diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:35:44 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:35:44 -0700 |
| commit | dfbe74cd7aa99fec02b624690bb48cf7f3580faa (patch) | |
| tree | d977651ddd62c9bed5632daf4aebc2162ec76329 /10975-0.txt | |
Diffstat (limited to '10975-0.txt')
| -rw-r--r-- | 10975-0.txt | 8499 |
1 files changed, 8499 insertions, 0 deletions
diff --git a/10975-0.txt b/10975-0.txt new file mode 100644 index 0000000..20f0861 --- /dev/null +++ b/10975-0.txt @@ -0,0 +1,8499 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10975 *** + +VITAULIUM + +HOFWIJK + + * * * * * + +SPAANSCHE WIJSHEIT, + +VERTAALDE SPREEKWOORDEN. + + + + +DOOR CONSTANTIJN HUYGENS. + +_Ridder, enz_. + + +MET AANTEEKENINGEN VAN DR. J. VAN VLOTEN. + + + + +«In Dec. 1639 hebb' ick, naer veel soeckens om yetwes in 't quartier van +Voorburg ende aen de Vliet te vinden, daer ick een huysken van vertreck, +in tijde van sieckte ende andersins, soude moge timmeren ende beplanten, +gekocht van Mr. Jacob Adrichem, woonachtig te Delft, eene sijne partye +lands, gelegen ten Westen rakende aen het voorn. dorp, ter wederzijde +van den Lijdwegh, groot 4 merghen 1 hond ende 39 roeden». (Aant. bij +Schinckel, _Bijdrage tot de Kennis_, enz. van C.H. bl. 77).--In Dec. +1640 en Maart 1642 kocht H. nog belendende teellanden aan, na al +aanstonds met de bouwmeesters Van Campen en Post over den aanleg en +opbouw van plaats en huis, geraadpleegd te hebben. Met laatstgemelde, +die ook zijn huis aan 't Plein voor hem gebouwd had[1], ontwierp hij de +benoodigde plans en teekeningen, zoodat er reeds in 't voorjaar van 1640 +met den aanleg van plaats en plantsoen, en kort daarna met het bouwen +van 't huis een aanvang gemaakt werd, en dit laatste in July al ver +gevorderd was. Den 8sten dier maand kwam H., van 's Prinsen wege uit het +leger naar den Haag gezonden, zijn nieuwen aanbouw in den vroegen morgen +in oogenschouw nemen, en in 't najaar was deze, zijn _Hofwijck_, +voltooid. Zijn voortdurende afwezigheid in het leger en drukke +werkzaamheid in de stad vergunden hem echter slechts nu en dan er een +enkelen dag, soms maar weinige uren, door te brengen, en zoo dikwijls +hem dat te beurt viel, teekende hij het in zijn Dagboek aan. Het eerst +ontbeet hij er, met eenige vrienden, den 23sten Mei 1642. Na den dood +van Prins Willem II verminderden zijn werkzaamheden natuurlijk, en had +hij gelegenheid er dikwijls eenige dagen te slijten; en toen zijn zoon +Constantijn hem bij Willem III als geheimschrijver was opgevolgd, hield +hij er des zomers geregeld zijn verblijf.--In 1652 bezong hij het, en +gaf zijn dichtwerk den 11den Febr. 1653, bij Adriaen Vlac in Den Haag +ter perse. (Zie Schinkels _Nadere Byzonderheden_, enz. II, bl. 58 en v). + + +Noot: + +[1] Het thans afgebroken ministerie van justitie, als men weet. + + + + +VITAULIUM + +HOFWIJCK + +1652 + + + + +AEN VROUW GEERTRUYD HUYGENS + +geseght DOUBLET, + +VROUWE VAN S. ANNELAND, & c.[1] + + +_Mevrouw en waerde Moeye_; + +De wijsen van eertijds hebben 't soo verstaen, ende het is altoos +waerachtigh gebleven, dat Vrucht en Vreughd, Voordeel en Vermaeck in een +getwernt[2], den deughdelicksten draed maecken. Daerop sagh ick dat mijn +Vader gesien hadde, als hy sich gelusten liet de lichamelicke lusten van +sijn _Hofwijck_ soo te beschrijven, datse de Ziel raeckten, makende van +die Wandeling een Handeling, die naer[3] hem sijn Erven, noch naer[3] +den ondergangh van de plaetse, te stade komen moght. Ende het soete +voornemen alsoo uytgevoert, heeft my te dienstigen licht gedocht voor de +Korenmate, daer onder het geschapen was voor eerst te smooren, sonder de +moeite, die ick aengewent hebbe, om het oock onze Eewe te mogen bekent +maken. Hoe het dese neus-wijse Wereld sal op nemen, staet te sien. By +U.E. en meen ick geenen ondanck verdient te hebben: de Stichter van +_Hofwijck_ is haer te lief, om een stucksken Wercks van den Dichter te +verwerpen. Een stucksken Bywercks noemde ick het beter: dewijle wy heel +wel weten, en qualick gelooven konnen, dat hy daer aen al gaende en +staende niet meer en heeft besteedt als de brockelingen van vier der +druckste maenden, die hy beleeft heeft, sonder dat yemand getwijffelt +hebbe, dat hy in 't gewoel van soo vele andere besigheden yet sulcks +onder de leden soude hebben. Nu het Kind schielick ter wereld is +gekomen, ende my, den oudsten van de Voor-kinderen, als het jonghste van +'t tweede Bedd', vertrouwt, weet ick het niet beter te besteden als by U +E., beider oudste Moeye, die ick wenschte, dat sich somwijlen daer mede +wilde verlusten tegens de swaermoedigheden, die haer overigh mogen zijn +zedert sy de twee lieve derdendeelen van hare eigen Bedde-vruchten uyt +der tijd heeft sien haelen; wel goeds tijds[4], na ons gevoelen, maer +ontwijffelick te goeder tijd, dewijl het Gods tijd was. Hem bid ick, U +E. in alle tijden ende naer alle tijden te segenen met tijdelick ende +eewigh welzijn, blijvende, + +_ +Me Vrouwe en Waerde Moeye_, + +U E. Ootmoedige Neef en dienaer + +C. HUYGENS[5]. + + +Noten: + +[1] Constantijn Huygens zuster, zie I en II, bl. 836 +[2] gedraaid; verg. 't Hoogd. wirn. +[3] na. +[4] vroegtijdig. +[5] Versta 's dichters oudste zoon _Christiaan_, die de uitgave bezorgde. + + + + +AEN DEN LESER; + +VOOR DE BY-SCHRIFTEN[1]. + + +Wie is' er met sich selfs of met sijn' tijd verlegen, +Sijn' kostelicken tijd? wie soeckt naer niewe wegen, +Om lustigh leêgh te zijn? wien stinckt[2] de Steen en 't Berd[3], +En ander arger vuyl, dat spel gerekent werdt? +Hy kome daer ick gae, wanneer ick Haegh en Hof wijck; +Hy blijve daer hy is, en volge my op Hofwijck; +Hy wandele met my, en spare voet en schoen: +Hy kan sijn wellust met één oogen-blick voldoen, +Of, is sijn Oogh te luy, met een geduldigh Oor-deel[4]; +Daer hooren streckt voor sien, en geeft het oogh geen voordeel; +De doove by sijn oogh, de blinde by sijn oor, +Kan voelen waer ick treê, en treden in mijn spoor. +Men hoor of sie my dan, ick stae in[5] voor 't berouwen +By alle keurige van planten en van bouwen; +En, ben ick niet verleidt van eigen toover-min, +Sy sullen Hofwijck bey soo vinden als ick 't vin[6]. + +Noch liegh ick voor de helft: de blinden sullen voor gaen, +En dobbele genucht sal in des hoorers oor gaen +By d'enckele van 't oogh, Soo gaet het met de pen, +De Rijm-pen; want sy lieght, ten deele van gewen[7], +Ten deelen[9] om de kunst: en die de waerheit soecken +In 't los aensienelick van welgerijmde Boecken, +Zijn even verr' van 't pad, als die den wilden aerd +Van 't weelderigh pinceel aenvaerden voor een Kaert. +Leest met voorsichtigheid wat Dichters van haer[10] geven; +'t Is rouw'[11] Land-metery, daer staet geen passer neven. +En die een dobbeltje wil hangen aen de vracht, +Om Hofwijck te gaen sien in d' ongemeene pracht, +Dien ick het heb geleent, zal weinigh min als vloecken, +En seggen: «Wel, ick segg: is dat het voêr van Boecken, +Is dat een' Schildery, die op het leven treckt? +'t Schijnt, dat men kinderen d' oud' avontuer vertreckt[12] +Van 't Koninghs dochtertjen, om in den slaep te raecken! +Is dit het hoogh Kasteel, zijn dese dorre staecken +Die Eicken Hemel-hoogh, is dit het Masten-woud, +Zijn dese Lindekens het andere Voorhout, +Is dese bult een Bergh, is dese plas een Vijver? +Wat quelt my d'ydelheit van dien verweenden Schrijver! +Laegh noch mijn dobbeltjen in 'tsackjen van den Kerck, +Soo had ick Godt behaeght en sat noch op mijn werck. + +Ja, vrienden, blijft by huys, en spaert uw sestien duyten[13]: +'k Heb rijp en groen geseght, om dat het _Dicht_ souw sluyten. +Soo gaet het (noch eens) met de Rijmpen; om een woord +Dat sonder weergaê is, moet arme Waerheit voort, +En om een braever[14] woord, dan woorden die wat seggen, +Moet onred' in den top, en Reden onder leggen; +Mits dat het Klinck-dicht zy, is 't snoodste 't beste Dicht, +En beste Dichter is die konstelickst verdicht. + +Beschaemt[14] den Meester vry, die[15] van de kunst wilt heeten, +En laet ons een voor een ontlasten ons geweten: +Wy lijden van den Rijm al, dat het Schip in Zee +Van vloed en ebbe lijdt: wy leggen 't op de reê, +De reê van Reden, aen; en 't schijnt, de volle zeilen, +En 't schijnt, de ruyme schoot en weten van geen feilen; +Het Roer light midden-boords, de vlagge wijst voor uyt, +De Naelde wijckt noch wraeckt[16], en alle gissingh sluyt, +En al 't besteck gaet vast; voor-wind maeckt rechte streken, +Maer, Stierman! waer is 't Schip ten einde van ses weken? +Voor St. Helena? jae, soo 't God en water wil, +Soo niet, aen St. Thomé, of mog'lick in Brasil! +Dat doet de blinde kracht van ongemerckte Stroomen. +Soo gaet het in 't beleid van Rijmers en haer' droomen: +Sy munten 't op de kust daer 't Schip op is bevracht, +Sy hebben Roer en Schoot (soo meenens') in haer macht; +Maer daer's wat onverhoeds, in 't Zee-sop en sijn baeren, +Haer slechte Zeemanschap in 't zeilen wedervaeren; +Een ongevoelde drift, een Tij heeft haer verleidt; +Sy hebben eens een woord voordachteloos mis-seidt, +Goên avond[17] Redens-reê: dat woord moet weêr berijmt zijn, +Of 't streeck houdt of geen streeck, of 't Dicht soud' ongelijmt zijn. +Soo lijmt men dan voort aen[18], en raect van Oost in West, +Van 't Zuyden in het Noord: tot dat m', in 't lieve lest, +Verzeilt en bijster 's weeghs, met loeven en laveeren, +(God weet hoe gracelick!) naer 't oogemerck[19] moet keeren: +Terwijl de Leser staet en gaept met open mond, +En wenschte, dat hij eens den Dichter wel verstond, +Die wel verstaenlick waer, kond hy sich selfs begrijpen. +Gaet, lieve leser! gaet uw herssenen nu slijpen, +Om door 't geheim te sien van 't mijmerigh gesegh, +Daer, die u leiden sou, verruckt[20] is van den wegh. + +Nu heb ick my ontkleedt: waer hael' ick Vijgen-bladen +Tot masker van de schaemt, daer med' ick sta beladen? +Wie wil nu Hofwijck sien of hooren met geduld, +Met logens opgepronckt, met klater-goud verguldt? +Ghy, Leser! hoort ghy noch dry woorden van verschoonen; +Noch ben ick lesens waerd, en kan het sus[21] bethoonen: + +Al dat ick Hofwijck noem, is Of-wijck[22] van den wegh, +Die waerdigh zij betreên; indien ick Hoefwijck segg', +Soo spreeck ick uyt mijn Bors en uyt mijn hert te saemen; +Maer die het Stof-wijck heet, heeft goet verstand van naemen +En van de slechte stof, daer Hof-wijck af bestaet. +En van der Dichteren ruym spreken sonder maet. + +En is 't Gesticht[23] soo slecht, wat sal 't Gedicht verbloemen, +Dat, die wat Hofwijs is, sal Holwijck derven noemen? +Hol, lieve Leser! hol, en holler dan een blaes, +Een blaes met boonen, is dit voddige geraes. +Verhaest uw vonnis niet; jae, spreeckt het sonder schroomen, +Ick help 't u spreken: 't zijn derd'daeghsche-kortsedroomen, +Daer op ick u onthael; 't is ongerijmde Rijm, +Een buyten çierlijck graf, van binnen asch en slijm[24]. + +Maer houd het vonnis in, en hoort my noch eens spreken: +Die oyt gewandelt heeft langhs modderige beken, +En heeftse niet altoos bewandelt sonder lust; +De Zee is alom sout, maer hier en daer de Kust +Beset met soet gewasch van Bloemekens en Kruyden, +Daer 't keurige begrijp van recht neus-wijse Luyden +Sijn sinnen in voldoet, en vindt de wegen kort, +Daer hier wat nuts en daer wat schoons gevonden wordt. +Het kreupele geschrift van teêre Leerelingen +Wordt by des Meesters hand met konstelicke ringen, +Met strick en spinneweb omvlochten en geçiert, +En hoe 't min deughdigh is, hoe meer betiereliert[25]: +Soo kan een Ebben[26] lijst een slechten doeck[27] verrijcken, +En doen hem voor wat goeds verkoopen of bekijcken; +Die lagen leg ick u: mijn Boeck, mijn Schrift, mijn Doeck, +Mijn tamme Schildery, recht uyt geseght, mijn Boeck, +Mijn Hofwijck in papier is wandelen, noch lesen, +Noch koop, noch kijcken waerd; dat vonnis is gewesen: +Maer kust[28] en strick en lijst, die 't çieren op den kant +Zijn op de proeven van het keurlickste verstand. +Veracht ghy dan mijn stof, mijn selfkant moet ghy prysen; +Danck hebbe 't soet behulp van afgestorven Wijsen: +Die heb ick uyt haer graf doen spreken t' mijner baet, +En van haer lappen my een feestelick gewaet +Geflickt[29] en omgedaen: met Peerlen van Athenen +Is dit gewaet versien; de kostelickste steenen +Van Roomens burgery, does' op haer rijckste was, +Heb ick gelesen uyt haer Puyn en uyt haer as, +En my meê geborduert: der Christelicke Vad'ren[30] +Heb ick het beste bloed van haer ontsteken ad'ren +Gesmolten in mijn vleesch, en uyt haer oud gebeent +Het onverrotste mergh gesogen en geleent. +Nu pronck ick met den buyt, nu tert ick uw gedulden[31]: +Verkoop ick niet als lood, 'ck heb 't weten te vergulden; +Nu moet ghy Hofwijck sien, het zij u lief of leed: +'t Kind is wanschapen, maer 't is rijckelick[32] gekleedt[33]. + + +Noten: + + [1] Versta: de bijgevoegde lofdichten, naar den smaak der eeuw. + [2] walgt. + [3] verkeerbord. + [4] Min gelukkige klankspeling. + [5] vrijwaar. + [6] Voor vind. + [7] gewoonte. + [8] Welluidendheidshalve voor deele. + [9] zich. +[10] ruwe. +[11] verhaalt. +[12] Thans zou men van tien centen spreken. +[13] fraayer. +[14] Stelt op de kaak, ten toon. +[15] Versta: gij die. +[16] weerspreekt. +[17] Vaarwel dan. +[18] Maar voort. +[19] doel. +[20] vervoert. +[21] zoo. +[22] af-wijk. +[23] Versta: het geheele buiten. +[24] slijk. +[25] Omkruld. +[26] ebbenhouten. +[27] schilderstuk. +[28] rand. +[29] Aangelapt (van 't Hoogd. flicken). +[30] De zoogenoemde kerkvaders. +[31] geduld hebben. +[32] Rijk, weelderig. +[33] Dat oud-roomsche en atheensche, en dat kerkvaderlijk borduursel + en verguldsel is in deze volksuitgaaf, als minder doeltreffend, + echter weggelaten. De desbeluste lezer kan 't in de oudere + naslaan. + + + + +AEN DEN DRUCKER. + + +k Hebb' Hofwijck uytgedruckt: is 't t' uwent niet te druck, +Verdruckt my in uw pers, en helpt ons in den Druck; +My in den druck van eer of oneer, van berispen +Of prijsen, naer het volck òf spreken wil òf lispen[1]: +U in den meerder druck, van Kostelick papier, +Als Ketter-vleesch, te sien verdoemen tot het Vier. +Van dusend tegen een de nadruck[2] zal ons' beurt zijn; +Ick heb 't u ingedruckt; denckt, als het sal gebeurt zijn: + +Die Dichter heeft sijn plicht uytdruckelick vervult: +Mijn onderdrucken[3] is de dochter van mijn schuld. + + +Noten: + +[1] Voor prevelen. +[2] Voor narouw. +[3] In den druk raken. + + + + +AEN MIJN HEER + +MIJN HEER VAN ZUYLICHEM + +over het lesen van sijn Eds. + + +HOFWIJCK. + + +'t Is een dagh of vier geleden, +Dat ick hallif moê getreden +Door de paedtjes van mijn hof +Wat gingh sitten onder 't lof[1], +Daer de hitte niet kan nypen +Onder 't lommeren van ypen, +Op een banckje van een deel[2], +In een koel en groen prieel; +Daer de dichte blaedjes weeren +Dat de Son my niet kan deeren, +Schoon hy op de middagh blaeckt, +Als hy 't Hemel-kreeftje naeckt. + +Om mijn eensaemheit t' ontvluchten, +Die my somtijds doet versuchten, +Als ick aersel op de schaê[3] +Van mijn afgestorven gaê, +(Wie kan steeds den mensch verkrachten)? +Liet ick drijven mijn gedachten[4], +Liet ick mijn herdencken gaen +Door u lecker letter-blaên, +Die ick even had gelesen; +Blaên, die voor geen sterven vresen, +'t Zy de Somer swicht of brand, +Van een soete Joff'ren-hand, +Door uw wil, aen my gegeven; +Blaên, daer _Hofwijck_ door sal leven +Langer, alsser bosch of laen +Staet, òf met òf sonder blaên; +Langer, als d' abeele kruynen +Sullen _Hofwijck_ en sijn tuynen +Decken voor de scherpe sneê +Van de seyssen uytter Zee[5]: +Langer, als sy, met de toppen +Van haer hoogh-gestege koppen, +Sullen weygeren den pas +Aen het huylen en 't gebas +Van de nortse Noorder-winden +Op den bloesem van de Linden, +Die, aen d' Oost' en Wester-kant +Van den _Hofwijcks_ Hof geplant, +Maecken ruyme wandeldreven, +Die het quaelick willen geven +Voor 't Voorhoutse Joffren-rack, +Munnick-tuyntje, blaeder-dack, +Dat, door 't roemen uwer Dichten[6], +Voor geen dingh behoeft te swichten, +Wat òf in òf buyten 't landt +Sijne borst op schoonheit spant; + +Langer, als de maste-boomen[7] +Sullen wederzijds bezoomen, +Met een altijd groenend lof, +'t Buytenpad van uwen Hof: +Als de nimmer-dorre Climmen[8] +Sullen klauteren en klimmen, +Langhs 't gebeent' en armen op, +Over hooft en kruyn en top +Van de hoecksche Vierelingen[9], +Al gelijck in alle dingen, +Broeders, even hoogh en breedt +En al eveneens gekleedt: +Daer de Cabbeljaeus-gesinden[10] +Noch wel herbergh souden vinden, +Soo 't de Landvooghd soo verstond, +Dat hy die in schootels sond +'t Lijf gesoôn, de staert gebraeden, +En een kruyck met wijn gelaeden +Van de Moesel of de Deel[11], +Om het oud-versufte scheel[12] +Met een Roemer af te drincken; + +Langer, als de Vloer sal blincken, +En het marmer staen te prael, +In uw sinnelicke[13] sael; +Langer, als uw Slot zal duyren, +Dat, met even-zijdse muyren, +Vierkant uyt het waeter rijst, +Dat de Waerd en gasten spijst +Met een vangst van goede vissen +Als 't u die gelieft te dissen, +Slot, als men 't van 't Zuyden kijckt, +Dat een flesch in 't koel vat lijckt;-- + +Langer als men 't paerdt sal jaegen +Langhs de Vliet, met sweepe-slaegen, +Nae den Dam, of Delft, of Haegh, +Alsser Schip en schuyt en kaegh, +Met sijn vracht en volck en waeren, +Uw kasteel verby sal vaeren, +Die, òf van òf nae de Vliet +Door den Duycker henen schiet;-- +Soo langh als men Duyts sal spreecken, +En geen leeser sal ontbreken, +Die een aerdigh Rijm bemint, +Daer men pit en kruym in vindt. + +Wijl ick sit en suff en mijmer, +Opgetogen, hoe de Rijmer +In soo een gemeene stof +Wint soo ongemeene lof; +Hoe hy Wijsheit mengt met kluchten, +Hoe hy sonder jock kan tuchten[14], +Hoe hy ernst met lacchen speckt, +Daer men les en vreughd uyt treckt, +Vind ick my in 't Bosch gekommen +En op uwen Bergh geklommen, +Daer een vierkant hout-gebouw +(Wist ick hoe men 't noemen souw) +Braght my weder op mijn sinnen, +Datter voordeel was te winnen +Van een heerlijck Peterschap +Voor die op den hooghsten trap +In het gissen konde raecken +Van profijtelickst vermaecken +In het geven van een naem, +Beyde nut en aengenaem. + +Ick gevoelde my bestreeden +Van mijn tochten en de Reden: +D' een sey dat ick 't laeten souw, +D' ander riep er tegen: «houw! +Houw, en wilt u daer voor wachten, +'t Is geen werck van uwe krachten, +'t Is geen last van uwen rugh; +Wat vermeet sich vliegh of mugh, +Dat een kemel is te vergen? +Wie begeeft sich op de bergen, +Die genoegh sich vind beswaert, +Dat hy kruype by der aerd?» + +Reden had nae reên gesproken, +Eersucht quamper tegens stoken: +«Die niet soeckt, die niet en vind, +Die niet waeght, die niet en wint; +Waeght ghy: 't kan misschien gelucken; +Mist ghy: 't hoeft u niet te drucken; +Vele, die wat groots bestaen +Hebben met de wil voldaen; +Oock soud ghy den eerst niet wesen, +Dien, als anderen voor desen, +Een geluckigh woort ontvil[15], +Als 't geluck maer dienen wil; +Blinden kunnen somtijds raecken, +En oock acker-lieden spraecken +Somtijdts wel een tijdigh woord, +Dat den wijsen heeft bekoort; +Oock is 't meê al waer bevonden, +Dat een haes, voor snelle honden +Afgeloopen vry en los, +Is gevangen van een Os, +Die hem op sijn lenden trapte, +Wijl[16] hy door de weyde stapte +In een dichte bos van gras, +Daer het wild gelegert was». + +Wat is goed en wat is beter? +Soo 't geluckt, soo werd ick Peter[17], +En soo 't mist, waer kom ick heen? +Wat is 't als een blauwe scheen? +Die is lichtelick te waegen: +Vryers loopens' alle daegen, +En wie gaetter kreupel van? + +Dus geschuddet[18] in een wan, +Dus gehangen tusschen beyden, +Eer dit strijden was gescheyden, +Had my d' eersucht al vermant, +En de Pen was in de hand, +En de Reden aen het swijmen, +En de Dichter aen het rijmen, +En de veder in den int, +Om een naem voor 't houte kind. + +_Hofwijcks_ Hoogh-beroemde Schrijver, +Dus geraeckt' ick door den yver, +Die de reden had verbluft, +Van het peynsen half versuft, +Aen het raên en aen het rijmen, +Aen het voegen, aen het lijmen, +Aen het krabblen met de pen, +Waer van ick dit naschrift[19] sen[20]. + +Heb ick 't wit niet kunnen raecken +Van 't profytelickst vermaecken, +Soo ick in den naem hier mis +Wat èn nut èn vrolicks is; +Heb ick 't bey niet kunnen raemen +Wilt de Meester niet beschaemen, +En die meê is van de kunst, +Deck mijn feilen met sijn gunst!-- + +20 Julij, 1652. (jACOB WESTERBAEN). + + +Noten: + + [1] loof. + [2] plank. + [3] 't verlies. + [4] Westerbaens overleden vrouw, na welker dood hij zich op Ockenburgh + gevestigd had. + [5] Versta: de zeewind of -lucht. + [6] Zie deel III en IV bl. 30 in't Voorhout. + [7] Huygens' lievelingen. Zie vervolgens en in de Sneldichten. + [8] klimop. + [9] «Vier houten cabinetten of prieelen met clim bewassen, staende op de + vier hoecken van den Hof, alle uyt eender hand gemaeckt» Huygens. +[10] Klankspeling op het vorenstaand hoeksch. +[11] In Belgiën; deelewijn. +[12] verschil. +[13] nette. +[14] leeren. +[15] Ontviel; gelijk wirp voor wierp in 't volg. lofdicht. +[16] terwyl. +[17] peet-oom. +[18] Voor geschud. +[19] Zie volgende gedichten. +[20] Voor zend, gelijk vin voor vind, enz. + + + + +PROSOPOPOEA[1]. + +Spreeckende + +HOUTE GEBOUW OP DEN BURGH IN 'T BOSCH VAN HOFWIJCK, + +HOF-STEDE des HEEREN VAN ZUYLICHEM BY VOORBURGH. + + +_Dus sprak een houte Kind, of een van sijnentwegen, +Doe hy sich vond op 't Land om tijd-verdrijf verlegen_: + +Ick heb dat wesen niet dat ick te hebben plagh. +Een quaden avond-luym, een felle blixem-slagh, +Die hooge bergen treft en spaert de laege heuvlen, +Wirp[2] my ter aerde neêr, eer hy my dede sneuvlen, +Soo dat ick met mijn top, beneden in het gras, +Verraedlick lagh, gestort, eer ick gewaerschouwt was. + +Ick was, of ick geleeck, een van des werelds Wondren, +Een van het seven-tal, eer 't blixemen en 't dondren +My door een domme kracht ter neder had geploft; +Ick leeck der Spitzen een daer Memphis noch op stoft[3], +Die Vorsten-beenderen en Konincklicke lijcken +Verstreckten tot een graf in de beroemde Rijcken, +Daer 't Nylewaeter mest het Kooren-rijck Egipt. +Ick wierd van yder een besprooken en belipt[4]; +Die timmert aen den wegh is selden buyten opspraeck. +Ick leeck der spitzen een daer, eer men tot den top raeck, +En siese van der aerd ten wolcken uyt gebout, +De Stichter sagh verspilt ruym hondert tonnen gout, +En noch eens, en noch eens, en seventigh en negen +Aen loock, ajuyn, en kaes, soo ick het heb te degen +En men de rekeningh van Steven[5] wel verstaet. + +Nu ben ick--Kijcker, stae! segh, eer ghy henen gaet, +Wat ben ick? Wie hier gaeuwst en kloekst sal in de weer sijn, +En't nutst en 't vrolickst vind, die sal mijn Heers Compeer[6] sijn; +Jan, maeck het Bosch-heck op, en ghy, o Kijcker-vrind! +Komt nader en bedenckt een naem voor 't houte kind. +Sie my van elcke kant, van boven, van beneden, +En wilt, om wel te sien, wat tijds aen my besteden; +Het sien en kost hier niet. Aen een wanschaepen dier +Hebt ghy somwijl versnoept een stuyver drie of vier: +Te kermis, aen een meyt, die armeloos gebooren +Uyttarte met de voet de beste Nayster-slooren, +Stack draên door 't naelden-oogh en naeyde wacker heen, +En wat daer vingers doen, deê vaerdigh met de teen;-- +Aen een die ruym het hoofd van een volkomen man had, +Maer borst en buyck en dyên en beenen van een span had; +Een Reus in 't Aepenland, die in een Munnicks mouw, +Die in een Visschers hoos sijn herbergh vinden sou; +Een Karel onder 't volck[7] dat in voorleden tijden, +Tweemaal zes duymen hoogh, met Kraenen plagh te strijden; +Een schaduw, die de Son hier op de middagh geeft, +Als hy een man beschijnt van boven uyt de Kreeft;-- +Aen een gebaerde knecht, die met sijn hooft en borst sat +Op sijn verdort geraemt, die veel tijds goeden dorst had, +En mocht sijn kroes wel uyt, en op de toon-banck sprack, +Wat meerder als een hooft daer 't lichaem aen gebrack. +Oock siet men aen dit lijf geen beenen noch geen voeten, +Maer soo 't geoorloft was te graeven en te wroeten, +Men vonde dat ick die heb langh en dick en breet; +Maer dat ghy 's niet en siet, dat heeft oock sijn bescheet. +Weet dat ick RODEN-BURGH[8] heb onder mijne soolen, +En treê de voncken uyt van sijn verborgen koolen, +Die hy hier onder my met groene rocken deckt, +En door een snoode pest uyt giftich sand verweckt, +Mijn buyren sterven deên; dees trapten ick het hooft in, +En stae tot op sijn hert, daer ick het vyer verdooft vin. + +Een koocker is mijn romp, mijn ingewand een trap, +Waer langs ick lijde dat men tien en tienmael stap, +Tot dat men eyndelick koom boven op mijn schoudren; +Daer laed' ick jong' en ouw', en kinderen en oudren, +En vrind en vreemdelingh; komt vry in groot getal, +En niemand sij vervaert voor ongeluck of val, +Danck heb geen sackende maer rijsende-bragoenen[9]; +Die door een draeyend hooft raeckt onvast in sijn schoenen, +Om dat hy sich te hoogh vind boven in de locht, +Die leune vry daer op, en vreese krack noch bocht. +Hier siet men 't grootst waerom[10] des Heeren die my boude; +Oock isser geen geweest die dese moeyte roude, +Dat hy den hoender-trap[11] langhs Rodenburgh beklam, +Tot hy door mijn gedarmt op mijne schouders quam. +Hier siet ghy over 't vlack der voor en achter-weyen, +Hoogh boven top en tack van elsen, eyck, en meyen, +En onverhindert komt den halven wereld-kloot +In uw verheven oogh; hoe spits, hoe steyl, hoe groot +Gesticht of bosch of boom, ghy siet het al gedoocken, +En onder uw gesicht ootmoedigh en gebroocken. + +Sie, Kijcker! dat ghy siet, en neemt wat tijds daertoe; +Verschoont mijn schouders niet; die werden nimmer moê; +Verschoont alleen mijn hals, daer magh[12] ick weynigh veelen; +Met halsen valt het wat gevaerelick te speelen. +Ghy siet hoe langh, hoe smal, dat hy nae boven gaet, +En wat een top-swaer hooft dat aen het eynde staet; +Een hooft, dat nimmermeer is sonder schudde-bollen, +En echter even net, hoe het de winden sollen, +En 't sij of dagh of nacht, al even fraey gehult; +Maer, soo het herssens had by 't kostelick vergult, +Wat spijtigh Reyntje kon op mijne schoonheit smaelen? +Waer sou het Vosje stof tot leppigh schempen haelen? + +Wat dunckt u, Kijcker-vrind! hoe staet u 't maecksel aen? +Een hals soo dun, soo langh, als tienmael van een Kraen, +Een hooft soo hoogh van 't lijf! Maer doch 't en is om niet niet, +Dat ghy mijn hals soo langh als eenigh Indisch riet ziet, +En dat mijn hooft soo ver van mijne schouders staet; +De reden vindghy licht, soo ghy uw oogen slaet +Op mijn vergulden kop, daer wonden en quetsuyren, +Die ick gekregen heb van Rygens en van Buyren, +U leeren, dat mijn hooft streckt tot een Pylen-doel; +Men rake soo men kan, het heeft doch geen gevoel, +En ick noch arm noch hand om zeer of leed te wreken. +Meer wil ick van my selfs voor dese mael niet spreken. + +Gae, Kijcker! gae nu heen, en span uw krachten in, +En geeft het kind een naem na mijnes Stichters sin. +Indien 't u wel geluckt, soo sult ghy deughd[13] gevoelen; +Men sal op mijnen Doop de beste glasen spoelen, +En doen een frisschen dronck van eedle[14] Deele-wijn, +Bn ghy sult de Compeer[15] van Hofwijcks Land-heer zijn. + + +Noten: + + [1] Persoonsverbeelding. + [2] Wierp; zie boven vil en derg. + [3] Versta de Aegiptische pyramiden. + [4] berept, bepraat. + [5] Stephanns, in zijn beschrijving. + [6] Medepeter, gevader. + [7] dat der Pygmeën. + [8] «Een Bergh van het roode sandt gemaeckt, dat de boomen dede + uytgaen ende namaels verlaeten wierdt, ende op een hoop gekart, + ende met groene zooden bedeckt». H. + [9] Zie boven in 't Kostelick Mal. +[10] reden. +[11] «Een trap van een swaere planck gemaeckt, daer de latten over + dwers opgenagelt syn, om op den Bergh te klimmen». H. +[12] kan. +[13] genot, weelde. +[14] Later «koele». +[15] gevader. + + + + +KIJCKERS ANTWOORD EN KEUR VAN NAEMEN VOOR HET HOUTE GEBOUW. + + +I. + +DE «JE-NE-SCAY-QUOY» VAN HOFWIJCK. + + +Elck die uw hooft bemickt, treft sijnen Doele niet; +Het is altijds geen lap wanneer de Schutter schiet, +Nochtans, wanneer der[1] prijs met schieten is te winnen, +Sijn s' altemael te been, die roer of boogh beminnen, +En hoopt oock d' alderminst 't geluck van eene schoot, +Door een beleefde pijl of door een gunstigh loodt. + +So waegh ick meê een kans, en vlam op het Compeerschap +Meer als op 't beste glas van sulcken braeven Heerschap, +Die met een Fenix-pen, wanneer hy 't sich bepijnt, +De Son beschrijven kan veel schoonder als hy schijnt[2]. +Maer weêr soo waegh ick 't niet. Hoe raeck ick dat te vort[3] is? +Hoe reyck ick aen een spits, daer mijnen arm te kort is? +Hoe werd een rappen haes gevangen van een Koe? +Hoe vlieght een lamme gans tot aen den Hemel toe? +Wat maeckt een blinderick[4] in winckelen en hoecken, +Daer 't voor een Arentsoogh is duyster om te soecken? +Wat vind Tiresias[5] daer Argus[6] is van noô? + +Noch waeg' ick 't evenwel: een vryer al te bloô +Besliep noyt schoone vrouw; die 't gunstigh uyr liet deurgaen +Als sy wel willen souw, moet naemaels voor de deur staen: +«Mijn vrind! ick ken u niet, goên avond en goê nacht, +Ghy hebt het luck versuymt dat u heeft toegelacht». +Dien de Fortuyn verschijnt, die grijpse by de vlechten; +Vóór isser vatten aen, 't is naemaels niet te rechten +Soo ghyse glippen laet; want achter isse kael, +Daer heeftse tuyt[7] noch haer; dies, vryers altemael! +Past op het vinck-slagh wel, en laet geen tijd verlooren. +So een geluckigh uyr u heden werd gebooren, +So wacht tot morgen niet; wanneer het visje bijt, +So slaet den[8] hengelaer, of anders is hy 't quijt. + +Soo waegh ick dan uw naem, die soo langh sonder naem staet, +Men oordeel of men dus het nut en 't soet te saem raedt: + +Een halve kap, een lap van pluys of van fluweel +Bedeckt voor locht en kouw het teêre Vrouwen-scheel[9] +Van 't voorhooft tot de kruyn, en wie kan sich beroemen, +Dat hy die kap, die lap, met sijnen naem kan noemen? +Nochtans krijght hy een naem waer aen hem yeder kent, +En echter yeder seyt: «Ick weet niet wat je bent». +Dit is u bey gemeyn; dies segh ick sonder wachten +(Men magh het nemen aen of vryelick verachten): + +Die op het uytterlick alleen sijn oogen wend, +Vind tusschen u meer scheels[10] als tusschen Koe en End; +Maer soo men meer op reên als nae 't fatsoen en stof kijck, +Sijt ghy JE-NE-SCAY-QUOY van het Kasteel van HOFWIJCK. + + +Noten: + + [1] er [2] In zijn Voorhout, + [3] Voor verde, ver. + [4] blinde (verg. dommerik). + [5] De blinde waarzegger. + [6] De honderdoogige wachter. + [7] haarvlecht. + [8] de. + [9] hoofd, schedel. +[10] verschils. + + + + +II. + + +DE SCHOU-BURGH VAN HOFWIJCK. + + +Die u een SCHOU-BURGH sey, sou die sich al vertasten? +Of sou het dorre bosch der averechte[1] masten, +Het machtigh Amsterdam, de geldsack van Euroop, +Niet lijden, dat men u met sulcken naem hier doop? +Nochtans soo kunt ghy 't sijn met wel-gegronde reden, +Het spijte, soo het wil, die groote Stadt der steden; +Haer SCHOU-BURGH heb de naem òf heel òf hallif wel, +En dien' haer, om te sien een bly of treurigh Spel; +Maer die uw Burgh beklimt tot boven op den solder, +Schouwt steden daer van daen, en menign dorp en polder, +Jae, schouwt op zijn gemack den halven wereldkloot, +Daer yder speelt sijn Rol, hy sij òf kleyn òf groot. + + +Noot: + +[1] Omgekeerde. + + + + +III. + + +DE KIIK-IN-DE-POT VAN VOORBURG. + + +So Voorburg, door de nood of door de gunst van Heeren, +Sich eens sagh in een Stadt met wall' en muyr verkeeren, +En bracht haer Vestingh uyt tot om dijns Heeren Slot, +Was HOFWIJCK het kasteel, en Ghy KIIK-IN-DE-POT. + + J. WESTERBAEN. + + + + +OP 'T HOFWIJCK + +VAN DEN EDELEN EN GEESTIGEN HEER VAN ZUYLICHEM, &c. + + +Siet hier den rechten Hof, daer buyten 's Hofs geruchten +De Wijsheyt leest haer bladt, de Ruste pluckt haer vruchten: + Een schoon, een lustigh bladt, een welgesohildert bladt, + Als Huygens in het gras en onder d' eycken sadt. +Daer Huygens buyten 't Hof sijn Hof-tent heeft geslaegen, +En queecksel en geboomt stelt boven 's Graven-Haegen. + Maer één dinck vraeg' ick noch, en vraeg' het met verlof: + Hoe kan het Hofwijck sijn, is Hofwijck in den Hof? + + BOXHORN. + + + + +AEN DEN HEER VAN ZUYLICHEM, + +OP ZIJN HOFWIJCKSCH GEDICHT. + + +Door-wijse Hovelingh, van veel' door nijdt bestreden, +Van meer om strijdt geroemt! die midden in het slick +Houdt beyde voeten droogh, en uw' genegenheden +Noyt hinght aen ydelheit van 's werelts oogen-blick; +Die nu en dan van 't Hof u laet nae Voorburgh voeren, +En daer bekommeringh, beslommeringh ontwijckt, +En daer uws selven sijt, een Heerschap by de Boeren, +En daer u landt, u Hof, u rijck eens over-kijckt;-- +U steene Hof-wijck wijckt voor sommige gebouwen, +In grootheyt, kostlickheyt, doch niet in cierlickheyt; +Maer nu gy door u pen door-kunstigh hebt ontvouwen, +Hoe all' de werelts doen daer voor uw ooghen leyt, +Mag 't steenen Hof-wijck wel voor and're 't vaentje strijcken, +Maer voor 't papiere, 't welck is onwaerderelijck, +Is 't reden dat het all' eerbiedighlijcken wijck'. +Noch 't steenen Hofwijck, noch het sterckste huys van allen, +'t Welck oyt is opgebouwt door Menschelicke hand, +En sal altijdt bestaen; maer noyt en sal vervallen +Dit HOFWIJCK, opgebouwt, mijn Heer! door u verstandt[1]. + + HENRICUS BRUNO. + +Noot: + +[1] Vernuft. + + + + +HOFWIJCK. + + +De groote webb' is af, en 't Hof genoegh beschreven: +Eens moet het Hofwijck zijn. Wie kent den draed van 't leven, +Hoe kort hy is, hoe taey? de snaer die heldste[1] luidt, +Scheidt d' eerste menighmael van leven en van Luyt, +Verkracht en over-reckt of met der tijd versleten. +'k Heb over-reckt geweest, maer bender[2] deur gebeten: +Op 't slijten komt het aen: Twee dingen maecken 't waer, +Of ick 't ontveinsen wouw, mijn jaeren en mijn haer. +En als de snaer begint te vees'len en te pluysen, +Soo staet sy meestendeel op 't schielicke verhuysen. +Wie weet of 't schielicke verhuysen deser Ziel +Niet voor mijn deur en staet? En of 't God soo beviel, +Sou Hofwijck onberijmt sijn Stichter overleven, +En wijcken voor 't Voorhout? en soud' ick my begeven, +Die anderen mijn pen baldadigh heb geleent? +Met reden eischte men de schuld van mijn gebeent. +Met reden schreefm'r op: «Hier light een Man begraven, +Die meende te volstaen met planten en met graven, +De slechte boeren-konst, en moght de moeyte niet +Sijn eigen maeckseltjen te cieren met een lied». +Mijn sterven weet ick met langh leven niet te weeren; +Maer, leef ick weinigh meer, het Grafschrift wil ick keeren, +En singen wat ick poot, en rijmen wat ick bouw, +Eer dese keel verschorr', en dese penn verouw'. +'k Wil Hofwijck, als het is, 'k wil Hofwijck, als't sal wesen, +Den Vreemdelingh doen sien, den Hollander doen lesen. +Soo swack is menschen-werck, het duurt min als papier +De tijd slijt struyck en steen! eens sal men seggen: hier, +Hier was 't dat Hofwijck stond, nu Puyn en Queeck en Aerde: +En dan sal Hofwijck noch staen bloeyen in sijn waerde: +Ja, waerde, sooder oyt yet waerdighs van mijn hand +De jaeren heeft verduert en ouderdom vermant. + +In Holland, wat een land! Noord-Holland, wat een Landje! +In Rhijnland[3], wat een kley! in Voorburgh, wat een sandje! +Aen 't Koets-pad, wat een wegh! aen 't water, wat een Vliet! +Aen al dat lieffelick of vrolick rieckt of siet, +Daer lagh een brockje vets, daer lagh een blockje magers, +Een beetje voor het vee, een treetje voor de Jagers; +Daer lagh, dat schickelick gevoeght had heel aen een, +Maer van het groote spoor verscheiden lagh in tween; +Het spoor en Vrouw Natuer verstonden hier den and'ren, +Ten Zuyden lagh de wey; op 't Noorderlick verand'ren +Van Wey in drooge kroft[4] daer deelde 't spoor het scheel[5], +Gelijck een Riem een Man in op- en onder-deel, +In Broeck en Wambas scheidt. Daer hoefde geen bedencken +Op yeder deels gebruyck: de kley scheen my te wencken, +En raedde stommelingh[6], sy was ten Boomgaerd nut, +Mits met een wilde muer gemantelt en geschut; +De kroft en eischte niet als vruchteloose[7] boomen, +Die sy wel machtigh waer in wel-ge-Elste[8] zoomen. +Elck heeft sijn Keur voldaen: hier 't Wilde, daer het Tam, +Een yeder heeft volbrocht het geen hy ondernam. + +Let, Ouders, en let scherp op 't keuren van uw gronden: +Veel hebben sich vergeefs 't verkrachten onderwonden +Van kinderen verstand, met onverstand getucht; +Veel hebben wreedelick in eewigh' ongenucht +Gekluystert en geboeyt wel draghbaere[9] vernuften, +Maer die ondraghbaerlick haer 's levens tijd versuften +In onwerck; dat is werck haer driften onbevoeght, +Haer krachten ongelijck; veel' hebben sich verploeght, +Verweven, of verschaeft, en geen bedijdt van allen; +Die Staet of Lettervolck, of Krijgsluy konden vallen, +En zijn 't geluckelick, en zijn ter eer en baet +Van eigen en gemeen, van Huysgesin en Staet. + +Het scheel alsoo gedeelt door my en door sich selven, +Quam 't op de spaden aen; mijn eerste sorgh was: delven. +Noch was 't de tweede maer: d'eerst had wat meerders in: +Tot werck hoort overslagh, tot weldoen goed versin, +My docht, papieren blad was licht genoegh te krijghen, +En daer bleef 's[10] ruym genoegh voor peper en voor vijghen, +Of ick 's[10] een riem verkladd' en aen mijn droomen hingh. +'k Sagh menigh misverstand en redenloosigh[11] dingh +Des werelds aengesicht mismaken en onteeren, +Gelijck een schoone Vrouw lijdt van verbrodde kleêren; +'k Sagh 't schoonste geld in 't slijck geworpen by geval, +'k Vond allom nieuwen druck van Kostelicker Mal +Dan ick heb doodt gerijmt of, mogelick, doen leven[12]: +En al dit ongeval wist ick sijn naem te geven: +'t Hiet Na-docht, soo my docht, en 't was gespaert papier: +'t Was noch yet oolickers[13], 't was een onkundigh fier, +Een stout' onwetenheit, die niet en kost als waghen, +Om dat sy liever wouw niet twijfelen, dan vraghen. +Ick twijfelden en vraeghde, en ley mijn rouwe stof +Voor oogen, die ick wist, met vollen danck en lof, +Stof, als de mijne was, te hebben helpen keuren, +En oorbaerlick versnyên, niet snipperen, noch scheuren. +Maer al mijn recht was mijn, ick hiel een woord in 't vat[14]; +De Landheer had wat wils en d' onderwijser wat. +De konst leed geen geweld, maer liet sich wel wat recken. +Ter liefde van mijn lust. En soo van dusend trecken +Bleef d'een en d'ander vast; en van dat af en aen +Bleef yet lichamelicks in 't swart en 't witte staen; +Een dingh, dat Armen had en Schouderen en Beenen, +Een redelick gestel van 't hoofd af tot de teenen, +Soo veel my duncken moght. En nu stond Boom aen Boom, +Daer Boom aen Boom sou staen; nu gingh ick in den toom +Van vóórraed[15] en bescheid, en, hoe 't sich nae moght schicken, +Ick hiel mijn plicht voldaen met gissen en met micken. + +Soo ver gaet menschen macht in allerley belangh; +Beraden, overslaen sijn volle stade langh, +Meer eischt men hem vergeefs; maer 't langh heeft oock sijn maeten: +Die lang doen kan en magh, moet oock eens konnen laeten: +Is 't overdéncken goed, het óver-dencken niet: +Hy siet sijn selven uyt, die al te lang doorsiet: +Ons oogh verdrinckt in 't werck, daer 't moed' in is geswommen, +En ons vernuft beswijmt, gelijck die, hoogh geklommen, +Met schrick te rugge sien, en weten niet waer heen, +Om hals en been geheel[16] te brengen naer beneên. +Soo raeckt men bijster 's weeghs[17] in 't soecken van veel wegen, +En daer en komt geen end van stadigh overwegen: +Die altijd willen doen, en hebben noyt gedaen; +'t Schael-tongesken moet eens in 't huysken blijven staen. + +Doe 't kind geboren was, hoe 't afliep met sijn lueren, +Sijn swachtels, en sijn wiegh, soud' hier wat langer dueren +Dan 't yemand lusten moght; en van die eerste jeughd +En smaken meestendeel maer ouderen de vreughd: +Vreughd, die de Nieuwigheit en Hoop alleen doen leven, +Die self den ouderen ten einde werck begeven; +Waer op volght ongevoel van wellust, doove plaegh, +Daer van ick (ick beken 't) mijn kindsch[18] gedeelte draegh. +Nu, 't kind is jongh geweest, en't is gebracht aen't groeien, +Aen't bloeyen metter tijd; 'k heb niemand te bemoeyen +Met wat het tien jaer langh te queecken heef gekost; +De Wijsen eten met, de gecken doen den kost. +Komt, wijsen! eet met my, ick sal u niet beswaren +Als met welgaere spijs en wel betaelde waren: +Ick wil u Hofwijck doen aenschouwen, of 't te nacht, +Gelijck als Duivels-brood[19], te voorschijn waer gebracht: +Jae meer, ick wil het u en my oock doen betreden, +Als waer ons gisteren een gansche eew geleden: +'k Wil met kindskinderen goed deelen vóór mijn dood, +Als waer ick Grootevaêr en twee-dry-mael soo groot[20]. +Het wereldsche besit en is toch niet als droomen, +En of 't gekomen is, of mogelick te komen, +'t En is maer binnen ons het gen' het schijnt of is, +'t Zij by voor-sieningen[21] of by geheugenis. + +Dus sal dan Hofwijck zijn, neen (wy zijn hondert jaren +Geboren naer[22] den dagh, dat wy geboren waren) +Dus sien wy Hofwijck staen: Ten Noorden van 't groot spoor +Nae Voorburgh, 't schoone Dorp (of seght'er Steedje[22] voor), +Light een aensienlick Bosch in mindere gesneden[23]; +Vraeght naer de lenghde niet by Roeden of by Treden; +Die aen den ingangh staet, en siet den uytgangh niet, +En 't eind is verr'genoegh daer 't oogh geen eind en siet. +Een tamme wildernis van woeste schicklickheden; +Soo noemt sich dit vertreck, ter liefde van de Reden +En gulde middelmaet, die ick soo waerdigh houw. +Te tam waer al te stijf, te wild waer al te rouw; +Daer is wat tusschen tween, dat tweederhands begeeren +Voldoen kan, tam en wild, en dit door dàt vermeeren: +Gelijck wat etens dorst, wat drinckens honger maeckt, +Gelijck langh slaepen weckt en langh gewaeck vervaeckt. + +Den tammen lust voldoen vier wonderlicke dreven +Van Eicken saeghbaer hout, van Boomen die daer streven +Om dickte by der aerd, om hooghten in de lucht, +Om breedten onder weegh en groen en koel gerucht. +'k Heb saeghbaer hout genoemt: maer laet het niemant wagen, +Mijn Trouw-verlaet[24] t' ontdoen, mijn Dreven om te sagen: +Daer 's Potgeld, soo men 't heet, siet dit voort Poot-geld aen. +Ick segg' het eew voor eew: Kinds kinderen! laet staen, +En brandt of warmt u niet aen hout dat ick hiet waschen[25] +Ondanckbaer' erffenis en is niet af te waschen: +Ten minsten moet hy doen hetgeen de Sterver hiet[26], +Die 't leven door hem kreeg en van sijn sweet geniet. + +Twee dingen scheid'[27] ick uyt, het derde moet ick dulden: +Onschuldigh Brood-gebreck sal u voor eerst ontschulden[28], +En d'allerleste nood is buyten alle wet; +Gods Koningh[29] heeft sijn maegh met Autaer-brood[30] ontset[31]; +Maer welvaert dol gespilt is verr' van mijn meêdoogen[32]: +Hy is noyt bystand waerd, die noyt heeft willen doogen[33]. +Daeraen volght ouderdom van Eicken die vergaen: +Men spaertse te vergeefs, die niet en konnen staen. +Maer daer den ouden stam ontstaet[34], staet haest een jonge: +Soo sal mijn na-kinds kind, schoon ick het niet bedonge, +Gedencken, daer een man in 't vechten werd gevelt, +Dat daet'lick in de ry een versch man werdt herstelt. +Oock staet de wereld soo: die schael moet even drijven; +Pas soo veel schepsels niew verschijnen als ontlijven, +Of 't waer een leêge wer'ld, daer in wy Borgers zijn, +Of langh waers' overkropt, geborsten van de pijn. + +'t Lest (dat ick lijden moet) is 't algemeene lijden +Van 's Vaderlands verderf. Staen die bebloedde tijden +In 't eewighe beschick van Gods Voorsienigheit: +Moet Holland eens niet zijn, of Niet zijn; is 't geseit +By diens sien seggen is, en seggen doen, en heden +En morgen 't selfde punt, dat Holland weêr bestreden, +Weêr overstreden zij, weêr werde soo het was, +Doe 't in sijn kolen smoockt' en smoorden in sijn as[35] +Moet dat rad noch eens om, broeit Spagnen noch een toelegh +Van Thiende-penningh-dwangh, en leght het maer de roê wegh +Tot dat het onvoorsiens sijn geeselingh hervatt', +En drijv' ons tot den keur van mutsaerd[36] en van rad, +Of van versworen trouw en van versaeckt gevoelen; +Sal sich dat heete bloed noch eens op 't onse koelen +(God zij genadigher, en weêr' den droeven dagh!), +Dan is mijn wil geen wil; en als heel Holland lagh, +En waer 't niet redelick dat Hofwijck over end stond; +Van nu af schrab ick uyt wat in mijn Testament stond: +Als 't Vaderland vergaet zijn mijn voor-sorgen uyt; +'t Is reden dat de vracht versincke met de schuyt. + +Soo zijn 't vier dreven dan, en altoos weêr vier dreven, +Die 't Bosch verr en naerby sijn prachtighst aensien geven, +Als ick soo spreken magh, van bijds viermael 't Voorhout, +Van verre 't hooge groen van 't Mast- en Liesen-hout[37]. + +Breda vergeve my, en oock den Haegh, dit roemen, +Hier derv ick 't Eicken loof by 't Linden blad wel noemen: +Daer sien ick niet als Mast, en Eick, en Elst en Berck: +Tot mijnent 't selve groen, en even 't selve werck. +Hier buygh ick voor Breda; mijn' Masten zijn haer kinderen: +'t Heeft Frederick[38] belieft sijn hout-gewasch te mind'ren, +Om 't mijne te versien: 't zijn Jofferen van 't Land, +Mijns Vaders vaderland, die ick heb voortgeplant: +'k Segg Jofferen, noch eens: 'k mochts' ed'le wijfjes noemen; +Bredaesche wijfjes, jae; maer die ick derve roemen +Op Hofwijck Haeghs gemaeckt te hebben en Hof wijs: +Daer warren s' onder een als overgroeyend rijs: +Hier staen sy zedighlick en proncken daer sy stonden, +Does' eerst verhylickten aen 't Sand-schap mijner gronden: +Daer staens' in 't wild gerucht van kinders kind'ren; hier +Als maeghden, sonder meid of kinderen getier. +'k Laet yeder overslaen welck zijn de liefste gasten, +Gevolghde of ongevolghd': ick derf 't niet ondertasten; +Men krijght' er sulck' en sulck', en houdt sich wel te vreên, +Maer, heeft uw gast geen sleep van aenhangh, soeckt' er geen. + +Dit volckjen heb ick thuis gehaelt als kale wichten, +En van der jeught gefockt, en voor my leeren swichten. +Neemt dat ick Rhee of Hind gerooft hebb' uyt het wald[39], +En in mijn wildbaen ruym en lieffelick gestalt; +Soo ben ick altoos thuis, en altoos by de dieren, +Die t' harent Mensch noch Beest, maer my tot mijnent vieren. +Neemt dat ick uyt Brasil Tapoeyers hebb' ontleent, +En blinde Heidenen met Christen melck gespeent: +'t Is swart volck, maer dat swart is vel-diep, en van binnen +Maeck ickse mijns gelijck, dienstbaer, in blancke sinnen: +Soo passen s' op 't gemack van diese voedt en houdt, +Soo doen mijn' Bruyntjens oock, mijn' Wijfjens uyt het woud: +Besiet, hoe vriendelick sy my staen en beluymen[40]. +Als seiden sy: «Lands-heer, geniet ons groene pluymen: +Is 't heet, wy keeren u 't beswaeren van den dagh; +Is 't koud, wy decken u voor al dat nijpen magh; +En onse dienstbaerheit hanght aen geen' Jaer-getijden; +Daer dient' er by de Maend; wy konnen doen en lijden +Het rond jaer uyt en in, met eenerley gelaet, +Wat Eicken, 't stercke blad, nauw 's Somers uyt en staet; +Ja, dese trouw munt uyt, en spant haer' fierste krachten +In 't felste van de locht, in 't langhste van de nachten: +Maeckt staet op vrienden, die op voorspoed niet en gaen, +Maer in den tegenspoed als kop're mueren staen». + +Twee troppen[41] tel ick hier die sulcken tale spreken, +En kruysweeghs over een mijn Bosch in vieren breken. +Soo most de deelingh zijn; dat weet de minste Cock, +En al dat oyt ontzagh eens Hovemeesters[42] stock. +Twee schot'len eener sopp' op eene zy te schicken! +Daer soud' een swanger Vrouw, jae bergen, van verschricken: +Ten minsten slaet het een den hongers lust ter neêr: +Soo fier is 't keel-gat self: soo speelt het oock den Heer: +Ick swijgh van andere, die oock haer weetjen weten, +En houden haer gebruyck soo kostelick als eten. + +'k Heb dan op 't Cruys gepast, gelijck 't de diskonst noemt: +En vraeght ghy, of ick 's my met reden heb beroemt? +Let op den overhoeck; ghy vindt hem naer den regel +In evenredigheid soo vierkant als een tegel; +Dat doet een Eicken block, verstaet een perck van groen, +Daer Eickjens Nut, Vermaeck, en Heerlickheid voldoen; +Hegh-houtje recht en kromm, dat om de seven jaren +Sijn' Meester leert hoe soet genieten is, en sparen +(Elck in de middelmaet en ten besetten tijd), +Hoe goed een kleedsel is, dat dient en niet en slijt, +Dat, zijnde, warm en koel, niet zijnde, warm kan maken. +Soo doen mijn Eickentjens: Ick laet den Honds-dagh blaken +Op 't steilste van den Noen[43]; ick laet het Noorder guer +Sijn scherpste buyen toe, mijn groene dack en muer +Belet my wederzijds het sweeten en het beven: +En in de leckerny van dit staegh-stervend leven +Heb ick altoos getelt het dobbele geniet +Van yet verheugelicks op 't kantjen van 't verdriet; +Op 't kantjen, sonder schroom; soo dat vast and're smaken +Het gene my genaeckt, en niet en kan geraken. + +'t Zy goed of quaede sin, ick voel mijn voorspoed bet, +Als yemands tegenspoed daer nevens werdt geset. +Ick scheppe geen vermaeck in mijnes naesten lijden: +Maer, als hy 't lijden moet, soo kan ick my verblijden +In dat ick 't niet en lij. Geeft my een blockje land, +Een Eiland als een vuyst, bezeet[44] van alle kant, +Bezeet op sulcken diep, dat op het minste blasen, +Sijn holle baren stouwt gelijck de groote dwasen, +Die met bergh over bergh ten Hemel wilden gaen, +En grijpen naer de Sonn en treden op de Maen; +Geeft my dat Eyland, rijck van Beemden en van Koren. +Geeft my een huys daer in om weelde te bekoren, +Geeft my Bosch om dat Huys, en langhs mijn steile strand +Of opgeworpen Hout, of uyt de konst geplant; +Siet my daer wandelen vry van den brand van 't Zuyen, +Van Oost en Wester vlaegh en van de Noorder buyen; +Siet my daer sorgeloos van d'een in d'ander hoeck +Vertreden mijn gepeins, of oock een beter Boeck, +Een wijsen mans gepeins, terwijl een' vloot van Zeilen, +Die storm en holle Zee den anderen toe keilen, +Gedreight werdt[45] gangh voor gangh met 's levens lesten krack +Op mijner Stranden klip; denckt, of ick mijn gemack +Afsteken sie als wit by 't swart van die elende; +Denckt, of ick my rondom, als in mijn roosen, wende, +Terwijl dat arme volck de handen, van 't geschrob +Van touw en takel zeer, ten duyst'ren hemel op +Met kromme knyen streckt: denckt, of 't mijn lust verdobbelt +Dat ick soo veiligh sit, en mijns gelijck soo tobbelt, +Soo dobbelt om sijn lijf. Soo gaet het allerweeghs: +Hoe dichter onlust is by wellust, hoe meer deeghs. +En soo doet Vrouw Natuer, in vele van haer wercken, +Het wederstrijdighe door 't strijdighe verstercken: +Soo werdt de kelder warm als 't ijs in 't water leît, +Soo werdt de kelder kout als 't Somer-veld verheidt[46]: +Soo sit ick in mijn kluys van Eicken, in mijn kluysje, +In mijn gevonden hoeck, mijn ongevonden huysje; +Hoe 't buyten banger brandt, hoe koeler en min bangh, +Hoe 't buyten wilder waeyt, hoe louwer, in den drangh +Van blaêrtjes, die ick hoor rondom my henen ruyschen, +Maer als de baren doen die op mijn klippen bruyschen, +En doen my minder leed dan of sy 't niet en deên, +Om dat ick ongemack verneem, en lijde's geen. + +Wat scheelt het of my dit een Bosjen of een Boss doet? +Wie leeft van overschot? de weide die den Oss voedt +Is voor hem all' de wer'ld, en hondert merghen gras +En doet hem niet meer nuts dan of 't 'er niet en was; +En duysend roeden houts en sou my niet meer strecken +Dan minder, die my hier verlustigen en decken. +Kost yeder dat verstaen, wat waer de gierigheit +In haer holl kaeckgebeent een schoon gebit geleît! + +Noch werdt mijn kleinigheit geboet met ander voordeel: +De mensch is altoos mensch; neemt rijp en onrijp oordeel, +Neemt sinnen oud of jongh;--soo menigh als wy zijn, +Veranderen geeft vreughd, en niet verand'ren pijn. + +Die vreughd is in mijn macht, die pijne kan ick schouwen, +Soo haest mijn keure my wil schijnen te berouwen; +Gelijck de siecke man het eene Bedd' verveelt, +Tot dat hy 't ander proeft, en dat het niet en scheelt +Van 't eerste sijn gemack; soo ruyl ick Berck voor Eicken, +En Elst voor Bercken-bosch. Bey kan ick soo bereicken, +Dat dit voor onder, dat voor opper-kleed verstreckt, +Dat gen' als mantel, dit als Broeck en Wambas deckt. +De Bercken staen om my als Toortsen, die in Kercken +Niet half soo dienstigh staen en druypen op de Sercken; +Blanck-stammigh is de Boom, gelijck 't was van de Bye +Sijn maker werdt onthaelt[47]; noch is 't veel dat ick 't sie, +Soo duyster is 't in 't groen, soo groen is 't in den duyster; +Den duyster, daer ontrent de flickerighste luyster +Van Wolle-wevery, die t' huys mijn' mueren deckt[48], +Nau voor een schaduwe van somer-groente streckt. +Wat magh de sotte konst haer selven onderwinden? +Haer uytterste geweld is qualick werck van blinden, +By 't minste Bercken-blad, den minsten Elsen-tack, +Mijn' muer-tapijten hier, mijn' sold'ring en mijn dack. + +In dese wonderen bergh ick de soeticheden +Van mijn gesnoepten tijd: hier spreeck ick met de Reden, +Met my, met d' eewigheid, met vrienden verr' van my, +Met eewen, goed of quaed, te komen of verby. +Maer 't is altoos geen ernst: ick hoord' er oock wel spreken, +Soo sich een vriend met my in 't groene komt versteken, +En op de prate-banck, van zoden daer geplant, +Sijn uertjens wagen wil en helpense van kant. + +Neemt een gelijckenis tot keers-licht van mijn' reden: +De Peerel-visscher duyckt tot dat hy gansch beneden +Den bodem van de Cuyp, die 't zilte Zee-nat houdt, +Geluckelick betreedt en als sijn acker bouwt: +Daer tast en grabbelt hy naer Oesters, die haer' schalen +En daer sy groot af gaen, sijns lijfs gevaer betalen; +Maer 't is met altoos prijs in sulcken Lotery: +De Nieten zijn te veel: noch is de Visscher bly, +Als baet by lasten komt, en d' een den ander' dragen. +Die in mijn groene Meer met my den brand der dagen +Of booser weêr ontsit, is hier als op den grond +Van een ontstelde Zee; de baren, boven rond, +Gaen als 't den wind behaeght; beneden is 't stil water; +Daer soeck ick peerelen, ick en mijn mede-prater; +Maer beter peerelen dan daer den Indiaen +Sijn adem om verkracht, en hanght' ons Vrouw-volck aen; +Die kralen zijn maer kalck: by d'onze niet te tellen, +By d'onze maer Ayuyn van schilferende schellen[49], +By d' onse maer Schotsch goed. Ons' peerelen zijn puyck +Van Deughd of Wetenschap, bey dingen van gebruyck: +Die soecken wy in 't stil, in 't groen diep mijner baeren, +Mijn' zee van bladeren, die wy wel hooren baren +En ruyschen over ons, maer die ons niet en deert. +Daer visschen wy somtijds yet dat ons sticht of leert: +Daer mischen[50] wy somtijds dat stichten kan of leeren; +Gedachten gaen als wind, en buytelen en keeren, +En springen Oost uyt West, eer dat hy 't weet die denkt, +Eer dat hy met een oogh of met een oogh-scheel wenckt: +Soo slipt men lichtelick van goed' in slechter sinnen, +Die dan uyt d'eene Webb' een andere verspinnen, +En warren in een' knoop van soete voddery, +Dat 's dan een misslagh van verloren Visschery, +Een Schotsche peerel, of een' Oester-schelp die hol is: +Soo komt het dat de mensch stracks zedigh en stracks dol is: +Jae, neemt van 't stadighste, 't schijnt levend Vleesch en Bloed, +En all' de menschlickheit beweeght by Ebb' en Vloed: +Ernst wil getempert zijn, Jock wilder[51] onder wesen: +Ick heb het soo gesien, ick heb het soo gelesen; +Wy zijn geen' Engelen: De Reden doet haer best, +Maer 't wispeltureloos en komt niet als op 't lest. + +'k Wil uyt mijn' Bosjens niet; daer is noch wat te hooren: +Is 't mogelick voorby, het tuyt noch in mijn Ooren. +'k Spreeck van geen Nachtegael; die heeft er oock sijn nest, +En maeckt' er meer geschals dan all' de vlugge rest: +'k Spreeck van gevogelte met kostelicker veêren, +Veel aerdiger gebeckt, en in veel langer kleêren. + +Voor allen noem ick een UTRICIA[52] voor all, +Ons' Swaen, of ons' Swaenin, of hoemens' heeten sal. +Die heb ick hier gehoort, die dunckt my noch te hooren, +Die heb ick hier gesien de Nachtegalen stooren, +Gelijck de morgenstond de fierste Sterren stoort, +En houdt alleen het Veld, en vleit sich met die moord, +En pronckt met dat gesagh. Aensienlickste der Vrouwen, +Aenhoorlickste daer toe! ick hebb' 't soo wel onthouwen, +Wat dat ghy schoon geschals gemaeckt hebt in dit groen, +In dit stil-wilde louw, dat ick 't u noch hoor doen, +Noch voor de waerheit houw, dat van mijn' beste boomen +De beste naer uw' keel mijn Bosch in zijn gekomen, +Noch voor mirakel houw, hoe 't mog'lick is geweest, +Dat daer gelegert hebb' soo veelerhande Beest +Als ghy der hebt gelockt; waer d' Olyfanten stonden, +Waer Dromedarisen en Kemels ruymte vonden, +Waer d'Esel en de Bock, het Vercken en den Uyl; +Want, liegh ick van haer' komst soo valt d'history vuyl, +Die haer' komst van eertijds op 't spel der Griecksche veêlen +De wereld heeft verthoont met min gewelds van keelen. + +Maer ick verdien geloof van 't Vercken en den Bock, +Van d'Esel en den Uyl, die uw gesangh betrock; +Daer heb ick menighmael getuigh af moeten wesen, +En schrick' er nu noch voor, en voel mijn haer geresen, +Als 't my te voren komt, 't onlijdelick gehoor +Van Beesten Mensch-gelijck, dat 's Menschen sonder oor. +Sy staen my in den wegh, sy wegen my op 't herte, +En, zijn sy onvernoeght, dry vierendeel der smerte +Gevoel ick ruym en suer: sy wenschen sich 't gat uyt, +Ick wensch haer daer geen tangh gekent werdt uyt een Luyt: +Men wenscht haer in de Hell', maer ick en ben soo fel niet; +Daer is een ander Hell', of die wat naer de Hell' siet, +De boven aerdsche Hell', de Hell' van misverstand, +Van Kercken-scheuringen, van twist in Stadt en Land, +Van onmin tusschen Bloed en Swagerschap om erf-quaed, +Dat heden erf-goed heet; en al dat op den kerf staet +Van tweespalts vuyl bedrijf: daer voegense wel by, +En 't scheel is wel gedeelt: sy vrolick, en ick bly: +Nu is 't geselschap goed, wy sonder haer gebleven, +Sy sonder ons gegaen in 't soetste van haer leven, +In 't eewigh mis-geluyd van tweeklancks wreede snaer. +'t Is onbezeffelick, 't is grouwelick, maer waer, +Daer zijns' aen 't hooghste lot van haer' bevallickheden: +En, als men 't overslaet, het heeft de selve reden, +Goed mengelmoes van smaeck, van reuck, van verw, van toon. +Dat is het uyterste van menschen-mog'lick schoon +Te schouwen met een' haet die niet en is om soenen[53]. + +Wat seght ghy ----, die van 't hoofd tot de schoenen +Verstant en reden zijt, die ick soo veel betrouw, +Dat ick, wat u mishaeght, voor onbevallick houw; +Dat ick toon toonsgenoot, en snaer op snaer gespannen +Mijn oor betrecken laet om datse 't uw vermannen +Wat seght ghy van den aerd van menschen die noch snaer, +Noch keel-werck meer en smaeckt dan of het houts-kool waer; +Wat seght ghy van uw Luyt, uw Boogh, en uw Clauwieren, +Die uw thien vingeren soo weten te bestieren, +Dat, waer ick meester van thien sinnen tot[54] de vijf, +Sy roerden in my om het mergh van Ziel en Lijf; +Is 't walgelick gerecht, is 't voedsel om vermuylen[55]? +Ghy schrickt van eighen lof met eighen lof te vuylen: +Ghy weet het, maer uw' deughd waer ondeughd en wat meer, +Soo sy maer scheen den prijs te weten van haer eer. +Weet ghy 't dan ongeseght, ick weet het en wil 't seggen: +De reden moet hun selfs dwars in den weghe leggen, +Die d' evenredenheit van toonen, uw of mijn', +Of schuppen met vermaeck, of herbergen met pijn. +Want (tusschen ons alleen) wat schroom ick goed te vinden +Dat u bevallen kan? ick ben niet van de blinden, +Die 't niet en zijn als t' huys: maer, nu ghy 't seght, is 't waer, +Daer is, ten minsten, wat verdraeg'licks in mijn' snaer; +En d'een nakomelingh of d'ander sal 't gestanden[56]; +Somwijlen heb ick yets gebaert uyt hoofd of handen, +Dat tegens d' opspraeck moght: en daer weet Sion van[57], +En dien ick 't heiligh lied heb na gebootst, Gods man, +De man na 's Heeren hert; en, die wat nau kan keuren, +Sal mog'lick oordeelen, dat sulcken slagh van neuren +Op sulcke woorden past; En, als ick 't seggen moght, +Dat geen bevallicker geweld en is bedocht +Om 't sterck en 't lieffelick van 's Coninghs diep bewegen +Ten naesten by te gaen en billick nae te plegen. + +Nu wil ick uyt het Bosch; het stinckt' er naer mijn mond, +En die naer eigen roem, die noyt mond wel en stond. +Maer seggen blijft geseght; of 't Waerheit is, of Logen, +Of 't Wit is, of geen Doel, die pijl is afgevlogen. + +Heyl daer ick pijlen noem, en magh ick noch niet wegh: +k Heb noch meer wederwercks ten Noorden van den wegh. +Geburen in 't Zuyd-west, beleefde Mann en Vrouwen, +Leen-volger van den naem die niet en sal verouwen, +Soo langh daer Hoonaerts zijn van ondeughd, die den lof +Uws Vaders maghtich zijn te scheiden uyt sijn stof; +Gebuer en soet gesin, weest doenders en weest tuygen; +Brenght Pijl en Koker toe, laet Spaensche Bogen buygen, +En beter' Engelsche dan daer men heden siet, +Dat Vader meê naer Soon en Soon naer Vader schiet: +Ons lust geen menschen-vleesch te priemen of te scheuren: +Ick wacht u voor een Doel, dien 't beter kan gebeuren +Dan Heiligh Bastiaen[58] te lijden sonder pijn, +Als wijse liên, gequetst en niet geraeckt te zijn, +Veel' scheuten uyt te staen, en willense niet voelen: +Mijn doel is als een Bergh, mijn Bergh is als dry Doelen, +Of een' de hand versaeckt[59] of mogelick de Boogh, +Of een' een tamme Pijl gelijck een' Wild' ontvloogh, +Daer 's borge voor de schand: 't is hier meer konst te missen, +Dan elders op 't vierkant van ses voet doels te gissen; +'t Is altoos, Penn' of Lap, of Wit, of emmers, Bergh. +Denckt dat men u wat gelds in blinde lotingh vergh': +Al treckt ghy veeltijds mis, 't is troostelick om hooren, +Dat die het sijne mist niet al en heeft verloren; +Een doosjen is een Niet, een Spiegeltjen, een' Spel, +Maer als 't maer Wat en is, al is 't geen Wat, 't is wel. +God selver neemt het soo: wy micken op Sijn' Wetten, +En treffen nu en dan: maer met het minst versetten, +Wild zijn de schoten, wild, en wy vau 't Heiligh wit: +Maer Hy, die vol Gerechts en vol Medoogens sit, +Hooft-richter van sijn mensch, sijn schepsel, duydt den mis-schoot. +Van een welmeenend hert, als of het wel en wis schoot. + +Hoe komt de mensch soo wijs, of liever, hoe soo geck, +Hoe spant hy sulcken oogh, soo vinnigh, in 't gebreck +Van sijns gelijcken vat: wil die geen' misslagh dulden, +Die dag'licks seggen moet: vergeeft ons onse schulden? +'t Is wonder, een blind man, die stadigh valt of dwaelt, +Is d'eerste die sijn Broêr, sijn blinden Broêr, behaelt! +Is 't speeltjen op sijn hooghst, en zijn wy moê geschoten? +O neen, 't is op syn laeghst: mijn' lieve Schut-genoten, +Siet steiler in de locht; wy hebben schooner werck: +Daer staet' er een, in spijt van 't haentje van de Kerck, +Ten einde van een steng en drilt[60] als of hy leefde, +En sijn gevaer verstond, en voor ons pijlen beefde: +Hy schreewde, waer hy niet een Papegaey van hout, +En waer veel liever in een warme koy gekrouwt, +Dan dus van onderen gepeutert in sijn veêren: +Hem moeten wy te lijf: die 't niet en kan, magh 't leeren; +De Kempen konnen 't wel en all' de Meyery[61]; +Ten minsten is het geen' verboden weyery[62]: +De Wet seght, veêr met veêr; wy nemen 't niet soo teêrtjens: +Het komt ten naesten by: 't is hout met hout, en veêrtjens. + +Daer light hy: wat een' vreugd! wat kan daer tegen op? +Daer 's een onnosel beest geresen tot den top, +En uyt den top gelicht: Zijn 't niet ons' oude perten? +'t Hoogh doet ons seer in 't oogh: stracks trecken wy 't ter herten, +En wenschen 't naer om laegh: rijst yemant in geluck +Van eeren? halsen werck[63]; 't is yeder een sijn stuck, +Ten minsten met fenijn van nijdighe gedachten +Te schieten naer sijn vlagg', en op sijn val te wachten; +Als of 't ons beter ging in yemands minder wel: +En, als men 't seggen magh, daer springt' er[64] uyt haer vel +Van vreughden, als een valt die haer, wat hoogh verheven, +Een nijd-blein[65] in haer oogh onschuldigh hebb' gegeven: +En laet ons op den wegh sien struyck'len by geval +Die 't niet verdient en heeft, wy lachen om den val. +Hoe d' ongerechtigheit haer selfs weet te bekeuren: +Wy grimmen om dien lach, als 't ons komt te gebeuren! + +Bekeur ick dan 't gelach van onse wilde vreughd; +Van ons getuymelt beest? o neen, ick prijs de deughd +Des Schutters, dien sijn pijl, sijn pees, sijn boogh, sijn oogen, +Sijn taaye zenuwen voor die reis niet bedrogen. +Meer sal ick 't prijsen, meer, als 't noch en noch een mael. +En noch een mael geschiet: nu hangh ick 't in de schael, +Of 't heele konst of half, of 't half geluck of heel is. +Ick tast aen dese stropp', om dat 't mijn eigen keel is, +Die ick er mê benauw; wie ghy my kent of niet, +Mistrouwt het weinige, dat m'aen my hoort of siet; +'t Heb wel een Papegaey een' vleugel afgeschoren +Met een bevallick woord: (of sulcken slagh van ooren +Vernam het dien 't beviel.); och armen! maer 't is mis, +Soo 't my te voller eer oyt toegerekent is: +'t Geval heeft mê gedaen; En die 't my noch eens verghde, +En noch eens, en noch eens, souw sien hoe ick my berghde, +En in mijn selven doock, daer 't hol is, als een vat +Dat van een klopjen bomt, en laedt noch droogh noch nat. +'t En is geen achterklap; ick segh 't voor Son en Sterren; +Wanneer ick in 't gedoen der menschen kom te werren, +'k Sie menigh averechts voor-oordeel op het pad: +'k Sie groot geluck betracht, en even op gevat +Of 't groote wijsheit waer; 'k sie nytkomste van saken, +Of s' uyt den Hemel viel en stortte door de daken: +'k Sie de gelukkige, daer 't soo op solder leeckt, +Voor d'allerkloeckste gaen, daer niet en aen gebreeckt: +En God weet hoe 't 'er staet, en of sy niet en dachten, +Sy waren aen de Caep, als sy 't voor Java brachten! + +Wel toch! tot Java toe? ey siet, hoe vlieght de wind +Van menschen-mijmeringh, hoe vind ick my versint! +Ick maeck den wijsen man, den Doctor, en den Leeraer, +Oud Schoolkint, maer och Heer, in 't voorste van mijn leerjaer! +Ick sie suer buytens tijds: 't is aengenaem en fraey: +'k Stoof soute saucen tot[66] een houte Papegaey. + +Nu, Buervolck, voor de moey van d' onlust, weest te vreden +Een treedjen min of meer mijn Bergh-werck op te treden: +Ghy zijt in 't vlack voldaen, de niewigheid van 't hoogh +Sal uw' vermoeyden voet ontmoeyen door uw oogh. +Mijn noem ick 't sonder roem, of met roem, een van beiden; +Sijn afkomst is bekent en van my niet te scheiden +(Sijn' opkomst seîd' ick best); ten kortsten uyt geseît: +'t En is geen Bergh van weeld', maer van Barmhertigheid: +Erbarmt u van 't verhael: Ick most barmhertigh wesen, +En komense te hulp, die met haer quynend wesen +Met éénen voet in 't graf (soo staen sy trouwens noch, +Mijn Eicken) riepen «moord», van 't schadelick bedrogh, +Dat haer, op hoop van winst, uyt Eykenswaerde gronden +In 't sand bracht, daerse nu soo stierven als sy stonden; +In 't Rood Sand, soo ick meen, de Turf-asch van de Hell', +Die noch brand nae haer dood, en is als kool, soo fel. +Soo stonden Boom voor Boom, als ick, op heete kolen; +En aen haer' kruynen bleeck het roosten van haer' solen, +'t Fenijn diend' onder uyt: 't en diende niet, het most: +Wie kond'er tegenstaen? de Reden zei 't, en Post[67]; +Post, die de Reden heeft veel meer roems doen bereicken, +In 't stellen van soo veel Pilaren schier als Eicken, +Dan hem van Hofwijck komt, sijn vormsel niettemin, +Gevroêvrouwt door sijn' Pen, met dat het uyt den sin, +Den redenrijcken sin van Campen[68] wierdt geboren, +Van Campen, dien die eer voor eewigh toe sal hooren, +Van 't blinde Nederlands mis-bouwende gesicht +De vuyle Gotsche schel te hebben afgelicht[69]. +Sijn' Reden seîd' het mê: 't vergift most uyt der aerden; +De mijne seî 't er by: flucks wagens en flucks paerden +By dusenden, niet min, die my van dat geweld +Ontlasten voor mijn' rust, mijn lust, en oock[70] mijn' geld. + +Nu was de Hell' berooft en all' de boosheit boven: +Waer henen met het vuyl? het had ons overstoven +En weêr op niews verraên, 't en waer ick 't meester was. +Mijn' bueren vraeghden wel naer Sand, maer naer geen' Ass'. +Soo keerde Nood in Deughd: 'k most bergen wat ick roeyde[71]; +Dat bergen wierd een Bergh, die tot des' hooghde groeyde; +Wild most hy daer niet zijn: eerst wierd hy onder tam, +Met dat ick hem besnoeyde, en hier gaf en daer nam; +Flucks wierd hy klocke-rond, gelijck 't spoor van een passer. +Bewaren is meer konst dan krijgen is; hy was er. +Hy most behouden zijn. Ick vongh hem in dit net, +In dese groene Muts; die wierd hem opgeset, +Als gaende nu te bedd' om slapers-wijs te dienen, +Met gras en bloemekens. Nu geef ick het in tienen, +Dit raedsel, wie het zy, die 't van my niet en weet: +Hoe 't innerst ingewand van desen Schoon-schijn heet. +Van buyten staet hy groen en soeckt my te believen +Met kruydjens velerhand, gespeckt met Matelieven; +Van binnen is hy ros, verraderlick: of rood +Van schaemte; let daer op, ghy, die een' swacke boot +Door 's Werelds baren voert: daer moeten[72] sich, niet Bergen, +Maer menschen als mijn Bergh, die binnen alles bergen +Wat boos en onrecht heet, van buyten in een schijn, +Die haer meer Engelen dan Menschen maeckt te zijn. + +Schrickt oock wat voor rood sand, ghy Groene-wambas-kalven, +Die u heel Meesters houdt, en niet[73] en weet ten halven; +De Berghjens die ghy vleidt zijn blanck en groen om 't seerst, +En 't lachter u al toe, dewijl ghy op uw teêrst +Tot op den Bodem toe gras-boter meent te vinden: +Maer 't is' er sorgelick te treden voor de blinden: +Gesuyckert is de korst, de Taerte menighmael +Van Gall' of Aloë, en 't vriendelick onthael +Van 't Meisje werdt rood sand; Als de beloften uyt zijn, +En 't Bruylofts Bed verkroockt: dan moet ghy haer te buyt zijn, +En klagen sonder help, dat u een vriend'lick vel +Gevoert heeft (ick en weet niet heeters) in de Hell'. + +Doet oock u self bescheit, Moêr Eva's echte kind'ren, +Stal-lichtjens[74] voor de Mans, ick wil u niet verhind'ren +Uw weêr-woord uyt te slaen: het deckt oock wel rood sand, +Dat ghy tot onsent licht soudt nemen voor goed Land: +Die lieffelicke korst van buygen en van strijcken, +Van sterven lit voor lit, uer voor uer te beswijcken, +Berght veeltijds (let: veeltijds) soo wonderlicken aerd, +Dat ghy het beter wist gescheiden, als gepaert. + +Dus ben ick Heer in 't groen van Roodenbergh gewerden. +Dat was te trotschen Van[75], om soo slecht uyt te herden: +Daer most wat aensiens op, soo dat mijn niew besit +Ten minsten wierd vereert met kijckers: «Wat is dit?» +Dat luckte wis en wel; 'k vermoeyde Land en Luyden, +Met vragen: kijck, kijck, kijck, wat heeft dit te beduyden? +Wat werpt de Zee al op? wat of dit werden sal? +En 't vragen werde meest voldaen met Niet-met-al: +Maer met een Niet-met-al, dat Antwoord mocht verstrecken, +Daer een 's[76] neuswijsigheid tot vragens toe mocht recken, +Wat 's Menschen Neus beduydt in 't schoonste van sijn hoofd, +En wat mans tepelen, en Vrouwen kin geklooft, +Wat putjens in haer' wangh, wat kuyten aen ons' beenen, +En, als men 't nauwer nam, wat nagelen aen teenen? +Men antwoordt: «Niet-met-al»; en 't is niet mis geseît; +Maer sien wy scherper toe, 't en is maer half bescheid. +Daer is een Niet-met-al, dat noodigh werdt gepresen +Om dat het noodigh is, en noodigh moet het wesen +Om dat het God beval te wesen dat het is; +Dat noodigh is 't cieraet van 't schepsel, en, gewis +Gods hand-meid[77] voeght alom het Goed en 't Cierlick 't samen. +Nature past daer op, wy weten 't als ons' namen, +En daerom voeght het ons een voeghlick Niet-met-al +Te dulden, hoe het zij, by konst of by geval. + +By konst of by geval, naer 't yemand lust te doopen, +Daer is wat cierlickheids mijn Berghjen op gekropen, +Wat tuytighs sonder dienst, wat aensiens sonder nut: +De groene Muts was yet voor 't hoofd en sijn beschut, +Maer 't pluysken moster op, of 't was geen' Muts by Mutsen +Van aensien aen te sien. Soo raeckten ick aen 't klutsen, +Aen 't klampen stijl aen stijl, en deel[78] aen wederdeel, +Die ick eendrachtigh bond aen een verborgen steel; +Gelijck een rugge-been met ribben of met graten +Vleesch of visch t' samen houdt, en niet en kan verlaten, +Dan als sy bey vergaen: dat maeksel scheen geplant; +Maer 't hongh aen 't rugge been, en woegh niet op het sand: +Daer most ick in voorsien; men had my sunst[79] verwesen, +Als die noyt Heyligh blad in Griecksch en hadd' gelesen. + +Doe 't uyt den koker quam van steigerings besleur, +Verscheen daer, wat? een Spel, een Naeld, of sulcken leur, +En stack, als naeld of spel, in d'ooren en in d'oogen: +In d' oogen, daer men 't sagh, in d' ooren daer het logen +Of waerheit over droegh, soo 't was of niet en was. +Wat raed? 't was aen den wegh; daer 't altoos vol gebas +Van stoute keffers is: die dat niet kan verdouwen, +Moet naer Egypten toe, en in de Sand-Zee bouwen. + +Maer honden werden[80] mack van vreemden veel te sien: +Soo werdt de vreemdigheit onvreemt voor sulcke liên: +Soo wierdt mijn opspraeck gunst, soo temden sich de sotten: +Eerst hiet ick Schots alleen, doe wierden wy all' Schotten, +En sagen 't Schotsche werck voor wat gedooglicks aen; +De slechtste van gewoont, de wijste door vermaen +Van haer' geheugenis', daer s' in geschreven vonden, +Hoe sulcke Bakens noch oud Roomen niet mis-stonden, +Noch 't niewe niet mis-staen, en wat oud Roomen dê, +Om sulcke wonderen te schepen over zee; +En wat niew Roomen doet, en wat het derft verteeren, +Om sulcke wonderen weêr gaen en staen te leeren. +Vijf duysend ponden steens, en dat twee hondert mael, +Moet daer bewogen zijn en hangen in de Schael, +En staen weer op sijn lijf, en konnen noch eens vallen: +En al, om (als ick sey) een cierlick Niet met-allen, +Een' statigh' ydelheit, of soo 't wat beter is, +Tot 's Stichters sterfflicke, maer doch, gedachteniss'. + +Had ick 't daer oock gemunt? Ick kan 't niet heel ontkennen: +Mijn Maecksel was van hout; maer, na de jaren rennen, +En mijne zijn gerent naer 't einde van de baen, +My docht een houten bouw kost langh na my bestaen; +En, of hy 't niet en kost, sy konden 't hem wel leeren, +Die na my souden zijn, en sijn verrottingh weeren +Met sorg van onderhout. Dat nam ick voor geen' schand: +Soo, seîd ick, leeft het al dat water voedt of land: +Des menschen leven selfs bestaet maer by het lappen +Van dagelicks niew aes; en altoos sal men tappen +Uyt Heidelberghs vol vat en van den selven wijn, +Soo langh daer vullers en hervullers sullen zijn. + +Dus rekend' ick alleen, en sonder Waerd te hooren, +En menschen stonden 't toe: maer 't quam my niew te voren +Dat uyt den Hemel quam, als of 't een' stemme waer, +Die sey: Mans-maeckseltje, staet af, en gaet van daer. +Gods seggen en Gods doen gaen t'samen, als de winden +Haer dreigen en haer' drift, haer snuyven en haer slinden: +Gods schicken is Gods doen, en 't is niet eer gedacht +(Ick spreeck het menschelick tot menschen) als volbracht. +Gods woord quam en Gods wind, met ongehoorder buyen, +Dan of heel Noorden wouw verhuysen naer heel Zuyen; +Gods woord ontstack de locht met sulcken vier op vier, +Dat avond middagh wierd, en alle dingh papier, +En all aenstekelick wat Donder kon bereicken, +Of Blixem, Donders kind: om verr'gingh Yp en Eicken, +Aen brand Gewasch en Bergh: en doe 't aen Bergen gingh, +Scheen 't niet onredelick, dat ick mijn deel ontfingh. +Mijn Naelde kreegh mijn deel, mijn' Bergh en kon 't niet deeren; +Dat heeft het Aerdrijck voor, vier kan het niet verteeren, +Gods laeste vier alleen sal 't brengen daer het was, +Waerachtelick tot niet, waerschijnelick tot glas. + +Het houte maecksel sprongh als lammeren in 't wilde, +Als doe d' Egyptenaer Gods Heir-kracht volgen wilde, +Den heuvel stond en sprongh: mijn mast was maer een riet; +Hy knapte, daer hy 't moet gelooven die het siet, +En daer die 't niet en sagh souw schricken te gelooven; +Uyt slipte penn' en gat, het onderste quam boven, +Het bovenste te grond; de naem-knoop, verr'gesien, +Lagh droeffelick gevelt: SUSANN' en CONSTANTIN: +Maer bey noch onverdeelt, gelijck sy moeten blijven; +Haer' Zielen, meen ick nu, gelijck wel eer haer' lijven. +In 't storten van de Naeld heeft yemand daer ontrent +Een swaren sucht gehoort en naderhand bekent: +Gevallen sprack sy noch, want viel, noch[81] ongebroken, +En, is 't gelooffelick, dus heeft het hout gesproken: +«Hier legh ick: feller weêr dan Sonn' oyt sagh of Maen +Heeft Boomen uyt der aerd, en my ter aerd' geslagen: +Ick was maer menschenwerck, most ick het wederstaen? +Gods stijfste Schepselen en hebben 't niet verdragen». + +Dat komt' er af, van 't Zeil te voeren in den top; +De hooghmoed gaet niet voor, of neêrslagh volght' er op: +Ick nam die less' te baet, en, of my vrienden terghden, +En weêr een tweede Spits in plaets van d' eerste verghden, +Ick swichte voor den slagh, geslagen met Gods hand, +Die die plaets niet en gunde aen 't geen ick had geplant: +Ick kroop in 't ongeluck, en leerde my bedaeren, +En koos de Lul[82] voor 't Zeil, om niet meer soo te vaeren: +Soo wierd het ongeval maer omgeval, niet schâ, +Schâ-baet, dat 's vóór verlies, en wijsheit achter na. + +Daer staet een staeltjen af in plaets van d'eerste delen[83]; +De voet staet soo hy stond; 't scheel is in d'opperdeelen, +Die gaen ter halver hooghd, meer stevigh en min eng: +Matroos sal seggen: 't is een doorgeschoten steng: +Een yeder sal 't op niews herdopen nae sijn oordeel, +Des wijsten Doopers vont aenvaerd ick tot mijn voordeel, +En hy sal Peter zijn van 't niewe houten kind, +Die in den vrolicksten den nutsten toenaem vindt. + +Want vrucht en vreughd is 't wit dat ick hier schick te raken, +De Vreughd is tastelick: gaet op, ghy sultse smaken: +Een Baken stond hier eerst tot in den Haegh gesien, +Tot in de Duynen toe, tot in de Zee misschien: +Maer die aen 't Baken stond, en sagh maer pas de weiden, +Die Voorburgh en den Haegh, weêrzijds de Scheyingh, scheiden; +De reste was geboomt, dat door mijn' eigen schuld +Den schoonsten hoeck gesichts met bladren heeft vervult: +En 't gingh met Hofwijck toe, als met de Stadt der Steden, +Mijn ongesien Parijs, die sich een Geck met reden, +Beklaeghde niet te sien door d' al te dicke wolck +Van Huysen overhoop en 't woelen van haer volck. +Blind had ick my geplant, en wild' ick my ontblinden, +Ick most een hooger top dan all' mijn toppen vinden, +Die nu gevonden is: thien trappen en thien meer +Ontbinden mijn gesicht, waer dat ick 't henen keer. +Ick overtop' mijn self, en Hollands beste deelen, +Die veel en veel gesien geen' oogen en vervelen, +En al dat Delfland heet van Rhijn en Schie tot Maes, +Tot in het Noorder silt sijn golven, ben ick baes. +Dat heet ick oversien. Haer' Graven en haer' Staten, +Die nu Besitters zijn, en die 't, wel eer besaten, +En waren noyt meer Baes: sy kosten haer besit +Niet meer als oversien, niet meer als daer ick sit. +Noch ben ick het wat meer: sy sagen 't door de wolcken +Van haer' bekommeringh voor Steden en voor Volcken: +Ick sien[84] het sorgeloos en op sijn Hofwijcks aen, +En laet Gods weer en wind Gods acker over gaen: +Ick vaer als reiser[85] mê, de Stierluy moeten waken: +Sy woelen onder een in sacken en in saken; +Ick sie van boven neêr, als uyt de tweede lucht, +Daer geen gevoel en is van onder-Maensch gerucht. +Dus verre gaet mijn vreughd; de vrucht van dese plancken, +Daer heb ick 't ongeval noch ruymer voor te dancken: +De reden is soo klaer als middaghs Sonne-schijn, +Dat verr'sien beter is als verr'gesien te zijn: +Voorsichtigheit siet verr', en mergen[86] is haer huyden; +Daer d' onvoorsichtige zijn als bysiende luyden, +Min siende dan gesien: en 't is der wijsen lot, +Onsichtbaer verr te sien, waerom? want soo doet God[87], +Dien niemand noyt en sagh, en die d' aenstaende stonden +Soo tegenwoordigh siet, als ofse voor Hem stonden, +En dat geschieden sal, als waer het nu geschiet. +By die verr'sichtigheit en stell ick 's menschen niet; +Maer 's menschen last[88] is, Gods volmaecktheit na te trachten, +En diese meer betracht is minder te verachten, +Dan diese meest versuymt: laest sagh my alle man, +Nu sien ick met gemack, die my niet sien en kan. + +Is 't hoogh genoegh gepocht, is 't Less' genoegh gesogen +Uyt ongesienen bouw? neen, 't is in mijn vermogen +Meer wijsheits uyt de planck te trecken dan ick docht[89]: +Hier staen wy van der aerd gestegen in de Locht; +Let, vrienden, die met my tot deser hooghd geklommen +Van boven neder siet: hoe is 't 'er toe gekommen, +Waer zijn wy door geschroeft? langhs steile trappen heen, +Door enghd' en ongemack met suchten en gesteen; +Dat heeft het klimmen in, daer moet hy staet op maken, +Die van beneden op aen 't uytsien meent te raken, +Aen 't aensien eigentlick: den traegen beurt[90] het niet, +Die met den arm in 't kruys staet opwaerts aen en siet: +Daer staet wat sweetens toe, en woelen hoort by wenschen, +En by gewil geweld[91]: maer daer by zijn wy menschen, +En konnen niet als gaen; het vliegen is quaet spel +En met den hals betaelt: dat weet de Schipper wel; +Die besight hand en voet, sijn menschelick vertrouwen, +En klautert in de Marsch by takels en by touwen. +By trappen zijn wy hier geklautert, en dat 's recht: +Wel hem, die sijn bedrijf by trappen op verrecht, +By soete trappen, by niet al te wijde schreden, +En staeckt, als in de Marsch, sijn steigeren met reden. +Niet aen de Vlagge-spil, daer 't hoofd draeyt eer men 't weet, +En daer niet yeder een sijn' moeyte wel besteedt. +Half wegen is soo veil[92], dat, konden wy 't bezeffen, +Wy souden 't eens soo lief als 't Papegaeyken treffen, +Ten einde van de Stengh: 'k beroep my op de pijn +Van die, van al te hoogh, te laegh gevallen zijn. + +Het Bosch is uyt gesuft: God zy gedanckt! seght Leser; +De Schrijver seght het oock; daer hoeft wel een Geneser +Voor uw oogh en mijn' hand; soo zijn sy bey gefoolt[93] +Heeft yemand oyt soo langh in sulcken woud gedoolt? +Maer 't is de Naeld haer' schuld, haer maken en haer breken, +En ick hebb' van de Naeld ten draed toe willen spreken: +Naer[94] my soud 't niemant doen: nu heb ick 't soo gedaan, +Dat ick naer my gehoort sal werden en verstaen. + +En dit 's aen 't Huys ten Deil; wie lust' er mê naer Leiden? +Komt, Kijcker, Man of Vrouw, ick gae u binnen leiden. +Tot noch toe treden wy in 't Voorburght van 't groot Hof, +In 't Neêr-hof van 't Kasteel; daer volght wel ander stoff'. +Is 't uyt de maet gestoft? beveelt my niet te swijgen; +Schoon op-doen heeft veel in; 't is om u voort te krijgen. + +Waer zijn wy? tusschen Bosch en Bogaerd; staet wat still'; +Dit 's oock mijn eigendom; ick doen' er wat ick wil; +En wat ick heb gewilt en sal u niet vervelen, +En wat ick wilde, zijn twee wanden van Abeelen, +Die nu ten Hemel gaen, en proncken met haer' kruyn +(Denckt aen mijn hondert jaer)[95] tot in het Noorder-duyn, +Wel voeght haer dat gepronck; sy mogen sich beroemen +Voor Schutters[96] van Geboomt, van Kruyden en van Bloemen; +En sood' er een van al ten einde levens kom +Daer sy ten scherme staen, 't is maer van ouderdom. +Aen haer en siet men 's geen; en 't magh haer wedervaeren +Dat een den loover-dril van haer' ongroene blâren +Tot minder waerde duy: maer dat' 's 't haer van haer hoofd. +En dat 's daer noyt wijs man een man sijn' eer om rooft, +'t Grijs heet de kerckhof-blom, maer 't heet soo tegens reden: +'t Is 't merck van rijpigheit van Sinnen en van Zeden. +Gaet by d'Abeelen op, tot daer sy spitser zijn, +Daer is noch krack, noch kreuck, noch schaduwe, noch schijn +Van buygen voor geweld van 't vinnige Zuyd-westen, +Of van 't verdelgend Noord met all' sijn Boomgaerd-pesten. +Abeeltjens, oud, grijs volck, oud Krijghsvolck, seîd ick recht; +Ghy hebt voor ons gestaen in 't heetste van 't gevecht. +Dat 's 't koudste van den strijd; de Appelen en Peeren +Of met uw' wapenen gedeckt, of met uw' kleêren: +Wel heeft den Hemel u gerechtelick geloont, +En in den ouderdom met stijve jeughd gekroont: +Heel Voorburgh heeft met my te deelen in 't bedancken, +Als 't op uw' vlammen siet en als 't siet op uw' rancken: +Het siet u niet alleen voor Voorburghs voorburgh aen; +Maer voor de cierlickheit daer 't schier om werdt begaen: +Dat weet de Vreemdelingh, de Wandelaer van buyten, +Dien sulck' en Galery doet gissen en besluyten +Wat van uw binnen is, daer 't buyten staet en lacht, +Met sulck'en trotsen vreughd, met sulk'en soeten pracht. +Danckt my toe, Vreemdelingh, die, t' uwer gunst genegen, +Noch schooner heb gemaeckt den schoonsten wegh der wegen: +'t Is maer half prijsens waerd, sich selven te versien; +Heel is hy 't, die betracht dat voor 't gemeene dien'. +Is 't voorbeeld nut en goed, volght, Boeren, en volght buren, +Wy sullen Honslaerdijck verbijsteren en Buren[97], +En diese t' samen wil besoecken, heeft voortaen +Geen' straeten als den Straet naer Voorburgh te begaen. + +Aensienelicke straet van Stads-gelijcke Huysen, +Is 't dat ick Hofwijck magh van lit tot lit ontpluysen, +Gunt my den eigendom van 't eerst in uw getal, +En lijdt dat ick het noem mijn Tuynhuys en mijn' Stal; +Mijn Kruyd-hof hoort' er toe, en, heb ick wel gekosen, +Het is mijn Persen[98]-perck, mijn Queeck van Abricosen: +Een houten warme doos, met plancken wel bestaeckt, +Die suycker-wercken[99] berght, aen 't Sonnevier gemaeckt. + +'t Waer veiler[100] niet gemelt, soo dicht aen twee, dry wegen: +Maer, daer de heiningh klapt, had ick vergeefs geswegen. +Nacht-pluckers, weest mijn' moeyt genadigh en mijn' kost, +Had ick u hier ontsien, 't werck waer noch onbegost; +Ontsiet u, voor den lust van weinigh soete beten +Voor dieven uyt te gaen, of 't in uw hert te heeten. +Ghy let op d' eerste meest, ick op de tweede straff, +En, krijght ghy d'ander toe, soo denckt: dat komt' er af; +Wy hadden wijsselick na Groot-moêr[101] om gekeken, +En aen verboden vrucht noch hand noch mond gesteken. + +Maer 't is om niet gepreêckt, de boosheid is in 't bloed; +Verbiedt het quaed te doen, 't is daerom dat men 't doet, +En dreigen werdt bevel: Ick magh 'er niet om pruylen; +Staet bouwen aen den wegh ter keur van alle muylen[102], +En aller tongen schimp; die aen de wegen plant +En komt niet[103] minders toe van allerhanden tand. + +Nu, Wandelaer, komt in; 't sal 't Hof van Hofwijck gelden: +Versiet u van geduld, ick sal het minste melden, +En swijgen niet van 't meest: daer moet de Kijcker aen; +Daer werdt[104] noyt planter moed' op eigen grond gegaen, +Van eigen grond gepraet, van eigen grond geprevelt; +Als 't regent dat het plast, soo dunckt hem dat het nevelt[105], +Als 't nevelt, is 't soet weêr, als 't stormt, en is 't maer koel, +En, dien de lust vervoert, en weet van geen gevoel. + +Voor d'eerste quellingh, hoort dry woorden, eens voor allen; +'t Waer meerder quellingh, staêgh op 't selve platte vallen; +En staêgh te seggen, staêgh te hooren, voor of na: +Dit 's dus in 't Oost geschickt, in 't West de wedergâ. +Daer is een' middel-lijn, die Hofwijck scheidt in deelen, +Daervan de slincker van de rechter niet en schelen: +Een' Oost-, een' Wester poort, een' Oost-' een' Wester laen, +Een Eiland Oost, één West, in bey gelijcke paên; +Een Boomgaerd midden in, een Plein, een Huys, een Vijver, +Ten Zuyden op de Vliet een open Tijd-verdrijver. +Dit t'samen (kost het zijn) in t Goudgewicht geleght, +Soo stond de Tongh in 't huys, en bey de Schalen recht. + +Wie die verdeelingh laeckt, veracht voor eerst sijn selven, +En 't schoonste dat God schiep. Eer ick bestond te delven, +Nam ick des wijsen less' tot richtsnoer van mijn doen: +'k Besagh mijn selven; meer heeft niemand niet van doen. +Twee Vensters voor 't gesicht, twee voor den Reuck, twee Ooren, +Twee Schouderen in 't kruys, twee Heupen daer sy hooren, +Een' Dye van wederzijds, een' Knie, een Been, een Voet; +Is, seîd ick, dat Gods werck, soo is 't volkomen goed; +En, waer ick henen sagh, ick wist geen wet te soecken +Die by dees' gelden mocht: wegh, riep ick, scheeve hoecken, +En oneenparigheit, en ongeregelt scheel, +Dat niemant en vermaeckt, dan die sijn' Neus sijn' Keel, +Sijn' Mond, sijn' Kin, sijn' Buyck, sijn alle dingh, kan lijden +Verr' van de Middel-lijn slim uyt gestelt ter zijden. +En, als ick oversloegh waer sulcken stel op trock, +Soo viel ick op 't oneens[106] van een' Japonschen Rock, +Op 't onbegrijpelick van die verwerde plecken, +Die 't kleedsel voor çieraet, en my voor onlust strecken. +En, als ick by geval door sulcke paden trad, +Soo docht my, 't was om 't jock gedobbelt of om 't wat, +Waer dese boom sou staen, waer die steegh sou belenden; +Ick wierd' er koortsigh af, en waer ick quam te wenden, +Daer draeyde my het hoofd, gelijck des planters dê, +Die alles onverhoeds gedraeyt had uyt sijn' stê. + +Verlappers van oud werck kost ick genadigh dulden: +Maer Snijders van niew stoff en sagh ick niet t' ontschulden: +Mijn Laken was geheel, en ick een schele geck, +Soo ick 't versnipperde met een versuft besteck. +Recht-zijdigh ongemack en vond ick niet prijswaerdigh; +Maer, waer het mogelick, 't gemackelick en 't aerdigh +'t Geschickt' en 't dienstige te mengen onder een, +Soo was de Nuttigheid verhylickt aen de Reên. +Dit hylick sloot ick soo, en noyde Post tot Speelman, +Die maeckte d' ondertrouw; en quam' er wat krackeel van, +'t Wierd op 't papier gesticht, en, naer een soet gekijf, +Vergaderde 't gemack en 't fraey, als Man en Wijf. + +Dat 's uyt: en nu niet meer van recht of scheef te melden. +De Spâ gingh door de Zoô van klare klaver-velden, +Daer wel een Koe dry vier haer' meugh aen bijten moght: +En 't heeft een' taeyen Boer wat jammerlicks gedocht, +Soo kostelicken stael soo konstelick te scheuren; +Maer 't wasser toe gedoemt, het sou en 't most gebeuren: +Waerom sou 't beste groen het eewigh erfdeel zijn +Van Beesten-muylen, niet van Menschen, en niet mijn? +Men moet wat aen de vrucht, wat aen de vreughd besteden: +Wy leven van de Wey en van de Ploegh, dat 's reden: +Maer sonder lijf en ziel en is de mensch niet heel; +Is 't lichaem dan vernoeght, de Geest verheischt sijn deel, +En treckt sijn voedsel oock, maer op een' beter wijse; +En Gras of Koren-werck en streckt hem voor geen spijse; +Daer hoort sijn voeder toe, noch luchter dan de lucht, +Hoe noem ick 't op sijn best? onnoosele[107] genucht. +Dat voedsel aest[108] het hert, en daer 't van 's werelds saken +Gekneust is of gequetst, kan 't maer vermaeck vermaken; +En die voor sulcke Salv' een potjen overgaêrt, +Heeft wisselick gesorght en wijsselick gespaert. + +Verr' van mijn' kinderen sij 't roeckeloos verquisten: +'k Had beter niet geweest, dan dat sy 't van my wisten; +Maer nuttelick gespilt naer Borsen grond en macht, +En heeft noyt wijse Man verwesen noch veracht. +Vier Sonen heeft my God, en 't Vaderland, geschoncken, +En, soo 't een Vader voeght, ick derv' er wat mê proncken: +Mijn' sorgen hebben haer door wetenschapp en deughd +Voorspoedelick geleidt tot door de tweede jeughd. +En 't sullen Mannen zijn als ick er niet sal wesen; +Daer zijn mijn' plichten uyt: God, Vader van de Weesen, +Beveel ick haer bestier, met eene Sus daer toe; +Daer bid ick allen voor, als ick voor allen doe: +Besteden sy liet klein, dat ick haer naer kan laten, +In soeten teer naer neer[109], in vrolickheid met maten, +Sy hebben 't lijdelick, en die 't ons gonde, leeft, +Die niet te leur en stelt dan die Hem eerst begeeft. + +Noch staen wy voor mijn' Poort; 't is onbedacht gesproken: +Mijn' Poorten most' er staen, of 't waer mijn woord gebroken; +Noch staen wy niet daer voor, ons' oogen zijnder in: +'t Zijn Heckens, Vreemdelingh, en dat heeft oock sijn sin. +'t Is open deuren-werck; 't gelaet van alle vromen, +Die in haer blancke hert voor geen gesicht en schromen, +Voor geen getuygeniss' van wat daer werdt gedacht, +Of in ontfangenis, of in geboort gebracht; +Want, als de buyten-stoff, is 't voeder van haer' rocken, +En, of ghy op het werck, van binnen op getrocken, +Of op den wijser siet, sy slaen altoos op een: +Maer sulcken uerwerck is, God weet het, niet gemeen: +My, bid ick, dat het voor wat openhertighs strecke, +Dat hier en daer een' Poort gescheurt is tot een hecke, +En dat het op het hert des Meesters werd' gepast. + +Twee Poorten seggen meer: onthael ick vriend of gast, +'t En is niet door een' deur, 't is door twee open' deuren: +Den ruymen ingangh thoont wat binnen sal gebeuren, +En dat de vrienden op mijn Brood en op mijn' Wijn +Niet half, niet heel, niet eens, maer tweemael welkom zijn. + +Komt yemand tegens my het blaedjen om te keeren, +En seght: twee deuren op?--daer wil men ons by leeren, +Dat, als 't op scheiden komt, twee Lanen open staen, +En dat ick tweemael heet mijn' gasten henen gaen, +Die eens genoodight zijn: dat wil ick niet ontkennen; +Aen Man- of Vrouwen-kracht kan ick my niet gewennen; +D'Onheusche heusigheit, 't onsinnige geweld +Dat op den soeten kerf van vriendschap werdt mis-stelt, +En heb ick noyt gelooft[110]: maer wel van outs onthouden +Die willen, laten gaen, die niet en willen, houden: +De waerd moet gast-vry zijn; maer oock de gasten vry; +En dien ick soo misdoe verhael' het soo op my; +En 't sal in my den lust van wederkeeren wecken, +Daer gulde vryheit woont voor komen en vertrecken. + +Mijn poorten houd ick wel verdedight: volght mijn Laen, +Mijn Lanen' wederzijds: die moet ghy oock sien staen, +Als Armen die mijn' vriend omhelsen en onthalen. +Doch Armen spreken niet: dees' konnen oock geen' talen: +Maer d'ander' menschlickheid, het Lachen, is haer' gaef. +Verstaet ghy dat gelach? let op het groene gaef[111] +Der Linden, mijn geboomt, en eertijds mijn' Laurieren, +Die haeren koelen pracht als wassche Toortsen cieren, +En denckt (om kort te zijn: sy selver zijn niet langh), +Dat wat mijn' jonge fluyt van 't Voorhouts groene gangh, +Op niewe noten peep, van dese staet te pijpen, +En, soo ick mijn vernuft noch eens bestond te slijpen, +Dat Hofwijck en den Haegh de samen souden gaen, +Of, waer de, Haegh de Son, dat Hofwijck waer de Maen. +De Stammen zijn gelijck, de schaduwende kruynen +Staen hier, soo wel als daer, gelijck begraesde duynen. +Hier in gaet Hofwijck voor; in 't 's Gravenhaeghsche Pand +Is niet als Linden-hout by Linden-hout geplant, +En dan een' steene buert, daer Mensch en Peerd en Wagen +De vlugge Fluytertjens[112] den soeten Haegh uyt jagen: +Danck hebb' het vuyl gewoel van Wagen, Mensch, en Peerd; +Sy jagen Hofwijck toe dat Hofwijck meest vereert. +De Goudvinck is van 't minst, de Kneu, de Spreew, de Lijster, +Hier sit de Nachtegael en gorgelt met sijn vrijster, +De Koeckoeck slaet de maet, en roemt van sijn bedrijf +In volle vryheit, want de Land-heer heeft geen wijf: +In Stê en doet hy niet dan Mans en Vrouwen tergen, +En menigh lacht' er om, diens haeren staen te bergen. + +Hier danst dat vrye volck van d' een' op d' ander tack, +En is 't de Linden moê, het kiest een ander dack, +Een dack van Elsen-loof, reis-mantel van die Linden, +Die s' in haer' eerste jeughd beschermden voor de winden, +Beschutten voor Noord-Oost, behoedden voor Noord-West, +En doen noch dagelicks daertoe haer niewe best. + +Heilsaemen Elsen-rack, wie soud' u konnen derven? +Ghy doet ons vreughd en baet in leven en in sterven; +Uw leven streekt voor muer, met een, en voor tapijt: +Uw leven geeft ons warmt, en koelte, naer den tijd, +En altijd louwe warmt en altijd stil verkoelen; +Uw' doode beenderen verquicken ons gevoelen, +Als 't IJs en Sneew verdooft; het is een meerder goed, +Gestorven goed te doen' dan menigh mensche doet. +Maer branden is te wreed voor sulcken dienst van leven: +Daer is een' minder' pijn, die u niew leven geven +Of 't oude lengen kan: ghy leent uw' lieven romp, +Daer Schip en goet aen hangt, tot booren van een' pomp. +Van kokers onder aerd, daer wateren door sluysen, +Spijt Roomens Metselwerck, en Brussels loode buysen, +Daer Klinckaert, en Arduyn, en Koper moet vergaen, +Daer stadigh lappen is en niew verboeten[113] aen; +Daer overleeft uw lijf, en daer ontsterft uw sterven, +En daer gerieft ghy kind, kinds kinderen, en erven; +In 't water stond uw' wiegh, uw' dood-kist light in 't vocht; +Daer duyckt ghy, en ontgaet de schennis van de locht: +Onsterffelicker lof verdienen noch uw' stoven; +Onsterffelicker penn', dan dese, maghse loven; +Mijn' uytspraeck schiet te kort, wanneer ick oversla, +Wat winst is door verlies, wat voordeel is door schâ. +D' ondanckbaer Eicken stamm' en laet sich maer eens houwen: +U kan ick hondert mael behouwen en behouwen: +Behouwen? dat 's niet al, ghy levert goed voor quaed, +Ghy voedt die u verdoet, ghy segent die u slaet, +En, die de vreughd wil sien van dikwils niewe telgen, +En neem' niet als de moeyt van wreed zijn en verdelgen; +'t Onthoofden geeft de winst: waer is dat noch gehoort? +Meer kinders dienen my, hoe ick meer ouders moord! + +De wand van mijn Voorhout, of van mijn' twee Voorhouten, +Is noch maer half voldaen: maer u verveelt mijn kouten, +Niews-gierigh Wandelaer: soo swijgh ick van het groen +Van Haegh en Meyen-Boeck[114], die hier de plichten doen +Van Wallen hoogh en dicht, van vriendelicke mueren, +Die my het vry gesicht bepalen van mijn' bueren, +Die Maertje Knelis oogh onthouden uyt mijn' grond, +Als offer tusschen ons een' steenen heiningh stond. +Verganckelicke kalck en kon my maer bevrijden; +Dit eewige kan bey: bevrijden en verblijden; +In één woort segh ick 't al; 't is 't oorbaerlickste schut, +Dat schoon en dienstigh is, en aengenaem en nut. + +Nu rechts of slinghs gewent; of quellen u de bochten, +Die dese wereld laeckt, en d' oude tijden sochten? +Leght beider redenen in d' een' en d' ander' schael; +Wy hebben veel gelijcks, maer min als altemael. +Een' lange ry Voorhouts te samen te sien krimpen +En sluyten tot een punt, gelijck des Backers timpen, +Verheught des Kijckers oogh, al waer het noch soo dom, +En in de red'lickheit gaet alle recht voor krom: +Maer 't kromm' heeft oock sijn' deughd, en 't buygen van de stegen, +Ontwalght den Wandelaer van al te lange wegen; +Of, sijnse wat te kort, de kromte maektse langh, +En, soo de plaets gebreeckt, de konst is in 't verlangh +Het een is prijsens waerd, het ander niet te laken; +Elck een voldoet sijn smaeck, elck een versnipt sijn laken +Naer eigen welgeval: eens was 't een spitsche schoen, +Nu kan een' platte leest, en anders geen, voldoen. +Eens was de broeck soo smal, als mag're menschendyen, +Nu zij 't soo goed als 't wil, de mode wil 't niet lyen; +En 't zij dan spits, of rond, of langh, of ruym, of smal, +Elck weet sijn' verwe voor sijn kostelicke mal[115]. +De gril rolt als de Tijd: wil yemand Rechter wesen, +Het vonnis, ben ick wijs, en sal men hier niet lesen: +'t Zijn smaken, en die staen den vryen mensche vry: +Laet niemant oordeelen van 's naesten leckerny: +De rechte Dreef is recht, de kromm' heeft oock haer voordeel: +Sus doen, soo laten doen, is 't veilighst, in mijn oordeel; +En die den minsten haet soeckt in de meeste rust, +Vergunn' aen yeder een sijn' onbesproken lust. + +In 't praten vind ick ons het hoeckjen om gekropen +Die naer 't Langh Achterom het Korte[116] door wil loopen. +Is niet verr' van de Merckt: soo gaet het hier in 't groen: +Maer die gelijckenis en kan my niet voldoen: +De Boomen passen best tot voorbeeld van de Boomen: +Denckt, dat wy 't schoon Voorhout ten einde zijn gekomen: +Nu volgt de Kneuterdijck, en stracks de Plaets daer aen: +Daer heb ick 't, Hagenaer, en treckt het u niet aen; +Noch stoff' ick om den prijs: Ghy levert niets als Linden +Naer Linden op de ry: hier is wat niews te vinden, +In 't niewe Pad niew Blad; Verandering verheught, +En al dat sterf'lick is kan walgen aen de vreughd +Die evenstadigh is: De vriendelickste toonen +Vervelen op den duer: het oor rust op 't verschoonen, +En alle lid begeeft, dat niet verpoost en werdt; +Veel soets vergalt sich; jae, langh kittelen wordt smert. +Noch is ons oogh het viest en keurighst aller leden: +'t Wil wisselen, of 't kreunt, ja, van bevallickheden; +En die de reden soeckt van sijn' beweeghlickheid, +Sal vinden, datse daer, en naulicks elders leît. + +De niew' bevallickheit, daer 't hier mê staet te vleyen, +Is 't lieve loover-groen van suyver' Esschen Meyen. +Daer valt min schaduws af dan m'onder Linden siet: +Maer schaduwen zijn wind, of schaduwen zijn niet: +Het lichaem maeckt den man, de stammen zijn de Boomen: +Als 't op de waer aenkomt, voldoet men met geen droomen: +Stae by, taey' Esschen waer! De waerde van uw trouw +Verdiende wel wat roems, dat hier staen proncken souw; +Maer is de Vred' in 't land, ick wilse niet verstooren; +Ter Hellen met den krijgh; 'k magh van geen' Piecken hooren, +Die dunne Boomen, met een vinnigh ijsren blad! +Als 't aen mijn vonnis stond, hy sat noch op een rad, +Die d' eerste Esschen stam tot sulcken grouwel kliefde, +En menschen raserny met wapenen geriefde. +Blijft Boomen tot der dood, plantsoenen van mijn hand: +En, soo u Ouderdom, nae' menigh jaer, ontplant, +Leent liever uw gebeent voor Pijlen en voor Bogen, +En wordt voor tijd-verdrijf geschoten en getogen, +Dan dat ghy menschen-vleesch soudt scheuren met geweld, +En trecken uyt het groen in een rood bloedigh veld. +'t Is langh genoegh gedolt in tweemael veertigh jaren[117], +Om eens den Esschen tack tot Bijl en Ploegh te sparen. +Laet noyt de Son op gaen, God Vader, en God Soon, +God Geest, dry-eenigh God! die ons den ouden toon, +Den on-toon, valsch geluyd van Trommelen en Fluyten, +Van niews opheffen sie van binnen of van buyten; +Laet Dijn' geterghde wraeck versaedt zijn in 't verderf +Van ons geburigh volck[118], daer nu Dijn heiligh erf, +Dijn' Kercke light versmoort en in haer bloed versopen, +Haer Konincklicke bloed, en buyten hulp en hopen, +En buyten trouw en troost voor eewigh schijnt ontdaen, +'t En zij ghy met de boos' eens in 't gericht wilt gaen. + +Daer was ick over Zee: afgrijsen doet my keeren, +Van daer een eenigh Heer gesplist is in veel' Heeren, +Van daer een' Kroon, een' Kroon, en noch een' Kroon[119] verrast +Op hoofden is geraeckt, daer op sy niet en past. + +Hoe soet is 't in mijn Laen te komen uyt die stancken! +Wat hebben wy met ernst den Hemel te bedancken, +Voor 't sachte spiegelen aen volckeren, diens quaed +Het onse schier--niet schier, maer verr' te boven gaet! +'k Heb met den Esch gedaen, Esch-doornen, schooner troncken, +Ghy mooght niet ongemelt mijn' Vierhoeck om staen proncken. +(Dit 's 't Merckt-veld, of de Plaets, naest aen 't Kort Achterom, +Of aen mijn Kneuterdijck) ick heet my wellekom, +En, vrienden, u met een, die met mijn' trage treden +Tot op dit groene Ruym geduldigh zijt geschreden. +Leent noch wat lijdsaemheids eer dat wy verder gaen, +'t Is mogelick de pijn wat waerdigh stil te staen. +My dunckt het is een Plein: een Pleintje sult ghy 't noemen: +Maer, daer de waerheit spreeckt, en schroom ick niet te roemen. +Denckt aen het hoogh gebouw van balcken, verr' gebrocht[120], +Dat geen vervuyl en kent van Spinnewebs gedrocht: +Denckt aen het trots gewelf van Hollands oude Heeren, +Daer dusend menschen daeghs en dusend in verkeeren, +Daer dack, en muren toe, gekropt zijn met den pracht +Van Spaensche Vendelen by Wilhelm t'huys gebracht, +By Maurits menighmael, by Frederick om 't beste, +By Wilhelm ander mael: (God geve niet voor 't leste: +Soo 't oyt gebeurde dat de leste van dien stam +Den toom van 's Vaderlands bestier te stade quam) +Daer eens het bloedigh jock geschopt en afgesworen, +En uyt de slaverny de Vryheit is geboren; +Daer laest der pijlen knoop, die op het slippen stond, +Van niews versekert is in broederlick verbond, +'t En is geen Kamertjen: 't magh wel een' Kamer heeten: +'t En magh geen' Kamer zijn: een' Sael is 't, die wy weten +Dat by de grootste staet; een vloer, daer menigh voet +Den anderen doorwert en geen belet en doet. + +Maer, brenght de Maet-ry voort, 'k sal 't tot een vloertje maken, +Een Vloertje tot mijn Plein: nu schijnen 't stijve kaken; +Stracks sullen 't slappe zijn; wat zijn thien roeden vlacks +Op vier of vijf in 't kruys? veel, seght ghy, onder dacks: +'t Is seker en bekent: maer dobbelt doet veel schelen, +En dobbel is de[121] vloer, en tweemael hier de deelen +Van gins het breed en 't lang; Siet vry mijn Pleintjen aen: +Daer ghy staet, souden pas twee Hoofsche Saelen staen; +Maer 't schijnt niet. Dat 's soo waer, dat ick, die 't hoor te weten, +Mijn selven menighmael de mis-maet heb verweten, +Mijn' oogen menighmael in 't ongelijck gestelt; +Tot dat ick 't wiss' en 't waer van niews had overtelt, +En 't vonnis tegens mijn steegh onverstand gestreken. +Doe 't waer was en waer bleef, bestond ick, de gebreken +Van 's menschen oordeel ('k meen sijn oogh-deel) aen te gaen, +En, dool ick nu noch niet, soo hebb ick 't doe[122] verstaen. + +Dit Plein is, als ick sey, twee Saelen; maer twee Saelen +Met ééne kapp' bedeckt; en die kapp' doet ons dwalen: +Die kapp' is 't halve rond des Hemels, dat wy sien; +En tegens sulcken kapp' wat is dit Plein? misschien +Een punt, in duysenden van punten doorgesneden. +Doe pleitt' ick tegens my, doe vraeghden ick mijn Reden: +Is 't wonder, dat het krimpt en klein wordt in ons oogh? +Is 't wel een stuckjen van een pees tot sulcken boogh? +Langhs die leêr klom ick op tot boven all' de buyen, +Die 't Zuyden tegens 't Noord,'t Oost tegens 't Westen ruyen +By dagelicks krackeel: van daer tot by de Maen, +Van daer verby de Son, tot daer de Sterren staen, +Van daer tot daer Gods man[123] sijn' heilige gedachten, +Sijn Lichaam, of sijn' Geest (hy kon 't niet seggen) brachten +Ten derden Hemel in; en 'k was mijn Pleintje quijt, +Als of 't 'er niet en waer. Doe viel ick aen 't verwijt +Van 's werelds ydelheit, en, seîd ick, sotte menschen, +Besteedt men daer beneên dat sorgen en dat wenschen, +Dat eewigh tommelen aen sulcken niet met al? +Is heel de werelds kloot niet meer als sulcken bal? +Is 't sulcken balletje? en, als wy 't al besaten, +Met al den Mieren-nest van Kroonen en van Staten, +Waer 't wel een Datje by het onuytspreeckbaer Dit, +Waer 't wel besittens waerd by wat men hier besit? +Mijn' ziel was soo vernoeght in 't geestigh ommeroeren +Van al haer binnenste, en 't heilige vervoeren +Verwerdden haer soo soet in 't dencken wat sy docht, +Dat ickse pijnelick van boven neder brocht: +My dacht sy futselden, en hare lusten spraken +Van Tabernakelen omhoogh te mogen maken: +Soo wel was 't daerse was, en daerse gingh soo slecht. + +Nochtans hier is sy weêr. Hoe raken wy te recht? +Eschdoornen, leeft ghy noch? u liet ick hier beneden; +U komt het einde toe van mijn' gebroken reden. +Zijt ghy het wild geboomt daer 't mannetjen[124] in sat +Om God in 't vleesch te sien? Daer leeft wat in uw blad +Dat Sycomorich lijckt; en 't heeft de soete luyden, +Die, langh in d' aerd verrot, noch leven in haer' kruyden, +Doen seggen: ja en neen; en 't hanght noch in den strijd, +Dien ick niet scheiden sal: ick neem u soo ghy zijt, +Of als m' u hebben wil, of als ick u kan vinden: +Half Moerbey en half Vijgh, half Wijnranck en half Linden, +Al soo m' u doopen wil, mits ghy voor slaven streckt, +En mijn hoofd met het uw, als Parasollen, deckt. + +'t Is aengenamen dienst, soo langh uw' kruynen duren; +Maer dat 's half-jarigh werck: Dat weten uw' geburen, +Mijn' bruyne Mannetjens, die tusschen beiden op +By el voor el in 't jaer haer' nemmer grijsen kop +Ten Hemel spoedigen, om Somer-Sonn' te blinden, +En 't plein te decken voor de schrale winter-winden. +'k Verpraet my: 't is oud Hout, en hondert jaer in staet[125] +Van breede schaduwen, en die van verre staet +Verneemt van Nootdorp af het vierkant Bosch van Masten; +En die 't van bijds[126] geniet (u meen ick, lieve Gasten, +Die Coets en Peerden hier òf voor de koude berght, +Of voor de spitse Mugg', die warme Henghsten terght) +Prijst de voorsichtigheid van Hofwijcks dooden stichter +Die 't ongemack bevroedd' en maeckten 't Beesten lichter, +En menschen aengenaem, gelijck is alle pijn, +Die onsen naesten smert, en daer wy vry af zijn. + +Mijn Wandelaer is moê: ick kan 't hem niet verwijten: +Wie soud' sijn lijdsaemheit in 't einde niet verslijten +Op soo veel wild geklaps? maer 't sal haest beter zijn: +Tot noch toe voed ick hem met Peper en Asijn, +Tot allerley Salaet van smaeckeloose bladen: +Hier neffens light een Bosch dat beter is geladen; +Een dat de keel toe lacht; een' Keucken-wildernis, +Daer 't fruyt geschotelt staet en maer te grijpen is. +Komt binnen, Heer en Vrouw; maer, Meid en Knecht, staet uyt, en +Lackeyen, weest gegroet, en, Pages, wandelt buyten: +Voor sulcke Kijckers zijn de sporten van dit Heck, +Voor sulcke most mijn' Bors aen 't kostelick besteck, +Dat desen Boomgaert sloot in vijverlicke Grachten. + +Eén woord voor duysenden: al die maer met gedachten +Mijn' sinlickheden rooft, is hier soo willekom +Als hamer-slagen op een' Porceleine kom. + +Nochtans is 't open Hof in dese vier Saletten; +Maer moet ick Heer en Knecht gelijck aen tafel setten? +Plant ick voor groot en klein? Ey, jongh volck, neempt mijn geld, +En snoept den Merckt-korf uyt, en doet hier geen geweld. +Geweld is, achterbacx den Landheer af te halen, +Dat weinigh stuyvertjens met niemands leed betalen, +Daer 't naer den kooper wacht: Hier kan mijn soet verwacht +Van menigh jaer gequeecks, onwetend, ongeacht, +'t Gestolen beetjen zijn van die maer lust te snoeyen: +Hier kan de dertelheit den teêren tack in 't bloeyen +Soo ternen[127] dat hy bloed', en niet en bloey van 't jaer. + +Maer 'k wenschte, dat soo sterft noch ongeboren waer, +Eer dat ick om een leur[128] van Appelen of Peeren +Het vriendelick onthael van vreemden most ontbeeren, +En sien suer eer ick 't wist. Neen, vrienden, wie ghy zijt, +Die my een deel vergunt van uw' verloren tijd, +En komt van uyt Den Haegh tot binnen dese hagen, +Gevolght of ongevolght; ick stel 't aen uw behagen, +De sleutel van mijn hert is die van desen thuyn; +Daer is een' vrye Jacht oock in 't verpachte Duyn: +Magh de gebroodde knecht sijns Meesters plaets bewaren, +Ick gun u met de vreughd de vrucht der volle jaeren; +Pluckt en doet plucken, schudt en laet u schudden, raept +En laet u raepen: denckt, de Land-heer sit en slaept; +'t Is buyt al wat u lust: spaert maer de teêre telgen; +'t Ooft is ten besten, 't hout en kan men niet verswelgen; +Die 't Capitael behoudt, sorght voor den Interest: +Die blijft u op mijn gunst voor 't naeste jaer gevest. + +Doctoren van den Haegh, 't zij t' uwer baet gesproken: +Send ick u Siecken t'huys, ick houw my niet gewroken; +My is geen leed geschiet, dat wrekens waerdigh zij: +Is 't mergen moghelick, Rhabarbertje, stae by, +En Sene, windigh blad, en Mann' en Tamarinden, +En Aloë, die 't al kont drijven en ontbinden, +De schuld is buyten my; ick ben maer Waerd geweest, +Dien 't minst van allen past: _dit schaedt_ of _dat geneest_. +'k Heb vry gelagh gegunt, 'k heb mildelick gegeven, +En laeten nemen: maer van giften, die vergeven, +En draecht mijn acker geen: het schielick witte-brood +Dat naer den Duyvel heet[129], en altemet eens doodt, +En altijdt geckt en lockt, en wijse luy doet duchten, +Schaff ick geen vyanden indien uw' siecken suchten, +Sy wijten 't niemand als haer' ongebonden keel, +En 't lieve misverstand, dat Kostelick Te Veel, +Dat gulde letteren tot uwent mosten eeren; +Raeckt dat ter wereld uyt, seght goeden nacht, mijn' Heeren, +Aen Boeck, en Apotheeck, aen Croes, en Recipé. + +Maer 't ambacht lijdt geen' last; de Duyvel lacht' er mê: +Van Adams Boomgaerd af tot die wy heden pooten, +Zijn onse keelen maer bedrieghelicke gooten, +Verraders van ons Lijf en onse Zielen toe. +Och! of[130] sy lachen kost, die weelderige koe, +Die ginder in 't vol-op van Hollands beste weiden +Genoegh en overdaed soo wijs'lick weet te scheiden; +Wat maeckte sy geschals, wat sprack sy met genucht, +Dat, die haer Meester is, sijn selven niet en tucht, +Dat die de wetten maeckt en roemt alleen op Reden, +Geen' eigen wet en weet voor 't minste sijner leden, +Geen' buyck-, geen' mondjes-maet, dat Beesten Menschen zijn +En menschen meestendeel maer redelick in schijn! + +Wat light my aen de moeyt' van 't pleiten voor de Beesten? +'t Stuck valt my wat te swaer; ick schenck het sterker' geesten; +Want, wat de keel belanght, en 't leckere verdriet, +'t Zij roemeloos geseght, de Sond' en raeckt my niet. +Danck hebbe Die my gaf mijn selven te vermannen, +En tegens 't sot geweld van Mond-lust in te spannen: +Ick ben niet smaeckeloos, noch mijn gehemelt steen: +Maer 't is mijn Hemel niet: mijn' tongh en is geen been; +Sy voelt; en ick voel oock, hoe langh sy dient te voelen, +Hoe veel, en hoe veel niet: verdrincken is geen spoelen; +Daer hoort maer drincken toe; dat weet ick, en wat meer; +Gelijck het spoelen koelt, soo doet verdrincken seer: +Al dat ick draghen kan, en schroom ick niet te laden: +Maer dat ick niet en kan, het minste Meer, kan schaden: +Als 't vat maer vol en is, soo drijft het, of het stond; +Soo haest als 't overloopt, soo moet het naer den grond: +Dat doet de letste drop: wat doen dan duysend droppen +Naer 't vat aen 't sincken is? let, sponsiën, let, soppen, +Let, drinckers, die te bedd', gelijck te gronde, gaet; +En, daer ick wesen wouw, let, Snoepers sonder maet, +Wat dat uw' Maegh gewelds van Tongh en Keel moet lijden, +Van overswelgens meer als Beestelick verblijden. + +Een gierige Portier magh aen de deure staen, +De deur van 't Kamer-spel, en laeten binnen gaen +Al wat 'er wesen wil: in 't ende moet hy hooren +Dat over-val benauwt; dan moet het òf van voren, +Of weêr van achter uyt, dat meer is dan de Sael +Kan swelgen met gemack. Ick spreeck geen' duyster' tael; +De saecke self spreeckt Duytsch: wie ooren heeft, kan hooren; +Wy sien wat ons gebeurt van achteren, van voren, +(Daer moet geen doeckjen om) van ond'ren, met verlof, +Van boven rauw en rot, en geel, en groen, en grof, +En al om eens Portiers verraderlick onthaelen +Van al dat binnen wil, en eindelick de Saelen +Van Maegh en Buyck en Darm doet bersten van Colijck, +En, voor het beste loon, maeckt van een Lijf een lijck. + +Nu, Snoeyers, 't staet u vry; ghy mooght wel binnen komen; +Maer, weest' er op bedacht, de dood is in de Boomen; +Dan 't leven isser oock. Siet ghy die peersche Pruym, +Die ongefoolde[131] Maeghd van vinger en van duym, +Dien Appel, goud op groen, die wonderlicke Bessen, +Die Kerssen, uyterlick als roode wijn in flessen, +Noch beter in haer lijf; die Peer, met haer geslacht, +Door menigh overspel tot soo veel keurs gebracht? +Het lacht al, dat men 't siet (men schijnt het schier te hooren, +En soo waer 't Spreeck-woord valsch: de Buyck en heeft geen' ooren) +Maer 't lacht vol Aloës[132], voor die sich selfs verraedt, +En niet en onderscheidt versot zijn, van versaedt. + +Ghy zijt versaedt, en meer, van dit langhwijligh prêken; +Maer, hoort het tot de lijst van kribbige gebreken, +Uyt dingetjens van niet, uyt ongeachte stoff', +Te suygen 's schepsels nut, te tuygen 's Scheppers lof; +Ick ken[133] de volle schuld, en wilse niet verbloemen: +'k Maeck geeren yet van niet, en distelen tot Bloemen. + +Al wien het lust met my, de Bloemen gae te slaen, +Begeve sich op zy, daer al des' Mannen staen +('k Segh niet meer Mannetjens; dat voeghd' haer' jonge jaren), +Mast-boomen, dick en steil, die met haer' bruyne paren +De cingels van mijn' Thuyn omcingelen met pracht, +En maeckender by naest van Middagh Midder-nacht; +D' Atheensche Galery, daer Roomen selfs gingh halen +De wandelende less' van wetenschap en talen, +Moet swichten voor dit pad, voor deser paden groen. + +Komt, wijse Wandelaers, hier heb ick u van doen: +Laet Vrouw en Kinderen de voose vreughd der vruchten +Genieten voor haer deel, en naderhand besuchten; +Wy sullen Mond en Tongh besteden aen wat meer, +Aen vrucht, daer van den beet tot beter voedsel keer'. + +Het gemelick[134] verhael van Staetsche vodderyen, +Van Werelds werringen en meen ick niet te lyen +(Die wetten schrijv' ick voor), ick bann den heelen Haegh, +Met al sijn achter-klapp, ick bann de vuyle plaegh +Van loose pleitery, ick bann d' onstuymigheden +Van overheerigh[135] volck in ongeruste Steden, +Den nieuwen overgangh. Ick bann het bits vermaen +Van Kercken-spertelingh: Staet uyt, Arminiaen, +Die op den Gomarist uw' tanden meent te slijpen; +En staet uyt, Gomarist, die desen meent te grijpen +En krabben d' oude roov' van 't seer van Achtien[136] op: +All' die u sulcken gal voelt steken in den krop, +Ick bid u, staet van verr, en laet de vuyle luchten +Van sulcke poelen hier d' onnoosele geruchten +Van beter onderhout niet smetten met verdriet: +Vergalt ons' eenigheit met sulcken Alssem niet. +In 't drucke van den Haegh verdragen wy 't by tijden, +En dragen met geduld al dat men daer moet lijden, +En staen ons' poos te roer, en vinden in 't krackeel, +Wel tegens heugh en meugh, ons ongesochte deel; +En sien ons niewen haet voor ouden dienst bestellen, +En met gerockten vloeck voor vrome meeningh quellen: +Hier zijn w' op Hofwijck, schouw[137] van al dat Hooft en Haeght, +En al dien onvrê lust, en dien de vrê mishaeght, +Mishaeght ons broederschap, die sonder Eeck en Alssem +Naer Waerheit en niet meer, der Zielen eigen Balsem, +Door soete wegen spoort, en houdt geen ondersoeck +Haer moeyte waerder dan Gods een en ander Boeck. + +In 't een en 't ander Boeck zijn een' en ander' Bladen +Voor onser oogen mist met duysterheit geladen: +De Waerheit isser in, dat 's klaerheit sonder vleck; +D' onklaerheit is alleen der Leseren gebreck; +Die dat den Schrijver wijt, doet even als de blinden, +Die midden op den dagh den middagh niet en vinden, +En keuren hem voor nacht, omdat haer alles swert +In haer onkunde dunckt, en 't witt' onthouden werdt. +Al 't noodige nochtans is klaer, voor alle Vromen, +Als middagh: uytgeseght[138], de moedwil onser droomen; +Den Leser, die sich minst in sulcke droomen voedt, +Gedijdt ontwijffelick het noodige tot goed. + +Maer deser redens toom en zijn wy niet soo machtigh, +Of hy ontslipt ons wel: soo dat ons klaer, klaerachtigg, +En waer, waerachtigh werdt: en dan volght meer en min, +Naer meer en min verlaets op 't soet van eigen sin: +Soo komen wy somtijds van sinnen wat te schillen[139], +Soo dat' er twee Zuyd-west, twee and're West aen willen; +Maer 't scheel en maeckt geen' twist: ick haet mijn' broeder niet, +Om dat ick liever groen, hy liever purper siet: +'t En is geen Menschen werck; 't zijn stege beest'lickheden. +Eens anders met geweld te binden aen mijn reden, +En maken plotselick een vyand van een' vrind, +Om dat hy sijn Geloof in 't mijne niet en vindt, +Om dat hy met en voelt dat ick meen wel te voelen. +Laegh dat vuyl over boord, wat waerder min te woelen, +Wat waerder min gespoocks, wat waerder min gedruys, +Wat waerd' er koele kalmt' in Kerck, in Huys en kluys! + +Om alles in een woord van kort beslagh te knoopen: +Vind ick mijn' even-mensch het toe-pad mis te loopen, +Den Bywegh in te slaen; of sien ick hem verlockt +Van spijse, daer de dood een' tand heeft in gebrockt; +Wat maeck ick voor gebaer? ontstel ick my van buyten, +Ontsteeck ick mijn gemoed, werp ick dien Man met kluyten, +Schend ick hem met verwijt, wensch ick hem erger quaed +Dan 't geen hy eten wil, dan daer hy henen gaet; +Haet ick hem om sijn doen, vloeck ick hem om sijn dwaelen? +Dat lij den Hemel niet! Ick tracht hem af te haelen, +Ick toon hem sijn gevaer; ick wijs' hem 't beter pad +Met all' mijn' Redens macht: soo hy se niet en vat, +Ick sucht hem droevigh naer, ick wensch hem beter oogen, +Ick straff hem met niet meer als broederlick mêdoogen, +Ick doe hem wat ick wouw, dat my gebeuren kond', +Wanneer een Broeder my een stal-licht[140] volgen vond; +God roep ick tot sijn' hulp; God, die my heeft bevolen, +Mijn' vyand wel te doen: want selver soud' ick dolen +En in den doncker gaen, gund' ick mijn' naesten quaed, +En sultte zijn ellend met Christeloosen haet. + +Wie deert Gods erfdeel niet, wie treurt niet om de Joden, +Het heilige geslacht, dat haeren Heiland doodden? +Wie deert de blindheit niet van 's werelds grootste deel, +Dat Hel en Duyvels macht noch hebben by de keel? +Wie kan de Christenen besien en niet beschreyen, +Die door Roomsch misverstand van Sion zijn gescheyen, +En willen scheppers zijn des Scheppers die haer schiep, +En willen noch voldoen 't geen hy van 't Kruys af riep, +By Hem te zijn voldaen, en doen Hem stadigh sterven, +Die ons door ééne dood het leven heeft doen erven; +'t Zijn blinde grouwelen, onnoosel mis-verstand: +God weer'se meer en meer van u, mijn Vaderland, +God kome noch eens af, en geessel' hier beneden +Noch eens die koopers uyt Sijn' huysen der gebeden: +Het schijnt geen Menschen werck, wy zijn der moeyte moê, +Der vruchteloose moeyt'; daer hoort mirakel toe. +Maer eer 't mirakel kom' (Hy weet sijn' goede tijden) +Wat zijn ons' plichten meer als treurigh medelijden? +Wat zijn ons' wapenen, als bidden om dien dagh, +Die eens de heele Kudd' in één koy brengen magh? +Dat bidden is mijn haet, mijn vloeck, beminde blinden, +Dat sult ghy in mijn' wraeck, in plaets van mutsaerd, vinden, +Dat Christelicke yver, in plaets van rad en galgh, +Daer van ick even soo als van uw' misdaed walgh. + +Dit 's uyt het Boeck gepraet, dat God heeft willen spaeren +Tot onser zielen licht, van doe wy niet en waren. +Het ander light' er by: het Boeck van alle dingh, +Van alles dat hy eens in 't groote Rond bevingh, +Het wonderlicke Boeck van sijn' ses wercke-dagen. +Wat seght ghy, Wandelaer? indien 't u kan behagen, +Wy gaen van blad tot blad, van daer de Son begint, +Tot daer sy slaepen gaet, en laet de wereld blind: +Wy weten wonderen uyt dit Boeck te vertellen: +Al zijn de Sterren veel', wy wetense te tellen, +Te passen op een' mijl: al loopt de losse Maen +Dan blootshoofds, dan gehult, dan met een masker aen, +Al duyckt sy voor ons oogh, sy kan ons niet ontslippen; +Wy weten wat sy meent met plecken en met tippen, +Met ringen, en met geen'; wy weten wat haer schort, +Wanneerse somtijds Goud en somtijds Silver wordt: +Al krimpt de dageraed van 't Ooster-punt naer 't Zuyen, +Wy weten waer 't hem lieght: al pruylt de Locht met buyen, +Al huylt sy gins en weêr, al stelts' haer self in vlam, +Al rommelts', of 't blauw dack van boven neder quam, +Al schreitse weêr daer op, en lescht haer' eigen' vieren, +Al lachtse datelick met Kruyden en met Dieren, +Dien haer' gestaltenis tot lust en onlust wendt; +Van al dat Uerwerck zijn de veeren ons bekend +En rad en ronsselen, en ketingen en snecken: +De Mist en mist ons niet, noch wat hem kan verwecken; +De Dauw is niet soo fijn, wy 'n sien hem drop voor drop, +De Zee is niet soo diep, wy 'n keuren op end' op[141] +Wat van haer maecksel is, en waerse 't Sout van daen heeft, +Wat datse van de Son, wat datse van de Maen heeft, +Hoe datse groent en grauwt, hoe dat haer volle plas +Gedurigh voller loopt en houdt sijn Water-pas, +Wat Ebb' en Vloed beduydt, wat wetten haer bepaelen, +Hoe verr' men Westwaert uyt haer voor-stroom moet gaen halen; +Om Oostwaert aen te gaen, hoe verr de Naelde wraeckt, +Wat datse somtijds staend' en somtijds gaende maeckt: +Wat dat den Aerd-kloot steunt in 't middelpunt van allen, +Waerom hy vlot en vast kan drijven, en niet vallen; +Wat in sijn ingewand het mindere metael +En 't meerdere verweckt; hoe dat doorschijnigh stael, +Die steege[142] Diamant, die bloedige Robijnen, +Als sterren onder aerd, in 't Oosten veel verschijnen, +In 't Westen nemmermeer: hoe d'Oester is van aerd, +Die puyck van Peerelen, maer noyt gesond en baert: +Waer van 't geboomte groent, waer langs en door wat monden +Sijn blaneke voedsel komt uyt sware swarte gronden: +Hoe 't in de tacken rijst, hoe 't in de bladen stuyt, +Hoe 't in den Somer werckt, en scheidt' er 's Winters uyt: +Wat Gouwe stincken doet, wat Roosen wel doet riecken +Wat Kraeyen swarte geeft, wat Swaenen witte wiecken; +Wat eyeren bevrucht, wat Wasch en Honigh scheelt, +Hoe 't by de slechte[143] Bye verstandigh werdt verdeelt; +Hoe beesten beesten zijn, en besigen haer' leden, +En stieren haer beleid bynaest met onse seden: +Hoe 't allerwonderlickst der wonderen, de Mensch, +Van Menschen werdt geteelt met min schier als een' wensch; +Wat Ziel, wat Lichaem is, en hoe sy konnen paeren; +Hoe 't Vier in 't herte komt, hoe 't Silver in de haeren, +Hoe 't Bloed de schaemte meldt, hoe 't Oogh van verre voelt, +Hoe al het sichtbaere, dat door den and'ren woelt, +Geschift werdt sonder moeyt, en sonder konst gescheiden: +Hoe Neus en Mond alleen, en Ooren met haer beiden, +Gelijcke plichten doen; wat Lippen tot de Spraeck, +Wat Tongh en Tanden doen tot beide, Spraeck en Smaeck, +En in wat bochten diè de dése moet ontmoeten: +Hoe 't Hoofd gehoorsaemt werdt van Handen en van Voeten, +Niet met de moeyte die een Heer neemt als hy wenckt, +En doet sijn' Dienaer gaen, maer even als 't maer denckt: +Hoe 't Bloed schift van sijn' Wey, hoe 't Melck wordt in de Borsten +Hoe 't elders Vel en Vleesch, en elders harde korsten +Van Knor[144] en Beenen werdt: hoe 't in de Keucken gaet, +Ontfangster in 't gemeen van alle goed en quaed, +De Maegh, verkrachte Maeghd van onse gulsigheden: +Wie Koek is, wie Kocks maet, wie Onder-koek met reden +Genoemt werdt, geele Gal, of roode Levers warmt; +Waer toe den ommeloop van kronckeligh Gedarmt, +Waer toe de viese Milt, waer toe de luchte Longen +Haer op en neder dient; waerom de Meid geen Jongen, +De beste slagh, en viel; waerom--Dit langh waerom +Verveelt u overlangh: 't is reden dat ick kom +Daer ick 't Boeck opende; dit Boeck; dit Boeck der Boecken, +Is soo vol ondersoecks, soo vol van soete hoecken, +Als Hofwijck bladeren aen Boom en kruyden telt: +Ick heb wat veel geseght, maer niet-met-al vertelt, +By al dat seghbaer is: Dit zijn de besigheden, +Daer in wy Ziel en Lijf vermaken en vertreden: +Dit 's 't veld van onsen strijd, maer strijd van vreedsaemheit, +Daer yeder op sijn' beurt sijn' stille meeningh seît, +En luystert naer sijn' vriend, en laet sich onderrechten, +En heet verliesen winst, wanneer hy valt in 't vechten, +En wijs in 't vallen werdt. Ver is het strack gemoed, +Dat steegh en ketterlick de waerheit tegen wroet, +En liever dolen wil, en dollen wil, dan wijcken, +En liever Schip en goed verhoetelen, dan strijcken; +Het Hofwijcks Spreeckwoord seght, en alom is het waer, +Dat seven oogen veel, maer min sien als vier paar. + +Dit 's woord en weder-woord van Waerd en waerde gasten, +Die hier mijn eenigheit op 't onvoorsiens verrasten, +Of veel en veel genoyt verschijnen in mijn' Hof, +En vallender op 't fruyt, het fruyt der buycken, of +Het fruyt der Boecken: fruyt, dat niet en kan verrotten, +Fruyt dat den Maeyeman[145], schuld-eischer van de Sotten, +Sijn maenen niet en vreest. Besit ick my alleen, +Geheel en onverdeelt, en word ick moê getreên +En molewijs[146] gestapt in 't rond, in 't langh, in 't kruys-pad; +Of seght my nat of kouw, 't waer oorbaer dat ick t' huys trad; +Ick treê wel in vier treên en in vier huysen thuys: +Vier huyskens over hoecks, en elck een' groene kluys, +Daerin sich kluysenaers gekluystert konden wenschen, +Belocken my om 't seerst, en spreken schier als Menschen: +«Komt», roept' er een, «tot my», en 't andere: «tot my», +'t Zij dat het deses tael, of ghenes Echo zij: +En ick hangh tusschen vier, als Mahomet sijn' beenen +In 't even staegh geweld van vier versierde steenen! + +In 't einde deel ick 't scheel, en vraege Sonn en Wind, +Waer ick best sitten sal gedoken en geblindt, +Geblindt en ongesien: meest winnen 't twee van vieren, +Die neffens 't groote spoor mijn Hofwijckjen vercieren, +En doen den vreemdelingh in 't rijden en in 't gaen +Uytroepen: «'t Is daer moy, en 't staet' er my wel aen». +Daer schuyl ick in de Klimm' en in de Memme-bloemen[147]; +Daer hoor ick my met lust dan prijsen, dan verdoemen; +Daer duyck ick achter my, gelijck de Schilder sat, +Die achter 't Tafereel der Kijckers dit en dat +Beluysterd' en beloegh[148]; daer ligh ick, als gestorven, +En hoor, als naer mijn dood: «Wat is daer gronds bedorven, +En klaere kley gespilt, om overdaed van lust!» +Daer hoor ick tegen aen: «Wel zij hem waer hy rust, +Den Planter, die den poel van eertijds wilde weyen +Vercierde met de pluym van altijds groene meyen, +En dorst een hoeckjen erfs besteden aen sijn' vreughd, +En keurde matelick verquisten voor een' deughd, +En docht, het Goud en was in 't water niet geworpen, +Dat streckte voor vermaeck van hem, en Stadt, en Dorpen». + +Daer hoor ick, wat noch meer? of wat en hoor ick niet? +Den Kermis-boer sijn geld, den Vryer sijn verdriet +Beweenen aen de Meid, die niet en schijnt te hooren. +Moy Meisjen, siet rondom, de Boomen hebben ooren: +Ick hebb' het Voorburghs-bier sien sieden in uw' borst, +En over 't Minne-vier een' and'ren niewen dorst +Ontsteken in uw hert; ick hebb' u Kees sien douwen, +Sien foolen mond aen mond, ick hebb' den besten Bouwen, +Den niewen Schorteldoeck sien wringen tot een slet, +En hebje 't Klaes verboôn, Kees hebje 't niet belet: +«Trijn», seîd' hy, «trouwe Trijn, wat heît het te beduyen? +De kolen aen den haerd, de Middagh-Son in 't Zuyen +Zijn koeler dan de Sneew by 't vier daer ick in brand! +Komt, soetert, eens voor al, waer is je rechter hand? +Kom, nobele kersow[149], 't is by men ziel ter eeren, +En om de werld in echt met suck slagh te vermeeren +As jouw moy bakkes is: Wat Duyvel schort'er an? +Men Vaêrtje sagh'et gaern, je Mortje weeter van; +Jen oom, Klaes Gerritse, seît meenighmael: wel, Keesje, +Hoe maeckj'et mit men Nicht? gaet an; het wildste beesje +Wordt metter tijd 'etemt; de Knijne worde mack, +Het Nachtegaeltje neemt sen koytje voor een tack: +Houdt jy maer voet by steck; de Meisjes moete suer sien; +Dat sel wel overgaen: je selt noch sulcken tuer[150] sien; +Trijn sel iens mit en wip ontdoyen, dat gaet vast; +Soo voer ick mit men Pleun: wat had ick s' op epast, +Eer 't ja-woord schuyven wouw! dan wouwse, maer se'n sou niet; +Die molen liep rondom: dan souse, maer se 'n wou niet: +In 't ende quam't er toe, als ick' er 't minst om docht: +Soo benne w' entelick as lijm an ien erocht: +Maer, as je weet, het lock en heît niet wille diene, +Dat vleis van ongse vleis en bien van ongse biene +Liep speulen by de weght; en 't is met Pleun edaen, +Wangt die niet meer en magh, die moet wel stille staen; +Dan, dat waeyt jou in 't zeil; nouw heb ick woll' noch webbe +Noch langd, noch weuninge, Trijn moet al 't hoopjen hebbe, +En 't wordt je saem egunt: gaet an slechts, wat je meught, +Je vrijt niet min als 't puyck van Delfland en sen jeughd. + +Nouw mochje miene, kint, nou mochje grouwen, hartje, +Dat ick je goetje vry, wangt dat is 't ouwe partje +Van 't volck te langdwort[151], jae, wel degelick in stê: +Maer by kris en by kras (en daer 's gien jocke mê), +Je deed me gien spuls recht, wouw jy me dat op tijge: +By gurcke, 't moet' er uyt, al mocht ick 't beter swijge, +'k Heb mê kley an me gat; dat weet me 't Hongslaerdijk, +Te 's Gravensaê in 't sangt, te Wateringh in 't slijck: +En offer wat an schortt, ongs' Anne Jans, me Meutje, +En doeter mê niet toe; en Gerrit Oom, 't out reutje, +Heît maer ien speul-kint t'huys, soo komt het al op mijn: +'t Is soet te deelen, daer twie hangden miester zijn: +Neen, liefste, 't aerdsche goet en hoef ick niet te soken: +You Hemelse Parsoon, jouw monekje soet besproken, +You kaeckjes as een roos, jouw ooghjes as en get[152], +You borsjes, met verlof, daer ick men pinck op set +(Stil, seyse, schaemje niet, Kees? houdtje hangde voorje, +Nouw, Kees, hoe staeje soo?) wel nou dan, Troosje, hoorje, +Die hebbe mijn jongh hart ontsteken en beklemt: +Jae, 't sou niet overgaen, al stondje naeckt in 't hemt! + +En benje 't boeren moê, en staetje 't melcke tegen, +Ick weet raet tot 'en pluym, 'en mantel, en 'en degen; +En voor jouw weet ick raet tot en geporste huyck, +Of tot, hoe hiet ick 't oock? laet sien: 'en Haeghse pruyck, +En swarte lap voor 't hooft, voor 't steke van de vliege, +En bouwe met en hoep, om vroêmoers te bedriegen, +En schoentjes as men duym, soo kort niet, maer soo smal, +En al 't goed dat de Vent van 't Kostelicke Mal +J'ens heît eretorijckt (ick gis je kent wel lese, +Of spelle O. N. on) en datter by moet wese; +Ick weet raet tot en Krots[153], met spickers deur 'et leer, +Als Gerr't van Velsens Ton, gehackelt, min noch meet: + +Stae by, de bruyne Meer met ronde witte kolle; +Twie meugew'er wel voên. Gut, Trijn, hoe souw'we rolle, +'t Schavot[154] om, langhs de Plaets, de Vyver, en 't Voorhout, +Deur al dat luye volck beslagen in fijn gout! +'k Heb menigh Maenendagh men selver dood ekeke +An dat besuckt[155] gesleep: wel, seîd ick, selleweke, +Is dat het ploegen hier? geeft dat den Haegh de kost? +Dan, docht ick, meugelick daer hebbent' er begost, +Die 't niet te mackelick en wete te volende; +Nou benne s'er an vast, nou meugense niet wende; +Al gaet het by de wint. 'k Sagh 't sommigh' an der neus; +En docht ick, Joffer, of men Vrouw, of enter-deus[156], +Rijdt daerje rijdt, men gelt rijdt metje langhs de straete: +Men haver was te goed om onbetaelt te laete: +Voldoet men ceêltjes eerst, en rijdt dan je naers moê. +Gut, trock ick na de Hal, en na den Backer toe, +En na den Brouwer mê, en veul meer fijne Borgers, +(Ja borgers neffens mijn) jouw' schamele versorgers, +En sonder die je sturft van honger en van kouw, +'k Mien da'kker op mijn voys en klaechliet hoore souw. +Wat duycker, dat 's gien kunst, sen hartje te verblyen, +En, aster[157] niet en is, en Boer sen beurs te snye!-- +'t Woort wasser qualick uyt, ick tasten in men sack, +Ick vond men Beurs elight: dan 't was klein ongemack, +En Ducketon dry vier: al ken 't emens[158] niet deere, +De Duyvel hael den Haeg, men wilt niet gaern ontbeere;-- +Neen, seî'ck soo by men selfs, in[159] 't lock wil, dat men Trijn +Men echte wijfje word, en ick 'er man magh zijn, +We hanghe mê wel wat an sulvergoed en kraelen: +Maer, lust ongs pracht of prael, we willen 't braef betaelen; +En gingen w' iens te Bier, te kermis, of te mart, +De witte[160] mosten uyt, of 't gingh noyt van men hart». + +«Dat heb je wel», sey Trijn, «aêrs moste we niet leve, +Dat ben ick niet ewent; wangt die wat heît te geve, +Die macher wat op doen: Maer liever niet 'ehult, +Dan dat ick op men kop sou dragen kap en schult». + +Kees voelde, dat de Boom te met begon te kraecken; +Met noch een houw twee dry kond hy ter aerde raecken. +Daer hakten hy op aen, of 't in den snoeytijd waer; +En, naer ick merken kon, daer wierd van twee een paer: +D'een rechter hand quam voor, en d'ander liet haer vangen, +En, als een' Lijster-bey, soo sagh Trijn om haer wangen: +Al gaende, sagh ick wel, soo vielder veel te doen, +En, naer 't van verre klonck, soo was 't een vrouwen-Soen. + +Nu, Huyskens, soet vertreck, ghy zijt niet komen drijven +Daer ghy soo vierkant staet; 't heeft al van swaere schijven +Mijn' lichte Bors ontlast, te werden soo ghy zijt: +Maer voor een' sulcken deun schel ick u alles quijt. +My docht Kees Adam was, en Trijn mocht Eva wesen, +En 't Paradijs hier naest; soo vrijdense voor desen +De goê'luy van dien tijd, doe Waerheit onbevleckt +Met rock, noch onderkeurs, noch hemd en was gedeckt, +Maer gingh in Stadt gekleedt gelijck nu by de Boeren. + +En, als ick 't overweegh, sy wetens' uyt te voeren, +De soete vryery, met aerdiger bestier, +Dan wy met al ons Hoofsch ge_larm_ en ge_soupir_; +Wy schaemen ons Moêrs tael, als 't gelden sal met minnen; +Verlieft werdt _amoureux_, en van gevallen sinnen +Niet min als _sens ravis_, bekoorlickheên, _attraits_, +Gewonnen gunst, _faveur_, en nemmermeer, _jamais_, +Bruyn' oogen, _beaux esclairs, beaux soleils_, en _beaux astres_, +Misnoegen, _desespoir_, blauw scheenen-zeer, _desastres_; +Als of het vryspel self niet kaps genoegh en waer, +Wy doender bellen toe, en haelen, 'k weet niet waer, +Waer mê de sottigheid ter degen uyt magh klinken; +Als ick een' Vrijster waer, de Vryer sou my stincken, +Die uyt den Lande liep om tolcken van sijn hert! + +Vergeeft my, jonge luy, ick keur 't een' malle pert, +Al 't sinne-loos gelaet daer mê ghy meent te proncken: +'k Hebb' oock eens jong geweest, 'k hebb' oock eens voelen voncken +Dat Minn' heet in goed Duytsch: maer tot de raserny +Die in de sinnen slaet en viel ick noyt van my. + +En Meisjens, met verlof, 'k moet eens mijn hert uyt spreken, +'t En sal geen laster zijn, of 't staet u vry te wreken: +Jae, wreeckt de waerheit self; dat valt veel tijds haer lot; +Het smaeck' u heel of half, onthoudt het van een' Sot: +De weecker Menschlickheit, het volck met lange rocken, +En hebb' ick noyt gehaet: eer heeft het my betrocken, +Eer heb ick 't nae gegaen, of vriendelick ontmoet: +Want, seîd' ick, keurde God al dat hy maeckte, goed, +Dit 's van den besten slagh het tweede: soud ick laecken +Dat God gepresen heeft? daer neffens quam 't vermaecken, +Dat alle Menschlickheit in 't onderscheid bevindt, +En daer door yeder, wat hy niet en heeft[161], bemint: +Daer neffens quam het schoon met sijn' bevallickheden, +En daer ick Vrouwenschoon met minnelicke reden +Geluckigh sagh verselt, en daer ick styve deughd +In morwe leden vond, en maeghdelicke jeughd +Met wetenschap, of lust tot wetenschap, besteken, +En daer ick wijsheit hoord' uyt rooselippen breken, +Daer, docht my, was ick by des wijsen mans gerecht: +In sil'vre Schotelen goud' Appelen geleght; +Maer, daer ick 't niet en vond, en was ick van schoon' oogen, +Van blanck vel, en blond haer noch meer noch min bewogen, +Dan van het houten hoofd, dat op de Cyters hals +De soete Joffer maeckt, tewijl de Cyter vals +En doof en ongestelt niet waerd en is te hooren: +Kort om ick socht mijn Oogh te paeyen en mijn' Ooren; +Dat hiet ick volle vreughd. Gevoelens geile sin +En keurden ick noyt grond van wel-gestelde Min; +Daer Trouwen 't voorland was, en teelens lust met reden, +Daer viel ick vies en kies, en socht gesonde leden, +Daer in een' held're Ziel, gelijck een blinkend swaerd +In een' fluweelen scheê, gehuyst waer en gepaert +God liet my sulcken Ziel en sulcken Lijf gebeuren: +En doe was Keesjes hert van Trijntjes niet te scheuren; +Maer jocken stond van kant: daer wierd in ernst gevleidt, +En oorbaer wederzijds gewogen met bescheid: +De Zielen wierden eens; de Cassen van die Zielen, +Die d'eene d'andere geluckelick bevielen, +Bevestigden den koop, en 't stond den Hemel aen, +Dat die vier, paer en paer, te bedde souden gaen. + +Hoe 't schickte, tuyght de tijd van thien vergulde jaeren, +Die wy eenlijvelick en evenzieligh waren: +Maer tuygen zijnder noch te soecken, dien het heught, +Dat my de domste tocht van d'allergroenste jeughd +Ter aerden hebb' gevelt, doen kruypen hebb', doen beven, +Doen schreyen om genâ, doen bidden om het leven, +Doen knielen, aeps-gewijs, voor een fier Vrouwen-beeld. +Fier, seîd ick, Vrouw tot Man, fier Vrouw uyt Man geteelt, +En die weêr sonder Man noch Man noch Vrouw kan teelen, +De minst' in Hoofd en Hert, de minst' in alle deelen? +Daer most'er meer als een mê spelen; en dat schoon, +Dat Vel-diep aengenaem, in 't hooghste van sijn' throon, +En kon mijn' vryheit noyt in slaverny verkleden: +En als ick wanckelde, stracks stelde sich de Reden +Ter weere voor mijn' eer; stracx sey sy, 'k was een Man, +En sy mijn onder-mensch, die ick Meestersche van +Mijn voordeel maken wouw, en, was 't soo verr' gekomen, +Dat Vrouwen eerbaerheit most wachten op Mans droomen, +Dat Spil-zij swijgen most tot dat de Swaerd-zij sprack +(Dat schadelick begin van menigh ongemack), +Als 't Mans hert open gingh en veilde sijn' gedachten, +Sijn minst was, weder-gunst van 't Vrouwen-hert te wachten; +Of 't was een mancke min, en 't kon, in allen schijn, +Noch in den Hemel Trouw, noch voor de menschen zijn. +Want wien waer 't mogelick een' spijtig' gast t' onthaelen, +En wat schoon en wat rijck kon d'ongenucht betaelen, +Van een gedwongen hert, van een verkracht gemoed? +En wie dê geerne dat sijn weêrgaê noode doet? +Wegh, Ouders wreet geweld, wegh, Hel van felle vrinden: +Is 't Jae-woord aen de Pley[162], en anders niet, te vinden, +Soo segh ick: heyligh Neen; de Schael moet even staen +Door eigen weder-wight, of 't Hylick is verraên. +Mijn hert is uyt geseght: ick pass' op geen verwijten: +De steen is uyt de hand; sy mogender in bijten, +Dien 't lust te spertelen; als 't bijten over is, +Soo sal de waerheit noch een redelick gewiss'[163] +Doen stemmen met mijn stemm', en seggen: «Dat 's gesproken, +En dat 's een Batavier, die, door waerschijn gebroken, +Te voorschijn heeft gebracht het moeyelick blancket, +Dat nemmer goed en doet, en veeltijds 't goed belet». + +Wat heb ick tijds gespilt, wat had ghy tijds te spillen, +Die dit gewichtigh stuck ten uytersten moght willen +Voltoyen naer de Kunst! maer 't is soo verr' voltoyt, +Dat die 't begrijpen wil, begrijpt het nu of noyt; +Die 't niet en wil, verdient geen meerder onderrechten: +My lust den stegen[164] niet onendigh te berechten; +Elck sijn gevoelen vry, het mijn is uyt gepleit: +Wel hem die beter weet, ick gun hem sijn bescheid. +Men moght my 't langh geteem met billickheid verwijten, +Als wild' ick vrienden hier haer' schoenen doen verslijten, +Haer' Ooren en haer' Tongh: terwijl my 't spreeckwoord raeckt, +Dat nemmer eigen grond den meester moede maeckt. + +Maer, Vrienden, lacht van hoop; 't moêmaken gaet ten ende; +En schrickt niet, of ick 't weêr Zuyd en Zuyd-Oost aen wende, +En weêr naer 't lange Plein, daer ick u staende hiel, +En met meer woorden als goê reden overviel: +'k Neemp 't voor een Schaeckberd nu; daer't ons niet lang geleden +Der Koninginnen gangh gelust heeft te betreden, +In voor en achterwaerts, in zydelingh verstel; +Daer volght' er noch een op: den toenaem weet ick wel, +Maer noem hem binnens monts: het is de gangh der Gecken[165]. +Staet in de Boomgaert-poort: ten Oosten staet een hecken, +Ten Zuyden staet' er een: twee tweelingen in 't kort, +Daer door den Geckengangh, naer toe getreden wordt. +Kiest recht' of slincker hand, ghy raeckt het Plein te boven; +En daer mê voer ick u in Hofwijcks schoonste hoven. + +'t Oost-Eiland is' er een, 't West-Eiland is sijn paer[166]. +Die nu De Groot, of Cats, Heins, of Barlaeus waer, +Die nu een' oude Pen, by een' van al versleten, +In dit groen machtigh waer, en louw en koel geseten, +Moght seggen wat hy docht, en singen wat hy siet! +Al wat ick heb geseght, waer weinigh meer als niet. + +'k Heb menigh uer verpraet: hier hoefden ick meer weken, +Meer maenden te verdoen, meer jaeren uyt te prêken, +Dan ueren allerweegh, om schielick door de pijn, +De pijn van overvloed, de stameringh, te zijn: +Let op den overvloed; verdraeght mijn' stameringen, +Al voegense noyt min als midden in het singen; +Mijn' onmacht sal 't gewicht der dingen doen verstaen, +Als, daer een Mensch de Son derft maelen, of de Maen. + +Stae by, Castagnen-boom, staet by, breê Noten-bladen, +Staet by, bloedt-droppeltjens op Qualsteren geladen +Van d'een in d'ander' schaeuw verdwael ick in de keur; +Elck troetelt mijn vermaeck met schoon om schooner geur: +Maer ghy zijt Schaduwen, en meer niet, van de Planten +Mijn' echte kinderen, mijn' spruyten, mijn geslacht, +Mijn' afkomst, door mijn' sorgh ter aerden uytgebracht; +Mijn' eigen Mannetjens, mijn' Leen-luy, en mijn' erven, +Die al dat Boomen kont, kost ghy, als Boomen sterven, +Maer 't sterven niet en kent: u stell' ick voor, in spijt +Van 't eten van de Locht, van 't slicken van den tijd. +'k Heb trotsche Tempelen sien proncken in den duyster +Van helderlick geboomt, en 't streckte tot haer luyster, +Gesien en ongesien te duycken in dat koel, +En, soo veel 't buytenst kan op 't binnenste gevoel, +Die naere schaduwen zijn 't machtigh om te roeren, +En 't hert beweeght' er af: Spreeckt Stede-liên, spreeckt, Boeren, +Spreeckt, vriend en vreemdelingh, die langhs den Polder-dijck +Des Somers in het stoff, des Winters in het slijck, +Voor Hofwijck werdt gestut; wat seggen uw' gedachten, +Wanneer ghy Hofwijck siet twee donker-groene nachten, +Twee nachten van geboomt bevleugelen met pracht, +Als warens' uyt het wildst van Pruyssen her gebracht, +En door de locht gevoert, gelijck de liên te Roomen +Van 't ongeloofelick Loretto derven droomen +(Hoe wert de Menschlickheit van d' een' in d' ander' mist, +Alss' eens het heiligh spoor van 's Hemels waerheid mist!) +Daer 't kostelick gebouw geen' minder Metselaren +Dan Engelen vermeldt, die over berg en baren +In éénen nacht met Kerck en Autaer zijn gezeilt: +Hoe pijnt ghy neck en hals naer d'ongemeene steilt' +Van weêrzijds Masten-bosch, hoe tergen sy uw' sinnen, +Om eens die wonderen van onderen, van binnen +Te mogen oversien! hoe quelt u 't Vlieder-diep! +Hoe wenscht ghy dat het droogh door Booner-sluysen liep, +En ebde tot den grond! roept schepen aen en schuyten; +Daer staen twee heckens voor; maer vromen uyt te sluyten, +Is niet van haer bevel: de sloten zijn van stroo +Voor d'openhertige; van yser, voer de snoô. + +Treedt in de Wilderniss' ten Oosten of ten Westen; +Den ingangh is gegunt, de wandelingh ten besten, +En s' is uw' moeyte waerd: en, als ick 't seggen derf, +Ghy sult met naberouw vertrecken van de werf, +En seggen flus te Delft, of seggen flus te Leiden, +Ghy hebt schoor-voetende van Hofwijck moeten scheiden; +Daer, dat ghy noyt en saeght in 't lieffelickst gewest, +Mast-boomen van der jeughd met Roosen zijn gemest. +Met Roosen, let er op; sy staend' er noch en gloeyen, +En, als sy, moê gepronckt, op 't einde van haer bloeyen +Haer' hoofden droeffelick onthullen van 't gewaed, +Hoort, Haeghsche Joffertjens, dat boven 't uwe gaet, +Dan stroyen sy den vloer met haer' bevallickheden, +Als of' er Bruydegom en Bruyd most overtreden: +Dan komt het Hemelsch nat, dat door de Masten druypt, +En opent scheur by scheur, daer blad voor blad in kruypt; +En van dat soet bederf, en van dat schoon verrotten +Versaedt sich Mast by Mast, en voert het in sijn botten. +Gaet henen nu, en soeckt, of ergens wey of woud +Met edeler gewasch begraest werdt of bebouwt. + +Wie derft van Ypen-hout naer sulcken puyck-goed spreken? +Het moet' er uyt nochtans; daer magh' es geen gebreken: +En, is de Schildery voltrocken, laet de Lijst, +Daer menigh onverstand de Schildery om prijst, +Haer' beurte zijn vergunt: Tot u dan, Ypen-boomen! +Door lange droomen heen, tot u ben ick gekomen, +Scheid-palen van mijn' grond, belenders van mijn' Erf, +En, als ghy spreken kost, Lijf-wachten van mijn' werf: +Ghy staet niet daer ghy staet om 't eenige vermaken: +Om Eer, om Nut, om Lust, die dry beroemde saken +Daer al ons doen op loopt, staet ghy in 't voor-gelit, +Op 't uyterste gescheid van 't Hofwijcker besit. +Schoon voor-doen heeft sijn' kracht, als alle Koop-luy weten, +En dickmael is het Huys by 't Voor-huys af te meten: +De self-kant van 't Fluweel belooft wat van de Stoff' +En by de Heiningen voor-oordeelt men den Hof; +Soo kan uw' heerlijckheid, soo moet sy wat beloven; +En die daer Hofwijck prijst heeft u vooral te loven, +En die van Nootdorp af, en mogelick van Delf, +Hofwijcker Hof ontdeckt, moet seggen by sijn self: +Daer schuylt wat achter 't schoon van die verheven kruynen, +Dat prijsenswaerdigh is; soo seker als de Duynen +Betekenen de Zee ten einde van haer sand. + +Daer med' is d'Eer voldaen: wat Nuttigheit mijn strand, +Mijn soeten oever treckt van uw' getrouwe wortel, +Dat weet de Schipper best, die 't stadige gebortel +Van d' omgeroerde Vliet, in 't zeilen door haer nat, +Afgrijselick verweckt en op mijn Kuste spat. +Wat soud' er tegen staen, stondt ghy d' er niet soo tegen, +Als of ghy nacht en dagh mijn' Vyand met den degen +Van mijn' Lands-paelen dreeft, als of ghy dagh en nacht +Mijn' Helbaerdieren waert, en pasten op de wacht, +Van Hofwijck en sijn' rust; en hielpt my niet verliesen, +Dat Plaetingen alleen, en Bitterlingh en Biesen +Vergeefs verdedighden, 't en waer uw' stevigheid +De golven overwon en all' haer' hevigheid? + +Maer Lust, de derde dienst, die van u werdt genoten, +Gaet boven d' eerste twee: ick sie u soo geschoten, +Soo weelderigh gespreidt, soo deun en dicht gewert, +Dat ick veil[168] onder u den felsten Middagh tert. +Waer zijt ghy, werelds oogh, dat allom door wilt booren? +Blaeckt over wegh en wey; hier is uw' kracht verloren: +Hier laech ick met het sweet, dat van den Maeyer loopt, +Hier heb ick over my een Ypen-zeil geknoopt, +Een dack van bladeren, die voor de volle Manen, +En voor de volle Son, jae, voor des Hemels tranen +Mijn hoofd verdedigen: hier vlied ick louw en koel, +Hier lijd ick sonder leed haer grouwelickst gewoel: +Hier voel ick het vermaeck van naestgelegen lijden, +By naestgelegen vreughd: hier smack ick het verblijden, +Dat menschen wedervaert, die by de quellingh zijn, +En voelen geen verdriet, en weten van geen' pijn. + +Hier deel ick in die vreughd met mijn' bemindste panden, +Mijn lieve Vyvelinghs[169] thien voeten en thien handen: +Hier is heel Scheveningh verschenen t' mijner baet, +En heeft mijn savel-kley met schelpen-gruys gestraet: +Hier gaet de Bol in swangh, hier moet de Kegel beven, +En sneven, en weer staen: hier keurt men 't soetste leven +Gespeckt met stracken ernst, en met onnoosel jock. + +Verr' zy van ons het spel, daer gunst-verlies en wrock +By Geld-verlies op volght: verr' zij van mijn' gedachten, +Door vrienden onvermaeck naer mijn vermaeck te trachten, +'k Verdoem den Teerlingh[170] niet, 'k en hebb' niet op[168] de Caert, +Dan dat ick houw de tijd kan beter zijn gespaert, +Als soo te lore gaen: en middelmatigh nutten +Verschoont de leegheit self, en kan mijn' opspraeck schutten[171]. +Maer daer verlies en winst van munte, geel of wit[172], +In schijn van vriendlickheit der spelers hert besit, +Daer 't ooghmerck, krijgen, is, werdt spel een slagh van krijgen. +En die den slagh verliest, voor 't uyterst magh hy swijgen; +Maer 't is een mensch die swijght, en, ken ick menschen-aerd, +Daer is geen hert soo koel, geen' galle soo bedaert, +Of af-breuck in de Bors maeckt spijtighe gedachten, +Die 't meesterlick geweld[173] van Reden moet verkrachten, +(En 't is der wijsen self haer uyterste gepoogh) +Of 't spijt wil uyt den mond, ten minsten uyt het oogh. + +Wat light my aen dat leed, wat lust my, lieve vrienden, +Die flus mijn' tafel, flus mijn' wandelingh beminden, +Still'-swijgende te sien vervloecken mijn onthael? +Of, lacht de kans haer toe, wat lust my 't gasten-mael +Met niewe rekeningh van kosten te beswaren, +En werden tweemael Waerd, en moeten my bedaren +Als of ick geerne schonck het ghen' ick noode miss', +En maskeren mijn leed met vrolicke vernis? +Ick haet mijns Vyands geld, of 't kan my niet verblijden: +En, hael ick 't van mijn' Vriend, 't gevoelen van sijn lijden +Maeckt dat ick mede lij, en wenschten hem sijn' schaê +Met mijn verlies geboet, eer dat hy van my gae. + +Soo laet spel spelen zijn; en oeffeningh van reden +met vrolickheit beleidt, en sonder achter-smaeck[174] +Die vriendlickheit vergall' en spel tot spellen maeck'. +Dit ambacht gaet hier om, en 't gaet' er om met lusten: +En dien 't niet langer lust veraessemt sich met rusten, +En staet als kijcker by, of neemt de recht-banck waer, +En oordeelt sittende van 't naeste spelend paer: +En soo de Kegel valt, die Koningh is van achten, +Soo vlieght' er wel een droom door spelende gedachten, +Van Koningen ontdaen in 't midden van haer volck, +Dat over einde staet, terwijl de swartste wolck +Die oyt de Sonn' besloegh, wolck boven alle wonder, +Dry Kroonen zeffens velt met ongehoorden donder. + +En soo wordt bollen ernst, en Kegels-Parlament; +En van dat onderhout en raeckt men niet ten end, +Voor dat de keers uyt gae, de groote keers der wereld, +En dat de Somer-dauw de Kruytjens over-peerelt, +En dat den Hagenaer naer Koets en Schuyten vraeght, +Om veiligh t'huys te zijn, eer dat de dagh ontdaeght. +Dan berst het oude lied van «Scheiden, bitter scheiden» +Uyt d'een of d'ander keel, en klinckt door wegh en weiden; +En 't andere: «Wat sal men op den avond doen?» +En 't slot is: «veel danckhebs», versegelt met een' soen. + +Daer staen ick, Kluysenaer, ick Stelle-man[176], verlaten; +Maer Vry-heer van mijn' tijd en van mijn doen en laeten, +En smaeck den niewen lust van stilt' en eenigheit, +Gelijck die, uyt der Zee en haer verbolgentheit +Moê Zeemanschap gepleeght, moê wendens, en moê keerens, +Moê tobbens, moê gekaetst, moê loevens, moê laveerens, +Het oppertje bezeilt, en buyten weer en wind +Sijn schielicke vermaeck in 't slechte[177] water vindt. + +Betreckt my d'avont-uer, en kan ick my niet pijnen, +Om onder dack te gaen vóór dat de Sterren schijnen, +En all' de wonderen van 't heerlicke gesicht', +Als d'ander' Keers verschijnt op 't ondergaende Licht, +De tijd verveelt my min dan al de dagh der dagen, +En 't spijt my, dat de klock van Voorburgh heeft geslagen +Twee slagen meer als Acht, soo veel wercks valt my toe. + +Wie oyt op Hofwijck was, en vraeg' niet wat ick doe: +Ick ben te landewaert, en 't kan my niet verdrieten, +Maer oock te waterwaert, en aen de Vliet der Vlieten, +De levendste Rivier, de doorgeploeghtste Vaert +Van all' die Holland kent en binnen 's Lands bevaert. +'k Geef 't voor de waerheit uyt, al heeft het schijn van liegen +(De tuygen zijn te veel, al socht ick te bedriegen): +Twee hondert kielen zijn voor Hofwijck heen getelt, +Die dagelicks door Zeil, of Mensch, of Peerds geweld +Voor Hofwijck henen gaen. Nu tert ick Rhijn en Maze, +En Dort en Loevestein; nu lijd ick, dat men blase +Van Sparen en van Y, jae, van de Noorder Zond, +Daer niemand meer gevaers en wedervarens[178] vond, +Als in mijn' volle Vliet; die niet en is te naken, +Men siet' er Schip of Schuyt d'een d'andere genaken, +Men siet' er Lijn door Lijn geweven, Peerd aen Peerd, +Zeil achter Zeil gereckt, Roer tegens Roer gekeert; +Men hoort' er van: «houw vol, houw binnen, en houw buyten», +Men hoort den Jager-boef[179] sijn ongemack verfluyten, +Of koelen met een lied de bleinen[180] die hy rijdt, +Niet nu eens, en eens flus, maer stadigh en altijd, +By donker en by daegh. Hier hoef ick niet te vraegen, +Wat ty is 't van den dagh? de Beurt-schuyt kan 't gewagen: +En die ten sevenen ten Haegh uyt werdt gebelt, +Die weet ick, dat met my de klock van achten telt; +Die vijf te Leyden hoort, telt recht voor Hofwijck seven; +Dat 's 't uerwerck van de Plaets, dat, sonder veêr gedreven, +En sonder weêr-wicht gaet, en daerom noyt en wraeckt, +En daerom vaster gaet dan all' die m'elders maeckt, +En windt sich selven op, en drijft sijn' eigen' raden. + +Hier treed ick 't soetste pad van all' mijn'soetste paden: +Hier treed ick wederzijds op 't kantjen van een' plas, +Die d' een den anderen verpocchen[181] met haer glas. +Ten Noorden is 't mijn diep, ten Zuyden is mijn Schuyt-nat, +Daer ick dan d'eenen Boer, dan d'and'ren Schipper uyt vat, +En vrage: «waer wilt 't heen, Goê mannen, waer van daen? +Hoe gaet ghy soo ondiep, hoe zijt ghy soo gelaên?»-- +«Maer, Heerschop!» seghter een, wy hebben 't ruym vol plancke!» +En geeft het goed wat winst? «Wy hebbe God te dancke, +We laden 't te Sardam en komme langhs de Meer[182], +Deur d' ouwe Weteringh, en soo den Rhijn om neêr, +En soo deur Leidsendam, om tot Schiedam te lossen: +Daer krijge we licht vracht van Varckens of van Ossen, +Of wat de Koopman wil; want, kijck, 't is' en moy Schip, +En 't voert wel licht en swaer; en krijge we dan slip, +En moete leêgh naer huys, dat moete we verdrege: +Schâ-baet, daer valt te met een kangsjen onder wege, +Daer 't treck-gelt op magh staen; aêrs moetew' in de lijn, +En halen 't met den hals; maer dat 's en korte pijn: +Aen geun sy van den Dam en vinde we gien breggens[183] +Dan mach' er 't Zeiltje by». Hier op volght veel meer seggens, +Naer 't volckje sprakelick, en lichter aen de praet +Als af te helpen is. Maer 't Schip, dat niet en staet, +Ontvoert my 't letste woord, of, liever, letste woorden, +Daer ick den sin af giss' al stond ick s' aen en hoorden[184]: +«Klaes!» roept hy tot sijn knecht, die op 't voor-onder staet: +Hoe lust het Steedse volck een praetje by de straet, +Daer 't luys leêghs[185] staet en kijckt in 't midde van sijn' lussjes! +Hoe kooselde[186] die Vent, hoe stil en hoe gerusjes; +Hoe taeld' hy na bescheid van den bekenden wegh; +'k Nam't voor' en Hagenaer; en by men Ziel, ick segh, +Dat Haeghje weeter of[187]: men[188] speult' er vreemde streke +Se raken an groot goet te met in minder weke +Dan wy der jaren an verslooven, nat en kout: +Dan wetense gien raet met koffertjes vol gout, +Dan gaet' et goet soo 't quam, dan tijense na buyte; +En 't Roosenobeltje moet springe voor de kluyte, +Voor Weuningh en voor Wey, voor Kroft en Klaver-kley; +Gien goet en valt te dier, het macher of, wich hey! +En dan 't Treweel[189] in 't werck, en dan, beget, Casteele +As Toorens, elck om 't moyst. Y gut Klaes, hiet dat deele! +Heît ongse lieven Heer ongs allegaêr 'emaeckt +Uyt iene slagh van Kley, en worde wy ewraeckt, +En erve wy in 't goet as Basterde? Wat Duyvel, +'k Wouw, dat men aessem mê iens gaen mocht over 't suyvel, +'k Mien, dat icker men spul sou speulen as en helt: +Ick sie wel, dieder maer sen lijf wat naer en stelt, +Eer j' omsiet benje rijck; 'en kusse mit en wape +Maeckt alle kunsten goed; daer meugj' op sitte schrape, +Tot datje Troortje[190] barst en wordt en Ys're kist +Met seuve grendele, en wordje na gevist, +Die 't laecke, doen 't soo wel, as die je 't stick verwijte; +Soo wordt 'er niet eklapt. Klaes! moetet me niet spijte, +Dat ongse bestemoêr, doe 'k Vaêr en Moêr verloor, +Soo lijdige[191] versuft' en dwaelde van het spoor, +En hielmen uyt' et School: Gut, had ick leere schrijve +En lesen, as dat volck, wat wouw ick niet bedrijve! +'k Had langh een mantel an, een Tabbert, of suck goet, +Voor een bepeeckte broeck, die 'ck nou verslijten moet; +Een handje vol Latijn, heb ick me late segge, +Daer komt het miest op an, en dat 's goet op te legge, +We hebbe mê verstanght, we bennen al ien slagh, +En dat 's wel haest eklaert, die maer wat suffe[192] magh».-- + +Meer had hy op de tongh, meer meenden hy te spreken; +Maer 't Schip was voor den Dam, daer most hy 't laeten steken; +En 't zeil most over end. Wie wenschte niet, de vracht +Van sulcken Schip te zijn? nu heb ick 't maer gedacht. +En, als ick 't overslae, de Boeren weten wonder: +Maer weten min dan al: de waerheit loopt' er onder; +Maer meer waerschijnlickheits. O, Schippertje, goed knecht! +Waert ghy tot in den grond van alles onderrecht, +Saeght ghy tot in de Milt van die ghy wilt benijden; +Verstond ghy neffens my 't gepeperde verblijden, +Het gallige vermaeck van die daer staet en siet, +En hoort u sorgeloos staen fluyten langhs de Vliet, +En wist ghy hoe dat hert, in 't midden van sijn' Roosen, +Sijn' kommeren veeltijds niet weet waer langhs te loosen; +En wist ghy, hoe hem 't haer te berge komt te staen, +Die wel op Hofwijck is, en naer den Haegh moet gaen, +Den Haegh, die doornen Haegh, daer Eer en Deughd en Reden +Veel tijden wert betaelt met vuyl' ondanckbaerheden; +Daer weldoen werdt beloont met laster of geweld; +Daer 't uyterste gepoogh der Vromen werd gestelt +Den boosen tot een' schimp; daer 't niet en is te passen, +Men siet sich langhs of dwers door spijt of nijt bebassen[193]: +Daer selfs de Vrede-min misduydt werdt voor misdaed; +Ick meen, ghy sondt sijn lot verfoeyen voor uw' staet, +En kruypen in' uw luyck, en leeren beter wenschen, +En oordeelen 't geluck van uws gelijcke menschen +Benijdelicker veel dan dat te Stêwaert blinckt, +En achter de gordijn van aensien hinckt of stinckt. + +Is 't Schippertje voorby, de Visscher uyt de Veenen. +De Meisjens uyt de Wey, met koele bloote beenen, +Met Emmertjens vol Melck, en vol gerustigheit, +Versterken[194] wat ick peins, en wat ick heb geseît. + +En, scheid ick uyt den praet, en, treed' ick uyt mijn' hecken, +En, lust my achter 't groen der hagen, die my decken, +De vrye vonnissen te hooren van mijn werck, +Als laegh ick verr' van daer begraven in een' Kerck; +Daer gaet het speeltjen aen, daer hoor ick soet en bitter, +En al wat yeder denckt van huys en van besitter; +Daer hoor ick vogelen van allerhanden beck, +My roemen voor een Man, en doemen voor een' geck. +De Veerschuyt voert van als[195]: daer sittend' er vol reden, +Daer sittend' er vol spijt, die mijne sinlickheden +Of prijsen uyt haer gunst of laken uyt haer' gall'. + +Daer seggend' er: «'t is wel: Het Geld is niet-met-al, +'t Gebruyck is 't altemael; de Man die Hofwijck stichten +Heeft wijsselick gedaen; hy most sijn hert verlichten +Van lange slaverny; hy heeft' er voor geploeght, +En, als hy ploegende sijn' Vorsten had vernoeght, +En 't Vaderland voldaen, en niemant uyt gesopen, +En niemands voordeelen met listen onderkropen; +Den vromen voorgestaen, beschoncken en gevoedt, +Den boosen 't hoofd geboôn, een Christelick gemoed +In 't Christeloos gewoel van Haegh en Hof behouden; +Wat lighter yemant aen, of hy een Hofjen boûden, +En besighden een deel van onbesproken winst +Tot onverboden vreughd, om nu en dan voor 't minst +Een haventjen vertrecks uyt Hoofs gewoel en winden, +Voor heul en adem-tocht van ziel en lijf «te vinden, +En smaken 't onderscheit van ruymt' en van gedrangh? +Verquisten is geen' eer; maer altoos deun en bangh +Sijn self te pijnigen, om kinderen en erven +Te laeten, wat sy wel en weeld'righ konnen derven, +En prees noyt wijse man: Wel hèm, die wel vergaert +En maetelick verspilt 't gen' hy wel heeft gespaert. +De Man op Hofwijck heeft, in 't sorgen voor sijn selven, +Sijn' kinderen bevrijdt van spitten en van delven, +En van wat overschots sijn keurlickheid geboet[196], +De rest is voor de rest, die 't hebben sal en moet. +Maer beter' Tonnen schats heeft hy se leeren vullen +Dan die haer mogelick ten deele vallen sullen, +Vol smeltelick Metael, vol schijven, die het Vier, +Het Water, en de Tijd kan brengen tot papier, +Tot slenteren, tot niet. Hy laetse selfs vol schatten, +Daer Water, Vyer, of Tijd niet aen en heeft te vatten, +Van Deughd en Wetenschap, en al dat Mannen maeckt, +En al dat, eens vergaêrt, sijn' Meester noyt versaeckt. +God, die hem segende met kinderen die weten, +En weten, mogelick, waer mede dack en eten, +Het Vaderland ten dienst, te mogen waerdigh zijn, +Beveelt hy haer beleid, naer dat hy door de pijn, +Die 't lichaem draegen moet om van de Ziel te scheiden, +Ter eewigheit sal gaen!»--Die man gingh breeder weiden, +Maer 't Schuytje was verby, de Schipper riep: «stap wegh», +En 't peerd ontvoerde my 't besluyt van sijn gesegh, + +De Delfsche Veerman volght (dat gaet voor Hofwijck seker) +Stracks op den Hagenaer; en weêr een nieuwe spreker, +Een niewe kakelaer, gelijck het wesen wil, +Dat een de vracht verbeent[197], daer vijftigh and're stil +Den mondighsten ontsien, en 't hooge woort vergunnen. +Die klapper tast my aen. (Van dusend een zijn't funnen[198], +Van schaemte noyt geroert, van reden onversien, +Van Eer en Liefde meer) Ten eersten is 't: «Laet sien! +Wel hey, wat 's hier weer niews? sal 't noyt geen einde wesen, +Al weêr een niew Kasteel in éénen nacht geresen! +'k Schick[199] endelick de vliet sal worden tot een' straet; +Den Haegh sal metter tijd niet weten waer hy staet, +Te Voorburgh of aen Duyn! siet die verweende gecken, +Sy walgen van de Stadt; den Haegh en kan niet strecken[200], +De straeten zijn te nauw, de wandelingh te kort; +De Koets moet ruymer gaen: Wat Duyvel of haer schort? +Is 't niet genoegh, Voorhout en Vyverbergh te schenden? +Is 't niet genoegh, den Haegh t' ontstraten aller enden? +Moet Voorburgh mê in 't spel? 'k magh heugen, dat die Wey +Vol klare Klaver stond, vol vette beesten ley; +Nu is 't een Hof, quansuys, een Hofwijck: wel, waerachtigh, +Wy moeten in den grond, het volckje wordt te prachtigh! +Sy schraepen 't goed by een, slincks of rechts, 't scheelt haer niet, +En vallen dan aen 't werck van pijpjens in het riet. +Bedenckt eens wat' er gelds aen sulcke raserny gaet, +En of men op het end met eens betaelen vry gaet: +Die Kloot en light niet stil: die dusenden verboût, +En magh geen' honderden ontsien voor 't onderhout; +Die hooge thuynen derft uyt leege[201] gronden haelen, +Moet alle jaer sijn werck weêr en weêrom betaelen; +Die Vent en houd ick met geen hondert Kroonen vry: +Soo moet daer alles staen in 't lood en op de ry, +Soo puntigh is m', als kacks[202]: men waer schier ongeboren +Veel liever, dan een haegh te lijden ongeschoren; +Of 't God belieft of niet, de paden moeten bruyn +En kaeler zijn van gras als 't hooghste van een' duyn; +De Schoffel heeft geen' rust, daer is een eewigh leven +Van wiejen, dat men berst; de Thuynman magh wel beven, +Soo 't onkruyd meester werdt door weelde van nat weêr, +Door overval van werck, en door versuym noch meer. +De Joffers in den Haegh, met all' haer' malle krullen, +En hebben niet meer spels; men soud' er dry vier hullen, +Al noemden ick' er meer, 'k wouw, dat ick 't had gewedt, +Eer hier één Boogaerd-pad geklouwt is en geredt: +En, om Gods lijdsaemheit met alle kracht te tergen, +Als of' er werck gebrack, van vlackte maeckt men bergen, +'t Land word tot Vyvertjens versnippert en gekerft, +En 't is de braefste man, die 't konstelickst bederft: +'t Huys moet in 't water staen, en Slots-gewijs staen proncken, +Gelijck een' steenen flesch in 't koel-vat werdt gesoncken: +Het riet-dack was wel eer de Weuninghs besten hoet; +Doe mosten 't pannen zijn: dat 's nu de kleine voet; +Het Leitje moet' er op, dat staet beknopt en abel, +Waerom? de Land-heer deckt sijn luysen met een' Sabel[203], +'t Huys komt niet minder toe; 't magh kosten wat het kan, +Het decksel naer den pot, de kleêren naer den man. +En, als ghy binnen gaet, wat meent ghy daer te vinden? +Een opper-Kamertjen tot onderhout van vrinden, +Als in den gulden tijd van 't Hollands slecht en recht? +Neen seker, Kameren, op 't cierlickst afgerecht, +Als stondt ghy binnen Delft: gemarmerde Saletten, +En van dien niewen snoff; hoe noemt men 't? Camenetten[204], +Pronck-cellen voor een' Prins, met borden en met leêr +Op 't Haegelickst versien; (ja wel toch, lieven Heer! +Waer wil dit heen in 't end!) en seght mend' er wat tegen, +'t Heet maer een Weuninckje, een huysjen uyt den regen: +'k Wouw, dat hy met sijn' poort[205] in sneew en hagel sat, +Die Land-heer heeten wil, en woonen als in Stadt! +'k Wouw dat hy»--«Weêr-aen», riep de Schipper, is dat rijen? +Stap wegh, jou lompen uyl!' Soo raeckt' ick uyt het lijen; +Ja, lijen ick bekent 't; want waerheit, al te fel +Gepepert en gesult, gaet door en door het vel. + +Onkennis niettemin maeckt onmin by de menschen, +En, menig' droeve reis, heb ick my voelen wenschen, +Mijn achterklapper waer mijn ronde Kamer-vriend, +En met mijn onderhout, als ick met sijn, gedient: +Daer soude men sijn waer noch sijn' waerachtigheden +Niet overweldigen[206]: maer onderlinge reden +Doen gelden wat sy kost, en vriendelick bericht +Doorpluysen op een aes van 't fijnste goudgewicht; +En d'een den anderen soo veel bescheits bewijsen, +Dat laken lichtelick verkeeren sou in prijsen; +Of, kond't geen prijsen zijn, ten minsten tot gedoogh +Van hier een balck en daer een' splinter in ons oogh, + +En soo begrepen wy, of trachtten te begrijpen, +Hoe traegh voorsichtigheit moet vallen aen het slijpen +Van nagel of van tand, om in 't gesicht te slaen +Van die met ons voor God ten oordeel sullen gaen; +God, die sich 't oordeel heeft en 't wraeckrecht voorbehouden, +Als messen, die Hy ons, Sijn' kind'ren, niet vertrouwden, +Sijn' blinde kinderen, dien geen geweer en past, +Soo langt wy menschen zijn en dolen by den tast. +Dit heb ick half geleert, en tracht het heel te leeren, +En, was ick buyten 't spoor, ten halven om te keeren: +Herstelt my op de baen van Dijn' gerechtigheit, +Die my het oordeel van mijn' Broeder hebt ontseît! + +Met sulcke leeringen bevracht ick mijn gedachten, +En keur niet, of' er my quaedwillige toe brachten, +Of redelicke liên; ick let niet op den man, +Mits dat ick uyt sijn roet wat honighs trecken kan. + +Nu is de dagh ten eind', nu seggen Maen en Sterren, +'t Is tijd, u herssenen in 't bedd te gaen ontwerren. +Ick weet het, en ick voel 't: noch gaet het langzaam toe; +Want wy zijn kinderen, en hoeven schier een' roê, +Die ons te bedde jaegh': ick wil 't van my bekennen, +Het zij een' goede drift, het zij een quaed gewennen, +Het slaepen houd ick voor geen menschelick vermaeck: +En, als ick kiesen moght, ick wenschte my noch vaeck, +Noch slaepen opgeleght. Foey, dagelicksche sterven! +Foey, platte peluw-dood! foey, quistigh tijd-verderven! +Die u ontbeeren moght, wat waer sijn leven langh! +Hoe leefden hy in 't ruym, in stede van 't gedrangh +Der ueren, die den dagh versnipperen tot leuren, +En, als den avont valt, de Menschen van haer scheuren, +En werpen se voor dood, als krengen, op het stroo. +Maer emmers die het kost niet schicken, schickten 't soo. +Te bedd'! 't is Gods bevel; men magh niet stadigh leven; +Daer hoort wat stervens toe: de bladeren die beven, +En houden aen den draed van een' verdorden steel, +Gaen met den voet in 't graf; het groene gras wordt geel; +Dat 's even of ick sey: «de dood is op de lippen: +De Wereld sterft eens 's jaers; staet s'in den Herfst op 't glippen, +Des Winters is sy dood, te weten, diep in slaep, +Tot dat se 't Voorjaer weck', soo dat se geew' en gaep', +En in den Somer kom' volkomentlick aen 't waecken. +De kleine Wereld, Mensch, dien God eens wilde maecken, +Hermaeckt Hy dagelicks, en, sonder dat respijt, +Wy waeren 's levens kracht in weinigh' dagen quijt. +Die kracht hanght aen die dood: wel hèm, die 't kan bezeffen, +En stelt sijn' rekeningh soo met den Hemel effen +In 't dagelicks versterf, als waer 't sijn leste kouw, +Daer uyt hem de basuyn des Richters wecken souw. + +In spijt dan van mijn self en van de spijtigheden, +Die 'ck van den snapper in de Veer-schuyt heb geleden, +'k Gae sterven voor een' reis, en scheide van mijn' kust, +En gae my op mijn Slot begraven in mijn' rust: +Of, is 't een toon te hoogh, mijn Slotjen magh ick 't heeten; +En, vrienden van verstand, u derv' ick 't laeten weten: +'t Is Hofwijcker Kasteel daer ick te roest in gae. +Een' Kluys is oock een huys, en houdt voor wedergaê +Der Princen hooge Burght, der Steden stercke mueren: +'t Kasteel en 't Verkens-kot zijn evenwel gebueren; +De Hut staet by de Tent, en elck en streckt niet meer +Als voor een veiligh dack van klein of grooter Heer. +Noch keer ick tot den roem, en poche met de beste; +Houdt my des' ydelheit ten goede; 't is de leste: +En, die ghy uw geduld den om-loop hebt vergunt, +Verdraeght noch voor besluyt een woord van 't middel-punt. + +Ten hoofde van 't groot Plein, het Bosch van Sycomoren, +Daer Masten overhands door en door henen booren, +Rijst een gemuerde Dijck (een' Brugg' en segg ick niet, +Dat 's de gemeene slagh, die m'allom elders siet), +Een' ondermuerde wal, een' wal beset met Roosen, +Die m' uyt de Veerschuyt siet staen flonkeren en bloosen, +Een lijdelicke Trapp', dien ick te leene houw +Van u, Venetiën, de schoone; van 't gebouw, +Het wonderlick gebouw, dat ghy Rialto doopten, +Doe ghy d'er d'eene Stadt aen d'andere mê knoopten, +En liet d'onkundige wantrouwen van den boogh, +Die sulcken wijdde sou beslaen met éénen toogh: +'t En was my niet ontgaen in twaelf en achtien jaren[207], +Hoe hy my, overgaen, hoe hy my, ondervaren, +In d'onervarentheit van jongen voet en oogh, +Door 't steile vlack en door het vlacke steil bedroogh. + +Hier hebb' ick 't na gebootst: twee flauwe steenen treden, +En twee, en noch eens twee, zijn ses gelijcke leden +Van 't Hofwijcksche Rialt'. Treedt op de leste twee: +Ghy zijt niet meer vermoeyt als op den eersten treê: +Ghy wandelt en ghy klimt; ghy laeft met lange poosen, +Als Gal met Honighraed, en Distelen met Roosen, +De dry mael korte moeyt, die ses mael achter een +De minst swaerlijvige souw voelen in sijn' leên: +Ghy vindt uw voet om hoogh, én weet niet of den sesten +Den eersten opgangh is, en staet al op den lesten: +Dat kan verdeelingh doen van besigh ongemack. + +Die soo de kaerte van sijn' quellingen verstack, +En temde suer met soet, en menghde pijn met rusten: +Hy ploeghde sonder sweet en arbeide met lusten. +Ben uer gespannen Booghs, twee Peze-loos[208] of dry, +Ontwapent distelen, en suyckert slaverny: +Langh eener-hand verveelt, het zij soo soet als 't zijn kan, +Maer die met slockjens slorpt, vermant wel een azijnkan, +En, die by wijlen sit, en valt geen voet-pad langh; +Die van geen poosen weet, de weelde selver bangh: +Beurt en veranderingh verlichten doen en laeten. + +Vier naeckte Kinderen[209], al konnen sy niet praeten; +Beduyden hier die leer: de Lente staet voor aen +Met vroege Blommekens van 't jonge jaer gelaên: +De Somer volght' er op, en pronckt met Koren-aeren; +En dan den rijpen Herfst met smakelicke waeren; +De Winter luy en leêgh, met Schaetsen aen den voet, +Seght datter eens een tijd van leêgh-gaen wesen moet. +Soo loopt de Tijd rondom, en deelt sich af in Maenden, +En leert ons, ongevraeght, al wat ick flus vermaenden: +Want wie en wierd niet sat van 't eenerhande jaer, +Soo 't altijd Winter, jae, soo 't altijd Somer waer? + +Hier is Rialt op 't hooghst; hier zijn wy, sonder weten, +Tot aen de Val-brugh toe en op mijn' stoep geseten; +De Val-brugh, Vreemdelingh; wat seght ghy nu van 't Slot? +Gaet, noemt het nu Kasteel, of noemt het Duyven-kot, +'t Sluyt met een' Val-brugh af. Ghy sult de ketingh[210] soecken: +Maer dat 's een oude kunst: wy hebben beter' boecken, +Van hooger onderwijs: wy roemen op een' vond, +Die weinigh is gepleeght, die niemand en verstond, +'t En waer de Meester sprack: leert buyten huysen bouwen, +Daer 't veiligh slaepen is: de konst is waert t' onthouwen; +De Val-brugh gaet om hoogh, en maeckt een dobbel' Poort, +En buyten werdt[211] geen' klanck van ketenen gehoort, +En binnen buytelt sy met een verborgen slinger, +En sluyt, oock grendeloos, bewogen met een' vinger, +De Keuken-water-poort. Daer sit ick in mijn' Gracht +Van zestigh voet rondom, en spot met menschen-macht: +Musketten ben ick baes, en slaep op bey mijn' ooren; +Laet grove Stucken sien, die my bestaet te stooren; +Soo roep ick: _qui va là_? en luyster na gespreck, +En moet mijn' hoogen moet sien buygen voor een' geck. +Maer beter' grendelen en sterker slagh van sloten +Versekeren mijn bedd'; ick slaep' er ongesloten; +De Val-brugh is gevelt, de spil roest in de pan, +En 't is van dusend een ofs' op en neder kan. + +Mijn trouwste Nacht-slot is: voor geen' ontrouw te vreesen, +Geen' moord, geen' over-val, mijns wetens, waerd te wesen, +Der vromen vriend te zijn, den boosen noyt geterght, +Noyt ongelijck gedaen te hebben, noch geverght. +God hoore, wat ick segg': ick kan geen' vyand noemen, +Die sich in mijn verderf, met reden, sou verdoemen: +Mijn bloed was noyt verbeurt, 'k en hebb'es geen gespilt, +Daerom my yemant wensch' gerâbraeckt of gevilt: +Men heeft my met de tongh besprongen en bestreden, +En tot de wraeck geterght; Maer Gods bevel en Reden +Zijn stadigh meesteren van mijn beleid geweest, +En die mijn' hand ontsagh, heeft averechts gevreest. +Mijn onschuld is bepleit; dat 's 't hoogste van mijn wreken; +Soo houd ick hem voldaen, en sat van qualick spreken, +En quaed doens ongesint, die sijn' verbolgentheit +Ten arghsten heeft gevoelt bejegent met bescheid. +God heb ick veel vertoornt, geen redelicke Menschen +Gerechtelick geperst, mijn' ondergangh te wenschen; +Soo schrijv' ick op de deur van mijn ontsloten Slot, +Siet Hofwijck daer voor aen: Men vreest' er niet, als God. +Het minder ongeval, van plunderen en rooven, +En gaet my niet meer aen als Orgelen den dooven; +En, of de boose lust uw' handen vergen moght +De kunst, die niemand noch op Hofwijck heeft besocht[212], +Huys-breker, spaert uw' moeyt; ick kan se niet betaelen; +'t Is sottelick gewaeght, daer niet en is te haelen: +En 't waer hier over kunst[213] te vinden by der nacht +Den buyt, dien ick 'er noyt by daegh en hebb' gebraght. +De reiser[214] sonder buyl[215] singht midden in de bossen, +En weet, de roover heeft geen roer op hem te lossen; +De rijcke wandelaer magh schricken voor geweld, +De veilste paspoort is een' borse sonder geld. +Mijn bedd' waer stelens waerd: maer daer voor soud ick vechten +En, die my niet en steelt met twee vertrouwde knechten, +Kan qualick Meester zijn van deken of matras, +Daer op ick by der nacht meer als by dage pass': +De rest en is geen waer, om by den wegh te voeren; +Wie sou een' Schildery verduyst'ren voor de Boeren? +Daer is geen heelen aen[216], 't zijn vodden van beslagh, +By doncker ongesien, en lastigh by den dagh. + +Peurt aen mijn' keucken niet: ick weet 'er niets van waerde: +Mijn Bleck[217] en Silverwerck, mijn' schotelen van aerde, +Mijn' linnen-kassen kael, verwachten sonder schrick, +Wie tegens sulcken winst wil tuyschen[218] om een' strick: +Heel Hofwijck is geen proy om lijf en lid te wagen; +En died'er sich vergrijpt, sal 't op de leer beklagen, +Om yser, overtent[219], om lood, om niet met al, +Gelijck de Muys om 't speck, te treuren in de val. + +Soo valsch is 't uyterlick, en soo bedrieght schoon schijnen: +Mijn vollen inboêl is niet waerdigh om te mijnen, +Als 't voor de Lapp'-boer[220] quam: en die van buyten staet, +Meent dat een' leyen-dack beduydt een huys van Staet. +Och armen! niet van straet, 't zijn schraele leêge wanden, +Daer Kluyver[221] en Stê-boo niet wisten wat te panden, +Hol als des Meesters hoofd: ten naesten by een' Ton, +Als daer de Keiser voor most wijeken uyt de Son[222]. + +Goê rust dan, grijpend volck! ick wacht te nacht geen' gasten, +Daer zijnd'er, die ick wensch my mergen noen[223] verrasten, +Min haelens ongesint dan brengens, dat 's gewis, +Maer halers metter minn', daer geen' wet tegen is; +Huys-dieven van mijn Kass' en mijn' genegentheden, +Vijf Zielen wel gehuyst in onverlemde leden, +Vijf haelders op een' kerf, die noyt van yser wordt, +Soo langh ick niet en vast, en kom geen hemd te kort; +Vijf erven van mijn Erf, vijf leken, vijf Copyen +Van 't slechte Principael, dat sy, God lof! verby, en +Onendelick verby in waerde zijn geraeckt; +Vier knechtjens, die mijn' sorgh tot Mannen heeft gemaeckt, +Een Meisjen, tusschen moy en lijdelick van aensien, +Daer in sich Moeders deughd ontwijffelick laet aensien; +Vijf gasten ongenoyt en altijd wellekom, +Die my doen wenschen dat den dagh van mergen komm'. + +Dit vriendelick gesin onthael ick, sonder pruylen, +Van dat sy d'eenigheit, daer in ick soeck te schuylen, +Verstoren met haer' jeughd, en roeren Hofwijck om, +En maken 't nauwer dan de straet van 't Achterom. + +Daer zijn de gasten! flucks den Room-pot uyt den Polder[224], +De Boonen van den staeck, de Netten van den solder, +De Vyver in 't gewoel, de Snoecken in de Ly, +Jan Maertsen in de praem, en elck al even bly +(Bly met de volle vanghst, die selden komt te missen +Van ongeroofde winst van ongekochte visschen), +De Peeren van den Boom, de Lijster uyt de strick, +Elck vrolicker als thuys, elck besiger als ick: + +Ick besiger als elck, op 't lichten van de Seghen[225]; +Wel segen in der daet, die segen brenght op segen, +Die stadigh en op niews een' volle Visch-merckt geeft, +En tusschen slibb' en kroost van Water-schatten leeft. + +Daer vley ick mijn gepeins, en danck Geluck en Reden, +Die my een' vette Wey tot water scheuren deden: +Tot water, om mijn' erf te rijsen met die stoff, +En houden 't winter-peil beneden Huys en Hof. +Wel was 't een soete dwangh en een gesegent moeten, +Daer door ick Hof en Huys ontsloegh van natte voeten, +En gaf mijn' Boomen vry te weiden in het hoogh, +Des Winters niet te nat, des Somers niet te droogh: +Soo diep en soo ondiep pas als sy moghten sincken, +En vinden spijs genoegh, en niet te veel te drincken; +En die dien overslagh verdoemden metter haest, +Staen d' uytkomst aen en sien, verwondert en verbaest, +En d'opkomst staet haer aen, en doet haer met my seggen: +Sulck water voor sulck' land, was geld op woecker leggen. + +Danck hebb' de volle Vliet haer stadige gevaer[226], +Die 't onder-water-volck doet vlieden voor 't gevaer, +En in de ruyme stilt van Hofwijcks klaere broecken +De stille ruymte met sijns levenstochten soecken; +Van binnen veile vrê, voor buytens wilde vreughd +Met ongerustigheit, die daerom niet en deught. + +Onnoosel stom geslacht, ghy komt u hier vermeiden +Gelijck de Land-heer doet: 't is Hofwijck voor ons beiden, +Ick schuyl' er voor 't geraes, ghy duyckt'er voor 't getier: +Eén insicht, één bescheid, één einde brenght ons hier; +Maer, soo ghy spreken kost, hoe soudt ghy my beliegen, +Hoe soudt ghy, in de Vliet, 't Hofwycker-hoofsch bedriegen +Ontdecken voor den mond van d' een en d' ander' sloot, +En roepen: «Siet u voor, daer binnen woont de dood! +Het water isser koel in Vijver en in Grachten, +Maer heete Ketelen en Roosters staen en wachten +Dry voeten van de vreughd: men speelt' er met het net, +En die daer slaepen wil, smoort in 't gevierde[227] bedd': +Men noodt' er ons te gast, maer om den Waerd te spijsen; +Dat 's Hofwijcks en dat 's Haeghs: let op den Raed der Wijsen, +En steeckt u in geen gat daer geen gat door en is!»-- +Die dat bevroeden kan is kloecker als een Vis. + +Is 't niet vermaecks genoegh, de Vissen te verrassen, +Hoort, Vreemdelingh, en spreeckt genadigh van mijn' plassen: +Een Vijver is vol vreughds, al waer hy Visseloos: +Let op die Boomkens hier, let ginder op die Roos, +En al wat, om den boord van mijn' gecierde grachten, +Hofwijcker Hof verrijckt met ongemeene prachten: +Een' Roose maeckter twee, vijf Boomkens zijnder tien, +Vijf, op het water-vlack, vijf op het land gesien. + +Indien ick niet en dool, dit Peerdje treckt noch stijver, +En 't is de tweede reis gewoeckert met mijn' vijver: +Twee Huysen voor één Huys, twee Eilanden voor één, +Is weeldrigh' Alchimy, of ick en kender geen'. + +Goud-jagers, hol en dol, en spot niet met mijn' winsten; +Sy gaen voor d' uwe verr' of wegens' op, ten minsten; +Ghy meent een' dobb'le kans te nutten, en ick oock; +Ick teer op schaduwen, en ghy verteert in roock: +Mijn' schaduwen staen vast, uw roock en kan maer vluchten, +Uw' zijn verdwijnende, mijn' stadige genuchten; +Uw' droomen kosten geld, de mijne niet een' duyt, +En dueren, dat ghy 't weet, al gaet de Dagh-keers uyt; +De Nacht-keers volght'er op, en thoont my weêr mijn' schatten, +Soo, dat er een Narciss' sou poogen naer te vatten; +En 't waer den Jongelingh vergeven, als hy sagh +Al wat ick sie by nacht, en by den vollen dagh: + +'k Sie boomen voet aen voet, 'k sie menschen met de voeten, +En sonder struyckelen, malkanderen ontmoeten, +'k Sie, of ick meen te sien, de weder-zij van 't Rond, +Als of ick in Japan, aen geen' zij Banda, stond: +'k Sie schuyten, kiel aen kiel, met averechtsche vrachten, +'k Sie hoeck en hengelroê versien van dobb'le schachten, +'k Sie Swanen dompelen, en boven 't water uyt, +'k Sie alle dingh noch eens; en, even als 't geluyd, +Dat van de bergen stuyt en van de woeste wouden, +En van een' hollen Muer, voor soeter werd gehouden +Dan Trommel of Trompet, die 't doen doen wat het doet; +Soo zijn mijn' schaduwen, of schijnen noch soo soet, +Als 't schepsel dat haer baert, en schepselen doet schijnen, +'t Is waer, sy gaen te niet; maer sien wy niet verdwijnen +Al wat de wereld draeght? en Kroonen en Gebied, +En sulcke schaduwen, vergaens' in 't ende niet?-- + +Zijn alle dingen doot, is 't Vijvertje bevrosen, +Ick vraegh mijn' rappe jeughd, of 't qualick was gekosen, +Wat waters voor wat gras, een' ry-baen voor een' wey? +De Schaetsen swegen 't niet, als 't anders niemand sey: +Die schetteren 't my toe, terwijl sy dusend quicken[228] +In heen en weder-baen om Hofwijck henen stricken, +En doen my door 't gewoel van soo veel beenen sien, +Hoe wonderlick verscheelt het poogen van de liên: + +Hoe vele naer één wit door vele wegen trachten, +En elck door andere; hoe 't werren der gedachten +De wereld overkruyst: Kort om, waer uyt ontstaet +'t Oneindigh vuyl Papier, dat Kassen overlaedt, +Dat boecken swellen doet, daer solderen af stenen, +Die d' oude walgen doen, die kinderen beweenen, +Van kinds been af verbeent[229] met schrick van wetenschap; +Dat schrijven, segh ick, en dit kruysselingh geschrap +Van Schaetsen slaen op een: De waerheit is te vinden +Door wegen recht en kort: wy soeckens' als de blinden; +En swieren gins en weêr, en maken langh van kort; +Soo dat een rijs tot Boom, een blad tot Bladen wordt, +En bladen tot een Boeck, en Boecken, wilde wouden, +Daer wy den overlast soo wel af missen souden, +Als 't konstigh opgesont van spijs en overvloed, +Die ons doet quynen en den Apotheker voedt. +Hoe rijp is dese text, om bladen vol te prêken! +Maer 't waer een sot bestaen, het quaed met quaed te wreken, +Veel schrijven met veel klaps: mijn' Rijdertjens zijn moê; +Sy doen de Schaetsen af, en ick de[230] Venster toe. + +Verheught u, Leser-lief, 't is met my omgekomen; +Mijn' penn' is afgedicht; vreest voor geen' langer droomen; +'t Kan soo voor eens bestaen, en nu ick, uyt gemaelt, +Naer schijn en schaduwen tot Schaets-spel ben gedaelt, +Soo wist ick lichtelick niet[231] lyvighs meer te vinden, +Daerom ick uw geduld aen 't mijne sou verbinden. + +Gevalt u, voor de moeyt, van 't kinder-mael te zijn, +Wy sullen uw verdriet verdrincken in mijn' wijn; +Komt peist'ren in mijn' Hutt' ('k sal 't geen Kasteel meer noemen, +Ick ben soo sat als ghy van rijmen en van roemen) +Als 't mael te maeghwaert is en 't laken van den dis, +Dan sal ick u in 't kort doen sien, wat Hofwijck is, +En voeden noch uw oogh met lieffelicker dingen, +Dan die ick my vermeet te seggen oft te singen: + +Ten Oosten met een Dorp, dat geen gelijck en kent, +Ten Zuyden met een' Wey, die tegen 't Veen belendt, +En duysent Wandelaers met vier gekloofde voeten, +Die Hofwijck met den dagh beleefdelick begroeten, +En loeyen my 't bedd' uyt, en roepen, in haer' spraeck: +Op, luyaert! uyt de Pluym, en schaemt u van den vaeck! +Past op de Peerelen, die in ons' eetsael flonck'ren, +Eers' ons 't steil Sonnen-vier komt rooven en verdonck'ren; +Daer komt de roover; in de vodden[232]; 't is hoogh tijd! +Of denckt: ghy zijt uw deel in ons ontbijten quijt!»-- +Zuydwestwaert Hoef aen Hoef, en Voorburghs Ambachtsheeren, +En Delft, haer' vaste vest, daer hondert Molens keeren, +En tuygen, wat' er meels tot soo veel monden hoort, +Daer van men 't Straet-gerucht schier binnen Hofwijck hoort: +Dan Rijswijck, 't schoone Vleck, dat Princen kon bekoren[233]: +Ter Westelicker Son den lieven Haeghschen Toren, +En, over 't Broeckerhoy, der Graven hooge Woud, +En voorts de witte wal van 't Scheveninger Sout. +Kiest venster en gesicht; en weet' er af te seggen: +«Dit keur ick voor het schoonst, dit soud ick liefst verleggen», +Soo weet ghy meer als ick, die noch een weêrhaen ben, +En twijfel, waer ick best mijn' oogen henen wenn'. + +Verveelt u 't uytsien, keert; met insien sal ick 't soeten, +En doen u in een Kas van Boeren-boeckjens wroeten, +Van Boecken uyt de Stadt, van wijsheit in 't Latijn, +Of in sijn Moeder, Griecksch, of dat nu Talen zijn: +Parijs-werck, en niew Roomsch, of in de ronde lett'ren +Van 't prachtige Madridsch, of in het Engelsch quett'ren[234], +De Tael van alle Tael, die nergens thuys en hoort, +En allom boortigh is; of die m'in Holland hoort; +Of in besaeit papier met letteren en noten +Van over Zee gebracht, of in mijn' vorm gegoten; +In Veêlen, soo ghy 't soeckt, in Luyten, soo 't u lust: +Tot dat ghy bidden sult: «ey, gunt mijn' sinnen rust; +'k Ben Hofwijck sat gesien, gelesen, en gegeten; +En wend het naer den Haegh: al wilt ghy hem vergeten, +'t Is oock een soet verblijf, spijt Hofwijck en sijn' Heer!» +Ja (segh ick suchtende), maer was 't voor desen meer. + +Soo scheid ick van mijn' vriend, soo breeckt hy uyt mijn' banden, +Soo treed ick uyt mijn Touw, soo raeckt ghy uyt mijn handen, +Moê Leser, dien ick flus voor d' eerste groete gaf, +Nu voor de leste geef: «De groote Webb' is af!»-- + + + + +Noten: + + [1] Hel-ste, helderste, scherpst. + [2] Ben er. + [3] Eerst «Delfland». + [4] ondergrond. + [5] De scheiding. + [6] zwijgend. + [7] Geen vrucht dragende. + [8] Met eist beplante. + [9] Vatbaar, vruchtdragend. +[10] Des, daarvan. +[11] onredelijk. +[12] verg. boven in III en IV. +[13] In zijn oorspronkelijke beteekenis van slecht. +[14] Achter, o, voorraad. +[15] Overleg. +[16] Heel, gaaf. +[17] Den weg bijster, mis. +[18] kinder- +[19] Anders paddestoelen. +[20] Versta: in den tweeden en derden graad. +[21] vooruitzicht. +[22] Stadje. +[23] verdeeld. +[24] Versta: fidei commis, gelijk H. zelf aangeeft. +[25] Voor wassen, groeyen. +[26] beveelt. +[27] zonder. +[28] Van schuld kwijten. +[29] David. +[30] De bekende Toonbrooden. +[31] geholpen. +[32] dulden, toegeven. +[33] lijden. +[34] Ophoudt met staan. +[35] asch. +[36] brandstapel. +[37] Verg. nog 't Liesbosch bij Breda. +[38] Prins Frederik Hendrik, als Baron van Breda. +[39] Voor woud. +[40] toelonken. +[41] Anders troepen. +[42] Hofmeester. +[43] Middaguur. +[44] Van de zee omgeven +[45] Thans wordt. +[46] Tot hei wordt, verdort. +[47] Ontnomen. +[48] Versta: zijn geweven tapijtbehangsel. +[49] Eerst: schilferen en vellen. +[50] niet vangen. +[51] wil er. +[52] De bekende Utricia Ogel, aan welke hij meer dan één dichtjen wijdde. +[53] Onverzoenlijk is. +[54] bij. +[55] Een scheeven mond trekken. +[56] bekennen. +[57] Zie zijn Bijbelstof, enz. +[58] De, naar de kerkelijke overlevering, met pijlen doorschoten + Sint Sebastiaan. +[59] weigerde, begaf. +[60] Anders trilt. +[61] De van den Bosch, wel te weten. +[62] jacht. +[63] Versta: halsbrekend werk. +[64] Thans in springen er ontaard; verg. boven dient er, enz. +[65] blaar. +[66] By, voor. +[67] De haagsche bouwmeester. +[68] Jacob van Campen. +[69] Huygens--als men ziet--deelde in 't Renaissance-vooroordeel zijner + dagen tegen de zoogenoemde Gothiek. +[70] Eerst: voor mijn lusten. +[71] Uit-rooide, uitgroef. +[72] Ge-, ontmoeten. +[73] Thans niets. +[74] Dwaallichtjens. +[75] toenaam. +[76] iemand's. +[77] Versta: de Natuur. +[78] Plank. +[79] Anders: verg. 't Hoogd. sonst. +[80] worden. +[81] eerst: sy viel. +[82] De scheepspomp. +[83] planken. +[84] Voor sie om de volgende stomme h. +[85] Thans voor 't verlengde reiziger in ongebruik geraakt; men mocht er + echter 't vrouwelijk reizeres voor 't wanhebbelijk reizigster wel + van gaan bezigen. +[86] Thans morgen, gelijk worden voor werden. +[87] Omdat G. s d. +[88] Opgelegde taak. +[89] Voor dacht, gelijk broght voor braght, enz. +[90] Gebeurt, gelukt. +[91] kracht. +[92] Voor veilig. +[93] Als steeds voor na. +[94] afgetobt. +[95] Denkt, dat ik mij honderd jaar ouder heb gesteld. +[96] Beschutters. +[97] sa Prinsen heerlijkheid en slot. +[98] Perziken. +[99] Eerst confituren. +[100] Voor veiliger +[101] Eva, in 't Paradijs. +[102] monden. +[103] niets. +[104] wordt. +[105] mist. +[106] Bonte, veelkleurige. +[107] Onschuldige. +[108] spijst. +[109] Tering naar nering. +[110] geprezen. +[111] Ongerepte groen. +[112] Versta: de zingende vogeltjens. +[113] Verstellen. +[114] Beuk. +[115] Toespeling op zijn bekende Hekeldicht. +[116] De bekende haagsche straten. +[117] Versta: in den pas geeindigden 80 jarigen vrijheidsoorlog. +[118] Versta: het Engelsche, na de onthoofding van Karel I. +[119] Die van Engeland, Schotland, en Ierland. +[120] De bekende zaal op 't Binnenhof. +[121] Eerst: mijn. +[122] Thans toen. +[123] De Apostel Paulus. +[124] Zacheus, de tollenaar uit het Evangelie. +[125] Eerst: + En 't moeyelick geweld van schrale winterwinden + Te weeren van myn Plein. Daer heb ick my verpraet: + Sy syn nu hondert jaer, en overlangh in staet. +[126] nabij. +[127] Scheuren. +[128] kleinigheid. +[129] Paddestoel (Duivelsbrood). +[130] Zoo, indien. +[131] Onbetaste. +[132] Versta: bitter. +[133] erken. +[134] onverkwikkelijk. +[135] Versta: tegen zijn heeren in verzet. +[136] 1618. +[137] schuw. +[138] behalve. +[139] verschillen, schelen. +[140] dwaallicht. +[141] door en door. +[142] harde +[143] Eenvoudige. +[144] knarbeentjens. +[145] Versta: den dood met zijn seis. +[146] Als een rosmolen. +[147] camperfoelie. +[148] Thans veelal tot belachte verzwakt. +[149] bloem (eig. madelief). +[150] Anders tier. +[151] Voor landwaart. +[152] git. +[153] Borstlap. +[154] Het later zoo beruchte Groenezootjen. +[155] verwenscht. +[156] tusschenbeiden. +[157] Voor als er. +[158] Voor een mensch. +[159] zoo. +[160] Versta: 't zilvergeld. +[161] Eerst: al dat hy derft. +[162] palei, pijn paal; versta: met dwang. +[163] geweten. +[164] stugge. +[165] Versta: de schuinsche richting, waarin zich de zoogenoemde + Raadsheeren in 't schaakspel bewegen. +[166] wedergâ (verg. 't fransche en engelsche Pair). +[167] Voor veilig. +[168] Het vijftal zijner spruiten. +[169] dobbelsteen. +[170] Niets tegen. +[171] Keeren. +[172] Goud-of zilver-geld. +[173] macht. +[174] vrolyk moê-gemaakt. +[175] nasmaak. +[176] Vereenzaamde. +[177] effen. +[178] Heen-en-weêr varen. +[179] Het schuit-jagertjen. +[180] Anders bladen; +[181] overroemen. +[182] Die in Haarlem en Leiden. +[183] Schippers-plattelandsch voor bruggen. +[184] Als of ik die stond aan. +[185] Lui en ledig. +[186] Koutte, keuvelde; verg. 't fr. causer. +[187] Af, van. +[188] Voor men. +[189] Truweel, truffel. +[190] Trezoortjes, geldkistjen. +[191] leelijk. +[192] Denken, peinzen. +[193] Daar 't niet zoo te ramen is, of men vindt zich van de eene of + andere zij belaagd. +[194] Bekrachtigen. +[195] alles. +[196] Zijn keur voldaen. +[197] Verklapt, versnapt. +[198] zotten. +[199] Meen, stel. +[200] toereiken. +[201] lage. +[202] Bij manier van doen. +[203] Versta: muts van sabelbont. +[204] Kabinetjens met goudleeren behangsel. +[205] Versta: zijn achterpoort, achterste. +[206] Met geweld onderdrukken. +[207] Toen hij er in 't gevolg van Aersen van Sommelsdijck, geweest was. +[208] Zonder gespannen pees. +[209] Versta: vier beeldjens. +[210] Anders ketting, keten. +[211] Thans wordt. +[212] Beproefd. +[213] Meer dan kunst. +[214] Thans steeds in den verlengden vorm reiziger gebezigd, doch waarvan + men 't vrouwelijke reizeres wel voor 't wanhebbelijk reizigster + mocht aannemen. Zie boven. +[215] geldbuidel. +[216] 't Is de moeite van 't helen niet waard. +[217] blik. +[218] Ruilen (verg. 't Hoogd. tauschen). +[219] overtind. +[220] Uitdraagster, opkoopster. +[221] gerechtsdiender. +[222] Versta: die Van «Diogenes, den wijze, Die woonde in een Vat», + als 't bekende liedjen luidt. +[223] Morgen middag. +[224] Versta: de polderweî. +[225] Vischnet. +[226] In den zin van varen. +[227] Versta: met vuur geheet, in zinspeling op dat, met de + beddepan verwarmd. +[228] Fraaye krullen. +[229] Verstijfd. +[230] Naar 't oorspronkelijke geslacht van 't Lat. fenestra; later, + door verschepping der d verkeerdelijk onzijdig geworden, gelijk + feest, beest, enz. +[231] Thans niets. +[232] Plunje, kleêren. +[233] Blijkens het thans gesloopte huis te Nieuwburg, waar in 1697 de + vrede van Rijswijk gesloten werd. +[234] Niet, met Bilderdijk, met quoth in verband te brengen, maar als + geluidnabootsend woord te verstaan. + + + + +SPAENSCHE WIJSHEIT. + +Vertaelde Spreeckwoorden. + + + + +VOORBERICHT. + + +Een' goede handvol Spaensche Spreeckwoorden hebb' ick uyt een grooter +hoop gelesen, naerse my in haer' Tael bevielen, ende in de mijne +bevallick schenen uytgesproken te konnen werden. Daer een van beiden +gebrack, sagh ick geen voordeel te doen; want wie soude my danck weten, +dat ick slechte wijsheit van over Zee haelde, of treffelicke sinnen soo +pijnelick uytstamerde, dat mijne Landslieden van d' eene walghden, van +d' andere verschrickten, ende van geene sulcke woorden hare +Spreeckwoorden wilden maecken? Om voorts de uytgesifte soo veel +gangbarer te maken, ende aen den man te helpen, hebb' ickse in Rijm +gekleedt; gelijck men Pillen verguldt, en bittere Schellen in Suycker +Backt. In Spaensch hebb' ick 'er weinige soo gevonden: 't en zij men +voor Rijm neme sekeren wilden byklanck[1], die meest onder alle Volcken +in hare Seghswoorden daer voor uyt gaet, neffens een' Voet-maet emmers +soo los en ongeregelt. + +Ben ick niet bedrogen, Rijm en Vaste Voet-maet salse niet bedorven +hebben. Emmers slot van geluyd is het Oor aengenaem en, de Maet daer by, +de Memorie niet ondienstigh. Staende dan soo nauw op de Waerheit, als my +doenlick is geweest, hebb'ick er nochtans wat aen moeten klampen, daer +ick al te korte woorden gevonden hebbe, ende die ongepaert ende +ongerijmt. Dat, hope ick, sullen sy my ten besten houden, die het +Ambacht verstaen, ende mijne moeyte niet laecken, als met aenwijsinge +van beter, daer ick geerne voor buygen sal. + +Wat de saecke belangt, wijse Lieden sullen 't niet voor onnut +tijdverdrijf aen sien, dat ick my hier stucksgewijse aen te kost hebbe +geleght. Andere moeten weten, dat Oude Spreeckwoorden de Algemeene Wijse +Waerheden der Volckeren zijn. Sommige ontwijffelick ter Wereld gebracht +door uytstekende Lieden, sommige door 't gemeen; beide met een' aeloude +toestemminge bevestight, ende sulcks noch heden ende naer desen met +eerbiedinge aen te sien. Hoort hoe de Wijsheit van eertijds[2] daer af +heeft gesproken: «De Spreucken ende Keuren van ervarene, oude, ende +voorsichtige Lieden, schoon sy niet bewesen zijn, moeten wy niet min +gade slaen als Bewijsen; want dewijle sy ervaren van gesicht zijn, sien +sy de grond der dingen in.» + +Soudemen den anderen slagh verachten, daer tegen seyde deselve wijse +Man: «Soo daer onder vele Mannen alle niet even kloeck en zijn, nochtans +kan 't gebeuren, dat sy t' samen komende[3] beter zijn als die, niet als +eenige in 't bysonder, maer alle in 't gemeen; gelijck het in de +Maeltijden gaet, daer yeder wat toebrenght, tegens de gene die door +éénen bekostight werden. Want, alsoo sy vele zijn, heeft yeder een +gedeelte van Deughd ende Voorsichtigheit; ende de menigte te samen +komende werdt als een Mensch met vele Voeten, vele Handen, ende vele +Sinnen. Even eens gaet het in saecken van zeden ende verstand; waerom +dan oock vele beter oordeelen». Wat van den oorsprongh zij of niet (want +de Ouden hebben sommige Spreeckwoorden ge-eert als uyt den Hemel +gedaelt), de lange onverbrokene toestemminge, daer ick af gesproken +hebbe, als op onendelicke proeven gevest, staet voor alle bewijs van +hare waerde. Laet my daer by voegen, daer mede sy my verlieven, dat +yeder Spreeckwoord een Sneldicht is, en heel veel stofs in heel weinigh +omslaghs begrijpt. Soo meene ick, is het al geseght, daerom[4] +Spreeckwoorden allen lief ende welkom behooren te zijn; want wie en +gevalt het niet liever met een' once Gouds, als met een lomp stuck Loods +te betalen, of betaelt te werden? Ofte, als Erasmus[5] de gelijckenis +maeckt: Wie isser sijn Verstand machtigh, die niet meer wercks maeckt +van Peereltjens, hoe klein sy oock zijn mogen, als van eenige groote +Rots-steenen? ende gelijck, volgens Plinius, in de kleinste Dierkens +meer mirakels van de Nature is, als in den grootsten Oliphant, mits +mense ten nauwsten insie; soo gebeurt het mede in dingen de Letterkunst +aengaende, dat somtijds de kleinste den meesten geest hebben. Soo dan +yemand het Spreeckwoord wat gerings acht te wesen, laet hem gedencken, +dat die dingen niet na hare grootte, maer naer hare waerde geschat +moeten werden».--Endelick, wie en smaeckt sijn Bericht niet beter in dry +woorden, als in dertigh? Ende soo is het tijd dat ick ophoude. + + +Noten: + +[1] De zoogenaamde, in 't Spaansch gebruikelijke assonance. +[2] Bij monde van den Griekschen wijsgeer Aristoteles, in zijn Zedekunde + (Ethika Nikom.), VI. 12. +[3] vereenigen. +[4] Thans zou men hier waarom stellen. +[5] In zijn Adagia of Spreeckwoorden. + + + + +SPAENSCHE WIJSHEIT. + +Vertaelde Spreeckwoorden. + + + + + 1 Eet weinigh, of eet veel, + Dry Droncken zijn uw deel. + + 2 Een beetje dat geworght[1] wil zijn, + Vereischt een' spoorslagh van den Wijn. + + 3 Op Bruyloften of Kinder-maelen + En gaet niet, of men doe u haelen. + + 4 De Borse leêgh, 't Gebouw in staet, + Maeckt menschen wijs, maer wat te laet. + + 5 't Geheim betrouwt goê Vrienden niet: + Het is uw' schuld, soo 't haer ontschiet. + + 6 Wanneer een' Weldaed is versocht, + Is s'als geveilt en als gekocht. + + 7 De Heeren en d'Aprillen + Bedriegen wie sy willen. + + 8 Een goede Raed op aerde + Is alles boven waerde. + + 9 Goed gereed Geld in de hand, + Buyten swarigheit van Pand. + + 10 Een hondert Jaer vervoeren[2] + De Koningen tot Boeren; + In hondert Jaer en thien + Kanm' een' Boer Koningh sien. + + 11 Als eens hondert Jaer verby zijn, + Sullenw' all' te samen vry zijn. + + 12 My dunckt, levende Papisten[3] + Eten min dan doô verquisten. + + 13 't Is van des Roskams wetten: + Op een jongh Peerd moetm' een oud Ruyter setten. + + 14 Spint onse Vrouw noch grof noch fijn, + Soo moet de Kat gegeesselt zijn. + + 15 Heer al-beschick! beraed u, + Ghy geesselt maer de schaduw. + + 16 Het loon getelt, + Den Arm ontstelt[4]. + + 17 Wilt ghy dat uw Handwerck spoê, + Ambachts-man? bidt en slaet toe. + + 18 Verstopt[5] uw' oude Kleêren maer, + Soo raeckt ghy soetjens door het jaer. + + 19 Daer niet en is, + Gaet soecken mis. + + 20 Moet gh' over een wijd Water gaen, + Soo maeckt u altoos achter aen. + + 21 Haest u niet te snel, + Selden ras en wel. + + 22 Hoogh opgehaelt, + Is laegh gedaelt. + + 23 Kout Water en warm Brood + Is aller buycken dood. + + 24 't Peerd op sijn Water wat gedraeft, + Is even of ghe 't Haver gaeft. + + 25 Van Water eens gestort + Raeptm' altijt wat te kort. + + 26 Maeckt u 't werck quijt, + Het is hoogh tijd. + + 27 Daer is geen quaed brood + In hongers nood. + + 28 Veel Rechters in verscheiden landen + Sien na de Voeten in de Handen. + (Geschencken van Hoenderen). + + 29 Jocken is een van de saecken, + Die men op haer soetst moet staecken. + + 30 Gemeene[6] pijn in 't Hoofd + Werdt[7] etende verdooft. + + 31 Een Dochter die niet veel en deught, + Geld en een Man, so haest ghy meught. + + 32 Hy loop' soo langh hy wil, den Haes, + In 't ende werdt[7] de Windhond baes. + + 33 By avond komt de Wolf gegaen, + En vloyt den Esel in de Maen. + + 34 's Avonds veel en al, + 's Morgens niet met al. + + 35 's Avonds goed Gerecht, + 's Morgens quaed gevecht. + + 36 De Kloeke negen, + Te Bedd' gelegen. + + 37 Het komt seer naer op een[8]: + Een spade Gift of geen'. + + 38 Een Sweetvos, wat gh' hem doet, + Is eer dood als vermoedt[9]. + + 39 Die ter Jacht meent wat te vangen, + Blijft in 't Net wel selver hangen. + + 40 Den Vos, die niet wil waecken, + En valt niet in sijn kaecken! + + 41 Het goede moet ghy soecken, + 't Quaed wacht[10] uyt alle hoecken. + + 42 Die geen arbeid moed'en wordt, + Krijght in 't lang, of krijght in 't kort. + + 43 't Conijn ontgaen, + Te laet beraên. + + 44 Door die of dese straet, + Siet maer, met wie ghy gaet! + + 45 Eens anders Goed + Erft op geen bloed. + + 46 Den Huysman met veel Mesten + Heeft niet altoos van 't besten. + + 47 Uw Dochters kind schickt warmkens in de kluys, + Schoondochters kind wat Broods, en uytten huys. + + 48 Indien gh'een vroom Man siet, + Vraeght naer sijn afkomst niet. + + 49 'k Wenschte, dat ick woonen most, + Daer een Ey vijf Stuyvers kost. + + 50 Daer de Tanden seer doen, + Wil de Tonge weer doen. + + 51 De Wetten moeten gaen + Soo 't Koningen verstaen[11]. + + 52 Leert staegh den Vromen by zijn, + Ghy werdt soo vroom als sy zijn. + + 53 Laet Gecken en laet Winden + Den vryen deurtocht vinden. + + 54 In quade Wegh is 't naeste, + Datm' er sich wat door haeste. + + 55 Om Sout in Zee; + Daer is het reê[12]. + + 56 Die Doctor, Advocaet, of Biechtvaêr wil bedriegen, + Bedrieght sich selfs met liegen. + + 57 Goed Brood en goed Gerecht + Kost voor een niewen Knecht; + Maer binnen Jaer en dagen + Niet als goed Brood en slagen. + + 58 Den Jongen, die Brood eten wil, + 't Is sonde, dat m'er Loock aen spill'. + + 59 Leert u besigh maecken + Met uw eigen saecken. + + 60 't Magh vroegh of laet zijn, + April wil quaed zijn. + + 61 Die u Capoen ter tafel dient, + Heeft Bout en Vleugel bey verdient. + + 62 Die niet veegh is noch verwesen, + Kan schoon water wel genesen. + + 63 Daer 's geen betrouwen aen + Dien gh'eens quaed hebt gedaen. + + 64 Eén Alchimisterij gaet vast: + Veel Renten, en niet veel verbrast. + + 65 Door den Vijfden[13] werdt bewesen, + Wat het voor een Maend sal wesen. + + 66 Hebb' ick mijn Rocksken av'recht aen, + Het magh soo blijven gaen en staen[14]. + + 67 Doet geen beloften aen den rijcken, + Den armen wacht u uyt te strijcken. + + 68 Als Trompetten slaen, + Gaet het kacken[15] aen. + + 69 Wijst eens uw keucken aen uw Schoonsoon en uw Vercken, + Sy sullen 't beid' haest mercken. + + 70 Mint een, die u niet en mint, + Spreeckt, daer ghy geen spraeck en vind; + 't Een en 't ander is maer wind. + + 71 Wascht uw handen, God sal geven + Daer s'af leven. + + 72 De Wijsheit en het Minnen + Hoort tot verscheiden sinnen. + + Min en verstand + Is tweederhand. + + 73 Vrienden in schoon weêr, + Tegen wind niet meer. + + 74 Vriend van al en vriend van geen, + Is meest al een. + + 75 Een vriend om sijn gemack, + Een Swaluw in een Dack. + + 76 My dunckt, des Winters Sonneschijn + En Schoon-soons liefd' één dingen zijn. + + 77 In Leêgheit opgevoeyt, + In Ouderdom vol moeyt[16]. + + 78 't Is goed te seggen _Trouw_[17] en _Min_, + Maer laet het Woord gegeven zijn, + En laet de saeck beschreven zijn[18], + Het end valt arger als 't begin. + + 79 Een Vader mint; + De rest is wind. + + 80 De Liefde, Geld, noch groote Pijn + En konnen niet verborgen zijn. + + 81 De Min, den Hoest, en 't Vyer noch meer + Ontdecken yedereen sijn Heer[19]. + + 82 Een Herberghs liefd', en anders niet, + Soo veel te minnen alsm'er siet. + + 83 Weest of dood of veer[20]; + Daer 's geen liefde meer. + + 84 Gaet de Roskam gins en weêr, + Somtijds slaet hy in het zeer. + + 85 Soo wy de Geit van rots op rotse sien, + Soo springht de Geew van desen Mond in dien[21]. + + 86 Laet ons in de Waerheit weyen, + Als Saletten vol Klappeyen. + + 87 Hondje! keer, + Volght uw Heer. + + 88 Laet ick maer warm zijn toegerust, + En laetse lacchen die het lust. + + 89 Men moet sich niet vergapen + Aen 't keurelickste[22] Wapen: + 't Is 't mannelick gemoed, + In d'Oorlogh, dat het doet. + + 90 Eer sal een Nachtegael uyt zijn gesongen, + Als praet ontbreken sal op Vrouwentongen. + + 91 Versiet u, eer ghy trouwt, + Van Huysingh wel gebouwt, + Van Land daer wat kan groeyen, + En Wijngaerd om te snoeyen. + + 92 Vóór den tijd een groot gedruys, + Als de slagh komt, niemand t'huys. + + 93 Eer eene dusend jaer + Zijn w'alle kael van Haer. + + 94 Yder een in sijnen handel[23] + Liever Moerbey als Amandel. + + 95 Eer dat ghy trouwt, siet in den wind: + 't Is geen knoop, die men licht ontbindt. + + 96 Prijst noch lastert niet, + Eer ghy kent en siet. + + 97 't Vleesch van een Sot[23] + Is eer verrot, + Als in den Pot. + + 98 Niewe daden, + Niewe raden. + + 99 De Koning dood, + Het Rijck in nood. + + 100 Het oude woord en kan niet missen: + In onklaer Water is goed vissen. + + 101 Naer een Pot die ziedt, + Komt de Vliege niet. + + 102 Dat Been is voor den mond + Van eenen andren Hond[24]. + + 103 _Mompeer_[25] magh wel bewaren; + _Mon fils_ en kan niet sparen. + + 104 Het Hout doof, dat geroockt heeft, + De man dood, die 't gestoockt heeft. + + 105 Tot malle Praetjens hooren + Een paer gestopte Ooren. + + 106 Tot veerthiendagens Brood te breken, + Behoort een honger van dry weken. + + 107 Leert hoogh en laegh op alle Veêlen, + En danst al, dat de Tijd wil spelen. + + 108 Moet ghy de Kunst met schreyen halen, + De Vreughd sal 't in de winst betalen. + + 109 Die niet kan Naeyen en wil Snijen, + En kan in 't ambacht noyt bedijen. + + 110 Vraeght men u te ras, + Antwoordt op uw pas. + + 111 Let op, een groote Jagers Door[26], + Daer light noyt groote Mishoop voor. + + 112 De Dochter heet ick wel getrouwt, + Die Schoon-moêr noch Nicht en behouwt. + + 113 't Is een recht welsprekend Man, + Die sich selfs bered'nen[27] kan. + + 114 't Is uw Vriend, wie dat ghy zijt, + Die u van gerucht bevrijdt. + + 115 't Gaen is gesond + Op effen grond. + + 116 't Zij een leur, het zij een seur[28], + Die men schenckt en heeft geen keur[29]. + + 117 Dien den Hemel heil wil geven, + Krijght wel Biggen van sijn Teven. + + 118 Dien gh'uw geheim hebt uytgebrocht, + Dien hebt gh'uw Vryigheit verkocht. + + 119 De Kies die seer doet, + Is 't die om veer moet. + + 120 Die bouwt of trouwt, + Sijn Bors verkout. + + 121 Dien sijn Degen en sijn Hert + Niet genoegh zijn om te vechten, + Sal niet sonderlings[30] uytrechten, + Schoon een Lans sijn Wapen werdt. + + 122 Die geen Brood te veel en heeft, + Hoeft geen Hond, die met hem leeft. + + Die niet veel Broods en heeft te breken, + En hoeft geen Honden aen te queken. + + 123 Die niet en heeft, + Die niet en beeft. + + 124 Die veel wil waecken, + Doorgrondt veel saecken. + + 125 Wilt gh' een' Booswicht sien verlegen, + Brenghter anderhalven tegen. + + 126 Neemt uw Kleed, + Ghy zijt in 't sweet. + + 127 Rood in den Morgenstond sal 's Avonds Water zijn; + Rood in den Avondstond, des Morgens Sonneschijn. + + 128 Tot Wapenen en Geld + Goed' handen van geweld. + + 129 't Vyer brandt, naer 't Hout + Komt uyt het Woud[31]. + + 130 Ploegen onder 't vriesen + Doet het gras verliesen. + + 131 De Merrie met een Veulen + Gaet niet recht na den Meulen. + + 132 't Peerd, dat kreupel is in 't gaen, + Moet wat vroeger op de baen. + + 133 Een ouden Ezel met een kreupel been, + Een ros Man en een Duyvel, is al een. + + 134 Den Ezel die aen velen hoort, + Werdt van de Wolven eerst vermoort. + + 135 Den Ezel die daer graest in ander Lieden weiden, + En komter sonder vracht van Hout niet uyt te scheiden. + + 136 Daer kan geen arger Sieckte wesen, + Als niet te willen zijn genesen. + + 137 De Maeltijd komt te kort, + Daer 't al gegeten wordt; + + Genoegh en isser niet, + Daer heel niet overschiet. + + 138 't Is seker een swack Man, + Die niet eens dreigen kan. + + 139 Naer een sijn Voeten plant, + Ontdeckt men sijn Verstand. + + 140 Soo schielicken geval komt een[32] somtijds te vooren, + Als na de Merckt te gaen en keeren sonder Ooren. + + 141 Des Sondaghs siet de Vrouw + Als 't Koren in de Douw. + + 142 Een Boer in 't midden van twee Advocaten, + Is of twee Katten om een Visken saten. + + 143 Soo werdt[33] er somtijds uyt + Een Edelman een Guyt. + + 144 Hoe grooter Visch, hoe grooter leugen, + Hoe visch en leugen beter deugen[34]. + + 145 Geeft ghy te veel Broods aen uw Knecht, + Hy dwinght u, dat gh' er Kaes op leght. + + 146 Tot hier toe is 't geen nood: + Men eet noch Bruylofts brood. + + 147 't Is in de Keucken al van 't mal, + Men braedt niet en men droopt' er al. + + 148 't Isser meê gemaelt, + Rijdt gh' al eer ghy zaêlt + + 149 Ghy zijt noch qualick uyt den dop, + En setgh' alreeds 't Zeil in den top? + + 150 Hoe schoon de logen zij versonnen, + In 't einde werdt sy overwonnen. + + 151 Hoe hoogh den Arend vliegen kan, + Het Valckstuck werdt' er meester van. + + 152 De Vijl, hoe scherp sy bijt', + Werdt wel een tandje quijt. + + 153 Offer uw Hond mack uytsiet, + Bijt hem in sijn lippen niet. + + 154 Al houdt men my voor geck, + Ick wil med' in 't gespreck. + + 155 Al zijt ghy oud en wijs in velen, + Laet u noyt goeden raed vervelen. + + 156 Al zijn de Ringetjens verlooren, + De vingertjens staen, daerse hooren. + + 157 Dry die malkandren helpen willen, + Zijn machtigh ses Mans wicht te tillen. + + 158 De Vrienden, d' Oly, en de Wijn, + Elck moet wat oud van jaeren zijn. + + 159 Nat en geseept te voren, + Soo goed als half geschoren. + + 160 Dryverwigh in den Baerd, + Verrader in den aerd. + + 161 Daer 's geen Barbier bynaer, + Als geck of kaeckelaer. + + 162 Het buyckje goed gevoedt, + Het slaepen in den Voet. + + 163 Dans ick soo wel als yemand danssen magh, + Wat hebt ghy my te stooten uyt het lagh? + + 164 Een schoon Man by de Vrouwen, + Is niet voor arm te houwen. + + 165 't Is de beste vriend die 'ck weet, + Die sijn Broodje met my eet. + + 166 't Lecker beetjen is wel soet, + Waer het niet soo dieren goed. + + 167 Wel geluckigh is de Man, + Die sich selven straffen kan. + + 168 Het Beestje, dat gemacklick gaet, + Voor my, niet voor mijn Cameraed. + + 169 Goed Eten en goê Dranck in 't lijf, + Maeckt t' samen een soet tijd-verdrijf. + + 170 Quaed gebruyck in doen of leggen, + Is seer quaelick af te leggen. + + 171 Hy is 't, die van beminnen weet, + Die noyt sijn Vrienden en vergeet. + + 172 Niet wel gebrast, + Is wel gevast. + + 173 't Is wel, sonder Doctoor te weten: + Van veel eten komt qualick eten. + + 174 Sy rekent red'lick wel, het Wijf, + Maer 't Kind noch beter in haer lijf. + + 175 Uw Mantel is u niet te kort, + Indien hy maer niet nat en wordt. + + 176 Soo goed, soo quaed als 't kan, + 'k Ben een getrouwde Man. + + 177 Men kent het Goed, dat quijt is, + Niet eer, dan als 't geen tijd is; + + Men kent verloren Goed + Eerst als men 't missen moet; + + Al die sijn Goed verquist, + Kent het niet, eer hy 't mist. + + 178 De Doren weet seer wel, + Waer dat hy steeckt in 't Vel. + + 179 De wijse Man weet, dat hy niet en weet, + De sotte meent, hy weet van als[35] bescheed. + + 180 De Vos, die sich vermaeckt, + Weet wel met wien hy schaeckt. + + 181 St. Pieter is heel wel te Roomen, + Wordt hem de Kroon slechts niet genomen. + + 182 Laet de Kat eerst brassen, + Daer na sals' haer wassen. + + 183 'k Weet wel, wat ick wil bedieden, + Als ick Brood bid[36] van de lieden. + + 184 Het is wel goed op goed gehoopt, + Een Botram, diem' in Honigh doopt. + + 185 Ongeluck is wellekom + Mits het maer alleen en komm'. + + 186 Laet ons bly en rustigh wesen, + En niet eens voor schulden vreesen. + + 187 Wit vriesend weêr + Brengt Water neêr. + + 188 Ongesond Brood in den mond, + Noch voor u, noch voor uw Hond. + + 189 Hoe? moeyt' in Huys en moeyt' op 't Land? + Wat Drommel, moeyt' aen alle kant! + + 190 Die dreight en slaet, + Doet noyt groot quaed. + + 191 Keer om dat blad, + Daer staet noch wat. + + 192 In goede en quade leden + Bestaet de kracht der Steden[37]. + + 193 Die wil van Water droncken wesen, + Hoeft geen kort tijd-verdrijf te vreesen. + + Wilt gh' om een Rous[38] te water gaen, + Uw leven hebt ghy niet gedaen. + + 194 Veel gegeews en veel gegaeps, + Of veel Hongers òf veel Slaeps. + + 195 Schoon Water is heel goed gedronken, + 't En kost niet, en 't en maeckt niet droncken. + + 196 De Sneeuw en geeft geen ongeval, + Mits dats' op rechte tijden vall'. + + 197 't Land-leven is bevallick, maer + Voor weinigh tijds, niet voor een Jaer. + + 198 Sommigen staet stelen vry: + Goed gerucht deckt Dievery. + + 199 Mooren[39] waeren + Goede waeren. + Kostens' eten sonder 't Geld, + Daer m' haer eten voor bestelt. + + 200 Een Krengh wordt een goed Paerd, in een' goê hand gestelt, + Een goed Paerd wordt een' Krengh, als 't een quaê hand bestelt. + + 201 Mijn Kater is mijn redelick goed vriend, + Behalven dat my 't krabben niet en dient. + + 202 Veel smeeren op sijn' Renten + Maeckt slechte Testamenten. + + 203 Goede woorden en quaê trecken + Strijcken Wijsen uyt en Gecken. + + 204 Sorgh voor 't voedsel van uw kind, + 't Is een' goê webb' die ghy spint. + + 205 Het lecker leven + Kan rimpels geven. + + 206 Geduld is licht te weegh gebracht, + Daer een' goê maeltijd werdt verwacht. + + 207 't Is goed slaen op een Vent vol wind, + Al daer m' hem maer alleen en vindt. + + 208 De jonge lieden moeten 't hooren: + Een ouden Os maakt rechte Vooren. + + 209 Een langen Os en een rond Paerd + Zijn by de kenners 't meeste waerd. + + 210 Goede mergen, groote Heeren, + Maer ick hadt mijn geldje geeren. + + 211 Goed Oor, goê Voet, + De[40] Beest is goed. + + 212 Is maer 't begin ter degen, + Soo is men al halfwegen. + + 213 'k Wens, dat hy in den Hemel komm', + Die eerst het woord vond van _Keerom_. + + 214 Backer! past ghy op uw Koecken, + Sonder ander werck te soecken. + + 215 Al spelende van 't een in 't ander jock, + Geraekt de Wolf den Ezel aen sijn rock. + + 216 En jockt niet met den Ezel licht, + Of wacht sijn steert in uw gesicht. + + 217 Die binnens huys 't spel van een Geck bemint, + Verwacht' het buiten, waer de Geck hem vindt. + + 218 Ghy soeckt vijf voeten aen een Kat, + Die er noyt meer als vier en had. + + 219 Moeter meer als Kooren + Tot uw Brood behooren? + + 220 Anders buyten, anders binnen: + Langh van Locken, kort van Sinnen. + + 221 Wel singen en schoon Haer + Profijteloose waer. + + 222 De Geit die wel herkauwen kan, + Daer komt de Melck met hoopen van. + + 223 Een snapper is als of men sey: + Veel kaecks[41] op 't nest en noyt een Ey. + + 224 Of de Kraemer is een bloedje, + Of hy prijst sijn eigen goedje. + + 225 Elck Haertje, bruyn of blond, + Sijn schaduw[42] op den grond. + + 226 Alle Papen-kappen + Stoffen[43] op haer lappen. + + 227 Maeckt geen staet op een anders Goed, + Elck schaep hangt aen sijn eigen voet. + + 228 't En kan niet anders zijn: + Elck Vat rieckt naer sijn Wijn. + + 229 Elck Musken sleept om best + Sijn stroyken naer sijn nest. + + 230 Yeder Man + Heeft sijn Van[44]. + + 231 Elcke Mier + Maeckt haer getier. + + 232 Al is het Vlieghsken noch soo klein, + Het geeft sijn schaduw op het plein. + + 233 't Zijn gecker booswichten, en booser[45] gecken treken: + Tot sijnent niet dan quaed van 's naesten goed te spreken. + + 234 Elck Schaep soeckt in de Heiden + Met sijns gelijck te weiden. + + 235 Een yeder Man + Spreeck', wat hy kan. + + 236 Elck voelt of 't koud of heet is, + Naer dat sijn lijf gekleedt is. + + 237 Elck magh na sijn maniere doen, + Den Ezel houdt sijn oud fatsoen. + + 238 Daer elck gekipt is, is hy best, + En yeder Musken in sijn nest. + + 239 Een yeder moet sijn Beenen strecken, + Soo verr' sijn Deken uyt kan recken. + + 240 Een yeders levens tijd gaet met het schreyen aen; + Daer zijnder weinige van lacchen uytgegaen. + + 241 Een Queepeer en een stront + Zijn bey geel en bey rond. + + 242 Een Koortsjen in de May, + Het heel Jaer fris en fray[46]. + + 243 Najaers Koortsen noodelick[47]: + Of heel langh òf doodelick. + + 244 Houdt den Mond en roert de Hand, + Soo te Water als te Land. + + 245 Doet d'Oogen op en houdt u Tongen, + Wy krijgen 't Moêrhoen met de jongen. + + 246 Geeft en swijght, + Spreeckt en krijght. + + 247 Laet Tongen stille leggen, + En laat Papieren seggen. + + 248 Een Reiser[48] moê gegaen, + Soo hy geen Paerd en krijght, slaet wel een Ezel aen. + + 249 Den Ezel manck, de Borse plat, + En dienen niet op 't Roomsche pad. + + 250 Laet eens de Klock geborsten wesen, + Geen handen konnense genesen. + + 251 Met[49] als 't Licht uytgesnoten werdt, + Werdt alle dingen[50] even swert. + + 252 Daer den Hond te harde leckt, + Komt wel, dat hy 't bloed uit treckt. + + 253 Des morgens vroegh schreeuwt het Patrijs, + 't Sou blijven slapen, waer het wijs. + + 254 Het Haentje kraeyt, en 't Hoentje wil t' wel weten: + Het huys vergaet, daer Meel gebreeckt om t' eten. + + 255 De Kickvorsch singht gerust en stijf, + En heeft, noch haer noch wol om 't lijf. + + 256 Veeltijts op éénen dagh doen wy verscheiden werck: + Wy schreyen binnens Huys, en singen in de Kerck. + + 257 De Kan, die veel te water gaet, + Licht, dats' een scherfken achter laet. + + 258 De slechtste wil sijn singen + Een yeder overdringen[51]. + + 259 Niew Schoentjen, hoe langh sult ghy 't herden? + Tot dat ghy 't smeeren moê sult werden. + + 260 Goê Schoenen, 't zijse niew genaeyt zijn of verouden, + Zijn beter aen den Voet als in de Hand gehouden. + + 261 Capoenen van acht Maenden oud, + Zijn Koningen haer rechte bout[52]. + + 262 Siet gh' een traegh Schip achter blijven, + Laedt het wel, 't sal beter drijven. + + 263 Wat is naer de Liefde leven? + Wel betalen, wel vergeven. + + 264 Men hoeft my niet te nooden + Tot Schotelen geladen + Met Vleesch, dat eens gesoden + En dan eens is gebraden. + + 265 Is de Wagen + Omgeslagen, + Laet hem steken, laet hem breken, + Niemand wilder hand aen steken[53]. + + 266 Die 't Huys uyt veeght, en deckt den Dis, + Wacht gasten, of mijn gis is mis. + + 267 't Huys, dat twee Deuren open houwen, + En kan men niet altoos betrouwen + Aen allerhande slagh van Vrouwen. + + 268 Ons huys sal eerst na desen + Volmaeckt in alles wesen. + + 269 Bruyd! ick hebb' u heftig lief, + Om uw goed en fijn gerief. + + 270 't Is redelick gewenscht, als yemands luck[54] soo groot waer: + 't Huys van een Vader, en een Wijngaerd van een Groot-vaêr. + + 271 Trouwt uw Soon, als ghy 't hem gunt, + En uw Dochter, als ghy kunt. + + 272 Hebt Huysingh min noch meer, als u ter wooningh dien', + Hebt Wijnen min noch meer, als uw Gesin met eeren + Ten oorboor kan verteren; + Hebt Landen min noch meer, als ghy kont oversien. + + 273 Een Huys kiest, dat gemaeckt is, + Een Wijngaerd, die gestaeckt[55] is. + + 274 Daer Vred' is uytgegaen, + Kan 't Huys niet langh bestaen. + + 275 Wat Drommel! trouwt my dan, als 't emmers wesen sal; + 't Is beter yet, als niet met al. + + 276 Als alle dingen worden swert, + Is 't tijd, dat 't Licht ontsteken werd'. + + 277 Trouwen, trouwen, schoon geluyd, + Is soo soet niet als het luydt. + + 278 'k Gae trouwen; wilt ghy weten + Waerom? Ick stae 't bekent: + 'k Sal 't beste beetjen eten, + En sitten aen 't hoogh end. + + 279 Trouwt, ongeluckigh man! + Het sorgen komt' er van. + + 280 Leert u, bey Mans en Vrouwen! + In Peterschap en Trouwen, + Aen uw's gelijcken houwen. + + 281 't Kan een in één dagh wedervaeren, + Getrouwt te zijn en qualick vaeren. + + 282 Een leêgh Huys, op sijn best: + Een levend Ratten Nest. + + 283 Isser op 't Huys niet veel dacks: + Veel koûs, en niet veel gemacks. + + 284 't Huys prachtiger dan 't hoort: + De Dieven voor de poort. + + 285 Bestraft den quaden in sijn quaed, + Terstond geraeckt ghy in sijn haet. + + 286 Daer alles is in staet, + Is 't Slot vry van verraed. + + 287 Geeft een Ruyter een goed Paerd, + 't Quaed is noch goê noch quaden waerd. + + 288 Is 't Paerd geteekent aen vier voeten, + Seght, dat het Gecken rijden moeten; + Is 't Paerd geteeckent aen de dry, + 't Is waerd, dat het een Koningh ry. + Is 't Paerd geteeckent aen maer éénen, + Laet het u nemmermeer ontleenen. + + 289 't Paerd, dat geen Paerden voor wil lijden, + Is goed, om meê voorby te rijden. + + 290 Geeft de slagen daer sy hooren, + 't Paerd dat vlieght, en hoeft geen Spooren. + + 291 't Paerd, dat het minste komst van Stal, + Is 't Paerd, dat meeste briescht van all'. + + 292 't Is wel geluckt en na behooren: + Den Ezel viel, en viel in 't Kooren. + + 293 Stracks na den eten gaet te Bedd', + Soo gh' op wat hoofd-pijns niet en let. + + 294 Gaen alle dingen soo sy deên, + Zijn Vlamm' en Roock niet verr' van een. + + 295 Een ringh rond om de Maen + Sal op een Regen slaen. + + 296 Laet 's Lands bestiering loopen, + Met Mond toe en Bors open. + + 297 Is de Haver vol gedragen, + Laetse snijden in acht dagen. + + 298 De Haver op de Mis, + Houdt het gewas gewis; + En, soo 't Jaer vochtig is. + En vreest niet, dat het miss'. + + 299 Klein is de Doorn, die niemand siet, + Maer dien hy steeckt, vergeet hem niet. + + 300 Die in niewe Schouwen koken, + Moeten lijden datse rooken. + + 301 Wat is een schoorsteen sonder Vier? + Land sonder Haven of Rivier. + + 302 Als honderd Molenaers by honderd Snijders quamen + En honderd Wevers, 't waer dry honderd Dieven 't samen. + + 303 Kost één Vrouw t'ééner dracht een honderd kind'ren winnen, + Sy scheelden een voor een hoofden en van sinnen. + + 304 Doet toe de Poort, en laet den Sleutel hier by my. + 't Volck dat in wesen wil, magh roepen: «hier zijn wy». + + 305 Wat doen de Menschen met vijf ving'ren aen een Hand? + Somtijds eer en profijt, en somtijds schaê en schand. + + 306 Leert u aen Monicken, aen Joden, of aen Papen + Haer vriendschap niet vergapen. + + 307 Een goeden naem neemt voor uw Wapen, + En gaet gernstjens liggen slapen. + + 308 Sy bloost gelijck een Roosje, + Maer s'haelt het uyt een Doosje. + + 309 Vol van Bloed en vol van Vleisch + Is een Meisjen, als ick eisch. + + 310 Swart en gebloost staet wel, + Maer 't is verw van de Hel. + + 311 Gevaer, die staegh aen 't loopen zijt, + Waer ick u soeck, ick ben u quijt. + + 312 Eet met den Man, + Maer wacht'r u van. + + 313 De Kat en rooft noch Vleesch noch Vis, + Dan die niet wel bewaert en is. + + 312 Eet 's Middags weinigh, 's Avonts meer, + Slaept boven, en en vreest geen zeer. + + 315 Aen een goê Tafel wel geseten, + Een Mes in scheê, is half gegeten. + + 316 Ghy lijckent allerbest een ouden Koolsack, Heer! + Van buyten quaed en vuyl, van binnen nog veel meer. + + 317 Hoe komt uw Vrouw soo dick en menighmael met Kind? + Door dien ick 't jonghst van all' altoos meest heb bemint. + + 318 Hoe 'ck dieper ben in gunst geraeckt, + Hoe my meer quellingh heeft genaeckt. + + 319 Waerom en grimt u Meester niet? + Om dat gh' em ongehylickt siet. + + 320 Gaet sus of soo te werck, + De Herbergh valt altoos veel naerder dan de Kerck[56]. + + 321 Hoe komt ghy kael van Hoofd en Kin? + Met nu en dan een haerken min. + + 322 Hoe gaet u leven, Man? + Met schreyen altemet, met lacchen nu en dan. + + 323 Soo sietmen 't somtijds gaen: + Dry Meiskens tot een Schoen, de vroegst' op, treckt hem aen. + + 324 Geselschap maer van één, + Geselschap als van geen; + Geselschap van één meer, + Geselschap van den Heer; + Geselschapken van dry, + Dat heet geselschap vry; + Geselschap van twee tween[57], + De Duyvel op de been. + + 325 Keurt alle ding met onderscheit; + Dier koopen is geen mildigheit. + + 326 En loopt niet op een ydel hoop, + De Wolf en heeft geen Vleescn te koop. + + 327 't Is meesterlick profijt, ghy mooghter wel op uyt zijn: + Twee Viskens ingekocht, voor vijf die wel gefruyt[58] zijn. + + 328 Noyt saghmen een onschoone Vrouw, + Als s' opgeschickt was, soo se souw. + + 329 Met Suycker en met Honigh soud' een Stront + Soet worden in den Mond. + + 330 Het Water, eens voorby gevloeyt, + En maeckt niet, dat de Meulen spoeyt. + + 331 Met kunst en met bedrogh beleeft men 't halve Jaer; + En met bedrog en kunst het ander halv' daer naer. + + 332 Slechten Adel kan men decken + Met goê Kleeren aen te treeken. + + 333 Gebruyckt een yeder lit, daer toe 't sijn last ontfong: + Spreeckt met de Hand niet, want ghy naeyt niet met de Tong. + + 334 Goede Vriend en goede Wijn + Moeten éénerhande zijn. + + 335 'k Heb met een Koning liggen mallen, + En op een Hoer is 't uyt gevallen. + + 336 Noch Oogh, noch Trouw en kan yet velen; + Ick wil met geen van beiden spelen. + + 337 Een goed Knecht betert, als gh' hem slaet, + Een quade werdt noch eens soo quaed. + + 338 De Mispel rijpt, en werdt haer trecken quijt, + In weinig Stroo en in geen langen Tijd. + + 339 De Borstel kan het Laken, + De Hand de Zy schoon maken. + + 340 Gaet vry uw oude gangen, + Die Windhond heeft u wel een ander Haes gevangen. + + 341 Siet, hoe men aen verandringh raeckt, + Van dat Stof is dit Slijck gemaeckt. + + 342 In Weelde sietm'er veel gewennen, + Haer selven nauwelicks te kennen; + Soo haest mens' uyt de weelde siet, + En kentse weder niemand nief. + + 343 Gaet te biechten en betaelt, + Mergen werdt ghy wegh gehaelt. + + 344 Met Keerssen en goê Wachten + Kan m' hem voor Horens wachten. + + 345 Neemt Yser en Azijn, + Daer goeden Int moet zijn. + + 346 Die met Geld jockt of met Vrouwen, + 't Sal hem vroegh of laet berouwen. + + 347 Het Wapen van uw kracht + Stelt noyt in Vyands macht. + + 348 Dat de Lever kan genesen, + Kan de Milt ondienstigh wesen. + + 349 Dat Claertjen kan genesen, + Kan Maertjen schad'lick wesen. + + 350 Het Huysgesin en heeft geen tier, + Daer Spinrock baes is van Rapier. + + 351 Luyden van Krackeel en Haer[59], + Veel lands tusschen u en haer. + + 352 Aen Sangh en Spel en Peerden mennen, + Kan m' yder een sijn' sotheit kennen. + + 353 Al stond u Vriendenraed niet aen, + Stelt hem te boeck, en laet hem staen. + + 354 Sy eet met u, sy light met u in 't Bed, + Die u twee tacken op het voorhoofd set. + + 355 Met langh druppen achter een, + Boort de Goot wel door den Steen. + + 356 Leert noch Gebuer noch Vriend geloven, + Die u in 't aensicht derven loven. + + 357 Wordt een Pion een Koningin, + Daer magh geen Schaeckstuk tegen in. + + 358 Men suyvert met den Wind het Koren van het Kaf, + De Sonden met de Straf. + + 359 't Is geen slagh, om een Wolf te nooden, + Om een ander meê te dooden. + + 360 Soo gaet het met veel saecken: + Men derft wat onrechts doen, om aen wat rechts te raecken. + + 361 Een Hert, van valsche kunsten vry, + En hoedt sich voor geen schelmery. + + 362 Een Hert, dat naer sijn Hoofd wil leven, + En lijdt niet, dat men 't raed mag geven. + + 363 Man! ghy hebt twee Horens aen; + Vrouw! waer weet ghy dat van daen? + + 364 Een taeye Snel-riem van goed leêr + Geeft een quâ jongen een goê Leer. + + 364 Mond-beleeftheit is een kost, + Die veel geldt en weinigh kost. + + 366 En saeyt niet in uw Land + 't Saed, dat ter Merckt blijft aen de hand. + + 367 Wat goê manieren en wat Geld + Maeckt Sonen Jonckers met geweld. + + 368 Al staet de Schoone Meer[60], + 't En doet den Hengst geen zeer; + Maer hy verlieft te meer. + + 369 Slaet een Ey wel, het groeyter van; + So vaert een Vrouw by een goed Man. + + 370 Een Paep, een Munnick, met een Exter en een Kauw, + De Duyvel gunn' ick die Juweelen in sijn klauw. + + 371 'k Geloov' u, Hoentje! dat 's te seggen: + Ick hebb' u daer een Ey sien leggen. + + 372 Sy sien wel toe, die Kraeyen queecken: + Die sullens' eerst een oogh uyt steecken. + + 373 Bedeckt u, ghy, maer met een Schild, + En die wil schreewen schreew in 't wild. + + 374 't Quaed Mes snijdt niet in 't Hout, + Maer in de Hand, die 't houdt. + + 375 'k Hoor Koeckoeck roepen in der tijd; + Siet toe, dat ghy het niet en zijt. + + 376 Daer spreeckt een als een heiligh vat, + En heeft vast klauwen als een Kat. + + 377 Praet van uw eigen pijn; + Laet yeder een de sijn. + + 378 Het Leêr is 't, dat sich reckt en wijdt, + Maer Hout en kan dat niet--dat splijt. + + 379 Daer 's vrede tusschen Dief en Dief en Guyt en Guyt, + Noyt en piekt d'eene Kraey aen d'ander d'oogen uyt. + + 380 Met sijn quaê Oogen te genesen + Schijnt onse Schout verdooft te wesen: + Hy voelde wel, wat ick hem gaf, + Maer wat ik seg, daer weet hy weinig af. + + 381 Denckt, wat ghy doet, so lang ghy hoeft, + Maer en vertrouwt op geen geboeft. + + 382 De Dief meent, waer hy by is, + Dats' alle zijn als hy is[61]. + + 383 Soo gy uw Kind geeft quaed voor quaed, + Denckt, dat het naer het Gasthuys gaet. + + 384 Wat magh God Amandels geven, + Daer de tanden een begeven? + + 385 Dien de Tanden meer niet kunnen, + Siet men God wel Boonen gunnen. + + 386 Siet, wie u wat gegeven heeft, + De gift gelijckt aen diese geeft. + + 387 Gaven sonder spreken + Konnen Rotsen breken. + + 388 Een quaê Gift kan vier handen krencken, + Twee diese nemen, en twee and're diese schencken. + + 389 Geef m' een Stoel, daer ick op rust'; + 'k Weet, waer te leenen als 't my lust. + + 390 Thoont my een Klaverblad van tween, ick sal u thoonen, + Waer ghy een Meisjen moogt verkiesen uyt veel schoonen. + + 391 Hoe ghy liever Leven leeft, + Hoe ghy meer voor vallen beeft. + + 392 Leert geven en houden, + Soo blijft ghy behouden. + + 393 Ick hebb' geen recht van Wraeck + Van wie 't zy; 't is Gods saeck: + + Moet ick my van een Herder wreken, + Mijn Hoofd is daerom niet te breken; + Dat laet ik Sneeuw en Regen doen, + Die sullen 't wel te degen doen[62]. + + 394 Soo u de Duyvel niet en dient, + Wacht u van een versoenden Vriend. + + 395 Onder Coiffe[63] en onder Huyck, + Meestal eenerhande pruyck: + Ofse bruyn is, ofse blanck is, + 't Is soo breed schier, als het lanck is. + + 396 Daer schuylt wel onder een goed Kleed + Een Booswicht, dat men 't niet en weet. + + 397 Men siet haest aen een Kalf sijn wesen, + Wat dat het voor een Os sal wesen. + + 398 Die op de Feest de Bruyd het Huys afwinnen, + Zijn Sotten en Sottinnen. + + 399 Een Roover, die een Roover heeft verwonnen, + Voor all' sijn buyt en krijght niet als de Tonnen. + + 400 Diens brood ick breeck, + Diens lof ick spreeck. + + 401 Een duym-breed op 't Rapier, een hand-breed op de Lans, + Is in 't gevecht een groote kans. + + 402 Van waer zijt ghy, brave quant? + Van mijn Huysvrouws Vaderland. + + 403 Daer m' uyt tapt en niet in en giet, + Daer gaet het vaetjen haest te niet. + + 404 Twee Koffers had een Vent van amoureusen kop, + 't Een liet hy open staen, het ander brack m'em op. + + 405 Alle dingen op sijn pas: + Denckt wat langh, en doet wat ras. + + 406 Daer mijn Beursjen hanght op zy, + Houdt mijn Wijfjen meest van my. + + 407 Zy komen ons van buyten, + Die ons ten huyse uit fluiten. + + 408 Die wel lijdt, is een moedigh man; + Een kloeckert, die wel hooren kan. + + 409 Groote Vieren aen den Haerd, + Kleine Schueren vol gegaêrt. + + 410 In groot water groote Vissen; + Past maer, niet uw grond te missen. + + 411 Van eten rakender veel duysenden ter dood; + Van hondert duysenden niet één van hongers-nood. + + 412 Ontsiet de lieden die veel spelen, + En met uw meerder te krackeelen. + + 413 Schouwt mannen-volck, dat slecht gebaerdt is, + En Wind, die door een spleet vergaêrt is. + + 414 Weest op uw hoed', 't is sorghlick, om te gaen + Met Mensch of Hond, die geen geluyd en slaen. + + 415 Een Knecht, die grommelt en suer siet, + En is de beste Dienaer niet. + + 416 Tast gh' uw getroude Vrouw of een Salaetjen aen, + Twee beetjens en niet meer, en daermêe laetse staen. + + 417 Wacht u seer voor quade Vrouwen, + En van goede te betrouwen. + + 418 Van de Hand af tot de Lip, + Heeft men altemet wel slip. + + 419 Gelijck Sout uyt See-water spruyt, + Soo geeft de Vrouw de boosheit uyt. + + 420 Vóór sien ick 't volck sich vatten + Als Honden doen en Katten; + Van achter soet en fijn, + Als Broeders konnen zijn. + + 421 De Vijgen en Noten + Zijn goede Lands-genoten. + + 422 Of ziedt de Sneew òf doetse stampen, + Daer komt maer Water uyt en dampen. + + 423 Van 't stille Water wacht u vry, + Het loopende gaet haest verby. + + 424 Van Hoeren en van as-graeuw laken, + 't Best, daer men bestkoop aen kan raken. + + 425 Voor toornigh volck weest somtijds bang; + Voor Swijgers al uw leven langh. + + 426 Lange mijlen leggen + Tusschen doen en seggen. + + 427 Die 't scherp end van den Trecht[64] + In 't Vat steeckt, neemt het recht. + + 428 Voor Brand bewaert men licht sijn vel, + Maer voor een Booswicht niet soo wel. + + 429 't Water komt al verr' van daen, + Dat den Molen om doet gaen. + + 430 't Is altijd winst, + Van 't quaed het minst. + + 431 En denckt geen Vriend soo goed, + Dien ghy getuyge neemt van 't quade dat ghy doet. + + 432 Het quaed, daer yemand meest voor vreest, + Is menighmael sijn Dood geweest. + + 433 Gaet op 't getal niet liggen slapen, + De Wolf eet wel getelde Schapen. + + 434 En wilt noyt Vechtelingen by zijn, + Wilt ghy Getuyge noch Party zijn. + + 435 Van mijn Gevaêrs Brood aen mijn Pil[65], + Een stuck soo groot als hij self wil. + + 436 Goed' of quade, hoese komen, + Stelt noyt geen geloof in droomen. + + 437 Weest op u hoê, + En wacht u koe, + Voor een beroyt Soldaat, + Die sonder Mantel[66] gaet. + + 438 De Tong, die lieffelick wel spreken kan, + Maeckt een Verrader tot een eerlick Man. + + 439 Van veel geswets niet veel verheugens, + Van lange Reisen lange Leugens[67]. + + 440 Van den Ouden + Raed behouden. + + 441 Of hy een Ezel wat gelijck is, + God gev' my maer een Man, die rijck is. + + 442 Laets' haer' lust met seggen boeten, + Die mijn aelmoes eischen moeten. + + 443 Den Hemel stae ons by, daer Meisjens kundigh zijn + In konst van Waerseggen, en Vrouwen in Latijn. + + 444 Voor een jong Bidder en een ouden Vaster, + Houd' ick mijn Mantel meestendeel wat vaster. + + 445 't Is by de Kaers noch meer noch min: + Een Joffer of een Ezelin. + + 446 Den Hemel will' den goeden, + Tot aller tijd behoeden, + Van een niew Officier, + En van een oud Barbier. + + 447 't Beurt, dat een Vaêr, die Heiligh leeft, + Een Duyvel tot een Soontjen heeft. + + 448 Hetzij met Hoy, + Hetzij met Stroy, + Hebb' ick mijn meugh gekregen, + Aan 't Voêr is niet gelegen. + + 449 Weest op uw hoê voor een geteeckent Man, + En voor een Vrouw, die tweemael trouwen kan. + + 450 Is 't Veulen schorft en weinigh waerd, + Noch werdt het wel een lustigh Paerd. + + 451 Die meer niet als een Boon en geeft, + En is niet schuldigh[68], is beleeft. + + 452 Een Man, die altoos neêrwaert siet, + Betrouwt uw Capitaeltje niet. + + 453 Die luy blijft leggen op sijn nest, + Sijn Capitaeltje voelt het best. + + 454 Noyt goê Pijl, sonder bocht, + Uyt Verckens Steert gewrocht. + + 455 Hy werdt het, of hy is beroyt, + Die d' Asch vergaêrt en 't Meel verstroyt. + + 456 Twee quaede tegen een gestelt, + Die eerst toe slaet, behoudt het veld. + + 457 Van een quaed hout, + Noyt goede bout. + + 458 Van eenen lap quaed Laecken, + Is noyt goed Kleed te maecken. + + 459 Hebt gh' een gehangen man verlost, + Hy soud u hangen als hy kost. + + 460 Is 't wijntjen in, + Elck seght sijn sin. + + 461 Ten einde van de Sop, + Gaet oock de Lepel op. + + 462 't Is een goê les voor groote Heeren: + Na 't schrappen valt er niet te scheeren. + + 463 Van dat het niew huys is gemaeckt, + Siet toe, dat ghy der uyt geraeckt. + + 464 Het Stroo is binnen, + Ouw Wijfs, aen 't spinnen! + + 465 In mijn geboort liet ick mijn schreyen hooren, + De reden werdt noch alle daeghs geboren. + + 466 Wy kregen Kleêren om de Lenden, + Soo quam het, datw' ons niet en kenden. + + 467 De Tongh is als een Blind' op straet, + Die haer geleidt, heet Goede raed. + + 468 Sulcke Waer uyt sulcke hoecken; + Sulcke Feesten, sulcke Koecken. + + 469 De Pap en 't Meel zijn all' gelijck: + Van sulcken Stoff komt sulcken Slijck. + + 470 Van uw Vyand, van uw Vriend, + Geld in handen als 't u dient. + + 471 Soo van uw Vrouw, als van uw Vrind, + Gelooft al, dat ghy waer bevindt. + + 472 Hebt ghy schulden die vermeeren? + Looght ghy noyt, ghy sult het leeren. + + 473 Soo ghy te Paeschen schuldigh zijt, + De Vasten valt geen lange tijd. + of + Hebt Geld te Paeschen uyt te tellen; + U sal geen lange Vasten quellen. + + 474 Uyt slechten praet + Wel goeden raed. + + 475 Die tot het Beecksken gaet, en niet daer 't Beecksken spruyt, + En haelter niet als slijck, in plaets van water, uyt. + + 476 Verlaet uw Huys en komt in 't mijn; + Ghy sulter niet seer lustigh zijn. + + 477 Laet ons niet fier op Vaêr of Grootevaêr of Oom zijn: + De rechten Adel is, soo wy maer selver vroom zijn. + + 478 Ick liet volck in mijn werck, + En gingh self naer de Kerck. + + 479 Wat seght ghy, Meester, salder Haer op komen? + Waer 't maer het vel, het waer goed meê genomen[69]. + + 480 Doen al wat men seggen kan, + Is geen werck voor alle man. + + 481 Een Vriend, die gh' u geheim gelooft[70], + Staet met de Voeten op uw Hoofd. + + 482 Het Huys is wel beheert, + Daer maer één in verteert. + + 483 Prijst een Vrouw haer schoone kaken, + Wilt gh' er een Sottin af maken. + + 484 Seght my, met wien ghy omme gaet, + 'k Sal seggen, wat ghy doet en laet. + + 485 Spreeckt een Loogen, wilt ghy maecken + Aen de Waerheit te geraecken. + + 486 Wilt gh' uw eigen Goed vergeten, + 'k Sal 't u niet eens danck sien weten. + + 487 't Geld van een gierigh hert + Gaet tweemael aen de Mert. + + 488 Geld en Verstand en menschen-Trouw, + Veel minder dan men dencken souw. + + 489 Godt gev' my, in proces te treden + Met lieden van verstand en reden. + + 490 God is 't, die de genesingh geeft, + De Doctor, dieder Geld af heeft. + + 491 God doet geen klachten die men hoort, + Maer houdt wel, dat hem toebehoort. + + 492 Seght vrylick uw bescheit, + Maer niet wie 't heeft geseît. + + 493 De Melck sprack tot den Wijn: + «Vriend, ghy moet welkom zijn!» + + 494 De Pan sprack tot den Ketel: «fy! + Wat doet het swartgat hier by my?» + + 495 Een Geck sprack alle dese woorden, + Maer 't was geen doove diese hoorden. + + 496 Te Roomen weetm'er van: + Spint eerst, Vrouw! en eet dan. + + 497 't Is een seggen van oûw' Wijven: + Houdt de pelsen van uw lijven. + + 498 Men houdt u voor een eerlick man: + Hand over Hert, wat isser van? + + 499 Het oude waere Spreeck-woord seît: + De Voeten gaen, daer 't Hert haer leidt[71]. + + 500 De Boosheit is een dobbel quaed, + Die onder schijn van Vrientschap gaet. + + 501 Als 't Geluck niet med' en doet, + Helpter Neerstigheit noch Spoed. + + 502 Daer eene Duyt sich vinden laet, + Soeckt, of die een alleenigh gaet. + + 503 Wijn in de huyd, + Verstand daer uyt. + + 504 Tot de Poort toe duert de rouw + Van een overleden Vrouw. + + 505 Meest sult ghy 't soo bevinden: + Veel Kind'ren, weinigh Vrinden. + + 506 Die goede Potten breken kan, + Behoudt er goede Scherven van. + + 507 't Was daer sich een Geck verliep, + Daer de Wijse raed uyt schiep. + + 508 Daerder veel pist te gelijck, + Werdt het Sand wel haest tot Slijck. + + S09 Daer geen eer en is, + Daer geen zeer en is. + + 510 Daer een Deur werdt toegedaen, + Sal een ander open gaen. + + 511 Waer henen ghy u wendt en gaet, + Maeckt, dat ghy met bekenden gaet. + + 512 Daer 't niet en roockt, + Wert niet gekoockt. + + 513 De Schaemt' om veer, + Geen Deughden meer. + + 514 Daer de Koningh niet en is, + Loopen alle soeckers mis. + + 515 't Is genoegh, als ick my hoê + Voor het gen' ick selver doe. + + 516 De Luyaert seght: «'k wil slapen gaen, + Goê tijdingh komt van selver aen». + + 517 Vertrouwt twee Waerseggers in al uw onderwindingh, + Den eenen heet Vernuft, en d'ander Ondervindingh. + + 518 Roof-vogels zijn noch vrinden, + Noch veel by een te vinden. + + 519 Twee goede Eelten heb ick, daer ick hoor: + Een in mijn Mond, het ander in mijn Oor. + + 520 Tot een paer Hoenders en een Haen + Gaet al, dat aen een Paerd kan gaen. + + 521 Twee slechte Mael-getijden, + Kan eene Maegh wel lijden. + + 522 Daer de Wat'ren diepste gaen, + Komt het minst gerucht van daen. + + 523 Daer teeringh boven neeringh gaet, + Weet, dat de saeck op 't vallen staet. + + 524 Daer d' oude lieden geerne gaen, + En staet het jonge liên niet aen. + + 525 Maeckt een end van krullen, Neel! + Die veel spiegelt, spint niet veel. + + 526 Men slaept wel met een weinigh pijn, + Maer met veel schulds en wil 't niet zijn. + + 527 Mest uw Terw met Duyven-mest, + 't Land betaelt het al in 't les. + + 528 't En kan niet zijn, de man moet rasen + Die teffens suygen wil en blasen. + + 529 Gaet liggen in uw Bedd' van Sieckt' of van Verdriet, + Ghy sult haest weten, wie uw Vriend is, en wie niet. + + 530 Te bedd', en overslaet[72] + Wat dat uw huys aen gaet. + + 531 Brengt Aerd op Aerd, ghy sult vernemen, + Hoe dat de Brood-korf toe sal nemen. + + 532 Men vindt aen alle kanten + De Son, en Schouts Trauwanten[73]. + + 533 Ezels min begint met smijten + En met bijten. + + 534 Tot het minnen en het winnen + Groot geweld en kloecke sinnen. + + 535 Lange ooren, lange rocken, + Moet men meesteren met stocken. + of + Men moet Ezelen en Vrouwen + Bey met Stocken onderhouwen. + + 536 Die gierigh is en rijck, + Heeft Vriend noch Vriends gelijck. + + 537 Hoe de gierige meer heeft, + Hoe hy meer in armoê leeft. + + 538 Op wel geneeren + Past rustigh teeren. + + 539 Het goed en 't quaed + Blijckt aen 't gelaet. + + 540 Een Geck, indien hy swijgen kan, + Gaet uyt voor een verstandigh Man. + + 541 Die goê betalingh doet, + Beërft een anders goed. + + 542 Schort het u aen een goed Soldaet, + De Ploegh is 't, daer hy achter gaet. + + 543 Het Land, dat vet en vruchtbaer is, + Soo 't niet en rust, soo draeght het mis. + + 544 De Slack, om 't suer gesicht van quelling t'overkomen, + Heeft voor twee Oogen een paer Hoornen aengenomen. + + 545 Dien ghy voor uw Vyand telt, + Wenscht hem al sijn goed in Geld. + + 546 't En is noch Hengelroê, noch Visscher die 't beschickt, + 't Bedrogh is in het Aes, daer 't Visken aen verstikt. + + 547 Dry dagen duren Noorde-Winden, + Wanneerse haer geweld ontbinden; + Maer blasen sy met all' haer macht, + Soo durens' er wel meer als acht. + + 548 Het Konijn en het Patrijs + Saust men al op eene wijs. + + 549 De wond in 't Hert gegaen, + Daer is geen helpen aen. + + 550 Een aelmoes, die men doet, + En mindert Bors noch Goed. + + 551 De Lust maeckt schoon en fris, + Dat vuyl en leelick is. + + 552 Is 't heel warm weêr, + Kleedt u te meer. + + 553 't Opschicken quam my juyst niet eens in mijn gedachten, + Als ick Volck t' mijnent kreegh, daer op ick niet en wachten. + + 554 De Penningh maeckt + Den Man volmaeckt. + + 555 Men kan geen Tanden heelen + Met Luyten en met Veêlen. + + 556 Die 't verdrincken is ontkomen, + Past op 't ondiep van de Stroomen. + + 557 De Mis en is geen Heiligheit, + Maer doet mirakel, waerse leît. + + 558 De cure[74] is goed, den Dokter komt de eer: + De Man is dood, hy voelt geen Kortse meer. + + 559 Indien de Monick bidt[75] om Brood, + Hy neemt wel Vleesch in tijd van nood. + + 560 De Liefd' en seght noyt, noch het Vyer: + Past op uw werck en gaet van hier. + + 561 De Wind-hond, op sijn pas, leght meer weghs af, + Dan 't Joffer-hondeken doet op sijn draf. + + 562 Al doense niet veel zeer de slagen van de Pan, + Het Vel versenght en kist er van. + + 563 Die wel gevoedt en vol is, + Past op geen Vriend, die hol is. + + 564 Honighraet werdt soet gesmaeckt, + Maer de Bie steeckt, die hem maeckt. + + 565 Het is de kloeckste Soon die leeft, + Die kennis van sijn Vader heeft. + + 566 Van den Muyl en 't Bastaert-kind, + Alle daegh een niewe quint. + + 567 Die op sijn eere let, + Blijft van een anders bedd'. + + 568 De Man kan voor het Vyer, de Vrouw voor 't Vlas uyt gaen: + Dat blaest de Duyvel aen. + + 569 Verliest een Jongman van sijn Geld, + Hij wordter wijs af[76] met geweld. + + 570 Een man, die word voor rijk gehouwen, + Kan met den naem sijn Soon uit trouwen. + + 571 Weet dat de Gast, en dat de Vis + Den derden dagh aen 't stincken is. + + 572 De Roock, de Vrouwen, en de Gooten, + Zijn 't die de Mans ten huys uytstooten. + + 573 De niewe Kruyck is eer + Aen 't drincken, als haer Heer. + + 574 Wilt ghy, dat ick speel? + Goed Spel, en niet veel. + + 575 Eerst van de Naelde tot het Ey, + Van daer aen 't Osken in de Wey, + Van 't Osken hoogh en droogh gehangen, + Dat zijn der Dieven eigen gangen. + + 576 De Wolf soeckt noch een Lam, + Daer hy het eerste nam. + + 577 De Wolf en eet niet al, wat hy wel geeren at, + Hy eet maer, wat hy vat. + + 578 De Wolf verliest sijn tanden wel, + Maer blijft van aerd al even fel. + + 579 Een oude Wolf die quaed is, + En huylt niet, dan als 't laet is. + + 580 De Sot pronckt met sijn Hoornen als een Hert, + De Wijse draeghts' onsichtbaer in sijn Hert. + + 581 Door de straffe die wat raeckt, + Werden Gecken wijs gemaeckt. + + 582 Die 't qualick weet te halen, + En sal noyt wel betalen. + + 583 Men meestert een quaed Oogh + Best met den Elleboogh. + + 584 Het Ongeluck komt met arm-vollen aen; + Met klein hand-volletjens siet men 't vergaen. + + 585 De boos' helpt goeden in 't verdriet; + Maer sijns gelijck en derft hy niet. + + 586 't Quaed, dat uw Mond ontschoot, + Valt in uw eigen Schoot. + + 587 De Quellingh raeckt met troosten uyt den weegh, + Maer Voorspoeds-pack draeght niemand niet ter deegh. + + 588 Wewenaers zijn meer bemint + Met één Oogh, als met één Kind. + + 589 De booste van 't getal + Is ruchtighste van all', + En breeckt een yeders ooren, + Om dat m' hem aen sou hooren. + + 590 De beste Teerlingh-worp van velen + Is, met geen Teerlingen te spelen. + + 591 Meloenen en Vrouwen + Zijn qualick te schouwen. + + 592 Die een Vrouw keuren wil, of een Meloen, + En kan 't niet beter als by 't steert-stuck doen. + + 593 Van de Logen gaet geen tol af; + Daerom iser 't Land soo vol af. + + 594 't Is de schuld van 't Knechtjen niet, + Dat het Meisken naer hem siet. + + 595 Weet, dat u Knecht of Vriend + Noch arm noch rijck en dient. + + 596 Over asers[77] moeten 't weten: + Van veel-eten komt niet-eten. + + 597 De Muys, die maer één gat en kent, + Is van de Kat haest overrent. + + 598 't Kind krijt om 't goede dat men 't deê; + Ouw' lieden krijten om haer wee. + + 599 De Boeren en de Note-boomen + Zijn best met stocken t' overkomen. + + 600 Hebt gh' één Officie t' uwer eer, + Gh' hebt een Officie en wat meer. + + 601 Niew backen Brood, al heet, al warm, + Veel in de Hand, niet in den Darm. + + 602 Daer 't Brood is opgegaen, + Is heel 't gelagh ontdaen. + + 603 Eet op, en haest u wat met verschen Vis, + En met uw Dochter soose houwbaer is. + + 604 Al wisselt schoon de Vos sijn Vel, + De Vossenaerd blijft evenwel. + + 605 Een luye lêge Geck + Leeft altijd in gebreck. + + 606 Op 't hamer-klappen slaept des Smits Hond aller best, + Het klapper-tanden maeckt hem wacker in sijn nest. + + 607 Soo doet des Thuynmans Hond: + Hy magh geen Kool, en houdts' een ander uyt den mond. + + 608 Koopliên by nacht, past dat ghy voor u siet: + Een ouden Hond bijt nemmermeer om niet. + + 609 't Geluyd, dat oude Honden slaen, + Is als een raed van goed vermaen. + + 610 Met Maten en Gewichten + Is alle scheel te slichten. + + 611 Geen mis soo goed, + Als 's Land-Heers voet. + + 612 Weinigh praets is Goudsgelijck, + Veel en is niet meer als slijck. + + 613 Die niet voorwaerts uyt en siet, + Blijft te rugg' en voordert niet. + + 614 Die 't Peerd dreight en niet en slaet, + Doet het tweederhande quaed. + + 615 Die altoos leert en noyt en vat, + Die vat wel, hoe ick 't meen, en wat. + + 616 Die 't suer en onrijp eten moet, + Sal weêr genieten 't rijp' en soet. + + 617 Die naer twee Hasen + In 't Veld wil rasen, + Vanght somtijds eenen, + En veeltijds geenen. + + 618 Die sich van de bruyd wil wreken, + Kan hy wel van 't hylick spreken? + + 619 Die gevallen is in 't slijck, + Wenscht een ander sijnsgelijck. + + 620 Die Monick is geweest en werdt[78] een Abt daer naer, + Weet, wat de Monicken doen achter den Altaer. + + 621 Die 't Reaeltjen kan verdienen, + Mach sich van 't Reaeltjen dienen. + + 622 Die den Hond sijn aers moet soenen, + Hoeft sijn Mont niet seer te boenen. + + 623 Die de Leeuwerck wil verlacken, + Moet sich vroegh ten bedd' uyt packen. + + 624 Heeren! leert het wel onthouden: + Die de Wet maeckt moetse houden. + + 625 Die de Rent van 't huysken treckt, + Magh 't doen helpen daer het leckt. + + 626 En veeght gh' u niet te degen, + Ghy moet u tweemael vegen. + + 627 't Luydt seldsaem, maer 't is goed bescheet: + Die niet en twijffelt, niet en weet. + + 628 Meet een sijn selven niet te recht, + De Maet-stock wert hem opgeleght. + + 629 Die Huys noch Hof en heeft van 't sijn, + Kan all' de werelds Buerman zijn. + + 630 Die betaelt al wat hy moet, + Al het ovrigh is sijn goed[79]. + + 631 Die de Hand heeft in het deelen, + Kiest het slechtste niet van veelen. + + 632 Die verliest, sal blijven spelen, + Als 't de winner wil bevelen. + + 633 Die sijn Geld in 't spel derft wagen, + Heeft geen moet op Geld te dragen. + + 634 Het Brood heel licht, de Kaes heel swaer, + Is weder-zijds de beste waer. + + 635 Die ras belooft en traegh voldoet, + 't Berout hem, dat hy 't geven moet. + + 636 Hebt g' een gelasen[80] Dack, dat langh moet dueren, + Werpt niet met steenen tegen uw gebueren. + + 637 De Koning gaet, als alle man, + Niet waer hy wil, maer waer hy kan. + + 638 Als de Schuyt is over 't Meer, + Denckt men aen den Sant[81] niet meer. + + 639 Is uw Barbier wat onervaren, + Ghy sult hem Haer noch Huyd sien sparen. + + 640 Spreeckt ghy van een Guyt te Roomen, + Stracks sal hy te voorschijn komen. + + 641 De Mus en is niet wel gebeckt, + Indiens' haer eigen nest ontdeckt. + + 642 De Dronckaerd volght des Kickvorschs pad: + Van 't droogh af springht hy in het nat. + + 643 Der kindren dienst is klein van kracht; + Maer 't is een geck die hem veracht. + + 644 Magh de Son my maer beschijnen, + 'k Sal my om de Maen niet pijnen. + + 645 Tijd doet het zeer verteeren, + En niet des Meesters[82] smeeren. + + 646 Een Schalck en vindt niet[83] lichter, dan + 't Bedriegen van een gierigh Man. + + 647 Een Jonghman daer, een oud Man hier, + Sy liegen al op een manier. + + 648 Als oud Stroo eens komt aen te gaen, + En isser niet wel lessen[84] aen. + + 649 De Wijngaerd plantet[85] d' oude Man, + De jonge pluckt de Druyf daer van. + + 650 Past maer een oud Man op sijn malen, + Hy kan tot honderd jaer toe halen. + + 651 Den Oven, en ouw' lieden darmen + Zijn door haer monden te verwarmen. + + 652 De Winden, die de hooge locht doorwaeyen, + Doen niet den Toren, maer den Weerhaen draeyen. + + 653 Nuchteren en leêgh, + Hoort geen Maegh ter deegh. + + 654 Als de Wijn het Hoofd doet blosen, + Gaet het herte sonder Hosen[86]. + + 655 Sendt een wijs Man over al, + En beveelt hem niemendal. + + 656 Werdt ghy van de Locht met kind, + Vriend! soo baert ghy niet als Wind. + + 657 In 't goede Jaer is Koorn maer Hoy, + In 't quade maeckt ghy Koorn van Stroy. + + 658 Een vroom Man kan sich wel ontgaen, + Daer hy een Kist vindt open staen. + + 659 Daer sit tot[87] een ryck gierigaerd + Een Duyvel, die de Kas bewaert. + + 660 Soo ghy wilt wijs zijn, deelt geen Peeren, + In jock noch ernst, met groote Heeren. + + 661 Noyt Raeds-vergadering en stond, + Men vonder eenen rooden Hond. + + 662 Men komt op alle Wegen + Beslijckte gaten tegen. + + 663 Daer de Meester fluyten kan, + Werdt gefluyt met alle man. + + 664 In 't huys van onsen Adriaen, + Vermagh de Hen meer als den Haen[88]. + + 665 In Smitswinkel, meestendeel, + Mes en Beitel sonder steel. + + 666 Voor des Mans huys, die een goed ambacht kan, + Verschijnt den Honger wel, maer blijfter van. + + 667 Waer de Speelman Vaêr is, + Danst het al, dat daer is. + + 668 In 't Huys, dat een goed Man bewoont met een rijck Wijf, + En heeft Hy nemmermeer, Sy altoos 't hoogh bedrijf. + + 669 Zijt gh' ergens met den Man oneffen, + Past vrede met de Vrouw te treffen. + + 670 In 't Huys, daer de Blinde woont, + Wert de Slimste wel gekroont[88]. + + 671 Daer het Huys vol voor-raeds leît, + Is de Maeltijd haest bereidt. + + 672 In 't niewe Huys een vast verdriet: + Die 't niet en brenght, en vindt er niet. + + 673 In de Jacht en in de Min, + Als men wil soo raecktm'er in; + En als men kan, + Soo raecktm'er van. + + 674 In krackeel + Toomt uw' keel. + + 675 In 't overslaen van allerley begin + Bedenckt' veel wegen, en gaet éénen in. + + 676 Aen den Gangh en aen den Dronck + Kent men Vrouwen, oud en jonck. + + 677 Tot in 't Scharlaken laken, + Kan een quaê slagh geraken. + + 678 Met de schoonste stoff in d'oogen, + Werdt men allerlichst bedrogen. + + 679 Men werpt het Net vergeefs om Vis + In 't Water, daer geen Vis en is. + + 680 Onder Volck van boosen aerd, + Alle daegh de Wet[89] vergaêrt. + + 681 De Knecht dient, en de eer + Komt niet als op den Heer. + + 682 Neemt maer een Besem-stock, en schickt hem op, + Het sal een Jongman schijnen als een Pop[90]. + + 683 Weest welkom, Maymaend! zijt ghy daer? + Ghy, beste Maend van 't heele Jaer! + + 684 Men siet geen Vyer of het verblijdt, + In Somer en in Winter-tijd. + + 685 Dingen, die veel lieden weten, + Sijn noch wijser liên secreten. + + 686 Het werck, dat yemant doet + En 't Vier, dat hy verboet[91], + Geeft best getuygenis, + Hoe vroeden Man hy is. + + 687 Als de nood perst op het seerst, + Spreeckt de Vriend de waerheit eerst. + + 688 In enge Herbergen en lange Wegen + Kent yeder eerst sijn met-gesel ter degen. + + 689 Daer men geen verlies en vindt, + Moet men denken, dat men wint. + + 690 Die Luyt is daer in handen van een Man, + Die 'r wel op spelen kan. + + 691 Terwijl ick doe, terwijl ick segh, + Geraeckt'er een goed beetje wegh. + + 692 't Is al vergeefs door 't Veld te gapen, + Daer valt geen keur in schorfde Schapen. + + 693 Neemt maer ter herten uw Verdriet, + En moeyt u met eens anders niet. + + 694 Siet Tijd en Plaets met sinnen[92] aen, + Verliesen kan voor winnen gaen. + + 695 Ten minsten[93] is een Spijcker waerd, + By vriesend weêr, het heele Paerd. + + 696 In dor Land is 't Water goed, + Of 't wat bracker is als soet. + + 697 Paep[94], die geen oorlof eischt, en ingelaten wordt, + Of ghy hebt Gunst te veel, òf ghy komt Schaemt' te kort. + + 698 't Magh in den Winter koud, 't magh in den Somer heet zijn, + Ick sie den Wijn altoos sijn Deckmantel gereet zijn. + + 699 't Hoentjen light en schropt en schrapt, + En 't werdt van de Pip betrapt. + + 700 't Is tegen regel en costuym, + Sijn Huyd te krabben met sijn Duym. + + 701 Notaris en Barbier en Hoer, + Al ééne slagh en al één voer. + + 702 Eerst in 't Boeck geschreven, + Dan uw Geld gegeven, + of + Eerst my Geld getelt, + Dan te Boeck gestelt. + + 703 Schroomt niet voor Hout en Turf te geven, + Goet Vier is half des Menschen Leven. + + 704 't Geweêr geplant + In een Sots hand: + Gevaer en straff' + Voor die 't hem gaf. + + 705 Een Moolick[95], die noyt Wind en liet, + Bewaert soo veel Velds als hy siet. + + 706 Dat's van de beste die men siet, + Die by 't Vier staet en brandt haer niet. + + 707 De rechte Vrouw van waerden is, + Die dood en onder d'aerden is. + + 708 Dat's recht een Bruyloftsgast te seggen, + Die met de Bruyd te bedd' gaet leggen. + + 709 Het is een man, die Koningh heeten magh, + Die noyt en quam, daer hy een Koningh sagh[96]. + + 710 De Man komt lichtelick te voren, + Die doet daer toe hy is geboren. + + 711 Dat is de beste slagh van Vrouwen die men vindt, + Die alle man vervolght, en niemand overwint. + + 712 Het is somtijds een goede les: + Die Scheê en past niet tot _dat_ Mes. + + 713 Daer ick te bedde ligh op mijn gemack, + Voert my de Duyvel vast van dack op dack. + + 714 Souw niet ons goedje minderen? + Waer is 't oyt hooren seggen: + Wy waren dertigh kinderen, + En Grootmoêr gingh geleggen? + + 715 En hebt noyt Jood noch Mon'ck te vriend, + Soo ghy een Vriend soeckt, die u dient. + + 716 Een Mon'ck, die doet wat m' hem gebiedt, + Ontfanght van elck, en geeft noyt yet. + + 717 Vier by Vier, Pot by Pot ten thoon, + En in die alle maer één Boon. + + 718 Ick ben te Hoof gegaen, en was een groote Beest, + Een Esel ben ick nu, en heb te Hoof geweest. + + 719 De Wind-hond, die veel Haes doet rijsen in het Veld, + Dat's dieder geen en velt. + + 720 De soetste Vryens-tijd dien yemand kiesen kan, + Is als een Weduw komt van d'uytvaert van haer Man. + + 721 Siet, wat een kostlick schoon uw Vrijster uyt kan maken: + 't Vel Goud-geel, Silver-haer, en Ooghjens van Scharlaken. + + 722 Der trotsen yd'le waen + Geeft Bloeyssel, maer geen Graen. + + 723 Stelt ghy u met uw klein ter neêr, + Terwijl een Sot soeckt na noch meer. + + 724 Heel groote Stilt van Locht, + Beduydt aenstaende Vocht. + + 725 De Karre draeght een grooten last, + Maer meer, die op de Karre past. + + 726 Een Korentjen en vult geen Schueren, + Maer 't helptse vullen met sijn bueren. + + 727 Dien God een kunstigh ambacht gaf, + Meest komter een Landlooper af. + + 728 't Is een vermaeck'lick slagh van leven, + Wel t' eten en geen Geld te geven. + + 729 't Is kunst te smeeren, + En niet verteeren. + + 730 Verspaert wat voor den Ouderdom, + Soo vindt ghy 't, tegen dat hy komm'. + + 731 God hoed' u voor den Duyvel en sijn poogen, + Voor Teerling werpen en voor Hoeren oogen. + + 732 Die Man voor seker had een kloecken kop, + Hy schouwd' een' Vliegh, en at een Spinnekop[97]. + + 733 Schoon Getuygh en schoone Maen + Prijst den Hengst den kooper aen. + + 734 Och, Vaêrtje! wordt ghy 't spel niet moê? + Daer krijght ghy noch een Dochter toe. + + 735 Het Land-gebouw en spoeyt met allen niet, + Daerm' eerst de Son, en dan den Land-Heer siet. + + 736 Wee ons, de Dood is van de Veegen + Met geen presenten te bewegen. + of + Wee ons, de Dood is niet t' ontgaen, + Sy neemt niet één presentjen aen. + + 737 Liefde, Jacht, en Krijghs-gerucht: + Veel verdriets voor één genucht. + + 738 Lust u geen onlust en verdriet, + Spreeckt van den Krijgh, en gaeter niet. + + 739 Het luyste Peert van all', + Draeft wel omtrent den Stal. + + 740 Daer de Steert voor henen gaet, + Deelt de Duyvel in de daed. + + 741 Geeft my mijn Buycksken vol, en leght my sacht: + Vermoordt my, slaep ick niet den heelen nacht. + + 742 'k Ben blinder als een blinde Man, + Soo 'ck door een Sift niet sien en kan. + + 743 Een Geck is 't, die sich sterven doet + Om yets liefs, dat hy derven moet. + + 744 Onthoudt dit, Knecht en Meissen[98]: + Wel dienen is wel eissen. + + 745 Die dagh en nacht wil leven sonder pijn, + Gedenck' dagh dagh, nacht nacht te laten zijn. + + 746 Niet een Mierken, of het heeft + Sijn geselschap, daer 't by leeft. + + 747 Troetelt ghy de Katten, licht + Vliegen sy u in 't gesicht. + + 748 Doet gh' een ander quaed, + Wacht het vroegh of laet. + + 749 Laet u maer soet als Honigh vinden, + De Vliegen sullen u verslinden. + + 750 Als de Koe in 't Veld, soo vat, + En behoudt dan, als een Kat; + Niet te bedencken, en te seggen, + Is schieten sonder aen te leggen. + + 751 't Zijn recht de streken van een rekel op het land: + Den Steen te werpen en verbergen dan de Hand. + + 752 Ick wenschte, dat dit een kloeck Raeder oversloegh: + Wat 's witte grond, swart Zaed, vijf Ossen aen een Ploegh? + (Geschrift.) + + 753 Hebt ghy 't gequest, het Wilde Swijn, + 't Sal tegen u verbittert zijn, + En houden op van volgen, + Daer op het was verbolgen. + + 754 De boose ergert van de straff, + De goede werdter beter af. + + 755 De Dochter aen den Man gebracht: + Een vreemdelingh in haer geslacht. + + 756 Kinders zijt gh', in[99] allen schijn + Sult ghy namaels Ouders zijn: + Slaet daer acht op, jonge lieden! + Soo ghy doet, sal u geschieden. + + 757 Wy hebben noch niet eens het Kind, + En hebben 't al een naem versint. + + 758 Soo gaet het meesten tijd: + Laet Soon, vroegh Ouders quijt. + + 759 Daer ick Draed en Naelde weet, + Houd ick my voor half gekleedt. + + 760 Zijn de Man sijn Haeren grijs, + Hy is oud, maer juyst niet wijs. + + 761 Dien de Liefde sit in 't oordeel, + Trouwt sijn leven niet met voordeel. + + 762 De Heer bewaer' my voor een man, + Die als een Vrouw-mensch klappen kan. + + 763 Weest altoos verr' en schouw[100] + Van een ros Man en een-gebaerde Vrouw. + + 764 Lieden, die van[101] jaeren zijn, + Alle daegh een niewe pijn. + + 765 Eert eerelicke liên, op dats' u weder eeren; + Eerloos', op dats' uw' Eer niet in Oneer verkeeren. + + 766 Een schoone goude Ringh, + Een onnut eerlick dingh. + + 767 Eer en winst zijn quaê gebueren, + Om in éénen Sack te dueren. + + 768 't Moy Meisjen maeckt de Keucken niet; + Maer 't goed Vyer, datm' haer stoken siet. + + 769 De Sneew op 't Koorn te Velde doet het deughd[102], + Gelijck het Bont den Ouderdom verheught. + + 770 By-haer-selfs-genoodde Vrinden + Konnen haest den Buyck vol vinden. + + 771 Hy doet een heyligh werck, God magh 't sich wel erbarmen, + Die 't Vercken steelt, en geeft de Voeten aen den armen. + + 772 Een Mans Memorie loopt te niet, + Gelijck een Slaef sijn Meester vliedt. + + 773 Gescheurt Gelas[103], noch stille Zee, + En houden nemmermeer langh steê. + + 774 Kiest het middel-pad voor allen, + En ghy hebt geen nood van vallen. + + 775 Haet van Broeders onderlingh, + Haet van Duyvels, al een dingh. + + 776 En weest niet geern noch Maeckelaer, noch Raed, + Aen een die trouwt, of in den Oorlogh gaet. + + 777 Besneden Jood, geschoren Paep, noch Vrouwen, + Vergeven niet, soo langh sy wat onthouwen. + + 778 Het Bad-stoof-water heeft gesworen, + Geen blanck te maken van de Mooren. + + 779 Hael ick 't lijden selfs op my, + Meer als reden, dat ick 't ly'. + + 780 't Raest, van den minsten tot den meesten, + In arme lieden Bruyloft-feesten. + + 781 Als 't Huys gemaeckt is soo 't behoort, + Geraeckt de Baere voor de Poort. + + 782 Een die geselschap soeckt, daermed' hy magh verkeeren, + Sal sijns gelijcke meer als meerder-man vereeren. + + 783 Soo 't Schaep goedaerdigh is en tam, + 't Geeft alle Lammeren de Mamm'. + + 784 't Kruys boven op 't gewaed, + De Duyvel in de daed. + + 785 Wenscht, dat uws Vyands Goed mach zijn, + Of heel in Geld, of heel in Wijn. + + 786 't Zij weinigh, of 't zij veel, + De Galgh raeckt aen haer deel. + + 787 Al dat een lange Tongh bediedt, + Zijn korte Handen, en meer niet. + + 788 Die 't Konijn vermoordt, diens is 't; + Maer den Haes hoort, die hem hist[104]. + + 789 Den Haes loopt krachtigh op sijn pad, + Maer meer den Wind-hond, die hem vat. + + 790 Is my de Wolf te deegh bekent, + Soo is hy aen geen Touw gewent. + + 791 De quade wonde kan genesen. + Het quaed gerucht kan doodlick wesen. + + 792 Een Appel, die bedorven is, + Schent al wat in de korven is. + + 793 De Logen is licht om betrappen, + Sy heeft geen Voeten om t' ontsnappen. + + 794 Men vindt het Werck, naer dat men 't spint, + En naer men 't op brenght, vindt men 't Kind. + + 795 Laet den Aep in zijde kleên; + 't Is een Aep en 't blijfter een. + + 796 De Vrouw die vroed en zedig is, + Vervult een Huys, dat ledigh is. + + 797 Een Vrouwtjen, opgeschickt als 't hoort, + Houdt haer Man van een anders Poort. + + 798 't Wijf schickt haer op, en heeft een blinden Man, + Voor wien of 't wesen kan? + + 799 Die haer Spinwiel 't minste jagen, + Siet men meest quaê Hembden dragen. + + 800 Een oude Vrouw, die voor geen Pot kan strecken, + Dient eindlick noch om een Pot toe te decken. + + 801 Vrouw, noch Hof, niet meer + Elck als éénen Heer. + + 802 Soeckt na Vrouw en Peer die swijgen, + Beter zijnder geen te krijgen. + + 803 't En is de selfde niet, maar een gelijcke saeck: + Den Pot kentm' aen den klanck, de Menschen aen de spraeck. + + 804 De Straff is kreupel; doch + In 't ende komtse noch. + + 805 Al is de Rotsteen noch soo herd, + De Beitel wint het, daer hy meê gekloven werdt. + + 806 't Gevecht en een stuck Schilderijs, + Besiet van verr', en niet van bij's. + + 807 Den Appel in droogh weêr, en 't Meisken in de kroegh, + Die rijpen elck om 't seerst, en elck al wat te vroegh. + + 808 D' eerste Vrouw dient voor een slet, + En de tweede stelt de Wet. + + 809 De Vloo die achter d'oore gaet, + Gaet met den Duyvel in beraed. + + 810 Hoe meer een Kraey haer wascht, een Hoer haer meer verschoont, + Hoe d'eene vuyler werdt, en d'ander swarter thoont. + + 811 Die eens een mis-slagh heeft gedaen, + En heeft niet meer als dien begaen, + En kosts'er twee doen, als sy wouw, + Houdt dat voor een geschickte Vrouw. + + 812 Sy laet het op haer schoonheit staen, + Die in het Groen gekleedt derft gaen. + + 813 Geleerd en geck is eenerhand, + 't En zij 't beleid van goed verstand. + + 814 D' eerste sop en d' eerste Min, + Zijn de beste in mijn sin. + + 815 De Spinkop laet een Rat door 't net, + Daer sy de Vliegen in beset, + + 816 't Land, dat sijn selven niet kan decken, + Sal my geen decksel kunnen strecken. + + 817 Verradery is soet; + Maer hy niet, diese doet. + + 818 Hoe datm' een' Koe meer Melcks af treckt, + Hoe dat haer Uyer ruymer reckt. + + 819 De Pepers ouderdom sit oude Neel in 't vel: + S' is rimpeligh en swart, en brandt noch evenwel. + + 820 Verliest de Vrouw eens Schaemt en Eer, + Haer leven krijght sy die niet weer. + + 821 't Zijn de jonge domme jaeren, + Die den ouderdom beswaeren. + + 822 Al watmense te vooren set, + Maeckt Weewen en Kapuynen vet. + + 823 Onder de gesloten Boecken + Moet ghy geen Doctoren soecken. + + 824 Bijlen bijten Bijlen, + Vijlen vijlen Vijlen. + + 825 God gev' u nemmermeer te smaecken + De wonden, die in 't Lidt geraecken. + + 826 Ellendigh wedervaren: + Den heelen nacht gekraeckt en dan een Dochter baeren. + + 827 God gev' my in de Herbergh t'huys te leggen, + Daer de Man al, de Vrouw niet[105] heeft te seggen. + + 828 Geeft liever vijf als vier; + 't Onkostelick is dier. + + 829 Het deughdelick gewin verdoetmen, en niet meer; + 't Ondeughdelick verdoet sijn selven en sijn Heer. + + 830 Slijck by slijck, + Al gelijck. + + 831 De May in 't slijck, + Augustus rijck. + + 832 Het arghste van 't Proces, en dat my meest verwondert, is, + Dat een het eerst van hondert is. + + 833 Is 't verloren, is 't verdaen, + 't Magh om Gods wil zijn gegaen. + + 834 't Geen u ondienstigh is, en uw Vriend noodigh heeft, + Ghy doet hem geen gelijck, soo ghy 't hem niet en geeft. + + 835 Dat mijn buerman eet, + Helpt my niet een beet. + + 836 Vertrouwt niet alle winst te seer: + Al wat de Stroem geeft, neemt hy weer. + + 837 Doet ghy de saeck niet vóór uw sterven, + Verwacht het veel min van uw Erven. + + 838 Mijn antwoord seght niet veel, maer sluyt op sulcke vragen: + De Os en kan het niet[106], en daerom singht de Wagen. + + 839 Een Man van reden heeft sijn welvaert in sijn Hand: + Al wat de Tijd souw doen, doet hy met sijn verstand. + + 840 De Wolf heeft altijd sin + In 't doen van sijn' Wolvin. + + 841 Alle ding van grooter waerde, + Komt van onder uyt de Aerde. + + 842 Wat het Ooge niet en siet, + Dat en wenscht het Herte niet. + + 843 't Allerheelsaemst in den Mond, + Maeckt de Bors wel ongesont. + + 844 De Logen, die men 's Avonds giet, + Gaet 's anderdaeghs van selfs te niet. + + 845 Dat Spiegels u te voren leggen, + En salm' u in den Raed niet seggen. + + 846 Geeft niet uw' Man het nauwst bescheid, + Van wat men u in d' oore seît. + + 847 Het slechte slijt ick geern met Vrienden en met hoopen, + Het beste weet ick licht met voordeel te verkoopen. + + 848 Let op het volck, daer by ghy zijt geseten, + De laetste in 't wercken, zijn de voorste in 't eten. + + 849 De Man, die 't sey, was niet bedrogen: + «Die sonder Vrouw is, hoeft veel oogen». + + 850 In een spits mager Wijf is 't waer: + Langh en benauwt, als 't quade jaer. + + 851 _Mameer_! wat isser toch in 't Hylick te bejagen? + _Ma Fille_! spinnen eerst, dan kramen, en dan klagen. + + 852 Een oud versleten Hemd, een Moeder hoogh van dagen, + En werden noyt met schand gedragen noch verdragen. + + 853 Siet, dat gh' een quaden Heer bewaert, + Soo krijght gh' er geen van quader aerd. + + 854 De Vrouw, die met haer Meid dan jocken wil, dan kijven, + En sal noyt by die Meid met kijven yet bedrijven. + + 855 't En voeght niet, Handen aen den Mond te steken, + Daer niet en is, om eten noch om breken. + + 856 Seer qualick geeft, + Die niet en heeft. + + 857 Lijden is vermaeck, + Mits het velen raeck'. + + 858 Werdt een ouw' Hoere gram, + De Vloeck, die van haer komt, keert weêr van daer hy quam. + + 859 't Goed is qualick by den Bloed, + Die geen Heer is van sijn Goed. + + 860 Den Hond is waerd gestraft, + Die maer van vrees en baft. + + 861 't Is quaed, een Sondaer werden, + En Duyvelsch, te volherden. + + 862 Heet[107] al, Pieter! en gebiedt, + En doet self al wat ghy hiet. + + 863 Beveelt, en laet het daer op staen, + Soo werdt[108] er niet met al gedaen. + + 864 Doet selfs uw last, + Soo gaet ghy vast. + + 865 Denckt, wie de droncke Trijn + 't Meêdoogen in haer sin gaf: + Sy kauwden al den Wijn, + Eers' hem de siecken in gaf. + + 866 Daer's geen gerief te doen: + Vier menschen in één schoen. + + 867 Een Os alleen kackt grooter hoop, + Als hondert Swal'wen over hoop. + + 868 Doet geern, gelijck ghy moet doen: + Quaed doen kost meer als goed doen. + + 869 Siet op de kinderen, die knickeren en koten: + 't Gerucht is meestendeel veel meerder als de Noten. + + 870 De vrees bewaert den Wijngaerd meer, + Dan die hem waer neemt voor den Heer. + + 871 Veel eten 's avonds helpt meer menschen aen haer Dood, + Dan menigh groot Doctoor kan helpen uyt den nood. + + 872 Niet doet niet seer, Armoed is pijn; + 't Is beter niet als arm te zijn. + + 873 Een Esel, die my draeght, is beter als een Paerd, + Dat my de zael uyt smijt, en tuymelt op der aerd. + + 874 Een Geck weet meer tot sijnent, dan een Man, + Die wijs is, tot een ander weten kan. + + 875 Hy doet een onvoorsichtigh werck, + Die Vyer meent uyt te doen met Werck[109]. + + 876 Daer zijn gedreighden en gewonden, + Maer d'eerste worden meest gevonden. + of + Dreigen is goed om verdragen, + Meer gedreighden dan geslagen. + + 877 Een rijck Man heeft meer Goeds als hy ten achter teert, + Dan een behoeftige, die vast sijn Goed vermeert. + + 878 De schijte-broeck, die Broeck en Hemd bedoet, + Heeft meer te seggen, dan die 't wasschen moet. + + 879 Een Meisje treckt een Man + Meer dan een Touwtje kan. + + 880 Twee Billen trecken meer in 't bedd' met haer geweld, + Als een paer Ossen voor de Ploegh doen in het Veld. + + 881 Wacht u voor geweld van Vrouwen: + Memmen trecken meer als Touwen. + + 882 Beter nucht'ren slapen gaen, + Als met schulden op te staen. + + 883 Een Blanck[110] van Stroo is meer voor my, + Als een halv' Blanck van Wol of Zy. + + 884 't Omschudden van een Hutspot, versch en warm, + Is beter als een Meisjen in den arm. + + 885 Men magh al proncken met sijn niewe Goed, + Een oude Schoen gaet voor een schoonen Voet. + + 886 't Is beter met een Esel in 't gekijf, + Als 't Hout te laden op sijn eigen lijf. + + 887 't Is beter luy en leêgh gegaen, + Als vod-werck en geen deegh gedaen. + + 888 't Is beter Vreemdelingh met rust, + Als by de sijne sonder lust. + + 889 Al slijt ghy niet dan leuren, + Ontnaeyen gaet voor scheuren. + + 890 't Is beter, sijn profijt in 't slijck gedaen, + Als in het Goud ten achteren gegaen. + + 891 De roock is meer tot mijnent waerd, + Als 't Vyer is aen eens anders Haerd. + + 892 Hoe goed een Vonnis wesen magh, + Noch beter is een quaed Verdragh. + + 893 Een kruym van 's Koninghs Brood is beter als een kant, + Die my gegunt werdt door d'aensienlickste van 't Land. + + 894 Een Arend in de vlucht, hoogh boven 't Land, + Is min waerd, als een Musken in de Hand. + + 895 Beter quijt dat spijt', + Dan noch beter quijt. + + 896 Al is 't den quister onbekent, + Goê Regel geldt meer als goê Rent. + + 897 Beter eenigh, stil, en stom gaen, + Als met quaed geselschap om gaen. + + 898 't Is beter onbekent, twee Horens op het hoofd, + Als datm'er geenen draeght, daer't yeder een gelooft. + + 899 Troost u met uw kind, + Beter slim als blind. + + 900 Een stuck Rund-vleesch met vrede in huys, + Gaet voor Capoenen met Verjuys[111]. + + 901 Warens' in mijn keur gestelt, + 'kWeet wel wie my liefste waer: + Of een oud Wijf met schoon Geld, + Of een jonge met schoon Haer. + + 902 Een wijs Mans éénen dagh is waerdiger verheven, + Als heel een Geck sijn Leven. + + 903 Veel weet de Rat, + Veel meer de Kat. + + 904 De Vosch is loos, en is 't heel seer; + Maer die hem vanght, is 't noch veel meer. + + 905 Vele kussen sulcke Handen, + Die sy liever sagen branden. + + 906 Het is soo dienstigh en soo licht: + Op qualick spreken goed bericht. + + 907 Een snapster snapt van allegaêr, + En yedereen snapt weêr van haer. + + 908 Een schoon Waerdin, in Stadt of Land, + Zijn Druyven aen den Wegh geplant. + + 909 Sy leeft alsofs' een Kickvorsch waer, + Sy drinckt en kaeckelt, mijn Gevaêr[112]. + + 910 Daerm' u berecht met honigh-woorden, + Past op uw beurs en op haer koorden. + + 911 Daer men 't Jock in 't Veld siet gaen, + Moet de Spin-rock thuys niet staen. + + 912 Dewijl 't de Wijse overslaen, + Soo heeft de Geck het werck gedaen. + + 913 Ghy mooght my in mijn Goed benouwen, + Mijn Eer moet ghy my laten houwen. + + 914 Mijn Soonens Kin magh wel behaeren, + Maer Kinderen sal hy niet baeren. + + 915 Die voor hem siet, + Valt achter niet. + + 916 Mijn drincken weet elck een die 't siet, + Maer mijnen dorst en siet men niet. + + 917 Als ick mijn sin magh doen, + 'k Heb liever nu het Ey, als morgen vroeg het Hoen. + + 918 Inkoop van Kaes en van Meloen, + Is alles by 't gewicht te doen. + + 919 Den Hond bequispelsteert u noot[113] + Om uwent wil, maer om uw Brood. + + 920 't En is somwijlen niet vergist: + De Wijn is arger als de Gist. + + 921 Ghy lieght al, Maertje lief! + Als 't opschrift van een Brief. + + 922 Sijn herssenen sijn seer gekrenckt, + Die denckt, dat niemand anders denckt. + + 923 Van den Steegen[114] en den Sot, + Vult den Advocaet sijn pot. + + 924 Vrouw of Hond en kan noyt missen, + Waer af[115] schreyen of af pissen. + + 925 De Mist om hoogh, + Noyt onder droogh. + + 926 Teeckent niet, of leest eerst wat; + Drinckt niet, of besiet het nat. + + 927 Noyt Vrijster leelick, vuyl, of oud; + Noyt onfatsoenlick werck van Goud. + + 928 Wenscht om geen Wijf soo schoon, noch soo afgrijsselick, + Dat yemand om haer sterv', of yemand om haer schrick'. + + 929 Daer en waer geen grooten Heer, + Warender geen kleine meer. + + 930 Hagel-jaren, goede jaren, + Maer wee, diense wedervaren! + + 931 Daer kan geen scherper Pijnbanck zijn, + Als is de Pijnbanck van de Wijn. + + 932 De beste Chirurgijn + Moet wel doorsneden zijn. + + 933 Geen Spiegel, die ons beter dient, + Als het vermaen van een oud Vriend. + + 934 Het jocken, dat het swaerst is, + Is 't jocken, dat het waerst is. + + 935 Geen snooder Doov' geboren, + Dan die niet en wil hooren. + + 936 Wel-dienens soete Toovery + Gaet alle Toovery verby. + + 937 Den Haerd viel nauw voor 't huys-gesin, + Noch woûd' er mijn Wijfs Vader in. + + 938 Spreeckt geen quaed van 't Jaer, + Als in 't Jaer daer naer. + + 939 Het Hincken van den Hond, en 't schreyen van de Vrouwen, + Is niet veel te betrouwen. + + 940 't Is een regel, die kan missen: + Met een Kluyt-boogh willen vissen. + + 941 De Leeuw is niet soo fel van hert, + Als hy wel uytgeschildert werdt. + + 942 'k Meen vóór morgen + Niet te borgen. + + 943 God heeft hem niet gemaeckt, + Daer hy niet over waeckt. + + 944 't En is den ouden Man sijn vyand niet, + Die hem sijn Avond-kost steelt of verbiedt. + + 945 Vreest voor geen quaed, + Soo ghy 't quaed laet. + + 946 Noyt heefter mensch geleeft, + Die niet gefeilt en heeft. + + 947 En laet u met geen' Bulleback verveeren, + De Kraey en is niet swarter als haer' veeren. + + 948 Daer 's aen Truyten[116] niet te raecken, + Sonder Broecken nat te maecken. + + 949 't Is juyst niet voor een Man te gissen, + Al watter aen den wand kan pissen. + + 950 'k En ben niet als de Stroomen, + Om noyt te rug te komen. + + 951 God geev', uw ongeluck zij noyt soo groot, + Als heel veel Kind'ren en heel weinigh Brood. + + 952 Wilt ghy niet wegh, ick segh niet dat ghy 't doet; + Maer salter soo nae maecken, dat ghy moet. + + 953 Noyt en zy daer schrick gevonden + In uw Hert, als voor de Sonden. + + 954 't Land en hoeft het net te hopen, + Daer de wielen best in loopen. + (Drooghte) + + 955 En wacht noyt van een ander man, + Het geen door u geschieden kan. + + 956 Wat datter blijck' of niet en blijck', + Die wegh is, en heeft noyt gelijck. + + 957 Biedt men meer als ick bedingh, + 't Is een slagh van weigeringh. + + 958 Is 't Sout in den Pot vergeten, + Maeckt staet, daer en is niet t'eten. + + 959 Daer hooren and're saecken + Ter Tafel, als wit Laecken. + + 960 Hoort, Slapers, die aen 't Bedde kleeft als Peck, + De Luyheit is de Sleutel van 't Gebreck. + + 961 Het Gast-mael is gedaen, + De Waerd, de Geck, blijft staen. + + 962 Ghy mooght wel, is verby; ghy woudt wel, is gekomen; + Doe was de Wil van huys, nu is de Macht benomen. + + 963 Wy dencken soo seer waer wy gaen, + Dat wy vergeten, waer van daen. + + 964 Een Hengelaer van sijn bewind, + Kan veel meer eten dan hy wint. + + 965 Een Hond die bast en heeft geen kracht, + Heeft wel te vreesen voor sijn vacht. + + 966 Steen uyt de Hand + En komt niet weêr; + Woord uyt den Tand + Oock nimmermeer. + + 967 Recht of onrecht, hoe het zy, + Hebt den Schryver op uw zy. + + 968 Wenscht hem Proces en Pis-gelas[117], + Die ghy wenscht, dat bedorven was. + + 969 Die langhsaem gaet, gaet verr', + Die loopt, raeckt licht om ver. + + 970 Stelt ghy u Goed te recht daer een hoop Rechters sit, + Den eenen dunckt het rood, den and're keurt het wit. + + 971 't Gepresen koos ick voor 't bekende, + En vond my vol berouws in 't ende. + + 972 Ofm' al vroegh uytten bedde komm', + 't En daeghter niet te vroeger om. + + 973 Hoe datter Wind en Weêr uyt siet, + Verlaet den Wegh voor 't By-pad niet. + + 974 Weest niet te graegh na niewe maren, + Sy sullen metter haest verjaren, + En ghy sult weten, hoese waren. + + 975 Al is het Schuytje swack op 't Veer, + Het doet nog wel een tochtje meer. + + 976 Een Pand dat eten kan, + Aenvaerde Vrouw noch Man. + + 977 Een Deur, die ongesloten staet, + Bekoort een heiligh Man tot quaed. + + 978 Dewijl ick niet en weet, en u niets is verborgen, + Ick bid u: seght my eens, wat droomd' ick heden morgen? + + 979 Wat meer hier en wat meer daer, + Alle Wol en is maer Haer. + + 980 Alser Druyven zijn en Vijgen, + Moet gh' uw' Winter-kleêren krijgen. + + 981 Als een[118] de Sterren telt, + Behouden sy het veld. + + 982 Belieft het God den Heer, + Het regent wel met allen Wind en Weêr. + + 983 Belieft het God den Heer, + Het regent in schoon Weêr. + + 984 Al slapende maeck ick my moê; + Wat meent ghy, dat ick gaende doe? + + 985 Belooft de Roover Wasch[119] en Missen op 't Autaer, + Voor seker, de Galey[120] is in een groot gevaer. + + 986 Indien de kreupele van Min vergaet, + Wat sal hy die niet kreupel gaet? + + 987 Soo de Duyvel bidt, maeckt staet, + Dat hy u bedriegen gaet. + + 988 Daer de Vijsel is aen 't gaen, + Komt een lecker Noen-mael aen. + + 989 Als de Wolf rooft op sijn best, + Jaeght hy verre van sijn nest. + + 990 Eer de Geck verdragen[121] zy, + Is de Merckt al langh verby. + + 991 Een Dood-kist voor den ouden Man, + Soo haest hy niet meer drincken kan. + + 992 Wanneer de Boer sit op den Muyl, + Soo kent hy God, noch mensch, den uyl. + + 993 Als in huys de Dienstmaeghd swilt, + En in 's menschen lijf de Milt, + En des Koninghs bors in 't Rijck, + Gaen de dingen misselijck. + + 994 Wil Onheil in slaep geraecken, + Laet het niemand wacker maecken. + + 995 Als 't regent, regent het, als 't sneeuwt, soo sneeuwt het; maer + Als 't waeyen wil, soo is 't het quaedste Weêr van 't Jaer. + + 996 Als w'ons duncken meest behouwen, + Is 't geluck minst te betrouwen. + + 997 Die Goud-guldens-verw' kan pissen, + Kan licht de Doctoren missen. + + 998 In 't breken van de Maen, + Laet al het zaeyen staen. + + 999 Als 't God niet en gebiedt, + Vermagh de Heiligh niet. + +1000 Doew'u geerne namen, + Hietenw' u _Madame_, en + Nu gh' ons hebt gerieft, + Al soo 't ons gelieft. + +1001 Is de buyck met pijn beseten, + Laet den aers de tijdingh weten. + +1002 Als elck u voor een Esel groet, + Soo schreeuwt, gelijck een Esel doet. + +1003 Vindt gh' een mallen Geck van aerd, + Houdt u of ghy 't selver waert. + +1004 De Lont verschijnt altijd + Met schad' en geen profijt. + +1005 Soo ghy siet uw Huys staen branden, + Gaet'er by, en warmt uw Handen. + +1006 Wil d'eene Wolf den and'ren vreten, + Soo valt'er niet in 't Bosch om t'eten. + +1007 Al wat ghy weet, en segget niet, + En oordeelt niet al wat ghy siet; + Dat sal u geven + In vreê te leven. + +1008 Als s' in doncker werdt getelt, + Gaet de Haegh-munt[122] voor goed geld. + +1009 Die Prophesie is goed te spreken: + Het Touw sal op sijn dunste breken. + +1010 Doet d'oorsaeck uyt den wegh, + Soo raeckt de Sonde wegh. + +1011 Kaecken sonder Baerd + Zijn geen eere waerd. + +1012 Wat waer het stelen een vermaecklick dingh, + Als m'aen den Riem[123], niet aen de Keel en hingh? + +1013 Die wel dient, en eischt niet veel, + Al sijn dienst is achterdeel[124]. + +1014 Wat een hoop korens, wat een schat, + Als m' hem niet op gegeten had! + +1015 Hebt gh' een goed Kind, + Gh' hebt een goed Vrind[125]. + +1016 Wat men seît, of niet en seît, + Past ghy maer op uw beleid! + +1017 Op Doornen zaeyen + Volght Distels maeyen. + +1018 Dient ghy twee Heeren in 't gemeen, + Voor seker, ghy bedrieghter een. + +1019 Spouwt naer den Hemel als een geck. + Het valt u selver op den beck. + +1020 Die maer dreight en grijpt niet reê, + Heeft er een, en wacht er twee. + +1021 Die maer wenckt en niet en slaet, + Weet dat hy in vreese staet. + +1022 Die den Doctoor wil voor sijn Bedde derven, + Of hy ontkomt, óf God selfs doet hem sterven; + Die den Doctoor te hulp haelt in sijn leed, + Raeckt in Beuls hand, en 't is maer wel besteedt. + +1023 Door een trouw vriendelick vermaen, + Brengt m' yemand hulp, geen oneer aen. + +1024 Die te dickwijls wil Soldaten, + Laet' er 't Vel of sal 't er laten. + +1025 Licht dien ghy my bespotten siet, + En siet op sijn gebreken niet. + +1026 Die het snot veeght van mijn Soon, + Geeft m' een soentjen aen mijn koon. + +1027 Die sijn raed alleenigh sluyt, + Treckt sijn Haer alleenigh uyt. + +1028 Die sijn Vyand weinigh acht, + Werdt er licht van omgebracht. + +1029 Die sijn Hond soeckt dood te smijten, + Moet hem eerst voor dol uyt krijten. + +1030 Die door een Naelden-oogh verspiedt, + 't Gebeurt, dat hy sijn hertseer siet. + +1031 Al is het Schuytje swack op 't Veer, + Het doet nog wel een tochtje meer. + +1031 Die op de Sop[126] drinckt over malen[127], + En hoeft geen Doctor in te halen. + +1032 Die mint met rechte Min, + Stelt langhsaem uyt den sin. + +1033 Die het Spinnewiel wel jagen, + Konnen myme Hembden dragen. + +1034 Indien ghy goê koop soeckt te koopen, + Soeckt kaele Gecken te beloopen. + +1035 Hy antwoordt in goê woorden, + Die eerst ter degen hoorden. + +1036 Die sijn Lief wel heeft besint, + Siet van verr' die hy bemint. + +1037 Die 't goed besit en 't quaed wil vinden, + Gae sich op een Galey[128] verbinden. + +1038 Die 't goed besit en 't quaed wil kiesen, + En klaegh' niet, moet hy 't goed verliesen. + +1039 Die met den Spotter spot, voorwaer + Verdient een aflaet van veel jaer. + +1040 Hy sweegh niet, die nu niet en spreeckt, + Verkreegh hy maer, dat hem gebreeckt. + +1041 Met singen kan men plagen + Verschricken en verjagen. + +1042 Die van liefde trouwt, moet wachten + Quade Dagen en goê Nachten. + +1043 Die in een Koe-stront heeft gebeten, + Soû licht'lick van een Taertjen eten. + +1044 Die van geleent Geld werdt gevoedt, + Eet uyt sijn eigen sack sijn Goed. + +1045 Die's Koninghs Koe gegeten heeft, + Sie vry wel toe, soo langh hy leeft: + Men sal hem onderhalen, + En over hondert Jaer de Beenen doen betalen. + +1046 Steeckt veel klein Viskens in den mond, + Soo eet ghy veeler aersen stront. + +1047 Die wat eet en wat laet staen, + Kan twee mael ter tafel gaen. + +1048 Die 't Vleesch heeft wegh gedragen, + Magh oock de Beenen knagen. + +1049 Die een Peerd derft koopen, + Koopt sich sorgh met hoopen. + +1050 Die al koopt dat sijn gerief is, + Moet verkoopen dat hem lief is. + +1051 Die daer koopt en weêr verkoopt, + Voelt niet, hoe sijn Goed verloopt. + +1052 Die sich in spotterny van oude liên vermaeckt, + Eerst lacht hy; maer het volght, dat hy aen 't schreyen raeckt. + +1053 Met kinderen te Bedd' te gaen, + Is om bescheten op te staen. + +1054 Met Honden in sijn Bedd' gegaen, + Is met de Vloyen opgestaen. + +1055 Die jongh gedierte queeckt en voedt, + Vermeerdert nacht en dagh sijn Goed. + +1056 Hy heeft seer wel verkocht, die wel gegeven heeft, + Soo 't maer geen Geck is dien hy geeft. + +1057 Die voor sijn sterven, + Sijn Goed wil derven, + Maeck' sich gereed + Tot alle leed. + +1058 Die wat Hand-giftjens kan doen smaecken, + Weet van sijn onrecht recht te maecken. + +1059 Die wil schuylen onder 't Blad, + Maeckt sich selven tweemael nat. + +1060 Die 's Winters Vogels jaeght, en Somers zoeckt naer Nesten, + Heeft voor sijn bueren noyt veel Korenwerck ten besten. + +1061 Werd ick van voren Heer, van acht'ren Geck genaemt, + Hy vreest my die het doet, of is voor my beschaemt. + +1062 Sieck van sottigheit te wesen, + Valt seer langhsaem om genesen. + +1063 Die geene vrienden by en staet, + Moet weten, dat hem God verlaet. + +1064 Die veel leeds is gewoon te smaecken, + Een weinigh goeds kan hem vermaecken. + +1065 Weest noyt haestigh, Man noch Vrouw! + Kort beraed maeckt langh berouw. + +1066 Hy, die het Goed deelt onder veel, + Heeft altemet het quaedste deel. + +1067 Een vriend van alle man gelijck, + Of is heel arm òf is heel rijck. + +1068 Die Pieter schuldigh is, en geeft Andries sijn Geld, + 't Is reden, dat hy 't noch eens telt. + +1069 Die ten eersten niet kan kacken, + Sit wel tweemael op sijn hacken. + +1070 Die voor den grooten Wegh den bywegh kiest, is dom: + Hy meent het vordert Wegh, en wandelt veel Weghs om. + +1071 Die veel Gelds op een wil hoopen, + Moet veel gins en weder loopen. + +1072 Weest van Geld en Brood gerieft, + En ghy trouwt waer 't u belieft. + +1073 Die niet kan swijgen dat hem raeckt, + Denckt, hoe hy 't met een ander maeckt. + +1074 Die slechtst van de Merrie praet, + Is hy diese koopen gaet. + +1075 Die 't Water in de Flesch met eenen slagh wil stouwen, + Verstort'es[129] ongelijk meer, dan d'er blijft behouwen. + +1076 Die den Ezel prijsen kunnen, + Moet men sulcken Soontjen gunnen. + +1077 Die d' Olie met de maet uyt meet, + Besmeert sijn handen eer hy 't weet. + +1078 Die light en schrijft op alle Wanden, + Heeft Wind in 't Hoofd, en in sijn Handen. + +1079 Die sijn leên rust op een Steen, + Werdt een Steen door al sijn leên. + +1080 Die in een Jaer veel rijckdoms meent t'erlangen, + Werdt menighmael op t halve Jaer gehangen. + +1081 Die een vriend is van den Wijn, + Moet sijn eigen vyand zijn. + +1082 Die Hoornen draeght, en is te vreden, + Draegt eewigh Hoornen, en met reden. + +1083 Dien het Geluck wat mede gaet, + De minste Mier komt hem te baet. + +1084 Die een struyck'lingh doet, + Valt hy niet, hy spoedt. + +1085 Die verlieft is op een wesen, + 't Leelick dunckt hem schoon te wesen. + +1086 Die wat spaert, die heelt wat, + Die wat mest, die keelt wat. + +1087 Hebt ghy Dienaers in uw Hof, + Gh' hebt Vyanden, met verlof. + +1088 Moet gh' aen den Honds gat met een' kus, + Soo doet het liever nu als flus. + +1089 Wilt ghy hebben datm' u dien', + Weest met lijdsaemheit versien. + +1090 Komt u een kranckheit aen, en zijt gh' er aen gewent, + Soo brenghts' u aen uw end. + +1091 Die wat bevallick is van wesen, + Hoeft nergens vreemdelingh te wesen. + +1092 Een pijnelicke Tand, + Quaed Maeghschap by der hand. + +1093 Die doende naer sijn lusten hoort, + En doet niet altoos wat hy hoort[130]. + +1094 Die de saecken uyt moet rechten, + Heeft goed recht tot goê gerechten. + +1095 Die voor 't Gemeen slaeft met verdriet, + Slaeft eigentlick voor niemand niet. + +1096 De Man en heeft my niet bedrogen, + Die my geswoor'n heeft en gelogen. + +1097 Die met den Honigh om wil gaen, + Hem hanght'es[131] veel of weinigh aen. + +1098 Die de Peere meest veracht, + Is hy dieder meest na tracht. + +1099 Die 't al ten nauwsten overleît, + En leeft noyt in gerustigheit. + +1100 Die uyt sijn buermans Pot sich selven soeckt te kroppen, + En moet de Potten van sijn eigen haerd niet stoppen. + +1101 Die ver van huys om trouwen is getogen, + Of hy bedrieght òf hy werdt self bedrogen. + +1102 Die den Offer heeft t'ontfangen, + Magh de klock doen bingebangen[132]. + +1103 Die wat vroeghjes doet sijn best, + Vindt den Vogel in sijn Nest; + Die wat langh wil blijven slapen, + Sal op 't leêge Nest staen gapen. + +1104 Die sijn Bedde qualick maeckt, + Light'er moeylick in en waeckt. + +1105 't Luydt hem heel wel in sijn ooren, + Dien wy qualick singen hooren. + +1106 Die met sijn Deegh speelt onderst boven, + Treckt scheeve Brooden uyt den Oven. + +1107 Komt een[133] geen qualick vaeren toe, + Hy werdt de Weelde selver moê. + +1108 De Mensche siet + Na sijn verdriet. + +1109 Die wat seers heeft aen sijn Bil, + Sit niet stil + Als hy wil. + +1110 Die by qualick nemen leeft, + Weet dat hy noch arger geeft. + +1111 Die meest laedt in de Schuyt, + Haelt oock het meest daer uyt. + +1112 Die pissende niet éénen wind en schiet, + Gaet op het Hof, en siet de Koningh niet. + +1113 Die al te langh in 't Bedde broedt, + Verliest sijn en een anders Goed. + +1114 Die veel speelt met Tongh en Kaecken, + Komt wel eens het punt te raecken. + +1115 Die in sijn Bedd' gaet met veel Wijn, + Kan 's morgens niet Brood-lustigh zijn. + +1116 Die op den Mis-hoop is geboren, + Sal noyt na beter wooningh hooren. + +1117 Die als een Geck op 't quaed wil slaen, + Sal als een Geck ter Hellen gaen. + +1118 Die eerst weigert en dan doet, + Soeckt na vred' in sijn gemoed. + +1119 Die geen Goten wil verstellen, + Moet het aen 't heel Huys ontgellen. + +1120 Sijn Wijf en is hem niet veel waerd, + Die niet een Spel raept van der aerd. + +1121 Die de kleine niet en willen, + Straffen oock geen groote Billen. + +1122 Die voor sijn Moeder maeckt den dooven, + Moet een quaê stief-moêr wel gelooven. + +1123 Dien eene reis niet af kan keeren, + De thien en sullen 't hem niet leeren. + +1124 Die geen Narrerij en doet, + Draeght geen pluymen op den Hoed. + +1125 Doet gh' uw' woord niet, + God en hoort niet. + +1126 Weet, dat hy sonder eere leeft, + Die onder hem geen minder heeft. + +1127 't Schijnt, datter wat aen lieght, + Als Joncker niet en lieght. + +1128 Wie m' in mijn sieckte niet en kenn', + Kuss' mijn aers, nu 'k genesen ben. + +1129 Die Reden hoort en kan verachten, + Daer is geen Reden af te wachten. + +1130 De Man verdwijnt, + Die niet verschijnt. + +1131 Daer noyt werdt ingebracht en altoos uyt genomen, + Salm' eens te gronde komen. + +1132 Die noyt en heeft gewaeght, + Heeft d'armoê noyt verjaeght. + +1133 Die sich niet geern en wilde wagen, + Laet sich van Paerd noch Muylen dragen. + +1134 Die noyt kan eisschen en doen geven, + Had noyt verstand van wel te leven. + +1135 Die maer een Hembd en kan verplegen, + Valt alle Saterdagh verlegen. + +1136 Hebt ghy geen Honigh opgedaen, + Soo laet hem uyt uw' Lippen gaen. + +1137 Betrouwt hem niet veel Gelds te leenen, + Die 's Winters gaet met bloote beenen. + +1138 Hebt ghy lust na tijdverdrijf, + Reedt een Schip, of neemt een Wijf. + +1139 Die Schulden afleght uyt sijn' Kas, + Werdt soo veel rijcker als hy was; + Als ick mijn schulden af betael, + Verbeter ick mijn Kapitael. + +1140 Die aen Visch wil raecken, + Heeft sich nat te maecken. + +1141 Zyt gh' op een weinigh Lands geseten, + Ghy mooght het met u schreden meten. + +1142 Die Arm is, wil al 't Maeghschap wijcken, + En elck is Maeghschap van de Rijcken. + +1143 Die niet veel Gebeedjens kan, + Scheit' er in een omsien van. + +1144 Die weinigh heeft en 't weinigh geeft, + 't Berouwt hem, soo hy weinigh leeft. + +1145 Die het Note-boomken plant, + Wacht de vrucht niet in sijn Tand. + +1146 Die ghy om-weeghs-wijs hoort spreken, + Denckt--daer kunstjens achter steken. + +1147 Die vraeght, wat hy niet vragen soû, + Moet hooren, dat hy niet en woû. + +1148 Die vraeght, en doet niet mis, + Soo 't geen mal vraegen is. + +1149 Leent een wat hy heeft vergaêrt, + 't Kost hem haeren uyt sijn Baerd. + +1150 Die leent, en krijght niet weêr, of, krijght hy weêr, niet al; + Of krijght hy 't al, niet soo, of krijght hy 't, by geval, + Soo goed weêrom als doen hy 't gaf--Hy krijghter een dood-vyand af. + +1151 Die sijn Oogh haest wil genesen, + Moet sijn Hand gebonden wesen. + +1152 Die nemende wil leven, + Voeght altemet te geven. + +1153 Die geerne voordeel deê, + Lev' in de laeght', of op een Haven van de Zee. + +1154 Die uyt siet naer een schoone Vrouw, + Die gaese liever soecken + In Saterdaeghse doecken, + Als Sondaghs op een Ondertrouw[134]. + +1155 Die langh oud wil zijn met sinnen[135], + Moet het al wat vroegh beginnen. + +1156 Soeckt gh' eerst vermaeck en dan gequel, + Schrobt maer uw' Huyd, ghy vindt het wel. + +1157 Hebt gh' uw gesontheit lief, slaet acht op desen raed: + Eet 's Middaghs matigh, en des Avonds niet te laet. + +1158 Soeckt gh' een dingh, dat u verwondert, + 's Menschen Hert is 't onder hondert. + +1159 Lust u een Geck te deegh te groeten, + Hy is een Beest, seght, met twee voeten. + +1160 Lust u een Boer te sien verlegen en vermant, + Geeft hem een Keers in d'een', een Ey in d'ander Hand. + +1161 Betrouwt den Dief uw saecken, + Soo gh' hem getrouw wilt maecken. + +1162 Wilt ghy gevolght zijn van den Hond, + Geeft hem een stuck broods in den mond. + +1163 Die boos is in sijn Land, + Is boos aen alle kant. + +1164 Sy scheppen 't Water in de Seven, + Die al te licht geloove geven. + +1165 Gaet een te Bedde sonder eten, + Hy sal noyt recht van rusten weten. + +1166 Die krackeel maeckt op een Feest, + Was, en is, en blijft een Beest. + +1167 Die sich kleedt in slechte waer, + Kleedt sich tweemael in een Jaer. + +1168 Die 't Sand-pad ploegen wil, en zaeyen in den Wegh, + Vermoeyt sijn Ossen maer, en werpt sijn Koren wegh. + +1169 Die altijd acht op 't end wil slaen, + Sal noyt een groote daed bestaen. + +1170 Die naer een saeck tracht in 't geheel, + Of krijghtse soo of voor een deel. + +1171 Die een quaed Man ten dienste staet, + Doet of hy 't Saed wierp op de Straet. + +1172 Die alleenigh eet sijn Maelen, + Moet sijn Paerd alleenigh zaêlen. + +1173 Al die sijn Wagen smeert, + Verlicht òf Os òf Peerd. + +1174 Die sijn Vyand weinigh acht, + Werdt er noch van omgebracht. + +1175 Die maer en lijdt, + Wint metter tijd. + +1176 Die sijnen aers te huer uyt geeft, + En sit niet, als hy 'r lust toe heeft. + +1177 De Tijd spilt sonder nood, + En sonder nut of wit, + En let niet op de Dood, + Die op sijn schouders sit. + +1178 In een oud vel + Trouwt niemant wel. + +1179 Die al te laet is opgestaen, + Moet al den dagh een drafjen gaen. + +1180 Die u meer vriendschaps doet als voren, 't kan niet liegen, + Of hy heeft u van doen, òf hy wil u bedriegen. + +1181 Waer hebt ghy 't lappen van oûw kleêren af geleert? + Van weinigh Broods en veel klein' Kind'ren om den heerd. + +1182 Al die Tijd heeft en wacht na Tijd, + De Tijd sal komen, dat 't hem spijt. + +1183 Die een Mond heeft is een dwaes, + Seght hy tegen yemand: «blaes!» + +1184 Die Kinders voedt en Schapen weidt, heeft klachten + Van wederzijds te wachten. + +1185 Die met de Lans rijdt in de Hand, + Besit sijn en een anders Land. + +1186 Die Schapen heeft te tellen, + Is oock versien van Vellen. + +1187 Die aen den voet van een Altaer kan raecken, + Heeft altijd Brood, en hoeft geen Deegh te maecken. + +1188 De Vier heeft en wil Vijf verteeren, + Kan Bors en Borseken ontbeeren. + +1189 Die 't leven een uer kan verlangen[136], + En komt sijn leven niet te hangen. + +1190 Die den Degen draeght op zy, + Draeghter oock de Vrede by. + +1191 Komt yemand met quaê tijdingh by, + Al is 't hem leed, sy maeckt hem bly. + +1192 Die niet een dronck doet op 't Salaet, + En weet niet wat hy goeds verlaet. + +1193 Die oud is, en werdt weder vet, + Heeft tweederhande Jeughd te bet. + +1194 Wat heeft u 't Schout-ampt aen doen bieden? + Niet als gebreck van beter lieden. + +1195 Steelt yemand eenen keer, + Betrouwt hem nemmer meer. + +1196 Die sondight en van Sonden scheidt, + Gebiedt sich in Gods goedigheit. + +1197 Hebt ghy te Hoof uw loon vergeten, + Daer 's niemand, die 't u danck sal weten. + +1198 't Gat stoppen als 't Goed quijt is, + Is sorgen als 't geen tijd is. + +1199 't Verkoude Zeer + Doet meeste zeer. + +1200 Daer zijn veel Tongen, die als Middaghs klocken gaen; + Sy tonnen niet een halv' min als twaelf Uren slaen. + +1201 Ick heb geen Vriend gebreck, + Die met de Vleugels deck', + En bijte met den Beck. + +1202 'k Soeck het niet, al is 't van Goud, + 't Becken daer men Bloed in spouwt. + +1203 In 't Huys en hebb' ick niet te doen, + Daer elck seght: «veel gelucks, Vriend! met uw niewen Schoen». + +1204 'k Soeck op die Paerden niet te komen, + Die 'ck achter aen den steert sie toomen. + +1205 'k En reken van mijn leven + Met Nichten noch met Neven. + +1206 Tot[137] goude Boeyen + Kan ick verfoeyen. + +1207 Wegh met dat Land, dat boose Goed, + Daer meê de Land-Heer worstlen moet. + +1208 't Preken is een vuyl getier, + Als het eindight in: «Geef hier!» + +1209 De Koningh werdt'er toe geboren, + De Paus maer by geval gekoren. + +1210 De Rijckdom is seer groot, + De Stamper loopt rondom, en vindt niet wat hy stoot'. + +1211 Als Klappeyen t'samen kijven, + Komt al uyt wat sy bedrijven. + +1212 De grootste wraeck van boosheit is: + Bly aensicht en vergiffenis. + +1213 Als sich een Heer op 't bidden stelt, + Soo doet hy u niet als geweld. + +1214 Op, Valckjen! en steiger, + Soo krijght ghy den Reiger. + +1215 Stort eens het Sout, men magh wat schrapen, + Maer t'samen is het niet te rapen. + +1216 Die langh lapsalvert[138] en Doctoort, + Dit is 't al, dat ghy van hem hoort: + Eerst Kamer-gangen en dan Laeten, + En, sterft hy, dan begraeven laeten. + +1217 Een' sneê in 't Vel geneest en sluyt; + Een' Sneê van Woorden wil niet uyt. + +1218 Droogh, maer van honger, is noch best, + Die 't anders is, schouwt als de Pest. + +1219 Men kan geen Heerschap zijn, + Door Zijde of door Satijn. + +1220 Daer kan geen veeger teecken wesen, + Als dat men niet en wil genesen. + +1221 Schrijft, Joffertjen! ick hebb' begost, + Papier en Inckt heeft Geld gekost. + +1222 Soo gh' op een goed geruchte let, + De Sonn' en vind' u niet in 't Bed[139]. + +1223 Een Vrouw, voor goed gepresen, + Moet meer als eerlick wesen[139]. + +1224 Soo ghy doortasten wilt, hoe dat een man van sin[140] is, + Bestelt hem maer een Ampt, ghy sult sien watter in is. + +1225 Kondt ghy soo loopen soo[141] ghy poyt[142], + Kom, metter haest een Haes gedoyt[143]. + +1226 Hebt ghy my lief, ick heb 't u mede, + Maer laet my niet mijn Geld met vrede! + +1227 Soo gh' u meent te wreken, + Wacht u wel van spreken. + +1228 Had 't Paerd een Milt, de Duyf een Gal, + Soo waer 't volck éénigh[144] over al. + +1229 Waer ons Herte Stael van binnen, + 't Geld en soud't niet overwinnen. + +1230 Miste een wijs Man tot geener tijd, + D' onwijse berste wel van spijt. + +1231 Stiet de Duyvel aen een Steen, + Dat hy ded' heeft hy geleên. + +1232 Soo de Katten Honigh eten, + Zijn wy hier niet wel geseten. + +1233 Waer de Groote groot van moed, + En de Kleine koel van bloed, + En de Rosse vroom en vroed, + Alle man waer even goed. + +1234 Saghm' op de Merckt geen sotte lieden, + Wie souw Geld voor quaê Waeren bieden? + +1235 Zaeyt wat vroegh, en snoeyt wat laet, + 't Komt in Brood en Wijn te baet. + +1236 Soo gh' op uw plaets wilt sitten gaen, + En sal u niemand op doen staen. + +1237 Zijn seven Broederen geseten in den Raed, + Dan valt haer Vonnis goed, en dan eens weder quaed. + +1238 Hadd' ick eertijds konnen raên, + 'k Waerder nu niet qualick aen. + +1239 Of 't d'een behaeght en d'ander niet, + Volght, wat de Reden u gebiedt. + +1240 Waer alle sottigheit verdriet of pijn, + Wat souder krijtens in de huysen zijn! + +1241 Is 't Meisje mal, soo hoûs' haer Handen + Aen 't wercken, en haer Tongh in banden. + +1242 Soo my 't aensicht niet bevall', + Soo en raedt my niet met al. + +1243 Waert ghy niet door gegaen, + Ghy haat een dronck gedaen. + +1244 Waer Loock te soecken als Kaneel, + Sy golden t'samen even veel. + +1245 Dient vry een Edel hert, al is'er niet te haelen, + Ghy sult n vroegh of laet de moeyte sien betaelen. + +1246 Soeckt ghy kennis aen verdriet. + Dient een Heer, 't en mist u niet. + +1247 Laet ghy u een goed Dienaer vinden, + De reden sal uw Heer verbinden. + +1248 Soo ghy de rechte waerd' van een Ducaet wilt schatten, + Gaet, soeckter een te leen, ick meen ghy sult het vatten. + +1249 Indien u 't sieck zijn niet en let, + Soo wascht uw Hoofd en gaet te bed. + +1250 Wilt gh' u Testament wel maecken, + Maeckt het met gesonde kaecken. + +1251 Wilt ghy, dat mijn Beenen gaen, + Laet de Ton voor henen[145] gaen. + +1252 Soeckt ghy naer een goeden Dienaer, + Dient u selven, daer 's geen sien naer. + +1253 Men moet een goeden Jongen queecken, + Eer 't Haer begint door 't vel te breecken. + +1254 Indien ghy van gesontheit houdt, + Soo maeckt u selven goeds tijds oud. + +1255 Zijt ghy begeerigh naer een ander sijn secreten, + Siet s' in sijn Vrolickheit of in sijn' Rouw te weten. + +1256 Maeckt op de Peeren, + Geen Wijn t'ontbeeren. + +1257 'k Woû de kunst wel van hem leeren, + Die Quicksilver kan soudeeren. + +1258 Des Morgens al te vroege Son, + En duert niet langt soo sy begon. + +1259 De Blinde droomde, hy sagh den Dagh, + En droomde, dat hy geerne sagh. + +1260 Smit! tast den Blaes-balck aen, + Soo sal de neeringh gaen. + +1261 Van binnen blaeuw, van buyten rood, + Een Scheê van Goud, een Mesch van Lood. + +1262 Geen beter Voer[146] en kander zijn, + Als twee goê Schoenen en goê Wijn. + +1263 Den Esel lijdt wel dat m' hem laedt, + Maer 't overladen maeckt hem quaed. + +1264 Lijdt om te weten, + En werckt om t'eten. + +1265 Groot is de mis-slagh, even + Als die hem heeft bedreven. + +1266 Maeckt maer u Goed wat te vermeeren, + Gh' hebt tijds genoegh om te verteeren. + +1267 Des Koninghs doen is als het mijn, + Men vindt ons niet als daer wy zijn. + +1268 Krijght Goed te gaêr, + Maer let van waer. + +1269 Laet and're sitten, en staet ghy, + Soo eet ghy licht soo veel als dry. + +1270 Weêr komt naer ander Weêr, + En naer Wind Water weêr. + +1271 Ghy zijt in overvloed + Versien van Geld en Goed, + En derft aen 't Veel niet raecken, + Om Veel tot Meer te maecken. + +1272 Soo ghy om sterven zijt belust, + Eet Schapen-vleesch gebraên, en gaet daer op te rust. + +1273 Besit ghy lecker Druyven-nat, + Daer's Kraen noch Kraentjen in het Vat. + +1274 Al dese Werelds doen is niet, + Soo 't op de tweede niet en siet. + +1275 Daer's niet waerachtiger als dit is: + 't En is geen Meel, al datter wit is. + +1276 Ick wil waer nemen al, wat my behoort, + Behalven 't Huys met meer als eene Poort. + +1277 Wy waren al geern van de Vromen, + En 't zijn de minste die 'r toe komen. + +1278 Wy zijn all' kinderen van Adam en van Eve, + Daer's niet als Zijdestoff, die maeckt ons wat oneve. + +1279 Laet ons niet gecken met malkand'ren, + Wy zijn all' Gecken, d'een en d'and'ren. + +1280 De Krimpingh dichter, dan 't behoort, + Is Voorbood' van eens[147] Achter-poort. + +1281 Een vruchteloos bestaen is + Doen, dat alreeds gedaen is. + +1282 Op den Hoorn + Volght den toorn. + +1283 «De Wijsheit volght de Jaren naer», + Zei 't Maeghdeken van tachtigh Jaer. + +1284 Die d'eenen Steen naer d'and'ren smijt, + Raeckt d' eenen naer den and'ren quijt. + +1285 Dry dingen konnen voorspoed geven: + De Konst; de Zee, en 't Hoofse Leven. + +1286 Dry Dochteren met ééne Moêr: + Vier Duyvels op de Vaders vloer. + +1287 De Pensse vol van veel' Gerechten, + En deught tot vluchten, noch tot vechten. + +1288 Een mallen Schutter is 't, dunckt my, + Die eenen Pijl verliest, en schieter noch een by. + +1289 De Schutters, die niet veel en deugen, + Zijn datelick reê met een leugen. + +1290 Een slecht Gelas[148], + En valt niet ras. + +1291 Den Ouder[149] in de menschen, + Is 't quaed, daer s' all' om wenschen. + +1292 Mijn Soon! indien 't geluck u loech, + Een weynigh Wetens waer genoech. + +1293 Die by sijn leven Vrienden derft, + Vindt geen getuigen, als hy sterft. + +1294 Als m' een oud Wijf ten Dansse voert, + En blijft er geen Stoff ongeroert. + +1295 Een oud Man, die uyt vryen gaet: + Een Winter, die vol Bloemen staet. + +1296 Oud Stroo is quaed om aen te steken, + En arger noch, sijn brand te breken. + +1297 Een Sieckte komt my aen, + Daer ick af ben beseten: + Als ick wel heb gegeten, + Dat ick te Bedd' moet gaen. + +1298 't Welvaeren komt een[150] toe, + Mits dat hy 't komen doe. + +1299 Wel hem, die by sich vond: + Een Spelle[151] voorde Bors, twee Spellen voor den Mond. + +1300 Daer hondert Apen om een Esel rotten[152], + Siet m' hem alleen van Aep voor Aep bespotten. + +1301 Bedrieght den Slechten eens en weêr, + En eens den Loosen, maer niet meer. + +1302 Een Haer (van Hoofd of Mond), + Maeckt schaduw op den grond. + +1303 Leeft m'eenen dagh in Hongersnood, + Dry quade dagen voor het Brood. + +1304 Een Maend voor Kersmis, een daer naer, + Is recht de Winter van het Jaer. + +1305 Die 't Paerd saêlt, en het Paerd, sijn twee, + D'een denckt sijns weeghs, en d'ander meê. + +1306 Een Vader doet voor hondert Sonen, + Dat hondert Sonen hem alleenigh niet en loonen. + +1307 Ghy jaeght, en and're siet m' u jagen, + Ghy hadt in Huys veel beter dagen. + +1308 Het schadelicke Kruyd + Gaet van den Vorst niet uyt. + +1309 Of mijn macht en sal niet strecken, + Of men sal my niet begecken. + + +Noten: + + [1] Gestikt. + [2] Veranderen, maken. + [3] Deze zijn, even als 't verkwisten, geheel van Huygens vinding; + in 't tSpaansch wordt alleen van 't eten der doón en levenden + gesproken. + [4] Gebroken, ongeschikt tot werken. + [5] Stopt lapt. + [6] Gewone. + [7] wordt. + [8] Op een uit, op 't zelfde neêr. + [9] vermoeid. +[10] Loert. +[11] Meer Spaansch inderdaad, dan Nederlandsch. +[12] De laatste regel ontbreekt in 't Spaansch. +[13] Dag, namelijk. +[14] Men herinnere zich 't fransche zeggen van St. Réal: + mijn beleg is klaar. +[15] Versta: het bang worden. +[16] Vroeger zou Huygens juist omgekeerd gevoedt en moet geschreven + hebben; verg. III en IV. bl. 178 en 118. aant. 241. +[17] Ontbreekt in 't Spaansch dat Amor Amor heeft. +[18] Nederl. uitbreiding. +[19] Portugeesch. +[20] Ver. +[21] Zoo is 't gapen aanstekelijk. +[22] Verkieslijkste, beste. +[23] Bijvoeging van Huygens. +[24] Nederl.: Geen spek voor uw bek. +[25] Fransch voor vader, even als mameer voor moeder. +[26] Deur. +[27] Met rede overtuigen. +[28] Bijvoeging van Huygens. +[29] Versta: moet nemen, wat men hem geeft. +[30] Niets bijzonders. +[31] Portugeesch. +[32] Iemand. +[33] wordt. +[34] Portugeesch. +[35] Alles. +[36] bedel. +[37] Portugeesch. +[38] Roes, kleine dronkenschap. +[39] Negers. +[40] Naar 't oorspronkelijke geslacht (bestia.) +[41] Gekakel. +[42] Versta: geeft sijn schaduw. +[43] Roemen. +[44] Toenaam. +[45] Versta: van gekken en boozen. +[46] Vrolijk. +[47] noodzakelijk. +[48] Thans in verlengden vorm Reiziger. +[49] Tevens, zoodra. +[50] Maatshalve voor ding, dingk. +[51] Opdringen. +[52] kluifjen. +[53] Portugeesch. +[54] Geluk. +[55] Opgebonden. +[56] Portugeesch. +[57] Vier. +[58] Gebakken. +[59] Versta: op de tanden, barsche luî. +[60] Merrie. +[61] Portugeesch. +[62] Twee Spaansche regels tot zes Hollandsche uitgebreid. +[63] Kapsel. +[64] Anders: Trechter. +[65] Pupil, petekind. +[66] Het Spaansche Kapotjas ware hier meer Hollandsch dan 't schijnbaar + meer Holl. Mantel. +[67] In 't Spaansch alleen de laatste regel. +[68] Versta: En niets schuldig is. +[69] Zoû volstaan. +[70] Vertrouwt. +[71] Portugeesch. +[72] Overweegt. +[73] Dienders. +[74] Ziekte-kuur, behandeling. +[75] bedelt. +[76] Van. +[77] Overeters, vreters. +[78] Wordt. +[79] Portugeesch. +[80] Glazen. +[81] Heilig. +[82] Heelmeester. +[83] Thans: niets. +[84] Blusschen. +[85] Thans: plant. +[86] Versta: bedeksel. +[87] Bij. +[88] Portugeesch. +[89] Het gerecht, de rechtsprekers. +[90] Portugeesch. +[91] Aansteekt, verbrandt. +[92] Overleg, nadenken. +[93] Op zijn minst. +[94] Geestelijke heer. +[95] Vogelverschrikker. +[96] Versta: die zich nooit door een ander overheersen liet. +[97] Portugeesch. +[98] Verouderd voor meid, meisjen. +[99] Naar. +[100] Schuw. +[101] Op. +[102] Goed. +[103] Glas. +[104] Opjaagt. +[105] Niets. +[106] Namel. zingen. +[107] Beveel. +[108] Wordt. +[109] Vlas, touw. +[110] Oude geldnaam voor 6 duiten. +[111] Vleeschsap, Sju. +[112] 't Fransche commère. +[113] Nooit. +[114] Stijfkop. +[115] Van, door. +[116] Visschen (verg. 't Eng. trout.) +[117] Versta: ziekte. +[118] Iemand. +[119] Was. +[120] Versta: zijn roofschip. +[121] Overeengekomen. +[122] Valsche munt. +[123] Gordel. +[124] Nadeel. +[125] Port. +[126] Soep. +[127] Bij 't eten. +[128] Roofschip. +[129] Daarvan. +[130] Behoort. +[131] Daarvan. +[132] Bengelen. +[133] Iemand. +[134] Versta: als ze feestelijk is uitgedost. +[135] Verstand. +[136] Verlengen. +[137] Zelfs. +[138] Anders: kwakzalvert. +[139] Portugeesch. +[140] Verstand. +[141] Als. +[142] Drinkt. +[143] Gedood. +[144] Eens, eendrachtig. +[145] vooruit. +[146] Wagenvoer, bagagiën. +[147] Iemands. +[148] Glas. +[149] Ouderdom. +[150] Iemand. +[151] Speld. +[152] Samenkomen. + + + + +EINDE. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Vitaulium: Hofwyck en Spaansche +Wijsheit, by Constantijn Huygens + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10975 *** |
