summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/10975-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:35:44 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:35:44 -0700
commitdfbe74cd7aa99fec02b624690bb48cf7f3580faa (patch)
treed977651ddd62c9bed5632daf4aebc2162ec76329 /10975-0.txt
initial commit of ebook 10975HEADmain
Diffstat (limited to '10975-0.txt')
-rw-r--r--10975-0.txt8499
1 files changed, 8499 insertions, 0 deletions
diff --git a/10975-0.txt b/10975-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..20f0861
--- /dev/null
+++ b/10975-0.txt
@@ -0,0 +1,8499 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10975 ***
+
+VITAULIUM
+
+HOFWIJK
+
+ * * * * *
+
+SPAANSCHE WIJSHEIT,
+
+VERTAALDE SPREEKWOORDEN.
+
+
+
+
+DOOR CONSTANTIJN HUYGENS.
+
+_Ridder, enz_.
+
+
+MET AANTEEKENINGEN VAN DR. J. VAN VLOTEN.
+
+
+
+
+«In Dec. 1639 hebb' ick, naer veel soeckens om yetwes in 't quartier van
+Voorburg ende aen de Vliet te vinden, daer ick een huysken van vertreck,
+in tijde van sieckte ende andersins, soude moge timmeren ende beplanten,
+gekocht van Mr. Jacob Adrichem, woonachtig te Delft, eene sijne partye
+lands, gelegen ten Westen rakende aen het voorn. dorp, ter wederzijde
+van den Lijdwegh, groot 4 merghen 1 hond ende 39 roeden». (Aant. bij
+Schinckel, _Bijdrage tot de Kennis_, enz. van C.H. bl. 77).--In Dec.
+1640 en Maart 1642 kocht H. nog belendende teellanden aan, na al
+aanstonds met de bouwmeesters Van Campen en Post over den aanleg en
+opbouw van plaats en huis, geraadpleegd te hebben. Met laatstgemelde,
+die ook zijn huis aan 't Plein voor hem gebouwd had[1], ontwierp hij de
+benoodigde plans en teekeningen, zoodat er reeds in 't voorjaar van 1640
+met den aanleg van plaats en plantsoen, en kort daarna met het bouwen
+van 't huis een aanvang gemaakt werd, en dit laatste in July al ver
+gevorderd was. Den 8sten dier maand kwam H., van 's Prinsen wege uit het
+leger naar den Haag gezonden, zijn nieuwen aanbouw in den vroegen morgen
+in oogenschouw nemen, en in 't najaar was deze, zijn _Hofwijck_,
+voltooid. Zijn voortdurende afwezigheid in het leger en drukke
+werkzaamheid in de stad vergunden hem echter slechts nu en dan er een
+enkelen dag, soms maar weinige uren, door te brengen, en zoo dikwijls
+hem dat te beurt viel, teekende hij het in zijn Dagboek aan. Het eerst
+ontbeet hij er, met eenige vrienden, den 23sten Mei 1642. Na den dood
+van Prins Willem II verminderden zijn werkzaamheden natuurlijk, en had
+hij gelegenheid er dikwijls eenige dagen te slijten; en toen zijn zoon
+Constantijn hem bij Willem III als geheimschrijver was opgevolgd, hield
+hij er des zomers geregeld zijn verblijf.--In 1652 bezong hij het, en
+gaf zijn dichtwerk den 11den Febr. 1653, bij Adriaen Vlac in Den Haag
+ter perse. (Zie Schinkels _Nadere Byzonderheden_, enz. II, bl. 58 en v).
+
+
+Noot:
+
+[1] Het thans afgebroken ministerie van justitie, als men weet.
+
+
+
+
+VITAULIUM
+
+HOFWIJCK
+
+1652
+
+
+
+
+AEN VROUW GEERTRUYD HUYGENS
+
+geseght DOUBLET,
+
+VROUWE VAN S. ANNELAND, & c.[1]
+
+
+_Mevrouw en waerde Moeye_;
+
+De wijsen van eertijds hebben 't soo verstaen, ende het is altoos
+waerachtigh gebleven, dat Vrucht en Vreughd, Voordeel en Vermaeck in een
+getwernt[2], den deughdelicksten draed maecken. Daerop sagh ick dat mijn
+Vader gesien hadde, als hy sich gelusten liet de lichamelicke lusten van
+sijn _Hofwijck_ soo te beschrijven, datse de Ziel raeckten, makende van
+die Wandeling een Handeling, die naer[3] hem sijn Erven, noch naer[3]
+den ondergangh van de plaetse, te stade komen moght. Ende het soete
+voornemen alsoo uytgevoert, heeft my te dienstigen licht gedocht voor de
+Korenmate, daer onder het geschapen was voor eerst te smooren, sonder de
+moeite, die ick aengewent hebbe, om het oock onze Eewe te mogen bekent
+maken. Hoe het dese neus-wijse Wereld sal op nemen, staet te sien. By
+U.E. en meen ick geenen ondanck verdient te hebben: de Stichter van
+_Hofwijck_ is haer te lief, om een stucksken Wercks van den Dichter te
+verwerpen. Een stucksken Bywercks noemde ick het beter: dewijle wy heel
+wel weten, en qualick gelooven konnen, dat hy daer aen al gaende en
+staende niet meer en heeft besteedt als de brockelingen van vier der
+druckste maenden, die hy beleeft heeft, sonder dat yemand getwijffelt
+hebbe, dat hy in 't gewoel van soo vele andere besigheden yet sulcks
+onder de leden soude hebben. Nu het Kind schielick ter wereld is
+gekomen, ende my, den oudsten van de Voor-kinderen, als het jonghste van
+'t tweede Bedd', vertrouwt, weet ick het niet beter te besteden als by U
+E., beider oudste Moeye, die ick wenschte, dat sich somwijlen daer mede
+wilde verlusten tegens de swaermoedigheden, die haer overigh mogen zijn
+zedert sy de twee lieve derdendeelen van hare eigen Bedde-vruchten uyt
+der tijd heeft sien haelen; wel goeds tijds[4], na ons gevoelen, maer
+ontwijffelick te goeder tijd, dewijl het Gods tijd was. Hem bid ick, U
+E. in alle tijden ende naer alle tijden te segenen met tijdelick ende
+eewigh welzijn, blijvende,
+
+_
+Me Vrouwe en Waerde Moeye_,
+
+U E. Ootmoedige Neef en dienaer
+
+C. HUYGENS[5].
+
+
+Noten:
+
+[1] Constantijn Huygens zuster, zie I en II, bl. 836
+[2] gedraaid; verg. 't Hoogd. wirn.
+[3] na.
+[4] vroegtijdig.
+[5] Versta 's dichters oudste zoon _Christiaan_, die de uitgave bezorgde.
+
+
+
+
+AEN DEN LESER;
+
+VOOR DE BY-SCHRIFTEN[1].
+
+
+Wie is' er met sich selfs of met sijn' tijd verlegen,
+Sijn' kostelicken tijd? wie soeckt naer niewe wegen,
+Om lustigh leêgh te zijn? wien stinckt[2] de Steen en 't Berd[3],
+En ander arger vuyl, dat spel gerekent werdt?
+Hy kome daer ick gae, wanneer ick Haegh en Hof wijck;
+Hy blijve daer hy is, en volge my op Hofwijck;
+Hy wandele met my, en spare voet en schoen:
+Hy kan sijn wellust met één oogen-blick voldoen,
+Of, is sijn Oogh te luy, met een geduldigh Oor-deel[4];
+Daer hooren streckt voor sien, en geeft het oogh geen voordeel;
+De doove by sijn oogh, de blinde by sijn oor,
+Kan voelen waer ick treê, en treden in mijn spoor.
+Men hoor of sie my dan, ick stae in[5] voor 't berouwen
+By alle keurige van planten en van bouwen;
+En, ben ick niet verleidt van eigen toover-min,
+Sy sullen Hofwijck bey soo vinden als ick 't vin[6].
+
+Noch liegh ick voor de helft: de blinden sullen voor gaen,
+En dobbele genucht sal in des hoorers oor gaen
+By d'enckele van 't oogh, Soo gaet het met de pen,
+De Rijm-pen; want sy lieght, ten deele van gewen[7],
+Ten deelen[9] om de kunst: en die de waerheit soecken
+In 't los aensienelick van welgerijmde Boecken,
+Zijn even verr' van 't pad, als die den wilden aerd
+Van 't weelderigh pinceel aenvaerden voor een Kaert.
+Leest met voorsichtigheid wat Dichters van haer[10] geven;
+'t Is rouw'[11] Land-metery, daer staet geen passer neven.
+En die een dobbeltje wil hangen aen de vracht,
+Om Hofwijck te gaen sien in d' ongemeene pracht,
+Dien ick het heb geleent, zal weinigh min als vloecken,
+En seggen: «Wel, ick segg: is dat het voêr van Boecken,
+Is dat een' Schildery, die op het leven treckt?
+'t Schijnt, dat men kinderen d' oud' avontuer vertreckt[12]
+Van 't Koninghs dochtertjen, om in den slaep te raecken!
+Is dit het hoogh Kasteel, zijn dese dorre staecken
+Die Eicken Hemel-hoogh, is dit het Masten-woud,
+Zijn dese Lindekens het andere Voorhout,
+Is dese bult een Bergh, is dese plas een Vijver?
+Wat quelt my d'ydelheit van dien verweenden Schrijver!
+Laegh noch mijn dobbeltjen in 'tsackjen van den Kerck,
+Soo had ick Godt behaeght en sat noch op mijn werck.
+
+Ja, vrienden, blijft by huys, en spaert uw sestien duyten[13]:
+'k Heb rijp en groen geseght, om dat het _Dicht_ souw sluyten.
+Soo gaet het (noch eens) met de Rijmpen; om een woord
+Dat sonder weergaê is, moet arme Waerheit voort,
+En om een braever[14] woord, dan woorden die wat seggen,
+Moet onred' in den top, en Reden onder leggen;
+Mits dat het Klinck-dicht zy, is 't snoodste 't beste Dicht,
+En beste Dichter is die konstelickst verdicht.
+
+Beschaemt[14] den Meester vry, die[15] van de kunst wilt heeten,
+En laet ons een voor een ontlasten ons geweten:
+Wy lijden van den Rijm al, dat het Schip in Zee
+Van vloed en ebbe lijdt: wy leggen 't op de reê,
+De reê van Reden, aen; en 't schijnt, de volle zeilen,
+En 't schijnt, de ruyme schoot en weten van geen feilen;
+Het Roer light midden-boords, de vlagge wijst voor uyt,
+De Naelde wijckt noch wraeckt[16], en alle gissingh sluyt,
+En al 't besteck gaet vast; voor-wind maeckt rechte streken,
+Maer, Stierman! waer is 't Schip ten einde van ses weken?
+Voor St. Helena? jae, soo 't God en water wil,
+Soo niet, aen St. Thomé, of mog'lick in Brasil!
+Dat doet de blinde kracht van ongemerckte Stroomen.
+Soo gaet het in 't beleid van Rijmers en haer' droomen:
+Sy munten 't op de kust daer 't Schip op is bevracht,
+Sy hebben Roer en Schoot (soo meenens') in haer macht;
+Maer daer's wat onverhoeds, in 't Zee-sop en sijn baeren,
+Haer slechte Zeemanschap in 't zeilen wedervaeren;
+Een ongevoelde drift, een Tij heeft haer verleidt;
+Sy hebben eens een woord voordachteloos mis-seidt,
+Goên avond[17] Redens-reê: dat woord moet weêr berijmt zijn,
+Of 't streeck houdt of geen streeck, of 't Dicht soud' ongelijmt zijn.
+Soo lijmt men dan voort aen[18], en raect van Oost in West,
+Van 't Zuyden in het Noord: tot dat m', in 't lieve lest,
+Verzeilt en bijster 's weeghs, met loeven en laveeren,
+(God weet hoe gracelick!) naer 't oogemerck[19] moet keeren:
+Terwijl de Leser staet en gaept met open mond,
+En wenschte, dat hij eens den Dichter wel verstond,
+Die wel verstaenlick waer, kond hy sich selfs begrijpen.
+Gaet, lieve leser! gaet uw herssenen nu slijpen,
+Om door 't geheim te sien van 't mijmerigh gesegh,
+Daer, die u leiden sou, verruckt[20] is van den wegh.
+
+Nu heb ick my ontkleedt: waer hael' ick Vijgen-bladen
+Tot masker van de schaemt, daer med' ick sta beladen?
+Wie wil nu Hofwijck sien of hooren met geduld,
+Met logens opgepronckt, met klater-goud verguldt?
+Ghy, Leser! hoort ghy noch dry woorden van verschoonen;
+Noch ben ick lesens waerd, en kan het sus[21] bethoonen:
+
+Al dat ick Hofwijck noem, is Of-wijck[22] van den wegh,
+Die waerdigh zij betreên; indien ick Hoefwijck segg',
+Soo spreeck ick uyt mijn Bors en uyt mijn hert te saemen;
+Maer die het Stof-wijck heet, heeft goet verstand van naemen
+En van de slechte stof, daer Hof-wijck af bestaet.
+En van der Dichteren ruym spreken sonder maet.
+
+En is 't Gesticht[23] soo slecht, wat sal 't Gedicht verbloemen,
+Dat, die wat Hofwijs is, sal Holwijck derven noemen?
+Hol, lieve Leser! hol, en holler dan een blaes,
+Een blaes met boonen, is dit voddige geraes.
+Verhaest uw vonnis niet; jae, spreeckt het sonder schroomen,
+Ick help 't u spreken: 't zijn derd'daeghsche-kortsedroomen,
+Daer op ick u onthael; 't is ongerijmde Rijm,
+Een buyten çierlijck graf, van binnen asch en slijm[24].
+
+Maer houd het vonnis in, en hoort my noch eens spreken:
+Die oyt gewandelt heeft langhs modderige beken,
+En heeftse niet altoos bewandelt sonder lust;
+De Zee is alom sout, maer hier en daer de Kust
+Beset met soet gewasch van Bloemekens en Kruyden,
+Daer 't keurige begrijp van recht neus-wijse Luyden
+Sijn sinnen in voldoet, en vindt de wegen kort,
+Daer hier wat nuts en daer wat schoons gevonden wordt.
+Het kreupele geschrift van teêre Leerelingen
+Wordt by des Meesters hand met konstelicke ringen,
+Met strick en spinneweb omvlochten en geçiert,
+En hoe 't min deughdigh is, hoe meer betiereliert[25]:
+Soo kan een Ebben[26] lijst een slechten doeck[27] verrijcken,
+En doen hem voor wat goeds verkoopen of bekijcken;
+Die lagen leg ick u: mijn Boeck, mijn Schrift, mijn Doeck,
+Mijn tamme Schildery, recht uyt geseght, mijn Boeck,
+Mijn Hofwijck in papier is wandelen, noch lesen,
+Noch koop, noch kijcken waerd; dat vonnis is gewesen:
+Maer kust[28] en strick en lijst, die 't çieren op den kant
+Zijn op de proeven van het keurlickste verstand.
+Veracht ghy dan mijn stof, mijn selfkant moet ghy prysen;
+Danck hebbe 't soet behulp van afgestorven Wijsen:
+Die heb ick uyt haer graf doen spreken t' mijner baet,
+En van haer lappen my een feestelick gewaet
+Geflickt[29] en omgedaen: met Peerlen van Athenen
+Is dit gewaet versien; de kostelickste steenen
+Van Roomens burgery, does' op haer rijckste was,
+Heb ick gelesen uyt haer Puyn en uyt haer as,
+En my meê geborduert: der Christelicke Vad'ren[30]
+Heb ick het beste bloed van haer ontsteken ad'ren
+Gesmolten in mijn vleesch, en uyt haer oud gebeent
+Het onverrotste mergh gesogen en geleent.
+Nu pronck ick met den buyt, nu tert ick uw gedulden[31]:
+Verkoop ick niet als lood, 'ck heb 't weten te vergulden;
+Nu moet ghy Hofwijck sien, het zij u lief of leed:
+'t Kind is wanschapen, maer 't is rijckelick[32] gekleedt[33].
+
+
+Noten:
+
+ [1] Versta: de bijgevoegde lofdichten, naar den smaak der eeuw.
+ [2] walgt.
+ [3] verkeerbord.
+ [4] Min gelukkige klankspeling.
+ [5] vrijwaar.
+ [6] Voor vind.
+ [7] gewoonte.
+ [8] Welluidendheidshalve voor deele.
+ [9] zich.
+[10] ruwe.
+[11] verhaalt.
+[12] Thans zou men van tien centen spreken.
+[13] fraayer.
+[14] Stelt op de kaak, ten toon.
+[15] Versta: gij die.
+[16] weerspreekt.
+[17] Vaarwel dan.
+[18] Maar voort.
+[19] doel.
+[20] vervoert.
+[21] zoo.
+[22] af-wijk.
+[23] Versta: het geheele buiten.
+[24] slijk.
+[25] Omkruld.
+[26] ebbenhouten.
+[27] schilderstuk.
+[28] rand.
+[29] Aangelapt (van 't Hoogd. flicken).
+[30] De zoogenoemde kerkvaders.
+[31] geduld hebben.
+[32] Rijk, weelderig.
+[33] Dat oud-roomsche en atheensche, en dat kerkvaderlijk borduursel
+ en verguldsel is in deze volksuitgaaf, als minder doeltreffend,
+ echter weggelaten. De desbeluste lezer kan 't in de oudere
+ naslaan.
+
+
+
+
+AEN DEN DRUCKER.
+
+
+k Hebb' Hofwijck uytgedruckt: is 't t' uwent niet te druck,
+Verdruckt my in uw pers, en helpt ons in den Druck;
+My in den druck van eer of oneer, van berispen
+Of prijsen, naer het volck òf spreken wil òf lispen[1]:
+U in den meerder druck, van Kostelick papier,
+Als Ketter-vleesch, te sien verdoemen tot het Vier.
+Van dusend tegen een de nadruck[2] zal ons' beurt zijn;
+Ick heb 't u ingedruckt; denckt, als het sal gebeurt zijn:
+
+Die Dichter heeft sijn plicht uytdruckelick vervult:
+Mijn onderdrucken[3] is de dochter van mijn schuld.
+
+
+Noten:
+
+[1] Voor prevelen.
+[2] Voor narouw.
+[3] In den druk raken.
+
+
+
+
+AEN MIJN HEER
+
+MIJN HEER VAN ZUYLICHEM
+
+over het lesen van sijn Eds.
+
+
+HOFWIJCK.
+
+
+'t Is een dagh of vier geleden,
+Dat ick hallif moê getreden
+Door de paedtjes van mijn hof
+Wat gingh sitten onder 't lof[1],
+Daer de hitte niet kan nypen
+Onder 't lommeren van ypen,
+Op een banckje van een deel[2],
+In een koel en groen prieel;
+Daer de dichte blaedjes weeren
+Dat de Son my niet kan deeren,
+Schoon hy op de middagh blaeckt,
+Als hy 't Hemel-kreeftje naeckt.
+
+Om mijn eensaemheit t' ontvluchten,
+Die my somtijds doet versuchten,
+Als ick aersel op de schaê[3]
+Van mijn afgestorven gaê,
+(Wie kan steeds den mensch verkrachten)?
+Liet ick drijven mijn gedachten[4],
+Liet ick mijn herdencken gaen
+Door u lecker letter-blaên,
+Die ick even had gelesen;
+Blaên, die voor geen sterven vresen,
+'t Zy de Somer swicht of brand,
+Van een soete Joff'ren-hand,
+Door uw wil, aen my gegeven;
+Blaên, daer _Hofwijck_ door sal leven
+Langer, alsser bosch of laen
+Staet, òf met òf sonder blaên;
+Langer, als d' abeele kruynen
+Sullen _Hofwijck_ en sijn tuynen
+Decken voor de scherpe sneê
+Van de seyssen uytter Zee[5]:
+Langer, als sy, met de toppen
+Van haer hoogh-gestege koppen,
+Sullen weygeren den pas
+Aen het huylen en 't gebas
+Van de nortse Noorder-winden
+Op den bloesem van de Linden,
+Die, aen d' Oost' en Wester-kant
+Van den _Hofwijcks_ Hof geplant,
+Maecken ruyme wandeldreven,
+Die het quaelick willen geven
+Voor 't Voorhoutse Joffren-rack,
+Munnick-tuyntje, blaeder-dack,
+Dat, door 't roemen uwer Dichten[6],
+Voor geen dingh behoeft te swichten,
+Wat òf in òf buyten 't landt
+Sijne borst op schoonheit spant;
+
+Langer, als de maste-boomen[7]
+Sullen wederzijds bezoomen,
+Met een altijd groenend lof,
+'t Buytenpad van uwen Hof:
+Als de nimmer-dorre Climmen[8]
+Sullen klauteren en klimmen,
+Langhs 't gebeent' en armen op,
+Over hooft en kruyn en top
+Van de hoecksche Vierelingen[9],
+Al gelijck in alle dingen,
+Broeders, even hoogh en breedt
+En al eveneens gekleedt:
+Daer de Cabbeljaeus-gesinden[10]
+Noch wel herbergh souden vinden,
+Soo 't de Landvooghd soo verstond,
+Dat hy die in schootels sond
+'t Lijf gesoôn, de staert gebraeden,
+En een kruyck met wijn gelaeden
+Van de Moesel of de Deel[11],
+Om het oud-versufte scheel[12]
+Met een Roemer af te drincken;
+
+Langer, als de Vloer sal blincken,
+En het marmer staen te prael,
+In uw sinnelicke[13] sael;
+Langer, als uw Slot zal duyren,
+Dat, met even-zijdse muyren,
+Vierkant uyt het waeter rijst,
+Dat de Waerd en gasten spijst
+Met een vangst van goede vissen
+Als 't u die gelieft te dissen,
+Slot, als men 't van 't Zuyden kijckt,
+Dat een flesch in 't koel vat lijckt;--
+
+Langer als men 't paerdt sal jaegen
+Langhs de Vliet, met sweepe-slaegen,
+Nae den Dam, of Delft, of Haegh,
+Alsser Schip en schuyt en kaegh,
+Met sijn vracht en volck en waeren,
+Uw kasteel verby sal vaeren,
+Die, òf van òf nae de Vliet
+Door den Duycker henen schiet;--
+Soo langh als men Duyts sal spreecken,
+En geen leeser sal ontbreken,
+Die een aerdigh Rijm bemint,
+Daer men pit en kruym in vindt.
+
+Wijl ick sit en suff en mijmer,
+Opgetogen, hoe de Rijmer
+In soo een gemeene stof
+Wint soo ongemeene lof;
+Hoe hy Wijsheit mengt met kluchten,
+Hoe hy sonder jock kan tuchten[14],
+Hoe hy ernst met lacchen speckt,
+Daer men les en vreughd uyt treckt,
+Vind ick my in 't Bosch gekommen
+En op uwen Bergh geklommen,
+Daer een vierkant hout-gebouw
+(Wist ick hoe men 't noemen souw)
+Braght my weder op mijn sinnen,
+Datter voordeel was te winnen
+Van een heerlijck Peterschap
+Voor die op den hooghsten trap
+In het gissen konde raecken
+Van profijtelickst vermaecken
+In het geven van een naem,
+Beyde nut en aengenaem.
+
+Ick gevoelde my bestreeden
+Van mijn tochten en de Reden:
+D' een sey dat ick 't laeten souw,
+D' ander riep er tegen: «houw!
+Houw, en wilt u daer voor wachten,
+'t Is geen werck van uwe krachten,
+'t Is geen last van uwen rugh;
+Wat vermeet sich vliegh of mugh,
+Dat een kemel is te vergen?
+Wie begeeft sich op de bergen,
+Die genoegh sich vind beswaert,
+Dat hy kruype by der aerd?»
+
+Reden had nae reên gesproken,
+Eersucht quamper tegens stoken:
+«Die niet soeckt, die niet en vind,
+Die niet waeght, die niet en wint;
+Waeght ghy: 't kan misschien gelucken;
+Mist ghy: 't hoeft u niet te drucken;
+Vele, die wat groots bestaen
+Hebben met de wil voldaen;
+Oock soud ghy den eerst niet wesen,
+Dien, als anderen voor desen,
+Een geluckigh woort ontvil[15],
+Als 't geluck maer dienen wil;
+Blinden kunnen somtijds raecken,
+En oock acker-lieden spraecken
+Somtijdts wel een tijdigh woord,
+Dat den wijsen heeft bekoort;
+Oock is 't meê al waer bevonden,
+Dat een haes, voor snelle honden
+Afgeloopen vry en los,
+Is gevangen van een Os,
+Die hem op sijn lenden trapte,
+Wijl[16] hy door de weyde stapte
+In een dichte bos van gras,
+Daer het wild gelegert was».
+
+Wat is goed en wat is beter?
+Soo 't geluckt, soo werd ick Peter[17],
+En soo 't mist, waer kom ick heen?
+Wat is 't als een blauwe scheen?
+Die is lichtelick te waegen:
+Vryers loopens' alle daegen,
+En wie gaetter kreupel van?
+
+Dus geschuddet[18] in een wan,
+Dus gehangen tusschen beyden,
+Eer dit strijden was gescheyden,
+Had my d' eersucht al vermant,
+En de Pen was in de hand,
+En de Reden aen het swijmen,
+En de Dichter aen het rijmen,
+En de veder in den int,
+Om een naem voor 't houte kind.
+
+_Hofwijcks_ Hoogh-beroemde Schrijver,
+Dus geraeckt' ick door den yver,
+Die de reden had verbluft,
+Van het peynsen half versuft,
+Aen het raên en aen het rijmen,
+Aen het voegen, aen het lijmen,
+Aen het krabblen met de pen,
+Waer van ick dit naschrift[19] sen[20].
+
+Heb ick 't wit niet kunnen raecken
+Van 't profytelickst vermaecken,
+Soo ick in den naem hier mis
+Wat èn nut èn vrolicks is;
+Heb ick 't bey niet kunnen raemen
+Wilt de Meester niet beschaemen,
+En die meê is van de kunst,
+Deck mijn feilen met sijn gunst!--
+
+20 Julij, 1652. (jACOB WESTERBAEN).
+
+
+Noten:
+
+ [1] loof.
+ [2] plank.
+ [3] 't verlies.
+ [4] Westerbaens overleden vrouw, na welker dood hij zich op Ockenburgh
+ gevestigd had.
+ [5] Versta: de zeewind of -lucht.
+ [6] Zie deel III en IV bl. 30 in't Voorhout.
+ [7] Huygens' lievelingen. Zie vervolgens en in de Sneldichten.
+ [8] klimop.
+ [9] «Vier houten cabinetten of prieelen met clim bewassen, staende op de
+ vier hoecken van den Hof, alle uyt eender hand gemaeckt» Huygens.
+[10] Klankspeling op het vorenstaand hoeksch.
+[11] In Belgiën; deelewijn.
+[12] verschil.
+[13] nette.
+[14] leeren.
+[15] Ontviel; gelijk wirp voor wierp in 't volg. lofdicht.
+[16] terwyl.
+[17] peet-oom.
+[18] Voor geschud.
+[19] Zie volgende gedichten.
+[20] Voor zend, gelijk vin voor vind, enz.
+
+
+
+
+PROSOPOPOEA[1].
+
+Spreeckende
+
+HOUTE GEBOUW OP DEN BURGH IN 'T BOSCH VAN HOFWIJCK,
+
+HOF-STEDE des HEEREN VAN ZUYLICHEM BY VOORBURGH.
+
+
+_Dus sprak een houte Kind, of een van sijnentwegen,
+Doe hy sich vond op 't Land om tijd-verdrijf verlegen_:
+
+Ick heb dat wesen niet dat ick te hebben plagh.
+Een quaden avond-luym, een felle blixem-slagh,
+Die hooge bergen treft en spaert de laege heuvlen,
+Wirp[2] my ter aerde neêr, eer hy my dede sneuvlen,
+Soo dat ick met mijn top, beneden in het gras,
+Verraedlick lagh, gestort, eer ick gewaerschouwt was.
+
+Ick was, of ick geleeck, een van des werelds Wondren,
+Een van het seven-tal, eer 't blixemen en 't dondren
+My door een domme kracht ter neder had geploft;
+Ick leeck der Spitzen een daer Memphis noch op stoft[3],
+Die Vorsten-beenderen en Konincklicke lijcken
+Verstreckten tot een graf in de beroemde Rijcken,
+Daer 't Nylewaeter mest het Kooren-rijck Egipt.
+Ick wierd van yder een besprooken en belipt[4];
+Die timmert aen den wegh is selden buyten opspraeck.
+Ick leeck der spitzen een daer, eer men tot den top raeck,
+En siese van der aerd ten wolcken uyt gebout,
+De Stichter sagh verspilt ruym hondert tonnen gout,
+En noch eens, en noch eens, en seventigh en negen
+Aen loock, ajuyn, en kaes, soo ick het heb te degen
+En men de rekeningh van Steven[5] wel verstaet.
+
+Nu ben ick--Kijcker, stae! segh, eer ghy henen gaet,
+Wat ben ick? Wie hier gaeuwst en kloekst sal in de weer sijn,
+En't nutst en 't vrolickst vind, die sal mijn Heers Compeer[6] sijn;
+Jan, maeck het Bosch-heck op, en ghy, o Kijcker-vrind!
+Komt nader en bedenckt een naem voor 't houte kind.
+Sie my van elcke kant, van boven, van beneden,
+En wilt, om wel te sien, wat tijds aen my besteden;
+Het sien en kost hier niet. Aen een wanschaepen dier
+Hebt ghy somwijl versnoept een stuyver drie of vier:
+Te kermis, aen een meyt, die armeloos gebooren
+Uyttarte met de voet de beste Nayster-slooren,
+Stack draên door 't naelden-oogh en naeyde wacker heen,
+En wat daer vingers doen, deê vaerdigh met de teen;--
+Aen een die ruym het hoofd van een volkomen man had,
+Maer borst en buyck en dyên en beenen van een span had;
+Een Reus in 't Aepenland, die in een Munnicks mouw,
+Die in een Visschers hoos sijn herbergh vinden sou;
+Een Karel onder 't volck[7] dat in voorleden tijden,
+Tweemaal zes duymen hoogh, met Kraenen plagh te strijden;
+Een schaduw, die de Son hier op de middagh geeft,
+Als hy een man beschijnt van boven uyt de Kreeft;--
+Aen een gebaerde knecht, die met sijn hooft en borst sat
+Op sijn verdort geraemt, die veel tijds goeden dorst had,
+En mocht sijn kroes wel uyt, en op de toon-banck sprack,
+Wat meerder als een hooft daer 't lichaem aen gebrack.
+Oock siet men aen dit lijf geen beenen noch geen voeten,
+Maer soo 't geoorloft was te graeven en te wroeten,
+Men vonde dat ick die heb langh en dick en breet;
+Maer dat ghy 's niet en siet, dat heeft oock sijn bescheet.
+Weet dat ick RODEN-BURGH[8] heb onder mijne soolen,
+En treê de voncken uyt van sijn verborgen koolen,
+Die hy hier onder my met groene rocken deckt,
+En door een snoode pest uyt giftich sand verweckt,
+Mijn buyren sterven deên; dees trapten ick het hooft in,
+En stae tot op sijn hert, daer ick het vyer verdooft vin.
+
+Een koocker is mijn romp, mijn ingewand een trap,
+Waer langs ick lijde dat men tien en tienmael stap,
+Tot dat men eyndelick koom boven op mijn schoudren;
+Daer laed' ick jong' en ouw', en kinderen en oudren,
+En vrind en vreemdelingh; komt vry in groot getal,
+En niemand sij vervaert voor ongeluck of val,
+Danck heb geen sackende maer rijsende-bragoenen[9];
+Die door een draeyend hooft raeckt onvast in sijn schoenen,
+Om dat hy sich te hoogh vind boven in de locht,
+Die leune vry daer op, en vreese krack noch bocht.
+Hier siet men 't grootst waerom[10] des Heeren die my boude;
+Oock isser geen geweest die dese moeyte roude,
+Dat hy den hoender-trap[11] langhs Rodenburgh beklam,
+Tot hy door mijn gedarmt op mijne schouders quam.
+Hier siet ghy over 't vlack der voor en achter-weyen,
+Hoogh boven top en tack van elsen, eyck, en meyen,
+En onverhindert komt den halven wereld-kloot
+In uw verheven oogh; hoe spits, hoe steyl, hoe groot
+Gesticht of bosch of boom, ghy siet het al gedoocken,
+En onder uw gesicht ootmoedigh en gebroocken.
+
+Sie, Kijcker! dat ghy siet, en neemt wat tijds daertoe;
+Verschoont mijn schouders niet; die werden nimmer moê;
+Verschoont alleen mijn hals, daer magh[12] ick weynigh veelen;
+Met halsen valt het wat gevaerelick te speelen.
+Ghy siet hoe langh, hoe smal, dat hy nae boven gaet,
+En wat een top-swaer hooft dat aen het eynde staet;
+Een hooft, dat nimmermeer is sonder schudde-bollen,
+En echter even net, hoe het de winden sollen,
+En 't sij of dagh of nacht, al even fraey gehult;
+Maer, soo het herssens had by 't kostelick vergult,
+Wat spijtigh Reyntje kon op mijne schoonheit smaelen?
+Waer sou het Vosje stof tot leppigh schempen haelen?
+
+Wat dunckt u, Kijcker-vrind! hoe staet u 't maecksel aen?
+Een hals soo dun, soo langh, als tienmael van een Kraen,
+Een hooft soo hoogh van 't lijf! Maer doch 't en is om niet niet,
+Dat ghy mijn hals soo langh als eenigh Indisch riet ziet,
+En dat mijn hooft soo ver van mijne schouders staet;
+De reden vindghy licht, soo ghy uw oogen slaet
+Op mijn vergulden kop, daer wonden en quetsuyren,
+Die ick gekregen heb van Rygens en van Buyren,
+U leeren, dat mijn hooft streckt tot een Pylen-doel;
+Men rake soo men kan, het heeft doch geen gevoel,
+En ick noch arm noch hand om zeer of leed te wreken.
+Meer wil ick van my selfs voor dese mael niet spreken.
+
+Gae, Kijcker! gae nu heen, en span uw krachten in,
+En geeft het kind een naem na mijnes Stichters sin.
+Indien 't u wel geluckt, soo sult ghy deughd[13] gevoelen;
+Men sal op mijnen Doop de beste glasen spoelen,
+En doen een frisschen dronck van eedle[14] Deele-wijn,
+Bn ghy sult de Compeer[15] van Hofwijcks Land-heer zijn.
+
+
+Noten:
+
+ [1] Persoonsverbeelding.
+ [2] Wierp; zie boven vil en derg.
+ [3] Versta de Aegiptische pyramiden.
+ [4] berept, bepraat.
+ [5] Stephanns, in zijn beschrijving.
+ [6] Medepeter, gevader.
+ [7] dat der Pygmeën.
+ [8] «Een Bergh van het roode sandt gemaeckt, dat de boomen dede
+ uytgaen ende namaels verlaeten wierdt, ende op een hoop gekart,
+ ende met groene zooden bedeckt». H.
+ [9] Zie boven in 't Kostelick Mal.
+[10] reden.
+[11] «Een trap van een swaere planck gemaeckt, daer de latten over
+ dwers opgenagelt syn, om op den Bergh te klimmen». H.
+[12] kan.
+[13] genot, weelde.
+[14] Later «koele».
+[15] gevader.
+
+
+
+
+KIJCKERS ANTWOORD EN KEUR VAN NAEMEN VOOR HET HOUTE GEBOUW.
+
+
+I.
+
+DE «JE-NE-SCAY-QUOY» VAN HOFWIJCK.
+
+
+Elck die uw hooft bemickt, treft sijnen Doele niet;
+Het is altijds geen lap wanneer de Schutter schiet,
+Nochtans, wanneer der[1] prijs met schieten is te winnen,
+Sijn s' altemael te been, die roer of boogh beminnen,
+En hoopt oock d' alderminst 't geluck van eene schoot,
+Door een beleefde pijl of door een gunstigh loodt.
+
+So waegh ick meê een kans, en vlam op het Compeerschap
+Meer als op 't beste glas van sulcken braeven Heerschap,
+Die met een Fenix-pen, wanneer hy 't sich bepijnt,
+De Son beschrijven kan veel schoonder als hy schijnt[2].
+Maer weêr soo waegh ick 't niet. Hoe raeck ick dat te vort[3] is?
+Hoe reyck ick aen een spits, daer mijnen arm te kort is?
+Hoe werd een rappen haes gevangen van een Koe?
+Hoe vlieght een lamme gans tot aen den Hemel toe?
+Wat maeckt een blinderick[4] in winckelen en hoecken,
+Daer 't voor een Arentsoogh is duyster om te soecken?
+Wat vind Tiresias[5] daer Argus[6] is van noô?
+
+Noch waeg' ick 't evenwel: een vryer al te bloô
+Besliep noyt schoone vrouw; die 't gunstigh uyr liet deurgaen
+Als sy wel willen souw, moet naemaels voor de deur staen:
+«Mijn vrind! ick ken u niet, goên avond en goê nacht,
+Ghy hebt het luck versuymt dat u heeft toegelacht».
+Dien de Fortuyn verschijnt, die grijpse by de vlechten;
+Vóór isser vatten aen, 't is naemaels niet te rechten
+Soo ghyse glippen laet; want achter isse kael,
+Daer heeftse tuyt[7] noch haer; dies, vryers altemael!
+Past op het vinck-slagh wel, en laet geen tijd verlooren.
+So een geluckigh uyr u heden werd gebooren,
+So wacht tot morgen niet; wanneer het visje bijt,
+So slaet den[8] hengelaer, of anders is hy 't quijt.
+
+Soo waegh ick dan uw naem, die soo langh sonder naem staet,
+Men oordeel of men dus het nut en 't soet te saem raedt:
+
+Een halve kap, een lap van pluys of van fluweel
+Bedeckt voor locht en kouw het teêre Vrouwen-scheel[9]
+Van 't voorhooft tot de kruyn, en wie kan sich beroemen,
+Dat hy die kap, die lap, met sijnen naem kan noemen?
+Nochtans krijght hy een naem waer aen hem yeder kent,
+En echter yeder seyt: «Ick weet niet wat je bent».
+Dit is u bey gemeyn; dies segh ick sonder wachten
+(Men magh het nemen aen of vryelick verachten):
+
+Die op het uytterlick alleen sijn oogen wend,
+Vind tusschen u meer scheels[10] als tusschen Koe en End;
+Maer soo men meer op reên als nae 't fatsoen en stof kijck,
+Sijt ghy JE-NE-SCAY-QUOY van het Kasteel van HOFWIJCK.
+
+
+Noten:
+
+ [1] er [2] In zijn Voorhout,
+ [3] Voor verde, ver.
+ [4] blinde (verg. dommerik).
+ [5] De blinde waarzegger.
+ [6] De honderdoogige wachter.
+ [7] haarvlecht.
+ [8] de.
+ [9] hoofd, schedel.
+[10] verschils.
+
+
+
+
+II.
+
+
+DE SCHOU-BURGH VAN HOFWIJCK.
+
+
+Die u een SCHOU-BURGH sey, sou die sich al vertasten?
+Of sou het dorre bosch der averechte[1] masten,
+Het machtigh Amsterdam, de geldsack van Euroop,
+Niet lijden, dat men u met sulcken naem hier doop?
+Nochtans soo kunt ghy 't sijn met wel-gegronde reden,
+Het spijte, soo het wil, die groote Stadt der steden;
+Haer SCHOU-BURGH heb de naem òf heel òf hallif wel,
+En dien' haer, om te sien een bly of treurigh Spel;
+Maer die uw Burgh beklimt tot boven op den solder,
+Schouwt steden daer van daen, en menign dorp en polder,
+Jae, schouwt op zijn gemack den halven wereldkloot,
+Daer yder speelt sijn Rol, hy sij òf kleyn òf groot.
+
+
+Noot:
+
+[1] Omgekeerde.
+
+
+
+
+III.
+
+
+DE KIIK-IN-DE-POT VAN VOORBURG.
+
+
+So Voorburg, door de nood of door de gunst van Heeren,
+Sich eens sagh in een Stadt met wall' en muyr verkeeren,
+En bracht haer Vestingh uyt tot om dijns Heeren Slot,
+Was HOFWIJCK het kasteel, en Ghy KIIK-IN-DE-POT.
+
+ J. WESTERBAEN.
+
+
+
+
+OP 'T HOFWIJCK
+
+VAN DEN EDELEN EN GEESTIGEN HEER VAN ZUYLICHEM, &c.
+
+
+Siet hier den rechten Hof, daer buyten 's Hofs geruchten
+De Wijsheyt leest haer bladt, de Ruste pluckt haer vruchten:
+ Een schoon, een lustigh bladt, een welgesohildert bladt,
+ Als Huygens in het gras en onder d' eycken sadt.
+Daer Huygens buyten 't Hof sijn Hof-tent heeft geslaegen,
+En queecksel en geboomt stelt boven 's Graven-Haegen.
+ Maer één dinck vraeg' ick noch, en vraeg' het met verlof:
+ Hoe kan het Hofwijck sijn, is Hofwijck in den Hof?
+
+ BOXHORN.
+
+
+
+
+AEN DEN HEER VAN ZUYLICHEM,
+
+OP ZIJN HOFWIJCKSCH GEDICHT.
+
+
+Door-wijse Hovelingh, van veel' door nijdt bestreden,
+Van meer om strijdt geroemt! die midden in het slick
+Houdt beyde voeten droogh, en uw' genegenheden
+Noyt hinght aen ydelheit van 's werelts oogen-blick;
+Die nu en dan van 't Hof u laet nae Voorburgh voeren,
+En daer bekommeringh, beslommeringh ontwijckt,
+En daer uws selven sijt, een Heerschap by de Boeren,
+En daer u landt, u Hof, u rijck eens over-kijckt;--
+U steene Hof-wijck wijckt voor sommige gebouwen,
+In grootheyt, kostlickheyt, doch niet in cierlickheyt;
+Maer nu gy door u pen door-kunstigh hebt ontvouwen,
+Hoe all' de werelts doen daer voor uw ooghen leyt,
+Mag 't steenen Hof-wijck wel voor and're 't vaentje strijcken,
+Maer voor 't papiere, 't welck is onwaerderelijck,
+Is 't reden dat het all' eerbiedighlijcken wijck'.
+Noch 't steenen Hofwijck, noch het sterckste huys van allen,
+'t Welck oyt is opgebouwt door Menschelicke hand,
+En sal altijdt bestaen; maer noyt en sal vervallen
+Dit HOFWIJCK, opgebouwt, mijn Heer! door u verstandt[1].
+
+ HENRICUS BRUNO.
+
+Noot:
+
+[1] Vernuft.
+
+
+
+
+HOFWIJCK.
+
+
+De groote webb' is af, en 't Hof genoegh beschreven:
+Eens moet het Hofwijck zijn. Wie kent den draed van 't leven,
+Hoe kort hy is, hoe taey? de snaer die heldste[1] luidt,
+Scheidt d' eerste menighmael van leven en van Luyt,
+Verkracht en over-reckt of met der tijd versleten.
+'k Heb over-reckt geweest, maer bender[2] deur gebeten:
+Op 't slijten komt het aen: Twee dingen maecken 't waer,
+Of ick 't ontveinsen wouw, mijn jaeren en mijn haer.
+En als de snaer begint te vees'len en te pluysen,
+Soo staet sy meestendeel op 't schielicke verhuysen.
+Wie weet of 't schielicke verhuysen deser Ziel
+Niet voor mijn deur en staet? En of 't God soo beviel,
+Sou Hofwijck onberijmt sijn Stichter overleven,
+En wijcken voor 't Voorhout? en soud' ick my begeven,
+Die anderen mijn pen baldadigh heb geleent?
+Met reden eischte men de schuld van mijn gebeent.
+Met reden schreefm'r op: «Hier light een Man begraven,
+Die meende te volstaen met planten en met graven,
+De slechte boeren-konst, en moght de moeyte niet
+Sijn eigen maeckseltjen te cieren met een lied».
+Mijn sterven weet ick met langh leven niet te weeren;
+Maer, leef ick weinigh meer, het Grafschrift wil ick keeren,
+En singen wat ick poot, en rijmen wat ick bouw,
+Eer dese keel verschorr', en dese penn verouw'.
+'k Wil Hofwijck, als het is, 'k wil Hofwijck, als't sal wesen,
+Den Vreemdelingh doen sien, den Hollander doen lesen.
+Soo swack is menschen-werck, het duurt min als papier
+De tijd slijt struyck en steen! eens sal men seggen: hier,
+Hier was 't dat Hofwijck stond, nu Puyn en Queeck en Aerde:
+En dan sal Hofwijck noch staen bloeyen in sijn waerde:
+Ja, waerde, sooder oyt yet waerdighs van mijn hand
+De jaeren heeft verduert en ouderdom vermant.
+
+In Holland, wat een land! Noord-Holland, wat een Landje!
+In Rhijnland[3], wat een kley! in Voorburgh, wat een sandje!
+Aen 't Koets-pad, wat een wegh! aen 't water, wat een Vliet!
+Aen al dat lieffelick of vrolick rieckt of siet,
+Daer lagh een brockje vets, daer lagh een blockje magers,
+Een beetje voor het vee, een treetje voor de Jagers;
+Daer lagh, dat schickelick gevoeght had heel aen een,
+Maer van het groote spoor verscheiden lagh in tween;
+Het spoor en Vrouw Natuer verstonden hier den and'ren,
+Ten Zuyden lagh de wey; op 't Noorderlick verand'ren
+Van Wey in drooge kroft[4] daer deelde 't spoor het scheel[5],
+Gelijck een Riem een Man in op- en onder-deel,
+In Broeck en Wambas scheidt. Daer hoefde geen bedencken
+Op yeder deels gebruyck: de kley scheen my te wencken,
+En raedde stommelingh[6], sy was ten Boomgaerd nut,
+Mits met een wilde muer gemantelt en geschut;
+De kroft en eischte niet als vruchteloose[7] boomen,
+Die sy wel machtigh waer in wel-ge-Elste[8] zoomen.
+Elck heeft sijn Keur voldaen: hier 't Wilde, daer het Tam,
+Een yeder heeft volbrocht het geen hy ondernam.
+
+Let, Ouders, en let scherp op 't keuren van uw gronden:
+Veel hebben sich vergeefs 't verkrachten onderwonden
+Van kinderen verstand, met onverstand getucht;
+Veel hebben wreedelick in eewigh' ongenucht
+Gekluystert en geboeyt wel draghbaere[9] vernuften,
+Maer die ondraghbaerlick haer 's levens tijd versuften
+In onwerck; dat is werck haer driften onbevoeght,
+Haer krachten ongelijck; veel' hebben sich verploeght,
+Verweven, of verschaeft, en geen bedijdt van allen;
+Die Staet of Lettervolck, of Krijgsluy konden vallen,
+En zijn 't geluckelick, en zijn ter eer en baet
+Van eigen en gemeen, van Huysgesin en Staet.
+
+Het scheel alsoo gedeelt door my en door sich selven,
+Quam 't op de spaden aen; mijn eerste sorgh was: delven.
+Noch was 't de tweede maer: d'eerst had wat meerders in:
+Tot werck hoort overslagh, tot weldoen goed versin,
+My docht, papieren blad was licht genoegh te krijghen,
+En daer bleef 's[10] ruym genoegh voor peper en voor vijghen,
+Of ick 's[10] een riem verkladd' en aen mijn droomen hingh.
+'k Sagh menigh misverstand en redenloosigh[11] dingh
+Des werelds aengesicht mismaken en onteeren,
+Gelijck een schoone Vrouw lijdt van verbrodde kleêren;
+'k Sagh 't schoonste geld in 't slijck geworpen by geval,
+'k Vond allom nieuwen druck van Kostelicker Mal
+Dan ick heb doodt gerijmt of, mogelick, doen leven[12]:
+En al dit ongeval wist ick sijn naem te geven:
+'t Hiet Na-docht, soo my docht, en 't was gespaert papier:
+'t Was noch yet oolickers[13], 't was een onkundigh fier,
+Een stout' onwetenheit, die niet en kost als waghen,
+Om dat sy liever wouw niet twijfelen, dan vraghen.
+Ick twijfelden en vraeghde, en ley mijn rouwe stof
+Voor oogen, die ick wist, met vollen danck en lof,
+Stof, als de mijne was, te hebben helpen keuren,
+En oorbaerlick versnyên, niet snipperen, noch scheuren.
+Maer al mijn recht was mijn, ick hiel een woord in 't vat[14];
+De Landheer had wat wils en d' onderwijser wat.
+De konst leed geen geweld, maer liet sich wel wat recken.
+Ter liefde van mijn lust. En soo van dusend trecken
+Bleef d'een en d'ander vast; en van dat af en aen
+Bleef yet lichamelicks in 't swart en 't witte staen;
+Een dingh, dat Armen had en Schouderen en Beenen,
+Een redelick gestel van 't hoofd af tot de teenen,
+Soo veel my duncken moght. En nu stond Boom aen Boom,
+Daer Boom aen Boom sou staen; nu gingh ick in den toom
+Van vóórraed[15] en bescheid, en, hoe 't sich nae moght schicken,
+Ick hiel mijn plicht voldaen met gissen en met micken.
+
+Soo ver gaet menschen macht in allerley belangh;
+Beraden, overslaen sijn volle stade langh,
+Meer eischt men hem vergeefs; maer 't langh heeft oock sijn maeten:
+Die lang doen kan en magh, moet oock eens konnen laeten:
+Is 't overdéncken goed, het óver-dencken niet:
+Hy siet sijn selven uyt, die al te lang doorsiet:
+Ons oogh verdrinckt in 't werck, daer 't moed' in is geswommen,
+En ons vernuft beswijmt, gelijck die, hoogh geklommen,
+Met schrick te rugge sien, en weten niet waer heen,
+Om hals en been geheel[16] te brengen naer beneên.
+Soo raeckt men bijster 's weeghs[17] in 't soecken van veel wegen,
+En daer en komt geen end van stadigh overwegen:
+Die altijd willen doen, en hebben noyt gedaen;
+'t Schael-tongesken moet eens in 't huysken blijven staen.
+
+Doe 't kind geboren was, hoe 't afliep met sijn lueren,
+Sijn swachtels, en sijn wiegh, soud' hier wat langer dueren
+Dan 't yemand lusten moght; en van die eerste jeughd
+En smaken meestendeel maer ouderen de vreughd:
+Vreughd, die de Nieuwigheit en Hoop alleen doen leven,
+Die self den ouderen ten einde werck begeven;
+Waer op volght ongevoel van wellust, doove plaegh,
+Daer van ick (ick beken 't) mijn kindsch[18] gedeelte draegh.
+Nu, 't kind is jongh geweest, en't is gebracht aen't groeien,
+Aen't bloeyen metter tijd; 'k heb niemand te bemoeyen
+Met wat het tien jaer langh te queecken heef gekost;
+De Wijsen eten met, de gecken doen den kost.
+Komt, wijsen! eet met my, ick sal u niet beswaren
+Als met welgaere spijs en wel betaelde waren:
+Ick wil u Hofwijck doen aenschouwen, of 't te nacht,
+Gelijck als Duivels-brood[19], te voorschijn waer gebracht:
+Jae meer, ick wil het u en my oock doen betreden,
+Als waer ons gisteren een gansche eew geleden:
+'k Wil met kindskinderen goed deelen vóór mijn dood,
+Als waer ick Grootevaêr en twee-dry-mael soo groot[20].
+Het wereldsche besit en is toch niet als droomen,
+En of 't gekomen is, of mogelick te komen,
+'t En is maer binnen ons het gen' het schijnt of is,
+'t Zij by voor-sieningen[21] of by geheugenis.
+
+Dus sal dan Hofwijck zijn, neen (wy zijn hondert jaren
+Geboren naer[22] den dagh, dat wy geboren waren)
+Dus sien wy Hofwijck staen: Ten Noorden van 't groot spoor
+Nae Voorburgh, 't schoone Dorp (of seght'er Steedje[22] voor),
+Light een aensienlick Bosch in mindere gesneden[23];
+Vraeght naer de lenghde niet by Roeden of by Treden;
+Die aen den ingangh staet, en siet den uytgangh niet,
+En 't eind is verr'genoegh daer 't oogh geen eind en siet.
+Een tamme wildernis van woeste schicklickheden;
+Soo noemt sich dit vertreck, ter liefde van de Reden
+En gulde middelmaet, die ick soo waerdigh houw.
+Te tam waer al te stijf, te wild waer al te rouw;
+Daer is wat tusschen tween, dat tweederhands begeeren
+Voldoen kan, tam en wild, en dit door dàt vermeeren:
+Gelijck wat etens dorst, wat drinckens honger maeckt,
+Gelijck langh slaepen weckt en langh gewaeck vervaeckt.
+
+Den tammen lust voldoen vier wonderlicke dreven
+Van Eicken saeghbaer hout, van Boomen die daer streven
+Om dickte by der aerd, om hooghten in de lucht,
+Om breedten onder weegh en groen en koel gerucht.
+'k Heb saeghbaer hout genoemt: maer laet het niemant wagen,
+Mijn Trouw-verlaet[24] t' ontdoen, mijn Dreven om te sagen:
+Daer 's Potgeld, soo men 't heet, siet dit voort Poot-geld aen.
+Ick segg' het eew voor eew: Kinds kinderen! laet staen,
+En brandt of warmt u niet aen hout dat ick hiet waschen[25]
+Ondanckbaer' erffenis en is niet af te waschen:
+Ten minsten moet hy doen hetgeen de Sterver hiet[26],
+Die 't leven door hem kreeg en van sijn sweet geniet.
+
+Twee dingen scheid'[27] ick uyt, het derde moet ick dulden:
+Onschuldigh Brood-gebreck sal u voor eerst ontschulden[28],
+En d'allerleste nood is buyten alle wet;
+Gods Koningh[29] heeft sijn maegh met Autaer-brood[30] ontset[31];
+Maer welvaert dol gespilt is verr' van mijn meêdoogen[32]:
+Hy is noyt bystand waerd, die noyt heeft willen doogen[33].
+Daeraen volght ouderdom van Eicken die vergaen:
+Men spaertse te vergeefs, die niet en konnen staen.
+Maer daer den ouden stam ontstaet[34], staet haest een jonge:
+Soo sal mijn na-kinds kind, schoon ick het niet bedonge,
+Gedencken, daer een man in 't vechten werd gevelt,
+Dat daet'lick in de ry een versch man werdt herstelt.
+Oock staet de wereld soo: die schael moet even drijven;
+Pas soo veel schepsels niew verschijnen als ontlijven,
+Of 't waer een leêge wer'ld, daer in wy Borgers zijn,
+Of langh waers' overkropt, geborsten van de pijn.
+
+'t Lest (dat ick lijden moet) is 't algemeene lijden
+Van 's Vaderlands verderf. Staen die bebloedde tijden
+In 't eewighe beschick van Gods Voorsienigheit:
+Moet Holland eens niet zijn, of Niet zijn; is 't geseit
+By diens sien seggen is, en seggen doen, en heden
+En morgen 't selfde punt, dat Holland weêr bestreden,
+Weêr overstreden zij, weêr werde soo het was,
+Doe 't in sijn kolen smoockt' en smoorden in sijn as[35]
+Moet dat rad noch eens om, broeit Spagnen noch een toelegh
+Van Thiende-penningh-dwangh, en leght het maer de roê wegh
+Tot dat het onvoorsiens sijn geeselingh hervatt',
+En drijv' ons tot den keur van mutsaerd[36] en van rad,
+Of van versworen trouw en van versaeckt gevoelen;
+Sal sich dat heete bloed noch eens op 't onse koelen
+(God zij genadigher, en weêr' den droeven dagh!),
+Dan is mijn wil geen wil; en als heel Holland lagh,
+En waer 't niet redelick dat Hofwijck over end stond;
+Van nu af schrab ick uyt wat in mijn Testament stond:
+Als 't Vaderland vergaet zijn mijn voor-sorgen uyt;
+'t Is reden dat de vracht versincke met de schuyt.
+
+Soo zijn 't vier dreven dan, en altoos weêr vier dreven,
+Die 't Bosch verr en naerby sijn prachtighst aensien geven,
+Als ick soo spreken magh, van bijds viermael 't Voorhout,
+Van verre 't hooge groen van 't Mast- en Liesen-hout[37].
+
+Breda vergeve my, en oock den Haegh, dit roemen,
+Hier derv ick 't Eicken loof by 't Linden blad wel noemen:
+Daer sien ick niet als Mast, en Eick, en Elst en Berck:
+Tot mijnent 't selve groen, en even 't selve werck.
+Hier buygh ick voor Breda; mijn' Masten zijn haer kinderen:
+'t Heeft Frederick[38] belieft sijn hout-gewasch te mind'ren,
+Om 't mijne te versien: 't zijn Jofferen van 't Land,
+Mijns Vaders vaderland, die ick heb voortgeplant:
+'k Segg Jofferen, noch eens: 'k mochts' ed'le wijfjes noemen;
+Bredaesche wijfjes, jae; maer die ick derve roemen
+Op Hofwijck Haeghs gemaeckt te hebben en Hof wijs:
+Daer warren s' onder een als overgroeyend rijs:
+Hier staen sy zedighlick en proncken daer sy stonden,
+Does' eerst verhylickten aen 't Sand-schap mijner gronden:
+Daer staens' in 't wild gerucht van kinders kind'ren; hier
+Als maeghden, sonder meid of kinderen getier.
+'k Laet yeder overslaen welck zijn de liefste gasten,
+Gevolghde of ongevolghd': ick derf 't niet ondertasten;
+Men krijght' er sulck' en sulck', en houdt sich wel te vreên,
+Maer, heeft uw gast geen sleep van aenhangh, soeckt' er geen.
+
+Dit volckjen heb ick thuis gehaelt als kale wichten,
+En van der jeught gefockt, en voor my leeren swichten.
+Neemt dat ick Rhee of Hind gerooft hebb' uyt het wald[39],
+En in mijn wildbaen ruym en lieffelick gestalt;
+Soo ben ick altoos thuis, en altoos by de dieren,
+Die t' harent Mensch noch Beest, maer my tot mijnent vieren.
+Neemt dat ick uyt Brasil Tapoeyers hebb' ontleent,
+En blinde Heidenen met Christen melck gespeent:
+'t Is swart volck, maer dat swart is vel-diep, en van binnen
+Maeck ickse mijns gelijck, dienstbaer, in blancke sinnen:
+Soo passen s' op 't gemack van diese voedt en houdt,
+Soo doen mijn' Bruyntjens oock, mijn' Wijfjens uyt het woud:
+Besiet, hoe vriendelick sy my staen en beluymen[40].
+Als seiden sy: «Lands-heer, geniet ons groene pluymen:
+Is 't heet, wy keeren u 't beswaeren van den dagh;
+Is 't koud, wy decken u voor al dat nijpen magh;
+En onse dienstbaerheit hanght aen geen' Jaer-getijden;
+Daer dient' er by de Maend; wy konnen doen en lijden
+Het rond jaer uyt en in, met eenerley gelaet,
+Wat Eicken, 't stercke blad, nauw 's Somers uyt en staet;
+Ja, dese trouw munt uyt, en spant haer' fierste krachten
+In 't felste van de locht, in 't langhste van de nachten:
+Maeckt staet op vrienden, die op voorspoed niet en gaen,
+Maer in den tegenspoed als kop're mueren staen».
+
+Twee troppen[41] tel ick hier die sulcken tale spreken,
+En kruysweeghs over een mijn Bosch in vieren breken.
+Soo most de deelingh zijn; dat weet de minste Cock,
+En al dat oyt ontzagh eens Hovemeesters[42] stock.
+Twee schot'len eener sopp' op eene zy te schicken!
+Daer soud' een swanger Vrouw, jae bergen, van verschricken:
+Ten minsten slaet het een den hongers lust ter neêr:
+Soo fier is 't keel-gat self: soo speelt het oock den Heer:
+Ick swijgh van andere, die oock haer weetjen weten,
+En houden haer gebruyck soo kostelick als eten.
+
+'k Heb dan op 't Cruys gepast, gelijck 't de diskonst noemt:
+En vraeght ghy, of ick 's my met reden heb beroemt?
+Let op den overhoeck; ghy vindt hem naer den regel
+In evenredigheid soo vierkant als een tegel;
+Dat doet een Eicken block, verstaet een perck van groen,
+Daer Eickjens Nut, Vermaeck, en Heerlickheid voldoen;
+Hegh-houtje recht en kromm, dat om de seven jaren
+Sijn' Meester leert hoe soet genieten is, en sparen
+(Elck in de middelmaet en ten besetten tijd),
+Hoe goed een kleedsel is, dat dient en niet en slijt,
+Dat, zijnde, warm en koel, niet zijnde, warm kan maken.
+Soo doen mijn Eickentjens: Ick laet den Honds-dagh blaken
+Op 't steilste van den Noen[43]; ick laet het Noorder guer
+Sijn scherpste buyen toe, mijn groene dack en muer
+Belet my wederzijds het sweeten en het beven:
+En in de leckerny van dit staegh-stervend leven
+Heb ick altoos getelt het dobbele geniet
+Van yet verheugelicks op 't kantjen van 't verdriet;
+Op 't kantjen, sonder schroom; soo dat vast and're smaken
+Het gene my genaeckt, en niet en kan geraken.
+
+'t Zy goed of quaede sin, ick voel mijn voorspoed bet,
+Als yemands tegenspoed daer nevens werdt geset.
+Ick scheppe geen vermaeck in mijnes naesten lijden:
+Maer, als hy 't lijden moet, soo kan ick my verblijden
+In dat ick 't niet en lij. Geeft my een blockje land,
+Een Eiland als een vuyst, bezeet[44] van alle kant,
+Bezeet op sulcken diep, dat op het minste blasen,
+Sijn holle baren stouwt gelijck de groote dwasen,
+Die met bergh over bergh ten Hemel wilden gaen,
+En grijpen naer de Sonn en treden op de Maen;
+Geeft my dat Eyland, rijck van Beemden en van Koren.
+Geeft my een huys daer in om weelde te bekoren,
+Geeft my Bosch om dat Huys, en langhs mijn steile strand
+Of opgeworpen Hout, of uyt de konst geplant;
+Siet my daer wandelen vry van den brand van 't Zuyen,
+Van Oost en Wester vlaegh en van de Noorder buyen;
+Siet my daer sorgeloos van d'een in d'ander hoeck
+Vertreden mijn gepeins, of oock een beter Boeck,
+Een wijsen mans gepeins, terwijl een' vloot van Zeilen,
+Die storm en holle Zee den anderen toe keilen,
+Gedreight werdt[45] gangh voor gangh met 's levens lesten krack
+Op mijner Stranden klip; denckt, of ick mijn gemack
+Afsteken sie als wit by 't swart van die elende;
+Denckt, of ick my rondom, als in mijn roosen, wende,
+Terwijl dat arme volck de handen, van 't geschrob
+Van touw en takel zeer, ten duyst'ren hemel op
+Met kromme knyen streckt: denckt, of 't mijn lust verdobbelt
+Dat ick soo veiligh sit, en mijns gelijck soo tobbelt,
+Soo dobbelt om sijn lijf. Soo gaet het allerweeghs:
+Hoe dichter onlust is by wellust, hoe meer deeghs.
+En soo doet Vrouw Natuer, in vele van haer wercken,
+Het wederstrijdighe door 't strijdighe verstercken:
+Soo werdt de kelder warm als 't ijs in 't water leît,
+Soo werdt de kelder kout als 't Somer-veld verheidt[46]:
+Soo sit ick in mijn kluys van Eicken, in mijn kluysje,
+In mijn gevonden hoeck, mijn ongevonden huysje;
+Hoe 't buyten banger brandt, hoe koeler en min bangh,
+Hoe 't buyten wilder waeyt, hoe louwer, in den drangh
+Van blaêrtjes, die ick hoor rondom my henen ruyschen,
+Maer als de baren doen die op mijn klippen bruyschen,
+En doen my minder leed dan of sy 't niet en deên,
+Om dat ick ongemack verneem, en lijde's geen.
+
+Wat scheelt het of my dit een Bosjen of een Boss doet?
+Wie leeft van overschot? de weide die den Oss voedt
+Is voor hem all' de wer'ld, en hondert merghen gras
+En doet hem niet meer nuts dan of 't 'er niet en was;
+En duysend roeden houts en sou my niet meer strecken
+Dan minder, die my hier verlustigen en decken.
+Kost yeder dat verstaen, wat waer de gierigheit
+In haer holl kaeckgebeent een schoon gebit geleît!
+
+Noch werdt mijn kleinigheit geboet met ander voordeel:
+De mensch is altoos mensch; neemt rijp en onrijp oordeel,
+Neemt sinnen oud of jongh;--soo menigh als wy zijn,
+Veranderen geeft vreughd, en niet verand'ren pijn.
+
+Die vreughd is in mijn macht, die pijne kan ick schouwen,
+Soo haest mijn keure my wil schijnen te berouwen;
+Gelijck de siecke man het eene Bedd' verveelt,
+Tot dat hy 't ander proeft, en dat het niet en scheelt
+Van 't eerste sijn gemack; soo ruyl ick Berck voor Eicken,
+En Elst voor Bercken-bosch. Bey kan ick soo bereicken,
+Dat dit voor onder, dat voor opper-kleed verstreckt,
+Dat gen' als mantel, dit als Broeck en Wambas deckt.
+De Bercken staen om my als Toortsen, die in Kercken
+Niet half soo dienstigh staen en druypen op de Sercken;
+Blanck-stammigh is de Boom, gelijck 't was van de Bye
+Sijn maker werdt onthaelt[47]; noch is 't veel dat ick 't sie,
+Soo duyster is 't in 't groen, soo groen is 't in den duyster;
+Den duyster, daer ontrent de flickerighste luyster
+Van Wolle-wevery, die t' huys mijn' mueren deckt[48],
+Nau voor een schaduwe van somer-groente streckt.
+Wat magh de sotte konst haer selven onderwinden?
+Haer uytterste geweld is qualick werck van blinden,
+By 't minste Bercken-blad, den minsten Elsen-tack,
+Mijn' muer-tapijten hier, mijn' sold'ring en mijn dack.
+
+In dese wonderen bergh ick de soeticheden
+Van mijn gesnoepten tijd: hier spreeck ick met de Reden,
+Met my, met d' eewigheid, met vrienden verr' van my,
+Met eewen, goed of quaed, te komen of verby.
+Maer 't is altoos geen ernst: ick hoord' er oock wel spreken,
+Soo sich een vriend met my in 't groene komt versteken,
+En op de prate-banck, van zoden daer geplant,
+Sijn uertjens wagen wil en helpense van kant.
+
+Neemt een gelijckenis tot keers-licht van mijn' reden:
+De Peerel-visscher duyckt tot dat hy gansch beneden
+Den bodem van de Cuyp, die 't zilte Zee-nat houdt,
+Geluckelick betreedt en als sijn acker bouwt:
+Daer tast en grabbelt hy naer Oesters, die haer' schalen
+En daer sy groot af gaen, sijns lijfs gevaer betalen;
+Maer 't is met altoos prijs in sulcken Lotery:
+De Nieten zijn te veel: noch is de Visscher bly,
+Als baet by lasten komt, en d' een den ander' dragen.
+Die in mijn groene Meer met my den brand der dagen
+Of booser weêr ontsit, is hier als op den grond
+Van een ontstelde Zee; de baren, boven rond,
+Gaen als 't den wind behaeght; beneden is 't stil water;
+Daer soeck ick peerelen, ick en mijn mede-prater;
+Maer beter peerelen dan daer den Indiaen
+Sijn adem om verkracht, en hanght' ons Vrouw-volck aen;
+Die kralen zijn maer kalck: by d'onze niet te tellen,
+By d'onze maer Ayuyn van schilferende schellen[49],
+By d' onse maer Schotsch goed. Ons' peerelen zijn puyck
+Van Deughd of Wetenschap, bey dingen van gebruyck:
+Die soecken wy in 't stil, in 't groen diep mijner baeren,
+Mijn' zee van bladeren, die wy wel hooren baren
+En ruyschen over ons, maer die ons niet en deert.
+Daer visschen wy somtijds yet dat ons sticht of leert:
+Daer mischen[50] wy somtijds dat stichten kan of leeren;
+Gedachten gaen als wind, en buytelen en keeren,
+En springen Oost uyt West, eer dat hy 't weet die denkt,
+Eer dat hy met een oogh of met een oogh-scheel wenckt:
+Soo slipt men lichtelick van goed' in slechter sinnen,
+Die dan uyt d'eene Webb' een andere verspinnen,
+En warren in een' knoop van soete voddery,
+Dat 's dan een misslagh van verloren Visschery,
+Een Schotsche peerel, of een' Oester-schelp die hol is:
+Soo komt het dat de mensch stracks zedigh en stracks dol is:
+Jae, neemt van 't stadighste, 't schijnt levend Vleesch en Bloed,
+En all' de menschlickheit beweeght by Ebb' en Vloed:
+Ernst wil getempert zijn, Jock wilder[51] onder wesen:
+Ick heb het soo gesien, ick heb het soo gelesen;
+Wy zijn geen' Engelen: De Reden doet haer best,
+Maer 't wispeltureloos en komt niet als op 't lest.
+
+'k Wil uyt mijn' Bosjens niet; daer is noch wat te hooren:
+Is 't mogelick voorby, het tuyt noch in mijn Ooren.
+'k Spreeck van geen Nachtegael; die heeft er oock sijn nest,
+En maeckt' er meer geschals dan all' de vlugge rest:
+'k Spreeck van gevogelte met kostelicker veêren,
+Veel aerdiger gebeckt, en in veel langer kleêren.
+
+Voor allen noem ick een UTRICIA[52] voor all,
+Ons' Swaen, of ons' Swaenin, of hoemens' heeten sal.
+Die heb ick hier gehoort, die dunckt my noch te hooren,
+Die heb ick hier gesien de Nachtegalen stooren,
+Gelijck de morgenstond de fierste Sterren stoort,
+En houdt alleen het Veld, en vleit sich met die moord,
+En pronckt met dat gesagh. Aensienlickste der Vrouwen,
+Aenhoorlickste daer toe! ick hebb' 't soo wel onthouwen,
+Wat dat ghy schoon geschals gemaeckt hebt in dit groen,
+In dit stil-wilde louw, dat ick 't u noch hoor doen,
+Noch voor de waerheit houw, dat van mijn' beste boomen
+De beste naer uw' keel mijn Bosch in zijn gekomen,
+Noch voor mirakel houw, hoe 't mog'lick is geweest,
+Dat daer gelegert hebb' soo veelerhande Beest
+Als ghy der hebt gelockt; waer d' Olyfanten stonden,
+Waer Dromedarisen en Kemels ruymte vonden,
+Waer d'Esel en de Bock, het Vercken en den Uyl;
+Want, liegh ick van haer' komst soo valt d'history vuyl,
+Die haer' komst van eertijds op 't spel der Griecksche veêlen
+De wereld heeft verthoont met min gewelds van keelen.
+
+Maer ick verdien geloof van 't Vercken en den Bock,
+Van d'Esel en den Uyl, die uw gesangh betrock;
+Daer heb ick menighmael getuigh af moeten wesen,
+En schrick' er nu noch voor, en voel mijn haer geresen,
+Als 't my te voren komt, 't onlijdelick gehoor
+Van Beesten Mensch-gelijck, dat 's Menschen sonder oor.
+Sy staen my in den wegh, sy wegen my op 't herte,
+En, zijn sy onvernoeght, dry vierendeel der smerte
+Gevoel ick ruym en suer: sy wenschen sich 't gat uyt,
+Ick wensch haer daer geen tangh gekent werdt uyt een Luyt:
+Men wenscht haer in de Hell', maer ick en ben soo fel niet;
+Daer is een ander Hell', of die wat naer de Hell' siet,
+De boven aerdsche Hell', de Hell' van misverstand,
+Van Kercken-scheuringen, van twist in Stadt en Land,
+Van onmin tusschen Bloed en Swagerschap om erf-quaed,
+Dat heden erf-goed heet; en al dat op den kerf staet
+Van tweespalts vuyl bedrijf: daer voegense wel by,
+En 't scheel is wel gedeelt: sy vrolick, en ick bly:
+Nu is 't geselschap goed, wy sonder haer gebleven,
+Sy sonder ons gegaen in 't soetste van haer leven,
+In 't eewigh mis-geluyd van tweeklancks wreede snaer.
+'t Is onbezeffelick, 't is grouwelick, maer waer,
+Daer zijns' aen 't hooghste lot van haer' bevallickheden:
+En, als men 't overslaet, het heeft de selve reden,
+Goed mengelmoes van smaeck, van reuck, van verw, van toon.
+Dat is het uyterste van menschen-mog'lick schoon
+Te schouwen met een' haet die niet en is om soenen[53].
+
+Wat seght ghy ----, die van 't hoofd tot de schoenen
+Verstant en reden zijt, die ick soo veel betrouw,
+Dat ick, wat u mishaeght, voor onbevallick houw;
+Dat ick toon toonsgenoot, en snaer op snaer gespannen
+Mijn oor betrecken laet om datse 't uw vermannen
+Wat seght ghy van den aerd van menschen die noch snaer,
+Noch keel-werck meer en smaeckt dan of het houts-kool waer;
+Wat seght ghy van uw Luyt, uw Boogh, en uw Clauwieren,
+Die uw thien vingeren soo weten te bestieren,
+Dat, waer ick meester van thien sinnen tot[54] de vijf,
+Sy roerden in my om het mergh van Ziel en Lijf;
+Is 't walgelick gerecht, is 't voedsel om vermuylen[55]?
+Ghy schrickt van eighen lof met eighen lof te vuylen:
+Ghy weet het, maer uw' deughd waer ondeughd en wat meer,
+Soo sy maer scheen den prijs te weten van haer eer.
+Weet ghy 't dan ongeseght, ick weet het en wil 't seggen:
+De reden moet hun selfs dwars in den weghe leggen,
+Die d' evenredenheit van toonen, uw of mijn',
+Of schuppen met vermaeck, of herbergen met pijn.
+Want (tusschen ons alleen) wat schroom ick goed te vinden
+Dat u bevallen kan? ick ben niet van de blinden,
+Die 't niet en zijn als t' huys: maer, nu ghy 't seght, is 't waer,
+Daer is, ten minsten, wat verdraeg'licks in mijn' snaer;
+En d'een nakomelingh of d'ander sal 't gestanden[56];
+Somwijlen heb ick yets gebaert uyt hoofd of handen,
+Dat tegens d' opspraeck moght: en daer weet Sion van[57],
+En dien ick 't heiligh lied heb na gebootst, Gods man,
+De man na 's Heeren hert; en, die wat nau kan keuren,
+Sal mog'lick oordeelen, dat sulcken slagh van neuren
+Op sulcke woorden past; En, als ick 't seggen moght,
+Dat geen bevallicker geweld en is bedocht
+Om 't sterck en 't lieffelick van 's Coninghs diep bewegen
+Ten naesten by te gaen en billick nae te plegen.
+
+Nu wil ick uyt het Bosch; het stinckt' er naer mijn mond,
+En die naer eigen roem, die noyt mond wel en stond.
+Maer seggen blijft geseght; of 't Waerheit is, of Logen,
+Of 't Wit is, of geen Doel, die pijl is afgevlogen.
+
+Heyl daer ick pijlen noem, en magh ick noch niet wegh:
+k Heb noch meer wederwercks ten Noorden van den wegh.
+Geburen in 't Zuyd-west, beleefde Mann en Vrouwen,
+Leen-volger van den naem die niet en sal verouwen,
+Soo langh daer Hoonaerts zijn van ondeughd, die den lof
+Uws Vaders maghtich zijn te scheiden uyt sijn stof;
+Gebuer en soet gesin, weest doenders en weest tuygen;
+Brenght Pijl en Koker toe, laet Spaensche Bogen buygen,
+En beter' Engelsche dan daer men heden siet,
+Dat Vader meê naer Soon en Soon naer Vader schiet:
+Ons lust geen menschen-vleesch te priemen of te scheuren:
+Ick wacht u voor een Doel, dien 't beter kan gebeuren
+Dan Heiligh Bastiaen[58] te lijden sonder pijn,
+Als wijse liên, gequetst en niet geraeckt te zijn,
+Veel' scheuten uyt te staen, en willense niet voelen:
+Mijn doel is als een Bergh, mijn Bergh is als dry Doelen,
+Of een' de hand versaeckt[59] of mogelick de Boogh,
+Of een' een tamme Pijl gelijck een' Wild' ontvloogh,
+Daer 's borge voor de schand: 't is hier meer konst te missen,
+Dan elders op 't vierkant van ses voet doels te gissen;
+'t Is altoos, Penn' of Lap, of Wit, of emmers, Bergh.
+Denckt dat men u wat gelds in blinde lotingh vergh':
+Al treckt ghy veeltijds mis, 't is troostelick om hooren,
+Dat die het sijne mist niet al en heeft verloren;
+Een doosjen is een Niet, een Spiegeltjen, een' Spel,
+Maer als 't maer Wat en is, al is 't geen Wat, 't is wel.
+God selver neemt het soo: wy micken op Sijn' Wetten,
+En treffen nu en dan: maer met het minst versetten,
+Wild zijn de schoten, wild, en wy vau 't Heiligh wit:
+Maer Hy, die vol Gerechts en vol Medoogens sit,
+Hooft-richter van sijn mensch, sijn schepsel, duydt den mis-schoot.
+Van een welmeenend hert, als of het wel en wis schoot.
+
+Hoe komt de mensch soo wijs, of liever, hoe soo geck,
+Hoe spant hy sulcken oogh, soo vinnigh, in 't gebreck
+Van sijns gelijcken vat: wil die geen' misslagh dulden,
+Die dag'licks seggen moet: vergeeft ons onse schulden?
+'t Is wonder, een blind man, die stadigh valt of dwaelt,
+Is d'eerste die sijn Broêr, sijn blinden Broêr, behaelt!
+Is 't speeltjen op sijn hooghst, en zijn wy moê geschoten?
+O neen, 't is op syn laeghst: mijn' lieve Schut-genoten,
+Siet steiler in de locht; wy hebben schooner werck:
+Daer staet' er een, in spijt van 't haentje van de Kerck,
+Ten einde van een steng en drilt[60] als of hy leefde,
+En sijn gevaer verstond, en voor ons pijlen beefde:
+Hy schreewde, waer hy niet een Papegaey van hout,
+En waer veel liever in een warme koy gekrouwt,
+Dan dus van onderen gepeutert in sijn veêren:
+Hem moeten wy te lijf: die 't niet en kan, magh 't leeren;
+De Kempen konnen 't wel en all' de Meyery[61];
+Ten minsten is het geen' verboden weyery[62]:
+De Wet seght, veêr met veêr; wy nemen 't niet soo teêrtjens:
+Het komt ten naesten by: 't is hout met hout, en veêrtjens.
+
+Daer light hy: wat een' vreugd! wat kan daer tegen op?
+Daer 's een onnosel beest geresen tot den top,
+En uyt den top gelicht: Zijn 't niet ons' oude perten?
+'t Hoogh doet ons seer in 't oogh: stracks trecken wy 't ter herten,
+En wenschen 't naer om laegh: rijst yemant in geluck
+Van eeren? halsen werck[63]; 't is yeder een sijn stuck,
+Ten minsten met fenijn van nijdighe gedachten
+Te schieten naer sijn vlagg', en op sijn val te wachten;
+Als of 't ons beter ging in yemands minder wel:
+En, als men 't seggen magh, daer springt' er[64] uyt haer vel
+Van vreughden, als een valt die haer, wat hoogh verheven,
+Een nijd-blein[65] in haer oogh onschuldigh hebb' gegeven:
+En laet ons op den wegh sien struyck'len by geval
+Die 't niet verdient en heeft, wy lachen om den val.
+Hoe d' ongerechtigheit haer selfs weet te bekeuren:
+Wy grimmen om dien lach, als 't ons komt te gebeuren!
+
+Bekeur ick dan 't gelach van onse wilde vreughd;
+Van ons getuymelt beest? o neen, ick prijs de deughd
+Des Schutters, dien sijn pijl, sijn pees, sijn boogh, sijn oogen,
+Sijn taaye zenuwen voor die reis niet bedrogen.
+Meer sal ick 't prijsen, meer, als 't noch en noch een mael.
+En noch een mael geschiet: nu hangh ick 't in de schael,
+Of 't heele konst of half, of 't half geluck of heel is.
+Ick tast aen dese stropp', om dat 't mijn eigen keel is,
+Die ick er mê benauw; wie ghy my kent of niet,
+Mistrouwt het weinige, dat m'aen my hoort of siet;
+'t Heb wel een Papegaey een' vleugel afgeschoren
+Met een bevallick woord: (of sulcken slagh van ooren
+Vernam het dien 't beviel.); och armen! maer 't is mis,
+Soo 't my te voller eer oyt toegerekent is:
+'t Geval heeft mê gedaen; En die 't my noch eens verghde,
+En noch eens, en noch eens, souw sien hoe ick my berghde,
+En in mijn selven doock, daer 't hol is, als een vat
+Dat van een klopjen bomt, en laedt noch droogh noch nat.
+'t En is geen achterklap; ick segh 't voor Son en Sterren;
+Wanneer ick in 't gedoen der menschen kom te werren,
+'k Sie menigh averechts voor-oordeel op het pad:
+'k Sie groot geluck betracht, en even op gevat
+Of 't groote wijsheit waer; 'k sie nytkomste van saken,
+Of s' uyt den Hemel viel en stortte door de daken:
+'k Sie de gelukkige, daer 't soo op solder leeckt,
+Voor d'allerkloeckste gaen, daer niet en aen gebreeckt:
+En God weet hoe 't 'er staet, en of sy niet en dachten,
+Sy waren aen de Caep, als sy 't voor Java brachten!
+
+Wel toch! tot Java toe? ey siet, hoe vlieght de wind
+Van menschen-mijmeringh, hoe vind ick my versint!
+Ick maeck den wijsen man, den Doctor, en den Leeraer,
+Oud Schoolkint, maer och Heer, in 't voorste van mijn leerjaer!
+Ick sie suer buytens tijds: 't is aengenaem en fraey:
+'k Stoof soute saucen tot[66] een houte Papegaey.
+
+Nu, Buervolck, voor de moey van d' onlust, weest te vreden
+Een treedjen min of meer mijn Bergh-werck op te treden:
+Ghy zijt in 't vlack voldaen, de niewigheid van 't hoogh
+Sal uw' vermoeyden voet ontmoeyen door uw oogh.
+Mijn noem ick 't sonder roem, of met roem, een van beiden;
+Sijn afkomst is bekent en van my niet te scheiden
+(Sijn' opkomst seîd' ick best); ten kortsten uyt geseît:
+'t En is geen Bergh van weeld', maer van Barmhertigheid:
+Erbarmt u van 't verhael: Ick most barmhertigh wesen,
+En komense te hulp, die met haer quynend wesen
+Met éénen voet in 't graf (soo staen sy trouwens noch,
+Mijn Eicken) riepen «moord», van 't schadelick bedrogh,
+Dat haer, op hoop van winst, uyt Eykenswaerde gronden
+In 't sand bracht, daerse nu soo stierven als sy stonden;
+In 't Rood Sand, soo ick meen, de Turf-asch van de Hell',
+Die noch brand nae haer dood, en is als kool, soo fel.
+Soo stonden Boom voor Boom, als ick, op heete kolen;
+En aen haer' kruynen bleeck het roosten van haer' solen,
+'t Fenijn diend' onder uyt: 't en diende niet, het most:
+Wie kond'er tegenstaen? de Reden zei 't, en Post[67];
+Post, die de Reden heeft veel meer roems doen bereicken,
+In 't stellen van soo veel Pilaren schier als Eicken,
+Dan hem van Hofwijck komt, sijn vormsel niettemin,
+Gevroêvrouwt door sijn' Pen, met dat het uyt den sin,
+Den redenrijcken sin van Campen[68] wierdt geboren,
+Van Campen, dien die eer voor eewigh toe sal hooren,
+Van 't blinde Nederlands mis-bouwende gesicht
+De vuyle Gotsche schel te hebben afgelicht[69].
+Sijn' Reden seîd' het mê: 't vergift most uyt der aerden;
+De mijne seî 't er by: flucks wagens en flucks paerden
+By dusenden, niet min, die my van dat geweld
+Ontlasten voor mijn' rust, mijn lust, en oock[70] mijn' geld.
+
+Nu was de Hell' berooft en all' de boosheit boven:
+Waer henen met het vuyl? het had ons overstoven
+En weêr op niews verraên, 't en waer ick 't meester was.
+Mijn' bueren vraeghden wel naer Sand, maer naer geen' Ass'.
+Soo keerde Nood in Deughd: 'k most bergen wat ick roeyde[71];
+Dat bergen wierd een Bergh, die tot des' hooghde groeyde;
+Wild most hy daer niet zijn: eerst wierd hy onder tam,
+Met dat ick hem besnoeyde, en hier gaf en daer nam;
+Flucks wierd hy klocke-rond, gelijck 't spoor van een passer.
+Bewaren is meer konst dan krijgen is; hy was er.
+Hy most behouden zijn. Ick vongh hem in dit net,
+In dese groene Muts; die wierd hem opgeset,
+Als gaende nu te bedd' om slapers-wijs te dienen,
+Met gras en bloemekens. Nu geef ick het in tienen,
+Dit raedsel, wie het zy, die 't van my niet en weet:
+Hoe 't innerst ingewand van desen Schoon-schijn heet.
+Van buyten staet hy groen en soeckt my te believen
+Met kruydjens velerhand, gespeckt met Matelieven;
+Van binnen is hy ros, verraderlick: of rood
+Van schaemte; let daer op, ghy, die een' swacke boot
+Door 's Werelds baren voert: daer moeten[72] sich, niet Bergen,
+Maer menschen als mijn Bergh, die binnen alles bergen
+Wat boos en onrecht heet, van buyten in een schijn,
+Die haer meer Engelen dan Menschen maeckt te zijn.
+
+Schrickt oock wat voor rood sand, ghy Groene-wambas-kalven,
+Die u heel Meesters houdt, en niet[73] en weet ten halven;
+De Berghjens die ghy vleidt zijn blanck en groen om 't seerst,
+En 't lachter u al toe, dewijl ghy op uw teêrst
+Tot op den Bodem toe gras-boter meent te vinden:
+Maer 't is' er sorgelick te treden voor de blinden:
+Gesuyckert is de korst, de Taerte menighmael
+Van Gall' of Aloë, en 't vriendelick onthael
+Van 't Meisje werdt rood sand; Als de beloften uyt zijn,
+En 't Bruylofts Bed verkroockt: dan moet ghy haer te buyt zijn,
+En klagen sonder help, dat u een vriend'lick vel
+Gevoert heeft (ick en weet niet heeters) in de Hell'.
+
+Doet oock u self bescheit, Moêr Eva's echte kind'ren,
+Stal-lichtjens[74] voor de Mans, ick wil u niet verhind'ren
+Uw weêr-woord uyt te slaen: het deckt oock wel rood sand,
+Dat ghy tot onsent licht soudt nemen voor goed Land:
+Die lieffelicke korst van buygen en van strijcken,
+Van sterven lit voor lit, uer voor uer te beswijcken,
+Berght veeltijds (let: veeltijds) soo wonderlicken aerd,
+Dat ghy het beter wist gescheiden, als gepaert.
+
+Dus ben ick Heer in 't groen van Roodenbergh gewerden.
+Dat was te trotschen Van[75], om soo slecht uyt te herden:
+Daer most wat aensiens op, soo dat mijn niew besit
+Ten minsten wierd vereert met kijckers: «Wat is dit?»
+Dat luckte wis en wel; 'k vermoeyde Land en Luyden,
+Met vragen: kijck, kijck, kijck, wat heeft dit te beduyden?
+Wat werpt de Zee al op? wat of dit werden sal?
+En 't vragen werde meest voldaen met Niet-met-al:
+Maer met een Niet-met-al, dat Antwoord mocht verstrecken,
+Daer een 's[76] neuswijsigheid tot vragens toe mocht recken,
+Wat 's Menschen Neus beduydt in 't schoonste van sijn hoofd,
+En wat mans tepelen, en Vrouwen kin geklooft,
+Wat putjens in haer' wangh, wat kuyten aen ons' beenen,
+En, als men 't nauwer nam, wat nagelen aen teenen?
+Men antwoordt: «Niet-met-al»; en 't is niet mis geseît;
+Maer sien wy scherper toe, 't en is maer half bescheid.
+Daer is een Niet-met-al, dat noodigh werdt gepresen
+Om dat het noodigh is, en noodigh moet het wesen
+Om dat het God beval te wesen dat het is;
+Dat noodigh is 't cieraet van 't schepsel, en, gewis
+Gods hand-meid[77] voeght alom het Goed en 't Cierlick 't samen.
+Nature past daer op, wy weten 't als ons' namen,
+En daerom voeght het ons een voeghlick Niet-met-al
+Te dulden, hoe het zij, by konst of by geval.
+
+By konst of by geval, naer 't yemand lust te doopen,
+Daer is wat cierlickheids mijn Berghjen op gekropen,
+Wat tuytighs sonder dienst, wat aensiens sonder nut:
+De groene Muts was yet voor 't hoofd en sijn beschut,
+Maer 't pluysken moster op, of 't was geen' Muts by Mutsen
+Van aensien aen te sien. Soo raeckten ick aen 't klutsen,
+Aen 't klampen stijl aen stijl, en deel[78] aen wederdeel,
+Die ick eendrachtigh bond aen een verborgen steel;
+Gelijck een rugge-been met ribben of met graten
+Vleesch of visch t' samen houdt, en niet en kan verlaten,
+Dan als sy bey vergaen: dat maeksel scheen geplant;
+Maer 't hongh aen 't rugge been, en woegh niet op het sand:
+Daer most ick in voorsien; men had my sunst[79] verwesen,
+Als die noyt Heyligh blad in Griecksch en hadd' gelesen.
+
+Doe 't uyt den koker quam van steigerings besleur,
+Verscheen daer, wat? een Spel, een Naeld, of sulcken leur,
+En stack, als naeld of spel, in d'ooren en in d'oogen:
+In d' oogen, daer men 't sagh, in d' ooren daer het logen
+Of waerheit over droegh, soo 't was of niet en was.
+Wat raed? 't was aen den wegh; daer 't altoos vol gebas
+Van stoute keffers is: die dat niet kan verdouwen,
+Moet naer Egypten toe, en in de Sand-Zee bouwen.
+
+Maer honden werden[80] mack van vreemden veel te sien:
+Soo werdt de vreemdigheit onvreemt voor sulcke liên:
+Soo wierdt mijn opspraeck gunst, soo temden sich de sotten:
+Eerst hiet ick Schots alleen, doe wierden wy all' Schotten,
+En sagen 't Schotsche werck voor wat gedooglicks aen;
+De slechtste van gewoont, de wijste door vermaen
+Van haer' geheugenis', daer s' in geschreven vonden,
+Hoe sulcke Bakens noch oud Roomen niet mis-stonden,
+Noch 't niewe niet mis-staen, en wat oud Roomen dê,
+Om sulcke wonderen te schepen over zee;
+En wat niew Roomen doet, en wat het derft verteeren,
+Om sulcke wonderen weêr gaen en staen te leeren.
+Vijf duysend ponden steens, en dat twee hondert mael,
+Moet daer bewogen zijn en hangen in de Schael,
+En staen weer op sijn lijf, en konnen noch eens vallen:
+En al, om (als ick sey) een cierlick Niet met-allen,
+Een' statigh' ydelheit, of soo 't wat beter is,
+Tot 's Stichters sterfflicke, maer doch, gedachteniss'.
+
+Had ick 't daer oock gemunt? Ick kan 't niet heel ontkennen:
+Mijn Maecksel was van hout; maer, na de jaren rennen,
+En mijne zijn gerent naer 't einde van de baen,
+My docht een houten bouw kost langh na my bestaen;
+En, of hy 't niet en kost, sy konden 't hem wel leeren,
+Die na my souden zijn, en sijn verrottingh weeren
+Met sorg van onderhout. Dat nam ick voor geen' schand:
+Soo, seîd ick, leeft het al dat water voedt of land:
+Des menschen leven selfs bestaet maer by het lappen
+Van dagelicks niew aes; en altoos sal men tappen
+Uyt Heidelberghs vol vat en van den selven wijn,
+Soo langh daer vullers en hervullers sullen zijn.
+
+Dus rekend' ick alleen, en sonder Waerd te hooren,
+En menschen stonden 't toe: maer 't quam my niew te voren
+Dat uyt den Hemel quam, als of 't een' stemme waer,
+Die sey: Mans-maeckseltje, staet af, en gaet van daer.
+Gods seggen en Gods doen gaen t'samen, als de winden
+Haer dreigen en haer' drift, haer snuyven en haer slinden:
+Gods schicken is Gods doen, en 't is niet eer gedacht
+(Ick spreeck het menschelick tot menschen) als volbracht.
+Gods woord quam en Gods wind, met ongehoorder buyen,
+Dan of heel Noorden wouw verhuysen naer heel Zuyen;
+Gods woord ontstack de locht met sulcken vier op vier,
+Dat avond middagh wierd, en alle dingh papier,
+En all aenstekelick wat Donder kon bereicken,
+Of Blixem, Donders kind: om verr'gingh Yp en Eicken,
+Aen brand Gewasch en Bergh: en doe 't aen Bergen gingh,
+Scheen 't niet onredelick, dat ick mijn deel ontfingh.
+Mijn Naelde kreegh mijn deel, mijn' Bergh en kon 't niet deeren;
+Dat heeft het Aerdrijck voor, vier kan het niet verteeren,
+Gods laeste vier alleen sal 't brengen daer het was,
+Waerachtelick tot niet, waerschijnelick tot glas.
+
+Het houte maecksel sprongh als lammeren in 't wilde,
+Als doe d' Egyptenaer Gods Heir-kracht volgen wilde,
+Den heuvel stond en sprongh: mijn mast was maer een riet;
+Hy knapte, daer hy 't moet gelooven die het siet,
+En daer die 't niet en sagh souw schricken te gelooven;
+Uyt slipte penn' en gat, het onderste quam boven,
+Het bovenste te grond; de naem-knoop, verr'gesien,
+Lagh droeffelick gevelt: SUSANN' en CONSTANTIN:
+Maer bey noch onverdeelt, gelijck sy moeten blijven;
+Haer' Zielen, meen ick nu, gelijck wel eer haer' lijven.
+In 't storten van de Naeld heeft yemand daer ontrent
+Een swaren sucht gehoort en naderhand bekent:
+Gevallen sprack sy noch, want viel, noch[81] ongebroken,
+En, is 't gelooffelick, dus heeft het hout gesproken:
+«Hier legh ick: feller weêr dan Sonn' oyt sagh of Maen
+Heeft Boomen uyt der aerd, en my ter aerd' geslagen:
+Ick was maer menschenwerck, most ick het wederstaen?
+Gods stijfste Schepselen en hebben 't niet verdragen».
+
+Dat komt' er af, van 't Zeil te voeren in den top;
+De hooghmoed gaet niet voor, of neêrslagh volght' er op:
+Ick nam die less' te baet, en, of my vrienden terghden,
+En weêr een tweede Spits in plaets van d' eerste verghden,
+Ick swichte voor den slagh, geslagen met Gods hand,
+Die die plaets niet en gunde aen 't geen ick had geplant:
+Ick kroop in 't ongeluck, en leerde my bedaeren,
+En koos de Lul[82] voor 't Zeil, om niet meer soo te vaeren:
+Soo wierd het ongeval maer omgeval, niet schâ,
+Schâ-baet, dat 's vóór verlies, en wijsheit achter na.
+
+Daer staet een staeltjen af in plaets van d'eerste delen[83];
+De voet staet soo hy stond; 't scheel is in d'opperdeelen,
+Die gaen ter halver hooghd, meer stevigh en min eng:
+Matroos sal seggen: 't is een doorgeschoten steng:
+Een yeder sal 't op niews herdopen nae sijn oordeel,
+Des wijsten Doopers vont aenvaerd ick tot mijn voordeel,
+En hy sal Peter zijn van 't niewe houten kind,
+Die in den vrolicksten den nutsten toenaem vindt.
+
+Want vrucht en vreughd is 't wit dat ick hier schick te raken,
+De Vreughd is tastelick: gaet op, ghy sultse smaken:
+Een Baken stond hier eerst tot in den Haegh gesien,
+Tot in de Duynen toe, tot in de Zee misschien:
+Maer die aen 't Baken stond, en sagh maer pas de weiden,
+Die Voorburgh en den Haegh, weêrzijds de Scheyingh, scheiden;
+De reste was geboomt, dat door mijn' eigen schuld
+Den schoonsten hoeck gesichts met bladren heeft vervult:
+En 't gingh met Hofwijck toe, als met de Stadt der Steden,
+Mijn ongesien Parijs, die sich een Geck met reden,
+Beklaeghde niet te sien door d' al te dicke wolck
+Van Huysen overhoop en 't woelen van haer volck.
+Blind had ick my geplant, en wild' ick my ontblinden,
+Ick most een hooger top dan all' mijn toppen vinden,
+Die nu gevonden is: thien trappen en thien meer
+Ontbinden mijn gesicht, waer dat ick 't henen keer.
+Ick overtop' mijn self, en Hollands beste deelen,
+Die veel en veel gesien geen' oogen en vervelen,
+En al dat Delfland heet van Rhijn en Schie tot Maes,
+Tot in het Noorder silt sijn golven, ben ick baes.
+Dat heet ick oversien. Haer' Graven en haer' Staten,
+Die nu Besitters zijn, en die 't, wel eer besaten,
+En waren noyt meer Baes: sy kosten haer besit
+Niet meer als oversien, niet meer als daer ick sit.
+Noch ben ick het wat meer: sy sagen 't door de wolcken
+Van haer' bekommeringh voor Steden en voor Volcken:
+Ick sien[84] het sorgeloos en op sijn Hofwijcks aen,
+En laet Gods weer en wind Gods acker over gaen:
+Ick vaer als reiser[85] mê, de Stierluy moeten waken:
+Sy woelen onder een in sacken en in saken;
+Ick sie van boven neêr, als uyt de tweede lucht,
+Daer geen gevoel en is van onder-Maensch gerucht.
+Dus verre gaet mijn vreughd; de vrucht van dese plancken,
+Daer heb ick 't ongeval noch ruymer voor te dancken:
+De reden is soo klaer als middaghs Sonne-schijn,
+Dat verr'sien beter is als verr'gesien te zijn:
+Voorsichtigheit siet verr', en mergen[86] is haer huyden;
+Daer d' onvoorsichtige zijn als bysiende luyden,
+Min siende dan gesien: en 't is der wijsen lot,
+Onsichtbaer verr te sien, waerom? want soo doet God[87],
+Dien niemand noyt en sagh, en die d' aenstaende stonden
+Soo tegenwoordigh siet, als ofse voor Hem stonden,
+En dat geschieden sal, als waer het nu geschiet.
+By die verr'sichtigheit en stell ick 's menschen niet;
+Maer 's menschen last[88] is, Gods volmaecktheit na te trachten,
+En diese meer betracht is minder te verachten,
+Dan diese meest versuymt: laest sagh my alle man,
+Nu sien ick met gemack, die my niet sien en kan.
+
+Is 't hoogh genoegh gepocht, is 't Less' genoegh gesogen
+Uyt ongesienen bouw? neen, 't is in mijn vermogen
+Meer wijsheits uyt de planck te trecken dan ick docht[89]:
+Hier staen wy van der aerd gestegen in de Locht;
+Let, vrienden, die met my tot deser hooghd geklommen
+Van boven neder siet: hoe is 't 'er toe gekommen,
+Waer zijn wy door geschroeft? langhs steile trappen heen,
+Door enghd' en ongemack met suchten en gesteen;
+Dat heeft het klimmen in, daer moet hy staet op maken,
+Die van beneden op aen 't uytsien meent te raken,
+Aen 't aensien eigentlick: den traegen beurt[90] het niet,
+Die met den arm in 't kruys staet opwaerts aen en siet:
+Daer staet wat sweetens toe, en woelen hoort by wenschen,
+En by gewil geweld[91]: maer daer by zijn wy menschen,
+En konnen niet als gaen; het vliegen is quaet spel
+En met den hals betaelt: dat weet de Schipper wel;
+Die besight hand en voet, sijn menschelick vertrouwen,
+En klautert in de Marsch by takels en by touwen.
+By trappen zijn wy hier geklautert, en dat 's recht:
+Wel hem, die sijn bedrijf by trappen op verrecht,
+By soete trappen, by niet al te wijde schreden,
+En staeckt, als in de Marsch, sijn steigeren met reden.
+Niet aen de Vlagge-spil, daer 't hoofd draeyt eer men 't weet,
+En daer niet yeder een sijn' moeyte wel besteedt.
+Half wegen is soo veil[92], dat, konden wy 't bezeffen,
+Wy souden 't eens soo lief als 't Papegaeyken treffen,
+Ten einde van de Stengh: 'k beroep my op de pijn
+Van die, van al te hoogh, te laegh gevallen zijn.
+
+Het Bosch is uyt gesuft: God zy gedanckt! seght Leser;
+De Schrijver seght het oock; daer hoeft wel een Geneser
+Voor uw oogh en mijn' hand; soo zijn sy bey gefoolt[93]
+Heeft yemand oyt soo langh in sulcken woud gedoolt?
+Maer 't is de Naeld haer' schuld, haer maken en haer breken,
+En ick hebb' van de Naeld ten draed toe willen spreken:
+Naer[94] my soud 't niemant doen: nu heb ick 't soo gedaan,
+Dat ick naer my gehoort sal werden en verstaen.
+
+En dit 's aen 't Huys ten Deil; wie lust' er mê naer Leiden?
+Komt, Kijcker, Man of Vrouw, ick gae u binnen leiden.
+Tot noch toe treden wy in 't Voorburght van 't groot Hof,
+In 't Neêr-hof van 't Kasteel; daer volght wel ander stoff'.
+Is 't uyt de maet gestoft? beveelt my niet te swijgen;
+Schoon op-doen heeft veel in; 't is om u voort te krijgen.
+
+Waer zijn wy? tusschen Bosch en Bogaerd; staet wat still';
+Dit 's oock mijn eigendom; ick doen' er wat ick wil;
+En wat ick heb gewilt en sal u niet vervelen,
+En wat ick wilde, zijn twee wanden van Abeelen,
+Die nu ten Hemel gaen, en proncken met haer' kruyn
+(Denckt aen mijn hondert jaer)[95] tot in het Noorder-duyn,
+Wel voeght haer dat gepronck; sy mogen sich beroemen
+Voor Schutters[96] van Geboomt, van Kruyden en van Bloemen;
+En sood' er een van al ten einde levens kom
+Daer sy ten scherme staen, 't is maer van ouderdom.
+Aen haer en siet men 's geen; en 't magh haer wedervaeren
+Dat een den loover-dril van haer' ongroene blâren
+Tot minder waerde duy: maer dat' 's 't haer van haer hoofd.
+En dat 's daer noyt wijs man een man sijn' eer om rooft,
+'t Grijs heet de kerckhof-blom, maer 't heet soo tegens reden:
+'t Is 't merck van rijpigheit van Sinnen en van Zeden.
+Gaet by d'Abeelen op, tot daer sy spitser zijn,
+Daer is noch krack, noch kreuck, noch schaduwe, noch schijn
+Van buygen voor geweld van 't vinnige Zuyd-westen,
+Of van 't verdelgend Noord met all' sijn Boomgaerd-pesten.
+Abeeltjens, oud, grijs volck, oud Krijghsvolck, seîd ick recht;
+Ghy hebt voor ons gestaen in 't heetste van 't gevecht.
+Dat 's 't koudste van den strijd; de Appelen en Peeren
+Of met uw' wapenen gedeckt, of met uw' kleêren:
+Wel heeft den Hemel u gerechtelick geloont,
+En in den ouderdom met stijve jeughd gekroont:
+Heel Voorburgh heeft met my te deelen in 't bedancken,
+Als 't op uw' vlammen siet en als 't siet op uw' rancken:
+Het siet u niet alleen voor Voorburghs voorburgh aen;
+Maer voor de cierlickheit daer 't schier om werdt begaen:
+Dat weet de Vreemdelingh, de Wandelaer van buyten,
+Dien sulck' en Galery doet gissen en besluyten
+Wat van uw binnen is, daer 't buyten staet en lacht,
+Met sulck'en trotsen vreughd, met sulk'en soeten pracht.
+Danckt my toe, Vreemdelingh, die, t' uwer gunst genegen,
+Noch schooner heb gemaeckt den schoonsten wegh der wegen:
+'t Is maer half prijsens waerd, sich selven te versien;
+Heel is hy 't, die betracht dat voor 't gemeene dien'.
+Is 't voorbeeld nut en goed, volght, Boeren, en volght buren,
+Wy sullen Honslaerdijck verbijsteren en Buren[97],
+En diese t' samen wil besoecken, heeft voortaen
+Geen' straeten als den Straet naer Voorburgh te begaen.
+
+Aensienelicke straet van Stads-gelijcke Huysen,
+Is 't dat ick Hofwijck magh van lit tot lit ontpluysen,
+Gunt my den eigendom van 't eerst in uw getal,
+En lijdt dat ick het noem mijn Tuynhuys en mijn' Stal;
+Mijn Kruyd-hof hoort' er toe, en, heb ick wel gekosen,
+Het is mijn Persen[98]-perck, mijn Queeck van Abricosen:
+Een houten warme doos, met plancken wel bestaeckt,
+Die suycker-wercken[99] berght, aen 't Sonnevier gemaeckt.
+
+'t Waer veiler[100] niet gemelt, soo dicht aen twee, dry wegen:
+Maer, daer de heiningh klapt, had ick vergeefs geswegen.
+Nacht-pluckers, weest mijn' moeyt genadigh en mijn' kost,
+Had ick u hier ontsien, 't werck waer noch onbegost;
+Ontsiet u, voor den lust van weinigh soete beten
+Voor dieven uyt te gaen, of 't in uw hert te heeten.
+Ghy let op d' eerste meest, ick op de tweede straff,
+En, krijght ghy d'ander toe, soo denckt: dat komt' er af;
+Wy hadden wijsselick na Groot-moêr[101] om gekeken,
+En aen verboden vrucht noch hand noch mond gesteken.
+
+Maer 't is om niet gepreêckt, de boosheid is in 't bloed;
+Verbiedt het quaed te doen, 't is daerom dat men 't doet,
+En dreigen werdt bevel: Ick magh 'er niet om pruylen;
+Staet bouwen aen den wegh ter keur van alle muylen[102],
+En aller tongen schimp; die aen de wegen plant
+En komt niet[103] minders toe van allerhanden tand.
+
+Nu, Wandelaer, komt in; 't sal 't Hof van Hofwijck gelden:
+Versiet u van geduld, ick sal het minste melden,
+En swijgen niet van 't meest: daer moet de Kijcker aen;
+Daer werdt[104] noyt planter moed' op eigen grond gegaen,
+Van eigen grond gepraet, van eigen grond geprevelt;
+Als 't regent dat het plast, soo dunckt hem dat het nevelt[105],
+Als 't nevelt, is 't soet weêr, als 't stormt, en is 't maer koel,
+En, dien de lust vervoert, en weet van geen gevoel.
+
+Voor d'eerste quellingh, hoort dry woorden, eens voor allen;
+'t Waer meerder quellingh, staêgh op 't selve platte vallen;
+En staêgh te seggen, staêgh te hooren, voor of na:
+Dit 's dus in 't Oost geschickt, in 't West de wedergâ.
+Daer is een' middel-lijn, die Hofwijck scheidt in deelen,
+Daervan de slincker van de rechter niet en schelen:
+Een' Oost-, een' Wester poort, een' Oost-' een' Wester laen,
+Een Eiland Oost, één West, in bey gelijcke paên;
+Een Boomgaerd midden in, een Plein, een Huys, een Vijver,
+Ten Zuyden op de Vliet een open Tijd-verdrijver.
+Dit t'samen (kost het zijn) in t Goudgewicht geleght,
+Soo stond de Tongh in 't huys, en bey de Schalen recht.
+
+Wie die verdeelingh laeckt, veracht voor eerst sijn selven,
+En 't schoonste dat God schiep. Eer ick bestond te delven,
+Nam ick des wijsen less' tot richtsnoer van mijn doen:
+'k Besagh mijn selven; meer heeft niemand niet van doen.
+Twee Vensters voor 't gesicht, twee voor den Reuck, twee Ooren,
+Twee Schouderen in 't kruys, twee Heupen daer sy hooren,
+Een' Dye van wederzijds, een' Knie, een Been, een Voet;
+Is, seîd ick, dat Gods werck, soo is 't volkomen goed;
+En, waer ick henen sagh, ick wist geen wet te soecken
+Die by dees' gelden mocht: wegh, riep ick, scheeve hoecken,
+En oneenparigheit, en ongeregelt scheel,
+Dat niemant en vermaeckt, dan die sijn' Neus sijn' Keel,
+Sijn' Mond, sijn' Kin, sijn' Buyck, sijn alle dingh, kan lijden
+Verr' van de Middel-lijn slim uyt gestelt ter zijden.
+En, als ick oversloegh waer sulcken stel op trock,
+Soo viel ick op 't oneens[106] van een' Japonschen Rock,
+Op 't onbegrijpelick van die verwerde plecken,
+Die 't kleedsel voor çieraet, en my voor onlust strecken.
+En, als ick by geval door sulcke paden trad,
+Soo docht my, 't was om 't jock gedobbelt of om 't wat,
+Waer dese boom sou staen, waer die steegh sou belenden;
+Ick wierd' er koortsigh af, en waer ick quam te wenden,
+Daer draeyde my het hoofd, gelijck des planters dê,
+Die alles onverhoeds gedraeyt had uyt sijn' stê.
+
+Verlappers van oud werck kost ick genadigh dulden:
+Maer Snijders van niew stoff en sagh ick niet t' ontschulden:
+Mijn Laken was geheel, en ick een schele geck,
+Soo ick 't versnipperde met een versuft besteck.
+Recht-zijdigh ongemack en vond ick niet prijswaerdigh;
+Maer, waer het mogelick, 't gemackelick en 't aerdigh
+'t Geschickt' en 't dienstige te mengen onder een,
+Soo was de Nuttigheid verhylickt aen de Reên.
+Dit hylick sloot ick soo, en noyde Post tot Speelman,
+Die maeckte d' ondertrouw; en quam' er wat krackeel van,
+'t Wierd op 't papier gesticht, en, naer een soet gekijf,
+Vergaderde 't gemack en 't fraey, als Man en Wijf.
+
+Dat 's uyt: en nu niet meer van recht of scheef te melden.
+De Spâ gingh door de Zoô van klare klaver-velden,
+Daer wel een Koe dry vier haer' meugh aen bijten moght:
+En 't heeft een' taeyen Boer wat jammerlicks gedocht,
+Soo kostelicken stael soo konstelick te scheuren;
+Maer 't wasser toe gedoemt, het sou en 't most gebeuren:
+Waerom sou 't beste groen het eewigh erfdeel zijn
+Van Beesten-muylen, niet van Menschen, en niet mijn?
+Men moet wat aen de vrucht, wat aen de vreughd besteden:
+Wy leven van de Wey en van de Ploegh, dat 's reden:
+Maer sonder lijf en ziel en is de mensch niet heel;
+Is 't lichaem dan vernoeght, de Geest verheischt sijn deel,
+En treckt sijn voedsel oock, maer op een' beter wijse;
+En Gras of Koren-werck en streckt hem voor geen spijse;
+Daer hoort sijn voeder toe, noch luchter dan de lucht,
+Hoe noem ick 't op sijn best? onnoosele[107] genucht.
+Dat voedsel aest[108] het hert, en daer 't van 's werelds saken
+Gekneust is of gequetst, kan 't maer vermaeck vermaken;
+En die voor sulcke Salv' een potjen overgaêrt,
+Heeft wisselick gesorght en wijsselick gespaert.
+
+Verr' van mijn' kinderen sij 't roeckeloos verquisten:
+'k Had beter niet geweest, dan dat sy 't van my wisten;
+Maer nuttelick gespilt naer Borsen grond en macht,
+En heeft noyt wijse Man verwesen noch veracht.
+Vier Sonen heeft my God, en 't Vaderland, geschoncken,
+En, soo 't een Vader voeght, ick derv' er wat mê proncken:
+Mijn' sorgen hebben haer door wetenschapp en deughd
+Voorspoedelick geleidt tot door de tweede jeughd.
+En 't sullen Mannen zijn als ick er niet sal wesen;
+Daer zijn mijn' plichten uyt: God, Vader van de Weesen,
+Beveel ick haer bestier, met eene Sus daer toe;
+Daer bid ick allen voor, als ick voor allen doe:
+Besteden sy liet klein, dat ick haer naer kan laten,
+In soeten teer naer neer[109], in vrolickheid met maten,
+Sy hebben 't lijdelick, en die 't ons gonde, leeft,
+Die niet te leur en stelt dan die Hem eerst begeeft.
+
+Noch staen wy voor mijn' Poort; 't is onbedacht gesproken:
+Mijn' Poorten most' er staen, of 't waer mijn woord gebroken;
+Noch staen wy niet daer voor, ons' oogen zijnder in:
+'t Zijn Heckens, Vreemdelingh, en dat heeft oock sijn sin.
+'t Is open deuren-werck; 't gelaet van alle vromen,
+Die in haer blancke hert voor geen gesicht en schromen,
+Voor geen getuygeniss' van wat daer werdt gedacht,
+Of in ontfangenis, of in geboort gebracht;
+Want, als de buyten-stoff, is 't voeder van haer' rocken,
+En, of ghy op het werck, van binnen op getrocken,
+Of op den wijser siet, sy slaen altoos op een:
+Maer sulcken uerwerck is, God weet het, niet gemeen:
+My, bid ick, dat het voor wat openhertighs strecke,
+Dat hier en daer een' Poort gescheurt is tot een hecke,
+En dat het op het hert des Meesters werd' gepast.
+
+Twee Poorten seggen meer: onthael ick vriend of gast,
+'t En is niet door een' deur, 't is door twee open' deuren:
+Den ruymen ingangh thoont wat binnen sal gebeuren,
+En dat de vrienden op mijn Brood en op mijn' Wijn
+Niet half, niet heel, niet eens, maer tweemael welkom zijn.
+
+Komt yemand tegens my het blaedjen om te keeren,
+En seght: twee deuren op?--daer wil men ons by leeren,
+Dat, als 't op scheiden komt, twee Lanen open staen,
+En dat ick tweemael heet mijn' gasten henen gaen,
+Die eens genoodight zijn: dat wil ick niet ontkennen;
+Aen Man- of Vrouwen-kracht kan ick my niet gewennen;
+D'Onheusche heusigheit, 't onsinnige geweld
+Dat op den soeten kerf van vriendschap werdt mis-stelt,
+En heb ick noyt gelooft[110]: maer wel van outs onthouden
+Die willen, laten gaen, die niet en willen, houden:
+De waerd moet gast-vry zijn; maer oock de gasten vry;
+En dien ick soo misdoe verhael' het soo op my;
+En 't sal in my den lust van wederkeeren wecken,
+Daer gulde vryheit woont voor komen en vertrecken.
+
+Mijn poorten houd ick wel verdedight: volght mijn Laen,
+Mijn Lanen' wederzijds: die moet ghy oock sien staen,
+Als Armen die mijn' vriend omhelsen en onthalen.
+Doch Armen spreken niet: dees' konnen oock geen' talen:
+Maer d'ander' menschlickheid, het Lachen, is haer' gaef.
+Verstaet ghy dat gelach? let op het groene gaef[111]
+Der Linden, mijn geboomt, en eertijds mijn' Laurieren,
+Die haeren koelen pracht als wassche Toortsen cieren,
+En denckt (om kort te zijn: sy selver zijn niet langh),
+Dat wat mijn' jonge fluyt van 't Voorhouts groene gangh,
+Op niewe noten peep, van dese staet te pijpen,
+En, soo ick mijn vernuft noch eens bestond te slijpen,
+Dat Hofwijck en den Haegh de samen souden gaen,
+Of, waer de, Haegh de Son, dat Hofwijck waer de Maen.
+De Stammen zijn gelijck, de schaduwende kruynen
+Staen hier, soo wel als daer, gelijck begraesde duynen.
+Hier in gaet Hofwijck voor; in 't 's Gravenhaeghsche Pand
+Is niet als Linden-hout by Linden-hout geplant,
+En dan een' steene buert, daer Mensch en Peerd en Wagen
+De vlugge Fluytertjens[112] den soeten Haegh uyt jagen:
+Danck hebb' het vuyl gewoel van Wagen, Mensch, en Peerd;
+Sy jagen Hofwijck toe dat Hofwijck meest vereert.
+De Goudvinck is van 't minst, de Kneu, de Spreew, de Lijster,
+Hier sit de Nachtegael en gorgelt met sijn vrijster,
+De Koeckoeck slaet de maet, en roemt van sijn bedrijf
+In volle vryheit, want de Land-heer heeft geen wijf:
+In Stê en doet hy niet dan Mans en Vrouwen tergen,
+En menigh lacht' er om, diens haeren staen te bergen.
+
+Hier danst dat vrye volck van d' een' op d' ander tack,
+En is 't de Linden moê, het kiest een ander dack,
+Een dack van Elsen-loof, reis-mantel van die Linden,
+Die s' in haer' eerste jeughd beschermden voor de winden,
+Beschutten voor Noord-Oost, behoedden voor Noord-West,
+En doen noch dagelicks daertoe haer niewe best.
+
+Heilsaemen Elsen-rack, wie soud' u konnen derven?
+Ghy doet ons vreughd en baet in leven en in sterven;
+Uw leven streekt voor muer, met een, en voor tapijt:
+Uw leven geeft ons warmt, en koelte, naer den tijd,
+En altijd louwe warmt en altijd stil verkoelen;
+Uw' doode beenderen verquicken ons gevoelen,
+Als 't IJs en Sneew verdooft; het is een meerder goed,
+Gestorven goed te doen' dan menigh mensche doet.
+Maer branden is te wreed voor sulcken dienst van leven:
+Daer is een' minder' pijn, die u niew leven geven
+Of 't oude lengen kan: ghy leent uw' lieven romp,
+Daer Schip en goet aen hangt, tot booren van een' pomp.
+Van kokers onder aerd, daer wateren door sluysen,
+Spijt Roomens Metselwerck, en Brussels loode buysen,
+Daer Klinckaert, en Arduyn, en Koper moet vergaen,
+Daer stadigh lappen is en niew verboeten[113] aen;
+Daer overleeft uw lijf, en daer ontsterft uw sterven,
+En daer gerieft ghy kind, kinds kinderen, en erven;
+In 't water stond uw' wiegh, uw' dood-kist light in 't vocht;
+Daer duyckt ghy, en ontgaet de schennis van de locht:
+Onsterffelicker lof verdienen noch uw' stoven;
+Onsterffelicker penn', dan dese, maghse loven;
+Mijn' uytspraeck schiet te kort, wanneer ick oversla,
+Wat winst is door verlies, wat voordeel is door schâ.
+D' ondanckbaer Eicken stamm' en laet sich maer eens houwen:
+U kan ick hondert mael behouwen en behouwen:
+Behouwen? dat 's niet al, ghy levert goed voor quaed,
+Ghy voedt die u verdoet, ghy segent die u slaet,
+En, die de vreughd wil sien van dikwils niewe telgen,
+En neem' niet als de moeyt van wreed zijn en verdelgen;
+'t Onthoofden geeft de winst: waer is dat noch gehoort?
+Meer kinders dienen my, hoe ick meer ouders moord!
+
+De wand van mijn Voorhout, of van mijn' twee Voorhouten,
+Is noch maer half voldaen: maer u verveelt mijn kouten,
+Niews-gierigh Wandelaer: soo swijgh ick van het groen
+Van Haegh en Meyen-Boeck[114], die hier de plichten doen
+Van Wallen hoogh en dicht, van vriendelicke mueren,
+Die my het vry gesicht bepalen van mijn' bueren,
+Die Maertje Knelis oogh onthouden uyt mijn' grond,
+Als offer tusschen ons een' steenen heiningh stond.
+Verganckelicke kalck en kon my maer bevrijden;
+Dit eewige kan bey: bevrijden en verblijden;
+In één woort segh ick 't al; 't is 't oorbaerlickste schut,
+Dat schoon en dienstigh is, en aengenaem en nut.
+
+Nu rechts of slinghs gewent; of quellen u de bochten,
+Die dese wereld laeckt, en d' oude tijden sochten?
+Leght beider redenen in d' een' en d' ander' schael;
+Wy hebben veel gelijcks, maer min als altemael.
+Een' lange ry Voorhouts te samen te sien krimpen
+En sluyten tot een punt, gelijck des Backers timpen,
+Verheught des Kijckers oogh, al waer het noch soo dom,
+En in de red'lickheit gaet alle recht voor krom:
+Maer 't kromm' heeft oock sijn' deughd, en 't buygen van de stegen,
+Ontwalght den Wandelaer van al te lange wegen;
+Of, sijnse wat te kort, de kromte maektse langh,
+En, soo de plaets gebreeckt, de konst is in 't verlangh
+Het een is prijsens waerd, het ander niet te laken;
+Elck een voldoet sijn smaeck, elck een versnipt sijn laken
+Naer eigen welgeval: eens was 't een spitsche schoen,
+Nu kan een' platte leest, en anders geen, voldoen.
+Eens was de broeck soo smal, als mag're menschendyen,
+Nu zij 't soo goed als 't wil, de mode wil 't niet lyen;
+En 't zij dan spits, of rond, of langh, of ruym, of smal,
+Elck weet sijn' verwe voor sijn kostelicke mal[115].
+De gril rolt als de Tijd: wil yemand Rechter wesen,
+Het vonnis, ben ick wijs, en sal men hier niet lesen:
+'t Zijn smaken, en die staen den vryen mensche vry:
+Laet niemant oordeelen van 's naesten leckerny:
+De rechte Dreef is recht, de kromm' heeft oock haer voordeel:
+Sus doen, soo laten doen, is 't veilighst, in mijn oordeel;
+En die den minsten haet soeckt in de meeste rust,
+Vergunn' aen yeder een sijn' onbesproken lust.
+
+In 't praten vind ick ons het hoeckjen om gekropen
+Die naer 't Langh Achterom het Korte[116] door wil loopen.
+Is niet verr' van de Merckt: soo gaet het hier in 't groen:
+Maer die gelijckenis en kan my niet voldoen:
+De Boomen passen best tot voorbeeld van de Boomen:
+Denckt, dat wy 't schoon Voorhout ten einde zijn gekomen:
+Nu volgt de Kneuterdijck, en stracks de Plaets daer aen:
+Daer heb ick 't, Hagenaer, en treckt het u niet aen;
+Noch stoff' ick om den prijs: Ghy levert niets als Linden
+Naer Linden op de ry: hier is wat niews te vinden,
+In 't niewe Pad niew Blad; Verandering verheught,
+En al dat sterf'lick is kan walgen aen de vreughd
+Die evenstadigh is: De vriendelickste toonen
+Vervelen op den duer: het oor rust op 't verschoonen,
+En alle lid begeeft, dat niet verpoost en werdt;
+Veel soets vergalt sich; jae, langh kittelen wordt smert.
+Noch is ons oogh het viest en keurighst aller leden:
+'t Wil wisselen, of 't kreunt, ja, van bevallickheden;
+En die de reden soeckt van sijn' beweeghlickheid,
+Sal vinden, datse daer, en naulicks elders leît.
+
+De niew' bevallickheit, daer 't hier mê staet te vleyen,
+Is 't lieve loover-groen van suyver' Esschen Meyen.
+Daer valt min schaduws af dan m'onder Linden siet:
+Maer schaduwen zijn wind, of schaduwen zijn niet:
+Het lichaem maeckt den man, de stammen zijn de Boomen:
+Als 't op de waer aenkomt, voldoet men met geen droomen:
+Stae by, taey' Esschen waer! De waerde van uw trouw
+Verdiende wel wat roems, dat hier staen proncken souw;
+Maer is de Vred' in 't land, ick wilse niet verstooren;
+Ter Hellen met den krijgh; 'k magh van geen' Piecken hooren,
+Die dunne Boomen, met een vinnigh ijsren blad!
+Als 't aen mijn vonnis stond, hy sat noch op een rad,
+Die d' eerste Esschen stam tot sulcken grouwel kliefde,
+En menschen raserny met wapenen geriefde.
+Blijft Boomen tot der dood, plantsoenen van mijn hand:
+En, soo u Ouderdom, nae' menigh jaer, ontplant,
+Leent liever uw gebeent voor Pijlen en voor Bogen,
+En wordt voor tijd-verdrijf geschoten en getogen,
+Dan dat ghy menschen-vleesch soudt scheuren met geweld,
+En trecken uyt het groen in een rood bloedigh veld.
+'t Is langh genoegh gedolt in tweemael veertigh jaren[117],
+Om eens den Esschen tack tot Bijl en Ploegh te sparen.
+Laet noyt de Son op gaen, God Vader, en God Soon,
+God Geest, dry-eenigh God! die ons den ouden toon,
+Den on-toon, valsch geluyd van Trommelen en Fluyten,
+Van niews opheffen sie van binnen of van buyten;
+Laet Dijn' geterghde wraeck versaedt zijn in 't verderf
+Van ons geburigh volck[118], daer nu Dijn heiligh erf,
+Dijn' Kercke light versmoort en in haer bloed versopen,
+Haer Konincklicke bloed, en buyten hulp en hopen,
+En buyten trouw en troost voor eewigh schijnt ontdaen,
+'t En zij ghy met de boos' eens in 't gericht wilt gaen.
+
+Daer was ick over Zee: afgrijsen doet my keeren,
+Van daer een eenigh Heer gesplist is in veel' Heeren,
+Van daer een' Kroon, een' Kroon, en noch een' Kroon[119] verrast
+Op hoofden is geraeckt, daer op sy niet en past.
+
+Hoe soet is 't in mijn Laen te komen uyt die stancken!
+Wat hebben wy met ernst den Hemel te bedancken,
+Voor 't sachte spiegelen aen volckeren, diens quaed
+Het onse schier--niet schier, maer verr' te boven gaet!
+'k Heb met den Esch gedaen, Esch-doornen, schooner troncken,
+Ghy mooght niet ongemelt mijn' Vierhoeck om staen proncken.
+(Dit 's 't Merckt-veld, of de Plaets, naest aen 't Kort Achterom,
+Of aen mijn Kneuterdijck) ick heet my wellekom,
+En, vrienden, u met een, die met mijn' trage treden
+Tot op dit groene Ruym geduldigh zijt geschreden.
+Leent noch wat lijdsaemheids eer dat wy verder gaen,
+'t Is mogelick de pijn wat waerdigh stil te staen.
+My dunckt het is een Plein: een Pleintje sult ghy 't noemen:
+Maer, daer de waerheit spreeckt, en schroom ick niet te roemen.
+Denckt aen het hoogh gebouw van balcken, verr' gebrocht[120],
+Dat geen vervuyl en kent van Spinnewebs gedrocht:
+Denckt aen het trots gewelf van Hollands oude Heeren,
+Daer dusend menschen daeghs en dusend in verkeeren,
+Daer dack, en muren toe, gekropt zijn met den pracht
+Van Spaensche Vendelen by Wilhelm t'huys gebracht,
+By Maurits menighmael, by Frederick om 't beste,
+By Wilhelm ander mael: (God geve niet voor 't leste:
+Soo 't oyt gebeurde dat de leste van dien stam
+Den toom van 's Vaderlands bestier te stade quam)
+Daer eens het bloedigh jock geschopt en afgesworen,
+En uyt de slaverny de Vryheit is geboren;
+Daer laest der pijlen knoop, die op het slippen stond,
+Van niews versekert is in broederlick verbond,
+'t En is geen Kamertjen: 't magh wel een' Kamer heeten:
+'t En magh geen' Kamer zijn: een' Sael is 't, die wy weten
+Dat by de grootste staet; een vloer, daer menigh voet
+Den anderen doorwert en geen belet en doet.
+
+Maer, brenght de Maet-ry voort, 'k sal 't tot een vloertje maken,
+Een Vloertje tot mijn Plein: nu schijnen 't stijve kaken;
+Stracks sullen 't slappe zijn; wat zijn thien roeden vlacks
+Op vier of vijf in 't kruys? veel, seght ghy, onder dacks:
+'t Is seker en bekent: maer dobbelt doet veel schelen,
+En dobbel is de[121] vloer, en tweemael hier de deelen
+Van gins het breed en 't lang; Siet vry mijn Pleintjen aen:
+Daer ghy staet, souden pas twee Hoofsche Saelen staen;
+Maer 't schijnt niet. Dat 's soo waer, dat ick, die 't hoor te weten,
+Mijn selven menighmael de mis-maet heb verweten,
+Mijn' oogen menighmael in 't ongelijck gestelt;
+Tot dat ick 't wiss' en 't waer van niews had overtelt,
+En 't vonnis tegens mijn steegh onverstand gestreken.
+Doe 't waer was en waer bleef, bestond ick, de gebreken
+Van 's menschen oordeel ('k meen sijn oogh-deel) aen te gaen,
+En, dool ick nu noch niet, soo hebb ick 't doe[122] verstaen.
+
+Dit Plein is, als ick sey, twee Saelen; maer twee Saelen
+Met ééne kapp' bedeckt; en die kapp' doet ons dwalen:
+Die kapp' is 't halve rond des Hemels, dat wy sien;
+En tegens sulcken kapp' wat is dit Plein? misschien
+Een punt, in duysenden van punten doorgesneden.
+Doe pleitt' ick tegens my, doe vraeghden ick mijn Reden:
+Is 't wonder, dat het krimpt en klein wordt in ons oogh?
+Is 't wel een stuckjen van een pees tot sulcken boogh?
+Langhs die leêr klom ick op tot boven all' de buyen,
+Die 't Zuyden tegens 't Noord,'t Oost tegens 't Westen ruyen
+By dagelicks krackeel: van daer tot by de Maen,
+Van daer verby de Son, tot daer de Sterren staen,
+Van daer tot daer Gods man[123] sijn' heilige gedachten,
+Sijn Lichaam, of sijn' Geest (hy kon 't niet seggen) brachten
+Ten derden Hemel in; en 'k was mijn Pleintje quijt,
+Als of 't 'er niet en waer. Doe viel ick aen 't verwijt
+Van 's werelds ydelheit, en, seîd ick, sotte menschen,
+Besteedt men daer beneên dat sorgen en dat wenschen,
+Dat eewigh tommelen aen sulcken niet met al?
+Is heel de werelds kloot niet meer als sulcken bal?
+Is 't sulcken balletje? en, als wy 't al besaten,
+Met al den Mieren-nest van Kroonen en van Staten,
+Waer 't wel een Datje by het onuytspreeckbaer Dit,
+Waer 't wel besittens waerd by wat men hier besit?
+Mijn' ziel was soo vernoeght in 't geestigh ommeroeren
+Van al haer binnenste, en 't heilige vervoeren
+Verwerdden haer soo soet in 't dencken wat sy docht,
+Dat ickse pijnelick van boven neder brocht:
+My dacht sy futselden, en hare lusten spraken
+Van Tabernakelen omhoogh te mogen maken:
+Soo wel was 't daerse was, en daerse gingh soo slecht.
+
+Nochtans hier is sy weêr. Hoe raken wy te recht?
+Eschdoornen, leeft ghy noch? u liet ick hier beneden;
+U komt het einde toe van mijn' gebroken reden.
+Zijt ghy het wild geboomt daer 't mannetjen[124] in sat
+Om God in 't vleesch te sien? Daer leeft wat in uw blad
+Dat Sycomorich lijckt; en 't heeft de soete luyden,
+Die, langh in d' aerd verrot, noch leven in haer' kruyden,
+Doen seggen: ja en neen; en 't hanght noch in den strijd,
+Dien ick niet scheiden sal: ick neem u soo ghy zijt,
+Of als m' u hebben wil, of als ick u kan vinden:
+Half Moerbey en half Vijgh, half Wijnranck en half Linden,
+Al soo m' u doopen wil, mits ghy voor slaven streckt,
+En mijn hoofd met het uw, als Parasollen, deckt.
+
+'t Is aengenamen dienst, soo langh uw' kruynen duren;
+Maer dat 's half-jarigh werck: Dat weten uw' geburen,
+Mijn' bruyne Mannetjens, die tusschen beiden op
+By el voor el in 't jaer haer' nemmer grijsen kop
+Ten Hemel spoedigen, om Somer-Sonn' te blinden,
+En 't plein te decken voor de schrale winter-winden.
+'k Verpraet my: 't is oud Hout, en hondert jaer in staet[125]
+Van breede schaduwen, en die van verre staet
+Verneemt van Nootdorp af het vierkant Bosch van Masten;
+En die 't van bijds[126] geniet (u meen ick, lieve Gasten,
+Die Coets en Peerden hier òf voor de koude berght,
+Of voor de spitse Mugg', die warme Henghsten terght)
+Prijst de voorsichtigheid van Hofwijcks dooden stichter
+Die 't ongemack bevroedd' en maeckten 't Beesten lichter,
+En menschen aengenaem, gelijck is alle pijn,
+Die onsen naesten smert, en daer wy vry af zijn.
+
+Mijn Wandelaer is moê: ick kan 't hem niet verwijten:
+Wie soud' sijn lijdsaemheit in 't einde niet verslijten
+Op soo veel wild geklaps? maer 't sal haest beter zijn:
+Tot noch toe voed ick hem met Peper en Asijn,
+Tot allerley Salaet van smaeckeloose bladen:
+Hier neffens light een Bosch dat beter is geladen;
+Een dat de keel toe lacht; een' Keucken-wildernis,
+Daer 't fruyt geschotelt staet en maer te grijpen is.
+Komt binnen, Heer en Vrouw; maer, Meid en Knecht, staet uyt, en
+Lackeyen, weest gegroet, en, Pages, wandelt buyten:
+Voor sulcke Kijckers zijn de sporten van dit Heck,
+Voor sulcke most mijn' Bors aen 't kostelick besteck,
+Dat desen Boomgaert sloot in vijverlicke Grachten.
+
+Eén woord voor duysenden: al die maer met gedachten
+Mijn' sinlickheden rooft, is hier soo willekom
+Als hamer-slagen op een' Porceleine kom.
+
+Nochtans is 't open Hof in dese vier Saletten;
+Maer moet ick Heer en Knecht gelijck aen tafel setten?
+Plant ick voor groot en klein? Ey, jongh volck, neempt mijn geld,
+En snoept den Merckt-korf uyt, en doet hier geen geweld.
+Geweld is, achterbacx den Landheer af te halen,
+Dat weinigh stuyvertjens met niemands leed betalen,
+Daer 't naer den kooper wacht: Hier kan mijn soet verwacht
+Van menigh jaer gequeecks, onwetend, ongeacht,
+'t Gestolen beetjen zijn van die maer lust te snoeyen:
+Hier kan de dertelheit den teêren tack in 't bloeyen
+Soo ternen[127] dat hy bloed', en niet en bloey van 't jaer.
+
+Maer 'k wenschte, dat soo sterft noch ongeboren waer,
+Eer dat ick om een leur[128] van Appelen of Peeren
+Het vriendelick onthael van vreemden most ontbeeren,
+En sien suer eer ick 't wist. Neen, vrienden, wie ghy zijt,
+Die my een deel vergunt van uw' verloren tijd,
+En komt van uyt Den Haegh tot binnen dese hagen,
+Gevolght of ongevolght; ick stel 't aen uw behagen,
+De sleutel van mijn hert is die van desen thuyn;
+Daer is een' vrye Jacht oock in 't verpachte Duyn:
+Magh de gebroodde knecht sijns Meesters plaets bewaren,
+Ick gun u met de vreughd de vrucht der volle jaeren;
+Pluckt en doet plucken, schudt en laet u schudden, raept
+En laet u raepen: denckt, de Land-heer sit en slaept;
+'t Is buyt al wat u lust: spaert maer de teêre telgen;
+'t Ooft is ten besten, 't hout en kan men niet verswelgen;
+Die 't Capitael behoudt, sorght voor den Interest:
+Die blijft u op mijn gunst voor 't naeste jaer gevest.
+
+Doctoren van den Haegh, 't zij t' uwer baet gesproken:
+Send ick u Siecken t'huys, ick houw my niet gewroken;
+My is geen leed geschiet, dat wrekens waerdigh zij:
+Is 't mergen moghelick, Rhabarbertje, stae by,
+En Sene, windigh blad, en Mann' en Tamarinden,
+En Aloë, die 't al kont drijven en ontbinden,
+De schuld is buyten my; ick ben maer Waerd geweest,
+Dien 't minst van allen past: _dit schaedt_ of _dat geneest_.
+'k Heb vry gelagh gegunt, 'k heb mildelick gegeven,
+En laeten nemen: maer van giften, die vergeven,
+En draecht mijn acker geen: het schielick witte-brood
+Dat naer den Duyvel heet[129], en altemet eens doodt,
+En altijdt geckt en lockt, en wijse luy doet duchten,
+Schaff ick geen vyanden indien uw' siecken suchten,
+Sy wijten 't niemand als haer' ongebonden keel,
+En 't lieve misverstand, dat Kostelick Te Veel,
+Dat gulde letteren tot uwent mosten eeren;
+Raeckt dat ter wereld uyt, seght goeden nacht, mijn' Heeren,
+Aen Boeck, en Apotheeck, aen Croes, en Recipé.
+
+Maer 't ambacht lijdt geen' last; de Duyvel lacht' er mê:
+Van Adams Boomgaerd af tot die wy heden pooten,
+Zijn onse keelen maer bedrieghelicke gooten,
+Verraders van ons Lijf en onse Zielen toe.
+Och! of[130] sy lachen kost, die weelderige koe,
+Die ginder in 't vol-op van Hollands beste weiden
+Genoegh en overdaed soo wijs'lick weet te scheiden;
+Wat maeckte sy geschals, wat sprack sy met genucht,
+Dat, die haer Meester is, sijn selven niet en tucht,
+Dat die de wetten maeckt en roemt alleen op Reden,
+Geen' eigen wet en weet voor 't minste sijner leden,
+Geen' buyck-, geen' mondjes-maet, dat Beesten Menschen zijn
+En menschen meestendeel maer redelick in schijn!
+
+Wat light my aen de moeyt' van 't pleiten voor de Beesten?
+'t Stuck valt my wat te swaer; ick schenck het sterker' geesten;
+Want, wat de keel belanght, en 't leckere verdriet,
+'t Zij roemeloos geseght, de Sond' en raeckt my niet.
+Danck hebbe Die my gaf mijn selven te vermannen,
+En tegens 't sot geweld van Mond-lust in te spannen:
+Ick ben niet smaeckeloos, noch mijn gehemelt steen:
+Maer 't is mijn Hemel niet: mijn' tongh en is geen been;
+Sy voelt; en ick voel oock, hoe langh sy dient te voelen,
+Hoe veel, en hoe veel niet: verdrincken is geen spoelen;
+Daer hoort maer drincken toe; dat weet ick, en wat meer;
+Gelijck het spoelen koelt, soo doet verdrincken seer:
+Al dat ick draghen kan, en schroom ick niet te laden:
+Maer dat ick niet en kan, het minste Meer, kan schaden:
+Als 't vat maer vol en is, soo drijft het, of het stond;
+Soo haest als 't overloopt, soo moet het naer den grond:
+Dat doet de letste drop: wat doen dan duysend droppen
+Naer 't vat aen 't sincken is? let, sponsiën, let, soppen,
+Let, drinckers, die te bedd', gelijck te gronde, gaet;
+En, daer ick wesen wouw, let, Snoepers sonder maet,
+Wat dat uw' Maegh gewelds van Tongh en Keel moet lijden,
+Van overswelgens meer als Beestelick verblijden.
+
+Een gierige Portier magh aen de deure staen,
+De deur van 't Kamer-spel, en laeten binnen gaen
+Al wat 'er wesen wil: in 't ende moet hy hooren
+Dat over-val benauwt; dan moet het òf van voren,
+Of weêr van achter uyt, dat meer is dan de Sael
+Kan swelgen met gemack. Ick spreeck geen' duyster' tael;
+De saecke self spreeckt Duytsch: wie ooren heeft, kan hooren;
+Wy sien wat ons gebeurt van achteren, van voren,
+(Daer moet geen doeckjen om) van ond'ren, met verlof,
+Van boven rauw en rot, en geel, en groen, en grof,
+En al om eens Portiers verraderlick onthaelen
+Van al dat binnen wil, en eindelick de Saelen
+Van Maegh en Buyck en Darm doet bersten van Colijck,
+En, voor het beste loon, maeckt van een Lijf een lijck.
+
+Nu, Snoeyers, 't staet u vry; ghy mooght wel binnen komen;
+Maer, weest' er op bedacht, de dood is in de Boomen;
+Dan 't leven isser oock. Siet ghy die peersche Pruym,
+Die ongefoolde[131] Maeghd van vinger en van duym,
+Dien Appel, goud op groen, die wonderlicke Bessen,
+Die Kerssen, uyterlick als roode wijn in flessen,
+Noch beter in haer lijf; die Peer, met haer geslacht,
+Door menigh overspel tot soo veel keurs gebracht?
+Het lacht al, dat men 't siet (men schijnt het schier te hooren,
+En soo waer 't Spreeck-woord valsch: de Buyck en heeft geen' ooren)
+Maer 't lacht vol Aloës[132], voor die sich selfs verraedt,
+En niet en onderscheidt versot zijn, van versaedt.
+
+Ghy zijt versaedt, en meer, van dit langhwijligh prêken;
+Maer, hoort het tot de lijst van kribbige gebreken,
+Uyt dingetjens van niet, uyt ongeachte stoff',
+Te suygen 's schepsels nut, te tuygen 's Scheppers lof;
+Ick ken[133] de volle schuld, en wilse niet verbloemen:
+'k Maeck geeren yet van niet, en distelen tot Bloemen.
+
+Al wien het lust met my, de Bloemen gae te slaen,
+Begeve sich op zy, daer al des' Mannen staen
+('k Segh niet meer Mannetjens; dat voeghd' haer' jonge jaren),
+Mast-boomen, dick en steil, die met haer' bruyne paren
+De cingels van mijn' Thuyn omcingelen met pracht,
+En maeckender by naest van Middagh Midder-nacht;
+D' Atheensche Galery, daer Roomen selfs gingh halen
+De wandelende less' van wetenschap en talen,
+Moet swichten voor dit pad, voor deser paden groen.
+
+Komt, wijse Wandelaers, hier heb ick u van doen:
+Laet Vrouw en Kinderen de voose vreughd der vruchten
+Genieten voor haer deel, en naderhand besuchten;
+Wy sullen Mond en Tongh besteden aen wat meer,
+Aen vrucht, daer van den beet tot beter voedsel keer'.
+
+Het gemelick[134] verhael van Staetsche vodderyen,
+Van Werelds werringen en meen ick niet te lyen
+(Die wetten schrijv' ick voor), ick bann den heelen Haegh,
+Met al sijn achter-klapp, ick bann de vuyle plaegh
+Van loose pleitery, ick bann d' onstuymigheden
+Van overheerigh[135] volck in ongeruste Steden,
+Den nieuwen overgangh. Ick bann het bits vermaen
+Van Kercken-spertelingh: Staet uyt, Arminiaen,
+Die op den Gomarist uw' tanden meent te slijpen;
+En staet uyt, Gomarist, die desen meent te grijpen
+En krabben d' oude roov' van 't seer van Achtien[136] op:
+All' die u sulcken gal voelt steken in den krop,
+Ick bid u, staet van verr, en laet de vuyle luchten
+Van sulcke poelen hier d' onnoosele geruchten
+Van beter onderhout niet smetten met verdriet:
+Vergalt ons' eenigheit met sulcken Alssem niet.
+In 't drucke van den Haegh verdragen wy 't by tijden,
+En dragen met geduld al dat men daer moet lijden,
+En staen ons' poos te roer, en vinden in 't krackeel,
+Wel tegens heugh en meugh, ons ongesochte deel;
+En sien ons niewen haet voor ouden dienst bestellen,
+En met gerockten vloeck voor vrome meeningh quellen:
+Hier zijn w' op Hofwijck, schouw[137] van al dat Hooft en Haeght,
+En al dien onvrê lust, en dien de vrê mishaeght,
+Mishaeght ons broederschap, die sonder Eeck en Alssem
+Naer Waerheit en niet meer, der Zielen eigen Balsem,
+Door soete wegen spoort, en houdt geen ondersoeck
+Haer moeyte waerder dan Gods een en ander Boeck.
+
+In 't een en 't ander Boeck zijn een' en ander' Bladen
+Voor onser oogen mist met duysterheit geladen:
+De Waerheit isser in, dat 's klaerheit sonder vleck;
+D' onklaerheit is alleen der Leseren gebreck;
+Die dat den Schrijver wijt, doet even als de blinden,
+Die midden op den dagh den middagh niet en vinden,
+En keuren hem voor nacht, omdat haer alles swert
+In haer onkunde dunckt, en 't witt' onthouden werdt.
+Al 't noodige nochtans is klaer, voor alle Vromen,
+Als middagh: uytgeseght[138], de moedwil onser droomen;
+Den Leser, die sich minst in sulcke droomen voedt,
+Gedijdt ontwijffelick het noodige tot goed.
+
+Maer deser redens toom en zijn wy niet soo machtigh,
+Of hy ontslipt ons wel: soo dat ons klaer, klaerachtigg,
+En waer, waerachtigh werdt: en dan volght meer en min,
+Naer meer en min verlaets op 't soet van eigen sin:
+Soo komen wy somtijds van sinnen wat te schillen[139],
+Soo dat' er twee Zuyd-west, twee and're West aen willen;
+Maer 't scheel en maeckt geen' twist: ick haet mijn' broeder niet,
+Om dat ick liever groen, hy liever purper siet:
+'t En is geen Menschen werck; 't zijn stege beest'lickheden.
+Eens anders met geweld te binden aen mijn reden,
+En maken plotselick een vyand van een' vrind,
+Om dat hy sijn Geloof in 't mijne niet en vindt,
+Om dat hy met en voelt dat ick meen wel te voelen.
+Laegh dat vuyl over boord, wat waerder min te woelen,
+Wat waerder min gespoocks, wat waerder min gedruys,
+Wat waerd' er koele kalmt' in Kerck, in Huys en kluys!
+
+Om alles in een woord van kort beslagh te knoopen:
+Vind ick mijn' even-mensch het toe-pad mis te loopen,
+Den Bywegh in te slaen; of sien ick hem verlockt
+Van spijse, daer de dood een' tand heeft in gebrockt;
+Wat maeck ick voor gebaer? ontstel ick my van buyten,
+Ontsteeck ick mijn gemoed, werp ick dien Man met kluyten,
+Schend ick hem met verwijt, wensch ick hem erger quaed
+Dan 't geen hy eten wil, dan daer hy henen gaet;
+Haet ick hem om sijn doen, vloeck ick hem om sijn dwaelen?
+Dat lij den Hemel niet! Ick tracht hem af te haelen,
+Ick toon hem sijn gevaer; ick wijs' hem 't beter pad
+Met all' mijn' Redens macht: soo hy se niet en vat,
+Ick sucht hem droevigh naer, ick wensch hem beter oogen,
+Ick straff hem met niet meer als broederlick mêdoogen,
+Ick doe hem wat ick wouw, dat my gebeuren kond',
+Wanneer een Broeder my een stal-licht[140] volgen vond;
+God roep ick tot sijn' hulp; God, die my heeft bevolen,
+Mijn' vyand wel te doen: want selver soud' ick dolen
+En in den doncker gaen, gund' ick mijn' naesten quaed,
+En sultte zijn ellend met Christeloosen haet.
+
+Wie deert Gods erfdeel niet, wie treurt niet om de Joden,
+Het heilige geslacht, dat haeren Heiland doodden?
+Wie deert de blindheit niet van 's werelds grootste deel,
+Dat Hel en Duyvels macht noch hebben by de keel?
+Wie kan de Christenen besien en niet beschreyen,
+Die door Roomsch misverstand van Sion zijn gescheyen,
+En willen scheppers zijn des Scheppers die haer schiep,
+En willen noch voldoen 't geen hy van 't Kruys af riep,
+By Hem te zijn voldaen, en doen Hem stadigh sterven,
+Die ons door ééne dood het leven heeft doen erven;
+'t Zijn blinde grouwelen, onnoosel mis-verstand:
+God weer'se meer en meer van u, mijn Vaderland,
+God kome noch eens af, en geessel' hier beneden
+Noch eens die koopers uyt Sijn' huysen der gebeden:
+Het schijnt geen Menschen werck, wy zijn der moeyte moê,
+Der vruchteloose moeyt'; daer hoort mirakel toe.
+Maer eer 't mirakel kom' (Hy weet sijn' goede tijden)
+Wat zijn ons' plichten meer als treurigh medelijden?
+Wat zijn ons' wapenen, als bidden om dien dagh,
+Die eens de heele Kudd' in één koy brengen magh?
+Dat bidden is mijn haet, mijn vloeck, beminde blinden,
+Dat sult ghy in mijn' wraeck, in plaets van mutsaerd, vinden,
+Dat Christelicke yver, in plaets van rad en galgh,
+Daer van ick even soo als van uw' misdaed walgh.
+
+Dit 's uyt het Boeck gepraet, dat God heeft willen spaeren
+Tot onser zielen licht, van doe wy niet en waren.
+Het ander light' er by: het Boeck van alle dingh,
+Van alles dat hy eens in 't groote Rond bevingh,
+Het wonderlicke Boeck van sijn' ses wercke-dagen.
+Wat seght ghy, Wandelaer? indien 't u kan behagen,
+Wy gaen van blad tot blad, van daer de Son begint,
+Tot daer sy slaepen gaet, en laet de wereld blind:
+Wy weten wonderen uyt dit Boeck te vertellen:
+Al zijn de Sterren veel', wy wetense te tellen,
+Te passen op een' mijl: al loopt de losse Maen
+Dan blootshoofds, dan gehult, dan met een masker aen,
+Al duyckt sy voor ons oogh, sy kan ons niet ontslippen;
+Wy weten wat sy meent met plecken en met tippen,
+Met ringen, en met geen'; wy weten wat haer schort,
+Wanneerse somtijds Goud en somtijds Silver wordt:
+Al krimpt de dageraed van 't Ooster-punt naer 't Zuyen,
+Wy weten waer 't hem lieght: al pruylt de Locht met buyen,
+Al huylt sy gins en weêr, al stelts' haer self in vlam,
+Al rommelts', of 't blauw dack van boven neder quam,
+Al schreitse weêr daer op, en lescht haer' eigen' vieren,
+Al lachtse datelick met Kruyden en met Dieren,
+Dien haer' gestaltenis tot lust en onlust wendt;
+Van al dat Uerwerck zijn de veeren ons bekend
+En rad en ronsselen, en ketingen en snecken:
+De Mist en mist ons niet, noch wat hem kan verwecken;
+De Dauw is niet soo fijn, wy 'n sien hem drop voor drop,
+De Zee is niet soo diep, wy 'n keuren op end' op[141]
+Wat van haer maecksel is, en waerse 't Sout van daen heeft,
+Wat datse van de Son, wat datse van de Maen heeft,
+Hoe datse groent en grauwt, hoe dat haer volle plas
+Gedurigh voller loopt en houdt sijn Water-pas,
+Wat Ebb' en Vloed beduydt, wat wetten haer bepaelen,
+Hoe verr' men Westwaert uyt haer voor-stroom moet gaen halen;
+Om Oostwaert aen te gaen, hoe verr de Naelde wraeckt,
+Wat datse somtijds staend' en somtijds gaende maeckt:
+Wat dat den Aerd-kloot steunt in 't middelpunt van allen,
+Waerom hy vlot en vast kan drijven, en niet vallen;
+Wat in sijn ingewand het mindere metael
+En 't meerdere verweckt; hoe dat doorschijnigh stael,
+Die steege[142] Diamant, die bloedige Robijnen,
+Als sterren onder aerd, in 't Oosten veel verschijnen,
+In 't Westen nemmermeer: hoe d'Oester is van aerd,
+Die puyck van Peerelen, maer noyt gesond en baert:
+Waer van 't geboomte groent, waer langs en door wat monden
+Sijn blaneke voedsel komt uyt sware swarte gronden:
+Hoe 't in de tacken rijst, hoe 't in de bladen stuyt,
+Hoe 't in den Somer werckt, en scheidt' er 's Winters uyt:
+Wat Gouwe stincken doet, wat Roosen wel doet riecken
+Wat Kraeyen swarte geeft, wat Swaenen witte wiecken;
+Wat eyeren bevrucht, wat Wasch en Honigh scheelt,
+Hoe 't by de slechte[143] Bye verstandigh werdt verdeelt;
+Hoe beesten beesten zijn, en besigen haer' leden,
+En stieren haer beleid bynaest met onse seden:
+Hoe 't allerwonderlickst der wonderen, de Mensch,
+Van Menschen werdt geteelt met min schier als een' wensch;
+Wat Ziel, wat Lichaem is, en hoe sy konnen paeren;
+Hoe 't Vier in 't herte komt, hoe 't Silver in de haeren,
+Hoe 't Bloed de schaemte meldt, hoe 't Oogh van verre voelt,
+Hoe al het sichtbaere, dat door den and'ren woelt,
+Geschift werdt sonder moeyt, en sonder konst gescheiden:
+Hoe Neus en Mond alleen, en Ooren met haer beiden,
+Gelijcke plichten doen; wat Lippen tot de Spraeck,
+Wat Tongh en Tanden doen tot beide, Spraeck en Smaeck,
+En in wat bochten diè de dése moet ontmoeten:
+Hoe 't Hoofd gehoorsaemt werdt van Handen en van Voeten,
+Niet met de moeyte die een Heer neemt als hy wenckt,
+En doet sijn' Dienaer gaen, maer even als 't maer denckt:
+Hoe 't Bloed schift van sijn' Wey, hoe 't Melck wordt in de Borsten
+Hoe 't elders Vel en Vleesch, en elders harde korsten
+Van Knor[144] en Beenen werdt: hoe 't in de Keucken gaet,
+Ontfangster in 't gemeen van alle goed en quaed,
+De Maegh, verkrachte Maeghd van onse gulsigheden:
+Wie Koek is, wie Kocks maet, wie Onder-koek met reden
+Genoemt werdt, geele Gal, of roode Levers warmt;
+Waer toe den ommeloop van kronckeligh Gedarmt,
+Waer toe de viese Milt, waer toe de luchte Longen
+Haer op en neder dient; waerom de Meid geen Jongen,
+De beste slagh, en viel; waerom--Dit langh waerom
+Verveelt u overlangh: 't is reden dat ick kom
+Daer ick 't Boeck opende; dit Boeck; dit Boeck der Boecken,
+Is soo vol ondersoecks, soo vol van soete hoecken,
+Als Hofwijck bladeren aen Boom en kruyden telt:
+Ick heb wat veel geseght, maer niet-met-al vertelt,
+By al dat seghbaer is: Dit zijn de besigheden,
+Daer in wy Ziel en Lijf vermaken en vertreden:
+Dit 's 't veld van onsen strijd, maer strijd van vreedsaemheit,
+Daer yeder op sijn' beurt sijn' stille meeningh seît,
+En luystert naer sijn' vriend, en laet sich onderrechten,
+En heet verliesen winst, wanneer hy valt in 't vechten,
+En wijs in 't vallen werdt. Ver is het strack gemoed,
+Dat steegh en ketterlick de waerheit tegen wroet,
+En liever dolen wil, en dollen wil, dan wijcken,
+En liever Schip en goed verhoetelen, dan strijcken;
+Het Hofwijcks Spreeckwoord seght, en alom is het waer,
+Dat seven oogen veel, maer min sien als vier paar.
+
+Dit 's woord en weder-woord van Waerd en waerde gasten,
+Die hier mijn eenigheit op 't onvoorsiens verrasten,
+Of veel en veel genoyt verschijnen in mijn' Hof,
+En vallender op 't fruyt, het fruyt der buycken, of
+Het fruyt der Boecken: fruyt, dat niet en kan verrotten,
+Fruyt dat den Maeyeman[145], schuld-eischer van de Sotten,
+Sijn maenen niet en vreest. Besit ick my alleen,
+Geheel en onverdeelt, en word ick moê getreên
+En molewijs[146] gestapt in 't rond, in 't langh, in 't kruys-pad;
+Of seght my nat of kouw, 't waer oorbaer dat ick t' huys trad;
+Ick treê wel in vier treên en in vier huysen thuys:
+Vier huyskens over hoecks, en elck een' groene kluys,
+Daerin sich kluysenaers gekluystert konden wenschen,
+Belocken my om 't seerst, en spreken schier als Menschen:
+«Komt», roept' er een, «tot my», en 't andere: «tot my»,
+'t Zij dat het deses tael, of ghenes Echo zij:
+En ick hangh tusschen vier, als Mahomet sijn' beenen
+In 't even staegh geweld van vier versierde steenen!
+
+In 't einde deel ick 't scheel, en vraege Sonn en Wind,
+Waer ick best sitten sal gedoken en geblindt,
+Geblindt en ongesien: meest winnen 't twee van vieren,
+Die neffens 't groote spoor mijn Hofwijckjen vercieren,
+En doen den vreemdelingh in 't rijden en in 't gaen
+Uytroepen: «'t Is daer moy, en 't staet' er my wel aen».
+Daer schuyl ick in de Klimm' en in de Memme-bloemen[147];
+Daer hoor ick my met lust dan prijsen, dan verdoemen;
+Daer duyck ick achter my, gelijck de Schilder sat,
+Die achter 't Tafereel der Kijckers dit en dat
+Beluysterd' en beloegh[148]; daer ligh ick, als gestorven,
+En hoor, als naer mijn dood: «Wat is daer gronds bedorven,
+En klaere kley gespilt, om overdaed van lust!»
+Daer hoor ick tegen aen: «Wel zij hem waer hy rust,
+Den Planter, die den poel van eertijds wilde weyen
+Vercierde met de pluym van altijds groene meyen,
+En dorst een hoeckjen erfs besteden aen sijn' vreughd,
+En keurde matelick verquisten voor een' deughd,
+En docht, het Goud en was in 't water niet geworpen,
+Dat streckte voor vermaeck van hem, en Stadt, en Dorpen».
+
+Daer hoor ick, wat noch meer? of wat en hoor ick niet?
+Den Kermis-boer sijn geld, den Vryer sijn verdriet
+Beweenen aen de Meid, die niet en schijnt te hooren.
+Moy Meisjen, siet rondom, de Boomen hebben ooren:
+Ick hebb' het Voorburghs-bier sien sieden in uw' borst,
+En over 't Minne-vier een' and'ren niewen dorst
+Ontsteken in uw hert; ick hebb' u Kees sien douwen,
+Sien foolen mond aen mond, ick hebb' den besten Bouwen,
+Den niewen Schorteldoeck sien wringen tot een slet,
+En hebje 't Klaes verboôn, Kees hebje 't niet belet:
+«Trijn», seîd' hy, «trouwe Trijn, wat heît het te beduyen?
+De kolen aen den haerd, de Middagh-Son in 't Zuyen
+Zijn koeler dan de Sneew by 't vier daer ick in brand!
+Komt, soetert, eens voor al, waer is je rechter hand?
+Kom, nobele kersow[149], 't is by men ziel ter eeren,
+En om de werld in echt met suck slagh te vermeeren
+As jouw moy bakkes is: Wat Duyvel schort'er an?
+Men Vaêrtje sagh'et gaern, je Mortje weeter van;
+Jen oom, Klaes Gerritse, seît meenighmael: wel, Keesje,
+Hoe maeckj'et mit men Nicht? gaet an; het wildste beesje
+Wordt metter tijd 'etemt; de Knijne worde mack,
+Het Nachtegaeltje neemt sen koytje voor een tack:
+Houdt jy maer voet by steck; de Meisjes moete suer sien;
+Dat sel wel overgaen: je selt noch sulcken tuer[150] sien;
+Trijn sel iens mit en wip ontdoyen, dat gaet vast;
+Soo voer ick mit men Pleun: wat had ick s' op epast,
+Eer 't ja-woord schuyven wouw! dan wouwse, maer se'n sou niet;
+Die molen liep rondom: dan souse, maer se 'n wou niet:
+In 't ende quam't er toe, als ick' er 't minst om docht:
+Soo benne w' entelick as lijm an ien erocht:
+Maer, as je weet, het lock en heît niet wille diene,
+Dat vleis van ongse vleis en bien van ongse biene
+Liep speulen by de weght; en 't is met Pleun edaen,
+Wangt die niet meer en magh, die moet wel stille staen;
+Dan, dat waeyt jou in 't zeil; nouw heb ick woll' noch webbe
+Noch langd, noch weuninge, Trijn moet al 't hoopjen hebbe,
+En 't wordt je saem egunt: gaet an slechts, wat je meught,
+Je vrijt niet min als 't puyck van Delfland en sen jeughd.
+
+Nouw mochje miene, kint, nou mochje grouwen, hartje,
+Dat ick je goetje vry, wangt dat is 't ouwe partje
+Van 't volck te langdwort[151], jae, wel degelick in stê:
+Maer by kris en by kras (en daer 's gien jocke mê),
+Je deed me gien spuls recht, wouw jy me dat op tijge:
+By gurcke, 't moet' er uyt, al mocht ick 't beter swijge,
+'k Heb mê kley an me gat; dat weet me 't Hongslaerdijk,
+Te 's Gravensaê in 't sangt, te Wateringh in 't slijck:
+En offer wat an schortt, ongs' Anne Jans, me Meutje,
+En doeter mê niet toe; en Gerrit Oom, 't out reutje,
+Heît maer ien speul-kint t'huys, soo komt het al op mijn:
+'t Is soet te deelen, daer twie hangden miester zijn:
+Neen, liefste, 't aerdsche goet en hoef ick niet te soken:
+You Hemelse Parsoon, jouw monekje soet besproken,
+You kaeckjes as een roos, jouw ooghjes as en get[152],
+You borsjes, met verlof, daer ick men pinck op set
+(Stil, seyse, schaemje niet, Kees? houdtje hangde voorje,
+Nouw, Kees, hoe staeje soo?) wel nou dan, Troosje, hoorje,
+Die hebbe mijn jongh hart ontsteken en beklemt:
+Jae, 't sou niet overgaen, al stondje naeckt in 't hemt!
+
+En benje 't boeren moê, en staetje 't melcke tegen,
+Ick weet raet tot 'en pluym, 'en mantel, en 'en degen;
+En voor jouw weet ick raet tot en geporste huyck,
+Of tot, hoe hiet ick 't oock? laet sien: 'en Haeghse pruyck,
+En swarte lap voor 't hooft, voor 't steke van de vliege,
+En bouwe met en hoep, om vroêmoers te bedriegen,
+En schoentjes as men duym, soo kort niet, maer soo smal,
+En al 't goed dat de Vent van 't Kostelicke Mal
+J'ens heît eretorijckt (ick gis je kent wel lese,
+Of spelle O. N. on) en datter by moet wese;
+Ick weet raet tot en Krots[153], met spickers deur 'et leer,
+Als Gerr't van Velsens Ton, gehackelt, min noch meet:
+
+Stae by, de bruyne Meer met ronde witte kolle;
+Twie meugew'er wel voên. Gut, Trijn, hoe souw'we rolle,
+'t Schavot[154] om, langhs de Plaets, de Vyver, en 't Voorhout,
+Deur al dat luye volck beslagen in fijn gout!
+'k Heb menigh Maenendagh men selver dood ekeke
+An dat besuckt[155] gesleep: wel, seîd ick, selleweke,
+Is dat het ploegen hier? geeft dat den Haegh de kost?
+Dan, docht ick, meugelick daer hebbent' er begost,
+Die 't niet te mackelick en wete te volende;
+Nou benne s'er an vast, nou meugense niet wende;
+Al gaet het by de wint. 'k Sagh 't sommigh' an der neus;
+En docht ick, Joffer, of men Vrouw, of enter-deus[156],
+Rijdt daerje rijdt, men gelt rijdt metje langhs de straete:
+Men haver was te goed om onbetaelt te laete:
+Voldoet men ceêltjes eerst, en rijdt dan je naers moê.
+Gut, trock ick na de Hal, en na den Backer toe,
+En na den Brouwer mê, en veul meer fijne Borgers,
+(Ja borgers neffens mijn) jouw' schamele versorgers,
+En sonder die je sturft van honger en van kouw,
+'k Mien da'kker op mijn voys en klaechliet hoore souw.
+Wat duycker, dat 's gien kunst, sen hartje te verblyen,
+En, aster[157] niet en is, en Boer sen beurs te snye!--
+'t Woort wasser qualick uyt, ick tasten in men sack,
+Ick vond men Beurs elight: dan 't was klein ongemack,
+En Ducketon dry vier: al ken 't emens[158] niet deere,
+De Duyvel hael den Haeg, men wilt niet gaern ontbeere;--
+Neen, seî'ck soo by men selfs, in[159] 't lock wil, dat men Trijn
+Men echte wijfje word, en ick 'er man magh zijn,
+We hanghe mê wel wat an sulvergoed en kraelen:
+Maer, lust ongs pracht of prael, we willen 't braef betaelen;
+En gingen w' iens te Bier, te kermis, of te mart,
+De witte[160] mosten uyt, of 't gingh noyt van men hart».
+
+«Dat heb je wel», sey Trijn, «aêrs moste we niet leve,
+Dat ben ick niet ewent; wangt die wat heît te geve,
+Die macher wat op doen: Maer liever niet 'ehult,
+Dan dat ick op men kop sou dragen kap en schult».
+
+Kees voelde, dat de Boom te met begon te kraecken;
+Met noch een houw twee dry kond hy ter aerde raecken.
+Daer hakten hy op aen, of 't in den snoeytijd waer;
+En, naer ick merken kon, daer wierd van twee een paer:
+D'een rechter hand quam voor, en d'ander liet haer vangen,
+En, als een' Lijster-bey, soo sagh Trijn om haer wangen:
+Al gaende, sagh ick wel, soo vielder veel te doen,
+En, naer 't van verre klonck, soo was 't een vrouwen-Soen.
+
+Nu, Huyskens, soet vertreck, ghy zijt niet komen drijven
+Daer ghy soo vierkant staet; 't heeft al van swaere schijven
+Mijn' lichte Bors ontlast, te werden soo ghy zijt:
+Maer voor een' sulcken deun schel ick u alles quijt.
+My docht Kees Adam was, en Trijn mocht Eva wesen,
+En 't Paradijs hier naest; soo vrijdense voor desen
+De goê'luy van dien tijd, doe Waerheit onbevleckt
+Met rock, noch onderkeurs, noch hemd en was gedeckt,
+Maer gingh in Stadt gekleedt gelijck nu by de Boeren.
+
+En, als ick 't overweegh, sy wetens' uyt te voeren,
+De soete vryery, met aerdiger bestier,
+Dan wy met al ons Hoofsch ge_larm_ en ge_soupir_;
+Wy schaemen ons Moêrs tael, als 't gelden sal met minnen;
+Verlieft werdt _amoureux_, en van gevallen sinnen
+Niet min als _sens ravis_, bekoorlickheên, _attraits_,
+Gewonnen gunst, _faveur_, en nemmermeer, _jamais_,
+Bruyn' oogen, _beaux esclairs, beaux soleils_, en _beaux astres_,
+Misnoegen, _desespoir_, blauw scheenen-zeer, _desastres_;
+Als of het vryspel self niet kaps genoegh en waer,
+Wy doender bellen toe, en haelen, 'k weet niet waer,
+Waer mê de sottigheid ter degen uyt magh klinken;
+Als ick een' Vrijster waer, de Vryer sou my stincken,
+Die uyt den Lande liep om tolcken van sijn hert!
+
+Vergeeft my, jonge luy, ick keur 't een' malle pert,
+Al 't sinne-loos gelaet daer mê ghy meent te proncken:
+'k Hebb' oock eens jong geweest, 'k hebb' oock eens voelen voncken
+Dat Minn' heet in goed Duytsch: maer tot de raserny
+Die in de sinnen slaet en viel ick noyt van my.
+
+En Meisjens, met verlof, 'k moet eens mijn hert uyt spreken,
+'t En sal geen laster zijn, of 't staet u vry te wreken:
+Jae, wreeckt de waerheit self; dat valt veel tijds haer lot;
+Het smaeck' u heel of half, onthoudt het van een' Sot:
+De weecker Menschlickheit, het volck met lange rocken,
+En hebb' ick noyt gehaet: eer heeft het my betrocken,
+Eer heb ick 't nae gegaen, of vriendelick ontmoet:
+Want, seîd' ick, keurde God al dat hy maeckte, goed,
+Dit 's van den besten slagh het tweede: soud ick laecken
+Dat God gepresen heeft? daer neffens quam 't vermaecken,
+Dat alle Menschlickheit in 't onderscheid bevindt,
+En daer door yeder, wat hy niet en heeft[161], bemint:
+Daer neffens quam het schoon met sijn' bevallickheden,
+En daer ick Vrouwenschoon met minnelicke reden
+Geluckigh sagh verselt, en daer ick styve deughd
+In morwe leden vond, en maeghdelicke jeughd
+Met wetenschap, of lust tot wetenschap, besteken,
+En daer ick wijsheit hoord' uyt rooselippen breken,
+Daer, docht my, was ick by des wijsen mans gerecht:
+In sil'vre Schotelen goud' Appelen geleght;
+Maer, daer ick 't niet en vond, en was ick van schoon' oogen,
+Van blanck vel, en blond haer noch meer noch min bewogen,
+Dan van het houten hoofd, dat op de Cyters hals
+De soete Joffer maeckt, tewijl de Cyter vals
+En doof en ongestelt niet waerd en is te hooren:
+Kort om ick socht mijn Oogh te paeyen en mijn' Ooren;
+Dat hiet ick volle vreughd. Gevoelens geile sin
+En keurden ick noyt grond van wel-gestelde Min;
+Daer Trouwen 't voorland was, en teelens lust met reden,
+Daer viel ick vies en kies, en socht gesonde leden,
+Daer in een' held're Ziel, gelijck een blinkend swaerd
+In een' fluweelen scheê, gehuyst waer en gepaert
+God liet my sulcken Ziel en sulcken Lijf gebeuren:
+En doe was Keesjes hert van Trijntjes niet te scheuren;
+Maer jocken stond van kant: daer wierd in ernst gevleidt,
+En oorbaer wederzijds gewogen met bescheid:
+De Zielen wierden eens; de Cassen van die Zielen,
+Die d'eene d'andere geluckelick bevielen,
+Bevestigden den koop, en 't stond den Hemel aen,
+Dat die vier, paer en paer, te bedde souden gaen.
+
+Hoe 't schickte, tuyght de tijd van thien vergulde jaeren,
+Die wy eenlijvelick en evenzieligh waren:
+Maer tuygen zijnder noch te soecken, dien het heught,
+Dat my de domste tocht van d'allergroenste jeughd
+Ter aerden hebb' gevelt, doen kruypen hebb', doen beven,
+Doen schreyen om genâ, doen bidden om het leven,
+Doen knielen, aeps-gewijs, voor een fier Vrouwen-beeld.
+Fier, seîd ick, Vrouw tot Man, fier Vrouw uyt Man geteelt,
+En die weêr sonder Man noch Man noch Vrouw kan teelen,
+De minst' in Hoofd en Hert, de minst' in alle deelen?
+Daer most'er meer als een mê spelen; en dat schoon,
+Dat Vel-diep aengenaem, in 't hooghste van sijn' throon,
+En kon mijn' vryheit noyt in slaverny verkleden:
+En als ick wanckelde, stracks stelde sich de Reden
+Ter weere voor mijn' eer; stracx sey sy, 'k was een Man,
+En sy mijn onder-mensch, die ick Meestersche van
+Mijn voordeel maken wouw, en, was 't soo verr' gekomen,
+Dat Vrouwen eerbaerheit most wachten op Mans droomen,
+Dat Spil-zij swijgen most tot dat de Swaerd-zij sprack
+(Dat schadelick begin van menigh ongemack),
+Als 't Mans hert open gingh en veilde sijn' gedachten,
+Sijn minst was, weder-gunst van 't Vrouwen-hert te wachten;
+Of 't was een mancke min, en 't kon, in allen schijn,
+Noch in den Hemel Trouw, noch voor de menschen zijn.
+Want wien waer 't mogelick een' spijtig' gast t' onthaelen,
+En wat schoon en wat rijck kon d'ongenucht betaelen,
+Van een gedwongen hert, van een verkracht gemoed?
+En wie dê geerne dat sijn weêrgaê noode doet?
+Wegh, Ouders wreet geweld, wegh, Hel van felle vrinden:
+Is 't Jae-woord aen de Pley[162], en anders niet, te vinden,
+Soo segh ick: heyligh Neen; de Schael moet even staen
+Door eigen weder-wight, of 't Hylick is verraên.
+Mijn hert is uyt geseght: ick pass' op geen verwijten:
+De steen is uyt de hand; sy mogender in bijten,
+Dien 't lust te spertelen; als 't bijten over is,
+Soo sal de waerheit noch een redelick gewiss'[163]
+Doen stemmen met mijn stemm', en seggen: «Dat 's gesproken,
+En dat 's een Batavier, die, door waerschijn gebroken,
+Te voorschijn heeft gebracht het moeyelick blancket,
+Dat nemmer goed en doet, en veeltijds 't goed belet».
+
+Wat heb ick tijds gespilt, wat had ghy tijds te spillen,
+Die dit gewichtigh stuck ten uytersten moght willen
+Voltoyen naer de Kunst! maer 't is soo verr' voltoyt,
+Dat die 't begrijpen wil, begrijpt het nu of noyt;
+Die 't niet en wil, verdient geen meerder onderrechten:
+My lust den stegen[164] niet onendigh te berechten;
+Elck sijn gevoelen vry, het mijn is uyt gepleit:
+Wel hem die beter weet, ick gun hem sijn bescheid.
+Men moght my 't langh geteem met billickheid verwijten,
+Als wild' ick vrienden hier haer' schoenen doen verslijten,
+Haer' Ooren en haer' Tongh: terwijl my 't spreeckwoord raeckt,
+Dat nemmer eigen grond den meester moede maeckt.
+
+Maer, Vrienden, lacht van hoop; 't moêmaken gaet ten ende;
+En schrickt niet, of ick 't weêr Zuyd en Zuyd-Oost aen wende,
+En weêr naer 't lange Plein, daer ick u staende hiel,
+En met meer woorden als goê reden overviel:
+'k Neemp 't voor een Schaeckberd nu; daer't ons niet lang geleden
+Der Koninginnen gangh gelust heeft te betreden,
+In voor en achterwaerts, in zydelingh verstel;
+Daer volght' er noch een op: den toenaem weet ick wel,
+Maer noem hem binnens monts: het is de gangh der Gecken[165].
+Staet in de Boomgaert-poort: ten Oosten staet een hecken,
+Ten Zuyden staet' er een: twee tweelingen in 't kort,
+Daer door den Geckengangh, naer toe getreden wordt.
+Kiest recht' of slincker hand, ghy raeckt het Plein te boven;
+En daer mê voer ick u in Hofwijcks schoonste hoven.
+
+'t Oost-Eiland is' er een, 't West-Eiland is sijn paer[166].
+Die nu De Groot, of Cats, Heins, of Barlaeus waer,
+Die nu een' oude Pen, by een' van al versleten,
+In dit groen machtigh waer, en louw en koel geseten,
+Moght seggen wat hy docht, en singen wat hy siet!
+Al wat ick heb geseght, waer weinigh meer als niet.
+
+'k Heb menigh uer verpraet: hier hoefden ick meer weken,
+Meer maenden te verdoen, meer jaeren uyt te prêken,
+Dan ueren allerweegh, om schielick door de pijn,
+De pijn van overvloed, de stameringh, te zijn:
+Let op den overvloed; verdraeght mijn' stameringen,
+Al voegense noyt min als midden in het singen;
+Mijn' onmacht sal 't gewicht der dingen doen verstaen,
+Als, daer een Mensch de Son derft maelen, of de Maen.
+
+Stae by, Castagnen-boom, staet by, breê Noten-bladen,
+Staet by, bloedt-droppeltjens op Qualsteren geladen
+Van d'een in d'ander' schaeuw verdwael ick in de keur;
+Elck troetelt mijn vermaeck met schoon om schooner geur:
+Maer ghy zijt Schaduwen, en meer niet, van de Planten
+Mijn' echte kinderen, mijn' spruyten, mijn geslacht,
+Mijn' afkomst, door mijn' sorgh ter aerden uytgebracht;
+Mijn' eigen Mannetjens, mijn' Leen-luy, en mijn' erven,
+Die al dat Boomen kont, kost ghy, als Boomen sterven,
+Maer 't sterven niet en kent: u stell' ick voor, in spijt
+Van 't eten van de Locht, van 't slicken van den tijd.
+'k Heb trotsche Tempelen sien proncken in den duyster
+Van helderlick geboomt, en 't streckte tot haer luyster,
+Gesien en ongesien te duycken in dat koel,
+En, soo veel 't buytenst kan op 't binnenste gevoel,
+Die naere schaduwen zijn 't machtigh om te roeren,
+En 't hert beweeght' er af: Spreeckt Stede-liên, spreeckt, Boeren,
+Spreeckt, vriend en vreemdelingh, die langhs den Polder-dijck
+Des Somers in het stoff, des Winters in het slijck,
+Voor Hofwijck werdt gestut; wat seggen uw' gedachten,
+Wanneer ghy Hofwijck siet twee donker-groene nachten,
+Twee nachten van geboomt bevleugelen met pracht,
+Als warens' uyt het wildst van Pruyssen her gebracht,
+En door de locht gevoert, gelijck de liên te Roomen
+Van 't ongeloofelick Loretto derven droomen
+(Hoe wert de Menschlickheit van d' een' in d' ander' mist,
+Alss' eens het heiligh spoor van 's Hemels waerheid mist!)
+Daer 't kostelick gebouw geen' minder Metselaren
+Dan Engelen vermeldt, die over berg en baren
+In éénen nacht met Kerck en Autaer zijn gezeilt:
+Hoe pijnt ghy neck en hals naer d'ongemeene steilt'
+Van weêrzijds Masten-bosch, hoe tergen sy uw' sinnen,
+Om eens die wonderen van onderen, van binnen
+Te mogen oversien! hoe quelt u 't Vlieder-diep!
+Hoe wenscht ghy dat het droogh door Booner-sluysen liep,
+En ebde tot den grond! roept schepen aen en schuyten;
+Daer staen twee heckens voor; maer vromen uyt te sluyten,
+Is niet van haer bevel: de sloten zijn van stroo
+Voor d'openhertige; van yser, voer de snoô.
+
+Treedt in de Wilderniss' ten Oosten of ten Westen;
+Den ingangh is gegunt, de wandelingh ten besten,
+En s' is uw' moeyte waerd: en, als ick 't seggen derf,
+Ghy sult met naberouw vertrecken van de werf,
+En seggen flus te Delft, of seggen flus te Leiden,
+Ghy hebt schoor-voetende van Hofwijck moeten scheiden;
+Daer, dat ghy noyt en saeght in 't lieffelickst gewest,
+Mast-boomen van der jeughd met Roosen zijn gemest.
+Met Roosen, let er op; sy staend' er noch en gloeyen,
+En, als sy, moê gepronckt, op 't einde van haer bloeyen
+Haer' hoofden droeffelick onthullen van 't gewaed,
+Hoort, Haeghsche Joffertjens, dat boven 't uwe gaet,
+Dan stroyen sy den vloer met haer' bevallickheden,
+Als of' er Bruydegom en Bruyd most overtreden:
+Dan komt het Hemelsch nat, dat door de Masten druypt,
+En opent scheur by scheur, daer blad voor blad in kruypt;
+En van dat soet bederf, en van dat schoon verrotten
+Versaedt sich Mast by Mast, en voert het in sijn botten.
+Gaet henen nu, en soeckt, of ergens wey of woud
+Met edeler gewasch begraest werdt of bebouwt.
+
+Wie derft van Ypen-hout naer sulcken puyck-goed spreken?
+Het moet' er uyt nochtans; daer magh' es geen gebreken:
+En, is de Schildery voltrocken, laet de Lijst,
+Daer menigh onverstand de Schildery om prijst,
+Haer' beurte zijn vergunt: Tot u dan, Ypen-boomen!
+Door lange droomen heen, tot u ben ick gekomen,
+Scheid-palen van mijn' grond, belenders van mijn' Erf,
+En, als ghy spreken kost, Lijf-wachten van mijn' werf:
+Ghy staet niet daer ghy staet om 't eenige vermaken:
+Om Eer, om Nut, om Lust, die dry beroemde saken
+Daer al ons doen op loopt, staet ghy in 't voor-gelit,
+Op 't uyterste gescheid van 't Hofwijcker besit.
+Schoon voor-doen heeft sijn' kracht, als alle Koop-luy weten,
+En dickmael is het Huys by 't Voor-huys af te meten:
+De self-kant van 't Fluweel belooft wat van de Stoff'
+En by de Heiningen voor-oordeelt men den Hof;
+Soo kan uw' heerlijckheid, soo moet sy wat beloven;
+En die daer Hofwijck prijst heeft u vooral te loven,
+En die van Nootdorp af, en mogelick van Delf,
+Hofwijcker Hof ontdeckt, moet seggen by sijn self:
+Daer schuylt wat achter 't schoon van die verheven kruynen,
+Dat prijsenswaerdigh is; soo seker als de Duynen
+Betekenen de Zee ten einde van haer sand.
+
+Daer med' is d'Eer voldaen: wat Nuttigheit mijn strand,
+Mijn soeten oever treckt van uw' getrouwe wortel,
+Dat weet de Schipper best, die 't stadige gebortel
+Van d' omgeroerde Vliet, in 't zeilen door haer nat,
+Afgrijselick verweckt en op mijn Kuste spat.
+Wat soud' er tegen staen, stondt ghy d' er niet soo tegen,
+Als of ghy nacht en dagh mijn' Vyand met den degen
+Van mijn' Lands-paelen dreeft, als of ghy dagh en nacht
+Mijn' Helbaerdieren waert, en pasten op de wacht,
+Van Hofwijck en sijn' rust; en hielpt my niet verliesen,
+Dat Plaetingen alleen, en Bitterlingh en Biesen
+Vergeefs verdedighden, 't en waer uw' stevigheid
+De golven overwon en all' haer' hevigheid?
+
+Maer Lust, de derde dienst, die van u werdt genoten,
+Gaet boven d' eerste twee: ick sie u soo geschoten,
+Soo weelderigh gespreidt, soo deun en dicht gewert,
+Dat ick veil[168] onder u den felsten Middagh tert.
+Waer zijt ghy, werelds oogh, dat allom door wilt booren?
+Blaeckt over wegh en wey; hier is uw' kracht verloren:
+Hier laech ick met het sweet, dat van den Maeyer loopt,
+Hier heb ick over my een Ypen-zeil geknoopt,
+Een dack van bladeren, die voor de volle Manen,
+En voor de volle Son, jae, voor des Hemels tranen
+Mijn hoofd verdedigen: hier vlied ick louw en koel,
+Hier lijd ick sonder leed haer grouwelickst gewoel:
+Hier voel ick het vermaeck van naestgelegen lijden,
+By naestgelegen vreughd: hier smack ick het verblijden,
+Dat menschen wedervaert, die by de quellingh zijn,
+En voelen geen verdriet, en weten van geen' pijn.
+
+Hier deel ick in die vreughd met mijn' bemindste panden,
+Mijn lieve Vyvelinghs[169] thien voeten en thien handen:
+Hier is heel Scheveningh verschenen t' mijner baet,
+En heeft mijn savel-kley met schelpen-gruys gestraet:
+Hier gaet de Bol in swangh, hier moet de Kegel beven,
+En sneven, en weer staen: hier keurt men 't soetste leven
+Gespeckt met stracken ernst, en met onnoosel jock.
+
+Verr' zy van ons het spel, daer gunst-verlies en wrock
+By Geld-verlies op volght: verr' zij van mijn' gedachten,
+Door vrienden onvermaeck naer mijn vermaeck te trachten,
+'k Verdoem den Teerlingh[170] niet, 'k en hebb' niet op[168] de Caert,
+Dan dat ick houw de tijd kan beter zijn gespaert,
+Als soo te lore gaen: en middelmatigh nutten
+Verschoont de leegheit self, en kan mijn' opspraeck schutten[171].
+Maer daer verlies en winst van munte, geel of wit[172],
+In schijn van vriendlickheit der spelers hert besit,
+Daer 't ooghmerck, krijgen, is, werdt spel een slagh van krijgen.
+En die den slagh verliest, voor 't uyterst magh hy swijgen;
+Maer 't is een mensch die swijght, en, ken ick menschen-aerd,
+Daer is geen hert soo koel, geen' galle soo bedaert,
+Of af-breuck in de Bors maeckt spijtighe gedachten,
+Die 't meesterlick geweld[173] van Reden moet verkrachten,
+(En 't is der wijsen self haer uyterste gepoogh)
+Of 't spijt wil uyt den mond, ten minsten uyt het oogh.
+
+Wat light my aen dat leed, wat lust my, lieve vrienden,
+Die flus mijn' tafel, flus mijn' wandelingh beminden,
+Still'-swijgende te sien vervloecken mijn onthael?
+Of, lacht de kans haer toe, wat lust my 't gasten-mael
+Met niewe rekeningh van kosten te beswaren,
+En werden tweemael Waerd, en moeten my bedaren
+Als of ick geerne schonck het ghen' ick noode miss',
+En maskeren mijn leed met vrolicke vernis?
+Ick haet mijns Vyands geld, of 't kan my niet verblijden:
+En, hael ick 't van mijn' Vriend, 't gevoelen van sijn lijden
+Maeckt dat ick mede lij, en wenschten hem sijn' schaê
+Met mijn verlies geboet, eer dat hy van my gae.
+
+Soo laet spel spelen zijn; en oeffeningh van reden
+met vrolickheit beleidt, en sonder achter-smaeck[174]
+Die vriendlickheit vergall' en spel tot spellen maeck'.
+Dit ambacht gaet hier om, en 't gaet' er om met lusten:
+En dien 't niet langer lust veraessemt sich met rusten,
+En staet als kijcker by, of neemt de recht-banck waer,
+En oordeelt sittende van 't naeste spelend paer:
+En soo de Kegel valt, die Koningh is van achten,
+Soo vlieght' er wel een droom door spelende gedachten,
+Van Koningen ontdaen in 't midden van haer volck,
+Dat over einde staet, terwijl de swartste wolck
+Die oyt de Sonn' besloegh, wolck boven alle wonder,
+Dry Kroonen zeffens velt met ongehoorden donder.
+
+En soo wordt bollen ernst, en Kegels-Parlament;
+En van dat onderhout en raeckt men niet ten end,
+Voor dat de keers uyt gae, de groote keers der wereld,
+En dat de Somer-dauw de Kruytjens over-peerelt,
+En dat den Hagenaer naer Koets en Schuyten vraeght,
+Om veiligh t'huys te zijn, eer dat de dagh ontdaeght.
+Dan berst het oude lied van «Scheiden, bitter scheiden»
+Uyt d'een of d'ander keel, en klinckt door wegh en weiden;
+En 't andere: «Wat sal men op den avond doen?»
+En 't slot is: «veel danckhebs», versegelt met een' soen.
+
+Daer staen ick, Kluysenaer, ick Stelle-man[176], verlaten;
+Maer Vry-heer van mijn' tijd en van mijn doen en laeten,
+En smaeck den niewen lust van stilt' en eenigheit,
+Gelijck die, uyt der Zee en haer verbolgentheit
+Moê Zeemanschap gepleeght, moê wendens, en moê keerens,
+Moê tobbens, moê gekaetst, moê loevens, moê laveerens,
+Het oppertje bezeilt, en buyten weer en wind
+Sijn schielicke vermaeck in 't slechte[177] water vindt.
+
+Betreckt my d'avont-uer, en kan ick my niet pijnen,
+Om onder dack te gaen vóór dat de Sterren schijnen,
+En all' de wonderen van 't heerlicke gesicht',
+Als d'ander' Keers verschijnt op 't ondergaende Licht,
+De tijd verveelt my min dan al de dagh der dagen,
+En 't spijt my, dat de klock van Voorburgh heeft geslagen
+Twee slagen meer als Acht, soo veel wercks valt my toe.
+
+Wie oyt op Hofwijck was, en vraeg' niet wat ick doe:
+Ick ben te landewaert, en 't kan my niet verdrieten,
+Maer oock te waterwaert, en aen de Vliet der Vlieten,
+De levendste Rivier, de doorgeploeghtste Vaert
+Van all' die Holland kent en binnen 's Lands bevaert.
+'k Geef 't voor de waerheit uyt, al heeft het schijn van liegen
+(De tuygen zijn te veel, al socht ick te bedriegen):
+Twee hondert kielen zijn voor Hofwijck heen getelt,
+Die dagelicks door Zeil, of Mensch, of Peerds geweld
+Voor Hofwijck henen gaen. Nu tert ick Rhijn en Maze,
+En Dort en Loevestein; nu lijd ick, dat men blase
+Van Sparen en van Y, jae, van de Noorder Zond,
+Daer niemand meer gevaers en wedervarens[178] vond,
+Als in mijn' volle Vliet; die niet en is te naken,
+Men siet' er Schip of Schuyt d'een d'andere genaken,
+Men siet' er Lijn door Lijn geweven, Peerd aen Peerd,
+Zeil achter Zeil gereckt, Roer tegens Roer gekeert;
+Men hoort' er van: «houw vol, houw binnen, en houw buyten»,
+Men hoort den Jager-boef[179] sijn ongemack verfluyten,
+Of koelen met een lied de bleinen[180] die hy rijdt,
+Niet nu eens, en eens flus, maer stadigh en altijd,
+By donker en by daegh. Hier hoef ick niet te vraegen,
+Wat ty is 't van den dagh? de Beurt-schuyt kan 't gewagen:
+En die ten sevenen ten Haegh uyt werdt gebelt,
+Die weet ick, dat met my de klock van achten telt;
+Die vijf te Leyden hoort, telt recht voor Hofwijck seven;
+Dat 's 't uerwerck van de Plaets, dat, sonder veêr gedreven,
+En sonder weêr-wicht gaet, en daerom noyt en wraeckt,
+En daerom vaster gaet dan all' die m'elders maeckt,
+En windt sich selven op, en drijft sijn' eigen' raden.
+
+Hier treed ick 't soetste pad van all' mijn'soetste paden:
+Hier treed ick wederzijds op 't kantjen van een' plas,
+Die d' een den anderen verpocchen[181] met haer glas.
+Ten Noorden is 't mijn diep, ten Zuyden is mijn Schuyt-nat,
+Daer ick dan d'eenen Boer, dan d'and'ren Schipper uyt vat,
+En vrage: «waer wilt 't heen, Goê mannen, waer van daen?
+Hoe gaet ghy soo ondiep, hoe zijt ghy soo gelaên?»--
+«Maer, Heerschop!» seghter een, wy hebben 't ruym vol plancke!»
+En geeft het goed wat winst? «Wy hebbe God te dancke,
+We laden 't te Sardam en komme langhs de Meer[182],
+Deur d' ouwe Weteringh, en soo den Rhijn om neêr,
+En soo deur Leidsendam, om tot Schiedam te lossen:
+Daer krijge we licht vracht van Varckens of van Ossen,
+Of wat de Koopman wil; want, kijck, 't is' en moy Schip,
+En 't voert wel licht en swaer; en krijge we dan slip,
+En moete leêgh naer huys, dat moete we verdrege:
+Schâ-baet, daer valt te met een kangsjen onder wege,
+Daer 't treck-gelt op magh staen; aêrs moetew' in de lijn,
+En halen 't met den hals; maer dat 's en korte pijn:
+Aen geun sy van den Dam en vinde we gien breggens[183]
+Dan mach' er 't Zeiltje by». Hier op volght veel meer seggens,
+Naer 't volckje sprakelick, en lichter aen de praet
+Als af te helpen is. Maer 't Schip, dat niet en staet,
+Ontvoert my 't letste woord, of, liever, letste woorden,
+Daer ick den sin af giss' al stond ick s' aen en hoorden[184]:
+«Klaes!» roept hy tot sijn knecht, die op 't voor-onder staet:
+Hoe lust het Steedse volck een praetje by de straet,
+Daer 't luys leêghs[185] staet en kijckt in 't midde van sijn' lussjes!
+Hoe kooselde[186] die Vent, hoe stil en hoe gerusjes;
+Hoe taeld' hy na bescheid van den bekenden wegh;
+'k Nam't voor' en Hagenaer; en by men Ziel, ick segh,
+Dat Haeghje weeter of[187]: men[188] speult' er vreemde streke
+Se raken an groot goet te met in minder weke
+Dan wy der jaren an verslooven, nat en kout:
+Dan wetense gien raet met koffertjes vol gout,
+Dan gaet' et goet soo 't quam, dan tijense na buyte;
+En 't Roosenobeltje moet springe voor de kluyte,
+Voor Weuningh en voor Wey, voor Kroft en Klaver-kley;
+Gien goet en valt te dier, het macher of, wich hey!
+En dan 't Treweel[189] in 't werck, en dan, beget, Casteele
+As Toorens, elck om 't moyst. Y gut Klaes, hiet dat deele!
+Heît ongse lieven Heer ongs allegaêr 'emaeckt
+Uyt iene slagh van Kley, en worde wy ewraeckt,
+En erve wy in 't goet as Basterde? Wat Duyvel,
+'k Wouw, dat men aessem mê iens gaen mocht over 't suyvel,
+'k Mien, dat icker men spul sou speulen as en helt:
+Ick sie wel, dieder maer sen lijf wat naer en stelt,
+Eer j' omsiet benje rijck; 'en kusse mit en wape
+Maeckt alle kunsten goed; daer meugj' op sitte schrape,
+Tot datje Troortje[190] barst en wordt en Ys're kist
+Met seuve grendele, en wordje na gevist,
+Die 't laecke, doen 't soo wel, as die je 't stick verwijte;
+Soo wordt 'er niet eklapt. Klaes! moetet me niet spijte,
+Dat ongse bestemoêr, doe 'k Vaêr en Moêr verloor,
+Soo lijdige[191] versuft' en dwaelde van het spoor,
+En hielmen uyt' et School: Gut, had ick leere schrijve
+En lesen, as dat volck, wat wouw ick niet bedrijve!
+'k Had langh een mantel an, een Tabbert, of suck goet,
+Voor een bepeeckte broeck, die 'ck nou verslijten moet;
+Een handje vol Latijn, heb ick me late segge,
+Daer komt het miest op an, en dat 's goet op te legge,
+We hebbe mê verstanght, we bennen al ien slagh,
+En dat 's wel haest eklaert, die maer wat suffe[192] magh».--
+
+Meer had hy op de tongh, meer meenden hy te spreken;
+Maer 't Schip was voor den Dam, daer most hy 't laeten steken;
+En 't zeil most over end. Wie wenschte niet, de vracht
+Van sulcken Schip te zijn? nu heb ick 't maer gedacht.
+En, als ick 't overslae, de Boeren weten wonder:
+Maer weten min dan al: de waerheit loopt' er onder;
+Maer meer waerschijnlickheits. O, Schippertje, goed knecht!
+Waert ghy tot in den grond van alles onderrecht,
+Saeght ghy tot in de Milt van die ghy wilt benijden;
+Verstond ghy neffens my 't gepeperde verblijden,
+Het gallige vermaeck van die daer staet en siet,
+En hoort u sorgeloos staen fluyten langhs de Vliet,
+En wist ghy hoe dat hert, in 't midden van sijn' Roosen,
+Sijn' kommeren veeltijds niet weet waer langhs te loosen;
+En wist ghy, hoe hem 't haer te berge komt te staen,
+Die wel op Hofwijck is, en naer den Haegh moet gaen,
+Den Haegh, die doornen Haegh, daer Eer en Deughd en Reden
+Veel tijden wert betaelt met vuyl' ondanckbaerheden;
+Daer weldoen werdt beloont met laster of geweld;
+Daer 't uyterste gepoogh der Vromen werd gestelt
+Den boosen tot een' schimp; daer 't niet en is te passen,
+Men siet sich langhs of dwers door spijt of nijt bebassen[193]:
+Daer selfs de Vrede-min misduydt werdt voor misdaed;
+Ick meen, ghy sondt sijn lot verfoeyen voor uw' staet,
+En kruypen in' uw luyck, en leeren beter wenschen,
+En oordeelen 't geluck van uws gelijcke menschen
+Benijdelicker veel dan dat te Stêwaert blinckt,
+En achter de gordijn van aensien hinckt of stinckt.
+
+Is 't Schippertje voorby, de Visscher uyt de Veenen.
+De Meisjens uyt de Wey, met koele bloote beenen,
+Met Emmertjens vol Melck, en vol gerustigheit,
+Versterken[194] wat ick peins, en wat ick heb geseît.
+
+En, scheid ick uyt den praet, en, treed' ick uyt mijn' hecken,
+En, lust my achter 't groen der hagen, die my decken,
+De vrye vonnissen te hooren van mijn werck,
+Als laegh ick verr' van daer begraven in een' Kerck;
+Daer gaet het speeltjen aen, daer hoor ick soet en bitter,
+En al wat yeder denckt van huys en van besitter;
+Daer hoor ick vogelen van allerhanden beck,
+My roemen voor een Man, en doemen voor een' geck.
+De Veerschuyt voert van als[195]: daer sittend' er vol reden,
+Daer sittend' er vol spijt, die mijne sinlickheden
+Of prijsen uyt haer gunst of laken uyt haer' gall'.
+
+Daer seggend' er: «'t is wel: Het Geld is niet-met-al,
+'t Gebruyck is 't altemael; de Man die Hofwijck stichten
+Heeft wijsselick gedaen; hy most sijn hert verlichten
+Van lange slaverny; hy heeft' er voor geploeght,
+En, als hy ploegende sijn' Vorsten had vernoeght,
+En 't Vaderland voldaen, en niemant uyt gesopen,
+En niemands voordeelen met listen onderkropen;
+Den vromen voorgestaen, beschoncken en gevoedt,
+Den boosen 't hoofd geboôn, een Christelick gemoed
+In 't Christeloos gewoel van Haegh en Hof behouden;
+Wat lighter yemant aen, of hy een Hofjen boûden,
+En besighden een deel van onbesproken winst
+Tot onverboden vreughd, om nu en dan voor 't minst
+Een haventjen vertrecks uyt Hoofs gewoel en winden,
+Voor heul en adem-tocht van ziel en lijf «te vinden,
+En smaken 't onderscheit van ruymt' en van gedrangh?
+Verquisten is geen' eer; maer altoos deun en bangh
+Sijn self te pijnigen, om kinderen en erven
+Te laeten, wat sy wel en weeld'righ konnen derven,
+En prees noyt wijse man: Wel hèm, die wel vergaert
+En maetelick verspilt 't gen' hy wel heeft gespaert.
+De Man op Hofwijck heeft, in 't sorgen voor sijn selven,
+Sijn' kinderen bevrijdt van spitten en van delven,
+En van wat overschots sijn keurlickheid geboet[196],
+De rest is voor de rest, die 't hebben sal en moet.
+Maer beter' Tonnen schats heeft hy se leeren vullen
+Dan die haer mogelick ten deele vallen sullen,
+Vol smeltelick Metael, vol schijven, die het Vier,
+Het Water, en de Tijd kan brengen tot papier,
+Tot slenteren, tot niet. Hy laetse selfs vol schatten,
+Daer Water, Vyer, of Tijd niet aen en heeft te vatten,
+Van Deughd en Wetenschap, en al dat Mannen maeckt,
+En al dat, eens vergaêrt, sijn' Meester noyt versaeckt.
+God, die hem segende met kinderen die weten,
+En weten, mogelick, waer mede dack en eten,
+Het Vaderland ten dienst, te mogen waerdigh zijn,
+Beveelt hy haer beleid, naer dat hy door de pijn,
+Die 't lichaem draegen moet om van de Ziel te scheiden,
+Ter eewigheit sal gaen!»--Die man gingh breeder weiden,
+Maer 't Schuytje was verby, de Schipper riep: «stap wegh»,
+En 't peerd ontvoerde my 't besluyt van sijn gesegh,
+
+De Delfsche Veerman volght (dat gaet voor Hofwijck seker)
+Stracks op den Hagenaer; en weêr een nieuwe spreker,
+Een niewe kakelaer, gelijck het wesen wil,
+Dat een de vracht verbeent[197], daer vijftigh and're stil
+Den mondighsten ontsien, en 't hooge woort vergunnen.
+Die klapper tast my aen. (Van dusend een zijn't funnen[198],
+Van schaemte noyt geroert, van reden onversien,
+Van Eer en Liefde meer) Ten eersten is 't: «Laet sien!
+Wel hey, wat 's hier weer niews? sal 't noyt geen einde wesen,
+Al weêr een niew Kasteel in éénen nacht geresen!
+'k Schick[199] endelick de vliet sal worden tot een' straet;
+Den Haegh sal metter tijd niet weten waer hy staet,
+Te Voorburgh of aen Duyn! siet die verweende gecken,
+Sy walgen van de Stadt; den Haegh en kan niet strecken[200],
+De straeten zijn te nauw, de wandelingh te kort;
+De Koets moet ruymer gaen: Wat Duyvel of haer schort?
+Is 't niet genoegh, Voorhout en Vyverbergh te schenden?
+Is 't niet genoegh, den Haegh t' ontstraten aller enden?
+Moet Voorburgh mê in 't spel? 'k magh heugen, dat die Wey
+Vol klare Klaver stond, vol vette beesten ley;
+Nu is 't een Hof, quansuys, een Hofwijck: wel, waerachtigh,
+Wy moeten in den grond, het volckje wordt te prachtigh!
+Sy schraepen 't goed by een, slincks of rechts, 't scheelt haer niet,
+En vallen dan aen 't werck van pijpjens in het riet.
+Bedenckt eens wat' er gelds aen sulcke raserny gaet,
+En of men op het end met eens betaelen vry gaet:
+Die Kloot en light niet stil: die dusenden verboût,
+En magh geen' honderden ontsien voor 't onderhout;
+Die hooge thuynen derft uyt leege[201] gronden haelen,
+Moet alle jaer sijn werck weêr en weêrom betaelen;
+Die Vent en houd ick met geen hondert Kroonen vry:
+Soo moet daer alles staen in 't lood en op de ry,
+Soo puntigh is m', als kacks[202]: men waer schier ongeboren
+Veel liever, dan een haegh te lijden ongeschoren;
+Of 't God belieft of niet, de paden moeten bruyn
+En kaeler zijn van gras als 't hooghste van een' duyn;
+De Schoffel heeft geen' rust, daer is een eewigh leven
+Van wiejen, dat men berst; de Thuynman magh wel beven,
+Soo 't onkruyd meester werdt door weelde van nat weêr,
+Door overval van werck, en door versuym noch meer.
+De Joffers in den Haegh, met all' haer' malle krullen,
+En hebben niet meer spels; men soud' er dry vier hullen,
+Al noemden ick' er meer, 'k wouw, dat ick 't had gewedt,
+Eer hier één Boogaerd-pad geklouwt is en geredt:
+En, om Gods lijdsaemheit met alle kracht te tergen,
+Als of' er werck gebrack, van vlackte maeckt men bergen,
+'t Land word tot Vyvertjens versnippert en gekerft,
+En 't is de braefste man, die 't konstelickst bederft:
+'t Huys moet in 't water staen, en Slots-gewijs staen proncken,
+Gelijck een' steenen flesch in 't koel-vat werdt gesoncken:
+Het riet-dack was wel eer de Weuninghs besten hoet;
+Doe mosten 't pannen zijn: dat 's nu de kleine voet;
+Het Leitje moet' er op, dat staet beknopt en abel,
+Waerom? de Land-heer deckt sijn luysen met een' Sabel[203],
+'t Huys komt niet minder toe; 't magh kosten wat het kan,
+Het decksel naer den pot, de kleêren naer den man.
+En, als ghy binnen gaet, wat meent ghy daer te vinden?
+Een opper-Kamertjen tot onderhout van vrinden,
+Als in den gulden tijd van 't Hollands slecht en recht?
+Neen seker, Kameren, op 't cierlickst afgerecht,
+Als stondt ghy binnen Delft: gemarmerde Saletten,
+En van dien niewen snoff; hoe noemt men 't? Camenetten[204],
+Pronck-cellen voor een' Prins, met borden en met leêr
+Op 't Haegelickst versien; (ja wel toch, lieven Heer!
+Waer wil dit heen in 't end!) en seght mend' er wat tegen,
+'t Heet maer een Weuninckje, een huysjen uyt den regen:
+'k Wouw, dat hy met sijn' poort[205] in sneew en hagel sat,
+Die Land-heer heeten wil, en woonen als in Stadt!
+'k Wouw dat hy»--«Weêr-aen», riep de Schipper, is dat rijen?
+Stap wegh, jou lompen uyl!' Soo raeckt' ick uyt het lijen;
+Ja, lijen ick bekent 't; want waerheit, al te fel
+Gepepert en gesult, gaet door en door het vel.
+
+Onkennis niettemin maeckt onmin by de menschen,
+En, menig' droeve reis, heb ick my voelen wenschen,
+Mijn achterklapper waer mijn ronde Kamer-vriend,
+En met mijn onderhout, als ick met sijn, gedient:
+Daer soude men sijn waer noch sijn' waerachtigheden
+Niet overweldigen[206]: maer onderlinge reden
+Doen gelden wat sy kost, en vriendelick bericht
+Doorpluysen op een aes van 't fijnste goudgewicht;
+En d'een den anderen soo veel bescheits bewijsen,
+Dat laken lichtelick verkeeren sou in prijsen;
+Of, kond't geen prijsen zijn, ten minsten tot gedoogh
+Van hier een balck en daer een' splinter in ons oogh,
+
+En soo begrepen wy, of trachtten te begrijpen,
+Hoe traegh voorsichtigheit moet vallen aen het slijpen
+Van nagel of van tand, om in 't gesicht te slaen
+Van die met ons voor God ten oordeel sullen gaen;
+God, die sich 't oordeel heeft en 't wraeckrecht voorbehouden,
+Als messen, die Hy ons, Sijn' kind'ren, niet vertrouwden,
+Sijn' blinde kinderen, dien geen geweer en past,
+Soo langt wy menschen zijn en dolen by den tast.
+Dit heb ick half geleert, en tracht het heel te leeren,
+En, was ick buyten 't spoor, ten halven om te keeren:
+Herstelt my op de baen van Dijn' gerechtigheit,
+Die my het oordeel van mijn' Broeder hebt ontseît!
+
+Met sulcke leeringen bevracht ick mijn gedachten,
+En keur niet, of' er my quaedwillige toe brachten,
+Of redelicke liên; ick let niet op den man,
+Mits dat ick uyt sijn roet wat honighs trecken kan.
+
+Nu is de dagh ten eind', nu seggen Maen en Sterren,
+'t Is tijd, u herssenen in 't bedd te gaen ontwerren.
+Ick weet het, en ick voel 't: noch gaet het langzaam toe;
+Want wy zijn kinderen, en hoeven schier een' roê,
+Die ons te bedde jaegh': ick wil 't van my bekennen,
+Het zij een' goede drift, het zij een quaed gewennen,
+Het slaepen houd ick voor geen menschelick vermaeck:
+En, als ick kiesen moght, ick wenschte my noch vaeck,
+Noch slaepen opgeleght. Foey, dagelicksche sterven!
+Foey, platte peluw-dood! foey, quistigh tijd-verderven!
+Die u ontbeeren moght, wat waer sijn leven langh!
+Hoe leefden hy in 't ruym, in stede van 't gedrangh
+Der ueren, die den dagh versnipperen tot leuren,
+En, als den avont valt, de Menschen van haer scheuren,
+En werpen se voor dood, als krengen, op het stroo.
+Maer emmers die het kost niet schicken, schickten 't soo.
+Te bedd'! 't is Gods bevel; men magh niet stadigh leven;
+Daer hoort wat stervens toe: de bladeren die beven,
+En houden aen den draed van een' verdorden steel,
+Gaen met den voet in 't graf; het groene gras wordt geel;
+Dat 's even of ick sey: «de dood is op de lippen:
+De Wereld sterft eens 's jaers; staet s'in den Herfst op 't glippen,
+Des Winters is sy dood, te weten, diep in slaep,
+Tot dat se 't Voorjaer weck', soo dat se geew' en gaep',
+En in den Somer kom' volkomentlick aen 't waecken.
+De kleine Wereld, Mensch, dien God eens wilde maecken,
+Hermaeckt Hy dagelicks, en, sonder dat respijt,
+Wy waeren 's levens kracht in weinigh' dagen quijt.
+Die kracht hanght aen die dood: wel hèm, die 't kan bezeffen,
+En stelt sijn' rekeningh soo met den Hemel effen
+In 't dagelicks versterf, als waer 't sijn leste kouw,
+Daer uyt hem de basuyn des Richters wecken souw.
+
+In spijt dan van mijn self en van de spijtigheden,
+Die 'ck van den snapper in de Veer-schuyt heb geleden,
+'k Gae sterven voor een' reis, en scheide van mijn' kust,
+En gae my op mijn Slot begraven in mijn' rust:
+Of, is 't een toon te hoogh, mijn Slotjen magh ick 't heeten;
+En, vrienden van verstand, u derv' ick 't laeten weten:
+'t Is Hofwijcker Kasteel daer ick te roest in gae.
+Een' Kluys is oock een huys, en houdt voor wedergaê
+Der Princen hooge Burght, der Steden stercke mueren:
+'t Kasteel en 't Verkens-kot zijn evenwel gebueren;
+De Hut staet by de Tent, en elck en streckt niet meer
+Als voor een veiligh dack van klein of grooter Heer.
+Noch keer ick tot den roem, en poche met de beste;
+Houdt my des' ydelheit ten goede; 't is de leste:
+En, die ghy uw geduld den om-loop hebt vergunt,
+Verdraeght noch voor besluyt een woord van 't middel-punt.
+
+Ten hoofde van 't groot Plein, het Bosch van Sycomoren,
+Daer Masten overhands door en door henen booren,
+Rijst een gemuerde Dijck (een' Brugg' en segg ick niet,
+Dat 's de gemeene slagh, die m'allom elders siet),
+Een' ondermuerde wal, een' wal beset met Roosen,
+Die m' uyt de Veerschuyt siet staen flonkeren en bloosen,
+Een lijdelicke Trapp', dien ick te leene houw
+Van u, Venetiën, de schoone; van 't gebouw,
+Het wonderlick gebouw, dat ghy Rialto doopten,
+Doe ghy d'er d'eene Stadt aen d'andere mê knoopten,
+En liet d'onkundige wantrouwen van den boogh,
+Die sulcken wijdde sou beslaen met éénen toogh:
+'t En was my niet ontgaen in twaelf en achtien jaren[207],
+Hoe hy my, overgaen, hoe hy my, ondervaren,
+In d'onervarentheit van jongen voet en oogh,
+Door 't steile vlack en door het vlacke steil bedroogh.
+
+Hier hebb' ick 't na gebootst: twee flauwe steenen treden,
+En twee, en noch eens twee, zijn ses gelijcke leden
+Van 't Hofwijcksche Rialt'. Treedt op de leste twee:
+Ghy zijt niet meer vermoeyt als op den eersten treê:
+Ghy wandelt en ghy klimt; ghy laeft met lange poosen,
+Als Gal met Honighraed, en Distelen met Roosen,
+De dry mael korte moeyt, die ses mael achter een
+De minst swaerlijvige souw voelen in sijn' leên:
+Ghy vindt uw voet om hoogh, én weet niet of den sesten
+Den eersten opgangh is, en staet al op den lesten:
+Dat kan verdeelingh doen van besigh ongemack.
+
+Die soo de kaerte van sijn' quellingen verstack,
+En temde suer met soet, en menghde pijn met rusten:
+Hy ploeghde sonder sweet en arbeide met lusten.
+Ben uer gespannen Booghs, twee Peze-loos[208] of dry,
+Ontwapent distelen, en suyckert slaverny:
+Langh eener-hand verveelt, het zij soo soet als 't zijn kan,
+Maer die met slockjens slorpt, vermant wel een azijnkan,
+En, die by wijlen sit, en valt geen voet-pad langh;
+Die van geen poosen weet, de weelde selver bangh:
+Beurt en veranderingh verlichten doen en laeten.
+
+Vier naeckte Kinderen[209], al konnen sy niet praeten;
+Beduyden hier die leer: de Lente staet voor aen
+Met vroege Blommekens van 't jonge jaer gelaên:
+De Somer volght' er op, en pronckt met Koren-aeren;
+En dan den rijpen Herfst met smakelicke waeren;
+De Winter luy en leêgh, met Schaetsen aen den voet,
+Seght datter eens een tijd van leêgh-gaen wesen moet.
+Soo loopt de Tijd rondom, en deelt sich af in Maenden,
+En leert ons, ongevraeght, al wat ick flus vermaenden:
+Want wie en wierd niet sat van 't eenerhande jaer,
+Soo 't altijd Winter, jae, soo 't altijd Somer waer?
+
+Hier is Rialt op 't hooghst; hier zijn wy, sonder weten,
+Tot aen de Val-brugh toe en op mijn' stoep geseten;
+De Val-brugh, Vreemdelingh; wat seght ghy nu van 't Slot?
+Gaet, noemt het nu Kasteel, of noemt het Duyven-kot,
+'t Sluyt met een' Val-brugh af. Ghy sult de ketingh[210] soecken:
+Maer dat 's een oude kunst: wy hebben beter' boecken,
+Van hooger onderwijs: wy roemen op een' vond,
+Die weinigh is gepleeght, die niemand en verstond,
+'t En waer de Meester sprack: leert buyten huysen bouwen,
+Daer 't veiligh slaepen is: de konst is waert t' onthouwen;
+De Val-brugh gaet om hoogh, en maeckt een dobbel' Poort,
+En buyten werdt[211] geen' klanck van ketenen gehoort,
+En binnen buytelt sy met een verborgen slinger,
+En sluyt, oock grendeloos, bewogen met een' vinger,
+De Keuken-water-poort. Daer sit ick in mijn' Gracht
+Van zestigh voet rondom, en spot met menschen-macht:
+Musketten ben ick baes, en slaep op bey mijn' ooren;
+Laet grove Stucken sien, die my bestaet te stooren;
+Soo roep ick: _qui va là_? en luyster na gespreck,
+En moet mijn' hoogen moet sien buygen voor een' geck.
+Maer beter' grendelen en sterker slagh van sloten
+Versekeren mijn bedd'; ick slaep' er ongesloten;
+De Val-brugh is gevelt, de spil roest in de pan,
+En 't is van dusend een ofs' op en neder kan.
+
+Mijn trouwste Nacht-slot is: voor geen' ontrouw te vreesen,
+Geen' moord, geen' over-val, mijns wetens, waerd te wesen,
+Der vromen vriend te zijn, den boosen noyt geterght,
+Noyt ongelijck gedaen te hebben, noch geverght.
+God hoore, wat ick segg': ick kan geen' vyand noemen,
+Die sich in mijn verderf, met reden, sou verdoemen:
+Mijn bloed was noyt verbeurt, 'k en hebb'es geen gespilt,
+Daerom my yemant wensch' gerâbraeckt of gevilt:
+Men heeft my met de tongh besprongen en bestreden,
+En tot de wraeck geterght; Maer Gods bevel en Reden
+Zijn stadigh meesteren van mijn beleid geweest,
+En die mijn' hand ontsagh, heeft averechts gevreest.
+Mijn onschuld is bepleit; dat 's 't hoogste van mijn wreken;
+Soo houd ick hem voldaen, en sat van qualick spreken,
+En quaed doens ongesint, die sijn' verbolgentheit
+Ten arghsten heeft gevoelt bejegent met bescheid.
+God heb ick veel vertoornt, geen redelicke Menschen
+Gerechtelick geperst, mijn' ondergangh te wenschen;
+Soo schrijv' ick op de deur van mijn ontsloten Slot,
+Siet Hofwijck daer voor aen: Men vreest' er niet, als God.
+Het minder ongeval, van plunderen en rooven,
+En gaet my niet meer aen als Orgelen den dooven;
+En, of de boose lust uw' handen vergen moght
+De kunst, die niemand noch op Hofwijck heeft besocht[212],
+Huys-breker, spaert uw' moeyt; ick kan se niet betaelen;
+'t Is sottelick gewaeght, daer niet en is te haelen:
+En 't waer hier over kunst[213] te vinden by der nacht
+Den buyt, dien ick 'er noyt by daegh en hebb' gebraght.
+De reiser[214] sonder buyl[215] singht midden in de bossen,
+En weet, de roover heeft geen roer op hem te lossen;
+De rijcke wandelaer magh schricken voor geweld,
+De veilste paspoort is een' borse sonder geld.
+Mijn bedd' waer stelens waerd: maer daer voor soud ick vechten
+En, die my niet en steelt met twee vertrouwde knechten,
+Kan qualick Meester zijn van deken of matras,
+Daer op ick by der nacht meer als by dage pass':
+De rest en is geen waer, om by den wegh te voeren;
+Wie sou een' Schildery verduyst'ren voor de Boeren?
+Daer is geen heelen aen[216], 't zijn vodden van beslagh,
+By doncker ongesien, en lastigh by den dagh.
+
+Peurt aen mijn' keucken niet: ick weet 'er niets van waerde:
+Mijn Bleck[217] en Silverwerck, mijn' schotelen van aerde,
+Mijn' linnen-kassen kael, verwachten sonder schrick,
+Wie tegens sulcken winst wil tuyschen[218] om een' strick:
+Heel Hofwijck is geen proy om lijf en lid te wagen;
+En died'er sich vergrijpt, sal 't op de leer beklagen,
+Om yser, overtent[219], om lood, om niet met al,
+Gelijck de Muys om 't speck, te treuren in de val.
+
+Soo valsch is 't uyterlick, en soo bedrieght schoon schijnen:
+Mijn vollen inboêl is niet waerdigh om te mijnen,
+Als 't voor de Lapp'-boer[220] quam: en die van buyten staet,
+Meent dat een' leyen-dack beduydt een huys van Staet.
+Och armen! niet van straet, 't zijn schraele leêge wanden,
+Daer Kluyver[221] en Stê-boo niet wisten wat te panden,
+Hol als des Meesters hoofd: ten naesten by een' Ton,
+Als daer de Keiser voor most wijeken uyt de Son[222].
+
+Goê rust dan, grijpend volck! ick wacht te nacht geen' gasten,
+Daer zijnd'er, die ick wensch my mergen noen[223] verrasten,
+Min haelens ongesint dan brengens, dat 's gewis,
+Maer halers metter minn', daer geen' wet tegen is;
+Huys-dieven van mijn Kass' en mijn' genegentheden,
+Vijf Zielen wel gehuyst in onverlemde leden,
+Vijf haelders op een' kerf, die noyt van yser wordt,
+Soo langh ick niet en vast, en kom geen hemd te kort;
+Vijf erven van mijn Erf, vijf leken, vijf Copyen
+Van 't slechte Principael, dat sy, God lof! verby, en
+Onendelick verby in waerde zijn geraeckt;
+Vier knechtjens, die mijn' sorgh tot Mannen heeft gemaeckt,
+Een Meisjen, tusschen moy en lijdelick van aensien,
+Daer in sich Moeders deughd ontwijffelick laet aensien;
+Vijf gasten ongenoyt en altijd wellekom,
+Die my doen wenschen dat den dagh van mergen komm'.
+
+Dit vriendelick gesin onthael ick, sonder pruylen,
+Van dat sy d'eenigheit, daer in ick soeck te schuylen,
+Verstoren met haer' jeughd, en roeren Hofwijck om,
+En maken 't nauwer dan de straet van 't Achterom.
+
+Daer zijn de gasten! flucks den Room-pot uyt den Polder[224],
+De Boonen van den staeck, de Netten van den solder,
+De Vyver in 't gewoel, de Snoecken in de Ly,
+Jan Maertsen in de praem, en elck al even bly
+(Bly met de volle vanghst, die selden komt te missen
+Van ongeroofde winst van ongekochte visschen),
+De Peeren van den Boom, de Lijster uyt de strick,
+Elck vrolicker als thuys, elck besiger als ick:
+
+Ick besiger als elck, op 't lichten van de Seghen[225];
+Wel segen in der daet, die segen brenght op segen,
+Die stadigh en op niews een' volle Visch-merckt geeft,
+En tusschen slibb' en kroost van Water-schatten leeft.
+
+Daer vley ick mijn gepeins, en danck Geluck en Reden,
+Die my een' vette Wey tot water scheuren deden:
+Tot water, om mijn' erf te rijsen met die stoff,
+En houden 't winter-peil beneden Huys en Hof.
+Wel was 't een soete dwangh en een gesegent moeten,
+Daer door ick Hof en Huys ontsloegh van natte voeten,
+En gaf mijn' Boomen vry te weiden in het hoogh,
+Des Winters niet te nat, des Somers niet te droogh:
+Soo diep en soo ondiep pas als sy moghten sincken,
+En vinden spijs genoegh, en niet te veel te drincken;
+En die dien overslagh verdoemden metter haest,
+Staen d' uytkomst aen en sien, verwondert en verbaest,
+En d'opkomst staet haer aen, en doet haer met my seggen:
+Sulck water voor sulck' land, was geld op woecker leggen.
+
+Danck hebb' de volle Vliet haer stadige gevaer[226],
+Die 't onder-water-volck doet vlieden voor 't gevaer,
+En in de ruyme stilt van Hofwijcks klaere broecken
+De stille ruymte met sijns levenstochten soecken;
+Van binnen veile vrê, voor buytens wilde vreughd
+Met ongerustigheit, die daerom niet en deught.
+
+Onnoosel stom geslacht, ghy komt u hier vermeiden
+Gelijck de Land-heer doet: 't is Hofwijck voor ons beiden,
+Ick schuyl' er voor 't geraes, ghy duyckt'er voor 't getier:
+Eén insicht, één bescheid, één einde brenght ons hier;
+Maer, soo ghy spreken kost, hoe soudt ghy my beliegen,
+Hoe soudt ghy, in de Vliet, 't Hofwycker-hoofsch bedriegen
+Ontdecken voor den mond van d' een en d' ander' sloot,
+En roepen: «Siet u voor, daer binnen woont de dood!
+Het water isser koel in Vijver en in Grachten,
+Maer heete Ketelen en Roosters staen en wachten
+Dry voeten van de vreughd: men speelt' er met het net,
+En die daer slaepen wil, smoort in 't gevierde[227] bedd':
+Men noodt' er ons te gast, maer om den Waerd te spijsen;
+Dat 's Hofwijcks en dat 's Haeghs: let op den Raed der Wijsen,
+En steeckt u in geen gat daer geen gat door en is!»--
+Die dat bevroeden kan is kloecker als een Vis.
+
+Is 't niet vermaecks genoegh, de Vissen te verrassen,
+Hoort, Vreemdelingh, en spreeckt genadigh van mijn' plassen:
+Een Vijver is vol vreughds, al waer hy Visseloos:
+Let op die Boomkens hier, let ginder op die Roos,
+En al wat, om den boord van mijn' gecierde grachten,
+Hofwijcker Hof verrijckt met ongemeene prachten:
+Een' Roose maeckter twee, vijf Boomkens zijnder tien,
+Vijf, op het water-vlack, vijf op het land gesien.
+
+Indien ick niet en dool, dit Peerdje treckt noch stijver,
+En 't is de tweede reis gewoeckert met mijn' vijver:
+Twee Huysen voor één Huys, twee Eilanden voor één,
+Is weeldrigh' Alchimy, of ick en kender geen'.
+
+Goud-jagers, hol en dol, en spot niet met mijn' winsten;
+Sy gaen voor d' uwe verr' of wegens' op, ten minsten;
+Ghy meent een' dobb'le kans te nutten, en ick oock;
+Ick teer op schaduwen, en ghy verteert in roock:
+Mijn' schaduwen staen vast, uw roock en kan maer vluchten,
+Uw' zijn verdwijnende, mijn' stadige genuchten;
+Uw' droomen kosten geld, de mijne niet een' duyt,
+En dueren, dat ghy 't weet, al gaet de Dagh-keers uyt;
+De Nacht-keers volght'er op, en thoont my weêr mijn' schatten,
+Soo, dat er een Narciss' sou poogen naer te vatten;
+En 't waer den Jongelingh vergeven, als hy sagh
+Al wat ick sie by nacht, en by den vollen dagh:
+
+'k Sie boomen voet aen voet, 'k sie menschen met de voeten,
+En sonder struyckelen, malkanderen ontmoeten,
+'k Sie, of ick meen te sien, de weder-zij van 't Rond,
+Als of ick in Japan, aen geen' zij Banda, stond:
+'k Sie schuyten, kiel aen kiel, met averechtsche vrachten,
+'k Sie hoeck en hengelroê versien van dobb'le schachten,
+'k Sie Swanen dompelen, en boven 't water uyt,
+'k Sie alle dingh noch eens; en, even als 't geluyd,
+Dat van de bergen stuyt en van de woeste wouden,
+En van een' hollen Muer, voor soeter werd gehouden
+Dan Trommel of Trompet, die 't doen doen wat het doet;
+Soo zijn mijn' schaduwen, of schijnen noch soo soet,
+Als 't schepsel dat haer baert, en schepselen doet schijnen,
+'t Is waer, sy gaen te niet; maer sien wy niet verdwijnen
+Al wat de wereld draeght? en Kroonen en Gebied,
+En sulcke schaduwen, vergaens' in 't ende niet?--
+
+Zijn alle dingen doot, is 't Vijvertje bevrosen,
+Ick vraegh mijn' rappe jeughd, of 't qualick was gekosen,
+Wat waters voor wat gras, een' ry-baen voor een' wey?
+De Schaetsen swegen 't niet, als 't anders niemand sey:
+Die schetteren 't my toe, terwijl sy dusend quicken[228]
+In heen en weder-baen om Hofwijck henen stricken,
+En doen my door 't gewoel van soo veel beenen sien,
+Hoe wonderlick verscheelt het poogen van de liên:
+
+Hoe vele naer één wit door vele wegen trachten,
+En elck door andere; hoe 't werren der gedachten
+De wereld overkruyst: Kort om, waer uyt ontstaet
+'t Oneindigh vuyl Papier, dat Kassen overlaedt,
+Dat boecken swellen doet, daer solderen af stenen,
+Die d' oude walgen doen, die kinderen beweenen,
+Van kinds been af verbeent[229] met schrick van wetenschap;
+Dat schrijven, segh ick, en dit kruysselingh geschrap
+Van Schaetsen slaen op een: De waerheit is te vinden
+Door wegen recht en kort: wy soeckens' als de blinden;
+En swieren gins en weêr, en maken langh van kort;
+Soo dat een rijs tot Boom, een blad tot Bladen wordt,
+En bladen tot een Boeck, en Boecken, wilde wouden,
+Daer wy den overlast soo wel af missen souden,
+Als 't konstigh opgesont van spijs en overvloed,
+Die ons doet quynen en den Apotheker voedt.
+Hoe rijp is dese text, om bladen vol te prêken!
+Maer 't waer een sot bestaen, het quaed met quaed te wreken,
+Veel schrijven met veel klaps: mijn' Rijdertjens zijn moê;
+Sy doen de Schaetsen af, en ick de[230] Venster toe.
+
+Verheught u, Leser-lief, 't is met my omgekomen;
+Mijn' penn' is afgedicht; vreest voor geen' langer droomen;
+'t Kan soo voor eens bestaen, en nu ick, uyt gemaelt,
+Naer schijn en schaduwen tot Schaets-spel ben gedaelt,
+Soo wist ick lichtelick niet[231] lyvighs meer te vinden,
+Daerom ick uw geduld aen 't mijne sou verbinden.
+
+Gevalt u, voor de moeyt, van 't kinder-mael te zijn,
+Wy sullen uw verdriet verdrincken in mijn' wijn;
+Komt peist'ren in mijn' Hutt' ('k sal 't geen Kasteel meer noemen,
+Ick ben soo sat als ghy van rijmen en van roemen)
+Als 't mael te maeghwaert is en 't laken van den dis,
+Dan sal ick u in 't kort doen sien, wat Hofwijck is,
+En voeden noch uw oogh met lieffelicker dingen,
+Dan die ick my vermeet te seggen oft te singen:
+
+Ten Oosten met een Dorp, dat geen gelijck en kent,
+Ten Zuyden met een' Wey, die tegen 't Veen belendt,
+En duysent Wandelaers met vier gekloofde voeten,
+Die Hofwijck met den dagh beleefdelick begroeten,
+En loeyen my 't bedd' uyt, en roepen, in haer' spraeck:
+Op, luyaert! uyt de Pluym, en schaemt u van den vaeck!
+Past op de Peerelen, die in ons' eetsael flonck'ren,
+Eers' ons 't steil Sonnen-vier komt rooven en verdonck'ren;
+Daer komt de roover; in de vodden[232]; 't is hoogh tijd!
+Of denckt: ghy zijt uw deel in ons ontbijten quijt!»--
+Zuydwestwaert Hoef aen Hoef, en Voorburghs Ambachtsheeren,
+En Delft, haer' vaste vest, daer hondert Molens keeren,
+En tuygen, wat' er meels tot soo veel monden hoort,
+Daer van men 't Straet-gerucht schier binnen Hofwijck hoort:
+Dan Rijswijck, 't schoone Vleck, dat Princen kon bekoren[233]:
+Ter Westelicker Son den lieven Haeghschen Toren,
+En, over 't Broeckerhoy, der Graven hooge Woud,
+En voorts de witte wal van 't Scheveninger Sout.
+Kiest venster en gesicht; en weet' er af te seggen:
+«Dit keur ick voor het schoonst, dit soud ick liefst verleggen»,
+Soo weet ghy meer als ick, die noch een weêrhaen ben,
+En twijfel, waer ick best mijn' oogen henen wenn'.
+
+Verveelt u 't uytsien, keert; met insien sal ick 't soeten,
+En doen u in een Kas van Boeren-boeckjens wroeten,
+Van Boecken uyt de Stadt, van wijsheit in 't Latijn,
+Of in sijn Moeder, Griecksch, of dat nu Talen zijn:
+Parijs-werck, en niew Roomsch, of in de ronde lett'ren
+Van 't prachtige Madridsch, of in het Engelsch quett'ren[234],
+De Tael van alle Tael, die nergens thuys en hoort,
+En allom boortigh is; of die m'in Holland hoort;
+Of in besaeit papier met letteren en noten
+Van over Zee gebracht, of in mijn' vorm gegoten;
+In Veêlen, soo ghy 't soeckt, in Luyten, soo 't u lust:
+Tot dat ghy bidden sult: «ey, gunt mijn' sinnen rust;
+'k Ben Hofwijck sat gesien, gelesen, en gegeten;
+En wend het naer den Haegh: al wilt ghy hem vergeten,
+'t Is oock een soet verblijf, spijt Hofwijck en sijn' Heer!»
+Ja (segh ick suchtende), maer was 't voor desen meer.
+
+Soo scheid ick van mijn' vriend, soo breeckt hy uyt mijn' banden,
+Soo treed ick uyt mijn Touw, soo raeckt ghy uyt mijn handen,
+Moê Leser, dien ick flus voor d' eerste groete gaf,
+Nu voor de leste geef: «De groote Webb' is af!»--
+
+
+
+
+Noten:
+
+ [1] Hel-ste, helderste, scherpst.
+ [2] Ben er.
+ [3] Eerst «Delfland».
+ [4] ondergrond.
+ [5] De scheiding.
+ [6] zwijgend.
+ [7] Geen vrucht dragende.
+ [8] Met eist beplante.
+ [9] Vatbaar, vruchtdragend.
+[10] Des, daarvan.
+[11] onredelijk.
+[12] verg. boven in III en IV.
+[13] In zijn oorspronkelijke beteekenis van slecht.
+[14] Achter, o, voorraad.
+[15] Overleg.
+[16] Heel, gaaf.
+[17] Den weg bijster, mis.
+[18] kinder-
+[19] Anders paddestoelen.
+[20] Versta: in den tweeden en derden graad.
+[21] vooruitzicht.
+[22] Stadje.
+[23] verdeeld.
+[24] Versta: fidei commis, gelijk H. zelf aangeeft.
+[25] Voor wassen, groeyen.
+[26] beveelt.
+[27] zonder.
+[28] Van schuld kwijten.
+[29] David.
+[30] De bekende Toonbrooden.
+[31] geholpen.
+[32] dulden, toegeven.
+[33] lijden.
+[34] Ophoudt met staan.
+[35] asch.
+[36] brandstapel.
+[37] Verg. nog 't Liesbosch bij Breda.
+[38] Prins Frederik Hendrik, als Baron van Breda.
+[39] Voor woud.
+[40] toelonken.
+[41] Anders troepen.
+[42] Hofmeester.
+[43] Middaguur.
+[44] Van de zee omgeven
+[45] Thans wordt.
+[46] Tot hei wordt, verdort.
+[47] Ontnomen.
+[48] Versta: zijn geweven tapijtbehangsel.
+[49] Eerst: schilferen en vellen.
+[50] niet vangen.
+[51] wil er.
+[52] De bekende Utricia Ogel, aan welke hij meer dan één dichtjen wijdde.
+[53] Onverzoenlijk is.
+[54] bij.
+[55] Een scheeven mond trekken.
+[56] bekennen.
+[57] Zie zijn Bijbelstof, enz.
+[58] De, naar de kerkelijke overlevering, met pijlen doorschoten
+ Sint Sebastiaan.
+[59] weigerde, begaf.
+[60] Anders trilt.
+[61] De van den Bosch, wel te weten.
+[62] jacht.
+[63] Versta: halsbrekend werk.
+[64] Thans in springen er ontaard; verg. boven dient er, enz.
+[65] blaar.
+[66] By, voor.
+[67] De haagsche bouwmeester.
+[68] Jacob van Campen.
+[69] Huygens--als men ziet--deelde in 't Renaissance-vooroordeel zijner
+ dagen tegen de zoogenoemde Gothiek.
+[70] Eerst: voor mijn lusten.
+[71] Uit-rooide, uitgroef.
+[72] Ge-, ontmoeten.
+[73] Thans niets.
+[74] Dwaallichtjens.
+[75] toenaam.
+[76] iemand's.
+[77] Versta: de Natuur.
+[78] Plank.
+[79] Anders: verg. 't Hoogd. sonst.
+[80] worden.
+[81] eerst: sy viel.
+[82] De scheepspomp.
+[83] planken.
+[84] Voor sie om de volgende stomme h.
+[85] Thans voor 't verlengde reiziger in ongebruik geraakt; men mocht er
+ echter 't vrouwelijk reizeres voor 't wanhebbelijk reizigster wel
+ van gaan bezigen.
+[86] Thans morgen, gelijk worden voor werden.
+[87] Omdat G. s d.
+[88] Opgelegde taak.
+[89] Voor dacht, gelijk broght voor braght, enz.
+[90] Gebeurt, gelukt.
+[91] kracht.
+[92] Voor veilig.
+[93] Als steeds voor na.
+[94] afgetobt.
+[95] Denkt, dat ik mij honderd jaar ouder heb gesteld.
+[96] Beschutters.
+[97] sa Prinsen heerlijkheid en slot.
+[98] Perziken.
+[99] Eerst confituren.
+[100] Voor veiliger
+[101] Eva, in 't Paradijs.
+[102] monden.
+[103] niets.
+[104] wordt.
+[105] mist.
+[106] Bonte, veelkleurige.
+[107] Onschuldige.
+[108] spijst.
+[109] Tering naar nering.
+[110] geprezen.
+[111] Ongerepte groen.
+[112] Versta: de zingende vogeltjens.
+[113] Verstellen.
+[114] Beuk.
+[115] Toespeling op zijn bekende Hekeldicht.
+[116] De bekende haagsche straten.
+[117] Versta: in den pas geeindigden 80 jarigen vrijheidsoorlog.
+[118] Versta: het Engelsche, na de onthoofding van Karel I.
+[119] Die van Engeland, Schotland, en Ierland.
+[120] De bekende zaal op 't Binnenhof.
+[121] Eerst: mijn.
+[122] Thans toen.
+[123] De Apostel Paulus.
+[124] Zacheus, de tollenaar uit het Evangelie.
+[125] Eerst:
+ En 't moeyelick geweld van schrale winterwinden
+ Te weeren van myn Plein. Daer heb ick my verpraet:
+ Sy syn nu hondert jaer, en overlangh in staet.
+[126] nabij.
+[127] Scheuren.
+[128] kleinigheid.
+[129] Paddestoel (Duivelsbrood).
+[130] Zoo, indien.
+[131] Onbetaste.
+[132] Versta: bitter.
+[133] erken.
+[134] onverkwikkelijk.
+[135] Versta: tegen zijn heeren in verzet.
+[136] 1618.
+[137] schuw.
+[138] behalve.
+[139] verschillen, schelen.
+[140] dwaallicht.
+[141] door en door.
+[142] harde
+[143] Eenvoudige.
+[144] knarbeentjens.
+[145] Versta: den dood met zijn seis.
+[146] Als een rosmolen.
+[147] camperfoelie.
+[148] Thans veelal tot belachte verzwakt.
+[149] bloem (eig. madelief).
+[150] Anders tier.
+[151] Voor landwaart.
+[152] git.
+[153] Borstlap.
+[154] Het later zoo beruchte Groenezootjen.
+[155] verwenscht.
+[156] tusschenbeiden.
+[157] Voor als er.
+[158] Voor een mensch.
+[159] zoo.
+[160] Versta: 't zilvergeld.
+[161] Eerst: al dat hy derft.
+[162] palei, pijn paal; versta: met dwang.
+[163] geweten.
+[164] stugge.
+[165] Versta: de schuinsche richting, waarin zich de zoogenoemde
+ Raadsheeren in 't schaakspel bewegen.
+[166] wedergâ (verg. 't fransche en engelsche Pair).
+[167] Voor veilig.
+[168] Het vijftal zijner spruiten.
+[169] dobbelsteen.
+[170] Niets tegen.
+[171] Keeren.
+[172] Goud-of zilver-geld.
+[173] macht.
+[174] vrolyk moê-gemaakt.
+[175] nasmaak.
+[176] Vereenzaamde.
+[177] effen.
+[178] Heen-en-weêr varen.
+[179] Het schuit-jagertjen.
+[180] Anders bladen;
+[181] overroemen.
+[182] Die in Haarlem en Leiden.
+[183] Schippers-plattelandsch voor bruggen.
+[184] Als of ik die stond aan.
+[185] Lui en ledig.
+[186] Koutte, keuvelde; verg. 't fr. causer.
+[187] Af, van.
+[188] Voor men.
+[189] Truweel, truffel.
+[190] Trezoortjes, geldkistjen.
+[191] leelijk.
+[192] Denken, peinzen.
+[193] Daar 't niet zoo te ramen is, of men vindt zich van de eene of
+ andere zij belaagd.
+[194] Bekrachtigen.
+[195] alles.
+[196] Zijn keur voldaen.
+[197] Verklapt, versnapt.
+[198] zotten.
+[199] Meen, stel.
+[200] toereiken.
+[201] lage.
+[202] Bij manier van doen.
+[203] Versta: muts van sabelbont.
+[204] Kabinetjens met goudleeren behangsel.
+[205] Versta: zijn achterpoort, achterste.
+[206] Met geweld onderdrukken.
+[207] Toen hij er in 't gevolg van Aersen van Sommelsdijck, geweest was.
+[208] Zonder gespannen pees.
+[209] Versta: vier beeldjens.
+[210] Anders ketting, keten.
+[211] Thans wordt.
+[212] Beproefd.
+[213] Meer dan kunst.
+[214] Thans steeds in den verlengden vorm reiziger gebezigd, doch waarvan
+ men 't vrouwelijke reizeres wel voor 't wanhebbelijk reizigster
+ mocht aannemen. Zie boven.
+[215] geldbuidel.
+[216] 't Is de moeite van 't helen niet waard.
+[217] blik.
+[218] Ruilen (verg. 't Hoogd. tauschen).
+[219] overtind.
+[220] Uitdraagster, opkoopster.
+[221] gerechtsdiender.
+[222] Versta: die Van «Diogenes, den wijze, Die woonde in een Vat»,
+ als 't bekende liedjen luidt.
+[223] Morgen middag.
+[224] Versta: de polderweî.
+[225] Vischnet.
+[226] In den zin van varen.
+[227] Versta: met vuur geheet, in zinspeling op dat, met de
+ beddepan verwarmd.
+[228] Fraaye krullen.
+[229] Verstijfd.
+[230] Naar 't oorspronkelijke geslacht van 't Lat. fenestra; later,
+ door verschepping der d verkeerdelijk onzijdig geworden, gelijk
+ feest, beest, enz.
+[231] Thans niets.
+[232] Plunje, kleêren.
+[233] Blijkens het thans gesloopte huis te Nieuwburg, waar in 1697 de
+ vrede van Rijswijk gesloten werd.
+[234] Niet, met Bilderdijk, met quoth in verband te brengen, maar als
+ geluidnabootsend woord te verstaan.
+
+
+
+
+SPAENSCHE WIJSHEIT.
+
+Vertaelde Spreeckwoorden.
+
+
+
+
+VOORBERICHT.
+
+
+Een' goede handvol Spaensche Spreeckwoorden hebb' ick uyt een grooter
+hoop gelesen, naerse my in haer' Tael bevielen, ende in de mijne
+bevallick schenen uytgesproken te konnen werden. Daer een van beiden
+gebrack, sagh ick geen voordeel te doen; want wie soude my danck weten,
+dat ick slechte wijsheit van over Zee haelde, of treffelicke sinnen soo
+pijnelick uytstamerde, dat mijne Landslieden van d' eene walghden, van
+d' andere verschrickten, ende van geene sulcke woorden hare
+Spreeckwoorden wilden maecken? Om voorts de uytgesifte soo veel
+gangbarer te maken, ende aen den man te helpen, hebb' ickse in Rijm
+gekleedt; gelijck men Pillen verguldt, en bittere Schellen in Suycker
+Backt. In Spaensch hebb' ick 'er weinige soo gevonden: 't en zij men
+voor Rijm neme sekeren wilden byklanck[1], die meest onder alle Volcken
+in hare Seghswoorden daer voor uyt gaet, neffens een' Voet-maet emmers
+soo los en ongeregelt.
+
+Ben ick niet bedrogen, Rijm en Vaste Voet-maet salse niet bedorven
+hebben. Emmers slot van geluyd is het Oor aengenaem en, de Maet daer by,
+de Memorie niet ondienstigh. Staende dan soo nauw op de Waerheit, als my
+doenlick is geweest, hebb'ick er nochtans wat aen moeten klampen, daer
+ick al te korte woorden gevonden hebbe, ende die ongepaert ende
+ongerijmt. Dat, hope ick, sullen sy my ten besten houden, die het
+Ambacht verstaen, ende mijne moeyte niet laecken, als met aenwijsinge
+van beter, daer ick geerne voor buygen sal.
+
+Wat de saecke belangt, wijse Lieden sullen 't niet voor onnut
+tijdverdrijf aen sien, dat ick my hier stucksgewijse aen te kost hebbe
+geleght. Andere moeten weten, dat Oude Spreeckwoorden de Algemeene Wijse
+Waerheden der Volckeren zijn. Sommige ontwijffelick ter Wereld gebracht
+door uytstekende Lieden, sommige door 't gemeen; beide met een' aeloude
+toestemminge bevestight, ende sulcks noch heden ende naer desen met
+eerbiedinge aen te sien. Hoort hoe de Wijsheit van eertijds[2] daer af
+heeft gesproken: «De Spreucken ende Keuren van ervarene, oude, ende
+voorsichtige Lieden, schoon sy niet bewesen zijn, moeten wy niet min
+gade slaen als Bewijsen; want dewijle sy ervaren van gesicht zijn, sien
+sy de grond der dingen in.»
+
+Soudemen den anderen slagh verachten, daer tegen seyde deselve wijse
+Man: «Soo daer onder vele Mannen alle niet even kloeck en zijn, nochtans
+kan 't gebeuren, dat sy t' samen komende[3] beter zijn als die, niet als
+eenige in 't bysonder, maer alle in 't gemeen; gelijck het in de
+Maeltijden gaet, daer yeder wat toebrenght, tegens de gene die door
+éénen bekostight werden. Want, alsoo sy vele zijn, heeft yeder een
+gedeelte van Deughd ende Voorsichtigheit; ende de menigte te samen
+komende werdt als een Mensch met vele Voeten, vele Handen, ende vele
+Sinnen. Even eens gaet het in saecken van zeden ende verstand; waerom
+dan oock vele beter oordeelen». Wat van den oorsprongh zij of niet (want
+de Ouden hebben sommige Spreeckwoorden ge-eert als uyt den Hemel
+gedaelt), de lange onverbrokene toestemminge, daer ick af gesproken
+hebbe, als op onendelicke proeven gevest, staet voor alle bewijs van
+hare waerde. Laet my daer by voegen, daer mede sy my verlieven, dat
+yeder Spreeckwoord een Sneldicht is, en heel veel stofs in heel weinigh
+omslaghs begrijpt. Soo meene ick, is het al geseght, daerom[4]
+Spreeckwoorden allen lief ende welkom behooren te zijn; want wie en
+gevalt het niet liever met een' once Gouds, als met een lomp stuck Loods
+te betalen, of betaelt te werden? Ofte, als Erasmus[5] de gelijckenis
+maeckt: Wie isser sijn Verstand machtigh, die niet meer wercks maeckt
+van Peereltjens, hoe klein sy oock zijn mogen, als van eenige groote
+Rots-steenen? ende gelijck, volgens Plinius, in de kleinste Dierkens
+meer mirakels van de Nature is, als in den grootsten Oliphant, mits
+mense ten nauwsten insie; soo gebeurt het mede in dingen de Letterkunst
+aengaende, dat somtijds de kleinste den meesten geest hebben. Soo dan
+yemand het Spreeckwoord wat gerings acht te wesen, laet hem gedencken,
+dat die dingen niet na hare grootte, maer naer hare waerde geschat
+moeten werden».--Endelick, wie en smaeckt sijn Bericht niet beter in dry
+woorden, als in dertigh? Ende soo is het tijd dat ick ophoude.
+
+
+Noten:
+
+[1] De zoogenaamde, in 't Spaansch gebruikelijke assonance.
+[2] Bij monde van den Griekschen wijsgeer Aristoteles, in zijn Zedekunde
+ (Ethika Nikom.), VI. 12.
+[3] vereenigen.
+[4] Thans zou men hier waarom stellen.
+[5] In zijn Adagia of Spreeckwoorden.
+
+
+
+
+SPAENSCHE WIJSHEIT.
+
+Vertaelde Spreeckwoorden.
+
+
+
+
+ 1 Eet weinigh, of eet veel,
+ Dry Droncken zijn uw deel.
+
+ 2 Een beetje dat geworght[1] wil zijn,
+ Vereischt een' spoorslagh van den Wijn.
+
+ 3 Op Bruyloften of Kinder-maelen
+ En gaet niet, of men doe u haelen.
+
+ 4 De Borse leêgh, 't Gebouw in staet,
+ Maeckt menschen wijs, maer wat te laet.
+
+ 5 't Geheim betrouwt goê Vrienden niet:
+ Het is uw' schuld, soo 't haer ontschiet.
+
+ 6 Wanneer een' Weldaed is versocht,
+ Is s'als geveilt en als gekocht.
+
+ 7 De Heeren en d'Aprillen
+ Bedriegen wie sy willen.
+
+ 8 Een goede Raed op aerde
+ Is alles boven waerde.
+
+ 9 Goed gereed Geld in de hand,
+ Buyten swarigheit van Pand.
+
+ 10 Een hondert Jaer vervoeren[2]
+ De Koningen tot Boeren;
+ In hondert Jaer en thien
+ Kanm' een' Boer Koningh sien.
+
+ 11 Als eens hondert Jaer verby zijn,
+ Sullenw' all' te samen vry zijn.
+
+ 12 My dunckt, levende Papisten[3]
+ Eten min dan doô verquisten.
+
+ 13 't Is van des Roskams wetten:
+ Op een jongh Peerd moetm' een oud Ruyter setten.
+
+ 14 Spint onse Vrouw noch grof noch fijn,
+ Soo moet de Kat gegeesselt zijn.
+
+ 15 Heer al-beschick! beraed u,
+ Ghy geesselt maer de schaduw.
+
+ 16 Het loon getelt,
+ Den Arm ontstelt[4].
+
+ 17 Wilt ghy dat uw Handwerck spoê,
+ Ambachts-man? bidt en slaet toe.
+
+ 18 Verstopt[5] uw' oude Kleêren maer,
+ Soo raeckt ghy soetjens door het jaer.
+
+ 19 Daer niet en is,
+ Gaet soecken mis.
+
+ 20 Moet gh' over een wijd Water gaen,
+ Soo maeckt u altoos achter aen.
+
+ 21 Haest u niet te snel,
+ Selden ras en wel.
+
+ 22 Hoogh opgehaelt,
+ Is laegh gedaelt.
+
+ 23 Kout Water en warm Brood
+ Is aller buycken dood.
+
+ 24 't Peerd op sijn Water wat gedraeft,
+ Is even of ghe 't Haver gaeft.
+
+ 25 Van Water eens gestort
+ Raeptm' altijt wat te kort.
+
+ 26 Maeckt u 't werck quijt,
+ Het is hoogh tijd.
+
+ 27 Daer is geen quaed brood
+ In hongers nood.
+
+ 28 Veel Rechters in verscheiden landen
+ Sien na de Voeten in de Handen.
+ (Geschencken van Hoenderen).
+
+ 29 Jocken is een van de saecken,
+ Die men op haer soetst moet staecken.
+
+ 30 Gemeene[6] pijn in 't Hoofd
+ Werdt[7] etende verdooft.
+
+ 31 Een Dochter die niet veel en deught,
+ Geld en een Man, so haest ghy meught.
+
+ 32 Hy loop' soo langh hy wil, den Haes,
+ In 't ende werdt[7] de Windhond baes.
+
+ 33 By avond komt de Wolf gegaen,
+ En vloyt den Esel in de Maen.
+
+ 34 's Avonds veel en al,
+ 's Morgens niet met al.
+
+ 35 's Avonds goed Gerecht,
+ 's Morgens quaed gevecht.
+
+ 36 De Kloeke negen,
+ Te Bedd' gelegen.
+
+ 37 Het komt seer naer op een[8]:
+ Een spade Gift of geen'.
+
+ 38 Een Sweetvos, wat gh' hem doet,
+ Is eer dood als vermoedt[9].
+
+ 39 Die ter Jacht meent wat te vangen,
+ Blijft in 't Net wel selver hangen.
+
+ 40 Den Vos, die niet wil waecken,
+ En valt niet in sijn kaecken!
+
+ 41 Het goede moet ghy soecken,
+ 't Quaed wacht[10] uyt alle hoecken.
+
+ 42 Die geen arbeid moed'en wordt,
+ Krijght in 't lang, of krijght in 't kort.
+
+ 43 't Conijn ontgaen,
+ Te laet beraên.
+
+ 44 Door die of dese straet,
+ Siet maer, met wie ghy gaet!
+
+ 45 Eens anders Goed
+ Erft op geen bloed.
+
+ 46 Den Huysman met veel Mesten
+ Heeft niet altoos van 't besten.
+
+ 47 Uw Dochters kind schickt warmkens in de kluys,
+ Schoondochters kind wat Broods, en uytten huys.
+
+ 48 Indien gh'een vroom Man siet,
+ Vraeght naer sijn afkomst niet.
+
+ 49 'k Wenschte, dat ick woonen most,
+ Daer een Ey vijf Stuyvers kost.
+
+ 50 Daer de Tanden seer doen,
+ Wil de Tonge weer doen.
+
+ 51 De Wetten moeten gaen
+ Soo 't Koningen verstaen[11].
+
+ 52 Leert staegh den Vromen by zijn,
+ Ghy werdt soo vroom als sy zijn.
+
+ 53 Laet Gecken en laet Winden
+ Den vryen deurtocht vinden.
+
+ 54 In quade Wegh is 't naeste,
+ Datm' er sich wat door haeste.
+
+ 55 Om Sout in Zee;
+ Daer is het reê[12].
+
+ 56 Die Doctor, Advocaet, of Biechtvaêr wil bedriegen,
+ Bedrieght sich selfs met liegen.
+
+ 57 Goed Brood en goed Gerecht
+ Kost voor een niewen Knecht;
+ Maer binnen Jaer en dagen
+ Niet als goed Brood en slagen.
+
+ 58 Den Jongen, die Brood eten wil,
+ 't Is sonde, dat m'er Loock aen spill'.
+
+ 59 Leert u besigh maecken
+ Met uw eigen saecken.
+
+ 60 't Magh vroegh of laet zijn,
+ April wil quaed zijn.
+
+ 61 Die u Capoen ter tafel dient,
+ Heeft Bout en Vleugel bey verdient.
+
+ 62 Die niet veegh is noch verwesen,
+ Kan schoon water wel genesen.
+
+ 63 Daer 's geen betrouwen aen
+ Dien gh'eens quaed hebt gedaen.
+
+ 64 Eén Alchimisterij gaet vast:
+ Veel Renten, en niet veel verbrast.
+
+ 65 Door den Vijfden[13] werdt bewesen,
+ Wat het voor een Maend sal wesen.
+
+ 66 Hebb' ick mijn Rocksken av'recht aen,
+ Het magh soo blijven gaen en staen[14].
+
+ 67 Doet geen beloften aen den rijcken,
+ Den armen wacht u uyt te strijcken.
+
+ 68 Als Trompetten slaen,
+ Gaet het kacken[15] aen.
+
+ 69 Wijst eens uw keucken aen uw Schoonsoon en uw Vercken,
+ Sy sullen 't beid' haest mercken.
+
+ 70 Mint een, die u niet en mint,
+ Spreeckt, daer ghy geen spraeck en vind;
+ 't Een en 't ander is maer wind.
+
+ 71 Wascht uw handen, God sal geven
+ Daer s'af leven.
+
+ 72 De Wijsheit en het Minnen
+ Hoort tot verscheiden sinnen.
+
+ Min en verstand
+ Is tweederhand.
+
+ 73 Vrienden in schoon weêr,
+ Tegen wind niet meer.
+
+ 74 Vriend van al en vriend van geen,
+ Is meest al een.
+
+ 75 Een vriend om sijn gemack,
+ Een Swaluw in een Dack.
+
+ 76 My dunckt, des Winters Sonneschijn
+ En Schoon-soons liefd' één dingen zijn.
+
+ 77 In Leêgheit opgevoeyt,
+ In Ouderdom vol moeyt[16].
+
+ 78 't Is goed te seggen _Trouw_[17] en _Min_,
+ Maer laet het Woord gegeven zijn,
+ En laet de saeck beschreven zijn[18],
+ Het end valt arger als 't begin.
+
+ 79 Een Vader mint;
+ De rest is wind.
+
+ 80 De Liefde, Geld, noch groote Pijn
+ En konnen niet verborgen zijn.
+
+ 81 De Min, den Hoest, en 't Vyer noch meer
+ Ontdecken yedereen sijn Heer[19].
+
+ 82 Een Herberghs liefd', en anders niet,
+ Soo veel te minnen alsm'er siet.
+
+ 83 Weest of dood of veer[20];
+ Daer 's geen liefde meer.
+
+ 84 Gaet de Roskam gins en weêr,
+ Somtijds slaet hy in het zeer.
+
+ 85 Soo wy de Geit van rots op rotse sien,
+ Soo springht de Geew van desen Mond in dien[21].
+
+ 86 Laet ons in de Waerheit weyen,
+ Als Saletten vol Klappeyen.
+
+ 87 Hondje! keer,
+ Volght uw Heer.
+
+ 88 Laet ick maer warm zijn toegerust,
+ En laetse lacchen die het lust.
+
+ 89 Men moet sich niet vergapen
+ Aen 't keurelickste[22] Wapen:
+ 't Is 't mannelick gemoed,
+ In d'Oorlogh, dat het doet.
+
+ 90 Eer sal een Nachtegael uyt zijn gesongen,
+ Als praet ontbreken sal op Vrouwentongen.
+
+ 91 Versiet u, eer ghy trouwt,
+ Van Huysingh wel gebouwt,
+ Van Land daer wat kan groeyen,
+ En Wijngaerd om te snoeyen.
+
+ 92 Vóór den tijd een groot gedruys,
+ Als de slagh komt, niemand t'huys.
+
+ 93 Eer eene dusend jaer
+ Zijn w'alle kael van Haer.
+
+ 94 Yder een in sijnen handel[23]
+ Liever Moerbey als Amandel.
+
+ 95 Eer dat ghy trouwt, siet in den wind:
+ 't Is geen knoop, die men licht ontbindt.
+
+ 96 Prijst noch lastert niet,
+ Eer ghy kent en siet.
+
+ 97 't Vleesch van een Sot[23]
+ Is eer verrot,
+ Als in den Pot.
+
+ 98 Niewe daden,
+ Niewe raden.
+
+ 99 De Koning dood,
+ Het Rijck in nood.
+
+ 100 Het oude woord en kan niet missen:
+ In onklaer Water is goed vissen.
+
+ 101 Naer een Pot die ziedt,
+ Komt de Vliege niet.
+
+ 102 Dat Been is voor den mond
+ Van eenen andren Hond[24].
+
+ 103 _Mompeer_[25] magh wel bewaren;
+ _Mon fils_ en kan niet sparen.
+
+ 104 Het Hout doof, dat geroockt heeft,
+ De man dood, die 't gestoockt heeft.
+
+ 105 Tot malle Praetjens hooren
+ Een paer gestopte Ooren.
+
+ 106 Tot veerthiendagens Brood te breken,
+ Behoort een honger van dry weken.
+
+ 107 Leert hoogh en laegh op alle Veêlen,
+ En danst al, dat de Tijd wil spelen.
+
+ 108 Moet ghy de Kunst met schreyen halen,
+ De Vreughd sal 't in de winst betalen.
+
+ 109 Die niet kan Naeyen en wil Snijen,
+ En kan in 't ambacht noyt bedijen.
+
+ 110 Vraeght men u te ras,
+ Antwoordt op uw pas.
+
+ 111 Let op, een groote Jagers Door[26],
+ Daer light noyt groote Mishoop voor.
+
+ 112 De Dochter heet ick wel getrouwt,
+ Die Schoon-moêr noch Nicht en behouwt.
+
+ 113 't Is een recht welsprekend Man,
+ Die sich selfs bered'nen[27] kan.
+
+ 114 't Is uw Vriend, wie dat ghy zijt,
+ Die u van gerucht bevrijdt.
+
+ 115 't Gaen is gesond
+ Op effen grond.
+
+ 116 't Zij een leur, het zij een seur[28],
+ Die men schenckt en heeft geen keur[29].
+
+ 117 Dien den Hemel heil wil geven,
+ Krijght wel Biggen van sijn Teven.
+
+ 118 Dien gh'uw geheim hebt uytgebrocht,
+ Dien hebt gh'uw Vryigheit verkocht.
+
+ 119 De Kies die seer doet,
+ Is 't die om veer moet.
+
+ 120 Die bouwt of trouwt,
+ Sijn Bors verkout.
+
+ 121 Dien sijn Degen en sijn Hert
+ Niet genoegh zijn om te vechten,
+ Sal niet sonderlings[30] uytrechten,
+ Schoon een Lans sijn Wapen werdt.
+
+ 122 Die geen Brood te veel en heeft,
+ Hoeft geen Hond, die met hem leeft.
+
+ Die niet veel Broods en heeft te breken,
+ En hoeft geen Honden aen te queken.
+
+ 123 Die niet en heeft,
+ Die niet en beeft.
+
+ 124 Die veel wil waecken,
+ Doorgrondt veel saecken.
+
+ 125 Wilt gh' een' Booswicht sien verlegen,
+ Brenghter anderhalven tegen.
+
+ 126 Neemt uw Kleed,
+ Ghy zijt in 't sweet.
+
+ 127 Rood in den Morgenstond sal 's Avonds Water zijn;
+ Rood in den Avondstond, des Morgens Sonneschijn.
+
+ 128 Tot Wapenen en Geld
+ Goed' handen van geweld.
+
+ 129 't Vyer brandt, naer 't Hout
+ Komt uyt het Woud[31].
+
+ 130 Ploegen onder 't vriesen
+ Doet het gras verliesen.
+
+ 131 De Merrie met een Veulen
+ Gaet niet recht na den Meulen.
+
+ 132 't Peerd, dat kreupel is in 't gaen,
+ Moet wat vroeger op de baen.
+
+ 133 Een ouden Ezel met een kreupel been,
+ Een ros Man en een Duyvel, is al een.
+
+ 134 Den Ezel die aen velen hoort,
+ Werdt van de Wolven eerst vermoort.
+
+ 135 Den Ezel die daer graest in ander Lieden weiden,
+ En komter sonder vracht van Hout niet uyt te scheiden.
+
+ 136 Daer kan geen arger Sieckte wesen,
+ Als niet te willen zijn genesen.
+
+ 137 De Maeltijd komt te kort,
+ Daer 't al gegeten wordt;
+
+ Genoegh en isser niet,
+ Daer heel niet overschiet.
+
+ 138 't Is seker een swack Man,
+ Die niet eens dreigen kan.
+
+ 139 Naer een sijn Voeten plant,
+ Ontdeckt men sijn Verstand.
+
+ 140 Soo schielicken geval komt een[32] somtijds te vooren,
+ Als na de Merckt te gaen en keeren sonder Ooren.
+
+ 141 Des Sondaghs siet de Vrouw
+ Als 't Koren in de Douw.
+
+ 142 Een Boer in 't midden van twee Advocaten,
+ Is of twee Katten om een Visken saten.
+
+ 143 Soo werdt[33] er somtijds uyt
+ Een Edelman een Guyt.
+
+ 144 Hoe grooter Visch, hoe grooter leugen,
+ Hoe visch en leugen beter deugen[34].
+
+ 145 Geeft ghy te veel Broods aen uw Knecht,
+ Hy dwinght u, dat gh' er Kaes op leght.
+
+ 146 Tot hier toe is 't geen nood:
+ Men eet noch Bruylofts brood.
+
+ 147 't Is in de Keucken al van 't mal,
+ Men braedt niet en men droopt' er al.
+
+ 148 't Isser meê gemaelt,
+ Rijdt gh' al eer ghy zaêlt
+
+ 149 Ghy zijt noch qualick uyt den dop,
+ En setgh' alreeds 't Zeil in den top?
+
+ 150 Hoe schoon de logen zij versonnen,
+ In 't einde werdt sy overwonnen.
+
+ 151 Hoe hoogh den Arend vliegen kan,
+ Het Valckstuck werdt' er meester van.
+
+ 152 De Vijl, hoe scherp sy bijt',
+ Werdt wel een tandje quijt.
+
+ 153 Offer uw Hond mack uytsiet,
+ Bijt hem in sijn lippen niet.
+
+ 154 Al houdt men my voor geck,
+ Ick wil med' in 't gespreck.
+
+ 155 Al zijt ghy oud en wijs in velen,
+ Laet u noyt goeden raed vervelen.
+
+ 156 Al zijn de Ringetjens verlooren,
+ De vingertjens staen, daerse hooren.
+
+ 157 Dry die malkandren helpen willen,
+ Zijn machtigh ses Mans wicht te tillen.
+
+ 158 De Vrienden, d' Oly, en de Wijn,
+ Elck moet wat oud van jaeren zijn.
+
+ 159 Nat en geseept te voren,
+ Soo goed als half geschoren.
+
+ 160 Dryverwigh in den Baerd,
+ Verrader in den aerd.
+
+ 161 Daer 's geen Barbier bynaer,
+ Als geck of kaeckelaer.
+
+ 162 Het buyckje goed gevoedt,
+ Het slaepen in den Voet.
+
+ 163 Dans ick soo wel als yemand danssen magh,
+ Wat hebt ghy my te stooten uyt het lagh?
+
+ 164 Een schoon Man by de Vrouwen,
+ Is niet voor arm te houwen.
+
+ 165 't Is de beste vriend die 'ck weet,
+ Die sijn Broodje met my eet.
+
+ 166 't Lecker beetjen is wel soet,
+ Waer het niet soo dieren goed.
+
+ 167 Wel geluckigh is de Man,
+ Die sich selven straffen kan.
+
+ 168 Het Beestje, dat gemacklick gaet,
+ Voor my, niet voor mijn Cameraed.
+
+ 169 Goed Eten en goê Dranck in 't lijf,
+ Maeckt t' samen een soet tijd-verdrijf.
+
+ 170 Quaed gebruyck in doen of leggen,
+ Is seer quaelick af te leggen.
+
+ 171 Hy is 't, die van beminnen weet,
+ Die noyt sijn Vrienden en vergeet.
+
+ 172 Niet wel gebrast,
+ Is wel gevast.
+
+ 173 't Is wel, sonder Doctoor te weten:
+ Van veel eten komt qualick eten.
+
+ 174 Sy rekent red'lick wel, het Wijf,
+ Maer 't Kind noch beter in haer lijf.
+
+ 175 Uw Mantel is u niet te kort,
+ Indien hy maer niet nat en wordt.
+
+ 176 Soo goed, soo quaed als 't kan,
+ 'k Ben een getrouwde Man.
+
+ 177 Men kent het Goed, dat quijt is,
+ Niet eer, dan als 't geen tijd is;
+
+ Men kent verloren Goed
+ Eerst als men 't missen moet;
+
+ Al die sijn Goed verquist,
+ Kent het niet, eer hy 't mist.
+
+ 178 De Doren weet seer wel,
+ Waer dat hy steeckt in 't Vel.
+
+ 179 De wijse Man weet, dat hy niet en weet,
+ De sotte meent, hy weet van als[35] bescheed.
+
+ 180 De Vos, die sich vermaeckt,
+ Weet wel met wien hy schaeckt.
+
+ 181 St. Pieter is heel wel te Roomen,
+ Wordt hem de Kroon slechts niet genomen.
+
+ 182 Laet de Kat eerst brassen,
+ Daer na sals' haer wassen.
+
+ 183 'k Weet wel, wat ick wil bedieden,
+ Als ick Brood bid[36] van de lieden.
+
+ 184 Het is wel goed op goed gehoopt,
+ Een Botram, diem' in Honigh doopt.
+
+ 185 Ongeluck is wellekom
+ Mits het maer alleen en komm'.
+
+ 186 Laet ons bly en rustigh wesen,
+ En niet eens voor schulden vreesen.
+
+ 187 Wit vriesend weêr
+ Brengt Water neêr.
+
+ 188 Ongesond Brood in den mond,
+ Noch voor u, noch voor uw Hond.
+
+ 189 Hoe? moeyt' in Huys en moeyt' op 't Land?
+ Wat Drommel, moeyt' aen alle kant!
+
+ 190 Die dreight en slaet,
+ Doet noyt groot quaed.
+
+ 191 Keer om dat blad,
+ Daer staet noch wat.
+
+ 192 In goede en quade leden
+ Bestaet de kracht der Steden[37].
+
+ 193 Die wil van Water droncken wesen,
+ Hoeft geen kort tijd-verdrijf te vreesen.
+
+ Wilt gh' om een Rous[38] te water gaen,
+ Uw leven hebt ghy niet gedaen.
+
+ 194 Veel gegeews en veel gegaeps,
+ Of veel Hongers òf veel Slaeps.
+
+ 195 Schoon Water is heel goed gedronken,
+ 't En kost niet, en 't en maeckt niet droncken.
+
+ 196 De Sneeuw en geeft geen ongeval,
+ Mits dats' op rechte tijden vall'.
+
+ 197 't Land-leven is bevallick, maer
+ Voor weinigh tijds, niet voor een Jaer.
+
+ 198 Sommigen staet stelen vry:
+ Goed gerucht deckt Dievery.
+
+ 199 Mooren[39] waeren
+ Goede waeren.
+ Kostens' eten sonder 't Geld,
+ Daer m' haer eten voor bestelt.
+
+ 200 Een Krengh wordt een goed Paerd, in een' goê hand gestelt,
+ Een goed Paerd wordt een' Krengh, als 't een quaê hand bestelt.
+
+ 201 Mijn Kater is mijn redelick goed vriend,
+ Behalven dat my 't krabben niet en dient.
+
+ 202 Veel smeeren op sijn' Renten
+ Maeckt slechte Testamenten.
+
+ 203 Goede woorden en quaê trecken
+ Strijcken Wijsen uyt en Gecken.
+
+ 204 Sorgh voor 't voedsel van uw kind,
+ 't Is een' goê webb' die ghy spint.
+
+ 205 Het lecker leven
+ Kan rimpels geven.
+
+ 206 Geduld is licht te weegh gebracht,
+ Daer een' goê maeltijd werdt verwacht.
+
+ 207 't Is goed slaen op een Vent vol wind,
+ Al daer m' hem maer alleen en vindt.
+
+ 208 De jonge lieden moeten 't hooren:
+ Een ouden Os maakt rechte Vooren.
+
+ 209 Een langen Os en een rond Paerd
+ Zijn by de kenners 't meeste waerd.
+
+ 210 Goede mergen, groote Heeren,
+ Maer ick hadt mijn geldje geeren.
+
+ 211 Goed Oor, goê Voet,
+ De[40] Beest is goed.
+
+ 212 Is maer 't begin ter degen,
+ Soo is men al halfwegen.
+
+ 213 'k Wens, dat hy in den Hemel komm',
+ Die eerst het woord vond van _Keerom_.
+
+ 214 Backer! past ghy op uw Koecken,
+ Sonder ander werck te soecken.
+
+ 215 Al spelende van 't een in 't ander jock,
+ Geraekt de Wolf den Ezel aen sijn rock.
+
+ 216 En jockt niet met den Ezel licht,
+ Of wacht sijn steert in uw gesicht.
+
+ 217 Die binnens huys 't spel van een Geck bemint,
+ Verwacht' het buiten, waer de Geck hem vindt.
+
+ 218 Ghy soeckt vijf voeten aen een Kat,
+ Die er noyt meer als vier en had.
+
+ 219 Moeter meer als Kooren
+ Tot uw Brood behooren?
+
+ 220 Anders buyten, anders binnen:
+ Langh van Locken, kort van Sinnen.
+
+ 221 Wel singen en schoon Haer
+ Profijteloose waer.
+
+ 222 De Geit die wel herkauwen kan,
+ Daer komt de Melck met hoopen van.
+
+ 223 Een snapper is als of men sey:
+ Veel kaecks[41] op 't nest en noyt een Ey.
+
+ 224 Of de Kraemer is een bloedje,
+ Of hy prijst sijn eigen goedje.
+
+ 225 Elck Haertje, bruyn of blond,
+ Sijn schaduw[42] op den grond.
+
+ 226 Alle Papen-kappen
+ Stoffen[43] op haer lappen.
+
+ 227 Maeckt geen staet op een anders Goed,
+ Elck schaep hangt aen sijn eigen voet.
+
+ 228 't En kan niet anders zijn:
+ Elck Vat rieckt naer sijn Wijn.
+
+ 229 Elck Musken sleept om best
+ Sijn stroyken naer sijn nest.
+
+ 230 Yeder Man
+ Heeft sijn Van[44].
+
+ 231 Elcke Mier
+ Maeckt haer getier.
+
+ 232 Al is het Vlieghsken noch soo klein,
+ Het geeft sijn schaduw op het plein.
+
+ 233 't Zijn gecker booswichten, en booser[45] gecken treken:
+ Tot sijnent niet dan quaed van 's naesten goed te spreken.
+
+ 234 Elck Schaep soeckt in de Heiden
+ Met sijns gelijck te weiden.
+
+ 235 Een yeder Man
+ Spreeck', wat hy kan.
+
+ 236 Elck voelt of 't koud of heet is,
+ Naer dat sijn lijf gekleedt is.
+
+ 237 Elck magh na sijn maniere doen,
+ Den Ezel houdt sijn oud fatsoen.
+
+ 238 Daer elck gekipt is, is hy best,
+ En yeder Musken in sijn nest.
+
+ 239 Een yeder moet sijn Beenen strecken,
+ Soo verr' sijn Deken uyt kan recken.
+
+ 240 Een yeders levens tijd gaet met het schreyen aen;
+ Daer zijnder weinige van lacchen uytgegaen.
+
+ 241 Een Queepeer en een stront
+ Zijn bey geel en bey rond.
+
+ 242 Een Koortsjen in de May,
+ Het heel Jaer fris en fray[46].
+
+ 243 Najaers Koortsen noodelick[47]:
+ Of heel langh òf doodelick.
+
+ 244 Houdt den Mond en roert de Hand,
+ Soo te Water als te Land.
+
+ 245 Doet d'Oogen op en houdt u Tongen,
+ Wy krijgen 't Moêrhoen met de jongen.
+
+ 246 Geeft en swijght,
+ Spreeckt en krijght.
+
+ 247 Laet Tongen stille leggen,
+ En laat Papieren seggen.
+
+ 248 Een Reiser[48] moê gegaen,
+ Soo hy geen Paerd en krijght, slaet wel een Ezel aen.
+
+ 249 Den Ezel manck, de Borse plat,
+ En dienen niet op 't Roomsche pad.
+
+ 250 Laet eens de Klock geborsten wesen,
+ Geen handen konnense genesen.
+
+ 251 Met[49] als 't Licht uytgesnoten werdt,
+ Werdt alle dingen[50] even swert.
+
+ 252 Daer den Hond te harde leckt,
+ Komt wel, dat hy 't bloed uit treckt.
+
+ 253 Des morgens vroegh schreeuwt het Patrijs,
+ 't Sou blijven slapen, waer het wijs.
+
+ 254 Het Haentje kraeyt, en 't Hoentje wil t' wel weten:
+ Het huys vergaet, daer Meel gebreeckt om t' eten.
+
+ 255 De Kickvorsch singht gerust en stijf,
+ En heeft, noch haer noch wol om 't lijf.
+
+ 256 Veeltijts op éénen dagh doen wy verscheiden werck:
+ Wy schreyen binnens Huys, en singen in de Kerck.
+
+ 257 De Kan, die veel te water gaet,
+ Licht, dats' een scherfken achter laet.
+
+ 258 De slechtste wil sijn singen
+ Een yeder overdringen[51].
+
+ 259 Niew Schoentjen, hoe langh sult ghy 't herden?
+ Tot dat ghy 't smeeren moê sult werden.
+
+ 260 Goê Schoenen, 't zijse niew genaeyt zijn of verouden,
+ Zijn beter aen den Voet als in de Hand gehouden.
+
+ 261 Capoenen van acht Maenden oud,
+ Zijn Koningen haer rechte bout[52].
+
+ 262 Siet gh' een traegh Schip achter blijven,
+ Laedt het wel, 't sal beter drijven.
+
+ 263 Wat is naer de Liefde leven?
+ Wel betalen, wel vergeven.
+
+ 264 Men hoeft my niet te nooden
+ Tot Schotelen geladen
+ Met Vleesch, dat eens gesoden
+ En dan eens is gebraden.
+
+ 265 Is de Wagen
+ Omgeslagen,
+ Laet hem steken, laet hem breken,
+ Niemand wilder hand aen steken[53].
+
+ 266 Die 't Huys uyt veeght, en deckt den Dis,
+ Wacht gasten, of mijn gis is mis.
+
+ 267 't Huys, dat twee Deuren open houwen,
+ En kan men niet altoos betrouwen
+ Aen allerhande slagh van Vrouwen.
+
+ 268 Ons huys sal eerst na desen
+ Volmaeckt in alles wesen.
+
+ 269 Bruyd! ick hebb' u heftig lief,
+ Om uw goed en fijn gerief.
+
+ 270 't Is redelick gewenscht, als yemands luck[54] soo groot waer:
+ 't Huys van een Vader, en een Wijngaerd van een Groot-vaêr.
+
+ 271 Trouwt uw Soon, als ghy 't hem gunt,
+ En uw Dochter, als ghy kunt.
+
+ 272 Hebt Huysingh min noch meer, als u ter wooningh dien',
+ Hebt Wijnen min noch meer, als uw Gesin met eeren
+ Ten oorboor kan verteren;
+ Hebt Landen min noch meer, als ghy kont oversien.
+
+ 273 Een Huys kiest, dat gemaeckt is,
+ Een Wijngaerd, die gestaeckt[55] is.
+
+ 274 Daer Vred' is uytgegaen,
+ Kan 't Huys niet langh bestaen.
+
+ 275 Wat Drommel! trouwt my dan, als 't emmers wesen sal;
+ 't Is beter yet, als niet met al.
+
+ 276 Als alle dingen worden swert,
+ Is 't tijd, dat 't Licht ontsteken werd'.
+
+ 277 Trouwen, trouwen, schoon geluyd,
+ Is soo soet niet als het luydt.
+
+ 278 'k Gae trouwen; wilt ghy weten
+ Waerom? Ick stae 't bekent:
+ 'k Sal 't beste beetjen eten,
+ En sitten aen 't hoogh end.
+
+ 279 Trouwt, ongeluckigh man!
+ Het sorgen komt' er van.
+
+ 280 Leert u, bey Mans en Vrouwen!
+ In Peterschap en Trouwen,
+ Aen uw's gelijcken houwen.
+
+ 281 't Kan een in één dagh wedervaeren,
+ Getrouwt te zijn en qualick vaeren.
+
+ 282 Een leêgh Huys, op sijn best:
+ Een levend Ratten Nest.
+
+ 283 Isser op 't Huys niet veel dacks:
+ Veel koûs, en niet veel gemacks.
+
+ 284 't Huys prachtiger dan 't hoort:
+ De Dieven voor de poort.
+
+ 285 Bestraft den quaden in sijn quaed,
+ Terstond geraeckt ghy in sijn haet.
+
+ 286 Daer alles is in staet,
+ Is 't Slot vry van verraed.
+
+ 287 Geeft een Ruyter een goed Paerd,
+ 't Quaed is noch goê noch quaden waerd.
+
+ 288 Is 't Paerd geteekent aen vier voeten,
+ Seght, dat het Gecken rijden moeten;
+ Is 't Paerd geteeckent aen de dry,
+ 't Is waerd, dat het een Koningh ry.
+ Is 't Paerd geteeckent aen maer éénen,
+ Laet het u nemmermeer ontleenen.
+
+ 289 't Paerd, dat geen Paerden voor wil lijden,
+ Is goed, om meê voorby te rijden.
+
+ 290 Geeft de slagen daer sy hooren,
+ 't Paerd dat vlieght, en hoeft geen Spooren.
+
+ 291 't Paerd, dat het minste komst van Stal,
+ Is 't Paerd, dat meeste briescht van all'.
+
+ 292 't Is wel geluckt en na behooren:
+ Den Ezel viel, en viel in 't Kooren.
+
+ 293 Stracks na den eten gaet te Bedd',
+ Soo gh' op wat hoofd-pijns niet en let.
+
+ 294 Gaen alle dingen soo sy deên,
+ Zijn Vlamm' en Roock niet verr' van een.
+
+ 295 Een ringh rond om de Maen
+ Sal op een Regen slaen.
+
+ 296 Laet 's Lands bestiering loopen,
+ Met Mond toe en Bors open.
+
+ 297 Is de Haver vol gedragen,
+ Laetse snijden in acht dagen.
+
+ 298 De Haver op de Mis,
+ Houdt het gewas gewis;
+ En, soo 't Jaer vochtig is.
+ En vreest niet, dat het miss'.
+
+ 299 Klein is de Doorn, die niemand siet,
+ Maer dien hy steeckt, vergeet hem niet.
+
+ 300 Die in niewe Schouwen koken,
+ Moeten lijden datse rooken.
+
+ 301 Wat is een schoorsteen sonder Vier?
+ Land sonder Haven of Rivier.
+
+ 302 Als honderd Molenaers by honderd Snijders quamen
+ En honderd Wevers, 't waer dry honderd Dieven 't samen.
+
+ 303 Kost één Vrouw t'ééner dracht een honderd kind'ren winnen,
+ Sy scheelden een voor een hoofden en van sinnen.
+
+ 304 Doet toe de Poort, en laet den Sleutel hier by my.
+ 't Volck dat in wesen wil, magh roepen: «hier zijn wy».
+
+ 305 Wat doen de Menschen met vijf ving'ren aen een Hand?
+ Somtijds eer en profijt, en somtijds schaê en schand.
+
+ 306 Leert u aen Monicken, aen Joden, of aen Papen
+ Haer vriendschap niet vergapen.
+
+ 307 Een goeden naem neemt voor uw Wapen,
+ En gaet gernstjens liggen slapen.
+
+ 308 Sy bloost gelijck een Roosje,
+ Maer s'haelt het uyt een Doosje.
+
+ 309 Vol van Bloed en vol van Vleisch
+ Is een Meisjen, als ick eisch.
+
+ 310 Swart en gebloost staet wel,
+ Maer 't is verw van de Hel.
+
+ 311 Gevaer, die staegh aen 't loopen zijt,
+ Waer ick u soeck, ick ben u quijt.
+
+ 312 Eet met den Man,
+ Maer wacht'r u van.
+
+ 313 De Kat en rooft noch Vleesch noch Vis,
+ Dan die niet wel bewaert en is.
+
+ 312 Eet 's Middags weinigh, 's Avonts meer,
+ Slaept boven, en en vreest geen zeer.
+
+ 315 Aen een goê Tafel wel geseten,
+ Een Mes in scheê, is half gegeten.
+
+ 316 Ghy lijckent allerbest een ouden Koolsack, Heer!
+ Van buyten quaed en vuyl, van binnen nog veel meer.
+
+ 317 Hoe komt uw Vrouw soo dick en menighmael met Kind?
+ Door dien ick 't jonghst van all' altoos meest heb bemint.
+
+ 318 Hoe 'ck dieper ben in gunst geraeckt,
+ Hoe my meer quellingh heeft genaeckt.
+
+ 319 Waerom en grimt u Meester niet?
+ Om dat gh' em ongehylickt siet.
+
+ 320 Gaet sus of soo te werck,
+ De Herbergh valt altoos veel naerder dan de Kerck[56].
+
+ 321 Hoe komt ghy kael van Hoofd en Kin?
+ Met nu en dan een haerken min.
+
+ 322 Hoe gaet u leven, Man?
+ Met schreyen altemet, met lacchen nu en dan.
+
+ 323 Soo sietmen 't somtijds gaen:
+ Dry Meiskens tot een Schoen, de vroegst' op, treckt hem aen.
+
+ 324 Geselschap maer van één,
+ Geselschap als van geen;
+ Geselschap van één meer,
+ Geselschap van den Heer;
+ Geselschapken van dry,
+ Dat heet geselschap vry;
+ Geselschap van twee tween[57],
+ De Duyvel op de been.
+
+ 325 Keurt alle ding met onderscheit;
+ Dier koopen is geen mildigheit.
+
+ 326 En loopt niet op een ydel hoop,
+ De Wolf en heeft geen Vleescn te koop.
+
+ 327 't Is meesterlick profijt, ghy mooghter wel op uyt zijn:
+ Twee Viskens ingekocht, voor vijf die wel gefruyt[58] zijn.
+
+ 328 Noyt saghmen een onschoone Vrouw,
+ Als s' opgeschickt was, soo se souw.
+
+ 329 Met Suycker en met Honigh soud' een Stront
+ Soet worden in den Mond.
+
+ 330 Het Water, eens voorby gevloeyt,
+ En maeckt niet, dat de Meulen spoeyt.
+
+ 331 Met kunst en met bedrogh beleeft men 't halve Jaer;
+ En met bedrog en kunst het ander halv' daer naer.
+
+ 332 Slechten Adel kan men decken
+ Met goê Kleeren aen te treeken.
+
+ 333 Gebruyckt een yeder lit, daer toe 't sijn last ontfong:
+ Spreeckt met de Hand niet, want ghy naeyt niet met de Tong.
+
+ 334 Goede Vriend en goede Wijn
+ Moeten éénerhande zijn.
+
+ 335 'k Heb met een Koning liggen mallen,
+ En op een Hoer is 't uyt gevallen.
+
+ 336 Noch Oogh, noch Trouw en kan yet velen;
+ Ick wil met geen van beiden spelen.
+
+ 337 Een goed Knecht betert, als gh' hem slaet,
+ Een quade werdt noch eens soo quaed.
+
+ 338 De Mispel rijpt, en werdt haer trecken quijt,
+ In weinig Stroo en in geen langen Tijd.
+
+ 339 De Borstel kan het Laken,
+ De Hand de Zy schoon maken.
+
+ 340 Gaet vry uw oude gangen,
+ Die Windhond heeft u wel een ander Haes gevangen.
+
+ 341 Siet, hoe men aen verandringh raeckt,
+ Van dat Stof is dit Slijck gemaeckt.
+
+ 342 In Weelde sietm'er veel gewennen,
+ Haer selven nauwelicks te kennen;
+ Soo haest mens' uyt de weelde siet,
+ En kentse weder niemand nief.
+
+ 343 Gaet te biechten en betaelt,
+ Mergen werdt ghy wegh gehaelt.
+
+ 344 Met Keerssen en goê Wachten
+ Kan m' hem voor Horens wachten.
+
+ 345 Neemt Yser en Azijn,
+ Daer goeden Int moet zijn.
+
+ 346 Die met Geld jockt of met Vrouwen,
+ 't Sal hem vroegh of laet berouwen.
+
+ 347 Het Wapen van uw kracht
+ Stelt noyt in Vyands macht.
+
+ 348 Dat de Lever kan genesen,
+ Kan de Milt ondienstigh wesen.
+
+ 349 Dat Claertjen kan genesen,
+ Kan Maertjen schad'lick wesen.
+
+ 350 Het Huysgesin en heeft geen tier,
+ Daer Spinrock baes is van Rapier.
+
+ 351 Luyden van Krackeel en Haer[59],
+ Veel lands tusschen u en haer.
+
+ 352 Aen Sangh en Spel en Peerden mennen,
+ Kan m' yder een sijn' sotheit kennen.
+
+ 353 Al stond u Vriendenraed niet aen,
+ Stelt hem te boeck, en laet hem staen.
+
+ 354 Sy eet met u, sy light met u in 't Bed,
+ Die u twee tacken op het voorhoofd set.
+
+ 355 Met langh druppen achter een,
+ Boort de Goot wel door den Steen.
+
+ 356 Leert noch Gebuer noch Vriend geloven,
+ Die u in 't aensicht derven loven.
+
+ 357 Wordt een Pion een Koningin,
+ Daer magh geen Schaeckstuk tegen in.
+
+ 358 Men suyvert met den Wind het Koren van het Kaf,
+ De Sonden met de Straf.
+
+ 359 't Is geen slagh, om een Wolf te nooden,
+ Om een ander meê te dooden.
+
+ 360 Soo gaet het met veel saecken:
+ Men derft wat onrechts doen, om aen wat rechts te raecken.
+
+ 361 Een Hert, van valsche kunsten vry,
+ En hoedt sich voor geen schelmery.
+
+ 362 Een Hert, dat naer sijn Hoofd wil leven,
+ En lijdt niet, dat men 't raed mag geven.
+
+ 363 Man! ghy hebt twee Horens aen;
+ Vrouw! waer weet ghy dat van daen?
+
+ 364 Een taeye Snel-riem van goed leêr
+ Geeft een quâ jongen een goê Leer.
+
+ 364 Mond-beleeftheit is een kost,
+ Die veel geldt en weinigh kost.
+
+ 366 En saeyt niet in uw Land
+ 't Saed, dat ter Merckt blijft aen de hand.
+
+ 367 Wat goê manieren en wat Geld
+ Maeckt Sonen Jonckers met geweld.
+
+ 368 Al staet de Schoone Meer[60],
+ 't En doet den Hengst geen zeer;
+ Maer hy verlieft te meer.
+
+ 369 Slaet een Ey wel, het groeyter van;
+ So vaert een Vrouw by een goed Man.
+
+ 370 Een Paep, een Munnick, met een Exter en een Kauw,
+ De Duyvel gunn' ick die Juweelen in sijn klauw.
+
+ 371 'k Geloov' u, Hoentje! dat 's te seggen:
+ Ick hebb' u daer een Ey sien leggen.
+
+ 372 Sy sien wel toe, die Kraeyen queecken:
+ Die sullens' eerst een oogh uyt steecken.
+
+ 373 Bedeckt u, ghy, maer met een Schild,
+ En die wil schreewen schreew in 't wild.
+
+ 374 't Quaed Mes snijdt niet in 't Hout,
+ Maer in de Hand, die 't houdt.
+
+ 375 'k Hoor Koeckoeck roepen in der tijd;
+ Siet toe, dat ghy het niet en zijt.
+
+ 376 Daer spreeckt een als een heiligh vat,
+ En heeft vast klauwen als een Kat.
+
+ 377 Praet van uw eigen pijn;
+ Laet yeder een de sijn.
+
+ 378 Het Leêr is 't, dat sich reckt en wijdt,
+ Maer Hout en kan dat niet--dat splijt.
+
+ 379 Daer 's vrede tusschen Dief en Dief en Guyt en Guyt,
+ Noyt en piekt d'eene Kraey aen d'ander d'oogen uyt.
+
+ 380 Met sijn quaê Oogen te genesen
+ Schijnt onse Schout verdooft te wesen:
+ Hy voelde wel, wat ick hem gaf,
+ Maer wat ik seg, daer weet hy weinig af.
+
+ 381 Denckt, wat ghy doet, so lang ghy hoeft,
+ Maer en vertrouwt op geen geboeft.
+
+ 382 De Dief meent, waer hy by is,
+ Dats' alle zijn als hy is[61].
+
+ 383 Soo gy uw Kind geeft quaed voor quaed,
+ Denckt, dat het naer het Gasthuys gaet.
+
+ 384 Wat magh God Amandels geven,
+ Daer de tanden een begeven?
+
+ 385 Dien de Tanden meer niet kunnen,
+ Siet men God wel Boonen gunnen.
+
+ 386 Siet, wie u wat gegeven heeft,
+ De gift gelijckt aen diese geeft.
+
+ 387 Gaven sonder spreken
+ Konnen Rotsen breken.
+
+ 388 Een quaê Gift kan vier handen krencken,
+ Twee diese nemen, en twee and're diese schencken.
+
+ 389 Geef m' een Stoel, daer ick op rust';
+ 'k Weet, waer te leenen als 't my lust.
+
+ 390 Thoont my een Klaverblad van tween, ick sal u thoonen,
+ Waer ghy een Meisjen moogt verkiesen uyt veel schoonen.
+
+ 391 Hoe ghy liever Leven leeft,
+ Hoe ghy meer voor vallen beeft.
+
+ 392 Leert geven en houden,
+ Soo blijft ghy behouden.
+
+ 393 Ick hebb' geen recht van Wraeck
+ Van wie 't zy; 't is Gods saeck:
+
+ Moet ick my van een Herder wreken,
+ Mijn Hoofd is daerom niet te breken;
+ Dat laet ik Sneeuw en Regen doen,
+ Die sullen 't wel te degen doen[62].
+
+ 394 Soo u de Duyvel niet en dient,
+ Wacht u van een versoenden Vriend.
+
+ 395 Onder Coiffe[63] en onder Huyck,
+ Meestal eenerhande pruyck:
+ Ofse bruyn is, ofse blanck is,
+ 't Is soo breed schier, als het lanck is.
+
+ 396 Daer schuylt wel onder een goed Kleed
+ Een Booswicht, dat men 't niet en weet.
+
+ 397 Men siet haest aen een Kalf sijn wesen,
+ Wat dat het voor een Os sal wesen.
+
+ 398 Die op de Feest de Bruyd het Huys afwinnen,
+ Zijn Sotten en Sottinnen.
+
+ 399 Een Roover, die een Roover heeft verwonnen,
+ Voor all' sijn buyt en krijght niet als de Tonnen.
+
+ 400 Diens brood ick breeck,
+ Diens lof ick spreeck.
+
+ 401 Een duym-breed op 't Rapier, een hand-breed op de Lans,
+ Is in 't gevecht een groote kans.
+
+ 402 Van waer zijt ghy, brave quant?
+ Van mijn Huysvrouws Vaderland.
+
+ 403 Daer m' uyt tapt en niet in en giet,
+ Daer gaet het vaetjen haest te niet.
+
+ 404 Twee Koffers had een Vent van amoureusen kop,
+ 't Een liet hy open staen, het ander brack m'em op.
+
+ 405 Alle dingen op sijn pas:
+ Denckt wat langh, en doet wat ras.
+
+ 406 Daer mijn Beursjen hanght op zy,
+ Houdt mijn Wijfjen meest van my.
+
+ 407 Zy komen ons van buyten,
+ Die ons ten huyse uit fluiten.
+
+ 408 Die wel lijdt, is een moedigh man;
+ Een kloeckert, die wel hooren kan.
+
+ 409 Groote Vieren aen den Haerd,
+ Kleine Schueren vol gegaêrt.
+
+ 410 In groot water groote Vissen;
+ Past maer, niet uw grond te missen.
+
+ 411 Van eten rakender veel duysenden ter dood;
+ Van hondert duysenden niet één van hongers-nood.
+
+ 412 Ontsiet de lieden die veel spelen,
+ En met uw meerder te krackeelen.
+
+ 413 Schouwt mannen-volck, dat slecht gebaerdt is,
+ En Wind, die door een spleet vergaêrt is.
+
+ 414 Weest op uw hoed', 't is sorghlick, om te gaen
+ Met Mensch of Hond, die geen geluyd en slaen.
+
+ 415 Een Knecht, die grommelt en suer siet,
+ En is de beste Dienaer niet.
+
+ 416 Tast gh' uw getroude Vrouw of een Salaetjen aen,
+ Twee beetjens en niet meer, en daermêe laetse staen.
+
+ 417 Wacht u seer voor quade Vrouwen,
+ En van goede te betrouwen.
+
+ 418 Van de Hand af tot de Lip,
+ Heeft men altemet wel slip.
+
+ 419 Gelijck Sout uyt See-water spruyt,
+ Soo geeft de Vrouw de boosheit uyt.
+
+ 420 Vóór sien ick 't volck sich vatten
+ Als Honden doen en Katten;
+ Van achter soet en fijn,
+ Als Broeders konnen zijn.
+
+ 421 De Vijgen en Noten
+ Zijn goede Lands-genoten.
+
+ 422 Of ziedt de Sneew òf doetse stampen,
+ Daer komt maer Water uyt en dampen.
+
+ 423 Van 't stille Water wacht u vry,
+ Het loopende gaet haest verby.
+
+ 424 Van Hoeren en van as-graeuw laken,
+ 't Best, daer men bestkoop aen kan raken.
+
+ 425 Voor toornigh volck weest somtijds bang;
+ Voor Swijgers al uw leven langh.
+
+ 426 Lange mijlen leggen
+ Tusschen doen en seggen.
+
+ 427 Die 't scherp end van den Trecht[64]
+ In 't Vat steeckt, neemt het recht.
+
+ 428 Voor Brand bewaert men licht sijn vel,
+ Maer voor een Booswicht niet soo wel.
+
+ 429 't Water komt al verr' van daen,
+ Dat den Molen om doet gaen.
+
+ 430 't Is altijd winst,
+ Van 't quaed het minst.
+
+ 431 En denckt geen Vriend soo goed,
+ Dien ghy getuyge neemt van 't quade dat ghy doet.
+
+ 432 Het quaed, daer yemand meest voor vreest,
+ Is menighmael sijn Dood geweest.
+
+ 433 Gaet op 't getal niet liggen slapen,
+ De Wolf eet wel getelde Schapen.
+
+ 434 En wilt noyt Vechtelingen by zijn,
+ Wilt ghy Getuyge noch Party zijn.
+
+ 435 Van mijn Gevaêrs Brood aen mijn Pil[65],
+ Een stuck soo groot als hij self wil.
+
+ 436 Goed' of quade, hoese komen,
+ Stelt noyt geen geloof in droomen.
+
+ 437 Weest op u hoê,
+ En wacht u koe,
+ Voor een beroyt Soldaat,
+ Die sonder Mantel[66] gaet.
+
+ 438 De Tong, die lieffelick wel spreken kan,
+ Maeckt een Verrader tot een eerlick Man.
+
+ 439 Van veel geswets niet veel verheugens,
+ Van lange Reisen lange Leugens[67].
+
+ 440 Van den Ouden
+ Raed behouden.
+
+ 441 Of hy een Ezel wat gelijck is,
+ God gev' my maer een Man, die rijck is.
+
+ 442 Laets' haer' lust met seggen boeten,
+ Die mijn aelmoes eischen moeten.
+
+ 443 Den Hemel stae ons by, daer Meisjens kundigh zijn
+ In konst van Waerseggen, en Vrouwen in Latijn.
+
+ 444 Voor een jong Bidder en een ouden Vaster,
+ Houd' ick mijn Mantel meestendeel wat vaster.
+
+ 445 't Is by de Kaers noch meer noch min:
+ Een Joffer of een Ezelin.
+
+ 446 Den Hemel will' den goeden,
+ Tot aller tijd behoeden,
+ Van een niew Officier,
+ En van een oud Barbier.
+
+ 447 't Beurt, dat een Vaêr, die Heiligh leeft,
+ Een Duyvel tot een Soontjen heeft.
+
+ 448 Hetzij met Hoy,
+ Hetzij met Stroy,
+ Hebb' ick mijn meugh gekregen,
+ Aan 't Voêr is niet gelegen.
+
+ 449 Weest op uw hoê voor een geteeckent Man,
+ En voor een Vrouw, die tweemael trouwen kan.
+
+ 450 Is 't Veulen schorft en weinigh waerd,
+ Noch werdt het wel een lustigh Paerd.
+
+ 451 Die meer niet als een Boon en geeft,
+ En is niet schuldigh[68], is beleeft.
+
+ 452 Een Man, die altoos neêrwaert siet,
+ Betrouwt uw Capitaeltje niet.
+
+ 453 Die luy blijft leggen op sijn nest,
+ Sijn Capitaeltje voelt het best.
+
+ 454 Noyt goê Pijl, sonder bocht,
+ Uyt Verckens Steert gewrocht.
+
+ 455 Hy werdt het, of hy is beroyt,
+ Die d' Asch vergaêrt en 't Meel verstroyt.
+
+ 456 Twee quaede tegen een gestelt,
+ Die eerst toe slaet, behoudt het veld.
+
+ 457 Van een quaed hout,
+ Noyt goede bout.
+
+ 458 Van eenen lap quaed Laecken,
+ Is noyt goed Kleed te maecken.
+
+ 459 Hebt gh' een gehangen man verlost,
+ Hy soud u hangen als hy kost.
+
+ 460 Is 't wijntjen in,
+ Elck seght sijn sin.
+
+ 461 Ten einde van de Sop,
+ Gaet oock de Lepel op.
+
+ 462 't Is een goê les voor groote Heeren:
+ Na 't schrappen valt er niet te scheeren.
+
+ 463 Van dat het niew huys is gemaeckt,
+ Siet toe, dat ghy der uyt geraeckt.
+
+ 464 Het Stroo is binnen,
+ Ouw Wijfs, aen 't spinnen!
+
+ 465 In mijn geboort liet ick mijn schreyen hooren,
+ De reden werdt noch alle daeghs geboren.
+
+ 466 Wy kregen Kleêren om de Lenden,
+ Soo quam het, datw' ons niet en kenden.
+
+ 467 De Tongh is als een Blind' op straet,
+ Die haer geleidt, heet Goede raed.
+
+ 468 Sulcke Waer uyt sulcke hoecken;
+ Sulcke Feesten, sulcke Koecken.
+
+ 469 De Pap en 't Meel zijn all' gelijck:
+ Van sulcken Stoff komt sulcken Slijck.
+
+ 470 Van uw Vyand, van uw Vriend,
+ Geld in handen als 't u dient.
+
+ 471 Soo van uw Vrouw, als van uw Vrind,
+ Gelooft al, dat ghy waer bevindt.
+
+ 472 Hebt ghy schulden die vermeeren?
+ Looght ghy noyt, ghy sult het leeren.
+
+ 473 Soo ghy te Paeschen schuldigh zijt,
+ De Vasten valt geen lange tijd.
+ of
+ Hebt Geld te Paeschen uyt te tellen;
+ U sal geen lange Vasten quellen.
+
+ 474 Uyt slechten praet
+ Wel goeden raed.
+
+ 475 Die tot het Beecksken gaet, en niet daer 't Beecksken spruyt,
+ En haelter niet als slijck, in plaets van water, uyt.
+
+ 476 Verlaet uw Huys en komt in 't mijn;
+ Ghy sulter niet seer lustigh zijn.
+
+ 477 Laet ons niet fier op Vaêr of Grootevaêr of Oom zijn:
+ De rechten Adel is, soo wy maer selver vroom zijn.
+
+ 478 Ick liet volck in mijn werck,
+ En gingh self naer de Kerck.
+
+ 479 Wat seght ghy, Meester, salder Haer op komen?
+ Waer 't maer het vel, het waer goed meê genomen[69].
+
+ 480 Doen al wat men seggen kan,
+ Is geen werck voor alle man.
+
+ 481 Een Vriend, die gh' u geheim gelooft[70],
+ Staet met de Voeten op uw Hoofd.
+
+ 482 Het Huys is wel beheert,
+ Daer maer één in verteert.
+
+ 483 Prijst een Vrouw haer schoone kaken,
+ Wilt gh' er een Sottin af maken.
+
+ 484 Seght my, met wien ghy omme gaet,
+ 'k Sal seggen, wat ghy doet en laet.
+
+ 485 Spreeckt een Loogen, wilt ghy maecken
+ Aen de Waerheit te geraecken.
+
+ 486 Wilt gh' uw eigen Goed vergeten,
+ 'k Sal 't u niet eens danck sien weten.
+
+ 487 't Geld van een gierigh hert
+ Gaet tweemael aen de Mert.
+
+ 488 Geld en Verstand en menschen-Trouw,
+ Veel minder dan men dencken souw.
+
+ 489 Godt gev' my, in proces te treden
+ Met lieden van verstand en reden.
+
+ 490 God is 't, die de genesingh geeft,
+ De Doctor, dieder Geld af heeft.
+
+ 491 God doet geen klachten die men hoort,
+ Maer houdt wel, dat hem toebehoort.
+
+ 492 Seght vrylick uw bescheit,
+ Maer niet wie 't heeft geseît.
+
+ 493 De Melck sprack tot den Wijn:
+ «Vriend, ghy moet welkom zijn!»
+
+ 494 De Pan sprack tot den Ketel: «fy!
+ Wat doet het swartgat hier by my?»
+
+ 495 Een Geck sprack alle dese woorden,
+ Maer 't was geen doove diese hoorden.
+
+ 496 Te Roomen weetm'er van:
+ Spint eerst, Vrouw! en eet dan.
+
+ 497 't Is een seggen van oûw' Wijven:
+ Houdt de pelsen van uw lijven.
+
+ 498 Men houdt u voor een eerlick man:
+ Hand over Hert, wat isser van?
+
+ 499 Het oude waere Spreeck-woord seît:
+ De Voeten gaen, daer 't Hert haer leidt[71].
+
+ 500 De Boosheit is een dobbel quaed,
+ Die onder schijn van Vrientschap gaet.
+
+ 501 Als 't Geluck niet med' en doet,
+ Helpter Neerstigheit noch Spoed.
+
+ 502 Daer eene Duyt sich vinden laet,
+ Soeckt, of die een alleenigh gaet.
+
+ 503 Wijn in de huyd,
+ Verstand daer uyt.
+
+ 504 Tot de Poort toe duert de rouw
+ Van een overleden Vrouw.
+
+ 505 Meest sult ghy 't soo bevinden:
+ Veel Kind'ren, weinigh Vrinden.
+
+ 506 Die goede Potten breken kan,
+ Behoudt er goede Scherven van.
+
+ 507 't Was daer sich een Geck verliep,
+ Daer de Wijse raed uyt schiep.
+
+ 508 Daerder veel pist te gelijck,
+ Werdt het Sand wel haest tot Slijck.
+
+ S09 Daer geen eer en is,
+ Daer geen zeer en is.
+
+ 510 Daer een Deur werdt toegedaen,
+ Sal een ander open gaen.
+
+ 511 Waer henen ghy u wendt en gaet,
+ Maeckt, dat ghy met bekenden gaet.
+
+ 512 Daer 't niet en roockt,
+ Wert niet gekoockt.
+
+ 513 De Schaemt' om veer,
+ Geen Deughden meer.
+
+ 514 Daer de Koningh niet en is,
+ Loopen alle soeckers mis.
+
+ 515 't Is genoegh, als ick my hoê
+ Voor het gen' ick selver doe.
+
+ 516 De Luyaert seght: «'k wil slapen gaen,
+ Goê tijdingh komt van selver aen».
+
+ 517 Vertrouwt twee Waerseggers in al uw onderwindingh,
+ Den eenen heet Vernuft, en d'ander Ondervindingh.
+
+ 518 Roof-vogels zijn noch vrinden,
+ Noch veel by een te vinden.
+
+ 519 Twee goede Eelten heb ick, daer ick hoor:
+ Een in mijn Mond, het ander in mijn Oor.
+
+ 520 Tot een paer Hoenders en een Haen
+ Gaet al, dat aen een Paerd kan gaen.
+
+ 521 Twee slechte Mael-getijden,
+ Kan eene Maegh wel lijden.
+
+ 522 Daer de Wat'ren diepste gaen,
+ Komt het minst gerucht van daen.
+
+ 523 Daer teeringh boven neeringh gaet,
+ Weet, dat de saeck op 't vallen staet.
+
+ 524 Daer d' oude lieden geerne gaen,
+ En staet het jonge liên niet aen.
+
+ 525 Maeckt een end van krullen, Neel!
+ Die veel spiegelt, spint niet veel.
+
+ 526 Men slaept wel met een weinigh pijn,
+ Maer met veel schulds en wil 't niet zijn.
+
+ 527 Mest uw Terw met Duyven-mest,
+ 't Land betaelt het al in 't les.
+
+ 528 't En kan niet zijn, de man moet rasen
+ Die teffens suygen wil en blasen.
+
+ 529 Gaet liggen in uw Bedd' van Sieckt' of van Verdriet,
+ Ghy sult haest weten, wie uw Vriend is, en wie niet.
+
+ 530 Te bedd', en overslaet[72]
+ Wat dat uw huys aen gaet.
+
+ 531 Brengt Aerd op Aerd, ghy sult vernemen,
+ Hoe dat de Brood-korf toe sal nemen.
+
+ 532 Men vindt aen alle kanten
+ De Son, en Schouts Trauwanten[73].
+
+ 533 Ezels min begint met smijten
+ En met bijten.
+
+ 534 Tot het minnen en het winnen
+ Groot geweld en kloecke sinnen.
+
+ 535 Lange ooren, lange rocken,
+ Moet men meesteren met stocken.
+ of
+ Men moet Ezelen en Vrouwen
+ Bey met Stocken onderhouwen.
+
+ 536 Die gierigh is en rijck,
+ Heeft Vriend noch Vriends gelijck.
+
+ 537 Hoe de gierige meer heeft,
+ Hoe hy meer in armoê leeft.
+
+ 538 Op wel geneeren
+ Past rustigh teeren.
+
+ 539 Het goed en 't quaed
+ Blijckt aen 't gelaet.
+
+ 540 Een Geck, indien hy swijgen kan,
+ Gaet uyt voor een verstandigh Man.
+
+ 541 Die goê betalingh doet,
+ Beërft een anders goed.
+
+ 542 Schort het u aen een goed Soldaet,
+ De Ploegh is 't, daer hy achter gaet.
+
+ 543 Het Land, dat vet en vruchtbaer is,
+ Soo 't niet en rust, soo draeght het mis.
+
+ 544 De Slack, om 't suer gesicht van quelling t'overkomen,
+ Heeft voor twee Oogen een paer Hoornen aengenomen.
+
+ 545 Dien ghy voor uw Vyand telt,
+ Wenscht hem al sijn goed in Geld.
+
+ 546 't En is noch Hengelroê, noch Visscher die 't beschickt,
+ 't Bedrogh is in het Aes, daer 't Visken aen verstikt.
+
+ 547 Dry dagen duren Noorde-Winden,
+ Wanneerse haer geweld ontbinden;
+ Maer blasen sy met all' haer macht,
+ Soo durens' er wel meer als acht.
+
+ 548 Het Konijn en het Patrijs
+ Saust men al op eene wijs.
+
+ 549 De wond in 't Hert gegaen,
+ Daer is geen helpen aen.
+
+ 550 Een aelmoes, die men doet,
+ En mindert Bors noch Goed.
+
+ 551 De Lust maeckt schoon en fris,
+ Dat vuyl en leelick is.
+
+ 552 Is 't heel warm weêr,
+ Kleedt u te meer.
+
+ 553 't Opschicken quam my juyst niet eens in mijn gedachten,
+ Als ick Volck t' mijnent kreegh, daer op ick niet en wachten.
+
+ 554 De Penningh maeckt
+ Den Man volmaeckt.
+
+ 555 Men kan geen Tanden heelen
+ Met Luyten en met Veêlen.
+
+ 556 Die 't verdrincken is ontkomen,
+ Past op 't ondiep van de Stroomen.
+
+ 557 De Mis en is geen Heiligheit,
+ Maer doet mirakel, waerse leît.
+
+ 558 De cure[74] is goed, den Dokter komt de eer:
+ De Man is dood, hy voelt geen Kortse meer.
+
+ 559 Indien de Monick bidt[75] om Brood,
+ Hy neemt wel Vleesch in tijd van nood.
+
+ 560 De Liefd' en seght noyt, noch het Vyer:
+ Past op uw werck en gaet van hier.
+
+ 561 De Wind-hond, op sijn pas, leght meer weghs af,
+ Dan 't Joffer-hondeken doet op sijn draf.
+
+ 562 Al doense niet veel zeer de slagen van de Pan,
+ Het Vel versenght en kist er van.
+
+ 563 Die wel gevoedt en vol is,
+ Past op geen Vriend, die hol is.
+
+ 564 Honighraet werdt soet gesmaeckt,
+ Maer de Bie steeckt, die hem maeckt.
+
+ 565 Het is de kloeckste Soon die leeft,
+ Die kennis van sijn Vader heeft.
+
+ 566 Van den Muyl en 't Bastaert-kind,
+ Alle daegh een niewe quint.
+
+ 567 Die op sijn eere let,
+ Blijft van een anders bedd'.
+
+ 568 De Man kan voor het Vyer, de Vrouw voor 't Vlas uyt gaen:
+ Dat blaest de Duyvel aen.
+
+ 569 Verliest een Jongman van sijn Geld,
+ Hij wordter wijs af[76] met geweld.
+
+ 570 Een man, die word voor rijk gehouwen,
+ Kan met den naem sijn Soon uit trouwen.
+
+ 571 Weet dat de Gast, en dat de Vis
+ Den derden dagh aen 't stincken is.
+
+ 572 De Roock, de Vrouwen, en de Gooten,
+ Zijn 't die de Mans ten huys uytstooten.
+
+ 573 De niewe Kruyck is eer
+ Aen 't drincken, als haer Heer.
+
+ 574 Wilt ghy, dat ick speel?
+ Goed Spel, en niet veel.
+
+ 575 Eerst van de Naelde tot het Ey,
+ Van daer aen 't Osken in de Wey,
+ Van 't Osken hoogh en droogh gehangen,
+ Dat zijn der Dieven eigen gangen.
+
+ 576 De Wolf soeckt noch een Lam,
+ Daer hy het eerste nam.
+
+ 577 De Wolf en eet niet al, wat hy wel geeren at,
+ Hy eet maer, wat hy vat.
+
+ 578 De Wolf verliest sijn tanden wel,
+ Maer blijft van aerd al even fel.
+
+ 579 Een oude Wolf die quaed is,
+ En huylt niet, dan als 't laet is.
+
+ 580 De Sot pronckt met sijn Hoornen als een Hert,
+ De Wijse draeghts' onsichtbaer in sijn Hert.
+
+ 581 Door de straffe die wat raeckt,
+ Werden Gecken wijs gemaeckt.
+
+ 582 Die 't qualick weet te halen,
+ En sal noyt wel betalen.
+
+ 583 Men meestert een quaed Oogh
+ Best met den Elleboogh.
+
+ 584 Het Ongeluck komt met arm-vollen aen;
+ Met klein hand-volletjens siet men 't vergaen.
+
+ 585 De boos' helpt goeden in 't verdriet;
+ Maer sijns gelijck en derft hy niet.
+
+ 586 't Quaed, dat uw Mond ontschoot,
+ Valt in uw eigen Schoot.
+
+ 587 De Quellingh raeckt met troosten uyt den weegh,
+ Maer Voorspoeds-pack draeght niemand niet ter deegh.
+
+ 588 Wewenaers zijn meer bemint
+ Met één Oogh, als met één Kind.
+
+ 589 De booste van 't getal
+ Is ruchtighste van all',
+ En breeckt een yeders ooren,
+ Om dat m' hem aen sou hooren.
+
+ 590 De beste Teerlingh-worp van velen
+ Is, met geen Teerlingen te spelen.
+
+ 591 Meloenen en Vrouwen
+ Zijn qualick te schouwen.
+
+ 592 Die een Vrouw keuren wil, of een Meloen,
+ En kan 't niet beter als by 't steert-stuck doen.
+
+ 593 Van de Logen gaet geen tol af;
+ Daerom iser 't Land soo vol af.
+
+ 594 't Is de schuld van 't Knechtjen niet,
+ Dat het Meisken naer hem siet.
+
+ 595 Weet, dat u Knecht of Vriend
+ Noch arm noch rijck en dient.
+
+ 596 Over asers[77] moeten 't weten:
+ Van veel-eten komt niet-eten.
+
+ 597 De Muys, die maer één gat en kent,
+ Is van de Kat haest overrent.
+
+ 598 't Kind krijt om 't goede dat men 't deê;
+ Ouw' lieden krijten om haer wee.
+
+ 599 De Boeren en de Note-boomen
+ Zijn best met stocken t' overkomen.
+
+ 600 Hebt gh' één Officie t' uwer eer,
+ Gh' hebt een Officie en wat meer.
+
+ 601 Niew backen Brood, al heet, al warm,
+ Veel in de Hand, niet in den Darm.
+
+ 602 Daer 't Brood is opgegaen,
+ Is heel 't gelagh ontdaen.
+
+ 603 Eet op, en haest u wat met verschen Vis,
+ En met uw Dochter soose houwbaer is.
+
+ 604 Al wisselt schoon de Vos sijn Vel,
+ De Vossenaerd blijft evenwel.
+
+ 605 Een luye lêge Geck
+ Leeft altijd in gebreck.
+
+ 606 Op 't hamer-klappen slaept des Smits Hond aller best,
+ Het klapper-tanden maeckt hem wacker in sijn nest.
+
+ 607 Soo doet des Thuynmans Hond:
+ Hy magh geen Kool, en houdts' een ander uyt den mond.
+
+ 608 Koopliên by nacht, past dat ghy voor u siet:
+ Een ouden Hond bijt nemmermeer om niet.
+
+ 609 't Geluyd, dat oude Honden slaen,
+ Is als een raed van goed vermaen.
+
+ 610 Met Maten en Gewichten
+ Is alle scheel te slichten.
+
+ 611 Geen mis soo goed,
+ Als 's Land-Heers voet.
+
+ 612 Weinigh praets is Goudsgelijck,
+ Veel en is niet meer als slijck.
+
+ 613 Die niet voorwaerts uyt en siet,
+ Blijft te rugg' en voordert niet.
+
+ 614 Die 't Peerd dreight en niet en slaet,
+ Doet het tweederhande quaed.
+
+ 615 Die altoos leert en noyt en vat,
+ Die vat wel, hoe ick 't meen, en wat.
+
+ 616 Die 't suer en onrijp eten moet,
+ Sal weêr genieten 't rijp' en soet.
+
+ 617 Die naer twee Hasen
+ In 't Veld wil rasen,
+ Vanght somtijds eenen,
+ En veeltijds geenen.
+
+ 618 Die sich van de bruyd wil wreken,
+ Kan hy wel van 't hylick spreken?
+
+ 619 Die gevallen is in 't slijck,
+ Wenscht een ander sijnsgelijck.
+
+ 620 Die Monick is geweest en werdt[78] een Abt daer naer,
+ Weet, wat de Monicken doen achter den Altaer.
+
+ 621 Die 't Reaeltjen kan verdienen,
+ Mach sich van 't Reaeltjen dienen.
+
+ 622 Die den Hond sijn aers moet soenen,
+ Hoeft sijn Mont niet seer te boenen.
+
+ 623 Die de Leeuwerck wil verlacken,
+ Moet sich vroegh ten bedd' uyt packen.
+
+ 624 Heeren! leert het wel onthouden:
+ Die de Wet maeckt moetse houden.
+
+ 625 Die de Rent van 't huysken treckt,
+ Magh 't doen helpen daer het leckt.
+
+ 626 En veeght gh' u niet te degen,
+ Ghy moet u tweemael vegen.
+
+ 627 't Luydt seldsaem, maer 't is goed bescheet:
+ Die niet en twijffelt, niet en weet.
+
+ 628 Meet een sijn selven niet te recht,
+ De Maet-stock wert hem opgeleght.
+
+ 629 Die Huys noch Hof en heeft van 't sijn,
+ Kan all' de werelds Buerman zijn.
+
+ 630 Die betaelt al wat hy moet,
+ Al het ovrigh is sijn goed[79].
+
+ 631 Die de Hand heeft in het deelen,
+ Kiest het slechtste niet van veelen.
+
+ 632 Die verliest, sal blijven spelen,
+ Als 't de winner wil bevelen.
+
+ 633 Die sijn Geld in 't spel derft wagen,
+ Heeft geen moet op Geld te dragen.
+
+ 634 Het Brood heel licht, de Kaes heel swaer,
+ Is weder-zijds de beste waer.
+
+ 635 Die ras belooft en traegh voldoet,
+ 't Berout hem, dat hy 't geven moet.
+
+ 636 Hebt g' een gelasen[80] Dack, dat langh moet dueren,
+ Werpt niet met steenen tegen uw gebueren.
+
+ 637 De Koning gaet, als alle man,
+ Niet waer hy wil, maer waer hy kan.
+
+ 638 Als de Schuyt is over 't Meer,
+ Denckt men aen den Sant[81] niet meer.
+
+ 639 Is uw Barbier wat onervaren,
+ Ghy sult hem Haer noch Huyd sien sparen.
+
+ 640 Spreeckt ghy van een Guyt te Roomen,
+ Stracks sal hy te voorschijn komen.
+
+ 641 De Mus en is niet wel gebeckt,
+ Indiens' haer eigen nest ontdeckt.
+
+ 642 De Dronckaerd volght des Kickvorschs pad:
+ Van 't droogh af springht hy in het nat.
+
+ 643 Der kindren dienst is klein van kracht;
+ Maer 't is een geck die hem veracht.
+
+ 644 Magh de Son my maer beschijnen,
+ 'k Sal my om de Maen niet pijnen.
+
+ 645 Tijd doet het zeer verteeren,
+ En niet des Meesters[82] smeeren.
+
+ 646 Een Schalck en vindt niet[83] lichter, dan
+ 't Bedriegen van een gierigh Man.
+
+ 647 Een Jonghman daer, een oud Man hier,
+ Sy liegen al op een manier.
+
+ 648 Als oud Stroo eens komt aen te gaen,
+ En isser niet wel lessen[84] aen.
+
+ 649 De Wijngaerd plantet[85] d' oude Man,
+ De jonge pluckt de Druyf daer van.
+
+ 650 Past maer een oud Man op sijn malen,
+ Hy kan tot honderd jaer toe halen.
+
+ 651 Den Oven, en ouw' lieden darmen
+ Zijn door haer monden te verwarmen.
+
+ 652 De Winden, die de hooge locht doorwaeyen,
+ Doen niet den Toren, maer den Weerhaen draeyen.
+
+ 653 Nuchteren en leêgh,
+ Hoort geen Maegh ter deegh.
+
+ 654 Als de Wijn het Hoofd doet blosen,
+ Gaet het herte sonder Hosen[86].
+
+ 655 Sendt een wijs Man over al,
+ En beveelt hem niemendal.
+
+ 656 Werdt ghy van de Locht met kind,
+ Vriend! soo baert ghy niet als Wind.
+
+ 657 In 't goede Jaer is Koorn maer Hoy,
+ In 't quade maeckt ghy Koorn van Stroy.
+
+ 658 Een vroom Man kan sich wel ontgaen,
+ Daer hy een Kist vindt open staen.
+
+ 659 Daer sit tot[87] een ryck gierigaerd
+ Een Duyvel, die de Kas bewaert.
+
+ 660 Soo ghy wilt wijs zijn, deelt geen Peeren,
+ In jock noch ernst, met groote Heeren.
+
+ 661 Noyt Raeds-vergadering en stond,
+ Men vonder eenen rooden Hond.
+
+ 662 Men komt op alle Wegen
+ Beslijckte gaten tegen.
+
+ 663 Daer de Meester fluyten kan,
+ Werdt gefluyt met alle man.
+
+ 664 In 't huys van onsen Adriaen,
+ Vermagh de Hen meer als den Haen[88].
+
+ 665 In Smitswinkel, meestendeel,
+ Mes en Beitel sonder steel.
+
+ 666 Voor des Mans huys, die een goed ambacht kan,
+ Verschijnt den Honger wel, maer blijfter van.
+
+ 667 Waer de Speelman Vaêr is,
+ Danst het al, dat daer is.
+
+ 668 In 't Huys, dat een goed Man bewoont met een rijck Wijf,
+ En heeft Hy nemmermeer, Sy altoos 't hoogh bedrijf.
+
+ 669 Zijt gh' ergens met den Man oneffen,
+ Past vrede met de Vrouw te treffen.
+
+ 670 In 't Huys, daer de Blinde woont,
+ Wert de Slimste wel gekroont[88].
+
+ 671 Daer het Huys vol voor-raeds leît,
+ Is de Maeltijd haest bereidt.
+
+ 672 In 't niewe Huys een vast verdriet:
+ Die 't niet en brenght, en vindt er niet.
+
+ 673 In de Jacht en in de Min,
+ Als men wil soo raecktm'er in;
+ En als men kan,
+ Soo raecktm'er van.
+
+ 674 In krackeel
+ Toomt uw' keel.
+
+ 675 In 't overslaen van allerley begin
+ Bedenckt' veel wegen, en gaet éénen in.
+
+ 676 Aen den Gangh en aen den Dronck
+ Kent men Vrouwen, oud en jonck.
+
+ 677 Tot in 't Scharlaken laken,
+ Kan een quaê slagh geraken.
+
+ 678 Met de schoonste stoff in d'oogen,
+ Werdt men allerlichst bedrogen.
+
+ 679 Men werpt het Net vergeefs om Vis
+ In 't Water, daer geen Vis en is.
+
+ 680 Onder Volck van boosen aerd,
+ Alle daegh de Wet[89] vergaêrt.
+
+ 681 De Knecht dient, en de eer
+ Komt niet als op den Heer.
+
+ 682 Neemt maer een Besem-stock, en schickt hem op,
+ Het sal een Jongman schijnen als een Pop[90].
+
+ 683 Weest welkom, Maymaend! zijt ghy daer?
+ Ghy, beste Maend van 't heele Jaer!
+
+ 684 Men siet geen Vyer of het verblijdt,
+ In Somer en in Winter-tijd.
+
+ 685 Dingen, die veel lieden weten,
+ Sijn noch wijser liên secreten.
+
+ 686 Het werck, dat yemant doet
+ En 't Vier, dat hy verboet[91],
+ Geeft best getuygenis,
+ Hoe vroeden Man hy is.
+
+ 687 Als de nood perst op het seerst,
+ Spreeckt de Vriend de waerheit eerst.
+
+ 688 In enge Herbergen en lange Wegen
+ Kent yeder eerst sijn met-gesel ter degen.
+
+ 689 Daer men geen verlies en vindt,
+ Moet men denken, dat men wint.
+
+ 690 Die Luyt is daer in handen van een Man,
+ Die 'r wel op spelen kan.
+
+ 691 Terwijl ick doe, terwijl ick segh,
+ Geraeckt'er een goed beetje wegh.
+
+ 692 't Is al vergeefs door 't Veld te gapen,
+ Daer valt geen keur in schorfde Schapen.
+
+ 693 Neemt maer ter herten uw Verdriet,
+ En moeyt u met eens anders niet.
+
+ 694 Siet Tijd en Plaets met sinnen[92] aen,
+ Verliesen kan voor winnen gaen.
+
+ 695 Ten minsten[93] is een Spijcker waerd,
+ By vriesend weêr, het heele Paerd.
+
+ 696 In dor Land is 't Water goed,
+ Of 't wat bracker is als soet.
+
+ 697 Paep[94], die geen oorlof eischt, en ingelaten wordt,
+ Of ghy hebt Gunst te veel, òf ghy komt Schaemt' te kort.
+
+ 698 't Magh in den Winter koud, 't magh in den Somer heet zijn,
+ Ick sie den Wijn altoos sijn Deckmantel gereet zijn.
+
+ 699 't Hoentjen light en schropt en schrapt,
+ En 't werdt van de Pip betrapt.
+
+ 700 't Is tegen regel en costuym,
+ Sijn Huyd te krabben met sijn Duym.
+
+ 701 Notaris en Barbier en Hoer,
+ Al ééne slagh en al één voer.
+
+ 702 Eerst in 't Boeck geschreven,
+ Dan uw Geld gegeven,
+ of
+ Eerst my Geld getelt,
+ Dan te Boeck gestelt.
+
+ 703 Schroomt niet voor Hout en Turf te geven,
+ Goet Vier is half des Menschen Leven.
+
+ 704 't Geweêr geplant
+ In een Sots hand:
+ Gevaer en straff'
+ Voor die 't hem gaf.
+
+ 705 Een Moolick[95], die noyt Wind en liet,
+ Bewaert soo veel Velds als hy siet.
+
+ 706 Dat's van de beste die men siet,
+ Die by 't Vier staet en brandt haer niet.
+
+ 707 De rechte Vrouw van waerden is,
+ Die dood en onder d'aerden is.
+
+ 708 Dat's recht een Bruyloftsgast te seggen,
+ Die met de Bruyd te bedd' gaet leggen.
+
+ 709 Het is een man, die Koningh heeten magh,
+ Die noyt en quam, daer hy een Koningh sagh[96].
+
+ 710 De Man komt lichtelick te voren,
+ Die doet daer toe hy is geboren.
+
+ 711 Dat is de beste slagh van Vrouwen die men vindt,
+ Die alle man vervolght, en niemand overwint.
+
+ 712 Het is somtijds een goede les:
+ Die Scheê en past niet tot _dat_ Mes.
+
+ 713 Daer ick te bedde ligh op mijn gemack,
+ Voert my de Duyvel vast van dack op dack.
+
+ 714 Souw niet ons goedje minderen?
+ Waer is 't oyt hooren seggen:
+ Wy waren dertigh kinderen,
+ En Grootmoêr gingh geleggen?
+
+ 715 En hebt noyt Jood noch Mon'ck te vriend,
+ Soo ghy een Vriend soeckt, die u dient.
+
+ 716 Een Mon'ck, die doet wat m' hem gebiedt,
+ Ontfanght van elck, en geeft noyt yet.
+
+ 717 Vier by Vier, Pot by Pot ten thoon,
+ En in die alle maer één Boon.
+
+ 718 Ick ben te Hoof gegaen, en was een groote Beest,
+ Een Esel ben ick nu, en heb te Hoof geweest.
+
+ 719 De Wind-hond, die veel Haes doet rijsen in het Veld,
+ Dat's dieder geen en velt.
+
+ 720 De soetste Vryens-tijd dien yemand kiesen kan,
+ Is als een Weduw komt van d'uytvaert van haer Man.
+
+ 721 Siet, wat een kostlick schoon uw Vrijster uyt kan maken:
+ 't Vel Goud-geel, Silver-haer, en Ooghjens van Scharlaken.
+
+ 722 Der trotsen yd'le waen
+ Geeft Bloeyssel, maer geen Graen.
+
+ 723 Stelt ghy u met uw klein ter neêr,
+ Terwijl een Sot soeckt na noch meer.
+
+ 724 Heel groote Stilt van Locht,
+ Beduydt aenstaende Vocht.
+
+ 725 De Karre draeght een grooten last,
+ Maer meer, die op de Karre past.
+
+ 726 Een Korentjen en vult geen Schueren,
+ Maer 't helptse vullen met sijn bueren.
+
+ 727 Dien God een kunstigh ambacht gaf,
+ Meest komter een Landlooper af.
+
+ 728 't Is een vermaeck'lick slagh van leven,
+ Wel t' eten en geen Geld te geven.
+
+ 729 't Is kunst te smeeren,
+ En niet verteeren.
+
+ 730 Verspaert wat voor den Ouderdom,
+ Soo vindt ghy 't, tegen dat hy komm'.
+
+ 731 God hoed' u voor den Duyvel en sijn poogen,
+ Voor Teerling werpen en voor Hoeren oogen.
+
+ 732 Die Man voor seker had een kloecken kop,
+ Hy schouwd' een' Vliegh, en at een Spinnekop[97].
+
+ 733 Schoon Getuygh en schoone Maen
+ Prijst den Hengst den kooper aen.
+
+ 734 Och, Vaêrtje! wordt ghy 't spel niet moê?
+ Daer krijght ghy noch een Dochter toe.
+
+ 735 Het Land-gebouw en spoeyt met allen niet,
+ Daerm' eerst de Son, en dan den Land-Heer siet.
+
+ 736 Wee ons, de Dood is van de Veegen
+ Met geen presenten te bewegen.
+ of
+ Wee ons, de Dood is niet t' ontgaen,
+ Sy neemt niet één presentjen aen.
+
+ 737 Liefde, Jacht, en Krijghs-gerucht:
+ Veel verdriets voor één genucht.
+
+ 738 Lust u geen onlust en verdriet,
+ Spreeckt van den Krijgh, en gaeter niet.
+
+ 739 Het luyste Peert van all',
+ Draeft wel omtrent den Stal.
+
+ 740 Daer de Steert voor henen gaet,
+ Deelt de Duyvel in de daed.
+
+ 741 Geeft my mijn Buycksken vol, en leght my sacht:
+ Vermoordt my, slaep ick niet den heelen nacht.
+
+ 742 'k Ben blinder als een blinde Man,
+ Soo 'ck door een Sift niet sien en kan.
+
+ 743 Een Geck is 't, die sich sterven doet
+ Om yets liefs, dat hy derven moet.
+
+ 744 Onthoudt dit, Knecht en Meissen[98]:
+ Wel dienen is wel eissen.
+
+ 745 Die dagh en nacht wil leven sonder pijn,
+ Gedenck' dagh dagh, nacht nacht te laten zijn.
+
+ 746 Niet een Mierken, of het heeft
+ Sijn geselschap, daer 't by leeft.
+
+ 747 Troetelt ghy de Katten, licht
+ Vliegen sy u in 't gesicht.
+
+ 748 Doet gh' een ander quaed,
+ Wacht het vroegh of laet.
+
+ 749 Laet u maer soet als Honigh vinden,
+ De Vliegen sullen u verslinden.
+
+ 750 Als de Koe in 't Veld, soo vat,
+ En behoudt dan, als een Kat;
+ Niet te bedencken, en te seggen,
+ Is schieten sonder aen te leggen.
+
+ 751 't Zijn recht de streken van een rekel op het land:
+ Den Steen te werpen en verbergen dan de Hand.
+
+ 752 Ick wenschte, dat dit een kloeck Raeder oversloegh:
+ Wat 's witte grond, swart Zaed, vijf Ossen aen een Ploegh?
+ (Geschrift.)
+
+ 753 Hebt ghy 't gequest, het Wilde Swijn,
+ 't Sal tegen u verbittert zijn,
+ En houden op van volgen,
+ Daer op het was verbolgen.
+
+ 754 De boose ergert van de straff,
+ De goede werdter beter af.
+
+ 755 De Dochter aen den Man gebracht:
+ Een vreemdelingh in haer geslacht.
+
+ 756 Kinders zijt gh', in[99] allen schijn
+ Sult ghy namaels Ouders zijn:
+ Slaet daer acht op, jonge lieden!
+ Soo ghy doet, sal u geschieden.
+
+ 757 Wy hebben noch niet eens het Kind,
+ En hebben 't al een naem versint.
+
+ 758 Soo gaet het meesten tijd:
+ Laet Soon, vroegh Ouders quijt.
+
+ 759 Daer ick Draed en Naelde weet,
+ Houd ick my voor half gekleedt.
+
+ 760 Zijn de Man sijn Haeren grijs,
+ Hy is oud, maer juyst niet wijs.
+
+ 761 Dien de Liefde sit in 't oordeel,
+ Trouwt sijn leven niet met voordeel.
+
+ 762 De Heer bewaer' my voor een man,
+ Die als een Vrouw-mensch klappen kan.
+
+ 763 Weest altoos verr' en schouw[100]
+ Van een ros Man en een-gebaerde Vrouw.
+
+ 764 Lieden, die van[101] jaeren zijn,
+ Alle daegh een niewe pijn.
+
+ 765 Eert eerelicke liên, op dats' u weder eeren;
+ Eerloos', op dats' uw' Eer niet in Oneer verkeeren.
+
+ 766 Een schoone goude Ringh,
+ Een onnut eerlick dingh.
+
+ 767 Eer en winst zijn quaê gebueren,
+ Om in éénen Sack te dueren.
+
+ 768 't Moy Meisjen maeckt de Keucken niet;
+ Maer 't goed Vyer, datm' haer stoken siet.
+
+ 769 De Sneew op 't Koorn te Velde doet het deughd[102],
+ Gelijck het Bont den Ouderdom verheught.
+
+ 770 By-haer-selfs-genoodde Vrinden
+ Konnen haest den Buyck vol vinden.
+
+ 771 Hy doet een heyligh werck, God magh 't sich wel erbarmen,
+ Die 't Vercken steelt, en geeft de Voeten aen den armen.
+
+ 772 Een Mans Memorie loopt te niet,
+ Gelijck een Slaef sijn Meester vliedt.
+
+ 773 Gescheurt Gelas[103], noch stille Zee,
+ En houden nemmermeer langh steê.
+
+ 774 Kiest het middel-pad voor allen,
+ En ghy hebt geen nood van vallen.
+
+ 775 Haet van Broeders onderlingh,
+ Haet van Duyvels, al een dingh.
+
+ 776 En weest niet geern noch Maeckelaer, noch Raed,
+ Aen een die trouwt, of in den Oorlogh gaet.
+
+ 777 Besneden Jood, geschoren Paep, noch Vrouwen,
+ Vergeven niet, soo langh sy wat onthouwen.
+
+ 778 Het Bad-stoof-water heeft gesworen,
+ Geen blanck te maken van de Mooren.
+
+ 779 Hael ick 't lijden selfs op my,
+ Meer als reden, dat ick 't ly'.
+
+ 780 't Raest, van den minsten tot den meesten,
+ In arme lieden Bruyloft-feesten.
+
+ 781 Als 't Huys gemaeckt is soo 't behoort,
+ Geraeckt de Baere voor de Poort.
+
+ 782 Een die geselschap soeckt, daermed' hy magh verkeeren,
+ Sal sijns gelijcke meer als meerder-man vereeren.
+
+ 783 Soo 't Schaep goedaerdigh is en tam,
+ 't Geeft alle Lammeren de Mamm'.
+
+ 784 't Kruys boven op 't gewaed,
+ De Duyvel in de daed.
+
+ 785 Wenscht, dat uws Vyands Goed mach zijn,
+ Of heel in Geld, of heel in Wijn.
+
+ 786 't Zij weinigh, of 't zij veel,
+ De Galgh raeckt aen haer deel.
+
+ 787 Al dat een lange Tongh bediedt,
+ Zijn korte Handen, en meer niet.
+
+ 788 Die 't Konijn vermoordt, diens is 't;
+ Maer den Haes hoort, die hem hist[104].
+
+ 789 Den Haes loopt krachtigh op sijn pad,
+ Maer meer den Wind-hond, die hem vat.
+
+ 790 Is my de Wolf te deegh bekent,
+ Soo is hy aen geen Touw gewent.
+
+ 791 De quade wonde kan genesen.
+ Het quaed gerucht kan doodlick wesen.
+
+ 792 Een Appel, die bedorven is,
+ Schent al wat in de korven is.
+
+ 793 De Logen is licht om betrappen,
+ Sy heeft geen Voeten om t' ontsnappen.
+
+ 794 Men vindt het Werck, naer dat men 't spint,
+ En naer men 't op brenght, vindt men 't Kind.
+
+ 795 Laet den Aep in zijde kleên;
+ 't Is een Aep en 't blijfter een.
+
+ 796 De Vrouw die vroed en zedig is,
+ Vervult een Huys, dat ledigh is.
+
+ 797 Een Vrouwtjen, opgeschickt als 't hoort,
+ Houdt haer Man van een anders Poort.
+
+ 798 't Wijf schickt haer op, en heeft een blinden Man,
+ Voor wien of 't wesen kan?
+
+ 799 Die haer Spinwiel 't minste jagen,
+ Siet men meest quaê Hembden dragen.
+
+ 800 Een oude Vrouw, die voor geen Pot kan strecken,
+ Dient eindlick noch om een Pot toe te decken.
+
+ 801 Vrouw, noch Hof, niet meer
+ Elck als éénen Heer.
+
+ 802 Soeckt na Vrouw en Peer die swijgen,
+ Beter zijnder geen te krijgen.
+
+ 803 't En is de selfde niet, maar een gelijcke saeck:
+ Den Pot kentm' aen den klanck, de Menschen aen de spraeck.
+
+ 804 De Straff is kreupel; doch
+ In 't ende komtse noch.
+
+ 805 Al is de Rotsteen noch soo herd,
+ De Beitel wint het, daer hy meê gekloven werdt.
+
+ 806 't Gevecht en een stuck Schilderijs,
+ Besiet van verr', en niet van bij's.
+
+ 807 Den Appel in droogh weêr, en 't Meisken in de kroegh,
+ Die rijpen elck om 't seerst, en elck al wat te vroegh.
+
+ 808 D' eerste Vrouw dient voor een slet,
+ En de tweede stelt de Wet.
+
+ 809 De Vloo die achter d'oore gaet,
+ Gaet met den Duyvel in beraed.
+
+ 810 Hoe meer een Kraey haer wascht, een Hoer haer meer verschoont,
+ Hoe d'eene vuyler werdt, en d'ander swarter thoont.
+
+ 811 Die eens een mis-slagh heeft gedaen,
+ En heeft niet meer als dien begaen,
+ En kosts'er twee doen, als sy wouw,
+ Houdt dat voor een geschickte Vrouw.
+
+ 812 Sy laet het op haer schoonheit staen,
+ Die in het Groen gekleedt derft gaen.
+
+ 813 Geleerd en geck is eenerhand,
+ 't En zij 't beleid van goed verstand.
+
+ 814 D' eerste sop en d' eerste Min,
+ Zijn de beste in mijn sin.
+
+ 815 De Spinkop laet een Rat door 't net,
+ Daer sy de Vliegen in beset,
+
+ 816 't Land, dat sijn selven niet kan decken,
+ Sal my geen decksel kunnen strecken.
+
+ 817 Verradery is soet;
+ Maer hy niet, diese doet.
+
+ 818 Hoe datm' een' Koe meer Melcks af treckt,
+ Hoe dat haer Uyer ruymer reckt.
+
+ 819 De Pepers ouderdom sit oude Neel in 't vel:
+ S' is rimpeligh en swart, en brandt noch evenwel.
+
+ 820 Verliest de Vrouw eens Schaemt en Eer,
+ Haer leven krijght sy die niet weer.
+
+ 821 't Zijn de jonge domme jaeren,
+ Die den ouderdom beswaeren.
+
+ 822 Al watmense te vooren set,
+ Maeckt Weewen en Kapuynen vet.
+
+ 823 Onder de gesloten Boecken
+ Moet ghy geen Doctoren soecken.
+
+ 824 Bijlen bijten Bijlen,
+ Vijlen vijlen Vijlen.
+
+ 825 God gev' u nemmermeer te smaecken
+ De wonden, die in 't Lidt geraecken.
+
+ 826 Ellendigh wedervaren:
+ Den heelen nacht gekraeckt en dan een Dochter baeren.
+
+ 827 God gev' my in de Herbergh t'huys te leggen,
+ Daer de Man al, de Vrouw niet[105] heeft te seggen.
+
+ 828 Geeft liever vijf als vier;
+ 't Onkostelick is dier.
+
+ 829 Het deughdelick gewin verdoetmen, en niet meer;
+ 't Ondeughdelick verdoet sijn selven en sijn Heer.
+
+ 830 Slijck by slijck,
+ Al gelijck.
+
+ 831 De May in 't slijck,
+ Augustus rijck.
+
+ 832 Het arghste van 't Proces, en dat my meest verwondert, is,
+ Dat een het eerst van hondert is.
+
+ 833 Is 't verloren, is 't verdaen,
+ 't Magh om Gods wil zijn gegaen.
+
+ 834 't Geen u ondienstigh is, en uw Vriend noodigh heeft,
+ Ghy doet hem geen gelijck, soo ghy 't hem niet en geeft.
+
+ 835 Dat mijn buerman eet,
+ Helpt my niet een beet.
+
+ 836 Vertrouwt niet alle winst te seer:
+ Al wat de Stroem geeft, neemt hy weer.
+
+ 837 Doet ghy de saeck niet vóór uw sterven,
+ Verwacht het veel min van uw Erven.
+
+ 838 Mijn antwoord seght niet veel, maer sluyt op sulcke vragen:
+ De Os en kan het niet[106], en daerom singht de Wagen.
+
+ 839 Een Man van reden heeft sijn welvaert in sijn Hand:
+ Al wat de Tijd souw doen, doet hy met sijn verstand.
+
+ 840 De Wolf heeft altijd sin
+ In 't doen van sijn' Wolvin.
+
+ 841 Alle ding van grooter waerde,
+ Komt van onder uyt de Aerde.
+
+ 842 Wat het Ooge niet en siet,
+ Dat en wenscht het Herte niet.
+
+ 843 't Allerheelsaemst in den Mond,
+ Maeckt de Bors wel ongesont.
+
+ 844 De Logen, die men 's Avonds giet,
+ Gaet 's anderdaeghs van selfs te niet.
+
+ 845 Dat Spiegels u te voren leggen,
+ En salm' u in den Raed niet seggen.
+
+ 846 Geeft niet uw' Man het nauwst bescheid,
+ Van wat men u in d' oore seît.
+
+ 847 Het slechte slijt ick geern met Vrienden en met hoopen,
+ Het beste weet ick licht met voordeel te verkoopen.
+
+ 848 Let op het volck, daer by ghy zijt geseten,
+ De laetste in 't wercken, zijn de voorste in 't eten.
+
+ 849 De Man, die 't sey, was niet bedrogen:
+ «Die sonder Vrouw is, hoeft veel oogen».
+
+ 850 In een spits mager Wijf is 't waer:
+ Langh en benauwt, als 't quade jaer.
+
+ 851 _Mameer_! wat isser toch in 't Hylick te bejagen?
+ _Ma Fille_! spinnen eerst, dan kramen, en dan klagen.
+
+ 852 Een oud versleten Hemd, een Moeder hoogh van dagen,
+ En werden noyt met schand gedragen noch verdragen.
+
+ 853 Siet, dat gh' een quaden Heer bewaert,
+ Soo krijght gh' er geen van quader aerd.
+
+ 854 De Vrouw, die met haer Meid dan jocken wil, dan kijven,
+ En sal noyt by die Meid met kijven yet bedrijven.
+
+ 855 't En voeght niet, Handen aen den Mond te steken,
+ Daer niet en is, om eten noch om breken.
+
+ 856 Seer qualick geeft,
+ Die niet en heeft.
+
+ 857 Lijden is vermaeck,
+ Mits het velen raeck'.
+
+ 858 Werdt een ouw' Hoere gram,
+ De Vloeck, die van haer komt, keert weêr van daer hy quam.
+
+ 859 't Goed is qualick by den Bloed,
+ Die geen Heer is van sijn Goed.
+
+ 860 Den Hond is waerd gestraft,
+ Die maer van vrees en baft.
+
+ 861 't Is quaed, een Sondaer werden,
+ En Duyvelsch, te volherden.
+
+ 862 Heet[107] al, Pieter! en gebiedt,
+ En doet self al wat ghy hiet.
+
+ 863 Beveelt, en laet het daer op staen,
+ Soo werdt[108] er niet met al gedaen.
+
+ 864 Doet selfs uw last,
+ Soo gaet ghy vast.
+
+ 865 Denckt, wie de droncke Trijn
+ 't Meêdoogen in haer sin gaf:
+ Sy kauwden al den Wijn,
+ Eers' hem de siecken in gaf.
+
+ 866 Daer's geen gerief te doen:
+ Vier menschen in één schoen.
+
+ 867 Een Os alleen kackt grooter hoop,
+ Als hondert Swal'wen over hoop.
+
+ 868 Doet geern, gelijck ghy moet doen:
+ Quaed doen kost meer als goed doen.
+
+ 869 Siet op de kinderen, die knickeren en koten:
+ 't Gerucht is meestendeel veel meerder als de Noten.
+
+ 870 De vrees bewaert den Wijngaerd meer,
+ Dan die hem waer neemt voor den Heer.
+
+ 871 Veel eten 's avonds helpt meer menschen aen haer Dood,
+ Dan menigh groot Doctoor kan helpen uyt den nood.
+
+ 872 Niet doet niet seer, Armoed is pijn;
+ 't Is beter niet als arm te zijn.
+
+ 873 Een Esel, die my draeght, is beter als een Paerd,
+ Dat my de zael uyt smijt, en tuymelt op der aerd.
+
+ 874 Een Geck weet meer tot sijnent, dan een Man,
+ Die wijs is, tot een ander weten kan.
+
+ 875 Hy doet een onvoorsichtigh werck,
+ Die Vyer meent uyt te doen met Werck[109].
+
+ 876 Daer zijn gedreighden en gewonden,
+ Maer d'eerste worden meest gevonden.
+ of
+ Dreigen is goed om verdragen,
+ Meer gedreighden dan geslagen.
+
+ 877 Een rijck Man heeft meer Goeds als hy ten achter teert,
+ Dan een behoeftige, die vast sijn Goed vermeert.
+
+ 878 De schijte-broeck, die Broeck en Hemd bedoet,
+ Heeft meer te seggen, dan die 't wasschen moet.
+
+ 879 Een Meisje treckt een Man
+ Meer dan een Touwtje kan.
+
+ 880 Twee Billen trecken meer in 't bedd' met haer geweld,
+ Als een paer Ossen voor de Ploegh doen in het Veld.
+
+ 881 Wacht u voor geweld van Vrouwen:
+ Memmen trecken meer als Touwen.
+
+ 882 Beter nucht'ren slapen gaen,
+ Als met schulden op te staen.
+
+ 883 Een Blanck[110] van Stroo is meer voor my,
+ Als een halv' Blanck van Wol of Zy.
+
+ 884 't Omschudden van een Hutspot, versch en warm,
+ Is beter als een Meisjen in den arm.
+
+ 885 Men magh al proncken met sijn niewe Goed,
+ Een oude Schoen gaet voor een schoonen Voet.
+
+ 886 't Is beter met een Esel in 't gekijf,
+ Als 't Hout te laden op sijn eigen lijf.
+
+ 887 't Is beter luy en leêgh gegaen,
+ Als vod-werck en geen deegh gedaen.
+
+ 888 't Is beter Vreemdelingh met rust,
+ Als by de sijne sonder lust.
+
+ 889 Al slijt ghy niet dan leuren,
+ Ontnaeyen gaet voor scheuren.
+
+ 890 't Is beter, sijn profijt in 't slijck gedaen,
+ Als in het Goud ten achteren gegaen.
+
+ 891 De roock is meer tot mijnent waerd,
+ Als 't Vyer is aen eens anders Haerd.
+
+ 892 Hoe goed een Vonnis wesen magh,
+ Noch beter is een quaed Verdragh.
+
+ 893 Een kruym van 's Koninghs Brood is beter als een kant,
+ Die my gegunt werdt door d'aensienlickste van 't Land.
+
+ 894 Een Arend in de vlucht, hoogh boven 't Land,
+ Is min waerd, als een Musken in de Hand.
+
+ 895 Beter quijt dat spijt',
+ Dan noch beter quijt.
+
+ 896 Al is 't den quister onbekent,
+ Goê Regel geldt meer als goê Rent.
+
+ 897 Beter eenigh, stil, en stom gaen,
+ Als met quaed geselschap om gaen.
+
+ 898 't Is beter onbekent, twee Horens op het hoofd,
+ Als datm'er geenen draeght, daer't yeder een gelooft.
+
+ 899 Troost u met uw kind,
+ Beter slim als blind.
+
+ 900 Een stuck Rund-vleesch met vrede in huys,
+ Gaet voor Capoenen met Verjuys[111].
+
+ 901 Warens' in mijn keur gestelt,
+ 'kWeet wel wie my liefste waer:
+ Of een oud Wijf met schoon Geld,
+ Of een jonge met schoon Haer.
+
+ 902 Een wijs Mans éénen dagh is waerdiger verheven,
+ Als heel een Geck sijn Leven.
+
+ 903 Veel weet de Rat,
+ Veel meer de Kat.
+
+ 904 De Vosch is loos, en is 't heel seer;
+ Maer die hem vanght, is 't noch veel meer.
+
+ 905 Vele kussen sulcke Handen,
+ Die sy liever sagen branden.
+
+ 906 Het is soo dienstigh en soo licht:
+ Op qualick spreken goed bericht.
+
+ 907 Een snapster snapt van allegaêr,
+ En yedereen snapt weêr van haer.
+
+ 908 Een schoon Waerdin, in Stadt of Land,
+ Zijn Druyven aen den Wegh geplant.
+
+ 909 Sy leeft alsofs' een Kickvorsch waer,
+ Sy drinckt en kaeckelt, mijn Gevaêr[112].
+
+ 910 Daerm' u berecht met honigh-woorden,
+ Past op uw beurs en op haer koorden.
+
+ 911 Daer men 't Jock in 't Veld siet gaen,
+ Moet de Spin-rock thuys niet staen.
+
+ 912 Dewijl 't de Wijse overslaen,
+ Soo heeft de Geck het werck gedaen.
+
+ 913 Ghy mooght my in mijn Goed benouwen,
+ Mijn Eer moet ghy my laten houwen.
+
+ 914 Mijn Soonens Kin magh wel behaeren,
+ Maer Kinderen sal hy niet baeren.
+
+ 915 Die voor hem siet,
+ Valt achter niet.
+
+ 916 Mijn drincken weet elck een die 't siet,
+ Maer mijnen dorst en siet men niet.
+
+ 917 Als ick mijn sin magh doen,
+ 'k Heb liever nu het Ey, als morgen vroeg het Hoen.
+
+ 918 Inkoop van Kaes en van Meloen,
+ Is alles by 't gewicht te doen.
+
+ 919 Den Hond bequispelsteert u noot[113]
+ Om uwent wil, maer om uw Brood.
+
+ 920 't En is somwijlen niet vergist:
+ De Wijn is arger als de Gist.
+
+ 921 Ghy lieght al, Maertje lief!
+ Als 't opschrift van een Brief.
+
+ 922 Sijn herssenen sijn seer gekrenckt,
+ Die denckt, dat niemand anders denckt.
+
+ 923 Van den Steegen[114] en den Sot,
+ Vult den Advocaet sijn pot.
+
+ 924 Vrouw of Hond en kan noyt missen,
+ Waer af[115] schreyen of af pissen.
+
+ 925 De Mist om hoogh,
+ Noyt onder droogh.
+
+ 926 Teeckent niet, of leest eerst wat;
+ Drinckt niet, of besiet het nat.
+
+ 927 Noyt Vrijster leelick, vuyl, of oud;
+ Noyt onfatsoenlick werck van Goud.
+
+ 928 Wenscht om geen Wijf soo schoon, noch soo afgrijsselick,
+ Dat yemand om haer sterv', of yemand om haer schrick'.
+
+ 929 Daer en waer geen grooten Heer,
+ Warender geen kleine meer.
+
+ 930 Hagel-jaren, goede jaren,
+ Maer wee, diense wedervaren!
+
+ 931 Daer kan geen scherper Pijnbanck zijn,
+ Als is de Pijnbanck van de Wijn.
+
+ 932 De beste Chirurgijn
+ Moet wel doorsneden zijn.
+
+ 933 Geen Spiegel, die ons beter dient,
+ Als het vermaen van een oud Vriend.
+
+ 934 Het jocken, dat het swaerst is,
+ Is 't jocken, dat het waerst is.
+
+ 935 Geen snooder Doov' geboren,
+ Dan die niet en wil hooren.
+
+ 936 Wel-dienens soete Toovery
+ Gaet alle Toovery verby.
+
+ 937 Den Haerd viel nauw voor 't huys-gesin,
+ Noch woûd' er mijn Wijfs Vader in.
+
+ 938 Spreeckt geen quaed van 't Jaer,
+ Als in 't Jaer daer naer.
+
+ 939 Het Hincken van den Hond, en 't schreyen van de Vrouwen,
+ Is niet veel te betrouwen.
+
+ 940 't Is een regel, die kan missen:
+ Met een Kluyt-boogh willen vissen.
+
+ 941 De Leeuw is niet soo fel van hert,
+ Als hy wel uytgeschildert werdt.
+
+ 942 'k Meen vóór morgen
+ Niet te borgen.
+
+ 943 God heeft hem niet gemaeckt,
+ Daer hy niet over waeckt.
+
+ 944 't En is den ouden Man sijn vyand niet,
+ Die hem sijn Avond-kost steelt of verbiedt.
+
+ 945 Vreest voor geen quaed,
+ Soo ghy 't quaed laet.
+
+ 946 Noyt heefter mensch geleeft,
+ Die niet gefeilt en heeft.
+
+ 947 En laet u met geen' Bulleback verveeren,
+ De Kraey en is niet swarter als haer' veeren.
+
+ 948 Daer 's aen Truyten[116] niet te raecken,
+ Sonder Broecken nat te maecken.
+
+ 949 't Is juyst niet voor een Man te gissen,
+ Al watter aen den wand kan pissen.
+
+ 950 'k En ben niet als de Stroomen,
+ Om noyt te rug te komen.
+
+ 951 God geev', uw ongeluck zij noyt soo groot,
+ Als heel veel Kind'ren en heel weinigh Brood.
+
+ 952 Wilt ghy niet wegh, ick segh niet dat ghy 't doet;
+ Maer salter soo nae maecken, dat ghy moet.
+
+ 953 Noyt en zy daer schrick gevonden
+ In uw Hert, als voor de Sonden.
+
+ 954 't Land en hoeft het net te hopen,
+ Daer de wielen best in loopen.
+ (Drooghte)
+
+ 955 En wacht noyt van een ander man,
+ Het geen door u geschieden kan.
+
+ 956 Wat datter blijck' of niet en blijck',
+ Die wegh is, en heeft noyt gelijck.
+
+ 957 Biedt men meer als ick bedingh,
+ 't Is een slagh van weigeringh.
+
+ 958 Is 't Sout in den Pot vergeten,
+ Maeckt staet, daer en is niet t'eten.
+
+ 959 Daer hooren and're saecken
+ Ter Tafel, als wit Laecken.
+
+ 960 Hoort, Slapers, die aen 't Bedde kleeft als Peck,
+ De Luyheit is de Sleutel van 't Gebreck.
+
+ 961 Het Gast-mael is gedaen,
+ De Waerd, de Geck, blijft staen.
+
+ 962 Ghy mooght wel, is verby; ghy woudt wel, is gekomen;
+ Doe was de Wil van huys, nu is de Macht benomen.
+
+ 963 Wy dencken soo seer waer wy gaen,
+ Dat wy vergeten, waer van daen.
+
+ 964 Een Hengelaer van sijn bewind,
+ Kan veel meer eten dan hy wint.
+
+ 965 Een Hond die bast en heeft geen kracht,
+ Heeft wel te vreesen voor sijn vacht.
+
+ 966 Steen uyt de Hand
+ En komt niet weêr;
+ Woord uyt den Tand
+ Oock nimmermeer.
+
+ 967 Recht of onrecht, hoe het zy,
+ Hebt den Schryver op uw zy.
+
+ 968 Wenscht hem Proces en Pis-gelas[117],
+ Die ghy wenscht, dat bedorven was.
+
+ 969 Die langhsaem gaet, gaet verr',
+ Die loopt, raeckt licht om ver.
+
+ 970 Stelt ghy u Goed te recht daer een hoop Rechters sit,
+ Den eenen dunckt het rood, den and're keurt het wit.
+
+ 971 't Gepresen koos ick voor 't bekende,
+ En vond my vol berouws in 't ende.
+
+ 972 Ofm' al vroegh uytten bedde komm',
+ 't En daeghter niet te vroeger om.
+
+ 973 Hoe datter Wind en Weêr uyt siet,
+ Verlaet den Wegh voor 't By-pad niet.
+
+ 974 Weest niet te graegh na niewe maren,
+ Sy sullen metter haest verjaren,
+ En ghy sult weten, hoese waren.
+
+ 975 Al is het Schuytje swack op 't Veer,
+ Het doet nog wel een tochtje meer.
+
+ 976 Een Pand dat eten kan,
+ Aenvaerde Vrouw noch Man.
+
+ 977 Een Deur, die ongesloten staet,
+ Bekoort een heiligh Man tot quaed.
+
+ 978 Dewijl ick niet en weet, en u niets is verborgen,
+ Ick bid u: seght my eens, wat droomd' ick heden morgen?
+
+ 979 Wat meer hier en wat meer daer,
+ Alle Wol en is maer Haer.
+
+ 980 Alser Druyven zijn en Vijgen,
+ Moet gh' uw' Winter-kleêren krijgen.
+
+ 981 Als een[118] de Sterren telt,
+ Behouden sy het veld.
+
+ 982 Belieft het God den Heer,
+ Het regent wel met allen Wind en Weêr.
+
+ 983 Belieft het God den Heer,
+ Het regent in schoon Weêr.
+
+ 984 Al slapende maeck ick my moê;
+ Wat meent ghy, dat ick gaende doe?
+
+ 985 Belooft de Roover Wasch[119] en Missen op 't Autaer,
+ Voor seker, de Galey[120] is in een groot gevaer.
+
+ 986 Indien de kreupele van Min vergaet,
+ Wat sal hy die niet kreupel gaet?
+
+ 987 Soo de Duyvel bidt, maeckt staet,
+ Dat hy u bedriegen gaet.
+
+ 988 Daer de Vijsel is aen 't gaen,
+ Komt een lecker Noen-mael aen.
+
+ 989 Als de Wolf rooft op sijn best,
+ Jaeght hy verre van sijn nest.
+
+ 990 Eer de Geck verdragen[121] zy,
+ Is de Merckt al langh verby.
+
+ 991 Een Dood-kist voor den ouden Man,
+ Soo haest hy niet meer drincken kan.
+
+ 992 Wanneer de Boer sit op den Muyl,
+ Soo kent hy God, noch mensch, den uyl.
+
+ 993 Als in huys de Dienstmaeghd swilt,
+ En in 's menschen lijf de Milt,
+ En des Koninghs bors in 't Rijck,
+ Gaen de dingen misselijck.
+
+ 994 Wil Onheil in slaep geraecken,
+ Laet het niemand wacker maecken.
+
+ 995 Als 't regent, regent het, als 't sneeuwt, soo sneeuwt het; maer
+ Als 't waeyen wil, soo is 't het quaedste Weêr van 't Jaer.
+
+ 996 Als w'ons duncken meest behouwen,
+ Is 't geluck minst te betrouwen.
+
+ 997 Die Goud-guldens-verw' kan pissen,
+ Kan licht de Doctoren missen.
+
+ 998 In 't breken van de Maen,
+ Laet al het zaeyen staen.
+
+ 999 Als 't God niet en gebiedt,
+ Vermagh de Heiligh niet.
+
+1000 Doew'u geerne namen,
+ Hietenw' u _Madame_, en
+ Nu gh' ons hebt gerieft,
+ Al soo 't ons gelieft.
+
+1001 Is de buyck met pijn beseten,
+ Laet den aers de tijdingh weten.
+
+1002 Als elck u voor een Esel groet,
+ Soo schreeuwt, gelijck een Esel doet.
+
+1003 Vindt gh' een mallen Geck van aerd,
+ Houdt u of ghy 't selver waert.
+
+1004 De Lont verschijnt altijd
+ Met schad' en geen profijt.
+
+1005 Soo ghy siet uw Huys staen branden,
+ Gaet'er by, en warmt uw Handen.
+
+1006 Wil d'eene Wolf den and'ren vreten,
+ Soo valt'er niet in 't Bosch om t'eten.
+
+1007 Al wat ghy weet, en segget niet,
+ En oordeelt niet al wat ghy siet;
+ Dat sal u geven
+ In vreê te leven.
+
+1008 Als s' in doncker werdt getelt,
+ Gaet de Haegh-munt[122] voor goed geld.
+
+1009 Die Prophesie is goed te spreken:
+ Het Touw sal op sijn dunste breken.
+
+1010 Doet d'oorsaeck uyt den wegh,
+ Soo raeckt de Sonde wegh.
+
+1011 Kaecken sonder Baerd
+ Zijn geen eere waerd.
+
+1012 Wat waer het stelen een vermaecklick dingh,
+ Als m'aen den Riem[123], niet aen de Keel en hingh?
+
+1013 Die wel dient, en eischt niet veel,
+ Al sijn dienst is achterdeel[124].
+
+1014 Wat een hoop korens, wat een schat,
+ Als m' hem niet op gegeten had!
+
+1015 Hebt gh' een goed Kind,
+ Gh' hebt een goed Vrind[125].
+
+1016 Wat men seît, of niet en seît,
+ Past ghy maer op uw beleid!
+
+1017 Op Doornen zaeyen
+ Volght Distels maeyen.
+
+1018 Dient ghy twee Heeren in 't gemeen,
+ Voor seker, ghy bedrieghter een.
+
+1019 Spouwt naer den Hemel als een geck.
+ Het valt u selver op den beck.
+
+1020 Die maer dreight en grijpt niet reê,
+ Heeft er een, en wacht er twee.
+
+1021 Die maer wenckt en niet en slaet,
+ Weet dat hy in vreese staet.
+
+1022 Die den Doctoor wil voor sijn Bedde derven,
+ Of hy ontkomt, óf God selfs doet hem sterven;
+ Die den Doctoor te hulp haelt in sijn leed,
+ Raeckt in Beuls hand, en 't is maer wel besteedt.
+
+1023 Door een trouw vriendelick vermaen,
+ Brengt m' yemand hulp, geen oneer aen.
+
+1024 Die te dickwijls wil Soldaten,
+ Laet' er 't Vel of sal 't er laten.
+
+1025 Licht dien ghy my bespotten siet,
+ En siet op sijn gebreken niet.
+
+1026 Die het snot veeght van mijn Soon,
+ Geeft m' een soentjen aen mijn koon.
+
+1027 Die sijn raed alleenigh sluyt,
+ Treckt sijn Haer alleenigh uyt.
+
+1028 Die sijn Vyand weinigh acht,
+ Werdt er licht van omgebracht.
+
+1029 Die sijn Hond soeckt dood te smijten,
+ Moet hem eerst voor dol uyt krijten.
+
+1030 Die door een Naelden-oogh verspiedt,
+ 't Gebeurt, dat hy sijn hertseer siet.
+
+1031 Al is het Schuytje swack op 't Veer,
+ Het doet nog wel een tochtje meer.
+
+1031 Die op de Sop[126] drinckt over malen[127],
+ En hoeft geen Doctor in te halen.
+
+1032 Die mint met rechte Min,
+ Stelt langhsaem uyt den sin.
+
+1033 Die het Spinnewiel wel jagen,
+ Konnen myme Hembden dragen.
+
+1034 Indien ghy goê koop soeckt te koopen,
+ Soeckt kaele Gecken te beloopen.
+
+1035 Hy antwoordt in goê woorden,
+ Die eerst ter degen hoorden.
+
+1036 Die sijn Lief wel heeft besint,
+ Siet van verr' die hy bemint.
+
+1037 Die 't goed besit en 't quaed wil vinden,
+ Gae sich op een Galey[128] verbinden.
+
+1038 Die 't goed besit en 't quaed wil kiesen,
+ En klaegh' niet, moet hy 't goed verliesen.
+
+1039 Die met den Spotter spot, voorwaer
+ Verdient een aflaet van veel jaer.
+
+1040 Hy sweegh niet, die nu niet en spreeckt,
+ Verkreegh hy maer, dat hem gebreeckt.
+
+1041 Met singen kan men plagen
+ Verschricken en verjagen.
+
+1042 Die van liefde trouwt, moet wachten
+ Quade Dagen en goê Nachten.
+
+1043 Die in een Koe-stront heeft gebeten,
+ Soû licht'lick van een Taertjen eten.
+
+1044 Die van geleent Geld werdt gevoedt,
+ Eet uyt sijn eigen sack sijn Goed.
+
+1045 Die's Koninghs Koe gegeten heeft,
+ Sie vry wel toe, soo langh hy leeft:
+ Men sal hem onderhalen,
+ En over hondert Jaer de Beenen doen betalen.
+
+1046 Steeckt veel klein Viskens in den mond,
+ Soo eet ghy veeler aersen stront.
+
+1047 Die wat eet en wat laet staen,
+ Kan twee mael ter tafel gaen.
+
+1048 Die 't Vleesch heeft wegh gedragen,
+ Magh oock de Beenen knagen.
+
+1049 Die een Peerd derft koopen,
+ Koopt sich sorgh met hoopen.
+
+1050 Die al koopt dat sijn gerief is,
+ Moet verkoopen dat hem lief is.
+
+1051 Die daer koopt en weêr verkoopt,
+ Voelt niet, hoe sijn Goed verloopt.
+
+1052 Die sich in spotterny van oude liên vermaeckt,
+ Eerst lacht hy; maer het volght, dat hy aen 't schreyen raeckt.
+
+1053 Met kinderen te Bedd' te gaen,
+ Is om bescheten op te staen.
+
+1054 Met Honden in sijn Bedd' gegaen,
+ Is met de Vloyen opgestaen.
+
+1055 Die jongh gedierte queeckt en voedt,
+ Vermeerdert nacht en dagh sijn Goed.
+
+1056 Hy heeft seer wel verkocht, die wel gegeven heeft,
+ Soo 't maer geen Geck is dien hy geeft.
+
+1057 Die voor sijn sterven,
+ Sijn Goed wil derven,
+ Maeck' sich gereed
+ Tot alle leed.
+
+1058 Die wat Hand-giftjens kan doen smaecken,
+ Weet van sijn onrecht recht te maecken.
+
+1059 Die wil schuylen onder 't Blad,
+ Maeckt sich selven tweemael nat.
+
+1060 Die 's Winters Vogels jaeght, en Somers zoeckt naer Nesten,
+ Heeft voor sijn bueren noyt veel Korenwerck ten besten.
+
+1061 Werd ick van voren Heer, van acht'ren Geck genaemt,
+ Hy vreest my die het doet, of is voor my beschaemt.
+
+1062 Sieck van sottigheit te wesen,
+ Valt seer langhsaem om genesen.
+
+1063 Die geene vrienden by en staet,
+ Moet weten, dat hem God verlaet.
+
+1064 Die veel leeds is gewoon te smaecken,
+ Een weinigh goeds kan hem vermaecken.
+
+1065 Weest noyt haestigh, Man noch Vrouw!
+ Kort beraed maeckt langh berouw.
+
+1066 Hy, die het Goed deelt onder veel,
+ Heeft altemet het quaedste deel.
+
+1067 Een vriend van alle man gelijck,
+ Of is heel arm òf is heel rijck.
+
+1068 Die Pieter schuldigh is, en geeft Andries sijn Geld,
+ 't Is reden, dat hy 't noch eens telt.
+
+1069 Die ten eersten niet kan kacken,
+ Sit wel tweemael op sijn hacken.
+
+1070 Die voor den grooten Wegh den bywegh kiest, is dom:
+ Hy meent het vordert Wegh, en wandelt veel Weghs om.
+
+1071 Die veel Gelds op een wil hoopen,
+ Moet veel gins en weder loopen.
+
+1072 Weest van Geld en Brood gerieft,
+ En ghy trouwt waer 't u belieft.
+
+1073 Die niet kan swijgen dat hem raeckt,
+ Denckt, hoe hy 't met een ander maeckt.
+
+1074 Die slechtst van de Merrie praet,
+ Is hy diese koopen gaet.
+
+1075 Die 't Water in de Flesch met eenen slagh wil stouwen,
+ Verstort'es[129] ongelijk meer, dan d'er blijft behouwen.
+
+1076 Die den Ezel prijsen kunnen,
+ Moet men sulcken Soontjen gunnen.
+
+1077 Die d' Olie met de maet uyt meet,
+ Besmeert sijn handen eer hy 't weet.
+
+1078 Die light en schrijft op alle Wanden,
+ Heeft Wind in 't Hoofd, en in sijn Handen.
+
+1079 Die sijn leên rust op een Steen,
+ Werdt een Steen door al sijn leên.
+
+1080 Die in een Jaer veel rijckdoms meent t'erlangen,
+ Werdt menighmael op t halve Jaer gehangen.
+
+1081 Die een vriend is van den Wijn,
+ Moet sijn eigen vyand zijn.
+
+1082 Die Hoornen draeght, en is te vreden,
+ Draegt eewigh Hoornen, en met reden.
+
+1083 Dien het Geluck wat mede gaet,
+ De minste Mier komt hem te baet.
+
+1084 Die een struyck'lingh doet,
+ Valt hy niet, hy spoedt.
+
+1085 Die verlieft is op een wesen,
+ 't Leelick dunckt hem schoon te wesen.
+
+1086 Die wat spaert, die heelt wat,
+ Die wat mest, die keelt wat.
+
+1087 Hebt ghy Dienaers in uw Hof,
+ Gh' hebt Vyanden, met verlof.
+
+1088 Moet gh' aen den Honds gat met een' kus,
+ Soo doet het liever nu als flus.
+
+1089 Wilt ghy hebben datm' u dien',
+ Weest met lijdsaemheit versien.
+
+1090 Komt u een kranckheit aen, en zijt gh' er aen gewent,
+ Soo brenghts' u aen uw end.
+
+1091 Die wat bevallick is van wesen,
+ Hoeft nergens vreemdelingh te wesen.
+
+1092 Een pijnelicke Tand,
+ Quaed Maeghschap by der hand.
+
+1093 Die doende naer sijn lusten hoort,
+ En doet niet altoos wat hy hoort[130].
+
+1094 Die de saecken uyt moet rechten,
+ Heeft goed recht tot goê gerechten.
+
+1095 Die voor 't Gemeen slaeft met verdriet,
+ Slaeft eigentlick voor niemand niet.
+
+1096 De Man en heeft my niet bedrogen,
+ Die my geswoor'n heeft en gelogen.
+
+1097 Die met den Honigh om wil gaen,
+ Hem hanght'es[131] veel of weinigh aen.
+
+1098 Die de Peere meest veracht,
+ Is hy dieder meest na tracht.
+
+1099 Die 't al ten nauwsten overleît,
+ En leeft noyt in gerustigheit.
+
+1100 Die uyt sijn buermans Pot sich selven soeckt te kroppen,
+ En moet de Potten van sijn eigen haerd niet stoppen.
+
+1101 Die ver van huys om trouwen is getogen,
+ Of hy bedrieght òf hy werdt self bedrogen.
+
+1102 Die den Offer heeft t'ontfangen,
+ Magh de klock doen bingebangen[132].
+
+1103 Die wat vroeghjes doet sijn best,
+ Vindt den Vogel in sijn Nest;
+ Die wat langh wil blijven slapen,
+ Sal op 't leêge Nest staen gapen.
+
+1104 Die sijn Bedde qualick maeckt,
+ Light'er moeylick in en waeckt.
+
+1105 't Luydt hem heel wel in sijn ooren,
+ Dien wy qualick singen hooren.
+
+1106 Die met sijn Deegh speelt onderst boven,
+ Treckt scheeve Brooden uyt den Oven.
+
+1107 Komt een[133] geen qualick vaeren toe,
+ Hy werdt de Weelde selver moê.
+
+1108 De Mensche siet
+ Na sijn verdriet.
+
+1109 Die wat seers heeft aen sijn Bil,
+ Sit niet stil
+ Als hy wil.
+
+1110 Die by qualick nemen leeft,
+ Weet dat hy noch arger geeft.
+
+1111 Die meest laedt in de Schuyt,
+ Haelt oock het meest daer uyt.
+
+1112 Die pissende niet éénen wind en schiet,
+ Gaet op het Hof, en siet de Koningh niet.
+
+1113 Die al te langh in 't Bedde broedt,
+ Verliest sijn en een anders Goed.
+
+1114 Die veel speelt met Tongh en Kaecken,
+ Komt wel eens het punt te raecken.
+
+1115 Die in sijn Bedd' gaet met veel Wijn,
+ Kan 's morgens niet Brood-lustigh zijn.
+
+1116 Die op den Mis-hoop is geboren,
+ Sal noyt na beter wooningh hooren.
+
+1117 Die als een Geck op 't quaed wil slaen,
+ Sal als een Geck ter Hellen gaen.
+
+1118 Die eerst weigert en dan doet,
+ Soeckt na vred' in sijn gemoed.
+
+1119 Die geen Goten wil verstellen,
+ Moet het aen 't heel Huys ontgellen.
+
+1120 Sijn Wijf en is hem niet veel waerd,
+ Die niet een Spel raept van der aerd.
+
+1121 Die de kleine niet en willen,
+ Straffen oock geen groote Billen.
+
+1122 Die voor sijn Moeder maeckt den dooven,
+ Moet een quaê stief-moêr wel gelooven.
+
+1123 Dien eene reis niet af kan keeren,
+ De thien en sullen 't hem niet leeren.
+
+1124 Die geen Narrerij en doet,
+ Draeght geen pluymen op den Hoed.
+
+1125 Doet gh' uw' woord niet,
+ God en hoort niet.
+
+1126 Weet, dat hy sonder eere leeft,
+ Die onder hem geen minder heeft.
+
+1127 't Schijnt, datter wat aen lieght,
+ Als Joncker niet en lieght.
+
+1128 Wie m' in mijn sieckte niet en kenn',
+ Kuss' mijn aers, nu 'k genesen ben.
+
+1129 Die Reden hoort en kan verachten,
+ Daer is geen Reden af te wachten.
+
+1130 De Man verdwijnt,
+ Die niet verschijnt.
+
+1131 Daer noyt werdt ingebracht en altoos uyt genomen,
+ Salm' eens te gronde komen.
+
+1132 Die noyt en heeft gewaeght,
+ Heeft d'armoê noyt verjaeght.
+
+1133 Die sich niet geern en wilde wagen,
+ Laet sich van Paerd noch Muylen dragen.
+
+1134 Die noyt kan eisschen en doen geven,
+ Had noyt verstand van wel te leven.
+
+1135 Die maer een Hembd en kan verplegen,
+ Valt alle Saterdagh verlegen.
+
+1136 Hebt ghy geen Honigh opgedaen,
+ Soo laet hem uyt uw' Lippen gaen.
+
+1137 Betrouwt hem niet veel Gelds te leenen,
+ Die 's Winters gaet met bloote beenen.
+
+1138 Hebt ghy lust na tijdverdrijf,
+ Reedt een Schip, of neemt een Wijf.
+
+1139 Die Schulden afleght uyt sijn' Kas,
+ Werdt soo veel rijcker als hy was;
+ Als ick mijn schulden af betael,
+ Verbeter ick mijn Kapitael.
+
+1140 Die aen Visch wil raecken,
+ Heeft sich nat te maecken.
+
+1141 Zyt gh' op een weinigh Lands geseten,
+ Ghy mooght het met u schreden meten.
+
+1142 Die Arm is, wil al 't Maeghschap wijcken,
+ En elck is Maeghschap van de Rijcken.
+
+1143 Die niet veel Gebeedjens kan,
+ Scheit' er in een omsien van.
+
+1144 Die weinigh heeft en 't weinigh geeft,
+ 't Berouwt hem, soo hy weinigh leeft.
+
+1145 Die het Note-boomken plant,
+ Wacht de vrucht niet in sijn Tand.
+
+1146 Die ghy om-weeghs-wijs hoort spreken,
+ Denckt--daer kunstjens achter steken.
+
+1147 Die vraeght, wat hy niet vragen soû,
+ Moet hooren, dat hy niet en woû.
+
+1148 Die vraeght, en doet niet mis,
+ Soo 't geen mal vraegen is.
+
+1149 Leent een wat hy heeft vergaêrt,
+ 't Kost hem haeren uyt sijn Baerd.
+
+1150 Die leent, en krijght niet weêr, of, krijght hy weêr, niet al;
+ Of krijght hy 't al, niet soo, of krijght hy 't, by geval,
+ Soo goed weêrom als doen hy 't gaf--Hy krijghter een dood-vyand af.
+
+1151 Die sijn Oogh haest wil genesen,
+ Moet sijn Hand gebonden wesen.
+
+1152 Die nemende wil leven,
+ Voeght altemet te geven.
+
+1153 Die geerne voordeel deê,
+ Lev' in de laeght', of op een Haven van de Zee.
+
+1154 Die uyt siet naer een schoone Vrouw,
+ Die gaese liever soecken
+ In Saterdaeghse doecken,
+ Als Sondaghs op een Ondertrouw[134].
+
+1155 Die langh oud wil zijn met sinnen[135],
+ Moet het al wat vroegh beginnen.
+
+1156 Soeckt gh' eerst vermaeck en dan gequel,
+ Schrobt maer uw' Huyd, ghy vindt het wel.
+
+1157 Hebt gh' uw gesontheit lief, slaet acht op desen raed:
+ Eet 's Middaghs matigh, en des Avonds niet te laet.
+
+1158 Soeckt gh' een dingh, dat u verwondert,
+ 's Menschen Hert is 't onder hondert.
+
+1159 Lust u een Geck te deegh te groeten,
+ Hy is een Beest, seght, met twee voeten.
+
+1160 Lust u een Boer te sien verlegen en vermant,
+ Geeft hem een Keers in d'een', een Ey in d'ander Hand.
+
+1161 Betrouwt den Dief uw saecken,
+ Soo gh' hem getrouw wilt maecken.
+
+1162 Wilt ghy gevolght zijn van den Hond,
+ Geeft hem een stuck broods in den mond.
+
+1163 Die boos is in sijn Land,
+ Is boos aen alle kant.
+
+1164 Sy scheppen 't Water in de Seven,
+ Die al te licht geloove geven.
+
+1165 Gaet een te Bedde sonder eten,
+ Hy sal noyt recht van rusten weten.
+
+1166 Die krackeel maeckt op een Feest,
+ Was, en is, en blijft een Beest.
+
+1167 Die sich kleedt in slechte waer,
+ Kleedt sich tweemael in een Jaer.
+
+1168 Die 't Sand-pad ploegen wil, en zaeyen in den Wegh,
+ Vermoeyt sijn Ossen maer, en werpt sijn Koren wegh.
+
+1169 Die altijd acht op 't end wil slaen,
+ Sal noyt een groote daed bestaen.
+
+1170 Die naer een saeck tracht in 't geheel,
+ Of krijghtse soo of voor een deel.
+
+1171 Die een quaed Man ten dienste staet,
+ Doet of hy 't Saed wierp op de Straet.
+
+1172 Die alleenigh eet sijn Maelen,
+ Moet sijn Paerd alleenigh zaêlen.
+
+1173 Al die sijn Wagen smeert,
+ Verlicht òf Os òf Peerd.
+
+1174 Die sijn Vyand weinigh acht,
+ Werdt er noch van omgebracht.
+
+1175 Die maer en lijdt,
+ Wint metter tijd.
+
+1176 Die sijnen aers te huer uyt geeft,
+ En sit niet, als hy 'r lust toe heeft.
+
+1177 De Tijd spilt sonder nood,
+ En sonder nut of wit,
+ En let niet op de Dood,
+ Die op sijn schouders sit.
+
+1178 In een oud vel
+ Trouwt niemant wel.
+
+1179 Die al te laet is opgestaen,
+ Moet al den dagh een drafjen gaen.
+
+1180 Die u meer vriendschaps doet als voren, 't kan niet liegen,
+ Of hy heeft u van doen, òf hy wil u bedriegen.
+
+1181 Waer hebt ghy 't lappen van oûw kleêren af geleert?
+ Van weinigh Broods en veel klein' Kind'ren om den heerd.
+
+1182 Al die Tijd heeft en wacht na Tijd,
+ De Tijd sal komen, dat 't hem spijt.
+
+1183 Die een Mond heeft is een dwaes,
+ Seght hy tegen yemand: «blaes!»
+
+1184 Die Kinders voedt en Schapen weidt, heeft klachten
+ Van wederzijds te wachten.
+
+1185 Die met de Lans rijdt in de Hand,
+ Besit sijn en een anders Land.
+
+1186 Die Schapen heeft te tellen,
+ Is oock versien van Vellen.
+
+1187 Die aen den voet van een Altaer kan raecken,
+ Heeft altijd Brood, en hoeft geen Deegh te maecken.
+
+1188 De Vier heeft en wil Vijf verteeren,
+ Kan Bors en Borseken ontbeeren.
+
+1189 Die 't leven een uer kan verlangen[136],
+ En komt sijn leven niet te hangen.
+
+1190 Die den Degen draeght op zy,
+ Draeghter oock de Vrede by.
+
+1191 Komt yemand met quaê tijdingh by,
+ Al is 't hem leed, sy maeckt hem bly.
+
+1192 Die niet een dronck doet op 't Salaet,
+ En weet niet wat hy goeds verlaet.
+
+1193 Die oud is, en werdt weder vet,
+ Heeft tweederhande Jeughd te bet.
+
+1194 Wat heeft u 't Schout-ampt aen doen bieden?
+ Niet als gebreck van beter lieden.
+
+1195 Steelt yemand eenen keer,
+ Betrouwt hem nemmer meer.
+
+1196 Die sondight en van Sonden scheidt,
+ Gebiedt sich in Gods goedigheit.
+
+1197 Hebt ghy te Hoof uw loon vergeten,
+ Daer 's niemand, die 't u danck sal weten.
+
+1198 't Gat stoppen als 't Goed quijt is,
+ Is sorgen als 't geen tijd is.
+
+1199 't Verkoude Zeer
+ Doet meeste zeer.
+
+1200 Daer zijn veel Tongen, die als Middaghs klocken gaen;
+ Sy tonnen niet een halv' min als twaelf Uren slaen.
+
+1201 Ick heb geen Vriend gebreck,
+ Die met de Vleugels deck',
+ En bijte met den Beck.
+
+1202 'k Soeck het niet, al is 't van Goud,
+ 't Becken daer men Bloed in spouwt.
+
+1203 In 't Huys en hebb' ick niet te doen,
+ Daer elck seght: «veel gelucks, Vriend! met uw niewen Schoen».
+
+1204 'k Soeck op die Paerden niet te komen,
+ Die 'ck achter aen den steert sie toomen.
+
+1205 'k En reken van mijn leven
+ Met Nichten noch met Neven.
+
+1206 Tot[137] goude Boeyen
+ Kan ick verfoeyen.
+
+1207 Wegh met dat Land, dat boose Goed,
+ Daer meê de Land-Heer worstlen moet.
+
+1208 't Preken is een vuyl getier,
+ Als het eindight in: «Geef hier!»
+
+1209 De Koningh werdt'er toe geboren,
+ De Paus maer by geval gekoren.
+
+1210 De Rijckdom is seer groot,
+ De Stamper loopt rondom, en vindt niet wat hy stoot'.
+
+1211 Als Klappeyen t'samen kijven,
+ Komt al uyt wat sy bedrijven.
+
+1212 De grootste wraeck van boosheit is:
+ Bly aensicht en vergiffenis.
+
+1213 Als sich een Heer op 't bidden stelt,
+ Soo doet hy u niet als geweld.
+
+1214 Op, Valckjen! en steiger,
+ Soo krijght ghy den Reiger.
+
+1215 Stort eens het Sout, men magh wat schrapen,
+ Maer t'samen is het niet te rapen.
+
+1216 Die langh lapsalvert[138] en Doctoort,
+ Dit is 't al, dat ghy van hem hoort:
+ Eerst Kamer-gangen en dan Laeten,
+ En, sterft hy, dan begraeven laeten.
+
+1217 Een' sneê in 't Vel geneest en sluyt;
+ Een' Sneê van Woorden wil niet uyt.
+
+1218 Droogh, maer van honger, is noch best,
+ Die 't anders is, schouwt als de Pest.
+
+1219 Men kan geen Heerschap zijn,
+ Door Zijde of door Satijn.
+
+1220 Daer kan geen veeger teecken wesen,
+ Als dat men niet en wil genesen.
+
+1221 Schrijft, Joffertjen! ick hebb' begost,
+ Papier en Inckt heeft Geld gekost.
+
+1222 Soo gh' op een goed geruchte let,
+ De Sonn' en vind' u niet in 't Bed[139].
+
+1223 Een Vrouw, voor goed gepresen,
+ Moet meer als eerlick wesen[139].
+
+1224 Soo ghy doortasten wilt, hoe dat een man van sin[140] is,
+ Bestelt hem maer een Ampt, ghy sult sien watter in is.
+
+1225 Kondt ghy soo loopen soo[141] ghy poyt[142],
+ Kom, metter haest een Haes gedoyt[143].
+
+1226 Hebt ghy my lief, ick heb 't u mede,
+ Maer laet my niet mijn Geld met vrede!
+
+1227 Soo gh' u meent te wreken,
+ Wacht u wel van spreken.
+
+1228 Had 't Paerd een Milt, de Duyf een Gal,
+ Soo waer 't volck éénigh[144] over al.
+
+1229 Waer ons Herte Stael van binnen,
+ 't Geld en soud't niet overwinnen.
+
+1230 Miste een wijs Man tot geener tijd,
+ D' onwijse berste wel van spijt.
+
+1231 Stiet de Duyvel aen een Steen,
+ Dat hy ded' heeft hy geleên.
+
+1232 Soo de Katten Honigh eten,
+ Zijn wy hier niet wel geseten.
+
+1233 Waer de Groote groot van moed,
+ En de Kleine koel van bloed,
+ En de Rosse vroom en vroed,
+ Alle man waer even goed.
+
+1234 Saghm' op de Merckt geen sotte lieden,
+ Wie souw Geld voor quaê Waeren bieden?
+
+1235 Zaeyt wat vroegh, en snoeyt wat laet,
+ 't Komt in Brood en Wijn te baet.
+
+1236 Soo gh' op uw plaets wilt sitten gaen,
+ En sal u niemand op doen staen.
+
+1237 Zijn seven Broederen geseten in den Raed,
+ Dan valt haer Vonnis goed, en dan eens weder quaed.
+
+1238 Hadd' ick eertijds konnen raên,
+ 'k Waerder nu niet qualick aen.
+
+1239 Of 't d'een behaeght en d'ander niet,
+ Volght, wat de Reden u gebiedt.
+
+1240 Waer alle sottigheit verdriet of pijn,
+ Wat souder krijtens in de huysen zijn!
+
+1241 Is 't Meisje mal, soo hoûs' haer Handen
+ Aen 't wercken, en haer Tongh in banden.
+
+1242 Soo my 't aensicht niet bevall',
+ Soo en raedt my niet met al.
+
+1243 Waert ghy niet door gegaen,
+ Ghy haat een dronck gedaen.
+
+1244 Waer Loock te soecken als Kaneel,
+ Sy golden t'samen even veel.
+
+1245 Dient vry een Edel hert, al is'er niet te haelen,
+ Ghy sult n vroegh of laet de moeyte sien betaelen.
+
+1246 Soeckt ghy kennis aen verdriet.
+ Dient een Heer, 't en mist u niet.
+
+1247 Laet ghy u een goed Dienaer vinden,
+ De reden sal uw Heer verbinden.
+
+1248 Soo ghy de rechte waerd' van een Ducaet wilt schatten,
+ Gaet, soeckter een te leen, ick meen ghy sult het vatten.
+
+1249 Indien u 't sieck zijn niet en let,
+ Soo wascht uw Hoofd en gaet te bed.
+
+1250 Wilt gh' u Testament wel maecken,
+ Maeckt het met gesonde kaecken.
+
+1251 Wilt ghy, dat mijn Beenen gaen,
+ Laet de Ton voor henen[145] gaen.
+
+1252 Soeckt ghy naer een goeden Dienaer,
+ Dient u selven, daer 's geen sien naer.
+
+1253 Men moet een goeden Jongen queecken,
+ Eer 't Haer begint door 't vel te breecken.
+
+1254 Indien ghy van gesontheit houdt,
+ Soo maeckt u selven goeds tijds oud.
+
+1255 Zijt ghy begeerigh naer een ander sijn secreten,
+ Siet s' in sijn Vrolickheit of in sijn' Rouw te weten.
+
+1256 Maeckt op de Peeren,
+ Geen Wijn t'ontbeeren.
+
+1257 'k Woû de kunst wel van hem leeren,
+ Die Quicksilver kan soudeeren.
+
+1258 Des Morgens al te vroege Son,
+ En duert niet langt soo sy begon.
+
+1259 De Blinde droomde, hy sagh den Dagh,
+ En droomde, dat hy geerne sagh.
+
+1260 Smit! tast den Blaes-balck aen,
+ Soo sal de neeringh gaen.
+
+1261 Van binnen blaeuw, van buyten rood,
+ Een Scheê van Goud, een Mesch van Lood.
+
+1262 Geen beter Voer[146] en kander zijn,
+ Als twee goê Schoenen en goê Wijn.
+
+1263 Den Esel lijdt wel dat m' hem laedt,
+ Maer 't overladen maeckt hem quaed.
+
+1264 Lijdt om te weten,
+ En werckt om t'eten.
+
+1265 Groot is de mis-slagh, even
+ Als die hem heeft bedreven.
+
+1266 Maeckt maer u Goed wat te vermeeren,
+ Gh' hebt tijds genoegh om te verteeren.
+
+1267 Des Koninghs doen is als het mijn,
+ Men vindt ons niet als daer wy zijn.
+
+1268 Krijght Goed te gaêr,
+ Maer let van waer.
+
+1269 Laet and're sitten, en staet ghy,
+ Soo eet ghy licht soo veel als dry.
+
+1270 Weêr komt naer ander Weêr,
+ En naer Wind Water weêr.
+
+1271 Ghy zijt in overvloed
+ Versien van Geld en Goed,
+ En derft aen 't Veel niet raecken,
+ Om Veel tot Meer te maecken.
+
+1272 Soo ghy om sterven zijt belust,
+ Eet Schapen-vleesch gebraên, en gaet daer op te rust.
+
+1273 Besit ghy lecker Druyven-nat,
+ Daer's Kraen noch Kraentjen in het Vat.
+
+1274 Al dese Werelds doen is niet,
+ Soo 't op de tweede niet en siet.
+
+1275 Daer's niet waerachtiger als dit is:
+ 't En is geen Meel, al datter wit is.
+
+1276 Ick wil waer nemen al, wat my behoort,
+ Behalven 't Huys met meer als eene Poort.
+
+1277 Wy waren al geern van de Vromen,
+ En 't zijn de minste die 'r toe komen.
+
+1278 Wy zijn all' kinderen van Adam en van Eve,
+ Daer's niet als Zijdestoff, die maeckt ons wat oneve.
+
+1279 Laet ons niet gecken met malkand'ren,
+ Wy zijn all' Gecken, d'een en d'and'ren.
+
+1280 De Krimpingh dichter, dan 't behoort,
+ Is Voorbood' van eens[147] Achter-poort.
+
+1281 Een vruchteloos bestaen is
+ Doen, dat alreeds gedaen is.
+
+1282 Op den Hoorn
+ Volght den toorn.
+
+1283 «De Wijsheit volght de Jaren naer»,
+ Zei 't Maeghdeken van tachtigh Jaer.
+
+1284 Die d'eenen Steen naer d'and'ren smijt,
+ Raeckt d' eenen naer den and'ren quijt.
+
+1285 Dry dingen konnen voorspoed geven:
+ De Konst; de Zee, en 't Hoofse Leven.
+
+1286 Dry Dochteren met ééne Moêr:
+ Vier Duyvels op de Vaders vloer.
+
+1287 De Pensse vol van veel' Gerechten,
+ En deught tot vluchten, noch tot vechten.
+
+1288 Een mallen Schutter is 't, dunckt my,
+ Die eenen Pijl verliest, en schieter noch een by.
+
+1289 De Schutters, die niet veel en deugen,
+ Zijn datelick reê met een leugen.
+
+1290 Een slecht Gelas[148],
+ En valt niet ras.
+
+1291 Den Ouder[149] in de menschen,
+ Is 't quaed, daer s' all' om wenschen.
+
+1292 Mijn Soon! indien 't geluck u loech,
+ Een weynigh Wetens waer genoech.
+
+1293 Die by sijn leven Vrienden derft,
+ Vindt geen getuigen, als hy sterft.
+
+1294 Als m' een oud Wijf ten Dansse voert,
+ En blijft er geen Stoff ongeroert.
+
+1295 Een oud Man, die uyt vryen gaet:
+ Een Winter, die vol Bloemen staet.
+
+1296 Oud Stroo is quaed om aen te steken,
+ En arger noch, sijn brand te breken.
+
+1297 Een Sieckte komt my aen,
+ Daer ick af ben beseten:
+ Als ick wel heb gegeten,
+ Dat ick te Bedd' moet gaen.
+
+1298 't Welvaeren komt een[150] toe,
+ Mits dat hy 't komen doe.
+
+1299 Wel hem, die by sich vond:
+ Een Spelle[151] voorde Bors, twee Spellen voor den Mond.
+
+1300 Daer hondert Apen om een Esel rotten[152],
+ Siet m' hem alleen van Aep voor Aep bespotten.
+
+1301 Bedrieght den Slechten eens en weêr,
+ En eens den Loosen, maer niet meer.
+
+1302 Een Haer (van Hoofd of Mond),
+ Maeckt schaduw op den grond.
+
+1303 Leeft m'eenen dagh in Hongersnood,
+ Dry quade dagen voor het Brood.
+
+1304 Een Maend voor Kersmis, een daer naer,
+ Is recht de Winter van het Jaer.
+
+1305 Die 't Paerd saêlt, en het Paerd, sijn twee,
+ D'een denckt sijns weeghs, en d'ander meê.
+
+1306 Een Vader doet voor hondert Sonen,
+ Dat hondert Sonen hem alleenigh niet en loonen.
+
+1307 Ghy jaeght, en and're siet m' u jagen,
+ Ghy hadt in Huys veel beter dagen.
+
+1308 Het schadelicke Kruyd
+ Gaet van den Vorst niet uyt.
+
+1309 Of mijn macht en sal niet strecken,
+ Of men sal my niet begecken.
+
+
+Noten:
+
+ [1] Gestikt.
+ [2] Veranderen, maken.
+ [3] Deze zijn, even als 't verkwisten, geheel van Huygens vinding;
+ in 't tSpaansch wordt alleen van 't eten der doón en levenden
+ gesproken.
+ [4] Gebroken, ongeschikt tot werken.
+ [5] Stopt lapt.
+ [6] Gewone.
+ [7] wordt.
+ [8] Op een uit, op 't zelfde neêr.
+ [9] vermoeid.
+[10] Loert.
+[11] Meer Spaansch inderdaad, dan Nederlandsch.
+[12] De laatste regel ontbreekt in 't Spaansch.
+[13] Dag, namelijk.
+[14] Men herinnere zich 't fransche zeggen van St. Réal:
+ mijn beleg is klaar.
+[15] Versta: het bang worden.
+[16] Vroeger zou Huygens juist omgekeerd gevoedt en moet geschreven
+ hebben; verg. III en IV. bl. 178 en 118. aant. 241.
+[17] Ontbreekt in 't Spaansch dat Amor Amor heeft.
+[18] Nederl. uitbreiding.
+[19] Portugeesch.
+[20] Ver.
+[21] Zoo is 't gapen aanstekelijk.
+[22] Verkieslijkste, beste.
+[23] Bijvoeging van Huygens.
+[24] Nederl.: Geen spek voor uw bek.
+[25] Fransch voor vader, even als mameer voor moeder.
+[26] Deur.
+[27] Met rede overtuigen.
+[28] Bijvoeging van Huygens.
+[29] Versta: moet nemen, wat men hem geeft.
+[30] Niets bijzonders.
+[31] Portugeesch.
+[32] Iemand.
+[33] wordt.
+[34] Portugeesch.
+[35] Alles.
+[36] bedel.
+[37] Portugeesch.
+[38] Roes, kleine dronkenschap.
+[39] Negers.
+[40] Naar 't oorspronkelijke geslacht (bestia.)
+[41] Gekakel.
+[42] Versta: geeft sijn schaduw.
+[43] Roemen.
+[44] Toenaam.
+[45] Versta: van gekken en boozen.
+[46] Vrolijk.
+[47] noodzakelijk.
+[48] Thans in verlengden vorm Reiziger.
+[49] Tevens, zoodra.
+[50] Maatshalve voor ding, dingk.
+[51] Opdringen.
+[52] kluifjen.
+[53] Portugeesch.
+[54] Geluk.
+[55] Opgebonden.
+[56] Portugeesch.
+[57] Vier.
+[58] Gebakken.
+[59] Versta: op de tanden, barsche luî.
+[60] Merrie.
+[61] Portugeesch.
+[62] Twee Spaansche regels tot zes Hollandsche uitgebreid.
+[63] Kapsel.
+[64] Anders: Trechter.
+[65] Pupil, petekind.
+[66] Het Spaansche Kapotjas ware hier meer Hollandsch dan 't schijnbaar
+ meer Holl. Mantel.
+[67] In 't Spaansch alleen de laatste regel.
+[68] Versta: En niets schuldig is.
+[69] Zoû volstaan.
+[70] Vertrouwt.
+[71] Portugeesch.
+[72] Overweegt.
+[73] Dienders.
+[74] Ziekte-kuur, behandeling.
+[75] bedelt.
+[76] Van.
+[77] Overeters, vreters.
+[78] Wordt.
+[79] Portugeesch.
+[80] Glazen.
+[81] Heilig.
+[82] Heelmeester.
+[83] Thans: niets.
+[84] Blusschen.
+[85] Thans: plant.
+[86] Versta: bedeksel.
+[87] Bij.
+[88] Portugeesch.
+[89] Het gerecht, de rechtsprekers.
+[90] Portugeesch.
+[91] Aansteekt, verbrandt.
+[92] Overleg, nadenken.
+[93] Op zijn minst.
+[94] Geestelijke heer.
+[95] Vogelverschrikker.
+[96] Versta: die zich nooit door een ander overheersen liet.
+[97] Portugeesch.
+[98] Verouderd voor meid, meisjen.
+[99] Naar.
+[100] Schuw.
+[101] Op.
+[102] Goed.
+[103] Glas.
+[104] Opjaagt.
+[105] Niets.
+[106] Namel. zingen.
+[107] Beveel.
+[108] Wordt.
+[109] Vlas, touw.
+[110] Oude geldnaam voor 6 duiten.
+[111] Vleeschsap, Sju.
+[112] 't Fransche commère.
+[113] Nooit.
+[114] Stijfkop.
+[115] Van, door.
+[116] Visschen (verg. 't Eng. trout.)
+[117] Versta: ziekte.
+[118] Iemand.
+[119] Was.
+[120] Versta: zijn roofschip.
+[121] Overeengekomen.
+[122] Valsche munt.
+[123] Gordel.
+[124] Nadeel.
+[125] Port.
+[126] Soep.
+[127] Bij 't eten.
+[128] Roofschip.
+[129] Daarvan.
+[130] Behoort.
+[131] Daarvan.
+[132] Bengelen.
+[133] Iemand.
+[134] Versta: als ze feestelijk is uitgedost.
+[135] Verstand.
+[136] Verlengen.
+[137] Zelfs.
+[138] Anders: kwakzalvert.
+[139] Portugeesch.
+[140] Verstand.
+[141] Als.
+[142] Drinkt.
+[143] Gedood.
+[144] Eens, eendrachtig.
+[145] vooruit.
+[146] Wagenvoer, bagagiën.
+[147] Iemands.
+[148] Glas.
+[149] Ouderdom.
+[150] Iemand.
+[151] Speld.
+[152] Samenkomen.
+
+
+
+
+EINDE.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Vitaulium: Hofwyck en Spaansche
+Wijsheit, by Constantijn Huygens
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10975 ***