diff options
47 files changed, 13309 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/11286-0.txt b/11286-0.txt new file mode 100644 index 0000000..16c2ce4 --- /dev/null +++ b/11286-0.txt @@ -0,0 +1,3364 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11286 *** +MEESTERSTUKKEN + +VAN + +REMBRANDT HARMENSZ. VAN RIJN. + +LEESBOEK VOOR HET LAGER EN VOORTGEZET ONDERWIJS + +DOOR + +G. KIELDER, + +HOOFD EENER SCHOOL TE 'S-GRAVENHAGE. + +AMSTERDAM.--1906. + + + + +VOORBERICHT. + + +_Nu dit boekje juist in het Rembrandtjaar verschijnt, zal men het +allicht indeelen bij de huldebetoogingen. Toch wil het daartoe niet +gerekend worden. Onze leerlingen geven dikwijls blijk, dat ze met +welgevallen luisteren naar of lezen over kunst; het is deze +belangstelling, die de schrijver heeft willen voeden en ontwikkelen. Men +zal bij de kennismaking den opvoedenden ondergrond van de stof der +besprekingen wel opmerken. + +Dat de onderwerpen ontleend werden aan de werken van Rembrandt, behoeft +niet te bevreemden: deze schilder is voor de kunst en voor het +kunstgevoel een geweldig opvoeder geweest, ook en vooral omdat hij sterk +persoonlijk was in alles, wat van hem uitging. + +Het was onvermijdelijk, dat de bespreking van portretten hier en daar +het karakter aannam van eene historische uiteenzetting; ze stellen ons +immers voor oogen het geslacht, te midden waarvan Rembrandt leefde, een +geslacht dat historisch is geworden. Dat we het zien juist door het oog +van een psycholoog, is vast geen nadeel! + +De schrijver mag wel hopen, dat de menschen, die van kunst hun beroep +maken, hem niet te hard vallen over de vrijmoedigheid, waarmee hij zijne +laag-bij-den-grondsche inzichten ten beste geeft; hij heeft maar ééne +verontschuldiging: dat van hen nog niemand iets gedaan heeft voor de +aesthetische opvoeding van het opkomend geslacht. Het zij gezegd zonder +miskenning van de verdiensten van den Heer H. P. Bremmer, die reeds +jaren lang in de weer is, om onderwijzers voor deze taak op te leiden. +Bij dezen aan hem een woord van dank voor de beschikking over zijne +vermaarde prentenverzameling. + +Voor den gebruiker een wenk: bespreek elk plaatje, vóórdat de tekst +gelezen wordt; als bij het lezen plaat en tekst in het boekje niet +tegenover elkaar staan, laat dan een van de twee boekjes op eenzelfde +bank bij de plaat open liggen. Open staan is nog beter._ Den Haag +1906. G. KIELDER. + + + + +INHOUD. + + +WAT GEEN HOOFDZAAK IS +DE OPWEKKING VAn LAZARUS +EENE LATERE OPWEKKING +HISTORISCHE GEGEVENS +REMBRANDT LANDSCHAPSCHILDER +VROUWE SASKIA +KLEINE TITUS +ACTIE +MISLEIDE AANDACHT +AANRAKING MET HISTORISCHE PERSONEN +MEER DAN PORTRET +GEËTSTE PRENTEN +VROUWTJE BAS VAN 'T RIJKSMUSEUM +KUNST VAN GROEPEEREN +VERVOLG VAN 'T KORPORAALSCHAP +SIMEON IN DEN TEMPEL +EENE ONDERGAANDE ZON +VERGELIJKINGEN +WAT PORTRETTEN BIJEENVOEGT + + + + +WAT GEEN HOOFDZAAK IS. + + +Vele eeuwen geleden leefde in Griekenland een schilder, van wien men de +ongeloofelijkste dingen verhaalt, en wiens naam bij het nageslacht is +blijven voortleven als die van een der grootste kunstenaars. Zeuxis, zoo +heette hij, wist niet slechts de menschen, maar ook de dieren met de +voortbrengselen van zijn penseel in verrukking te brengen. Dit blijkt +uit het volgende. + +Hij schilderde eens een vruchtenstuk; in bevallige wanorde lagen bessen, +druiven, noten en appelen door elkander, met hier en daar een groen blad +er tusschen. Ieder, die het zag, stond verbaasd over de juistheid, +waarmee elk onderdeel bewerkt was. En kijk, toen de toeschouwers zich +verwijderd hadden van de muurschildering, kwamen de vogelen toevliegen +en pikten naar de druiven. Misleid door den schijn, hadden ze deze voor +echt gehouden. + +Een verhaal, dat er gaat van een paardenstuk, komt hier vrij wel mee +overeen. Dit gaf de afbeelding van een paard te zien, en zoo +bedriegelijk juist, dat het vurig strijdros van Alexander den Groote, +toen het voor de schilderij werd gebracht, aan de teugels rukte en tegen +zijn gewaanden natuurgenoot begon te hinneken. + +We hebben hier het oordeel van redelooze dieren over kunst van menschen. +Het volk kende daar eene zekere waarde aan toe; het oordeelde zoo: "wie +heeft beter kijk op paarden dan een paard, wie beter op vruchten dan +een vogel? Als nu door dezen de gelijkenis in een schilderstuk wordt +opgemerkt, moet ze wel bijzonder juist wezen; geene goedkeuring van +menschen kan voor den kunstenaar zoo vleiend zijn als die van dieren, +mits deze met het onderwerp in betrekking staan." + +Er is nog een oud verhaal van een beroemd schilder. + +Apelles had eene menschelijke figuur geschilderd en stelde die ten toon, +terwijl hij zelf in een verborgen hoekje naar het oordeel der +beschouwers luisterde. Een schoenmaker kwam daar langs en bleef staan. +Zijn blik rustte onderzoekend op de voeten, en hoorbaar mompelde hij +voor zich heen: "Ze zijn te groot, wat zou je een leest moeten hebben, +om daarvoor schoenen te maken." + +Appelles nam den wenk ter harte, en den volgenden dag had hij de +gelaakte lichaamsdeelen iet of wat kleiner gemaakt. + +Weer kwam de schoenmaker voorbij. "Kijk", dacht hij, "Appelles heeft +zijn fout ingezien en verbeterd. Jammer, dat hij nu ook in houding en +gebaar niet wat meer de fierheid van eenen krijgsman heeft uitgedrukt." + Nu werd het den schilder te kras. Hij kwam te voorschijn en voegde den +schoenmaker toe: "Over houding en gebaar zwijg je! Een schoenmaker +blijve bij zijne leest." + +Met deze terechtwijzing is het volk het geheel eens geweest, zoo zeer, +dat de uitdrukking in den vorm van een spreekwoord is blijven +voortleven. De schoenmaker kreeg hetzelfde recht van meepraten als de +vogel en het paard, een recht, dat aan iedereen stilzwijgend is +toegekend: wie door zijn vak verstand heeft van het onderwerp, dat op +een schilderstuk is voorgesteld, heeft bevoegdheid om een oordeel uit te +spreken. + +Dit komt dus hierop neer, dat het stuk pas goed is, wanneer het de +menschen voldoet, die als vaklui verstand hebben van de dingen, die er +op staan. Bijgevolg heeft de beschouwer meer met de dingen dan met den +kunstenaar te maken. + +Grooter dwaling dan deze opvatting is niet denkbaar. Bij elk kunstwerk +is juist de persoon van den maker de hoofdzaak. Hij is het eenige, +waarop men te letten, waaraan men te denken heeft. De vraag is niet, wat +staat er van het ding of van de gebeurtenis op, maar waaruit bespeur ik +den kunstenaar; wat zie ik er in, dat door hem alleen is gezien en +gevoeld; dat ik nu ook wel zie en voel, doch alleen doordat _hij_ het +mij zoo voorhoudt. Alles wat ik van te voren al wist van het ding of van +de gebeurtenis, is op de schilderij bijzaak. Want het is kennis, die +iedereen heeft. En de kunstenaar gaat niet in zijn werk op, om datgene +te vertoonen, wat alle oogen wel zien en alle harten wel voelen. Hij is +juist kunstenaar door iets, wat een ander ontbreekt, door +gewaarwordingen, die een ander alleen door hem kan krijgen. + +Het onderwerp is maar onderwerp. Natuurlijk geeft het den beschouwer +reden tot tevredenheid, als hij met het onderwerp niet in de war zit, +als hij alles een naam kan geven en van alles de gedaante en den vorm +herkent. Maar van meer belang is het, dat hij zich rekenschap geeft van +datgene, wat niet het onderwerp, maar wat de kunstenaar laat zien. Het +verwondert ons daarom van Apelles, dat hij zooveel aandacht schonk aan +de opmerkingen van eenen schoenmaker over de voeten van zijne figuur. +Eerder zou men verwacht hebben, dat hij luisterde, toen die een oordeel +uitsprak over dingen, die buiten zijn vak en zijnen werkkring lagen. + +Bij het beschouwen van werk van Rembrandt zullen wij goed doen, als we +deze onderscheiding in het oog houden: wat stelt het voor, en waaraan +bespeur ik, dat een buitengewoon oog dit onderwerp bekeken heeft. + + * * * * * + + + + +DE OPWEKKING VAN LAZARUS. + + +De eerste prent draagt tot onderschrift: "De opwekking van Lazarus." + +Op de vraag, _wat_ er op staat, vinden we in den Bijbel het antwoord, en +wel in het Evangelie van Johannes, daarvan het elfde hoofdstuk. + +[Illustration: Opwekking van Lazarus.] + +Volgens dezen tekst moet de plaat te zien geven: den gestorven Lazarus, +liggende in het graf, den Heer Jezus, de zusters, de vrienden en de +discipelen staande daar rondom. Bovendien lezen we er, welke handeling +ieder der aanwezigen verricht. + +_Hoe_ staat een en ander er nu op? Hoe zijn de figuren geteekend? Hoe +wordt datgene voorgesteld, wat elk figuurtje, volgens den aangewezen +tekst, moet verrichten? Laten we met Lazarus beginnen. Na hem komen de +anderen wel aan de beurt. + +Is er in de teekening van deze lijntjes, streepjes en krabbels iets, dat +we buitenwoon vinden, dat wij zelf niet in ons hoofd hadden, als +Rembrandt het ons niet zoo vertoonde. + +De figuur van Lazarus is in blanke tint uitgebeeld; ook de steenwanden, +waar hij tusschen ligt. Het is, alsof zijn lichaam in teerheid en +witheid één geheel vormt met het gesteente, alsof hij reeds een +bestanddeel vormt van den schoot der aarde, waaraan zijne bloedverwanten +hem hebben toevertrouwd. Nauwelijks onderscheidt zich zijn gestrekt +liggend lijf van de groeve; als mensch was hij uit stof gemaakt; +gestorven zijnde, is zijn stoffelijk omhulsel oogenschijnlijk al bijna +weer in het stof opgenomen. De blankheid van het gewaad is zoo ongerept +gehouden, als maar mogelijk was. Al de aanduidingen van kreukjes en +plooien, van vouwen en rimpels zijn uiterst teer geteekend om niet te +veel zwart aan te brengen. Bijna ongemerkt loopt de lijn voort, die den +steenwand op den voorgrond afscheidt van de figuur. Even ongemerkt zien +we de linkerhand langs den anderen wand tastende zoeken naar steun. In +lijnwaad gewikkeld, onderscheidt de arm zich bijna niet van het +gesteente; toch krijgen we wel de gewaarwording, dat onder al de plooien +van de stof dat lichaamsdeel zich beweegt, zich opheft en voortschuift. +Zoo ook, dat onder het doodskleed het lijf zich opricht, zich kromt. In +de richting van de voeten is alles nog rust; daar smelten, om zoo te +zeggen, stof en stof nog in een. Maar het hoofd en de hals hebben zich +reeds losgemaakt van den schoot der aarde. Daar zijn de afscheidingen +door den teekenaar duidelijker gegeven; scherpe schaduwkanten loopen +langs schouder en afhangend haar, terwijl voorhoofd, gelaat en +linkerschouder in fijne blankheid afsteken tegen een hoekje donkeren +rotswand. Waar het leven terugkeert, scheidt zich het lichaam het eerst +en het duidelijkst af van de aarde. Door de oogharen bezien, zal het ook +lijken, alsof het hoofd zich opbeurt uit den bodem, alsof het zich +daarvan losmaakt. + +Zie, dit zijn geen dingen, die ieder lezer van het Evangelie van +Johannes in zijne verbeelding ziet. Ook is het geen bewijs van +buitengewone getrouwheid in het uitbeelden van een lichaam dat in een +graf ligt; want in werkelijkneid zal er wel altijd juist eene scherpe +tegenstelling zijn tusschen de reine, witte gewaden en de donkere +aardkluiten of rotsmuren. Het is een wijze van zien, die ons +rechtstreeks aan Rembrandt zelf doet denken. Alles _was_ niet zoo, en +alles staat niet zoo te lezen in de Schrift; hij _zag_ het zoo. In deze +manier om de grafligging te zien leeft hij voort. Sedert hij het zoo +gewaar werd voor zijn geestesoog, zien wij het ook, maar alleen door +hem. + +Aangrijpend is het, te zien, hoe op het gelaat zich het wederkeerende +leven openbaart. + +Het oog, dat in de diepe oogkas ligt weggezonken, opent zich en ontvangt +wel de eerste lichtstralen, maar besef heeft het niet. Wezenloos en +smartelijk staart het voor zich uit, het ooglid is zwaar en loom en +schijnt gereed om weer toe te vallen, gelijk het reeds voor eeuwig +scheen toegevallen te zijn. Flauw en gebroken is even de oogappel +aangegeven. + +De mond is maar niet zoo een zwart streepje of een vlekje; hij heeft, +hoe klein ook van afmetingen, eenen bepaalden vorm, en eenen vorm, die +iets uitdrukt. Is het niet de eerste ademtocht, die we hier zien? +Stroomt niet de levenslucht naar binnen in ademhalingsruimten, die reeds +bestemd waren om geen adem meer te bevatten, en die ook reeds afgeplat +en naar binnen gebogen neerlagen. Pijnlijk volbrengt de mond deze eerste +levensuiting, maar zonder bewustzijn, zonder besef. + +De wangen zijn mager en hoekig, de onderkaak scherp afgeteekend, de neus +smal en ingevallen. Het oor zit maar nauwelijks nog aan het hoofd, +zooals we dat bij zieken waarnemen, die langzaam wegteren. Ook het +halsje draagt de sporen van lijden; diepe groeven en rimpels strekken +zich uit van boven naar beneden, en bij de kaak, van links naar rechts. +Te zwak is het, om het hoofd te dragen; terwijl dit zich opricht, helt +het machteloos naar links over. + +Zoo bespeuren we in elk onderdeel van deze figuur de aandoening van den +teekenaar. Het feit, dat geteekend moest worden, de opleving van iemand +uit zijn graf, stond vast. Dat het vreeselijk moet zijn geweest, om deze +gebeurtenis mee aan te zien, stond ook wel vast. Maar nu komt de +kunstenaar en houdt er zich mee bezig. Hij voelt het vreeselijke zoo +sterk, zoo overweldigend, dat het kleinste krabbeltje, wat hem uit de +hand vloeit, nog uiting geeft aan dat gevoel. En wij, de beschouwers, +komen daardoor tot de erkenning: alles op zoo'n gezicht moet dien indruk +hebben gemaakt; bij zulke oogen zoo'n mond, zoo'n neus, zoo'n hals en +zoo'n houding. + +Laten we de proef eens nemen, of het echt is, wat we opmerken. Door met +een paar stukjes papier de overige deelen van de plaat te bedekken, +houden we Lazarus alleen over en kunnen nu beoordeelen, of in hem +uitgedrukt is, hoe het feit zich toegedragen heeft. We zien +onmiskenbaar, dat het figuurtje, wat zich hier opricht, iets vreeselijks +doormaakt; dat het maar niet iemand is, die in zoo'n groeve te slapen +lag en zich nu opricht; dat de wezenloosheid op het gezicht niet de +uitdrukking is van een half slapende of van een, die bijvoorbeeld onder +den invloed van sterken drank is. Alles is zoo sterk van aandoening en +grijpt zoo aan, dat alleen deze figuur voldoende zou zijn om de tekst +uit het Evangelie van Johannes te illustreeren. + +Nu de figuur van Jezus. Zooals Hij daar staat, naast het geopende graf, +is alles waardigheid en hoogheid aan Hem. We zien Hem als eene gestalte, +wie langs den rug de mantel in ééne groote beweging tot den grond +afhangt. In zoo'n rijzigheid stellen we ons gaarne voor, iemand, die als +verrichter van groote dingen optreedt. De opgeheven linkerhand, ofschoon +de vingers niet mooi zijn geteekend, begeleidt in grootsch gebaar de +woorden: "Lazarus, kom uit!" Rustig en vol majesteit wacht Jezus de +uitwerking af. Bij Hem geene verbazing, verrassing of ontzetting over de +herrijzenis; bij Hem slechts verzekerdheid, dat nu gebeuren zal, wat Hij +gebiedt. + +Eene groote tegenstelling is er tusschen dat rustige staan en de +omringende aandoeningen. Om dit duidelijk te voelen, nemen we een stukje +papier en leggen het zoo over de prent, dat de gestalte van Jezus aan +ons oog onttrokken wordt. + +Het geheel is nu een druk tooneeltje geworden. De omstanders geven op +eene in 't oog loopende wijze uiting aan hun gevoel. Ze herinneren ons +aan voorvalletjes, die we langs straat en gracht wel eens waarnamen, +bijvoorbeeld als er iemand in het water viel; dan waren de menschen ook +verschrikt, je hoorde ze door elkaar gillen, hard wegloopen, +achteruitdeinzen, om hulp roepen, de handen uitsteken en op andere +manieren zich lawaaierig aanstellen. Zoo'n volksoploopje met druk +gedraai van lijven en gewring van handen blijft er van de prent over, +als we die eene figuur er uitnemen. + +En met deze figuur, is alles plechtig en grootsch. Het statige dringt +het drukke gedoe van de omstanders op den achtergrond. We denken niet +langer aan onbeduidende straattooneelen, maar we krijgen weer den indruk +van eene testamentische, eene aartsvaderlijke geschiedenis. Het +oploopje, dat zoo in het voorbijgaan even de menschen in beweging +bracht, is eene gebeurtenis geworden voor alle tijden, eene bladzijde +uit de boeken der eeuwen. We behoeven de bijbeltekst niet te kennen, om +reeds bij den eersten blik te begrijpen, dat dit voorval iets bijzonders +is, iets groots, iets dat invloed zal hebben op geslachten en +nageslachten. + +Waaraan is dit anders toe te schrijven, dan aan de majesteit, de +verhevenheid van de gestalte, die naast het graf van Lazarus staat! + +Toch spreekt uit de teekening ook eene verkeerde neiging van Rembrandt. +Hij zet zijne figuur daar neer, alsof ze een tooneelheld is; met +sierlijk gebaar wordt de eene hand in de zij gezet en de andere met wat +erg veel vertooning omhoog geheven. Hij overdrijft het grootsche en +maakt er eenigszins comediespel van. We mogen deze opmerking gerust +maken; al is het onderwerp aan de Heilige Schrift ontleend, wij spreken +niet daarover maar over den teekenaar. + +Zijn streven om het mooi te maken blijkt bijvoorbeeld heel duidelijk uit +de plooien, waarin de rechterhand den mantel heeft opgenomen. De zeven +bochten maken den indruk, dat ze in stevig metaal of karton zijn +gebogen. Niet aangenaam is het, dat we een paar dergelijke plooien op +den achtergrond aan den linker kant in eene groote draperie terugvinden. +Het lijken wel oude bekenden uit gordijnenwerk van menschen, die onze +kamers stoffeeren. + +De indruk, dien de opwekking van den gestorvene op de omstanders maakt, +is in allerlei verscheidenheid weergegeven. Het liefste is ons het +vrouwenfiguurtje rechts op den voorgrond. Het staat in schaduwgedaante +voor het felle zonlicht, dat van buiten af in de groeve doordringt. Met +spanning ziet het vrouwtje de levensverschijnselen op het doodengelaat +terugkeeren. Doch met eene spanning, die ingehouden wordt. Het +rechterhandje legt zich zelfbedwang op, om nog geen uiting te geven aan +de vreugde, om nog af te wachten. Te groot is het wonder, te groot het +geluk, om reeds te kunnen gelooven. Van innigheid en liefde getuigt deze +ingehoudenheid, meer dan de uitgelaten gebaren der anderen. Ook de +plaats, waar dit figuurtje zich bevindt, aan het voeteneinde van het +graf, afgescheiden van de overigen, is iets aparts. + +Van de overige personen geeft ieder, op eigen wijs, in +gelaatsuitdrukking of handgebaar uiting aan zijne gewaarwordingen. +Schrik, ontsteltenis, verrukking, ongeloovigheid en afschuw, iedere +aandoening vindt hare vertolking. Wantrouwen zelfs, en de nuchtere +berekening, hoe dit verrichte wonder als een wapen tegen Jezus gebruikt +zal kunnen worden. + +De verlichting, waaronder deze figuren zijn geplaatst, heeft eene +grootsche werking. Het ongeoefend oog zal bij den eersten aanblik +misschien den indruk krijgen, dat de kunstenaar groote vlakten in zijn +werk wit heeft gelaten en dus nog niet heeft bearbeid, alsof de +teekening onvoltooid is gebleven. Maar tusschen de oogharen door gezien, +gaat er een licht op. De ruimten, die niet met zwarte lijntjes zijn +gearceerd, blijken verlicht te zijn. + +Door de opening van het rotsgraf vallen zonnestralen naar binnen en +spreiden hunne helderheid over de groeve en den rotswand, over Lazarus +en de groepjes terzijde van het graf; ook over het front van den Heer +Jezus, terwijl daarenboven de achtergrond rechts in lichtelaaie schijnt +te staan. Steeds door de oogharen moet men zien, hoe, daarbuiten, die +gloed naar boven toe in ijle en zware wolken opwasemt, hoe, met het +onhandelbare middel van harde zwarte krassen, de luchtigheid van +opdampende lichtnevelen is verkregen. De tot het leven terugkeerende +Lazarus is het middelpunt van de zonnebestraling, en als verlegen ligt +hij onder de glorie van het grootsche licht, waarin hij ontwaakt. Zijne +kleine machtelooze figuur wekt in dien gloed nog te meer ons medegevoel +en medelijden op. Hij is het middelpunt niet slechts van de blikken der +omstanders, maar ook van de binnenvallende zonnestralen. En onze blik +dwaalde eveneens het eerst en het laatst naar hem. + + * * * * * + + + + +EENE LATERE OPWEKKING. + + +Vele jaren later heeft Rembrandt voor de tweede maal het onderwerp "de +opwekking van Lazarus" behandeld. We zullen deze plaat met de vorige +vergelijken, om de verschillen vast te stellen, en de oorzaken van de +verschillen op te sporen. Het ligt voor de hand om te zeggen: "als een +groot teekenaar iets aflevert, levert hij het af, zoo goed als in zijn +vermogen ligt, hij kan het een tweede maal dus niet beter, tenzij het +den eersten keer gebrekkig is geweest." De vergelijking zal echter +leeren, dat dezelfde kunstenaar een zelfde onderwerp anders _moet_ +behandelen, indien er later andere gevoelens in hem omgaan. Dat dus de +levenslotgevallen invloed hebben op het werk. + +We herkennen weer een rotsgraf; maar nu met uitzicht op een landschap +met geboomte; daarachter, op een berg, verrijst eene stad; verder, +evenals op de eerste plaat, een groep omstanders, de Heer Jezus en de +verrijzende Lazarus. Ook hier beschijnt het zonlicht een deel van het +tafereel, maar het is minder opzettelijk, minder bepaald op de plek +gericht, waar het wonder geschiedt. En het is thans niet het ontwaken +uit een pijnlijk diepen slaap, wat de kunstenaar ons voor oogen stelt, +maar de groote bevreemding van den ontwakende. Lazarus begrijpt niet, +wat er voorvalt. Hij kent den persoon niet, die tegenover hem staat, hij +herinnert zich niet, wat met hem gebeurd is. De mond, die de eerste +levenslucht heeft ingeademd, blijft sprakeloos halfgeopend staan, en is +vol verbazing. Met moeite en scheef richt het lijf zich half overeind. +Er is eene ontzetting van zoo het middelpunt te zijn van aller aandacht, +zonder nog te begrijpen waarom. De zintuigen zijn ontwaakt en nemen +reeds waar, maar de herinnering, de kennis, het innerlijk leven, moeten +nog terugkeeren. + +Rembrandts bedoeling is dus eene andere geweest dan in zijne eerste +"Opwekking", en begrijpelijk zien we die bedoeling voor ons. + +In de figuur van Jezus missen we thans het verhevene, het goddelijke. +Ook in het gelaat. Dit komt geheel niet overeen met de mooie gezichten, +die we van den Zaligmaker zoo wel eens op platen hebben gezien. Men zou +het bijna een ongunstig uiterlijk kunnen noemen. Maar er is één trek in, +waardoor we voor deze voorstelling van Jezus meer voelen, dan voor de +eerste. Het zijn de goedheid en de zachtheid, die hier spreken. De half +neergeslagen oogen, het even gebogen hoofdje, het bijna verlegen +afgewende gelaat, alles draagt daarvan de uitdrukking; de rechterhand, +niet vast en krachtig tot vuist gebald, maar zacht en mild, en nauwlijks +toegesloten; de linker, die op de eerste prent vol grootheid zich opheft +bij het veelzeggend woord, maakt hier een vriendelijk, bijna weifelend +gebaar, niet verder dan ter hoogte van de borst opgeheven. + +[Illustration: Latere opwekking (1642).] + +De opwekking is zoo geene uiting van goddelijke macht, geen wonder, om +er ongeloovigen mee tot bekeering te dwingen, maar ze wordt eene daad +van goedheid, van medegevoel voor hen, die bedroefd om het graf stonden, +een daad van liefde en van innigheid. Wel is waar zal men op de eerste +prent allicht de gestalte grootscher en mooier vinden; maar innerlijk +laat ze ons koud. Ons _gevoel_ wordt meer getroffen door de uitdrukking +van zachtheid op de tweede; door het echt menschelijke en vriendelijke +van den Heer in den omgang met menschen. + +Rembrandt is teruggekomen van het ontzaglijke tot het gewone. Ook in de +omstanders. Wel staan ze, evenals op de eerste plaat, ontdaan, +getroffen, verbaasd, maar geen een slaat er meer een gat in de lucht met +zijne handen. De teekenaar heeft zich weten te matigen, hij blijft +sober, eenvoudig en kalm. Aan gevoel ontbreekt het hem echter niet: men +zie slechts het gelukkige gezicht van het vrouwtje, dat naast Jezus +staat. En wat heft ook het mannetje aan Zijne linkerhand de handjes in +juistheid van gevoel: er is verbaasdheid over het wonder, in het +vooruitgestoken gezicht zoowel als in de handen; maar de aandoening +wordt met zelfbedwang ingehouden. Ingehouden ook in het geknielde +figuurtje op den voorgrond, dat wel ontzet terugdeinst, maar zich niet +aan groot misbaar te buiten gaat. Ondanks den indruk, dien het wonder op +de omstanders maakt, blijft eene waardige kalmte heerschen. En we maken +de opmerking, dat die kalmte wel past op eene plek, die toch altijd een +graf is. Kalm neemt vooral het oudvadertje het op, dat rechts van Jezus +op een steenblok zit. Hoogstens trekt hij de wenkbrauwen iets meer op +dan gewoonlijk, en stulpt hij zijne uitgezakte onderlip iets verder +vooruit, ten bewijze, dat hij niet volkomen begrijpt, wat hier voorvalt. +Wijsgeerig en onderzoekend rust zijn rimpelig hoofd op de knokige hand. + +Bij de beschouwing van de figuren der omstanders krijgen we den indruk, +dat Rembrandt al het vreemde en ongewone heeft willen vermijden, om des +te dieper te doen gevoelen, welke de uitwerking heeft moeten zijn van +dit wonder op de aanwezigen. Zelfs de achtergrond stemt tot kalmte; in +plaats van laaiende lichtwolken en opwasemende zonneschijndampen vinden +we een vredig landschap met vriendelijk uitzicht op de bergstad. + +De aandoening van grootheid, forschheid, uitgelatenheid en opwinding +heeft plaats gemaakt voor stille ernst en innigheid. Er is over den +teekenaar een zachtheid gekomen en eene mildheid, die ons weemoedig +stemmen. + +In de eerste plaat was hij hartstochtelijk, en streefde hij naar vertoon +van uiterlijke grootheid. Hij moest zich uitspreken met woeste en groote +gebaren. In de tweede is hij innig en gevoelvol; alles lijkt gewoon; +maar er zit teederheid en medegevoel in. In het dagelijksche leven +merken we ook op, dat zij, die bij alles het meeste misbaar maken, niet +juist de naturen zijn, die het diepst voelen. + +Door de twee platen zoo met elkaar te vergelijken, wordt het ons +duidelijk, dat niet de bijbeltekst vaststelt, hoe eene teekening zal +worden. Hetzelfde gegeven kan op twee uiteenloopende manieren behandeld +worden. Wat den doorslag geeft, is de gemoedstoestand van den +kunstenaar. Zooals hij de gebeurtenis voelt, zoo wordt de afbeelding. +Kan men in eene afbeelding niet merken, dat de teekenaar onder den +indruk van eene gemoedsbeweging heeft gewerkt, dan heeft men +waarschijnlijk te doen met een stuk van geringe waarde. + +Eene goede teekening weerspiegelt zelfs de stemming van den teekenaar in +een bepaald tijdperk van zijn levensloop. + +De gebeurtenis, die tusschen de twee bewerkingen van de opwekking van +Lazarus ligt, was wel in staat, om in het gemoed van Rembrandt in te +grijpen. In 1642 ontviel hem door den dood zijne jeugdige echtgenoote. +In de eenzame, slapelooze nachten, die nu volgden, dacht hij aan haar, +en peinsde hij over haar. Is het wonder, dat hij zich de mogelijkheid +voorstelde van een weerzien? Maakte niet de Schrift gewag van een geval, +dat een gestorvene uit den dood herrees en tot de zijnen wederkeerde? +Maar ach, dat kon gebeuren eeuwen en eeuwen geleden! Voor hem geen hoop, +dat Saskia tot hem terug zou komen, om nog op aarde naast hem voort te +leven. Voor hem niets, dan het denkbeeldig geluk, wat het zou zijn, als +_zij_ door Jezus uit het graf werd geroepen met de woorden: "Kom uit!" +De behoefte ontstond, om de opwekking van Lazarus nog eens te +behandelen. Maar nu met andere gedachten. Nu niet om te toonen, hoe +grootsch hij den Zaligmaker vond, en hoe vreeselijk voor Lazarus de +overgang uit het doodenrijk in het leven moet zijn geweest! Nu, om met +zijne gedachten te verwijlen bij het geluk, de blijdschap, de innige +zaligheid, die het herrijzen schonk aan de treurende nabestaanden; nu, +om zich voor te stellen, hoe goed de Heer wel geweest moet zijn, om dit +wonder voor zijne vrienden te verrichten. + +En zie: onder den indruk van deze gedachten bewerkte hij, kort na +Saskia's dood, de tweede plaat. Om die ten volle te begrijpen, moet men +met deze bijzonderheid uit het leven van Rembrandt bekend zijn. Zonder +die kennis zou men kunnen denken, dat de tweede bewerking alleen de +bedoeling had om iets te maken, dat beter was dan de eerste. Ze zou dan +ook van teekening de beste van de twee moeten zijn. Dit ligt echter in +de voorgaande beschouwing niet opgesloten: er is slechts aangetoond, dat +de tweede "Opwekking" inniger, liefdevoller is; en dat we kort na 1642 +niet anders van Rembrandt konden verwachten. + +Wat voor deze prent eene noodzakelijke behoefte gebleken is, eenige +kennis namelijk van de levensgeschiedenis van den kunstenaar,--dat kan +men evenmin bij heel veel ander schilder-en teekenwerk ontberen. Daarom +hebben geschiedvorschers met ijver datgene nagespoord, wat licht kon +verspreiden over zijne levenshistorie. Nog lang is alles niet bereikt; +veel bleef er in het duister gehuld; maar toch zijn er gegevens genoeg +aan het licht gekomen, om te kunnen zeggen, dat we de +hoofdgebeurtenissen kennen. Het is zelfs mogelijk geworden, om gedurende +enkele tijdperken met den schilder alles mee te beleven, wat hij +beleefde; om als het ware naast hem een met hem zijne lotgevallen door +te maken. Onder deze zijn er wel geene, die meer invloed op het gemoed +en op de werklust hebben gehad, dan die, welke hij met zijne vrouw +ondervond. We zullen daarom trachten iets meer van nabij met haar bekend +te worden. + + * * * * * + + + + +HISTORISCHE GEGEVENS. + + +Het was in den zomer van het jaar 1634, dat Rembrandt zich aan den +IJ-kant te Amsterdam inscheepte, om naar Friesland te gaan. De tocht +ging over zee, zooals toenmaals vanzelf sprak. De vervoermiddelen te +land waren slecht, de wegen eveneens, en bovendien was de Republiek nog +in oorlog met Spanje, waardoor een reis over de Veluwe soms onaangename +avonturen opleverde. In 1628 maakte de vijand onder aanvoering van +Cuculi nog strooptochten tot onder de wallen van Amersfoort. De +Zuiderzee daarentegen was veilig; de dagen van Bossu behoorden tot het +verleden. + +De beurtschipper zette onzen schilder te Harlingen aan land. Vandaar +ging het per binnenvaartuig over Franeker naar het weinig bekende dorpje +Sint Anna-parochie, en wel met het doel om er in de echt te worden +vereenigd met eene deftige Friesche jongedame. + +Rembrandts huwelijk is een merkwaardig staaltje van de geschiedenis van +Geschiedenis. + +Men stelt zich gewoonlijk voor, dat de kennis van dit vak uit boeken +wordt opgedaan. De schrijvers dezer boeken hebben op hunne beurt ook +weer uit boeken geput, maar zijn even dikwijls langs anderen weg achter +de toedracht der gebeurtenissen gekomen. + +Niet door overlevering, die van ouder op kind, van kind op kindskinderen +overgaat. Immers, wij in onze dagen, weten meer van Rembrandt,--om bij +hem te blijven--dan onze voorouders uit het jaar 1800, zelfs meer dan +die uit 1700, ja! meer dan Rembrandts eigen tijdgenooten! Zijne vrienden +en kennissen natuurlijk uitgezonderd. Onze kennis kan dus geene +overgeleverde kennis zijn. + +Zoo heeft men honderd en vijftig jaar lang niet met zekerheid geweten, +dat en met wie hij getrouwd is geweest. + +Men vertelde: met eene kleine, dikke boerin uit Raasdorp. Een dorp van +dien naam is er niet. Men begon dus, met maar aan te nemen, dat Ransdorp +was bedoeld, een plaatsje in Waterland. Echter wilde het niet gelukken, +om op te sporen, wie dan die vrouw geweest was. In de stad Amsterdam +snuffelde men allerlei papieren na, om het gewaar te worden. Ook in +Leiden, zijne geboorteplaats. + +Maar vruchteloos. + +Het toeval bracht de oplossing van het vraagstuk. Ver van Amsterdam, in +een vergeten dorpje in Friesland, werd, omstreeks het midden van de +19^{de} eeuw, in de oude boeken van het gemeentehuis, tusschen honderden +aanteekeningen, de ontdekking gedaan van deze regels: + + +"23 Juni 1634 zijn in den echt vereenigd + +REMBRANDT HERMENS VAN RHIJN + wonende te Amsterdam + en + SASKIA VAN ULENBORGH +thans gedomicileerd te Franeker." + + +Toen men nu ook in Amsterdam de papieren en de registers van het jaar +1634 doorzocht, en melding gemaakt vond van dit huwelijk, was de zaak +opgehelderd. Het boerinnetje van Raasdorp bleek een sprookjes-boerin te +zijn. Saskia van Ulenborgh kwam niet uit Noord-Holland en was allerminst +boerin van geboorte. De vader toch was burgemeester van Leeuwarden +geweest. + +Dit bewijst al, dat hij een man van aanzien was. Hij was bovendien +iemand, die wat durfde, daar hij behoorde tot de eersten, die in +Friesland in den Geuzentijd zich tegen den Spaanschen landvoogd +verzetten. Zeer toevallig is hij zelfs voor iederen schooljongen een +bekende, door eene gebeurtenis uit de vaderlandsche geschiedenis, +ofschoon men zijnen naam gewoonlijk niet kent. Zooals men weet, is Prins +Willem I van Oranje in 1584 binnen Delft op het Prinsenhof vermoord. Hij +ontving het doodelijk schot, terwijl hij de trap af ging, na het +middagmaal gebruikt te hebben. Bij dit middagmaal had hij als gast aan +tafel gehad eenen burgemeester van Leeuwarden, die over regeeringszaken +met hem gehandeld had. En deze nu was niemand anders dan de heer Van +Ulenborgh, met wiens dochter Rembrandt vijftig jaar later is getrouwd. +De schoonvader van Van Rijn is de laatste geweest, die met Willem den +Zwijger aan tafel heeft gezeten. Saskia is dus uit eene historische +familie! + +Wat wil het toch vreemd loopen! Menschen, die twintig of dertig jaar na +Rembrandt leefden, wisten niet beter, of hij was gehuwd geweest met eene +boerin. En wij, twee eeuwen later, zijn van zijne huiselijke +aangelegenheden nauwkeurig op de hoogte. _Zij_ vergenoegden zich met een +sprookje, _wij weten_, voor _ons_ is zijn levensloop eene bladzijde +geschiedenis. Zoo gaat het steeds. Eerst gebeuren de dingen. Dan worden +ze vergeten. Er komen geslachten, die zich er niet om bekommeren. +Eindelijk staan er menschen op, die er belang in stellen. Ze onderzoeken +en vorschen na. Een oud papier wordt gevonden, en het verleden is +ontsluierd. + +Er is bijna geene bladzijde in onze historie, of ze heeft hare +geschiedenis. Dikwijls is de geschiedenis van Geschiedenis even +merkwaardig als de Geschiedenis zelf. Dit moge nog blijken uit het +volgende staaltje. + +Nadat de ontdekking van Saskia van Ulenborgh had plaats gehad, zocht men +naar meer gegevens omtrent Rembrandts leven; vooral in de kerkelijke +boeken snuffelden de wijsgeeren. In die van de Westerkerk te Amsterdam, +de kerk, waar in 1667 de groote schilder begraven is, ontdekte iemand, +dat hij eene weduwe had nagelaten met twee kinderen, die onder den naam +Catharina van Wijk beschreven stond. Eene andere, waarschijnlijk dus +eene _tweede_ vrouw! Natuurlijk was de ontdekker met dit nieuws in de +wolken. Gelooven moest men het wel; het stond onweerlegbaar in het +register te lezen. + +Maar wat ontdekte later een tweede wijsgeer, die de registers van de +Westerkerk doorsnuffelde? Zijn blik viel op eene bladzijde, waar het +overlijden en het begraven beschreven stond van den echtgenoot van +Catharina van Wijk. Hier ontbrak echter de aanteekening, dat deze +overledene eene weduwe met twee kinderen naliet, eene aanteekening, die +men juist wel leest op het folio, waar Rembrandts overlijden geboekt +staat. Er moest een abuis hebben plaats gehad. En dit behoeft ons voor +de zeventiende eeuw niet te bevreemden. Zaken van geboorte, huwelijk en +overlijden werden met heel wat minder zorg behandeld dan tegenwoordig. +_Wij_ moeten er voor naar het gemeentehuis, en daar, op de afdeeling +"Burgerlijke Stand", hebben de ambtenaren niet anders te doen, dan te +zorgen voor nauwkeurige registratie. + +In de zeventiende eeuw ging het anders, maar niet beter. De zaken van +den burgerlijken stand werden in de kerken aangeteekend. Wilde men +onderzoek doen naar iemands geboorte-of sterfjaar, dan moest men eerst +trachten gewaar te worden, in welk kerkgebouw hij was gedoopt of +begraven. Zoolang men dit niet wist, richtte men niets uit. De +ambtenaar, die met het belangrijke werk van registratie was belast, +leefde niet voor dit ambt alleen. Zelfs was dit niet zijn voornaamste +werk. Hij was eigenlijk doodgraver van beroep, en kon gewoonlijk beter +met de spa dan met de pen omgaan. Voor vele van deze +waardigheidsbekleeders was het schrijven in de de kerkelijke registers +eene dagelijksche kwelling. De doodgraver van de Westerkerk te Amsterdam +lichtte er zelfs de hand wel eens mee! Hij liet soms aanteekeningen weg, +die niet mochten ontbreken. Voelde hij zich later bezwaard over het +begane plichtsverzuim, dan greep hij pen en inkt en trachtte de fout +goed te maken. Zoo schijnt hij een zwak oogenblik te hebben gehad op den +dag, toen de echtgenoot van Catharina van Wijk werd begraven. De naam +van den overledene werd nauwgezet geboekt, maar dat er eene weduwe met +twee kinderen achter bleef, liet hij maar weg. Eenigen tijd daarna begon +hij zich hierover toch ongerust te maken. Hij sloeg het register op en +zocht den overledene, wien hij te kort gedaan had. Daar hij zich den +naam niet meer herinnerde, moest hij gissen. Gissen doet missen. De +weduwe met hare twee bloeien van kinderen werd bij Rembrandt +aangeteekend, die reeds eenige jaren vroeger gestorven en aldaar +begraven was. Honderd en vijftig jaar lang bleef de groote schilder in +dezen echt vereenigd, zonder dat man en vrouw, en zonder dat vader en +kinderen elkaar misschien ooit gekend hadden. Het huwelijk, door den +doodgraver in alle stilte voltrokken, bleef een geheim, totdat in de +negentiende eeuw de eerste wijsgeer het ontdekte en openbaar maakte. +Toen kwam wijsgeer nommer twee, betrapte den doodgraver op +registervervalsching en plichtsverzuim, ontbond het huwelijk en wees de +twee kleine Van Wijkjes aan den waren vader toe, hetgeen Rembrandt van +de zorg voor hen ontsloeg. + + * * * * * + + + + +REMBRANDT LANDSCHAPSCHILDER. + + +Rembrandt Hzn. van Rijn huwde alzoo in het jaar 1634 op den 22^{sten} +Juni. Hij voerde zijne vrouw naar Amsterdam en betrok de woning in de +Breedstraat, onder welks dak hij zooveel ernstige en gelukkige +levensomstandigheden doormaken zou. + +De Breedstraat, thans een deel van de oude stad, was destijds eene +nieuwe straat, een buitenwijk. In 1631 was Amsterdam opnieuw en voor de +zooveelste maal uitgelegd. De toename van bevolking bleef maar +aanhouden: handel en zeevaart deden schatten toevloeien, de hoop op +fortuin nieuwe bewoners. Nadat de halve cirkel binnen de Heerengracht +volgebouwd en te klein gebleken was, werd een breede gordel van +omliggend weiland binnen nieuwe vestingwerken en eene gracht, de +Keizersgracht, besloten en ter bebouwing bestemd. + +Doch spoedig bleken de Heeren den gordel te smal genomen te hebben, en +maakten ze de fout goed, of trachtten die goed te maken, door aan de +halve maan eene nieuwe verbreeding toe te voegen, begrensd door de +Prinsengracht met hare vestingwerken. + +Het zal den schilder eene behoefte zijn geweest, niet al te ver van de +vrije natuur te wonen. Slechts een paar honderd passen behoefde hij te +maken, dan was hij buiten. Hier kon hij zijn hart ophalen aan het +gezicht op grazige weilanden, van slooten doorsneden, op boerenwoningen, +in geboomte verscholen, aan tal van windmolens, zoowel poldermolentjes +als groote, statig rondwiekende houtzaag-en korenmolens. Vooral deze +laatsten vond men even buiten de stad in grooten getale. Geboortig als +hij was uit eene molenaarsfamilie, voelde Rembrandt zich steeds +aangetrokken tot deze schilderachtige gebouwen. Zijn vader had er een in +Leiden, in het aangrenzende huis was hij geboren en opgegroeid. + +Nog binnen de stadsgracht, op een zoogenaamd bastion van het bolwerk, +dicht bij de Muiderpoort, stond het exemplaar, waarvan hij ons eene +afbeelding heeft nagelaten. + +Rechts zien we het water van de gracht, waarin een visschersbootje met +gestreken mast; op den achtergrond eene boomenrij, misschien een singel, +een wandelpad, dat de gracht aan den buitenkant volgde. Van het water af +loopt het terrein naar links een weinig omhoog, waarschijnlijk naar den +stadsmuur, die de buitenzijde van het bolwerk vormt. Daar, waar de +gracht eene bocht maakt, springt de muur boogvorming vooruit en vormt +een hoog terras, het bastion. Hierop staat de molen met bijbehoorende +gebouwen. In vele steden, die in de 19^{de} eeuw ontmanteld zijn, bleven +de bastions gespaard om aan de molens het voortbestaan te verzekeren. Nu +deze echter door de meelfabrieken doodgeconcurreerd worden, verdwijnen +met hen ook de laatste overblijfselen van de vroegere vestingwerken. +Houtzaagmolens vonden op bastions geen plaats: die moeten laag aan den +waterkant staan. + +De schilderij bewaart ons dus een gezicht op de stad, zooals ze er aan +de buitenzij uitzag. De schilder heeft het tooneeltje zitten aan te +kijken op het lage pad, dat aan den binnenkant van de gracht liep, +tusschen deze en den stadsmuur. Dit blijkt uit de schilderij zelf; die +geeft ons het beeld van wat hij voor zich zag. Terwijl hij werkte en +ijverig zijne penseelen hanteerde, liep het tegen den avond. De hemel +heeft eene lichtende klaarte, alles wat van de aarde is, staat er in +zware kleuren tegen af te steken; alleen het water, dat de klaarheid +weerspiegelt, blinkt helder op uit de donkere omlijsting. Ook het +voetpad, met zijne blanke tinten van zand of platgetreden steenstorting, +is zacht van licht. + +Overigens staat alles in zware grijsheid tegen de heldere lucht. We +voelen, hoe stil en schoon Rembrandt de lichtdiepte van den avondhemel +heeft gevonden. + +[Illustration: Molen.] + +Van linksboven af naar het midden toe, worden de tinten ijler en ijler. +De donkere kleuren, die het geheel aan den bovenkant als een boog +omspannen, dringen het oog steeds meer naar het midden, naar het +vooruitspringende deel van het bastion, waar de hemel in klare +avondzuiverheid tot in verre diepte wegwelft. + +Vòòr die lichtdiepte rijst het zware muurgevaarte omhoog. Langdurig moet +het den schilder geboeid hebben om te kijken naar de breede en hooge +afmetingen van deze aard-en steenmassa, in tegenstelling met de luchtige +doorschijnendheid van den avondhemel. Het was hem als een rotsgevaarte, +als een brok voorgebergte, dat in het water vooruit staat. Het muurwerk +is éen geworden met de aarde; ouderdom en verweerdheid gaven donkere, +diepe kleuren, hier wat lichter, daar wat zwaarder, al naar gelang de +buitenkant meer of minder afgebrokkeld, met mossen begroeid of van vocht +doortrokken was. De bovenrand en de neerdalende zij-lijn missen de +kantigheid en de strakheid van nieuwe steen. Het is, alsof de tijd ze +rond heeft afgesleten; de staande lijn, die rechts den muur begrenst, is +een weinig rond ingebogen en achterover gezakt, waardoor het geheel nog +meer den indruk maakt van een zware massa, die geen steun behoeft, om +zoo in elkaar te blijven hangen. + +Het grasveld, dat den bovenkant bedekt, hangt als een zwaar kleed rustig +over den rand heen. De helling, die links het bolwerk verbindt met het +lager gelegen pad, is een even zware massa als het muurwerk, waar ze +tegenop ligt. Ofschoon niet steenachtig van aard, vormt ze er éen geheel +mee; het gansche terrein is éen groote, breede opheffing geworden van de +aarde; alles ligt in rustig evenwicht tegen elkaar aan: nergens staat +een brok muur of grond los en afgezonderd van de rest. Het penseel wist +er éen klomp van te maken, ofschoon de samenstellende deelen alle zich +zelf bleven, hetzij muur, hetzij grasveld, hetzij voetpad. Ook dit +laatste is in het geheel opgegaan. Wel is het lichter van kleur, zooals +een pad in de schemering als een stille blankheid uit het donker van de +omgeving opblinkt; maar het is geen afgezonderd tooneeltje gebleven; de +blankheid en de donkerte liggen niet scherp naast elkaar. Het verschil +in lichtheid is gering; we krijgen wel den indruk van eene zekere +blankheid, maar dat gedeelte van de schilderij is toch nog vrij donker. +En bovendien is er een overgang, die uit allerlei tusschentinten +bestaat. Kijk maar eens, wat een rommelige ruigte van gras, struiken, +puin of steenbrokken de geleidelijke verbinding is tusschen de twee +partijen. En wat is in het pad zelf de afwisseling mooi weergegeven van +vochtige en droge, van hooge en platgetreden gedeelten, van flauwe +wagensporen, onmerkbare hellingen naar den waterkant, en opstaande +kantjes tegen het grasveldje, links op den voorgrond. Toch bleef dit +éen blanke plek, die zich rustig en vast tegen de oprijzende massa +daarachter vlijt. Men voelt, op wat voor vasten puinbodem de figuurtjes +zich bewegen, die van de hoogte afkomen, of aan den waterkant staan. + +Een vrouwtje ligt linnen uit te spoelen in de gracht. Spelende +verspreiden zich kringen over het spiegelwater. Het trok den schilder +aan, om dit stille bewegen op zijn doek vast te leggen en den indruk te +bewaren. Het golflijntje, dat een voorbijzwemmend eendje of een in het +water geworpen kluitje doet ontstaan, is iets, waarnaar we gaarne stil +en in gedachten verzonken staan te kijken. Zoo ging het Rembrandt ook. +Terwijl hij daar op het lage pad, op eenen vredigen avond, zat te +schilderen, kwam een vrouwtje naar beneden om iets uit te spoelen; een +oogenblik rustte zijn penseel, en volgde zijn oog de kringen, die zich +verspreidden, tot ze tegen het bootje botsten, en daar eenige +krinkeling te weeg brachten in het donkere spiegelbeeld. Het was eene +kleine, onbeduidende gebeurtenis, die de rust van den avond verbrak +zonder ze te storen. En met een paar zwierige, dartele penseelstreken +werd ze snel en juist in beeld gebracht, om den lieflijken, vredigen +indruk van zoo'n schoonen avond te bewaren. De stilte mocht geene +levenlooze eenzaamheid worden; eene uiting van leven moest er zijn, als +maar de rust niet verstoord werd. Lieflijker kon het wel niet, dan het +zachte bedrijf van zoo'n vrouwtje er in te brengen, en het +voorbijgaande, kortstondige opleven van den waterspiegel. + +Wat kunnen we ons zoo geheel indenken in den gemoedstoestand van den +schilder, en een denkbeeld krijgen, hoe vatbaar hij was voor indrukken. +Zonder naar het molentje gezien te hebben, dat anders door vele +beschouwers voor hoofdzaak gehouden wordt, weten we, wat voor hem het +eigenlijke onderwerp was, dat hij schilderde. Niet de inrichting van +zoo'n stads-buitenkant, ook niet de vorm van een molen, maar de vredige, +rustige, kalme stemming van een mensch, die daar zit, en die genieten +kan van plechtige avondstilte, van mooie, klare luchten, boven bijna +ingesluimerde stadsgedeelten. + +Denk toch niet, dat zoo'n kunststuk er is, om even op de vingers na te +tellen, wat er op staat. We moeten er in doordringen, om tot het besef +te komen, hoe de schilder voelde, hoe zijn gemoed door de verschijnselen +bewogen werd. + +Het molentje is maar bijzaak, al is men geneigd, het stuk daarnaar te +benoemen. Het staat er, om midden op het doek een verheffinkje aan te +brengen, en het stond nu eenmaal op het bastion. Bevallig, rank en +rustig is het weergegeven, ofschoon in onzen tijd de schilders er niet +van houden, om op de wieken zoo'n witten glans aan te brengen. Het +balkwerk van den kruistaart zit er handig en gemakkelijk achter tegen +aan. Een klein spetje wit maakt scheiding tusschen boven-en onderstuk, +waardoor de molen een onderkruier wordt. + +Het huizegroepje en een beetje laag geboomte staan gezellig bij elkaar. +Je krijgt net een idee, alsof het een klein dorpje is, het eene dakje +wat hooger of wat lager dan het andere. Het schoorsteentje staat er +bovenuit te steken, alsof het een dorpstorentje wou wezen. Alles werkt +mee om het vreedzame, landelijke uit te drukken. + +Zóó zag Rembrandt nu de wereld. Hij had aan vreemde gebouwen, +wonderlijke rotsen en geheimzinnige spelonken geene behoefte, als hij +natuurgenot wilde smaken. Het meest alledaagsche tooneeltje maakte +indruk op hem. Vandaar zijne geringe reislust. Kunstbroeders achterna te +trekken, de wonderen van Italië te zien, naar de grootsche tafereelen +der Alpen op te kijken, hij voelde er geen behoefte aan. Hij was +huiselijk, bleef gaarne bij moeder de vrouw en vond zijn vaderland een +schoon land. Waartoe zou dan trekken en rondzwalken gediend hebben! + +Het is eene verheffende gedachte, dat hij, die een der grootste +schilders der wereld is geweest, Holland mooi vond. Dat geeft ons moed, +om het met dat vaak verguisde, platte, vlakke polderland toch ook maar +te probeeren. Het moet, blijkens Rembrandts voorbeeld, mogelijk zijn, +het mooi te vinden. Niet het zeldzame, niet het wonderbaarlijke, niet +het verhevene doet 't em; alles, wat vreemde landen aanbieden, kan men +ontberen, mits de goede wil er is. + + * * * * * + + + + +VROUWE SASKIA. + + +Van Rijn behoefde zelfs niet de Muiderpoort uit naar Muiden, naar +Naarden of naar het Gooi te wandelen, om tooneelen te vinden, die hem +boeiden; hij had ze, om zoo te zeggen, naast de deur. En we kunnen ons +denken, hoe hij met zijne jonge vrouw naar buiten wandelde, en het +Friezinnetje attent maakte op al het schoone, wat Amsterdams buitenkant +te zien gaf. Hoe hij, even stilstaande, met een potloodkrabbeltje wist +aan te duiden, wat hem hier of daar het meest trof, of, aan den kant van +den weg zich neerzette en een schetsje maakte, om het Saskia aan te +bieden en haar oog voor natuurschoon te openen. + +Toch trok geen onderwerp den grooten teekenaar zoo aan, als Saskia zelf. +Tot in het oneindige heeft hij haar uitgebeeld, haast dagelijks moest ze +voor hem zitten, en maakte hij haar portret. + +Een luchtig teekeningetje is dat, wat hij maakte kort na zijn trouwen. +Hij schreef er eigenhandig iets onder. Men ziet: schoonschrift is 't +niet. Hij schreef, evenals zijn meeste tijdgenooten, steilschrift; zijn +hand is los en vlug--geen wonder! de hand van Rembrandt!--Wie mocht +meenen, dat je aan de penneschrappen eigenaardigheden opmerkt, die aan +het schrijfgereedschap van die dagen, aan de ganzepen herinneren, hoede +zich voor overijlde gevolgtrekkingen: ditmaal heeft de +teekenaar-schrijver noch potlood, noch pen en inkt, noch krijt gebruikt, +maar eenvoudig een zilveren stiftje, rijn toegepunt, en daarbij een +bijzonder soort papier, op ivoor gelijkend; een schrap met de stift laat +hierop een zwart spoor achter. Een zilverstiftschrift dus, en een +zilverstiftteekening. + +Er staat te lezen: + +"Dit is naer mijn huijsvrou geconterfeit, do sij 21 jaer oud was, den +derden dach als wij getroudt waeren. + +de 8 junijus +1633." + +Den derden dag, nadat ze getrouwd waren; het huwelijk had plaats op 22 +Juni 1634; drie dagen later schreef men 25 Juni 1634. Dat is echter geen +8 Juni 1633. Deze datum klopt niet met de opgave in het kerkregister te +St. Annaparochie. Waar schuilt de fout? In het register? Dat is moeilijk +te gelooven. De koster, die bij de huwelijksvoltrekking het feit +aanteekende, zal toch wel met de almanak bekend geweest zijn. De datum +mag iemand eens voor een oogenblik vergeten zijn, maar een vol jaar +vergist men zich niet. Op de teekening dan? Maar wat voor den koster +geldt, geldt ook voor Rembrandt. Het ging hem zelf aan, van hem kunnen +we ons nog moeilijker eene vergissing denken. Wie van hun beiden heeft +gelijk, wie ongelijk? Dat is een kolfje naar de hand van eenen +geschiedvorscher: uit te zoeken, hoe het mogelijk is, dat Rembrandt, +nadat hij drie dagen getrouwd was, niet op de hoogte van datum en jaar +was. Wie het vraagstuk oplost, kan er eer mee inleggen. + +Wij zien intusschen de teekening verder aan. + +In dit schetsje zit leven. Leven is iets, wat men niet met den vinger +kan aanwijzen of met eenen passer kan nameten, in werkelijkheid evenmin +als in beeld. Maar als we den indruk krijgen, dat er leven in zit, +moeten we het er ook over eens kunnen worden, waardoor die indruk +ontstaat. + +We beginnen met het portretje op een kleinen afstand te houden. Dan +hinderen de arceeringen in het gezichtje ons niet; die lossen zich op in +eene gelijkmatige tint. + +Zie, ze zit nu naar iemand tegenover haar te kijken. Of is de blik op +eenen muur gevestigd? Neen, op eenen persoon. Immers, de oogen staan +schalksch, een beetje spottend. Het dikke randje onder het oog kennen we +wel; dat is een lachje, het is dartelheid. Zoo zit iemand niet op een +stuk muur te kijken. De blik geldt hem, dien ze lijden mag, en dien ze +nu, in haar speelschheid, niet kan nalaten te plagen. Er tintelt iets in +het oog, dat levenslust is. Let eens op, hoe, uit de geschaduwde linker +helft van het gelaat, het oogwit tusschen oogappel en ooghoek speelsch +en blijmoedig te voorschijn licht. Dat wit gelaten plekje draagt er wel +toe bij, om ons den indruk van leven, van vroolijk, schalksch leven te +geven. + +[Illustration: Portret van Saskia.] + +Zit het mondje strak en ernstig af te wachten, wat de teekenaar van de +schets zal maken, of speelt ook daar niet hetzelfde lachje? Voelen we in +den opgetrokken rechter mondhoek niet een beetje spot? Staat daar niet +uitgedrukt: "mij teekenen, dat kun je niet?" Is dat trekje er niet op +berekend, om hem aan 't lachen te maken? Het is, alsof we, tegenover +haar, Rembrandt zien zitten, ijverig in de weer, om haar portret en haar +leven vast te leggen op zijn teekenblad; de mond in ernstige plooi, het +oog bij afwisseling op haar en op zijn werk gericht. En haar zien we +probeeren, om den ernst van zijn gelaat te verdrijven, om door haar lach +ook hem een lachje af te dwingen. Hare schalkschheid, de tinteling op +hare trekken--we weten niet alleen, dat ze _hem_ gelden, we zien er +zelfs _zijn_ ernstig gezicht in; in het spottende en plagerige lezen we, +hoeveel moeite het hem kosten zal, om zich goed te houden, om er nu eens +de gek niet mee te hebben, dat hy haar teekenen wil. + +Zij zit niet vóór ons als eene eenzame, die zich aan onze onbescheiden +blikken blootstelt; ze heeft tegenover zich een, dien ze genegenheid +toedraagt. Het is, alsof we in de ruimte rondom haar de aanwezigheid +voelen van den persoon, tot wien haar glimlach zich richt. Die +aanwezigheid spiegelt zich in haar oogen, om haar mond, op geheel haar +gelaat. Zou die spiegeling niet het leven zijn, dat we in dit portretje +zien? Leven is wel iets vreemds, dat vaak moeilijk nader te bepalen is. +Men kan het soms hebben, dat men eene kamer binnenkomt, waar niemand te +zien is; het vertrek schijnt leeg te zijn, en toch ziet men behoedzaam +om zich heen, want men krijgt een gevoel, alsof er zich een levend wezen +bevindt; men zou gaarne een gordijn oplichten, een kast openen of in een +hoek kijken, om te weten te komen, of daar iemand schuilt. Men voelt +zich door leven omgeven. + +Bij Saskia gaat het niet geheimzinnig toe. Maar ook _haar_ voelen we +omgeven van leven; we kennen dit leven, en we weten, hoe hare gevoelens +zijn ten opzichte van dat leven. Dit alles geeft het portret te zien. +Meer dus, dan enkel een mond, een neus, een paar oogen, en wat verder +het gezicht helpt voltooien. Wat kan het zelfs schelen, of de gelijkenis +van deze onderdeelen volkomen is. Er zit iets in, dat van hoogere waarde +is, iets waarom we het een lief portretje vinden. + +Rembrandt moet dit wel goed begrepen hebben, als hij Saskia aanzag. Want +wat heeft hij in de eenvoudige krabbels en krasjes deze dingen zuiver +laten voelen; en nog wel dingen, die men niet onder woorden kan brengen +of in lijnen kan aanwijzen. + +Er is nog iets in Saskia, dat hem niet ontging, en wat het portret nog +meer liefs geeft. Zij let niet op zichzelf. Ze gaat niet parmantig +zitten met het idee: nu moet ik er mooi opkomen; en evenmin met het +tegenovergestelde idee: het kan me niet schelen, hoe ik er op kom. Je +kunt heelemaal niet zien, dat ze opzettelijk eene houding aanneemt. +Zooals zij zit, zoo zit iemand, wanneer hij van eene lange wandeling +thuiskomt. Men valt dan even op eenen stoel neer, om uit te blazen, +voordat men van kleeren verwisselt. Zonder erg komt de hand onder het +hoofd; het hoofd leunt er wel niet op; zie maar, de hand raakt het +nauwelijks aan, maar het geeft eenigen steun en de arm vindt het een +gemak om even op de tafel te rusten; iets waaraan de andere ook behoefte +heeft; die ligt er languit over heen en is zelfs niet hupsch genoeg, om +het roosje rechtop te dragen. Zoo laat men een bloem hangen, als de hand +moe wordt. + +Beide ellebogen rusten op de tafel. Netjes is 't niet. Dat zal vrouwe +Saskia ook wel weten. Maar ze kwam vermoeid thuis, en dan is het +verleidelijk om eens op je gemak te zitten. Niet recht op en neer, maar +het bovenlijf voorovergezakt; de borst zoo'n beetje tegen den tafelrand. +De kleeren wat losgemaakt en den hoed nog op 't hoofd. + +Wie zich zoo neerzet, neemt niet plaats om uitgebeeld te worden, maar +gaat zonder erg zitten, omdat zitten aangenaam is. Die let niet op +zichzelf, op houding en postuur, maar geeft zich, zooals ze is. Die gaat +zoo zitten, omdat zij bij haar echtgenoot is, en niet in gezelschap van +menschen, die altijd op fatsoen en behoorlijkheid letten. + +Het is deze argeloosheid, die onze teekenaar in zijne vrouw zag; en hij +gaf ze ons duidelijk in lichaamshouding, in armlegging, in handgebaar, +zelfs in het roosje te verstaan. Want dit roosje hangt net zoo over de +tafel heen als Saskia zelf. + +Eigenlijk is deze trek in haar dezelfde, als die, welke uit haar gelaat +sprak. Beide komen ze voort uit een gevoel, dat haar aangenaam was: ze +voelde zich prettig en op haar gemak, zoo bij haar beroemden heer +gemaal. Ze geneert zich niet, hem lachend in de oogen te zien, en +evenmin om het zich gemakkelijk te maken. Ze acht zich veilig voor +onbescheiden blikken en onbescheiden op-en aanmerkingen. + +Het trekt ons in haar aan, dat ze zich zoo argeloos onschuldig geven kon +aan den teekenaar; dat ze zelfs op dit oogenblik niet dacht aan nette +houding, aan gezicht-in-de-plooien, aan toilet of kapsel. + +Ongetwijfeld is hier de verklaring te zoeken, waarom we het beeld lief +vinden, en waardoor het ons bekoort. + +Daar komt nu nog iets bij, dat op den teekenaar betrekking heeft. + +Het schetsen van een portret ging hem zoo gemakkelijk van de hand, dat +zijne gedachten eigenlijk met dit werk alleen niet gevuld waren. Hij +behield een open oog voor de eigenaardige wijze van doen, zooals die op +te merken was aan zijn model. Onderwijl hij omtrekken van gezicht, hoed, +hoofd, lichaam, armen en handen zette, zag hij zeer goed, hoe weinig +acht Saskia op zichzelf sloeg, hoe weinig ze aan zichzelf en hoe zeer ze +aan hem dacht; hoe ze zich volkomen onbespied achtte, ofschoon tegenover +hem zittende. Hij zag dit in hare trekken, in hare houding, in den arm, +zooals die op de tafel lag, hij zag het in alles. En al schetsende, gaf +hij in elke lijn de uitdrukking van het vertrouwelijke, dat hij in haar +zag. De vriendelijkheid van hare verschijning, niet voor een ieder, maar +voor hem alleen, wist hij uit te teekenen. Hij wist, dat die eigenschap +van haar wezen kon verdwijnen, als anderen om den hoek gluurden. Hij +wist, dat zijne teekening bestemd was, om gezien te worden, en dat dit +streed met hare vertrouwelijkheid. Toch bracht het hem niet in +verwarring; hij zette het denkbeeld, dat anderen zouden zien, van zich +af en ging voort, om den indruk vast te houden en in beeld te brengen. +Met oogen en handen arbeidde hij, om de uiterlijke vormen op papier te +zetten, en intusschen bleef hem het besef bij, van de vertrouwelijkheid +tusschen hem en haar. En, arbeidende aan de vormen, schreef hij +eigenlijk in leesbaar schrift al maar door over die vertrouwelijkheid. +Niet meer de lichaamsgedaante behandelde zijn teekenstift, maar hoe zij +over de tafel heen naar hem toe gebogen lag; niet meer haar beeld, maar +hoe in dat beeld de ziel, het leven zich afspiegelde. + +Lang behoefde hij aan zoo'n schetsje niet te werken: alles is los en +vlug op papier geworpen. En toch raak en goed. Men lette bijvoorbeeld +eens op de zwierige lijnen, die de rechtermouw weergeven; in éen veeg +zijn ze opgezet, en in die éene veeg geven ze meteen aan, hoe in de +buiging, bij den elleboog, het kleed in breede plooien valt. Of op de +teere schrapjes van het linkerhandje, hoe als vanzelf de pink achterover +buigt. Het is een genot, om de bewegelijkheid van al die lijnen te +zien. In een photographisch portret ontbreekt dit. Men vindt er ook +niets aan, het te bezichtigen, tenzij men den persoon kent. + +Het is waar, dat de photographie nauwkeuriger en precieser in +kleinigheden is; dit weegt echter niet op tegen de uiting van echt +leven, die een teekenaar in zijn werk neerlegt. We beklagen de eeuw van +Rembrandt niet, omdat ze het zonder de camera obscura moest stellen, en +zich behielp met handgemaakte afbeeldingen, integendeel, we achten haar +gelukkig en betreuren het, dat later een werktuig is uitgevonden, +waarmee aan kunstenaars het werk uit de hand genomen en het brood uit +den mond gestooten is. Wel kunnen we thans voor weinig geld portretten +hebben van allen, wien we genegen zijn, en wel gelijken die zóóveel, dat +we de personen herkennen, maar ze zijn er naar! Het leven ontbreekt, en +ook datgene, wat we, na langen omgang, in gelaat, houding, gebaar en +lichaamsbouw hebben leeren opmerken. We zijn tevreden met den juisten +vorm van oogen, neus, mond en kin, we eischen niet meer; sedert de +zeventiende eeuw hebben de menschen zich leeren tevreden stellen met +afbeeldingen zonder het schalksche leven, zonder tintelenden +oogenopslag, zonder gemoed en karakter. Misschien zijn er zelfs reeds +menschen in onzen tijd, die aan hunne bloedverwanten en vrienden deze +eigenaardigheden niet eens meer opmerken. + +Het is best mogelijk, dat de kunst van photographeeren ons +gezichtsorgaan voor nauwkeurige waarneming van menschen en hunne +levensuiting heeft afgestompt. + + * * * * * + + + + +KLEINE TITUS. + + +[Illustration: Titus van Rijn.] + +Laten we naast Saskia nog eens nemen deze afbeelding van Titus, het +zoontje van Rembrandt. Dan zal ons blijken, dat ook hierin dingen +voorkomen, die een photographisch portret niet kan geven. + +Het ventje zit echt lekker op zijn gemak. Hij zoekt dit op kinderlijke +manier. Een volwassene gaat er anders bij zitten: niet zoo met het hoofd +in de nabijheid van de handen, en niet zoo in elkaar gedoken op den rand +van eene schoolbank of een raamkozijn liggende. Het omgebogen +polsgewricht van het rechterhandje is echt kinderlijk, ook de duim, die +het hoofdje steunt en een kuiltje in de kin drukt, waardoor de mondhoek +een beetje omhoog geschoven wordt! Daar behoort precies bij, die manier +om eene pen vast te houden, als men zit na te denken over hetgeen +geschreven moet worden. En zie eens het linkerhandje! Het komt net te +voorschijn, zooals we dat soms zien bij een poesje, dat behagelijk een +breed, mollig pootje vooruitsteekt. De heele figuur, het verlichte +driehoekje van gelaat, handen en boek, heeft iets poezeligs over zich. +Dit neemt dadelijk in voor het ventje. Het is ons onverschillig, of +oogen, neus, mond, gezichtsvorm en haar nauwkeurig gelijken, er is, +buiten dat, iets aantrekkelijks in. Het portretje geeft ons te zien, hoe +de vader zijn kind soms kon aantreffen, als het in school of thuis in +een hoekje te leeren zat. De houding moet indruk op hem gemaakt hebben, +want, toen hij ging schilderen, stelde hij zich het kereltje zóó voor. + +Het is niet waarschijnlijk, dat hij, zooals onze photograaf zou doen, +gelastte: ga nu zus of zoo zitten. Immers, dan wordt alles stijf en +houterig. Hier was geen afspraak; zonder erg zit Titus op zijn gemak na +te denken en voor zich uit te kijken, en argeloosheid kon de vader hem +niet als bevel opleggen. + +Dat we hem onbespied kunnen beschouwen, is juist het aantrekkelijke. +Want nu komt zijn ware aard aan den dag: zijne neiging namelijk om knus +en gemakkelijk ineen gedoken te zitten. Hij verloochent daarin niet, dat +hij een kind van Saskia van Ulenburg is! + +Het aantrekkelijke wordt nog verhoogd door de groote, donkere kijkers en +de lange, weelderige lokken. Bovendien vinden we het aardig, zoo +toevallig eens iets te zien, dat op het schoolgaan en het leeren in de +zeventiende eeuw betrekking heeft: een bundeltje vellen papier ligt op +een opengeslagen boek; de inkt,--het zal wel zelfgemaakte inkt wezen, +want dat was het gewoonlijk,--bevindt zich in eenen koker, die aan een +koordje of kettinkje hangt. Dit gerei droeg de leerling mee naar school +en zeulde er mee rond door huis; overal waar hij zich neerzette, om te +schrijven, had hij het bij zich; als hij voor het open raam plaats nam, +kon het best gebeuren, dat hij achteloos den inktkoker uit het raam heen +en weer liet bungelen. Ingenaaide schriften waren niet zooveel in +gebruik, als losse bladen papier. Deze omstandigheid gaf hier den +schilder gelegenheid, om te laten zien, hoe de velletjes soms plat op +elkaar, soms met eene gapende opening er tusschen kunnen liggen. + +Met Titus er bij hebben we nu den kleinen huiselijken kring compleet, +waarin Rembrandt anno 1642 leefde. We moeten echter bedenken, dat de +zoon nog heel klein was, toen Saskia overleed; de moeder heeft hem nooit +gezien, zooals de vader hem hier afbeeldt. + +In de portretten van vrouw en zoon heeft hij wel duidelijk uitgedrukt, +met hoeveel hart hij aan beide hing, hoe gelukkig hij zich aan den +huiselijken haard voelde, toen Saskia nog leefde. Ook zal hij innerlijk +bewogen geweest zijn, als hij later het kind uitbeeldde en opmerkte, hoe +hare geaardheid, hare natuur daarin voortleefde, toen zij reeds lang +ter ziele was. + + * * * * * + + + + +ACTIE. + + +Naast elkaar zijn hier gesteld twee groepjes van twee personen, die +eenige woorden met elkaar wisselen. Het eene stelt voor een Amsterdamsch +burger uit het jaar 1633, scheepsbouwer en teekenaar van +scheepsontwerpen van beroep, met zijne vrouw, die een briefje binnen +brengt. Het andere is Michiel Azn. de Ruyter, in gesprek met zijnen +stuurman Zeger. Al dadelijk valt het op, dat De Ruyter en Zeger, elk met +een paar gelijke platvoeten en een paar zwarte kuiten, recht op en neer +naast elkaar staan. Beider onderstel, met en benevens de wijde broeken, +schijnen naar een en hetzelfde model te zijn gevormd. De enkels zijn te +dik, en evenveel te dik, het aanzwellen der beenen, naar boven toe, gaat +gelijk in zijn werk, de broeken hangen er gelijk om. Vervelend is het +verder, dat beide gelijkelijk het front naar elkaar draaien, en dat ze +beide den naar elkaar gekeerden arm schuin omlaag, den anderen arm +opgeheven houden. + +[Illustration: De Ruyter en Zeger.] + +De Scheepsbouwmeester en zijne vrouw zijn zonder zulke toevalligheden +tot een groep bijeengebracht. De houding van de handen der vrouw laat +zich zeer goed met die van De Ruyter vergelijken. Zij houdt met de +linker kloek en ferm de klink van de deur omvat, niet nuffig en met +opzettelijke bevalligheid, maar zooals eene degelijke huisvrouw in +drukke bezigheden alles doet. De Ruyter doet iets, dat, op zichzelf +beschouwd, een daad is van kloekheid, van moed en van durf. Eigenlijk +moest hij dus ook onverschrokken met de linkerhand naar den Engelschman +wijzen, dien hij tot partuur heeft gekozen. Maar hoe is dit op de plaat +uitgedrukt? De wereldvermaarde zeebonk steekt een blank, mollig, klein +handje uit, de arm is slap en zonder fierheid opgeheven, het +wijsvingertje bij het jongejuffrouwenduimpje wijst op kromme manier iets +aan. Men zou haast denken, dat mijnheer Zeger heeft gevraagd: "Hoe loop +ik het kortst van hier naar de Kipstraat?" en dat een voorbijgaand, +ziekelijk oud heer met een pijnlijk gezicht antwoordt: "Hier links den +hoek om." Waarop gemelde heer Zeger met vriendelijk gelaat voor de +bekomen inlichting bedankt, beleefd den hoed licht, en den ouden heer +eene prettige wandeling toewenscht. + +Zoo kan geen De Ruyter het vermaarde commando hebben gegeven, zoo strekt +geen held met gebiedend gebaar den arm. + +[Illustration: Scheepsbouwmeester en vrouw.] + +De rechterhand is niet beter van teekening. Misschien loopen er +verwaande menschen rond, die op deze manier met gebogen polsgewricht den +knop van een wandelstok omvat houden, maar van onzen Vlissinger Michiel +gelooven we het niet. + +Zie daarentegen, hoe het vrouwtje haren brief overreikt. De bedoeling is +volkomen duidelijk uitgedrukt: ze laat hem niet zien, ze neemt hem niet +weg, maar ze overhandigt. Zelfs zit in het handgebaar de beweging van +iemand, die achterwaarts een briefje afgeeft. Men probeere zelf de +houding na te bootsen. + +Ook de handen van den scheepsbouwmeester mogen gezien worden bij die van +stuurman Zeger. Zijn linker, eene dikke, vleezige werkhand blijft rusten +op het teekenwerk, terwijl het hoofd zich even opricht om te zien, wie +den arbeid komt storen. Is het niet, alsof die hand, met gedachten +vervuld, bij het werk tracht te blijven, alsof ze den gedachtengang wil +vasthouden, tot de stoornis voorbij is? + +De rechter wil het briefje in ontvangst nemen. Echter niet met een +gebaar van haastig aanpakken. Het binnenkomen van moeder de vrouw wordt +euvel opgenomen, omdat het storend is. Vandaar dat de hand maar +aarzelend uitgestoken wordt. Dit is geheel in overeenstemming met 's +mans gelaat; de afdruk laat duidelijk een lichten graad van +ontevredenheid zien; die blik op zijne vrouw en het voorhoofd-fronsen +zijn er de blijken van. + +De rechterhand van stuurman Zeger neemt op eene wijze den hoed af, die +noch de manier van een zeeman, noch die van een fijn heer is. Houvast +zit er niet in; een groote, vilten, zeventiende-eeuwsche hoed zou wel +anders doorbuigen, als men dien bij het uiterste randje tusschen duim en +vinger aanvatte. Hij lijkt wel van hout. Wat is daarbij vergeleken het +passertje goed geteekend; in de hand het ronde gewricht, naar beneden de +gepunte, driekante beenen, waarvan een, door lang gebruik, iets +kromgebogen is; met een soort van gretige werklust hapt het instrumentje +naar het papier. Zelfs in zoo'n gering bijzaakje heeft Rembrandt het +bijzondere gevoeld. De scheepsroeper is lang niet van hetzelfde gehalte; +de rand van het geslagen koperblik is veel te dik geworden; de +trechtervormige beker is aan den onderkant bijna recht, aan den +bovenkant bolvormig; het mondstuk heeft een verkeerden stand; van onze +plaats af moesten we er niet in kunnen zien; het heeft bepaald in de +klem gezeten en is verbogen geraakt. Letten we op de handeling, die op +beide afbeeldingen tusschen de twee personen voorvalt, dan moeten we +allereerst onze bewondering uitspreken voor het vrouwtje. Er zit in hare +houding buitengewone bewegelijkheid; het overhandigen van den brief gaat +niet bedaard in zijn werk, maar haastig en gejaagd. Zij blijft bijna bij +de deur staan, om geen tijd te verliezen met verder te loopen dan noodig +is; met over den stoel heen te buigen bereikt ze haar doel even goed. +Het bovenlijf helt niet alleen zijdelings naar den bouwmeester over, het +maakt ook eene kleine buiging voorover. Intusschen draaien de +linkerheup, de linkerschouder en de linkerarm zich reeds weer +achterwaarts, terug naar de deur. + +De rechterhand en-arm, en het gezicht zijn nog verdiept in de beweging +van het overhandigen. In al de onderdeelen van deze figuur dus eene +aanduiding van wenden, buigen en draaien, nergens de stijve rust van een +lid, dat aan de handeling geen deel neemt. Sommige beschouwers maken +hiervan Rembrandt wel eens een verwijt. Ze vinden het schielijke +binnenkomen storend voor de rust van de schilderij; het maakt hun +gejaagd, als ze er een oogenblikje kalm naar zouden willen kijken. Daar +is wel iets van aan; het is hinderlijk, als je het idee krijgt, dat +zoo'n figuurtje zoo aanstonds zal wegsnellen, en als men zichzelf +betrapt, dat men daarop staat te wachten. Maar we moeten den schilder de +eer geven, die hem toekomt; hij heeft in de lichaams houding van eene +vrouw, die even binnenkomt en dadelijk weer heengaat, met een fijn oog +de bewegelijkheid van buiging en draaiing waargenomen en weergegeven. + +De plaat van De Ruyter is er, om een geschiedkundig feit voor te +stellen; alles moest dus eigenlijk handeling zijn; de handeling moest +althans zeer sterk tot ons spreken. Neem nu den admiraal eens; hij staat +er zoo houterig en schutterig bij, dat er geen schijn van beweging in +hem zit. Van onder tot boven, van zijn voeten tot zijn hoofddeksel, +alles stijf en recht; nergens in de heele figuur eenige zwenking; geen +enkele lenigheid van draaiing of buiging. Hij zit diep in zijn hoedje +weggeslagen, en schijnt aan een stijven nek te lijden. Misschien trekt +hij daarom zoo'n pijnlijk gezicht. Kijk daarentegen eens, hoe mooi rond +het vrouwenkopje is, hoe het mutsje meewerkt, om de ronding uit te +beelden, en hoe los en gemakkelijk het hoofd zich keert en wendt boven +den kraag. + +Zoo krijgen we tot slotsom van de vergelijking: de plaat, die eene +handeling moet voorstellen, geeft houterige, stijve figuren, die de +armen oplichten om te doen, alsof ze zich bewegen, maar ze bewegen niet. +De andere, die gemaakt werd om de portretten van eerzame inwoonderen van +Amsterdam te geven, tintelt van actie, zonder nochtans in het geven van +portretten te kort te komen. De handeling maakt zooveel indruk, dat we +beginnen te denken aan een historisch feit. Het lijkt wel, dat dit nu +het beroemde briefje is, waarover we in boeken lezen, hetwelk +binnengebracht werd, om den verraderlijken aanslag op een of andere stad +te verijdelen. Maar 't is zoo niet! De schilderij is er een, waar niets +achter zit. Zij is een portretstuk, meer niet. + +We zullen deze neiging van Rembrandt, om den aard van het portret te +verbloemen, meer opmerken. Men kan hem ook hiervan een verwijt maken; +het _is_ misschien niet heelemaal in orde, dat we tegenover de twee +konterfeitsels van een paar burgerluitjes gedachten hebben van vermaarde +gebeurtenissen; dat we dus aan dingen denken, die hier niet te pas +komen. Maar--wat een kunst, om dat te kunnen! Wat een schilder moet men +wezen, om zoo, spelend weg, in een portretstukje een aardigheidje te +vertellen, en het dan zoo te doen, dat de beschouwer heelemaal de klus +kwijt raakt. + +De Anatomische les heeft hiervan ook wel een tikje weg, zooals we zullen +zien. + + * * * * * + + + + +MISLEIDE AANDACHT. + + +Onder de drommen van reizigers, die jaarlijks de stad 's-Gravenhage +bezoeken, zijn er gelukkig niet weinigen, die een uurtje over hebben, om +de schatten van het Mauritshuis te gaan zien. En onder dezen merkt men +dikwijls bezoekers op, voor wie de gang daarheen eene bedevaart is. Ze +komen uit steden en stadjes, die binnen hare muren geen enkel staaltje +bevatten van de groote kunst onzer voorvaderen; van Rembrandt gehoord +hebben ze; photographieën naar zijne schilderijen hebben ze gezien. Maar +nog nooit hadden ze gelegenheid om het hart eens op te halen aan zoo'n +lapje doek, waarvoor hij zelf, twee en een halve eeuw geleden, met palet +en penseel heeft gezeten; waarop hij eigenhandig de klonters verf heeft +geklutst, gewreven en aangesmeerd. Binnen de muren van dit eenvoudig, +onaanzienlijk gebouw zal dan eindelijk de begeerte bevredigd en het +verlangen gestild worden. De trappen gaat het op, rechts den hoek om, +eene kamerdeur door en het vertrek binnen. Dit is het heilige der +heiligen. Wat hier hangt, draagt groote namen: we lezen er Jan Steen, P. +Potter, Ostade, Brouwer, maar voor allen lezen we Rembrandt Harmenszoon +van Rijn. Tegen deze weinige vierkante meters muur hangen een tiental +zijner stukken bijeen, een schat, dien honderd musea het kleine +Mauritshuis benijden. Het statig middelpunt daarvan vormt de +Anatomische les, die waard is, eenigszins uitvoerig beschouwd te worden. + +De Anatomische of Ontleedkundige les is een portretstuk. Rembrandt +maakte het op bestelling, voor acht geneeskundigen uit de stad +Amsterdam. Dezen hadden het oogmerk, om er hun vereenigingsgebouw, de +chirurgijnshal, mee te versieren. In plaats van acht afzonderlijke +portretten, verlangden ze een groep; ze lieten het aan den schilder +over, de groep samen te stellen, op voorwaarde natuurlijk, dat ieder van +de acht koppen tot zijn recht kwam. Zij verwachtten niet anders, dan dat +hij het met deze voorwaarde ernstig op zou nemen. Nu, de koppen kwamen +tot hun recht; maar toch zou de eerste blik van den beschouwer op een +ander deel van de schilderij gevestigd worden. De schilder wilde, dat +het lijk, in uitgestrekte houding op de snijtafel neergelegd, het eerst +de aandacht zou vragen. + +Hij had dit kunnen bereiken, door het aanwenden van een eenvoudig +middel: als hij er een griezelig voorwerp van had gemaakt, zoo akelig om +te zien, dat een ieder er naar _moest_ zien. Maar dit deed hij niet. Het +lijk is zoo geschilderd, dat ook de teergevoeligste lieden den aanblik +kunnen verdragen. Zelfs de opengelegde arm heeft niets afschuwelijks. +Alles wat de zenuwen van aanstellerige jongejuffrouwen zou kunnen +prikkelen, vermeed hij. Wel is het gelaat het gelaat van een doode, en +dus niet aangenaam om te zien; maar het wekt geen weerzin. + +Waarom is het dan wel, dat we, als van zelf, steeds het eerst op het +lijk het oog richten? + +We ondergaan een gelijk lot, als het avondvlindertje, dat door ons +openstaand venster komt binnenvliegen. Het _licht_ trekt ons aan. Het +licht is de geheimzinnige macht, die _ons_ gezichtsorgaan, evenzeer als +dat van het onnoozel gedierte, weet te leiden, waarheen ze wil. Zitten +we des winters in schemerdonker bij open haard of kachel, +onweerstaanbaar wordt het oog door den vlammengloed aangetrokken. +Schrijden we des zomers door de donkerte van eenen boschweg, we +verhaasten onzen tred, als op het eind van de laan het zonlicht door +eene open ruimte binnendringt. + +Licht geeft op het netvlies een aangenaam gevoel, zooals frisch water +aan tong en gehemelte, wanneer ze van dorst verschroeien. Het kost soms +moeite, om den blik van de vlam eener lamp af te wenden, als de omgeving +door de duisternis eene scherpe tegenstelling vormt. + +Nu; de Anatomische les is eene schilderij, waarvan het grootste deel der +oppervlakte in zware, donkere verven bewerkt is. Het is juist +voornamelijk het lijk, dat hierop eene uitzondering vormt. De gezichten +der rondomstaande geneesheeren ook wel, maar die zijn van minder omvang +en zullen eerst in de tweede plaats onze aandacht trekken. We gaan op +het zonnige licht af, dat midden op het groote doek een hoekje vult. De +portretten, waar het feitelijk om te doen was, worden daardoor min of +meer op den achtergrond gedrongen; het stuk krijgt den schijn van +gemaakt te zijn met een ander doel, dan om die portretten te geven. We +zouden haast kunnen denken, dat de schilder wilde laten zien, op welke +wijze dokter Claes Pieterszoon Tulp les gaf in de ontleedkunde. +Menschen, die niet voor dokter hebben gestudeerd, zien hier iets, wat ze +nooit eerder hebben gezien, dat namelijk een hoogleeraar zoo, vóór zich, +een cadaver heeft liggen, waarvan hij een of ander lichaamsdeel +openlegt; hij neemt een soort van tang om vast te pakken; de leerlingen +staan er in een kring omheen, en het onderwijs begint! Werkelijk meenen +velen, dat het stuk met deze bedoeling is gemaakt. + +[Illustration: De ontleedkundige les.] + +Toch is het een portret en moet dus op één lijn gesteld worden met +bijvoorbeeld een schoolportret, dat in lange rijen de kopjes van eene +klas schoolkinderen te zien geeft. Wat een verschil echter! Het eene is +een vervelende verzameling van allemaal kijkende gezichten; wie het +onder de oogen krijgt, gaat zoeken naar bekenden. Soms maakt de +photograaf eene kleine variatie, door aan eenige leden van het +gezelschap iets te doen te geven: garen winden, thee schenken of zoo +iets. Maar niemand wordt de dupe van dezen kunstgreep, men zal nooit ook +maar een oogenblik meenen, dat de photographie er is, om het +theeschenken te laten zien; de gezichten trekken te sterk de aandacht. + +Het portret van Rembrandt leidt ons juist wel op een dwaalspoor en heeft +al menigeen omtrent den aard van het stuk misleid. En dat, doordien het +volle licht op het lijk valt. + +Een oogenblik mag men wel stilstaan bij dit overigens niet erg +verkwikkelijke voorwerp. + +Hoe komt het, dat we zoo goed het verschil voelen tusschen de +vleeschoppervlakte en de geweven stof, waaruit de ledendoek bestaat? Het +is, alsof we een en ander met vingers hebben betast. + +In de eerste plaats door het verschil in kleur, wat ook op eenen zwarten +afdruk te zien is. Beide zijn wel licht, maar de doek is toch lichter +gehouden dan het lichaam, ofschoon hij niet wit is; overal merken we +grijze tinten, die schaduwen van vrouwen en plooien weergeven. Maar deze +vrouwen en plooien hebben de eigenaardige gedaante, die we in geweven +stoffen opmerken. En, dit is een tweede punt van verschil, de +schaduwdiepten, die in de oppervlakte van het lichaam zijn aangegeven, +zijn van anderen vorm. Ze zijn breeder en minder diep; over eene +grootere ruimte gaan ze geleidelijk in blank licht over. Men kan het +beenderen gestel gissen, dat er onder zit. Zoo bijvoorbeeld dat van de +borstkas. Duidelijk zien wij den strak gespannen omtrek van het +borstbeen, en naar den rechterarm heel vaag de afteekening van de +diepsels, die tusschen de ribben zijn ingezonken. Ook de ronding van het +geheele lichaam is met fijne grijze kleur tastbaar gemaakt. Heel mooi +ligt de zware spier van den bovenarm tegen het lijf gedrukt; het +schaduwgleufje verbreedt zich naar boven tot eenen oksel, naar beneden +tot eene elleboogsholte. + +Van het rechterbeen trekt vooral de omtrekslijn langs den bovenkant de +aandacht. Als we die, van den lendendoek af tot den voet toe, met het +oog volgen, nemen we telkens fijn uitgebeelde spiervormen waar; +halverwege stulpt de knie eenigszins naar buiten, omgeven van de kleine +rondingen, die we daar gewoon zijn op te merken. + +De voeten reiken tot in de schaduw. Ze wijzen ons den weg naar een +opengeslagen boek, van eerwaardige grootte en dikte, een foliant, waarin +anatomische wijsheid zal zijn opgetast. Zooals de bladen op elkaar +liggen, getuigen ze van veelvuldig gebruik. + +Waar de schaduwpartij precies een aanvang neemt, is moeilijk aan te +wijzen; het bovenbeen is nog verlicht, de knie al niet meer. Ongemerkt +heeft de overgang plaats. Zoo gaat het ook met de slagschaduw van een +potlood, dat men op korten afstand over het belichte deel van het +cadaver houdt. + +Met deze waarnemingen hebben we aan de plicht voldaan, om te zien in de +richting, die de schilder met zijn lichteffect heeft aangeduid. + +Bij voortgezette beschouwing dwaalt nu de blik als van zelf naar het +gelaat van Tulp, en hierheen eerder, dan naar de gezichten der overige +heeren. Het schijnt, dat de beide handen, die zoo in de nabijheid van +het lijk hare welsprekende gebaren maken, dien overgang bewerken. We +moeten ook bij Tulp het eerst wezen; hij is onder de acht +geportretteerden de voornaamste en aanzienlijkste. Als geneesheer genoot +hij eene groote reputatie, zoowel in Amsterdam als daar buiten. Hij +speelde in deze wereldstad bovendien eene groote rol als lid van de +stedelijke regeering. En de regeering van Amsterdam, dat wou wat zeggen. +Die gaf in de regeering van de Republiek de lakens uit. Een man als +Bicker had immers in ons land bijna evenveel invloed als Stadhouder +Willem II. Een burgemeester van Amsterdam mocht met recht tegen een hoog +geplaatst Fransch edelman zeggen: "De koningen van het land, dat zijn +wij!" + +Intusschen zou Tulp, èn als geneesheer èn als magistraat, toch reeds +lang vergeten zijn, wanneer hij niet toevallig bevriend was geweest met +Rembrandt, en wanneer deze van hem niet den onvergetelijken kop had +gemaakt, dien we hier voor ons zien. De oogen, donker van kleur, staan +er helder en met verwonderlijke klaarheid in. De blik, die op de verte +gericht is, verraadt een groot verstand, diepe kennis en zachtheid in +het oordeelen. Het gelaat is vol ernst, niet de ernst, die door leed +ontstaat, maar de ernst, die gevolg is van juist inzicht en van veel +weten. De mond schijnt te spreken. De boven-en onderlip zijn zoodanig op +elkander geschilderd, dat er eene bijna onmerkbare plooiing in komt; +door deze plooiing is het, alsof we de lippen de letters hooren +aanblazen bij het spreken, en men kan er zichzelf op betrappen, dat men +tracht vast te stellen, welke medeklinker er gevormd wordt, hetzij dan +een f, hetzij een v. + +De handen begeleiden dit spreken met verwonderlijke juistheid. De +linker, ter halver hoogte opgeheven, maakt aan de hoorders duidelijk, +welke bewegingen de dokter bedoelt. Terwijl namelijk de rechter met +behulp van een pincette éénen spierbundel van de anderen afzondert, laat +de linker zien, welke uitwerking de samentrekking daarvan zou hebben. +Het is een buigspier, liggende aan de binnenzijde van den arm; de +middelvingers van de linkerhand maken onwillekeurig de buigbeweging mee, +over welke gesproken wordt. + +Veegjes lichte verf geven tusschen de vingers de plaatsing aan, hoe ze +eenigszins uiteen wijken, naast elkaar op de hand zijn ingeplant, en los +van elkaar in de ruimte staan. We zien in de tusschenruimte op. In den +duim van de rechterhand voelen we de drukking, die hij op het werktuigje +uitoefenen moet, om den spierbundel vast te houden. Wat liggen ook de +vier vingertoppen in juiste houding om den duim heen! + +De kleeding verdient wel een oogenblik bijzonder de aandacht. Er zijn +zeventiend-eeuwsche portretten genoeg, die ons onderrichten omtrent vorm +en snit van de toenmalige kleedingstukken. Maar hier hebben we er een, +dat ons doet voelen hoe _mooi_ ze stonden, hoe schilderachtig ze den +persoon kleedden. Breed en kloek is de borst, en zijn de schouders onder +zoo'n wambuis met mantelkraag. De breedgerande, vilten hoed geeft den +kop een prachtige vierkantheid; hij kleedt ontegenzeggelijk mooier dan +de hooge cylinderhoeden uit onze dagen. Het kantkraagje en de manchetten +droeg men niet onder maar over het wambuis, niet in maar om de mouw. + +Misschien wekt het bevreemding, dat Dr. Tulp onder de les en in +aanzienlijk gezelschap den hoed op het hoofd houdt. Dit was in zijn tijd +gewoonte: de professor aan de hoogeschool, zoowel als de onderwijzer te +midden van zijne leerlingen, de vroede raadsleden op het raadhuis, +zoowel als de huisvader in den familiekring, hielden zich gedekt; en men +zag daarin geene onwellevendheid. Van de overige koppen trekken vooral +de twee, die zich over het cadaver heenbuigen, de aandacht. In de eerste +plaats om de tegenstelling tot Tulp. Terwijl deze spreekt, zoowel met +den mond als met de handen, zoowel door zijne opgerichte houding als +door zijn rondblikkend gelaat, luisteren gene. De een ziet naar het +lijk, de ander naar den professor, maar beider oogopslag verraadt +aandachtig luisteren; luisterend ook buigen ze zich voorover. + +In de tweede plaats om de schilderhoedanigheden. Men lette bijvoorbeeld +eens op de rechterwang van den persoon, die het dichtst bij Tulp zit. +Van het oog af naar beneden vinden we alle kleurschakeeringen, die ons +in het gezichtsvleesch van zoo'n gelaat bekend zijn. Allerlei zwakke +schaduwtjes en lichtvlakjes duiden aan, hoe het verloop is van de wang. +Het is niet maar eenvoudig weg eene bolle ronding of eene magere +afplatting; overal zitten vorm-en gedaantewisselingen. Eerst eene +blauwachtige, eenigszins uitpuilende streek onder het oog, zooals bij +zwak uitziende menschen. Dan de verheffing van het jukbeen, waar we een +blosje vermoeden. Hiertusschen en tusschen den neus eene invallende +diepte. Verder naar beneden de ingevallen wang, die achter den knevel +verdwijnt en, om het jukbeen heen, nog tot aan het oor te volgen is. +Alsnu gaat het met geleidelijke ronding om de kaak heen, waar heel dun +eenig blond haar groeit. + +En, zooals deze wang is, is de heele kop. Elk plekje is aan het model +ernstig en aandachtig waargenomen, bespied en bestudeerd. Het portret is +een beeld geworden, dat men niet zoo maar eens even uit zijn hoofd +schildert, het is naar het leven genomen, het geeft ook het leven weer. + +Bij de beschouwing trachten we ons onwillekeurig te binnen te brengen, +waar en wanneer we dezen persoon hebben ontmoet, alsof het iemand is, +dien we in onze omgeving opgemerkt hebben. + +De overige koppen op deze schilderij zouden evenzeer eene afzonderlijke +bespreking verdienen. Alle dragen de kenmerken van studie naar het +leven. In alle is met zorg het afzonderlijke, het eigenaardige +opgemerkt. Men vergelijke, om een voorbeeld te geven, maar eens met +elkaar de manier, waarop bij elk het haar op het voorhoofd is ingeplant. +Alleen hieraan zou men de heeren alle kunnen herkennen, als men ze +ontmoette. + +Of men ga eens na, hoe elk van de aanwezigen op eigen wijs de les van +Dr. Tulp volgt; met meer of met minder aandacht; met een geestigen trek +om mond en oogen of met een soort van onverschilligheid. + +Ieder is zichzelf en leeft zijn eigen leven. Geen twee zijn van een +zelfde model. + +Al deze uitingen van leven spreken des te sterker, omdat ze gerangschikt +staan rondom het beeld van den dood, van de stof, waaruit het leven +ontvloden is. + +De mond van het cadaver is half geopend, en een glimlach schijnt er +omheen te spelen. Maar de glimlach is verstijfd, en het spreekgebaar van +de mondopening is koud en versteend. Het is het eeuwige zwijgen met een +grimas van leven. En op het gelaat van den lesgevenden professor: het +mondopenen nauwelijks zichtbaar, de blik strak op de verte gericht, geen +plooitje, dat zich tot glimlach vormt, en toch het heele wezen een en al +leven, op de bijna onbewogen trekken een spreken, dat sedert bijna drie +eeuwen elken toeschouwer in de ziel dringt, en dat spreken zal blijven +tot in lengte van dagen. + +Het stuk in zijn geheel heeft ook zijne eigenaardige bekoring. Eerstens +door het zonnige hoekje, waar het cadaver ligt. Het oog heeft in die +lichtplek een aangenaam rustpunt. Ten tweeden door de groepeering. De +personen staan los, ongedwongen en regelloos bij elkaar, terwijl ze toch +in een driehoek gevat zijn; één gezicht vormt hiervan den top en doet de +groep naar boven toe bevredigend eindigen. + +Ten derden door de rijke afwisseling van licht en donker; tusschen de +witte kragen, blanke gezichten en handen zijn overal stukjes achtergrond +aangebracht of brokstukken donkere kleeding, donkere baarden of behaarde +schedels. Men bezie het stuk maar eens door de oogharen, om deze +afwisseling op te merken. + +De geschiedenis van de Anatomische les is deze. Rembrandt maakte haar in +1632, het jaar, waarin Frederik Hendrik Limburg aan de Republiek +toevoegde. Ze kreeg eene plaats in de vergaderzaal der chirurgijns te +Amsterdam en bevond zich aldaar nog, toen deze in 1828 hunne bezittingen +te gelde wenschten te maken en het stuk aan Koning Willem I verkochten +voor f32.000. Sedert maakt het deel uit van het Koninklijk Kabinet, dat +in het Mauritshuis ondergebracht is. + +De maker van het kunstwerk zal waarschijnlijk van elk der acht heeren +geneeskundigen de som van een kleine honderd gulden hebben ontvangen, +wat in 1632, toen Amsterdam krioelde van goede schilders, al wel was, +vooral voor een beginnend man van even vijf en twintig jaar. + +In een anderen zin bracht het hem echter meer op. Als een loopend vuur +ging de mare door de stad, dat een groot schilder was opgestaan, +overgekomen uit Leiden en je kon zijn werk zien op de Chirurgijnshal! +Dit legde hem geen windeieren. Spoedig regende het bestellingen van +portretten, en maakte hij een geweldigen opgang, zoo enorm, dat zelfs in +het Stadhouderlijk Paleis te 's-Gravenhage zijn naam genoemd werd. + + * * * * * + + + + +AANRAKING MET HISTORISCHE PERSONEN. + + +Reeds in zijne studiejaren had Rembrandt in Den Haag zaken gedaan. Toen +hij, nog vóór 1632, bij zijne ouders te Leiden woonde en ijverig +schilderde en teekende om de kunst machtig te worden, deed eens een +bezoeker hem aanwijzing voor een heer in Den Haag. Een zeker stukje, dat +hij juist voltooid had, moest hij dien eens gaan vertoonen en te koop +aanbieden. Te voet trok de jonge schilder er op uit, bereikte na eene +wandeling van vier uren de Residentie en smaakte de voldoening zijn stuk +voor honderd gulden te verkoopen. Wonder in zijn schik met dit succes, +en nog niet gewoon zooveel geld in zijn buidel te hebben, voelde hij +behoefte, om zoo gauw mogelijk naar Leiden te gaan met zijn schat, en +zijne ouders in kennis te stellen met het fortuintje. + +Een weg van een kleine vier uur gaans weer te voet af te leggen, dat +kwam, dunkte hem, niet te pas voor iemand, die schilderijen met honderd +gulden betaald krijgt. De trekschuit, daar ging Jan en alleman mee. Hij +deed als een groote m'nheer en nam parmantig plaats bij het logement, +"De Leidsche wagens" op den wagen naar Leiden. _Op_ den wagen naar +Leiden, aldus vertelt een oud schrijver, niet _in_. + +Wat genoot hij van dat ritje! Eerst voerde de weg hem door het Haagsche +bosch met zijne gladde, rijzige, groene, beukenstammen, die hunne takken +breed en vlakweg met lichtdoorlatende, fijne blaadjes uitgespreid +hielden; verspreide eiken stonden zwaar en donker daartusschen met +diepgefronste schors, en takken, die in moeilijke kromming zich wrongen. +Machtig en breed stond de voet uit in de zandige duinhellingen; het trof +hem, hoe ze hun wortels uitlegden over den bodem als een reuzig +gedierte, dat krampachtig met uitgeslagen en wijdgeopende klauwen zich +vast wil klemmen. + +Nog anders dan in Leiden op het bolwerk, zag je hier, hoe de natuur een +beeld van kracht kan zijn. Hier, waar werkelijk eeuwen-heugende eiken en +beuken stonden. Maakte niet een medereiziger hem attent op een drietal +forsche exemplaren, met dooreengestrengelde takken, die het volk het +Jacobaprieel noemde, omdat er de landsvrouw Jacoba tweehonderd jaar +geleden gaarne verwijld had? Heerlijk wonen moest het in Den Haag zijn +voor eenen kunstenaar. De oude stad nog net plaats vindende op het +uiteinde van de reeks binnenduinen, waarop ook het Haagsche bosch stond, +en waarover de Leidsche weg hem Noordoostelijk voerde; de nieuwere +straten de venen ingaande. De omstreken, in Noordelijke richting, +klingen en dalen met laag en opgaand hout, in zuidelijke richting lage +weiden, vol slooten en plassen; hier en daar moerassen, met ruigten van +wilgbeschot en oeverplanten; de verre horizonnen onderbroken door +watermolentjes, die men reeds in gebruik begon te stellen van de +grondverbetering. + +Terwijl hij voortmijmerde, passeerde de koetsier niet ongemerkt het +liefelijke Huis Ten Bosch (wijl dit er nog niet was, en eerst over +twintig jaar ter eere van den vrede van Munster zou verrijzen) maar reed +door tot, en hield stil voor het huis Ten Deil, eene herberg, die den +weg van Den Haag naar Leiden in nagenoeg gelijke helften deelt (deilt). +Eene onoogelijke waardin kwam buiten met een zwartberookt tabakspijpje +in den mond, en zette den paarden eene krib met voer voor. De reizigers +stegen uit en traden, evenals de wagenbestuurder, de herberg binnen, +boven welks deur, tusschen rankend wijnloof, aan een eind lat een groote +aarden bierpot bungelde. Rembrandt voelde geen lust, het voorbeeld te +volgen en mede uit te stappen. Hij bleef bij zijn vollen buidel op den +wagen zitten. Na eenige oogenblikken wordt de krib weggenomen, en komt +het volk met den wagenaar naar buiten, om ieder zijn plaatsje weer in te +nemen. Hun al te groote luidruchtigheid jaagt den paarden een schrik op +het lijf: ze gaan er van door en rennen met den schilder voort. Het gaat +langs den hun bekenden weg huiswaarts; ze storen zich aan niets, hollen +voort, bereiken de Wittevrouwenpoort, sleuren den wagen over de +Drentsche keien van het Noordeinde en houden in voor de deuren van den +gewenden stal. Het stalpersoneel stormt naar buiten, helpt den schilder +uitstijgen, betast zijn leden, of er geen gebroken is, en toont zich +benieuwd om te vernemen, hoe hij dus, alleen op den Haagschen wagen +gezeten, de stad komt binnenrijden. Maar hij. Zonder veel praatjes maakt +hij zich weg en spoedt zich naar de Weddesteeg, die het rijtuig +gepasseerd was zonder hem af te zetten. Behouden en wel brengt hij zijn +honderd gulden thuis, en is gelukkig, dat hij op Den Deijl zoo weinig +verteringskosten heeft behoeven te maken. + +Het is waarschijnlijk, dat de groote m'nheer in Den Haag, die zijn stuk +honderd gulden waard achtte, niemand minder dan Constantijn Huygens is +geweest. + +Kort nadat Rembrandt zich in Amsterdam had gevestigd en een grooten naam +begon te krijgen, bracht Huygens hem bij den stadhouder, prins Frederik +Hendrik, ter sprake, wat hij gemakkelijk kon doen, omdat hij, als diens +geheim-secretaris, dagelijks met den vorst verkeerde. + +Er volgde eene bestelling van eenige stukken, misschien om er het +stadhouderlijk paleis te Rijswijk mee te versieren. De levering, en +daarna de betaling, hebben nog al voeten in de aarde gehad. Men is dit +aan de weet gekomen uit eigenhandige brieven van Rembrandt, die bewaard +zijn gebleven in families, welke van Huygens afstammen. Uit een van deze +blijkt, dat hij zelf zeer goed wist, een eerste-rangsschilder te zijn, +dien men goed moest betalen, maar tevens, dat hij bescheiden genoeg was, +om waarde te hechten aan het oordeel van Huygens of van den Prins. Zie +hier: + +_Mijn Heer_! + +Soo ist dan dat ick met licensij u e dese 2 stucken toesende die ick +meen dat soodaenich sullen bevonden werden dat sijn Hoocheijt nu selfs +mij niet min als dusent guldens voor ider toeleggen sal doch soo sijn +Hoocheijt dunckt dat sijt niet en meerijteeren sal naer sijn eijgen +believen minder geeven mij verlaetende op sijn Hoocheijts kennis en +discreesij. Sals mij danckbaerlick daer met laeten contenteeren ende +blijvende neffens mijne groetenisse sijnen + +D.W. ende geneegen dienaer + +REMBRANDT. + +Het tghene ick aen de lijsten en de kas verschooten hebb is 44 guldens +in alles. + +Behalve omtrent zijn karakter, leert dit schrijven iets omtrent zijne +ontwikkeling. Hij schreef een goeden brief, de zinnen vloeiden hem +gemakkelijk uit de pen, en hij spelde vrij zuiver, te rekenen voor de +zeventiende eeuw. Zijn schoolonderwijs was niet verwaarloosd, al wijdde +hij zich reeds vroeg aan de kunst. Dat hij in den laatsten zin schreef: +"daer _met_ laeten contenteeren" in plaats van "daar_mee_", kan men op +rekening stellen van zijn omgang met vrouwe Saskia van Uhlenburg, die +dat in Friesland zoo had geleerd. + +Uit zijne brieven aan Huygens moge ook deze nog aangehaald worden, om +grond te geven aan ons vermoeden, dat het hof in Den Haag met de +uitkeering der contanten nu niet juist zoo heel vlug is geweest. + +_Mijn Heer!_ + +Mijn E. Heer met schroomen ist dat ick u e met mijn schrijvens kom +besoucken ende dat doort seggen van den ontfanger Wttenboogaert die ickt +tardeeren van mijn betaeling klaechden hoe dat den tresoorier Volbergen +dat lochgent als dat daer jaerlicks intresse getrocken werden soo heeft +mij den ontfanger Wttenboogaert nu voorleden woondach daer op geantwoort +als dat Volbergen allen halven jaer die selvij intressen heeft gelicht +dat tot nu toe soo dat daer nu wederom over 4000 K. gulden bij den +selvij kantooren verscheenen is ende bij desen waerachtijge +geleegentheijt soo bidde ick u mijn goet aerdijgen Heer dat mijn +ordonnansij nu in den eersten mocht klaergemaeckt werden opdat ick mijn +wel verdiende 1244 guldens nu mocht eenmael ontfangen. Ende ick sal sulx +aen ue met reverensij dienst ende blijck van vrienschap altijd soucken +te rekumpenseeren met deesen ist dat ick mijn heer hartelick groete ende +wenssche dat ue Godt lanck in goeden gesondtheijt ter saelicheijt +spaeren werde. + +UEDw. ende geaffexcioneerde dienaer, + +REMBRANDT + +ick woon op de binnen-Emster in die suijkerbackerij + +Adresse: + +_Mijn Heer_! + +Mijn Heer van Suijlikum raet ende Secreetarijus van Sijn Hoocheijt + +in den port Schraeven Haech. + +De indruk, dien men uit dit schrijven krijgt, is wel, dat de beheerder +van de stadhouderlijke penningen Rembrandt zonder veel complimenten op +zijn loon liet wachten. Al maakte de jonge schilder opgang, toch zooveel +nog niet, dat zijn naam voldoende was om geld los te krijgen. Ook bracht +hij het nooit zoo ver, dat beroemde mannen uit onze geschiedenis zich +door hem lieten portretteeren. We mogen dit stellig betreuren. Wat +zouden we uit zijne handen een portret hebben gekregen van een Frederik +Hendrik, een Jan de Wit, een Michiel de Ruijter, een Constantijn +Huygens. Beter dan de bestaande levensbeschrijvingen zouden zulke +afbeeldingen ons hun karakter, hunne edele hoedanigheden hebben bewaard. +Maar dat heeft zoo niet mogen zijn! De groote mannen hebben gemeend, +zijne kunst niet noodig te hebben om hunne trekken te vereeuwigen. De +portretten, die hij gemaakt heeft, zijn alle van tweede-rangspersonen. +Toch kunnen we hieruit zijn meesterschap voldoende leeren kennen. Als +een mooi voorbeeld verdient dat van den ontvanger Uytenbogaerd te worden +vermeld, welks naam we vinden in den zoo even aangehaalden brief. + + * * * * * + + + + +MEER DAN PORTRET. + + +De heer Uytenbogaert zien we gezeten in zijne werkkamer. Op de tafel +liggen zakken met geld, en een boek, waarin de hand gereed is, +aanteekening te houden. Hij overhandigt den bediende eenen zak, dien +deze misschien in een geldvat moet ledigen. De balans, om het goud af te +wegen, hangt aan een boekenplank boven de tafel; op den achtergrond +wachten meerdere bedienden op orders. + +Wat ons in den heer Ontvanger het meest treft, is de blik, dien hij op +zijnen dienaar werpt. Doordringend ziet hij hem aan. Uit zijn oog lezen +we de gewetensvraag: kan ik je dit toevertrouwen? En dat oog blijft +streng en onderzoekend op hem rusten. Rembrandt slaat hier den spijker +met den eersten slag op den kop; hij tast de zaak aan in 't hart. Immers +de beste eigenschap van eenen beheerder van 's lands penningen, is, dat +hij tegen alle bedrog op zijn hoede is. Zoo één steeds waakzaam moet +zijn, dan hij! Kan men een man als Uytenbogaerd dus treffender in beeld +brengen, dan door deze eigenschap voorop te stellen? Hij mag een goed +man, een vriendelijk man, een eerlijk man geweest zijn, het beste wat +men van hem kan zeggen, is: hij was een man op de juiste plaats. En dit +allereerst zegt zijn portret. + +Het gezicht is niet bepaald schoon te noemen. De wangen hebben eene +onaangename breedheid, sommige gelaatsspieren leggen er onbevallige +vormen in; de neus is van een scheef, ingedeukt model. Maar zooals dit +moest wezen, zoo is het ook uitgebeeld. We behoeven niet in onzekerheid +te vragen, hoe eigenlijk de vorm was. + +De borst is breed en vierkant in de kleeren gestoken. Kloek en zwaar +hangt de pelsmantel er om: het schijnt een "kantoorjasje" te zijn. Maar +wat voor een! Het zachte, glanzige haar zit er duimen dik op; men zou er +gaarne de hand over willen strijken, om de molligheid te voelen. Wat een +rijkdom van pluisjes en bundeltjes haren zien we op den breeden zoom; +telkens weer liggen ze in andere richting op en tegen elkaar. Zwaar en +dik is de stof, waar we, in het verkort, tegen de wijde linker mouw aan +zien. Daarentegen is het onderkleed, dat bij den hals zichtbaar is, van +fijn en kostbaar weefsel, waarschijnlijk in regelmatige preciese +plooitjes gevouwen en gestreken. + +[Illustration: De Betaalmeester.] + +Het is een zeer aparte kunst, om met dichte arceeringen de stof uit te +drukken. Let eens op den achtergrond. De wand, waartegen de schilderij +hangt, is volgekrabbeld, tot het een beschaduwde, grijze, gepleisterde +muur was; het gedeelte aan den rechterkant, voorbij een soort van +poortje, is met hout betimmerd, wat duidelijk van den gepleisterden muur +te onderscheiden is. Het afhangende deel van het tafelkleed, ofschoon +van de zelfde grijsheid, draagt daarentegen weer duidelijk de kenmerken, +dat het geweven stof is. + +Ander mooi werk zien we in de voorwerpen, die op den voorgrond staan. Ze +duiken op met hunne verlichte bovenkanten uit eene zachte, donkere +kamerschaduw. Zooals wij in een donker hoekje alleen met onzekerheid de +dingen waarnemen, zoo zien we op den voorkant van de groote kist het +nauwelijks afgebeelde, zware ijzerbeslag; hier en daar blinkt de kop van +eenen spijker; langs den rand rechts glimt wat licht, dat misschien door +een ander meubelstuk is teruggekaatst. Zware scharnieren teekenen zich +met kleine, zwakke glimlichtjes af langs den bovenrand. Op het deksel, +dat zeer versmald geteekend is, zitten drie ijzeren banden, die op de +juiste manier naar elkaar toeloopen; door hunne wijking krijgt het +deksel voor ons oog zijne breedte. Een mooi stuk teekenwerk, zoo'n kist, +waarin we de hardheid voelen van het ijzerbeslag. + +Uit al deze onderdeelen blijkt de mogelijkheid, om, met arceering +alleen, stof en maaksel van de voorwerpen uit te beelden. + +Om nu tot de figuur van den ontvanger terug te keeren, de breedheid en +de vierkantheid doen ons vertrouwen stellen in het karakter. De +openliggende mantel, met daaronder de fiere borst, wekken het vermoeden +van openheid en eerlijkheid. De rechterhand is eene uitdrukking van +nauwlettendheid en zorgvuldigheid; ze ligt steeds gereed om in het boek +van alle gedane uitgaven aanteekening te houden. Aardig is het om te +zien, met hoeveel schrijversfijnheid de duim en de vinger het pennetje +vasthouden. + +In gelaat, in blik, in houding en lichaamsbouw, in actie en handgebaar +zien we eene aanduiding van de eigenschappen, die Uytenbogaerd maken tot +een voortreffelijk ambtenaar. Hij is een model betaalmeester; door een +man als hem worden 's lands middelen naar den eisch beheerd. Zijn +portret is maar niet slechtweg een portret, waarbij men vraagt, of het +goed gelijkt; het is een zinnebeeld geworden, een lofspraak op den man +in zijn vak. En meer nog: een lofspraak op de regeering uit die dagen. +Met welk eene vaste hand moet deze de teugels hebben gevoerd, als ze +bestond uit mannen, gelijk we er hier een voor ons zien. De kracht van +het jonge Holland spreekt uit zoo'n portret, de kracht van eene +regeering, die nog bezig is (1639) zich vrij te vechten van de Spaansche +overheerschers. + +Historische waarde krijgt het vooral, als we niet alleen op den +hoofdpersoon, maar ook op den bediende letten. + +Met welk een respect neemt deze den geldzak aan, die hem overhandigd +wordt! De blik, welken hij met den ontvanger wisselt, wekt de +veronderstelling, dat hij plichtmatig moet toonen, zijnen meester in de +oogen te durven zien en dus geene slechte voornemens te koesteren. Een +en al onderdanigheid is hij! Bijna slaafschheid. Het doet ons vreemd +aan, dat in een vrijgevochten land, als het onze, alleen de hoogere +klassen des volks zich mensch en onafhankelijk voelden, dat in een +Republiek de ondergeschikten de knie bogen voor den werkgever. Is het +niet, alsof we nog waren in de dagen der Spaansche overheersching? Toch +draagt de prent de dagteekening 1639, en het leek in dat jaar in het +Kanaal voor Duins weinig naar eene zoodanige heerschappij. + +Maar de Regenten lieten niet met zich spotten: ze hadden er den wind +onder. Het is deze verhouding tusschen heer en dienaar, die Rembrandts +plaat voor ons bewaard heeft; in enkele lijnen worden hier boekdeelen +gezegd. + +Niet slechts het portret van een persoon, maar een tooneel uit het leven +zien we, hetwelk ons doet zeggen: zoo ging het toe; zoo leefden de +standen met elkaar in de Republiek. + +Het portret is een sprookje geworden. We lezen van een groot heer, die +een kostbaar kleinood toevertrouwt aan eenen braven dienaar. Doch het is +een sprookje van het soort, waar meer achter gezocht moet worden. Het +gunt ons een blik op de samenleving onzer zeventiendeeuwsche +voorvaderen. + + * * * * * + + + + +GEËTSTE PRENTEN. + + +De prent, die Uytenbogaerd voorstelt, is eene ets. Wat is dat, eene ets? + +Gebruikt de schilder eenen lap linnen of een houten paneel, en brengt +hij daar met behulp van penseelen olieverf op, dan spreekt men van eene +schilderij. Werkt hij met kool, krijt, potlood, inkt of waterverf op +papier, dan ontstaat eene teekening. Van beide maakt hij natuurlijk niet +meer dan één exemplaar. Schildert of teekent iemand dit na, dan heet dat +eene copie. Voor boeken en geschriften laat men den photograaf en den +plaatdrukker reproducties maken. + +Maar nu eene ets. + +De teekenaar neemt een plaatje roodkoper. Dit moet volkomen vlak en +effen zijn, en wordt daarom tegenwoordig langs galvanischen weg +vervaardigd. Op het plaatje brengt hij eene dunne laag was aan; door het +aan den onderkant te verwarmen, wordt de was vloeibaar en dus geschikt, +om zoodanig verspreid te worden, dat het korstje na het stollen overal +eene gelijkmatige dikte heeft. + +Eene fijne naald is het teekengereedschap. De punt zet de lijnen niet +op, maar in de was; ze kan zich door de zachte massa heel gemakkelijk +bewegen, en dit vergunt den teekenaar dus, om los en zwierig te werken, +zwieriger, dan wanneer hij met een mes zijn beeld in palmhout snijdt, om +eene houtsneeprent te maken. + +Wat er nu in de was staat, kan hij niet met inkt aansmeren, om op papier +af te drukken. Daarvoor is alles te zacht. Hij brengt rondom de +koperplaat een opstaand lijstje aan, en giet er vitriool over uit. Deze +vloeistof laat de was onaangetast; maar waar ze koper vindt, bijt ze dit +uit. Dus in de smalle voren, die de naald in het bedekkende laagje heeft +getrokken. Na eenigen tijd wordt de vitriool afgegoten, de koperplaat +door verwarming ontdaan van de was, en alsnu vertoont ze de figuur, door +den teekenaar in de zachte stof ontworpen, doch thans in het harde +metaal onvergankelijk ingevreten. + +Met behulp van eene inktrol bedekt hij haar met inkt, wrijft haar met +een lap weer schoon, maar draagt zorg, den inkt niet te verwijderen, die +in de diepte van de lijnen zit. Deze zal, bij het afdrukken op een blad +papier, de teekening te zien geven, juist even los en zwierig, als ze in +de was geteekend is, maar in spiegeld beeld. Want door het afdrukken +wordt de voorstelling omgekeerd. + +Van eene ets worden door den teekenaar een groot aantal exemplaren +vervaardigd. Daar ze voor den handel bestemd zijn, en de liefhebbers ze +gelijkstellen met oorspronkelijke teekeningen, kunnen ze eene ruime +bron van inkomsten zijn. Er is er een afkomstig van Rembrandt, die +"honderguldenblad" heet, omdat elke afdruk den prijs van honderd gulden +opbracht! + +De geëtste koperplaat blijft voor latere afdrukken bewaard. Het komt +meermalen voor, dat de etser na eenigen tijd met zijn werk niet meer +tevreden is. Hij tracht dan in de plaat wijzigingen aan te brengen. Er +heeft zeker geen kunstenaar bestaan, die hiervan zoo de geheimen kende, +als Rembrandt. + +De veranderingen, aangebracht in het portret van een vriend, den +schilder Jan Asselijn, hebben aanleiding gegeven tot eene vermakelijke +vergissing. + +In de verschillende musea en kunstverzamelingen bevinden zich twee +soorten van afdrukken van dit portret; ook in de achttiende eeuw +verhandelde men reeds exemplaren van Asselijn _met_ den ezel en +exemplaren van Asselijn _zonder_ den ezel. Op dezen staat de schilder +afgebeeld naast een tafeltje met boeken, op genen wordt de achtergrond +gevormd door een houten schildersezel, waar een paneel of een doek op +staat, dat arbeid van den kunstbeoefenaar moet voorstellen. + +Er werd in de achttiende eeuw druk in deze en dergelijke etsen +gehandeld. Liefhebbers waren niet tevreden, als ze een Asselijn bezaten; +ze moesten er een exemplaar "Asselijn met den ezel" bij hebben; soms +liepen ze alle kunsthandelaren af, om een te krijgen. + +[Illustration: Asselijn met den ezel. Asselijn zonder den ezel.] + +Een Duitsch prentenkoopman had al meermalen vraag gehad naar een +"Asselijn met den ezel", en tot zijn verdriet steeds neen moeten +verkoopen. Hij was op en top man van zaken, en als het moest, stond hij +voor niets! Hij bracht een "Asselijn zonder den ezel" bij een behoeftig +kopersnijder en verzocht dien, om in alle stilte eene etsplaat te maken +naar het beeld van den Hollandschen schilder, maar in gezelschap van +eenen ezel. Daar geen van beiden ooit een exemplaar van het veel +gevraagde soort had gezien, veronderstelden ze, dat met den ezel een +gelangoorde viervoeter werd bedoeld. De zaak kwam gereed. De kunstkooper +bezat thans de twee soorten. En toen er weldra een Engelschman bij hem +aanklopte om een "Asselijn met den ezel", drukte hij dezen voor goed +geld den zonderlingen ezelhoeder in de hand. Natuurlijk kwam zijn bedrog +spoedig uit, en heeft hij niet veel exemplaren kunnen slijten. Toch zou +men thans bij onze overzeesche buren weer goed geld willen geven om er +een te bezitten, niet omdat het _geen_ "Rembrand" is, maar ter wille van +de merkwaardigbeid. + + * * * * * + + + + +VROUWTJE BAS VAN 'T RIJKSMUSEUM. + + +Hier hebben we het portret van Elisabeth Jacobs Bas, weduwe van admiraal +Swartenhont. Het heeft geene andere bedoeling dan de beeltenis te geven. +Eene omgeving, waarin we beroep, ambt of bezigheden terugvinden, +ontbreekt; de achtergrond is donker. De dame is zonder een of anderen +schijn aan te nemen zoo maar voor den schilder gaan zitten, om zich te +geven zooals ze is. Er spreekt uit de houding groote eerlijkheid, +openhartigheid, die niets heeft te verbergen, die geen behoefte heeft om +manieren aan te nemen. Natuurlijkweg heeft ze de handen rustig over +elkaar gelegd. Over elkaar gelegde handen ziet men dikwijls op een +portret, dat is dus hier het eigenaardige niet. Maar men moet, door er +lang en rustig op te zien, trachten te erkennen, hoe gemakkelijk en +ongedwongen deze handen op den schoot rusten. Niet alleen dat ze er op +_liggen_, dit zegt nog niets, maar ze worden er door _gedragen_. Met de +elleboogen is het net zoo; die vinden steun, die rusten op de leuning +van den stoel. Het sterkst voelen we dit wel in de linkerhand, die over +de rechter is gelegd. Let ook eens op, hoe de onderste achteloos den +zakdoek vasthoudt, en hoe de bovenste in een gemakkelijken greep over de +andere heen ligt. En hoe dit overeenstemt met de houding van het +bovenlijf; ook dit leunt in gemakkelijken stand tegen den rug van den +stoel; het helt net genoeg achterover om dit voelbaar te maken. Alles +draagt er toe bij om den indruk van rustigheid, kalmte, bedaarde +statigheid bij ons te wekken. In een deftig vertrek door zoo'n dame +ontvangen te worden, die in deze houding een verzoek aanhoort, doet +weldadig aan en zet ons onmiddellijk op ons gemak. Het geeft de +gewaarwording, dat ze in haar dagelijksche doen veelvuldig menschen +heeft moeten ontvangen en heeft moeten aanhooren. Het rustige liggen der +handen duidt eerder zulk een werkkring aan, dan beslommering van +handenarbeid. En de gelaatsuitdrukking bevestigt die opvatting. Ook +hierin dat rustige, onverstoorbare. Om den mond geen lach en geen trek +van norschheid, geen zwakheid en geen hardheid van karakter, maar juist +genoeg zachtheid om niet af te schrikken. + +[Illustration: Vrouwtje Bas.] + +Elisabeth Bas komt reeds op leeftijd: de mond begint in te vallen, wel +niet veel, maar genoeg om de kin iets vooruit te doen springen. De diepe +plooien, van de neusvleugels af naar beneden, duiden het ook aan. De +vleezigheid van de wangen doet in die plooien weer kleinere ontstaan. +Als vrouwen zestig jaar zijn, begint dat langzamerhand te komen. Bij +dezen leeftijd behoort de blozende gelaatskleur, en behooren verder de +twee uitgezakte rondingen links en rechts van de kin, de vierkante vorm +van het gezicht, de golvende lijn, die den omtrek van de rechterwang +aanduidt en het hooge voorhoofd. Deze ouderdomskenmerken voegen zich +heel gemakkelijk bijeen. Van geen enkel krijgen we het idee, dat het in +dit gezicht niet past. Als de schilder er ook maar één overdreven had +voorgesteld, zouden we dat terstond als eene fout hebben opgemerkt. De +plooien aan de mondhoeken zijn in een of ander gezicht soms wel dieper, +de kin vooruitstekender, de mond meer ingevallen, maar in dit portret +gaat alles tot zoo'n graad, dat er volmaakte eenheid blijft bestaan. +Geen enkele eigenschap springt uit den band. Alles is om zoo te zeggen +op een goudschaaltje afgewogen. + +Wel moet de schilder het model dus door en door hebben begrepen, als hij +in zijn hand en in zijn penseel voelde, hoe diep hij een plooitje moest +zetten, om bij al het overige te passen. Waar een groefje van den +rechtermondhoek schuin naar beneden zakte, vond hij in de omtrekslijn +van de wang een bochtje, dat daaraan beantwoordde. En hij zette het een +niet, zonder het ander in 't oog te houden. + +Neus en oogen zijn volmaakt in overeenstemming met de rest. Op den +leeftijd van juffrouw Bas is de rug van den neus niet meer smal en +kantig, maar breed en naar beide zijden rond afloopend. Alleen de punt +en de vleugels zijn nog scherp geteekend. Onder de oogen vormen zich +zware plooien; ook zakt er een van de wenkbrauwen schuin naar den +buitenhoek van het oog. Hieronder komt het vleezige bovenste ooglid te +voorschijn. + +Deze bijzonderheden hebben alle denzelfden leeftijd; de eene toont niet +ouder dan de andere. Nergens een trekje dat te donker, te licht, te diep +of te oppervlakkig, te ouwelijk of te jeugdig is. Al deze geschilderde +zaken zitten rustig bij elkaar, zonder dat het een het ander +overschreeuwt. + +Rustig kijkt het gezicht ook uit de oogen. De blik heeft wat bijzonders, +zooals we dat bij sommige menschen wel opmerken: hij houdt het midden +tusschen glimlach en ernst. We weifelen tusschen deze twee. En om den +mond speelt een trekje, dat ons ook in het onzekere laat. Niet doordat +Rembrandt onvast schilderde, maar het gelaat zelf droeg een plooi van +gemengde aandoeningen. + +De hoofdindruk is die van ernst en wijsheid en van vertrouwen, dat ze +inboezemt. De wijsheid is het inzicht van een persoon, die in haar leven +veel heeft moeten regeeren en leiden, die veel aan beraadslagingen +deelgenomen heeft; men ziet haar de eigenschappen aan, om weeshuizen te +besturen, om oneenigheden tusschen regenten te beslechten, om beide +partijen aan te hooren, een ieder aan te moedigen om te zeggen, wat op +het hart ligt, maar daarna wekt zij ook de verwachting, dat met +gestrengheid uitspraak zal worden gedaan, gestrengheid echter, die vrij +van hardvochtigheid is. We zien dit gelaat gaarne voor ons, niet zooals +we misschien behagen vinden in lieve engelenkopjes, maar omdat we +Elisabeth Jacobs Bas eene lieve vrouw vinden. Wel ook eene verstandige, +maar vooral eene lieve vrouw. + +Terwijl Rembrandt op het gelaat, dat voor hem zat, deze roerselen van +karaktergeheimnissen las, wist hij er zich bovendien zoo juist +rekenschap van te geven, dat zijn penseel ze in lijn en kleur kon +vastleggen. Hij was menschenkenner zoowel als kunstenaar. Houdingen, +vormen, gebaren en trekken nam hij nauwkeurig waar. Maar de menschelijke +natuur, die daarachter schuilt, niet minder. Zooals iemand in een stoel +gaat zitten en de handen over elkaar legt, zoo is ook zijn levenstaak en +zijn karakter; dat had de omgang met menschen hem geleerd. Met wat een +aandacht moet hij de personen uit zijne omgeving hebben bestudeerd! Wij, +die in een tijd van veel drukker verkeer leven, als wij in eenen +spoortrein zitten, en iemand komt de coupé binnen, kunnen wij maar amper +aan zijn manier van plaats nemen zien, of hij veel heeft gereisd dan of +reizen iets ongewoons voor hem is. En wat is dit aan de oppervlakte, +vergeleken bij de karakterhoedanigheden, welke Rembrandt zag in de +personen, die tegenover hem gingen zitten. Hoe veel en hoe ernstig moet +hij zich met menschen hebben beziggehouden, om hun innerlijk leven zoo +op het uiterlijk af te lezen. + +En toch heeft men willen beweren, dat hij in zichzelven gekeerd, +teruggetrokken, bijna eenzelvig leefde, geen menschen zag, geen omgang +had en weinig van menschen hield. Dit ééne portret bewijst voor het +tegendeel genoeg. Wie dit kan maken, kent den mensch, bestudeert hem, +zoekt hem en voelt zich tot hem aangetrokken. + +Als we nu nog even de aandacht aan de kleederdracht dier dagen schenken, +merken we op, met hoeveel welgevallen de schilder den in 't oog +loopenden plooikraag zag. Om eens eene ongepaste vergelijking te maken: +het is, alsof het hoofd, waarin al die wonderlijke zaken van gemoed en +karakter worden opgemerkt, aan den beschouwer wordt gepresenteerd op een +schotel van blanke reinheid. In zuiveren, afgeronden vorm teekent het +zich daartegen af. Linten, strikken, koralen of andere sieraden +misleiden de aandacht niet. Zelfs geen haardos. Een linnen kapje of +mutsje voltooit de witte omlijsting, waarin het gelaat ons alles kan +zeggen, wat het te zeggen heeft. + +Wat is die kraag er mooi opgezet! Luchtig en kraakfijn staat de kant in +de plooien. Overal van die bijna doorschijnende schaduwtinten, zooals +men ze ook ziet op verschgevallen luchtige sneeuw. Hoe zuiver loopt de +ronde lijn over de borst en de schouders achter om het hoofd heen; nog +net even kunnen we voelen, dat de kraag aan de achterzij iets uit het +platte vlak doorgezakt is. + +Men ziet, het zijn niet alleen de raadselen van een menschelijk gemoed, +waarnaar Rembrandt zocht, ook het eenvoudigste ding keek hij aan en weer +aan, tot hij kon zeggen: zoo doet het zich aan mijn oog voor. Hij tastte +zijn model eerst in het hart aan en gaf uitdrukking aan het persoonlijk +karakter; maar dan had hij ook aandacht voor de bijzaken en schepte er +behagen in, eenen kraag in de plooi of een weduwenkapje in de stijfsel +te zetten. + + * * * * * + + + + +KUNST VAN GROEPEEREN. + + +Weinige van Rembrandts werken hebben onder het groote publiek zoo'n +bekendheid gekregen, als het Korporaalschap van Frans Banning Kok. Het +bevindt zich in het Rijksmuseum te Amsterdam en dagteekent uit het jaar +1642. + +De beschouwer voelt zijn blik het eerst getrokken door twee personen op +den voorgrond. Het zijn Frans Banning Kok en Willem van Ruitenberg. + +Op andere portretten wordt men nu eens het eerst door dit, dan weer door +dat gezicht geboeid; de een begint zijne beschouwing met dezen, de ander +met genen kop; de massa gezichten is gewoonlijk verwarrend, met het +gevolg, dat het weinig kan schelen, waarheen men den eersten blik wendt. + +Maar op dit portretstuk richt iedereen dien altijd naar het zelfde +tweetal. + +Dit feit is niet van geringe beteekenis, al klinkt het eenvoudig. De +schilderij krioelt, om zoo te zeggen, van menschen; en bij dergelijke +stukken wil het wel eens zoo wezen, dat niet ieder een vast uitgangspunt +vindt. Vergelijk bijvoorbeeld de intocht der Kruisvaarders in Jerusalem +(van Piloty) er maar eens bij. De blik dwaalt onrustig heen en weer, is +nu eens bij het groepje, dat een kruis met palmen torst, dan bij den +ridder, die het kleine tegenstribbelende kindje op den arm draagt, of +bij den rijkaard, die sieraden in het kleed van een bedelaar werpt. + +[Illustration: De Nachtwacht.] + +Het wordt den beschouwer niet duidelijk, wààrop hij in hoofdzaak zijne +aandacht moet vestigen; er zijn tal van groepen, die hij geneigd is, +mooi te vinden, maar ze houden met elkaar geen verband; er is geen +zwaartepunt in het stuk; men blijft onzeker omtrent de bedoeling. Toch +moet bij Piloty eene bedoeling hebben bestaan; het zal bijvoorbeeld deze +geweest zijn: te laten zien, hoe vroom en deemoedig een paar groote +vorsten geknield de stad binnenkropen en de heilige plaats naderden. +Maar men merkt niet, dat daar alles om draait; de bijzaken verwarren +ons. + +Zoo heel eenvoudig is het dus niet, om de aandacht te vestigen op de +hoofdzaak. Merken we dit ook niet dikwijls op bij schrijvers, als ze +zich neerzetten, om uitspanningslectuur te schrijven? Ze meenen wel, dat +ze ons iets aardigs hebben te vertellen, maar het raakt zoek in den +grooten omslag van het geheel; we halen het er niet uit onder het lezen. +Als we het boek uit hebben, weten we nog niet, waarom de schrijver het +geschreven heeft. + +Laten we dus beginnen met omtrent het Korporaalschap te verklaren, dat +het al vast deze goede eigenschap heeft: ieder beschouwer kan steeds in +dezelfde twee personen de hoofdzaak aanwijzen, op welke Rembrandt de +aandacht wilde vestigen. + +Waarom heeft hij dit gewild? Waartoe dient het, dat we allen het eerst +aan Banning Kok en Ruitenberg onze aandacht schenken? + +Toch zeker niet om ons te laten zien, hoe fraai hunne kleeding, hoe druk +hun gesprek, hoe vriendschappelijk hun omgang is; of hoe 'n mooie hand +Banning Kok heeft, hoe aardig de zon daarop schijnt en de schaduw over +het kleed van Ruitenberg doet vallen. Dit zijn zaken van ondergeschikt +belang; ze hebben voor de uitbeelding van een vendel schutters niet +zooveel beteekenis, dat daarvoor de aandacht het eerst op de beide +genoemde figuren moest worden gevestigd. + +Dit heeft eene andere bedoeling, en we zullen die vrij zeker opmerken, +wanneer we, met een stukje papier of met een paar vingers, den kapitein +en zijnen luitenant bedekken en aan onzen blik onttrekken. + +De overblijvende figuren staan nu stil. Besluiteloos staan ze op een +hoop bij elkaar. Het vendel komt niet meer van zijne plaats; het wacht. +De gang, die er in zat, is er uit. Wel zijn er nog eenige figuren in +gaande beweging uitgebeeld, maar het geheel maakt den indruk van talmend +en treuzelend halt houden. + +[Illustration: Intocht in Jeruzalem (van Piloty).] + +Zoodra we de bedekking wegnemen, komt het heele vendel weer vooruit. De +schilderij geeft niet een groep schutters, in schilderachtige wanorde +bijeengeplaatst, ze geeft het uitrukken. Het vendel rukt uit. En het +zijn de twee officieren, die er actie aan geven. Door hun bewegen wordt +alles in beweging gezet. Hun gaan geeft gang aan de heele compagnie. + +Was er dus ook reden voor Rembrandt, om voor deze twee figuren de +hoofdaandacht te vragen? In hen bracht hij alle actie bijeen, die voor +het heele vendel noodig was, en spaarde ons de vervelende vertooning van +eene gansche verzameling gaande beenen en gaande voeten. + +Hebben we nu niet meteen het antwoord op de vraag, waarom Banning Kok en +Ruitenberg ten voeten uit zijn afgebeeld, en waarom ze ook, ten voeten +uit, in het licht zijn gezet? Het kwam op hunne beenen juist aan! Ze +moesten aan 't loopen voor eene heele compagnie! + +Laten we de beweging van dit gaan eens aandachtig beschouwen, en ons +daartoe voor den geest halen, wat we opmerken aan menschen, die langs +den weg loopen. Dit bepaalt zich volstrekt niet tot het regelmatig en +afwisselend verplaatsen van de beenen. Eerstens komt daar gewoonlijk bij +het heen en weer gaan van de armen, wat toevallig bij de beschouwing van +onze twee figuren van geen belang is, omdat ze geen van beiden de armen +los laten hangen. Tweedens: in het geheele lichaam eene beweging, waarop +we hier wel de aandacht moeten vestigen. Bij elken pas gaat namelijk het +lijf en daarmee het hoofd op en neer; het rijst en daalt. Bijzonder +duidelijk nemen we dit waar, als een troepje menschen zich met elkaar +voortbeweegt zonder in den pas te marcheeren; al de hoofden en +hoofddeksels dobberen dan op en neer, als door eene deinende +golfbeweging. Duidelijk is dit vooral, als ze achter een niet te hooge +haag aan ons oog voorbij trekken. + +En zie, het is dit op en neer deinen van de bovenlichamen, wat we in +Banning Kok en Ruitenberg beginnen te voelen, als we ons de moeite +geven, eenigen tijd aandachtig hun gaan aan te kijken. De tweede schijnt +juist het oogenblik door te maken, dat hij omhoog veert, terwijl de +eerste dit net weer achter den rug heeft. Eene schilderij kan wel is +waar geen werkelijk bewegen te zien geven, maar toch kan de schilder uit +de kleine veranderingen, die tezamen de actie uitmaken, eene zoodanige +keuze doen, dat wij den indruk krijgen, alsof het beeld de beweging +zelf te zien geeft. Dit gelukt hem alleen, als hij eene nauwgezette +studie van de zaak maakt, en als hij van nature bedeeld is met het +juiste gevoel voor actie, voor veerkracht en voor evenwicht. Hij moet +zich, al werkende, levendig voor den geest kunnen stellen, hoe hij eene +menschelijke gedaante langs den weg heeft zien gaan, hoe elk +lichaamsdeel op eigenaardige wijze aandeel kreeg in de beweging van het +gaan, hoe een hoofd zich telkens even omhoog richt bij het verplaatsen +der lichaamszwaarte van het eene op het andere been. Naar een model, dat +in zijn atelier de verlangde houding en stand aanneemt, kan hij niet +werken, als hij zoo iets wil weergeven. Het verkeert in rust, en om de +rust is het hem juist niet te doen. Voor eene figuur als van Ruitenberg +zou een model hoogstens de plaatsing van de voeten en de buiging van de +beenen te zien kunnen geven. Maar niet het omhoog veeren, het opbeuren, +dat ons in het bovenlijf, in den hals en het hoofd zoo treft. Hoe langer +men er op ziet, hoe minder men zich aan dien indruk kan onttrekken. En +tegelijk beginnen we op prijs te stellen, dat de schilder zijn volle +licht en zijne lichtgele kleedingstoffen spaarde voor deze figuur; zij +springt daardoor des te beter in 't oog. + +Er is naar aanleiding van dit onderwerp nog eene opmerking te maken: de +twee vrienden loopen namelijk niet gelijk. + +Reeds trok het onze aandacht, dat ze niet in denzelfden pas marscheeren. +Terwijl Banning Kok zijn rechterbeen juist naar voren gebracht heeft, en +hij zijne lichaamszwaarte bezig is op dat been over te brengen, is het +rechterbeen van Van Ruitenberg reeds gestrekt, het ondersteunt diens +zwaartepunt en geeft aan het linkerbeen gelegenheid om naar voren te +komen; de voet rust dan ook nog slechts met de punt van den teen op den +grond. + +Maar behalve het verschil in tijdmaat, is er een wezenlijk onderscheid +in de manier van loopen. Men zou elk van hun tweeën er aan kunnen +herkennen, zooals we trouwens onze kennissen dikwijls herkennen aan +hunnen gang. + +Ruitenberg maakt groote passen, bijna te groot voor iemand van zijne +lengte. Hij komt met eene zekere drift opzetten. Zijne nadering heeft +min of meer een dreigend aanzien. Het linkerbeen, dat zich thans nog +achter bevindt, wil zich gestrekt en op eene vinnige, kordate manier +naar voren bewegen. + +Als ons oog van dit driftige, besliste mannetje naar den grooten, +vierkanten Banning overgaat, doet diens voetstap ons weldadig aan. +Rustig en goedsmoeds schrijdt hij voort. Wel ook met meer dan gewoon +burgelijke snelheid, even goed als zijn buurman, maar zijn gang is niet +nijdig, niet gestrekt, niet als de gang van den gymnast, die zijne leden +aan korte, besliste bewegingen went. + +[Illustration: Groep uit de "Nachtwacht".] + +Zooals hij daar aan komt stappen, heeft hij eerder iets vertrouwelijks +over zich dan de kleine Kuitenberg. + +Dit onderscheid in beider gang is door den schilder aan de twee levende +personen nauwkeurig ontleend. Want het behoeft onze aandacht niet te +ontgaan, dat hetzelfde verschil ook spreekt uit beider lichaamsbouw en +vooral uit beider gelaatstrekken. De een ziet met een vol, breed gezicht +de wereld in, uit een paar wijd geopende en vrijmoedig opziende oogen. +De andere heeft in zijne magere trekken niet dat aantrekkelijke; hij mag +wat scherpzinniger wezen, scherper is hij ook, en hij ziet min of meer +sluw onder den hoed uit, die hem in de oogen zit, terwijl Kok dat +kleedingstuk achter op het hoofd staat. Ieder mensch draagt zijnen hoed, +zooals zijn karakter is. + +De gang is dus in overeenstemming met grootte, met breedte, met +gelaatsuitdrukking, vermoedelijk ook met karakter. Dit verleent aan de +twee naast elkaar loopende figuren het echte leven; de een is een geheel +ander mensch als de ander. Aan beider eigenaardigheden heeft de schilder +recht gedaan, terwijl hij bovendien de actie van hun gaan wist te +gebruiken, om aan de heele groep van personen de bewegelijkheid te +geven van een troepje uitrukkende schutters. + +Want, om den hoofdindruk van onze schilderij niet uit het oog te +verliezen,--dit uitrukken is eigenlijk _het_ onderwerp, dat de schilder +behandelen wilde. We behoeven niet lang te raden, waarom hem dit +aantrok. Sinds overoude tijden is het uittrekken van de gewapende macht +een soort volksfeest, dat toen zoowel als nu zich mocht verheugen in de +belangstelling van het publiek. Wie zal ook ontkennen dat het een +levendig, een aardig tooneeltje is, zoo door de straten den bonten stoet +te zien voortmarscheeren, muziek of trommelslag voorop, vaandels boven +de hoofden vliegend, wapens blinkend en kletterend, het geheel door +straatjeugd omstoeid, door volwassenen met welgevallen gadegeslagen. + +Het lag voor de hand, dat zoo'n tooneeltje hem geschikt voorkwam, om +daarin de bestelde portretten tot een geheel te vereenigen. + +Het tweetal, dat aan het hoofd van den stoet marscheert, en dat zijne +beweging aan de gansche schaar weet mee te deelen, heeft nu intusschen +nog eene andere taak te vervullen. In hen moet ook blijken, wie het zijn +die hier uitrukken. + +Al dadelijk zien we in gestalte, houding en fieren, vasten gang iets, +dat ons zou bevreemden, als we het opmerkten in twee burgerluitjes, die +samen een straatje omwandelden. Wanneer we twee deftige heerschappen met +zooveel tred, zooveel levendigheid en met zoo'n druk handbeweeg door +onze straten zagen passeeren, zouden we zeker meenen dat een ernstig +ongeluk was gebeurd, en zij er op uitgingen om hulp van politiemacht in +te roepen. Hier is iets uitgedrukt, dat strijdt met het gewoon +burgerlijke; en dit was juist noodig om van de figuren militairen te +maken. Ze hebben het krijgshaftige gekregen, om te zijn, wat ze moesten +wezen: schutters; en wel schutters, aan wie de verdediging der stad zou +kunnen worden opgedragen in tijden van oorlog. + +Voor het gansche vendel zijn de officieren met militaire eigenschappen +toegerust. + +Toch zijn ook weer zij het, die in het militaire het burgerlijke mengen. +Het stuk mocht niet ontaarden in de voorstelling van eene krijgshaftige +groep veteranen uit het beroepsleger van stadhouder Frederik Hendrik. + +Dit zou gebeurd zijn, als de aandacht meer en in hoofdzaak ware +gevestigd geworden op het echte krijgsmansuiterlijk van den man, die +onder het gaan zijn geweer laadt, links van Banning Kok, of op de drie, +die we weer links van dezen waarnemen. Allemaal typen van krijgslieden. + +Maar de gezichten van Ruitenberg en Kok zijn geen troniën van in +kruitdamp verweerde veteranen. Men houdt ze wel dadelijk voor +burgerlijke ingezetenen, die met den krijgsmansstand weinig gemeen +hebben. Het blijven burgers, zij het dan ook burgers, die zich vandaag +als mannen van wapenen doen gelden. Al doen ze dit laatste goed, men +ziet hen wel aan, dat zij in een vredelievenden kring thuis behooren. +Banning Kok is niets meer of minder dan Wethouder van Amsterdam en zit +in die functie op het kussen naast dokter Nicolaas Tulp, wiens portret +Rembrandt tien jaren vroeger, in 1632, had gemaakt. + +In het welsprekend handgebaar van den kapitein vinden we ook iets, dat +in strijd is met soldatenmanieren, of althans geene strijdlustige +bedoelingen verraadt. Het geeft wel is waar aan den persoon eene +levendigheid, die een burger, als hij zich door de straat beweegt, +vreemd zou staan en eerder aan den krijgsmansstand doet denken; maar +tegelijk is het toch ook van eene vreedzame natuur; we kunnen dezen +krijgsman geen andere oogmerken toeschrijven, dan om met zijn mannen uit +te trekken, en vreedzaam oefening te houden in het hanteeren van de lans +of het schieten op een doel, misschien op den haan, dien het meisje +draagt. Zoo gemoedelijk loopt niet de landsverdediger te gesticuleeren, +die den wreeden vijand tegemoet gaat, en vrouw en kinderen voor 't +laatst vaarwel heeft gezegd; en zoo rustigjes loopt een ander niet met +de hand in de zij, te luisteren naar het discours van eenen lotgenoot. + +Het zijn dus ook al weer Banning Kok en Van Ruitenberg, in wie het +karakter uitgedrukt is van het soort krijsvolk, dat hier uitrukkende is +voorgesteld. Evenmin als het voorafgaande, is dit door Rembrandt op +diepzinnige wijze verzonnen; het denkbeeld lag voor de hand. Althans, we +krijgen den indruk, dat dit zoo was. Groote kunstwerken wekken +gewoonlijk de gedachte, dat ze eenvoudig van opvatting en samenstelling +zijn, dat ze den kunstenaar gemakkelijk van de hand zijn gegaan. + +Het middel, dat aangewend is om de hoofdpersonen onder ieders aandacht +te brengen, is eveneens heel eenvoudig; de schilder heeft ze letterlijk +in 't licht gezet, en de rest van zijn doek nogal rijkelijk met schaduw +bedacht. Of dit licht de kenmerken heeft van zuiver daglicht, dan wel of +er iets onnatuurlijks in is, kan men niet beoordeelen met eene zwarte +prent voor zich; het zijn de kleuren, die dit uitwijzen, en deze kan men +alleen zien op het origineel in het Rijksmuseum. + +Maar dat het een helder en schitterend licht is, laat geen twijfel over, +ook niet als op onze plaat de kleuren ontbreken. Toch heeft men lang in +twijfel verkeerd, met welk licht men hier te doen had. De donkere +achtergrond bracht velen op het idee, dat Rembrandt een nachtelijk +tooneel bedoelde, bij voorbeeld het rondgaan van een nachtwacht van +schutters, bij het licht van toortsen of flambouwen. + +Vooral Fransche reizigers, die in de achttiende eeuw Amsterdam bezochten +en op de "Voetboogdoelen" tegen den breeden schoorsteen het stuk gingen +zien, stonden er vast op, dat het de ommegang van de nachtwacht was. +Langzamerhand hebben onze voorouders zich daarbij neergelegd. In den +pruikentijd schijnen zij niet veel oog voor schilderkunst gehad te +hebben, en vertrouwden ze er op, dat een Franschman het weten kon. Men +ging dus spreken van "de Nachtwacht" van Rembrandt. En dien naam behield +het stuk, toen het naar het stadhuis, en zelfs later nog, toen het onder +de regeering van Lodewijk Napoleon in 1808 naar het museum verhuisde, +toen deze koning het stadhuis inrichtte tot vorstelijk paleis. Meer dan +honderd jaar is het een Nachtwacht gebleven; eerst in de negentiende +eeuw brak de morgen aan, begon het daglicht te gloren, en zag men het +bespottelijke van de benaming in. In den mond van het volk leeft die +echter nog voort. + +Zoo zien we, hoe weinig er maar noodig is, om wit zwart en zwart wit te +heeten, om van dag nacht te maken. Als men de bedoeling van den +kunstenaar maar net precies niet vat, keert men ze totaal om. Wie thans +de schilderij onder goede verlichting ziet, kan niet gelooven, dat onze +voorouders den dag voor nacht hebben gehouden, zoolang hun de schellen +niet van de oogen waren gerukt. Zij heeft met nacht niets te maken, of +men moet zich voor den geest roepen, in welk jaar Rembrandt's penseel +dit meesterwerk voltooide. Het was in 1642, in het jaar toen hem Saskia +door den dood ontviel, toen hij alleen in zijn groote huis achterbleef +met een kind van nog geen jaar, en avond aan avond eenzaam in het +woonvertrek zat, waar zijn jonge vrouw zoo dikwijls tegenover hem had +gezeten, als hij uit zijn werkplaats met teekengerei was binnengekomen, +om in huiselijke gezelligheid allerlei schetsen te maken. Het was het +jaar, toen voor hem het licht onderging, dat acht jaren lang zijn +levensweg had beschenen. Droefenis en somberheid waren in zijn huis, +droefenis en somberheid waren ook in zijn gemoed. Hij doorleefde een +tijd, die was als een nacht van troosteloosheid. Slechts één ding kon +hem staande houden in zijn leed; dat was zijne kunst. Zijne liefde voor +het penseel hield den levensmoed er in. Uit die dagen van droefheid +werkte hij zich op, grooter en roemvoller dan voorheen. Treffender wordt +voor ons zijne groote kunst, als we weten, welke omstandigheden zijn +gemoed beheerschten. We zien dit meesterstuk van het sombere jaar 1642 +als een lichtgestalte staan tegen den donkeren achtergrond van zijn +huiselijk leed. + +In zooverre is het gepast, het korporaalschap van Frans Banning Kok +Rembrandt's Nachtwacht te noemen. Maar overigens lijdt het geen twijfel, +of de hoofdpersonen zijn in het volle daglicht geplaatst. + + * * * * * + + + + +VERVOLG VAN 'T KORPORAALSCHAP. + + +Na deze uitvoerige bespreking van een paar hoofdpunten, kunnen we +slechts kort nog bij eenige ondergeschikte zaken stilstaan. + +We merken dan eerst op, hoe fraai de schaduwkant van Bannings linkerhand +tegen de lichtkantjes staat langs duim en vingers, hoe los en +welsprekend het gebaar is, en hoe de slagschaduw geworpen wordt op het +kleed van Ruitenberg. Ze ligt er niet op, zooals de randversierselen er +vast op zitten, maar ze glijdt er los en bewegelijk overheen. Het eene +maakt deel uit van het wambuis, het andere niet. Ook bij het lijk op de +Ontleedkundige les merkten we, hoe zorgvuldig Rembrandt bestudeerde de +manier van eene schaduw om ergens op te vallen. + +Bij het beschouwen van de vier voortschrijdende beenen herinneren we ons +die van Michiel de Ruyter en Zeeger op de plaat: "Dat is onze man." Bij +Banning Kok en Ruitenberg alles verschillend: schoeisel, kleeding, kleur +en bouw, houding, beweging en stand. + +Het is natuurlijk, dat de beschouwing van dit stuk zich grootendeels +bepaalt tot de hoofdpersonen. De tijdgenooten, en vooral de leden van +het schuttersvendel merkten dit ook op en namen, voor zoover ze er +belang bij hadden, het den schilder kwalijk. Eerlijk gezegd, we kunnen +hun geen ongelijk geven. + +Ieder lid van de compagnie moest een som van honderd gulden betalen. En +hoe waren sommigen voor dit bedrag op het doek gebracht? Aan den +rechterkant, waar de man met witten kraag zijn hand uitsteekt, staat +achter diens arm een persoon, die op het portret van zijn heele gezicht +niets dan twee oogen en een stuk neus terugvond. Wel wat weinig voor +zijn honderd gulden! Verklaarbaar is het, dat Rembrandt het na 1642 met +bestellingen van schutterstukken niet druk meer gehad heeft. Het was +zijn eerste en zijn laatste. + +Toch heeft hij van enkele personen veel werk gemaakt. Eene aangename +figuur bijvoorbeeld is de man, die links van den kapitein zijn geweer +laadt. Er is in de wijze van gaan iets onzekers, iets dat aan waggelen, +aan wijdbeens loopen doet denken. Dit is scherp opgemerkt van den +schilder. We voelen er de onvastheid in van iemand, die, al loopende, +met beide handen iets bezig is te doen aan een zwaar voorwerp, en die +het gemis merkt van zijne armen, welke anders onder het gaan door +slingerbeweging een gevoel van gemak en evenwicht geven. + +Wat ons het meest verwondert, ook Banning Kok was met zijn konterfeitsel +niet tevreden! Hij noodigde voortaan andere schilders uit, als hij zijn +eigen beeltenis, die van zijn vrouw of die van zijn korporaalschap +wenschte te hebben. We weten, dat een zekere Ludens er in 1660 een van +hem gemaakt heeft, maar het nageslacht stelde weinig prijs op het stuk; +in 1712 is het nog eens voor f263 verhandeld; daarna ging het +waarschijnlijk verloren. Banning Kok nam het Rembrandt misschien +kwalijk, dat die hem een gelaatskleur had gegeven van nogal in 't oog +loopende roodheid. Voor de ware schoonheid zal hij mogelijk net zoo +weinig hebben gevoeld als de dichter Joost van den Vondel. Deze, een +tijdgenoot van Rembrandt, wonende als hij in Amsterdam, heeft allerlei +beroemde personen in gedichten bezongen, maar nooit den grootsten onzer +schilders. Hij had, naar het schijnt, geen begrip van schilderkunst. Eén +keer spreekt hij een oordeel uit over een portret, door Van Rijn +geschilderd, en zegt dan onder anderen: + +"De verf vergaat, de deugd zal eeuwig blijven." + +Zoo'n versregel is pittig en heeft klank. Een oogenblik zijn we geneigd +het eens te zijn met wat de dichter beweert. Immers, de roem van +buitengewone deugden is onvergankelijk, en eene verfkorst kan vergaan. +Maar bij nader inzien blijkt alles maar woordenspel te zijn. De persoon, +op het portret uitgebeeld, is met zijnen roem, met zijne deugden, met +zijnen naam reeds lang vergeten; de onvergankelijkheid was niets dan een +dichterlijk compliment. Het geminachte verfkorstje bestaat echter nog, +wordt in eere gehouden, is voor geen goud te koop en maakt de glorie uit +van zijnen bezitter. Van vergaan is geen sprake: deze veronderstelling +was slechts eene dichterlijke onnoozelheid. "De deugd verging, de verf +leeft voort." De tijd heeft Vondel gelogenstraft. We mogen van het +Korporaalschap niet afstappen zonder het naast de Anatomische les te +hebben gelegd. Beide schilderijen zijn portretstukken, waarop eene groep +van meerdere personen is voorgesteld. Op beide heeft de schilder +getracht, om het stijve van een troepje menschen, dat bij elkaar staat +of zit, te vermijden. Hij bracht er een denkbeeld in; de beschouwer kan +meenen, dat het eene dient om te laten zien, hoe eene ontleedkundige les +gegeven werd, het andere hoe de zeventiende-eeuwsche schutters uitrukten +om op het doel te schieten. En intusschen ontbreken de goede +eigenschappen van een portretstuk in geen van beide. + +Tot zoover gaan de stukken gelijk met elkaar op. Er is echter ook +verschil. En dit moet ons niet verwonderen. De Les dagteekent uit 1632, +Banning Kok uit 1642. Daar liggen tien jaren tusschen, een tijdperk, dat +in het leven van ieder mensch iets beteekent, maar dat van veel +beteekenis moet zijn in het leven van een kunstenaar. In die tien jaren +had Rembrandt wel opnieuw een groot man kunnen worden, als hij in 1632 +al zijne kunst eens had verloren. Wat moet zijne vaardigheid en zijn +schildersoog dan wel gewonnen hebben, nu hij bleef, wie hij was, en tien +jaren achtereen dagelijks teekende, etste en schilderde. + +We kunnen helaas aan zwarte nadrukjes niet al de veranderingen zien, die +'s meesters wijze van werken heeft ondergaan tusschen de Les en Banning +Kok. Maar althans één zeer belangrijke merken we op, en die leert ons +veel. + +Op de Les wordt eene hoofdrol gespeeld door het cadaver. Dit is het +voornaamste middel, waarmee de schilder aan het portretstuk de +beteekenis van eene gebeurtenis geeft. Het is echter een willekeurig +toevoegsel, dat er alleen op gekomen is, omdat Rembrandt dat zoo had +verzonnen. Of misschien was het denkbeeld wel van een ander afkomstig. +In elk geval: het is een toevoegsel, dat niet meewerkt, om de bedoeling +van het stuk te bevorderen. De portretten worden er niet beter om. Wel +stelt het Dr. Tulp in de gelegenheid, om mooi en ernstig les te staan +geven, zooals hij dat kon, wanneer hij bezig was; maar daartoe was eene +kleinigheid ook voldoende geweest: een beentje, een schedel, eene +bladzijde uit een boek, of iets dergelijks. Nu ligt daar het lijk; de +zon beschijnt het; het vormt den aantrekkelijksten hoek van het geheele +stuk; mooi bewerkt is het; alles goed en wel. Maar--het had gemist +kunnen worden. + +Een dergelijk verwijt treft het Korporaalschap niet. Wat daar aangewend +is, om gebeurtenis in het stuk te brengen, is aan de hoofdpersonen zelf +ten goede gekomen. Dáár geen aandacht dan voor hen, op wie ze +plichtmatig door den schilder gevestigd moest worden. Dáár alleen +opeenhooping van goede eigenschappen in twee personen, om de andere +figuren te ontlasten en onzen blik meer op éen punt te vestigen. Dat +éene punt is wel degelijk een onmisbaar onderdeel van het geheel. + +De tien jaren zijn voor Rembrandt dus niet onvruchtbaar voorbijgegaan. +We erkennen, dat het cadaver op de Les een gelukkige kunstgreep was om +den beschouwer te boeien; maar we worden gewaar, dat tien jaren later +hetzelfde doel bereikt wordt, zonder het te pas brengen van vreemde +zaken. Een bewijs dus van grooter meesterschap. Een ander bewijs zien we +in de handeling: hoeveel malen moet iemand _gaande_ menschen in allerlei +stand hebben geschetst, om in een portretstuk zooveel vaardigheid aan +den dag te leggen als hier. De personen op "de Les" toonen daarentegen +nog weinig beweging, al zijn de handgebaren van Tulp zeer juist +weergegeven. In 1632 gaf de schilder zijne figuren in rustige houding +bij elkaar; in 1642 durft hij de beweging tot onderwerp van behandeling +te nemen; zelfs de persoonlijke onderscheidenheden in de beweging. + +[Illustration: Simeon in den Tempel.] + +De vergelijking der beide stukken toont aan, dat de schilder in de +eerste jaren van zijne loopbaan nog niet was, wat hij later werd. Wat +hij toen maakte was grootsch; maar hij zelf zou de man worden, om den +vroegen Rembrandt te overtreffen. + + * * * * * + + + + +SIMEON IN DEN TEMPEL. + + +De "Simeon in den tempel" is een bijbelsch stuk. Maria, de moeder van +het Jezuskindje, ligt op den steenen vloer neergeknield. Jozef, ook eene +knie buigende, houdt in de hand de duifjes, die voor offer bestemd zijn. +De hoogepriester heft zegenend zijne handen op; Simeon heeft het kindje +gegrepen, slaat het oog naar boven en spreekt de bekende woorden: "Nu +laat gij, Heer, uwen dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord; mijne +oogen hebben uwe zaligheid gezien." Een paar landlieden zijn toevallig +getuige van het tooneel, evenals twee "schriftgeleerden", die op den +voorgrond op een rustbank zitten. Omhoog welven en kruisen zich de +tempelbogen, die door weelderig versierde kolommen worden gedragen. Daar +heerscht schemering, evenals op de breede trap, waar tal van +tempelgangers op en afgaan. + +Om reeds bij den eersten aanblik de attentie te vestigen op de +hoofdgroep, laat de schilder de ruimte van den tempel in het halfdonker. +Op ééne plaats valt het zonlicht naar binnen, en wel door een venster, +dat zich links boven in het gewelf zal moeten bevinden. De +"schriftgeleerden" zitten buiten het licht; ofschoon in letterlijken zin +op den voorgrond geplaatst, trekken ze geenszins het eerst de aandacht. +Dat doen zeker wel de hoogepriester en Simeon het meest. De eerste door +zijne koninklijke gestalte, waar, in lange, statige, plooien, de mantel +omheen hangt. Hij doet denken aan "Jezus" op de eerste prent van de +"Opwekking van Lazarus". De gebogen lijn, van het hoofd achter over den +hals en den rug, is hier zuiverder van beloop; bij "Jezus" voelen we ter +hoogte van den linkerschouder en iets lager eene afwijking, die niet +duidelijk de bedoeling laat doorschemeren. + +Zuiver van uitdrukking is de hand; ze wuift en wenkt het neergeknielde +paar de woorden toe. In de pols is juist genoeg buiging achterover, om +het gevoel van stille verrukking uit te spreken; de hoogepriester neemt +deel in de zaligheid van dit grootsche oogenblik. Boog de hand zich in +neerwaartsche richting, dan kregen we den indruk, dat hij min of meer +uit de hoogte den zegen gaf. + +De vingers staan uitgespreid, alsof ze tintelen van de aandoening, +waarmee de plechtigheid hem vervult; vooral de pink staat wijd +uitgespannen; zoo zien we dat bij iemand, die zijne woorden spreekt in +ontroerde bezieling. + +Niettemin is de hand onschoon van teekening. Evenals die van Jezus op de +eerste Opwekking, is ze breed en plat, de vingers zijn kort en stomp, de +geleding is niet zuiver gevoeld. + +In de nijging van het hoofd ligt iets herderlijks. Het drukt bezorgdheid +en deelneming uit. Zoo staat een geestelijke tegenover hen, die zich +aan zijne leiding toevertrouwen. Zoo neemt hij ze, in figuurlijken zin, +onder zijne vleugels, in zijne bescherming. En wie zoo toegesproken +zijn, keeren huiswaarts met een gevoel van vertrouwen op de toekomst, +met het geloof, dat alles wel goed zal komen. + +Met de geheele figuur staat in 't licht; alleen dat deel, waarin de +schilder de uitdrukking wilde leggen. Daar zien we ook het duidelijkst, +hoe de statiegewaden er om hangen. Lange plooien gaan sierlijk van den +hals tot op den grond en slepen zelfs nog na. Zwaar en dik is de stof. +Hier en daar kreukelen de plooien overdwars. Van het hoofd af hangt een +priesterlijk sieraad over den hals en op den rug. Het ligt er rustig en +plat uitgespreid. De zijlijn volgt de buiging van den hals, de onderkant +de ronding van den rug. Alles plakt zwaar en solied op elkaar. + +Het verlichte handje draagt onzen blik van den hoogepriester op Simeon +over. Het is een licht-schakel. + +Ontzaglijk is het, de vervoering, de geestesverrukking van dezen +grijsaard te zien. Men hoort hem met groote stem, met woest geluid tot +den Heer zijnen God roepen en de woorden spreken, die boven aangehaald +zijn. Hij acht geen omstanders, ziet geen vader geen moeder, geen +hoogepriester, maar voelt zich het hart zwellen van dankbaarheidsdrift, +nu hij den lang verwachten Messias in de armen sluit. Het is eene uiting +van den sterksten hartstocht, eene ontroering, die den aandachtigen +beschouwer door de ziel gaat. + +[Illustration: Groep uit "Simeon in den Tempel".] + +De moeder Maria, ofschoon niet ten volle begrijpende, slaat vol zalig +gevoel de handen op de borst tezaam; haar moederhart zwelt, nu haar kind +den grijsaard zoo in gloed zet en hem zulke woorden ontlokt. Jozef, +eenigszins in de schaduw gesteld, weet nog minder, wat hij van de +ontboezeming van Simeon moet denken. Toch zit ook hij met vaderlijk +welgevallen het tooneel aan te zien. Zijn gemoed wordt zachter bewogen +dan dat van Maria; zijne gevoelens zijn meer gematigd. In het volle +licht behoefden ze niet gesteld te worden, mits ze toch ook de aandacht +niet ontgingen. De schilder laat hem daarom neerknielen in de schaduw +van den hoogepriester. Maar eene zachte, stille weerkaatsing van den +gloed van Simeon ligt over zijn wezen. Het is eene weerkaatsing van den +lichtgloed, zoowel als eene weerspiegeling van de gemoedsbeweging, maar +beide sterk getemperd. + +Eene belangrijke rol laat Rembrandt de boertjes spelen, die toevallig +langs de groep heenliepen en even bleven staan. Het misbaar van den +grijsaard moet zijn oorzaak hebben; wat mag er wel aan de hand zijn? +vragen ze zich af. Ze komen nieuwsgierig een stapje nader. Die met de +hooge muts ziet er vrij onnoozel uit en zal niet veel wijzer worden, al +staat hij er vooraan bij. De middelste van de drie is een echt type. +Waren ze er zoo in de dagen van Rembrandt, in 1631, wij kennen ze zoo +nog. De handen onverschillig op den rug, het hoofd tusschen de schouders +gezakt, hoogruggig door den veldarbeid, den kop vooruitgestoken met een +norsch, bullebakkig gezicht. Men ziet hem aan, dat hij ontsticht is over +het misbaar. Toch werpt hij een onderzoekenden blik op het kindeke, een +blik, dien men niet licht vergeet. Terwijl hij neerziet, is het, alsof +zijn wrevelige trekken zich ontspannen. Een klein, teer kindje, wie kan +daarbij ook onverschillig blijven! + +Voor ons is het geen raadsel, waarom zijn gezicht opklaart; wij leven +twintig eeuwen na de Jeruzalemsche gebeurtenis, en ons is het gegeven om +te overzien, wat dat Kindeke geworden is, en welke dingen Het verkondigd +heeft. Zie, voor wie waren later de predikingen van Jezus het meest +bestemd, op wie maakten ze het eerst indruk! Wie sloten zich aan en +lieten zich doopen? Waren het niet de eenvoudigen van geest? Waren zij +het niet, wier verstand klein was, wier begrip van de dingen niet +verging? + +Rembrandt voelde behoefte, om het groepje in den tempel aan te vullen +met een paar van deze eenvoudige zielen. Dat zou voor den beschouwer de +herinnering levendig houden van wat er later gebeuren moet. In de +simpele landlieden, die met belangstelling komen toekijken, zien we de +toekomst van het eerste Christendom. + +Nog in een ander opzicht zijn de boertjes merkwaardig. Laten we niet uit +het oog verliezen, dat Jezus in het land Kanaän geboren werd; de +ontmoeting met Simeon had plaats in den tempel te Jeruzalem; het volk, +dat de trappen op en afging, of toeschouwer was bij Simeons +geestesvervoering, waren Israëlieten, Joodsche landbouwers, Oosterlingen +dus. De kleedij, die de Joden in het begin onzer jaartelling droegen, +komt overeen met die, waarin zich thans nog Arabieren en Syriërs steken. +De meeste schilders hebben getracht, als ze een bijbelsch tafreel +behandelden, om hun figuren het voorkomen van Oosterlingen te geven. +Soms sloegen ze den bal wel mis, en schilderden ze Italiaansche +landlieden in plaats van oud-Israëlitische, maar ze hadden dan toch de +bedoeling, er een buitenlandsch tintje aan te geven. + +Deze bedoeling vinden we bij Rembrandt niet. Hij doet geen moeite om het +Bijbelverhaal te doen spelen in verre landen, onder vreemde volken. De +boertjes zijn echt Hollandsche typen. Ze komen regelrecht uit Ransdorp, +Broek-in-Waterland of Ouwerkerk-aan-den-Amstel. In hun blauwen kiel +heeft de schilder hen door Amsterdam zien gaan, of in de weide bij hun +vee bespied. Wel zien ze er anders uit dan het landvolk uit onzen tijd, +maar ook buiten de steden wisselt en verandert de kleederdracht. En zoo +als ze hier in den tempel staan, zoo heeft Rembrandt in zijn tijd hen op +verschillende platen naar het leven geteekend; nu eens met eene hooge, +dan eens met eene lage muts op het hoofd. Zoo was in zijnen tijd hunne +dracht. + +Hij brengt dus de gewijde geschiedenis over op vaderlandschen bodem. +Vreemde kleederdrachten voor herders en landlieden versmaadt hij. Hij +weet, dat tal van menschen zich op dat vreemde blind kijken, en geen oog +hebben voor het wezenlijke van de schilderij. Ze zullen de voorstelling +beter gaan voelen en begrijpen, als de figuren menschen zijn gelijk zij +zelf; als die in gelaatstrekken, in kleur, in houding en in kleeding +gewone, echte Hollanders zijn. Jezus had immers heel goed in Holland +geboren kunnen zijn. Was niet de Republiek der Vereenigde Nederlanden +een zeer bijzonder land? Had de God der Vaderen niet geholpen, om haar +van de Spaansche tirannij te bevrijden? Had Hij de zaak der Hervorming +niet doen zegevieren? Was er éen protestantsch land zoo met aardsche +rijkdommen en met welvaart gezegend? Een uitverkoren volk, daarvoor +hielden onze voorouders zich. Zij waren een tweede Israël. Alles, wat +ginds in het Oosten, aan de oevers van de Jordaan, was afgespeeld, +speelde zich ook hier af, dachten ze. Hunne geschiedenis was eene +afspiegeling van de Bijbelsche. + +Als zoo een geheel volk denkt, valt het den kunstenaar gemakkelijk, zich +ook in die richting te bewegen. Hij denkt niet alleen, hij stelt +zichtbaar voor. Het Joodsche wordt Hollandsch; de schaapherders van +Ephrata en de wijnbouwers van de berghellingen van Judea, komende in den +tempel van Jeruzalem, worden melkboeren uit de omstreken van Amsterdam. +En waarom ook niet? Over de heele aarde wonen menschen van éen natuur; +het denken en voelen is wel overal ten naastebij hetzelfde. Vooral onder +de volksklasse, die hier is voorgesteld, onder de eenvoudigen van geest, +die opgroeien te midden van de natuur. + +Hiermee kunnen we afscheid nemen van de blauwgekielde tempelgangers, om +nog even eenen blik te slaan op het tweetal, dat op den voorgrond in de +schaduw zit. + +De eerste laat het tooneeltje, daar voor hem, niet onopgemerkt +passeeren. Hij steekt het hoofd onderzoekend vooruit. Zooals het handje +en de arm op de leuning van den stoel liggen, kan men zich denken, dat +hij bijna van zins is, op te rijzen en nader te treden. Nummer twee +wisselt met hem een blik van verstandhouding. Hij krijgt argwaan, dat de +zaak niet in orde is. Schriftgeleerden, zooals zij misschien zijn, nemen +het met godsdienstaangelegenheden zeer nauw. Ze dulden geene +uitdrukkingen in strijd met de Joodsche wet. + +Of zij in de woorden van Simeon iets hooren, wat hun verdacht voorkomt, +willen we niet nagaan. Maar ons treft hunne tegenwoordigheid op deze +plaats. Reeds bij dit voorval uit het leven van Jezus zijn ze +dwarskijkers, in letterlijken en in figuurlijken zin. Rembrandt geeft ze +voorshands nog een plaatsje in de schaduw, terwijl hij de aanstaande +volgelingen van den Nazarener in het volle licht zet; maar ze zijn er +toch, en ze brengen ons te binnen, hoeveel leed ze later zullen +uitstorten over het hoofd van het Kindeke, dat nu nog zoo onnoozel in +Simeons armen ligt. + +Ten slotte een enkel woord over de geschiedenis, die dit schilderijtje +heeft doorgemaakt. + +Voor wien en voor hoeveel Rembrandt het maakte, weten we niet. Het duikt +in 1733 uit het onbekende op. Bij eene verkooping ten huize van een +Haagsch burger werd het voor f830 verkocht; men weet dit uit een +rekeningenboek. Een mooie prijs voor dien tijd!--Later werd het +aangekocht voor de verzameling van Stadhouder Willem V. De groote +gebeurtenis voor het stuk moest echter eerst komen tusschen 1810 en +1813. Toen Nederland als aanslibsel van Fransche rivieren bij het +Keizerrijk was ingelijfd, vond Napoleon, dat alle kunstwerken, die aan +den Staat behoorden, naar de hoofdstad des rijks moesten verhuizen, naar +Parijs. De "Simeon" was door Prins Willem V bij zijn vertrek naar +Engeland in 1795 natuurlijk in den steek gelaten, evenals de verdere +roerende en onroerende have; de staat had er zich over ontfermd, en nu +ontfermde Napoleon er zich weer over. + +Het werd met tal van andere schilderstukken ingepakt, op eenen wagen +geladen en verzonden. De bedoeling was, om het Louvre er mee te +verrijken. Wagenvrachten en wagenvrachten van kunstwerken ondergingen +ook in de andere Fransche wingewesten hetzelfde lot. Men was er in +Parijs verlegen mee. De opeenhooping was zoo groot, dat een paar jaren +later het werk der schifting en der tentoonstelling nog niet afgeloopen +was. Napoleon kwam ten val, voordat alles een plaats had gekregen. + +Toen hij in 1815 voorgoed van het wereldtooneel verdween, was het Louvre +meer pakhuis dan museum. Spoedig daagden van de onderscheiden herstelde +regeeringen afgevaardigden op, om uit den rommel op te eischen, wat door +Napoleons ambtenaren naar Parijs was vervoerd. Ook van de regeering der +Nederlanden. "Simeon" maakte de terugreis naar Den Haag, en kreeg daar +in het Mauritshuis het plaatsje, dat hij nu nog inneemt. Moge hij er +blijven tot in lengte van dagen, om nog vele bezoekers het hart te +verheugen. + + * * * * * + + + + +EENE ONDERGAANDE ZON. + + +Het licht is voor Rembrandt gedurende al zijne levensjaren een +geliefdkoosd onderwerp van studie geweest. Wat is er ook schooner! Wie +kan onverschillig zijns weegs gaan, wanneer hij des ochtends buiten is +bij het opkomen van de zon? Wie sluit dan het oog voor de lichtspelingen +langs lucht en wolken? + +Voelt ook niet ieder zich door zonneschijn meer aangetrokken tot de +vrije natuur, dan door bewolkte, vreugdelooze luchten! + +En dan des avonds bij het ondergaan der zon! Welk een kleurenspel wordt +ons iederen dag opnieuw bereid! Nimmer vervalt de natuur in herhaling. +Altijd weer is ze verrassend en nieuw in haar getoover met lichtverven +en kleurvloeiingen. + +Oud en jong, arm en rijk, ongeschoold en welonderwezen, alles heeft er +oog voor. Geen mensch, of wel ééns in zijn leven heeft hij éénen +zonsondergang genoten, wel ééns heeft hij bij dit natuurverschijnsel +aandachtig stil gestaan. Daar zonk de vuurbol ter kimme. Het licht, dat +den ganschen dag slechts licht was geweest, werd nu kleur. De +huizegevels in baksteen blonken eens zoo rood als anders. De witte +raamkozijnen bleven wit, maar waren toch, zonderling wonder, te gelijk +ook rood. De hagelwitte gordijnen eveneens, ofschoon het wit toch +vlekkeloos rein bleef. De grijze, stoffige straat--wie zou ooit op de +kleur van eenen straatvloer letten!--behield hare grauwe steenkleuren, +en trok niettemin het oog door een purperen schijn. Daar waren de +schoone, groene boomen! Schenen niet ook zij van hetzelfde purper +doortrokken, terwijl groen toch groen bleef. De stammen stonden te +blozen als frissche wangen: maar grauw en grijs en bruin was +onveranderlijk de kurkschors. + +Met geene woorden kon men noemen, wat elk ding voor verven kreeg. Zoodra +men het beproefde, gaf men slechts eene opsomming van de kleuren, die er +waren bij heldere dagverlichting. Een raadsel was het, dat de zon bij +het scheiden nog opgaf. Een moeilijk raadsel! + +Van de ondergaande zon tot den levensavond van onzen schilder is eene +schrede minder groot, dan men wellicht zou denken. + +Daar hangt in het Rijksmuseum te Amsterdam een werk, de Staalmeesters +heet het, dat hij voltooide in 1661, en dat het laatste groote stuk is, +waaraan hij zijne zorg wijdde. We schromen, als we het naderen, om de +gedachte uit te spreken, doch ze laat zich niet terugdringen: dit +kunstgewrocht is het afscheidslicht, dat eene ondergaande zon nog gaf. +Eene ontzaglijke ziel spreekt hier haar laatste woord. En ook _dit_ +laatste woord is een raadsel, is hetzelfde raadsel, wat de avondzon weet +voor te leggen. Ook hier heeft elk ding zijn eigen kleur, zijn eigen +verf, zijn eigen kleurvermengingen; maar tegelijk straalt ook hier elk +ding eenen rossigen gloed uit, eene tint, die nergens aan te wijzen, en +toch overal te vinden is; die op geen voorwerp ontbreekt, en toch op +alles de natuurlijke kleuren handhaaft. We _zien_ het roode licht niet, +we _ondergaan_ het. Overal kunnen we aanwijzen zuiver bruin, zuiver wit, +zuiver zwart, en overal toch voelen we het uitstralende rood, dat +nergens is, dan alleen in het kleed, dat over de schuine tafel gespreid +ligt. + +Het grijpt ons aan, als we bedenken, dat de zon, na al haar schoone +licht, eindelijk tot het avondrood komt, en dan niets schooners meer +geven kan. Dan moet ze ondergaan. Ze heeft het schoonste bereikt. En +Rembrandt is het eveneens gegaan! + +Zijn gansche leven is geweest: grooter en grooter worden. We zagen het +bij de twee Opwekkingen, we zagen het bij de Anatomische les en het +Korporaalschap, we ontdekken het nogmaals bij de Staalmeesters, twintig +jaren later gemaakt, in den levensavond van den kunstenaar. + +Hij begint groot in 1632. Steeds wast hij, en meenen wij, dat het +hoogste bereikt is; maar steeds overtreft hij weer, wat hij te voren +maakte. Elk stuk vinden we onovertroffen, tot hij zelf een nieuw +meesterwerk schept, en ons de oogen opent voor de tekortkomingen van het +voorgaande. En wat hij op het eind van zijn leven te zien geeft, is niet +alleen weer beter, dan wat vooraf ging; het lijdt aan geene gebreken +meer, het bereikt alles, wat bereikt wou worden. Wat de schilder wilde, +gelukte; en er is niets groots, dat hij vergeten heeft te willen. + + * * * * * + + + + +VERGELIJKINGEN. + + +Omdat we ons met een zwart prentje moeten vergenoegen, zullen we bij de +beschouwing de kleurhoedanigheden laten rusten, dat wil dus zeggen, het +wonderlijkste wat er aan de Staalmeesters is op te merken. Toch is +vooral aan het tafelkleed wel iets te zien van de kleurenpracht. Daarin +zit, zelfs in onzen zwarten afdruk, nog eene mengeling van al den +vervenrijkdom, dien we ons in een weelderig weefsel kunnen denken, en +van al de tintelingen, die het licht daarop kan doen ontstaan. Groote +vlakken van zachte belichtingen en zachte verdonkeringen wisselen met +elkaar af. Daardoor heen zien we breede, horizontale kleurbanden gaan, +en door deze weer lichtricheltjes van onder naar boven, of reeksen +lichtnoppen van rechts naar links. Het gedeelte, dat links om de tafel +heen hoekt, geeft op andere wijze, zonder mengeling, de kleurfiguren te +zien, die de wever door zoo'n kleed weet heen te werken. + +Vergelijk hiermee nu de lap stof, die op de plaat "Evertsen in de Staten +van Zeeland" over de tafel ligt. Droog en dor geeft hier de grijze kleur +aan wat schaduw is. Rembrandts kleed gloeit van warmte, van innerlijke +kleurenpracht, van Oosterschen tapijtenrijkdom; het andere is koud en +mat, arm van weefsel en arm van kleur. + +[Illustration: De Staalmeesters.] + +Voor het overige moeten we van kleurbeschouwing afzien, en ons +voornemen, om in het Rijksmuseum de schade in te halen. + +Wat er van de Staalmeesters in een zwarten afdruk overblijft, is echter +niet zoo gering, of het zal ons duidelijk worden, dat we hier te doen +hebben met een onsterfelijk gedenkteeken. Het spreekt nog meer van +Rembrandts grootheid dan wat voorafgegaan is, meer dan het +Korporaalschap of eenig ander kunstwerk. + +[Illustration: Evertsen en de Staten van Zeeland.] + +We beginnen niet, met naar zeldzame eigenschappen te zoeken. Juist in +de afwezigheid hiervan schuilt eene verdienste. Stel maar naast elkaar +het "Gezelschap op het Muiderslot" en de "Staalmeesters". Beide +vertoonen een groepje burgermenschen uit de 17^{de} eeuw, uit 1619 en +uit 1661. Het verschil in kleeding en kapsel duidt wel een verschillend +tijdperk aan. Wat uit 1619 dagteekent, staat in dit opzicht dichter bij +de Anatomische les, terwijl de figuren uit 1661 ons bekend voorkomen, +wegens de overeenkomst met Jan de Wit, het portret op +Levensverzekerings-en Spoorboekjes. + +Beide gezelschappen bevinden zich binnenshuis, dus in eene omgeving, die +we een interieur zullen noemen. Bij dit interieur bepalen we het eerst +onze aandacht. Op het Muiderslot valt het daglicht binnen door een +venster, dat we ter linker zijde kunnen zien. Het vergunt ons, om +buitenlicht naast kamer-of binnenlicht te stellen, want bij het venster +is een stukje witte muur. Tusschen dit wit en het wit van de +vensteropening bevinden zich een viertal schaduwstrooken, die we met een +potlood of een reepje papier kunnen bedekken. Dan merken we op, dat +beide witte strooken gelijk zijn, misschien wint de muur het van het +buitenlicht nog in helderheid. Wie nu in het eerste het beste vertrek +even eene vergelijking maakt tusschen het een en het ander, zal +opmerken, dat de verhouding juist andersom moet zijn. Al is een +binnenmuur in het licht gezet, hij moet toch voor het zonlicht, dat de +buitenwereld beschijnt, onderdoen in helderheid. Een geschilderd +interieur mag hiervan niet afwijken, of het is geen interieur meer. + +Op den vloer spreekt de fout nog sterker. Ver in de kamer, tot onder den +stoel van den ouden heer, die met zijnen rug naar de tafel zit, is het +licht krachtiger dan buiten de openstaande deur. Hem voorbij merken we +hetzelfde op aan enkele voorwerpen: aan het tafellaken, het doekje, dat +de dienstbode op den rug hangt, het zijmuurtje links van den +schoorsteen, zelfs aan eene versiering tegen den schoorsteen. + +Ondanks deze gebreken zeggen we toch, dat de plaat een interieur +voorstelt, omdat we een venster, een deur, een binnenmuur en +kamermeubelen zien; die doen ons besluiten: het moet een binnenhuis +wezen. Maar eerlijk gezegd: het _is_ er geen. Hoe het moest zijn om er +een te wezen, leert ons het stuk van Rembrandt. Alles is hier in eene +matte, grijze tint gezet, die overal doet gevoelen, dat we ons +binnenshuis bevinden. Wanneer eene vensteropening werd aangebracht, zou +daardoor het daglicht kunnen vallen in eene helderheid, die sterk afstak +bij de verlichting van de muurgedeelten op den achtergrond. + +Dit muurtje met het schoorsteentje vinden we bijna in dezelfde gedaante +op het Muiderslot terug. We kunnen in het voorbijgaan deze twee +onderdeelen naast elkaar stellen. Beide bestaan uit houtbetimmering en +gepleisterd metselwerk. Op het Muiderslot is het eerste erg donker, het +laatste, zooals we reeds opmerkten, veel te licht van kleur. Wie door de +oogharen naar de betimmering kijkt, kan den gepleisterden muur best voor +een stuk lucht houden, dat heel in de verte achter het beschot oprijst. +Er is geen samenhang tusschen de twee. De teekenaar was bang, dat we +geen steen van hout zouden onderscheiden en maakte de verschillen veel +te duidelijk. De achterwand valt uit elkaar. Ook schijnt hij zich heel +ver achter het schilderijtje boven de kast te bevinden. + +[Illustration: Muiderkring.] + +Achter de heeren Staalmeesters zien we hout en steen in bijna dezelfde +tint. Het verschil is gering. Toch ontgaat ons het stoffelijk +onderscheid niet; er zijn kleinigheden, die daarvoor zorg dragen. Let +maar eens op de kantlijn, waar de voor-en zijkant van den +schoorsteenmuur elkaar ontmoeten; op het Muiderslot is die lijn langs +een liniaal getrokken; het is een pracht van een rechte lijn. Bij +Rembrandt helt ze ten eersten een weinig naar rechts; en dat is +verklaarbaar. Zoo'n oud stuk gemetselde schoorsteen rijst gewoonlijk +niet loodrecht omhoog. Ten tweeden is ze heel fijn met korrels +afgebrokkeld; ook dit is voor een gepleisterden muur heel juist, en meer +waarschijnlijk dan de ongeschonden liniaallijn op den Muiderslotschen +schoorsteen. Ten derden is het niet een _zwart_-getrokken lijn, maar +juist het tegenovergestelde, een lichtkantje. Ook dit beantwoordt aan de +werkelijkheid. Alleen dit kantlijntje zou reeds duidelijk genoeg zeggen, +dat het bovenste deel van den achterwand gepleisterde steen is. + +Door acht te geven op dat, wat in het Muiderslot ontbreekt, worden we +gewaar, wat eene goede eigenschap is van de "Staalmeesters". Het is een +interieur. We zeggen niet: "het _moet_ er wel een wezen"; het _is_ er +een. + +Het interieur is echter maar achtergrond en bijzaak; de figuren zijn +hoofdzaak. We tellen er zes, den bediende meegerekend. Na hetgeen we +opmerkten bij de vergelijking van Anatomische les en Korporaalschap, zal +het al dadelijk de aandacht trekken, dat Rembrandt afgezien heeft van +middelen om te groepeeren, zooals hij in 1642 nog noodig vond. Voegde +hij de leden van het Korporaalschap nog zóó samen, dat de schilderij er +uitzag, alsof ze eene beroemde gebeurtenis voorstelde, de Staalmeesters +kruipen maar heel gewoon bij elkaar, zooals ze dagelijks in hun beroep +bij elkaar zitten. Het stuk stelt niets voor. Het is een portretstuk, +zonder meer. Een kunstgreep, zooals het cadaver op de Les, anno 1632, +trok den schilder na dertig jaren niet meer aan; zelfs het kunstmatig +bijeenvoegen niet meer, gelijk het stuk uit 1642 te zien geeft. Van al +het gekunstelde, komedie-achtige, dat zijne vroegere werken kenmerkte, +en dat men toen schoon vond en thans nog schoon vindt, omdat het zoo +volmaakt van kunst is, van dat alles is hij terug gekomen. Op zijn +leeftijd is de arbeid geen spel met wondertooneelen. Hij zet heel +gewoon, zonder ophef, de figuren naast elkaar op eene rij. Behoudens +kleine afwijkingen, die zijn smaak hem ingaf: nommer twee van links af +moest even oprijzen, om de eentonigheid van eene vijfkoppige rechte lijn +te breken; de bediende mocht wel post vatten tusschen twee der heeren +midden op het doek, maar hij kreeg zijne plaats toch iets dichter bij +den een dan bij den ander, en deed met zijn gezicht dus geen +regelmatigen driehoek ontstaan. Staalmeester nommer twee, van rechts af, +werd met half afgewend bovenlijf neergezet, om niet twee gelijkvormige +schouders, hoeden en witte kragen naast elkaar midden op het doek te +krijgen. + +Dit zijn kleine schikkingen, die bijna toevalligheden lijken; als vijf +menschen ordeliik om eene tafel geschaard zitten, zal men juist +dergelijke afwijkingen opmerken. Ze houden het midden tusschen stijfheid +en gezochtheid. + +Hoe eerlijk en eenvoudig de schilder er naar streefde, om niets anders +te maken, dan portretten, blijkt ook uit het spel der handen. Op de +"les" zoowel als op het schutterstuk is dit een ding van belang. Het +spreekgebaar van Dr. Tulp, de wijze hoe hij zijne mededeelingen over de +spierbeweging toelicht, trekt sterk de aandacht. De handen zijn vrij in +de ruimte gezet, tegen een donkeren achtergrond, en ze hebben voor het +geheele stuk eene groote beteekenis, gelijk we boven reeds zagen. Ook +die van Frans Banning Kok zijn in 't oog loopend op den voorgrond +gebracht. Rembrandt schepte er behagen in, om te laten zien, wat hij met +handen kon. Maar in 1661 zal hij gemeend hebben, dat het zien van een +portret een te ernstig werk is, om daarbij afgeleid te worden door +bijzaken. Toch zou het wegmoffelen van de handen ook eene fout geweest +zijn. Immers, als we een groepje menschen, dat rond eene tafel zit, +opnemen, zonder dat zij het bemerken, dan zien we wel in het eerste +oogenblik de gezichten, maar het kan toch zijn, dat we in de tweede +plaats ook toevallig naar de handen zien. Daarom gaf hij ze wel aan +zijne figuren, maar zoo, dat we ze slechts terloops en eerst _na_ de +gezichten ontwaren; hetzij dan versmald gezien, als bij nommer een, +hetzij in de schaduw gezet, als bij nommer twee, hetzij in de +onmiddellijke nabijheid van den tafelrand en het boek, zoodat ze hiermee +als het ware één geheel uitmaken, en niet als afgezonderde lichtplekken +tegen den achtergrond vrij in de ruimte staan. Echter wist hij ook met +terzijde geschoven handen nog gedachten uit te drukken: let maar eens +op, hoe juist de rechter van den middelsten sinjeur ons zegt: "maar het +staat hier toch!" Het kloppen met den rug van de vingers op de bladen +van het boek kan niet anders beteekenen. De houding van het hoofd en de +gelaatsuitdrukking bevestigen het. + +Eene sterk sprekende eigenschap van Rembrandt op dezen leeftijd is dus, +dat hij zich beperkt. In jonger jaren groeide zijne kunstdrift als een +welig gewas met ver-uitschietende, bloemdragende loten. Nu snoeit hij; +alles wat weg kan, gaat weg; de verzonnen tooneelen zijn het spel der +handen gevolgd. Slaan we nogmaals een blik op de "Les" naast de +"Staalmeesters", dan valt ons ook in de gezichten iets op. Op het eene +trekken de blanke, hooge en breede voorhoofden, de in verlichte +vleeschkleur geschilderde wangen, en op het andere de oogen, de neuzen +en de monden de aandacht. Is het niet, alsof de geneesheeren uit 1632 +allemaal toevallig kleiner van oogenbouw waren, fijner van neus en mond, +maar hooger van voorhoofd en opzichtiger van wang, dan de staalwaardijns +uit 1661? Dezen schijnen groffer van maaksel te zijn geweest dan genen. +De zaak is, dat de schilder in zijn eerste jaren veel aandacht schonk +aan de vleeschkleuren, de vleeschpartijen, zooals men dat noemt. Hoe +ouder hij werd, hoe meer hij er echter naar streefde, niets dan het +leven en de ziel uit te drukken. Deze las hij meer in oogen, mond en +neus dan in de schilderachtige licht-en kleurverschijnselen van het +gezichtsvleesch of in den bouw van het gelaat. Onwillekeurig bracht hij +ze tot meerdere uitdrukking, met het gevolg, dat wij ze eerder opmerken. +Treffend is het in dit opzicht, dat hij voor de gelijkenis van de +geneesheerlijke koppen alle voorhoofden noodig achtte, en ze ieder met +zijne eigenaardigheden schilderde, terwijl hij ze bij de staalmeesters, +op eene enkele uitzondering na, onder de hoeden wegstopte, als niet +terzake dienende. Met de baardjes en kneveltjes kon hij dit moeilijk +doen; maar toch worden ook deze minder op den voorgrond gebracht dan in +1631. + +Van knevels en baarden gesproken, het prentje "Evertsen voor de Staten +van Zeeland", eene historieplaat van een negentiendeeuwschen teekenaar, +geeft figuren uit hetzelfde tijdvak als Rembrandts Staalmeesters. Ze +zijn alle voorzien van snorren en puntbaarden, vervaardigd naar een +zelfde model, in dezelfde punt gedraaid, van dezelfde dikte, in +denzelfden gebogen vorm. Het lijken gehuurde tooneelsikjes en +tooneelknevels, die de heeren vòòr gedaan hebben, om er kranig uit te +zien. Naast zulke zaken erkennen we eerst recht, hoe bij Rembrandt elk +ding tot juistheid komt. Wat geven zijn kort afgeknipte smalle +haarlijntjes op de verschillende bovenlippen een heel ander denkbeeld +van de mode anno 1660. Zòò moet het er uitgezien hebben; de valsche +spullen van de heeren Staten zijn eene bespotting. + +In den loop der jaren heeft alzoo Rembrandt ook het groote snoeimes +gezet in zijne neigingen bij het schilderen van koppen. Hij beperkte +zich hoe langer hoe meer tot datgene, wat het wezenlijke is, wat het +leven weergeeft. Dat, wat hij vroeger mooi vond, en wat hem daarom +aantrok, liet hij weg, als het voor het eigenlijke doel niet diende. In +1632 stonden al de koppen, ofschoon kunstig bijeengeschikt, als +afzonderlijke portretten tegen een donkeren grond; in 1661 steken ze zoo +blank en rond niet af, maar worden in het interieur opgenomen. Dat de +Staalmeesters een portret is, wordt in het geheel niet +verbloemd--immers, het heeft niet den schijn van eene gebeurtenis. De +Les doet wel, alsof ze een voorval is, en toch denken we dadelijk: die +heeren zijn uitgeportretteerd. + + * * * * * + + + + +WAT PORTRETTEN BIJEENVOEGT. + + +De Staalmeesters staan of zitten voor ons, alsof we hen in het +werkelijke leven onverwachts overvielen. De schilder heeft hen zoo weten +te treffen, dat we niet zeggen: kijk, die zijn er voor gaan zitten om er +goed op te komen. En toch zijn ze dat juist wel. Zelfs vestigen vijf van +de zes hun blik op den kunstenaar. Maar zooals ze naar hem--en omdat wij +in zijne plaats nu staan-naar ons kijken, wekt het de gedachte: ze zien +naar iemand, die binnenkomt. En dit is iets anders dan: ze zien naar den +man, die hen uitteekent. Het verschil is fijn gevoeld. Door Rembrandt is +deze indruk vastgehouden: alle heeren keken op, toen ik binnenkwam, en +schenen te vragen: wie is _dat_ nu? Hij bearbeidde hen, niet zooals hij +ze voor zich zag zitten, wanneer ze één voor één in zijne werkplaats +kwamen om te poseeren; maar met datgene op de gezichten, wat hij +eventjes had waargenomen, toen hij voor 't eerst binnenkwam. Hij +schilderde hen met in achtneming van eene lichte verwondering, van eenen +vragenden trek op het gelaat. Dit was eene natuurlijke, ongemaakte +uiting, doordat alle tegelijk iets vreemds hoorden en het hoofd naar den +kant draaiden, vanwaar het geluid kwam. Eene uiting van leven, die door +de personen niet eerst overdacht is; zonder overleg kwam dit zoo op +hunne gezichten; ze hadden zelfs den tijd niet, om een slimmer of een +opgewekter gezicht te zetten, dan hun van nature eigen was. Nommer een +van rechts af is bijvoorbeeld niet een van de snuggersten geweest. +Rembrandt doorzag dit met den eersten oogopslag: in de hoog opgetrokken +wenkbrauwen, in de dikke oogleden, de slaperige oogjes, de +vooruitstekende bovenlip voelde hij het. Daarnaast zit een, die van de +natuur geen welgemaakt gezicht heeft meegekregen: het is wat te lang en +te smal, de lippen zijn te dik. Maar hij behoort tot de lieden, die +ondanks hun uiterlijk, een ieder aantrekken door iets prettigs en iets +vriendelijks in de oogen en om den mond. De middelste van de vijf had +juist het woord, en liet zich in zijn betoog door Rembrandt's +binnenkomen niet storen. De volgende rees overeind, misschien om ter +meerdere klaarheid er een ander boek bij te halen; aan den draai van +zijn hoofd zien we, dat zijn opstaan met de komst van den schilder +_niet_ in verband staat; hij stond al, en heeft, ondanks den blik op den +binnenkomende, _andere dingen in het hoofd_. Dit vooral is duidelijk aan +hem te zien. + +Om kort te gaan: de gelaatsuitdrukkingen zijn overvallen; niet bij een, +maar bij allemaal. De verrassing is de levenstinteling die allen eigen +is. Neem er één figuur uit, aan die verrassing is merkbaar, dat hij bij +de anderen op dit portretstuk thuis behoort. Bij geen van de zes stijgt +de uiting tot verbazing, bij geen heeft ze den schijn van +onverschilligheid. Ze is bij allen even sterk; we voelen zoo heelemaal, +dat allen onder denzelfden indruk even opzien; dat ze als een groep, die +bijeenzat, door Rembrandt zijn opgemerkt. Wat hen vereenigt, is geen +vertooninkje van eene les of van eenen optocht, maar _eenzelfde +gemoedstoestand_; ze doorleven eene zelfde, gelijke gewaarwording. En +dat maakt hen één. Niet eene vreeselijke ontsteltenis, eene groote +angst, eene woeste drift; die zouden te veel ophef hebben gemaakt. Het +blijft bij eene nauwelijks merkbare aandoening. Iets als een zacht +rimpeltje, dat bij windzucht even over al de watervlakjes van een plasje +loopt. Zoo ondergaan ook de bloemen in de wei alle gelijkelijk het +voorbijgaan van een avondwindje. + +De schilder zelf is het middelpunt van aller opmerkzaamheid. We kunnen +ons hunne verrassing best voorstellen, toen hij binnenkwam. Zijn roem +was reeds lang gevestigd; ze vonden het streelend, dat de groote +Rembrandt in hun midden verscheen. Bij voorbaat zijn ze in opgewekte +stemming over hun afbeeldsel, dat natuurlijk wel slagen zal, en dat +misschien een beroemd stuk kan worden. Deze gewoon menschelijke +gedachtetjes spreken uit hunne trekken. De schilder heeft dat allemaal +door en door echt in hen voelen leven. Hij maakte geene _figuren_ van +hen, hij bracht ze _zelf_ op het doek; het was geen namaak, geen +afbeelden; het was de aandoening, het denken, het verrast worden, het +zich prettig gevoelen zelf, wat hij gaf. + +Daar dit bij twee menschen nooit precies hetzelfde is, al lijken ze +uiterlijk nog zooveel op elkaar, wordt de verscheidenheid van gezichten +ook grooter, naarmate dat innerlijke sterker spreekt. We zien het hier. +Er is uiterlijk zeer veel gelijkenis tusschen sommigen, en in kleeding +tusschen alle. Maar ieder denkt er zijn eigen van, als Rembrandt +binnenkomt; en dat zet hen allen ver uiteen, als zeer onderscheiden en +heelemaal verschillende menschen. Wij krijgen den indruk, dat dit geene +figuren, geene afbeeldsels zijn, maar wezens, die bestaan. We worden +door al de oogen, door al de verschillende manieren van oogopslag zoo +aangetrokken, dat we op het gelijke in kapsel, hoed, kraag, kleeding en +houding nauwelijks letten. In den oogopslag zit hier een belangrijk deel +van de portretten. Daarin voelen we, dat de heeren zoo even nog met +neergeslagen oogleden naar de tafel, naar het boek of naar elkaar zaten +te kijken; door het binnenkomen worden de blikken opgeslagen; is het +niet, alsof we deze beweging er in voelen? En geeft de schilder niet bij +ieder afzonderlijk iets aparts in die beweging? Bij alle verschilt de +teekening van het opgeslagen ooglid, en bij ieder is het optrekken van +de wenkbrauwen weer anders dan bij de overigen. + +Als we al de monden langs zien, merken we ook hierin de verscheidenheid. +Wat is die bij den bediende dun van lippen en heel anders dan bij den +sinjeur, achter wiens rug hij staat. En zie daarbij nu weer eens nummer +een van rechts af, hoe die de onderlip achteruittrekt en de bovenlip +iets vooruitsteekt. + +Deze deelen van het gelaat dragen wezenlijk veel meer de uiting van +karakter en leven, dan de vleeschpartijen, die Rembrandt in vroeger +jaren op den voorgrond bracht. Hij is dus sedert het Korporaalschap, +ofschoon dit een meesterstuk was, steeds hooger gestegen. Alles wat naar +komediespel geleek, liet hij varen; wat het zieleleven van zijne figuren +sterker kon uitdrukken, greep hij als hoofdzaak aan. + +Naar het uitwendige werd hij eenvoudiger, naar het innerlijke forscher +en grooter. Bedenken we nog bovendien, welke wondere lichtspeling en +kleurverlichting het oorspronkelijke stuk der Staalmeesters den +beschouwer te zien geeft, dan kunnen we gerust zeggen, dat Rembrandt aan +het eind van zijn leven een onovertroffen schilder was. Hij had groote +voorgangers gehad; en onder deze voorgangers was hij zelf in jonger +jaren een groot kunstenaar geweest. Doch hij eindigde zijne loopbaan als +een, die hooger staat dan allen, ook hooger dan hij zelf eertijds stond. + +In den jare 1669 overleed hij. Op welken dag weet men niet. Den 8^{sten} +October werd hij ter aarde besteld. Voor _f_ 15 werd hem een graf +gegraven in de Westerkerk te Amsterdam. Het bespelen van het carillon +was in dien prijs begrepen. Wie het graven van een graf met f15 kon +betalen, behoorde tot den gegoeden stand. Dit stelt ons gerust omtrent +de geldelijke omstandigheden, waarin hij in de laatste jaren verkeerd +had; we behoeven niet te gelooven, wat meermalen beweerd wordt, dat hij +arm gestorven is. En zijn leven is rijk geweest, rijk aan genot. Hij +heeft vele menschen en vele dingen gekend en begrepen. Kennen en +begrijpen is genot. + +Als wij ernstig trachten zijne werken te kennen en te begrijpen, zullen +we deel hebben in de erfenis die hij naliet: genot van te zien en te +begrijpen. De erfenis is groot genoeg voor een geheel volk: wie zich de +moeite geeft om te willen, kan mede-erfgenaam worden. +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11286 *** diff --git a/11286-h/11286-h.htm b/11286-h/11286-h.htm new file mode 100644 index 0000000..154ee2d --- /dev/null +++ b/11286-h/11286-h.htm @@ -0,0 +1,3282 @@ +<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"> +<html> + <head> + <meta http-equiv="Content-Language" content="nl"> + <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8"> + <title>Meesterstukken van Rembrandt Harmensz. Van Rijn | Project Gutenberg</title> +<style type="text/css"> + + P { text-indent: 1em; + margin-top: .75em; + text-align: justify; + margin-bottom: .75em; } + h1, h2, h3, h4, h5, h6 { text-align: center; } + HR { width: 33%; + margin-top: 1em; + margin-bottom: 1em;} + BODY{margin-left: 10%; + margin-right: 10%;} + .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */ + .note {margin-left: 2em; margin-right: 2em; margin-bottom: 1em;} /* block indent */ + + span.c10 {margin-left: 2em;} + span.c9 {margin-left: 1em;} + hr.c8 {width: 45%;} + a.c7 {color: #000000} + p.c6 {font-family: Verdana; font-style: italic} + span.c5 {font-family: Verdana} + h2.c4 {font-family: Verdana} + hr.c3 {width: 65%;} + p.c2 {font-family: Verdana} + h1.c1 {font-family: Verdana} +</style> +<body> +<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11286 ***</div> + +<h1 class="c1">MEESTERSTUKKEN</h1> +<p class="c2">VAN +<p class="c2">REMBRANDT HARMENSZ. VAN RIJN. +<p class="c2">LEESBOEK VOOR HET LAGER EN VOORTGEZET ONDERWIJS +<p class="c2">DOOR +<p class="c2">G. KIELDER, +<p class="c2">HOOFD EENER SCHOOL TE 'S-GRAVENHAGE. +<p class="c2">AMSTERDAM.-1906. +<hr class="c3"> +<h2 class="c4">VOORBERICHT.</h2><span class="c5"><br></span> +<p class="c6">Nu dit boekje juist in het Rembrandtjaar verschijnt, +zal men het allicht indeelen bij de huldebetoogingen. Toch wil het +daartoe niet gerekend worden. Onze leerlingen geven dikwijls blijk, +dat ze met welgevallen luisteren naar of lezen over kunst; het is +deze belangstelling, die de schrijver heeft willen voeden en +ontwikkelen. Men zal bij de kennismaking den opvoedenden ondergrond +van de stof der besprekingen wel opmerken. +<p class="c2">Dat de onderwerpen ontleend werden aan de werken van +Rembrandt, behoeft niet te bevreemden: deze schilder is voor de +kunst en voor het kunstgevoel een geweldig opvoeder geweest, ook en +vooral omdat hij sterk persoonlijk was in alles, wat van hem +uitging. +<p class="c2">Het was onvermijdelijk, dat de bespreking van +portretten hier en daar het karakter aannam van eene historische +uiteenzetting; ze stellen ons immers voor oogen het geslacht, te +midden waarvan Rembrandt leefde, een geslacht dat historisch is +geworden. Dat we het zien juist door het oog van een psycholoog, is +vast geen nadeel! +<p class="c2">De schrijver mag wel hopen, dat de menschen, die van +kunst hun beroep maken, hem niet te hard vallen over de +vrijmoedigheid, waarmee hij zijne laag-bij-den-grondsche inzichten +ten beste geeft; hij heeft maar ééne +verontschuldiging: dat van hen nog niemand iets gedaan heeft voor +de aesthetische opvoeding van het opkomend geslacht. Het zij gezegd +zonder miskenning van de verdiensten van den Heer H. P. Bremmer, +die reeds jaren lang in de weer is, om onderwijzers voor deze taak +op te leiden. Bij dezen aan hem een woord van dank voor de +beschikking over zijne vermaarde prentenverzameling. +<p class="c2">Voor den gebruiker een wenk: bespreek elk plaatje, +vóórdat de tekst gelezen wordt; als bij het lezen +plaat en tekst in het boekje niet tegenover elkaar staan, laat dan +een van de twee boekjes op eenzelfde bank bij de plaat open liggen. +Open staan is nog beter. +<p class="c2">Den Haag 1906. G. KIELDER. +<hr class="c3"> +<h2 class="c4">INHOUD.</h2><span class="c5"><a class="c7" href= +"#WAT_GEEN_HOOFDZAAK_IS">WAT GEEN HOOFDZAAK IS.</a><u><br></u> +<a class="c7" href="#DE_OPWEKKING_VAN_LAZARUS">DE OPWEKKING VAN +LAZARUS.</a><u><br></u> <a class="c7" href= +"#EENE_LATERE_OPWEKKING">EENE LATERE OPWEKKING.</a><u><br></u> +<a class="c7" href="#HISTORISCHE_GEGEVENS">HISTORISCHE +GEGEVENS.</a><u><br></u> <a class="c7" href= +"#REMBRANDT_LANDSCHAPSCHILDER">REMBRANDT +LANDSCHAPSCHILDER.</a><u><br></u> <a class="c7" href= +"#VROUWE_SASKIA">VROUWE SASKIA.</a><u><br></u> <a class="c7" href= +"#KLEINE_TITUS">KLEINE TITUS.</a><u><br></u> <a class="c7" href= +"#ACTIE">ACTIE.</a><u><br></u> <a class="c7" href= +"#MISLEIDE_AANDACHT">MISLEIDE AANDACHT.</a><u><br></u> <a class= +"c7" href="#AANRAKING_MET_HISTORISCHE_PERSONEN">AANRAKING MET +HISTORISCHE PERSONEN.</a><u><br></u> <a class="c7" href= +"#MEER_DAN_PORTRET">MEER DAN PORTRET.</a><u><br></u> <a class="c7" +href="#GEETSTE_PRENTEN">GEËTSTE PRENTEN.</a><u><br></u> +<a class="c7" href="#VROUWTJE_BAS_VAN_T_RIJKSMUSEUM">VROUWTJE BAS +VAN 'T RIJKSMUSEUM.</a><u><br></u> <a class="c7" href= +"#KUNST_VAN_GROEPEEREN">KUNST VAN GROEPEEREN.</a><u><br></u> +<a class="c7" href="#VERVOLG_VAN_T_KORPORAALSCHAP">VERVOLG VAN 'T +KORPORAALSCHAP.</a><u><br></u> <a class="c7" href= +"#SIMEON_IN_DEN_TEMPEL">SIMEON IN DEN TEMPEL.</a><u><br></u> +<a class="c7" href="#EENE_ONDERGAANDE_ZON">EENE ONDERGAANDE +ZON.</a><u><br></u> <a class="c7" href= +"#VERGELIJKINGEN">VERGELIJKINGEN.</a><u><br></u> <a class="c7" +href="#WAT_PORTRETTEN_BIJEENVOEGT">WAT PORTRETTEN +BIJEENVOEGT.</a></span> +<p class="c2"> <a name="WAT_GEEN_HOOFDZAAK_IS"></a> +<h2 class="c4">WAT GEEN HOOFDZAAK IS.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">Vele eeuwen geleden leefde in Griekenland een +schilder, van wien men de ongeloofelijkste dingen verhaalt, en +wiens naam bij het nageslacht is blijven voortleven als die van een +der grootste kunstenaars. Zeuxis, zoo heette hij, wist niet slechts +de menschen, maar ook de dieren met de voortbrengselen van zijn +penseel in verrukking te brengen. Dit blijkt uit het volgende. +<p class="c2">Hij schilderde eens een vruchtenstuk; in bevallige +wanorde lagen bessen, druiven, noten en appelen door elkander, met +hier en daar een groen blad er tusschen. Ieder, die het zag, stond +verbaasd over de juistheid, waarmee elk onderdeel bewerkt was. En +kijk, toen de toeschouwers zich verwijderd hadden van de +muurschildering, kwamen de vogelen toevliegen en pikten naar de +druiven. Misleid door den schijn, hadden ze deze voor echt +gehouden. +<p class="c2">Een verhaal, dat er gaat van een paardenstuk, komt +hier vrij wel mee overeen. Dit gaf de afbeelding van een paard te +zien, en zoo bedriegelijk juist, dat het vurig strijdros van +Alexander den Groote, toen het voor de schilderij werd gebracht, +aan de teugels rukte en tegen zijn gewaanden natuurgenoot begon te +hinneken. +<p class="c2">We hebben hier het oordeel van redelooze dieren over +kunst van menschen. Het volk kende daar eene zekere waarde aan toe; +het oordeelde zoo: "wie heeft beter kijk op paarden dan een paard, +wie beter op vruchten dan een vogel? Als nu door dezen de +gelijkenis in een schilderstuk wordt opgemerkt, moet ze wel +bijzonder juist wezen; geene goedkeuring van menschen kan voor den +kunstenaar zoo vleiend zijn als die van dieren, mits deze met het +onderwerp in betrekking staan." +<p class="c2">Er is nog een oud verhaal van een beroemd schilder. +<p class="c2">Apelles had eene menschelijke figuur geschilderd en +stelde die ten toon, terwijl hij zelf in een verborgen hoekje naar +het oordeel der beschouwers luisterde. Een schoenmaker kwam daar +langs en bleef staan. Zijn blik rustte onderzoekend op de voeten, +en hoorbaar mompelde hij voor zich heen: "Ze zijn te groot, wat zou +je een leest moeten hebben, om daarvoor schoenen te maken." +<p class="c2">Appelles nam den wenk ter harte, en den volgenden dag +had hij de gelaakte lichaamsdeelen iet of wat kleiner gemaakt. +<p class="c2">Weer kwam de schoenmaker voorbij. "Kijk", dacht hij, +"Appelles heeft zijn fout ingezien en verbeterd. Jammer, dat hij nu +ook in houding en gebaar niet wat meer de fierheid van eenen +krijgsman heeft uitgedrukt." +<p class="c2">Nu werd het den schilder te kras. Hij kwam te +voorschijn en voegde den schoenmaker toe: "Over houding en gebaar +zwijg je! Een schoenmaker blijve bij zijne leest." +<p class="c2">Met deze terechtwijzing is het volk het geheel eens +geweest, zoo zeer, dat de uitdrukking in den vorm van een +spreekwoord is blijven voortleven. De schoenmaker kreeg hetzelfde +recht van meepraten als de vogel en het paard, een recht, dat aan +iedereen stilzwijgend is toegekend: wie door zijn vak verstand +heeft van het onderwerp, dat op een schilderstuk is voorgesteld, +heeft bevoegdheid om een oordeel uit te spreken. +<p class="c2">Dit komt dus hierop neer, dat het stuk pas goed is, +wanneer het de menschen voldoet, die als vaklui verstand hebben van +de dingen, die er op staan. Bijgevolg heeft de beschouwer meer met +de dingen dan met den kunstenaar te maken. +<p class="c2">Grooter dwaling dan deze opvatting is niet denkbaar. +Bij elk kunstwerk is juist de persoon van den maker de hoofdzaak. +Hij is het eenige, waarop men te letten, waaraan men te denken +heeft. De vraag is niet, wat staat er van het ding of van de +gebeurtenis op, maar waaruit bespeur ik den kunstenaar; wat zie ik +er in, dat door hem alleen is gezien en gevoeld; dat ik nu ook wel +zie en voel, doch alleen doordat <i>hij</i> het mij zoo voorhoudt. +Alles wat ik van te voren al wist van het ding of van de +gebeurtenis, is op de schilderij bijzaak. Want het is kennis, die +iedereen heeft. En de kunstenaar gaat niet in zijn werk op, om +datgene te vertoonen, wat alle oogen wel zien en alle harten wel +voelen. Hij is juist kunstenaar door iets, wat een ander ontbreekt, +door gewaarwordingen, die een ander alleen door hem kan krijgen. +<p class="c2">Het onderwerp is maar onderwerp. Natuurlijk geeft het +den beschouwer reden tot tevredenheid, als hij met het onderwerp +niet in de war zit, als hij alles een naam kan geven en van alles +de gedaante en den vorm herkent. Maar van meer belang is het, dat +hij zich rekenschap geeft van datgene, wat niet het onderwerp, maar +wat de kunstenaar laat zien. Het verwondert ons daarom van Apelles, +dat hij zooveel aandacht schonk aan de opmerkingen van eenen +schoenmaker over de voeten van zijne figuur. Eerder zou men +verwacht hebben, dat hij luisterde, toen die een oordeel uitsprak +over dingen, die buiten zijn vak en zijnen werkkring lagen. +<p class="c2">Bij het beschouwen van werk van Rembrandt zullen wij +goed doen, als we deze onderscheiding in het oog houden: wat stelt +het voor, en waaraan bespeur ik, dat een buitengewoon oog dit +onderwerp bekeken heeft. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="DE_OPWEKKING_VAN_LAZARUS"></a> +<h2 class="c4">DE OPWEKKING VAN LAZARUS.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">De eerste prent draagt tot onderschrift: "De +opwekking van Lazarus." +<p class="c2">Op de vraag, <i>wat</i> er op staat, vinden we in den +Bijbel het antwoord, en wel in het Evangelie van Johannes, daarvan +het elfde hoofdstuk. +<p><img alt="" border="0" src="images/opwekkingvanlazarus.png" width="473" +height="667"> +<p class="c2">[Opwekking van Lazarus.] +<p class="c2">Volgens dezen tekst moet de plaat te zien geven: den +gestorven Lazarus, liggende in het graf, den Heer Jezus, de +zusters, de vrienden en de discipelen staande daar rondom. +Bovendien lezen we er, welke handeling ieder der aanwezigen +verricht. +<p class="c2"><i>Hoe</i> staat een en ander er nu op? Hoe zijn de +figuren geteekend? Hoe wordt datgene voorgesteld, wat elk +figuurtje, volgens den aangewezen tekst, moet verrichten? +<p class="c2">Laten we met Lazarus beginnen. Na hem komen de +anderen wel aan de beurt. +<p class="c2">Is er in de teekening van deze lijntjes, streepjes en +krabbels iets, dat we buitenwoon vinden, dat wij zelf niet in ons +hoofd hadden, als Rembrandt het ons niet zoo vertoonde. +<p class="c2">De figuur van Lazarus is in blanke tint uitgebeeld; +ook de steenwanden, waar hij tusschen ligt. Het is, alsof zijn +lichaam in teerheid en witheid één geheel vormt met +het gesteente, alsof hij reeds een bestanddeel vormt van den schoot +der aarde, waaraan zijne bloedverwanten hem hebben toevertrouwd. +Nauwelijks onderscheidt zich zijn gestrekt liggend lijf van de +groeve; als mensch was hij uit stof gemaakt; gestorven zijnde, is +zijn stoffelijk omhulsel oogenschijnlijk al bijna weer in het stof +opgenomen. De blankheid van het gewaad is zoo ongerept gehouden, +als maar mogelijk was. Al de aanduidingen van kreukjes en plooien, +van vouwen en rimpels zijn uiterst teer geteekend om niet te veel +zwart aan te brengen. Bijna ongemerkt loopt de lijn voort, die den +steenwand op den voorgrond afscheidt van de figuur. Even ongemerkt +zien we de linkerhand langs den anderen wand tastende zoeken naar +steun. In lijnwaad gewikkeld, onderscheidt de arm zich bijna niet +van het gesteente; toch krijgen we wel de gewaarwording, dat onder +al de plooien van de stof dat lichaamsdeel zich beweegt, zich +opheft en voortschuift. Zoo ook, dat onder het doodskleed het lijf +zich opricht, zich kromt. In de richting van de voeten is alles nog +rust; daar smelten, om zoo te zeggen, stof en stof nog in een. Maar +het hoofd en de hals hebben zich reeds losgemaakt van den schoot +der aarde. Daar zijn de afscheidingen door den teekenaar +duidelijker gegeven; scherpe schaduwkanten loopen langs schouder en +afhangend haar, terwijl voorhoofd, gelaat en linkerschouder in +fijne blankheid afsteken tegen een hoekje donkeren rotswand. Waar +het leven terugkeert, scheidt zich het lichaam het eerst en het +duidelijkst af van de aarde. Door de oogharen bezien, zal het ook +lijken, alsof het hoofd zich opbeurt uit den bodem, alsof het zich +daarvan losmaakt. +<p class="c2">Zie, dit zijn geen dingen, die ieder lezer van het +Evangelie van Johannes in zijne verbeelding ziet. Ook is het geen +bewijs van buitengewone getrouwheid in het uitbeelden van een +lichaam dat in een graf ligt; want in werkelijkneid zal er wel +altijd juist eene scherpe tegenstelling zijn tusschen de reine, +witte gewaden en de donkere aardkluiten of rotsmuren. Het is een +wijze van zien, die ons rechtstreeks aan Rembrandt zelf doet +denken. Alles <i>was</i> niet zoo, en alles staat niet zoo te lezen +in de Schrift; hij <i>zag</i> het zoo. In deze manier om de +grafligging te zien leeft hij voort. Sedert hij het zoo gewaar werd +voor zijn geestesoog, zien wij het ook, maar alleen door hem. +<p class="c2">Aangrijpend is het, te zien, hoe op het gelaat zich +het wederkeerende leven openbaart. +<p class="c2">Het oog, dat in de diepe oogkas ligt weggezonken, +opent zich en ontvangt wel de eerste lichtstralen, maar besef heeft +het niet. Wezenloos en smartelijk staart het voor zich uit, het +ooglid is zwaar en loom en schijnt gereed om weer toe te vallen, +gelijk het reeds voor eeuwig scheen toegevallen te zijn. Flauw en +gebroken is even de oogappel aangegeven. +<p class="c2">De mond is maar niet zoo een zwart streepje of een +vlekje; hij heeft, hoe klein ook van afmetingen, eenen bepaalden +vorm, en eenen vorm, die iets uitdrukt. Is het niet de eerste +ademtocht, die we hier zien? Stroomt niet de levenslucht naar +binnen in ademhalingsruimten, die reeds bestemd waren om geen adem +meer te bevatten, en die ook reeds afgeplat en naar binnen gebogen +neerlagen. Pijnlijk volbrengt de mond deze eerste levensuiting, +maar zonder bewustzijn, zonder besef. +<p class="c2">De wangen zijn mager en hoekig, de onderkaak scherp +afgeteekend, de neus smal en ingevallen. Het oor zit maar +nauwelijks nog aan het hoofd, zooals we dat bij zieken waarnemen, +die langzaam wegteren. Ook het halsje draagt de sporen van lijden; +diepe groeven en rimpels strekken zich uit van boven naar beneden, +en bij de kaak, van links naar rechts. Te zwak is het, om het hoofd +te dragen; terwijl dit zich opricht, helt het machteloos naar links +over. +<p class="c2">Zoo bespeuren we in elk onderdeel van deze figuur de +aandoening van den teekenaar. Het feit, dat geteekend moest worden, +de opleving van iemand uit zijn graf, stond vast. Dat het +vreeselijk moet zijn geweest, om deze gebeurtenis mee aan te zien, +stond ook wel vast. Maar nu komt de kunstenaar en houdt er zich mee +bezig. Hij voelt het vreeselijke zoo sterk, zoo overweldigend, dat +het kleinste krabbeltje, wat hem uit de hand vloeit, nog uiting +geeft aan dat gevoel. En wij, de beschouwers, komen daardoor tot de +erkenning: alles op zoo'n gezicht moet dien indruk hebben gemaakt; +bij zulke oogen zoo'n mond, zoo'n neus, zoo'n hals en zoo'n +houding. +<p class="c2">Laten we de proef eens nemen, of het echt is, wat we +opmerken. Door met een paar stukjes papier de overige deelen van de +plaat te bedekken, houden we Lazarus alleen over en kunnen nu +beoordeelen, of in hem uitgedrukt is, hoe het feit zich toegedragen +heeft. We zien onmiskenbaar, dat het figuurtje, wat zich hier +opricht, iets vreeselijks doormaakt; dat het maar niet iemand is, +die in zoo'n groeve te slapen lag en zich nu opricht; dat de +wezenloosheid op het gezicht niet de uitdrukking is van een half +slapende of van een, die bijvoorbeeld onder den invloed van sterken +drank is. Alles is zoo sterk van aandoening en grijpt zoo aan, dat +alleen deze figuur voldoende zou zijn om de tekst uit het Evangelie +van Johannes te illustreeren. +<p class="c2">Nu de figuur van Jezus. Zooals Hij daar staat, naast +het geopende graf, is alles waardigheid en hoogheid aan Hem. We +zien Hem als eene gestalte, wie langs den rug de mantel in +ééne groote beweging tot den grond afhangt. In zoo'n +rijzigheid stellen we ons gaarne voor, iemand, die als verrichter +van groote dingen optreedt. De opgeheven linkerhand, ofschoon de +vingers niet mooi zijn geteekend, begeleidt in grootsch gebaar de +woorden: "Lazarus, kom uit!" Rustig en vol majesteit wacht Jezus de +uitwerking af. Bij Hem geene verbazing, verrassing of ontzetting +over de herrijzenis; bij Hem slechts verzekerdheid, dat nu gebeuren +zal, wat Hij gebiedt. +<p class="c2">Eene groote tegenstelling is er tusschen dat rustige +staan en de omringende aandoeningen. Om dit duidelijk te voelen, +nemen we een stukje papier en leggen het zoo over de prent, dat de +gestalte van Jezus aan ons oog onttrokken wordt. +<p class="c2">Het geheel is nu een druk tooneeltje geworden. De +omstanders geven op eene in 't oog loopende wijze uiting aan hun +gevoel. Ze herinneren ons aan voorvalletjes, die we langs straat en +gracht wel eens waarnamen, bijvoorbeeld als er iemand in het water +viel; dan waren de menschen ook verschrikt, je hoorde ze door +elkaar gillen, hard wegloopen, achteruitdeinzen, om hulp roepen, de +handen uitsteken en op andere manieren zich lawaaierig aanstellen. +Zoo'n volksoploopje met druk gedraai van lijven en gewring van +handen blijft er van de prent over, als we die eene figuur er +uitnemen. +<p class="c2">En met deze figuur, is alles plechtig en grootsch. +Het statige dringt het drukke gedoe van de omstanders op den +achtergrond. We denken niet langer aan onbeduidende +straattooneelen, maar we krijgen weer den indruk van eene +testamentische, eene aartsvaderlijke geschiedenis. Het oploopje, +dat zoo in het voorbijgaan even de menschen in beweging bracht, is +eene gebeurtenis geworden voor alle tijden, eene bladzijde uit de +boeken der eeuwen. We behoeven de bijbeltekst niet te kennen, om +reeds bij den eersten blik te begrijpen, dat dit voorval iets +bijzonders is, iets groots, iets dat invloed zal hebben op +geslachten en nageslachten. +<p class="c2">Waaraan is dit anders toe te schrijven, dan aan de +majesteit, de verhevenheid van de gestalte, die naast het graf van +Lazarus staat! +<p class="c2">Toch spreekt uit de teekening ook eene verkeerde +neiging van Rembrandt. Hij zet zijne figuur daar neer, alsof ze een +tooneelheld is; met sierlijk gebaar wordt de eene hand in de zij +gezet en de andere met wat erg veel vertooning omhoog geheven. Hij +overdrijft het grootsche en maakt er eenigszins comediespel van. We +mogen deze opmerking gerust maken; al is het onderwerp aan de +Heilige Schrift ontleend, wij spreken niet daarover maar over den +teekenaar. +<p class="c2">Zijn streven om het mooi te maken blijkt bijvoorbeeld +heel duidelijk uit de plooien, waarin de rechterhand den mantel +heeft opgenomen. De zeven bochten maken den indruk, dat ze in +stevig metaal of karton zijn gebogen. Niet aangenaam is het, dat we +een paar dergelijke plooien op den achtergrond aan den linker kant +in eene groote draperie terugvinden. Het lijken wel oude bekenden +uit gordijnenwerk van menschen, die onze kamers stoffeeren. +<p class="c2">De indruk, dien de opwekking van den gestorvene op de +omstanders maakt, is in allerlei verscheidenheid weergegeven. Het +liefste is ons het vrouwenfiguurtje rechts op den voorgrond. Het +staat in schaduwgedaante voor het felle zonlicht, dat van buiten af +in de groeve doordringt. Met spanning ziet het vrouwtje de +levensverschijnselen op het doodengelaat terugkeeren. Doch met eene +spanning, die ingehouden wordt. Het rechterhandje legt zich +zelfbedwang op, om nog geen uiting te geven aan de vreugde, om nog +af te wachten. Te groot is het wonder, te groot het geluk, om reeds +te kunnen gelooven. Van innigheid en liefde getuigt deze +ingehoudenheid, meer dan de uitgelaten gebaren der anderen. Ook de +plaats, waar dit figuurtje zich bevindt, aan het voeteneinde van +het graf, afgescheiden van de overigen, is iets aparts. +<p class="c2">Van de overige personen geeft ieder, op eigen wijs, +in gelaatsuitdrukking of handgebaar uiting aan zijne +gewaarwordingen. Schrik, ontsteltenis, verrukking, ongeloovigheid +en afschuw, iedere aandoening vindt hare vertolking. Wantrouwen +zelfs, en de nuchtere berekening, hoe dit verrichte wonder als een +wapen tegen Jezus gebruikt zal kunnen worden. +<p class="c2">De verlichting, waaronder deze figuren zijn +geplaatst, heeft eene grootsche werking. Het ongeoefend oog zal bij +den eersten aanblik misschien den indruk krijgen, dat de kunstenaar +groote vlakten in zijn werk wit heeft gelaten en dus nog niet heeft +bearbeid, alsof de teekening onvoltooid is gebleven. Maar tusschen +de oogharen door gezien, gaat er een licht op. De ruimten, die niet +met zwarte lijntjes zijn gearceerd, blijken verlicht te zijn. +<p class="c2">Door de opening van het rotsgraf vallen zonnestralen +naar binnen en spreiden hunne helderheid over de groeve en den +rotswand, over Lazarus en de groepjes terzijde van het graf; ook +over het front van den Heer Jezus, terwijl daarenboven de +achtergrond rechts in lichtelaaie schijnt te staan. Steeds door de +oogharen moet men zien, hoe, daarbuiten, die gloed naar boven toe +in ijle en zware wolken opwasemt, hoe, met het onhandelbare middel +van harde zwarte krassen, de luchtigheid van opdampende +lichtnevelen is verkregen. +<p class="c2">De tot het leven terugkeerende Lazarus is het +middelpunt van de zonnebestraling, en als verlegen ligt hij onder +de glorie van het grootsche licht, waarin hij ontwaakt. Zijne +kleine machtelooze figuur wekt in dien gloed nog te meer ons +medegevoel en medelijden op. Hij is het middelpunt niet slechts van +de blikken der omstanders, maar ook van de binnenvallende +zonnestralen. En onze blik dwaalde eveneens het eerst en het laatst +naar hem. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="EENE_LATERE_OPWEKKING"></a> +<h2 class="c4">EENE LATERE OPWEKKING.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">Vele jaren later heeft Rembrandt voor de tweede maal +het onderwerp "de opwekking van Lazarus" behandeld. We zullen deze +plaat met de vorige vergelijken, om de verschillen vast te stellen, +en de oorzaken van de verschillen op te sporen. Het ligt voor de +hand om te zeggen: "als een groot teekenaar iets aflevert, levert +hij het af, zoo goed als in zijn vermogen ligt, hij kan het een +tweede maal dus niet beter, tenzij het den eersten keer gebrekkig +is geweest." De vergelijking zal echter leeren, dat dezelfde +kunstenaar een zelfde onderwerp anders <i>moet</i> behandelen, +indien er later andere gevoelens in hem omgaan. Dat dus de +levenslotgevallen invloed hebben op het werk. +<p class="c2">We herkennen weer een rotsgraf; maar nu met uitzicht +op een landschap met geboomte; daarachter, op een berg, verrijst +eene stad; verder, evenals op de eerste plaat, een groep +omstanders, de Heer Jezus en de verrijzende Lazarus. Ook hier +beschijnt het zonlicht een deel van het tafereel, maar het is +minder opzettelijk, minder bepaald op de plek gericht, waar het +wonder geschiedt. En het is thans niet het ontwaken uit een +pijnlijk diepen slaap, wat de kunstenaar ons voor oogen stelt, maar +de groote bevreemding van den ontwakende. Lazarus begrijpt niet, +wat er voorvalt. Hij kent den persoon niet, die tegenover hem +staat, hij herinnert zich niet, wat met hem gebeurd is. De mond, +die de eerste levenslucht heeft ingeademd, blijft sprakeloos +halfgeopend staan, en is vol verbazing. Met moeite en scheef richt +het lijf zich half overeind. Er is eene ontzetting van zoo het +middelpunt te zijn van aller aandacht, zonder nog te begrijpen +waarom. De zintuigen zijn ontwaakt en nemen reeds waar, maar de +herinnering, de kennis, het innerlijk leven, moeten nog +terugkeeren. +<p class="c2">Rembrandts bedoeling is dus eene andere geweest dan +in zijne eerste "Opwekking", en begrijpelijk zien we die bedoeling +voor ons. +<p class="c2">In de figuur van Jezus missen we thans het verhevene, +het goddelijke. Ook in het gelaat. Dit komt geheel niet overeen met +de mooie gezichten, die we van den Zaligmaker zoo wel eens op +platen hebben gezien. Men zou het bijna een ongunstig uiterlijk +kunnen noemen. Maar er is één trek in, waardoor we +voor deze voorstelling van Jezus meer voelen, dan voor de eerste. +Het zijn de goedheid en de zachtheid, die hier spreken. De half +neergeslagen oogen, het even gebogen hoofdje, het bijna verlegen +afgewende gelaat, alles draagt daarvan de uitdrukking; de +rechterhand, niet vast en krachtig tot vuist gebald, maar zacht en +mild, en nauwlijks toegesloten; de linker, die op de eerste prent +vol grootheid zich opheft bij het veelzeggend woord, maakt hier een +vriendelijk, bijna weifelend gebaar, niet verder dan ter hoogte van +de borst opgeheven. +<p><img alt="" border="0" src="images/latereopwekking.png" width="633" +height="833"> +<p class="c2">[Latere opwekking (1642).] +<p class="c2">De opwekking is zoo geene uiting van goddelijke +macht, geen wonder, om er ongeloovigen mee tot bekeering te +dwingen, maar ze wordt eene daad van goedheid, van medegevoel voor +hen, die bedroefd om het graf stonden, een daad van liefde en van +innigheid. Wel is waar zal men op de eerste prent allicht de +gestalte grootscher en mooier vinden; maar innerlijk laat ze ons +koud. Ons <i>gevoel</i> wordt meer getroffen door de uitdrukking +van zachtheid op de tweede; door het echt menschelijke en +vriendelijke van den Heer in den omgang met menschen. +<p class="c2">Rembrandt is teruggekomen van het ontzaglijke tot het +gewone. Ook in de omstanders. Wel staan ze, evenals op de eerste +plaat, ontdaan, getroffen, verbaasd, maar geen een slaat er meer +een gat in de lucht met zijne handen. De teekenaar heeft zich weten +te matigen, hij blijft sober, eenvoudig en kalm. Aan gevoel +ontbreekt het hem echter niet: men zie slechts het gelukkige +gezicht van het vrouwtje, dat naast Jezus staat. En wat heft ook +het mannetje aan Zijne linkerhand de handjes in juistheid van +gevoel: er is verbaasdheid over het wonder, in het vooruitgestoken +gezicht zoowel als in de handen; maar de aandoening wordt met +zelfbedwang ingehouden. Ingehouden ook in het geknielde figuurtje +op den voorgrond, dat wel ontzet terugdeinst, maar zich niet aan +groot misbaar te buiten gaat. Ondanks den indruk, dien het wonder +op de omstanders maakt, blijft eene waardige kalmte heerschen. En +we maken de opmerking, dat die kalmte wel past op eene plek, die +toch altijd een graf is. Kalm neemt vooral het oudvadertje het op, +dat rechts van Jezus op een steenblok zit. Hoogstens trekt hij de +wenkbrauwen iets meer op dan gewoonlijk, en stulpt hij zijne +uitgezakte onderlip iets verder vooruit, ten bewijze, dat hij niet +volkomen begrijpt, wat hier voorvalt. Wijsgeerig en onderzoekend +rust zijn rimpelig hoofd op de knokige hand. +<p class="c2">Bij de beschouwing van de figuren der omstanders +krijgen we den indruk, dat Rembrandt al het vreemde en ongewone +heeft willen vermijden, om des te dieper te doen gevoelen, welke de +uitwerking heeft moeten zijn van dit wonder op de aanwezigen. Zelfs +de achtergrond stemt tot kalmte; in plaats van laaiende lichtwolken +en opwasemende zonneschijndampen vinden we een vredig landschap met +vriendelijk uitzicht op de bergstad. +<p class="c2">De aandoening van grootheid, forschheid, +uitgelatenheid en opwinding heeft plaats gemaakt voor stille ernst +en innigheid. Er is over den teekenaar een zachtheid gekomen en +eene mildheid, die ons weemoedig stemmen. +<p class="c2">In de eerste plaat was hij hartstochtelijk, en +streefde hij naar vertoon van uiterlijke grootheid. Hij moest zich +uitspreken met woeste en groote gebaren. In de tweede is hij innig +en gevoelvol; alles lijkt gewoon; maar er zit teederheid en +medegevoel in. In het dagelijksche leven merken we ook op, dat zij, +die bij alles het meeste misbaar maken, niet juist de naturen zijn, +die het diepst voelen. +<p class="c2">Door de twee platen zoo met elkaar te vergelijken, +wordt het ons duidelijk, dat niet de bijbeltekst vaststelt, hoe +eene teekening zal worden. Hetzelfde gegeven kan op twee +uiteenloopende manieren behandeld worden. Wat den doorslag geeft, +is de gemoedstoestand van den kunstenaar. Zooals hij de gebeurtenis +voelt, zoo wordt de afbeelding. Kan men in eene afbeelding niet +merken, dat de teekenaar onder den indruk van eene gemoedsbeweging +heeft gewerkt, dan heeft men waarschijnlijk te doen met een stuk +van geringe waarde. +<p class="c2">Eene goede teekening weerspiegelt zelfs de stemming +van den teekenaar in een bepaald tijdperk van zijn levensloop. +<p class="c2">De gebeurtenis, die tusschen de twee bewerkingen van +de opwekking van Lazarus ligt, was wel in staat, om in het gemoed +van Rembrandt in te grijpen. In 1642 ontviel hem door den dood +zijne jeugdige echtgenoote. In de eenzame, slapelooze nachten, die +nu volgden, dacht hij aan haar, en peinsde hij over haar. Is het +wonder, dat hij zich de mogelijkheid voorstelde van een weerzien? +Maakte niet de Schrift gewag van een geval, dat een gestorvene uit +den dood herrees en tot de zijnen wederkeerde? Maar ach, dat kon +gebeuren eeuwen en eeuwen geleden! Voor hem geen hoop, dat Saskia +tot hem terug zou komen, om nog op aarde naast hem voort te leven. +Voor hem niets, dan het denkbeeldig geluk, wat het zou zijn, als +<i>zij</i> door Jezus uit het graf werd geroepen met de woorden: +"Kom uit!" De behoefte ontstond, om de opwekking van Lazarus nog +eens te behandelen. Maar nu met andere gedachten. Nu niet om te +toonen, hoe grootsch hij den Zaligmaker vond, en hoe vreeselijk +voor Lazarus de overgang uit het doodenrijk in het leven moet zijn +geweest! Nu, om met zijne gedachten te verwijlen bij het geluk, de +blijdschap, de innige zaligheid, die het herrijzen schonk aan de +treurende nabestaanden; nu, om zich voor te stellen, hoe goed de +Heer wel geweest moet zijn, om dit wonder voor zijne vrienden te +verrichten. +<p class="c2">En zie: onder den indruk van deze gedachten bewerkte +hij, kort na Saskia's dood, de tweede plaat. Om die ten volle te +begrijpen, moet men met deze bijzonderheid uit het leven van +Rembrandt bekend zijn. Zonder die kennis zou men kunnen denken, dat +de tweede bewerking alleen de bedoeling had om iets te maken, dat +beter was dan de eerste. Ze zou dan ook van teekening de beste van +de twee moeten zijn. Dit ligt echter in de voorgaande beschouwing +niet opgesloten: er is slechts aangetoond, dat de tweede +"Opwekking" inniger, liefdevoller is; en dat we kort na 1642 niet +anders van Rembrandt konden verwachten. +<p class="c2">Wat voor deze prent eene noodzakelijke behoefte +gebleken is, eenige kennis namelijk van de levensgeschiedenis van +den kunstenaar,-dat kan men evenmin bij heel veel ander schilder-en +teekenwerk ontberen. Daarom hebben geschiedvorschers met ijver +datgene nagespoord, wat licht kon verspreiden over zijne +levenshistorie. Nog lang is alles niet bereikt; veel bleef er in +het duister gehuld; maar toch zijn er gegevens genoeg aan het licht +gekomen, om te kunnen zeggen, dat we de hoofdgebeurtenissen kennen. +Het is zelfs mogelijk geworden, om gedurende enkele tijdperken met +den schilder alles mee te beleven, wat hij beleefde; om als het +ware naast hem een met hem zijne lotgevallen door te maken. Onder +deze zijn er wel geene, die meer invloed op het gemoed en op de +werklust hebben gehad, dan die, welke hij met zijne vrouw +ondervond. We zullen daarom trachten iets meer van nabij met haar +bekend te worden. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="HISTORISCHE_GEGEVENS"></a> +<h2 class="c4">HISTORISCHE GEGEVENS.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">Het was in den zomer van het jaar 1634, dat Rembrandt +zich aan den IJ-kant te Amsterdam inscheepte, om naar Friesland te +gaan. De tocht ging over zee, zooals toenmaals vanzelf sprak. De +vervoermiddelen te land waren slecht, de wegen eveneens, en +bovendien was de Republiek nog in oorlog met Spanje, waardoor een +reis over de Veluwe soms onaangename avonturen opleverde. In 1628 +maakte de vijand onder aanvoering van Cuculi nog strooptochten tot +onder de wallen van Amersfoort. De Zuiderzee daarentegen was +veilig; de dagen van Bossu behoorden tot het verleden. +<p class="c2">De beurtschipper zette onzen schilder te Harlingen +aan land. Vandaar ging het per binnenvaartuig over Franeker naar +het weinig bekende dorpje Sint Anna-parochie, en wel met het doel +om er in de echt te worden vereenigd met eene deftige Friesche +jongedame. +<p class="c2">Rembrandts huwelijk is een merkwaardig staaltje van +de geschiedenis van Geschiedenis. +<p class="c2">Men stelt zich gewoonlijk voor, dat de kennis van dit +vak uit boeken wordt opgedaan. De schrijvers dezer boeken hebben op +hunne beurt ook weer uit boeken geput, maar zijn even dikwijls +langs anderen weg achter de toedracht der gebeurtenissen gekomen. +<p class="c2">Niet door overlevering, die van ouder op kind, van +kind op kindskinderen overgaat. Immers, wij in onze dagen, weten +meer van Rembrandt,-om bij hem te blijven-dan onze voorouders uit +het jaar 1800, zelfs meer dan die uit 1700, ja! meer dan Rembrandts +eigen tijdgenooten! Zijne vrienden en kennissen natuurlijk +uitgezonderd. Onze kennis kan dus geene overgeleverde kennis zijn. +<p class="c2">Zoo heeft men honderd en vijftig jaar lang niet met +zekerheid geweten, dat en met wie hij getrouwd is geweest. +<p class="c2">Men vertelde: met eene kleine, dikke boerin uit +Raasdorp. Een dorp van dien naam is er niet. Men begon dus, met +maar aan te nemen, dat Ransdorp was bedoeld, een plaatsje in +Waterland. Echter wilde het niet gelukken, om op te sporen, wie dan +die vrouw geweest was. In de stad Amsterdam snuffelde men allerlei +papieren na, om het gewaar te worden. Ook in Leiden, zijne +geboorteplaats. +<p class="c2">Maar vruchteloos. +<p class="c2">Het toeval bracht de oplossing van het vraagstuk. Ver +van Amsterdam, in een vergeten dorpje in Friesland, werd, omstreeks +het midden van de 19<sup>de</sup> eeuw, in de oude boeken van het +gemeentehuis, tusschen honderden aanteekeningen, de ontdekking +gedaan van deze regels:<span class="c5">"23 Juni 1634 zijn in den +echt vereenigd<br> +<br> +REMBRANDT HERMENS VAN RHIJN<br> +<span class="c9">wonende te Amsterdam</span><br> +<span class="c10">en</span><br> +<span class="c9">SASKIA VAN ULENBORGH</span><br> +thans gedomicileerd te Franeker."<br></span> +<p class="c2">Toen men nu ook in Amsterdam de papieren en de +registers van het jaar 1634 doorzocht, en melding gemaakt vond van +dit huwelijk, was de zaak opgehelderd. Het boerinnetje van Raasdorp +bleek een sprookjes-boerin te zijn. Saskia van Ulenborgh kwam niet +uit Noord-Holland en was allerminst boerin van geboorte. De vader +toch was burgemeester van Leeuwarden geweest. +<p class="c2">Dit bewijst al, dat hij een man van aanzien was. Hij +was bovendien iemand, die wat durfde, daar hij behoorde tot de +eersten, die in Friesland in den Geuzentijd zich tegen den +Spaanschen landvoogd verzetten. Zeer toevallig is hij zelfs voor +iederen schooljongen een bekende, door eene gebeurtenis uit de +vaderlandsche geschiedenis, ofschoon men zijnen naam gewoonlijk +niet kent. Zooals men weet, is Prins Willem I van Oranje in 1584 +binnen Delft op het Prinsenhof vermoord. Hij ontving het doodelijk +schot, terwijl hij de trap af ging, na het middagmaal gebruikt te +hebben. Bij dit middagmaal had hij als gast aan tafel gehad eenen +burgemeester van Leeuwarden, die over regeeringszaken met hem +gehandeld had. En deze nu was niemand anders dan de heer Van +Ulenborgh, met wiens dochter Rembrandt vijftig jaar later is +getrouwd. De schoonvader van Van Rijn is de laatste geweest, die +met Willem den Zwijger aan tafel heeft gezeten. Saskia is dus uit +eene historische familie! +<p class="c2">Wat wil het toch vreemd loopen! Menschen, die twintig +of dertig jaar na Rembrandt leefden, wisten niet beter, of hij was +gehuwd geweest met eene boerin. En wij, twee eeuwen later, zijn van +zijne huiselijke aangelegenheden nauwkeurig op de hoogte. +<i>Zij</i> vergenoegden zich met een sprookje, <i>wij weten</i>, +voor <i>ons</i> is zijn levensloop eene bladzijde geschiedenis. Zoo +gaat het steeds. Eerst gebeuren de dingen. Dan worden ze vergeten. +Er komen geslachten, die zich er niet om bekommeren. Eindelijk +staan er menschen op, die er belang in stellen. Ze onderzoeken en +vorschen na. Een oud papier wordt gevonden, en het verleden is +ontsluierd. +<p class="c2">Er is bijna geene bladzijde in onze historie, of ze +heeft hare geschiedenis. Dikwijls is de geschiedenis van +Geschiedenis even merkwaardig als de Geschiedenis zelf. Dit moge +nog blijken uit het volgende staaltje. +<p class="c2">Nadat de ontdekking van Saskia van Ulenborgh had +plaats gehad, zocht men naar meer gegevens omtrent Rembrandts +leven; vooral in de kerkelijke boeken snuffelden de wijsgeeren. In +die van de Westerkerk te Amsterdam, de kerk, waar in 1667 de groote +schilder begraven is, ontdekte iemand, dat hij eene weduwe had +nagelaten met twee kinderen, die onder den naam Catharina van Wijk +beschreven stond. Eene andere, waarschijnlijk dus eene +<i>tweede</i> vrouw! Natuurlijk was de ontdekker met dit nieuws in +de wolken. Gelooven moest men het wel; het stond onweerlegbaar in +het register te lezen. +<p class="c2">Maar wat ontdekte later een tweede wijsgeer, die de +registers van de Westerkerk doorsnuffelde? Zijn blik viel op eene +bladzijde, waar het overlijden en het begraven beschreven stond van +den echtgenoot van Catharina van Wijk. Hier ontbrak echter de +aanteekening, dat deze overledene eene weduwe met twee kinderen +naliet, eene aanteekening, die men juist wel leest op het folio, +waar Rembrandts overlijden geboekt staat. Er moest een abuis hebben +plaats gehad. En dit behoeft ons voor de zeventiende eeuw niet te +bevreemden. Zaken van geboorte, huwelijk en overlijden werden met +heel wat minder zorg behandeld dan tegenwoordig. <i>Wij</i> moeten +er voor naar het gemeentehuis, en daar, op de afdeeling +"Burgerlijke Stand", hebben de ambtenaren niet anders te doen, dan +te zorgen voor nauwkeurige registratie. +<p class="c2">In de zeventiende eeuw ging het anders, maar niet +beter. De zaken van den burgerlijken stand werden in de kerken +aangeteekend. Wilde men onderzoek doen naar iemands geboorte-of +sterfjaar, dan moest men eerst trachten gewaar te worden, in welk +kerkgebouw hij was gedoopt of begraven. Zoolang men dit niet wist, +richtte men niets uit. De ambtenaar, die met het belangrijke werk +van registratie was belast, leefde niet voor dit ambt alleen. Zelfs +was dit niet zijn voornaamste werk. Hij was eigenlijk doodgraver +van beroep, en kon gewoonlijk beter met de spa dan met de pen +omgaan. Voor vele van deze waardigheidsbekleeders was het schrijven +in de de kerkelijke registers eene dagelijksche kwelling. De +doodgraver van de Westerkerk te Amsterdam lichtte er zelfs de hand +wel eens mee! Hij liet soms aanteekeningen weg, die niet mochten +ontbreken. Voelde hij zich later bezwaard over het begane +plichtsverzuim, dan greep hij pen en inkt en trachtte de fout goed +te maken. Zoo schijnt hij een zwak oogenblik te hebben gehad op den +dag, toen de echtgenoot van Catharina van Wijk werd begraven. De +naam van den overledene werd nauwgezet geboekt, maar dat er eene +weduwe met twee kinderen achter bleef, liet hij maar weg. Eenigen +tijd daarna begon hij zich hierover toch ongerust te maken. Hij +sloeg het register op en zocht den overledene, wien hij te kort +gedaan had. Daar hij zich den naam niet meer herinnerde, moest hij +gissen. Gissen doet missen. De weduwe met hare twee bloeien van +kinderen werd bij Rembrandt aangeteekend, die reeds eenige jaren +vroeger gestorven en aldaar begraven was. Honderd en vijftig jaar +lang bleef de groote schilder in dezen echt vereenigd, zonder dat +man en vrouw, en zonder dat vader en kinderen elkaar misschien ooit +gekend hadden. Het huwelijk, door den doodgraver in alle stilte +voltrokken, bleef een geheim, totdat in de negentiende eeuw de +eerste wijsgeer het ontdekte en openbaar maakte. Toen kwam wijsgeer +nommer twee, betrapte den doodgraver op registervervalsching en +plichtsverzuim, ontbond het huwelijk en wees de twee kleine Van +Wijkjes aan den waren vader toe, hetgeen Rembrandt van de zorg voor +hen ontsloeg. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="REMBRANDT_LANDSCHAPSCHILDER"></a> +<h2 class="c4">REMBRANDT LANDSCHAPSCHILDER.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">Rembrandt Hzn. van Rijn huwde alzoo in het jaar 1634 +op den 22<sup>sten</sup> Juni. Hij voerde zijne vrouw naar +Amsterdam en betrok de woning in de Breedstraat, onder welks dak +hij zooveel ernstige en gelukkige levensomstandigheden doormaken +zou. +<p class="c2">De Breedstraat, thans een deel van de oude stad, was +destijds eene nieuwe straat, een buitenwijk. In 1631 was Amsterdam +opnieuw en voor de zooveelste maal uitgelegd. De toename van +bevolking bleef maar aanhouden: handel en zeevaart deden schatten +toevloeien, de hoop op fortuin nieuwe bewoners. Nadat de halve +cirkel binnen de Heerengracht volgebouwd en te klein gebleken was, +werd een breede gordel van omliggend weiland binnen nieuwe +vestingwerken en eene gracht, de Keizersgracht, besloten en ter +bebouwing bestemd. +<p class="c2">Doch spoedig bleken de Heeren den gordel te smal +genomen te hebben, en maakten ze de fout goed, of trachtten die +goed te maken, door aan de halve maan eene nieuwe verbreeding toe +te voegen, begrensd door de Prinsengracht met hare vestingwerken. +<p class="c2">Het zal den schilder eene behoefte zijn geweest, niet +al te ver van de vrije natuur te wonen. Slechts een paar honderd +passen behoefde hij te maken, dan was hij buiten. Hier kon hij zijn +hart ophalen aan het gezicht op grazige weilanden, van slooten +doorsneden, op boerenwoningen, in geboomte verscholen, aan tal van +windmolens, zoowel poldermolentjes als groote, statig rondwiekende +houtzaag-en korenmolens. Vooral deze laatsten vond men even buiten +de stad in grooten getale. Geboortig als hij was uit eene +molenaarsfamilie, voelde Rembrandt zich steeds aangetrokken tot +deze schilderachtige gebouwen. Zijn vader had er een in Leiden, in +het aangrenzende huis was hij geboren en opgegroeid. +<p class="c2">Nog binnen de stadsgracht, op een zoogenaamd bastion +van het bolwerk, dicht bij de Muiderpoort, stond het exemplaar, +waarvan hij ons eene afbeelding heeft nagelaten. +<p class="c2">Rechts zien we het water van de gracht, waarin een +visschersbootje met gestreken mast; op den achtergrond eene +boomenrij, misschien een singel, een wandelpad, dat de gracht aan +den buitenkant volgde. Van het water af loopt het terrein naar +links een weinig omhoog, waarschijnlijk naar den stadsmuur, die de +buitenzijde van het bolwerk vormt. Daar, waar de gracht eene bocht +maakt, springt de muur boogvorming vooruit en vormt een hoog +terras, het bastion. Hierop staat de molen met bijbehoorende +gebouwen. In vele steden, die in de 19<sup>de</sup> eeuw ontmanteld +zijn, bleven de bastions gespaard om aan de molens het voortbestaan +te verzekeren. Nu deze echter door de meelfabrieken +doodgeconcurreerd worden, verdwijnen met hen ook de laatste +overblijfselen van de vroegere vestingwerken. Houtzaagmolens vonden +op bastions geen plaats: die moeten laag aan den waterkant staan. +<p class="c2">De schilderij bewaart ons dus een gezicht op de stad, +zooals ze er aan de buitenzij uitzag. De schilder heeft het +tooneeltje zitten aan te kijken op het lage pad, dat aan den +binnenkant van de gracht liep, tusschen deze en den stadsmuur. Dit +blijkt uit de schilderij zelf; die geeft ons het beeld van wat hij +voor zich zag. Terwijl hij werkte en ijverig zijne penseelen +hanteerde, liep het tegen den avond. De hemel heeft eene lichtende +klaarte, alles wat van de aarde is, staat er in zware kleuren tegen +af te steken; alleen het water, dat de klaarheid weerspiegelt, +blinkt helder op uit de donkere omlijsting. Ook het voetpad, met +zijne blanke tinten van zand of platgetreden steenstorting, is +zacht van licht. +<p class="c2">Overigens staat alles in zware grijsheid tegen de +heldere lucht. We voelen, hoe stil en schoon Rembrandt de +lichtdiepte van den avondhemel heeft gevonden. +<p><img alt="" border="0" src="images/molen.png" width="606" height="509"> +<p class="c2">[Molen.] +<p class="c2">Van linksboven af naar het midden toe, worden de +tinten ijler en ijler. De donkere kleuren, die het geheel aan den +bovenkant als een boog omspannen, dringen het oog steeds meer naar +het midden, naar het vooruitspringende deel van het bastion, waar +de hemel in klare avondzuiverheid tot in verre diepte wegwelft. +<p class="c2">Vòòr die lichtdiepte rijst het zware +muurgevaarte omhoog. Langdurig moet het den schilder geboeid hebben +om te kijken naar de breede en hooge afmetingen van deze aard-en +steenmassa, in tegenstelling met de luchtige doorschijnendheid van +den avondhemel. Het was hem als een rotsgevaarte, als een brok +voorgebergte, dat in het water vooruit staat. Het muurwerk is +éen geworden met de aarde; ouderdom en verweerdheid gaven +donkere, diepe kleuren, hier wat lichter, daar wat zwaarder, al +naar gelang de buitenkant meer of minder afgebrokkeld, met mossen +begroeid of van vocht doortrokken was. De bovenrand en de +neerdalende zij-lijn missen de kantigheid en de strakheid van +nieuwe steen. Het is, alsof de tijd ze rond heeft afgesleten; de +staande lijn, die rechts den muur begrenst, is een weinig rond +ingebogen en achterover gezakt, waardoor het geheel nog meer den +indruk maakt van een zware massa, die geen steun behoeft, om zoo in +elkaar te blijven hangen. +<p class="c2">Het grasveld, dat den bovenkant bedekt, hangt als een +zwaar kleed rustig over den rand heen. De helling, die links het +bolwerk verbindt met het lager gelegen pad, is een even zware massa +als het muurwerk, waar ze tegenop ligt. Ofschoon niet steenachtig +van aard, vormt ze er éen geheel mee; het gansche terrein is +éen groote, breede opheffing geworden van de aarde; alles +ligt in rustig evenwicht tegen elkaar aan: nergens staat een brok +muur of grond los en afgezonderd van de rest. Het penseel wist er +éen klomp van te maken, ofschoon de samenstellende deelen +alle zich zelf bleven, hetzij muur, hetzij grasveld, hetzij +voetpad. Ook dit laatste is in het geheel opgegaan. Wel is het +lichter van kleur, zooals een pad in de schemering als een stille +blankheid uit het donker van de omgeving opblinkt; maar het is geen +afgezonderd tooneeltje gebleven; de blankheid en de donkerte liggen +niet scherp naast elkaar. Het verschil in lichtheid is gering; we +krijgen wel den indruk van eene zekere blankheid, maar dat gedeelte +van de schilderij is toch nog vrij donker. En bovendien is er een +overgang, die uit allerlei tusschentinten bestaat. Kijk maar eens, +wat een rommelige ruigte van gras, struiken, puin of steenbrokken +de geleidelijke verbinding is tusschen de twee partijen. En wat is +in het pad zelf de afwisseling mooi weergegeven van vochtige en +droge, van hooge en platgetreden gedeelten, van flauwe wagensporen, +onmerkbare hellingen naar den waterkant, en opstaande kantjes tegen +het grasveldje, links op den voorgrond. Toch bleef dit éen +blanke plek, die zich rustig en vast tegen de oprijzende massa +daarachter vlijt. Men voelt, op wat voor vasten puinbodem de +figuurtjes zich bewegen, die van de hoogte afkomen, of aan den +waterkant staan. +<p class="c2">Een vrouwtje ligt linnen uit te spoelen in de gracht. +Spelende verspreiden zich kringen over het spiegelwater. Het trok +den schilder aan, om dit stille bewegen op zijn doek vast te leggen +en den indruk te bewaren. Het golflijntje, dat een voorbijzwemmend +eendje of een in het water geworpen kluitje doet ontstaan, is iets, +waarnaar we gaarne stil en in gedachten verzonken staan te kijken. +Zoo ging het Rembrandt ook. Terwijl hij daar op het lage pad, op +eenen vredigen avond, zat te schilderen, kwam een vrouwtje naar +beneden om iets uit te spoelen; een oogenblik rustte zijn penseel, +en volgde zijn oog de kringen, die zich verspreidden, tot ze tegen +het bootje botsten, en daar eenige krinkeling te weeg brachten in +het donkere spiegelbeeld. Het was eene kleine, onbeduidende +gebeurtenis, die de rust van den avond verbrak zonder ze te storen. +En met een paar zwierige, dartele penseelstreken werd ze snel en +juist in beeld gebracht, om den lieflijken, vredigen indruk van +zoo'n schoonen avond te bewaren. De stilte mocht geene levenlooze +eenzaamheid worden; eene uiting van leven moest er zijn, als maar +de rust niet verstoord werd. Lieflijker kon het wel niet, dan het +zachte bedrijf van zoo'n vrouwtje er in te brengen, en het +voorbijgaande, kortstondige opleven van den waterspiegel. +<p class="c2">Wat kunnen we ons zoo geheel indenken in den +gemoedstoestand van den schilder, en een denkbeeld krijgen, hoe +vatbaar hij was voor indrukken. Zonder naar het molentje gezien te +hebben, dat anders door vele beschouwers voor hoofdzaak gehouden +wordt, weten we, wat voor hem het eigenlijke onderwerp was, dat hij +schilderde. Niet de inrichting van zoo'n stads-buitenkant, ook niet +de vorm van een molen, maar de vredige, rustige, kalme stemming van +een mensch, die daar zit, en die genieten kan van plechtige +avondstilte, van mooie, klare luchten, boven bijna ingesluimerde +stadsgedeelten. +<p class="c2">Denk toch niet, dat zoo'n kunststuk er is, om even op +de vingers na te tellen, wat er op staat. We moeten er in +doordringen, om tot het besef te komen, hoe de schilder voelde, hoe +zijn gemoed door de verschijnselen bewogen werd. +<p class="c2">Het molentje is maar bijzaak, al is men geneigd, het +stuk daarnaar te benoemen. Het staat er, om midden op het doek een +verheffinkje aan te brengen, en het stond nu eenmaal op het +bastion. Bevallig, rank en rustig is het weergegeven, ofschoon in +onzen tijd de schilders er niet van houden, om op de wieken zoo'n +witten glans aan te brengen. Het balkwerk van den kruistaart zit er +handig en gemakkelijk achter tegen aan. Een klein spetje wit maakt +scheiding tusschen boven-en onderstuk, waardoor de molen een +onderkruier wordt. +<p class="c2">Het huizegroepje en een beetje laag geboomte staan +gezellig bij elkaar. Je krijgt net een idee, alsof het een klein +dorpje is, het eene dakje wat hooger of wat lager dan het andere. +Het schoorsteentje staat er bovenuit te steken, alsof het een +dorpstorentje wou wezen. Alles werkt mee om het vreedzame, +landelijke uit te drukken. +<p class="c2">Zóó zag Rembrandt nu de wereld. Hij had +aan vreemde gebouwen, wonderlijke rotsen en geheimzinnige spelonken +geene behoefte, als hij natuurgenot wilde smaken. Het meest +alledaagsche tooneeltje maakte indruk op hem. Vandaar zijne geringe +reislust. Kunstbroeders achterna te trekken, de wonderen van +Italië te zien, naar de grootsche tafereelen der Alpen op te +kijken, hij voelde er geen behoefte aan. Hij was huiselijk, bleef +gaarne bij moeder de vrouw en vond zijn vaderland een schoon land. +Waartoe zou dan trekken en rondzwalken gediend hebben! +<p class="c2">Het is eene verheffende gedachte, dat hij, die een +der grootste schilders der wereld is geweest, Holland mooi vond. +Dat geeft ons moed, om het met dat vaak verguisde, platte, vlakke +polderland toch ook maar te probeeren. Het moet, blijkens +Rembrandts voorbeeld, mogelijk zijn, het mooi te vinden. Niet het +zeldzame, niet het wonderbaarlijke, niet het verhevene doet 't em; +alles, wat vreemde landen aanbieden, kan men ontberen, mits de +goede wil er is. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="VROUWE_SASKIA"></a> +<h2 class="c4">VROUWE SASKIA.</h2><span class="c5"><br></span> +<p class="c2">Van Rijn behoefde zelfs niet de Muiderpoort uit naar +Muiden, naar Naarden of naar het Gooi te wandelen, om tooneelen te +vinden, die hem boeiden; hij had ze, om zoo te zeggen, naast de +deur. En we kunnen ons denken, hoe hij met zijne jonge vrouw naar +buiten wandelde, en het Friezinnetje attent maakte op al het +schoone, wat Amsterdams buitenkant te zien gaf. Hoe hij, even +stilstaande, met een potloodkrabbeltje wist aan te duiden, wat hem +hier of daar het meest trof, of, aan den kant van den weg zich +neerzette en een schetsje maakte, om het Saskia aan te bieden en +haar oog voor natuurschoon te openen. +<p class="c2">Toch trok geen onderwerp den grooten teekenaar zoo +aan, als Saskia zelf. Tot in het oneindige heeft hij haar +uitgebeeld, haast dagelijks moest ze voor hem zitten, en maakte hij +haar portret. +<p class="c2">Een luchtig teekeningetje is dat, wat hij maakte kort +na zijn trouwen. Hij schreef er eigenhandig iets onder. Men ziet: +schoonschrift is 't niet. Hij schreef, evenals zijn meeste +tijdgenooten, steilschrift; zijn hand is los en vlug-geen wonder! +de hand van Rembrandt!--Wie mocht meenen, dat je aan de +penneschrappen eigenaardigheden opmerkt, die aan het +schrijfgereedschap van die dagen, aan de ganzepen herinneren, hoede +zich voor overijlde gevolgtrekkingen: ditmaal heeft de +teekenaar-schrijver noch potlood, noch pen en inkt, noch krijt +gebruikt, maar eenvoudig een zilveren stiftje, rijn toegepunt, en +daarbij een bijzonder soort papier, op ivoor gelijkend; een schrap +met de stift laat hierop een zwart spoor achter. Een +zilverstiftschrift dus, en een zilverstiftteekening. +<p class="c2">Er staat te lezen: +<p class="c2">"Dit is naer mijn huijsvrou geconterfeit, do sij 21 +jaer oud was, den derden dach als wij getroudt waeren. +<p class="c2">de 8 junijus +<p class="c2">1633." +<p class="c2">Den derden dag, nadat ze getrouwd waren; het huwelijk +had plaats op 22 Juni 1634; drie dagen later schreef men 25 Juni +1634. Dat is echter geen 8 Juni 1633. Deze datum klopt niet met de +opgave in het kerkregister te St. Annaparochie. Waar schuilt de +fout? In het register? Dat is moeilijk te gelooven. De koster, die +bij de huwelijksvoltrekking het feit aanteekende, zal toch wel met +de almanak bekend geweest zijn. De datum mag iemand eens voor een +oogenblik vergeten zijn, maar een vol jaar vergist men zich niet. +Op de teekening dan? Maar wat voor den koster geldt, geldt ook voor +Rembrandt. Het ging hem zelf aan, van hem kunnen we ons nog +moeilijker eene vergissing denken. +<p class="c2">Wie van hun beiden heeft gelijk, wie ongelijk? Dat is +een kolfje naar de hand van eenen geschiedvorscher: uit te zoeken, +hoe het mogelijk is, dat Rembrandt, nadat hij drie dagen getrouwd +was, niet op de hoogte van datum en jaar was. Wie het vraagstuk +oplost, kan er eer mee inleggen. +<p class="c2">Wij zien intusschen de teekening verder aan. +<p class="c2">In dit schetsje zit leven. Leven is iets, wat men +niet met den vinger kan aanwijzen of met eenen passer kan nameten, +in werkelijkheid evenmin als in beeld. Maar als we den indruk +krijgen, dat er leven in zit, moeten we het er ook over eens kunnen +worden, waardoor die indruk ontstaat. +<p class="c2">We beginnen met het portretje op een kleinen afstand +te houden. Dan hinderen de arceeringen in het gezichtje ons niet; +die lossen zich op in eene gelijkmatige tint. +<p class="c2">Zie, ze zit nu naar iemand tegenover haar te kijken. +Of is de blik op eenen muur gevestigd? Neen, op eenen persoon. +Immers, de oogen staan schalksch, een beetje spottend. Het dikke +randje onder het oog kennen we wel; dat is een lachje, het is +dartelheid. Zoo zit iemand niet op een stuk muur te kijken. De blik +geldt hem, dien ze lijden mag, en dien ze nu, in haar speelschheid, +niet kan nalaten te plagen. Er tintelt iets in het oog, dat +levenslust is. Let eens op, hoe, uit de geschaduwde linker helft +van het gelaat, het oogwit tusschen oogappel en ooghoek speelsch en +blijmoedig te voorschijn licht. Dat wit gelaten plekje draagt er +wel toe bij, om ons den indruk van leven, van vroolijk, schalksch +leven te geven. +<p><img alt="" border="0" src="images/portretvansaskia.png" width="480" +height="825"> +<p class="c2">[Portret van Saskia.] +<p class="c2">Zit het mondje strak en ernstig af te wachten, wat de +teekenaar van de schets zal maken, of speelt ook daar niet +hetzelfde lachje? Voelen we in den opgetrokken rechter mondhoek +niet een beetje spot? Staat daar niet uitgedrukt: "mij teekenen, +dat kun je niet?" Is dat trekje er niet op berekend, om hem aan 't +lachen te maken? Het is, alsof we, tegenover haar, Rembrandt zien +zitten, ijverig in de weer, om haar portret en haar leven vast te +leggen op zijn teekenblad; de mond in ernstige plooi, het oog bij +afwisseling op haar en op zijn werk gericht. En haar zien we +probeeren, om den ernst van zijn gelaat te verdrijven, om door haar +lach ook hem een lachje af te dwingen. Hare schalkschheid, de +tinteling op hare trekken-we weten niet alleen, dat ze <i>hem</i> +gelden, we zien er zelfs <i>zijn</i> ernstig gezicht in; in het +spottende en plagerige lezen we, hoeveel moeite het hem kosten zal, +om zich goed te houden, om er nu eens de gek niet mee te hebben, +dat hy haar teekenen wil. +<p class="c2">Zij zit niet vóór ons als eene eenzame, +die zich aan onze onbescheiden blikken blootstelt; ze heeft +tegenover zich een, dien ze genegenheid toedraagt. Het is, alsof we +in de ruimte rondom haar de aanwezigheid voelen van den persoon, +tot wien haar glimlach zich richt. Die aanwezigheid spiegelt zich +in haar oogen, om haar mond, op geheel haar gelaat. Zou die +spiegeling niet het leven zijn, dat we in dit portretje zien? Leven +is wel iets vreemds, dat vaak moeilijk nader te bepalen is. Men kan +het soms hebben, dat men eene kamer binnenkomt, waar niemand te +zien is; het vertrek schijnt leeg te zijn, en toch ziet men +behoedzaam om zich heen, want men krijgt een gevoel, alsof er zich +een levend wezen bevindt; men zou gaarne een gordijn oplichten, een +kast openen of in een hoek kijken, om te weten te komen, of daar +iemand schuilt. Men voelt zich door leven omgeven. +<p class="c2">Bij Saskia gaat het niet geheimzinnig toe. Maar ook +<i>haar</i> voelen we omgeven van leven; we kennen dit leven, en we +weten, hoe hare gevoelens zijn ten opzichte van dat leven. Dit +alles geeft het portret te zien. Meer dus, dan enkel een mond, een +neus, een paar oogen, en wat verder het gezicht helpt voltooien. +Wat kan het zelfs schelen, of de gelijkenis van deze onderdeelen +volkomen is. Er zit iets in, dat van hoogere waarde is, iets waarom +we het een lief portretje vinden. +<p class="c2">Rembrandt moet dit wel goed begrepen hebben, als hij +Saskia aanzag. Want wat heeft hij in de eenvoudige krabbels en +krasjes deze dingen zuiver laten voelen; en nog wel dingen, die men +niet onder woorden kan brengen of in lijnen kan aanwijzen. +<p class="c2">Er is nog iets in Saskia, dat hem niet ontging, en +wat het portret nog meer liefs geeft. Zij let niet op zichzelf. Ze +gaat niet parmantig zitten met het idee: nu moet ik er mooi +opkomen; en evenmin met het tegenovergestelde idee: het kan me niet +schelen, hoe ik er op kom. Je kunt heelemaal niet zien, dat ze +opzettelijk eene houding aanneemt. Zooals zij zit, zoo zit iemand, +wanneer hij van eene lange wandeling thuiskomt. Men valt dan even +op eenen stoel neer, om uit te blazen, voordat men van kleeren +verwisselt. Zonder erg komt de hand onder het hoofd; het hoofd +leunt er wel niet op; zie maar, de hand raakt het nauwelijks aan, +maar het geeft eenigen steun en de arm vindt het een gemak om even +op de tafel te rusten; iets waaraan de andere ook behoefte heeft; +die ligt er languit over heen en is zelfs niet hupsch genoeg, om +het roosje rechtop te dragen. Zoo laat men een bloem hangen, als de +hand moe wordt. +<p class="c2">Beide ellebogen rusten op de tafel. Netjes is 't +niet. Dat zal vrouwe Saskia ook wel weten. Maar ze kwam vermoeid +thuis, en dan is het verleidelijk om eens op je gemak te zitten. +Niet recht op en neer, maar het bovenlijf voorovergezakt; de borst +zoo'n beetje tegen den tafelrand. De kleeren wat losgemaakt en den +hoed nog op 't hoofd. +<p class="c2">Wie zich zoo neerzet, neemt niet plaats om uitgebeeld +te worden, maar gaat zonder erg zitten, omdat zitten aangenaam is. +Die let niet op zichzelf, op houding en postuur, maar geeft zich, +zooals ze is. Die gaat zoo zitten, omdat zij bij haar echtgenoot +is, en niet in gezelschap van menschen, die altijd op fatsoen en +behoorlijkheid letten. +<p class="c2">Het is deze argeloosheid, die onze teekenaar in zijne +vrouw zag; en hij gaf ze ons duidelijk in lichaamshouding, in +armlegging, in handgebaar, zelfs in het roosje te verstaan. Want +dit roosje hangt net zoo over de tafel heen als Saskia zelf. +<p class="c2">Eigenlijk is deze trek in haar dezelfde, als die, +welke uit haar gelaat sprak. Beide komen ze voort uit een gevoel, +dat haar aangenaam was: ze voelde zich prettig en op haar gemak, +zoo bij haar beroemden heer gemaal. Ze geneert zich niet, hem +lachend in de oogen te zien, en evenmin om het zich gemakkelijk te +maken. Ze acht zich veilig voor onbescheiden blikken en +onbescheiden op-en aanmerkingen. +<p class="c2">Het trekt ons in haar aan, dat ze zich zoo argeloos +onschuldig geven kon aan den teekenaar; dat ze zelfs op dit +oogenblik niet dacht aan nette houding, aan gezicht-in-de-plooien, +aan toilet of kapsel. +<p class="c2">Ongetwijfeld is hier de verklaring te zoeken, waarom +we het beeld lief vinden, en waardoor het ons bekoort. +<p class="c2">Daar komt nu nog iets bij, dat op den teekenaar +betrekking heeft. +<p class="c2">Het schetsen van een portret ging hem zoo gemakkelijk +van de hand, dat zijne gedachten eigenlijk met dit werk alleen niet +gevuld waren. Hij behield een open oog voor de eigenaardige wijze +van doen, zooals die op te merken was aan zijn model. Onderwijl hij +omtrekken van gezicht, hoed, hoofd, lichaam, armen en handen zette, +zag hij zeer goed, hoe weinig acht Saskia op zichzelf sloeg, hoe +weinig ze aan zichzelf en hoe zeer ze aan hem dacht; hoe ze zich +volkomen onbespied achtte, ofschoon tegenover hem zittende. Hij zag +dit in hare trekken, in hare houding, in den arm, zooals die op de +tafel lag, hij zag het in alles. En al schetsende, gaf hij in elke +lijn de uitdrukking van het vertrouwelijke, dat hij in haar zag. De +vriendelijkheid van hare verschijning, niet voor een ieder, maar +voor hem alleen, wist hij uit te teekenen. Hij wist, dat die +eigenschap van haar wezen kon verdwijnen, als anderen om den hoek +gluurden. Hij wist, dat zijne teekening bestemd was, om gezien te +worden, en dat dit streed met hare vertrouwelijkheid. Toch bracht +het hem niet in verwarring; hij zette het denkbeeld, dat anderen +zouden zien, van zich af en ging voort, om den indruk vast te +houden en in beeld te brengen. Met oogen en handen arbeidde hij, om +de uiterlijke vormen op papier te zetten, en intusschen bleef hem +het besef bij, van de vertrouwelijkheid tusschen hem en haar. En, +arbeidende aan de vormen, schreef hij eigenlijk in leesbaar schrift +al maar door over die vertrouwelijkheid. Niet meer de +lichaamsgedaante behandelde zijn teekenstift, maar hoe zij over de +tafel heen naar hem toe gebogen lag; niet meer haar beeld, maar hoe +in dat beeld de ziel, het leven zich afspiegelde. +<p class="c2">Lang behoefde hij aan zoo'n schetsje niet te werken: +alles is los en vlug op papier geworpen. En toch raak en goed. Men +lette bijvoorbeeld eens op de zwierige lijnen, die de rechtermouw +weergeven; in éen veeg zijn ze opgezet, en in die +éene veeg geven ze meteen aan, hoe in de buiging, bij den +elleboog, het kleed in breede plooien valt. Of op de teere +schrapjes van het linkerhandje, hoe als vanzelf de pink achterover +buigt. +<p class="c2">Het is een genot, om de bewegelijkheid van al die +lijnen te zien. In een photographisch portret ontbreekt dit. Men +vindt er ook niets aan, het te bezichtigen, tenzij men den persoon +kent. +<p class="c2">Het is waar, dat de photographie nauwkeuriger en +precieser in kleinigheden is; dit weegt echter niet op tegen de +uiting van echt leven, die een teekenaar in zijn werk neerlegt. We +beklagen de eeuw van Rembrandt niet, omdat ze het zonder de camera +obscura moest stellen, en zich behielp met handgemaakte +afbeeldingen, integendeel, we achten haar gelukkig en betreuren +het, dat later een werktuig is uitgevonden, waarmee aan kunstenaars +het werk uit de hand genomen en het brood uit den mond gestooten +is. Wel kunnen we thans voor weinig geld portretten hebben van +allen, wien we genegen zijn, en wel gelijken die +zóóveel, dat we de personen herkennen, maar ze zijn +er naar! Het leven ontbreekt, en ook datgene, wat we, na langen +omgang, in gelaat, houding, gebaar en lichaamsbouw hebben leeren +opmerken. We zijn tevreden met den juisten vorm van oogen, neus, +mond en kin, we eischen niet meer; sedert de zeventiende eeuw +hebben de menschen zich leeren tevreden stellen met afbeeldingen +zonder het schalksche leven, zonder tintelenden oogenopslag, zonder +gemoed en karakter. Misschien zijn er zelfs reeds menschen in onzen +tijd, die aan hunne bloedverwanten en vrienden deze +eigenaardigheden niet eens meer opmerken. +<p class="c2">Het is best mogelijk, dat de kunst van +photographeeren ons gezichtsorgaan voor nauwkeurige waarneming van +menschen en hunne levensuiting heeft afgestompt. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="KLEINE_TITUS"></a> +<h2 class="c4">KLEINE TITUS.</h2><span class="c5"><br></span> +<p><img alt="" border="0" src="images/titusvanrijn.png" width="344" +height="410"> +<p class="c2">[Titus van Rijn.] +<p class="c2">Laten we naast Saskia nog eens nemen deze afbeelding +van Titus, het zoontje van Rembrandt. Dan zal ons blijken, dat ook +hierin dingen voorkomen, die een photographisch portret niet kan +geven. +<p class="c2">Het ventje zit echt lekker op zijn gemak. Hij zoekt +dit op kinderlijke manier. Een volwassene gaat er anders bij +zitten: niet zoo met het hoofd in de nabijheid van de handen, en +niet zoo in elkaar gedoken op den rand van eene schoolbank of een +raamkozijn liggende. Het omgebogen polsgewricht van het +rechterhandje is echt kinderlijk, ook de duim, die het hoofdje +steunt en een kuiltje in de kin drukt, waardoor de mondhoek een +beetje omhoog geschoven wordt! Daar behoort precies bij, die manier +om eene pen vast te houden, als men zit na te denken over hetgeen +geschreven moet worden. En zie eens het linkerhandje! Het komt net +te voorschijn, zooals we dat soms zien bij een poesje, dat +behagelijk een breed, mollig pootje vooruitsteekt. De heele figuur, +het verlichte driehoekje van gelaat, handen en boek, heeft iets +poezeligs over zich. Dit neemt dadelijk in voor het ventje. Het is +ons onverschillig, of oogen, neus, mond, gezichtsvorm en haar +nauwkeurig gelijken, er is, buiten dat, iets aantrekkelijks in. Het +portretje geeft ons te zien, hoe de vader zijn kind soms kon +aantreffen, als het in school of thuis in een hoekje te leeren zat. +De houding moet indruk op hem gemaakt hebben, want, toen hij ging +schilderen, stelde hij zich het kereltje zóó voor. +<p class="c2">Het is niet waarschijnlijk, dat hij, zooals onze +photograaf zou doen, gelastte: ga nu zus of zoo zitten. Immers, dan +wordt alles stijf en houterig. Hier was geen afspraak; zonder erg +zit Titus op zijn gemak na te denken en voor zich uit te kijken, en +argeloosheid kon de vader hem niet als bevel opleggen. +<p class="c2">Dat we hem onbespied kunnen beschouwen, is juist het +aantrekkelijke. Want nu komt zijn ware aard aan den dag: zijne +neiging namelijk om knus en gemakkelijk ineen gedoken te zitten. +Hij verloochent daarin niet, dat hij een kind van Saskia van +Ulenburg is! +<p class="c2">Het aantrekkelijke wordt nog verhoogd door de groote, +donkere kijkers en de lange, weelderige lokken. Bovendien vinden we +het aardig, zoo toevallig eens iets te zien, dat op het schoolgaan +en het leeren in de zeventiende eeuw betrekking heeft: een +bundeltje vellen papier ligt op een opengeslagen boek; de inkt,-het +zal wel zelfgemaakte inkt wezen, want dat was het +gewoonlijk,-bevindt zich in eenen koker, die aan een koordje of +kettinkje hangt. Dit gerei droeg de leerling mee naar school en +zeulde er mee rond door huis; overal waar hij zich neerzette, om te +schrijven, had hij het bij zich; als hij voor het open raam plaats +nam, kon het best gebeuren, dat hij achteloos den inktkoker uit het +raam heen en weer liet bungelen. Ingenaaide schriften waren niet +zooveel in gebruik, als losse bladen papier. Deze omstandigheid gaf +hier den schilder gelegenheid, om te laten zien, hoe de velletjes +soms plat op elkaar, soms met eene gapende opening er tusschen +kunnen liggen. +<p class="c2">Met Titus er bij hebben we nu den kleinen huiselijken +kring compleet, waarin Rembrandt anno 1642 leefde. We moeten echter +bedenken, dat de zoon nog heel klein was, toen Saskia overleed; de +moeder heeft hem nooit gezien, zooals de vader hem hier afbeeldt. +<p class="c2">In de portretten van vrouw en zoon heeft hij wel +duidelijk uitgedrukt, met hoeveel hart hij aan beide hing, hoe +gelukkig hij zich aan den huiselijken haard voelde, toen Saskia nog +leefde. Ook zal hij innerlijk bewogen geweest zijn, als hij later +het kind uitbeeldde en opmerkte, hoe hare geaardheid, hare natuur +daarin voortleefde, toen zij reeds lang ter ziele was. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="ACTIE"></a> +<h2 class="c4">ACTIE.</h2><span class="c5"><br></span> +<p class="c2">Naast elkaar zijn hier gesteld twee groepjes van twee +personen, die eenige woorden met elkaar wisselen. Het eene stelt +voor een Amsterdamsch burger uit het jaar 1633, scheepsbouwer en +teekenaar van scheepsontwerpen van beroep, met zijne vrouw, die een +briefje binnen brengt. Het andere is Michiel Azn. de Ruyter, in +gesprek met zijnen stuurman Zeger. Al dadelijk valt het op, dat De +Ruyter en Zeger, elk met een paar gelijke platvoeten en een paar +zwarte kuiten, recht op en neer naast elkaar staan. Beider +onderstel, met en benevens de wijde broeken, schijnen naar een en +hetzelfde model te zijn gevormd. De enkels zijn te dik, en evenveel +te dik, het aanzwellen der beenen, naar boven toe, gaat gelijk in +zijn werk, de broeken hangen er gelijk om. Vervelend is het verder, +dat beide gelijkelijk het front naar elkaar draaien, en dat ze +beide den naar elkaar gekeerden arm schuin omlaag, den anderen arm +opgeheven houden. +<p><img alt="" border="0" src="images/deruyterenzeger.png" width="388" +height="424"> +<p class="c2">[De Ruyter en Zeger.] +<p class="c2">De Scheepsbouwmeester en zijne vrouw zijn zonder +zulke toevalligheden tot een groep bijeengebracht. De houding van +de handen der vrouw laat zich zeer goed met die van De Ruyter +vergelijken. Zij houdt met de linker kloek en ferm de klink van de +deur omvat, niet nuffig en met opzettelijke bevalligheid, maar +zooals eene degelijke huisvrouw in drukke bezigheden alles doet. De +Ruyter doet iets, dat, op zichzelf beschouwd, een daad is van +kloekheid, van moed en van durf. Eigenlijk moest hij dus ook +onverschrokken met de linkerhand naar den Engelschman wijzen, dien +hij tot partuur heeft gekozen. Maar hoe is dit op de plaat +uitgedrukt? De wereldvermaarde zeebonk steekt een blank, mollig, +klein handje uit, de arm is slap en zonder fierheid opgeheven, het +wijsvingertje bij het jongejuffrouwenduimpje wijst op kromme manier +iets aan. Men zou haast denken, dat mijnheer Zeger heeft gevraagd: +"Hoe loop ik het kortst van hier naar de Kipstraat?" en dat een +voorbijgaand, ziekelijk oud heer met een pijnlijk gezicht +antwoordt: "Hier links den hoek om." Waarop gemelde heer Zeger met +vriendelijk gelaat voor de bekomen inlichting bedankt, beleefd den +hoed licht, en den ouden heer eene prettige wandeling toewenscht. +<p class="c2">Zoo kan geen De Ruyter het vermaarde commando hebben +gegeven, zoo strekt geen held met gebiedend gebaar den arm. +<p><img alt="" border="0" src="images/scheepsbouwmeester.png" width="610" +height="404"> +<p class="c2">[Scheepsbouwmeester en vrouw.] +<p class="c2">De rechterhand is niet beter van teekening. Misschien +loopen er verwaande menschen rond, die op deze manier met gebogen +polsgewricht den knop van een wandelstok omvat houden, maar van +onzen Vlissinger Michiel gelooven we het niet. +<p class="c2">Zie daarentegen, hoe het vrouwtje haren brief +overreikt. De bedoeling is volkomen duidelijk uitgedrukt: ze laat +hem niet zien, ze neemt hem niet weg, maar ze overhandigt. Zelfs +zit in het handgebaar de beweging van iemand, die achterwaarts een +briefje afgeeft. Men probeere zelf de houding na te bootsen. +<p class="c2">Ook de handen van den scheepsbouwmeester mogen gezien +worden bij die van stuurman Zeger. Zijn linker, eene dikke, +vleezige werkhand blijft rusten op het teekenwerk, terwijl het +hoofd zich even opricht om te zien, wie den arbeid komt storen. Is +het niet, alsof die hand, met gedachten vervuld, bij het werk +tracht te blijven, alsof ze den gedachtengang wil vasthouden, tot +de stoornis voorbij is? +<p class="c2">De rechter wil het briefje in ontvangst nemen. Echter +niet met een gebaar van haastig aanpakken. Het binnenkomen van +moeder de vrouw wordt euvel opgenomen, omdat het storend is. +Vandaar dat de hand maar aarzelend uitgestoken wordt. Dit is geheel +in overeenstemming met 's mans gelaat; de afdruk laat duidelijk een +lichten graad van ontevredenheid zien; die blik op zijne vrouw en +het voorhoofd-fronsen zijn er de blijken van. +<p class="c2">De rechterhand van stuurman Zeger neemt op eene wijze +den hoed af, die noch de manier van een zeeman, noch die van een +fijn heer is. Houvast zit er niet in; een groote, vilten, +zeventiende-eeuwsche hoed zou wel anders doorbuigen, als men dien +bij het uiterste randje tusschen duim en vinger aanvatte. Hij lijkt +wel van hout. Wat is daarbij vergeleken het passertje goed +geteekend; in de hand het ronde gewricht, naar beneden de gepunte, +driekante beenen, waarvan een, door lang gebruik, iets kromgebogen +is; met een soort van gretige werklust hapt het instrumentje naar +het papier. Zelfs in zoo'n gering bijzaakje heeft Rembrandt het +bijzondere gevoeld. De scheepsroeper is lang niet van hetzelfde +gehalte; de rand van het geslagen koperblik is veel te dik +geworden; de trechtervormige beker is aan den onderkant bijna +recht, aan den bovenkant bolvormig; het mondstuk heeft een +verkeerden stand; van onze plaats af moesten we er niet in kunnen +zien; het heeft bepaald in de klem gezeten en is verbogen geraakt. +<p class="c2">Letten we op de handeling, die op beide afbeeldingen +tusschen de twee personen voorvalt, dan moeten we allereerst onze +bewondering uitspreken voor het vrouwtje. Er zit in hare houding +buitengewone bewegelijkheid; het overhandigen van den brief gaat +niet bedaard in zijn werk, maar haastig en gejaagd. Zij blijft +bijna bij de deur staan, om geen tijd te verliezen met verder te +loopen dan noodig is; met over den stoel heen te buigen bereikt ze +haar doel even goed. Het bovenlijf helt niet alleen zijdelings naar +den bouwmeester over, het maakt ook eene kleine buiging voorover. +Intusschen draaien de linkerheup, de linkerschouder en de linkerarm +zich reeds weer achterwaarts, terug naar de deur. +<p class="c2">De rechterhand en-arm, en het gezicht zijn nog +verdiept in de beweging van het overhandigen. In al de onderdeelen +van deze figuur dus eene aanduiding van wenden, buigen en draaien, +nergens de stijve rust van een lid, dat aan de handeling geen deel +neemt. Sommige beschouwers maken hiervan Rembrandt wel eens een +verwijt. Ze vinden het schielijke binnenkomen storend voor de rust +van de schilderij; het maakt hun gejaagd, als ze er een oogenblikje +kalm naar zouden willen kijken. Daar is wel iets van aan; het is +hinderlijk, als je het idee krijgt, dat zoo'n figuurtje zoo +aanstonds zal wegsnellen, en als men zichzelf betrapt, dat men +daarop staat te wachten. Maar we moeten den schilder de eer geven, +die hem toekomt; hij heeft in de lichaams houding van eene vrouw, +die even binnenkomt en dadelijk weer heengaat, met een fijn oog de +bewegelijkheid van buiging en draaiing waargenomen en weergegeven. +<p class="c2">De plaat van De Ruyter is er, om een geschiedkundig +feit voor te stellen; alles moest dus eigenlijk handeling zijn; de +handeling moest althans zeer sterk tot ons spreken. Neem nu den +admiraal eens; hij staat er zoo houterig en schutterig bij, dat er +geen schijn van beweging in hem zit. Van onder tot boven, van zijn +voeten tot zijn hoofddeksel, alles stijf en recht; nergens in de +heele figuur eenige zwenking; geen enkele lenigheid van draaiing of +buiging. Hij zit diep in zijn hoedje weggeslagen, en schijnt aan +een stijven nek te lijden. Misschien trekt hij daarom zoo'n +pijnlijk gezicht. Kijk daarentegen eens, hoe mooi rond het +vrouwenkopje is, hoe het mutsje meewerkt, om de ronding uit te +beelden, en hoe los en gemakkelijk het hoofd zich keert en wendt +boven den kraag. +<p class="c2">Zoo krijgen we tot slotsom van de vergelijking: de +plaat, die eene handeling moet voorstellen, geeft houterige, stijve +figuren, die de armen oplichten om te doen, alsof ze zich bewegen, +maar ze bewegen niet. De andere, die gemaakt werd om de portretten +van eerzame inwoonderen van Amsterdam te geven, tintelt van actie, +zonder nochtans in het geven van portretten te kort te komen. De +handeling maakt zooveel indruk, dat we beginnen te denken aan een +historisch feit. Het lijkt wel, dat dit nu het beroemde briefje is, +waarover we in boeken lezen, hetwelk binnengebracht werd, om den +verraderlijken aanslag op een of andere stad te verijdelen. Maar 't +is zoo niet! De schilderij is er een, waar niets achter zit. Zij is +een portretstuk, meer niet. +<p class="c2">We zullen deze neiging van Rembrandt, om den aard van +het portret te verbloemen, meer opmerken. Men kan hem ook hiervan +een verwijt maken; het <i>is</i> misschien niet heelemaal in orde, +dat we tegenover de twee konterfeitsels van een paar burgerluitjes +gedachten hebben van vermaarde gebeurtenissen; dat we dus aan +dingen denken, die hier niet te pas komen. Maar-wat een kunst, om +dat te kunnen! Wat een schilder moet men wezen, om zoo, spelend +weg, in een portretstukje een aardigheidje te vertellen, en het dan +zoo te doen, dat de beschouwer heelemaal de klus kwijt raakt. +<p class="c2">De Anatomische les heeft hiervan ook wel een tikje +weg, zooals we zullen zien. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="MISLEIDE_AANDACHT"></a> +<h2 class="c4">MISLEIDE AANDACHT.</h2><span class="c5"><br></span> +<p class="c2">Onder de drommen van reizigers, die jaarlijks de stad +'s-Gravenhage bezoeken, zijn er gelukkig niet weinigen, die een +uurtje over hebben, om de schatten van het Mauritshuis te gaan +zien. En onder dezen merkt men dikwijls bezoekers op, voor wie de +gang daarheen eene bedevaart is. Ze komen uit steden en stadjes, +die binnen hare muren geen enkel staaltje bevatten van de groote +kunst onzer voorvaderen; van Rembrandt gehoord hebben ze; +photographieën naar zijne schilderijen hebben ze gezien. Maar +nog nooit hadden ze gelegenheid om het hart eens op te halen aan +zoo'n lapje doek, waarvoor hij zelf, twee en een halve eeuw +geleden, met palet en penseel heeft gezeten; waarop hij eigenhandig +de klonters verf heeft geklutst, gewreven en aangesmeerd. Binnen de +muren van dit eenvoudig, onaanzienlijk gebouw zal dan eindelijk de +begeerte bevredigd en het verlangen gestild worden. De trappen gaat +het op, rechts den hoek om, eene kamerdeur door en het vertrek +binnen. Dit is het heilige der heiligen. Wat hier hangt, draagt +groote namen: we lezen er Jan Steen, P. Potter, Ostade, Brouwer, +maar voor allen lezen we Rembrandt Harmenszoon van Rijn. Tegen deze +weinige vierkante meters muur hangen een tiental zijner stukken +bijeen, een schat, dien honderd musea het kleine Mauritshuis +benijden. +<p class="c2">Het statig middelpunt daarvan vormt de Anatomische +les, die waard is, eenigszins uitvoerig beschouwd te worden. +<p class="c2">De Anatomische of Ontleedkundige les is een +portretstuk. Rembrandt maakte het op bestelling, voor acht +geneeskundigen uit de stad Amsterdam. Dezen hadden het oogmerk, om +er hun vereenigingsgebouw, de chirurgijnshal, mee te versieren. In +plaats van acht afzonderlijke portretten, verlangden ze een groep; +ze lieten het aan den schilder over, de groep samen te stellen, op +voorwaarde natuurlijk, dat ieder van de acht koppen tot zijn recht +kwam. Zij verwachtten niet anders, dan dat hij het met deze +voorwaarde ernstig op zou nemen. Nu, de koppen kwamen tot hun +recht; maar toch zou de eerste blik van den beschouwer op een ander +deel van de schilderij gevestigd worden. De schilder wilde, dat het +lijk, in uitgestrekte houding op de snijtafel neergelegd, het eerst +de aandacht zou vragen. +<p class="c2">Hij had dit kunnen bereiken, door het aanwenden van +een eenvoudig middel: als hij er een griezelig voorwerp van had +gemaakt, zoo akelig om te zien, dat een ieder er naar <i>moest</i> +zien. Maar dit deed hij niet. Het lijk is zoo geschilderd, dat ook +de teergevoeligste lieden den aanblik kunnen verdragen. Zelfs de +opengelegde arm heeft niets afschuwelijks. Alles wat de zenuwen van +aanstellerige jongejuffrouwen zou kunnen prikkelen, vermeed hij. +Wel is het gelaat het gelaat van een doode, en dus niet aangenaam +om te zien; maar het wekt geen weerzin. +<p class="c2">Waarom is het dan wel, dat we, als van zelf, steeds +het eerst op het lijk het oog richten? +<p class="c2">We ondergaan een gelijk lot, als het avondvlindertje, +dat door ons openstaand venster komt binnenvliegen. Het +<i>licht</i> trekt ons aan. Het licht is de geheimzinnige macht, +die <i>ons</i> gezichtsorgaan, evenzeer als dat van het onnoozel +gedierte, weet te leiden, waarheen ze wil. Zitten we des winters in +schemerdonker bij open haard of kachel, onweerstaanbaar wordt het +oog door den vlammengloed aangetrokken. Schrijden we des zomers +door de donkerte van eenen boschweg, we verhaasten onzen tred, als +op het eind van de laan het zonlicht door eene open ruimte +binnendringt. +<p class="c2">Licht geeft op het netvlies een aangenaam gevoel, +zooals frisch water aan tong en gehemelte, wanneer ze van dorst +verschroeien. Het kost soms moeite, om den blik van de vlam eener +lamp af te wenden, als de omgeving door de duisternis eene scherpe +tegenstelling vormt. +<p class="c2">Nu; de Anatomische les is eene schilderij, waarvan +het grootste deel der oppervlakte in zware, donkere verven bewerkt +is. Het is juist voornamelijk het lijk, dat hierop eene +uitzondering vormt. De gezichten der rondomstaande geneesheeren ook +wel, maar die zijn van minder omvang en zullen eerst in de tweede +plaats onze aandacht trekken. We gaan op het zonnige licht af, dat +midden op het groote doek een hoekje vult. De portretten, waar het +feitelijk om te doen was, worden daardoor min of meer op den +achtergrond gedrongen; het stuk krijgt den schijn van gemaakt te +zijn met een ander doel, dan om die portretten te geven. We zouden +haast kunnen denken, dat de schilder wilde laten zien, op welke +wijze dokter Claes Pieterszoon Tulp les gaf in de ontleedkunde. +Menschen, die niet voor dokter hebben gestudeerd, zien hier iets, +wat ze nooit eerder hebben gezien, dat namelijk een hoogleeraar +zoo, vóór zich, een cadaver heeft liggen, waarvan hij +een of ander lichaamsdeel openlegt; hij neemt een soort van tang om +vast te pakken; de leerlingen staan er in een kring omheen, en het +onderwijs begint! Werkelijk meenen velen, dat het stuk met deze +bedoeling is gemaakt. +<p><img alt="" border="0" src="images/ontleedkundigeles.png" width="651" +height="486"> +<p class="c2">[De ontleedkundige les.] +<p class="c2">Toch is het een portret en moet dus op +één lijn gesteld worden met bijvoorbeeld een +schoolportret, dat in lange rijen de kopjes van eene klas +schoolkinderen te zien geeft. Wat een verschil echter! Het eene is +een vervelende verzameling van allemaal kijkende gezichten; wie het +onder de oogen krijgt, gaat zoeken naar bekenden. Soms maakt de +photograaf eene kleine variatie, door aan eenige leden van het +gezelschap iets te doen te geven: garen winden, thee schenken of +zoo iets. Maar niemand wordt de dupe van dezen kunstgreep, men zal +nooit ook maar een oogenblik meenen, dat de photographie er is, om +het theeschenken te laten zien; de gezichten trekken te sterk de +aandacht. +<p class="c2">Het portret van Rembrandt leidt ons juist wel op een +dwaalspoor en heeft al menigeen omtrent den aard van het stuk +misleid. En dat, doordien het volle licht op het lijk valt. +<p class="c2">Een oogenblik mag men wel stilstaan bij dit overigens +niet erg verkwikkelijke voorwerp. +<p class="c2">Hoe komt het, dat we zoo goed het verschil voelen +tusschen de vleeschoppervlakte en de geweven stof, waaruit de +ledendoek bestaat? Het is, alsof we een en ander met vingers hebben +betast. +<p class="c2">In de eerste plaats door het verschil in kleur, wat +ook op eenen zwarten afdruk te zien is. Beide zijn wel licht, maar +de doek is toch lichter gehouden dan het lichaam, ofschoon hij niet +wit is; overal merken we grijze tinten, die schaduwen van vrouwen +en plooien weergeven. Maar deze vrouwen en plooien hebben de +eigenaardige gedaante, die we in geweven stoffen opmerken. En, dit +is een tweede punt van verschil, de schaduwdiepten, die in de +oppervlakte van het lichaam zijn aangegeven, zijn van anderen vorm. +Ze zijn breeder en minder diep; over eene grootere ruimte gaan ze +geleidelijk in blank licht over. Men kan het beenderen gestel +gissen, dat er onder zit. Zoo bijvoorbeeld dat van de borstkas. +Duidelijk zien wij den strak gespannen omtrek van het borstbeen, en +naar den rechterarm heel vaag de afteekening van de diepsels, die +tusschen de ribben zijn ingezonken. Ook de ronding van het geheele +lichaam is met fijne grijze kleur tastbaar gemaakt. Heel mooi ligt +de zware spier van den bovenarm tegen het lijf gedrukt; het +schaduwgleufje verbreedt zich naar boven tot eenen oksel, naar +beneden tot eene elleboogsholte. +<p class="c2">Van het rechterbeen trekt vooral de omtrekslijn langs +den bovenkant de aandacht. Als we die, van den lendendoek af tot +den voet toe, met het oog volgen, nemen we telkens fijn uitgebeelde +spiervormen waar; halverwege stulpt de knie eenigszins naar buiten, +omgeven van de kleine rondingen, die we daar gewoon zijn op te +merken. +<p class="c2">De voeten reiken tot in de schaduw. Ze wijzen ons den +weg naar een opengeslagen boek, van eerwaardige grootte en dikte, +een foliant, waarin anatomische wijsheid zal zijn opgetast. Zooals +de bladen op elkaar liggen, getuigen ze van veelvuldig gebruik. +<p class="c2">Waar de schaduwpartij precies een aanvang neemt, is +moeilijk aan te wijzen; het bovenbeen is nog verlicht, de knie al +niet meer. Ongemerkt heeft de overgang plaats. Zoo gaat het ook met +de slagschaduw van een potlood, dat men op korten afstand over het +belichte deel van het cadaver houdt. +<p class="c2">Met deze waarnemingen hebben we aan de plicht +voldaan, om te zien in de richting, die de schilder met zijn +lichteffect heeft aangeduid. +<p class="c2">Bij voortgezette beschouwing dwaalt nu de blik als +van zelf naar het gelaat van Tulp, en hierheen eerder, dan naar de +gezichten der overige heeren. Het schijnt, dat de beide handen, die +zoo in de nabijheid van het lijk hare welsprekende gebaren maken, +dien overgang bewerken. We moeten ook bij Tulp het eerst wezen; hij +is onder de acht geportretteerden de voornaamste en aanzienlijkste. +Als geneesheer genoot hij eene groote reputatie, zoowel in +Amsterdam als daar buiten. Hij speelde in deze wereldstad bovendien +eene groote rol als lid van de stedelijke regeering. En de +regeering van Amsterdam, dat wou wat zeggen. Die gaf in de +regeering van de Republiek de lakens uit. Een man als Bicker had +immers in ons land bijna evenveel invloed als Stadhouder Willem II. +Een burgemeester van Amsterdam mocht met recht tegen een hoog +geplaatst Fransch edelman zeggen: "De koningen van het land, dat +zijn wij!" +<p class="c2">Intusschen zou Tulp, èn als geneesheer +èn als magistraat, toch reeds lang vergeten zijn, wanneer +hij niet toevallig bevriend was geweest met Rembrandt, en wanneer +deze van hem niet den onvergetelijken kop had gemaakt, dien we hier +voor ons zien. De oogen, donker van kleur, staan er helder en met +verwonderlijke klaarheid in. De blik, die op de verte gericht is, +verraadt een groot verstand, diepe kennis en zachtheid in het +oordeelen. Het gelaat is vol ernst, niet de ernst, die door leed +ontstaat, maar de ernst, die gevolg is van juist inzicht en van +veel weten. De mond schijnt te spreken. De boven-en onderlip zijn +zoodanig op elkander geschilderd, dat er eene bijna onmerkbare +plooiing in komt; door deze plooiing is het, alsof we de lippen de +letters hooren aanblazen bij het spreken, en men kan er zichzelf op +betrappen, dat men tracht vast te stellen, welke medeklinker er +gevormd wordt, hetzij dan een f, hetzij een v. +<p class="c2">De handen begeleiden dit spreken met verwonderlijke +juistheid. De linker, ter halver hoogte opgeheven, maakt aan de +hoorders duidelijk, welke bewegingen de dokter bedoelt. Terwijl +namelijk de rechter met behulp van een pincette éénen +spierbundel van de anderen afzondert, laat de linker zien, welke +uitwerking de samentrekking daarvan zou hebben. Het is een +buigspier, liggende aan de binnenzijde van den arm; de +middelvingers van de linkerhand maken onwillekeurig de buigbeweging +mee, over welke gesproken wordt. +<p class="c2">Veegjes lichte verf geven tusschen de vingers de +plaatsing aan, hoe ze eenigszins uiteen wijken, naast elkaar op de +hand zijn ingeplant, en los van elkaar in de ruimte staan. We zien +in de tusschenruimte op. In den duim van de rechterhand voelen we +de drukking, die hij op het werktuigje uitoefenen moet, om den +spierbundel vast te houden. Wat liggen ook de vier vingertoppen in +juiste houding om den duim heen! +<p class="c2">De kleeding verdient wel een oogenblik bijzonder de +aandacht. Er zijn zeventiend-eeuwsche portretten genoeg, die ons +onderrichten omtrent vorm en snit van de toenmalige +kleedingstukken. Maar hier hebben we er een, dat ons doet voelen +hoe <i>mooi</i> ze stonden, hoe schilderachtig ze den persoon +kleedden. Breed en kloek is de borst, en zijn de schouders onder +zoo'n wambuis met mantelkraag. De breedgerande, vilten hoed geeft +den kop een prachtige vierkantheid; hij kleedt ontegenzeggelijk +mooier dan de hooge cylinderhoeden uit onze dagen. Het kantkraagje +en de manchetten droeg men niet onder maar over het wambuis, niet +in maar om de mouw. +<p class="c2">Misschien wekt het bevreemding, dat Dr. Tulp onder de +les en in aanzienlijk gezelschap den hoed op het hoofd houdt. Dit +was in zijn tijd gewoonte: de professor aan de hoogeschool, zoowel +als de onderwijzer te midden van zijne leerlingen, de vroede +raadsleden op het raadhuis, zoowel als de huisvader in den +familiekring, hielden zich gedekt; en men zag daarin geene +onwellevendheid. +<p class="c2">Van de overige koppen trekken vooral de twee, die +zich over het cadaver heenbuigen, de aandacht. In de eerste plaats +om de tegenstelling tot Tulp. Terwijl deze spreekt, zoowel met den +mond als met de handen, zoowel door zijne opgerichte houding als +door zijn rondblikkend gelaat, luisteren gene. De een ziet naar het +lijk, de ander naar den professor, maar beider oogopslag verraadt +aandachtig luisteren; luisterend ook buigen ze zich voorover. +<p class="c2">In de tweede plaats om de schilderhoedanigheden. Men +lette bijvoorbeeld eens op de rechterwang van den persoon, die het +dichtst bij Tulp zit. Van het oog af naar beneden vinden we alle +kleurschakeeringen, die ons in het gezichtsvleesch van zoo'n gelaat +bekend zijn. Allerlei zwakke schaduwtjes en lichtvlakjes duiden +aan, hoe het verloop is van de wang. Het is niet maar eenvoudig weg +eene bolle ronding of eene magere afplatting; overal zitten vorm-en +gedaantewisselingen. Eerst eene blauwachtige, eenigszins +uitpuilende streek onder het oog, zooals bij zwak uitziende +menschen. Dan de verheffing van het jukbeen, waar we een blosje +vermoeden. Hiertusschen en tusschen den neus eene invallende +diepte. Verder naar beneden de ingevallen wang, die achter den +knevel verdwijnt en, om het jukbeen heen, nog tot aan het oor te +volgen is. Alsnu gaat het met geleidelijke ronding om de kaak heen, +waar heel dun eenig blond haar groeit. +<p class="c2">En, zooals deze wang is, is de heele kop. Elk plekje +is aan het model ernstig en aandachtig waargenomen, bespied en +bestudeerd. Het portret is een beeld geworden, dat men niet zoo +maar eens even uit zijn hoofd schildert, het is naar het leven +genomen, het geeft ook het leven weer. +<p class="c2">Bij de beschouwing trachten we ons onwillekeurig te +binnen te brengen, waar en wanneer we dezen persoon hebben ontmoet, +alsof het iemand is, dien we in onze omgeving opgemerkt hebben. +<p class="c2">De overige koppen op deze schilderij zouden evenzeer +eene afzonderlijke bespreking verdienen. Alle dragen de kenmerken +van studie naar het leven. In alle is met zorg het afzonderlijke, +het eigenaardige opgemerkt. Men vergelijke, om een voorbeeld te +geven, maar eens met elkaar de manier, waarop bij elk het haar op +het voorhoofd is ingeplant. Alleen hieraan zou men de heeren alle +kunnen herkennen, als men ze ontmoette. +<p class="c2">Of men ga eens na, hoe elk van de aanwezigen op eigen +wijs de les van Dr. Tulp volgt; met meer of met minder aandacht; +met een geestigen trek om mond en oogen of met een soort van +onverschilligheid. +<p class="c2">Ieder is zichzelf en leeft zijn eigen leven. Geen +twee zijn van een zelfde model. +<p class="c2">Al deze uitingen van leven spreken des te sterker, +omdat ze gerangschikt staan rondom het beeld van den dood, van de +stof, waaruit het leven ontvloden is. +<p class="c2">De mond van het cadaver is half geopend, en een +glimlach schijnt er omheen te spelen. Maar de glimlach is +verstijfd, en het spreekgebaar van de mondopening is koud en +versteend. Het is het eeuwige zwijgen met een grimas van leven. En +op het gelaat van den lesgevenden professor: het mondopenen +nauwelijks zichtbaar, de blik strak op de verte gericht, geen +plooitje, dat zich tot glimlach vormt, en toch het heele wezen een +en al leven, op de bijna onbewogen trekken een spreken, dat sedert +bijna drie eeuwen elken toeschouwer in de ziel dringt, en dat +spreken zal blijven tot in lengte van dagen. +<p class="c2">Het stuk in zijn geheel heeft ook zijne eigenaardige +bekoring. Eerstens door het zonnige hoekje, waar het cadaver ligt. +Het oog heeft in die lichtplek een aangenaam rustpunt. Ten tweeden +door de groepeering. De personen staan los, ongedwongen en +regelloos bij elkaar, terwijl ze toch in een driehoek gevat zijn; +één gezicht vormt hiervan den top en doet de groep +naar boven toe bevredigend eindigen. +<p class="c2">Ten derden door de rijke afwisseling van licht en +donker; tusschen de witte kragen, blanke gezichten en handen zijn +overal stukjes achtergrond aangebracht of brokstukken donkere +kleeding, donkere baarden of behaarde schedels. Men bezie het stuk +maar eens door de oogharen, om deze afwisseling op te merken. +<p class="c2">De geschiedenis van de Anatomische les is deze. +Rembrandt maakte haar in 1632, het jaar, waarin Frederik Hendrik +Limburg aan de Republiek toevoegde. Ze kreeg eene plaats in de +vergaderzaal der chirurgijns te Amsterdam en bevond zich aldaar +nog, toen deze in 1828 hunne bezittingen te gelde wenschten te +maken en het stuk aan Koning Willem I verkochten voor f32.000. +Sedert maakt het deel uit van het Koninklijk Kabinet, dat in het +Mauritshuis ondergebracht is. +<p class="c2">De maker van het kunstwerk zal waarschijnlijk van elk +der acht heeren geneeskundigen de som van een kleine honderd gulden +hebben ontvangen, wat in 1632, toen Amsterdam krioelde van goede +schilders, al wel was, vooral voor een beginnend man van even vijf +en twintig jaar. +<p class="c2">In een anderen zin bracht het hem echter meer op. Als +een loopend vuur ging de mare door de stad, dat een groot schilder +was opgestaan, overgekomen uit Leiden en je kon zijn werk zien op +de Chirurgijnshal! Dit legde hem geen windeieren. Spoedig regende +het bestellingen van portretten, en maakte hij een geweldigen +opgang, zoo enorm, dat zelfs in het Stadhouderlijk Paleis te +'s-Gravenhage zijn naam genoemd werd. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="AANRAKING_MET_HISTORISCHE_PERSONEN"></a> +<h2 class="c4">AANRAKING MET HISTORISCHE PERSONEN.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">Reeds in zijne studiejaren had Rembrandt in Den Haag +zaken gedaan. Toen hij, nog vóór 1632, bij zijne +ouders te Leiden woonde en ijverig schilderde en teekende om de +kunst machtig te worden, deed eens een bezoeker hem aanwijzing voor +een heer in Den Haag. Een zeker stukje, dat hij juist voltooid had, +moest hij dien eens gaan vertoonen en te koop aanbieden. Te voet +trok de jonge schilder er op uit, bereikte na eene wandeling van +vier uren de Residentie en smaakte de voldoening zijn stuk voor +honderd gulden te verkoopen. Wonder in zijn schik met dit succes, +en nog niet gewoon zooveel geld in zijn buidel te hebben, voelde +hij behoefte, om zoo gauw mogelijk naar Leiden te gaan met zijn +schat, en zijne ouders in kennis te stellen met het fortuintje. +<p class="c2">Een weg van een kleine vier uur gaans weer te voet af +te leggen, dat kwam, dunkte hem, niet te pas voor iemand, die +schilderijen met honderd gulden betaald krijgt. De trekschuit, daar +ging Jan en alleman mee. Hij deed als een groote m'nheer en nam +parmantig plaats bij het logement, "De Leidsche wagens" op den +wagen naar Leiden. <i>Op</i> den wagen naar Leiden, aldus vertelt +een oud schrijver, niet <i>in</i>. +<p class="c2">Wat genoot hij van dat ritje! Eerst voerde de weg hem +door het Haagsche bosch met zijne gladde, rijzige, groene, +beukenstammen, die hunne takken breed en vlakweg met +lichtdoorlatende, fijne blaadjes uitgespreid hielden; verspreide +eiken stonden zwaar en donker daartusschen met diepgefronste +schors, en takken, die in moeilijke kromming zich wrongen. Machtig +en breed stond de voet uit in de zandige duinhellingen; het trof +hem, hoe ze hun wortels uitlegden over den bodem als een reuzig +gedierte, dat krampachtig met uitgeslagen en wijdgeopende klauwen +zich vast wil klemmen. +<p class="c2">Nog anders dan in Leiden op het bolwerk, zag je hier, +hoe de natuur een beeld van kracht kan zijn. Hier, waar werkelijk +eeuwen-heugende eiken en beuken stonden. Maakte niet een +medereiziger hem attent op een drietal forsche exemplaren, met +dooreengestrengelde takken, die het volk het Jacobaprieel noemde, +omdat er de landsvrouw Jacoba tweehonderd jaar geleden gaarne +verwijld had? Heerlijk wonen moest het in Den Haag zijn voor eenen +kunstenaar. De oude stad nog net plaats vindende op het uiteinde +van de reeks binnenduinen, waarop ook het Haagsche bosch stond, en +waarover de Leidsche weg hem Noordoostelijk voerde; de nieuwere +straten de venen ingaande. De omstreken, in Noordelijke richting, +klingen en dalen met laag en opgaand hout, in zuidelijke richting +lage weiden, vol slooten en plassen; hier en daar moerassen, met +ruigten van wilgbeschot en oeverplanten; de verre horizonnen +onderbroken door watermolentjes, die men reeds in gebruik begon te +stellen van de grondverbetering. +<p class="c2">Terwijl hij voortmijmerde, passeerde de koetsier niet +ongemerkt het liefelijke Huis Ten Bosch (wijl dit er nog niet was, +en eerst over twintig jaar ter eere van den vrede van Munster zou +verrijzen) maar reed door tot, en hield stil voor het huis Ten +Deil, eene herberg, die den weg van Den Haag naar Leiden in +nagenoeg gelijke helften deelt (deilt). Eene onoogelijke waardin +kwam buiten met een zwartberookt tabakspijpje in den mond, en zette +den paarden eene krib met voer voor. De reizigers stegen uit en +traden, evenals de wagenbestuurder, de herberg binnen, boven welks +deur, tusschen rankend wijnloof, aan een eind lat een groote aarden +bierpot bungelde. Rembrandt voelde geen lust, het voorbeeld te +volgen en mede uit te stappen. Hij bleef bij zijn vollen buidel op +den wagen zitten. Na eenige oogenblikken wordt de krib weggenomen, +en komt het volk met den wagenaar naar buiten, om ieder zijn +plaatsje weer in te nemen. Hun al te groote luidruchtigheid jaagt +den paarden een schrik op het lijf: ze gaan er van door en rennen +met den schilder voort. Het gaat langs den hun bekenden weg +huiswaarts; ze storen zich aan niets, hollen voort, bereiken de +Wittevrouwenpoort, sleuren den wagen over de Drentsche keien van +het Noordeinde en houden in voor de deuren van den gewenden stal. +Het stalpersoneel stormt naar buiten, helpt den schilder +uitstijgen, betast zijn leden, of er geen gebroken is, en toont +zich benieuwd om te vernemen, hoe hij dus, alleen op den Haagschen +wagen gezeten, de stad komt binnenrijden. Maar hij. Zonder veel +praatjes maakt hij zich weg en spoedt zich naar de Weddesteeg, die +het rijtuig gepasseerd was zonder hem af te zetten. Behouden en wel +brengt hij zijn honderd gulden thuis, en is gelukkig, dat hij op +Den Deijl zoo weinig verteringskosten heeft behoeven te maken. +<p class="c2">Het is waarschijnlijk, dat de groote m'nheer in Den +Haag, die zijn stuk honderd gulden waard achtte, niemand minder dan +Constantijn Huygens is geweest. +<p class="c2">Kort nadat Rembrandt zich in Amsterdam had gevestigd +en een grooten naam begon te krijgen, bracht Huygens hem bij den +stadhouder, prins Frederik Hendrik, ter sprake, wat hij gemakkelijk +kon doen, omdat hij, als diens geheim-secretaris, dagelijks met den +vorst verkeerde. +<p class="c2">Er volgde eene bestelling van eenige stukken, +misschien om er het stadhouderlijk paleis te Rijswijk mee te +versieren. De levering, en daarna de betaling, hebben nog al voeten +in de aarde gehad. Men is dit aan de weet gekomen uit eigenhandige +brieven van Rembrandt, die bewaard zijn gebleven in families, welke +van Huygens afstammen. Uit een van deze blijkt, dat hij zelf zeer +goed wist, een eerste-rangsschilder te zijn, dien men goed moest +betalen, maar tevens, dat hij bescheiden genoeg was, om waarde te +hechten aan het oordeel van Huygens of van den Prins. Zie hier: +<p class="c2"><i>Mijn Heer</i>! +<p class="c2">Soo ist dan dat ick met licensij u e dese 2 stucken +toesende die ick meen dat soodaenich sullen bevonden werden dat +sijn Hoocheijt nu selfs mij niet min als dusent guldens voor ider +toeleggen sal doch soo sijn Hoocheijt dunckt dat sijt niet en +meerijteeren sal naer sijn eijgen believen minder geeven mij +verlaetende op sijn Hoocheijts kennis en discreesij. Sals mij +danckbaerlick daer met laeten contenteeren ende blijvende neffens +mijne groetenisse sijnen +<p class="c2">D.W. ende geneegen dienaer +<p class="c2">REMBRANDT. +<p class="c2">Het tghene ick aen de lijsten en de kas verschooten +hebb is 44 guldens in alles. +<p class="c2">Behalve omtrent zijn karakter, leert dit schrijven +iets omtrent zijne ontwikkeling. Hij schreef een goeden brief, de +zinnen vloeiden hem gemakkelijk uit de pen, en hij spelde vrij +zuiver, te rekenen voor de zeventiende eeuw. Zijn schoolonderwijs +was niet verwaarloosd, al wijdde hij zich reeds vroeg aan de kunst. +Dat hij in den laatsten zin schreef: "daer <i>met</i> laeten +contenteeren" in plaats van "daar<i>mee</i>", kan men op rekening +stellen van zijn omgang met vrouwe Saskia van Uhlenburg, die dat in +Friesland zoo had geleerd. +<p class="c2">Uit zijne brieven aan Huygens moge ook deze nog +aangehaald worden, om grond te geven aan ons vermoeden, dat het hof +in Den Haag met de uitkeering der contanten nu niet juist zoo heel +vlug is geweest. +<p class="c6">Mijn Heer! +<p class="c2">Mijn E. Heer met schroomen ist dat ick u e met mijn +schrijvens kom besoucken ende dat doort seggen van den ontfanger +Wttenboogaert die ickt tardeeren van mijn betaeling klaechden hoe +dat den tresoorier Volbergen dat lochgent als dat daer jaerlicks +intresse getrocken werden soo heeft mij den ontfanger Wttenboogaert +nu voorleden woondach daer op geantwoort als dat Volbergen allen +halven jaer die selvij intressen heeft gelicht dat tot nu toe soo +dat daer nu wederom over 4000 K. gulden bij den selvij kantooren +verscheenen is ende bij desen waerachtijge geleegentheijt soo bidde +ick u mijn goet aerdijgen Heer dat mijn ordonnansij nu in den +eersten mocht klaergemaeckt werden opdat ick mijn wel verdiende +1244 guldens nu mocht eenmael ontfangen. Ende ick sal sulx aen ue +met reverensij dienst ende blijck van vrienschap altijd soucken te +rekumpenseeren met deesen ist dat ick mijn heer hartelick groete +ende wenssche dat ue Godt lanck in goeden gesondtheijt ter +saelicheijt spaeren werde. +<p class="c2">UEDw. ende geaffexcioneerde dienaer, +<p class="c2">REMBRANDT +<p class="c2">ick woon op de binnen-Emster in die suijkerbackerij +<p class="c2">Adresse: +<p class="c2"><i>Mijn Heer</i>! +<p class="c2">Mijn Heer van Suijlikum raet ende Secreetarijus van +Sijn Hoocheijt +<p class="c2">in den port Schraeven Haech. +<p class="c2">De indruk, dien men uit dit schrijven krijgt, is wel, +dat de beheerder van de stadhouderlijke penningen Rembrandt zonder +veel complimenten op zijn loon liet wachten. Al maakte de jonge +schilder opgang, toch zooveel nog niet, dat zijn naam voldoende was +om geld los te krijgen. Ook bracht hij het nooit zoo ver, dat +beroemde mannen uit onze geschiedenis zich door hem lieten +portretteeren. We mogen dit stellig betreuren. Wat zouden we uit +zijne handen een portret hebben gekregen van een Frederik Hendrik, +een Jan de Wit, een Michiel de Ruijter, een Constantijn Huygens. +Beter dan de bestaande levensbeschrijvingen zouden zulke +afbeeldingen ons hun karakter, hunne edele hoedanigheden hebben +bewaard. Maar dat heeft zoo niet mogen zijn! De groote mannen +hebben gemeend, zijne kunst niet noodig te hebben om hunne trekken +te vereeuwigen. De portretten, die hij gemaakt heeft, zijn alle van +tweede-rangspersonen. Toch kunnen we hieruit zijn meesterschap +voldoende leeren kennen. Als een mooi voorbeeld verdient dat van +den ontvanger Uytenbogaerd te worden vermeld, welks naam we vinden +in den zoo even aangehaalden brief. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="MEER_DAN_PORTRET"></a> +<h2 class="c4">MEER DAN PORTRET.</h2><span class="c5"><br></span> +<p class="c2">De heer Uytenbogaert zien we gezeten in zijne +werkkamer. Op de tafel liggen zakken met geld, en een boek, waarin +de hand gereed is, aanteekening te houden. Hij overhandigt den +bediende eenen zak, dien deze misschien in een geldvat moet +ledigen. De balans, om het goud af te wegen, hangt aan een +boekenplank boven de tafel; op den achtergrond wachten meerdere +bedienden op orders. +<p class="c2">Wat ons in den heer Ontvanger het meest treft, is de +blik, dien hij op zijnen dienaar werpt. Doordringend ziet hij hem +aan. Uit zijn oog lezen we de gewetensvraag: kan ik je dit +toevertrouwen? En dat oog blijft streng en onderzoekend op hem +rusten. Rembrandt slaat hier den spijker met den eersten slag op +den kop; hij tast de zaak aan in 't hart. Immers de beste +eigenschap van eenen beheerder van 's lands penningen, is, dat hij +tegen alle bedrog op zijn hoede is. Zoo één steeds +waakzaam moet zijn, dan hij! Kan men een man als Uytenbogaerd dus +treffender in beeld brengen, dan door deze eigenschap voorop te +stellen? Hij mag een goed man, een vriendelijk man, een eerlijk man +geweest zijn, het beste wat men van hem kan zeggen, is: hij was een +man op de juiste plaats. En dit allereerst zegt zijn portret. +<p class="c2">Het gezicht is niet bepaald schoon te noemen. De +wangen hebben eene onaangename breedheid, sommige gelaatsspieren +leggen er onbevallige vormen in; de neus is van een scheef, +ingedeukt model. Maar zooals dit moest wezen, zoo is het ook +uitgebeeld. We behoeven niet in onzekerheid te vragen, hoe +eigenlijk de vorm was. +<p class="c2">De borst is breed en vierkant in de kleeren gestoken. +Kloek en zwaar hangt de pelsmantel er om: het schijnt een +"kantoorjasje" te zijn. Maar wat voor een! Het zachte, glanzige +haar zit er duimen dik op; men zou er gaarne de hand over willen +strijken, om de molligheid te voelen. Wat een rijkdom van pluisjes +en bundeltjes haren zien we op den breeden zoom; telkens weer +liggen ze in andere richting op en tegen elkaar. Zwaar en dik is de +stof, waar we, in het verkort, tegen de wijde linker mouw aan zien. +Daarentegen is het onderkleed, dat bij den hals zichtbaar is, van +fijn en kostbaar weefsel, waarschijnlijk in regelmatige preciese +plooitjes gevouwen en gestreken. +<p><img alt="" border="0" src="images/betaalmeester.png" width="510" +height="629"> +<p class="c2">[De Betaalmeester.] +<p class="c2">Het is een zeer aparte kunst, om met dichte +arceeringen de stof uit te drukken. Let eens op den achtergrond. De +wand, waartegen de schilderij hangt, is volgekrabbeld, tot het een +beschaduwde, grijze, gepleisterde muur was; het gedeelte aan den +rechterkant, voorbij een soort van poortje, is met hout betimmerd, +wat duidelijk van den gepleisterden muur te onderscheiden is. Het +afhangende deel van het tafelkleed, ofschoon van de zelfde +grijsheid, draagt daarentegen weer duidelijk de kenmerken, dat het +geweven stof is. +<p class="c2">Ander mooi werk zien we in de voorwerpen, die op den +voorgrond staan. Ze duiken op met hunne verlichte bovenkanten uit +eene zachte, donkere kamerschaduw. Zooals wij in een donker hoekje +alleen met onzekerheid de dingen waarnemen, zoo zien we op den +voorkant van de groote kist het nauwelijks afgebeelde, zware +ijzerbeslag; hier en daar blinkt de kop van eenen spijker; langs +den rand rechts glimt wat licht, dat misschien door een ander +meubelstuk is teruggekaatst. Zware scharnieren teekenen zich met +kleine, zwakke glimlichtjes af langs den bovenrand. Op het deksel, +dat zeer versmald geteekend is, zitten drie ijzeren banden, die op +de juiste manier naar elkaar toeloopen; door hunne wijking krijgt +het deksel voor ons oog zijne breedte. Een mooi stuk teekenwerk, +zoo'n kist, waarin we de hardheid voelen van het ijzerbeslag. +<p class="c2">Uit al deze onderdeelen blijkt de mogelijkheid, om, +met arceering alleen, stof en maaksel van de voorwerpen uit te +beelden. +<p class="c2">Om nu tot de figuur van den ontvanger terug te +keeren, de breedheid en de vierkantheid doen ons vertrouwen stellen +in het karakter. De openliggende mantel, met daaronder de fiere +borst, wekken het vermoeden van openheid en eerlijkheid. De +rechterhand is eene uitdrukking van nauwlettendheid en +zorgvuldigheid; ze ligt steeds gereed om in het boek van alle +gedane uitgaven aanteekening te houden. Aardig is het om te zien, +met hoeveel schrijversfijnheid de duim en de vinger het pennetje +vasthouden. +<p class="c2">In gelaat, in blik, in houding en lichaamsbouw, in +actie en handgebaar zien we eene aanduiding van de eigenschappen, +die Uytenbogaerd maken tot een voortreffelijk ambtenaar. Hij is een +model betaalmeester; door een man als hem worden 's lands middelen +naar den eisch beheerd. Zijn portret is maar niet slechtweg een +portret, waarbij men vraagt, of het goed gelijkt; het is een +zinnebeeld geworden, een lofspraak op den man in zijn vak. En meer +nog: een lofspraak op de regeering uit die dagen. Met welk eene +vaste hand moet deze de teugels hebben gevoerd, als ze bestond uit +mannen, gelijk we er hier een voor ons zien. De kracht van het +jonge Holland spreekt uit zoo'n portret, de kracht van eene +regeering, die nog bezig is (1639) zich vrij te vechten van de +Spaansche overheerschers. +<p class="c2">Historische waarde krijgt het vooral, als we niet +alleen op den hoofdpersoon, maar ook op den bediende letten. +<p class="c2">Met welk een respect neemt deze den geldzak aan, die +hem overhandigd wordt! De blik, welken hij met den ontvanger +wisselt, wekt de veronderstelling, dat hij plichtmatig moet toonen, +zijnen meester in de oogen te durven zien en dus geene slechte +voornemens te koesteren. Een en al onderdanigheid is hij! Bijna +slaafschheid. Het doet ons vreemd aan, dat in een vrijgevochten +land, als het onze, alleen de hoogere klassen des volks zich mensch +en onafhankelijk voelden, dat in een Republiek de ondergeschikten +de knie bogen voor den werkgever. Is het niet, alsof we nog waren +in de dagen der Spaansche overheersching? Toch draagt de prent de +dagteekening 1639, en het leek in dat jaar in het Kanaal voor Duins +weinig naar eene zoodanige heerschappij. +<p class="c2">Maar de Regenten lieten niet met zich spotten: ze +hadden er den wind onder. Het is deze verhouding tusschen heer en +dienaar, die Rembrandts plaat voor ons bewaard heeft; in enkele +lijnen worden hier boekdeelen gezegd. +<p class="c2">Niet slechts het portret van een persoon, maar een +tooneel uit het leven zien we, hetwelk ons doet zeggen: zoo ging +het toe; zoo leefden de standen met elkaar in de Republiek. +<p class="c2">Het portret is een sprookje geworden. We lezen van +een groot heer, die een kostbaar kleinood toevertrouwt aan eenen +braven dienaar. Doch het is een sprookje van het soort, waar meer +achter gezocht moet worden. Het gunt ons een blik op de samenleving +onzer zeventiendeeuwsche voorvaderen. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="GEETSTE_PRENTEN"></a> +<h2 class="c4">GEËTSTE PRENTEN.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">De prent, die Uytenbogaerd voorstelt, is eene ets. +Wat is dat, eene ets? +<p class="c2">Gebruikt de schilder eenen lap linnen of een houten +paneel, en brengt hij daar met behulp van penseelen olieverf op, +dan spreekt men van eene schilderij. Werkt hij met kool, krijt, +potlood, inkt of waterverf op papier, dan ontstaat eene teekening. +Van beide maakt hij natuurlijk niet meer dan één +exemplaar. Schildert of teekent iemand dit na, dan heet dat eene +copie. Voor boeken en geschriften laat men den photograaf en den +plaatdrukker reproducties maken. +<p class="c2">Maar nu eene ets. +<p class="c2">De teekenaar neemt een plaatje roodkoper. Dit moet +volkomen vlak en effen zijn, en wordt daarom tegenwoordig langs +galvanischen weg vervaardigd. Op het plaatje brengt hij eene dunne +laag was aan; door het aan den onderkant te verwarmen, wordt de was +vloeibaar en dus geschikt, om zoodanig verspreid te worden, dat het +korstje na het stollen overal eene gelijkmatige dikte heeft. +<p class="c2">Eene fijne naald is het teekengereedschap. De punt +zet de lijnen niet op, maar in de was; ze kan zich door de zachte +massa heel gemakkelijk bewegen, en dit vergunt den teekenaar dus, +om los en zwierig te werken, zwieriger, dan wanneer hij met een mes +zijn beeld in palmhout snijdt, om eene houtsneeprent te maken. +<p class="c2">Wat er nu in de was staat, kan hij niet met inkt +aansmeren, om op papier af te drukken. Daarvoor is alles te zacht. +Hij brengt rondom de koperplaat een opstaand lijstje aan, en giet +er vitriool over uit. Deze vloeistof laat de was onaangetast; maar +waar ze koper vindt, bijt ze dit uit. Dus in de smalle voren, die +de naald in het bedekkende laagje heeft getrokken. Na eenigen tijd +wordt de vitriool afgegoten, de koperplaat door verwarming ontdaan +van de was, en alsnu vertoont ze de figuur, door den teekenaar in +de zachte stof ontworpen, doch thans in het harde metaal +onvergankelijk ingevreten. +<p class="c2">Met behulp van eene inktrol bedekt hij haar met inkt, +wrijft haar met een lap weer schoon, maar draagt zorg, den inkt +niet te verwijderen, die in de diepte van de lijnen zit. Deze zal, +bij het afdrukken op een blad papier, de teekening te zien geven, +juist even los en zwierig, als ze in de was geteekend is, maar in +spiegeld beeld. Want door het afdrukken wordt de voorstelling +omgekeerd. +<p class="c2">Van eene ets worden door den teekenaar een groot +aantal exemplaren vervaardigd. Daar ze voor den handel bestemd +zijn, en de liefhebbers ze gelijkstellen met oorspronkelijke +teekeningen, kunnen ze eene ruime bron van inkomsten zijn. Er is er +een afkomstig van Rembrandt, die "honderguldenblad" heet, omdat +elke afdruk den prijs van honderd gulden opbracht! +<p class="c2">De geëtste koperplaat blijft voor latere +afdrukken bewaard. Het komt meermalen voor, dat de etser na eenigen +tijd met zijn werk niet meer tevreden is. Hij tracht dan in de +plaat wijzigingen aan te brengen. Er heeft zeker geen kunstenaar +bestaan, die hiervan zoo de geheimen kende, als Rembrandt. +<p class="c2">De veranderingen, aangebracht in het portret van een +vriend, den schilder Jan Asselijn, hebben aanleiding gegeven tot +eene vermakelijke vergissing. +<p class="c2">In de verschillende musea en kunstverzamelingen +bevinden zich twee soorten van afdrukken van dit portret; ook in de +achttiende eeuw verhandelde men reeds exemplaren van Asselijn +<i>met</i> den ezel en exemplaren van Asselijn <i>zonder</i> den +ezel. Op dezen staat de schilder afgebeeld naast een tafeltje met +boeken, op genen wordt de achtergrond gevormd door een houten +schildersezel, waar een paneel of een doek op staat, dat arbeid van +den kunstbeoefenaar moet voorstellen. +<p class="c2">Er werd in de achttiende eeuw druk in deze en +dergelijke etsen gehandeld. Liefhebbers waren niet tevreden, als ze +een Asselijn bezaten; ze moesten er een exemplaar "Asselijn met den +ezel" bij hebben; soms liepen ze alle kunsthandelaren af, om een te +krijgen. +<p><img alt="" border="0" src="images/asselijnmet.png" width="304" height= +"329"> +<p class="c2">[Asselijn met den ezel.] +<p><img alt="" border="0" src="images/asselijnzonder.png" width="341" +height="315"> +<p class="c2">[Asselijn zonder den ezel.] +<p class="c2">Een Duitsch prentenkoopman had al meermalen vraag +gehad naar een "Asselijn met den ezel", en tot zijn verdriet steeds +neen moeten verkoopen. Hij was op en top man van zaken, en als het +moest, stond hij voor niets! Hij bracht een "Asselijn zonder den +ezel" bij een behoeftig kopersnijder en verzocht dien, om in alle +stilte eene etsplaat te maken naar het beeld van den Hollandschen +schilder, maar in gezelschap van eenen ezel. Daar geen van beiden +ooit een exemplaar van het veel gevraagde soort had gezien, +veronderstelden ze, dat met den ezel een gelangoorde viervoeter +werd bedoeld. De zaak kwam gereed. De kunstkooper bezat thans de +twee soorten. En toen er weldra een Engelschman bij hem aanklopte +om een "Asselijn met den ezel", drukte hij dezen voor goed geld den +zonderlingen ezelhoeder in de hand. Natuurlijk kwam zijn bedrog +spoedig uit, en heeft hij niet veel exemplaren kunnen slijten. Toch +zou men thans bij onze overzeesche buren weer goed geld willen +geven om er een te bezitten, niet omdat het <i>geen</i> "Rembrand" +is, maar ter wille van de merkwaardigbeid. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="VROUWTJE_BAS_VAN_T_RIJKSMUSEUM"></a> +<h2 class="c4">VROUWTJE BAS VAN 'T RIJKSMUSEUM.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">Hier hebben we het portret van Elisabeth Jacobs Bas, +weduwe van admiraal Swartenhont. Het heeft geene andere bedoeling +dan de beeltenis te geven. Eene omgeving, waarin we beroep, ambt of +bezigheden terugvinden, ontbreekt; de achtergrond is donker. De +dame is zonder een of anderen schijn aan te nemen zoo maar voor den +schilder gaan zitten, om zich te geven zooals ze is. Er spreekt uit +de houding groote eerlijkheid, openhartigheid, die niets heeft te +verbergen, die geen behoefte heeft om manieren aan te nemen. +Natuurlijkweg heeft ze de handen rustig over elkaar gelegd. Over +elkaar gelegde handen ziet men dikwijls op een portret, dat is dus +hier het eigenaardige niet. Maar men moet, door er lang en rustig +op te zien, trachten te erkennen, hoe gemakkelijk en ongedwongen +deze handen op den schoot rusten. Niet alleen dat ze er op +<i>liggen</i>, dit zegt nog niets, maar ze worden er door +<i>gedragen</i>. Met de elleboogen is het net zoo; die vinden +steun, die rusten op de leuning van den stoel. Het sterkst voelen +we dit wel in de linkerhand, die over de rechter is gelegd. Let ook +eens op, hoe de onderste achteloos den zakdoek vasthoudt, en hoe de +bovenste in een gemakkelijken greep over de andere heen ligt. En +hoe dit overeenstemt met de houding van het bovenlijf; ook dit +leunt in gemakkelijken stand tegen den rug van den stoel; het helt +net genoeg achterover om dit voelbaar te maken. Alles draagt er toe +bij om den indruk van rustigheid, kalmte, bedaarde statigheid bij +ons te wekken. In een deftig vertrek door zoo'n dame ontvangen te +worden, die in deze houding een verzoek aanhoort, doet weldadig aan +en zet ons onmiddellijk op ons gemak. Het geeft de gewaarwording, +dat ze in haar dagelijksche doen veelvuldig menschen heeft moeten +ontvangen en heeft moeten aanhooren. Het rustige liggen der handen +duidt eerder zulk een werkkring aan, dan beslommering van +handenarbeid. En de gelaatsuitdrukking bevestigt die opvatting. Ook +hierin dat rustige, onverstoorbare. Om den mond geen lach en geen +trek van norschheid, geen zwakheid en geen hardheid van karakter, +maar juist genoeg zachtheid om niet af te schrikken. +<p><img alt="" border="0" src="images/vrouwtjebas.png" width="506" height= +"654"> +<p class="c2">[Vrouwtje Bas.] +<p class="c2">Elisabeth Bas komt reeds op leeftijd: de mond begint +in te vallen, wel niet veel, maar genoeg om de kin iets vooruit te +doen springen. De diepe plooien, van de neusvleugels af naar +beneden, duiden het ook aan. De vleezigheid van de wangen doet in +die plooien weer kleinere ontstaan. Als vrouwen zestig jaar zijn, +begint dat langzamerhand te komen. Bij dezen leeftijd behoort de +blozende gelaatskleur, en behooren verder de twee uitgezakte +rondingen links en rechts van de kin, de vierkante vorm van het +gezicht, de golvende lijn, die den omtrek van de rechterwang +aanduidt en het hooge voorhoofd. Deze ouderdomskenmerken voegen +zich heel gemakkelijk bijeen. Van geen enkel krijgen we het idee, +dat het in dit gezicht niet past. Als de schilder er ook maar +één overdreven had voorgesteld, zouden we dat +terstond als eene fout hebben opgemerkt. De plooien aan de +mondhoeken zijn in een of ander gezicht soms wel dieper, de kin +vooruitstekender, de mond meer ingevallen, maar in dit portret gaat +alles tot zoo'n graad, dat er volmaakte eenheid blijft bestaan. +Geen enkele eigenschap springt uit den band. Alles is om zoo te +zeggen op een goudschaaltje afgewogen. +<p class="c2">Wel moet de schilder het model dus door en door +hebben begrepen, als hij in zijn hand en in zijn penseel voelde, +hoe diep hij een plooitje moest zetten, om bij al het overige te +passen. Waar een groefje van den rechtermondhoek schuin naar +beneden zakte, vond hij in de omtrekslijn van de wang een bochtje, +dat daaraan beantwoordde. En hij zette het een niet, zonder het +ander in 't oog te houden. +<p class="c2">Neus en oogen zijn volmaakt in overeenstemming met de +rest. Op den leeftijd van juffrouw Bas is de rug van den neus niet +meer smal en kantig, maar breed en naar beide zijden rond +afloopend. Alleen de punt en de vleugels zijn nog scherp geteekend. +Onder de oogen vormen zich zware plooien; ook zakt er een van de +wenkbrauwen schuin naar den buitenhoek van het oog. Hieronder komt +het vleezige bovenste ooglid te voorschijn. +<p class="c2">Deze bijzonderheden hebben alle denzelfden leeftijd; +de eene toont niet ouder dan de andere. Nergens een trekje dat te +donker, te licht, te diep of te oppervlakkig, te ouwelijk of te +jeugdig is. Al deze geschilderde zaken zitten rustig bij elkaar, +zonder dat het een het ander overschreeuwt. +<p class="c2">Rustig kijkt het gezicht ook uit de oogen. De blik +heeft wat bijzonders, zooals we dat bij sommige menschen wel +opmerken: hij houdt het midden tusschen glimlach en ernst. We +weifelen tusschen deze twee. En om den mond speelt een trekje, dat +ons ook in het onzekere laat. Niet doordat Rembrandt onvast +schilderde, maar het gelaat zelf droeg een plooi van gemengde +aandoeningen. +<p class="c2">De hoofdindruk is die van ernst en wijsheid en van +vertrouwen, dat ze inboezemt. De wijsheid is het inzicht van een +persoon, die in haar leven veel heeft moeten regeeren en leiden, +die veel aan beraadslagingen deelgenomen heeft; men ziet haar de +eigenschappen aan, om weeshuizen te besturen, om oneenigheden +tusschen regenten te beslechten, om beide partijen aan te hooren, +een ieder aan te moedigen om te zeggen, wat op het hart ligt, maar +daarna wekt zij ook de verwachting, dat met gestrengheid uitspraak +zal worden gedaan, gestrengheid echter, die vrij van +hardvochtigheid is. We zien dit gelaat gaarne voor ons, niet zooals +we misschien behagen vinden in lieve engelenkopjes, maar omdat we +Elisabeth Jacobs Bas eene lieve vrouw vinden. Wel ook eene +verstandige, maar vooral eene lieve vrouw. +<p class="c2">Terwijl Rembrandt op het gelaat, dat voor hem zat, +deze roerselen van karaktergeheimnissen las, wist hij er zich +bovendien zoo juist rekenschap van te geven, dat zijn penseel ze in +lijn en kleur kon vastleggen. Hij was menschenkenner zoowel als +kunstenaar. Houdingen, vormen, gebaren en trekken nam hij +nauwkeurig waar. Maar de menschelijke natuur, die daarachter +schuilt, niet minder. Zooals iemand in een stoel gaat zitten en de +handen over elkaar legt, zoo is ook zijn levenstaak en zijn +karakter; dat had de omgang met menschen hem geleerd. Met wat een +aandacht moet hij de personen uit zijne omgeving hebben bestudeerd! +Wij, die in een tijd van veel drukker verkeer leven, als wij in +eenen spoortrein zitten, en iemand komt de coupé binnen, +kunnen wij maar amper aan zijn manier van plaats nemen zien, of hij +veel heeft gereisd dan of reizen iets ongewoons voor hem is. En wat +is dit aan de oppervlakte, vergeleken bij de karakterhoedanigheden, +welke Rembrandt zag in de personen, die tegenover hem gingen +zitten. Hoe veel en hoe ernstig moet hij zich met menschen hebben +beziggehouden, om hun innerlijk leven zoo op het uiterlijk af te +lezen. +<p class="c2">En toch heeft men willen beweren, dat hij in +zichzelven gekeerd, teruggetrokken, bijna eenzelvig leefde, geen +menschen zag, geen omgang had en weinig van menschen hield. Dit +ééne portret bewijst voor het tegendeel genoeg. Wie +dit kan maken, kent den mensch, bestudeert hem, zoekt hem en voelt +zich tot hem aangetrokken. +<p class="c2">Als we nu nog even de aandacht aan de kleederdracht +dier dagen schenken, merken we op, met hoeveel welgevallen de +schilder den in 't oog loopenden plooikraag zag. Om eens eene +ongepaste vergelijking te maken: het is, alsof het hoofd, waarin al +die wonderlijke zaken van gemoed en karakter worden opgemerkt, aan +den beschouwer wordt gepresenteerd op een schotel van blanke +reinheid. In zuiveren, afgeronden vorm teekent het zich daartegen +af. Linten, strikken, koralen of andere sieraden misleiden de +aandacht niet. Zelfs geen haardos. Een linnen kapje of mutsje +voltooit de witte omlijsting, waarin het gelaat ons alles kan +zeggen, wat het te zeggen heeft. +<p class="c2">Wat is die kraag er mooi opgezet! Luchtig en +kraakfijn staat de kant in de plooien. Overal van die bijna +doorschijnende schaduwtinten, zooals men ze ook ziet op +verschgevallen luchtige sneeuw. Hoe zuiver loopt de ronde lijn over +de borst en de schouders achter om het hoofd heen; nog net even +kunnen we voelen, dat de kraag aan de achterzij iets uit het platte +vlak doorgezakt is. +<p class="c2">Men ziet, het zijn niet alleen de raadselen van een +menschelijk gemoed, waarnaar Rembrandt zocht, ook het eenvoudigste +ding keek hij aan en weer aan, tot hij kon zeggen: zoo doet het +zich aan mijn oog voor. Hij tastte zijn model eerst in het hart aan +en gaf uitdrukking aan het persoonlijk karakter; maar dan had hij +ook aandacht voor de bijzaken en schepte er behagen in, eenen kraag +in de plooi of een weduwenkapje in de stijfsel te zetten. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="KUNST_VAN_GROEPEEREN"></a> +<h2 class="c4">KUNST VAN GROEPEEREN.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">Weinige van Rembrandts werken hebben onder het groote +publiek zoo'n bekendheid gekregen, als het Korporaalschap van Frans +Banning Kok. Het bevindt zich in het Rijksmuseum te Amsterdam en +dagteekent uit het jaar 1642. +<p class="c2">De beschouwer voelt zijn blik het eerst getrokken +door twee personen op den voorgrond. Het zijn Frans Banning Kok en +Willem van Ruitenberg. +<p class="c2">Op andere portretten wordt men nu eens het eerst door +dit, dan weer door dat gezicht geboeid; de een begint zijne +beschouwing met dezen, de ander met genen kop; de massa gezichten +is gewoonlijk verwarrend, met het gevolg, dat het weinig kan +schelen, waarheen men den eersten blik wendt. +<p class="c2">Maar op dit portretstuk richt iedereen dien altijd +naar het zelfde tweetal. +<p class="c2">Dit feit is niet van geringe beteekenis, al klinkt +het eenvoudig. De schilderij krioelt, om zoo te zeggen, van +menschen; en bij dergelijke stukken wil het wel eens zoo wezen, dat +niet ieder een vast uitgangspunt vindt. Vergelijk bijvoorbeeld de +intocht der Kruisvaarders in Jerusalem (van Piloty) er maar eens +bij. De blik dwaalt onrustig heen en weer, is nu eens bij het +groepje, dat een kruis met palmen torst, dan bij den ridder, die +het kleine tegenstribbelende kindje op den arm draagt, of bij den +rijkaard, die sieraden in het kleed van een bedelaar werpt. +<p><img alt="" border="0" src="images/nachtwacht.png" width="602" height= +"499"> +<p class="c2">[De Nachtwacht.] +<p class="c2">Het wordt den beschouwer niet duidelijk, +wààrop hij in hoofdzaak zijne aandacht moet vestigen; +er zijn tal van groepen, die hij geneigd is, mooi te vinden, maar +ze houden met elkaar geen verband; er is geen zwaartepunt in het +stuk; men blijft onzeker omtrent de bedoeling. Toch moet bij Piloty +eene bedoeling hebben bestaan; het zal bijvoorbeeld deze geweest +zijn: te laten zien, hoe vroom en deemoedig een paar groote vorsten +geknield de stad binnenkropen en de heilige plaats naderden. Maar +men merkt niet, dat daar alles om draait; de bijzaken verwarren +ons. +<p class="c2">Zoo heel eenvoudig is het dus niet, om de aandacht te +vestigen op de hoofdzaak. Merken we dit ook niet dikwijls op bij +schrijvers, als ze zich neerzetten, om uitspanningslectuur te +schrijven? Ze meenen wel, dat ze ons iets aardigs hebben te +vertellen, maar het raakt zoek in den grooten omslag van het +geheel; we halen het er niet uit onder het lezen. Als we het boek +uit hebben, weten we nog niet, waarom de schrijver het geschreven +heeft. +<p class="c2">Laten we dus beginnen met omtrent het Korporaalschap +te verklaren, dat het al vast deze goede eigenschap heeft: ieder +beschouwer kan steeds in dezelfde twee personen de hoofdzaak +aanwijzen, op welke Rembrandt de aandacht wilde vestigen. +<p class="c2">Waarom heeft hij dit gewild? Waartoe dient het, dat +we allen het eerst aan Banning Kok en Ruitenberg onze aandacht +schenken? +<p class="c2">Toch zeker niet om ons te laten zien, hoe fraai hunne +kleeding, hoe druk hun gesprek, hoe vriendschappelijk hun omgang +is; of hoe 'n mooie hand Banning Kok heeft, hoe aardig de zon +daarop schijnt en de schaduw over het kleed van Ruitenberg doet +vallen. Dit zijn zaken van ondergeschikt belang; ze hebben voor de +uitbeelding van een vendel schutters niet zooveel beteekenis, dat +daarvoor de aandacht het eerst op de beide genoemde figuren moest +worden gevestigd. +<p class="c2">Dit heeft eene andere bedoeling, en we zullen die +vrij zeker opmerken, wanneer we, met een stukje papier of met een +paar vingers, den kapitein en zijnen luitenant bedekken en aan +onzen blik onttrekken. +<p class="c2">De overblijvende figuren staan nu stil. Besluiteloos +staan ze op een hoop bij elkaar. Het vendel komt niet meer van +zijne plaats; het wacht. De gang, die er in zat, is er uit. Wel +zijn er nog eenige figuren in gaande beweging uitgebeeld, maar het +geheel maakt den indruk van talmend en treuzelend halt houden. +<p><img alt="" border="0" src="images/intochtinjeruzalem.png" width="616" +height="435"> +<p class="c2">[Intocht in Jeruzalem (van Piloty).] +<p class="c2">Zoodra we de bedekking wegnemen, komt het heele +vendel weer vooruit. De schilderij geeft niet een groep schutters, +in schilderachtige wanorde bijeengeplaatst, ze geeft het uitrukken. +Het vendel rukt uit. En het zijn de twee officieren, die er actie +aan geven. Door hun bewegen wordt alles in beweging gezet. Hun gaan +geeft gang aan de heele compagnie. +<p class="c2">Was er dus ook reden voor Rembrandt, om voor deze +twee figuren de hoofdaandacht te vragen? In hen bracht hij alle +actie bijeen, die voor het heele vendel noodig was, en spaarde ons +de vervelende vertooning van eene gansche verzameling gaande beenen +en gaande voeten. +<p class="c2">Hebben we nu niet meteen het antwoord op de vraag, +waarom Banning Kok en Ruitenberg ten voeten uit zijn afgebeeld, en +waarom ze ook, ten voeten uit, in het licht zijn gezet? Het kwam op +hunne beenen juist aan! Ze moesten aan 't loopen voor eene heele +compagnie! +<p class="c2">Laten we de beweging van dit gaan eens aandachtig +beschouwen, en ons daartoe voor den geest halen, wat we opmerken +aan menschen, die langs den weg loopen. Dit bepaalt zich volstrekt +niet tot het regelmatig en afwisselend verplaatsen van de beenen. +Eerstens komt daar gewoonlijk bij het heen en weer gaan van de +armen, wat toevallig bij de beschouwing van onze twee figuren van +geen belang is, omdat ze geen van beiden de armen los laten hangen. +Tweedens: in het geheele lichaam eene beweging, waarop we hier wel +de aandacht moeten vestigen. Bij elken pas gaat namelijk het lijf +en daarmee het hoofd op en neer; het rijst en daalt. Bijzonder +duidelijk nemen we dit waar, als een troepje menschen zich met +elkaar voortbeweegt zonder in den pas te marcheeren; al de hoofden +en hoofddeksels dobberen dan op en neer, als door eene deinende +golfbeweging. Duidelijk is dit vooral, als ze achter een niet te +hooge haag aan ons oog voorbij trekken. +<p class="c2">En zie, het is dit op en neer deinen van de +bovenlichamen, wat we in Banning Kok en Ruitenberg beginnen te +voelen, als we ons de moeite geven, eenigen tijd aandachtig hun +gaan aan te kijken. De tweede schijnt juist het oogenblik door te +maken, dat hij omhoog veert, terwijl de eerste dit net weer achter +den rug heeft. Eene schilderij kan wel is waar geen werkelijk +bewegen te zien geven, maar toch kan de schilder uit de kleine +veranderingen, die tezamen de actie uitmaken, eene zoodanige keuze +doen, dat wij den indruk krijgen, alsof het beeld de beweging zelf +te zien geeft. Dit gelukt hem alleen, als hij eene nauwgezette +studie van de zaak maakt, en als hij van nature bedeeld is met het +juiste gevoel voor actie, voor veerkracht en voor evenwicht. Hij +moet zich, al werkende, levendig voor den geest kunnen stellen, hoe +hij eene menschelijke gedaante langs den weg heeft zien gaan, hoe +elk lichaamsdeel op eigenaardige wijze aandeel kreeg in de beweging +van het gaan, hoe een hoofd zich telkens even omhoog richt bij het +verplaatsen der lichaamszwaarte van het eene op het andere been. +Naar een model, dat in zijn atelier de verlangde houding en stand +aanneemt, kan hij niet werken, als hij zoo iets wil weergeven. Het +verkeert in rust, en om de rust is het hem juist niet te doen. Voor +eene figuur als van Ruitenberg zou een model hoogstens de plaatsing +van de voeten en de buiging van de beenen te zien kunnen geven. +Maar niet het omhoog veeren, het opbeuren, dat ons in het +bovenlijf, in den hals en het hoofd zoo treft. Hoe langer men er op +ziet, hoe minder men zich aan dien indruk kan onttrekken. En +tegelijk beginnen we op prijs te stellen, dat de schilder zijn +volle licht en zijne lichtgele kleedingstoffen spaarde voor deze +figuur; zij springt daardoor des te beter in 't oog. +<p class="c2">Er is naar aanleiding van dit onderwerp nog eene +opmerking te maken: de twee vrienden loopen namelijk niet gelijk. +<p class="c2">Reeds trok het onze aandacht, dat ze niet in +denzelfden pas marscheeren. Terwijl Banning Kok zijn rechterbeen +juist naar voren gebracht heeft, en hij zijne lichaamszwaarte bezig +is op dat been over te brengen, is het rechterbeen van Van +Ruitenberg reeds gestrekt, het ondersteunt diens zwaartepunt en +geeft aan het linkerbeen gelegenheid om naar voren te komen; de +voet rust dan ook nog slechts met de punt van den teen op den +grond. +<p class="c2">Maar behalve het verschil in tijdmaat, is er een +wezenlijk onderscheid in de manier van loopen. Men zou elk van hun +tweeën er aan kunnen herkennen, zooals we trouwens onze +kennissen dikwijls herkennen aan hunnen gang. +<p class="c2">Ruitenberg maakt groote passen, bijna te groot voor +iemand van zijne lengte. Hij komt met eene zekere drift opzetten. +Zijne nadering heeft min of meer een dreigend aanzien. Het +linkerbeen, dat zich thans nog achter bevindt, wil zich gestrekt en +op eene vinnige, kordate manier naar voren bewegen. +<p class="c2">Als ons oog van dit driftige, besliste mannetje naar +den grooten, vierkanten Banning overgaat, doet diens voetstap ons +weldadig aan. Rustig en goedsmoeds schrijdt hij voort. Wel ook met +meer dan gewoon burgelijke snelheid, even goed als zijn buurman, +maar zijn gang is niet nijdig, niet gestrekt, niet als de gang van +den gymnast, die zijne leden aan korte, besliste bewegingen went. +<p><img alt="" border="0" src="images/groepuitdenachtwacht.png" width= +"577" height="690"> +<p class="c2">[Groep uit de "Nachtwacht".] +<p class="c2">Zooals hij daar aan komt stappen, heeft hij eerder +iets vertrouwelijks over zich dan de kleine Kuitenberg. +<p class="c2">Dit onderscheid in beider gang is door den schilder +aan de twee levende personen nauwkeurig ontleend. Want het behoeft +onze aandacht niet te ontgaan, dat hetzelfde verschil ook spreekt +uit beider lichaamsbouw en vooral uit beider gelaatstrekken. De een +ziet met een vol, breed gezicht de wereld in, uit een paar wijd +geopende en vrijmoedig opziende oogen. De andere heeft in zijne +magere trekken niet dat aantrekkelijke; hij mag wat scherpzinniger +wezen, scherper is hij ook, en hij ziet min of meer sluw onder den +hoed uit, die hem in de oogen zit, terwijl Kok dat kleedingstuk +achter op het hoofd staat. Ieder mensch draagt zijnen hoed, zooals +zijn karakter is. +<p class="c2">De gang is dus in overeenstemming met grootte, met +breedte, met gelaatsuitdrukking, vermoedelijk ook met karakter. Dit +verleent aan de twee naast elkaar loopende figuren het echte leven; +de een is een geheel ander mensch als de ander. Aan beider +eigenaardigheden heeft de schilder recht gedaan, terwijl hij +bovendien de actie van hun gaan wist te gebruiken, om aan de heele +groep van personen de bewegelijkheid te geven van een troepje +uitrukkende schutters. +<p class="c2">Want, om den hoofdindruk van onze schilderij niet uit +het oog te verliezen,-dit uitrukken is eigenlijk <i>het</i> +onderwerp, dat de schilder behandelen wilde. We behoeven niet lang +te raden, waarom hem dit aantrok. Sinds overoude tijden is het +uittrekken van de gewapende macht een soort volksfeest, dat toen +zoowel als nu zich mocht verheugen in de belangstelling van het +publiek. Wie zal ook ontkennen dat het een levendig, een aardig +tooneeltje is, zoo door de straten den bonten stoet te zien +voortmarscheeren, muziek of trommelslag voorop, vaandels boven de +hoofden vliegend, wapens blinkend en kletterend, het geheel door +straatjeugd omstoeid, door volwassenen met welgevallen +gadegeslagen. +<p class="c2">Het lag voor de hand, dat zoo'n tooneeltje hem +geschikt voorkwam, om daarin de bestelde portretten tot een geheel +te vereenigen. +<p class="c2">Het tweetal, dat aan het hoofd van den stoet +marscheert, en dat zijne beweging aan de gansche schaar weet mee te +deelen, heeft nu intusschen nog eene andere taak te vervullen. In +hen moet ook blijken, wie het zijn die hier uitrukken. +<p class="c2">Al dadelijk zien we in gestalte, houding en fieren, +vasten gang iets, dat ons zou bevreemden, als we het opmerkten in +twee burgerluitjes, die samen een straatje omwandelden. Wanneer we +twee deftige heerschappen met zooveel tred, zooveel levendigheid en +met zoo'n druk handbeweeg door onze straten zagen passeeren, zouden +we zeker meenen dat een ernstig ongeluk was gebeurd, en zij er op +uitgingen om hulp van politiemacht in te roepen. Hier is iets +uitgedrukt, dat strijdt met het gewoon burgerlijke; en dit was +juist noodig om van de figuren militairen te maken. Ze hebben het +krijgshaftige gekregen, om te zijn, wat ze moesten wezen: +schutters; en wel schutters, aan wie de verdediging der stad zou +kunnen worden opgedragen in tijden van oorlog. +<p class="c2">Voor het gansche vendel zijn de officieren met +militaire eigenschappen toegerust. +<p class="c2">Toch zijn ook weer zij het, die in het militaire het +burgerlijke mengen. Het stuk mocht niet ontaarden in de +voorstelling van eene krijgshaftige groep veteranen uit het +beroepsleger van stadhouder Frederik Hendrik. +<p class="c2">Dit zou gebeurd zijn, als de aandacht meer en in +hoofdzaak ware gevestigd geworden op het echte krijgsmansuiterlijk +van den man, die onder het gaan zijn geweer laadt, links van +Banning Kok, of op de drie, die we weer links van dezen waarnemen. +Allemaal typen van krijgslieden. +<p class="c2">Maar de gezichten van Ruitenberg en Kok zijn geen +troniën van in kruitdamp verweerde veteranen. Men houdt ze wel +dadelijk voor burgerlijke ingezetenen, die met den krijgsmansstand +weinig gemeen hebben. Het blijven burgers, zij het dan ook burgers, +die zich vandaag als mannen van wapenen doen gelden. Al doen ze dit +laatste goed, men ziet hen wel aan, dat zij in een vredelievenden +kring thuis behooren. Banning Kok is niets meer of minder dan +Wethouder van Amsterdam en zit in die functie op het kussen naast +dokter Nicolaas Tulp, wiens portret Rembrandt tien jaren vroeger, +in 1632, had gemaakt. +<p class="c2">In het welsprekend handgebaar van den kapitein vinden +we ook iets, dat in strijd is met soldatenmanieren, of althans +geene strijdlustige bedoelingen verraadt. Het geeft wel is waar aan +den persoon eene levendigheid, die een burger, als hij zich door de +straat beweegt, vreemd zou staan en eerder aan den krijgsmansstand +doet denken; maar tegelijk is het toch ook van eene vreedzame +natuur; we kunnen dezen krijgsman geen andere oogmerken +toeschrijven, dan om met zijn mannen uit te trekken, en vreedzaam +oefening te houden in het hanteeren van de lans of het schieten op +een doel, misschien op den haan, dien het meisje draagt. Zoo +gemoedelijk loopt niet de landsverdediger te gesticuleeren, die den +wreeden vijand tegemoet gaat, en vrouw en kinderen voor 't laatst +vaarwel heeft gezegd; en zoo rustigjes loopt een ander niet met de +hand in de zij, te luisteren naar het discours van eenen lotgenoot. +<p class="c2">Het zijn dus ook al weer Banning Kok en Van +Ruitenberg, in wie het karakter uitgedrukt is van het soort +krijsvolk, dat hier uitrukkende is voorgesteld. Evenmin als het +voorafgaande, is dit door Rembrandt op diepzinnige wijze verzonnen; +het denkbeeld lag voor de hand. Althans, we krijgen den indruk, dat +dit zoo was. Groote kunstwerken wekken gewoonlijk de gedachte, dat +ze eenvoudig van opvatting en samenstelling zijn, dat ze den +kunstenaar gemakkelijk van de hand zijn gegaan. +<p class="c2">Het middel, dat aangewend is om de hoofdpersonen +onder ieders aandacht te brengen, is eveneens heel eenvoudig; de +schilder heeft ze letterlijk in 't licht gezet, en de rest van zijn +doek nogal rijkelijk met schaduw bedacht. Of dit licht de kenmerken +heeft van zuiver daglicht, dan wel of er iets onnatuurlijks in is, +kan men niet beoordeelen met eene zwarte prent voor zich; het zijn +de kleuren, die dit uitwijzen, en deze kan men alleen zien op het +origineel in het Rijksmuseum. +<p class="c2">Maar dat het een helder en schitterend licht is, laat +geen twijfel over, ook niet als op onze plaat de kleuren ontbreken. +Toch heeft men lang in twijfel verkeerd, met welk licht men hier te +doen had. De donkere achtergrond bracht velen op het idee, dat +Rembrandt een nachtelijk tooneel bedoelde, bij voorbeeld het +rondgaan van een nachtwacht van schutters, bij het licht van +toortsen of flambouwen. +<p class="c2">Vooral Fransche reizigers, die in de achttiende eeuw +Amsterdam bezochten en op de "Voetboogdoelen" tegen den breeden +schoorsteen het stuk gingen zien, stonden er vast op, dat het de +ommegang van de nachtwacht was. Langzamerhand hebben onze +voorouders zich daarbij neergelegd. In den pruikentijd schijnen zij +niet veel oog voor schilderkunst gehad te hebben, en vertrouwden ze +er op, dat een Franschman het weten kon. Men ging dus spreken van +"de Nachtwacht" van Rembrandt. En dien naam behield het stuk, toen +het naar het stadhuis, en zelfs later nog, toen het onder de +regeering van Lodewijk Napoleon in 1808 naar het museum verhuisde, +toen deze koning het stadhuis inrichtte tot vorstelijk paleis. Meer +dan honderd jaar is het een Nachtwacht gebleven; eerst in de +negentiende eeuw brak de morgen aan, begon het daglicht te gloren, +en zag men het bespottelijke van de benaming in. In den mond van +het volk leeft die echter nog voort. +<p class="c2">Zoo zien we, hoe weinig er maar noodig is, om wit +zwart en zwart wit te heeten, om van dag nacht te maken. Als men de +bedoeling van den kunstenaar maar net precies niet vat, keert men +ze totaal om. Wie thans de schilderij onder goede verlichting ziet, +kan niet gelooven, dat onze voorouders den dag voor nacht hebben +gehouden, zoolang hun de schellen niet van de oogen waren gerukt. +Zij heeft met nacht niets te maken, of men moet zich voor den geest +roepen, in welk jaar Rembrandt's penseel dit meesterwerk voltooide. +Het was in 1642, in het jaar toen hem Saskia door den dood ontviel, +toen hij alleen in zijn groote huis achterbleef met een kind van +nog geen jaar, en avond aan avond eenzaam in het woonvertrek zat, +waar zijn jonge vrouw zoo dikwijls tegenover hem had gezeten, als +hij uit zijn werkplaats met teekengerei was binnengekomen, om in +huiselijke gezelligheid allerlei schetsen te maken. Het was het +jaar, toen voor hem het licht onderging, dat acht jaren lang zijn +levensweg had beschenen. Droefenis en somberheid waren in zijn +huis, droefenis en somberheid waren ook in zijn gemoed. Hij +doorleefde een tijd, die was als een nacht van troosteloosheid. +Slechts één ding kon hem staande houden in zijn leed; +dat was zijne kunst. Zijne liefde voor het penseel hield den +levensmoed er in. Uit die dagen van droefheid werkte hij zich op, +grooter en roemvoller dan voorheen. Treffender wordt voor ons zijne +groote kunst, als we weten, welke omstandigheden zijn gemoed +beheerschten. We zien dit meesterstuk van het sombere jaar 1642 als +een lichtgestalte staan tegen den donkeren achtergrond van zijn +huiselijk leed. +<p class="c2">In zooverre is het gepast, het korporaalschap van +Frans Banning Kok Rembrandt's Nachtwacht te noemen. Maar overigens +lijdt het geen twijfel, of de hoofdpersonen zijn in het volle +daglicht geplaatst. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="VERVOLG_VAN_T_KORPORAALSCHAP"></a> +<h2 class="c4">VERVOLG VAN 'T KORPORAALSCHAP.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">Na deze uitvoerige bespreking van een paar +hoofdpunten, kunnen we slechts kort nog bij eenige ondergeschikte +zaken stilstaan. +<p class="c2">We merken dan eerst op, hoe fraai de schaduwkant van +Bannings linkerhand tegen de lichtkantjes staat langs duim en +vingers, hoe los en welsprekend het gebaar is, en hoe de +slagschaduw geworpen wordt op het kleed van Ruitenberg. Ze ligt er +niet op, zooals de randversierselen er vast op zitten, maar ze +glijdt er los en bewegelijk overheen. Het eene maakt deel uit van +het wambuis, het andere niet. Ook bij het lijk op de Ontleedkundige +les merkten we, hoe zorgvuldig Rembrandt bestudeerde de manier van +eene schaduw om ergens op te vallen. +<p class="c2">Bij het beschouwen van de vier voortschrijdende +beenen herinneren we ons die van Michiel de Ruyter en Zeeger op de +plaat: "Dat is onze man." Bij Banning Kok en Ruitenberg alles +verschillend: schoeisel, kleeding, kleur en bouw, houding, beweging +en stand. +<p class="c2">Het is natuurlijk, dat de beschouwing van dit stuk +zich grootendeels bepaalt tot de hoofdpersonen. De tijdgenooten, en +vooral de leden van het schuttersvendel merkten dit ook op en +namen, voor zoover ze er belang bij hadden, het den schilder +kwalijk. Eerlijk gezegd, we kunnen hun geen ongelijk geven. +<p class="c2">Ieder lid van de compagnie moest een som van honderd +gulden betalen. En hoe waren sommigen voor dit bedrag op het doek +gebracht? Aan den rechterkant, waar de man met witten kraag zijn +hand uitsteekt, staat achter diens arm een persoon, die op het +portret van zijn heele gezicht niets dan twee oogen en een stuk +neus terugvond. Wel wat weinig voor zijn honderd gulden! +Verklaarbaar is het, dat Rembrandt het na 1642 met bestellingen van +schutterstukken niet druk meer gehad heeft. Het was zijn eerste en +zijn laatste. +<p class="c2">Toch heeft hij van enkele personen veel werk gemaakt. +Eene aangename figuur bijvoorbeeld is de man, die links van den +kapitein zijn geweer laadt. Er is in de wijze van gaan iets +onzekers, iets dat aan waggelen, aan wijdbeens loopen doet denken. +Dit is scherp opgemerkt van den schilder. We voelen er de +onvastheid in van iemand, die, al loopende, met beide handen iets +bezig is te doen aan een zwaar voorwerp, en die het gemis merkt van +zijne armen, welke anders onder het gaan door slingerbeweging een +gevoel van gemak en evenwicht geven. +<p class="c2">Wat ons het meest verwondert, ook Banning Kok was met +zijn konterfeitsel niet tevreden! Hij noodigde voortaan andere +schilders uit, als hij zijn eigen beeltenis, die van zijn vrouw of +die van zijn korporaalschap wenschte te hebben. We weten, dat een +zekere Ludens er in 1660 een van hem gemaakt heeft, maar het +nageslacht stelde weinig prijs op het stuk; in 1712 is het nog eens +voor f263 verhandeld; daarna ging het waarschijnlijk verloren. +Banning Kok nam het Rembrandt misschien kwalijk, dat die hem een +gelaatskleur had gegeven van nogal in 't oog loopende roodheid. +Voor de ware schoonheid zal hij mogelijk net zoo weinig hebben +gevoeld als de dichter Joost van den Vondel. Deze, een tijdgenoot +van Rembrandt, wonende als hij in Amsterdam, heeft allerlei +beroemde personen in gedichten bezongen, maar nooit den grootsten +onzer schilders. Hij had, naar het schijnt, geen begrip van +schilderkunst. Eén keer spreekt hij een oordeel uit over een +portret, door Van Rijn geschilderd, en zegt dan onder anderen: +<p class="c2">"De verf vergaat, de deugd zal eeuwig blijven." +<p class="c2">Zoo'n versregel is pittig en heeft klank. Een +oogenblik zijn we geneigd het eens te zijn met wat de dichter +beweert. Immers, de roem van buitengewone deugden is +onvergankelijk, en eene verfkorst kan vergaan. Maar bij nader +inzien blijkt alles maar woordenspel te zijn. De persoon, op het +portret uitgebeeld, is met zijnen roem, met zijne deugden, met +zijnen naam reeds lang vergeten; de onvergankelijkheid was niets +dan een dichterlijk compliment. Het geminachte verfkorstje bestaat +echter nog, wordt in eere gehouden, is voor geen goud te koop en +maakt de glorie uit van zijnen bezitter. Van vergaan is geen +sprake: deze veronderstelling was slechts eene dichterlijke +onnoozelheid. "De deugd verging, de verf leeft voort." De tijd +heeft Vondel gelogenstraft. +<p class="c2">We mogen van het Korporaalschap niet afstappen zonder +het naast de Anatomische les te hebben gelegd. Beide schilderijen +zijn portretstukken, waarop eene groep van meerdere personen is +voorgesteld. Op beide heeft de schilder getracht, om het stijve van +een troepje menschen, dat bij elkaar staat of zit, te vermijden. +Hij bracht er een denkbeeld in; de beschouwer kan meenen, dat het +eene dient om te laten zien, hoe eene ontleedkundige les gegeven +werd, het andere hoe de zeventiende-eeuwsche schutters uitrukten om +op het doel te schieten. En intusschen ontbreken de goede +eigenschappen van een portretstuk in geen van beide. +<p class="c2">Tot zoover gaan de stukken gelijk met elkaar op. Er +is echter ook verschil. En dit moet ons niet verwonderen. De Les +dagteekent uit 1632, Banning Kok uit 1642. Daar liggen tien jaren +tusschen, een tijdperk, dat in het leven van ieder mensch iets +beteekent, maar dat van veel beteekenis moet zijn in het leven van +een kunstenaar. In die tien jaren had Rembrandt wel opnieuw een +groot man kunnen worden, als hij in 1632 al zijne kunst eens had +verloren. Wat moet zijne vaardigheid en zijn schildersoog dan wel +gewonnen hebben, nu hij bleef, wie hij was, en tien jaren achtereen +dagelijks teekende, etste en schilderde. +<p class="c2">We kunnen helaas aan zwarte nadrukjes niet al de +veranderingen zien, die 's meesters wijze van werken heeft +ondergaan tusschen de Les en Banning Kok. Maar althans +één zeer belangrijke merken we op, en die leert ons +veel. +<p class="c2">Op de Les wordt eene hoofdrol gespeeld door het +cadaver. Dit is het voornaamste middel, waarmee de schilder aan het +portretstuk de beteekenis van eene gebeurtenis geeft. Het is echter +een willekeurig toevoegsel, dat er alleen op gekomen is, omdat +Rembrandt dat zoo had verzonnen. Of misschien was het denkbeeld wel +van een ander afkomstig. In elk geval: het is een toevoegsel, dat +niet meewerkt, om de bedoeling van het stuk te bevorderen. De +portretten worden er niet beter om. Wel stelt het Dr. Tulp in de +gelegenheid, om mooi en ernstig les te staan geven, zooals hij dat +kon, wanneer hij bezig was; maar daartoe was eene kleinigheid ook +voldoende geweest: een beentje, een schedel, eene bladzijde uit een +boek, of iets dergelijks. Nu ligt daar het lijk; de zon beschijnt +het; het vormt den aantrekkelijksten hoek van het geheele stuk; +mooi bewerkt is het; alles goed en wel. Maar-het had gemist kunnen +worden. +<p class="c2">Een dergelijk verwijt treft het Korporaalschap niet. +Wat daar aangewend is, om gebeurtenis in het stuk te brengen, is +aan de hoofdpersonen zelf ten goede gekomen. Dáár +geen aandacht dan voor hen, op wie ze plichtmatig door den schilder +gevestigd moest worden. Dáár alleen opeenhooping van +goede eigenschappen in twee personen, om de andere figuren te +ontlasten en onzen blik meer op éen punt te vestigen. Dat +éene punt is wel degelijk een onmisbaar onderdeel van het +geheel. +<p class="c2">De tien jaren zijn voor Rembrandt dus niet +onvruchtbaar voorbijgegaan. We erkennen, dat het cadaver op de Les +een gelukkige kunstgreep was om den beschouwer te boeien; maar we +worden gewaar, dat tien jaren later hetzelfde doel bereikt wordt, +zonder het te pas brengen van vreemde zaken. Een bewijs dus van +grooter meesterschap. Een ander bewijs zien we in de handeling: +hoeveel malen moet iemand <i>gaande</i> menschen in allerlei stand +hebben geschetst, om in een portretstuk zooveel vaardigheid aan den +dag te leggen als hier. De personen op "de Les" toonen daarentegen +nog weinig beweging, al zijn de handgebaren van Tulp zeer juist +weergegeven. In 1632 gaf de schilder zijne figuren in rustige +houding bij elkaar; in 1642 durft hij de beweging tot onderwerp van +behandeling te nemen; zelfs de persoonlijke onderscheidenheden in +de beweging. +<p><img alt="" border="0" src="images/simeonindentempel.png" width="450" +height="667"> +<p class="c2">[Simeon in den Tempel.] +<p class="c2">De vergelijking der beide stukken toont aan, dat de +schilder in de eerste jaren van zijne loopbaan nog niet was, wat +hij later werd. Wat hij toen maakte was grootsch; maar hij zelf zou +de man worden, om den vroegen Rembrandt te overtreffen. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="SIMEON_IN_DEN_TEMPEL"></a> +<h2 class="c4">SIMEON IN DEN TEMPEL.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">De "Simeon in den tempel" is een bijbelsch stuk. +Maria, de moeder van het Jezuskindje, ligt op den steenen vloer +neergeknield. Jozef, ook eene knie buigende, houdt in de hand de +duifjes, die voor offer bestemd zijn. De hoogepriester heft +zegenend zijne handen op; Simeon heeft het kindje gegrepen, slaat +het oog naar boven en spreekt de bekende woorden: "Nu laat gij, +Heer, uwen dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord; mijne oogen +hebben uwe zaligheid gezien." Een paar landlieden zijn toevallig +getuige van het tooneel, evenals twee "schriftgeleerden", die op +den voorgrond op een rustbank zitten. Omhoog welven en kruisen zich +de tempelbogen, die door weelderig versierde kolommen worden +gedragen. Daar heerscht schemering, evenals op de breede trap, waar +tal van tempelgangers op en afgaan. +<p class="c2">Om reeds bij den eersten aanblik de attentie te +vestigen op de hoofdgroep, laat de schilder de ruimte van den +tempel in het halfdonker. Op ééne plaats valt het +zonlicht naar binnen, en wel door een venster, dat zich links boven +in het gewelf zal moeten bevinden. De "schriftgeleerden" zitten +buiten het licht; ofschoon in letterlijken zin op den voorgrond +geplaatst, trekken ze geenszins het eerst de aandacht. Dat doen +zeker wel de hoogepriester en Simeon het meest. De eerste door +zijne koninklijke gestalte, waar, in lange, statige, plooien, de +mantel omheen hangt. Hij doet denken aan "Jezus" op de eerste prent +van de "Opwekking van Lazarus". De gebogen lijn, van het hoofd +achter over den hals en den rug, is hier zuiverder van beloop; bij +"Jezus" voelen we ter hoogte van den linkerschouder en iets lager +eene afwijking, die niet duidelijk de bedoeling laat doorschemeren. +<p class="c2">Zuiver van uitdrukking is de hand; ze wuift en wenkt +het neergeknielde paar de woorden toe. In de pols is juist genoeg +buiging achterover, om het gevoel van stille verrukking uit te +spreken; de hoogepriester neemt deel in de zaligheid van dit +grootsche oogenblik. Boog de hand zich in neerwaartsche richting, +dan kregen we den indruk, dat hij min of meer uit de hoogte den +zegen gaf. +<p class="c2">De vingers staan uitgespreid, alsof ze tintelen van +de aandoening, waarmee de plechtigheid hem vervult; vooral de pink +staat wijd uitgespannen; zoo zien we dat bij iemand, die zijne +woorden spreekt in ontroerde bezieling. +<p class="c2">Niettemin is de hand onschoon van teekening. Evenals +die van Jezus op de eerste Opwekking, is ze breed en plat, de +vingers zijn kort en stomp, de geleding is niet zuiver gevoeld. +<p class="c2">In de nijging van het hoofd ligt iets herderlijks. +Het drukt bezorgdheid en deelneming uit. Zoo staat een geestelijke +tegenover hen, die zich aan zijne leiding toevertrouwen. Zoo neemt +hij ze, in figuurlijken zin, onder zijne vleugels, in zijne +bescherming. En wie zoo toegesproken zijn, keeren huiswaarts met +een gevoel van vertrouwen op de toekomst, met het geloof, dat alles +wel goed zal komen. +<p class="c2">Met de geheele figuur staat in 't licht; alleen dat +deel, waarin de schilder de uitdrukking wilde leggen. Daar zien we +ook het duidelijkst, hoe de statiegewaden er om hangen. Lange +plooien gaan sierlijk van den hals tot op den grond en slepen zelfs +nog na. Zwaar en dik is de stof. Hier en daar kreukelen de plooien +overdwars. Van het hoofd af hangt een priesterlijk sieraad over den +hals en op den rug. Het ligt er rustig en plat uitgespreid. De +zijlijn volgt de buiging van den hals, de onderkant de ronding van +den rug. Alles plakt zwaar en solied op elkaar. +<p class="c2">Het verlichte handje draagt onzen blik van den +hoogepriester op Simeon over. Het is een licht-schakel. +<p class="c2">Ontzaglijk is het, de vervoering, de +geestesverrukking van dezen grijsaard te zien. Men hoort hem met +groote stem, met woest geluid tot den Heer zijnen God roepen en de +woorden spreken, die boven aangehaald zijn. Hij acht geen +omstanders, ziet geen vader geen moeder, geen hoogepriester, maar +voelt zich het hart zwellen van dankbaarheidsdrift, nu hij den lang +verwachten Messias in de armen sluit. Het is eene uiting van den +sterksten hartstocht, eene ontroering, die den aandachtigen +beschouwer door de ziel gaat. +<p><img alt="" border="0" src="images/groepuitsimeon.png" width="649" +height="521"> +<p class="c2">[Groep uit "Simeon in den Tempel".] +<p class="c2">De moeder Maria, ofschoon niet ten volle begrijpende, +slaat vol zalig gevoel de handen op de borst tezaam; haar +moederhart zwelt, nu haar kind den grijsaard zoo in gloed zet en +hem zulke woorden ontlokt. Jozef, eenigszins in de schaduw gesteld, +weet nog minder, wat hij van de ontboezeming van Simeon moet +denken. Toch zit ook hij met vaderlijk welgevallen het tooneel aan +te zien. Zijn gemoed wordt zachter bewogen dan dat van Maria; zijne +gevoelens zijn meer gematigd. In het volle licht behoefden ze niet +gesteld te worden, mits ze toch ook de aandacht niet ontgingen. De +schilder laat hem daarom neerknielen in de schaduw van den +hoogepriester. Maar eene zachte, stille weerkaatsing van den gloed +van Simeon ligt over zijn wezen. Het is eene weerkaatsing van den +lichtgloed, zoowel als eene weerspiegeling van de gemoedsbeweging, +maar beide sterk getemperd. +<p class="c2">Eene belangrijke rol laat Rembrandt de boertjes +spelen, die toevallig langs de groep heenliepen en even bleven +staan. Het misbaar van den grijsaard moet zijn oorzaak hebben; wat +mag er wel aan de hand zijn? vragen ze zich af. Ze komen +nieuwsgierig een stapje nader. Die met de hooge muts ziet er vrij +onnoozel uit en zal niet veel wijzer worden, al staat hij er +vooraan bij. De middelste van de drie is een echt type. Waren ze er +zoo in de dagen van Rembrandt, in 1631, wij kennen ze zoo nog. De +handen onverschillig op den rug, het hoofd tusschen de schouders +gezakt, hoogruggig door den veldarbeid, den kop vooruitgestoken met +een norsch, bullebakkig gezicht. Men ziet hem aan, dat hij +ontsticht is over het misbaar. Toch werpt hij een onderzoekenden +blik op het kindeke, een blik, dien men niet licht vergeet. Terwijl +hij neerziet, is het, alsof zijn wrevelige trekken zich ontspannen. +Een klein, teer kindje, wie kan daarbij ook onverschillig blijven! +<p class="c2">Voor ons is het geen raadsel, waarom zijn gezicht +opklaart; wij leven twintig eeuwen na de Jeruzalemsche gebeurtenis, +en ons is het gegeven om te overzien, wat dat Kindeke geworden is, +en welke dingen Het verkondigd heeft. Zie, voor wie waren later de +predikingen van Jezus het meest bestemd, op wie maakten ze het +eerst indruk! Wie sloten zich aan en lieten zich doopen? Waren het +niet de eenvoudigen van geest? Waren zij het niet, wier verstand +klein was, wier begrip van de dingen niet verging? +<p class="c2">Rembrandt voelde behoefte, om het groepje in den +tempel aan te vullen met een paar van deze eenvoudige zielen. Dat +zou voor den beschouwer de herinnering levendig houden van wat er +later gebeuren moet. In de simpele landlieden, die met +belangstelling komen toekijken, zien we de toekomst van het eerste +Christendom. +<p class="c2">Nog in een ander opzicht zijn de boertjes +merkwaardig. Laten we niet uit het oog verliezen, dat Jezus in het +land Kanaän geboren werd; de ontmoeting met Simeon had plaats +in den tempel te Jeruzalem; het volk, dat de trappen op en afging, +of toeschouwer was bij Simeons geestesvervoering, waren +Israëlieten, Joodsche landbouwers, Oosterlingen dus. De +kleedij, die de Joden in het begin onzer jaartelling droegen, komt +overeen met die, waarin zich thans nog Arabieren en Syriërs +steken. De meeste schilders hebben getracht, als ze een bijbelsch +tafreel behandelden, om hun figuren het voorkomen van Oosterlingen +te geven. Soms sloegen ze den bal wel mis, en schilderden ze +Italiaansche landlieden in plaats van oud-Israëlitische, maar +ze hadden dan toch de bedoeling, er een buitenlandsch tintje aan te +geven. +<p class="c2">Deze bedoeling vinden we bij Rembrandt niet. Hij doet +geen moeite om het Bijbelverhaal te doen spelen in verre landen, +onder vreemde volken. De boertjes zijn echt Hollandsche typen. Ze +komen regelrecht uit Ransdorp, Broek-in-Waterland of +Ouwerkerk-aan-den-Amstel. In hun blauwen kiel heeft de schilder hen +door Amsterdam zien gaan, of in de weide bij hun vee bespied. Wel +zien ze er anders uit dan het landvolk uit onzen tijd, maar ook +buiten de steden wisselt en verandert de kleederdracht. En zoo als +ze hier in den tempel staan, zoo heeft Rembrandt in zijn tijd hen +op verschillende platen naar het leven geteekend; nu eens met eene +hooge, dan eens met eene lage muts op het hoofd. Zoo was in zijnen +tijd hunne dracht. +<p class="c2">Hij brengt dus de gewijde geschiedenis over op +vaderlandschen bodem. Vreemde kleederdrachten voor herders en +landlieden versmaadt hij. Hij weet, dat tal van menschen zich op +dat vreemde blind kijken, en geen oog hebben voor het wezenlijke +van de schilderij. Ze zullen de voorstelling beter gaan voelen en +begrijpen, als de figuren menschen zijn gelijk zij zelf; als die in +gelaatstrekken, in kleur, in houding en in kleeding gewone, echte +Hollanders zijn. Jezus had immers heel goed in Holland geboren +kunnen zijn. Was niet de Republiek der Vereenigde Nederlanden een +zeer bijzonder land? Had de God der Vaderen niet geholpen, om haar +van de Spaansche tirannij te bevrijden? Had Hij de zaak der +Hervorming niet doen zegevieren? Was er éen protestantsch +land zoo met aardsche rijkdommen en met welvaart gezegend? Een +uitverkoren volk, daarvoor hielden onze voorouders zich. Zij waren +een tweede Israël. Alles, wat ginds in het Oosten, aan de +oevers van de Jordaan, was afgespeeld, speelde zich ook hier af, +dachten ze. Hunne geschiedenis was eene afspiegeling van de +Bijbelsche. +<p class="c2">Als zoo een geheel volk denkt, valt het den +kunstenaar gemakkelijk, zich ook in die richting te bewegen. Hij +denkt niet alleen, hij stelt zichtbaar voor. Het Joodsche wordt +Hollandsch; de schaapherders van Ephrata en de wijnbouwers van de +berghellingen van Judea, komende in den tempel van Jeruzalem, +worden melkboeren uit de omstreken van Amsterdam. En waarom ook +niet? Over de heele aarde wonen menschen van éen natuur; het +denken en voelen is wel overal ten naastebij hetzelfde. Vooral +onder de volksklasse, die hier is voorgesteld, onder de eenvoudigen +van geest, die opgroeien te midden van de natuur. +<p class="c2">Hiermee kunnen we afscheid nemen van de blauwgekielde +tempelgangers, om nog even eenen blik te slaan op het tweetal, dat +op den voorgrond in de schaduw zit. +<p class="c2">De eerste laat het tooneeltje, daar voor hem, niet +onopgemerkt passeeren. Hij steekt het hoofd onderzoekend vooruit. +Zooals het handje en de arm op de leuning van den stoel liggen, kan +men zich denken, dat hij bijna van zins is, op te rijzen en nader +te treden. Nummer twee wisselt met hem een blik van +verstandhouding. Hij krijgt argwaan, dat de zaak niet in orde is. +Schriftgeleerden, zooals zij misschien zijn, nemen het met +godsdienstaangelegenheden zeer nauw. Ze dulden geene uitdrukkingen +in strijd met de Joodsche wet. +<p class="c2">Of zij in de woorden van Simeon iets hooren, wat hun +verdacht voorkomt, willen we niet nagaan. Maar ons treft hunne +tegenwoordigheid op deze plaats. Reeds bij dit voorval uit het +leven van Jezus zijn ze dwarskijkers, in letterlijken en in +figuurlijken zin. Rembrandt geeft ze voorshands nog een plaatsje in +de schaduw, terwijl hij de aanstaande volgelingen van den Nazarener +in het volle licht zet; maar ze zijn er toch, en ze brengen ons te +binnen, hoeveel leed ze later zullen uitstorten over het hoofd van +het Kindeke, dat nu nog zoo onnoozel in Simeons armen ligt. +<p class="c2">Ten slotte een enkel woord over de geschiedenis, die +dit schilderijtje heeft doorgemaakt. +<p class="c2">Voor wien en voor hoeveel Rembrandt het maakte, weten +we niet. Het duikt in 1733 uit het onbekende op. Bij eene +verkooping ten huize van een Haagsch burger werd het voor f830 +verkocht; men weet dit uit een rekeningenboek. Een mooie prijs voor +dien tijd!--Later werd het aangekocht voor de verzameling van +Stadhouder Willem V. De groote gebeurtenis voor het stuk moest +echter eerst komen tusschen 1810 en 1813. Toen Nederland als +aanslibsel van Fransche rivieren bij het Keizerrijk was ingelijfd, +vond Napoleon, dat alle kunstwerken, die aan den Staat behoorden, +naar de hoofdstad des rijks moesten verhuizen, naar Parijs. De +"Simeon" was door Prins Willem V bij zijn vertrek naar Engeland in +1795 natuurlijk in den steek gelaten, evenals de verdere roerende +en onroerende have; de staat had er zich over ontfermd, en nu +ontfermde Napoleon er zich weer over. +<p class="c2">Het werd met tal van andere schilderstukken ingepakt, +op eenen wagen geladen en verzonden. De bedoeling was, om het +Louvre er mee te verrijken. Wagenvrachten en wagenvrachten van +kunstwerken ondergingen ook in de andere Fransche wingewesten +hetzelfde lot. Men was er in Parijs verlegen mee. De opeenhooping +was zoo groot, dat een paar jaren later het werk der schifting en +der tentoonstelling nog niet afgeloopen was. Napoleon kwam ten val, +voordat alles een plaats had gekregen. +<p class="c2">Toen hij in 1815 voorgoed van het wereldtooneel +verdween, was het Louvre meer pakhuis dan museum. Spoedig daagden +van de onderscheiden herstelde regeeringen afgevaardigden op, om +uit den rommel op te eischen, wat door Napoleons ambtenaren naar +Parijs was vervoerd. Ook van de regeering der Nederlanden. "Simeon" +maakte de terugreis naar Den Haag, en kreeg daar in het Mauritshuis +het plaatsje, dat hij nu nog inneemt. Moge hij er blijven tot in +lengte van dagen, om nog vele bezoekers het hart te verheugen. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="EENE_ONDERGAANDE_ZON"></a> +<h2 class="c4">EENE ONDERGAANDE ZON.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">Het licht is voor Rembrandt gedurende al zijne +levensjaren een geliefdkoosd onderwerp van studie geweest. Wat is +er ook schooner! Wie kan onverschillig zijns weegs gaan, wanneer +hij des ochtends buiten is bij het opkomen van de zon? Wie sluit +dan het oog voor de lichtspelingen langs lucht en wolken? +<p class="c2">Voelt ook niet ieder zich door zonneschijn meer +aangetrokken tot de vrije natuur, dan door bewolkte, vreugdelooze +luchten! +<p class="c2">En dan des avonds bij het ondergaan der zon! Welk een +kleurenspel wordt ons iederen dag opnieuw bereid! Nimmer vervalt de +natuur in herhaling. Altijd weer is ze verrassend en nieuw in haar +getoover met lichtverven en kleurvloeiingen. +<p class="c2">Oud en jong, arm en rijk, ongeschoold en +welonderwezen, alles heeft er oog voor. Geen mensch, of wel +ééns in zijn leven heeft hij éénen +zonsondergang genoten, wel ééns heeft hij bij dit +natuurverschijnsel aandachtig stil gestaan. Daar zonk de vuurbol +ter kimme. Het licht, dat den ganschen dag slechts licht was +geweest, werd nu kleur. De huizegevels in baksteen blonken eens zoo +rood als anders. De witte raamkozijnen bleven wit, maar waren toch, +zonderling wonder, te gelijk ook rood. De hagelwitte gordijnen +eveneens, ofschoon het wit toch vlekkeloos rein bleef. De grijze, +stoffige straat-wie zou ooit op de kleur van eenen straatvloer +letten!--behield hare grauwe steenkleuren, en trok niettemin het +oog door een purperen schijn. Daar waren de schoone, groene boomen! +Schenen niet ook zij van hetzelfde purper doortrokken, terwijl +groen toch groen bleef. De stammen stonden te blozen als frissche +wangen: maar grauw en grijs en bruin was onveranderlijk de +kurkschors. +<p class="c2">Met geene woorden kon men noemen, wat elk ding voor +verven kreeg. Zoodra men het beproefde, gaf men slechts eene +opsomming van de kleuren, die er waren bij heldere dagverlichting. +Een raadsel was het, dat de zon bij het scheiden nog opgaf. Een +moeilijk raadsel! +<p class="c2">Van de ondergaande zon tot den levensavond van onzen +schilder is eene schrede minder groot, dan men wellicht zou denken. +<p class="c2">Daar hangt in het Rijksmuseum te Amsterdam een werk, +de Staalmeesters heet het, dat hij voltooide in 1661, en dat het +laatste groote stuk is, waaraan hij zijne zorg wijdde. We schromen, +als we het naderen, om de gedachte uit te spreken, doch ze laat +zich niet terugdringen: dit kunstgewrocht is het afscheidslicht, +dat eene ondergaande zon nog gaf. Eene ontzaglijke ziel spreekt +hier haar laatste woord. En ook <i>dit</i> laatste woord is een +raadsel, is hetzelfde raadsel, wat de avondzon weet voor te leggen. +Ook hier heeft elk ding zijn eigen kleur, zijn eigen verf, zijn +eigen kleurvermengingen; maar tegelijk straalt ook hier elk ding +eenen rossigen gloed uit, eene tint, die nergens aan te wijzen, en +toch overal te vinden is; die op geen voorwerp ontbreekt, en toch +op alles de natuurlijke kleuren handhaaft. We <i>zien</i> het roode +licht niet, we <i>ondergaan</i> het. Overal kunnen we aanwijzen +zuiver bruin, zuiver wit, zuiver zwart, en overal toch voelen we +het uitstralende rood, dat nergens is, dan alleen in het kleed, dat +over de schuine tafel gespreid ligt. +<p class="c2">Het grijpt ons aan, als we bedenken, dat de zon, na +al haar schoone licht, eindelijk tot het avondrood komt, en dan +niets schooners meer geven kan. Dan moet ze ondergaan. Ze heeft het +schoonste bereikt. En Rembrandt is het eveneens gegaan! +<p class="c2">Zijn gansche leven is geweest: grooter en grooter +worden. We zagen het bij de twee Opwekkingen, we zagen het bij de +Anatomische les en het Korporaalschap, we ontdekken het nogmaals +bij de Staalmeesters, twintig jaren later gemaakt, in den +levensavond van den kunstenaar. +<p class="c2">Hij begint groot in 1632. Steeds wast hij, en meenen +wij, dat het hoogste bereikt is; maar steeds overtreft hij weer, +wat hij te voren maakte. Elk stuk vinden we onovertroffen, tot hij +zelf een nieuw meesterwerk schept, en ons de oogen opent voor de +tekortkomingen van het voorgaande. En wat hij op het eind van zijn +leven te zien geeft, is niet alleen weer beter, dan wat vooraf +ging; het lijdt aan geene gebreken meer, het bereikt alles, wat +bereikt wou worden. Wat de schilder wilde, gelukte; en er is niets +groots, dat hij vergeten heeft te willen. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="VERGELIJKINGEN"></a> +<h2 class="c4">VERGELIJKINGEN.</h2><span class="c5"><br></span> +<p class="c2">Omdat we ons met een zwart prentje moeten +vergenoegen, zullen we bij de beschouwing de kleurhoedanigheden +laten rusten, dat wil dus zeggen, het wonderlijkste wat er aan de +Staalmeesters is op te merken. Toch is vooral aan het tafelkleed +wel iets te zien van de kleurenpracht. Daarin zit, zelfs in onzen +zwarten afdruk, nog eene mengeling van al den vervenrijkdom, dien +we ons in een weelderig weefsel kunnen denken, en van al de +tintelingen, die het licht daarop kan doen ontstaan. Groote vlakken +van zachte belichtingen en zachte verdonkeringen wisselen met +elkaar af. Daardoor heen zien we breede, horizontale kleurbanden +gaan, en door deze weer lichtricheltjes van onder naar boven, of +reeksen lichtnoppen van rechts naar links. Het gedeelte, dat links +om de tafel heen hoekt, geeft op andere wijze, zonder mengeling, de +kleurfiguren te zien, die de wever door zoo'n kleed weet heen te +werken. +<p class="c2">Vergelijk hiermee nu de lap stof, die op de plaat +"Evertsen in de Staten van Zeeland" over de tafel ligt. Droog en +dor geeft hier de grijze kleur aan wat schaduw is. Rembrandts kleed +gloeit van warmte, van innerlijke kleurenpracht, van Oosterschen +tapijtenrijkdom; het andere is koud en mat, arm van weefsel en arm +van kleur. +<p><img alt="" border="0" src="images/staalmeesters.png" width="734" +height="495"> +<p class="c2">[De Staalmeesters.] +<p class="c2">Voor het overige moeten we van kleurbeschouwing +afzien, en ons voornemen, om in het Rijksmuseum de schade in te +halen. +<p class="c2">Wat er van de Staalmeesters in een zwarten afdruk +overblijft, is echter niet zoo gering, of het zal ons duidelijk +worden, dat we hier te doen hebben met een onsterfelijk +gedenkteeken. Het spreekt nog meer van Rembrandts grootheid dan wat +voorafgegaan is, meer dan het Korporaalschap of eenig ander +kunstwerk. +<p><img alt="" border="0" src="images/evertsen.png" width="582" height= +"370"> +<p class="c2">[Evertsen en de Staten van Zeeland.] +<p class="c2">We beginnen niet, met naar zeldzame eigenschappen te +zoeken. Juist in de afwezigheid hiervan schuilt eene verdienste. +Stel maar naast elkaar het "Gezelschap op het Muiderslot" en de +"Staalmeesters". Beide vertoonen een groepje burgermenschen uit de +17<sup>de</sup> eeuw, uit 1619 en uit 1661. Het verschil in +kleeding en kapsel duidt wel een verschillend tijdperk aan. Wat uit +1619 dagteekent, staat in dit opzicht dichter bij de Anatomische +les, terwijl de figuren uit 1661 ons bekend voorkomen, wegens de +overeenkomst met Jan de Wit, het portret op Levensverzekerings-en +Spoorboekjes. +<p class="c2">Beide gezelschappen bevinden zich binnenshuis, dus in +eene omgeving, die we een interieur zullen noemen. Bij dit +interieur bepalen we het eerst onze aandacht. Op het Muiderslot +valt het daglicht binnen door een venster, dat we ter linker zijde +kunnen zien. Het vergunt ons, om buitenlicht naast kamer-of +binnenlicht te stellen, want bij het venster is een stukje witte +muur. Tusschen dit wit en het wit van de vensteropening bevinden +zich een viertal schaduwstrooken, die we met een potlood of een +reepje papier kunnen bedekken. Dan merken we op, dat beide witte +strooken gelijk zijn, misschien wint de muur het van het +buitenlicht nog in helderheid. Wie nu in het eerste het beste +vertrek even eene vergelijking maakt tusschen het een en het ander, +zal opmerken, dat de verhouding juist andersom moet zijn. Al is een +binnenmuur in het licht gezet, hij moet toch voor het zonlicht, dat +de buitenwereld beschijnt, onderdoen in helderheid. Een geschilderd +interieur mag hiervan niet afwijken, of het is geen interieur meer. +<p class="c2">Op den vloer spreekt de fout nog sterker. Ver in de +kamer, tot onder den stoel van den ouden heer, die met zijnen rug +naar de tafel zit, is het licht krachtiger dan buiten de +openstaande deur. Hem voorbij merken we hetzelfde op aan enkele +voorwerpen: aan het tafellaken, het doekje, dat de dienstbode op +den rug hangt, het zijmuurtje links van den schoorsteen, zelfs aan +eene versiering tegen den schoorsteen. +<p class="c2">Ondanks deze gebreken zeggen we toch, dat de plaat +een interieur voorstelt, omdat we een venster, een deur, een +binnenmuur en kamermeubelen zien; die doen ons besluiten: het moet +een binnenhuis wezen. Maar eerlijk gezegd: het <i>is</i> er geen. +Hoe het moest zijn om er een te wezen, leert ons het stuk van +Rembrandt. Alles is hier in eene matte, grijze tint gezet, die +overal doet gevoelen, dat we ons binnenshuis bevinden. Wanneer eene +vensteropening werd aangebracht, zou daardoor het daglicht kunnen +vallen in eene helderheid, die sterk afstak bij de verlichting van +de muurgedeelten op den achtergrond. +<p class="c2">Dit muurtje met het schoorsteentje vinden we bijna in +dezelfde gedaante op het Muiderslot terug. We kunnen in het +voorbijgaan deze twee onderdeelen naast elkaar stellen. Beide +bestaan uit houtbetimmering en gepleisterd metselwerk. Op het +Muiderslot is het eerste erg donker, het laatste, zooals we reeds +opmerkten, veel te licht van kleur. Wie door de oogharen naar de +betimmering kijkt, kan den gepleisterden muur best voor een stuk +lucht houden, dat heel in de verte achter het beschot oprijst. Er +is geen samenhang tusschen de twee. De teekenaar was bang, dat we +geen steen van hout zouden onderscheiden en maakte de verschillen +veel te duidelijk. De achterwand valt uit elkaar. Ook schijnt hij +zich heel ver achter het schilderijtje boven de kast te bevinden. +<p><img alt="" border="0" src="images/muiderkring.png" width="617" height= +"432"> +<p class="c2">[Muiderkring.] +<p class="c2">Achter de heeren Staalmeesters zien we hout en steen +in bijna dezelfde tint. Het verschil is gering. Toch ontgaat ons +het stoffelijk onderscheid niet; er zijn kleinigheden, die daarvoor +zorg dragen. Let maar eens op de kantlijn, waar de voor-en zijkant +van den schoorsteenmuur elkaar ontmoeten; op het Muiderslot is die +lijn langs een liniaal getrokken; het is een pracht van een rechte +lijn. Bij Rembrandt helt ze ten eersten een weinig naar rechts; en +dat is verklaarbaar. Zoo'n oud stuk gemetselde schoorsteen rijst +gewoonlijk niet loodrecht omhoog. Ten tweeden is ze heel fijn met +korrels afgebrokkeld; ook dit is voor een gepleisterden muur heel +juist, en meer waarschijnlijk dan de ongeschonden liniaallijn op +den Muiderslotschen schoorsteen. Ten derden is het niet een +<i>zwart</i>-getrokken lijn, maar juist het tegenovergestelde, een +lichtkantje. Ook dit beantwoordt aan de werkelijkheid. Alleen dit +kantlijntje zou reeds duidelijk genoeg zeggen, dat het bovenste +deel van den achterwand gepleisterde steen is. +<p class="c2">Door acht te geven op dat, wat in het Muiderslot +ontbreekt, worden we gewaar, wat eene goede eigenschap is van de +"Staalmeesters". Het is een interieur. We zeggen niet: "het +<i>moet</i> er wel een wezen"; het <i>is</i> er een. +<p class="c2">Het interieur is echter maar achtergrond en bijzaak; +de figuren zijn hoofdzaak. We tellen er zes, den bediende +meegerekend. Na hetgeen we opmerkten bij de vergelijking van +Anatomische les en Korporaalschap, zal het al dadelijk de aandacht +trekken, dat Rembrandt afgezien heeft van middelen om te +groepeeren, zooals hij in 1642 nog noodig vond. Voegde hij de leden +van het Korporaalschap nog zóó samen, dat de +schilderij er uitzag, alsof ze eene beroemde gebeurtenis +voorstelde, de Staalmeesters kruipen maar heel gewoon bij elkaar, +zooals ze dagelijks in hun beroep bij elkaar zitten. Het stuk stelt +niets voor. Het is een portretstuk, zonder meer. Een kunstgreep, +zooals het cadaver op de Les, anno 1632, trok den schilder na +dertig jaren niet meer aan; zelfs het kunstmatig bijeenvoegen niet +meer, gelijk het stuk uit 1642 te zien geeft. Van al het +gekunstelde, komedie-achtige, dat zijne vroegere werken kenmerkte, +en dat men toen schoon vond en thans nog schoon vindt, omdat het +zoo volmaakt van kunst is, van dat alles is hij terug gekomen. Op +zijn leeftijd is de arbeid geen spel met wondertooneelen. Hij zet +heel gewoon, zonder ophef, de figuren naast elkaar op eene rij. +Behoudens kleine afwijkingen, die zijn smaak hem ingaf: nommer twee +van links af moest even oprijzen, om de eentonigheid van eene +vijfkoppige rechte lijn te breken; de bediende mocht wel post +vatten tusschen twee der heeren midden op het doek, maar hij kreeg +zijne plaats toch iets dichter bij den een dan bij den ander, en +deed met zijn gezicht dus geen regelmatigen driehoek ontstaan. +Staalmeester nommer twee, van rechts af, werd met half afgewend +bovenlijf neergezet, om niet twee gelijkvormige schouders, hoeden +en witte kragen naast elkaar midden op het doek te krijgen. +<p class="c2">Dit zijn kleine schikkingen, die bijna toevalligheden +lijken; als vijf menschen ordeliik om eene tafel geschaard zitten, +zal men juist dergelijke afwijkingen opmerken. Ze houden het midden +tusschen stijfheid en gezochtheid. +<p class="c2">Hoe eerlijk en eenvoudig de schilder er naar +streefde, om niets anders te maken, dan portretten, blijkt ook uit +het spel der handen. Op de "les" zoowel als op het schutterstuk is +dit een ding van belang. Het spreekgebaar van Dr. Tulp, de wijze +hoe hij zijne mededeelingen over de spierbeweging toelicht, trekt +sterk de aandacht. De handen zijn vrij in de ruimte gezet, tegen +een donkeren achtergrond, en ze hebben voor het geheele stuk eene +groote beteekenis, gelijk we boven reeds zagen. Ook die van Frans +Banning Kok zijn in 't oog loopend op den voorgrond gebracht. +Rembrandt schepte er behagen in, om te laten zien, wat hij met +handen kon. Maar in 1661 zal hij gemeend hebben, dat het zien van +een portret een te ernstig werk is, om daarbij afgeleid te worden +door bijzaken. Toch zou het wegmoffelen van de handen ook eene fout +geweest zijn. Immers, als we een groepje menschen, dat rond eene +tafel zit, opnemen, zonder dat zij het bemerken, dan zien we wel in +het eerste oogenblik de gezichten, maar het kan toch zijn, dat we +in de tweede plaats ook toevallig naar de handen zien. Daarom gaf +hij ze wel aan zijne figuren, maar zoo, dat we ze slechts terloops +en eerst <i>na</i> de gezichten ontwaren; hetzij dan versmald +gezien, als bij nommer een, hetzij in de schaduw gezet, als bij +nommer twee, hetzij in de onmiddellijke nabijheid van den tafelrand +en het boek, zoodat ze hiermee als het ware één +geheel uitmaken, en niet als afgezonderde lichtplekken tegen den +achtergrond vrij in de ruimte staan. Echter wist hij ook met +terzijde geschoven handen nog gedachten uit te drukken: let maar +eens op, hoe juist de rechter van den middelsten sinjeur ons zegt: +"maar het staat hier toch!" Het kloppen met den rug van de vingers +op de bladen van het boek kan niet anders beteekenen. De houding +van het hoofd en de gelaatsuitdrukking bevestigen het. +<p class="c2">Eene sterk sprekende eigenschap van Rembrandt op +dezen leeftijd is dus, dat hij zich beperkt. In jonger jaren +groeide zijne kunstdrift als een welig gewas met ver-uitschietende, +bloemdragende loten. Nu snoeit hij; alles wat weg kan, gaat weg; de +verzonnen tooneelen zijn het spel der handen gevolgd. Slaan we +nogmaals een blik op de "Les" naast de "Staalmeesters", dan valt +ons ook in de gezichten iets op. Op het eene trekken de blanke, +hooge en breede voorhoofden, de in verlichte vleeschkleur +geschilderde wangen, en op het andere de oogen, de neuzen en de +monden de aandacht. Is het niet, alsof de geneesheeren uit 1632 +allemaal toevallig kleiner van oogenbouw waren, fijner van neus en +mond, maar hooger van voorhoofd en opzichtiger van wang, dan de +staalwaardijns uit 1661? Dezen schijnen groffer van maaksel te zijn +geweest dan genen. De zaak is, dat de schilder in zijn eerste jaren +veel aandacht schonk aan de vleeschkleuren, de vleeschpartijen, +zooals men dat noemt. Hoe ouder hij werd, hoe meer hij er echter +naar streefde, niets dan het leven en de ziel uit te drukken. Deze +las hij meer in oogen, mond en neus dan in de schilderachtige +licht-en kleurverschijnselen van het gezichtsvleesch of in den bouw +van het gelaat. Onwillekeurig bracht hij ze tot meerdere +uitdrukking, met het gevolg, dat wij ze eerder opmerken. Treffend +is het in dit opzicht, dat hij voor de gelijkenis van de +geneesheerlijke koppen alle voorhoofden noodig achtte, en ze ieder +met zijne eigenaardigheden schilderde, terwijl hij ze bij de +staalmeesters, op eene enkele uitzondering na, onder de hoeden +wegstopte, als niet terzake dienende. Met de baardjes en kneveltjes +kon hij dit moeilijk doen; maar toch worden ook deze minder op den +voorgrond gebracht dan in 1631. +<p class="c2">Van knevels en baarden gesproken, het prentje +"Evertsen voor de Staten van Zeeland", eene historieplaat van een +negentiendeeuwschen teekenaar, geeft figuren uit hetzelfde tijdvak +als Rembrandts Staalmeesters. Ze zijn alle voorzien van snorren en +puntbaarden, vervaardigd naar een zelfde model, in dezelfde punt +gedraaid, van dezelfde dikte, in denzelfden gebogen vorm. Het +lijken gehuurde tooneelsikjes en tooneelknevels, die de heeren +vòòr gedaan hebben, om er kranig uit te zien. Naast +zulke zaken erkennen we eerst recht, hoe bij Rembrandt elk ding tot +juistheid komt. Wat geven zijn kort afgeknipte smalle haarlijntjes +op de verschillende bovenlippen een heel ander denkbeeld van de +mode anno 1660. Zòò moet het er uitgezien hebben; de +valsche spullen van de heeren Staten zijn eene bespotting. +<p class="c2">In den loop der jaren heeft alzoo Rembrandt ook het +groote snoeimes gezet in zijne neigingen bij het schilderen van +koppen. Hij beperkte zich hoe langer hoe meer tot datgene, wat het +wezenlijke is, wat het leven weergeeft. Dat, wat hij vroeger mooi +vond, en wat hem daarom aantrok, liet hij weg, als het voor het +eigenlijke doel niet diende. In 1632 stonden al de koppen, ofschoon +kunstig bijeengeschikt, als afzonderlijke portretten tegen een +donkeren grond; in 1661 steken ze zoo blank en rond niet af, maar +worden in het interieur opgenomen. Dat de Staalmeesters een portret +is, wordt in het geheel niet verbloemd-immers, het heeft niet den +schijn van eene gebeurtenis. De Les doet wel, alsof ze een voorval +is, en toch denken we dadelijk: die heeren zijn uitgeportretteerd. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="WAT_PORTRETTEN_BIJEENVOEGT"></a> +<h2 class="c4">WAT PORTRETTEN BIJEENVOEGT.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">De Staalmeesters staan of zitten voor ons, alsof we +hen in het werkelijke leven onverwachts overvielen. De schilder +heeft hen zoo weten te treffen, dat we niet zeggen: kijk, die zijn +er voor gaan zitten om er goed op te komen. En toch zijn ze dat +juist wel. Zelfs vestigen vijf van de zes hun blik op den +kunstenaar. Maar zooals ze naar hem-en omdat wij in zijne plaats nu +staan-naar ons kijken, wekt het de gedachte: ze zien naar iemand, +die binnenkomt. En dit is iets anders dan: ze zien naar den man, +die hen uitteekent. Het verschil is fijn gevoeld. Door Rembrandt is +deze indruk vastgehouden: alle heeren keken op, toen ik binnenkwam, +en schenen te vragen: wie is <i>dat</i> nu? Hij bearbeidde hen, +niet zooals hij ze voor zich zag zitten, wanneer ze +één voor één in zijne werkplaats kwamen +om te poseeren; maar met datgene op de gezichten, wat hij eventjes +had waargenomen, toen hij voor 't eerst binnenkwam. Hij schilderde +hen met in achtneming van eene lichte verwondering, van eenen +vragenden trek op het gelaat. Dit was eene natuurlijke, ongemaakte +uiting, doordat alle tegelijk iets vreemds hoorden en het hoofd +naar den kant draaiden, vanwaar het geluid kwam. Eene uiting van +leven, die door de personen niet eerst overdacht is; zonder overleg +kwam dit zoo op hunne gezichten; ze hadden zelfs den tijd niet, om +een slimmer of een opgewekter gezicht te zetten, dan hun van nature +eigen was. Nommer een van rechts af is bijvoorbeeld niet een van de +snuggersten geweest. Rembrandt doorzag dit met den eersten +oogopslag: in de hoog opgetrokken wenkbrauwen, in de dikke +oogleden, de slaperige oogjes, de vooruitstekende bovenlip voelde +hij het. Daarnaast zit een, die van de natuur geen welgemaakt +gezicht heeft meegekregen: het is wat te lang en te smal, de lippen +zijn te dik. Maar hij behoort tot de lieden, die ondanks hun +uiterlijk, een ieder aantrekken door iets prettigs en iets +vriendelijks in de oogen en om den mond. De middelste van de vijf +had juist het woord, en liet zich in zijn betoog door Rembrandt's +binnenkomen niet storen. De volgende rees overeind, misschien om +ter meerdere klaarheid er een ander boek bij te halen; aan den +draai van zijn hoofd zien we, dat zijn opstaan met de komst van den +schilder <i>niet</i> in verband staat; hij stond al, en heeft, +ondanks den blik op den binnenkomende, <i>andere dingen in het +hoofd</i>. Dit vooral is duidelijk aan hem te zien. +<p class="c2">Om kort te gaan: de gelaatsuitdrukkingen zijn +overvallen; niet bij een, maar bij allemaal. De verrassing is de +levenstinteling die allen eigen is. Neem er één +figuur uit, aan die verrassing is merkbaar, dat hij bij de anderen +op dit portretstuk thuis behoort. Bij geen van de zes stijgt de +uiting tot verbazing, bij geen heeft ze den schijn van +onverschilligheid. Ze is bij allen even sterk; we voelen zoo +heelemaal, dat allen onder denzelfden indruk even opzien; dat ze +als een groep, die bijeenzat, door Rembrandt zijn opgemerkt. Wat +hen vereenigt, is geen vertooninkje van eene les of van eenen +optocht, maar <i>eenzelfde gemoedstoestand</i>; ze doorleven eene +zelfde, gelijke gewaarwording. En dat maakt hen één. +Niet eene vreeselijke ontsteltenis, eene groote angst, eene woeste +drift; die zouden te veel ophef hebben gemaakt. Het blijft bij eene +nauwelijks merkbare aandoening. Iets als een zacht rimpeltje, dat +bij windzucht even over al de watervlakjes van een plasje loopt. +Zoo ondergaan ook de bloemen in de wei alle gelijkelijk het +voorbijgaan van een avondwindje. +<p class="c2">De schilder zelf is het middelpunt van aller +opmerkzaamheid. We kunnen ons hunne verrassing best voorstellen, +toen hij binnenkwam. Zijn roem was reeds lang gevestigd; ze vonden +het streelend, dat de groote Rembrandt in hun midden verscheen. Bij +voorbaat zijn ze in opgewekte stemming over hun afbeeldsel, dat +natuurlijk wel slagen zal, en dat misschien een beroemd stuk kan +worden. Deze gewoon menschelijke gedachtetjes spreken uit hunne +trekken. De schilder heeft dat allemaal door en door echt in hen +voelen leven. Hij maakte geene <i>figuren</i> van hen, hij bracht +ze <i>zelf</i> op het doek; het was geen namaak, geen afbeelden; +het was de aandoening, het denken, het verrast worden, het zich +prettig gevoelen zelf, wat hij gaf. +<p class="c2">Daar dit bij twee menschen nooit precies hetzelfde +is, al lijken ze uiterlijk nog zooveel op elkaar, wordt de +verscheidenheid van gezichten ook grooter, naarmate dat innerlijke +sterker spreekt. We zien het hier. Er is uiterlijk zeer veel +gelijkenis tusschen sommigen, en in kleeding tusschen alle. Maar +ieder denkt er zijn eigen van, als Rembrandt binnenkomt; en dat zet +hen allen ver uiteen, als zeer onderscheiden en heelemaal +verschillende menschen. Wij krijgen den indruk, dat dit geene +figuren, geene afbeeldsels zijn, maar wezens, die bestaan. We +worden door al de oogen, door al de verschillende manieren van +oogopslag zoo aangetrokken, dat we op het gelijke in kapsel, hoed, +kraag, kleeding en houding nauwelijks letten. In den oogopslag zit +hier een belangrijk deel van de portretten. Daarin voelen we, dat +de heeren zoo even nog met neergeslagen oogleden naar de tafel, +naar het boek of naar elkaar zaten te kijken; door het binnenkomen +worden de blikken opgeslagen; is het niet, alsof we deze beweging +er in voelen? En geeft de schilder niet bij ieder afzonderlijk iets +aparts in die beweging? Bij alle verschilt de teekening van het +opgeslagen ooglid, en bij ieder is het optrekken van de wenkbrauwen +weer anders dan bij de overigen. +<p class="c2">Als we al de monden langs zien, merken we ook hierin +de verscheidenheid. Wat is die bij den bediende dun van lippen en +heel anders dan bij den sinjeur, achter wiens rug hij staat. En zie +daarbij nu weer eens nummer een van rechts af, hoe die de onderlip +achteruittrekt en de bovenlip iets vooruitsteekt. +<p class="c2">Deze deelen van het gelaat dragen wezenlijk veel meer +de uiting van karakter en leven, dan de vleeschpartijen, die +Rembrandt in vroeger jaren op den voorgrond bracht. Hij is dus +sedert het Korporaalschap, ofschoon dit een meesterstuk was, steeds +hooger gestegen. Alles wat naar komediespel geleek, liet hij varen; +wat het zieleleven van zijne figuren sterker kon uitdrukken, greep +hij als hoofdzaak aan. +<p class="c2">Naar het uitwendige werd hij eenvoudiger, naar het +innerlijke forscher en grooter. Bedenken we nog bovendien, welke +wondere lichtspeling en kleurverlichting het oorspronkelijke stuk +der Staalmeesters den beschouwer te zien geeft, dan kunnen we +gerust zeggen, dat Rembrandt aan het eind van zijn leven een +onovertroffen schilder was. Hij had groote voorgangers gehad; en +onder deze voorgangers was hij zelf in jonger jaren een groot +kunstenaar geweest. Doch hij eindigde zijne loopbaan als een, die +hooger staat dan allen, ook hooger dan hij zelf eertijds stond. +<p class="c2">In den jare 1669 overleed hij. Op welken dag weet men +niet. Den 8<sup>sten</sup> October werd hij ter aarde besteld. Voor +<i>f</i> 15 werd hem een graf gegraven in de Westerkerk te +Amsterdam. Het bespelen van het carillon was in dien prijs +begrepen. Wie het graven van een graf met f15 kon betalen, behoorde +tot den gegoeden stand. Dit stelt ons gerust omtrent de geldelijke +omstandigheden, waarin hij in de laatste jaren verkeerd had; we +behoeven niet te gelooven, wat meermalen beweerd wordt, dat hij arm +gestorven is. En zijn leven is rijk geweest, rijk aan genot. Hij +heeft vele menschen en vele dingen gekend en begrepen. Kennen en +begrijpen is genot. +<p class="c2">Als wij ernstig trachten zijne werken te kennen en te +begrijpen, zullen we deel hebben in de erfenis die hij naliet: +genot van te zien en te begrijpen. De erfenis is groot genoeg voor +een geheel volk: wie zich de moeite geeft om te willen, kan +mede-erfgenaam worden. + +<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11286 ***</div> +</body> + diff --git a/11286-h/images/asselijnmet.png b/11286-h/images/asselijnmet.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..98849e4 --- /dev/null +++ b/11286-h/images/asselijnmet.png diff --git a/11286-h/images/asselijnzonder.png b/11286-h/images/asselijnzonder.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..75a9a51 --- /dev/null +++ b/11286-h/images/asselijnzonder.png diff --git a/11286-h/images/betaalmeester.png b/11286-h/images/betaalmeester.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..15be866 --- /dev/null +++ b/11286-h/images/betaalmeester.png diff --git a/11286-h/images/deruyterenzeger.png b/11286-h/images/deruyterenzeger.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..2f85fdb --- /dev/null +++ b/11286-h/images/deruyterenzeger.png diff --git a/11286-h/images/evertsen.png b/11286-h/images/evertsen.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..db03e6b --- /dev/null +++ b/11286-h/images/evertsen.png diff --git a/11286-h/images/groepuitdenachtwacht.png b/11286-h/images/groepuitdenachtwacht.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3042e9f --- /dev/null +++ b/11286-h/images/groepuitdenachtwacht.png diff --git a/11286-h/images/groepuitsimeon.png b/11286-h/images/groepuitsimeon.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..92f087e --- /dev/null +++ b/11286-h/images/groepuitsimeon.png diff --git a/11286-h/images/intochtinjeruzalem.png b/11286-h/images/intochtinjeruzalem.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..dd30cb0 --- /dev/null +++ b/11286-h/images/intochtinjeruzalem.png diff --git a/11286-h/images/latereopwekking.png b/11286-h/images/latereopwekking.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5ac854a --- /dev/null +++ b/11286-h/images/latereopwekking.png diff --git a/11286-h/images/molen.png b/11286-h/images/molen.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..62066f2 --- /dev/null +++ b/11286-h/images/molen.png diff --git a/11286-h/images/muiderkring.png b/11286-h/images/muiderkring.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e013129 --- /dev/null +++ b/11286-h/images/muiderkring.png diff --git a/11286-h/images/nachtwacht.png b/11286-h/images/nachtwacht.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a95f9cd --- /dev/null +++ b/11286-h/images/nachtwacht.png diff --git a/11286-h/images/ontleedkundigeles.png b/11286-h/images/ontleedkundigeles.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8691119 --- /dev/null +++ b/11286-h/images/ontleedkundigeles.png diff --git a/11286-h/images/opwekkingvanlazarus.png b/11286-h/images/opwekkingvanlazarus.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9b0198a --- /dev/null +++ b/11286-h/images/opwekkingvanlazarus.png diff --git a/11286-h/images/portretvansaskia.png b/11286-h/images/portretvansaskia.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7a16e99 --- /dev/null +++ b/11286-h/images/portretvansaskia.png diff --git a/11286-h/images/scheepsbouwmeester.png b/11286-h/images/scheepsbouwmeester.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..fa0c39d --- /dev/null +++ b/11286-h/images/scheepsbouwmeester.png diff --git a/11286-h/images/simeonindentempel.png b/11286-h/images/simeonindentempel.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d4dec00 --- /dev/null +++ b/11286-h/images/simeonindentempel.png diff --git a/11286-h/images/staalmeesters.png b/11286-h/images/staalmeesters.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..2eca474 --- /dev/null +++ b/11286-h/images/staalmeesters.png diff --git a/11286-h/images/titusvanrijn.png b/11286-h/images/titusvanrijn.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8a03824 --- /dev/null +++ b/11286-h/images/titusvanrijn.png diff --git a/11286-h/images/vrouwtjebas.png b/11286-h/images/vrouwtjebas.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..6084fb2 --- /dev/null +++ b/11286-h/images/vrouwtjebas.png diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..dd04ad5 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #11286 (https://www.gutenberg.org/ebooks/11286) diff --git a/old/11286-0.txt b/old/11286-0.txt new file mode 100644 index 0000000..5ed1337 --- /dev/null +++ b/old/11286-0.txt @@ -0,0 +1,3365 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11286 *** +MEESTERSTUKKEN + +VAN + +REMBRANDT HARMENSZ. VAN RIJN. + +LEESBOEK VOOR HET LAGER EN VOORTGEZET ONDERWIJS + +DOOR + +G. KIELDER, + +HOOFD EENER SCHOOL TE 'S-GRAVENHAGE. + +AMSTERDAM.--1906. + + + + +VOORBERICHT. + + +_Nu dit boekje juist in het Rembrandtjaar verschijnt, zal men het +allicht indeelen bij de huldebetoogingen. Toch wil het daartoe niet +gerekend worden. Onze leerlingen geven dikwijls blijk, dat ze met +welgevallen luisteren naar of lezen over kunst; het is deze +belangstelling, die de schrijver heeft willen voeden en ontwikkelen. Men +zal bij de kennismaking den opvoedenden ondergrond van de stof der +besprekingen wel opmerken. + +Dat de onderwerpen ontleend werden aan de werken van Rembrandt, behoeft +niet te bevreemden: deze schilder is voor de kunst en voor het +kunstgevoel een geweldig opvoeder geweest, ook en vooral omdat hij sterk +persoonlijk was in alles, wat van hem uitging. + +Het was onvermijdelijk, dat de bespreking van portretten hier en daar +het karakter aannam van eene historische uiteenzetting; ze stellen ons +immers voor oogen het geslacht, te midden waarvan Rembrandt leefde, een +geslacht dat historisch is geworden. Dat we het zien juist door het oog +van een psycholoog, is vast geen nadeel! + +De schrijver mag wel hopen, dat de menschen, die van kunst hun beroep +maken, hem niet te hard vallen over de vrijmoedigheid, waarmee hij zijne +laag-bij-den-grondsche inzichten ten beste geeft; hij heeft maar ééne +verontschuldiging: dat van hen nog niemand iets gedaan heeft voor de +aesthetische opvoeding van het opkomend geslacht. Het zij gezegd zonder +miskenning van de verdiensten van den Heer H. P. Bremmer, die reeds +jaren lang in de weer is, om onderwijzers voor deze taak op te leiden. +Bij dezen aan hem een woord van dank voor de beschikking over zijne +vermaarde prentenverzameling. + +Voor den gebruiker een wenk: bespreek elk plaatje, vóórdat de tekst +gelezen wordt; als bij het lezen plaat en tekst in het boekje niet +tegenover elkaar staan, laat dan een van de twee boekjes op eenzelfde +bank bij de plaat open liggen. Open staan is nog beter._ Den Haag +1906. G. KIELDER. + + + + +INHOUD. + + +WAT GEEN HOOFDZAAK IS +DE OPWEKKING VAn LAZARUS +EENE LATERE OPWEKKING +HISTORISCHE GEGEVENS +REMBRANDT LANDSCHAPSCHILDER +VROUWE SASKIA +KLEINE TITUS +ACTIE +MISLEIDE AANDACHT +AANRAKING MET HISTORISCHE PERSONEN +MEER DAN PORTRET +GEËTSTE PRENTEN +VROUWTJE BAS VAN 'T RIJKSMUSEUM +KUNST VAN GROEPEEREN +VERVOLG VAN 'T KORPORAALSCHAP +SIMEON IN DEN TEMPEL +EENE ONDERGAANDE ZON +VERGELIJKINGEN +WAT PORTRETTEN BIJEENVOEGT + + + + +WAT GEEN HOOFDZAAK IS. + + +Vele eeuwen geleden leefde in Griekenland een schilder, van wien men de +ongeloofelijkste dingen verhaalt, en wiens naam bij het nageslacht is +blijven voortleven als die van een der grootste kunstenaars. Zeuxis, zoo +heette hij, wist niet slechts de menschen, maar ook de dieren met de +voortbrengselen van zijn penseel in verrukking te brengen. Dit blijkt +uit het volgende. + +Hij schilderde eens een vruchtenstuk; in bevallige wanorde lagen bessen, +druiven, noten en appelen door elkander, met hier en daar een groen blad +er tusschen. Ieder, die het zag, stond verbaasd over de juistheid, +waarmee elk onderdeel bewerkt was. En kijk, toen de toeschouwers zich +verwijderd hadden van de muurschildering, kwamen de vogelen toevliegen +en pikten naar de druiven. Misleid door den schijn, hadden ze deze voor +echt gehouden. + +Een verhaal, dat er gaat van een paardenstuk, komt hier vrij wel mee +overeen. Dit gaf de afbeelding van een paard te zien, en zoo +bedriegelijk juist, dat het vurig strijdros van Alexander den Groote, +toen het voor de schilderij werd gebracht, aan de teugels rukte en tegen +zijn gewaanden natuurgenoot begon te hinneken. + +We hebben hier het oordeel van redelooze dieren over kunst van menschen. +Het volk kende daar eene zekere waarde aan toe; het oordeelde zoo: "wie +heeft beter kijk op paarden dan een paard, wie beter op vruchten dan +een vogel? Als nu door dezen de gelijkenis in een schilderstuk wordt +opgemerkt, moet ze wel bijzonder juist wezen; geene goedkeuring van +menschen kan voor den kunstenaar zoo vleiend zijn als die van dieren, +mits deze met het onderwerp in betrekking staan." + +Er is nog een oud verhaal van een beroemd schilder. + +Apelles had eene menschelijke figuur geschilderd en stelde die ten toon, +terwijl hij zelf in een verborgen hoekje naar het oordeel der +beschouwers luisterde. Een schoenmaker kwam daar langs en bleef staan. +Zijn blik rustte onderzoekend op de voeten, en hoorbaar mompelde hij +voor zich heen: "Ze zijn te groot, wat zou je een leest moeten hebben, +om daarvoor schoenen te maken." + +Appelles nam den wenk ter harte, en den volgenden dag had hij de +gelaakte lichaamsdeelen iet of wat kleiner gemaakt. + +Weer kwam de schoenmaker voorbij. "Kijk", dacht hij, "Appelles heeft +zijn fout ingezien en verbeterd. Jammer, dat hij nu ook in houding en +gebaar niet wat meer de fierheid van eenen krijgsman heeft uitgedrukt." + Nu werd het den schilder te kras. Hij kwam te voorschijn en voegde den +schoenmaker toe: "Over houding en gebaar zwijg je! Een schoenmaker +blijve bij zijne leest." + +Met deze terechtwijzing is het volk het geheel eens geweest, zoo zeer, +dat de uitdrukking in den vorm van een spreekwoord is blijven +voortleven. De schoenmaker kreeg hetzelfde recht van meepraten als de +vogel en het paard, een recht, dat aan iedereen stilzwijgend is +toegekend: wie door zijn vak verstand heeft van het onderwerp, dat op +een schilderstuk is voorgesteld, heeft bevoegdheid om een oordeel uit te +spreken. + +Dit komt dus hierop neer, dat het stuk pas goed is, wanneer het de +menschen voldoet, die als vaklui verstand hebben van de dingen, die er +op staan. Bijgevolg heeft de beschouwer meer met de dingen dan met den +kunstenaar te maken. + +Grooter dwaling dan deze opvatting is niet denkbaar. Bij elk kunstwerk +is juist de persoon van den maker de hoofdzaak. Hij is het eenige, +waarop men te letten, waaraan men te denken heeft. De vraag is niet, wat +staat er van het ding of van de gebeurtenis op, maar waaruit bespeur ik +den kunstenaar; wat zie ik er in, dat door hem alleen is gezien en +gevoeld; dat ik nu ook wel zie en voel, doch alleen doordat _hij_ het +mij zoo voorhoudt. Alles wat ik van te voren al wist van het ding of van +de gebeurtenis, is op de schilderij bijzaak. Want het is kennis, die +iedereen heeft. En de kunstenaar gaat niet in zijn werk op, om datgene +te vertoonen, wat alle oogen wel zien en alle harten wel voelen. Hij is +juist kunstenaar door iets, wat een ander ontbreekt, door +gewaarwordingen, die een ander alleen door hem kan krijgen. + +Het onderwerp is maar onderwerp. Natuurlijk geeft het den beschouwer +reden tot tevredenheid, als hij met het onderwerp niet in de war zit, +als hij alles een naam kan geven en van alles de gedaante en den vorm +herkent. Maar van meer belang is het, dat hij zich rekenschap geeft van +datgene, wat niet het onderwerp, maar wat de kunstenaar laat zien. Het +verwondert ons daarom van Apelles, dat hij zooveel aandacht schonk aan +de opmerkingen van eenen schoenmaker over de voeten van zijne figuur. +Eerder zou men verwacht hebben, dat hij luisterde, toen die een oordeel +uitsprak over dingen, die buiten zijn vak en zijnen werkkring lagen. + +Bij het beschouwen van werk van Rembrandt zullen wij goed doen, als we +deze onderscheiding in het oog houden: wat stelt het voor, en waaraan +bespeur ik, dat een buitengewoon oog dit onderwerp bekeken heeft. + + * * * * * + + + + +DE OPWEKKING VAN LAZARUS. + + +De eerste prent draagt tot onderschrift: "De opwekking van Lazarus." + +Op de vraag, _wat_ er op staat, vinden we in den Bijbel het antwoord, en +wel in het Evangelie van Johannes, daarvan het elfde hoofdstuk. + +[Illustration: Opwekking van Lazarus.] + +Volgens dezen tekst moet de plaat te zien geven: den gestorven Lazarus, +liggende in het graf, den Heer Jezus, de zusters, de vrienden en de +discipelen staande daar rondom. Bovendien lezen we er, welke handeling +ieder der aanwezigen verricht. + +_Hoe_ staat een en ander er nu op? Hoe zijn de figuren geteekend? Hoe +wordt datgene voorgesteld, wat elk figuurtje, volgens den aangewezen +tekst, moet verrichten? Laten we met Lazarus beginnen. Na hem komen de +anderen wel aan de beurt. + +Is er in de teekening van deze lijntjes, streepjes en krabbels iets, dat +we buitenwoon vinden, dat wij zelf niet in ons hoofd hadden, als +Rembrandt het ons niet zoo vertoonde. + +De figuur van Lazarus is in blanke tint uitgebeeld; ook de steenwanden, +waar hij tusschen ligt. Het is, alsof zijn lichaam in teerheid en +witheid één geheel vormt met het gesteente, alsof hij reeds een +bestanddeel vormt van den schoot der aarde, waaraan zijne bloedverwanten +hem hebben toevertrouwd. Nauwelijks onderscheidt zich zijn gestrekt +liggend lijf van de groeve; als mensch was hij uit stof gemaakt; +gestorven zijnde, is zijn stoffelijk omhulsel oogenschijnlijk al bijna +weer in het stof opgenomen. De blankheid van het gewaad is zoo ongerept +gehouden, als maar mogelijk was. Al de aanduidingen van kreukjes en +plooien, van vouwen en rimpels zijn uiterst teer geteekend om niet te +veel zwart aan te brengen. Bijna ongemerkt loopt de lijn voort, die den +steenwand op den voorgrond afscheidt van de figuur. Even ongemerkt zien +we de linkerhand langs den anderen wand tastende zoeken naar steun. In +lijnwaad gewikkeld, onderscheidt de arm zich bijna niet van het +gesteente; toch krijgen we wel de gewaarwording, dat onder al de plooien +van de stof dat lichaamsdeel zich beweegt, zich opheft en voortschuift. +Zoo ook, dat onder het doodskleed het lijf zich opricht, zich kromt. In +de richting van de voeten is alles nog rust; daar smelten, om zoo te +zeggen, stof en stof nog in een. Maar het hoofd en de hals hebben zich +reeds losgemaakt van den schoot der aarde. Daar zijn de afscheidingen +door den teekenaar duidelijker gegeven; scherpe schaduwkanten loopen +langs schouder en afhangend haar, terwijl voorhoofd, gelaat en +linkerschouder in fijne blankheid afsteken tegen een hoekje donkeren +rotswand. Waar het leven terugkeert, scheidt zich het lichaam het eerst +en het duidelijkst af van de aarde. Door de oogharen bezien, zal het ook +lijken, alsof het hoofd zich opbeurt uit den bodem, alsof het zich +daarvan losmaakt. + +Zie, dit zijn geen dingen, die ieder lezer van het Evangelie van +Johannes in zijne verbeelding ziet. Ook is het geen bewijs van +buitengewone getrouwheid in het uitbeelden van een lichaam dat in een +graf ligt; want in werkelijkneid zal er wel altijd juist eene scherpe +tegenstelling zijn tusschen de reine, witte gewaden en de donkere +aardkluiten of rotsmuren. Het is een wijze van zien, die ons +rechtstreeks aan Rembrandt zelf doet denken. Alles _was_ niet zoo, en +alles staat niet zoo te lezen in de Schrift; hij _zag_ het zoo. In deze +manier om de grafligging te zien leeft hij voort. Sedert hij het zoo +gewaar werd voor zijn geestesoog, zien wij het ook, maar alleen door +hem. + +Aangrijpend is het, te zien, hoe op het gelaat zich het wederkeerende +leven openbaart. + +Het oog, dat in de diepe oogkas ligt weggezonken, opent zich en ontvangt +wel de eerste lichtstralen, maar besef heeft het niet. Wezenloos en +smartelijk staart het voor zich uit, het ooglid is zwaar en loom en +schijnt gereed om weer toe te vallen, gelijk het reeds voor eeuwig +scheen toegevallen te zijn. Flauw en gebroken is even de oogappel +aangegeven. + +De mond is maar niet zoo een zwart streepje of een vlekje; hij heeft, +hoe klein ook van afmetingen, eenen bepaalden vorm, en eenen vorm, die +iets uitdrukt. Is het niet de eerste ademtocht, die we hier zien? +Stroomt niet de levenslucht naar binnen in ademhalingsruimten, die reeds +bestemd waren om geen adem meer te bevatten, en die ook reeds afgeplat +en naar binnen gebogen neerlagen. Pijnlijk volbrengt de mond deze eerste +levensuiting, maar zonder bewustzijn, zonder besef. + +De wangen zijn mager en hoekig, de onderkaak scherp afgeteekend, de neus +smal en ingevallen. Het oor zit maar nauwelijks nog aan het hoofd, +zooals we dat bij zieken waarnemen, die langzaam wegteren. Ook het +halsje draagt de sporen van lijden; diepe groeven en rimpels strekken +zich uit van boven naar beneden, en bij de kaak, van links naar rechts. +Te zwak is het, om het hoofd te dragen; terwijl dit zich opricht, helt +het machteloos naar links over. + +Zoo bespeuren we in elk onderdeel van deze figuur de aandoening van den +teekenaar. Het feit, dat geteekend moest worden, de opleving van iemand +uit zijn graf, stond vast. Dat het vreeselijk moet zijn geweest, om deze +gebeurtenis mee aan te zien, stond ook wel vast. Maar nu komt de +kunstenaar en houdt er zich mee bezig. Hij voelt het vreeselijke zoo +sterk, zoo overweldigend, dat het kleinste krabbeltje, wat hem uit de +hand vloeit, nog uiting geeft aan dat gevoel. En wij, de beschouwers, +komen daardoor tot de erkenning: alles op zoo'n gezicht moet dien indruk +hebben gemaakt; bij zulke oogen zoo'n mond, zoo'n neus, zoo'n hals en +zoo'n houding. + +Laten we de proef eens nemen, of het echt is, wat we opmerken. Door met +een paar stukjes papier de overige deelen van de plaat te bedekken, +houden we Lazarus alleen over en kunnen nu beoordeelen, of in hem +uitgedrukt is, hoe het feit zich toegedragen heeft. We zien +onmiskenbaar, dat het figuurtje, wat zich hier opricht, iets vreeselijks +doormaakt; dat het maar niet iemand is, die in zoo'n groeve te slapen +lag en zich nu opricht; dat de wezenloosheid op het gezicht niet de +uitdrukking is van een half slapende of van een, die bijvoorbeeld onder +den invloed van sterken drank is. Alles is zoo sterk van aandoening en +grijpt zoo aan, dat alleen deze figuur voldoende zou zijn om de tekst +uit het Evangelie van Johannes te illustreeren. + +Nu de figuur van Jezus. Zooals Hij daar staat, naast het geopende graf, +is alles waardigheid en hoogheid aan Hem. We zien Hem als eene gestalte, +wie langs den rug de mantel in ééne groote beweging tot den grond +afhangt. In zoo'n rijzigheid stellen we ons gaarne voor, iemand, die als +verrichter van groote dingen optreedt. De opgeheven linkerhand, ofschoon +de vingers niet mooi zijn geteekend, begeleidt in grootsch gebaar de +woorden: "Lazarus, kom uit!" Rustig en vol majesteit wacht Jezus de +uitwerking af. Bij Hem geene verbazing, verrassing of ontzetting over de +herrijzenis; bij Hem slechts verzekerdheid, dat nu gebeuren zal, wat Hij +gebiedt. + +Eene groote tegenstelling is er tusschen dat rustige staan en de +omringende aandoeningen. Om dit duidelijk te voelen, nemen we een stukje +papier en leggen het zoo over de prent, dat de gestalte van Jezus aan +ons oog onttrokken wordt. + +Het geheel is nu een druk tooneeltje geworden. De omstanders geven op +eene in 't oog loopende wijze uiting aan hun gevoel. Ze herinneren ons +aan voorvalletjes, die we langs straat en gracht wel eens waarnamen, +bijvoorbeeld als er iemand in het water viel; dan waren de menschen ook +verschrikt, je hoorde ze door elkaar gillen, hard wegloopen, +achteruitdeinzen, om hulp roepen, de handen uitsteken en op andere +manieren zich lawaaierig aanstellen. Zoo'n volksoploopje met druk +gedraai van lijven en gewring van handen blijft er van de prent over, +als we die eene figuur er uitnemen. + +En met deze figuur, is alles plechtig en grootsch. Het statige dringt +het drukke gedoe van de omstanders op den achtergrond. We denken niet +langer aan onbeduidende straattooneelen, maar we krijgen weer den indruk +van eene testamentische, eene aartsvaderlijke geschiedenis. Het +oploopje, dat zoo in het voorbijgaan even de menschen in beweging +bracht, is eene gebeurtenis geworden voor alle tijden, eene bladzijde +uit de boeken der eeuwen. We behoeven de bijbeltekst niet te kennen, om +reeds bij den eersten blik te begrijpen, dat dit voorval iets bijzonders +is, iets groots, iets dat invloed zal hebben op geslachten en +nageslachten. + +Waaraan is dit anders toe te schrijven, dan aan de majesteit, de +verhevenheid van de gestalte, die naast het graf van Lazarus staat! + +Toch spreekt uit de teekening ook eene verkeerde neiging van Rembrandt. +Hij zet zijne figuur daar neer, alsof ze een tooneelheld is; met +sierlijk gebaar wordt de eene hand in de zij gezet en de andere met wat +erg veel vertooning omhoog geheven. Hij overdrijft het grootsche en +maakt er eenigszins comediespel van. We mogen deze opmerking gerust +maken; al is het onderwerp aan de Heilige Schrift ontleend, wij spreken +niet daarover maar over den teekenaar. + +Zijn streven om het mooi te maken blijkt bijvoorbeeld heel duidelijk uit +de plooien, waarin de rechterhand den mantel heeft opgenomen. De zeven +bochten maken den indruk, dat ze in stevig metaal of karton zijn +gebogen. Niet aangenaam is het, dat we een paar dergelijke plooien op +den achtergrond aan den linker kant in eene groote draperie terugvinden. +Het lijken wel oude bekenden uit gordijnenwerk van menschen, die onze +kamers stoffeeren. + +De indruk, dien de opwekking van den gestorvene op de omstanders maakt, +is in allerlei verscheidenheid weergegeven. Het liefste is ons het +vrouwenfiguurtje rechts op den voorgrond. Het staat in schaduwgedaante +voor het felle zonlicht, dat van buiten af in de groeve doordringt. Met +spanning ziet het vrouwtje de levensverschijnselen op het doodengelaat +terugkeeren. Doch met eene spanning, die ingehouden wordt. Het +rechterhandje legt zich zelfbedwang op, om nog geen uiting te geven aan +de vreugde, om nog af te wachten. Te groot is het wonder, te groot het +geluk, om reeds te kunnen gelooven. Van innigheid en liefde getuigt deze +ingehoudenheid, meer dan de uitgelaten gebaren der anderen. Ook de +plaats, waar dit figuurtje zich bevindt, aan het voeteneinde van het +graf, afgescheiden van de overigen, is iets aparts. + +Van de overige personen geeft ieder, op eigen wijs, in +gelaatsuitdrukking of handgebaar uiting aan zijne gewaarwordingen. +Schrik, ontsteltenis, verrukking, ongeloovigheid en afschuw, iedere +aandoening vindt hare vertolking. Wantrouwen zelfs, en de nuchtere +berekening, hoe dit verrichte wonder als een wapen tegen Jezus gebruikt +zal kunnen worden. + +De verlichting, waaronder deze figuren zijn geplaatst, heeft eene +grootsche werking. Het ongeoefend oog zal bij den eersten aanblik +misschien den indruk krijgen, dat de kunstenaar groote vlakten in zijn +werk wit heeft gelaten en dus nog niet heeft bearbeid, alsof de +teekening onvoltooid is gebleven. Maar tusschen de oogharen door gezien, +gaat er een licht op. De ruimten, die niet met zwarte lijntjes zijn +gearceerd, blijken verlicht te zijn. + +Door de opening van het rotsgraf vallen zonnestralen naar binnen en +spreiden hunne helderheid over de groeve en den rotswand, over Lazarus +en de groepjes terzijde van het graf; ook over het front van den Heer +Jezus, terwijl daarenboven de achtergrond rechts in lichtelaaie schijnt +te staan. Steeds door de oogharen moet men zien, hoe, daarbuiten, die +gloed naar boven toe in ijle en zware wolken opwasemt, hoe, met het +onhandelbare middel van harde zwarte krassen, de luchtigheid van +opdampende lichtnevelen is verkregen. De tot het leven terugkeerende +Lazarus is het middelpunt van de zonnebestraling, en als verlegen ligt +hij onder de glorie van het grootsche licht, waarin hij ontwaakt. Zijne +kleine machtelooze figuur wekt in dien gloed nog te meer ons medegevoel +en medelijden op. Hij is het middelpunt niet slechts van de blikken der +omstanders, maar ook van de binnenvallende zonnestralen. En onze blik +dwaalde eveneens het eerst en het laatst naar hem. + + * * * * * + + + + +EENE LATERE OPWEKKING. + + +Vele jaren later heeft Rembrandt voor de tweede maal het onderwerp "de +opwekking van Lazarus" behandeld. We zullen deze plaat met de vorige +vergelijken, om de verschillen vast te stellen, en de oorzaken van de +verschillen op te sporen. Het ligt voor de hand om te zeggen: "als een +groot teekenaar iets aflevert, levert hij het af, zoo goed als in zijn +vermogen ligt, hij kan het een tweede maal dus niet beter, tenzij het +den eersten keer gebrekkig is geweest." De vergelijking zal echter +leeren, dat dezelfde kunstenaar een zelfde onderwerp anders _moet_ +behandelen, indien er later andere gevoelens in hem omgaan. Dat dus de +levenslotgevallen invloed hebben op het werk. + +We herkennen weer een rotsgraf; maar nu met uitzicht op een landschap +met geboomte; daarachter, op een berg, verrijst eene stad; verder, +evenals op de eerste plaat, een groep omstanders, de Heer Jezus en de +verrijzende Lazarus. Ook hier beschijnt het zonlicht een deel van het +tafereel, maar het is minder opzettelijk, minder bepaald op de plek +gericht, waar het wonder geschiedt. En het is thans niet het ontwaken +uit een pijnlijk diepen slaap, wat de kunstenaar ons voor oogen stelt, +maar de groote bevreemding van den ontwakende. Lazarus begrijpt niet, +wat er voorvalt. Hij kent den persoon niet, die tegenover hem staat, hij +herinnert zich niet, wat met hem gebeurd is. De mond, die de eerste +levenslucht heeft ingeademd, blijft sprakeloos halfgeopend staan, en is +vol verbazing. Met moeite en scheef richt het lijf zich half overeind. +Er is eene ontzetting van zoo het middelpunt te zijn van aller aandacht, +zonder nog te begrijpen waarom. De zintuigen zijn ontwaakt en nemen +reeds waar, maar de herinnering, de kennis, het innerlijk leven, moeten +nog terugkeeren. + +Rembrandts bedoeling is dus eene andere geweest dan in zijne eerste +"Opwekking", en begrijpelijk zien we die bedoeling voor ons. + +In de figuur van Jezus missen we thans het verhevene, het goddelijke. +Ook in het gelaat. Dit komt geheel niet overeen met de mooie gezichten, +die we van den Zaligmaker zoo wel eens op platen hebben gezien. Men zou +het bijna een ongunstig uiterlijk kunnen noemen. Maar er is één trek in, +waardoor we voor deze voorstelling van Jezus meer voelen, dan voor de +eerste. Het zijn de goedheid en de zachtheid, die hier spreken. De half +neergeslagen oogen, het even gebogen hoofdje, het bijna verlegen +afgewende gelaat, alles draagt daarvan de uitdrukking; de rechterhand, +niet vast en krachtig tot vuist gebald, maar zacht en mild, en nauwlijks +toegesloten; de linker, die op de eerste prent vol grootheid zich opheft +bij het veelzeggend woord, maakt hier een vriendelijk, bijna weifelend +gebaar, niet verder dan ter hoogte van de borst opgeheven. + +[Illustration: Latere opwekking (1642).] + +De opwekking is zoo geene uiting van goddelijke macht, geen wonder, om +er ongeloovigen mee tot bekeering te dwingen, maar ze wordt eene daad +van goedheid, van medegevoel voor hen, die bedroefd om het graf stonden, +een daad van liefde en van innigheid. Wel is waar zal men op de eerste +prent allicht de gestalte grootscher en mooier vinden; maar innerlijk +laat ze ons koud. Ons _gevoel_ wordt meer getroffen door de uitdrukking +van zachtheid op de tweede; door het echt menschelijke en vriendelijke +van den Heer in den omgang met menschen. + +Rembrandt is teruggekomen van het ontzaglijke tot het gewone. Ook in de +omstanders. Wel staan ze, evenals op de eerste plaat, ontdaan, +getroffen, verbaasd, maar geen een slaat er meer een gat in de lucht met +zijne handen. De teekenaar heeft zich weten te matigen, hij blijft +sober, eenvoudig en kalm. Aan gevoel ontbreekt het hem echter niet: men +zie slechts het gelukkige gezicht van het vrouwtje, dat naast Jezus +staat. En wat heft ook het mannetje aan Zijne linkerhand de handjes in +juistheid van gevoel: er is verbaasdheid over het wonder, in het +vooruitgestoken gezicht zoowel als in de handen; maar de aandoening +wordt met zelfbedwang ingehouden. Ingehouden ook in het geknielde +figuurtje op den voorgrond, dat wel ontzet terugdeinst, maar zich niet +aan groot misbaar te buiten gaat. Ondanks den indruk, dien het wonder op +de omstanders maakt, blijft eene waardige kalmte heerschen. En we maken +de opmerking, dat die kalmte wel past op eene plek, die toch altijd een +graf is. Kalm neemt vooral het oudvadertje het op, dat rechts van Jezus +op een steenblok zit. Hoogstens trekt hij de wenkbrauwen iets meer op +dan gewoonlijk, en stulpt hij zijne uitgezakte onderlip iets verder +vooruit, ten bewijze, dat hij niet volkomen begrijpt, wat hier voorvalt. +Wijsgeerig en onderzoekend rust zijn rimpelig hoofd op de knokige hand. + +Bij de beschouwing van de figuren der omstanders krijgen we den indruk, +dat Rembrandt al het vreemde en ongewone heeft willen vermijden, om des +te dieper te doen gevoelen, welke de uitwerking heeft moeten zijn van +dit wonder op de aanwezigen. Zelfs de achtergrond stemt tot kalmte; in +plaats van laaiende lichtwolken en opwasemende zonneschijndampen vinden +we een vredig landschap met vriendelijk uitzicht op de bergstad. + +De aandoening van grootheid, forschheid, uitgelatenheid en opwinding +heeft plaats gemaakt voor stille ernst en innigheid. Er is over den +teekenaar een zachtheid gekomen en eene mildheid, die ons weemoedig +stemmen. + +In de eerste plaat was hij hartstochtelijk, en streefde hij naar vertoon +van uiterlijke grootheid. Hij moest zich uitspreken met woeste en groote +gebaren. In de tweede is hij innig en gevoelvol; alles lijkt gewoon; +maar er zit teederheid en medegevoel in. In het dagelijksche leven +merken we ook op, dat zij, die bij alles het meeste misbaar maken, niet +juist de naturen zijn, die het diepst voelen. + +Door de twee platen zoo met elkaar te vergelijken, wordt het ons +duidelijk, dat niet de bijbeltekst vaststelt, hoe eene teekening zal +worden. Hetzelfde gegeven kan op twee uiteenloopende manieren behandeld +worden. Wat den doorslag geeft, is de gemoedstoestand van den +kunstenaar. Zooals hij de gebeurtenis voelt, zoo wordt de afbeelding. +Kan men in eene afbeelding niet merken, dat de teekenaar onder den +indruk van eene gemoedsbeweging heeft gewerkt, dan heeft men +waarschijnlijk te doen met een stuk van geringe waarde. + +Eene goede teekening weerspiegelt zelfs de stemming van den teekenaar in +een bepaald tijdperk van zijn levensloop. + +De gebeurtenis, die tusschen de twee bewerkingen van de opwekking van +Lazarus ligt, was wel in staat, om in het gemoed van Rembrandt in te +grijpen. In 1642 ontviel hem door den dood zijne jeugdige echtgenoote. +In de eenzame, slapelooze nachten, die nu volgden, dacht hij aan haar, +en peinsde hij over haar. Is het wonder, dat hij zich de mogelijkheid +voorstelde van een weerzien? Maakte niet de Schrift gewag van een geval, +dat een gestorvene uit den dood herrees en tot de zijnen wederkeerde? +Maar ach, dat kon gebeuren eeuwen en eeuwen geleden! Voor hem geen hoop, +dat Saskia tot hem terug zou komen, om nog op aarde naast hem voort te +leven. Voor hem niets, dan het denkbeeldig geluk, wat het zou zijn, als +_zij_ door Jezus uit het graf werd geroepen met de woorden: "Kom uit!" +De behoefte ontstond, om de opwekking van Lazarus nog eens te +behandelen. Maar nu met andere gedachten. Nu niet om te toonen, hoe +grootsch hij den Zaligmaker vond, en hoe vreeselijk voor Lazarus de +overgang uit het doodenrijk in het leven moet zijn geweest! Nu, om met +zijne gedachten te verwijlen bij het geluk, de blijdschap, de innige +zaligheid, die het herrijzen schonk aan de treurende nabestaanden; nu, +om zich voor te stellen, hoe goed de Heer wel geweest moet zijn, om dit +wonder voor zijne vrienden te verrichten. + +En zie: onder den indruk van deze gedachten bewerkte hij, kort na +Saskia's dood, de tweede plaat. Om die ten volle te begrijpen, moet men +met deze bijzonderheid uit het leven van Rembrandt bekend zijn. Zonder +die kennis zou men kunnen denken, dat de tweede bewerking alleen de +bedoeling had om iets te maken, dat beter was dan de eerste. Ze zou dan +ook van teekening de beste van de twee moeten zijn. Dit ligt echter in +de voorgaande beschouwing niet opgesloten: er is slechts aangetoond, dat +de tweede "Opwekking" inniger, liefdevoller is; en dat we kort na 1642 +niet anders van Rembrandt konden verwachten. + +Wat voor deze prent eene noodzakelijke behoefte gebleken is, eenige +kennis namelijk van de levensgeschiedenis van den kunstenaar,--dat kan +men evenmin bij heel veel ander schilder-en teekenwerk ontberen. Daarom +hebben geschiedvorschers met ijver datgene nagespoord, wat licht kon +verspreiden over zijne levenshistorie. Nog lang is alles niet bereikt; +veel bleef er in het duister gehuld; maar toch zijn er gegevens genoeg +aan het licht gekomen, om te kunnen zeggen, dat we de +hoofdgebeurtenissen kennen. Het is zelfs mogelijk geworden, om gedurende +enkele tijdperken met den schilder alles mee te beleven, wat hij +beleefde; om als het ware naast hem een met hem zijne lotgevallen door +te maken. Onder deze zijn er wel geene, die meer invloed op het gemoed +en op de werklust hebben gehad, dan die, welke hij met zijne vrouw +ondervond. We zullen daarom trachten iets meer van nabij met haar bekend +te worden. + + * * * * * + + + + +HISTORISCHE GEGEVENS. + + +Het was in den zomer van het jaar 1634, dat Rembrandt zich aan den +IJ-kant te Amsterdam inscheepte, om naar Friesland te gaan. De tocht +ging over zee, zooals toenmaals vanzelf sprak. De vervoermiddelen te +land waren slecht, de wegen eveneens, en bovendien was de Republiek nog +in oorlog met Spanje, waardoor een reis over de Veluwe soms onaangename +avonturen opleverde. In 1628 maakte de vijand onder aanvoering van +Cuculi nog strooptochten tot onder de wallen van Amersfoort. De +Zuiderzee daarentegen was veilig; de dagen van Bossu behoorden tot het +verleden. + +De beurtschipper zette onzen schilder te Harlingen aan land. Vandaar +ging het per binnenvaartuig over Franeker naar het weinig bekende dorpje +Sint Anna-parochie, en wel met het doel om er in de echt te worden +vereenigd met eene deftige Friesche jongedame. + +Rembrandts huwelijk is een merkwaardig staaltje van de geschiedenis van +Geschiedenis. + +Men stelt zich gewoonlijk voor, dat de kennis van dit vak uit boeken +wordt opgedaan. De schrijvers dezer boeken hebben op hunne beurt ook +weer uit boeken geput, maar zijn even dikwijls langs anderen weg achter +de toedracht der gebeurtenissen gekomen. + +Niet door overlevering, die van ouder op kind, van kind op kindskinderen +overgaat. Immers, wij in onze dagen, weten meer van Rembrandt,--om bij +hem te blijven--dan onze voorouders uit het jaar 1800, zelfs meer dan +die uit 1700, ja! meer dan Rembrandts eigen tijdgenooten! Zijne vrienden +en kennissen natuurlijk uitgezonderd. Onze kennis kan dus geene +overgeleverde kennis zijn. + +Zoo heeft men honderd en vijftig jaar lang niet met zekerheid geweten, +dat en met wie hij getrouwd is geweest. + +Men vertelde: met eene kleine, dikke boerin uit Raasdorp. Een dorp van +dien naam is er niet. Men begon dus, met maar aan te nemen, dat Ransdorp +was bedoeld, een plaatsje in Waterland. Echter wilde het niet gelukken, +om op te sporen, wie dan die vrouw geweest was. In de stad Amsterdam +snuffelde men allerlei papieren na, om het gewaar te worden. Ook in +Leiden, zijne geboorteplaats. + +Maar vruchteloos. + +Het toeval bracht de oplossing van het vraagstuk. Ver van Amsterdam, in +een vergeten dorpje in Friesland, werd, omstreeks het midden van de +19^{de} eeuw, in de oude boeken van het gemeentehuis, tusschen honderden +aanteekeningen, de ontdekking gedaan van deze regels: + + +"23 Juni 1634 zijn in den echt vereenigd + +REMBRANDT HERMENS VAN RHIJN + wonende te Amsterdam + en + SASKIA VAN ULENBORGH +thans gedomicileerd te Franeker." + + +Toen men nu ook in Amsterdam de papieren en de registers van het jaar +1634 doorzocht, en melding gemaakt vond van dit huwelijk, was de zaak +opgehelderd. Het boerinnetje van Raasdorp bleek een sprookjes-boerin te +zijn. Saskia van Ulenborgh kwam niet uit Noord-Holland en was allerminst +boerin van geboorte. De vader toch was burgemeester van Leeuwarden +geweest. + +Dit bewijst al, dat hij een man van aanzien was. Hij was bovendien +iemand, die wat durfde, daar hij behoorde tot de eersten, die in +Friesland in den Geuzentijd zich tegen den Spaanschen landvoogd +verzetten. Zeer toevallig is hij zelfs voor iederen schooljongen een +bekende, door eene gebeurtenis uit de vaderlandsche geschiedenis, +ofschoon men zijnen naam gewoonlijk niet kent. Zooals men weet, is Prins +Willem I van Oranje in 1584 binnen Delft op het Prinsenhof vermoord. Hij +ontving het doodelijk schot, terwijl hij de trap af ging, na het +middagmaal gebruikt te hebben. Bij dit middagmaal had hij als gast aan +tafel gehad eenen burgemeester van Leeuwarden, die over regeeringszaken +met hem gehandeld had. En deze nu was niemand anders dan de heer Van +Ulenborgh, met wiens dochter Rembrandt vijftig jaar later is getrouwd. +De schoonvader van Van Rijn is de laatste geweest, die met Willem den +Zwijger aan tafel heeft gezeten. Saskia is dus uit eene historische +familie! + +Wat wil het toch vreemd loopen! Menschen, die twintig of dertig jaar na +Rembrandt leefden, wisten niet beter, of hij was gehuwd geweest met eene +boerin. En wij, twee eeuwen later, zijn van zijne huiselijke +aangelegenheden nauwkeurig op de hoogte. _Zij_ vergenoegden zich met een +sprookje, _wij weten_, voor _ons_ is zijn levensloop eene bladzijde +geschiedenis. Zoo gaat het steeds. Eerst gebeuren de dingen. Dan worden +ze vergeten. Er komen geslachten, die zich er niet om bekommeren. +Eindelijk staan er menschen op, die er belang in stellen. Ze onderzoeken +en vorschen na. Een oud papier wordt gevonden, en het verleden is +ontsluierd. + +Er is bijna geene bladzijde in onze historie, of ze heeft hare +geschiedenis. Dikwijls is de geschiedenis van Geschiedenis even +merkwaardig als de Geschiedenis zelf. Dit moge nog blijken uit het +volgende staaltje. + +Nadat de ontdekking van Saskia van Ulenborgh had plaats gehad, zocht men +naar meer gegevens omtrent Rembrandts leven; vooral in de kerkelijke +boeken snuffelden de wijsgeeren. In die van de Westerkerk te Amsterdam, +de kerk, waar in 1667 de groote schilder begraven is, ontdekte iemand, +dat hij eene weduwe had nagelaten met twee kinderen, die onder den naam +Catharina van Wijk beschreven stond. Eene andere, waarschijnlijk dus +eene _tweede_ vrouw! Natuurlijk was de ontdekker met dit nieuws in de +wolken. Gelooven moest men het wel; het stond onweerlegbaar in het +register te lezen. + +Maar wat ontdekte later een tweede wijsgeer, die de registers van de +Westerkerk doorsnuffelde? Zijn blik viel op eene bladzijde, waar het +overlijden en het begraven beschreven stond van den echtgenoot van +Catharina van Wijk. Hier ontbrak echter de aanteekening, dat deze +overledene eene weduwe met twee kinderen naliet, eene aanteekening, die +men juist wel leest op het folio, waar Rembrandts overlijden geboekt +staat. Er moest een abuis hebben plaats gehad. En dit behoeft ons voor +de zeventiende eeuw niet te bevreemden. Zaken van geboorte, huwelijk en +overlijden werden met heel wat minder zorg behandeld dan tegenwoordig. +_Wij_ moeten er voor naar het gemeentehuis, en daar, op de afdeeling +"Burgerlijke Stand", hebben de ambtenaren niet anders te doen, dan te +zorgen voor nauwkeurige registratie. + +In de zeventiende eeuw ging het anders, maar niet beter. De zaken van +den burgerlijken stand werden in de kerken aangeteekend. Wilde men +onderzoek doen naar iemands geboorte-of sterfjaar, dan moest men eerst +trachten gewaar te worden, in welk kerkgebouw hij was gedoopt of +begraven. Zoolang men dit niet wist, richtte men niets uit. De +ambtenaar, die met het belangrijke werk van registratie was belast, +leefde niet voor dit ambt alleen. Zelfs was dit niet zijn voornaamste +werk. Hij was eigenlijk doodgraver van beroep, en kon gewoonlijk beter +met de spa dan met de pen omgaan. Voor vele van deze +waardigheidsbekleeders was het schrijven in de de kerkelijke registers +eene dagelijksche kwelling. De doodgraver van de Westerkerk te Amsterdam +lichtte er zelfs de hand wel eens mee! Hij liet soms aanteekeningen weg, +die niet mochten ontbreken. Voelde hij zich later bezwaard over het +begane plichtsverzuim, dan greep hij pen en inkt en trachtte de fout +goed te maken. Zoo schijnt hij een zwak oogenblik te hebben gehad op den +dag, toen de echtgenoot van Catharina van Wijk werd begraven. De naam +van den overledene werd nauwgezet geboekt, maar dat er eene weduwe met +twee kinderen achter bleef, liet hij maar weg. Eenigen tijd daarna begon +hij zich hierover toch ongerust te maken. Hij sloeg het register op en +zocht den overledene, wien hij te kort gedaan had. Daar hij zich den +naam niet meer herinnerde, moest hij gissen. Gissen doet missen. De +weduwe met hare twee bloeien van kinderen werd bij Rembrandt +aangeteekend, die reeds eenige jaren vroeger gestorven en aldaar +begraven was. Honderd en vijftig jaar lang bleef de groote schilder in +dezen echt vereenigd, zonder dat man en vrouw, en zonder dat vader en +kinderen elkaar misschien ooit gekend hadden. Het huwelijk, door den +doodgraver in alle stilte voltrokken, bleef een geheim, totdat in de +negentiende eeuw de eerste wijsgeer het ontdekte en openbaar maakte. +Toen kwam wijsgeer nommer twee, betrapte den doodgraver op +registervervalsching en plichtsverzuim, ontbond het huwelijk en wees de +twee kleine Van Wijkjes aan den waren vader toe, hetgeen Rembrandt van +de zorg voor hen ontsloeg. + + * * * * * + + + + +REMBRANDT LANDSCHAPSCHILDER. + + +Rembrandt Hzn. van Rijn huwde alzoo in het jaar 1634 op den 22^{sten} +Juni. Hij voerde zijne vrouw naar Amsterdam en betrok de woning in de +Breedstraat, onder welks dak hij zooveel ernstige en gelukkige +levensomstandigheden doormaken zou. + +De Breedstraat, thans een deel van de oude stad, was destijds eene +nieuwe straat, een buitenwijk. In 1631 was Amsterdam opnieuw en voor de +zooveelste maal uitgelegd. De toename van bevolking bleef maar +aanhouden: handel en zeevaart deden schatten toevloeien, de hoop op +fortuin nieuwe bewoners. Nadat de halve cirkel binnen de Heerengracht +volgebouwd en te klein gebleken was, werd een breede gordel van +omliggend weiland binnen nieuwe vestingwerken en eene gracht, de +Keizersgracht, besloten en ter bebouwing bestemd. + +Doch spoedig bleken de Heeren den gordel te smal genomen te hebben, en +maakten ze de fout goed, of trachtten die goed te maken, door aan de +halve maan eene nieuwe verbreeding toe te voegen, begrensd door de +Prinsengracht met hare vestingwerken. + +Het zal den schilder eene behoefte zijn geweest, niet al te ver van de +vrije natuur te wonen. Slechts een paar honderd passen behoefde hij te +maken, dan was hij buiten. Hier kon hij zijn hart ophalen aan het +gezicht op grazige weilanden, van slooten doorsneden, op boerenwoningen, +in geboomte verscholen, aan tal van windmolens, zoowel poldermolentjes +als groote, statig rondwiekende houtzaag-en korenmolens. Vooral deze +laatsten vond men even buiten de stad in grooten getale. Geboortig als +hij was uit eene molenaarsfamilie, voelde Rembrandt zich steeds +aangetrokken tot deze schilderachtige gebouwen. Zijn vader had er een in +Leiden, in het aangrenzende huis was hij geboren en opgegroeid. + +Nog binnen de stadsgracht, op een zoogenaamd bastion van het bolwerk, +dicht bij de Muiderpoort, stond het exemplaar, waarvan hij ons eene +afbeelding heeft nagelaten. + +Rechts zien we het water van de gracht, waarin een visschersbootje met +gestreken mast; op den achtergrond eene boomenrij, misschien een singel, +een wandelpad, dat de gracht aan den buitenkant volgde. Van het water af +loopt het terrein naar links een weinig omhoog, waarschijnlijk naar den +stadsmuur, die de buitenzijde van het bolwerk vormt. Daar, waar de +gracht eene bocht maakt, springt de muur boogvorming vooruit en vormt +een hoog terras, het bastion. Hierop staat de molen met bijbehoorende +gebouwen. In vele steden, die in de 19^{de} eeuw ontmanteld zijn, bleven +de bastions gespaard om aan de molens het voortbestaan te verzekeren. Nu +deze echter door de meelfabrieken doodgeconcurreerd worden, verdwijnen +met hen ook de laatste overblijfselen van de vroegere vestingwerken. +Houtzaagmolens vonden op bastions geen plaats: die moeten laag aan den +waterkant staan. + +De schilderij bewaart ons dus een gezicht op de stad, zooals ze er aan +de buitenzij uitzag. De schilder heeft het tooneeltje zitten aan te +kijken op het lage pad, dat aan den binnenkant van de gracht liep, +tusschen deze en den stadsmuur. Dit blijkt uit de schilderij zelf; die +geeft ons het beeld van wat hij voor zich zag. Terwijl hij werkte en +ijverig zijne penseelen hanteerde, liep het tegen den avond. De hemel +heeft eene lichtende klaarte, alles wat van de aarde is, staat er in +zware kleuren tegen af te steken; alleen het water, dat de klaarheid +weerspiegelt, blinkt helder op uit de donkere omlijsting. Ook het +voetpad, met zijne blanke tinten van zand of platgetreden steenstorting, +is zacht van licht. + +Overigens staat alles in zware grijsheid tegen de heldere lucht. We +voelen, hoe stil en schoon Rembrandt de lichtdiepte van den avondhemel +heeft gevonden. + +[Illustration: Molen.] + +Van linksboven af naar het midden toe, worden de tinten ijler en ijler. +De donkere kleuren, die het geheel aan den bovenkant als een boog +omspannen, dringen het oog steeds meer naar het midden, naar het +vooruitspringende deel van het bastion, waar de hemel in klare +avondzuiverheid tot in verre diepte wegwelft. + +Vòòr die lichtdiepte rijst het zware muurgevaarte omhoog. Langdurig moet +het den schilder geboeid hebben om te kijken naar de breede en hooge +afmetingen van deze aard-en steenmassa, in tegenstelling met de luchtige +doorschijnendheid van den avondhemel. Het was hem als een rotsgevaarte, +als een brok voorgebergte, dat in het water vooruit staat. Het muurwerk +is éen geworden met de aarde; ouderdom en verweerdheid gaven donkere, +diepe kleuren, hier wat lichter, daar wat zwaarder, al naar gelang de +buitenkant meer of minder afgebrokkeld, met mossen begroeid of van vocht +doortrokken was. De bovenrand en de neerdalende zij-lijn missen de +kantigheid en de strakheid van nieuwe steen. Het is, alsof de tijd ze +rond heeft afgesleten; de staande lijn, die rechts den muur begrenst, is +een weinig rond ingebogen en achterover gezakt, waardoor het geheel nog +meer den indruk maakt van een zware massa, die geen steun behoeft, om +zoo in elkaar te blijven hangen. + +Het grasveld, dat den bovenkant bedekt, hangt als een zwaar kleed rustig +over den rand heen. De helling, die links het bolwerk verbindt met het +lager gelegen pad, is een even zware massa als het muurwerk, waar ze +tegenop ligt. Ofschoon niet steenachtig van aard, vormt ze er éen geheel +mee; het gansche terrein is éen groote, breede opheffing geworden van de +aarde; alles ligt in rustig evenwicht tegen elkaar aan: nergens staat +een brok muur of grond los en afgezonderd van de rest. Het penseel wist +er éen klomp van te maken, ofschoon de samenstellende deelen alle zich +zelf bleven, hetzij muur, hetzij grasveld, hetzij voetpad. Ook dit +laatste is in het geheel opgegaan. Wel is het lichter van kleur, zooals +een pad in de schemering als een stille blankheid uit het donker van de +omgeving opblinkt; maar het is geen afgezonderd tooneeltje gebleven; de +blankheid en de donkerte liggen niet scherp naast elkaar. Het verschil +in lichtheid is gering; we krijgen wel den indruk van eene zekere +blankheid, maar dat gedeelte van de schilderij is toch nog vrij donker. +En bovendien is er een overgang, die uit allerlei tusschentinten +bestaat. Kijk maar eens, wat een rommelige ruigte van gras, struiken, +puin of steenbrokken de geleidelijke verbinding is tusschen de twee +partijen. En wat is in het pad zelf de afwisseling mooi weergegeven van +vochtige en droge, van hooge en platgetreden gedeelten, van flauwe +wagensporen, onmerkbare hellingen naar den waterkant, en opstaande +kantjes tegen het grasveldje, links op den voorgrond. Toch bleef dit +éen blanke plek, die zich rustig en vast tegen de oprijzende massa +daarachter vlijt. Men voelt, op wat voor vasten puinbodem de figuurtjes +zich bewegen, die van de hoogte afkomen, of aan den waterkant staan. + +Een vrouwtje ligt linnen uit te spoelen in de gracht. Spelende +verspreiden zich kringen over het spiegelwater. Het trok den schilder +aan, om dit stille bewegen op zijn doek vast te leggen en den indruk te +bewaren. Het golflijntje, dat een voorbijzwemmend eendje of een in het +water geworpen kluitje doet ontstaan, is iets, waarnaar we gaarne stil +en in gedachten verzonken staan te kijken. Zoo ging het Rembrandt ook. +Terwijl hij daar op het lage pad, op eenen vredigen avond, zat te +schilderen, kwam een vrouwtje naar beneden om iets uit te spoelen; een +oogenblik rustte zijn penseel, en volgde zijn oog de kringen, die zich +verspreidden, tot ze tegen het bootje botsten, en daar eenige +krinkeling te weeg brachten in het donkere spiegelbeeld. Het was eene +kleine, onbeduidende gebeurtenis, die de rust van den avond verbrak +zonder ze te storen. En met een paar zwierige, dartele penseelstreken +werd ze snel en juist in beeld gebracht, om den lieflijken, vredigen +indruk van zoo'n schoonen avond te bewaren. De stilte mocht geene +levenlooze eenzaamheid worden; eene uiting van leven moest er zijn, als +maar de rust niet verstoord werd. Lieflijker kon het wel niet, dan het +zachte bedrijf van zoo'n vrouwtje er in te brengen, en het +voorbijgaande, kortstondige opleven van den waterspiegel. + +Wat kunnen we ons zoo geheel indenken in den gemoedstoestand van den +schilder, en een denkbeeld krijgen, hoe vatbaar hij was voor indrukken. +Zonder naar het molentje gezien te hebben, dat anders door vele +beschouwers voor hoofdzaak gehouden wordt, weten we, wat voor hem het +eigenlijke onderwerp was, dat hij schilderde. Niet de inrichting van +zoo'n stads-buitenkant, ook niet de vorm van een molen, maar de vredige, +rustige, kalme stemming van een mensch, die daar zit, en die genieten +kan van plechtige avondstilte, van mooie, klare luchten, boven bijna +ingesluimerde stadsgedeelten. + +Denk toch niet, dat zoo'n kunststuk er is, om even op de vingers na te +tellen, wat er op staat. We moeten er in doordringen, om tot het besef +te komen, hoe de schilder voelde, hoe zijn gemoed door de verschijnselen +bewogen werd. + +Het molentje is maar bijzaak, al is men geneigd, het stuk daarnaar te +benoemen. Het staat er, om midden op het doek een verheffinkje aan te +brengen, en het stond nu eenmaal op het bastion. Bevallig, rank en +rustig is het weergegeven, ofschoon in onzen tijd de schilders er niet +van houden, om op de wieken zoo'n witten glans aan te brengen. Het +balkwerk van den kruistaart zit er handig en gemakkelijk achter tegen +aan. Een klein spetje wit maakt scheiding tusschen boven-en onderstuk, +waardoor de molen een onderkruier wordt. + +Het huizegroepje en een beetje laag geboomte staan gezellig bij elkaar. +Je krijgt net een idee, alsof het een klein dorpje is, het eene dakje +wat hooger of wat lager dan het andere. Het schoorsteentje staat er +bovenuit te steken, alsof het een dorpstorentje wou wezen. Alles werkt +mee om het vreedzame, landelijke uit te drukken. + +Zóó zag Rembrandt nu de wereld. Hij had aan vreemde gebouwen, +wonderlijke rotsen en geheimzinnige spelonken geene behoefte, als hij +natuurgenot wilde smaken. Het meest alledaagsche tooneeltje maakte +indruk op hem. Vandaar zijne geringe reislust. Kunstbroeders achterna te +trekken, de wonderen van Italië te zien, naar de grootsche tafereelen +der Alpen op te kijken, hij voelde er geen behoefte aan. Hij was +huiselijk, bleef gaarne bij moeder de vrouw en vond zijn vaderland een +schoon land. Waartoe zou dan trekken en rondzwalken gediend hebben! + +Het is eene verheffende gedachte, dat hij, die een der grootste +schilders der wereld is geweest, Holland mooi vond. Dat geeft ons moed, +om het met dat vaak verguisde, platte, vlakke polderland toch ook maar +te probeeren. Het moet, blijkens Rembrandts voorbeeld, mogelijk zijn, +het mooi te vinden. Niet het zeldzame, niet het wonderbaarlijke, niet +het verhevene doet 't em; alles, wat vreemde landen aanbieden, kan men +ontberen, mits de goede wil er is. + + * * * * * + + + + +VROUWE SASKIA. + + +Van Rijn behoefde zelfs niet de Muiderpoort uit naar Muiden, naar +Naarden of naar het Gooi te wandelen, om tooneelen te vinden, die hem +boeiden; hij had ze, om zoo te zeggen, naast de deur. En we kunnen ons +denken, hoe hij met zijne jonge vrouw naar buiten wandelde, en het +Friezinnetje attent maakte op al het schoone, wat Amsterdams buitenkant +te zien gaf. Hoe hij, even stilstaande, met een potloodkrabbeltje wist +aan te duiden, wat hem hier of daar het meest trof, of, aan den kant van +den weg zich neerzette en een schetsje maakte, om het Saskia aan te +bieden en haar oog voor natuurschoon te openen. + +Toch trok geen onderwerp den grooten teekenaar zoo aan, als Saskia zelf. +Tot in het oneindige heeft hij haar uitgebeeld, haast dagelijks moest ze +voor hem zitten, en maakte hij haar portret. + +Een luchtig teekeningetje is dat, wat hij maakte kort na zijn trouwen. +Hij schreef er eigenhandig iets onder. Men ziet: schoonschrift is 't +niet. Hij schreef, evenals zijn meeste tijdgenooten, steilschrift; zijn +hand is los en vlug--geen wonder! de hand van Rembrandt!--Wie mocht +meenen, dat je aan de penneschrappen eigenaardigheden opmerkt, die aan +het schrijfgereedschap van die dagen, aan de ganzepen herinneren, hoede +zich voor overijlde gevolgtrekkingen: ditmaal heeft de +teekenaar-schrijver noch potlood, noch pen en inkt, noch krijt gebruikt, +maar eenvoudig een zilveren stiftje, rijn toegepunt, en daarbij een +bijzonder soort papier, op ivoor gelijkend; een schrap met de stift laat +hierop een zwart spoor achter. Een zilverstiftschrift dus, en een +zilverstiftteekening. + +Er staat te lezen: + +"Dit is naer mijn huijsvrou geconterfeit, do sij 21 jaer oud was, den +derden dach als wij getroudt waeren. + +de 8 junijus +1633." + +Den derden dag, nadat ze getrouwd waren; het huwelijk had plaats op 22 +Juni 1634; drie dagen later schreef men 25 Juni 1634. Dat is echter geen +8 Juni 1633. Deze datum klopt niet met de opgave in het kerkregister te +St. Annaparochie. Waar schuilt de fout? In het register? Dat is moeilijk +te gelooven. De koster, die bij de huwelijksvoltrekking het feit +aanteekende, zal toch wel met de almanak bekend geweest zijn. De datum +mag iemand eens voor een oogenblik vergeten zijn, maar een vol jaar +vergist men zich niet. Op de teekening dan? Maar wat voor den koster +geldt, geldt ook voor Rembrandt. Het ging hem zelf aan, van hem kunnen +we ons nog moeilijker eene vergissing denken. Wie van hun beiden heeft +gelijk, wie ongelijk? Dat is een kolfje naar de hand van eenen +geschiedvorscher: uit te zoeken, hoe het mogelijk is, dat Rembrandt, +nadat hij drie dagen getrouwd was, niet op de hoogte van datum en jaar +was. Wie het vraagstuk oplost, kan er eer mee inleggen. + +Wij zien intusschen de teekening verder aan. + +In dit schetsje zit leven. Leven is iets, wat men niet met den vinger +kan aanwijzen of met eenen passer kan nameten, in werkelijkheid evenmin +als in beeld. Maar als we den indruk krijgen, dat er leven in zit, +moeten we het er ook over eens kunnen worden, waardoor die indruk +ontstaat. + +We beginnen met het portretje op een kleinen afstand te houden. Dan +hinderen de arceeringen in het gezichtje ons niet; die lossen zich op in +eene gelijkmatige tint. + +Zie, ze zit nu naar iemand tegenover haar te kijken. Of is de blik op +eenen muur gevestigd? Neen, op eenen persoon. Immers, de oogen staan +schalksch, een beetje spottend. Het dikke randje onder het oog kennen we +wel; dat is een lachje, het is dartelheid. Zoo zit iemand niet op een +stuk muur te kijken. De blik geldt hem, dien ze lijden mag, en dien ze +nu, in haar speelschheid, niet kan nalaten te plagen. Er tintelt iets in +het oog, dat levenslust is. Let eens op, hoe, uit de geschaduwde linker +helft van het gelaat, het oogwit tusschen oogappel en ooghoek speelsch +en blijmoedig te voorschijn licht. Dat wit gelaten plekje draagt er wel +toe bij, om ons den indruk van leven, van vroolijk, schalksch leven te +geven. + +[Illustration: Portret van Saskia.] + +Zit het mondje strak en ernstig af te wachten, wat de teekenaar van de +schets zal maken, of speelt ook daar niet hetzelfde lachje? Voelen we in +den opgetrokken rechter mondhoek niet een beetje spot? Staat daar niet +uitgedrukt: "mij teekenen, dat kun je niet?" Is dat trekje er niet op +berekend, om hem aan 't lachen te maken? Het is, alsof we, tegenover +haar, Rembrandt zien zitten, ijverig in de weer, om haar portret en haar +leven vast te leggen op zijn teekenblad; de mond in ernstige plooi, het +oog bij afwisseling op haar en op zijn werk gericht. En haar zien we +probeeren, om den ernst van zijn gelaat te verdrijven, om door haar lach +ook hem een lachje af te dwingen. Hare schalkschheid, de tinteling op +hare trekken--we weten niet alleen, dat ze _hem_ gelden, we zien er +zelfs _zijn_ ernstig gezicht in; in het spottende en plagerige lezen we, +hoeveel moeite het hem kosten zal, om zich goed te houden, om er nu eens +de gek niet mee te hebben, dat hy haar teekenen wil. + +Zij zit niet vóór ons als eene eenzame, die zich aan onze onbescheiden +blikken blootstelt; ze heeft tegenover zich een, dien ze genegenheid +toedraagt. Het is, alsof we in de ruimte rondom haar de aanwezigheid +voelen van den persoon, tot wien haar glimlach zich richt. Die +aanwezigheid spiegelt zich in haar oogen, om haar mond, op geheel haar +gelaat. Zou die spiegeling niet het leven zijn, dat we in dit portretje +zien? Leven is wel iets vreemds, dat vaak moeilijk nader te bepalen is. +Men kan het soms hebben, dat men eene kamer binnenkomt, waar niemand te +zien is; het vertrek schijnt leeg te zijn, en toch ziet men behoedzaam +om zich heen, want men krijgt een gevoel, alsof er zich een levend wezen +bevindt; men zou gaarne een gordijn oplichten, een kast openen of in een +hoek kijken, om te weten te komen, of daar iemand schuilt. Men voelt +zich door leven omgeven. + +Bij Saskia gaat het niet geheimzinnig toe. Maar ook _haar_ voelen we +omgeven van leven; we kennen dit leven, en we weten, hoe hare gevoelens +zijn ten opzichte van dat leven. Dit alles geeft het portret te zien. +Meer dus, dan enkel een mond, een neus, een paar oogen, en wat verder +het gezicht helpt voltooien. Wat kan het zelfs schelen, of de gelijkenis +van deze onderdeelen volkomen is. Er zit iets in, dat van hoogere waarde +is, iets waarom we het een lief portretje vinden. + +Rembrandt moet dit wel goed begrepen hebben, als hij Saskia aanzag. Want +wat heeft hij in de eenvoudige krabbels en krasjes deze dingen zuiver +laten voelen; en nog wel dingen, die men niet onder woorden kan brengen +of in lijnen kan aanwijzen. + +Er is nog iets in Saskia, dat hem niet ontging, en wat het portret nog +meer liefs geeft. Zij let niet op zichzelf. Ze gaat niet parmantig +zitten met het idee: nu moet ik er mooi opkomen; en evenmin met het +tegenovergestelde idee: het kan me niet schelen, hoe ik er op kom. Je +kunt heelemaal niet zien, dat ze opzettelijk eene houding aanneemt. +Zooals zij zit, zoo zit iemand, wanneer hij van eene lange wandeling +thuiskomt. Men valt dan even op eenen stoel neer, om uit te blazen, +voordat men van kleeren verwisselt. Zonder erg komt de hand onder het +hoofd; het hoofd leunt er wel niet op; zie maar, de hand raakt het +nauwelijks aan, maar het geeft eenigen steun en de arm vindt het een +gemak om even op de tafel te rusten; iets waaraan de andere ook behoefte +heeft; die ligt er languit over heen en is zelfs niet hupsch genoeg, om +het roosje rechtop te dragen. Zoo laat men een bloem hangen, als de hand +moe wordt. + +Beide ellebogen rusten op de tafel. Netjes is 't niet. Dat zal vrouwe +Saskia ook wel weten. Maar ze kwam vermoeid thuis, en dan is het +verleidelijk om eens op je gemak te zitten. Niet recht op en neer, maar +het bovenlijf voorovergezakt; de borst zoo'n beetje tegen den tafelrand. +De kleeren wat losgemaakt en den hoed nog op 't hoofd. + +Wie zich zoo neerzet, neemt niet plaats om uitgebeeld te worden, maar +gaat zonder erg zitten, omdat zitten aangenaam is. Die let niet op +zichzelf, op houding en postuur, maar geeft zich, zooals ze is. Die gaat +zoo zitten, omdat zij bij haar echtgenoot is, en niet in gezelschap van +menschen, die altijd op fatsoen en behoorlijkheid letten. + +Het is deze argeloosheid, die onze teekenaar in zijne vrouw zag; en hij +gaf ze ons duidelijk in lichaamshouding, in armlegging, in handgebaar, +zelfs in het roosje te verstaan. Want dit roosje hangt net zoo over de +tafel heen als Saskia zelf. + +Eigenlijk is deze trek in haar dezelfde, als die, welke uit haar gelaat +sprak. Beide komen ze voort uit een gevoel, dat haar aangenaam was: ze +voelde zich prettig en op haar gemak, zoo bij haar beroemden heer +gemaal. Ze geneert zich niet, hem lachend in de oogen te zien, en +evenmin om het zich gemakkelijk te maken. Ze acht zich veilig voor +onbescheiden blikken en onbescheiden op-en aanmerkingen. + +Het trekt ons in haar aan, dat ze zich zoo argeloos onschuldig geven kon +aan den teekenaar; dat ze zelfs op dit oogenblik niet dacht aan nette +houding, aan gezicht-in-de-plooien, aan toilet of kapsel. + +Ongetwijfeld is hier de verklaring te zoeken, waarom we het beeld lief +vinden, en waardoor het ons bekoort. + +Daar komt nu nog iets bij, dat op den teekenaar betrekking heeft. + +Het schetsen van een portret ging hem zoo gemakkelijk van de hand, dat +zijne gedachten eigenlijk met dit werk alleen niet gevuld waren. Hij +behield een open oog voor de eigenaardige wijze van doen, zooals die op +te merken was aan zijn model. Onderwijl hij omtrekken van gezicht, hoed, +hoofd, lichaam, armen en handen zette, zag hij zeer goed, hoe weinig +acht Saskia op zichzelf sloeg, hoe weinig ze aan zichzelf en hoe zeer ze +aan hem dacht; hoe ze zich volkomen onbespied achtte, ofschoon tegenover +hem zittende. Hij zag dit in hare trekken, in hare houding, in den arm, +zooals die op de tafel lag, hij zag het in alles. En al schetsende, gaf +hij in elke lijn de uitdrukking van het vertrouwelijke, dat hij in haar +zag. De vriendelijkheid van hare verschijning, niet voor een ieder, maar +voor hem alleen, wist hij uit te teekenen. Hij wist, dat die eigenschap +van haar wezen kon verdwijnen, als anderen om den hoek gluurden. Hij +wist, dat zijne teekening bestemd was, om gezien te worden, en dat dit +streed met hare vertrouwelijkheid. Toch bracht het hem niet in +verwarring; hij zette het denkbeeld, dat anderen zouden zien, van zich +af en ging voort, om den indruk vast te houden en in beeld te brengen. +Met oogen en handen arbeidde hij, om de uiterlijke vormen op papier te +zetten, en intusschen bleef hem het besef bij, van de vertrouwelijkheid +tusschen hem en haar. En, arbeidende aan de vormen, schreef hij +eigenlijk in leesbaar schrift al maar door over die vertrouwelijkheid. +Niet meer de lichaamsgedaante behandelde zijn teekenstift, maar hoe zij +over de tafel heen naar hem toe gebogen lag; niet meer haar beeld, maar +hoe in dat beeld de ziel, het leven zich afspiegelde. + +Lang behoefde hij aan zoo'n schetsje niet te werken: alles is los en +vlug op papier geworpen. En toch raak en goed. Men lette bijvoorbeeld +eens op de zwierige lijnen, die de rechtermouw weergeven; in éen veeg +zijn ze opgezet, en in die éene veeg geven ze meteen aan, hoe in de +buiging, bij den elleboog, het kleed in breede plooien valt. Of op de +teere schrapjes van het linkerhandje, hoe als vanzelf de pink achterover +buigt. Het is een genot, om de bewegelijkheid van al die lijnen te +zien. In een photographisch portret ontbreekt dit. Men vindt er ook +niets aan, het te bezichtigen, tenzij men den persoon kent. + +Het is waar, dat de photographie nauwkeuriger en precieser in +kleinigheden is; dit weegt echter niet op tegen de uiting van echt +leven, die een teekenaar in zijn werk neerlegt. We beklagen de eeuw van +Rembrandt niet, omdat ze het zonder de camera obscura moest stellen, en +zich behielp met handgemaakte afbeeldingen, integendeel, we achten haar +gelukkig en betreuren het, dat later een werktuig is uitgevonden, +waarmee aan kunstenaars het werk uit de hand genomen en het brood uit +den mond gestooten is. Wel kunnen we thans voor weinig geld portretten +hebben van allen, wien we genegen zijn, en wel gelijken die zóóveel, dat +we de personen herkennen, maar ze zijn er naar! Het leven ontbreekt, en +ook datgene, wat we, na langen omgang, in gelaat, houding, gebaar en +lichaamsbouw hebben leeren opmerken. We zijn tevreden met den juisten +vorm van oogen, neus, mond en kin, we eischen niet meer; sedert de +zeventiende eeuw hebben de menschen zich leeren tevreden stellen met +afbeeldingen zonder het schalksche leven, zonder tintelenden +oogenopslag, zonder gemoed en karakter. Misschien zijn er zelfs reeds +menschen in onzen tijd, die aan hunne bloedverwanten en vrienden deze +eigenaardigheden niet eens meer opmerken. + +Het is best mogelijk, dat de kunst van photographeeren ons +gezichtsorgaan voor nauwkeurige waarneming van menschen en hunne +levensuiting heeft afgestompt. + + * * * * * + + + + +KLEINE TITUS. + + +[Illustration: Titus van Rijn.] + +Laten we naast Saskia nog eens nemen deze afbeelding van Titus, het +zoontje van Rembrandt. Dan zal ons blijken, dat ook hierin dingen +voorkomen, die een photographisch portret niet kan geven. + +Het ventje zit echt lekker op zijn gemak. Hij zoekt dit op kinderlijke +manier. Een volwassene gaat er anders bij zitten: niet zoo met het hoofd +in de nabijheid van de handen, en niet zoo in elkaar gedoken op den rand +van eene schoolbank of een raamkozijn liggende. Het omgebogen +polsgewricht van het rechterhandje is echt kinderlijk, ook de duim, die +het hoofdje steunt en een kuiltje in de kin drukt, waardoor de mondhoek +een beetje omhoog geschoven wordt! Daar behoort precies bij, die manier +om eene pen vast te houden, als men zit na te denken over hetgeen +geschreven moet worden. En zie eens het linkerhandje! Het komt net te +voorschijn, zooals we dat soms zien bij een poesje, dat behagelijk een +breed, mollig pootje vooruitsteekt. De heele figuur, het verlichte +driehoekje van gelaat, handen en boek, heeft iets poezeligs over zich. +Dit neemt dadelijk in voor het ventje. Het is ons onverschillig, of +oogen, neus, mond, gezichtsvorm en haar nauwkeurig gelijken, er is, +buiten dat, iets aantrekkelijks in. Het portretje geeft ons te zien, hoe +de vader zijn kind soms kon aantreffen, als het in school of thuis in +een hoekje te leeren zat. De houding moet indruk op hem gemaakt hebben, +want, toen hij ging schilderen, stelde hij zich het kereltje zóó voor. + +Het is niet waarschijnlijk, dat hij, zooals onze photograaf zou doen, +gelastte: ga nu zus of zoo zitten. Immers, dan wordt alles stijf en +houterig. Hier was geen afspraak; zonder erg zit Titus op zijn gemak na +te denken en voor zich uit te kijken, en argeloosheid kon de vader hem +niet als bevel opleggen. + +Dat we hem onbespied kunnen beschouwen, is juist het aantrekkelijke. +Want nu komt zijn ware aard aan den dag: zijne neiging namelijk om knus +en gemakkelijk ineen gedoken te zitten. Hij verloochent daarin niet, dat +hij een kind van Saskia van Ulenburg is! + +Het aantrekkelijke wordt nog verhoogd door de groote, donkere kijkers en +de lange, weelderige lokken. Bovendien vinden we het aardig, zoo +toevallig eens iets te zien, dat op het schoolgaan en het leeren in de +zeventiende eeuw betrekking heeft: een bundeltje vellen papier ligt op +een opengeslagen boek; de inkt,--het zal wel zelfgemaakte inkt wezen, +want dat was het gewoonlijk,--bevindt zich in eenen koker, die aan een +koordje of kettinkje hangt. Dit gerei droeg de leerling mee naar school +en zeulde er mee rond door huis; overal waar hij zich neerzette, om te +schrijven, had hij het bij zich; als hij voor het open raam plaats nam, +kon het best gebeuren, dat hij achteloos den inktkoker uit het raam heen +en weer liet bungelen. Ingenaaide schriften waren niet zooveel in +gebruik, als losse bladen papier. Deze omstandigheid gaf hier den +schilder gelegenheid, om te laten zien, hoe de velletjes soms plat op +elkaar, soms met eene gapende opening er tusschen kunnen liggen. + +Met Titus er bij hebben we nu den kleinen huiselijken kring compleet, +waarin Rembrandt anno 1642 leefde. We moeten echter bedenken, dat de +zoon nog heel klein was, toen Saskia overleed; de moeder heeft hem nooit +gezien, zooals de vader hem hier afbeeldt. + +In de portretten van vrouw en zoon heeft hij wel duidelijk uitgedrukt, +met hoeveel hart hij aan beide hing, hoe gelukkig hij zich aan den +huiselijken haard voelde, toen Saskia nog leefde. Ook zal hij innerlijk +bewogen geweest zijn, als hij later het kind uitbeeldde en opmerkte, hoe +hare geaardheid, hare natuur daarin voortleefde, toen zij reeds lang +ter ziele was. + + * * * * * + + + + +ACTIE. + + +Naast elkaar zijn hier gesteld twee groepjes van twee personen, die +eenige woorden met elkaar wisselen. Het eene stelt voor een Amsterdamsch +burger uit het jaar 1633, scheepsbouwer en teekenaar van +scheepsontwerpen van beroep, met zijne vrouw, die een briefje binnen +brengt. Het andere is Michiel Azn. de Ruyter, in gesprek met zijnen +stuurman Zeger. Al dadelijk valt het op, dat De Ruyter en Zeger, elk met +een paar gelijke platvoeten en een paar zwarte kuiten, recht op en neer +naast elkaar staan. Beider onderstel, met en benevens de wijde broeken, +schijnen naar een en hetzelfde model te zijn gevormd. De enkels zijn te +dik, en evenveel te dik, het aanzwellen der beenen, naar boven toe, gaat +gelijk in zijn werk, de broeken hangen er gelijk om. Vervelend is het +verder, dat beide gelijkelijk het front naar elkaar draaien, en dat ze +beide den naar elkaar gekeerden arm schuin omlaag, den anderen arm +opgeheven houden. + +[Illustration: De Ruyter en Zeger.] + +De Scheepsbouwmeester en zijne vrouw zijn zonder zulke toevalligheden +tot een groep bijeengebracht. De houding van de handen der vrouw laat +zich zeer goed met die van De Ruyter vergelijken. Zij houdt met de +linker kloek en ferm de klink van de deur omvat, niet nuffig en met +opzettelijke bevalligheid, maar zooals eene degelijke huisvrouw in +drukke bezigheden alles doet. De Ruyter doet iets, dat, op zichzelf +beschouwd, een daad is van kloekheid, van moed en van durf. Eigenlijk +moest hij dus ook onverschrokken met de linkerhand naar den Engelschman +wijzen, dien hij tot partuur heeft gekozen. Maar hoe is dit op de plaat +uitgedrukt? De wereldvermaarde zeebonk steekt een blank, mollig, klein +handje uit, de arm is slap en zonder fierheid opgeheven, het +wijsvingertje bij het jongejuffrouwenduimpje wijst op kromme manier iets +aan. Men zou haast denken, dat mijnheer Zeger heeft gevraagd: "Hoe loop +ik het kortst van hier naar de Kipstraat?" en dat een voorbijgaand, +ziekelijk oud heer met een pijnlijk gezicht antwoordt: "Hier links den +hoek om." Waarop gemelde heer Zeger met vriendelijk gelaat voor de +bekomen inlichting bedankt, beleefd den hoed licht, en den ouden heer +eene prettige wandeling toewenscht. + +Zoo kan geen De Ruyter het vermaarde commando hebben gegeven, zoo strekt +geen held met gebiedend gebaar den arm. + +[Illustration: Scheepsbouwmeester en vrouw.] + +De rechterhand is niet beter van teekening. Misschien loopen er +verwaande menschen rond, die op deze manier met gebogen polsgewricht den +knop van een wandelstok omvat houden, maar van onzen Vlissinger Michiel +gelooven we het niet. + +Zie daarentegen, hoe het vrouwtje haren brief overreikt. De bedoeling is +volkomen duidelijk uitgedrukt: ze laat hem niet zien, ze neemt hem niet +weg, maar ze overhandigt. Zelfs zit in het handgebaar de beweging van +iemand, die achterwaarts een briefje afgeeft. Men probeere zelf de +houding na te bootsen. + +Ook de handen van den scheepsbouwmeester mogen gezien worden bij die van +stuurman Zeger. Zijn linker, eene dikke, vleezige werkhand blijft rusten +op het teekenwerk, terwijl het hoofd zich even opricht om te zien, wie +den arbeid komt storen. Is het niet, alsof die hand, met gedachten +vervuld, bij het werk tracht te blijven, alsof ze den gedachtengang wil +vasthouden, tot de stoornis voorbij is? + +De rechter wil het briefje in ontvangst nemen. Echter niet met een +gebaar van haastig aanpakken. Het binnenkomen van moeder de vrouw wordt +euvel opgenomen, omdat het storend is. Vandaar dat de hand maar +aarzelend uitgestoken wordt. Dit is geheel in overeenstemming met 's +mans gelaat; de afdruk laat duidelijk een lichten graad van +ontevredenheid zien; die blik op zijne vrouw en het voorhoofd-fronsen +zijn er de blijken van. + +De rechterhand van stuurman Zeger neemt op eene wijze den hoed af, die +noch de manier van een zeeman, noch die van een fijn heer is. Houvast +zit er niet in; een groote, vilten, zeventiende-eeuwsche hoed zou wel +anders doorbuigen, als men dien bij het uiterste randje tusschen duim en +vinger aanvatte. Hij lijkt wel van hout. Wat is daarbij vergeleken het +passertje goed geteekend; in de hand het ronde gewricht, naar beneden de +gepunte, driekante beenen, waarvan een, door lang gebruik, iets +kromgebogen is; met een soort van gretige werklust hapt het instrumentje +naar het papier. Zelfs in zoo'n gering bijzaakje heeft Rembrandt het +bijzondere gevoeld. De scheepsroeper is lang niet van hetzelfde gehalte; +de rand van het geslagen koperblik is veel te dik geworden; de +trechtervormige beker is aan den onderkant bijna recht, aan den +bovenkant bolvormig; het mondstuk heeft een verkeerden stand; van onze +plaats af moesten we er niet in kunnen zien; het heeft bepaald in de +klem gezeten en is verbogen geraakt. Letten we op de handeling, die op +beide afbeeldingen tusschen de twee personen voorvalt, dan moeten we +allereerst onze bewondering uitspreken voor het vrouwtje. Er zit in hare +houding buitengewone bewegelijkheid; het overhandigen van den brief gaat +niet bedaard in zijn werk, maar haastig en gejaagd. Zij blijft bijna bij +de deur staan, om geen tijd te verliezen met verder te loopen dan noodig +is; met over den stoel heen te buigen bereikt ze haar doel even goed. +Het bovenlijf helt niet alleen zijdelings naar den bouwmeester over, het +maakt ook eene kleine buiging voorover. Intusschen draaien de +linkerheup, de linkerschouder en de linkerarm zich reeds weer +achterwaarts, terug naar de deur. + +De rechterhand en-arm, en het gezicht zijn nog verdiept in de beweging +van het overhandigen. In al de onderdeelen van deze figuur dus eene +aanduiding van wenden, buigen en draaien, nergens de stijve rust van een +lid, dat aan de handeling geen deel neemt. Sommige beschouwers maken +hiervan Rembrandt wel eens een verwijt. Ze vinden het schielijke +binnenkomen storend voor de rust van de schilderij; het maakt hun +gejaagd, als ze er een oogenblikje kalm naar zouden willen kijken. Daar +is wel iets van aan; het is hinderlijk, als je het idee krijgt, dat +zoo'n figuurtje zoo aanstonds zal wegsnellen, en als men zichzelf +betrapt, dat men daarop staat te wachten. Maar we moeten den schilder de +eer geven, die hem toekomt; hij heeft in de lichaams houding van eene +vrouw, die even binnenkomt en dadelijk weer heengaat, met een fijn oog +de bewegelijkheid van buiging en draaiing waargenomen en weergegeven. + +De plaat van De Ruyter is er, om een geschiedkundig feit voor te +stellen; alles moest dus eigenlijk handeling zijn; de handeling moest +althans zeer sterk tot ons spreken. Neem nu den admiraal eens; hij staat +er zoo houterig en schutterig bij, dat er geen schijn van beweging in +hem zit. Van onder tot boven, van zijn voeten tot zijn hoofddeksel, +alles stijf en recht; nergens in de heele figuur eenige zwenking; geen +enkele lenigheid van draaiing of buiging. Hij zit diep in zijn hoedje +weggeslagen, en schijnt aan een stijven nek te lijden. Misschien trekt +hij daarom zoo'n pijnlijk gezicht. Kijk daarentegen eens, hoe mooi rond +het vrouwenkopje is, hoe het mutsje meewerkt, om de ronding uit te +beelden, en hoe los en gemakkelijk het hoofd zich keert en wendt boven +den kraag. + +Zoo krijgen we tot slotsom van de vergelijking: de plaat, die eene +handeling moet voorstellen, geeft houterige, stijve figuren, die de +armen oplichten om te doen, alsof ze zich bewegen, maar ze bewegen niet. +De andere, die gemaakt werd om de portretten van eerzame inwoonderen van +Amsterdam te geven, tintelt van actie, zonder nochtans in het geven van +portretten te kort te komen. De handeling maakt zooveel indruk, dat we +beginnen te denken aan een historisch feit. Het lijkt wel, dat dit nu +het beroemde briefje is, waarover we in boeken lezen, hetwelk +binnengebracht werd, om den verraderlijken aanslag op een of andere stad +te verijdelen. Maar 't is zoo niet! De schilderij is er een, waar niets +achter zit. Zij is een portretstuk, meer niet. + +We zullen deze neiging van Rembrandt, om den aard van het portret te +verbloemen, meer opmerken. Men kan hem ook hiervan een verwijt maken; +het _is_ misschien niet heelemaal in orde, dat we tegenover de twee +konterfeitsels van een paar burgerluitjes gedachten hebben van vermaarde +gebeurtenissen; dat we dus aan dingen denken, die hier niet te pas +komen. Maar--wat een kunst, om dat te kunnen! Wat een schilder moet men +wezen, om zoo, spelend weg, in een portretstukje een aardigheidje te +vertellen, en het dan zoo te doen, dat de beschouwer heelemaal de klus +kwijt raakt. + +De Anatomische les heeft hiervan ook wel een tikje weg, zooals we zullen +zien. + + * * * * * + + + + +MISLEIDE AANDACHT. + + +Onder de drommen van reizigers, die jaarlijks de stad 's-Gravenhage +bezoeken, zijn er gelukkig niet weinigen, die een uurtje over hebben, om +de schatten van het Mauritshuis te gaan zien. En onder dezen merkt men +dikwijls bezoekers op, voor wie de gang daarheen eene bedevaart is. Ze +komen uit steden en stadjes, die binnen hare muren geen enkel staaltje +bevatten van de groote kunst onzer voorvaderen; van Rembrandt gehoord +hebben ze; photographieën naar zijne schilderijen hebben ze gezien. Maar +nog nooit hadden ze gelegenheid om het hart eens op te halen aan zoo'n +lapje doek, waarvoor hij zelf, twee en een halve eeuw geleden, met palet +en penseel heeft gezeten; waarop hij eigenhandig de klonters verf heeft +geklutst, gewreven en aangesmeerd. Binnen de muren van dit eenvoudig, +onaanzienlijk gebouw zal dan eindelijk de begeerte bevredigd en het +verlangen gestild worden. De trappen gaat het op, rechts den hoek om, +eene kamerdeur door en het vertrek binnen. Dit is het heilige der +heiligen. Wat hier hangt, draagt groote namen: we lezen er Jan Steen, P. +Potter, Ostade, Brouwer, maar voor allen lezen we Rembrandt Harmenszoon +van Rijn. Tegen deze weinige vierkante meters muur hangen een tiental +zijner stukken bijeen, een schat, dien honderd musea het kleine +Mauritshuis benijden. Het statig middelpunt daarvan vormt de +Anatomische les, die waard is, eenigszins uitvoerig beschouwd te worden. + +De Anatomische of Ontleedkundige les is een portretstuk. Rembrandt +maakte het op bestelling, voor acht geneeskundigen uit de stad +Amsterdam. Dezen hadden het oogmerk, om er hun vereenigingsgebouw, de +chirurgijnshal, mee te versieren. In plaats van acht afzonderlijke +portretten, verlangden ze een groep; ze lieten het aan den schilder +over, de groep samen te stellen, op voorwaarde natuurlijk, dat ieder van +de acht koppen tot zijn recht kwam. Zij verwachtten niet anders, dan dat +hij het met deze voorwaarde ernstig op zou nemen. Nu, de koppen kwamen +tot hun recht; maar toch zou de eerste blik van den beschouwer op een +ander deel van de schilderij gevestigd worden. De schilder wilde, dat +het lijk, in uitgestrekte houding op de snijtafel neergelegd, het eerst +de aandacht zou vragen. + +Hij had dit kunnen bereiken, door het aanwenden van een eenvoudig +middel: als hij er een griezelig voorwerp van had gemaakt, zoo akelig om +te zien, dat een ieder er naar _moest_ zien. Maar dit deed hij niet. Het +lijk is zoo geschilderd, dat ook de teergevoeligste lieden den aanblik +kunnen verdragen. Zelfs de opengelegde arm heeft niets afschuwelijks. +Alles wat de zenuwen van aanstellerige jongejuffrouwen zou kunnen +prikkelen, vermeed hij. Wel is het gelaat het gelaat van een doode, en +dus niet aangenaam om te zien; maar het wekt geen weerzin. + +Waarom is het dan wel, dat we, als van zelf, steeds het eerst op het +lijk het oog richten? + +We ondergaan een gelijk lot, als het avondvlindertje, dat door ons +openstaand venster komt binnenvliegen. Het _licht_ trekt ons aan. Het +licht is de geheimzinnige macht, die _ons_ gezichtsorgaan, evenzeer als +dat van het onnoozel gedierte, weet te leiden, waarheen ze wil. Zitten +we des winters in schemerdonker bij open haard of kachel, +onweerstaanbaar wordt het oog door den vlammengloed aangetrokken. +Schrijden we des zomers door de donkerte van eenen boschweg, we +verhaasten onzen tred, als op het eind van de laan het zonlicht door +eene open ruimte binnendringt. + +Licht geeft op het netvlies een aangenaam gevoel, zooals frisch water +aan tong en gehemelte, wanneer ze van dorst verschroeien. Het kost soms +moeite, om den blik van de vlam eener lamp af te wenden, als de omgeving +door de duisternis eene scherpe tegenstelling vormt. + +Nu; de Anatomische les is eene schilderij, waarvan het grootste deel der +oppervlakte in zware, donkere verven bewerkt is. Het is juist +voornamelijk het lijk, dat hierop eene uitzondering vormt. De gezichten +der rondomstaande geneesheeren ook wel, maar die zijn van minder omvang +en zullen eerst in de tweede plaats onze aandacht trekken. We gaan op +het zonnige licht af, dat midden op het groote doek een hoekje vult. De +portretten, waar het feitelijk om te doen was, worden daardoor min of +meer op den achtergrond gedrongen; het stuk krijgt den schijn van +gemaakt te zijn met een ander doel, dan om die portretten te geven. We +zouden haast kunnen denken, dat de schilder wilde laten zien, op welke +wijze dokter Claes Pieterszoon Tulp les gaf in de ontleedkunde. +Menschen, die niet voor dokter hebben gestudeerd, zien hier iets, wat ze +nooit eerder hebben gezien, dat namelijk een hoogleeraar zoo, vóór zich, +een cadaver heeft liggen, waarvan hij een of ander lichaamsdeel +openlegt; hij neemt een soort van tang om vast te pakken; de leerlingen +staan er in een kring omheen, en het onderwijs begint! Werkelijk meenen +velen, dat het stuk met deze bedoeling is gemaakt. + +[Illustration: De ontleedkundige les.] + +Toch is het een portret en moet dus op één lijn gesteld worden met +bijvoorbeeld een schoolportret, dat in lange rijen de kopjes van eene +klas schoolkinderen te zien geeft. Wat een verschil echter! Het eene is +een vervelende verzameling van allemaal kijkende gezichten; wie het +onder de oogen krijgt, gaat zoeken naar bekenden. Soms maakt de +photograaf eene kleine variatie, door aan eenige leden van het +gezelschap iets te doen te geven: garen winden, thee schenken of zoo +iets. Maar niemand wordt de dupe van dezen kunstgreep, men zal nooit ook +maar een oogenblik meenen, dat de photographie er is, om het +theeschenken te laten zien; de gezichten trekken te sterk de aandacht. + +Het portret van Rembrandt leidt ons juist wel op een dwaalspoor en heeft +al menigeen omtrent den aard van het stuk misleid. En dat, doordien het +volle licht op het lijk valt. + +Een oogenblik mag men wel stilstaan bij dit overigens niet erg +verkwikkelijke voorwerp. + +Hoe komt het, dat we zoo goed het verschil voelen tusschen de +vleeschoppervlakte en de geweven stof, waaruit de ledendoek bestaat? Het +is, alsof we een en ander met vingers hebben betast. + +In de eerste plaats door het verschil in kleur, wat ook op eenen zwarten +afdruk te zien is. Beide zijn wel licht, maar de doek is toch lichter +gehouden dan het lichaam, ofschoon hij niet wit is; overal merken we +grijze tinten, die schaduwen van vrouwen en plooien weergeven. Maar deze +vrouwen en plooien hebben de eigenaardige gedaante, die we in geweven +stoffen opmerken. En, dit is een tweede punt van verschil, de +schaduwdiepten, die in de oppervlakte van het lichaam zijn aangegeven, +zijn van anderen vorm. Ze zijn breeder en minder diep; over eene +grootere ruimte gaan ze geleidelijk in blank licht over. Men kan het +beenderen gestel gissen, dat er onder zit. Zoo bijvoorbeeld dat van de +borstkas. Duidelijk zien wij den strak gespannen omtrek van het +borstbeen, en naar den rechterarm heel vaag de afteekening van de +diepsels, die tusschen de ribben zijn ingezonken. Ook de ronding van het +geheele lichaam is met fijne grijze kleur tastbaar gemaakt. Heel mooi +ligt de zware spier van den bovenarm tegen het lijf gedrukt; het +schaduwgleufje verbreedt zich naar boven tot eenen oksel, naar beneden +tot eene elleboogsholte. + +Van het rechterbeen trekt vooral de omtrekslijn langs den bovenkant de +aandacht. Als we die, van den lendendoek af tot den voet toe, met het +oog volgen, nemen we telkens fijn uitgebeelde spiervormen waar; +halverwege stulpt de knie eenigszins naar buiten, omgeven van de kleine +rondingen, die we daar gewoon zijn op te merken. + +De voeten reiken tot in de schaduw. Ze wijzen ons den weg naar een +opengeslagen boek, van eerwaardige grootte en dikte, een foliant, waarin +anatomische wijsheid zal zijn opgetast. Zooals de bladen op elkaar +liggen, getuigen ze van veelvuldig gebruik. + +Waar de schaduwpartij precies een aanvang neemt, is moeilijk aan te +wijzen; het bovenbeen is nog verlicht, de knie al niet meer. Ongemerkt +heeft de overgang plaats. Zoo gaat het ook met de slagschaduw van een +potlood, dat men op korten afstand over het belichte deel van het +cadaver houdt. + +Met deze waarnemingen hebben we aan de plicht voldaan, om te zien in de +richting, die de schilder met zijn lichteffect heeft aangeduid. + +Bij voortgezette beschouwing dwaalt nu de blik als van zelf naar het +gelaat van Tulp, en hierheen eerder, dan naar de gezichten der overige +heeren. Het schijnt, dat de beide handen, die zoo in de nabijheid van +het lijk hare welsprekende gebaren maken, dien overgang bewerken. We +moeten ook bij Tulp het eerst wezen; hij is onder de acht +geportretteerden de voornaamste en aanzienlijkste. Als geneesheer genoot +hij eene groote reputatie, zoowel in Amsterdam als daar buiten. Hij +speelde in deze wereldstad bovendien eene groote rol als lid van de +stedelijke regeering. En de regeering van Amsterdam, dat wou wat zeggen. +Die gaf in de regeering van de Republiek de lakens uit. Een man als +Bicker had immers in ons land bijna evenveel invloed als Stadhouder +Willem II. Een burgemeester van Amsterdam mocht met recht tegen een hoog +geplaatst Fransch edelman zeggen: "De koningen van het land, dat zijn +wij!" + +Intusschen zou Tulp, èn als geneesheer èn als magistraat, toch reeds +lang vergeten zijn, wanneer hij niet toevallig bevriend was geweest met +Rembrandt, en wanneer deze van hem niet den onvergetelijken kop had +gemaakt, dien we hier voor ons zien. De oogen, donker van kleur, staan +er helder en met verwonderlijke klaarheid in. De blik, die op de verte +gericht is, verraadt een groot verstand, diepe kennis en zachtheid in +het oordeelen. Het gelaat is vol ernst, niet de ernst, die door leed +ontstaat, maar de ernst, die gevolg is van juist inzicht en van veel +weten. De mond schijnt te spreken. De boven-en onderlip zijn zoodanig op +elkander geschilderd, dat er eene bijna onmerkbare plooiing in komt; +door deze plooiing is het, alsof we de lippen de letters hooren +aanblazen bij het spreken, en men kan er zichzelf op betrappen, dat men +tracht vast te stellen, welke medeklinker er gevormd wordt, hetzij dan +een f, hetzij een v. + +De handen begeleiden dit spreken met verwonderlijke juistheid. De +linker, ter halver hoogte opgeheven, maakt aan de hoorders duidelijk, +welke bewegingen de dokter bedoelt. Terwijl namelijk de rechter met +behulp van een pincette éénen spierbundel van de anderen afzondert, laat +de linker zien, welke uitwerking de samentrekking daarvan zou hebben. +Het is een buigspier, liggende aan de binnenzijde van den arm; de +middelvingers van de linkerhand maken onwillekeurig de buigbeweging mee, +over welke gesproken wordt. + +Veegjes lichte verf geven tusschen de vingers de plaatsing aan, hoe ze +eenigszins uiteen wijken, naast elkaar op de hand zijn ingeplant, en los +van elkaar in de ruimte staan. We zien in de tusschenruimte op. In den +duim van de rechterhand voelen we de drukking, die hij op het werktuigje +uitoefenen moet, om den spierbundel vast te houden. Wat liggen ook de +vier vingertoppen in juiste houding om den duim heen! + +De kleeding verdient wel een oogenblik bijzonder de aandacht. Er zijn +zeventiend-eeuwsche portretten genoeg, die ons onderrichten omtrent vorm +en snit van de toenmalige kleedingstukken. Maar hier hebben we er een, +dat ons doet voelen hoe _mooi_ ze stonden, hoe schilderachtig ze den +persoon kleedden. Breed en kloek is de borst, en zijn de schouders onder +zoo'n wambuis met mantelkraag. De breedgerande, vilten hoed geeft den +kop een prachtige vierkantheid; hij kleedt ontegenzeggelijk mooier dan +de hooge cylinderhoeden uit onze dagen. Het kantkraagje en de manchetten +droeg men niet onder maar over het wambuis, niet in maar om de mouw. + +Misschien wekt het bevreemding, dat Dr. Tulp onder de les en in +aanzienlijk gezelschap den hoed op het hoofd houdt. Dit was in zijn tijd +gewoonte: de professor aan de hoogeschool, zoowel als de onderwijzer te +midden van zijne leerlingen, de vroede raadsleden op het raadhuis, +zoowel als de huisvader in den familiekring, hielden zich gedekt; en men +zag daarin geene onwellevendheid. Van de overige koppen trekken vooral +de twee, die zich over het cadaver heenbuigen, de aandacht. In de eerste +plaats om de tegenstelling tot Tulp. Terwijl deze spreekt, zoowel met +den mond als met de handen, zoowel door zijne opgerichte houding als +door zijn rondblikkend gelaat, luisteren gene. De een ziet naar het +lijk, de ander naar den professor, maar beider oogopslag verraadt +aandachtig luisteren; luisterend ook buigen ze zich voorover. + +In de tweede plaats om de schilderhoedanigheden. Men lette bijvoorbeeld +eens op de rechterwang van den persoon, die het dichtst bij Tulp zit. +Van het oog af naar beneden vinden we alle kleurschakeeringen, die ons +in het gezichtsvleesch van zoo'n gelaat bekend zijn. Allerlei zwakke +schaduwtjes en lichtvlakjes duiden aan, hoe het verloop is van de wang. +Het is niet maar eenvoudig weg eene bolle ronding of eene magere +afplatting; overal zitten vorm-en gedaantewisselingen. Eerst eene +blauwachtige, eenigszins uitpuilende streek onder het oog, zooals bij +zwak uitziende menschen. Dan de verheffing van het jukbeen, waar we een +blosje vermoeden. Hiertusschen en tusschen den neus eene invallende +diepte. Verder naar beneden de ingevallen wang, die achter den knevel +verdwijnt en, om het jukbeen heen, nog tot aan het oor te volgen is. +Alsnu gaat het met geleidelijke ronding om de kaak heen, waar heel dun +eenig blond haar groeit. + +En, zooals deze wang is, is de heele kop. Elk plekje is aan het model +ernstig en aandachtig waargenomen, bespied en bestudeerd. Het portret is +een beeld geworden, dat men niet zoo maar eens even uit zijn hoofd +schildert, het is naar het leven genomen, het geeft ook het leven weer. + +Bij de beschouwing trachten we ons onwillekeurig te binnen te brengen, +waar en wanneer we dezen persoon hebben ontmoet, alsof het iemand is, +dien we in onze omgeving opgemerkt hebben. + +De overige koppen op deze schilderij zouden evenzeer eene afzonderlijke +bespreking verdienen. Alle dragen de kenmerken van studie naar het +leven. In alle is met zorg het afzonderlijke, het eigenaardige +opgemerkt. Men vergelijke, om een voorbeeld te geven, maar eens met +elkaar de manier, waarop bij elk het haar op het voorhoofd is ingeplant. +Alleen hieraan zou men de heeren alle kunnen herkennen, als men ze +ontmoette. + +Of men ga eens na, hoe elk van de aanwezigen op eigen wijs de les van +Dr. Tulp volgt; met meer of met minder aandacht; met een geestigen trek +om mond en oogen of met een soort van onverschilligheid. + +Ieder is zichzelf en leeft zijn eigen leven. Geen twee zijn van een +zelfde model. + +Al deze uitingen van leven spreken des te sterker, omdat ze gerangschikt +staan rondom het beeld van den dood, van de stof, waaruit het leven +ontvloden is. + +De mond van het cadaver is half geopend, en een glimlach schijnt er +omheen te spelen. Maar de glimlach is verstijfd, en het spreekgebaar van +de mondopening is koud en versteend. Het is het eeuwige zwijgen met een +grimas van leven. En op het gelaat van den lesgevenden professor: het +mondopenen nauwelijks zichtbaar, de blik strak op de verte gericht, geen +plooitje, dat zich tot glimlach vormt, en toch het heele wezen een en al +leven, op de bijna onbewogen trekken een spreken, dat sedert bijna drie +eeuwen elken toeschouwer in de ziel dringt, en dat spreken zal blijven +tot in lengte van dagen. + +Het stuk in zijn geheel heeft ook zijne eigenaardige bekoring. Eerstens +door het zonnige hoekje, waar het cadaver ligt. Het oog heeft in die +lichtplek een aangenaam rustpunt. Ten tweeden door de groepeering. De +personen staan los, ongedwongen en regelloos bij elkaar, terwijl ze toch +in een driehoek gevat zijn; één gezicht vormt hiervan den top en doet de +groep naar boven toe bevredigend eindigen. + +Ten derden door de rijke afwisseling van licht en donker; tusschen de +witte kragen, blanke gezichten en handen zijn overal stukjes achtergrond +aangebracht of brokstukken donkere kleeding, donkere baarden of behaarde +schedels. Men bezie het stuk maar eens door de oogharen, om deze +afwisseling op te merken. + +De geschiedenis van de Anatomische les is deze. Rembrandt maakte haar in +1632, het jaar, waarin Frederik Hendrik Limburg aan de Republiek +toevoegde. Ze kreeg eene plaats in de vergaderzaal der chirurgijns te +Amsterdam en bevond zich aldaar nog, toen deze in 1828 hunne bezittingen +te gelde wenschten te maken en het stuk aan Koning Willem I verkochten +voor f32.000. Sedert maakt het deel uit van het Koninklijk Kabinet, dat +in het Mauritshuis ondergebracht is. + +De maker van het kunstwerk zal waarschijnlijk van elk der acht heeren +geneeskundigen de som van een kleine honderd gulden hebben ontvangen, +wat in 1632, toen Amsterdam krioelde van goede schilders, al wel was, +vooral voor een beginnend man van even vijf en twintig jaar. + +In een anderen zin bracht het hem echter meer op. Als een loopend vuur +ging de mare door de stad, dat een groot schilder was opgestaan, +overgekomen uit Leiden en je kon zijn werk zien op de Chirurgijnshal! +Dit legde hem geen windeieren. Spoedig regende het bestellingen van +portretten, en maakte hij een geweldigen opgang, zoo enorm, dat zelfs in +het Stadhouderlijk Paleis te 's-Gravenhage zijn naam genoemd werd. + + * * * * * + + + + +AANRAKING MET HISTORISCHE PERSONEN. + + +Reeds in zijne studiejaren had Rembrandt in Den Haag zaken gedaan. Toen +hij, nog vóór 1632, bij zijne ouders te Leiden woonde en ijverig +schilderde en teekende om de kunst machtig te worden, deed eens een +bezoeker hem aanwijzing voor een heer in Den Haag. Een zeker stukje, dat +hij juist voltooid had, moest hij dien eens gaan vertoonen en te koop +aanbieden. Te voet trok de jonge schilder er op uit, bereikte na eene +wandeling van vier uren de Residentie en smaakte de voldoening zijn stuk +voor honderd gulden te verkoopen. Wonder in zijn schik met dit succes, +en nog niet gewoon zooveel geld in zijn buidel te hebben, voelde hij +behoefte, om zoo gauw mogelijk naar Leiden te gaan met zijn schat, en +zijne ouders in kennis te stellen met het fortuintje. + +Een weg van een kleine vier uur gaans weer te voet af te leggen, dat +kwam, dunkte hem, niet te pas voor iemand, die schilderijen met honderd +gulden betaald krijgt. De trekschuit, daar ging Jan en alleman mee. Hij +deed als een groote m'nheer en nam parmantig plaats bij het logement, +"De Leidsche wagens" op den wagen naar Leiden. _Op_ den wagen naar +Leiden, aldus vertelt een oud schrijver, niet _in_. + +Wat genoot hij van dat ritje! Eerst voerde de weg hem door het Haagsche +bosch met zijne gladde, rijzige, groene, beukenstammen, die hunne takken +breed en vlakweg met lichtdoorlatende, fijne blaadjes uitgespreid +hielden; verspreide eiken stonden zwaar en donker daartusschen met +diepgefronste schors, en takken, die in moeilijke kromming zich wrongen. +Machtig en breed stond de voet uit in de zandige duinhellingen; het trof +hem, hoe ze hun wortels uitlegden over den bodem als een reuzig +gedierte, dat krampachtig met uitgeslagen en wijdgeopende klauwen zich +vast wil klemmen. + +Nog anders dan in Leiden op het bolwerk, zag je hier, hoe de natuur een +beeld van kracht kan zijn. Hier, waar werkelijk eeuwen-heugende eiken en +beuken stonden. Maakte niet een medereiziger hem attent op een drietal +forsche exemplaren, met dooreengestrengelde takken, die het volk het +Jacobaprieel noemde, omdat er de landsvrouw Jacoba tweehonderd jaar +geleden gaarne verwijld had? Heerlijk wonen moest het in Den Haag zijn +voor eenen kunstenaar. De oude stad nog net plaats vindende op het +uiteinde van de reeks binnenduinen, waarop ook het Haagsche bosch stond, +en waarover de Leidsche weg hem Noordoostelijk voerde; de nieuwere +straten de venen ingaande. De omstreken, in Noordelijke richting, +klingen en dalen met laag en opgaand hout, in zuidelijke richting lage +weiden, vol slooten en plassen; hier en daar moerassen, met ruigten van +wilgbeschot en oeverplanten; de verre horizonnen onderbroken door +watermolentjes, die men reeds in gebruik begon te stellen van de +grondverbetering. + +Terwijl hij voortmijmerde, passeerde de koetsier niet ongemerkt het +liefelijke Huis Ten Bosch (wijl dit er nog niet was, en eerst over +twintig jaar ter eere van den vrede van Munster zou verrijzen) maar reed +door tot, en hield stil voor het huis Ten Deil, eene herberg, die den +weg van Den Haag naar Leiden in nagenoeg gelijke helften deelt (deilt). +Eene onoogelijke waardin kwam buiten met een zwartberookt tabakspijpje +in den mond, en zette den paarden eene krib met voer voor. De reizigers +stegen uit en traden, evenals de wagenbestuurder, de herberg binnen, +boven welks deur, tusschen rankend wijnloof, aan een eind lat een groote +aarden bierpot bungelde. Rembrandt voelde geen lust, het voorbeeld te +volgen en mede uit te stappen. Hij bleef bij zijn vollen buidel op den +wagen zitten. Na eenige oogenblikken wordt de krib weggenomen, en komt +het volk met den wagenaar naar buiten, om ieder zijn plaatsje weer in te +nemen. Hun al te groote luidruchtigheid jaagt den paarden een schrik op +het lijf: ze gaan er van door en rennen met den schilder voort. Het gaat +langs den hun bekenden weg huiswaarts; ze storen zich aan niets, hollen +voort, bereiken de Wittevrouwenpoort, sleuren den wagen over de +Drentsche keien van het Noordeinde en houden in voor de deuren van den +gewenden stal. Het stalpersoneel stormt naar buiten, helpt den schilder +uitstijgen, betast zijn leden, of er geen gebroken is, en toont zich +benieuwd om te vernemen, hoe hij dus, alleen op den Haagschen wagen +gezeten, de stad komt binnenrijden. Maar hij. Zonder veel praatjes maakt +hij zich weg en spoedt zich naar de Weddesteeg, die het rijtuig +gepasseerd was zonder hem af te zetten. Behouden en wel brengt hij zijn +honderd gulden thuis, en is gelukkig, dat hij op Den Deijl zoo weinig +verteringskosten heeft behoeven te maken. + +Het is waarschijnlijk, dat de groote m'nheer in Den Haag, die zijn stuk +honderd gulden waard achtte, niemand minder dan Constantijn Huygens is +geweest. + +Kort nadat Rembrandt zich in Amsterdam had gevestigd en een grooten naam +begon te krijgen, bracht Huygens hem bij den stadhouder, prins Frederik +Hendrik, ter sprake, wat hij gemakkelijk kon doen, omdat hij, als diens +geheim-secretaris, dagelijks met den vorst verkeerde. + +Er volgde eene bestelling van eenige stukken, misschien om er het +stadhouderlijk paleis te Rijswijk mee te versieren. De levering, en +daarna de betaling, hebben nog al voeten in de aarde gehad. Men is dit +aan de weet gekomen uit eigenhandige brieven van Rembrandt, die bewaard +zijn gebleven in families, welke van Huygens afstammen. Uit een van deze +blijkt, dat hij zelf zeer goed wist, een eerste-rangsschilder te zijn, +dien men goed moest betalen, maar tevens, dat hij bescheiden genoeg was, +om waarde te hechten aan het oordeel van Huygens of van den Prins. Zie +hier: + +_Mijn Heer_! + +Soo ist dan dat ick met licensij u e dese 2 stucken toesende die ick +meen dat soodaenich sullen bevonden werden dat sijn Hoocheijt nu selfs +mij niet min als dusent guldens voor ider toeleggen sal doch soo sijn +Hoocheijt dunckt dat sijt niet en meerijteeren sal naer sijn eijgen +believen minder geeven mij verlaetende op sijn Hoocheijts kennis en +discreesij. Sals mij danckbaerlick daer met laeten contenteeren ende +blijvende neffens mijne groetenisse sijnen + +D.W. ende geneegen dienaer + +REMBRANDT. + +Het tghene ick aen de lijsten en de kas verschooten hebb is 44 guldens +in alles. + +Behalve omtrent zijn karakter, leert dit schrijven iets omtrent zijne +ontwikkeling. Hij schreef een goeden brief, de zinnen vloeiden hem +gemakkelijk uit de pen, en hij spelde vrij zuiver, te rekenen voor de +zeventiende eeuw. Zijn schoolonderwijs was niet verwaarloosd, al wijdde +hij zich reeds vroeg aan de kunst. Dat hij in den laatsten zin schreef: +"daer _met_ laeten contenteeren" in plaats van "daar_mee_", kan men op +rekening stellen van zijn omgang met vrouwe Saskia van Uhlenburg, die +dat in Friesland zoo had geleerd. + +Uit zijne brieven aan Huygens moge ook deze nog aangehaald worden, om +grond te geven aan ons vermoeden, dat het hof in Den Haag met de +uitkeering der contanten nu niet juist zoo heel vlug is geweest. + +_Mijn Heer!_ + +Mijn E. Heer met schroomen ist dat ick u e met mijn schrijvens kom +besoucken ende dat doort seggen van den ontfanger Wttenboogaert die ickt +tardeeren van mijn betaeling klaechden hoe dat den tresoorier Volbergen +dat lochgent als dat daer jaerlicks intresse getrocken werden soo heeft +mij den ontfanger Wttenboogaert nu voorleden woondach daer op geantwoort +als dat Volbergen allen halven jaer die selvij intressen heeft gelicht +dat tot nu toe soo dat daer nu wederom over 4000 K. gulden bij den +selvij kantooren verscheenen is ende bij desen waerachtijge +geleegentheijt soo bidde ick u mijn goet aerdijgen Heer dat mijn +ordonnansij nu in den eersten mocht klaergemaeckt werden opdat ick mijn +wel verdiende 1244 guldens nu mocht eenmael ontfangen. Ende ick sal sulx +aen ue met reverensij dienst ende blijck van vrienschap altijd soucken +te rekumpenseeren met deesen ist dat ick mijn heer hartelick groete ende +wenssche dat ue Godt lanck in goeden gesondtheijt ter saelicheijt +spaeren werde. + +UEDw. ende geaffexcioneerde dienaer, + +REMBRANDT + +ick woon op de binnen-Emster in die suijkerbackerij + +Adresse: + +_Mijn Heer_! + +Mijn Heer van Suijlikum raet ende Secreetarijus van Sijn Hoocheijt + +in den port Schraeven Haech. + +De indruk, dien men uit dit schrijven krijgt, is wel, dat de beheerder +van de stadhouderlijke penningen Rembrandt zonder veel complimenten op +zijn loon liet wachten. Al maakte de jonge schilder opgang, toch zooveel +nog niet, dat zijn naam voldoende was om geld los te krijgen. Ook bracht +hij het nooit zoo ver, dat beroemde mannen uit onze geschiedenis zich +door hem lieten portretteeren. We mogen dit stellig betreuren. Wat +zouden we uit zijne handen een portret hebben gekregen van een Frederik +Hendrik, een Jan de Wit, een Michiel de Ruijter, een Constantijn +Huygens. Beter dan de bestaande levensbeschrijvingen zouden zulke +afbeeldingen ons hun karakter, hunne edele hoedanigheden hebben bewaard. +Maar dat heeft zoo niet mogen zijn! De groote mannen hebben gemeend, +zijne kunst niet noodig te hebben om hunne trekken te vereeuwigen. De +portretten, die hij gemaakt heeft, zijn alle van tweede-rangspersonen. +Toch kunnen we hieruit zijn meesterschap voldoende leeren kennen. Als +een mooi voorbeeld verdient dat van den ontvanger Uytenbogaerd te worden +vermeld, welks naam we vinden in den zoo even aangehaalden brief. + + * * * * * + + + + +MEER DAN PORTRET. + + +De heer Uytenbogaert zien we gezeten in zijne werkkamer. Op de tafel +liggen zakken met geld, en een boek, waarin de hand gereed is, +aanteekening te houden. Hij overhandigt den bediende eenen zak, dien +deze misschien in een geldvat moet ledigen. De balans, om het goud af te +wegen, hangt aan een boekenplank boven de tafel; op den achtergrond +wachten meerdere bedienden op orders. + +Wat ons in den heer Ontvanger het meest treft, is de blik, dien hij op +zijnen dienaar werpt. Doordringend ziet hij hem aan. Uit zijn oog lezen +we de gewetensvraag: kan ik je dit toevertrouwen? En dat oog blijft +streng en onderzoekend op hem rusten. Rembrandt slaat hier den spijker +met den eersten slag op den kop; hij tast de zaak aan in 't hart. Immers +de beste eigenschap van eenen beheerder van 's lands penningen, is, dat +hij tegen alle bedrog op zijn hoede is. Zoo één steeds waakzaam moet +zijn, dan hij! Kan men een man als Uytenbogaerd dus treffender in beeld +brengen, dan door deze eigenschap voorop te stellen? Hij mag een goed +man, een vriendelijk man, een eerlijk man geweest zijn, het beste wat +men van hem kan zeggen, is: hij was een man op de juiste plaats. En dit +allereerst zegt zijn portret. + +Het gezicht is niet bepaald schoon te noemen. De wangen hebben eene +onaangename breedheid, sommige gelaatsspieren leggen er onbevallige +vormen in; de neus is van een scheef, ingedeukt model. Maar zooals dit +moest wezen, zoo is het ook uitgebeeld. We behoeven niet in onzekerheid +te vragen, hoe eigenlijk de vorm was. + +De borst is breed en vierkant in de kleeren gestoken. Kloek en zwaar +hangt de pelsmantel er om: het schijnt een "kantoorjasje" te zijn. Maar +wat voor een! Het zachte, glanzige haar zit er duimen dik op; men zou er +gaarne de hand over willen strijken, om de molligheid te voelen. Wat een +rijkdom van pluisjes en bundeltjes haren zien we op den breeden zoom; +telkens weer liggen ze in andere richting op en tegen elkaar. Zwaar en +dik is de stof, waar we, in het verkort, tegen de wijde linker mouw aan +zien. Daarentegen is het onderkleed, dat bij den hals zichtbaar is, van +fijn en kostbaar weefsel, waarschijnlijk in regelmatige preciese +plooitjes gevouwen en gestreken. + +[Illustration: De Betaalmeester.] + +Het is een zeer aparte kunst, om met dichte arceeringen de stof uit te +drukken. Let eens op den achtergrond. De wand, waartegen de schilderij +hangt, is volgekrabbeld, tot het een beschaduwde, grijze, gepleisterde +muur was; het gedeelte aan den rechterkant, voorbij een soort van +poortje, is met hout betimmerd, wat duidelijk van den gepleisterden muur +te onderscheiden is. Het afhangende deel van het tafelkleed, ofschoon +van de zelfde grijsheid, draagt daarentegen weer duidelijk de kenmerken, +dat het geweven stof is. + +Ander mooi werk zien we in de voorwerpen, die op den voorgrond staan. Ze +duiken op met hunne verlichte bovenkanten uit eene zachte, donkere +kamerschaduw. Zooals wij in een donker hoekje alleen met onzekerheid de +dingen waarnemen, zoo zien we op den voorkant van de groote kist het +nauwelijks afgebeelde, zware ijzerbeslag; hier en daar blinkt de kop van +eenen spijker; langs den rand rechts glimt wat licht, dat misschien door +een ander meubelstuk is teruggekaatst. Zware scharnieren teekenen zich +met kleine, zwakke glimlichtjes af langs den bovenrand. Op het deksel, +dat zeer versmald geteekend is, zitten drie ijzeren banden, die op de +juiste manier naar elkaar toeloopen; door hunne wijking krijgt het +deksel voor ons oog zijne breedte. Een mooi stuk teekenwerk, zoo'n kist, +waarin we de hardheid voelen van het ijzerbeslag. + +Uit al deze onderdeelen blijkt de mogelijkheid, om, met arceering +alleen, stof en maaksel van de voorwerpen uit te beelden. + +Om nu tot de figuur van den ontvanger terug te keeren, de breedheid en +de vierkantheid doen ons vertrouwen stellen in het karakter. De +openliggende mantel, met daaronder de fiere borst, wekken het vermoeden +van openheid en eerlijkheid. De rechterhand is eene uitdrukking van +nauwlettendheid en zorgvuldigheid; ze ligt steeds gereed om in het boek +van alle gedane uitgaven aanteekening te houden. Aardig is het om te +zien, met hoeveel schrijversfijnheid de duim en de vinger het pennetje +vasthouden. + +In gelaat, in blik, in houding en lichaamsbouw, in actie en handgebaar +zien we eene aanduiding van de eigenschappen, die Uytenbogaerd maken tot +een voortreffelijk ambtenaar. Hij is een model betaalmeester; door een +man als hem worden 's lands middelen naar den eisch beheerd. Zijn +portret is maar niet slechtweg een portret, waarbij men vraagt, of het +goed gelijkt; het is een zinnebeeld geworden, een lofspraak op den man +in zijn vak. En meer nog: een lofspraak op de regeering uit die dagen. +Met welk eene vaste hand moet deze de teugels hebben gevoerd, als ze +bestond uit mannen, gelijk we er hier een voor ons zien. De kracht van +het jonge Holland spreekt uit zoo'n portret, de kracht van eene +regeering, die nog bezig is (1639) zich vrij te vechten van de Spaansche +overheerschers. + +Historische waarde krijgt het vooral, als we niet alleen op den +hoofdpersoon, maar ook op den bediende letten. + +Met welk een respect neemt deze den geldzak aan, die hem overhandigd +wordt! De blik, welken hij met den ontvanger wisselt, wekt de +veronderstelling, dat hij plichtmatig moet toonen, zijnen meester in de +oogen te durven zien en dus geene slechte voornemens te koesteren. Een +en al onderdanigheid is hij! Bijna slaafschheid. Het doet ons vreemd +aan, dat in een vrijgevochten land, als het onze, alleen de hoogere +klassen des volks zich mensch en onafhankelijk voelden, dat in een +Republiek de ondergeschikten de knie bogen voor den werkgever. Is het +niet, alsof we nog waren in de dagen der Spaansche overheersching? Toch +draagt de prent de dagteekening 1639, en het leek in dat jaar in het +Kanaal voor Duins weinig naar eene zoodanige heerschappij. + +Maar de Regenten lieten niet met zich spotten: ze hadden er den wind +onder. Het is deze verhouding tusschen heer en dienaar, die Rembrandts +plaat voor ons bewaard heeft; in enkele lijnen worden hier boekdeelen +gezegd. + +Niet slechts het portret van een persoon, maar een tooneel uit het leven +zien we, hetwelk ons doet zeggen: zoo ging het toe; zoo leefden de +standen met elkaar in de Republiek. + +Het portret is een sprookje geworden. We lezen van een groot heer, die +een kostbaar kleinood toevertrouwt aan eenen braven dienaar. Doch het is +een sprookje van het soort, waar meer achter gezocht moet worden. Het +gunt ons een blik op de samenleving onzer zeventiendeeuwsche +voorvaderen. + + * * * * * + + + + +GEËTSTE PRENTEN. + + +De prent, die Uytenbogaerd voorstelt, is eene ets. Wat is dat, eene ets? + +Gebruikt de schilder eenen lap linnen of een houten paneel, en brengt +hij daar met behulp van penseelen olieverf op, dan spreekt men van eene +schilderij. Werkt hij met kool, krijt, potlood, inkt of waterverf op +papier, dan ontstaat eene teekening. Van beide maakt hij natuurlijk niet +meer dan één exemplaar. Schildert of teekent iemand dit na, dan heet dat +eene copie. Voor boeken en geschriften laat men den photograaf en den +plaatdrukker reproducties maken. + +Maar nu eene ets. + +De teekenaar neemt een plaatje roodkoper. Dit moet volkomen vlak en +effen zijn, en wordt daarom tegenwoordig langs galvanischen weg +vervaardigd. Op het plaatje brengt hij eene dunne laag was aan; door het +aan den onderkant te verwarmen, wordt de was vloeibaar en dus geschikt, +om zoodanig verspreid te worden, dat het korstje na het stollen overal +eene gelijkmatige dikte heeft. + +Eene fijne naald is het teekengereedschap. De punt zet de lijnen niet +op, maar in de was; ze kan zich door de zachte massa heel gemakkelijk +bewegen, en dit vergunt den teekenaar dus, om los en zwierig te werken, +zwieriger, dan wanneer hij met een mes zijn beeld in palmhout snijdt, om +eene houtsneeprent te maken. + +Wat er nu in de was staat, kan hij niet met inkt aansmeren, om op papier +af te drukken. Daarvoor is alles te zacht. Hij brengt rondom de +koperplaat een opstaand lijstje aan, en giet er vitriool over uit. Deze +vloeistof laat de was onaangetast; maar waar ze koper vindt, bijt ze dit +uit. Dus in de smalle voren, die de naald in het bedekkende laagje heeft +getrokken. Na eenigen tijd wordt de vitriool afgegoten, de koperplaat +door verwarming ontdaan van de was, en alsnu vertoont ze de figuur, door +den teekenaar in de zachte stof ontworpen, doch thans in het harde +metaal onvergankelijk ingevreten. + +Met behulp van eene inktrol bedekt hij haar met inkt, wrijft haar met +een lap weer schoon, maar draagt zorg, den inkt niet te verwijderen, die +in de diepte van de lijnen zit. Deze zal, bij het afdrukken op een blad +papier, de teekening te zien geven, juist even los en zwierig, als ze in +de was geteekend is, maar in spiegeld beeld. Want door het afdrukken +wordt de voorstelling omgekeerd. + +Van eene ets worden door den teekenaar een groot aantal exemplaren +vervaardigd. Daar ze voor den handel bestemd zijn, en de liefhebbers ze +gelijkstellen met oorspronkelijke teekeningen, kunnen ze eene ruime +bron van inkomsten zijn. Er is er een afkomstig van Rembrandt, die +"honderguldenblad" heet, omdat elke afdruk den prijs van honderd gulden +opbracht! + +De geëtste koperplaat blijft voor latere afdrukken bewaard. Het komt +meermalen voor, dat de etser na eenigen tijd met zijn werk niet meer +tevreden is. Hij tracht dan in de plaat wijzigingen aan te brengen. Er +heeft zeker geen kunstenaar bestaan, die hiervan zoo de geheimen kende, +als Rembrandt. + +De veranderingen, aangebracht in het portret van een vriend, den +schilder Jan Asselijn, hebben aanleiding gegeven tot eene vermakelijke +vergissing. + +In de verschillende musea en kunstverzamelingen bevinden zich twee +soorten van afdrukken van dit portret; ook in de achttiende eeuw +verhandelde men reeds exemplaren van Asselijn _met_ den ezel en +exemplaren van Asselijn _zonder_ den ezel. Op dezen staat de schilder +afgebeeld naast een tafeltje met boeken, op genen wordt de achtergrond +gevormd door een houten schildersezel, waar een paneel of een doek op +staat, dat arbeid van den kunstbeoefenaar moet voorstellen. + +Er werd in de achttiende eeuw druk in deze en dergelijke etsen +gehandeld. Liefhebbers waren niet tevreden, als ze een Asselijn bezaten; +ze moesten er een exemplaar "Asselijn met den ezel" bij hebben; soms +liepen ze alle kunsthandelaren af, om een te krijgen. + +[Illustration: Asselijn met den ezel. Asselijn zonder den ezel.] + +Een Duitsch prentenkoopman had al meermalen vraag gehad naar een +"Asselijn met den ezel", en tot zijn verdriet steeds neen moeten +verkoopen. Hij was op en top man van zaken, en als het moest, stond hij +voor niets! Hij bracht een "Asselijn zonder den ezel" bij een behoeftig +kopersnijder en verzocht dien, om in alle stilte eene etsplaat te maken +naar het beeld van den Hollandschen schilder, maar in gezelschap van +eenen ezel. Daar geen van beiden ooit een exemplaar van het veel +gevraagde soort had gezien, veronderstelden ze, dat met den ezel een +gelangoorde viervoeter werd bedoeld. De zaak kwam gereed. De kunstkooper +bezat thans de twee soorten. En toen er weldra een Engelschman bij hem +aanklopte om een "Asselijn met den ezel", drukte hij dezen voor goed +geld den zonderlingen ezelhoeder in de hand. Natuurlijk kwam zijn bedrog +spoedig uit, en heeft hij niet veel exemplaren kunnen slijten. Toch zou +men thans bij onze overzeesche buren weer goed geld willen geven om er +een te bezitten, niet omdat het _geen_ "Rembrand" is, maar ter wille van +de merkwaardigbeid. + + * * * * * + + + + +VROUWTJE BAS VAN 'T RIJKSMUSEUM. + + +Hier hebben we het portret van Elisabeth Jacobs Bas, weduwe van admiraal +Swartenhont. Het heeft geene andere bedoeling dan de beeltenis te geven. +Eene omgeving, waarin we beroep, ambt of bezigheden terugvinden, +ontbreekt; de achtergrond is donker. De dame is zonder een of anderen +schijn aan te nemen zoo maar voor den schilder gaan zitten, om zich te +geven zooals ze is. Er spreekt uit de houding groote eerlijkheid, +openhartigheid, die niets heeft te verbergen, die geen behoefte heeft om +manieren aan te nemen. Natuurlijkweg heeft ze de handen rustig over +elkaar gelegd. Over elkaar gelegde handen ziet men dikwijls op een +portret, dat is dus hier het eigenaardige niet. Maar men moet, door er +lang en rustig op te zien, trachten te erkennen, hoe gemakkelijk en +ongedwongen deze handen op den schoot rusten. Niet alleen dat ze er op +_liggen_, dit zegt nog niets, maar ze worden er door _gedragen_. Met de +elleboogen is het net zoo; die vinden steun, die rusten op de leuning +van den stoel. Het sterkst voelen we dit wel in de linkerhand, die over +de rechter is gelegd. Let ook eens op, hoe de onderste achteloos den +zakdoek vasthoudt, en hoe de bovenste in een gemakkelijken greep over de +andere heen ligt. En hoe dit overeenstemt met de houding van het +bovenlijf; ook dit leunt in gemakkelijken stand tegen den rug van den +stoel; het helt net genoeg achterover om dit voelbaar te maken. Alles +draagt er toe bij om den indruk van rustigheid, kalmte, bedaarde +statigheid bij ons te wekken. In een deftig vertrek door zoo'n dame +ontvangen te worden, die in deze houding een verzoek aanhoort, doet +weldadig aan en zet ons onmiddellijk op ons gemak. Het geeft de +gewaarwording, dat ze in haar dagelijksche doen veelvuldig menschen +heeft moeten ontvangen en heeft moeten aanhooren. Het rustige liggen der +handen duidt eerder zulk een werkkring aan, dan beslommering van +handenarbeid. En de gelaatsuitdrukking bevestigt die opvatting. Ook +hierin dat rustige, onverstoorbare. Om den mond geen lach en geen trek +van norschheid, geen zwakheid en geen hardheid van karakter, maar juist +genoeg zachtheid om niet af te schrikken. + +[Illustration: Vrouwtje Bas.] + +Elisabeth Bas komt reeds op leeftijd: de mond begint in te vallen, wel +niet veel, maar genoeg om de kin iets vooruit te doen springen. De diepe +plooien, van de neusvleugels af naar beneden, duiden het ook aan. De +vleezigheid van de wangen doet in die plooien weer kleinere ontstaan. +Als vrouwen zestig jaar zijn, begint dat langzamerhand te komen. Bij +dezen leeftijd behoort de blozende gelaatskleur, en behooren verder de +twee uitgezakte rondingen links en rechts van de kin, de vierkante vorm +van het gezicht, de golvende lijn, die den omtrek van de rechterwang +aanduidt en het hooge voorhoofd. Deze ouderdomskenmerken voegen zich +heel gemakkelijk bijeen. Van geen enkel krijgen we het idee, dat het in +dit gezicht niet past. Als de schilder er ook maar één overdreven had +voorgesteld, zouden we dat terstond als eene fout hebben opgemerkt. De +plooien aan de mondhoeken zijn in een of ander gezicht soms wel dieper, +de kin vooruitstekender, de mond meer ingevallen, maar in dit portret +gaat alles tot zoo'n graad, dat er volmaakte eenheid blijft bestaan. +Geen enkele eigenschap springt uit den band. Alles is om zoo te zeggen +op een goudschaaltje afgewogen. + +Wel moet de schilder het model dus door en door hebben begrepen, als hij +in zijn hand en in zijn penseel voelde, hoe diep hij een plooitje moest +zetten, om bij al het overige te passen. Waar een groefje van den +rechtermondhoek schuin naar beneden zakte, vond hij in de omtrekslijn +van de wang een bochtje, dat daaraan beantwoordde. En hij zette het een +niet, zonder het ander in 't oog te houden. + +Neus en oogen zijn volmaakt in overeenstemming met de rest. Op den +leeftijd van juffrouw Bas is de rug van den neus niet meer smal en +kantig, maar breed en naar beide zijden rond afloopend. Alleen de punt +en de vleugels zijn nog scherp geteekend. Onder de oogen vormen zich +zware plooien; ook zakt er een van de wenkbrauwen schuin naar den +buitenhoek van het oog. Hieronder komt het vleezige bovenste ooglid te +voorschijn. + +Deze bijzonderheden hebben alle denzelfden leeftijd; de eene toont niet +ouder dan de andere. Nergens een trekje dat te donker, te licht, te diep +of te oppervlakkig, te ouwelijk of te jeugdig is. Al deze geschilderde +zaken zitten rustig bij elkaar, zonder dat het een het ander +overschreeuwt. + +Rustig kijkt het gezicht ook uit de oogen. De blik heeft wat bijzonders, +zooals we dat bij sommige menschen wel opmerken: hij houdt het midden +tusschen glimlach en ernst. We weifelen tusschen deze twee. En om den +mond speelt een trekje, dat ons ook in het onzekere laat. Niet doordat +Rembrandt onvast schilderde, maar het gelaat zelf droeg een plooi van +gemengde aandoeningen. + +De hoofdindruk is die van ernst en wijsheid en van vertrouwen, dat ze +inboezemt. De wijsheid is het inzicht van een persoon, die in haar leven +veel heeft moeten regeeren en leiden, die veel aan beraadslagingen +deelgenomen heeft; men ziet haar de eigenschappen aan, om weeshuizen te +besturen, om oneenigheden tusschen regenten te beslechten, om beide +partijen aan te hooren, een ieder aan te moedigen om te zeggen, wat op +het hart ligt, maar daarna wekt zij ook de verwachting, dat met +gestrengheid uitspraak zal worden gedaan, gestrengheid echter, die vrij +van hardvochtigheid is. We zien dit gelaat gaarne voor ons, niet zooals +we misschien behagen vinden in lieve engelenkopjes, maar omdat we +Elisabeth Jacobs Bas eene lieve vrouw vinden. Wel ook eene verstandige, +maar vooral eene lieve vrouw. + +Terwijl Rembrandt op het gelaat, dat voor hem zat, deze roerselen van +karaktergeheimnissen las, wist hij er zich bovendien zoo juist +rekenschap van te geven, dat zijn penseel ze in lijn en kleur kon +vastleggen. Hij was menschenkenner zoowel als kunstenaar. Houdingen, +vormen, gebaren en trekken nam hij nauwkeurig waar. Maar de menschelijke +natuur, die daarachter schuilt, niet minder. Zooals iemand in een stoel +gaat zitten en de handen over elkaar legt, zoo is ook zijn levenstaak en +zijn karakter; dat had de omgang met menschen hem geleerd. Met wat een +aandacht moet hij de personen uit zijne omgeving hebben bestudeerd! Wij, +die in een tijd van veel drukker verkeer leven, als wij in eenen +spoortrein zitten, en iemand komt de coupé binnen, kunnen wij maar amper +aan zijn manier van plaats nemen zien, of hij veel heeft gereisd dan of +reizen iets ongewoons voor hem is. En wat is dit aan de oppervlakte, +vergeleken bij de karakterhoedanigheden, welke Rembrandt zag in de +personen, die tegenover hem gingen zitten. Hoe veel en hoe ernstig moet +hij zich met menschen hebben beziggehouden, om hun innerlijk leven zoo +op het uiterlijk af te lezen. + +En toch heeft men willen beweren, dat hij in zichzelven gekeerd, +teruggetrokken, bijna eenzelvig leefde, geen menschen zag, geen omgang +had en weinig van menschen hield. Dit ééne portret bewijst voor het +tegendeel genoeg. Wie dit kan maken, kent den mensch, bestudeert hem, +zoekt hem en voelt zich tot hem aangetrokken. + +Als we nu nog even de aandacht aan de kleederdracht dier dagen schenken, +merken we op, met hoeveel welgevallen de schilder den in 't oog +loopenden plooikraag zag. Om eens eene ongepaste vergelijking te maken: +het is, alsof het hoofd, waarin al die wonderlijke zaken van gemoed en +karakter worden opgemerkt, aan den beschouwer wordt gepresenteerd op een +schotel van blanke reinheid. In zuiveren, afgeronden vorm teekent het +zich daartegen af. Linten, strikken, koralen of andere sieraden +misleiden de aandacht niet. Zelfs geen haardos. Een linnen kapje of +mutsje voltooit de witte omlijsting, waarin het gelaat ons alles kan +zeggen, wat het te zeggen heeft. + +Wat is die kraag er mooi opgezet! Luchtig en kraakfijn staat de kant in +de plooien. Overal van die bijna doorschijnende schaduwtinten, zooals +men ze ook ziet op verschgevallen luchtige sneeuw. Hoe zuiver loopt de +ronde lijn over de borst en de schouders achter om het hoofd heen; nog +net even kunnen we voelen, dat de kraag aan de achterzij iets uit het +platte vlak doorgezakt is. + +Men ziet, het zijn niet alleen de raadselen van een menschelijk gemoed, +waarnaar Rembrandt zocht, ook het eenvoudigste ding keek hij aan en weer +aan, tot hij kon zeggen: zoo doet het zich aan mijn oog voor. Hij tastte +zijn model eerst in het hart aan en gaf uitdrukking aan het persoonlijk +karakter; maar dan had hij ook aandacht voor de bijzaken en schepte er +behagen in, eenen kraag in de plooi of een weduwenkapje in de stijfsel +te zetten. + + * * * * * + + + + +KUNST VAN GROEPEEREN. + + +Weinige van Rembrandts werken hebben onder het groote publiek zoo'n +bekendheid gekregen, als het Korporaalschap van Frans Banning Kok. Het +bevindt zich in het Rijksmuseum te Amsterdam en dagteekent uit het jaar +1642. + +De beschouwer voelt zijn blik het eerst getrokken door twee personen op +den voorgrond. Het zijn Frans Banning Kok en Willem van Ruitenberg. + +Op andere portretten wordt men nu eens het eerst door dit, dan weer door +dat gezicht geboeid; de een begint zijne beschouwing met dezen, de ander +met genen kop; de massa gezichten is gewoonlijk verwarrend, met het +gevolg, dat het weinig kan schelen, waarheen men den eersten blik wendt. + +Maar op dit portretstuk richt iedereen dien altijd naar het zelfde +tweetal. + +Dit feit is niet van geringe beteekenis, al klinkt het eenvoudig. De +schilderij krioelt, om zoo te zeggen, van menschen; en bij dergelijke +stukken wil het wel eens zoo wezen, dat niet ieder een vast uitgangspunt +vindt. Vergelijk bijvoorbeeld de intocht der Kruisvaarders in Jerusalem +(van Piloty) er maar eens bij. De blik dwaalt onrustig heen en weer, is +nu eens bij het groepje, dat een kruis met palmen torst, dan bij den +ridder, die het kleine tegenstribbelende kindje op den arm draagt, of +bij den rijkaard, die sieraden in het kleed van een bedelaar werpt. + +[Illustration: De Nachtwacht.] + +Het wordt den beschouwer niet duidelijk, wààrop hij in hoofdzaak zijne +aandacht moet vestigen; er zijn tal van groepen, die hij geneigd is, +mooi te vinden, maar ze houden met elkaar geen verband; er is geen +zwaartepunt in het stuk; men blijft onzeker omtrent de bedoeling. Toch +moet bij Piloty eene bedoeling hebben bestaan; het zal bijvoorbeeld deze +geweest zijn: te laten zien, hoe vroom en deemoedig een paar groote +vorsten geknield de stad binnenkropen en de heilige plaats naderden. +Maar men merkt niet, dat daar alles om draait; de bijzaken verwarren +ons. + +Zoo heel eenvoudig is het dus niet, om de aandacht te vestigen op de +hoofdzaak. Merken we dit ook niet dikwijls op bij schrijvers, als ze +zich neerzetten, om uitspanningslectuur te schrijven? Ze meenen wel, dat +ze ons iets aardigs hebben te vertellen, maar het raakt zoek in den +grooten omslag van het geheel; we halen het er niet uit onder het lezen. +Als we het boek uit hebben, weten we nog niet, waarom de schrijver het +geschreven heeft. + +Laten we dus beginnen met omtrent het Korporaalschap te verklaren, dat +het al vast deze goede eigenschap heeft: ieder beschouwer kan steeds in +dezelfde twee personen de hoofdzaak aanwijzen, op welke Rembrandt de +aandacht wilde vestigen. + +Waarom heeft hij dit gewild? Waartoe dient het, dat we allen het eerst +aan Banning Kok en Ruitenberg onze aandacht schenken? + +Toch zeker niet om ons te laten zien, hoe fraai hunne kleeding, hoe druk +hun gesprek, hoe vriendschappelijk hun omgang is; of hoe 'n mooie hand +Banning Kok heeft, hoe aardig de zon daarop schijnt en de schaduw over +het kleed van Ruitenberg doet vallen. Dit zijn zaken van ondergeschikt +belang; ze hebben voor de uitbeelding van een vendel schutters niet +zooveel beteekenis, dat daarvoor de aandacht het eerst op de beide +genoemde figuren moest worden gevestigd. + +Dit heeft eene andere bedoeling, en we zullen die vrij zeker opmerken, +wanneer we, met een stukje papier of met een paar vingers, den kapitein +en zijnen luitenant bedekken en aan onzen blik onttrekken. + +De overblijvende figuren staan nu stil. Besluiteloos staan ze op een +hoop bij elkaar. Het vendel komt niet meer van zijne plaats; het wacht. +De gang, die er in zat, is er uit. Wel zijn er nog eenige figuren in +gaande beweging uitgebeeld, maar het geheel maakt den indruk van talmend +en treuzelend halt houden. + +[Illustration: Intocht in Jeruzalem (van Piloty).] + +Zoodra we de bedekking wegnemen, komt het heele vendel weer vooruit. De +schilderij geeft niet een groep schutters, in schilderachtige wanorde +bijeengeplaatst, ze geeft het uitrukken. Het vendel rukt uit. En het +zijn de twee officieren, die er actie aan geven. Door hun bewegen wordt +alles in beweging gezet. Hun gaan geeft gang aan de heele compagnie. + +Was er dus ook reden voor Rembrandt, om voor deze twee figuren de +hoofdaandacht te vragen? In hen bracht hij alle actie bijeen, die voor +het heele vendel noodig was, en spaarde ons de vervelende vertooning van +eene gansche verzameling gaande beenen en gaande voeten. + +Hebben we nu niet meteen het antwoord op de vraag, waarom Banning Kok en +Ruitenberg ten voeten uit zijn afgebeeld, en waarom ze ook, ten voeten +uit, in het licht zijn gezet? Het kwam op hunne beenen juist aan! Ze +moesten aan 't loopen voor eene heele compagnie! + +Laten we de beweging van dit gaan eens aandachtig beschouwen, en ons +daartoe voor den geest halen, wat we opmerken aan menschen, die langs +den weg loopen. Dit bepaalt zich volstrekt niet tot het regelmatig en +afwisselend verplaatsen van de beenen. Eerstens komt daar gewoonlijk bij +het heen en weer gaan van de armen, wat toevallig bij de beschouwing van +onze twee figuren van geen belang is, omdat ze geen van beiden de armen +los laten hangen. Tweedens: in het geheele lichaam eene beweging, waarop +we hier wel de aandacht moeten vestigen. Bij elken pas gaat namelijk het +lijf en daarmee het hoofd op en neer; het rijst en daalt. Bijzonder +duidelijk nemen we dit waar, als een troepje menschen zich met elkaar +voortbeweegt zonder in den pas te marcheeren; al de hoofden en +hoofddeksels dobberen dan op en neer, als door eene deinende +golfbeweging. Duidelijk is dit vooral, als ze achter een niet te hooge +haag aan ons oog voorbij trekken. + +En zie, het is dit op en neer deinen van de bovenlichamen, wat we in +Banning Kok en Ruitenberg beginnen te voelen, als we ons de moeite +geven, eenigen tijd aandachtig hun gaan aan te kijken. De tweede schijnt +juist het oogenblik door te maken, dat hij omhoog veert, terwijl de +eerste dit net weer achter den rug heeft. Eene schilderij kan wel is +waar geen werkelijk bewegen te zien geven, maar toch kan de schilder uit +de kleine veranderingen, die tezamen de actie uitmaken, eene zoodanige +keuze doen, dat wij den indruk krijgen, alsof het beeld de beweging +zelf te zien geeft. Dit gelukt hem alleen, als hij eene nauwgezette +studie van de zaak maakt, en als hij van nature bedeeld is met het +juiste gevoel voor actie, voor veerkracht en voor evenwicht. Hij moet +zich, al werkende, levendig voor den geest kunnen stellen, hoe hij eene +menschelijke gedaante langs den weg heeft zien gaan, hoe elk +lichaamsdeel op eigenaardige wijze aandeel kreeg in de beweging van het +gaan, hoe een hoofd zich telkens even omhoog richt bij het verplaatsen +der lichaamszwaarte van het eene op het andere been. Naar een model, dat +in zijn atelier de verlangde houding en stand aanneemt, kan hij niet +werken, als hij zoo iets wil weergeven. Het verkeert in rust, en om de +rust is het hem juist niet te doen. Voor eene figuur als van Ruitenberg +zou een model hoogstens de plaatsing van de voeten en de buiging van de +beenen te zien kunnen geven. Maar niet het omhoog veeren, het opbeuren, +dat ons in het bovenlijf, in den hals en het hoofd zoo treft. Hoe langer +men er op ziet, hoe minder men zich aan dien indruk kan onttrekken. En +tegelijk beginnen we op prijs te stellen, dat de schilder zijn volle +licht en zijne lichtgele kleedingstoffen spaarde voor deze figuur; zij +springt daardoor des te beter in 't oog. + +Er is naar aanleiding van dit onderwerp nog eene opmerking te maken: de +twee vrienden loopen namelijk niet gelijk. + +Reeds trok het onze aandacht, dat ze niet in denzelfden pas marscheeren. +Terwijl Banning Kok zijn rechterbeen juist naar voren gebracht heeft, en +hij zijne lichaamszwaarte bezig is op dat been over te brengen, is het +rechterbeen van Van Ruitenberg reeds gestrekt, het ondersteunt diens +zwaartepunt en geeft aan het linkerbeen gelegenheid om naar voren te +komen; de voet rust dan ook nog slechts met de punt van den teen op den +grond. + +Maar behalve het verschil in tijdmaat, is er een wezenlijk onderscheid +in de manier van loopen. Men zou elk van hun tweeën er aan kunnen +herkennen, zooals we trouwens onze kennissen dikwijls herkennen aan +hunnen gang. + +Ruitenberg maakt groote passen, bijna te groot voor iemand van zijne +lengte. Hij komt met eene zekere drift opzetten. Zijne nadering heeft +min of meer een dreigend aanzien. Het linkerbeen, dat zich thans nog +achter bevindt, wil zich gestrekt en op eene vinnige, kordate manier +naar voren bewegen. + +Als ons oog van dit driftige, besliste mannetje naar den grooten, +vierkanten Banning overgaat, doet diens voetstap ons weldadig aan. +Rustig en goedsmoeds schrijdt hij voort. Wel ook met meer dan gewoon +burgelijke snelheid, even goed als zijn buurman, maar zijn gang is niet +nijdig, niet gestrekt, niet als de gang van den gymnast, die zijne leden +aan korte, besliste bewegingen went. + +[Illustration: Groep uit de "Nachtwacht".] + +Zooals hij daar aan komt stappen, heeft hij eerder iets vertrouwelijks +over zich dan de kleine Kuitenberg. + +Dit onderscheid in beider gang is door den schilder aan de twee levende +personen nauwkeurig ontleend. Want het behoeft onze aandacht niet te +ontgaan, dat hetzelfde verschil ook spreekt uit beider lichaamsbouw en +vooral uit beider gelaatstrekken. De een ziet met een vol, breed gezicht +de wereld in, uit een paar wijd geopende en vrijmoedig opziende oogen. +De andere heeft in zijne magere trekken niet dat aantrekkelijke; hij mag +wat scherpzinniger wezen, scherper is hij ook, en hij ziet min of meer +sluw onder den hoed uit, die hem in de oogen zit, terwijl Kok dat +kleedingstuk achter op het hoofd staat. Ieder mensch draagt zijnen hoed, +zooals zijn karakter is. + +De gang is dus in overeenstemming met grootte, met breedte, met +gelaatsuitdrukking, vermoedelijk ook met karakter. Dit verleent aan de +twee naast elkaar loopende figuren het echte leven; de een is een geheel +ander mensch als de ander. Aan beider eigenaardigheden heeft de schilder +recht gedaan, terwijl hij bovendien de actie van hun gaan wist te +gebruiken, om aan de heele groep van personen de bewegelijkheid te +geven van een troepje uitrukkende schutters. + +Want, om den hoofdindruk van onze schilderij niet uit het oog te +verliezen,--dit uitrukken is eigenlijk _het_ onderwerp, dat de schilder +behandelen wilde. We behoeven niet lang te raden, waarom hem dit +aantrok. Sinds overoude tijden is het uittrekken van de gewapende macht +een soort volksfeest, dat toen zoowel als nu zich mocht verheugen in de +belangstelling van het publiek. Wie zal ook ontkennen dat het een +levendig, een aardig tooneeltje is, zoo door de straten den bonten stoet +te zien voortmarscheeren, muziek of trommelslag voorop, vaandels boven +de hoofden vliegend, wapens blinkend en kletterend, het geheel door +straatjeugd omstoeid, door volwassenen met welgevallen gadegeslagen. + +Het lag voor de hand, dat zoo'n tooneeltje hem geschikt voorkwam, om +daarin de bestelde portretten tot een geheel te vereenigen. + +Het tweetal, dat aan het hoofd van den stoet marscheert, en dat zijne +beweging aan de gansche schaar weet mee te deelen, heeft nu intusschen +nog eene andere taak te vervullen. In hen moet ook blijken, wie het zijn +die hier uitrukken. + +Al dadelijk zien we in gestalte, houding en fieren, vasten gang iets, +dat ons zou bevreemden, als we het opmerkten in twee burgerluitjes, die +samen een straatje omwandelden. Wanneer we twee deftige heerschappen met +zooveel tred, zooveel levendigheid en met zoo'n druk handbeweeg door +onze straten zagen passeeren, zouden we zeker meenen dat een ernstig +ongeluk was gebeurd, en zij er op uitgingen om hulp van politiemacht in +te roepen. Hier is iets uitgedrukt, dat strijdt met het gewoon +burgerlijke; en dit was juist noodig om van de figuren militairen te +maken. Ze hebben het krijgshaftige gekregen, om te zijn, wat ze moesten +wezen: schutters; en wel schutters, aan wie de verdediging der stad zou +kunnen worden opgedragen in tijden van oorlog. + +Voor het gansche vendel zijn de officieren met militaire eigenschappen +toegerust. + +Toch zijn ook weer zij het, die in het militaire het burgerlijke mengen. +Het stuk mocht niet ontaarden in de voorstelling van eene krijgshaftige +groep veteranen uit het beroepsleger van stadhouder Frederik Hendrik. + +Dit zou gebeurd zijn, als de aandacht meer en in hoofdzaak ware +gevestigd geworden op het echte krijgsmansuiterlijk van den man, die +onder het gaan zijn geweer laadt, links van Banning Kok, of op de drie, +die we weer links van dezen waarnemen. Allemaal typen van krijgslieden. + +Maar de gezichten van Ruitenberg en Kok zijn geen troniën van in +kruitdamp verweerde veteranen. Men houdt ze wel dadelijk voor +burgerlijke ingezetenen, die met den krijgsmansstand weinig gemeen +hebben. Het blijven burgers, zij het dan ook burgers, die zich vandaag +als mannen van wapenen doen gelden. Al doen ze dit laatste goed, men +ziet hen wel aan, dat zij in een vredelievenden kring thuis behooren. +Banning Kok is niets meer of minder dan Wethouder van Amsterdam en zit +in die functie op het kussen naast dokter Nicolaas Tulp, wiens portret +Rembrandt tien jaren vroeger, in 1632, had gemaakt. + +In het welsprekend handgebaar van den kapitein vinden we ook iets, dat +in strijd is met soldatenmanieren, of althans geene strijdlustige +bedoelingen verraadt. Het geeft wel is waar aan den persoon eene +levendigheid, die een burger, als hij zich door de straat beweegt, +vreemd zou staan en eerder aan den krijgsmansstand doet denken; maar +tegelijk is het toch ook van eene vreedzame natuur; we kunnen dezen +krijgsman geen andere oogmerken toeschrijven, dan om met zijn mannen uit +te trekken, en vreedzaam oefening te houden in het hanteeren van de lans +of het schieten op een doel, misschien op den haan, dien het meisje +draagt. Zoo gemoedelijk loopt niet de landsverdediger te gesticuleeren, +die den wreeden vijand tegemoet gaat, en vrouw en kinderen voor 't +laatst vaarwel heeft gezegd; en zoo rustigjes loopt een ander niet met +de hand in de zij, te luisteren naar het discours van eenen lotgenoot. + +Het zijn dus ook al weer Banning Kok en Van Ruitenberg, in wie het +karakter uitgedrukt is van het soort krijsvolk, dat hier uitrukkende is +voorgesteld. Evenmin als het voorafgaande, is dit door Rembrandt op +diepzinnige wijze verzonnen; het denkbeeld lag voor de hand. Althans, we +krijgen den indruk, dat dit zoo was. Groote kunstwerken wekken +gewoonlijk de gedachte, dat ze eenvoudig van opvatting en samenstelling +zijn, dat ze den kunstenaar gemakkelijk van de hand zijn gegaan. + +Het middel, dat aangewend is om de hoofdpersonen onder ieders aandacht +te brengen, is eveneens heel eenvoudig; de schilder heeft ze letterlijk +in 't licht gezet, en de rest van zijn doek nogal rijkelijk met schaduw +bedacht. Of dit licht de kenmerken heeft van zuiver daglicht, dan wel of +er iets onnatuurlijks in is, kan men niet beoordeelen met eene zwarte +prent voor zich; het zijn de kleuren, die dit uitwijzen, en deze kan men +alleen zien op het origineel in het Rijksmuseum. + +Maar dat het een helder en schitterend licht is, laat geen twijfel over, +ook niet als op onze plaat de kleuren ontbreken. Toch heeft men lang in +twijfel verkeerd, met welk licht men hier te doen had. De donkere +achtergrond bracht velen op het idee, dat Rembrandt een nachtelijk +tooneel bedoelde, bij voorbeeld het rondgaan van een nachtwacht van +schutters, bij het licht van toortsen of flambouwen. + +Vooral Fransche reizigers, die in de achttiende eeuw Amsterdam bezochten +en op de "Voetboogdoelen" tegen den breeden schoorsteen het stuk gingen +zien, stonden er vast op, dat het de ommegang van de nachtwacht was. +Langzamerhand hebben onze voorouders zich daarbij neergelegd. In den +pruikentijd schijnen zij niet veel oog voor schilderkunst gehad te +hebben, en vertrouwden ze er op, dat een Franschman het weten kon. Men +ging dus spreken van "de Nachtwacht" van Rembrandt. En dien naam behield +het stuk, toen het naar het stadhuis, en zelfs later nog, toen het onder +de regeering van Lodewijk Napoleon in 1808 naar het museum verhuisde, +toen deze koning het stadhuis inrichtte tot vorstelijk paleis. Meer dan +honderd jaar is het een Nachtwacht gebleven; eerst in de negentiende +eeuw brak de morgen aan, begon het daglicht te gloren, en zag men het +bespottelijke van de benaming in. In den mond van het volk leeft die +echter nog voort. + +Zoo zien we, hoe weinig er maar noodig is, om wit zwart en zwart wit te +heeten, om van dag nacht te maken. Als men de bedoeling van den +kunstenaar maar net precies niet vat, keert men ze totaal om. Wie thans +de schilderij onder goede verlichting ziet, kan niet gelooven, dat onze +voorouders den dag voor nacht hebben gehouden, zoolang hun de schellen +niet van de oogen waren gerukt. Zij heeft met nacht niets te maken, of +men moet zich voor den geest roepen, in welk jaar Rembrandt's penseel +dit meesterwerk voltooide. Het was in 1642, in het jaar toen hem Saskia +door den dood ontviel, toen hij alleen in zijn groote huis achterbleef +met een kind van nog geen jaar, en avond aan avond eenzaam in het +woonvertrek zat, waar zijn jonge vrouw zoo dikwijls tegenover hem had +gezeten, als hij uit zijn werkplaats met teekengerei was binnengekomen, +om in huiselijke gezelligheid allerlei schetsen te maken. Het was het +jaar, toen voor hem het licht onderging, dat acht jaren lang zijn +levensweg had beschenen. Droefenis en somberheid waren in zijn huis, +droefenis en somberheid waren ook in zijn gemoed. Hij doorleefde een +tijd, die was als een nacht van troosteloosheid. Slechts één ding kon +hem staande houden in zijn leed; dat was zijne kunst. Zijne liefde voor +het penseel hield den levensmoed er in. Uit die dagen van droefheid +werkte hij zich op, grooter en roemvoller dan voorheen. Treffender wordt +voor ons zijne groote kunst, als we weten, welke omstandigheden zijn +gemoed beheerschten. We zien dit meesterstuk van het sombere jaar 1642 +als een lichtgestalte staan tegen den donkeren achtergrond van zijn +huiselijk leed. + +In zooverre is het gepast, het korporaalschap van Frans Banning Kok +Rembrandt's Nachtwacht te noemen. Maar overigens lijdt het geen twijfel, +of de hoofdpersonen zijn in het volle daglicht geplaatst. + + * * * * * + + + + +VERVOLG VAN 'T KORPORAALSCHAP. + + +Na deze uitvoerige bespreking van een paar hoofdpunten, kunnen we +slechts kort nog bij eenige ondergeschikte zaken stilstaan. + +We merken dan eerst op, hoe fraai de schaduwkant van Bannings linkerhand +tegen de lichtkantjes staat langs duim en vingers, hoe los en +welsprekend het gebaar is, en hoe de slagschaduw geworpen wordt op het +kleed van Ruitenberg. Ze ligt er niet op, zooals de randversierselen er +vast op zitten, maar ze glijdt er los en bewegelijk overheen. Het eene +maakt deel uit van het wambuis, het andere niet. Ook bij het lijk op de +Ontleedkundige les merkten we, hoe zorgvuldig Rembrandt bestudeerde de +manier van eene schaduw om ergens op te vallen. + +Bij het beschouwen van de vier voortschrijdende beenen herinneren we ons +die van Michiel de Ruyter en Zeeger op de plaat: "Dat is onze man." Bij +Banning Kok en Ruitenberg alles verschillend: schoeisel, kleeding, kleur +en bouw, houding, beweging en stand. + +Het is natuurlijk, dat de beschouwing van dit stuk zich grootendeels +bepaalt tot de hoofdpersonen. De tijdgenooten, en vooral de leden van +het schuttersvendel merkten dit ook op en namen, voor zoover ze er +belang bij hadden, het den schilder kwalijk. Eerlijk gezegd, we kunnen +hun geen ongelijk geven. + +Ieder lid van de compagnie moest een som van honderd gulden betalen. En +hoe waren sommigen voor dit bedrag op het doek gebracht? Aan den +rechterkant, waar de man met witten kraag zijn hand uitsteekt, staat +achter diens arm een persoon, die op het portret van zijn heele gezicht +niets dan twee oogen en een stuk neus terugvond. Wel wat weinig voor +zijn honderd gulden! Verklaarbaar is het, dat Rembrandt het na 1642 met +bestellingen van schutterstukken niet druk meer gehad heeft. Het was +zijn eerste en zijn laatste. + +Toch heeft hij van enkele personen veel werk gemaakt. Eene aangename +figuur bijvoorbeeld is de man, die links van den kapitein zijn geweer +laadt. Er is in de wijze van gaan iets onzekers, iets dat aan waggelen, +aan wijdbeens loopen doet denken. Dit is scherp opgemerkt van den +schilder. We voelen er de onvastheid in van iemand, die, al loopende, +met beide handen iets bezig is te doen aan een zwaar voorwerp, en die +het gemis merkt van zijne armen, welke anders onder het gaan door +slingerbeweging een gevoel van gemak en evenwicht geven. + +Wat ons het meest verwondert, ook Banning Kok was met zijn konterfeitsel +niet tevreden! Hij noodigde voortaan andere schilders uit, als hij zijn +eigen beeltenis, die van zijn vrouw of die van zijn korporaalschap +wenschte te hebben. We weten, dat een zekere Ludens er in 1660 een van +hem gemaakt heeft, maar het nageslacht stelde weinig prijs op het stuk; +in 1712 is het nog eens voor f263 verhandeld; daarna ging het +waarschijnlijk verloren. Banning Kok nam het Rembrandt misschien +kwalijk, dat die hem een gelaatskleur had gegeven van nogal in 't oog +loopende roodheid. Voor de ware schoonheid zal hij mogelijk net zoo +weinig hebben gevoeld als de dichter Joost van den Vondel. Deze, een +tijdgenoot van Rembrandt, wonende als hij in Amsterdam, heeft allerlei +beroemde personen in gedichten bezongen, maar nooit den grootsten onzer +schilders. Hij had, naar het schijnt, geen begrip van schilderkunst. Eén +keer spreekt hij een oordeel uit over een portret, door Van Rijn +geschilderd, en zegt dan onder anderen: + +"De verf vergaat, de deugd zal eeuwig blijven." + +Zoo'n versregel is pittig en heeft klank. Een oogenblik zijn we geneigd +het eens te zijn met wat de dichter beweert. Immers, de roem van +buitengewone deugden is onvergankelijk, en eene verfkorst kan vergaan. +Maar bij nader inzien blijkt alles maar woordenspel te zijn. De persoon, +op het portret uitgebeeld, is met zijnen roem, met zijne deugden, met +zijnen naam reeds lang vergeten; de onvergankelijkheid was niets dan een +dichterlijk compliment. Het geminachte verfkorstje bestaat echter nog, +wordt in eere gehouden, is voor geen goud te koop en maakt de glorie uit +van zijnen bezitter. Van vergaan is geen sprake: deze veronderstelling +was slechts eene dichterlijke onnoozelheid. "De deugd verging, de verf +leeft voort." De tijd heeft Vondel gelogenstraft. We mogen van het +Korporaalschap niet afstappen zonder het naast de Anatomische les te +hebben gelegd. Beide schilderijen zijn portretstukken, waarop eene groep +van meerdere personen is voorgesteld. Op beide heeft de schilder +getracht, om het stijve van een troepje menschen, dat bij elkaar staat +of zit, te vermijden. Hij bracht er een denkbeeld in; de beschouwer kan +meenen, dat het eene dient om te laten zien, hoe eene ontleedkundige les +gegeven werd, het andere hoe de zeventiende-eeuwsche schutters uitrukten +om op het doel te schieten. En intusschen ontbreken de goede +eigenschappen van een portretstuk in geen van beide. + +Tot zoover gaan de stukken gelijk met elkaar op. Er is echter ook +verschil. En dit moet ons niet verwonderen. De Les dagteekent uit 1632, +Banning Kok uit 1642. Daar liggen tien jaren tusschen, een tijdperk, dat +in het leven van ieder mensch iets beteekent, maar dat van veel +beteekenis moet zijn in het leven van een kunstenaar. In die tien jaren +had Rembrandt wel opnieuw een groot man kunnen worden, als hij in 1632 +al zijne kunst eens had verloren. Wat moet zijne vaardigheid en zijn +schildersoog dan wel gewonnen hebben, nu hij bleef, wie hij was, en tien +jaren achtereen dagelijks teekende, etste en schilderde. + +We kunnen helaas aan zwarte nadrukjes niet al de veranderingen zien, die +'s meesters wijze van werken heeft ondergaan tusschen de Les en Banning +Kok. Maar althans één zeer belangrijke merken we op, en die leert ons +veel. + +Op de Les wordt eene hoofdrol gespeeld door het cadaver. Dit is het +voornaamste middel, waarmee de schilder aan het portretstuk de +beteekenis van eene gebeurtenis geeft. Het is echter een willekeurig +toevoegsel, dat er alleen op gekomen is, omdat Rembrandt dat zoo had +verzonnen. Of misschien was het denkbeeld wel van een ander afkomstig. +In elk geval: het is een toevoegsel, dat niet meewerkt, om de bedoeling +van het stuk te bevorderen. De portretten worden er niet beter om. Wel +stelt het Dr. Tulp in de gelegenheid, om mooi en ernstig les te staan +geven, zooals hij dat kon, wanneer hij bezig was; maar daartoe was eene +kleinigheid ook voldoende geweest: een beentje, een schedel, eene +bladzijde uit een boek, of iets dergelijks. Nu ligt daar het lijk; de +zon beschijnt het; het vormt den aantrekkelijksten hoek van het geheele +stuk; mooi bewerkt is het; alles goed en wel. Maar--het had gemist +kunnen worden. + +Een dergelijk verwijt treft het Korporaalschap niet. Wat daar aangewend +is, om gebeurtenis in het stuk te brengen, is aan de hoofdpersonen zelf +ten goede gekomen. Dáár geen aandacht dan voor hen, op wie ze +plichtmatig door den schilder gevestigd moest worden. Dáár alleen +opeenhooping van goede eigenschappen in twee personen, om de andere +figuren te ontlasten en onzen blik meer op éen punt te vestigen. Dat +éene punt is wel degelijk een onmisbaar onderdeel van het geheel. + +De tien jaren zijn voor Rembrandt dus niet onvruchtbaar voorbijgegaan. +We erkennen, dat het cadaver op de Les een gelukkige kunstgreep was om +den beschouwer te boeien; maar we worden gewaar, dat tien jaren later +hetzelfde doel bereikt wordt, zonder het te pas brengen van vreemde +zaken. Een bewijs dus van grooter meesterschap. Een ander bewijs zien we +in de handeling: hoeveel malen moet iemand _gaande_ menschen in allerlei +stand hebben geschetst, om in een portretstuk zooveel vaardigheid aan +den dag te leggen als hier. De personen op "de Les" toonen daarentegen +nog weinig beweging, al zijn de handgebaren van Tulp zeer juist +weergegeven. In 1632 gaf de schilder zijne figuren in rustige houding +bij elkaar; in 1642 durft hij de beweging tot onderwerp van behandeling +te nemen; zelfs de persoonlijke onderscheidenheden in de beweging. + +[Illustration: Simeon in den Tempel.] + +De vergelijking der beide stukken toont aan, dat de schilder in de +eerste jaren van zijne loopbaan nog niet was, wat hij later werd. Wat +hij toen maakte was grootsch; maar hij zelf zou de man worden, om den +vroegen Rembrandt te overtreffen. + + * * * * * + + + + +SIMEON IN DEN TEMPEL. + + +De "Simeon in den tempel" is een bijbelsch stuk. Maria, de moeder van +het Jezuskindje, ligt op den steenen vloer neergeknield. Jozef, ook eene +knie buigende, houdt in de hand de duifjes, die voor offer bestemd zijn. +De hoogepriester heft zegenend zijne handen op; Simeon heeft het kindje +gegrepen, slaat het oog naar boven en spreekt de bekende woorden: "Nu +laat gij, Heer, uwen dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord; mijne +oogen hebben uwe zaligheid gezien." Een paar landlieden zijn toevallig +getuige van het tooneel, evenals twee "schriftgeleerden", die op den +voorgrond op een rustbank zitten. Omhoog welven en kruisen zich de +tempelbogen, die door weelderig versierde kolommen worden gedragen. Daar +heerscht schemering, evenals op de breede trap, waar tal van +tempelgangers op en afgaan. + +Om reeds bij den eersten aanblik de attentie te vestigen op de +hoofdgroep, laat de schilder de ruimte van den tempel in het halfdonker. +Op ééne plaats valt het zonlicht naar binnen, en wel door een venster, +dat zich links boven in het gewelf zal moeten bevinden. De +"schriftgeleerden" zitten buiten het licht; ofschoon in letterlijken zin +op den voorgrond geplaatst, trekken ze geenszins het eerst de aandacht. +Dat doen zeker wel de hoogepriester en Simeon het meest. De eerste door +zijne koninklijke gestalte, waar, in lange, statige, plooien, de mantel +omheen hangt. Hij doet denken aan "Jezus" op de eerste prent van de +"Opwekking van Lazarus". De gebogen lijn, van het hoofd achter over den +hals en den rug, is hier zuiverder van beloop; bij "Jezus" voelen we ter +hoogte van den linkerschouder en iets lager eene afwijking, die niet +duidelijk de bedoeling laat doorschemeren. + +Zuiver van uitdrukking is de hand; ze wuift en wenkt het neergeknielde +paar de woorden toe. In de pols is juist genoeg buiging achterover, om +het gevoel van stille verrukking uit te spreken; de hoogepriester neemt +deel in de zaligheid van dit grootsche oogenblik. Boog de hand zich in +neerwaartsche richting, dan kregen we den indruk, dat hij min of meer +uit de hoogte den zegen gaf. + +De vingers staan uitgespreid, alsof ze tintelen van de aandoening, +waarmee de plechtigheid hem vervult; vooral de pink staat wijd +uitgespannen; zoo zien we dat bij iemand, die zijne woorden spreekt in +ontroerde bezieling. + +Niettemin is de hand onschoon van teekening. Evenals die van Jezus op de +eerste Opwekking, is ze breed en plat, de vingers zijn kort en stomp, de +geleding is niet zuiver gevoeld. + +In de nijging van het hoofd ligt iets herderlijks. Het drukt bezorgdheid +en deelneming uit. Zoo staat een geestelijke tegenover hen, die zich +aan zijne leiding toevertrouwen. Zoo neemt hij ze, in figuurlijken zin, +onder zijne vleugels, in zijne bescherming. En wie zoo toegesproken +zijn, keeren huiswaarts met een gevoel van vertrouwen op de toekomst, +met het geloof, dat alles wel goed zal komen. + +Met de geheele figuur staat in 't licht; alleen dat deel, waarin de +schilder de uitdrukking wilde leggen. Daar zien we ook het duidelijkst, +hoe de statiegewaden er om hangen. Lange plooien gaan sierlijk van den +hals tot op den grond en slepen zelfs nog na. Zwaar en dik is de stof. +Hier en daar kreukelen de plooien overdwars. Van het hoofd af hangt een +priesterlijk sieraad over den hals en op den rug. Het ligt er rustig en +plat uitgespreid. De zijlijn volgt de buiging van den hals, de onderkant +de ronding van den rug. Alles plakt zwaar en solied op elkaar. + +Het verlichte handje draagt onzen blik van den hoogepriester op Simeon +over. Het is een licht-schakel. + +Ontzaglijk is het, de vervoering, de geestesverrukking van dezen +grijsaard te zien. Men hoort hem met groote stem, met woest geluid tot +den Heer zijnen God roepen en de woorden spreken, die boven aangehaald +zijn. Hij acht geen omstanders, ziet geen vader geen moeder, geen +hoogepriester, maar voelt zich het hart zwellen van dankbaarheidsdrift, +nu hij den lang verwachten Messias in de armen sluit. Het is eene uiting +van den sterksten hartstocht, eene ontroering, die den aandachtigen +beschouwer door de ziel gaat. + +[Illustration: Groep uit "Simeon in den Tempel".] + +De moeder Maria, ofschoon niet ten volle begrijpende, slaat vol zalig +gevoel de handen op de borst tezaam; haar moederhart zwelt, nu haar kind +den grijsaard zoo in gloed zet en hem zulke woorden ontlokt. Jozef, +eenigszins in de schaduw gesteld, weet nog minder, wat hij van de +ontboezeming van Simeon moet denken. Toch zit ook hij met vaderlijk +welgevallen het tooneel aan te zien. Zijn gemoed wordt zachter bewogen +dan dat van Maria; zijne gevoelens zijn meer gematigd. In het volle +licht behoefden ze niet gesteld te worden, mits ze toch ook de aandacht +niet ontgingen. De schilder laat hem daarom neerknielen in de schaduw +van den hoogepriester. Maar eene zachte, stille weerkaatsing van den +gloed van Simeon ligt over zijn wezen. Het is eene weerkaatsing van den +lichtgloed, zoowel als eene weerspiegeling van de gemoedsbeweging, maar +beide sterk getemperd. + +Eene belangrijke rol laat Rembrandt de boertjes spelen, die toevallig +langs de groep heenliepen en even bleven staan. Het misbaar van den +grijsaard moet zijn oorzaak hebben; wat mag er wel aan de hand zijn? +vragen ze zich af. Ze komen nieuwsgierig een stapje nader. Die met de +hooge muts ziet er vrij onnoozel uit en zal niet veel wijzer worden, al +staat hij er vooraan bij. De middelste van de drie is een echt type. +Waren ze er zoo in de dagen van Rembrandt, in 1631, wij kennen ze zoo +nog. De handen onverschillig op den rug, het hoofd tusschen de schouders +gezakt, hoogruggig door den veldarbeid, den kop vooruitgestoken met een +norsch, bullebakkig gezicht. Men ziet hem aan, dat hij ontsticht is over +het misbaar. Toch werpt hij een onderzoekenden blik op het kindeke, een +blik, dien men niet licht vergeet. Terwijl hij neerziet, is het, alsof +zijn wrevelige trekken zich ontspannen. Een klein, teer kindje, wie kan +daarbij ook onverschillig blijven! + +Voor ons is het geen raadsel, waarom zijn gezicht opklaart; wij leven +twintig eeuwen na de Jeruzalemsche gebeurtenis, en ons is het gegeven om +te overzien, wat dat Kindeke geworden is, en welke dingen Het verkondigd +heeft. Zie, voor wie waren later de predikingen van Jezus het meest +bestemd, op wie maakten ze het eerst indruk! Wie sloten zich aan en +lieten zich doopen? Waren het niet de eenvoudigen van geest? Waren zij +het niet, wier verstand klein was, wier begrip van de dingen niet +verging? + +Rembrandt voelde behoefte, om het groepje in den tempel aan te vullen +met een paar van deze eenvoudige zielen. Dat zou voor den beschouwer de +herinnering levendig houden van wat er later gebeuren moet. In de +simpele landlieden, die met belangstelling komen toekijken, zien we de +toekomst van het eerste Christendom. + +Nog in een ander opzicht zijn de boertjes merkwaardig. Laten we niet uit +het oog verliezen, dat Jezus in het land Kanaän geboren werd; de +ontmoeting met Simeon had plaats in den tempel te Jeruzalem; het volk, +dat de trappen op en afging, of toeschouwer was bij Simeons +geestesvervoering, waren Israëlieten, Joodsche landbouwers, Oosterlingen +dus. De kleedij, die de Joden in het begin onzer jaartelling droegen, +komt overeen met die, waarin zich thans nog Arabieren en Syriërs steken. +De meeste schilders hebben getracht, als ze een bijbelsch tafreel +behandelden, om hun figuren het voorkomen van Oosterlingen te geven. +Soms sloegen ze den bal wel mis, en schilderden ze Italiaansche +landlieden in plaats van oud-Israëlitische, maar ze hadden dan toch de +bedoeling, er een buitenlandsch tintje aan te geven. + +Deze bedoeling vinden we bij Rembrandt niet. Hij doet geen moeite om het +Bijbelverhaal te doen spelen in verre landen, onder vreemde volken. De +boertjes zijn echt Hollandsche typen. Ze komen regelrecht uit Ransdorp, +Broek-in-Waterland of Ouwerkerk-aan-den-Amstel. In hun blauwen kiel +heeft de schilder hen door Amsterdam zien gaan, of in de weide bij hun +vee bespied. Wel zien ze er anders uit dan het landvolk uit onzen tijd, +maar ook buiten de steden wisselt en verandert de kleederdracht. En zoo +als ze hier in den tempel staan, zoo heeft Rembrandt in zijn tijd hen op +verschillende platen naar het leven geteekend; nu eens met eene hooge, +dan eens met eene lage muts op het hoofd. Zoo was in zijnen tijd hunne +dracht. + +Hij brengt dus de gewijde geschiedenis over op vaderlandschen bodem. +Vreemde kleederdrachten voor herders en landlieden versmaadt hij. Hij +weet, dat tal van menschen zich op dat vreemde blind kijken, en geen oog +hebben voor het wezenlijke van de schilderij. Ze zullen de voorstelling +beter gaan voelen en begrijpen, als de figuren menschen zijn gelijk zij +zelf; als die in gelaatstrekken, in kleur, in houding en in kleeding +gewone, echte Hollanders zijn. Jezus had immers heel goed in Holland +geboren kunnen zijn. Was niet de Republiek der Vereenigde Nederlanden +een zeer bijzonder land? Had de God der Vaderen niet geholpen, om haar +van de Spaansche tirannij te bevrijden? Had Hij de zaak der Hervorming +niet doen zegevieren? Was er éen protestantsch land zoo met aardsche +rijkdommen en met welvaart gezegend? Een uitverkoren volk, daarvoor +hielden onze voorouders zich. Zij waren een tweede Israël. Alles, wat +ginds in het Oosten, aan de oevers van de Jordaan, was afgespeeld, +speelde zich ook hier af, dachten ze. Hunne geschiedenis was eene +afspiegeling van de Bijbelsche. + +Als zoo een geheel volk denkt, valt het den kunstenaar gemakkelijk, zich +ook in die richting te bewegen. Hij denkt niet alleen, hij stelt +zichtbaar voor. Het Joodsche wordt Hollandsch; de schaapherders van +Ephrata en de wijnbouwers van de berghellingen van Judea, komende in den +tempel van Jeruzalem, worden melkboeren uit de omstreken van Amsterdam. +En waarom ook niet? Over de heele aarde wonen menschen van éen natuur; +het denken en voelen is wel overal ten naastebij hetzelfde. Vooral onder +de volksklasse, die hier is voorgesteld, onder de eenvoudigen van geest, +die opgroeien te midden van de natuur. + +Hiermee kunnen we afscheid nemen van de blauwgekielde tempelgangers, om +nog even eenen blik te slaan op het tweetal, dat op den voorgrond in de +schaduw zit. + +De eerste laat het tooneeltje, daar voor hem, niet onopgemerkt +passeeren. Hij steekt het hoofd onderzoekend vooruit. Zooals het handje +en de arm op de leuning van den stoel liggen, kan men zich denken, dat +hij bijna van zins is, op te rijzen en nader te treden. Nummer twee +wisselt met hem een blik van verstandhouding. Hij krijgt argwaan, dat de +zaak niet in orde is. Schriftgeleerden, zooals zij misschien zijn, nemen +het met godsdienstaangelegenheden zeer nauw. Ze dulden geene +uitdrukkingen in strijd met de Joodsche wet. + +Of zij in de woorden van Simeon iets hooren, wat hun verdacht voorkomt, +willen we niet nagaan. Maar ons treft hunne tegenwoordigheid op deze +plaats. Reeds bij dit voorval uit het leven van Jezus zijn ze +dwarskijkers, in letterlijken en in figuurlijken zin. Rembrandt geeft ze +voorshands nog een plaatsje in de schaduw, terwijl hij de aanstaande +volgelingen van den Nazarener in het volle licht zet; maar ze zijn er +toch, en ze brengen ons te binnen, hoeveel leed ze later zullen +uitstorten over het hoofd van het Kindeke, dat nu nog zoo onnoozel in +Simeons armen ligt. + +Ten slotte een enkel woord over de geschiedenis, die dit schilderijtje +heeft doorgemaakt. + +Voor wien en voor hoeveel Rembrandt het maakte, weten we niet. Het duikt +in 1733 uit het onbekende op. Bij eene verkooping ten huize van een +Haagsch burger werd het voor f830 verkocht; men weet dit uit een +rekeningenboek. Een mooie prijs voor dien tijd!--Later werd het +aangekocht voor de verzameling van Stadhouder Willem V. De groote +gebeurtenis voor het stuk moest echter eerst komen tusschen 1810 en +1813. Toen Nederland als aanslibsel van Fransche rivieren bij het +Keizerrijk was ingelijfd, vond Napoleon, dat alle kunstwerken, die aan +den Staat behoorden, naar de hoofdstad des rijks moesten verhuizen, naar +Parijs. De "Simeon" was door Prins Willem V bij zijn vertrek naar +Engeland in 1795 natuurlijk in den steek gelaten, evenals de verdere +roerende en onroerende have; de staat had er zich over ontfermd, en nu +ontfermde Napoleon er zich weer over. + +Het werd met tal van andere schilderstukken ingepakt, op eenen wagen +geladen en verzonden. De bedoeling was, om het Louvre er mee te +verrijken. Wagenvrachten en wagenvrachten van kunstwerken ondergingen +ook in de andere Fransche wingewesten hetzelfde lot. Men was er in +Parijs verlegen mee. De opeenhooping was zoo groot, dat een paar jaren +later het werk der schifting en der tentoonstelling nog niet afgeloopen +was. Napoleon kwam ten val, voordat alles een plaats had gekregen. + +Toen hij in 1815 voorgoed van het wereldtooneel verdween, was het Louvre +meer pakhuis dan museum. Spoedig daagden van de onderscheiden herstelde +regeeringen afgevaardigden op, om uit den rommel op te eischen, wat door +Napoleons ambtenaren naar Parijs was vervoerd. Ook van de regeering der +Nederlanden. "Simeon" maakte de terugreis naar Den Haag, en kreeg daar +in het Mauritshuis het plaatsje, dat hij nu nog inneemt. Moge hij er +blijven tot in lengte van dagen, om nog vele bezoekers het hart te +verheugen. + + * * * * * + + + + +EENE ONDERGAANDE ZON. + + +Het licht is voor Rembrandt gedurende al zijne levensjaren een +geliefdkoosd onderwerp van studie geweest. Wat is er ook schooner! Wie +kan onverschillig zijns weegs gaan, wanneer hij des ochtends buiten is +bij het opkomen van de zon? Wie sluit dan het oog voor de lichtspelingen +langs lucht en wolken? + +Voelt ook niet ieder zich door zonneschijn meer aangetrokken tot de +vrije natuur, dan door bewolkte, vreugdelooze luchten! + +En dan des avonds bij het ondergaan der zon! Welk een kleurenspel wordt +ons iederen dag opnieuw bereid! Nimmer vervalt de natuur in herhaling. +Altijd weer is ze verrassend en nieuw in haar getoover met lichtverven +en kleurvloeiingen. + +Oud en jong, arm en rijk, ongeschoold en welonderwezen, alles heeft er +oog voor. Geen mensch, of wel ééns in zijn leven heeft hij éénen +zonsondergang genoten, wel ééns heeft hij bij dit natuurverschijnsel +aandachtig stil gestaan. Daar zonk de vuurbol ter kimme. Het licht, dat +den ganschen dag slechts licht was geweest, werd nu kleur. De +huizegevels in baksteen blonken eens zoo rood als anders. De witte +raamkozijnen bleven wit, maar waren toch, zonderling wonder, te gelijk +ook rood. De hagelwitte gordijnen eveneens, ofschoon het wit toch +vlekkeloos rein bleef. De grijze, stoffige straat--wie zou ooit op de +kleur van eenen straatvloer letten!--behield hare grauwe steenkleuren, +en trok niettemin het oog door een purperen schijn. Daar waren de +schoone, groene boomen! Schenen niet ook zij van hetzelfde purper +doortrokken, terwijl groen toch groen bleef. De stammen stonden te +blozen als frissche wangen: maar grauw en grijs en bruin was +onveranderlijk de kurkschors. + +Met geene woorden kon men noemen, wat elk ding voor verven kreeg. Zoodra +men het beproefde, gaf men slechts eene opsomming van de kleuren, die er +waren bij heldere dagverlichting. Een raadsel was het, dat de zon bij +het scheiden nog opgaf. Een moeilijk raadsel! + +Van de ondergaande zon tot den levensavond van onzen schilder is eene +schrede minder groot, dan men wellicht zou denken. + +Daar hangt in het Rijksmuseum te Amsterdam een werk, de Staalmeesters +heet het, dat hij voltooide in 1661, en dat het laatste groote stuk is, +waaraan hij zijne zorg wijdde. We schromen, als we het naderen, om de +gedachte uit te spreken, doch ze laat zich niet terugdringen: dit +kunstgewrocht is het afscheidslicht, dat eene ondergaande zon nog gaf. +Eene ontzaglijke ziel spreekt hier haar laatste woord. En ook _dit_ +laatste woord is een raadsel, is hetzelfde raadsel, wat de avondzon weet +voor te leggen. Ook hier heeft elk ding zijn eigen kleur, zijn eigen +verf, zijn eigen kleurvermengingen; maar tegelijk straalt ook hier elk +ding eenen rossigen gloed uit, eene tint, die nergens aan te wijzen, en +toch overal te vinden is; die op geen voorwerp ontbreekt, en toch op +alles de natuurlijke kleuren handhaaft. We _zien_ het roode licht niet, +we _ondergaan_ het. Overal kunnen we aanwijzen zuiver bruin, zuiver wit, +zuiver zwart, en overal toch voelen we het uitstralende rood, dat +nergens is, dan alleen in het kleed, dat over de schuine tafel gespreid +ligt. + +Het grijpt ons aan, als we bedenken, dat de zon, na al haar schoone +licht, eindelijk tot het avondrood komt, en dan niets schooners meer +geven kan. Dan moet ze ondergaan. Ze heeft het schoonste bereikt. En +Rembrandt is het eveneens gegaan! + +Zijn gansche leven is geweest: grooter en grooter worden. We zagen het +bij de twee Opwekkingen, we zagen het bij de Anatomische les en het +Korporaalschap, we ontdekken het nogmaals bij de Staalmeesters, twintig +jaren later gemaakt, in den levensavond van den kunstenaar. + +Hij begint groot in 1632. Steeds wast hij, en meenen wij, dat het +hoogste bereikt is; maar steeds overtreft hij weer, wat hij te voren +maakte. Elk stuk vinden we onovertroffen, tot hij zelf een nieuw +meesterwerk schept, en ons de oogen opent voor de tekortkomingen van het +voorgaande. En wat hij op het eind van zijn leven te zien geeft, is niet +alleen weer beter, dan wat vooraf ging; het lijdt aan geene gebreken +meer, het bereikt alles, wat bereikt wou worden. Wat de schilder wilde, +gelukte; en er is niets groots, dat hij vergeten heeft te willen. + + * * * * * + + + + +VERGELIJKINGEN. + + +Omdat we ons met een zwart prentje moeten vergenoegen, zullen we bij de +beschouwing de kleurhoedanigheden laten rusten, dat wil dus zeggen, het +wonderlijkste wat er aan de Staalmeesters is op te merken. Toch is +vooral aan het tafelkleed wel iets te zien van de kleurenpracht. Daarin +zit, zelfs in onzen zwarten afdruk, nog eene mengeling van al den +vervenrijkdom, dien we ons in een weelderig weefsel kunnen denken, en +van al de tintelingen, die het licht daarop kan doen ontstaan. Groote +vlakken van zachte belichtingen en zachte verdonkeringen wisselen met +elkaar af. Daardoor heen zien we breede, horizontale kleurbanden gaan, +en door deze weer lichtricheltjes van onder naar boven, of reeksen +lichtnoppen van rechts naar links. Het gedeelte, dat links om de tafel +heen hoekt, geeft op andere wijze, zonder mengeling, de kleurfiguren te +zien, die de wever door zoo'n kleed weet heen te werken. + +Vergelijk hiermee nu de lap stof, die op de plaat "Evertsen in de Staten +van Zeeland" over de tafel ligt. Droog en dor geeft hier de grijze kleur +aan wat schaduw is. Rembrandts kleed gloeit van warmte, van innerlijke +kleurenpracht, van Oosterschen tapijtenrijkdom; het andere is koud en +mat, arm van weefsel en arm van kleur. + +[Illustration: De Staalmeesters.] + +Voor het overige moeten we van kleurbeschouwing afzien, en ons +voornemen, om in het Rijksmuseum de schade in te halen. + +Wat er van de Staalmeesters in een zwarten afdruk overblijft, is echter +niet zoo gering, of het zal ons duidelijk worden, dat we hier te doen +hebben met een onsterfelijk gedenkteeken. Het spreekt nog meer van +Rembrandts grootheid dan wat voorafgegaan is, meer dan het +Korporaalschap of eenig ander kunstwerk. + +[Illustration: Evertsen en de Staten van Zeeland.] + +We beginnen niet, met naar zeldzame eigenschappen te zoeken. Juist in +de afwezigheid hiervan schuilt eene verdienste. Stel maar naast elkaar +het "Gezelschap op het Muiderslot" en de "Staalmeesters". Beide +vertoonen een groepje burgermenschen uit de 17^{de} eeuw, uit 1619 en +uit 1661. Het verschil in kleeding en kapsel duidt wel een verschillend +tijdperk aan. Wat uit 1619 dagteekent, staat in dit opzicht dichter bij +de Anatomische les, terwijl de figuren uit 1661 ons bekend voorkomen, +wegens de overeenkomst met Jan de Wit, het portret op +Levensverzekerings-en Spoorboekjes. + +Beide gezelschappen bevinden zich binnenshuis, dus in eene omgeving, die +we een interieur zullen noemen. Bij dit interieur bepalen we het eerst +onze aandacht. Op het Muiderslot valt het daglicht binnen door een +venster, dat we ter linker zijde kunnen zien. Het vergunt ons, om +buitenlicht naast kamer-of binnenlicht te stellen, want bij het venster +is een stukje witte muur. Tusschen dit wit en het wit van de +vensteropening bevinden zich een viertal schaduwstrooken, die we met een +potlood of een reepje papier kunnen bedekken. Dan merken we op, dat +beide witte strooken gelijk zijn, misschien wint de muur het van het +buitenlicht nog in helderheid. Wie nu in het eerste het beste vertrek +even eene vergelijking maakt tusschen het een en het ander, zal +opmerken, dat de verhouding juist andersom moet zijn. Al is een +binnenmuur in het licht gezet, hij moet toch voor het zonlicht, dat de +buitenwereld beschijnt, onderdoen in helderheid. Een geschilderd +interieur mag hiervan niet afwijken, of het is geen interieur meer. + +Op den vloer spreekt de fout nog sterker. Ver in de kamer, tot onder den +stoel van den ouden heer, die met zijnen rug naar de tafel zit, is het +licht krachtiger dan buiten de openstaande deur. Hem voorbij merken we +hetzelfde op aan enkele voorwerpen: aan het tafellaken, het doekje, dat +de dienstbode op den rug hangt, het zijmuurtje links van den +schoorsteen, zelfs aan eene versiering tegen den schoorsteen. + +Ondanks deze gebreken zeggen we toch, dat de plaat een interieur +voorstelt, omdat we een venster, een deur, een binnenmuur en +kamermeubelen zien; die doen ons besluiten: het moet een binnenhuis +wezen. Maar eerlijk gezegd: het _is_ er geen. Hoe het moest zijn om er +een te wezen, leert ons het stuk van Rembrandt. Alles is hier in eene +matte, grijze tint gezet, die overal doet gevoelen, dat we ons +binnenshuis bevinden. Wanneer eene vensteropening werd aangebracht, zou +daardoor het daglicht kunnen vallen in eene helderheid, die sterk afstak +bij de verlichting van de muurgedeelten op den achtergrond. + +Dit muurtje met het schoorsteentje vinden we bijna in dezelfde gedaante +op het Muiderslot terug. We kunnen in het voorbijgaan deze twee +onderdeelen naast elkaar stellen. Beide bestaan uit houtbetimmering en +gepleisterd metselwerk. Op het Muiderslot is het eerste erg donker, het +laatste, zooals we reeds opmerkten, veel te licht van kleur. Wie door de +oogharen naar de betimmering kijkt, kan den gepleisterden muur best voor +een stuk lucht houden, dat heel in de verte achter het beschot oprijst. +Er is geen samenhang tusschen de twee. De teekenaar was bang, dat we +geen steen van hout zouden onderscheiden en maakte de verschillen veel +te duidelijk. De achterwand valt uit elkaar. Ook schijnt hij zich heel +ver achter het schilderijtje boven de kast te bevinden. + +[Illustration: Muiderkring.] + +Achter de heeren Staalmeesters zien we hout en steen in bijna dezelfde +tint. Het verschil is gering. Toch ontgaat ons het stoffelijk +onderscheid niet; er zijn kleinigheden, die daarvoor zorg dragen. Let +maar eens op de kantlijn, waar de voor-en zijkant van den +schoorsteenmuur elkaar ontmoeten; op het Muiderslot is die lijn langs +een liniaal getrokken; het is een pracht van een rechte lijn. Bij +Rembrandt helt ze ten eersten een weinig naar rechts; en dat is +verklaarbaar. Zoo'n oud stuk gemetselde schoorsteen rijst gewoonlijk +niet loodrecht omhoog. Ten tweeden is ze heel fijn met korrels +afgebrokkeld; ook dit is voor een gepleisterden muur heel juist, en meer +waarschijnlijk dan de ongeschonden liniaallijn op den Muiderslotschen +schoorsteen. Ten derden is het niet een _zwart_-getrokken lijn, maar +juist het tegenovergestelde, een lichtkantje. Ook dit beantwoordt aan de +werkelijkheid. Alleen dit kantlijntje zou reeds duidelijk genoeg zeggen, +dat het bovenste deel van den achterwand gepleisterde steen is. + +Door acht te geven op dat, wat in het Muiderslot ontbreekt, worden we +gewaar, wat eene goede eigenschap is van de "Staalmeesters". Het is een +interieur. We zeggen niet: "het _moet_ er wel een wezen"; het _is_ er +een. + +Het interieur is echter maar achtergrond en bijzaak; de figuren zijn +hoofdzaak. We tellen er zes, den bediende meegerekend. Na hetgeen we +opmerkten bij de vergelijking van Anatomische les en Korporaalschap, zal +het al dadelijk de aandacht trekken, dat Rembrandt afgezien heeft van +middelen om te groepeeren, zooals hij in 1642 nog noodig vond. Voegde +hij de leden van het Korporaalschap nog zóó samen, dat de schilderij er +uitzag, alsof ze eene beroemde gebeurtenis voorstelde, de Staalmeesters +kruipen maar heel gewoon bij elkaar, zooals ze dagelijks in hun beroep +bij elkaar zitten. Het stuk stelt niets voor. Het is een portretstuk, +zonder meer. Een kunstgreep, zooals het cadaver op de Les, anno 1632, +trok den schilder na dertig jaren niet meer aan; zelfs het kunstmatig +bijeenvoegen niet meer, gelijk het stuk uit 1642 te zien geeft. Van al +het gekunstelde, komedie-achtige, dat zijne vroegere werken kenmerkte, +en dat men toen schoon vond en thans nog schoon vindt, omdat het zoo +volmaakt van kunst is, van dat alles is hij terug gekomen. Op zijn +leeftijd is de arbeid geen spel met wondertooneelen. Hij zet heel +gewoon, zonder ophef, de figuren naast elkaar op eene rij. Behoudens +kleine afwijkingen, die zijn smaak hem ingaf: nommer twee van links af +moest even oprijzen, om de eentonigheid van eene vijfkoppige rechte lijn +te breken; de bediende mocht wel post vatten tusschen twee der heeren +midden op het doek, maar hij kreeg zijne plaats toch iets dichter bij +den een dan bij den ander, en deed met zijn gezicht dus geen +regelmatigen driehoek ontstaan. Staalmeester nommer twee, van rechts af, +werd met half afgewend bovenlijf neergezet, om niet twee gelijkvormige +schouders, hoeden en witte kragen naast elkaar midden op het doek te +krijgen. + +Dit zijn kleine schikkingen, die bijna toevalligheden lijken; als vijf +menschen ordeliik om eene tafel geschaard zitten, zal men juist +dergelijke afwijkingen opmerken. Ze houden het midden tusschen stijfheid +en gezochtheid. + +Hoe eerlijk en eenvoudig de schilder er naar streefde, om niets anders +te maken, dan portretten, blijkt ook uit het spel der handen. Op de +"les" zoowel als op het schutterstuk is dit een ding van belang. Het +spreekgebaar van Dr. Tulp, de wijze hoe hij zijne mededeelingen over de +spierbeweging toelicht, trekt sterk de aandacht. De handen zijn vrij in +de ruimte gezet, tegen een donkeren achtergrond, en ze hebben voor het +geheele stuk eene groote beteekenis, gelijk we boven reeds zagen. Ook +die van Frans Banning Kok zijn in 't oog loopend op den voorgrond +gebracht. Rembrandt schepte er behagen in, om te laten zien, wat hij met +handen kon. Maar in 1661 zal hij gemeend hebben, dat het zien van een +portret een te ernstig werk is, om daarbij afgeleid te worden door +bijzaken. Toch zou het wegmoffelen van de handen ook eene fout geweest +zijn. Immers, als we een groepje menschen, dat rond eene tafel zit, +opnemen, zonder dat zij het bemerken, dan zien we wel in het eerste +oogenblik de gezichten, maar het kan toch zijn, dat we in de tweede +plaats ook toevallig naar de handen zien. Daarom gaf hij ze wel aan +zijne figuren, maar zoo, dat we ze slechts terloops en eerst _na_ de +gezichten ontwaren; hetzij dan versmald gezien, als bij nommer een, +hetzij in de schaduw gezet, als bij nommer twee, hetzij in de +onmiddellijke nabijheid van den tafelrand en het boek, zoodat ze hiermee +als het ware één geheel uitmaken, en niet als afgezonderde lichtplekken +tegen den achtergrond vrij in de ruimte staan. Echter wist hij ook met +terzijde geschoven handen nog gedachten uit te drukken: let maar eens +op, hoe juist de rechter van den middelsten sinjeur ons zegt: "maar het +staat hier toch!" Het kloppen met den rug van de vingers op de bladen +van het boek kan niet anders beteekenen. De houding van het hoofd en de +gelaatsuitdrukking bevestigen het. + +Eene sterk sprekende eigenschap van Rembrandt op dezen leeftijd is dus, +dat hij zich beperkt. In jonger jaren groeide zijne kunstdrift als een +welig gewas met ver-uitschietende, bloemdragende loten. Nu snoeit hij; +alles wat weg kan, gaat weg; de verzonnen tooneelen zijn het spel der +handen gevolgd. Slaan we nogmaals een blik op de "Les" naast de +"Staalmeesters", dan valt ons ook in de gezichten iets op. Op het eene +trekken de blanke, hooge en breede voorhoofden, de in verlichte +vleeschkleur geschilderde wangen, en op het andere de oogen, de neuzen +en de monden de aandacht. Is het niet, alsof de geneesheeren uit 1632 +allemaal toevallig kleiner van oogenbouw waren, fijner van neus en mond, +maar hooger van voorhoofd en opzichtiger van wang, dan de staalwaardijns +uit 1661? Dezen schijnen groffer van maaksel te zijn geweest dan genen. +De zaak is, dat de schilder in zijn eerste jaren veel aandacht schonk +aan de vleeschkleuren, de vleeschpartijen, zooals men dat noemt. Hoe +ouder hij werd, hoe meer hij er echter naar streefde, niets dan het +leven en de ziel uit te drukken. Deze las hij meer in oogen, mond en +neus dan in de schilderachtige licht-en kleurverschijnselen van het +gezichtsvleesch of in den bouw van het gelaat. Onwillekeurig bracht hij +ze tot meerdere uitdrukking, met het gevolg, dat wij ze eerder opmerken. +Treffend is het in dit opzicht, dat hij voor de gelijkenis van de +geneesheerlijke koppen alle voorhoofden noodig achtte, en ze ieder met +zijne eigenaardigheden schilderde, terwijl hij ze bij de staalmeesters, +op eene enkele uitzondering na, onder de hoeden wegstopte, als niet +terzake dienende. Met de baardjes en kneveltjes kon hij dit moeilijk +doen; maar toch worden ook deze minder op den voorgrond gebracht dan in +1631. + +Van knevels en baarden gesproken, het prentje "Evertsen voor de Staten +van Zeeland", eene historieplaat van een negentiendeeuwschen teekenaar, +geeft figuren uit hetzelfde tijdvak als Rembrandts Staalmeesters. Ze +zijn alle voorzien van snorren en puntbaarden, vervaardigd naar een +zelfde model, in dezelfde punt gedraaid, van dezelfde dikte, in +denzelfden gebogen vorm. Het lijken gehuurde tooneelsikjes en +tooneelknevels, die de heeren vòòr gedaan hebben, om er kranig uit te +zien. Naast zulke zaken erkennen we eerst recht, hoe bij Rembrandt elk +ding tot juistheid komt. Wat geven zijn kort afgeknipte smalle +haarlijntjes op de verschillende bovenlippen een heel ander denkbeeld +van de mode anno 1660. Zòò moet het er uitgezien hebben; de valsche +spullen van de heeren Staten zijn eene bespotting. + +In den loop der jaren heeft alzoo Rembrandt ook het groote snoeimes +gezet in zijne neigingen bij het schilderen van koppen. Hij beperkte +zich hoe langer hoe meer tot datgene, wat het wezenlijke is, wat het +leven weergeeft. Dat, wat hij vroeger mooi vond, en wat hem daarom +aantrok, liet hij weg, als het voor het eigenlijke doel niet diende. In +1632 stonden al de koppen, ofschoon kunstig bijeengeschikt, als +afzonderlijke portretten tegen een donkeren grond; in 1661 steken ze zoo +blank en rond niet af, maar worden in het interieur opgenomen. Dat de +Staalmeesters een portret is, wordt in het geheel niet +verbloemd--immers, het heeft niet den schijn van eene gebeurtenis. De +Les doet wel, alsof ze een voorval is, en toch denken we dadelijk: die +heeren zijn uitgeportretteerd. + + * * * * * + + + + +WAT PORTRETTEN BIJEENVOEGT. + + +De Staalmeesters staan of zitten voor ons, alsof we hen in het +werkelijke leven onverwachts overvielen. De schilder heeft hen zoo weten +te treffen, dat we niet zeggen: kijk, die zijn er voor gaan zitten om er +goed op te komen. En toch zijn ze dat juist wel. Zelfs vestigen vijf van +de zes hun blik op den kunstenaar. Maar zooals ze naar hem--en omdat wij +in zijne plaats nu staan-naar ons kijken, wekt het de gedachte: ze zien +naar iemand, die binnenkomt. En dit is iets anders dan: ze zien naar den +man, die hen uitteekent. Het verschil is fijn gevoeld. Door Rembrandt is +deze indruk vastgehouden: alle heeren keken op, toen ik binnenkwam, en +schenen te vragen: wie is _dat_ nu? Hij bearbeidde hen, niet zooals hij +ze voor zich zag zitten, wanneer ze één voor één in zijne werkplaats +kwamen om te poseeren; maar met datgene op de gezichten, wat hij +eventjes had waargenomen, toen hij voor 't eerst binnenkwam. Hij +schilderde hen met in achtneming van eene lichte verwondering, van eenen +vragenden trek op het gelaat. Dit was eene natuurlijke, ongemaakte +uiting, doordat alle tegelijk iets vreemds hoorden en het hoofd naar den +kant draaiden, vanwaar het geluid kwam. Eene uiting van leven, die door +de personen niet eerst overdacht is; zonder overleg kwam dit zoo op +hunne gezichten; ze hadden zelfs den tijd niet, om een slimmer of een +opgewekter gezicht te zetten, dan hun van nature eigen was. Nommer een +van rechts af is bijvoorbeeld niet een van de snuggersten geweest. +Rembrandt doorzag dit met den eersten oogopslag: in de hoog opgetrokken +wenkbrauwen, in de dikke oogleden, de slaperige oogjes, de +vooruitstekende bovenlip voelde hij het. Daarnaast zit een, die van de +natuur geen welgemaakt gezicht heeft meegekregen: het is wat te lang en +te smal, de lippen zijn te dik. Maar hij behoort tot de lieden, die +ondanks hun uiterlijk, een ieder aantrekken door iets prettigs en iets +vriendelijks in de oogen en om den mond. De middelste van de vijf had +juist het woord, en liet zich in zijn betoog door Rembrandt's +binnenkomen niet storen. De volgende rees overeind, misschien om ter +meerdere klaarheid er een ander boek bij te halen; aan den draai van +zijn hoofd zien we, dat zijn opstaan met de komst van den schilder +_niet_ in verband staat; hij stond al, en heeft, ondanks den blik op den +binnenkomende, _andere dingen in het hoofd_. Dit vooral is duidelijk aan +hem te zien. + +Om kort te gaan: de gelaatsuitdrukkingen zijn overvallen; niet bij een, +maar bij allemaal. De verrassing is de levenstinteling die allen eigen +is. Neem er één figuur uit, aan die verrassing is merkbaar, dat hij bij +de anderen op dit portretstuk thuis behoort. Bij geen van de zes stijgt +de uiting tot verbazing, bij geen heeft ze den schijn van +onverschilligheid. Ze is bij allen even sterk; we voelen zoo heelemaal, +dat allen onder denzelfden indruk even opzien; dat ze als een groep, die +bijeenzat, door Rembrandt zijn opgemerkt. Wat hen vereenigt, is geen +vertooninkje van eene les of van eenen optocht, maar _eenzelfde +gemoedstoestand_; ze doorleven eene zelfde, gelijke gewaarwording. En +dat maakt hen één. Niet eene vreeselijke ontsteltenis, eene groote +angst, eene woeste drift; die zouden te veel ophef hebben gemaakt. Het +blijft bij eene nauwelijks merkbare aandoening. Iets als een zacht +rimpeltje, dat bij windzucht even over al de watervlakjes van een plasje +loopt. Zoo ondergaan ook de bloemen in de wei alle gelijkelijk het +voorbijgaan van een avondwindje. + +De schilder zelf is het middelpunt van aller opmerkzaamheid. We kunnen +ons hunne verrassing best voorstellen, toen hij binnenkwam. Zijn roem +was reeds lang gevestigd; ze vonden het streelend, dat de groote +Rembrandt in hun midden verscheen. Bij voorbaat zijn ze in opgewekte +stemming over hun afbeeldsel, dat natuurlijk wel slagen zal, en dat +misschien een beroemd stuk kan worden. Deze gewoon menschelijke +gedachtetjes spreken uit hunne trekken. De schilder heeft dat allemaal +door en door echt in hen voelen leven. Hij maakte geene _figuren_ van +hen, hij bracht ze _zelf_ op het doek; het was geen namaak, geen +afbeelden; het was de aandoening, het denken, het verrast worden, het +zich prettig gevoelen zelf, wat hij gaf. + +Daar dit bij twee menschen nooit precies hetzelfde is, al lijken ze +uiterlijk nog zooveel op elkaar, wordt de verscheidenheid van gezichten +ook grooter, naarmate dat innerlijke sterker spreekt. We zien het hier. +Er is uiterlijk zeer veel gelijkenis tusschen sommigen, en in kleeding +tusschen alle. Maar ieder denkt er zijn eigen van, als Rembrandt +binnenkomt; en dat zet hen allen ver uiteen, als zeer onderscheiden en +heelemaal verschillende menschen. Wij krijgen den indruk, dat dit geene +figuren, geene afbeeldsels zijn, maar wezens, die bestaan. We worden +door al de oogen, door al de verschillende manieren van oogopslag zoo +aangetrokken, dat we op het gelijke in kapsel, hoed, kraag, kleeding en +houding nauwelijks letten. In den oogopslag zit hier een belangrijk deel +van de portretten. Daarin voelen we, dat de heeren zoo even nog met +neergeslagen oogleden naar de tafel, naar het boek of naar elkaar zaten +te kijken; door het binnenkomen worden de blikken opgeslagen; is het +niet, alsof we deze beweging er in voelen? En geeft de schilder niet bij +ieder afzonderlijk iets aparts in die beweging? Bij alle verschilt de +teekening van het opgeslagen ooglid, en bij ieder is het optrekken van +de wenkbrauwen weer anders dan bij de overigen. + +Als we al de monden langs zien, merken we ook hierin de verscheidenheid. +Wat is die bij den bediende dun van lippen en heel anders dan bij den +sinjeur, achter wiens rug hij staat. En zie daarbij nu weer eens nummer +een van rechts af, hoe die de onderlip achteruittrekt en de bovenlip +iets vooruitsteekt. + +Deze deelen van het gelaat dragen wezenlijk veel meer de uiting van +karakter en leven, dan de vleeschpartijen, die Rembrandt in vroeger +jaren op den voorgrond bracht. Hij is dus sedert het Korporaalschap, +ofschoon dit een meesterstuk was, steeds hooger gestegen. Alles wat naar +komediespel geleek, liet hij varen; wat het zieleleven van zijne figuren +sterker kon uitdrukken, greep hij als hoofdzaak aan. + +Naar het uitwendige werd hij eenvoudiger, naar het innerlijke forscher +en grooter. Bedenken we nog bovendien, welke wondere lichtspeling en +kleurverlichting het oorspronkelijke stuk der Staalmeesters den +beschouwer te zien geeft, dan kunnen we gerust zeggen, dat Rembrandt aan +het eind van zijn leven een onovertroffen schilder was. Hij had groote +voorgangers gehad; en onder deze voorgangers was hij zelf in jonger +jaren een groot kunstenaar geweest. Doch hij eindigde zijne loopbaan als +een, die hooger staat dan allen, ook hooger dan hij zelf eertijds stond. + +In den jare 1669 overleed hij. Op welken dag weet men niet. Den 8^{sten} +October werd hij ter aarde besteld. Voor _f_ 15 werd hem een graf +gegraven in de Westerkerk te Amsterdam. Het bespelen van het carillon +was in dien prijs begrepen. Wie het graven van een graf met f15 kon +betalen, behoorde tot den gegoeden stand. Dit stelt ons gerust omtrent +de geldelijke omstandigheden, waarin hij in de laatste jaren verkeerd +had; we behoeven niet te gelooven, wat meermalen beweerd wordt, dat hij +arm gestorven is. En zijn leven is rijk geweest, rijk aan genot. Hij +heeft vele menschen en vele dingen gekend en begrepen. Kennen en +begrijpen is genot. + +Als wij ernstig trachten zijne werken te kennen en te begrijpen, zullen +we deel hebben in de erfenis die hij naliet: genot van te zien en te +begrijpen. De erfenis is groot genoeg voor een geheel volk: wie zich de +moeite geeft om te willen, kan mede-erfgenaam worden. + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11286 *** diff --git a/old/11286-h/11286-h.htm b/old/11286-h/11286-h.htm new file mode 100644 index 0000000..154ee2d --- /dev/null +++ b/old/11286-h/11286-h.htm @@ -0,0 +1,3282 @@ +<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"> +<html> + <head> + <meta http-equiv="Content-Language" content="nl"> + <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8"> + <title>Meesterstukken van Rembrandt Harmensz. Van Rijn | Project Gutenberg</title> +<style type="text/css"> + + P { text-indent: 1em; + margin-top: .75em; + text-align: justify; + margin-bottom: .75em; } + h1, h2, h3, h4, h5, h6 { text-align: center; } + HR { width: 33%; + margin-top: 1em; + margin-bottom: 1em;} + BODY{margin-left: 10%; + margin-right: 10%;} + .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */ + .note {margin-left: 2em; margin-right: 2em; margin-bottom: 1em;} /* block indent */ + + span.c10 {margin-left: 2em;} + span.c9 {margin-left: 1em;} + hr.c8 {width: 45%;} + a.c7 {color: #000000} + p.c6 {font-family: Verdana; font-style: italic} + span.c5 {font-family: Verdana} + h2.c4 {font-family: Verdana} + hr.c3 {width: 65%;} + p.c2 {font-family: Verdana} + h1.c1 {font-family: Verdana} +</style> +<body> +<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11286 ***</div> + +<h1 class="c1">MEESTERSTUKKEN</h1> +<p class="c2">VAN +<p class="c2">REMBRANDT HARMENSZ. VAN RIJN. +<p class="c2">LEESBOEK VOOR HET LAGER EN VOORTGEZET ONDERWIJS +<p class="c2">DOOR +<p class="c2">G. KIELDER, +<p class="c2">HOOFD EENER SCHOOL TE 'S-GRAVENHAGE. +<p class="c2">AMSTERDAM.-1906. +<hr class="c3"> +<h2 class="c4">VOORBERICHT.</h2><span class="c5"><br></span> +<p class="c6">Nu dit boekje juist in het Rembrandtjaar verschijnt, +zal men het allicht indeelen bij de huldebetoogingen. Toch wil het +daartoe niet gerekend worden. Onze leerlingen geven dikwijls blijk, +dat ze met welgevallen luisteren naar of lezen over kunst; het is +deze belangstelling, die de schrijver heeft willen voeden en +ontwikkelen. Men zal bij de kennismaking den opvoedenden ondergrond +van de stof der besprekingen wel opmerken. +<p class="c2">Dat de onderwerpen ontleend werden aan de werken van +Rembrandt, behoeft niet te bevreemden: deze schilder is voor de +kunst en voor het kunstgevoel een geweldig opvoeder geweest, ook en +vooral omdat hij sterk persoonlijk was in alles, wat van hem +uitging. +<p class="c2">Het was onvermijdelijk, dat de bespreking van +portretten hier en daar het karakter aannam van eene historische +uiteenzetting; ze stellen ons immers voor oogen het geslacht, te +midden waarvan Rembrandt leefde, een geslacht dat historisch is +geworden. Dat we het zien juist door het oog van een psycholoog, is +vast geen nadeel! +<p class="c2">De schrijver mag wel hopen, dat de menschen, die van +kunst hun beroep maken, hem niet te hard vallen over de +vrijmoedigheid, waarmee hij zijne laag-bij-den-grondsche inzichten +ten beste geeft; hij heeft maar ééne +verontschuldiging: dat van hen nog niemand iets gedaan heeft voor +de aesthetische opvoeding van het opkomend geslacht. Het zij gezegd +zonder miskenning van de verdiensten van den Heer H. P. Bremmer, +die reeds jaren lang in de weer is, om onderwijzers voor deze taak +op te leiden. Bij dezen aan hem een woord van dank voor de +beschikking over zijne vermaarde prentenverzameling. +<p class="c2">Voor den gebruiker een wenk: bespreek elk plaatje, +vóórdat de tekst gelezen wordt; als bij het lezen +plaat en tekst in het boekje niet tegenover elkaar staan, laat dan +een van de twee boekjes op eenzelfde bank bij de plaat open liggen. +Open staan is nog beter. +<p class="c2">Den Haag 1906. G. KIELDER. +<hr class="c3"> +<h2 class="c4">INHOUD.</h2><span class="c5"><a class="c7" href= +"#WAT_GEEN_HOOFDZAAK_IS">WAT GEEN HOOFDZAAK IS.</a><u><br></u> +<a class="c7" href="#DE_OPWEKKING_VAN_LAZARUS">DE OPWEKKING VAN +LAZARUS.</a><u><br></u> <a class="c7" href= +"#EENE_LATERE_OPWEKKING">EENE LATERE OPWEKKING.</a><u><br></u> +<a class="c7" href="#HISTORISCHE_GEGEVENS">HISTORISCHE +GEGEVENS.</a><u><br></u> <a class="c7" href= +"#REMBRANDT_LANDSCHAPSCHILDER">REMBRANDT +LANDSCHAPSCHILDER.</a><u><br></u> <a class="c7" href= +"#VROUWE_SASKIA">VROUWE SASKIA.</a><u><br></u> <a class="c7" href= +"#KLEINE_TITUS">KLEINE TITUS.</a><u><br></u> <a class="c7" href= +"#ACTIE">ACTIE.</a><u><br></u> <a class="c7" href= +"#MISLEIDE_AANDACHT">MISLEIDE AANDACHT.</a><u><br></u> <a class= +"c7" href="#AANRAKING_MET_HISTORISCHE_PERSONEN">AANRAKING MET +HISTORISCHE PERSONEN.</a><u><br></u> <a class="c7" href= +"#MEER_DAN_PORTRET">MEER DAN PORTRET.</a><u><br></u> <a class="c7" +href="#GEETSTE_PRENTEN">GEËTSTE PRENTEN.</a><u><br></u> +<a class="c7" href="#VROUWTJE_BAS_VAN_T_RIJKSMUSEUM">VROUWTJE BAS +VAN 'T RIJKSMUSEUM.</a><u><br></u> <a class="c7" href= +"#KUNST_VAN_GROEPEEREN">KUNST VAN GROEPEEREN.</a><u><br></u> +<a class="c7" href="#VERVOLG_VAN_T_KORPORAALSCHAP">VERVOLG VAN 'T +KORPORAALSCHAP.</a><u><br></u> <a class="c7" href= +"#SIMEON_IN_DEN_TEMPEL">SIMEON IN DEN TEMPEL.</a><u><br></u> +<a class="c7" href="#EENE_ONDERGAANDE_ZON">EENE ONDERGAANDE +ZON.</a><u><br></u> <a class="c7" href= +"#VERGELIJKINGEN">VERGELIJKINGEN.</a><u><br></u> <a class="c7" +href="#WAT_PORTRETTEN_BIJEENVOEGT">WAT PORTRETTEN +BIJEENVOEGT.</a></span> +<p class="c2"> <a name="WAT_GEEN_HOOFDZAAK_IS"></a> +<h2 class="c4">WAT GEEN HOOFDZAAK IS.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">Vele eeuwen geleden leefde in Griekenland een +schilder, van wien men de ongeloofelijkste dingen verhaalt, en +wiens naam bij het nageslacht is blijven voortleven als die van een +der grootste kunstenaars. Zeuxis, zoo heette hij, wist niet slechts +de menschen, maar ook de dieren met de voortbrengselen van zijn +penseel in verrukking te brengen. Dit blijkt uit het volgende. +<p class="c2">Hij schilderde eens een vruchtenstuk; in bevallige +wanorde lagen bessen, druiven, noten en appelen door elkander, met +hier en daar een groen blad er tusschen. Ieder, die het zag, stond +verbaasd over de juistheid, waarmee elk onderdeel bewerkt was. En +kijk, toen de toeschouwers zich verwijderd hadden van de +muurschildering, kwamen de vogelen toevliegen en pikten naar de +druiven. Misleid door den schijn, hadden ze deze voor echt +gehouden. +<p class="c2">Een verhaal, dat er gaat van een paardenstuk, komt +hier vrij wel mee overeen. Dit gaf de afbeelding van een paard te +zien, en zoo bedriegelijk juist, dat het vurig strijdros van +Alexander den Groote, toen het voor de schilderij werd gebracht, +aan de teugels rukte en tegen zijn gewaanden natuurgenoot begon te +hinneken. +<p class="c2">We hebben hier het oordeel van redelooze dieren over +kunst van menschen. Het volk kende daar eene zekere waarde aan toe; +het oordeelde zoo: "wie heeft beter kijk op paarden dan een paard, +wie beter op vruchten dan een vogel? Als nu door dezen de +gelijkenis in een schilderstuk wordt opgemerkt, moet ze wel +bijzonder juist wezen; geene goedkeuring van menschen kan voor den +kunstenaar zoo vleiend zijn als die van dieren, mits deze met het +onderwerp in betrekking staan." +<p class="c2">Er is nog een oud verhaal van een beroemd schilder. +<p class="c2">Apelles had eene menschelijke figuur geschilderd en +stelde die ten toon, terwijl hij zelf in een verborgen hoekje naar +het oordeel der beschouwers luisterde. Een schoenmaker kwam daar +langs en bleef staan. Zijn blik rustte onderzoekend op de voeten, +en hoorbaar mompelde hij voor zich heen: "Ze zijn te groot, wat zou +je een leest moeten hebben, om daarvoor schoenen te maken." +<p class="c2">Appelles nam den wenk ter harte, en den volgenden dag +had hij de gelaakte lichaamsdeelen iet of wat kleiner gemaakt. +<p class="c2">Weer kwam de schoenmaker voorbij. "Kijk", dacht hij, +"Appelles heeft zijn fout ingezien en verbeterd. Jammer, dat hij nu +ook in houding en gebaar niet wat meer de fierheid van eenen +krijgsman heeft uitgedrukt." +<p class="c2">Nu werd het den schilder te kras. Hij kwam te +voorschijn en voegde den schoenmaker toe: "Over houding en gebaar +zwijg je! Een schoenmaker blijve bij zijne leest." +<p class="c2">Met deze terechtwijzing is het volk het geheel eens +geweest, zoo zeer, dat de uitdrukking in den vorm van een +spreekwoord is blijven voortleven. De schoenmaker kreeg hetzelfde +recht van meepraten als de vogel en het paard, een recht, dat aan +iedereen stilzwijgend is toegekend: wie door zijn vak verstand +heeft van het onderwerp, dat op een schilderstuk is voorgesteld, +heeft bevoegdheid om een oordeel uit te spreken. +<p class="c2">Dit komt dus hierop neer, dat het stuk pas goed is, +wanneer het de menschen voldoet, die als vaklui verstand hebben van +de dingen, die er op staan. Bijgevolg heeft de beschouwer meer met +de dingen dan met den kunstenaar te maken. +<p class="c2">Grooter dwaling dan deze opvatting is niet denkbaar. +Bij elk kunstwerk is juist de persoon van den maker de hoofdzaak. +Hij is het eenige, waarop men te letten, waaraan men te denken +heeft. De vraag is niet, wat staat er van het ding of van de +gebeurtenis op, maar waaruit bespeur ik den kunstenaar; wat zie ik +er in, dat door hem alleen is gezien en gevoeld; dat ik nu ook wel +zie en voel, doch alleen doordat <i>hij</i> het mij zoo voorhoudt. +Alles wat ik van te voren al wist van het ding of van de +gebeurtenis, is op de schilderij bijzaak. Want het is kennis, die +iedereen heeft. En de kunstenaar gaat niet in zijn werk op, om +datgene te vertoonen, wat alle oogen wel zien en alle harten wel +voelen. Hij is juist kunstenaar door iets, wat een ander ontbreekt, +door gewaarwordingen, die een ander alleen door hem kan krijgen. +<p class="c2">Het onderwerp is maar onderwerp. Natuurlijk geeft het +den beschouwer reden tot tevredenheid, als hij met het onderwerp +niet in de war zit, als hij alles een naam kan geven en van alles +de gedaante en den vorm herkent. Maar van meer belang is het, dat +hij zich rekenschap geeft van datgene, wat niet het onderwerp, maar +wat de kunstenaar laat zien. Het verwondert ons daarom van Apelles, +dat hij zooveel aandacht schonk aan de opmerkingen van eenen +schoenmaker over de voeten van zijne figuur. Eerder zou men +verwacht hebben, dat hij luisterde, toen die een oordeel uitsprak +over dingen, die buiten zijn vak en zijnen werkkring lagen. +<p class="c2">Bij het beschouwen van werk van Rembrandt zullen wij +goed doen, als we deze onderscheiding in het oog houden: wat stelt +het voor, en waaraan bespeur ik, dat een buitengewoon oog dit +onderwerp bekeken heeft. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="DE_OPWEKKING_VAN_LAZARUS"></a> +<h2 class="c4">DE OPWEKKING VAN LAZARUS.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">De eerste prent draagt tot onderschrift: "De +opwekking van Lazarus." +<p class="c2">Op de vraag, <i>wat</i> er op staat, vinden we in den +Bijbel het antwoord, en wel in het Evangelie van Johannes, daarvan +het elfde hoofdstuk. +<p><img alt="" border="0" src="images/opwekkingvanlazarus.png" width="473" +height="667"> +<p class="c2">[Opwekking van Lazarus.] +<p class="c2">Volgens dezen tekst moet de plaat te zien geven: den +gestorven Lazarus, liggende in het graf, den Heer Jezus, de +zusters, de vrienden en de discipelen staande daar rondom. +Bovendien lezen we er, welke handeling ieder der aanwezigen +verricht. +<p class="c2"><i>Hoe</i> staat een en ander er nu op? Hoe zijn de +figuren geteekend? Hoe wordt datgene voorgesteld, wat elk +figuurtje, volgens den aangewezen tekst, moet verrichten? +<p class="c2">Laten we met Lazarus beginnen. Na hem komen de +anderen wel aan de beurt. +<p class="c2">Is er in de teekening van deze lijntjes, streepjes en +krabbels iets, dat we buitenwoon vinden, dat wij zelf niet in ons +hoofd hadden, als Rembrandt het ons niet zoo vertoonde. +<p class="c2">De figuur van Lazarus is in blanke tint uitgebeeld; +ook de steenwanden, waar hij tusschen ligt. Het is, alsof zijn +lichaam in teerheid en witheid één geheel vormt met +het gesteente, alsof hij reeds een bestanddeel vormt van den schoot +der aarde, waaraan zijne bloedverwanten hem hebben toevertrouwd. +Nauwelijks onderscheidt zich zijn gestrekt liggend lijf van de +groeve; als mensch was hij uit stof gemaakt; gestorven zijnde, is +zijn stoffelijk omhulsel oogenschijnlijk al bijna weer in het stof +opgenomen. De blankheid van het gewaad is zoo ongerept gehouden, +als maar mogelijk was. Al de aanduidingen van kreukjes en plooien, +van vouwen en rimpels zijn uiterst teer geteekend om niet te veel +zwart aan te brengen. Bijna ongemerkt loopt de lijn voort, die den +steenwand op den voorgrond afscheidt van de figuur. Even ongemerkt +zien we de linkerhand langs den anderen wand tastende zoeken naar +steun. In lijnwaad gewikkeld, onderscheidt de arm zich bijna niet +van het gesteente; toch krijgen we wel de gewaarwording, dat onder +al de plooien van de stof dat lichaamsdeel zich beweegt, zich +opheft en voortschuift. Zoo ook, dat onder het doodskleed het lijf +zich opricht, zich kromt. In de richting van de voeten is alles nog +rust; daar smelten, om zoo te zeggen, stof en stof nog in een. Maar +het hoofd en de hals hebben zich reeds losgemaakt van den schoot +der aarde. Daar zijn de afscheidingen door den teekenaar +duidelijker gegeven; scherpe schaduwkanten loopen langs schouder en +afhangend haar, terwijl voorhoofd, gelaat en linkerschouder in +fijne blankheid afsteken tegen een hoekje donkeren rotswand. Waar +het leven terugkeert, scheidt zich het lichaam het eerst en het +duidelijkst af van de aarde. Door de oogharen bezien, zal het ook +lijken, alsof het hoofd zich opbeurt uit den bodem, alsof het zich +daarvan losmaakt. +<p class="c2">Zie, dit zijn geen dingen, die ieder lezer van het +Evangelie van Johannes in zijne verbeelding ziet. Ook is het geen +bewijs van buitengewone getrouwheid in het uitbeelden van een +lichaam dat in een graf ligt; want in werkelijkneid zal er wel +altijd juist eene scherpe tegenstelling zijn tusschen de reine, +witte gewaden en de donkere aardkluiten of rotsmuren. Het is een +wijze van zien, die ons rechtstreeks aan Rembrandt zelf doet +denken. Alles <i>was</i> niet zoo, en alles staat niet zoo te lezen +in de Schrift; hij <i>zag</i> het zoo. In deze manier om de +grafligging te zien leeft hij voort. Sedert hij het zoo gewaar werd +voor zijn geestesoog, zien wij het ook, maar alleen door hem. +<p class="c2">Aangrijpend is het, te zien, hoe op het gelaat zich +het wederkeerende leven openbaart. +<p class="c2">Het oog, dat in de diepe oogkas ligt weggezonken, +opent zich en ontvangt wel de eerste lichtstralen, maar besef heeft +het niet. Wezenloos en smartelijk staart het voor zich uit, het +ooglid is zwaar en loom en schijnt gereed om weer toe te vallen, +gelijk het reeds voor eeuwig scheen toegevallen te zijn. Flauw en +gebroken is even de oogappel aangegeven. +<p class="c2">De mond is maar niet zoo een zwart streepje of een +vlekje; hij heeft, hoe klein ook van afmetingen, eenen bepaalden +vorm, en eenen vorm, die iets uitdrukt. Is het niet de eerste +ademtocht, die we hier zien? Stroomt niet de levenslucht naar +binnen in ademhalingsruimten, die reeds bestemd waren om geen adem +meer te bevatten, en die ook reeds afgeplat en naar binnen gebogen +neerlagen. Pijnlijk volbrengt de mond deze eerste levensuiting, +maar zonder bewustzijn, zonder besef. +<p class="c2">De wangen zijn mager en hoekig, de onderkaak scherp +afgeteekend, de neus smal en ingevallen. Het oor zit maar +nauwelijks nog aan het hoofd, zooals we dat bij zieken waarnemen, +die langzaam wegteren. Ook het halsje draagt de sporen van lijden; +diepe groeven en rimpels strekken zich uit van boven naar beneden, +en bij de kaak, van links naar rechts. Te zwak is het, om het hoofd +te dragen; terwijl dit zich opricht, helt het machteloos naar links +over. +<p class="c2">Zoo bespeuren we in elk onderdeel van deze figuur de +aandoening van den teekenaar. Het feit, dat geteekend moest worden, +de opleving van iemand uit zijn graf, stond vast. Dat het +vreeselijk moet zijn geweest, om deze gebeurtenis mee aan te zien, +stond ook wel vast. Maar nu komt de kunstenaar en houdt er zich mee +bezig. Hij voelt het vreeselijke zoo sterk, zoo overweldigend, dat +het kleinste krabbeltje, wat hem uit de hand vloeit, nog uiting +geeft aan dat gevoel. En wij, de beschouwers, komen daardoor tot de +erkenning: alles op zoo'n gezicht moet dien indruk hebben gemaakt; +bij zulke oogen zoo'n mond, zoo'n neus, zoo'n hals en zoo'n +houding. +<p class="c2">Laten we de proef eens nemen, of het echt is, wat we +opmerken. Door met een paar stukjes papier de overige deelen van de +plaat te bedekken, houden we Lazarus alleen over en kunnen nu +beoordeelen, of in hem uitgedrukt is, hoe het feit zich toegedragen +heeft. We zien onmiskenbaar, dat het figuurtje, wat zich hier +opricht, iets vreeselijks doormaakt; dat het maar niet iemand is, +die in zoo'n groeve te slapen lag en zich nu opricht; dat de +wezenloosheid op het gezicht niet de uitdrukking is van een half +slapende of van een, die bijvoorbeeld onder den invloed van sterken +drank is. Alles is zoo sterk van aandoening en grijpt zoo aan, dat +alleen deze figuur voldoende zou zijn om de tekst uit het Evangelie +van Johannes te illustreeren. +<p class="c2">Nu de figuur van Jezus. Zooals Hij daar staat, naast +het geopende graf, is alles waardigheid en hoogheid aan Hem. We +zien Hem als eene gestalte, wie langs den rug de mantel in +ééne groote beweging tot den grond afhangt. In zoo'n +rijzigheid stellen we ons gaarne voor, iemand, die als verrichter +van groote dingen optreedt. De opgeheven linkerhand, ofschoon de +vingers niet mooi zijn geteekend, begeleidt in grootsch gebaar de +woorden: "Lazarus, kom uit!" Rustig en vol majesteit wacht Jezus de +uitwerking af. Bij Hem geene verbazing, verrassing of ontzetting +over de herrijzenis; bij Hem slechts verzekerdheid, dat nu gebeuren +zal, wat Hij gebiedt. +<p class="c2">Eene groote tegenstelling is er tusschen dat rustige +staan en de omringende aandoeningen. Om dit duidelijk te voelen, +nemen we een stukje papier en leggen het zoo over de prent, dat de +gestalte van Jezus aan ons oog onttrokken wordt. +<p class="c2">Het geheel is nu een druk tooneeltje geworden. De +omstanders geven op eene in 't oog loopende wijze uiting aan hun +gevoel. Ze herinneren ons aan voorvalletjes, die we langs straat en +gracht wel eens waarnamen, bijvoorbeeld als er iemand in het water +viel; dan waren de menschen ook verschrikt, je hoorde ze door +elkaar gillen, hard wegloopen, achteruitdeinzen, om hulp roepen, de +handen uitsteken en op andere manieren zich lawaaierig aanstellen. +Zoo'n volksoploopje met druk gedraai van lijven en gewring van +handen blijft er van de prent over, als we die eene figuur er +uitnemen. +<p class="c2">En met deze figuur, is alles plechtig en grootsch. +Het statige dringt het drukke gedoe van de omstanders op den +achtergrond. We denken niet langer aan onbeduidende +straattooneelen, maar we krijgen weer den indruk van eene +testamentische, eene aartsvaderlijke geschiedenis. Het oploopje, +dat zoo in het voorbijgaan even de menschen in beweging bracht, is +eene gebeurtenis geworden voor alle tijden, eene bladzijde uit de +boeken der eeuwen. We behoeven de bijbeltekst niet te kennen, om +reeds bij den eersten blik te begrijpen, dat dit voorval iets +bijzonders is, iets groots, iets dat invloed zal hebben op +geslachten en nageslachten. +<p class="c2">Waaraan is dit anders toe te schrijven, dan aan de +majesteit, de verhevenheid van de gestalte, die naast het graf van +Lazarus staat! +<p class="c2">Toch spreekt uit de teekening ook eene verkeerde +neiging van Rembrandt. Hij zet zijne figuur daar neer, alsof ze een +tooneelheld is; met sierlijk gebaar wordt de eene hand in de zij +gezet en de andere met wat erg veel vertooning omhoog geheven. Hij +overdrijft het grootsche en maakt er eenigszins comediespel van. We +mogen deze opmerking gerust maken; al is het onderwerp aan de +Heilige Schrift ontleend, wij spreken niet daarover maar over den +teekenaar. +<p class="c2">Zijn streven om het mooi te maken blijkt bijvoorbeeld +heel duidelijk uit de plooien, waarin de rechterhand den mantel +heeft opgenomen. De zeven bochten maken den indruk, dat ze in +stevig metaal of karton zijn gebogen. Niet aangenaam is het, dat we +een paar dergelijke plooien op den achtergrond aan den linker kant +in eene groote draperie terugvinden. Het lijken wel oude bekenden +uit gordijnenwerk van menschen, die onze kamers stoffeeren. +<p class="c2">De indruk, dien de opwekking van den gestorvene op de +omstanders maakt, is in allerlei verscheidenheid weergegeven. Het +liefste is ons het vrouwenfiguurtje rechts op den voorgrond. Het +staat in schaduwgedaante voor het felle zonlicht, dat van buiten af +in de groeve doordringt. Met spanning ziet het vrouwtje de +levensverschijnselen op het doodengelaat terugkeeren. Doch met eene +spanning, die ingehouden wordt. Het rechterhandje legt zich +zelfbedwang op, om nog geen uiting te geven aan de vreugde, om nog +af te wachten. Te groot is het wonder, te groot het geluk, om reeds +te kunnen gelooven. Van innigheid en liefde getuigt deze +ingehoudenheid, meer dan de uitgelaten gebaren der anderen. Ook de +plaats, waar dit figuurtje zich bevindt, aan het voeteneinde van +het graf, afgescheiden van de overigen, is iets aparts. +<p class="c2">Van de overige personen geeft ieder, op eigen wijs, +in gelaatsuitdrukking of handgebaar uiting aan zijne +gewaarwordingen. Schrik, ontsteltenis, verrukking, ongeloovigheid +en afschuw, iedere aandoening vindt hare vertolking. Wantrouwen +zelfs, en de nuchtere berekening, hoe dit verrichte wonder als een +wapen tegen Jezus gebruikt zal kunnen worden. +<p class="c2">De verlichting, waaronder deze figuren zijn +geplaatst, heeft eene grootsche werking. Het ongeoefend oog zal bij +den eersten aanblik misschien den indruk krijgen, dat de kunstenaar +groote vlakten in zijn werk wit heeft gelaten en dus nog niet heeft +bearbeid, alsof de teekening onvoltooid is gebleven. Maar tusschen +de oogharen door gezien, gaat er een licht op. De ruimten, die niet +met zwarte lijntjes zijn gearceerd, blijken verlicht te zijn. +<p class="c2">Door de opening van het rotsgraf vallen zonnestralen +naar binnen en spreiden hunne helderheid over de groeve en den +rotswand, over Lazarus en de groepjes terzijde van het graf; ook +over het front van den Heer Jezus, terwijl daarenboven de +achtergrond rechts in lichtelaaie schijnt te staan. Steeds door de +oogharen moet men zien, hoe, daarbuiten, die gloed naar boven toe +in ijle en zware wolken opwasemt, hoe, met het onhandelbare middel +van harde zwarte krassen, de luchtigheid van opdampende +lichtnevelen is verkregen. +<p class="c2">De tot het leven terugkeerende Lazarus is het +middelpunt van de zonnebestraling, en als verlegen ligt hij onder +de glorie van het grootsche licht, waarin hij ontwaakt. Zijne +kleine machtelooze figuur wekt in dien gloed nog te meer ons +medegevoel en medelijden op. Hij is het middelpunt niet slechts van +de blikken der omstanders, maar ook van de binnenvallende +zonnestralen. En onze blik dwaalde eveneens het eerst en het laatst +naar hem. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="EENE_LATERE_OPWEKKING"></a> +<h2 class="c4">EENE LATERE OPWEKKING.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">Vele jaren later heeft Rembrandt voor de tweede maal +het onderwerp "de opwekking van Lazarus" behandeld. We zullen deze +plaat met de vorige vergelijken, om de verschillen vast te stellen, +en de oorzaken van de verschillen op te sporen. Het ligt voor de +hand om te zeggen: "als een groot teekenaar iets aflevert, levert +hij het af, zoo goed als in zijn vermogen ligt, hij kan het een +tweede maal dus niet beter, tenzij het den eersten keer gebrekkig +is geweest." De vergelijking zal echter leeren, dat dezelfde +kunstenaar een zelfde onderwerp anders <i>moet</i> behandelen, +indien er later andere gevoelens in hem omgaan. Dat dus de +levenslotgevallen invloed hebben op het werk. +<p class="c2">We herkennen weer een rotsgraf; maar nu met uitzicht +op een landschap met geboomte; daarachter, op een berg, verrijst +eene stad; verder, evenals op de eerste plaat, een groep +omstanders, de Heer Jezus en de verrijzende Lazarus. Ook hier +beschijnt het zonlicht een deel van het tafereel, maar het is +minder opzettelijk, minder bepaald op de plek gericht, waar het +wonder geschiedt. En het is thans niet het ontwaken uit een +pijnlijk diepen slaap, wat de kunstenaar ons voor oogen stelt, maar +de groote bevreemding van den ontwakende. Lazarus begrijpt niet, +wat er voorvalt. Hij kent den persoon niet, die tegenover hem +staat, hij herinnert zich niet, wat met hem gebeurd is. De mond, +die de eerste levenslucht heeft ingeademd, blijft sprakeloos +halfgeopend staan, en is vol verbazing. Met moeite en scheef richt +het lijf zich half overeind. Er is eene ontzetting van zoo het +middelpunt te zijn van aller aandacht, zonder nog te begrijpen +waarom. De zintuigen zijn ontwaakt en nemen reeds waar, maar de +herinnering, de kennis, het innerlijk leven, moeten nog +terugkeeren. +<p class="c2">Rembrandts bedoeling is dus eene andere geweest dan +in zijne eerste "Opwekking", en begrijpelijk zien we die bedoeling +voor ons. +<p class="c2">In de figuur van Jezus missen we thans het verhevene, +het goddelijke. Ook in het gelaat. Dit komt geheel niet overeen met +de mooie gezichten, die we van den Zaligmaker zoo wel eens op +platen hebben gezien. Men zou het bijna een ongunstig uiterlijk +kunnen noemen. Maar er is één trek in, waardoor we +voor deze voorstelling van Jezus meer voelen, dan voor de eerste. +Het zijn de goedheid en de zachtheid, die hier spreken. De half +neergeslagen oogen, het even gebogen hoofdje, het bijna verlegen +afgewende gelaat, alles draagt daarvan de uitdrukking; de +rechterhand, niet vast en krachtig tot vuist gebald, maar zacht en +mild, en nauwlijks toegesloten; de linker, die op de eerste prent +vol grootheid zich opheft bij het veelzeggend woord, maakt hier een +vriendelijk, bijna weifelend gebaar, niet verder dan ter hoogte van +de borst opgeheven. +<p><img alt="" border="0" src="images/latereopwekking.png" width="633" +height="833"> +<p class="c2">[Latere opwekking (1642).] +<p class="c2">De opwekking is zoo geene uiting van goddelijke +macht, geen wonder, om er ongeloovigen mee tot bekeering te +dwingen, maar ze wordt eene daad van goedheid, van medegevoel voor +hen, die bedroefd om het graf stonden, een daad van liefde en van +innigheid. Wel is waar zal men op de eerste prent allicht de +gestalte grootscher en mooier vinden; maar innerlijk laat ze ons +koud. Ons <i>gevoel</i> wordt meer getroffen door de uitdrukking +van zachtheid op de tweede; door het echt menschelijke en +vriendelijke van den Heer in den omgang met menschen. +<p class="c2">Rembrandt is teruggekomen van het ontzaglijke tot het +gewone. Ook in de omstanders. Wel staan ze, evenals op de eerste +plaat, ontdaan, getroffen, verbaasd, maar geen een slaat er meer +een gat in de lucht met zijne handen. De teekenaar heeft zich weten +te matigen, hij blijft sober, eenvoudig en kalm. Aan gevoel +ontbreekt het hem echter niet: men zie slechts het gelukkige +gezicht van het vrouwtje, dat naast Jezus staat. En wat heft ook +het mannetje aan Zijne linkerhand de handjes in juistheid van +gevoel: er is verbaasdheid over het wonder, in het vooruitgestoken +gezicht zoowel als in de handen; maar de aandoening wordt met +zelfbedwang ingehouden. Ingehouden ook in het geknielde figuurtje +op den voorgrond, dat wel ontzet terugdeinst, maar zich niet aan +groot misbaar te buiten gaat. Ondanks den indruk, dien het wonder +op de omstanders maakt, blijft eene waardige kalmte heerschen. En +we maken de opmerking, dat die kalmte wel past op eene plek, die +toch altijd een graf is. Kalm neemt vooral het oudvadertje het op, +dat rechts van Jezus op een steenblok zit. Hoogstens trekt hij de +wenkbrauwen iets meer op dan gewoonlijk, en stulpt hij zijne +uitgezakte onderlip iets verder vooruit, ten bewijze, dat hij niet +volkomen begrijpt, wat hier voorvalt. Wijsgeerig en onderzoekend +rust zijn rimpelig hoofd op de knokige hand. +<p class="c2">Bij de beschouwing van de figuren der omstanders +krijgen we den indruk, dat Rembrandt al het vreemde en ongewone +heeft willen vermijden, om des te dieper te doen gevoelen, welke de +uitwerking heeft moeten zijn van dit wonder op de aanwezigen. Zelfs +de achtergrond stemt tot kalmte; in plaats van laaiende lichtwolken +en opwasemende zonneschijndampen vinden we een vredig landschap met +vriendelijk uitzicht op de bergstad. +<p class="c2">De aandoening van grootheid, forschheid, +uitgelatenheid en opwinding heeft plaats gemaakt voor stille ernst +en innigheid. Er is over den teekenaar een zachtheid gekomen en +eene mildheid, die ons weemoedig stemmen. +<p class="c2">In de eerste plaat was hij hartstochtelijk, en +streefde hij naar vertoon van uiterlijke grootheid. Hij moest zich +uitspreken met woeste en groote gebaren. In de tweede is hij innig +en gevoelvol; alles lijkt gewoon; maar er zit teederheid en +medegevoel in. In het dagelijksche leven merken we ook op, dat zij, +die bij alles het meeste misbaar maken, niet juist de naturen zijn, +die het diepst voelen. +<p class="c2">Door de twee platen zoo met elkaar te vergelijken, +wordt het ons duidelijk, dat niet de bijbeltekst vaststelt, hoe +eene teekening zal worden. Hetzelfde gegeven kan op twee +uiteenloopende manieren behandeld worden. Wat den doorslag geeft, +is de gemoedstoestand van den kunstenaar. Zooals hij de gebeurtenis +voelt, zoo wordt de afbeelding. Kan men in eene afbeelding niet +merken, dat de teekenaar onder den indruk van eene gemoedsbeweging +heeft gewerkt, dan heeft men waarschijnlijk te doen met een stuk +van geringe waarde. +<p class="c2">Eene goede teekening weerspiegelt zelfs de stemming +van den teekenaar in een bepaald tijdperk van zijn levensloop. +<p class="c2">De gebeurtenis, die tusschen de twee bewerkingen van +de opwekking van Lazarus ligt, was wel in staat, om in het gemoed +van Rembrandt in te grijpen. In 1642 ontviel hem door den dood +zijne jeugdige echtgenoote. In de eenzame, slapelooze nachten, die +nu volgden, dacht hij aan haar, en peinsde hij over haar. Is het +wonder, dat hij zich de mogelijkheid voorstelde van een weerzien? +Maakte niet de Schrift gewag van een geval, dat een gestorvene uit +den dood herrees en tot de zijnen wederkeerde? Maar ach, dat kon +gebeuren eeuwen en eeuwen geleden! Voor hem geen hoop, dat Saskia +tot hem terug zou komen, om nog op aarde naast hem voort te leven. +Voor hem niets, dan het denkbeeldig geluk, wat het zou zijn, als +<i>zij</i> door Jezus uit het graf werd geroepen met de woorden: +"Kom uit!" De behoefte ontstond, om de opwekking van Lazarus nog +eens te behandelen. Maar nu met andere gedachten. Nu niet om te +toonen, hoe grootsch hij den Zaligmaker vond, en hoe vreeselijk +voor Lazarus de overgang uit het doodenrijk in het leven moet zijn +geweest! Nu, om met zijne gedachten te verwijlen bij het geluk, de +blijdschap, de innige zaligheid, die het herrijzen schonk aan de +treurende nabestaanden; nu, om zich voor te stellen, hoe goed de +Heer wel geweest moet zijn, om dit wonder voor zijne vrienden te +verrichten. +<p class="c2">En zie: onder den indruk van deze gedachten bewerkte +hij, kort na Saskia's dood, de tweede plaat. Om die ten volle te +begrijpen, moet men met deze bijzonderheid uit het leven van +Rembrandt bekend zijn. Zonder die kennis zou men kunnen denken, dat +de tweede bewerking alleen de bedoeling had om iets te maken, dat +beter was dan de eerste. Ze zou dan ook van teekening de beste van +de twee moeten zijn. Dit ligt echter in de voorgaande beschouwing +niet opgesloten: er is slechts aangetoond, dat de tweede +"Opwekking" inniger, liefdevoller is; en dat we kort na 1642 niet +anders van Rembrandt konden verwachten. +<p class="c2">Wat voor deze prent eene noodzakelijke behoefte +gebleken is, eenige kennis namelijk van de levensgeschiedenis van +den kunstenaar,-dat kan men evenmin bij heel veel ander schilder-en +teekenwerk ontberen. Daarom hebben geschiedvorschers met ijver +datgene nagespoord, wat licht kon verspreiden over zijne +levenshistorie. Nog lang is alles niet bereikt; veel bleef er in +het duister gehuld; maar toch zijn er gegevens genoeg aan het licht +gekomen, om te kunnen zeggen, dat we de hoofdgebeurtenissen kennen. +Het is zelfs mogelijk geworden, om gedurende enkele tijdperken met +den schilder alles mee te beleven, wat hij beleefde; om als het +ware naast hem een met hem zijne lotgevallen door te maken. Onder +deze zijn er wel geene, die meer invloed op het gemoed en op de +werklust hebben gehad, dan die, welke hij met zijne vrouw +ondervond. We zullen daarom trachten iets meer van nabij met haar +bekend te worden. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="HISTORISCHE_GEGEVENS"></a> +<h2 class="c4">HISTORISCHE GEGEVENS.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">Het was in den zomer van het jaar 1634, dat Rembrandt +zich aan den IJ-kant te Amsterdam inscheepte, om naar Friesland te +gaan. De tocht ging over zee, zooals toenmaals vanzelf sprak. De +vervoermiddelen te land waren slecht, de wegen eveneens, en +bovendien was de Republiek nog in oorlog met Spanje, waardoor een +reis over de Veluwe soms onaangename avonturen opleverde. In 1628 +maakte de vijand onder aanvoering van Cuculi nog strooptochten tot +onder de wallen van Amersfoort. De Zuiderzee daarentegen was +veilig; de dagen van Bossu behoorden tot het verleden. +<p class="c2">De beurtschipper zette onzen schilder te Harlingen +aan land. Vandaar ging het per binnenvaartuig over Franeker naar +het weinig bekende dorpje Sint Anna-parochie, en wel met het doel +om er in de echt te worden vereenigd met eene deftige Friesche +jongedame. +<p class="c2">Rembrandts huwelijk is een merkwaardig staaltje van +de geschiedenis van Geschiedenis. +<p class="c2">Men stelt zich gewoonlijk voor, dat de kennis van dit +vak uit boeken wordt opgedaan. De schrijvers dezer boeken hebben op +hunne beurt ook weer uit boeken geput, maar zijn even dikwijls +langs anderen weg achter de toedracht der gebeurtenissen gekomen. +<p class="c2">Niet door overlevering, die van ouder op kind, van +kind op kindskinderen overgaat. Immers, wij in onze dagen, weten +meer van Rembrandt,-om bij hem te blijven-dan onze voorouders uit +het jaar 1800, zelfs meer dan die uit 1700, ja! meer dan Rembrandts +eigen tijdgenooten! Zijne vrienden en kennissen natuurlijk +uitgezonderd. Onze kennis kan dus geene overgeleverde kennis zijn. +<p class="c2">Zoo heeft men honderd en vijftig jaar lang niet met +zekerheid geweten, dat en met wie hij getrouwd is geweest. +<p class="c2">Men vertelde: met eene kleine, dikke boerin uit +Raasdorp. Een dorp van dien naam is er niet. Men begon dus, met +maar aan te nemen, dat Ransdorp was bedoeld, een plaatsje in +Waterland. Echter wilde het niet gelukken, om op te sporen, wie dan +die vrouw geweest was. In de stad Amsterdam snuffelde men allerlei +papieren na, om het gewaar te worden. Ook in Leiden, zijne +geboorteplaats. +<p class="c2">Maar vruchteloos. +<p class="c2">Het toeval bracht de oplossing van het vraagstuk. Ver +van Amsterdam, in een vergeten dorpje in Friesland, werd, omstreeks +het midden van de 19<sup>de</sup> eeuw, in de oude boeken van het +gemeentehuis, tusschen honderden aanteekeningen, de ontdekking +gedaan van deze regels:<span class="c5">"23 Juni 1634 zijn in den +echt vereenigd<br> +<br> +REMBRANDT HERMENS VAN RHIJN<br> +<span class="c9">wonende te Amsterdam</span><br> +<span class="c10">en</span><br> +<span class="c9">SASKIA VAN ULENBORGH</span><br> +thans gedomicileerd te Franeker."<br></span> +<p class="c2">Toen men nu ook in Amsterdam de papieren en de +registers van het jaar 1634 doorzocht, en melding gemaakt vond van +dit huwelijk, was de zaak opgehelderd. Het boerinnetje van Raasdorp +bleek een sprookjes-boerin te zijn. Saskia van Ulenborgh kwam niet +uit Noord-Holland en was allerminst boerin van geboorte. De vader +toch was burgemeester van Leeuwarden geweest. +<p class="c2">Dit bewijst al, dat hij een man van aanzien was. Hij +was bovendien iemand, die wat durfde, daar hij behoorde tot de +eersten, die in Friesland in den Geuzentijd zich tegen den +Spaanschen landvoogd verzetten. Zeer toevallig is hij zelfs voor +iederen schooljongen een bekende, door eene gebeurtenis uit de +vaderlandsche geschiedenis, ofschoon men zijnen naam gewoonlijk +niet kent. Zooals men weet, is Prins Willem I van Oranje in 1584 +binnen Delft op het Prinsenhof vermoord. Hij ontving het doodelijk +schot, terwijl hij de trap af ging, na het middagmaal gebruikt te +hebben. Bij dit middagmaal had hij als gast aan tafel gehad eenen +burgemeester van Leeuwarden, die over regeeringszaken met hem +gehandeld had. En deze nu was niemand anders dan de heer Van +Ulenborgh, met wiens dochter Rembrandt vijftig jaar later is +getrouwd. De schoonvader van Van Rijn is de laatste geweest, die +met Willem den Zwijger aan tafel heeft gezeten. Saskia is dus uit +eene historische familie! +<p class="c2">Wat wil het toch vreemd loopen! Menschen, die twintig +of dertig jaar na Rembrandt leefden, wisten niet beter, of hij was +gehuwd geweest met eene boerin. En wij, twee eeuwen later, zijn van +zijne huiselijke aangelegenheden nauwkeurig op de hoogte. +<i>Zij</i> vergenoegden zich met een sprookje, <i>wij weten</i>, +voor <i>ons</i> is zijn levensloop eene bladzijde geschiedenis. Zoo +gaat het steeds. Eerst gebeuren de dingen. Dan worden ze vergeten. +Er komen geslachten, die zich er niet om bekommeren. Eindelijk +staan er menschen op, die er belang in stellen. Ze onderzoeken en +vorschen na. Een oud papier wordt gevonden, en het verleden is +ontsluierd. +<p class="c2">Er is bijna geene bladzijde in onze historie, of ze +heeft hare geschiedenis. Dikwijls is de geschiedenis van +Geschiedenis even merkwaardig als de Geschiedenis zelf. Dit moge +nog blijken uit het volgende staaltje. +<p class="c2">Nadat de ontdekking van Saskia van Ulenborgh had +plaats gehad, zocht men naar meer gegevens omtrent Rembrandts +leven; vooral in de kerkelijke boeken snuffelden de wijsgeeren. In +die van de Westerkerk te Amsterdam, de kerk, waar in 1667 de groote +schilder begraven is, ontdekte iemand, dat hij eene weduwe had +nagelaten met twee kinderen, die onder den naam Catharina van Wijk +beschreven stond. Eene andere, waarschijnlijk dus eene +<i>tweede</i> vrouw! Natuurlijk was de ontdekker met dit nieuws in +de wolken. Gelooven moest men het wel; het stond onweerlegbaar in +het register te lezen. +<p class="c2">Maar wat ontdekte later een tweede wijsgeer, die de +registers van de Westerkerk doorsnuffelde? Zijn blik viel op eene +bladzijde, waar het overlijden en het begraven beschreven stond van +den echtgenoot van Catharina van Wijk. Hier ontbrak echter de +aanteekening, dat deze overledene eene weduwe met twee kinderen +naliet, eene aanteekening, die men juist wel leest op het folio, +waar Rembrandts overlijden geboekt staat. Er moest een abuis hebben +plaats gehad. En dit behoeft ons voor de zeventiende eeuw niet te +bevreemden. Zaken van geboorte, huwelijk en overlijden werden met +heel wat minder zorg behandeld dan tegenwoordig. <i>Wij</i> moeten +er voor naar het gemeentehuis, en daar, op de afdeeling +"Burgerlijke Stand", hebben de ambtenaren niet anders te doen, dan +te zorgen voor nauwkeurige registratie. +<p class="c2">In de zeventiende eeuw ging het anders, maar niet +beter. De zaken van den burgerlijken stand werden in de kerken +aangeteekend. Wilde men onderzoek doen naar iemands geboorte-of +sterfjaar, dan moest men eerst trachten gewaar te worden, in welk +kerkgebouw hij was gedoopt of begraven. Zoolang men dit niet wist, +richtte men niets uit. De ambtenaar, die met het belangrijke werk +van registratie was belast, leefde niet voor dit ambt alleen. Zelfs +was dit niet zijn voornaamste werk. Hij was eigenlijk doodgraver +van beroep, en kon gewoonlijk beter met de spa dan met de pen +omgaan. Voor vele van deze waardigheidsbekleeders was het schrijven +in de de kerkelijke registers eene dagelijksche kwelling. De +doodgraver van de Westerkerk te Amsterdam lichtte er zelfs de hand +wel eens mee! Hij liet soms aanteekeningen weg, die niet mochten +ontbreken. Voelde hij zich later bezwaard over het begane +plichtsverzuim, dan greep hij pen en inkt en trachtte de fout goed +te maken. Zoo schijnt hij een zwak oogenblik te hebben gehad op den +dag, toen de echtgenoot van Catharina van Wijk werd begraven. De +naam van den overledene werd nauwgezet geboekt, maar dat er eene +weduwe met twee kinderen achter bleef, liet hij maar weg. Eenigen +tijd daarna begon hij zich hierover toch ongerust te maken. Hij +sloeg het register op en zocht den overledene, wien hij te kort +gedaan had. Daar hij zich den naam niet meer herinnerde, moest hij +gissen. Gissen doet missen. De weduwe met hare twee bloeien van +kinderen werd bij Rembrandt aangeteekend, die reeds eenige jaren +vroeger gestorven en aldaar begraven was. Honderd en vijftig jaar +lang bleef de groote schilder in dezen echt vereenigd, zonder dat +man en vrouw, en zonder dat vader en kinderen elkaar misschien ooit +gekend hadden. Het huwelijk, door den doodgraver in alle stilte +voltrokken, bleef een geheim, totdat in de negentiende eeuw de +eerste wijsgeer het ontdekte en openbaar maakte. Toen kwam wijsgeer +nommer twee, betrapte den doodgraver op registervervalsching en +plichtsverzuim, ontbond het huwelijk en wees de twee kleine Van +Wijkjes aan den waren vader toe, hetgeen Rembrandt van de zorg voor +hen ontsloeg. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="REMBRANDT_LANDSCHAPSCHILDER"></a> +<h2 class="c4">REMBRANDT LANDSCHAPSCHILDER.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">Rembrandt Hzn. van Rijn huwde alzoo in het jaar 1634 +op den 22<sup>sten</sup> Juni. Hij voerde zijne vrouw naar +Amsterdam en betrok de woning in de Breedstraat, onder welks dak +hij zooveel ernstige en gelukkige levensomstandigheden doormaken +zou. +<p class="c2">De Breedstraat, thans een deel van de oude stad, was +destijds eene nieuwe straat, een buitenwijk. In 1631 was Amsterdam +opnieuw en voor de zooveelste maal uitgelegd. De toename van +bevolking bleef maar aanhouden: handel en zeevaart deden schatten +toevloeien, de hoop op fortuin nieuwe bewoners. Nadat de halve +cirkel binnen de Heerengracht volgebouwd en te klein gebleken was, +werd een breede gordel van omliggend weiland binnen nieuwe +vestingwerken en eene gracht, de Keizersgracht, besloten en ter +bebouwing bestemd. +<p class="c2">Doch spoedig bleken de Heeren den gordel te smal +genomen te hebben, en maakten ze de fout goed, of trachtten die +goed te maken, door aan de halve maan eene nieuwe verbreeding toe +te voegen, begrensd door de Prinsengracht met hare vestingwerken. +<p class="c2">Het zal den schilder eene behoefte zijn geweest, niet +al te ver van de vrije natuur te wonen. Slechts een paar honderd +passen behoefde hij te maken, dan was hij buiten. Hier kon hij zijn +hart ophalen aan het gezicht op grazige weilanden, van slooten +doorsneden, op boerenwoningen, in geboomte verscholen, aan tal van +windmolens, zoowel poldermolentjes als groote, statig rondwiekende +houtzaag-en korenmolens. Vooral deze laatsten vond men even buiten +de stad in grooten getale. Geboortig als hij was uit eene +molenaarsfamilie, voelde Rembrandt zich steeds aangetrokken tot +deze schilderachtige gebouwen. Zijn vader had er een in Leiden, in +het aangrenzende huis was hij geboren en opgegroeid. +<p class="c2">Nog binnen de stadsgracht, op een zoogenaamd bastion +van het bolwerk, dicht bij de Muiderpoort, stond het exemplaar, +waarvan hij ons eene afbeelding heeft nagelaten. +<p class="c2">Rechts zien we het water van de gracht, waarin een +visschersbootje met gestreken mast; op den achtergrond eene +boomenrij, misschien een singel, een wandelpad, dat de gracht aan +den buitenkant volgde. Van het water af loopt het terrein naar +links een weinig omhoog, waarschijnlijk naar den stadsmuur, die de +buitenzijde van het bolwerk vormt. Daar, waar de gracht eene bocht +maakt, springt de muur boogvorming vooruit en vormt een hoog +terras, het bastion. Hierop staat de molen met bijbehoorende +gebouwen. In vele steden, die in de 19<sup>de</sup> eeuw ontmanteld +zijn, bleven de bastions gespaard om aan de molens het voortbestaan +te verzekeren. Nu deze echter door de meelfabrieken +doodgeconcurreerd worden, verdwijnen met hen ook de laatste +overblijfselen van de vroegere vestingwerken. Houtzaagmolens vonden +op bastions geen plaats: die moeten laag aan den waterkant staan. +<p class="c2">De schilderij bewaart ons dus een gezicht op de stad, +zooals ze er aan de buitenzij uitzag. De schilder heeft het +tooneeltje zitten aan te kijken op het lage pad, dat aan den +binnenkant van de gracht liep, tusschen deze en den stadsmuur. Dit +blijkt uit de schilderij zelf; die geeft ons het beeld van wat hij +voor zich zag. Terwijl hij werkte en ijverig zijne penseelen +hanteerde, liep het tegen den avond. De hemel heeft eene lichtende +klaarte, alles wat van de aarde is, staat er in zware kleuren tegen +af te steken; alleen het water, dat de klaarheid weerspiegelt, +blinkt helder op uit de donkere omlijsting. Ook het voetpad, met +zijne blanke tinten van zand of platgetreden steenstorting, is +zacht van licht. +<p class="c2">Overigens staat alles in zware grijsheid tegen de +heldere lucht. We voelen, hoe stil en schoon Rembrandt de +lichtdiepte van den avondhemel heeft gevonden. +<p><img alt="" border="0" src="images/molen.png" width="606" height="509"> +<p class="c2">[Molen.] +<p class="c2">Van linksboven af naar het midden toe, worden de +tinten ijler en ijler. De donkere kleuren, die het geheel aan den +bovenkant als een boog omspannen, dringen het oog steeds meer naar +het midden, naar het vooruitspringende deel van het bastion, waar +de hemel in klare avondzuiverheid tot in verre diepte wegwelft. +<p class="c2">Vòòr die lichtdiepte rijst het zware +muurgevaarte omhoog. Langdurig moet het den schilder geboeid hebben +om te kijken naar de breede en hooge afmetingen van deze aard-en +steenmassa, in tegenstelling met de luchtige doorschijnendheid van +den avondhemel. Het was hem als een rotsgevaarte, als een brok +voorgebergte, dat in het water vooruit staat. Het muurwerk is +éen geworden met de aarde; ouderdom en verweerdheid gaven +donkere, diepe kleuren, hier wat lichter, daar wat zwaarder, al +naar gelang de buitenkant meer of minder afgebrokkeld, met mossen +begroeid of van vocht doortrokken was. De bovenrand en de +neerdalende zij-lijn missen de kantigheid en de strakheid van +nieuwe steen. Het is, alsof de tijd ze rond heeft afgesleten; de +staande lijn, die rechts den muur begrenst, is een weinig rond +ingebogen en achterover gezakt, waardoor het geheel nog meer den +indruk maakt van een zware massa, die geen steun behoeft, om zoo in +elkaar te blijven hangen. +<p class="c2">Het grasveld, dat den bovenkant bedekt, hangt als een +zwaar kleed rustig over den rand heen. De helling, die links het +bolwerk verbindt met het lager gelegen pad, is een even zware massa +als het muurwerk, waar ze tegenop ligt. Ofschoon niet steenachtig +van aard, vormt ze er éen geheel mee; het gansche terrein is +éen groote, breede opheffing geworden van de aarde; alles +ligt in rustig evenwicht tegen elkaar aan: nergens staat een brok +muur of grond los en afgezonderd van de rest. Het penseel wist er +éen klomp van te maken, ofschoon de samenstellende deelen +alle zich zelf bleven, hetzij muur, hetzij grasveld, hetzij +voetpad. Ook dit laatste is in het geheel opgegaan. Wel is het +lichter van kleur, zooals een pad in de schemering als een stille +blankheid uit het donker van de omgeving opblinkt; maar het is geen +afgezonderd tooneeltje gebleven; de blankheid en de donkerte liggen +niet scherp naast elkaar. Het verschil in lichtheid is gering; we +krijgen wel den indruk van eene zekere blankheid, maar dat gedeelte +van de schilderij is toch nog vrij donker. En bovendien is er een +overgang, die uit allerlei tusschentinten bestaat. Kijk maar eens, +wat een rommelige ruigte van gras, struiken, puin of steenbrokken +de geleidelijke verbinding is tusschen de twee partijen. En wat is +in het pad zelf de afwisseling mooi weergegeven van vochtige en +droge, van hooge en platgetreden gedeelten, van flauwe wagensporen, +onmerkbare hellingen naar den waterkant, en opstaande kantjes tegen +het grasveldje, links op den voorgrond. Toch bleef dit éen +blanke plek, die zich rustig en vast tegen de oprijzende massa +daarachter vlijt. Men voelt, op wat voor vasten puinbodem de +figuurtjes zich bewegen, die van de hoogte afkomen, of aan den +waterkant staan. +<p class="c2">Een vrouwtje ligt linnen uit te spoelen in de gracht. +Spelende verspreiden zich kringen over het spiegelwater. Het trok +den schilder aan, om dit stille bewegen op zijn doek vast te leggen +en den indruk te bewaren. Het golflijntje, dat een voorbijzwemmend +eendje of een in het water geworpen kluitje doet ontstaan, is iets, +waarnaar we gaarne stil en in gedachten verzonken staan te kijken. +Zoo ging het Rembrandt ook. Terwijl hij daar op het lage pad, op +eenen vredigen avond, zat te schilderen, kwam een vrouwtje naar +beneden om iets uit te spoelen; een oogenblik rustte zijn penseel, +en volgde zijn oog de kringen, die zich verspreidden, tot ze tegen +het bootje botsten, en daar eenige krinkeling te weeg brachten in +het donkere spiegelbeeld. Het was eene kleine, onbeduidende +gebeurtenis, die de rust van den avond verbrak zonder ze te storen. +En met een paar zwierige, dartele penseelstreken werd ze snel en +juist in beeld gebracht, om den lieflijken, vredigen indruk van +zoo'n schoonen avond te bewaren. De stilte mocht geene levenlooze +eenzaamheid worden; eene uiting van leven moest er zijn, als maar +de rust niet verstoord werd. Lieflijker kon het wel niet, dan het +zachte bedrijf van zoo'n vrouwtje er in te brengen, en het +voorbijgaande, kortstondige opleven van den waterspiegel. +<p class="c2">Wat kunnen we ons zoo geheel indenken in den +gemoedstoestand van den schilder, en een denkbeeld krijgen, hoe +vatbaar hij was voor indrukken. Zonder naar het molentje gezien te +hebben, dat anders door vele beschouwers voor hoofdzaak gehouden +wordt, weten we, wat voor hem het eigenlijke onderwerp was, dat hij +schilderde. Niet de inrichting van zoo'n stads-buitenkant, ook niet +de vorm van een molen, maar de vredige, rustige, kalme stemming van +een mensch, die daar zit, en die genieten kan van plechtige +avondstilte, van mooie, klare luchten, boven bijna ingesluimerde +stadsgedeelten. +<p class="c2">Denk toch niet, dat zoo'n kunststuk er is, om even op +de vingers na te tellen, wat er op staat. We moeten er in +doordringen, om tot het besef te komen, hoe de schilder voelde, hoe +zijn gemoed door de verschijnselen bewogen werd. +<p class="c2">Het molentje is maar bijzaak, al is men geneigd, het +stuk daarnaar te benoemen. Het staat er, om midden op het doek een +verheffinkje aan te brengen, en het stond nu eenmaal op het +bastion. Bevallig, rank en rustig is het weergegeven, ofschoon in +onzen tijd de schilders er niet van houden, om op de wieken zoo'n +witten glans aan te brengen. Het balkwerk van den kruistaart zit er +handig en gemakkelijk achter tegen aan. Een klein spetje wit maakt +scheiding tusschen boven-en onderstuk, waardoor de molen een +onderkruier wordt. +<p class="c2">Het huizegroepje en een beetje laag geboomte staan +gezellig bij elkaar. Je krijgt net een idee, alsof het een klein +dorpje is, het eene dakje wat hooger of wat lager dan het andere. +Het schoorsteentje staat er bovenuit te steken, alsof het een +dorpstorentje wou wezen. Alles werkt mee om het vreedzame, +landelijke uit te drukken. +<p class="c2">Zóó zag Rembrandt nu de wereld. Hij had +aan vreemde gebouwen, wonderlijke rotsen en geheimzinnige spelonken +geene behoefte, als hij natuurgenot wilde smaken. Het meest +alledaagsche tooneeltje maakte indruk op hem. Vandaar zijne geringe +reislust. Kunstbroeders achterna te trekken, de wonderen van +Italië te zien, naar de grootsche tafereelen der Alpen op te +kijken, hij voelde er geen behoefte aan. Hij was huiselijk, bleef +gaarne bij moeder de vrouw en vond zijn vaderland een schoon land. +Waartoe zou dan trekken en rondzwalken gediend hebben! +<p class="c2">Het is eene verheffende gedachte, dat hij, die een +der grootste schilders der wereld is geweest, Holland mooi vond. +Dat geeft ons moed, om het met dat vaak verguisde, platte, vlakke +polderland toch ook maar te probeeren. Het moet, blijkens +Rembrandts voorbeeld, mogelijk zijn, het mooi te vinden. Niet het +zeldzame, niet het wonderbaarlijke, niet het verhevene doet 't em; +alles, wat vreemde landen aanbieden, kan men ontberen, mits de +goede wil er is. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="VROUWE_SASKIA"></a> +<h2 class="c4">VROUWE SASKIA.</h2><span class="c5"><br></span> +<p class="c2">Van Rijn behoefde zelfs niet de Muiderpoort uit naar +Muiden, naar Naarden of naar het Gooi te wandelen, om tooneelen te +vinden, die hem boeiden; hij had ze, om zoo te zeggen, naast de +deur. En we kunnen ons denken, hoe hij met zijne jonge vrouw naar +buiten wandelde, en het Friezinnetje attent maakte op al het +schoone, wat Amsterdams buitenkant te zien gaf. Hoe hij, even +stilstaande, met een potloodkrabbeltje wist aan te duiden, wat hem +hier of daar het meest trof, of, aan den kant van den weg zich +neerzette en een schetsje maakte, om het Saskia aan te bieden en +haar oog voor natuurschoon te openen. +<p class="c2">Toch trok geen onderwerp den grooten teekenaar zoo +aan, als Saskia zelf. Tot in het oneindige heeft hij haar +uitgebeeld, haast dagelijks moest ze voor hem zitten, en maakte hij +haar portret. +<p class="c2">Een luchtig teekeningetje is dat, wat hij maakte kort +na zijn trouwen. Hij schreef er eigenhandig iets onder. Men ziet: +schoonschrift is 't niet. Hij schreef, evenals zijn meeste +tijdgenooten, steilschrift; zijn hand is los en vlug-geen wonder! +de hand van Rembrandt!--Wie mocht meenen, dat je aan de +penneschrappen eigenaardigheden opmerkt, die aan het +schrijfgereedschap van die dagen, aan de ganzepen herinneren, hoede +zich voor overijlde gevolgtrekkingen: ditmaal heeft de +teekenaar-schrijver noch potlood, noch pen en inkt, noch krijt +gebruikt, maar eenvoudig een zilveren stiftje, rijn toegepunt, en +daarbij een bijzonder soort papier, op ivoor gelijkend; een schrap +met de stift laat hierop een zwart spoor achter. Een +zilverstiftschrift dus, en een zilverstiftteekening. +<p class="c2">Er staat te lezen: +<p class="c2">"Dit is naer mijn huijsvrou geconterfeit, do sij 21 +jaer oud was, den derden dach als wij getroudt waeren. +<p class="c2">de 8 junijus +<p class="c2">1633." +<p class="c2">Den derden dag, nadat ze getrouwd waren; het huwelijk +had plaats op 22 Juni 1634; drie dagen later schreef men 25 Juni +1634. Dat is echter geen 8 Juni 1633. Deze datum klopt niet met de +opgave in het kerkregister te St. Annaparochie. Waar schuilt de +fout? In het register? Dat is moeilijk te gelooven. De koster, die +bij de huwelijksvoltrekking het feit aanteekende, zal toch wel met +de almanak bekend geweest zijn. De datum mag iemand eens voor een +oogenblik vergeten zijn, maar een vol jaar vergist men zich niet. +Op de teekening dan? Maar wat voor den koster geldt, geldt ook voor +Rembrandt. Het ging hem zelf aan, van hem kunnen we ons nog +moeilijker eene vergissing denken. +<p class="c2">Wie van hun beiden heeft gelijk, wie ongelijk? Dat is +een kolfje naar de hand van eenen geschiedvorscher: uit te zoeken, +hoe het mogelijk is, dat Rembrandt, nadat hij drie dagen getrouwd +was, niet op de hoogte van datum en jaar was. Wie het vraagstuk +oplost, kan er eer mee inleggen. +<p class="c2">Wij zien intusschen de teekening verder aan. +<p class="c2">In dit schetsje zit leven. Leven is iets, wat men +niet met den vinger kan aanwijzen of met eenen passer kan nameten, +in werkelijkheid evenmin als in beeld. Maar als we den indruk +krijgen, dat er leven in zit, moeten we het er ook over eens kunnen +worden, waardoor die indruk ontstaat. +<p class="c2">We beginnen met het portretje op een kleinen afstand +te houden. Dan hinderen de arceeringen in het gezichtje ons niet; +die lossen zich op in eene gelijkmatige tint. +<p class="c2">Zie, ze zit nu naar iemand tegenover haar te kijken. +Of is de blik op eenen muur gevestigd? Neen, op eenen persoon. +Immers, de oogen staan schalksch, een beetje spottend. Het dikke +randje onder het oog kennen we wel; dat is een lachje, het is +dartelheid. Zoo zit iemand niet op een stuk muur te kijken. De blik +geldt hem, dien ze lijden mag, en dien ze nu, in haar speelschheid, +niet kan nalaten te plagen. Er tintelt iets in het oog, dat +levenslust is. Let eens op, hoe, uit de geschaduwde linker helft +van het gelaat, het oogwit tusschen oogappel en ooghoek speelsch en +blijmoedig te voorschijn licht. Dat wit gelaten plekje draagt er +wel toe bij, om ons den indruk van leven, van vroolijk, schalksch +leven te geven. +<p><img alt="" border="0" src="images/portretvansaskia.png" width="480" +height="825"> +<p class="c2">[Portret van Saskia.] +<p class="c2">Zit het mondje strak en ernstig af te wachten, wat de +teekenaar van de schets zal maken, of speelt ook daar niet +hetzelfde lachje? Voelen we in den opgetrokken rechter mondhoek +niet een beetje spot? Staat daar niet uitgedrukt: "mij teekenen, +dat kun je niet?" Is dat trekje er niet op berekend, om hem aan 't +lachen te maken? Het is, alsof we, tegenover haar, Rembrandt zien +zitten, ijverig in de weer, om haar portret en haar leven vast te +leggen op zijn teekenblad; de mond in ernstige plooi, het oog bij +afwisseling op haar en op zijn werk gericht. En haar zien we +probeeren, om den ernst van zijn gelaat te verdrijven, om door haar +lach ook hem een lachje af te dwingen. Hare schalkschheid, de +tinteling op hare trekken-we weten niet alleen, dat ze <i>hem</i> +gelden, we zien er zelfs <i>zijn</i> ernstig gezicht in; in het +spottende en plagerige lezen we, hoeveel moeite het hem kosten zal, +om zich goed te houden, om er nu eens de gek niet mee te hebben, +dat hy haar teekenen wil. +<p class="c2">Zij zit niet vóór ons als eene eenzame, +die zich aan onze onbescheiden blikken blootstelt; ze heeft +tegenover zich een, dien ze genegenheid toedraagt. Het is, alsof we +in de ruimte rondom haar de aanwezigheid voelen van den persoon, +tot wien haar glimlach zich richt. Die aanwezigheid spiegelt zich +in haar oogen, om haar mond, op geheel haar gelaat. Zou die +spiegeling niet het leven zijn, dat we in dit portretje zien? Leven +is wel iets vreemds, dat vaak moeilijk nader te bepalen is. Men kan +het soms hebben, dat men eene kamer binnenkomt, waar niemand te +zien is; het vertrek schijnt leeg te zijn, en toch ziet men +behoedzaam om zich heen, want men krijgt een gevoel, alsof er zich +een levend wezen bevindt; men zou gaarne een gordijn oplichten, een +kast openen of in een hoek kijken, om te weten te komen, of daar +iemand schuilt. Men voelt zich door leven omgeven. +<p class="c2">Bij Saskia gaat het niet geheimzinnig toe. Maar ook +<i>haar</i> voelen we omgeven van leven; we kennen dit leven, en we +weten, hoe hare gevoelens zijn ten opzichte van dat leven. Dit +alles geeft het portret te zien. Meer dus, dan enkel een mond, een +neus, een paar oogen, en wat verder het gezicht helpt voltooien. +Wat kan het zelfs schelen, of de gelijkenis van deze onderdeelen +volkomen is. Er zit iets in, dat van hoogere waarde is, iets waarom +we het een lief portretje vinden. +<p class="c2">Rembrandt moet dit wel goed begrepen hebben, als hij +Saskia aanzag. Want wat heeft hij in de eenvoudige krabbels en +krasjes deze dingen zuiver laten voelen; en nog wel dingen, die men +niet onder woorden kan brengen of in lijnen kan aanwijzen. +<p class="c2">Er is nog iets in Saskia, dat hem niet ontging, en +wat het portret nog meer liefs geeft. Zij let niet op zichzelf. Ze +gaat niet parmantig zitten met het idee: nu moet ik er mooi +opkomen; en evenmin met het tegenovergestelde idee: het kan me niet +schelen, hoe ik er op kom. Je kunt heelemaal niet zien, dat ze +opzettelijk eene houding aanneemt. Zooals zij zit, zoo zit iemand, +wanneer hij van eene lange wandeling thuiskomt. Men valt dan even +op eenen stoel neer, om uit te blazen, voordat men van kleeren +verwisselt. Zonder erg komt de hand onder het hoofd; het hoofd +leunt er wel niet op; zie maar, de hand raakt het nauwelijks aan, +maar het geeft eenigen steun en de arm vindt het een gemak om even +op de tafel te rusten; iets waaraan de andere ook behoefte heeft; +die ligt er languit over heen en is zelfs niet hupsch genoeg, om +het roosje rechtop te dragen. Zoo laat men een bloem hangen, als de +hand moe wordt. +<p class="c2">Beide ellebogen rusten op de tafel. Netjes is 't +niet. Dat zal vrouwe Saskia ook wel weten. Maar ze kwam vermoeid +thuis, en dan is het verleidelijk om eens op je gemak te zitten. +Niet recht op en neer, maar het bovenlijf voorovergezakt; de borst +zoo'n beetje tegen den tafelrand. De kleeren wat losgemaakt en den +hoed nog op 't hoofd. +<p class="c2">Wie zich zoo neerzet, neemt niet plaats om uitgebeeld +te worden, maar gaat zonder erg zitten, omdat zitten aangenaam is. +Die let niet op zichzelf, op houding en postuur, maar geeft zich, +zooals ze is. Die gaat zoo zitten, omdat zij bij haar echtgenoot +is, en niet in gezelschap van menschen, die altijd op fatsoen en +behoorlijkheid letten. +<p class="c2">Het is deze argeloosheid, die onze teekenaar in zijne +vrouw zag; en hij gaf ze ons duidelijk in lichaamshouding, in +armlegging, in handgebaar, zelfs in het roosje te verstaan. Want +dit roosje hangt net zoo over de tafel heen als Saskia zelf. +<p class="c2">Eigenlijk is deze trek in haar dezelfde, als die, +welke uit haar gelaat sprak. Beide komen ze voort uit een gevoel, +dat haar aangenaam was: ze voelde zich prettig en op haar gemak, +zoo bij haar beroemden heer gemaal. Ze geneert zich niet, hem +lachend in de oogen te zien, en evenmin om het zich gemakkelijk te +maken. Ze acht zich veilig voor onbescheiden blikken en +onbescheiden op-en aanmerkingen. +<p class="c2">Het trekt ons in haar aan, dat ze zich zoo argeloos +onschuldig geven kon aan den teekenaar; dat ze zelfs op dit +oogenblik niet dacht aan nette houding, aan gezicht-in-de-plooien, +aan toilet of kapsel. +<p class="c2">Ongetwijfeld is hier de verklaring te zoeken, waarom +we het beeld lief vinden, en waardoor het ons bekoort. +<p class="c2">Daar komt nu nog iets bij, dat op den teekenaar +betrekking heeft. +<p class="c2">Het schetsen van een portret ging hem zoo gemakkelijk +van de hand, dat zijne gedachten eigenlijk met dit werk alleen niet +gevuld waren. Hij behield een open oog voor de eigenaardige wijze +van doen, zooals die op te merken was aan zijn model. Onderwijl hij +omtrekken van gezicht, hoed, hoofd, lichaam, armen en handen zette, +zag hij zeer goed, hoe weinig acht Saskia op zichzelf sloeg, hoe +weinig ze aan zichzelf en hoe zeer ze aan hem dacht; hoe ze zich +volkomen onbespied achtte, ofschoon tegenover hem zittende. Hij zag +dit in hare trekken, in hare houding, in den arm, zooals die op de +tafel lag, hij zag het in alles. En al schetsende, gaf hij in elke +lijn de uitdrukking van het vertrouwelijke, dat hij in haar zag. De +vriendelijkheid van hare verschijning, niet voor een ieder, maar +voor hem alleen, wist hij uit te teekenen. Hij wist, dat die +eigenschap van haar wezen kon verdwijnen, als anderen om den hoek +gluurden. Hij wist, dat zijne teekening bestemd was, om gezien te +worden, en dat dit streed met hare vertrouwelijkheid. Toch bracht +het hem niet in verwarring; hij zette het denkbeeld, dat anderen +zouden zien, van zich af en ging voort, om den indruk vast te +houden en in beeld te brengen. Met oogen en handen arbeidde hij, om +de uiterlijke vormen op papier te zetten, en intusschen bleef hem +het besef bij, van de vertrouwelijkheid tusschen hem en haar. En, +arbeidende aan de vormen, schreef hij eigenlijk in leesbaar schrift +al maar door over die vertrouwelijkheid. Niet meer de +lichaamsgedaante behandelde zijn teekenstift, maar hoe zij over de +tafel heen naar hem toe gebogen lag; niet meer haar beeld, maar hoe +in dat beeld de ziel, het leven zich afspiegelde. +<p class="c2">Lang behoefde hij aan zoo'n schetsje niet te werken: +alles is los en vlug op papier geworpen. En toch raak en goed. Men +lette bijvoorbeeld eens op de zwierige lijnen, die de rechtermouw +weergeven; in éen veeg zijn ze opgezet, en in die +éene veeg geven ze meteen aan, hoe in de buiging, bij den +elleboog, het kleed in breede plooien valt. Of op de teere +schrapjes van het linkerhandje, hoe als vanzelf de pink achterover +buigt. +<p class="c2">Het is een genot, om de bewegelijkheid van al die +lijnen te zien. In een photographisch portret ontbreekt dit. Men +vindt er ook niets aan, het te bezichtigen, tenzij men den persoon +kent. +<p class="c2">Het is waar, dat de photographie nauwkeuriger en +precieser in kleinigheden is; dit weegt echter niet op tegen de +uiting van echt leven, die een teekenaar in zijn werk neerlegt. We +beklagen de eeuw van Rembrandt niet, omdat ze het zonder de camera +obscura moest stellen, en zich behielp met handgemaakte +afbeeldingen, integendeel, we achten haar gelukkig en betreuren +het, dat later een werktuig is uitgevonden, waarmee aan kunstenaars +het werk uit de hand genomen en het brood uit den mond gestooten +is. Wel kunnen we thans voor weinig geld portretten hebben van +allen, wien we genegen zijn, en wel gelijken die +zóóveel, dat we de personen herkennen, maar ze zijn +er naar! Het leven ontbreekt, en ook datgene, wat we, na langen +omgang, in gelaat, houding, gebaar en lichaamsbouw hebben leeren +opmerken. We zijn tevreden met den juisten vorm van oogen, neus, +mond en kin, we eischen niet meer; sedert de zeventiende eeuw +hebben de menschen zich leeren tevreden stellen met afbeeldingen +zonder het schalksche leven, zonder tintelenden oogenopslag, zonder +gemoed en karakter. Misschien zijn er zelfs reeds menschen in onzen +tijd, die aan hunne bloedverwanten en vrienden deze +eigenaardigheden niet eens meer opmerken. +<p class="c2">Het is best mogelijk, dat de kunst van +photographeeren ons gezichtsorgaan voor nauwkeurige waarneming van +menschen en hunne levensuiting heeft afgestompt. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="KLEINE_TITUS"></a> +<h2 class="c4">KLEINE TITUS.</h2><span class="c5"><br></span> +<p><img alt="" border="0" src="images/titusvanrijn.png" width="344" +height="410"> +<p class="c2">[Titus van Rijn.] +<p class="c2">Laten we naast Saskia nog eens nemen deze afbeelding +van Titus, het zoontje van Rembrandt. Dan zal ons blijken, dat ook +hierin dingen voorkomen, die een photographisch portret niet kan +geven. +<p class="c2">Het ventje zit echt lekker op zijn gemak. Hij zoekt +dit op kinderlijke manier. Een volwassene gaat er anders bij +zitten: niet zoo met het hoofd in de nabijheid van de handen, en +niet zoo in elkaar gedoken op den rand van eene schoolbank of een +raamkozijn liggende. Het omgebogen polsgewricht van het +rechterhandje is echt kinderlijk, ook de duim, die het hoofdje +steunt en een kuiltje in de kin drukt, waardoor de mondhoek een +beetje omhoog geschoven wordt! Daar behoort precies bij, die manier +om eene pen vast te houden, als men zit na te denken over hetgeen +geschreven moet worden. En zie eens het linkerhandje! Het komt net +te voorschijn, zooals we dat soms zien bij een poesje, dat +behagelijk een breed, mollig pootje vooruitsteekt. De heele figuur, +het verlichte driehoekje van gelaat, handen en boek, heeft iets +poezeligs over zich. Dit neemt dadelijk in voor het ventje. Het is +ons onverschillig, of oogen, neus, mond, gezichtsvorm en haar +nauwkeurig gelijken, er is, buiten dat, iets aantrekkelijks in. Het +portretje geeft ons te zien, hoe de vader zijn kind soms kon +aantreffen, als het in school of thuis in een hoekje te leeren zat. +De houding moet indruk op hem gemaakt hebben, want, toen hij ging +schilderen, stelde hij zich het kereltje zóó voor. +<p class="c2">Het is niet waarschijnlijk, dat hij, zooals onze +photograaf zou doen, gelastte: ga nu zus of zoo zitten. Immers, dan +wordt alles stijf en houterig. Hier was geen afspraak; zonder erg +zit Titus op zijn gemak na te denken en voor zich uit te kijken, en +argeloosheid kon de vader hem niet als bevel opleggen. +<p class="c2">Dat we hem onbespied kunnen beschouwen, is juist het +aantrekkelijke. Want nu komt zijn ware aard aan den dag: zijne +neiging namelijk om knus en gemakkelijk ineen gedoken te zitten. +Hij verloochent daarin niet, dat hij een kind van Saskia van +Ulenburg is! +<p class="c2">Het aantrekkelijke wordt nog verhoogd door de groote, +donkere kijkers en de lange, weelderige lokken. Bovendien vinden we +het aardig, zoo toevallig eens iets te zien, dat op het schoolgaan +en het leeren in de zeventiende eeuw betrekking heeft: een +bundeltje vellen papier ligt op een opengeslagen boek; de inkt,-het +zal wel zelfgemaakte inkt wezen, want dat was het +gewoonlijk,-bevindt zich in eenen koker, die aan een koordje of +kettinkje hangt. Dit gerei droeg de leerling mee naar school en +zeulde er mee rond door huis; overal waar hij zich neerzette, om te +schrijven, had hij het bij zich; als hij voor het open raam plaats +nam, kon het best gebeuren, dat hij achteloos den inktkoker uit het +raam heen en weer liet bungelen. Ingenaaide schriften waren niet +zooveel in gebruik, als losse bladen papier. Deze omstandigheid gaf +hier den schilder gelegenheid, om te laten zien, hoe de velletjes +soms plat op elkaar, soms met eene gapende opening er tusschen +kunnen liggen. +<p class="c2">Met Titus er bij hebben we nu den kleinen huiselijken +kring compleet, waarin Rembrandt anno 1642 leefde. We moeten echter +bedenken, dat de zoon nog heel klein was, toen Saskia overleed; de +moeder heeft hem nooit gezien, zooals de vader hem hier afbeeldt. +<p class="c2">In de portretten van vrouw en zoon heeft hij wel +duidelijk uitgedrukt, met hoeveel hart hij aan beide hing, hoe +gelukkig hij zich aan den huiselijken haard voelde, toen Saskia nog +leefde. Ook zal hij innerlijk bewogen geweest zijn, als hij later +het kind uitbeeldde en opmerkte, hoe hare geaardheid, hare natuur +daarin voortleefde, toen zij reeds lang ter ziele was. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="ACTIE"></a> +<h2 class="c4">ACTIE.</h2><span class="c5"><br></span> +<p class="c2">Naast elkaar zijn hier gesteld twee groepjes van twee +personen, die eenige woorden met elkaar wisselen. Het eene stelt +voor een Amsterdamsch burger uit het jaar 1633, scheepsbouwer en +teekenaar van scheepsontwerpen van beroep, met zijne vrouw, die een +briefje binnen brengt. Het andere is Michiel Azn. de Ruyter, in +gesprek met zijnen stuurman Zeger. Al dadelijk valt het op, dat De +Ruyter en Zeger, elk met een paar gelijke platvoeten en een paar +zwarte kuiten, recht op en neer naast elkaar staan. Beider +onderstel, met en benevens de wijde broeken, schijnen naar een en +hetzelfde model te zijn gevormd. De enkels zijn te dik, en evenveel +te dik, het aanzwellen der beenen, naar boven toe, gaat gelijk in +zijn werk, de broeken hangen er gelijk om. Vervelend is het verder, +dat beide gelijkelijk het front naar elkaar draaien, en dat ze +beide den naar elkaar gekeerden arm schuin omlaag, den anderen arm +opgeheven houden. +<p><img alt="" border="0" src="images/deruyterenzeger.png" width="388" +height="424"> +<p class="c2">[De Ruyter en Zeger.] +<p class="c2">De Scheepsbouwmeester en zijne vrouw zijn zonder +zulke toevalligheden tot een groep bijeengebracht. De houding van +de handen der vrouw laat zich zeer goed met die van De Ruyter +vergelijken. Zij houdt met de linker kloek en ferm de klink van de +deur omvat, niet nuffig en met opzettelijke bevalligheid, maar +zooals eene degelijke huisvrouw in drukke bezigheden alles doet. De +Ruyter doet iets, dat, op zichzelf beschouwd, een daad is van +kloekheid, van moed en van durf. Eigenlijk moest hij dus ook +onverschrokken met de linkerhand naar den Engelschman wijzen, dien +hij tot partuur heeft gekozen. Maar hoe is dit op de plaat +uitgedrukt? De wereldvermaarde zeebonk steekt een blank, mollig, +klein handje uit, de arm is slap en zonder fierheid opgeheven, het +wijsvingertje bij het jongejuffrouwenduimpje wijst op kromme manier +iets aan. Men zou haast denken, dat mijnheer Zeger heeft gevraagd: +"Hoe loop ik het kortst van hier naar de Kipstraat?" en dat een +voorbijgaand, ziekelijk oud heer met een pijnlijk gezicht +antwoordt: "Hier links den hoek om." Waarop gemelde heer Zeger met +vriendelijk gelaat voor de bekomen inlichting bedankt, beleefd den +hoed licht, en den ouden heer eene prettige wandeling toewenscht. +<p class="c2">Zoo kan geen De Ruyter het vermaarde commando hebben +gegeven, zoo strekt geen held met gebiedend gebaar den arm. +<p><img alt="" border="0" src="images/scheepsbouwmeester.png" width="610" +height="404"> +<p class="c2">[Scheepsbouwmeester en vrouw.] +<p class="c2">De rechterhand is niet beter van teekening. Misschien +loopen er verwaande menschen rond, die op deze manier met gebogen +polsgewricht den knop van een wandelstok omvat houden, maar van +onzen Vlissinger Michiel gelooven we het niet. +<p class="c2">Zie daarentegen, hoe het vrouwtje haren brief +overreikt. De bedoeling is volkomen duidelijk uitgedrukt: ze laat +hem niet zien, ze neemt hem niet weg, maar ze overhandigt. Zelfs +zit in het handgebaar de beweging van iemand, die achterwaarts een +briefje afgeeft. Men probeere zelf de houding na te bootsen. +<p class="c2">Ook de handen van den scheepsbouwmeester mogen gezien +worden bij die van stuurman Zeger. Zijn linker, eene dikke, +vleezige werkhand blijft rusten op het teekenwerk, terwijl het +hoofd zich even opricht om te zien, wie den arbeid komt storen. Is +het niet, alsof die hand, met gedachten vervuld, bij het werk +tracht te blijven, alsof ze den gedachtengang wil vasthouden, tot +de stoornis voorbij is? +<p class="c2">De rechter wil het briefje in ontvangst nemen. Echter +niet met een gebaar van haastig aanpakken. Het binnenkomen van +moeder de vrouw wordt euvel opgenomen, omdat het storend is. +Vandaar dat de hand maar aarzelend uitgestoken wordt. Dit is geheel +in overeenstemming met 's mans gelaat; de afdruk laat duidelijk een +lichten graad van ontevredenheid zien; die blik op zijne vrouw en +het voorhoofd-fronsen zijn er de blijken van. +<p class="c2">De rechterhand van stuurman Zeger neemt op eene wijze +den hoed af, die noch de manier van een zeeman, noch die van een +fijn heer is. Houvast zit er niet in; een groote, vilten, +zeventiende-eeuwsche hoed zou wel anders doorbuigen, als men dien +bij het uiterste randje tusschen duim en vinger aanvatte. Hij lijkt +wel van hout. Wat is daarbij vergeleken het passertje goed +geteekend; in de hand het ronde gewricht, naar beneden de gepunte, +driekante beenen, waarvan een, door lang gebruik, iets kromgebogen +is; met een soort van gretige werklust hapt het instrumentje naar +het papier. Zelfs in zoo'n gering bijzaakje heeft Rembrandt het +bijzondere gevoeld. De scheepsroeper is lang niet van hetzelfde +gehalte; de rand van het geslagen koperblik is veel te dik +geworden; de trechtervormige beker is aan den onderkant bijna +recht, aan den bovenkant bolvormig; het mondstuk heeft een +verkeerden stand; van onze plaats af moesten we er niet in kunnen +zien; het heeft bepaald in de klem gezeten en is verbogen geraakt. +<p class="c2">Letten we op de handeling, die op beide afbeeldingen +tusschen de twee personen voorvalt, dan moeten we allereerst onze +bewondering uitspreken voor het vrouwtje. Er zit in hare houding +buitengewone bewegelijkheid; het overhandigen van den brief gaat +niet bedaard in zijn werk, maar haastig en gejaagd. Zij blijft +bijna bij de deur staan, om geen tijd te verliezen met verder te +loopen dan noodig is; met over den stoel heen te buigen bereikt ze +haar doel even goed. Het bovenlijf helt niet alleen zijdelings naar +den bouwmeester over, het maakt ook eene kleine buiging voorover. +Intusschen draaien de linkerheup, de linkerschouder en de linkerarm +zich reeds weer achterwaarts, terug naar de deur. +<p class="c2">De rechterhand en-arm, en het gezicht zijn nog +verdiept in de beweging van het overhandigen. In al de onderdeelen +van deze figuur dus eene aanduiding van wenden, buigen en draaien, +nergens de stijve rust van een lid, dat aan de handeling geen deel +neemt. Sommige beschouwers maken hiervan Rembrandt wel eens een +verwijt. Ze vinden het schielijke binnenkomen storend voor de rust +van de schilderij; het maakt hun gejaagd, als ze er een oogenblikje +kalm naar zouden willen kijken. Daar is wel iets van aan; het is +hinderlijk, als je het idee krijgt, dat zoo'n figuurtje zoo +aanstonds zal wegsnellen, en als men zichzelf betrapt, dat men +daarop staat te wachten. Maar we moeten den schilder de eer geven, +die hem toekomt; hij heeft in de lichaams houding van eene vrouw, +die even binnenkomt en dadelijk weer heengaat, met een fijn oog de +bewegelijkheid van buiging en draaiing waargenomen en weergegeven. +<p class="c2">De plaat van De Ruyter is er, om een geschiedkundig +feit voor te stellen; alles moest dus eigenlijk handeling zijn; de +handeling moest althans zeer sterk tot ons spreken. Neem nu den +admiraal eens; hij staat er zoo houterig en schutterig bij, dat er +geen schijn van beweging in hem zit. Van onder tot boven, van zijn +voeten tot zijn hoofddeksel, alles stijf en recht; nergens in de +heele figuur eenige zwenking; geen enkele lenigheid van draaiing of +buiging. Hij zit diep in zijn hoedje weggeslagen, en schijnt aan +een stijven nek te lijden. Misschien trekt hij daarom zoo'n +pijnlijk gezicht. Kijk daarentegen eens, hoe mooi rond het +vrouwenkopje is, hoe het mutsje meewerkt, om de ronding uit te +beelden, en hoe los en gemakkelijk het hoofd zich keert en wendt +boven den kraag. +<p class="c2">Zoo krijgen we tot slotsom van de vergelijking: de +plaat, die eene handeling moet voorstellen, geeft houterige, stijve +figuren, die de armen oplichten om te doen, alsof ze zich bewegen, +maar ze bewegen niet. De andere, die gemaakt werd om de portretten +van eerzame inwoonderen van Amsterdam te geven, tintelt van actie, +zonder nochtans in het geven van portretten te kort te komen. De +handeling maakt zooveel indruk, dat we beginnen te denken aan een +historisch feit. Het lijkt wel, dat dit nu het beroemde briefje is, +waarover we in boeken lezen, hetwelk binnengebracht werd, om den +verraderlijken aanslag op een of andere stad te verijdelen. Maar 't +is zoo niet! De schilderij is er een, waar niets achter zit. Zij is +een portretstuk, meer niet. +<p class="c2">We zullen deze neiging van Rembrandt, om den aard van +het portret te verbloemen, meer opmerken. Men kan hem ook hiervan +een verwijt maken; het <i>is</i> misschien niet heelemaal in orde, +dat we tegenover de twee konterfeitsels van een paar burgerluitjes +gedachten hebben van vermaarde gebeurtenissen; dat we dus aan +dingen denken, die hier niet te pas komen. Maar-wat een kunst, om +dat te kunnen! Wat een schilder moet men wezen, om zoo, spelend +weg, in een portretstukje een aardigheidje te vertellen, en het dan +zoo te doen, dat de beschouwer heelemaal de klus kwijt raakt. +<p class="c2">De Anatomische les heeft hiervan ook wel een tikje +weg, zooals we zullen zien. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="MISLEIDE_AANDACHT"></a> +<h2 class="c4">MISLEIDE AANDACHT.</h2><span class="c5"><br></span> +<p class="c2">Onder de drommen van reizigers, die jaarlijks de stad +'s-Gravenhage bezoeken, zijn er gelukkig niet weinigen, die een +uurtje over hebben, om de schatten van het Mauritshuis te gaan +zien. En onder dezen merkt men dikwijls bezoekers op, voor wie de +gang daarheen eene bedevaart is. Ze komen uit steden en stadjes, +die binnen hare muren geen enkel staaltje bevatten van de groote +kunst onzer voorvaderen; van Rembrandt gehoord hebben ze; +photographieën naar zijne schilderijen hebben ze gezien. Maar +nog nooit hadden ze gelegenheid om het hart eens op te halen aan +zoo'n lapje doek, waarvoor hij zelf, twee en een halve eeuw +geleden, met palet en penseel heeft gezeten; waarop hij eigenhandig +de klonters verf heeft geklutst, gewreven en aangesmeerd. Binnen de +muren van dit eenvoudig, onaanzienlijk gebouw zal dan eindelijk de +begeerte bevredigd en het verlangen gestild worden. De trappen gaat +het op, rechts den hoek om, eene kamerdeur door en het vertrek +binnen. Dit is het heilige der heiligen. Wat hier hangt, draagt +groote namen: we lezen er Jan Steen, P. Potter, Ostade, Brouwer, +maar voor allen lezen we Rembrandt Harmenszoon van Rijn. Tegen deze +weinige vierkante meters muur hangen een tiental zijner stukken +bijeen, een schat, dien honderd musea het kleine Mauritshuis +benijden. +<p class="c2">Het statig middelpunt daarvan vormt de Anatomische +les, die waard is, eenigszins uitvoerig beschouwd te worden. +<p class="c2">De Anatomische of Ontleedkundige les is een +portretstuk. Rembrandt maakte het op bestelling, voor acht +geneeskundigen uit de stad Amsterdam. Dezen hadden het oogmerk, om +er hun vereenigingsgebouw, de chirurgijnshal, mee te versieren. In +plaats van acht afzonderlijke portretten, verlangden ze een groep; +ze lieten het aan den schilder over, de groep samen te stellen, op +voorwaarde natuurlijk, dat ieder van de acht koppen tot zijn recht +kwam. Zij verwachtten niet anders, dan dat hij het met deze +voorwaarde ernstig op zou nemen. Nu, de koppen kwamen tot hun +recht; maar toch zou de eerste blik van den beschouwer op een ander +deel van de schilderij gevestigd worden. De schilder wilde, dat het +lijk, in uitgestrekte houding op de snijtafel neergelegd, het eerst +de aandacht zou vragen. +<p class="c2">Hij had dit kunnen bereiken, door het aanwenden van +een eenvoudig middel: als hij er een griezelig voorwerp van had +gemaakt, zoo akelig om te zien, dat een ieder er naar <i>moest</i> +zien. Maar dit deed hij niet. Het lijk is zoo geschilderd, dat ook +de teergevoeligste lieden den aanblik kunnen verdragen. Zelfs de +opengelegde arm heeft niets afschuwelijks. Alles wat de zenuwen van +aanstellerige jongejuffrouwen zou kunnen prikkelen, vermeed hij. +Wel is het gelaat het gelaat van een doode, en dus niet aangenaam +om te zien; maar het wekt geen weerzin. +<p class="c2">Waarom is het dan wel, dat we, als van zelf, steeds +het eerst op het lijk het oog richten? +<p class="c2">We ondergaan een gelijk lot, als het avondvlindertje, +dat door ons openstaand venster komt binnenvliegen. Het +<i>licht</i> trekt ons aan. Het licht is de geheimzinnige macht, +die <i>ons</i> gezichtsorgaan, evenzeer als dat van het onnoozel +gedierte, weet te leiden, waarheen ze wil. Zitten we des winters in +schemerdonker bij open haard of kachel, onweerstaanbaar wordt het +oog door den vlammengloed aangetrokken. Schrijden we des zomers +door de donkerte van eenen boschweg, we verhaasten onzen tred, als +op het eind van de laan het zonlicht door eene open ruimte +binnendringt. +<p class="c2">Licht geeft op het netvlies een aangenaam gevoel, +zooals frisch water aan tong en gehemelte, wanneer ze van dorst +verschroeien. Het kost soms moeite, om den blik van de vlam eener +lamp af te wenden, als de omgeving door de duisternis eene scherpe +tegenstelling vormt. +<p class="c2">Nu; de Anatomische les is eene schilderij, waarvan +het grootste deel der oppervlakte in zware, donkere verven bewerkt +is. Het is juist voornamelijk het lijk, dat hierop eene +uitzondering vormt. De gezichten der rondomstaande geneesheeren ook +wel, maar die zijn van minder omvang en zullen eerst in de tweede +plaats onze aandacht trekken. We gaan op het zonnige licht af, dat +midden op het groote doek een hoekje vult. De portretten, waar het +feitelijk om te doen was, worden daardoor min of meer op den +achtergrond gedrongen; het stuk krijgt den schijn van gemaakt te +zijn met een ander doel, dan om die portretten te geven. We zouden +haast kunnen denken, dat de schilder wilde laten zien, op welke +wijze dokter Claes Pieterszoon Tulp les gaf in de ontleedkunde. +Menschen, die niet voor dokter hebben gestudeerd, zien hier iets, +wat ze nooit eerder hebben gezien, dat namelijk een hoogleeraar +zoo, vóór zich, een cadaver heeft liggen, waarvan hij +een of ander lichaamsdeel openlegt; hij neemt een soort van tang om +vast te pakken; de leerlingen staan er in een kring omheen, en het +onderwijs begint! Werkelijk meenen velen, dat het stuk met deze +bedoeling is gemaakt. +<p><img alt="" border="0" src="images/ontleedkundigeles.png" width="651" +height="486"> +<p class="c2">[De ontleedkundige les.] +<p class="c2">Toch is het een portret en moet dus op +één lijn gesteld worden met bijvoorbeeld een +schoolportret, dat in lange rijen de kopjes van eene klas +schoolkinderen te zien geeft. Wat een verschil echter! Het eene is +een vervelende verzameling van allemaal kijkende gezichten; wie het +onder de oogen krijgt, gaat zoeken naar bekenden. Soms maakt de +photograaf eene kleine variatie, door aan eenige leden van het +gezelschap iets te doen te geven: garen winden, thee schenken of +zoo iets. Maar niemand wordt de dupe van dezen kunstgreep, men zal +nooit ook maar een oogenblik meenen, dat de photographie er is, om +het theeschenken te laten zien; de gezichten trekken te sterk de +aandacht. +<p class="c2">Het portret van Rembrandt leidt ons juist wel op een +dwaalspoor en heeft al menigeen omtrent den aard van het stuk +misleid. En dat, doordien het volle licht op het lijk valt. +<p class="c2">Een oogenblik mag men wel stilstaan bij dit overigens +niet erg verkwikkelijke voorwerp. +<p class="c2">Hoe komt het, dat we zoo goed het verschil voelen +tusschen de vleeschoppervlakte en de geweven stof, waaruit de +ledendoek bestaat? Het is, alsof we een en ander met vingers hebben +betast. +<p class="c2">In de eerste plaats door het verschil in kleur, wat +ook op eenen zwarten afdruk te zien is. Beide zijn wel licht, maar +de doek is toch lichter gehouden dan het lichaam, ofschoon hij niet +wit is; overal merken we grijze tinten, die schaduwen van vrouwen +en plooien weergeven. Maar deze vrouwen en plooien hebben de +eigenaardige gedaante, die we in geweven stoffen opmerken. En, dit +is een tweede punt van verschil, de schaduwdiepten, die in de +oppervlakte van het lichaam zijn aangegeven, zijn van anderen vorm. +Ze zijn breeder en minder diep; over eene grootere ruimte gaan ze +geleidelijk in blank licht over. Men kan het beenderen gestel +gissen, dat er onder zit. Zoo bijvoorbeeld dat van de borstkas. +Duidelijk zien wij den strak gespannen omtrek van het borstbeen, en +naar den rechterarm heel vaag de afteekening van de diepsels, die +tusschen de ribben zijn ingezonken. Ook de ronding van het geheele +lichaam is met fijne grijze kleur tastbaar gemaakt. Heel mooi ligt +de zware spier van den bovenarm tegen het lijf gedrukt; het +schaduwgleufje verbreedt zich naar boven tot eenen oksel, naar +beneden tot eene elleboogsholte. +<p class="c2">Van het rechterbeen trekt vooral de omtrekslijn langs +den bovenkant de aandacht. Als we die, van den lendendoek af tot +den voet toe, met het oog volgen, nemen we telkens fijn uitgebeelde +spiervormen waar; halverwege stulpt de knie eenigszins naar buiten, +omgeven van de kleine rondingen, die we daar gewoon zijn op te +merken. +<p class="c2">De voeten reiken tot in de schaduw. Ze wijzen ons den +weg naar een opengeslagen boek, van eerwaardige grootte en dikte, +een foliant, waarin anatomische wijsheid zal zijn opgetast. Zooals +de bladen op elkaar liggen, getuigen ze van veelvuldig gebruik. +<p class="c2">Waar de schaduwpartij precies een aanvang neemt, is +moeilijk aan te wijzen; het bovenbeen is nog verlicht, de knie al +niet meer. Ongemerkt heeft de overgang plaats. Zoo gaat het ook met +de slagschaduw van een potlood, dat men op korten afstand over het +belichte deel van het cadaver houdt. +<p class="c2">Met deze waarnemingen hebben we aan de plicht +voldaan, om te zien in de richting, die de schilder met zijn +lichteffect heeft aangeduid. +<p class="c2">Bij voortgezette beschouwing dwaalt nu de blik als +van zelf naar het gelaat van Tulp, en hierheen eerder, dan naar de +gezichten der overige heeren. Het schijnt, dat de beide handen, die +zoo in de nabijheid van het lijk hare welsprekende gebaren maken, +dien overgang bewerken. We moeten ook bij Tulp het eerst wezen; hij +is onder de acht geportretteerden de voornaamste en aanzienlijkste. +Als geneesheer genoot hij eene groote reputatie, zoowel in +Amsterdam als daar buiten. Hij speelde in deze wereldstad bovendien +eene groote rol als lid van de stedelijke regeering. En de +regeering van Amsterdam, dat wou wat zeggen. Die gaf in de +regeering van de Republiek de lakens uit. Een man als Bicker had +immers in ons land bijna evenveel invloed als Stadhouder Willem II. +Een burgemeester van Amsterdam mocht met recht tegen een hoog +geplaatst Fransch edelman zeggen: "De koningen van het land, dat +zijn wij!" +<p class="c2">Intusschen zou Tulp, èn als geneesheer +èn als magistraat, toch reeds lang vergeten zijn, wanneer +hij niet toevallig bevriend was geweest met Rembrandt, en wanneer +deze van hem niet den onvergetelijken kop had gemaakt, dien we hier +voor ons zien. De oogen, donker van kleur, staan er helder en met +verwonderlijke klaarheid in. De blik, die op de verte gericht is, +verraadt een groot verstand, diepe kennis en zachtheid in het +oordeelen. Het gelaat is vol ernst, niet de ernst, die door leed +ontstaat, maar de ernst, die gevolg is van juist inzicht en van +veel weten. De mond schijnt te spreken. De boven-en onderlip zijn +zoodanig op elkander geschilderd, dat er eene bijna onmerkbare +plooiing in komt; door deze plooiing is het, alsof we de lippen de +letters hooren aanblazen bij het spreken, en men kan er zichzelf op +betrappen, dat men tracht vast te stellen, welke medeklinker er +gevormd wordt, hetzij dan een f, hetzij een v. +<p class="c2">De handen begeleiden dit spreken met verwonderlijke +juistheid. De linker, ter halver hoogte opgeheven, maakt aan de +hoorders duidelijk, welke bewegingen de dokter bedoelt. Terwijl +namelijk de rechter met behulp van een pincette éénen +spierbundel van de anderen afzondert, laat de linker zien, welke +uitwerking de samentrekking daarvan zou hebben. Het is een +buigspier, liggende aan de binnenzijde van den arm; de +middelvingers van de linkerhand maken onwillekeurig de buigbeweging +mee, over welke gesproken wordt. +<p class="c2">Veegjes lichte verf geven tusschen de vingers de +plaatsing aan, hoe ze eenigszins uiteen wijken, naast elkaar op de +hand zijn ingeplant, en los van elkaar in de ruimte staan. We zien +in de tusschenruimte op. In den duim van de rechterhand voelen we +de drukking, die hij op het werktuigje uitoefenen moet, om den +spierbundel vast te houden. Wat liggen ook de vier vingertoppen in +juiste houding om den duim heen! +<p class="c2">De kleeding verdient wel een oogenblik bijzonder de +aandacht. Er zijn zeventiend-eeuwsche portretten genoeg, die ons +onderrichten omtrent vorm en snit van de toenmalige +kleedingstukken. Maar hier hebben we er een, dat ons doet voelen +hoe <i>mooi</i> ze stonden, hoe schilderachtig ze den persoon +kleedden. Breed en kloek is de borst, en zijn de schouders onder +zoo'n wambuis met mantelkraag. De breedgerande, vilten hoed geeft +den kop een prachtige vierkantheid; hij kleedt ontegenzeggelijk +mooier dan de hooge cylinderhoeden uit onze dagen. Het kantkraagje +en de manchetten droeg men niet onder maar over het wambuis, niet +in maar om de mouw. +<p class="c2">Misschien wekt het bevreemding, dat Dr. Tulp onder de +les en in aanzienlijk gezelschap den hoed op het hoofd houdt. Dit +was in zijn tijd gewoonte: de professor aan de hoogeschool, zoowel +als de onderwijzer te midden van zijne leerlingen, de vroede +raadsleden op het raadhuis, zoowel als de huisvader in den +familiekring, hielden zich gedekt; en men zag daarin geene +onwellevendheid. +<p class="c2">Van de overige koppen trekken vooral de twee, die +zich over het cadaver heenbuigen, de aandacht. In de eerste plaats +om de tegenstelling tot Tulp. Terwijl deze spreekt, zoowel met den +mond als met de handen, zoowel door zijne opgerichte houding als +door zijn rondblikkend gelaat, luisteren gene. De een ziet naar het +lijk, de ander naar den professor, maar beider oogopslag verraadt +aandachtig luisteren; luisterend ook buigen ze zich voorover. +<p class="c2">In de tweede plaats om de schilderhoedanigheden. Men +lette bijvoorbeeld eens op de rechterwang van den persoon, die het +dichtst bij Tulp zit. Van het oog af naar beneden vinden we alle +kleurschakeeringen, die ons in het gezichtsvleesch van zoo'n gelaat +bekend zijn. Allerlei zwakke schaduwtjes en lichtvlakjes duiden +aan, hoe het verloop is van de wang. Het is niet maar eenvoudig weg +eene bolle ronding of eene magere afplatting; overal zitten vorm-en +gedaantewisselingen. Eerst eene blauwachtige, eenigszins +uitpuilende streek onder het oog, zooals bij zwak uitziende +menschen. Dan de verheffing van het jukbeen, waar we een blosje +vermoeden. Hiertusschen en tusschen den neus eene invallende +diepte. Verder naar beneden de ingevallen wang, die achter den +knevel verdwijnt en, om het jukbeen heen, nog tot aan het oor te +volgen is. Alsnu gaat het met geleidelijke ronding om de kaak heen, +waar heel dun eenig blond haar groeit. +<p class="c2">En, zooals deze wang is, is de heele kop. Elk plekje +is aan het model ernstig en aandachtig waargenomen, bespied en +bestudeerd. Het portret is een beeld geworden, dat men niet zoo +maar eens even uit zijn hoofd schildert, het is naar het leven +genomen, het geeft ook het leven weer. +<p class="c2">Bij de beschouwing trachten we ons onwillekeurig te +binnen te brengen, waar en wanneer we dezen persoon hebben ontmoet, +alsof het iemand is, dien we in onze omgeving opgemerkt hebben. +<p class="c2">De overige koppen op deze schilderij zouden evenzeer +eene afzonderlijke bespreking verdienen. Alle dragen de kenmerken +van studie naar het leven. In alle is met zorg het afzonderlijke, +het eigenaardige opgemerkt. Men vergelijke, om een voorbeeld te +geven, maar eens met elkaar de manier, waarop bij elk het haar op +het voorhoofd is ingeplant. Alleen hieraan zou men de heeren alle +kunnen herkennen, als men ze ontmoette. +<p class="c2">Of men ga eens na, hoe elk van de aanwezigen op eigen +wijs de les van Dr. Tulp volgt; met meer of met minder aandacht; +met een geestigen trek om mond en oogen of met een soort van +onverschilligheid. +<p class="c2">Ieder is zichzelf en leeft zijn eigen leven. Geen +twee zijn van een zelfde model. +<p class="c2">Al deze uitingen van leven spreken des te sterker, +omdat ze gerangschikt staan rondom het beeld van den dood, van de +stof, waaruit het leven ontvloden is. +<p class="c2">De mond van het cadaver is half geopend, en een +glimlach schijnt er omheen te spelen. Maar de glimlach is +verstijfd, en het spreekgebaar van de mondopening is koud en +versteend. Het is het eeuwige zwijgen met een grimas van leven. En +op het gelaat van den lesgevenden professor: het mondopenen +nauwelijks zichtbaar, de blik strak op de verte gericht, geen +plooitje, dat zich tot glimlach vormt, en toch het heele wezen een +en al leven, op de bijna onbewogen trekken een spreken, dat sedert +bijna drie eeuwen elken toeschouwer in de ziel dringt, en dat +spreken zal blijven tot in lengte van dagen. +<p class="c2">Het stuk in zijn geheel heeft ook zijne eigenaardige +bekoring. Eerstens door het zonnige hoekje, waar het cadaver ligt. +Het oog heeft in die lichtplek een aangenaam rustpunt. Ten tweeden +door de groepeering. De personen staan los, ongedwongen en +regelloos bij elkaar, terwijl ze toch in een driehoek gevat zijn; +één gezicht vormt hiervan den top en doet de groep +naar boven toe bevredigend eindigen. +<p class="c2">Ten derden door de rijke afwisseling van licht en +donker; tusschen de witte kragen, blanke gezichten en handen zijn +overal stukjes achtergrond aangebracht of brokstukken donkere +kleeding, donkere baarden of behaarde schedels. Men bezie het stuk +maar eens door de oogharen, om deze afwisseling op te merken. +<p class="c2">De geschiedenis van de Anatomische les is deze. +Rembrandt maakte haar in 1632, het jaar, waarin Frederik Hendrik +Limburg aan de Republiek toevoegde. Ze kreeg eene plaats in de +vergaderzaal der chirurgijns te Amsterdam en bevond zich aldaar +nog, toen deze in 1828 hunne bezittingen te gelde wenschten te +maken en het stuk aan Koning Willem I verkochten voor f32.000. +Sedert maakt het deel uit van het Koninklijk Kabinet, dat in het +Mauritshuis ondergebracht is. +<p class="c2">De maker van het kunstwerk zal waarschijnlijk van elk +der acht heeren geneeskundigen de som van een kleine honderd gulden +hebben ontvangen, wat in 1632, toen Amsterdam krioelde van goede +schilders, al wel was, vooral voor een beginnend man van even vijf +en twintig jaar. +<p class="c2">In een anderen zin bracht het hem echter meer op. Als +een loopend vuur ging de mare door de stad, dat een groot schilder +was opgestaan, overgekomen uit Leiden en je kon zijn werk zien op +de Chirurgijnshal! Dit legde hem geen windeieren. Spoedig regende +het bestellingen van portretten, en maakte hij een geweldigen +opgang, zoo enorm, dat zelfs in het Stadhouderlijk Paleis te +'s-Gravenhage zijn naam genoemd werd. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="AANRAKING_MET_HISTORISCHE_PERSONEN"></a> +<h2 class="c4">AANRAKING MET HISTORISCHE PERSONEN.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">Reeds in zijne studiejaren had Rembrandt in Den Haag +zaken gedaan. Toen hij, nog vóór 1632, bij zijne +ouders te Leiden woonde en ijverig schilderde en teekende om de +kunst machtig te worden, deed eens een bezoeker hem aanwijzing voor +een heer in Den Haag. Een zeker stukje, dat hij juist voltooid had, +moest hij dien eens gaan vertoonen en te koop aanbieden. Te voet +trok de jonge schilder er op uit, bereikte na eene wandeling van +vier uren de Residentie en smaakte de voldoening zijn stuk voor +honderd gulden te verkoopen. Wonder in zijn schik met dit succes, +en nog niet gewoon zooveel geld in zijn buidel te hebben, voelde +hij behoefte, om zoo gauw mogelijk naar Leiden te gaan met zijn +schat, en zijne ouders in kennis te stellen met het fortuintje. +<p class="c2">Een weg van een kleine vier uur gaans weer te voet af +te leggen, dat kwam, dunkte hem, niet te pas voor iemand, die +schilderijen met honderd gulden betaald krijgt. De trekschuit, daar +ging Jan en alleman mee. Hij deed als een groote m'nheer en nam +parmantig plaats bij het logement, "De Leidsche wagens" op den +wagen naar Leiden. <i>Op</i> den wagen naar Leiden, aldus vertelt +een oud schrijver, niet <i>in</i>. +<p class="c2">Wat genoot hij van dat ritje! Eerst voerde de weg hem +door het Haagsche bosch met zijne gladde, rijzige, groene, +beukenstammen, die hunne takken breed en vlakweg met +lichtdoorlatende, fijne blaadjes uitgespreid hielden; verspreide +eiken stonden zwaar en donker daartusschen met diepgefronste +schors, en takken, die in moeilijke kromming zich wrongen. Machtig +en breed stond de voet uit in de zandige duinhellingen; het trof +hem, hoe ze hun wortels uitlegden over den bodem als een reuzig +gedierte, dat krampachtig met uitgeslagen en wijdgeopende klauwen +zich vast wil klemmen. +<p class="c2">Nog anders dan in Leiden op het bolwerk, zag je hier, +hoe de natuur een beeld van kracht kan zijn. Hier, waar werkelijk +eeuwen-heugende eiken en beuken stonden. Maakte niet een +medereiziger hem attent op een drietal forsche exemplaren, met +dooreengestrengelde takken, die het volk het Jacobaprieel noemde, +omdat er de landsvrouw Jacoba tweehonderd jaar geleden gaarne +verwijld had? Heerlijk wonen moest het in Den Haag zijn voor eenen +kunstenaar. De oude stad nog net plaats vindende op het uiteinde +van de reeks binnenduinen, waarop ook het Haagsche bosch stond, en +waarover de Leidsche weg hem Noordoostelijk voerde; de nieuwere +straten de venen ingaande. De omstreken, in Noordelijke richting, +klingen en dalen met laag en opgaand hout, in zuidelijke richting +lage weiden, vol slooten en plassen; hier en daar moerassen, met +ruigten van wilgbeschot en oeverplanten; de verre horizonnen +onderbroken door watermolentjes, die men reeds in gebruik begon te +stellen van de grondverbetering. +<p class="c2">Terwijl hij voortmijmerde, passeerde de koetsier niet +ongemerkt het liefelijke Huis Ten Bosch (wijl dit er nog niet was, +en eerst over twintig jaar ter eere van den vrede van Munster zou +verrijzen) maar reed door tot, en hield stil voor het huis Ten +Deil, eene herberg, die den weg van Den Haag naar Leiden in +nagenoeg gelijke helften deelt (deilt). Eene onoogelijke waardin +kwam buiten met een zwartberookt tabakspijpje in den mond, en zette +den paarden eene krib met voer voor. De reizigers stegen uit en +traden, evenals de wagenbestuurder, de herberg binnen, boven welks +deur, tusschen rankend wijnloof, aan een eind lat een groote aarden +bierpot bungelde. Rembrandt voelde geen lust, het voorbeeld te +volgen en mede uit te stappen. Hij bleef bij zijn vollen buidel op +den wagen zitten. Na eenige oogenblikken wordt de krib weggenomen, +en komt het volk met den wagenaar naar buiten, om ieder zijn +plaatsje weer in te nemen. Hun al te groote luidruchtigheid jaagt +den paarden een schrik op het lijf: ze gaan er van door en rennen +met den schilder voort. Het gaat langs den hun bekenden weg +huiswaarts; ze storen zich aan niets, hollen voort, bereiken de +Wittevrouwenpoort, sleuren den wagen over de Drentsche keien van +het Noordeinde en houden in voor de deuren van den gewenden stal. +Het stalpersoneel stormt naar buiten, helpt den schilder +uitstijgen, betast zijn leden, of er geen gebroken is, en toont +zich benieuwd om te vernemen, hoe hij dus, alleen op den Haagschen +wagen gezeten, de stad komt binnenrijden. Maar hij. Zonder veel +praatjes maakt hij zich weg en spoedt zich naar de Weddesteeg, die +het rijtuig gepasseerd was zonder hem af te zetten. Behouden en wel +brengt hij zijn honderd gulden thuis, en is gelukkig, dat hij op +Den Deijl zoo weinig verteringskosten heeft behoeven te maken. +<p class="c2">Het is waarschijnlijk, dat de groote m'nheer in Den +Haag, die zijn stuk honderd gulden waard achtte, niemand minder dan +Constantijn Huygens is geweest. +<p class="c2">Kort nadat Rembrandt zich in Amsterdam had gevestigd +en een grooten naam begon te krijgen, bracht Huygens hem bij den +stadhouder, prins Frederik Hendrik, ter sprake, wat hij gemakkelijk +kon doen, omdat hij, als diens geheim-secretaris, dagelijks met den +vorst verkeerde. +<p class="c2">Er volgde eene bestelling van eenige stukken, +misschien om er het stadhouderlijk paleis te Rijswijk mee te +versieren. De levering, en daarna de betaling, hebben nog al voeten +in de aarde gehad. Men is dit aan de weet gekomen uit eigenhandige +brieven van Rembrandt, die bewaard zijn gebleven in families, welke +van Huygens afstammen. Uit een van deze blijkt, dat hij zelf zeer +goed wist, een eerste-rangsschilder te zijn, dien men goed moest +betalen, maar tevens, dat hij bescheiden genoeg was, om waarde te +hechten aan het oordeel van Huygens of van den Prins. Zie hier: +<p class="c2"><i>Mijn Heer</i>! +<p class="c2">Soo ist dan dat ick met licensij u e dese 2 stucken +toesende die ick meen dat soodaenich sullen bevonden werden dat +sijn Hoocheijt nu selfs mij niet min als dusent guldens voor ider +toeleggen sal doch soo sijn Hoocheijt dunckt dat sijt niet en +meerijteeren sal naer sijn eijgen believen minder geeven mij +verlaetende op sijn Hoocheijts kennis en discreesij. Sals mij +danckbaerlick daer met laeten contenteeren ende blijvende neffens +mijne groetenisse sijnen +<p class="c2">D.W. ende geneegen dienaer +<p class="c2">REMBRANDT. +<p class="c2">Het tghene ick aen de lijsten en de kas verschooten +hebb is 44 guldens in alles. +<p class="c2">Behalve omtrent zijn karakter, leert dit schrijven +iets omtrent zijne ontwikkeling. Hij schreef een goeden brief, de +zinnen vloeiden hem gemakkelijk uit de pen, en hij spelde vrij +zuiver, te rekenen voor de zeventiende eeuw. Zijn schoolonderwijs +was niet verwaarloosd, al wijdde hij zich reeds vroeg aan de kunst. +Dat hij in den laatsten zin schreef: "daer <i>met</i> laeten +contenteeren" in plaats van "daar<i>mee</i>", kan men op rekening +stellen van zijn omgang met vrouwe Saskia van Uhlenburg, die dat in +Friesland zoo had geleerd. +<p class="c2">Uit zijne brieven aan Huygens moge ook deze nog +aangehaald worden, om grond te geven aan ons vermoeden, dat het hof +in Den Haag met de uitkeering der contanten nu niet juist zoo heel +vlug is geweest. +<p class="c6">Mijn Heer! +<p class="c2">Mijn E. Heer met schroomen ist dat ick u e met mijn +schrijvens kom besoucken ende dat doort seggen van den ontfanger +Wttenboogaert die ickt tardeeren van mijn betaeling klaechden hoe +dat den tresoorier Volbergen dat lochgent als dat daer jaerlicks +intresse getrocken werden soo heeft mij den ontfanger Wttenboogaert +nu voorleden woondach daer op geantwoort als dat Volbergen allen +halven jaer die selvij intressen heeft gelicht dat tot nu toe soo +dat daer nu wederom over 4000 K. gulden bij den selvij kantooren +verscheenen is ende bij desen waerachtijge geleegentheijt soo bidde +ick u mijn goet aerdijgen Heer dat mijn ordonnansij nu in den +eersten mocht klaergemaeckt werden opdat ick mijn wel verdiende +1244 guldens nu mocht eenmael ontfangen. Ende ick sal sulx aen ue +met reverensij dienst ende blijck van vrienschap altijd soucken te +rekumpenseeren met deesen ist dat ick mijn heer hartelick groete +ende wenssche dat ue Godt lanck in goeden gesondtheijt ter +saelicheijt spaeren werde. +<p class="c2">UEDw. ende geaffexcioneerde dienaer, +<p class="c2">REMBRANDT +<p class="c2">ick woon op de binnen-Emster in die suijkerbackerij +<p class="c2">Adresse: +<p class="c2"><i>Mijn Heer</i>! +<p class="c2">Mijn Heer van Suijlikum raet ende Secreetarijus van +Sijn Hoocheijt +<p class="c2">in den port Schraeven Haech. +<p class="c2">De indruk, dien men uit dit schrijven krijgt, is wel, +dat de beheerder van de stadhouderlijke penningen Rembrandt zonder +veel complimenten op zijn loon liet wachten. Al maakte de jonge +schilder opgang, toch zooveel nog niet, dat zijn naam voldoende was +om geld los te krijgen. Ook bracht hij het nooit zoo ver, dat +beroemde mannen uit onze geschiedenis zich door hem lieten +portretteeren. We mogen dit stellig betreuren. Wat zouden we uit +zijne handen een portret hebben gekregen van een Frederik Hendrik, +een Jan de Wit, een Michiel de Ruijter, een Constantijn Huygens. +Beter dan de bestaande levensbeschrijvingen zouden zulke +afbeeldingen ons hun karakter, hunne edele hoedanigheden hebben +bewaard. Maar dat heeft zoo niet mogen zijn! De groote mannen +hebben gemeend, zijne kunst niet noodig te hebben om hunne trekken +te vereeuwigen. De portretten, die hij gemaakt heeft, zijn alle van +tweede-rangspersonen. Toch kunnen we hieruit zijn meesterschap +voldoende leeren kennen. Als een mooi voorbeeld verdient dat van +den ontvanger Uytenbogaerd te worden vermeld, welks naam we vinden +in den zoo even aangehaalden brief. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="MEER_DAN_PORTRET"></a> +<h2 class="c4">MEER DAN PORTRET.</h2><span class="c5"><br></span> +<p class="c2">De heer Uytenbogaert zien we gezeten in zijne +werkkamer. Op de tafel liggen zakken met geld, en een boek, waarin +de hand gereed is, aanteekening te houden. Hij overhandigt den +bediende eenen zak, dien deze misschien in een geldvat moet +ledigen. De balans, om het goud af te wegen, hangt aan een +boekenplank boven de tafel; op den achtergrond wachten meerdere +bedienden op orders. +<p class="c2">Wat ons in den heer Ontvanger het meest treft, is de +blik, dien hij op zijnen dienaar werpt. Doordringend ziet hij hem +aan. Uit zijn oog lezen we de gewetensvraag: kan ik je dit +toevertrouwen? En dat oog blijft streng en onderzoekend op hem +rusten. Rembrandt slaat hier den spijker met den eersten slag op +den kop; hij tast de zaak aan in 't hart. Immers de beste +eigenschap van eenen beheerder van 's lands penningen, is, dat hij +tegen alle bedrog op zijn hoede is. Zoo één steeds +waakzaam moet zijn, dan hij! Kan men een man als Uytenbogaerd dus +treffender in beeld brengen, dan door deze eigenschap voorop te +stellen? Hij mag een goed man, een vriendelijk man, een eerlijk man +geweest zijn, het beste wat men van hem kan zeggen, is: hij was een +man op de juiste plaats. En dit allereerst zegt zijn portret. +<p class="c2">Het gezicht is niet bepaald schoon te noemen. De +wangen hebben eene onaangename breedheid, sommige gelaatsspieren +leggen er onbevallige vormen in; de neus is van een scheef, +ingedeukt model. Maar zooals dit moest wezen, zoo is het ook +uitgebeeld. We behoeven niet in onzekerheid te vragen, hoe +eigenlijk de vorm was. +<p class="c2">De borst is breed en vierkant in de kleeren gestoken. +Kloek en zwaar hangt de pelsmantel er om: het schijnt een +"kantoorjasje" te zijn. Maar wat voor een! Het zachte, glanzige +haar zit er duimen dik op; men zou er gaarne de hand over willen +strijken, om de molligheid te voelen. Wat een rijkdom van pluisjes +en bundeltjes haren zien we op den breeden zoom; telkens weer +liggen ze in andere richting op en tegen elkaar. Zwaar en dik is de +stof, waar we, in het verkort, tegen de wijde linker mouw aan zien. +Daarentegen is het onderkleed, dat bij den hals zichtbaar is, van +fijn en kostbaar weefsel, waarschijnlijk in regelmatige preciese +plooitjes gevouwen en gestreken. +<p><img alt="" border="0" src="images/betaalmeester.png" width="510" +height="629"> +<p class="c2">[De Betaalmeester.] +<p class="c2">Het is een zeer aparte kunst, om met dichte +arceeringen de stof uit te drukken. Let eens op den achtergrond. De +wand, waartegen de schilderij hangt, is volgekrabbeld, tot het een +beschaduwde, grijze, gepleisterde muur was; het gedeelte aan den +rechterkant, voorbij een soort van poortje, is met hout betimmerd, +wat duidelijk van den gepleisterden muur te onderscheiden is. Het +afhangende deel van het tafelkleed, ofschoon van de zelfde +grijsheid, draagt daarentegen weer duidelijk de kenmerken, dat het +geweven stof is. +<p class="c2">Ander mooi werk zien we in de voorwerpen, die op den +voorgrond staan. Ze duiken op met hunne verlichte bovenkanten uit +eene zachte, donkere kamerschaduw. Zooals wij in een donker hoekje +alleen met onzekerheid de dingen waarnemen, zoo zien we op den +voorkant van de groote kist het nauwelijks afgebeelde, zware +ijzerbeslag; hier en daar blinkt de kop van eenen spijker; langs +den rand rechts glimt wat licht, dat misschien door een ander +meubelstuk is teruggekaatst. Zware scharnieren teekenen zich met +kleine, zwakke glimlichtjes af langs den bovenrand. Op het deksel, +dat zeer versmald geteekend is, zitten drie ijzeren banden, die op +de juiste manier naar elkaar toeloopen; door hunne wijking krijgt +het deksel voor ons oog zijne breedte. Een mooi stuk teekenwerk, +zoo'n kist, waarin we de hardheid voelen van het ijzerbeslag. +<p class="c2">Uit al deze onderdeelen blijkt de mogelijkheid, om, +met arceering alleen, stof en maaksel van de voorwerpen uit te +beelden. +<p class="c2">Om nu tot de figuur van den ontvanger terug te +keeren, de breedheid en de vierkantheid doen ons vertrouwen stellen +in het karakter. De openliggende mantel, met daaronder de fiere +borst, wekken het vermoeden van openheid en eerlijkheid. De +rechterhand is eene uitdrukking van nauwlettendheid en +zorgvuldigheid; ze ligt steeds gereed om in het boek van alle +gedane uitgaven aanteekening te houden. Aardig is het om te zien, +met hoeveel schrijversfijnheid de duim en de vinger het pennetje +vasthouden. +<p class="c2">In gelaat, in blik, in houding en lichaamsbouw, in +actie en handgebaar zien we eene aanduiding van de eigenschappen, +die Uytenbogaerd maken tot een voortreffelijk ambtenaar. Hij is een +model betaalmeester; door een man als hem worden 's lands middelen +naar den eisch beheerd. Zijn portret is maar niet slechtweg een +portret, waarbij men vraagt, of het goed gelijkt; het is een +zinnebeeld geworden, een lofspraak op den man in zijn vak. En meer +nog: een lofspraak op de regeering uit die dagen. Met welk eene +vaste hand moet deze de teugels hebben gevoerd, als ze bestond uit +mannen, gelijk we er hier een voor ons zien. De kracht van het +jonge Holland spreekt uit zoo'n portret, de kracht van eene +regeering, die nog bezig is (1639) zich vrij te vechten van de +Spaansche overheerschers. +<p class="c2">Historische waarde krijgt het vooral, als we niet +alleen op den hoofdpersoon, maar ook op den bediende letten. +<p class="c2">Met welk een respect neemt deze den geldzak aan, die +hem overhandigd wordt! De blik, welken hij met den ontvanger +wisselt, wekt de veronderstelling, dat hij plichtmatig moet toonen, +zijnen meester in de oogen te durven zien en dus geene slechte +voornemens te koesteren. Een en al onderdanigheid is hij! Bijna +slaafschheid. Het doet ons vreemd aan, dat in een vrijgevochten +land, als het onze, alleen de hoogere klassen des volks zich mensch +en onafhankelijk voelden, dat in een Republiek de ondergeschikten +de knie bogen voor den werkgever. Is het niet, alsof we nog waren +in de dagen der Spaansche overheersching? Toch draagt de prent de +dagteekening 1639, en het leek in dat jaar in het Kanaal voor Duins +weinig naar eene zoodanige heerschappij. +<p class="c2">Maar de Regenten lieten niet met zich spotten: ze +hadden er den wind onder. Het is deze verhouding tusschen heer en +dienaar, die Rembrandts plaat voor ons bewaard heeft; in enkele +lijnen worden hier boekdeelen gezegd. +<p class="c2">Niet slechts het portret van een persoon, maar een +tooneel uit het leven zien we, hetwelk ons doet zeggen: zoo ging +het toe; zoo leefden de standen met elkaar in de Republiek. +<p class="c2">Het portret is een sprookje geworden. We lezen van +een groot heer, die een kostbaar kleinood toevertrouwt aan eenen +braven dienaar. Doch het is een sprookje van het soort, waar meer +achter gezocht moet worden. Het gunt ons een blik op de samenleving +onzer zeventiendeeuwsche voorvaderen. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="GEETSTE_PRENTEN"></a> +<h2 class="c4">GEËTSTE PRENTEN.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">De prent, die Uytenbogaerd voorstelt, is eene ets. +Wat is dat, eene ets? +<p class="c2">Gebruikt de schilder eenen lap linnen of een houten +paneel, en brengt hij daar met behulp van penseelen olieverf op, +dan spreekt men van eene schilderij. Werkt hij met kool, krijt, +potlood, inkt of waterverf op papier, dan ontstaat eene teekening. +Van beide maakt hij natuurlijk niet meer dan één +exemplaar. Schildert of teekent iemand dit na, dan heet dat eene +copie. Voor boeken en geschriften laat men den photograaf en den +plaatdrukker reproducties maken. +<p class="c2">Maar nu eene ets. +<p class="c2">De teekenaar neemt een plaatje roodkoper. Dit moet +volkomen vlak en effen zijn, en wordt daarom tegenwoordig langs +galvanischen weg vervaardigd. Op het plaatje brengt hij eene dunne +laag was aan; door het aan den onderkant te verwarmen, wordt de was +vloeibaar en dus geschikt, om zoodanig verspreid te worden, dat het +korstje na het stollen overal eene gelijkmatige dikte heeft. +<p class="c2">Eene fijne naald is het teekengereedschap. De punt +zet de lijnen niet op, maar in de was; ze kan zich door de zachte +massa heel gemakkelijk bewegen, en dit vergunt den teekenaar dus, +om los en zwierig te werken, zwieriger, dan wanneer hij met een mes +zijn beeld in palmhout snijdt, om eene houtsneeprent te maken. +<p class="c2">Wat er nu in de was staat, kan hij niet met inkt +aansmeren, om op papier af te drukken. Daarvoor is alles te zacht. +Hij brengt rondom de koperplaat een opstaand lijstje aan, en giet +er vitriool over uit. Deze vloeistof laat de was onaangetast; maar +waar ze koper vindt, bijt ze dit uit. Dus in de smalle voren, die +de naald in het bedekkende laagje heeft getrokken. Na eenigen tijd +wordt de vitriool afgegoten, de koperplaat door verwarming ontdaan +van de was, en alsnu vertoont ze de figuur, door den teekenaar in +de zachte stof ontworpen, doch thans in het harde metaal +onvergankelijk ingevreten. +<p class="c2">Met behulp van eene inktrol bedekt hij haar met inkt, +wrijft haar met een lap weer schoon, maar draagt zorg, den inkt +niet te verwijderen, die in de diepte van de lijnen zit. Deze zal, +bij het afdrukken op een blad papier, de teekening te zien geven, +juist even los en zwierig, als ze in de was geteekend is, maar in +spiegeld beeld. Want door het afdrukken wordt de voorstelling +omgekeerd. +<p class="c2">Van eene ets worden door den teekenaar een groot +aantal exemplaren vervaardigd. Daar ze voor den handel bestemd +zijn, en de liefhebbers ze gelijkstellen met oorspronkelijke +teekeningen, kunnen ze eene ruime bron van inkomsten zijn. Er is er +een afkomstig van Rembrandt, die "honderguldenblad" heet, omdat +elke afdruk den prijs van honderd gulden opbracht! +<p class="c2">De geëtste koperplaat blijft voor latere +afdrukken bewaard. Het komt meermalen voor, dat de etser na eenigen +tijd met zijn werk niet meer tevreden is. Hij tracht dan in de +plaat wijzigingen aan te brengen. Er heeft zeker geen kunstenaar +bestaan, die hiervan zoo de geheimen kende, als Rembrandt. +<p class="c2">De veranderingen, aangebracht in het portret van een +vriend, den schilder Jan Asselijn, hebben aanleiding gegeven tot +eene vermakelijke vergissing. +<p class="c2">In de verschillende musea en kunstverzamelingen +bevinden zich twee soorten van afdrukken van dit portret; ook in de +achttiende eeuw verhandelde men reeds exemplaren van Asselijn +<i>met</i> den ezel en exemplaren van Asselijn <i>zonder</i> den +ezel. Op dezen staat de schilder afgebeeld naast een tafeltje met +boeken, op genen wordt de achtergrond gevormd door een houten +schildersezel, waar een paneel of een doek op staat, dat arbeid van +den kunstbeoefenaar moet voorstellen. +<p class="c2">Er werd in de achttiende eeuw druk in deze en +dergelijke etsen gehandeld. Liefhebbers waren niet tevreden, als ze +een Asselijn bezaten; ze moesten er een exemplaar "Asselijn met den +ezel" bij hebben; soms liepen ze alle kunsthandelaren af, om een te +krijgen. +<p><img alt="" border="0" src="images/asselijnmet.png" width="304" height= +"329"> +<p class="c2">[Asselijn met den ezel.] +<p><img alt="" border="0" src="images/asselijnzonder.png" width="341" +height="315"> +<p class="c2">[Asselijn zonder den ezel.] +<p class="c2">Een Duitsch prentenkoopman had al meermalen vraag +gehad naar een "Asselijn met den ezel", en tot zijn verdriet steeds +neen moeten verkoopen. Hij was op en top man van zaken, en als het +moest, stond hij voor niets! Hij bracht een "Asselijn zonder den +ezel" bij een behoeftig kopersnijder en verzocht dien, om in alle +stilte eene etsplaat te maken naar het beeld van den Hollandschen +schilder, maar in gezelschap van eenen ezel. Daar geen van beiden +ooit een exemplaar van het veel gevraagde soort had gezien, +veronderstelden ze, dat met den ezel een gelangoorde viervoeter +werd bedoeld. De zaak kwam gereed. De kunstkooper bezat thans de +twee soorten. En toen er weldra een Engelschman bij hem aanklopte +om een "Asselijn met den ezel", drukte hij dezen voor goed geld den +zonderlingen ezelhoeder in de hand. Natuurlijk kwam zijn bedrog +spoedig uit, en heeft hij niet veel exemplaren kunnen slijten. Toch +zou men thans bij onze overzeesche buren weer goed geld willen +geven om er een te bezitten, niet omdat het <i>geen</i> "Rembrand" +is, maar ter wille van de merkwaardigbeid. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="VROUWTJE_BAS_VAN_T_RIJKSMUSEUM"></a> +<h2 class="c4">VROUWTJE BAS VAN 'T RIJKSMUSEUM.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">Hier hebben we het portret van Elisabeth Jacobs Bas, +weduwe van admiraal Swartenhont. Het heeft geene andere bedoeling +dan de beeltenis te geven. Eene omgeving, waarin we beroep, ambt of +bezigheden terugvinden, ontbreekt; de achtergrond is donker. De +dame is zonder een of anderen schijn aan te nemen zoo maar voor den +schilder gaan zitten, om zich te geven zooals ze is. Er spreekt uit +de houding groote eerlijkheid, openhartigheid, die niets heeft te +verbergen, die geen behoefte heeft om manieren aan te nemen. +Natuurlijkweg heeft ze de handen rustig over elkaar gelegd. Over +elkaar gelegde handen ziet men dikwijls op een portret, dat is dus +hier het eigenaardige niet. Maar men moet, door er lang en rustig +op te zien, trachten te erkennen, hoe gemakkelijk en ongedwongen +deze handen op den schoot rusten. Niet alleen dat ze er op +<i>liggen</i>, dit zegt nog niets, maar ze worden er door +<i>gedragen</i>. Met de elleboogen is het net zoo; die vinden +steun, die rusten op de leuning van den stoel. Het sterkst voelen +we dit wel in de linkerhand, die over de rechter is gelegd. Let ook +eens op, hoe de onderste achteloos den zakdoek vasthoudt, en hoe de +bovenste in een gemakkelijken greep over de andere heen ligt. En +hoe dit overeenstemt met de houding van het bovenlijf; ook dit +leunt in gemakkelijken stand tegen den rug van den stoel; het helt +net genoeg achterover om dit voelbaar te maken. Alles draagt er toe +bij om den indruk van rustigheid, kalmte, bedaarde statigheid bij +ons te wekken. In een deftig vertrek door zoo'n dame ontvangen te +worden, die in deze houding een verzoek aanhoort, doet weldadig aan +en zet ons onmiddellijk op ons gemak. Het geeft de gewaarwording, +dat ze in haar dagelijksche doen veelvuldig menschen heeft moeten +ontvangen en heeft moeten aanhooren. Het rustige liggen der handen +duidt eerder zulk een werkkring aan, dan beslommering van +handenarbeid. En de gelaatsuitdrukking bevestigt die opvatting. Ook +hierin dat rustige, onverstoorbare. Om den mond geen lach en geen +trek van norschheid, geen zwakheid en geen hardheid van karakter, +maar juist genoeg zachtheid om niet af te schrikken. +<p><img alt="" border="0" src="images/vrouwtjebas.png" width="506" height= +"654"> +<p class="c2">[Vrouwtje Bas.] +<p class="c2">Elisabeth Bas komt reeds op leeftijd: de mond begint +in te vallen, wel niet veel, maar genoeg om de kin iets vooruit te +doen springen. De diepe plooien, van de neusvleugels af naar +beneden, duiden het ook aan. De vleezigheid van de wangen doet in +die plooien weer kleinere ontstaan. Als vrouwen zestig jaar zijn, +begint dat langzamerhand te komen. Bij dezen leeftijd behoort de +blozende gelaatskleur, en behooren verder de twee uitgezakte +rondingen links en rechts van de kin, de vierkante vorm van het +gezicht, de golvende lijn, die den omtrek van de rechterwang +aanduidt en het hooge voorhoofd. Deze ouderdomskenmerken voegen +zich heel gemakkelijk bijeen. Van geen enkel krijgen we het idee, +dat het in dit gezicht niet past. Als de schilder er ook maar +één overdreven had voorgesteld, zouden we dat +terstond als eene fout hebben opgemerkt. De plooien aan de +mondhoeken zijn in een of ander gezicht soms wel dieper, de kin +vooruitstekender, de mond meer ingevallen, maar in dit portret gaat +alles tot zoo'n graad, dat er volmaakte eenheid blijft bestaan. +Geen enkele eigenschap springt uit den band. Alles is om zoo te +zeggen op een goudschaaltje afgewogen. +<p class="c2">Wel moet de schilder het model dus door en door +hebben begrepen, als hij in zijn hand en in zijn penseel voelde, +hoe diep hij een plooitje moest zetten, om bij al het overige te +passen. Waar een groefje van den rechtermondhoek schuin naar +beneden zakte, vond hij in de omtrekslijn van de wang een bochtje, +dat daaraan beantwoordde. En hij zette het een niet, zonder het +ander in 't oog te houden. +<p class="c2">Neus en oogen zijn volmaakt in overeenstemming met de +rest. Op den leeftijd van juffrouw Bas is de rug van den neus niet +meer smal en kantig, maar breed en naar beide zijden rond +afloopend. Alleen de punt en de vleugels zijn nog scherp geteekend. +Onder de oogen vormen zich zware plooien; ook zakt er een van de +wenkbrauwen schuin naar den buitenhoek van het oog. Hieronder komt +het vleezige bovenste ooglid te voorschijn. +<p class="c2">Deze bijzonderheden hebben alle denzelfden leeftijd; +de eene toont niet ouder dan de andere. Nergens een trekje dat te +donker, te licht, te diep of te oppervlakkig, te ouwelijk of te +jeugdig is. Al deze geschilderde zaken zitten rustig bij elkaar, +zonder dat het een het ander overschreeuwt. +<p class="c2">Rustig kijkt het gezicht ook uit de oogen. De blik +heeft wat bijzonders, zooals we dat bij sommige menschen wel +opmerken: hij houdt het midden tusschen glimlach en ernst. We +weifelen tusschen deze twee. En om den mond speelt een trekje, dat +ons ook in het onzekere laat. Niet doordat Rembrandt onvast +schilderde, maar het gelaat zelf droeg een plooi van gemengde +aandoeningen. +<p class="c2">De hoofdindruk is die van ernst en wijsheid en van +vertrouwen, dat ze inboezemt. De wijsheid is het inzicht van een +persoon, die in haar leven veel heeft moeten regeeren en leiden, +die veel aan beraadslagingen deelgenomen heeft; men ziet haar de +eigenschappen aan, om weeshuizen te besturen, om oneenigheden +tusschen regenten te beslechten, om beide partijen aan te hooren, +een ieder aan te moedigen om te zeggen, wat op het hart ligt, maar +daarna wekt zij ook de verwachting, dat met gestrengheid uitspraak +zal worden gedaan, gestrengheid echter, die vrij van +hardvochtigheid is. We zien dit gelaat gaarne voor ons, niet zooals +we misschien behagen vinden in lieve engelenkopjes, maar omdat we +Elisabeth Jacobs Bas eene lieve vrouw vinden. Wel ook eene +verstandige, maar vooral eene lieve vrouw. +<p class="c2">Terwijl Rembrandt op het gelaat, dat voor hem zat, +deze roerselen van karaktergeheimnissen las, wist hij er zich +bovendien zoo juist rekenschap van te geven, dat zijn penseel ze in +lijn en kleur kon vastleggen. Hij was menschenkenner zoowel als +kunstenaar. Houdingen, vormen, gebaren en trekken nam hij +nauwkeurig waar. Maar de menschelijke natuur, die daarachter +schuilt, niet minder. Zooals iemand in een stoel gaat zitten en de +handen over elkaar legt, zoo is ook zijn levenstaak en zijn +karakter; dat had de omgang met menschen hem geleerd. Met wat een +aandacht moet hij de personen uit zijne omgeving hebben bestudeerd! +Wij, die in een tijd van veel drukker verkeer leven, als wij in +eenen spoortrein zitten, en iemand komt de coupé binnen, +kunnen wij maar amper aan zijn manier van plaats nemen zien, of hij +veel heeft gereisd dan of reizen iets ongewoons voor hem is. En wat +is dit aan de oppervlakte, vergeleken bij de karakterhoedanigheden, +welke Rembrandt zag in de personen, die tegenover hem gingen +zitten. Hoe veel en hoe ernstig moet hij zich met menschen hebben +beziggehouden, om hun innerlijk leven zoo op het uiterlijk af te +lezen. +<p class="c2">En toch heeft men willen beweren, dat hij in +zichzelven gekeerd, teruggetrokken, bijna eenzelvig leefde, geen +menschen zag, geen omgang had en weinig van menschen hield. Dit +ééne portret bewijst voor het tegendeel genoeg. Wie +dit kan maken, kent den mensch, bestudeert hem, zoekt hem en voelt +zich tot hem aangetrokken. +<p class="c2">Als we nu nog even de aandacht aan de kleederdracht +dier dagen schenken, merken we op, met hoeveel welgevallen de +schilder den in 't oog loopenden plooikraag zag. Om eens eene +ongepaste vergelijking te maken: het is, alsof het hoofd, waarin al +die wonderlijke zaken van gemoed en karakter worden opgemerkt, aan +den beschouwer wordt gepresenteerd op een schotel van blanke +reinheid. In zuiveren, afgeronden vorm teekent het zich daartegen +af. Linten, strikken, koralen of andere sieraden misleiden de +aandacht niet. Zelfs geen haardos. Een linnen kapje of mutsje +voltooit de witte omlijsting, waarin het gelaat ons alles kan +zeggen, wat het te zeggen heeft. +<p class="c2">Wat is die kraag er mooi opgezet! Luchtig en +kraakfijn staat de kant in de plooien. Overal van die bijna +doorschijnende schaduwtinten, zooals men ze ook ziet op +verschgevallen luchtige sneeuw. Hoe zuiver loopt de ronde lijn over +de borst en de schouders achter om het hoofd heen; nog net even +kunnen we voelen, dat de kraag aan de achterzij iets uit het platte +vlak doorgezakt is. +<p class="c2">Men ziet, het zijn niet alleen de raadselen van een +menschelijk gemoed, waarnaar Rembrandt zocht, ook het eenvoudigste +ding keek hij aan en weer aan, tot hij kon zeggen: zoo doet het +zich aan mijn oog voor. Hij tastte zijn model eerst in het hart aan +en gaf uitdrukking aan het persoonlijk karakter; maar dan had hij +ook aandacht voor de bijzaken en schepte er behagen in, eenen kraag +in de plooi of een weduwenkapje in de stijfsel te zetten. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="KUNST_VAN_GROEPEEREN"></a> +<h2 class="c4">KUNST VAN GROEPEEREN.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">Weinige van Rembrandts werken hebben onder het groote +publiek zoo'n bekendheid gekregen, als het Korporaalschap van Frans +Banning Kok. Het bevindt zich in het Rijksmuseum te Amsterdam en +dagteekent uit het jaar 1642. +<p class="c2">De beschouwer voelt zijn blik het eerst getrokken +door twee personen op den voorgrond. Het zijn Frans Banning Kok en +Willem van Ruitenberg. +<p class="c2">Op andere portretten wordt men nu eens het eerst door +dit, dan weer door dat gezicht geboeid; de een begint zijne +beschouwing met dezen, de ander met genen kop; de massa gezichten +is gewoonlijk verwarrend, met het gevolg, dat het weinig kan +schelen, waarheen men den eersten blik wendt. +<p class="c2">Maar op dit portretstuk richt iedereen dien altijd +naar het zelfde tweetal. +<p class="c2">Dit feit is niet van geringe beteekenis, al klinkt +het eenvoudig. De schilderij krioelt, om zoo te zeggen, van +menschen; en bij dergelijke stukken wil het wel eens zoo wezen, dat +niet ieder een vast uitgangspunt vindt. Vergelijk bijvoorbeeld de +intocht der Kruisvaarders in Jerusalem (van Piloty) er maar eens +bij. De blik dwaalt onrustig heen en weer, is nu eens bij het +groepje, dat een kruis met palmen torst, dan bij den ridder, die +het kleine tegenstribbelende kindje op den arm draagt, of bij den +rijkaard, die sieraden in het kleed van een bedelaar werpt. +<p><img alt="" border="0" src="images/nachtwacht.png" width="602" height= +"499"> +<p class="c2">[De Nachtwacht.] +<p class="c2">Het wordt den beschouwer niet duidelijk, +wààrop hij in hoofdzaak zijne aandacht moet vestigen; +er zijn tal van groepen, die hij geneigd is, mooi te vinden, maar +ze houden met elkaar geen verband; er is geen zwaartepunt in het +stuk; men blijft onzeker omtrent de bedoeling. Toch moet bij Piloty +eene bedoeling hebben bestaan; het zal bijvoorbeeld deze geweest +zijn: te laten zien, hoe vroom en deemoedig een paar groote vorsten +geknield de stad binnenkropen en de heilige plaats naderden. Maar +men merkt niet, dat daar alles om draait; de bijzaken verwarren +ons. +<p class="c2">Zoo heel eenvoudig is het dus niet, om de aandacht te +vestigen op de hoofdzaak. Merken we dit ook niet dikwijls op bij +schrijvers, als ze zich neerzetten, om uitspanningslectuur te +schrijven? Ze meenen wel, dat ze ons iets aardigs hebben te +vertellen, maar het raakt zoek in den grooten omslag van het +geheel; we halen het er niet uit onder het lezen. Als we het boek +uit hebben, weten we nog niet, waarom de schrijver het geschreven +heeft. +<p class="c2">Laten we dus beginnen met omtrent het Korporaalschap +te verklaren, dat het al vast deze goede eigenschap heeft: ieder +beschouwer kan steeds in dezelfde twee personen de hoofdzaak +aanwijzen, op welke Rembrandt de aandacht wilde vestigen. +<p class="c2">Waarom heeft hij dit gewild? Waartoe dient het, dat +we allen het eerst aan Banning Kok en Ruitenberg onze aandacht +schenken? +<p class="c2">Toch zeker niet om ons te laten zien, hoe fraai hunne +kleeding, hoe druk hun gesprek, hoe vriendschappelijk hun omgang +is; of hoe 'n mooie hand Banning Kok heeft, hoe aardig de zon +daarop schijnt en de schaduw over het kleed van Ruitenberg doet +vallen. Dit zijn zaken van ondergeschikt belang; ze hebben voor de +uitbeelding van een vendel schutters niet zooveel beteekenis, dat +daarvoor de aandacht het eerst op de beide genoemde figuren moest +worden gevestigd. +<p class="c2">Dit heeft eene andere bedoeling, en we zullen die +vrij zeker opmerken, wanneer we, met een stukje papier of met een +paar vingers, den kapitein en zijnen luitenant bedekken en aan +onzen blik onttrekken. +<p class="c2">De overblijvende figuren staan nu stil. Besluiteloos +staan ze op een hoop bij elkaar. Het vendel komt niet meer van +zijne plaats; het wacht. De gang, die er in zat, is er uit. Wel +zijn er nog eenige figuren in gaande beweging uitgebeeld, maar het +geheel maakt den indruk van talmend en treuzelend halt houden. +<p><img alt="" border="0" src="images/intochtinjeruzalem.png" width="616" +height="435"> +<p class="c2">[Intocht in Jeruzalem (van Piloty).] +<p class="c2">Zoodra we de bedekking wegnemen, komt het heele +vendel weer vooruit. De schilderij geeft niet een groep schutters, +in schilderachtige wanorde bijeengeplaatst, ze geeft het uitrukken. +Het vendel rukt uit. En het zijn de twee officieren, die er actie +aan geven. Door hun bewegen wordt alles in beweging gezet. Hun gaan +geeft gang aan de heele compagnie. +<p class="c2">Was er dus ook reden voor Rembrandt, om voor deze +twee figuren de hoofdaandacht te vragen? In hen bracht hij alle +actie bijeen, die voor het heele vendel noodig was, en spaarde ons +de vervelende vertooning van eene gansche verzameling gaande beenen +en gaande voeten. +<p class="c2">Hebben we nu niet meteen het antwoord op de vraag, +waarom Banning Kok en Ruitenberg ten voeten uit zijn afgebeeld, en +waarom ze ook, ten voeten uit, in het licht zijn gezet? Het kwam op +hunne beenen juist aan! Ze moesten aan 't loopen voor eene heele +compagnie! +<p class="c2">Laten we de beweging van dit gaan eens aandachtig +beschouwen, en ons daartoe voor den geest halen, wat we opmerken +aan menschen, die langs den weg loopen. Dit bepaalt zich volstrekt +niet tot het regelmatig en afwisselend verplaatsen van de beenen. +Eerstens komt daar gewoonlijk bij het heen en weer gaan van de +armen, wat toevallig bij de beschouwing van onze twee figuren van +geen belang is, omdat ze geen van beiden de armen los laten hangen. +Tweedens: in het geheele lichaam eene beweging, waarop we hier wel +de aandacht moeten vestigen. Bij elken pas gaat namelijk het lijf +en daarmee het hoofd op en neer; het rijst en daalt. Bijzonder +duidelijk nemen we dit waar, als een troepje menschen zich met +elkaar voortbeweegt zonder in den pas te marcheeren; al de hoofden +en hoofddeksels dobberen dan op en neer, als door eene deinende +golfbeweging. Duidelijk is dit vooral, als ze achter een niet te +hooge haag aan ons oog voorbij trekken. +<p class="c2">En zie, het is dit op en neer deinen van de +bovenlichamen, wat we in Banning Kok en Ruitenberg beginnen te +voelen, als we ons de moeite geven, eenigen tijd aandachtig hun +gaan aan te kijken. De tweede schijnt juist het oogenblik door te +maken, dat hij omhoog veert, terwijl de eerste dit net weer achter +den rug heeft. Eene schilderij kan wel is waar geen werkelijk +bewegen te zien geven, maar toch kan de schilder uit de kleine +veranderingen, die tezamen de actie uitmaken, eene zoodanige keuze +doen, dat wij den indruk krijgen, alsof het beeld de beweging zelf +te zien geeft. Dit gelukt hem alleen, als hij eene nauwgezette +studie van de zaak maakt, en als hij van nature bedeeld is met het +juiste gevoel voor actie, voor veerkracht en voor evenwicht. Hij +moet zich, al werkende, levendig voor den geest kunnen stellen, hoe +hij eene menschelijke gedaante langs den weg heeft zien gaan, hoe +elk lichaamsdeel op eigenaardige wijze aandeel kreeg in de beweging +van het gaan, hoe een hoofd zich telkens even omhoog richt bij het +verplaatsen der lichaamszwaarte van het eene op het andere been. +Naar een model, dat in zijn atelier de verlangde houding en stand +aanneemt, kan hij niet werken, als hij zoo iets wil weergeven. Het +verkeert in rust, en om de rust is het hem juist niet te doen. Voor +eene figuur als van Ruitenberg zou een model hoogstens de plaatsing +van de voeten en de buiging van de beenen te zien kunnen geven. +Maar niet het omhoog veeren, het opbeuren, dat ons in het +bovenlijf, in den hals en het hoofd zoo treft. Hoe langer men er op +ziet, hoe minder men zich aan dien indruk kan onttrekken. En +tegelijk beginnen we op prijs te stellen, dat de schilder zijn +volle licht en zijne lichtgele kleedingstoffen spaarde voor deze +figuur; zij springt daardoor des te beter in 't oog. +<p class="c2">Er is naar aanleiding van dit onderwerp nog eene +opmerking te maken: de twee vrienden loopen namelijk niet gelijk. +<p class="c2">Reeds trok het onze aandacht, dat ze niet in +denzelfden pas marscheeren. Terwijl Banning Kok zijn rechterbeen +juist naar voren gebracht heeft, en hij zijne lichaamszwaarte bezig +is op dat been over te brengen, is het rechterbeen van Van +Ruitenberg reeds gestrekt, het ondersteunt diens zwaartepunt en +geeft aan het linkerbeen gelegenheid om naar voren te komen; de +voet rust dan ook nog slechts met de punt van den teen op den +grond. +<p class="c2">Maar behalve het verschil in tijdmaat, is er een +wezenlijk onderscheid in de manier van loopen. Men zou elk van hun +tweeën er aan kunnen herkennen, zooals we trouwens onze +kennissen dikwijls herkennen aan hunnen gang. +<p class="c2">Ruitenberg maakt groote passen, bijna te groot voor +iemand van zijne lengte. Hij komt met eene zekere drift opzetten. +Zijne nadering heeft min of meer een dreigend aanzien. Het +linkerbeen, dat zich thans nog achter bevindt, wil zich gestrekt en +op eene vinnige, kordate manier naar voren bewegen. +<p class="c2">Als ons oog van dit driftige, besliste mannetje naar +den grooten, vierkanten Banning overgaat, doet diens voetstap ons +weldadig aan. Rustig en goedsmoeds schrijdt hij voort. Wel ook met +meer dan gewoon burgelijke snelheid, even goed als zijn buurman, +maar zijn gang is niet nijdig, niet gestrekt, niet als de gang van +den gymnast, die zijne leden aan korte, besliste bewegingen went. +<p><img alt="" border="0" src="images/groepuitdenachtwacht.png" width= +"577" height="690"> +<p class="c2">[Groep uit de "Nachtwacht".] +<p class="c2">Zooals hij daar aan komt stappen, heeft hij eerder +iets vertrouwelijks over zich dan de kleine Kuitenberg. +<p class="c2">Dit onderscheid in beider gang is door den schilder +aan de twee levende personen nauwkeurig ontleend. Want het behoeft +onze aandacht niet te ontgaan, dat hetzelfde verschil ook spreekt +uit beider lichaamsbouw en vooral uit beider gelaatstrekken. De een +ziet met een vol, breed gezicht de wereld in, uit een paar wijd +geopende en vrijmoedig opziende oogen. De andere heeft in zijne +magere trekken niet dat aantrekkelijke; hij mag wat scherpzinniger +wezen, scherper is hij ook, en hij ziet min of meer sluw onder den +hoed uit, die hem in de oogen zit, terwijl Kok dat kleedingstuk +achter op het hoofd staat. Ieder mensch draagt zijnen hoed, zooals +zijn karakter is. +<p class="c2">De gang is dus in overeenstemming met grootte, met +breedte, met gelaatsuitdrukking, vermoedelijk ook met karakter. Dit +verleent aan de twee naast elkaar loopende figuren het echte leven; +de een is een geheel ander mensch als de ander. Aan beider +eigenaardigheden heeft de schilder recht gedaan, terwijl hij +bovendien de actie van hun gaan wist te gebruiken, om aan de heele +groep van personen de bewegelijkheid te geven van een troepje +uitrukkende schutters. +<p class="c2">Want, om den hoofdindruk van onze schilderij niet uit +het oog te verliezen,-dit uitrukken is eigenlijk <i>het</i> +onderwerp, dat de schilder behandelen wilde. We behoeven niet lang +te raden, waarom hem dit aantrok. Sinds overoude tijden is het +uittrekken van de gewapende macht een soort volksfeest, dat toen +zoowel als nu zich mocht verheugen in de belangstelling van het +publiek. Wie zal ook ontkennen dat het een levendig, een aardig +tooneeltje is, zoo door de straten den bonten stoet te zien +voortmarscheeren, muziek of trommelslag voorop, vaandels boven de +hoofden vliegend, wapens blinkend en kletterend, het geheel door +straatjeugd omstoeid, door volwassenen met welgevallen +gadegeslagen. +<p class="c2">Het lag voor de hand, dat zoo'n tooneeltje hem +geschikt voorkwam, om daarin de bestelde portretten tot een geheel +te vereenigen. +<p class="c2">Het tweetal, dat aan het hoofd van den stoet +marscheert, en dat zijne beweging aan de gansche schaar weet mee te +deelen, heeft nu intusschen nog eene andere taak te vervullen. In +hen moet ook blijken, wie het zijn die hier uitrukken. +<p class="c2">Al dadelijk zien we in gestalte, houding en fieren, +vasten gang iets, dat ons zou bevreemden, als we het opmerkten in +twee burgerluitjes, die samen een straatje omwandelden. Wanneer we +twee deftige heerschappen met zooveel tred, zooveel levendigheid en +met zoo'n druk handbeweeg door onze straten zagen passeeren, zouden +we zeker meenen dat een ernstig ongeluk was gebeurd, en zij er op +uitgingen om hulp van politiemacht in te roepen. Hier is iets +uitgedrukt, dat strijdt met het gewoon burgerlijke; en dit was +juist noodig om van de figuren militairen te maken. Ze hebben het +krijgshaftige gekregen, om te zijn, wat ze moesten wezen: +schutters; en wel schutters, aan wie de verdediging der stad zou +kunnen worden opgedragen in tijden van oorlog. +<p class="c2">Voor het gansche vendel zijn de officieren met +militaire eigenschappen toegerust. +<p class="c2">Toch zijn ook weer zij het, die in het militaire het +burgerlijke mengen. Het stuk mocht niet ontaarden in de +voorstelling van eene krijgshaftige groep veteranen uit het +beroepsleger van stadhouder Frederik Hendrik. +<p class="c2">Dit zou gebeurd zijn, als de aandacht meer en in +hoofdzaak ware gevestigd geworden op het echte krijgsmansuiterlijk +van den man, die onder het gaan zijn geweer laadt, links van +Banning Kok, of op de drie, die we weer links van dezen waarnemen. +Allemaal typen van krijgslieden. +<p class="c2">Maar de gezichten van Ruitenberg en Kok zijn geen +troniën van in kruitdamp verweerde veteranen. Men houdt ze wel +dadelijk voor burgerlijke ingezetenen, die met den krijgsmansstand +weinig gemeen hebben. Het blijven burgers, zij het dan ook burgers, +die zich vandaag als mannen van wapenen doen gelden. Al doen ze dit +laatste goed, men ziet hen wel aan, dat zij in een vredelievenden +kring thuis behooren. Banning Kok is niets meer of minder dan +Wethouder van Amsterdam en zit in die functie op het kussen naast +dokter Nicolaas Tulp, wiens portret Rembrandt tien jaren vroeger, +in 1632, had gemaakt. +<p class="c2">In het welsprekend handgebaar van den kapitein vinden +we ook iets, dat in strijd is met soldatenmanieren, of althans +geene strijdlustige bedoelingen verraadt. Het geeft wel is waar aan +den persoon eene levendigheid, die een burger, als hij zich door de +straat beweegt, vreemd zou staan en eerder aan den krijgsmansstand +doet denken; maar tegelijk is het toch ook van eene vreedzame +natuur; we kunnen dezen krijgsman geen andere oogmerken +toeschrijven, dan om met zijn mannen uit te trekken, en vreedzaam +oefening te houden in het hanteeren van de lans of het schieten op +een doel, misschien op den haan, dien het meisje draagt. Zoo +gemoedelijk loopt niet de landsverdediger te gesticuleeren, die den +wreeden vijand tegemoet gaat, en vrouw en kinderen voor 't laatst +vaarwel heeft gezegd; en zoo rustigjes loopt een ander niet met de +hand in de zij, te luisteren naar het discours van eenen lotgenoot. +<p class="c2">Het zijn dus ook al weer Banning Kok en Van +Ruitenberg, in wie het karakter uitgedrukt is van het soort +krijsvolk, dat hier uitrukkende is voorgesteld. Evenmin als het +voorafgaande, is dit door Rembrandt op diepzinnige wijze verzonnen; +het denkbeeld lag voor de hand. Althans, we krijgen den indruk, dat +dit zoo was. Groote kunstwerken wekken gewoonlijk de gedachte, dat +ze eenvoudig van opvatting en samenstelling zijn, dat ze den +kunstenaar gemakkelijk van de hand zijn gegaan. +<p class="c2">Het middel, dat aangewend is om de hoofdpersonen +onder ieders aandacht te brengen, is eveneens heel eenvoudig; de +schilder heeft ze letterlijk in 't licht gezet, en de rest van zijn +doek nogal rijkelijk met schaduw bedacht. Of dit licht de kenmerken +heeft van zuiver daglicht, dan wel of er iets onnatuurlijks in is, +kan men niet beoordeelen met eene zwarte prent voor zich; het zijn +de kleuren, die dit uitwijzen, en deze kan men alleen zien op het +origineel in het Rijksmuseum. +<p class="c2">Maar dat het een helder en schitterend licht is, laat +geen twijfel over, ook niet als op onze plaat de kleuren ontbreken. +Toch heeft men lang in twijfel verkeerd, met welk licht men hier te +doen had. De donkere achtergrond bracht velen op het idee, dat +Rembrandt een nachtelijk tooneel bedoelde, bij voorbeeld het +rondgaan van een nachtwacht van schutters, bij het licht van +toortsen of flambouwen. +<p class="c2">Vooral Fransche reizigers, die in de achttiende eeuw +Amsterdam bezochten en op de "Voetboogdoelen" tegen den breeden +schoorsteen het stuk gingen zien, stonden er vast op, dat het de +ommegang van de nachtwacht was. Langzamerhand hebben onze +voorouders zich daarbij neergelegd. In den pruikentijd schijnen zij +niet veel oog voor schilderkunst gehad te hebben, en vertrouwden ze +er op, dat een Franschman het weten kon. Men ging dus spreken van +"de Nachtwacht" van Rembrandt. En dien naam behield het stuk, toen +het naar het stadhuis, en zelfs later nog, toen het onder de +regeering van Lodewijk Napoleon in 1808 naar het museum verhuisde, +toen deze koning het stadhuis inrichtte tot vorstelijk paleis. Meer +dan honderd jaar is het een Nachtwacht gebleven; eerst in de +negentiende eeuw brak de morgen aan, begon het daglicht te gloren, +en zag men het bespottelijke van de benaming in. In den mond van +het volk leeft die echter nog voort. +<p class="c2">Zoo zien we, hoe weinig er maar noodig is, om wit +zwart en zwart wit te heeten, om van dag nacht te maken. Als men de +bedoeling van den kunstenaar maar net precies niet vat, keert men +ze totaal om. Wie thans de schilderij onder goede verlichting ziet, +kan niet gelooven, dat onze voorouders den dag voor nacht hebben +gehouden, zoolang hun de schellen niet van de oogen waren gerukt. +Zij heeft met nacht niets te maken, of men moet zich voor den geest +roepen, in welk jaar Rembrandt's penseel dit meesterwerk voltooide. +Het was in 1642, in het jaar toen hem Saskia door den dood ontviel, +toen hij alleen in zijn groote huis achterbleef met een kind van +nog geen jaar, en avond aan avond eenzaam in het woonvertrek zat, +waar zijn jonge vrouw zoo dikwijls tegenover hem had gezeten, als +hij uit zijn werkplaats met teekengerei was binnengekomen, om in +huiselijke gezelligheid allerlei schetsen te maken. Het was het +jaar, toen voor hem het licht onderging, dat acht jaren lang zijn +levensweg had beschenen. Droefenis en somberheid waren in zijn +huis, droefenis en somberheid waren ook in zijn gemoed. Hij +doorleefde een tijd, die was als een nacht van troosteloosheid. +Slechts één ding kon hem staande houden in zijn leed; +dat was zijne kunst. Zijne liefde voor het penseel hield den +levensmoed er in. Uit die dagen van droefheid werkte hij zich op, +grooter en roemvoller dan voorheen. Treffender wordt voor ons zijne +groote kunst, als we weten, welke omstandigheden zijn gemoed +beheerschten. We zien dit meesterstuk van het sombere jaar 1642 als +een lichtgestalte staan tegen den donkeren achtergrond van zijn +huiselijk leed. +<p class="c2">In zooverre is het gepast, het korporaalschap van +Frans Banning Kok Rembrandt's Nachtwacht te noemen. Maar overigens +lijdt het geen twijfel, of de hoofdpersonen zijn in het volle +daglicht geplaatst. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="VERVOLG_VAN_T_KORPORAALSCHAP"></a> +<h2 class="c4">VERVOLG VAN 'T KORPORAALSCHAP.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">Na deze uitvoerige bespreking van een paar +hoofdpunten, kunnen we slechts kort nog bij eenige ondergeschikte +zaken stilstaan. +<p class="c2">We merken dan eerst op, hoe fraai de schaduwkant van +Bannings linkerhand tegen de lichtkantjes staat langs duim en +vingers, hoe los en welsprekend het gebaar is, en hoe de +slagschaduw geworpen wordt op het kleed van Ruitenberg. Ze ligt er +niet op, zooals de randversierselen er vast op zitten, maar ze +glijdt er los en bewegelijk overheen. Het eene maakt deel uit van +het wambuis, het andere niet. Ook bij het lijk op de Ontleedkundige +les merkten we, hoe zorgvuldig Rembrandt bestudeerde de manier van +eene schaduw om ergens op te vallen. +<p class="c2">Bij het beschouwen van de vier voortschrijdende +beenen herinneren we ons die van Michiel de Ruyter en Zeeger op de +plaat: "Dat is onze man." Bij Banning Kok en Ruitenberg alles +verschillend: schoeisel, kleeding, kleur en bouw, houding, beweging +en stand. +<p class="c2">Het is natuurlijk, dat de beschouwing van dit stuk +zich grootendeels bepaalt tot de hoofdpersonen. De tijdgenooten, en +vooral de leden van het schuttersvendel merkten dit ook op en +namen, voor zoover ze er belang bij hadden, het den schilder +kwalijk. Eerlijk gezegd, we kunnen hun geen ongelijk geven. +<p class="c2">Ieder lid van de compagnie moest een som van honderd +gulden betalen. En hoe waren sommigen voor dit bedrag op het doek +gebracht? Aan den rechterkant, waar de man met witten kraag zijn +hand uitsteekt, staat achter diens arm een persoon, die op het +portret van zijn heele gezicht niets dan twee oogen en een stuk +neus terugvond. Wel wat weinig voor zijn honderd gulden! +Verklaarbaar is het, dat Rembrandt het na 1642 met bestellingen van +schutterstukken niet druk meer gehad heeft. Het was zijn eerste en +zijn laatste. +<p class="c2">Toch heeft hij van enkele personen veel werk gemaakt. +Eene aangename figuur bijvoorbeeld is de man, die links van den +kapitein zijn geweer laadt. Er is in de wijze van gaan iets +onzekers, iets dat aan waggelen, aan wijdbeens loopen doet denken. +Dit is scherp opgemerkt van den schilder. We voelen er de +onvastheid in van iemand, die, al loopende, met beide handen iets +bezig is te doen aan een zwaar voorwerp, en die het gemis merkt van +zijne armen, welke anders onder het gaan door slingerbeweging een +gevoel van gemak en evenwicht geven. +<p class="c2">Wat ons het meest verwondert, ook Banning Kok was met +zijn konterfeitsel niet tevreden! Hij noodigde voortaan andere +schilders uit, als hij zijn eigen beeltenis, die van zijn vrouw of +die van zijn korporaalschap wenschte te hebben. We weten, dat een +zekere Ludens er in 1660 een van hem gemaakt heeft, maar het +nageslacht stelde weinig prijs op het stuk; in 1712 is het nog eens +voor f263 verhandeld; daarna ging het waarschijnlijk verloren. +Banning Kok nam het Rembrandt misschien kwalijk, dat die hem een +gelaatskleur had gegeven van nogal in 't oog loopende roodheid. +Voor de ware schoonheid zal hij mogelijk net zoo weinig hebben +gevoeld als de dichter Joost van den Vondel. Deze, een tijdgenoot +van Rembrandt, wonende als hij in Amsterdam, heeft allerlei +beroemde personen in gedichten bezongen, maar nooit den grootsten +onzer schilders. Hij had, naar het schijnt, geen begrip van +schilderkunst. Eén keer spreekt hij een oordeel uit over een +portret, door Van Rijn geschilderd, en zegt dan onder anderen: +<p class="c2">"De verf vergaat, de deugd zal eeuwig blijven." +<p class="c2">Zoo'n versregel is pittig en heeft klank. Een +oogenblik zijn we geneigd het eens te zijn met wat de dichter +beweert. Immers, de roem van buitengewone deugden is +onvergankelijk, en eene verfkorst kan vergaan. Maar bij nader +inzien blijkt alles maar woordenspel te zijn. De persoon, op het +portret uitgebeeld, is met zijnen roem, met zijne deugden, met +zijnen naam reeds lang vergeten; de onvergankelijkheid was niets +dan een dichterlijk compliment. Het geminachte verfkorstje bestaat +echter nog, wordt in eere gehouden, is voor geen goud te koop en +maakt de glorie uit van zijnen bezitter. Van vergaan is geen +sprake: deze veronderstelling was slechts eene dichterlijke +onnoozelheid. "De deugd verging, de verf leeft voort." De tijd +heeft Vondel gelogenstraft. +<p class="c2">We mogen van het Korporaalschap niet afstappen zonder +het naast de Anatomische les te hebben gelegd. Beide schilderijen +zijn portretstukken, waarop eene groep van meerdere personen is +voorgesteld. Op beide heeft de schilder getracht, om het stijve van +een troepje menschen, dat bij elkaar staat of zit, te vermijden. +Hij bracht er een denkbeeld in; de beschouwer kan meenen, dat het +eene dient om te laten zien, hoe eene ontleedkundige les gegeven +werd, het andere hoe de zeventiende-eeuwsche schutters uitrukten om +op het doel te schieten. En intusschen ontbreken de goede +eigenschappen van een portretstuk in geen van beide. +<p class="c2">Tot zoover gaan de stukken gelijk met elkaar op. Er +is echter ook verschil. En dit moet ons niet verwonderen. De Les +dagteekent uit 1632, Banning Kok uit 1642. Daar liggen tien jaren +tusschen, een tijdperk, dat in het leven van ieder mensch iets +beteekent, maar dat van veel beteekenis moet zijn in het leven van +een kunstenaar. In die tien jaren had Rembrandt wel opnieuw een +groot man kunnen worden, als hij in 1632 al zijne kunst eens had +verloren. Wat moet zijne vaardigheid en zijn schildersoog dan wel +gewonnen hebben, nu hij bleef, wie hij was, en tien jaren achtereen +dagelijks teekende, etste en schilderde. +<p class="c2">We kunnen helaas aan zwarte nadrukjes niet al de +veranderingen zien, die 's meesters wijze van werken heeft +ondergaan tusschen de Les en Banning Kok. Maar althans +één zeer belangrijke merken we op, en die leert ons +veel. +<p class="c2">Op de Les wordt eene hoofdrol gespeeld door het +cadaver. Dit is het voornaamste middel, waarmee de schilder aan het +portretstuk de beteekenis van eene gebeurtenis geeft. Het is echter +een willekeurig toevoegsel, dat er alleen op gekomen is, omdat +Rembrandt dat zoo had verzonnen. Of misschien was het denkbeeld wel +van een ander afkomstig. In elk geval: het is een toevoegsel, dat +niet meewerkt, om de bedoeling van het stuk te bevorderen. De +portretten worden er niet beter om. Wel stelt het Dr. Tulp in de +gelegenheid, om mooi en ernstig les te staan geven, zooals hij dat +kon, wanneer hij bezig was; maar daartoe was eene kleinigheid ook +voldoende geweest: een beentje, een schedel, eene bladzijde uit een +boek, of iets dergelijks. Nu ligt daar het lijk; de zon beschijnt +het; het vormt den aantrekkelijksten hoek van het geheele stuk; +mooi bewerkt is het; alles goed en wel. Maar-het had gemist kunnen +worden. +<p class="c2">Een dergelijk verwijt treft het Korporaalschap niet. +Wat daar aangewend is, om gebeurtenis in het stuk te brengen, is +aan de hoofdpersonen zelf ten goede gekomen. Dáár +geen aandacht dan voor hen, op wie ze plichtmatig door den schilder +gevestigd moest worden. Dáár alleen opeenhooping van +goede eigenschappen in twee personen, om de andere figuren te +ontlasten en onzen blik meer op éen punt te vestigen. Dat +éene punt is wel degelijk een onmisbaar onderdeel van het +geheel. +<p class="c2">De tien jaren zijn voor Rembrandt dus niet +onvruchtbaar voorbijgegaan. We erkennen, dat het cadaver op de Les +een gelukkige kunstgreep was om den beschouwer te boeien; maar we +worden gewaar, dat tien jaren later hetzelfde doel bereikt wordt, +zonder het te pas brengen van vreemde zaken. Een bewijs dus van +grooter meesterschap. Een ander bewijs zien we in de handeling: +hoeveel malen moet iemand <i>gaande</i> menschen in allerlei stand +hebben geschetst, om in een portretstuk zooveel vaardigheid aan den +dag te leggen als hier. De personen op "de Les" toonen daarentegen +nog weinig beweging, al zijn de handgebaren van Tulp zeer juist +weergegeven. In 1632 gaf de schilder zijne figuren in rustige +houding bij elkaar; in 1642 durft hij de beweging tot onderwerp van +behandeling te nemen; zelfs de persoonlijke onderscheidenheden in +de beweging. +<p><img alt="" border="0" src="images/simeonindentempel.png" width="450" +height="667"> +<p class="c2">[Simeon in den Tempel.] +<p class="c2">De vergelijking der beide stukken toont aan, dat de +schilder in de eerste jaren van zijne loopbaan nog niet was, wat +hij later werd. Wat hij toen maakte was grootsch; maar hij zelf zou +de man worden, om den vroegen Rembrandt te overtreffen. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="SIMEON_IN_DEN_TEMPEL"></a> +<h2 class="c4">SIMEON IN DEN TEMPEL.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">De "Simeon in den tempel" is een bijbelsch stuk. +Maria, de moeder van het Jezuskindje, ligt op den steenen vloer +neergeknield. Jozef, ook eene knie buigende, houdt in de hand de +duifjes, die voor offer bestemd zijn. De hoogepriester heft +zegenend zijne handen op; Simeon heeft het kindje gegrepen, slaat +het oog naar boven en spreekt de bekende woorden: "Nu laat gij, +Heer, uwen dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord; mijne oogen +hebben uwe zaligheid gezien." Een paar landlieden zijn toevallig +getuige van het tooneel, evenals twee "schriftgeleerden", die op +den voorgrond op een rustbank zitten. Omhoog welven en kruisen zich +de tempelbogen, die door weelderig versierde kolommen worden +gedragen. Daar heerscht schemering, evenals op de breede trap, waar +tal van tempelgangers op en afgaan. +<p class="c2">Om reeds bij den eersten aanblik de attentie te +vestigen op de hoofdgroep, laat de schilder de ruimte van den +tempel in het halfdonker. Op ééne plaats valt het +zonlicht naar binnen, en wel door een venster, dat zich links boven +in het gewelf zal moeten bevinden. De "schriftgeleerden" zitten +buiten het licht; ofschoon in letterlijken zin op den voorgrond +geplaatst, trekken ze geenszins het eerst de aandacht. Dat doen +zeker wel de hoogepriester en Simeon het meest. De eerste door +zijne koninklijke gestalte, waar, in lange, statige, plooien, de +mantel omheen hangt. Hij doet denken aan "Jezus" op de eerste prent +van de "Opwekking van Lazarus". De gebogen lijn, van het hoofd +achter over den hals en den rug, is hier zuiverder van beloop; bij +"Jezus" voelen we ter hoogte van den linkerschouder en iets lager +eene afwijking, die niet duidelijk de bedoeling laat doorschemeren. +<p class="c2">Zuiver van uitdrukking is de hand; ze wuift en wenkt +het neergeknielde paar de woorden toe. In de pols is juist genoeg +buiging achterover, om het gevoel van stille verrukking uit te +spreken; de hoogepriester neemt deel in de zaligheid van dit +grootsche oogenblik. Boog de hand zich in neerwaartsche richting, +dan kregen we den indruk, dat hij min of meer uit de hoogte den +zegen gaf. +<p class="c2">De vingers staan uitgespreid, alsof ze tintelen van +de aandoening, waarmee de plechtigheid hem vervult; vooral de pink +staat wijd uitgespannen; zoo zien we dat bij iemand, die zijne +woorden spreekt in ontroerde bezieling. +<p class="c2">Niettemin is de hand onschoon van teekening. Evenals +die van Jezus op de eerste Opwekking, is ze breed en plat, de +vingers zijn kort en stomp, de geleding is niet zuiver gevoeld. +<p class="c2">In de nijging van het hoofd ligt iets herderlijks. +Het drukt bezorgdheid en deelneming uit. Zoo staat een geestelijke +tegenover hen, die zich aan zijne leiding toevertrouwen. Zoo neemt +hij ze, in figuurlijken zin, onder zijne vleugels, in zijne +bescherming. En wie zoo toegesproken zijn, keeren huiswaarts met +een gevoel van vertrouwen op de toekomst, met het geloof, dat alles +wel goed zal komen. +<p class="c2">Met de geheele figuur staat in 't licht; alleen dat +deel, waarin de schilder de uitdrukking wilde leggen. Daar zien we +ook het duidelijkst, hoe de statiegewaden er om hangen. Lange +plooien gaan sierlijk van den hals tot op den grond en slepen zelfs +nog na. Zwaar en dik is de stof. Hier en daar kreukelen de plooien +overdwars. Van het hoofd af hangt een priesterlijk sieraad over den +hals en op den rug. Het ligt er rustig en plat uitgespreid. De +zijlijn volgt de buiging van den hals, de onderkant de ronding van +den rug. Alles plakt zwaar en solied op elkaar. +<p class="c2">Het verlichte handje draagt onzen blik van den +hoogepriester op Simeon over. Het is een licht-schakel. +<p class="c2">Ontzaglijk is het, de vervoering, de +geestesverrukking van dezen grijsaard te zien. Men hoort hem met +groote stem, met woest geluid tot den Heer zijnen God roepen en de +woorden spreken, die boven aangehaald zijn. Hij acht geen +omstanders, ziet geen vader geen moeder, geen hoogepriester, maar +voelt zich het hart zwellen van dankbaarheidsdrift, nu hij den lang +verwachten Messias in de armen sluit. Het is eene uiting van den +sterksten hartstocht, eene ontroering, die den aandachtigen +beschouwer door de ziel gaat. +<p><img alt="" border="0" src="images/groepuitsimeon.png" width="649" +height="521"> +<p class="c2">[Groep uit "Simeon in den Tempel".] +<p class="c2">De moeder Maria, ofschoon niet ten volle begrijpende, +slaat vol zalig gevoel de handen op de borst tezaam; haar +moederhart zwelt, nu haar kind den grijsaard zoo in gloed zet en +hem zulke woorden ontlokt. Jozef, eenigszins in de schaduw gesteld, +weet nog minder, wat hij van de ontboezeming van Simeon moet +denken. Toch zit ook hij met vaderlijk welgevallen het tooneel aan +te zien. Zijn gemoed wordt zachter bewogen dan dat van Maria; zijne +gevoelens zijn meer gematigd. In het volle licht behoefden ze niet +gesteld te worden, mits ze toch ook de aandacht niet ontgingen. De +schilder laat hem daarom neerknielen in de schaduw van den +hoogepriester. Maar eene zachte, stille weerkaatsing van den gloed +van Simeon ligt over zijn wezen. Het is eene weerkaatsing van den +lichtgloed, zoowel als eene weerspiegeling van de gemoedsbeweging, +maar beide sterk getemperd. +<p class="c2">Eene belangrijke rol laat Rembrandt de boertjes +spelen, die toevallig langs de groep heenliepen en even bleven +staan. Het misbaar van den grijsaard moet zijn oorzaak hebben; wat +mag er wel aan de hand zijn? vragen ze zich af. Ze komen +nieuwsgierig een stapje nader. Die met de hooge muts ziet er vrij +onnoozel uit en zal niet veel wijzer worden, al staat hij er +vooraan bij. De middelste van de drie is een echt type. Waren ze er +zoo in de dagen van Rembrandt, in 1631, wij kennen ze zoo nog. De +handen onverschillig op den rug, het hoofd tusschen de schouders +gezakt, hoogruggig door den veldarbeid, den kop vooruitgestoken met +een norsch, bullebakkig gezicht. Men ziet hem aan, dat hij +ontsticht is over het misbaar. Toch werpt hij een onderzoekenden +blik op het kindeke, een blik, dien men niet licht vergeet. Terwijl +hij neerziet, is het, alsof zijn wrevelige trekken zich ontspannen. +Een klein, teer kindje, wie kan daarbij ook onverschillig blijven! +<p class="c2">Voor ons is het geen raadsel, waarom zijn gezicht +opklaart; wij leven twintig eeuwen na de Jeruzalemsche gebeurtenis, +en ons is het gegeven om te overzien, wat dat Kindeke geworden is, +en welke dingen Het verkondigd heeft. Zie, voor wie waren later de +predikingen van Jezus het meest bestemd, op wie maakten ze het +eerst indruk! Wie sloten zich aan en lieten zich doopen? Waren het +niet de eenvoudigen van geest? Waren zij het niet, wier verstand +klein was, wier begrip van de dingen niet verging? +<p class="c2">Rembrandt voelde behoefte, om het groepje in den +tempel aan te vullen met een paar van deze eenvoudige zielen. Dat +zou voor den beschouwer de herinnering levendig houden van wat er +later gebeuren moet. In de simpele landlieden, die met +belangstelling komen toekijken, zien we de toekomst van het eerste +Christendom. +<p class="c2">Nog in een ander opzicht zijn de boertjes +merkwaardig. Laten we niet uit het oog verliezen, dat Jezus in het +land Kanaän geboren werd; de ontmoeting met Simeon had plaats +in den tempel te Jeruzalem; het volk, dat de trappen op en afging, +of toeschouwer was bij Simeons geestesvervoering, waren +Israëlieten, Joodsche landbouwers, Oosterlingen dus. De +kleedij, die de Joden in het begin onzer jaartelling droegen, komt +overeen met die, waarin zich thans nog Arabieren en Syriërs +steken. De meeste schilders hebben getracht, als ze een bijbelsch +tafreel behandelden, om hun figuren het voorkomen van Oosterlingen +te geven. Soms sloegen ze den bal wel mis, en schilderden ze +Italiaansche landlieden in plaats van oud-Israëlitische, maar +ze hadden dan toch de bedoeling, er een buitenlandsch tintje aan te +geven. +<p class="c2">Deze bedoeling vinden we bij Rembrandt niet. Hij doet +geen moeite om het Bijbelverhaal te doen spelen in verre landen, +onder vreemde volken. De boertjes zijn echt Hollandsche typen. Ze +komen regelrecht uit Ransdorp, Broek-in-Waterland of +Ouwerkerk-aan-den-Amstel. In hun blauwen kiel heeft de schilder hen +door Amsterdam zien gaan, of in de weide bij hun vee bespied. Wel +zien ze er anders uit dan het landvolk uit onzen tijd, maar ook +buiten de steden wisselt en verandert de kleederdracht. En zoo als +ze hier in den tempel staan, zoo heeft Rembrandt in zijn tijd hen +op verschillende platen naar het leven geteekend; nu eens met eene +hooge, dan eens met eene lage muts op het hoofd. Zoo was in zijnen +tijd hunne dracht. +<p class="c2">Hij brengt dus de gewijde geschiedenis over op +vaderlandschen bodem. Vreemde kleederdrachten voor herders en +landlieden versmaadt hij. Hij weet, dat tal van menschen zich op +dat vreemde blind kijken, en geen oog hebben voor het wezenlijke +van de schilderij. Ze zullen de voorstelling beter gaan voelen en +begrijpen, als de figuren menschen zijn gelijk zij zelf; als die in +gelaatstrekken, in kleur, in houding en in kleeding gewone, echte +Hollanders zijn. Jezus had immers heel goed in Holland geboren +kunnen zijn. Was niet de Republiek der Vereenigde Nederlanden een +zeer bijzonder land? Had de God der Vaderen niet geholpen, om haar +van de Spaansche tirannij te bevrijden? Had Hij de zaak der +Hervorming niet doen zegevieren? Was er éen protestantsch +land zoo met aardsche rijkdommen en met welvaart gezegend? Een +uitverkoren volk, daarvoor hielden onze voorouders zich. Zij waren +een tweede Israël. Alles, wat ginds in het Oosten, aan de +oevers van de Jordaan, was afgespeeld, speelde zich ook hier af, +dachten ze. Hunne geschiedenis was eene afspiegeling van de +Bijbelsche. +<p class="c2">Als zoo een geheel volk denkt, valt het den +kunstenaar gemakkelijk, zich ook in die richting te bewegen. Hij +denkt niet alleen, hij stelt zichtbaar voor. Het Joodsche wordt +Hollandsch; de schaapherders van Ephrata en de wijnbouwers van de +berghellingen van Judea, komende in den tempel van Jeruzalem, +worden melkboeren uit de omstreken van Amsterdam. En waarom ook +niet? Over de heele aarde wonen menschen van éen natuur; het +denken en voelen is wel overal ten naastebij hetzelfde. Vooral +onder de volksklasse, die hier is voorgesteld, onder de eenvoudigen +van geest, die opgroeien te midden van de natuur. +<p class="c2">Hiermee kunnen we afscheid nemen van de blauwgekielde +tempelgangers, om nog even eenen blik te slaan op het tweetal, dat +op den voorgrond in de schaduw zit. +<p class="c2">De eerste laat het tooneeltje, daar voor hem, niet +onopgemerkt passeeren. Hij steekt het hoofd onderzoekend vooruit. +Zooals het handje en de arm op de leuning van den stoel liggen, kan +men zich denken, dat hij bijna van zins is, op te rijzen en nader +te treden. Nummer twee wisselt met hem een blik van +verstandhouding. Hij krijgt argwaan, dat de zaak niet in orde is. +Schriftgeleerden, zooals zij misschien zijn, nemen het met +godsdienstaangelegenheden zeer nauw. Ze dulden geene uitdrukkingen +in strijd met de Joodsche wet. +<p class="c2">Of zij in de woorden van Simeon iets hooren, wat hun +verdacht voorkomt, willen we niet nagaan. Maar ons treft hunne +tegenwoordigheid op deze plaats. Reeds bij dit voorval uit het +leven van Jezus zijn ze dwarskijkers, in letterlijken en in +figuurlijken zin. Rembrandt geeft ze voorshands nog een plaatsje in +de schaduw, terwijl hij de aanstaande volgelingen van den Nazarener +in het volle licht zet; maar ze zijn er toch, en ze brengen ons te +binnen, hoeveel leed ze later zullen uitstorten over het hoofd van +het Kindeke, dat nu nog zoo onnoozel in Simeons armen ligt. +<p class="c2">Ten slotte een enkel woord over de geschiedenis, die +dit schilderijtje heeft doorgemaakt. +<p class="c2">Voor wien en voor hoeveel Rembrandt het maakte, weten +we niet. Het duikt in 1733 uit het onbekende op. Bij eene +verkooping ten huize van een Haagsch burger werd het voor f830 +verkocht; men weet dit uit een rekeningenboek. Een mooie prijs voor +dien tijd!--Later werd het aangekocht voor de verzameling van +Stadhouder Willem V. De groote gebeurtenis voor het stuk moest +echter eerst komen tusschen 1810 en 1813. Toen Nederland als +aanslibsel van Fransche rivieren bij het Keizerrijk was ingelijfd, +vond Napoleon, dat alle kunstwerken, die aan den Staat behoorden, +naar de hoofdstad des rijks moesten verhuizen, naar Parijs. De +"Simeon" was door Prins Willem V bij zijn vertrek naar Engeland in +1795 natuurlijk in den steek gelaten, evenals de verdere roerende +en onroerende have; de staat had er zich over ontfermd, en nu +ontfermde Napoleon er zich weer over. +<p class="c2">Het werd met tal van andere schilderstukken ingepakt, +op eenen wagen geladen en verzonden. De bedoeling was, om het +Louvre er mee te verrijken. Wagenvrachten en wagenvrachten van +kunstwerken ondergingen ook in de andere Fransche wingewesten +hetzelfde lot. Men was er in Parijs verlegen mee. De opeenhooping +was zoo groot, dat een paar jaren later het werk der schifting en +der tentoonstelling nog niet afgeloopen was. Napoleon kwam ten val, +voordat alles een plaats had gekregen. +<p class="c2">Toen hij in 1815 voorgoed van het wereldtooneel +verdween, was het Louvre meer pakhuis dan museum. Spoedig daagden +van de onderscheiden herstelde regeeringen afgevaardigden op, om +uit den rommel op te eischen, wat door Napoleons ambtenaren naar +Parijs was vervoerd. Ook van de regeering der Nederlanden. "Simeon" +maakte de terugreis naar Den Haag, en kreeg daar in het Mauritshuis +het plaatsje, dat hij nu nog inneemt. Moge hij er blijven tot in +lengte van dagen, om nog vele bezoekers het hart te verheugen. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="EENE_ONDERGAANDE_ZON"></a> +<h2 class="c4">EENE ONDERGAANDE ZON.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">Het licht is voor Rembrandt gedurende al zijne +levensjaren een geliefdkoosd onderwerp van studie geweest. Wat is +er ook schooner! Wie kan onverschillig zijns weegs gaan, wanneer +hij des ochtends buiten is bij het opkomen van de zon? Wie sluit +dan het oog voor de lichtspelingen langs lucht en wolken? +<p class="c2">Voelt ook niet ieder zich door zonneschijn meer +aangetrokken tot de vrije natuur, dan door bewolkte, vreugdelooze +luchten! +<p class="c2">En dan des avonds bij het ondergaan der zon! Welk een +kleurenspel wordt ons iederen dag opnieuw bereid! Nimmer vervalt de +natuur in herhaling. Altijd weer is ze verrassend en nieuw in haar +getoover met lichtverven en kleurvloeiingen. +<p class="c2">Oud en jong, arm en rijk, ongeschoold en +welonderwezen, alles heeft er oog voor. Geen mensch, of wel +ééns in zijn leven heeft hij éénen +zonsondergang genoten, wel ééns heeft hij bij dit +natuurverschijnsel aandachtig stil gestaan. Daar zonk de vuurbol +ter kimme. Het licht, dat den ganschen dag slechts licht was +geweest, werd nu kleur. De huizegevels in baksteen blonken eens zoo +rood als anders. De witte raamkozijnen bleven wit, maar waren toch, +zonderling wonder, te gelijk ook rood. De hagelwitte gordijnen +eveneens, ofschoon het wit toch vlekkeloos rein bleef. De grijze, +stoffige straat-wie zou ooit op de kleur van eenen straatvloer +letten!--behield hare grauwe steenkleuren, en trok niettemin het +oog door een purperen schijn. Daar waren de schoone, groene boomen! +Schenen niet ook zij van hetzelfde purper doortrokken, terwijl +groen toch groen bleef. De stammen stonden te blozen als frissche +wangen: maar grauw en grijs en bruin was onveranderlijk de +kurkschors. +<p class="c2">Met geene woorden kon men noemen, wat elk ding voor +verven kreeg. Zoodra men het beproefde, gaf men slechts eene +opsomming van de kleuren, die er waren bij heldere dagverlichting. +Een raadsel was het, dat de zon bij het scheiden nog opgaf. Een +moeilijk raadsel! +<p class="c2">Van de ondergaande zon tot den levensavond van onzen +schilder is eene schrede minder groot, dan men wellicht zou denken. +<p class="c2">Daar hangt in het Rijksmuseum te Amsterdam een werk, +de Staalmeesters heet het, dat hij voltooide in 1661, en dat het +laatste groote stuk is, waaraan hij zijne zorg wijdde. We schromen, +als we het naderen, om de gedachte uit te spreken, doch ze laat +zich niet terugdringen: dit kunstgewrocht is het afscheidslicht, +dat eene ondergaande zon nog gaf. Eene ontzaglijke ziel spreekt +hier haar laatste woord. En ook <i>dit</i> laatste woord is een +raadsel, is hetzelfde raadsel, wat de avondzon weet voor te leggen. +Ook hier heeft elk ding zijn eigen kleur, zijn eigen verf, zijn +eigen kleurvermengingen; maar tegelijk straalt ook hier elk ding +eenen rossigen gloed uit, eene tint, die nergens aan te wijzen, en +toch overal te vinden is; die op geen voorwerp ontbreekt, en toch +op alles de natuurlijke kleuren handhaaft. We <i>zien</i> het roode +licht niet, we <i>ondergaan</i> het. Overal kunnen we aanwijzen +zuiver bruin, zuiver wit, zuiver zwart, en overal toch voelen we +het uitstralende rood, dat nergens is, dan alleen in het kleed, dat +over de schuine tafel gespreid ligt. +<p class="c2">Het grijpt ons aan, als we bedenken, dat de zon, na +al haar schoone licht, eindelijk tot het avondrood komt, en dan +niets schooners meer geven kan. Dan moet ze ondergaan. Ze heeft het +schoonste bereikt. En Rembrandt is het eveneens gegaan! +<p class="c2">Zijn gansche leven is geweest: grooter en grooter +worden. We zagen het bij de twee Opwekkingen, we zagen het bij de +Anatomische les en het Korporaalschap, we ontdekken het nogmaals +bij de Staalmeesters, twintig jaren later gemaakt, in den +levensavond van den kunstenaar. +<p class="c2">Hij begint groot in 1632. Steeds wast hij, en meenen +wij, dat het hoogste bereikt is; maar steeds overtreft hij weer, +wat hij te voren maakte. Elk stuk vinden we onovertroffen, tot hij +zelf een nieuw meesterwerk schept, en ons de oogen opent voor de +tekortkomingen van het voorgaande. En wat hij op het eind van zijn +leven te zien geeft, is niet alleen weer beter, dan wat vooraf +ging; het lijdt aan geene gebreken meer, het bereikt alles, wat +bereikt wou worden. Wat de schilder wilde, gelukte; en er is niets +groots, dat hij vergeten heeft te willen. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="VERGELIJKINGEN"></a> +<h2 class="c4">VERGELIJKINGEN.</h2><span class="c5"><br></span> +<p class="c2">Omdat we ons met een zwart prentje moeten +vergenoegen, zullen we bij de beschouwing de kleurhoedanigheden +laten rusten, dat wil dus zeggen, het wonderlijkste wat er aan de +Staalmeesters is op te merken. Toch is vooral aan het tafelkleed +wel iets te zien van de kleurenpracht. Daarin zit, zelfs in onzen +zwarten afdruk, nog eene mengeling van al den vervenrijkdom, dien +we ons in een weelderig weefsel kunnen denken, en van al de +tintelingen, die het licht daarop kan doen ontstaan. Groote vlakken +van zachte belichtingen en zachte verdonkeringen wisselen met +elkaar af. Daardoor heen zien we breede, horizontale kleurbanden +gaan, en door deze weer lichtricheltjes van onder naar boven, of +reeksen lichtnoppen van rechts naar links. Het gedeelte, dat links +om de tafel heen hoekt, geeft op andere wijze, zonder mengeling, de +kleurfiguren te zien, die de wever door zoo'n kleed weet heen te +werken. +<p class="c2">Vergelijk hiermee nu de lap stof, die op de plaat +"Evertsen in de Staten van Zeeland" over de tafel ligt. Droog en +dor geeft hier de grijze kleur aan wat schaduw is. Rembrandts kleed +gloeit van warmte, van innerlijke kleurenpracht, van Oosterschen +tapijtenrijkdom; het andere is koud en mat, arm van weefsel en arm +van kleur. +<p><img alt="" border="0" src="images/staalmeesters.png" width="734" +height="495"> +<p class="c2">[De Staalmeesters.] +<p class="c2">Voor het overige moeten we van kleurbeschouwing +afzien, en ons voornemen, om in het Rijksmuseum de schade in te +halen. +<p class="c2">Wat er van de Staalmeesters in een zwarten afdruk +overblijft, is echter niet zoo gering, of het zal ons duidelijk +worden, dat we hier te doen hebben met een onsterfelijk +gedenkteeken. Het spreekt nog meer van Rembrandts grootheid dan wat +voorafgegaan is, meer dan het Korporaalschap of eenig ander +kunstwerk. +<p><img alt="" border="0" src="images/evertsen.png" width="582" height= +"370"> +<p class="c2">[Evertsen en de Staten van Zeeland.] +<p class="c2">We beginnen niet, met naar zeldzame eigenschappen te +zoeken. Juist in de afwezigheid hiervan schuilt eene verdienste. +Stel maar naast elkaar het "Gezelschap op het Muiderslot" en de +"Staalmeesters". Beide vertoonen een groepje burgermenschen uit de +17<sup>de</sup> eeuw, uit 1619 en uit 1661. Het verschil in +kleeding en kapsel duidt wel een verschillend tijdperk aan. Wat uit +1619 dagteekent, staat in dit opzicht dichter bij de Anatomische +les, terwijl de figuren uit 1661 ons bekend voorkomen, wegens de +overeenkomst met Jan de Wit, het portret op Levensverzekerings-en +Spoorboekjes. +<p class="c2">Beide gezelschappen bevinden zich binnenshuis, dus in +eene omgeving, die we een interieur zullen noemen. Bij dit +interieur bepalen we het eerst onze aandacht. Op het Muiderslot +valt het daglicht binnen door een venster, dat we ter linker zijde +kunnen zien. Het vergunt ons, om buitenlicht naast kamer-of +binnenlicht te stellen, want bij het venster is een stukje witte +muur. Tusschen dit wit en het wit van de vensteropening bevinden +zich een viertal schaduwstrooken, die we met een potlood of een +reepje papier kunnen bedekken. Dan merken we op, dat beide witte +strooken gelijk zijn, misschien wint de muur het van het +buitenlicht nog in helderheid. Wie nu in het eerste het beste +vertrek even eene vergelijking maakt tusschen het een en het ander, +zal opmerken, dat de verhouding juist andersom moet zijn. Al is een +binnenmuur in het licht gezet, hij moet toch voor het zonlicht, dat +de buitenwereld beschijnt, onderdoen in helderheid. Een geschilderd +interieur mag hiervan niet afwijken, of het is geen interieur meer. +<p class="c2">Op den vloer spreekt de fout nog sterker. Ver in de +kamer, tot onder den stoel van den ouden heer, die met zijnen rug +naar de tafel zit, is het licht krachtiger dan buiten de +openstaande deur. Hem voorbij merken we hetzelfde op aan enkele +voorwerpen: aan het tafellaken, het doekje, dat de dienstbode op +den rug hangt, het zijmuurtje links van den schoorsteen, zelfs aan +eene versiering tegen den schoorsteen. +<p class="c2">Ondanks deze gebreken zeggen we toch, dat de plaat +een interieur voorstelt, omdat we een venster, een deur, een +binnenmuur en kamermeubelen zien; die doen ons besluiten: het moet +een binnenhuis wezen. Maar eerlijk gezegd: het <i>is</i> er geen. +Hoe het moest zijn om er een te wezen, leert ons het stuk van +Rembrandt. Alles is hier in eene matte, grijze tint gezet, die +overal doet gevoelen, dat we ons binnenshuis bevinden. Wanneer eene +vensteropening werd aangebracht, zou daardoor het daglicht kunnen +vallen in eene helderheid, die sterk afstak bij de verlichting van +de muurgedeelten op den achtergrond. +<p class="c2">Dit muurtje met het schoorsteentje vinden we bijna in +dezelfde gedaante op het Muiderslot terug. We kunnen in het +voorbijgaan deze twee onderdeelen naast elkaar stellen. Beide +bestaan uit houtbetimmering en gepleisterd metselwerk. Op het +Muiderslot is het eerste erg donker, het laatste, zooals we reeds +opmerkten, veel te licht van kleur. Wie door de oogharen naar de +betimmering kijkt, kan den gepleisterden muur best voor een stuk +lucht houden, dat heel in de verte achter het beschot oprijst. Er +is geen samenhang tusschen de twee. De teekenaar was bang, dat we +geen steen van hout zouden onderscheiden en maakte de verschillen +veel te duidelijk. De achterwand valt uit elkaar. Ook schijnt hij +zich heel ver achter het schilderijtje boven de kast te bevinden. +<p><img alt="" border="0" src="images/muiderkring.png" width="617" height= +"432"> +<p class="c2">[Muiderkring.] +<p class="c2">Achter de heeren Staalmeesters zien we hout en steen +in bijna dezelfde tint. Het verschil is gering. Toch ontgaat ons +het stoffelijk onderscheid niet; er zijn kleinigheden, die daarvoor +zorg dragen. Let maar eens op de kantlijn, waar de voor-en zijkant +van den schoorsteenmuur elkaar ontmoeten; op het Muiderslot is die +lijn langs een liniaal getrokken; het is een pracht van een rechte +lijn. Bij Rembrandt helt ze ten eersten een weinig naar rechts; en +dat is verklaarbaar. Zoo'n oud stuk gemetselde schoorsteen rijst +gewoonlijk niet loodrecht omhoog. Ten tweeden is ze heel fijn met +korrels afgebrokkeld; ook dit is voor een gepleisterden muur heel +juist, en meer waarschijnlijk dan de ongeschonden liniaallijn op +den Muiderslotschen schoorsteen. Ten derden is het niet een +<i>zwart</i>-getrokken lijn, maar juist het tegenovergestelde, een +lichtkantje. Ook dit beantwoordt aan de werkelijkheid. Alleen dit +kantlijntje zou reeds duidelijk genoeg zeggen, dat het bovenste +deel van den achterwand gepleisterde steen is. +<p class="c2">Door acht te geven op dat, wat in het Muiderslot +ontbreekt, worden we gewaar, wat eene goede eigenschap is van de +"Staalmeesters". Het is een interieur. We zeggen niet: "het +<i>moet</i> er wel een wezen"; het <i>is</i> er een. +<p class="c2">Het interieur is echter maar achtergrond en bijzaak; +de figuren zijn hoofdzaak. We tellen er zes, den bediende +meegerekend. Na hetgeen we opmerkten bij de vergelijking van +Anatomische les en Korporaalschap, zal het al dadelijk de aandacht +trekken, dat Rembrandt afgezien heeft van middelen om te +groepeeren, zooals hij in 1642 nog noodig vond. Voegde hij de leden +van het Korporaalschap nog zóó samen, dat de +schilderij er uitzag, alsof ze eene beroemde gebeurtenis +voorstelde, de Staalmeesters kruipen maar heel gewoon bij elkaar, +zooals ze dagelijks in hun beroep bij elkaar zitten. Het stuk stelt +niets voor. Het is een portretstuk, zonder meer. Een kunstgreep, +zooals het cadaver op de Les, anno 1632, trok den schilder na +dertig jaren niet meer aan; zelfs het kunstmatig bijeenvoegen niet +meer, gelijk het stuk uit 1642 te zien geeft. Van al het +gekunstelde, komedie-achtige, dat zijne vroegere werken kenmerkte, +en dat men toen schoon vond en thans nog schoon vindt, omdat het +zoo volmaakt van kunst is, van dat alles is hij terug gekomen. Op +zijn leeftijd is de arbeid geen spel met wondertooneelen. Hij zet +heel gewoon, zonder ophef, de figuren naast elkaar op eene rij. +Behoudens kleine afwijkingen, die zijn smaak hem ingaf: nommer twee +van links af moest even oprijzen, om de eentonigheid van eene +vijfkoppige rechte lijn te breken; de bediende mocht wel post +vatten tusschen twee der heeren midden op het doek, maar hij kreeg +zijne plaats toch iets dichter bij den een dan bij den ander, en +deed met zijn gezicht dus geen regelmatigen driehoek ontstaan. +Staalmeester nommer twee, van rechts af, werd met half afgewend +bovenlijf neergezet, om niet twee gelijkvormige schouders, hoeden +en witte kragen naast elkaar midden op het doek te krijgen. +<p class="c2">Dit zijn kleine schikkingen, die bijna toevalligheden +lijken; als vijf menschen ordeliik om eene tafel geschaard zitten, +zal men juist dergelijke afwijkingen opmerken. Ze houden het midden +tusschen stijfheid en gezochtheid. +<p class="c2">Hoe eerlijk en eenvoudig de schilder er naar +streefde, om niets anders te maken, dan portretten, blijkt ook uit +het spel der handen. Op de "les" zoowel als op het schutterstuk is +dit een ding van belang. Het spreekgebaar van Dr. Tulp, de wijze +hoe hij zijne mededeelingen over de spierbeweging toelicht, trekt +sterk de aandacht. De handen zijn vrij in de ruimte gezet, tegen +een donkeren achtergrond, en ze hebben voor het geheele stuk eene +groote beteekenis, gelijk we boven reeds zagen. Ook die van Frans +Banning Kok zijn in 't oog loopend op den voorgrond gebracht. +Rembrandt schepte er behagen in, om te laten zien, wat hij met +handen kon. Maar in 1661 zal hij gemeend hebben, dat het zien van +een portret een te ernstig werk is, om daarbij afgeleid te worden +door bijzaken. Toch zou het wegmoffelen van de handen ook eene fout +geweest zijn. Immers, als we een groepje menschen, dat rond eene +tafel zit, opnemen, zonder dat zij het bemerken, dan zien we wel in +het eerste oogenblik de gezichten, maar het kan toch zijn, dat we +in de tweede plaats ook toevallig naar de handen zien. Daarom gaf +hij ze wel aan zijne figuren, maar zoo, dat we ze slechts terloops +en eerst <i>na</i> de gezichten ontwaren; hetzij dan versmald +gezien, als bij nommer een, hetzij in de schaduw gezet, als bij +nommer twee, hetzij in de onmiddellijke nabijheid van den tafelrand +en het boek, zoodat ze hiermee als het ware één +geheel uitmaken, en niet als afgezonderde lichtplekken tegen den +achtergrond vrij in de ruimte staan. Echter wist hij ook met +terzijde geschoven handen nog gedachten uit te drukken: let maar +eens op, hoe juist de rechter van den middelsten sinjeur ons zegt: +"maar het staat hier toch!" Het kloppen met den rug van de vingers +op de bladen van het boek kan niet anders beteekenen. De houding +van het hoofd en de gelaatsuitdrukking bevestigen het. +<p class="c2">Eene sterk sprekende eigenschap van Rembrandt op +dezen leeftijd is dus, dat hij zich beperkt. In jonger jaren +groeide zijne kunstdrift als een welig gewas met ver-uitschietende, +bloemdragende loten. Nu snoeit hij; alles wat weg kan, gaat weg; de +verzonnen tooneelen zijn het spel der handen gevolgd. Slaan we +nogmaals een blik op de "Les" naast de "Staalmeesters", dan valt +ons ook in de gezichten iets op. Op het eene trekken de blanke, +hooge en breede voorhoofden, de in verlichte vleeschkleur +geschilderde wangen, en op het andere de oogen, de neuzen en de +monden de aandacht. Is het niet, alsof de geneesheeren uit 1632 +allemaal toevallig kleiner van oogenbouw waren, fijner van neus en +mond, maar hooger van voorhoofd en opzichtiger van wang, dan de +staalwaardijns uit 1661? Dezen schijnen groffer van maaksel te zijn +geweest dan genen. De zaak is, dat de schilder in zijn eerste jaren +veel aandacht schonk aan de vleeschkleuren, de vleeschpartijen, +zooals men dat noemt. Hoe ouder hij werd, hoe meer hij er echter +naar streefde, niets dan het leven en de ziel uit te drukken. Deze +las hij meer in oogen, mond en neus dan in de schilderachtige +licht-en kleurverschijnselen van het gezichtsvleesch of in den bouw +van het gelaat. Onwillekeurig bracht hij ze tot meerdere +uitdrukking, met het gevolg, dat wij ze eerder opmerken. Treffend +is het in dit opzicht, dat hij voor de gelijkenis van de +geneesheerlijke koppen alle voorhoofden noodig achtte, en ze ieder +met zijne eigenaardigheden schilderde, terwijl hij ze bij de +staalmeesters, op eene enkele uitzondering na, onder de hoeden +wegstopte, als niet terzake dienende. Met de baardjes en kneveltjes +kon hij dit moeilijk doen; maar toch worden ook deze minder op den +voorgrond gebracht dan in 1631. +<p class="c2">Van knevels en baarden gesproken, het prentje +"Evertsen voor de Staten van Zeeland", eene historieplaat van een +negentiendeeuwschen teekenaar, geeft figuren uit hetzelfde tijdvak +als Rembrandts Staalmeesters. Ze zijn alle voorzien van snorren en +puntbaarden, vervaardigd naar een zelfde model, in dezelfde punt +gedraaid, van dezelfde dikte, in denzelfden gebogen vorm. Het +lijken gehuurde tooneelsikjes en tooneelknevels, die de heeren +vòòr gedaan hebben, om er kranig uit te zien. Naast +zulke zaken erkennen we eerst recht, hoe bij Rembrandt elk ding tot +juistheid komt. Wat geven zijn kort afgeknipte smalle haarlijntjes +op de verschillende bovenlippen een heel ander denkbeeld van de +mode anno 1660. Zòò moet het er uitgezien hebben; de +valsche spullen van de heeren Staten zijn eene bespotting. +<p class="c2">In den loop der jaren heeft alzoo Rembrandt ook het +groote snoeimes gezet in zijne neigingen bij het schilderen van +koppen. Hij beperkte zich hoe langer hoe meer tot datgene, wat het +wezenlijke is, wat het leven weergeeft. Dat, wat hij vroeger mooi +vond, en wat hem daarom aantrok, liet hij weg, als het voor het +eigenlijke doel niet diende. In 1632 stonden al de koppen, ofschoon +kunstig bijeengeschikt, als afzonderlijke portretten tegen een +donkeren grond; in 1661 steken ze zoo blank en rond niet af, maar +worden in het interieur opgenomen. Dat de Staalmeesters een portret +is, wordt in het geheel niet verbloemd-immers, het heeft niet den +schijn van eene gebeurtenis. De Les doet wel, alsof ze een voorval +is, en toch denken we dadelijk: die heeren zijn uitgeportretteerd. +<hr class="c8"> +<hr class="c3"> +<a name="WAT_PORTRETTEN_BIJEENVOEGT"></a> +<h2 class="c4">WAT PORTRETTEN BIJEENVOEGT.</h2><span class= +"c5"><br></span> +<p class="c2">De Staalmeesters staan of zitten voor ons, alsof we +hen in het werkelijke leven onverwachts overvielen. De schilder +heeft hen zoo weten te treffen, dat we niet zeggen: kijk, die zijn +er voor gaan zitten om er goed op te komen. En toch zijn ze dat +juist wel. Zelfs vestigen vijf van de zes hun blik op den +kunstenaar. Maar zooals ze naar hem-en omdat wij in zijne plaats nu +staan-naar ons kijken, wekt het de gedachte: ze zien naar iemand, +die binnenkomt. En dit is iets anders dan: ze zien naar den man, +die hen uitteekent. Het verschil is fijn gevoeld. Door Rembrandt is +deze indruk vastgehouden: alle heeren keken op, toen ik binnenkwam, +en schenen te vragen: wie is <i>dat</i> nu? Hij bearbeidde hen, +niet zooals hij ze voor zich zag zitten, wanneer ze +één voor één in zijne werkplaats kwamen +om te poseeren; maar met datgene op de gezichten, wat hij eventjes +had waargenomen, toen hij voor 't eerst binnenkwam. Hij schilderde +hen met in achtneming van eene lichte verwondering, van eenen +vragenden trek op het gelaat. Dit was eene natuurlijke, ongemaakte +uiting, doordat alle tegelijk iets vreemds hoorden en het hoofd +naar den kant draaiden, vanwaar het geluid kwam. Eene uiting van +leven, die door de personen niet eerst overdacht is; zonder overleg +kwam dit zoo op hunne gezichten; ze hadden zelfs den tijd niet, om +een slimmer of een opgewekter gezicht te zetten, dan hun van nature +eigen was. Nommer een van rechts af is bijvoorbeeld niet een van de +snuggersten geweest. Rembrandt doorzag dit met den eersten +oogopslag: in de hoog opgetrokken wenkbrauwen, in de dikke +oogleden, de slaperige oogjes, de vooruitstekende bovenlip voelde +hij het. Daarnaast zit een, die van de natuur geen welgemaakt +gezicht heeft meegekregen: het is wat te lang en te smal, de lippen +zijn te dik. Maar hij behoort tot de lieden, die ondanks hun +uiterlijk, een ieder aantrekken door iets prettigs en iets +vriendelijks in de oogen en om den mond. De middelste van de vijf +had juist het woord, en liet zich in zijn betoog door Rembrandt's +binnenkomen niet storen. De volgende rees overeind, misschien om +ter meerdere klaarheid er een ander boek bij te halen; aan den +draai van zijn hoofd zien we, dat zijn opstaan met de komst van den +schilder <i>niet</i> in verband staat; hij stond al, en heeft, +ondanks den blik op den binnenkomende, <i>andere dingen in het +hoofd</i>. Dit vooral is duidelijk aan hem te zien. +<p class="c2">Om kort te gaan: de gelaatsuitdrukkingen zijn +overvallen; niet bij een, maar bij allemaal. De verrassing is de +levenstinteling die allen eigen is. Neem er één +figuur uit, aan die verrassing is merkbaar, dat hij bij de anderen +op dit portretstuk thuis behoort. Bij geen van de zes stijgt de +uiting tot verbazing, bij geen heeft ze den schijn van +onverschilligheid. Ze is bij allen even sterk; we voelen zoo +heelemaal, dat allen onder denzelfden indruk even opzien; dat ze +als een groep, die bijeenzat, door Rembrandt zijn opgemerkt. Wat +hen vereenigt, is geen vertooninkje van eene les of van eenen +optocht, maar <i>eenzelfde gemoedstoestand</i>; ze doorleven eene +zelfde, gelijke gewaarwording. En dat maakt hen één. +Niet eene vreeselijke ontsteltenis, eene groote angst, eene woeste +drift; die zouden te veel ophef hebben gemaakt. Het blijft bij eene +nauwelijks merkbare aandoening. Iets als een zacht rimpeltje, dat +bij windzucht even over al de watervlakjes van een plasje loopt. +Zoo ondergaan ook de bloemen in de wei alle gelijkelijk het +voorbijgaan van een avondwindje. +<p class="c2">De schilder zelf is het middelpunt van aller +opmerkzaamheid. We kunnen ons hunne verrassing best voorstellen, +toen hij binnenkwam. Zijn roem was reeds lang gevestigd; ze vonden +het streelend, dat de groote Rembrandt in hun midden verscheen. Bij +voorbaat zijn ze in opgewekte stemming over hun afbeeldsel, dat +natuurlijk wel slagen zal, en dat misschien een beroemd stuk kan +worden. Deze gewoon menschelijke gedachtetjes spreken uit hunne +trekken. De schilder heeft dat allemaal door en door echt in hen +voelen leven. Hij maakte geene <i>figuren</i> van hen, hij bracht +ze <i>zelf</i> op het doek; het was geen namaak, geen afbeelden; +het was de aandoening, het denken, het verrast worden, het zich +prettig gevoelen zelf, wat hij gaf. +<p class="c2">Daar dit bij twee menschen nooit precies hetzelfde +is, al lijken ze uiterlijk nog zooveel op elkaar, wordt de +verscheidenheid van gezichten ook grooter, naarmate dat innerlijke +sterker spreekt. We zien het hier. Er is uiterlijk zeer veel +gelijkenis tusschen sommigen, en in kleeding tusschen alle. Maar +ieder denkt er zijn eigen van, als Rembrandt binnenkomt; en dat zet +hen allen ver uiteen, als zeer onderscheiden en heelemaal +verschillende menschen. Wij krijgen den indruk, dat dit geene +figuren, geene afbeeldsels zijn, maar wezens, die bestaan. We +worden door al de oogen, door al de verschillende manieren van +oogopslag zoo aangetrokken, dat we op het gelijke in kapsel, hoed, +kraag, kleeding en houding nauwelijks letten. In den oogopslag zit +hier een belangrijk deel van de portretten. Daarin voelen we, dat +de heeren zoo even nog met neergeslagen oogleden naar de tafel, +naar het boek of naar elkaar zaten te kijken; door het binnenkomen +worden de blikken opgeslagen; is het niet, alsof we deze beweging +er in voelen? En geeft de schilder niet bij ieder afzonderlijk iets +aparts in die beweging? Bij alle verschilt de teekening van het +opgeslagen ooglid, en bij ieder is het optrekken van de wenkbrauwen +weer anders dan bij de overigen. +<p class="c2">Als we al de monden langs zien, merken we ook hierin +de verscheidenheid. Wat is die bij den bediende dun van lippen en +heel anders dan bij den sinjeur, achter wiens rug hij staat. En zie +daarbij nu weer eens nummer een van rechts af, hoe die de onderlip +achteruittrekt en de bovenlip iets vooruitsteekt. +<p class="c2">Deze deelen van het gelaat dragen wezenlijk veel meer +de uiting van karakter en leven, dan de vleeschpartijen, die +Rembrandt in vroeger jaren op den voorgrond bracht. Hij is dus +sedert het Korporaalschap, ofschoon dit een meesterstuk was, steeds +hooger gestegen. Alles wat naar komediespel geleek, liet hij varen; +wat het zieleleven van zijne figuren sterker kon uitdrukken, greep +hij als hoofdzaak aan. +<p class="c2">Naar het uitwendige werd hij eenvoudiger, naar het +innerlijke forscher en grooter. Bedenken we nog bovendien, welke +wondere lichtspeling en kleurverlichting het oorspronkelijke stuk +der Staalmeesters den beschouwer te zien geeft, dan kunnen we +gerust zeggen, dat Rembrandt aan het eind van zijn leven een +onovertroffen schilder was. Hij had groote voorgangers gehad; en +onder deze voorgangers was hij zelf in jonger jaren een groot +kunstenaar geweest. Doch hij eindigde zijne loopbaan als een, die +hooger staat dan allen, ook hooger dan hij zelf eertijds stond. +<p class="c2">In den jare 1669 overleed hij. Op welken dag weet men +niet. Den 8<sup>sten</sup> October werd hij ter aarde besteld. Voor +<i>f</i> 15 werd hem een graf gegraven in de Westerkerk te +Amsterdam. Het bespelen van het carillon was in dien prijs +begrepen. Wie het graven van een graf met f15 kon betalen, behoorde +tot den gegoeden stand. Dit stelt ons gerust omtrent de geldelijke +omstandigheden, waarin hij in de laatste jaren verkeerd had; we +behoeven niet te gelooven, wat meermalen beweerd wordt, dat hij arm +gestorven is. En zijn leven is rijk geweest, rijk aan genot. Hij +heeft vele menschen en vele dingen gekend en begrepen. Kennen en +begrijpen is genot. +<p class="c2">Als wij ernstig trachten zijne werken te kennen en te +begrijpen, zullen we deel hebben in de erfenis die hij naliet: +genot van te zien en te begrijpen. De erfenis is groot genoeg voor +een geheel volk: wie zich de moeite geeft om te willen, kan +mede-erfgenaam worden. + +<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11286 ***</div> +</body> + diff --git a/old/11286-h/images/asselijnmet.png b/old/11286-h/images/asselijnmet.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..98849e4 --- /dev/null +++ b/old/11286-h/images/asselijnmet.png diff --git a/old/11286-h/images/asselijnzonder.png b/old/11286-h/images/asselijnzonder.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..75a9a51 --- /dev/null +++ b/old/11286-h/images/asselijnzonder.png diff --git a/old/11286-h/images/betaalmeester.png b/old/11286-h/images/betaalmeester.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..15be866 --- /dev/null +++ b/old/11286-h/images/betaalmeester.png diff --git a/old/11286-h/images/deruyterenzeger.png b/old/11286-h/images/deruyterenzeger.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..2f85fdb --- /dev/null +++ b/old/11286-h/images/deruyterenzeger.png diff --git a/old/11286-h/images/evertsen.png b/old/11286-h/images/evertsen.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..db03e6b --- /dev/null +++ b/old/11286-h/images/evertsen.png diff --git a/old/11286-h/images/groepuitdenachtwacht.png b/old/11286-h/images/groepuitdenachtwacht.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3042e9f --- /dev/null +++ b/old/11286-h/images/groepuitdenachtwacht.png diff --git a/old/11286-h/images/groepuitsimeon.png b/old/11286-h/images/groepuitsimeon.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..92f087e --- /dev/null +++ b/old/11286-h/images/groepuitsimeon.png diff --git a/old/11286-h/images/intochtinjeruzalem.png b/old/11286-h/images/intochtinjeruzalem.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..dd30cb0 --- /dev/null +++ b/old/11286-h/images/intochtinjeruzalem.png diff --git a/old/11286-h/images/latereopwekking.png b/old/11286-h/images/latereopwekking.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5ac854a --- /dev/null +++ b/old/11286-h/images/latereopwekking.png diff --git a/old/11286-h/images/molen.png b/old/11286-h/images/molen.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..62066f2 --- /dev/null +++ b/old/11286-h/images/molen.png diff --git a/old/11286-h/images/muiderkring.png b/old/11286-h/images/muiderkring.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e013129 --- /dev/null +++ b/old/11286-h/images/muiderkring.png diff --git a/old/11286-h/images/nachtwacht.png b/old/11286-h/images/nachtwacht.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a95f9cd --- /dev/null +++ b/old/11286-h/images/nachtwacht.png diff --git a/old/11286-h/images/ontleedkundigeles.png b/old/11286-h/images/ontleedkundigeles.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8691119 --- /dev/null +++ b/old/11286-h/images/ontleedkundigeles.png diff --git a/old/11286-h/images/opwekkingvanlazarus.png b/old/11286-h/images/opwekkingvanlazarus.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9b0198a --- /dev/null +++ b/old/11286-h/images/opwekkingvanlazarus.png diff --git a/old/11286-h/images/portretvansaskia.png b/old/11286-h/images/portretvansaskia.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7a16e99 --- /dev/null +++ b/old/11286-h/images/portretvansaskia.png diff --git a/old/11286-h/images/scheepsbouwmeester.png b/old/11286-h/images/scheepsbouwmeester.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..fa0c39d --- /dev/null +++ b/old/11286-h/images/scheepsbouwmeester.png diff --git a/old/11286-h/images/simeonindentempel.png b/old/11286-h/images/simeonindentempel.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d4dec00 --- /dev/null +++ b/old/11286-h/images/simeonindentempel.png diff --git a/old/11286-h/images/staalmeesters.png b/old/11286-h/images/staalmeesters.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..2eca474 --- /dev/null +++ b/old/11286-h/images/staalmeesters.png diff --git a/old/11286-h/images/titusvanrijn.png b/old/11286-h/images/titusvanrijn.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8a03824 --- /dev/null +++ b/old/11286-h/images/titusvanrijn.png diff --git a/old/11286-h/images/vrouwtjebas.png b/old/11286-h/images/vrouwtjebas.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..6084fb2 --- /dev/null +++ b/old/11286-h/images/vrouwtjebas.png |
