summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--11286-0.txt3364
-rw-r--r--11286-h/11286-h.htm3282
-rw-r--r--11286-h/images/asselijnmet.pngbin0 -> 94158 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/asselijnzonder.pngbin0 -> 78926 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/betaalmeester.pngbin0 -> 293284 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/deruyterenzeger.pngbin0 -> 149535 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/evertsen.pngbin0 -> 209265 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/groepuitdenachtwacht.pngbin0 -> 351857 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/groepuitsimeon.pngbin0 -> 310754 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/intochtinjeruzalem.pngbin0 -> 253206 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/latereopwekking.pngbin0 -> 329791 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/molen.pngbin0 -> 284481 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/muiderkring.pngbin0 -> 253203 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/nachtwacht.pngbin0 -> 257947 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/ontleedkundigeles.pngbin0 -> 268073 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/opwekkingvanlazarus.pngbin0 -> 287170 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/portretvansaskia.pngbin0 -> 330169 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/scheepsbouwmeester.pngbin0 -> 210774 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/simeonindentempel.pngbin0 -> 251787 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/staalmeesters.pngbin0 -> 323902 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/titusvanrijn.pngbin0 -> 116406 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/vrouwtjebas.pngbin0 -> 269320 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/11286-0.txt3365
-rw-r--r--old/11286-h/11286-h.htm3282
-rw-r--r--old/11286-h/images/asselijnmet.pngbin0 -> 94158 bytes
-rw-r--r--old/11286-h/images/asselijnzonder.pngbin0 -> 78926 bytes
-rw-r--r--old/11286-h/images/betaalmeester.pngbin0 -> 293284 bytes
-rw-r--r--old/11286-h/images/deruyterenzeger.pngbin0 -> 149535 bytes
-rw-r--r--old/11286-h/images/evertsen.pngbin0 -> 209265 bytes
-rw-r--r--old/11286-h/images/groepuitdenachtwacht.pngbin0 -> 351857 bytes
-rw-r--r--old/11286-h/images/groepuitsimeon.pngbin0 -> 310754 bytes
-rw-r--r--old/11286-h/images/intochtinjeruzalem.pngbin0 -> 253206 bytes
-rw-r--r--old/11286-h/images/latereopwekking.pngbin0 -> 329791 bytes
-rw-r--r--old/11286-h/images/molen.pngbin0 -> 284481 bytes
-rw-r--r--old/11286-h/images/muiderkring.pngbin0 -> 253203 bytes
-rw-r--r--old/11286-h/images/nachtwacht.pngbin0 -> 257947 bytes
-rw-r--r--old/11286-h/images/ontleedkundigeles.pngbin0 -> 268073 bytes
-rw-r--r--old/11286-h/images/opwekkingvanlazarus.pngbin0 -> 287170 bytes
-rw-r--r--old/11286-h/images/portretvansaskia.pngbin0 -> 330169 bytes
-rw-r--r--old/11286-h/images/scheepsbouwmeester.pngbin0 -> 210774 bytes
-rw-r--r--old/11286-h/images/simeonindentempel.pngbin0 -> 251787 bytes
-rw-r--r--old/11286-h/images/staalmeesters.pngbin0 -> 323902 bytes
-rw-r--r--old/11286-h/images/titusvanrijn.pngbin0 -> 116406 bytes
-rw-r--r--old/11286-h/images/vrouwtjebas.pngbin0 -> 269320 bytes
47 files changed, 13309 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/11286-0.txt b/11286-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..16c2ce4
--- /dev/null
+++ b/11286-0.txt
@@ -0,0 +1,3364 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11286 ***
+MEESTERSTUKKEN
+
+VAN
+
+REMBRANDT HARMENSZ. VAN RIJN.
+
+LEESBOEK VOOR HET LAGER EN VOORTGEZET ONDERWIJS
+
+DOOR
+
+G. KIELDER,
+
+HOOFD EENER SCHOOL TE 'S-GRAVENHAGE.
+
+AMSTERDAM.--1906.
+
+
+
+
+VOORBERICHT.
+
+
+_Nu dit boekje juist in het Rembrandtjaar verschijnt, zal men het
+allicht indeelen bij de huldebetoogingen. Toch wil het daartoe niet
+gerekend worden. Onze leerlingen geven dikwijls blijk, dat ze met
+welgevallen luisteren naar of lezen over kunst; het is deze
+belangstelling, die de schrijver heeft willen voeden en ontwikkelen. Men
+zal bij de kennismaking den opvoedenden ondergrond van de stof der
+besprekingen wel opmerken.
+
+Dat de onderwerpen ontleend werden aan de werken van Rembrandt, behoeft
+niet te bevreemden: deze schilder is voor de kunst en voor het
+kunstgevoel een geweldig opvoeder geweest, ook en vooral omdat hij sterk
+persoonlijk was in alles, wat van hem uitging.
+
+Het was onvermijdelijk, dat de bespreking van portretten hier en daar
+het karakter aannam van eene historische uiteenzetting; ze stellen ons
+immers voor oogen het geslacht, te midden waarvan Rembrandt leefde, een
+geslacht dat historisch is geworden. Dat we het zien juist door het oog
+van een psycholoog, is vast geen nadeel!
+
+De schrijver mag wel hopen, dat de menschen, die van kunst hun beroep
+maken, hem niet te hard vallen over de vrijmoedigheid, waarmee hij zijne
+laag-bij-den-grondsche inzichten ten beste geeft; hij heeft maar ééne
+verontschuldiging: dat van hen nog niemand iets gedaan heeft voor de
+aesthetische opvoeding van het opkomend geslacht. Het zij gezegd zonder
+miskenning van de verdiensten van den Heer H. P. Bremmer, die reeds
+jaren lang in de weer is, om onderwijzers voor deze taak op te leiden.
+Bij dezen aan hem een woord van dank voor de beschikking over zijne
+vermaarde prentenverzameling.
+
+Voor den gebruiker een wenk: bespreek elk plaatje, vóórdat de tekst
+gelezen wordt; als bij het lezen plaat en tekst in het boekje niet
+tegenover elkaar staan, laat dan een van de twee boekjes op eenzelfde
+bank bij de plaat open liggen. Open staan is nog beter._ Den Haag
+1906. G. KIELDER.
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+WAT GEEN HOOFDZAAK IS
+DE OPWEKKING VAn LAZARUS
+EENE LATERE OPWEKKING
+HISTORISCHE GEGEVENS
+REMBRANDT LANDSCHAPSCHILDER
+VROUWE SASKIA
+KLEINE TITUS
+ACTIE
+MISLEIDE AANDACHT
+AANRAKING MET HISTORISCHE PERSONEN
+MEER DAN PORTRET
+GEËTSTE PRENTEN
+VROUWTJE BAS VAN 'T RIJKSMUSEUM
+KUNST VAN GROEPEEREN
+VERVOLG VAN 'T KORPORAALSCHAP
+SIMEON IN DEN TEMPEL
+EENE ONDERGAANDE ZON
+VERGELIJKINGEN
+WAT PORTRETTEN BIJEENVOEGT
+
+
+
+
+WAT GEEN HOOFDZAAK IS.
+
+
+Vele eeuwen geleden leefde in Griekenland een schilder, van wien men de
+ongeloofelijkste dingen verhaalt, en wiens naam bij het nageslacht is
+blijven voortleven als die van een der grootste kunstenaars. Zeuxis, zoo
+heette hij, wist niet slechts de menschen, maar ook de dieren met de
+voortbrengselen van zijn penseel in verrukking te brengen. Dit blijkt
+uit het volgende.
+
+Hij schilderde eens een vruchtenstuk; in bevallige wanorde lagen bessen,
+druiven, noten en appelen door elkander, met hier en daar een groen blad
+er tusschen. Ieder, die het zag, stond verbaasd over de juistheid,
+waarmee elk onderdeel bewerkt was. En kijk, toen de toeschouwers zich
+verwijderd hadden van de muurschildering, kwamen de vogelen toevliegen
+en pikten naar de druiven. Misleid door den schijn, hadden ze deze voor
+echt gehouden.
+
+Een verhaal, dat er gaat van een paardenstuk, komt hier vrij wel mee
+overeen. Dit gaf de afbeelding van een paard te zien, en zoo
+bedriegelijk juist, dat het vurig strijdros van Alexander den Groote,
+toen het voor de schilderij werd gebracht, aan de teugels rukte en tegen
+zijn gewaanden natuurgenoot begon te hinneken.
+
+We hebben hier het oordeel van redelooze dieren over kunst van menschen.
+Het volk kende daar eene zekere waarde aan toe; het oordeelde zoo: "wie
+heeft beter kijk op paarden dan een paard, wie beter op vruchten dan
+een vogel? Als nu door dezen de gelijkenis in een schilderstuk wordt
+opgemerkt, moet ze wel bijzonder juist wezen; geene goedkeuring van
+menschen kan voor den kunstenaar zoo vleiend zijn als die van dieren,
+mits deze met het onderwerp in betrekking staan."
+
+Er is nog een oud verhaal van een beroemd schilder.
+
+Apelles had eene menschelijke figuur geschilderd en stelde die ten toon,
+terwijl hij zelf in een verborgen hoekje naar het oordeel der
+beschouwers luisterde. Een schoenmaker kwam daar langs en bleef staan.
+Zijn blik rustte onderzoekend op de voeten, en hoorbaar mompelde hij
+voor zich heen: "Ze zijn te groot, wat zou je een leest moeten hebben,
+om daarvoor schoenen te maken."
+
+Appelles nam den wenk ter harte, en den volgenden dag had hij de
+gelaakte lichaamsdeelen iet of wat kleiner gemaakt.
+
+Weer kwam de schoenmaker voorbij. "Kijk", dacht hij, "Appelles heeft
+zijn fout ingezien en verbeterd. Jammer, dat hij nu ook in houding en
+gebaar niet wat meer de fierheid van eenen krijgsman heeft uitgedrukt."
+ Nu werd het den schilder te kras. Hij kwam te voorschijn en voegde den
+schoenmaker toe: "Over houding en gebaar zwijg je! Een schoenmaker
+blijve bij zijne leest."
+
+Met deze terechtwijzing is het volk het geheel eens geweest, zoo zeer,
+dat de uitdrukking in den vorm van een spreekwoord is blijven
+voortleven. De schoenmaker kreeg hetzelfde recht van meepraten als de
+vogel en het paard, een recht, dat aan iedereen stilzwijgend is
+toegekend: wie door zijn vak verstand heeft van het onderwerp, dat op
+een schilderstuk is voorgesteld, heeft bevoegdheid om een oordeel uit te
+spreken.
+
+Dit komt dus hierop neer, dat het stuk pas goed is, wanneer het de
+menschen voldoet, die als vaklui verstand hebben van de dingen, die er
+op staan. Bijgevolg heeft de beschouwer meer met de dingen dan met den
+kunstenaar te maken.
+
+Grooter dwaling dan deze opvatting is niet denkbaar. Bij elk kunstwerk
+is juist de persoon van den maker de hoofdzaak. Hij is het eenige,
+waarop men te letten, waaraan men te denken heeft. De vraag is niet, wat
+staat er van het ding of van de gebeurtenis op, maar waaruit bespeur ik
+den kunstenaar; wat zie ik er in, dat door hem alleen is gezien en
+gevoeld; dat ik nu ook wel zie en voel, doch alleen doordat _hij_ het
+mij zoo voorhoudt. Alles wat ik van te voren al wist van het ding of van
+de gebeurtenis, is op de schilderij bijzaak. Want het is kennis, die
+iedereen heeft. En de kunstenaar gaat niet in zijn werk op, om datgene
+te vertoonen, wat alle oogen wel zien en alle harten wel voelen. Hij is
+juist kunstenaar door iets, wat een ander ontbreekt, door
+gewaarwordingen, die een ander alleen door hem kan krijgen.
+
+Het onderwerp is maar onderwerp. Natuurlijk geeft het den beschouwer
+reden tot tevredenheid, als hij met het onderwerp niet in de war zit,
+als hij alles een naam kan geven en van alles de gedaante en den vorm
+herkent. Maar van meer belang is het, dat hij zich rekenschap geeft van
+datgene, wat niet het onderwerp, maar wat de kunstenaar laat zien. Het
+verwondert ons daarom van Apelles, dat hij zooveel aandacht schonk aan
+de opmerkingen van eenen schoenmaker over de voeten van zijne figuur.
+Eerder zou men verwacht hebben, dat hij luisterde, toen die een oordeel
+uitsprak over dingen, die buiten zijn vak en zijnen werkkring lagen.
+
+Bij het beschouwen van werk van Rembrandt zullen wij goed doen, als we
+deze onderscheiding in het oog houden: wat stelt het voor, en waaraan
+bespeur ik, dat een buitengewoon oog dit onderwerp bekeken heeft.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+DE OPWEKKING VAN LAZARUS.
+
+
+De eerste prent draagt tot onderschrift: "De opwekking van Lazarus."
+
+Op de vraag, _wat_ er op staat, vinden we in den Bijbel het antwoord, en
+wel in het Evangelie van Johannes, daarvan het elfde hoofdstuk.
+
+[Illustration: Opwekking van Lazarus.]
+
+Volgens dezen tekst moet de plaat te zien geven: den gestorven Lazarus,
+liggende in het graf, den Heer Jezus, de zusters, de vrienden en de
+discipelen staande daar rondom. Bovendien lezen we er, welke handeling
+ieder der aanwezigen verricht.
+
+_Hoe_ staat een en ander er nu op? Hoe zijn de figuren geteekend? Hoe
+wordt datgene voorgesteld, wat elk figuurtje, volgens den aangewezen
+tekst, moet verrichten? Laten we met Lazarus beginnen. Na hem komen de
+anderen wel aan de beurt.
+
+Is er in de teekening van deze lijntjes, streepjes en krabbels iets, dat
+we buitenwoon vinden, dat wij zelf niet in ons hoofd hadden, als
+Rembrandt het ons niet zoo vertoonde.
+
+De figuur van Lazarus is in blanke tint uitgebeeld; ook de steenwanden,
+waar hij tusschen ligt. Het is, alsof zijn lichaam in teerheid en
+witheid één geheel vormt met het gesteente, alsof hij reeds een
+bestanddeel vormt van den schoot der aarde, waaraan zijne bloedverwanten
+hem hebben toevertrouwd. Nauwelijks onderscheidt zich zijn gestrekt
+liggend lijf van de groeve; als mensch was hij uit stof gemaakt;
+gestorven zijnde, is zijn stoffelijk omhulsel oogenschijnlijk al bijna
+weer in het stof opgenomen. De blankheid van het gewaad is zoo ongerept
+gehouden, als maar mogelijk was. Al de aanduidingen van kreukjes en
+plooien, van vouwen en rimpels zijn uiterst teer geteekend om niet te
+veel zwart aan te brengen. Bijna ongemerkt loopt de lijn voort, die den
+steenwand op den voorgrond afscheidt van de figuur. Even ongemerkt zien
+we de linkerhand langs den anderen wand tastende zoeken naar steun. In
+lijnwaad gewikkeld, onderscheidt de arm zich bijna niet van het
+gesteente; toch krijgen we wel de gewaarwording, dat onder al de plooien
+van de stof dat lichaamsdeel zich beweegt, zich opheft en voortschuift.
+Zoo ook, dat onder het doodskleed het lijf zich opricht, zich kromt. In
+de richting van de voeten is alles nog rust; daar smelten, om zoo te
+zeggen, stof en stof nog in een. Maar het hoofd en de hals hebben zich
+reeds losgemaakt van den schoot der aarde. Daar zijn de afscheidingen
+door den teekenaar duidelijker gegeven; scherpe schaduwkanten loopen
+langs schouder en afhangend haar, terwijl voorhoofd, gelaat en
+linkerschouder in fijne blankheid afsteken tegen een hoekje donkeren
+rotswand. Waar het leven terugkeert, scheidt zich het lichaam het eerst
+en het duidelijkst af van de aarde. Door de oogharen bezien, zal het ook
+lijken, alsof het hoofd zich opbeurt uit den bodem, alsof het zich
+daarvan losmaakt.
+
+Zie, dit zijn geen dingen, die ieder lezer van het Evangelie van
+Johannes in zijne verbeelding ziet. Ook is het geen bewijs van
+buitengewone getrouwheid in het uitbeelden van een lichaam dat in een
+graf ligt; want in werkelijkneid zal er wel altijd juist eene scherpe
+tegenstelling zijn tusschen de reine, witte gewaden en de donkere
+aardkluiten of rotsmuren. Het is een wijze van zien, die ons
+rechtstreeks aan Rembrandt zelf doet denken. Alles _was_ niet zoo, en
+alles staat niet zoo te lezen in de Schrift; hij _zag_ het zoo. In deze
+manier om de grafligging te zien leeft hij voort. Sedert hij het zoo
+gewaar werd voor zijn geestesoog, zien wij het ook, maar alleen door
+hem.
+
+Aangrijpend is het, te zien, hoe op het gelaat zich het wederkeerende
+leven openbaart.
+
+Het oog, dat in de diepe oogkas ligt weggezonken, opent zich en ontvangt
+wel de eerste lichtstralen, maar besef heeft het niet. Wezenloos en
+smartelijk staart het voor zich uit, het ooglid is zwaar en loom en
+schijnt gereed om weer toe te vallen, gelijk het reeds voor eeuwig
+scheen toegevallen te zijn. Flauw en gebroken is even de oogappel
+aangegeven.
+
+De mond is maar niet zoo een zwart streepje of een vlekje; hij heeft,
+hoe klein ook van afmetingen, eenen bepaalden vorm, en eenen vorm, die
+iets uitdrukt. Is het niet de eerste ademtocht, die we hier zien?
+Stroomt niet de levenslucht naar binnen in ademhalingsruimten, die reeds
+bestemd waren om geen adem meer te bevatten, en die ook reeds afgeplat
+en naar binnen gebogen neerlagen. Pijnlijk volbrengt de mond deze eerste
+levensuiting, maar zonder bewustzijn, zonder besef.
+
+De wangen zijn mager en hoekig, de onderkaak scherp afgeteekend, de neus
+smal en ingevallen. Het oor zit maar nauwelijks nog aan het hoofd,
+zooals we dat bij zieken waarnemen, die langzaam wegteren. Ook het
+halsje draagt de sporen van lijden; diepe groeven en rimpels strekken
+zich uit van boven naar beneden, en bij de kaak, van links naar rechts.
+Te zwak is het, om het hoofd te dragen; terwijl dit zich opricht, helt
+het machteloos naar links over.
+
+Zoo bespeuren we in elk onderdeel van deze figuur de aandoening van den
+teekenaar. Het feit, dat geteekend moest worden, de opleving van iemand
+uit zijn graf, stond vast. Dat het vreeselijk moet zijn geweest, om deze
+gebeurtenis mee aan te zien, stond ook wel vast. Maar nu komt de
+kunstenaar en houdt er zich mee bezig. Hij voelt het vreeselijke zoo
+sterk, zoo overweldigend, dat het kleinste krabbeltje, wat hem uit de
+hand vloeit, nog uiting geeft aan dat gevoel. En wij, de beschouwers,
+komen daardoor tot de erkenning: alles op zoo'n gezicht moet dien indruk
+hebben gemaakt; bij zulke oogen zoo'n mond, zoo'n neus, zoo'n hals en
+zoo'n houding.
+
+Laten we de proef eens nemen, of het echt is, wat we opmerken. Door met
+een paar stukjes papier de overige deelen van de plaat te bedekken,
+houden we Lazarus alleen over en kunnen nu beoordeelen, of in hem
+uitgedrukt is, hoe het feit zich toegedragen heeft. We zien
+onmiskenbaar, dat het figuurtje, wat zich hier opricht, iets vreeselijks
+doormaakt; dat het maar niet iemand is, die in zoo'n groeve te slapen
+lag en zich nu opricht; dat de wezenloosheid op het gezicht niet de
+uitdrukking is van een half slapende of van een, die bijvoorbeeld onder
+den invloed van sterken drank is. Alles is zoo sterk van aandoening en
+grijpt zoo aan, dat alleen deze figuur voldoende zou zijn om de tekst
+uit het Evangelie van Johannes te illustreeren.
+
+Nu de figuur van Jezus. Zooals Hij daar staat, naast het geopende graf,
+is alles waardigheid en hoogheid aan Hem. We zien Hem als eene gestalte,
+wie langs den rug de mantel in ééne groote beweging tot den grond
+afhangt. In zoo'n rijzigheid stellen we ons gaarne voor, iemand, die als
+verrichter van groote dingen optreedt. De opgeheven linkerhand, ofschoon
+de vingers niet mooi zijn geteekend, begeleidt in grootsch gebaar de
+woorden: "Lazarus, kom uit!" Rustig en vol majesteit wacht Jezus de
+uitwerking af. Bij Hem geene verbazing, verrassing of ontzetting over de
+herrijzenis; bij Hem slechts verzekerdheid, dat nu gebeuren zal, wat Hij
+gebiedt.
+
+Eene groote tegenstelling is er tusschen dat rustige staan en de
+omringende aandoeningen. Om dit duidelijk te voelen, nemen we een stukje
+papier en leggen het zoo over de prent, dat de gestalte van Jezus aan
+ons oog onttrokken wordt.
+
+Het geheel is nu een druk tooneeltje geworden. De omstanders geven op
+eene in 't oog loopende wijze uiting aan hun gevoel. Ze herinneren ons
+aan voorvalletjes, die we langs straat en gracht wel eens waarnamen,
+bijvoorbeeld als er iemand in het water viel; dan waren de menschen ook
+verschrikt, je hoorde ze door elkaar gillen, hard wegloopen,
+achteruitdeinzen, om hulp roepen, de handen uitsteken en op andere
+manieren zich lawaaierig aanstellen. Zoo'n volksoploopje met druk
+gedraai van lijven en gewring van handen blijft er van de prent over,
+als we die eene figuur er uitnemen.
+
+En met deze figuur, is alles plechtig en grootsch. Het statige dringt
+het drukke gedoe van de omstanders op den achtergrond. We denken niet
+langer aan onbeduidende straattooneelen, maar we krijgen weer den indruk
+van eene testamentische, eene aartsvaderlijke geschiedenis. Het
+oploopje, dat zoo in het voorbijgaan even de menschen in beweging
+bracht, is eene gebeurtenis geworden voor alle tijden, eene bladzijde
+uit de boeken der eeuwen. We behoeven de bijbeltekst niet te kennen, om
+reeds bij den eersten blik te begrijpen, dat dit voorval iets bijzonders
+is, iets groots, iets dat invloed zal hebben op geslachten en
+nageslachten.
+
+Waaraan is dit anders toe te schrijven, dan aan de majesteit, de
+verhevenheid van de gestalte, die naast het graf van Lazarus staat!
+
+Toch spreekt uit de teekening ook eene verkeerde neiging van Rembrandt.
+Hij zet zijne figuur daar neer, alsof ze een tooneelheld is; met
+sierlijk gebaar wordt de eene hand in de zij gezet en de andere met wat
+erg veel vertooning omhoog geheven. Hij overdrijft het grootsche en
+maakt er eenigszins comediespel van. We mogen deze opmerking gerust
+maken; al is het onderwerp aan de Heilige Schrift ontleend, wij spreken
+niet daarover maar over den teekenaar.
+
+Zijn streven om het mooi te maken blijkt bijvoorbeeld heel duidelijk uit
+de plooien, waarin de rechterhand den mantel heeft opgenomen. De zeven
+bochten maken den indruk, dat ze in stevig metaal of karton zijn
+gebogen. Niet aangenaam is het, dat we een paar dergelijke plooien op
+den achtergrond aan den linker kant in eene groote draperie terugvinden.
+Het lijken wel oude bekenden uit gordijnenwerk van menschen, die onze
+kamers stoffeeren.
+
+De indruk, dien de opwekking van den gestorvene op de omstanders maakt,
+is in allerlei verscheidenheid weergegeven. Het liefste is ons het
+vrouwenfiguurtje rechts op den voorgrond. Het staat in schaduwgedaante
+voor het felle zonlicht, dat van buiten af in de groeve doordringt. Met
+spanning ziet het vrouwtje de levensverschijnselen op het doodengelaat
+terugkeeren. Doch met eene spanning, die ingehouden wordt. Het
+rechterhandje legt zich zelfbedwang op, om nog geen uiting te geven aan
+de vreugde, om nog af te wachten. Te groot is het wonder, te groot het
+geluk, om reeds te kunnen gelooven. Van innigheid en liefde getuigt deze
+ingehoudenheid, meer dan de uitgelaten gebaren der anderen. Ook de
+plaats, waar dit figuurtje zich bevindt, aan het voeteneinde van het
+graf, afgescheiden van de overigen, is iets aparts.
+
+Van de overige personen geeft ieder, op eigen wijs, in
+gelaatsuitdrukking of handgebaar uiting aan zijne gewaarwordingen.
+Schrik, ontsteltenis, verrukking, ongeloovigheid en afschuw, iedere
+aandoening vindt hare vertolking. Wantrouwen zelfs, en de nuchtere
+berekening, hoe dit verrichte wonder als een wapen tegen Jezus gebruikt
+zal kunnen worden.
+
+De verlichting, waaronder deze figuren zijn geplaatst, heeft eene
+grootsche werking. Het ongeoefend oog zal bij den eersten aanblik
+misschien den indruk krijgen, dat de kunstenaar groote vlakten in zijn
+werk wit heeft gelaten en dus nog niet heeft bearbeid, alsof de
+teekening onvoltooid is gebleven. Maar tusschen de oogharen door gezien,
+gaat er een licht op. De ruimten, die niet met zwarte lijntjes zijn
+gearceerd, blijken verlicht te zijn.
+
+Door de opening van het rotsgraf vallen zonnestralen naar binnen en
+spreiden hunne helderheid over de groeve en den rotswand, over Lazarus
+en de groepjes terzijde van het graf; ook over het front van den Heer
+Jezus, terwijl daarenboven de achtergrond rechts in lichtelaaie schijnt
+te staan. Steeds door de oogharen moet men zien, hoe, daarbuiten, die
+gloed naar boven toe in ijle en zware wolken opwasemt, hoe, met het
+onhandelbare middel van harde zwarte krassen, de luchtigheid van
+opdampende lichtnevelen is verkregen. De tot het leven terugkeerende
+Lazarus is het middelpunt van de zonnebestraling, en als verlegen ligt
+hij onder de glorie van het grootsche licht, waarin hij ontwaakt. Zijne
+kleine machtelooze figuur wekt in dien gloed nog te meer ons medegevoel
+en medelijden op. Hij is het middelpunt niet slechts van de blikken der
+omstanders, maar ook van de binnenvallende zonnestralen. En onze blik
+dwaalde eveneens het eerst en het laatst naar hem.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+EENE LATERE OPWEKKING.
+
+
+Vele jaren later heeft Rembrandt voor de tweede maal het onderwerp "de
+opwekking van Lazarus" behandeld. We zullen deze plaat met de vorige
+vergelijken, om de verschillen vast te stellen, en de oorzaken van de
+verschillen op te sporen. Het ligt voor de hand om te zeggen: "als een
+groot teekenaar iets aflevert, levert hij het af, zoo goed als in zijn
+vermogen ligt, hij kan het een tweede maal dus niet beter, tenzij het
+den eersten keer gebrekkig is geweest." De vergelijking zal echter
+leeren, dat dezelfde kunstenaar een zelfde onderwerp anders _moet_
+behandelen, indien er later andere gevoelens in hem omgaan. Dat dus de
+levenslotgevallen invloed hebben op het werk.
+
+We herkennen weer een rotsgraf; maar nu met uitzicht op een landschap
+met geboomte; daarachter, op een berg, verrijst eene stad; verder,
+evenals op de eerste plaat, een groep omstanders, de Heer Jezus en de
+verrijzende Lazarus. Ook hier beschijnt het zonlicht een deel van het
+tafereel, maar het is minder opzettelijk, minder bepaald op de plek
+gericht, waar het wonder geschiedt. En het is thans niet het ontwaken
+uit een pijnlijk diepen slaap, wat de kunstenaar ons voor oogen stelt,
+maar de groote bevreemding van den ontwakende. Lazarus begrijpt niet,
+wat er voorvalt. Hij kent den persoon niet, die tegenover hem staat, hij
+herinnert zich niet, wat met hem gebeurd is. De mond, die de eerste
+levenslucht heeft ingeademd, blijft sprakeloos halfgeopend staan, en is
+vol verbazing. Met moeite en scheef richt het lijf zich half overeind.
+Er is eene ontzetting van zoo het middelpunt te zijn van aller aandacht,
+zonder nog te begrijpen waarom. De zintuigen zijn ontwaakt en nemen
+reeds waar, maar de herinnering, de kennis, het innerlijk leven, moeten
+nog terugkeeren.
+
+Rembrandts bedoeling is dus eene andere geweest dan in zijne eerste
+"Opwekking", en begrijpelijk zien we die bedoeling voor ons.
+
+In de figuur van Jezus missen we thans het verhevene, het goddelijke.
+Ook in het gelaat. Dit komt geheel niet overeen met de mooie gezichten,
+die we van den Zaligmaker zoo wel eens op platen hebben gezien. Men zou
+het bijna een ongunstig uiterlijk kunnen noemen. Maar er is één trek in,
+waardoor we voor deze voorstelling van Jezus meer voelen, dan voor de
+eerste. Het zijn de goedheid en de zachtheid, die hier spreken. De half
+neergeslagen oogen, het even gebogen hoofdje, het bijna verlegen
+afgewende gelaat, alles draagt daarvan de uitdrukking; de rechterhand,
+niet vast en krachtig tot vuist gebald, maar zacht en mild, en nauwlijks
+toegesloten; de linker, die op de eerste prent vol grootheid zich opheft
+bij het veelzeggend woord, maakt hier een vriendelijk, bijna weifelend
+gebaar, niet verder dan ter hoogte van de borst opgeheven.
+
+[Illustration: Latere opwekking (1642).]
+
+De opwekking is zoo geene uiting van goddelijke macht, geen wonder, om
+er ongeloovigen mee tot bekeering te dwingen, maar ze wordt eene daad
+van goedheid, van medegevoel voor hen, die bedroefd om het graf stonden,
+een daad van liefde en van innigheid. Wel is waar zal men op de eerste
+prent allicht de gestalte grootscher en mooier vinden; maar innerlijk
+laat ze ons koud. Ons _gevoel_ wordt meer getroffen door de uitdrukking
+van zachtheid op de tweede; door het echt menschelijke en vriendelijke
+van den Heer in den omgang met menschen.
+
+Rembrandt is teruggekomen van het ontzaglijke tot het gewone. Ook in de
+omstanders. Wel staan ze, evenals op de eerste plaat, ontdaan,
+getroffen, verbaasd, maar geen een slaat er meer een gat in de lucht met
+zijne handen. De teekenaar heeft zich weten te matigen, hij blijft
+sober, eenvoudig en kalm. Aan gevoel ontbreekt het hem echter niet: men
+zie slechts het gelukkige gezicht van het vrouwtje, dat naast Jezus
+staat. En wat heft ook het mannetje aan Zijne linkerhand de handjes in
+juistheid van gevoel: er is verbaasdheid over het wonder, in het
+vooruitgestoken gezicht zoowel als in de handen; maar de aandoening
+wordt met zelfbedwang ingehouden. Ingehouden ook in het geknielde
+figuurtje op den voorgrond, dat wel ontzet terugdeinst, maar zich niet
+aan groot misbaar te buiten gaat. Ondanks den indruk, dien het wonder op
+de omstanders maakt, blijft eene waardige kalmte heerschen. En we maken
+de opmerking, dat die kalmte wel past op eene plek, die toch altijd een
+graf is. Kalm neemt vooral het oudvadertje het op, dat rechts van Jezus
+op een steenblok zit. Hoogstens trekt hij de wenkbrauwen iets meer op
+dan gewoonlijk, en stulpt hij zijne uitgezakte onderlip iets verder
+vooruit, ten bewijze, dat hij niet volkomen begrijpt, wat hier voorvalt.
+Wijsgeerig en onderzoekend rust zijn rimpelig hoofd op de knokige hand.
+
+Bij de beschouwing van de figuren der omstanders krijgen we den indruk,
+dat Rembrandt al het vreemde en ongewone heeft willen vermijden, om des
+te dieper te doen gevoelen, welke de uitwerking heeft moeten zijn van
+dit wonder op de aanwezigen. Zelfs de achtergrond stemt tot kalmte; in
+plaats van laaiende lichtwolken en opwasemende zonneschijndampen vinden
+we een vredig landschap met vriendelijk uitzicht op de bergstad.
+
+De aandoening van grootheid, forschheid, uitgelatenheid en opwinding
+heeft plaats gemaakt voor stille ernst en innigheid. Er is over den
+teekenaar een zachtheid gekomen en eene mildheid, die ons weemoedig
+stemmen.
+
+In de eerste plaat was hij hartstochtelijk, en streefde hij naar vertoon
+van uiterlijke grootheid. Hij moest zich uitspreken met woeste en groote
+gebaren. In de tweede is hij innig en gevoelvol; alles lijkt gewoon;
+maar er zit teederheid en medegevoel in. In het dagelijksche leven
+merken we ook op, dat zij, die bij alles het meeste misbaar maken, niet
+juist de naturen zijn, die het diepst voelen.
+
+Door de twee platen zoo met elkaar te vergelijken, wordt het ons
+duidelijk, dat niet de bijbeltekst vaststelt, hoe eene teekening zal
+worden. Hetzelfde gegeven kan op twee uiteenloopende manieren behandeld
+worden. Wat den doorslag geeft, is de gemoedstoestand van den
+kunstenaar. Zooals hij de gebeurtenis voelt, zoo wordt de afbeelding.
+Kan men in eene afbeelding niet merken, dat de teekenaar onder den
+indruk van eene gemoedsbeweging heeft gewerkt, dan heeft men
+waarschijnlijk te doen met een stuk van geringe waarde.
+
+Eene goede teekening weerspiegelt zelfs de stemming van den teekenaar in
+een bepaald tijdperk van zijn levensloop.
+
+De gebeurtenis, die tusschen de twee bewerkingen van de opwekking van
+Lazarus ligt, was wel in staat, om in het gemoed van Rembrandt in te
+grijpen. In 1642 ontviel hem door den dood zijne jeugdige echtgenoote.
+In de eenzame, slapelooze nachten, die nu volgden, dacht hij aan haar,
+en peinsde hij over haar. Is het wonder, dat hij zich de mogelijkheid
+voorstelde van een weerzien? Maakte niet de Schrift gewag van een geval,
+dat een gestorvene uit den dood herrees en tot de zijnen wederkeerde?
+Maar ach, dat kon gebeuren eeuwen en eeuwen geleden! Voor hem geen hoop,
+dat Saskia tot hem terug zou komen, om nog op aarde naast hem voort te
+leven. Voor hem niets, dan het denkbeeldig geluk, wat het zou zijn, als
+_zij_ door Jezus uit het graf werd geroepen met de woorden: "Kom uit!"
+De behoefte ontstond, om de opwekking van Lazarus nog eens te
+behandelen. Maar nu met andere gedachten. Nu niet om te toonen, hoe
+grootsch hij den Zaligmaker vond, en hoe vreeselijk voor Lazarus de
+overgang uit het doodenrijk in het leven moet zijn geweest! Nu, om met
+zijne gedachten te verwijlen bij het geluk, de blijdschap, de innige
+zaligheid, die het herrijzen schonk aan de treurende nabestaanden; nu,
+om zich voor te stellen, hoe goed de Heer wel geweest moet zijn, om dit
+wonder voor zijne vrienden te verrichten.
+
+En zie: onder den indruk van deze gedachten bewerkte hij, kort na
+Saskia's dood, de tweede plaat. Om die ten volle te begrijpen, moet men
+met deze bijzonderheid uit het leven van Rembrandt bekend zijn. Zonder
+die kennis zou men kunnen denken, dat de tweede bewerking alleen de
+bedoeling had om iets te maken, dat beter was dan de eerste. Ze zou dan
+ook van teekening de beste van de twee moeten zijn. Dit ligt echter in
+de voorgaande beschouwing niet opgesloten: er is slechts aangetoond, dat
+de tweede "Opwekking" inniger, liefdevoller is; en dat we kort na 1642
+niet anders van Rembrandt konden verwachten.
+
+Wat voor deze prent eene noodzakelijke behoefte gebleken is, eenige
+kennis namelijk van de levensgeschiedenis van den kunstenaar,--dat kan
+men evenmin bij heel veel ander schilder-en teekenwerk ontberen. Daarom
+hebben geschiedvorschers met ijver datgene nagespoord, wat licht kon
+verspreiden over zijne levenshistorie. Nog lang is alles niet bereikt;
+veel bleef er in het duister gehuld; maar toch zijn er gegevens genoeg
+aan het licht gekomen, om te kunnen zeggen, dat we de
+hoofdgebeurtenissen kennen. Het is zelfs mogelijk geworden, om gedurende
+enkele tijdperken met den schilder alles mee te beleven, wat hij
+beleefde; om als het ware naast hem een met hem zijne lotgevallen door
+te maken. Onder deze zijn er wel geene, die meer invloed op het gemoed
+en op de werklust hebben gehad, dan die, welke hij met zijne vrouw
+ondervond. We zullen daarom trachten iets meer van nabij met haar bekend
+te worden.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+HISTORISCHE GEGEVENS.
+
+
+Het was in den zomer van het jaar 1634, dat Rembrandt zich aan den
+IJ-kant te Amsterdam inscheepte, om naar Friesland te gaan. De tocht
+ging over zee, zooals toenmaals vanzelf sprak. De vervoermiddelen te
+land waren slecht, de wegen eveneens, en bovendien was de Republiek nog
+in oorlog met Spanje, waardoor een reis over de Veluwe soms onaangename
+avonturen opleverde. In 1628 maakte de vijand onder aanvoering van
+Cuculi nog strooptochten tot onder de wallen van Amersfoort. De
+Zuiderzee daarentegen was veilig; de dagen van Bossu behoorden tot het
+verleden.
+
+De beurtschipper zette onzen schilder te Harlingen aan land. Vandaar
+ging het per binnenvaartuig over Franeker naar het weinig bekende dorpje
+Sint Anna-parochie, en wel met het doel om er in de echt te worden
+vereenigd met eene deftige Friesche jongedame.
+
+Rembrandts huwelijk is een merkwaardig staaltje van de geschiedenis van
+Geschiedenis.
+
+Men stelt zich gewoonlijk voor, dat de kennis van dit vak uit boeken
+wordt opgedaan. De schrijvers dezer boeken hebben op hunne beurt ook
+weer uit boeken geput, maar zijn even dikwijls langs anderen weg achter
+de toedracht der gebeurtenissen gekomen.
+
+Niet door overlevering, die van ouder op kind, van kind op kindskinderen
+overgaat. Immers, wij in onze dagen, weten meer van Rembrandt,--om bij
+hem te blijven--dan onze voorouders uit het jaar 1800, zelfs meer dan
+die uit 1700, ja! meer dan Rembrandts eigen tijdgenooten! Zijne vrienden
+en kennissen natuurlijk uitgezonderd. Onze kennis kan dus geene
+overgeleverde kennis zijn.
+
+Zoo heeft men honderd en vijftig jaar lang niet met zekerheid geweten,
+dat en met wie hij getrouwd is geweest.
+
+Men vertelde: met eene kleine, dikke boerin uit Raasdorp. Een dorp van
+dien naam is er niet. Men begon dus, met maar aan te nemen, dat Ransdorp
+was bedoeld, een plaatsje in Waterland. Echter wilde het niet gelukken,
+om op te sporen, wie dan die vrouw geweest was. In de stad Amsterdam
+snuffelde men allerlei papieren na, om het gewaar te worden. Ook in
+Leiden, zijne geboorteplaats.
+
+Maar vruchteloos.
+
+Het toeval bracht de oplossing van het vraagstuk. Ver van Amsterdam, in
+een vergeten dorpje in Friesland, werd, omstreeks het midden van de
+19^{de} eeuw, in de oude boeken van het gemeentehuis, tusschen honderden
+aanteekeningen, de ontdekking gedaan van deze regels:
+
+
+"23 Juni 1634 zijn in den echt vereenigd
+
+REMBRANDT HERMENS VAN RHIJN
+ wonende te Amsterdam
+ en
+ SASKIA VAN ULENBORGH
+thans gedomicileerd te Franeker."
+
+
+Toen men nu ook in Amsterdam de papieren en de registers van het jaar
+1634 doorzocht, en melding gemaakt vond van dit huwelijk, was de zaak
+opgehelderd. Het boerinnetje van Raasdorp bleek een sprookjes-boerin te
+zijn. Saskia van Ulenborgh kwam niet uit Noord-Holland en was allerminst
+boerin van geboorte. De vader toch was burgemeester van Leeuwarden
+geweest.
+
+Dit bewijst al, dat hij een man van aanzien was. Hij was bovendien
+iemand, die wat durfde, daar hij behoorde tot de eersten, die in
+Friesland in den Geuzentijd zich tegen den Spaanschen landvoogd
+verzetten. Zeer toevallig is hij zelfs voor iederen schooljongen een
+bekende, door eene gebeurtenis uit de vaderlandsche geschiedenis,
+ofschoon men zijnen naam gewoonlijk niet kent. Zooals men weet, is Prins
+Willem I van Oranje in 1584 binnen Delft op het Prinsenhof vermoord. Hij
+ontving het doodelijk schot, terwijl hij de trap af ging, na het
+middagmaal gebruikt te hebben. Bij dit middagmaal had hij als gast aan
+tafel gehad eenen burgemeester van Leeuwarden, die over regeeringszaken
+met hem gehandeld had. En deze nu was niemand anders dan de heer Van
+Ulenborgh, met wiens dochter Rembrandt vijftig jaar later is getrouwd.
+De schoonvader van Van Rijn is de laatste geweest, die met Willem den
+Zwijger aan tafel heeft gezeten. Saskia is dus uit eene historische
+familie!
+
+Wat wil het toch vreemd loopen! Menschen, die twintig of dertig jaar na
+Rembrandt leefden, wisten niet beter, of hij was gehuwd geweest met eene
+boerin. En wij, twee eeuwen later, zijn van zijne huiselijke
+aangelegenheden nauwkeurig op de hoogte. _Zij_ vergenoegden zich met een
+sprookje, _wij weten_, voor _ons_ is zijn levensloop eene bladzijde
+geschiedenis. Zoo gaat het steeds. Eerst gebeuren de dingen. Dan worden
+ze vergeten. Er komen geslachten, die zich er niet om bekommeren.
+Eindelijk staan er menschen op, die er belang in stellen. Ze onderzoeken
+en vorschen na. Een oud papier wordt gevonden, en het verleden is
+ontsluierd.
+
+Er is bijna geene bladzijde in onze historie, of ze heeft hare
+geschiedenis. Dikwijls is de geschiedenis van Geschiedenis even
+merkwaardig als de Geschiedenis zelf. Dit moge nog blijken uit het
+volgende staaltje.
+
+Nadat de ontdekking van Saskia van Ulenborgh had plaats gehad, zocht men
+naar meer gegevens omtrent Rembrandts leven; vooral in de kerkelijke
+boeken snuffelden de wijsgeeren. In die van de Westerkerk te Amsterdam,
+de kerk, waar in 1667 de groote schilder begraven is, ontdekte iemand,
+dat hij eene weduwe had nagelaten met twee kinderen, die onder den naam
+Catharina van Wijk beschreven stond. Eene andere, waarschijnlijk dus
+eene _tweede_ vrouw! Natuurlijk was de ontdekker met dit nieuws in de
+wolken. Gelooven moest men het wel; het stond onweerlegbaar in het
+register te lezen.
+
+Maar wat ontdekte later een tweede wijsgeer, die de registers van de
+Westerkerk doorsnuffelde? Zijn blik viel op eene bladzijde, waar het
+overlijden en het begraven beschreven stond van den echtgenoot van
+Catharina van Wijk. Hier ontbrak echter de aanteekening, dat deze
+overledene eene weduwe met twee kinderen naliet, eene aanteekening, die
+men juist wel leest op het folio, waar Rembrandts overlijden geboekt
+staat. Er moest een abuis hebben plaats gehad. En dit behoeft ons voor
+de zeventiende eeuw niet te bevreemden. Zaken van geboorte, huwelijk en
+overlijden werden met heel wat minder zorg behandeld dan tegenwoordig.
+_Wij_ moeten er voor naar het gemeentehuis, en daar, op de afdeeling
+"Burgerlijke Stand", hebben de ambtenaren niet anders te doen, dan te
+zorgen voor nauwkeurige registratie.
+
+In de zeventiende eeuw ging het anders, maar niet beter. De zaken van
+den burgerlijken stand werden in de kerken aangeteekend. Wilde men
+onderzoek doen naar iemands geboorte-of sterfjaar, dan moest men eerst
+trachten gewaar te worden, in welk kerkgebouw hij was gedoopt of
+begraven. Zoolang men dit niet wist, richtte men niets uit. De
+ambtenaar, die met het belangrijke werk van registratie was belast,
+leefde niet voor dit ambt alleen. Zelfs was dit niet zijn voornaamste
+werk. Hij was eigenlijk doodgraver van beroep, en kon gewoonlijk beter
+met de spa dan met de pen omgaan. Voor vele van deze
+waardigheidsbekleeders was het schrijven in de de kerkelijke registers
+eene dagelijksche kwelling. De doodgraver van de Westerkerk te Amsterdam
+lichtte er zelfs de hand wel eens mee! Hij liet soms aanteekeningen weg,
+die niet mochten ontbreken. Voelde hij zich later bezwaard over het
+begane plichtsverzuim, dan greep hij pen en inkt en trachtte de fout
+goed te maken. Zoo schijnt hij een zwak oogenblik te hebben gehad op den
+dag, toen de echtgenoot van Catharina van Wijk werd begraven. De naam
+van den overledene werd nauwgezet geboekt, maar dat er eene weduwe met
+twee kinderen achter bleef, liet hij maar weg. Eenigen tijd daarna begon
+hij zich hierover toch ongerust te maken. Hij sloeg het register op en
+zocht den overledene, wien hij te kort gedaan had. Daar hij zich den
+naam niet meer herinnerde, moest hij gissen. Gissen doet missen. De
+weduwe met hare twee bloeien van kinderen werd bij Rembrandt
+aangeteekend, die reeds eenige jaren vroeger gestorven en aldaar
+begraven was. Honderd en vijftig jaar lang bleef de groote schilder in
+dezen echt vereenigd, zonder dat man en vrouw, en zonder dat vader en
+kinderen elkaar misschien ooit gekend hadden. Het huwelijk, door den
+doodgraver in alle stilte voltrokken, bleef een geheim, totdat in de
+negentiende eeuw de eerste wijsgeer het ontdekte en openbaar maakte.
+Toen kwam wijsgeer nommer twee, betrapte den doodgraver op
+registervervalsching en plichtsverzuim, ontbond het huwelijk en wees de
+twee kleine Van Wijkjes aan den waren vader toe, hetgeen Rembrandt van
+de zorg voor hen ontsloeg.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+REMBRANDT LANDSCHAPSCHILDER.
+
+
+Rembrandt Hzn. van Rijn huwde alzoo in het jaar 1634 op den 22^{sten}
+Juni. Hij voerde zijne vrouw naar Amsterdam en betrok de woning in de
+Breedstraat, onder welks dak hij zooveel ernstige en gelukkige
+levensomstandigheden doormaken zou.
+
+De Breedstraat, thans een deel van de oude stad, was destijds eene
+nieuwe straat, een buitenwijk. In 1631 was Amsterdam opnieuw en voor de
+zooveelste maal uitgelegd. De toename van bevolking bleef maar
+aanhouden: handel en zeevaart deden schatten toevloeien, de hoop op
+fortuin nieuwe bewoners. Nadat de halve cirkel binnen de Heerengracht
+volgebouwd en te klein gebleken was, werd een breede gordel van
+omliggend weiland binnen nieuwe vestingwerken en eene gracht, de
+Keizersgracht, besloten en ter bebouwing bestemd.
+
+Doch spoedig bleken de Heeren den gordel te smal genomen te hebben, en
+maakten ze de fout goed, of trachtten die goed te maken, door aan de
+halve maan eene nieuwe verbreeding toe te voegen, begrensd door de
+Prinsengracht met hare vestingwerken.
+
+Het zal den schilder eene behoefte zijn geweest, niet al te ver van de
+vrije natuur te wonen. Slechts een paar honderd passen behoefde hij te
+maken, dan was hij buiten. Hier kon hij zijn hart ophalen aan het
+gezicht op grazige weilanden, van slooten doorsneden, op boerenwoningen,
+in geboomte verscholen, aan tal van windmolens, zoowel poldermolentjes
+als groote, statig rondwiekende houtzaag-en korenmolens. Vooral deze
+laatsten vond men even buiten de stad in grooten getale. Geboortig als
+hij was uit eene molenaarsfamilie, voelde Rembrandt zich steeds
+aangetrokken tot deze schilderachtige gebouwen. Zijn vader had er een in
+Leiden, in het aangrenzende huis was hij geboren en opgegroeid.
+
+Nog binnen de stadsgracht, op een zoogenaamd bastion van het bolwerk,
+dicht bij de Muiderpoort, stond het exemplaar, waarvan hij ons eene
+afbeelding heeft nagelaten.
+
+Rechts zien we het water van de gracht, waarin een visschersbootje met
+gestreken mast; op den achtergrond eene boomenrij, misschien een singel,
+een wandelpad, dat de gracht aan den buitenkant volgde. Van het water af
+loopt het terrein naar links een weinig omhoog, waarschijnlijk naar den
+stadsmuur, die de buitenzijde van het bolwerk vormt. Daar, waar de
+gracht eene bocht maakt, springt de muur boogvorming vooruit en vormt
+een hoog terras, het bastion. Hierop staat de molen met bijbehoorende
+gebouwen. In vele steden, die in de 19^{de} eeuw ontmanteld zijn, bleven
+de bastions gespaard om aan de molens het voortbestaan te verzekeren. Nu
+deze echter door de meelfabrieken doodgeconcurreerd worden, verdwijnen
+met hen ook de laatste overblijfselen van de vroegere vestingwerken.
+Houtzaagmolens vonden op bastions geen plaats: die moeten laag aan den
+waterkant staan.
+
+De schilderij bewaart ons dus een gezicht op de stad, zooals ze er aan
+de buitenzij uitzag. De schilder heeft het tooneeltje zitten aan te
+kijken op het lage pad, dat aan den binnenkant van de gracht liep,
+tusschen deze en den stadsmuur. Dit blijkt uit de schilderij zelf; die
+geeft ons het beeld van wat hij voor zich zag. Terwijl hij werkte en
+ijverig zijne penseelen hanteerde, liep het tegen den avond. De hemel
+heeft eene lichtende klaarte, alles wat van de aarde is, staat er in
+zware kleuren tegen af te steken; alleen het water, dat de klaarheid
+weerspiegelt, blinkt helder op uit de donkere omlijsting. Ook het
+voetpad, met zijne blanke tinten van zand of platgetreden steenstorting,
+is zacht van licht.
+
+Overigens staat alles in zware grijsheid tegen de heldere lucht. We
+voelen, hoe stil en schoon Rembrandt de lichtdiepte van den avondhemel
+heeft gevonden.
+
+[Illustration: Molen.]
+
+Van linksboven af naar het midden toe, worden de tinten ijler en ijler.
+De donkere kleuren, die het geheel aan den bovenkant als een boog
+omspannen, dringen het oog steeds meer naar het midden, naar het
+vooruitspringende deel van het bastion, waar de hemel in klare
+avondzuiverheid tot in verre diepte wegwelft.
+
+Vòòr die lichtdiepte rijst het zware muurgevaarte omhoog. Langdurig moet
+het den schilder geboeid hebben om te kijken naar de breede en hooge
+afmetingen van deze aard-en steenmassa, in tegenstelling met de luchtige
+doorschijnendheid van den avondhemel. Het was hem als een rotsgevaarte,
+als een brok voorgebergte, dat in het water vooruit staat. Het muurwerk
+is éen geworden met de aarde; ouderdom en verweerdheid gaven donkere,
+diepe kleuren, hier wat lichter, daar wat zwaarder, al naar gelang de
+buitenkant meer of minder afgebrokkeld, met mossen begroeid of van vocht
+doortrokken was. De bovenrand en de neerdalende zij-lijn missen de
+kantigheid en de strakheid van nieuwe steen. Het is, alsof de tijd ze
+rond heeft afgesleten; de staande lijn, die rechts den muur begrenst, is
+een weinig rond ingebogen en achterover gezakt, waardoor het geheel nog
+meer den indruk maakt van een zware massa, die geen steun behoeft, om
+zoo in elkaar te blijven hangen.
+
+Het grasveld, dat den bovenkant bedekt, hangt als een zwaar kleed rustig
+over den rand heen. De helling, die links het bolwerk verbindt met het
+lager gelegen pad, is een even zware massa als het muurwerk, waar ze
+tegenop ligt. Ofschoon niet steenachtig van aard, vormt ze er éen geheel
+mee; het gansche terrein is éen groote, breede opheffing geworden van de
+aarde; alles ligt in rustig evenwicht tegen elkaar aan: nergens staat
+een brok muur of grond los en afgezonderd van de rest. Het penseel wist
+er éen klomp van te maken, ofschoon de samenstellende deelen alle zich
+zelf bleven, hetzij muur, hetzij grasveld, hetzij voetpad. Ook dit
+laatste is in het geheel opgegaan. Wel is het lichter van kleur, zooals
+een pad in de schemering als een stille blankheid uit het donker van de
+omgeving opblinkt; maar het is geen afgezonderd tooneeltje gebleven; de
+blankheid en de donkerte liggen niet scherp naast elkaar. Het verschil
+in lichtheid is gering; we krijgen wel den indruk van eene zekere
+blankheid, maar dat gedeelte van de schilderij is toch nog vrij donker.
+En bovendien is er een overgang, die uit allerlei tusschentinten
+bestaat. Kijk maar eens, wat een rommelige ruigte van gras, struiken,
+puin of steenbrokken de geleidelijke verbinding is tusschen de twee
+partijen. En wat is in het pad zelf de afwisseling mooi weergegeven van
+vochtige en droge, van hooge en platgetreden gedeelten, van flauwe
+wagensporen, onmerkbare hellingen naar den waterkant, en opstaande
+kantjes tegen het grasveldje, links op den voorgrond. Toch bleef dit
+éen blanke plek, die zich rustig en vast tegen de oprijzende massa
+daarachter vlijt. Men voelt, op wat voor vasten puinbodem de figuurtjes
+zich bewegen, die van de hoogte afkomen, of aan den waterkant staan.
+
+Een vrouwtje ligt linnen uit te spoelen in de gracht. Spelende
+verspreiden zich kringen over het spiegelwater. Het trok den schilder
+aan, om dit stille bewegen op zijn doek vast te leggen en den indruk te
+bewaren. Het golflijntje, dat een voorbijzwemmend eendje of een in het
+water geworpen kluitje doet ontstaan, is iets, waarnaar we gaarne stil
+en in gedachten verzonken staan te kijken. Zoo ging het Rembrandt ook.
+Terwijl hij daar op het lage pad, op eenen vredigen avond, zat te
+schilderen, kwam een vrouwtje naar beneden om iets uit te spoelen; een
+oogenblik rustte zijn penseel, en volgde zijn oog de kringen, die zich
+verspreidden, tot ze tegen het bootje botsten, en daar eenige
+krinkeling te weeg brachten in het donkere spiegelbeeld. Het was eene
+kleine, onbeduidende gebeurtenis, die de rust van den avond verbrak
+zonder ze te storen. En met een paar zwierige, dartele penseelstreken
+werd ze snel en juist in beeld gebracht, om den lieflijken, vredigen
+indruk van zoo'n schoonen avond te bewaren. De stilte mocht geene
+levenlooze eenzaamheid worden; eene uiting van leven moest er zijn, als
+maar de rust niet verstoord werd. Lieflijker kon het wel niet, dan het
+zachte bedrijf van zoo'n vrouwtje er in te brengen, en het
+voorbijgaande, kortstondige opleven van den waterspiegel.
+
+Wat kunnen we ons zoo geheel indenken in den gemoedstoestand van den
+schilder, en een denkbeeld krijgen, hoe vatbaar hij was voor indrukken.
+Zonder naar het molentje gezien te hebben, dat anders door vele
+beschouwers voor hoofdzaak gehouden wordt, weten we, wat voor hem het
+eigenlijke onderwerp was, dat hij schilderde. Niet de inrichting van
+zoo'n stads-buitenkant, ook niet de vorm van een molen, maar de vredige,
+rustige, kalme stemming van een mensch, die daar zit, en die genieten
+kan van plechtige avondstilte, van mooie, klare luchten, boven bijna
+ingesluimerde stadsgedeelten.
+
+Denk toch niet, dat zoo'n kunststuk er is, om even op de vingers na te
+tellen, wat er op staat. We moeten er in doordringen, om tot het besef
+te komen, hoe de schilder voelde, hoe zijn gemoed door de verschijnselen
+bewogen werd.
+
+Het molentje is maar bijzaak, al is men geneigd, het stuk daarnaar te
+benoemen. Het staat er, om midden op het doek een verheffinkje aan te
+brengen, en het stond nu eenmaal op het bastion. Bevallig, rank en
+rustig is het weergegeven, ofschoon in onzen tijd de schilders er niet
+van houden, om op de wieken zoo'n witten glans aan te brengen. Het
+balkwerk van den kruistaart zit er handig en gemakkelijk achter tegen
+aan. Een klein spetje wit maakt scheiding tusschen boven-en onderstuk,
+waardoor de molen een onderkruier wordt.
+
+Het huizegroepje en een beetje laag geboomte staan gezellig bij elkaar.
+Je krijgt net een idee, alsof het een klein dorpje is, het eene dakje
+wat hooger of wat lager dan het andere. Het schoorsteentje staat er
+bovenuit te steken, alsof het een dorpstorentje wou wezen. Alles werkt
+mee om het vreedzame, landelijke uit te drukken.
+
+Zóó zag Rembrandt nu de wereld. Hij had aan vreemde gebouwen,
+wonderlijke rotsen en geheimzinnige spelonken geene behoefte, als hij
+natuurgenot wilde smaken. Het meest alledaagsche tooneeltje maakte
+indruk op hem. Vandaar zijne geringe reislust. Kunstbroeders achterna te
+trekken, de wonderen van Italië te zien, naar de grootsche tafereelen
+der Alpen op te kijken, hij voelde er geen behoefte aan. Hij was
+huiselijk, bleef gaarne bij moeder de vrouw en vond zijn vaderland een
+schoon land. Waartoe zou dan trekken en rondzwalken gediend hebben!
+
+Het is eene verheffende gedachte, dat hij, die een der grootste
+schilders der wereld is geweest, Holland mooi vond. Dat geeft ons moed,
+om het met dat vaak verguisde, platte, vlakke polderland toch ook maar
+te probeeren. Het moet, blijkens Rembrandts voorbeeld, mogelijk zijn,
+het mooi te vinden. Niet het zeldzame, niet het wonderbaarlijke, niet
+het verhevene doet 't em; alles, wat vreemde landen aanbieden, kan men
+ontberen, mits de goede wil er is.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+VROUWE SASKIA.
+
+
+Van Rijn behoefde zelfs niet de Muiderpoort uit naar Muiden, naar
+Naarden of naar het Gooi te wandelen, om tooneelen te vinden, die hem
+boeiden; hij had ze, om zoo te zeggen, naast de deur. En we kunnen ons
+denken, hoe hij met zijne jonge vrouw naar buiten wandelde, en het
+Friezinnetje attent maakte op al het schoone, wat Amsterdams buitenkant
+te zien gaf. Hoe hij, even stilstaande, met een potloodkrabbeltje wist
+aan te duiden, wat hem hier of daar het meest trof, of, aan den kant van
+den weg zich neerzette en een schetsje maakte, om het Saskia aan te
+bieden en haar oog voor natuurschoon te openen.
+
+Toch trok geen onderwerp den grooten teekenaar zoo aan, als Saskia zelf.
+Tot in het oneindige heeft hij haar uitgebeeld, haast dagelijks moest ze
+voor hem zitten, en maakte hij haar portret.
+
+Een luchtig teekeningetje is dat, wat hij maakte kort na zijn trouwen.
+Hij schreef er eigenhandig iets onder. Men ziet: schoonschrift is 't
+niet. Hij schreef, evenals zijn meeste tijdgenooten, steilschrift; zijn
+hand is los en vlug--geen wonder! de hand van Rembrandt!--Wie mocht
+meenen, dat je aan de penneschrappen eigenaardigheden opmerkt, die aan
+het schrijfgereedschap van die dagen, aan de ganzepen herinneren, hoede
+zich voor overijlde gevolgtrekkingen: ditmaal heeft de
+teekenaar-schrijver noch potlood, noch pen en inkt, noch krijt gebruikt,
+maar eenvoudig een zilveren stiftje, rijn toegepunt, en daarbij een
+bijzonder soort papier, op ivoor gelijkend; een schrap met de stift laat
+hierop een zwart spoor achter. Een zilverstiftschrift dus, en een
+zilverstiftteekening.
+
+Er staat te lezen:
+
+"Dit is naer mijn huijsvrou geconterfeit, do sij 21 jaer oud was, den
+derden dach als wij getroudt waeren.
+
+de 8 junijus
+1633."
+
+Den derden dag, nadat ze getrouwd waren; het huwelijk had plaats op 22
+Juni 1634; drie dagen later schreef men 25 Juni 1634. Dat is echter geen
+8 Juni 1633. Deze datum klopt niet met de opgave in het kerkregister te
+St. Annaparochie. Waar schuilt de fout? In het register? Dat is moeilijk
+te gelooven. De koster, die bij de huwelijksvoltrekking het feit
+aanteekende, zal toch wel met de almanak bekend geweest zijn. De datum
+mag iemand eens voor een oogenblik vergeten zijn, maar een vol jaar
+vergist men zich niet. Op de teekening dan? Maar wat voor den koster
+geldt, geldt ook voor Rembrandt. Het ging hem zelf aan, van hem kunnen
+we ons nog moeilijker eene vergissing denken. Wie van hun beiden heeft
+gelijk, wie ongelijk? Dat is een kolfje naar de hand van eenen
+geschiedvorscher: uit te zoeken, hoe het mogelijk is, dat Rembrandt,
+nadat hij drie dagen getrouwd was, niet op de hoogte van datum en jaar
+was. Wie het vraagstuk oplost, kan er eer mee inleggen.
+
+Wij zien intusschen de teekening verder aan.
+
+In dit schetsje zit leven. Leven is iets, wat men niet met den vinger
+kan aanwijzen of met eenen passer kan nameten, in werkelijkheid evenmin
+als in beeld. Maar als we den indruk krijgen, dat er leven in zit,
+moeten we het er ook over eens kunnen worden, waardoor die indruk
+ontstaat.
+
+We beginnen met het portretje op een kleinen afstand te houden. Dan
+hinderen de arceeringen in het gezichtje ons niet; die lossen zich op in
+eene gelijkmatige tint.
+
+Zie, ze zit nu naar iemand tegenover haar te kijken. Of is de blik op
+eenen muur gevestigd? Neen, op eenen persoon. Immers, de oogen staan
+schalksch, een beetje spottend. Het dikke randje onder het oog kennen we
+wel; dat is een lachje, het is dartelheid. Zoo zit iemand niet op een
+stuk muur te kijken. De blik geldt hem, dien ze lijden mag, en dien ze
+nu, in haar speelschheid, niet kan nalaten te plagen. Er tintelt iets in
+het oog, dat levenslust is. Let eens op, hoe, uit de geschaduwde linker
+helft van het gelaat, het oogwit tusschen oogappel en ooghoek speelsch
+en blijmoedig te voorschijn licht. Dat wit gelaten plekje draagt er wel
+toe bij, om ons den indruk van leven, van vroolijk, schalksch leven te
+geven.
+
+[Illustration: Portret van Saskia.]
+
+Zit het mondje strak en ernstig af te wachten, wat de teekenaar van de
+schets zal maken, of speelt ook daar niet hetzelfde lachje? Voelen we in
+den opgetrokken rechter mondhoek niet een beetje spot? Staat daar niet
+uitgedrukt: "mij teekenen, dat kun je niet?" Is dat trekje er niet op
+berekend, om hem aan 't lachen te maken? Het is, alsof we, tegenover
+haar, Rembrandt zien zitten, ijverig in de weer, om haar portret en haar
+leven vast te leggen op zijn teekenblad; de mond in ernstige plooi, het
+oog bij afwisseling op haar en op zijn werk gericht. En haar zien we
+probeeren, om den ernst van zijn gelaat te verdrijven, om door haar lach
+ook hem een lachje af te dwingen. Hare schalkschheid, de tinteling op
+hare trekken--we weten niet alleen, dat ze _hem_ gelden, we zien er
+zelfs _zijn_ ernstig gezicht in; in het spottende en plagerige lezen we,
+hoeveel moeite het hem kosten zal, om zich goed te houden, om er nu eens
+de gek niet mee te hebben, dat hy haar teekenen wil.
+
+Zij zit niet vóór ons als eene eenzame, die zich aan onze onbescheiden
+blikken blootstelt; ze heeft tegenover zich een, dien ze genegenheid
+toedraagt. Het is, alsof we in de ruimte rondom haar de aanwezigheid
+voelen van den persoon, tot wien haar glimlach zich richt. Die
+aanwezigheid spiegelt zich in haar oogen, om haar mond, op geheel haar
+gelaat. Zou die spiegeling niet het leven zijn, dat we in dit portretje
+zien? Leven is wel iets vreemds, dat vaak moeilijk nader te bepalen is.
+Men kan het soms hebben, dat men eene kamer binnenkomt, waar niemand te
+zien is; het vertrek schijnt leeg te zijn, en toch ziet men behoedzaam
+om zich heen, want men krijgt een gevoel, alsof er zich een levend wezen
+bevindt; men zou gaarne een gordijn oplichten, een kast openen of in een
+hoek kijken, om te weten te komen, of daar iemand schuilt. Men voelt
+zich door leven omgeven.
+
+Bij Saskia gaat het niet geheimzinnig toe. Maar ook _haar_ voelen we
+omgeven van leven; we kennen dit leven, en we weten, hoe hare gevoelens
+zijn ten opzichte van dat leven. Dit alles geeft het portret te zien.
+Meer dus, dan enkel een mond, een neus, een paar oogen, en wat verder
+het gezicht helpt voltooien. Wat kan het zelfs schelen, of de gelijkenis
+van deze onderdeelen volkomen is. Er zit iets in, dat van hoogere waarde
+is, iets waarom we het een lief portretje vinden.
+
+Rembrandt moet dit wel goed begrepen hebben, als hij Saskia aanzag. Want
+wat heeft hij in de eenvoudige krabbels en krasjes deze dingen zuiver
+laten voelen; en nog wel dingen, die men niet onder woorden kan brengen
+of in lijnen kan aanwijzen.
+
+Er is nog iets in Saskia, dat hem niet ontging, en wat het portret nog
+meer liefs geeft. Zij let niet op zichzelf. Ze gaat niet parmantig
+zitten met het idee: nu moet ik er mooi opkomen; en evenmin met het
+tegenovergestelde idee: het kan me niet schelen, hoe ik er op kom. Je
+kunt heelemaal niet zien, dat ze opzettelijk eene houding aanneemt.
+Zooals zij zit, zoo zit iemand, wanneer hij van eene lange wandeling
+thuiskomt. Men valt dan even op eenen stoel neer, om uit te blazen,
+voordat men van kleeren verwisselt. Zonder erg komt de hand onder het
+hoofd; het hoofd leunt er wel niet op; zie maar, de hand raakt het
+nauwelijks aan, maar het geeft eenigen steun en de arm vindt het een
+gemak om even op de tafel te rusten; iets waaraan de andere ook behoefte
+heeft; die ligt er languit over heen en is zelfs niet hupsch genoeg, om
+het roosje rechtop te dragen. Zoo laat men een bloem hangen, als de hand
+moe wordt.
+
+Beide ellebogen rusten op de tafel. Netjes is 't niet. Dat zal vrouwe
+Saskia ook wel weten. Maar ze kwam vermoeid thuis, en dan is het
+verleidelijk om eens op je gemak te zitten. Niet recht op en neer, maar
+het bovenlijf voorovergezakt; de borst zoo'n beetje tegen den tafelrand.
+De kleeren wat losgemaakt en den hoed nog op 't hoofd.
+
+Wie zich zoo neerzet, neemt niet plaats om uitgebeeld te worden, maar
+gaat zonder erg zitten, omdat zitten aangenaam is. Die let niet op
+zichzelf, op houding en postuur, maar geeft zich, zooals ze is. Die gaat
+zoo zitten, omdat zij bij haar echtgenoot is, en niet in gezelschap van
+menschen, die altijd op fatsoen en behoorlijkheid letten.
+
+Het is deze argeloosheid, die onze teekenaar in zijne vrouw zag; en hij
+gaf ze ons duidelijk in lichaamshouding, in armlegging, in handgebaar,
+zelfs in het roosje te verstaan. Want dit roosje hangt net zoo over de
+tafel heen als Saskia zelf.
+
+Eigenlijk is deze trek in haar dezelfde, als die, welke uit haar gelaat
+sprak. Beide komen ze voort uit een gevoel, dat haar aangenaam was: ze
+voelde zich prettig en op haar gemak, zoo bij haar beroemden heer
+gemaal. Ze geneert zich niet, hem lachend in de oogen te zien, en
+evenmin om het zich gemakkelijk te maken. Ze acht zich veilig voor
+onbescheiden blikken en onbescheiden op-en aanmerkingen.
+
+Het trekt ons in haar aan, dat ze zich zoo argeloos onschuldig geven kon
+aan den teekenaar; dat ze zelfs op dit oogenblik niet dacht aan nette
+houding, aan gezicht-in-de-plooien, aan toilet of kapsel.
+
+Ongetwijfeld is hier de verklaring te zoeken, waarom we het beeld lief
+vinden, en waardoor het ons bekoort.
+
+Daar komt nu nog iets bij, dat op den teekenaar betrekking heeft.
+
+Het schetsen van een portret ging hem zoo gemakkelijk van de hand, dat
+zijne gedachten eigenlijk met dit werk alleen niet gevuld waren. Hij
+behield een open oog voor de eigenaardige wijze van doen, zooals die op
+te merken was aan zijn model. Onderwijl hij omtrekken van gezicht, hoed,
+hoofd, lichaam, armen en handen zette, zag hij zeer goed, hoe weinig
+acht Saskia op zichzelf sloeg, hoe weinig ze aan zichzelf en hoe zeer ze
+aan hem dacht; hoe ze zich volkomen onbespied achtte, ofschoon tegenover
+hem zittende. Hij zag dit in hare trekken, in hare houding, in den arm,
+zooals die op de tafel lag, hij zag het in alles. En al schetsende, gaf
+hij in elke lijn de uitdrukking van het vertrouwelijke, dat hij in haar
+zag. De vriendelijkheid van hare verschijning, niet voor een ieder, maar
+voor hem alleen, wist hij uit te teekenen. Hij wist, dat die eigenschap
+van haar wezen kon verdwijnen, als anderen om den hoek gluurden. Hij
+wist, dat zijne teekening bestemd was, om gezien te worden, en dat dit
+streed met hare vertrouwelijkheid. Toch bracht het hem niet in
+verwarring; hij zette het denkbeeld, dat anderen zouden zien, van zich
+af en ging voort, om den indruk vast te houden en in beeld te brengen.
+Met oogen en handen arbeidde hij, om de uiterlijke vormen op papier te
+zetten, en intusschen bleef hem het besef bij, van de vertrouwelijkheid
+tusschen hem en haar. En, arbeidende aan de vormen, schreef hij
+eigenlijk in leesbaar schrift al maar door over die vertrouwelijkheid.
+Niet meer de lichaamsgedaante behandelde zijn teekenstift, maar hoe zij
+over de tafel heen naar hem toe gebogen lag; niet meer haar beeld, maar
+hoe in dat beeld de ziel, het leven zich afspiegelde.
+
+Lang behoefde hij aan zoo'n schetsje niet te werken: alles is los en
+vlug op papier geworpen. En toch raak en goed. Men lette bijvoorbeeld
+eens op de zwierige lijnen, die de rechtermouw weergeven; in éen veeg
+zijn ze opgezet, en in die éene veeg geven ze meteen aan, hoe in de
+buiging, bij den elleboog, het kleed in breede plooien valt. Of op de
+teere schrapjes van het linkerhandje, hoe als vanzelf de pink achterover
+buigt. Het is een genot, om de bewegelijkheid van al die lijnen te
+zien. In een photographisch portret ontbreekt dit. Men vindt er ook
+niets aan, het te bezichtigen, tenzij men den persoon kent.
+
+Het is waar, dat de photographie nauwkeuriger en precieser in
+kleinigheden is; dit weegt echter niet op tegen de uiting van echt
+leven, die een teekenaar in zijn werk neerlegt. We beklagen de eeuw van
+Rembrandt niet, omdat ze het zonder de camera obscura moest stellen, en
+zich behielp met handgemaakte afbeeldingen, integendeel, we achten haar
+gelukkig en betreuren het, dat later een werktuig is uitgevonden,
+waarmee aan kunstenaars het werk uit de hand genomen en het brood uit
+den mond gestooten is. Wel kunnen we thans voor weinig geld portretten
+hebben van allen, wien we genegen zijn, en wel gelijken die zóóveel, dat
+we de personen herkennen, maar ze zijn er naar! Het leven ontbreekt, en
+ook datgene, wat we, na langen omgang, in gelaat, houding, gebaar en
+lichaamsbouw hebben leeren opmerken. We zijn tevreden met den juisten
+vorm van oogen, neus, mond en kin, we eischen niet meer; sedert de
+zeventiende eeuw hebben de menschen zich leeren tevreden stellen met
+afbeeldingen zonder het schalksche leven, zonder tintelenden
+oogenopslag, zonder gemoed en karakter. Misschien zijn er zelfs reeds
+menschen in onzen tijd, die aan hunne bloedverwanten en vrienden deze
+eigenaardigheden niet eens meer opmerken.
+
+Het is best mogelijk, dat de kunst van photographeeren ons
+gezichtsorgaan voor nauwkeurige waarneming van menschen en hunne
+levensuiting heeft afgestompt.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+KLEINE TITUS.
+
+
+[Illustration: Titus van Rijn.]
+
+Laten we naast Saskia nog eens nemen deze afbeelding van Titus, het
+zoontje van Rembrandt. Dan zal ons blijken, dat ook hierin dingen
+voorkomen, die een photographisch portret niet kan geven.
+
+Het ventje zit echt lekker op zijn gemak. Hij zoekt dit op kinderlijke
+manier. Een volwassene gaat er anders bij zitten: niet zoo met het hoofd
+in de nabijheid van de handen, en niet zoo in elkaar gedoken op den rand
+van eene schoolbank of een raamkozijn liggende. Het omgebogen
+polsgewricht van het rechterhandje is echt kinderlijk, ook de duim, die
+het hoofdje steunt en een kuiltje in de kin drukt, waardoor de mondhoek
+een beetje omhoog geschoven wordt! Daar behoort precies bij, die manier
+om eene pen vast te houden, als men zit na te denken over hetgeen
+geschreven moet worden. En zie eens het linkerhandje! Het komt net te
+voorschijn, zooals we dat soms zien bij een poesje, dat behagelijk een
+breed, mollig pootje vooruitsteekt. De heele figuur, het verlichte
+driehoekje van gelaat, handen en boek, heeft iets poezeligs over zich.
+Dit neemt dadelijk in voor het ventje. Het is ons onverschillig, of
+oogen, neus, mond, gezichtsvorm en haar nauwkeurig gelijken, er is,
+buiten dat, iets aantrekkelijks in. Het portretje geeft ons te zien, hoe
+de vader zijn kind soms kon aantreffen, als het in school of thuis in
+een hoekje te leeren zat. De houding moet indruk op hem gemaakt hebben,
+want, toen hij ging schilderen, stelde hij zich het kereltje zóó voor.
+
+Het is niet waarschijnlijk, dat hij, zooals onze photograaf zou doen,
+gelastte: ga nu zus of zoo zitten. Immers, dan wordt alles stijf en
+houterig. Hier was geen afspraak; zonder erg zit Titus op zijn gemak na
+te denken en voor zich uit te kijken, en argeloosheid kon de vader hem
+niet als bevel opleggen.
+
+Dat we hem onbespied kunnen beschouwen, is juist het aantrekkelijke.
+Want nu komt zijn ware aard aan den dag: zijne neiging namelijk om knus
+en gemakkelijk ineen gedoken te zitten. Hij verloochent daarin niet, dat
+hij een kind van Saskia van Ulenburg is!
+
+Het aantrekkelijke wordt nog verhoogd door de groote, donkere kijkers en
+de lange, weelderige lokken. Bovendien vinden we het aardig, zoo
+toevallig eens iets te zien, dat op het schoolgaan en het leeren in de
+zeventiende eeuw betrekking heeft: een bundeltje vellen papier ligt op
+een opengeslagen boek; de inkt,--het zal wel zelfgemaakte inkt wezen,
+want dat was het gewoonlijk,--bevindt zich in eenen koker, die aan een
+koordje of kettinkje hangt. Dit gerei droeg de leerling mee naar school
+en zeulde er mee rond door huis; overal waar hij zich neerzette, om te
+schrijven, had hij het bij zich; als hij voor het open raam plaats nam,
+kon het best gebeuren, dat hij achteloos den inktkoker uit het raam heen
+en weer liet bungelen. Ingenaaide schriften waren niet zooveel in
+gebruik, als losse bladen papier. Deze omstandigheid gaf hier den
+schilder gelegenheid, om te laten zien, hoe de velletjes soms plat op
+elkaar, soms met eene gapende opening er tusschen kunnen liggen.
+
+Met Titus er bij hebben we nu den kleinen huiselijken kring compleet,
+waarin Rembrandt anno 1642 leefde. We moeten echter bedenken, dat de
+zoon nog heel klein was, toen Saskia overleed; de moeder heeft hem nooit
+gezien, zooals de vader hem hier afbeeldt.
+
+In de portretten van vrouw en zoon heeft hij wel duidelijk uitgedrukt,
+met hoeveel hart hij aan beide hing, hoe gelukkig hij zich aan den
+huiselijken haard voelde, toen Saskia nog leefde. Ook zal hij innerlijk
+bewogen geweest zijn, als hij later het kind uitbeeldde en opmerkte, hoe
+hare geaardheid, hare natuur daarin voortleefde, toen zij reeds lang
+ter ziele was.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+ACTIE.
+
+
+Naast elkaar zijn hier gesteld twee groepjes van twee personen, die
+eenige woorden met elkaar wisselen. Het eene stelt voor een Amsterdamsch
+burger uit het jaar 1633, scheepsbouwer en teekenaar van
+scheepsontwerpen van beroep, met zijne vrouw, die een briefje binnen
+brengt. Het andere is Michiel Azn. de Ruyter, in gesprek met zijnen
+stuurman Zeger. Al dadelijk valt het op, dat De Ruyter en Zeger, elk met
+een paar gelijke platvoeten en een paar zwarte kuiten, recht op en neer
+naast elkaar staan. Beider onderstel, met en benevens de wijde broeken,
+schijnen naar een en hetzelfde model te zijn gevormd. De enkels zijn te
+dik, en evenveel te dik, het aanzwellen der beenen, naar boven toe, gaat
+gelijk in zijn werk, de broeken hangen er gelijk om. Vervelend is het
+verder, dat beide gelijkelijk het front naar elkaar draaien, en dat ze
+beide den naar elkaar gekeerden arm schuin omlaag, den anderen arm
+opgeheven houden.
+
+[Illustration: De Ruyter en Zeger.]
+
+De Scheepsbouwmeester en zijne vrouw zijn zonder zulke toevalligheden
+tot een groep bijeengebracht. De houding van de handen der vrouw laat
+zich zeer goed met die van De Ruyter vergelijken. Zij houdt met de
+linker kloek en ferm de klink van de deur omvat, niet nuffig en met
+opzettelijke bevalligheid, maar zooals eene degelijke huisvrouw in
+drukke bezigheden alles doet. De Ruyter doet iets, dat, op zichzelf
+beschouwd, een daad is van kloekheid, van moed en van durf. Eigenlijk
+moest hij dus ook onverschrokken met de linkerhand naar den Engelschman
+wijzen, dien hij tot partuur heeft gekozen. Maar hoe is dit op de plaat
+uitgedrukt? De wereldvermaarde zeebonk steekt een blank, mollig, klein
+handje uit, de arm is slap en zonder fierheid opgeheven, het
+wijsvingertje bij het jongejuffrouwenduimpje wijst op kromme manier iets
+aan. Men zou haast denken, dat mijnheer Zeger heeft gevraagd: "Hoe loop
+ik het kortst van hier naar de Kipstraat?" en dat een voorbijgaand,
+ziekelijk oud heer met een pijnlijk gezicht antwoordt: "Hier links den
+hoek om." Waarop gemelde heer Zeger met vriendelijk gelaat voor de
+bekomen inlichting bedankt, beleefd den hoed licht, en den ouden heer
+eene prettige wandeling toewenscht.
+
+Zoo kan geen De Ruyter het vermaarde commando hebben gegeven, zoo strekt
+geen held met gebiedend gebaar den arm.
+
+[Illustration: Scheepsbouwmeester en vrouw.]
+
+De rechterhand is niet beter van teekening. Misschien loopen er
+verwaande menschen rond, die op deze manier met gebogen polsgewricht den
+knop van een wandelstok omvat houden, maar van onzen Vlissinger Michiel
+gelooven we het niet.
+
+Zie daarentegen, hoe het vrouwtje haren brief overreikt. De bedoeling is
+volkomen duidelijk uitgedrukt: ze laat hem niet zien, ze neemt hem niet
+weg, maar ze overhandigt. Zelfs zit in het handgebaar de beweging van
+iemand, die achterwaarts een briefje afgeeft. Men probeere zelf de
+houding na te bootsen.
+
+Ook de handen van den scheepsbouwmeester mogen gezien worden bij die van
+stuurman Zeger. Zijn linker, eene dikke, vleezige werkhand blijft rusten
+op het teekenwerk, terwijl het hoofd zich even opricht om te zien, wie
+den arbeid komt storen. Is het niet, alsof die hand, met gedachten
+vervuld, bij het werk tracht te blijven, alsof ze den gedachtengang wil
+vasthouden, tot de stoornis voorbij is?
+
+De rechter wil het briefje in ontvangst nemen. Echter niet met een
+gebaar van haastig aanpakken. Het binnenkomen van moeder de vrouw wordt
+euvel opgenomen, omdat het storend is. Vandaar dat de hand maar
+aarzelend uitgestoken wordt. Dit is geheel in overeenstemming met 's
+mans gelaat; de afdruk laat duidelijk een lichten graad van
+ontevredenheid zien; die blik op zijne vrouw en het voorhoofd-fronsen
+zijn er de blijken van.
+
+De rechterhand van stuurman Zeger neemt op eene wijze den hoed af, die
+noch de manier van een zeeman, noch die van een fijn heer is. Houvast
+zit er niet in; een groote, vilten, zeventiende-eeuwsche hoed zou wel
+anders doorbuigen, als men dien bij het uiterste randje tusschen duim en
+vinger aanvatte. Hij lijkt wel van hout. Wat is daarbij vergeleken het
+passertje goed geteekend; in de hand het ronde gewricht, naar beneden de
+gepunte, driekante beenen, waarvan een, door lang gebruik, iets
+kromgebogen is; met een soort van gretige werklust hapt het instrumentje
+naar het papier. Zelfs in zoo'n gering bijzaakje heeft Rembrandt het
+bijzondere gevoeld. De scheepsroeper is lang niet van hetzelfde gehalte;
+de rand van het geslagen koperblik is veel te dik geworden; de
+trechtervormige beker is aan den onderkant bijna recht, aan den
+bovenkant bolvormig; het mondstuk heeft een verkeerden stand; van onze
+plaats af moesten we er niet in kunnen zien; het heeft bepaald in de
+klem gezeten en is verbogen geraakt. Letten we op de handeling, die op
+beide afbeeldingen tusschen de twee personen voorvalt, dan moeten we
+allereerst onze bewondering uitspreken voor het vrouwtje. Er zit in hare
+houding buitengewone bewegelijkheid; het overhandigen van den brief gaat
+niet bedaard in zijn werk, maar haastig en gejaagd. Zij blijft bijna bij
+de deur staan, om geen tijd te verliezen met verder te loopen dan noodig
+is; met over den stoel heen te buigen bereikt ze haar doel even goed.
+Het bovenlijf helt niet alleen zijdelings naar den bouwmeester over, het
+maakt ook eene kleine buiging voorover. Intusschen draaien de
+linkerheup, de linkerschouder en de linkerarm zich reeds weer
+achterwaarts, terug naar de deur.
+
+De rechterhand en-arm, en het gezicht zijn nog verdiept in de beweging
+van het overhandigen. In al de onderdeelen van deze figuur dus eene
+aanduiding van wenden, buigen en draaien, nergens de stijve rust van een
+lid, dat aan de handeling geen deel neemt. Sommige beschouwers maken
+hiervan Rembrandt wel eens een verwijt. Ze vinden het schielijke
+binnenkomen storend voor de rust van de schilderij; het maakt hun
+gejaagd, als ze er een oogenblikje kalm naar zouden willen kijken. Daar
+is wel iets van aan; het is hinderlijk, als je het idee krijgt, dat
+zoo'n figuurtje zoo aanstonds zal wegsnellen, en als men zichzelf
+betrapt, dat men daarop staat te wachten. Maar we moeten den schilder de
+eer geven, die hem toekomt; hij heeft in de lichaams houding van eene
+vrouw, die even binnenkomt en dadelijk weer heengaat, met een fijn oog
+de bewegelijkheid van buiging en draaiing waargenomen en weergegeven.
+
+De plaat van De Ruyter is er, om een geschiedkundig feit voor te
+stellen; alles moest dus eigenlijk handeling zijn; de handeling moest
+althans zeer sterk tot ons spreken. Neem nu den admiraal eens; hij staat
+er zoo houterig en schutterig bij, dat er geen schijn van beweging in
+hem zit. Van onder tot boven, van zijn voeten tot zijn hoofddeksel,
+alles stijf en recht; nergens in de heele figuur eenige zwenking; geen
+enkele lenigheid van draaiing of buiging. Hij zit diep in zijn hoedje
+weggeslagen, en schijnt aan een stijven nek te lijden. Misschien trekt
+hij daarom zoo'n pijnlijk gezicht. Kijk daarentegen eens, hoe mooi rond
+het vrouwenkopje is, hoe het mutsje meewerkt, om de ronding uit te
+beelden, en hoe los en gemakkelijk het hoofd zich keert en wendt boven
+den kraag.
+
+Zoo krijgen we tot slotsom van de vergelijking: de plaat, die eene
+handeling moet voorstellen, geeft houterige, stijve figuren, die de
+armen oplichten om te doen, alsof ze zich bewegen, maar ze bewegen niet.
+De andere, die gemaakt werd om de portretten van eerzame inwoonderen van
+Amsterdam te geven, tintelt van actie, zonder nochtans in het geven van
+portretten te kort te komen. De handeling maakt zooveel indruk, dat we
+beginnen te denken aan een historisch feit. Het lijkt wel, dat dit nu
+het beroemde briefje is, waarover we in boeken lezen, hetwelk
+binnengebracht werd, om den verraderlijken aanslag op een of andere stad
+te verijdelen. Maar 't is zoo niet! De schilderij is er een, waar niets
+achter zit. Zij is een portretstuk, meer niet.
+
+We zullen deze neiging van Rembrandt, om den aard van het portret te
+verbloemen, meer opmerken. Men kan hem ook hiervan een verwijt maken;
+het _is_ misschien niet heelemaal in orde, dat we tegenover de twee
+konterfeitsels van een paar burgerluitjes gedachten hebben van vermaarde
+gebeurtenissen; dat we dus aan dingen denken, die hier niet te pas
+komen. Maar--wat een kunst, om dat te kunnen! Wat een schilder moet men
+wezen, om zoo, spelend weg, in een portretstukje een aardigheidje te
+vertellen, en het dan zoo te doen, dat de beschouwer heelemaal de klus
+kwijt raakt.
+
+De Anatomische les heeft hiervan ook wel een tikje weg, zooals we zullen
+zien.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+MISLEIDE AANDACHT.
+
+
+Onder de drommen van reizigers, die jaarlijks de stad 's-Gravenhage
+bezoeken, zijn er gelukkig niet weinigen, die een uurtje over hebben, om
+de schatten van het Mauritshuis te gaan zien. En onder dezen merkt men
+dikwijls bezoekers op, voor wie de gang daarheen eene bedevaart is. Ze
+komen uit steden en stadjes, die binnen hare muren geen enkel staaltje
+bevatten van de groote kunst onzer voorvaderen; van Rembrandt gehoord
+hebben ze; photographieën naar zijne schilderijen hebben ze gezien. Maar
+nog nooit hadden ze gelegenheid om het hart eens op te halen aan zoo'n
+lapje doek, waarvoor hij zelf, twee en een halve eeuw geleden, met palet
+en penseel heeft gezeten; waarop hij eigenhandig de klonters verf heeft
+geklutst, gewreven en aangesmeerd. Binnen de muren van dit eenvoudig,
+onaanzienlijk gebouw zal dan eindelijk de begeerte bevredigd en het
+verlangen gestild worden. De trappen gaat het op, rechts den hoek om,
+eene kamerdeur door en het vertrek binnen. Dit is het heilige der
+heiligen. Wat hier hangt, draagt groote namen: we lezen er Jan Steen, P.
+Potter, Ostade, Brouwer, maar voor allen lezen we Rembrandt Harmenszoon
+van Rijn. Tegen deze weinige vierkante meters muur hangen een tiental
+zijner stukken bijeen, een schat, dien honderd musea het kleine
+Mauritshuis benijden. Het statig middelpunt daarvan vormt de
+Anatomische les, die waard is, eenigszins uitvoerig beschouwd te worden.
+
+De Anatomische of Ontleedkundige les is een portretstuk. Rembrandt
+maakte het op bestelling, voor acht geneeskundigen uit de stad
+Amsterdam. Dezen hadden het oogmerk, om er hun vereenigingsgebouw, de
+chirurgijnshal, mee te versieren. In plaats van acht afzonderlijke
+portretten, verlangden ze een groep; ze lieten het aan den schilder
+over, de groep samen te stellen, op voorwaarde natuurlijk, dat ieder van
+de acht koppen tot zijn recht kwam. Zij verwachtten niet anders, dan dat
+hij het met deze voorwaarde ernstig op zou nemen. Nu, de koppen kwamen
+tot hun recht; maar toch zou de eerste blik van den beschouwer op een
+ander deel van de schilderij gevestigd worden. De schilder wilde, dat
+het lijk, in uitgestrekte houding op de snijtafel neergelegd, het eerst
+de aandacht zou vragen.
+
+Hij had dit kunnen bereiken, door het aanwenden van een eenvoudig
+middel: als hij er een griezelig voorwerp van had gemaakt, zoo akelig om
+te zien, dat een ieder er naar _moest_ zien. Maar dit deed hij niet. Het
+lijk is zoo geschilderd, dat ook de teergevoeligste lieden den aanblik
+kunnen verdragen. Zelfs de opengelegde arm heeft niets afschuwelijks.
+Alles wat de zenuwen van aanstellerige jongejuffrouwen zou kunnen
+prikkelen, vermeed hij. Wel is het gelaat het gelaat van een doode, en
+dus niet aangenaam om te zien; maar het wekt geen weerzin.
+
+Waarom is het dan wel, dat we, als van zelf, steeds het eerst op het
+lijk het oog richten?
+
+We ondergaan een gelijk lot, als het avondvlindertje, dat door ons
+openstaand venster komt binnenvliegen. Het _licht_ trekt ons aan. Het
+licht is de geheimzinnige macht, die _ons_ gezichtsorgaan, evenzeer als
+dat van het onnoozel gedierte, weet te leiden, waarheen ze wil. Zitten
+we des winters in schemerdonker bij open haard of kachel,
+onweerstaanbaar wordt het oog door den vlammengloed aangetrokken.
+Schrijden we des zomers door de donkerte van eenen boschweg, we
+verhaasten onzen tred, als op het eind van de laan het zonlicht door
+eene open ruimte binnendringt.
+
+Licht geeft op het netvlies een aangenaam gevoel, zooals frisch water
+aan tong en gehemelte, wanneer ze van dorst verschroeien. Het kost soms
+moeite, om den blik van de vlam eener lamp af te wenden, als de omgeving
+door de duisternis eene scherpe tegenstelling vormt.
+
+Nu; de Anatomische les is eene schilderij, waarvan het grootste deel der
+oppervlakte in zware, donkere verven bewerkt is. Het is juist
+voornamelijk het lijk, dat hierop eene uitzondering vormt. De gezichten
+der rondomstaande geneesheeren ook wel, maar die zijn van minder omvang
+en zullen eerst in de tweede plaats onze aandacht trekken. We gaan op
+het zonnige licht af, dat midden op het groote doek een hoekje vult. De
+portretten, waar het feitelijk om te doen was, worden daardoor min of
+meer op den achtergrond gedrongen; het stuk krijgt den schijn van
+gemaakt te zijn met een ander doel, dan om die portretten te geven. We
+zouden haast kunnen denken, dat de schilder wilde laten zien, op welke
+wijze dokter Claes Pieterszoon Tulp les gaf in de ontleedkunde.
+Menschen, die niet voor dokter hebben gestudeerd, zien hier iets, wat ze
+nooit eerder hebben gezien, dat namelijk een hoogleeraar zoo, vóór zich,
+een cadaver heeft liggen, waarvan hij een of ander lichaamsdeel
+openlegt; hij neemt een soort van tang om vast te pakken; de leerlingen
+staan er in een kring omheen, en het onderwijs begint! Werkelijk meenen
+velen, dat het stuk met deze bedoeling is gemaakt.
+
+[Illustration: De ontleedkundige les.]
+
+Toch is het een portret en moet dus op één lijn gesteld worden met
+bijvoorbeeld een schoolportret, dat in lange rijen de kopjes van eene
+klas schoolkinderen te zien geeft. Wat een verschil echter! Het eene is
+een vervelende verzameling van allemaal kijkende gezichten; wie het
+onder de oogen krijgt, gaat zoeken naar bekenden. Soms maakt de
+photograaf eene kleine variatie, door aan eenige leden van het
+gezelschap iets te doen te geven: garen winden, thee schenken of zoo
+iets. Maar niemand wordt de dupe van dezen kunstgreep, men zal nooit ook
+maar een oogenblik meenen, dat de photographie er is, om het
+theeschenken te laten zien; de gezichten trekken te sterk de aandacht.
+
+Het portret van Rembrandt leidt ons juist wel op een dwaalspoor en heeft
+al menigeen omtrent den aard van het stuk misleid. En dat, doordien het
+volle licht op het lijk valt.
+
+Een oogenblik mag men wel stilstaan bij dit overigens niet erg
+verkwikkelijke voorwerp.
+
+Hoe komt het, dat we zoo goed het verschil voelen tusschen de
+vleeschoppervlakte en de geweven stof, waaruit de ledendoek bestaat? Het
+is, alsof we een en ander met vingers hebben betast.
+
+In de eerste plaats door het verschil in kleur, wat ook op eenen zwarten
+afdruk te zien is. Beide zijn wel licht, maar de doek is toch lichter
+gehouden dan het lichaam, ofschoon hij niet wit is; overal merken we
+grijze tinten, die schaduwen van vrouwen en plooien weergeven. Maar deze
+vrouwen en plooien hebben de eigenaardige gedaante, die we in geweven
+stoffen opmerken. En, dit is een tweede punt van verschil, de
+schaduwdiepten, die in de oppervlakte van het lichaam zijn aangegeven,
+zijn van anderen vorm. Ze zijn breeder en minder diep; over eene
+grootere ruimte gaan ze geleidelijk in blank licht over. Men kan het
+beenderen gestel gissen, dat er onder zit. Zoo bijvoorbeeld dat van de
+borstkas. Duidelijk zien wij den strak gespannen omtrek van het
+borstbeen, en naar den rechterarm heel vaag de afteekening van de
+diepsels, die tusschen de ribben zijn ingezonken. Ook de ronding van het
+geheele lichaam is met fijne grijze kleur tastbaar gemaakt. Heel mooi
+ligt de zware spier van den bovenarm tegen het lijf gedrukt; het
+schaduwgleufje verbreedt zich naar boven tot eenen oksel, naar beneden
+tot eene elleboogsholte.
+
+Van het rechterbeen trekt vooral de omtrekslijn langs den bovenkant de
+aandacht. Als we die, van den lendendoek af tot den voet toe, met het
+oog volgen, nemen we telkens fijn uitgebeelde spiervormen waar;
+halverwege stulpt de knie eenigszins naar buiten, omgeven van de kleine
+rondingen, die we daar gewoon zijn op te merken.
+
+De voeten reiken tot in de schaduw. Ze wijzen ons den weg naar een
+opengeslagen boek, van eerwaardige grootte en dikte, een foliant, waarin
+anatomische wijsheid zal zijn opgetast. Zooals de bladen op elkaar
+liggen, getuigen ze van veelvuldig gebruik.
+
+Waar de schaduwpartij precies een aanvang neemt, is moeilijk aan te
+wijzen; het bovenbeen is nog verlicht, de knie al niet meer. Ongemerkt
+heeft de overgang plaats. Zoo gaat het ook met de slagschaduw van een
+potlood, dat men op korten afstand over het belichte deel van het
+cadaver houdt.
+
+Met deze waarnemingen hebben we aan de plicht voldaan, om te zien in de
+richting, die de schilder met zijn lichteffect heeft aangeduid.
+
+Bij voortgezette beschouwing dwaalt nu de blik als van zelf naar het
+gelaat van Tulp, en hierheen eerder, dan naar de gezichten der overige
+heeren. Het schijnt, dat de beide handen, die zoo in de nabijheid van
+het lijk hare welsprekende gebaren maken, dien overgang bewerken. We
+moeten ook bij Tulp het eerst wezen; hij is onder de acht
+geportretteerden de voornaamste en aanzienlijkste. Als geneesheer genoot
+hij eene groote reputatie, zoowel in Amsterdam als daar buiten. Hij
+speelde in deze wereldstad bovendien eene groote rol als lid van de
+stedelijke regeering. En de regeering van Amsterdam, dat wou wat zeggen.
+Die gaf in de regeering van de Republiek de lakens uit. Een man als
+Bicker had immers in ons land bijna evenveel invloed als Stadhouder
+Willem II. Een burgemeester van Amsterdam mocht met recht tegen een hoog
+geplaatst Fransch edelman zeggen: "De koningen van het land, dat zijn
+wij!"
+
+Intusschen zou Tulp, èn als geneesheer èn als magistraat, toch reeds
+lang vergeten zijn, wanneer hij niet toevallig bevriend was geweest met
+Rembrandt, en wanneer deze van hem niet den onvergetelijken kop had
+gemaakt, dien we hier voor ons zien. De oogen, donker van kleur, staan
+er helder en met verwonderlijke klaarheid in. De blik, die op de verte
+gericht is, verraadt een groot verstand, diepe kennis en zachtheid in
+het oordeelen. Het gelaat is vol ernst, niet de ernst, die door leed
+ontstaat, maar de ernst, die gevolg is van juist inzicht en van veel
+weten. De mond schijnt te spreken. De boven-en onderlip zijn zoodanig op
+elkander geschilderd, dat er eene bijna onmerkbare plooiing in komt;
+door deze plooiing is het, alsof we de lippen de letters hooren
+aanblazen bij het spreken, en men kan er zichzelf op betrappen, dat men
+tracht vast te stellen, welke medeklinker er gevormd wordt, hetzij dan
+een f, hetzij een v.
+
+De handen begeleiden dit spreken met verwonderlijke juistheid. De
+linker, ter halver hoogte opgeheven, maakt aan de hoorders duidelijk,
+welke bewegingen de dokter bedoelt. Terwijl namelijk de rechter met
+behulp van een pincette éénen spierbundel van de anderen afzondert, laat
+de linker zien, welke uitwerking de samentrekking daarvan zou hebben.
+Het is een buigspier, liggende aan de binnenzijde van den arm; de
+middelvingers van de linkerhand maken onwillekeurig de buigbeweging mee,
+over welke gesproken wordt.
+
+Veegjes lichte verf geven tusschen de vingers de plaatsing aan, hoe ze
+eenigszins uiteen wijken, naast elkaar op de hand zijn ingeplant, en los
+van elkaar in de ruimte staan. We zien in de tusschenruimte op. In den
+duim van de rechterhand voelen we de drukking, die hij op het werktuigje
+uitoefenen moet, om den spierbundel vast te houden. Wat liggen ook de
+vier vingertoppen in juiste houding om den duim heen!
+
+De kleeding verdient wel een oogenblik bijzonder de aandacht. Er zijn
+zeventiend-eeuwsche portretten genoeg, die ons onderrichten omtrent vorm
+en snit van de toenmalige kleedingstukken. Maar hier hebben we er een,
+dat ons doet voelen hoe _mooi_ ze stonden, hoe schilderachtig ze den
+persoon kleedden. Breed en kloek is de borst, en zijn de schouders onder
+zoo'n wambuis met mantelkraag. De breedgerande, vilten hoed geeft den
+kop een prachtige vierkantheid; hij kleedt ontegenzeggelijk mooier dan
+de hooge cylinderhoeden uit onze dagen. Het kantkraagje en de manchetten
+droeg men niet onder maar over het wambuis, niet in maar om de mouw.
+
+Misschien wekt het bevreemding, dat Dr. Tulp onder de les en in
+aanzienlijk gezelschap den hoed op het hoofd houdt. Dit was in zijn tijd
+gewoonte: de professor aan de hoogeschool, zoowel als de onderwijzer te
+midden van zijne leerlingen, de vroede raadsleden op het raadhuis,
+zoowel als de huisvader in den familiekring, hielden zich gedekt; en men
+zag daarin geene onwellevendheid. Van de overige koppen trekken vooral
+de twee, die zich over het cadaver heenbuigen, de aandacht. In de eerste
+plaats om de tegenstelling tot Tulp. Terwijl deze spreekt, zoowel met
+den mond als met de handen, zoowel door zijne opgerichte houding als
+door zijn rondblikkend gelaat, luisteren gene. De een ziet naar het
+lijk, de ander naar den professor, maar beider oogopslag verraadt
+aandachtig luisteren; luisterend ook buigen ze zich voorover.
+
+In de tweede plaats om de schilderhoedanigheden. Men lette bijvoorbeeld
+eens op de rechterwang van den persoon, die het dichtst bij Tulp zit.
+Van het oog af naar beneden vinden we alle kleurschakeeringen, die ons
+in het gezichtsvleesch van zoo'n gelaat bekend zijn. Allerlei zwakke
+schaduwtjes en lichtvlakjes duiden aan, hoe het verloop is van de wang.
+Het is niet maar eenvoudig weg eene bolle ronding of eene magere
+afplatting; overal zitten vorm-en gedaantewisselingen. Eerst eene
+blauwachtige, eenigszins uitpuilende streek onder het oog, zooals bij
+zwak uitziende menschen. Dan de verheffing van het jukbeen, waar we een
+blosje vermoeden. Hiertusschen en tusschen den neus eene invallende
+diepte. Verder naar beneden de ingevallen wang, die achter den knevel
+verdwijnt en, om het jukbeen heen, nog tot aan het oor te volgen is.
+Alsnu gaat het met geleidelijke ronding om de kaak heen, waar heel dun
+eenig blond haar groeit.
+
+En, zooals deze wang is, is de heele kop. Elk plekje is aan het model
+ernstig en aandachtig waargenomen, bespied en bestudeerd. Het portret is
+een beeld geworden, dat men niet zoo maar eens even uit zijn hoofd
+schildert, het is naar het leven genomen, het geeft ook het leven weer.
+
+Bij de beschouwing trachten we ons onwillekeurig te binnen te brengen,
+waar en wanneer we dezen persoon hebben ontmoet, alsof het iemand is,
+dien we in onze omgeving opgemerkt hebben.
+
+De overige koppen op deze schilderij zouden evenzeer eene afzonderlijke
+bespreking verdienen. Alle dragen de kenmerken van studie naar het
+leven. In alle is met zorg het afzonderlijke, het eigenaardige
+opgemerkt. Men vergelijke, om een voorbeeld te geven, maar eens met
+elkaar de manier, waarop bij elk het haar op het voorhoofd is ingeplant.
+Alleen hieraan zou men de heeren alle kunnen herkennen, als men ze
+ontmoette.
+
+Of men ga eens na, hoe elk van de aanwezigen op eigen wijs de les van
+Dr. Tulp volgt; met meer of met minder aandacht; met een geestigen trek
+om mond en oogen of met een soort van onverschilligheid.
+
+Ieder is zichzelf en leeft zijn eigen leven. Geen twee zijn van een
+zelfde model.
+
+Al deze uitingen van leven spreken des te sterker, omdat ze gerangschikt
+staan rondom het beeld van den dood, van de stof, waaruit het leven
+ontvloden is.
+
+De mond van het cadaver is half geopend, en een glimlach schijnt er
+omheen te spelen. Maar de glimlach is verstijfd, en het spreekgebaar van
+de mondopening is koud en versteend. Het is het eeuwige zwijgen met een
+grimas van leven. En op het gelaat van den lesgevenden professor: het
+mondopenen nauwelijks zichtbaar, de blik strak op de verte gericht, geen
+plooitje, dat zich tot glimlach vormt, en toch het heele wezen een en al
+leven, op de bijna onbewogen trekken een spreken, dat sedert bijna drie
+eeuwen elken toeschouwer in de ziel dringt, en dat spreken zal blijven
+tot in lengte van dagen.
+
+Het stuk in zijn geheel heeft ook zijne eigenaardige bekoring. Eerstens
+door het zonnige hoekje, waar het cadaver ligt. Het oog heeft in die
+lichtplek een aangenaam rustpunt. Ten tweeden door de groepeering. De
+personen staan los, ongedwongen en regelloos bij elkaar, terwijl ze toch
+in een driehoek gevat zijn; één gezicht vormt hiervan den top en doet de
+groep naar boven toe bevredigend eindigen.
+
+Ten derden door de rijke afwisseling van licht en donker; tusschen de
+witte kragen, blanke gezichten en handen zijn overal stukjes achtergrond
+aangebracht of brokstukken donkere kleeding, donkere baarden of behaarde
+schedels. Men bezie het stuk maar eens door de oogharen, om deze
+afwisseling op te merken.
+
+De geschiedenis van de Anatomische les is deze. Rembrandt maakte haar in
+1632, het jaar, waarin Frederik Hendrik Limburg aan de Republiek
+toevoegde. Ze kreeg eene plaats in de vergaderzaal der chirurgijns te
+Amsterdam en bevond zich aldaar nog, toen deze in 1828 hunne bezittingen
+te gelde wenschten te maken en het stuk aan Koning Willem I verkochten
+voor f32.000. Sedert maakt het deel uit van het Koninklijk Kabinet, dat
+in het Mauritshuis ondergebracht is.
+
+De maker van het kunstwerk zal waarschijnlijk van elk der acht heeren
+geneeskundigen de som van een kleine honderd gulden hebben ontvangen,
+wat in 1632, toen Amsterdam krioelde van goede schilders, al wel was,
+vooral voor een beginnend man van even vijf en twintig jaar.
+
+In een anderen zin bracht het hem echter meer op. Als een loopend vuur
+ging de mare door de stad, dat een groot schilder was opgestaan,
+overgekomen uit Leiden en je kon zijn werk zien op de Chirurgijnshal!
+Dit legde hem geen windeieren. Spoedig regende het bestellingen van
+portretten, en maakte hij een geweldigen opgang, zoo enorm, dat zelfs in
+het Stadhouderlijk Paleis te 's-Gravenhage zijn naam genoemd werd.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+AANRAKING MET HISTORISCHE PERSONEN.
+
+
+Reeds in zijne studiejaren had Rembrandt in Den Haag zaken gedaan. Toen
+hij, nog vóór 1632, bij zijne ouders te Leiden woonde en ijverig
+schilderde en teekende om de kunst machtig te worden, deed eens een
+bezoeker hem aanwijzing voor een heer in Den Haag. Een zeker stukje, dat
+hij juist voltooid had, moest hij dien eens gaan vertoonen en te koop
+aanbieden. Te voet trok de jonge schilder er op uit, bereikte na eene
+wandeling van vier uren de Residentie en smaakte de voldoening zijn stuk
+voor honderd gulden te verkoopen. Wonder in zijn schik met dit succes,
+en nog niet gewoon zooveel geld in zijn buidel te hebben, voelde hij
+behoefte, om zoo gauw mogelijk naar Leiden te gaan met zijn schat, en
+zijne ouders in kennis te stellen met het fortuintje.
+
+Een weg van een kleine vier uur gaans weer te voet af te leggen, dat
+kwam, dunkte hem, niet te pas voor iemand, die schilderijen met honderd
+gulden betaald krijgt. De trekschuit, daar ging Jan en alleman mee. Hij
+deed als een groote m'nheer en nam parmantig plaats bij het logement,
+"De Leidsche wagens" op den wagen naar Leiden. _Op_ den wagen naar
+Leiden, aldus vertelt een oud schrijver, niet _in_.
+
+Wat genoot hij van dat ritje! Eerst voerde de weg hem door het Haagsche
+bosch met zijne gladde, rijzige, groene, beukenstammen, die hunne takken
+breed en vlakweg met lichtdoorlatende, fijne blaadjes uitgespreid
+hielden; verspreide eiken stonden zwaar en donker daartusschen met
+diepgefronste schors, en takken, die in moeilijke kromming zich wrongen.
+Machtig en breed stond de voet uit in de zandige duinhellingen; het trof
+hem, hoe ze hun wortels uitlegden over den bodem als een reuzig
+gedierte, dat krampachtig met uitgeslagen en wijdgeopende klauwen zich
+vast wil klemmen.
+
+Nog anders dan in Leiden op het bolwerk, zag je hier, hoe de natuur een
+beeld van kracht kan zijn. Hier, waar werkelijk eeuwen-heugende eiken en
+beuken stonden. Maakte niet een medereiziger hem attent op een drietal
+forsche exemplaren, met dooreengestrengelde takken, die het volk het
+Jacobaprieel noemde, omdat er de landsvrouw Jacoba tweehonderd jaar
+geleden gaarne verwijld had? Heerlijk wonen moest het in Den Haag zijn
+voor eenen kunstenaar. De oude stad nog net plaats vindende op het
+uiteinde van de reeks binnenduinen, waarop ook het Haagsche bosch stond,
+en waarover de Leidsche weg hem Noordoostelijk voerde; de nieuwere
+straten de venen ingaande. De omstreken, in Noordelijke richting,
+klingen en dalen met laag en opgaand hout, in zuidelijke richting lage
+weiden, vol slooten en plassen; hier en daar moerassen, met ruigten van
+wilgbeschot en oeverplanten; de verre horizonnen onderbroken door
+watermolentjes, die men reeds in gebruik begon te stellen van de
+grondverbetering.
+
+Terwijl hij voortmijmerde, passeerde de koetsier niet ongemerkt het
+liefelijke Huis Ten Bosch (wijl dit er nog niet was, en eerst over
+twintig jaar ter eere van den vrede van Munster zou verrijzen) maar reed
+door tot, en hield stil voor het huis Ten Deil, eene herberg, die den
+weg van Den Haag naar Leiden in nagenoeg gelijke helften deelt (deilt).
+Eene onoogelijke waardin kwam buiten met een zwartberookt tabakspijpje
+in den mond, en zette den paarden eene krib met voer voor. De reizigers
+stegen uit en traden, evenals de wagenbestuurder, de herberg binnen,
+boven welks deur, tusschen rankend wijnloof, aan een eind lat een groote
+aarden bierpot bungelde. Rembrandt voelde geen lust, het voorbeeld te
+volgen en mede uit te stappen. Hij bleef bij zijn vollen buidel op den
+wagen zitten. Na eenige oogenblikken wordt de krib weggenomen, en komt
+het volk met den wagenaar naar buiten, om ieder zijn plaatsje weer in te
+nemen. Hun al te groote luidruchtigheid jaagt den paarden een schrik op
+het lijf: ze gaan er van door en rennen met den schilder voort. Het gaat
+langs den hun bekenden weg huiswaarts; ze storen zich aan niets, hollen
+voort, bereiken de Wittevrouwenpoort, sleuren den wagen over de
+Drentsche keien van het Noordeinde en houden in voor de deuren van den
+gewenden stal. Het stalpersoneel stormt naar buiten, helpt den schilder
+uitstijgen, betast zijn leden, of er geen gebroken is, en toont zich
+benieuwd om te vernemen, hoe hij dus, alleen op den Haagschen wagen
+gezeten, de stad komt binnenrijden. Maar hij. Zonder veel praatjes maakt
+hij zich weg en spoedt zich naar de Weddesteeg, die het rijtuig
+gepasseerd was zonder hem af te zetten. Behouden en wel brengt hij zijn
+honderd gulden thuis, en is gelukkig, dat hij op Den Deijl zoo weinig
+verteringskosten heeft behoeven te maken.
+
+Het is waarschijnlijk, dat de groote m'nheer in Den Haag, die zijn stuk
+honderd gulden waard achtte, niemand minder dan Constantijn Huygens is
+geweest.
+
+Kort nadat Rembrandt zich in Amsterdam had gevestigd en een grooten naam
+begon te krijgen, bracht Huygens hem bij den stadhouder, prins Frederik
+Hendrik, ter sprake, wat hij gemakkelijk kon doen, omdat hij, als diens
+geheim-secretaris, dagelijks met den vorst verkeerde.
+
+Er volgde eene bestelling van eenige stukken, misschien om er het
+stadhouderlijk paleis te Rijswijk mee te versieren. De levering, en
+daarna de betaling, hebben nog al voeten in de aarde gehad. Men is dit
+aan de weet gekomen uit eigenhandige brieven van Rembrandt, die bewaard
+zijn gebleven in families, welke van Huygens afstammen. Uit een van deze
+blijkt, dat hij zelf zeer goed wist, een eerste-rangsschilder te zijn,
+dien men goed moest betalen, maar tevens, dat hij bescheiden genoeg was,
+om waarde te hechten aan het oordeel van Huygens of van den Prins. Zie
+hier:
+
+_Mijn Heer_!
+
+Soo ist dan dat ick met licensij u e dese 2 stucken toesende die ick
+meen dat soodaenich sullen bevonden werden dat sijn Hoocheijt nu selfs
+mij niet min als dusent guldens voor ider toeleggen sal doch soo sijn
+Hoocheijt dunckt dat sijt niet en meerijteeren sal naer sijn eijgen
+believen minder geeven mij verlaetende op sijn Hoocheijts kennis en
+discreesij. Sals mij danckbaerlick daer met laeten contenteeren ende
+blijvende neffens mijne groetenisse sijnen
+
+D.W. ende geneegen dienaer
+
+REMBRANDT.
+
+Het tghene ick aen de lijsten en de kas verschooten hebb is 44 guldens
+in alles.
+
+Behalve omtrent zijn karakter, leert dit schrijven iets omtrent zijne
+ontwikkeling. Hij schreef een goeden brief, de zinnen vloeiden hem
+gemakkelijk uit de pen, en hij spelde vrij zuiver, te rekenen voor de
+zeventiende eeuw. Zijn schoolonderwijs was niet verwaarloosd, al wijdde
+hij zich reeds vroeg aan de kunst. Dat hij in den laatsten zin schreef:
+"daer _met_ laeten contenteeren" in plaats van "daar_mee_", kan men op
+rekening stellen van zijn omgang met vrouwe Saskia van Uhlenburg, die
+dat in Friesland zoo had geleerd.
+
+Uit zijne brieven aan Huygens moge ook deze nog aangehaald worden, om
+grond te geven aan ons vermoeden, dat het hof in Den Haag met de
+uitkeering der contanten nu niet juist zoo heel vlug is geweest.
+
+_Mijn Heer!_
+
+Mijn E. Heer met schroomen ist dat ick u e met mijn schrijvens kom
+besoucken ende dat doort seggen van den ontfanger Wttenboogaert die ickt
+tardeeren van mijn betaeling klaechden hoe dat den tresoorier Volbergen
+dat lochgent als dat daer jaerlicks intresse getrocken werden soo heeft
+mij den ontfanger Wttenboogaert nu voorleden woondach daer op geantwoort
+als dat Volbergen allen halven jaer die selvij intressen heeft gelicht
+dat tot nu toe soo dat daer nu wederom over 4000 K. gulden bij den
+selvij kantooren verscheenen is ende bij desen waerachtijge
+geleegentheijt soo bidde ick u mijn goet aerdijgen Heer dat mijn
+ordonnansij nu in den eersten mocht klaergemaeckt werden opdat ick mijn
+wel verdiende 1244 guldens nu mocht eenmael ontfangen. Ende ick sal sulx
+aen ue met reverensij dienst ende blijck van vrienschap altijd soucken
+te rekumpenseeren met deesen ist dat ick mijn heer hartelick groete ende
+wenssche dat ue Godt lanck in goeden gesondtheijt ter saelicheijt
+spaeren werde.
+
+UEDw. ende geaffexcioneerde dienaer,
+
+REMBRANDT
+
+ick woon op de binnen-Emster in die suijkerbackerij
+
+Adresse:
+
+_Mijn Heer_!
+
+Mijn Heer van Suijlikum raet ende Secreetarijus van Sijn Hoocheijt
+
+in den port Schraeven Haech.
+
+De indruk, dien men uit dit schrijven krijgt, is wel, dat de beheerder
+van de stadhouderlijke penningen Rembrandt zonder veel complimenten op
+zijn loon liet wachten. Al maakte de jonge schilder opgang, toch zooveel
+nog niet, dat zijn naam voldoende was om geld los te krijgen. Ook bracht
+hij het nooit zoo ver, dat beroemde mannen uit onze geschiedenis zich
+door hem lieten portretteeren. We mogen dit stellig betreuren. Wat
+zouden we uit zijne handen een portret hebben gekregen van een Frederik
+Hendrik, een Jan de Wit, een Michiel de Ruijter, een Constantijn
+Huygens. Beter dan de bestaande levensbeschrijvingen zouden zulke
+afbeeldingen ons hun karakter, hunne edele hoedanigheden hebben bewaard.
+Maar dat heeft zoo niet mogen zijn! De groote mannen hebben gemeend,
+zijne kunst niet noodig te hebben om hunne trekken te vereeuwigen. De
+portretten, die hij gemaakt heeft, zijn alle van tweede-rangspersonen.
+Toch kunnen we hieruit zijn meesterschap voldoende leeren kennen. Als
+een mooi voorbeeld verdient dat van den ontvanger Uytenbogaerd te worden
+vermeld, welks naam we vinden in den zoo even aangehaalden brief.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+MEER DAN PORTRET.
+
+
+De heer Uytenbogaert zien we gezeten in zijne werkkamer. Op de tafel
+liggen zakken met geld, en een boek, waarin de hand gereed is,
+aanteekening te houden. Hij overhandigt den bediende eenen zak, dien
+deze misschien in een geldvat moet ledigen. De balans, om het goud af te
+wegen, hangt aan een boekenplank boven de tafel; op den achtergrond
+wachten meerdere bedienden op orders.
+
+Wat ons in den heer Ontvanger het meest treft, is de blik, dien hij op
+zijnen dienaar werpt. Doordringend ziet hij hem aan. Uit zijn oog lezen
+we de gewetensvraag: kan ik je dit toevertrouwen? En dat oog blijft
+streng en onderzoekend op hem rusten. Rembrandt slaat hier den spijker
+met den eersten slag op den kop; hij tast de zaak aan in 't hart. Immers
+de beste eigenschap van eenen beheerder van 's lands penningen, is, dat
+hij tegen alle bedrog op zijn hoede is. Zoo één steeds waakzaam moet
+zijn, dan hij! Kan men een man als Uytenbogaerd dus treffender in beeld
+brengen, dan door deze eigenschap voorop te stellen? Hij mag een goed
+man, een vriendelijk man, een eerlijk man geweest zijn, het beste wat
+men van hem kan zeggen, is: hij was een man op de juiste plaats. En dit
+allereerst zegt zijn portret.
+
+Het gezicht is niet bepaald schoon te noemen. De wangen hebben eene
+onaangename breedheid, sommige gelaatsspieren leggen er onbevallige
+vormen in; de neus is van een scheef, ingedeukt model. Maar zooals dit
+moest wezen, zoo is het ook uitgebeeld. We behoeven niet in onzekerheid
+te vragen, hoe eigenlijk de vorm was.
+
+De borst is breed en vierkant in de kleeren gestoken. Kloek en zwaar
+hangt de pelsmantel er om: het schijnt een "kantoorjasje" te zijn. Maar
+wat voor een! Het zachte, glanzige haar zit er duimen dik op; men zou er
+gaarne de hand over willen strijken, om de molligheid te voelen. Wat een
+rijkdom van pluisjes en bundeltjes haren zien we op den breeden zoom;
+telkens weer liggen ze in andere richting op en tegen elkaar. Zwaar en
+dik is de stof, waar we, in het verkort, tegen de wijde linker mouw aan
+zien. Daarentegen is het onderkleed, dat bij den hals zichtbaar is, van
+fijn en kostbaar weefsel, waarschijnlijk in regelmatige preciese
+plooitjes gevouwen en gestreken.
+
+[Illustration: De Betaalmeester.]
+
+Het is een zeer aparte kunst, om met dichte arceeringen de stof uit te
+drukken. Let eens op den achtergrond. De wand, waartegen de schilderij
+hangt, is volgekrabbeld, tot het een beschaduwde, grijze, gepleisterde
+muur was; het gedeelte aan den rechterkant, voorbij een soort van
+poortje, is met hout betimmerd, wat duidelijk van den gepleisterden muur
+te onderscheiden is. Het afhangende deel van het tafelkleed, ofschoon
+van de zelfde grijsheid, draagt daarentegen weer duidelijk de kenmerken,
+dat het geweven stof is.
+
+Ander mooi werk zien we in de voorwerpen, die op den voorgrond staan. Ze
+duiken op met hunne verlichte bovenkanten uit eene zachte, donkere
+kamerschaduw. Zooals wij in een donker hoekje alleen met onzekerheid de
+dingen waarnemen, zoo zien we op den voorkant van de groote kist het
+nauwelijks afgebeelde, zware ijzerbeslag; hier en daar blinkt de kop van
+eenen spijker; langs den rand rechts glimt wat licht, dat misschien door
+een ander meubelstuk is teruggekaatst. Zware scharnieren teekenen zich
+met kleine, zwakke glimlichtjes af langs den bovenrand. Op het deksel,
+dat zeer versmald geteekend is, zitten drie ijzeren banden, die op de
+juiste manier naar elkaar toeloopen; door hunne wijking krijgt het
+deksel voor ons oog zijne breedte. Een mooi stuk teekenwerk, zoo'n kist,
+waarin we de hardheid voelen van het ijzerbeslag.
+
+Uit al deze onderdeelen blijkt de mogelijkheid, om, met arceering
+alleen, stof en maaksel van de voorwerpen uit te beelden.
+
+Om nu tot de figuur van den ontvanger terug te keeren, de breedheid en
+de vierkantheid doen ons vertrouwen stellen in het karakter. De
+openliggende mantel, met daaronder de fiere borst, wekken het vermoeden
+van openheid en eerlijkheid. De rechterhand is eene uitdrukking van
+nauwlettendheid en zorgvuldigheid; ze ligt steeds gereed om in het boek
+van alle gedane uitgaven aanteekening te houden. Aardig is het om te
+zien, met hoeveel schrijversfijnheid de duim en de vinger het pennetje
+vasthouden.
+
+In gelaat, in blik, in houding en lichaamsbouw, in actie en handgebaar
+zien we eene aanduiding van de eigenschappen, die Uytenbogaerd maken tot
+een voortreffelijk ambtenaar. Hij is een model betaalmeester; door een
+man als hem worden 's lands middelen naar den eisch beheerd. Zijn
+portret is maar niet slechtweg een portret, waarbij men vraagt, of het
+goed gelijkt; het is een zinnebeeld geworden, een lofspraak op den man
+in zijn vak. En meer nog: een lofspraak op de regeering uit die dagen.
+Met welk eene vaste hand moet deze de teugels hebben gevoerd, als ze
+bestond uit mannen, gelijk we er hier een voor ons zien. De kracht van
+het jonge Holland spreekt uit zoo'n portret, de kracht van eene
+regeering, die nog bezig is (1639) zich vrij te vechten van de Spaansche
+overheerschers.
+
+Historische waarde krijgt het vooral, als we niet alleen op den
+hoofdpersoon, maar ook op den bediende letten.
+
+Met welk een respect neemt deze den geldzak aan, die hem overhandigd
+wordt! De blik, welken hij met den ontvanger wisselt, wekt de
+veronderstelling, dat hij plichtmatig moet toonen, zijnen meester in de
+oogen te durven zien en dus geene slechte voornemens te koesteren. Een
+en al onderdanigheid is hij! Bijna slaafschheid. Het doet ons vreemd
+aan, dat in een vrijgevochten land, als het onze, alleen de hoogere
+klassen des volks zich mensch en onafhankelijk voelden, dat in een
+Republiek de ondergeschikten de knie bogen voor den werkgever. Is het
+niet, alsof we nog waren in de dagen der Spaansche overheersching? Toch
+draagt de prent de dagteekening 1639, en het leek in dat jaar in het
+Kanaal voor Duins weinig naar eene zoodanige heerschappij.
+
+Maar de Regenten lieten niet met zich spotten: ze hadden er den wind
+onder. Het is deze verhouding tusschen heer en dienaar, die Rembrandts
+plaat voor ons bewaard heeft; in enkele lijnen worden hier boekdeelen
+gezegd.
+
+Niet slechts het portret van een persoon, maar een tooneel uit het leven
+zien we, hetwelk ons doet zeggen: zoo ging het toe; zoo leefden de
+standen met elkaar in de Republiek.
+
+Het portret is een sprookje geworden. We lezen van een groot heer, die
+een kostbaar kleinood toevertrouwt aan eenen braven dienaar. Doch het is
+een sprookje van het soort, waar meer achter gezocht moet worden. Het
+gunt ons een blik op de samenleving onzer zeventiendeeuwsche
+voorvaderen.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+GEËTSTE PRENTEN.
+
+
+De prent, die Uytenbogaerd voorstelt, is eene ets. Wat is dat, eene ets?
+
+Gebruikt de schilder eenen lap linnen of een houten paneel, en brengt
+hij daar met behulp van penseelen olieverf op, dan spreekt men van eene
+schilderij. Werkt hij met kool, krijt, potlood, inkt of waterverf op
+papier, dan ontstaat eene teekening. Van beide maakt hij natuurlijk niet
+meer dan één exemplaar. Schildert of teekent iemand dit na, dan heet dat
+eene copie. Voor boeken en geschriften laat men den photograaf en den
+plaatdrukker reproducties maken.
+
+Maar nu eene ets.
+
+De teekenaar neemt een plaatje roodkoper. Dit moet volkomen vlak en
+effen zijn, en wordt daarom tegenwoordig langs galvanischen weg
+vervaardigd. Op het plaatje brengt hij eene dunne laag was aan; door het
+aan den onderkant te verwarmen, wordt de was vloeibaar en dus geschikt,
+om zoodanig verspreid te worden, dat het korstje na het stollen overal
+eene gelijkmatige dikte heeft.
+
+Eene fijne naald is het teekengereedschap. De punt zet de lijnen niet
+op, maar in de was; ze kan zich door de zachte massa heel gemakkelijk
+bewegen, en dit vergunt den teekenaar dus, om los en zwierig te werken,
+zwieriger, dan wanneer hij met een mes zijn beeld in palmhout snijdt, om
+eene houtsneeprent te maken.
+
+Wat er nu in de was staat, kan hij niet met inkt aansmeren, om op papier
+af te drukken. Daarvoor is alles te zacht. Hij brengt rondom de
+koperplaat een opstaand lijstje aan, en giet er vitriool over uit. Deze
+vloeistof laat de was onaangetast; maar waar ze koper vindt, bijt ze dit
+uit. Dus in de smalle voren, die de naald in het bedekkende laagje heeft
+getrokken. Na eenigen tijd wordt de vitriool afgegoten, de koperplaat
+door verwarming ontdaan van de was, en alsnu vertoont ze de figuur, door
+den teekenaar in de zachte stof ontworpen, doch thans in het harde
+metaal onvergankelijk ingevreten.
+
+Met behulp van eene inktrol bedekt hij haar met inkt, wrijft haar met
+een lap weer schoon, maar draagt zorg, den inkt niet te verwijderen, die
+in de diepte van de lijnen zit. Deze zal, bij het afdrukken op een blad
+papier, de teekening te zien geven, juist even los en zwierig, als ze in
+de was geteekend is, maar in spiegeld beeld. Want door het afdrukken
+wordt de voorstelling omgekeerd.
+
+Van eene ets worden door den teekenaar een groot aantal exemplaren
+vervaardigd. Daar ze voor den handel bestemd zijn, en de liefhebbers ze
+gelijkstellen met oorspronkelijke teekeningen, kunnen ze eene ruime
+bron van inkomsten zijn. Er is er een afkomstig van Rembrandt, die
+"honderguldenblad" heet, omdat elke afdruk den prijs van honderd gulden
+opbracht!
+
+De geëtste koperplaat blijft voor latere afdrukken bewaard. Het komt
+meermalen voor, dat de etser na eenigen tijd met zijn werk niet meer
+tevreden is. Hij tracht dan in de plaat wijzigingen aan te brengen. Er
+heeft zeker geen kunstenaar bestaan, die hiervan zoo de geheimen kende,
+als Rembrandt.
+
+De veranderingen, aangebracht in het portret van een vriend, den
+schilder Jan Asselijn, hebben aanleiding gegeven tot eene vermakelijke
+vergissing.
+
+In de verschillende musea en kunstverzamelingen bevinden zich twee
+soorten van afdrukken van dit portret; ook in de achttiende eeuw
+verhandelde men reeds exemplaren van Asselijn _met_ den ezel en
+exemplaren van Asselijn _zonder_ den ezel. Op dezen staat de schilder
+afgebeeld naast een tafeltje met boeken, op genen wordt de achtergrond
+gevormd door een houten schildersezel, waar een paneel of een doek op
+staat, dat arbeid van den kunstbeoefenaar moet voorstellen.
+
+Er werd in de achttiende eeuw druk in deze en dergelijke etsen
+gehandeld. Liefhebbers waren niet tevreden, als ze een Asselijn bezaten;
+ze moesten er een exemplaar "Asselijn met den ezel" bij hebben; soms
+liepen ze alle kunsthandelaren af, om een te krijgen.
+
+[Illustration: Asselijn met den ezel. Asselijn zonder den ezel.]
+
+Een Duitsch prentenkoopman had al meermalen vraag gehad naar een
+"Asselijn met den ezel", en tot zijn verdriet steeds neen moeten
+verkoopen. Hij was op en top man van zaken, en als het moest, stond hij
+voor niets! Hij bracht een "Asselijn zonder den ezel" bij een behoeftig
+kopersnijder en verzocht dien, om in alle stilte eene etsplaat te maken
+naar het beeld van den Hollandschen schilder, maar in gezelschap van
+eenen ezel. Daar geen van beiden ooit een exemplaar van het veel
+gevraagde soort had gezien, veronderstelden ze, dat met den ezel een
+gelangoorde viervoeter werd bedoeld. De zaak kwam gereed. De kunstkooper
+bezat thans de twee soorten. En toen er weldra een Engelschman bij hem
+aanklopte om een "Asselijn met den ezel", drukte hij dezen voor goed
+geld den zonderlingen ezelhoeder in de hand. Natuurlijk kwam zijn bedrog
+spoedig uit, en heeft hij niet veel exemplaren kunnen slijten. Toch zou
+men thans bij onze overzeesche buren weer goed geld willen geven om er
+een te bezitten, niet omdat het _geen_ "Rembrand" is, maar ter wille van
+de merkwaardigbeid.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+VROUWTJE BAS VAN 'T RIJKSMUSEUM.
+
+
+Hier hebben we het portret van Elisabeth Jacobs Bas, weduwe van admiraal
+Swartenhont. Het heeft geene andere bedoeling dan de beeltenis te geven.
+Eene omgeving, waarin we beroep, ambt of bezigheden terugvinden,
+ontbreekt; de achtergrond is donker. De dame is zonder een of anderen
+schijn aan te nemen zoo maar voor den schilder gaan zitten, om zich te
+geven zooals ze is. Er spreekt uit de houding groote eerlijkheid,
+openhartigheid, die niets heeft te verbergen, die geen behoefte heeft om
+manieren aan te nemen. Natuurlijkweg heeft ze de handen rustig over
+elkaar gelegd. Over elkaar gelegde handen ziet men dikwijls op een
+portret, dat is dus hier het eigenaardige niet. Maar men moet, door er
+lang en rustig op te zien, trachten te erkennen, hoe gemakkelijk en
+ongedwongen deze handen op den schoot rusten. Niet alleen dat ze er op
+_liggen_, dit zegt nog niets, maar ze worden er door _gedragen_. Met de
+elleboogen is het net zoo; die vinden steun, die rusten op de leuning
+van den stoel. Het sterkst voelen we dit wel in de linkerhand, die over
+de rechter is gelegd. Let ook eens op, hoe de onderste achteloos den
+zakdoek vasthoudt, en hoe de bovenste in een gemakkelijken greep over de
+andere heen ligt. En hoe dit overeenstemt met de houding van het
+bovenlijf; ook dit leunt in gemakkelijken stand tegen den rug van den
+stoel; het helt net genoeg achterover om dit voelbaar te maken. Alles
+draagt er toe bij om den indruk van rustigheid, kalmte, bedaarde
+statigheid bij ons te wekken. In een deftig vertrek door zoo'n dame
+ontvangen te worden, die in deze houding een verzoek aanhoort, doet
+weldadig aan en zet ons onmiddellijk op ons gemak. Het geeft de
+gewaarwording, dat ze in haar dagelijksche doen veelvuldig menschen
+heeft moeten ontvangen en heeft moeten aanhooren. Het rustige liggen der
+handen duidt eerder zulk een werkkring aan, dan beslommering van
+handenarbeid. En de gelaatsuitdrukking bevestigt die opvatting. Ook
+hierin dat rustige, onverstoorbare. Om den mond geen lach en geen trek
+van norschheid, geen zwakheid en geen hardheid van karakter, maar juist
+genoeg zachtheid om niet af te schrikken.
+
+[Illustration: Vrouwtje Bas.]
+
+Elisabeth Bas komt reeds op leeftijd: de mond begint in te vallen, wel
+niet veel, maar genoeg om de kin iets vooruit te doen springen. De diepe
+plooien, van de neusvleugels af naar beneden, duiden het ook aan. De
+vleezigheid van de wangen doet in die plooien weer kleinere ontstaan.
+Als vrouwen zestig jaar zijn, begint dat langzamerhand te komen. Bij
+dezen leeftijd behoort de blozende gelaatskleur, en behooren verder de
+twee uitgezakte rondingen links en rechts van de kin, de vierkante vorm
+van het gezicht, de golvende lijn, die den omtrek van de rechterwang
+aanduidt en het hooge voorhoofd. Deze ouderdomskenmerken voegen zich
+heel gemakkelijk bijeen. Van geen enkel krijgen we het idee, dat het in
+dit gezicht niet past. Als de schilder er ook maar één overdreven had
+voorgesteld, zouden we dat terstond als eene fout hebben opgemerkt. De
+plooien aan de mondhoeken zijn in een of ander gezicht soms wel dieper,
+de kin vooruitstekender, de mond meer ingevallen, maar in dit portret
+gaat alles tot zoo'n graad, dat er volmaakte eenheid blijft bestaan.
+Geen enkele eigenschap springt uit den band. Alles is om zoo te zeggen
+op een goudschaaltje afgewogen.
+
+Wel moet de schilder het model dus door en door hebben begrepen, als hij
+in zijn hand en in zijn penseel voelde, hoe diep hij een plooitje moest
+zetten, om bij al het overige te passen. Waar een groefje van den
+rechtermondhoek schuin naar beneden zakte, vond hij in de omtrekslijn
+van de wang een bochtje, dat daaraan beantwoordde. En hij zette het een
+niet, zonder het ander in 't oog te houden.
+
+Neus en oogen zijn volmaakt in overeenstemming met de rest. Op den
+leeftijd van juffrouw Bas is de rug van den neus niet meer smal en
+kantig, maar breed en naar beide zijden rond afloopend. Alleen de punt
+en de vleugels zijn nog scherp geteekend. Onder de oogen vormen zich
+zware plooien; ook zakt er een van de wenkbrauwen schuin naar den
+buitenhoek van het oog. Hieronder komt het vleezige bovenste ooglid te
+voorschijn.
+
+Deze bijzonderheden hebben alle denzelfden leeftijd; de eene toont niet
+ouder dan de andere. Nergens een trekje dat te donker, te licht, te diep
+of te oppervlakkig, te ouwelijk of te jeugdig is. Al deze geschilderde
+zaken zitten rustig bij elkaar, zonder dat het een het ander
+overschreeuwt.
+
+Rustig kijkt het gezicht ook uit de oogen. De blik heeft wat bijzonders,
+zooals we dat bij sommige menschen wel opmerken: hij houdt het midden
+tusschen glimlach en ernst. We weifelen tusschen deze twee. En om den
+mond speelt een trekje, dat ons ook in het onzekere laat. Niet doordat
+Rembrandt onvast schilderde, maar het gelaat zelf droeg een plooi van
+gemengde aandoeningen.
+
+De hoofdindruk is die van ernst en wijsheid en van vertrouwen, dat ze
+inboezemt. De wijsheid is het inzicht van een persoon, die in haar leven
+veel heeft moeten regeeren en leiden, die veel aan beraadslagingen
+deelgenomen heeft; men ziet haar de eigenschappen aan, om weeshuizen te
+besturen, om oneenigheden tusschen regenten te beslechten, om beide
+partijen aan te hooren, een ieder aan te moedigen om te zeggen, wat op
+het hart ligt, maar daarna wekt zij ook de verwachting, dat met
+gestrengheid uitspraak zal worden gedaan, gestrengheid echter, die vrij
+van hardvochtigheid is. We zien dit gelaat gaarne voor ons, niet zooals
+we misschien behagen vinden in lieve engelenkopjes, maar omdat we
+Elisabeth Jacobs Bas eene lieve vrouw vinden. Wel ook eene verstandige,
+maar vooral eene lieve vrouw.
+
+Terwijl Rembrandt op het gelaat, dat voor hem zat, deze roerselen van
+karaktergeheimnissen las, wist hij er zich bovendien zoo juist
+rekenschap van te geven, dat zijn penseel ze in lijn en kleur kon
+vastleggen. Hij was menschenkenner zoowel als kunstenaar. Houdingen,
+vormen, gebaren en trekken nam hij nauwkeurig waar. Maar de menschelijke
+natuur, die daarachter schuilt, niet minder. Zooals iemand in een stoel
+gaat zitten en de handen over elkaar legt, zoo is ook zijn levenstaak en
+zijn karakter; dat had de omgang met menschen hem geleerd. Met wat een
+aandacht moet hij de personen uit zijne omgeving hebben bestudeerd! Wij,
+die in een tijd van veel drukker verkeer leven, als wij in eenen
+spoortrein zitten, en iemand komt de coupé binnen, kunnen wij maar amper
+aan zijn manier van plaats nemen zien, of hij veel heeft gereisd dan of
+reizen iets ongewoons voor hem is. En wat is dit aan de oppervlakte,
+vergeleken bij de karakterhoedanigheden, welke Rembrandt zag in de
+personen, die tegenover hem gingen zitten. Hoe veel en hoe ernstig moet
+hij zich met menschen hebben beziggehouden, om hun innerlijk leven zoo
+op het uiterlijk af te lezen.
+
+En toch heeft men willen beweren, dat hij in zichzelven gekeerd,
+teruggetrokken, bijna eenzelvig leefde, geen menschen zag, geen omgang
+had en weinig van menschen hield. Dit ééne portret bewijst voor het
+tegendeel genoeg. Wie dit kan maken, kent den mensch, bestudeert hem,
+zoekt hem en voelt zich tot hem aangetrokken.
+
+Als we nu nog even de aandacht aan de kleederdracht dier dagen schenken,
+merken we op, met hoeveel welgevallen de schilder den in 't oog
+loopenden plooikraag zag. Om eens eene ongepaste vergelijking te maken:
+het is, alsof het hoofd, waarin al die wonderlijke zaken van gemoed en
+karakter worden opgemerkt, aan den beschouwer wordt gepresenteerd op een
+schotel van blanke reinheid. In zuiveren, afgeronden vorm teekent het
+zich daartegen af. Linten, strikken, koralen of andere sieraden
+misleiden de aandacht niet. Zelfs geen haardos. Een linnen kapje of
+mutsje voltooit de witte omlijsting, waarin het gelaat ons alles kan
+zeggen, wat het te zeggen heeft.
+
+Wat is die kraag er mooi opgezet! Luchtig en kraakfijn staat de kant in
+de plooien. Overal van die bijna doorschijnende schaduwtinten, zooals
+men ze ook ziet op verschgevallen luchtige sneeuw. Hoe zuiver loopt de
+ronde lijn over de borst en de schouders achter om het hoofd heen; nog
+net even kunnen we voelen, dat de kraag aan de achterzij iets uit het
+platte vlak doorgezakt is.
+
+Men ziet, het zijn niet alleen de raadselen van een menschelijk gemoed,
+waarnaar Rembrandt zocht, ook het eenvoudigste ding keek hij aan en weer
+aan, tot hij kon zeggen: zoo doet het zich aan mijn oog voor. Hij tastte
+zijn model eerst in het hart aan en gaf uitdrukking aan het persoonlijk
+karakter; maar dan had hij ook aandacht voor de bijzaken en schepte er
+behagen in, eenen kraag in de plooi of een weduwenkapje in de stijfsel
+te zetten.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+KUNST VAN GROEPEEREN.
+
+
+Weinige van Rembrandts werken hebben onder het groote publiek zoo'n
+bekendheid gekregen, als het Korporaalschap van Frans Banning Kok. Het
+bevindt zich in het Rijksmuseum te Amsterdam en dagteekent uit het jaar
+1642.
+
+De beschouwer voelt zijn blik het eerst getrokken door twee personen op
+den voorgrond. Het zijn Frans Banning Kok en Willem van Ruitenberg.
+
+Op andere portretten wordt men nu eens het eerst door dit, dan weer door
+dat gezicht geboeid; de een begint zijne beschouwing met dezen, de ander
+met genen kop; de massa gezichten is gewoonlijk verwarrend, met het
+gevolg, dat het weinig kan schelen, waarheen men den eersten blik wendt.
+
+Maar op dit portretstuk richt iedereen dien altijd naar het zelfde
+tweetal.
+
+Dit feit is niet van geringe beteekenis, al klinkt het eenvoudig. De
+schilderij krioelt, om zoo te zeggen, van menschen; en bij dergelijke
+stukken wil het wel eens zoo wezen, dat niet ieder een vast uitgangspunt
+vindt. Vergelijk bijvoorbeeld de intocht der Kruisvaarders in Jerusalem
+(van Piloty) er maar eens bij. De blik dwaalt onrustig heen en weer, is
+nu eens bij het groepje, dat een kruis met palmen torst, dan bij den
+ridder, die het kleine tegenstribbelende kindje op den arm draagt, of
+bij den rijkaard, die sieraden in het kleed van een bedelaar werpt.
+
+[Illustration: De Nachtwacht.]
+
+Het wordt den beschouwer niet duidelijk, wààrop hij in hoofdzaak zijne
+aandacht moet vestigen; er zijn tal van groepen, die hij geneigd is,
+mooi te vinden, maar ze houden met elkaar geen verband; er is geen
+zwaartepunt in het stuk; men blijft onzeker omtrent de bedoeling. Toch
+moet bij Piloty eene bedoeling hebben bestaan; het zal bijvoorbeeld deze
+geweest zijn: te laten zien, hoe vroom en deemoedig een paar groote
+vorsten geknield de stad binnenkropen en de heilige plaats naderden.
+Maar men merkt niet, dat daar alles om draait; de bijzaken verwarren
+ons.
+
+Zoo heel eenvoudig is het dus niet, om de aandacht te vestigen op de
+hoofdzaak. Merken we dit ook niet dikwijls op bij schrijvers, als ze
+zich neerzetten, om uitspanningslectuur te schrijven? Ze meenen wel, dat
+ze ons iets aardigs hebben te vertellen, maar het raakt zoek in den
+grooten omslag van het geheel; we halen het er niet uit onder het lezen.
+Als we het boek uit hebben, weten we nog niet, waarom de schrijver het
+geschreven heeft.
+
+Laten we dus beginnen met omtrent het Korporaalschap te verklaren, dat
+het al vast deze goede eigenschap heeft: ieder beschouwer kan steeds in
+dezelfde twee personen de hoofdzaak aanwijzen, op welke Rembrandt de
+aandacht wilde vestigen.
+
+Waarom heeft hij dit gewild? Waartoe dient het, dat we allen het eerst
+aan Banning Kok en Ruitenberg onze aandacht schenken?
+
+Toch zeker niet om ons te laten zien, hoe fraai hunne kleeding, hoe druk
+hun gesprek, hoe vriendschappelijk hun omgang is; of hoe 'n mooie hand
+Banning Kok heeft, hoe aardig de zon daarop schijnt en de schaduw over
+het kleed van Ruitenberg doet vallen. Dit zijn zaken van ondergeschikt
+belang; ze hebben voor de uitbeelding van een vendel schutters niet
+zooveel beteekenis, dat daarvoor de aandacht het eerst op de beide
+genoemde figuren moest worden gevestigd.
+
+Dit heeft eene andere bedoeling, en we zullen die vrij zeker opmerken,
+wanneer we, met een stukje papier of met een paar vingers, den kapitein
+en zijnen luitenant bedekken en aan onzen blik onttrekken.
+
+De overblijvende figuren staan nu stil. Besluiteloos staan ze op een
+hoop bij elkaar. Het vendel komt niet meer van zijne plaats; het wacht.
+De gang, die er in zat, is er uit. Wel zijn er nog eenige figuren in
+gaande beweging uitgebeeld, maar het geheel maakt den indruk van talmend
+en treuzelend halt houden.
+
+[Illustration: Intocht in Jeruzalem (van Piloty).]
+
+Zoodra we de bedekking wegnemen, komt het heele vendel weer vooruit. De
+schilderij geeft niet een groep schutters, in schilderachtige wanorde
+bijeengeplaatst, ze geeft het uitrukken. Het vendel rukt uit. En het
+zijn de twee officieren, die er actie aan geven. Door hun bewegen wordt
+alles in beweging gezet. Hun gaan geeft gang aan de heele compagnie.
+
+Was er dus ook reden voor Rembrandt, om voor deze twee figuren de
+hoofdaandacht te vragen? In hen bracht hij alle actie bijeen, die voor
+het heele vendel noodig was, en spaarde ons de vervelende vertooning van
+eene gansche verzameling gaande beenen en gaande voeten.
+
+Hebben we nu niet meteen het antwoord op de vraag, waarom Banning Kok en
+Ruitenberg ten voeten uit zijn afgebeeld, en waarom ze ook, ten voeten
+uit, in het licht zijn gezet? Het kwam op hunne beenen juist aan! Ze
+moesten aan 't loopen voor eene heele compagnie!
+
+Laten we de beweging van dit gaan eens aandachtig beschouwen, en ons
+daartoe voor den geest halen, wat we opmerken aan menschen, die langs
+den weg loopen. Dit bepaalt zich volstrekt niet tot het regelmatig en
+afwisselend verplaatsen van de beenen. Eerstens komt daar gewoonlijk bij
+het heen en weer gaan van de armen, wat toevallig bij de beschouwing van
+onze twee figuren van geen belang is, omdat ze geen van beiden de armen
+los laten hangen. Tweedens: in het geheele lichaam eene beweging, waarop
+we hier wel de aandacht moeten vestigen. Bij elken pas gaat namelijk het
+lijf en daarmee het hoofd op en neer; het rijst en daalt. Bijzonder
+duidelijk nemen we dit waar, als een troepje menschen zich met elkaar
+voortbeweegt zonder in den pas te marcheeren; al de hoofden en
+hoofddeksels dobberen dan op en neer, als door eene deinende
+golfbeweging. Duidelijk is dit vooral, als ze achter een niet te hooge
+haag aan ons oog voorbij trekken.
+
+En zie, het is dit op en neer deinen van de bovenlichamen, wat we in
+Banning Kok en Ruitenberg beginnen te voelen, als we ons de moeite
+geven, eenigen tijd aandachtig hun gaan aan te kijken. De tweede schijnt
+juist het oogenblik door te maken, dat hij omhoog veert, terwijl de
+eerste dit net weer achter den rug heeft. Eene schilderij kan wel is
+waar geen werkelijk bewegen te zien geven, maar toch kan de schilder uit
+de kleine veranderingen, die tezamen de actie uitmaken, eene zoodanige
+keuze doen, dat wij den indruk krijgen, alsof het beeld de beweging
+zelf te zien geeft. Dit gelukt hem alleen, als hij eene nauwgezette
+studie van de zaak maakt, en als hij van nature bedeeld is met het
+juiste gevoel voor actie, voor veerkracht en voor evenwicht. Hij moet
+zich, al werkende, levendig voor den geest kunnen stellen, hoe hij eene
+menschelijke gedaante langs den weg heeft zien gaan, hoe elk
+lichaamsdeel op eigenaardige wijze aandeel kreeg in de beweging van het
+gaan, hoe een hoofd zich telkens even omhoog richt bij het verplaatsen
+der lichaamszwaarte van het eene op het andere been. Naar een model, dat
+in zijn atelier de verlangde houding en stand aanneemt, kan hij niet
+werken, als hij zoo iets wil weergeven. Het verkeert in rust, en om de
+rust is het hem juist niet te doen. Voor eene figuur als van Ruitenberg
+zou een model hoogstens de plaatsing van de voeten en de buiging van de
+beenen te zien kunnen geven. Maar niet het omhoog veeren, het opbeuren,
+dat ons in het bovenlijf, in den hals en het hoofd zoo treft. Hoe langer
+men er op ziet, hoe minder men zich aan dien indruk kan onttrekken. En
+tegelijk beginnen we op prijs te stellen, dat de schilder zijn volle
+licht en zijne lichtgele kleedingstoffen spaarde voor deze figuur; zij
+springt daardoor des te beter in 't oog.
+
+Er is naar aanleiding van dit onderwerp nog eene opmerking te maken: de
+twee vrienden loopen namelijk niet gelijk.
+
+Reeds trok het onze aandacht, dat ze niet in denzelfden pas marscheeren.
+Terwijl Banning Kok zijn rechterbeen juist naar voren gebracht heeft, en
+hij zijne lichaamszwaarte bezig is op dat been over te brengen, is het
+rechterbeen van Van Ruitenberg reeds gestrekt, het ondersteunt diens
+zwaartepunt en geeft aan het linkerbeen gelegenheid om naar voren te
+komen; de voet rust dan ook nog slechts met de punt van den teen op den
+grond.
+
+Maar behalve het verschil in tijdmaat, is er een wezenlijk onderscheid
+in de manier van loopen. Men zou elk van hun tweeën er aan kunnen
+herkennen, zooals we trouwens onze kennissen dikwijls herkennen aan
+hunnen gang.
+
+Ruitenberg maakt groote passen, bijna te groot voor iemand van zijne
+lengte. Hij komt met eene zekere drift opzetten. Zijne nadering heeft
+min of meer een dreigend aanzien. Het linkerbeen, dat zich thans nog
+achter bevindt, wil zich gestrekt en op eene vinnige, kordate manier
+naar voren bewegen.
+
+Als ons oog van dit driftige, besliste mannetje naar den grooten,
+vierkanten Banning overgaat, doet diens voetstap ons weldadig aan.
+Rustig en goedsmoeds schrijdt hij voort. Wel ook met meer dan gewoon
+burgelijke snelheid, even goed als zijn buurman, maar zijn gang is niet
+nijdig, niet gestrekt, niet als de gang van den gymnast, die zijne leden
+aan korte, besliste bewegingen went.
+
+[Illustration: Groep uit de "Nachtwacht".]
+
+Zooals hij daar aan komt stappen, heeft hij eerder iets vertrouwelijks
+over zich dan de kleine Kuitenberg.
+
+Dit onderscheid in beider gang is door den schilder aan de twee levende
+personen nauwkeurig ontleend. Want het behoeft onze aandacht niet te
+ontgaan, dat hetzelfde verschil ook spreekt uit beider lichaamsbouw en
+vooral uit beider gelaatstrekken. De een ziet met een vol, breed gezicht
+de wereld in, uit een paar wijd geopende en vrijmoedig opziende oogen.
+De andere heeft in zijne magere trekken niet dat aantrekkelijke; hij mag
+wat scherpzinniger wezen, scherper is hij ook, en hij ziet min of meer
+sluw onder den hoed uit, die hem in de oogen zit, terwijl Kok dat
+kleedingstuk achter op het hoofd staat. Ieder mensch draagt zijnen hoed,
+zooals zijn karakter is.
+
+De gang is dus in overeenstemming met grootte, met breedte, met
+gelaatsuitdrukking, vermoedelijk ook met karakter. Dit verleent aan de
+twee naast elkaar loopende figuren het echte leven; de een is een geheel
+ander mensch als de ander. Aan beider eigenaardigheden heeft de schilder
+recht gedaan, terwijl hij bovendien de actie van hun gaan wist te
+gebruiken, om aan de heele groep van personen de bewegelijkheid te
+geven van een troepje uitrukkende schutters.
+
+Want, om den hoofdindruk van onze schilderij niet uit het oog te
+verliezen,--dit uitrukken is eigenlijk _het_ onderwerp, dat de schilder
+behandelen wilde. We behoeven niet lang te raden, waarom hem dit
+aantrok. Sinds overoude tijden is het uittrekken van de gewapende macht
+een soort volksfeest, dat toen zoowel als nu zich mocht verheugen in de
+belangstelling van het publiek. Wie zal ook ontkennen dat het een
+levendig, een aardig tooneeltje is, zoo door de straten den bonten stoet
+te zien voortmarscheeren, muziek of trommelslag voorop, vaandels boven
+de hoofden vliegend, wapens blinkend en kletterend, het geheel door
+straatjeugd omstoeid, door volwassenen met welgevallen gadegeslagen.
+
+Het lag voor de hand, dat zoo'n tooneeltje hem geschikt voorkwam, om
+daarin de bestelde portretten tot een geheel te vereenigen.
+
+Het tweetal, dat aan het hoofd van den stoet marscheert, en dat zijne
+beweging aan de gansche schaar weet mee te deelen, heeft nu intusschen
+nog eene andere taak te vervullen. In hen moet ook blijken, wie het zijn
+die hier uitrukken.
+
+Al dadelijk zien we in gestalte, houding en fieren, vasten gang iets,
+dat ons zou bevreemden, als we het opmerkten in twee burgerluitjes, die
+samen een straatje omwandelden. Wanneer we twee deftige heerschappen met
+zooveel tred, zooveel levendigheid en met zoo'n druk handbeweeg door
+onze straten zagen passeeren, zouden we zeker meenen dat een ernstig
+ongeluk was gebeurd, en zij er op uitgingen om hulp van politiemacht in
+te roepen. Hier is iets uitgedrukt, dat strijdt met het gewoon
+burgerlijke; en dit was juist noodig om van de figuren militairen te
+maken. Ze hebben het krijgshaftige gekregen, om te zijn, wat ze moesten
+wezen: schutters; en wel schutters, aan wie de verdediging der stad zou
+kunnen worden opgedragen in tijden van oorlog.
+
+Voor het gansche vendel zijn de officieren met militaire eigenschappen
+toegerust.
+
+Toch zijn ook weer zij het, die in het militaire het burgerlijke mengen.
+Het stuk mocht niet ontaarden in de voorstelling van eene krijgshaftige
+groep veteranen uit het beroepsleger van stadhouder Frederik Hendrik.
+
+Dit zou gebeurd zijn, als de aandacht meer en in hoofdzaak ware
+gevestigd geworden op het echte krijgsmansuiterlijk van den man, die
+onder het gaan zijn geweer laadt, links van Banning Kok, of op de drie,
+die we weer links van dezen waarnemen. Allemaal typen van krijgslieden.
+
+Maar de gezichten van Ruitenberg en Kok zijn geen troniën van in
+kruitdamp verweerde veteranen. Men houdt ze wel dadelijk voor
+burgerlijke ingezetenen, die met den krijgsmansstand weinig gemeen
+hebben. Het blijven burgers, zij het dan ook burgers, die zich vandaag
+als mannen van wapenen doen gelden. Al doen ze dit laatste goed, men
+ziet hen wel aan, dat zij in een vredelievenden kring thuis behooren.
+Banning Kok is niets meer of minder dan Wethouder van Amsterdam en zit
+in die functie op het kussen naast dokter Nicolaas Tulp, wiens portret
+Rembrandt tien jaren vroeger, in 1632, had gemaakt.
+
+In het welsprekend handgebaar van den kapitein vinden we ook iets, dat
+in strijd is met soldatenmanieren, of althans geene strijdlustige
+bedoelingen verraadt. Het geeft wel is waar aan den persoon eene
+levendigheid, die een burger, als hij zich door de straat beweegt,
+vreemd zou staan en eerder aan den krijgsmansstand doet denken; maar
+tegelijk is het toch ook van eene vreedzame natuur; we kunnen dezen
+krijgsman geen andere oogmerken toeschrijven, dan om met zijn mannen uit
+te trekken, en vreedzaam oefening te houden in het hanteeren van de lans
+of het schieten op een doel, misschien op den haan, dien het meisje
+draagt. Zoo gemoedelijk loopt niet de landsverdediger te gesticuleeren,
+die den wreeden vijand tegemoet gaat, en vrouw en kinderen voor 't
+laatst vaarwel heeft gezegd; en zoo rustigjes loopt een ander niet met
+de hand in de zij, te luisteren naar het discours van eenen lotgenoot.
+
+Het zijn dus ook al weer Banning Kok en Van Ruitenberg, in wie het
+karakter uitgedrukt is van het soort krijsvolk, dat hier uitrukkende is
+voorgesteld. Evenmin als het voorafgaande, is dit door Rembrandt op
+diepzinnige wijze verzonnen; het denkbeeld lag voor de hand. Althans, we
+krijgen den indruk, dat dit zoo was. Groote kunstwerken wekken
+gewoonlijk de gedachte, dat ze eenvoudig van opvatting en samenstelling
+zijn, dat ze den kunstenaar gemakkelijk van de hand zijn gegaan.
+
+Het middel, dat aangewend is om de hoofdpersonen onder ieders aandacht
+te brengen, is eveneens heel eenvoudig; de schilder heeft ze letterlijk
+in 't licht gezet, en de rest van zijn doek nogal rijkelijk met schaduw
+bedacht. Of dit licht de kenmerken heeft van zuiver daglicht, dan wel of
+er iets onnatuurlijks in is, kan men niet beoordeelen met eene zwarte
+prent voor zich; het zijn de kleuren, die dit uitwijzen, en deze kan men
+alleen zien op het origineel in het Rijksmuseum.
+
+Maar dat het een helder en schitterend licht is, laat geen twijfel over,
+ook niet als op onze plaat de kleuren ontbreken. Toch heeft men lang in
+twijfel verkeerd, met welk licht men hier te doen had. De donkere
+achtergrond bracht velen op het idee, dat Rembrandt een nachtelijk
+tooneel bedoelde, bij voorbeeld het rondgaan van een nachtwacht van
+schutters, bij het licht van toortsen of flambouwen.
+
+Vooral Fransche reizigers, die in de achttiende eeuw Amsterdam bezochten
+en op de "Voetboogdoelen" tegen den breeden schoorsteen het stuk gingen
+zien, stonden er vast op, dat het de ommegang van de nachtwacht was.
+Langzamerhand hebben onze voorouders zich daarbij neergelegd. In den
+pruikentijd schijnen zij niet veel oog voor schilderkunst gehad te
+hebben, en vertrouwden ze er op, dat een Franschman het weten kon. Men
+ging dus spreken van "de Nachtwacht" van Rembrandt. En dien naam behield
+het stuk, toen het naar het stadhuis, en zelfs later nog, toen het onder
+de regeering van Lodewijk Napoleon in 1808 naar het museum verhuisde,
+toen deze koning het stadhuis inrichtte tot vorstelijk paleis. Meer dan
+honderd jaar is het een Nachtwacht gebleven; eerst in de negentiende
+eeuw brak de morgen aan, begon het daglicht te gloren, en zag men het
+bespottelijke van de benaming in. In den mond van het volk leeft die
+echter nog voort.
+
+Zoo zien we, hoe weinig er maar noodig is, om wit zwart en zwart wit te
+heeten, om van dag nacht te maken. Als men de bedoeling van den
+kunstenaar maar net precies niet vat, keert men ze totaal om. Wie thans
+de schilderij onder goede verlichting ziet, kan niet gelooven, dat onze
+voorouders den dag voor nacht hebben gehouden, zoolang hun de schellen
+niet van de oogen waren gerukt. Zij heeft met nacht niets te maken, of
+men moet zich voor den geest roepen, in welk jaar Rembrandt's penseel
+dit meesterwerk voltooide. Het was in 1642, in het jaar toen hem Saskia
+door den dood ontviel, toen hij alleen in zijn groote huis achterbleef
+met een kind van nog geen jaar, en avond aan avond eenzaam in het
+woonvertrek zat, waar zijn jonge vrouw zoo dikwijls tegenover hem had
+gezeten, als hij uit zijn werkplaats met teekengerei was binnengekomen,
+om in huiselijke gezelligheid allerlei schetsen te maken. Het was het
+jaar, toen voor hem het licht onderging, dat acht jaren lang zijn
+levensweg had beschenen. Droefenis en somberheid waren in zijn huis,
+droefenis en somberheid waren ook in zijn gemoed. Hij doorleefde een
+tijd, die was als een nacht van troosteloosheid. Slechts één ding kon
+hem staande houden in zijn leed; dat was zijne kunst. Zijne liefde voor
+het penseel hield den levensmoed er in. Uit die dagen van droefheid
+werkte hij zich op, grooter en roemvoller dan voorheen. Treffender wordt
+voor ons zijne groote kunst, als we weten, welke omstandigheden zijn
+gemoed beheerschten. We zien dit meesterstuk van het sombere jaar 1642
+als een lichtgestalte staan tegen den donkeren achtergrond van zijn
+huiselijk leed.
+
+In zooverre is het gepast, het korporaalschap van Frans Banning Kok
+Rembrandt's Nachtwacht te noemen. Maar overigens lijdt het geen twijfel,
+of de hoofdpersonen zijn in het volle daglicht geplaatst.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+VERVOLG VAN 'T KORPORAALSCHAP.
+
+
+Na deze uitvoerige bespreking van een paar hoofdpunten, kunnen we
+slechts kort nog bij eenige ondergeschikte zaken stilstaan.
+
+We merken dan eerst op, hoe fraai de schaduwkant van Bannings linkerhand
+tegen de lichtkantjes staat langs duim en vingers, hoe los en
+welsprekend het gebaar is, en hoe de slagschaduw geworpen wordt op het
+kleed van Ruitenberg. Ze ligt er niet op, zooals de randversierselen er
+vast op zitten, maar ze glijdt er los en bewegelijk overheen. Het eene
+maakt deel uit van het wambuis, het andere niet. Ook bij het lijk op de
+Ontleedkundige les merkten we, hoe zorgvuldig Rembrandt bestudeerde de
+manier van eene schaduw om ergens op te vallen.
+
+Bij het beschouwen van de vier voortschrijdende beenen herinneren we ons
+die van Michiel de Ruyter en Zeeger op de plaat: "Dat is onze man." Bij
+Banning Kok en Ruitenberg alles verschillend: schoeisel, kleeding, kleur
+en bouw, houding, beweging en stand.
+
+Het is natuurlijk, dat de beschouwing van dit stuk zich grootendeels
+bepaalt tot de hoofdpersonen. De tijdgenooten, en vooral de leden van
+het schuttersvendel merkten dit ook op en namen, voor zoover ze er
+belang bij hadden, het den schilder kwalijk. Eerlijk gezegd, we kunnen
+hun geen ongelijk geven.
+
+Ieder lid van de compagnie moest een som van honderd gulden betalen. En
+hoe waren sommigen voor dit bedrag op het doek gebracht? Aan den
+rechterkant, waar de man met witten kraag zijn hand uitsteekt, staat
+achter diens arm een persoon, die op het portret van zijn heele gezicht
+niets dan twee oogen en een stuk neus terugvond. Wel wat weinig voor
+zijn honderd gulden! Verklaarbaar is het, dat Rembrandt het na 1642 met
+bestellingen van schutterstukken niet druk meer gehad heeft. Het was
+zijn eerste en zijn laatste.
+
+Toch heeft hij van enkele personen veel werk gemaakt. Eene aangename
+figuur bijvoorbeeld is de man, die links van den kapitein zijn geweer
+laadt. Er is in de wijze van gaan iets onzekers, iets dat aan waggelen,
+aan wijdbeens loopen doet denken. Dit is scherp opgemerkt van den
+schilder. We voelen er de onvastheid in van iemand, die, al loopende,
+met beide handen iets bezig is te doen aan een zwaar voorwerp, en die
+het gemis merkt van zijne armen, welke anders onder het gaan door
+slingerbeweging een gevoel van gemak en evenwicht geven.
+
+Wat ons het meest verwondert, ook Banning Kok was met zijn konterfeitsel
+niet tevreden! Hij noodigde voortaan andere schilders uit, als hij zijn
+eigen beeltenis, die van zijn vrouw of die van zijn korporaalschap
+wenschte te hebben. We weten, dat een zekere Ludens er in 1660 een van
+hem gemaakt heeft, maar het nageslacht stelde weinig prijs op het stuk;
+in 1712 is het nog eens voor f263 verhandeld; daarna ging het
+waarschijnlijk verloren. Banning Kok nam het Rembrandt misschien
+kwalijk, dat die hem een gelaatskleur had gegeven van nogal in 't oog
+loopende roodheid. Voor de ware schoonheid zal hij mogelijk net zoo
+weinig hebben gevoeld als de dichter Joost van den Vondel. Deze, een
+tijdgenoot van Rembrandt, wonende als hij in Amsterdam, heeft allerlei
+beroemde personen in gedichten bezongen, maar nooit den grootsten onzer
+schilders. Hij had, naar het schijnt, geen begrip van schilderkunst. Eén
+keer spreekt hij een oordeel uit over een portret, door Van Rijn
+geschilderd, en zegt dan onder anderen:
+
+"De verf vergaat, de deugd zal eeuwig blijven."
+
+Zoo'n versregel is pittig en heeft klank. Een oogenblik zijn we geneigd
+het eens te zijn met wat de dichter beweert. Immers, de roem van
+buitengewone deugden is onvergankelijk, en eene verfkorst kan vergaan.
+Maar bij nader inzien blijkt alles maar woordenspel te zijn. De persoon,
+op het portret uitgebeeld, is met zijnen roem, met zijne deugden, met
+zijnen naam reeds lang vergeten; de onvergankelijkheid was niets dan een
+dichterlijk compliment. Het geminachte verfkorstje bestaat echter nog,
+wordt in eere gehouden, is voor geen goud te koop en maakt de glorie uit
+van zijnen bezitter. Van vergaan is geen sprake: deze veronderstelling
+was slechts eene dichterlijke onnoozelheid. "De deugd verging, de verf
+leeft voort." De tijd heeft Vondel gelogenstraft. We mogen van het
+Korporaalschap niet afstappen zonder het naast de Anatomische les te
+hebben gelegd. Beide schilderijen zijn portretstukken, waarop eene groep
+van meerdere personen is voorgesteld. Op beide heeft de schilder
+getracht, om het stijve van een troepje menschen, dat bij elkaar staat
+of zit, te vermijden. Hij bracht er een denkbeeld in; de beschouwer kan
+meenen, dat het eene dient om te laten zien, hoe eene ontleedkundige les
+gegeven werd, het andere hoe de zeventiende-eeuwsche schutters uitrukten
+om op het doel te schieten. En intusschen ontbreken de goede
+eigenschappen van een portretstuk in geen van beide.
+
+Tot zoover gaan de stukken gelijk met elkaar op. Er is echter ook
+verschil. En dit moet ons niet verwonderen. De Les dagteekent uit 1632,
+Banning Kok uit 1642. Daar liggen tien jaren tusschen, een tijdperk, dat
+in het leven van ieder mensch iets beteekent, maar dat van veel
+beteekenis moet zijn in het leven van een kunstenaar. In die tien jaren
+had Rembrandt wel opnieuw een groot man kunnen worden, als hij in 1632
+al zijne kunst eens had verloren. Wat moet zijne vaardigheid en zijn
+schildersoog dan wel gewonnen hebben, nu hij bleef, wie hij was, en tien
+jaren achtereen dagelijks teekende, etste en schilderde.
+
+We kunnen helaas aan zwarte nadrukjes niet al de veranderingen zien, die
+'s meesters wijze van werken heeft ondergaan tusschen de Les en Banning
+Kok. Maar althans één zeer belangrijke merken we op, en die leert ons
+veel.
+
+Op de Les wordt eene hoofdrol gespeeld door het cadaver. Dit is het
+voornaamste middel, waarmee de schilder aan het portretstuk de
+beteekenis van eene gebeurtenis geeft. Het is echter een willekeurig
+toevoegsel, dat er alleen op gekomen is, omdat Rembrandt dat zoo had
+verzonnen. Of misschien was het denkbeeld wel van een ander afkomstig.
+In elk geval: het is een toevoegsel, dat niet meewerkt, om de bedoeling
+van het stuk te bevorderen. De portretten worden er niet beter om. Wel
+stelt het Dr. Tulp in de gelegenheid, om mooi en ernstig les te staan
+geven, zooals hij dat kon, wanneer hij bezig was; maar daartoe was eene
+kleinigheid ook voldoende geweest: een beentje, een schedel, eene
+bladzijde uit een boek, of iets dergelijks. Nu ligt daar het lijk; de
+zon beschijnt het; het vormt den aantrekkelijksten hoek van het geheele
+stuk; mooi bewerkt is het; alles goed en wel. Maar--het had gemist
+kunnen worden.
+
+Een dergelijk verwijt treft het Korporaalschap niet. Wat daar aangewend
+is, om gebeurtenis in het stuk te brengen, is aan de hoofdpersonen zelf
+ten goede gekomen. Dáár geen aandacht dan voor hen, op wie ze
+plichtmatig door den schilder gevestigd moest worden. Dáár alleen
+opeenhooping van goede eigenschappen in twee personen, om de andere
+figuren te ontlasten en onzen blik meer op éen punt te vestigen. Dat
+éene punt is wel degelijk een onmisbaar onderdeel van het geheel.
+
+De tien jaren zijn voor Rembrandt dus niet onvruchtbaar voorbijgegaan.
+We erkennen, dat het cadaver op de Les een gelukkige kunstgreep was om
+den beschouwer te boeien; maar we worden gewaar, dat tien jaren later
+hetzelfde doel bereikt wordt, zonder het te pas brengen van vreemde
+zaken. Een bewijs dus van grooter meesterschap. Een ander bewijs zien we
+in de handeling: hoeveel malen moet iemand _gaande_ menschen in allerlei
+stand hebben geschetst, om in een portretstuk zooveel vaardigheid aan
+den dag te leggen als hier. De personen op "de Les" toonen daarentegen
+nog weinig beweging, al zijn de handgebaren van Tulp zeer juist
+weergegeven. In 1632 gaf de schilder zijne figuren in rustige houding
+bij elkaar; in 1642 durft hij de beweging tot onderwerp van behandeling
+te nemen; zelfs de persoonlijke onderscheidenheden in de beweging.
+
+[Illustration: Simeon in den Tempel.]
+
+De vergelijking der beide stukken toont aan, dat de schilder in de
+eerste jaren van zijne loopbaan nog niet was, wat hij later werd. Wat
+hij toen maakte was grootsch; maar hij zelf zou de man worden, om den
+vroegen Rembrandt te overtreffen.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+SIMEON IN DEN TEMPEL.
+
+
+De "Simeon in den tempel" is een bijbelsch stuk. Maria, de moeder van
+het Jezuskindje, ligt op den steenen vloer neergeknield. Jozef, ook eene
+knie buigende, houdt in de hand de duifjes, die voor offer bestemd zijn.
+De hoogepriester heft zegenend zijne handen op; Simeon heeft het kindje
+gegrepen, slaat het oog naar boven en spreekt de bekende woorden: "Nu
+laat gij, Heer, uwen dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord; mijne
+oogen hebben uwe zaligheid gezien." Een paar landlieden zijn toevallig
+getuige van het tooneel, evenals twee "schriftgeleerden", die op den
+voorgrond op een rustbank zitten. Omhoog welven en kruisen zich de
+tempelbogen, die door weelderig versierde kolommen worden gedragen. Daar
+heerscht schemering, evenals op de breede trap, waar tal van
+tempelgangers op en afgaan.
+
+Om reeds bij den eersten aanblik de attentie te vestigen op de
+hoofdgroep, laat de schilder de ruimte van den tempel in het halfdonker.
+Op ééne plaats valt het zonlicht naar binnen, en wel door een venster,
+dat zich links boven in het gewelf zal moeten bevinden. De
+"schriftgeleerden" zitten buiten het licht; ofschoon in letterlijken zin
+op den voorgrond geplaatst, trekken ze geenszins het eerst de aandacht.
+Dat doen zeker wel de hoogepriester en Simeon het meest. De eerste door
+zijne koninklijke gestalte, waar, in lange, statige, plooien, de mantel
+omheen hangt. Hij doet denken aan "Jezus" op de eerste prent van de
+"Opwekking van Lazarus". De gebogen lijn, van het hoofd achter over den
+hals en den rug, is hier zuiverder van beloop; bij "Jezus" voelen we ter
+hoogte van den linkerschouder en iets lager eene afwijking, die niet
+duidelijk de bedoeling laat doorschemeren.
+
+Zuiver van uitdrukking is de hand; ze wuift en wenkt het neergeknielde
+paar de woorden toe. In de pols is juist genoeg buiging achterover, om
+het gevoel van stille verrukking uit te spreken; de hoogepriester neemt
+deel in de zaligheid van dit grootsche oogenblik. Boog de hand zich in
+neerwaartsche richting, dan kregen we den indruk, dat hij min of meer
+uit de hoogte den zegen gaf.
+
+De vingers staan uitgespreid, alsof ze tintelen van de aandoening,
+waarmee de plechtigheid hem vervult; vooral de pink staat wijd
+uitgespannen; zoo zien we dat bij iemand, die zijne woorden spreekt in
+ontroerde bezieling.
+
+Niettemin is de hand onschoon van teekening. Evenals die van Jezus op de
+eerste Opwekking, is ze breed en plat, de vingers zijn kort en stomp, de
+geleding is niet zuiver gevoeld.
+
+In de nijging van het hoofd ligt iets herderlijks. Het drukt bezorgdheid
+en deelneming uit. Zoo staat een geestelijke tegenover hen, die zich
+aan zijne leiding toevertrouwen. Zoo neemt hij ze, in figuurlijken zin,
+onder zijne vleugels, in zijne bescherming. En wie zoo toegesproken
+zijn, keeren huiswaarts met een gevoel van vertrouwen op de toekomst,
+met het geloof, dat alles wel goed zal komen.
+
+Met de geheele figuur staat in 't licht; alleen dat deel, waarin de
+schilder de uitdrukking wilde leggen. Daar zien we ook het duidelijkst,
+hoe de statiegewaden er om hangen. Lange plooien gaan sierlijk van den
+hals tot op den grond en slepen zelfs nog na. Zwaar en dik is de stof.
+Hier en daar kreukelen de plooien overdwars. Van het hoofd af hangt een
+priesterlijk sieraad over den hals en op den rug. Het ligt er rustig en
+plat uitgespreid. De zijlijn volgt de buiging van den hals, de onderkant
+de ronding van den rug. Alles plakt zwaar en solied op elkaar.
+
+Het verlichte handje draagt onzen blik van den hoogepriester op Simeon
+over. Het is een licht-schakel.
+
+Ontzaglijk is het, de vervoering, de geestesverrukking van dezen
+grijsaard te zien. Men hoort hem met groote stem, met woest geluid tot
+den Heer zijnen God roepen en de woorden spreken, die boven aangehaald
+zijn. Hij acht geen omstanders, ziet geen vader geen moeder, geen
+hoogepriester, maar voelt zich het hart zwellen van dankbaarheidsdrift,
+nu hij den lang verwachten Messias in de armen sluit. Het is eene uiting
+van den sterksten hartstocht, eene ontroering, die den aandachtigen
+beschouwer door de ziel gaat.
+
+[Illustration: Groep uit "Simeon in den Tempel".]
+
+De moeder Maria, ofschoon niet ten volle begrijpende, slaat vol zalig
+gevoel de handen op de borst tezaam; haar moederhart zwelt, nu haar kind
+den grijsaard zoo in gloed zet en hem zulke woorden ontlokt. Jozef,
+eenigszins in de schaduw gesteld, weet nog minder, wat hij van de
+ontboezeming van Simeon moet denken. Toch zit ook hij met vaderlijk
+welgevallen het tooneel aan te zien. Zijn gemoed wordt zachter bewogen
+dan dat van Maria; zijne gevoelens zijn meer gematigd. In het volle
+licht behoefden ze niet gesteld te worden, mits ze toch ook de aandacht
+niet ontgingen. De schilder laat hem daarom neerknielen in de schaduw
+van den hoogepriester. Maar eene zachte, stille weerkaatsing van den
+gloed van Simeon ligt over zijn wezen. Het is eene weerkaatsing van den
+lichtgloed, zoowel als eene weerspiegeling van de gemoedsbeweging, maar
+beide sterk getemperd.
+
+Eene belangrijke rol laat Rembrandt de boertjes spelen, die toevallig
+langs de groep heenliepen en even bleven staan. Het misbaar van den
+grijsaard moet zijn oorzaak hebben; wat mag er wel aan de hand zijn?
+vragen ze zich af. Ze komen nieuwsgierig een stapje nader. Die met de
+hooge muts ziet er vrij onnoozel uit en zal niet veel wijzer worden, al
+staat hij er vooraan bij. De middelste van de drie is een echt type.
+Waren ze er zoo in de dagen van Rembrandt, in 1631, wij kennen ze zoo
+nog. De handen onverschillig op den rug, het hoofd tusschen de schouders
+gezakt, hoogruggig door den veldarbeid, den kop vooruitgestoken met een
+norsch, bullebakkig gezicht. Men ziet hem aan, dat hij ontsticht is over
+het misbaar. Toch werpt hij een onderzoekenden blik op het kindeke, een
+blik, dien men niet licht vergeet. Terwijl hij neerziet, is het, alsof
+zijn wrevelige trekken zich ontspannen. Een klein, teer kindje, wie kan
+daarbij ook onverschillig blijven!
+
+Voor ons is het geen raadsel, waarom zijn gezicht opklaart; wij leven
+twintig eeuwen na de Jeruzalemsche gebeurtenis, en ons is het gegeven om
+te overzien, wat dat Kindeke geworden is, en welke dingen Het verkondigd
+heeft. Zie, voor wie waren later de predikingen van Jezus het meest
+bestemd, op wie maakten ze het eerst indruk! Wie sloten zich aan en
+lieten zich doopen? Waren het niet de eenvoudigen van geest? Waren zij
+het niet, wier verstand klein was, wier begrip van de dingen niet
+verging?
+
+Rembrandt voelde behoefte, om het groepje in den tempel aan te vullen
+met een paar van deze eenvoudige zielen. Dat zou voor den beschouwer de
+herinnering levendig houden van wat er later gebeuren moet. In de
+simpele landlieden, die met belangstelling komen toekijken, zien we de
+toekomst van het eerste Christendom.
+
+Nog in een ander opzicht zijn de boertjes merkwaardig. Laten we niet uit
+het oog verliezen, dat Jezus in het land Kanaän geboren werd; de
+ontmoeting met Simeon had plaats in den tempel te Jeruzalem; het volk,
+dat de trappen op en afging, of toeschouwer was bij Simeons
+geestesvervoering, waren Israëlieten, Joodsche landbouwers, Oosterlingen
+dus. De kleedij, die de Joden in het begin onzer jaartelling droegen,
+komt overeen met die, waarin zich thans nog Arabieren en Syriërs steken.
+De meeste schilders hebben getracht, als ze een bijbelsch tafreel
+behandelden, om hun figuren het voorkomen van Oosterlingen te geven.
+Soms sloegen ze den bal wel mis, en schilderden ze Italiaansche
+landlieden in plaats van oud-Israëlitische, maar ze hadden dan toch de
+bedoeling, er een buitenlandsch tintje aan te geven.
+
+Deze bedoeling vinden we bij Rembrandt niet. Hij doet geen moeite om het
+Bijbelverhaal te doen spelen in verre landen, onder vreemde volken. De
+boertjes zijn echt Hollandsche typen. Ze komen regelrecht uit Ransdorp,
+Broek-in-Waterland of Ouwerkerk-aan-den-Amstel. In hun blauwen kiel
+heeft de schilder hen door Amsterdam zien gaan, of in de weide bij hun
+vee bespied. Wel zien ze er anders uit dan het landvolk uit onzen tijd,
+maar ook buiten de steden wisselt en verandert de kleederdracht. En zoo
+als ze hier in den tempel staan, zoo heeft Rembrandt in zijn tijd hen op
+verschillende platen naar het leven geteekend; nu eens met eene hooge,
+dan eens met eene lage muts op het hoofd. Zoo was in zijnen tijd hunne
+dracht.
+
+Hij brengt dus de gewijde geschiedenis over op vaderlandschen bodem.
+Vreemde kleederdrachten voor herders en landlieden versmaadt hij. Hij
+weet, dat tal van menschen zich op dat vreemde blind kijken, en geen oog
+hebben voor het wezenlijke van de schilderij. Ze zullen de voorstelling
+beter gaan voelen en begrijpen, als de figuren menschen zijn gelijk zij
+zelf; als die in gelaatstrekken, in kleur, in houding en in kleeding
+gewone, echte Hollanders zijn. Jezus had immers heel goed in Holland
+geboren kunnen zijn. Was niet de Republiek der Vereenigde Nederlanden
+een zeer bijzonder land? Had de God der Vaderen niet geholpen, om haar
+van de Spaansche tirannij te bevrijden? Had Hij de zaak der Hervorming
+niet doen zegevieren? Was er éen protestantsch land zoo met aardsche
+rijkdommen en met welvaart gezegend? Een uitverkoren volk, daarvoor
+hielden onze voorouders zich. Zij waren een tweede Israël. Alles, wat
+ginds in het Oosten, aan de oevers van de Jordaan, was afgespeeld,
+speelde zich ook hier af, dachten ze. Hunne geschiedenis was eene
+afspiegeling van de Bijbelsche.
+
+Als zoo een geheel volk denkt, valt het den kunstenaar gemakkelijk, zich
+ook in die richting te bewegen. Hij denkt niet alleen, hij stelt
+zichtbaar voor. Het Joodsche wordt Hollandsch; de schaapherders van
+Ephrata en de wijnbouwers van de berghellingen van Judea, komende in den
+tempel van Jeruzalem, worden melkboeren uit de omstreken van Amsterdam.
+En waarom ook niet? Over de heele aarde wonen menschen van éen natuur;
+het denken en voelen is wel overal ten naastebij hetzelfde. Vooral onder
+de volksklasse, die hier is voorgesteld, onder de eenvoudigen van geest,
+die opgroeien te midden van de natuur.
+
+Hiermee kunnen we afscheid nemen van de blauwgekielde tempelgangers, om
+nog even eenen blik te slaan op het tweetal, dat op den voorgrond in de
+schaduw zit.
+
+De eerste laat het tooneeltje, daar voor hem, niet onopgemerkt
+passeeren. Hij steekt het hoofd onderzoekend vooruit. Zooals het handje
+en de arm op de leuning van den stoel liggen, kan men zich denken, dat
+hij bijna van zins is, op te rijzen en nader te treden. Nummer twee
+wisselt met hem een blik van verstandhouding. Hij krijgt argwaan, dat de
+zaak niet in orde is. Schriftgeleerden, zooals zij misschien zijn, nemen
+het met godsdienstaangelegenheden zeer nauw. Ze dulden geene
+uitdrukkingen in strijd met de Joodsche wet.
+
+Of zij in de woorden van Simeon iets hooren, wat hun verdacht voorkomt,
+willen we niet nagaan. Maar ons treft hunne tegenwoordigheid op deze
+plaats. Reeds bij dit voorval uit het leven van Jezus zijn ze
+dwarskijkers, in letterlijken en in figuurlijken zin. Rembrandt geeft ze
+voorshands nog een plaatsje in de schaduw, terwijl hij de aanstaande
+volgelingen van den Nazarener in het volle licht zet; maar ze zijn er
+toch, en ze brengen ons te binnen, hoeveel leed ze later zullen
+uitstorten over het hoofd van het Kindeke, dat nu nog zoo onnoozel in
+Simeons armen ligt.
+
+Ten slotte een enkel woord over de geschiedenis, die dit schilderijtje
+heeft doorgemaakt.
+
+Voor wien en voor hoeveel Rembrandt het maakte, weten we niet. Het duikt
+in 1733 uit het onbekende op. Bij eene verkooping ten huize van een
+Haagsch burger werd het voor f830 verkocht; men weet dit uit een
+rekeningenboek. Een mooie prijs voor dien tijd!--Later werd het
+aangekocht voor de verzameling van Stadhouder Willem V. De groote
+gebeurtenis voor het stuk moest echter eerst komen tusschen 1810 en
+1813. Toen Nederland als aanslibsel van Fransche rivieren bij het
+Keizerrijk was ingelijfd, vond Napoleon, dat alle kunstwerken, die aan
+den Staat behoorden, naar de hoofdstad des rijks moesten verhuizen, naar
+Parijs. De "Simeon" was door Prins Willem V bij zijn vertrek naar
+Engeland in 1795 natuurlijk in den steek gelaten, evenals de verdere
+roerende en onroerende have; de staat had er zich over ontfermd, en nu
+ontfermde Napoleon er zich weer over.
+
+Het werd met tal van andere schilderstukken ingepakt, op eenen wagen
+geladen en verzonden. De bedoeling was, om het Louvre er mee te
+verrijken. Wagenvrachten en wagenvrachten van kunstwerken ondergingen
+ook in de andere Fransche wingewesten hetzelfde lot. Men was er in
+Parijs verlegen mee. De opeenhooping was zoo groot, dat een paar jaren
+later het werk der schifting en der tentoonstelling nog niet afgeloopen
+was. Napoleon kwam ten val, voordat alles een plaats had gekregen.
+
+Toen hij in 1815 voorgoed van het wereldtooneel verdween, was het Louvre
+meer pakhuis dan museum. Spoedig daagden van de onderscheiden herstelde
+regeeringen afgevaardigden op, om uit den rommel op te eischen, wat door
+Napoleons ambtenaren naar Parijs was vervoerd. Ook van de regeering der
+Nederlanden. "Simeon" maakte de terugreis naar Den Haag, en kreeg daar
+in het Mauritshuis het plaatsje, dat hij nu nog inneemt. Moge hij er
+blijven tot in lengte van dagen, om nog vele bezoekers het hart te
+verheugen.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+EENE ONDERGAANDE ZON.
+
+
+Het licht is voor Rembrandt gedurende al zijne levensjaren een
+geliefdkoosd onderwerp van studie geweest. Wat is er ook schooner! Wie
+kan onverschillig zijns weegs gaan, wanneer hij des ochtends buiten is
+bij het opkomen van de zon? Wie sluit dan het oog voor de lichtspelingen
+langs lucht en wolken?
+
+Voelt ook niet ieder zich door zonneschijn meer aangetrokken tot de
+vrije natuur, dan door bewolkte, vreugdelooze luchten!
+
+En dan des avonds bij het ondergaan der zon! Welk een kleurenspel wordt
+ons iederen dag opnieuw bereid! Nimmer vervalt de natuur in herhaling.
+Altijd weer is ze verrassend en nieuw in haar getoover met lichtverven
+en kleurvloeiingen.
+
+Oud en jong, arm en rijk, ongeschoold en welonderwezen, alles heeft er
+oog voor. Geen mensch, of wel ééns in zijn leven heeft hij éénen
+zonsondergang genoten, wel ééns heeft hij bij dit natuurverschijnsel
+aandachtig stil gestaan. Daar zonk de vuurbol ter kimme. Het licht, dat
+den ganschen dag slechts licht was geweest, werd nu kleur. De
+huizegevels in baksteen blonken eens zoo rood als anders. De witte
+raamkozijnen bleven wit, maar waren toch, zonderling wonder, te gelijk
+ook rood. De hagelwitte gordijnen eveneens, ofschoon het wit toch
+vlekkeloos rein bleef. De grijze, stoffige straat--wie zou ooit op de
+kleur van eenen straatvloer letten!--behield hare grauwe steenkleuren,
+en trok niettemin het oog door een purperen schijn. Daar waren de
+schoone, groene boomen! Schenen niet ook zij van hetzelfde purper
+doortrokken, terwijl groen toch groen bleef. De stammen stonden te
+blozen als frissche wangen: maar grauw en grijs en bruin was
+onveranderlijk de kurkschors.
+
+Met geene woorden kon men noemen, wat elk ding voor verven kreeg. Zoodra
+men het beproefde, gaf men slechts eene opsomming van de kleuren, die er
+waren bij heldere dagverlichting. Een raadsel was het, dat de zon bij
+het scheiden nog opgaf. Een moeilijk raadsel!
+
+Van de ondergaande zon tot den levensavond van onzen schilder is eene
+schrede minder groot, dan men wellicht zou denken.
+
+Daar hangt in het Rijksmuseum te Amsterdam een werk, de Staalmeesters
+heet het, dat hij voltooide in 1661, en dat het laatste groote stuk is,
+waaraan hij zijne zorg wijdde. We schromen, als we het naderen, om de
+gedachte uit te spreken, doch ze laat zich niet terugdringen: dit
+kunstgewrocht is het afscheidslicht, dat eene ondergaande zon nog gaf.
+Eene ontzaglijke ziel spreekt hier haar laatste woord. En ook _dit_
+laatste woord is een raadsel, is hetzelfde raadsel, wat de avondzon weet
+voor te leggen. Ook hier heeft elk ding zijn eigen kleur, zijn eigen
+verf, zijn eigen kleurvermengingen; maar tegelijk straalt ook hier elk
+ding eenen rossigen gloed uit, eene tint, die nergens aan te wijzen, en
+toch overal te vinden is; die op geen voorwerp ontbreekt, en toch op
+alles de natuurlijke kleuren handhaaft. We _zien_ het roode licht niet,
+we _ondergaan_ het. Overal kunnen we aanwijzen zuiver bruin, zuiver wit,
+zuiver zwart, en overal toch voelen we het uitstralende rood, dat
+nergens is, dan alleen in het kleed, dat over de schuine tafel gespreid
+ligt.
+
+Het grijpt ons aan, als we bedenken, dat de zon, na al haar schoone
+licht, eindelijk tot het avondrood komt, en dan niets schooners meer
+geven kan. Dan moet ze ondergaan. Ze heeft het schoonste bereikt. En
+Rembrandt is het eveneens gegaan!
+
+Zijn gansche leven is geweest: grooter en grooter worden. We zagen het
+bij de twee Opwekkingen, we zagen het bij de Anatomische les en het
+Korporaalschap, we ontdekken het nogmaals bij de Staalmeesters, twintig
+jaren later gemaakt, in den levensavond van den kunstenaar.
+
+Hij begint groot in 1632. Steeds wast hij, en meenen wij, dat het
+hoogste bereikt is; maar steeds overtreft hij weer, wat hij te voren
+maakte. Elk stuk vinden we onovertroffen, tot hij zelf een nieuw
+meesterwerk schept, en ons de oogen opent voor de tekortkomingen van het
+voorgaande. En wat hij op het eind van zijn leven te zien geeft, is niet
+alleen weer beter, dan wat vooraf ging; het lijdt aan geene gebreken
+meer, het bereikt alles, wat bereikt wou worden. Wat de schilder wilde,
+gelukte; en er is niets groots, dat hij vergeten heeft te willen.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+VERGELIJKINGEN.
+
+
+Omdat we ons met een zwart prentje moeten vergenoegen, zullen we bij de
+beschouwing de kleurhoedanigheden laten rusten, dat wil dus zeggen, het
+wonderlijkste wat er aan de Staalmeesters is op te merken. Toch is
+vooral aan het tafelkleed wel iets te zien van de kleurenpracht. Daarin
+zit, zelfs in onzen zwarten afdruk, nog eene mengeling van al den
+vervenrijkdom, dien we ons in een weelderig weefsel kunnen denken, en
+van al de tintelingen, die het licht daarop kan doen ontstaan. Groote
+vlakken van zachte belichtingen en zachte verdonkeringen wisselen met
+elkaar af. Daardoor heen zien we breede, horizontale kleurbanden gaan,
+en door deze weer lichtricheltjes van onder naar boven, of reeksen
+lichtnoppen van rechts naar links. Het gedeelte, dat links om de tafel
+heen hoekt, geeft op andere wijze, zonder mengeling, de kleurfiguren te
+zien, die de wever door zoo'n kleed weet heen te werken.
+
+Vergelijk hiermee nu de lap stof, die op de plaat "Evertsen in de Staten
+van Zeeland" over de tafel ligt. Droog en dor geeft hier de grijze kleur
+aan wat schaduw is. Rembrandts kleed gloeit van warmte, van innerlijke
+kleurenpracht, van Oosterschen tapijtenrijkdom; het andere is koud en
+mat, arm van weefsel en arm van kleur.
+
+[Illustration: De Staalmeesters.]
+
+Voor het overige moeten we van kleurbeschouwing afzien, en ons
+voornemen, om in het Rijksmuseum de schade in te halen.
+
+Wat er van de Staalmeesters in een zwarten afdruk overblijft, is echter
+niet zoo gering, of het zal ons duidelijk worden, dat we hier te doen
+hebben met een onsterfelijk gedenkteeken. Het spreekt nog meer van
+Rembrandts grootheid dan wat voorafgegaan is, meer dan het
+Korporaalschap of eenig ander kunstwerk.
+
+[Illustration: Evertsen en de Staten van Zeeland.]
+
+We beginnen niet, met naar zeldzame eigenschappen te zoeken. Juist in
+de afwezigheid hiervan schuilt eene verdienste. Stel maar naast elkaar
+het "Gezelschap op het Muiderslot" en de "Staalmeesters". Beide
+vertoonen een groepje burgermenschen uit de 17^{de} eeuw, uit 1619 en
+uit 1661. Het verschil in kleeding en kapsel duidt wel een verschillend
+tijdperk aan. Wat uit 1619 dagteekent, staat in dit opzicht dichter bij
+de Anatomische les, terwijl de figuren uit 1661 ons bekend voorkomen,
+wegens de overeenkomst met Jan de Wit, het portret op
+Levensverzekerings-en Spoorboekjes.
+
+Beide gezelschappen bevinden zich binnenshuis, dus in eene omgeving, die
+we een interieur zullen noemen. Bij dit interieur bepalen we het eerst
+onze aandacht. Op het Muiderslot valt het daglicht binnen door een
+venster, dat we ter linker zijde kunnen zien. Het vergunt ons, om
+buitenlicht naast kamer-of binnenlicht te stellen, want bij het venster
+is een stukje witte muur. Tusschen dit wit en het wit van de
+vensteropening bevinden zich een viertal schaduwstrooken, die we met een
+potlood of een reepje papier kunnen bedekken. Dan merken we op, dat
+beide witte strooken gelijk zijn, misschien wint de muur het van het
+buitenlicht nog in helderheid. Wie nu in het eerste het beste vertrek
+even eene vergelijking maakt tusschen het een en het ander, zal
+opmerken, dat de verhouding juist andersom moet zijn. Al is een
+binnenmuur in het licht gezet, hij moet toch voor het zonlicht, dat de
+buitenwereld beschijnt, onderdoen in helderheid. Een geschilderd
+interieur mag hiervan niet afwijken, of het is geen interieur meer.
+
+Op den vloer spreekt de fout nog sterker. Ver in de kamer, tot onder den
+stoel van den ouden heer, die met zijnen rug naar de tafel zit, is het
+licht krachtiger dan buiten de openstaande deur. Hem voorbij merken we
+hetzelfde op aan enkele voorwerpen: aan het tafellaken, het doekje, dat
+de dienstbode op den rug hangt, het zijmuurtje links van den
+schoorsteen, zelfs aan eene versiering tegen den schoorsteen.
+
+Ondanks deze gebreken zeggen we toch, dat de plaat een interieur
+voorstelt, omdat we een venster, een deur, een binnenmuur en
+kamermeubelen zien; die doen ons besluiten: het moet een binnenhuis
+wezen. Maar eerlijk gezegd: het _is_ er geen. Hoe het moest zijn om er
+een te wezen, leert ons het stuk van Rembrandt. Alles is hier in eene
+matte, grijze tint gezet, die overal doet gevoelen, dat we ons
+binnenshuis bevinden. Wanneer eene vensteropening werd aangebracht, zou
+daardoor het daglicht kunnen vallen in eene helderheid, die sterk afstak
+bij de verlichting van de muurgedeelten op den achtergrond.
+
+Dit muurtje met het schoorsteentje vinden we bijna in dezelfde gedaante
+op het Muiderslot terug. We kunnen in het voorbijgaan deze twee
+onderdeelen naast elkaar stellen. Beide bestaan uit houtbetimmering en
+gepleisterd metselwerk. Op het Muiderslot is het eerste erg donker, het
+laatste, zooals we reeds opmerkten, veel te licht van kleur. Wie door de
+oogharen naar de betimmering kijkt, kan den gepleisterden muur best voor
+een stuk lucht houden, dat heel in de verte achter het beschot oprijst.
+Er is geen samenhang tusschen de twee. De teekenaar was bang, dat we
+geen steen van hout zouden onderscheiden en maakte de verschillen veel
+te duidelijk. De achterwand valt uit elkaar. Ook schijnt hij zich heel
+ver achter het schilderijtje boven de kast te bevinden.
+
+[Illustration: Muiderkring.]
+
+Achter de heeren Staalmeesters zien we hout en steen in bijna dezelfde
+tint. Het verschil is gering. Toch ontgaat ons het stoffelijk
+onderscheid niet; er zijn kleinigheden, die daarvoor zorg dragen. Let
+maar eens op de kantlijn, waar de voor-en zijkant van den
+schoorsteenmuur elkaar ontmoeten; op het Muiderslot is die lijn langs
+een liniaal getrokken; het is een pracht van een rechte lijn. Bij
+Rembrandt helt ze ten eersten een weinig naar rechts; en dat is
+verklaarbaar. Zoo'n oud stuk gemetselde schoorsteen rijst gewoonlijk
+niet loodrecht omhoog. Ten tweeden is ze heel fijn met korrels
+afgebrokkeld; ook dit is voor een gepleisterden muur heel juist, en meer
+waarschijnlijk dan de ongeschonden liniaallijn op den Muiderslotschen
+schoorsteen. Ten derden is het niet een _zwart_-getrokken lijn, maar
+juist het tegenovergestelde, een lichtkantje. Ook dit beantwoordt aan de
+werkelijkheid. Alleen dit kantlijntje zou reeds duidelijk genoeg zeggen,
+dat het bovenste deel van den achterwand gepleisterde steen is.
+
+Door acht te geven op dat, wat in het Muiderslot ontbreekt, worden we
+gewaar, wat eene goede eigenschap is van de "Staalmeesters". Het is een
+interieur. We zeggen niet: "het _moet_ er wel een wezen"; het _is_ er
+een.
+
+Het interieur is echter maar achtergrond en bijzaak; de figuren zijn
+hoofdzaak. We tellen er zes, den bediende meegerekend. Na hetgeen we
+opmerkten bij de vergelijking van Anatomische les en Korporaalschap, zal
+het al dadelijk de aandacht trekken, dat Rembrandt afgezien heeft van
+middelen om te groepeeren, zooals hij in 1642 nog noodig vond. Voegde
+hij de leden van het Korporaalschap nog zóó samen, dat de schilderij er
+uitzag, alsof ze eene beroemde gebeurtenis voorstelde, de Staalmeesters
+kruipen maar heel gewoon bij elkaar, zooals ze dagelijks in hun beroep
+bij elkaar zitten. Het stuk stelt niets voor. Het is een portretstuk,
+zonder meer. Een kunstgreep, zooals het cadaver op de Les, anno 1632,
+trok den schilder na dertig jaren niet meer aan; zelfs het kunstmatig
+bijeenvoegen niet meer, gelijk het stuk uit 1642 te zien geeft. Van al
+het gekunstelde, komedie-achtige, dat zijne vroegere werken kenmerkte,
+en dat men toen schoon vond en thans nog schoon vindt, omdat het zoo
+volmaakt van kunst is, van dat alles is hij terug gekomen. Op zijn
+leeftijd is de arbeid geen spel met wondertooneelen. Hij zet heel
+gewoon, zonder ophef, de figuren naast elkaar op eene rij. Behoudens
+kleine afwijkingen, die zijn smaak hem ingaf: nommer twee van links af
+moest even oprijzen, om de eentonigheid van eene vijfkoppige rechte lijn
+te breken; de bediende mocht wel post vatten tusschen twee der heeren
+midden op het doek, maar hij kreeg zijne plaats toch iets dichter bij
+den een dan bij den ander, en deed met zijn gezicht dus geen
+regelmatigen driehoek ontstaan. Staalmeester nommer twee, van rechts af,
+werd met half afgewend bovenlijf neergezet, om niet twee gelijkvormige
+schouders, hoeden en witte kragen naast elkaar midden op het doek te
+krijgen.
+
+Dit zijn kleine schikkingen, die bijna toevalligheden lijken; als vijf
+menschen ordeliik om eene tafel geschaard zitten, zal men juist
+dergelijke afwijkingen opmerken. Ze houden het midden tusschen stijfheid
+en gezochtheid.
+
+Hoe eerlijk en eenvoudig de schilder er naar streefde, om niets anders
+te maken, dan portretten, blijkt ook uit het spel der handen. Op de
+"les" zoowel als op het schutterstuk is dit een ding van belang. Het
+spreekgebaar van Dr. Tulp, de wijze hoe hij zijne mededeelingen over de
+spierbeweging toelicht, trekt sterk de aandacht. De handen zijn vrij in
+de ruimte gezet, tegen een donkeren achtergrond, en ze hebben voor het
+geheele stuk eene groote beteekenis, gelijk we boven reeds zagen. Ook
+die van Frans Banning Kok zijn in 't oog loopend op den voorgrond
+gebracht. Rembrandt schepte er behagen in, om te laten zien, wat hij met
+handen kon. Maar in 1661 zal hij gemeend hebben, dat het zien van een
+portret een te ernstig werk is, om daarbij afgeleid te worden door
+bijzaken. Toch zou het wegmoffelen van de handen ook eene fout geweest
+zijn. Immers, als we een groepje menschen, dat rond eene tafel zit,
+opnemen, zonder dat zij het bemerken, dan zien we wel in het eerste
+oogenblik de gezichten, maar het kan toch zijn, dat we in de tweede
+plaats ook toevallig naar de handen zien. Daarom gaf hij ze wel aan
+zijne figuren, maar zoo, dat we ze slechts terloops en eerst _na_ de
+gezichten ontwaren; hetzij dan versmald gezien, als bij nommer een,
+hetzij in de schaduw gezet, als bij nommer twee, hetzij in de
+onmiddellijke nabijheid van den tafelrand en het boek, zoodat ze hiermee
+als het ware één geheel uitmaken, en niet als afgezonderde lichtplekken
+tegen den achtergrond vrij in de ruimte staan. Echter wist hij ook met
+terzijde geschoven handen nog gedachten uit te drukken: let maar eens
+op, hoe juist de rechter van den middelsten sinjeur ons zegt: "maar het
+staat hier toch!" Het kloppen met den rug van de vingers op de bladen
+van het boek kan niet anders beteekenen. De houding van het hoofd en de
+gelaatsuitdrukking bevestigen het.
+
+Eene sterk sprekende eigenschap van Rembrandt op dezen leeftijd is dus,
+dat hij zich beperkt. In jonger jaren groeide zijne kunstdrift als een
+welig gewas met ver-uitschietende, bloemdragende loten. Nu snoeit hij;
+alles wat weg kan, gaat weg; de verzonnen tooneelen zijn het spel der
+handen gevolgd. Slaan we nogmaals een blik op de "Les" naast de
+"Staalmeesters", dan valt ons ook in de gezichten iets op. Op het eene
+trekken de blanke, hooge en breede voorhoofden, de in verlichte
+vleeschkleur geschilderde wangen, en op het andere de oogen, de neuzen
+en de monden de aandacht. Is het niet, alsof de geneesheeren uit 1632
+allemaal toevallig kleiner van oogenbouw waren, fijner van neus en mond,
+maar hooger van voorhoofd en opzichtiger van wang, dan de staalwaardijns
+uit 1661? Dezen schijnen groffer van maaksel te zijn geweest dan genen.
+De zaak is, dat de schilder in zijn eerste jaren veel aandacht schonk
+aan de vleeschkleuren, de vleeschpartijen, zooals men dat noemt. Hoe
+ouder hij werd, hoe meer hij er echter naar streefde, niets dan het
+leven en de ziel uit te drukken. Deze las hij meer in oogen, mond en
+neus dan in de schilderachtige licht-en kleurverschijnselen van het
+gezichtsvleesch of in den bouw van het gelaat. Onwillekeurig bracht hij
+ze tot meerdere uitdrukking, met het gevolg, dat wij ze eerder opmerken.
+Treffend is het in dit opzicht, dat hij voor de gelijkenis van de
+geneesheerlijke koppen alle voorhoofden noodig achtte, en ze ieder met
+zijne eigenaardigheden schilderde, terwijl hij ze bij de staalmeesters,
+op eene enkele uitzondering na, onder de hoeden wegstopte, als niet
+terzake dienende. Met de baardjes en kneveltjes kon hij dit moeilijk
+doen; maar toch worden ook deze minder op den voorgrond gebracht dan in
+1631.
+
+Van knevels en baarden gesproken, het prentje "Evertsen voor de Staten
+van Zeeland", eene historieplaat van een negentiendeeuwschen teekenaar,
+geeft figuren uit hetzelfde tijdvak als Rembrandts Staalmeesters. Ze
+zijn alle voorzien van snorren en puntbaarden, vervaardigd naar een
+zelfde model, in dezelfde punt gedraaid, van dezelfde dikte, in
+denzelfden gebogen vorm. Het lijken gehuurde tooneelsikjes en
+tooneelknevels, die de heeren vòòr gedaan hebben, om er kranig uit te
+zien. Naast zulke zaken erkennen we eerst recht, hoe bij Rembrandt elk
+ding tot juistheid komt. Wat geven zijn kort afgeknipte smalle
+haarlijntjes op de verschillende bovenlippen een heel ander denkbeeld
+van de mode anno 1660. Zòò moet het er uitgezien hebben; de valsche
+spullen van de heeren Staten zijn eene bespotting.
+
+In den loop der jaren heeft alzoo Rembrandt ook het groote snoeimes
+gezet in zijne neigingen bij het schilderen van koppen. Hij beperkte
+zich hoe langer hoe meer tot datgene, wat het wezenlijke is, wat het
+leven weergeeft. Dat, wat hij vroeger mooi vond, en wat hem daarom
+aantrok, liet hij weg, als het voor het eigenlijke doel niet diende. In
+1632 stonden al de koppen, ofschoon kunstig bijeengeschikt, als
+afzonderlijke portretten tegen een donkeren grond; in 1661 steken ze zoo
+blank en rond niet af, maar worden in het interieur opgenomen. Dat de
+Staalmeesters een portret is, wordt in het geheel niet
+verbloemd--immers, het heeft niet den schijn van eene gebeurtenis. De
+Les doet wel, alsof ze een voorval is, en toch denken we dadelijk: die
+heeren zijn uitgeportretteerd.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+WAT PORTRETTEN BIJEENVOEGT.
+
+
+De Staalmeesters staan of zitten voor ons, alsof we hen in het
+werkelijke leven onverwachts overvielen. De schilder heeft hen zoo weten
+te treffen, dat we niet zeggen: kijk, die zijn er voor gaan zitten om er
+goed op te komen. En toch zijn ze dat juist wel. Zelfs vestigen vijf van
+de zes hun blik op den kunstenaar. Maar zooals ze naar hem--en omdat wij
+in zijne plaats nu staan-naar ons kijken, wekt het de gedachte: ze zien
+naar iemand, die binnenkomt. En dit is iets anders dan: ze zien naar den
+man, die hen uitteekent. Het verschil is fijn gevoeld. Door Rembrandt is
+deze indruk vastgehouden: alle heeren keken op, toen ik binnenkwam, en
+schenen te vragen: wie is _dat_ nu? Hij bearbeidde hen, niet zooals hij
+ze voor zich zag zitten, wanneer ze één voor één in zijne werkplaats
+kwamen om te poseeren; maar met datgene op de gezichten, wat hij
+eventjes had waargenomen, toen hij voor 't eerst binnenkwam. Hij
+schilderde hen met in achtneming van eene lichte verwondering, van eenen
+vragenden trek op het gelaat. Dit was eene natuurlijke, ongemaakte
+uiting, doordat alle tegelijk iets vreemds hoorden en het hoofd naar den
+kant draaiden, vanwaar het geluid kwam. Eene uiting van leven, die door
+de personen niet eerst overdacht is; zonder overleg kwam dit zoo op
+hunne gezichten; ze hadden zelfs den tijd niet, om een slimmer of een
+opgewekter gezicht te zetten, dan hun van nature eigen was. Nommer een
+van rechts af is bijvoorbeeld niet een van de snuggersten geweest.
+Rembrandt doorzag dit met den eersten oogopslag: in de hoog opgetrokken
+wenkbrauwen, in de dikke oogleden, de slaperige oogjes, de
+vooruitstekende bovenlip voelde hij het. Daarnaast zit een, die van de
+natuur geen welgemaakt gezicht heeft meegekregen: het is wat te lang en
+te smal, de lippen zijn te dik. Maar hij behoort tot de lieden, die
+ondanks hun uiterlijk, een ieder aantrekken door iets prettigs en iets
+vriendelijks in de oogen en om den mond. De middelste van de vijf had
+juist het woord, en liet zich in zijn betoog door Rembrandt's
+binnenkomen niet storen. De volgende rees overeind, misschien om ter
+meerdere klaarheid er een ander boek bij te halen; aan den draai van
+zijn hoofd zien we, dat zijn opstaan met de komst van den schilder
+_niet_ in verband staat; hij stond al, en heeft, ondanks den blik op den
+binnenkomende, _andere dingen in het hoofd_. Dit vooral is duidelijk aan
+hem te zien.
+
+Om kort te gaan: de gelaatsuitdrukkingen zijn overvallen; niet bij een,
+maar bij allemaal. De verrassing is de levenstinteling die allen eigen
+is. Neem er één figuur uit, aan die verrassing is merkbaar, dat hij bij
+de anderen op dit portretstuk thuis behoort. Bij geen van de zes stijgt
+de uiting tot verbazing, bij geen heeft ze den schijn van
+onverschilligheid. Ze is bij allen even sterk; we voelen zoo heelemaal,
+dat allen onder denzelfden indruk even opzien; dat ze als een groep, die
+bijeenzat, door Rembrandt zijn opgemerkt. Wat hen vereenigt, is geen
+vertooninkje van eene les of van eenen optocht, maar _eenzelfde
+gemoedstoestand_; ze doorleven eene zelfde, gelijke gewaarwording. En
+dat maakt hen één. Niet eene vreeselijke ontsteltenis, eene groote
+angst, eene woeste drift; die zouden te veel ophef hebben gemaakt. Het
+blijft bij eene nauwelijks merkbare aandoening. Iets als een zacht
+rimpeltje, dat bij windzucht even over al de watervlakjes van een plasje
+loopt. Zoo ondergaan ook de bloemen in de wei alle gelijkelijk het
+voorbijgaan van een avondwindje.
+
+De schilder zelf is het middelpunt van aller opmerkzaamheid. We kunnen
+ons hunne verrassing best voorstellen, toen hij binnenkwam. Zijn roem
+was reeds lang gevestigd; ze vonden het streelend, dat de groote
+Rembrandt in hun midden verscheen. Bij voorbaat zijn ze in opgewekte
+stemming over hun afbeeldsel, dat natuurlijk wel slagen zal, en dat
+misschien een beroemd stuk kan worden. Deze gewoon menschelijke
+gedachtetjes spreken uit hunne trekken. De schilder heeft dat allemaal
+door en door echt in hen voelen leven. Hij maakte geene _figuren_ van
+hen, hij bracht ze _zelf_ op het doek; het was geen namaak, geen
+afbeelden; het was de aandoening, het denken, het verrast worden, het
+zich prettig gevoelen zelf, wat hij gaf.
+
+Daar dit bij twee menschen nooit precies hetzelfde is, al lijken ze
+uiterlijk nog zooveel op elkaar, wordt de verscheidenheid van gezichten
+ook grooter, naarmate dat innerlijke sterker spreekt. We zien het hier.
+Er is uiterlijk zeer veel gelijkenis tusschen sommigen, en in kleeding
+tusschen alle. Maar ieder denkt er zijn eigen van, als Rembrandt
+binnenkomt; en dat zet hen allen ver uiteen, als zeer onderscheiden en
+heelemaal verschillende menschen. Wij krijgen den indruk, dat dit geene
+figuren, geene afbeeldsels zijn, maar wezens, die bestaan. We worden
+door al de oogen, door al de verschillende manieren van oogopslag zoo
+aangetrokken, dat we op het gelijke in kapsel, hoed, kraag, kleeding en
+houding nauwelijks letten. In den oogopslag zit hier een belangrijk deel
+van de portretten. Daarin voelen we, dat de heeren zoo even nog met
+neergeslagen oogleden naar de tafel, naar het boek of naar elkaar zaten
+te kijken; door het binnenkomen worden de blikken opgeslagen; is het
+niet, alsof we deze beweging er in voelen? En geeft de schilder niet bij
+ieder afzonderlijk iets aparts in die beweging? Bij alle verschilt de
+teekening van het opgeslagen ooglid, en bij ieder is het optrekken van
+de wenkbrauwen weer anders dan bij de overigen.
+
+Als we al de monden langs zien, merken we ook hierin de verscheidenheid.
+Wat is die bij den bediende dun van lippen en heel anders dan bij den
+sinjeur, achter wiens rug hij staat. En zie daarbij nu weer eens nummer
+een van rechts af, hoe die de onderlip achteruittrekt en de bovenlip
+iets vooruitsteekt.
+
+Deze deelen van het gelaat dragen wezenlijk veel meer de uiting van
+karakter en leven, dan de vleeschpartijen, die Rembrandt in vroeger
+jaren op den voorgrond bracht. Hij is dus sedert het Korporaalschap,
+ofschoon dit een meesterstuk was, steeds hooger gestegen. Alles wat naar
+komediespel geleek, liet hij varen; wat het zieleleven van zijne figuren
+sterker kon uitdrukken, greep hij als hoofdzaak aan.
+
+Naar het uitwendige werd hij eenvoudiger, naar het innerlijke forscher
+en grooter. Bedenken we nog bovendien, welke wondere lichtspeling en
+kleurverlichting het oorspronkelijke stuk der Staalmeesters den
+beschouwer te zien geeft, dan kunnen we gerust zeggen, dat Rembrandt aan
+het eind van zijn leven een onovertroffen schilder was. Hij had groote
+voorgangers gehad; en onder deze voorgangers was hij zelf in jonger
+jaren een groot kunstenaar geweest. Doch hij eindigde zijne loopbaan als
+een, die hooger staat dan allen, ook hooger dan hij zelf eertijds stond.
+
+In den jare 1669 overleed hij. Op welken dag weet men niet. Den 8^{sten}
+October werd hij ter aarde besteld. Voor _f_ 15 werd hem een graf
+gegraven in de Westerkerk te Amsterdam. Het bespelen van het carillon
+was in dien prijs begrepen. Wie het graven van een graf met f15 kon
+betalen, behoorde tot den gegoeden stand. Dit stelt ons gerust omtrent
+de geldelijke omstandigheden, waarin hij in de laatste jaren verkeerd
+had; we behoeven niet te gelooven, wat meermalen beweerd wordt, dat hij
+arm gestorven is. En zijn leven is rijk geweest, rijk aan genot. Hij
+heeft vele menschen en vele dingen gekend en begrepen. Kennen en
+begrijpen is genot.
+
+Als wij ernstig trachten zijne werken te kennen en te begrijpen, zullen
+we deel hebben in de erfenis die hij naliet: genot van te zien en te
+begrijpen. De erfenis is groot genoeg voor een geheel volk: wie zich de
+moeite geeft om te willen, kan mede-erfgenaam worden.
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11286 ***
diff --git a/11286-h/11286-h.htm b/11286-h/11286-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..154ee2d
--- /dev/null
+++ b/11286-h/11286-h.htm
@@ -0,0 +1,3282 @@
+<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN">
+<html>
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Language" content="nl">
+ <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8">
+ <title>Meesterstukken van Rembrandt Harmensz. Van Rijn | Project Gutenberg</title>
+<style type="text/css">
+
+ P { text-indent: 1em;
+ margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em; }
+ h1, h2, h3, h4, h5, h6 { text-align: center; }
+ HR { width: 33%;
+ margin-top: 1em;
+ margin-bottom: 1em;}
+ BODY{margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;}
+ .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */
+ .note {margin-left: 2em; margin-right: 2em; margin-bottom: 1em;} /* block indent */
+
+ span.c10 {margin-left: 2em;}
+ span.c9 {margin-left: 1em;}
+ hr.c8 {width: 45%;}
+ a.c7 {color: #000000}
+ p.c6 {font-family: Verdana; font-style: italic}
+ span.c5 {font-family: Verdana}
+ h2.c4 {font-family: Verdana}
+ hr.c3 {width: 65%;}
+ p.c2 {font-family: Verdana}
+ h1.c1 {font-family: Verdana}
+</style>
+<body>
+<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11286 ***</div>
+
+<h1 class="c1">MEESTERSTUKKEN</h1>
+<p class="c2">VAN
+<p class="c2">REMBRANDT HARMENSZ. VAN RIJN.
+<p class="c2">LEESBOEK VOOR HET LAGER EN VOORTGEZET ONDERWIJS
+<p class="c2">DOOR
+<p class="c2">G. KIELDER,
+<p class="c2">HOOFD EENER SCHOOL TE 'S-GRAVENHAGE.
+<p class="c2">AMSTERDAM.-1906.
+<hr class="c3">
+<h2 class="c4">VOORBERICHT.</h2><span class="c5"><br></span>
+<p class="c6">Nu dit boekje juist in het Rembrandtjaar verschijnt,
+zal men het allicht indeelen bij de huldebetoogingen. Toch wil het
+daartoe niet gerekend worden. Onze leerlingen geven dikwijls blijk,
+dat ze met welgevallen luisteren naar of lezen over kunst; het is
+deze belangstelling, die de schrijver heeft willen voeden en
+ontwikkelen. Men zal bij de kennismaking den opvoedenden ondergrond
+van de stof der besprekingen wel opmerken.
+<p class="c2">Dat de onderwerpen ontleend werden aan de werken van
+Rembrandt, behoeft niet te bevreemden: deze schilder is voor de
+kunst en voor het kunstgevoel een geweldig opvoeder geweest, ook en
+vooral omdat hij sterk persoonlijk was in alles, wat van hem
+uitging.
+<p class="c2">Het was onvermijdelijk, dat de bespreking van
+portretten hier en daar het karakter aannam van eene historische
+uiteenzetting; ze stellen ons immers voor oogen het geslacht, te
+midden waarvan Rembrandt leefde, een geslacht dat historisch is
+geworden. Dat we het zien juist door het oog van een psycholoog, is
+vast geen nadeel!
+<p class="c2">De schrijver mag wel hopen, dat de menschen, die van
+kunst hun beroep maken, hem niet te hard vallen over de
+vrijmoedigheid, waarmee hij zijne laag-bij-den-grondsche inzichten
+ten beste geeft; hij heeft maar &eacute;&eacute;ne
+verontschuldiging: dat van hen nog niemand iets gedaan heeft voor
+de aesthetische opvoeding van het opkomend geslacht. Het zij gezegd
+zonder miskenning van de verdiensten van den Heer H. P. Bremmer,
+die reeds jaren lang in de weer is, om onderwijzers voor deze taak
+op te leiden. Bij dezen aan hem een woord van dank voor de
+beschikking over zijne vermaarde prentenverzameling.
+<p class="c2">Voor den gebruiker een wenk: bespreek elk plaatje,
+v&oacute;&oacute;rdat de tekst gelezen wordt; als bij het lezen
+plaat en tekst in het boekje niet tegenover elkaar staan, laat dan
+een van de twee boekjes op eenzelfde bank bij de plaat open liggen.
+Open staan is nog beter.
+<p class="c2">Den Haag 1906. G. KIELDER.
+<hr class="c3">
+<h2 class="c4">INHOUD.</h2><span class="c5"><a class="c7" href=
+"#WAT_GEEN_HOOFDZAAK_IS">WAT GEEN HOOFDZAAK IS.</a><u><br></u>
+<a class="c7" href="#DE_OPWEKKING_VAN_LAZARUS">DE OPWEKKING VAN
+LAZARUS.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#EENE_LATERE_OPWEKKING">EENE LATERE OPWEKKING.</a><u><br></u>
+<a class="c7" href="#HISTORISCHE_GEGEVENS">HISTORISCHE
+GEGEVENS.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#REMBRANDT_LANDSCHAPSCHILDER">REMBRANDT
+LANDSCHAPSCHILDER.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#VROUWE_SASKIA">VROUWE SASKIA.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#KLEINE_TITUS">KLEINE TITUS.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#ACTIE">ACTIE.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#MISLEIDE_AANDACHT">MISLEIDE AANDACHT.</a><u><br></u> <a class=
+"c7" href="#AANRAKING_MET_HISTORISCHE_PERSONEN">AANRAKING MET
+HISTORISCHE PERSONEN.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#MEER_DAN_PORTRET">MEER DAN PORTRET.</a><u><br></u> <a class="c7"
+href="#GEETSTE_PRENTEN">GE&Euml;TSTE PRENTEN.</a><u><br></u>
+<a class="c7" href="#VROUWTJE_BAS_VAN_T_RIJKSMUSEUM">VROUWTJE BAS
+VAN 'T RIJKSMUSEUM.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#KUNST_VAN_GROEPEEREN">KUNST VAN GROEPEEREN.</a><u><br></u>
+<a class="c7" href="#VERVOLG_VAN_T_KORPORAALSCHAP">VERVOLG VAN 'T
+KORPORAALSCHAP.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#SIMEON_IN_DEN_TEMPEL">SIMEON IN DEN TEMPEL.</a><u><br></u>
+<a class="c7" href="#EENE_ONDERGAANDE_ZON">EENE ONDERGAANDE
+ZON.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#VERGELIJKINGEN">VERGELIJKINGEN.</a><u><br></u> <a class="c7"
+href="#WAT_PORTRETTEN_BIJEENVOEGT">WAT PORTRETTEN
+BIJEENVOEGT.</a></span>
+<p class="c2">&nbsp;<a name="WAT_GEEN_HOOFDZAAK_IS"></a>
+<h2 class="c4">WAT GEEN HOOFDZAAK IS.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Vele eeuwen geleden leefde in Griekenland een
+schilder, van wien men de ongeloofelijkste dingen verhaalt, en
+wiens naam bij het nageslacht is blijven voortleven als die van een
+der grootste kunstenaars. Zeuxis, zoo heette hij, wist niet slechts
+de menschen, maar ook de dieren met de voortbrengselen van zijn
+penseel in verrukking te brengen. Dit blijkt uit het volgende.
+<p class="c2">Hij schilderde eens een vruchtenstuk; in bevallige
+wanorde lagen bessen, druiven, noten en appelen door elkander, met
+hier en daar een groen blad er tusschen. Ieder, die het zag, stond
+verbaasd over de juistheid, waarmee elk onderdeel bewerkt was. En
+kijk, toen de toeschouwers zich verwijderd hadden van de
+muurschildering, kwamen de vogelen toevliegen en pikten naar de
+druiven. Misleid door den schijn, hadden ze deze voor echt
+gehouden.
+<p class="c2">Een verhaal, dat er gaat van een paardenstuk, komt
+hier vrij wel mee overeen. Dit gaf de afbeelding van een paard te
+zien, en zoo bedriegelijk juist, dat het vurig strijdros van
+Alexander den Groote, toen het voor de schilderij werd gebracht,
+aan de teugels rukte en tegen zijn gewaanden natuurgenoot begon te
+hinneken.
+<p class="c2">We hebben hier het oordeel van redelooze dieren over
+kunst van menschen. Het volk kende daar eene zekere waarde aan toe;
+het oordeelde zoo: "wie heeft beter kijk op paarden dan een paard,
+wie beter op vruchten dan een vogel? Als nu door dezen de
+gelijkenis in een schilderstuk wordt opgemerkt, moet ze wel
+bijzonder juist wezen; geene goedkeuring van menschen kan voor den
+kunstenaar zoo vleiend zijn als die van dieren, mits deze met het
+onderwerp in betrekking staan."
+<p class="c2">Er is nog een oud verhaal van een beroemd schilder.
+<p class="c2">Apelles had eene menschelijke figuur geschilderd en
+stelde die ten toon, terwijl hij zelf in een verborgen hoekje naar
+het oordeel der beschouwers luisterde. Een schoenmaker kwam daar
+langs en bleef staan. Zijn blik rustte onderzoekend op de voeten,
+en hoorbaar mompelde hij voor zich heen: "Ze zijn te groot, wat zou
+je een leest moeten hebben, om daarvoor schoenen te maken."
+<p class="c2">Appelles nam den wenk ter harte, en den volgenden dag
+had hij de gelaakte lichaamsdeelen iet of wat kleiner gemaakt.
+<p class="c2">Weer kwam de schoenmaker voorbij. "Kijk", dacht hij,
+"Appelles heeft zijn fout ingezien en verbeterd. Jammer, dat hij nu
+ook in houding en gebaar niet wat meer de fierheid van eenen
+krijgsman heeft uitgedrukt."
+<p class="c2">Nu werd het den schilder te kras. Hij kwam te
+voorschijn en voegde den schoenmaker toe: "Over houding en gebaar
+zwijg je! Een schoenmaker blijve bij zijne leest."
+<p class="c2">Met deze terechtwijzing is het volk het geheel eens
+geweest, zoo zeer, dat de uitdrukking in den vorm van een
+spreekwoord is blijven voortleven. De schoenmaker kreeg hetzelfde
+recht van meepraten als de vogel en het paard, een recht, dat aan
+iedereen stilzwijgend is toegekend: wie door zijn vak verstand
+heeft van het onderwerp, dat op een schilderstuk is voorgesteld,
+heeft bevoegdheid om een oordeel uit te spreken.
+<p class="c2">Dit komt dus hierop neer, dat het stuk pas goed is,
+wanneer het de menschen voldoet, die als vaklui verstand hebben van
+de dingen, die er op staan. Bijgevolg heeft de beschouwer meer met
+de dingen dan met den kunstenaar te maken.
+<p class="c2">Grooter dwaling dan deze opvatting is niet denkbaar.
+Bij elk kunstwerk is juist de persoon van den maker de hoofdzaak.
+Hij is het eenige, waarop men te letten, waaraan men te denken
+heeft. De vraag is niet, wat staat er van het ding of van de
+gebeurtenis op, maar waaruit bespeur ik den kunstenaar; wat zie ik
+er in, dat door hem alleen is gezien en gevoeld; dat ik nu ook wel
+zie en voel, doch alleen doordat <i>hij</i> het mij zoo voorhoudt.
+Alles wat ik van te voren al wist van het ding of van de
+gebeurtenis, is op de schilderij bijzaak. Want het is kennis, die
+iedereen heeft. En de kunstenaar gaat niet in zijn werk op, om
+datgene te vertoonen, wat alle oogen wel zien en alle harten wel
+voelen. Hij is juist kunstenaar door iets, wat een ander ontbreekt,
+door gewaarwordingen, die een ander alleen door hem kan krijgen.
+<p class="c2">Het onderwerp is maar onderwerp. Natuurlijk geeft het
+den beschouwer reden tot tevredenheid, als hij met het onderwerp
+niet in de war zit, als hij alles een naam kan geven en van alles
+de gedaante en den vorm herkent. Maar van meer belang is het, dat
+hij zich rekenschap geeft van datgene, wat niet het onderwerp, maar
+wat de kunstenaar laat zien. Het verwondert ons daarom van Apelles,
+dat hij zooveel aandacht schonk aan de opmerkingen van eenen
+schoenmaker over de voeten van zijne figuur. Eerder zou men
+verwacht hebben, dat hij luisterde, toen die een oordeel uitsprak
+over dingen, die buiten zijn vak en zijnen werkkring lagen.
+<p class="c2">Bij het beschouwen van werk van Rembrandt zullen wij
+goed doen, als we deze onderscheiding in het oog houden: wat stelt
+het voor, en waaraan bespeur ik, dat een buitengewoon oog dit
+onderwerp bekeken heeft.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="DE_OPWEKKING_VAN_LAZARUS"></a>
+<h2 class="c4">DE OPWEKKING VAN LAZARUS.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">De eerste prent draagt tot onderschrift: "De
+opwekking van Lazarus."
+<p class="c2">Op de vraag, <i>wat</i> er op staat, vinden we in den
+Bijbel het antwoord, en wel in het Evangelie van Johannes, daarvan
+het elfde hoofdstuk.
+<p><img alt="" border="0" src="images/opwekkingvanlazarus.png" width="473"
+height="667">
+<p class="c2">[Opwekking van Lazarus.]
+<p class="c2">Volgens dezen tekst moet de plaat te zien geven: den
+gestorven Lazarus, liggende in het graf, den Heer Jezus, de
+zusters, de vrienden en de discipelen staande daar rondom.
+Bovendien lezen we er, welke handeling ieder der aanwezigen
+verricht.
+<p class="c2"><i>Hoe</i> staat een en ander er nu op? Hoe zijn de
+figuren geteekend? Hoe wordt datgene voorgesteld, wat elk
+figuurtje, volgens den aangewezen tekst, moet verrichten?
+<p class="c2">Laten we met Lazarus beginnen. Na hem komen de
+anderen wel aan de beurt.
+<p class="c2">Is er in de teekening van deze lijntjes, streepjes en
+krabbels iets, dat we buitenwoon vinden, dat wij zelf niet in ons
+hoofd hadden, als Rembrandt het ons niet zoo vertoonde.
+<p class="c2">De figuur van Lazarus is in blanke tint uitgebeeld;
+ook de steenwanden, waar hij tusschen ligt. Het is, alsof zijn
+lichaam in teerheid en witheid &eacute;&eacute;n geheel vormt met
+het gesteente, alsof hij reeds een bestanddeel vormt van den schoot
+der aarde, waaraan zijne bloedverwanten hem hebben toevertrouwd.
+Nauwelijks onderscheidt zich zijn gestrekt liggend lijf van de
+groeve; als mensch was hij uit stof gemaakt; gestorven zijnde, is
+zijn stoffelijk omhulsel oogenschijnlijk al bijna weer in het stof
+opgenomen. De blankheid van het gewaad is zoo ongerept gehouden,
+als maar mogelijk was. Al de aanduidingen van kreukjes en plooien,
+van vouwen en rimpels zijn uiterst teer geteekend om niet te veel
+zwart aan te brengen. Bijna ongemerkt loopt de lijn voort, die den
+steenwand op den voorgrond afscheidt van de figuur. Even ongemerkt
+zien we de linkerhand langs den anderen wand tastende zoeken naar
+steun. In lijnwaad gewikkeld, onderscheidt de arm zich bijna niet
+van het gesteente; toch krijgen we wel de gewaarwording, dat onder
+al de plooien van de stof dat lichaamsdeel zich beweegt, zich
+opheft en voortschuift. Zoo ook, dat onder het doodskleed het lijf
+zich opricht, zich kromt. In de richting van de voeten is alles nog
+rust; daar smelten, om zoo te zeggen, stof en stof nog in een. Maar
+het hoofd en de hals hebben zich reeds losgemaakt van den schoot
+der aarde. Daar zijn de afscheidingen door den teekenaar
+duidelijker gegeven; scherpe schaduwkanten loopen langs schouder en
+afhangend haar, terwijl voorhoofd, gelaat en linkerschouder in
+fijne blankheid afsteken tegen een hoekje donkeren rotswand. Waar
+het leven terugkeert, scheidt zich het lichaam het eerst en het
+duidelijkst af van de aarde. Door de oogharen bezien, zal het ook
+lijken, alsof het hoofd zich opbeurt uit den bodem, alsof het zich
+daarvan losmaakt.
+<p class="c2">Zie, dit zijn geen dingen, die ieder lezer van het
+Evangelie van Johannes in zijne verbeelding ziet. Ook is het geen
+bewijs van buitengewone getrouwheid in het uitbeelden van een
+lichaam dat in een graf ligt; want in werkelijkneid zal er wel
+altijd juist eene scherpe tegenstelling zijn tusschen de reine,
+witte gewaden en de donkere aardkluiten of rotsmuren. Het is een
+wijze van zien, die ons rechtstreeks aan Rembrandt zelf doet
+denken. Alles <i>was</i> niet zoo, en alles staat niet zoo te lezen
+in de Schrift; hij <i>zag</i> het zoo. In deze manier om de
+grafligging te zien leeft hij voort. Sedert hij het zoo gewaar werd
+voor zijn geestesoog, zien wij het ook, maar alleen door hem.
+<p class="c2">Aangrijpend is het, te zien, hoe op het gelaat zich
+het wederkeerende leven openbaart.
+<p class="c2">Het oog, dat in de diepe oogkas ligt weggezonken,
+opent zich en ontvangt wel de eerste lichtstralen, maar besef heeft
+het niet. Wezenloos en smartelijk staart het voor zich uit, het
+ooglid is zwaar en loom en schijnt gereed om weer toe te vallen,
+gelijk het reeds voor eeuwig scheen toegevallen te zijn. Flauw en
+gebroken is even de oogappel aangegeven.
+<p class="c2">De mond is maar niet zoo een zwart streepje of een
+vlekje; hij heeft, hoe klein ook van afmetingen, eenen bepaalden
+vorm, en eenen vorm, die iets uitdrukt. Is het niet de eerste
+ademtocht, die we hier zien? Stroomt niet de levenslucht naar
+binnen in ademhalingsruimten, die reeds bestemd waren om geen adem
+meer te bevatten, en die ook reeds afgeplat en naar binnen gebogen
+neerlagen. Pijnlijk volbrengt de mond deze eerste levensuiting,
+maar zonder bewustzijn, zonder besef.
+<p class="c2">De wangen zijn mager en hoekig, de onderkaak scherp
+afgeteekend, de neus smal en ingevallen. Het oor zit maar
+nauwelijks nog aan het hoofd, zooals we dat bij zieken waarnemen,
+die langzaam wegteren. Ook het halsje draagt de sporen van lijden;
+diepe groeven en rimpels strekken zich uit van boven naar beneden,
+en bij de kaak, van links naar rechts. Te zwak is het, om het hoofd
+te dragen; terwijl dit zich opricht, helt het machteloos naar links
+over.
+<p class="c2">Zoo bespeuren we in elk onderdeel van deze figuur de
+aandoening van den teekenaar. Het feit, dat geteekend moest worden,
+de opleving van iemand uit zijn graf, stond vast. Dat het
+vreeselijk moet zijn geweest, om deze gebeurtenis mee aan te zien,
+stond ook wel vast. Maar nu komt de kunstenaar en houdt er zich mee
+bezig. Hij voelt het vreeselijke zoo sterk, zoo overweldigend, dat
+het kleinste krabbeltje, wat hem uit de hand vloeit, nog uiting
+geeft aan dat gevoel. En wij, de beschouwers, komen daardoor tot de
+erkenning: alles op zoo'n gezicht moet dien indruk hebben gemaakt;
+bij zulke oogen zoo'n mond, zoo'n neus, zoo'n hals en zoo'n
+houding.
+<p class="c2">Laten we de proef eens nemen, of het echt is, wat we
+opmerken. Door met een paar stukjes papier de overige deelen van de
+plaat te bedekken, houden we Lazarus alleen over en kunnen nu
+beoordeelen, of in hem uitgedrukt is, hoe het feit zich toegedragen
+heeft. We zien onmiskenbaar, dat het figuurtje, wat zich hier
+opricht, iets vreeselijks doormaakt; dat het maar niet iemand is,
+die in zoo'n groeve te slapen lag en zich nu opricht; dat de
+wezenloosheid op het gezicht niet de uitdrukking is van een half
+slapende of van een, die bijvoorbeeld onder den invloed van sterken
+drank is. Alles is zoo sterk van aandoening en grijpt zoo aan, dat
+alleen deze figuur voldoende zou zijn om de tekst uit het Evangelie
+van Johannes te illustreeren.
+<p class="c2">Nu de figuur van Jezus. Zooals Hij daar staat, naast
+het geopende graf, is alles waardigheid en hoogheid aan Hem. We
+zien Hem als eene gestalte, wie langs den rug de mantel in
+&eacute;&eacute;ne groote beweging tot den grond afhangt. In zoo'n
+rijzigheid stellen we ons gaarne voor, iemand, die als verrichter
+van groote dingen optreedt. De opgeheven linkerhand, ofschoon de
+vingers niet mooi zijn geteekend, begeleidt in grootsch gebaar de
+woorden: "Lazarus, kom uit!" Rustig en vol majesteit wacht Jezus de
+uitwerking af. Bij Hem geene verbazing, verrassing of ontzetting
+over de herrijzenis; bij Hem slechts verzekerdheid, dat nu gebeuren
+zal, wat Hij gebiedt.
+<p class="c2">Eene groote tegenstelling is er tusschen dat rustige
+staan en de omringende aandoeningen. Om dit duidelijk te voelen,
+nemen we een stukje papier en leggen het zoo over de prent, dat de
+gestalte van Jezus aan ons oog onttrokken wordt.
+<p class="c2">Het geheel is nu een druk tooneeltje geworden. De
+omstanders geven op eene in 't oog loopende wijze uiting aan hun
+gevoel. Ze herinneren ons aan voorvalletjes, die we langs straat en
+gracht wel eens waarnamen, bijvoorbeeld als er iemand in het water
+viel; dan waren de menschen ook verschrikt, je hoorde ze door
+elkaar gillen, hard wegloopen, achteruitdeinzen, om hulp roepen, de
+handen uitsteken en op andere manieren zich lawaaierig aanstellen.
+Zoo'n volksoploopje met druk gedraai van lijven en gewring van
+handen blijft er van de prent over, als we die eene figuur er
+uitnemen.
+<p class="c2">En met deze figuur, is alles plechtig en grootsch.
+Het statige dringt het drukke gedoe van de omstanders op den
+achtergrond. We denken niet langer aan onbeduidende
+straattooneelen, maar we krijgen weer den indruk van eene
+testamentische, eene aartsvaderlijke geschiedenis. Het oploopje,
+dat zoo in het voorbijgaan even de menschen in beweging bracht, is
+eene gebeurtenis geworden voor alle tijden, eene bladzijde uit de
+boeken der eeuwen. We behoeven de bijbeltekst niet te kennen, om
+reeds bij den eersten blik te begrijpen, dat dit voorval iets
+bijzonders is, iets groots, iets dat invloed zal hebben op
+geslachten en nageslachten.
+<p class="c2">Waaraan is dit anders toe te schrijven, dan aan de
+majesteit, de verhevenheid van de gestalte, die naast het graf van
+Lazarus staat!
+<p class="c2">Toch spreekt uit de teekening ook eene verkeerde
+neiging van Rembrandt. Hij zet zijne figuur daar neer, alsof ze een
+tooneelheld is; met sierlijk gebaar wordt de eene hand in de zij
+gezet en de andere met wat erg veel vertooning omhoog geheven. Hij
+overdrijft het grootsche en maakt er eenigszins comediespel van. We
+mogen deze opmerking gerust maken; al is het onderwerp aan de
+Heilige Schrift ontleend, wij spreken niet daarover maar over den
+teekenaar.
+<p class="c2">Zijn streven om het mooi te maken blijkt bijvoorbeeld
+heel duidelijk uit de plooien, waarin de rechterhand den mantel
+heeft opgenomen. De zeven bochten maken den indruk, dat ze in
+stevig metaal of karton zijn gebogen. Niet aangenaam is het, dat we
+een paar dergelijke plooien op den achtergrond aan den linker kant
+in eene groote draperie terugvinden. Het lijken wel oude bekenden
+uit gordijnenwerk van menschen, die onze kamers stoffeeren.
+<p class="c2">De indruk, dien de opwekking van den gestorvene op de
+omstanders maakt, is in allerlei verscheidenheid weergegeven. Het
+liefste is ons het vrouwenfiguurtje rechts op den voorgrond. Het
+staat in schaduwgedaante voor het felle zonlicht, dat van buiten af
+in de groeve doordringt. Met spanning ziet het vrouwtje de
+levensverschijnselen op het doodengelaat terugkeeren. Doch met eene
+spanning, die ingehouden wordt. Het rechterhandje legt zich
+zelfbedwang op, om nog geen uiting te geven aan de vreugde, om nog
+af te wachten. Te groot is het wonder, te groot het geluk, om reeds
+te kunnen gelooven. Van innigheid en liefde getuigt deze
+ingehoudenheid, meer dan de uitgelaten gebaren der anderen. Ook de
+plaats, waar dit figuurtje zich bevindt, aan het voeteneinde van
+het graf, afgescheiden van de overigen, is iets aparts.
+<p class="c2">Van de overige personen geeft ieder, op eigen wijs,
+in gelaatsuitdrukking of handgebaar uiting aan zijne
+gewaarwordingen. Schrik, ontsteltenis, verrukking, ongeloovigheid
+en afschuw, iedere aandoening vindt hare vertolking. Wantrouwen
+zelfs, en de nuchtere berekening, hoe dit verrichte wonder als een
+wapen tegen Jezus gebruikt zal kunnen worden.
+<p class="c2">De verlichting, waaronder deze figuren zijn
+geplaatst, heeft eene grootsche werking. Het ongeoefend oog zal bij
+den eersten aanblik misschien den indruk krijgen, dat de kunstenaar
+groote vlakten in zijn werk wit heeft gelaten en dus nog niet heeft
+bearbeid, alsof de teekening onvoltooid is gebleven. Maar tusschen
+de oogharen door gezien, gaat er een licht op. De ruimten, die niet
+met zwarte lijntjes zijn gearceerd, blijken verlicht te zijn.
+<p class="c2">Door de opening van het rotsgraf vallen zonnestralen
+naar binnen en spreiden hunne helderheid over de groeve en den
+rotswand, over Lazarus en de groepjes terzijde van het graf; ook
+over het front van den Heer Jezus, terwijl daarenboven de
+achtergrond rechts in lichtelaaie schijnt te staan. Steeds door de
+oogharen moet men zien, hoe, daarbuiten, die gloed naar boven toe
+in ijle en zware wolken opwasemt, hoe, met het onhandelbare middel
+van harde zwarte krassen, de luchtigheid van opdampende
+lichtnevelen is verkregen.
+<p class="c2">De tot het leven terugkeerende Lazarus is het
+middelpunt van de zonnebestraling, en als verlegen ligt hij onder
+de glorie van het grootsche licht, waarin hij ontwaakt. Zijne
+kleine machtelooze figuur wekt in dien gloed nog te meer ons
+medegevoel en medelijden op. Hij is het middelpunt niet slechts van
+de blikken der omstanders, maar ook van de binnenvallende
+zonnestralen. En onze blik dwaalde eveneens het eerst en het laatst
+naar hem.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="EENE_LATERE_OPWEKKING"></a>
+<h2 class="c4">EENE LATERE OPWEKKING.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Vele jaren later heeft Rembrandt voor de tweede maal
+het onderwerp "de opwekking van Lazarus" behandeld. We zullen deze
+plaat met de vorige vergelijken, om de verschillen vast te stellen,
+en de oorzaken van de verschillen op te sporen. Het ligt voor de
+hand om te zeggen: "als een groot teekenaar iets aflevert, levert
+hij het af, zoo goed als in zijn vermogen ligt, hij kan het een
+tweede maal dus niet beter, tenzij het den eersten keer gebrekkig
+is geweest." De vergelijking zal echter leeren, dat dezelfde
+kunstenaar een zelfde onderwerp anders <i>moet</i> behandelen,
+indien er later andere gevoelens in hem omgaan. Dat dus de
+levenslotgevallen invloed hebben op het werk.
+<p class="c2">We herkennen weer een rotsgraf; maar nu met uitzicht
+op een landschap met geboomte; daarachter, op een berg, verrijst
+eene stad; verder, evenals op de eerste plaat, een groep
+omstanders, de Heer Jezus en de verrijzende Lazarus. Ook hier
+beschijnt het zonlicht een deel van het tafereel, maar het is
+minder opzettelijk, minder bepaald op de plek gericht, waar het
+wonder geschiedt. En het is thans niet het ontwaken uit een
+pijnlijk diepen slaap, wat de kunstenaar ons voor oogen stelt, maar
+de groote bevreemding van den ontwakende. Lazarus begrijpt niet,
+wat er voorvalt. Hij kent den persoon niet, die tegenover hem
+staat, hij herinnert zich niet, wat met hem gebeurd is. De mond,
+die de eerste levenslucht heeft ingeademd, blijft sprakeloos
+halfgeopend staan, en is vol verbazing. Met moeite en scheef richt
+het lijf zich half overeind. Er is eene ontzetting van zoo het
+middelpunt te zijn van aller aandacht, zonder nog te begrijpen
+waarom. De zintuigen zijn ontwaakt en nemen reeds waar, maar de
+herinnering, de kennis, het innerlijk leven, moeten nog
+terugkeeren.
+<p class="c2">Rembrandts bedoeling is dus eene andere geweest dan
+in zijne eerste "Opwekking", en begrijpelijk zien we die bedoeling
+voor ons.
+<p class="c2">In de figuur van Jezus missen we thans het verhevene,
+het goddelijke. Ook in het gelaat. Dit komt geheel niet overeen met
+de mooie gezichten, die we van den Zaligmaker zoo wel eens op
+platen hebben gezien. Men zou het bijna een ongunstig uiterlijk
+kunnen noemen. Maar er is &eacute;&eacute;n trek in, waardoor we
+voor deze voorstelling van Jezus meer voelen, dan voor de eerste.
+Het zijn de goedheid en de zachtheid, die hier spreken. De half
+neergeslagen oogen, het even gebogen hoofdje, het bijna verlegen
+afgewende gelaat, alles draagt daarvan de uitdrukking; de
+rechterhand, niet vast en krachtig tot vuist gebald, maar zacht en
+mild, en nauwlijks toegesloten; de linker, die op de eerste prent
+vol grootheid zich opheft bij het veelzeggend woord, maakt hier een
+vriendelijk, bijna weifelend gebaar, niet verder dan ter hoogte van
+de borst opgeheven.
+<p><img alt="" border="0" src="images/latereopwekking.png" width="633"
+height="833">
+<p class="c2">[Latere opwekking (1642).]
+<p class="c2">De opwekking is zoo geene uiting van goddelijke
+macht, geen wonder, om er ongeloovigen mee tot bekeering te
+dwingen, maar ze wordt eene daad van goedheid, van medegevoel voor
+hen, die bedroefd om het graf stonden, een daad van liefde en van
+innigheid. Wel is waar zal men op de eerste prent allicht de
+gestalte grootscher en mooier vinden; maar innerlijk laat ze ons
+koud. Ons <i>gevoel</i> wordt meer getroffen door de uitdrukking
+van zachtheid op de tweede; door het echt menschelijke en
+vriendelijke van den Heer in den omgang met menschen.
+<p class="c2">Rembrandt is teruggekomen van het ontzaglijke tot het
+gewone. Ook in de omstanders. Wel staan ze, evenals op de eerste
+plaat, ontdaan, getroffen, verbaasd, maar geen een slaat er meer
+een gat in de lucht met zijne handen. De teekenaar heeft zich weten
+te matigen, hij blijft sober, eenvoudig en kalm. Aan gevoel
+ontbreekt het hem echter niet: men zie slechts het gelukkige
+gezicht van het vrouwtje, dat naast Jezus staat. En wat heft ook
+het mannetje aan Zijne linkerhand de handjes in juistheid van
+gevoel: er is verbaasdheid over het wonder, in het vooruitgestoken
+gezicht zoowel als in de handen; maar de aandoening wordt met
+zelfbedwang ingehouden. Ingehouden ook in het geknielde figuurtje
+op den voorgrond, dat wel ontzet terugdeinst, maar zich niet aan
+groot misbaar te buiten gaat. Ondanks den indruk, dien het wonder
+op de omstanders maakt, blijft eene waardige kalmte heerschen. En
+we maken de opmerking, dat die kalmte wel past op eene plek, die
+toch altijd een graf is. Kalm neemt vooral het oudvadertje het op,
+dat rechts van Jezus op een steenblok zit. Hoogstens trekt hij de
+wenkbrauwen iets meer op dan gewoonlijk, en stulpt hij zijne
+uitgezakte onderlip iets verder vooruit, ten bewijze, dat hij niet
+volkomen begrijpt, wat hier voorvalt. Wijsgeerig en onderzoekend
+rust zijn rimpelig hoofd op de knokige hand.
+<p class="c2">Bij de beschouwing van de figuren der omstanders
+krijgen we den indruk, dat Rembrandt al het vreemde en ongewone
+heeft willen vermijden, om des te dieper te doen gevoelen, welke de
+uitwerking heeft moeten zijn van dit wonder op de aanwezigen. Zelfs
+de achtergrond stemt tot kalmte; in plaats van laaiende lichtwolken
+en opwasemende zonneschijndampen vinden we een vredig landschap met
+vriendelijk uitzicht op de bergstad.
+<p class="c2">De aandoening van grootheid, forschheid,
+uitgelatenheid en opwinding heeft plaats gemaakt voor stille ernst
+en innigheid. Er is over den teekenaar een zachtheid gekomen en
+eene mildheid, die ons weemoedig stemmen.
+<p class="c2">In de eerste plaat was hij hartstochtelijk, en
+streefde hij naar vertoon van uiterlijke grootheid. Hij moest zich
+uitspreken met woeste en groote gebaren. In de tweede is hij innig
+en gevoelvol; alles lijkt gewoon; maar er zit teederheid en
+medegevoel in. In het dagelijksche leven merken we ook op, dat zij,
+die bij alles het meeste misbaar maken, niet juist de naturen zijn,
+die het diepst voelen.
+<p class="c2">Door de twee platen zoo met elkaar te vergelijken,
+wordt het ons duidelijk, dat niet de bijbeltekst vaststelt, hoe
+eene teekening zal worden. Hetzelfde gegeven kan op twee
+uiteenloopende manieren behandeld worden. Wat den doorslag geeft,
+is de gemoedstoestand van den kunstenaar. Zooals hij de gebeurtenis
+voelt, zoo wordt de afbeelding. Kan men in eene afbeelding niet
+merken, dat de teekenaar onder den indruk van eene gemoedsbeweging
+heeft gewerkt, dan heeft men waarschijnlijk te doen met een stuk
+van geringe waarde.
+<p class="c2">Eene goede teekening weerspiegelt zelfs de stemming
+van den teekenaar in een bepaald tijdperk van zijn levensloop.
+<p class="c2">De gebeurtenis, die tusschen de twee bewerkingen van
+de opwekking van Lazarus ligt, was wel in staat, om in het gemoed
+van Rembrandt in te grijpen. In 1642 ontviel hem door den dood
+zijne jeugdige echtgenoote. In de eenzame, slapelooze nachten, die
+nu volgden, dacht hij aan haar, en peinsde hij over haar. Is het
+wonder, dat hij zich de mogelijkheid voorstelde van een weerzien?
+Maakte niet de Schrift gewag van een geval, dat een gestorvene uit
+den dood herrees en tot de zijnen wederkeerde? Maar ach, dat kon
+gebeuren eeuwen en eeuwen geleden! Voor hem geen hoop, dat Saskia
+tot hem terug zou komen, om nog op aarde naast hem voort te leven.
+Voor hem niets, dan het denkbeeldig geluk, wat het zou zijn, als
+<i>zij</i> door Jezus uit het graf werd geroepen met de woorden:
+"Kom uit!" De behoefte ontstond, om de opwekking van Lazarus nog
+eens te behandelen. Maar nu met andere gedachten. Nu niet om te
+toonen, hoe grootsch hij den Zaligmaker vond, en hoe vreeselijk
+voor Lazarus de overgang uit het doodenrijk in het leven moet zijn
+geweest! Nu, om met zijne gedachten te verwijlen bij het geluk, de
+blijdschap, de innige zaligheid, die het herrijzen schonk aan de
+treurende nabestaanden; nu, om zich voor te stellen, hoe goed de
+Heer wel geweest moet zijn, om dit wonder voor zijne vrienden te
+verrichten.
+<p class="c2">En zie: onder den indruk van deze gedachten bewerkte
+hij, kort na Saskia's dood, de tweede plaat. Om die ten volle te
+begrijpen, moet men met deze bijzonderheid uit het leven van
+Rembrandt bekend zijn. Zonder die kennis zou men kunnen denken, dat
+de tweede bewerking alleen de bedoeling had om iets te maken, dat
+beter was dan de eerste. Ze zou dan ook van teekening de beste van
+de twee moeten zijn. Dit ligt echter in de voorgaande beschouwing
+niet opgesloten: er is slechts aangetoond, dat de tweede
+"Opwekking" inniger, liefdevoller is; en dat we kort na 1642 niet
+anders van Rembrandt konden verwachten.
+<p class="c2">Wat voor deze prent eene noodzakelijke behoefte
+gebleken is, eenige kennis namelijk van de levensgeschiedenis van
+den kunstenaar,-dat kan men evenmin bij heel veel ander schilder-en
+teekenwerk ontberen. Daarom hebben geschiedvorschers met ijver
+datgene nagespoord, wat licht kon verspreiden over zijne
+levenshistorie. Nog lang is alles niet bereikt; veel bleef er in
+het duister gehuld; maar toch zijn er gegevens genoeg aan het licht
+gekomen, om te kunnen zeggen, dat we de hoofdgebeurtenissen kennen.
+Het is zelfs mogelijk geworden, om gedurende enkele tijdperken met
+den schilder alles mee te beleven, wat hij beleefde; om als het
+ware naast hem een met hem zijne lotgevallen door te maken. Onder
+deze zijn er wel geene, die meer invloed op het gemoed en op de
+werklust hebben gehad, dan die, welke hij met zijne vrouw
+ondervond. We zullen daarom trachten iets meer van nabij met haar
+bekend te worden.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="HISTORISCHE_GEGEVENS"></a>
+<h2 class="c4">HISTORISCHE GEGEVENS.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Het was in den zomer van het jaar 1634, dat Rembrandt
+zich aan den IJ-kant te Amsterdam inscheepte, om naar Friesland te
+gaan. De tocht ging over zee, zooals toenmaals vanzelf sprak. De
+vervoermiddelen te land waren slecht, de wegen eveneens, en
+bovendien was de Republiek nog in oorlog met Spanje, waardoor een
+reis over de Veluwe soms onaangename avonturen opleverde. In 1628
+maakte de vijand onder aanvoering van Cuculi nog strooptochten tot
+onder de wallen van Amersfoort. De Zuiderzee daarentegen was
+veilig; de dagen van Bossu behoorden tot het verleden.
+<p class="c2">De beurtschipper zette onzen schilder te Harlingen
+aan land. Vandaar ging het per binnenvaartuig over Franeker naar
+het weinig bekende dorpje Sint Anna-parochie, en wel met het doel
+om er in de echt te worden vereenigd met eene deftige Friesche
+jongedame.
+<p class="c2">Rembrandts huwelijk is een merkwaardig staaltje van
+de geschiedenis van Geschiedenis.
+<p class="c2">Men stelt zich gewoonlijk voor, dat de kennis van dit
+vak uit boeken wordt opgedaan. De schrijvers dezer boeken hebben op
+hunne beurt ook weer uit boeken geput, maar zijn even dikwijls
+langs anderen weg achter de toedracht der gebeurtenissen gekomen.
+<p class="c2">Niet door overlevering, die van ouder op kind, van
+kind op kindskinderen overgaat. Immers, wij in onze dagen, weten
+meer van Rembrandt,-om bij hem te blijven-dan onze voorouders uit
+het jaar 1800, zelfs meer dan die uit 1700, ja! meer dan Rembrandts
+eigen tijdgenooten! Zijne vrienden en kennissen natuurlijk
+uitgezonderd. Onze kennis kan dus geene overgeleverde kennis zijn.
+<p class="c2">Zoo heeft men honderd en vijftig jaar lang niet met
+zekerheid geweten, dat en met wie hij getrouwd is geweest.
+<p class="c2">Men vertelde: met eene kleine, dikke boerin uit
+Raasdorp. Een dorp van dien naam is er niet. Men begon dus, met
+maar aan te nemen, dat Ransdorp was bedoeld, een plaatsje in
+Waterland. Echter wilde het niet gelukken, om op te sporen, wie dan
+die vrouw geweest was. In de stad Amsterdam snuffelde men allerlei
+papieren na, om het gewaar te worden. Ook in Leiden, zijne
+geboorteplaats.
+<p class="c2">Maar vruchteloos.
+<p class="c2">Het toeval bracht de oplossing van het vraagstuk. Ver
+van Amsterdam, in een vergeten dorpje in Friesland, werd, omstreeks
+het midden van de 19<sup>de</sup> eeuw, in de oude boeken van het
+gemeentehuis, tusschen honderden aanteekeningen, de ontdekking
+gedaan van deze regels:<span class="c5">"23 Juni 1634 zijn in den
+echt vereenigd<br>
+<br>
+REMBRANDT HERMENS VAN RHIJN<br>
+<span class="c9">wonende te Amsterdam</span><br>
+<span class="c10">en</span><br>
+<span class="c9">SASKIA VAN ULENBORGH</span><br>
+thans gedomicileerd te Franeker."<br></span>
+<p class="c2">Toen men nu ook in Amsterdam de papieren en de
+registers van het jaar 1634 doorzocht, en melding gemaakt vond van
+dit huwelijk, was de zaak opgehelderd. Het boerinnetje van Raasdorp
+bleek een sprookjes-boerin te zijn. Saskia van Ulenborgh kwam niet
+uit Noord-Holland en was allerminst boerin van geboorte. De vader
+toch was burgemeester van Leeuwarden geweest.
+<p class="c2">Dit bewijst al, dat hij een man van aanzien was. Hij
+was bovendien iemand, die wat durfde, daar hij behoorde tot de
+eersten, die in Friesland in den Geuzentijd zich tegen den
+Spaanschen landvoogd verzetten. Zeer toevallig is hij zelfs voor
+iederen schooljongen een bekende, door eene gebeurtenis uit de
+vaderlandsche geschiedenis, ofschoon men zijnen naam gewoonlijk
+niet kent. Zooals men weet, is Prins Willem I van Oranje in 1584
+binnen Delft op het Prinsenhof vermoord. Hij ontving het doodelijk
+schot, terwijl hij de trap af ging, na het middagmaal gebruikt te
+hebben. Bij dit middagmaal had hij als gast aan tafel gehad eenen
+burgemeester van Leeuwarden, die over regeeringszaken met hem
+gehandeld had. En deze nu was niemand anders dan de heer Van
+Ulenborgh, met wiens dochter Rembrandt vijftig jaar later is
+getrouwd. De schoonvader van Van Rijn is de laatste geweest, die
+met Willem den Zwijger aan tafel heeft gezeten. Saskia is dus uit
+eene historische familie!
+<p class="c2">Wat wil het toch vreemd loopen! Menschen, die twintig
+of dertig jaar na Rembrandt leefden, wisten niet beter, of hij was
+gehuwd geweest met eene boerin. En wij, twee eeuwen later, zijn van
+zijne huiselijke aangelegenheden nauwkeurig op de hoogte.
+<i>Zij</i> vergenoegden zich met een sprookje, <i>wij weten</i>,
+voor <i>ons</i> is zijn levensloop eene bladzijde geschiedenis. Zoo
+gaat het steeds. Eerst gebeuren de dingen. Dan worden ze vergeten.
+Er komen geslachten, die zich er niet om bekommeren. Eindelijk
+staan er menschen op, die er belang in stellen. Ze onderzoeken en
+vorschen na. Een oud papier wordt gevonden, en het verleden is
+ontsluierd.
+<p class="c2">Er is bijna geene bladzijde in onze historie, of ze
+heeft hare geschiedenis. Dikwijls is de geschiedenis van
+Geschiedenis even merkwaardig als de Geschiedenis zelf. Dit moge
+nog blijken uit het volgende staaltje.
+<p class="c2">Nadat de ontdekking van Saskia van Ulenborgh had
+plaats gehad, zocht men naar meer gegevens omtrent Rembrandts
+leven; vooral in de kerkelijke boeken snuffelden de wijsgeeren. In
+die van de Westerkerk te Amsterdam, de kerk, waar in 1667 de groote
+schilder begraven is, ontdekte iemand, dat hij eene weduwe had
+nagelaten met twee kinderen, die onder den naam Catharina van Wijk
+beschreven stond. Eene andere, waarschijnlijk dus eene
+<i>tweede</i> vrouw! Natuurlijk was de ontdekker met dit nieuws in
+de wolken. Gelooven moest men het wel; het stond onweerlegbaar in
+het register te lezen.
+<p class="c2">Maar wat ontdekte later een tweede wijsgeer, die de
+registers van de Westerkerk doorsnuffelde? Zijn blik viel op eene
+bladzijde, waar het overlijden en het begraven beschreven stond van
+den echtgenoot van Catharina van Wijk. Hier ontbrak echter de
+aanteekening, dat deze overledene eene weduwe met twee kinderen
+naliet, eene aanteekening, die men juist wel leest op het folio,
+waar Rembrandts overlijden geboekt staat. Er moest een abuis hebben
+plaats gehad. En dit behoeft ons voor de zeventiende eeuw niet te
+bevreemden. Zaken van geboorte, huwelijk en overlijden werden met
+heel wat minder zorg behandeld dan tegenwoordig. <i>Wij</i> moeten
+er voor naar het gemeentehuis, en daar, op de afdeeling
+"Burgerlijke Stand", hebben de ambtenaren niet anders te doen, dan
+te zorgen voor nauwkeurige registratie.
+<p class="c2">In de zeventiende eeuw ging het anders, maar niet
+beter. De zaken van den burgerlijken stand werden in de kerken
+aangeteekend. Wilde men onderzoek doen naar iemands geboorte-of
+sterfjaar, dan moest men eerst trachten gewaar te worden, in welk
+kerkgebouw hij was gedoopt of begraven. Zoolang men dit niet wist,
+richtte men niets uit. De ambtenaar, die met het belangrijke werk
+van registratie was belast, leefde niet voor dit ambt alleen. Zelfs
+was dit niet zijn voornaamste werk. Hij was eigenlijk doodgraver
+van beroep, en kon gewoonlijk beter met de spa dan met de pen
+omgaan. Voor vele van deze waardigheidsbekleeders was het schrijven
+in de de kerkelijke registers eene dagelijksche kwelling. De
+doodgraver van de Westerkerk te Amsterdam lichtte er zelfs de hand
+wel eens mee! Hij liet soms aanteekeningen weg, die niet mochten
+ontbreken. Voelde hij zich later bezwaard over het begane
+plichtsverzuim, dan greep hij pen en inkt en trachtte de fout goed
+te maken. Zoo schijnt hij een zwak oogenblik te hebben gehad op den
+dag, toen de echtgenoot van Catharina van Wijk werd begraven. De
+naam van den overledene werd nauwgezet geboekt, maar dat er eene
+weduwe met twee kinderen achter bleef, liet hij maar weg. Eenigen
+tijd daarna begon hij zich hierover toch ongerust te maken. Hij
+sloeg het register op en zocht den overledene, wien hij te kort
+gedaan had. Daar hij zich den naam niet meer herinnerde, moest hij
+gissen. Gissen doet missen. De weduwe met hare twee bloeien van
+kinderen werd bij Rembrandt aangeteekend, die reeds eenige jaren
+vroeger gestorven en aldaar begraven was. Honderd en vijftig jaar
+lang bleef de groote schilder in dezen echt vereenigd, zonder dat
+man en vrouw, en zonder dat vader en kinderen elkaar misschien ooit
+gekend hadden. Het huwelijk, door den doodgraver in alle stilte
+voltrokken, bleef een geheim, totdat in de negentiende eeuw de
+eerste wijsgeer het ontdekte en openbaar maakte. Toen kwam wijsgeer
+nommer twee, betrapte den doodgraver op registervervalsching en
+plichtsverzuim, ontbond het huwelijk en wees de twee kleine Van
+Wijkjes aan den waren vader toe, hetgeen Rembrandt van de zorg voor
+hen ontsloeg.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="REMBRANDT_LANDSCHAPSCHILDER"></a>
+<h2 class="c4">REMBRANDT LANDSCHAPSCHILDER.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Rembrandt Hzn. van Rijn huwde alzoo in het jaar 1634
+op den 22<sup>sten</sup> Juni. Hij voerde zijne vrouw naar
+Amsterdam en betrok de woning in de Breedstraat, onder welks dak
+hij zooveel ernstige en gelukkige levensomstandigheden doormaken
+zou.
+<p class="c2">De Breedstraat, thans een deel van de oude stad, was
+destijds eene nieuwe straat, een buitenwijk. In 1631 was Amsterdam
+opnieuw en voor de zooveelste maal uitgelegd. De toename van
+bevolking bleef maar aanhouden: handel en zeevaart deden schatten
+toevloeien, de hoop op fortuin nieuwe bewoners. Nadat de halve
+cirkel binnen de Heerengracht volgebouwd en te klein gebleken was,
+werd een breede gordel van omliggend weiland binnen nieuwe
+vestingwerken en eene gracht, de Keizersgracht, besloten en ter
+bebouwing bestemd.
+<p class="c2">Doch spoedig bleken de Heeren den gordel te smal
+genomen te hebben, en maakten ze de fout goed, of trachtten die
+goed te maken, door aan de halve maan eene nieuwe verbreeding toe
+te voegen, begrensd door de Prinsengracht met hare vestingwerken.
+<p class="c2">Het zal den schilder eene behoefte zijn geweest, niet
+al te ver van de vrije natuur te wonen. Slechts een paar honderd
+passen behoefde hij te maken, dan was hij buiten. Hier kon hij zijn
+hart ophalen aan het gezicht op grazige weilanden, van slooten
+doorsneden, op boerenwoningen, in geboomte verscholen, aan tal van
+windmolens, zoowel poldermolentjes als groote, statig rondwiekende
+houtzaag-en korenmolens. Vooral deze laatsten vond men even buiten
+de stad in grooten getale. Geboortig als hij was uit eene
+molenaarsfamilie, voelde Rembrandt zich steeds aangetrokken tot
+deze schilderachtige gebouwen. Zijn vader had er een in Leiden, in
+het aangrenzende huis was hij geboren en opgegroeid.
+<p class="c2">Nog binnen de stadsgracht, op een zoogenaamd bastion
+van het bolwerk, dicht bij de Muiderpoort, stond het exemplaar,
+waarvan hij ons eene afbeelding heeft nagelaten.
+<p class="c2">Rechts zien we het water van de gracht, waarin een
+visschersbootje met gestreken mast; op den achtergrond eene
+boomenrij, misschien een singel, een wandelpad, dat de gracht aan
+den buitenkant volgde. Van het water af loopt het terrein naar
+links een weinig omhoog, waarschijnlijk naar den stadsmuur, die de
+buitenzijde van het bolwerk vormt. Daar, waar de gracht eene bocht
+maakt, springt de muur boogvorming vooruit en vormt een hoog
+terras, het bastion. Hierop staat de molen met bijbehoorende
+gebouwen. In vele steden, die in de 19<sup>de</sup> eeuw ontmanteld
+zijn, bleven de bastions gespaard om aan de molens het voortbestaan
+te verzekeren. Nu deze echter door de meelfabrieken
+doodgeconcurreerd worden, verdwijnen met hen ook de laatste
+overblijfselen van de vroegere vestingwerken. Houtzaagmolens vonden
+op bastions geen plaats: die moeten laag aan den waterkant staan.
+<p class="c2">De schilderij bewaart ons dus een gezicht op de stad,
+zooals ze er aan de buitenzij uitzag. De schilder heeft het
+tooneeltje zitten aan te kijken op het lage pad, dat aan den
+binnenkant van de gracht liep, tusschen deze en den stadsmuur. Dit
+blijkt uit de schilderij zelf; die geeft ons het beeld van wat hij
+voor zich zag. Terwijl hij werkte en ijverig zijne penseelen
+hanteerde, liep het tegen den avond. De hemel heeft eene lichtende
+klaarte, alles wat van de aarde is, staat er in zware kleuren tegen
+af te steken; alleen het water, dat de klaarheid weerspiegelt,
+blinkt helder op uit de donkere omlijsting. Ook het voetpad, met
+zijne blanke tinten van zand of platgetreden steenstorting, is
+zacht van licht.
+<p class="c2">Overigens staat alles in zware grijsheid tegen de
+heldere lucht. We voelen, hoe stil en schoon Rembrandt de
+lichtdiepte van den avondhemel heeft gevonden.
+<p><img alt="" border="0" src="images/molen.png" width="606" height="509">
+<p class="c2">[Molen.]
+<p class="c2">Van linksboven af naar het midden toe, worden de
+tinten ijler en ijler. De donkere kleuren, die het geheel aan den
+bovenkant als een boog omspannen, dringen het oog steeds meer naar
+het midden, naar het vooruitspringende deel van het bastion, waar
+de hemel in klare avondzuiverheid tot in verre diepte wegwelft.
+<p class="c2">V&ograve;&ograve;r die lichtdiepte rijst het zware
+muurgevaarte omhoog. Langdurig moet het den schilder geboeid hebben
+om te kijken naar de breede en hooge afmetingen van deze aard-en
+steenmassa, in tegenstelling met de luchtige doorschijnendheid van
+den avondhemel. Het was hem als een rotsgevaarte, als een brok
+voorgebergte, dat in het water vooruit staat. Het muurwerk is
+&eacute;en geworden met de aarde; ouderdom en verweerdheid gaven
+donkere, diepe kleuren, hier wat lichter, daar wat zwaarder, al
+naar gelang de buitenkant meer of minder afgebrokkeld, met mossen
+begroeid of van vocht doortrokken was. De bovenrand en de
+neerdalende zij-lijn missen de kantigheid en de strakheid van
+nieuwe steen. Het is, alsof de tijd ze rond heeft afgesleten; de
+staande lijn, die rechts den muur begrenst, is een weinig rond
+ingebogen en achterover gezakt, waardoor het geheel nog meer den
+indruk maakt van een zware massa, die geen steun behoeft, om zoo in
+elkaar te blijven hangen.
+<p class="c2">Het grasveld, dat den bovenkant bedekt, hangt als een
+zwaar kleed rustig over den rand heen. De helling, die links het
+bolwerk verbindt met het lager gelegen pad, is een even zware massa
+als het muurwerk, waar ze tegenop ligt. Ofschoon niet steenachtig
+van aard, vormt ze er &eacute;en geheel mee; het gansche terrein is
+&eacute;en groote, breede opheffing geworden van de aarde; alles
+ligt in rustig evenwicht tegen elkaar aan: nergens staat een brok
+muur of grond los en afgezonderd van de rest. Het penseel wist er
+&eacute;en klomp van te maken, ofschoon de samenstellende deelen
+alle zich zelf bleven, hetzij muur, hetzij grasveld, hetzij
+voetpad. Ook dit laatste is in het geheel opgegaan. Wel is het
+lichter van kleur, zooals een pad in de schemering als een stille
+blankheid uit het donker van de omgeving opblinkt; maar het is geen
+afgezonderd tooneeltje gebleven; de blankheid en de donkerte liggen
+niet scherp naast elkaar. Het verschil in lichtheid is gering; we
+krijgen wel den indruk van eene zekere blankheid, maar dat gedeelte
+van de schilderij is toch nog vrij donker. En bovendien is er een
+overgang, die uit allerlei tusschentinten bestaat. Kijk maar eens,
+wat een rommelige ruigte van gras, struiken, puin of steenbrokken
+de geleidelijke verbinding is tusschen de twee partijen. En wat is
+in het pad zelf de afwisseling mooi weergegeven van vochtige en
+droge, van hooge en platgetreden gedeelten, van flauwe wagensporen,
+onmerkbare hellingen naar den waterkant, en opstaande kantjes tegen
+het grasveldje, links op den voorgrond. Toch bleef dit &eacute;en
+blanke plek, die zich rustig en vast tegen de oprijzende massa
+daarachter vlijt. Men voelt, op wat voor vasten puinbodem de
+figuurtjes zich bewegen, die van de hoogte afkomen, of aan den
+waterkant staan.
+<p class="c2">Een vrouwtje ligt linnen uit te spoelen in de gracht.
+Spelende verspreiden zich kringen over het spiegelwater. Het trok
+den schilder aan, om dit stille bewegen op zijn doek vast te leggen
+en den indruk te bewaren. Het golflijntje, dat een voorbijzwemmend
+eendje of een in het water geworpen kluitje doet ontstaan, is iets,
+waarnaar we gaarne stil en in gedachten verzonken staan te kijken.
+Zoo ging het Rembrandt ook. Terwijl hij daar op het lage pad, op
+eenen vredigen avond, zat te schilderen, kwam een vrouwtje naar
+beneden om iets uit te spoelen; een oogenblik rustte zijn penseel,
+en volgde zijn oog de kringen, die zich verspreidden, tot ze tegen
+het bootje botsten, en daar eenige krinkeling te weeg brachten in
+het donkere spiegelbeeld. Het was eene kleine, onbeduidende
+gebeurtenis, die de rust van den avond verbrak zonder ze te storen.
+En met een paar zwierige, dartele penseelstreken werd ze snel en
+juist in beeld gebracht, om den lieflijken, vredigen indruk van
+zoo'n schoonen avond te bewaren. De stilte mocht geene levenlooze
+eenzaamheid worden; eene uiting van leven moest er zijn, als maar
+de rust niet verstoord werd. Lieflijker kon het wel niet, dan het
+zachte bedrijf van zoo'n vrouwtje er in te brengen, en het
+voorbijgaande, kortstondige opleven van den waterspiegel.
+<p class="c2">Wat kunnen we ons zoo geheel indenken in den
+gemoedstoestand van den schilder, en een denkbeeld krijgen, hoe
+vatbaar hij was voor indrukken. Zonder naar het molentje gezien te
+hebben, dat anders door vele beschouwers voor hoofdzaak gehouden
+wordt, weten we, wat voor hem het eigenlijke onderwerp was, dat hij
+schilderde. Niet de inrichting van zoo'n stads-buitenkant, ook niet
+de vorm van een molen, maar de vredige, rustige, kalme stemming van
+een mensch, die daar zit, en die genieten kan van plechtige
+avondstilte, van mooie, klare luchten, boven bijna ingesluimerde
+stadsgedeelten.
+<p class="c2">Denk toch niet, dat zoo'n kunststuk er is, om even op
+de vingers na te tellen, wat er op staat. We moeten er in
+doordringen, om tot het besef te komen, hoe de schilder voelde, hoe
+zijn gemoed door de verschijnselen bewogen werd.
+<p class="c2">Het molentje is maar bijzaak, al is men geneigd, het
+stuk daarnaar te benoemen. Het staat er, om midden op het doek een
+verheffinkje aan te brengen, en het stond nu eenmaal op het
+bastion. Bevallig, rank en rustig is het weergegeven, ofschoon in
+onzen tijd de schilders er niet van houden, om op de wieken zoo'n
+witten glans aan te brengen. Het balkwerk van den kruistaart zit er
+handig en gemakkelijk achter tegen aan. Een klein spetje wit maakt
+scheiding tusschen boven-en onderstuk, waardoor de molen een
+onderkruier wordt.
+<p class="c2">Het huizegroepje en een beetje laag geboomte staan
+gezellig bij elkaar. Je krijgt net een idee, alsof het een klein
+dorpje is, het eene dakje wat hooger of wat lager dan het andere.
+Het schoorsteentje staat er bovenuit te steken, alsof het een
+dorpstorentje wou wezen. Alles werkt mee om het vreedzame,
+landelijke uit te drukken.
+<p class="c2">Z&oacute;&oacute; zag Rembrandt nu de wereld. Hij had
+aan vreemde gebouwen, wonderlijke rotsen en geheimzinnige spelonken
+geene behoefte, als hij natuurgenot wilde smaken. Het meest
+alledaagsche tooneeltje maakte indruk op hem. Vandaar zijne geringe
+reislust. Kunstbroeders achterna te trekken, de wonderen van
+Itali&euml; te zien, naar de grootsche tafereelen der Alpen op te
+kijken, hij voelde er geen behoefte aan. Hij was huiselijk, bleef
+gaarne bij moeder de vrouw en vond zijn vaderland een schoon land.
+Waartoe zou dan trekken en rondzwalken gediend hebben!
+<p class="c2">Het is eene verheffende gedachte, dat hij, die een
+der grootste schilders der wereld is geweest, Holland mooi vond.
+Dat geeft ons moed, om het met dat vaak verguisde, platte, vlakke
+polderland toch ook maar te probeeren. Het moet, blijkens
+Rembrandts voorbeeld, mogelijk zijn, het mooi te vinden. Niet het
+zeldzame, niet het wonderbaarlijke, niet het verhevene doet 't em;
+alles, wat vreemde landen aanbieden, kan men ontberen, mits de
+goede wil er is.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="VROUWE_SASKIA"></a>
+<h2 class="c4">VROUWE SASKIA.</h2><span class="c5"><br></span>
+<p class="c2">Van Rijn behoefde zelfs niet de Muiderpoort uit naar
+Muiden, naar Naarden of naar het Gooi te wandelen, om tooneelen te
+vinden, die hem boeiden; hij had ze, om zoo te zeggen, naast de
+deur. En we kunnen ons denken, hoe hij met zijne jonge vrouw naar
+buiten wandelde, en het Friezinnetje attent maakte op al het
+schoone, wat Amsterdams buitenkant te zien gaf. Hoe hij, even
+stilstaande, met een potloodkrabbeltje wist aan te duiden, wat hem
+hier of daar het meest trof, of, aan den kant van den weg zich
+neerzette en een schetsje maakte, om het Saskia aan te bieden en
+haar oog voor natuurschoon te openen.
+<p class="c2">Toch trok geen onderwerp den grooten teekenaar zoo
+aan, als Saskia zelf. Tot in het oneindige heeft hij haar
+uitgebeeld, haast dagelijks moest ze voor hem zitten, en maakte hij
+haar portret.
+<p class="c2">Een luchtig teekeningetje is dat, wat hij maakte kort
+na zijn trouwen. Hij schreef er eigenhandig iets onder. Men ziet:
+schoonschrift is 't niet. Hij schreef, evenals zijn meeste
+tijdgenooten, steilschrift; zijn hand is los en vlug-geen wonder!
+de hand van Rembrandt!--Wie mocht meenen, dat je aan de
+penneschrappen eigenaardigheden opmerkt, die aan het
+schrijfgereedschap van die dagen, aan de ganzepen herinneren, hoede
+zich voor overijlde gevolgtrekkingen: ditmaal heeft de
+teekenaar-schrijver noch potlood, noch pen en inkt, noch krijt
+gebruikt, maar eenvoudig een zilveren stiftje, rijn toegepunt, en
+daarbij een bijzonder soort papier, op ivoor gelijkend; een schrap
+met de stift laat hierop een zwart spoor achter. Een
+zilverstiftschrift dus, en een zilverstiftteekening.
+<p class="c2">Er staat te lezen:
+<p class="c2">"Dit is naer mijn huijsvrou geconterfeit, do sij 21
+jaer oud was, den derden dach als wij getroudt waeren.
+<p class="c2">de 8 junijus
+<p class="c2">1633."
+<p class="c2">Den derden dag, nadat ze getrouwd waren; het huwelijk
+had plaats op 22 Juni 1634; drie dagen later schreef men 25 Juni
+1634. Dat is echter geen 8 Juni 1633. Deze datum klopt niet met de
+opgave in het kerkregister te St. Annaparochie. Waar schuilt de
+fout? In het register? Dat is moeilijk te gelooven. De koster, die
+bij de huwelijksvoltrekking het feit aanteekende, zal toch wel met
+de almanak bekend geweest zijn. De datum mag iemand eens voor een
+oogenblik vergeten zijn, maar een vol jaar vergist men zich niet.
+Op de teekening dan? Maar wat voor den koster geldt, geldt ook voor
+Rembrandt. Het ging hem zelf aan, van hem kunnen we ons nog
+moeilijker eene vergissing denken.
+<p class="c2">Wie van hun beiden heeft gelijk, wie ongelijk? Dat is
+een kolfje naar de hand van eenen geschiedvorscher: uit te zoeken,
+hoe het mogelijk is, dat Rembrandt, nadat hij drie dagen getrouwd
+was, niet op de hoogte van datum en jaar was. Wie het vraagstuk
+oplost, kan er eer mee inleggen.
+<p class="c2">Wij zien intusschen de teekening verder aan.
+<p class="c2">In dit schetsje zit leven. Leven is iets, wat men
+niet met den vinger kan aanwijzen of met eenen passer kan nameten,
+in werkelijkheid evenmin als in beeld. Maar als we den indruk
+krijgen, dat er leven in zit, moeten we het er ook over eens kunnen
+worden, waardoor die indruk ontstaat.
+<p class="c2">We beginnen met het portretje op een kleinen afstand
+te houden. Dan hinderen de arceeringen in het gezichtje ons niet;
+die lossen zich op in eene gelijkmatige tint.
+<p class="c2">Zie, ze zit nu naar iemand tegenover haar te kijken.
+Of is de blik op eenen muur gevestigd? Neen, op eenen persoon.
+Immers, de oogen staan schalksch, een beetje spottend. Het dikke
+randje onder het oog kennen we wel; dat is een lachje, het is
+dartelheid. Zoo zit iemand niet op een stuk muur te kijken. De blik
+geldt hem, dien ze lijden mag, en dien ze nu, in haar speelschheid,
+niet kan nalaten te plagen. Er tintelt iets in het oog, dat
+levenslust is. Let eens op, hoe, uit de geschaduwde linker helft
+van het gelaat, het oogwit tusschen oogappel en ooghoek speelsch en
+blijmoedig te voorschijn licht. Dat wit gelaten plekje draagt er
+wel toe bij, om ons den indruk van leven, van vroolijk, schalksch
+leven te geven.
+<p><img alt="" border="0" src="images/portretvansaskia.png" width="480"
+height="825">
+<p class="c2">[Portret van Saskia.]
+<p class="c2">Zit het mondje strak en ernstig af te wachten, wat de
+teekenaar van de schets zal maken, of speelt ook daar niet
+hetzelfde lachje? Voelen we in den opgetrokken rechter mondhoek
+niet een beetje spot? Staat daar niet uitgedrukt: "mij teekenen,
+dat kun je niet?" Is dat trekje er niet op berekend, om hem aan 't
+lachen te maken? Het is, alsof we, tegenover haar, Rembrandt zien
+zitten, ijverig in de weer, om haar portret en haar leven vast te
+leggen op zijn teekenblad; de mond in ernstige plooi, het oog bij
+afwisseling op haar en op zijn werk gericht. En haar zien we
+probeeren, om den ernst van zijn gelaat te verdrijven, om door haar
+lach ook hem een lachje af te dwingen. Hare schalkschheid, de
+tinteling op hare trekken-we weten niet alleen, dat ze <i>hem</i>
+gelden, we zien er zelfs <i>zijn</i> ernstig gezicht in; in het
+spottende en plagerige lezen we, hoeveel moeite het hem kosten zal,
+om zich goed te houden, om er nu eens de gek niet mee te hebben,
+dat hy haar teekenen wil.
+<p class="c2">Zij zit niet v&oacute;&oacute;r ons als eene eenzame,
+die zich aan onze onbescheiden blikken blootstelt; ze heeft
+tegenover zich een, dien ze genegenheid toedraagt. Het is, alsof we
+in de ruimte rondom haar de aanwezigheid voelen van den persoon,
+tot wien haar glimlach zich richt. Die aanwezigheid spiegelt zich
+in haar oogen, om haar mond, op geheel haar gelaat. Zou die
+spiegeling niet het leven zijn, dat we in dit portretje zien? Leven
+is wel iets vreemds, dat vaak moeilijk nader te bepalen is. Men kan
+het soms hebben, dat men eene kamer binnenkomt, waar niemand te
+zien is; het vertrek schijnt leeg te zijn, en toch ziet men
+behoedzaam om zich heen, want men krijgt een gevoel, alsof er zich
+een levend wezen bevindt; men zou gaarne een gordijn oplichten, een
+kast openen of in een hoek kijken, om te weten te komen, of daar
+iemand schuilt. Men voelt zich door leven omgeven.
+<p class="c2">Bij Saskia gaat het niet geheimzinnig toe. Maar ook
+<i>haar</i> voelen we omgeven van leven; we kennen dit leven, en we
+weten, hoe hare gevoelens zijn ten opzichte van dat leven. Dit
+alles geeft het portret te zien. Meer dus, dan enkel een mond, een
+neus, een paar oogen, en wat verder het gezicht helpt voltooien.
+Wat kan het zelfs schelen, of de gelijkenis van deze onderdeelen
+volkomen is. Er zit iets in, dat van hoogere waarde is, iets waarom
+we het een lief portretje vinden.
+<p class="c2">Rembrandt moet dit wel goed begrepen hebben, als hij
+Saskia aanzag. Want wat heeft hij in de eenvoudige krabbels en
+krasjes deze dingen zuiver laten voelen; en nog wel dingen, die men
+niet onder woorden kan brengen of in lijnen kan aanwijzen.
+<p class="c2">Er is nog iets in Saskia, dat hem niet ontging, en
+wat het portret nog meer liefs geeft. Zij let niet op zichzelf. Ze
+gaat niet parmantig zitten met het idee: nu moet ik er mooi
+opkomen; en evenmin met het tegenovergestelde idee: het kan me niet
+schelen, hoe ik er op kom. Je kunt heelemaal niet zien, dat ze
+opzettelijk eene houding aanneemt. Zooals zij zit, zoo zit iemand,
+wanneer hij van eene lange wandeling thuiskomt. Men valt dan even
+op eenen stoel neer, om uit te blazen, voordat men van kleeren
+verwisselt. Zonder erg komt de hand onder het hoofd; het hoofd
+leunt er wel niet op; zie maar, de hand raakt het nauwelijks aan,
+maar het geeft eenigen steun en de arm vindt het een gemak om even
+op de tafel te rusten; iets waaraan de andere ook behoefte heeft;
+die ligt er languit over heen en is zelfs niet hupsch genoeg, om
+het roosje rechtop te dragen. Zoo laat men een bloem hangen, als de
+hand moe wordt.
+<p class="c2">Beide ellebogen rusten op de tafel. Netjes is 't
+niet. Dat zal vrouwe Saskia ook wel weten. Maar ze kwam vermoeid
+thuis, en dan is het verleidelijk om eens op je gemak te zitten.
+Niet recht op en neer, maar het bovenlijf voorovergezakt; de borst
+zoo'n beetje tegen den tafelrand. De kleeren wat losgemaakt en den
+hoed nog op 't hoofd.
+<p class="c2">Wie zich zoo neerzet, neemt niet plaats om uitgebeeld
+te worden, maar gaat zonder erg zitten, omdat zitten aangenaam is.
+Die let niet op zichzelf, op houding en postuur, maar geeft zich,
+zooals ze is. Die gaat zoo zitten, omdat zij bij haar echtgenoot
+is, en niet in gezelschap van menschen, die altijd op fatsoen en
+behoorlijkheid letten.
+<p class="c2">Het is deze argeloosheid, die onze teekenaar in zijne
+vrouw zag; en hij gaf ze ons duidelijk in lichaamshouding, in
+armlegging, in handgebaar, zelfs in het roosje te verstaan. Want
+dit roosje hangt net zoo over de tafel heen als Saskia zelf.
+<p class="c2">Eigenlijk is deze trek in haar dezelfde, als die,
+welke uit haar gelaat sprak. Beide komen ze voort uit een gevoel,
+dat haar aangenaam was: ze voelde zich prettig en op haar gemak,
+zoo bij haar beroemden heer gemaal. Ze geneert zich niet, hem
+lachend in de oogen te zien, en evenmin om het zich gemakkelijk te
+maken. Ze acht zich veilig voor onbescheiden blikken en
+onbescheiden op-en aanmerkingen.
+<p class="c2">Het trekt ons in haar aan, dat ze zich zoo argeloos
+onschuldig geven kon aan den teekenaar; dat ze zelfs op dit
+oogenblik niet dacht aan nette houding, aan gezicht-in-de-plooien,
+aan toilet of kapsel.
+<p class="c2">Ongetwijfeld is hier de verklaring te zoeken, waarom
+we het beeld lief vinden, en waardoor het ons bekoort.
+<p class="c2">Daar komt nu nog iets bij, dat op den teekenaar
+betrekking heeft.
+<p class="c2">Het schetsen van een portret ging hem zoo gemakkelijk
+van de hand, dat zijne gedachten eigenlijk met dit werk alleen niet
+gevuld waren. Hij behield een open oog voor de eigenaardige wijze
+van doen, zooals die op te merken was aan zijn model. Onderwijl hij
+omtrekken van gezicht, hoed, hoofd, lichaam, armen en handen zette,
+zag hij zeer goed, hoe weinig acht Saskia op zichzelf sloeg, hoe
+weinig ze aan zichzelf en hoe zeer ze aan hem dacht; hoe ze zich
+volkomen onbespied achtte, ofschoon tegenover hem zittende. Hij zag
+dit in hare trekken, in hare houding, in den arm, zooals die op de
+tafel lag, hij zag het in alles. En al schetsende, gaf hij in elke
+lijn de uitdrukking van het vertrouwelijke, dat hij in haar zag. De
+vriendelijkheid van hare verschijning, niet voor een ieder, maar
+voor hem alleen, wist hij uit te teekenen. Hij wist, dat die
+eigenschap van haar wezen kon verdwijnen, als anderen om den hoek
+gluurden. Hij wist, dat zijne teekening bestemd was, om gezien te
+worden, en dat dit streed met hare vertrouwelijkheid. Toch bracht
+het hem niet in verwarring; hij zette het denkbeeld, dat anderen
+zouden zien, van zich af en ging voort, om den indruk vast te
+houden en in beeld te brengen. Met oogen en handen arbeidde hij, om
+de uiterlijke vormen op papier te zetten, en intusschen bleef hem
+het besef bij, van de vertrouwelijkheid tusschen hem en haar. En,
+arbeidende aan de vormen, schreef hij eigenlijk in leesbaar schrift
+al maar door over die vertrouwelijkheid. Niet meer de
+lichaamsgedaante behandelde zijn teekenstift, maar hoe zij over de
+tafel heen naar hem toe gebogen lag; niet meer haar beeld, maar hoe
+in dat beeld de ziel, het leven zich afspiegelde.
+<p class="c2">Lang behoefde hij aan zoo'n schetsje niet te werken:
+alles is los en vlug op papier geworpen. En toch raak en goed. Men
+lette bijvoorbeeld eens op de zwierige lijnen, die de rechtermouw
+weergeven; in &eacute;en veeg zijn ze opgezet, en in die
+&eacute;ene veeg geven ze meteen aan, hoe in de buiging, bij den
+elleboog, het kleed in breede plooien valt. Of op de teere
+schrapjes van het linkerhandje, hoe als vanzelf de pink achterover
+buigt.
+<p class="c2">Het is een genot, om de bewegelijkheid van al die
+lijnen te zien. In een photographisch portret ontbreekt dit. Men
+vindt er ook niets aan, het te bezichtigen, tenzij men den persoon
+kent.
+<p class="c2">Het is waar, dat de photographie nauwkeuriger en
+precieser in kleinigheden is; dit weegt echter niet op tegen de
+uiting van echt leven, die een teekenaar in zijn werk neerlegt. We
+beklagen de eeuw van Rembrandt niet, omdat ze het zonder de camera
+obscura moest stellen, en zich behielp met handgemaakte
+afbeeldingen, integendeel, we achten haar gelukkig en betreuren
+het, dat later een werktuig is uitgevonden, waarmee aan kunstenaars
+het werk uit de hand genomen en het brood uit den mond gestooten
+is. Wel kunnen we thans voor weinig geld portretten hebben van
+allen, wien we genegen zijn, en wel gelijken die
+z&oacute;&oacute;veel, dat we de personen herkennen, maar ze zijn
+er naar! Het leven ontbreekt, en ook datgene, wat we, na langen
+omgang, in gelaat, houding, gebaar en lichaamsbouw hebben leeren
+opmerken. We zijn tevreden met den juisten vorm van oogen, neus,
+mond en kin, we eischen niet meer; sedert de zeventiende eeuw
+hebben de menschen zich leeren tevreden stellen met afbeeldingen
+zonder het schalksche leven, zonder tintelenden oogenopslag, zonder
+gemoed en karakter. Misschien zijn er zelfs reeds menschen in onzen
+tijd, die aan hunne bloedverwanten en vrienden deze
+eigenaardigheden niet eens meer opmerken.
+<p class="c2">Het is best mogelijk, dat de kunst van
+photographeeren ons gezichtsorgaan voor nauwkeurige waarneming van
+menschen en hunne levensuiting heeft afgestompt.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="KLEINE_TITUS"></a>
+<h2 class="c4">KLEINE TITUS.</h2><span class="c5"><br></span>
+<p><img alt="" border="0" src="images/titusvanrijn.png" width="344"
+height="410">
+<p class="c2">[Titus van Rijn.]
+<p class="c2">Laten we naast Saskia nog eens nemen deze afbeelding
+van Titus, het zoontje van Rembrandt. Dan zal ons blijken, dat ook
+hierin dingen voorkomen, die een photographisch portret niet kan
+geven.
+<p class="c2">Het ventje zit echt lekker op zijn gemak. Hij zoekt
+dit op kinderlijke manier. Een volwassene gaat er anders bij
+zitten: niet zoo met het hoofd in de nabijheid van de handen, en
+niet zoo in elkaar gedoken op den rand van eene schoolbank of een
+raamkozijn liggende. Het omgebogen polsgewricht van het
+rechterhandje is echt kinderlijk, ook de duim, die het hoofdje
+steunt en een kuiltje in de kin drukt, waardoor de mondhoek een
+beetje omhoog geschoven wordt! Daar behoort precies bij, die manier
+om eene pen vast te houden, als men zit na te denken over hetgeen
+geschreven moet worden. En zie eens het linkerhandje! Het komt net
+te voorschijn, zooals we dat soms zien bij een poesje, dat
+behagelijk een breed, mollig pootje vooruitsteekt. De heele figuur,
+het verlichte driehoekje van gelaat, handen en boek, heeft iets
+poezeligs over zich. Dit neemt dadelijk in voor het ventje. Het is
+ons onverschillig, of oogen, neus, mond, gezichtsvorm en haar
+nauwkeurig gelijken, er is, buiten dat, iets aantrekkelijks in. Het
+portretje geeft ons te zien, hoe de vader zijn kind soms kon
+aantreffen, als het in school of thuis in een hoekje te leeren zat.
+De houding moet indruk op hem gemaakt hebben, want, toen hij ging
+schilderen, stelde hij zich het kereltje z&oacute;&oacute; voor.
+<p class="c2">Het is niet waarschijnlijk, dat hij, zooals onze
+photograaf zou doen, gelastte: ga nu zus of zoo zitten. Immers, dan
+wordt alles stijf en houterig. Hier was geen afspraak; zonder erg
+zit Titus op zijn gemak na te denken en voor zich uit te kijken, en
+argeloosheid kon de vader hem niet als bevel opleggen.
+<p class="c2">Dat we hem onbespied kunnen beschouwen, is juist het
+aantrekkelijke. Want nu komt zijn ware aard aan den dag: zijne
+neiging namelijk om knus en gemakkelijk ineen gedoken te zitten.
+Hij verloochent daarin niet, dat hij een kind van Saskia van
+Ulenburg is!
+<p class="c2">Het aantrekkelijke wordt nog verhoogd door de groote,
+donkere kijkers en de lange, weelderige lokken. Bovendien vinden we
+het aardig, zoo toevallig eens iets te zien, dat op het schoolgaan
+en het leeren in de zeventiende eeuw betrekking heeft: een
+bundeltje vellen papier ligt op een opengeslagen boek; de inkt,-het
+zal wel zelfgemaakte inkt wezen, want dat was het
+gewoonlijk,-bevindt zich in eenen koker, die aan een koordje of
+kettinkje hangt. Dit gerei droeg de leerling mee naar school en
+zeulde er mee rond door huis; overal waar hij zich neerzette, om te
+schrijven, had hij het bij zich; als hij voor het open raam plaats
+nam, kon het best gebeuren, dat hij achteloos den inktkoker uit het
+raam heen en weer liet bungelen. Ingenaaide schriften waren niet
+zooveel in gebruik, als losse bladen papier. Deze omstandigheid gaf
+hier den schilder gelegenheid, om te laten zien, hoe de velletjes
+soms plat op elkaar, soms met eene gapende opening er tusschen
+kunnen liggen.
+<p class="c2">Met Titus er bij hebben we nu den kleinen huiselijken
+kring compleet, waarin Rembrandt anno 1642 leefde. We moeten echter
+bedenken, dat de zoon nog heel klein was, toen Saskia overleed; de
+moeder heeft hem nooit gezien, zooals de vader hem hier afbeeldt.
+<p class="c2">In de portretten van vrouw en zoon heeft hij wel
+duidelijk uitgedrukt, met hoeveel hart hij aan beide hing, hoe
+gelukkig hij zich aan den huiselijken haard voelde, toen Saskia nog
+leefde. Ook zal hij innerlijk bewogen geweest zijn, als hij later
+het kind uitbeeldde en opmerkte, hoe hare geaardheid, hare natuur
+daarin voortleefde, toen zij reeds lang ter ziele was.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="ACTIE"></a>
+<h2 class="c4">ACTIE.</h2><span class="c5"><br></span>
+<p class="c2">Naast elkaar zijn hier gesteld twee groepjes van twee
+personen, die eenige woorden met elkaar wisselen. Het eene stelt
+voor een Amsterdamsch burger uit het jaar 1633, scheepsbouwer en
+teekenaar van scheepsontwerpen van beroep, met zijne vrouw, die een
+briefje binnen brengt. Het andere is Michiel Azn. de Ruyter, in
+gesprek met zijnen stuurman Zeger. Al dadelijk valt het op, dat De
+Ruyter en Zeger, elk met een paar gelijke platvoeten en een paar
+zwarte kuiten, recht op en neer naast elkaar staan. Beider
+onderstel, met en benevens de wijde broeken, schijnen naar een en
+hetzelfde model te zijn gevormd. De enkels zijn te dik, en evenveel
+te dik, het aanzwellen der beenen, naar boven toe, gaat gelijk in
+zijn werk, de broeken hangen er gelijk om. Vervelend is het verder,
+dat beide gelijkelijk het front naar elkaar draaien, en dat ze
+beide den naar elkaar gekeerden arm schuin omlaag, den anderen arm
+opgeheven houden.
+<p><img alt="" border="0" src="images/deruyterenzeger.png" width="388"
+height="424">
+<p class="c2">[De Ruyter en Zeger.]
+<p class="c2">De Scheepsbouwmeester en zijne vrouw zijn zonder
+zulke toevalligheden tot een groep bijeengebracht. De houding van
+de handen der vrouw laat zich zeer goed met die van De Ruyter
+vergelijken. Zij houdt met de linker kloek en ferm de klink van de
+deur omvat, niet nuffig en met opzettelijke bevalligheid, maar
+zooals eene degelijke huisvrouw in drukke bezigheden alles doet. De
+Ruyter doet iets, dat, op zichzelf beschouwd, een daad is van
+kloekheid, van moed en van durf. Eigenlijk moest hij dus ook
+onverschrokken met de linkerhand naar den Engelschman wijzen, dien
+hij tot partuur heeft gekozen. Maar hoe is dit op de plaat
+uitgedrukt? De wereldvermaarde zeebonk steekt een blank, mollig,
+klein handje uit, de arm is slap en zonder fierheid opgeheven, het
+wijsvingertje bij het jongejuffrouwenduimpje wijst op kromme manier
+iets aan. Men zou haast denken, dat mijnheer Zeger heeft gevraagd:
+"Hoe loop ik het kortst van hier naar de Kipstraat?" en dat een
+voorbijgaand, ziekelijk oud heer met een pijnlijk gezicht
+antwoordt: "Hier links den hoek om." Waarop gemelde heer Zeger met
+vriendelijk gelaat voor de bekomen inlichting bedankt, beleefd den
+hoed licht, en den ouden heer eene prettige wandeling toewenscht.
+<p class="c2">Zoo kan geen De Ruyter het vermaarde commando hebben
+gegeven, zoo strekt geen held met gebiedend gebaar den arm.
+<p><img alt="" border="0" src="images/scheepsbouwmeester.png" width="610"
+height="404">
+<p class="c2">[Scheepsbouwmeester en vrouw.]
+<p class="c2">De rechterhand is niet beter van teekening. Misschien
+loopen er verwaande menschen rond, die op deze manier met gebogen
+polsgewricht den knop van een wandelstok omvat houden, maar van
+onzen Vlissinger Michiel gelooven we het niet.
+<p class="c2">Zie daarentegen, hoe het vrouwtje haren brief
+overreikt. De bedoeling is volkomen duidelijk uitgedrukt: ze laat
+hem niet zien, ze neemt hem niet weg, maar ze overhandigt. Zelfs
+zit in het handgebaar de beweging van iemand, die achterwaarts een
+briefje afgeeft. Men probeere zelf de houding na te bootsen.
+<p class="c2">Ook de handen van den scheepsbouwmeester mogen gezien
+worden bij die van stuurman Zeger. Zijn linker, eene dikke,
+vleezige werkhand blijft rusten op het teekenwerk, terwijl het
+hoofd zich even opricht om te zien, wie den arbeid komt storen. Is
+het niet, alsof die hand, met gedachten vervuld, bij het werk
+tracht te blijven, alsof ze den gedachtengang wil vasthouden, tot
+de stoornis voorbij is?
+<p class="c2">De rechter wil het briefje in ontvangst nemen. Echter
+niet met een gebaar van haastig aanpakken. Het binnenkomen van
+moeder de vrouw wordt euvel opgenomen, omdat het storend is.
+Vandaar dat de hand maar aarzelend uitgestoken wordt. Dit is geheel
+in overeenstemming met 's mans gelaat; de afdruk laat duidelijk een
+lichten graad van ontevredenheid zien; die blik op zijne vrouw en
+het voorhoofd-fronsen zijn er de blijken van.
+<p class="c2">De rechterhand van stuurman Zeger neemt op eene wijze
+den hoed af, die noch de manier van een zeeman, noch die van een
+fijn heer is. Houvast zit er niet in; een groote, vilten,
+zeventiende-eeuwsche hoed zou wel anders doorbuigen, als men dien
+bij het uiterste randje tusschen duim en vinger aanvatte. Hij lijkt
+wel van hout. Wat is daarbij vergeleken het passertje goed
+geteekend; in de hand het ronde gewricht, naar beneden de gepunte,
+driekante beenen, waarvan een, door lang gebruik, iets kromgebogen
+is; met een soort van gretige werklust hapt het instrumentje naar
+het papier. Zelfs in zoo'n gering bijzaakje heeft Rembrandt het
+bijzondere gevoeld. De scheepsroeper is lang niet van hetzelfde
+gehalte; de rand van het geslagen koperblik is veel te dik
+geworden; de trechtervormige beker is aan den onderkant bijna
+recht, aan den bovenkant bolvormig; het mondstuk heeft een
+verkeerden stand; van onze plaats af moesten we er niet in kunnen
+zien; het heeft bepaald in de klem gezeten en is verbogen geraakt.
+<p class="c2">Letten we op de handeling, die op beide afbeeldingen
+tusschen de twee personen voorvalt, dan moeten we allereerst onze
+bewondering uitspreken voor het vrouwtje. Er zit in hare houding
+buitengewone bewegelijkheid; het overhandigen van den brief gaat
+niet bedaard in zijn werk, maar haastig en gejaagd. Zij blijft
+bijna bij de deur staan, om geen tijd te verliezen met verder te
+loopen dan noodig is; met over den stoel heen te buigen bereikt ze
+haar doel even goed. Het bovenlijf helt niet alleen zijdelings naar
+den bouwmeester over, het maakt ook eene kleine buiging voorover.
+Intusschen draaien de linkerheup, de linkerschouder en de linkerarm
+zich reeds weer achterwaarts, terug naar de deur.
+<p class="c2">De rechterhand en-arm, en het gezicht zijn nog
+verdiept in de beweging van het overhandigen. In al de onderdeelen
+van deze figuur dus eene aanduiding van wenden, buigen en draaien,
+nergens de stijve rust van een lid, dat aan de handeling geen deel
+neemt. Sommige beschouwers maken hiervan Rembrandt wel eens een
+verwijt. Ze vinden het schielijke binnenkomen storend voor de rust
+van de schilderij; het maakt hun gejaagd, als ze er een oogenblikje
+kalm naar zouden willen kijken. Daar is wel iets van aan; het is
+hinderlijk, als je het idee krijgt, dat zoo'n figuurtje zoo
+aanstonds zal wegsnellen, en als men zichzelf betrapt, dat men
+daarop staat te wachten. Maar we moeten den schilder de eer geven,
+die hem toekomt; hij heeft in de lichaams houding van eene vrouw,
+die even binnenkomt en dadelijk weer heengaat, met een fijn oog de
+bewegelijkheid van buiging en draaiing waargenomen en weergegeven.
+<p class="c2">De plaat van De Ruyter is er, om een geschiedkundig
+feit voor te stellen; alles moest dus eigenlijk handeling zijn; de
+handeling moest althans zeer sterk tot ons spreken. Neem nu den
+admiraal eens; hij staat er zoo houterig en schutterig bij, dat er
+geen schijn van beweging in hem zit. Van onder tot boven, van zijn
+voeten tot zijn hoofddeksel, alles stijf en recht; nergens in de
+heele figuur eenige zwenking; geen enkele lenigheid van draaiing of
+buiging. Hij zit diep in zijn hoedje weggeslagen, en schijnt aan
+een stijven nek te lijden. Misschien trekt hij daarom zoo'n
+pijnlijk gezicht. Kijk daarentegen eens, hoe mooi rond het
+vrouwenkopje is, hoe het mutsje meewerkt, om de ronding uit te
+beelden, en hoe los en gemakkelijk het hoofd zich keert en wendt
+boven den kraag.
+<p class="c2">Zoo krijgen we tot slotsom van de vergelijking: de
+plaat, die eene handeling moet voorstellen, geeft houterige, stijve
+figuren, die de armen oplichten om te doen, alsof ze zich bewegen,
+maar ze bewegen niet. De andere, die gemaakt werd om de portretten
+van eerzame inwoonderen van Amsterdam te geven, tintelt van actie,
+zonder nochtans in het geven van portretten te kort te komen. De
+handeling maakt zooveel indruk, dat we beginnen te denken aan een
+historisch feit. Het lijkt wel, dat dit nu het beroemde briefje is,
+waarover we in boeken lezen, hetwelk binnengebracht werd, om den
+verraderlijken aanslag op een of andere stad te verijdelen. Maar 't
+is zoo niet! De schilderij is er een, waar niets achter zit. Zij is
+een portretstuk, meer niet.
+<p class="c2">We zullen deze neiging van Rembrandt, om den aard van
+het portret te verbloemen, meer opmerken. Men kan hem ook hiervan
+een verwijt maken; het <i>is</i> misschien niet heelemaal in orde,
+dat we tegenover de twee konterfeitsels van een paar burgerluitjes
+gedachten hebben van vermaarde gebeurtenissen; dat we dus aan
+dingen denken, die hier niet te pas komen. Maar-wat een kunst, om
+dat te kunnen! Wat een schilder moet men wezen, om zoo, spelend
+weg, in een portretstukje een aardigheidje te vertellen, en het dan
+zoo te doen, dat de beschouwer heelemaal de klus kwijt raakt.
+<p class="c2">De Anatomische les heeft hiervan ook wel een tikje
+weg, zooals we zullen zien.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="MISLEIDE_AANDACHT"></a>
+<h2 class="c4">MISLEIDE AANDACHT.</h2><span class="c5"><br></span>
+<p class="c2">Onder de drommen van reizigers, die jaarlijks de stad
+'s-Gravenhage bezoeken, zijn er gelukkig niet weinigen, die een
+uurtje over hebben, om de schatten van het Mauritshuis te gaan
+zien. En onder dezen merkt men dikwijls bezoekers op, voor wie de
+gang daarheen eene bedevaart is. Ze komen uit steden en stadjes,
+die binnen hare muren geen enkel staaltje bevatten van de groote
+kunst onzer voorvaderen; van Rembrandt gehoord hebben ze;
+photographie&euml;n naar zijne schilderijen hebben ze gezien. Maar
+nog nooit hadden ze gelegenheid om het hart eens op te halen aan
+zoo'n lapje doek, waarvoor hij zelf, twee en een halve eeuw
+geleden, met palet en penseel heeft gezeten; waarop hij eigenhandig
+de klonters verf heeft geklutst, gewreven en aangesmeerd. Binnen de
+muren van dit eenvoudig, onaanzienlijk gebouw zal dan eindelijk de
+begeerte bevredigd en het verlangen gestild worden. De trappen gaat
+het op, rechts den hoek om, eene kamerdeur door en het vertrek
+binnen. Dit is het heilige der heiligen. Wat hier hangt, draagt
+groote namen: we lezen er Jan Steen, P. Potter, Ostade, Brouwer,
+maar voor allen lezen we Rembrandt Harmenszoon van Rijn. Tegen deze
+weinige vierkante meters muur hangen een tiental zijner stukken
+bijeen, een schat, dien honderd musea het kleine Mauritshuis
+benijden.
+<p class="c2">Het statig middelpunt daarvan vormt de Anatomische
+les, die waard is, eenigszins uitvoerig beschouwd te worden.
+<p class="c2">De Anatomische of Ontleedkundige les is een
+portretstuk. Rembrandt maakte het op bestelling, voor acht
+geneeskundigen uit de stad Amsterdam. Dezen hadden het oogmerk, om
+er hun vereenigingsgebouw, de chirurgijnshal, mee te versieren. In
+plaats van acht afzonderlijke portretten, verlangden ze een groep;
+ze lieten het aan den schilder over, de groep samen te stellen, op
+voorwaarde natuurlijk, dat ieder van de acht koppen tot zijn recht
+kwam. Zij verwachtten niet anders, dan dat hij het met deze
+voorwaarde ernstig op zou nemen. Nu, de koppen kwamen tot hun
+recht; maar toch zou de eerste blik van den beschouwer op een ander
+deel van de schilderij gevestigd worden. De schilder wilde, dat het
+lijk, in uitgestrekte houding op de snijtafel neergelegd, het eerst
+de aandacht zou vragen.
+<p class="c2">Hij had dit kunnen bereiken, door het aanwenden van
+een eenvoudig middel: als hij er een griezelig voorwerp van had
+gemaakt, zoo akelig om te zien, dat een ieder er naar <i>moest</i>
+zien. Maar dit deed hij niet. Het lijk is zoo geschilderd, dat ook
+de teergevoeligste lieden den aanblik kunnen verdragen. Zelfs de
+opengelegde arm heeft niets afschuwelijks. Alles wat de zenuwen van
+aanstellerige jongejuffrouwen zou kunnen prikkelen, vermeed hij.
+Wel is het gelaat het gelaat van een doode, en dus niet aangenaam
+om te zien; maar het wekt geen weerzin.
+<p class="c2">Waarom is het dan wel, dat we, als van zelf, steeds
+het eerst op het lijk het oog richten?
+<p class="c2">We ondergaan een gelijk lot, als het avondvlindertje,
+dat door ons openstaand venster komt binnenvliegen. Het
+<i>licht</i> trekt ons aan. Het licht is de geheimzinnige macht,
+die <i>ons</i> gezichtsorgaan, evenzeer als dat van het onnoozel
+gedierte, weet te leiden, waarheen ze wil. Zitten we des winters in
+schemerdonker bij open haard of kachel, onweerstaanbaar wordt het
+oog door den vlammengloed aangetrokken. Schrijden we des zomers
+door de donkerte van eenen boschweg, we verhaasten onzen tred, als
+op het eind van de laan het zonlicht door eene open ruimte
+binnendringt.
+<p class="c2">Licht geeft op het netvlies een aangenaam gevoel,
+zooals frisch water aan tong en gehemelte, wanneer ze van dorst
+verschroeien. Het kost soms moeite, om den blik van de vlam eener
+lamp af te wenden, als de omgeving door de duisternis eene scherpe
+tegenstelling vormt.
+<p class="c2">Nu; de Anatomische les is eene schilderij, waarvan
+het grootste deel der oppervlakte in zware, donkere verven bewerkt
+is. Het is juist voornamelijk het lijk, dat hierop eene
+uitzondering vormt. De gezichten der rondomstaande geneesheeren ook
+wel, maar die zijn van minder omvang en zullen eerst in de tweede
+plaats onze aandacht trekken. We gaan op het zonnige licht af, dat
+midden op het groote doek een hoekje vult. De portretten, waar het
+feitelijk om te doen was, worden daardoor min of meer op den
+achtergrond gedrongen; het stuk krijgt den schijn van gemaakt te
+zijn met een ander doel, dan om die portretten te geven. We zouden
+haast kunnen denken, dat de schilder wilde laten zien, op welke
+wijze dokter Claes Pieterszoon Tulp les gaf in de ontleedkunde.
+Menschen, die niet voor dokter hebben gestudeerd, zien hier iets,
+wat ze nooit eerder hebben gezien, dat namelijk een hoogleeraar
+zoo, v&oacute;&oacute;r zich, een cadaver heeft liggen, waarvan hij
+een of ander lichaamsdeel openlegt; hij neemt een soort van tang om
+vast te pakken; de leerlingen staan er in een kring omheen, en het
+onderwijs begint! Werkelijk meenen velen, dat het stuk met deze
+bedoeling is gemaakt.
+<p><img alt="" border="0" src="images/ontleedkundigeles.png" width="651"
+height="486">
+<p class="c2">[De ontleedkundige les.]
+<p class="c2">Toch is het een portret en moet dus op
+&eacute;&eacute;n lijn gesteld worden met bijvoorbeeld een
+schoolportret, dat in lange rijen de kopjes van eene klas
+schoolkinderen te zien geeft. Wat een verschil echter! Het eene is
+een vervelende verzameling van allemaal kijkende gezichten; wie het
+onder de oogen krijgt, gaat zoeken naar bekenden. Soms maakt de
+photograaf eene kleine variatie, door aan eenige leden van het
+gezelschap iets te doen te geven: garen winden, thee schenken of
+zoo iets. Maar niemand wordt de dupe van dezen kunstgreep, men zal
+nooit ook maar een oogenblik meenen, dat de photographie er is, om
+het theeschenken te laten zien; de gezichten trekken te sterk de
+aandacht.
+<p class="c2">Het portret van Rembrandt leidt ons juist wel op een
+dwaalspoor en heeft al menigeen omtrent den aard van het stuk
+misleid. En dat, doordien het volle licht op het lijk valt.
+<p class="c2">Een oogenblik mag men wel stilstaan bij dit overigens
+niet erg verkwikkelijke voorwerp.
+<p class="c2">Hoe komt het, dat we zoo goed het verschil voelen
+tusschen de vleeschoppervlakte en de geweven stof, waaruit de
+ledendoek bestaat? Het is, alsof we een en ander met vingers hebben
+betast.
+<p class="c2">In de eerste plaats door het verschil in kleur, wat
+ook op eenen zwarten afdruk te zien is. Beide zijn wel licht, maar
+de doek is toch lichter gehouden dan het lichaam, ofschoon hij niet
+wit is; overal merken we grijze tinten, die schaduwen van vrouwen
+en plooien weergeven. Maar deze vrouwen en plooien hebben de
+eigenaardige gedaante, die we in geweven stoffen opmerken. En, dit
+is een tweede punt van verschil, de schaduwdiepten, die in de
+oppervlakte van het lichaam zijn aangegeven, zijn van anderen vorm.
+Ze zijn breeder en minder diep; over eene grootere ruimte gaan ze
+geleidelijk in blank licht over. Men kan het beenderen gestel
+gissen, dat er onder zit. Zoo bijvoorbeeld dat van de borstkas.
+Duidelijk zien wij den strak gespannen omtrek van het borstbeen, en
+naar den rechterarm heel vaag de afteekening van de diepsels, die
+tusschen de ribben zijn ingezonken. Ook de ronding van het geheele
+lichaam is met fijne grijze kleur tastbaar gemaakt. Heel mooi ligt
+de zware spier van den bovenarm tegen het lijf gedrukt; het
+schaduwgleufje verbreedt zich naar boven tot eenen oksel, naar
+beneden tot eene elleboogsholte.
+<p class="c2">Van het rechterbeen trekt vooral de omtrekslijn langs
+den bovenkant de aandacht. Als we die, van den lendendoek af tot
+den voet toe, met het oog volgen, nemen we telkens fijn uitgebeelde
+spiervormen waar; halverwege stulpt de knie eenigszins naar buiten,
+omgeven van de kleine rondingen, die we daar gewoon zijn op te
+merken.
+<p class="c2">De voeten reiken tot in de schaduw. Ze wijzen ons den
+weg naar een opengeslagen boek, van eerwaardige grootte en dikte,
+een foliant, waarin anatomische wijsheid zal zijn opgetast. Zooals
+de bladen op elkaar liggen, getuigen ze van veelvuldig gebruik.
+<p class="c2">Waar de schaduwpartij precies een aanvang neemt, is
+moeilijk aan te wijzen; het bovenbeen is nog verlicht, de knie al
+niet meer. Ongemerkt heeft de overgang plaats. Zoo gaat het ook met
+de slagschaduw van een potlood, dat men op korten afstand over het
+belichte deel van het cadaver houdt.
+<p class="c2">Met deze waarnemingen hebben we aan de plicht
+voldaan, om te zien in de richting, die de schilder met zijn
+lichteffect heeft aangeduid.
+<p class="c2">Bij voortgezette beschouwing dwaalt nu de blik als
+van zelf naar het gelaat van Tulp, en hierheen eerder, dan naar de
+gezichten der overige heeren. Het schijnt, dat de beide handen, die
+zoo in de nabijheid van het lijk hare welsprekende gebaren maken,
+dien overgang bewerken. We moeten ook bij Tulp het eerst wezen; hij
+is onder de acht geportretteerden de voornaamste en aanzienlijkste.
+Als geneesheer genoot hij eene groote reputatie, zoowel in
+Amsterdam als daar buiten. Hij speelde in deze wereldstad bovendien
+eene groote rol als lid van de stedelijke regeering. En de
+regeering van Amsterdam, dat wou wat zeggen. Die gaf in de
+regeering van de Republiek de lakens uit. Een man als Bicker had
+immers in ons land bijna evenveel invloed als Stadhouder Willem II.
+Een burgemeester van Amsterdam mocht met recht tegen een hoog
+geplaatst Fransch edelman zeggen: "De koningen van het land, dat
+zijn wij!"
+<p class="c2">Intusschen zou Tulp, &egrave;n als geneesheer
+&egrave;n als magistraat, toch reeds lang vergeten zijn, wanneer
+hij niet toevallig bevriend was geweest met Rembrandt, en wanneer
+deze van hem niet den onvergetelijken kop had gemaakt, dien we hier
+voor ons zien. De oogen, donker van kleur, staan er helder en met
+verwonderlijke klaarheid in. De blik, die op de verte gericht is,
+verraadt een groot verstand, diepe kennis en zachtheid in het
+oordeelen. Het gelaat is vol ernst, niet de ernst, die door leed
+ontstaat, maar de ernst, die gevolg is van juist inzicht en van
+veel weten. De mond schijnt te spreken. De boven-en onderlip zijn
+zoodanig op elkander geschilderd, dat er eene bijna onmerkbare
+plooiing in komt; door deze plooiing is het, alsof we de lippen de
+letters hooren aanblazen bij het spreken, en men kan er zichzelf op
+betrappen, dat men tracht vast te stellen, welke medeklinker er
+gevormd wordt, hetzij dan een f, hetzij een v.
+<p class="c2">De handen begeleiden dit spreken met verwonderlijke
+juistheid. De linker, ter halver hoogte opgeheven, maakt aan de
+hoorders duidelijk, welke bewegingen de dokter bedoelt. Terwijl
+namelijk de rechter met behulp van een pincette &eacute;&eacute;nen
+spierbundel van de anderen afzondert, laat de linker zien, welke
+uitwerking de samentrekking daarvan zou hebben. Het is een
+buigspier, liggende aan de binnenzijde van den arm; de
+middelvingers van de linkerhand maken onwillekeurig de buigbeweging
+mee, over welke gesproken wordt.
+<p class="c2">Veegjes lichte verf geven tusschen de vingers de
+plaatsing aan, hoe ze eenigszins uiteen wijken, naast elkaar op de
+hand zijn ingeplant, en los van elkaar in de ruimte staan. We zien
+in de tusschenruimte op. In den duim van de rechterhand voelen we
+de drukking, die hij op het werktuigje uitoefenen moet, om den
+spierbundel vast te houden. Wat liggen ook de vier vingertoppen in
+juiste houding om den duim heen!
+<p class="c2">De kleeding verdient wel een oogenblik bijzonder de
+aandacht. Er zijn zeventiend-eeuwsche portretten genoeg, die ons
+onderrichten omtrent vorm en snit van de toenmalige
+kleedingstukken. Maar hier hebben we er een, dat ons doet voelen
+hoe <i>mooi</i> ze stonden, hoe schilderachtig ze den persoon
+kleedden. Breed en kloek is de borst, en zijn de schouders onder
+zoo'n wambuis met mantelkraag. De breedgerande, vilten hoed geeft
+den kop een prachtige vierkantheid; hij kleedt ontegenzeggelijk
+mooier dan de hooge cylinderhoeden uit onze dagen. Het kantkraagje
+en de manchetten droeg men niet onder maar over het wambuis, niet
+in maar om de mouw.
+<p class="c2">Misschien wekt het bevreemding, dat Dr. Tulp onder de
+les en in aanzienlijk gezelschap den hoed op het hoofd houdt. Dit
+was in zijn tijd gewoonte: de professor aan de hoogeschool, zoowel
+als de onderwijzer te midden van zijne leerlingen, de vroede
+raadsleden op het raadhuis, zoowel als de huisvader in den
+familiekring, hielden zich gedekt; en men zag daarin geene
+onwellevendheid.
+<p class="c2">Van de overige koppen trekken vooral de twee, die
+zich over het cadaver heenbuigen, de aandacht. In de eerste plaats
+om de tegenstelling tot Tulp. Terwijl deze spreekt, zoowel met den
+mond als met de handen, zoowel door zijne opgerichte houding als
+door zijn rondblikkend gelaat, luisteren gene. De een ziet naar het
+lijk, de ander naar den professor, maar beider oogopslag verraadt
+aandachtig luisteren; luisterend ook buigen ze zich voorover.
+<p class="c2">In de tweede plaats om de schilderhoedanigheden. Men
+lette bijvoorbeeld eens op de rechterwang van den persoon, die het
+dichtst bij Tulp zit. Van het oog af naar beneden vinden we alle
+kleurschakeeringen, die ons in het gezichtsvleesch van zoo'n gelaat
+bekend zijn. Allerlei zwakke schaduwtjes en lichtvlakjes duiden
+aan, hoe het verloop is van de wang. Het is niet maar eenvoudig weg
+eene bolle ronding of eene magere afplatting; overal zitten vorm-en
+gedaantewisselingen. Eerst eene blauwachtige, eenigszins
+uitpuilende streek onder het oog, zooals bij zwak uitziende
+menschen. Dan de verheffing van het jukbeen, waar we een blosje
+vermoeden. Hiertusschen en tusschen den neus eene invallende
+diepte. Verder naar beneden de ingevallen wang, die achter den
+knevel verdwijnt en, om het jukbeen heen, nog tot aan het oor te
+volgen is. Alsnu gaat het met geleidelijke ronding om de kaak heen,
+waar heel dun eenig blond haar groeit.
+<p class="c2">En, zooals deze wang is, is de heele kop. Elk plekje
+is aan het model ernstig en aandachtig waargenomen, bespied en
+bestudeerd. Het portret is een beeld geworden, dat men niet zoo
+maar eens even uit zijn hoofd schildert, het is naar het leven
+genomen, het geeft ook het leven weer.
+<p class="c2">Bij de beschouwing trachten we ons onwillekeurig te
+binnen te brengen, waar en wanneer we dezen persoon hebben ontmoet,
+alsof het iemand is, dien we in onze omgeving opgemerkt hebben.
+<p class="c2">De overige koppen op deze schilderij zouden evenzeer
+eene afzonderlijke bespreking verdienen. Alle dragen de kenmerken
+van studie naar het leven. In alle is met zorg het afzonderlijke,
+het eigenaardige opgemerkt. Men vergelijke, om een voorbeeld te
+geven, maar eens met elkaar de manier, waarop bij elk het haar op
+het voorhoofd is ingeplant. Alleen hieraan zou men de heeren alle
+kunnen herkennen, als men ze ontmoette.
+<p class="c2">Of men ga eens na, hoe elk van de aanwezigen op eigen
+wijs de les van Dr. Tulp volgt; met meer of met minder aandacht;
+met een geestigen trek om mond en oogen of met een soort van
+onverschilligheid.
+<p class="c2">Ieder is zichzelf en leeft zijn eigen leven. Geen
+twee zijn van een zelfde model.
+<p class="c2">Al deze uitingen van leven spreken des te sterker,
+omdat ze gerangschikt staan rondom het beeld van den dood, van de
+stof, waaruit het leven ontvloden is.
+<p class="c2">De mond van het cadaver is half geopend, en een
+glimlach schijnt er omheen te spelen. Maar de glimlach is
+verstijfd, en het spreekgebaar van de mondopening is koud en
+versteend. Het is het eeuwige zwijgen met een grimas van leven. En
+op het gelaat van den lesgevenden professor: het mondopenen
+nauwelijks zichtbaar, de blik strak op de verte gericht, geen
+plooitje, dat zich tot glimlach vormt, en toch het heele wezen een
+en al leven, op de bijna onbewogen trekken een spreken, dat sedert
+bijna drie eeuwen elken toeschouwer in de ziel dringt, en dat
+spreken zal blijven tot in lengte van dagen.
+<p class="c2">Het stuk in zijn geheel heeft ook zijne eigenaardige
+bekoring. Eerstens door het zonnige hoekje, waar het cadaver ligt.
+Het oog heeft in die lichtplek een aangenaam rustpunt. Ten tweeden
+door de groepeering. De personen staan los, ongedwongen en
+regelloos bij elkaar, terwijl ze toch in een driehoek gevat zijn;
+&eacute;&eacute;n gezicht vormt hiervan den top en doet de groep
+naar boven toe bevredigend eindigen.
+<p class="c2">Ten derden door de rijke afwisseling van licht en
+donker; tusschen de witte kragen, blanke gezichten en handen zijn
+overal stukjes achtergrond aangebracht of brokstukken donkere
+kleeding, donkere baarden of behaarde schedels. Men bezie het stuk
+maar eens door de oogharen, om deze afwisseling op te merken.
+<p class="c2">De geschiedenis van de Anatomische les is deze.
+Rembrandt maakte haar in 1632, het jaar, waarin Frederik Hendrik
+Limburg aan de Republiek toevoegde. Ze kreeg eene plaats in de
+vergaderzaal der chirurgijns te Amsterdam en bevond zich aldaar
+nog, toen deze in 1828 hunne bezittingen te gelde wenschten te
+maken en het stuk aan Koning Willem I verkochten voor f32.000.
+Sedert maakt het deel uit van het Koninklijk Kabinet, dat in het
+Mauritshuis ondergebracht is.
+<p class="c2">De maker van het kunstwerk zal waarschijnlijk van elk
+der acht heeren geneeskundigen de som van een kleine honderd gulden
+hebben ontvangen, wat in 1632, toen Amsterdam krioelde van goede
+schilders, al wel was, vooral voor een beginnend man van even vijf
+en twintig jaar.
+<p class="c2">In een anderen zin bracht het hem echter meer op. Als
+een loopend vuur ging de mare door de stad, dat een groot schilder
+was opgestaan, overgekomen uit Leiden en je kon zijn werk zien op
+de Chirurgijnshal! Dit legde hem geen windeieren. Spoedig regende
+het bestellingen van portretten, en maakte hij een geweldigen
+opgang, zoo enorm, dat zelfs in het Stadhouderlijk Paleis te
+'s-Gravenhage zijn naam genoemd werd.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="AANRAKING_MET_HISTORISCHE_PERSONEN"></a>
+<h2 class="c4">AANRAKING MET HISTORISCHE PERSONEN.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Reeds in zijne studiejaren had Rembrandt in Den Haag
+zaken gedaan. Toen hij, nog v&oacute;&oacute;r 1632, bij zijne
+ouders te Leiden woonde en ijverig schilderde en teekende om de
+kunst machtig te worden, deed eens een bezoeker hem aanwijzing voor
+een heer in Den Haag. Een zeker stukje, dat hij juist voltooid had,
+moest hij dien eens gaan vertoonen en te koop aanbieden. Te voet
+trok de jonge schilder er op uit, bereikte na eene wandeling van
+vier uren de Residentie en smaakte de voldoening zijn stuk voor
+honderd gulden te verkoopen. Wonder in zijn schik met dit succes,
+en nog niet gewoon zooveel geld in zijn buidel te hebben, voelde
+hij behoefte, om zoo gauw mogelijk naar Leiden te gaan met zijn
+schat, en zijne ouders in kennis te stellen met het fortuintje.
+<p class="c2">Een weg van een kleine vier uur gaans weer te voet af
+te leggen, dat kwam, dunkte hem, niet te pas voor iemand, die
+schilderijen met honderd gulden betaald krijgt. De trekschuit, daar
+ging Jan en alleman mee. Hij deed als een groote m'nheer en nam
+parmantig plaats bij het logement, "De Leidsche wagens" op den
+wagen naar Leiden. <i>Op</i> den wagen naar Leiden, aldus vertelt
+een oud schrijver, niet <i>in</i>.
+<p class="c2">Wat genoot hij van dat ritje! Eerst voerde de weg hem
+door het Haagsche bosch met zijne gladde, rijzige, groene,
+beukenstammen, die hunne takken breed en vlakweg met
+lichtdoorlatende, fijne blaadjes uitgespreid hielden; verspreide
+eiken stonden zwaar en donker daartusschen met diepgefronste
+schors, en takken, die in moeilijke kromming zich wrongen. Machtig
+en breed stond de voet uit in de zandige duinhellingen; het trof
+hem, hoe ze hun wortels uitlegden over den bodem als een reuzig
+gedierte, dat krampachtig met uitgeslagen en wijdgeopende klauwen
+zich vast wil klemmen.
+<p class="c2">Nog anders dan in Leiden op het bolwerk, zag je hier,
+hoe de natuur een beeld van kracht kan zijn. Hier, waar werkelijk
+eeuwen-heugende eiken en beuken stonden. Maakte niet een
+medereiziger hem attent op een drietal forsche exemplaren, met
+dooreengestrengelde takken, die het volk het Jacobaprieel noemde,
+omdat er de landsvrouw Jacoba tweehonderd jaar geleden gaarne
+verwijld had? Heerlijk wonen moest het in Den Haag zijn voor eenen
+kunstenaar. De oude stad nog net plaats vindende op het uiteinde
+van de reeks binnenduinen, waarop ook het Haagsche bosch stond, en
+waarover de Leidsche weg hem Noordoostelijk voerde; de nieuwere
+straten de venen ingaande. De omstreken, in Noordelijke richting,
+klingen en dalen met laag en opgaand hout, in zuidelijke richting
+lage weiden, vol slooten en plassen; hier en daar moerassen, met
+ruigten van wilgbeschot en oeverplanten; de verre horizonnen
+onderbroken door watermolentjes, die men reeds in gebruik begon te
+stellen van de grondverbetering.
+<p class="c2">Terwijl hij voortmijmerde, passeerde de koetsier niet
+ongemerkt het liefelijke Huis Ten Bosch (wijl dit er nog niet was,
+en eerst over twintig jaar ter eere van den vrede van Munster zou
+verrijzen) maar reed door tot, en hield stil voor het huis Ten
+Deil, eene herberg, die den weg van Den Haag naar Leiden in
+nagenoeg gelijke helften deelt (deilt). Eene onoogelijke waardin
+kwam buiten met een zwartberookt tabakspijpje in den mond, en zette
+den paarden eene krib met voer voor. De reizigers stegen uit en
+traden, evenals de wagenbestuurder, de herberg binnen, boven welks
+deur, tusschen rankend wijnloof, aan een eind lat een groote aarden
+bierpot bungelde. Rembrandt voelde geen lust, het voorbeeld te
+volgen en mede uit te stappen. Hij bleef bij zijn vollen buidel op
+den wagen zitten. Na eenige oogenblikken wordt de krib weggenomen,
+en komt het volk met den wagenaar naar buiten, om ieder zijn
+plaatsje weer in te nemen. Hun al te groote luidruchtigheid jaagt
+den paarden een schrik op het lijf: ze gaan er van door en rennen
+met den schilder voort. Het gaat langs den hun bekenden weg
+huiswaarts; ze storen zich aan niets, hollen voort, bereiken de
+Wittevrouwenpoort, sleuren den wagen over de Drentsche keien van
+het Noordeinde en houden in voor de deuren van den gewenden stal.
+Het stalpersoneel stormt naar buiten, helpt den schilder
+uitstijgen, betast zijn leden, of er geen gebroken is, en toont
+zich benieuwd om te vernemen, hoe hij dus, alleen op den Haagschen
+wagen gezeten, de stad komt binnenrijden. Maar hij. Zonder veel
+praatjes maakt hij zich weg en spoedt zich naar de Weddesteeg, die
+het rijtuig gepasseerd was zonder hem af te zetten. Behouden en wel
+brengt hij zijn honderd gulden thuis, en is gelukkig, dat hij op
+Den Deijl zoo weinig verteringskosten heeft behoeven te maken.
+<p class="c2">Het is waarschijnlijk, dat de groote m'nheer in Den
+Haag, die zijn stuk honderd gulden waard achtte, niemand minder dan
+Constantijn Huygens is geweest.
+<p class="c2">Kort nadat Rembrandt zich in Amsterdam had gevestigd
+en een grooten naam begon te krijgen, bracht Huygens hem bij den
+stadhouder, prins Frederik Hendrik, ter sprake, wat hij gemakkelijk
+kon doen, omdat hij, als diens geheim-secretaris, dagelijks met den
+vorst verkeerde.
+<p class="c2">Er volgde eene bestelling van eenige stukken,
+misschien om er het stadhouderlijk paleis te Rijswijk mee te
+versieren. De levering, en daarna de betaling, hebben nog al voeten
+in de aarde gehad. Men is dit aan de weet gekomen uit eigenhandige
+brieven van Rembrandt, die bewaard zijn gebleven in families, welke
+van Huygens afstammen. Uit een van deze blijkt, dat hij zelf zeer
+goed wist, een eerste-rangsschilder te zijn, dien men goed moest
+betalen, maar tevens, dat hij bescheiden genoeg was, om waarde te
+hechten aan het oordeel van Huygens of van den Prins. Zie hier:
+<p class="c2"><i>Mijn Heer</i>!
+<p class="c2">Soo ist dan dat ick met licensij u e dese 2 stucken
+toesende die ick meen dat soodaenich sullen bevonden werden dat
+sijn Hoocheijt nu selfs mij niet min als dusent guldens voor ider
+toeleggen sal doch soo sijn Hoocheijt dunckt dat sijt niet en
+meerijteeren sal naer sijn eijgen believen minder geeven mij
+verlaetende op sijn Hoocheijts kennis en discreesij. Sals mij
+danckbaerlick daer met laeten contenteeren ende blijvende neffens
+mijne groetenisse sijnen
+<p class="c2">D.W. ende geneegen dienaer
+<p class="c2">REMBRANDT.
+<p class="c2">Het tghene ick aen de lijsten en de kas verschooten
+hebb is 44 guldens in alles.
+<p class="c2">Behalve omtrent zijn karakter, leert dit schrijven
+iets omtrent zijne ontwikkeling. Hij schreef een goeden brief, de
+zinnen vloeiden hem gemakkelijk uit de pen, en hij spelde vrij
+zuiver, te rekenen voor de zeventiende eeuw. Zijn schoolonderwijs
+was niet verwaarloosd, al wijdde hij zich reeds vroeg aan de kunst.
+Dat hij in den laatsten zin schreef: "daer <i>met</i> laeten
+contenteeren" in plaats van "daar<i>mee</i>", kan men op rekening
+stellen van zijn omgang met vrouwe Saskia van Uhlenburg, die dat in
+Friesland zoo had geleerd.
+<p class="c2">Uit zijne brieven aan Huygens moge ook deze nog
+aangehaald worden, om grond te geven aan ons vermoeden, dat het hof
+in Den Haag met de uitkeering der contanten nu niet juist zoo heel
+vlug is geweest.
+<p class="c6">Mijn Heer!
+<p class="c2">Mijn E. Heer met schroomen ist dat ick u e met mijn
+schrijvens kom besoucken ende dat doort seggen van den ontfanger
+Wttenboogaert die ickt tardeeren van mijn betaeling klaechden hoe
+dat den tresoorier Volbergen dat lochgent als dat daer jaerlicks
+intresse getrocken werden soo heeft mij den ontfanger Wttenboogaert
+nu voorleden woondach daer op geantwoort als dat Volbergen allen
+halven jaer die selvij intressen heeft gelicht dat tot nu toe soo
+dat daer nu wederom over 4000 K. gulden bij den selvij kantooren
+verscheenen is ende bij desen waerachtijge geleegentheijt soo bidde
+ick u mijn goet aerdijgen Heer dat mijn ordonnansij nu in den
+eersten mocht klaergemaeckt werden opdat ick mijn wel verdiende
+1244 guldens nu mocht eenmael ontfangen. Ende ick sal sulx aen ue
+met reverensij dienst ende blijck van vrienschap altijd soucken te
+rekumpenseeren met deesen ist dat ick mijn heer hartelick groete
+ende wenssche dat ue Godt lanck in goeden gesondtheijt ter
+saelicheijt spaeren werde.
+<p class="c2">UEDw. ende geaffexcioneerde dienaer,
+<p class="c2">REMBRANDT
+<p class="c2">ick woon op de binnen-Emster in die suijkerbackerij
+<p class="c2">Adresse:
+<p class="c2"><i>Mijn Heer</i>!
+<p class="c2">Mijn Heer van Suijlikum raet ende Secreetarijus van
+Sijn Hoocheijt
+<p class="c2">in den port Schraeven Haech.
+<p class="c2">De indruk, dien men uit dit schrijven krijgt, is wel,
+dat de beheerder van de stadhouderlijke penningen Rembrandt zonder
+veel complimenten op zijn loon liet wachten. Al maakte de jonge
+schilder opgang, toch zooveel nog niet, dat zijn naam voldoende was
+om geld los te krijgen. Ook bracht hij het nooit zoo ver, dat
+beroemde mannen uit onze geschiedenis zich door hem lieten
+portretteeren. We mogen dit stellig betreuren. Wat zouden we uit
+zijne handen een portret hebben gekregen van een Frederik Hendrik,
+een Jan de Wit, een Michiel de Ruijter, een Constantijn Huygens.
+Beter dan de bestaande levensbeschrijvingen zouden zulke
+afbeeldingen ons hun karakter, hunne edele hoedanigheden hebben
+bewaard. Maar dat heeft zoo niet mogen zijn! De groote mannen
+hebben gemeend, zijne kunst niet noodig te hebben om hunne trekken
+te vereeuwigen. De portretten, die hij gemaakt heeft, zijn alle van
+tweede-rangspersonen. Toch kunnen we hieruit zijn meesterschap
+voldoende leeren kennen. Als een mooi voorbeeld verdient dat van
+den ontvanger Uytenbogaerd te worden vermeld, welks naam we vinden
+in den zoo even aangehaalden brief.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="MEER_DAN_PORTRET"></a>
+<h2 class="c4">MEER DAN PORTRET.</h2><span class="c5"><br></span>
+<p class="c2">De heer Uytenbogaert zien we gezeten in zijne
+werkkamer. Op de tafel liggen zakken met geld, en een boek, waarin
+de hand gereed is, aanteekening te houden. Hij overhandigt den
+bediende eenen zak, dien deze misschien in een geldvat moet
+ledigen. De balans, om het goud af te wegen, hangt aan een
+boekenplank boven de tafel; op den achtergrond wachten meerdere
+bedienden op orders.
+<p class="c2">Wat ons in den heer Ontvanger het meest treft, is de
+blik, dien hij op zijnen dienaar werpt. Doordringend ziet hij hem
+aan. Uit zijn oog lezen we de gewetensvraag: kan ik je dit
+toevertrouwen? En dat oog blijft streng en onderzoekend op hem
+rusten. Rembrandt slaat hier den spijker met den eersten slag op
+den kop; hij tast de zaak aan in 't hart. Immers de beste
+eigenschap van eenen beheerder van 's lands penningen, is, dat hij
+tegen alle bedrog op zijn hoede is. Zoo &eacute;&eacute;n steeds
+waakzaam moet zijn, dan hij! Kan men een man als Uytenbogaerd dus
+treffender in beeld brengen, dan door deze eigenschap voorop te
+stellen? Hij mag een goed man, een vriendelijk man, een eerlijk man
+geweest zijn, het beste wat men van hem kan zeggen, is: hij was een
+man op de juiste plaats. En dit allereerst zegt zijn portret.
+<p class="c2">Het gezicht is niet bepaald schoon te noemen. De
+wangen hebben eene onaangename breedheid, sommige gelaatsspieren
+leggen er onbevallige vormen in; de neus is van een scheef,
+ingedeukt model. Maar zooals dit moest wezen, zoo is het ook
+uitgebeeld. We behoeven niet in onzekerheid te vragen, hoe
+eigenlijk de vorm was.
+<p class="c2">De borst is breed en vierkant in de kleeren gestoken.
+Kloek en zwaar hangt de pelsmantel er om: het schijnt een
+"kantoorjasje" te zijn. Maar wat voor een! Het zachte, glanzige
+haar zit er duimen dik op; men zou er gaarne de hand over willen
+strijken, om de molligheid te voelen. Wat een rijkdom van pluisjes
+en bundeltjes haren zien we op den breeden zoom; telkens weer
+liggen ze in andere richting op en tegen elkaar. Zwaar en dik is de
+stof, waar we, in het verkort, tegen de wijde linker mouw aan zien.
+Daarentegen is het onderkleed, dat bij den hals zichtbaar is, van
+fijn en kostbaar weefsel, waarschijnlijk in regelmatige preciese
+plooitjes gevouwen en gestreken.
+<p><img alt="" border="0" src="images/betaalmeester.png" width="510"
+height="629">
+<p class="c2">[De Betaalmeester.]
+<p class="c2">Het is een zeer aparte kunst, om met dichte
+arceeringen de stof uit te drukken. Let eens op den achtergrond. De
+wand, waartegen de schilderij hangt, is volgekrabbeld, tot het een
+beschaduwde, grijze, gepleisterde muur was; het gedeelte aan den
+rechterkant, voorbij een soort van poortje, is met hout betimmerd,
+wat duidelijk van den gepleisterden muur te onderscheiden is. Het
+afhangende deel van het tafelkleed, ofschoon van de zelfde
+grijsheid, draagt daarentegen weer duidelijk de kenmerken, dat het
+geweven stof is.
+<p class="c2">Ander mooi werk zien we in de voorwerpen, die op den
+voorgrond staan. Ze duiken op met hunne verlichte bovenkanten uit
+eene zachte, donkere kamerschaduw. Zooals wij in een donker hoekje
+alleen met onzekerheid de dingen waarnemen, zoo zien we op den
+voorkant van de groote kist het nauwelijks afgebeelde, zware
+ijzerbeslag; hier en daar blinkt de kop van eenen spijker; langs
+den rand rechts glimt wat licht, dat misschien door een ander
+meubelstuk is teruggekaatst. Zware scharnieren teekenen zich met
+kleine, zwakke glimlichtjes af langs den bovenrand. Op het deksel,
+dat zeer versmald geteekend is, zitten drie ijzeren banden, die op
+de juiste manier naar elkaar toeloopen; door hunne wijking krijgt
+het deksel voor ons oog zijne breedte. Een mooi stuk teekenwerk,
+zoo'n kist, waarin we de hardheid voelen van het ijzerbeslag.
+<p class="c2">Uit al deze onderdeelen blijkt de mogelijkheid, om,
+met arceering alleen, stof en maaksel van de voorwerpen uit te
+beelden.
+<p class="c2">Om nu tot de figuur van den ontvanger terug te
+keeren, de breedheid en de vierkantheid doen ons vertrouwen stellen
+in het karakter. De openliggende mantel, met daaronder de fiere
+borst, wekken het vermoeden van openheid en eerlijkheid. De
+rechterhand is eene uitdrukking van nauwlettendheid en
+zorgvuldigheid; ze ligt steeds gereed om in het boek van alle
+gedane uitgaven aanteekening te houden. Aardig is het om te zien,
+met hoeveel schrijversfijnheid de duim en de vinger het pennetje
+vasthouden.
+<p class="c2">In gelaat, in blik, in houding en lichaamsbouw, in
+actie en handgebaar zien we eene aanduiding van de eigenschappen,
+die Uytenbogaerd maken tot een voortreffelijk ambtenaar. Hij is een
+model betaalmeester; door een man als hem worden 's lands middelen
+naar den eisch beheerd. Zijn portret is maar niet slechtweg een
+portret, waarbij men vraagt, of het goed gelijkt; het is een
+zinnebeeld geworden, een lofspraak op den man in zijn vak. En meer
+nog: een lofspraak op de regeering uit die dagen. Met welk eene
+vaste hand moet deze de teugels hebben gevoerd, als ze bestond uit
+mannen, gelijk we er hier een voor ons zien. De kracht van het
+jonge Holland spreekt uit zoo'n portret, de kracht van eene
+regeering, die nog bezig is (1639) zich vrij te vechten van de
+Spaansche overheerschers.
+<p class="c2">Historische waarde krijgt het vooral, als we niet
+alleen op den hoofdpersoon, maar ook op den bediende letten.
+<p class="c2">Met welk een respect neemt deze den geldzak aan, die
+hem overhandigd wordt! De blik, welken hij met den ontvanger
+wisselt, wekt de veronderstelling, dat hij plichtmatig moet toonen,
+zijnen meester in de oogen te durven zien en dus geene slechte
+voornemens te koesteren. Een en al onderdanigheid is hij! Bijna
+slaafschheid. Het doet ons vreemd aan, dat in een vrijgevochten
+land, als het onze, alleen de hoogere klassen des volks zich mensch
+en onafhankelijk voelden, dat in een Republiek de ondergeschikten
+de knie bogen voor den werkgever. Is het niet, alsof we nog waren
+in de dagen der Spaansche overheersching? Toch draagt de prent de
+dagteekening 1639, en het leek in dat jaar in het Kanaal voor Duins
+weinig naar eene zoodanige heerschappij.
+<p class="c2">Maar de Regenten lieten niet met zich spotten: ze
+hadden er den wind onder. Het is deze verhouding tusschen heer en
+dienaar, die Rembrandts plaat voor ons bewaard heeft; in enkele
+lijnen worden hier boekdeelen gezegd.
+<p class="c2">Niet slechts het portret van een persoon, maar een
+tooneel uit het leven zien we, hetwelk ons doet zeggen: zoo ging
+het toe; zoo leefden de standen met elkaar in de Republiek.
+<p class="c2">Het portret is een sprookje geworden. We lezen van
+een groot heer, die een kostbaar kleinood toevertrouwt aan eenen
+braven dienaar. Doch het is een sprookje van het soort, waar meer
+achter gezocht moet worden. Het gunt ons een blik op de samenleving
+onzer zeventiendeeuwsche voorvaderen.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="GEETSTE_PRENTEN"></a>
+<h2 class="c4">GE&Euml;TSTE PRENTEN.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">De prent, die Uytenbogaerd voorstelt, is eene ets.
+Wat is dat, eene ets?
+<p class="c2">Gebruikt de schilder eenen lap linnen of een houten
+paneel, en brengt hij daar met behulp van penseelen olieverf op,
+dan spreekt men van eene schilderij. Werkt hij met kool, krijt,
+potlood, inkt of waterverf op papier, dan ontstaat eene teekening.
+Van beide maakt hij natuurlijk niet meer dan &eacute;&eacute;n
+exemplaar. Schildert of teekent iemand dit na, dan heet dat eene
+copie. Voor boeken en geschriften laat men den photograaf en den
+plaatdrukker reproducties maken.
+<p class="c2">Maar nu eene ets.
+<p class="c2">De teekenaar neemt een plaatje roodkoper. Dit moet
+volkomen vlak en effen zijn, en wordt daarom tegenwoordig langs
+galvanischen weg vervaardigd. Op het plaatje brengt hij eene dunne
+laag was aan; door het aan den onderkant te verwarmen, wordt de was
+vloeibaar en dus geschikt, om zoodanig verspreid te worden, dat het
+korstje na het stollen overal eene gelijkmatige dikte heeft.
+<p class="c2">Eene fijne naald is het teekengereedschap. De punt
+zet de lijnen niet op, maar in de was; ze kan zich door de zachte
+massa heel gemakkelijk bewegen, en dit vergunt den teekenaar dus,
+om los en zwierig te werken, zwieriger, dan wanneer hij met een mes
+zijn beeld in palmhout snijdt, om eene houtsneeprent te maken.
+<p class="c2">Wat er nu in de was staat, kan hij niet met inkt
+aansmeren, om op papier af te drukken. Daarvoor is alles te zacht.
+Hij brengt rondom de koperplaat een opstaand lijstje aan, en giet
+er vitriool over uit. Deze vloeistof laat de was onaangetast; maar
+waar ze koper vindt, bijt ze dit uit. Dus in de smalle voren, die
+de naald in het bedekkende laagje heeft getrokken. Na eenigen tijd
+wordt de vitriool afgegoten, de koperplaat door verwarming ontdaan
+van de was, en alsnu vertoont ze de figuur, door den teekenaar in
+de zachte stof ontworpen, doch thans in het harde metaal
+onvergankelijk ingevreten.
+<p class="c2">Met behulp van eene inktrol bedekt hij haar met inkt,
+wrijft haar met een lap weer schoon, maar draagt zorg, den inkt
+niet te verwijderen, die in de diepte van de lijnen zit. Deze zal,
+bij het afdrukken op een blad papier, de teekening te zien geven,
+juist even los en zwierig, als ze in de was geteekend is, maar in
+spiegeld beeld. Want door het afdrukken wordt de voorstelling
+omgekeerd.
+<p class="c2">Van eene ets worden door den teekenaar een groot
+aantal exemplaren vervaardigd. Daar ze voor den handel bestemd
+zijn, en de liefhebbers ze gelijkstellen met oorspronkelijke
+teekeningen, kunnen ze eene ruime bron van inkomsten zijn. Er is er
+een afkomstig van Rembrandt, die "honderguldenblad" heet, omdat
+elke afdruk den prijs van honderd gulden opbracht!
+<p class="c2">De ge&euml;tste koperplaat blijft voor latere
+afdrukken bewaard. Het komt meermalen voor, dat de etser na eenigen
+tijd met zijn werk niet meer tevreden is. Hij tracht dan in de
+plaat wijzigingen aan te brengen. Er heeft zeker geen kunstenaar
+bestaan, die hiervan zoo de geheimen kende, als Rembrandt.
+<p class="c2">De veranderingen, aangebracht in het portret van een
+vriend, den schilder Jan Asselijn, hebben aanleiding gegeven tot
+eene vermakelijke vergissing.
+<p class="c2">In de verschillende musea en kunstverzamelingen
+bevinden zich twee soorten van afdrukken van dit portret; ook in de
+achttiende eeuw verhandelde men reeds exemplaren van Asselijn
+<i>met</i> den ezel en exemplaren van Asselijn <i>zonder</i> den
+ezel. Op dezen staat de schilder afgebeeld naast een tafeltje met
+boeken, op genen wordt de achtergrond gevormd door een houten
+schildersezel, waar een paneel of een doek op staat, dat arbeid van
+den kunstbeoefenaar moet voorstellen.
+<p class="c2">Er werd in de achttiende eeuw druk in deze en
+dergelijke etsen gehandeld. Liefhebbers waren niet tevreden, als ze
+een Asselijn bezaten; ze moesten er een exemplaar "Asselijn met den
+ezel" bij hebben; soms liepen ze alle kunsthandelaren af, om een te
+krijgen.
+<p><img alt="" border="0" src="images/asselijnmet.png" width="304" height=
+"329">
+<p class="c2">[Asselijn met den ezel.]
+<p><img alt="" border="0" src="images/asselijnzonder.png" width="341"
+height="315">
+<p class="c2">[Asselijn zonder den ezel.]
+<p class="c2">Een Duitsch prentenkoopman had al meermalen vraag
+gehad naar een "Asselijn met den ezel", en tot zijn verdriet steeds
+neen moeten verkoopen. Hij was op en top man van zaken, en als het
+moest, stond hij voor niets! Hij bracht een "Asselijn zonder den
+ezel" bij een behoeftig kopersnijder en verzocht dien, om in alle
+stilte eene etsplaat te maken naar het beeld van den Hollandschen
+schilder, maar in gezelschap van eenen ezel. Daar geen van beiden
+ooit een exemplaar van het veel gevraagde soort had gezien,
+veronderstelden ze, dat met den ezel een gelangoorde viervoeter
+werd bedoeld. De zaak kwam gereed. De kunstkooper bezat thans de
+twee soorten. En toen er weldra een Engelschman bij hem aanklopte
+om een "Asselijn met den ezel", drukte hij dezen voor goed geld den
+zonderlingen ezelhoeder in de hand. Natuurlijk kwam zijn bedrog
+spoedig uit, en heeft hij niet veel exemplaren kunnen slijten. Toch
+zou men thans bij onze overzeesche buren weer goed geld willen
+geven om er een te bezitten, niet omdat het <i>geen</i> "Rembrand"
+is, maar ter wille van de merkwaardigbeid.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="VROUWTJE_BAS_VAN_T_RIJKSMUSEUM"></a>
+<h2 class="c4">VROUWTJE BAS VAN 'T RIJKSMUSEUM.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Hier hebben we het portret van Elisabeth Jacobs Bas,
+weduwe van admiraal Swartenhont. Het heeft geene andere bedoeling
+dan de beeltenis te geven. Eene omgeving, waarin we beroep, ambt of
+bezigheden terugvinden, ontbreekt; de achtergrond is donker. De
+dame is zonder een of anderen schijn aan te nemen zoo maar voor den
+schilder gaan zitten, om zich te geven zooals ze is. Er spreekt uit
+de houding groote eerlijkheid, openhartigheid, die niets heeft te
+verbergen, die geen behoefte heeft om manieren aan te nemen.
+Natuurlijkweg heeft ze de handen rustig over elkaar gelegd. Over
+elkaar gelegde handen ziet men dikwijls op een portret, dat is dus
+hier het eigenaardige niet. Maar men moet, door er lang en rustig
+op te zien, trachten te erkennen, hoe gemakkelijk en ongedwongen
+deze handen op den schoot rusten. Niet alleen dat ze er op
+<i>liggen</i>, dit zegt nog niets, maar ze worden er door
+<i>gedragen</i>. Met de elleboogen is het net zoo; die vinden
+steun, die rusten op de leuning van den stoel. Het sterkst voelen
+we dit wel in de linkerhand, die over de rechter is gelegd. Let ook
+eens op, hoe de onderste achteloos den zakdoek vasthoudt, en hoe de
+bovenste in een gemakkelijken greep over de andere heen ligt. En
+hoe dit overeenstemt met de houding van het bovenlijf; ook dit
+leunt in gemakkelijken stand tegen den rug van den stoel; het helt
+net genoeg achterover om dit voelbaar te maken. Alles draagt er toe
+bij om den indruk van rustigheid, kalmte, bedaarde statigheid bij
+ons te wekken. In een deftig vertrek door zoo'n dame ontvangen te
+worden, die in deze houding een verzoek aanhoort, doet weldadig aan
+en zet ons onmiddellijk op ons gemak. Het geeft de gewaarwording,
+dat ze in haar dagelijksche doen veelvuldig menschen heeft moeten
+ontvangen en heeft moeten aanhooren. Het rustige liggen der handen
+duidt eerder zulk een werkkring aan, dan beslommering van
+handenarbeid. En de gelaatsuitdrukking bevestigt die opvatting. Ook
+hierin dat rustige, onverstoorbare. Om den mond geen lach en geen
+trek van norschheid, geen zwakheid en geen hardheid van karakter,
+maar juist genoeg zachtheid om niet af te schrikken.
+<p><img alt="" border="0" src="images/vrouwtjebas.png" width="506" height=
+"654">
+<p class="c2">[Vrouwtje Bas.]
+<p class="c2">Elisabeth Bas komt reeds op leeftijd: de mond begint
+in te vallen, wel niet veel, maar genoeg om de kin iets vooruit te
+doen springen. De diepe plooien, van de neusvleugels af naar
+beneden, duiden het ook aan. De vleezigheid van de wangen doet in
+die plooien weer kleinere ontstaan. Als vrouwen zestig jaar zijn,
+begint dat langzamerhand te komen. Bij dezen leeftijd behoort de
+blozende gelaatskleur, en behooren verder de twee uitgezakte
+rondingen links en rechts van de kin, de vierkante vorm van het
+gezicht, de golvende lijn, die den omtrek van de rechterwang
+aanduidt en het hooge voorhoofd. Deze ouderdomskenmerken voegen
+zich heel gemakkelijk bijeen. Van geen enkel krijgen we het idee,
+dat het in dit gezicht niet past. Als de schilder er ook maar
+&eacute;&eacute;n overdreven had voorgesteld, zouden we dat
+terstond als eene fout hebben opgemerkt. De plooien aan de
+mondhoeken zijn in een of ander gezicht soms wel dieper, de kin
+vooruitstekender, de mond meer ingevallen, maar in dit portret gaat
+alles tot zoo'n graad, dat er volmaakte eenheid blijft bestaan.
+Geen enkele eigenschap springt uit den band. Alles is om zoo te
+zeggen op een goudschaaltje afgewogen.
+<p class="c2">Wel moet de schilder het model dus door en door
+hebben begrepen, als hij in zijn hand en in zijn penseel voelde,
+hoe diep hij een plooitje moest zetten, om bij al het overige te
+passen. Waar een groefje van den rechtermondhoek schuin naar
+beneden zakte, vond hij in de omtrekslijn van de wang een bochtje,
+dat daaraan beantwoordde. En hij zette het een niet, zonder het
+ander in 't oog te houden.
+<p class="c2">Neus en oogen zijn volmaakt in overeenstemming met de
+rest. Op den leeftijd van juffrouw Bas is de rug van den neus niet
+meer smal en kantig, maar breed en naar beide zijden rond
+afloopend. Alleen de punt en de vleugels zijn nog scherp geteekend.
+Onder de oogen vormen zich zware plooien; ook zakt er een van de
+wenkbrauwen schuin naar den buitenhoek van het oog. Hieronder komt
+het vleezige bovenste ooglid te voorschijn.
+<p class="c2">Deze bijzonderheden hebben alle denzelfden leeftijd;
+de eene toont niet ouder dan de andere. Nergens een trekje dat te
+donker, te licht, te diep of te oppervlakkig, te ouwelijk of te
+jeugdig is. Al deze geschilderde zaken zitten rustig bij elkaar,
+zonder dat het een het ander overschreeuwt.
+<p class="c2">Rustig kijkt het gezicht ook uit de oogen. De blik
+heeft wat bijzonders, zooals we dat bij sommige menschen wel
+opmerken: hij houdt het midden tusschen glimlach en ernst. We
+weifelen tusschen deze twee. En om den mond speelt een trekje, dat
+ons ook in het onzekere laat. Niet doordat Rembrandt onvast
+schilderde, maar het gelaat zelf droeg een plooi van gemengde
+aandoeningen.
+<p class="c2">De hoofdindruk is die van ernst en wijsheid en van
+vertrouwen, dat ze inboezemt. De wijsheid is het inzicht van een
+persoon, die in haar leven veel heeft moeten regeeren en leiden,
+die veel aan beraadslagingen deelgenomen heeft; men ziet haar de
+eigenschappen aan, om weeshuizen te besturen, om oneenigheden
+tusschen regenten te beslechten, om beide partijen aan te hooren,
+een ieder aan te moedigen om te zeggen, wat op het hart ligt, maar
+daarna wekt zij ook de verwachting, dat met gestrengheid uitspraak
+zal worden gedaan, gestrengheid echter, die vrij van
+hardvochtigheid is. We zien dit gelaat gaarne voor ons, niet zooals
+we misschien behagen vinden in lieve engelenkopjes, maar omdat we
+Elisabeth Jacobs Bas eene lieve vrouw vinden. Wel ook eene
+verstandige, maar vooral eene lieve vrouw.
+<p class="c2">Terwijl Rembrandt op het gelaat, dat voor hem zat,
+deze roerselen van karaktergeheimnissen las, wist hij er zich
+bovendien zoo juist rekenschap van te geven, dat zijn penseel ze in
+lijn en kleur kon vastleggen. Hij was menschenkenner zoowel als
+kunstenaar. Houdingen, vormen, gebaren en trekken nam hij
+nauwkeurig waar. Maar de menschelijke natuur, die daarachter
+schuilt, niet minder. Zooals iemand in een stoel gaat zitten en de
+handen over elkaar legt, zoo is ook zijn levenstaak en zijn
+karakter; dat had de omgang met menschen hem geleerd. Met wat een
+aandacht moet hij de personen uit zijne omgeving hebben bestudeerd!
+Wij, die in een tijd van veel drukker verkeer leven, als wij in
+eenen spoortrein zitten, en iemand komt de coup&eacute; binnen,
+kunnen wij maar amper aan zijn manier van plaats nemen zien, of hij
+veel heeft gereisd dan of reizen iets ongewoons voor hem is. En wat
+is dit aan de oppervlakte, vergeleken bij de karakterhoedanigheden,
+welke Rembrandt zag in de personen, die tegenover hem gingen
+zitten. Hoe veel en hoe ernstig moet hij zich met menschen hebben
+beziggehouden, om hun innerlijk leven zoo op het uiterlijk af te
+lezen.
+<p class="c2">En toch heeft men willen beweren, dat hij in
+zichzelven gekeerd, teruggetrokken, bijna eenzelvig leefde, geen
+menschen zag, geen omgang had en weinig van menschen hield. Dit
+&eacute;&eacute;ne portret bewijst voor het tegendeel genoeg. Wie
+dit kan maken, kent den mensch, bestudeert hem, zoekt hem en voelt
+zich tot hem aangetrokken.
+<p class="c2">Als we nu nog even de aandacht aan de kleederdracht
+dier dagen schenken, merken we op, met hoeveel welgevallen de
+schilder den in 't oog loopenden plooikraag zag. Om eens eene
+ongepaste vergelijking te maken: het is, alsof het hoofd, waarin al
+die wonderlijke zaken van gemoed en karakter worden opgemerkt, aan
+den beschouwer wordt gepresenteerd op een schotel van blanke
+reinheid. In zuiveren, afgeronden vorm teekent het zich daartegen
+af. Linten, strikken, koralen of andere sieraden misleiden de
+aandacht niet. Zelfs geen haardos. Een linnen kapje of mutsje
+voltooit de witte omlijsting, waarin het gelaat ons alles kan
+zeggen, wat het te zeggen heeft.
+<p class="c2">Wat is die kraag er mooi opgezet! Luchtig en
+kraakfijn staat de kant in de plooien. Overal van die bijna
+doorschijnende schaduwtinten, zooals men ze ook ziet op
+verschgevallen luchtige sneeuw. Hoe zuiver loopt de ronde lijn over
+de borst en de schouders achter om het hoofd heen; nog net even
+kunnen we voelen, dat de kraag aan de achterzij iets uit het platte
+vlak doorgezakt is.
+<p class="c2">Men ziet, het zijn niet alleen de raadselen van een
+menschelijk gemoed, waarnaar Rembrandt zocht, ook het eenvoudigste
+ding keek hij aan en weer aan, tot hij kon zeggen: zoo doet het
+zich aan mijn oog voor. Hij tastte zijn model eerst in het hart aan
+en gaf uitdrukking aan het persoonlijk karakter; maar dan had hij
+ook aandacht voor de bijzaken en schepte er behagen in, eenen kraag
+in de plooi of een weduwenkapje in de stijfsel te zetten.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="KUNST_VAN_GROEPEEREN"></a>
+<h2 class="c4">KUNST VAN GROEPEEREN.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Weinige van Rembrandts werken hebben onder het groote
+publiek zoo'n bekendheid gekregen, als het Korporaalschap van Frans
+Banning Kok. Het bevindt zich in het Rijksmuseum te Amsterdam en
+dagteekent uit het jaar 1642.
+<p class="c2">De beschouwer voelt zijn blik het eerst getrokken
+door twee personen op den voorgrond. Het zijn Frans Banning Kok en
+Willem van Ruitenberg.
+<p class="c2">Op andere portretten wordt men nu eens het eerst door
+dit, dan weer door dat gezicht geboeid; de een begint zijne
+beschouwing met dezen, de ander met genen kop; de massa gezichten
+is gewoonlijk verwarrend, met het gevolg, dat het weinig kan
+schelen, waarheen men den eersten blik wendt.
+<p class="c2">Maar op dit portretstuk richt iedereen dien altijd
+naar het zelfde tweetal.
+<p class="c2">Dit feit is niet van geringe beteekenis, al klinkt
+het eenvoudig. De schilderij krioelt, om zoo te zeggen, van
+menschen; en bij dergelijke stukken wil het wel eens zoo wezen, dat
+niet ieder een vast uitgangspunt vindt. Vergelijk bijvoorbeeld de
+intocht der Kruisvaarders in Jerusalem (van Piloty) er maar eens
+bij. De blik dwaalt onrustig heen en weer, is nu eens bij het
+groepje, dat een kruis met palmen torst, dan bij den ridder, die
+het kleine tegenstribbelende kindje op den arm draagt, of bij den
+rijkaard, die sieraden in het kleed van een bedelaar werpt.
+<p><img alt="" border="0" src="images/nachtwacht.png" width="602" height=
+"499">
+<p class="c2">[De Nachtwacht.]
+<p class="c2">Het wordt den beschouwer niet duidelijk,
+w&agrave;&agrave;rop hij in hoofdzaak zijne aandacht moet vestigen;
+er zijn tal van groepen, die hij geneigd is, mooi te vinden, maar
+ze houden met elkaar geen verband; er is geen zwaartepunt in het
+stuk; men blijft onzeker omtrent de bedoeling. Toch moet bij Piloty
+eene bedoeling hebben bestaan; het zal bijvoorbeeld deze geweest
+zijn: te laten zien, hoe vroom en deemoedig een paar groote vorsten
+geknield de stad binnenkropen en de heilige plaats naderden. Maar
+men merkt niet, dat daar alles om draait; de bijzaken verwarren
+ons.
+<p class="c2">Zoo heel eenvoudig is het dus niet, om de aandacht te
+vestigen op de hoofdzaak. Merken we dit ook niet dikwijls op bij
+schrijvers, als ze zich neerzetten, om uitspanningslectuur te
+schrijven? Ze meenen wel, dat ze ons iets aardigs hebben te
+vertellen, maar het raakt zoek in den grooten omslag van het
+geheel; we halen het er niet uit onder het lezen. Als we het boek
+uit hebben, weten we nog niet, waarom de schrijver het geschreven
+heeft.
+<p class="c2">Laten we dus beginnen met omtrent het Korporaalschap
+te verklaren, dat het al vast deze goede eigenschap heeft: ieder
+beschouwer kan steeds in dezelfde twee personen de hoofdzaak
+aanwijzen, op welke Rembrandt de aandacht wilde vestigen.
+<p class="c2">Waarom heeft hij dit gewild? Waartoe dient het, dat
+we allen het eerst aan Banning Kok en Ruitenberg onze aandacht
+schenken?
+<p class="c2">Toch zeker niet om ons te laten zien, hoe fraai hunne
+kleeding, hoe druk hun gesprek, hoe vriendschappelijk hun omgang
+is; of hoe 'n mooie hand Banning Kok heeft, hoe aardig de zon
+daarop schijnt en de schaduw over het kleed van Ruitenberg doet
+vallen. Dit zijn zaken van ondergeschikt belang; ze hebben voor de
+uitbeelding van een vendel schutters niet zooveel beteekenis, dat
+daarvoor de aandacht het eerst op de beide genoemde figuren moest
+worden gevestigd.
+<p class="c2">Dit heeft eene andere bedoeling, en we zullen die
+vrij zeker opmerken, wanneer we, met een stukje papier of met een
+paar vingers, den kapitein en zijnen luitenant bedekken en aan
+onzen blik onttrekken.
+<p class="c2">De overblijvende figuren staan nu stil. Besluiteloos
+staan ze op een hoop bij elkaar. Het vendel komt niet meer van
+zijne plaats; het wacht. De gang, die er in zat, is er uit. Wel
+zijn er nog eenige figuren in gaande beweging uitgebeeld, maar het
+geheel maakt den indruk van talmend en treuzelend halt houden.
+<p><img alt="" border="0" src="images/intochtinjeruzalem.png" width="616"
+height="435">
+<p class="c2">[Intocht in Jeruzalem (van Piloty).]
+<p class="c2">Zoodra we de bedekking wegnemen, komt het heele
+vendel weer vooruit. De schilderij geeft niet een groep schutters,
+in schilderachtige wanorde bijeengeplaatst, ze geeft het uitrukken.
+Het vendel rukt uit. En het zijn de twee officieren, die er actie
+aan geven. Door hun bewegen wordt alles in beweging gezet. Hun gaan
+geeft gang aan de heele compagnie.
+<p class="c2">Was er dus ook reden voor Rembrandt, om voor deze
+twee figuren de hoofdaandacht te vragen? In hen bracht hij alle
+actie bijeen, die voor het heele vendel noodig was, en spaarde ons
+de vervelende vertooning van eene gansche verzameling gaande beenen
+en gaande voeten.
+<p class="c2">Hebben we nu niet meteen het antwoord op de vraag,
+waarom Banning Kok en Ruitenberg ten voeten uit zijn afgebeeld, en
+waarom ze ook, ten voeten uit, in het licht zijn gezet? Het kwam op
+hunne beenen juist aan! Ze moesten aan 't loopen voor eene heele
+compagnie!
+<p class="c2">Laten we de beweging van dit gaan eens aandachtig
+beschouwen, en ons daartoe voor den geest halen, wat we opmerken
+aan menschen, die langs den weg loopen. Dit bepaalt zich volstrekt
+niet tot het regelmatig en afwisselend verplaatsen van de beenen.
+Eerstens komt daar gewoonlijk bij het heen en weer gaan van de
+armen, wat toevallig bij de beschouwing van onze twee figuren van
+geen belang is, omdat ze geen van beiden de armen los laten hangen.
+Tweedens: in het geheele lichaam eene beweging, waarop we hier wel
+de aandacht moeten vestigen. Bij elken pas gaat namelijk het lijf
+en daarmee het hoofd op en neer; het rijst en daalt. Bijzonder
+duidelijk nemen we dit waar, als een troepje menschen zich met
+elkaar voortbeweegt zonder in den pas te marcheeren; al de hoofden
+en hoofddeksels dobberen dan op en neer, als door eene deinende
+golfbeweging. Duidelijk is dit vooral, als ze achter een niet te
+hooge haag aan ons oog voorbij trekken.
+<p class="c2">En zie, het is dit op en neer deinen van de
+bovenlichamen, wat we in Banning Kok en Ruitenberg beginnen te
+voelen, als we ons de moeite geven, eenigen tijd aandachtig hun
+gaan aan te kijken. De tweede schijnt juist het oogenblik door te
+maken, dat hij omhoog veert, terwijl de eerste dit net weer achter
+den rug heeft. Eene schilderij kan wel is waar geen werkelijk
+bewegen te zien geven, maar toch kan de schilder uit de kleine
+veranderingen, die tezamen de actie uitmaken, eene zoodanige keuze
+doen, dat wij den indruk krijgen, alsof het beeld de beweging zelf
+te zien geeft. Dit gelukt hem alleen, als hij eene nauwgezette
+studie van de zaak maakt, en als hij van nature bedeeld is met het
+juiste gevoel voor actie, voor veerkracht en voor evenwicht. Hij
+moet zich, al werkende, levendig voor den geest kunnen stellen, hoe
+hij eene menschelijke gedaante langs den weg heeft zien gaan, hoe
+elk lichaamsdeel op eigenaardige wijze aandeel kreeg in de beweging
+van het gaan, hoe een hoofd zich telkens even omhoog richt bij het
+verplaatsen der lichaamszwaarte van het eene op het andere been.
+Naar een model, dat in zijn atelier de verlangde houding en stand
+aanneemt, kan hij niet werken, als hij zoo iets wil weergeven. Het
+verkeert in rust, en om de rust is het hem juist niet te doen. Voor
+eene figuur als van Ruitenberg zou een model hoogstens de plaatsing
+van de voeten en de buiging van de beenen te zien kunnen geven.
+Maar niet het omhoog veeren, het opbeuren, dat ons in het
+bovenlijf, in den hals en het hoofd zoo treft. Hoe langer men er op
+ziet, hoe minder men zich aan dien indruk kan onttrekken. En
+tegelijk beginnen we op prijs te stellen, dat de schilder zijn
+volle licht en zijne lichtgele kleedingstoffen spaarde voor deze
+figuur; zij springt daardoor des te beter in 't oog.
+<p class="c2">Er is naar aanleiding van dit onderwerp nog eene
+opmerking te maken: de twee vrienden loopen namelijk niet gelijk.
+<p class="c2">Reeds trok het onze aandacht, dat ze niet in
+denzelfden pas marscheeren. Terwijl Banning Kok zijn rechterbeen
+juist naar voren gebracht heeft, en hij zijne lichaamszwaarte bezig
+is op dat been over te brengen, is het rechterbeen van Van
+Ruitenberg reeds gestrekt, het ondersteunt diens zwaartepunt en
+geeft aan het linkerbeen gelegenheid om naar voren te komen; de
+voet rust dan ook nog slechts met de punt van den teen op den
+grond.
+<p class="c2">Maar behalve het verschil in tijdmaat, is er een
+wezenlijk onderscheid in de manier van loopen. Men zou elk van hun
+twee&euml;n er aan kunnen herkennen, zooals we trouwens onze
+kennissen dikwijls herkennen aan hunnen gang.
+<p class="c2">Ruitenberg maakt groote passen, bijna te groot voor
+iemand van zijne lengte. Hij komt met eene zekere drift opzetten.
+Zijne nadering heeft min of meer een dreigend aanzien. Het
+linkerbeen, dat zich thans nog achter bevindt, wil zich gestrekt en
+op eene vinnige, kordate manier naar voren bewegen.
+<p class="c2">Als ons oog van dit driftige, besliste mannetje naar
+den grooten, vierkanten Banning overgaat, doet diens voetstap ons
+weldadig aan. Rustig en goedsmoeds schrijdt hij voort. Wel ook met
+meer dan gewoon burgelijke snelheid, even goed als zijn buurman,
+maar zijn gang is niet nijdig, niet gestrekt, niet als de gang van
+den gymnast, die zijne leden aan korte, besliste bewegingen went.
+<p><img alt="" border="0" src="images/groepuitdenachtwacht.png" width=
+"577" height="690">
+<p class="c2">[Groep uit de "Nachtwacht".]
+<p class="c2">Zooals hij daar aan komt stappen, heeft hij eerder
+iets vertrouwelijks over zich dan de kleine Kuitenberg.
+<p class="c2">Dit onderscheid in beider gang is door den schilder
+aan de twee levende personen nauwkeurig ontleend. Want het behoeft
+onze aandacht niet te ontgaan, dat hetzelfde verschil ook spreekt
+uit beider lichaamsbouw en vooral uit beider gelaatstrekken. De een
+ziet met een vol, breed gezicht de wereld in, uit een paar wijd
+geopende en vrijmoedig opziende oogen. De andere heeft in zijne
+magere trekken niet dat aantrekkelijke; hij mag wat scherpzinniger
+wezen, scherper is hij ook, en hij ziet min of meer sluw onder den
+hoed uit, die hem in de oogen zit, terwijl Kok dat kleedingstuk
+achter op het hoofd staat. Ieder mensch draagt zijnen hoed, zooals
+zijn karakter is.
+<p class="c2">De gang is dus in overeenstemming met grootte, met
+breedte, met gelaatsuitdrukking, vermoedelijk ook met karakter. Dit
+verleent aan de twee naast elkaar loopende figuren het echte leven;
+de een is een geheel ander mensch als de ander. Aan beider
+eigenaardigheden heeft de schilder recht gedaan, terwijl hij
+bovendien de actie van hun gaan wist te gebruiken, om aan de heele
+groep van personen de bewegelijkheid te geven van een troepje
+uitrukkende schutters.
+<p class="c2">Want, om den hoofdindruk van onze schilderij niet uit
+het oog te verliezen,-dit uitrukken is eigenlijk <i>het</i>
+onderwerp, dat de schilder behandelen wilde. We behoeven niet lang
+te raden, waarom hem dit aantrok. Sinds overoude tijden is het
+uittrekken van de gewapende macht een soort volksfeest, dat toen
+zoowel als nu zich mocht verheugen in de belangstelling van het
+publiek. Wie zal ook ontkennen dat het een levendig, een aardig
+tooneeltje is, zoo door de straten den bonten stoet te zien
+voortmarscheeren, muziek of trommelslag voorop, vaandels boven de
+hoofden vliegend, wapens blinkend en kletterend, het geheel door
+straatjeugd omstoeid, door volwassenen met welgevallen
+gadegeslagen.
+<p class="c2">Het lag voor de hand, dat zoo'n tooneeltje hem
+geschikt voorkwam, om daarin de bestelde portretten tot een geheel
+te vereenigen.
+<p class="c2">Het tweetal, dat aan het hoofd van den stoet
+marscheert, en dat zijne beweging aan de gansche schaar weet mee te
+deelen, heeft nu intusschen nog eene andere taak te vervullen. In
+hen moet ook blijken, wie het zijn die hier uitrukken.
+<p class="c2">Al dadelijk zien we in gestalte, houding en fieren,
+vasten gang iets, dat ons zou bevreemden, als we het opmerkten in
+twee burgerluitjes, die samen een straatje omwandelden. Wanneer we
+twee deftige heerschappen met zooveel tred, zooveel levendigheid en
+met zoo'n druk handbeweeg door onze straten zagen passeeren, zouden
+we zeker meenen dat een ernstig ongeluk was gebeurd, en zij er op
+uitgingen om hulp van politiemacht in te roepen. Hier is iets
+uitgedrukt, dat strijdt met het gewoon burgerlijke; en dit was
+juist noodig om van de figuren militairen te maken. Ze hebben het
+krijgshaftige gekregen, om te zijn, wat ze moesten wezen:
+schutters; en wel schutters, aan wie de verdediging der stad zou
+kunnen worden opgedragen in tijden van oorlog.
+<p class="c2">Voor het gansche vendel zijn de officieren met
+militaire eigenschappen toegerust.
+<p class="c2">Toch zijn ook weer zij het, die in het militaire het
+burgerlijke mengen. Het stuk mocht niet ontaarden in de
+voorstelling van eene krijgshaftige groep veteranen uit het
+beroepsleger van stadhouder Frederik Hendrik.
+<p class="c2">Dit zou gebeurd zijn, als de aandacht meer en in
+hoofdzaak ware gevestigd geworden op het echte krijgsmansuiterlijk
+van den man, die onder het gaan zijn geweer laadt, links van
+Banning Kok, of op de drie, die we weer links van dezen waarnemen.
+Allemaal typen van krijgslieden.
+<p class="c2">Maar de gezichten van Ruitenberg en Kok zijn geen
+troni&euml;n van in kruitdamp verweerde veteranen. Men houdt ze wel
+dadelijk voor burgerlijke ingezetenen, die met den krijgsmansstand
+weinig gemeen hebben. Het blijven burgers, zij het dan ook burgers,
+die zich vandaag als mannen van wapenen doen gelden. Al doen ze dit
+laatste goed, men ziet hen wel aan, dat zij in een vredelievenden
+kring thuis behooren. Banning Kok is niets meer of minder dan
+Wethouder van Amsterdam en zit in die functie op het kussen naast
+dokter Nicolaas Tulp, wiens portret Rembrandt tien jaren vroeger,
+in 1632, had gemaakt.
+<p class="c2">In het welsprekend handgebaar van den kapitein vinden
+we ook iets, dat in strijd is met soldatenmanieren, of althans
+geene strijdlustige bedoelingen verraadt. Het geeft wel is waar aan
+den persoon eene levendigheid, die een burger, als hij zich door de
+straat beweegt, vreemd zou staan en eerder aan den krijgsmansstand
+doet denken; maar tegelijk is het toch ook van eene vreedzame
+natuur; we kunnen dezen krijgsman geen andere oogmerken
+toeschrijven, dan om met zijn mannen uit te trekken, en vreedzaam
+oefening te houden in het hanteeren van de lans of het schieten op
+een doel, misschien op den haan, dien het meisje draagt. Zoo
+gemoedelijk loopt niet de landsverdediger te gesticuleeren, die den
+wreeden vijand tegemoet gaat, en vrouw en kinderen voor 't laatst
+vaarwel heeft gezegd; en zoo rustigjes loopt een ander niet met de
+hand in de zij, te luisteren naar het discours van eenen lotgenoot.
+<p class="c2">Het zijn dus ook al weer Banning Kok en Van
+Ruitenberg, in wie het karakter uitgedrukt is van het soort
+krijsvolk, dat hier uitrukkende is voorgesteld. Evenmin als het
+voorafgaande, is dit door Rembrandt op diepzinnige wijze verzonnen;
+het denkbeeld lag voor de hand. Althans, we krijgen den indruk, dat
+dit zoo was. Groote kunstwerken wekken gewoonlijk de gedachte, dat
+ze eenvoudig van opvatting en samenstelling zijn, dat ze den
+kunstenaar gemakkelijk van de hand zijn gegaan.
+<p class="c2">Het middel, dat aangewend is om de hoofdpersonen
+onder ieders aandacht te brengen, is eveneens heel eenvoudig; de
+schilder heeft ze letterlijk in 't licht gezet, en de rest van zijn
+doek nogal rijkelijk met schaduw bedacht. Of dit licht de kenmerken
+heeft van zuiver daglicht, dan wel of er iets onnatuurlijks in is,
+kan men niet beoordeelen met eene zwarte prent voor zich; het zijn
+de kleuren, die dit uitwijzen, en deze kan men alleen zien op het
+origineel in het Rijksmuseum.
+<p class="c2">Maar dat het een helder en schitterend licht is, laat
+geen twijfel over, ook niet als op onze plaat de kleuren ontbreken.
+Toch heeft men lang in twijfel verkeerd, met welk licht men hier te
+doen had. De donkere achtergrond bracht velen op het idee, dat
+Rembrandt een nachtelijk tooneel bedoelde, bij voorbeeld het
+rondgaan van een nachtwacht van schutters, bij het licht van
+toortsen of flambouwen.
+<p class="c2">Vooral Fransche reizigers, die in de achttiende eeuw
+Amsterdam bezochten en op de "Voetboogdoelen" tegen den breeden
+schoorsteen het stuk gingen zien, stonden er vast op, dat het de
+ommegang van de nachtwacht was. Langzamerhand hebben onze
+voorouders zich daarbij neergelegd. In den pruikentijd schijnen zij
+niet veel oog voor schilderkunst gehad te hebben, en vertrouwden ze
+er op, dat een Franschman het weten kon. Men ging dus spreken van
+"de Nachtwacht" van Rembrandt. En dien naam behield het stuk, toen
+het naar het stadhuis, en zelfs later nog, toen het onder de
+regeering van Lodewijk Napoleon in 1808 naar het museum verhuisde,
+toen deze koning het stadhuis inrichtte tot vorstelijk paleis. Meer
+dan honderd jaar is het een Nachtwacht gebleven; eerst in de
+negentiende eeuw brak de morgen aan, begon het daglicht te gloren,
+en zag men het bespottelijke van de benaming in. In den mond van
+het volk leeft die echter nog voort.
+<p class="c2">Zoo zien we, hoe weinig er maar noodig is, om wit
+zwart en zwart wit te heeten, om van dag nacht te maken. Als men de
+bedoeling van den kunstenaar maar net precies niet vat, keert men
+ze totaal om. Wie thans de schilderij onder goede verlichting ziet,
+kan niet gelooven, dat onze voorouders den dag voor nacht hebben
+gehouden, zoolang hun de schellen niet van de oogen waren gerukt.
+Zij heeft met nacht niets te maken, of men moet zich voor den geest
+roepen, in welk jaar Rembrandt's penseel dit meesterwerk voltooide.
+Het was in 1642, in het jaar toen hem Saskia door den dood ontviel,
+toen hij alleen in zijn groote huis achterbleef met een kind van
+nog geen jaar, en avond aan avond eenzaam in het woonvertrek zat,
+waar zijn jonge vrouw zoo dikwijls tegenover hem had gezeten, als
+hij uit zijn werkplaats met teekengerei was binnengekomen, om in
+huiselijke gezelligheid allerlei schetsen te maken. Het was het
+jaar, toen voor hem het licht onderging, dat acht jaren lang zijn
+levensweg had beschenen. Droefenis en somberheid waren in zijn
+huis, droefenis en somberheid waren ook in zijn gemoed. Hij
+doorleefde een tijd, die was als een nacht van troosteloosheid.
+Slechts &eacute;&eacute;n ding kon hem staande houden in zijn leed;
+dat was zijne kunst. Zijne liefde voor het penseel hield den
+levensmoed er in. Uit die dagen van droefheid werkte hij zich op,
+grooter en roemvoller dan voorheen. Treffender wordt voor ons zijne
+groote kunst, als we weten, welke omstandigheden zijn gemoed
+beheerschten. We zien dit meesterstuk van het sombere jaar 1642 als
+een lichtgestalte staan tegen den donkeren achtergrond van zijn
+huiselijk leed.
+<p class="c2">In zooverre is het gepast, het korporaalschap van
+Frans Banning Kok Rembrandt's Nachtwacht te noemen. Maar overigens
+lijdt het geen twijfel, of de hoofdpersonen zijn in het volle
+daglicht geplaatst.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="VERVOLG_VAN_T_KORPORAALSCHAP"></a>
+<h2 class="c4">VERVOLG VAN 'T KORPORAALSCHAP.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Na deze uitvoerige bespreking van een paar
+hoofdpunten, kunnen we slechts kort nog bij eenige ondergeschikte
+zaken stilstaan.
+<p class="c2">We merken dan eerst op, hoe fraai de schaduwkant van
+Bannings linkerhand tegen de lichtkantjes staat langs duim en
+vingers, hoe los en welsprekend het gebaar is, en hoe de
+slagschaduw geworpen wordt op het kleed van Ruitenberg. Ze ligt er
+niet op, zooals de randversierselen er vast op zitten, maar ze
+glijdt er los en bewegelijk overheen. Het eene maakt deel uit van
+het wambuis, het andere niet. Ook bij het lijk op de Ontleedkundige
+les merkten we, hoe zorgvuldig Rembrandt bestudeerde de manier van
+eene schaduw om ergens op te vallen.
+<p class="c2">Bij het beschouwen van de vier voortschrijdende
+beenen herinneren we ons die van Michiel de Ruyter en Zeeger op de
+plaat: "Dat is onze man." Bij Banning Kok en Ruitenberg alles
+verschillend: schoeisel, kleeding, kleur en bouw, houding, beweging
+en stand.
+<p class="c2">Het is natuurlijk, dat de beschouwing van dit stuk
+zich grootendeels bepaalt tot de hoofdpersonen. De tijdgenooten, en
+vooral de leden van het schuttersvendel merkten dit ook op en
+namen, voor zoover ze er belang bij hadden, het den schilder
+kwalijk. Eerlijk gezegd, we kunnen hun geen ongelijk geven.
+<p class="c2">Ieder lid van de compagnie moest een som van honderd
+gulden betalen. En hoe waren sommigen voor dit bedrag op het doek
+gebracht? Aan den rechterkant, waar de man met witten kraag zijn
+hand uitsteekt, staat achter diens arm een persoon, die op het
+portret van zijn heele gezicht niets dan twee oogen en een stuk
+neus terugvond. Wel wat weinig voor zijn honderd gulden!
+Verklaarbaar is het, dat Rembrandt het na 1642 met bestellingen van
+schutterstukken niet druk meer gehad heeft. Het was zijn eerste en
+zijn laatste.
+<p class="c2">Toch heeft hij van enkele personen veel werk gemaakt.
+Eene aangename figuur bijvoorbeeld is de man, die links van den
+kapitein zijn geweer laadt. Er is in de wijze van gaan iets
+onzekers, iets dat aan waggelen, aan wijdbeens loopen doet denken.
+Dit is scherp opgemerkt van den schilder. We voelen er de
+onvastheid in van iemand, die, al loopende, met beide handen iets
+bezig is te doen aan een zwaar voorwerp, en die het gemis merkt van
+zijne armen, welke anders onder het gaan door slingerbeweging een
+gevoel van gemak en evenwicht geven.
+<p class="c2">Wat ons het meest verwondert, ook Banning Kok was met
+zijn konterfeitsel niet tevreden! Hij noodigde voortaan andere
+schilders uit, als hij zijn eigen beeltenis, die van zijn vrouw of
+die van zijn korporaalschap wenschte te hebben. We weten, dat een
+zekere Ludens er in 1660 een van hem gemaakt heeft, maar het
+nageslacht stelde weinig prijs op het stuk; in 1712 is het nog eens
+voor f263 verhandeld; daarna ging het waarschijnlijk verloren.
+Banning Kok nam het Rembrandt misschien kwalijk, dat die hem een
+gelaatskleur had gegeven van nogal in 't oog loopende roodheid.
+Voor de ware schoonheid zal hij mogelijk net zoo weinig hebben
+gevoeld als de dichter Joost van den Vondel. Deze, een tijdgenoot
+van Rembrandt, wonende als hij in Amsterdam, heeft allerlei
+beroemde personen in gedichten bezongen, maar nooit den grootsten
+onzer schilders. Hij had, naar het schijnt, geen begrip van
+schilderkunst. E&eacute;n keer spreekt hij een oordeel uit over een
+portret, door Van Rijn geschilderd, en zegt dan onder anderen:
+<p class="c2">"De verf vergaat, de deugd zal eeuwig blijven."
+<p class="c2">Zoo'n versregel is pittig en heeft klank. Een
+oogenblik zijn we geneigd het eens te zijn met wat de dichter
+beweert. Immers, de roem van buitengewone deugden is
+onvergankelijk, en eene verfkorst kan vergaan. Maar bij nader
+inzien blijkt alles maar woordenspel te zijn. De persoon, op het
+portret uitgebeeld, is met zijnen roem, met zijne deugden, met
+zijnen naam reeds lang vergeten; de onvergankelijkheid was niets
+dan een dichterlijk compliment. Het geminachte verfkorstje bestaat
+echter nog, wordt in eere gehouden, is voor geen goud te koop en
+maakt de glorie uit van zijnen bezitter. Van vergaan is geen
+sprake: deze veronderstelling was slechts eene dichterlijke
+onnoozelheid. "De deugd verging, de verf leeft voort." De tijd
+heeft Vondel gelogenstraft.
+<p class="c2">We mogen van het Korporaalschap niet afstappen zonder
+het naast de Anatomische les te hebben gelegd. Beide schilderijen
+zijn portretstukken, waarop eene groep van meerdere personen is
+voorgesteld. Op beide heeft de schilder getracht, om het stijve van
+een troepje menschen, dat bij elkaar staat of zit, te vermijden.
+Hij bracht er een denkbeeld in; de beschouwer kan meenen, dat het
+eene dient om te laten zien, hoe eene ontleedkundige les gegeven
+werd, het andere hoe de zeventiende-eeuwsche schutters uitrukten om
+op het doel te schieten. En intusschen ontbreken de goede
+eigenschappen van een portretstuk in geen van beide.
+<p class="c2">Tot zoover gaan de stukken gelijk met elkaar op. Er
+is echter ook verschil. En dit moet ons niet verwonderen. De Les
+dagteekent uit 1632, Banning Kok uit 1642. Daar liggen tien jaren
+tusschen, een tijdperk, dat in het leven van ieder mensch iets
+beteekent, maar dat van veel beteekenis moet zijn in het leven van
+een kunstenaar. In die tien jaren had Rembrandt wel opnieuw een
+groot man kunnen worden, als hij in 1632 al zijne kunst eens had
+verloren. Wat moet zijne vaardigheid en zijn schildersoog dan wel
+gewonnen hebben, nu hij bleef, wie hij was, en tien jaren achtereen
+dagelijks teekende, etste en schilderde.
+<p class="c2">We kunnen helaas aan zwarte nadrukjes niet al de
+veranderingen zien, die 's meesters wijze van werken heeft
+ondergaan tusschen de Les en Banning Kok. Maar althans
+&eacute;&eacute;n zeer belangrijke merken we op, en die leert ons
+veel.
+<p class="c2">Op de Les wordt eene hoofdrol gespeeld door het
+cadaver. Dit is het voornaamste middel, waarmee de schilder aan het
+portretstuk de beteekenis van eene gebeurtenis geeft. Het is echter
+een willekeurig toevoegsel, dat er alleen op gekomen is, omdat
+Rembrandt dat zoo had verzonnen. Of misschien was het denkbeeld wel
+van een ander afkomstig. In elk geval: het is een toevoegsel, dat
+niet meewerkt, om de bedoeling van het stuk te bevorderen. De
+portretten worden er niet beter om. Wel stelt het Dr. Tulp in de
+gelegenheid, om mooi en ernstig les te staan geven, zooals hij dat
+kon, wanneer hij bezig was; maar daartoe was eene kleinigheid ook
+voldoende geweest: een beentje, een schedel, eene bladzijde uit een
+boek, of iets dergelijks. Nu ligt daar het lijk; de zon beschijnt
+het; het vormt den aantrekkelijksten hoek van het geheele stuk;
+mooi bewerkt is het; alles goed en wel. Maar-het had gemist kunnen
+worden.
+<p class="c2">Een dergelijk verwijt treft het Korporaalschap niet.
+Wat daar aangewend is, om gebeurtenis in het stuk te brengen, is
+aan de hoofdpersonen zelf ten goede gekomen. D&aacute;&aacute;r
+geen aandacht dan voor hen, op wie ze plichtmatig door den schilder
+gevestigd moest worden. D&aacute;&aacute;r alleen opeenhooping van
+goede eigenschappen in twee personen, om de andere figuren te
+ontlasten en onzen blik meer op &eacute;en punt te vestigen. Dat
+&eacute;ene punt is wel degelijk een onmisbaar onderdeel van het
+geheel.
+<p class="c2">De tien jaren zijn voor Rembrandt dus niet
+onvruchtbaar voorbijgegaan. We erkennen, dat het cadaver op de Les
+een gelukkige kunstgreep was om den beschouwer te boeien; maar we
+worden gewaar, dat tien jaren later hetzelfde doel bereikt wordt,
+zonder het te pas brengen van vreemde zaken. Een bewijs dus van
+grooter meesterschap. Een ander bewijs zien we in de handeling:
+hoeveel malen moet iemand <i>gaande</i> menschen in allerlei stand
+hebben geschetst, om in een portretstuk zooveel vaardigheid aan den
+dag te leggen als hier. De personen op "de Les" toonen daarentegen
+nog weinig beweging, al zijn de handgebaren van Tulp zeer juist
+weergegeven. In 1632 gaf de schilder zijne figuren in rustige
+houding bij elkaar; in 1642 durft hij de beweging tot onderwerp van
+behandeling te nemen; zelfs de persoonlijke onderscheidenheden in
+de beweging.
+<p><img alt="" border="0" src="images/simeonindentempel.png" width="450"
+height="667">
+<p class="c2">[Simeon in den Tempel.]
+<p class="c2">De vergelijking der beide stukken toont aan, dat de
+schilder in de eerste jaren van zijne loopbaan nog niet was, wat
+hij later werd. Wat hij toen maakte was grootsch; maar hij zelf zou
+de man worden, om den vroegen Rembrandt te overtreffen.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="SIMEON_IN_DEN_TEMPEL"></a>
+<h2 class="c4">SIMEON IN DEN TEMPEL.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">De "Simeon in den tempel" is een bijbelsch stuk.
+Maria, de moeder van het Jezuskindje, ligt op den steenen vloer
+neergeknield. Jozef, ook eene knie buigende, houdt in de hand de
+duifjes, die voor offer bestemd zijn. De hoogepriester heft
+zegenend zijne handen op; Simeon heeft het kindje gegrepen, slaat
+het oog naar boven en spreekt de bekende woorden: "Nu laat gij,
+Heer, uwen dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord; mijne oogen
+hebben uwe zaligheid gezien." Een paar landlieden zijn toevallig
+getuige van het tooneel, evenals twee "schriftgeleerden", die op
+den voorgrond op een rustbank zitten. Omhoog welven en kruisen zich
+de tempelbogen, die door weelderig versierde kolommen worden
+gedragen. Daar heerscht schemering, evenals op de breede trap, waar
+tal van tempelgangers op en afgaan.
+<p class="c2">Om reeds bij den eersten aanblik de attentie te
+vestigen op de hoofdgroep, laat de schilder de ruimte van den
+tempel in het halfdonker. Op &eacute;&eacute;ne plaats valt het
+zonlicht naar binnen, en wel door een venster, dat zich links boven
+in het gewelf zal moeten bevinden. De "schriftgeleerden" zitten
+buiten het licht; ofschoon in letterlijken zin op den voorgrond
+geplaatst, trekken ze geenszins het eerst de aandacht. Dat doen
+zeker wel de hoogepriester en Simeon het meest. De eerste door
+zijne koninklijke gestalte, waar, in lange, statige, plooien, de
+mantel omheen hangt. Hij doet denken aan "Jezus" op de eerste prent
+van de "Opwekking van Lazarus". De gebogen lijn, van het hoofd
+achter over den hals en den rug, is hier zuiverder van beloop; bij
+"Jezus" voelen we ter hoogte van den linkerschouder en iets lager
+eene afwijking, die niet duidelijk de bedoeling laat doorschemeren.
+<p class="c2">Zuiver van uitdrukking is de hand; ze wuift en wenkt
+het neergeknielde paar de woorden toe. In de pols is juist genoeg
+buiging achterover, om het gevoel van stille verrukking uit te
+spreken; de hoogepriester neemt deel in de zaligheid van dit
+grootsche oogenblik. Boog de hand zich in neerwaartsche richting,
+dan kregen we den indruk, dat hij min of meer uit de hoogte den
+zegen gaf.
+<p class="c2">De vingers staan uitgespreid, alsof ze tintelen van
+de aandoening, waarmee de plechtigheid hem vervult; vooral de pink
+staat wijd uitgespannen; zoo zien we dat bij iemand, die zijne
+woorden spreekt in ontroerde bezieling.
+<p class="c2">Niettemin is de hand onschoon van teekening. Evenals
+die van Jezus op de eerste Opwekking, is ze breed en plat, de
+vingers zijn kort en stomp, de geleding is niet zuiver gevoeld.
+<p class="c2">In de nijging van het hoofd ligt iets herderlijks.
+Het drukt bezorgdheid en deelneming uit. Zoo staat een geestelijke
+tegenover hen, die zich aan zijne leiding toevertrouwen. Zoo neemt
+hij ze, in figuurlijken zin, onder zijne vleugels, in zijne
+bescherming. En wie zoo toegesproken zijn, keeren huiswaarts met
+een gevoel van vertrouwen op de toekomst, met het geloof, dat alles
+wel goed zal komen.
+<p class="c2">Met de geheele figuur staat in 't licht; alleen dat
+deel, waarin de schilder de uitdrukking wilde leggen. Daar zien we
+ook het duidelijkst, hoe de statiegewaden er om hangen. Lange
+plooien gaan sierlijk van den hals tot op den grond en slepen zelfs
+nog na. Zwaar en dik is de stof. Hier en daar kreukelen de plooien
+overdwars. Van het hoofd af hangt een priesterlijk sieraad over den
+hals en op den rug. Het ligt er rustig en plat uitgespreid. De
+zijlijn volgt de buiging van den hals, de onderkant de ronding van
+den rug. Alles plakt zwaar en solied op elkaar.
+<p class="c2">Het verlichte handje draagt onzen blik van den
+hoogepriester op Simeon over. Het is een licht-schakel.
+<p class="c2">Ontzaglijk is het, de vervoering, de
+geestesverrukking van dezen grijsaard te zien. Men hoort hem met
+groote stem, met woest geluid tot den Heer zijnen God roepen en de
+woorden spreken, die boven aangehaald zijn. Hij acht geen
+omstanders, ziet geen vader geen moeder, geen hoogepriester, maar
+voelt zich het hart zwellen van dankbaarheidsdrift, nu hij den lang
+verwachten Messias in de armen sluit. Het is eene uiting van den
+sterksten hartstocht, eene ontroering, die den aandachtigen
+beschouwer door de ziel gaat.
+<p><img alt="" border="0" src="images/groepuitsimeon.png" width="649"
+height="521">
+<p class="c2">[Groep uit "Simeon in den Tempel".]
+<p class="c2">De moeder Maria, ofschoon niet ten volle begrijpende,
+slaat vol zalig gevoel de handen op de borst tezaam; haar
+moederhart zwelt, nu haar kind den grijsaard zoo in gloed zet en
+hem zulke woorden ontlokt. Jozef, eenigszins in de schaduw gesteld,
+weet nog minder, wat hij van de ontboezeming van Simeon moet
+denken. Toch zit ook hij met vaderlijk welgevallen het tooneel aan
+te zien. Zijn gemoed wordt zachter bewogen dan dat van Maria; zijne
+gevoelens zijn meer gematigd. In het volle licht behoefden ze niet
+gesteld te worden, mits ze toch ook de aandacht niet ontgingen. De
+schilder laat hem daarom neerknielen in de schaduw van den
+hoogepriester. Maar eene zachte, stille weerkaatsing van den gloed
+van Simeon ligt over zijn wezen. Het is eene weerkaatsing van den
+lichtgloed, zoowel als eene weerspiegeling van de gemoedsbeweging,
+maar beide sterk getemperd.
+<p class="c2">Eene belangrijke rol laat Rembrandt de boertjes
+spelen, die toevallig langs de groep heenliepen en even bleven
+staan. Het misbaar van den grijsaard moet zijn oorzaak hebben; wat
+mag er wel aan de hand zijn? vragen ze zich af. Ze komen
+nieuwsgierig een stapje nader. Die met de hooge muts ziet er vrij
+onnoozel uit en zal niet veel wijzer worden, al staat hij er
+vooraan bij. De middelste van de drie is een echt type. Waren ze er
+zoo in de dagen van Rembrandt, in 1631, wij kennen ze zoo nog. De
+handen onverschillig op den rug, het hoofd tusschen de schouders
+gezakt, hoogruggig door den veldarbeid, den kop vooruitgestoken met
+een norsch, bullebakkig gezicht. Men ziet hem aan, dat hij
+ontsticht is over het misbaar. Toch werpt hij een onderzoekenden
+blik op het kindeke, een blik, dien men niet licht vergeet. Terwijl
+hij neerziet, is het, alsof zijn wrevelige trekken zich ontspannen.
+Een klein, teer kindje, wie kan daarbij ook onverschillig blijven!
+<p class="c2">Voor ons is het geen raadsel, waarom zijn gezicht
+opklaart; wij leven twintig eeuwen na de Jeruzalemsche gebeurtenis,
+en ons is het gegeven om te overzien, wat dat Kindeke geworden is,
+en welke dingen Het verkondigd heeft. Zie, voor wie waren later de
+predikingen van Jezus het meest bestemd, op wie maakten ze het
+eerst indruk! Wie sloten zich aan en lieten zich doopen? Waren het
+niet de eenvoudigen van geest? Waren zij het niet, wier verstand
+klein was, wier begrip van de dingen niet verging?
+<p class="c2">Rembrandt voelde behoefte, om het groepje in den
+tempel aan te vullen met een paar van deze eenvoudige zielen. Dat
+zou voor den beschouwer de herinnering levendig houden van wat er
+later gebeuren moet. In de simpele landlieden, die met
+belangstelling komen toekijken, zien we de toekomst van het eerste
+Christendom.
+<p class="c2">Nog in een ander opzicht zijn de boertjes
+merkwaardig. Laten we niet uit het oog verliezen, dat Jezus in het
+land Kana&auml;n geboren werd; de ontmoeting met Simeon had plaats
+in den tempel te Jeruzalem; het volk, dat de trappen op en afging,
+of toeschouwer was bij Simeons geestesvervoering, waren
+Isra&euml;lieten, Joodsche landbouwers, Oosterlingen dus. De
+kleedij, die de Joden in het begin onzer jaartelling droegen, komt
+overeen met die, waarin zich thans nog Arabieren en Syri&euml;rs
+steken. De meeste schilders hebben getracht, als ze een bijbelsch
+tafreel behandelden, om hun figuren het voorkomen van Oosterlingen
+te geven. Soms sloegen ze den bal wel mis, en schilderden ze
+Italiaansche landlieden in plaats van oud-Isra&euml;litische, maar
+ze hadden dan toch de bedoeling, er een buitenlandsch tintje aan te
+geven.
+<p class="c2">Deze bedoeling vinden we bij Rembrandt niet. Hij doet
+geen moeite om het Bijbelverhaal te doen spelen in verre landen,
+onder vreemde volken. De boertjes zijn echt Hollandsche typen. Ze
+komen regelrecht uit Ransdorp, Broek-in-Waterland of
+Ouwerkerk-aan-den-Amstel. In hun blauwen kiel heeft de schilder hen
+door Amsterdam zien gaan, of in de weide bij hun vee bespied. Wel
+zien ze er anders uit dan het landvolk uit onzen tijd, maar ook
+buiten de steden wisselt en verandert de kleederdracht. En zoo als
+ze hier in den tempel staan, zoo heeft Rembrandt in zijn tijd hen
+op verschillende platen naar het leven geteekend; nu eens met eene
+hooge, dan eens met eene lage muts op het hoofd. Zoo was in zijnen
+tijd hunne dracht.
+<p class="c2">Hij brengt dus de gewijde geschiedenis over op
+vaderlandschen bodem. Vreemde kleederdrachten voor herders en
+landlieden versmaadt hij. Hij weet, dat tal van menschen zich op
+dat vreemde blind kijken, en geen oog hebben voor het wezenlijke
+van de schilderij. Ze zullen de voorstelling beter gaan voelen en
+begrijpen, als de figuren menschen zijn gelijk zij zelf; als die in
+gelaatstrekken, in kleur, in houding en in kleeding gewone, echte
+Hollanders zijn. Jezus had immers heel goed in Holland geboren
+kunnen zijn. Was niet de Republiek der Vereenigde Nederlanden een
+zeer bijzonder land? Had de God der Vaderen niet geholpen, om haar
+van de Spaansche tirannij te bevrijden? Had Hij de zaak der
+Hervorming niet doen zegevieren? Was er &eacute;en protestantsch
+land zoo met aardsche rijkdommen en met welvaart gezegend? Een
+uitverkoren volk, daarvoor hielden onze voorouders zich. Zij waren
+een tweede Isra&euml;l. Alles, wat ginds in het Oosten, aan de
+oevers van de Jordaan, was afgespeeld, speelde zich ook hier af,
+dachten ze. Hunne geschiedenis was eene afspiegeling van de
+Bijbelsche.
+<p class="c2">Als zoo een geheel volk denkt, valt het den
+kunstenaar gemakkelijk, zich ook in die richting te bewegen. Hij
+denkt niet alleen, hij stelt zichtbaar voor. Het Joodsche wordt
+Hollandsch; de schaapherders van Ephrata en de wijnbouwers van de
+berghellingen van Judea, komende in den tempel van Jeruzalem,
+worden melkboeren uit de omstreken van Amsterdam. En waarom ook
+niet? Over de heele aarde wonen menschen van &eacute;en natuur; het
+denken en voelen is wel overal ten naastebij hetzelfde. Vooral
+onder de volksklasse, die hier is voorgesteld, onder de eenvoudigen
+van geest, die opgroeien te midden van de natuur.
+<p class="c2">Hiermee kunnen we afscheid nemen van de blauwgekielde
+tempelgangers, om nog even eenen blik te slaan op het tweetal, dat
+op den voorgrond in de schaduw zit.
+<p class="c2">De eerste laat het tooneeltje, daar voor hem, niet
+onopgemerkt passeeren. Hij steekt het hoofd onderzoekend vooruit.
+Zooals het handje en de arm op de leuning van den stoel liggen, kan
+men zich denken, dat hij bijna van zins is, op te rijzen en nader
+te treden. Nummer twee wisselt met hem een blik van
+verstandhouding. Hij krijgt argwaan, dat de zaak niet in orde is.
+Schriftgeleerden, zooals zij misschien zijn, nemen het met
+godsdienstaangelegenheden zeer nauw. Ze dulden geene uitdrukkingen
+in strijd met de Joodsche wet.
+<p class="c2">Of zij in de woorden van Simeon iets hooren, wat hun
+verdacht voorkomt, willen we niet nagaan. Maar ons treft hunne
+tegenwoordigheid op deze plaats. Reeds bij dit voorval uit het
+leven van Jezus zijn ze dwarskijkers, in letterlijken en in
+figuurlijken zin. Rembrandt geeft ze voorshands nog een plaatsje in
+de schaduw, terwijl hij de aanstaande volgelingen van den Nazarener
+in het volle licht zet; maar ze zijn er toch, en ze brengen ons te
+binnen, hoeveel leed ze later zullen uitstorten over het hoofd van
+het Kindeke, dat nu nog zoo onnoozel in Simeons armen ligt.
+<p class="c2">Ten slotte een enkel woord over de geschiedenis, die
+dit schilderijtje heeft doorgemaakt.
+<p class="c2">Voor wien en voor hoeveel Rembrandt het maakte, weten
+we niet. Het duikt in 1733 uit het onbekende op. Bij eene
+verkooping ten huize van een Haagsch burger werd het voor f830
+verkocht; men weet dit uit een rekeningenboek. Een mooie prijs voor
+dien tijd!--Later werd het aangekocht voor de verzameling van
+Stadhouder Willem V. De groote gebeurtenis voor het stuk moest
+echter eerst komen tusschen 1810 en 1813. Toen Nederland als
+aanslibsel van Fransche rivieren bij het Keizerrijk was ingelijfd,
+vond Napoleon, dat alle kunstwerken, die aan den Staat behoorden,
+naar de hoofdstad des rijks moesten verhuizen, naar Parijs. De
+"Simeon" was door Prins Willem V bij zijn vertrek naar Engeland in
+1795 natuurlijk in den steek gelaten, evenals de verdere roerende
+en onroerende have; de staat had er zich over ontfermd, en nu
+ontfermde Napoleon er zich weer over.
+<p class="c2">Het werd met tal van andere schilderstukken ingepakt,
+op eenen wagen geladen en verzonden. De bedoeling was, om het
+Louvre er mee te verrijken. Wagenvrachten en wagenvrachten van
+kunstwerken ondergingen ook in de andere Fransche wingewesten
+hetzelfde lot. Men was er in Parijs verlegen mee. De opeenhooping
+was zoo groot, dat een paar jaren later het werk der schifting en
+der tentoonstelling nog niet afgeloopen was. Napoleon kwam ten val,
+voordat alles een plaats had gekregen.
+<p class="c2">Toen hij in 1815 voorgoed van het wereldtooneel
+verdween, was het Louvre meer pakhuis dan museum. Spoedig daagden
+van de onderscheiden herstelde regeeringen afgevaardigden op, om
+uit den rommel op te eischen, wat door Napoleons ambtenaren naar
+Parijs was vervoerd. Ook van de regeering der Nederlanden. "Simeon"
+maakte de terugreis naar Den Haag, en kreeg daar in het Mauritshuis
+het plaatsje, dat hij nu nog inneemt. Moge hij er blijven tot in
+lengte van dagen, om nog vele bezoekers het hart te verheugen.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="EENE_ONDERGAANDE_ZON"></a>
+<h2 class="c4">EENE ONDERGAANDE ZON.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Het licht is voor Rembrandt gedurende al zijne
+levensjaren een geliefdkoosd onderwerp van studie geweest. Wat is
+er ook schooner! Wie kan onverschillig zijns weegs gaan, wanneer
+hij des ochtends buiten is bij het opkomen van de zon? Wie sluit
+dan het oog voor de lichtspelingen langs lucht en wolken?
+<p class="c2">Voelt ook niet ieder zich door zonneschijn meer
+aangetrokken tot de vrije natuur, dan door bewolkte, vreugdelooze
+luchten!
+<p class="c2">En dan des avonds bij het ondergaan der zon! Welk een
+kleurenspel wordt ons iederen dag opnieuw bereid! Nimmer vervalt de
+natuur in herhaling. Altijd weer is ze verrassend en nieuw in haar
+getoover met lichtverven en kleurvloeiingen.
+<p class="c2">Oud en jong, arm en rijk, ongeschoold en
+welonderwezen, alles heeft er oog voor. Geen mensch, of wel
+&eacute;&eacute;ns in zijn leven heeft hij &eacute;&eacute;nen
+zonsondergang genoten, wel &eacute;&eacute;ns heeft hij bij dit
+natuurverschijnsel aandachtig stil gestaan. Daar zonk de vuurbol
+ter kimme. Het licht, dat den ganschen dag slechts licht was
+geweest, werd nu kleur. De huizegevels in baksteen blonken eens zoo
+rood als anders. De witte raamkozijnen bleven wit, maar waren toch,
+zonderling wonder, te gelijk ook rood. De hagelwitte gordijnen
+eveneens, ofschoon het wit toch vlekkeloos rein bleef. De grijze,
+stoffige straat-wie zou ooit op de kleur van eenen straatvloer
+letten!--behield hare grauwe steenkleuren, en trok niettemin het
+oog door een purperen schijn. Daar waren de schoone, groene boomen!
+Schenen niet ook zij van hetzelfde purper doortrokken, terwijl
+groen toch groen bleef. De stammen stonden te blozen als frissche
+wangen: maar grauw en grijs en bruin was onveranderlijk de
+kurkschors.
+<p class="c2">Met geene woorden kon men noemen, wat elk ding voor
+verven kreeg. Zoodra men het beproefde, gaf men slechts eene
+opsomming van de kleuren, die er waren bij heldere dagverlichting.
+Een raadsel was het, dat de zon bij het scheiden nog opgaf. Een
+moeilijk raadsel!
+<p class="c2">Van de ondergaande zon tot den levensavond van onzen
+schilder is eene schrede minder groot, dan men wellicht zou denken.
+<p class="c2">Daar hangt in het Rijksmuseum te Amsterdam een werk,
+de Staalmeesters heet het, dat hij voltooide in 1661, en dat het
+laatste groote stuk is, waaraan hij zijne zorg wijdde. We schromen,
+als we het naderen, om de gedachte uit te spreken, doch ze laat
+zich niet terugdringen: dit kunstgewrocht is het afscheidslicht,
+dat eene ondergaande zon nog gaf. Eene ontzaglijke ziel spreekt
+hier haar laatste woord. En ook <i>dit</i> laatste woord is een
+raadsel, is hetzelfde raadsel, wat de avondzon weet voor te leggen.
+Ook hier heeft elk ding zijn eigen kleur, zijn eigen verf, zijn
+eigen kleurvermengingen; maar tegelijk straalt ook hier elk ding
+eenen rossigen gloed uit, eene tint, die nergens aan te wijzen, en
+toch overal te vinden is; die op geen voorwerp ontbreekt, en toch
+op alles de natuurlijke kleuren handhaaft. We <i>zien</i> het roode
+licht niet, we <i>ondergaan</i> het. Overal kunnen we aanwijzen
+zuiver bruin, zuiver wit, zuiver zwart, en overal toch voelen we
+het uitstralende rood, dat nergens is, dan alleen in het kleed, dat
+over de schuine tafel gespreid ligt.
+<p class="c2">Het grijpt ons aan, als we bedenken, dat de zon, na
+al haar schoone licht, eindelijk tot het avondrood komt, en dan
+niets schooners meer geven kan. Dan moet ze ondergaan. Ze heeft het
+schoonste bereikt. En Rembrandt is het eveneens gegaan!
+<p class="c2">Zijn gansche leven is geweest: grooter en grooter
+worden. We zagen het bij de twee Opwekkingen, we zagen het bij de
+Anatomische les en het Korporaalschap, we ontdekken het nogmaals
+bij de Staalmeesters, twintig jaren later gemaakt, in den
+levensavond van den kunstenaar.
+<p class="c2">Hij begint groot in 1632. Steeds wast hij, en meenen
+wij, dat het hoogste bereikt is; maar steeds overtreft hij weer,
+wat hij te voren maakte. Elk stuk vinden we onovertroffen, tot hij
+zelf een nieuw meesterwerk schept, en ons de oogen opent voor de
+tekortkomingen van het voorgaande. En wat hij op het eind van zijn
+leven te zien geeft, is niet alleen weer beter, dan wat vooraf
+ging; het lijdt aan geene gebreken meer, het bereikt alles, wat
+bereikt wou worden. Wat de schilder wilde, gelukte; en er is niets
+groots, dat hij vergeten heeft te willen.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="VERGELIJKINGEN"></a>
+<h2 class="c4">VERGELIJKINGEN.</h2><span class="c5"><br></span>
+<p class="c2">Omdat we ons met een zwart prentje moeten
+vergenoegen, zullen we bij de beschouwing de kleurhoedanigheden
+laten rusten, dat wil dus zeggen, het wonderlijkste wat er aan de
+Staalmeesters is op te merken. Toch is vooral aan het tafelkleed
+wel iets te zien van de kleurenpracht. Daarin zit, zelfs in onzen
+zwarten afdruk, nog eene mengeling van al den vervenrijkdom, dien
+we ons in een weelderig weefsel kunnen denken, en van al de
+tintelingen, die het licht daarop kan doen ontstaan. Groote vlakken
+van zachte belichtingen en zachte verdonkeringen wisselen met
+elkaar af. Daardoor heen zien we breede, horizontale kleurbanden
+gaan, en door deze weer lichtricheltjes van onder naar boven, of
+reeksen lichtnoppen van rechts naar links. Het gedeelte, dat links
+om de tafel heen hoekt, geeft op andere wijze, zonder mengeling, de
+kleurfiguren te zien, die de wever door zoo'n kleed weet heen te
+werken.
+<p class="c2">Vergelijk hiermee nu de lap stof, die op de plaat
+"Evertsen in de Staten van Zeeland" over de tafel ligt. Droog en
+dor geeft hier de grijze kleur aan wat schaduw is. Rembrandts kleed
+gloeit van warmte, van innerlijke kleurenpracht, van Oosterschen
+tapijtenrijkdom; het andere is koud en mat, arm van weefsel en arm
+van kleur.
+<p><img alt="" border="0" src="images/staalmeesters.png" width="734"
+height="495">
+<p class="c2">[De Staalmeesters.]
+<p class="c2">Voor het overige moeten we van kleurbeschouwing
+afzien, en ons voornemen, om in het Rijksmuseum de schade in te
+halen.
+<p class="c2">Wat er van de Staalmeesters in een zwarten afdruk
+overblijft, is echter niet zoo gering, of het zal ons duidelijk
+worden, dat we hier te doen hebben met een onsterfelijk
+gedenkteeken. Het spreekt nog meer van Rembrandts grootheid dan wat
+voorafgegaan is, meer dan het Korporaalschap of eenig ander
+kunstwerk.
+<p><img alt="" border="0" src="images/evertsen.png" width="582" height=
+"370">
+<p class="c2">[Evertsen en de Staten van Zeeland.]
+<p class="c2">We beginnen niet, met naar zeldzame eigenschappen te
+zoeken. Juist in de afwezigheid hiervan schuilt eene verdienste.
+Stel maar naast elkaar het "Gezelschap op het Muiderslot" en de
+"Staalmeesters". Beide vertoonen een groepje burgermenschen uit de
+17<sup>de</sup> eeuw, uit 1619 en uit 1661. Het verschil in
+kleeding en kapsel duidt wel een verschillend tijdperk aan. Wat uit
+1619 dagteekent, staat in dit opzicht dichter bij de Anatomische
+les, terwijl de figuren uit 1661 ons bekend voorkomen, wegens de
+overeenkomst met Jan de Wit, het portret op Levensverzekerings-en
+Spoorboekjes.
+<p class="c2">Beide gezelschappen bevinden zich binnenshuis, dus in
+eene omgeving, die we een interieur zullen noemen. Bij dit
+interieur bepalen we het eerst onze aandacht. Op het Muiderslot
+valt het daglicht binnen door een venster, dat we ter linker zijde
+kunnen zien. Het vergunt ons, om buitenlicht naast kamer-of
+binnenlicht te stellen, want bij het venster is een stukje witte
+muur. Tusschen dit wit en het wit van de vensteropening bevinden
+zich een viertal schaduwstrooken, die we met een potlood of een
+reepje papier kunnen bedekken. Dan merken we op, dat beide witte
+strooken gelijk zijn, misschien wint de muur het van het
+buitenlicht nog in helderheid. Wie nu in het eerste het beste
+vertrek even eene vergelijking maakt tusschen het een en het ander,
+zal opmerken, dat de verhouding juist andersom moet zijn. Al is een
+binnenmuur in het licht gezet, hij moet toch voor het zonlicht, dat
+de buitenwereld beschijnt, onderdoen in helderheid. Een geschilderd
+interieur mag hiervan niet afwijken, of het is geen interieur meer.
+<p class="c2">Op den vloer spreekt de fout nog sterker. Ver in de
+kamer, tot onder den stoel van den ouden heer, die met zijnen rug
+naar de tafel zit, is het licht krachtiger dan buiten de
+openstaande deur. Hem voorbij merken we hetzelfde op aan enkele
+voorwerpen: aan het tafellaken, het doekje, dat de dienstbode op
+den rug hangt, het zijmuurtje links van den schoorsteen, zelfs aan
+eene versiering tegen den schoorsteen.
+<p class="c2">Ondanks deze gebreken zeggen we toch, dat de plaat
+een interieur voorstelt, omdat we een venster, een deur, een
+binnenmuur en kamermeubelen zien; die doen ons besluiten: het moet
+een binnenhuis wezen. Maar eerlijk gezegd: het <i>is</i> er geen.
+Hoe het moest zijn om er een te wezen, leert ons het stuk van
+Rembrandt. Alles is hier in eene matte, grijze tint gezet, die
+overal doet gevoelen, dat we ons binnenshuis bevinden. Wanneer eene
+vensteropening werd aangebracht, zou daardoor het daglicht kunnen
+vallen in eene helderheid, die sterk afstak bij de verlichting van
+de muurgedeelten op den achtergrond.
+<p class="c2">Dit muurtje met het schoorsteentje vinden we bijna in
+dezelfde gedaante op het Muiderslot terug. We kunnen in het
+voorbijgaan deze twee onderdeelen naast elkaar stellen. Beide
+bestaan uit houtbetimmering en gepleisterd metselwerk. Op het
+Muiderslot is het eerste erg donker, het laatste, zooals we reeds
+opmerkten, veel te licht van kleur. Wie door de oogharen naar de
+betimmering kijkt, kan den gepleisterden muur best voor een stuk
+lucht houden, dat heel in de verte achter het beschot oprijst. Er
+is geen samenhang tusschen de twee. De teekenaar was bang, dat we
+geen steen van hout zouden onderscheiden en maakte de verschillen
+veel te duidelijk. De achterwand valt uit elkaar. Ook schijnt hij
+zich heel ver achter het schilderijtje boven de kast te bevinden.
+<p><img alt="" border="0" src="images/muiderkring.png" width="617" height=
+"432">
+<p class="c2">[Muiderkring.]
+<p class="c2">Achter de heeren Staalmeesters zien we hout en steen
+in bijna dezelfde tint. Het verschil is gering. Toch ontgaat ons
+het stoffelijk onderscheid niet; er zijn kleinigheden, die daarvoor
+zorg dragen. Let maar eens op de kantlijn, waar de voor-en zijkant
+van den schoorsteenmuur elkaar ontmoeten; op het Muiderslot is die
+lijn langs een liniaal getrokken; het is een pracht van een rechte
+lijn. Bij Rembrandt helt ze ten eersten een weinig naar rechts; en
+dat is verklaarbaar. Zoo'n oud stuk gemetselde schoorsteen rijst
+gewoonlijk niet loodrecht omhoog. Ten tweeden is ze heel fijn met
+korrels afgebrokkeld; ook dit is voor een gepleisterden muur heel
+juist, en meer waarschijnlijk dan de ongeschonden liniaallijn op
+den Muiderslotschen schoorsteen. Ten derden is het niet een
+<i>zwart</i>-getrokken lijn, maar juist het tegenovergestelde, een
+lichtkantje. Ook dit beantwoordt aan de werkelijkheid. Alleen dit
+kantlijntje zou reeds duidelijk genoeg zeggen, dat het bovenste
+deel van den achterwand gepleisterde steen is.
+<p class="c2">Door acht te geven op dat, wat in het Muiderslot
+ontbreekt, worden we gewaar, wat eene goede eigenschap is van de
+"Staalmeesters". Het is een interieur. We zeggen niet: "het
+<i>moet</i> er wel een wezen"; het <i>is</i> er een.
+<p class="c2">Het interieur is echter maar achtergrond en bijzaak;
+de figuren zijn hoofdzaak. We tellen er zes, den bediende
+meegerekend. Na hetgeen we opmerkten bij de vergelijking van
+Anatomische les en Korporaalschap, zal het al dadelijk de aandacht
+trekken, dat Rembrandt afgezien heeft van middelen om te
+groepeeren, zooals hij in 1642 nog noodig vond. Voegde hij de leden
+van het Korporaalschap nog z&oacute;&oacute; samen, dat de
+schilderij er uitzag, alsof ze eene beroemde gebeurtenis
+voorstelde, de Staalmeesters kruipen maar heel gewoon bij elkaar,
+zooals ze dagelijks in hun beroep bij elkaar zitten. Het stuk stelt
+niets voor. Het is een portretstuk, zonder meer. Een kunstgreep,
+zooals het cadaver op de Les, anno 1632, trok den schilder na
+dertig jaren niet meer aan; zelfs het kunstmatig bijeenvoegen niet
+meer, gelijk het stuk uit 1642 te zien geeft. Van al het
+gekunstelde, komedie-achtige, dat zijne vroegere werken kenmerkte,
+en dat men toen schoon vond en thans nog schoon vindt, omdat het
+zoo volmaakt van kunst is, van dat alles is hij terug gekomen. Op
+zijn leeftijd is de arbeid geen spel met wondertooneelen. Hij zet
+heel gewoon, zonder ophef, de figuren naast elkaar op eene rij.
+Behoudens kleine afwijkingen, die zijn smaak hem ingaf: nommer twee
+van links af moest even oprijzen, om de eentonigheid van eene
+vijfkoppige rechte lijn te breken; de bediende mocht wel post
+vatten tusschen twee der heeren midden op het doek, maar hij kreeg
+zijne plaats toch iets dichter bij den een dan bij den ander, en
+deed met zijn gezicht dus geen regelmatigen driehoek ontstaan.
+Staalmeester nommer twee, van rechts af, werd met half afgewend
+bovenlijf neergezet, om niet twee gelijkvormige schouders, hoeden
+en witte kragen naast elkaar midden op het doek te krijgen.
+<p class="c2">Dit zijn kleine schikkingen, die bijna toevalligheden
+lijken; als vijf menschen ordeliik om eene tafel geschaard zitten,
+zal men juist dergelijke afwijkingen opmerken. Ze houden het midden
+tusschen stijfheid en gezochtheid.
+<p class="c2">Hoe eerlijk en eenvoudig de schilder er naar
+streefde, om niets anders te maken, dan portretten, blijkt ook uit
+het spel der handen. Op de "les" zoowel als op het schutterstuk is
+dit een ding van belang. Het spreekgebaar van Dr. Tulp, de wijze
+hoe hij zijne mededeelingen over de spierbeweging toelicht, trekt
+sterk de aandacht. De handen zijn vrij in de ruimte gezet, tegen
+een donkeren achtergrond, en ze hebben voor het geheele stuk eene
+groote beteekenis, gelijk we boven reeds zagen. Ook die van Frans
+Banning Kok zijn in 't oog loopend op den voorgrond gebracht.
+Rembrandt schepte er behagen in, om te laten zien, wat hij met
+handen kon. Maar in 1661 zal hij gemeend hebben, dat het zien van
+een portret een te ernstig werk is, om daarbij afgeleid te worden
+door bijzaken. Toch zou het wegmoffelen van de handen ook eene fout
+geweest zijn. Immers, als we een groepje menschen, dat rond eene
+tafel zit, opnemen, zonder dat zij het bemerken, dan zien we wel in
+het eerste oogenblik de gezichten, maar het kan toch zijn, dat we
+in de tweede plaats ook toevallig naar de handen zien. Daarom gaf
+hij ze wel aan zijne figuren, maar zoo, dat we ze slechts terloops
+en eerst <i>na</i> de gezichten ontwaren; hetzij dan versmald
+gezien, als bij nommer een, hetzij in de schaduw gezet, als bij
+nommer twee, hetzij in de onmiddellijke nabijheid van den tafelrand
+en het boek, zoodat ze hiermee als het ware &eacute;&eacute;n
+geheel uitmaken, en niet als afgezonderde lichtplekken tegen den
+achtergrond vrij in de ruimte staan. Echter wist hij ook met
+terzijde geschoven handen nog gedachten uit te drukken: let maar
+eens op, hoe juist de rechter van den middelsten sinjeur ons zegt:
+"maar het staat hier toch!" Het kloppen met den rug van de vingers
+op de bladen van het boek kan niet anders beteekenen. De houding
+van het hoofd en de gelaatsuitdrukking bevestigen het.
+<p class="c2">Eene sterk sprekende eigenschap van Rembrandt op
+dezen leeftijd is dus, dat hij zich beperkt. In jonger jaren
+groeide zijne kunstdrift als een welig gewas met ver-uitschietende,
+bloemdragende loten. Nu snoeit hij; alles wat weg kan, gaat weg; de
+verzonnen tooneelen zijn het spel der handen gevolgd. Slaan we
+nogmaals een blik op de "Les" naast de "Staalmeesters", dan valt
+ons ook in de gezichten iets op. Op het eene trekken de blanke,
+hooge en breede voorhoofden, de in verlichte vleeschkleur
+geschilderde wangen, en op het andere de oogen, de neuzen en de
+monden de aandacht. Is het niet, alsof de geneesheeren uit 1632
+allemaal toevallig kleiner van oogenbouw waren, fijner van neus en
+mond, maar hooger van voorhoofd en opzichtiger van wang, dan de
+staalwaardijns uit 1661? Dezen schijnen groffer van maaksel te zijn
+geweest dan genen. De zaak is, dat de schilder in zijn eerste jaren
+veel aandacht schonk aan de vleeschkleuren, de vleeschpartijen,
+zooals men dat noemt. Hoe ouder hij werd, hoe meer hij er echter
+naar streefde, niets dan het leven en de ziel uit te drukken. Deze
+las hij meer in oogen, mond en neus dan in de schilderachtige
+licht-en kleurverschijnselen van het gezichtsvleesch of in den bouw
+van het gelaat. Onwillekeurig bracht hij ze tot meerdere
+uitdrukking, met het gevolg, dat wij ze eerder opmerken. Treffend
+is het in dit opzicht, dat hij voor de gelijkenis van de
+geneesheerlijke koppen alle voorhoofden noodig achtte, en ze ieder
+met zijne eigenaardigheden schilderde, terwijl hij ze bij de
+staalmeesters, op eene enkele uitzondering na, onder de hoeden
+wegstopte, als niet terzake dienende. Met de baardjes en kneveltjes
+kon hij dit moeilijk doen; maar toch worden ook deze minder op den
+voorgrond gebracht dan in 1631.
+<p class="c2">Van knevels en baarden gesproken, het prentje
+"Evertsen voor de Staten van Zeeland", eene historieplaat van een
+negentiendeeuwschen teekenaar, geeft figuren uit hetzelfde tijdvak
+als Rembrandts Staalmeesters. Ze zijn alle voorzien van snorren en
+puntbaarden, vervaardigd naar een zelfde model, in dezelfde punt
+gedraaid, van dezelfde dikte, in denzelfden gebogen vorm. Het
+lijken gehuurde tooneelsikjes en tooneelknevels, die de heeren
+v&ograve;&ograve;r gedaan hebben, om er kranig uit te zien. Naast
+zulke zaken erkennen we eerst recht, hoe bij Rembrandt elk ding tot
+juistheid komt. Wat geven zijn kort afgeknipte smalle haarlijntjes
+op de verschillende bovenlippen een heel ander denkbeeld van de
+mode anno 1660. Z&ograve;&ograve; moet het er uitgezien hebben; de
+valsche spullen van de heeren Staten zijn eene bespotting.
+<p class="c2">In den loop der jaren heeft alzoo Rembrandt ook het
+groote snoeimes gezet in zijne neigingen bij het schilderen van
+koppen. Hij beperkte zich hoe langer hoe meer tot datgene, wat het
+wezenlijke is, wat het leven weergeeft. Dat, wat hij vroeger mooi
+vond, en wat hem daarom aantrok, liet hij weg, als het voor het
+eigenlijke doel niet diende. In 1632 stonden al de koppen, ofschoon
+kunstig bijeengeschikt, als afzonderlijke portretten tegen een
+donkeren grond; in 1661 steken ze zoo blank en rond niet af, maar
+worden in het interieur opgenomen. Dat de Staalmeesters een portret
+is, wordt in het geheel niet verbloemd-immers, het heeft niet den
+schijn van eene gebeurtenis. De Les doet wel, alsof ze een voorval
+is, en toch denken we dadelijk: die heeren zijn uitgeportretteerd.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="WAT_PORTRETTEN_BIJEENVOEGT"></a>
+<h2 class="c4">WAT PORTRETTEN BIJEENVOEGT.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">De Staalmeesters staan of zitten voor ons, alsof we
+hen in het werkelijke leven onverwachts overvielen. De schilder
+heeft hen zoo weten te treffen, dat we niet zeggen: kijk, die zijn
+er voor gaan zitten om er goed op te komen. En toch zijn ze dat
+juist wel. Zelfs vestigen vijf van de zes hun blik op den
+kunstenaar. Maar zooals ze naar hem-en omdat wij in zijne plaats nu
+staan-naar ons kijken, wekt het de gedachte: ze zien naar iemand,
+die binnenkomt. En dit is iets anders dan: ze zien naar den man,
+die hen uitteekent. Het verschil is fijn gevoeld. Door Rembrandt is
+deze indruk vastgehouden: alle heeren keken op, toen ik binnenkwam,
+en schenen te vragen: wie is <i>dat</i> nu? Hij bearbeidde hen,
+niet zooals hij ze voor zich zag zitten, wanneer ze
+&eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n in zijne werkplaats kwamen
+om te poseeren; maar met datgene op de gezichten, wat hij eventjes
+had waargenomen, toen hij voor 't eerst binnenkwam. Hij schilderde
+hen met in achtneming van eene lichte verwondering, van eenen
+vragenden trek op het gelaat. Dit was eene natuurlijke, ongemaakte
+uiting, doordat alle tegelijk iets vreemds hoorden en het hoofd
+naar den kant draaiden, vanwaar het geluid kwam. Eene uiting van
+leven, die door de personen niet eerst overdacht is; zonder overleg
+kwam dit zoo op hunne gezichten; ze hadden zelfs den tijd niet, om
+een slimmer of een opgewekter gezicht te zetten, dan hun van nature
+eigen was. Nommer een van rechts af is bijvoorbeeld niet een van de
+snuggersten geweest. Rembrandt doorzag dit met den eersten
+oogopslag: in de hoog opgetrokken wenkbrauwen, in de dikke
+oogleden, de slaperige oogjes, de vooruitstekende bovenlip voelde
+hij het. Daarnaast zit een, die van de natuur geen welgemaakt
+gezicht heeft meegekregen: het is wat te lang en te smal, de lippen
+zijn te dik. Maar hij behoort tot de lieden, die ondanks hun
+uiterlijk, een ieder aantrekken door iets prettigs en iets
+vriendelijks in de oogen en om den mond. De middelste van de vijf
+had juist het woord, en liet zich in zijn betoog door Rembrandt's
+binnenkomen niet storen. De volgende rees overeind, misschien om
+ter meerdere klaarheid er een ander boek bij te halen; aan den
+draai van zijn hoofd zien we, dat zijn opstaan met de komst van den
+schilder <i>niet</i> in verband staat; hij stond al, en heeft,
+ondanks den blik op den binnenkomende, <i>andere dingen in het
+hoofd</i>. Dit vooral is duidelijk aan hem te zien.
+<p class="c2">Om kort te gaan: de gelaatsuitdrukkingen zijn
+overvallen; niet bij een, maar bij allemaal. De verrassing is de
+levenstinteling die allen eigen is. Neem er &eacute;&eacute;n
+figuur uit, aan die verrassing is merkbaar, dat hij bij de anderen
+op dit portretstuk thuis behoort. Bij geen van de zes stijgt de
+uiting tot verbazing, bij geen heeft ze den schijn van
+onverschilligheid. Ze is bij allen even sterk; we voelen zoo
+heelemaal, dat allen onder denzelfden indruk even opzien; dat ze
+als een groep, die bijeenzat, door Rembrandt zijn opgemerkt. Wat
+hen vereenigt, is geen vertooninkje van eene les of van eenen
+optocht, maar <i>eenzelfde gemoedstoestand</i>; ze doorleven eene
+zelfde, gelijke gewaarwording. En dat maakt hen &eacute;&eacute;n.
+Niet eene vreeselijke ontsteltenis, eene groote angst, eene woeste
+drift; die zouden te veel ophef hebben gemaakt. Het blijft bij eene
+nauwelijks merkbare aandoening. Iets als een zacht rimpeltje, dat
+bij windzucht even over al de watervlakjes van een plasje loopt.
+Zoo ondergaan ook de bloemen in de wei alle gelijkelijk het
+voorbijgaan van een avondwindje.
+<p class="c2">De schilder zelf is het middelpunt van aller
+opmerkzaamheid. We kunnen ons hunne verrassing best voorstellen,
+toen hij binnenkwam. Zijn roem was reeds lang gevestigd; ze vonden
+het streelend, dat de groote Rembrandt in hun midden verscheen. Bij
+voorbaat zijn ze in opgewekte stemming over hun afbeeldsel, dat
+natuurlijk wel slagen zal, en dat misschien een beroemd stuk kan
+worden. Deze gewoon menschelijke gedachtetjes spreken uit hunne
+trekken. De schilder heeft dat allemaal door en door echt in hen
+voelen leven. Hij maakte geene <i>figuren</i> van hen, hij bracht
+ze <i>zelf</i> op het doek; het was geen namaak, geen afbeelden;
+het was de aandoening, het denken, het verrast worden, het zich
+prettig gevoelen zelf, wat hij gaf.
+<p class="c2">Daar dit bij twee menschen nooit precies hetzelfde
+is, al lijken ze uiterlijk nog zooveel op elkaar, wordt de
+verscheidenheid van gezichten ook grooter, naarmate dat innerlijke
+sterker spreekt. We zien het hier. Er is uiterlijk zeer veel
+gelijkenis tusschen sommigen, en in kleeding tusschen alle. Maar
+ieder denkt er zijn eigen van, als Rembrandt binnenkomt; en dat zet
+hen allen ver uiteen, als zeer onderscheiden en heelemaal
+verschillende menschen. Wij krijgen den indruk, dat dit geene
+figuren, geene afbeeldsels zijn, maar wezens, die bestaan. We
+worden door al de oogen, door al de verschillende manieren van
+oogopslag zoo aangetrokken, dat we op het gelijke in kapsel, hoed,
+kraag, kleeding en houding nauwelijks letten. In den oogopslag zit
+hier een belangrijk deel van de portretten. Daarin voelen we, dat
+de heeren zoo even nog met neergeslagen oogleden naar de tafel,
+naar het boek of naar elkaar zaten te kijken; door het binnenkomen
+worden de blikken opgeslagen; is het niet, alsof we deze beweging
+er in voelen? En geeft de schilder niet bij ieder afzonderlijk iets
+aparts in die beweging? Bij alle verschilt de teekening van het
+opgeslagen ooglid, en bij ieder is het optrekken van de wenkbrauwen
+weer anders dan bij de overigen.
+<p class="c2">Als we al de monden langs zien, merken we ook hierin
+de verscheidenheid. Wat is die bij den bediende dun van lippen en
+heel anders dan bij den sinjeur, achter wiens rug hij staat. En zie
+daarbij nu weer eens nummer een van rechts af, hoe die de onderlip
+achteruittrekt en de bovenlip iets vooruitsteekt.
+<p class="c2">Deze deelen van het gelaat dragen wezenlijk veel meer
+de uiting van karakter en leven, dan de vleeschpartijen, die
+Rembrandt in vroeger jaren op den voorgrond bracht. Hij is dus
+sedert het Korporaalschap, ofschoon dit een meesterstuk was, steeds
+hooger gestegen. Alles wat naar komediespel geleek, liet hij varen;
+wat het zieleleven van zijne figuren sterker kon uitdrukken, greep
+hij als hoofdzaak aan.
+<p class="c2">Naar het uitwendige werd hij eenvoudiger, naar het
+innerlijke forscher en grooter. Bedenken we nog bovendien, welke
+wondere lichtspeling en kleurverlichting het oorspronkelijke stuk
+der Staalmeesters den beschouwer te zien geeft, dan kunnen we
+gerust zeggen, dat Rembrandt aan het eind van zijn leven een
+onovertroffen schilder was. Hij had groote voorgangers gehad; en
+onder deze voorgangers was hij zelf in jonger jaren een groot
+kunstenaar geweest. Doch hij eindigde zijne loopbaan als een, die
+hooger staat dan allen, ook hooger dan hij zelf eertijds stond.
+<p class="c2">In den jare 1669 overleed hij. Op welken dag weet men
+niet. Den 8<sup>sten</sup> October werd hij ter aarde besteld. Voor
+<i>f</i> 15 werd hem een graf gegraven in de Westerkerk te
+Amsterdam. Het bespelen van het carillon was in dien prijs
+begrepen. Wie het graven van een graf met f15 kon betalen, behoorde
+tot den gegoeden stand. Dit stelt ons gerust omtrent de geldelijke
+omstandigheden, waarin hij in de laatste jaren verkeerd had; we
+behoeven niet te gelooven, wat meermalen beweerd wordt, dat hij arm
+gestorven is. En zijn leven is rijk geweest, rijk aan genot. Hij
+heeft vele menschen en vele dingen gekend en begrepen. Kennen en
+begrijpen is genot.
+<p class="c2">Als wij ernstig trachten zijne werken te kennen en te
+begrijpen, zullen we deel hebben in de erfenis die hij naliet:
+genot van te zien en te begrijpen. De erfenis is groot genoeg voor
+een geheel volk: wie zich de moeite geeft om te willen, kan
+mede-erfgenaam worden.
+
+<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11286 ***</div>
+</body>
+
diff --git a/11286-h/images/asselijnmet.png b/11286-h/images/asselijnmet.png
new file mode 100644
index 0000000..98849e4
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/asselijnmet.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/asselijnzonder.png b/11286-h/images/asselijnzonder.png
new file mode 100644
index 0000000..75a9a51
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/asselijnzonder.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/betaalmeester.png b/11286-h/images/betaalmeester.png
new file mode 100644
index 0000000..15be866
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/betaalmeester.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/deruyterenzeger.png b/11286-h/images/deruyterenzeger.png
new file mode 100644
index 0000000..2f85fdb
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/deruyterenzeger.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/evertsen.png b/11286-h/images/evertsen.png
new file mode 100644
index 0000000..db03e6b
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/evertsen.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/groepuitdenachtwacht.png b/11286-h/images/groepuitdenachtwacht.png
new file mode 100644
index 0000000..3042e9f
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/groepuitdenachtwacht.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/groepuitsimeon.png b/11286-h/images/groepuitsimeon.png
new file mode 100644
index 0000000..92f087e
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/groepuitsimeon.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/intochtinjeruzalem.png b/11286-h/images/intochtinjeruzalem.png
new file mode 100644
index 0000000..dd30cb0
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/intochtinjeruzalem.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/latereopwekking.png b/11286-h/images/latereopwekking.png
new file mode 100644
index 0000000..5ac854a
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/latereopwekking.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/molen.png b/11286-h/images/molen.png
new file mode 100644
index 0000000..62066f2
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/molen.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/muiderkring.png b/11286-h/images/muiderkring.png
new file mode 100644
index 0000000..e013129
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/muiderkring.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/nachtwacht.png b/11286-h/images/nachtwacht.png
new file mode 100644
index 0000000..a95f9cd
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/nachtwacht.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/ontleedkundigeles.png b/11286-h/images/ontleedkundigeles.png
new file mode 100644
index 0000000..8691119
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/ontleedkundigeles.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/opwekkingvanlazarus.png b/11286-h/images/opwekkingvanlazarus.png
new file mode 100644
index 0000000..9b0198a
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/opwekkingvanlazarus.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/portretvansaskia.png b/11286-h/images/portretvansaskia.png
new file mode 100644
index 0000000..7a16e99
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/portretvansaskia.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/scheepsbouwmeester.png b/11286-h/images/scheepsbouwmeester.png
new file mode 100644
index 0000000..fa0c39d
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/scheepsbouwmeester.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/simeonindentempel.png b/11286-h/images/simeonindentempel.png
new file mode 100644
index 0000000..d4dec00
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/simeonindentempel.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/staalmeesters.png b/11286-h/images/staalmeesters.png
new file mode 100644
index 0000000..2eca474
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/staalmeesters.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/titusvanrijn.png b/11286-h/images/titusvanrijn.png
new file mode 100644
index 0000000..8a03824
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/titusvanrijn.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/vrouwtjebas.png b/11286-h/images/vrouwtjebas.png
new file mode 100644
index 0000000..6084fb2
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/vrouwtjebas.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..dd04ad5
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #11286 (https://www.gutenberg.org/ebooks/11286)
diff --git a/old/11286-0.txt b/old/11286-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..5ed1337
--- /dev/null
+++ b/old/11286-0.txt
@@ -0,0 +1,3365 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11286 ***
+MEESTERSTUKKEN
+
+VAN
+
+REMBRANDT HARMENSZ. VAN RIJN.
+
+LEESBOEK VOOR HET LAGER EN VOORTGEZET ONDERWIJS
+
+DOOR
+
+G. KIELDER,
+
+HOOFD EENER SCHOOL TE 'S-GRAVENHAGE.
+
+AMSTERDAM.--1906.
+
+
+
+
+VOORBERICHT.
+
+
+_Nu dit boekje juist in het Rembrandtjaar verschijnt, zal men het
+allicht indeelen bij de huldebetoogingen. Toch wil het daartoe niet
+gerekend worden. Onze leerlingen geven dikwijls blijk, dat ze met
+welgevallen luisteren naar of lezen over kunst; het is deze
+belangstelling, die de schrijver heeft willen voeden en ontwikkelen. Men
+zal bij de kennismaking den opvoedenden ondergrond van de stof der
+besprekingen wel opmerken.
+
+Dat de onderwerpen ontleend werden aan de werken van Rembrandt, behoeft
+niet te bevreemden: deze schilder is voor de kunst en voor het
+kunstgevoel een geweldig opvoeder geweest, ook en vooral omdat hij sterk
+persoonlijk was in alles, wat van hem uitging.
+
+Het was onvermijdelijk, dat de bespreking van portretten hier en daar
+het karakter aannam van eene historische uiteenzetting; ze stellen ons
+immers voor oogen het geslacht, te midden waarvan Rembrandt leefde, een
+geslacht dat historisch is geworden. Dat we het zien juist door het oog
+van een psycholoog, is vast geen nadeel!
+
+De schrijver mag wel hopen, dat de menschen, die van kunst hun beroep
+maken, hem niet te hard vallen over de vrijmoedigheid, waarmee hij zijne
+laag-bij-den-grondsche inzichten ten beste geeft; hij heeft maar ééne
+verontschuldiging: dat van hen nog niemand iets gedaan heeft voor de
+aesthetische opvoeding van het opkomend geslacht. Het zij gezegd zonder
+miskenning van de verdiensten van den Heer H. P. Bremmer, die reeds
+jaren lang in de weer is, om onderwijzers voor deze taak op te leiden.
+Bij dezen aan hem een woord van dank voor de beschikking over zijne
+vermaarde prentenverzameling.
+
+Voor den gebruiker een wenk: bespreek elk plaatje, vóórdat de tekst
+gelezen wordt; als bij het lezen plaat en tekst in het boekje niet
+tegenover elkaar staan, laat dan een van de twee boekjes op eenzelfde
+bank bij de plaat open liggen. Open staan is nog beter._ Den Haag
+1906. G. KIELDER.
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+WAT GEEN HOOFDZAAK IS
+DE OPWEKKING VAn LAZARUS
+EENE LATERE OPWEKKING
+HISTORISCHE GEGEVENS
+REMBRANDT LANDSCHAPSCHILDER
+VROUWE SASKIA
+KLEINE TITUS
+ACTIE
+MISLEIDE AANDACHT
+AANRAKING MET HISTORISCHE PERSONEN
+MEER DAN PORTRET
+GEËTSTE PRENTEN
+VROUWTJE BAS VAN 'T RIJKSMUSEUM
+KUNST VAN GROEPEEREN
+VERVOLG VAN 'T KORPORAALSCHAP
+SIMEON IN DEN TEMPEL
+EENE ONDERGAANDE ZON
+VERGELIJKINGEN
+WAT PORTRETTEN BIJEENVOEGT
+
+
+
+
+WAT GEEN HOOFDZAAK IS.
+
+
+Vele eeuwen geleden leefde in Griekenland een schilder, van wien men de
+ongeloofelijkste dingen verhaalt, en wiens naam bij het nageslacht is
+blijven voortleven als die van een der grootste kunstenaars. Zeuxis, zoo
+heette hij, wist niet slechts de menschen, maar ook de dieren met de
+voortbrengselen van zijn penseel in verrukking te brengen. Dit blijkt
+uit het volgende.
+
+Hij schilderde eens een vruchtenstuk; in bevallige wanorde lagen bessen,
+druiven, noten en appelen door elkander, met hier en daar een groen blad
+er tusschen. Ieder, die het zag, stond verbaasd over de juistheid,
+waarmee elk onderdeel bewerkt was. En kijk, toen de toeschouwers zich
+verwijderd hadden van de muurschildering, kwamen de vogelen toevliegen
+en pikten naar de druiven. Misleid door den schijn, hadden ze deze voor
+echt gehouden.
+
+Een verhaal, dat er gaat van een paardenstuk, komt hier vrij wel mee
+overeen. Dit gaf de afbeelding van een paard te zien, en zoo
+bedriegelijk juist, dat het vurig strijdros van Alexander den Groote,
+toen het voor de schilderij werd gebracht, aan de teugels rukte en tegen
+zijn gewaanden natuurgenoot begon te hinneken.
+
+We hebben hier het oordeel van redelooze dieren over kunst van menschen.
+Het volk kende daar eene zekere waarde aan toe; het oordeelde zoo: "wie
+heeft beter kijk op paarden dan een paard, wie beter op vruchten dan
+een vogel? Als nu door dezen de gelijkenis in een schilderstuk wordt
+opgemerkt, moet ze wel bijzonder juist wezen; geene goedkeuring van
+menschen kan voor den kunstenaar zoo vleiend zijn als die van dieren,
+mits deze met het onderwerp in betrekking staan."
+
+Er is nog een oud verhaal van een beroemd schilder.
+
+Apelles had eene menschelijke figuur geschilderd en stelde die ten toon,
+terwijl hij zelf in een verborgen hoekje naar het oordeel der
+beschouwers luisterde. Een schoenmaker kwam daar langs en bleef staan.
+Zijn blik rustte onderzoekend op de voeten, en hoorbaar mompelde hij
+voor zich heen: "Ze zijn te groot, wat zou je een leest moeten hebben,
+om daarvoor schoenen te maken."
+
+Appelles nam den wenk ter harte, en den volgenden dag had hij de
+gelaakte lichaamsdeelen iet of wat kleiner gemaakt.
+
+Weer kwam de schoenmaker voorbij. "Kijk", dacht hij, "Appelles heeft
+zijn fout ingezien en verbeterd. Jammer, dat hij nu ook in houding en
+gebaar niet wat meer de fierheid van eenen krijgsman heeft uitgedrukt."
+ Nu werd het den schilder te kras. Hij kwam te voorschijn en voegde den
+schoenmaker toe: "Over houding en gebaar zwijg je! Een schoenmaker
+blijve bij zijne leest."
+
+Met deze terechtwijzing is het volk het geheel eens geweest, zoo zeer,
+dat de uitdrukking in den vorm van een spreekwoord is blijven
+voortleven. De schoenmaker kreeg hetzelfde recht van meepraten als de
+vogel en het paard, een recht, dat aan iedereen stilzwijgend is
+toegekend: wie door zijn vak verstand heeft van het onderwerp, dat op
+een schilderstuk is voorgesteld, heeft bevoegdheid om een oordeel uit te
+spreken.
+
+Dit komt dus hierop neer, dat het stuk pas goed is, wanneer het de
+menschen voldoet, die als vaklui verstand hebben van de dingen, die er
+op staan. Bijgevolg heeft de beschouwer meer met de dingen dan met den
+kunstenaar te maken.
+
+Grooter dwaling dan deze opvatting is niet denkbaar. Bij elk kunstwerk
+is juist de persoon van den maker de hoofdzaak. Hij is het eenige,
+waarop men te letten, waaraan men te denken heeft. De vraag is niet, wat
+staat er van het ding of van de gebeurtenis op, maar waaruit bespeur ik
+den kunstenaar; wat zie ik er in, dat door hem alleen is gezien en
+gevoeld; dat ik nu ook wel zie en voel, doch alleen doordat _hij_ het
+mij zoo voorhoudt. Alles wat ik van te voren al wist van het ding of van
+de gebeurtenis, is op de schilderij bijzaak. Want het is kennis, die
+iedereen heeft. En de kunstenaar gaat niet in zijn werk op, om datgene
+te vertoonen, wat alle oogen wel zien en alle harten wel voelen. Hij is
+juist kunstenaar door iets, wat een ander ontbreekt, door
+gewaarwordingen, die een ander alleen door hem kan krijgen.
+
+Het onderwerp is maar onderwerp. Natuurlijk geeft het den beschouwer
+reden tot tevredenheid, als hij met het onderwerp niet in de war zit,
+als hij alles een naam kan geven en van alles de gedaante en den vorm
+herkent. Maar van meer belang is het, dat hij zich rekenschap geeft van
+datgene, wat niet het onderwerp, maar wat de kunstenaar laat zien. Het
+verwondert ons daarom van Apelles, dat hij zooveel aandacht schonk aan
+de opmerkingen van eenen schoenmaker over de voeten van zijne figuur.
+Eerder zou men verwacht hebben, dat hij luisterde, toen die een oordeel
+uitsprak over dingen, die buiten zijn vak en zijnen werkkring lagen.
+
+Bij het beschouwen van werk van Rembrandt zullen wij goed doen, als we
+deze onderscheiding in het oog houden: wat stelt het voor, en waaraan
+bespeur ik, dat een buitengewoon oog dit onderwerp bekeken heeft.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+DE OPWEKKING VAN LAZARUS.
+
+
+De eerste prent draagt tot onderschrift: "De opwekking van Lazarus."
+
+Op de vraag, _wat_ er op staat, vinden we in den Bijbel het antwoord, en
+wel in het Evangelie van Johannes, daarvan het elfde hoofdstuk.
+
+[Illustration: Opwekking van Lazarus.]
+
+Volgens dezen tekst moet de plaat te zien geven: den gestorven Lazarus,
+liggende in het graf, den Heer Jezus, de zusters, de vrienden en de
+discipelen staande daar rondom. Bovendien lezen we er, welke handeling
+ieder der aanwezigen verricht.
+
+_Hoe_ staat een en ander er nu op? Hoe zijn de figuren geteekend? Hoe
+wordt datgene voorgesteld, wat elk figuurtje, volgens den aangewezen
+tekst, moet verrichten? Laten we met Lazarus beginnen. Na hem komen de
+anderen wel aan de beurt.
+
+Is er in de teekening van deze lijntjes, streepjes en krabbels iets, dat
+we buitenwoon vinden, dat wij zelf niet in ons hoofd hadden, als
+Rembrandt het ons niet zoo vertoonde.
+
+De figuur van Lazarus is in blanke tint uitgebeeld; ook de steenwanden,
+waar hij tusschen ligt. Het is, alsof zijn lichaam in teerheid en
+witheid één geheel vormt met het gesteente, alsof hij reeds een
+bestanddeel vormt van den schoot der aarde, waaraan zijne bloedverwanten
+hem hebben toevertrouwd. Nauwelijks onderscheidt zich zijn gestrekt
+liggend lijf van de groeve; als mensch was hij uit stof gemaakt;
+gestorven zijnde, is zijn stoffelijk omhulsel oogenschijnlijk al bijna
+weer in het stof opgenomen. De blankheid van het gewaad is zoo ongerept
+gehouden, als maar mogelijk was. Al de aanduidingen van kreukjes en
+plooien, van vouwen en rimpels zijn uiterst teer geteekend om niet te
+veel zwart aan te brengen. Bijna ongemerkt loopt de lijn voort, die den
+steenwand op den voorgrond afscheidt van de figuur. Even ongemerkt zien
+we de linkerhand langs den anderen wand tastende zoeken naar steun. In
+lijnwaad gewikkeld, onderscheidt de arm zich bijna niet van het
+gesteente; toch krijgen we wel de gewaarwording, dat onder al de plooien
+van de stof dat lichaamsdeel zich beweegt, zich opheft en voortschuift.
+Zoo ook, dat onder het doodskleed het lijf zich opricht, zich kromt. In
+de richting van de voeten is alles nog rust; daar smelten, om zoo te
+zeggen, stof en stof nog in een. Maar het hoofd en de hals hebben zich
+reeds losgemaakt van den schoot der aarde. Daar zijn de afscheidingen
+door den teekenaar duidelijker gegeven; scherpe schaduwkanten loopen
+langs schouder en afhangend haar, terwijl voorhoofd, gelaat en
+linkerschouder in fijne blankheid afsteken tegen een hoekje donkeren
+rotswand. Waar het leven terugkeert, scheidt zich het lichaam het eerst
+en het duidelijkst af van de aarde. Door de oogharen bezien, zal het ook
+lijken, alsof het hoofd zich opbeurt uit den bodem, alsof het zich
+daarvan losmaakt.
+
+Zie, dit zijn geen dingen, die ieder lezer van het Evangelie van
+Johannes in zijne verbeelding ziet. Ook is het geen bewijs van
+buitengewone getrouwheid in het uitbeelden van een lichaam dat in een
+graf ligt; want in werkelijkneid zal er wel altijd juist eene scherpe
+tegenstelling zijn tusschen de reine, witte gewaden en de donkere
+aardkluiten of rotsmuren. Het is een wijze van zien, die ons
+rechtstreeks aan Rembrandt zelf doet denken. Alles _was_ niet zoo, en
+alles staat niet zoo te lezen in de Schrift; hij _zag_ het zoo. In deze
+manier om de grafligging te zien leeft hij voort. Sedert hij het zoo
+gewaar werd voor zijn geestesoog, zien wij het ook, maar alleen door
+hem.
+
+Aangrijpend is het, te zien, hoe op het gelaat zich het wederkeerende
+leven openbaart.
+
+Het oog, dat in de diepe oogkas ligt weggezonken, opent zich en ontvangt
+wel de eerste lichtstralen, maar besef heeft het niet. Wezenloos en
+smartelijk staart het voor zich uit, het ooglid is zwaar en loom en
+schijnt gereed om weer toe te vallen, gelijk het reeds voor eeuwig
+scheen toegevallen te zijn. Flauw en gebroken is even de oogappel
+aangegeven.
+
+De mond is maar niet zoo een zwart streepje of een vlekje; hij heeft,
+hoe klein ook van afmetingen, eenen bepaalden vorm, en eenen vorm, die
+iets uitdrukt. Is het niet de eerste ademtocht, die we hier zien?
+Stroomt niet de levenslucht naar binnen in ademhalingsruimten, die reeds
+bestemd waren om geen adem meer te bevatten, en die ook reeds afgeplat
+en naar binnen gebogen neerlagen. Pijnlijk volbrengt de mond deze eerste
+levensuiting, maar zonder bewustzijn, zonder besef.
+
+De wangen zijn mager en hoekig, de onderkaak scherp afgeteekend, de neus
+smal en ingevallen. Het oor zit maar nauwelijks nog aan het hoofd,
+zooals we dat bij zieken waarnemen, die langzaam wegteren. Ook het
+halsje draagt de sporen van lijden; diepe groeven en rimpels strekken
+zich uit van boven naar beneden, en bij de kaak, van links naar rechts.
+Te zwak is het, om het hoofd te dragen; terwijl dit zich opricht, helt
+het machteloos naar links over.
+
+Zoo bespeuren we in elk onderdeel van deze figuur de aandoening van den
+teekenaar. Het feit, dat geteekend moest worden, de opleving van iemand
+uit zijn graf, stond vast. Dat het vreeselijk moet zijn geweest, om deze
+gebeurtenis mee aan te zien, stond ook wel vast. Maar nu komt de
+kunstenaar en houdt er zich mee bezig. Hij voelt het vreeselijke zoo
+sterk, zoo overweldigend, dat het kleinste krabbeltje, wat hem uit de
+hand vloeit, nog uiting geeft aan dat gevoel. En wij, de beschouwers,
+komen daardoor tot de erkenning: alles op zoo'n gezicht moet dien indruk
+hebben gemaakt; bij zulke oogen zoo'n mond, zoo'n neus, zoo'n hals en
+zoo'n houding.
+
+Laten we de proef eens nemen, of het echt is, wat we opmerken. Door met
+een paar stukjes papier de overige deelen van de plaat te bedekken,
+houden we Lazarus alleen over en kunnen nu beoordeelen, of in hem
+uitgedrukt is, hoe het feit zich toegedragen heeft. We zien
+onmiskenbaar, dat het figuurtje, wat zich hier opricht, iets vreeselijks
+doormaakt; dat het maar niet iemand is, die in zoo'n groeve te slapen
+lag en zich nu opricht; dat de wezenloosheid op het gezicht niet de
+uitdrukking is van een half slapende of van een, die bijvoorbeeld onder
+den invloed van sterken drank is. Alles is zoo sterk van aandoening en
+grijpt zoo aan, dat alleen deze figuur voldoende zou zijn om de tekst
+uit het Evangelie van Johannes te illustreeren.
+
+Nu de figuur van Jezus. Zooals Hij daar staat, naast het geopende graf,
+is alles waardigheid en hoogheid aan Hem. We zien Hem als eene gestalte,
+wie langs den rug de mantel in ééne groote beweging tot den grond
+afhangt. In zoo'n rijzigheid stellen we ons gaarne voor, iemand, die als
+verrichter van groote dingen optreedt. De opgeheven linkerhand, ofschoon
+de vingers niet mooi zijn geteekend, begeleidt in grootsch gebaar de
+woorden: "Lazarus, kom uit!" Rustig en vol majesteit wacht Jezus de
+uitwerking af. Bij Hem geene verbazing, verrassing of ontzetting over de
+herrijzenis; bij Hem slechts verzekerdheid, dat nu gebeuren zal, wat Hij
+gebiedt.
+
+Eene groote tegenstelling is er tusschen dat rustige staan en de
+omringende aandoeningen. Om dit duidelijk te voelen, nemen we een stukje
+papier en leggen het zoo over de prent, dat de gestalte van Jezus aan
+ons oog onttrokken wordt.
+
+Het geheel is nu een druk tooneeltje geworden. De omstanders geven op
+eene in 't oog loopende wijze uiting aan hun gevoel. Ze herinneren ons
+aan voorvalletjes, die we langs straat en gracht wel eens waarnamen,
+bijvoorbeeld als er iemand in het water viel; dan waren de menschen ook
+verschrikt, je hoorde ze door elkaar gillen, hard wegloopen,
+achteruitdeinzen, om hulp roepen, de handen uitsteken en op andere
+manieren zich lawaaierig aanstellen. Zoo'n volksoploopje met druk
+gedraai van lijven en gewring van handen blijft er van de prent over,
+als we die eene figuur er uitnemen.
+
+En met deze figuur, is alles plechtig en grootsch. Het statige dringt
+het drukke gedoe van de omstanders op den achtergrond. We denken niet
+langer aan onbeduidende straattooneelen, maar we krijgen weer den indruk
+van eene testamentische, eene aartsvaderlijke geschiedenis. Het
+oploopje, dat zoo in het voorbijgaan even de menschen in beweging
+bracht, is eene gebeurtenis geworden voor alle tijden, eene bladzijde
+uit de boeken der eeuwen. We behoeven de bijbeltekst niet te kennen, om
+reeds bij den eersten blik te begrijpen, dat dit voorval iets bijzonders
+is, iets groots, iets dat invloed zal hebben op geslachten en
+nageslachten.
+
+Waaraan is dit anders toe te schrijven, dan aan de majesteit, de
+verhevenheid van de gestalte, die naast het graf van Lazarus staat!
+
+Toch spreekt uit de teekening ook eene verkeerde neiging van Rembrandt.
+Hij zet zijne figuur daar neer, alsof ze een tooneelheld is; met
+sierlijk gebaar wordt de eene hand in de zij gezet en de andere met wat
+erg veel vertooning omhoog geheven. Hij overdrijft het grootsche en
+maakt er eenigszins comediespel van. We mogen deze opmerking gerust
+maken; al is het onderwerp aan de Heilige Schrift ontleend, wij spreken
+niet daarover maar over den teekenaar.
+
+Zijn streven om het mooi te maken blijkt bijvoorbeeld heel duidelijk uit
+de plooien, waarin de rechterhand den mantel heeft opgenomen. De zeven
+bochten maken den indruk, dat ze in stevig metaal of karton zijn
+gebogen. Niet aangenaam is het, dat we een paar dergelijke plooien op
+den achtergrond aan den linker kant in eene groote draperie terugvinden.
+Het lijken wel oude bekenden uit gordijnenwerk van menschen, die onze
+kamers stoffeeren.
+
+De indruk, dien de opwekking van den gestorvene op de omstanders maakt,
+is in allerlei verscheidenheid weergegeven. Het liefste is ons het
+vrouwenfiguurtje rechts op den voorgrond. Het staat in schaduwgedaante
+voor het felle zonlicht, dat van buiten af in de groeve doordringt. Met
+spanning ziet het vrouwtje de levensverschijnselen op het doodengelaat
+terugkeeren. Doch met eene spanning, die ingehouden wordt. Het
+rechterhandje legt zich zelfbedwang op, om nog geen uiting te geven aan
+de vreugde, om nog af te wachten. Te groot is het wonder, te groot het
+geluk, om reeds te kunnen gelooven. Van innigheid en liefde getuigt deze
+ingehoudenheid, meer dan de uitgelaten gebaren der anderen. Ook de
+plaats, waar dit figuurtje zich bevindt, aan het voeteneinde van het
+graf, afgescheiden van de overigen, is iets aparts.
+
+Van de overige personen geeft ieder, op eigen wijs, in
+gelaatsuitdrukking of handgebaar uiting aan zijne gewaarwordingen.
+Schrik, ontsteltenis, verrukking, ongeloovigheid en afschuw, iedere
+aandoening vindt hare vertolking. Wantrouwen zelfs, en de nuchtere
+berekening, hoe dit verrichte wonder als een wapen tegen Jezus gebruikt
+zal kunnen worden.
+
+De verlichting, waaronder deze figuren zijn geplaatst, heeft eene
+grootsche werking. Het ongeoefend oog zal bij den eersten aanblik
+misschien den indruk krijgen, dat de kunstenaar groote vlakten in zijn
+werk wit heeft gelaten en dus nog niet heeft bearbeid, alsof de
+teekening onvoltooid is gebleven. Maar tusschen de oogharen door gezien,
+gaat er een licht op. De ruimten, die niet met zwarte lijntjes zijn
+gearceerd, blijken verlicht te zijn.
+
+Door de opening van het rotsgraf vallen zonnestralen naar binnen en
+spreiden hunne helderheid over de groeve en den rotswand, over Lazarus
+en de groepjes terzijde van het graf; ook over het front van den Heer
+Jezus, terwijl daarenboven de achtergrond rechts in lichtelaaie schijnt
+te staan. Steeds door de oogharen moet men zien, hoe, daarbuiten, die
+gloed naar boven toe in ijle en zware wolken opwasemt, hoe, met het
+onhandelbare middel van harde zwarte krassen, de luchtigheid van
+opdampende lichtnevelen is verkregen. De tot het leven terugkeerende
+Lazarus is het middelpunt van de zonnebestraling, en als verlegen ligt
+hij onder de glorie van het grootsche licht, waarin hij ontwaakt. Zijne
+kleine machtelooze figuur wekt in dien gloed nog te meer ons medegevoel
+en medelijden op. Hij is het middelpunt niet slechts van de blikken der
+omstanders, maar ook van de binnenvallende zonnestralen. En onze blik
+dwaalde eveneens het eerst en het laatst naar hem.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+EENE LATERE OPWEKKING.
+
+
+Vele jaren later heeft Rembrandt voor de tweede maal het onderwerp "de
+opwekking van Lazarus" behandeld. We zullen deze plaat met de vorige
+vergelijken, om de verschillen vast te stellen, en de oorzaken van de
+verschillen op te sporen. Het ligt voor de hand om te zeggen: "als een
+groot teekenaar iets aflevert, levert hij het af, zoo goed als in zijn
+vermogen ligt, hij kan het een tweede maal dus niet beter, tenzij het
+den eersten keer gebrekkig is geweest." De vergelijking zal echter
+leeren, dat dezelfde kunstenaar een zelfde onderwerp anders _moet_
+behandelen, indien er later andere gevoelens in hem omgaan. Dat dus de
+levenslotgevallen invloed hebben op het werk.
+
+We herkennen weer een rotsgraf; maar nu met uitzicht op een landschap
+met geboomte; daarachter, op een berg, verrijst eene stad; verder,
+evenals op de eerste plaat, een groep omstanders, de Heer Jezus en de
+verrijzende Lazarus. Ook hier beschijnt het zonlicht een deel van het
+tafereel, maar het is minder opzettelijk, minder bepaald op de plek
+gericht, waar het wonder geschiedt. En het is thans niet het ontwaken
+uit een pijnlijk diepen slaap, wat de kunstenaar ons voor oogen stelt,
+maar de groote bevreemding van den ontwakende. Lazarus begrijpt niet,
+wat er voorvalt. Hij kent den persoon niet, die tegenover hem staat, hij
+herinnert zich niet, wat met hem gebeurd is. De mond, die de eerste
+levenslucht heeft ingeademd, blijft sprakeloos halfgeopend staan, en is
+vol verbazing. Met moeite en scheef richt het lijf zich half overeind.
+Er is eene ontzetting van zoo het middelpunt te zijn van aller aandacht,
+zonder nog te begrijpen waarom. De zintuigen zijn ontwaakt en nemen
+reeds waar, maar de herinnering, de kennis, het innerlijk leven, moeten
+nog terugkeeren.
+
+Rembrandts bedoeling is dus eene andere geweest dan in zijne eerste
+"Opwekking", en begrijpelijk zien we die bedoeling voor ons.
+
+In de figuur van Jezus missen we thans het verhevene, het goddelijke.
+Ook in het gelaat. Dit komt geheel niet overeen met de mooie gezichten,
+die we van den Zaligmaker zoo wel eens op platen hebben gezien. Men zou
+het bijna een ongunstig uiterlijk kunnen noemen. Maar er is één trek in,
+waardoor we voor deze voorstelling van Jezus meer voelen, dan voor de
+eerste. Het zijn de goedheid en de zachtheid, die hier spreken. De half
+neergeslagen oogen, het even gebogen hoofdje, het bijna verlegen
+afgewende gelaat, alles draagt daarvan de uitdrukking; de rechterhand,
+niet vast en krachtig tot vuist gebald, maar zacht en mild, en nauwlijks
+toegesloten; de linker, die op de eerste prent vol grootheid zich opheft
+bij het veelzeggend woord, maakt hier een vriendelijk, bijna weifelend
+gebaar, niet verder dan ter hoogte van de borst opgeheven.
+
+[Illustration: Latere opwekking (1642).]
+
+De opwekking is zoo geene uiting van goddelijke macht, geen wonder, om
+er ongeloovigen mee tot bekeering te dwingen, maar ze wordt eene daad
+van goedheid, van medegevoel voor hen, die bedroefd om het graf stonden,
+een daad van liefde en van innigheid. Wel is waar zal men op de eerste
+prent allicht de gestalte grootscher en mooier vinden; maar innerlijk
+laat ze ons koud. Ons _gevoel_ wordt meer getroffen door de uitdrukking
+van zachtheid op de tweede; door het echt menschelijke en vriendelijke
+van den Heer in den omgang met menschen.
+
+Rembrandt is teruggekomen van het ontzaglijke tot het gewone. Ook in de
+omstanders. Wel staan ze, evenals op de eerste plaat, ontdaan,
+getroffen, verbaasd, maar geen een slaat er meer een gat in de lucht met
+zijne handen. De teekenaar heeft zich weten te matigen, hij blijft
+sober, eenvoudig en kalm. Aan gevoel ontbreekt het hem echter niet: men
+zie slechts het gelukkige gezicht van het vrouwtje, dat naast Jezus
+staat. En wat heft ook het mannetje aan Zijne linkerhand de handjes in
+juistheid van gevoel: er is verbaasdheid over het wonder, in het
+vooruitgestoken gezicht zoowel als in de handen; maar de aandoening
+wordt met zelfbedwang ingehouden. Ingehouden ook in het geknielde
+figuurtje op den voorgrond, dat wel ontzet terugdeinst, maar zich niet
+aan groot misbaar te buiten gaat. Ondanks den indruk, dien het wonder op
+de omstanders maakt, blijft eene waardige kalmte heerschen. En we maken
+de opmerking, dat die kalmte wel past op eene plek, die toch altijd een
+graf is. Kalm neemt vooral het oudvadertje het op, dat rechts van Jezus
+op een steenblok zit. Hoogstens trekt hij de wenkbrauwen iets meer op
+dan gewoonlijk, en stulpt hij zijne uitgezakte onderlip iets verder
+vooruit, ten bewijze, dat hij niet volkomen begrijpt, wat hier voorvalt.
+Wijsgeerig en onderzoekend rust zijn rimpelig hoofd op de knokige hand.
+
+Bij de beschouwing van de figuren der omstanders krijgen we den indruk,
+dat Rembrandt al het vreemde en ongewone heeft willen vermijden, om des
+te dieper te doen gevoelen, welke de uitwerking heeft moeten zijn van
+dit wonder op de aanwezigen. Zelfs de achtergrond stemt tot kalmte; in
+plaats van laaiende lichtwolken en opwasemende zonneschijndampen vinden
+we een vredig landschap met vriendelijk uitzicht op de bergstad.
+
+De aandoening van grootheid, forschheid, uitgelatenheid en opwinding
+heeft plaats gemaakt voor stille ernst en innigheid. Er is over den
+teekenaar een zachtheid gekomen en eene mildheid, die ons weemoedig
+stemmen.
+
+In de eerste plaat was hij hartstochtelijk, en streefde hij naar vertoon
+van uiterlijke grootheid. Hij moest zich uitspreken met woeste en groote
+gebaren. In de tweede is hij innig en gevoelvol; alles lijkt gewoon;
+maar er zit teederheid en medegevoel in. In het dagelijksche leven
+merken we ook op, dat zij, die bij alles het meeste misbaar maken, niet
+juist de naturen zijn, die het diepst voelen.
+
+Door de twee platen zoo met elkaar te vergelijken, wordt het ons
+duidelijk, dat niet de bijbeltekst vaststelt, hoe eene teekening zal
+worden. Hetzelfde gegeven kan op twee uiteenloopende manieren behandeld
+worden. Wat den doorslag geeft, is de gemoedstoestand van den
+kunstenaar. Zooals hij de gebeurtenis voelt, zoo wordt de afbeelding.
+Kan men in eene afbeelding niet merken, dat de teekenaar onder den
+indruk van eene gemoedsbeweging heeft gewerkt, dan heeft men
+waarschijnlijk te doen met een stuk van geringe waarde.
+
+Eene goede teekening weerspiegelt zelfs de stemming van den teekenaar in
+een bepaald tijdperk van zijn levensloop.
+
+De gebeurtenis, die tusschen de twee bewerkingen van de opwekking van
+Lazarus ligt, was wel in staat, om in het gemoed van Rembrandt in te
+grijpen. In 1642 ontviel hem door den dood zijne jeugdige echtgenoote.
+In de eenzame, slapelooze nachten, die nu volgden, dacht hij aan haar,
+en peinsde hij over haar. Is het wonder, dat hij zich de mogelijkheid
+voorstelde van een weerzien? Maakte niet de Schrift gewag van een geval,
+dat een gestorvene uit den dood herrees en tot de zijnen wederkeerde?
+Maar ach, dat kon gebeuren eeuwen en eeuwen geleden! Voor hem geen hoop,
+dat Saskia tot hem terug zou komen, om nog op aarde naast hem voort te
+leven. Voor hem niets, dan het denkbeeldig geluk, wat het zou zijn, als
+_zij_ door Jezus uit het graf werd geroepen met de woorden: "Kom uit!"
+De behoefte ontstond, om de opwekking van Lazarus nog eens te
+behandelen. Maar nu met andere gedachten. Nu niet om te toonen, hoe
+grootsch hij den Zaligmaker vond, en hoe vreeselijk voor Lazarus de
+overgang uit het doodenrijk in het leven moet zijn geweest! Nu, om met
+zijne gedachten te verwijlen bij het geluk, de blijdschap, de innige
+zaligheid, die het herrijzen schonk aan de treurende nabestaanden; nu,
+om zich voor te stellen, hoe goed de Heer wel geweest moet zijn, om dit
+wonder voor zijne vrienden te verrichten.
+
+En zie: onder den indruk van deze gedachten bewerkte hij, kort na
+Saskia's dood, de tweede plaat. Om die ten volle te begrijpen, moet men
+met deze bijzonderheid uit het leven van Rembrandt bekend zijn. Zonder
+die kennis zou men kunnen denken, dat de tweede bewerking alleen de
+bedoeling had om iets te maken, dat beter was dan de eerste. Ze zou dan
+ook van teekening de beste van de twee moeten zijn. Dit ligt echter in
+de voorgaande beschouwing niet opgesloten: er is slechts aangetoond, dat
+de tweede "Opwekking" inniger, liefdevoller is; en dat we kort na 1642
+niet anders van Rembrandt konden verwachten.
+
+Wat voor deze prent eene noodzakelijke behoefte gebleken is, eenige
+kennis namelijk van de levensgeschiedenis van den kunstenaar,--dat kan
+men evenmin bij heel veel ander schilder-en teekenwerk ontberen. Daarom
+hebben geschiedvorschers met ijver datgene nagespoord, wat licht kon
+verspreiden over zijne levenshistorie. Nog lang is alles niet bereikt;
+veel bleef er in het duister gehuld; maar toch zijn er gegevens genoeg
+aan het licht gekomen, om te kunnen zeggen, dat we de
+hoofdgebeurtenissen kennen. Het is zelfs mogelijk geworden, om gedurende
+enkele tijdperken met den schilder alles mee te beleven, wat hij
+beleefde; om als het ware naast hem een met hem zijne lotgevallen door
+te maken. Onder deze zijn er wel geene, die meer invloed op het gemoed
+en op de werklust hebben gehad, dan die, welke hij met zijne vrouw
+ondervond. We zullen daarom trachten iets meer van nabij met haar bekend
+te worden.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+HISTORISCHE GEGEVENS.
+
+
+Het was in den zomer van het jaar 1634, dat Rembrandt zich aan den
+IJ-kant te Amsterdam inscheepte, om naar Friesland te gaan. De tocht
+ging over zee, zooals toenmaals vanzelf sprak. De vervoermiddelen te
+land waren slecht, de wegen eveneens, en bovendien was de Republiek nog
+in oorlog met Spanje, waardoor een reis over de Veluwe soms onaangename
+avonturen opleverde. In 1628 maakte de vijand onder aanvoering van
+Cuculi nog strooptochten tot onder de wallen van Amersfoort. De
+Zuiderzee daarentegen was veilig; de dagen van Bossu behoorden tot het
+verleden.
+
+De beurtschipper zette onzen schilder te Harlingen aan land. Vandaar
+ging het per binnenvaartuig over Franeker naar het weinig bekende dorpje
+Sint Anna-parochie, en wel met het doel om er in de echt te worden
+vereenigd met eene deftige Friesche jongedame.
+
+Rembrandts huwelijk is een merkwaardig staaltje van de geschiedenis van
+Geschiedenis.
+
+Men stelt zich gewoonlijk voor, dat de kennis van dit vak uit boeken
+wordt opgedaan. De schrijvers dezer boeken hebben op hunne beurt ook
+weer uit boeken geput, maar zijn even dikwijls langs anderen weg achter
+de toedracht der gebeurtenissen gekomen.
+
+Niet door overlevering, die van ouder op kind, van kind op kindskinderen
+overgaat. Immers, wij in onze dagen, weten meer van Rembrandt,--om bij
+hem te blijven--dan onze voorouders uit het jaar 1800, zelfs meer dan
+die uit 1700, ja! meer dan Rembrandts eigen tijdgenooten! Zijne vrienden
+en kennissen natuurlijk uitgezonderd. Onze kennis kan dus geene
+overgeleverde kennis zijn.
+
+Zoo heeft men honderd en vijftig jaar lang niet met zekerheid geweten,
+dat en met wie hij getrouwd is geweest.
+
+Men vertelde: met eene kleine, dikke boerin uit Raasdorp. Een dorp van
+dien naam is er niet. Men begon dus, met maar aan te nemen, dat Ransdorp
+was bedoeld, een plaatsje in Waterland. Echter wilde het niet gelukken,
+om op te sporen, wie dan die vrouw geweest was. In de stad Amsterdam
+snuffelde men allerlei papieren na, om het gewaar te worden. Ook in
+Leiden, zijne geboorteplaats.
+
+Maar vruchteloos.
+
+Het toeval bracht de oplossing van het vraagstuk. Ver van Amsterdam, in
+een vergeten dorpje in Friesland, werd, omstreeks het midden van de
+19^{de} eeuw, in de oude boeken van het gemeentehuis, tusschen honderden
+aanteekeningen, de ontdekking gedaan van deze regels:
+
+
+"23 Juni 1634 zijn in den echt vereenigd
+
+REMBRANDT HERMENS VAN RHIJN
+ wonende te Amsterdam
+ en
+ SASKIA VAN ULENBORGH
+thans gedomicileerd te Franeker."
+
+
+Toen men nu ook in Amsterdam de papieren en de registers van het jaar
+1634 doorzocht, en melding gemaakt vond van dit huwelijk, was de zaak
+opgehelderd. Het boerinnetje van Raasdorp bleek een sprookjes-boerin te
+zijn. Saskia van Ulenborgh kwam niet uit Noord-Holland en was allerminst
+boerin van geboorte. De vader toch was burgemeester van Leeuwarden
+geweest.
+
+Dit bewijst al, dat hij een man van aanzien was. Hij was bovendien
+iemand, die wat durfde, daar hij behoorde tot de eersten, die in
+Friesland in den Geuzentijd zich tegen den Spaanschen landvoogd
+verzetten. Zeer toevallig is hij zelfs voor iederen schooljongen een
+bekende, door eene gebeurtenis uit de vaderlandsche geschiedenis,
+ofschoon men zijnen naam gewoonlijk niet kent. Zooals men weet, is Prins
+Willem I van Oranje in 1584 binnen Delft op het Prinsenhof vermoord. Hij
+ontving het doodelijk schot, terwijl hij de trap af ging, na het
+middagmaal gebruikt te hebben. Bij dit middagmaal had hij als gast aan
+tafel gehad eenen burgemeester van Leeuwarden, die over regeeringszaken
+met hem gehandeld had. En deze nu was niemand anders dan de heer Van
+Ulenborgh, met wiens dochter Rembrandt vijftig jaar later is getrouwd.
+De schoonvader van Van Rijn is de laatste geweest, die met Willem den
+Zwijger aan tafel heeft gezeten. Saskia is dus uit eene historische
+familie!
+
+Wat wil het toch vreemd loopen! Menschen, die twintig of dertig jaar na
+Rembrandt leefden, wisten niet beter, of hij was gehuwd geweest met eene
+boerin. En wij, twee eeuwen later, zijn van zijne huiselijke
+aangelegenheden nauwkeurig op de hoogte. _Zij_ vergenoegden zich met een
+sprookje, _wij weten_, voor _ons_ is zijn levensloop eene bladzijde
+geschiedenis. Zoo gaat het steeds. Eerst gebeuren de dingen. Dan worden
+ze vergeten. Er komen geslachten, die zich er niet om bekommeren.
+Eindelijk staan er menschen op, die er belang in stellen. Ze onderzoeken
+en vorschen na. Een oud papier wordt gevonden, en het verleden is
+ontsluierd.
+
+Er is bijna geene bladzijde in onze historie, of ze heeft hare
+geschiedenis. Dikwijls is de geschiedenis van Geschiedenis even
+merkwaardig als de Geschiedenis zelf. Dit moge nog blijken uit het
+volgende staaltje.
+
+Nadat de ontdekking van Saskia van Ulenborgh had plaats gehad, zocht men
+naar meer gegevens omtrent Rembrandts leven; vooral in de kerkelijke
+boeken snuffelden de wijsgeeren. In die van de Westerkerk te Amsterdam,
+de kerk, waar in 1667 de groote schilder begraven is, ontdekte iemand,
+dat hij eene weduwe had nagelaten met twee kinderen, die onder den naam
+Catharina van Wijk beschreven stond. Eene andere, waarschijnlijk dus
+eene _tweede_ vrouw! Natuurlijk was de ontdekker met dit nieuws in de
+wolken. Gelooven moest men het wel; het stond onweerlegbaar in het
+register te lezen.
+
+Maar wat ontdekte later een tweede wijsgeer, die de registers van de
+Westerkerk doorsnuffelde? Zijn blik viel op eene bladzijde, waar het
+overlijden en het begraven beschreven stond van den echtgenoot van
+Catharina van Wijk. Hier ontbrak echter de aanteekening, dat deze
+overledene eene weduwe met twee kinderen naliet, eene aanteekening, die
+men juist wel leest op het folio, waar Rembrandts overlijden geboekt
+staat. Er moest een abuis hebben plaats gehad. En dit behoeft ons voor
+de zeventiende eeuw niet te bevreemden. Zaken van geboorte, huwelijk en
+overlijden werden met heel wat minder zorg behandeld dan tegenwoordig.
+_Wij_ moeten er voor naar het gemeentehuis, en daar, op de afdeeling
+"Burgerlijke Stand", hebben de ambtenaren niet anders te doen, dan te
+zorgen voor nauwkeurige registratie.
+
+In de zeventiende eeuw ging het anders, maar niet beter. De zaken van
+den burgerlijken stand werden in de kerken aangeteekend. Wilde men
+onderzoek doen naar iemands geboorte-of sterfjaar, dan moest men eerst
+trachten gewaar te worden, in welk kerkgebouw hij was gedoopt of
+begraven. Zoolang men dit niet wist, richtte men niets uit. De
+ambtenaar, die met het belangrijke werk van registratie was belast,
+leefde niet voor dit ambt alleen. Zelfs was dit niet zijn voornaamste
+werk. Hij was eigenlijk doodgraver van beroep, en kon gewoonlijk beter
+met de spa dan met de pen omgaan. Voor vele van deze
+waardigheidsbekleeders was het schrijven in de de kerkelijke registers
+eene dagelijksche kwelling. De doodgraver van de Westerkerk te Amsterdam
+lichtte er zelfs de hand wel eens mee! Hij liet soms aanteekeningen weg,
+die niet mochten ontbreken. Voelde hij zich later bezwaard over het
+begane plichtsverzuim, dan greep hij pen en inkt en trachtte de fout
+goed te maken. Zoo schijnt hij een zwak oogenblik te hebben gehad op den
+dag, toen de echtgenoot van Catharina van Wijk werd begraven. De naam
+van den overledene werd nauwgezet geboekt, maar dat er eene weduwe met
+twee kinderen achter bleef, liet hij maar weg. Eenigen tijd daarna begon
+hij zich hierover toch ongerust te maken. Hij sloeg het register op en
+zocht den overledene, wien hij te kort gedaan had. Daar hij zich den
+naam niet meer herinnerde, moest hij gissen. Gissen doet missen. De
+weduwe met hare twee bloeien van kinderen werd bij Rembrandt
+aangeteekend, die reeds eenige jaren vroeger gestorven en aldaar
+begraven was. Honderd en vijftig jaar lang bleef de groote schilder in
+dezen echt vereenigd, zonder dat man en vrouw, en zonder dat vader en
+kinderen elkaar misschien ooit gekend hadden. Het huwelijk, door den
+doodgraver in alle stilte voltrokken, bleef een geheim, totdat in de
+negentiende eeuw de eerste wijsgeer het ontdekte en openbaar maakte.
+Toen kwam wijsgeer nommer twee, betrapte den doodgraver op
+registervervalsching en plichtsverzuim, ontbond het huwelijk en wees de
+twee kleine Van Wijkjes aan den waren vader toe, hetgeen Rembrandt van
+de zorg voor hen ontsloeg.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+REMBRANDT LANDSCHAPSCHILDER.
+
+
+Rembrandt Hzn. van Rijn huwde alzoo in het jaar 1634 op den 22^{sten}
+Juni. Hij voerde zijne vrouw naar Amsterdam en betrok de woning in de
+Breedstraat, onder welks dak hij zooveel ernstige en gelukkige
+levensomstandigheden doormaken zou.
+
+De Breedstraat, thans een deel van de oude stad, was destijds eene
+nieuwe straat, een buitenwijk. In 1631 was Amsterdam opnieuw en voor de
+zooveelste maal uitgelegd. De toename van bevolking bleef maar
+aanhouden: handel en zeevaart deden schatten toevloeien, de hoop op
+fortuin nieuwe bewoners. Nadat de halve cirkel binnen de Heerengracht
+volgebouwd en te klein gebleken was, werd een breede gordel van
+omliggend weiland binnen nieuwe vestingwerken en eene gracht, de
+Keizersgracht, besloten en ter bebouwing bestemd.
+
+Doch spoedig bleken de Heeren den gordel te smal genomen te hebben, en
+maakten ze de fout goed, of trachtten die goed te maken, door aan de
+halve maan eene nieuwe verbreeding toe te voegen, begrensd door de
+Prinsengracht met hare vestingwerken.
+
+Het zal den schilder eene behoefte zijn geweest, niet al te ver van de
+vrije natuur te wonen. Slechts een paar honderd passen behoefde hij te
+maken, dan was hij buiten. Hier kon hij zijn hart ophalen aan het
+gezicht op grazige weilanden, van slooten doorsneden, op boerenwoningen,
+in geboomte verscholen, aan tal van windmolens, zoowel poldermolentjes
+als groote, statig rondwiekende houtzaag-en korenmolens. Vooral deze
+laatsten vond men even buiten de stad in grooten getale. Geboortig als
+hij was uit eene molenaarsfamilie, voelde Rembrandt zich steeds
+aangetrokken tot deze schilderachtige gebouwen. Zijn vader had er een in
+Leiden, in het aangrenzende huis was hij geboren en opgegroeid.
+
+Nog binnen de stadsgracht, op een zoogenaamd bastion van het bolwerk,
+dicht bij de Muiderpoort, stond het exemplaar, waarvan hij ons eene
+afbeelding heeft nagelaten.
+
+Rechts zien we het water van de gracht, waarin een visschersbootje met
+gestreken mast; op den achtergrond eene boomenrij, misschien een singel,
+een wandelpad, dat de gracht aan den buitenkant volgde. Van het water af
+loopt het terrein naar links een weinig omhoog, waarschijnlijk naar den
+stadsmuur, die de buitenzijde van het bolwerk vormt. Daar, waar de
+gracht eene bocht maakt, springt de muur boogvorming vooruit en vormt
+een hoog terras, het bastion. Hierop staat de molen met bijbehoorende
+gebouwen. In vele steden, die in de 19^{de} eeuw ontmanteld zijn, bleven
+de bastions gespaard om aan de molens het voortbestaan te verzekeren. Nu
+deze echter door de meelfabrieken doodgeconcurreerd worden, verdwijnen
+met hen ook de laatste overblijfselen van de vroegere vestingwerken.
+Houtzaagmolens vonden op bastions geen plaats: die moeten laag aan den
+waterkant staan.
+
+De schilderij bewaart ons dus een gezicht op de stad, zooals ze er aan
+de buitenzij uitzag. De schilder heeft het tooneeltje zitten aan te
+kijken op het lage pad, dat aan den binnenkant van de gracht liep,
+tusschen deze en den stadsmuur. Dit blijkt uit de schilderij zelf; die
+geeft ons het beeld van wat hij voor zich zag. Terwijl hij werkte en
+ijverig zijne penseelen hanteerde, liep het tegen den avond. De hemel
+heeft eene lichtende klaarte, alles wat van de aarde is, staat er in
+zware kleuren tegen af te steken; alleen het water, dat de klaarheid
+weerspiegelt, blinkt helder op uit de donkere omlijsting. Ook het
+voetpad, met zijne blanke tinten van zand of platgetreden steenstorting,
+is zacht van licht.
+
+Overigens staat alles in zware grijsheid tegen de heldere lucht. We
+voelen, hoe stil en schoon Rembrandt de lichtdiepte van den avondhemel
+heeft gevonden.
+
+[Illustration: Molen.]
+
+Van linksboven af naar het midden toe, worden de tinten ijler en ijler.
+De donkere kleuren, die het geheel aan den bovenkant als een boog
+omspannen, dringen het oog steeds meer naar het midden, naar het
+vooruitspringende deel van het bastion, waar de hemel in klare
+avondzuiverheid tot in verre diepte wegwelft.
+
+Vòòr die lichtdiepte rijst het zware muurgevaarte omhoog. Langdurig moet
+het den schilder geboeid hebben om te kijken naar de breede en hooge
+afmetingen van deze aard-en steenmassa, in tegenstelling met de luchtige
+doorschijnendheid van den avondhemel. Het was hem als een rotsgevaarte,
+als een brok voorgebergte, dat in het water vooruit staat. Het muurwerk
+is éen geworden met de aarde; ouderdom en verweerdheid gaven donkere,
+diepe kleuren, hier wat lichter, daar wat zwaarder, al naar gelang de
+buitenkant meer of minder afgebrokkeld, met mossen begroeid of van vocht
+doortrokken was. De bovenrand en de neerdalende zij-lijn missen de
+kantigheid en de strakheid van nieuwe steen. Het is, alsof de tijd ze
+rond heeft afgesleten; de staande lijn, die rechts den muur begrenst, is
+een weinig rond ingebogen en achterover gezakt, waardoor het geheel nog
+meer den indruk maakt van een zware massa, die geen steun behoeft, om
+zoo in elkaar te blijven hangen.
+
+Het grasveld, dat den bovenkant bedekt, hangt als een zwaar kleed rustig
+over den rand heen. De helling, die links het bolwerk verbindt met het
+lager gelegen pad, is een even zware massa als het muurwerk, waar ze
+tegenop ligt. Ofschoon niet steenachtig van aard, vormt ze er éen geheel
+mee; het gansche terrein is éen groote, breede opheffing geworden van de
+aarde; alles ligt in rustig evenwicht tegen elkaar aan: nergens staat
+een brok muur of grond los en afgezonderd van de rest. Het penseel wist
+er éen klomp van te maken, ofschoon de samenstellende deelen alle zich
+zelf bleven, hetzij muur, hetzij grasveld, hetzij voetpad. Ook dit
+laatste is in het geheel opgegaan. Wel is het lichter van kleur, zooals
+een pad in de schemering als een stille blankheid uit het donker van de
+omgeving opblinkt; maar het is geen afgezonderd tooneeltje gebleven; de
+blankheid en de donkerte liggen niet scherp naast elkaar. Het verschil
+in lichtheid is gering; we krijgen wel den indruk van eene zekere
+blankheid, maar dat gedeelte van de schilderij is toch nog vrij donker.
+En bovendien is er een overgang, die uit allerlei tusschentinten
+bestaat. Kijk maar eens, wat een rommelige ruigte van gras, struiken,
+puin of steenbrokken de geleidelijke verbinding is tusschen de twee
+partijen. En wat is in het pad zelf de afwisseling mooi weergegeven van
+vochtige en droge, van hooge en platgetreden gedeelten, van flauwe
+wagensporen, onmerkbare hellingen naar den waterkant, en opstaande
+kantjes tegen het grasveldje, links op den voorgrond. Toch bleef dit
+éen blanke plek, die zich rustig en vast tegen de oprijzende massa
+daarachter vlijt. Men voelt, op wat voor vasten puinbodem de figuurtjes
+zich bewegen, die van de hoogte afkomen, of aan den waterkant staan.
+
+Een vrouwtje ligt linnen uit te spoelen in de gracht. Spelende
+verspreiden zich kringen over het spiegelwater. Het trok den schilder
+aan, om dit stille bewegen op zijn doek vast te leggen en den indruk te
+bewaren. Het golflijntje, dat een voorbijzwemmend eendje of een in het
+water geworpen kluitje doet ontstaan, is iets, waarnaar we gaarne stil
+en in gedachten verzonken staan te kijken. Zoo ging het Rembrandt ook.
+Terwijl hij daar op het lage pad, op eenen vredigen avond, zat te
+schilderen, kwam een vrouwtje naar beneden om iets uit te spoelen; een
+oogenblik rustte zijn penseel, en volgde zijn oog de kringen, die zich
+verspreidden, tot ze tegen het bootje botsten, en daar eenige
+krinkeling te weeg brachten in het donkere spiegelbeeld. Het was eene
+kleine, onbeduidende gebeurtenis, die de rust van den avond verbrak
+zonder ze te storen. En met een paar zwierige, dartele penseelstreken
+werd ze snel en juist in beeld gebracht, om den lieflijken, vredigen
+indruk van zoo'n schoonen avond te bewaren. De stilte mocht geene
+levenlooze eenzaamheid worden; eene uiting van leven moest er zijn, als
+maar de rust niet verstoord werd. Lieflijker kon het wel niet, dan het
+zachte bedrijf van zoo'n vrouwtje er in te brengen, en het
+voorbijgaande, kortstondige opleven van den waterspiegel.
+
+Wat kunnen we ons zoo geheel indenken in den gemoedstoestand van den
+schilder, en een denkbeeld krijgen, hoe vatbaar hij was voor indrukken.
+Zonder naar het molentje gezien te hebben, dat anders door vele
+beschouwers voor hoofdzaak gehouden wordt, weten we, wat voor hem het
+eigenlijke onderwerp was, dat hij schilderde. Niet de inrichting van
+zoo'n stads-buitenkant, ook niet de vorm van een molen, maar de vredige,
+rustige, kalme stemming van een mensch, die daar zit, en die genieten
+kan van plechtige avondstilte, van mooie, klare luchten, boven bijna
+ingesluimerde stadsgedeelten.
+
+Denk toch niet, dat zoo'n kunststuk er is, om even op de vingers na te
+tellen, wat er op staat. We moeten er in doordringen, om tot het besef
+te komen, hoe de schilder voelde, hoe zijn gemoed door de verschijnselen
+bewogen werd.
+
+Het molentje is maar bijzaak, al is men geneigd, het stuk daarnaar te
+benoemen. Het staat er, om midden op het doek een verheffinkje aan te
+brengen, en het stond nu eenmaal op het bastion. Bevallig, rank en
+rustig is het weergegeven, ofschoon in onzen tijd de schilders er niet
+van houden, om op de wieken zoo'n witten glans aan te brengen. Het
+balkwerk van den kruistaart zit er handig en gemakkelijk achter tegen
+aan. Een klein spetje wit maakt scheiding tusschen boven-en onderstuk,
+waardoor de molen een onderkruier wordt.
+
+Het huizegroepje en een beetje laag geboomte staan gezellig bij elkaar.
+Je krijgt net een idee, alsof het een klein dorpje is, het eene dakje
+wat hooger of wat lager dan het andere. Het schoorsteentje staat er
+bovenuit te steken, alsof het een dorpstorentje wou wezen. Alles werkt
+mee om het vreedzame, landelijke uit te drukken.
+
+Zóó zag Rembrandt nu de wereld. Hij had aan vreemde gebouwen,
+wonderlijke rotsen en geheimzinnige spelonken geene behoefte, als hij
+natuurgenot wilde smaken. Het meest alledaagsche tooneeltje maakte
+indruk op hem. Vandaar zijne geringe reislust. Kunstbroeders achterna te
+trekken, de wonderen van Italië te zien, naar de grootsche tafereelen
+der Alpen op te kijken, hij voelde er geen behoefte aan. Hij was
+huiselijk, bleef gaarne bij moeder de vrouw en vond zijn vaderland een
+schoon land. Waartoe zou dan trekken en rondzwalken gediend hebben!
+
+Het is eene verheffende gedachte, dat hij, die een der grootste
+schilders der wereld is geweest, Holland mooi vond. Dat geeft ons moed,
+om het met dat vaak verguisde, platte, vlakke polderland toch ook maar
+te probeeren. Het moet, blijkens Rembrandts voorbeeld, mogelijk zijn,
+het mooi te vinden. Niet het zeldzame, niet het wonderbaarlijke, niet
+het verhevene doet 't em; alles, wat vreemde landen aanbieden, kan men
+ontberen, mits de goede wil er is.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+VROUWE SASKIA.
+
+
+Van Rijn behoefde zelfs niet de Muiderpoort uit naar Muiden, naar
+Naarden of naar het Gooi te wandelen, om tooneelen te vinden, die hem
+boeiden; hij had ze, om zoo te zeggen, naast de deur. En we kunnen ons
+denken, hoe hij met zijne jonge vrouw naar buiten wandelde, en het
+Friezinnetje attent maakte op al het schoone, wat Amsterdams buitenkant
+te zien gaf. Hoe hij, even stilstaande, met een potloodkrabbeltje wist
+aan te duiden, wat hem hier of daar het meest trof, of, aan den kant van
+den weg zich neerzette en een schetsje maakte, om het Saskia aan te
+bieden en haar oog voor natuurschoon te openen.
+
+Toch trok geen onderwerp den grooten teekenaar zoo aan, als Saskia zelf.
+Tot in het oneindige heeft hij haar uitgebeeld, haast dagelijks moest ze
+voor hem zitten, en maakte hij haar portret.
+
+Een luchtig teekeningetje is dat, wat hij maakte kort na zijn trouwen.
+Hij schreef er eigenhandig iets onder. Men ziet: schoonschrift is 't
+niet. Hij schreef, evenals zijn meeste tijdgenooten, steilschrift; zijn
+hand is los en vlug--geen wonder! de hand van Rembrandt!--Wie mocht
+meenen, dat je aan de penneschrappen eigenaardigheden opmerkt, die aan
+het schrijfgereedschap van die dagen, aan de ganzepen herinneren, hoede
+zich voor overijlde gevolgtrekkingen: ditmaal heeft de
+teekenaar-schrijver noch potlood, noch pen en inkt, noch krijt gebruikt,
+maar eenvoudig een zilveren stiftje, rijn toegepunt, en daarbij een
+bijzonder soort papier, op ivoor gelijkend; een schrap met de stift laat
+hierop een zwart spoor achter. Een zilverstiftschrift dus, en een
+zilverstiftteekening.
+
+Er staat te lezen:
+
+"Dit is naer mijn huijsvrou geconterfeit, do sij 21 jaer oud was, den
+derden dach als wij getroudt waeren.
+
+de 8 junijus
+1633."
+
+Den derden dag, nadat ze getrouwd waren; het huwelijk had plaats op 22
+Juni 1634; drie dagen later schreef men 25 Juni 1634. Dat is echter geen
+8 Juni 1633. Deze datum klopt niet met de opgave in het kerkregister te
+St. Annaparochie. Waar schuilt de fout? In het register? Dat is moeilijk
+te gelooven. De koster, die bij de huwelijksvoltrekking het feit
+aanteekende, zal toch wel met de almanak bekend geweest zijn. De datum
+mag iemand eens voor een oogenblik vergeten zijn, maar een vol jaar
+vergist men zich niet. Op de teekening dan? Maar wat voor den koster
+geldt, geldt ook voor Rembrandt. Het ging hem zelf aan, van hem kunnen
+we ons nog moeilijker eene vergissing denken. Wie van hun beiden heeft
+gelijk, wie ongelijk? Dat is een kolfje naar de hand van eenen
+geschiedvorscher: uit te zoeken, hoe het mogelijk is, dat Rembrandt,
+nadat hij drie dagen getrouwd was, niet op de hoogte van datum en jaar
+was. Wie het vraagstuk oplost, kan er eer mee inleggen.
+
+Wij zien intusschen de teekening verder aan.
+
+In dit schetsje zit leven. Leven is iets, wat men niet met den vinger
+kan aanwijzen of met eenen passer kan nameten, in werkelijkheid evenmin
+als in beeld. Maar als we den indruk krijgen, dat er leven in zit,
+moeten we het er ook over eens kunnen worden, waardoor die indruk
+ontstaat.
+
+We beginnen met het portretje op een kleinen afstand te houden. Dan
+hinderen de arceeringen in het gezichtje ons niet; die lossen zich op in
+eene gelijkmatige tint.
+
+Zie, ze zit nu naar iemand tegenover haar te kijken. Of is de blik op
+eenen muur gevestigd? Neen, op eenen persoon. Immers, de oogen staan
+schalksch, een beetje spottend. Het dikke randje onder het oog kennen we
+wel; dat is een lachje, het is dartelheid. Zoo zit iemand niet op een
+stuk muur te kijken. De blik geldt hem, dien ze lijden mag, en dien ze
+nu, in haar speelschheid, niet kan nalaten te plagen. Er tintelt iets in
+het oog, dat levenslust is. Let eens op, hoe, uit de geschaduwde linker
+helft van het gelaat, het oogwit tusschen oogappel en ooghoek speelsch
+en blijmoedig te voorschijn licht. Dat wit gelaten plekje draagt er wel
+toe bij, om ons den indruk van leven, van vroolijk, schalksch leven te
+geven.
+
+[Illustration: Portret van Saskia.]
+
+Zit het mondje strak en ernstig af te wachten, wat de teekenaar van de
+schets zal maken, of speelt ook daar niet hetzelfde lachje? Voelen we in
+den opgetrokken rechter mondhoek niet een beetje spot? Staat daar niet
+uitgedrukt: "mij teekenen, dat kun je niet?" Is dat trekje er niet op
+berekend, om hem aan 't lachen te maken? Het is, alsof we, tegenover
+haar, Rembrandt zien zitten, ijverig in de weer, om haar portret en haar
+leven vast te leggen op zijn teekenblad; de mond in ernstige plooi, het
+oog bij afwisseling op haar en op zijn werk gericht. En haar zien we
+probeeren, om den ernst van zijn gelaat te verdrijven, om door haar lach
+ook hem een lachje af te dwingen. Hare schalkschheid, de tinteling op
+hare trekken--we weten niet alleen, dat ze _hem_ gelden, we zien er
+zelfs _zijn_ ernstig gezicht in; in het spottende en plagerige lezen we,
+hoeveel moeite het hem kosten zal, om zich goed te houden, om er nu eens
+de gek niet mee te hebben, dat hy haar teekenen wil.
+
+Zij zit niet vóór ons als eene eenzame, die zich aan onze onbescheiden
+blikken blootstelt; ze heeft tegenover zich een, dien ze genegenheid
+toedraagt. Het is, alsof we in de ruimte rondom haar de aanwezigheid
+voelen van den persoon, tot wien haar glimlach zich richt. Die
+aanwezigheid spiegelt zich in haar oogen, om haar mond, op geheel haar
+gelaat. Zou die spiegeling niet het leven zijn, dat we in dit portretje
+zien? Leven is wel iets vreemds, dat vaak moeilijk nader te bepalen is.
+Men kan het soms hebben, dat men eene kamer binnenkomt, waar niemand te
+zien is; het vertrek schijnt leeg te zijn, en toch ziet men behoedzaam
+om zich heen, want men krijgt een gevoel, alsof er zich een levend wezen
+bevindt; men zou gaarne een gordijn oplichten, een kast openen of in een
+hoek kijken, om te weten te komen, of daar iemand schuilt. Men voelt
+zich door leven omgeven.
+
+Bij Saskia gaat het niet geheimzinnig toe. Maar ook _haar_ voelen we
+omgeven van leven; we kennen dit leven, en we weten, hoe hare gevoelens
+zijn ten opzichte van dat leven. Dit alles geeft het portret te zien.
+Meer dus, dan enkel een mond, een neus, een paar oogen, en wat verder
+het gezicht helpt voltooien. Wat kan het zelfs schelen, of de gelijkenis
+van deze onderdeelen volkomen is. Er zit iets in, dat van hoogere waarde
+is, iets waarom we het een lief portretje vinden.
+
+Rembrandt moet dit wel goed begrepen hebben, als hij Saskia aanzag. Want
+wat heeft hij in de eenvoudige krabbels en krasjes deze dingen zuiver
+laten voelen; en nog wel dingen, die men niet onder woorden kan brengen
+of in lijnen kan aanwijzen.
+
+Er is nog iets in Saskia, dat hem niet ontging, en wat het portret nog
+meer liefs geeft. Zij let niet op zichzelf. Ze gaat niet parmantig
+zitten met het idee: nu moet ik er mooi opkomen; en evenmin met het
+tegenovergestelde idee: het kan me niet schelen, hoe ik er op kom. Je
+kunt heelemaal niet zien, dat ze opzettelijk eene houding aanneemt.
+Zooals zij zit, zoo zit iemand, wanneer hij van eene lange wandeling
+thuiskomt. Men valt dan even op eenen stoel neer, om uit te blazen,
+voordat men van kleeren verwisselt. Zonder erg komt de hand onder het
+hoofd; het hoofd leunt er wel niet op; zie maar, de hand raakt het
+nauwelijks aan, maar het geeft eenigen steun en de arm vindt het een
+gemak om even op de tafel te rusten; iets waaraan de andere ook behoefte
+heeft; die ligt er languit over heen en is zelfs niet hupsch genoeg, om
+het roosje rechtop te dragen. Zoo laat men een bloem hangen, als de hand
+moe wordt.
+
+Beide ellebogen rusten op de tafel. Netjes is 't niet. Dat zal vrouwe
+Saskia ook wel weten. Maar ze kwam vermoeid thuis, en dan is het
+verleidelijk om eens op je gemak te zitten. Niet recht op en neer, maar
+het bovenlijf voorovergezakt; de borst zoo'n beetje tegen den tafelrand.
+De kleeren wat losgemaakt en den hoed nog op 't hoofd.
+
+Wie zich zoo neerzet, neemt niet plaats om uitgebeeld te worden, maar
+gaat zonder erg zitten, omdat zitten aangenaam is. Die let niet op
+zichzelf, op houding en postuur, maar geeft zich, zooals ze is. Die gaat
+zoo zitten, omdat zij bij haar echtgenoot is, en niet in gezelschap van
+menschen, die altijd op fatsoen en behoorlijkheid letten.
+
+Het is deze argeloosheid, die onze teekenaar in zijne vrouw zag; en hij
+gaf ze ons duidelijk in lichaamshouding, in armlegging, in handgebaar,
+zelfs in het roosje te verstaan. Want dit roosje hangt net zoo over de
+tafel heen als Saskia zelf.
+
+Eigenlijk is deze trek in haar dezelfde, als die, welke uit haar gelaat
+sprak. Beide komen ze voort uit een gevoel, dat haar aangenaam was: ze
+voelde zich prettig en op haar gemak, zoo bij haar beroemden heer
+gemaal. Ze geneert zich niet, hem lachend in de oogen te zien, en
+evenmin om het zich gemakkelijk te maken. Ze acht zich veilig voor
+onbescheiden blikken en onbescheiden op-en aanmerkingen.
+
+Het trekt ons in haar aan, dat ze zich zoo argeloos onschuldig geven kon
+aan den teekenaar; dat ze zelfs op dit oogenblik niet dacht aan nette
+houding, aan gezicht-in-de-plooien, aan toilet of kapsel.
+
+Ongetwijfeld is hier de verklaring te zoeken, waarom we het beeld lief
+vinden, en waardoor het ons bekoort.
+
+Daar komt nu nog iets bij, dat op den teekenaar betrekking heeft.
+
+Het schetsen van een portret ging hem zoo gemakkelijk van de hand, dat
+zijne gedachten eigenlijk met dit werk alleen niet gevuld waren. Hij
+behield een open oog voor de eigenaardige wijze van doen, zooals die op
+te merken was aan zijn model. Onderwijl hij omtrekken van gezicht, hoed,
+hoofd, lichaam, armen en handen zette, zag hij zeer goed, hoe weinig
+acht Saskia op zichzelf sloeg, hoe weinig ze aan zichzelf en hoe zeer ze
+aan hem dacht; hoe ze zich volkomen onbespied achtte, ofschoon tegenover
+hem zittende. Hij zag dit in hare trekken, in hare houding, in den arm,
+zooals die op de tafel lag, hij zag het in alles. En al schetsende, gaf
+hij in elke lijn de uitdrukking van het vertrouwelijke, dat hij in haar
+zag. De vriendelijkheid van hare verschijning, niet voor een ieder, maar
+voor hem alleen, wist hij uit te teekenen. Hij wist, dat die eigenschap
+van haar wezen kon verdwijnen, als anderen om den hoek gluurden. Hij
+wist, dat zijne teekening bestemd was, om gezien te worden, en dat dit
+streed met hare vertrouwelijkheid. Toch bracht het hem niet in
+verwarring; hij zette het denkbeeld, dat anderen zouden zien, van zich
+af en ging voort, om den indruk vast te houden en in beeld te brengen.
+Met oogen en handen arbeidde hij, om de uiterlijke vormen op papier te
+zetten, en intusschen bleef hem het besef bij, van de vertrouwelijkheid
+tusschen hem en haar. En, arbeidende aan de vormen, schreef hij
+eigenlijk in leesbaar schrift al maar door over die vertrouwelijkheid.
+Niet meer de lichaamsgedaante behandelde zijn teekenstift, maar hoe zij
+over de tafel heen naar hem toe gebogen lag; niet meer haar beeld, maar
+hoe in dat beeld de ziel, het leven zich afspiegelde.
+
+Lang behoefde hij aan zoo'n schetsje niet te werken: alles is los en
+vlug op papier geworpen. En toch raak en goed. Men lette bijvoorbeeld
+eens op de zwierige lijnen, die de rechtermouw weergeven; in éen veeg
+zijn ze opgezet, en in die éene veeg geven ze meteen aan, hoe in de
+buiging, bij den elleboog, het kleed in breede plooien valt. Of op de
+teere schrapjes van het linkerhandje, hoe als vanzelf de pink achterover
+buigt. Het is een genot, om de bewegelijkheid van al die lijnen te
+zien. In een photographisch portret ontbreekt dit. Men vindt er ook
+niets aan, het te bezichtigen, tenzij men den persoon kent.
+
+Het is waar, dat de photographie nauwkeuriger en precieser in
+kleinigheden is; dit weegt echter niet op tegen de uiting van echt
+leven, die een teekenaar in zijn werk neerlegt. We beklagen de eeuw van
+Rembrandt niet, omdat ze het zonder de camera obscura moest stellen, en
+zich behielp met handgemaakte afbeeldingen, integendeel, we achten haar
+gelukkig en betreuren het, dat later een werktuig is uitgevonden,
+waarmee aan kunstenaars het werk uit de hand genomen en het brood uit
+den mond gestooten is. Wel kunnen we thans voor weinig geld portretten
+hebben van allen, wien we genegen zijn, en wel gelijken die zóóveel, dat
+we de personen herkennen, maar ze zijn er naar! Het leven ontbreekt, en
+ook datgene, wat we, na langen omgang, in gelaat, houding, gebaar en
+lichaamsbouw hebben leeren opmerken. We zijn tevreden met den juisten
+vorm van oogen, neus, mond en kin, we eischen niet meer; sedert de
+zeventiende eeuw hebben de menschen zich leeren tevreden stellen met
+afbeeldingen zonder het schalksche leven, zonder tintelenden
+oogenopslag, zonder gemoed en karakter. Misschien zijn er zelfs reeds
+menschen in onzen tijd, die aan hunne bloedverwanten en vrienden deze
+eigenaardigheden niet eens meer opmerken.
+
+Het is best mogelijk, dat de kunst van photographeeren ons
+gezichtsorgaan voor nauwkeurige waarneming van menschen en hunne
+levensuiting heeft afgestompt.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+KLEINE TITUS.
+
+
+[Illustration: Titus van Rijn.]
+
+Laten we naast Saskia nog eens nemen deze afbeelding van Titus, het
+zoontje van Rembrandt. Dan zal ons blijken, dat ook hierin dingen
+voorkomen, die een photographisch portret niet kan geven.
+
+Het ventje zit echt lekker op zijn gemak. Hij zoekt dit op kinderlijke
+manier. Een volwassene gaat er anders bij zitten: niet zoo met het hoofd
+in de nabijheid van de handen, en niet zoo in elkaar gedoken op den rand
+van eene schoolbank of een raamkozijn liggende. Het omgebogen
+polsgewricht van het rechterhandje is echt kinderlijk, ook de duim, die
+het hoofdje steunt en een kuiltje in de kin drukt, waardoor de mondhoek
+een beetje omhoog geschoven wordt! Daar behoort precies bij, die manier
+om eene pen vast te houden, als men zit na te denken over hetgeen
+geschreven moet worden. En zie eens het linkerhandje! Het komt net te
+voorschijn, zooals we dat soms zien bij een poesje, dat behagelijk een
+breed, mollig pootje vooruitsteekt. De heele figuur, het verlichte
+driehoekje van gelaat, handen en boek, heeft iets poezeligs over zich.
+Dit neemt dadelijk in voor het ventje. Het is ons onverschillig, of
+oogen, neus, mond, gezichtsvorm en haar nauwkeurig gelijken, er is,
+buiten dat, iets aantrekkelijks in. Het portretje geeft ons te zien, hoe
+de vader zijn kind soms kon aantreffen, als het in school of thuis in
+een hoekje te leeren zat. De houding moet indruk op hem gemaakt hebben,
+want, toen hij ging schilderen, stelde hij zich het kereltje zóó voor.
+
+Het is niet waarschijnlijk, dat hij, zooals onze photograaf zou doen,
+gelastte: ga nu zus of zoo zitten. Immers, dan wordt alles stijf en
+houterig. Hier was geen afspraak; zonder erg zit Titus op zijn gemak na
+te denken en voor zich uit te kijken, en argeloosheid kon de vader hem
+niet als bevel opleggen.
+
+Dat we hem onbespied kunnen beschouwen, is juist het aantrekkelijke.
+Want nu komt zijn ware aard aan den dag: zijne neiging namelijk om knus
+en gemakkelijk ineen gedoken te zitten. Hij verloochent daarin niet, dat
+hij een kind van Saskia van Ulenburg is!
+
+Het aantrekkelijke wordt nog verhoogd door de groote, donkere kijkers en
+de lange, weelderige lokken. Bovendien vinden we het aardig, zoo
+toevallig eens iets te zien, dat op het schoolgaan en het leeren in de
+zeventiende eeuw betrekking heeft: een bundeltje vellen papier ligt op
+een opengeslagen boek; de inkt,--het zal wel zelfgemaakte inkt wezen,
+want dat was het gewoonlijk,--bevindt zich in eenen koker, die aan een
+koordje of kettinkje hangt. Dit gerei droeg de leerling mee naar school
+en zeulde er mee rond door huis; overal waar hij zich neerzette, om te
+schrijven, had hij het bij zich; als hij voor het open raam plaats nam,
+kon het best gebeuren, dat hij achteloos den inktkoker uit het raam heen
+en weer liet bungelen. Ingenaaide schriften waren niet zooveel in
+gebruik, als losse bladen papier. Deze omstandigheid gaf hier den
+schilder gelegenheid, om te laten zien, hoe de velletjes soms plat op
+elkaar, soms met eene gapende opening er tusschen kunnen liggen.
+
+Met Titus er bij hebben we nu den kleinen huiselijken kring compleet,
+waarin Rembrandt anno 1642 leefde. We moeten echter bedenken, dat de
+zoon nog heel klein was, toen Saskia overleed; de moeder heeft hem nooit
+gezien, zooals de vader hem hier afbeeldt.
+
+In de portretten van vrouw en zoon heeft hij wel duidelijk uitgedrukt,
+met hoeveel hart hij aan beide hing, hoe gelukkig hij zich aan den
+huiselijken haard voelde, toen Saskia nog leefde. Ook zal hij innerlijk
+bewogen geweest zijn, als hij later het kind uitbeeldde en opmerkte, hoe
+hare geaardheid, hare natuur daarin voortleefde, toen zij reeds lang
+ter ziele was.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+ACTIE.
+
+
+Naast elkaar zijn hier gesteld twee groepjes van twee personen, die
+eenige woorden met elkaar wisselen. Het eene stelt voor een Amsterdamsch
+burger uit het jaar 1633, scheepsbouwer en teekenaar van
+scheepsontwerpen van beroep, met zijne vrouw, die een briefje binnen
+brengt. Het andere is Michiel Azn. de Ruyter, in gesprek met zijnen
+stuurman Zeger. Al dadelijk valt het op, dat De Ruyter en Zeger, elk met
+een paar gelijke platvoeten en een paar zwarte kuiten, recht op en neer
+naast elkaar staan. Beider onderstel, met en benevens de wijde broeken,
+schijnen naar een en hetzelfde model te zijn gevormd. De enkels zijn te
+dik, en evenveel te dik, het aanzwellen der beenen, naar boven toe, gaat
+gelijk in zijn werk, de broeken hangen er gelijk om. Vervelend is het
+verder, dat beide gelijkelijk het front naar elkaar draaien, en dat ze
+beide den naar elkaar gekeerden arm schuin omlaag, den anderen arm
+opgeheven houden.
+
+[Illustration: De Ruyter en Zeger.]
+
+De Scheepsbouwmeester en zijne vrouw zijn zonder zulke toevalligheden
+tot een groep bijeengebracht. De houding van de handen der vrouw laat
+zich zeer goed met die van De Ruyter vergelijken. Zij houdt met de
+linker kloek en ferm de klink van de deur omvat, niet nuffig en met
+opzettelijke bevalligheid, maar zooals eene degelijke huisvrouw in
+drukke bezigheden alles doet. De Ruyter doet iets, dat, op zichzelf
+beschouwd, een daad is van kloekheid, van moed en van durf. Eigenlijk
+moest hij dus ook onverschrokken met de linkerhand naar den Engelschman
+wijzen, dien hij tot partuur heeft gekozen. Maar hoe is dit op de plaat
+uitgedrukt? De wereldvermaarde zeebonk steekt een blank, mollig, klein
+handje uit, de arm is slap en zonder fierheid opgeheven, het
+wijsvingertje bij het jongejuffrouwenduimpje wijst op kromme manier iets
+aan. Men zou haast denken, dat mijnheer Zeger heeft gevraagd: "Hoe loop
+ik het kortst van hier naar de Kipstraat?" en dat een voorbijgaand,
+ziekelijk oud heer met een pijnlijk gezicht antwoordt: "Hier links den
+hoek om." Waarop gemelde heer Zeger met vriendelijk gelaat voor de
+bekomen inlichting bedankt, beleefd den hoed licht, en den ouden heer
+eene prettige wandeling toewenscht.
+
+Zoo kan geen De Ruyter het vermaarde commando hebben gegeven, zoo strekt
+geen held met gebiedend gebaar den arm.
+
+[Illustration: Scheepsbouwmeester en vrouw.]
+
+De rechterhand is niet beter van teekening. Misschien loopen er
+verwaande menschen rond, die op deze manier met gebogen polsgewricht den
+knop van een wandelstok omvat houden, maar van onzen Vlissinger Michiel
+gelooven we het niet.
+
+Zie daarentegen, hoe het vrouwtje haren brief overreikt. De bedoeling is
+volkomen duidelijk uitgedrukt: ze laat hem niet zien, ze neemt hem niet
+weg, maar ze overhandigt. Zelfs zit in het handgebaar de beweging van
+iemand, die achterwaarts een briefje afgeeft. Men probeere zelf de
+houding na te bootsen.
+
+Ook de handen van den scheepsbouwmeester mogen gezien worden bij die van
+stuurman Zeger. Zijn linker, eene dikke, vleezige werkhand blijft rusten
+op het teekenwerk, terwijl het hoofd zich even opricht om te zien, wie
+den arbeid komt storen. Is het niet, alsof die hand, met gedachten
+vervuld, bij het werk tracht te blijven, alsof ze den gedachtengang wil
+vasthouden, tot de stoornis voorbij is?
+
+De rechter wil het briefje in ontvangst nemen. Echter niet met een
+gebaar van haastig aanpakken. Het binnenkomen van moeder de vrouw wordt
+euvel opgenomen, omdat het storend is. Vandaar dat de hand maar
+aarzelend uitgestoken wordt. Dit is geheel in overeenstemming met 's
+mans gelaat; de afdruk laat duidelijk een lichten graad van
+ontevredenheid zien; die blik op zijne vrouw en het voorhoofd-fronsen
+zijn er de blijken van.
+
+De rechterhand van stuurman Zeger neemt op eene wijze den hoed af, die
+noch de manier van een zeeman, noch die van een fijn heer is. Houvast
+zit er niet in; een groote, vilten, zeventiende-eeuwsche hoed zou wel
+anders doorbuigen, als men dien bij het uiterste randje tusschen duim en
+vinger aanvatte. Hij lijkt wel van hout. Wat is daarbij vergeleken het
+passertje goed geteekend; in de hand het ronde gewricht, naar beneden de
+gepunte, driekante beenen, waarvan een, door lang gebruik, iets
+kromgebogen is; met een soort van gretige werklust hapt het instrumentje
+naar het papier. Zelfs in zoo'n gering bijzaakje heeft Rembrandt het
+bijzondere gevoeld. De scheepsroeper is lang niet van hetzelfde gehalte;
+de rand van het geslagen koperblik is veel te dik geworden; de
+trechtervormige beker is aan den onderkant bijna recht, aan den
+bovenkant bolvormig; het mondstuk heeft een verkeerden stand; van onze
+plaats af moesten we er niet in kunnen zien; het heeft bepaald in de
+klem gezeten en is verbogen geraakt. Letten we op de handeling, die op
+beide afbeeldingen tusschen de twee personen voorvalt, dan moeten we
+allereerst onze bewondering uitspreken voor het vrouwtje. Er zit in hare
+houding buitengewone bewegelijkheid; het overhandigen van den brief gaat
+niet bedaard in zijn werk, maar haastig en gejaagd. Zij blijft bijna bij
+de deur staan, om geen tijd te verliezen met verder te loopen dan noodig
+is; met over den stoel heen te buigen bereikt ze haar doel even goed.
+Het bovenlijf helt niet alleen zijdelings naar den bouwmeester over, het
+maakt ook eene kleine buiging voorover. Intusschen draaien de
+linkerheup, de linkerschouder en de linkerarm zich reeds weer
+achterwaarts, terug naar de deur.
+
+De rechterhand en-arm, en het gezicht zijn nog verdiept in de beweging
+van het overhandigen. In al de onderdeelen van deze figuur dus eene
+aanduiding van wenden, buigen en draaien, nergens de stijve rust van een
+lid, dat aan de handeling geen deel neemt. Sommige beschouwers maken
+hiervan Rembrandt wel eens een verwijt. Ze vinden het schielijke
+binnenkomen storend voor de rust van de schilderij; het maakt hun
+gejaagd, als ze er een oogenblikje kalm naar zouden willen kijken. Daar
+is wel iets van aan; het is hinderlijk, als je het idee krijgt, dat
+zoo'n figuurtje zoo aanstonds zal wegsnellen, en als men zichzelf
+betrapt, dat men daarop staat te wachten. Maar we moeten den schilder de
+eer geven, die hem toekomt; hij heeft in de lichaams houding van eene
+vrouw, die even binnenkomt en dadelijk weer heengaat, met een fijn oog
+de bewegelijkheid van buiging en draaiing waargenomen en weergegeven.
+
+De plaat van De Ruyter is er, om een geschiedkundig feit voor te
+stellen; alles moest dus eigenlijk handeling zijn; de handeling moest
+althans zeer sterk tot ons spreken. Neem nu den admiraal eens; hij staat
+er zoo houterig en schutterig bij, dat er geen schijn van beweging in
+hem zit. Van onder tot boven, van zijn voeten tot zijn hoofddeksel,
+alles stijf en recht; nergens in de heele figuur eenige zwenking; geen
+enkele lenigheid van draaiing of buiging. Hij zit diep in zijn hoedje
+weggeslagen, en schijnt aan een stijven nek te lijden. Misschien trekt
+hij daarom zoo'n pijnlijk gezicht. Kijk daarentegen eens, hoe mooi rond
+het vrouwenkopje is, hoe het mutsje meewerkt, om de ronding uit te
+beelden, en hoe los en gemakkelijk het hoofd zich keert en wendt boven
+den kraag.
+
+Zoo krijgen we tot slotsom van de vergelijking: de plaat, die eene
+handeling moet voorstellen, geeft houterige, stijve figuren, die de
+armen oplichten om te doen, alsof ze zich bewegen, maar ze bewegen niet.
+De andere, die gemaakt werd om de portretten van eerzame inwoonderen van
+Amsterdam te geven, tintelt van actie, zonder nochtans in het geven van
+portretten te kort te komen. De handeling maakt zooveel indruk, dat we
+beginnen te denken aan een historisch feit. Het lijkt wel, dat dit nu
+het beroemde briefje is, waarover we in boeken lezen, hetwelk
+binnengebracht werd, om den verraderlijken aanslag op een of andere stad
+te verijdelen. Maar 't is zoo niet! De schilderij is er een, waar niets
+achter zit. Zij is een portretstuk, meer niet.
+
+We zullen deze neiging van Rembrandt, om den aard van het portret te
+verbloemen, meer opmerken. Men kan hem ook hiervan een verwijt maken;
+het _is_ misschien niet heelemaal in orde, dat we tegenover de twee
+konterfeitsels van een paar burgerluitjes gedachten hebben van vermaarde
+gebeurtenissen; dat we dus aan dingen denken, die hier niet te pas
+komen. Maar--wat een kunst, om dat te kunnen! Wat een schilder moet men
+wezen, om zoo, spelend weg, in een portretstukje een aardigheidje te
+vertellen, en het dan zoo te doen, dat de beschouwer heelemaal de klus
+kwijt raakt.
+
+De Anatomische les heeft hiervan ook wel een tikje weg, zooals we zullen
+zien.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+MISLEIDE AANDACHT.
+
+
+Onder de drommen van reizigers, die jaarlijks de stad 's-Gravenhage
+bezoeken, zijn er gelukkig niet weinigen, die een uurtje over hebben, om
+de schatten van het Mauritshuis te gaan zien. En onder dezen merkt men
+dikwijls bezoekers op, voor wie de gang daarheen eene bedevaart is. Ze
+komen uit steden en stadjes, die binnen hare muren geen enkel staaltje
+bevatten van de groote kunst onzer voorvaderen; van Rembrandt gehoord
+hebben ze; photographieën naar zijne schilderijen hebben ze gezien. Maar
+nog nooit hadden ze gelegenheid om het hart eens op te halen aan zoo'n
+lapje doek, waarvoor hij zelf, twee en een halve eeuw geleden, met palet
+en penseel heeft gezeten; waarop hij eigenhandig de klonters verf heeft
+geklutst, gewreven en aangesmeerd. Binnen de muren van dit eenvoudig,
+onaanzienlijk gebouw zal dan eindelijk de begeerte bevredigd en het
+verlangen gestild worden. De trappen gaat het op, rechts den hoek om,
+eene kamerdeur door en het vertrek binnen. Dit is het heilige der
+heiligen. Wat hier hangt, draagt groote namen: we lezen er Jan Steen, P.
+Potter, Ostade, Brouwer, maar voor allen lezen we Rembrandt Harmenszoon
+van Rijn. Tegen deze weinige vierkante meters muur hangen een tiental
+zijner stukken bijeen, een schat, dien honderd musea het kleine
+Mauritshuis benijden. Het statig middelpunt daarvan vormt de
+Anatomische les, die waard is, eenigszins uitvoerig beschouwd te worden.
+
+De Anatomische of Ontleedkundige les is een portretstuk. Rembrandt
+maakte het op bestelling, voor acht geneeskundigen uit de stad
+Amsterdam. Dezen hadden het oogmerk, om er hun vereenigingsgebouw, de
+chirurgijnshal, mee te versieren. In plaats van acht afzonderlijke
+portretten, verlangden ze een groep; ze lieten het aan den schilder
+over, de groep samen te stellen, op voorwaarde natuurlijk, dat ieder van
+de acht koppen tot zijn recht kwam. Zij verwachtten niet anders, dan dat
+hij het met deze voorwaarde ernstig op zou nemen. Nu, de koppen kwamen
+tot hun recht; maar toch zou de eerste blik van den beschouwer op een
+ander deel van de schilderij gevestigd worden. De schilder wilde, dat
+het lijk, in uitgestrekte houding op de snijtafel neergelegd, het eerst
+de aandacht zou vragen.
+
+Hij had dit kunnen bereiken, door het aanwenden van een eenvoudig
+middel: als hij er een griezelig voorwerp van had gemaakt, zoo akelig om
+te zien, dat een ieder er naar _moest_ zien. Maar dit deed hij niet. Het
+lijk is zoo geschilderd, dat ook de teergevoeligste lieden den aanblik
+kunnen verdragen. Zelfs de opengelegde arm heeft niets afschuwelijks.
+Alles wat de zenuwen van aanstellerige jongejuffrouwen zou kunnen
+prikkelen, vermeed hij. Wel is het gelaat het gelaat van een doode, en
+dus niet aangenaam om te zien; maar het wekt geen weerzin.
+
+Waarom is het dan wel, dat we, als van zelf, steeds het eerst op het
+lijk het oog richten?
+
+We ondergaan een gelijk lot, als het avondvlindertje, dat door ons
+openstaand venster komt binnenvliegen. Het _licht_ trekt ons aan. Het
+licht is de geheimzinnige macht, die _ons_ gezichtsorgaan, evenzeer als
+dat van het onnoozel gedierte, weet te leiden, waarheen ze wil. Zitten
+we des winters in schemerdonker bij open haard of kachel,
+onweerstaanbaar wordt het oog door den vlammengloed aangetrokken.
+Schrijden we des zomers door de donkerte van eenen boschweg, we
+verhaasten onzen tred, als op het eind van de laan het zonlicht door
+eene open ruimte binnendringt.
+
+Licht geeft op het netvlies een aangenaam gevoel, zooals frisch water
+aan tong en gehemelte, wanneer ze van dorst verschroeien. Het kost soms
+moeite, om den blik van de vlam eener lamp af te wenden, als de omgeving
+door de duisternis eene scherpe tegenstelling vormt.
+
+Nu; de Anatomische les is eene schilderij, waarvan het grootste deel der
+oppervlakte in zware, donkere verven bewerkt is. Het is juist
+voornamelijk het lijk, dat hierop eene uitzondering vormt. De gezichten
+der rondomstaande geneesheeren ook wel, maar die zijn van minder omvang
+en zullen eerst in de tweede plaats onze aandacht trekken. We gaan op
+het zonnige licht af, dat midden op het groote doek een hoekje vult. De
+portretten, waar het feitelijk om te doen was, worden daardoor min of
+meer op den achtergrond gedrongen; het stuk krijgt den schijn van
+gemaakt te zijn met een ander doel, dan om die portretten te geven. We
+zouden haast kunnen denken, dat de schilder wilde laten zien, op welke
+wijze dokter Claes Pieterszoon Tulp les gaf in de ontleedkunde.
+Menschen, die niet voor dokter hebben gestudeerd, zien hier iets, wat ze
+nooit eerder hebben gezien, dat namelijk een hoogleeraar zoo, vóór zich,
+een cadaver heeft liggen, waarvan hij een of ander lichaamsdeel
+openlegt; hij neemt een soort van tang om vast te pakken; de leerlingen
+staan er in een kring omheen, en het onderwijs begint! Werkelijk meenen
+velen, dat het stuk met deze bedoeling is gemaakt.
+
+[Illustration: De ontleedkundige les.]
+
+Toch is het een portret en moet dus op één lijn gesteld worden met
+bijvoorbeeld een schoolportret, dat in lange rijen de kopjes van eene
+klas schoolkinderen te zien geeft. Wat een verschil echter! Het eene is
+een vervelende verzameling van allemaal kijkende gezichten; wie het
+onder de oogen krijgt, gaat zoeken naar bekenden. Soms maakt de
+photograaf eene kleine variatie, door aan eenige leden van het
+gezelschap iets te doen te geven: garen winden, thee schenken of zoo
+iets. Maar niemand wordt de dupe van dezen kunstgreep, men zal nooit ook
+maar een oogenblik meenen, dat de photographie er is, om het
+theeschenken te laten zien; de gezichten trekken te sterk de aandacht.
+
+Het portret van Rembrandt leidt ons juist wel op een dwaalspoor en heeft
+al menigeen omtrent den aard van het stuk misleid. En dat, doordien het
+volle licht op het lijk valt.
+
+Een oogenblik mag men wel stilstaan bij dit overigens niet erg
+verkwikkelijke voorwerp.
+
+Hoe komt het, dat we zoo goed het verschil voelen tusschen de
+vleeschoppervlakte en de geweven stof, waaruit de ledendoek bestaat? Het
+is, alsof we een en ander met vingers hebben betast.
+
+In de eerste plaats door het verschil in kleur, wat ook op eenen zwarten
+afdruk te zien is. Beide zijn wel licht, maar de doek is toch lichter
+gehouden dan het lichaam, ofschoon hij niet wit is; overal merken we
+grijze tinten, die schaduwen van vrouwen en plooien weergeven. Maar deze
+vrouwen en plooien hebben de eigenaardige gedaante, die we in geweven
+stoffen opmerken. En, dit is een tweede punt van verschil, de
+schaduwdiepten, die in de oppervlakte van het lichaam zijn aangegeven,
+zijn van anderen vorm. Ze zijn breeder en minder diep; over eene
+grootere ruimte gaan ze geleidelijk in blank licht over. Men kan het
+beenderen gestel gissen, dat er onder zit. Zoo bijvoorbeeld dat van de
+borstkas. Duidelijk zien wij den strak gespannen omtrek van het
+borstbeen, en naar den rechterarm heel vaag de afteekening van de
+diepsels, die tusschen de ribben zijn ingezonken. Ook de ronding van het
+geheele lichaam is met fijne grijze kleur tastbaar gemaakt. Heel mooi
+ligt de zware spier van den bovenarm tegen het lijf gedrukt; het
+schaduwgleufje verbreedt zich naar boven tot eenen oksel, naar beneden
+tot eene elleboogsholte.
+
+Van het rechterbeen trekt vooral de omtrekslijn langs den bovenkant de
+aandacht. Als we die, van den lendendoek af tot den voet toe, met het
+oog volgen, nemen we telkens fijn uitgebeelde spiervormen waar;
+halverwege stulpt de knie eenigszins naar buiten, omgeven van de kleine
+rondingen, die we daar gewoon zijn op te merken.
+
+De voeten reiken tot in de schaduw. Ze wijzen ons den weg naar een
+opengeslagen boek, van eerwaardige grootte en dikte, een foliant, waarin
+anatomische wijsheid zal zijn opgetast. Zooals de bladen op elkaar
+liggen, getuigen ze van veelvuldig gebruik.
+
+Waar de schaduwpartij precies een aanvang neemt, is moeilijk aan te
+wijzen; het bovenbeen is nog verlicht, de knie al niet meer. Ongemerkt
+heeft de overgang plaats. Zoo gaat het ook met de slagschaduw van een
+potlood, dat men op korten afstand over het belichte deel van het
+cadaver houdt.
+
+Met deze waarnemingen hebben we aan de plicht voldaan, om te zien in de
+richting, die de schilder met zijn lichteffect heeft aangeduid.
+
+Bij voortgezette beschouwing dwaalt nu de blik als van zelf naar het
+gelaat van Tulp, en hierheen eerder, dan naar de gezichten der overige
+heeren. Het schijnt, dat de beide handen, die zoo in de nabijheid van
+het lijk hare welsprekende gebaren maken, dien overgang bewerken. We
+moeten ook bij Tulp het eerst wezen; hij is onder de acht
+geportretteerden de voornaamste en aanzienlijkste. Als geneesheer genoot
+hij eene groote reputatie, zoowel in Amsterdam als daar buiten. Hij
+speelde in deze wereldstad bovendien eene groote rol als lid van de
+stedelijke regeering. En de regeering van Amsterdam, dat wou wat zeggen.
+Die gaf in de regeering van de Republiek de lakens uit. Een man als
+Bicker had immers in ons land bijna evenveel invloed als Stadhouder
+Willem II. Een burgemeester van Amsterdam mocht met recht tegen een hoog
+geplaatst Fransch edelman zeggen: "De koningen van het land, dat zijn
+wij!"
+
+Intusschen zou Tulp, èn als geneesheer èn als magistraat, toch reeds
+lang vergeten zijn, wanneer hij niet toevallig bevriend was geweest met
+Rembrandt, en wanneer deze van hem niet den onvergetelijken kop had
+gemaakt, dien we hier voor ons zien. De oogen, donker van kleur, staan
+er helder en met verwonderlijke klaarheid in. De blik, die op de verte
+gericht is, verraadt een groot verstand, diepe kennis en zachtheid in
+het oordeelen. Het gelaat is vol ernst, niet de ernst, die door leed
+ontstaat, maar de ernst, die gevolg is van juist inzicht en van veel
+weten. De mond schijnt te spreken. De boven-en onderlip zijn zoodanig op
+elkander geschilderd, dat er eene bijna onmerkbare plooiing in komt;
+door deze plooiing is het, alsof we de lippen de letters hooren
+aanblazen bij het spreken, en men kan er zichzelf op betrappen, dat men
+tracht vast te stellen, welke medeklinker er gevormd wordt, hetzij dan
+een f, hetzij een v.
+
+De handen begeleiden dit spreken met verwonderlijke juistheid. De
+linker, ter halver hoogte opgeheven, maakt aan de hoorders duidelijk,
+welke bewegingen de dokter bedoelt. Terwijl namelijk de rechter met
+behulp van een pincette éénen spierbundel van de anderen afzondert, laat
+de linker zien, welke uitwerking de samentrekking daarvan zou hebben.
+Het is een buigspier, liggende aan de binnenzijde van den arm; de
+middelvingers van de linkerhand maken onwillekeurig de buigbeweging mee,
+over welke gesproken wordt.
+
+Veegjes lichte verf geven tusschen de vingers de plaatsing aan, hoe ze
+eenigszins uiteen wijken, naast elkaar op de hand zijn ingeplant, en los
+van elkaar in de ruimte staan. We zien in de tusschenruimte op. In den
+duim van de rechterhand voelen we de drukking, die hij op het werktuigje
+uitoefenen moet, om den spierbundel vast te houden. Wat liggen ook de
+vier vingertoppen in juiste houding om den duim heen!
+
+De kleeding verdient wel een oogenblik bijzonder de aandacht. Er zijn
+zeventiend-eeuwsche portretten genoeg, die ons onderrichten omtrent vorm
+en snit van de toenmalige kleedingstukken. Maar hier hebben we er een,
+dat ons doet voelen hoe _mooi_ ze stonden, hoe schilderachtig ze den
+persoon kleedden. Breed en kloek is de borst, en zijn de schouders onder
+zoo'n wambuis met mantelkraag. De breedgerande, vilten hoed geeft den
+kop een prachtige vierkantheid; hij kleedt ontegenzeggelijk mooier dan
+de hooge cylinderhoeden uit onze dagen. Het kantkraagje en de manchetten
+droeg men niet onder maar over het wambuis, niet in maar om de mouw.
+
+Misschien wekt het bevreemding, dat Dr. Tulp onder de les en in
+aanzienlijk gezelschap den hoed op het hoofd houdt. Dit was in zijn tijd
+gewoonte: de professor aan de hoogeschool, zoowel als de onderwijzer te
+midden van zijne leerlingen, de vroede raadsleden op het raadhuis,
+zoowel als de huisvader in den familiekring, hielden zich gedekt; en men
+zag daarin geene onwellevendheid. Van de overige koppen trekken vooral
+de twee, die zich over het cadaver heenbuigen, de aandacht. In de eerste
+plaats om de tegenstelling tot Tulp. Terwijl deze spreekt, zoowel met
+den mond als met de handen, zoowel door zijne opgerichte houding als
+door zijn rondblikkend gelaat, luisteren gene. De een ziet naar het
+lijk, de ander naar den professor, maar beider oogopslag verraadt
+aandachtig luisteren; luisterend ook buigen ze zich voorover.
+
+In de tweede plaats om de schilderhoedanigheden. Men lette bijvoorbeeld
+eens op de rechterwang van den persoon, die het dichtst bij Tulp zit.
+Van het oog af naar beneden vinden we alle kleurschakeeringen, die ons
+in het gezichtsvleesch van zoo'n gelaat bekend zijn. Allerlei zwakke
+schaduwtjes en lichtvlakjes duiden aan, hoe het verloop is van de wang.
+Het is niet maar eenvoudig weg eene bolle ronding of eene magere
+afplatting; overal zitten vorm-en gedaantewisselingen. Eerst eene
+blauwachtige, eenigszins uitpuilende streek onder het oog, zooals bij
+zwak uitziende menschen. Dan de verheffing van het jukbeen, waar we een
+blosje vermoeden. Hiertusschen en tusschen den neus eene invallende
+diepte. Verder naar beneden de ingevallen wang, die achter den knevel
+verdwijnt en, om het jukbeen heen, nog tot aan het oor te volgen is.
+Alsnu gaat het met geleidelijke ronding om de kaak heen, waar heel dun
+eenig blond haar groeit.
+
+En, zooals deze wang is, is de heele kop. Elk plekje is aan het model
+ernstig en aandachtig waargenomen, bespied en bestudeerd. Het portret is
+een beeld geworden, dat men niet zoo maar eens even uit zijn hoofd
+schildert, het is naar het leven genomen, het geeft ook het leven weer.
+
+Bij de beschouwing trachten we ons onwillekeurig te binnen te brengen,
+waar en wanneer we dezen persoon hebben ontmoet, alsof het iemand is,
+dien we in onze omgeving opgemerkt hebben.
+
+De overige koppen op deze schilderij zouden evenzeer eene afzonderlijke
+bespreking verdienen. Alle dragen de kenmerken van studie naar het
+leven. In alle is met zorg het afzonderlijke, het eigenaardige
+opgemerkt. Men vergelijke, om een voorbeeld te geven, maar eens met
+elkaar de manier, waarop bij elk het haar op het voorhoofd is ingeplant.
+Alleen hieraan zou men de heeren alle kunnen herkennen, als men ze
+ontmoette.
+
+Of men ga eens na, hoe elk van de aanwezigen op eigen wijs de les van
+Dr. Tulp volgt; met meer of met minder aandacht; met een geestigen trek
+om mond en oogen of met een soort van onverschilligheid.
+
+Ieder is zichzelf en leeft zijn eigen leven. Geen twee zijn van een
+zelfde model.
+
+Al deze uitingen van leven spreken des te sterker, omdat ze gerangschikt
+staan rondom het beeld van den dood, van de stof, waaruit het leven
+ontvloden is.
+
+De mond van het cadaver is half geopend, en een glimlach schijnt er
+omheen te spelen. Maar de glimlach is verstijfd, en het spreekgebaar van
+de mondopening is koud en versteend. Het is het eeuwige zwijgen met een
+grimas van leven. En op het gelaat van den lesgevenden professor: het
+mondopenen nauwelijks zichtbaar, de blik strak op de verte gericht, geen
+plooitje, dat zich tot glimlach vormt, en toch het heele wezen een en al
+leven, op de bijna onbewogen trekken een spreken, dat sedert bijna drie
+eeuwen elken toeschouwer in de ziel dringt, en dat spreken zal blijven
+tot in lengte van dagen.
+
+Het stuk in zijn geheel heeft ook zijne eigenaardige bekoring. Eerstens
+door het zonnige hoekje, waar het cadaver ligt. Het oog heeft in die
+lichtplek een aangenaam rustpunt. Ten tweeden door de groepeering. De
+personen staan los, ongedwongen en regelloos bij elkaar, terwijl ze toch
+in een driehoek gevat zijn; één gezicht vormt hiervan den top en doet de
+groep naar boven toe bevredigend eindigen.
+
+Ten derden door de rijke afwisseling van licht en donker; tusschen de
+witte kragen, blanke gezichten en handen zijn overal stukjes achtergrond
+aangebracht of brokstukken donkere kleeding, donkere baarden of behaarde
+schedels. Men bezie het stuk maar eens door de oogharen, om deze
+afwisseling op te merken.
+
+De geschiedenis van de Anatomische les is deze. Rembrandt maakte haar in
+1632, het jaar, waarin Frederik Hendrik Limburg aan de Republiek
+toevoegde. Ze kreeg eene plaats in de vergaderzaal der chirurgijns te
+Amsterdam en bevond zich aldaar nog, toen deze in 1828 hunne bezittingen
+te gelde wenschten te maken en het stuk aan Koning Willem I verkochten
+voor f32.000. Sedert maakt het deel uit van het Koninklijk Kabinet, dat
+in het Mauritshuis ondergebracht is.
+
+De maker van het kunstwerk zal waarschijnlijk van elk der acht heeren
+geneeskundigen de som van een kleine honderd gulden hebben ontvangen,
+wat in 1632, toen Amsterdam krioelde van goede schilders, al wel was,
+vooral voor een beginnend man van even vijf en twintig jaar.
+
+In een anderen zin bracht het hem echter meer op. Als een loopend vuur
+ging de mare door de stad, dat een groot schilder was opgestaan,
+overgekomen uit Leiden en je kon zijn werk zien op de Chirurgijnshal!
+Dit legde hem geen windeieren. Spoedig regende het bestellingen van
+portretten, en maakte hij een geweldigen opgang, zoo enorm, dat zelfs in
+het Stadhouderlijk Paleis te 's-Gravenhage zijn naam genoemd werd.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+AANRAKING MET HISTORISCHE PERSONEN.
+
+
+Reeds in zijne studiejaren had Rembrandt in Den Haag zaken gedaan. Toen
+hij, nog vóór 1632, bij zijne ouders te Leiden woonde en ijverig
+schilderde en teekende om de kunst machtig te worden, deed eens een
+bezoeker hem aanwijzing voor een heer in Den Haag. Een zeker stukje, dat
+hij juist voltooid had, moest hij dien eens gaan vertoonen en te koop
+aanbieden. Te voet trok de jonge schilder er op uit, bereikte na eene
+wandeling van vier uren de Residentie en smaakte de voldoening zijn stuk
+voor honderd gulden te verkoopen. Wonder in zijn schik met dit succes,
+en nog niet gewoon zooveel geld in zijn buidel te hebben, voelde hij
+behoefte, om zoo gauw mogelijk naar Leiden te gaan met zijn schat, en
+zijne ouders in kennis te stellen met het fortuintje.
+
+Een weg van een kleine vier uur gaans weer te voet af te leggen, dat
+kwam, dunkte hem, niet te pas voor iemand, die schilderijen met honderd
+gulden betaald krijgt. De trekschuit, daar ging Jan en alleman mee. Hij
+deed als een groote m'nheer en nam parmantig plaats bij het logement,
+"De Leidsche wagens" op den wagen naar Leiden. _Op_ den wagen naar
+Leiden, aldus vertelt een oud schrijver, niet _in_.
+
+Wat genoot hij van dat ritje! Eerst voerde de weg hem door het Haagsche
+bosch met zijne gladde, rijzige, groene, beukenstammen, die hunne takken
+breed en vlakweg met lichtdoorlatende, fijne blaadjes uitgespreid
+hielden; verspreide eiken stonden zwaar en donker daartusschen met
+diepgefronste schors, en takken, die in moeilijke kromming zich wrongen.
+Machtig en breed stond de voet uit in de zandige duinhellingen; het trof
+hem, hoe ze hun wortels uitlegden over den bodem als een reuzig
+gedierte, dat krampachtig met uitgeslagen en wijdgeopende klauwen zich
+vast wil klemmen.
+
+Nog anders dan in Leiden op het bolwerk, zag je hier, hoe de natuur een
+beeld van kracht kan zijn. Hier, waar werkelijk eeuwen-heugende eiken en
+beuken stonden. Maakte niet een medereiziger hem attent op een drietal
+forsche exemplaren, met dooreengestrengelde takken, die het volk het
+Jacobaprieel noemde, omdat er de landsvrouw Jacoba tweehonderd jaar
+geleden gaarne verwijld had? Heerlijk wonen moest het in Den Haag zijn
+voor eenen kunstenaar. De oude stad nog net plaats vindende op het
+uiteinde van de reeks binnenduinen, waarop ook het Haagsche bosch stond,
+en waarover de Leidsche weg hem Noordoostelijk voerde; de nieuwere
+straten de venen ingaande. De omstreken, in Noordelijke richting,
+klingen en dalen met laag en opgaand hout, in zuidelijke richting lage
+weiden, vol slooten en plassen; hier en daar moerassen, met ruigten van
+wilgbeschot en oeverplanten; de verre horizonnen onderbroken door
+watermolentjes, die men reeds in gebruik begon te stellen van de
+grondverbetering.
+
+Terwijl hij voortmijmerde, passeerde de koetsier niet ongemerkt het
+liefelijke Huis Ten Bosch (wijl dit er nog niet was, en eerst over
+twintig jaar ter eere van den vrede van Munster zou verrijzen) maar reed
+door tot, en hield stil voor het huis Ten Deil, eene herberg, die den
+weg van Den Haag naar Leiden in nagenoeg gelijke helften deelt (deilt).
+Eene onoogelijke waardin kwam buiten met een zwartberookt tabakspijpje
+in den mond, en zette den paarden eene krib met voer voor. De reizigers
+stegen uit en traden, evenals de wagenbestuurder, de herberg binnen,
+boven welks deur, tusschen rankend wijnloof, aan een eind lat een groote
+aarden bierpot bungelde. Rembrandt voelde geen lust, het voorbeeld te
+volgen en mede uit te stappen. Hij bleef bij zijn vollen buidel op den
+wagen zitten. Na eenige oogenblikken wordt de krib weggenomen, en komt
+het volk met den wagenaar naar buiten, om ieder zijn plaatsje weer in te
+nemen. Hun al te groote luidruchtigheid jaagt den paarden een schrik op
+het lijf: ze gaan er van door en rennen met den schilder voort. Het gaat
+langs den hun bekenden weg huiswaarts; ze storen zich aan niets, hollen
+voort, bereiken de Wittevrouwenpoort, sleuren den wagen over de
+Drentsche keien van het Noordeinde en houden in voor de deuren van den
+gewenden stal. Het stalpersoneel stormt naar buiten, helpt den schilder
+uitstijgen, betast zijn leden, of er geen gebroken is, en toont zich
+benieuwd om te vernemen, hoe hij dus, alleen op den Haagschen wagen
+gezeten, de stad komt binnenrijden. Maar hij. Zonder veel praatjes maakt
+hij zich weg en spoedt zich naar de Weddesteeg, die het rijtuig
+gepasseerd was zonder hem af te zetten. Behouden en wel brengt hij zijn
+honderd gulden thuis, en is gelukkig, dat hij op Den Deijl zoo weinig
+verteringskosten heeft behoeven te maken.
+
+Het is waarschijnlijk, dat de groote m'nheer in Den Haag, die zijn stuk
+honderd gulden waard achtte, niemand minder dan Constantijn Huygens is
+geweest.
+
+Kort nadat Rembrandt zich in Amsterdam had gevestigd en een grooten naam
+begon te krijgen, bracht Huygens hem bij den stadhouder, prins Frederik
+Hendrik, ter sprake, wat hij gemakkelijk kon doen, omdat hij, als diens
+geheim-secretaris, dagelijks met den vorst verkeerde.
+
+Er volgde eene bestelling van eenige stukken, misschien om er het
+stadhouderlijk paleis te Rijswijk mee te versieren. De levering, en
+daarna de betaling, hebben nog al voeten in de aarde gehad. Men is dit
+aan de weet gekomen uit eigenhandige brieven van Rembrandt, die bewaard
+zijn gebleven in families, welke van Huygens afstammen. Uit een van deze
+blijkt, dat hij zelf zeer goed wist, een eerste-rangsschilder te zijn,
+dien men goed moest betalen, maar tevens, dat hij bescheiden genoeg was,
+om waarde te hechten aan het oordeel van Huygens of van den Prins. Zie
+hier:
+
+_Mijn Heer_!
+
+Soo ist dan dat ick met licensij u e dese 2 stucken toesende die ick
+meen dat soodaenich sullen bevonden werden dat sijn Hoocheijt nu selfs
+mij niet min als dusent guldens voor ider toeleggen sal doch soo sijn
+Hoocheijt dunckt dat sijt niet en meerijteeren sal naer sijn eijgen
+believen minder geeven mij verlaetende op sijn Hoocheijts kennis en
+discreesij. Sals mij danckbaerlick daer met laeten contenteeren ende
+blijvende neffens mijne groetenisse sijnen
+
+D.W. ende geneegen dienaer
+
+REMBRANDT.
+
+Het tghene ick aen de lijsten en de kas verschooten hebb is 44 guldens
+in alles.
+
+Behalve omtrent zijn karakter, leert dit schrijven iets omtrent zijne
+ontwikkeling. Hij schreef een goeden brief, de zinnen vloeiden hem
+gemakkelijk uit de pen, en hij spelde vrij zuiver, te rekenen voor de
+zeventiende eeuw. Zijn schoolonderwijs was niet verwaarloosd, al wijdde
+hij zich reeds vroeg aan de kunst. Dat hij in den laatsten zin schreef:
+"daer _met_ laeten contenteeren" in plaats van "daar_mee_", kan men op
+rekening stellen van zijn omgang met vrouwe Saskia van Uhlenburg, die
+dat in Friesland zoo had geleerd.
+
+Uit zijne brieven aan Huygens moge ook deze nog aangehaald worden, om
+grond te geven aan ons vermoeden, dat het hof in Den Haag met de
+uitkeering der contanten nu niet juist zoo heel vlug is geweest.
+
+_Mijn Heer!_
+
+Mijn E. Heer met schroomen ist dat ick u e met mijn schrijvens kom
+besoucken ende dat doort seggen van den ontfanger Wttenboogaert die ickt
+tardeeren van mijn betaeling klaechden hoe dat den tresoorier Volbergen
+dat lochgent als dat daer jaerlicks intresse getrocken werden soo heeft
+mij den ontfanger Wttenboogaert nu voorleden woondach daer op geantwoort
+als dat Volbergen allen halven jaer die selvij intressen heeft gelicht
+dat tot nu toe soo dat daer nu wederom over 4000 K. gulden bij den
+selvij kantooren verscheenen is ende bij desen waerachtijge
+geleegentheijt soo bidde ick u mijn goet aerdijgen Heer dat mijn
+ordonnansij nu in den eersten mocht klaergemaeckt werden opdat ick mijn
+wel verdiende 1244 guldens nu mocht eenmael ontfangen. Ende ick sal sulx
+aen ue met reverensij dienst ende blijck van vrienschap altijd soucken
+te rekumpenseeren met deesen ist dat ick mijn heer hartelick groete ende
+wenssche dat ue Godt lanck in goeden gesondtheijt ter saelicheijt
+spaeren werde.
+
+UEDw. ende geaffexcioneerde dienaer,
+
+REMBRANDT
+
+ick woon op de binnen-Emster in die suijkerbackerij
+
+Adresse:
+
+_Mijn Heer_!
+
+Mijn Heer van Suijlikum raet ende Secreetarijus van Sijn Hoocheijt
+
+in den port Schraeven Haech.
+
+De indruk, dien men uit dit schrijven krijgt, is wel, dat de beheerder
+van de stadhouderlijke penningen Rembrandt zonder veel complimenten op
+zijn loon liet wachten. Al maakte de jonge schilder opgang, toch zooveel
+nog niet, dat zijn naam voldoende was om geld los te krijgen. Ook bracht
+hij het nooit zoo ver, dat beroemde mannen uit onze geschiedenis zich
+door hem lieten portretteeren. We mogen dit stellig betreuren. Wat
+zouden we uit zijne handen een portret hebben gekregen van een Frederik
+Hendrik, een Jan de Wit, een Michiel de Ruijter, een Constantijn
+Huygens. Beter dan de bestaande levensbeschrijvingen zouden zulke
+afbeeldingen ons hun karakter, hunne edele hoedanigheden hebben bewaard.
+Maar dat heeft zoo niet mogen zijn! De groote mannen hebben gemeend,
+zijne kunst niet noodig te hebben om hunne trekken te vereeuwigen. De
+portretten, die hij gemaakt heeft, zijn alle van tweede-rangspersonen.
+Toch kunnen we hieruit zijn meesterschap voldoende leeren kennen. Als
+een mooi voorbeeld verdient dat van den ontvanger Uytenbogaerd te worden
+vermeld, welks naam we vinden in den zoo even aangehaalden brief.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+MEER DAN PORTRET.
+
+
+De heer Uytenbogaert zien we gezeten in zijne werkkamer. Op de tafel
+liggen zakken met geld, en een boek, waarin de hand gereed is,
+aanteekening te houden. Hij overhandigt den bediende eenen zak, dien
+deze misschien in een geldvat moet ledigen. De balans, om het goud af te
+wegen, hangt aan een boekenplank boven de tafel; op den achtergrond
+wachten meerdere bedienden op orders.
+
+Wat ons in den heer Ontvanger het meest treft, is de blik, dien hij op
+zijnen dienaar werpt. Doordringend ziet hij hem aan. Uit zijn oog lezen
+we de gewetensvraag: kan ik je dit toevertrouwen? En dat oog blijft
+streng en onderzoekend op hem rusten. Rembrandt slaat hier den spijker
+met den eersten slag op den kop; hij tast de zaak aan in 't hart. Immers
+de beste eigenschap van eenen beheerder van 's lands penningen, is, dat
+hij tegen alle bedrog op zijn hoede is. Zoo één steeds waakzaam moet
+zijn, dan hij! Kan men een man als Uytenbogaerd dus treffender in beeld
+brengen, dan door deze eigenschap voorop te stellen? Hij mag een goed
+man, een vriendelijk man, een eerlijk man geweest zijn, het beste wat
+men van hem kan zeggen, is: hij was een man op de juiste plaats. En dit
+allereerst zegt zijn portret.
+
+Het gezicht is niet bepaald schoon te noemen. De wangen hebben eene
+onaangename breedheid, sommige gelaatsspieren leggen er onbevallige
+vormen in; de neus is van een scheef, ingedeukt model. Maar zooals dit
+moest wezen, zoo is het ook uitgebeeld. We behoeven niet in onzekerheid
+te vragen, hoe eigenlijk de vorm was.
+
+De borst is breed en vierkant in de kleeren gestoken. Kloek en zwaar
+hangt de pelsmantel er om: het schijnt een "kantoorjasje" te zijn. Maar
+wat voor een! Het zachte, glanzige haar zit er duimen dik op; men zou er
+gaarne de hand over willen strijken, om de molligheid te voelen. Wat een
+rijkdom van pluisjes en bundeltjes haren zien we op den breeden zoom;
+telkens weer liggen ze in andere richting op en tegen elkaar. Zwaar en
+dik is de stof, waar we, in het verkort, tegen de wijde linker mouw aan
+zien. Daarentegen is het onderkleed, dat bij den hals zichtbaar is, van
+fijn en kostbaar weefsel, waarschijnlijk in regelmatige preciese
+plooitjes gevouwen en gestreken.
+
+[Illustration: De Betaalmeester.]
+
+Het is een zeer aparte kunst, om met dichte arceeringen de stof uit te
+drukken. Let eens op den achtergrond. De wand, waartegen de schilderij
+hangt, is volgekrabbeld, tot het een beschaduwde, grijze, gepleisterde
+muur was; het gedeelte aan den rechterkant, voorbij een soort van
+poortje, is met hout betimmerd, wat duidelijk van den gepleisterden muur
+te onderscheiden is. Het afhangende deel van het tafelkleed, ofschoon
+van de zelfde grijsheid, draagt daarentegen weer duidelijk de kenmerken,
+dat het geweven stof is.
+
+Ander mooi werk zien we in de voorwerpen, die op den voorgrond staan. Ze
+duiken op met hunne verlichte bovenkanten uit eene zachte, donkere
+kamerschaduw. Zooals wij in een donker hoekje alleen met onzekerheid de
+dingen waarnemen, zoo zien we op den voorkant van de groote kist het
+nauwelijks afgebeelde, zware ijzerbeslag; hier en daar blinkt de kop van
+eenen spijker; langs den rand rechts glimt wat licht, dat misschien door
+een ander meubelstuk is teruggekaatst. Zware scharnieren teekenen zich
+met kleine, zwakke glimlichtjes af langs den bovenrand. Op het deksel,
+dat zeer versmald geteekend is, zitten drie ijzeren banden, die op de
+juiste manier naar elkaar toeloopen; door hunne wijking krijgt het
+deksel voor ons oog zijne breedte. Een mooi stuk teekenwerk, zoo'n kist,
+waarin we de hardheid voelen van het ijzerbeslag.
+
+Uit al deze onderdeelen blijkt de mogelijkheid, om, met arceering
+alleen, stof en maaksel van de voorwerpen uit te beelden.
+
+Om nu tot de figuur van den ontvanger terug te keeren, de breedheid en
+de vierkantheid doen ons vertrouwen stellen in het karakter. De
+openliggende mantel, met daaronder de fiere borst, wekken het vermoeden
+van openheid en eerlijkheid. De rechterhand is eene uitdrukking van
+nauwlettendheid en zorgvuldigheid; ze ligt steeds gereed om in het boek
+van alle gedane uitgaven aanteekening te houden. Aardig is het om te
+zien, met hoeveel schrijversfijnheid de duim en de vinger het pennetje
+vasthouden.
+
+In gelaat, in blik, in houding en lichaamsbouw, in actie en handgebaar
+zien we eene aanduiding van de eigenschappen, die Uytenbogaerd maken tot
+een voortreffelijk ambtenaar. Hij is een model betaalmeester; door een
+man als hem worden 's lands middelen naar den eisch beheerd. Zijn
+portret is maar niet slechtweg een portret, waarbij men vraagt, of het
+goed gelijkt; het is een zinnebeeld geworden, een lofspraak op den man
+in zijn vak. En meer nog: een lofspraak op de regeering uit die dagen.
+Met welk eene vaste hand moet deze de teugels hebben gevoerd, als ze
+bestond uit mannen, gelijk we er hier een voor ons zien. De kracht van
+het jonge Holland spreekt uit zoo'n portret, de kracht van eene
+regeering, die nog bezig is (1639) zich vrij te vechten van de Spaansche
+overheerschers.
+
+Historische waarde krijgt het vooral, als we niet alleen op den
+hoofdpersoon, maar ook op den bediende letten.
+
+Met welk een respect neemt deze den geldzak aan, die hem overhandigd
+wordt! De blik, welken hij met den ontvanger wisselt, wekt de
+veronderstelling, dat hij plichtmatig moet toonen, zijnen meester in de
+oogen te durven zien en dus geene slechte voornemens te koesteren. Een
+en al onderdanigheid is hij! Bijna slaafschheid. Het doet ons vreemd
+aan, dat in een vrijgevochten land, als het onze, alleen de hoogere
+klassen des volks zich mensch en onafhankelijk voelden, dat in een
+Republiek de ondergeschikten de knie bogen voor den werkgever. Is het
+niet, alsof we nog waren in de dagen der Spaansche overheersching? Toch
+draagt de prent de dagteekening 1639, en het leek in dat jaar in het
+Kanaal voor Duins weinig naar eene zoodanige heerschappij.
+
+Maar de Regenten lieten niet met zich spotten: ze hadden er den wind
+onder. Het is deze verhouding tusschen heer en dienaar, die Rembrandts
+plaat voor ons bewaard heeft; in enkele lijnen worden hier boekdeelen
+gezegd.
+
+Niet slechts het portret van een persoon, maar een tooneel uit het leven
+zien we, hetwelk ons doet zeggen: zoo ging het toe; zoo leefden de
+standen met elkaar in de Republiek.
+
+Het portret is een sprookje geworden. We lezen van een groot heer, die
+een kostbaar kleinood toevertrouwt aan eenen braven dienaar. Doch het is
+een sprookje van het soort, waar meer achter gezocht moet worden. Het
+gunt ons een blik op de samenleving onzer zeventiendeeuwsche
+voorvaderen.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+GEËTSTE PRENTEN.
+
+
+De prent, die Uytenbogaerd voorstelt, is eene ets. Wat is dat, eene ets?
+
+Gebruikt de schilder eenen lap linnen of een houten paneel, en brengt
+hij daar met behulp van penseelen olieverf op, dan spreekt men van eene
+schilderij. Werkt hij met kool, krijt, potlood, inkt of waterverf op
+papier, dan ontstaat eene teekening. Van beide maakt hij natuurlijk niet
+meer dan één exemplaar. Schildert of teekent iemand dit na, dan heet dat
+eene copie. Voor boeken en geschriften laat men den photograaf en den
+plaatdrukker reproducties maken.
+
+Maar nu eene ets.
+
+De teekenaar neemt een plaatje roodkoper. Dit moet volkomen vlak en
+effen zijn, en wordt daarom tegenwoordig langs galvanischen weg
+vervaardigd. Op het plaatje brengt hij eene dunne laag was aan; door het
+aan den onderkant te verwarmen, wordt de was vloeibaar en dus geschikt,
+om zoodanig verspreid te worden, dat het korstje na het stollen overal
+eene gelijkmatige dikte heeft.
+
+Eene fijne naald is het teekengereedschap. De punt zet de lijnen niet
+op, maar in de was; ze kan zich door de zachte massa heel gemakkelijk
+bewegen, en dit vergunt den teekenaar dus, om los en zwierig te werken,
+zwieriger, dan wanneer hij met een mes zijn beeld in palmhout snijdt, om
+eene houtsneeprent te maken.
+
+Wat er nu in de was staat, kan hij niet met inkt aansmeren, om op papier
+af te drukken. Daarvoor is alles te zacht. Hij brengt rondom de
+koperplaat een opstaand lijstje aan, en giet er vitriool over uit. Deze
+vloeistof laat de was onaangetast; maar waar ze koper vindt, bijt ze dit
+uit. Dus in de smalle voren, die de naald in het bedekkende laagje heeft
+getrokken. Na eenigen tijd wordt de vitriool afgegoten, de koperplaat
+door verwarming ontdaan van de was, en alsnu vertoont ze de figuur, door
+den teekenaar in de zachte stof ontworpen, doch thans in het harde
+metaal onvergankelijk ingevreten.
+
+Met behulp van eene inktrol bedekt hij haar met inkt, wrijft haar met
+een lap weer schoon, maar draagt zorg, den inkt niet te verwijderen, die
+in de diepte van de lijnen zit. Deze zal, bij het afdrukken op een blad
+papier, de teekening te zien geven, juist even los en zwierig, als ze in
+de was geteekend is, maar in spiegeld beeld. Want door het afdrukken
+wordt de voorstelling omgekeerd.
+
+Van eene ets worden door den teekenaar een groot aantal exemplaren
+vervaardigd. Daar ze voor den handel bestemd zijn, en de liefhebbers ze
+gelijkstellen met oorspronkelijke teekeningen, kunnen ze eene ruime
+bron van inkomsten zijn. Er is er een afkomstig van Rembrandt, die
+"honderguldenblad" heet, omdat elke afdruk den prijs van honderd gulden
+opbracht!
+
+De geëtste koperplaat blijft voor latere afdrukken bewaard. Het komt
+meermalen voor, dat de etser na eenigen tijd met zijn werk niet meer
+tevreden is. Hij tracht dan in de plaat wijzigingen aan te brengen. Er
+heeft zeker geen kunstenaar bestaan, die hiervan zoo de geheimen kende,
+als Rembrandt.
+
+De veranderingen, aangebracht in het portret van een vriend, den
+schilder Jan Asselijn, hebben aanleiding gegeven tot eene vermakelijke
+vergissing.
+
+In de verschillende musea en kunstverzamelingen bevinden zich twee
+soorten van afdrukken van dit portret; ook in de achttiende eeuw
+verhandelde men reeds exemplaren van Asselijn _met_ den ezel en
+exemplaren van Asselijn _zonder_ den ezel. Op dezen staat de schilder
+afgebeeld naast een tafeltje met boeken, op genen wordt de achtergrond
+gevormd door een houten schildersezel, waar een paneel of een doek op
+staat, dat arbeid van den kunstbeoefenaar moet voorstellen.
+
+Er werd in de achttiende eeuw druk in deze en dergelijke etsen
+gehandeld. Liefhebbers waren niet tevreden, als ze een Asselijn bezaten;
+ze moesten er een exemplaar "Asselijn met den ezel" bij hebben; soms
+liepen ze alle kunsthandelaren af, om een te krijgen.
+
+[Illustration: Asselijn met den ezel. Asselijn zonder den ezel.]
+
+Een Duitsch prentenkoopman had al meermalen vraag gehad naar een
+"Asselijn met den ezel", en tot zijn verdriet steeds neen moeten
+verkoopen. Hij was op en top man van zaken, en als het moest, stond hij
+voor niets! Hij bracht een "Asselijn zonder den ezel" bij een behoeftig
+kopersnijder en verzocht dien, om in alle stilte eene etsplaat te maken
+naar het beeld van den Hollandschen schilder, maar in gezelschap van
+eenen ezel. Daar geen van beiden ooit een exemplaar van het veel
+gevraagde soort had gezien, veronderstelden ze, dat met den ezel een
+gelangoorde viervoeter werd bedoeld. De zaak kwam gereed. De kunstkooper
+bezat thans de twee soorten. En toen er weldra een Engelschman bij hem
+aanklopte om een "Asselijn met den ezel", drukte hij dezen voor goed
+geld den zonderlingen ezelhoeder in de hand. Natuurlijk kwam zijn bedrog
+spoedig uit, en heeft hij niet veel exemplaren kunnen slijten. Toch zou
+men thans bij onze overzeesche buren weer goed geld willen geven om er
+een te bezitten, niet omdat het _geen_ "Rembrand" is, maar ter wille van
+de merkwaardigbeid.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+VROUWTJE BAS VAN 'T RIJKSMUSEUM.
+
+
+Hier hebben we het portret van Elisabeth Jacobs Bas, weduwe van admiraal
+Swartenhont. Het heeft geene andere bedoeling dan de beeltenis te geven.
+Eene omgeving, waarin we beroep, ambt of bezigheden terugvinden,
+ontbreekt; de achtergrond is donker. De dame is zonder een of anderen
+schijn aan te nemen zoo maar voor den schilder gaan zitten, om zich te
+geven zooals ze is. Er spreekt uit de houding groote eerlijkheid,
+openhartigheid, die niets heeft te verbergen, die geen behoefte heeft om
+manieren aan te nemen. Natuurlijkweg heeft ze de handen rustig over
+elkaar gelegd. Over elkaar gelegde handen ziet men dikwijls op een
+portret, dat is dus hier het eigenaardige niet. Maar men moet, door er
+lang en rustig op te zien, trachten te erkennen, hoe gemakkelijk en
+ongedwongen deze handen op den schoot rusten. Niet alleen dat ze er op
+_liggen_, dit zegt nog niets, maar ze worden er door _gedragen_. Met de
+elleboogen is het net zoo; die vinden steun, die rusten op de leuning
+van den stoel. Het sterkst voelen we dit wel in de linkerhand, die over
+de rechter is gelegd. Let ook eens op, hoe de onderste achteloos den
+zakdoek vasthoudt, en hoe de bovenste in een gemakkelijken greep over de
+andere heen ligt. En hoe dit overeenstemt met de houding van het
+bovenlijf; ook dit leunt in gemakkelijken stand tegen den rug van den
+stoel; het helt net genoeg achterover om dit voelbaar te maken. Alles
+draagt er toe bij om den indruk van rustigheid, kalmte, bedaarde
+statigheid bij ons te wekken. In een deftig vertrek door zoo'n dame
+ontvangen te worden, die in deze houding een verzoek aanhoort, doet
+weldadig aan en zet ons onmiddellijk op ons gemak. Het geeft de
+gewaarwording, dat ze in haar dagelijksche doen veelvuldig menschen
+heeft moeten ontvangen en heeft moeten aanhooren. Het rustige liggen der
+handen duidt eerder zulk een werkkring aan, dan beslommering van
+handenarbeid. En de gelaatsuitdrukking bevestigt die opvatting. Ook
+hierin dat rustige, onverstoorbare. Om den mond geen lach en geen trek
+van norschheid, geen zwakheid en geen hardheid van karakter, maar juist
+genoeg zachtheid om niet af te schrikken.
+
+[Illustration: Vrouwtje Bas.]
+
+Elisabeth Bas komt reeds op leeftijd: de mond begint in te vallen, wel
+niet veel, maar genoeg om de kin iets vooruit te doen springen. De diepe
+plooien, van de neusvleugels af naar beneden, duiden het ook aan. De
+vleezigheid van de wangen doet in die plooien weer kleinere ontstaan.
+Als vrouwen zestig jaar zijn, begint dat langzamerhand te komen. Bij
+dezen leeftijd behoort de blozende gelaatskleur, en behooren verder de
+twee uitgezakte rondingen links en rechts van de kin, de vierkante vorm
+van het gezicht, de golvende lijn, die den omtrek van de rechterwang
+aanduidt en het hooge voorhoofd. Deze ouderdomskenmerken voegen zich
+heel gemakkelijk bijeen. Van geen enkel krijgen we het idee, dat het in
+dit gezicht niet past. Als de schilder er ook maar één overdreven had
+voorgesteld, zouden we dat terstond als eene fout hebben opgemerkt. De
+plooien aan de mondhoeken zijn in een of ander gezicht soms wel dieper,
+de kin vooruitstekender, de mond meer ingevallen, maar in dit portret
+gaat alles tot zoo'n graad, dat er volmaakte eenheid blijft bestaan.
+Geen enkele eigenschap springt uit den band. Alles is om zoo te zeggen
+op een goudschaaltje afgewogen.
+
+Wel moet de schilder het model dus door en door hebben begrepen, als hij
+in zijn hand en in zijn penseel voelde, hoe diep hij een plooitje moest
+zetten, om bij al het overige te passen. Waar een groefje van den
+rechtermondhoek schuin naar beneden zakte, vond hij in de omtrekslijn
+van de wang een bochtje, dat daaraan beantwoordde. En hij zette het een
+niet, zonder het ander in 't oog te houden.
+
+Neus en oogen zijn volmaakt in overeenstemming met de rest. Op den
+leeftijd van juffrouw Bas is de rug van den neus niet meer smal en
+kantig, maar breed en naar beide zijden rond afloopend. Alleen de punt
+en de vleugels zijn nog scherp geteekend. Onder de oogen vormen zich
+zware plooien; ook zakt er een van de wenkbrauwen schuin naar den
+buitenhoek van het oog. Hieronder komt het vleezige bovenste ooglid te
+voorschijn.
+
+Deze bijzonderheden hebben alle denzelfden leeftijd; de eene toont niet
+ouder dan de andere. Nergens een trekje dat te donker, te licht, te diep
+of te oppervlakkig, te ouwelijk of te jeugdig is. Al deze geschilderde
+zaken zitten rustig bij elkaar, zonder dat het een het ander
+overschreeuwt.
+
+Rustig kijkt het gezicht ook uit de oogen. De blik heeft wat bijzonders,
+zooals we dat bij sommige menschen wel opmerken: hij houdt het midden
+tusschen glimlach en ernst. We weifelen tusschen deze twee. En om den
+mond speelt een trekje, dat ons ook in het onzekere laat. Niet doordat
+Rembrandt onvast schilderde, maar het gelaat zelf droeg een plooi van
+gemengde aandoeningen.
+
+De hoofdindruk is die van ernst en wijsheid en van vertrouwen, dat ze
+inboezemt. De wijsheid is het inzicht van een persoon, die in haar leven
+veel heeft moeten regeeren en leiden, die veel aan beraadslagingen
+deelgenomen heeft; men ziet haar de eigenschappen aan, om weeshuizen te
+besturen, om oneenigheden tusschen regenten te beslechten, om beide
+partijen aan te hooren, een ieder aan te moedigen om te zeggen, wat op
+het hart ligt, maar daarna wekt zij ook de verwachting, dat met
+gestrengheid uitspraak zal worden gedaan, gestrengheid echter, die vrij
+van hardvochtigheid is. We zien dit gelaat gaarne voor ons, niet zooals
+we misschien behagen vinden in lieve engelenkopjes, maar omdat we
+Elisabeth Jacobs Bas eene lieve vrouw vinden. Wel ook eene verstandige,
+maar vooral eene lieve vrouw.
+
+Terwijl Rembrandt op het gelaat, dat voor hem zat, deze roerselen van
+karaktergeheimnissen las, wist hij er zich bovendien zoo juist
+rekenschap van te geven, dat zijn penseel ze in lijn en kleur kon
+vastleggen. Hij was menschenkenner zoowel als kunstenaar. Houdingen,
+vormen, gebaren en trekken nam hij nauwkeurig waar. Maar de menschelijke
+natuur, die daarachter schuilt, niet minder. Zooals iemand in een stoel
+gaat zitten en de handen over elkaar legt, zoo is ook zijn levenstaak en
+zijn karakter; dat had de omgang met menschen hem geleerd. Met wat een
+aandacht moet hij de personen uit zijne omgeving hebben bestudeerd! Wij,
+die in een tijd van veel drukker verkeer leven, als wij in eenen
+spoortrein zitten, en iemand komt de coupé binnen, kunnen wij maar amper
+aan zijn manier van plaats nemen zien, of hij veel heeft gereisd dan of
+reizen iets ongewoons voor hem is. En wat is dit aan de oppervlakte,
+vergeleken bij de karakterhoedanigheden, welke Rembrandt zag in de
+personen, die tegenover hem gingen zitten. Hoe veel en hoe ernstig moet
+hij zich met menschen hebben beziggehouden, om hun innerlijk leven zoo
+op het uiterlijk af te lezen.
+
+En toch heeft men willen beweren, dat hij in zichzelven gekeerd,
+teruggetrokken, bijna eenzelvig leefde, geen menschen zag, geen omgang
+had en weinig van menschen hield. Dit ééne portret bewijst voor het
+tegendeel genoeg. Wie dit kan maken, kent den mensch, bestudeert hem,
+zoekt hem en voelt zich tot hem aangetrokken.
+
+Als we nu nog even de aandacht aan de kleederdracht dier dagen schenken,
+merken we op, met hoeveel welgevallen de schilder den in 't oog
+loopenden plooikraag zag. Om eens eene ongepaste vergelijking te maken:
+het is, alsof het hoofd, waarin al die wonderlijke zaken van gemoed en
+karakter worden opgemerkt, aan den beschouwer wordt gepresenteerd op een
+schotel van blanke reinheid. In zuiveren, afgeronden vorm teekent het
+zich daartegen af. Linten, strikken, koralen of andere sieraden
+misleiden de aandacht niet. Zelfs geen haardos. Een linnen kapje of
+mutsje voltooit de witte omlijsting, waarin het gelaat ons alles kan
+zeggen, wat het te zeggen heeft.
+
+Wat is die kraag er mooi opgezet! Luchtig en kraakfijn staat de kant in
+de plooien. Overal van die bijna doorschijnende schaduwtinten, zooals
+men ze ook ziet op verschgevallen luchtige sneeuw. Hoe zuiver loopt de
+ronde lijn over de borst en de schouders achter om het hoofd heen; nog
+net even kunnen we voelen, dat de kraag aan de achterzij iets uit het
+platte vlak doorgezakt is.
+
+Men ziet, het zijn niet alleen de raadselen van een menschelijk gemoed,
+waarnaar Rembrandt zocht, ook het eenvoudigste ding keek hij aan en weer
+aan, tot hij kon zeggen: zoo doet het zich aan mijn oog voor. Hij tastte
+zijn model eerst in het hart aan en gaf uitdrukking aan het persoonlijk
+karakter; maar dan had hij ook aandacht voor de bijzaken en schepte er
+behagen in, eenen kraag in de plooi of een weduwenkapje in de stijfsel
+te zetten.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+KUNST VAN GROEPEEREN.
+
+
+Weinige van Rembrandts werken hebben onder het groote publiek zoo'n
+bekendheid gekregen, als het Korporaalschap van Frans Banning Kok. Het
+bevindt zich in het Rijksmuseum te Amsterdam en dagteekent uit het jaar
+1642.
+
+De beschouwer voelt zijn blik het eerst getrokken door twee personen op
+den voorgrond. Het zijn Frans Banning Kok en Willem van Ruitenberg.
+
+Op andere portretten wordt men nu eens het eerst door dit, dan weer door
+dat gezicht geboeid; de een begint zijne beschouwing met dezen, de ander
+met genen kop; de massa gezichten is gewoonlijk verwarrend, met het
+gevolg, dat het weinig kan schelen, waarheen men den eersten blik wendt.
+
+Maar op dit portretstuk richt iedereen dien altijd naar het zelfde
+tweetal.
+
+Dit feit is niet van geringe beteekenis, al klinkt het eenvoudig. De
+schilderij krioelt, om zoo te zeggen, van menschen; en bij dergelijke
+stukken wil het wel eens zoo wezen, dat niet ieder een vast uitgangspunt
+vindt. Vergelijk bijvoorbeeld de intocht der Kruisvaarders in Jerusalem
+(van Piloty) er maar eens bij. De blik dwaalt onrustig heen en weer, is
+nu eens bij het groepje, dat een kruis met palmen torst, dan bij den
+ridder, die het kleine tegenstribbelende kindje op den arm draagt, of
+bij den rijkaard, die sieraden in het kleed van een bedelaar werpt.
+
+[Illustration: De Nachtwacht.]
+
+Het wordt den beschouwer niet duidelijk, wààrop hij in hoofdzaak zijne
+aandacht moet vestigen; er zijn tal van groepen, die hij geneigd is,
+mooi te vinden, maar ze houden met elkaar geen verband; er is geen
+zwaartepunt in het stuk; men blijft onzeker omtrent de bedoeling. Toch
+moet bij Piloty eene bedoeling hebben bestaan; het zal bijvoorbeeld deze
+geweest zijn: te laten zien, hoe vroom en deemoedig een paar groote
+vorsten geknield de stad binnenkropen en de heilige plaats naderden.
+Maar men merkt niet, dat daar alles om draait; de bijzaken verwarren
+ons.
+
+Zoo heel eenvoudig is het dus niet, om de aandacht te vestigen op de
+hoofdzaak. Merken we dit ook niet dikwijls op bij schrijvers, als ze
+zich neerzetten, om uitspanningslectuur te schrijven? Ze meenen wel, dat
+ze ons iets aardigs hebben te vertellen, maar het raakt zoek in den
+grooten omslag van het geheel; we halen het er niet uit onder het lezen.
+Als we het boek uit hebben, weten we nog niet, waarom de schrijver het
+geschreven heeft.
+
+Laten we dus beginnen met omtrent het Korporaalschap te verklaren, dat
+het al vast deze goede eigenschap heeft: ieder beschouwer kan steeds in
+dezelfde twee personen de hoofdzaak aanwijzen, op welke Rembrandt de
+aandacht wilde vestigen.
+
+Waarom heeft hij dit gewild? Waartoe dient het, dat we allen het eerst
+aan Banning Kok en Ruitenberg onze aandacht schenken?
+
+Toch zeker niet om ons te laten zien, hoe fraai hunne kleeding, hoe druk
+hun gesprek, hoe vriendschappelijk hun omgang is; of hoe 'n mooie hand
+Banning Kok heeft, hoe aardig de zon daarop schijnt en de schaduw over
+het kleed van Ruitenberg doet vallen. Dit zijn zaken van ondergeschikt
+belang; ze hebben voor de uitbeelding van een vendel schutters niet
+zooveel beteekenis, dat daarvoor de aandacht het eerst op de beide
+genoemde figuren moest worden gevestigd.
+
+Dit heeft eene andere bedoeling, en we zullen die vrij zeker opmerken,
+wanneer we, met een stukje papier of met een paar vingers, den kapitein
+en zijnen luitenant bedekken en aan onzen blik onttrekken.
+
+De overblijvende figuren staan nu stil. Besluiteloos staan ze op een
+hoop bij elkaar. Het vendel komt niet meer van zijne plaats; het wacht.
+De gang, die er in zat, is er uit. Wel zijn er nog eenige figuren in
+gaande beweging uitgebeeld, maar het geheel maakt den indruk van talmend
+en treuzelend halt houden.
+
+[Illustration: Intocht in Jeruzalem (van Piloty).]
+
+Zoodra we de bedekking wegnemen, komt het heele vendel weer vooruit. De
+schilderij geeft niet een groep schutters, in schilderachtige wanorde
+bijeengeplaatst, ze geeft het uitrukken. Het vendel rukt uit. En het
+zijn de twee officieren, die er actie aan geven. Door hun bewegen wordt
+alles in beweging gezet. Hun gaan geeft gang aan de heele compagnie.
+
+Was er dus ook reden voor Rembrandt, om voor deze twee figuren de
+hoofdaandacht te vragen? In hen bracht hij alle actie bijeen, die voor
+het heele vendel noodig was, en spaarde ons de vervelende vertooning van
+eene gansche verzameling gaande beenen en gaande voeten.
+
+Hebben we nu niet meteen het antwoord op de vraag, waarom Banning Kok en
+Ruitenberg ten voeten uit zijn afgebeeld, en waarom ze ook, ten voeten
+uit, in het licht zijn gezet? Het kwam op hunne beenen juist aan! Ze
+moesten aan 't loopen voor eene heele compagnie!
+
+Laten we de beweging van dit gaan eens aandachtig beschouwen, en ons
+daartoe voor den geest halen, wat we opmerken aan menschen, die langs
+den weg loopen. Dit bepaalt zich volstrekt niet tot het regelmatig en
+afwisselend verplaatsen van de beenen. Eerstens komt daar gewoonlijk bij
+het heen en weer gaan van de armen, wat toevallig bij de beschouwing van
+onze twee figuren van geen belang is, omdat ze geen van beiden de armen
+los laten hangen. Tweedens: in het geheele lichaam eene beweging, waarop
+we hier wel de aandacht moeten vestigen. Bij elken pas gaat namelijk het
+lijf en daarmee het hoofd op en neer; het rijst en daalt. Bijzonder
+duidelijk nemen we dit waar, als een troepje menschen zich met elkaar
+voortbeweegt zonder in den pas te marcheeren; al de hoofden en
+hoofddeksels dobberen dan op en neer, als door eene deinende
+golfbeweging. Duidelijk is dit vooral, als ze achter een niet te hooge
+haag aan ons oog voorbij trekken.
+
+En zie, het is dit op en neer deinen van de bovenlichamen, wat we in
+Banning Kok en Ruitenberg beginnen te voelen, als we ons de moeite
+geven, eenigen tijd aandachtig hun gaan aan te kijken. De tweede schijnt
+juist het oogenblik door te maken, dat hij omhoog veert, terwijl de
+eerste dit net weer achter den rug heeft. Eene schilderij kan wel is
+waar geen werkelijk bewegen te zien geven, maar toch kan de schilder uit
+de kleine veranderingen, die tezamen de actie uitmaken, eene zoodanige
+keuze doen, dat wij den indruk krijgen, alsof het beeld de beweging
+zelf te zien geeft. Dit gelukt hem alleen, als hij eene nauwgezette
+studie van de zaak maakt, en als hij van nature bedeeld is met het
+juiste gevoel voor actie, voor veerkracht en voor evenwicht. Hij moet
+zich, al werkende, levendig voor den geest kunnen stellen, hoe hij eene
+menschelijke gedaante langs den weg heeft zien gaan, hoe elk
+lichaamsdeel op eigenaardige wijze aandeel kreeg in de beweging van het
+gaan, hoe een hoofd zich telkens even omhoog richt bij het verplaatsen
+der lichaamszwaarte van het eene op het andere been. Naar een model, dat
+in zijn atelier de verlangde houding en stand aanneemt, kan hij niet
+werken, als hij zoo iets wil weergeven. Het verkeert in rust, en om de
+rust is het hem juist niet te doen. Voor eene figuur als van Ruitenberg
+zou een model hoogstens de plaatsing van de voeten en de buiging van de
+beenen te zien kunnen geven. Maar niet het omhoog veeren, het opbeuren,
+dat ons in het bovenlijf, in den hals en het hoofd zoo treft. Hoe langer
+men er op ziet, hoe minder men zich aan dien indruk kan onttrekken. En
+tegelijk beginnen we op prijs te stellen, dat de schilder zijn volle
+licht en zijne lichtgele kleedingstoffen spaarde voor deze figuur; zij
+springt daardoor des te beter in 't oog.
+
+Er is naar aanleiding van dit onderwerp nog eene opmerking te maken: de
+twee vrienden loopen namelijk niet gelijk.
+
+Reeds trok het onze aandacht, dat ze niet in denzelfden pas marscheeren.
+Terwijl Banning Kok zijn rechterbeen juist naar voren gebracht heeft, en
+hij zijne lichaamszwaarte bezig is op dat been over te brengen, is het
+rechterbeen van Van Ruitenberg reeds gestrekt, het ondersteunt diens
+zwaartepunt en geeft aan het linkerbeen gelegenheid om naar voren te
+komen; de voet rust dan ook nog slechts met de punt van den teen op den
+grond.
+
+Maar behalve het verschil in tijdmaat, is er een wezenlijk onderscheid
+in de manier van loopen. Men zou elk van hun tweeën er aan kunnen
+herkennen, zooals we trouwens onze kennissen dikwijls herkennen aan
+hunnen gang.
+
+Ruitenberg maakt groote passen, bijna te groot voor iemand van zijne
+lengte. Hij komt met eene zekere drift opzetten. Zijne nadering heeft
+min of meer een dreigend aanzien. Het linkerbeen, dat zich thans nog
+achter bevindt, wil zich gestrekt en op eene vinnige, kordate manier
+naar voren bewegen.
+
+Als ons oog van dit driftige, besliste mannetje naar den grooten,
+vierkanten Banning overgaat, doet diens voetstap ons weldadig aan.
+Rustig en goedsmoeds schrijdt hij voort. Wel ook met meer dan gewoon
+burgelijke snelheid, even goed als zijn buurman, maar zijn gang is niet
+nijdig, niet gestrekt, niet als de gang van den gymnast, die zijne leden
+aan korte, besliste bewegingen went.
+
+[Illustration: Groep uit de "Nachtwacht".]
+
+Zooals hij daar aan komt stappen, heeft hij eerder iets vertrouwelijks
+over zich dan de kleine Kuitenberg.
+
+Dit onderscheid in beider gang is door den schilder aan de twee levende
+personen nauwkeurig ontleend. Want het behoeft onze aandacht niet te
+ontgaan, dat hetzelfde verschil ook spreekt uit beider lichaamsbouw en
+vooral uit beider gelaatstrekken. De een ziet met een vol, breed gezicht
+de wereld in, uit een paar wijd geopende en vrijmoedig opziende oogen.
+De andere heeft in zijne magere trekken niet dat aantrekkelijke; hij mag
+wat scherpzinniger wezen, scherper is hij ook, en hij ziet min of meer
+sluw onder den hoed uit, die hem in de oogen zit, terwijl Kok dat
+kleedingstuk achter op het hoofd staat. Ieder mensch draagt zijnen hoed,
+zooals zijn karakter is.
+
+De gang is dus in overeenstemming met grootte, met breedte, met
+gelaatsuitdrukking, vermoedelijk ook met karakter. Dit verleent aan de
+twee naast elkaar loopende figuren het echte leven; de een is een geheel
+ander mensch als de ander. Aan beider eigenaardigheden heeft de schilder
+recht gedaan, terwijl hij bovendien de actie van hun gaan wist te
+gebruiken, om aan de heele groep van personen de bewegelijkheid te
+geven van een troepje uitrukkende schutters.
+
+Want, om den hoofdindruk van onze schilderij niet uit het oog te
+verliezen,--dit uitrukken is eigenlijk _het_ onderwerp, dat de schilder
+behandelen wilde. We behoeven niet lang te raden, waarom hem dit
+aantrok. Sinds overoude tijden is het uittrekken van de gewapende macht
+een soort volksfeest, dat toen zoowel als nu zich mocht verheugen in de
+belangstelling van het publiek. Wie zal ook ontkennen dat het een
+levendig, een aardig tooneeltje is, zoo door de straten den bonten stoet
+te zien voortmarscheeren, muziek of trommelslag voorop, vaandels boven
+de hoofden vliegend, wapens blinkend en kletterend, het geheel door
+straatjeugd omstoeid, door volwassenen met welgevallen gadegeslagen.
+
+Het lag voor de hand, dat zoo'n tooneeltje hem geschikt voorkwam, om
+daarin de bestelde portretten tot een geheel te vereenigen.
+
+Het tweetal, dat aan het hoofd van den stoet marscheert, en dat zijne
+beweging aan de gansche schaar weet mee te deelen, heeft nu intusschen
+nog eene andere taak te vervullen. In hen moet ook blijken, wie het zijn
+die hier uitrukken.
+
+Al dadelijk zien we in gestalte, houding en fieren, vasten gang iets,
+dat ons zou bevreemden, als we het opmerkten in twee burgerluitjes, die
+samen een straatje omwandelden. Wanneer we twee deftige heerschappen met
+zooveel tred, zooveel levendigheid en met zoo'n druk handbeweeg door
+onze straten zagen passeeren, zouden we zeker meenen dat een ernstig
+ongeluk was gebeurd, en zij er op uitgingen om hulp van politiemacht in
+te roepen. Hier is iets uitgedrukt, dat strijdt met het gewoon
+burgerlijke; en dit was juist noodig om van de figuren militairen te
+maken. Ze hebben het krijgshaftige gekregen, om te zijn, wat ze moesten
+wezen: schutters; en wel schutters, aan wie de verdediging der stad zou
+kunnen worden opgedragen in tijden van oorlog.
+
+Voor het gansche vendel zijn de officieren met militaire eigenschappen
+toegerust.
+
+Toch zijn ook weer zij het, die in het militaire het burgerlijke mengen.
+Het stuk mocht niet ontaarden in de voorstelling van eene krijgshaftige
+groep veteranen uit het beroepsleger van stadhouder Frederik Hendrik.
+
+Dit zou gebeurd zijn, als de aandacht meer en in hoofdzaak ware
+gevestigd geworden op het echte krijgsmansuiterlijk van den man, die
+onder het gaan zijn geweer laadt, links van Banning Kok, of op de drie,
+die we weer links van dezen waarnemen. Allemaal typen van krijgslieden.
+
+Maar de gezichten van Ruitenberg en Kok zijn geen troniën van in
+kruitdamp verweerde veteranen. Men houdt ze wel dadelijk voor
+burgerlijke ingezetenen, die met den krijgsmansstand weinig gemeen
+hebben. Het blijven burgers, zij het dan ook burgers, die zich vandaag
+als mannen van wapenen doen gelden. Al doen ze dit laatste goed, men
+ziet hen wel aan, dat zij in een vredelievenden kring thuis behooren.
+Banning Kok is niets meer of minder dan Wethouder van Amsterdam en zit
+in die functie op het kussen naast dokter Nicolaas Tulp, wiens portret
+Rembrandt tien jaren vroeger, in 1632, had gemaakt.
+
+In het welsprekend handgebaar van den kapitein vinden we ook iets, dat
+in strijd is met soldatenmanieren, of althans geene strijdlustige
+bedoelingen verraadt. Het geeft wel is waar aan den persoon eene
+levendigheid, die een burger, als hij zich door de straat beweegt,
+vreemd zou staan en eerder aan den krijgsmansstand doet denken; maar
+tegelijk is het toch ook van eene vreedzame natuur; we kunnen dezen
+krijgsman geen andere oogmerken toeschrijven, dan om met zijn mannen uit
+te trekken, en vreedzaam oefening te houden in het hanteeren van de lans
+of het schieten op een doel, misschien op den haan, dien het meisje
+draagt. Zoo gemoedelijk loopt niet de landsverdediger te gesticuleeren,
+die den wreeden vijand tegemoet gaat, en vrouw en kinderen voor 't
+laatst vaarwel heeft gezegd; en zoo rustigjes loopt een ander niet met
+de hand in de zij, te luisteren naar het discours van eenen lotgenoot.
+
+Het zijn dus ook al weer Banning Kok en Van Ruitenberg, in wie het
+karakter uitgedrukt is van het soort krijsvolk, dat hier uitrukkende is
+voorgesteld. Evenmin als het voorafgaande, is dit door Rembrandt op
+diepzinnige wijze verzonnen; het denkbeeld lag voor de hand. Althans, we
+krijgen den indruk, dat dit zoo was. Groote kunstwerken wekken
+gewoonlijk de gedachte, dat ze eenvoudig van opvatting en samenstelling
+zijn, dat ze den kunstenaar gemakkelijk van de hand zijn gegaan.
+
+Het middel, dat aangewend is om de hoofdpersonen onder ieders aandacht
+te brengen, is eveneens heel eenvoudig; de schilder heeft ze letterlijk
+in 't licht gezet, en de rest van zijn doek nogal rijkelijk met schaduw
+bedacht. Of dit licht de kenmerken heeft van zuiver daglicht, dan wel of
+er iets onnatuurlijks in is, kan men niet beoordeelen met eene zwarte
+prent voor zich; het zijn de kleuren, die dit uitwijzen, en deze kan men
+alleen zien op het origineel in het Rijksmuseum.
+
+Maar dat het een helder en schitterend licht is, laat geen twijfel over,
+ook niet als op onze plaat de kleuren ontbreken. Toch heeft men lang in
+twijfel verkeerd, met welk licht men hier te doen had. De donkere
+achtergrond bracht velen op het idee, dat Rembrandt een nachtelijk
+tooneel bedoelde, bij voorbeeld het rondgaan van een nachtwacht van
+schutters, bij het licht van toortsen of flambouwen.
+
+Vooral Fransche reizigers, die in de achttiende eeuw Amsterdam bezochten
+en op de "Voetboogdoelen" tegen den breeden schoorsteen het stuk gingen
+zien, stonden er vast op, dat het de ommegang van de nachtwacht was.
+Langzamerhand hebben onze voorouders zich daarbij neergelegd. In den
+pruikentijd schijnen zij niet veel oog voor schilderkunst gehad te
+hebben, en vertrouwden ze er op, dat een Franschman het weten kon. Men
+ging dus spreken van "de Nachtwacht" van Rembrandt. En dien naam behield
+het stuk, toen het naar het stadhuis, en zelfs later nog, toen het onder
+de regeering van Lodewijk Napoleon in 1808 naar het museum verhuisde,
+toen deze koning het stadhuis inrichtte tot vorstelijk paleis. Meer dan
+honderd jaar is het een Nachtwacht gebleven; eerst in de negentiende
+eeuw brak de morgen aan, begon het daglicht te gloren, en zag men het
+bespottelijke van de benaming in. In den mond van het volk leeft die
+echter nog voort.
+
+Zoo zien we, hoe weinig er maar noodig is, om wit zwart en zwart wit te
+heeten, om van dag nacht te maken. Als men de bedoeling van den
+kunstenaar maar net precies niet vat, keert men ze totaal om. Wie thans
+de schilderij onder goede verlichting ziet, kan niet gelooven, dat onze
+voorouders den dag voor nacht hebben gehouden, zoolang hun de schellen
+niet van de oogen waren gerukt. Zij heeft met nacht niets te maken, of
+men moet zich voor den geest roepen, in welk jaar Rembrandt's penseel
+dit meesterwerk voltooide. Het was in 1642, in het jaar toen hem Saskia
+door den dood ontviel, toen hij alleen in zijn groote huis achterbleef
+met een kind van nog geen jaar, en avond aan avond eenzaam in het
+woonvertrek zat, waar zijn jonge vrouw zoo dikwijls tegenover hem had
+gezeten, als hij uit zijn werkplaats met teekengerei was binnengekomen,
+om in huiselijke gezelligheid allerlei schetsen te maken. Het was het
+jaar, toen voor hem het licht onderging, dat acht jaren lang zijn
+levensweg had beschenen. Droefenis en somberheid waren in zijn huis,
+droefenis en somberheid waren ook in zijn gemoed. Hij doorleefde een
+tijd, die was als een nacht van troosteloosheid. Slechts één ding kon
+hem staande houden in zijn leed; dat was zijne kunst. Zijne liefde voor
+het penseel hield den levensmoed er in. Uit die dagen van droefheid
+werkte hij zich op, grooter en roemvoller dan voorheen. Treffender wordt
+voor ons zijne groote kunst, als we weten, welke omstandigheden zijn
+gemoed beheerschten. We zien dit meesterstuk van het sombere jaar 1642
+als een lichtgestalte staan tegen den donkeren achtergrond van zijn
+huiselijk leed.
+
+In zooverre is het gepast, het korporaalschap van Frans Banning Kok
+Rembrandt's Nachtwacht te noemen. Maar overigens lijdt het geen twijfel,
+of de hoofdpersonen zijn in het volle daglicht geplaatst.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+VERVOLG VAN 'T KORPORAALSCHAP.
+
+
+Na deze uitvoerige bespreking van een paar hoofdpunten, kunnen we
+slechts kort nog bij eenige ondergeschikte zaken stilstaan.
+
+We merken dan eerst op, hoe fraai de schaduwkant van Bannings linkerhand
+tegen de lichtkantjes staat langs duim en vingers, hoe los en
+welsprekend het gebaar is, en hoe de slagschaduw geworpen wordt op het
+kleed van Ruitenberg. Ze ligt er niet op, zooals de randversierselen er
+vast op zitten, maar ze glijdt er los en bewegelijk overheen. Het eene
+maakt deel uit van het wambuis, het andere niet. Ook bij het lijk op de
+Ontleedkundige les merkten we, hoe zorgvuldig Rembrandt bestudeerde de
+manier van eene schaduw om ergens op te vallen.
+
+Bij het beschouwen van de vier voortschrijdende beenen herinneren we ons
+die van Michiel de Ruyter en Zeeger op de plaat: "Dat is onze man." Bij
+Banning Kok en Ruitenberg alles verschillend: schoeisel, kleeding, kleur
+en bouw, houding, beweging en stand.
+
+Het is natuurlijk, dat de beschouwing van dit stuk zich grootendeels
+bepaalt tot de hoofdpersonen. De tijdgenooten, en vooral de leden van
+het schuttersvendel merkten dit ook op en namen, voor zoover ze er
+belang bij hadden, het den schilder kwalijk. Eerlijk gezegd, we kunnen
+hun geen ongelijk geven.
+
+Ieder lid van de compagnie moest een som van honderd gulden betalen. En
+hoe waren sommigen voor dit bedrag op het doek gebracht? Aan den
+rechterkant, waar de man met witten kraag zijn hand uitsteekt, staat
+achter diens arm een persoon, die op het portret van zijn heele gezicht
+niets dan twee oogen en een stuk neus terugvond. Wel wat weinig voor
+zijn honderd gulden! Verklaarbaar is het, dat Rembrandt het na 1642 met
+bestellingen van schutterstukken niet druk meer gehad heeft. Het was
+zijn eerste en zijn laatste.
+
+Toch heeft hij van enkele personen veel werk gemaakt. Eene aangename
+figuur bijvoorbeeld is de man, die links van den kapitein zijn geweer
+laadt. Er is in de wijze van gaan iets onzekers, iets dat aan waggelen,
+aan wijdbeens loopen doet denken. Dit is scherp opgemerkt van den
+schilder. We voelen er de onvastheid in van iemand, die, al loopende,
+met beide handen iets bezig is te doen aan een zwaar voorwerp, en die
+het gemis merkt van zijne armen, welke anders onder het gaan door
+slingerbeweging een gevoel van gemak en evenwicht geven.
+
+Wat ons het meest verwondert, ook Banning Kok was met zijn konterfeitsel
+niet tevreden! Hij noodigde voortaan andere schilders uit, als hij zijn
+eigen beeltenis, die van zijn vrouw of die van zijn korporaalschap
+wenschte te hebben. We weten, dat een zekere Ludens er in 1660 een van
+hem gemaakt heeft, maar het nageslacht stelde weinig prijs op het stuk;
+in 1712 is het nog eens voor f263 verhandeld; daarna ging het
+waarschijnlijk verloren. Banning Kok nam het Rembrandt misschien
+kwalijk, dat die hem een gelaatskleur had gegeven van nogal in 't oog
+loopende roodheid. Voor de ware schoonheid zal hij mogelijk net zoo
+weinig hebben gevoeld als de dichter Joost van den Vondel. Deze, een
+tijdgenoot van Rembrandt, wonende als hij in Amsterdam, heeft allerlei
+beroemde personen in gedichten bezongen, maar nooit den grootsten onzer
+schilders. Hij had, naar het schijnt, geen begrip van schilderkunst. Eén
+keer spreekt hij een oordeel uit over een portret, door Van Rijn
+geschilderd, en zegt dan onder anderen:
+
+"De verf vergaat, de deugd zal eeuwig blijven."
+
+Zoo'n versregel is pittig en heeft klank. Een oogenblik zijn we geneigd
+het eens te zijn met wat de dichter beweert. Immers, de roem van
+buitengewone deugden is onvergankelijk, en eene verfkorst kan vergaan.
+Maar bij nader inzien blijkt alles maar woordenspel te zijn. De persoon,
+op het portret uitgebeeld, is met zijnen roem, met zijne deugden, met
+zijnen naam reeds lang vergeten; de onvergankelijkheid was niets dan een
+dichterlijk compliment. Het geminachte verfkorstje bestaat echter nog,
+wordt in eere gehouden, is voor geen goud te koop en maakt de glorie uit
+van zijnen bezitter. Van vergaan is geen sprake: deze veronderstelling
+was slechts eene dichterlijke onnoozelheid. "De deugd verging, de verf
+leeft voort." De tijd heeft Vondel gelogenstraft. We mogen van het
+Korporaalschap niet afstappen zonder het naast de Anatomische les te
+hebben gelegd. Beide schilderijen zijn portretstukken, waarop eene groep
+van meerdere personen is voorgesteld. Op beide heeft de schilder
+getracht, om het stijve van een troepje menschen, dat bij elkaar staat
+of zit, te vermijden. Hij bracht er een denkbeeld in; de beschouwer kan
+meenen, dat het eene dient om te laten zien, hoe eene ontleedkundige les
+gegeven werd, het andere hoe de zeventiende-eeuwsche schutters uitrukten
+om op het doel te schieten. En intusschen ontbreken de goede
+eigenschappen van een portretstuk in geen van beide.
+
+Tot zoover gaan de stukken gelijk met elkaar op. Er is echter ook
+verschil. En dit moet ons niet verwonderen. De Les dagteekent uit 1632,
+Banning Kok uit 1642. Daar liggen tien jaren tusschen, een tijdperk, dat
+in het leven van ieder mensch iets beteekent, maar dat van veel
+beteekenis moet zijn in het leven van een kunstenaar. In die tien jaren
+had Rembrandt wel opnieuw een groot man kunnen worden, als hij in 1632
+al zijne kunst eens had verloren. Wat moet zijne vaardigheid en zijn
+schildersoog dan wel gewonnen hebben, nu hij bleef, wie hij was, en tien
+jaren achtereen dagelijks teekende, etste en schilderde.
+
+We kunnen helaas aan zwarte nadrukjes niet al de veranderingen zien, die
+'s meesters wijze van werken heeft ondergaan tusschen de Les en Banning
+Kok. Maar althans één zeer belangrijke merken we op, en die leert ons
+veel.
+
+Op de Les wordt eene hoofdrol gespeeld door het cadaver. Dit is het
+voornaamste middel, waarmee de schilder aan het portretstuk de
+beteekenis van eene gebeurtenis geeft. Het is echter een willekeurig
+toevoegsel, dat er alleen op gekomen is, omdat Rembrandt dat zoo had
+verzonnen. Of misschien was het denkbeeld wel van een ander afkomstig.
+In elk geval: het is een toevoegsel, dat niet meewerkt, om de bedoeling
+van het stuk te bevorderen. De portretten worden er niet beter om. Wel
+stelt het Dr. Tulp in de gelegenheid, om mooi en ernstig les te staan
+geven, zooals hij dat kon, wanneer hij bezig was; maar daartoe was eene
+kleinigheid ook voldoende geweest: een beentje, een schedel, eene
+bladzijde uit een boek, of iets dergelijks. Nu ligt daar het lijk; de
+zon beschijnt het; het vormt den aantrekkelijksten hoek van het geheele
+stuk; mooi bewerkt is het; alles goed en wel. Maar--het had gemist
+kunnen worden.
+
+Een dergelijk verwijt treft het Korporaalschap niet. Wat daar aangewend
+is, om gebeurtenis in het stuk te brengen, is aan de hoofdpersonen zelf
+ten goede gekomen. Dáár geen aandacht dan voor hen, op wie ze
+plichtmatig door den schilder gevestigd moest worden. Dáár alleen
+opeenhooping van goede eigenschappen in twee personen, om de andere
+figuren te ontlasten en onzen blik meer op éen punt te vestigen. Dat
+éene punt is wel degelijk een onmisbaar onderdeel van het geheel.
+
+De tien jaren zijn voor Rembrandt dus niet onvruchtbaar voorbijgegaan.
+We erkennen, dat het cadaver op de Les een gelukkige kunstgreep was om
+den beschouwer te boeien; maar we worden gewaar, dat tien jaren later
+hetzelfde doel bereikt wordt, zonder het te pas brengen van vreemde
+zaken. Een bewijs dus van grooter meesterschap. Een ander bewijs zien we
+in de handeling: hoeveel malen moet iemand _gaande_ menschen in allerlei
+stand hebben geschetst, om in een portretstuk zooveel vaardigheid aan
+den dag te leggen als hier. De personen op "de Les" toonen daarentegen
+nog weinig beweging, al zijn de handgebaren van Tulp zeer juist
+weergegeven. In 1632 gaf de schilder zijne figuren in rustige houding
+bij elkaar; in 1642 durft hij de beweging tot onderwerp van behandeling
+te nemen; zelfs de persoonlijke onderscheidenheden in de beweging.
+
+[Illustration: Simeon in den Tempel.]
+
+De vergelijking der beide stukken toont aan, dat de schilder in de
+eerste jaren van zijne loopbaan nog niet was, wat hij later werd. Wat
+hij toen maakte was grootsch; maar hij zelf zou de man worden, om den
+vroegen Rembrandt te overtreffen.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+SIMEON IN DEN TEMPEL.
+
+
+De "Simeon in den tempel" is een bijbelsch stuk. Maria, de moeder van
+het Jezuskindje, ligt op den steenen vloer neergeknield. Jozef, ook eene
+knie buigende, houdt in de hand de duifjes, die voor offer bestemd zijn.
+De hoogepriester heft zegenend zijne handen op; Simeon heeft het kindje
+gegrepen, slaat het oog naar boven en spreekt de bekende woorden: "Nu
+laat gij, Heer, uwen dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord; mijne
+oogen hebben uwe zaligheid gezien." Een paar landlieden zijn toevallig
+getuige van het tooneel, evenals twee "schriftgeleerden", die op den
+voorgrond op een rustbank zitten. Omhoog welven en kruisen zich de
+tempelbogen, die door weelderig versierde kolommen worden gedragen. Daar
+heerscht schemering, evenals op de breede trap, waar tal van
+tempelgangers op en afgaan.
+
+Om reeds bij den eersten aanblik de attentie te vestigen op de
+hoofdgroep, laat de schilder de ruimte van den tempel in het halfdonker.
+Op ééne plaats valt het zonlicht naar binnen, en wel door een venster,
+dat zich links boven in het gewelf zal moeten bevinden. De
+"schriftgeleerden" zitten buiten het licht; ofschoon in letterlijken zin
+op den voorgrond geplaatst, trekken ze geenszins het eerst de aandacht.
+Dat doen zeker wel de hoogepriester en Simeon het meest. De eerste door
+zijne koninklijke gestalte, waar, in lange, statige, plooien, de mantel
+omheen hangt. Hij doet denken aan "Jezus" op de eerste prent van de
+"Opwekking van Lazarus". De gebogen lijn, van het hoofd achter over den
+hals en den rug, is hier zuiverder van beloop; bij "Jezus" voelen we ter
+hoogte van den linkerschouder en iets lager eene afwijking, die niet
+duidelijk de bedoeling laat doorschemeren.
+
+Zuiver van uitdrukking is de hand; ze wuift en wenkt het neergeknielde
+paar de woorden toe. In de pols is juist genoeg buiging achterover, om
+het gevoel van stille verrukking uit te spreken; de hoogepriester neemt
+deel in de zaligheid van dit grootsche oogenblik. Boog de hand zich in
+neerwaartsche richting, dan kregen we den indruk, dat hij min of meer
+uit de hoogte den zegen gaf.
+
+De vingers staan uitgespreid, alsof ze tintelen van de aandoening,
+waarmee de plechtigheid hem vervult; vooral de pink staat wijd
+uitgespannen; zoo zien we dat bij iemand, die zijne woorden spreekt in
+ontroerde bezieling.
+
+Niettemin is de hand onschoon van teekening. Evenals die van Jezus op de
+eerste Opwekking, is ze breed en plat, de vingers zijn kort en stomp, de
+geleding is niet zuiver gevoeld.
+
+In de nijging van het hoofd ligt iets herderlijks. Het drukt bezorgdheid
+en deelneming uit. Zoo staat een geestelijke tegenover hen, die zich
+aan zijne leiding toevertrouwen. Zoo neemt hij ze, in figuurlijken zin,
+onder zijne vleugels, in zijne bescherming. En wie zoo toegesproken
+zijn, keeren huiswaarts met een gevoel van vertrouwen op de toekomst,
+met het geloof, dat alles wel goed zal komen.
+
+Met de geheele figuur staat in 't licht; alleen dat deel, waarin de
+schilder de uitdrukking wilde leggen. Daar zien we ook het duidelijkst,
+hoe de statiegewaden er om hangen. Lange plooien gaan sierlijk van den
+hals tot op den grond en slepen zelfs nog na. Zwaar en dik is de stof.
+Hier en daar kreukelen de plooien overdwars. Van het hoofd af hangt een
+priesterlijk sieraad over den hals en op den rug. Het ligt er rustig en
+plat uitgespreid. De zijlijn volgt de buiging van den hals, de onderkant
+de ronding van den rug. Alles plakt zwaar en solied op elkaar.
+
+Het verlichte handje draagt onzen blik van den hoogepriester op Simeon
+over. Het is een licht-schakel.
+
+Ontzaglijk is het, de vervoering, de geestesverrukking van dezen
+grijsaard te zien. Men hoort hem met groote stem, met woest geluid tot
+den Heer zijnen God roepen en de woorden spreken, die boven aangehaald
+zijn. Hij acht geen omstanders, ziet geen vader geen moeder, geen
+hoogepriester, maar voelt zich het hart zwellen van dankbaarheidsdrift,
+nu hij den lang verwachten Messias in de armen sluit. Het is eene uiting
+van den sterksten hartstocht, eene ontroering, die den aandachtigen
+beschouwer door de ziel gaat.
+
+[Illustration: Groep uit "Simeon in den Tempel".]
+
+De moeder Maria, ofschoon niet ten volle begrijpende, slaat vol zalig
+gevoel de handen op de borst tezaam; haar moederhart zwelt, nu haar kind
+den grijsaard zoo in gloed zet en hem zulke woorden ontlokt. Jozef,
+eenigszins in de schaduw gesteld, weet nog minder, wat hij van de
+ontboezeming van Simeon moet denken. Toch zit ook hij met vaderlijk
+welgevallen het tooneel aan te zien. Zijn gemoed wordt zachter bewogen
+dan dat van Maria; zijne gevoelens zijn meer gematigd. In het volle
+licht behoefden ze niet gesteld te worden, mits ze toch ook de aandacht
+niet ontgingen. De schilder laat hem daarom neerknielen in de schaduw
+van den hoogepriester. Maar eene zachte, stille weerkaatsing van den
+gloed van Simeon ligt over zijn wezen. Het is eene weerkaatsing van den
+lichtgloed, zoowel als eene weerspiegeling van de gemoedsbeweging, maar
+beide sterk getemperd.
+
+Eene belangrijke rol laat Rembrandt de boertjes spelen, die toevallig
+langs de groep heenliepen en even bleven staan. Het misbaar van den
+grijsaard moet zijn oorzaak hebben; wat mag er wel aan de hand zijn?
+vragen ze zich af. Ze komen nieuwsgierig een stapje nader. Die met de
+hooge muts ziet er vrij onnoozel uit en zal niet veel wijzer worden, al
+staat hij er vooraan bij. De middelste van de drie is een echt type.
+Waren ze er zoo in de dagen van Rembrandt, in 1631, wij kennen ze zoo
+nog. De handen onverschillig op den rug, het hoofd tusschen de schouders
+gezakt, hoogruggig door den veldarbeid, den kop vooruitgestoken met een
+norsch, bullebakkig gezicht. Men ziet hem aan, dat hij ontsticht is over
+het misbaar. Toch werpt hij een onderzoekenden blik op het kindeke, een
+blik, dien men niet licht vergeet. Terwijl hij neerziet, is het, alsof
+zijn wrevelige trekken zich ontspannen. Een klein, teer kindje, wie kan
+daarbij ook onverschillig blijven!
+
+Voor ons is het geen raadsel, waarom zijn gezicht opklaart; wij leven
+twintig eeuwen na de Jeruzalemsche gebeurtenis, en ons is het gegeven om
+te overzien, wat dat Kindeke geworden is, en welke dingen Het verkondigd
+heeft. Zie, voor wie waren later de predikingen van Jezus het meest
+bestemd, op wie maakten ze het eerst indruk! Wie sloten zich aan en
+lieten zich doopen? Waren het niet de eenvoudigen van geest? Waren zij
+het niet, wier verstand klein was, wier begrip van de dingen niet
+verging?
+
+Rembrandt voelde behoefte, om het groepje in den tempel aan te vullen
+met een paar van deze eenvoudige zielen. Dat zou voor den beschouwer de
+herinnering levendig houden van wat er later gebeuren moet. In de
+simpele landlieden, die met belangstelling komen toekijken, zien we de
+toekomst van het eerste Christendom.
+
+Nog in een ander opzicht zijn de boertjes merkwaardig. Laten we niet uit
+het oog verliezen, dat Jezus in het land Kanaän geboren werd; de
+ontmoeting met Simeon had plaats in den tempel te Jeruzalem; het volk,
+dat de trappen op en afging, of toeschouwer was bij Simeons
+geestesvervoering, waren Israëlieten, Joodsche landbouwers, Oosterlingen
+dus. De kleedij, die de Joden in het begin onzer jaartelling droegen,
+komt overeen met die, waarin zich thans nog Arabieren en Syriërs steken.
+De meeste schilders hebben getracht, als ze een bijbelsch tafreel
+behandelden, om hun figuren het voorkomen van Oosterlingen te geven.
+Soms sloegen ze den bal wel mis, en schilderden ze Italiaansche
+landlieden in plaats van oud-Israëlitische, maar ze hadden dan toch de
+bedoeling, er een buitenlandsch tintje aan te geven.
+
+Deze bedoeling vinden we bij Rembrandt niet. Hij doet geen moeite om het
+Bijbelverhaal te doen spelen in verre landen, onder vreemde volken. De
+boertjes zijn echt Hollandsche typen. Ze komen regelrecht uit Ransdorp,
+Broek-in-Waterland of Ouwerkerk-aan-den-Amstel. In hun blauwen kiel
+heeft de schilder hen door Amsterdam zien gaan, of in de weide bij hun
+vee bespied. Wel zien ze er anders uit dan het landvolk uit onzen tijd,
+maar ook buiten de steden wisselt en verandert de kleederdracht. En zoo
+als ze hier in den tempel staan, zoo heeft Rembrandt in zijn tijd hen op
+verschillende platen naar het leven geteekend; nu eens met eene hooge,
+dan eens met eene lage muts op het hoofd. Zoo was in zijnen tijd hunne
+dracht.
+
+Hij brengt dus de gewijde geschiedenis over op vaderlandschen bodem.
+Vreemde kleederdrachten voor herders en landlieden versmaadt hij. Hij
+weet, dat tal van menschen zich op dat vreemde blind kijken, en geen oog
+hebben voor het wezenlijke van de schilderij. Ze zullen de voorstelling
+beter gaan voelen en begrijpen, als de figuren menschen zijn gelijk zij
+zelf; als die in gelaatstrekken, in kleur, in houding en in kleeding
+gewone, echte Hollanders zijn. Jezus had immers heel goed in Holland
+geboren kunnen zijn. Was niet de Republiek der Vereenigde Nederlanden
+een zeer bijzonder land? Had de God der Vaderen niet geholpen, om haar
+van de Spaansche tirannij te bevrijden? Had Hij de zaak der Hervorming
+niet doen zegevieren? Was er éen protestantsch land zoo met aardsche
+rijkdommen en met welvaart gezegend? Een uitverkoren volk, daarvoor
+hielden onze voorouders zich. Zij waren een tweede Israël. Alles, wat
+ginds in het Oosten, aan de oevers van de Jordaan, was afgespeeld,
+speelde zich ook hier af, dachten ze. Hunne geschiedenis was eene
+afspiegeling van de Bijbelsche.
+
+Als zoo een geheel volk denkt, valt het den kunstenaar gemakkelijk, zich
+ook in die richting te bewegen. Hij denkt niet alleen, hij stelt
+zichtbaar voor. Het Joodsche wordt Hollandsch; de schaapherders van
+Ephrata en de wijnbouwers van de berghellingen van Judea, komende in den
+tempel van Jeruzalem, worden melkboeren uit de omstreken van Amsterdam.
+En waarom ook niet? Over de heele aarde wonen menschen van éen natuur;
+het denken en voelen is wel overal ten naastebij hetzelfde. Vooral onder
+de volksklasse, die hier is voorgesteld, onder de eenvoudigen van geest,
+die opgroeien te midden van de natuur.
+
+Hiermee kunnen we afscheid nemen van de blauwgekielde tempelgangers, om
+nog even eenen blik te slaan op het tweetal, dat op den voorgrond in de
+schaduw zit.
+
+De eerste laat het tooneeltje, daar voor hem, niet onopgemerkt
+passeeren. Hij steekt het hoofd onderzoekend vooruit. Zooals het handje
+en de arm op de leuning van den stoel liggen, kan men zich denken, dat
+hij bijna van zins is, op te rijzen en nader te treden. Nummer twee
+wisselt met hem een blik van verstandhouding. Hij krijgt argwaan, dat de
+zaak niet in orde is. Schriftgeleerden, zooals zij misschien zijn, nemen
+het met godsdienstaangelegenheden zeer nauw. Ze dulden geene
+uitdrukkingen in strijd met de Joodsche wet.
+
+Of zij in de woorden van Simeon iets hooren, wat hun verdacht voorkomt,
+willen we niet nagaan. Maar ons treft hunne tegenwoordigheid op deze
+plaats. Reeds bij dit voorval uit het leven van Jezus zijn ze
+dwarskijkers, in letterlijken en in figuurlijken zin. Rembrandt geeft ze
+voorshands nog een plaatsje in de schaduw, terwijl hij de aanstaande
+volgelingen van den Nazarener in het volle licht zet; maar ze zijn er
+toch, en ze brengen ons te binnen, hoeveel leed ze later zullen
+uitstorten over het hoofd van het Kindeke, dat nu nog zoo onnoozel in
+Simeons armen ligt.
+
+Ten slotte een enkel woord over de geschiedenis, die dit schilderijtje
+heeft doorgemaakt.
+
+Voor wien en voor hoeveel Rembrandt het maakte, weten we niet. Het duikt
+in 1733 uit het onbekende op. Bij eene verkooping ten huize van een
+Haagsch burger werd het voor f830 verkocht; men weet dit uit een
+rekeningenboek. Een mooie prijs voor dien tijd!--Later werd het
+aangekocht voor de verzameling van Stadhouder Willem V. De groote
+gebeurtenis voor het stuk moest echter eerst komen tusschen 1810 en
+1813. Toen Nederland als aanslibsel van Fransche rivieren bij het
+Keizerrijk was ingelijfd, vond Napoleon, dat alle kunstwerken, die aan
+den Staat behoorden, naar de hoofdstad des rijks moesten verhuizen, naar
+Parijs. De "Simeon" was door Prins Willem V bij zijn vertrek naar
+Engeland in 1795 natuurlijk in den steek gelaten, evenals de verdere
+roerende en onroerende have; de staat had er zich over ontfermd, en nu
+ontfermde Napoleon er zich weer over.
+
+Het werd met tal van andere schilderstukken ingepakt, op eenen wagen
+geladen en verzonden. De bedoeling was, om het Louvre er mee te
+verrijken. Wagenvrachten en wagenvrachten van kunstwerken ondergingen
+ook in de andere Fransche wingewesten hetzelfde lot. Men was er in
+Parijs verlegen mee. De opeenhooping was zoo groot, dat een paar jaren
+later het werk der schifting en der tentoonstelling nog niet afgeloopen
+was. Napoleon kwam ten val, voordat alles een plaats had gekregen.
+
+Toen hij in 1815 voorgoed van het wereldtooneel verdween, was het Louvre
+meer pakhuis dan museum. Spoedig daagden van de onderscheiden herstelde
+regeeringen afgevaardigden op, om uit den rommel op te eischen, wat door
+Napoleons ambtenaren naar Parijs was vervoerd. Ook van de regeering der
+Nederlanden. "Simeon" maakte de terugreis naar Den Haag, en kreeg daar
+in het Mauritshuis het plaatsje, dat hij nu nog inneemt. Moge hij er
+blijven tot in lengte van dagen, om nog vele bezoekers het hart te
+verheugen.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+EENE ONDERGAANDE ZON.
+
+
+Het licht is voor Rembrandt gedurende al zijne levensjaren een
+geliefdkoosd onderwerp van studie geweest. Wat is er ook schooner! Wie
+kan onverschillig zijns weegs gaan, wanneer hij des ochtends buiten is
+bij het opkomen van de zon? Wie sluit dan het oog voor de lichtspelingen
+langs lucht en wolken?
+
+Voelt ook niet ieder zich door zonneschijn meer aangetrokken tot de
+vrije natuur, dan door bewolkte, vreugdelooze luchten!
+
+En dan des avonds bij het ondergaan der zon! Welk een kleurenspel wordt
+ons iederen dag opnieuw bereid! Nimmer vervalt de natuur in herhaling.
+Altijd weer is ze verrassend en nieuw in haar getoover met lichtverven
+en kleurvloeiingen.
+
+Oud en jong, arm en rijk, ongeschoold en welonderwezen, alles heeft er
+oog voor. Geen mensch, of wel ééns in zijn leven heeft hij éénen
+zonsondergang genoten, wel ééns heeft hij bij dit natuurverschijnsel
+aandachtig stil gestaan. Daar zonk de vuurbol ter kimme. Het licht, dat
+den ganschen dag slechts licht was geweest, werd nu kleur. De
+huizegevels in baksteen blonken eens zoo rood als anders. De witte
+raamkozijnen bleven wit, maar waren toch, zonderling wonder, te gelijk
+ook rood. De hagelwitte gordijnen eveneens, ofschoon het wit toch
+vlekkeloos rein bleef. De grijze, stoffige straat--wie zou ooit op de
+kleur van eenen straatvloer letten!--behield hare grauwe steenkleuren,
+en trok niettemin het oog door een purperen schijn. Daar waren de
+schoone, groene boomen! Schenen niet ook zij van hetzelfde purper
+doortrokken, terwijl groen toch groen bleef. De stammen stonden te
+blozen als frissche wangen: maar grauw en grijs en bruin was
+onveranderlijk de kurkschors.
+
+Met geene woorden kon men noemen, wat elk ding voor verven kreeg. Zoodra
+men het beproefde, gaf men slechts eene opsomming van de kleuren, die er
+waren bij heldere dagverlichting. Een raadsel was het, dat de zon bij
+het scheiden nog opgaf. Een moeilijk raadsel!
+
+Van de ondergaande zon tot den levensavond van onzen schilder is eene
+schrede minder groot, dan men wellicht zou denken.
+
+Daar hangt in het Rijksmuseum te Amsterdam een werk, de Staalmeesters
+heet het, dat hij voltooide in 1661, en dat het laatste groote stuk is,
+waaraan hij zijne zorg wijdde. We schromen, als we het naderen, om de
+gedachte uit te spreken, doch ze laat zich niet terugdringen: dit
+kunstgewrocht is het afscheidslicht, dat eene ondergaande zon nog gaf.
+Eene ontzaglijke ziel spreekt hier haar laatste woord. En ook _dit_
+laatste woord is een raadsel, is hetzelfde raadsel, wat de avondzon weet
+voor te leggen. Ook hier heeft elk ding zijn eigen kleur, zijn eigen
+verf, zijn eigen kleurvermengingen; maar tegelijk straalt ook hier elk
+ding eenen rossigen gloed uit, eene tint, die nergens aan te wijzen, en
+toch overal te vinden is; die op geen voorwerp ontbreekt, en toch op
+alles de natuurlijke kleuren handhaaft. We _zien_ het roode licht niet,
+we _ondergaan_ het. Overal kunnen we aanwijzen zuiver bruin, zuiver wit,
+zuiver zwart, en overal toch voelen we het uitstralende rood, dat
+nergens is, dan alleen in het kleed, dat over de schuine tafel gespreid
+ligt.
+
+Het grijpt ons aan, als we bedenken, dat de zon, na al haar schoone
+licht, eindelijk tot het avondrood komt, en dan niets schooners meer
+geven kan. Dan moet ze ondergaan. Ze heeft het schoonste bereikt. En
+Rembrandt is het eveneens gegaan!
+
+Zijn gansche leven is geweest: grooter en grooter worden. We zagen het
+bij de twee Opwekkingen, we zagen het bij de Anatomische les en het
+Korporaalschap, we ontdekken het nogmaals bij de Staalmeesters, twintig
+jaren later gemaakt, in den levensavond van den kunstenaar.
+
+Hij begint groot in 1632. Steeds wast hij, en meenen wij, dat het
+hoogste bereikt is; maar steeds overtreft hij weer, wat hij te voren
+maakte. Elk stuk vinden we onovertroffen, tot hij zelf een nieuw
+meesterwerk schept, en ons de oogen opent voor de tekortkomingen van het
+voorgaande. En wat hij op het eind van zijn leven te zien geeft, is niet
+alleen weer beter, dan wat vooraf ging; het lijdt aan geene gebreken
+meer, het bereikt alles, wat bereikt wou worden. Wat de schilder wilde,
+gelukte; en er is niets groots, dat hij vergeten heeft te willen.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+VERGELIJKINGEN.
+
+
+Omdat we ons met een zwart prentje moeten vergenoegen, zullen we bij de
+beschouwing de kleurhoedanigheden laten rusten, dat wil dus zeggen, het
+wonderlijkste wat er aan de Staalmeesters is op te merken. Toch is
+vooral aan het tafelkleed wel iets te zien van de kleurenpracht. Daarin
+zit, zelfs in onzen zwarten afdruk, nog eene mengeling van al den
+vervenrijkdom, dien we ons in een weelderig weefsel kunnen denken, en
+van al de tintelingen, die het licht daarop kan doen ontstaan. Groote
+vlakken van zachte belichtingen en zachte verdonkeringen wisselen met
+elkaar af. Daardoor heen zien we breede, horizontale kleurbanden gaan,
+en door deze weer lichtricheltjes van onder naar boven, of reeksen
+lichtnoppen van rechts naar links. Het gedeelte, dat links om de tafel
+heen hoekt, geeft op andere wijze, zonder mengeling, de kleurfiguren te
+zien, die de wever door zoo'n kleed weet heen te werken.
+
+Vergelijk hiermee nu de lap stof, die op de plaat "Evertsen in de Staten
+van Zeeland" over de tafel ligt. Droog en dor geeft hier de grijze kleur
+aan wat schaduw is. Rembrandts kleed gloeit van warmte, van innerlijke
+kleurenpracht, van Oosterschen tapijtenrijkdom; het andere is koud en
+mat, arm van weefsel en arm van kleur.
+
+[Illustration: De Staalmeesters.]
+
+Voor het overige moeten we van kleurbeschouwing afzien, en ons
+voornemen, om in het Rijksmuseum de schade in te halen.
+
+Wat er van de Staalmeesters in een zwarten afdruk overblijft, is echter
+niet zoo gering, of het zal ons duidelijk worden, dat we hier te doen
+hebben met een onsterfelijk gedenkteeken. Het spreekt nog meer van
+Rembrandts grootheid dan wat voorafgegaan is, meer dan het
+Korporaalschap of eenig ander kunstwerk.
+
+[Illustration: Evertsen en de Staten van Zeeland.]
+
+We beginnen niet, met naar zeldzame eigenschappen te zoeken. Juist in
+de afwezigheid hiervan schuilt eene verdienste. Stel maar naast elkaar
+het "Gezelschap op het Muiderslot" en de "Staalmeesters". Beide
+vertoonen een groepje burgermenschen uit de 17^{de} eeuw, uit 1619 en
+uit 1661. Het verschil in kleeding en kapsel duidt wel een verschillend
+tijdperk aan. Wat uit 1619 dagteekent, staat in dit opzicht dichter bij
+de Anatomische les, terwijl de figuren uit 1661 ons bekend voorkomen,
+wegens de overeenkomst met Jan de Wit, het portret op
+Levensverzekerings-en Spoorboekjes.
+
+Beide gezelschappen bevinden zich binnenshuis, dus in eene omgeving, die
+we een interieur zullen noemen. Bij dit interieur bepalen we het eerst
+onze aandacht. Op het Muiderslot valt het daglicht binnen door een
+venster, dat we ter linker zijde kunnen zien. Het vergunt ons, om
+buitenlicht naast kamer-of binnenlicht te stellen, want bij het venster
+is een stukje witte muur. Tusschen dit wit en het wit van de
+vensteropening bevinden zich een viertal schaduwstrooken, die we met een
+potlood of een reepje papier kunnen bedekken. Dan merken we op, dat
+beide witte strooken gelijk zijn, misschien wint de muur het van het
+buitenlicht nog in helderheid. Wie nu in het eerste het beste vertrek
+even eene vergelijking maakt tusschen het een en het ander, zal
+opmerken, dat de verhouding juist andersom moet zijn. Al is een
+binnenmuur in het licht gezet, hij moet toch voor het zonlicht, dat de
+buitenwereld beschijnt, onderdoen in helderheid. Een geschilderd
+interieur mag hiervan niet afwijken, of het is geen interieur meer.
+
+Op den vloer spreekt de fout nog sterker. Ver in de kamer, tot onder den
+stoel van den ouden heer, die met zijnen rug naar de tafel zit, is het
+licht krachtiger dan buiten de openstaande deur. Hem voorbij merken we
+hetzelfde op aan enkele voorwerpen: aan het tafellaken, het doekje, dat
+de dienstbode op den rug hangt, het zijmuurtje links van den
+schoorsteen, zelfs aan eene versiering tegen den schoorsteen.
+
+Ondanks deze gebreken zeggen we toch, dat de plaat een interieur
+voorstelt, omdat we een venster, een deur, een binnenmuur en
+kamermeubelen zien; die doen ons besluiten: het moet een binnenhuis
+wezen. Maar eerlijk gezegd: het _is_ er geen. Hoe het moest zijn om er
+een te wezen, leert ons het stuk van Rembrandt. Alles is hier in eene
+matte, grijze tint gezet, die overal doet gevoelen, dat we ons
+binnenshuis bevinden. Wanneer eene vensteropening werd aangebracht, zou
+daardoor het daglicht kunnen vallen in eene helderheid, die sterk afstak
+bij de verlichting van de muurgedeelten op den achtergrond.
+
+Dit muurtje met het schoorsteentje vinden we bijna in dezelfde gedaante
+op het Muiderslot terug. We kunnen in het voorbijgaan deze twee
+onderdeelen naast elkaar stellen. Beide bestaan uit houtbetimmering en
+gepleisterd metselwerk. Op het Muiderslot is het eerste erg donker, het
+laatste, zooals we reeds opmerkten, veel te licht van kleur. Wie door de
+oogharen naar de betimmering kijkt, kan den gepleisterden muur best voor
+een stuk lucht houden, dat heel in de verte achter het beschot oprijst.
+Er is geen samenhang tusschen de twee. De teekenaar was bang, dat we
+geen steen van hout zouden onderscheiden en maakte de verschillen veel
+te duidelijk. De achterwand valt uit elkaar. Ook schijnt hij zich heel
+ver achter het schilderijtje boven de kast te bevinden.
+
+[Illustration: Muiderkring.]
+
+Achter de heeren Staalmeesters zien we hout en steen in bijna dezelfde
+tint. Het verschil is gering. Toch ontgaat ons het stoffelijk
+onderscheid niet; er zijn kleinigheden, die daarvoor zorg dragen. Let
+maar eens op de kantlijn, waar de voor-en zijkant van den
+schoorsteenmuur elkaar ontmoeten; op het Muiderslot is die lijn langs
+een liniaal getrokken; het is een pracht van een rechte lijn. Bij
+Rembrandt helt ze ten eersten een weinig naar rechts; en dat is
+verklaarbaar. Zoo'n oud stuk gemetselde schoorsteen rijst gewoonlijk
+niet loodrecht omhoog. Ten tweeden is ze heel fijn met korrels
+afgebrokkeld; ook dit is voor een gepleisterden muur heel juist, en meer
+waarschijnlijk dan de ongeschonden liniaallijn op den Muiderslotschen
+schoorsteen. Ten derden is het niet een _zwart_-getrokken lijn, maar
+juist het tegenovergestelde, een lichtkantje. Ook dit beantwoordt aan de
+werkelijkheid. Alleen dit kantlijntje zou reeds duidelijk genoeg zeggen,
+dat het bovenste deel van den achterwand gepleisterde steen is.
+
+Door acht te geven op dat, wat in het Muiderslot ontbreekt, worden we
+gewaar, wat eene goede eigenschap is van de "Staalmeesters". Het is een
+interieur. We zeggen niet: "het _moet_ er wel een wezen"; het _is_ er
+een.
+
+Het interieur is echter maar achtergrond en bijzaak; de figuren zijn
+hoofdzaak. We tellen er zes, den bediende meegerekend. Na hetgeen we
+opmerkten bij de vergelijking van Anatomische les en Korporaalschap, zal
+het al dadelijk de aandacht trekken, dat Rembrandt afgezien heeft van
+middelen om te groepeeren, zooals hij in 1642 nog noodig vond. Voegde
+hij de leden van het Korporaalschap nog zóó samen, dat de schilderij er
+uitzag, alsof ze eene beroemde gebeurtenis voorstelde, de Staalmeesters
+kruipen maar heel gewoon bij elkaar, zooals ze dagelijks in hun beroep
+bij elkaar zitten. Het stuk stelt niets voor. Het is een portretstuk,
+zonder meer. Een kunstgreep, zooals het cadaver op de Les, anno 1632,
+trok den schilder na dertig jaren niet meer aan; zelfs het kunstmatig
+bijeenvoegen niet meer, gelijk het stuk uit 1642 te zien geeft. Van al
+het gekunstelde, komedie-achtige, dat zijne vroegere werken kenmerkte,
+en dat men toen schoon vond en thans nog schoon vindt, omdat het zoo
+volmaakt van kunst is, van dat alles is hij terug gekomen. Op zijn
+leeftijd is de arbeid geen spel met wondertooneelen. Hij zet heel
+gewoon, zonder ophef, de figuren naast elkaar op eene rij. Behoudens
+kleine afwijkingen, die zijn smaak hem ingaf: nommer twee van links af
+moest even oprijzen, om de eentonigheid van eene vijfkoppige rechte lijn
+te breken; de bediende mocht wel post vatten tusschen twee der heeren
+midden op het doek, maar hij kreeg zijne plaats toch iets dichter bij
+den een dan bij den ander, en deed met zijn gezicht dus geen
+regelmatigen driehoek ontstaan. Staalmeester nommer twee, van rechts af,
+werd met half afgewend bovenlijf neergezet, om niet twee gelijkvormige
+schouders, hoeden en witte kragen naast elkaar midden op het doek te
+krijgen.
+
+Dit zijn kleine schikkingen, die bijna toevalligheden lijken; als vijf
+menschen ordeliik om eene tafel geschaard zitten, zal men juist
+dergelijke afwijkingen opmerken. Ze houden het midden tusschen stijfheid
+en gezochtheid.
+
+Hoe eerlijk en eenvoudig de schilder er naar streefde, om niets anders
+te maken, dan portretten, blijkt ook uit het spel der handen. Op de
+"les" zoowel als op het schutterstuk is dit een ding van belang. Het
+spreekgebaar van Dr. Tulp, de wijze hoe hij zijne mededeelingen over de
+spierbeweging toelicht, trekt sterk de aandacht. De handen zijn vrij in
+de ruimte gezet, tegen een donkeren achtergrond, en ze hebben voor het
+geheele stuk eene groote beteekenis, gelijk we boven reeds zagen. Ook
+die van Frans Banning Kok zijn in 't oog loopend op den voorgrond
+gebracht. Rembrandt schepte er behagen in, om te laten zien, wat hij met
+handen kon. Maar in 1661 zal hij gemeend hebben, dat het zien van een
+portret een te ernstig werk is, om daarbij afgeleid te worden door
+bijzaken. Toch zou het wegmoffelen van de handen ook eene fout geweest
+zijn. Immers, als we een groepje menschen, dat rond eene tafel zit,
+opnemen, zonder dat zij het bemerken, dan zien we wel in het eerste
+oogenblik de gezichten, maar het kan toch zijn, dat we in de tweede
+plaats ook toevallig naar de handen zien. Daarom gaf hij ze wel aan
+zijne figuren, maar zoo, dat we ze slechts terloops en eerst _na_ de
+gezichten ontwaren; hetzij dan versmald gezien, als bij nommer een,
+hetzij in de schaduw gezet, als bij nommer twee, hetzij in de
+onmiddellijke nabijheid van den tafelrand en het boek, zoodat ze hiermee
+als het ware één geheel uitmaken, en niet als afgezonderde lichtplekken
+tegen den achtergrond vrij in de ruimte staan. Echter wist hij ook met
+terzijde geschoven handen nog gedachten uit te drukken: let maar eens
+op, hoe juist de rechter van den middelsten sinjeur ons zegt: "maar het
+staat hier toch!" Het kloppen met den rug van de vingers op de bladen
+van het boek kan niet anders beteekenen. De houding van het hoofd en de
+gelaatsuitdrukking bevestigen het.
+
+Eene sterk sprekende eigenschap van Rembrandt op dezen leeftijd is dus,
+dat hij zich beperkt. In jonger jaren groeide zijne kunstdrift als een
+welig gewas met ver-uitschietende, bloemdragende loten. Nu snoeit hij;
+alles wat weg kan, gaat weg; de verzonnen tooneelen zijn het spel der
+handen gevolgd. Slaan we nogmaals een blik op de "Les" naast de
+"Staalmeesters", dan valt ons ook in de gezichten iets op. Op het eene
+trekken de blanke, hooge en breede voorhoofden, de in verlichte
+vleeschkleur geschilderde wangen, en op het andere de oogen, de neuzen
+en de monden de aandacht. Is het niet, alsof de geneesheeren uit 1632
+allemaal toevallig kleiner van oogenbouw waren, fijner van neus en mond,
+maar hooger van voorhoofd en opzichtiger van wang, dan de staalwaardijns
+uit 1661? Dezen schijnen groffer van maaksel te zijn geweest dan genen.
+De zaak is, dat de schilder in zijn eerste jaren veel aandacht schonk
+aan de vleeschkleuren, de vleeschpartijen, zooals men dat noemt. Hoe
+ouder hij werd, hoe meer hij er echter naar streefde, niets dan het
+leven en de ziel uit te drukken. Deze las hij meer in oogen, mond en
+neus dan in de schilderachtige licht-en kleurverschijnselen van het
+gezichtsvleesch of in den bouw van het gelaat. Onwillekeurig bracht hij
+ze tot meerdere uitdrukking, met het gevolg, dat wij ze eerder opmerken.
+Treffend is het in dit opzicht, dat hij voor de gelijkenis van de
+geneesheerlijke koppen alle voorhoofden noodig achtte, en ze ieder met
+zijne eigenaardigheden schilderde, terwijl hij ze bij de staalmeesters,
+op eene enkele uitzondering na, onder de hoeden wegstopte, als niet
+terzake dienende. Met de baardjes en kneveltjes kon hij dit moeilijk
+doen; maar toch worden ook deze minder op den voorgrond gebracht dan in
+1631.
+
+Van knevels en baarden gesproken, het prentje "Evertsen voor de Staten
+van Zeeland", eene historieplaat van een negentiendeeuwschen teekenaar,
+geeft figuren uit hetzelfde tijdvak als Rembrandts Staalmeesters. Ze
+zijn alle voorzien van snorren en puntbaarden, vervaardigd naar een
+zelfde model, in dezelfde punt gedraaid, van dezelfde dikte, in
+denzelfden gebogen vorm. Het lijken gehuurde tooneelsikjes en
+tooneelknevels, die de heeren vòòr gedaan hebben, om er kranig uit te
+zien. Naast zulke zaken erkennen we eerst recht, hoe bij Rembrandt elk
+ding tot juistheid komt. Wat geven zijn kort afgeknipte smalle
+haarlijntjes op de verschillende bovenlippen een heel ander denkbeeld
+van de mode anno 1660. Zòò moet het er uitgezien hebben; de valsche
+spullen van de heeren Staten zijn eene bespotting.
+
+In den loop der jaren heeft alzoo Rembrandt ook het groote snoeimes
+gezet in zijne neigingen bij het schilderen van koppen. Hij beperkte
+zich hoe langer hoe meer tot datgene, wat het wezenlijke is, wat het
+leven weergeeft. Dat, wat hij vroeger mooi vond, en wat hem daarom
+aantrok, liet hij weg, als het voor het eigenlijke doel niet diende. In
+1632 stonden al de koppen, ofschoon kunstig bijeengeschikt, als
+afzonderlijke portretten tegen een donkeren grond; in 1661 steken ze zoo
+blank en rond niet af, maar worden in het interieur opgenomen. Dat de
+Staalmeesters een portret is, wordt in het geheel niet
+verbloemd--immers, het heeft niet den schijn van eene gebeurtenis. De
+Les doet wel, alsof ze een voorval is, en toch denken we dadelijk: die
+heeren zijn uitgeportretteerd.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+WAT PORTRETTEN BIJEENVOEGT.
+
+
+De Staalmeesters staan of zitten voor ons, alsof we hen in het
+werkelijke leven onverwachts overvielen. De schilder heeft hen zoo weten
+te treffen, dat we niet zeggen: kijk, die zijn er voor gaan zitten om er
+goed op te komen. En toch zijn ze dat juist wel. Zelfs vestigen vijf van
+de zes hun blik op den kunstenaar. Maar zooals ze naar hem--en omdat wij
+in zijne plaats nu staan-naar ons kijken, wekt het de gedachte: ze zien
+naar iemand, die binnenkomt. En dit is iets anders dan: ze zien naar den
+man, die hen uitteekent. Het verschil is fijn gevoeld. Door Rembrandt is
+deze indruk vastgehouden: alle heeren keken op, toen ik binnenkwam, en
+schenen te vragen: wie is _dat_ nu? Hij bearbeidde hen, niet zooals hij
+ze voor zich zag zitten, wanneer ze één voor één in zijne werkplaats
+kwamen om te poseeren; maar met datgene op de gezichten, wat hij
+eventjes had waargenomen, toen hij voor 't eerst binnenkwam. Hij
+schilderde hen met in achtneming van eene lichte verwondering, van eenen
+vragenden trek op het gelaat. Dit was eene natuurlijke, ongemaakte
+uiting, doordat alle tegelijk iets vreemds hoorden en het hoofd naar den
+kant draaiden, vanwaar het geluid kwam. Eene uiting van leven, die door
+de personen niet eerst overdacht is; zonder overleg kwam dit zoo op
+hunne gezichten; ze hadden zelfs den tijd niet, om een slimmer of een
+opgewekter gezicht te zetten, dan hun van nature eigen was. Nommer een
+van rechts af is bijvoorbeeld niet een van de snuggersten geweest.
+Rembrandt doorzag dit met den eersten oogopslag: in de hoog opgetrokken
+wenkbrauwen, in de dikke oogleden, de slaperige oogjes, de
+vooruitstekende bovenlip voelde hij het. Daarnaast zit een, die van de
+natuur geen welgemaakt gezicht heeft meegekregen: het is wat te lang en
+te smal, de lippen zijn te dik. Maar hij behoort tot de lieden, die
+ondanks hun uiterlijk, een ieder aantrekken door iets prettigs en iets
+vriendelijks in de oogen en om den mond. De middelste van de vijf had
+juist het woord, en liet zich in zijn betoog door Rembrandt's
+binnenkomen niet storen. De volgende rees overeind, misschien om ter
+meerdere klaarheid er een ander boek bij te halen; aan den draai van
+zijn hoofd zien we, dat zijn opstaan met de komst van den schilder
+_niet_ in verband staat; hij stond al, en heeft, ondanks den blik op den
+binnenkomende, _andere dingen in het hoofd_. Dit vooral is duidelijk aan
+hem te zien.
+
+Om kort te gaan: de gelaatsuitdrukkingen zijn overvallen; niet bij een,
+maar bij allemaal. De verrassing is de levenstinteling die allen eigen
+is. Neem er één figuur uit, aan die verrassing is merkbaar, dat hij bij
+de anderen op dit portretstuk thuis behoort. Bij geen van de zes stijgt
+de uiting tot verbazing, bij geen heeft ze den schijn van
+onverschilligheid. Ze is bij allen even sterk; we voelen zoo heelemaal,
+dat allen onder denzelfden indruk even opzien; dat ze als een groep, die
+bijeenzat, door Rembrandt zijn opgemerkt. Wat hen vereenigt, is geen
+vertooninkje van eene les of van eenen optocht, maar _eenzelfde
+gemoedstoestand_; ze doorleven eene zelfde, gelijke gewaarwording. En
+dat maakt hen één. Niet eene vreeselijke ontsteltenis, eene groote
+angst, eene woeste drift; die zouden te veel ophef hebben gemaakt. Het
+blijft bij eene nauwelijks merkbare aandoening. Iets als een zacht
+rimpeltje, dat bij windzucht even over al de watervlakjes van een plasje
+loopt. Zoo ondergaan ook de bloemen in de wei alle gelijkelijk het
+voorbijgaan van een avondwindje.
+
+De schilder zelf is het middelpunt van aller opmerkzaamheid. We kunnen
+ons hunne verrassing best voorstellen, toen hij binnenkwam. Zijn roem
+was reeds lang gevestigd; ze vonden het streelend, dat de groote
+Rembrandt in hun midden verscheen. Bij voorbaat zijn ze in opgewekte
+stemming over hun afbeeldsel, dat natuurlijk wel slagen zal, en dat
+misschien een beroemd stuk kan worden. Deze gewoon menschelijke
+gedachtetjes spreken uit hunne trekken. De schilder heeft dat allemaal
+door en door echt in hen voelen leven. Hij maakte geene _figuren_ van
+hen, hij bracht ze _zelf_ op het doek; het was geen namaak, geen
+afbeelden; het was de aandoening, het denken, het verrast worden, het
+zich prettig gevoelen zelf, wat hij gaf.
+
+Daar dit bij twee menschen nooit precies hetzelfde is, al lijken ze
+uiterlijk nog zooveel op elkaar, wordt de verscheidenheid van gezichten
+ook grooter, naarmate dat innerlijke sterker spreekt. We zien het hier.
+Er is uiterlijk zeer veel gelijkenis tusschen sommigen, en in kleeding
+tusschen alle. Maar ieder denkt er zijn eigen van, als Rembrandt
+binnenkomt; en dat zet hen allen ver uiteen, als zeer onderscheiden en
+heelemaal verschillende menschen. Wij krijgen den indruk, dat dit geene
+figuren, geene afbeeldsels zijn, maar wezens, die bestaan. We worden
+door al de oogen, door al de verschillende manieren van oogopslag zoo
+aangetrokken, dat we op het gelijke in kapsel, hoed, kraag, kleeding en
+houding nauwelijks letten. In den oogopslag zit hier een belangrijk deel
+van de portretten. Daarin voelen we, dat de heeren zoo even nog met
+neergeslagen oogleden naar de tafel, naar het boek of naar elkaar zaten
+te kijken; door het binnenkomen worden de blikken opgeslagen; is het
+niet, alsof we deze beweging er in voelen? En geeft de schilder niet bij
+ieder afzonderlijk iets aparts in die beweging? Bij alle verschilt de
+teekening van het opgeslagen ooglid, en bij ieder is het optrekken van
+de wenkbrauwen weer anders dan bij de overigen.
+
+Als we al de monden langs zien, merken we ook hierin de verscheidenheid.
+Wat is die bij den bediende dun van lippen en heel anders dan bij den
+sinjeur, achter wiens rug hij staat. En zie daarbij nu weer eens nummer
+een van rechts af, hoe die de onderlip achteruittrekt en de bovenlip
+iets vooruitsteekt.
+
+Deze deelen van het gelaat dragen wezenlijk veel meer de uiting van
+karakter en leven, dan de vleeschpartijen, die Rembrandt in vroeger
+jaren op den voorgrond bracht. Hij is dus sedert het Korporaalschap,
+ofschoon dit een meesterstuk was, steeds hooger gestegen. Alles wat naar
+komediespel geleek, liet hij varen; wat het zieleleven van zijne figuren
+sterker kon uitdrukken, greep hij als hoofdzaak aan.
+
+Naar het uitwendige werd hij eenvoudiger, naar het innerlijke forscher
+en grooter. Bedenken we nog bovendien, welke wondere lichtspeling en
+kleurverlichting het oorspronkelijke stuk der Staalmeesters den
+beschouwer te zien geeft, dan kunnen we gerust zeggen, dat Rembrandt aan
+het eind van zijn leven een onovertroffen schilder was. Hij had groote
+voorgangers gehad; en onder deze voorgangers was hij zelf in jonger
+jaren een groot kunstenaar geweest. Doch hij eindigde zijne loopbaan als
+een, die hooger staat dan allen, ook hooger dan hij zelf eertijds stond.
+
+In den jare 1669 overleed hij. Op welken dag weet men niet. Den 8^{sten}
+October werd hij ter aarde besteld. Voor _f_ 15 werd hem een graf
+gegraven in de Westerkerk te Amsterdam. Het bespelen van het carillon
+was in dien prijs begrepen. Wie het graven van een graf met f15 kon
+betalen, behoorde tot den gegoeden stand. Dit stelt ons gerust omtrent
+de geldelijke omstandigheden, waarin hij in de laatste jaren verkeerd
+had; we behoeven niet te gelooven, wat meermalen beweerd wordt, dat hij
+arm gestorven is. En zijn leven is rijk geweest, rijk aan genot. Hij
+heeft vele menschen en vele dingen gekend en begrepen. Kennen en
+begrijpen is genot.
+
+Als wij ernstig trachten zijne werken te kennen en te begrijpen, zullen
+we deel hebben in de erfenis die hij naliet: genot van te zien en te
+begrijpen. De erfenis is groot genoeg voor een geheel volk: wie zich de
+moeite geeft om te willen, kan mede-erfgenaam worden.
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11286 ***
diff --git a/old/11286-h/11286-h.htm b/old/11286-h/11286-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..154ee2d
--- /dev/null
+++ b/old/11286-h/11286-h.htm
@@ -0,0 +1,3282 @@
+<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN">
+<html>
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Language" content="nl">
+ <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8">
+ <title>Meesterstukken van Rembrandt Harmensz. Van Rijn | Project Gutenberg</title>
+<style type="text/css">
+
+ P { text-indent: 1em;
+ margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em; }
+ h1, h2, h3, h4, h5, h6 { text-align: center; }
+ HR { width: 33%;
+ margin-top: 1em;
+ margin-bottom: 1em;}
+ BODY{margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;}
+ .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */
+ .note {margin-left: 2em; margin-right: 2em; margin-bottom: 1em;} /* block indent */
+
+ span.c10 {margin-left: 2em;}
+ span.c9 {margin-left: 1em;}
+ hr.c8 {width: 45%;}
+ a.c7 {color: #000000}
+ p.c6 {font-family: Verdana; font-style: italic}
+ span.c5 {font-family: Verdana}
+ h2.c4 {font-family: Verdana}
+ hr.c3 {width: 65%;}
+ p.c2 {font-family: Verdana}
+ h1.c1 {font-family: Verdana}
+</style>
+<body>
+<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11286 ***</div>
+
+<h1 class="c1">MEESTERSTUKKEN</h1>
+<p class="c2">VAN
+<p class="c2">REMBRANDT HARMENSZ. VAN RIJN.
+<p class="c2">LEESBOEK VOOR HET LAGER EN VOORTGEZET ONDERWIJS
+<p class="c2">DOOR
+<p class="c2">G. KIELDER,
+<p class="c2">HOOFD EENER SCHOOL TE 'S-GRAVENHAGE.
+<p class="c2">AMSTERDAM.-1906.
+<hr class="c3">
+<h2 class="c4">VOORBERICHT.</h2><span class="c5"><br></span>
+<p class="c6">Nu dit boekje juist in het Rembrandtjaar verschijnt,
+zal men het allicht indeelen bij de huldebetoogingen. Toch wil het
+daartoe niet gerekend worden. Onze leerlingen geven dikwijls blijk,
+dat ze met welgevallen luisteren naar of lezen over kunst; het is
+deze belangstelling, die de schrijver heeft willen voeden en
+ontwikkelen. Men zal bij de kennismaking den opvoedenden ondergrond
+van de stof der besprekingen wel opmerken.
+<p class="c2">Dat de onderwerpen ontleend werden aan de werken van
+Rembrandt, behoeft niet te bevreemden: deze schilder is voor de
+kunst en voor het kunstgevoel een geweldig opvoeder geweest, ook en
+vooral omdat hij sterk persoonlijk was in alles, wat van hem
+uitging.
+<p class="c2">Het was onvermijdelijk, dat de bespreking van
+portretten hier en daar het karakter aannam van eene historische
+uiteenzetting; ze stellen ons immers voor oogen het geslacht, te
+midden waarvan Rembrandt leefde, een geslacht dat historisch is
+geworden. Dat we het zien juist door het oog van een psycholoog, is
+vast geen nadeel!
+<p class="c2">De schrijver mag wel hopen, dat de menschen, die van
+kunst hun beroep maken, hem niet te hard vallen over de
+vrijmoedigheid, waarmee hij zijne laag-bij-den-grondsche inzichten
+ten beste geeft; hij heeft maar &eacute;&eacute;ne
+verontschuldiging: dat van hen nog niemand iets gedaan heeft voor
+de aesthetische opvoeding van het opkomend geslacht. Het zij gezegd
+zonder miskenning van de verdiensten van den Heer H. P. Bremmer,
+die reeds jaren lang in de weer is, om onderwijzers voor deze taak
+op te leiden. Bij dezen aan hem een woord van dank voor de
+beschikking over zijne vermaarde prentenverzameling.
+<p class="c2">Voor den gebruiker een wenk: bespreek elk plaatje,
+v&oacute;&oacute;rdat de tekst gelezen wordt; als bij het lezen
+plaat en tekst in het boekje niet tegenover elkaar staan, laat dan
+een van de twee boekjes op eenzelfde bank bij de plaat open liggen.
+Open staan is nog beter.
+<p class="c2">Den Haag 1906. G. KIELDER.
+<hr class="c3">
+<h2 class="c4">INHOUD.</h2><span class="c5"><a class="c7" href=
+"#WAT_GEEN_HOOFDZAAK_IS">WAT GEEN HOOFDZAAK IS.</a><u><br></u>
+<a class="c7" href="#DE_OPWEKKING_VAN_LAZARUS">DE OPWEKKING VAN
+LAZARUS.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#EENE_LATERE_OPWEKKING">EENE LATERE OPWEKKING.</a><u><br></u>
+<a class="c7" href="#HISTORISCHE_GEGEVENS">HISTORISCHE
+GEGEVENS.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#REMBRANDT_LANDSCHAPSCHILDER">REMBRANDT
+LANDSCHAPSCHILDER.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#VROUWE_SASKIA">VROUWE SASKIA.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#KLEINE_TITUS">KLEINE TITUS.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#ACTIE">ACTIE.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#MISLEIDE_AANDACHT">MISLEIDE AANDACHT.</a><u><br></u> <a class=
+"c7" href="#AANRAKING_MET_HISTORISCHE_PERSONEN">AANRAKING MET
+HISTORISCHE PERSONEN.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#MEER_DAN_PORTRET">MEER DAN PORTRET.</a><u><br></u> <a class="c7"
+href="#GEETSTE_PRENTEN">GE&Euml;TSTE PRENTEN.</a><u><br></u>
+<a class="c7" href="#VROUWTJE_BAS_VAN_T_RIJKSMUSEUM">VROUWTJE BAS
+VAN 'T RIJKSMUSEUM.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#KUNST_VAN_GROEPEEREN">KUNST VAN GROEPEEREN.</a><u><br></u>
+<a class="c7" href="#VERVOLG_VAN_T_KORPORAALSCHAP">VERVOLG VAN 'T
+KORPORAALSCHAP.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#SIMEON_IN_DEN_TEMPEL">SIMEON IN DEN TEMPEL.</a><u><br></u>
+<a class="c7" href="#EENE_ONDERGAANDE_ZON">EENE ONDERGAANDE
+ZON.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#VERGELIJKINGEN">VERGELIJKINGEN.</a><u><br></u> <a class="c7"
+href="#WAT_PORTRETTEN_BIJEENVOEGT">WAT PORTRETTEN
+BIJEENVOEGT.</a></span>
+<p class="c2">&nbsp;<a name="WAT_GEEN_HOOFDZAAK_IS"></a>
+<h2 class="c4">WAT GEEN HOOFDZAAK IS.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Vele eeuwen geleden leefde in Griekenland een
+schilder, van wien men de ongeloofelijkste dingen verhaalt, en
+wiens naam bij het nageslacht is blijven voortleven als die van een
+der grootste kunstenaars. Zeuxis, zoo heette hij, wist niet slechts
+de menschen, maar ook de dieren met de voortbrengselen van zijn
+penseel in verrukking te brengen. Dit blijkt uit het volgende.
+<p class="c2">Hij schilderde eens een vruchtenstuk; in bevallige
+wanorde lagen bessen, druiven, noten en appelen door elkander, met
+hier en daar een groen blad er tusschen. Ieder, die het zag, stond
+verbaasd over de juistheid, waarmee elk onderdeel bewerkt was. En
+kijk, toen de toeschouwers zich verwijderd hadden van de
+muurschildering, kwamen de vogelen toevliegen en pikten naar de
+druiven. Misleid door den schijn, hadden ze deze voor echt
+gehouden.
+<p class="c2">Een verhaal, dat er gaat van een paardenstuk, komt
+hier vrij wel mee overeen. Dit gaf de afbeelding van een paard te
+zien, en zoo bedriegelijk juist, dat het vurig strijdros van
+Alexander den Groote, toen het voor de schilderij werd gebracht,
+aan de teugels rukte en tegen zijn gewaanden natuurgenoot begon te
+hinneken.
+<p class="c2">We hebben hier het oordeel van redelooze dieren over
+kunst van menschen. Het volk kende daar eene zekere waarde aan toe;
+het oordeelde zoo: "wie heeft beter kijk op paarden dan een paard,
+wie beter op vruchten dan een vogel? Als nu door dezen de
+gelijkenis in een schilderstuk wordt opgemerkt, moet ze wel
+bijzonder juist wezen; geene goedkeuring van menschen kan voor den
+kunstenaar zoo vleiend zijn als die van dieren, mits deze met het
+onderwerp in betrekking staan."
+<p class="c2">Er is nog een oud verhaal van een beroemd schilder.
+<p class="c2">Apelles had eene menschelijke figuur geschilderd en
+stelde die ten toon, terwijl hij zelf in een verborgen hoekje naar
+het oordeel der beschouwers luisterde. Een schoenmaker kwam daar
+langs en bleef staan. Zijn blik rustte onderzoekend op de voeten,
+en hoorbaar mompelde hij voor zich heen: "Ze zijn te groot, wat zou
+je een leest moeten hebben, om daarvoor schoenen te maken."
+<p class="c2">Appelles nam den wenk ter harte, en den volgenden dag
+had hij de gelaakte lichaamsdeelen iet of wat kleiner gemaakt.
+<p class="c2">Weer kwam de schoenmaker voorbij. "Kijk", dacht hij,
+"Appelles heeft zijn fout ingezien en verbeterd. Jammer, dat hij nu
+ook in houding en gebaar niet wat meer de fierheid van eenen
+krijgsman heeft uitgedrukt."
+<p class="c2">Nu werd het den schilder te kras. Hij kwam te
+voorschijn en voegde den schoenmaker toe: "Over houding en gebaar
+zwijg je! Een schoenmaker blijve bij zijne leest."
+<p class="c2">Met deze terechtwijzing is het volk het geheel eens
+geweest, zoo zeer, dat de uitdrukking in den vorm van een
+spreekwoord is blijven voortleven. De schoenmaker kreeg hetzelfde
+recht van meepraten als de vogel en het paard, een recht, dat aan
+iedereen stilzwijgend is toegekend: wie door zijn vak verstand
+heeft van het onderwerp, dat op een schilderstuk is voorgesteld,
+heeft bevoegdheid om een oordeel uit te spreken.
+<p class="c2">Dit komt dus hierop neer, dat het stuk pas goed is,
+wanneer het de menschen voldoet, die als vaklui verstand hebben van
+de dingen, die er op staan. Bijgevolg heeft de beschouwer meer met
+de dingen dan met den kunstenaar te maken.
+<p class="c2">Grooter dwaling dan deze opvatting is niet denkbaar.
+Bij elk kunstwerk is juist de persoon van den maker de hoofdzaak.
+Hij is het eenige, waarop men te letten, waaraan men te denken
+heeft. De vraag is niet, wat staat er van het ding of van de
+gebeurtenis op, maar waaruit bespeur ik den kunstenaar; wat zie ik
+er in, dat door hem alleen is gezien en gevoeld; dat ik nu ook wel
+zie en voel, doch alleen doordat <i>hij</i> het mij zoo voorhoudt.
+Alles wat ik van te voren al wist van het ding of van de
+gebeurtenis, is op de schilderij bijzaak. Want het is kennis, die
+iedereen heeft. En de kunstenaar gaat niet in zijn werk op, om
+datgene te vertoonen, wat alle oogen wel zien en alle harten wel
+voelen. Hij is juist kunstenaar door iets, wat een ander ontbreekt,
+door gewaarwordingen, die een ander alleen door hem kan krijgen.
+<p class="c2">Het onderwerp is maar onderwerp. Natuurlijk geeft het
+den beschouwer reden tot tevredenheid, als hij met het onderwerp
+niet in de war zit, als hij alles een naam kan geven en van alles
+de gedaante en den vorm herkent. Maar van meer belang is het, dat
+hij zich rekenschap geeft van datgene, wat niet het onderwerp, maar
+wat de kunstenaar laat zien. Het verwondert ons daarom van Apelles,
+dat hij zooveel aandacht schonk aan de opmerkingen van eenen
+schoenmaker over de voeten van zijne figuur. Eerder zou men
+verwacht hebben, dat hij luisterde, toen die een oordeel uitsprak
+over dingen, die buiten zijn vak en zijnen werkkring lagen.
+<p class="c2">Bij het beschouwen van werk van Rembrandt zullen wij
+goed doen, als we deze onderscheiding in het oog houden: wat stelt
+het voor, en waaraan bespeur ik, dat een buitengewoon oog dit
+onderwerp bekeken heeft.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="DE_OPWEKKING_VAN_LAZARUS"></a>
+<h2 class="c4">DE OPWEKKING VAN LAZARUS.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">De eerste prent draagt tot onderschrift: "De
+opwekking van Lazarus."
+<p class="c2">Op de vraag, <i>wat</i> er op staat, vinden we in den
+Bijbel het antwoord, en wel in het Evangelie van Johannes, daarvan
+het elfde hoofdstuk.
+<p><img alt="" border="0" src="images/opwekkingvanlazarus.png" width="473"
+height="667">
+<p class="c2">[Opwekking van Lazarus.]
+<p class="c2">Volgens dezen tekst moet de plaat te zien geven: den
+gestorven Lazarus, liggende in het graf, den Heer Jezus, de
+zusters, de vrienden en de discipelen staande daar rondom.
+Bovendien lezen we er, welke handeling ieder der aanwezigen
+verricht.
+<p class="c2"><i>Hoe</i> staat een en ander er nu op? Hoe zijn de
+figuren geteekend? Hoe wordt datgene voorgesteld, wat elk
+figuurtje, volgens den aangewezen tekst, moet verrichten?
+<p class="c2">Laten we met Lazarus beginnen. Na hem komen de
+anderen wel aan de beurt.
+<p class="c2">Is er in de teekening van deze lijntjes, streepjes en
+krabbels iets, dat we buitenwoon vinden, dat wij zelf niet in ons
+hoofd hadden, als Rembrandt het ons niet zoo vertoonde.
+<p class="c2">De figuur van Lazarus is in blanke tint uitgebeeld;
+ook de steenwanden, waar hij tusschen ligt. Het is, alsof zijn
+lichaam in teerheid en witheid &eacute;&eacute;n geheel vormt met
+het gesteente, alsof hij reeds een bestanddeel vormt van den schoot
+der aarde, waaraan zijne bloedverwanten hem hebben toevertrouwd.
+Nauwelijks onderscheidt zich zijn gestrekt liggend lijf van de
+groeve; als mensch was hij uit stof gemaakt; gestorven zijnde, is
+zijn stoffelijk omhulsel oogenschijnlijk al bijna weer in het stof
+opgenomen. De blankheid van het gewaad is zoo ongerept gehouden,
+als maar mogelijk was. Al de aanduidingen van kreukjes en plooien,
+van vouwen en rimpels zijn uiterst teer geteekend om niet te veel
+zwart aan te brengen. Bijna ongemerkt loopt de lijn voort, die den
+steenwand op den voorgrond afscheidt van de figuur. Even ongemerkt
+zien we de linkerhand langs den anderen wand tastende zoeken naar
+steun. In lijnwaad gewikkeld, onderscheidt de arm zich bijna niet
+van het gesteente; toch krijgen we wel de gewaarwording, dat onder
+al de plooien van de stof dat lichaamsdeel zich beweegt, zich
+opheft en voortschuift. Zoo ook, dat onder het doodskleed het lijf
+zich opricht, zich kromt. In de richting van de voeten is alles nog
+rust; daar smelten, om zoo te zeggen, stof en stof nog in een. Maar
+het hoofd en de hals hebben zich reeds losgemaakt van den schoot
+der aarde. Daar zijn de afscheidingen door den teekenaar
+duidelijker gegeven; scherpe schaduwkanten loopen langs schouder en
+afhangend haar, terwijl voorhoofd, gelaat en linkerschouder in
+fijne blankheid afsteken tegen een hoekje donkeren rotswand. Waar
+het leven terugkeert, scheidt zich het lichaam het eerst en het
+duidelijkst af van de aarde. Door de oogharen bezien, zal het ook
+lijken, alsof het hoofd zich opbeurt uit den bodem, alsof het zich
+daarvan losmaakt.
+<p class="c2">Zie, dit zijn geen dingen, die ieder lezer van het
+Evangelie van Johannes in zijne verbeelding ziet. Ook is het geen
+bewijs van buitengewone getrouwheid in het uitbeelden van een
+lichaam dat in een graf ligt; want in werkelijkneid zal er wel
+altijd juist eene scherpe tegenstelling zijn tusschen de reine,
+witte gewaden en de donkere aardkluiten of rotsmuren. Het is een
+wijze van zien, die ons rechtstreeks aan Rembrandt zelf doet
+denken. Alles <i>was</i> niet zoo, en alles staat niet zoo te lezen
+in de Schrift; hij <i>zag</i> het zoo. In deze manier om de
+grafligging te zien leeft hij voort. Sedert hij het zoo gewaar werd
+voor zijn geestesoog, zien wij het ook, maar alleen door hem.
+<p class="c2">Aangrijpend is het, te zien, hoe op het gelaat zich
+het wederkeerende leven openbaart.
+<p class="c2">Het oog, dat in de diepe oogkas ligt weggezonken,
+opent zich en ontvangt wel de eerste lichtstralen, maar besef heeft
+het niet. Wezenloos en smartelijk staart het voor zich uit, het
+ooglid is zwaar en loom en schijnt gereed om weer toe te vallen,
+gelijk het reeds voor eeuwig scheen toegevallen te zijn. Flauw en
+gebroken is even de oogappel aangegeven.
+<p class="c2">De mond is maar niet zoo een zwart streepje of een
+vlekje; hij heeft, hoe klein ook van afmetingen, eenen bepaalden
+vorm, en eenen vorm, die iets uitdrukt. Is het niet de eerste
+ademtocht, die we hier zien? Stroomt niet de levenslucht naar
+binnen in ademhalingsruimten, die reeds bestemd waren om geen adem
+meer te bevatten, en die ook reeds afgeplat en naar binnen gebogen
+neerlagen. Pijnlijk volbrengt de mond deze eerste levensuiting,
+maar zonder bewustzijn, zonder besef.
+<p class="c2">De wangen zijn mager en hoekig, de onderkaak scherp
+afgeteekend, de neus smal en ingevallen. Het oor zit maar
+nauwelijks nog aan het hoofd, zooals we dat bij zieken waarnemen,
+die langzaam wegteren. Ook het halsje draagt de sporen van lijden;
+diepe groeven en rimpels strekken zich uit van boven naar beneden,
+en bij de kaak, van links naar rechts. Te zwak is het, om het hoofd
+te dragen; terwijl dit zich opricht, helt het machteloos naar links
+over.
+<p class="c2">Zoo bespeuren we in elk onderdeel van deze figuur de
+aandoening van den teekenaar. Het feit, dat geteekend moest worden,
+de opleving van iemand uit zijn graf, stond vast. Dat het
+vreeselijk moet zijn geweest, om deze gebeurtenis mee aan te zien,
+stond ook wel vast. Maar nu komt de kunstenaar en houdt er zich mee
+bezig. Hij voelt het vreeselijke zoo sterk, zoo overweldigend, dat
+het kleinste krabbeltje, wat hem uit de hand vloeit, nog uiting
+geeft aan dat gevoel. En wij, de beschouwers, komen daardoor tot de
+erkenning: alles op zoo'n gezicht moet dien indruk hebben gemaakt;
+bij zulke oogen zoo'n mond, zoo'n neus, zoo'n hals en zoo'n
+houding.
+<p class="c2">Laten we de proef eens nemen, of het echt is, wat we
+opmerken. Door met een paar stukjes papier de overige deelen van de
+plaat te bedekken, houden we Lazarus alleen over en kunnen nu
+beoordeelen, of in hem uitgedrukt is, hoe het feit zich toegedragen
+heeft. We zien onmiskenbaar, dat het figuurtje, wat zich hier
+opricht, iets vreeselijks doormaakt; dat het maar niet iemand is,
+die in zoo'n groeve te slapen lag en zich nu opricht; dat de
+wezenloosheid op het gezicht niet de uitdrukking is van een half
+slapende of van een, die bijvoorbeeld onder den invloed van sterken
+drank is. Alles is zoo sterk van aandoening en grijpt zoo aan, dat
+alleen deze figuur voldoende zou zijn om de tekst uit het Evangelie
+van Johannes te illustreeren.
+<p class="c2">Nu de figuur van Jezus. Zooals Hij daar staat, naast
+het geopende graf, is alles waardigheid en hoogheid aan Hem. We
+zien Hem als eene gestalte, wie langs den rug de mantel in
+&eacute;&eacute;ne groote beweging tot den grond afhangt. In zoo'n
+rijzigheid stellen we ons gaarne voor, iemand, die als verrichter
+van groote dingen optreedt. De opgeheven linkerhand, ofschoon de
+vingers niet mooi zijn geteekend, begeleidt in grootsch gebaar de
+woorden: "Lazarus, kom uit!" Rustig en vol majesteit wacht Jezus de
+uitwerking af. Bij Hem geene verbazing, verrassing of ontzetting
+over de herrijzenis; bij Hem slechts verzekerdheid, dat nu gebeuren
+zal, wat Hij gebiedt.
+<p class="c2">Eene groote tegenstelling is er tusschen dat rustige
+staan en de omringende aandoeningen. Om dit duidelijk te voelen,
+nemen we een stukje papier en leggen het zoo over de prent, dat de
+gestalte van Jezus aan ons oog onttrokken wordt.
+<p class="c2">Het geheel is nu een druk tooneeltje geworden. De
+omstanders geven op eene in 't oog loopende wijze uiting aan hun
+gevoel. Ze herinneren ons aan voorvalletjes, die we langs straat en
+gracht wel eens waarnamen, bijvoorbeeld als er iemand in het water
+viel; dan waren de menschen ook verschrikt, je hoorde ze door
+elkaar gillen, hard wegloopen, achteruitdeinzen, om hulp roepen, de
+handen uitsteken en op andere manieren zich lawaaierig aanstellen.
+Zoo'n volksoploopje met druk gedraai van lijven en gewring van
+handen blijft er van de prent over, als we die eene figuur er
+uitnemen.
+<p class="c2">En met deze figuur, is alles plechtig en grootsch.
+Het statige dringt het drukke gedoe van de omstanders op den
+achtergrond. We denken niet langer aan onbeduidende
+straattooneelen, maar we krijgen weer den indruk van eene
+testamentische, eene aartsvaderlijke geschiedenis. Het oploopje,
+dat zoo in het voorbijgaan even de menschen in beweging bracht, is
+eene gebeurtenis geworden voor alle tijden, eene bladzijde uit de
+boeken der eeuwen. We behoeven de bijbeltekst niet te kennen, om
+reeds bij den eersten blik te begrijpen, dat dit voorval iets
+bijzonders is, iets groots, iets dat invloed zal hebben op
+geslachten en nageslachten.
+<p class="c2">Waaraan is dit anders toe te schrijven, dan aan de
+majesteit, de verhevenheid van de gestalte, die naast het graf van
+Lazarus staat!
+<p class="c2">Toch spreekt uit de teekening ook eene verkeerde
+neiging van Rembrandt. Hij zet zijne figuur daar neer, alsof ze een
+tooneelheld is; met sierlijk gebaar wordt de eene hand in de zij
+gezet en de andere met wat erg veel vertooning omhoog geheven. Hij
+overdrijft het grootsche en maakt er eenigszins comediespel van. We
+mogen deze opmerking gerust maken; al is het onderwerp aan de
+Heilige Schrift ontleend, wij spreken niet daarover maar over den
+teekenaar.
+<p class="c2">Zijn streven om het mooi te maken blijkt bijvoorbeeld
+heel duidelijk uit de plooien, waarin de rechterhand den mantel
+heeft opgenomen. De zeven bochten maken den indruk, dat ze in
+stevig metaal of karton zijn gebogen. Niet aangenaam is het, dat we
+een paar dergelijke plooien op den achtergrond aan den linker kant
+in eene groote draperie terugvinden. Het lijken wel oude bekenden
+uit gordijnenwerk van menschen, die onze kamers stoffeeren.
+<p class="c2">De indruk, dien de opwekking van den gestorvene op de
+omstanders maakt, is in allerlei verscheidenheid weergegeven. Het
+liefste is ons het vrouwenfiguurtje rechts op den voorgrond. Het
+staat in schaduwgedaante voor het felle zonlicht, dat van buiten af
+in de groeve doordringt. Met spanning ziet het vrouwtje de
+levensverschijnselen op het doodengelaat terugkeeren. Doch met eene
+spanning, die ingehouden wordt. Het rechterhandje legt zich
+zelfbedwang op, om nog geen uiting te geven aan de vreugde, om nog
+af te wachten. Te groot is het wonder, te groot het geluk, om reeds
+te kunnen gelooven. Van innigheid en liefde getuigt deze
+ingehoudenheid, meer dan de uitgelaten gebaren der anderen. Ook de
+plaats, waar dit figuurtje zich bevindt, aan het voeteneinde van
+het graf, afgescheiden van de overigen, is iets aparts.
+<p class="c2">Van de overige personen geeft ieder, op eigen wijs,
+in gelaatsuitdrukking of handgebaar uiting aan zijne
+gewaarwordingen. Schrik, ontsteltenis, verrukking, ongeloovigheid
+en afschuw, iedere aandoening vindt hare vertolking. Wantrouwen
+zelfs, en de nuchtere berekening, hoe dit verrichte wonder als een
+wapen tegen Jezus gebruikt zal kunnen worden.
+<p class="c2">De verlichting, waaronder deze figuren zijn
+geplaatst, heeft eene grootsche werking. Het ongeoefend oog zal bij
+den eersten aanblik misschien den indruk krijgen, dat de kunstenaar
+groote vlakten in zijn werk wit heeft gelaten en dus nog niet heeft
+bearbeid, alsof de teekening onvoltooid is gebleven. Maar tusschen
+de oogharen door gezien, gaat er een licht op. De ruimten, die niet
+met zwarte lijntjes zijn gearceerd, blijken verlicht te zijn.
+<p class="c2">Door de opening van het rotsgraf vallen zonnestralen
+naar binnen en spreiden hunne helderheid over de groeve en den
+rotswand, over Lazarus en de groepjes terzijde van het graf; ook
+over het front van den Heer Jezus, terwijl daarenboven de
+achtergrond rechts in lichtelaaie schijnt te staan. Steeds door de
+oogharen moet men zien, hoe, daarbuiten, die gloed naar boven toe
+in ijle en zware wolken opwasemt, hoe, met het onhandelbare middel
+van harde zwarte krassen, de luchtigheid van opdampende
+lichtnevelen is verkregen.
+<p class="c2">De tot het leven terugkeerende Lazarus is het
+middelpunt van de zonnebestraling, en als verlegen ligt hij onder
+de glorie van het grootsche licht, waarin hij ontwaakt. Zijne
+kleine machtelooze figuur wekt in dien gloed nog te meer ons
+medegevoel en medelijden op. Hij is het middelpunt niet slechts van
+de blikken der omstanders, maar ook van de binnenvallende
+zonnestralen. En onze blik dwaalde eveneens het eerst en het laatst
+naar hem.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="EENE_LATERE_OPWEKKING"></a>
+<h2 class="c4">EENE LATERE OPWEKKING.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Vele jaren later heeft Rembrandt voor de tweede maal
+het onderwerp "de opwekking van Lazarus" behandeld. We zullen deze
+plaat met de vorige vergelijken, om de verschillen vast te stellen,
+en de oorzaken van de verschillen op te sporen. Het ligt voor de
+hand om te zeggen: "als een groot teekenaar iets aflevert, levert
+hij het af, zoo goed als in zijn vermogen ligt, hij kan het een
+tweede maal dus niet beter, tenzij het den eersten keer gebrekkig
+is geweest." De vergelijking zal echter leeren, dat dezelfde
+kunstenaar een zelfde onderwerp anders <i>moet</i> behandelen,
+indien er later andere gevoelens in hem omgaan. Dat dus de
+levenslotgevallen invloed hebben op het werk.
+<p class="c2">We herkennen weer een rotsgraf; maar nu met uitzicht
+op een landschap met geboomte; daarachter, op een berg, verrijst
+eene stad; verder, evenals op de eerste plaat, een groep
+omstanders, de Heer Jezus en de verrijzende Lazarus. Ook hier
+beschijnt het zonlicht een deel van het tafereel, maar het is
+minder opzettelijk, minder bepaald op de plek gericht, waar het
+wonder geschiedt. En het is thans niet het ontwaken uit een
+pijnlijk diepen slaap, wat de kunstenaar ons voor oogen stelt, maar
+de groote bevreemding van den ontwakende. Lazarus begrijpt niet,
+wat er voorvalt. Hij kent den persoon niet, die tegenover hem
+staat, hij herinnert zich niet, wat met hem gebeurd is. De mond,
+die de eerste levenslucht heeft ingeademd, blijft sprakeloos
+halfgeopend staan, en is vol verbazing. Met moeite en scheef richt
+het lijf zich half overeind. Er is eene ontzetting van zoo het
+middelpunt te zijn van aller aandacht, zonder nog te begrijpen
+waarom. De zintuigen zijn ontwaakt en nemen reeds waar, maar de
+herinnering, de kennis, het innerlijk leven, moeten nog
+terugkeeren.
+<p class="c2">Rembrandts bedoeling is dus eene andere geweest dan
+in zijne eerste "Opwekking", en begrijpelijk zien we die bedoeling
+voor ons.
+<p class="c2">In de figuur van Jezus missen we thans het verhevene,
+het goddelijke. Ook in het gelaat. Dit komt geheel niet overeen met
+de mooie gezichten, die we van den Zaligmaker zoo wel eens op
+platen hebben gezien. Men zou het bijna een ongunstig uiterlijk
+kunnen noemen. Maar er is &eacute;&eacute;n trek in, waardoor we
+voor deze voorstelling van Jezus meer voelen, dan voor de eerste.
+Het zijn de goedheid en de zachtheid, die hier spreken. De half
+neergeslagen oogen, het even gebogen hoofdje, het bijna verlegen
+afgewende gelaat, alles draagt daarvan de uitdrukking; de
+rechterhand, niet vast en krachtig tot vuist gebald, maar zacht en
+mild, en nauwlijks toegesloten; de linker, die op de eerste prent
+vol grootheid zich opheft bij het veelzeggend woord, maakt hier een
+vriendelijk, bijna weifelend gebaar, niet verder dan ter hoogte van
+de borst opgeheven.
+<p><img alt="" border="0" src="images/latereopwekking.png" width="633"
+height="833">
+<p class="c2">[Latere opwekking (1642).]
+<p class="c2">De opwekking is zoo geene uiting van goddelijke
+macht, geen wonder, om er ongeloovigen mee tot bekeering te
+dwingen, maar ze wordt eene daad van goedheid, van medegevoel voor
+hen, die bedroefd om het graf stonden, een daad van liefde en van
+innigheid. Wel is waar zal men op de eerste prent allicht de
+gestalte grootscher en mooier vinden; maar innerlijk laat ze ons
+koud. Ons <i>gevoel</i> wordt meer getroffen door de uitdrukking
+van zachtheid op de tweede; door het echt menschelijke en
+vriendelijke van den Heer in den omgang met menschen.
+<p class="c2">Rembrandt is teruggekomen van het ontzaglijke tot het
+gewone. Ook in de omstanders. Wel staan ze, evenals op de eerste
+plaat, ontdaan, getroffen, verbaasd, maar geen een slaat er meer
+een gat in de lucht met zijne handen. De teekenaar heeft zich weten
+te matigen, hij blijft sober, eenvoudig en kalm. Aan gevoel
+ontbreekt het hem echter niet: men zie slechts het gelukkige
+gezicht van het vrouwtje, dat naast Jezus staat. En wat heft ook
+het mannetje aan Zijne linkerhand de handjes in juistheid van
+gevoel: er is verbaasdheid over het wonder, in het vooruitgestoken
+gezicht zoowel als in de handen; maar de aandoening wordt met
+zelfbedwang ingehouden. Ingehouden ook in het geknielde figuurtje
+op den voorgrond, dat wel ontzet terugdeinst, maar zich niet aan
+groot misbaar te buiten gaat. Ondanks den indruk, dien het wonder
+op de omstanders maakt, blijft eene waardige kalmte heerschen. En
+we maken de opmerking, dat die kalmte wel past op eene plek, die
+toch altijd een graf is. Kalm neemt vooral het oudvadertje het op,
+dat rechts van Jezus op een steenblok zit. Hoogstens trekt hij de
+wenkbrauwen iets meer op dan gewoonlijk, en stulpt hij zijne
+uitgezakte onderlip iets verder vooruit, ten bewijze, dat hij niet
+volkomen begrijpt, wat hier voorvalt. Wijsgeerig en onderzoekend
+rust zijn rimpelig hoofd op de knokige hand.
+<p class="c2">Bij de beschouwing van de figuren der omstanders
+krijgen we den indruk, dat Rembrandt al het vreemde en ongewone
+heeft willen vermijden, om des te dieper te doen gevoelen, welke de
+uitwerking heeft moeten zijn van dit wonder op de aanwezigen. Zelfs
+de achtergrond stemt tot kalmte; in plaats van laaiende lichtwolken
+en opwasemende zonneschijndampen vinden we een vredig landschap met
+vriendelijk uitzicht op de bergstad.
+<p class="c2">De aandoening van grootheid, forschheid,
+uitgelatenheid en opwinding heeft plaats gemaakt voor stille ernst
+en innigheid. Er is over den teekenaar een zachtheid gekomen en
+eene mildheid, die ons weemoedig stemmen.
+<p class="c2">In de eerste plaat was hij hartstochtelijk, en
+streefde hij naar vertoon van uiterlijke grootheid. Hij moest zich
+uitspreken met woeste en groote gebaren. In de tweede is hij innig
+en gevoelvol; alles lijkt gewoon; maar er zit teederheid en
+medegevoel in. In het dagelijksche leven merken we ook op, dat zij,
+die bij alles het meeste misbaar maken, niet juist de naturen zijn,
+die het diepst voelen.
+<p class="c2">Door de twee platen zoo met elkaar te vergelijken,
+wordt het ons duidelijk, dat niet de bijbeltekst vaststelt, hoe
+eene teekening zal worden. Hetzelfde gegeven kan op twee
+uiteenloopende manieren behandeld worden. Wat den doorslag geeft,
+is de gemoedstoestand van den kunstenaar. Zooals hij de gebeurtenis
+voelt, zoo wordt de afbeelding. Kan men in eene afbeelding niet
+merken, dat de teekenaar onder den indruk van eene gemoedsbeweging
+heeft gewerkt, dan heeft men waarschijnlijk te doen met een stuk
+van geringe waarde.
+<p class="c2">Eene goede teekening weerspiegelt zelfs de stemming
+van den teekenaar in een bepaald tijdperk van zijn levensloop.
+<p class="c2">De gebeurtenis, die tusschen de twee bewerkingen van
+de opwekking van Lazarus ligt, was wel in staat, om in het gemoed
+van Rembrandt in te grijpen. In 1642 ontviel hem door den dood
+zijne jeugdige echtgenoote. In de eenzame, slapelooze nachten, die
+nu volgden, dacht hij aan haar, en peinsde hij over haar. Is het
+wonder, dat hij zich de mogelijkheid voorstelde van een weerzien?
+Maakte niet de Schrift gewag van een geval, dat een gestorvene uit
+den dood herrees en tot de zijnen wederkeerde? Maar ach, dat kon
+gebeuren eeuwen en eeuwen geleden! Voor hem geen hoop, dat Saskia
+tot hem terug zou komen, om nog op aarde naast hem voort te leven.
+Voor hem niets, dan het denkbeeldig geluk, wat het zou zijn, als
+<i>zij</i> door Jezus uit het graf werd geroepen met de woorden:
+"Kom uit!" De behoefte ontstond, om de opwekking van Lazarus nog
+eens te behandelen. Maar nu met andere gedachten. Nu niet om te
+toonen, hoe grootsch hij den Zaligmaker vond, en hoe vreeselijk
+voor Lazarus de overgang uit het doodenrijk in het leven moet zijn
+geweest! Nu, om met zijne gedachten te verwijlen bij het geluk, de
+blijdschap, de innige zaligheid, die het herrijzen schonk aan de
+treurende nabestaanden; nu, om zich voor te stellen, hoe goed de
+Heer wel geweest moet zijn, om dit wonder voor zijne vrienden te
+verrichten.
+<p class="c2">En zie: onder den indruk van deze gedachten bewerkte
+hij, kort na Saskia's dood, de tweede plaat. Om die ten volle te
+begrijpen, moet men met deze bijzonderheid uit het leven van
+Rembrandt bekend zijn. Zonder die kennis zou men kunnen denken, dat
+de tweede bewerking alleen de bedoeling had om iets te maken, dat
+beter was dan de eerste. Ze zou dan ook van teekening de beste van
+de twee moeten zijn. Dit ligt echter in de voorgaande beschouwing
+niet opgesloten: er is slechts aangetoond, dat de tweede
+"Opwekking" inniger, liefdevoller is; en dat we kort na 1642 niet
+anders van Rembrandt konden verwachten.
+<p class="c2">Wat voor deze prent eene noodzakelijke behoefte
+gebleken is, eenige kennis namelijk van de levensgeschiedenis van
+den kunstenaar,-dat kan men evenmin bij heel veel ander schilder-en
+teekenwerk ontberen. Daarom hebben geschiedvorschers met ijver
+datgene nagespoord, wat licht kon verspreiden over zijne
+levenshistorie. Nog lang is alles niet bereikt; veel bleef er in
+het duister gehuld; maar toch zijn er gegevens genoeg aan het licht
+gekomen, om te kunnen zeggen, dat we de hoofdgebeurtenissen kennen.
+Het is zelfs mogelijk geworden, om gedurende enkele tijdperken met
+den schilder alles mee te beleven, wat hij beleefde; om als het
+ware naast hem een met hem zijne lotgevallen door te maken. Onder
+deze zijn er wel geene, die meer invloed op het gemoed en op de
+werklust hebben gehad, dan die, welke hij met zijne vrouw
+ondervond. We zullen daarom trachten iets meer van nabij met haar
+bekend te worden.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="HISTORISCHE_GEGEVENS"></a>
+<h2 class="c4">HISTORISCHE GEGEVENS.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Het was in den zomer van het jaar 1634, dat Rembrandt
+zich aan den IJ-kant te Amsterdam inscheepte, om naar Friesland te
+gaan. De tocht ging over zee, zooals toenmaals vanzelf sprak. De
+vervoermiddelen te land waren slecht, de wegen eveneens, en
+bovendien was de Republiek nog in oorlog met Spanje, waardoor een
+reis over de Veluwe soms onaangename avonturen opleverde. In 1628
+maakte de vijand onder aanvoering van Cuculi nog strooptochten tot
+onder de wallen van Amersfoort. De Zuiderzee daarentegen was
+veilig; de dagen van Bossu behoorden tot het verleden.
+<p class="c2">De beurtschipper zette onzen schilder te Harlingen
+aan land. Vandaar ging het per binnenvaartuig over Franeker naar
+het weinig bekende dorpje Sint Anna-parochie, en wel met het doel
+om er in de echt te worden vereenigd met eene deftige Friesche
+jongedame.
+<p class="c2">Rembrandts huwelijk is een merkwaardig staaltje van
+de geschiedenis van Geschiedenis.
+<p class="c2">Men stelt zich gewoonlijk voor, dat de kennis van dit
+vak uit boeken wordt opgedaan. De schrijvers dezer boeken hebben op
+hunne beurt ook weer uit boeken geput, maar zijn even dikwijls
+langs anderen weg achter de toedracht der gebeurtenissen gekomen.
+<p class="c2">Niet door overlevering, die van ouder op kind, van
+kind op kindskinderen overgaat. Immers, wij in onze dagen, weten
+meer van Rembrandt,-om bij hem te blijven-dan onze voorouders uit
+het jaar 1800, zelfs meer dan die uit 1700, ja! meer dan Rembrandts
+eigen tijdgenooten! Zijne vrienden en kennissen natuurlijk
+uitgezonderd. Onze kennis kan dus geene overgeleverde kennis zijn.
+<p class="c2">Zoo heeft men honderd en vijftig jaar lang niet met
+zekerheid geweten, dat en met wie hij getrouwd is geweest.
+<p class="c2">Men vertelde: met eene kleine, dikke boerin uit
+Raasdorp. Een dorp van dien naam is er niet. Men begon dus, met
+maar aan te nemen, dat Ransdorp was bedoeld, een plaatsje in
+Waterland. Echter wilde het niet gelukken, om op te sporen, wie dan
+die vrouw geweest was. In de stad Amsterdam snuffelde men allerlei
+papieren na, om het gewaar te worden. Ook in Leiden, zijne
+geboorteplaats.
+<p class="c2">Maar vruchteloos.
+<p class="c2">Het toeval bracht de oplossing van het vraagstuk. Ver
+van Amsterdam, in een vergeten dorpje in Friesland, werd, omstreeks
+het midden van de 19<sup>de</sup> eeuw, in de oude boeken van het
+gemeentehuis, tusschen honderden aanteekeningen, de ontdekking
+gedaan van deze regels:<span class="c5">"23 Juni 1634 zijn in den
+echt vereenigd<br>
+<br>
+REMBRANDT HERMENS VAN RHIJN<br>
+<span class="c9">wonende te Amsterdam</span><br>
+<span class="c10">en</span><br>
+<span class="c9">SASKIA VAN ULENBORGH</span><br>
+thans gedomicileerd te Franeker."<br></span>
+<p class="c2">Toen men nu ook in Amsterdam de papieren en de
+registers van het jaar 1634 doorzocht, en melding gemaakt vond van
+dit huwelijk, was de zaak opgehelderd. Het boerinnetje van Raasdorp
+bleek een sprookjes-boerin te zijn. Saskia van Ulenborgh kwam niet
+uit Noord-Holland en was allerminst boerin van geboorte. De vader
+toch was burgemeester van Leeuwarden geweest.
+<p class="c2">Dit bewijst al, dat hij een man van aanzien was. Hij
+was bovendien iemand, die wat durfde, daar hij behoorde tot de
+eersten, die in Friesland in den Geuzentijd zich tegen den
+Spaanschen landvoogd verzetten. Zeer toevallig is hij zelfs voor
+iederen schooljongen een bekende, door eene gebeurtenis uit de
+vaderlandsche geschiedenis, ofschoon men zijnen naam gewoonlijk
+niet kent. Zooals men weet, is Prins Willem I van Oranje in 1584
+binnen Delft op het Prinsenhof vermoord. Hij ontving het doodelijk
+schot, terwijl hij de trap af ging, na het middagmaal gebruikt te
+hebben. Bij dit middagmaal had hij als gast aan tafel gehad eenen
+burgemeester van Leeuwarden, die over regeeringszaken met hem
+gehandeld had. En deze nu was niemand anders dan de heer Van
+Ulenborgh, met wiens dochter Rembrandt vijftig jaar later is
+getrouwd. De schoonvader van Van Rijn is de laatste geweest, die
+met Willem den Zwijger aan tafel heeft gezeten. Saskia is dus uit
+eene historische familie!
+<p class="c2">Wat wil het toch vreemd loopen! Menschen, die twintig
+of dertig jaar na Rembrandt leefden, wisten niet beter, of hij was
+gehuwd geweest met eene boerin. En wij, twee eeuwen later, zijn van
+zijne huiselijke aangelegenheden nauwkeurig op de hoogte.
+<i>Zij</i> vergenoegden zich met een sprookje, <i>wij weten</i>,
+voor <i>ons</i> is zijn levensloop eene bladzijde geschiedenis. Zoo
+gaat het steeds. Eerst gebeuren de dingen. Dan worden ze vergeten.
+Er komen geslachten, die zich er niet om bekommeren. Eindelijk
+staan er menschen op, die er belang in stellen. Ze onderzoeken en
+vorschen na. Een oud papier wordt gevonden, en het verleden is
+ontsluierd.
+<p class="c2">Er is bijna geene bladzijde in onze historie, of ze
+heeft hare geschiedenis. Dikwijls is de geschiedenis van
+Geschiedenis even merkwaardig als de Geschiedenis zelf. Dit moge
+nog blijken uit het volgende staaltje.
+<p class="c2">Nadat de ontdekking van Saskia van Ulenborgh had
+plaats gehad, zocht men naar meer gegevens omtrent Rembrandts
+leven; vooral in de kerkelijke boeken snuffelden de wijsgeeren. In
+die van de Westerkerk te Amsterdam, de kerk, waar in 1667 de groote
+schilder begraven is, ontdekte iemand, dat hij eene weduwe had
+nagelaten met twee kinderen, die onder den naam Catharina van Wijk
+beschreven stond. Eene andere, waarschijnlijk dus eene
+<i>tweede</i> vrouw! Natuurlijk was de ontdekker met dit nieuws in
+de wolken. Gelooven moest men het wel; het stond onweerlegbaar in
+het register te lezen.
+<p class="c2">Maar wat ontdekte later een tweede wijsgeer, die de
+registers van de Westerkerk doorsnuffelde? Zijn blik viel op eene
+bladzijde, waar het overlijden en het begraven beschreven stond van
+den echtgenoot van Catharina van Wijk. Hier ontbrak echter de
+aanteekening, dat deze overledene eene weduwe met twee kinderen
+naliet, eene aanteekening, die men juist wel leest op het folio,
+waar Rembrandts overlijden geboekt staat. Er moest een abuis hebben
+plaats gehad. En dit behoeft ons voor de zeventiende eeuw niet te
+bevreemden. Zaken van geboorte, huwelijk en overlijden werden met
+heel wat minder zorg behandeld dan tegenwoordig. <i>Wij</i> moeten
+er voor naar het gemeentehuis, en daar, op de afdeeling
+"Burgerlijke Stand", hebben de ambtenaren niet anders te doen, dan
+te zorgen voor nauwkeurige registratie.
+<p class="c2">In de zeventiende eeuw ging het anders, maar niet
+beter. De zaken van den burgerlijken stand werden in de kerken
+aangeteekend. Wilde men onderzoek doen naar iemands geboorte-of
+sterfjaar, dan moest men eerst trachten gewaar te worden, in welk
+kerkgebouw hij was gedoopt of begraven. Zoolang men dit niet wist,
+richtte men niets uit. De ambtenaar, die met het belangrijke werk
+van registratie was belast, leefde niet voor dit ambt alleen. Zelfs
+was dit niet zijn voornaamste werk. Hij was eigenlijk doodgraver
+van beroep, en kon gewoonlijk beter met de spa dan met de pen
+omgaan. Voor vele van deze waardigheidsbekleeders was het schrijven
+in de de kerkelijke registers eene dagelijksche kwelling. De
+doodgraver van de Westerkerk te Amsterdam lichtte er zelfs de hand
+wel eens mee! Hij liet soms aanteekeningen weg, die niet mochten
+ontbreken. Voelde hij zich later bezwaard over het begane
+plichtsverzuim, dan greep hij pen en inkt en trachtte de fout goed
+te maken. Zoo schijnt hij een zwak oogenblik te hebben gehad op den
+dag, toen de echtgenoot van Catharina van Wijk werd begraven. De
+naam van den overledene werd nauwgezet geboekt, maar dat er eene
+weduwe met twee kinderen achter bleef, liet hij maar weg. Eenigen
+tijd daarna begon hij zich hierover toch ongerust te maken. Hij
+sloeg het register op en zocht den overledene, wien hij te kort
+gedaan had. Daar hij zich den naam niet meer herinnerde, moest hij
+gissen. Gissen doet missen. De weduwe met hare twee bloeien van
+kinderen werd bij Rembrandt aangeteekend, die reeds eenige jaren
+vroeger gestorven en aldaar begraven was. Honderd en vijftig jaar
+lang bleef de groote schilder in dezen echt vereenigd, zonder dat
+man en vrouw, en zonder dat vader en kinderen elkaar misschien ooit
+gekend hadden. Het huwelijk, door den doodgraver in alle stilte
+voltrokken, bleef een geheim, totdat in de negentiende eeuw de
+eerste wijsgeer het ontdekte en openbaar maakte. Toen kwam wijsgeer
+nommer twee, betrapte den doodgraver op registervervalsching en
+plichtsverzuim, ontbond het huwelijk en wees de twee kleine Van
+Wijkjes aan den waren vader toe, hetgeen Rembrandt van de zorg voor
+hen ontsloeg.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="REMBRANDT_LANDSCHAPSCHILDER"></a>
+<h2 class="c4">REMBRANDT LANDSCHAPSCHILDER.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Rembrandt Hzn. van Rijn huwde alzoo in het jaar 1634
+op den 22<sup>sten</sup> Juni. Hij voerde zijne vrouw naar
+Amsterdam en betrok de woning in de Breedstraat, onder welks dak
+hij zooveel ernstige en gelukkige levensomstandigheden doormaken
+zou.
+<p class="c2">De Breedstraat, thans een deel van de oude stad, was
+destijds eene nieuwe straat, een buitenwijk. In 1631 was Amsterdam
+opnieuw en voor de zooveelste maal uitgelegd. De toename van
+bevolking bleef maar aanhouden: handel en zeevaart deden schatten
+toevloeien, de hoop op fortuin nieuwe bewoners. Nadat de halve
+cirkel binnen de Heerengracht volgebouwd en te klein gebleken was,
+werd een breede gordel van omliggend weiland binnen nieuwe
+vestingwerken en eene gracht, de Keizersgracht, besloten en ter
+bebouwing bestemd.
+<p class="c2">Doch spoedig bleken de Heeren den gordel te smal
+genomen te hebben, en maakten ze de fout goed, of trachtten die
+goed te maken, door aan de halve maan eene nieuwe verbreeding toe
+te voegen, begrensd door de Prinsengracht met hare vestingwerken.
+<p class="c2">Het zal den schilder eene behoefte zijn geweest, niet
+al te ver van de vrije natuur te wonen. Slechts een paar honderd
+passen behoefde hij te maken, dan was hij buiten. Hier kon hij zijn
+hart ophalen aan het gezicht op grazige weilanden, van slooten
+doorsneden, op boerenwoningen, in geboomte verscholen, aan tal van
+windmolens, zoowel poldermolentjes als groote, statig rondwiekende
+houtzaag-en korenmolens. Vooral deze laatsten vond men even buiten
+de stad in grooten getale. Geboortig als hij was uit eene
+molenaarsfamilie, voelde Rembrandt zich steeds aangetrokken tot
+deze schilderachtige gebouwen. Zijn vader had er een in Leiden, in
+het aangrenzende huis was hij geboren en opgegroeid.
+<p class="c2">Nog binnen de stadsgracht, op een zoogenaamd bastion
+van het bolwerk, dicht bij de Muiderpoort, stond het exemplaar,
+waarvan hij ons eene afbeelding heeft nagelaten.
+<p class="c2">Rechts zien we het water van de gracht, waarin een
+visschersbootje met gestreken mast; op den achtergrond eene
+boomenrij, misschien een singel, een wandelpad, dat de gracht aan
+den buitenkant volgde. Van het water af loopt het terrein naar
+links een weinig omhoog, waarschijnlijk naar den stadsmuur, die de
+buitenzijde van het bolwerk vormt. Daar, waar de gracht eene bocht
+maakt, springt de muur boogvorming vooruit en vormt een hoog
+terras, het bastion. Hierop staat de molen met bijbehoorende
+gebouwen. In vele steden, die in de 19<sup>de</sup> eeuw ontmanteld
+zijn, bleven de bastions gespaard om aan de molens het voortbestaan
+te verzekeren. Nu deze echter door de meelfabrieken
+doodgeconcurreerd worden, verdwijnen met hen ook de laatste
+overblijfselen van de vroegere vestingwerken. Houtzaagmolens vonden
+op bastions geen plaats: die moeten laag aan den waterkant staan.
+<p class="c2">De schilderij bewaart ons dus een gezicht op de stad,
+zooals ze er aan de buitenzij uitzag. De schilder heeft het
+tooneeltje zitten aan te kijken op het lage pad, dat aan den
+binnenkant van de gracht liep, tusschen deze en den stadsmuur. Dit
+blijkt uit de schilderij zelf; die geeft ons het beeld van wat hij
+voor zich zag. Terwijl hij werkte en ijverig zijne penseelen
+hanteerde, liep het tegen den avond. De hemel heeft eene lichtende
+klaarte, alles wat van de aarde is, staat er in zware kleuren tegen
+af te steken; alleen het water, dat de klaarheid weerspiegelt,
+blinkt helder op uit de donkere omlijsting. Ook het voetpad, met
+zijne blanke tinten van zand of platgetreden steenstorting, is
+zacht van licht.
+<p class="c2">Overigens staat alles in zware grijsheid tegen de
+heldere lucht. We voelen, hoe stil en schoon Rembrandt de
+lichtdiepte van den avondhemel heeft gevonden.
+<p><img alt="" border="0" src="images/molen.png" width="606" height="509">
+<p class="c2">[Molen.]
+<p class="c2">Van linksboven af naar het midden toe, worden de
+tinten ijler en ijler. De donkere kleuren, die het geheel aan den
+bovenkant als een boog omspannen, dringen het oog steeds meer naar
+het midden, naar het vooruitspringende deel van het bastion, waar
+de hemel in klare avondzuiverheid tot in verre diepte wegwelft.
+<p class="c2">V&ograve;&ograve;r die lichtdiepte rijst het zware
+muurgevaarte omhoog. Langdurig moet het den schilder geboeid hebben
+om te kijken naar de breede en hooge afmetingen van deze aard-en
+steenmassa, in tegenstelling met de luchtige doorschijnendheid van
+den avondhemel. Het was hem als een rotsgevaarte, als een brok
+voorgebergte, dat in het water vooruit staat. Het muurwerk is
+&eacute;en geworden met de aarde; ouderdom en verweerdheid gaven
+donkere, diepe kleuren, hier wat lichter, daar wat zwaarder, al
+naar gelang de buitenkant meer of minder afgebrokkeld, met mossen
+begroeid of van vocht doortrokken was. De bovenrand en de
+neerdalende zij-lijn missen de kantigheid en de strakheid van
+nieuwe steen. Het is, alsof de tijd ze rond heeft afgesleten; de
+staande lijn, die rechts den muur begrenst, is een weinig rond
+ingebogen en achterover gezakt, waardoor het geheel nog meer den
+indruk maakt van een zware massa, die geen steun behoeft, om zoo in
+elkaar te blijven hangen.
+<p class="c2">Het grasveld, dat den bovenkant bedekt, hangt als een
+zwaar kleed rustig over den rand heen. De helling, die links het
+bolwerk verbindt met het lager gelegen pad, is een even zware massa
+als het muurwerk, waar ze tegenop ligt. Ofschoon niet steenachtig
+van aard, vormt ze er &eacute;en geheel mee; het gansche terrein is
+&eacute;en groote, breede opheffing geworden van de aarde; alles
+ligt in rustig evenwicht tegen elkaar aan: nergens staat een brok
+muur of grond los en afgezonderd van de rest. Het penseel wist er
+&eacute;en klomp van te maken, ofschoon de samenstellende deelen
+alle zich zelf bleven, hetzij muur, hetzij grasveld, hetzij
+voetpad. Ook dit laatste is in het geheel opgegaan. Wel is het
+lichter van kleur, zooals een pad in de schemering als een stille
+blankheid uit het donker van de omgeving opblinkt; maar het is geen
+afgezonderd tooneeltje gebleven; de blankheid en de donkerte liggen
+niet scherp naast elkaar. Het verschil in lichtheid is gering; we
+krijgen wel den indruk van eene zekere blankheid, maar dat gedeelte
+van de schilderij is toch nog vrij donker. En bovendien is er een
+overgang, die uit allerlei tusschentinten bestaat. Kijk maar eens,
+wat een rommelige ruigte van gras, struiken, puin of steenbrokken
+de geleidelijke verbinding is tusschen de twee partijen. En wat is
+in het pad zelf de afwisseling mooi weergegeven van vochtige en
+droge, van hooge en platgetreden gedeelten, van flauwe wagensporen,
+onmerkbare hellingen naar den waterkant, en opstaande kantjes tegen
+het grasveldje, links op den voorgrond. Toch bleef dit &eacute;en
+blanke plek, die zich rustig en vast tegen de oprijzende massa
+daarachter vlijt. Men voelt, op wat voor vasten puinbodem de
+figuurtjes zich bewegen, die van de hoogte afkomen, of aan den
+waterkant staan.
+<p class="c2">Een vrouwtje ligt linnen uit te spoelen in de gracht.
+Spelende verspreiden zich kringen over het spiegelwater. Het trok
+den schilder aan, om dit stille bewegen op zijn doek vast te leggen
+en den indruk te bewaren. Het golflijntje, dat een voorbijzwemmend
+eendje of een in het water geworpen kluitje doet ontstaan, is iets,
+waarnaar we gaarne stil en in gedachten verzonken staan te kijken.
+Zoo ging het Rembrandt ook. Terwijl hij daar op het lage pad, op
+eenen vredigen avond, zat te schilderen, kwam een vrouwtje naar
+beneden om iets uit te spoelen; een oogenblik rustte zijn penseel,
+en volgde zijn oog de kringen, die zich verspreidden, tot ze tegen
+het bootje botsten, en daar eenige krinkeling te weeg brachten in
+het donkere spiegelbeeld. Het was eene kleine, onbeduidende
+gebeurtenis, die de rust van den avond verbrak zonder ze te storen.
+En met een paar zwierige, dartele penseelstreken werd ze snel en
+juist in beeld gebracht, om den lieflijken, vredigen indruk van
+zoo'n schoonen avond te bewaren. De stilte mocht geene levenlooze
+eenzaamheid worden; eene uiting van leven moest er zijn, als maar
+de rust niet verstoord werd. Lieflijker kon het wel niet, dan het
+zachte bedrijf van zoo'n vrouwtje er in te brengen, en het
+voorbijgaande, kortstondige opleven van den waterspiegel.
+<p class="c2">Wat kunnen we ons zoo geheel indenken in den
+gemoedstoestand van den schilder, en een denkbeeld krijgen, hoe
+vatbaar hij was voor indrukken. Zonder naar het molentje gezien te
+hebben, dat anders door vele beschouwers voor hoofdzaak gehouden
+wordt, weten we, wat voor hem het eigenlijke onderwerp was, dat hij
+schilderde. Niet de inrichting van zoo'n stads-buitenkant, ook niet
+de vorm van een molen, maar de vredige, rustige, kalme stemming van
+een mensch, die daar zit, en die genieten kan van plechtige
+avondstilte, van mooie, klare luchten, boven bijna ingesluimerde
+stadsgedeelten.
+<p class="c2">Denk toch niet, dat zoo'n kunststuk er is, om even op
+de vingers na te tellen, wat er op staat. We moeten er in
+doordringen, om tot het besef te komen, hoe de schilder voelde, hoe
+zijn gemoed door de verschijnselen bewogen werd.
+<p class="c2">Het molentje is maar bijzaak, al is men geneigd, het
+stuk daarnaar te benoemen. Het staat er, om midden op het doek een
+verheffinkje aan te brengen, en het stond nu eenmaal op het
+bastion. Bevallig, rank en rustig is het weergegeven, ofschoon in
+onzen tijd de schilders er niet van houden, om op de wieken zoo'n
+witten glans aan te brengen. Het balkwerk van den kruistaart zit er
+handig en gemakkelijk achter tegen aan. Een klein spetje wit maakt
+scheiding tusschen boven-en onderstuk, waardoor de molen een
+onderkruier wordt.
+<p class="c2">Het huizegroepje en een beetje laag geboomte staan
+gezellig bij elkaar. Je krijgt net een idee, alsof het een klein
+dorpje is, het eene dakje wat hooger of wat lager dan het andere.
+Het schoorsteentje staat er bovenuit te steken, alsof het een
+dorpstorentje wou wezen. Alles werkt mee om het vreedzame,
+landelijke uit te drukken.
+<p class="c2">Z&oacute;&oacute; zag Rembrandt nu de wereld. Hij had
+aan vreemde gebouwen, wonderlijke rotsen en geheimzinnige spelonken
+geene behoefte, als hij natuurgenot wilde smaken. Het meest
+alledaagsche tooneeltje maakte indruk op hem. Vandaar zijne geringe
+reislust. Kunstbroeders achterna te trekken, de wonderen van
+Itali&euml; te zien, naar de grootsche tafereelen der Alpen op te
+kijken, hij voelde er geen behoefte aan. Hij was huiselijk, bleef
+gaarne bij moeder de vrouw en vond zijn vaderland een schoon land.
+Waartoe zou dan trekken en rondzwalken gediend hebben!
+<p class="c2">Het is eene verheffende gedachte, dat hij, die een
+der grootste schilders der wereld is geweest, Holland mooi vond.
+Dat geeft ons moed, om het met dat vaak verguisde, platte, vlakke
+polderland toch ook maar te probeeren. Het moet, blijkens
+Rembrandts voorbeeld, mogelijk zijn, het mooi te vinden. Niet het
+zeldzame, niet het wonderbaarlijke, niet het verhevene doet 't em;
+alles, wat vreemde landen aanbieden, kan men ontberen, mits de
+goede wil er is.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="VROUWE_SASKIA"></a>
+<h2 class="c4">VROUWE SASKIA.</h2><span class="c5"><br></span>
+<p class="c2">Van Rijn behoefde zelfs niet de Muiderpoort uit naar
+Muiden, naar Naarden of naar het Gooi te wandelen, om tooneelen te
+vinden, die hem boeiden; hij had ze, om zoo te zeggen, naast de
+deur. En we kunnen ons denken, hoe hij met zijne jonge vrouw naar
+buiten wandelde, en het Friezinnetje attent maakte op al het
+schoone, wat Amsterdams buitenkant te zien gaf. Hoe hij, even
+stilstaande, met een potloodkrabbeltje wist aan te duiden, wat hem
+hier of daar het meest trof, of, aan den kant van den weg zich
+neerzette en een schetsje maakte, om het Saskia aan te bieden en
+haar oog voor natuurschoon te openen.
+<p class="c2">Toch trok geen onderwerp den grooten teekenaar zoo
+aan, als Saskia zelf. Tot in het oneindige heeft hij haar
+uitgebeeld, haast dagelijks moest ze voor hem zitten, en maakte hij
+haar portret.
+<p class="c2">Een luchtig teekeningetje is dat, wat hij maakte kort
+na zijn trouwen. Hij schreef er eigenhandig iets onder. Men ziet:
+schoonschrift is 't niet. Hij schreef, evenals zijn meeste
+tijdgenooten, steilschrift; zijn hand is los en vlug-geen wonder!
+de hand van Rembrandt!--Wie mocht meenen, dat je aan de
+penneschrappen eigenaardigheden opmerkt, die aan het
+schrijfgereedschap van die dagen, aan de ganzepen herinneren, hoede
+zich voor overijlde gevolgtrekkingen: ditmaal heeft de
+teekenaar-schrijver noch potlood, noch pen en inkt, noch krijt
+gebruikt, maar eenvoudig een zilveren stiftje, rijn toegepunt, en
+daarbij een bijzonder soort papier, op ivoor gelijkend; een schrap
+met de stift laat hierop een zwart spoor achter. Een
+zilverstiftschrift dus, en een zilverstiftteekening.
+<p class="c2">Er staat te lezen:
+<p class="c2">"Dit is naer mijn huijsvrou geconterfeit, do sij 21
+jaer oud was, den derden dach als wij getroudt waeren.
+<p class="c2">de 8 junijus
+<p class="c2">1633."
+<p class="c2">Den derden dag, nadat ze getrouwd waren; het huwelijk
+had plaats op 22 Juni 1634; drie dagen later schreef men 25 Juni
+1634. Dat is echter geen 8 Juni 1633. Deze datum klopt niet met de
+opgave in het kerkregister te St. Annaparochie. Waar schuilt de
+fout? In het register? Dat is moeilijk te gelooven. De koster, die
+bij de huwelijksvoltrekking het feit aanteekende, zal toch wel met
+de almanak bekend geweest zijn. De datum mag iemand eens voor een
+oogenblik vergeten zijn, maar een vol jaar vergist men zich niet.
+Op de teekening dan? Maar wat voor den koster geldt, geldt ook voor
+Rembrandt. Het ging hem zelf aan, van hem kunnen we ons nog
+moeilijker eene vergissing denken.
+<p class="c2">Wie van hun beiden heeft gelijk, wie ongelijk? Dat is
+een kolfje naar de hand van eenen geschiedvorscher: uit te zoeken,
+hoe het mogelijk is, dat Rembrandt, nadat hij drie dagen getrouwd
+was, niet op de hoogte van datum en jaar was. Wie het vraagstuk
+oplost, kan er eer mee inleggen.
+<p class="c2">Wij zien intusschen de teekening verder aan.
+<p class="c2">In dit schetsje zit leven. Leven is iets, wat men
+niet met den vinger kan aanwijzen of met eenen passer kan nameten,
+in werkelijkheid evenmin als in beeld. Maar als we den indruk
+krijgen, dat er leven in zit, moeten we het er ook over eens kunnen
+worden, waardoor die indruk ontstaat.
+<p class="c2">We beginnen met het portretje op een kleinen afstand
+te houden. Dan hinderen de arceeringen in het gezichtje ons niet;
+die lossen zich op in eene gelijkmatige tint.
+<p class="c2">Zie, ze zit nu naar iemand tegenover haar te kijken.
+Of is de blik op eenen muur gevestigd? Neen, op eenen persoon.
+Immers, de oogen staan schalksch, een beetje spottend. Het dikke
+randje onder het oog kennen we wel; dat is een lachje, het is
+dartelheid. Zoo zit iemand niet op een stuk muur te kijken. De blik
+geldt hem, dien ze lijden mag, en dien ze nu, in haar speelschheid,
+niet kan nalaten te plagen. Er tintelt iets in het oog, dat
+levenslust is. Let eens op, hoe, uit de geschaduwde linker helft
+van het gelaat, het oogwit tusschen oogappel en ooghoek speelsch en
+blijmoedig te voorschijn licht. Dat wit gelaten plekje draagt er
+wel toe bij, om ons den indruk van leven, van vroolijk, schalksch
+leven te geven.
+<p><img alt="" border="0" src="images/portretvansaskia.png" width="480"
+height="825">
+<p class="c2">[Portret van Saskia.]
+<p class="c2">Zit het mondje strak en ernstig af te wachten, wat de
+teekenaar van de schets zal maken, of speelt ook daar niet
+hetzelfde lachje? Voelen we in den opgetrokken rechter mondhoek
+niet een beetje spot? Staat daar niet uitgedrukt: "mij teekenen,
+dat kun je niet?" Is dat trekje er niet op berekend, om hem aan 't
+lachen te maken? Het is, alsof we, tegenover haar, Rembrandt zien
+zitten, ijverig in de weer, om haar portret en haar leven vast te
+leggen op zijn teekenblad; de mond in ernstige plooi, het oog bij
+afwisseling op haar en op zijn werk gericht. En haar zien we
+probeeren, om den ernst van zijn gelaat te verdrijven, om door haar
+lach ook hem een lachje af te dwingen. Hare schalkschheid, de
+tinteling op hare trekken-we weten niet alleen, dat ze <i>hem</i>
+gelden, we zien er zelfs <i>zijn</i> ernstig gezicht in; in het
+spottende en plagerige lezen we, hoeveel moeite het hem kosten zal,
+om zich goed te houden, om er nu eens de gek niet mee te hebben,
+dat hy haar teekenen wil.
+<p class="c2">Zij zit niet v&oacute;&oacute;r ons als eene eenzame,
+die zich aan onze onbescheiden blikken blootstelt; ze heeft
+tegenover zich een, dien ze genegenheid toedraagt. Het is, alsof we
+in de ruimte rondom haar de aanwezigheid voelen van den persoon,
+tot wien haar glimlach zich richt. Die aanwezigheid spiegelt zich
+in haar oogen, om haar mond, op geheel haar gelaat. Zou die
+spiegeling niet het leven zijn, dat we in dit portretje zien? Leven
+is wel iets vreemds, dat vaak moeilijk nader te bepalen is. Men kan
+het soms hebben, dat men eene kamer binnenkomt, waar niemand te
+zien is; het vertrek schijnt leeg te zijn, en toch ziet men
+behoedzaam om zich heen, want men krijgt een gevoel, alsof er zich
+een levend wezen bevindt; men zou gaarne een gordijn oplichten, een
+kast openen of in een hoek kijken, om te weten te komen, of daar
+iemand schuilt. Men voelt zich door leven omgeven.
+<p class="c2">Bij Saskia gaat het niet geheimzinnig toe. Maar ook
+<i>haar</i> voelen we omgeven van leven; we kennen dit leven, en we
+weten, hoe hare gevoelens zijn ten opzichte van dat leven. Dit
+alles geeft het portret te zien. Meer dus, dan enkel een mond, een
+neus, een paar oogen, en wat verder het gezicht helpt voltooien.
+Wat kan het zelfs schelen, of de gelijkenis van deze onderdeelen
+volkomen is. Er zit iets in, dat van hoogere waarde is, iets waarom
+we het een lief portretje vinden.
+<p class="c2">Rembrandt moet dit wel goed begrepen hebben, als hij
+Saskia aanzag. Want wat heeft hij in de eenvoudige krabbels en
+krasjes deze dingen zuiver laten voelen; en nog wel dingen, die men
+niet onder woorden kan brengen of in lijnen kan aanwijzen.
+<p class="c2">Er is nog iets in Saskia, dat hem niet ontging, en
+wat het portret nog meer liefs geeft. Zij let niet op zichzelf. Ze
+gaat niet parmantig zitten met het idee: nu moet ik er mooi
+opkomen; en evenmin met het tegenovergestelde idee: het kan me niet
+schelen, hoe ik er op kom. Je kunt heelemaal niet zien, dat ze
+opzettelijk eene houding aanneemt. Zooals zij zit, zoo zit iemand,
+wanneer hij van eene lange wandeling thuiskomt. Men valt dan even
+op eenen stoel neer, om uit te blazen, voordat men van kleeren
+verwisselt. Zonder erg komt de hand onder het hoofd; het hoofd
+leunt er wel niet op; zie maar, de hand raakt het nauwelijks aan,
+maar het geeft eenigen steun en de arm vindt het een gemak om even
+op de tafel te rusten; iets waaraan de andere ook behoefte heeft;
+die ligt er languit over heen en is zelfs niet hupsch genoeg, om
+het roosje rechtop te dragen. Zoo laat men een bloem hangen, als de
+hand moe wordt.
+<p class="c2">Beide ellebogen rusten op de tafel. Netjes is 't
+niet. Dat zal vrouwe Saskia ook wel weten. Maar ze kwam vermoeid
+thuis, en dan is het verleidelijk om eens op je gemak te zitten.
+Niet recht op en neer, maar het bovenlijf voorovergezakt; de borst
+zoo'n beetje tegen den tafelrand. De kleeren wat losgemaakt en den
+hoed nog op 't hoofd.
+<p class="c2">Wie zich zoo neerzet, neemt niet plaats om uitgebeeld
+te worden, maar gaat zonder erg zitten, omdat zitten aangenaam is.
+Die let niet op zichzelf, op houding en postuur, maar geeft zich,
+zooals ze is. Die gaat zoo zitten, omdat zij bij haar echtgenoot
+is, en niet in gezelschap van menschen, die altijd op fatsoen en
+behoorlijkheid letten.
+<p class="c2">Het is deze argeloosheid, die onze teekenaar in zijne
+vrouw zag; en hij gaf ze ons duidelijk in lichaamshouding, in
+armlegging, in handgebaar, zelfs in het roosje te verstaan. Want
+dit roosje hangt net zoo over de tafel heen als Saskia zelf.
+<p class="c2">Eigenlijk is deze trek in haar dezelfde, als die,
+welke uit haar gelaat sprak. Beide komen ze voort uit een gevoel,
+dat haar aangenaam was: ze voelde zich prettig en op haar gemak,
+zoo bij haar beroemden heer gemaal. Ze geneert zich niet, hem
+lachend in de oogen te zien, en evenmin om het zich gemakkelijk te
+maken. Ze acht zich veilig voor onbescheiden blikken en
+onbescheiden op-en aanmerkingen.
+<p class="c2">Het trekt ons in haar aan, dat ze zich zoo argeloos
+onschuldig geven kon aan den teekenaar; dat ze zelfs op dit
+oogenblik niet dacht aan nette houding, aan gezicht-in-de-plooien,
+aan toilet of kapsel.
+<p class="c2">Ongetwijfeld is hier de verklaring te zoeken, waarom
+we het beeld lief vinden, en waardoor het ons bekoort.
+<p class="c2">Daar komt nu nog iets bij, dat op den teekenaar
+betrekking heeft.
+<p class="c2">Het schetsen van een portret ging hem zoo gemakkelijk
+van de hand, dat zijne gedachten eigenlijk met dit werk alleen niet
+gevuld waren. Hij behield een open oog voor de eigenaardige wijze
+van doen, zooals die op te merken was aan zijn model. Onderwijl hij
+omtrekken van gezicht, hoed, hoofd, lichaam, armen en handen zette,
+zag hij zeer goed, hoe weinig acht Saskia op zichzelf sloeg, hoe
+weinig ze aan zichzelf en hoe zeer ze aan hem dacht; hoe ze zich
+volkomen onbespied achtte, ofschoon tegenover hem zittende. Hij zag
+dit in hare trekken, in hare houding, in den arm, zooals die op de
+tafel lag, hij zag het in alles. En al schetsende, gaf hij in elke
+lijn de uitdrukking van het vertrouwelijke, dat hij in haar zag. De
+vriendelijkheid van hare verschijning, niet voor een ieder, maar
+voor hem alleen, wist hij uit te teekenen. Hij wist, dat die
+eigenschap van haar wezen kon verdwijnen, als anderen om den hoek
+gluurden. Hij wist, dat zijne teekening bestemd was, om gezien te
+worden, en dat dit streed met hare vertrouwelijkheid. Toch bracht
+het hem niet in verwarring; hij zette het denkbeeld, dat anderen
+zouden zien, van zich af en ging voort, om den indruk vast te
+houden en in beeld te brengen. Met oogen en handen arbeidde hij, om
+de uiterlijke vormen op papier te zetten, en intusschen bleef hem
+het besef bij, van de vertrouwelijkheid tusschen hem en haar. En,
+arbeidende aan de vormen, schreef hij eigenlijk in leesbaar schrift
+al maar door over die vertrouwelijkheid. Niet meer de
+lichaamsgedaante behandelde zijn teekenstift, maar hoe zij over de
+tafel heen naar hem toe gebogen lag; niet meer haar beeld, maar hoe
+in dat beeld de ziel, het leven zich afspiegelde.
+<p class="c2">Lang behoefde hij aan zoo'n schetsje niet te werken:
+alles is los en vlug op papier geworpen. En toch raak en goed. Men
+lette bijvoorbeeld eens op de zwierige lijnen, die de rechtermouw
+weergeven; in &eacute;en veeg zijn ze opgezet, en in die
+&eacute;ene veeg geven ze meteen aan, hoe in de buiging, bij den
+elleboog, het kleed in breede plooien valt. Of op de teere
+schrapjes van het linkerhandje, hoe als vanzelf de pink achterover
+buigt.
+<p class="c2">Het is een genot, om de bewegelijkheid van al die
+lijnen te zien. In een photographisch portret ontbreekt dit. Men
+vindt er ook niets aan, het te bezichtigen, tenzij men den persoon
+kent.
+<p class="c2">Het is waar, dat de photographie nauwkeuriger en
+precieser in kleinigheden is; dit weegt echter niet op tegen de
+uiting van echt leven, die een teekenaar in zijn werk neerlegt. We
+beklagen de eeuw van Rembrandt niet, omdat ze het zonder de camera
+obscura moest stellen, en zich behielp met handgemaakte
+afbeeldingen, integendeel, we achten haar gelukkig en betreuren
+het, dat later een werktuig is uitgevonden, waarmee aan kunstenaars
+het werk uit de hand genomen en het brood uit den mond gestooten
+is. Wel kunnen we thans voor weinig geld portretten hebben van
+allen, wien we genegen zijn, en wel gelijken die
+z&oacute;&oacute;veel, dat we de personen herkennen, maar ze zijn
+er naar! Het leven ontbreekt, en ook datgene, wat we, na langen
+omgang, in gelaat, houding, gebaar en lichaamsbouw hebben leeren
+opmerken. We zijn tevreden met den juisten vorm van oogen, neus,
+mond en kin, we eischen niet meer; sedert de zeventiende eeuw
+hebben de menschen zich leeren tevreden stellen met afbeeldingen
+zonder het schalksche leven, zonder tintelenden oogenopslag, zonder
+gemoed en karakter. Misschien zijn er zelfs reeds menschen in onzen
+tijd, die aan hunne bloedverwanten en vrienden deze
+eigenaardigheden niet eens meer opmerken.
+<p class="c2">Het is best mogelijk, dat de kunst van
+photographeeren ons gezichtsorgaan voor nauwkeurige waarneming van
+menschen en hunne levensuiting heeft afgestompt.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="KLEINE_TITUS"></a>
+<h2 class="c4">KLEINE TITUS.</h2><span class="c5"><br></span>
+<p><img alt="" border="0" src="images/titusvanrijn.png" width="344"
+height="410">
+<p class="c2">[Titus van Rijn.]
+<p class="c2">Laten we naast Saskia nog eens nemen deze afbeelding
+van Titus, het zoontje van Rembrandt. Dan zal ons blijken, dat ook
+hierin dingen voorkomen, die een photographisch portret niet kan
+geven.
+<p class="c2">Het ventje zit echt lekker op zijn gemak. Hij zoekt
+dit op kinderlijke manier. Een volwassene gaat er anders bij
+zitten: niet zoo met het hoofd in de nabijheid van de handen, en
+niet zoo in elkaar gedoken op den rand van eene schoolbank of een
+raamkozijn liggende. Het omgebogen polsgewricht van het
+rechterhandje is echt kinderlijk, ook de duim, die het hoofdje
+steunt en een kuiltje in de kin drukt, waardoor de mondhoek een
+beetje omhoog geschoven wordt! Daar behoort precies bij, die manier
+om eene pen vast te houden, als men zit na te denken over hetgeen
+geschreven moet worden. En zie eens het linkerhandje! Het komt net
+te voorschijn, zooals we dat soms zien bij een poesje, dat
+behagelijk een breed, mollig pootje vooruitsteekt. De heele figuur,
+het verlichte driehoekje van gelaat, handen en boek, heeft iets
+poezeligs over zich. Dit neemt dadelijk in voor het ventje. Het is
+ons onverschillig, of oogen, neus, mond, gezichtsvorm en haar
+nauwkeurig gelijken, er is, buiten dat, iets aantrekkelijks in. Het
+portretje geeft ons te zien, hoe de vader zijn kind soms kon
+aantreffen, als het in school of thuis in een hoekje te leeren zat.
+De houding moet indruk op hem gemaakt hebben, want, toen hij ging
+schilderen, stelde hij zich het kereltje z&oacute;&oacute; voor.
+<p class="c2">Het is niet waarschijnlijk, dat hij, zooals onze
+photograaf zou doen, gelastte: ga nu zus of zoo zitten. Immers, dan
+wordt alles stijf en houterig. Hier was geen afspraak; zonder erg
+zit Titus op zijn gemak na te denken en voor zich uit te kijken, en
+argeloosheid kon de vader hem niet als bevel opleggen.
+<p class="c2">Dat we hem onbespied kunnen beschouwen, is juist het
+aantrekkelijke. Want nu komt zijn ware aard aan den dag: zijne
+neiging namelijk om knus en gemakkelijk ineen gedoken te zitten.
+Hij verloochent daarin niet, dat hij een kind van Saskia van
+Ulenburg is!
+<p class="c2">Het aantrekkelijke wordt nog verhoogd door de groote,
+donkere kijkers en de lange, weelderige lokken. Bovendien vinden we
+het aardig, zoo toevallig eens iets te zien, dat op het schoolgaan
+en het leeren in de zeventiende eeuw betrekking heeft: een
+bundeltje vellen papier ligt op een opengeslagen boek; de inkt,-het
+zal wel zelfgemaakte inkt wezen, want dat was het
+gewoonlijk,-bevindt zich in eenen koker, die aan een koordje of
+kettinkje hangt. Dit gerei droeg de leerling mee naar school en
+zeulde er mee rond door huis; overal waar hij zich neerzette, om te
+schrijven, had hij het bij zich; als hij voor het open raam plaats
+nam, kon het best gebeuren, dat hij achteloos den inktkoker uit het
+raam heen en weer liet bungelen. Ingenaaide schriften waren niet
+zooveel in gebruik, als losse bladen papier. Deze omstandigheid gaf
+hier den schilder gelegenheid, om te laten zien, hoe de velletjes
+soms plat op elkaar, soms met eene gapende opening er tusschen
+kunnen liggen.
+<p class="c2">Met Titus er bij hebben we nu den kleinen huiselijken
+kring compleet, waarin Rembrandt anno 1642 leefde. We moeten echter
+bedenken, dat de zoon nog heel klein was, toen Saskia overleed; de
+moeder heeft hem nooit gezien, zooals de vader hem hier afbeeldt.
+<p class="c2">In de portretten van vrouw en zoon heeft hij wel
+duidelijk uitgedrukt, met hoeveel hart hij aan beide hing, hoe
+gelukkig hij zich aan den huiselijken haard voelde, toen Saskia nog
+leefde. Ook zal hij innerlijk bewogen geweest zijn, als hij later
+het kind uitbeeldde en opmerkte, hoe hare geaardheid, hare natuur
+daarin voortleefde, toen zij reeds lang ter ziele was.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="ACTIE"></a>
+<h2 class="c4">ACTIE.</h2><span class="c5"><br></span>
+<p class="c2">Naast elkaar zijn hier gesteld twee groepjes van twee
+personen, die eenige woorden met elkaar wisselen. Het eene stelt
+voor een Amsterdamsch burger uit het jaar 1633, scheepsbouwer en
+teekenaar van scheepsontwerpen van beroep, met zijne vrouw, die een
+briefje binnen brengt. Het andere is Michiel Azn. de Ruyter, in
+gesprek met zijnen stuurman Zeger. Al dadelijk valt het op, dat De
+Ruyter en Zeger, elk met een paar gelijke platvoeten en een paar
+zwarte kuiten, recht op en neer naast elkaar staan. Beider
+onderstel, met en benevens de wijde broeken, schijnen naar een en
+hetzelfde model te zijn gevormd. De enkels zijn te dik, en evenveel
+te dik, het aanzwellen der beenen, naar boven toe, gaat gelijk in
+zijn werk, de broeken hangen er gelijk om. Vervelend is het verder,
+dat beide gelijkelijk het front naar elkaar draaien, en dat ze
+beide den naar elkaar gekeerden arm schuin omlaag, den anderen arm
+opgeheven houden.
+<p><img alt="" border="0" src="images/deruyterenzeger.png" width="388"
+height="424">
+<p class="c2">[De Ruyter en Zeger.]
+<p class="c2">De Scheepsbouwmeester en zijne vrouw zijn zonder
+zulke toevalligheden tot een groep bijeengebracht. De houding van
+de handen der vrouw laat zich zeer goed met die van De Ruyter
+vergelijken. Zij houdt met de linker kloek en ferm de klink van de
+deur omvat, niet nuffig en met opzettelijke bevalligheid, maar
+zooals eene degelijke huisvrouw in drukke bezigheden alles doet. De
+Ruyter doet iets, dat, op zichzelf beschouwd, een daad is van
+kloekheid, van moed en van durf. Eigenlijk moest hij dus ook
+onverschrokken met de linkerhand naar den Engelschman wijzen, dien
+hij tot partuur heeft gekozen. Maar hoe is dit op de plaat
+uitgedrukt? De wereldvermaarde zeebonk steekt een blank, mollig,
+klein handje uit, de arm is slap en zonder fierheid opgeheven, het
+wijsvingertje bij het jongejuffrouwenduimpje wijst op kromme manier
+iets aan. Men zou haast denken, dat mijnheer Zeger heeft gevraagd:
+"Hoe loop ik het kortst van hier naar de Kipstraat?" en dat een
+voorbijgaand, ziekelijk oud heer met een pijnlijk gezicht
+antwoordt: "Hier links den hoek om." Waarop gemelde heer Zeger met
+vriendelijk gelaat voor de bekomen inlichting bedankt, beleefd den
+hoed licht, en den ouden heer eene prettige wandeling toewenscht.
+<p class="c2">Zoo kan geen De Ruyter het vermaarde commando hebben
+gegeven, zoo strekt geen held met gebiedend gebaar den arm.
+<p><img alt="" border="0" src="images/scheepsbouwmeester.png" width="610"
+height="404">
+<p class="c2">[Scheepsbouwmeester en vrouw.]
+<p class="c2">De rechterhand is niet beter van teekening. Misschien
+loopen er verwaande menschen rond, die op deze manier met gebogen
+polsgewricht den knop van een wandelstok omvat houden, maar van
+onzen Vlissinger Michiel gelooven we het niet.
+<p class="c2">Zie daarentegen, hoe het vrouwtje haren brief
+overreikt. De bedoeling is volkomen duidelijk uitgedrukt: ze laat
+hem niet zien, ze neemt hem niet weg, maar ze overhandigt. Zelfs
+zit in het handgebaar de beweging van iemand, die achterwaarts een
+briefje afgeeft. Men probeere zelf de houding na te bootsen.
+<p class="c2">Ook de handen van den scheepsbouwmeester mogen gezien
+worden bij die van stuurman Zeger. Zijn linker, eene dikke,
+vleezige werkhand blijft rusten op het teekenwerk, terwijl het
+hoofd zich even opricht om te zien, wie den arbeid komt storen. Is
+het niet, alsof die hand, met gedachten vervuld, bij het werk
+tracht te blijven, alsof ze den gedachtengang wil vasthouden, tot
+de stoornis voorbij is?
+<p class="c2">De rechter wil het briefje in ontvangst nemen. Echter
+niet met een gebaar van haastig aanpakken. Het binnenkomen van
+moeder de vrouw wordt euvel opgenomen, omdat het storend is.
+Vandaar dat de hand maar aarzelend uitgestoken wordt. Dit is geheel
+in overeenstemming met 's mans gelaat; de afdruk laat duidelijk een
+lichten graad van ontevredenheid zien; die blik op zijne vrouw en
+het voorhoofd-fronsen zijn er de blijken van.
+<p class="c2">De rechterhand van stuurman Zeger neemt op eene wijze
+den hoed af, die noch de manier van een zeeman, noch die van een
+fijn heer is. Houvast zit er niet in; een groote, vilten,
+zeventiende-eeuwsche hoed zou wel anders doorbuigen, als men dien
+bij het uiterste randje tusschen duim en vinger aanvatte. Hij lijkt
+wel van hout. Wat is daarbij vergeleken het passertje goed
+geteekend; in de hand het ronde gewricht, naar beneden de gepunte,
+driekante beenen, waarvan een, door lang gebruik, iets kromgebogen
+is; met een soort van gretige werklust hapt het instrumentje naar
+het papier. Zelfs in zoo'n gering bijzaakje heeft Rembrandt het
+bijzondere gevoeld. De scheepsroeper is lang niet van hetzelfde
+gehalte; de rand van het geslagen koperblik is veel te dik
+geworden; de trechtervormige beker is aan den onderkant bijna
+recht, aan den bovenkant bolvormig; het mondstuk heeft een
+verkeerden stand; van onze plaats af moesten we er niet in kunnen
+zien; het heeft bepaald in de klem gezeten en is verbogen geraakt.
+<p class="c2">Letten we op de handeling, die op beide afbeeldingen
+tusschen de twee personen voorvalt, dan moeten we allereerst onze
+bewondering uitspreken voor het vrouwtje. Er zit in hare houding
+buitengewone bewegelijkheid; het overhandigen van den brief gaat
+niet bedaard in zijn werk, maar haastig en gejaagd. Zij blijft
+bijna bij de deur staan, om geen tijd te verliezen met verder te
+loopen dan noodig is; met over den stoel heen te buigen bereikt ze
+haar doel even goed. Het bovenlijf helt niet alleen zijdelings naar
+den bouwmeester over, het maakt ook eene kleine buiging voorover.
+Intusschen draaien de linkerheup, de linkerschouder en de linkerarm
+zich reeds weer achterwaarts, terug naar de deur.
+<p class="c2">De rechterhand en-arm, en het gezicht zijn nog
+verdiept in de beweging van het overhandigen. In al de onderdeelen
+van deze figuur dus eene aanduiding van wenden, buigen en draaien,
+nergens de stijve rust van een lid, dat aan de handeling geen deel
+neemt. Sommige beschouwers maken hiervan Rembrandt wel eens een
+verwijt. Ze vinden het schielijke binnenkomen storend voor de rust
+van de schilderij; het maakt hun gejaagd, als ze er een oogenblikje
+kalm naar zouden willen kijken. Daar is wel iets van aan; het is
+hinderlijk, als je het idee krijgt, dat zoo'n figuurtje zoo
+aanstonds zal wegsnellen, en als men zichzelf betrapt, dat men
+daarop staat te wachten. Maar we moeten den schilder de eer geven,
+die hem toekomt; hij heeft in de lichaams houding van eene vrouw,
+die even binnenkomt en dadelijk weer heengaat, met een fijn oog de
+bewegelijkheid van buiging en draaiing waargenomen en weergegeven.
+<p class="c2">De plaat van De Ruyter is er, om een geschiedkundig
+feit voor te stellen; alles moest dus eigenlijk handeling zijn; de
+handeling moest althans zeer sterk tot ons spreken. Neem nu den
+admiraal eens; hij staat er zoo houterig en schutterig bij, dat er
+geen schijn van beweging in hem zit. Van onder tot boven, van zijn
+voeten tot zijn hoofddeksel, alles stijf en recht; nergens in de
+heele figuur eenige zwenking; geen enkele lenigheid van draaiing of
+buiging. Hij zit diep in zijn hoedje weggeslagen, en schijnt aan
+een stijven nek te lijden. Misschien trekt hij daarom zoo'n
+pijnlijk gezicht. Kijk daarentegen eens, hoe mooi rond het
+vrouwenkopje is, hoe het mutsje meewerkt, om de ronding uit te
+beelden, en hoe los en gemakkelijk het hoofd zich keert en wendt
+boven den kraag.
+<p class="c2">Zoo krijgen we tot slotsom van de vergelijking: de
+plaat, die eene handeling moet voorstellen, geeft houterige, stijve
+figuren, die de armen oplichten om te doen, alsof ze zich bewegen,
+maar ze bewegen niet. De andere, die gemaakt werd om de portretten
+van eerzame inwoonderen van Amsterdam te geven, tintelt van actie,
+zonder nochtans in het geven van portretten te kort te komen. De
+handeling maakt zooveel indruk, dat we beginnen te denken aan een
+historisch feit. Het lijkt wel, dat dit nu het beroemde briefje is,
+waarover we in boeken lezen, hetwelk binnengebracht werd, om den
+verraderlijken aanslag op een of andere stad te verijdelen. Maar 't
+is zoo niet! De schilderij is er een, waar niets achter zit. Zij is
+een portretstuk, meer niet.
+<p class="c2">We zullen deze neiging van Rembrandt, om den aard van
+het portret te verbloemen, meer opmerken. Men kan hem ook hiervan
+een verwijt maken; het <i>is</i> misschien niet heelemaal in orde,
+dat we tegenover de twee konterfeitsels van een paar burgerluitjes
+gedachten hebben van vermaarde gebeurtenissen; dat we dus aan
+dingen denken, die hier niet te pas komen. Maar-wat een kunst, om
+dat te kunnen! Wat een schilder moet men wezen, om zoo, spelend
+weg, in een portretstukje een aardigheidje te vertellen, en het dan
+zoo te doen, dat de beschouwer heelemaal de klus kwijt raakt.
+<p class="c2">De Anatomische les heeft hiervan ook wel een tikje
+weg, zooals we zullen zien.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="MISLEIDE_AANDACHT"></a>
+<h2 class="c4">MISLEIDE AANDACHT.</h2><span class="c5"><br></span>
+<p class="c2">Onder de drommen van reizigers, die jaarlijks de stad
+'s-Gravenhage bezoeken, zijn er gelukkig niet weinigen, die een
+uurtje over hebben, om de schatten van het Mauritshuis te gaan
+zien. En onder dezen merkt men dikwijls bezoekers op, voor wie de
+gang daarheen eene bedevaart is. Ze komen uit steden en stadjes,
+die binnen hare muren geen enkel staaltje bevatten van de groote
+kunst onzer voorvaderen; van Rembrandt gehoord hebben ze;
+photographie&euml;n naar zijne schilderijen hebben ze gezien. Maar
+nog nooit hadden ze gelegenheid om het hart eens op te halen aan
+zoo'n lapje doek, waarvoor hij zelf, twee en een halve eeuw
+geleden, met palet en penseel heeft gezeten; waarop hij eigenhandig
+de klonters verf heeft geklutst, gewreven en aangesmeerd. Binnen de
+muren van dit eenvoudig, onaanzienlijk gebouw zal dan eindelijk de
+begeerte bevredigd en het verlangen gestild worden. De trappen gaat
+het op, rechts den hoek om, eene kamerdeur door en het vertrek
+binnen. Dit is het heilige der heiligen. Wat hier hangt, draagt
+groote namen: we lezen er Jan Steen, P. Potter, Ostade, Brouwer,
+maar voor allen lezen we Rembrandt Harmenszoon van Rijn. Tegen deze
+weinige vierkante meters muur hangen een tiental zijner stukken
+bijeen, een schat, dien honderd musea het kleine Mauritshuis
+benijden.
+<p class="c2">Het statig middelpunt daarvan vormt de Anatomische
+les, die waard is, eenigszins uitvoerig beschouwd te worden.
+<p class="c2">De Anatomische of Ontleedkundige les is een
+portretstuk. Rembrandt maakte het op bestelling, voor acht
+geneeskundigen uit de stad Amsterdam. Dezen hadden het oogmerk, om
+er hun vereenigingsgebouw, de chirurgijnshal, mee te versieren. In
+plaats van acht afzonderlijke portretten, verlangden ze een groep;
+ze lieten het aan den schilder over, de groep samen te stellen, op
+voorwaarde natuurlijk, dat ieder van de acht koppen tot zijn recht
+kwam. Zij verwachtten niet anders, dan dat hij het met deze
+voorwaarde ernstig op zou nemen. Nu, de koppen kwamen tot hun
+recht; maar toch zou de eerste blik van den beschouwer op een ander
+deel van de schilderij gevestigd worden. De schilder wilde, dat het
+lijk, in uitgestrekte houding op de snijtafel neergelegd, het eerst
+de aandacht zou vragen.
+<p class="c2">Hij had dit kunnen bereiken, door het aanwenden van
+een eenvoudig middel: als hij er een griezelig voorwerp van had
+gemaakt, zoo akelig om te zien, dat een ieder er naar <i>moest</i>
+zien. Maar dit deed hij niet. Het lijk is zoo geschilderd, dat ook
+de teergevoeligste lieden den aanblik kunnen verdragen. Zelfs de
+opengelegde arm heeft niets afschuwelijks. Alles wat de zenuwen van
+aanstellerige jongejuffrouwen zou kunnen prikkelen, vermeed hij.
+Wel is het gelaat het gelaat van een doode, en dus niet aangenaam
+om te zien; maar het wekt geen weerzin.
+<p class="c2">Waarom is het dan wel, dat we, als van zelf, steeds
+het eerst op het lijk het oog richten?
+<p class="c2">We ondergaan een gelijk lot, als het avondvlindertje,
+dat door ons openstaand venster komt binnenvliegen. Het
+<i>licht</i> trekt ons aan. Het licht is de geheimzinnige macht,
+die <i>ons</i> gezichtsorgaan, evenzeer als dat van het onnoozel
+gedierte, weet te leiden, waarheen ze wil. Zitten we des winters in
+schemerdonker bij open haard of kachel, onweerstaanbaar wordt het
+oog door den vlammengloed aangetrokken. Schrijden we des zomers
+door de donkerte van eenen boschweg, we verhaasten onzen tred, als
+op het eind van de laan het zonlicht door eene open ruimte
+binnendringt.
+<p class="c2">Licht geeft op het netvlies een aangenaam gevoel,
+zooals frisch water aan tong en gehemelte, wanneer ze van dorst
+verschroeien. Het kost soms moeite, om den blik van de vlam eener
+lamp af te wenden, als de omgeving door de duisternis eene scherpe
+tegenstelling vormt.
+<p class="c2">Nu; de Anatomische les is eene schilderij, waarvan
+het grootste deel der oppervlakte in zware, donkere verven bewerkt
+is. Het is juist voornamelijk het lijk, dat hierop eene
+uitzondering vormt. De gezichten der rondomstaande geneesheeren ook
+wel, maar die zijn van minder omvang en zullen eerst in de tweede
+plaats onze aandacht trekken. We gaan op het zonnige licht af, dat
+midden op het groote doek een hoekje vult. De portretten, waar het
+feitelijk om te doen was, worden daardoor min of meer op den
+achtergrond gedrongen; het stuk krijgt den schijn van gemaakt te
+zijn met een ander doel, dan om die portretten te geven. We zouden
+haast kunnen denken, dat de schilder wilde laten zien, op welke
+wijze dokter Claes Pieterszoon Tulp les gaf in de ontleedkunde.
+Menschen, die niet voor dokter hebben gestudeerd, zien hier iets,
+wat ze nooit eerder hebben gezien, dat namelijk een hoogleeraar
+zoo, v&oacute;&oacute;r zich, een cadaver heeft liggen, waarvan hij
+een of ander lichaamsdeel openlegt; hij neemt een soort van tang om
+vast te pakken; de leerlingen staan er in een kring omheen, en het
+onderwijs begint! Werkelijk meenen velen, dat het stuk met deze
+bedoeling is gemaakt.
+<p><img alt="" border="0" src="images/ontleedkundigeles.png" width="651"
+height="486">
+<p class="c2">[De ontleedkundige les.]
+<p class="c2">Toch is het een portret en moet dus op
+&eacute;&eacute;n lijn gesteld worden met bijvoorbeeld een
+schoolportret, dat in lange rijen de kopjes van eene klas
+schoolkinderen te zien geeft. Wat een verschil echter! Het eene is
+een vervelende verzameling van allemaal kijkende gezichten; wie het
+onder de oogen krijgt, gaat zoeken naar bekenden. Soms maakt de
+photograaf eene kleine variatie, door aan eenige leden van het
+gezelschap iets te doen te geven: garen winden, thee schenken of
+zoo iets. Maar niemand wordt de dupe van dezen kunstgreep, men zal
+nooit ook maar een oogenblik meenen, dat de photographie er is, om
+het theeschenken te laten zien; de gezichten trekken te sterk de
+aandacht.
+<p class="c2">Het portret van Rembrandt leidt ons juist wel op een
+dwaalspoor en heeft al menigeen omtrent den aard van het stuk
+misleid. En dat, doordien het volle licht op het lijk valt.
+<p class="c2">Een oogenblik mag men wel stilstaan bij dit overigens
+niet erg verkwikkelijke voorwerp.
+<p class="c2">Hoe komt het, dat we zoo goed het verschil voelen
+tusschen de vleeschoppervlakte en de geweven stof, waaruit de
+ledendoek bestaat? Het is, alsof we een en ander met vingers hebben
+betast.
+<p class="c2">In de eerste plaats door het verschil in kleur, wat
+ook op eenen zwarten afdruk te zien is. Beide zijn wel licht, maar
+de doek is toch lichter gehouden dan het lichaam, ofschoon hij niet
+wit is; overal merken we grijze tinten, die schaduwen van vrouwen
+en plooien weergeven. Maar deze vrouwen en plooien hebben de
+eigenaardige gedaante, die we in geweven stoffen opmerken. En, dit
+is een tweede punt van verschil, de schaduwdiepten, die in de
+oppervlakte van het lichaam zijn aangegeven, zijn van anderen vorm.
+Ze zijn breeder en minder diep; over eene grootere ruimte gaan ze
+geleidelijk in blank licht over. Men kan het beenderen gestel
+gissen, dat er onder zit. Zoo bijvoorbeeld dat van de borstkas.
+Duidelijk zien wij den strak gespannen omtrek van het borstbeen, en
+naar den rechterarm heel vaag de afteekening van de diepsels, die
+tusschen de ribben zijn ingezonken. Ook de ronding van het geheele
+lichaam is met fijne grijze kleur tastbaar gemaakt. Heel mooi ligt
+de zware spier van den bovenarm tegen het lijf gedrukt; het
+schaduwgleufje verbreedt zich naar boven tot eenen oksel, naar
+beneden tot eene elleboogsholte.
+<p class="c2">Van het rechterbeen trekt vooral de omtrekslijn langs
+den bovenkant de aandacht. Als we die, van den lendendoek af tot
+den voet toe, met het oog volgen, nemen we telkens fijn uitgebeelde
+spiervormen waar; halverwege stulpt de knie eenigszins naar buiten,
+omgeven van de kleine rondingen, die we daar gewoon zijn op te
+merken.
+<p class="c2">De voeten reiken tot in de schaduw. Ze wijzen ons den
+weg naar een opengeslagen boek, van eerwaardige grootte en dikte,
+een foliant, waarin anatomische wijsheid zal zijn opgetast. Zooals
+de bladen op elkaar liggen, getuigen ze van veelvuldig gebruik.
+<p class="c2">Waar de schaduwpartij precies een aanvang neemt, is
+moeilijk aan te wijzen; het bovenbeen is nog verlicht, de knie al
+niet meer. Ongemerkt heeft de overgang plaats. Zoo gaat het ook met
+de slagschaduw van een potlood, dat men op korten afstand over het
+belichte deel van het cadaver houdt.
+<p class="c2">Met deze waarnemingen hebben we aan de plicht
+voldaan, om te zien in de richting, die de schilder met zijn
+lichteffect heeft aangeduid.
+<p class="c2">Bij voortgezette beschouwing dwaalt nu de blik als
+van zelf naar het gelaat van Tulp, en hierheen eerder, dan naar de
+gezichten der overige heeren. Het schijnt, dat de beide handen, die
+zoo in de nabijheid van het lijk hare welsprekende gebaren maken,
+dien overgang bewerken. We moeten ook bij Tulp het eerst wezen; hij
+is onder de acht geportretteerden de voornaamste en aanzienlijkste.
+Als geneesheer genoot hij eene groote reputatie, zoowel in
+Amsterdam als daar buiten. Hij speelde in deze wereldstad bovendien
+eene groote rol als lid van de stedelijke regeering. En de
+regeering van Amsterdam, dat wou wat zeggen. Die gaf in de
+regeering van de Republiek de lakens uit. Een man als Bicker had
+immers in ons land bijna evenveel invloed als Stadhouder Willem II.
+Een burgemeester van Amsterdam mocht met recht tegen een hoog
+geplaatst Fransch edelman zeggen: "De koningen van het land, dat
+zijn wij!"
+<p class="c2">Intusschen zou Tulp, &egrave;n als geneesheer
+&egrave;n als magistraat, toch reeds lang vergeten zijn, wanneer
+hij niet toevallig bevriend was geweest met Rembrandt, en wanneer
+deze van hem niet den onvergetelijken kop had gemaakt, dien we hier
+voor ons zien. De oogen, donker van kleur, staan er helder en met
+verwonderlijke klaarheid in. De blik, die op de verte gericht is,
+verraadt een groot verstand, diepe kennis en zachtheid in het
+oordeelen. Het gelaat is vol ernst, niet de ernst, die door leed
+ontstaat, maar de ernst, die gevolg is van juist inzicht en van
+veel weten. De mond schijnt te spreken. De boven-en onderlip zijn
+zoodanig op elkander geschilderd, dat er eene bijna onmerkbare
+plooiing in komt; door deze plooiing is het, alsof we de lippen de
+letters hooren aanblazen bij het spreken, en men kan er zichzelf op
+betrappen, dat men tracht vast te stellen, welke medeklinker er
+gevormd wordt, hetzij dan een f, hetzij een v.
+<p class="c2">De handen begeleiden dit spreken met verwonderlijke
+juistheid. De linker, ter halver hoogte opgeheven, maakt aan de
+hoorders duidelijk, welke bewegingen de dokter bedoelt. Terwijl
+namelijk de rechter met behulp van een pincette &eacute;&eacute;nen
+spierbundel van de anderen afzondert, laat de linker zien, welke
+uitwerking de samentrekking daarvan zou hebben. Het is een
+buigspier, liggende aan de binnenzijde van den arm; de
+middelvingers van de linkerhand maken onwillekeurig de buigbeweging
+mee, over welke gesproken wordt.
+<p class="c2">Veegjes lichte verf geven tusschen de vingers de
+plaatsing aan, hoe ze eenigszins uiteen wijken, naast elkaar op de
+hand zijn ingeplant, en los van elkaar in de ruimte staan. We zien
+in de tusschenruimte op. In den duim van de rechterhand voelen we
+de drukking, die hij op het werktuigje uitoefenen moet, om den
+spierbundel vast te houden. Wat liggen ook de vier vingertoppen in
+juiste houding om den duim heen!
+<p class="c2">De kleeding verdient wel een oogenblik bijzonder de
+aandacht. Er zijn zeventiend-eeuwsche portretten genoeg, die ons
+onderrichten omtrent vorm en snit van de toenmalige
+kleedingstukken. Maar hier hebben we er een, dat ons doet voelen
+hoe <i>mooi</i> ze stonden, hoe schilderachtig ze den persoon
+kleedden. Breed en kloek is de borst, en zijn de schouders onder
+zoo'n wambuis met mantelkraag. De breedgerande, vilten hoed geeft
+den kop een prachtige vierkantheid; hij kleedt ontegenzeggelijk
+mooier dan de hooge cylinderhoeden uit onze dagen. Het kantkraagje
+en de manchetten droeg men niet onder maar over het wambuis, niet
+in maar om de mouw.
+<p class="c2">Misschien wekt het bevreemding, dat Dr. Tulp onder de
+les en in aanzienlijk gezelschap den hoed op het hoofd houdt. Dit
+was in zijn tijd gewoonte: de professor aan de hoogeschool, zoowel
+als de onderwijzer te midden van zijne leerlingen, de vroede
+raadsleden op het raadhuis, zoowel als de huisvader in den
+familiekring, hielden zich gedekt; en men zag daarin geene
+onwellevendheid.
+<p class="c2">Van de overige koppen trekken vooral de twee, die
+zich over het cadaver heenbuigen, de aandacht. In de eerste plaats
+om de tegenstelling tot Tulp. Terwijl deze spreekt, zoowel met den
+mond als met de handen, zoowel door zijne opgerichte houding als
+door zijn rondblikkend gelaat, luisteren gene. De een ziet naar het
+lijk, de ander naar den professor, maar beider oogopslag verraadt
+aandachtig luisteren; luisterend ook buigen ze zich voorover.
+<p class="c2">In de tweede plaats om de schilderhoedanigheden. Men
+lette bijvoorbeeld eens op de rechterwang van den persoon, die het
+dichtst bij Tulp zit. Van het oog af naar beneden vinden we alle
+kleurschakeeringen, die ons in het gezichtsvleesch van zoo'n gelaat
+bekend zijn. Allerlei zwakke schaduwtjes en lichtvlakjes duiden
+aan, hoe het verloop is van de wang. Het is niet maar eenvoudig weg
+eene bolle ronding of eene magere afplatting; overal zitten vorm-en
+gedaantewisselingen. Eerst eene blauwachtige, eenigszins
+uitpuilende streek onder het oog, zooals bij zwak uitziende
+menschen. Dan de verheffing van het jukbeen, waar we een blosje
+vermoeden. Hiertusschen en tusschen den neus eene invallende
+diepte. Verder naar beneden de ingevallen wang, die achter den
+knevel verdwijnt en, om het jukbeen heen, nog tot aan het oor te
+volgen is. Alsnu gaat het met geleidelijke ronding om de kaak heen,
+waar heel dun eenig blond haar groeit.
+<p class="c2">En, zooals deze wang is, is de heele kop. Elk plekje
+is aan het model ernstig en aandachtig waargenomen, bespied en
+bestudeerd. Het portret is een beeld geworden, dat men niet zoo
+maar eens even uit zijn hoofd schildert, het is naar het leven
+genomen, het geeft ook het leven weer.
+<p class="c2">Bij de beschouwing trachten we ons onwillekeurig te
+binnen te brengen, waar en wanneer we dezen persoon hebben ontmoet,
+alsof het iemand is, dien we in onze omgeving opgemerkt hebben.
+<p class="c2">De overige koppen op deze schilderij zouden evenzeer
+eene afzonderlijke bespreking verdienen. Alle dragen de kenmerken
+van studie naar het leven. In alle is met zorg het afzonderlijke,
+het eigenaardige opgemerkt. Men vergelijke, om een voorbeeld te
+geven, maar eens met elkaar de manier, waarop bij elk het haar op
+het voorhoofd is ingeplant. Alleen hieraan zou men de heeren alle
+kunnen herkennen, als men ze ontmoette.
+<p class="c2">Of men ga eens na, hoe elk van de aanwezigen op eigen
+wijs de les van Dr. Tulp volgt; met meer of met minder aandacht;
+met een geestigen trek om mond en oogen of met een soort van
+onverschilligheid.
+<p class="c2">Ieder is zichzelf en leeft zijn eigen leven. Geen
+twee zijn van een zelfde model.
+<p class="c2">Al deze uitingen van leven spreken des te sterker,
+omdat ze gerangschikt staan rondom het beeld van den dood, van de
+stof, waaruit het leven ontvloden is.
+<p class="c2">De mond van het cadaver is half geopend, en een
+glimlach schijnt er omheen te spelen. Maar de glimlach is
+verstijfd, en het spreekgebaar van de mondopening is koud en
+versteend. Het is het eeuwige zwijgen met een grimas van leven. En
+op het gelaat van den lesgevenden professor: het mondopenen
+nauwelijks zichtbaar, de blik strak op de verte gericht, geen
+plooitje, dat zich tot glimlach vormt, en toch het heele wezen een
+en al leven, op de bijna onbewogen trekken een spreken, dat sedert
+bijna drie eeuwen elken toeschouwer in de ziel dringt, en dat
+spreken zal blijven tot in lengte van dagen.
+<p class="c2">Het stuk in zijn geheel heeft ook zijne eigenaardige
+bekoring. Eerstens door het zonnige hoekje, waar het cadaver ligt.
+Het oog heeft in die lichtplek een aangenaam rustpunt. Ten tweeden
+door de groepeering. De personen staan los, ongedwongen en
+regelloos bij elkaar, terwijl ze toch in een driehoek gevat zijn;
+&eacute;&eacute;n gezicht vormt hiervan den top en doet de groep
+naar boven toe bevredigend eindigen.
+<p class="c2">Ten derden door de rijke afwisseling van licht en
+donker; tusschen de witte kragen, blanke gezichten en handen zijn
+overal stukjes achtergrond aangebracht of brokstukken donkere
+kleeding, donkere baarden of behaarde schedels. Men bezie het stuk
+maar eens door de oogharen, om deze afwisseling op te merken.
+<p class="c2">De geschiedenis van de Anatomische les is deze.
+Rembrandt maakte haar in 1632, het jaar, waarin Frederik Hendrik
+Limburg aan de Republiek toevoegde. Ze kreeg eene plaats in de
+vergaderzaal der chirurgijns te Amsterdam en bevond zich aldaar
+nog, toen deze in 1828 hunne bezittingen te gelde wenschten te
+maken en het stuk aan Koning Willem I verkochten voor f32.000.
+Sedert maakt het deel uit van het Koninklijk Kabinet, dat in het
+Mauritshuis ondergebracht is.
+<p class="c2">De maker van het kunstwerk zal waarschijnlijk van elk
+der acht heeren geneeskundigen de som van een kleine honderd gulden
+hebben ontvangen, wat in 1632, toen Amsterdam krioelde van goede
+schilders, al wel was, vooral voor een beginnend man van even vijf
+en twintig jaar.
+<p class="c2">In een anderen zin bracht het hem echter meer op. Als
+een loopend vuur ging de mare door de stad, dat een groot schilder
+was opgestaan, overgekomen uit Leiden en je kon zijn werk zien op
+de Chirurgijnshal! Dit legde hem geen windeieren. Spoedig regende
+het bestellingen van portretten, en maakte hij een geweldigen
+opgang, zoo enorm, dat zelfs in het Stadhouderlijk Paleis te
+'s-Gravenhage zijn naam genoemd werd.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="AANRAKING_MET_HISTORISCHE_PERSONEN"></a>
+<h2 class="c4">AANRAKING MET HISTORISCHE PERSONEN.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Reeds in zijne studiejaren had Rembrandt in Den Haag
+zaken gedaan. Toen hij, nog v&oacute;&oacute;r 1632, bij zijne
+ouders te Leiden woonde en ijverig schilderde en teekende om de
+kunst machtig te worden, deed eens een bezoeker hem aanwijzing voor
+een heer in Den Haag. Een zeker stukje, dat hij juist voltooid had,
+moest hij dien eens gaan vertoonen en te koop aanbieden. Te voet
+trok de jonge schilder er op uit, bereikte na eene wandeling van
+vier uren de Residentie en smaakte de voldoening zijn stuk voor
+honderd gulden te verkoopen. Wonder in zijn schik met dit succes,
+en nog niet gewoon zooveel geld in zijn buidel te hebben, voelde
+hij behoefte, om zoo gauw mogelijk naar Leiden te gaan met zijn
+schat, en zijne ouders in kennis te stellen met het fortuintje.
+<p class="c2">Een weg van een kleine vier uur gaans weer te voet af
+te leggen, dat kwam, dunkte hem, niet te pas voor iemand, die
+schilderijen met honderd gulden betaald krijgt. De trekschuit, daar
+ging Jan en alleman mee. Hij deed als een groote m'nheer en nam
+parmantig plaats bij het logement, "De Leidsche wagens" op den
+wagen naar Leiden. <i>Op</i> den wagen naar Leiden, aldus vertelt
+een oud schrijver, niet <i>in</i>.
+<p class="c2">Wat genoot hij van dat ritje! Eerst voerde de weg hem
+door het Haagsche bosch met zijne gladde, rijzige, groene,
+beukenstammen, die hunne takken breed en vlakweg met
+lichtdoorlatende, fijne blaadjes uitgespreid hielden; verspreide
+eiken stonden zwaar en donker daartusschen met diepgefronste
+schors, en takken, die in moeilijke kromming zich wrongen. Machtig
+en breed stond de voet uit in de zandige duinhellingen; het trof
+hem, hoe ze hun wortels uitlegden over den bodem als een reuzig
+gedierte, dat krampachtig met uitgeslagen en wijdgeopende klauwen
+zich vast wil klemmen.
+<p class="c2">Nog anders dan in Leiden op het bolwerk, zag je hier,
+hoe de natuur een beeld van kracht kan zijn. Hier, waar werkelijk
+eeuwen-heugende eiken en beuken stonden. Maakte niet een
+medereiziger hem attent op een drietal forsche exemplaren, met
+dooreengestrengelde takken, die het volk het Jacobaprieel noemde,
+omdat er de landsvrouw Jacoba tweehonderd jaar geleden gaarne
+verwijld had? Heerlijk wonen moest het in Den Haag zijn voor eenen
+kunstenaar. De oude stad nog net plaats vindende op het uiteinde
+van de reeks binnenduinen, waarop ook het Haagsche bosch stond, en
+waarover de Leidsche weg hem Noordoostelijk voerde; de nieuwere
+straten de venen ingaande. De omstreken, in Noordelijke richting,
+klingen en dalen met laag en opgaand hout, in zuidelijke richting
+lage weiden, vol slooten en plassen; hier en daar moerassen, met
+ruigten van wilgbeschot en oeverplanten; de verre horizonnen
+onderbroken door watermolentjes, die men reeds in gebruik begon te
+stellen van de grondverbetering.
+<p class="c2">Terwijl hij voortmijmerde, passeerde de koetsier niet
+ongemerkt het liefelijke Huis Ten Bosch (wijl dit er nog niet was,
+en eerst over twintig jaar ter eere van den vrede van Munster zou
+verrijzen) maar reed door tot, en hield stil voor het huis Ten
+Deil, eene herberg, die den weg van Den Haag naar Leiden in
+nagenoeg gelijke helften deelt (deilt). Eene onoogelijke waardin
+kwam buiten met een zwartberookt tabakspijpje in den mond, en zette
+den paarden eene krib met voer voor. De reizigers stegen uit en
+traden, evenals de wagenbestuurder, de herberg binnen, boven welks
+deur, tusschen rankend wijnloof, aan een eind lat een groote aarden
+bierpot bungelde. Rembrandt voelde geen lust, het voorbeeld te
+volgen en mede uit te stappen. Hij bleef bij zijn vollen buidel op
+den wagen zitten. Na eenige oogenblikken wordt de krib weggenomen,
+en komt het volk met den wagenaar naar buiten, om ieder zijn
+plaatsje weer in te nemen. Hun al te groote luidruchtigheid jaagt
+den paarden een schrik op het lijf: ze gaan er van door en rennen
+met den schilder voort. Het gaat langs den hun bekenden weg
+huiswaarts; ze storen zich aan niets, hollen voort, bereiken de
+Wittevrouwenpoort, sleuren den wagen over de Drentsche keien van
+het Noordeinde en houden in voor de deuren van den gewenden stal.
+Het stalpersoneel stormt naar buiten, helpt den schilder
+uitstijgen, betast zijn leden, of er geen gebroken is, en toont
+zich benieuwd om te vernemen, hoe hij dus, alleen op den Haagschen
+wagen gezeten, de stad komt binnenrijden. Maar hij. Zonder veel
+praatjes maakt hij zich weg en spoedt zich naar de Weddesteeg, die
+het rijtuig gepasseerd was zonder hem af te zetten. Behouden en wel
+brengt hij zijn honderd gulden thuis, en is gelukkig, dat hij op
+Den Deijl zoo weinig verteringskosten heeft behoeven te maken.
+<p class="c2">Het is waarschijnlijk, dat de groote m'nheer in Den
+Haag, die zijn stuk honderd gulden waard achtte, niemand minder dan
+Constantijn Huygens is geweest.
+<p class="c2">Kort nadat Rembrandt zich in Amsterdam had gevestigd
+en een grooten naam begon te krijgen, bracht Huygens hem bij den
+stadhouder, prins Frederik Hendrik, ter sprake, wat hij gemakkelijk
+kon doen, omdat hij, als diens geheim-secretaris, dagelijks met den
+vorst verkeerde.
+<p class="c2">Er volgde eene bestelling van eenige stukken,
+misschien om er het stadhouderlijk paleis te Rijswijk mee te
+versieren. De levering, en daarna de betaling, hebben nog al voeten
+in de aarde gehad. Men is dit aan de weet gekomen uit eigenhandige
+brieven van Rembrandt, die bewaard zijn gebleven in families, welke
+van Huygens afstammen. Uit een van deze blijkt, dat hij zelf zeer
+goed wist, een eerste-rangsschilder te zijn, dien men goed moest
+betalen, maar tevens, dat hij bescheiden genoeg was, om waarde te
+hechten aan het oordeel van Huygens of van den Prins. Zie hier:
+<p class="c2"><i>Mijn Heer</i>!
+<p class="c2">Soo ist dan dat ick met licensij u e dese 2 stucken
+toesende die ick meen dat soodaenich sullen bevonden werden dat
+sijn Hoocheijt nu selfs mij niet min als dusent guldens voor ider
+toeleggen sal doch soo sijn Hoocheijt dunckt dat sijt niet en
+meerijteeren sal naer sijn eijgen believen minder geeven mij
+verlaetende op sijn Hoocheijts kennis en discreesij. Sals mij
+danckbaerlick daer met laeten contenteeren ende blijvende neffens
+mijne groetenisse sijnen
+<p class="c2">D.W. ende geneegen dienaer
+<p class="c2">REMBRANDT.
+<p class="c2">Het tghene ick aen de lijsten en de kas verschooten
+hebb is 44 guldens in alles.
+<p class="c2">Behalve omtrent zijn karakter, leert dit schrijven
+iets omtrent zijne ontwikkeling. Hij schreef een goeden brief, de
+zinnen vloeiden hem gemakkelijk uit de pen, en hij spelde vrij
+zuiver, te rekenen voor de zeventiende eeuw. Zijn schoolonderwijs
+was niet verwaarloosd, al wijdde hij zich reeds vroeg aan de kunst.
+Dat hij in den laatsten zin schreef: "daer <i>met</i> laeten
+contenteeren" in plaats van "daar<i>mee</i>", kan men op rekening
+stellen van zijn omgang met vrouwe Saskia van Uhlenburg, die dat in
+Friesland zoo had geleerd.
+<p class="c2">Uit zijne brieven aan Huygens moge ook deze nog
+aangehaald worden, om grond te geven aan ons vermoeden, dat het hof
+in Den Haag met de uitkeering der contanten nu niet juist zoo heel
+vlug is geweest.
+<p class="c6">Mijn Heer!
+<p class="c2">Mijn E. Heer met schroomen ist dat ick u e met mijn
+schrijvens kom besoucken ende dat doort seggen van den ontfanger
+Wttenboogaert die ickt tardeeren van mijn betaeling klaechden hoe
+dat den tresoorier Volbergen dat lochgent als dat daer jaerlicks
+intresse getrocken werden soo heeft mij den ontfanger Wttenboogaert
+nu voorleden woondach daer op geantwoort als dat Volbergen allen
+halven jaer die selvij intressen heeft gelicht dat tot nu toe soo
+dat daer nu wederom over 4000 K. gulden bij den selvij kantooren
+verscheenen is ende bij desen waerachtijge geleegentheijt soo bidde
+ick u mijn goet aerdijgen Heer dat mijn ordonnansij nu in den
+eersten mocht klaergemaeckt werden opdat ick mijn wel verdiende
+1244 guldens nu mocht eenmael ontfangen. Ende ick sal sulx aen ue
+met reverensij dienst ende blijck van vrienschap altijd soucken te
+rekumpenseeren met deesen ist dat ick mijn heer hartelick groete
+ende wenssche dat ue Godt lanck in goeden gesondtheijt ter
+saelicheijt spaeren werde.
+<p class="c2">UEDw. ende geaffexcioneerde dienaer,
+<p class="c2">REMBRANDT
+<p class="c2">ick woon op de binnen-Emster in die suijkerbackerij
+<p class="c2">Adresse:
+<p class="c2"><i>Mijn Heer</i>!
+<p class="c2">Mijn Heer van Suijlikum raet ende Secreetarijus van
+Sijn Hoocheijt
+<p class="c2">in den port Schraeven Haech.
+<p class="c2">De indruk, dien men uit dit schrijven krijgt, is wel,
+dat de beheerder van de stadhouderlijke penningen Rembrandt zonder
+veel complimenten op zijn loon liet wachten. Al maakte de jonge
+schilder opgang, toch zooveel nog niet, dat zijn naam voldoende was
+om geld los te krijgen. Ook bracht hij het nooit zoo ver, dat
+beroemde mannen uit onze geschiedenis zich door hem lieten
+portretteeren. We mogen dit stellig betreuren. Wat zouden we uit
+zijne handen een portret hebben gekregen van een Frederik Hendrik,
+een Jan de Wit, een Michiel de Ruijter, een Constantijn Huygens.
+Beter dan de bestaande levensbeschrijvingen zouden zulke
+afbeeldingen ons hun karakter, hunne edele hoedanigheden hebben
+bewaard. Maar dat heeft zoo niet mogen zijn! De groote mannen
+hebben gemeend, zijne kunst niet noodig te hebben om hunne trekken
+te vereeuwigen. De portretten, die hij gemaakt heeft, zijn alle van
+tweede-rangspersonen. Toch kunnen we hieruit zijn meesterschap
+voldoende leeren kennen. Als een mooi voorbeeld verdient dat van
+den ontvanger Uytenbogaerd te worden vermeld, welks naam we vinden
+in den zoo even aangehaalden brief.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="MEER_DAN_PORTRET"></a>
+<h2 class="c4">MEER DAN PORTRET.</h2><span class="c5"><br></span>
+<p class="c2">De heer Uytenbogaert zien we gezeten in zijne
+werkkamer. Op de tafel liggen zakken met geld, en een boek, waarin
+de hand gereed is, aanteekening te houden. Hij overhandigt den
+bediende eenen zak, dien deze misschien in een geldvat moet
+ledigen. De balans, om het goud af te wegen, hangt aan een
+boekenplank boven de tafel; op den achtergrond wachten meerdere
+bedienden op orders.
+<p class="c2">Wat ons in den heer Ontvanger het meest treft, is de
+blik, dien hij op zijnen dienaar werpt. Doordringend ziet hij hem
+aan. Uit zijn oog lezen we de gewetensvraag: kan ik je dit
+toevertrouwen? En dat oog blijft streng en onderzoekend op hem
+rusten. Rembrandt slaat hier den spijker met den eersten slag op
+den kop; hij tast de zaak aan in 't hart. Immers de beste
+eigenschap van eenen beheerder van 's lands penningen, is, dat hij
+tegen alle bedrog op zijn hoede is. Zoo &eacute;&eacute;n steeds
+waakzaam moet zijn, dan hij! Kan men een man als Uytenbogaerd dus
+treffender in beeld brengen, dan door deze eigenschap voorop te
+stellen? Hij mag een goed man, een vriendelijk man, een eerlijk man
+geweest zijn, het beste wat men van hem kan zeggen, is: hij was een
+man op de juiste plaats. En dit allereerst zegt zijn portret.
+<p class="c2">Het gezicht is niet bepaald schoon te noemen. De
+wangen hebben eene onaangename breedheid, sommige gelaatsspieren
+leggen er onbevallige vormen in; de neus is van een scheef,
+ingedeukt model. Maar zooals dit moest wezen, zoo is het ook
+uitgebeeld. We behoeven niet in onzekerheid te vragen, hoe
+eigenlijk de vorm was.
+<p class="c2">De borst is breed en vierkant in de kleeren gestoken.
+Kloek en zwaar hangt de pelsmantel er om: het schijnt een
+"kantoorjasje" te zijn. Maar wat voor een! Het zachte, glanzige
+haar zit er duimen dik op; men zou er gaarne de hand over willen
+strijken, om de molligheid te voelen. Wat een rijkdom van pluisjes
+en bundeltjes haren zien we op den breeden zoom; telkens weer
+liggen ze in andere richting op en tegen elkaar. Zwaar en dik is de
+stof, waar we, in het verkort, tegen de wijde linker mouw aan zien.
+Daarentegen is het onderkleed, dat bij den hals zichtbaar is, van
+fijn en kostbaar weefsel, waarschijnlijk in regelmatige preciese
+plooitjes gevouwen en gestreken.
+<p><img alt="" border="0" src="images/betaalmeester.png" width="510"
+height="629">
+<p class="c2">[De Betaalmeester.]
+<p class="c2">Het is een zeer aparte kunst, om met dichte
+arceeringen de stof uit te drukken. Let eens op den achtergrond. De
+wand, waartegen de schilderij hangt, is volgekrabbeld, tot het een
+beschaduwde, grijze, gepleisterde muur was; het gedeelte aan den
+rechterkant, voorbij een soort van poortje, is met hout betimmerd,
+wat duidelijk van den gepleisterden muur te onderscheiden is. Het
+afhangende deel van het tafelkleed, ofschoon van de zelfde
+grijsheid, draagt daarentegen weer duidelijk de kenmerken, dat het
+geweven stof is.
+<p class="c2">Ander mooi werk zien we in de voorwerpen, die op den
+voorgrond staan. Ze duiken op met hunne verlichte bovenkanten uit
+eene zachte, donkere kamerschaduw. Zooals wij in een donker hoekje
+alleen met onzekerheid de dingen waarnemen, zoo zien we op den
+voorkant van de groote kist het nauwelijks afgebeelde, zware
+ijzerbeslag; hier en daar blinkt de kop van eenen spijker; langs
+den rand rechts glimt wat licht, dat misschien door een ander
+meubelstuk is teruggekaatst. Zware scharnieren teekenen zich met
+kleine, zwakke glimlichtjes af langs den bovenrand. Op het deksel,
+dat zeer versmald geteekend is, zitten drie ijzeren banden, die op
+de juiste manier naar elkaar toeloopen; door hunne wijking krijgt
+het deksel voor ons oog zijne breedte. Een mooi stuk teekenwerk,
+zoo'n kist, waarin we de hardheid voelen van het ijzerbeslag.
+<p class="c2">Uit al deze onderdeelen blijkt de mogelijkheid, om,
+met arceering alleen, stof en maaksel van de voorwerpen uit te
+beelden.
+<p class="c2">Om nu tot de figuur van den ontvanger terug te
+keeren, de breedheid en de vierkantheid doen ons vertrouwen stellen
+in het karakter. De openliggende mantel, met daaronder de fiere
+borst, wekken het vermoeden van openheid en eerlijkheid. De
+rechterhand is eene uitdrukking van nauwlettendheid en
+zorgvuldigheid; ze ligt steeds gereed om in het boek van alle
+gedane uitgaven aanteekening te houden. Aardig is het om te zien,
+met hoeveel schrijversfijnheid de duim en de vinger het pennetje
+vasthouden.
+<p class="c2">In gelaat, in blik, in houding en lichaamsbouw, in
+actie en handgebaar zien we eene aanduiding van de eigenschappen,
+die Uytenbogaerd maken tot een voortreffelijk ambtenaar. Hij is een
+model betaalmeester; door een man als hem worden 's lands middelen
+naar den eisch beheerd. Zijn portret is maar niet slechtweg een
+portret, waarbij men vraagt, of het goed gelijkt; het is een
+zinnebeeld geworden, een lofspraak op den man in zijn vak. En meer
+nog: een lofspraak op de regeering uit die dagen. Met welk eene
+vaste hand moet deze de teugels hebben gevoerd, als ze bestond uit
+mannen, gelijk we er hier een voor ons zien. De kracht van het
+jonge Holland spreekt uit zoo'n portret, de kracht van eene
+regeering, die nog bezig is (1639) zich vrij te vechten van de
+Spaansche overheerschers.
+<p class="c2">Historische waarde krijgt het vooral, als we niet
+alleen op den hoofdpersoon, maar ook op den bediende letten.
+<p class="c2">Met welk een respect neemt deze den geldzak aan, die
+hem overhandigd wordt! De blik, welken hij met den ontvanger
+wisselt, wekt de veronderstelling, dat hij plichtmatig moet toonen,
+zijnen meester in de oogen te durven zien en dus geene slechte
+voornemens te koesteren. Een en al onderdanigheid is hij! Bijna
+slaafschheid. Het doet ons vreemd aan, dat in een vrijgevochten
+land, als het onze, alleen de hoogere klassen des volks zich mensch
+en onafhankelijk voelden, dat in een Republiek de ondergeschikten
+de knie bogen voor den werkgever. Is het niet, alsof we nog waren
+in de dagen der Spaansche overheersching? Toch draagt de prent de
+dagteekening 1639, en het leek in dat jaar in het Kanaal voor Duins
+weinig naar eene zoodanige heerschappij.
+<p class="c2">Maar de Regenten lieten niet met zich spotten: ze
+hadden er den wind onder. Het is deze verhouding tusschen heer en
+dienaar, die Rembrandts plaat voor ons bewaard heeft; in enkele
+lijnen worden hier boekdeelen gezegd.
+<p class="c2">Niet slechts het portret van een persoon, maar een
+tooneel uit het leven zien we, hetwelk ons doet zeggen: zoo ging
+het toe; zoo leefden de standen met elkaar in de Republiek.
+<p class="c2">Het portret is een sprookje geworden. We lezen van
+een groot heer, die een kostbaar kleinood toevertrouwt aan eenen
+braven dienaar. Doch het is een sprookje van het soort, waar meer
+achter gezocht moet worden. Het gunt ons een blik op de samenleving
+onzer zeventiendeeuwsche voorvaderen.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="GEETSTE_PRENTEN"></a>
+<h2 class="c4">GE&Euml;TSTE PRENTEN.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">De prent, die Uytenbogaerd voorstelt, is eene ets.
+Wat is dat, eene ets?
+<p class="c2">Gebruikt de schilder eenen lap linnen of een houten
+paneel, en brengt hij daar met behulp van penseelen olieverf op,
+dan spreekt men van eene schilderij. Werkt hij met kool, krijt,
+potlood, inkt of waterverf op papier, dan ontstaat eene teekening.
+Van beide maakt hij natuurlijk niet meer dan &eacute;&eacute;n
+exemplaar. Schildert of teekent iemand dit na, dan heet dat eene
+copie. Voor boeken en geschriften laat men den photograaf en den
+plaatdrukker reproducties maken.
+<p class="c2">Maar nu eene ets.
+<p class="c2">De teekenaar neemt een plaatje roodkoper. Dit moet
+volkomen vlak en effen zijn, en wordt daarom tegenwoordig langs
+galvanischen weg vervaardigd. Op het plaatje brengt hij eene dunne
+laag was aan; door het aan den onderkant te verwarmen, wordt de was
+vloeibaar en dus geschikt, om zoodanig verspreid te worden, dat het
+korstje na het stollen overal eene gelijkmatige dikte heeft.
+<p class="c2">Eene fijne naald is het teekengereedschap. De punt
+zet de lijnen niet op, maar in de was; ze kan zich door de zachte
+massa heel gemakkelijk bewegen, en dit vergunt den teekenaar dus,
+om los en zwierig te werken, zwieriger, dan wanneer hij met een mes
+zijn beeld in palmhout snijdt, om eene houtsneeprent te maken.
+<p class="c2">Wat er nu in de was staat, kan hij niet met inkt
+aansmeren, om op papier af te drukken. Daarvoor is alles te zacht.
+Hij brengt rondom de koperplaat een opstaand lijstje aan, en giet
+er vitriool over uit. Deze vloeistof laat de was onaangetast; maar
+waar ze koper vindt, bijt ze dit uit. Dus in de smalle voren, die
+de naald in het bedekkende laagje heeft getrokken. Na eenigen tijd
+wordt de vitriool afgegoten, de koperplaat door verwarming ontdaan
+van de was, en alsnu vertoont ze de figuur, door den teekenaar in
+de zachte stof ontworpen, doch thans in het harde metaal
+onvergankelijk ingevreten.
+<p class="c2">Met behulp van eene inktrol bedekt hij haar met inkt,
+wrijft haar met een lap weer schoon, maar draagt zorg, den inkt
+niet te verwijderen, die in de diepte van de lijnen zit. Deze zal,
+bij het afdrukken op een blad papier, de teekening te zien geven,
+juist even los en zwierig, als ze in de was geteekend is, maar in
+spiegeld beeld. Want door het afdrukken wordt de voorstelling
+omgekeerd.
+<p class="c2">Van eene ets worden door den teekenaar een groot
+aantal exemplaren vervaardigd. Daar ze voor den handel bestemd
+zijn, en de liefhebbers ze gelijkstellen met oorspronkelijke
+teekeningen, kunnen ze eene ruime bron van inkomsten zijn. Er is er
+een afkomstig van Rembrandt, die "honderguldenblad" heet, omdat
+elke afdruk den prijs van honderd gulden opbracht!
+<p class="c2">De ge&euml;tste koperplaat blijft voor latere
+afdrukken bewaard. Het komt meermalen voor, dat de etser na eenigen
+tijd met zijn werk niet meer tevreden is. Hij tracht dan in de
+plaat wijzigingen aan te brengen. Er heeft zeker geen kunstenaar
+bestaan, die hiervan zoo de geheimen kende, als Rembrandt.
+<p class="c2">De veranderingen, aangebracht in het portret van een
+vriend, den schilder Jan Asselijn, hebben aanleiding gegeven tot
+eene vermakelijke vergissing.
+<p class="c2">In de verschillende musea en kunstverzamelingen
+bevinden zich twee soorten van afdrukken van dit portret; ook in de
+achttiende eeuw verhandelde men reeds exemplaren van Asselijn
+<i>met</i> den ezel en exemplaren van Asselijn <i>zonder</i> den
+ezel. Op dezen staat de schilder afgebeeld naast een tafeltje met
+boeken, op genen wordt de achtergrond gevormd door een houten
+schildersezel, waar een paneel of een doek op staat, dat arbeid van
+den kunstbeoefenaar moet voorstellen.
+<p class="c2">Er werd in de achttiende eeuw druk in deze en
+dergelijke etsen gehandeld. Liefhebbers waren niet tevreden, als ze
+een Asselijn bezaten; ze moesten er een exemplaar "Asselijn met den
+ezel" bij hebben; soms liepen ze alle kunsthandelaren af, om een te
+krijgen.
+<p><img alt="" border="0" src="images/asselijnmet.png" width="304" height=
+"329">
+<p class="c2">[Asselijn met den ezel.]
+<p><img alt="" border="0" src="images/asselijnzonder.png" width="341"
+height="315">
+<p class="c2">[Asselijn zonder den ezel.]
+<p class="c2">Een Duitsch prentenkoopman had al meermalen vraag
+gehad naar een "Asselijn met den ezel", en tot zijn verdriet steeds
+neen moeten verkoopen. Hij was op en top man van zaken, en als het
+moest, stond hij voor niets! Hij bracht een "Asselijn zonder den
+ezel" bij een behoeftig kopersnijder en verzocht dien, om in alle
+stilte eene etsplaat te maken naar het beeld van den Hollandschen
+schilder, maar in gezelschap van eenen ezel. Daar geen van beiden
+ooit een exemplaar van het veel gevraagde soort had gezien,
+veronderstelden ze, dat met den ezel een gelangoorde viervoeter
+werd bedoeld. De zaak kwam gereed. De kunstkooper bezat thans de
+twee soorten. En toen er weldra een Engelschman bij hem aanklopte
+om een "Asselijn met den ezel", drukte hij dezen voor goed geld den
+zonderlingen ezelhoeder in de hand. Natuurlijk kwam zijn bedrog
+spoedig uit, en heeft hij niet veel exemplaren kunnen slijten. Toch
+zou men thans bij onze overzeesche buren weer goed geld willen
+geven om er een te bezitten, niet omdat het <i>geen</i> "Rembrand"
+is, maar ter wille van de merkwaardigbeid.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="VROUWTJE_BAS_VAN_T_RIJKSMUSEUM"></a>
+<h2 class="c4">VROUWTJE BAS VAN 'T RIJKSMUSEUM.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Hier hebben we het portret van Elisabeth Jacobs Bas,
+weduwe van admiraal Swartenhont. Het heeft geene andere bedoeling
+dan de beeltenis te geven. Eene omgeving, waarin we beroep, ambt of
+bezigheden terugvinden, ontbreekt; de achtergrond is donker. De
+dame is zonder een of anderen schijn aan te nemen zoo maar voor den
+schilder gaan zitten, om zich te geven zooals ze is. Er spreekt uit
+de houding groote eerlijkheid, openhartigheid, die niets heeft te
+verbergen, die geen behoefte heeft om manieren aan te nemen.
+Natuurlijkweg heeft ze de handen rustig over elkaar gelegd. Over
+elkaar gelegde handen ziet men dikwijls op een portret, dat is dus
+hier het eigenaardige niet. Maar men moet, door er lang en rustig
+op te zien, trachten te erkennen, hoe gemakkelijk en ongedwongen
+deze handen op den schoot rusten. Niet alleen dat ze er op
+<i>liggen</i>, dit zegt nog niets, maar ze worden er door
+<i>gedragen</i>. Met de elleboogen is het net zoo; die vinden
+steun, die rusten op de leuning van den stoel. Het sterkst voelen
+we dit wel in de linkerhand, die over de rechter is gelegd. Let ook
+eens op, hoe de onderste achteloos den zakdoek vasthoudt, en hoe de
+bovenste in een gemakkelijken greep over de andere heen ligt. En
+hoe dit overeenstemt met de houding van het bovenlijf; ook dit
+leunt in gemakkelijken stand tegen den rug van den stoel; het helt
+net genoeg achterover om dit voelbaar te maken. Alles draagt er toe
+bij om den indruk van rustigheid, kalmte, bedaarde statigheid bij
+ons te wekken. In een deftig vertrek door zoo'n dame ontvangen te
+worden, die in deze houding een verzoek aanhoort, doet weldadig aan
+en zet ons onmiddellijk op ons gemak. Het geeft de gewaarwording,
+dat ze in haar dagelijksche doen veelvuldig menschen heeft moeten
+ontvangen en heeft moeten aanhooren. Het rustige liggen der handen
+duidt eerder zulk een werkkring aan, dan beslommering van
+handenarbeid. En de gelaatsuitdrukking bevestigt die opvatting. Ook
+hierin dat rustige, onverstoorbare. Om den mond geen lach en geen
+trek van norschheid, geen zwakheid en geen hardheid van karakter,
+maar juist genoeg zachtheid om niet af te schrikken.
+<p><img alt="" border="0" src="images/vrouwtjebas.png" width="506" height=
+"654">
+<p class="c2">[Vrouwtje Bas.]
+<p class="c2">Elisabeth Bas komt reeds op leeftijd: de mond begint
+in te vallen, wel niet veel, maar genoeg om de kin iets vooruit te
+doen springen. De diepe plooien, van de neusvleugels af naar
+beneden, duiden het ook aan. De vleezigheid van de wangen doet in
+die plooien weer kleinere ontstaan. Als vrouwen zestig jaar zijn,
+begint dat langzamerhand te komen. Bij dezen leeftijd behoort de
+blozende gelaatskleur, en behooren verder de twee uitgezakte
+rondingen links en rechts van de kin, de vierkante vorm van het
+gezicht, de golvende lijn, die den omtrek van de rechterwang
+aanduidt en het hooge voorhoofd. Deze ouderdomskenmerken voegen
+zich heel gemakkelijk bijeen. Van geen enkel krijgen we het idee,
+dat het in dit gezicht niet past. Als de schilder er ook maar
+&eacute;&eacute;n overdreven had voorgesteld, zouden we dat
+terstond als eene fout hebben opgemerkt. De plooien aan de
+mondhoeken zijn in een of ander gezicht soms wel dieper, de kin
+vooruitstekender, de mond meer ingevallen, maar in dit portret gaat
+alles tot zoo'n graad, dat er volmaakte eenheid blijft bestaan.
+Geen enkele eigenschap springt uit den band. Alles is om zoo te
+zeggen op een goudschaaltje afgewogen.
+<p class="c2">Wel moet de schilder het model dus door en door
+hebben begrepen, als hij in zijn hand en in zijn penseel voelde,
+hoe diep hij een plooitje moest zetten, om bij al het overige te
+passen. Waar een groefje van den rechtermondhoek schuin naar
+beneden zakte, vond hij in de omtrekslijn van de wang een bochtje,
+dat daaraan beantwoordde. En hij zette het een niet, zonder het
+ander in 't oog te houden.
+<p class="c2">Neus en oogen zijn volmaakt in overeenstemming met de
+rest. Op den leeftijd van juffrouw Bas is de rug van den neus niet
+meer smal en kantig, maar breed en naar beide zijden rond
+afloopend. Alleen de punt en de vleugels zijn nog scherp geteekend.
+Onder de oogen vormen zich zware plooien; ook zakt er een van de
+wenkbrauwen schuin naar den buitenhoek van het oog. Hieronder komt
+het vleezige bovenste ooglid te voorschijn.
+<p class="c2">Deze bijzonderheden hebben alle denzelfden leeftijd;
+de eene toont niet ouder dan de andere. Nergens een trekje dat te
+donker, te licht, te diep of te oppervlakkig, te ouwelijk of te
+jeugdig is. Al deze geschilderde zaken zitten rustig bij elkaar,
+zonder dat het een het ander overschreeuwt.
+<p class="c2">Rustig kijkt het gezicht ook uit de oogen. De blik
+heeft wat bijzonders, zooals we dat bij sommige menschen wel
+opmerken: hij houdt het midden tusschen glimlach en ernst. We
+weifelen tusschen deze twee. En om den mond speelt een trekje, dat
+ons ook in het onzekere laat. Niet doordat Rembrandt onvast
+schilderde, maar het gelaat zelf droeg een plooi van gemengde
+aandoeningen.
+<p class="c2">De hoofdindruk is die van ernst en wijsheid en van
+vertrouwen, dat ze inboezemt. De wijsheid is het inzicht van een
+persoon, die in haar leven veel heeft moeten regeeren en leiden,
+die veel aan beraadslagingen deelgenomen heeft; men ziet haar de
+eigenschappen aan, om weeshuizen te besturen, om oneenigheden
+tusschen regenten te beslechten, om beide partijen aan te hooren,
+een ieder aan te moedigen om te zeggen, wat op het hart ligt, maar
+daarna wekt zij ook de verwachting, dat met gestrengheid uitspraak
+zal worden gedaan, gestrengheid echter, die vrij van
+hardvochtigheid is. We zien dit gelaat gaarne voor ons, niet zooals
+we misschien behagen vinden in lieve engelenkopjes, maar omdat we
+Elisabeth Jacobs Bas eene lieve vrouw vinden. Wel ook eene
+verstandige, maar vooral eene lieve vrouw.
+<p class="c2">Terwijl Rembrandt op het gelaat, dat voor hem zat,
+deze roerselen van karaktergeheimnissen las, wist hij er zich
+bovendien zoo juist rekenschap van te geven, dat zijn penseel ze in
+lijn en kleur kon vastleggen. Hij was menschenkenner zoowel als
+kunstenaar. Houdingen, vormen, gebaren en trekken nam hij
+nauwkeurig waar. Maar de menschelijke natuur, die daarachter
+schuilt, niet minder. Zooals iemand in een stoel gaat zitten en de
+handen over elkaar legt, zoo is ook zijn levenstaak en zijn
+karakter; dat had de omgang met menschen hem geleerd. Met wat een
+aandacht moet hij de personen uit zijne omgeving hebben bestudeerd!
+Wij, die in een tijd van veel drukker verkeer leven, als wij in
+eenen spoortrein zitten, en iemand komt de coup&eacute; binnen,
+kunnen wij maar amper aan zijn manier van plaats nemen zien, of hij
+veel heeft gereisd dan of reizen iets ongewoons voor hem is. En wat
+is dit aan de oppervlakte, vergeleken bij de karakterhoedanigheden,
+welke Rembrandt zag in de personen, die tegenover hem gingen
+zitten. Hoe veel en hoe ernstig moet hij zich met menschen hebben
+beziggehouden, om hun innerlijk leven zoo op het uiterlijk af te
+lezen.
+<p class="c2">En toch heeft men willen beweren, dat hij in
+zichzelven gekeerd, teruggetrokken, bijna eenzelvig leefde, geen
+menschen zag, geen omgang had en weinig van menschen hield. Dit
+&eacute;&eacute;ne portret bewijst voor het tegendeel genoeg. Wie
+dit kan maken, kent den mensch, bestudeert hem, zoekt hem en voelt
+zich tot hem aangetrokken.
+<p class="c2">Als we nu nog even de aandacht aan de kleederdracht
+dier dagen schenken, merken we op, met hoeveel welgevallen de
+schilder den in 't oog loopenden plooikraag zag. Om eens eene
+ongepaste vergelijking te maken: het is, alsof het hoofd, waarin al
+die wonderlijke zaken van gemoed en karakter worden opgemerkt, aan
+den beschouwer wordt gepresenteerd op een schotel van blanke
+reinheid. In zuiveren, afgeronden vorm teekent het zich daartegen
+af. Linten, strikken, koralen of andere sieraden misleiden de
+aandacht niet. Zelfs geen haardos. Een linnen kapje of mutsje
+voltooit de witte omlijsting, waarin het gelaat ons alles kan
+zeggen, wat het te zeggen heeft.
+<p class="c2">Wat is die kraag er mooi opgezet! Luchtig en
+kraakfijn staat de kant in de plooien. Overal van die bijna
+doorschijnende schaduwtinten, zooals men ze ook ziet op
+verschgevallen luchtige sneeuw. Hoe zuiver loopt de ronde lijn over
+de borst en de schouders achter om het hoofd heen; nog net even
+kunnen we voelen, dat de kraag aan de achterzij iets uit het platte
+vlak doorgezakt is.
+<p class="c2">Men ziet, het zijn niet alleen de raadselen van een
+menschelijk gemoed, waarnaar Rembrandt zocht, ook het eenvoudigste
+ding keek hij aan en weer aan, tot hij kon zeggen: zoo doet het
+zich aan mijn oog voor. Hij tastte zijn model eerst in het hart aan
+en gaf uitdrukking aan het persoonlijk karakter; maar dan had hij
+ook aandacht voor de bijzaken en schepte er behagen in, eenen kraag
+in de plooi of een weduwenkapje in de stijfsel te zetten.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="KUNST_VAN_GROEPEEREN"></a>
+<h2 class="c4">KUNST VAN GROEPEEREN.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Weinige van Rembrandts werken hebben onder het groote
+publiek zoo'n bekendheid gekregen, als het Korporaalschap van Frans
+Banning Kok. Het bevindt zich in het Rijksmuseum te Amsterdam en
+dagteekent uit het jaar 1642.
+<p class="c2">De beschouwer voelt zijn blik het eerst getrokken
+door twee personen op den voorgrond. Het zijn Frans Banning Kok en
+Willem van Ruitenberg.
+<p class="c2">Op andere portretten wordt men nu eens het eerst door
+dit, dan weer door dat gezicht geboeid; de een begint zijne
+beschouwing met dezen, de ander met genen kop; de massa gezichten
+is gewoonlijk verwarrend, met het gevolg, dat het weinig kan
+schelen, waarheen men den eersten blik wendt.
+<p class="c2">Maar op dit portretstuk richt iedereen dien altijd
+naar het zelfde tweetal.
+<p class="c2">Dit feit is niet van geringe beteekenis, al klinkt
+het eenvoudig. De schilderij krioelt, om zoo te zeggen, van
+menschen; en bij dergelijke stukken wil het wel eens zoo wezen, dat
+niet ieder een vast uitgangspunt vindt. Vergelijk bijvoorbeeld de
+intocht der Kruisvaarders in Jerusalem (van Piloty) er maar eens
+bij. De blik dwaalt onrustig heen en weer, is nu eens bij het
+groepje, dat een kruis met palmen torst, dan bij den ridder, die
+het kleine tegenstribbelende kindje op den arm draagt, of bij den
+rijkaard, die sieraden in het kleed van een bedelaar werpt.
+<p><img alt="" border="0" src="images/nachtwacht.png" width="602" height=
+"499">
+<p class="c2">[De Nachtwacht.]
+<p class="c2">Het wordt den beschouwer niet duidelijk,
+w&agrave;&agrave;rop hij in hoofdzaak zijne aandacht moet vestigen;
+er zijn tal van groepen, die hij geneigd is, mooi te vinden, maar
+ze houden met elkaar geen verband; er is geen zwaartepunt in het
+stuk; men blijft onzeker omtrent de bedoeling. Toch moet bij Piloty
+eene bedoeling hebben bestaan; het zal bijvoorbeeld deze geweest
+zijn: te laten zien, hoe vroom en deemoedig een paar groote vorsten
+geknield de stad binnenkropen en de heilige plaats naderden. Maar
+men merkt niet, dat daar alles om draait; de bijzaken verwarren
+ons.
+<p class="c2">Zoo heel eenvoudig is het dus niet, om de aandacht te
+vestigen op de hoofdzaak. Merken we dit ook niet dikwijls op bij
+schrijvers, als ze zich neerzetten, om uitspanningslectuur te
+schrijven? Ze meenen wel, dat ze ons iets aardigs hebben te
+vertellen, maar het raakt zoek in den grooten omslag van het
+geheel; we halen het er niet uit onder het lezen. Als we het boek
+uit hebben, weten we nog niet, waarom de schrijver het geschreven
+heeft.
+<p class="c2">Laten we dus beginnen met omtrent het Korporaalschap
+te verklaren, dat het al vast deze goede eigenschap heeft: ieder
+beschouwer kan steeds in dezelfde twee personen de hoofdzaak
+aanwijzen, op welke Rembrandt de aandacht wilde vestigen.
+<p class="c2">Waarom heeft hij dit gewild? Waartoe dient het, dat
+we allen het eerst aan Banning Kok en Ruitenberg onze aandacht
+schenken?
+<p class="c2">Toch zeker niet om ons te laten zien, hoe fraai hunne
+kleeding, hoe druk hun gesprek, hoe vriendschappelijk hun omgang
+is; of hoe 'n mooie hand Banning Kok heeft, hoe aardig de zon
+daarop schijnt en de schaduw over het kleed van Ruitenberg doet
+vallen. Dit zijn zaken van ondergeschikt belang; ze hebben voor de
+uitbeelding van een vendel schutters niet zooveel beteekenis, dat
+daarvoor de aandacht het eerst op de beide genoemde figuren moest
+worden gevestigd.
+<p class="c2">Dit heeft eene andere bedoeling, en we zullen die
+vrij zeker opmerken, wanneer we, met een stukje papier of met een
+paar vingers, den kapitein en zijnen luitenant bedekken en aan
+onzen blik onttrekken.
+<p class="c2">De overblijvende figuren staan nu stil. Besluiteloos
+staan ze op een hoop bij elkaar. Het vendel komt niet meer van
+zijne plaats; het wacht. De gang, die er in zat, is er uit. Wel
+zijn er nog eenige figuren in gaande beweging uitgebeeld, maar het
+geheel maakt den indruk van talmend en treuzelend halt houden.
+<p><img alt="" border="0" src="images/intochtinjeruzalem.png" width="616"
+height="435">
+<p class="c2">[Intocht in Jeruzalem (van Piloty).]
+<p class="c2">Zoodra we de bedekking wegnemen, komt het heele
+vendel weer vooruit. De schilderij geeft niet een groep schutters,
+in schilderachtige wanorde bijeengeplaatst, ze geeft het uitrukken.
+Het vendel rukt uit. En het zijn de twee officieren, die er actie
+aan geven. Door hun bewegen wordt alles in beweging gezet. Hun gaan
+geeft gang aan de heele compagnie.
+<p class="c2">Was er dus ook reden voor Rembrandt, om voor deze
+twee figuren de hoofdaandacht te vragen? In hen bracht hij alle
+actie bijeen, die voor het heele vendel noodig was, en spaarde ons
+de vervelende vertooning van eene gansche verzameling gaande beenen
+en gaande voeten.
+<p class="c2">Hebben we nu niet meteen het antwoord op de vraag,
+waarom Banning Kok en Ruitenberg ten voeten uit zijn afgebeeld, en
+waarom ze ook, ten voeten uit, in het licht zijn gezet? Het kwam op
+hunne beenen juist aan! Ze moesten aan 't loopen voor eene heele
+compagnie!
+<p class="c2">Laten we de beweging van dit gaan eens aandachtig
+beschouwen, en ons daartoe voor den geest halen, wat we opmerken
+aan menschen, die langs den weg loopen. Dit bepaalt zich volstrekt
+niet tot het regelmatig en afwisselend verplaatsen van de beenen.
+Eerstens komt daar gewoonlijk bij het heen en weer gaan van de
+armen, wat toevallig bij de beschouwing van onze twee figuren van
+geen belang is, omdat ze geen van beiden de armen los laten hangen.
+Tweedens: in het geheele lichaam eene beweging, waarop we hier wel
+de aandacht moeten vestigen. Bij elken pas gaat namelijk het lijf
+en daarmee het hoofd op en neer; het rijst en daalt. Bijzonder
+duidelijk nemen we dit waar, als een troepje menschen zich met
+elkaar voortbeweegt zonder in den pas te marcheeren; al de hoofden
+en hoofddeksels dobberen dan op en neer, als door eene deinende
+golfbeweging. Duidelijk is dit vooral, als ze achter een niet te
+hooge haag aan ons oog voorbij trekken.
+<p class="c2">En zie, het is dit op en neer deinen van de
+bovenlichamen, wat we in Banning Kok en Ruitenberg beginnen te
+voelen, als we ons de moeite geven, eenigen tijd aandachtig hun
+gaan aan te kijken. De tweede schijnt juist het oogenblik door te
+maken, dat hij omhoog veert, terwijl de eerste dit net weer achter
+den rug heeft. Eene schilderij kan wel is waar geen werkelijk
+bewegen te zien geven, maar toch kan de schilder uit de kleine
+veranderingen, die tezamen de actie uitmaken, eene zoodanige keuze
+doen, dat wij den indruk krijgen, alsof het beeld de beweging zelf
+te zien geeft. Dit gelukt hem alleen, als hij eene nauwgezette
+studie van de zaak maakt, en als hij van nature bedeeld is met het
+juiste gevoel voor actie, voor veerkracht en voor evenwicht. Hij
+moet zich, al werkende, levendig voor den geest kunnen stellen, hoe
+hij eene menschelijke gedaante langs den weg heeft zien gaan, hoe
+elk lichaamsdeel op eigenaardige wijze aandeel kreeg in de beweging
+van het gaan, hoe een hoofd zich telkens even omhoog richt bij het
+verplaatsen der lichaamszwaarte van het eene op het andere been.
+Naar een model, dat in zijn atelier de verlangde houding en stand
+aanneemt, kan hij niet werken, als hij zoo iets wil weergeven. Het
+verkeert in rust, en om de rust is het hem juist niet te doen. Voor
+eene figuur als van Ruitenberg zou een model hoogstens de plaatsing
+van de voeten en de buiging van de beenen te zien kunnen geven.
+Maar niet het omhoog veeren, het opbeuren, dat ons in het
+bovenlijf, in den hals en het hoofd zoo treft. Hoe langer men er op
+ziet, hoe minder men zich aan dien indruk kan onttrekken. En
+tegelijk beginnen we op prijs te stellen, dat de schilder zijn
+volle licht en zijne lichtgele kleedingstoffen spaarde voor deze
+figuur; zij springt daardoor des te beter in 't oog.
+<p class="c2">Er is naar aanleiding van dit onderwerp nog eene
+opmerking te maken: de twee vrienden loopen namelijk niet gelijk.
+<p class="c2">Reeds trok het onze aandacht, dat ze niet in
+denzelfden pas marscheeren. Terwijl Banning Kok zijn rechterbeen
+juist naar voren gebracht heeft, en hij zijne lichaamszwaarte bezig
+is op dat been over te brengen, is het rechterbeen van Van
+Ruitenberg reeds gestrekt, het ondersteunt diens zwaartepunt en
+geeft aan het linkerbeen gelegenheid om naar voren te komen; de
+voet rust dan ook nog slechts met de punt van den teen op den
+grond.
+<p class="c2">Maar behalve het verschil in tijdmaat, is er een
+wezenlijk onderscheid in de manier van loopen. Men zou elk van hun
+twee&euml;n er aan kunnen herkennen, zooals we trouwens onze
+kennissen dikwijls herkennen aan hunnen gang.
+<p class="c2">Ruitenberg maakt groote passen, bijna te groot voor
+iemand van zijne lengte. Hij komt met eene zekere drift opzetten.
+Zijne nadering heeft min of meer een dreigend aanzien. Het
+linkerbeen, dat zich thans nog achter bevindt, wil zich gestrekt en
+op eene vinnige, kordate manier naar voren bewegen.
+<p class="c2">Als ons oog van dit driftige, besliste mannetje naar
+den grooten, vierkanten Banning overgaat, doet diens voetstap ons
+weldadig aan. Rustig en goedsmoeds schrijdt hij voort. Wel ook met
+meer dan gewoon burgelijke snelheid, even goed als zijn buurman,
+maar zijn gang is niet nijdig, niet gestrekt, niet als de gang van
+den gymnast, die zijne leden aan korte, besliste bewegingen went.
+<p><img alt="" border="0" src="images/groepuitdenachtwacht.png" width=
+"577" height="690">
+<p class="c2">[Groep uit de "Nachtwacht".]
+<p class="c2">Zooals hij daar aan komt stappen, heeft hij eerder
+iets vertrouwelijks over zich dan de kleine Kuitenberg.
+<p class="c2">Dit onderscheid in beider gang is door den schilder
+aan de twee levende personen nauwkeurig ontleend. Want het behoeft
+onze aandacht niet te ontgaan, dat hetzelfde verschil ook spreekt
+uit beider lichaamsbouw en vooral uit beider gelaatstrekken. De een
+ziet met een vol, breed gezicht de wereld in, uit een paar wijd
+geopende en vrijmoedig opziende oogen. De andere heeft in zijne
+magere trekken niet dat aantrekkelijke; hij mag wat scherpzinniger
+wezen, scherper is hij ook, en hij ziet min of meer sluw onder den
+hoed uit, die hem in de oogen zit, terwijl Kok dat kleedingstuk
+achter op het hoofd staat. Ieder mensch draagt zijnen hoed, zooals
+zijn karakter is.
+<p class="c2">De gang is dus in overeenstemming met grootte, met
+breedte, met gelaatsuitdrukking, vermoedelijk ook met karakter. Dit
+verleent aan de twee naast elkaar loopende figuren het echte leven;
+de een is een geheel ander mensch als de ander. Aan beider
+eigenaardigheden heeft de schilder recht gedaan, terwijl hij
+bovendien de actie van hun gaan wist te gebruiken, om aan de heele
+groep van personen de bewegelijkheid te geven van een troepje
+uitrukkende schutters.
+<p class="c2">Want, om den hoofdindruk van onze schilderij niet uit
+het oog te verliezen,-dit uitrukken is eigenlijk <i>het</i>
+onderwerp, dat de schilder behandelen wilde. We behoeven niet lang
+te raden, waarom hem dit aantrok. Sinds overoude tijden is het
+uittrekken van de gewapende macht een soort volksfeest, dat toen
+zoowel als nu zich mocht verheugen in de belangstelling van het
+publiek. Wie zal ook ontkennen dat het een levendig, een aardig
+tooneeltje is, zoo door de straten den bonten stoet te zien
+voortmarscheeren, muziek of trommelslag voorop, vaandels boven de
+hoofden vliegend, wapens blinkend en kletterend, het geheel door
+straatjeugd omstoeid, door volwassenen met welgevallen
+gadegeslagen.
+<p class="c2">Het lag voor de hand, dat zoo'n tooneeltje hem
+geschikt voorkwam, om daarin de bestelde portretten tot een geheel
+te vereenigen.
+<p class="c2">Het tweetal, dat aan het hoofd van den stoet
+marscheert, en dat zijne beweging aan de gansche schaar weet mee te
+deelen, heeft nu intusschen nog eene andere taak te vervullen. In
+hen moet ook blijken, wie het zijn die hier uitrukken.
+<p class="c2">Al dadelijk zien we in gestalte, houding en fieren,
+vasten gang iets, dat ons zou bevreemden, als we het opmerkten in
+twee burgerluitjes, die samen een straatje omwandelden. Wanneer we
+twee deftige heerschappen met zooveel tred, zooveel levendigheid en
+met zoo'n druk handbeweeg door onze straten zagen passeeren, zouden
+we zeker meenen dat een ernstig ongeluk was gebeurd, en zij er op
+uitgingen om hulp van politiemacht in te roepen. Hier is iets
+uitgedrukt, dat strijdt met het gewoon burgerlijke; en dit was
+juist noodig om van de figuren militairen te maken. Ze hebben het
+krijgshaftige gekregen, om te zijn, wat ze moesten wezen:
+schutters; en wel schutters, aan wie de verdediging der stad zou
+kunnen worden opgedragen in tijden van oorlog.
+<p class="c2">Voor het gansche vendel zijn de officieren met
+militaire eigenschappen toegerust.
+<p class="c2">Toch zijn ook weer zij het, die in het militaire het
+burgerlijke mengen. Het stuk mocht niet ontaarden in de
+voorstelling van eene krijgshaftige groep veteranen uit het
+beroepsleger van stadhouder Frederik Hendrik.
+<p class="c2">Dit zou gebeurd zijn, als de aandacht meer en in
+hoofdzaak ware gevestigd geworden op het echte krijgsmansuiterlijk
+van den man, die onder het gaan zijn geweer laadt, links van
+Banning Kok, of op de drie, die we weer links van dezen waarnemen.
+Allemaal typen van krijgslieden.
+<p class="c2">Maar de gezichten van Ruitenberg en Kok zijn geen
+troni&euml;n van in kruitdamp verweerde veteranen. Men houdt ze wel
+dadelijk voor burgerlijke ingezetenen, die met den krijgsmansstand
+weinig gemeen hebben. Het blijven burgers, zij het dan ook burgers,
+die zich vandaag als mannen van wapenen doen gelden. Al doen ze dit
+laatste goed, men ziet hen wel aan, dat zij in een vredelievenden
+kring thuis behooren. Banning Kok is niets meer of minder dan
+Wethouder van Amsterdam en zit in die functie op het kussen naast
+dokter Nicolaas Tulp, wiens portret Rembrandt tien jaren vroeger,
+in 1632, had gemaakt.
+<p class="c2">In het welsprekend handgebaar van den kapitein vinden
+we ook iets, dat in strijd is met soldatenmanieren, of althans
+geene strijdlustige bedoelingen verraadt. Het geeft wel is waar aan
+den persoon eene levendigheid, die een burger, als hij zich door de
+straat beweegt, vreemd zou staan en eerder aan den krijgsmansstand
+doet denken; maar tegelijk is het toch ook van eene vreedzame
+natuur; we kunnen dezen krijgsman geen andere oogmerken
+toeschrijven, dan om met zijn mannen uit te trekken, en vreedzaam
+oefening te houden in het hanteeren van de lans of het schieten op
+een doel, misschien op den haan, dien het meisje draagt. Zoo
+gemoedelijk loopt niet de landsverdediger te gesticuleeren, die den
+wreeden vijand tegemoet gaat, en vrouw en kinderen voor 't laatst
+vaarwel heeft gezegd; en zoo rustigjes loopt een ander niet met de
+hand in de zij, te luisteren naar het discours van eenen lotgenoot.
+<p class="c2">Het zijn dus ook al weer Banning Kok en Van
+Ruitenberg, in wie het karakter uitgedrukt is van het soort
+krijsvolk, dat hier uitrukkende is voorgesteld. Evenmin als het
+voorafgaande, is dit door Rembrandt op diepzinnige wijze verzonnen;
+het denkbeeld lag voor de hand. Althans, we krijgen den indruk, dat
+dit zoo was. Groote kunstwerken wekken gewoonlijk de gedachte, dat
+ze eenvoudig van opvatting en samenstelling zijn, dat ze den
+kunstenaar gemakkelijk van de hand zijn gegaan.
+<p class="c2">Het middel, dat aangewend is om de hoofdpersonen
+onder ieders aandacht te brengen, is eveneens heel eenvoudig; de
+schilder heeft ze letterlijk in 't licht gezet, en de rest van zijn
+doek nogal rijkelijk met schaduw bedacht. Of dit licht de kenmerken
+heeft van zuiver daglicht, dan wel of er iets onnatuurlijks in is,
+kan men niet beoordeelen met eene zwarte prent voor zich; het zijn
+de kleuren, die dit uitwijzen, en deze kan men alleen zien op het
+origineel in het Rijksmuseum.
+<p class="c2">Maar dat het een helder en schitterend licht is, laat
+geen twijfel over, ook niet als op onze plaat de kleuren ontbreken.
+Toch heeft men lang in twijfel verkeerd, met welk licht men hier te
+doen had. De donkere achtergrond bracht velen op het idee, dat
+Rembrandt een nachtelijk tooneel bedoelde, bij voorbeeld het
+rondgaan van een nachtwacht van schutters, bij het licht van
+toortsen of flambouwen.
+<p class="c2">Vooral Fransche reizigers, die in de achttiende eeuw
+Amsterdam bezochten en op de "Voetboogdoelen" tegen den breeden
+schoorsteen het stuk gingen zien, stonden er vast op, dat het de
+ommegang van de nachtwacht was. Langzamerhand hebben onze
+voorouders zich daarbij neergelegd. In den pruikentijd schijnen zij
+niet veel oog voor schilderkunst gehad te hebben, en vertrouwden ze
+er op, dat een Franschman het weten kon. Men ging dus spreken van
+"de Nachtwacht" van Rembrandt. En dien naam behield het stuk, toen
+het naar het stadhuis, en zelfs later nog, toen het onder de
+regeering van Lodewijk Napoleon in 1808 naar het museum verhuisde,
+toen deze koning het stadhuis inrichtte tot vorstelijk paleis. Meer
+dan honderd jaar is het een Nachtwacht gebleven; eerst in de
+negentiende eeuw brak de morgen aan, begon het daglicht te gloren,
+en zag men het bespottelijke van de benaming in. In den mond van
+het volk leeft die echter nog voort.
+<p class="c2">Zoo zien we, hoe weinig er maar noodig is, om wit
+zwart en zwart wit te heeten, om van dag nacht te maken. Als men de
+bedoeling van den kunstenaar maar net precies niet vat, keert men
+ze totaal om. Wie thans de schilderij onder goede verlichting ziet,
+kan niet gelooven, dat onze voorouders den dag voor nacht hebben
+gehouden, zoolang hun de schellen niet van de oogen waren gerukt.
+Zij heeft met nacht niets te maken, of men moet zich voor den geest
+roepen, in welk jaar Rembrandt's penseel dit meesterwerk voltooide.
+Het was in 1642, in het jaar toen hem Saskia door den dood ontviel,
+toen hij alleen in zijn groote huis achterbleef met een kind van
+nog geen jaar, en avond aan avond eenzaam in het woonvertrek zat,
+waar zijn jonge vrouw zoo dikwijls tegenover hem had gezeten, als
+hij uit zijn werkplaats met teekengerei was binnengekomen, om in
+huiselijke gezelligheid allerlei schetsen te maken. Het was het
+jaar, toen voor hem het licht onderging, dat acht jaren lang zijn
+levensweg had beschenen. Droefenis en somberheid waren in zijn
+huis, droefenis en somberheid waren ook in zijn gemoed. Hij
+doorleefde een tijd, die was als een nacht van troosteloosheid.
+Slechts &eacute;&eacute;n ding kon hem staande houden in zijn leed;
+dat was zijne kunst. Zijne liefde voor het penseel hield den
+levensmoed er in. Uit die dagen van droefheid werkte hij zich op,
+grooter en roemvoller dan voorheen. Treffender wordt voor ons zijne
+groote kunst, als we weten, welke omstandigheden zijn gemoed
+beheerschten. We zien dit meesterstuk van het sombere jaar 1642 als
+een lichtgestalte staan tegen den donkeren achtergrond van zijn
+huiselijk leed.
+<p class="c2">In zooverre is het gepast, het korporaalschap van
+Frans Banning Kok Rembrandt's Nachtwacht te noemen. Maar overigens
+lijdt het geen twijfel, of de hoofdpersonen zijn in het volle
+daglicht geplaatst.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="VERVOLG_VAN_T_KORPORAALSCHAP"></a>
+<h2 class="c4">VERVOLG VAN 'T KORPORAALSCHAP.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Na deze uitvoerige bespreking van een paar
+hoofdpunten, kunnen we slechts kort nog bij eenige ondergeschikte
+zaken stilstaan.
+<p class="c2">We merken dan eerst op, hoe fraai de schaduwkant van
+Bannings linkerhand tegen de lichtkantjes staat langs duim en
+vingers, hoe los en welsprekend het gebaar is, en hoe de
+slagschaduw geworpen wordt op het kleed van Ruitenberg. Ze ligt er
+niet op, zooals de randversierselen er vast op zitten, maar ze
+glijdt er los en bewegelijk overheen. Het eene maakt deel uit van
+het wambuis, het andere niet. Ook bij het lijk op de Ontleedkundige
+les merkten we, hoe zorgvuldig Rembrandt bestudeerde de manier van
+eene schaduw om ergens op te vallen.
+<p class="c2">Bij het beschouwen van de vier voortschrijdende
+beenen herinneren we ons die van Michiel de Ruyter en Zeeger op de
+plaat: "Dat is onze man." Bij Banning Kok en Ruitenberg alles
+verschillend: schoeisel, kleeding, kleur en bouw, houding, beweging
+en stand.
+<p class="c2">Het is natuurlijk, dat de beschouwing van dit stuk
+zich grootendeels bepaalt tot de hoofdpersonen. De tijdgenooten, en
+vooral de leden van het schuttersvendel merkten dit ook op en
+namen, voor zoover ze er belang bij hadden, het den schilder
+kwalijk. Eerlijk gezegd, we kunnen hun geen ongelijk geven.
+<p class="c2">Ieder lid van de compagnie moest een som van honderd
+gulden betalen. En hoe waren sommigen voor dit bedrag op het doek
+gebracht? Aan den rechterkant, waar de man met witten kraag zijn
+hand uitsteekt, staat achter diens arm een persoon, die op het
+portret van zijn heele gezicht niets dan twee oogen en een stuk
+neus terugvond. Wel wat weinig voor zijn honderd gulden!
+Verklaarbaar is het, dat Rembrandt het na 1642 met bestellingen van
+schutterstukken niet druk meer gehad heeft. Het was zijn eerste en
+zijn laatste.
+<p class="c2">Toch heeft hij van enkele personen veel werk gemaakt.
+Eene aangename figuur bijvoorbeeld is de man, die links van den
+kapitein zijn geweer laadt. Er is in de wijze van gaan iets
+onzekers, iets dat aan waggelen, aan wijdbeens loopen doet denken.
+Dit is scherp opgemerkt van den schilder. We voelen er de
+onvastheid in van iemand, die, al loopende, met beide handen iets
+bezig is te doen aan een zwaar voorwerp, en die het gemis merkt van
+zijne armen, welke anders onder het gaan door slingerbeweging een
+gevoel van gemak en evenwicht geven.
+<p class="c2">Wat ons het meest verwondert, ook Banning Kok was met
+zijn konterfeitsel niet tevreden! Hij noodigde voortaan andere
+schilders uit, als hij zijn eigen beeltenis, die van zijn vrouw of
+die van zijn korporaalschap wenschte te hebben. We weten, dat een
+zekere Ludens er in 1660 een van hem gemaakt heeft, maar het
+nageslacht stelde weinig prijs op het stuk; in 1712 is het nog eens
+voor f263 verhandeld; daarna ging het waarschijnlijk verloren.
+Banning Kok nam het Rembrandt misschien kwalijk, dat die hem een
+gelaatskleur had gegeven van nogal in 't oog loopende roodheid.
+Voor de ware schoonheid zal hij mogelijk net zoo weinig hebben
+gevoeld als de dichter Joost van den Vondel. Deze, een tijdgenoot
+van Rembrandt, wonende als hij in Amsterdam, heeft allerlei
+beroemde personen in gedichten bezongen, maar nooit den grootsten
+onzer schilders. Hij had, naar het schijnt, geen begrip van
+schilderkunst. E&eacute;n keer spreekt hij een oordeel uit over een
+portret, door Van Rijn geschilderd, en zegt dan onder anderen:
+<p class="c2">"De verf vergaat, de deugd zal eeuwig blijven."
+<p class="c2">Zoo'n versregel is pittig en heeft klank. Een
+oogenblik zijn we geneigd het eens te zijn met wat de dichter
+beweert. Immers, de roem van buitengewone deugden is
+onvergankelijk, en eene verfkorst kan vergaan. Maar bij nader
+inzien blijkt alles maar woordenspel te zijn. De persoon, op het
+portret uitgebeeld, is met zijnen roem, met zijne deugden, met
+zijnen naam reeds lang vergeten; de onvergankelijkheid was niets
+dan een dichterlijk compliment. Het geminachte verfkorstje bestaat
+echter nog, wordt in eere gehouden, is voor geen goud te koop en
+maakt de glorie uit van zijnen bezitter. Van vergaan is geen
+sprake: deze veronderstelling was slechts eene dichterlijke
+onnoozelheid. "De deugd verging, de verf leeft voort." De tijd
+heeft Vondel gelogenstraft.
+<p class="c2">We mogen van het Korporaalschap niet afstappen zonder
+het naast de Anatomische les te hebben gelegd. Beide schilderijen
+zijn portretstukken, waarop eene groep van meerdere personen is
+voorgesteld. Op beide heeft de schilder getracht, om het stijve van
+een troepje menschen, dat bij elkaar staat of zit, te vermijden.
+Hij bracht er een denkbeeld in; de beschouwer kan meenen, dat het
+eene dient om te laten zien, hoe eene ontleedkundige les gegeven
+werd, het andere hoe de zeventiende-eeuwsche schutters uitrukten om
+op het doel te schieten. En intusschen ontbreken de goede
+eigenschappen van een portretstuk in geen van beide.
+<p class="c2">Tot zoover gaan de stukken gelijk met elkaar op. Er
+is echter ook verschil. En dit moet ons niet verwonderen. De Les
+dagteekent uit 1632, Banning Kok uit 1642. Daar liggen tien jaren
+tusschen, een tijdperk, dat in het leven van ieder mensch iets
+beteekent, maar dat van veel beteekenis moet zijn in het leven van
+een kunstenaar. In die tien jaren had Rembrandt wel opnieuw een
+groot man kunnen worden, als hij in 1632 al zijne kunst eens had
+verloren. Wat moet zijne vaardigheid en zijn schildersoog dan wel
+gewonnen hebben, nu hij bleef, wie hij was, en tien jaren achtereen
+dagelijks teekende, etste en schilderde.
+<p class="c2">We kunnen helaas aan zwarte nadrukjes niet al de
+veranderingen zien, die 's meesters wijze van werken heeft
+ondergaan tusschen de Les en Banning Kok. Maar althans
+&eacute;&eacute;n zeer belangrijke merken we op, en die leert ons
+veel.
+<p class="c2">Op de Les wordt eene hoofdrol gespeeld door het
+cadaver. Dit is het voornaamste middel, waarmee de schilder aan het
+portretstuk de beteekenis van eene gebeurtenis geeft. Het is echter
+een willekeurig toevoegsel, dat er alleen op gekomen is, omdat
+Rembrandt dat zoo had verzonnen. Of misschien was het denkbeeld wel
+van een ander afkomstig. In elk geval: het is een toevoegsel, dat
+niet meewerkt, om de bedoeling van het stuk te bevorderen. De
+portretten worden er niet beter om. Wel stelt het Dr. Tulp in de
+gelegenheid, om mooi en ernstig les te staan geven, zooals hij dat
+kon, wanneer hij bezig was; maar daartoe was eene kleinigheid ook
+voldoende geweest: een beentje, een schedel, eene bladzijde uit een
+boek, of iets dergelijks. Nu ligt daar het lijk; de zon beschijnt
+het; het vormt den aantrekkelijksten hoek van het geheele stuk;
+mooi bewerkt is het; alles goed en wel. Maar-het had gemist kunnen
+worden.
+<p class="c2">Een dergelijk verwijt treft het Korporaalschap niet.
+Wat daar aangewend is, om gebeurtenis in het stuk te brengen, is
+aan de hoofdpersonen zelf ten goede gekomen. D&aacute;&aacute;r
+geen aandacht dan voor hen, op wie ze plichtmatig door den schilder
+gevestigd moest worden. D&aacute;&aacute;r alleen opeenhooping van
+goede eigenschappen in twee personen, om de andere figuren te
+ontlasten en onzen blik meer op &eacute;en punt te vestigen. Dat
+&eacute;ene punt is wel degelijk een onmisbaar onderdeel van het
+geheel.
+<p class="c2">De tien jaren zijn voor Rembrandt dus niet
+onvruchtbaar voorbijgegaan. We erkennen, dat het cadaver op de Les
+een gelukkige kunstgreep was om den beschouwer te boeien; maar we
+worden gewaar, dat tien jaren later hetzelfde doel bereikt wordt,
+zonder het te pas brengen van vreemde zaken. Een bewijs dus van
+grooter meesterschap. Een ander bewijs zien we in de handeling:
+hoeveel malen moet iemand <i>gaande</i> menschen in allerlei stand
+hebben geschetst, om in een portretstuk zooveel vaardigheid aan den
+dag te leggen als hier. De personen op "de Les" toonen daarentegen
+nog weinig beweging, al zijn de handgebaren van Tulp zeer juist
+weergegeven. In 1632 gaf de schilder zijne figuren in rustige
+houding bij elkaar; in 1642 durft hij de beweging tot onderwerp van
+behandeling te nemen; zelfs de persoonlijke onderscheidenheden in
+de beweging.
+<p><img alt="" border="0" src="images/simeonindentempel.png" width="450"
+height="667">
+<p class="c2">[Simeon in den Tempel.]
+<p class="c2">De vergelijking der beide stukken toont aan, dat de
+schilder in de eerste jaren van zijne loopbaan nog niet was, wat
+hij later werd. Wat hij toen maakte was grootsch; maar hij zelf zou
+de man worden, om den vroegen Rembrandt te overtreffen.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="SIMEON_IN_DEN_TEMPEL"></a>
+<h2 class="c4">SIMEON IN DEN TEMPEL.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">De "Simeon in den tempel" is een bijbelsch stuk.
+Maria, de moeder van het Jezuskindje, ligt op den steenen vloer
+neergeknield. Jozef, ook eene knie buigende, houdt in de hand de
+duifjes, die voor offer bestemd zijn. De hoogepriester heft
+zegenend zijne handen op; Simeon heeft het kindje gegrepen, slaat
+het oog naar boven en spreekt de bekende woorden: "Nu laat gij,
+Heer, uwen dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord; mijne oogen
+hebben uwe zaligheid gezien." Een paar landlieden zijn toevallig
+getuige van het tooneel, evenals twee "schriftgeleerden", die op
+den voorgrond op een rustbank zitten. Omhoog welven en kruisen zich
+de tempelbogen, die door weelderig versierde kolommen worden
+gedragen. Daar heerscht schemering, evenals op de breede trap, waar
+tal van tempelgangers op en afgaan.
+<p class="c2">Om reeds bij den eersten aanblik de attentie te
+vestigen op de hoofdgroep, laat de schilder de ruimte van den
+tempel in het halfdonker. Op &eacute;&eacute;ne plaats valt het
+zonlicht naar binnen, en wel door een venster, dat zich links boven
+in het gewelf zal moeten bevinden. De "schriftgeleerden" zitten
+buiten het licht; ofschoon in letterlijken zin op den voorgrond
+geplaatst, trekken ze geenszins het eerst de aandacht. Dat doen
+zeker wel de hoogepriester en Simeon het meest. De eerste door
+zijne koninklijke gestalte, waar, in lange, statige, plooien, de
+mantel omheen hangt. Hij doet denken aan "Jezus" op de eerste prent
+van de "Opwekking van Lazarus". De gebogen lijn, van het hoofd
+achter over den hals en den rug, is hier zuiverder van beloop; bij
+"Jezus" voelen we ter hoogte van den linkerschouder en iets lager
+eene afwijking, die niet duidelijk de bedoeling laat doorschemeren.
+<p class="c2">Zuiver van uitdrukking is de hand; ze wuift en wenkt
+het neergeknielde paar de woorden toe. In de pols is juist genoeg
+buiging achterover, om het gevoel van stille verrukking uit te
+spreken; de hoogepriester neemt deel in de zaligheid van dit
+grootsche oogenblik. Boog de hand zich in neerwaartsche richting,
+dan kregen we den indruk, dat hij min of meer uit de hoogte den
+zegen gaf.
+<p class="c2">De vingers staan uitgespreid, alsof ze tintelen van
+de aandoening, waarmee de plechtigheid hem vervult; vooral de pink
+staat wijd uitgespannen; zoo zien we dat bij iemand, die zijne
+woorden spreekt in ontroerde bezieling.
+<p class="c2">Niettemin is de hand onschoon van teekening. Evenals
+die van Jezus op de eerste Opwekking, is ze breed en plat, de
+vingers zijn kort en stomp, de geleding is niet zuiver gevoeld.
+<p class="c2">In de nijging van het hoofd ligt iets herderlijks.
+Het drukt bezorgdheid en deelneming uit. Zoo staat een geestelijke
+tegenover hen, die zich aan zijne leiding toevertrouwen. Zoo neemt
+hij ze, in figuurlijken zin, onder zijne vleugels, in zijne
+bescherming. En wie zoo toegesproken zijn, keeren huiswaarts met
+een gevoel van vertrouwen op de toekomst, met het geloof, dat alles
+wel goed zal komen.
+<p class="c2">Met de geheele figuur staat in 't licht; alleen dat
+deel, waarin de schilder de uitdrukking wilde leggen. Daar zien we
+ook het duidelijkst, hoe de statiegewaden er om hangen. Lange
+plooien gaan sierlijk van den hals tot op den grond en slepen zelfs
+nog na. Zwaar en dik is de stof. Hier en daar kreukelen de plooien
+overdwars. Van het hoofd af hangt een priesterlijk sieraad over den
+hals en op den rug. Het ligt er rustig en plat uitgespreid. De
+zijlijn volgt de buiging van den hals, de onderkant de ronding van
+den rug. Alles plakt zwaar en solied op elkaar.
+<p class="c2">Het verlichte handje draagt onzen blik van den
+hoogepriester op Simeon over. Het is een licht-schakel.
+<p class="c2">Ontzaglijk is het, de vervoering, de
+geestesverrukking van dezen grijsaard te zien. Men hoort hem met
+groote stem, met woest geluid tot den Heer zijnen God roepen en de
+woorden spreken, die boven aangehaald zijn. Hij acht geen
+omstanders, ziet geen vader geen moeder, geen hoogepriester, maar
+voelt zich het hart zwellen van dankbaarheidsdrift, nu hij den lang
+verwachten Messias in de armen sluit. Het is eene uiting van den
+sterksten hartstocht, eene ontroering, die den aandachtigen
+beschouwer door de ziel gaat.
+<p><img alt="" border="0" src="images/groepuitsimeon.png" width="649"
+height="521">
+<p class="c2">[Groep uit "Simeon in den Tempel".]
+<p class="c2">De moeder Maria, ofschoon niet ten volle begrijpende,
+slaat vol zalig gevoel de handen op de borst tezaam; haar
+moederhart zwelt, nu haar kind den grijsaard zoo in gloed zet en
+hem zulke woorden ontlokt. Jozef, eenigszins in de schaduw gesteld,
+weet nog minder, wat hij van de ontboezeming van Simeon moet
+denken. Toch zit ook hij met vaderlijk welgevallen het tooneel aan
+te zien. Zijn gemoed wordt zachter bewogen dan dat van Maria; zijne
+gevoelens zijn meer gematigd. In het volle licht behoefden ze niet
+gesteld te worden, mits ze toch ook de aandacht niet ontgingen. De
+schilder laat hem daarom neerknielen in de schaduw van den
+hoogepriester. Maar eene zachte, stille weerkaatsing van den gloed
+van Simeon ligt over zijn wezen. Het is eene weerkaatsing van den
+lichtgloed, zoowel als eene weerspiegeling van de gemoedsbeweging,
+maar beide sterk getemperd.
+<p class="c2">Eene belangrijke rol laat Rembrandt de boertjes
+spelen, die toevallig langs de groep heenliepen en even bleven
+staan. Het misbaar van den grijsaard moet zijn oorzaak hebben; wat
+mag er wel aan de hand zijn? vragen ze zich af. Ze komen
+nieuwsgierig een stapje nader. Die met de hooge muts ziet er vrij
+onnoozel uit en zal niet veel wijzer worden, al staat hij er
+vooraan bij. De middelste van de drie is een echt type. Waren ze er
+zoo in de dagen van Rembrandt, in 1631, wij kennen ze zoo nog. De
+handen onverschillig op den rug, het hoofd tusschen de schouders
+gezakt, hoogruggig door den veldarbeid, den kop vooruitgestoken met
+een norsch, bullebakkig gezicht. Men ziet hem aan, dat hij
+ontsticht is over het misbaar. Toch werpt hij een onderzoekenden
+blik op het kindeke, een blik, dien men niet licht vergeet. Terwijl
+hij neerziet, is het, alsof zijn wrevelige trekken zich ontspannen.
+Een klein, teer kindje, wie kan daarbij ook onverschillig blijven!
+<p class="c2">Voor ons is het geen raadsel, waarom zijn gezicht
+opklaart; wij leven twintig eeuwen na de Jeruzalemsche gebeurtenis,
+en ons is het gegeven om te overzien, wat dat Kindeke geworden is,
+en welke dingen Het verkondigd heeft. Zie, voor wie waren later de
+predikingen van Jezus het meest bestemd, op wie maakten ze het
+eerst indruk! Wie sloten zich aan en lieten zich doopen? Waren het
+niet de eenvoudigen van geest? Waren zij het niet, wier verstand
+klein was, wier begrip van de dingen niet verging?
+<p class="c2">Rembrandt voelde behoefte, om het groepje in den
+tempel aan te vullen met een paar van deze eenvoudige zielen. Dat
+zou voor den beschouwer de herinnering levendig houden van wat er
+later gebeuren moet. In de simpele landlieden, die met
+belangstelling komen toekijken, zien we de toekomst van het eerste
+Christendom.
+<p class="c2">Nog in een ander opzicht zijn de boertjes
+merkwaardig. Laten we niet uit het oog verliezen, dat Jezus in het
+land Kana&auml;n geboren werd; de ontmoeting met Simeon had plaats
+in den tempel te Jeruzalem; het volk, dat de trappen op en afging,
+of toeschouwer was bij Simeons geestesvervoering, waren
+Isra&euml;lieten, Joodsche landbouwers, Oosterlingen dus. De
+kleedij, die de Joden in het begin onzer jaartelling droegen, komt
+overeen met die, waarin zich thans nog Arabieren en Syri&euml;rs
+steken. De meeste schilders hebben getracht, als ze een bijbelsch
+tafreel behandelden, om hun figuren het voorkomen van Oosterlingen
+te geven. Soms sloegen ze den bal wel mis, en schilderden ze
+Italiaansche landlieden in plaats van oud-Isra&euml;litische, maar
+ze hadden dan toch de bedoeling, er een buitenlandsch tintje aan te
+geven.
+<p class="c2">Deze bedoeling vinden we bij Rembrandt niet. Hij doet
+geen moeite om het Bijbelverhaal te doen spelen in verre landen,
+onder vreemde volken. De boertjes zijn echt Hollandsche typen. Ze
+komen regelrecht uit Ransdorp, Broek-in-Waterland of
+Ouwerkerk-aan-den-Amstel. In hun blauwen kiel heeft de schilder hen
+door Amsterdam zien gaan, of in de weide bij hun vee bespied. Wel
+zien ze er anders uit dan het landvolk uit onzen tijd, maar ook
+buiten de steden wisselt en verandert de kleederdracht. En zoo als
+ze hier in den tempel staan, zoo heeft Rembrandt in zijn tijd hen
+op verschillende platen naar het leven geteekend; nu eens met eene
+hooge, dan eens met eene lage muts op het hoofd. Zoo was in zijnen
+tijd hunne dracht.
+<p class="c2">Hij brengt dus de gewijde geschiedenis over op
+vaderlandschen bodem. Vreemde kleederdrachten voor herders en
+landlieden versmaadt hij. Hij weet, dat tal van menschen zich op
+dat vreemde blind kijken, en geen oog hebben voor het wezenlijke
+van de schilderij. Ze zullen de voorstelling beter gaan voelen en
+begrijpen, als de figuren menschen zijn gelijk zij zelf; als die in
+gelaatstrekken, in kleur, in houding en in kleeding gewone, echte
+Hollanders zijn. Jezus had immers heel goed in Holland geboren
+kunnen zijn. Was niet de Republiek der Vereenigde Nederlanden een
+zeer bijzonder land? Had de God der Vaderen niet geholpen, om haar
+van de Spaansche tirannij te bevrijden? Had Hij de zaak der
+Hervorming niet doen zegevieren? Was er &eacute;en protestantsch
+land zoo met aardsche rijkdommen en met welvaart gezegend? Een
+uitverkoren volk, daarvoor hielden onze voorouders zich. Zij waren
+een tweede Isra&euml;l. Alles, wat ginds in het Oosten, aan de
+oevers van de Jordaan, was afgespeeld, speelde zich ook hier af,
+dachten ze. Hunne geschiedenis was eene afspiegeling van de
+Bijbelsche.
+<p class="c2">Als zoo een geheel volk denkt, valt het den
+kunstenaar gemakkelijk, zich ook in die richting te bewegen. Hij
+denkt niet alleen, hij stelt zichtbaar voor. Het Joodsche wordt
+Hollandsch; de schaapherders van Ephrata en de wijnbouwers van de
+berghellingen van Judea, komende in den tempel van Jeruzalem,
+worden melkboeren uit de omstreken van Amsterdam. En waarom ook
+niet? Over de heele aarde wonen menschen van &eacute;en natuur; het
+denken en voelen is wel overal ten naastebij hetzelfde. Vooral
+onder de volksklasse, die hier is voorgesteld, onder de eenvoudigen
+van geest, die opgroeien te midden van de natuur.
+<p class="c2">Hiermee kunnen we afscheid nemen van de blauwgekielde
+tempelgangers, om nog even eenen blik te slaan op het tweetal, dat
+op den voorgrond in de schaduw zit.
+<p class="c2">De eerste laat het tooneeltje, daar voor hem, niet
+onopgemerkt passeeren. Hij steekt het hoofd onderzoekend vooruit.
+Zooals het handje en de arm op de leuning van den stoel liggen, kan
+men zich denken, dat hij bijna van zins is, op te rijzen en nader
+te treden. Nummer twee wisselt met hem een blik van
+verstandhouding. Hij krijgt argwaan, dat de zaak niet in orde is.
+Schriftgeleerden, zooals zij misschien zijn, nemen het met
+godsdienstaangelegenheden zeer nauw. Ze dulden geene uitdrukkingen
+in strijd met de Joodsche wet.
+<p class="c2">Of zij in de woorden van Simeon iets hooren, wat hun
+verdacht voorkomt, willen we niet nagaan. Maar ons treft hunne
+tegenwoordigheid op deze plaats. Reeds bij dit voorval uit het
+leven van Jezus zijn ze dwarskijkers, in letterlijken en in
+figuurlijken zin. Rembrandt geeft ze voorshands nog een plaatsje in
+de schaduw, terwijl hij de aanstaande volgelingen van den Nazarener
+in het volle licht zet; maar ze zijn er toch, en ze brengen ons te
+binnen, hoeveel leed ze later zullen uitstorten over het hoofd van
+het Kindeke, dat nu nog zoo onnoozel in Simeons armen ligt.
+<p class="c2">Ten slotte een enkel woord over de geschiedenis, die
+dit schilderijtje heeft doorgemaakt.
+<p class="c2">Voor wien en voor hoeveel Rembrandt het maakte, weten
+we niet. Het duikt in 1733 uit het onbekende op. Bij eene
+verkooping ten huize van een Haagsch burger werd het voor f830
+verkocht; men weet dit uit een rekeningenboek. Een mooie prijs voor
+dien tijd!--Later werd het aangekocht voor de verzameling van
+Stadhouder Willem V. De groote gebeurtenis voor het stuk moest
+echter eerst komen tusschen 1810 en 1813. Toen Nederland als
+aanslibsel van Fransche rivieren bij het Keizerrijk was ingelijfd,
+vond Napoleon, dat alle kunstwerken, die aan den Staat behoorden,
+naar de hoofdstad des rijks moesten verhuizen, naar Parijs. De
+"Simeon" was door Prins Willem V bij zijn vertrek naar Engeland in
+1795 natuurlijk in den steek gelaten, evenals de verdere roerende
+en onroerende have; de staat had er zich over ontfermd, en nu
+ontfermde Napoleon er zich weer over.
+<p class="c2">Het werd met tal van andere schilderstukken ingepakt,
+op eenen wagen geladen en verzonden. De bedoeling was, om het
+Louvre er mee te verrijken. Wagenvrachten en wagenvrachten van
+kunstwerken ondergingen ook in de andere Fransche wingewesten
+hetzelfde lot. Men was er in Parijs verlegen mee. De opeenhooping
+was zoo groot, dat een paar jaren later het werk der schifting en
+der tentoonstelling nog niet afgeloopen was. Napoleon kwam ten val,
+voordat alles een plaats had gekregen.
+<p class="c2">Toen hij in 1815 voorgoed van het wereldtooneel
+verdween, was het Louvre meer pakhuis dan museum. Spoedig daagden
+van de onderscheiden herstelde regeeringen afgevaardigden op, om
+uit den rommel op te eischen, wat door Napoleons ambtenaren naar
+Parijs was vervoerd. Ook van de regeering der Nederlanden. "Simeon"
+maakte de terugreis naar Den Haag, en kreeg daar in het Mauritshuis
+het plaatsje, dat hij nu nog inneemt. Moge hij er blijven tot in
+lengte van dagen, om nog vele bezoekers het hart te verheugen.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="EENE_ONDERGAANDE_ZON"></a>
+<h2 class="c4">EENE ONDERGAANDE ZON.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Het licht is voor Rembrandt gedurende al zijne
+levensjaren een geliefdkoosd onderwerp van studie geweest. Wat is
+er ook schooner! Wie kan onverschillig zijns weegs gaan, wanneer
+hij des ochtends buiten is bij het opkomen van de zon? Wie sluit
+dan het oog voor de lichtspelingen langs lucht en wolken?
+<p class="c2">Voelt ook niet ieder zich door zonneschijn meer
+aangetrokken tot de vrije natuur, dan door bewolkte, vreugdelooze
+luchten!
+<p class="c2">En dan des avonds bij het ondergaan der zon! Welk een
+kleurenspel wordt ons iederen dag opnieuw bereid! Nimmer vervalt de
+natuur in herhaling. Altijd weer is ze verrassend en nieuw in haar
+getoover met lichtverven en kleurvloeiingen.
+<p class="c2">Oud en jong, arm en rijk, ongeschoold en
+welonderwezen, alles heeft er oog voor. Geen mensch, of wel
+&eacute;&eacute;ns in zijn leven heeft hij &eacute;&eacute;nen
+zonsondergang genoten, wel &eacute;&eacute;ns heeft hij bij dit
+natuurverschijnsel aandachtig stil gestaan. Daar zonk de vuurbol
+ter kimme. Het licht, dat den ganschen dag slechts licht was
+geweest, werd nu kleur. De huizegevels in baksteen blonken eens zoo
+rood als anders. De witte raamkozijnen bleven wit, maar waren toch,
+zonderling wonder, te gelijk ook rood. De hagelwitte gordijnen
+eveneens, ofschoon het wit toch vlekkeloos rein bleef. De grijze,
+stoffige straat-wie zou ooit op de kleur van eenen straatvloer
+letten!--behield hare grauwe steenkleuren, en trok niettemin het
+oog door een purperen schijn. Daar waren de schoone, groene boomen!
+Schenen niet ook zij van hetzelfde purper doortrokken, terwijl
+groen toch groen bleef. De stammen stonden te blozen als frissche
+wangen: maar grauw en grijs en bruin was onveranderlijk de
+kurkschors.
+<p class="c2">Met geene woorden kon men noemen, wat elk ding voor
+verven kreeg. Zoodra men het beproefde, gaf men slechts eene
+opsomming van de kleuren, die er waren bij heldere dagverlichting.
+Een raadsel was het, dat de zon bij het scheiden nog opgaf. Een
+moeilijk raadsel!
+<p class="c2">Van de ondergaande zon tot den levensavond van onzen
+schilder is eene schrede minder groot, dan men wellicht zou denken.
+<p class="c2">Daar hangt in het Rijksmuseum te Amsterdam een werk,
+de Staalmeesters heet het, dat hij voltooide in 1661, en dat het
+laatste groote stuk is, waaraan hij zijne zorg wijdde. We schromen,
+als we het naderen, om de gedachte uit te spreken, doch ze laat
+zich niet terugdringen: dit kunstgewrocht is het afscheidslicht,
+dat eene ondergaande zon nog gaf. Eene ontzaglijke ziel spreekt
+hier haar laatste woord. En ook <i>dit</i> laatste woord is een
+raadsel, is hetzelfde raadsel, wat de avondzon weet voor te leggen.
+Ook hier heeft elk ding zijn eigen kleur, zijn eigen verf, zijn
+eigen kleurvermengingen; maar tegelijk straalt ook hier elk ding
+eenen rossigen gloed uit, eene tint, die nergens aan te wijzen, en
+toch overal te vinden is; die op geen voorwerp ontbreekt, en toch
+op alles de natuurlijke kleuren handhaaft. We <i>zien</i> het roode
+licht niet, we <i>ondergaan</i> het. Overal kunnen we aanwijzen
+zuiver bruin, zuiver wit, zuiver zwart, en overal toch voelen we
+het uitstralende rood, dat nergens is, dan alleen in het kleed, dat
+over de schuine tafel gespreid ligt.
+<p class="c2">Het grijpt ons aan, als we bedenken, dat de zon, na
+al haar schoone licht, eindelijk tot het avondrood komt, en dan
+niets schooners meer geven kan. Dan moet ze ondergaan. Ze heeft het
+schoonste bereikt. En Rembrandt is het eveneens gegaan!
+<p class="c2">Zijn gansche leven is geweest: grooter en grooter
+worden. We zagen het bij de twee Opwekkingen, we zagen het bij de
+Anatomische les en het Korporaalschap, we ontdekken het nogmaals
+bij de Staalmeesters, twintig jaren later gemaakt, in den
+levensavond van den kunstenaar.
+<p class="c2">Hij begint groot in 1632. Steeds wast hij, en meenen
+wij, dat het hoogste bereikt is; maar steeds overtreft hij weer,
+wat hij te voren maakte. Elk stuk vinden we onovertroffen, tot hij
+zelf een nieuw meesterwerk schept, en ons de oogen opent voor de
+tekortkomingen van het voorgaande. En wat hij op het eind van zijn
+leven te zien geeft, is niet alleen weer beter, dan wat vooraf
+ging; het lijdt aan geene gebreken meer, het bereikt alles, wat
+bereikt wou worden. Wat de schilder wilde, gelukte; en er is niets
+groots, dat hij vergeten heeft te willen.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="VERGELIJKINGEN"></a>
+<h2 class="c4">VERGELIJKINGEN.</h2><span class="c5"><br></span>
+<p class="c2">Omdat we ons met een zwart prentje moeten
+vergenoegen, zullen we bij de beschouwing de kleurhoedanigheden
+laten rusten, dat wil dus zeggen, het wonderlijkste wat er aan de
+Staalmeesters is op te merken. Toch is vooral aan het tafelkleed
+wel iets te zien van de kleurenpracht. Daarin zit, zelfs in onzen
+zwarten afdruk, nog eene mengeling van al den vervenrijkdom, dien
+we ons in een weelderig weefsel kunnen denken, en van al de
+tintelingen, die het licht daarop kan doen ontstaan. Groote vlakken
+van zachte belichtingen en zachte verdonkeringen wisselen met
+elkaar af. Daardoor heen zien we breede, horizontale kleurbanden
+gaan, en door deze weer lichtricheltjes van onder naar boven, of
+reeksen lichtnoppen van rechts naar links. Het gedeelte, dat links
+om de tafel heen hoekt, geeft op andere wijze, zonder mengeling, de
+kleurfiguren te zien, die de wever door zoo'n kleed weet heen te
+werken.
+<p class="c2">Vergelijk hiermee nu de lap stof, die op de plaat
+"Evertsen in de Staten van Zeeland" over de tafel ligt. Droog en
+dor geeft hier de grijze kleur aan wat schaduw is. Rembrandts kleed
+gloeit van warmte, van innerlijke kleurenpracht, van Oosterschen
+tapijtenrijkdom; het andere is koud en mat, arm van weefsel en arm
+van kleur.
+<p><img alt="" border="0" src="images/staalmeesters.png" width="734"
+height="495">
+<p class="c2">[De Staalmeesters.]
+<p class="c2">Voor het overige moeten we van kleurbeschouwing
+afzien, en ons voornemen, om in het Rijksmuseum de schade in te
+halen.
+<p class="c2">Wat er van de Staalmeesters in een zwarten afdruk
+overblijft, is echter niet zoo gering, of het zal ons duidelijk
+worden, dat we hier te doen hebben met een onsterfelijk
+gedenkteeken. Het spreekt nog meer van Rembrandts grootheid dan wat
+voorafgegaan is, meer dan het Korporaalschap of eenig ander
+kunstwerk.
+<p><img alt="" border="0" src="images/evertsen.png" width="582" height=
+"370">
+<p class="c2">[Evertsen en de Staten van Zeeland.]
+<p class="c2">We beginnen niet, met naar zeldzame eigenschappen te
+zoeken. Juist in de afwezigheid hiervan schuilt eene verdienste.
+Stel maar naast elkaar het "Gezelschap op het Muiderslot" en de
+"Staalmeesters". Beide vertoonen een groepje burgermenschen uit de
+17<sup>de</sup> eeuw, uit 1619 en uit 1661. Het verschil in
+kleeding en kapsel duidt wel een verschillend tijdperk aan. Wat uit
+1619 dagteekent, staat in dit opzicht dichter bij de Anatomische
+les, terwijl de figuren uit 1661 ons bekend voorkomen, wegens de
+overeenkomst met Jan de Wit, het portret op Levensverzekerings-en
+Spoorboekjes.
+<p class="c2">Beide gezelschappen bevinden zich binnenshuis, dus in
+eene omgeving, die we een interieur zullen noemen. Bij dit
+interieur bepalen we het eerst onze aandacht. Op het Muiderslot
+valt het daglicht binnen door een venster, dat we ter linker zijde
+kunnen zien. Het vergunt ons, om buitenlicht naast kamer-of
+binnenlicht te stellen, want bij het venster is een stukje witte
+muur. Tusschen dit wit en het wit van de vensteropening bevinden
+zich een viertal schaduwstrooken, die we met een potlood of een
+reepje papier kunnen bedekken. Dan merken we op, dat beide witte
+strooken gelijk zijn, misschien wint de muur het van het
+buitenlicht nog in helderheid. Wie nu in het eerste het beste
+vertrek even eene vergelijking maakt tusschen het een en het ander,
+zal opmerken, dat de verhouding juist andersom moet zijn. Al is een
+binnenmuur in het licht gezet, hij moet toch voor het zonlicht, dat
+de buitenwereld beschijnt, onderdoen in helderheid. Een geschilderd
+interieur mag hiervan niet afwijken, of het is geen interieur meer.
+<p class="c2">Op den vloer spreekt de fout nog sterker. Ver in de
+kamer, tot onder den stoel van den ouden heer, die met zijnen rug
+naar de tafel zit, is het licht krachtiger dan buiten de
+openstaande deur. Hem voorbij merken we hetzelfde op aan enkele
+voorwerpen: aan het tafellaken, het doekje, dat de dienstbode op
+den rug hangt, het zijmuurtje links van den schoorsteen, zelfs aan
+eene versiering tegen den schoorsteen.
+<p class="c2">Ondanks deze gebreken zeggen we toch, dat de plaat
+een interieur voorstelt, omdat we een venster, een deur, een
+binnenmuur en kamermeubelen zien; die doen ons besluiten: het moet
+een binnenhuis wezen. Maar eerlijk gezegd: het <i>is</i> er geen.
+Hoe het moest zijn om er een te wezen, leert ons het stuk van
+Rembrandt. Alles is hier in eene matte, grijze tint gezet, die
+overal doet gevoelen, dat we ons binnenshuis bevinden. Wanneer eene
+vensteropening werd aangebracht, zou daardoor het daglicht kunnen
+vallen in eene helderheid, die sterk afstak bij de verlichting van
+de muurgedeelten op den achtergrond.
+<p class="c2">Dit muurtje met het schoorsteentje vinden we bijna in
+dezelfde gedaante op het Muiderslot terug. We kunnen in het
+voorbijgaan deze twee onderdeelen naast elkaar stellen. Beide
+bestaan uit houtbetimmering en gepleisterd metselwerk. Op het
+Muiderslot is het eerste erg donker, het laatste, zooals we reeds
+opmerkten, veel te licht van kleur. Wie door de oogharen naar de
+betimmering kijkt, kan den gepleisterden muur best voor een stuk
+lucht houden, dat heel in de verte achter het beschot oprijst. Er
+is geen samenhang tusschen de twee. De teekenaar was bang, dat we
+geen steen van hout zouden onderscheiden en maakte de verschillen
+veel te duidelijk. De achterwand valt uit elkaar. Ook schijnt hij
+zich heel ver achter het schilderijtje boven de kast te bevinden.
+<p><img alt="" border="0" src="images/muiderkring.png" width="617" height=
+"432">
+<p class="c2">[Muiderkring.]
+<p class="c2">Achter de heeren Staalmeesters zien we hout en steen
+in bijna dezelfde tint. Het verschil is gering. Toch ontgaat ons
+het stoffelijk onderscheid niet; er zijn kleinigheden, die daarvoor
+zorg dragen. Let maar eens op de kantlijn, waar de voor-en zijkant
+van den schoorsteenmuur elkaar ontmoeten; op het Muiderslot is die
+lijn langs een liniaal getrokken; het is een pracht van een rechte
+lijn. Bij Rembrandt helt ze ten eersten een weinig naar rechts; en
+dat is verklaarbaar. Zoo'n oud stuk gemetselde schoorsteen rijst
+gewoonlijk niet loodrecht omhoog. Ten tweeden is ze heel fijn met
+korrels afgebrokkeld; ook dit is voor een gepleisterden muur heel
+juist, en meer waarschijnlijk dan de ongeschonden liniaallijn op
+den Muiderslotschen schoorsteen. Ten derden is het niet een
+<i>zwart</i>-getrokken lijn, maar juist het tegenovergestelde, een
+lichtkantje. Ook dit beantwoordt aan de werkelijkheid. Alleen dit
+kantlijntje zou reeds duidelijk genoeg zeggen, dat het bovenste
+deel van den achterwand gepleisterde steen is.
+<p class="c2">Door acht te geven op dat, wat in het Muiderslot
+ontbreekt, worden we gewaar, wat eene goede eigenschap is van de
+"Staalmeesters". Het is een interieur. We zeggen niet: "het
+<i>moet</i> er wel een wezen"; het <i>is</i> er een.
+<p class="c2">Het interieur is echter maar achtergrond en bijzaak;
+de figuren zijn hoofdzaak. We tellen er zes, den bediende
+meegerekend. Na hetgeen we opmerkten bij de vergelijking van
+Anatomische les en Korporaalschap, zal het al dadelijk de aandacht
+trekken, dat Rembrandt afgezien heeft van middelen om te
+groepeeren, zooals hij in 1642 nog noodig vond. Voegde hij de leden
+van het Korporaalschap nog z&oacute;&oacute; samen, dat de
+schilderij er uitzag, alsof ze eene beroemde gebeurtenis
+voorstelde, de Staalmeesters kruipen maar heel gewoon bij elkaar,
+zooals ze dagelijks in hun beroep bij elkaar zitten. Het stuk stelt
+niets voor. Het is een portretstuk, zonder meer. Een kunstgreep,
+zooals het cadaver op de Les, anno 1632, trok den schilder na
+dertig jaren niet meer aan; zelfs het kunstmatig bijeenvoegen niet
+meer, gelijk het stuk uit 1642 te zien geeft. Van al het
+gekunstelde, komedie-achtige, dat zijne vroegere werken kenmerkte,
+en dat men toen schoon vond en thans nog schoon vindt, omdat het
+zoo volmaakt van kunst is, van dat alles is hij terug gekomen. Op
+zijn leeftijd is de arbeid geen spel met wondertooneelen. Hij zet
+heel gewoon, zonder ophef, de figuren naast elkaar op eene rij.
+Behoudens kleine afwijkingen, die zijn smaak hem ingaf: nommer twee
+van links af moest even oprijzen, om de eentonigheid van eene
+vijfkoppige rechte lijn te breken; de bediende mocht wel post
+vatten tusschen twee der heeren midden op het doek, maar hij kreeg
+zijne plaats toch iets dichter bij den een dan bij den ander, en
+deed met zijn gezicht dus geen regelmatigen driehoek ontstaan.
+Staalmeester nommer twee, van rechts af, werd met half afgewend
+bovenlijf neergezet, om niet twee gelijkvormige schouders, hoeden
+en witte kragen naast elkaar midden op het doek te krijgen.
+<p class="c2">Dit zijn kleine schikkingen, die bijna toevalligheden
+lijken; als vijf menschen ordeliik om eene tafel geschaard zitten,
+zal men juist dergelijke afwijkingen opmerken. Ze houden het midden
+tusschen stijfheid en gezochtheid.
+<p class="c2">Hoe eerlijk en eenvoudig de schilder er naar
+streefde, om niets anders te maken, dan portretten, blijkt ook uit
+het spel der handen. Op de "les" zoowel als op het schutterstuk is
+dit een ding van belang. Het spreekgebaar van Dr. Tulp, de wijze
+hoe hij zijne mededeelingen over de spierbeweging toelicht, trekt
+sterk de aandacht. De handen zijn vrij in de ruimte gezet, tegen
+een donkeren achtergrond, en ze hebben voor het geheele stuk eene
+groote beteekenis, gelijk we boven reeds zagen. Ook die van Frans
+Banning Kok zijn in 't oog loopend op den voorgrond gebracht.
+Rembrandt schepte er behagen in, om te laten zien, wat hij met
+handen kon. Maar in 1661 zal hij gemeend hebben, dat het zien van
+een portret een te ernstig werk is, om daarbij afgeleid te worden
+door bijzaken. Toch zou het wegmoffelen van de handen ook eene fout
+geweest zijn. Immers, als we een groepje menschen, dat rond eene
+tafel zit, opnemen, zonder dat zij het bemerken, dan zien we wel in
+het eerste oogenblik de gezichten, maar het kan toch zijn, dat we
+in de tweede plaats ook toevallig naar de handen zien. Daarom gaf
+hij ze wel aan zijne figuren, maar zoo, dat we ze slechts terloops
+en eerst <i>na</i> de gezichten ontwaren; hetzij dan versmald
+gezien, als bij nommer een, hetzij in de schaduw gezet, als bij
+nommer twee, hetzij in de onmiddellijke nabijheid van den tafelrand
+en het boek, zoodat ze hiermee als het ware &eacute;&eacute;n
+geheel uitmaken, en niet als afgezonderde lichtplekken tegen den
+achtergrond vrij in de ruimte staan. Echter wist hij ook met
+terzijde geschoven handen nog gedachten uit te drukken: let maar
+eens op, hoe juist de rechter van den middelsten sinjeur ons zegt:
+"maar het staat hier toch!" Het kloppen met den rug van de vingers
+op de bladen van het boek kan niet anders beteekenen. De houding
+van het hoofd en de gelaatsuitdrukking bevestigen het.
+<p class="c2">Eene sterk sprekende eigenschap van Rembrandt op
+dezen leeftijd is dus, dat hij zich beperkt. In jonger jaren
+groeide zijne kunstdrift als een welig gewas met ver-uitschietende,
+bloemdragende loten. Nu snoeit hij; alles wat weg kan, gaat weg; de
+verzonnen tooneelen zijn het spel der handen gevolgd. Slaan we
+nogmaals een blik op de "Les" naast de "Staalmeesters", dan valt
+ons ook in de gezichten iets op. Op het eene trekken de blanke,
+hooge en breede voorhoofden, de in verlichte vleeschkleur
+geschilderde wangen, en op het andere de oogen, de neuzen en de
+monden de aandacht. Is het niet, alsof de geneesheeren uit 1632
+allemaal toevallig kleiner van oogenbouw waren, fijner van neus en
+mond, maar hooger van voorhoofd en opzichtiger van wang, dan de
+staalwaardijns uit 1661? Dezen schijnen groffer van maaksel te zijn
+geweest dan genen. De zaak is, dat de schilder in zijn eerste jaren
+veel aandacht schonk aan de vleeschkleuren, de vleeschpartijen,
+zooals men dat noemt. Hoe ouder hij werd, hoe meer hij er echter
+naar streefde, niets dan het leven en de ziel uit te drukken. Deze
+las hij meer in oogen, mond en neus dan in de schilderachtige
+licht-en kleurverschijnselen van het gezichtsvleesch of in den bouw
+van het gelaat. Onwillekeurig bracht hij ze tot meerdere
+uitdrukking, met het gevolg, dat wij ze eerder opmerken. Treffend
+is het in dit opzicht, dat hij voor de gelijkenis van de
+geneesheerlijke koppen alle voorhoofden noodig achtte, en ze ieder
+met zijne eigenaardigheden schilderde, terwijl hij ze bij de
+staalmeesters, op eene enkele uitzondering na, onder de hoeden
+wegstopte, als niet terzake dienende. Met de baardjes en kneveltjes
+kon hij dit moeilijk doen; maar toch worden ook deze minder op den
+voorgrond gebracht dan in 1631.
+<p class="c2">Van knevels en baarden gesproken, het prentje
+"Evertsen voor de Staten van Zeeland", eene historieplaat van een
+negentiendeeuwschen teekenaar, geeft figuren uit hetzelfde tijdvak
+als Rembrandts Staalmeesters. Ze zijn alle voorzien van snorren en
+puntbaarden, vervaardigd naar een zelfde model, in dezelfde punt
+gedraaid, van dezelfde dikte, in denzelfden gebogen vorm. Het
+lijken gehuurde tooneelsikjes en tooneelknevels, die de heeren
+v&ograve;&ograve;r gedaan hebben, om er kranig uit te zien. Naast
+zulke zaken erkennen we eerst recht, hoe bij Rembrandt elk ding tot
+juistheid komt. Wat geven zijn kort afgeknipte smalle haarlijntjes
+op de verschillende bovenlippen een heel ander denkbeeld van de
+mode anno 1660. Z&ograve;&ograve; moet het er uitgezien hebben; de
+valsche spullen van de heeren Staten zijn eene bespotting.
+<p class="c2">In den loop der jaren heeft alzoo Rembrandt ook het
+groote snoeimes gezet in zijne neigingen bij het schilderen van
+koppen. Hij beperkte zich hoe langer hoe meer tot datgene, wat het
+wezenlijke is, wat het leven weergeeft. Dat, wat hij vroeger mooi
+vond, en wat hem daarom aantrok, liet hij weg, als het voor het
+eigenlijke doel niet diende. In 1632 stonden al de koppen, ofschoon
+kunstig bijeengeschikt, als afzonderlijke portretten tegen een
+donkeren grond; in 1661 steken ze zoo blank en rond niet af, maar
+worden in het interieur opgenomen. Dat de Staalmeesters een portret
+is, wordt in het geheel niet verbloemd-immers, het heeft niet den
+schijn van eene gebeurtenis. De Les doet wel, alsof ze een voorval
+is, en toch denken we dadelijk: die heeren zijn uitgeportretteerd.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="WAT_PORTRETTEN_BIJEENVOEGT"></a>
+<h2 class="c4">WAT PORTRETTEN BIJEENVOEGT.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">De Staalmeesters staan of zitten voor ons, alsof we
+hen in het werkelijke leven onverwachts overvielen. De schilder
+heeft hen zoo weten te treffen, dat we niet zeggen: kijk, die zijn
+er voor gaan zitten om er goed op te komen. En toch zijn ze dat
+juist wel. Zelfs vestigen vijf van de zes hun blik op den
+kunstenaar. Maar zooals ze naar hem-en omdat wij in zijne plaats nu
+staan-naar ons kijken, wekt het de gedachte: ze zien naar iemand,
+die binnenkomt. En dit is iets anders dan: ze zien naar den man,
+die hen uitteekent. Het verschil is fijn gevoeld. Door Rembrandt is
+deze indruk vastgehouden: alle heeren keken op, toen ik binnenkwam,
+en schenen te vragen: wie is <i>dat</i> nu? Hij bearbeidde hen,
+niet zooals hij ze voor zich zag zitten, wanneer ze
+&eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n in zijne werkplaats kwamen
+om te poseeren; maar met datgene op de gezichten, wat hij eventjes
+had waargenomen, toen hij voor 't eerst binnenkwam. Hij schilderde
+hen met in achtneming van eene lichte verwondering, van eenen
+vragenden trek op het gelaat. Dit was eene natuurlijke, ongemaakte
+uiting, doordat alle tegelijk iets vreemds hoorden en het hoofd
+naar den kant draaiden, vanwaar het geluid kwam. Eene uiting van
+leven, die door de personen niet eerst overdacht is; zonder overleg
+kwam dit zoo op hunne gezichten; ze hadden zelfs den tijd niet, om
+een slimmer of een opgewekter gezicht te zetten, dan hun van nature
+eigen was. Nommer een van rechts af is bijvoorbeeld niet een van de
+snuggersten geweest. Rembrandt doorzag dit met den eersten
+oogopslag: in de hoog opgetrokken wenkbrauwen, in de dikke
+oogleden, de slaperige oogjes, de vooruitstekende bovenlip voelde
+hij het. Daarnaast zit een, die van de natuur geen welgemaakt
+gezicht heeft meegekregen: het is wat te lang en te smal, de lippen
+zijn te dik. Maar hij behoort tot de lieden, die ondanks hun
+uiterlijk, een ieder aantrekken door iets prettigs en iets
+vriendelijks in de oogen en om den mond. De middelste van de vijf
+had juist het woord, en liet zich in zijn betoog door Rembrandt's
+binnenkomen niet storen. De volgende rees overeind, misschien om
+ter meerdere klaarheid er een ander boek bij te halen; aan den
+draai van zijn hoofd zien we, dat zijn opstaan met de komst van den
+schilder <i>niet</i> in verband staat; hij stond al, en heeft,
+ondanks den blik op den binnenkomende, <i>andere dingen in het
+hoofd</i>. Dit vooral is duidelijk aan hem te zien.
+<p class="c2">Om kort te gaan: de gelaatsuitdrukkingen zijn
+overvallen; niet bij een, maar bij allemaal. De verrassing is de
+levenstinteling die allen eigen is. Neem er &eacute;&eacute;n
+figuur uit, aan die verrassing is merkbaar, dat hij bij de anderen
+op dit portretstuk thuis behoort. Bij geen van de zes stijgt de
+uiting tot verbazing, bij geen heeft ze den schijn van
+onverschilligheid. Ze is bij allen even sterk; we voelen zoo
+heelemaal, dat allen onder denzelfden indruk even opzien; dat ze
+als een groep, die bijeenzat, door Rembrandt zijn opgemerkt. Wat
+hen vereenigt, is geen vertooninkje van eene les of van eenen
+optocht, maar <i>eenzelfde gemoedstoestand</i>; ze doorleven eene
+zelfde, gelijke gewaarwording. En dat maakt hen &eacute;&eacute;n.
+Niet eene vreeselijke ontsteltenis, eene groote angst, eene woeste
+drift; die zouden te veel ophef hebben gemaakt. Het blijft bij eene
+nauwelijks merkbare aandoening. Iets als een zacht rimpeltje, dat
+bij windzucht even over al de watervlakjes van een plasje loopt.
+Zoo ondergaan ook de bloemen in de wei alle gelijkelijk het
+voorbijgaan van een avondwindje.
+<p class="c2">De schilder zelf is het middelpunt van aller
+opmerkzaamheid. We kunnen ons hunne verrassing best voorstellen,
+toen hij binnenkwam. Zijn roem was reeds lang gevestigd; ze vonden
+het streelend, dat de groote Rembrandt in hun midden verscheen. Bij
+voorbaat zijn ze in opgewekte stemming over hun afbeeldsel, dat
+natuurlijk wel slagen zal, en dat misschien een beroemd stuk kan
+worden. Deze gewoon menschelijke gedachtetjes spreken uit hunne
+trekken. De schilder heeft dat allemaal door en door echt in hen
+voelen leven. Hij maakte geene <i>figuren</i> van hen, hij bracht
+ze <i>zelf</i> op het doek; het was geen namaak, geen afbeelden;
+het was de aandoening, het denken, het verrast worden, het zich
+prettig gevoelen zelf, wat hij gaf.
+<p class="c2">Daar dit bij twee menschen nooit precies hetzelfde
+is, al lijken ze uiterlijk nog zooveel op elkaar, wordt de
+verscheidenheid van gezichten ook grooter, naarmate dat innerlijke
+sterker spreekt. We zien het hier. Er is uiterlijk zeer veel
+gelijkenis tusschen sommigen, en in kleeding tusschen alle. Maar
+ieder denkt er zijn eigen van, als Rembrandt binnenkomt; en dat zet
+hen allen ver uiteen, als zeer onderscheiden en heelemaal
+verschillende menschen. Wij krijgen den indruk, dat dit geene
+figuren, geene afbeeldsels zijn, maar wezens, die bestaan. We
+worden door al de oogen, door al de verschillende manieren van
+oogopslag zoo aangetrokken, dat we op het gelijke in kapsel, hoed,
+kraag, kleeding en houding nauwelijks letten. In den oogopslag zit
+hier een belangrijk deel van de portretten. Daarin voelen we, dat
+de heeren zoo even nog met neergeslagen oogleden naar de tafel,
+naar het boek of naar elkaar zaten te kijken; door het binnenkomen
+worden de blikken opgeslagen; is het niet, alsof we deze beweging
+er in voelen? En geeft de schilder niet bij ieder afzonderlijk iets
+aparts in die beweging? Bij alle verschilt de teekening van het
+opgeslagen ooglid, en bij ieder is het optrekken van de wenkbrauwen
+weer anders dan bij de overigen.
+<p class="c2">Als we al de monden langs zien, merken we ook hierin
+de verscheidenheid. Wat is die bij den bediende dun van lippen en
+heel anders dan bij den sinjeur, achter wiens rug hij staat. En zie
+daarbij nu weer eens nummer een van rechts af, hoe die de onderlip
+achteruittrekt en de bovenlip iets vooruitsteekt.
+<p class="c2">Deze deelen van het gelaat dragen wezenlijk veel meer
+de uiting van karakter en leven, dan de vleeschpartijen, die
+Rembrandt in vroeger jaren op den voorgrond bracht. Hij is dus
+sedert het Korporaalschap, ofschoon dit een meesterstuk was, steeds
+hooger gestegen. Alles wat naar komediespel geleek, liet hij varen;
+wat het zieleleven van zijne figuren sterker kon uitdrukken, greep
+hij als hoofdzaak aan.
+<p class="c2">Naar het uitwendige werd hij eenvoudiger, naar het
+innerlijke forscher en grooter. Bedenken we nog bovendien, welke
+wondere lichtspeling en kleurverlichting het oorspronkelijke stuk
+der Staalmeesters den beschouwer te zien geeft, dan kunnen we
+gerust zeggen, dat Rembrandt aan het eind van zijn leven een
+onovertroffen schilder was. Hij had groote voorgangers gehad; en
+onder deze voorgangers was hij zelf in jonger jaren een groot
+kunstenaar geweest. Doch hij eindigde zijne loopbaan als een, die
+hooger staat dan allen, ook hooger dan hij zelf eertijds stond.
+<p class="c2">In den jare 1669 overleed hij. Op welken dag weet men
+niet. Den 8<sup>sten</sup> October werd hij ter aarde besteld. Voor
+<i>f</i> 15 werd hem een graf gegraven in de Westerkerk te
+Amsterdam. Het bespelen van het carillon was in dien prijs
+begrepen. Wie het graven van een graf met f15 kon betalen, behoorde
+tot den gegoeden stand. Dit stelt ons gerust omtrent de geldelijke
+omstandigheden, waarin hij in de laatste jaren verkeerd had; we
+behoeven niet te gelooven, wat meermalen beweerd wordt, dat hij arm
+gestorven is. En zijn leven is rijk geweest, rijk aan genot. Hij
+heeft vele menschen en vele dingen gekend en begrepen. Kennen en
+begrijpen is genot.
+<p class="c2">Als wij ernstig trachten zijne werken te kennen en te
+begrijpen, zullen we deel hebben in de erfenis die hij naliet:
+genot van te zien en te begrijpen. De erfenis is groot genoeg voor
+een geheel volk: wie zich de moeite geeft om te willen, kan
+mede-erfgenaam worden.
+
+<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11286 ***</div>
+</body>
+
diff --git a/old/11286-h/images/asselijnmet.png b/old/11286-h/images/asselijnmet.png
new file mode 100644
index 0000000..98849e4
--- /dev/null
+++ b/old/11286-h/images/asselijnmet.png
Binary files differ
diff --git a/old/11286-h/images/asselijnzonder.png b/old/11286-h/images/asselijnzonder.png
new file mode 100644
index 0000000..75a9a51
--- /dev/null
+++ b/old/11286-h/images/asselijnzonder.png
Binary files differ
diff --git a/old/11286-h/images/betaalmeester.png b/old/11286-h/images/betaalmeester.png
new file mode 100644
index 0000000..15be866
--- /dev/null
+++ b/old/11286-h/images/betaalmeester.png
Binary files differ
diff --git a/old/11286-h/images/deruyterenzeger.png b/old/11286-h/images/deruyterenzeger.png
new file mode 100644
index 0000000..2f85fdb
--- /dev/null
+++ b/old/11286-h/images/deruyterenzeger.png
Binary files differ
diff --git a/old/11286-h/images/evertsen.png b/old/11286-h/images/evertsen.png
new file mode 100644
index 0000000..db03e6b
--- /dev/null
+++ b/old/11286-h/images/evertsen.png
Binary files differ
diff --git a/old/11286-h/images/groepuitdenachtwacht.png b/old/11286-h/images/groepuitdenachtwacht.png
new file mode 100644
index 0000000..3042e9f
--- /dev/null
+++ b/old/11286-h/images/groepuitdenachtwacht.png
Binary files differ
diff --git a/old/11286-h/images/groepuitsimeon.png b/old/11286-h/images/groepuitsimeon.png
new file mode 100644
index 0000000..92f087e
--- /dev/null
+++ b/old/11286-h/images/groepuitsimeon.png
Binary files differ
diff --git a/old/11286-h/images/intochtinjeruzalem.png b/old/11286-h/images/intochtinjeruzalem.png
new file mode 100644
index 0000000..dd30cb0
--- /dev/null
+++ b/old/11286-h/images/intochtinjeruzalem.png
Binary files differ
diff --git a/old/11286-h/images/latereopwekking.png b/old/11286-h/images/latereopwekking.png
new file mode 100644
index 0000000..5ac854a
--- /dev/null
+++ b/old/11286-h/images/latereopwekking.png
Binary files differ
diff --git a/old/11286-h/images/molen.png b/old/11286-h/images/molen.png
new file mode 100644
index 0000000..62066f2
--- /dev/null
+++ b/old/11286-h/images/molen.png
Binary files differ
diff --git a/old/11286-h/images/muiderkring.png b/old/11286-h/images/muiderkring.png
new file mode 100644
index 0000000..e013129
--- /dev/null
+++ b/old/11286-h/images/muiderkring.png
Binary files differ
diff --git a/old/11286-h/images/nachtwacht.png b/old/11286-h/images/nachtwacht.png
new file mode 100644
index 0000000..a95f9cd
--- /dev/null
+++ b/old/11286-h/images/nachtwacht.png
Binary files differ
diff --git a/old/11286-h/images/ontleedkundigeles.png b/old/11286-h/images/ontleedkundigeles.png
new file mode 100644
index 0000000..8691119
--- /dev/null
+++ b/old/11286-h/images/ontleedkundigeles.png
Binary files differ
diff --git a/old/11286-h/images/opwekkingvanlazarus.png b/old/11286-h/images/opwekkingvanlazarus.png
new file mode 100644
index 0000000..9b0198a
--- /dev/null
+++ b/old/11286-h/images/opwekkingvanlazarus.png
Binary files differ
diff --git a/old/11286-h/images/portretvansaskia.png b/old/11286-h/images/portretvansaskia.png
new file mode 100644
index 0000000..7a16e99
--- /dev/null
+++ b/old/11286-h/images/portretvansaskia.png
Binary files differ
diff --git a/old/11286-h/images/scheepsbouwmeester.png b/old/11286-h/images/scheepsbouwmeester.png
new file mode 100644
index 0000000..fa0c39d
--- /dev/null
+++ b/old/11286-h/images/scheepsbouwmeester.png
Binary files differ
diff --git a/old/11286-h/images/simeonindentempel.png b/old/11286-h/images/simeonindentempel.png
new file mode 100644
index 0000000..d4dec00
--- /dev/null
+++ b/old/11286-h/images/simeonindentempel.png
Binary files differ
diff --git a/old/11286-h/images/staalmeesters.png b/old/11286-h/images/staalmeesters.png
new file mode 100644
index 0000000..2eca474
--- /dev/null
+++ b/old/11286-h/images/staalmeesters.png
Binary files differ
diff --git a/old/11286-h/images/titusvanrijn.png b/old/11286-h/images/titusvanrijn.png
new file mode 100644
index 0000000..8a03824
--- /dev/null
+++ b/old/11286-h/images/titusvanrijn.png
Binary files differ
diff --git a/old/11286-h/images/vrouwtjebas.png b/old/11286-h/images/vrouwtjebas.png
new file mode 100644
index 0000000..6084fb2
--- /dev/null
+++ b/old/11286-h/images/vrouwtjebas.png
Binary files differ