderij, waarvan het grootste deel der
+oppervlakte in zware, donkere verven bewerkt is. Het is juist
+voornamelijk het lijk, dat hierop eene uitzondering vormt. De gezichten
+der rondomstaande geneesheeren ook wel, maar die zijn van minder omvang
+en zullen eerst in de tweede plaats onze aandacht trekken. We gaan op
+het zonnige licht af, dat midden op het groote doek een hoekje vult. De
+portretten, waar het feitelijk om te doen was, worden daardoor min of
+meer op den achtergrond gedrongen; het stuk krijgt den schijn van
+gemaakt te zijn met een ander doel, dan om die portretten te geven. We
+zouden haast kunnen denken, dat de schilder wilde laten zien, op welke
+wijze dokter Claes Pieterszoon Tulp les gaf in de ontleedkunde.
+Menschen, die niet voor dokter hebben gestudeerd, zien hier iets, wat ze
+nooit eerder hebben gezien, dat namelijk een hoogleeraar zoo, vóór zich,
+een cadaver heeft liggen, waarvan hij een of ander lichaamsdeel
+openlegt; hij neemt een soort van tang om vast te pakken; de leerlingen
+staan er in een kring omheen, en het onderwijs begint! Werkelijk meenen
+velen, dat het stuk met deze bedoeling is gemaakt.
+
+[Illustration: De ontleedkundige les.]
+
+Toch is het een portret en moet dus op één lijn gesteld worden met
+bijvoorbeeld een schoolportret, dat in lange rijen de kopjes van eene
+klas schoolkinderen te zien geeft. Wat een verschil echter! Het eene is
+een vervelende verzameling van allemaal kijkende gezichten; wie het
+onder de oogen krijgt, gaat zoeken naar bekenden. Soms maakt de
+photograaf eene kleine variatie, door aan eenige leden van het
+gezelschap iets te doen te geven: garen winden, thee schenken of zoo
+iets. Maar niemand wordt de dupe van dezen kunstgreep, men zal nooit ook
+maar een oogenblik meenen, dat de photographie er is, om het
+theeschenken te laten zien; de gezichten trekken te sterk de aandacht.
+
+Het portret van Rembrandt leidt ons juist wel op een dwaalspoor en heeft
+al menigeen omtrent den aard van het stuk misleid. En dat, doordien het
+volle licht op het lijk valt.
+
+Een oogenblik mag men wel stilstaan bij dit overigens niet erg
+verkwikkelijke voorwerp.
+
+Hoe komt het, dat we zoo goed het verschil voelen tusschen de
+vleeschoppervlakte en de geweven stof, waaruit de ledendoek bestaat? Het
+is, alsof we een en ander met vingers hebben betast.
+
+In de eerste plaats door het verschil in kleur, wat ook op eenen zwarten
+afdruk te zien is. Beide zijn wel licht, maar de doek is toch lichter
+gehouden dan het lichaam, ofschoon hij niet wit is; overal merken we
+grijze tinten, die schaduwen van vrouwen en plooien weergeven. Maar deze
+vrouwen en plooien hebben de eigenaardige gedaante, die we in geweven
+stoffen opmerken. En, dit is een tweede punt van verschil, de
+schaduwdiepten, die in de oppervlakte van het lichaam zijn aangegeven,
+zijn van anderen vorm. Ze zijn breeder en minder diep; over eene
+grootere ruimte gaan ze geleidelijk in blank licht over. Men kan het
+beenderen gestel gissen, dat er onder zit. Zoo bijvoorbeeld dat van de
+borstkas. Duidelijk zien wij den strak gespannen omtrek van het
+borstbeen, en naar den rechterarm heel vaag de afteekening van de
+diepsels, die tusschen de ribben zijn ingezonken. Ook de ronding van het
+geheele lichaam is met fijne grijze kleur tastbaar gemaakt. Heel mooi
+ligt de zware spier van den bovenarm tegen het lijf gedrukt; het
+schaduwgleufje verbreedt zich naar boven tot eenen oksel, naar beneden
+tot eene elleboogsholte.
+
+Van het rechterbeen trekt vooral de omtrekslijn langs den bovenkant de
+aandacht. Als we die, van den lendendoek af tot den voet toe, met het
+oog volgen, nemen we telkens fijn uitgebeelde spiervormen waar;
+halverwege stulpt de knie eenigszins naar buiten, omgeven van de kleine
+rondingen, die we daar gewoon zijn op te merken.
+
+De voeten reiken tot in de schaduw. Ze wijzen ons den weg naar een
+opengeslagen boek, van eerwaardige grootte en dikte, een foliant, waarin
+anatomische wijsheid zal zijn opgetast. Zooals de bladen op elkaar
+liggen, getuigen ze van veelvuldig gebruik.
+
+Waar de schaduwpartij precies een aanvang neemt, is moeilijk aan te
+wijzen; het bovenbeen is nog verlicht, de knie al niet meer. Ongemerkt
+heeft de overgang plaats. Zoo gaat het ook met de slagschaduw van een
+potlood, dat men op korten afstand over het belichte deel van het
+cadaver houdt.
+
+Met deze waarnemingen hebben we aan de plicht voldaan, om te zien in de
+richting, die de schilder met zijn lichteffect heeft aangeduid.
+
+Bij voortgezette beschouwing dwaalt nu de blik als van zelf naar het
+gelaat van Tulp, en hierheen eerder, dan naar de gezichten der overige
+heeren. Het schijnt, dat de beide handen, die zoo in de nabijheid van
+het lijk hare welsprekende gebaren maken, dien overgang bewerken. We
+moeten ook bij Tulp het eerst wezen; hij is onder de acht
+geportretteerden de voornaamste en aanzienlijkste. Als geneesheer genoot
+hij eene groote reputatie, zoowel in Amsterdam als daar buiten. Hij
+speelde in deze wereldstad bovendien eene groote rol als lid van de
+stedelijke regeering. En de regeering van Amsterdam, dat wou wat zeggen.
+Die gaf in de regeering van de Republiek de lakens uit. Een man als
+Bicker had immers in ons land bijna evenveel invloed als Stadhouder
+Willem II. Een burgemeester van Amsterdam mocht met recht tegen een hoog
+geplaatst Fransch edelman zeggen: "De koningen van het land, dat zijn
+wij!"
+
+Intusschen zou Tulp, èn als geneesheer èn als magistraat, toch reeds
+lang vergeten zijn, wanneer hij niet toevallig bevriend was geweest met
+Rembrandt, en wanneer deze van hem niet den onvergetelijken kop had
+gemaakt, dien we hier voor ons zien. De oogen, donker van kleur, staan
+er helder en met verwonderlijke klaarheid in. De blik, die op de verte
+gericht is, verraadt een groot verstand, diepe kennis en zachtheid in
+het oordeelen. Het gelaat is vol ernst, niet de ernst, die door leed
+ontstaat, maar de ernst, die gevolg is van juist inzicht en van veel
+weten. De mond schijnt te spreken. De boven-en onderlip zijn zoodanig op
+elkander geschilderd, dat er eene bijna onmerkbare plooiing in komt;
+door deze plooiing is het, alsof we de lippen de letters hooren
+aanblazen bij het spreken, en men kan er zichzelf op betrappen, dat men
+tracht vast te stellen, welke medeklinker er gevormd wordt, hetzij dan
+een f, hetzij een v.
+
+De handen begeleiden dit spreken met verwonderlijke juistheid. De
+linker, ter halver hoogte opgeheven, maakt aan de hoorders duidelijk,
+welke bewegingen de dokter bedoelt. Terwijl namelijk de rechter met
+behulp van een pincette éénen spierbundel van de anderen afzondert, laat
+de linker zien, welke uitwerking de samentrekking daarvan zou hebben.
+Het is een buigspier, liggende aan de binnenzijde van den arm; de
+middelvingers van de linkerhand maken onwillekeurig de buigbeweging mee,
+over welke gesproken wordt.
+
+Veegjes lichte verf geven tusschen de vingers de plaatsing aan, hoe ze
+eenigszins uiteen wijken, naast elkaar op de hand zijn ingeplant, en los
+van elkaar in de ruimte staan. We zien in de tusschenruimte op. In den
+duim van de rechterhand voelen we de drukking, die hij op het werktuigje
+uitoefenen moet, om den spierbundel vast te houden. Wat liggen ook de
+vier vingertoppen in juiste houding om den duim heen!
+
+De kleeding verdient wel een oogenblik bijzonder de aandacht. Er zijn
+zeventiend-eeuwsche portretten genoeg, die ons onderrichten omtrent vorm
+en snit van de toenmalige kleedingstukken. Maar hier hebben we er een,
+dat ons doet voelen hoe _mooi_ ze stonden, hoe schilderachtig ze den
+persoon kleedden. Breed en kloek is de borst, en zijn de schouders onder
+zoo'n wambuis met mantelkraag. De breedgerande, vilten hoed geeft den
+kop een prachtige vierkantheid; hij kleedt ontegenzeggelijk mooier dan
+de hooge cylinderhoeden uit onze dagen. Het kantkraagje en de manchetten
+droeg men niet onder maar over het wambuis, niet in maar om de mouw.
+
+Misschien wekt het bevreemding, dat Dr. Tulp onder de les en in
+aanzienlijk gezelschap den hoed op het hoofd houdt. Dit was in zijn tijd
+gewoonte: de professor aan de hoogeschool, zoowel als de onderwijzer te
+midden van zijne leerlingen, de vroede raadsleden op het raadhuis,
+zoowel als de huisvader in den familiekring, hielden zich gedekt; en men
+zag daarin geene onwellevendheid. Van de overige koppen trekken vooral
+de twee, die zich over het cadaver heenbuigen, de aandacht. In de eerste
+plaats om de tegenstelling tot Tulp. Terwijl deze spreekt, zoowel met
+den mond als met de handen, zoowel door zijne opgerichte houding als
+door zijn rondblikkend gelaat, luisteren gene. De een ziet naar het
+lijk, de ander naar den professor, maar beider oogopslag verraadt
+aandachtig luisteren; luisterend ook buigen ze zich voorover.
+
+In de tweede plaats om de schilderhoedanigheden. Men lette bijvoorbeeld
+eens op de rechterwang van den persoon, die het dichtst bij Tulp zit.
+Van het oog af naar beneden vinden we alle kleurschakeeringen, die ons
+in het gezichtsvleesch van zoo'n gelaat bekend zijn. Allerlei zwakke
+schaduwtjes en lichtvlakjes duiden aan, hoe het verloop is van de wang.
+Het is niet maar eenvoudig weg eene bolle ronding of eene magere
+afplatting; overal zitten vorm-en gedaantewisselingen. Eerst eene
+blauwachtige, eenigszins uitpuilende streek onder het oog, zooals bij
+zwak uitziende menschen. Dan de verheffing van het jukbeen, waar we een
+blosje vermoeden. Hiertusschen en tusschen den neus eene invallende
+diepte. Verder naar beneden de ingevallen wang, die achter den knevel
+verdwijnt en, om het jukbeen heen, nog tot aan het oor te volgen is.
+Alsnu gaat het met geleidelijke ronding om de kaak heen, waar heel dun
+eenig blond haar groeit.
+
+En, zooals deze wang is, is de heele kop. Elk plekje is aan het model
+ernstig en aandachtig waargenomen, bespied en bestudeerd. Het portret is
+een beeld geworden, dat men niet zoo maar eens even uit zijn hoofd
+schildert, het is naar het leven genomen, het geeft ook het leven weer.
+
+Bij de beschouwing trachten we ons onwillekeurig te binnen te brengen,
+waar en wanneer we dezen persoon hebben ontmoet, alsof het iemand is,
+dien we in onze omgeving opgemerkt hebben.
+
+De overige koppen op deze schilderij zouden evenzeer eene afzonderlijke
+bespreking verdienen. Alle dragen de kenmerken van studie naar het
+leven. In alle is met zorg het afzonderlijke, het eigenaardige
+opgemerkt. Men vergelijke, om een voorbeeld te geven, maar eens met
+elkaar de manier, waarop bij elk het haar op het voorhoofd is ingeplant.
+Alleen hieraan zou men de heeren alle kunnen herkennen, als men ze
+ontmoette.
+
+Of men ga eens na, hoe elk van de aanwezigen op eigen wijs de les van
+Dr. Tulp volgt; met meer of met minder aandacht; met een geestigen trek
+om mond en oogen of met een soort van onverschilligheid.
+
+Ieder is zichzelf en leeft zijn eigen leven. Geen twee zijn van een
+zelfde model.
+
+Al deze uitingen van leven spreken des te sterker, omdat ze gerangschikt
+staan rondom het beeld van den dood, van de stof, waaruit het leven
+ontvloden is.
+
+De mond van het cadaver is half geopend, en een glimlach schijnt er
+omheen te spelen. Maar de glimlach is verstijfd, en het spreekgebaar van
+de mondopening is koud en versteend. Het is het eeuwige zwijgen met een
+grimas van leven. En op het gelaat van den lesgevenden professor: het
+mondopenen nauwelijks zichtbaar, de blik strak op de verte gericht, geen
+plooitje, dat zich tot glimlach vormt, en toch het heele wezen een en al
+leven, op de bijna onbewogen trekken een spreken, dat sedert bijna drie
+eeuwen elken toeschouwer in de ziel dringt, en dat spreken zal blijven
+tot in lengte van dagen.
+
+Het stuk in zijn geheel heeft ook zijne eigenaardige bekoring. Eerstens
+door het zonnige hoekje, waar het cadaver ligt. Het oog heeft in die
+lichtplek een aangenaam rustpunt. Ten tweeden door de groepeering. De
+personen staan los, ongedwongen en regelloos bij elkaar, terwijl ze toch
+in een driehoek gevat zijn; één gezicht vormt hiervan den top en doet de
+groep naar boven toe bevredigend eindigen.
+
+Ten derden door de rijke afwisseling van licht en donker; tusschen de
+witte kragen, blanke gezichten en handen zijn overal stukjes achtergrond
+aangebracht of brokstukken donkere kleeding, donkere baarden of behaarde
+schedels. Men bezie het stuk maar eens door de oogharen, om deze
+afwisseling op te merken.
+
+De geschiedenis van de Anatomische les is deze. Rembrandt maakte haar in
+1632, het jaar, waarin Frederik Hendrik Limburg aan de Republiek
+toevoegde. Ze kreeg eene plaats in de vergaderzaal der chirurgijns te
+Amsterdam en bevond zich aldaar nog, toen deze in 1828 hunne bezittingen
+te gelde wenschten te maken en het stuk aan Koning Willem I verkochten
+voor f32.000. Sedert maakt het deel uit van het Koninklijk Kabinet, dat
+in het Mauritshuis ondergebracht is.
+
+De maker van het kunstwerk zal waarschijnlijk van elk der acht heeren
+geneeskundigen de som van een kleine honderd gulden hebben ontvangen,
+wat in 1632, toen Amsterdam krioelde van goede schilders, al wel was,
+vooral voor een beginnend man van even vijf en twintig jaar.
+
+In een anderen zin bracht het hem echter meer op. Als een loopend vuur
+ging de mare door de stad, dat een groot schilder was opgestaan,
+overgekomen uit Leiden en je kon zijn werk zien op de Chirurgijnshal!
+Dit legde hem geen windeieren. Spoedig regende het bestellingen van
+portretten, en maakte hij een geweldigen opgang, zoo enorm, dat zelfs in
+het Stadhouderlijk Paleis te 's-Gravenhage zijn naam genoemd werd.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+AANRAKING MET HISTORISCHE PERSONEN.
+
+
+Reeds in zijne studiejaren had Rembrandt in Den Haag zaken gedaan. Toen
+hij, nog vóór 1632, bij zijne ouders te Leiden woonde en ijverig
+schilderde en teekende om de kunst machtig te worden, deed eens een
+bezoeker hem aanwijzing voor een heer in Den Haag. Een zeker stukje, dat
+hij juist voltooid had, moest hij dien eens gaan vertoonen en te koop
+aanbieden. Te voet trok de jonge schilder er op uit, bereikte na eene
+wandeling van vier uren de Residentie en smaakte de voldoening zijn stuk
+voor honderd gulden te verkoopen. Wonder in zijn schik met dit succes,
+en nog niet gewoon zooveel geld in zijn buidel te hebben, voelde hij
+behoefte, om zoo gauw mogelijk naar Leiden te gaan met zijn schat, en
+zijne ouders in kennis te stellen met het fortuintje.
+
+Een weg van een kleine vier uur gaans weer te voet af te leggen, dat
+kwam, dunkte hem, niet te pas voor iemand, die schilderijen met honderd
+gulden betaald krijgt. De trekschuit, daar ging Jan en alleman mee. Hij
+deed als een groote m'nheer en nam parmantig plaats bij het logement,
+"De Leidsche wagens" op den wagen naar Leiden. _Op_ den wagen naar
+Leiden, aldus vertelt een oud schrijver, niet _in_.
+
+Wat genoot hij van dat ritje! Eerst voerde de weg hem door het Haagsche
+bosch met zijne gladde, rijzige, groene, beukenstammen, die hunne takken
+breed en vlakweg met lichtdoorlatende, fijne blaadjes uitgespreid
+hielden; verspreide eiken stonden zwaar en donker daartusschen met
+diepgefronste schors, en takken, die in moeilijke kromming zich wrongen.
+Machtig en breed stond de voet uit in de zandige duinhellingen; het trof
+hem, hoe ze hun wortels uitlegden over den bodem als een reuzig
+gedierte, dat krampachtig met uitgeslagen en wijdgeopende klauwen zich
+vast wil klemmen.
+
+Nog anders dan in Leiden op het bolwerk, zag je hier, hoe de natuur een
+beeld van kracht kan zijn. Hier, waar werkelijk eeuwen-heugende eiken en
+beuken stonden. Maakte niet een medereiziger hem attent op een drietal
+forsche exemplaren, met dooreengestrengelde takken, die het volk het
+Jacobaprieel noemde, omdat er de landsvrouw Jacoba tweehonderd jaar
+geleden gaarne verwijld had? Heerlijk wonen moest het in Den Haag zijn
+voor eenen kunstenaar. De oude stad nog net plaats vindende op het
+uiteinde van de reeks binnenduinen, waarop ook het Haagsche bosch stond,
+en waarover de Leidsche weg hem Noordoostelijk voerde; de nieuwere
+straten de venen ingaande. De omstreken, in Noordelijke richting,
+klingen en dalen met laag en opgaand hout, in zuidelijke richting lage
+weiden, vol slooten en plassen; hier en daar moerassen, met ruigten van
+wilgbeschot en oeverplanten; de verre horizonnen onderbroken door
+watermolentjes, die men reeds in gebruik begon te stellen van de
+grondverbetering.
+
+Terwijl hij voortmijmerde, passeerde de koetsier niet ongemerkt het
+liefelijke Huis Ten Bosch (wijl dit er nog niet was, en eerst over
+twintig jaar ter eere van den vrede van Munster zou verrijzen) maar reed
+door tot, en hield stil voor het huis Ten Deil, eene herberg, die den
+weg van Den Haag naar Leiden in nagenoeg gelijke helften deelt (deilt).
+Eene onoogelijke waardin kwam buiten met een zwartberookt tabakspijpje
+in den mond, en zette den paarden eene krib met voer voor. De reizigers
+stegen uit en traden, evenals de wagenbestuurder, de herberg binnen,
+boven welks deur, tusschen rankend wijnloof, aan een eind lat een groote
+aarden bierpot bungelde. Rembrandt voelde geen lust, het voorbeeld te
+volgen en mede uit te stappen. Hij bleef bij zijn vollen buidel op den
+wagen zitten. Na eenige oogenblikken wordt de krib weggenomen, en komt
+het volk met den wagenaar naar buiten, om ieder zijn plaatsje weer in te
+nemen. Hun al te groote luidruchtigheid jaagt den paarden een schrik op
+het lijf: ze gaan er van door en rennen met den schilder voort. Het gaat
+langs den hun bekenden weg huiswaarts; ze storen zich aan niets, hollen
+voort, bereiken de Wittevrouwenpoort, sleuren den wagen over de
+Drentsche keien van het Noordeinde en houden in voor de deuren van den
+gewenden stal. Het stalpersoneel stormt naar buiten, helpt den schilder
+uitstijgen, betast zijn leden, of er geen gebroken is, en toont zich
+benieuwd om te vernemen, hoe hij dus, alleen op den Haagschen wagen
+gezeten, de stad komt binnenrijden. Maar hij. Zonder veel praatjes maakt
+hij zich weg en spoedt zich naar de Weddesteeg, die het rijtuig
+gepasseerd was zonder hem af te zetten. Behouden en wel brengt hij zijn
+honderd gulden thuis, en is gelukkig, dat hij op Den Deijl zoo weinig
+verteringskosten heeft behoeven te maken.
+
+Het is waarschijnlijk, dat de groote m'nheer in Den Haag, die zijn stuk
+honderd gulden waard achtte, niemand minder dan Constantijn Huygens is
+geweest.
+
+Kort nadat Rembrandt zich in Amsterdam had gevestigd en een grooten naam
+begon te krijgen, bracht Huygens hem bij den stadhouder, prins Frederik
+Hendrik, ter sprake, wat hij gemakkelijk kon doen, omdat hij, als diens
+geheim-secretaris, dagelijks met den vorst verkeerde.
+
+Er volgde eene bestelling van eenige stukken, misschien om er het
+stadhouderlijk paleis te Rijswijk mee te versieren. De levering, en
+daarna de betaling, hebben nog al voeten in de aarde gehad. Men is dit
+aan de weet gekomen uit eigenhandige brieven van Rembrandt, die bewaard
+zijn gebleven in families, welke van Huygens afstammen. Uit een van deze
+blijkt, dat hij zelf zeer goed wist, een eerste-rangsschilder te zijn,
+dien men goed moest betalen, maar tevens, dat hij bescheiden genoeg was,
+om waarde te hechten aan het oordeel van Huygens of van den Prins. Zie
+hier:
+
+_Mijn Heer_!
+
+Soo ist dan dat ick met licensij u e dese 2 stucken toesende die ick
+meen dat soodaenich sullen bevonden werden dat sijn Hoocheijt nu selfs
+mij niet min als dusent guldens voor ider toeleggen sal doch soo sijn
+Hoocheijt dunckt dat sijt niet en meerijteeren sal naer sijn eijgen
+believen minder geeven mij verlaetende op sijn Hoocheijts kennis en
+discreesij. Sals mij danckbaerlick daer met laeten contenteeren ende
+blijvende neffens mijne groetenisse sijnen
+
+D.W. ende geneegen dienaer
+
+REMBRANDT.
+
+Het tghene ick aen de lijsten en de kas verschooten hebb is 44 guldens
+in alles.
+
+Behalve omtrent zijn karakter, leert dit schrijven iets omtrent zijne
+ontwikkeling. Hij schreef een goeden brief, de zinnen vloeiden hem
+gemakkelijk uit de pen, en hij spelde vrij zuiver, te rekenen voor de
+zeventiende eeuw. Zijn schoolonderwijs was niet verwaarloosd, al wijdde
+hij zich reeds vroeg aan de kunst. Dat hij in den laatsten zin schreef:
+"daer _met_ laeten contenteeren" in plaats van "daar_mee_", kan men op
+rekening stellen van zijn omgang met vrouwe Saskia van Uhlenburg, die
+dat in Friesland zoo had geleerd.
+
+Uit zijne brieven aan Huygens moge ook deze nog aangehaald worden, om
+grond te geven aan ons vermoeden, dat het hof in Den Haag met de
+uitkeering der contanten nu niet juist zoo heel vlug is geweest.
+
+_Mijn Heer!_
+
+Mijn E. Heer met schroomen ist dat ick u e met mijn schrijvens kom
+besoucken ende dat doort seggen van den ontfanger Wttenboogaert die ickt
+tardeeren van mijn betaeling klaechden hoe dat den tresoorier Volbergen
+dat lochgent als dat daer jaerlicks intresse getrocken werden soo heeft
+mij den ontfanger Wttenboogaert nu voorleden woondach daer op geantwoort
+als dat Volbergen allen halven jaer die selvij intressen heeft gelicht
+dat tot nu toe soo dat daer nu wederom over 4000 K. gulden bij den
+selvij kantooren verscheenen is ende bij desen waerachtijge
+geleegentheijt soo bidde ick u mijn goet aerdijgen Heer dat mijn
+ordonnansij nu in den eersten mocht klaergemaeckt werden opdat ick mijn
+wel verdiende 1244 guldens nu mocht eenmael ontfangen. Ende ick sal sulx
+aen ue met reverensij dienst ende blijck van vrienschap altijd soucken
+te rekumpenseeren met deesen ist dat ick mijn heer hartelick groete ende
+wenssche dat ue Godt lanck in goeden gesondtheijt ter saelicheijt
+spaeren werde.
+
+UEDw. ende geaffexcioneerde dienaer,
+
+REMBRANDT
+
+ick woon op de binnen-Emster in die suijkerbackerij
+
+Adresse:
+
+_Mijn Heer_!
+
+Mijn Heer van Suijlikum raet ende Secreetarijus van Sijn Hoocheijt
+
+in den port Schraeven Haech.
+
+De indruk, dien men uit dit schrijven krijgt, is wel, dat de beheerder
+van de stadhouderlijke penningen Rembrandt zonder veel complimenten op
+zijn loon liet wachten. Al maakte de jonge schilder opgang, toch zooveel
+nog niet, dat zijn naam voldoende was om geld los te krijgen. Ook bracht
+hij het nooit zoo ver, dat beroemde mannen uit onze geschiedenis zich
+door hem lieten portretteeren. We mogen dit stellig betreuren. Wat
+zouden we uit zijne handen een portret hebben gekregen van een Frederik
+Hendrik, een Jan de Wit, een Michiel de Ruijter, een Constantijn
+Huygens. Beter dan de bestaande levensbeschrijvingen zouden zulke
+afbeeldingen ons hun karakter, hunne edele hoedanigheden hebben bewaard.
+Maar dat heeft zoo niet mogen zijn! De groote mannen hebben gemeend,
+zijne kunst niet noodig te hebben om hunne trekken te vereeuwigen. De
+portretten, die hij gemaakt heeft, zijn alle van tweede-rangspersonen.
+Toch kunnen we hieruit zijn meesterschap voldoende leeren kennen. Als
+een mooi voorbeeld verdient dat van den ontvanger Uytenbogaerd te worden
+vermeld, welks naam we vinden in den zoo even aangehaalden brief.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+MEER DAN PORTRET.
+
+
+De heer Uytenbogaert zien we gezeten in zijne werkkamer. Op de tafel
+liggen zakken met geld, en een boek, waarin de hand gereed is,
+aanteekening te houden. Hij overhandigt den bediende eenen zak, dien
+deze misschien in een geldvat moet ledigen. De balans, om het goud af te
+wegen, hangt aan een boekenplank boven de tafel; op den achtergrond
+wachten meerdere bedienden op orders.
+
+Wat ons in den heer Ontvanger het meest treft, is de blik, dien hij op
+zijnen dienaar werpt. Doordringend ziet hij hem aan. Uit zijn oog lezen
+we de gewetensvraag: kan ik je dit toevertrouwen? En dat oog blijft
+streng en onderzoekend op hem rusten. Rembrandt slaat hier den spijker
+met den eersten slag op den kop; hij tast de zaak aan in 't hart. Immers
+de beste eigenschap van eenen beheerder van 's lands penningen, is, dat
+hij tegen alle bedrog op zijn hoede is. Zoo één steeds waakzaam moet
+zijn, dan hij! Kan men een man als Uytenbogaerd dus treffender in beeld
+brengen, dan door deze eigenschap voorop te stellen? Hij mag een goed
+man, een vriendelijk man, een eerlijk man geweest zijn, het beste wat
+men van hem kan zeggen, is: hij was een man op de juiste plaats. En dit
+allereerst zegt zijn portret.
+
+Het gezicht is niet bepaald schoon te noemen. De wangen hebben eene
+onaangename breedheid, sommige gelaatsspieren leggen er onbevallige
+vormen in; de neus is van een scheef, ingedeukt model. Maar zooals dit
+moest wezen, zoo is het ook uitgebeeld. We behoeven niet in onzekerheid
+te vragen, hoe eigenlijk de vorm was.
+
+De borst is breed en vierkant in de kleeren gestoken. Kloek en zwaar
+hangt de pelsmantel er om: het schijnt een "kantoorjasje" te zijn. Maar
+wat voor een! Het zachte, glanzige haar zit er duimen dik op; men zou er
+gaarne de hand over willen strijken, om de molligheid te voelen. Wat een
+rijkdom van pluisjes en bundeltjes haren zien we op den breeden zoom;
+telkens weer liggen ze in andere richting op en tegen elkaar. Zwaar en
+dik is de stof, waar we, in het verkort, tegen de wijde linker mouw aan
+zien. Daarentegen is het onderkleed, dat bij den hals zichtbaar is, van
+fijn en kostbaar weefsel, waarschijnlijk in regelmatige preciese
+plooitjes gevouwen en gestreken.
+
+[Illustration: De Betaalmeester.]
+
+Het is een zeer aparte kunst, om met dichte arceeringen de stof uit te
+drukken. Let eens op den achtergrond. De wand, waartegen de schilderij
+hangt, is volgekrabbeld, tot het een beschaduwde, grijze, gepleisterde
+muur was; het gedeelte aan den rechterkant, voorbij een soort van
+poortje, is met hout betimmerd, wat duidelijk van den gepleisterden muur
+te onderscheiden is. Het afhangende deel van het tafelkleed, ofschoon
+van de zelfde grijsheid, draagt daarentegen weer duidelijk de kenmerken,
+dat het geweven stof is.
+
+Ander mooi werk zien we in de voorwerpen, die op den voorgrond staan. Ze
+duiken op met hunne verlichte bovenkanten uit eene zachte, donkere
+kamerschaduw. Zooals wij in een donker hoekje alleen met onzekerheid de
+dingen waarnemen, zoo zien we op den voorkant van de groote kist het
+nauwelijks afgebeelde, zware ijzerbeslag; hier en daar blinkt de kop van
+eenen spijker; langs den rand rechts glimt wat licht, dat misschien door
+een ander meubelstuk is teruggekaatst. Zware scharnieren teekenen zich
+met kleine, zwakke glimlichtjes af langs den bovenrand. Op het deksel,
+dat zeer versmald geteekend is, zitten drie ijzeren banden, die op de
+juiste manier naar elkaar toeloopen; door hunne wijking krijgt het
+deksel voor ons oog zijne breedte. Een mooi stuk teekenwerk, zoo'n kist,
+waarin we de hardheid voelen van het ijzerbeslag.
+
+Uit al deze onderdeelen blijkt de mogelijkheid, om, met arceering
+alleen, stof en maaksel van de voorwerpen uit te beelden.
+
+Om nu tot de figuur van den ontvanger terug te keeren, de breedheid en
+de vierkantheid doen ons vertrouwen stellen in het karakter. De
+openliggende mantel, met daaronder de fiere borst, wekken het vermoeden
+van openheid en eerlijkheid. De rechterhand is eene uitdrukking van
+nauwlettendheid en zorgvuldigheid; ze ligt steeds gereed om in het boek
+van alle gedane uitgaven aanteekening te houden. Aardig is het om te
+zien, met hoeveel schrijversfijnheid de duim en de vinger het pennetje
+vasthouden.
+
+In gelaat, in blik, in houding en lichaamsbouw, in actie en handgebaar
+zien we eene aanduiding van de eigenschappen, die Uytenbogaerd maken tot
+een voortreffelijk ambtenaar. Hij is een model betaalmeester; door een
+man als hem worden 's lands middelen naar den eisch beheerd. Zijn
+portret is maar niet slechtweg een portret, waarbij men vraagt, of het
+goed gelijkt; het is een zinnebeeld geworden, een lofspraak op den man
+in zijn vak. En meer nog: een lofspraak op de regeering uit die dagen.
+Met welk eene vaste hand moet deze de teugels hebben gevoerd, als ze
+bestond uit mannen, gelijk we er hier een voor ons zien. De kracht van
+het jonge Holland spreekt uit zoo'n portret, de kracht van eene
+regeering, die nog bezig is (1639) zich vrij te vechten van de Spaansche
+overheerschers.
+
+Historische waarde krijgt het vooral, als we niet alleen op den
+hoofdpersoon, maar ook op den bediende letten.
+
+Met welk een respect neemt deze den geldzak aan, die hem overhandigd
+wordt! De blik, welken hij met den ontvanger wisselt, wekt de
+veronderstelling, dat hij plichtmatig moet toonen, zijnen meester in de
+oogen te durven zien en dus geene slechte voornemens te koesteren. Een
+en al onderdanigheid is hij! Bijna slaafschheid. Het doet ons vreemd
+aan, dat in een vrijgevochten land, als het onze, alleen de hoogere
+klassen des volks zich mensch en onafhankelijk voelden, dat in een
+Republiek de ondergeschikten de knie bogen voor den werkgever. Is het
+niet, alsof we nog waren in de dagen der Spaansche overheersching? Toch
+draagt de prent de dagteekening 1639, en het leek in dat jaar in het
+Kanaal voor Duins weinig naar eene zoodanige heerschappij.
+
+Maar de Regenten lieten niet met zich spotten: ze hadden er den wind
+onder. Het is deze verhouding tusschen heer en dienaar, die Rembrandts
+plaat voor ons bewaard heeft; in enkele lijnen worden hier boekdeelen
+gezegd.
+
+Niet slechts het portret van een persoon, maar een tooneel uit het leven
+zien we, hetwelk ons doet zeggen: zoo ging het toe; zoo leefden de
+standen met elkaar in de Republiek.
+
+Het portret is een sprookje geworden. We lezen van een groot heer, die
+een kostbaar kleinood toevertrouwt aan eenen braven dienaar. Doch het is
+een sprookje van het soort, waar meer achter gezocht moet worden. Het
+gunt ons een blik op de samenleving onzer zeventiendeeuwsche
+voorvaderen.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+GEËTSTE PRENTEN.
+
+
+De prent, die Uytenbogaerd voorstelt, is eene ets. Wat is dat, eene ets?
+
+Gebruikt de schilder eenen lap linnen of een houten paneel, en brengt
+hij daar met behulp van penseelen olieverf op, dan spreekt men van eene
+schilderij. Werkt hij met kool, krijt, potlood, inkt of waterverf op
+papier, dan ontstaat eene teekening. Van beide maakt hij natuurlijk niet
+meer dan één exemplaar. Schildert of teekent iemand dit na, dan heet dat
+eene copie. Voor boeken en geschriften laat men den photograaf en den
+plaatdrukker reproducties maken.
+
+Maar nu eene ets.
+
+De teekenaar neemt een plaatje roodkoper. Dit moet volkomen vlak en
+effen zijn, en wordt daarom tegenwoordig langs galvanischen weg
+vervaardigd. Op het plaatje brengt hij eene dunne laag was aan; door het
+aan den onderkant te verwarmen, wordt de was vloeibaar en dus geschikt,
+om zoodanig verspreid te worden, dat het korstje na het stollen overal
+eene gelijkmatige dikte heeft.
+
+Eene fijne naald is het teekengereedschap. De punt zet de lijnen niet
+op, maar in de was; ze kan zich door de zachte massa heel gemakkelijk
+bewegen, en dit vergunt den teekenaar dus, om los en zwierig te werken,
+zwieriger, dan wanneer hij met een mes zijn beeld in palmhout snijdt, om
+eene houtsneeprent te maken.
+
+Wat er nu in de was staat, kan hij niet met inkt aansmeren, om op papier
+af te drukken. Daarvoor is alles te zacht. Hij brengt rondom de
+koperplaat een opstaand lijstje aan, en giet er vitriool over uit. Deze
+vloeistof laat de was onaangetast; maar waar ze koper vindt, bijt ze dit
+uit. Dus in de smalle voren, die de naald in het bedekkende laagje heeft
+getrokken. Na eenigen tijd wordt de vitriool afgegoten, de koperplaat
+door verwarming ontdaan van de was, en alsnu vertoont ze de figuur, door
+den teekenaar in de zachte stof ontworpen, doch thans in het harde
+metaal onvergankelijk ingevreten.
+
+Met behulp van eene inktrol bedekt hij haar met inkt, wrijft haar met
+een lap weer schoon, maar draagt zorg, den inkt niet te verwijderen, die
+in de diepte van de lijnen zit. Deze zal, bij het afdrukken op een blad
+papier, de teekening te zien geven, juist even los en zwierig, als ze in
+de was geteekend is, maar in spiegeld beeld. Want door het afdrukken
+wordt de voorstelling omgekeerd.
+
+Van eene ets worden door den teekenaar een groot aantal exemplaren
+vervaardigd. Daar ze voor den handel bestemd zijn, en de liefhebbers ze
+gelijkstellen met oorspronkelijke teekeningen, kunnen ze eene ruime
+bron van inkomsten zijn. Er is er een afkomstig van Rembrandt, die
+"honderguldenblad" heet, omdat elke afdruk den prijs van honderd gulden
+opbracht!
+
+De geëtste koperplaat blijft voor latere afdrukken bewaard. Het komt
+meermalen voor, dat de etser na eenigen tijd met zijn werk niet meer
+tevreden is. Hij tracht dan in de plaat wijzigingen aan te brengen. Er
+heeft zeker geen kunstenaar bestaan, die hiervan zoo de geheimen kende,
+als Rembrandt.
+
+De veranderingen, aangebracht in het portret van een vriend, den
+schilder Jan Asselijn, hebben aanleiding gegeven tot eene vermakelijke
+vergissing.
+
+In de verschillende musea en kunstverzamelingen bevinden zich twee
+soorten van afdrukken van dit portret; ook in de achttiende eeuw
+verhandelde men reeds exemplaren van Asselijn _met_ den ezel en
+exemplaren van Asselijn _zonder_ den ezel. Op dezen staat de schilder
+afgebeeld naast een tafeltje met boeken, op genen wordt de achtergrond
+gevormd door een houten schildersezel, waar een paneel of een doek op
+staat, dat arbeid van den kunstbeoefenaar moet voorstellen.
+
+Er werd in de achttiende eeuw druk in deze en dergelijke etsen
+gehandeld. Liefhebbers waren niet tevreden, als ze een Asselijn bezaten;
+ze moesten er een exemplaar "Asselijn met den ezel" bij hebben; soms
+liepen ze alle kunsthandelaren af, om een te krijgen.
+
+[Illustration: Asselijn met den ezel. Asselijn zonder den ezel.]
+
+Een Duitsch prentenkoopman had al meermalen vraag gehad naar een
+"Asselijn met den ezel", en tot zijn verdriet steeds neen moeten
+verkoopen. Hij was op en top man van zaken, en als het moest, stond hij
+voor niets! Hij bracht een "Asselijn zonder den ezel" bij een behoeftig
+kopersnijder en verzocht dien, om in alle stilte eene etsplaat te maken
+naar het beeld van den Hollandschen schilder, maar in gezelschap van
+eenen ezel. Daar geen van beiden ooit een exemplaar van het veel
+gevraagde soort had gezien, veronderstelden ze, dat met den ezel een
+gelangoorde viervoeter werd bedoeld. De zaak kwam gereed. De kunstkooper
+bezat thans de twee soorten. En toen er weldra een Engelschman bij hem
+aanklopte om een "Asselijn met den ezel", drukte hij dezen voor goed
+geld den zonderlingen ezelhoeder in de hand. Natuurlijk kwam zijn bedrog
+spoedig uit, en heeft hij niet veel exemplaren kunnen slijten. Toch zou
+men thans bij onze overzeesche buren weer goed geld willen geven om er
+een te bezitten, niet omdat het _geen_ "Rembrand" is, maar ter wille van
+de merkwaardigbeid.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+VROUWTJE BAS VAN 'T RIJKSMUSEUM.
+
+
+Hier hebben we het portret van Elisabeth Jacobs Bas, weduwe van admiraal
+Swartenhont. Het heeft geene andere bedoeling dan de beeltenis te geven.
+Eene omgeving, waarin we beroep, ambt of bezigheden terugvinden,
+ontbreekt; de achtergrond is donker. De dame is zonder een of anderen
+schijn aan te nemen zoo maar voor den schilder gaan zitten, om zich te
+geven zooals ze is. Er spreekt uit de houding groote eerlijkheid,
+openhartigheid, die niets heeft te verbergen, die geen behoefte heeft om
+manieren aan te nemen. Natuurlijkweg heeft ze de handen rustig over
+elkaar gelegd. Over elkaar gelegde handen ziet men dikwijls op een
+portret, dat is dus hier het eigenaardige niet. Maar men moet, door er
+lang en rustig op te zien, trachten te erkennen, hoe gemakkelijk en
+ongedwongen deze handen op den schoot rusten. Niet alleen dat ze er op
+_liggen_, dit zegt nog niets, maar ze worden er door _gedragen_. Met de
+elleboogen is het net zoo; die vinden steun, die rusten op de leuning
+van den stoel. Het sterkst voelen we dit wel in de linkerhand, die over
+de rechter is gelegd. Let ook eens op, hoe de onderste achteloos den
+zakdoek vasthoudt, en hoe de bovenste in een gemakkelijken greep over de
+andere heen ligt. En hoe dit overeenstemt met de houding van het
+bovenlijf; ook dit leunt in gemakkelijken stand tegen den rug van den
+stoel; het helt net genoeg achterover om dit voelbaar te maken. Alles
+draagt er toe bij om den indruk van rustigheid, kalmte, bedaarde
+statigheid bij ons te wekken. In een deftig vertrek door zoo'n dame
+ontvangen te worden, die in deze houding een verzoek aanhoort, doet
+weldadig aan en zet ons onmiddellijk op ons gemak. Het geeft de
+gewaarwording, dat ze in haar dagelijksche doen veelvuldig menschen
+heeft moeten ontvangen en heeft moeten aanhooren. Het rustige liggen der
+handen duidt eerder zulk een werkkring aan, dan beslommering van
+handenarbeid. En de gelaatsuitdrukking bevestigt die opvatting. Ook
+hierin dat rustige, onverstoorbare. Om den mond geen lach en geen trek
+van norschheid, geen zwakheid en geen hardheid van karakter, maar juist
+genoeg zachtheid om niet af te schrikken.
+
+[Illustration: Vrouwtje Bas.]
+
+Elisabeth Bas komt reeds op leeftijd: de mond begint in te vallen, wel
+niet veel, maar genoeg om de kin iets vooruit te doen springen. De diepe
+plooien, van de neusvleugels af naar beneden, duiden het ook aan. De
+vleezigheid van de wangen doet in die plooien weer kleinere ontstaan.
+Als vrouwen zestig jaar zijn, begint dat langzamerhand te komen. Bij
+dezen leeftijd behoort de blozende gelaatskleur, en behooren verder de
+twee uitgezakte rondingen links en rechts van de kin, de vierkante vorm
+van het gezicht, de golvende lijn, die den omtrek van de rechterwang
+aanduidt en het hooge voorhoofd. Deze ouderdomskenmerken voegen zich
+heel gemakkelijk bijeen. Van geen enkel krijgen we het idee, dat het in
+dit gezicht niet past. Als de schilder er ook maar één overdreven had
+voorgesteld, zouden we dat terstond als eene fout hebben opgemerkt. De
+plooien aan de mondhoeken zijn in een of ander gezicht soms wel dieper,
+de kin vooruitstekender, de mond meer ingevallen, maar in dit portret
+gaat alles tot zoo'n graad, dat er volmaakte eenheid blijft bestaan.
+Geen enkele eigenschap springt uit den band. Alles is om zoo te zeggen
+op een goudschaaltje afgewogen.
+
+Wel moet de schilder het model dus door en door hebben begrepen, als hij
+in zijn hand en in zijn penseel voelde, hoe diep hij een plooitje moest
+zetten, om bij al het overige te passen. Waar een groefje van den
+rechtermondhoek schuin naar beneden zakte, vond hij in de omtrekslijn
+van de wang een bochtje, dat daaraan beantwoordde. En hij zette het een
+niet, zonder het ander in 't oog te houden.
+
+Neus en oogen zijn volmaakt in overeenstemming met de rest. Op den
+leeftijd van juffrouw Bas is de rug van den neus niet meer smal en
+kantig, maar breed en naar beide zijden rond afloopend. Alleen de punt
+en de vleugels zijn nog scherp geteekend. Onder de oogen vormen zich
+zware plooien; ook zakt er een van de wenkbrauwen schuin naar den
+buitenhoek van het oog. Hieronder komt het vleezige bovenste ooglid te
+voorschijn.
+
+Deze bijzonderheden hebben alle denzelfden leeftijd; de eene toont niet
+ouder dan de andere. Nergens een trekje dat te donker, te licht, te diep
+of te oppervlakkig, te ouwelijk of te jeugdig is. Al deze geschilderde
+zaken zitten rustig bij elkaar, zonder dat het een het ander
+overschreeuwt.
+
+Rustig kijkt het gezicht ook uit de oogen. De blik heeft wat bijzonders,
+zooals we dat bij sommige menschen wel opmerken: hij houdt het midden
+tusschen glimlach en ernst. We weifelen tusschen deze twee. En om den
+mond speelt een trekje, dat ons ook in het onzekere laat. Niet doordat
+Rembrandt onvast schilderde, maar het gelaat zelf droeg een plooi van
+gemengde aandoeningen.
+
+De hoofdindruk is die van ernst en wijsheid en van vertrouwen, dat ze
+inboezemt. De wijsheid is het inzicht van een persoon, die in haar leven
+veel heeft moeten regeeren en leiden, die veel aan beraadslagingen
+deelgenomen heeft; men ziet haar de eigenschappen aan, om weeshuizen te
+besturen, om oneenigheden tusschen regenten te beslechten, om beide
+partijen aan te hooren, een ieder aan te moedigen om te zeggen, wat op
+het hart ligt, maar daarna wekt zij ook de verwachting, dat met
+gestrengheid uitspraak zal worden gedaan, gestrengheid echter, die vrij
+van hardvochtigheid is. We zien dit gelaat gaarne voor ons, niet zooals
+we misschien behagen vinden in lieve engelenkopjes, maar omdat we
+Elisabeth Jacobs Bas eene lieve vrouw vinden. Wel ook eene verstandige,
+maar vooral eene lieve vrouw.
+
+Terwijl Rembrandt op het gelaat, dat voor hem zat, deze roerselen van
+karaktergeheimnissen las, wist hij er zich bovendien zoo juist
+rekenschap van te geven, dat zijn penseel ze in lijn en kleur kon
+vastleggen. Hij was menschenkenner zoowel als kunstenaar. Houdingen,
+vormen, gebaren en trekken nam hij nauwkeurig waar. Maar de menschelijke
+natuur, die daarachter schuilt, niet minder. Zooals iemand in een stoel
+gaat zitten en de handen over elkaar legt, zoo is ook zijn levenstaak en
+zijn karakter; dat had de omgang met menschen hem geleerd. Met wat een
+aandacht moet hij de personen uit zijne omgeving hebben bestudeerd! Wij,
+die in een tijd van veel drukker verkeer leven, als wij in eenen
+spoortrein zitten, en iemand komt de coupé binnen, kunnen wij maar amper
+aan zijn manier van plaats nemen zien, of hij veel heeft gereisd dan of
+reizen iets ongewoons voor hem is. En wat is dit aan de oppervlakte,
+vergeleken bij de karakterhoedanigheden, welke Rembrandt zag in de
+personen, die tegenover hem gingen zitten. Hoe veel en hoe ernstig moet
+hij zich met menschen hebben beziggehouden, om hun innerlijk leven zoo
+op het uiterlijk af te lezen.
+
+En toch heeft men willen beweren, dat hij in zichzelven gekeerd,
+teruggetrokken, bijna eenzelvig leefde, geen menschen zag, geen omgang
+had en weinig van menschen hield. Dit ééne portret bewijst voor het
+tegendeel genoeg. Wie dit kan maken, kent den mensch, bestudeert hem,
+zoekt hem en voelt zich tot hem aangetrokken.
+
+Als we nu nog even de aandacht aan de kleederdracht dier dagen schenken,
+merken we op, met hoeveel welgevallen de schilder den in 't oog
+loopenden plooikraag zag. Om eens eene ongepaste vergelijking te maken:
+het is, alsof het hoofd, waarin al die wonderlijke zaken van gemoed en
+karakter worden opgemerkt, aan den beschouwer wordt gepresenteerd op een
+schotel van blanke reinheid. In zuiveren, afgeronden vorm teekent het
+zich daartegen af. Linten, strikken, koralen of andere sieraden
+misleiden de aandacht niet. Zelfs geen haardos. Een linnen kapje of
+mutsje voltooit de witte omlijsting, waarin het gelaat ons alles kan
+zeggen, wat het te zeggen heeft.
+
+Wat is die kraag er mooi opgezet! Luchtig en kraakfijn staat de kant in
+de plooien. Overal van die bijna doorschijnende schaduwtinten, zooals
+men ze ook ziet op verschgevallen luchtige sneeuw. Hoe zuiver loopt de
+ronde lijn over de borst en de schouders achter om het hoofd heen; nog
+net even kunnen we voelen, dat de kraag aan de achterzij iets uit het
+platte vlak doorgezakt is.
+
+Men ziet, het zijn niet alleen de raadselen van een menschelijk gemoed,
+waarnaar Rembrandt zocht, ook het eenvoudigste ding keek hij aan en weer
+aan, tot hij kon zeggen: zoo doet het zich aan mijn oog voor. Hij tastte
+zijn model eerst in het hart aan en gaf uitdrukking aan het persoonlijk
+karakter; maar dan had hij ook aandacht voor de bijzaken en schepte er
+behagen in, eenen kraag in de plooi of een weduwenkapje in de stijfsel
+te zetten.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+KUNST VAN GROEPEEREN.
+
+
+Weinige van Rembrandts werken hebben onder het groote publiek zoo'n
+bekendheid gekregen, als het Korporaalschap van Frans Banning Kok. Het
+bevindt zich in het Rijksmuseum te Amsterdam en dagteekent uit het jaar
+1642.
+
+De beschouwer voelt zijn blik het eerst getrokken door twee personen op
+den voorgrond. Het zijn Frans Banning Kok en Willem van Ruitenberg.
+
+Op andere portretten wordt men nu eens het eerst door dit, dan weer door
+dat gezicht geboeid; de een begint zijne beschouwing met dezen, de ander
+met genen kop; de massa gezichten is gewoonlijk verwarrend, met het
+gevolg, dat het weinig kan schelen, waarheen men den eersten blik wendt.
+
+Maar op dit portretstuk richt iedereen dien altijd naar het zelfde
+tweetal.
+
+Dit feit is niet van geringe beteekenis, al klinkt het eenvoudig. De
+schilderij krioelt, om zoo te zeggen, van menschen; en bij dergelijke
+stukken wil het wel eens zoo wezen, dat niet ieder een vast uitgangspunt
+vindt. Vergelijk bijvoorbeeld de intocht der Kruisvaarders in Jerusalem
+(van Piloty) er maar eens bij. De blik dwaalt onrustig heen en weer, is
+nu eens bij het groepje, dat een kruis met palmen torst, dan bij den
+ridder, die het kleine tegenstribbelende kindje op den arm draagt, of
+bij den rijkaard, die sieraden in het kleed van een bedelaar werpt.
+
+[Illustration: De Nachtwacht.]
+
+Het wordt den beschouwer niet duidelijk, wààrop hij in hoofdzaak zijne
+aandacht moet vestigen; er zijn tal van groepen, die hij geneigd is,
+mooi te vinden, maar ze houden met elkaar geen verband; er is geen
+zwaartepunt in het stuk; men blijft onzeker omtrent de bedoeling. Toch
+moet bij Piloty eene bedoeling hebben bestaan; het zal bijvoorbeeld deze
+geweest zijn: te laten zien, hoe vroom en deemoedig een paar groote
+vorsten geknield de stad binnenkropen en de heilige plaats naderden.
+Maar men merkt niet, dat daar alles om draait; de bijzaken verwarren
+ons.
+
+Zoo heel eenvoudig is het dus niet, om de aandacht te vestigen op de
+hoofdzaak. Merken we dit ook niet dikwijls op bij schrijvers, als ze
+zich neerzetten, om uitspanningslectuur te schrijven? Ze meenen wel, dat
+ze ons iets aardigs hebben te vertellen, maar het raakt zoek in den
+grooten omslag van het geheel; we halen het er niet uit onder het lezen.
+Als we het boek uit hebben, weten we nog niet, waarom de schrijver het
+geschreven heeft.
+
+Laten we dus beginnen met omtrent het Korporaalschap te verklaren, dat
+het al vast deze goede eigenschap heeft: ieder beschouwer kan steeds in
+dezelfde twee personen de hoofdzaak aanwijzen, op welke Rembrandt de
+aandacht wilde vestigen.
+
+Waarom heeft hij dit gewild? Waartoe dient het, dat we allen het eerst
+aan Banning Kok en Ruitenberg onze aandacht schenken?
+
+Toch zeker niet om ons te laten zien, hoe fraai hunne kleeding, hoe druk
+hun gesprek, hoe vriendschappelijk hun omgang is; of hoe 'n mooie hand
+Banning Kok heeft, hoe aardig de zon daarop schijnt en de schaduw over
+het kleed van Ruitenberg doet vallen. Dit zijn zaken van ondergeschikt
+belang; ze hebben voor de uitbeelding van een vendel schutters niet
+zooveel beteekenis, dat daarvoor de aandacht het eerst op de beide
+genoemde figuren moest worden gevestigd.
+
+Dit heeft eene andere bedoeling, en we zullen die vrij zeker opmerken,
+wanneer we, met een stukje papier of met een paar vingers, den kapitein
+en zijnen luitenant bedekken en aan onzen blik onttrekken.
+
+De overblijvende figuren staan nu stil. Besluiteloos staan ze op een
+hoop bij elkaar. Het vendel komt niet meer van zijne plaats; het wacht.
+De gang, die er in zat, is er uit. Wel zijn er nog eenige figuren in
+gaande beweging uitgebeeld, maar het geheel maakt den indruk van talmend
+en treuzelend halt houden.
+
+[Illustration: Intocht in Jeruzalem (van Piloty).]
+
+Zoodra we de bedekking wegnemen, komt het heele vendel weer vooruit. De
+schilderij geeft niet een groep schutters, in schilderachtige wanorde
+bijeengeplaatst, ze geeft het uitrukken. Het vendel rukt uit. En het
+zijn de twee officieren, die er actie aan geven. Door hun bewegen wordt
+alles in beweging gezet. Hun gaan geeft gang aan de heele compagnie.
+
+Was er dus ook reden voor Rembrandt, om voor deze twee figuren de
+hoofdaandacht te vragen? In hen bracht hij alle actie bijeen, die voor
+het heele vendel noodig was, en spaarde ons de vervelende vertooning van
+eene gansche verzameling gaande beenen en gaande voeten.
+
+Hebben we nu niet meteen het antwoord op de vraag, waarom Banning Kok en
+Ruitenberg ten voeten uit zijn afgebeeld, en waarom ze ook, ten voeten
+uit, in het licht zijn gezet? Het kwam op hunne beenen juist aan! Ze
+moesten aan 't loopen voor eene heele compagnie!
+
+Laten we de beweging van dit gaan eens aandachtig beschouwen, en ons
+daartoe voor den geest halen, wat we opmerken aan menschen, die langs
+den weg loopen. Dit bepaalt zich volstrekt niet tot het regelmatig en
+afwisselend verplaatsen van de beenen. Eerstens komt daar gewoonlijk bij
+het heen en weer gaan van de armen, wat toevallig bij de beschouwing van
+onze twee figuren van geen belang is, omdat ze geen van beiden de armen
+los laten hangen. Tweedens: in het geheele lichaam eene beweging, waarop
+we hier wel de aandacht moeten vestigen. Bij elken pas gaat namelijk het
+lijf en daarmee het hoofd op en neer; het rijst en daalt. Bijzonder
+duidelijk nemen we dit waar, als een troepje menschen zich met elkaar
+voortbeweegt zonder in den pas te marcheeren; al de hoofden en
+hoofddeksels dobberen dan op en neer, als door eene deinende
+golfbeweging. Duidelijk is dit vooral, als ze achter een niet te hooge
+haag aan ons oog voorbij trekken.
+
+En zie, het is dit op en neer deinen van de bovenlichamen, wat we in
+Banning Kok en Ruitenberg beginnen te voelen, als we ons de moeite
+geven, eenigen tijd aandachtig hun gaan aan te kijken. De tweede schijnt
+juist het oogenblik door te maken, dat hij omhoog veert, terwijl de
+eerste dit net weer achter den rug heeft. Eene schilderij kan wel is
+waar geen werkelijk bewegen te zien geven, maar toch kan de schilder uit
+de kleine veranderingen, die tezamen de actie uitmaken, eene zoodanige
+keuze doen, dat wij den indruk krijgen, alsof het beeld de beweging
+zelf te zien geeft. Dit gelukt hem alleen, als hij eene nauwgezette
+studie van de zaak maakt, en als hij van nature bedeeld is met het
+juiste gevoel voor actie, voor veerkracht en voor evenwicht. Hij moet
+zich, al werkende, levendig voor den geest kunnen stellen, hoe hij eene
+menschelijke gedaante langs den weg heeft zien gaan, hoe elk
+lichaamsdeel op eigenaardige wijze aandeel kreeg in de beweging van het
+gaan, hoe een hoofd zich telkens even omhoog richt bij het verplaatsen
+der lichaamszwaarte van het eene op het andere been. Naar een model, dat
+in zijn atelier de verlangde houding en stand aanneemt, kan hij niet
+werken, als hij zoo iets wil weergeven. Het verkeert in rust, en om de
+rust is het hem juist niet te doen. Voor eene figuur als van Ruitenberg
+zou een model hoogstens de plaatsing van de voeten en de buiging van de
+beenen te zien kunnen geven. Maar niet het omhoog veeren, het opbeuren,
+dat ons in het bovenlijf, in den hals en het hoofd zoo treft. Hoe langer
+men er op ziet, hoe minder men zich aan dien indruk kan onttrekken. En
+tegelijk beginnen we op prijs te stellen, dat de schilder zijn volle
+licht en zijne lichtgele kleedingstoffen spaarde voor deze figuur; zij
+springt daardoor des te beter in 't oog.
+
+Er is naar aanleiding van dit onderwerp nog eene opmerking te maken: de
+twee vrienden loopen namelijk niet gelijk.
+
+Reeds trok het onze aandacht, dat ze niet in denzelfden pas marscheeren.
+Terwijl Banning Kok zijn rechterbeen juist naar voren gebracht heeft, en
+hij zijne lichaamszwaarte bezig is op dat been over te brengen, is het
+rechterbeen van Van Ruitenberg reeds gestrekt, het ondersteunt diens
+zwaartepunt en geeft aan het linkerbeen gelegenheid om naar voren te
+komen; de voet rust dan ook nog slechts met de punt van den teen op den
+grond.
+
+Maar behalve het verschil in tijdmaat, is er een wezenlijk onderscheid
+in de manier van loopen. Men zou elk van hun tweeën er aan kunnen
+herkennen, zooals we trouwens onze kennissen dikwijls herkennen aan
+hunnen gang.
+
+Ruitenberg maakt groote passen, bijna te groot voor iemand van zijne
+lengte. Hij komt met eene zekere drift opzetten. Zijne nadering heeft
+min of meer een dreigend aanzien. Het linkerbeen, dat zich thans nog
+achter bevindt, wil zich gestrekt en op eene vinnige, kordate manier
+naar voren bewegen.
+
+Als ons oog van dit driftige, besliste mannetje naar den grooten,
+vierkanten Banning overgaat, doet diens voetstap ons weldadig aan.
+Rustig en goedsmoeds schrijdt hij voort. Wel ook met meer dan gewoon
+burgelijke snelheid, even goed als zijn buurman, maar zijn gang is niet
+nijdig, niet gestrekt, niet als de gang van den gymnast, die zijne leden
+aan korte, besliste bewegingen went.
+
+[Illustration: Groep uit de "Nachtwacht".]
+
+Zooals hij daar aan komt stappen, heeft hij eerder iets vertrouwelijks
+over zich dan de kleine Kuitenberg.
+
+Dit onderscheid in beider gang is door den schilder aan de twee levende
+personen nauwkeurig ontleend. Want het behoeft onze aandacht niet te
+ontgaan, dat hetzelfde verschil ook spreekt uit beider lichaamsbouw en
+vooral uit beider gelaatstrekken. De een ziet met een vol, breed gezicht
+de wereld in, uit een paar wijd geopende en vrijmoedig opziende oogen.
+De andere heeft in zijne magere trekken niet dat aantrekkelijke; hij mag
+wat scherpzinniger wezen, scherper is hij ook, en hij ziet min of meer
+sluw onder den hoed uit, die hem in de oogen zit, terwijl Kok dat
+kleedingstuk achter op het hoofd staat. Ieder mensch draagt zijnen hoed,
+zooals zijn karakter is.
+
+De gang is dus in overeenstemming met grootte, met breedte, met
+gelaatsuitdrukking, vermoedelijk ook met karakter. Dit verleent aan de
+twee naast elkaar loopende figuren het echte leven; de een is een geheel
+ander mensch als de ander. Aan beider eigenaardigheden heeft de schilder
+recht gedaan, terwijl hij bovendien de actie van hun gaan wist te
+gebruiken, om aan de heele groep van personen de bewegelijkheid te
+geven van een troepje uitrukkende schutters.
+
+Want, om den hoofdindruk van onze schilderij niet uit het oog te
+verliezen,--dit uitrukken is eigenlijk _het_ onderwerp, dat de schilder
+behandelen wilde. We behoeven niet lang te raden, waarom hem dit
+aantrok. Sinds overoude tijden is het uittrekken van de gewapende macht
+een soort volksfeest, dat toen zoowel als nu zich mocht verheugen in de
+belangstelling van het publiek. Wie zal ook ontkennen dat het een
+levendig, een aardig tooneeltje is, zoo door de straten den bonten stoet
+te zien voortmarscheeren, muziek of trommelslag voorop, vaandels boven
+de hoofden vliegend, wapens blinkend en kletterend, het geheel door
+straatjeugd omstoeid, door volwassenen met welgevallen gadegeslagen.
+
+Het lag voor de hand, dat zoo'n tooneeltje hem geschikt voorkwam, om
+daarin de bestelde portretten tot een geheel te vereenigen.
+
+Het tweetal, dat aan het hoofd van den stoet marscheert, en dat zijne
+beweging aan de gansche schaar weet mee te deelen, heeft nu intusschen
+nog eene andere taak te vervullen. In hen moet ook blijken, wie het zijn
+die hier uitrukken.
+
+Al dadelijk zien we in gestalte, houding en fieren, vasten gang iets,
+dat ons zou bevreemden, als we het opmerkten in twee burgerluitjes, die
+samen een straatje omwandelden. Wanneer we twee deftige heerschappen met
+zooveel tred, zooveel levendigheid en met zoo'n druk handbeweeg door
+onze straten zagen passeeren, zouden we zeker meenen dat een ernstig
+ongeluk was gebeurd, en zij er op uitgingen om hulp van politiemacht in
+te roepen. Hier is iets uitgedrukt, dat strijdt met het gewoon
+burgerlijke; en dit was juist noodig om van de figuren militairen te
+maken. Ze hebben het krijgshaftige gekregen, om te zijn, wat ze moesten
+wezen: schutters; en wel schutters, aan wie de verdediging der stad zou
+kunnen worden opgedragen in tijden van oorlog.
+
+Voor het gansche vendel zijn de officieren met militaire eigenschappen
+toegerust.
+
+Toch zijn ook weer zij het, die in het militaire het burgerlijke mengen.
+Het stuk mocht niet ontaarden in de voorstelling van eene krijgshaftige
+groep veteranen uit het beroepsleger van stadhouder Frederik Hendrik.
+
+Dit zou gebeurd zijn, als de aandacht meer en in hoofdzaak ware
+gevestigd geworden op het echte krijgsmansuiterlijk van den man, die
+onder het gaan zijn geweer laadt, links van Banning Kok, of op de drie,
+die we weer links van dezen waarnemen. Allemaal typen van krijgslieden.
+
+Maar de gezichten van Ruitenberg en Kok zijn geen troniën van in
+kruitdamp verweerde veteranen. Men houdt ze wel dadelijk voor
+burgerlijke ingezetenen, die met den krijgsmansstand weinig gemeen
+hebben. Het blijven burgers, zij het dan ook burgers, die zich vandaag
+als mannen van wapenen doen gelden. Al doen ze dit laatste goed, men
+ziet hen wel aan, dat zij in een vredelievenden kring thuis behooren.
+Banning Kok is niets meer of minder dan Wethouder van Amsterdam en zit
+in die functie op het kussen naast dokter Nicolaas Tulp, wiens portret
+Rembrandt tien jaren vroeger, in 1632, had gemaakt.
+
+In het welsprekend handgebaar van den kapitein vinden we ook iets, dat
+in strijd is met soldatenmanieren, of althans geene strijdlustige
+bedoelingen verraadt. Het geeft wel is waar aan den persoon eene
+levendigheid, die een burger, als hij zich door de straat beweegt,
+vreemd zou staan en eerder aan den krijgsmansstand doet denken; maar
+tegelijk is het toch ook van eene vreedzame natuur; we kunnen dezen
+krijgsman geen andere oogmerken toeschrijven, dan om met zijn mannen uit
+te trekken, en vreedzaam oefening te houden in het hanteeren van de lans
+of het schieten op een doel, misschien op den haan, dien het meisje
+draagt. Zoo gemoedelijk loopt niet de landsverdediger te gesticuleeren,
+die den wreeden vijand tegemoet gaat, en vrouw en kinderen voor 't
+laatst vaarwel heeft gezegd; en zoo rustigjes loopt een ander niet met
+de hand in de zij, te luisteren naar het discours van eenen lotgenoot.
+
+Het zijn dus ook al weer Banning Kok en Van Ruitenberg, in wie het
+karakter uitgedrukt is van het soort krijsvolk, dat hier uitrukkende is
+voorgesteld. Evenmin als het voorafgaande, is dit door Rembrandt op
+diepzinnige wijze verzonnen; het denkbeeld lag voor de hand. Althans, we
+krijgen den indruk, dat dit zoo was. Groote kunstwerken wekken
+gewoonlijk de gedachte, dat ze eenvoudig van opvatting en samenstelling
+zijn, dat ze den kunstenaar gemakkelijk van de hand zijn gegaan.
+
+Het middel, dat aangewend is om de hoofdpersonen onder ieders aandacht
+te brengen, is eveneens heel eenvoudig; de schilder heeft ze letterlijk
+in 't licht gezet, en de rest van zijn doek nogal rijkelijk met schaduw
+bedacht. Of dit licht de kenmerken heeft van zuiver daglicht, dan wel of
+er iets onnatuurlijks in is, kan men niet beoordeelen met eene zwarte
+prent voor zich; het zijn de kleuren, die dit uitwijzen, en deze kan men
+alleen zien op het origineel in het Rijksmuseum.
+
+Maar dat het een helder en schitterend licht is, laat geen twijfel over,
+ook niet als op onze plaat de kleuren ontbreken. Toch heeft men lang in
+twijfel verkeerd, met welk licht men hier te doen had. De donkere
+achtergrond bracht velen op het idee, dat Rembrandt een nachtelijk
+tooneel bedoelde, bij voorbeeld het rondgaan van een nachtwacht van
+schutters, bij het licht van toortsen of flambouwen.
+
+Vooral Fransche reizigers, die in de achttiende eeuw Amsterdam bezochten
+en op de "Voetboogdoelen" tegen den breeden schoorsteen het stuk gingen
+zien, stonden er vast op, dat het de ommegang van de nachtwacht was.
+Langzamerhand hebben onze voorouders zich daarbij neergelegd. In den
+pruikentijd schijnen zij niet veel oog voor schilderkunst gehad te
+hebben, en vertrouwden ze er op, dat een Franschman het weten kon. Men
+ging dus spreken van "de Nachtwacht" van Rembrandt. En dien naam behield
+het stuk, toen het naar het stadhuis, en zelfs later nog, toen het onder
+de regeering van Lodewijk Napoleon in 1808 naar het museum verhuisde,
+toen deze koning het stadhuis inrichtte tot vorstelijk paleis. Meer dan
+honderd jaar is het een Nachtwacht gebleven; eerst in de negentiende
+eeuw brak de morgen aan, begon het daglicht te gloren, en zag men het
+bespottelijke van de benaming in. In den mond van het volk leeft die
+echter nog voort.
+
+Zoo zien we, hoe weinig er maar noodig is, om wit zwart en zwart wit te
+heeten, om van dag nacht te maken. Als men de bedoeling van den
+kunstenaar maar net precies niet vat, keert men ze totaal om. Wie thans
+de schilderij onder goede verlichting ziet, kan niet gelooven, dat onze
+voorouders den dag voor nacht hebben gehouden, zoolang hun de schellen
+niet van de oogen waren gerukt. Zij heeft met nacht niets te maken, of
+men moet zich voor den geest roepen, in welk jaar Rembrandt's penseel
+dit meesterwerk voltooide. Het was in 1642, in het jaar toen hem Saskia
+door den dood ontviel, toen hij alleen in zijn groote huis achterbleef
+met een kind van nog geen jaar, en avond aan avond eenzaam in het
+woonvertrek zat, waar zijn jonge vrouw zoo dikwijls tegenover hem had
+gezeten, als hij uit zijn werkplaats met teekengerei was binnengekomen,
+om in huiselijke gezelligheid allerlei schetsen te maken. Het was het
+jaar, toen voor hem het licht onderging, dat acht jaren lang zijn
+levensweg had beschenen. Droefenis en somberheid waren in zijn huis,
+droefenis en somberheid waren ook in zijn gemoed. Hij doorleefde een
+tijd, die was als een nacht van troosteloosheid. Slechts één ding kon
+hem staande houden in zijn leed; dat was zijne kunst. Zijne liefde voor
+het penseel hield den levensmoed er in. Uit die dagen van droefheid
+werkte hij zich op, grooter en roemvoller dan voorheen. Treffender wordt
+voor ons zijne groote kunst, als we weten, welke omstandigheden zijn
+gemoed beheerschten. We zien dit meesterstuk van het sombere jaar 1642
+als een lichtgestalte staan tegen den donkeren achtergrond van zijn
+huiselijk leed.
+
+In zooverre is het gepast, het korporaalschap van Frans Banning Kok
+Rembrandt's Nachtwacht te noemen. Maar overigens lijdt het geen twijfel,
+of de hoofdpersonen zijn in het volle daglicht geplaatst.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+VERVOLG VAN 'T KORPORAALSCHAP.
+
+
+Na deze uitvoerige bespreking van een paar hoofdpunten, kunnen we
+slechts kort nog bij eenige ondergeschikte zaken stilstaan.
+
+We merken dan eerst op, hoe fraai de schaduwkant van Bannings linkerhand
+tegen de lichtkantjes staat langs duim en vingers, hoe los en
+welsprekend het gebaar is, en hoe de slagschaduw geworpen wordt op het
+kleed van Ruitenberg. Ze ligt er niet op, zooals de randversierselen er
+vast op zitten, maar ze glijdt er los en bewegelijk overheen. Het eene
+maakt deel uit van het wambuis, het andere niet. Ook bij het lijk op de
+Ontleedkundige les merkten we, hoe zorgvuldig Rembrandt bestudeerde de
+manier van eene schaduw om ergens op te vallen.
+
+Bij het beschouwen van de vier voortschrijdende beenen herinneren we ons
+die van Michiel de Ruyter en Zeeger op de plaat: "Dat is onze man." Bij
+Banning Kok en Ruitenberg alles verschillend: schoeisel, kleeding, kleur
+en bouw, houding, beweging en stand.
+
+Het is natuurlijk, dat de beschouwing van dit stuk zich grootendeels
+bepaalt tot de hoofdpersonen. De tijdgenooten, en vooral de leden van
+het schuttersvendel merkten dit ook op en namen, voor zoover ze er
+belang bij hadden, het den schilder kwalijk. Eerlijk gezegd, we kunnen
+hun geen ongelijk geven.
+
+Ieder lid van de compagnie moest een som van honderd gulden betalen. En
+hoe waren sommigen voor dit bedrag op het doek gebracht? Aan den
+rechterkant, waar de man met witten kraag zijn hand uitsteekt, staat
+achter diens arm een persoon, die op het portret van zijn heele gezicht
+niets dan twee oogen en een stuk neus terugvond. Wel wat weinig voor
+zijn honderd gulden! Verklaarbaar is het, dat Rembrandt het na 1642 met
+bestellingen van schutterstukken niet druk meer gehad heeft. Het was
+zijn eerste en zijn laatste.
+
+Toch heeft hij van enkele personen veel werk gemaakt. Eene aangename
+figuur bijvoorbeeld is de man, die links van den kapitein zijn geweer
+laadt. Er is in de wijze van gaan iets onzekers, iets dat aan waggelen,
+aan wijdbeens loopen doet denken. Dit is scherp opgemerkt van den
+schilder. We voelen er de onvastheid in van iemand, die, al loopende,
+met beide handen iets bezig is te doen aan een zwaar voorwerp, en die
+het gemis merkt van zijne armen, welke anders onder het gaan door
+slingerbeweging een gevoel van gemak en evenwicht geven.
+
+Wat ons het meest verwondert, ook Banning Kok was met zijn konterfeitsel
+niet tevreden! Hij noodigde voortaan andere schilders uit, als hij zijn
+eigen beeltenis, die van zijn vrouw of die van zijn korporaalschap
+wenschte te hebben. We weten, dat een zekere Ludens er in 1660 een van
+hem gemaakt heeft, maar het nageslacht stelde weinig prijs op het stuk;
+in 1712 is het nog eens voor f263 verhandeld; daarna ging het
+waarschijnlijk verloren. Banning Kok nam het Rembrandt misschien
+kwalijk, dat die hem een gelaatskleur had gegeven van nogal in 't oog
+loopende roodheid. Voor de ware schoonheid zal hij mogelijk net zoo
+weinig hebben gevoeld als de dichter Joost van den Vondel. Deze, een
+tijdgenoot van Rembrandt, wonende als hij in Amsterdam, heeft allerlei
+beroemde personen in gedichten bezongen, maar nooit den grootsten onzer
+schilders. Hij had, naar het schijnt, geen begrip van schilderkunst. Eén
+keer spreekt hij een oordeel uit over een portret, door Van Rijn
+geschilderd, en zegt dan onder anderen:
+
+"De verf vergaat, de deugd zal eeuwig blijven."
+
+Zoo'n versregel is pittig en heeft klank. Een oogenblik zijn we geneigd
+het eens te zijn met wat de dichter beweert. Immers, de roem van
+buitengewone deugden is onvergankelijk, en eene verfkorst kan vergaan.
+Maar bij nader inzien blijkt alles maar woordenspel te zijn. De persoon,
+op het portret uitgebeeld, is met zijnen roem, met zijne deugden, met
+zijnen naam reeds lang vergeten; de onvergankelijkheid was niets dan een
+dichterlijk compliment. Het geminachte verfkorstje bestaat echter nog,
+wordt in eere gehouden, is voor geen goud te koop en maakt de glorie uit
+van zijnen bezitter. Van vergaan is geen sprake: deze veronderstelling
+was slechts eene dichterlijke onnoozelheid. "De deugd verging, de verf
+leeft voort." De tijd heeft Vondel gelogenstraft. We mogen van het
+Korporaalschap niet afstappen zonder het naast de Anatomische les te
+hebben gelegd. Beide schilderijen zijn portretstukken, waarop eene groep
+van meerdere personen is voorgesteld. Op beide heeft de schilder
+getracht, om het stijve van een troepje menschen, dat bij elkaar staat
+of zit, te vermijden. Hij bracht er een denkbeeld in; de beschouwer kan
+meenen, dat het eene dient om te laten zien, hoe eene ontleedkundige les
+gegeven werd, het andere hoe de zeventiende-eeuwsche schutters uitrukten
+om op het doel te schieten. En intusschen ontbreken de goede
+eigenschappen van een portretstuk in geen van beide.
+
+Tot zoover gaan de stukken gelijk met elkaar op. Er is echter ook
+verschil. En dit moet ons niet verwonderen. De Les dagteekent uit 1632,
+Banning Kok uit 1642. Daar liggen tien jaren tusschen, een tijdperk, dat
+in het leven van ieder mensch iets beteekent, maar dat van veel
+beteekenis moet zijn in het leven van een kunstenaar. In die tien jaren
+had Rembrandt wel opnieuw een groot man kunnen worden, als hij in 1632
+al zijne kunst eens had verloren. Wat moet zijne vaardigheid en zijn
+schildersoog dan wel gewonnen hebben, nu hij bleef, wie hij was, en tien
+jaren achtereen dagelijks teekende, etste en schilderde.
+
+We kunnen helaas aan zwarte nadrukjes niet al de veranderingen zien, die
+'s meesters wijze van werken heeft ondergaan tusschen de Les en Banning
+Kok. Maar althans één zeer belangrijke merken we op, en die leert ons
+veel.
+
+Op de Les wordt eene hoofdrol gespeeld door het cadaver. Dit is het
+voornaamste middel, waarmee de schilder aan het portretstuk de
+beteekenis van eene gebeurtenis geeft. Het is echter een willekeurig
+toevoegsel, dat er alleen op gekomen is, omdat Rembrandt dat zoo had
+verzonnen. Of misschien was het denkbeeld wel van een ander afkomstig.
+In elk geval: het is een toevoegsel, dat niet meewerkt, om de bedoeling
+van het stuk te bevorderen. De portretten worden er niet beter om. Wel
+stelt het Dr. Tulp in de gelegenheid, om mooi en ernstig les te staan
+geven, zooals hij dat kon, wanneer hij bezig was; maar daartoe was eene
+kleinigheid ook voldoende geweest: een beentje, een schedel, eene
+bladzijde uit een boek, of iets dergelijks. Nu ligt daar het lijk; de
+zon beschijnt het; het vormt den aantrekkelijksten hoek van het geheele
+stuk; mooi bewerkt is het; alles goed en wel. Maar--het had gemist
+kunnen worden.
+
+Een dergelijk verwijt treft het Korporaalschap niet. Wat daar aangewend
+is, om gebeurtenis in het stuk te brengen, is aan de hoofdpersonen zelf
+ten goede gekomen. Dáár geen aandacht dan voor hen, op wie ze
+plichtmatig door den schilder gevestigd moest worden. Dáár alleen
+opeenhooping van goede eigenschappen in twee personen, om de andere
+figuren te ontlasten en onzen blik meer op éen punt te vestigen. Dat
+éene punt is wel degelijk een onmisbaar onderdeel van het geheel.
+
+De tien jaren zijn voor Rembrandt dus niet onvruchtbaar voorbijgegaan.
+We erkennen, dat het cadaver op de Les een gelukkige kunstgreep was om
+den beschouwer te boeien; maar we worden gewaar, dat tien jaren later
+hetzelfde doel bereikt wordt, zonder het te pas brengen van vreemde
+zaken. Een bewijs dus van grooter meesterschap. Een ander bewijs zien we
+in de handeling: hoeveel malen moet iemand _gaande_ menschen in allerlei
+stand hebben geschetst, om in een portretstuk zooveel vaardigheid aan
+den dag te leggen als hier. De personen op "de Les" toonen daarentegen
+nog weinig beweging, al zijn de handgebaren van Tulp zeer juist
+weergegeven. In 1632 gaf de schilder zijne figuren in rustige houding
+bij elkaar; in 1642 durft hij de beweging tot onderwerp van behandeling
+te nemen; zelfs de persoonlijke onderscheidenheden in de beweging.
+
+[Illustration: Simeon in den Tempel.]
+
+De vergelijking der beide stukken toont aan, dat de schilder in de
+eerste jaren van zijne loopbaan nog niet was, wat hij later werd. Wat
+hij toen maakte was grootsch; maar hij zelf zou de man worden, om den
+vroegen Rembrandt te overtreffen.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+SIMEON IN DEN TEMPEL.
+
+
+De "Simeon in den tempel" is een bijbelsch stuk. Maria, de moeder van
+het Jezuskindje, ligt op den steenen vloer neergeknield. Jozef, ook eene
+knie buigende, houdt in de hand de duifjes, die voor offer bestemd zijn.
+De hoogepriester heft zegenend zijne handen op; Simeon heeft het kindje
+gegrepen, slaat het oog naar boven en spreekt de bekende woorden: "Nu
+laat gij, Heer, uwen dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord; mijne
+oogen hebben uwe zaligheid gezien." Een paar landlieden zijn toevallig
+getuige van het tooneel, evenals twee "schriftgeleerden", die op den
+voorgrond op een rustbank zitten. Omhoog welven en kruisen zich de
+tempelbogen, die door weelderig versierde kolommen worden gedragen. Daar
+heerscht schemering, evenals op de breede trap, waar tal van
+tempelgangers op en afgaan.
+
+Om reeds bij den eersten aanblik de attentie te vestigen op de
+hoofdgroep, laat de schilder de ruimte van den tempel in het halfdonker.
+Op ééne plaats valt het zonlicht naar binnen, en wel door een venster,
+dat zich links boven in het gewelf zal moeten bevinden. De
+"schriftgeleerden" zitten buiten het licht; ofschoon in letterlijken zin
+op den voorgrond geplaatst, trekken ze geenszins het eerst de aandacht.
+Dat doen zeker wel de hoogepriester en Simeon het meest. De eerste door
+zijne koninklijke gestalte, waar, in lange, statige, plooien, de mantel
+omheen hangt. Hij doet denken aan "Jezus" op de eerste prent van de
+"Opwekking van Lazarus". De gebogen lijn, van het hoofd achter over den
+hals en den rug, is hier zuiverder van beloop; bij "Jezus" voelen we ter
+hoogte van den linkerschouder en iets lager eene afwijking, die niet
+duidelijk de bedoeling laat doorschemeren.
+
+Zuiver van uitdrukking is de hand; ze wuift en wenkt het neergeknielde
+paar de woorden toe. In de pols is juist genoeg buiging achterover, om
+het gevoel van stille verrukking uit te spreken; de hoogepriester neemt
+deel in de zaligheid van dit grootsche oogenblik. Boog de hand zich in
+neerwaartsche richting, dan kregen we den indruk, dat hij min of meer
+uit de hoogte den zegen gaf.
+
+De vingers staan uitgespreid, alsof ze tintelen van de aandoening,
+waarmee de plechtigheid hem vervult; vooral de pink staat wijd
+uitgespannen; zoo zien we dat bij iemand, die zijne woorden spreekt in
+ontroerde bezieling.
+
+Niettemin is de hand onschoon van teekening. Evenals die van Jezus op de
+eerste Opwekking, is ze breed en plat, de vingers zijn kort en stomp, de
+geleding is niet zuiver gevoeld.
+
+In de nijging van het hoofd ligt iets herderlijks. Het drukt bezorgdheid
+en deelneming uit. Zoo staat een geestelijke tegenover hen, die zich
+aan zijne leiding toevertrouwen. Zoo neemt hij ze, in figuurlijken zin,
+onder zijne vleugels, in zijne bescherming. En wie zoo toegesproken
+zijn, keeren huiswaarts met een gevoel van vertrouwen op de toekomst,
+met het geloof, dat alles wel goed zal komen.
+
+Met de geheele figuur staat in 't licht; alleen dat deel, waarin de
+schilder de uitdrukking wilde leggen. Daar zien we ook het duidelijkst,
+hoe de statiegewaden er om hangen. Lange plooien gaan sierlijk van den
+hals tot op den grond en slepen zelfs nog na. Zwaar en dik is de stof.
+Hier en daar kreukelen de plooien overdwars. Van het hoofd af hangt een
+priesterlijk sieraad over den hals en op den rug. Het ligt er rustig en
+plat uitgespreid. De zijlijn volgt de buiging van den hals, de onderkant
+de ronding van den rug. Alles plakt zwaar en solied op elkaar.
+
+Het verlichte handje draagt onzen blik van den hoogepriester op Simeon
+over. Het is een licht-schakel.
+
+Ontzaglijk is het, de vervoering, de geestesverrukking van dezen
+grijsaard te zien. Men hoort hem met groote stem, met woest geluid tot
+den Heer zijnen God roepen en de woorden spreken, die boven aangehaald
+zijn. Hij acht geen omstanders, ziet geen vader geen moeder, geen
+hoogepriester, maar voelt zich het hart zwellen van dankbaarheidsdrift,
+nu hij den lang verwachten Messias in de armen sluit. Het is eene uiting
+van den sterksten hartstocht, eene ontroering, die den aandachtigen
+beschouwer door de ziel gaat.
+
+[Illustration: Groep uit "Simeon in den Tempel".]
+
+De moeder Maria, ofschoon niet ten volle begrijpende, slaat vol zalig
+gevoel de handen op de borst tezaam; haar moederhart zwelt, nu haar kind
+den grijsaard zoo in gloed zet en hem zulke woorden ontlokt. Jozef,
+eenigszins in de schaduw gesteld, weet nog minder, wat hij van de
+ontboezeming van Simeon moet denken. Toch zit ook hij met vaderlijk
+welgevallen het tooneel aan te zien. Zijn gemoed wordt zachter bewogen
+dan dat van Maria; zijne gevoelens zijn meer gematigd. In het volle
+licht behoefden ze niet gesteld te worden, mits ze toch ook de aandacht
+niet ontgingen. De schilder laat hem daarom neerknielen in de schaduw
+van den hoogepriester. Maar eene zachte, stille weerkaatsing van den
+gloed van Simeon ligt over zijn wezen. Het is eene weerkaatsing van den
+lichtgloed, zoowel als eene weerspiegeling van de gemoedsbeweging, maar
+beide sterk getemperd.
+
+Eene belangrijke rol laat Rembrandt de boertjes spelen, die toevallig
+langs de groep heenliepen en even bleven staan. Het misbaar van den
+grijsaard moet zijn oorzaak hebben; wat mag er wel aan de hand zijn?
+vragen ze zich af. Ze komen nieuwsgierig een stapje nader. Die met de
+hooge muts ziet er vrij onnoozel uit en zal niet veel wijzer worden, al
+staat hij er vooraan bij. De middelste van de drie is een echt type.
+Waren ze er zoo in de dagen van Rembrandt, in 1631, wij kennen ze zoo
+nog. De handen onverschillig op den rug, het hoofd tusschen de schouders
+gezakt, hoogruggig door den veldarbeid, den kop vooruitgestoken met een
+norsch, bullebakkig gezicht. Men ziet hem aan, dat hij ontsticht is over
+het misbaar. Toch werpt hij een onderzoekenden blik op het kindeke, een
+blik, dien men niet licht vergeet. Terwijl hij neerziet, is het, alsof
+zijn wrevelige trekken zich ontspannen. Een klein, teer kindje, wie kan
+daarbij ook onverschillig blijven!
+
+Voor ons is het geen raadsel, waarom zijn gezicht opklaart; wij leven
+twintig eeuwen na de Jeruzalemsche gebeurtenis, en ons is het gegeven om
+te overzien, wat dat Kindeke geworden is, en welke dingen Het verkondigd
+heeft. Zie, voor wie waren later de predikingen van Jezus het meest
+bestemd, op wie maakten ze het eerst indruk! Wie sloten zich aan en
+lieten zich doopen? Waren het niet de eenvoudigen van geest? Waren zij
+het niet, wier verstand klein was, wier begrip van de dingen niet
+verging?
+
+Rembrandt voelde behoefte, om het groepje in den tempel aan te vullen
+met een paar van deze eenvoudige zielen. Dat zou voor den beschouwer de
+herinnering levendig houden van wat er later gebeuren moet. In de
+simpele landlieden, die met belangstelling komen toekijken, zien we de
+toekomst van het eerste Christendom.
+
+Nog in een ander opzicht zijn de boertjes merkwaardig. Laten we niet uit
+het oog verliezen, dat Jezus in het land Kanaän geboren werd; de
+ontmoeting met Simeon had plaats in den tempel te Jeruzalem; het volk,
+dat de trappen op en afging, of toeschouwer was bij Simeons
+geestesvervoering, waren Israëlieten, Joodsche landbouwers, Oosterlingen
+dus. De kleedij, die de Joden in het begin onzer jaartelling droegen,
+komt overeen met die, waarin zich thans nog Arabieren en Syriërs steken.
+De meeste schilders hebben getracht, als ze een bijbelsch tafreel
+behandelden, om hun figuren het voorkomen van Oosterlingen te geven.
+Soms sloegen ze den bal wel mis, en schilderden ze Italiaansche
+landlieden in plaats van oud-Israëlitische, maar ze hadden dan toch de
+bedoeling, er een buitenlandsch tintje aan te geven.
+
+Deze bedoeling vinden we bij Rembrandt niet. Hij doet geen moeite om het
+Bijbelverhaal te doen spelen in verre landen, onder vreemde volken. De
+boertjes zijn echt Hollandsche typen. Ze komen regelrecht uit Ransdorp,
+Broek-in-Waterland of Ouwerkerk-aan-den-Amstel. In hun blauwen kiel
+heeft de schilder hen door Amsterdam zien gaan, of in de weide bij hun
+vee bespied. Wel zien ze er anders uit dan het landvolk uit onzen tijd,
+maar ook buiten de steden wisselt en verandert de kleederdracht. En zoo
+als ze hier in den tempel staan, zoo heeft Rembrandt in zijn tijd hen op
+verschillende platen naar het leven geteekend; nu eens met eene hooge,
+dan eens met eene lage muts op het hoofd. Zoo was in zijnen tijd hunne
+dracht.
+
+Hij brengt dus de gewijde geschiedenis over op vaderlandschen bodem.
+Vreemde kleederdrachten voor herders en landlieden versmaadt hij. Hij
+weet, dat tal van menschen zich op dat vreemde blind kijken, en geen oog
+hebben voor het wezenlijke van de schilderij. Ze zullen de voorstelling
+beter gaan voelen en begrijpen, als de figuren menschen zijn gelijk zij
+zelf; als die in gelaatstrekken, in kleur, in houding en in kleeding
+gewone, echte Hollanders zijn. Jezus had immers heel goed in Holland
+geboren kunnen zijn. Was niet de Republiek der Vereenigde Nederlanden
+een zeer bijzonder land? Had de God der Vaderen niet geholpen, om haar
+van de Spaansche tirannij te bevrijden? Had Hij de zaak der Hervorming
+niet doen zegevieren? Was er éen protestantsch land zoo met aardsche
+rijkdommen en met welvaart gezegend? Een uitverkoren volk, daarvoor
+hielden onze voorouders zich. Zij waren een tweede Israël. Alles, wat
+ginds in het Oosten, aan de oevers van de Jordaan, was afgespeeld,
+speelde zich ook hier af, dachten ze. Hunne geschiedenis was eene
+afspiegeling van de Bijbelsche.
+
+Als zoo een geheel volk denkt, valt het den kunstenaar gemakkelijk, zich
+ook in die richting te bewegen. Hij denkt niet alleen, hij stelt
+zichtbaar voor. Het Joodsche wordt Hollandsch; de schaapherders van
+Ephrata en de wijnbouwers van de berghellingen van Judea, komende in den
+tempel van Jeruzalem, worden melkboeren uit de omstreken van Amsterdam.
+En waarom ook niet? Over de heele aarde wonen menschen van éen natuur;
+het denken en voelen is wel overal ten naastebij hetzelfde. Vooral onder
+de volksklasse, die hier is voorgesteld, onder de eenvoudigen van geest,
+die opgroeien te midden van de natuur.
+
+Hiermee kunnen we afscheid nemen van de blauwgekielde tempelgangers, om
+nog even eenen blik te slaan op het tweetal, dat op den voorgrond in de
+schaduw zit.
+
+De eerste laat het tooneeltje, daar voor hem, niet onopgemerkt
+passeeren. Hij steekt het hoofd onderzoekend vooruit. Zooals het handje
+en de arm op de leuning van den stoel liggen, kan men zich denken, dat
+hij bijna van zins is, op te rijzen en nader te treden. Nummer twee
+wisselt met hem een blik van verstandhouding. Hij krijgt argwaan, dat de
+zaak niet in orde is. Schriftgeleerden, zooals zij misschien zijn, nemen
+het met godsdienstaangelegenheden zeer nauw. Ze dulden geene
+uitdrukkingen in strijd met de Joodsche wet.
+
+Of zij in de woorden van Simeon iets hooren, wat hun verdacht voorkomt,
+willen we niet nagaan. Maar ons treft hunne tegenwoordigheid op deze
+plaats. Reeds bij dit voorval uit het leven van Jezus zijn ze
+dwarskijkers, in letterlijken en in figuurlijken zin. Rembrandt geeft ze
+voorshands nog een plaatsje in de schaduw, terwijl hij de aanstaande
+volgelingen van den Nazarener in het volle licht zet; maar ze zijn er
+toch, en ze brengen ons te binnen, hoeveel leed ze later zullen
+uitstorten over het hoofd van het Kindeke, dat nu nog zoo onnoozel in
+Simeons armen ligt.
+
+Ten slotte een enkel woord over de geschiedenis, die dit schilderijtje
+heeft doorgemaakt.
+
+Voor wien en voor hoeveel Rembrandt het maakte, weten we niet. Het duikt
+in 1733 uit het onbekende op. Bij eene verkooping ten huize van een
+Haagsch burger werd het voor f830 verkocht; men weet dit uit een
+rekeningenboek. Een mooie prijs voor dien tijd!--Later werd het
+aangekocht voor de verzameling van Stadhouder Willem V. De groote
+gebeurtenis voor het stuk moest echter eerst komen tusschen 1810 en
+1813. Toen Nederland als aanslibsel van Fransche rivieren bij het
+Keizerrijk was ingelijfd, vond Napoleon, dat alle kunstwerken, die aan
+den Staat behoorden, naar de hoofdstad des rijks moesten verhuizen, naar
+Parijs. De "Simeon" was door Prins Willem V bij zijn vertrek naar
+Engeland in 1795 natuurlijk in den steek gelaten, evenals de verdere
+roerende en onroerende have; de staat had er zich over ontfermd, en nu
+ontfermde Napoleon er zich weer over.
+
+Het werd met tal van andere schilderstukken ingepakt, op eenen wagen
+geladen en verzonden. De bedoeling was, om het Louvre er mee te
+verrijken. Wagenvrachten en wagenvrachten van kunstwerken ondergingen
+ook in de andere Fransche wingewesten hetzelfde lot. Men was er in
+Parijs verlegen mee. De opeenhooping was zoo groot, dat een paar jaren
+later het werk der schifting en der tentoonstelling nog niet afgeloopen
+was. Napoleon kwam ten val, voordat alles een plaats had gekregen.
+
+Toen hij in 1815 voorgoed van het wereldtooneel verdween, was het Louvre
+meer pakhuis dan museum. Spoedig daagden van de onderscheiden herstelde
+regeeringen afgevaardigden op, om uit den rommel op te eischen, wat door
+Napoleons ambtenaren naar Parijs was vervoerd. Ook van de regeering der
+Nederlanden. "Simeon" maakte de terugreis naar Den Haag, en kreeg daar
+in het Mauritshuis het plaatsje, dat hij nu nog inneemt. Moge hij er
+blijven tot in lengte van dagen, om nog vele bezoekers het hart te
+verheugen.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+EENE ONDERGAANDE ZON.
+
+
+Het licht is voor Rembrandt gedurende al zijne levensjaren een
+geliefdkoosd onderwerp van studie geweest. Wat is er ook schooner! Wie
+kan onverschillig zijns weegs gaan, wanneer hij des ochtends buiten is
+bij het opkomen van de zon? Wie sluit dan het oog voor de lichtspelingen
+langs lucht en wolken?
+
+Voelt ook niet ieder zich door zonneschijn meer aangetrokken tot de
+vrije natuur, dan door bewolkte, vreugdelooze luchten!
+
+En dan des avonds bij het ondergaan der zon! Welk een kleurenspel wordt
+ons iederen dag opnieuw bereid! Nimmer vervalt de natuur in herhaling.
+Altijd weer is ze verrassend en nieuw in haar getoover met lichtverven
+en kleurvloeiingen.
+
+Oud en jong, arm en rijk, ongeschoold en welonderwezen, alles heeft er
+oog voor. Geen mensch, of wel ééns in zijn leven heeft hij éénen
+zonsondergang genoten, wel ééns heeft hij bij dit natuurverschijnsel
+aandachtig stil gestaan. Daar zonk de vuurbol ter kimme. Het licht, dat
+den ganschen dag slechts licht was geweest, werd nu kleur. De
+huizegevels in baksteen blonken eens zoo rood als anders. De witte
+raamkozijnen bleven wit, maar waren toch, zonderling wonder, te gelijk
+ook rood. De hagelwitte gordijnen eveneens, ofschoon het wit toch
+vlekkeloos rein bleef. De grijze, stoffige straat--wie zou ooit op de
+kleur van eenen straatvloer letten!--behield hare grauwe steenkleuren,
+en trok niettemin het oog door een purperen schijn. Daar waren de
+schoone, groene boomen! Schenen niet ook zij van hetzelfde purper
+doortrokken, terwijl groen toch groen bleef. De stammen stonden te
+blozen als frissche wangen: maar grauw en grijs en bruin was
+onveranderlijk de kurkschors.
+
+Met geene woorden kon men noemen, wat elk ding voor verven kreeg. Zoodra
+men het beproefde, gaf men slechts eene opsomming van de kleuren, die er
+waren bij heldere dagverlichting. Een raadsel was het, dat de zon bij
+het scheiden nog opgaf. Een moeilijk raadsel!
+
+Van de ondergaande zon tot den levensavond van onzen schilder is eene
+schrede minder groot, dan men wellicht zou denken.
+
+Daar hangt in het Rijksmuseum te Amsterdam een werk, de Staalmeesters
+heet het, dat hij voltooide in 1661, en dat het laatste groote stuk is,
+waaraan hij zijne zorg wijdde. We schromen, als we het naderen, om de
+gedachte uit te spreken, doch ze laat zich niet terugdringen: dit
+kunstgewrocht is het afscheidslicht, dat eene ondergaande zon nog gaf.
+Eene ontzaglijke ziel spreekt hier haar laatste woord. En ook _dit_
+laatste woord is een raadsel, is hetzelfde raadsel, wat de avondzon weet
+voor te leggen. Ook hier heeft elk ding zijn eigen kleur, zijn eigen
+verf, zijn eigen kleurvermengingen; maar tegelijk straalt ook hier elk
+ding eenen rossigen gloed uit, eene tint, die nergens aan te wijzen, en
+toch overal te vinden is; die op geen voorwerp ontbreekt, en toch op
+alles de natuurlijke kleuren handhaaft. We _zien_ het roode licht niet,
+we _ondergaan_ het. Overal kunnen we aanwijzen zuiver bruin, zuiver wit,
+zuiver zwart, en overal toch voelen we het uitstralende rood, dat
+nergens is, dan alleen in het kleed, dat over de schuine tafel gespreid
+ligt.
+
+Het grijpt ons aan, als we bedenken, dat de zon, na al haar schoone
+licht, eindelijk tot het avondrood komt, en dan niets schooners meer
+geven kan. Dan moet ze ondergaan. Ze heeft het schoonste bereikt. En
+Rembrandt is het eveneens gegaan!
+
+Zijn gansche leven is geweest: grooter en grooter worden. We zagen het
+bij de twee Opwekkingen, we zagen het bij de Anatomische les en het
+Korporaalschap, we ontdekken het nogmaals bij de Staalmeesters, twintig
+jaren later gemaakt, in den levensavond van den kunstenaar.
+
+Hij begint groot in 1632. Steeds wast hij, en meenen wij, dat het
+hoogste bereikt is; maar steeds overtreft hij weer, wat hij te voren
+maakte. Elk stuk vinden we onovertroffen, tot hij zelf een nieuw
+meesterwerk schept, en ons de oogen opent voor de tekortkomingen van het
+voorgaande. En wat hij op het eind van zijn leven te zien geeft, is niet
+alleen weer beter, dan wat vooraf ging; het lijdt aan geene gebreken
+meer, het bereikt alles, wat bereikt wou worden. Wat de schilder wilde,
+gelukte; en er is niets groots, dat hij vergeten heeft te willen.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+VERGELIJKINGEN.
+
+
+Omdat we ons met een zwart prentje moeten vergenoegen, zullen we bij de
+beschouwing de kleurhoedanigheden laten rusten, dat wil dus zeggen, het
+wonderlijkste wat er aan de Staalmeesters is op te merken. Toch is
+vooral aan het tafelkleed wel iets te zien van de kleurenpracht. Daarin
+zit, zelfs in onzen zwarten afdruk, nog eene mengeling van al den
+vervenrijkdom, dien we ons in een weelderig weefsel kunnen denken, en
+van al de tintelingen, die het licht daarop kan doen ontstaan. Groote
+vlakken van zachte belichtingen en zachte verdonkeringen wisselen met
+elkaar af. Daardoor heen zien we breede, horizontale kleurbanden gaan,
+en door deze weer lichtricheltjes van onder naar boven, of reeksen
+lichtnoppen van rechts naar links. Het gedeelte, dat links om de tafel
+heen hoekt, geeft op andere wijze, zonder mengeling, de kleurfiguren te
+zien, die de wever door zoo'n kleed weet heen te werken.
+
+Vergelijk hiermee nu de lap stof, die op de plaat "Evertsen in de Staten
+van Zeeland" over de tafel ligt. Droog en dor geeft hier de grijze kleur
+aan wat schaduw is. Rembrandts kleed gloeit van warmte, van innerlijke
+kleurenpracht, van Oosterschen tapijtenrijkdom; het andere is koud en
+mat, arm van weefsel en arm van kleur.
+
+[Illustration: De Staalmeesters.]
+
+Voor het overige moeten we van kleurbeschouwing afzien, en ons
+voornemen, om in het Rijksmuseum de schade in te halen.
+
+Wat er van de Staalmeesters in een zwarten afdruk overblijft, is echter
+niet zoo gering, of het zal ons duidelijk worden, dat we hier te doen
+hebben met een onsterfelijk gedenkteeken. Het spreekt nog meer van
+Rembrandts grootheid dan wat voorafgegaan is, meer dan het
+Korporaalschap of eenig ander kunstwerk.
+
+[Illustration: Evertsen en de Staten van Zeeland.]
+
+We beginnen niet, met naar zeldzame eigenschappen te zoeken. Juist in
+de afwezigheid hiervan schuilt eene verdienste. Stel maar naast elkaar
+het "Gezelschap op het Muiderslot" en de "Staalmeesters". Beide
+vertoonen een groepje burgermenschen uit de 17^{de} eeuw, uit 1619 en
+uit 1661. Het verschil in kleeding en kapsel duidt wel een verschillend
+tijdperk aan. Wat uit 1619 dagteekent, staat in dit opzicht dichter bij
+de Anatomische les, terwijl de figuren uit 1661 ons bekend voorkomen,
+wegens de overeenkomst met Jan de Wit, het portret op
+Levensverzekerings-en Spoorboekjes.
+
+Beide gezelschappen bevinden zich binnenshuis, dus in eene omgeving, die
+we een interieur zullen noemen. Bij dit interieur bepalen we het eerst
+onze aandacht. Op het Muiderslot valt het daglicht binnen door een
+venster, dat we ter linker zijde kunnen zien. Het vergunt ons, om
+buitenlicht naast kamer-of binnenlicht te stellen, want bij het venster
+is een stukje witte muur. Tusschen dit wit en het wit van de
+vensteropening bevinden zich een viertal schaduwstrooken, die we met een
+potlood of een reepje papier kunnen bedekken. Dan merken we op, dat
+beide witte strooken gelijk zijn, misschien wint de muur het van het
+buitenlicht nog in helderheid. Wie nu in het eerste het beste vertrek
+even eene vergelijking maakt tusschen het een en het ander, zal
+opmerken, dat de verhouding juist andersom moet zijn. Al is een
+binnenmuur in het licht gezet, hij moet toch voor het zonlicht, dat de
+buitenwereld beschijnt, onderdoen in helderheid. Een geschilderd
+interieur mag hiervan niet afwijken, of het is geen interieur meer.
+
+Op den vloer spreekt de fout nog sterker. Ver in de kamer, tot onder den
+stoel van den ouden heer, die met zijnen rug naar de tafel zit, is het
+licht krachtiger dan buiten de openstaande deur. Hem voorbij merken we
+hetzelfde op aan enkele voorwerpen: aan het tafellaken, het doekje, dat
+de dienstbode op den rug hangt, het zijmuurtje links van den
+schoorsteen, zelfs aan eene versiering tegen den schoorsteen.
+
+Ondanks deze gebreken zeggen we toch, dat de plaat een interieur
+voorstelt, omdat we een venster, een deur, een binnenmuur en
+kamermeubelen zien; die doen ons besluiten: het moet een binnenhuis
+wezen. Maar eerlijk gezegd: het _is_ er geen. Hoe het moest zijn om er
+een te wezen, leert ons het stuk van Rembrandt. Alles is hier in eene
+matte, grijze tint gezet, die overal doet gevoelen, dat we ons
+binnenshuis bevinden. Wanneer eene vensteropening werd aangebracht, zou
+daardoor het daglicht kunnen vallen in eene helderheid, die sterk afstak
+bij de verlichting van de muurgedeelten op den achtergrond.
+
+Dit muurtje met het schoorsteentje vinden we bijna in dezelfde gedaante
+op het Muiderslot terug. We kunnen in het voorbijgaan deze twee
+onderdeelen naast elkaar stellen. Beide bestaan uit houtbetimmering en
+gepleisterd metselwerk. Op het Muiderslot is het eerste erg donker, het
+laatste, zooals we reeds opmerkten, veel te licht van kleur. Wie door de
+oogharen naar de betimmering kijkt, kan den gepleisterden muur best voor
+een stuk lucht houden, dat heel in de verte achter het beschot oprijst.
+Er is geen samenhang tusschen de twee. De teekenaar was bang, dat we
+geen steen van hout zouden onderscheiden en maakte de verschillen veel
+te duidelijk. De achterwand valt uit elkaar. Ook schijnt hij zich heel
+ver achter het schilderijtje boven de kast te bevinden.
+
+[Illustration: Muiderkring.]
+
+Achter de heeren Staalmeesters zien we hout en steen in bijna dezelfde
+tint. Het verschil is gering. Toch ontgaat ons het stoffelijk
+onderscheid niet; er zijn kleinigheden, die daarvoor zorg dragen. Let
+maar eens op de kantlijn, waar de voor-en zijkant van den
+schoorsteenmuur elkaar ontmoeten; op het Muiderslot is die lijn langs
+een liniaal getrokken; het is een pracht van een rechte lijn. Bij
+Rembrandt helt ze ten eersten een weinig naar rechts; en dat is
+verklaarbaar. Zoo'n oud stuk gemetselde schoorsteen rijst gewoonlijk
+niet loodrecht omhoog. Ten tweeden is ze heel fijn met korrels
+afgebrokkeld; ook dit is voor een gepleisterden muur heel juist, en meer
+waarschijnlijk dan de ongeschonden liniaallijn op den Muiderslotschen
+schoorsteen. Ten derden is het niet een _zwart_-getrokken lijn, maar
+juist het tegenovergestelde, een lichtkantje. Ook dit beantwoordt aan de
+werkelijkheid. Alleen dit kantlijntje zou reeds duidelijk genoeg zeggen,
+dat het bovenste deel van den achterwand gepleisterde steen is.
+
+Door acht te geven op dat, wat in het Muiderslot ontbreekt, worden we
+gewaar, wat eene goede eigenschap is van de "Staalmeesters". Het is een
+interieur. We zeggen niet: "het _moet_ er wel een wezen"; het _is_ er
+een.
+
+Het interieur is echter maar achtergrond en bijzaak; de figuren zijn
+hoofdzaak. We tellen er zes, den bediende meegerekend. Na hetgeen we
+opmerkten bij de vergelijking van Anatomische les en Korporaalschap, zal
+het al dadelijk de aandacht trekken, dat Rembrandt afgezien heeft van
+middelen om te groepeeren, zooals hij in 1642 nog noodig vond. Voegde
+hij de leden van het Korporaalschap nog zóó samen, dat de schilderij er
+uitzag, alsof ze eene beroemde gebeurtenis voorstelde, de Staalmeesters
+kruipen maar heel gewoon bij elkaar, zooals ze dagelijks in hun beroep
+bij elkaar zitten. Het stuk stelt niets voor. Het is een portretstuk,
+zonder meer. Een kunstgreep, zooals het cadaver op de Les, anno 1632,
+trok den schilder na dertig jaren niet meer aan; zelfs het kunstmatig
+bijeenvoegen niet meer, gelijk het stuk uit 1642 te zien geeft. Van al
+het gekunstelde, komedie-achtige, dat zijne vroegere werken kenmerkte,
+en dat men toen schoon vond en thans nog schoon vindt, omdat het zoo
+volmaakt van kunst is, van dat alles is hij terug gekomen. Op zijn
+leeftijd is de arbeid geen spel met wondertooneelen. Hij zet heel
+gewoon, zonder ophef, de figuren naast elkaar op eene rij. Behoudens
+kleine afwijkingen, die zijn smaak hem ingaf: nommer twee van links af
+moest even oprijzen, om de eentonigheid van eene vijfkoppige rechte lijn
+te breken; de bediende mocht wel post vatten tusschen twee der heeren
+midden op het doek, maar hij kreeg zijne plaats toch iets dichter bij
+den een dan bij den ander, en deed met zijn gezicht dus geen
+regelmatigen driehoek ontstaan. Staalmeester nommer twee, van rechts af,
+werd met half afgewend bovenlijf neergezet, om niet twee gelijkvormige
+schouders, hoeden en witte kragen naast elkaar midden op het doek te
+krijgen.
+
+Dit zijn kleine schikkingen, die bijna toevalligheden lijken; als vijf
+menschen ordeliik om eene tafel geschaard zitten, zal men juist
+dergelijke afwijkingen opmerken. Ze houden het midden tusschen stijfheid
+en gezochtheid.
+
+Hoe eerlijk en eenvoudig de schilder er naar streefde, om niets anders
+te maken, dan portretten, blijkt ook uit het spel der handen. Op de
+"les" zoowel als op het schutterstuk is dit een ding van belang. Het
+spreekgebaar van Dr. Tulp, de wijze hoe hij zijne mededeelingen over de
+spierbeweging toelicht, trekt sterk de aandacht. De handen zijn vrij in
+de ruimte gezet, tegen een donkeren achtergrond, en ze hebben voor het
+geheele stuk eene groote beteekenis, gelijk we boven reeds zagen. Ook
+die van Frans Banning Kok zijn in 't oog loopend op den voorgrond
+gebracht. Rembrandt schepte er behagen in, om te laten zien, wat hij met
+handen kon. Maar in 1661 zal hij gemeend hebben, dat het zien van een
+portret een te ernstig werk is, om daarbij afgeleid te worden door
+bijzaken. Toch zou het wegmoffelen van de handen ook eene fout geweest
+zijn. Immers, als we een groepje menschen, dat rond eene tafel zit,
+opnemen, zonder dat zij het bemerken, dan zien we wel in het eerste
+oogenblik de gezichten, maar het kan toch zijn, dat we in de tweede
+plaats ook toevallig naar de handen zien. Daarom gaf hij ze wel aan
+zijne figuren, maar zoo, dat we ze slechts terloops en eerst _na_ de
+gezichten ontwaren; hetzij dan versmald gezien, als bij nommer een,
+hetzij in de schaduw gezet, als bij nommer twee, hetzij in de
+onmiddellijke nabijheid van den tafelrand en het boek, zoodat ze hiermee
+als het ware één geheel uitmaken, en niet als afgezonderde lichtplekken
+tegen den achtergrond vrij in de ruimte staan. Echter wist hij ook met
+terzijde geschoven handen nog gedachten uit te drukken: let maar eens
+op, hoe juist de rechter van den middelsten sinjeur ons zegt: "maar het
+staat hier toch!" Het kloppen met den rug van de vingers op de bladen
+van het boek kan niet anders beteekenen. De houding van het hoofd en de
+gelaatsuitdrukking bevestigen het.
+
+Eene sterk sprekende eigenschap van Rembrandt op dezen leeftijd is dus,
+dat hij zich beperkt. In jonger jaren groeide zijne kunstdrift als een
+welig gewas met ver-uitschietende, bloemdragende loten. Nu snoeit hij;
+alles wat weg kan, gaat weg; de verzonnen tooneelen zijn het spel der
+handen gevolgd. Slaan we nogmaals een blik op de "Les" naast de
+"Staalmeesters", dan valt ons ook in de gezichten iets op. Op het eene
+trekken de blanke, hooge en breede voorhoofden, de in verlichte
+vleeschkleur geschilderde wangen, en op het andere de oogen, de neuzen
+en de monden de aandacht. Is het niet, alsof de geneesheeren uit 1632
+allemaal toevallig kleiner van oogenbouw waren, fijner van neus en mond,
+maar hooger van voorhoofd en opzichtiger van wang, dan de staalwaardijns
+uit 1661? Dezen schijnen groffer van maaksel te zijn geweest dan genen.
+De zaak is, dat de schilder in zijn eerste jaren veel aandacht schonk
+aan de vleeschkleuren, de vleeschpartijen, zooals men dat noemt. Hoe
+ouder hij werd, hoe meer hij er echter naar streefde, niets dan het
+leven en de ziel uit te drukken. Deze las hij meer in oogen, mond en
+neus dan in de schilderachtige licht-en kleurverschijnselen van het
+gezichtsvleesch of in den bouw van het gelaat. Onwillekeurig bracht hij
+ze tot meerdere uitdrukking, met het gevolg, dat wij ze eerder opmerken.
+Treffend is het in dit opzicht, dat hij voor de gelijkenis van de
+geneesheerlijke koppen alle voorhoofden noodig achtte, en ze ieder met
+zijne eigenaardigheden schilderde, terwijl hij ze bij de staalmeesters,
+op eene enkele uitzondering na, onder de hoeden wegstopte, als niet
+terzake dienende. Met de baardjes en kneveltjes kon hij dit moeilijk
+doen; maar toch worden ook deze minder op den voorgrond gebracht dan in
+1631.
+
+Van knevels en baarden gesproken, het prentje "Evertsen voor de Staten
+van Zeeland", eene historieplaat van een negentiendeeuwschen teekenaar,
+geeft figuren uit hetzelfde tijdvak als Rembrandts Staalmeesters. Ze
+zijn alle voorzien van snorren en puntbaarden, vervaardigd naar een
+zelfde model, in dezelfde punt gedraaid, van dezelfde dikte, in
+denzelfden gebogen vorm. Het lijken gehuurde tooneelsikjes en
+tooneelknevels, die de heeren vòòr gedaan hebben, om er kranig uit te
+zien. Naast zulke zaken erkennen we eerst recht, hoe bij Rembrandt elk
+ding tot juistheid komt. Wat geven zijn kort afgeknipte smalle
+haarlijntjes op de verschillende bovenlippen een heel ander denkbeeld
+van de mode anno 1660. Zòò moet het er uitgezien hebben; de valsche
+spullen van de heeren Staten zijn eene bespotting.
+
+In den loop der jaren heeft alzoo Rembrandt ook het groote snoeimes
+gezet in zijne neigingen bij het schilderen van koppen. Hij beperkte
+zich hoe langer hoe meer tot datgene, wat het wezenlijke is, wat het
+leven weergeeft. Dat, wat hij vroeger mooi vond, en wat hem daarom
+aantrok, liet hij weg, als het voor het eigenlijke doel niet diende. In
+1632 stonden al de koppen, ofschoon kunstig bijeengeschikt, als
+afzonderlijke portretten tegen een donkeren grond; in 1661 steken ze zoo
+blank en rond niet af, maar worden in het interieur opgenomen. Dat de
+Staalmeesters een portret is, wordt in het geheel niet
+verbloemd--immers, het heeft niet den schijn van eene gebeurtenis. De
+Les doet wel, alsof ze een voorval is, en toch denken we dadelijk: die
+heeren zijn uitgeportretteerd.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+WAT PORTRETTEN BIJEENVOEGT.
+
+
+De Staalmeesters staan of zitten voor ons, alsof we hen in het
+werkelijke leven onverwachts overvielen. De schilder heeft hen zoo weten
+te treffen, dat we niet zeggen: kijk, die zijn er voor gaan zitten om er
+goed op te komen. En toch zijn ze dat juist wel. Zelfs vestigen vijf van
+de zes hun blik op den kunstenaar. Maar zooals ze naar hem--en omdat wij
+in zijne plaats nu staan-naar ons kijken, wekt het de gedachte: ze zien
+naar iemand, die binnenkomt. En dit is iets anders dan: ze zien naar den
+man, die hen uitteekent. Het verschil is fijn gevoeld. Door Rembrandt is
+deze indruk vastgehouden: alle heeren keken op, toen ik binnenkwam, en
+schenen te vragen: wie is _dat_ nu? Hij bearbeidde hen, niet zooals hij
+ze voor zich zag zitten, wanneer ze één voor één in zijne werkplaats
+kwamen om te poseeren; maar met datgene op de gezichten, wat hij
+eventjes had waargenomen, toen hij voor 't eerst binnenkwam. Hij
+schilderde hen met in achtneming van eene lichte verwondering, van eenen
+vragenden trek op het gelaat. Dit was eene natuurlijke, ongemaakte
+uiting, doordat alle tegelijk iets vreemds hoorden en het hoofd naar den
+kant draaiden, vanwaar het geluid kwam. Eene uiting van leven, die door
+de personen niet eerst overdacht is; zonder overleg kwam dit zoo op
+hunne gezichten; ze hadden zelfs den tijd niet, om een slimmer of een
+opgewekter gezicht te zetten, dan hun van nature eigen was. Nommer een
+van rechts af is bijvoorbeeld niet een van de snuggersten geweest.
+Rembrandt doorzag dit met den eersten oogopslag: in de hoog opgetrokken
+wenkbrauwen, in de dikke oogleden, de slaperige oogjes, de
+vooruitstekende bovenlip voelde hij het. Daarnaast zit een, die van de
+natuur geen welgemaakt gezicht heeft meegekregen: het is wat te lang en
+te smal, de lippen zijn te dik. Maar hij behoort tot de lieden, die
+ondanks hun uiterlijk, een ieder aantrekken door iets prettigs en iets
+vriendelijks in de oogen en om den mond. De middelste van de vijf had
+juist het woord, en liet zich in zijn betoog door Rembrandt's
+binnenkomen niet storen. De volgende rees overeind, misschien om ter
+meerdere klaarheid er een ander boek bij te halen; aan den draai van
+zijn hoofd zien we, dat zijn opstaan met de komst van den schilder
+_niet_ in verband staat; hij stond al, en heeft, ondanks den blik op den
+binnenkomende, _andere dingen in het hoofd_. Dit vooral is duidelijk aan
+hem te zien.
+
+Om kort te gaan: de gelaatsuitdrukkingen zijn overvallen; niet bij een,
+maar bij allemaal. De verrassing is de levenstinteling die allen eigen
+is. Neem er één figuur uit, aan die verrassing is merkbaar, dat hij bij
+de anderen op dit portretstuk thuis behoort. Bij geen van de zes stijgt
+de uiting tot verbazing, bij geen heeft ze den schijn van
+onverschilligheid. Ze is bij allen even sterk; we voelen zoo heelemaal,
+dat allen onder denzelfden indruk even opzien; dat ze als een groep, die
+bijeenzat, door Rembrandt zijn opgemerkt. Wat hen vereenigt, is geen
+vertooninkje van eene les of van eenen optocht, maar _eenzelfde
+gemoedstoestand_; ze doorleven eene zelfde, gelijke gewaarwording. En
+dat maakt hen één. Niet eene vreeselijke ontsteltenis, eene groote
+angst, eene woeste drift; die zouden te veel ophef hebben gemaakt. Het
+blijft bij eene nauwelijks merkbare aandoening. Iets als een zacht
+rimpeltje, dat bij windzucht even over al de watervlakjes van een plasje
+loopt. Zoo ondergaan ook de bloemen in de wei alle gelijkelijk het
+voorbijgaan van een avondwindje.
+
+De schilder zelf is het middelpunt van aller opmerkzaamheid. We kunnen
+ons hunne verrassing best voorstellen, toen hij binnenkwam. Zijn roem
+was reeds lang gevestigd; ze vonden het streelend, dat de groote
+Rembrandt in hun midden verscheen. Bij voorbaat zijn ze in opgewekte
+stemming over hun afbeeldsel, dat natuurlijk wel slagen zal, en dat
+misschien een beroemd stuk kan worden. Deze gewoon menschelijke
+gedachtetjes spreken uit hunne trekken. De schilder heeft dat allemaal
+door en door echt in hen voelen leven. Hij maakte geene _figuren_ van
+hen, hij bracht ze _zelf_ op het doek; het was geen namaak, geen
+afbeelden; het was de aandoening, het denken, het verrast worden, het
+zich prettig gevoelen zelf, wat hij gaf.
+
+Daar dit bij twee menschen nooit precies hetzelfde is, al lijken ze
+uiterlijk nog zooveel op elkaar, wordt de verscheidenheid van gezichten
+ook grooter, naarmate dat innerlijke sterker spreekt. We zien het hier.
+Er is uiterlijk zeer veel gelijkenis tusschen sommigen, en in kleeding
+tusschen alle. Maar ieder denkt er zijn eigen van, als Rembrandt
+binnenkomt; en dat zet hen allen ver uiteen, als zeer onderscheiden en
+heelemaal verschillende menschen. Wij krijgen den indruk, dat dit geene
+figuren, geene afbeeldsels zijn, maar wezens, die bestaan. We worden
+door al de oogen, door al de verschillende manieren van oogopslag zoo
+aangetrokken, dat we op het gelijke in kapsel, hoed, kraag, kleeding en
+houding nauwelijks letten. In den oogopslag zit hier een belangrijk deel
+van de portretten. Daarin voelen we, dat de heeren zoo even nog met
+neergeslagen oogleden naar de tafel, naar het boek of naar elkaar zaten
+te kijken; door het binnenkomen worden de blikken opgeslagen; is het
+niet, alsof we deze beweging er in voelen? En geeft de schilder niet bij
+ieder afzonderlijk iets aparts in die beweging? Bij alle verschilt de
+teekening van het opgeslagen ooglid, en bij ieder is het optrekken van
+de wenkbrauwen weer anders dan bij de overigen.
+
+Als we al de monden langs zien, merken we ook hierin de verscheidenheid.
+Wat is die bij den bediende dun van lippen en heel anders dan bij den
+sinjeur, achter wiens rug hij staat. En zie daarbij nu weer eens nummer
+een van rechts af, hoe die de onderlip achteruittrekt en de bovenlip
+iets vooruitsteekt.
+
+Deze deelen van het gelaat dragen wezenlijk veel meer de uiting van
+karakter en leven, dan de vleeschpartijen, die Rembrandt in vroeger
+jaren op den voorgrond bracht. Hij is dus sedert het Korporaalschap,
+ofschoon dit een meesterstuk was, steeds hooger gestegen. Alles wat naar
+komediespel geleek, liet hij varen; wat het zieleleven van zijne figuren
+sterker kon uitdrukken, greep hij als hoofdzaak aan.
+
+Naar het uitwendige werd hij eenvoudiger, naar het innerlijke forscher
+en grooter. Bedenken we nog bovendien, welke wondere lichtspeling en
+kleurverlichting het oorspronkelijke stuk der Staalmeesters den
+beschouwer te zien geeft, dan kunnen we gerust zeggen, dat Rembrandt aan
+het eind van zijn leven een onovertroffen schilder was. Hij had groote
+voorgangers gehad; en onder deze voorgangers was hij zelf in jonger
+jaren een groot kunstenaar geweest. Doch hij eindigde zijne loopbaan als
+een, die hooger staat dan allen, ook hooger dan hij zelf eertijds stond.
+
+In den jare 1669 overleed hij. Op welken dag weet men niet. Den 8^{sten}
+October werd hij ter aarde besteld. Voor _f_ 15 werd hem een graf
+gegraven in de Westerkerk te Amsterdam. Het bespelen van het carillon
+was in dien prijs begrepen. Wie het graven van een graf met f15 kon
+betalen, behoorde tot den gegoeden stand. Dit stelt ons gerust omtrent
+de geldelijke omstandigheden, waarin hij in de laatste jaren verkeerd
+had; we behoeven niet te gelooven, wat meermalen beweerd wordt, dat hij
+arm gestorven is. En zijn leven is rijk geweest, rijk aan genot. Hij
+heeft vele menschen en vele dingen gekend en begrepen. Kennen en
+begrijpen is genot.
+
+Als wij ernstig trachten zijne werken te kennen en te begrijpen, zullen
+we deel hebben in de erfenis die hij naliet: genot van te zien en te
+begrijpen. De erfenis is groot genoeg voor een geheel volk: wie zich de
+moeite geeft om te willen, kan mede-erfgenaam worden.
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11286 ***