summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/11286-h
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:36:29 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:36:29 -0700
commitc1579481ddd93cf0201b1ddfe4eb2fe3ecd1743c (patch)
tree50bce6f7835319fa8e7c184b4c9a54291afe7224 /11286-h
initial commit of ebook 11286HEADmain
Diffstat (limited to '11286-h')
-rw-r--r--11286-h/11286-h.htm3282
-rw-r--r--11286-h/images/asselijnmet.pngbin0 -> 94158 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/asselijnzonder.pngbin0 -> 78926 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/betaalmeester.pngbin0 -> 293284 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/deruyterenzeger.pngbin0 -> 149535 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/evertsen.pngbin0 -> 209265 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/groepuitdenachtwacht.pngbin0 -> 351857 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/groepuitsimeon.pngbin0 -> 310754 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/intochtinjeruzalem.pngbin0 -> 253206 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/latereopwekking.pngbin0 -> 329791 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/molen.pngbin0 -> 284481 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/muiderkring.pngbin0 -> 253203 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/nachtwacht.pngbin0 -> 257947 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/ontleedkundigeles.pngbin0 -> 268073 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/opwekkingvanlazarus.pngbin0 -> 287170 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/portretvansaskia.pngbin0 -> 330169 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/scheepsbouwmeester.pngbin0 -> 210774 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/simeonindentempel.pngbin0 -> 251787 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/staalmeesters.pngbin0 -> 323902 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/titusvanrijn.pngbin0 -> 116406 bytes
-rw-r--r--11286-h/images/vrouwtjebas.pngbin0 -> 269320 bytes
21 files changed, 3282 insertions, 0 deletions
diff --git a/11286-h/11286-h.htm b/11286-h/11286-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..154ee2d
--- /dev/null
+++ b/11286-h/11286-h.htm
@@ -0,0 +1,3282 @@
+<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN">
+<html>
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Language" content="nl">
+ <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8">
+ <title>Meesterstukken van Rembrandt Harmensz. Van Rijn | Project Gutenberg</title>
+<style type="text/css">
+
+ P { text-indent: 1em;
+ margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em; }
+ h1, h2, h3, h4, h5, h6 { text-align: center; }
+ HR { width: 33%;
+ margin-top: 1em;
+ margin-bottom: 1em;}
+ BODY{margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;}
+ .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */
+ .note {margin-left: 2em; margin-right: 2em; margin-bottom: 1em;} /* block indent */
+
+ span.c10 {margin-left: 2em;}
+ span.c9 {margin-left: 1em;}
+ hr.c8 {width: 45%;}
+ a.c7 {color: #000000}
+ p.c6 {font-family: Verdana; font-style: italic}
+ span.c5 {font-family: Verdana}
+ h2.c4 {font-family: Verdana}
+ hr.c3 {width: 65%;}
+ p.c2 {font-family: Verdana}
+ h1.c1 {font-family: Verdana}
+</style>
+<body>
+<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11286 ***</div>
+
+<h1 class="c1">MEESTERSTUKKEN</h1>
+<p class="c2">VAN
+<p class="c2">REMBRANDT HARMENSZ. VAN RIJN.
+<p class="c2">LEESBOEK VOOR HET LAGER EN VOORTGEZET ONDERWIJS
+<p class="c2">DOOR
+<p class="c2">G. KIELDER,
+<p class="c2">HOOFD EENER SCHOOL TE 'S-GRAVENHAGE.
+<p class="c2">AMSTERDAM.-1906.
+<hr class="c3">
+<h2 class="c4">VOORBERICHT.</h2><span class="c5"><br></span>
+<p class="c6">Nu dit boekje juist in het Rembrandtjaar verschijnt,
+zal men het allicht indeelen bij de huldebetoogingen. Toch wil het
+daartoe niet gerekend worden. Onze leerlingen geven dikwijls blijk,
+dat ze met welgevallen luisteren naar of lezen over kunst; het is
+deze belangstelling, die de schrijver heeft willen voeden en
+ontwikkelen. Men zal bij de kennismaking den opvoedenden ondergrond
+van de stof der besprekingen wel opmerken.
+<p class="c2">Dat de onderwerpen ontleend werden aan de werken van
+Rembrandt, behoeft niet te bevreemden: deze schilder is voor de
+kunst en voor het kunstgevoel een geweldig opvoeder geweest, ook en
+vooral omdat hij sterk persoonlijk was in alles, wat van hem
+uitging.
+<p class="c2">Het was onvermijdelijk, dat de bespreking van
+portretten hier en daar het karakter aannam van eene historische
+uiteenzetting; ze stellen ons immers voor oogen het geslacht, te
+midden waarvan Rembrandt leefde, een geslacht dat historisch is
+geworden. Dat we het zien juist door het oog van een psycholoog, is
+vast geen nadeel!
+<p class="c2">De schrijver mag wel hopen, dat de menschen, die van
+kunst hun beroep maken, hem niet te hard vallen over de
+vrijmoedigheid, waarmee hij zijne laag-bij-den-grondsche inzichten
+ten beste geeft; hij heeft maar &eacute;&eacute;ne
+verontschuldiging: dat van hen nog niemand iets gedaan heeft voor
+de aesthetische opvoeding van het opkomend geslacht. Het zij gezegd
+zonder miskenning van de verdiensten van den Heer H. P. Bremmer,
+die reeds jaren lang in de weer is, om onderwijzers voor deze taak
+op te leiden. Bij dezen aan hem een woord van dank voor de
+beschikking over zijne vermaarde prentenverzameling.
+<p class="c2">Voor den gebruiker een wenk: bespreek elk plaatje,
+v&oacute;&oacute;rdat de tekst gelezen wordt; als bij het lezen
+plaat en tekst in het boekje niet tegenover elkaar staan, laat dan
+een van de twee boekjes op eenzelfde bank bij de plaat open liggen.
+Open staan is nog beter.
+<p class="c2">Den Haag 1906. G. KIELDER.
+<hr class="c3">
+<h2 class="c4">INHOUD.</h2><span class="c5"><a class="c7" href=
+"#WAT_GEEN_HOOFDZAAK_IS">WAT GEEN HOOFDZAAK IS.</a><u><br></u>
+<a class="c7" href="#DE_OPWEKKING_VAN_LAZARUS">DE OPWEKKING VAN
+LAZARUS.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#EENE_LATERE_OPWEKKING">EENE LATERE OPWEKKING.</a><u><br></u>
+<a class="c7" href="#HISTORISCHE_GEGEVENS">HISTORISCHE
+GEGEVENS.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#REMBRANDT_LANDSCHAPSCHILDER">REMBRANDT
+LANDSCHAPSCHILDER.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#VROUWE_SASKIA">VROUWE SASKIA.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#KLEINE_TITUS">KLEINE TITUS.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#ACTIE">ACTIE.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#MISLEIDE_AANDACHT">MISLEIDE AANDACHT.</a><u><br></u> <a class=
+"c7" href="#AANRAKING_MET_HISTORISCHE_PERSONEN">AANRAKING MET
+HISTORISCHE PERSONEN.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#MEER_DAN_PORTRET">MEER DAN PORTRET.</a><u><br></u> <a class="c7"
+href="#GEETSTE_PRENTEN">GE&Euml;TSTE PRENTEN.</a><u><br></u>
+<a class="c7" href="#VROUWTJE_BAS_VAN_T_RIJKSMUSEUM">VROUWTJE BAS
+VAN 'T RIJKSMUSEUM.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#KUNST_VAN_GROEPEEREN">KUNST VAN GROEPEEREN.</a><u><br></u>
+<a class="c7" href="#VERVOLG_VAN_T_KORPORAALSCHAP">VERVOLG VAN 'T
+KORPORAALSCHAP.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#SIMEON_IN_DEN_TEMPEL">SIMEON IN DEN TEMPEL.</a><u><br></u>
+<a class="c7" href="#EENE_ONDERGAANDE_ZON">EENE ONDERGAANDE
+ZON.</a><u><br></u> <a class="c7" href=
+"#VERGELIJKINGEN">VERGELIJKINGEN.</a><u><br></u> <a class="c7"
+href="#WAT_PORTRETTEN_BIJEENVOEGT">WAT PORTRETTEN
+BIJEENVOEGT.</a></span>
+<p class="c2">&nbsp;<a name="WAT_GEEN_HOOFDZAAK_IS"></a>
+<h2 class="c4">WAT GEEN HOOFDZAAK IS.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Vele eeuwen geleden leefde in Griekenland een
+schilder, van wien men de ongeloofelijkste dingen verhaalt, en
+wiens naam bij het nageslacht is blijven voortleven als die van een
+der grootste kunstenaars. Zeuxis, zoo heette hij, wist niet slechts
+de menschen, maar ook de dieren met de voortbrengselen van zijn
+penseel in verrukking te brengen. Dit blijkt uit het volgende.
+<p class="c2">Hij schilderde eens een vruchtenstuk; in bevallige
+wanorde lagen bessen, druiven, noten en appelen door elkander, met
+hier en daar een groen blad er tusschen. Ieder, die het zag, stond
+verbaasd over de juistheid, waarmee elk onderdeel bewerkt was. En
+kijk, toen de toeschouwers zich verwijderd hadden van de
+muurschildering, kwamen de vogelen toevliegen en pikten naar de
+druiven. Misleid door den schijn, hadden ze deze voor echt
+gehouden.
+<p class="c2">Een verhaal, dat er gaat van een paardenstuk, komt
+hier vrij wel mee overeen. Dit gaf de afbeelding van een paard te
+zien, en zoo bedriegelijk juist, dat het vurig strijdros van
+Alexander den Groote, toen het voor de schilderij werd gebracht,
+aan de teugels rukte en tegen zijn gewaanden natuurgenoot begon te
+hinneken.
+<p class="c2">We hebben hier het oordeel van redelooze dieren over
+kunst van menschen. Het volk kende daar eene zekere waarde aan toe;
+het oordeelde zoo: "wie heeft beter kijk op paarden dan een paard,
+wie beter op vruchten dan een vogel? Als nu door dezen de
+gelijkenis in een schilderstuk wordt opgemerkt, moet ze wel
+bijzonder juist wezen; geene goedkeuring van menschen kan voor den
+kunstenaar zoo vleiend zijn als die van dieren, mits deze met het
+onderwerp in betrekking staan."
+<p class="c2">Er is nog een oud verhaal van een beroemd schilder.
+<p class="c2">Apelles had eene menschelijke figuur geschilderd en
+stelde die ten toon, terwijl hij zelf in een verborgen hoekje naar
+het oordeel der beschouwers luisterde. Een schoenmaker kwam daar
+langs en bleef staan. Zijn blik rustte onderzoekend op de voeten,
+en hoorbaar mompelde hij voor zich heen: "Ze zijn te groot, wat zou
+je een leest moeten hebben, om daarvoor schoenen te maken."
+<p class="c2">Appelles nam den wenk ter harte, en den volgenden dag
+had hij de gelaakte lichaamsdeelen iet of wat kleiner gemaakt.
+<p class="c2">Weer kwam de schoenmaker voorbij. "Kijk", dacht hij,
+"Appelles heeft zijn fout ingezien en verbeterd. Jammer, dat hij nu
+ook in houding en gebaar niet wat meer de fierheid van eenen
+krijgsman heeft uitgedrukt."
+<p class="c2">Nu werd het den schilder te kras. Hij kwam te
+voorschijn en voegde den schoenmaker toe: "Over houding en gebaar
+zwijg je! Een schoenmaker blijve bij zijne leest."
+<p class="c2">Met deze terechtwijzing is het volk het geheel eens
+geweest, zoo zeer, dat de uitdrukking in den vorm van een
+spreekwoord is blijven voortleven. De schoenmaker kreeg hetzelfde
+recht van meepraten als de vogel en het paard, een recht, dat aan
+iedereen stilzwijgend is toegekend: wie door zijn vak verstand
+heeft van het onderwerp, dat op een schilderstuk is voorgesteld,
+heeft bevoegdheid om een oordeel uit te spreken.
+<p class="c2">Dit komt dus hierop neer, dat het stuk pas goed is,
+wanneer het de menschen voldoet, die als vaklui verstand hebben van
+de dingen, die er op staan. Bijgevolg heeft de beschouwer meer met
+de dingen dan met den kunstenaar te maken.
+<p class="c2">Grooter dwaling dan deze opvatting is niet denkbaar.
+Bij elk kunstwerk is juist de persoon van den maker de hoofdzaak.
+Hij is het eenige, waarop men te letten, waaraan men te denken
+heeft. De vraag is niet, wat staat er van het ding of van de
+gebeurtenis op, maar waaruit bespeur ik den kunstenaar; wat zie ik
+er in, dat door hem alleen is gezien en gevoeld; dat ik nu ook wel
+zie en voel, doch alleen doordat <i>hij</i> het mij zoo voorhoudt.
+Alles wat ik van te voren al wist van het ding of van de
+gebeurtenis, is op de schilderij bijzaak. Want het is kennis, die
+iedereen heeft. En de kunstenaar gaat niet in zijn werk op, om
+datgene te vertoonen, wat alle oogen wel zien en alle harten wel
+voelen. Hij is juist kunstenaar door iets, wat een ander ontbreekt,
+door gewaarwordingen, die een ander alleen door hem kan krijgen.
+<p class="c2">Het onderwerp is maar onderwerp. Natuurlijk geeft het
+den beschouwer reden tot tevredenheid, als hij met het onderwerp
+niet in de war zit, als hij alles een naam kan geven en van alles
+de gedaante en den vorm herkent. Maar van meer belang is het, dat
+hij zich rekenschap geeft van datgene, wat niet het onderwerp, maar
+wat de kunstenaar laat zien. Het verwondert ons daarom van Apelles,
+dat hij zooveel aandacht schonk aan de opmerkingen van eenen
+schoenmaker over de voeten van zijne figuur. Eerder zou men
+verwacht hebben, dat hij luisterde, toen die een oordeel uitsprak
+over dingen, die buiten zijn vak en zijnen werkkring lagen.
+<p class="c2">Bij het beschouwen van werk van Rembrandt zullen wij
+goed doen, als we deze onderscheiding in het oog houden: wat stelt
+het voor, en waaraan bespeur ik, dat een buitengewoon oog dit
+onderwerp bekeken heeft.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="DE_OPWEKKING_VAN_LAZARUS"></a>
+<h2 class="c4">DE OPWEKKING VAN LAZARUS.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">De eerste prent draagt tot onderschrift: "De
+opwekking van Lazarus."
+<p class="c2">Op de vraag, <i>wat</i> er op staat, vinden we in den
+Bijbel het antwoord, en wel in het Evangelie van Johannes, daarvan
+het elfde hoofdstuk.
+<p><img alt="" border="0" src="images/opwekkingvanlazarus.png" width="473"
+height="667">
+<p class="c2">[Opwekking van Lazarus.]
+<p class="c2">Volgens dezen tekst moet de plaat te zien geven: den
+gestorven Lazarus, liggende in het graf, den Heer Jezus, de
+zusters, de vrienden en de discipelen staande daar rondom.
+Bovendien lezen we er, welke handeling ieder der aanwezigen
+verricht.
+<p class="c2"><i>Hoe</i> staat een en ander er nu op? Hoe zijn de
+figuren geteekend? Hoe wordt datgene voorgesteld, wat elk
+figuurtje, volgens den aangewezen tekst, moet verrichten?
+<p class="c2">Laten we met Lazarus beginnen. Na hem komen de
+anderen wel aan de beurt.
+<p class="c2">Is er in de teekening van deze lijntjes, streepjes en
+krabbels iets, dat we buitenwoon vinden, dat wij zelf niet in ons
+hoofd hadden, als Rembrandt het ons niet zoo vertoonde.
+<p class="c2">De figuur van Lazarus is in blanke tint uitgebeeld;
+ook de steenwanden, waar hij tusschen ligt. Het is, alsof zijn
+lichaam in teerheid en witheid &eacute;&eacute;n geheel vormt met
+het gesteente, alsof hij reeds een bestanddeel vormt van den schoot
+der aarde, waaraan zijne bloedverwanten hem hebben toevertrouwd.
+Nauwelijks onderscheidt zich zijn gestrekt liggend lijf van de
+groeve; als mensch was hij uit stof gemaakt; gestorven zijnde, is
+zijn stoffelijk omhulsel oogenschijnlijk al bijna weer in het stof
+opgenomen. De blankheid van het gewaad is zoo ongerept gehouden,
+als maar mogelijk was. Al de aanduidingen van kreukjes en plooien,
+van vouwen en rimpels zijn uiterst teer geteekend om niet te veel
+zwart aan te brengen. Bijna ongemerkt loopt de lijn voort, die den
+steenwand op den voorgrond afscheidt van de figuur. Even ongemerkt
+zien we de linkerhand langs den anderen wand tastende zoeken naar
+steun. In lijnwaad gewikkeld, onderscheidt de arm zich bijna niet
+van het gesteente; toch krijgen we wel de gewaarwording, dat onder
+al de plooien van de stof dat lichaamsdeel zich beweegt, zich
+opheft en voortschuift. Zoo ook, dat onder het doodskleed het lijf
+zich opricht, zich kromt. In de richting van de voeten is alles nog
+rust; daar smelten, om zoo te zeggen, stof en stof nog in een. Maar
+het hoofd en de hals hebben zich reeds losgemaakt van den schoot
+der aarde. Daar zijn de afscheidingen door den teekenaar
+duidelijker gegeven; scherpe schaduwkanten loopen langs schouder en
+afhangend haar, terwijl voorhoofd, gelaat en linkerschouder in
+fijne blankheid afsteken tegen een hoekje donkeren rotswand. Waar
+het leven terugkeert, scheidt zich het lichaam het eerst en het
+duidelijkst af van de aarde. Door de oogharen bezien, zal het ook
+lijken, alsof het hoofd zich opbeurt uit den bodem, alsof het zich
+daarvan losmaakt.
+<p class="c2">Zie, dit zijn geen dingen, die ieder lezer van het
+Evangelie van Johannes in zijne verbeelding ziet. Ook is het geen
+bewijs van buitengewone getrouwheid in het uitbeelden van een
+lichaam dat in een graf ligt; want in werkelijkneid zal er wel
+altijd juist eene scherpe tegenstelling zijn tusschen de reine,
+witte gewaden en de donkere aardkluiten of rotsmuren. Het is een
+wijze van zien, die ons rechtstreeks aan Rembrandt zelf doet
+denken. Alles <i>was</i> niet zoo, en alles staat niet zoo te lezen
+in de Schrift; hij <i>zag</i> het zoo. In deze manier om de
+grafligging te zien leeft hij voort. Sedert hij het zoo gewaar werd
+voor zijn geestesoog, zien wij het ook, maar alleen door hem.
+<p class="c2">Aangrijpend is het, te zien, hoe op het gelaat zich
+het wederkeerende leven openbaart.
+<p class="c2">Het oog, dat in de diepe oogkas ligt weggezonken,
+opent zich en ontvangt wel de eerste lichtstralen, maar besef heeft
+het niet. Wezenloos en smartelijk staart het voor zich uit, het
+ooglid is zwaar en loom en schijnt gereed om weer toe te vallen,
+gelijk het reeds voor eeuwig scheen toegevallen te zijn. Flauw en
+gebroken is even de oogappel aangegeven.
+<p class="c2">De mond is maar niet zoo een zwart streepje of een
+vlekje; hij heeft, hoe klein ook van afmetingen, eenen bepaalden
+vorm, en eenen vorm, die iets uitdrukt. Is het niet de eerste
+ademtocht, die we hier zien? Stroomt niet de levenslucht naar
+binnen in ademhalingsruimten, die reeds bestemd waren om geen adem
+meer te bevatten, en die ook reeds afgeplat en naar binnen gebogen
+neerlagen. Pijnlijk volbrengt de mond deze eerste levensuiting,
+maar zonder bewustzijn, zonder besef.
+<p class="c2">De wangen zijn mager en hoekig, de onderkaak scherp
+afgeteekend, de neus smal en ingevallen. Het oor zit maar
+nauwelijks nog aan het hoofd, zooals we dat bij zieken waarnemen,
+die langzaam wegteren. Ook het halsje draagt de sporen van lijden;
+diepe groeven en rimpels strekken zich uit van boven naar beneden,
+en bij de kaak, van links naar rechts. Te zwak is het, om het hoofd
+te dragen; terwijl dit zich opricht, helt het machteloos naar links
+over.
+<p class="c2">Zoo bespeuren we in elk onderdeel van deze figuur de
+aandoening van den teekenaar. Het feit, dat geteekend moest worden,
+de opleving van iemand uit zijn graf, stond vast. Dat het
+vreeselijk moet zijn geweest, om deze gebeurtenis mee aan te zien,
+stond ook wel vast. Maar nu komt de kunstenaar en houdt er zich mee
+bezig. Hij voelt het vreeselijke zoo sterk, zoo overweldigend, dat
+het kleinste krabbeltje, wat hem uit de hand vloeit, nog uiting
+geeft aan dat gevoel. En wij, de beschouwers, komen daardoor tot de
+erkenning: alles op zoo'n gezicht moet dien indruk hebben gemaakt;
+bij zulke oogen zoo'n mond, zoo'n neus, zoo'n hals en zoo'n
+houding.
+<p class="c2">Laten we de proef eens nemen, of het echt is, wat we
+opmerken. Door met een paar stukjes papier de overige deelen van de
+plaat te bedekken, houden we Lazarus alleen over en kunnen nu
+beoordeelen, of in hem uitgedrukt is, hoe het feit zich toegedragen
+heeft. We zien onmiskenbaar, dat het figuurtje, wat zich hier
+opricht, iets vreeselijks doormaakt; dat het maar niet iemand is,
+die in zoo'n groeve te slapen lag en zich nu opricht; dat de
+wezenloosheid op het gezicht niet de uitdrukking is van een half
+slapende of van een, die bijvoorbeeld onder den invloed van sterken
+drank is. Alles is zoo sterk van aandoening en grijpt zoo aan, dat
+alleen deze figuur voldoende zou zijn om de tekst uit het Evangelie
+van Johannes te illustreeren.
+<p class="c2">Nu de figuur van Jezus. Zooals Hij daar staat, naast
+het geopende graf, is alles waardigheid en hoogheid aan Hem. We
+zien Hem als eene gestalte, wie langs den rug de mantel in
+&eacute;&eacute;ne groote beweging tot den grond afhangt. In zoo'n
+rijzigheid stellen we ons gaarne voor, iemand, die als verrichter
+van groote dingen optreedt. De opgeheven linkerhand, ofschoon de
+vingers niet mooi zijn geteekend, begeleidt in grootsch gebaar de
+woorden: "Lazarus, kom uit!" Rustig en vol majesteit wacht Jezus de
+uitwerking af. Bij Hem geene verbazing, verrassing of ontzetting
+over de herrijzenis; bij Hem slechts verzekerdheid, dat nu gebeuren
+zal, wat Hij gebiedt.
+<p class="c2">Eene groote tegenstelling is er tusschen dat rustige
+staan en de omringende aandoeningen. Om dit duidelijk te voelen,
+nemen we een stukje papier en leggen het zoo over de prent, dat de
+gestalte van Jezus aan ons oog onttrokken wordt.
+<p class="c2">Het geheel is nu een druk tooneeltje geworden. De
+omstanders geven op eene in 't oog loopende wijze uiting aan hun
+gevoel. Ze herinneren ons aan voorvalletjes, die we langs straat en
+gracht wel eens waarnamen, bijvoorbeeld als er iemand in het water
+viel; dan waren de menschen ook verschrikt, je hoorde ze door
+elkaar gillen, hard wegloopen, achteruitdeinzen, om hulp roepen, de
+handen uitsteken en op andere manieren zich lawaaierig aanstellen.
+Zoo'n volksoploopje met druk gedraai van lijven en gewring van
+handen blijft er van de prent over, als we die eene figuur er
+uitnemen.
+<p class="c2">En met deze figuur, is alles plechtig en grootsch.
+Het statige dringt het drukke gedoe van de omstanders op den
+achtergrond. We denken niet langer aan onbeduidende
+straattooneelen, maar we krijgen weer den indruk van eene
+testamentische, eene aartsvaderlijke geschiedenis. Het oploopje,
+dat zoo in het voorbijgaan even de menschen in beweging bracht, is
+eene gebeurtenis geworden voor alle tijden, eene bladzijde uit de
+boeken der eeuwen. We behoeven de bijbeltekst niet te kennen, om
+reeds bij den eersten blik te begrijpen, dat dit voorval iets
+bijzonders is, iets groots, iets dat invloed zal hebben op
+geslachten en nageslachten.
+<p class="c2">Waaraan is dit anders toe te schrijven, dan aan de
+majesteit, de verhevenheid van de gestalte, die naast het graf van
+Lazarus staat!
+<p class="c2">Toch spreekt uit de teekening ook eene verkeerde
+neiging van Rembrandt. Hij zet zijne figuur daar neer, alsof ze een
+tooneelheld is; met sierlijk gebaar wordt de eene hand in de zij
+gezet en de andere met wat erg veel vertooning omhoog geheven. Hij
+overdrijft het grootsche en maakt er eenigszins comediespel van. We
+mogen deze opmerking gerust maken; al is het onderwerp aan de
+Heilige Schrift ontleend, wij spreken niet daarover maar over den
+teekenaar.
+<p class="c2">Zijn streven om het mooi te maken blijkt bijvoorbeeld
+heel duidelijk uit de plooien, waarin de rechterhand den mantel
+heeft opgenomen. De zeven bochten maken den indruk, dat ze in
+stevig metaal of karton zijn gebogen. Niet aangenaam is het, dat we
+een paar dergelijke plooien op den achtergrond aan den linker kant
+in eene groote draperie terugvinden. Het lijken wel oude bekenden
+uit gordijnenwerk van menschen, die onze kamers stoffeeren.
+<p class="c2">De indruk, dien de opwekking van den gestorvene op de
+omstanders maakt, is in allerlei verscheidenheid weergegeven. Het
+liefste is ons het vrouwenfiguurtje rechts op den voorgrond. Het
+staat in schaduwgedaante voor het felle zonlicht, dat van buiten af
+in de groeve doordringt. Met spanning ziet het vrouwtje de
+levensverschijnselen op het doodengelaat terugkeeren. Doch met eene
+spanning, die ingehouden wordt. Het rechterhandje legt zich
+zelfbedwang op, om nog geen uiting te geven aan de vreugde, om nog
+af te wachten. Te groot is het wonder, te groot het geluk, om reeds
+te kunnen gelooven. Van innigheid en liefde getuigt deze
+ingehoudenheid, meer dan de uitgelaten gebaren der anderen. Ook de
+plaats, waar dit figuurtje zich bevindt, aan het voeteneinde van
+het graf, afgescheiden van de overigen, is iets aparts.
+<p class="c2">Van de overige personen geeft ieder, op eigen wijs,
+in gelaatsuitdrukking of handgebaar uiting aan zijne
+gewaarwordingen. Schrik, ontsteltenis, verrukking, ongeloovigheid
+en afschuw, iedere aandoening vindt hare vertolking. Wantrouwen
+zelfs, en de nuchtere berekening, hoe dit verrichte wonder als een
+wapen tegen Jezus gebruikt zal kunnen worden.
+<p class="c2">De verlichting, waaronder deze figuren zijn
+geplaatst, heeft eene grootsche werking. Het ongeoefend oog zal bij
+den eersten aanblik misschien den indruk krijgen, dat de kunstenaar
+groote vlakten in zijn werk wit heeft gelaten en dus nog niet heeft
+bearbeid, alsof de teekening onvoltooid is gebleven. Maar tusschen
+de oogharen door gezien, gaat er een licht op. De ruimten, die niet
+met zwarte lijntjes zijn gearceerd, blijken verlicht te zijn.
+<p class="c2">Door de opening van het rotsgraf vallen zonnestralen
+naar binnen en spreiden hunne helderheid over de groeve en den
+rotswand, over Lazarus en de groepjes terzijde van het graf; ook
+over het front van den Heer Jezus, terwijl daarenboven de
+achtergrond rechts in lichtelaaie schijnt te staan. Steeds door de
+oogharen moet men zien, hoe, daarbuiten, die gloed naar boven toe
+in ijle en zware wolken opwasemt, hoe, met het onhandelbare middel
+van harde zwarte krassen, de luchtigheid van opdampende
+lichtnevelen is verkregen.
+<p class="c2">De tot het leven terugkeerende Lazarus is het
+middelpunt van de zonnebestraling, en als verlegen ligt hij onder
+de glorie van het grootsche licht, waarin hij ontwaakt. Zijne
+kleine machtelooze figuur wekt in dien gloed nog te meer ons
+medegevoel en medelijden op. Hij is het middelpunt niet slechts van
+de blikken der omstanders, maar ook van de binnenvallende
+zonnestralen. En onze blik dwaalde eveneens het eerst en het laatst
+naar hem.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="EENE_LATERE_OPWEKKING"></a>
+<h2 class="c4">EENE LATERE OPWEKKING.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Vele jaren later heeft Rembrandt voor de tweede maal
+het onderwerp "de opwekking van Lazarus" behandeld. We zullen deze
+plaat met de vorige vergelijken, om de verschillen vast te stellen,
+en de oorzaken van de verschillen op te sporen. Het ligt voor de
+hand om te zeggen: "als een groot teekenaar iets aflevert, levert
+hij het af, zoo goed als in zijn vermogen ligt, hij kan het een
+tweede maal dus niet beter, tenzij het den eersten keer gebrekkig
+is geweest." De vergelijking zal echter leeren, dat dezelfde
+kunstenaar een zelfde onderwerp anders <i>moet</i> behandelen,
+indien er later andere gevoelens in hem omgaan. Dat dus de
+levenslotgevallen invloed hebben op het werk.
+<p class="c2">We herkennen weer een rotsgraf; maar nu met uitzicht
+op een landschap met geboomte; daarachter, op een berg, verrijst
+eene stad; verder, evenals op de eerste plaat, een groep
+omstanders, de Heer Jezus en de verrijzende Lazarus. Ook hier
+beschijnt het zonlicht een deel van het tafereel, maar het is
+minder opzettelijk, minder bepaald op de plek gericht, waar het
+wonder geschiedt. En het is thans niet het ontwaken uit een
+pijnlijk diepen slaap, wat de kunstenaar ons voor oogen stelt, maar
+de groote bevreemding van den ontwakende. Lazarus begrijpt niet,
+wat er voorvalt. Hij kent den persoon niet, die tegenover hem
+staat, hij herinnert zich niet, wat met hem gebeurd is. De mond,
+die de eerste levenslucht heeft ingeademd, blijft sprakeloos
+halfgeopend staan, en is vol verbazing. Met moeite en scheef richt
+het lijf zich half overeind. Er is eene ontzetting van zoo het
+middelpunt te zijn van aller aandacht, zonder nog te begrijpen
+waarom. De zintuigen zijn ontwaakt en nemen reeds waar, maar de
+herinnering, de kennis, het innerlijk leven, moeten nog
+terugkeeren.
+<p class="c2">Rembrandts bedoeling is dus eene andere geweest dan
+in zijne eerste "Opwekking", en begrijpelijk zien we die bedoeling
+voor ons.
+<p class="c2">In de figuur van Jezus missen we thans het verhevene,
+het goddelijke. Ook in het gelaat. Dit komt geheel niet overeen met
+de mooie gezichten, die we van den Zaligmaker zoo wel eens op
+platen hebben gezien. Men zou het bijna een ongunstig uiterlijk
+kunnen noemen. Maar er is &eacute;&eacute;n trek in, waardoor we
+voor deze voorstelling van Jezus meer voelen, dan voor de eerste.
+Het zijn de goedheid en de zachtheid, die hier spreken. De half
+neergeslagen oogen, het even gebogen hoofdje, het bijna verlegen
+afgewende gelaat, alles draagt daarvan de uitdrukking; de
+rechterhand, niet vast en krachtig tot vuist gebald, maar zacht en
+mild, en nauwlijks toegesloten; de linker, die op de eerste prent
+vol grootheid zich opheft bij het veelzeggend woord, maakt hier een
+vriendelijk, bijna weifelend gebaar, niet verder dan ter hoogte van
+de borst opgeheven.
+<p><img alt="" border="0" src="images/latereopwekking.png" width="633"
+height="833">
+<p class="c2">[Latere opwekking (1642).]
+<p class="c2">De opwekking is zoo geene uiting van goddelijke
+macht, geen wonder, om er ongeloovigen mee tot bekeering te
+dwingen, maar ze wordt eene daad van goedheid, van medegevoel voor
+hen, die bedroefd om het graf stonden, een daad van liefde en van
+innigheid. Wel is waar zal men op de eerste prent allicht de
+gestalte grootscher en mooier vinden; maar innerlijk laat ze ons
+koud. Ons <i>gevoel</i> wordt meer getroffen door de uitdrukking
+van zachtheid op de tweede; door het echt menschelijke en
+vriendelijke van den Heer in den omgang met menschen.
+<p class="c2">Rembrandt is teruggekomen van het ontzaglijke tot het
+gewone. Ook in de omstanders. Wel staan ze, evenals op de eerste
+plaat, ontdaan, getroffen, verbaasd, maar geen een slaat er meer
+een gat in de lucht met zijne handen. De teekenaar heeft zich weten
+te matigen, hij blijft sober, eenvoudig en kalm. Aan gevoel
+ontbreekt het hem echter niet: men zie slechts het gelukkige
+gezicht van het vrouwtje, dat naast Jezus staat. En wat heft ook
+het mannetje aan Zijne linkerhand de handjes in juistheid van
+gevoel: er is verbaasdheid over het wonder, in het vooruitgestoken
+gezicht zoowel als in de handen; maar de aandoening wordt met
+zelfbedwang ingehouden. Ingehouden ook in het geknielde figuurtje
+op den voorgrond, dat wel ontzet terugdeinst, maar zich niet aan
+groot misbaar te buiten gaat. Ondanks den indruk, dien het wonder
+op de omstanders maakt, blijft eene waardige kalmte heerschen. En
+we maken de opmerking, dat die kalmte wel past op eene plek, die
+toch altijd een graf is. Kalm neemt vooral het oudvadertje het op,
+dat rechts van Jezus op een steenblok zit. Hoogstens trekt hij de
+wenkbrauwen iets meer op dan gewoonlijk, en stulpt hij zijne
+uitgezakte onderlip iets verder vooruit, ten bewijze, dat hij niet
+volkomen begrijpt, wat hier voorvalt. Wijsgeerig en onderzoekend
+rust zijn rimpelig hoofd op de knokige hand.
+<p class="c2">Bij de beschouwing van de figuren der omstanders
+krijgen we den indruk, dat Rembrandt al het vreemde en ongewone
+heeft willen vermijden, om des te dieper te doen gevoelen, welke de
+uitwerking heeft moeten zijn van dit wonder op de aanwezigen. Zelfs
+de achtergrond stemt tot kalmte; in plaats van laaiende lichtwolken
+en opwasemende zonneschijndampen vinden we een vredig landschap met
+vriendelijk uitzicht op de bergstad.
+<p class="c2">De aandoening van grootheid, forschheid,
+uitgelatenheid en opwinding heeft plaats gemaakt voor stille ernst
+en innigheid. Er is over den teekenaar een zachtheid gekomen en
+eene mildheid, die ons weemoedig stemmen.
+<p class="c2">In de eerste plaat was hij hartstochtelijk, en
+streefde hij naar vertoon van uiterlijke grootheid. Hij moest zich
+uitspreken met woeste en groote gebaren. In de tweede is hij innig
+en gevoelvol; alles lijkt gewoon; maar er zit teederheid en
+medegevoel in. In het dagelijksche leven merken we ook op, dat zij,
+die bij alles het meeste misbaar maken, niet juist de naturen zijn,
+die het diepst voelen.
+<p class="c2">Door de twee platen zoo met elkaar te vergelijken,
+wordt het ons duidelijk, dat niet de bijbeltekst vaststelt, hoe
+eene teekening zal worden. Hetzelfde gegeven kan op twee
+uiteenloopende manieren behandeld worden. Wat den doorslag geeft,
+is de gemoedstoestand van den kunstenaar. Zooals hij de gebeurtenis
+voelt, zoo wordt de afbeelding. Kan men in eene afbeelding niet
+merken, dat de teekenaar onder den indruk van eene gemoedsbeweging
+heeft gewerkt, dan heeft men waarschijnlijk te doen met een stuk
+van geringe waarde.
+<p class="c2">Eene goede teekening weerspiegelt zelfs de stemming
+van den teekenaar in een bepaald tijdperk van zijn levensloop.
+<p class="c2">De gebeurtenis, die tusschen de twee bewerkingen van
+de opwekking van Lazarus ligt, was wel in staat, om in het gemoed
+van Rembrandt in te grijpen. In 1642 ontviel hem door den dood
+zijne jeugdige echtgenoote. In de eenzame, slapelooze nachten, die
+nu volgden, dacht hij aan haar, en peinsde hij over haar. Is het
+wonder, dat hij zich de mogelijkheid voorstelde van een weerzien?
+Maakte niet de Schrift gewag van een geval, dat een gestorvene uit
+den dood herrees en tot de zijnen wederkeerde? Maar ach, dat kon
+gebeuren eeuwen en eeuwen geleden! Voor hem geen hoop, dat Saskia
+tot hem terug zou komen, om nog op aarde naast hem voort te leven.
+Voor hem niets, dan het denkbeeldig geluk, wat het zou zijn, als
+<i>zij</i> door Jezus uit het graf werd geroepen met de woorden:
+"Kom uit!" De behoefte ontstond, om de opwekking van Lazarus nog
+eens te behandelen. Maar nu met andere gedachten. Nu niet om te
+toonen, hoe grootsch hij den Zaligmaker vond, en hoe vreeselijk
+voor Lazarus de overgang uit het doodenrijk in het leven moet zijn
+geweest! Nu, om met zijne gedachten te verwijlen bij het geluk, de
+blijdschap, de innige zaligheid, die het herrijzen schonk aan de
+treurende nabestaanden; nu, om zich voor te stellen, hoe goed de
+Heer wel geweest moet zijn, om dit wonder voor zijne vrienden te
+verrichten.
+<p class="c2">En zie: onder den indruk van deze gedachten bewerkte
+hij, kort na Saskia's dood, de tweede plaat. Om die ten volle te
+begrijpen, moet men met deze bijzonderheid uit het leven van
+Rembrandt bekend zijn. Zonder die kennis zou men kunnen denken, dat
+de tweede bewerking alleen de bedoeling had om iets te maken, dat
+beter was dan de eerste. Ze zou dan ook van teekening de beste van
+de twee moeten zijn. Dit ligt echter in de voorgaande beschouwing
+niet opgesloten: er is slechts aangetoond, dat de tweede
+"Opwekking" inniger, liefdevoller is; en dat we kort na 1642 niet
+anders van Rembrandt konden verwachten.
+<p class="c2">Wat voor deze prent eene noodzakelijke behoefte
+gebleken is, eenige kennis namelijk van de levensgeschiedenis van
+den kunstenaar,-dat kan men evenmin bij heel veel ander schilder-en
+teekenwerk ontberen. Daarom hebben geschiedvorschers met ijver
+datgene nagespoord, wat licht kon verspreiden over zijne
+levenshistorie. Nog lang is alles niet bereikt; veel bleef er in
+het duister gehuld; maar toch zijn er gegevens genoeg aan het licht
+gekomen, om te kunnen zeggen, dat we de hoofdgebeurtenissen kennen.
+Het is zelfs mogelijk geworden, om gedurende enkele tijdperken met
+den schilder alles mee te beleven, wat hij beleefde; om als het
+ware naast hem een met hem zijne lotgevallen door te maken. Onder
+deze zijn er wel geene, die meer invloed op het gemoed en op de
+werklust hebben gehad, dan die, welke hij met zijne vrouw
+ondervond. We zullen daarom trachten iets meer van nabij met haar
+bekend te worden.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="HISTORISCHE_GEGEVENS"></a>
+<h2 class="c4">HISTORISCHE GEGEVENS.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Het was in den zomer van het jaar 1634, dat Rembrandt
+zich aan den IJ-kant te Amsterdam inscheepte, om naar Friesland te
+gaan. De tocht ging over zee, zooals toenmaals vanzelf sprak. De
+vervoermiddelen te land waren slecht, de wegen eveneens, en
+bovendien was de Republiek nog in oorlog met Spanje, waardoor een
+reis over de Veluwe soms onaangename avonturen opleverde. In 1628
+maakte de vijand onder aanvoering van Cuculi nog strooptochten tot
+onder de wallen van Amersfoort. De Zuiderzee daarentegen was
+veilig; de dagen van Bossu behoorden tot het verleden.
+<p class="c2">De beurtschipper zette onzen schilder te Harlingen
+aan land. Vandaar ging het per binnenvaartuig over Franeker naar
+het weinig bekende dorpje Sint Anna-parochie, en wel met het doel
+om er in de echt te worden vereenigd met eene deftige Friesche
+jongedame.
+<p class="c2">Rembrandts huwelijk is een merkwaardig staaltje van
+de geschiedenis van Geschiedenis.
+<p class="c2">Men stelt zich gewoonlijk voor, dat de kennis van dit
+vak uit boeken wordt opgedaan. De schrijvers dezer boeken hebben op
+hunne beurt ook weer uit boeken geput, maar zijn even dikwijls
+langs anderen weg achter de toedracht der gebeurtenissen gekomen.
+<p class="c2">Niet door overlevering, die van ouder op kind, van
+kind op kindskinderen overgaat. Immers, wij in onze dagen, weten
+meer van Rembrandt,-om bij hem te blijven-dan onze voorouders uit
+het jaar 1800, zelfs meer dan die uit 1700, ja! meer dan Rembrandts
+eigen tijdgenooten! Zijne vrienden en kennissen natuurlijk
+uitgezonderd. Onze kennis kan dus geene overgeleverde kennis zijn.
+<p class="c2">Zoo heeft men honderd en vijftig jaar lang niet met
+zekerheid geweten, dat en met wie hij getrouwd is geweest.
+<p class="c2">Men vertelde: met eene kleine, dikke boerin uit
+Raasdorp. Een dorp van dien naam is er niet. Men begon dus, met
+maar aan te nemen, dat Ransdorp was bedoeld, een plaatsje in
+Waterland. Echter wilde het niet gelukken, om op te sporen, wie dan
+die vrouw geweest was. In de stad Amsterdam snuffelde men allerlei
+papieren na, om het gewaar te worden. Ook in Leiden, zijne
+geboorteplaats.
+<p class="c2">Maar vruchteloos.
+<p class="c2">Het toeval bracht de oplossing van het vraagstuk. Ver
+van Amsterdam, in een vergeten dorpje in Friesland, werd, omstreeks
+het midden van de 19<sup>de</sup> eeuw, in de oude boeken van het
+gemeentehuis, tusschen honderden aanteekeningen, de ontdekking
+gedaan van deze regels:<span class="c5">"23 Juni 1634 zijn in den
+echt vereenigd<br>
+<br>
+REMBRANDT HERMENS VAN RHIJN<br>
+<span class="c9">wonende te Amsterdam</span><br>
+<span class="c10">en</span><br>
+<span class="c9">SASKIA VAN ULENBORGH</span><br>
+thans gedomicileerd te Franeker."<br></span>
+<p class="c2">Toen men nu ook in Amsterdam de papieren en de
+registers van het jaar 1634 doorzocht, en melding gemaakt vond van
+dit huwelijk, was de zaak opgehelderd. Het boerinnetje van Raasdorp
+bleek een sprookjes-boerin te zijn. Saskia van Ulenborgh kwam niet
+uit Noord-Holland en was allerminst boerin van geboorte. De vader
+toch was burgemeester van Leeuwarden geweest.
+<p class="c2">Dit bewijst al, dat hij een man van aanzien was. Hij
+was bovendien iemand, die wat durfde, daar hij behoorde tot de
+eersten, die in Friesland in den Geuzentijd zich tegen den
+Spaanschen landvoogd verzetten. Zeer toevallig is hij zelfs voor
+iederen schooljongen een bekende, door eene gebeurtenis uit de
+vaderlandsche geschiedenis, ofschoon men zijnen naam gewoonlijk
+niet kent. Zooals men weet, is Prins Willem I van Oranje in 1584
+binnen Delft op het Prinsenhof vermoord. Hij ontving het doodelijk
+schot, terwijl hij de trap af ging, na het middagmaal gebruikt te
+hebben. Bij dit middagmaal had hij als gast aan tafel gehad eenen
+burgemeester van Leeuwarden, die over regeeringszaken met hem
+gehandeld had. En deze nu was niemand anders dan de heer Van
+Ulenborgh, met wiens dochter Rembrandt vijftig jaar later is
+getrouwd. De schoonvader van Van Rijn is de laatste geweest, die
+met Willem den Zwijger aan tafel heeft gezeten. Saskia is dus uit
+eene historische familie!
+<p class="c2">Wat wil het toch vreemd loopen! Menschen, die twintig
+of dertig jaar na Rembrandt leefden, wisten niet beter, of hij was
+gehuwd geweest met eene boerin. En wij, twee eeuwen later, zijn van
+zijne huiselijke aangelegenheden nauwkeurig op de hoogte.
+<i>Zij</i> vergenoegden zich met een sprookje, <i>wij weten</i>,
+voor <i>ons</i> is zijn levensloop eene bladzijde geschiedenis. Zoo
+gaat het steeds. Eerst gebeuren de dingen. Dan worden ze vergeten.
+Er komen geslachten, die zich er niet om bekommeren. Eindelijk
+staan er menschen op, die er belang in stellen. Ze onderzoeken en
+vorschen na. Een oud papier wordt gevonden, en het verleden is
+ontsluierd.
+<p class="c2">Er is bijna geene bladzijde in onze historie, of ze
+heeft hare geschiedenis. Dikwijls is de geschiedenis van
+Geschiedenis even merkwaardig als de Geschiedenis zelf. Dit moge
+nog blijken uit het volgende staaltje.
+<p class="c2">Nadat de ontdekking van Saskia van Ulenborgh had
+plaats gehad, zocht men naar meer gegevens omtrent Rembrandts
+leven; vooral in de kerkelijke boeken snuffelden de wijsgeeren. In
+die van de Westerkerk te Amsterdam, de kerk, waar in 1667 de groote
+schilder begraven is, ontdekte iemand, dat hij eene weduwe had
+nagelaten met twee kinderen, die onder den naam Catharina van Wijk
+beschreven stond. Eene andere, waarschijnlijk dus eene
+<i>tweede</i> vrouw! Natuurlijk was de ontdekker met dit nieuws in
+de wolken. Gelooven moest men het wel; het stond onweerlegbaar in
+het register te lezen.
+<p class="c2">Maar wat ontdekte later een tweede wijsgeer, die de
+registers van de Westerkerk doorsnuffelde? Zijn blik viel op eene
+bladzijde, waar het overlijden en het begraven beschreven stond van
+den echtgenoot van Catharina van Wijk. Hier ontbrak echter de
+aanteekening, dat deze overledene eene weduwe met twee kinderen
+naliet, eene aanteekening, die men juist wel leest op het folio,
+waar Rembrandts overlijden geboekt staat. Er moest een abuis hebben
+plaats gehad. En dit behoeft ons voor de zeventiende eeuw niet te
+bevreemden. Zaken van geboorte, huwelijk en overlijden werden met
+heel wat minder zorg behandeld dan tegenwoordig. <i>Wij</i> moeten
+er voor naar het gemeentehuis, en daar, op de afdeeling
+"Burgerlijke Stand", hebben de ambtenaren niet anders te doen, dan
+te zorgen voor nauwkeurige registratie.
+<p class="c2">In de zeventiende eeuw ging het anders, maar niet
+beter. De zaken van den burgerlijken stand werden in de kerken
+aangeteekend. Wilde men onderzoek doen naar iemands geboorte-of
+sterfjaar, dan moest men eerst trachten gewaar te worden, in welk
+kerkgebouw hij was gedoopt of begraven. Zoolang men dit niet wist,
+richtte men niets uit. De ambtenaar, die met het belangrijke werk
+van registratie was belast, leefde niet voor dit ambt alleen. Zelfs
+was dit niet zijn voornaamste werk. Hij was eigenlijk doodgraver
+van beroep, en kon gewoonlijk beter met de spa dan met de pen
+omgaan. Voor vele van deze waardigheidsbekleeders was het schrijven
+in de de kerkelijke registers eene dagelijksche kwelling. De
+doodgraver van de Westerkerk te Amsterdam lichtte er zelfs de hand
+wel eens mee! Hij liet soms aanteekeningen weg, die niet mochten
+ontbreken. Voelde hij zich later bezwaard over het begane
+plichtsverzuim, dan greep hij pen en inkt en trachtte de fout goed
+te maken. Zoo schijnt hij een zwak oogenblik te hebben gehad op den
+dag, toen de echtgenoot van Catharina van Wijk werd begraven. De
+naam van den overledene werd nauwgezet geboekt, maar dat er eene
+weduwe met twee kinderen achter bleef, liet hij maar weg. Eenigen
+tijd daarna begon hij zich hierover toch ongerust te maken. Hij
+sloeg het register op en zocht den overledene, wien hij te kort
+gedaan had. Daar hij zich den naam niet meer herinnerde, moest hij
+gissen. Gissen doet missen. De weduwe met hare twee bloeien van
+kinderen werd bij Rembrandt aangeteekend, die reeds eenige jaren
+vroeger gestorven en aldaar begraven was. Honderd en vijftig jaar
+lang bleef de groote schilder in dezen echt vereenigd, zonder dat
+man en vrouw, en zonder dat vader en kinderen elkaar misschien ooit
+gekend hadden. Het huwelijk, door den doodgraver in alle stilte
+voltrokken, bleef een geheim, totdat in de negentiende eeuw de
+eerste wijsgeer het ontdekte en openbaar maakte. Toen kwam wijsgeer
+nommer twee, betrapte den doodgraver op registervervalsching en
+plichtsverzuim, ontbond het huwelijk en wees de twee kleine Van
+Wijkjes aan den waren vader toe, hetgeen Rembrandt van de zorg voor
+hen ontsloeg.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="REMBRANDT_LANDSCHAPSCHILDER"></a>
+<h2 class="c4">REMBRANDT LANDSCHAPSCHILDER.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Rembrandt Hzn. van Rijn huwde alzoo in het jaar 1634
+op den 22<sup>sten</sup> Juni. Hij voerde zijne vrouw naar
+Amsterdam en betrok de woning in de Breedstraat, onder welks dak
+hij zooveel ernstige en gelukkige levensomstandigheden doormaken
+zou.
+<p class="c2">De Breedstraat, thans een deel van de oude stad, was
+destijds eene nieuwe straat, een buitenwijk. In 1631 was Amsterdam
+opnieuw en voor de zooveelste maal uitgelegd. De toename van
+bevolking bleef maar aanhouden: handel en zeevaart deden schatten
+toevloeien, de hoop op fortuin nieuwe bewoners. Nadat de halve
+cirkel binnen de Heerengracht volgebouwd en te klein gebleken was,
+werd een breede gordel van omliggend weiland binnen nieuwe
+vestingwerken en eene gracht, de Keizersgracht, besloten en ter
+bebouwing bestemd.
+<p class="c2">Doch spoedig bleken de Heeren den gordel te smal
+genomen te hebben, en maakten ze de fout goed, of trachtten die
+goed te maken, door aan de halve maan eene nieuwe verbreeding toe
+te voegen, begrensd door de Prinsengracht met hare vestingwerken.
+<p class="c2">Het zal den schilder eene behoefte zijn geweest, niet
+al te ver van de vrije natuur te wonen. Slechts een paar honderd
+passen behoefde hij te maken, dan was hij buiten. Hier kon hij zijn
+hart ophalen aan het gezicht op grazige weilanden, van slooten
+doorsneden, op boerenwoningen, in geboomte verscholen, aan tal van
+windmolens, zoowel poldermolentjes als groote, statig rondwiekende
+houtzaag-en korenmolens. Vooral deze laatsten vond men even buiten
+de stad in grooten getale. Geboortig als hij was uit eene
+molenaarsfamilie, voelde Rembrandt zich steeds aangetrokken tot
+deze schilderachtige gebouwen. Zijn vader had er een in Leiden, in
+het aangrenzende huis was hij geboren en opgegroeid.
+<p class="c2">Nog binnen de stadsgracht, op een zoogenaamd bastion
+van het bolwerk, dicht bij de Muiderpoort, stond het exemplaar,
+waarvan hij ons eene afbeelding heeft nagelaten.
+<p class="c2">Rechts zien we het water van de gracht, waarin een
+visschersbootje met gestreken mast; op den achtergrond eene
+boomenrij, misschien een singel, een wandelpad, dat de gracht aan
+den buitenkant volgde. Van het water af loopt het terrein naar
+links een weinig omhoog, waarschijnlijk naar den stadsmuur, die de
+buitenzijde van het bolwerk vormt. Daar, waar de gracht eene bocht
+maakt, springt de muur boogvorming vooruit en vormt een hoog
+terras, het bastion. Hierop staat de molen met bijbehoorende
+gebouwen. In vele steden, die in de 19<sup>de</sup> eeuw ontmanteld
+zijn, bleven de bastions gespaard om aan de molens het voortbestaan
+te verzekeren. Nu deze echter door de meelfabrieken
+doodgeconcurreerd worden, verdwijnen met hen ook de laatste
+overblijfselen van de vroegere vestingwerken. Houtzaagmolens vonden
+op bastions geen plaats: die moeten laag aan den waterkant staan.
+<p class="c2">De schilderij bewaart ons dus een gezicht op de stad,
+zooals ze er aan de buitenzij uitzag. De schilder heeft het
+tooneeltje zitten aan te kijken op het lage pad, dat aan den
+binnenkant van de gracht liep, tusschen deze en den stadsmuur. Dit
+blijkt uit de schilderij zelf; die geeft ons het beeld van wat hij
+voor zich zag. Terwijl hij werkte en ijverig zijne penseelen
+hanteerde, liep het tegen den avond. De hemel heeft eene lichtende
+klaarte, alles wat van de aarde is, staat er in zware kleuren tegen
+af te steken; alleen het water, dat de klaarheid weerspiegelt,
+blinkt helder op uit de donkere omlijsting. Ook het voetpad, met
+zijne blanke tinten van zand of platgetreden steenstorting, is
+zacht van licht.
+<p class="c2">Overigens staat alles in zware grijsheid tegen de
+heldere lucht. We voelen, hoe stil en schoon Rembrandt de
+lichtdiepte van den avondhemel heeft gevonden.
+<p><img alt="" border="0" src="images/molen.png" width="606" height="509">
+<p class="c2">[Molen.]
+<p class="c2">Van linksboven af naar het midden toe, worden de
+tinten ijler en ijler. De donkere kleuren, die het geheel aan den
+bovenkant als een boog omspannen, dringen het oog steeds meer naar
+het midden, naar het vooruitspringende deel van het bastion, waar
+de hemel in klare avondzuiverheid tot in verre diepte wegwelft.
+<p class="c2">V&ograve;&ograve;r die lichtdiepte rijst het zware
+muurgevaarte omhoog. Langdurig moet het den schilder geboeid hebben
+om te kijken naar de breede en hooge afmetingen van deze aard-en
+steenmassa, in tegenstelling met de luchtige doorschijnendheid van
+den avondhemel. Het was hem als een rotsgevaarte, als een brok
+voorgebergte, dat in het water vooruit staat. Het muurwerk is
+&eacute;en geworden met de aarde; ouderdom en verweerdheid gaven
+donkere, diepe kleuren, hier wat lichter, daar wat zwaarder, al
+naar gelang de buitenkant meer of minder afgebrokkeld, met mossen
+begroeid of van vocht doortrokken was. De bovenrand en de
+neerdalende zij-lijn missen de kantigheid en de strakheid van
+nieuwe steen. Het is, alsof de tijd ze rond heeft afgesleten; de
+staande lijn, die rechts den muur begrenst, is een weinig rond
+ingebogen en achterover gezakt, waardoor het geheel nog meer den
+indruk maakt van een zware massa, die geen steun behoeft, om zoo in
+elkaar te blijven hangen.
+<p class="c2">Het grasveld, dat den bovenkant bedekt, hangt als een
+zwaar kleed rustig over den rand heen. De helling, die links het
+bolwerk verbindt met het lager gelegen pad, is een even zware massa
+als het muurwerk, waar ze tegenop ligt. Ofschoon niet steenachtig
+van aard, vormt ze er &eacute;en geheel mee; het gansche terrein is
+&eacute;en groote, breede opheffing geworden van de aarde; alles
+ligt in rustig evenwicht tegen elkaar aan: nergens staat een brok
+muur of grond los en afgezonderd van de rest. Het penseel wist er
+&eacute;en klomp van te maken, ofschoon de samenstellende deelen
+alle zich zelf bleven, hetzij muur, hetzij grasveld, hetzij
+voetpad. Ook dit laatste is in het geheel opgegaan. Wel is het
+lichter van kleur, zooals een pad in de schemering als een stille
+blankheid uit het donker van de omgeving opblinkt; maar het is geen
+afgezonderd tooneeltje gebleven; de blankheid en de donkerte liggen
+niet scherp naast elkaar. Het verschil in lichtheid is gering; we
+krijgen wel den indruk van eene zekere blankheid, maar dat gedeelte
+van de schilderij is toch nog vrij donker. En bovendien is er een
+overgang, die uit allerlei tusschentinten bestaat. Kijk maar eens,
+wat een rommelige ruigte van gras, struiken, puin of steenbrokken
+de geleidelijke verbinding is tusschen de twee partijen. En wat is
+in het pad zelf de afwisseling mooi weergegeven van vochtige en
+droge, van hooge en platgetreden gedeelten, van flauwe wagensporen,
+onmerkbare hellingen naar den waterkant, en opstaande kantjes tegen
+het grasveldje, links op den voorgrond. Toch bleef dit &eacute;en
+blanke plek, die zich rustig en vast tegen de oprijzende massa
+daarachter vlijt. Men voelt, op wat voor vasten puinbodem de
+figuurtjes zich bewegen, die van de hoogte afkomen, of aan den
+waterkant staan.
+<p class="c2">Een vrouwtje ligt linnen uit te spoelen in de gracht.
+Spelende verspreiden zich kringen over het spiegelwater. Het trok
+den schilder aan, om dit stille bewegen op zijn doek vast te leggen
+en den indruk te bewaren. Het golflijntje, dat een voorbijzwemmend
+eendje of een in het water geworpen kluitje doet ontstaan, is iets,
+waarnaar we gaarne stil en in gedachten verzonken staan te kijken.
+Zoo ging het Rembrandt ook. Terwijl hij daar op het lage pad, op
+eenen vredigen avond, zat te schilderen, kwam een vrouwtje naar
+beneden om iets uit te spoelen; een oogenblik rustte zijn penseel,
+en volgde zijn oog de kringen, die zich verspreidden, tot ze tegen
+het bootje botsten, en daar eenige krinkeling te weeg brachten in
+het donkere spiegelbeeld. Het was eene kleine, onbeduidende
+gebeurtenis, die de rust van den avond verbrak zonder ze te storen.
+En met een paar zwierige, dartele penseelstreken werd ze snel en
+juist in beeld gebracht, om den lieflijken, vredigen indruk van
+zoo'n schoonen avond te bewaren. De stilte mocht geene levenlooze
+eenzaamheid worden; eene uiting van leven moest er zijn, als maar
+de rust niet verstoord werd. Lieflijker kon het wel niet, dan het
+zachte bedrijf van zoo'n vrouwtje er in te brengen, en het
+voorbijgaande, kortstondige opleven van den waterspiegel.
+<p class="c2">Wat kunnen we ons zoo geheel indenken in den
+gemoedstoestand van den schilder, en een denkbeeld krijgen, hoe
+vatbaar hij was voor indrukken. Zonder naar het molentje gezien te
+hebben, dat anders door vele beschouwers voor hoofdzaak gehouden
+wordt, weten we, wat voor hem het eigenlijke onderwerp was, dat hij
+schilderde. Niet de inrichting van zoo'n stads-buitenkant, ook niet
+de vorm van een molen, maar de vredige, rustige, kalme stemming van
+een mensch, die daar zit, en die genieten kan van plechtige
+avondstilte, van mooie, klare luchten, boven bijna ingesluimerde
+stadsgedeelten.
+<p class="c2">Denk toch niet, dat zoo'n kunststuk er is, om even op
+de vingers na te tellen, wat er op staat. We moeten er in
+doordringen, om tot het besef te komen, hoe de schilder voelde, hoe
+zijn gemoed door de verschijnselen bewogen werd.
+<p class="c2">Het molentje is maar bijzaak, al is men geneigd, het
+stuk daarnaar te benoemen. Het staat er, om midden op het doek een
+verheffinkje aan te brengen, en het stond nu eenmaal op het
+bastion. Bevallig, rank en rustig is het weergegeven, ofschoon in
+onzen tijd de schilders er niet van houden, om op de wieken zoo'n
+witten glans aan te brengen. Het balkwerk van den kruistaart zit er
+handig en gemakkelijk achter tegen aan. Een klein spetje wit maakt
+scheiding tusschen boven-en onderstuk, waardoor de molen een
+onderkruier wordt.
+<p class="c2">Het huizegroepje en een beetje laag geboomte staan
+gezellig bij elkaar. Je krijgt net een idee, alsof het een klein
+dorpje is, het eene dakje wat hooger of wat lager dan het andere.
+Het schoorsteentje staat er bovenuit te steken, alsof het een
+dorpstorentje wou wezen. Alles werkt mee om het vreedzame,
+landelijke uit te drukken.
+<p class="c2">Z&oacute;&oacute; zag Rembrandt nu de wereld. Hij had
+aan vreemde gebouwen, wonderlijke rotsen en geheimzinnige spelonken
+geene behoefte, als hij natuurgenot wilde smaken. Het meest
+alledaagsche tooneeltje maakte indruk op hem. Vandaar zijne geringe
+reislust. Kunstbroeders achterna te trekken, de wonderen van
+Itali&euml; te zien, naar de grootsche tafereelen der Alpen op te
+kijken, hij voelde er geen behoefte aan. Hij was huiselijk, bleef
+gaarne bij moeder de vrouw en vond zijn vaderland een schoon land.
+Waartoe zou dan trekken en rondzwalken gediend hebben!
+<p class="c2">Het is eene verheffende gedachte, dat hij, die een
+der grootste schilders der wereld is geweest, Holland mooi vond.
+Dat geeft ons moed, om het met dat vaak verguisde, platte, vlakke
+polderland toch ook maar te probeeren. Het moet, blijkens
+Rembrandts voorbeeld, mogelijk zijn, het mooi te vinden. Niet het
+zeldzame, niet het wonderbaarlijke, niet het verhevene doet 't em;
+alles, wat vreemde landen aanbieden, kan men ontberen, mits de
+goede wil er is.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="VROUWE_SASKIA"></a>
+<h2 class="c4">VROUWE SASKIA.</h2><span class="c5"><br></span>
+<p class="c2">Van Rijn behoefde zelfs niet de Muiderpoort uit naar
+Muiden, naar Naarden of naar het Gooi te wandelen, om tooneelen te
+vinden, die hem boeiden; hij had ze, om zoo te zeggen, naast de
+deur. En we kunnen ons denken, hoe hij met zijne jonge vrouw naar
+buiten wandelde, en het Friezinnetje attent maakte op al het
+schoone, wat Amsterdams buitenkant te zien gaf. Hoe hij, even
+stilstaande, met een potloodkrabbeltje wist aan te duiden, wat hem
+hier of daar het meest trof, of, aan den kant van den weg zich
+neerzette en een schetsje maakte, om het Saskia aan te bieden en
+haar oog voor natuurschoon te openen.
+<p class="c2">Toch trok geen onderwerp den grooten teekenaar zoo
+aan, als Saskia zelf. Tot in het oneindige heeft hij haar
+uitgebeeld, haast dagelijks moest ze voor hem zitten, en maakte hij
+haar portret.
+<p class="c2">Een luchtig teekeningetje is dat, wat hij maakte kort
+na zijn trouwen. Hij schreef er eigenhandig iets onder. Men ziet:
+schoonschrift is 't niet. Hij schreef, evenals zijn meeste
+tijdgenooten, steilschrift; zijn hand is los en vlug-geen wonder!
+de hand van Rembrandt!--Wie mocht meenen, dat je aan de
+penneschrappen eigenaardigheden opmerkt, die aan het
+schrijfgereedschap van die dagen, aan de ganzepen herinneren, hoede
+zich voor overijlde gevolgtrekkingen: ditmaal heeft de
+teekenaar-schrijver noch potlood, noch pen en inkt, noch krijt
+gebruikt, maar eenvoudig een zilveren stiftje, rijn toegepunt, en
+daarbij een bijzonder soort papier, op ivoor gelijkend; een schrap
+met de stift laat hierop een zwart spoor achter. Een
+zilverstiftschrift dus, en een zilverstiftteekening.
+<p class="c2">Er staat te lezen:
+<p class="c2">"Dit is naer mijn huijsvrou geconterfeit, do sij 21
+jaer oud was, den derden dach als wij getroudt waeren.
+<p class="c2">de 8 junijus
+<p class="c2">1633."
+<p class="c2">Den derden dag, nadat ze getrouwd waren; het huwelijk
+had plaats op 22 Juni 1634; drie dagen later schreef men 25 Juni
+1634. Dat is echter geen 8 Juni 1633. Deze datum klopt niet met de
+opgave in het kerkregister te St. Annaparochie. Waar schuilt de
+fout? In het register? Dat is moeilijk te gelooven. De koster, die
+bij de huwelijksvoltrekking het feit aanteekende, zal toch wel met
+de almanak bekend geweest zijn. De datum mag iemand eens voor een
+oogenblik vergeten zijn, maar een vol jaar vergist men zich niet.
+Op de teekening dan? Maar wat voor den koster geldt, geldt ook voor
+Rembrandt. Het ging hem zelf aan, van hem kunnen we ons nog
+moeilijker eene vergissing denken.
+<p class="c2">Wie van hun beiden heeft gelijk, wie ongelijk? Dat is
+een kolfje naar de hand van eenen geschiedvorscher: uit te zoeken,
+hoe het mogelijk is, dat Rembrandt, nadat hij drie dagen getrouwd
+was, niet op de hoogte van datum en jaar was. Wie het vraagstuk
+oplost, kan er eer mee inleggen.
+<p class="c2">Wij zien intusschen de teekening verder aan.
+<p class="c2">In dit schetsje zit leven. Leven is iets, wat men
+niet met den vinger kan aanwijzen of met eenen passer kan nameten,
+in werkelijkheid evenmin als in beeld. Maar als we den indruk
+krijgen, dat er leven in zit, moeten we het er ook over eens kunnen
+worden, waardoor die indruk ontstaat.
+<p class="c2">We beginnen met het portretje op een kleinen afstand
+te houden. Dan hinderen de arceeringen in het gezichtje ons niet;
+die lossen zich op in eene gelijkmatige tint.
+<p class="c2">Zie, ze zit nu naar iemand tegenover haar te kijken.
+Of is de blik op eenen muur gevestigd? Neen, op eenen persoon.
+Immers, de oogen staan schalksch, een beetje spottend. Het dikke
+randje onder het oog kennen we wel; dat is een lachje, het is
+dartelheid. Zoo zit iemand niet op een stuk muur te kijken. De blik
+geldt hem, dien ze lijden mag, en dien ze nu, in haar speelschheid,
+niet kan nalaten te plagen. Er tintelt iets in het oog, dat
+levenslust is. Let eens op, hoe, uit de geschaduwde linker helft
+van het gelaat, het oogwit tusschen oogappel en ooghoek speelsch en
+blijmoedig te voorschijn licht. Dat wit gelaten plekje draagt er
+wel toe bij, om ons den indruk van leven, van vroolijk, schalksch
+leven te geven.
+<p><img alt="" border="0" src="images/portretvansaskia.png" width="480"
+height="825">
+<p class="c2">[Portret van Saskia.]
+<p class="c2">Zit het mondje strak en ernstig af te wachten, wat de
+teekenaar van de schets zal maken, of speelt ook daar niet
+hetzelfde lachje? Voelen we in den opgetrokken rechter mondhoek
+niet een beetje spot? Staat daar niet uitgedrukt: "mij teekenen,
+dat kun je niet?" Is dat trekje er niet op berekend, om hem aan 't
+lachen te maken? Het is, alsof we, tegenover haar, Rembrandt zien
+zitten, ijverig in de weer, om haar portret en haar leven vast te
+leggen op zijn teekenblad; de mond in ernstige plooi, het oog bij
+afwisseling op haar en op zijn werk gericht. En haar zien we
+probeeren, om den ernst van zijn gelaat te verdrijven, om door haar
+lach ook hem een lachje af te dwingen. Hare schalkschheid, de
+tinteling op hare trekken-we weten niet alleen, dat ze <i>hem</i>
+gelden, we zien er zelfs <i>zijn</i> ernstig gezicht in; in het
+spottende en plagerige lezen we, hoeveel moeite het hem kosten zal,
+om zich goed te houden, om er nu eens de gek niet mee te hebben,
+dat hy haar teekenen wil.
+<p class="c2">Zij zit niet v&oacute;&oacute;r ons als eene eenzame,
+die zich aan onze onbescheiden blikken blootstelt; ze heeft
+tegenover zich een, dien ze genegenheid toedraagt. Het is, alsof we
+in de ruimte rondom haar de aanwezigheid voelen van den persoon,
+tot wien haar glimlach zich richt. Die aanwezigheid spiegelt zich
+in haar oogen, om haar mond, op geheel haar gelaat. Zou die
+spiegeling niet het leven zijn, dat we in dit portretje zien? Leven
+is wel iets vreemds, dat vaak moeilijk nader te bepalen is. Men kan
+het soms hebben, dat men eene kamer binnenkomt, waar niemand te
+zien is; het vertrek schijnt leeg te zijn, en toch ziet men
+behoedzaam om zich heen, want men krijgt een gevoel, alsof er zich
+een levend wezen bevindt; men zou gaarne een gordijn oplichten, een
+kast openen of in een hoek kijken, om te weten te komen, of daar
+iemand schuilt. Men voelt zich door leven omgeven.
+<p class="c2">Bij Saskia gaat het niet geheimzinnig toe. Maar ook
+<i>haar</i> voelen we omgeven van leven; we kennen dit leven, en we
+weten, hoe hare gevoelens zijn ten opzichte van dat leven. Dit
+alles geeft het portret te zien. Meer dus, dan enkel een mond, een
+neus, een paar oogen, en wat verder het gezicht helpt voltooien.
+Wat kan het zelfs schelen, of de gelijkenis van deze onderdeelen
+volkomen is. Er zit iets in, dat van hoogere waarde is, iets waarom
+we het een lief portretje vinden.
+<p class="c2">Rembrandt moet dit wel goed begrepen hebben, als hij
+Saskia aanzag. Want wat heeft hij in de eenvoudige krabbels en
+krasjes deze dingen zuiver laten voelen; en nog wel dingen, die men
+niet onder woorden kan brengen of in lijnen kan aanwijzen.
+<p class="c2">Er is nog iets in Saskia, dat hem niet ontging, en
+wat het portret nog meer liefs geeft. Zij let niet op zichzelf. Ze
+gaat niet parmantig zitten met het idee: nu moet ik er mooi
+opkomen; en evenmin met het tegenovergestelde idee: het kan me niet
+schelen, hoe ik er op kom. Je kunt heelemaal niet zien, dat ze
+opzettelijk eene houding aanneemt. Zooals zij zit, zoo zit iemand,
+wanneer hij van eene lange wandeling thuiskomt. Men valt dan even
+op eenen stoel neer, om uit te blazen, voordat men van kleeren
+verwisselt. Zonder erg komt de hand onder het hoofd; het hoofd
+leunt er wel niet op; zie maar, de hand raakt het nauwelijks aan,
+maar het geeft eenigen steun en de arm vindt het een gemak om even
+op de tafel te rusten; iets waaraan de andere ook behoefte heeft;
+die ligt er languit over heen en is zelfs niet hupsch genoeg, om
+het roosje rechtop te dragen. Zoo laat men een bloem hangen, als de
+hand moe wordt.
+<p class="c2">Beide ellebogen rusten op de tafel. Netjes is 't
+niet. Dat zal vrouwe Saskia ook wel weten. Maar ze kwam vermoeid
+thuis, en dan is het verleidelijk om eens op je gemak te zitten.
+Niet recht op en neer, maar het bovenlijf voorovergezakt; de borst
+zoo'n beetje tegen den tafelrand. De kleeren wat losgemaakt en den
+hoed nog op 't hoofd.
+<p class="c2">Wie zich zoo neerzet, neemt niet plaats om uitgebeeld
+te worden, maar gaat zonder erg zitten, omdat zitten aangenaam is.
+Die let niet op zichzelf, op houding en postuur, maar geeft zich,
+zooals ze is. Die gaat zoo zitten, omdat zij bij haar echtgenoot
+is, en niet in gezelschap van menschen, die altijd op fatsoen en
+behoorlijkheid letten.
+<p class="c2">Het is deze argeloosheid, die onze teekenaar in zijne
+vrouw zag; en hij gaf ze ons duidelijk in lichaamshouding, in
+armlegging, in handgebaar, zelfs in het roosje te verstaan. Want
+dit roosje hangt net zoo over de tafel heen als Saskia zelf.
+<p class="c2">Eigenlijk is deze trek in haar dezelfde, als die,
+welke uit haar gelaat sprak. Beide komen ze voort uit een gevoel,
+dat haar aangenaam was: ze voelde zich prettig en op haar gemak,
+zoo bij haar beroemden heer gemaal. Ze geneert zich niet, hem
+lachend in de oogen te zien, en evenmin om het zich gemakkelijk te
+maken. Ze acht zich veilig voor onbescheiden blikken en
+onbescheiden op-en aanmerkingen.
+<p class="c2">Het trekt ons in haar aan, dat ze zich zoo argeloos
+onschuldig geven kon aan den teekenaar; dat ze zelfs op dit
+oogenblik niet dacht aan nette houding, aan gezicht-in-de-plooien,
+aan toilet of kapsel.
+<p class="c2">Ongetwijfeld is hier de verklaring te zoeken, waarom
+we het beeld lief vinden, en waardoor het ons bekoort.
+<p class="c2">Daar komt nu nog iets bij, dat op den teekenaar
+betrekking heeft.
+<p class="c2">Het schetsen van een portret ging hem zoo gemakkelijk
+van de hand, dat zijne gedachten eigenlijk met dit werk alleen niet
+gevuld waren. Hij behield een open oog voor de eigenaardige wijze
+van doen, zooals die op te merken was aan zijn model. Onderwijl hij
+omtrekken van gezicht, hoed, hoofd, lichaam, armen en handen zette,
+zag hij zeer goed, hoe weinig acht Saskia op zichzelf sloeg, hoe
+weinig ze aan zichzelf en hoe zeer ze aan hem dacht; hoe ze zich
+volkomen onbespied achtte, ofschoon tegenover hem zittende. Hij zag
+dit in hare trekken, in hare houding, in den arm, zooals die op de
+tafel lag, hij zag het in alles. En al schetsende, gaf hij in elke
+lijn de uitdrukking van het vertrouwelijke, dat hij in haar zag. De
+vriendelijkheid van hare verschijning, niet voor een ieder, maar
+voor hem alleen, wist hij uit te teekenen. Hij wist, dat die
+eigenschap van haar wezen kon verdwijnen, als anderen om den hoek
+gluurden. Hij wist, dat zijne teekening bestemd was, om gezien te
+worden, en dat dit streed met hare vertrouwelijkheid. Toch bracht
+het hem niet in verwarring; hij zette het denkbeeld, dat anderen
+zouden zien, van zich af en ging voort, om den indruk vast te
+houden en in beeld te brengen. Met oogen en handen arbeidde hij, om
+de uiterlijke vormen op papier te zetten, en intusschen bleef hem
+het besef bij, van de vertrouwelijkheid tusschen hem en haar. En,
+arbeidende aan de vormen, schreef hij eigenlijk in leesbaar schrift
+al maar door over die vertrouwelijkheid. Niet meer de
+lichaamsgedaante behandelde zijn teekenstift, maar hoe zij over de
+tafel heen naar hem toe gebogen lag; niet meer haar beeld, maar hoe
+in dat beeld de ziel, het leven zich afspiegelde.
+<p class="c2">Lang behoefde hij aan zoo'n schetsje niet te werken:
+alles is los en vlug op papier geworpen. En toch raak en goed. Men
+lette bijvoorbeeld eens op de zwierige lijnen, die de rechtermouw
+weergeven; in &eacute;en veeg zijn ze opgezet, en in die
+&eacute;ene veeg geven ze meteen aan, hoe in de buiging, bij den
+elleboog, het kleed in breede plooien valt. Of op de teere
+schrapjes van het linkerhandje, hoe als vanzelf de pink achterover
+buigt.
+<p class="c2">Het is een genot, om de bewegelijkheid van al die
+lijnen te zien. In een photographisch portret ontbreekt dit. Men
+vindt er ook niets aan, het te bezichtigen, tenzij men den persoon
+kent.
+<p class="c2">Het is waar, dat de photographie nauwkeuriger en
+precieser in kleinigheden is; dit weegt echter niet op tegen de
+uiting van echt leven, die een teekenaar in zijn werk neerlegt. We
+beklagen de eeuw van Rembrandt niet, omdat ze het zonder de camera
+obscura moest stellen, en zich behielp met handgemaakte
+afbeeldingen, integendeel, we achten haar gelukkig en betreuren
+het, dat later een werktuig is uitgevonden, waarmee aan kunstenaars
+het werk uit de hand genomen en het brood uit den mond gestooten
+is. Wel kunnen we thans voor weinig geld portretten hebben van
+allen, wien we genegen zijn, en wel gelijken die
+z&oacute;&oacute;veel, dat we de personen herkennen, maar ze zijn
+er naar! Het leven ontbreekt, en ook datgene, wat we, na langen
+omgang, in gelaat, houding, gebaar en lichaamsbouw hebben leeren
+opmerken. We zijn tevreden met den juisten vorm van oogen, neus,
+mond en kin, we eischen niet meer; sedert de zeventiende eeuw
+hebben de menschen zich leeren tevreden stellen met afbeeldingen
+zonder het schalksche leven, zonder tintelenden oogenopslag, zonder
+gemoed en karakter. Misschien zijn er zelfs reeds menschen in onzen
+tijd, die aan hunne bloedverwanten en vrienden deze
+eigenaardigheden niet eens meer opmerken.
+<p class="c2">Het is best mogelijk, dat de kunst van
+photographeeren ons gezichtsorgaan voor nauwkeurige waarneming van
+menschen en hunne levensuiting heeft afgestompt.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="KLEINE_TITUS"></a>
+<h2 class="c4">KLEINE TITUS.</h2><span class="c5"><br></span>
+<p><img alt="" border="0" src="images/titusvanrijn.png" width="344"
+height="410">
+<p class="c2">[Titus van Rijn.]
+<p class="c2">Laten we naast Saskia nog eens nemen deze afbeelding
+van Titus, het zoontje van Rembrandt. Dan zal ons blijken, dat ook
+hierin dingen voorkomen, die een photographisch portret niet kan
+geven.
+<p class="c2">Het ventje zit echt lekker op zijn gemak. Hij zoekt
+dit op kinderlijke manier. Een volwassene gaat er anders bij
+zitten: niet zoo met het hoofd in de nabijheid van de handen, en
+niet zoo in elkaar gedoken op den rand van eene schoolbank of een
+raamkozijn liggende. Het omgebogen polsgewricht van het
+rechterhandje is echt kinderlijk, ook de duim, die het hoofdje
+steunt en een kuiltje in de kin drukt, waardoor de mondhoek een
+beetje omhoog geschoven wordt! Daar behoort precies bij, die manier
+om eene pen vast te houden, als men zit na te denken over hetgeen
+geschreven moet worden. En zie eens het linkerhandje! Het komt net
+te voorschijn, zooals we dat soms zien bij een poesje, dat
+behagelijk een breed, mollig pootje vooruitsteekt. De heele figuur,
+het verlichte driehoekje van gelaat, handen en boek, heeft iets
+poezeligs over zich. Dit neemt dadelijk in voor het ventje. Het is
+ons onverschillig, of oogen, neus, mond, gezichtsvorm en haar
+nauwkeurig gelijken, er is, buiten dat, iets aantrekkelijks in. Het
+portretje geeft ons te zien, hoe de vader zijn kind soms kon
+aantreffen, als het in school of thuis in een hoekje te leeren zat.
+De houding moet indruk op hem gemaakt hebben, want, toen hij ging
+schilderen, stelde hij zich het kereltje z&oacute;&oacute; voor.
+<p class="c2">Het is niet waarschijnlijk, dat hij, zooals onze
+photograaf zou doen, gelastte: ga nu zus of zoo zitten. Immers, dan
+wordt alles stijf en houterig. Hier was geen afspraak; zonder erg
+zit Titus op zijn gemak na te denken en voor zich uit te kijken, en
+argeloosheid kon de vader hem niet als bevel opleggen.
+<p class="c2">Dat we hem onbespied kunnen beschouwen, is juist het
+aantrekkelijke. Want nu komt zijn ware aard aan den dag: zijne
+neiging namelijk om knus en gemakkelijk ineen gedoken te zitten.
+Hij verloochent daarin niet, dat hij een kind van Saskia van
+Ulenburg is!
+<p class="c2">Het aantrekkelijke wordt nog verhoogd door de groote,
+donkere kijkers en de lange, weelderige lokken. Bovendien vinden we
+het aardig, zoo toevallig eens iets te zien, dat op het schoolgaan
+en het leeren in de zeventiende eeuw betrekking heeft: een
+bundeltje vellen papier ligt op een opengeslagen boek; de inkt,-het
+zal wel zelfgemaakte inkt wezen, want dat was het
+gewoonlijk,-bevindt zich in eenen koker, die aan een koordje of
+kettinkje hangt. Dit gerei droeg de leerling mee naar school en
+zeulde er mee rond door huis; overal waar hij zich neerzette, om te
+schrijven, had hij het bij zich; als hij voor het open raam plaats
+nam, kon het best gebeuren, dat hij achteloos den inktkoker uit het
+raam heen en weer liet bungelen. Ingenaaide schriften waren niet
+zooveel in gebruik, als losse bladen papier. Deze omstandigheid gaf
+hier den schilder gelegenheid, om te laten zien, hoe de velletjes
+soms plat op elkaar, soms met eene gapende opening er tusschen
+kunnen liggen.
+<p class="c2">Met Titus er bij hebben we nu den kleinen huiselijken
+kring compleet, waarin Rembrandt anno 1642 leefde. We moeten echter
+bedenken, dat de zoon nog heel klein was, toen Saskia overleed; de
+moeder heeft hem nooit gezien, zooals de vader hem hier afbeeldt.
+<p class="c2">In de portretten van vrouw en zoon heeft hij wel
+duidelijk uitgedrukt, met hoeveel hart hij aan beide hing, hoe
+gelukkig hij zich aan den huiselijken haard voelde, toen Saskia nog
+leefde. Ook zal hij innerlijk bewogen geweest zijn, als hij later
+het kind uitbeeldde en opmerkte, hoe hare geaardheid, hare natuur
+daarin voortleefde, toen zij reeds lang ter ziele was.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="ACTIE"></a>
+<h2 class="c4">ACTIE.</h2><span class="c5"><br></span>
+<p class="c2">Naast elkaar zijn hier gesteld twee groepjes van twee
+personen, die eenige woorden met elkaar wisselen. Het eene stelt
+voor een Amsterdamsch burger uit het jaar 1633, scheepsbouwer en
+teekenaar van scheepsontwerpen van beroep, met zijne vrouw, die een
+briefje binnen brengt. Het andere is Michiel Azn. de Ruyter, in
+gesprek met zijnen stuurman Zeger. Al dadelijk valt het op, dat De
+Ruyter en Zeger, elk met een paar gelijke platvoeten en een paar
+zwarte kuiten, recht op en neer naast elkaar staan. Beider
+onderstel, met en benevens de wijde broeken, schijnen naar een en
+hetzelfde model te zijn gevormd. De enkels zijn te dik, en evenveel
+te dik, het aanzwellen der beenen, naar boven toe, gaat gelijk in
+zijn werk, de broeken hangen er gelijk om. Vervelend is het verder,
+dat beide gelijkelijk het front naar elkaar draaien, en dat ze
+beide den naar elkaar gekeerden arm schuin omlaag, den anderen arm
+opgeheven houden.
+<p><img alt="" border="0" src="images/deruyterenzeger.png" width="388"
+height="424">
+<p class="c2">[De Ruyter en Zeger.]
+<p class="c2">De Scheepsbouwmeester en zijne vrouw zijn zonder
+zulke toevalligheden tot een groep bijeengebracht. De houding van
+de handen der vrouw laat zich zeer goed met die van De Ruyter
+vergelijken. Zij houdt met de linker kloek en ferm de klink van de
+deur omvat, niet nuffig en met opzettelijke bevalligheid, maar
+zooals eene degelijke huisvrouw in drukke bezigheden alles doet. De
+Ruyter doet iets, dat, op zichzelf beschouwd, een daad is van
+kloekheid, van moed en van durf. Eigenlijk moest hij dus ook
+onverschrokken met de linkerhand naar den Engelschman wijzen, dien
+hij tot partuur heeft gekozen. Maar hoe is dit op de plaat
+uitgedrukt? De wereldvermaarde zeebonk steekt een blank, mollig,
+klein handje uit, de arm is slap en zonder fierheid opgeheven, het
+wijsvingertje bij het jongejuffrouwenduimpje wijst op kromme manier
+iets aan. Men zou haast denken, dat mijnheer Zeger heeft gevraagd:
+"Hoe loop ik het kortst van hier naar de Kipstraat?" en dat een
+voorbijgaand, ziekelijk oud heer met een pijnlijk gezicht
+antwoordt: "Hier links den hoek om." Waarop gemelde heer Zeger met
+vriendelijk gelaat voor de bekomen inlichting bedankt, beleefd den
+hoed licht, en den ouden heer eene prettige wandeling toewenscht.
+<p class="c2">Zoo kan geen De Ruyter het vermaarde commando hebben
+gegeven, zoo strekt geen held met gebiedend gebaar den arm.
+<p><img alt="" border="0" src="images/scheepsbouwmeester.png" width="610"
+height="404">
+<p class="c2">[Scheepsbouwmeester en vrouw.]
+<p class="c2">De rechterhand is niet beter van teekening. Misschien
+loopen er verwaande menschen rond, die op deze manier met gebogen
+polsgewricht den knop van een wandelstok omvat houden, maar van
+onzen Vlissinger Michiel gelooven we het niet.
+<p class="c2">Zie daarentegen, hoe het vrouwtje haren brief
+overreikt. De bedoeling is volkomen duidelijk uitgedrukt: ze laat
+hem niet zien, ze neemt hem niet weg, maar ze overhandigt. Zelfs
+zit in het handgebaar de beweging van iemand, die achterwaarts een
+briefje afgeeft. Men probeere zelf de houding na te bootsen.
+<p class="c2">Ook de handen van den scheepsbouwmeester mogen gezien
+worden bij die van stuurman Zeger. Zijn linker, eene dikke,
+vleezige werkhand blijft rusten op het teekenwerk, terwijl het
+hoofd zich even opricht om te zien, wie den arbeid komt storen. Is
+het niet, alsof die hand, met gedachten vervuld, bij het werk
+tracht te blijven, alsof ze den gedachtengang wil vasthouden, tot
+de stoornis voorbij is?
+<p class="c2">De rechter wil het briefje in ontvangst nemen. Echter
+niet met een gebaar van haastig aanpakken. Het binnenkomen van
+moeder de vrouw wordt euvel opgenomen, omdat het storend is.
+Vandaar dat de hand maar aarzelend uitgestoken wordt. Dit is geheel
+in overeenstemming met 's mans gelaat; de afdruk laat duidelijk een
+lichten graad van ontevredenheid zien; die blik op zijne vrouw en
+het voorhoofd-fronsen zijn er de blijken van.
+<p class="c2">De rechterhand van stuurman Zeger neemt op eene wijze
+den hoed af, die noch de manier van een zeeman, noch die van een
+fijn heer is. Houvast zit er niet in; een groote, vilten,
+zeventiende-eeuwsche hoed zou wel anders doorbuigen, als men dien
+bij het uiterste randje tusschen duim en vinger aanvatte. Hij lijkt
+wel van hout. Wat is daarbij vergeleken het passertje goed
+geteekend; in de hand het ronde gewricht, naar beneden de gepunte,
+driekante beenen, waarvan een, door lang gebruik, iets kromgebogen
+is; met een soort van gretige werklust hapt het instrumentje naar
+het papier. Zelfs in zoo'n gering bijzaakje heeft Rembrandt het
+bijzondere gevoeld. De scheepsroeper is lang niet van hetzelfde
+gehalte; de rand van het geslagen koperblik is veel te dik
+geworden; de trechtervormige beker is aan den onderkant bijna
+recht, aan den bovenkant bolvormig; het mondstuk heeft een
+verkeerden stand; van onze plaats af moesten we er niet in kunnen
+zien; het heeft bepaald in de klem gezeten en is verbogen geraakt.
+<p class="c2">Letten we op de handeling, die op beide afbeeldingen
+tusschen de twee personen voorvalt, dan moeten we allereerst onze
+bewondering uitspreken voor het vrouwtje. Er zit in hare houding
+buitengewone bewegelijkheid; het overhandigen van den brief gaat
+niet bedaard in zijn werk, maar haastig en gejaagd. Zij blijft
+bijna bij de deur staan, om geen tijd te verliezen met verder te
+loopen dan noodig is; met over den stoel heen te buigen bereikt ze
+haar doel even goed. Het bovenlijf helt niet alleen zijdelings naar
+den bouwmeester over, het maakt ook eene kleine buiging voorover.
+Intusschen draaien de linkerheup, de linkerschouder en de linkerarm
+zich reeds weer achterwaarts, terug naar de deur.
+<p class="c2">De rechterhand en-arm, en het gezicht zijn nog
+verdiept in de beweging van het overhandigen. In al de onderdeelen
+van deze figuur dus eene aanduiding van wenden, buigen en draaien,
+nergens de stijve rust van een lid, dat aan de handeling geen deel
+neemt. Sommige beschouwers maken hiervan Rembrandt wel eens een
+verwijt. Ze vinden het schielijke binnenkomen storend voor de rust
+van de schilderij; het maakt hun gejaagd, als ze er een oogenblikje
+kalm naar zouden willen kijken. Daar is wel iets van aan; het is
+hinderlijk, als je het idee krijgt, dat zoo'n figuurtje zoo
+aanstonds zal wegsnellen, en als men zichzelf betrapt, dat men
+daarop staat te wachten. Maar we moeten den schilder de eer geven,
+die hem toekomt; hij heeft in de lichaams houding van eene vrouw,
+die even binnenkomt en dadelijk weer heengaat, met een fijn oog de
+bewegelijkheid van buiging en draaiing waargenomen en weergegeven.
+<p class="c2">De plaat van De Ruyter is er, om een geschiedkundig
+feit voor te stellen; alles moest dus eigenlijk handeling zijn; de
+handeling moest althans zeer sterk tot ons spreken. Neem nu den
+admiraal eens; hij staat er zoo houterig en schutterig bij, dat er
+geen schijn van beweging in hem zit. Van onder tot boven, van zijn
+voeten tot zijn hoofddeksel, alles stijf en recht; nergens in de
+heele figuur eenige zwenking; geen enkele lenigheid van draaiing of
+buiging. Hij zit diep in zijn hoedje weggeslagen, en schijnt aan
+een stijven nek te lijden. Misschien trekt hij daarom zoo'n
+pijnlijk gezicht. Kijk daarentegen eens, hoe mooi rond het
+vrouwenkopje is, hoe het mutsje meewerkt, om de ronding uit te
+beelden, en hoe los en gemakkelijk het hoofd zich keert en wendt
+boven den kraag.
+<p class="c2">Zoo krijgen we tot slotsom van de vergelijking: de
+plaat, die eene handeling moet voorstellen, geeft houterige, stijve
+figuren, die de armen oplichten om te doen, alsof ze zich bewegen,
+maar ze bewegen niet. De andere, die gemaakt werd om de portretten
+van eerzame inwoonderen van Amsterdam te geven, tintelt van actie,
+zonder nochtans in het geven van portretten te kort te komen. De
+handeling maakt zooveel indruk, dat we beginnen te denken aan een
+historisch feit. Het lijkt wel, dat dit nu het beroemde briefje is,
+waarover we in boeken lezen, hetwelk binnengebracht werd, om den
+verraderlijken aanslag op een of andere stad te verijdelen. Maar 't
+is zoo niet! De schilderij is er een, waar niets achter zit. Zij is
+een portretstuk, meer niet.
+<p class="c2">We zullen deze neiging van Rembrandt, om den aard van
+het portret te verbloemen, meer opmerken. Men kan hem ook hiervan
+een verwijt maken; het <i>is</i> misschien niet heelemaal in orde,
+dat we tegenover de twee konterfeitsels van een paar burgerluitjes
+gedachten hebben van vermaarde gebeurtenissen; dat we dus aan
+dingen denken, die hier niet te pas komen. Maar-wat een kunst, om
+dat te kunnen! Wat een schilder moet men wezen, om zoo, spelend
+weg, in een portretstukje een aardigheidje te vertellen, en het dan
+zoo te doen, dat de beschouwer heelemaal de klus kwijt raakt.
+<p class="c2">De Anatomische les heeft hiervan ook wel een tikje
+weg, zooals we zullen zien.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="MISLEIDE_AANDACHT"></a>
+<h2 class="c4">MISLEIDE AANDACHT.</h2><span class="c5"><br></span>
+<p class="c2">Onder de drommen van reizigers, die jaarlijks de stad
+'s-Gravenhage bezoeken, zijn er gelukkig niet weinigen, die een
+uurtje over hebben, om de schatten van het Mauritshuis te gaan
+zien. En onder dezen merkt men dikwijls bezoekers op, voor wie de
+gang daarheen eene bedevaart is. Ze komen uit steden en stadjes,
+die binnen hare muren geen enkel staaltje bevatten van de groote
+kunst onzer voorvaderen; van Rembrandt gehoord hebben ze;
+photographie&euml;n naar zijne schilderijen hebben ze gezien. Maar
+nog nooit hadden ze gelegenheid om het hart eens op te halen aan
+zoo'n lapje doek, waarvoor hij zelf, twee en een halve eeuw
+geleden, met palet en penseel heeft gezeten; waarop hij eigenhandig
+de klonters verf heeft geklutst, gewreven en aangesmeerd. Binnen de
+muren van dit eenvoudig, onaanzienlijk gebouw zal dan eindelijk de
+begeerte bevredigd en het verlangen gestild worden. De trappen gaat
+het op, rechts den hoek om, eene kamerdeur door en het vertrek
+binnen. Dit is het heilige der heiligen. Wat hier hangt, draagt
+groote namen: we lezen er Jan Steen, P. Potter, Ostade, Brouwer,
+maar voor allen lezen we Rembrandt Harmenszoon van Rijn. Tegen deze
+weinige vierkante meters muur hangen een tiental zijner stukken
+bijeen, een schat, dien honderd musea het kleine Mauritshuis
+benijden.
+<p class="c2">Het statig middelpunt daarvan vormt de Anatomische
+les, die waard is, eenigszins uitvoerig beschouwd te worden.
+<p class="c2">De Anatomische of Ontleedkundige les is een
+portretstuk. Rembrandt maakte het op bestelling, voor acht
+geneeskundigen uit de stad Amsterdam. Dezen hadden het oogmerk, om
+er hun vereenigingsgebouw, de chirurgijnshal, mee te versieren. In
+plaats van acht afzonderlijke portretten, verlangden ze een groep;
+ze lieten het aan den schilder over, de groep samen te stellen, op
+voorwaarde natuurlijk, dat ieder van de acht koppen tot zijn recht
+kwam. Zij verwachtten niet anders, dan dat hij het met deze
+voorwaarde ernstig op zou nemen. Nu, de koppen kwamen tot hun
+recht; maar toch zou de eerste blik van den beschouwer op een ander
+deel van de schilderij gevestigd worden. De schilder wilde, dat het
+lijk, in uitgestrekte houding op de snijtafel neergelegd, het eerst
+de aandacht zou vragen.
+<p class="c2">Hij had dit kunnen bereiken, door het aanwenden van
+een eenvoudig middel: als hij er een griezelig voorwerp van had
+gemaakt, zoo akelig om te zien, dat een ieder er naar <i>moest</i>
+zien. Maar dit deed hij niet. Het lijk is zoo geschilderd, dat ook
+de teergevoeligste lieden den aanblik kunnen verdragen. Zelfs de
+opengelegde arm heeft niets afschuwelijks. Alles wat de zenuwen van
+aanstellerige jongejuffrouwen zou kunnen prikkelen, vermeed hij.
+Wel is het gelaat het gelaat van een doode, en dus niet aangenaam
+om te zien; maar het wekt geen weerzin.
+<p class="c2">Waarom is het dan wel, dat we, als van zelf, steeds
+het eerst op het lijk het oog richten?
+<p class="c2">We ondergaan een gelijk lot, als het avondvlindertje,
+dat door ons openstaand venster komt binnenvliegen. Het
+<i>licht</i> trekt ons aan. Het licht is de geheimzinnige macht,
+die <i>ons</i> gezichtsorgaan, evenzeer als dat van het onnoozel
+gedierte, weet te leiden, waarheen ze wil. Zitten we des winters in
+schemerdonker bij open haard of kachel, onweerstaanbaar wordt het
+oog door den vlammengloed aangetrokken. Schrijden we des zomers
+door de donkerte van eenen boschweg, we verhaasten onzen tred, als
+op het eind van de laan het zonlicht door eene open ruimte
+binnendringt.
+<p class="c2">Licht geeft op het netvlies een aangenaam gevoel,
+zooals frisch water aan tong en gehemelte, wanneer ze van dorst
+verschroeien. Het kost soms moeite, om den blik van de vlam eener
+lamp af te wenden, als de omgeving door de duisternis eene scherpe
+tegenstelling vormt.
+<p class="c2">Nu; de Anatomische les is eene schilderij, waarvan
+het grootste deel der oppervlakte in zware, donkere verven bewerkt
+is. Het is juist voornamelijk het lijk, dat hierop eene
+uitzondering vormt. De gezichten der rondomstaande geneesheeren ook
+wel, maar die zijn van minder omvang en zullen eerst in de tweede
+plaats onze aandacht trekken. We gaan op het zonnige licht af, dat
+midden op het groote doek een hoekje vult. De portretten, waar het
+feitelijk om te doen was, worden daardoor min of meer op den
+achtergrond gedrongen; het stuk krijgt den schijn van gemaakt te
+zijn met een ander doel, dan om die portretten te geven. We zouden
+haast kunnen denken, dat de schilder wilde laten zien, op welke
+wijze dokter Claes Pieterszoon Tulp les gaf in de ontleedkunde.
+Menschen, die niet voor dokter hebben gestudeerd, zien hier iets,
+wat ze nooit eerder hebben gezien, dat namelijk een hoogleeraar
+zoo, v&oacute;&oacute;r zich, een cadaver heeft liggen, waarvan hij
+een of ander lichaamsdeel openlegt; hij neemt een soort van tang om
+vast te pakken; de leerlingen staan er in een kring omheen, en het
+onderwijs begint! Werkelijk meenen velen, dat het stuk met deze
+bedoeling is gemaakt.
+<p><img alt="" border="0" src="images/ontleedkundigeles.png" width="651"
+height="486">
+<p class="c2">[De ontleedkundige les.]
+<p class="c2">Toch is het een portret en moet dus op
+&eacute;&eacute;n lijn gesteld worden met bijvoorbeeld een
+schoolportret, dat in lange rijen de kopjes van eene klas
+schoolkinderen te zien geeft. Wat een verschil echter! Het eene is
+een vervelende verzameling van allemaal kijkende gezichten; wie het
+onder de oogen krijgt, gaat zoeken naar bekenden. Soms maakt de
+photograaf eene kleine variatie, door aan eenige leden van het
+gezelschap iets te doen te geven: garen winden, thee schenken of
+zoo iets. Maar niemand wordt de dupe van dezen kunstgreep, men zal
+nooit ook maar een oogenblik meenen, dat de photographie er is, om
+het theeschenken te laten zien; de gezichten trekken te sterk de
+aandacht.
+<p class="c2">Het portret van Rembrandt leidt ons juist wel op een
+dwaalspoor en heeft al menigeen omtrent den aard van het stuk
+misleid. En dat, doordien het volle licht op het lijk valt.
+<p class="c2">Een oogenblik mag men wel stilstaan bij dit overigens
+niet erg verkwikkelijke voorwerp.
+<p class="c2">Hoe komt het, dat we zoo goed het verschil voelen
+tusschen de vleeschoppervlakte en de geweven stof, waaruit de
+ledendoek bestaat? Het is, alsof we een en ander met vingers hebben
+betast.
+<p class="c2">In de eerste plaats door het verschil in kleur, wat
+ook op eenen zwarten afdruk te zien is. Beide zijn wel licht, maar
+de doek is toch lichter gehouden dan het lichaam, ofschoon hij niet
+wit is; overal merken we grijze tinten, die schaduwen van vrouwen
+en plooien weergeven. Maar deze vrouwen en plooien hebben de
+eigenaardige gedaante, die we in geweven stoffen opmerken. En, dit
+is een tweede punt van verschil, de schaduwdiepten, die in de
+oppervlakte van het lichaam zijn aangegeven, zijn van anderen vorm.
+Ze zijn breeder en minder diep; over eene grootere ruimte gaan ze
+geleidelijk in blank licht over. Men kan het beenderen gestel
+gissen, dat er onder zit. Zoo bijvoorbeeld dat van de borstkas.
+Duidelijk zien wij den strak gespannen omtrek van het borstbeen, en
+naar den rechterarm heel vaag de afteekening van de diepsels, die
+tusschen de ribben zijn ingezonken. Ook de ronding van het geheele
+lichaam is met fijne grijze kleur tastbaar gemaakt. Heel mooi ligt
+de zware spier van den bovenarm tegen het lijf gedrukt; het
+schaduwgleufje verbreedt zich naar boven tot eenen oksel, naar
+beneden tot eene elleboogsholte.
+<p class="c2">Van het rechterbeen trekt vooral de omtrekslijn langs
+den bovenkant de aandacht. Als we die, van den lendendoek af tot
+den voet toe, met het oog volgen, nemen we telkens fijn uitgebeelde
+spiervormen waar; halverwege stulpt de knie eenigszins naar buiten,
+omgeven van de kleine rondingen, die we daar gewoon zijn op te
+merken.
+<p class="c2">De voeten reiken tot in de schaduw. Ze wijzen ons den
+weg naar een opengeslagen boek, van eerwaardige grootte en dikte,
+een foliant, waarin anatomische wijsheid zal zijn opgetast. Zooals
+de bladen op elkaar liggen, getuigen ze van veelvuldig gebruik.
+<p class="c2">Waar de schaduwpartij precies een aanvang neemt, is
+moeilijk aan te wijzen; het bovenbeen is nog verlicht, de knie al
+niet meer. Ongemerkt heeft de overgang plaats. Zoo gaat het ook met
+de slagschaduw van een potlood, dat men op korten afstand over het
+belichte deel van het cadaver houdt.
+<p class="c2">Met deze waarnemingen hebben we aan de plicht
+voldaan, om te zien in de richting, die de schilder met zijn
+lichteffect heeft aangeduid.
+<p class="c2">Bij voortgezette beschouwing dwaalt nu de blik als
+van zelf naar het gelaat van Tulp, en hierheen eerder, dan naar de
+gezichten der overige heeren. Het schijnt, dat de beide handen, die
+zoo in de nabijheid van het lijk hare welsprekende gebaren maken,
+dien overgang bewerken. We moeten ook bij Tulp het eerst wezen; hij
+is onder de acht geportretteerden de voornaamste en aanzienlijkste.
+Als geneesheer genoot hij eene groote reputatie, zoowel in
+Amsterdam als daar buiten. Hij speelde in deze wereldstad bovendien
+eene groote rol als lid van de stedelijke regeering. En de
+regeering van Amsterdam, dat wou wat zeggen. Die gaf in de
+regeering van de Republiek de lakens uit. Een man als Bicker had
+immers in ons land bijna evenveel invloed als Stadhouder Willem II.
+Een burgemeester van Amsterdam mocht met recht tegen een hoog
+geplaatst Fransch edelman zeggen: "De koningen van het land, dat
+zijn wij!"
+<p class="c2">Intusschen zou Tulp, &egrave;n als geneesheer
+&egrave;n als magistraat, toch reeds lang vergeten zijn, wanneer
+hij niet toevallig bevriend was geweest met Rembrandt, en wanneer
+deze van hem niet den onvergetelijken kop had gemaakt, dien we hier
+voor ons zien. De oogen, donker van kleur, staan er helder en met
+verwonderlijke klaarheid in. De blik, die op de verte gericht is,
+verraadt een groot verstand, diepe kennis en zachtheid in het
+oordeelen. Het gelaat is vol ernst, niet de ernst, die door leed
+ontstaat, maar de ernst, die gevolg is van juist inzicht en van
+veel weten. De mond schijnt te spreken. De boven-en onderlip zijn
+zoodanig op elkander geschilderd, dat er eene bijna onmerkbare
+plooiing in komt; door deze plooiing is het, alsof we de lippen de
+letters hooren aanblazen bij het spreken, en men kan er zichzelf op
+betrappen, dat men tracht vast te stellen, welke medeklinker er
+gevormd wordt, hetzij dan een f, hetzij een v.
+<p class="c2">De handen begeleiden dit spreken met verwonderlijke
+juistheid. De linker, ter halver hoogte opgeheven, maakt aan de
+hoorders duidelijk, welke bewegingen de dokter bedoelt. Terwijl
+namelijk de rechter met behulp van een pincette &eacute;&eacute;nen
+spierbundel van de anderen afzondert, laat de linker zien, welke
+uitwerking de samentrekking daarvan zou hebben. Het is een
+buigspier, liggende aan de binnenzijde van den arm; de
+middelvingers van de linkerhand maken onwillekeurig de buigbeweging
+mee, over welke gesproken wordt.
+<p class="c2">Veegjes lichte verf geven tusschen de vingers de
+plaatsing aan, hoe ze eenigszins uiteen wijken, naast elkaar op de
+hand zijn ingeplant, en los van elkaar in de ruimte staan. We zien
+in de tusschenruimte op. In den duim van de rechterhand voelen we
+de drukking, die hij op het werktuigje uitoefenen moet, om den
+spierbundel vast te houden. Wat liggen ook de vier vingertoppen in
+juiste houding om den duim heen!
+<p class="c2">De kleeding verdient wel een oogenblik bijzonder de
+aandacht. Er zijn zeventiend-eeuwsche portretten genoeg, die ons
+onderrichten omtrent vorm en snit van de toenmalige
+kleedingstukken. Maar hier hebben we er een, dat ons doet voelen
+hoe <i>mooi</i> ze stonden, hoe schilderachtig ze den persoon
+kleedden. Breed en kloek is de borst, en zijn de schouders onder
+zoo'n wambuis met mantelkraag. De breedgerande, vilten hoed geeft
+den kop een prachtige vierkantheid; hij kleedt ontegenzeggelijk
+mooier dan de hooge cylinderhoeden uit onze dagen. Het kantkraagje
+en de manchetten droeg men niet onder maar over het wambuis, niet
+in maar om de mouw.
+<p class="c2">Misschien wekt het bevreemding, dat Dr. Tulp onder de
+les en in aanzienlijk gezelschap den hoed op het hoofd houdt. Dit
+was in zijn tijd gewoonte: de professor aan de hoogeschool, zoowel
+als de onderwijzer te midden van zijne leerlingen, de vroede
+raadsleden op het raadhuis, zoowel als de huisvader in den
+familiekring, hielden zich gedekt; en men zag daarin geene
+onwellevendheid.
+<p class="c2">Van de overige koppen trekken vooral de twee, die
+zich over het cadaver heenbuigen, de aandacht. In de eerste plaats
+om de tegenstelling tot Tulp. Terwijl deze spreekt, zoowel met den
+mond als met de handen, zoowel door zijne opgerichte houding als
+door zijn rondblikkend gelaat, luisteren gene. De een ziet naar het
+lijk, de ander naar den professor, maar beider oogopslag verraadt
+aandachtig luisteren; luisterend ook buigen ze zich voorover.
+<p class="c2">In de tweede plaats om de schilderhoedanigheden. Men
+lette bijvoorbeeld eens op de rechterwang van den persoon, die het
+dichtst bij Tulp zit. Van het oog af naar beneden vinden we alle
+kleurschakeeringen, die ons in het gezichtsvleesch van zoo'n gelaat
+bekend zijn. Allerlei zwakke schaduwtjes en lichtvlakjes duiden
+aan, hoe het verloop is van de wang. Het is niet maar eenvoudig weg
+eene bolle ronding of eene magere afplatting; overal zitten vorm-en
+gedaantewisselingen. Eerst eene blauwachtige, eenigszins
+uitpuilende streek onder het oog, zooals bij zwak uitziende
+menschen. Dan de verheffing van het jukbeen, waar we een blosje
+vermoeden. Hiertusschen en tusschen den neus eene invallende
+diepte. Verder naar beneden de ingevallen wang, die achter den
+knevel verdwijnt en, om het jukbeen heen, nog tot aan het oor te
+volgen is. Alsnu gaat het met geleidelijke ronding om de kaak heen,
+waar heel dun eenig blond haar groeit.
+<p class="c2">En, zooals deze wang is, is de heele kop. Elk plekje
+is aan het model ernstig en aandachtig waargenomen, bespied en
+bestudeerd. Het portret is een beeld geworden, dat men niet zoo
+maar eens even uit zijn hoofd schildert, het is naar het leven
+genomen, het geeft ook het leven weer.
+<p class="c2">Bij de beschouwing trachten we ons onwillekeurig te
+binnen te brengen, waar en wanneer we dezen persoon hebben ontmoet,
+alsof het iemand is, dien we in onze omgeving opgemerkt hebben.
+<p class="c2">De overige koppen op deze schilderij zouden evenzeer
+eene afzonderlijke bespreking verdienen. Alle dragen de kenmerken
+van studie naar het leven. In alle is met zorg het afzonderlijke,
+het eigenaardige opgemerkt. Men vergelijke, om een voorbeeld te
+geven, maar eens met elkaar de manier, waarop bij elk het haar op
+het voorhoofd is ingeplant. Alleen hieraan zou men de heeren alle
+kunnen herkennen, als men ze ontmoette.
+<p class="c2">Of men ga eens na, hoe elk van de aanwezigen op eigen
+wijs de les van Dr. Tulp volgt; met meer of met minder aandacht;
+met een geestigen trek om mond en oogen of met een soort van
+onverschilligheid.
+<p class="c2">Ieder is zichzelf en leeft zijn eigen leven. Geen
+twee zijn van een zelfde model.
+<p class="c2">Al deze uitingen van leven spreken des te sterker,
+omdat ze gerangschikt staan rondom het beeld van den dood, van de
+stof, waaruit het leven ontvloden is.
+<p class="c2">De mond van het cadaver is half geopend, en een
+glimlach schijnt er omheen te spelen. Maar de glimlach is
+verstijfd, en het spreekgebaar van de mondopening is koud en
+versteend. Het is het eeuwige zwijgen met een grimas van leven. En
+op het gelaat van den lesgevenden professor: het mondopenen
+nauwelijks zichtbaar, de blik strak op de verte gericht, geen
+plooitje, dat zich tot glimlach vormt, en toch het heele wezen een
+en al leven, op de bijna onbewogen trekken een spreken, dat sedert
+bijna drie eeuwen elken toeschouwer in de ziel dringt, en dat
+spreken zal blijven tot in lengte van dagen.
+<p class="c2">Het stuk in zijn geheel heeft ook zijne eigenaardige
+bekoring. Eerstens door het zonnige hoekje, waar het cadaver ligt.
+Het oog heeft in die lichtplek een aangenaam rustpunt. Ten tweeden
+door de groepeering. De personen staan los, ongedwongen en
+regelloos bij elkaar, terwijl ze toch in een driehoek gevat zijn;
+&eacute;&eacute;n gezicht vormt hiervan den top en doet de groep
+naar boven toe bevredigend eindigen.
+<p class="c2">Ten derden door de rijke afwisseling van licht en
+donker; tusschen de witte kragen, blanke gezichten en handen zijn
+overal stukjes achtergrond aangebracht of brokstukken donkere
+kleeding, donkere baarden of behaarde schedels. Men bezie het stuk
+maar eens door de oogharen, om deze afwisseling op te merken.
+<p class="c2">De geschiedenis van de Anatomische les is deze.
+Rembrandt maakte haar in 1632, het jaar, waarin Frederik Hendrik
+Limburg aan de Republiek toevoegde. Ze kreeg eene plaats in de
+vergaderzaal der chirurgijns te Amsterdam en bevond zich aldaar
+nog, toen deze in 1828 hunne bezittingen te gelde wenschten te
+maken en het stuk aan Koning Willem I verkochten voor f32.000.
+Sedert maakt het deel uit van het Koninklijk Kabinet, dat in het
+Mauritshuis ondergebracht is.
+<p class="c2">De maker van het kunstwerk zal waarschijnlijk van elk
+der acht heeren geneeskundigen de som van een kleine honderd gulden
+hebben ontvangen, wat in 1632, toen Amsterdam krioelde van goede
+schilders, al wel was, vooral voor een beginnend man van even vijf
+en twintig jaar.
+<p class="c2">In een anderen zin bracht het hem echter meer op. Als
+een loopend vuur ging de mare door de stad, dat een groot schilder
+was opgestaan, overgekomen uit Leiden en je kon zijn werk zien op
+de Chirurgijnshal! Dit legde hem geen windeieren. Spoedig regende
+het bestellingen van portretten, en maakte hij een geweldigen
+opgang, zoo enorm, dat zelfs in het Stadhouderlijk Paleis te
+'s-Gravenhage zijn naam genoemd werd.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="AANRAKING_MET_HISTORISCHE_PERSONEN"></a>
+<h2 class="c4">AANRAKING MET HISTORISCHE PERSONEN.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Reeds in zijne studiejaren had Rembrandt in Den Haag
+zaken gedaan. Toen hij, nog v&oacute;&oacute;r 1632, bij zijne
+ouders te Leiden woonde en ijverig schilderde en teekende om de
+kunst machtig te worden, deed eens een bezoeker hem aanwijzing voor
+een heer in Den Haag. Een zeker stukje, dat hij juist voltooid had,
+moest hij dien eens gaan vertoonen en te koop aanbieden. Te voet
+trok de jonge schilder er op uit, bereikte na eene wandeling van
+vier uren de Residentie en smaakte de voldoening zijn stuk voor
+honderd gulden te verkoopen. Wonder in zijn schik met dit succes,
+en nog niet gewoon zooveel geld in zijn buidel te hebben, voelde
+hij behoefte, om zoo gauw mogelijk naar Leiden te gaan met zijn
+schat, en zijne ouders in kennis te stellen met het fortuintje.
+<p class="c2">Een weg van een kleine vier uur gaans weer te voet af
+te leggen, dat kwam, dunkte hem, niet te pas voor iemand, die
+schilderijen met honderd gulden betaald krijgt. De trekschuit, daar
+ging Jan en alleman mee. Hij deed als een groote m'nheer en nam
+parmantig plaats bij het logement, "De Leidsche wagens" op den
+wagen naar Leiden. <i>Op</i> den wagen naar Leiden, aldus vertelt
+een oud schrijver, niet <i>in</i>.
+<p class="c2">Wat genoot hij van dat ritje! Eerst voerde de weg hem
+door het Haagsche bosch met zijne gladde, rijzige, groene,
+beukenstammen, die hunne takken breed en vlakweg met
+lichtdoorlatende, fijne blaadjes uitgespreid hielden; verspreide
+eiken stonden zwaar en donker daartusschen met diepgefronste
+schors, en takken, die in moeilijke kromming zich wrongen. Machtig
+en breed stond de voet uit in de zandige duinhellingen; het trof
+hem, hoe ze hun wortels uitlegden over den bodem als een reuzig
+gedierte, dat krampachtig met uitgeslagen en wijdgeopende klauwen
+zich vast wil klemmen.
+<p class="c2">Nog anders dan in Leiden op het bolwerk, zag je hier,
+hoe de natuur een beeld van kracht kan zijn. Hier, waar werkelijk
+eeuwen-heugende eiken en beuken stonden. Maakte niet een
+medereiziger hem attent op een drietal forsche exemplaren, met
+dooreengestrengelde takken, die het volk het Jacobaprieel noemde,
+omdat er de landsvrouw Jacoba tweehonderd jaar geleden gaarne
+verwijld had? Heerlijk wonen moest het in Den Haag zijn voor eenen
+kunstenaar. De oude stad nog net plaats vindende op het uiteinde
+van de reeks binnenduinen, waarop ook het Haagsche bosch stond, en
+waarover de Leidsche weg hem Noordoostelijk voerde; de nieuwere
+straten de venen ingaande. De omstreken, in Noordelijke richting,
+klingen en dalen met laag en opgaand hout, in zuidelijke richting
+lage weiden, vol slooten en plassen; hier en daar moerassen, met
+ruigten van wilgbeschot en oeverplanten; de verre horizonnen
+onderbroken door watermolentjes, die men reeds in gebruik begon te
+stellen van de grondverbetering.
+<p class="c2">Terwijl hij voortmijmerde, passeerde de koetsier niet
+ongemerkt het liefelijke Huis Ten Bosch (wijl dit er nog niet was,
+en eerst over twintig jaar ter eere van den vrede van Munster zou
+verrijzen) maar reed door tot, en hield stil voor het huis Ten
+Deil, eene herberg, die den weg van Den Haag naar Leiden in
+nagenoeg gelijke helften deelt (deilt). Eene onoogelijke waardin
+kwam buiten met een zwartberookt tabakspijpje in den mond, en zette
+den paarden eene krib met voer voor. De reizigers stegen uit en
+traden, evenals de wagenbestuurder, de herberg binnen, boven welks
+deur, tusschen rankend wijnloof, aan een eind lat een groote aarden
+bierpot bungelde. Rembrandt voelde geen lust, het voorbeeld te
+volgen en mede uit te stappen. Hij bleef bij zijn vollen buidel op
+den wagen zitten. Na eenige oogenblikken wordt de krib weggenomen,
+en komt het volk met den wagenaar naar buiten, om ieder zijn
+plaatsje weer in te nemen. Hun al te groote luidruchtigheid jaagt
+den paarden een schrik op het lijf: ze gaan er van door en rennen
+met den schilder voort. Het gaat langs den hun bekenden weg
+huiswaarts; ze storen zich aan niets, hollen voort, bereiken de
+Wittevrouwenpoort, sleuren den wagen over de Drentsche keien van
+het Noordeinde en houden in voor de deuren van den gewenden stal.
+Het stalpersoneel stormt naar buiten, helpt den schilder
+uitstijgen, betast zijn leden, of er geen gebroken is, en toont
+zich benieuwd om te vernemen, hoe hij dus, alleen op den Haagschen
+wagen gezeten, de stad komt binnenrijden. Maar hij. Zonder veel
+praatjes maakt hij zich weg en spoedt zich naar de Weddesteeg, die
+het rijtuig gepasseerd was zonder hem af te zetten. Behouden en wel
+brengt hij zijn honderd gulden thuis, en is gelukkig, dat hij op
+Den Deijl zoo weinig verteringskosten heeft behoeven te maken.
+<p class="c2">Het is waarschijnlijk, dat de groote m'nheer in Den
+Haag, die zijn stuk honderd gulden waard achtte, niemand minder dan
+Constantijn Huygens is geweest.
+<p class="c2">Kort nadat Rembrandt zich in Amsterdam had gevestigd
+en een grooten naam begon te krijgen, bracht Huygens hem bij den
+stadhouder, prins Frederik Hendrik, ter sprake, wat hij gemakkelijk
+kon doen, omdat hij, als diens geheim-secretaris, dagelijks met den
+vorst verkeerde.
+<p class="c2">Er volgde eene bestelling van eenige stukken,
+misschien om er het stadhouderlijk paleis te Rijswijk mee te
+versieren. De levering, en daarna de betaling, hebben nog al voeten
+in de aarde gehad. Men is dit aan de weet gekomen uit eigenhandige
+brieven van Rembrandt, die bewaard zijn gebleven in families, welke
+van Huygens afstammen. Uit een van deze blijkt, dat hij zelf zeer
+goed wist, een eerste-rangsschilder te zijn, dien men goed moest
+betalen, maar tevens, dat hij bescheiden genoeg was, om waarde te
+hechten aan het oordeel van Huygens of van den Prins. Zie hier:
+<p class="c2"><i>Mijn Heer</i>!
+<p class="c2">Soo ist dan dat ick met licensij u e dese 2 stucken
+toesende die ick meen dat soodaenich sullen bevonden werden dat
+sijn Hoocheijt nu selfs mij niet min als dusent guldens voor ider
+toeleggen sal doch soo sijn Hoocheijt dunckt dat sijt niet en
+meerijteeren sal naer sijn eijgen believen minder geeven mij
+verlaetende op sijn Hoocheijts kennis en discreesij. Sals mij
+danckbaerlick daer met laeten contenteeren ende blijvende neffens
+mijne groetenisse sijnen
+<p class="c2">D.W. ende geneegen dienaer
+<p class="c2">REMBRANDT.
+<p class="c2">Het tghene ick aen de lijsten en de kas verschooten
+hebb is 44 guldens in alles.
+<p class="c2">Behalve omtrent zijn karakter, leert dit schrijven
+iets omtrent zijne ontwikkeling. Hij schreef een goeden brief, de
+zinnen vloeiden hem gemakkelijk uit de pen, en hij spelde vrij
+zuiver, te rekenen voor de zeventiende eeuw. Zijn schoolonderwijs
+was niet verwaarloosd, al wijdde hij zich reeds vroeg aan de kunst.
+Dat hij in den laatsten zin schreef: "daer <i>met</i> laeten
+contenteeren" in plaats van "daar<i>mee</i>", kan men op rekening
+stellen van zijn omgang met vrouwe Saskia van Uhlenburg, die dat in
+Friesland zoo had geleerd.
+<p class="c2">Uit zijne brieven aan Huygens moge ook deze nog
+aangehaald worden, om grond te geven aan ons vermoeden, dat het hof
+in Den Haag met de uitkeering der contanten nu niet juist zoo heel
+vlug is geweest.
+<p class="c6">Mijn Heer!
+<p class="c2">Mijn E. Heer met schroomen ist dat ick u e met mijn
+schrijvens kom besoucken ende dat doort seggen van den ontfanger
+Wttenboogaert die ickt tardeeren van mijn betaeling klaechden hoe
+dat den tresoorier Volbergen dat lochgent als dat daer jaerlicks
+intresse getrocken werden soo heeft mij den ontfanger Wttenboogaert
+nu voorleden woondach daer op geantwoort als dat Volbergen allen
+halven jaer die selvij intressen heeft gelicht dat tot nu toe soo
+dat daer nu wederom over 4000 K. gulden bij den selvij kantooren
+verscheenen is ende bij desen waerachtijge geleegentheijt soo bidde
+ick u mijn goet aerdijgen Heer dat mijn ordonnansij nu in den
+eersten mocht klaergemaeckt werden opdat ick mijn wel verdiende
+1244 guldens nu mocht eenmael ontfangen. Ende ick sal sulx aen ue
+met reverensij dienst ende blijck van vrienschap altijd soucken te
+rekumpenseeren met deesen ist dat ick mijn heer hartelick groete
+ende wenssche dat ue Godt lanck in goeden gesondtheijt ter
+saelicheijt spaeren werde.
+<p class="c2">UEDw. ende geaffexcioneerde dienaer,
+<p class="c2">REMBRANDT
+<p class="c2">ick woon op de binnen-Emster in die suijkerbackerij
+<p class="c2">Adresse:
+<p class="c2"><i>Mijn Heer</i>!
+<p class="c2">Mijn Heer van Suijlikum raet ende Secreetarijus van
+Sijn Hoocheijt
+<p class="c2">in den port Schraeven Haech.
+<p class="c2">De indruk, dien men uit dit schrijven krijgt, is wel,
+dat de beheerder van de stadhouderlijke penningen Rembrandt zonder
+veel complimenten op zijn loon liet wachten. Al maakte de jonge
+schilder opgang, toch zooveel nog niet, dat zijn naam voldoende was
+om geld los te krijgen. Ook bracht hij het nooit zoo ver, dat
+beroemde mannen uit onze geschiedenis zich door hem lieten
+portretteeren. We mogen dit stellig betreuren. Wat zouden we uit
+zijne handen een portret hebben gekregen van een Frederik Hendrik,
+een Jan de Wit, een Michiel de Ruijter, een Constantijn Huygens.
+Beter dan de bestaande levensbeschrijvingen zouden zulke
+afbeeldingen ons hun karakter, hunne edele hoedanigheden hebben
+bewaard. Maar dat heeft zoo niet mogen zijn! De groote mannen
+hebben gemeend, zijne kunst niet noodig te hebben om hunne trekken
+te vereeuwigen. De portretten, die hij gemaakt heeft, zijn alle van
+tweede-rangspersonen. Toch kunnen we hieruit zijn meesterschap
+voldoende leeren kennen. Als een mooi voorbeeld verdient dat van
+den ontvanger Uytenbogaerd te worden vermeld, welks naam we vinden
+in den zoo even aangehaalden brief.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="MEER_DAN_PORTRET"></a>
+<h2 class="c4">MEER DAN PORTRET.</h2><span class="c5"><br></span>
+<p class="c2">De heer Uytenbogaert zien we gezeten in zijne
+werkkamer. Op de tafel liggen zakken met geld, en een boek, waarin
+de hand gereed is, aanteekening te houden. Hij overhandigt den
+bediende eenen zak, dien deze misschien in een geldvat moet
+ledigen. De balans, om het goud af te wegen, hangt aan een
+boekenplank boven de tafel; op den achtergrond wachten meerdere
+bedienden op orders.
+<p class="c2">Wat ons in den heer Ontvanger het meest treft, is de
+blik, dien hij op zijnen dienaar werpt. Doordringend ziet hij hem
+aan. Uit zijn oog lezen we de gewetensvraag: kan ik je dit
+toevertrouwen? En dat oog blijft streng en onderzoekend op hem
+rusten. Rembrandt slaat hier den spijker met den eersten slag op
+den kop; hij tast de zaak aan in 't hart. Immers de beste
+eigenschap van eenen beheerder van 's lands penningen, is, dat hij
+tegen alle bedrog op zijn hoede is. Zoo &eacute;&eacute;n steeds
+waakzaam moet zijn, dan hij! Kan men een man als Uytenbogaerd dus
+treffender in beeld brengen, dan door deze eigenschap voorop te
+stellen? Hij mag een goed man, een vriendelijk man, een eerlijk man
+geweest zijn, het beste wat men van hem kan zeggen, is: hij was een
+man op de juiste plaats. En dit allereerst zegt zijn portret.
+<p class="c2">Het gezicht is niet bepaald schoon te noemen. De
+wangen hebben eene onaangename breedheid, sommige gelaatsspieren
+leggen er onbevallige vormen in; de neus is van een scheef,
+ingedeukt model. Maar zooals dit moest wezen, zoo is het ook
+uitgebeeld. We behoeven niet in onzekerheid te vragen, hoe
+eigenlijk de vorm was.
+<p class="c2">De borst is breed en vierkant in de kleeren gestoken.
+Kloek en zwaar hangt de pelsmantel er om: het schijnt een
+"kantoorjasje" te zijn. Maar wat voor een! Het zachte, glanzige
+haar zit er duimen dik op; men zou er gaarne de hand over willen
+strijken, om de molligheid te voelen. Wat een rijkdom van pluisjes
+en bundeltjes haren zien we op den breeden zoom; telkens weer
+liggen ze in andere richting op en tegen elkaar. Zwaar en dik is de
+stof, waar we, in het verkort, tegen de wijde linker mouw aan zien.
+Daarentegen is het onderkleed, dat bij den hals zichtbaar is, van
+fijn en kostbaar weefsel, waarschijnlijk in regelmatige preciese
+plooitjes gevouwen en gestreken.
+<p><img alt="" border="0" src="images/betaalmeester.png" width="510"
+height="629">
+<p class="c2">[De Betaalmeester.]
+<p class="c2">Het is een zeer aparte kunst, om met dichte
+arceeringen de stof uit te drukken. Let eens op den achtergrond. De
+wand, waartegen de schilderij hangt, is volgekrabbeld, tot het een
+beschaduwde, grijze, gepleisterde muur was; het gedeelte aan den
+rechterkant, voorbij een soort van poortje, is met hout betimmerd,
+wat duidelijk van den gepleisterden muur te onderscheiden is. Het
+afhangende deel van het tafelkleed, ofschoon van de zelfde
+grijsheid, draagt daarentegen weer duidelijk de kenmerken, dat het
+geweven stof is.
+<p class="c2">Ander mooi werk zien we in de voorwerpen, die op den
+voorgrond staan. Ze duiken op met hunne verlichte bovenkanten uit
+eene zachte, donkere kamerschaduw. Zooals wij in een donker hoekje
+alleen met onzekerheid de dingen waarnemen, zoo zien we op den
+voorkant van de groote kist het nauwelijks afgebeelde, zware
+ijzerbeslag; hier en daar blinkt de kop van eenen spijker; langs
+den rand rechts glimt wat licht, dat misschien door een ander
+meubelstuk is teruggekaatst. Zware scharnieren teekenen zich met
+kleine, zwakke glimlichtjes af langs den bovenrand. Op het deksel,
+dat zeer versmald geteekend is, zitten drie ijzeren banden, die op
+de juiste manier naar elkaar toeloopen; door hunne wijking krijgt
+het deksel voor ons oog zijne breedte. Een mooi stuk teekenwerk,
+zoo'n kist, waarin we de hardheid voelen van het ijzerbeslag.
+<p class="c2">Uit al deze onderdeelen blijkt de mogelijkheid, om,
+met arceering alleen, stof en maaksel van de voorwerpen uit te
+beelden.
+<p class="c2">Om nu tot de figuur van den ontvanger terug te
+keeren, de breedheid en de vierkantheid doen ons vertrouwen stellen
+in het karakter. De openliggende mantel, met daaronder de fiere
+borst, wekken het vermoeden van openheid en eerlijkheid. De
+rechterhand is eene uitdrukking van nauwlettendheid en
+zorgvuldigheid; ze ligt steeds gereed om in het boek van alle
+gedane uitgaven aanteekening te houden. Aardig is het om te zien,
+met hoeveel schrijversfijnheid de duim en de vinger het pennetje
+vasthouden.
+<p class="c2">In gelaat, in blik, in houding en lichaamsbouw, in
+actie en handgebaar zien we eene aanduiding van de eigenschappen,
+die Uytenbogaerd maken tot een voortreffelijk ambtenaar. Hij is een
+model betaalmeester; door een man als hem worden 's lands middelen
+naar den eisch beheerd. Zijn portret is maar niet slechtweg een
+portret, waarbij men vraagt, of het goed gelijkt; het is een
+zinnebeeld geworden, een lofspraak op den man in zijn vak. En meer
+nog: een lofspraak op de regeering uit die dagen. Met welk eene
+vaste hand moet deze de teugels hebben gevoerd, als ze bestond uit
+mannen, gelijk we er hier een voor ons zien. De kracht van het
+jonge Holland spreekt uit zoo'n portret, de kracht van eene
+regeering, die nog bezig is (1639) zich vrij te vechten van de
+Spaansche overheerschers.
+<p class="c2">Historische waarde krijgt het vooral, als we niet
+alleen op den hoofdpersoon, maar ook op den bediende letten.
+<p class="c2">Met welk een respect neemt deze den geldzak aan, die
+hem overhandigd wordt! De blik, welken hij met den ontvanger
+wisselt, wekt de veronderstelling, dat hij plichtmatig moet toonen,
+zijnen meester in de oogen te durven zien en dus geene slechte
+voornemens te koesteren. Een en al onderdanigheid is hij! Bijna
+slaafschheid. Het doet ons vreemd aan, dat in een vrijgevochten
+land, als het onze, alleen de hoogere klassen des volks zich mensch
+en onafhankelijk voelden, dat in een Republiek de ondergeschikten
+de knie bogen voor den werkgever. Is het niet, alsof we nog waren
+in de dagen der Spaansche overheersching? Toch draagt de prent de
+dagteekening 1639, en het leek in dat jaar in het Kanaal voor Duins
+weinig naar eene zoodanige heerschappij.
+<p class="c2">Maar de Regenten lieten niet met zich spotten: ze
+hadden er den wind onder. Het is deze verhouding tusschen heer en
+dienaar, die Rembrandts plaat voor ons bewaard heeft; in enkele
+lijnen worden hier boekdeelen gezegd.
+<p class="c2">Niet slechts het portret van een persoon, maar een
+tooneel uit het leven zien we, hetwelk ons doet zeggen: zoo ging
+het toe; zoo leefden de standen met elkaar in de Republiek.
+<p class="c2">Het portret is een sprookje geworden. We lezen van
+een groot heer, die een kostbaar kleinood toevertrouwt aan eenen
+braven dienaar. Doch het is een sprookje van het soort, waar meer
+achter gezocht moet worden. Het gunt ons een blik op de samenleving
+onzer zeventiendeeuwsche voorvaderen.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="GEETSTE_PRENTEN"></a>
+<h2 class="c4">GE&Euml;TSTE PRENTEN.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">De prent, die Uytenbogaerd voorstelt, is eene ets.
+Wat is dat, eene ets?
+<p class="c2">Gebruikt de schilder eenen lap linnen of een houten
+paneel, en brengt hij daar met behulp van penseelen olieverf op,
+dan spreekt men van eene schilderij. Werkt hij met kool, krijt,
+potlood, inkt of waterverf op papier, dan ontstaat eene teekening.
+Van beide maakt hij natuurlijk niet meer dan &eacute;&eacute;n
+exemplaar. Schildert of teekent iemand dit na, dan heet dat eene
+copie. Voor boeken en geschriften laat men den photograaf en den
+plaatdrukker reproducties maken.
+<p class="c2">Maar nu eene ets.
+<p class="c2">De teekenaar neemt een plaatje roodkoper. Dit moet
+volkomen vlak en effen zijn, en wordt daarom tegenwoordig langs
+galvanischen weg vervaardigd. Op het plaatje brengt hij eene dunne
+laag was aan; door het aan den onderkant te verwarmen, wordt de was
+vloeibaar en dus geschikt, om zoodanig verspreid te worden, dat het
+korstje na het stollen overal eene gelijkmatige dikte heeft.
+<p class="c2">Eene fijne naald is het teekengereedschap. De punt
+zet de lijnen niet op, maar in de was; ze kan zich door de zachte
+massa heel gemakkelijk bewegen, en dit vergunt den teekenaar dus,
+om los en zwierig te werken, zwieriger, dan wanneer hij met een mes
+zijn beeld in palmhout snijdt, om eene houtsneeprent te maken.
+<p class="c2">Wat er nu in de was staat, kan hij niet met inkt
+aansmeren, om op papier af te drukken. Daarvoor is alles te zacht.
+Hij brengt rondom de koperplaat een opstaand lijstje aan, en giet
+er vitriool over uit. Deze vloeistof laat de was onaangetast; maar
+waar ze koper vindt, bijt ze dit uit. Dus in de smalle voren, die
+de naald in het bedekkende laagje heeft getrokken. Na eenigen tijd
+wordt de vitriool afgegoten, de koperplaat door verwarming ontdaan
+van de was, en alsnu vertoont ze de figuur, door den teekenaar in
+de zachte stof ontworpen, doch thans in het harde metaal
+onvergankelijk ingevreten.
+<p class="c2">Met behulp van eene inktrol bedekt hij haar met inkt,
+wrijft haar met een lap weer schoon, maar draagt zorg, den inkt
+niet te verwijderen, die in de diepte van de lijnen zit. Deze zal,
+bij het afdrukken op een blad papier, de teekening te zien geven,
+juist even los en zwierig, als ze in de was geteekend is, maar in
+spiegeld beeld. Want door het afdrukken wordt de voorstelling
+omgekeerd.
+<p class="c2">Van eene ets worden door den teekenaar een groot
+aantal exemplaren vervaardigd. Daar ze voor den handel bestemd
+zijn, en de liefhebbers ze gelijkstellen met oorspronkelijke
+teekeningen, kunnen ze eene ruime bron van inkomsten zijn. Er is er
+een afkomstig van Rembrandt, die "honderguldenblad" heet, omdat
+elke afdruk den prijs van honderd gulden opbracht!
+<p class="c2">De ge&euml;tste koperplaat blijft voor latere
+afdrukken bewaard. Het komt meermalen voor, dat de etser na eenigen
+tijd met zijn werk niet meer tevreden is. Hij tracht dan in de
+plaat wijzigingen aan te brengen. Er heeft zeker geen kunstenaar
+bestaan, die hiervan zoo de geheimen kende, als Rembrandt.
+<p class="c2">De veranderingen, aangebracht in het portret van een
+vriend, den schilder Jan Asselijn, hebben aanleiding gegeven tot
+eene vermakelijke vergissing.
+<p class="c2">In de verschillende musea en kunstverzamelingen
+bevinden zich twee soorten van afdrukken van dit portret; ook in de
+achttiende eeuw verhandelde men reeds exemplaren van Asselijn
+<i>met</i> den ezel en exemplaren van Asselijn <i>zonder</i> den
+ezel. Op dezen staat de schilder afgebeeld naast een tafeltje met
+boeken, op genen wordt de achtergrond gevormd door een houten
+schildersezel, waar een paneel of een doek op staat, dat arbeid van
+den kunstbeoefenaar moet voorstellen.
+<p class="c2">Er werd in de achttiende eeuw druk in deze en
+dergelijke etsen gehandeld. Liefhebbers waren niet tevreden, als ze
+een Asselijn bezaten; ze moesten er een exemplaar "Asselijn met den
+ezel" bij hebben; soms liepen ze alle kunsthandelaren af, om een te
+krijgen.
+<p><img alt="" border="0" src="images/asselijnmet.png" width="304" height=
+"329">
+<p class="c2">[Asselijn met den ezel.]
+<p><img alt="" border="0" src="images/asselijnzonder.png" width="341"
+height="315">
+<p class="c2">[Asselijn zonder den ezel.]
+<p class="c2">Een Duitsch prentenkoopman had al meermalen vraag
+gehad naar een "Asselijn met den ezel", en tot zijn verdriet steeds
+neen moeten verkoopen. Hij was op en top man van zaken, en als het
+moest, stond hij voor niets! Hij bracht een "Asselijn zonder den
+ezel" bij een behoeftig kopersnijder en verzocht dien, om in alle
+stilte eene etsplaat te maken naar het beeld van den Hollandschen
+schilder, maar in gezelschap van eenen ezel. Daar geen van beiden
+ooit een exemplaar van het veel gevraagde soort had gezien,
+veronderstelden ze, dat met den ezel een gelangoorde viervoeter
+werd bedoeld. De zaak kwam gereed. De kunstkooper bezat thans de
+twee soorten. En toen er weldra een Engelschman bij hem aanklopte
+om een "Asselijn met den ezel", drukte hij dezen voor goed geld den
+zonderlingen ezelhoeder in de hand. Natuurlijk kwam zijn bedrog
+spoedig uit, en heeft hij niet veel exemplaren kunnen slijten. Toch
+zou men thans bij onze overzeesche buren weer goed geld willen
+geven om er een te bezitten, niet omdat het <i>geen</i> "Rembrand"
+is, maar ter wille van de merkwaardigbeid.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="VROUWTJE_BAS_VAN_T_RIJKSMUSEUM"></a>
+<h2 class="c4">VROUWTJE BAS VAN 'T RIJKSMUSEUM.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Hier hebben we het portret van Elisabeth Jacobs Bas,
+weduwe van admiraal Swartenhont. Het heeft geene andere bedoeling
+dan de beeltenis te geven. Eene omgeving, waarin we beroep, ambt of
+bezigheden terugvinden, ontbreekt; de achtergrond is donker. De
+dame is zonder een of anderen schijn aan te nemen zoo maar voor den
+schilder gaan zitten, om zich te geven zooals ze is. Er spreekt uit
+de houding groote eerlijkheid, openhartigheid, die niets heeft te
+verbergen, die geen behoefte heeft om manieren aan te nemen.
+Natuurlijkweg heeft ze de handen rustig over elkaar gelegd. Over
+elkaar gelegde handen ziet men dikwijls op een portret, dat is dus
+hier het eigenaardige niet. Maar men moet, door er lang en rustig
+op te zien, trachten te erkennen, hoe gemakkelijk en ongedwongen
+deze handen op den schoot rusten. Niet alleen dat ze er op
+<i>liggen</i>, dit zegt nog niets, maar ze worden er door
+<i>gedragen</i>. Met de elleboogen is het net zoo; die vinden
+steun, die rusten op de leuning van den stoel. Het sterkst voelen
+we dit wel in de linkerhand, die over de rechter is gelegd. Let ook
+eens op, hoe de onderste achteloos den zakdoek vasthoudt, en hoe de
+bovenste in een gemakkelijken greep over de andere heen ligt. En
+hoe dit overeenstemt met de houding van het bovenlijf; ook dit
+leunt in gemakkelijken stand tegen den rug van den stoel; het helt
+net genoeg achterover om dit voelbaar te maken. Alles draagt er toe
+bij om den indruk van rustigheid, kalmte, bedaarde statigheid bij
+ons te wekken. In een deftig vertrek door zoo'n dame ontvangen te
+worden, die in deze houding een verzoek aanhoort, doet weldadig aan
+en zet ons onmiddellijk op ons gemak. Het geeft de gewaarwording,
+dat ze in haar dagelijksche doen veelvuldig menschen heeft moeten
+ontvangen en heeft moeten aanhooren. Het rustige liggen der handen
+duidt eerder zulk een werkkring aan, dan beslommering van
+handenarbeid. En de gelaatsuitdrukking bevestigt die opvatting. Ook
+hierin dat rustige, onverstoorbare. Om den mond geen lach en geen
+trek van norschheid, geen zwakheid en geen hardheid van karakter,
+maar juist genoeg zachtheid om niet af te schrikken.
+<p><img alt="" border="0" src="images/vrouwtjebas.png" width="506" height=
+"654">
+<p class="c2">[Vrouwtje Bas.]
+<p class="c2">Elisabeth Bas komt reeds op leeftijd: de mond begint
+in te vallen, wel niet veel, maar genoeg om de kin iets vooruit te
+doen springen. De diepe plooien, van de neusvleugels af naar
+beneden, duiden het ook aan. De vleezigheid van de wangen doet in
+die plooien weer kleinere ontstaan. Als vrouwen zestig jaar zijn,
+begint dat langzamerhand te komen. Bij dezen leeftijd behoort de
+blozende gelaatskleur, en behooren verder de twee uitgezakte
+rondingen links en rechts van de kin, de vierkante vorm van het
+gezicht, de golvende lijn, die den omtrek van de rechterwang
+aanduidt en het hooge voorhoofd. Deze ouderdomskenmerken voegen
+zich heel gemakkelijk bijeen. Van geen enkel krijgen we het idee,
+dat het in dit gezicht niet past. Als de schilder er ook maar
+&eacute;&eacute;n overdreven had voorgesteld, zouden we dat
+terstond als eene fout hebben opgemerkt. De plooien aan de
+mondhoeken zijn in een of ander gezicht soms wel dieper, de kin
+vooruitstekender, de mond meer ingevallen, maar in dit portret gaat
+alles tot zoo'n graad, dat er volmaakte eenheid blijft bestaan.
+Geen enkele eigenschap springt uit den band. Alles is om zoo te
+zeggen op een goudschaaltje afgewogen.
+<p class="c2">Wel moet de schilder het model dus door en door
+hebben begrepen, als hij in zijn hand en in zijn penseel voelde,
+hoe diep hij een plooitje moest zetten, om bij al het overige te
+passen. Waar een groefje van den rechtermondhoek schuin naar
+beneden zakte, vond hij in de omtrekslijn van de wang een bochtje,
+dat daaraan beantwoordde. En hij zette het een niet, zonder het
+ander in 't oog te houden.
+<p class="c2">Neus en oogen zijn volmaakt in overeenstemming met de
+rest. Op den leeftijd van juffrouw Bas is de rug van den neus niet
+meer smal en kantig, maar breed en naar beide zijden rond
+afloopend. Alleen de punt en de vleugels zijn nog scherp geteekend.
+Onder de oogen vormen zich zware plooien; ook zakt er een van de
+wenkbrauwen schuin naar den buitenhoek van het oog. Hieronder komt
+het vleezige bovenste ooglid te voorschijn.
+<p class="c2">Deze bijzonderheden hebben alle denzelfden leeftijd;
+de eene toont niet ouder dan de andere. Nergens een trekje dat te
+donker, te licht, te diep of te oppervlakkig, te ouwelijk of te
+jeugdig is. Al deze geschilderde zaken zitten rustig bij elkaar,
+zonder dat het een het ander overschreeuwt.
+<p class="c2">Rustig kijkt het gezicht ook uit de oogen. De blik
+heeft wat bijzonders, zooals we dat bij sommige menschen wel
+opmerken: hij houdt het midden tusschen glimlach en ernst. We
+weifelen tusschen deze twee. En om den mond speelt een trekje, dat
+ons ook in het onzekere laat. Niet doordat Rembrandt onvast
+schilderde, maar het gelaat zelf droeg een plooi van gemengde
+aandoeningen.
+<p class="c2">De hoofdindruk is die van ernst en wijsheid en van
+vertrouwen, dat ze inboezemt. De wijsheid is het inzicht van een
+persoon, die in haar leven veel heeft moeten regeeren en leiden,
+die veel aan beraadslagingen deelgenomen heeft; men ziet haar de
+eigenschappen aan, om weeshuizen te besturen, om oneenigheden
+tusschen regenten te beslechten, om beide partijen aan te hooren,
+een ieder aan te moedigen om te zeggen, wat op het hart ligt, maar
+daarna wekt zij ook de verwachting, dat met gestrengheid uitspraak
+zal worden gedaan, gestrengheid echter, die vrij van
+hardvochtigheid is. We zien dit gelaat gaarne voor ons, niet zooals
+we misschien behagen vinden in lieve engelenkopjes, maar omdat we
+Elisabeth Jacobs Bas eene lieve vrouw vinden. Wel ook eene
+verstandige, maar vooral eene lieve vrouw.
+<p class="c2">Terwijl Rembrandt op het gelaat, dat voor hem zat,
+deze roerselen van karaktergeheimnissen las, wist hij er zich
+bovendien zoo juist rekenschap van te geven, dat zijn penseel ze in
+lijn en kleur kon vastleggen. Hij was menschenkenner zoowel als
+kunstenaar. Houdingen, vormen, gebaren en trekken nam hij
+nauwkeurig waar. Maar de menschelijke natuur, die daarachter
+schuilt, niet minder. Zooals iemand in een stoel gaat zitten en de
+handen over elkaar legt, zoo is ook zijn levenstaak en zijn
+karakter; dat had de omgang met menschen hem geleerd. Met wat een
+aandacht moet hij de personen uit zijne omgeving hebben bestudeerd!
+Wij, die in een tijd van veel drukker verkeer leven, als wij in
+eenen spoortrein zitten, en iemand komt de coup&eacute; binnen,
+kunnen wij maar amper aan zijn manier van plaats nemen zien, of hij
+veel heeft gereisd dan of reizen iets ongewoons voor hem is. En wat
+is dit aan de oppervlakte, vergeleken bij de karakterhoedanigheden,
+welke Rembrandt zag in de personen, die tegenover hem gingen
+zitten. Hoe veel en hoe ernstig moet hij zich met menschen hebben
+beziggehouden, om hun innerlijk leven zoo op het uiterlijk af te
+lezen.
+<p class="c2">En toch heeft men willen beweren, dat hij in
+zichzelven gekeerd, teruggetrokken, bijna eenzelvig leefde, geen
+menschen zag, geen omgang had en weinig van menschen hield. Dit
+&eacute;&eacute;ne portret bewijst voor het tegendeel genoeg. Wie
+dit kan maken, kent den mensch, bestudeert hem, zoekt hem en voelt
+zich tot hem aangetrokken.
+<p class="c2">Als we nu nog even de aandacht aan de kleederdracht
+dier dagen schenken, merken we op, met hoeveel welgevallen de
+schilder den in 't oog loopenden plooikraag zag. Om eens eene
+ongepaste vergelijking te maken: het is, alsof het hoofd, waarin al
+die wonderlijke zaken van gemoed en karakter worden opgemerkt, aan
+den beschouwer wordt gepresenteerd op een schotel van blanke
+reinheid. In zuiveren, afgeronden vorm teekent het zich daartegen
+af. Linten, strikken, koralen of andere sieraden misleiden de
+aandacht niet. Zelfs geen haardos. Een linnen kapje of mutsje
+voltooit de witte omlijsting, waarin het gelaat ons alles kan
+zeggen, wat het te zeggen heeft.
+<p class="c2">Wat is die kraag er mooi opgezet! Luchtig en
+kraakfijn staat de kant in de plooien. Overal van die bijna
+doorschijnende schaduwtinten, zooals men ze ook ziet op
+verschgevallen luchtige sneeuw. Hoe zuiver loopt de ronde lijn over
+de borst en de schouders achter om het hoofd heen; nog net even
+kunnen we voelen, dat de kraag aan de achterzij iets uit het platte
+vlak doorgezakt is.
+<p class="c2">Men ziet, het zijn niet alleen de raadselen van een
+menschelijk gemoed, waarnaar Rembrandt zocht, ook het eenvoudigste
+ding keek hij aan en weer aan, tot hij kon zeggen: zoo doet het
+zich aan mijn oog voor. Hij tastte zijn model eerst in het hart aan
+en gaf uitdrukking aan het persoonlijk karakter; maar dan had hij
+ook aandacht voor de bijzaken en schepte er behagen in, eenen kraag
+in de plooi of een weduwenkapje in de stijfsel te zetten.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="KUNST_VAN_GROEPEEREN"></a>
+<h2 class="c4">KUNST VAN GROEPEEREN.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Weinige van Rembrandts werken hebben onder het groote
+publiek zoo'n bekendheid gekregen, als het Korporaalschap van Frans
+Banning Kok. Het bevindt zich in het Rijksmuseum te Amsterdam en
+dagteekent uit het jaar 1642.
+<p class="c2">De beschouwer voelt zijn blik het eerst getrokken
+door twee personen op den voorgrond. Het zijn Frans Banning Kok en
+Willem van Ruitenberg.
+<p class="c2">Op andere portretten wordt men nu eens het eerst door
+dit, dan weer door dat gezicht geboeid; de een begint zijne
+beschouwing met dezen, de ander met genen kop; de massa gezichten
+is gewoonlijk verwarrend, met het gevolg, dat het weinig kan
+schelen, waarheen men den eersten blik wendt.
+<p class="c2">Maar op dit portretstuk richt iedereen dien altijd
+naar het zelfde tweetal.
+<p class="c2">Dit feit is niet van geringe beteekenis, al klinkt
+het eenvoudig. De schilderij krioelt, om zoo te zeggen, van
+menschen; en bij dergelijke stukken wil het wel eens zoo wezen, dat
+niet ieder een vast uitgangspunt vindt. Vergelijk bijvoorbeeld de
+intocht der Kruisvaarders in Jerusalem (van Piloty) er maar eens
+bij. De blik dwaalt onrustig heen en weer, is nu eens bij het
+groepje, dat een kruis met palmen torst, dan bij den ridder, die
+het kleine tegenstribbelende kindje op den arm draagt, of bij den
+rijkaard, die sieraden in het kleed van een bedelaar werpt.
+<p><img alt="" border="0" src="images/nachtwacht.png" width="602" height=
+"499">
+<p class="c2">[De Nachtwacht.]
+<p class="c2">Het wordt den beschouwer niet duidelijk,
+w&agrave;&agrave;rop hij in hoofdzaak zijne aandacht moet vestigen;
+er zijn tal van groepen, die hij geneigd is, mooi te vinden, maar
+ze houden met elkaar geen verband; er is geen zwaartepunt in het
+stuk; men blijft onzeker omtrent de bedoeling. Toch moet bij Piloty
+eene bedoeling hebben bestaan; het zal bijvoorbeeld deze geweest
+zijn: te laten zien, hoe vroom en deemoedig een paar groote vorsten
+geknield de stad binnenkropen en de heilige plaats naderden. Maar
+men merkt niet, dat daar alles om draait; de bijzaken verwarren
+ons.
+<p class="c2">Zoo heel eenvoudig is het dus niet, om de aandacht te
+vestigen op de hoofdzaak. Merken we dit ook niet dikwijls op bij
+schrijvers, als ze zich neerzetten, om uitspanningslectuur te
+schrijven? Ze meenen wel, dat ze ons iets aardigs hebben te
+vertellen, maar het raakt zoek in den grooten omslag van het
+geheel; we halen het er niet uit onder het lezen. Als we het boek
+uit hebben, weten we nog niet, waarom de schrijver het geschreven
+heeft.
+<p class="c2">Laten we dus beginnen met omtrent het Korporaalschap
+te verklaren, dat het al vast deze goede eigenschap heeft: ieder
+beschouwer kan steeds in dezelfde twee personen de hoofdzaak
+aanwijzen, op welke Rembrandt de aandacht wilde vestigen.
+<p class="c2">Waarom heeft hij dit gewild? Waartoe dient het, dat
+we allen het eerst aan Banning Kok en Ruitenberg onze aandacht
+schenken?
+<p class="c2">Toch zeker niet om ons te laten zien, hoe fraai hunne
+kleeding, hoe druk hun gesprek, hoe vriendschappelijk hun omgang
+is; of hoe 'n mooie hand Banning Kok heeft, hoe aardig de zon
+daarop schijnt en de schaduw over het kleed van Ruitenberg doet
+vallen. Dit zijn zaken van ondergeschikt belang; ze hebben voor de
+uitbeelding van een vendel schutters niet zooveel beteekenis, dat
+daarvoor de aandacht het eerst op de beide genoemde figuren moest
+worden gevestigd.
+<p class="c2">Dit heeft eene andere bedoeling, en we zullen die
+vrij zeker opmerken, wanneer we, met een stukje papier of met een
+paar vingers, den kapitein en zijnen luitenant bedekken en aan
+onzen blik onttrekken.
+<p class="c2">De overblijvende figuren staan nu stil. Besluiteloos
+staan ze op een hoop bij elkaar. Het vendel komt niet meer van
+zijne plaats; het wacht. De gang, die er in zat, is er uit. Wel
+zijn er nog eenige figuren in gaande beweging uitgebeeld, maar het
+geheel maakt den indruk van talmend en treuzelend halt houden.
+<p><img alt="" border="0" src="images/intochtinjeruzalem.png" width="616"
+height="435">
+<p class="c2">[Intocht in Jeruzalem (van Piloty).]
+<p class="c2">Zoodra we de bedekking wegnemen, komt het heele
+vendel weer vooruit. De schilderij geeft niet een groep schutters,
+in schilderachtige wanorde bijeengeplaatst, ze geeft het uitrukken.
+Het vendel rukt uit. En het zijn de twee officieren, die er actie
+aan geven. Door hun bewegen wordt alles in beweging gezet. Hun gaan
+geeft gang aan de heele compagnie.
+<p class="c2">Was er dus ook reden voor Rembrandt, om voor deze
+twee figuren de hoofdaandacht te vragen? In hen bracht hij alle
+actie bijeen, die voor het heele vendel noodig was, en spaarde ons
+de vervelende vertooning van eene gansche verzameling gaande beenen
+en gaande voeten.
+<p class="c2">Hebben we nu niet meteen het antwoord op de vraag,
+waarom Banning Kok en Ruitenberg ten voeten uit zijn afgebeeld, en
+waarom ze ook, ten voeten uit, in het licht zijn gezet? Het kwam op
+hunne beenen juist aan! Ze moesten aan 't loopen voor eene heele
+compagnie!
+<p class="c2">Laten we de beweging van dit gaan eens aandachtig
+beschouwen, en ons daartoe voor den geest halen, wat we opmerken
+aan menschen, die langs den weg loopen. Dit bepaalt zich volstrekt
+niet tot het regelmatig en afwisselend verplaatsen van de beenen.
+Eerstens komt daar gewoonlijk bij het heen en weer gaan van de
+armen, wat toevallig bij de beschouwing van onze twee figuren van
+geen belang is, omdat ze geen van beiden de armen los laten hangen.
+Tweedens: in het geheele lichaam eene beweging, waarop we hier wel
+de aandacht moeten vestigen. Bij elken pas gaat namelijk het lijf
+en daarmee het hoofd op en neer; het rijst en daalt. Bijzonder
+duidelijk nemen we dit waar, als een troepje menschen zich met
+elkaar voortbeweegt zonder in den pas te marcheeren; al de hoofden
+en hoofddeksels dobberen dan op en neer, als door eene deinende
+golfbeweging. Duidelijk is dit vooral, als ze achter een niet te
+hooge haag aan ons oog voorbij trekken.
+<p class="c2">En zie, het is dit op en neer deinen van de
+bovenlichamen, wat we in Banning Kok en Ruitenberg beginnen te
+voelen, als we ons de moeite geven, eenigen tijd aandachtig hun
+gaan aan te kijken. De tweede schijnt juist het oogenblik door te
+maken, dat hij omhoog veert, terwijl de eerste dit net weer achter
+den rug heeft. Eene schilderij kan wel is waar geen werkelijk
+bewegen te zien geven, maar toch kan de schilder uit de kleine
+veranderingen, die tezamen de actie uitmaken, eene zoodanige keuze
+doen, dat wij den indruk krijgen, alsof het beeld de beweging zelf
+te zien geeft. Dit gelukt hem alleen, als hij eene nauwgezette
+studie van de zaak maakt, en als hij van nature bedeeld is met het
+juiste gevoel voor actie, voor veerkracht en voor evenwicht. Hij
+moet zich, al werkende, levendig voor den geest kunnen stellen, hoe
+hij eene menschelijke gedaante langs den weg heeft zien gaan, hoe
+elk lichaamsdeel op eigenaardige wijze aandeel kreeg in de beweging
+van het gaan, hoe een hoofd zich telkens even omhoog richt bij het
+verplaatsen der lichaamszwaarte van het eene op het andere been.
+Naar een model, dat in zijn atelier de verlangde houding en stand
+aanneemt, kan hij niet werken, als hij zoo iets wil weergeven. Het
+verkeert in rust, en om de rust is het hem juist niet te doen. Voor
+eene figuur als van Ruitenberg zou een model hoogstens de plaatsing
+van de voeten en de buiging van de beenen te zien kunnen geven.
+Maar niet het omhoog veeren, het opbeuren, dat ons in het
+bovenlijf, in den hals en het hoofd zoo treft. Hoe langer men er op
+ziet, hoe minder men zich aan dien indruk kan onttrekken. En
+tegelijk beginnen we op prijs te stellen, dat de schilder zijn
+volle licht en zijne lichtgele kleedingstoffen spaarde voor deze
+figuur; zij springt daardoor des te beter in 't oog.
+<p class="c2">Er is naar aanleiding van dit onderwerp nog eene
+opmerking te maken: de twee vrienden loopen namelijk niet gelijk.
+<p class="c2">Reeds trok het onze aandacht, dat ze niet in
+denzelfden pas marscheeren. Terwijl Banning Kok zijn rechterbeen
+juist naar voren gebracht heeft, en hij zijne lichaamszwaarte bezig
+is op dat been over te brengen, is het rechterbeen van Van
+Ruitenberg reeds gestrekt, het ondersteunt diens zwaartepunt en
+geeft aan het linkerbeen gelegenheid om naar voren te komen; de
+voet rust dan ook nog slechts met de punt van den teen op den
+grond.
+<p class="c2">Maar behalve het verschil in tijdmaat, is er een
+wezenlijk onderscheid in de manier van loopen. Men zou elk van hun
+twee&euml;n er aan kunnen herkennen, zooals we trouwens onze
+kennissen dikwijls herkennen aan hunnen gang.
+<p class="c2">Ruitenberg maakt groote passen, bijna te groot voor
+iemand van zijne lengte. Hij komt met eene zekere drift opzetten.
+Zijne nadering heeft min of meer een dreigend aanzien. Het
+linkerbeen, dat zich thans nog achter bevindt, wil zich gestrekt en
+op eene vinnige, kordate manier naar voren bewegen.
+<p class="c2">Als ons oog van dit driftige, besliste mannetje naar
+den grooten, vierkanten Banning overgaat, doet diens voetstap ons
+weldadig aan. Rustig en goedsmoeds schrijdt hij voort. Wel ook met
+meer dan gewoon burgelijke snelheid, even goed als zijn buurman,
+maar zijn gang is niet nijdig, niet gestrekt, niet als de gang van
+den gymnast, die zijne leden aan korte, besliste bewegingen went.
+<p><img alt="" border="0" src="images/groepuitdenachtwacht.png" width=
+"577" height="690">
+<p class="c2">[Groep uit de "Nachtwacht".]
+<p class="c2">Zooals hij daar aan komt stappen, heeft hij eerder
+iets vertrouwelijks over zich dan de kleine Kuitenberg.
+<p class="c2">Dit onderscheid in beider gang is door den schilder
+aan de twee levende personen nauwkeurig ontleend. Want het behoeft
+onze aandacht niet te ontgaan, dat hetzelfde verschil ook spreekt
+uit beider lichaamsbouw en vooral uit beider gelaatstrekken. De een
+ziet met een vol, breed gezicht de wereld in, uit een paar wijd
+geopende en vrijmoedig opziende oogen. De andere heeft in zijne
+magere trekken niet dat aantrekkelijke; hij mag wat scherpzinniger
+wezen, scherper is hij ook, en hij ziet min of meer sluw onder den
+hoed uit, die hem in de oogen zit, terwijl Kok dat kleedingstuk
+achter op het hoofd staat. Ieder mensch draagt zijnen hoed, zooals
+zijn karakter is.
+<p class="c2">De gang is dus in overeenstemming met grootte, met
+breedte, met gelaatsuitdrukking, vermoedelijk ook met karakter. Dit
+verleent aan de twee naast elkaar loopende figuren het echte leven;
+de een is een geheel ander mensch als de ander. Aan beider
+eigenaardigheden heeft de schilder recht gedaan, terwijl hij
+bovendien de actie van hun gaan wist te gebruiken, om aan de heele
+groep van personen de bewegelijkheid te geven van een troepje
+uitrukkende schutters.
+<p class="c2">Want, om den hoofdindruk van onze schilderij niet uit
+het oog te verliezen,-dit uitrukken is eigenlijk <i>het</i>
+onderwerp, dat de schilder behandelen wilde. We behoeven niet lang
+te raden, waarom hem dit aantrok. Sinds overoude tijden is het
+uittrekken van de gewapende macht een soort volksfeest, dat toen
+zoowel als nu zich mocht verheugen in de belangstelling van het
+publiek. Wie zal ook ontkennen dat het een levendig, een aardig
+tooneeltje is, zoo door de straten den bonten stoet te zien
+voortmarscheeren, muziek of trommelslag voorop, vaandels boven de
+hoofden vliegend, wapens blinkend en kletterend, het geheel door
+straatjeugd omstoeid, door volwassenen met welgevallen
+gadegeslagen.
+<p class="c2">Het lag voor de hand, dat zoo'n tooneeltje hem
+geschikt voorkwam, om daarin de bestelde portretten tot een geheel
+te vereenigen.
+<p class="c2">Het tweetal, dat aan het hoofd van den stoet
+marscheert, en dat zijne beweging aan de gansche schaar weet mee te
+deelen, heeft nu intusschen nog eene andere taak te vervullen. In
+hen moet ook blijken, wie het zijn die hier uitrukken.
+<p class="c2">Al dadelijk zien we in gestalte, houding en fieren,
+vasten gang iets, dat ons zou bevreemden, als we het opmerkten in
+twee burgerluitjes, die samen een straatje omwandelden. Wanneer we
+twee deftige heerschappen met zooveel tred, zooveel levendigheid en
+met zoo'n druk handbeweeg door onze straten zagen passeeren, zouden
+we zeker meenen dat een ernstig ongeluk was gebeurd, en zij er op
+uitgingen om hulp van politiemacht in te roepen. Hier is iets
+uitgedrukt, dat strijdt met het gewoon burgerlijke; en dit was
+juist noodig om van de figuren militairen te maken. Ze hebben het
+krijgshaftige gekregen, om te zijn, wat ze moesten wezen:
+schutters; en wel schutters, aan wie de verdediging der stad zou
+kunnen worden opgedragen in tijden van oorlog.
+<p class="c2">Voor het gansche vendel zijn de officieren met
+militaire eigenschappen toegerust.
+<p class="c2">Toch zijn ook weer zij het, die in het militaire het
+burgerlijke mengen. Het stuk mocht niet ontaarden in de
+voorstelling van eene krijgshaftige groep veteranen uit het
+beroepsleger van stadhouder Frederik Hendrik.
+<p class="c2">Dit zou gebeurd zijn, als de aandacht meer en in
+hoofdzaak ware gevestigd geworden op het echte krijgsmansuiterlijk
+van den man, die onder het gaan zijn geweer laadt, links van
+Banning Kok, of op de drie, die we weer links van dezen waarnemen.
+Allemaal typen van krijgslieden.
+<p class="c2">Maar de gezichten van Ruitenberg en Kok zijn geen
+troni&euml;n van in kruitdamp verweerde veteranen. Men houdt ze wel
+dadelijk voor burgerlijke ingezetenen, die met den krijgsmansstand
+weinig gemeen hebben. Het blijven burgers, zij het dan ook burgers,
+die zich vandaag als mannen van wapenen doen gelden. Al doen ze dit
+laatste goed, men ziet hen wel aan, dat zij in een vredelievenden
+kring thuis behooren. Banning Kok is niets meer of minder dan
+Wethouder van Amsterdam en zit in die functie op het kussen naast
+dokter Nicolaas Tulp, wiens portret Rembrandt tien jaren vroeger,
+in 1632, had gemaakt.
+<p class="c2">In het welsprekend handgebaar van den kapitein vinden
+we ook iets, dat in strijd is met soldatenmanieren, of althans
+geene strijdlustige bedoelingen verraadt. Het geeft wel is waar aan
+den persoon eene levendigheid, die een burger, als hij zich door de
+straat beweegt, vreemd zou staan en eerder aan den krijgsmansstand
+doet denken; maar tegelijk is het toch ook van eene vreedzame
+natuur; we kunnen dezen krijgsman geen andere oogmerken
+toeschrijven, dan om met zijn mannen uit te trekken, en vreedzaam
+oefening te houden in het hanteeren van de lans of het schieten op
+een doel, misschien op den haan, dien het meisje draagt. Zoo
+gemoedelijk loopt niet de landsverdediger te gesticuleeren, die den
+wreeden vijand tegemoet gaat, en vrouw en kinderen voor 't laatst
+vaarwel heeft gezegd; en zoo rustigjes loopt een ander niet met de
+hand in de zij, te luisteren naar het discours van eenen lotgenoot.
+<p class="c2">Het zijn dus ook al weer Banning Kok en Van
+Ruitenberg, in wie het karakter uitgedrukt is van het soort
+krijsvolk, dat hier uitrukkende is voorgesteld. Evenmin als het
+voorafgaande, is dit door Rembrandt op diepzinnige wijze verzonnen;
+het denkbeeld lag voor de hand. Althans, we krijgen den indruk, dat
+dit zoo was. Groote kunstwerken wekken gewoonlijk de gedachte, dat
+ze eenvoudig van opvatting en samenstelling zijn, dat ze den
+kunstenaar gemakkelijk van de hand zijn gegaan.
+<p class="c2">Het middel, dat aangewend is om de hoofdpersonen
+onder ieders aandacht te brengen, is eveneens heel eenvoudig; de
+schilder heeft ze letterlijk in 't licht gezet, en de rest van zijn
+doek nogal rijkelijk met schaduw bedacht. Of dit licht de kenmerken
+heeft van zuiver daglicht, dan wel of er iets onnatuurlijks in is,
+kan men niet beoordeelen met eene zwarte prent voor zich; het zijn
+de kleuren, die dit uitwijzen, en deze kan men alleen zien op het
+origineel in het Rijksmuseum.
+<p class="c2">Maar dat het een helder en schitterend licht is, laat
+geen twijfel over, ook niet als op onze plaat de kleuren ontbreken.
+Toch heeft men lang in twijfel verkeerd, met welk licht men hier te
+doen had. De donkere achtergrond bracht velen op het idee, dat
+Rembrandt een nachtelijk tooneel bedoelde, bij voorbeeld het
+rondgaan van een nachtwacht van schutters, bij het licht van
+toortsen of flambouwen.
+<p class="c2">Vooral Fransche reizigers, die in de achttiende eeuw
+Amsterdam bezochten en op de "Voetboogdoelen" tegen den breeden
+schoorsteen het stuk gingen zien, stonden er vast op, dat het de
+ommegang van de nachtwacht was. Langzamerhand hebben onze
+voorouders zich daarbij neergelegd. In den pruikentijd schijnen zij
+niet veel oog voor schilderkunst gehad te hebben, en vertrouwden ze
+er op, dat een Franschman het weten kon. Men ging dus spreken van
+"de Nachtwacht" van Rembrandt. En dien naam behield het stuk, toen
+het naar het stadhuis, en zelfs later nog, toen het onder de
+regeering van Lodewijk Napoleon in 1808 naar het museum verhuisde,
+toen deze koning het stadhuis inrichtte tot vorstelijk paleis. Meer
+dan honderd jaar is het een Nachtwacht gebleven; eerst in de
+negentiende eeuw brak de morgen aan, begon het daglicht te gloren,
+en zag men het bespottelijke van de benaming in. In den mond van
+het volk leeft die echter nog voort.
+<p class="c2">Zoo zien we, hoe weinig er maar noodig is, om wit
+zwart en zwart wit te heeten, om van dag nacht te maken. Als men de
+bedoeling van den kunstenaar maar net precies niet vat, keert men
+ze totaal om. Wie thans de schilderij onder goede verlichting ziet,
+kan niet gelooven, dat onze voorouders den dag voor nacht hebben
+gehouden, zoolang hun de schellen niet van de oogen waren gerukt.
+Zij heeft met nacht niets te maken, of men moet zich voor den geest
+roepen, in welk jaar Rembrandt's penseel dit meesterwerk voltooide.
+Het was in 1642, in het jaar toen hem Saskia door den dood ontviel,
+toen hij alleen in zijn groote huis achterbleef met een kind van
+nog geen jaar, en avond aan avond eenzaam in het woonvertrek zat,
+waar zijn jonge vrouw zoo dikwijls tegenover hem had gezeten, als
+hij uit zijn werkplaats met teekengerei was binnengekomen, om in
+huiselijke gezelligheid allerlei schetsen te maken. Het was het
+jaar, toen voor hem het licht onderging, dat acht jaren lang zijn
+levensweg had beschenen. Droefenis en somberheid waren in zijn
+huis, droefenis en somberheid waren ook in zijn gemoed. Hij
+doorleefde een tijd, die was als een nacht van troosteloosheid.
+Slechts &eacute;&eacute;n ding kon hem staande houden in zijn leed;
+dat was zijne kunst. Zijne liefde voor het penseel hield den
+levensmoed er in. Uit die dagen van droefheid werkte hij zich op,
+grooter en roemvoller dan voorheen. Treffender wordt voor ons zijne
+groote kunst, als we weten, welke omstandigheden zijn gemoed
+beheerschten. We zien dit meesterstuk van het sombere jaar 1642 als
+een lichtgestalte staan tegen den donkeren achtergrond van zijn
+huiselijk leed.
+<p class="c2">In zooverre is het gepast, het korporaalschap van
+Frans Banning Kok Rembrandt's Nachtwacht te noemen. Maar overigens
+lijdt het geen twijfel, of de hoofdpersonen zijn in het volle
+daglicht geplaatst.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="VERVOLG_VAN_T_KORPORAALSCHAP"></a>
+<h2 class="c4">VERVOLG VAN 'T KORPORAALSCHAP.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Na deze uitvoerige bespreking van een paar
+hoofdpunten, kunnen we slechts kort nog bij eenige ondergeschikte
+zaken stilstaan.
+<p class="c2">We merken dan eerst op, hoe fraai de schaduwkant van
+Bannings linkerhand tegen de lichtkantjes staat langs duim en
+vingers, hoe los en welsprekend het gebaar is, en hoe de
+slagschaduw geworpen wordt op het kleed van Ruitenberg. Ze ligt er
+niet op, zooals de randversierselen er vast op zitten, maar ze
+glijdt er los en bewegelijk overheen. Het eene maakt deel uit van
+het wambuis, het andere niet. Ook bij het lijk op de Ontleedkundige
+les merkten we, hoe zorgvuldig Rembrandt bestudeerde de manier van
+eene schaduw om ergens op te vallen.
+<p class="c2">Bij het beschouwen van de vier voortschrijdende
+beenen herinneren we ons die van Michiel de Ruyter en Zeeger op de
+plaat: "Dat is onze man." Bij Banning Kok en Ruitenberg alles
+verschillend: schoeisel, kleeding, kleur en bouw, houding, beweging
+en stand.
+<p class="c2">Het is natuurlijk, dat de beschouwing van dit stuk
+zich grootendeels bepaalt tot de hoofdpersonen. De tijdgenooten, en
+vooral de leden van het schuttersvendel merkten dit ook op en
+namen, voor zoover ze er belang bij hadden, het den schilder
+kwalijk. Eerlijk gezegd, we kunnen hun geen ongelijk geven.
+<p class="c2">Ieder lid van de compagnie moest een som van honderd
+gulden betalen. En hoe waren sommigen voor dit bedrag op het doek
+gebracht? Aan den rechterkant, waar de man met witten kraag zijn
+hand uitsteekt, staat achter diens arm een persoon, die op het
+portret van zijn heele gezicht niets dan twee oogen en een stuk
+neus terugvond. Wel wat weinig voor zijn honderd gulden!
+Verklaarbaar is het, dat Rembrandt het na 1642 met bestellingen van
+schutterstukken niet druk meer gehad heeft. Het was zijn eerste en
+zijn laatste.
+<p class="c2">Toch heeft hij van enkele personen veel werk gemaakt.
+Eene aangename figuur bijvoorbeeld is de man, die links van den
+kapitein zijn geweer laadt. Er is in de wijze van gaan iets
+onzekers, iets dat aan waggelen, aan wijdbeens loopen doet denken.
+Dit is scherp opgemerkt van den schilder. We voelen er de
+onvastheid in van iemand, die, al loopende, met beide handen iets
+bezig is te doen aan een zwaar voorwerp, en die het gemis merkt van
+zijne armen, welke anders onder het gaan door slingerbeweging een
+gevoel van gemak en evenwicht geven.
+<p class="c2">Wat ons het meest verwondert, ook Banning Kok was met
+zijn konterfeitsel niet tevreden! Hij noodigde voortaan andere
+schilders uit, als hij zijn eigen beeltenis, die van zijn vrouw of
+die van zijn korporaalschap wenschte te hebben. We weten, dat een
+zekere Ludens er in 1660 een van hem gemaakt heeft, maar het
+nageslacht stelde weinig prijs op het stuk; in 1712 is het nog eens
+voor f263 verhandeld; daarna ging het waarschijnlijk verloren.
+Banning Kok nam het Rembrandt misschien kwalijk, dat die hem een
+gelaatskleur had gegeven van nogal in 't oog loopende roodheid.
+Voor de ware schoonheid zal hij mogelijk net zoo weinig hebben
+gevoeld als de dichter Joost van den Vondel. Deze, een tijdgenoot
+van Rembrandt, wonende als hij in Amsterdam, heeft allerlei
+beroemde personen in gedichten bezongen, maar nooit den grootsten
+onzer schilders. Hij had, naar het schijnt, geen begrip van
+schilderkunst. E&eacute;n keer spreekt hij een oordeel uit over een
+portret, door Van Rijn geschilderd, en zegt dan onder anderen:
+<p class="c2">"De verf vergaat, de deugd zal eeuwig blijven."
+<p class="c2">Zoo'n versregel is pittig en heeft klank. Een
+oogenblik zijn we geneigd het eens te zijn met wat de dichter
+beweert. Immers, de roem van buitengewone deugden is
+onvergankelijk, en eene verfkorst kan vergaan. Maar bij nader
+inzien blijkt alles maar woordenspel te zijn. De persoon, op het
+portret uitgebeeld, is met zijnen roem, met zijne deugden, met
+zijnen naam reeds lang vergeten; de onvergankelijkheid was niets
+dan een dichterlijk compliment. Het geminachte verfkorstje bestaat
+echter nog, wordt in eere gehouden, is voor geen goud te koop en
+maakt de glorie uit van zijnen bezitter. Van vergaan is geen
+sprake: deze veronderstelling was slechts eene dichterlijke
+onnoozelheid. "De deugd verging, de verf leeft voort." De tijd
+heeft Vondel gelogenstraft.
+<p class="c2">We mogen van het Korporaalschap niet afstappen zonder
+het naast de Anatomische les te hebben gelegd. Beide schilderijen
+zijn portretstukken, waarop eene groep van meerdere personen is
+voorgesteld. Op beide heeft de schilder getracht, om het stijve van
+een troepje menschen, dat bij elkaar staat of zit, te vermijden.
+Hij bracht er een denkbeeld in; de beschouwer kan meenen, dat het
+eene dient om te laten zien, hoe eene ontleedkundige les gegeven
+werd, het andere hoe de zeventiende-eeuwsche schutters uitrukten om
+op het doel te schieten. En intusschen ontbreken de goede
+eigenschappen van een portretstuk in geen van beide.
+<p class="c2">Tot zoover gaan de stukken gelijk met elkaar op. Er
+is echter ook verschil. En dit moet ons niet verwonderen. De Les
+dagteekent uit 1632, Banning Kok uit 1642. Daar liggen tien jaren
+tusschen, een tijdperk, dat in het leven van ieder mensch iets
+beteekent, maar dat van veel beteekenis moet zijn in het leven van
+een kunstenaar. In die tien jaren had Rembrandt wel opnieuw een
+groot man kunnen worden, als hij in 1632 al zijne kunst eens had
+verloren. Wat moet zijne vaardigheid en zijn schildersoog dan wel
+gewonnen hebben, nu hij bleef, wie hij was, en tien jaren achtereen
+dagelijks teekende, etste en schilderde.
+<p class="c2">We kunnen helaas aan zwarte nadrukjes niet al de
+veranderingen zien, die 's meesters wijze van werken heeft
+ondergaan tusschen de Les en Banning Kok. Maar althans
+&eacute;&eacute;n zeer belangrijke merken we op, en die leert ons
+veel.
+<p class="c2">Op de Les wordt eene hoofdrol gespeeld door het
+cadaver. Dit is het voornaamste middel, waarmee de schilder aan het
+portretstuk de beteekenis van eene gebeurtenis geeft. Het is echter
+een willekeurig toevoegsel, dat er alleen op gekomen is, omdat
+Rembrandt dat zoo had verzonnen. Of misschien was het denkbeeld wel
+van een ander afkomstig. In elk geval: het is een toevoegsel, dat
+niet meewerkt, om de bedoeling van het stuk te bevorderen. De
+portretten worden er niet beter om. Wel stelt het Dr. Tulp in de
+gelegenheid, om mooi en ernstig les te staan geven, zooals hij dat
+kon, wanneer hij bezig was; maar daartoe was eene kleinigheid ook
+voldoende geweest: een beentje, een schedel, eene bladzijde uit een
+boek, of iets dergelijks. Nu ligt daar het lijk; de zon beschijnt
+het; het vormt den aantrekkelijksten hoek van het geheele stuk;
+mooi bewerkt is het; alles goed en wel. Maar-het had gemist kunnen
+worden.
+<p class="c2">Een dergelijk verwijt treft het Korporaalschap niet.
+Wat daar aangewend is, om gebeurtenis in het stuk te brengen, is
+aan de hoofdpersonen zelf ten goede gekomen. D&aacute;&aacute;r
+geen aandacht dan voor hen, op wie ze plichtmatig door den schilder
+gevestigd moest worden. D&aacute;&aacute;r alleen opeenhooping van
+goede eigenschappen in twee personen, om de andere figuren te
+ontlasten en onzen blik meer op &eacute;en punt te vestigen. Dat
+&eacute;ene punt is wel degelijk een onmisbaar onderdeel van het
+geheel.
+<p class="c2">De tien jaren zijn voor Rembrandt dus niet
+onvruchtbaar voorbijgegaan. We erkennen, dat het cadaver op de Les
+een gelukkige kunstgreep was om den beschouwer te boeien; maar we
+worden gewaar, dat tien jaren later hetzelfde doel bereikt wordt,
+zonder het te pas brengen van vreemde zaken. Een bewijs dus van
+grooter meesterschap. Een ander bewijs zien we in de handeling:
+hoeveel malen moet iemand <i>gaande</i> menschen in allerlei stand
+hebben geschetst, om in een portretstuk zooveel vaardigheid aan den
+dag te leggen als hier. De personen op "de Les" toonen daarentegen
+nog weinig beweging, al zijn de handgebaren van Tulp zeer juist
+weergegeven. In 1632 gaf de schilder zijne figuren in rustige
+houding bij elkaar; in 1642 durft hij de beweging tot onderwerp van
+behandeling te nemen; zelfs de persoonlijke onderscheidenheden in
+de beweging.
+<p><img alt="" border="0" src="images/simeonindentempel.png" width="450"
+height="667">
+<p class="c2">[Simeon in den Tempel.]
+<p class="c2">De vergelijking der beide stukken toont aan, dat de
+schilder in de eerste jaren van zijne loopbaan nog niet was, wat
+hij later werd. Wat hij toen maakte was grootsch; maar hij zelf zou
+de man worden, om den vroegen Rembrandt te overtreffen.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="SIMEON_IN_DEN_TEMPEL"></a>
+<h2 class="c4">SIMEON IN DEN TEMPEL.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">De "Simeon in den tempel" is een bijbelsch stuk.
+Maria, de moeder van het Jezuskindje, ligt op den steenen vloer
+neergeknield. Jozef, ook eene knie buigende, houdt in de hand de
+duifjes, die voor offer bestemd zijn. De hoogepriester heft
+zegenend zijne handen op; Simeon heeft het kindje gegrepen, slaat
+het oog naar boven en spreekt de bekende woorden: "Nu laat gij,
+Heer, uwen dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord; mijne oogen
+hebben uwe zaligheid gezien." Een paar landlieden zijn toevallig
+getuige van het tooneel, evenals twee "schriftgeleerden", die op
+den voorgrond op een rustbank zitten. Omhoog welven en kruisen zich
+de tempelbogen, die door weelderig versierde kolommen worden
+gedragen. Daar heerscht schemering, evenals op de breede trap, waar
+tal van tempelgangers op en afgaan.
+<p class="c2">Om reeds bij den eersten aanblik de attentie te
+vestigen op de hoofdgroep, laat de schilder de ruimte van den
+tempel in het halfdonker. Op &eacute;&eacute;ne plaats valt het
+zonlicht naar binnen, en wel door een venster, dat zich links boven
+in het gewelf zal moeten bevinden. De "schriftgeleerden" zitten
+buiten het licht; ofschoon in letterlijken zin op den voorgrond
+geplaatst, trekken ze geenszins het eerst de aandacht. Dat doen
+zeker wel de hoogepriester en Simeon het meest. De eerste door
+zijne koninklijke gestalte, waar, in lange, statige, plooien, de
+mantel omheen hangt. Hij doet denken aan "Jezus" op de eerste prent
+van de "Opwekking van Lazarus". De gebogen lijn, van het hoofd
+achter over den hals en den rug, is hier zuiverder van beloop; bij
+"Jezus" voelen we ter hoogte van den linkerschouder en iets lager
+eene afwijking, die niet duidelijk de bedoeling laat doorschemeren.
+<p class="c2">Zuiver van uitdrukking is de hand; ze wuift en wenkt
+het neergeknielde paar de woorden toe. In de pols is juist genoeg
+buiging achterover, om het gevoel van stille verrukking uit te
+spreken; de hoogepriester neemt deel in de zaligheid van dit
+grootsche oogenblik. Boog de hand zich in neerwaartsche richting,
+dan kregen we den indruk, dat hij min of meer uit de hoogte den
+zegen gaf.
+<p class="c2">De vingers staan uitgespreid, alsof ze tintelen van
+de aandoening, waarmee de plechtigheid hem vervult; vooral de pink
+staat wijd uitgespannen; zoo zien we dat bij iemand, die zijne
+woorden spreekt in ontroerde bezieling.
+<p class="c2">Niettemin is de hand onschoon van teekening. Evenals
+die van Jezus op de eerste Opwekking, is ze breed en plat, de
+vingers zijn kort en stomp, de geleding is niet zuiver gevoeld.
+<p class="c2">In de nijging van het hoofd ligt iets herderlijks.
+Het drukt bezorgdheid en deelneming uit. Zoo staat een geestelijke
+tegenover hen, die zich aan zijne leiding toevertrouwen. Zoo neemt
+hij ze, in figuurlijken zin, onder zijne vleugels, in zijne
+bescherming. En wie zoo toegesproken zijn, keeren huiswaarts met
+een gevoel van vertrouwen op de toekomst, met het geloof, dat alles
+wel goed zal komen.
+<p class="c2">Met de geheele figuur staat in 't licht; alleen dat
+deel, waarin de schilder de uitdrukking wilde leggen. Daar zien we
+ook het duidelijkst, hoe de statiegewaden er om hangen. Lange
+plooien gaan sierlijk van den hals tot op den grond en slepen zelfs
+nog na. Zwaar en dik is de stof. Hier en daar kreukelen de plooien
+overdwars. Van het hoofd af hangt een priesterlijk sieraad over den
+hals en op den rug. Het ligt er rustig en plat uitgespreid. De
+zijlijn volgt de buiging van den hals, de onderkant de ronding van
+den rug. Alles plakt zwaar en solied op elkaar.
+<p class="c2">Het verlichte handje draagt onzen blik van den
+hoogepriester op Simeon over. Het is een licht-schakel.
+<p class="c2">Ontzaglijk is het, de vervoering, de
+geestesverrukking van dezen grijsaard te zien. Men hoort hem met
+groote stem, met woest geluid tot den Heer zijnen God roepen en de
+woorden spreken, die boven aangehaald zijn. Hij acht geen
+omstanders, ziet geen vader geen moeder, geen hoogepriester, maar
+voelt zich het hart zwellen van dankbaarheidsdrift, nu hij den lang
+verwachten Messias in de armen sluit. Het is eene uiting van den
+sterksten hartstocht, eene ontroering, die den aandachtigen
+beschouwer door de ziel gaat.
+<p><img alt="" border="0" src="images/groepuitsimeon.png" width="649"
+height="521">
+<p class="c2">[Groep uit "Simeon in den Tempel".]
+<p class="c2">De moeder Maria, ofschoon niet ten volle begrijpende,
+slaat vol zalig gevoel de handen op de borst tezaam; haar
+moederhart zwelt, nu haar kind den grijsaard zoo in gloed zet en
+hem zulke woorden ontlokt. Jozef, eenigszins in de schaduw gesteld,
+weet nog minder, wat hij van de ontboezeming van Simeon moet
+denken. Toch zit ook hij met vaderlijk welgevallen het tooneel aan
+te zien. Zijn gemoed wordt zachter bewogen dan dat van Maria; zijne
+gevoelens zijn meer gematigd. In het volle licht behoefden ze niet
+gesteld te worden, mits ze toch ook de aandacht niet ontgingen. De
+schilder laat hem daarom neerknielen in de schaduw van den
+hoogepriester. Maar eene zachte, stille weerkaatsing van den gloed
+van Simeon ligt over zijn wezen. Het is eene weerkaatsing van den
+lichtgloed, zoowel als eene weerspiegeling van de gemoedsbeweging,
+maar beide sterk getemperd.
+<p class="c2">Eene belangrijke rol laat Rembrandt de boertjes
+spelen, die toevallig langs de groep heenliepen en even bleven
+staan. Het misbaar van den grijsaard moet zijn oorzaak hebben; wat
+mag er wel aan de hand zijn? vragen ze zich af. Ze komen
+nieuwsgierig een stapje nader. Die met de hooge muts ziet er vrij
+onnoozel uit en zal niet veel wijzer worden, al staat hij er
+vooraan bij. De middelste van de drie is een echt type. Waren ze er
+zoo in de dagen van Rembrandt, in 1631, wij kennen ze zoo nog. De
+handen onverschillig op den rug, het hoofd tusschen de schouders
+gezakt, hoogruggig door den veldarbeid, den kop vooruitgestoken met
+een norsch, bullebakkig gezicht. Men ziet hem aan, dat hij
+ontsticht is over het misbaar. Toch werpt hij een onderzoekenden
+blik op het kindeke, een blik, dien men niet licht vergeet. Terwijl
+hij neerziet, is het, alsof zijn wrevelige trekken zich ontspannen.
+Een klein, teer kindje, wie kan daarbij ook onverschillig blijven!
+<p class="c2">Voor ons is het geen raadsel, waarom zijn gezicht
+opklaart; wij leven twintig eeuwen na de Jeruzalemsche gebeurtenis,
+en ons is het gegeven om te overzien, wat dat Kindeke geworden is,
+en welke dingen Het verkondigd heeft. Zie, voor wie waren later de
+predikingen van Jezus het meest bestemd, op wie maakten ze het
+eerst indruk! Wie sloten zich aan en lieten zich doopen? Waren het
+niet de eenvoudigen van geest? Waren zij het niet, wier verstand
+klein was, wier begrip van de dingen niet verging?
+<p class="c2">Rembrandt voelde behoefte, om het groepje in den
+tempel aan te vullen met een paar van deze eenvoudige zielen. Dat
+zou voor den beschouwer de herinnering levendig houden van wat er
+later gebeuren moet. In de simpele landlieden, die met
+belangstelling komen toekijken, zien we de toekomst van het eerste
+Christendom.
+<p class="c2">Nog in een ander opzicht zijn de boertjes
+merkwaardig. Laten we niet uit het oog verliezen, dat Jezus in het
+land Kana&auml;n geboren werd; de ontmoeting met Simeon had plaats
+in den tempel te Jeruzalem; het volk, dat de trappen op en afging,
+of toeschouwer was bij Simeons geestesvervoering, waren
+Isra&euml;lieten, Joodsche landbouwers, Oosterlingen dus. De
+kleedij, die de Joden in het begin onzer jaartelling droegen, komt
+overeen met die, waarin zich thans nog Arabieren en Syri&euml;rs
+steken. De meeste schilders hebben getracht, als ze een bijbelsch
+tafreel behandelden, om hun figuren het voorkomen van Oosterlingen
+te geven. Soms sloegen ze den bal wel mis, en schilderden ze
+Italiaansche landlieden in plaats van oud-Isra&euml;litische, maar
+ze hadden dan toch de bedoeling, er een buitenlandsch tintje aan te
+geven.
+<p class="c2">Deze bedoeling vinden we bij Rembrandt niet. Hij doet
+geen moeite om het Bijbelverhaal te doen spelen in verre landen,
+onder vreemde volken. De boertjes zijn echt Hollandsche typen. Ze
+komen regelrecht uit Ransdorp, Broek-in-Waterland of
+Ouwerkerk-aan-den-Amstel. In hun blauwen kiel heeft de schilder hen
+door Amsterdam zien gaan, of in de weide bij hun vee bespied. Wel
+zien ze er anders uit dan het landvolk uit onzen tijd, maar ook
+buiten de steden wisselt en verandert de kleederdracht. En zoo als
+ze hier in den tempel staan, zoo heeft Rembrandt in zijn tijd hen
+op verschillende platen naar het leven geteekend; nu eens met eene
+hooge, dan eens met eene lage muts op het hoofd. Zoo was in zijnen
+tijd hunne dracht.
+<p class="c2">Hij brengt dus de gewijde geschiedenis over op
+vaderlandschen bodem. Vreemde kleederdrachten voor herders en
+landlieden versmaadt hij. Hij weet, dat tal van menschen zich op
+dat vreemde blind kijken, en geen oog hebben voor het wezenlijke
+van de schilderij. Ze zullen de voorstelling beter gaan voelen en
+begrijpen, als de figuren menschen zijn gelijk zij zelf; als die in
+gelaatstrekken, in kleur, in houding en in kleeding gewone, echte
+Hollanders zijn. Jezus had immers heel goed in Holland geboren
+kunnen zijn. Was niet de Republiek der Vereenigde Nederlanden een
+zeer bijzonder land? Had de God der Vaderen niet geholpen, om haar
+van de Spaansche tirannij te bevrijden? Had Hij de zaak der
+Hervorming niet doen zegevieren? Was er &eacute;en protestantsch
+land zoo met aardsche rijkdommen en met welvaart gezegend? Een
+uitverkoren volk, daarvoor hielden onze voorouders zich. Zij waren
+een tweede Isra&euml;l. Alles, wat ginds in het Oosten, aan de
+oevers van de Jordaan, was afgespeeld, speelde zich ook hier af,
+dachten ze. Hunne geschiedenis was eene afspiegeling van de
+Bijbelsche.
+<p class="c2">Als zoo een geheel volk denkt, valt het den
+kunstenaar gemakkelijk, zich ook in die richting te bewegen. Hij
+denkt niet alleen, hij stelt zichtbaar voor. Het Joodsche wordt
+Hollandsch; de schaapherders van Ephrata en de wijnbouwers van de
+berghellingen van Judea, komende in den tempel van Jeruzalem,
+worden melkboeren uit de omstreken van Amsterdam. En waarom ook
+niet? Over de heele aarde wonen menschen van &eacute;en natuur; het
+denken en voelen is wel overal ten naastebij hetzelfde. Vooral
+onder de volksklasse, die hier is voorgesteld, onder de eenvoudigen
+van geest, die opgroeien te midden van de natuur.
+<p class="c2">Hiermee kunnen we afscheid nemen van de blauwgekielde
+tempelgangers, om nog even eenen blik te slaan op het tweetal, dat
+op den voorgrond in de schaduw zit.
+<p class="c2">De eerste laat het tooneeltje, daar voor hem, niet
+onopgemerkt passeeren. Hij steekt het hoofd onderzoekend vooruit.
+Zooals het handje en de arm op de leuning van den stoel liggen, kan
+men zich denken, dat hij bijna van zins is, op te rijzen en nader
+te treden. Nummer twee wisselt met hem een blik van
+verstandhouding. Hij krijgt argwaan, dat de zaak niet in orde is.
+Schriftgeleerden, zooals zij misschien zijn, nemen het met
+godsdienstaangelegenheden zeer nauw. Ze dulden geene uitdrukkingen
+in strijd met de Joodsche wet.
+<p class="c2">Of zij in de woorden van Simeon iets hooren, wat hun
+verdacht voorkomt, willen we niet nagaan. Maar ons treft hunne
+tegenwoordigheid op deze plaats. Reeds bij dit voorval uit het
+leven van Jezus zijn ze dwarskijkers, in letterlijken en in
+figuurlijken zin. Rembrandt geeft ze voorshands nog een plaatsje in
+de schaduw, terwijl hij de aanstaande volgelingen van den Nazarener
+in het volle licht zet; maar ze zijn er toch, en ze brengen ons te
+binnen, hoeveel leed ze later zullen uitstorten over het hoofd van
+het Kindeke, dat nu nog zoo onnoozel in Simeons armen ligt.
+<p class="c2">Ten slotte een enkel woord over de geschiedenis, die
+dit schilderijtje heeft doorgemaakt.
+<p class="c2">Voor wien en voor hoeveel Rembrandt het maakte, weten
+we niet. Het duikt in 1733 uit het onbekende op. Bij eene
+verkooping ten huize van een Haagsch burger werd het voor f830
+verkocht; men weet dit uit een rekeningenboek. Een mooie prijs voor
+dien tijd!--Later werd het aangekocht voor de verzameling van
+Stadhouder Willem V. De groote gebeurtenis voor het stuk moest
+echter eerst komen tusschen 1810 en 1813. Toen Nederland als
+aanslibsel van Fransche rivieren bij het Keizerrijk was ingelijfd,
+vond Napoleon, dat alle kunstwerken, die aan den Staat behoorden,
+naar de hoofdstad des rijks moesten verhuizen, naar Parijs. De
+"Simeon" was door Prins Willem V bij zijn vertrek naar Engeland in
+1795 natuurlijk in den steek gelaten, evenals de verdere roerende
+en onroerende have; de staat had er zich over ontfermd, en nu
+ontfermde Napoleon er zich weer over.
+<p class="c2">Het werd met tal van andere schilderstukken ingepakt,
+op eenen wagen geladen en verzonden. De bedoeling was, om het
+Louvre er mee te verrijken. Wagenvrachten en wagenvrachten van
+kunstwerken ondergingen ook in de andere Fransche wingewesten
+hetzelfde lot. Men was er in Parijs verlegen mee. De opeenhooping
+was zoo groot, dat een paar jaren later het werk der schifting en
+der tentoonstelling nog niet afgeloopen was. Napoleon kwam ten val,
+voordat alles een plaats had gekregen.
+<p class="c2">Toen hij in 1815 voorgoed van het wereldtooneel
+verdween, was het Louvre meer pakhuis dan museum. Spoedig daagden
+van de onderscheiden herstelde regeeringen afgevaardigden op, om
+uit den rommel op te eischen, wat door Napoleons ambtenaren naar
+Parijs was vervoerd. Ook van de regeering der Nederlanden. "Simeon"
+maakte de terugreis naar Den Haag, en kreeg daar in het Mauritshuis
+het plaatsje, dat hij nu nog inneemt. Moge hij er blijven tot in
+lengte van dagen, om nog vele bezoekers het hart te verheugen.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="EENE_ONDERGAANDE_ZON"></a>
+<h2 class="c4">EENE ONDERGAANDE ZON.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">Het licht is voor Rembrandt gedurende al zijne
+levensjaren een geliefdkoosd onderwerp van studie geweest. Wat is
+er ook schooner! Wie kan onverschillig zijns weegs gaan, wanneer
+hij des ochtends buiten is bij het opkomen van de zon? Wie sluit
+dan het oog voor de lichtspelingen langs lucht en wolken?
+<p class="c2">Voelt ook niet ieder zich door zonneschijn meer
+aangetrokken tot de vrije natuur, dan door bewolkte, vreugdelooze
+luchten!
+<p class="c2">En dan des avonds bij het ondergaan der zon! Welk een
+kleurenspel wordt ons iederen dag opnieuw bereid! Nimmer vervalt de
+natuur in herhaling. Altijd weer is ze verrassend en nieuw in haar
+getoover met lichtverven en kleurvloeiingen.
+<p class="c2">Oud en jong, arm en rijk, ongeschoold en
+welonderwezen, alles heeft er oog voor. Geen mensch, of wel
+&eacute;&eacute;ns in zijn leven heeft hij &eacute;&eacute;nen
+zonsondergang genoten, wel &eacute;&eacute;ns heeft hij bij dit
+natuurverschijnsel aandachtig stil gestaan. Daar zonk de vuurbol
+ter kimme. Het licht, dat den ganschen dag slechts licht was
+geweest, werd nu kleur. De huizegevels in baksteen blonken eens zoo
+rood als anders. De witte raamkozijnen bleven wit, maar waren toch,
+zonderling wonder, te gelijk ook rood. De hagelwitte gordijnen
+eveneens, ofschoon het wit toch vlekkeloos rein bleef. De grijze,
+stoffige straat-wie zou ooit op de kleur van eenen straatvloer
+letten!--behield hare grauwe steenkleuren, en trok niettemin het
+oog door een purperen schijn. Daar waren de schoone, groene boomen!
+Schenen niet ook zij van hetzelfde purper doortrokken, terwijl
+groen toch groen bleef. De stammen stonden te blozen als frissche
+wangen: maar grauw en grijs en bruin was onveranderlijk de
+kurkschors.
+<p class="c2">Met geene woorden kon men noemen, wat elk ding voor
+verven kreeg. Zoodra men het beproefde, gaf men slechts eene
+opsomming van de kleuren, die er waren bij heldere dagverlichting.
+Een raadsel was het, dat de zon bij het scheiden nog opgaf. Een
+moeilijk raadsel!
+<p class="c2">Van de ondergaande zon tot den levensavond van onzen
+schilder is eene schrede minder groot, dan men wellicht zou denken.
+<p class="c2">Daar hangt in het Rijksmuseum te Amsterdam een werk,
+de Staalmeesters heet het, dat hij voltooide in 1661, en dat het
+laatste groote stuk is, waaraan hij zijne zorg wijdde. We schromen,
+als we het naderen, om de gedachte uit te spreken, doch ze laat
+zich niet terugdringen: dit kunstgewrocht is het afscheidslicht,
+dat eene ondergaande zon nog gaf. Eene ontzaglijke ziel spreekt
+hier haar laatste woord. En ook <i>dit</i> laatste woord is een
+raadsel, is hetzelfde raadsel, wat de avondzon weet voor te leggen.
+Ook hier heeft elk ding zijn eigen kleur, zijn eigen verf, zijn
+eigen kleurvermengingen; maar tegelijk straalt ook hier elk ding
+eenen rossigen gloed uit, eene tint, die nergens aan te wijzen, en
+toch overal te vinden is; die op geen voorwerp ontbreekt, en toch
+op alles de natuurlijke kleuren handhaaft. We <i>zien</i> het roode
+licht niet, we <i>ondergaan</i> het. Overal kunnen we aanwijzen
+zuiver bruin, zuiver wit, zuiver zwart, en overal toch voelen we
+het uitstralende rood, dat nergens is, dan alleen in het kleed, dat
+over de schuine tafel gespreid ligt.
+<p class="c2">Het grijpt ons aan, als we bedenken, dat de zon, na
+al haar schoone licht, eindelijk tot het avondrood komt, en dan
+niets schooners meer geven kan. Dan moet ze ondergaan. Ze heeft het
+schoonste bereikt. En Rembrandt is het eveneens gegaan!
+<p class="c2">Zijn gansche leven is geweest: grooter en grooter
+worden. We zagen het bij de twee Opwekkingen, we zagen het bij de
+Anatomische les en het Korporaalschap, we ontdekken het nogmaals
+bij de Staalmeesters, twintig jaren later gemaakt, in den
+levensavond van den kunstenaar.
+<p class="c2">Hij begint groot in 1632. Steeds wast hij, en meenen
+wij, dat het hoogste bereikt is; maar steeds overtreft hij weer,
+wat hij te voren maakte. Elk stuk vinden we onovertroffen, tot hij
+zelf een nieuw meesterwerk schept, en ons de oogen opent voor de
+tekortkomingen van het voorgaande. En wat hij op het eind van zijn
+leven te zien geeft, is niet alleen weer beter, dan wat vooraf
+ging; het lijdt aan geene gebreken meer, het bereikt alles, wat
+bereikt wou worden. Wat de schilder wilde, gelukte; en er is niets
+groots, dat hij vergeten heeft te willen.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="VERGELIJKINGEN"></a>
+<h2 class="c4">VERGELIJKINGEN.</h2><span class="c5"><br></span>
+<p class="c2">Omdat we ons met een zwart prentje moeten
+vergenoegen, zullen we bij de beschouwing de kleurhoedanigheden
+laten rusten, dat wil dus zeggen, het wonderlijkste wat er aan de
+Staalmeesters is op te merken. Toch is vooral aan het tafelkleed
+wel iets te zien van de kleurenpracht. Daarin zit, zelfs in onzen
+zwarten afdruk, nog eene mengeling van al den vervenrijkdom, dien
+we ons in een weelderig weefsel kunnen denken, en van al de
+tintelingen, die het licht daarop kan doen ontstaan. Groote vlakken
+van zachte belichtingen en zachte verdonkeringen wisselen met
+elkaar af. Daardoor heen zien we breede, horizontale kleurbanden
+gaan, en door deze weer lichtricheltjes van onder naar boven, of
+reeksen lichtnoppen van rechts naar links. Het gedeelte, dat links
+om de tafel heen hoekt, geeft op andere wijze, zonder mengeling, de
+kleurfiguren te zien, die de wever door zoo'n kleed weet heen te
+werken.
+<p class="c2">Vergelijk hiermee nu de lap stof, die op de plaat
+"Evertsen in de Staten van Zeeland" over de tafel ligt. Droog en
+dor geeft hier de grijze kleur aan wat schaduw is. Rembrandts kleed
+gloeit van warmte, van innerlijke kleurenpracht, van Oosterschen
+tapijtenrijkdom; het andere is koud en mat, arm van weefsel en arm
+van kleur.
+<p><img alt="" border="0" src="images/staalmeesters.png" width="734"
+height="495">
+<p class="c2">[De Staalmeesters.]
+<p class="c2">Voor het overige moeten we van kleurbeschouwing
+afzien, en ons voornemen, om in het Rijksmuseum de schade in te
+halen.
+<p class="c2">Wat er van de Staalmeesters in een zwarten afdruk
+overblijft, is echter niet zoo gering, of het zal ons duidelijk
+worden, dat we hier te doen hebben met een onsterfelijk
+gedenkteeken. Het spreekt nog meer van Rembrandts grootheid dan wat
+voorafgegaan is, meer dan het Korporaalschap of eenig ander
+kunstwerk.
+<p><img alt="" border="0" src="images/evertsen.png" width="582" height=
+"370">
+<p class="c2">[Evertsen en de Staten van Zeeland.]
+<p class="c2">We beginnen niet, met naar zeldzame eigenschappen te
+zoeken. Juist in de afwezigheid hiervan schuilt eene verdienste.
+Stel maar naast elkaar het "Gezelschap op het Muiderslot" en de
+"Staalmeesters". Beide vertoonen een groepje burgermenschen uit de
+17<sup>de</sup> eeuw, uit 1619 en uit 1661. Het verschil in
+kleeding en kapsel duidt wel een verschillend tijdperk aan. Wat uit
+1619 dagteekent, staat in dit opzicht dichter bij de Anatomische
+les, terwijl de figuren uit 1661 ons bekend voorkomen, wegens de
+overeenkomst met Jan de Wit, het portret op Levensverzekerings-en
+Spoorboekjes.
+<p class="c2">Beide gezelschappen bevinden zich binnenshuis, dus in
+eene omgeving, die we een interieur zullen noemen. Bij dit
+interieur bepalen we het eerst onze aandacht. Op het Muiderslot
+valt het daglicht binnen door een venster, dat we ter linker zijde
+kunnen zien. Het vergunt ons, om buitenlicht naast kamer-of
+binnenlicht te stellen, want bij het venster is een stukje witte
+muur. Tusschen dit wit en het wit van de vensteropening bevinden
+zich een viertal schaduwstrooken, die we met een potlood of een
+reepje papier kunnen bedekken. Dan merken we op, dat beide witte
+strooken gelijk zijn, misschien wint de muur het van het
+buitenlicht nog in helderheid. Wie nu in het eerste het beste
+vertrek even eene vergelijking maakt tusschen het een en het ander,
+zal opmerken, dat de verhouding juist andersom moet zijn. Al is een
+binnenmuur in het licht gezet, hij moet toch voor het zonlicht, dat
+de buitenwereld beschijnt, onderdoen in helderheid. Een geschilderd
+interieur mag hiervan niet afwijken, of het is geen interieur meer.
+<p class="c2">Op den vloer spreekt de fout nog sterker. Ver in de
+kamer, tot onder den stoel van den ouden heer, die met zijnen rug
+naar de tafel zit, is het licht krachtiger dan buiten de
+openstaande deur. Hem voorbij merken we hetzelfde op aan enkele
+voorwerpen: aan het tafellaken, het doekje, dat de dienstbode op
+den rug hangt, het zijmuurtje links van den schoorsteen, zelfs aan
+eene versiering tegen den schoorsteen.
+<p class="c2">Ondanks deze gebreken zeggen we toch, dat de plaat
+een interieur voorstelt, omdat we een venster, een deur, een
+binnenmuur en kamermeubelen zien; die doen ons besluiten: het moet
+een binnenhuis wezen. Maar eerlijk gezegd: het <i>is</i> er geen.
+Hoe het moest zijn om er een te wezen, leert ons het stuk van
+Rembrandt. Alles is hier in eene matte, grijze tint gezet, die
+overal doet gevoelen, dat we ons binnenshuis bevinden. Wanneer eene
+vensteropening werd aangebracht, zou daardoor het daglicht kunnen
+vallen in eene helderheid, die sterk afstak bij de verlichting van
+de muurgedeelten op den achtergrond.
+<p class="c2">Dit muurtje met het schoorsteentje vinden we bijna in
+dezelfde gedaante op het Muiderslot terug. We kunnen in het
+voorbijgaan deze twee onderdeelen naast elkaar stellen. Beide
+bestaan uit houtbetimmering en gepleisterd metselwerk. Op het
+Muiderslot is het eerste erg donker, het laatste, zooals we reeds
+opmerkten, veel te licht van kleur. Wie door de oogharen naar de
+betimmering kijkt, kan den gepleisterden muur best voor een stuk
+lucht houden, dat heel in de verte achter het beschot oprijst. Er
+is geen samenhang tusschen de twee. De teekenaar was bang, dat we
+geen steen van hout zouden onderscheiden en maakte de verschillen
+veel te duidelijk. De achterwand valt uit elkaar. Ook schijnt hij
+zich heel ver achter het schilderijtje boven de kast te bevinden.
+<p><img alt="" border="0" src="images/muiderkring.png" width="617" height=
+"432">
+<p class="c2">[Muiderkring.]
+<p class="c2">Achter de heeren Staalmeesters zien we hout en steen
+in bijna dezelfde tint. Het verschil is gering. Toch ontgaat ons
+het stoffelijk onderscheid niet; er zijn kleinigheden, die daarvoor
+zorg dragen. Let maar eens op de kantlijn, waar de voor-en zijkant
+van den schoorsteenmuur elkaar ontmoeten; op het Muiderslot is die
+lijn langs een liniaal getrokken; het is een pracht van een rechte
+lijn. Bij Rembrandt helt ze ten eersten een weinig naar rechts; en
+dat is verklaarbaar. Zoo'n oud stuk gemetselde schoorsteen rijst
+gewoonlijk niet loodrecht omhoog. Ten tweeden is ze heel fijn met
+korrels afgebrokkeld; ook dit is voor een gepleisterden muur heel
+juist, en meer waarschijnlijk dan de ongeschonden liniaallijn op
+den Muiderslotschen schoorsteen. Ten derden is het niet een
+<i>zwart</i>-getrokken lijn, maar juist het tegenovergestelde, een
+lichtkantje. Ook dit beantwoordt aan de werkelijkheid. Alleen dit
+kantlijntje zou reeds duidelijk genoeg zeggen, dat het bovenste
+deel van den achterwand gepleisterde steen is.
+<p class="c2">Door acht te geven op dat, wat in het Muiderslot
+ontbreekt, worden we gewaar, wat eene goede eigenschap is van de
+"Staalmeesters". Het is een interieur. We zeggen niet: "het
+<i>moet</i> er wel een wezen"; het <i>is</i> er een.
+<p class="c2">Het interieur is echter maar achtergrond en bijzaak;
+de figuren zijn hoofdzaak. We tellen er zes, den bediende
+meegerekend. Na hetgeen we opmerkten bij de vergelijking van
+Anatomische les en Korporaalschap, zal het al dadelijk de aandacht
+trekken, dat Rembrandt afgezien heeft van middelen om te
+groepeeren, zooals hij in 1642 nog noodig vond. Voegde hij de leden
+van het Korporaalschap nog z&oacute;&oacute; samen, dat de
+schilderij er uitzag, alsof ze eene beroemde gebeurtenis
+voorstelde, de Staalmeesters kruipen maar heel gewoon bij elkaar,
+zooals ze dagelijks in hun beroep bij elkaar zitten. Het stuk stelt
+niets voor. Het is een portretstuk, zonder meer. Een kunstgreep,
+zooals het cadaver op de Les, anno 1632, trok den schilder na
+dertig jaren niet meer aan; zelfs het kunstmatig bijeenvoegen niet
+meer, gelijk het stuk uit 1642 te zien geeft. Van al het
+gekunstelde, komedie-achtige, dat zijne vroegere werken kenmerkte,
+en dat men toen schoon vond en thans nog schoon vindt, omdat het
+zoo volmaakt van kunst is, van dat alles is hij terug gekomen. Op
+zijn leeftijd is de arbeid geen spel met wondertooneelen. Hij zet
+heel gewoon, zonder ophef, de figuren naast elkaar op eene rij.
+Behoudens kleine afwijkingen, die zijn smaak hem ingaf: nommer twee
+van links af moest even oprijzen, om de eentonigheid van eene
+vijfkoppige rechte lijn te breken; de bediende mocht wel post
+vatten tusschen twee der heeren midden op het doek, maar hij kreeg
+zijne plaats toch iets dichter bij den een dan bij den ander, en
+deed met zijn gezicht dus geen regelmatigen driehoek ontstaan.
+Staalmeester nommer twee, van rechts af, werd met half afgewend
+bovenlijf neergezet, om niet twee gelijkvormige schouders, hoeden
+en witte kragen naast elkaar midden op het doek te krijgen.
+<p class="c2">Dit zijn kleine schikkingen, die bijna toevalligheden
+lijken; als vijf menschen ordeliik om eene tafel geschaard zitten,
+zal men juist dergelijke afwijkingen opmerken. Ze houden het midden
+tusschen stijfheid en gezochtheid.
+<p class="c2">Hoe eerlijk en eenvoudig de schilder er naar
+streefde, om niets anders te maken, dan portretten, blijkt ook uit
+het spel der handen. Op de "les" zoowel als op het schutterstuk is
+dit een ding van belang. Het spreekgebaar van Dr. Tulp, de wijze
+hoe hij zijne mededeelingen over de spierbeweging toelicht, trekt
+sterk de aandacht. De handen zijn vrij in de ruimte gezet, tegen
+een donkeren achtergrond, en ze hebben voor het geheele stuk eene
+groote beteekenis, gelijk we boven reeds zagen. Ook die van Frans
+Banning Kok zijn in 't oog loopend op den voorgrond gebracht.
+Rembrandt schepte er behagen in, om te laten zien, wat hij met
+handen kon. Maar in 1661 zal hij gemeend hebben, dat het zien van
+een portret een te ernstig werk is, om daarbij afgeleid te worden
+door bijzaken. Toch zou het wegmoffelen van de handen ook eene fout
+geweest zijn. Immers, als we een groepje menschen, dat rond eene
+tafel zit, opnemen, zonder dat zij het bemerken, dan zien we wel in
+het eerste oogenblik de gezichten, maar het kan toch zijn, dat we
+in de tweede plaats ook toevallig naar de handen zien. Daarom gaf
+hij ze wel aan zijne figuren, maar zoo, dat we ze slechts terloops
+en eerst <i>na</i> de gezichten ontwaren; hetzij dan versmald
+gezien, als bij nommer een, hetzij in de schaduw gezet, als bij
+nommer twee, hetzij in de onmiddellijke nabijheid van den tafelrand
+en het boek, zoodat ze hiermee als het ware &eacute;&eacute;n
+geheel uitmaken, en niet als afgezonderde lichtplekken tegen den
+achtergrond vrij in de ruimte staan. Echter wist hij ook met
+terzijde geschoven handen nog gedachten uit te drukken: let maar
+eens op, hoe juist de rechter van den middelsten sinjeur ons zegt:
+"maar het staat hier toch!" Het kloppen met den rug van de vingers
+op de bladen van het boek kan niet anders beteekenen. De houding
+van het hoofd en de gelaatsuitdrukking bevestigen het.
+<p class="c2">Eene sterk sprekende eigenschap van Rembrandt op
+dezen leeftijd is dus, dat hij zich beperkt. In jonger jaren
+groeide zijne kunstdrift als een welig gewas met ver-uitschietende,
+bloemdragende loten. Nu snoeit hij; alles wat weg kan, gaat weg; de
+verzonnen tooneelen zijn het spel der handen gevolgd. Slaan we
+nogmaals een blik op de "Les" naast de "Staalmeesters", dan valt
+ons ook in de gezichten iets op. Op het eene trekken de blanke,
+hooge en breede voorhoofden, de in verlichte vleeschkleur
+geschilderde wangen, en op het andere de oogen, de neuzen en de
+monden de aandacht. Is het niet, alsof de geneesheeren uit 1632
+allemaal toevallig kleiner van oogenbouw waren, fijner van neus en
+mond, maar hooger van voorhoofd en opzichtiger van wang, dan de
+staalwaardijns uit 1661? Dezen schijnen groffer van maaksel te zijn
+geweest dan genen. De zaak is, dat de schilder in zijn eerste jaren
+veel aandacht schonk aan de vleeschkleuren, de vleeschpartijen,
+zooals men dat noemt. Hoe ouder hij werd, hoe meer hij er echter
+naar streefde, niets dan het leven en de ziel uit te drukken. Deze
+las hij meer in oogen, mond en neus dan in de schilderachtige
+licht-en kleurverschijnselen van het gezichtsvleesch of in den bouw
+van het gelaat. Onwillekeurig bracht hij ze tot meerdere
+uitdrukking, met het gevolg, dat wij ze eerder opmerken. Treffend
+is het in dit opzicht, dat hij voor de gelijkenis van de
+geneesheerlijke koppen alle voorhoofden noodig achtte, en ze ieder
+met zijne eigenaardigheden schilderde, terwijl hij ze bij de
+staalmeesters, op eene enkele uitzondering na, onder de hoeden
+wegstopte, als niet terzake dienende. Met de baardjes en kneveltjes
+kon hij dit moeilijk doen; maar toch worden ook deze minder op den
+voorgrond gebracht dan in 1631.
+<p class="c2">Van knevels en baarden gesproken, het prentje
+"Evertsen voor de Staten van Zeeland", eene historieplaat van een
+negentiendeeuwschen teekenaar, geeft figuren uit hetzelfde tijdvak
+als Rembrandts Staalmeesters. Ze zijn alle voorzien van snorren en
+puntbaarden, vervaardigd naar een zelfde model, in dezelfde punt
+gedraaid, van dezelfde dikte, in denzelfden gebogen vorm. Het
+lijken gehuurde tooneelsikjes en tooneelknevels, die de heeren
+v&ograve;&ograve;r gedaan hebben, om er kranig uit te zien. Naast
+zulke zaken erkennen we eerst recht, hoe bij Rembrandt elk ding tot
+juistheid komt. Wat geven zijn kort afgeknipte smalle haarlijntjes
+op de verschillende bovenlippen een heel ander denkbeeld van de
+mode anno 1660. Z&ograve;&ograve; moet het er uitgezien hebben; de
+valsche spullen van de heeren Staten zijn eene bespotting.
+<p class="c2">In den loop der jaren heeft alzoo Rembrandt ook het
+groote snoeimes gezet in zijne neigingen bij het schilderen van
+koppen. Hij beperkte zich hoe langer hoe meer tot datgene, wat het
+wezenlijke is, wat het leven weergeeft. Dat, wat hij vroeger mooi
+vond, en wat hem daarom aantrok, liet hij weg, als het voor het
+eigenlijke doel niet diende. In 1632 stonden al de koppen, ofschoon
+kunstig bijeengeschikt, als afzonderlijke portretten tegen een
+donkeren grond; in 1661 steken ze zoo blank en rond niet af, maar
+worden in het interieur opgenomen. Dat de Staalmeesters een portret
+is, wordt in het geheel niet verbloemd-immers, het heeft niet den
+schijn van eene gebeurtenis. De Les doet wel, alsof ze een voorval
+is, en toch denken we dadelijk: die heeren zijn uitgeportretteerd.
+<hr class="c8">
+<hr class="c3">
+<a name="WAT_PORTRETTEN_BIJEENVOEGT"></a>
+<h2 class="c4">WAT PORTRETTEN BIJEENVOEGT.</h2><span class=
+"c5"><br></span>
+<p class="c2">De Staalmeesters staan of zitten voor ons, alsof we
+hen in het werkelijke leven onverwachts overvielen. De schilder
+heeft hen zoo weten te treffen, dat we niet zeggen: kijk, die zijn
+er voor gaan zitten om er goed op te komen. En toch zijn ze dat
+juist wel. Zelfs vestigen vijf van de zes hun blik op den
+kunstenaar. Maar zooals ze naar hem-en omdat wij in zijne plaats nu
+staan-naar ons kijken, wekt het de gedachte: ze zien naar iemand,
+die binnenkomt. En dit is iets anders dan: ze zien naar den man,
+die hen uitteekent. Het verschil is fijn gevoeld. Door Rembrandt is
+deze indruk vastgehouden: alle heeren keken op, toen ik binnenkwam,
+en schenen te vragen: wie is <i>dat</i> nu? Hij bearbeidde hen,
+niet zooals hij ze voor zich zag zitten, wanneer ze
+&eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n in zijne werkplaats kwamen
+om te poseeren; maar met datgene op de gezichten, wat hij eventjes
+had waargenomen, toen hij voor 't eerst binnenkwam. Hij schilderde
+hen met in achtneming van eene lichte verwondering, van eenen
+vragenden trek op het gelaat. Dit was eene natuurlijke, ongemaakte
+uiting, doordat alle tegelijk iets vreemds hoorden en het hoofd
+naar den kant draaiden, vanwaar het geluid kwam. Eene uiting van
+leven, die door de personen niet eerst overdacht is; zonder overleg
+kwam dit zoo op hunne gezichten; ze hadden zelfs den tijd niet, om
+een slimmer of een opgewekter gezicht te zetten, dan hun van nature
+eigen was. Nommer een van rechts af is bijvoorbeeld niet een van de
+snuggersten geweest. Rembrandt doorzag dit met den eersten
+oogopslag: in de hoog opgetrokken wenkbrauwen, in de dikke
+oogleden, de slaperige oogjes, de vooruitstekende bovenlip voelde
+hij het. Daarnaast zit een, die van de natuur geen welgemaakt
+gezicht heeft meegekregen: het is wat te lang en te smal, de lippen
+zijn te dik. Maar hij behoort tot de lieden, die ondanks hun
+uiterlijk, een ieder aantrekken door iets prettigs en iets
+vriendelijks in de oogen en om den mond. De middelste van de vijf
+had juist het woord, en liet zich in zijn betoog door Rembrandt's
+binnenkomen niet storen. De volgende rees overeind, misschien om
+ter meerdere klaarheid er een ander boek bij te halen; aan den
+draai van zijn hoofd zien we, dat zijn opstaan met de komst van den
+schilder <i>niet</i> in verband staat; hij stond al, en heeft,
+ondanks den blik op den binnenkomende, <i>andere dingen in het
+hoofd</i>. Dit vooral is duidelijk aan hem te zien.
+<p class="c2">Om kort te gaan: de gelaatsuitdrukkingen zijn
+overvallen; niet bij een, maar bij allemaal. De verrassing is de
+levenstinteling die allen eigen is. Neem er &eacute;&eacute;n
+figuur uit, aan die verrassing is merkbaar, dat hij bij de anderen
+op dit portretstuk thuis behoort. Bij geen van de zes stijgt de
+uiting tot verbazing, bij geen heeft ze den schijn van
+onverschilligheid. Ze is bij allen even sterk; we voelen zoo
+heelemaal, dat allen onder denzelfden indruk even opzien; dat ze
+als een groep, die bijeenzat, door Rembrandt zijn opgemerkt. Wat
+hen vereenigt, is geen vertooninkje van eene les of van eenen
+optocht, maar <i>eenzelfde gemoedstoestand</i>; ze doorleven eene
+zelfde, gelijke gewaarwording. En dat maakt hen &eacute;&eacute;n.
+Niet eene vreeselijke ontsteltenis, eene groote angst, eene woeste
+drift; die zouden te veel ophef hebben gemaakt. Het blijft bij eene
+nauwelijks merkbare aandoening. Iets als een zacht rimpeltje, dat
+bij windzucht even over al de watervlakjes van een plasje loopt.
+Zoo ondergaan ook de bloemen in de wei alle gelijkelijk het
+voorbijgaan van een avondwindje.
+<p class="c2">De schilder zelf is het middelpunt van aller
+opmerkzaamheid. We kunnen ons hunne verrassing best voorstellen,
+toen hij binnenkwam. Zijn roem was reeds lang gevestigd; ze vonden
+het streelend, dat de groote Rembrandt in hun midden verscheen. Bij
+voorbaat zijn ze in opgewekte stemming over hun afbeeldsel, dat
+natuurlijk wel slagen zal, en dat misschien een beroemd stuk kan
+worden. Deze gewoon menschelijke gedachtetjes spreken uit hunne
+trekken. De schilder heeft dat allemaal door en door echt in hen
+voelen leven. Hij maakte geene <i>figuren</i> van hen, hij bracht
+ze <i>zelf</i> op het doek; het was geen namaak, geen afbeelden;
+het was de aandoening, het denken, het verrast worden, het zich
+prettig gevoelen zelf, wat hij gaf.
+<p class="c2">Daar dit bij twee menschen nooit precies hetzelfde
+is, al lijken ze uiterlijk nog zooveel op elkaar, wordt de
+verscheidenheid van gezichten ook grooter, naarmate dat innerlijke
+sterker spreekt. We zien het hier. Er is uiterlijk zeer veel
+gelijkenis tusschen sommigen, en in kleeding tusschen alle. Maar
+ieder denkt er zijn eigen van, als Rembrandt binnenkomt; en dat zet
+hen allen ver uiteen, als zeer onderscheiden en heelemaal
+verschillende menschen. Wij krijgen den indruk, dat dit geene
+figuren, geene afbeeldsels zijn, maar wezens, die bestaan. We
+worden door al de oogen, door al de verschillende manieren van
+oogopslag zoo aangetrokken, dat we op het gelijke in kapsel, hoed,
+kraag, kleeding en houding nauwelijks letten. In den oogopslag zit
+hier een belangrijk deel van de portretten. Daarin voelen we, dat
+de heeren zoo even nog met neergeslagen oogleden naar de tafel,
+naar het boek of naar elkaar zaten te kijken; door het binnenkomen
+worden de blikken opgeslagen; is het niet, alsof we deze beweging
+er in voelen? En geeft de schilder niet bij ieder afzonderlijk iets
+aparts in die beweging? Bij alle verschilt de teekening van het
+opgeslagen ooglid, en bij ieder is het optrekken van de wenkbrauwen
+weer anders dan bij de overigen.
+<p class="c2">Als we al de monden langs zien, merken we ook hierin
+de verscheidenheid. Wat is die bij den bediende dun van lippen en
+heel anders dan bij den sinjeur, achter wiens rug hij staat. En zie
+daarbij nu weer eens nummer een van rechts af, hoe die de onderlip
+achteruittrekt en de bovenlip iets vooruitsteekt.
+<p class="c2">Deze deelen van het gelaat dragen wezenlijk veel meer
+de uiting van karakter en leven, dan de vleeschpartijen, die
+Rembrandt in vroeger jaren op den voorgrond bracht. Hij is dus
+sedert het Korporaalschap, ofschoon dit een meesterstuk was, steeds
+hooger gestegen. Alles wat naar komediespel geleek, liet hij varen;
+wat het zieleleven van zijne figuren sterker kon uitdrukken, greep
+hij als hoofdzaak aan.
+<p class="c2">Naar het uitwendige werd hij eenvoudiger, naar het
+innerlijke forscher en grooter. Bedenken we nog bovendien, welke
+wondere lichtspeling en kleurverlichting het oorspronkelijke stuk
+der Staalmeesters den beschouwer te zien geeft, dan kunnen we
+gerust zeggen, dat Rembrandt aan het eind van zijn leven een
+onovertroffen schilder was. Hij had groote voorgangers gehad; en
+onder deze voorgangers was hij zelf in jonger jaren een groot
+kunstenaar geweest. Doch hij eindigde zijne loopbaan als een, die
+hooger staat dan allen, ook hooger dan hij zelf eertijds stond.
+<p class="c2">In den jare 1669 overleed hij. Op welken dag weet men
+niet. Den 8<sup>sten</sup> October werd hij ter aarde besteld. Voor
+<i>f</i> 15 werd hem een graf gegraven in de Westerkerk te
+Amsterdam. Het bespelen van het carillon was in dien prijs
+begrepen. Wie het graven van een graf met f15 kon betalen, behoorde
+tot den gegoeden stand. Dit stelt ons gerust omtrent de geldelijke
+omstandigheden, waarin hij in de laatste jaren verkeerd had; we
+behoeven niet te gelooven, wat meermalen beweerd wordt, dat hij arm
+gestorven is. En zijn leven is rijk geweest, rijk aan genot. Hij
+heeft vele menschen en vele dingen gekend en begrepen. Kennen en
+begrijpen is genot.
+<p class="c2">Als wij ernstig trachten zijne werken te kennen en te
+begrijpen, zullen we deel hebben in de erfenis die hij naliet:
+genot van te zien en te begrijpen. De erfenis is groot genoeg voor
+een geheel volk: wie zich de moeite geeft om te willen, kan
+mede-erfgenaam worden.
+
+<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 11286 ***</div>
+</body>
+
diff --git a/11286-h/images/asselijnmet.png b/11286-h/images/asselijnmet.png
new file mode 100644
index 0000000..98849e4
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/asselijnmet.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/asselijnzonder.png b/11286-h/images/asselijnzonder.png
new file mode 100644
index 0000000..75a9a51
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/asselijnzonder.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/betaalmeester.png b/11286-h/images/betaalmeester.png
new file mode 100644
index 0000000..15be866
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/betaalmeester.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/deruyterenzeger.png b/11286-h/images/deruyterenzeger.png
new file mode 100644
index 0000000..2f85fdb
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/deruyterenzeger.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/evertsen.png b/11286-h/images/evertsen.png
new file mode 100644
index 0000000..db03e6b
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/evertsen.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/groepuitdenachtwacht.png b/11286-h/images/groepuitdenachtwacht.png
new file mode 100644
index 0000000..3042e9f
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/groepuitdenachtwacht.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/groepuitsimeon.png b/11286-h/images/groepuitsimeon.png
new file mode 100644
index 0000000..92f087e
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/groepuitsimeon.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/intochtinjeruzalem.png b/11286-h/images/intochtinjeruzalem.png
new file mode 100644
index 0000000..dd30cb0
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/intochtinjeruzalem.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/latereopwekking.png b/11286-h/images/latereopwekking.png
new file mode 100644
index 0000000..5ac854a
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/latereopwekking.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/molen.png b/11286-h/images/molen.png
new file mode 100644
index 0000000..62066f2
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/molen.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/muiderkring.png b/11286-h/images/muiderkring.png
new file mode 100644
index 0000000..e013129
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/muiderkring.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/nachtwacht.png b/11286-h/images/nachtwacht.png
new file mode 100644
index 0000000..a95f9cd
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/nachtwacht.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/ontleedkundigeles.png b/11286-h/images/ontleedkundigeles.png
new file mode 100644
index 0000000..8691119
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/ontleedkundigeles.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/opwekkingvanlazarus.png b/11286-h/images/opwekkingvanlazarus.png
new file mode 100644
index 0000000..9b0198a
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/opwekkingvanlazarus.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/portretvansaskia.png b/11286-h/images/portretvansaskia.png
new file mode 100644
index 0000000..7a16e99
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/portretvansaskia.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/scheepsbouwmeester.png b/11286-h/images/scheepsbouwmeester.png
new file mode 100644
index 0000000..fa0c39d
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/scheepsbouwmeester.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/simeonindentempel.png b/11286-h/images/simeonindentempel.png
new file mode 100644
index 0000000..d4dec00
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/simeonindentempel.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/staalmeesters.png b/11286-h/images/staalmeesters.png
new file mode 100644
index 0000000..2eca474
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/staalmeesters.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/titusvanrijn.png b/11286-h/images/titusvanrijn.png
new file mode 100644
index 0000000..8a03824
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/titusvanrijn.png
Binary files differ
diff --git a/11286-h/images/vrouwtjebas.png b/11286-h/images/vrouwtjebas.png
new file mode 100644
index 0000000..6084fb2
--- /dev/null
+++ b/11286-h/images/vrouwtjebas.png
Binary files differ