diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 10971-0.txt | 6507 | ||||
| -rw-r--r-- | 10971-h/10971-h.htm | 7070 | ||||
| -rw-r--r-- | 10971-h/images/cover.jpg | bin | 0 -> 71753 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 10971-h/images/p1.jpg | bin | 0 -> 47620 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 10971-h/images/p2.jpg | bin | 0 -> 42158 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/10971-8.txt | 6898 | ||||
| -rw-r--r-- | old/10971-8.zip | bin | 0 -> 110413 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/10971-h.zip | bin | 0 -> 280016 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/10971-h/10971-h.htm | 7484 | ||||
| -rw-r--r-- | old/10971-h/images/cover.jpg | bin | 0 -> 71753 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/10971-h/images/p1.jpg | bin | 0 -> 47620 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/10971-h/images/p2.jpg | bin | 0 -> 42158 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/old/10971.20040207-8.txt | 6907 | ||||
| -rw-r--r-- | old/old/10971.20040207-8.zip | bin | 0 -> 113728 bytes |
17 files changed, 34882 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/10971-0.txt b/10971-0.txt new file mode 100644 index 0000000..be9e72b --- /dev/null +++ b/10971-0.txt @@ -0,0 +1,6507 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10971 *** + +De Zoon van Dik Trom + +Door + +C. Joh. Kieviet + + + +Twaalfde, Goedkoope Druk +Amersfoort--Valkhoff & Co. + + + + + + +Eerste Hoofdstuk. + + Dik heeft een plan, en zijn vader vindt, dat hij een bizonder + kind is, en dat is-ie. + + +'t Was met den kruidenierswinkel van den ouden Trom uitstekend +gegaan. Dat was geen wonder, want Vrouw Trom was eene zindelijke +vrouw, die er voor zorgde, dat alles in den winkel er keurig netjes +uitzag. De koperen weegschalen waren zoo prachtig geschuurd, dat zij +haast wel van goud schenen, de toonbanken zagen er brandhelder uit, +en de koopwaren waren van de beste kwaliteit. + +Elken morgen spande Dik zijn mooien hit voor den wagen, om de klanten, +die buiten het dorp woonden, te gaan bedienen. Zijn paard was altoos +helder geroskamd, zijn wagen zag er proper uit, en wat hij leverde +was prompt in orde. Nooit vergat hij te doen, wat hij beloofd had, en +tegen wat extra werk zag hij niet op, als hij een van zijne klanten er +mede gerieven kon. Geen wonder dus, dat hij steeds méér verkocht, er +telkens nieuwe klanten bijkreeg en er zelden of nooit een verloor. In +enkele jaren was de winkel van Jan Trom de voornaamste van het dorp +geworden, en 't was een lust te zien, hoe vol het er somtijds wezen +kon. Vooral op Zaterdagavond was het er verbazend druk. Dan stond +de winkel opgepropt met menschen, die inslag voor de volgende week +kwamen doen, en hadden Vader en Moeder Trom, benevens Dik, geen handen +genoeg, om de klanten te bedienen. Maar al moesten dezen wat wachten, +dat hinderde niet erg, want allen luisterden graag naar de vroolijke +grappen van Dik, die zijn praatje steeds klaar had. + +De oude Trom deed niet veel. Hij was niet sterk genoeg om lang achter +de toonbank te staan, en als het hem al te druk werd, trok hij zich +op zijn stoeltje in een hoek van den winkel terug en keek met innig +welbehagen de drukte aan. En dan luisterde hij naar de gesprekken der +vrouwtjes, die het wel gezellig vonden, als zij niet dadelijk geholpen +konden worden, omdat zij dan nog een poosje konden babbelen,--maar +het meest genoot hij van de grappen en kwinkslagen van zijn zoon Dik, +dien hij soms langen tijd achtereen met de grootste bewondering kon +zitten aanstaren. En menigmaal, als hij zag, hoe graag de menschen +door Dik geholpen werden, mompelde hij zacht voor zich heen: + +"Die Dik,--o, dat is toch een bizonder kind,--en dat is-ie!" + +Trom werd er niet sterker op, en meer en meer begon de winkel hem +te zwaar te worden, vooral overdag, als Dik de klanten afreed, en +Moeder het huiswerk verrichtte. Want de winkelschel liet hem bijna +nooit met rust, van den morgen tot den avond. + +"Klingelingeling!" ging het, als Trom zijn ontbijt +gebruikte. "Klingelingeling!" als hij 's middags aan tafel +zat. "Klingelingeling!" als hij zijn middagdutje wilde doen, waaraan +zijn zwak lichaam zooveel behoefte had. + +Den geheelen dag was het voortdurend: "klingelingeling!" en dat +hield niet op, voordat 's avonds laat de winkeldeur op het nachtslot +werd gedaan. + +De oude man beefde soms over al zijn leden van vermoeidheid als hij +eindelijk in zijn bed gestapt was, en van overspanning kon hij dan +dikwijls in geen uren den slaap nog vatten. Eindelijk begrepen Moeder +Griet en Dik beiden, dat het zoo niet langer ging,--dat er verandering +moest komen. + +En die verandering kwam. + +Het huisje naast den winkel kwam te huur. 't Was een allerliefst +huisje, wel klein, maar keurig net. 't Was een huisje voor een paar +oude menschen, die rustig hun ouden dag wilden doorbrengen. + +Zoodra Dik hoorde, dat het te huur was, zei hij op een avond, toen +de winkel op het nachtslot was: + +"Hoor eens, Vader en Moeder, weet u, dat het huisje hiernaast te +huur komt?" + +"Is 't waar?" vroeg moeder Trom. "Neen, dat weet ik niet." + +Trom zei niets. Hij keek Dik aan en streek met zijn hand langs zijn +dunne bakkebaardjes. + +"Ja," zei Dik,--"'t is zoo, en nu had ik gedacht, dat het juist een +huisje voor u beiden zou zijn." + +"Ja," zei Trom, "dat denk ik ook, en dat doe ik." + +"'t Is een lief huis," ging Dik voort. "Niet te groot en erg +gemakkelijk in 't bewonen. En als u mij dan den winkel verhuurde, +zou u een rustigen ouden dag kunnen hebben. 't Wordt Vader toch wel +wat erg zwaar in den winkel." + +"Ja, dat doet het--en dat doet het," zei Trom. + +"En wou jij dan alleen in den winkel gaan wonen, Dik?" vroeg vrouw +Trom met een glimlachje. + +Dik lachte ook. + +"Neen Moeder, dat is nu juist mijne bedoeling niet. Als u en Vader het +goedvinden, zou ik wel willen trouwen. Anneke en ik hebben elkander +al gekend van onze vroegste kinderjaren af, en wij houden veel van +mekaar. Dus,--wat dunkt u er van?" + +Moeder Trom stond op, sloeg haar armen om Dik's hals, gaf hem een +kus op elke wang, en zei: + +"Mijn zegen er op, Dik!" + +Trom trok zoo hard aan zijn bakkebaardjes, dat hij er de vlassige +haartjes van in de hand hield, en zei: + +"Ja, ja, zoo is het goed, en dat is het. Griet, onze Dik is toch een +bizonder kind,--en dat is-ie!" + + + + +Tweede Hoofdstuk. + + De belangrijkste dag uit het leven van Dik Trom. + + +Het ging al gauw als een loopend vuurtje door het dorp: "Dik Trom +gaat trouwen met Anneke, en zijn ouders gaan het huisje bewonen naast +den winkel." En alle menschen vonden het erg best. "'t Was net een +spannetje, dat bij elkaar hoorde," zei men. "Allebêi zijn ze vroolijk, +allebêi jong, allebêi dik," en dat was waar, want Anneke evenaarde in +gezetheid haar aanstaanden man. Zij zag er door en door gezond uit, +had een paar blozende wangen en keek iedereen altoos vroolijk en +opgeruimd aan. En zij vond het wà t prettig om met Dik te trouwen. Van +hun vroegste jeugd af hadden zij elkander gekend en veel van mekaar +gehouden, en niemand vond het vreemd, dat zij man en vrouw zouden +worden. Eigenlijk hadden de menschen het al lang gedacht. + +Op een mooien dag in de maand Juni werd de bruiloft gevierd. Dik was 's +morgens al vroeg opgestaan en den tuin achter zijn huis ingestapt. Het +zonnetje scheen zoo vroolijk, de vogels zongen zoo blijde, de bloemen +in de perkjes geurden zoo heerlijk, en Dik voelde zich zóó gelukkig, +dat hij van louter plezier een liedje begon te zingen. En met zijn +zakmes sneed hij de vroege rozen af en de seringen en de vogelkers, +en bond ze te zamen tot een welriekenden ruiker, dien hij zelf aan +zijne bruid ging brengen. Overal zag hij de vlaggen uitsteken ter +eere van hem en van Anneke. Piet van Dril was de eerste, die zijn vlag +uit het zolderraam stak, en toen volgde Jan Vos, en daarna Van Dijk, +de molenaar, en Vrouw van Aken, en Teun de visscher, en de meester, +en de ontvanger, en de burgemeester. Ja, zelfs uit het huisje van Kee, +de heks van den Achterweg, wapperde een klein, verschoten vlaggetje +uit het boven-zijraampje, want zij hield dolveel van Dik en verheugde +zich in zijn geluk. Weldra was er geen huis meer, waar de vlag niet +uithing, wat wel een bewijs was, dat de bruid en de bruidegom geliefde +personen waren op het dorp. + +Dik vond het heerlijk te zien, dat alle menschen hem en Anneke een +blijk van vriendschap wilden geven. Hij had een glimlach van geluk +op de lippen, en zijne oogen tintelden van blijdschap. + +De menschen, die hem tegenkwamen, hielden hem staande om hem geluk +te wenschen en de hand te drukken, en Piet van Dril stak zijn zwarte +gezicht buiten de deur van de smederij, toen Dik daar voorbijkwam, +zwaaide met zijn vette, glimmende petje, en riep driemaal: +"Hoezee! Leven Dik en zijne bruid!" + +Voor het huis van Anneke wachtte hem eene verrassing, want daar was +een mooie, groote eerepoort opgericht met sparregroen en papieren +bloemen. Bovenin prijkte een schild met de namen van de bruid en +den bruidegom, en er hingen lampions met kaarsen, die 's avonds een +schitterend licht zouden geven. + +Dat hadden zijn vrienden en kennissen gedaan onder leiding van Piet +van Dril, zijn boezemvriend. + +En onder de poort stond Anneke, die maar niet begrijpen kon, dat die +poort ter harer eere was opgericht, en ze lachte en schreide tegelijk +van blijdschap en zei, dat ze zoo gelukkig was en zooveel eer niet +verdiende. En zij dankte Dik voor zijn mooien ruiker, en wist bijna +niet, wat zij doen zou van vreugde. + +Toen ging Dik naar huis terug, om alles voor de bruiloft in orde te +brengen. Er werden in de schuur, die in gewone tijden voor pakhuis +diende, groote tafels en stoelen geplaatst voor de gasten. En hij +versierde de wanden met vlaggedoek, en nog was hij daarmee niet gereed, +toen de deur openging, en Piet van Dril en Jan Vos verschenen, die +een wagen met sparregroen meebrachten en hem hielpen aan de versiering. + +De schuur was weldra haast niet meer te herkennen, zoo mooi werd +zij. Vader en moeder Trom konden hun oogen bijna niet gelooven, toen +zij even binnen kwamen om een kijkje te nemen. Zij sloegen de handen +van verbazing in elkaar, en Trom mompelde: + +"Wat een feest,--wat een feest! 't Heele dorp vlagt, en dan die +schuur! O, die Dik is een bizonder kind, en dat is-ie!" + +Moeder Griet was dat volkomen met hem eens, maar zij gunde zich den +tijd niet om lang te kijken, want zij had het nog meer dan druk om +alles voor het feest in gereedheid te brengen. De beste spullen moesten +uit de kast, en alles werd zorgvuldig geschuierd en opgeknapt. Trom +had het vreeselijk druk met zijn hoogen hoed, denzelfden nog, waarop +Dik was gaan zitten, toen deze nog een kleine jongen was. Trom poetste +de stugge haartjes glad en liefkoosde hem wel honderdmaal met de mouw +van zijne lakensche jas. De man zag er wà t deftig uit, heelemaal in +'t zwart en met dien hoogen hoed op. 't Model van zijn costuum was +wel wat ouderwetsch,--want 't was zijn eigen trouwpak nog, dat hij +maar zelden had aangehad,--en zijn hoed was wel wat hoog van bol en +breed van rand, maar dat hinderde niet. + +"Die hoed is nog mooi, en dat is-ie," zei Trom, "en mijn pak kan ook +nog best meê, en dat kan het." + +Dik was van top tot teen in 't nieuw. Hij had ook een lakensch pak +laten maken en een hoogen hoed gekocht. Zelf vond hij wel, dat hij er +met den hoed erg gek uitzag, maar Trom zei, dat hij hem deftig stond, +en dat deed-ie. Dik's nieuwe laarzen kraakten bij elken stap, zoodat +men hem in de verte al kon hooren aankomen. Dik had er een hekel aan, +maar zijn vader vond dat ook al erg deftig. + +"Alle laarzen van deftige menschen kraken, en dat doen ze," zei +hij wijs. + +Eindelijk werd het tijd om naar het huis van de bruid en vervolgens +naar het gemeentehuis te gaan, waar het huwelijk zou worden +voltrokken. Het drietal begaf zich daarom op weg. + +Dik zag wel wat tegen de plechtigheid op, en hij voelde zich in zijn +mooie zwarte pak, in zijne krakende laarzen en onder zijn hoogen hoed +verre van lekker. Hij was in het geheel geen mensch voor zooveel moois +en plechtigs. Maar 't moest nu eenmaal gebeuren, en hij besloot daarom +zoo goed mogelijk door den zuren appel heen te bijten. + +Vader en moeder Trom keken met gepasten ernst naar al de vlaggen, +die ter eere van hun zoon waren uitgestoken, en vonden zich verbazend +gewichtig. Moeder Griet zag er ook zeer feestelijk uit. Zij had hare +zijden japon aan, waarover een met palmen doorgewerkte omslagdoek, +die haar in den vorm van een gelijkbeenigen driehoek over den rug hing +met de punt naar beneden, een zijden hoedje op met groote keellinten, +en aan haar arm een karbies, welke in sterke mate de aandacht trok +van de kinderen, die den kleinen stoet omringden en steeds in aantal +toenamen. Een van de grootste jongens begon al spoedig te zingen: + + +"Bruid, bruid, strooi wat uit!" + + +Maar de anderen legden hem het zwijgen op met de opmerking, dat de +bruid nog niet aanwezig en hij dus met zijn liedje te vroeg was. + +De jongens en meisjes zagen er zeer opgewekt uit en het ontbrak hun +niet aan de noodige luidruchtigheid. + +Zoo bereikte het drietal de woning van de bruid, waar de gasten, +die voor het feest genoodigd waren, zich reeds verzameld hadden. Met +een krachtigen handdruk werd Dik ontvangen, die onhandig met zijn +hoogen hoed omsprong en voortdurend het vervelende kraken van zijne +laarzen hoorde. + +'t Was nu hoog tijd om naar het raadhuis te gaan. De stoet stelde zich +dus op. Jan Vos en zijn verloofde openden de rij, daarop volgden Dik +en Anneke, daarachter de wederzijdsche ouders en verdere familieleden, +en eindelijk de vrienden en kennissen, die genoodigd waren. Piet van +Dril en zijn jonge vrouw, want Piet was al sedert een jaar getrouwd, +waren de laatsten van den stoet. + +De meisjes en vrouwen hadden allen een groote karbies, tot groote +vreugde van de jongens en meisjes, die zich vol blijde verwachting +voor het huis hadden opgesteld. Nauwelijks waren de bruiloftsgasten +zichtbaar, of daar klonk uit wel honderd kelen: + + +"Bruid, Bruid, +Strooi wat uit! +Bruid, Bruid, +Strooi wat uit!" + + +'t Was een verschrikkelijk gejoel en lawaai, maar de karbiezen bleven +potdicht. Eerst moest het jonge paar getrouwd zijn; zoolang dat niet +gebeurd was, werd er niet gestrooid. + +In lange rij trok de stoet door het dorp en bereikte ongestoord het +raadhuis. Daar werden de groote deuren geopend door den veldwachter, +die bij trouwpartijen dienst deed als concièrge, en men nam plaats +in de trouwzaal, waar vele dorpelingen aanwezig waren om van de +plechtigheid getuige te zijn. + +Spoedig verscheen de burgemeester, en nu werden Dik en Anneke in den +echt verbonden. De burgemeester deed nog een hartelijke toespraak en +drukte het bruidspaar de hand. + +Pas kwam de stoet weer buiten het raadhuis, of daar galmde het weer, +nu wel uit tweehonderd monden: + + +"Bruid, Bruid, +Strooi wat uit! +Bruid, Bruid, +Strooi wat uit!" + + +De lieve straatjeugd drong geweldig op om dicht bij de karbiezen +te komen, die de begeerde lekkernijen bevatten. En thans bestond er +tegen het openen daarvan geen enkele hinderpaal meer. + +"Dà à r dan, jongens, grabbelt maar!" riep Anneke, die tijdens de +plechtigheid erg bleek had gezien, maar nu hare frissche kleur +langzamerhand terugkreeg, en zij tastte diep in de karbies en strooide +de bruidssuikers onder de menigte. Haar voorbeeld werd door Moeder +Trom en de andere vrouwen en meisjes gevolgd. Het regende als het +ware links en rechts suikergoed, zoodat de jongens op en over elkander +buitelden, om toch maar zooveel mogelijk bijeen te grabbelen. 't Was +een allerdolst schouwspel. De kinderen hadden nergens meer oog voor, +dan voor de uitgestrooide lekkernijen, en zij waren zoo verwoed aan +het grabbelen, dat zij den heelen bruidsstoet uit elkaar duwden. Een +van de jongens kwam vlak voor de voeten te liggen van Vader Trom, +zoodat het weinig scheelde, of deze viel voorover op de straat. Zijn +hooge hoed rolde wel twee meter ver voor hem uit en kwam onder een +paar jongens terecht, die aan het vechten waren om een suikerboon, +waarop zij beiden recht meenden te hebben. De arme hoed kreeg het +kwaad te verantwoorden en leek al spoedig meer op een waterhoozer +uit een lekke roeiboot, dan op een deftigen hoogen hoed. + +Piet van Dril gaf den vechtenden jongens een paar klinkende oorvijgen, +die hun met verbazenden spoed het hazenpad deden kiezen. Den hoed +bracht hij zooveel mogelijk weer in zijn fatsoen, en zette hem den +ouden man op het hoofd. + +Van het gemeentehuis wandelde de stoet, steeds vergezeld door de +straatjeugd, die met ijzeren volharding het "Bruid, Bruid, strooi +wat uit" galmde, naar de kerk, waar het huwelijk ingezegend werd, +en van daar naar de versierde schuur. + +Den geheelen dag heerschte er groote vreugde. Dik rookte uit een +lange Goudsche pijp, die met groen en bloemen was versierd, en de +bruid dronk uit een kopje, waarvan het oortje met een rozeknopje en +een paar rozeblaadjes prijkte. + +'t Was een heerlijk feest. 's Middags kwamen vele vrienden en kennissen +gelukwenschen, en ook de oude heks van den Achterweg kwam binnen, om +bruid en bruidegom de hand te drukken. En in een klein mandje bracht +zij zes kippeneitjes meê, als een klein blijk van hare vriendschap +en dankbaarheid, want zij was maar een arme, oude vrouw en wilde toch +ook zoo graag wat geven. + +Dik kreeg het er bijna te kwaad onder, zoo aardig vond hij dat van +de goede ziel, en hij pakte het oudje beet en danste met haar in +het rond tot groote pret van alle bruiloftsgasten. 's Avonds kwamen +twee muzikanten met violen, en toen konden de jongelui dansen naar +hartelust, wat zij dan ook deden. + +'t Was al zeer laat in den avond, en nog was er niemand naar huis +gegaan. De oude molenaar was de eerste, die opstond om te vertrekken, +en hij klopte Trom op den rug en zeide: + +"Dat was nog eens een echte, mooie bruiloft, niet waar?" + +En Trom antwoordde, aan zijne bakkebaardjes plukkende: + +"Ja, dat is het,--en dat doet het,--maar Dik is ook een bizonder +kind,--en dat is-ie!" + + + + +Derde Hoofdstuk. + + Dik wordt vader, en vrouw Smul begraaft haar neus in een + roomtaart. + + +'t Bleef met den winkel onder leiding van Dik en Anneke uitstekend +gaan, zoodat men gerust kon voorspellen, dat zij nog eens in goeden +doen zouden komen. Nu, Dik werkte dan ook met den grootsten ijver, +en als hij de boeren afreed met boodschappen, verving Anneke hem +op uitstekende wijze in den winkel. En zij was een zuinig vrouwtje, +naar de meening van Dik haast wel een beetje al te zuinig. + +"Hoor eens, Anneke," zei hij meer dan eens, "daar moet je toch +voorzichtig meê wezen. Zuinig is goed, best zelfs, maar à l te zuinig +is verkeerd. Komen de vrouwtjes om een pondje van dit of van dat, dan +moet je niet bang wezen, dat de schaal even doorslaat. 't Is beter +overwicht te geven, dan te klein gewicht. Daar hebben de menschen +een hekel aan, en dan gaan ze al gauw naar een anderen winkel, waar +de maat wat ruimer is. Heusch, een klein toegiftje doet geen schade, +maar voordeel. En komen er kinderen boodschappen halen, geef ze dan +een balletje of een pepermunt, of een stukje zoethout, of een vijg. Dat +hebben ze graag en dan koopen ze liever hier dan bij een ander." + +Anneke gaf aan dien raad gehoor, maar zuinig van aard bleef ze toch, +en dat was goed. + +In den winkel zag het er keurig netjes uit, en hij was van alle +gemakken voorzien. Daar zorgde vader Trom wel voor. Nu hij niets meer +te doen had, was de oude liefhebberij voor het timmervak weer bij hem +ontwaakt, en liep hij altoos te passen en te meten, te schaven en te +hameren. 't Was dan ook, eer een jaar verloopen was, een pracht van +een winkel geworden, en Trom was daar erg trotsch op. Jammer voor +den braven man, dat hij den laatsten tijd zoo doof werd. Kort na +Dik's bruiloft was het begonnen, en 't nam met den dag toe, zoodat +hij eindelijk bijna niet meer te beschreeuwen was. 't Was voor Griet +een verbazende last, want zij hield erg veel van een praatje. + +Een paar jaar na Dik's huwelijk had er eene groote gebeurtenis +plaats. Dik werd namelijk vader van een zoontje, en hij was daar +erg blij om. Toen hij op een avond met paard en kar thuis kwam, +vond hij den kleinen kerel al in de wieg liggen, en grootvader +en grootmoeder Trom zaten er op een stoel naast en keken met de +grootste belangstelling naar hun pasgeboren kleinkind. Grootmoeder +Griet vond het een allerliefst schattig kindje, maar grootvader zei +geen woord. Hij was blijkbaar in gedachten verdiept, en staarde met +open mond den kleinen schreeuwer aan. Want een scheeuwer was het. De +oude Trom had een klein, pasgeboren kindje nog nooit zóó hooren +schreeuwen. Grootvader vond het erg verwonderlijk, en soms sloeg hij +zijne oogen even op en staarde grootmoeder aan met een blik, waarin +zoowel verbazing als bewondering opgesloten lag. 't Was hem aan te +zien, dat hij in het kind iets gewichtigs zag. + +"O, o, wat was Dik blij, toen hij zijn zoontje zag. Zijne ouders +feliciteerden hem recht hartelijk, en hij drukte moeder Anneke, die +te bed lag, een kus op elke wang. En toen ging hij weer dadelijk naar +de wieg, om zijn zoontje in oogenschouw te nemen. + +"Wel verschrikkelijk, wat schreeuwt dat kind!" zei Dik, die ook in +de grootste verbazing naar het geluid van den nieuwen huisgenoot +luisterde. "Moeder, heb ik ook zoo geschreeuwd, toen ik pas in de +wereld was?" + +"Neen," zei grootmoeder Trom, "jij schreeuwde nooit, dan alleen als +je honger hadt." + +"Maar dan heeft dat ventje ook honger!" riep Dik met beslistheid +uit. "Hei baker, waar zit je? Geef dat kind wat eten!" + +Op zijn geroep kwam de baker uit de keuken te voorschijn 't Was +vrouw Smul, die ook Dik nog gebakerd had. Zij was nu eene oude vrouw +geworden, met bijna geen tand meer in haar mond, en een puntige, +vooruitstekende kin. Dik hield in het geheel niet van haar, maar daar +zij de eenige baker op het dorp was, moest hare hulp wel ingeroepen +worden. Met een vriendelijk lachje feliciteerde zij den gelukkigen +vader, en zij haalde het kleine kereltje uit de wieg, en hield hem +Dik voor, die nu in de gelegenheid kwam, zijn zoon goed te bezien. + +Ten tweeden male wekte het ventje zijn groote verbazing, want zoo +dik als hij zelf geweest was, toen hij op de wereld kwam, zoo smal +en dun was de kleine. En schreeuwen, schreeuwen dat het kind deed, +neen maar, 't ging Diks verwachting verre te boven. Ook grootmoeder +en grootvader keken het wichtje met verwondering aan, want zoo dun +en mager hadden zij nog nooit een kind gezien. + +Dik sloeg van verbazing de handen ineen, en riep uit: + +"Neen maar, wat een wonderlijk mager kind is dat! 't Is veel te dun!" + +"Maar 't is toch een erg lief kindje," zei Anneke met moedertrots. + +"En wat schreeuwt het!" ging Dik voort, "'t Schreeuwt als een +speenvarken. Toe baker, geef dat kind dadelijk wat te eten, want zulk +geschreeuw is niet uit te houden. Een mensch krijgt er hoofdpijn van." + +Grootvader Trom had nog geen woord gesproken, maar eindelijk ging +hij naar zijn vrouw, en driftig aan zijn bakkebaardjes plukkende, +zei hij op gewichtigen toon: + +"Griet, 't is een bizonder kind,--ik zeg een bizonder kind,--en +dat is-ie!" + +"Ik geloof het ook," zei Dik lachend. "Zoo dun,--en dan dat +geschreeuw. 't Is wél bizonder!" + +Inderdaad bleken deze twee eigenschappen van den kleine op den duur +wèl wat bizonder te zijn, want het kind schreide van den morgen tot +den avond, en van den avond tot den morgen. Alleen als hij sliep, was +hij stil. Hij dronk de eene flesch melk na de andere, maar bleef even +dun en mager. En hij schreeuwde om er wanhopig onder te worden. Kreeg +hij geen flesch, dan maakte hij een ijselijk misbaar om de aandacht +op zich te vestigen, en had hij de flesch leeggedronken, dan vond hij +dà t weer een reden om zijne stem te verheffen. Maar hij groeide best, +al was het alleen in de lengte. + +Dik vreesde, dat zijn wieg hem gauw te kort zou worden, en hij +ergerde zich den ganschen dag aan de aanwezigheid van de baker. Daar +had hij trouwens zijn goede redenen voor, want in den winkel was +veel te snoepen, en daar hield vrouw Smul van. Telkens zag Dik, +dat zij tersluiks iets in den mond stak, als zij even in den winkel +moest wezen, en dat kon Dik niet uitstaan. Eens zag hij, dat zij bij +de kistjes vijgen stond en er een handjevol uitnam, en hij besloot +haar dat eens en voor goed af te leeren. Baker had hem niet gezien, +en schrok dus niet weinig, toen hij eensklaps achter haar stond. Dik +nam een grooten bak met stroop, dien zij onmogelijk met éen hand kon +vasthouden en zei: + +"Toe baker, help me even. Houd dien bak eens vast." + +Maar dat kon baker niet doen, want dan zou Dik zien, dat zij een +hand vol vijgen had. Haastig draaide zij zich dus om en stak de +vijgen met eene behendige beweging in haar mond, maar ongelukkig +konden ze daarin haast niet geborgen worden, zooveel had zij er wel +uit het kistje genomen. Zij moest den mond dus stijf dicht houden, +wilde zij zich niet verraden. Toen greep zij den stroopbak met beide +handen aan. Haar mond zat als 't ware volgepropt, tot groot vermaak +van Dik, die een vriendelijk praatje met haar begon. + +"Wel baker," vroeg hij, "hoe zou het toch komen, dat de kleine +Jan",--want zijn zoon heette Jan, naar zijn grootvader,--"dat de +kleine Jan altijd zoo schreeuwt? Wat kan daar toch de reden van wezen?" + +Maar baker kon niet antwoorden vanwege de vijgen, die zij in +den mond had. En er waren er te veel, dan dat zij ze had kunnen +doorslikken. Kauwen durfde zij ook niet, want dan zou zij zichzelve +dadelijk verraden hebben. Zij verkeerde nog in de heilige overtuiging, +dat Dik niets van hare snoeperij had gemerkt. Zij zeide dus niets, +maar haalde alleen de schouders op, ten teeken dat de reden van +Jantjes geschreeuw haar totaal onbekend was. Doch met dat gebaar was +Dik niet tevreden. + +"Neen baker, haal nu de schouders niet op," zei hij op ernstigen toon, +"maar zeg mij liever kort en goed, wat er de oorzaak van is. Hij moet +toch ergens met zooveel volharding om schreeuwen!" + +Baker haalde nogmaals de schouders op, en Dik keek haar ernstig aan. + +"Scheelt er wat aan, baker? U trekt zoo'n raar gezicht," ging hij +voort. "Heeft u pijn of zoo iets?" + +Baker schudde ontkennend met het hoofd, maar het angstzweet brak haar +uit, want de vijgen in haar mond begonnen haar verschrikkelijk zwaar te +liggen, en zij kon haar mond bijna niet meer dicht houden. Zij kneep +de lippen wanhopig stijf op elkander en liet den zwaren stroopbak +haast vallen. + +Dik had de grootste pret, en ging plagend voort: + +"Heeft u kiespijn, baker?" + +Baker schudde alweer van neen. + +"Of buikpijn?" + +Nogmaals hetzelfde gebaar. + +"U lijkt wel stommetje te spelen, baker. Ik geloof, dat ik den dokter +voor u moet halen." + +De baker slaakte een diepen zucht, maar wilde blijkbaar niets van +een dokter weten. Zij schudde heftig van neen. + +"Maar zèg dan toch wat, baker! Zulk zwijgen is om er tureluursch van +te worden. Of kan u niet spreken?" + +De baker zei nog niets, maar keek wanhopig naar den zolder. + +"Doe uw mond eens open, baker," ging Dik zonder medelijden voort, +en hij pakte haar kin tusschen vinger en duim. Maar nu werd het baker +te erg, en zij begreep, dat Dik heel goed had gezien, dat zij van de +vijgen gesnoept had. Zij zette den stroopbak haastig neer en verliet in +allerijl den winkel, terwijl Dik het uitschaterde van pret, omdat hij +haar zoo geducht te pakken had gehad. Zij dorst den "baas" den geheelen +dag niet meer aankijken van schaamte, en zij had nog grooter hekel +aan hem dan vroeger, toen hij haar klompen vol water had geschept. + +Maar haar snoeplust leerde zij er niet meê af. Die kwaal was bij haar +te veel ingekankerd. + +Dat bleek Dik, toen zijn zoontje een dag of acht oud was. In den +winkel, achter een van de toonbanken, was een luik, waaronder zich de +kelder bevond. Dik was in dien kelder, toen de winkelschel ging, maar +de baker wist niet, dat Dik daar was. Zij kwam in den winkel en zag +daar den loopjongen van den banketbakker, die eene heerlijke roomtaart +kwam brengen, een geschenk van Piet van Dril en diens vrouw. Ha, de +neusvleugels van vrouw Smul trilden van begeerte. Na haastig om zich +heen gekeken te hebben, of zij wel alleen was, lichtte zij behendig +het deksel van de doos en genoot van den heerlijken aanblik, dien de +verrukkelijke taart opleverde. + +Dik kwam langzaam en onhoorbaar naderbij. "Als zij gaat snoepen, +zal ik het haar eens en voor altijd afleeren," dacht hij. + +En jawel, vrouw Smul moest toch eventjes proeven. Met haar vinger +streek zij er wat room af en stak het in den mond. Wat smaakte dat +heerlijk! Zij smakte met de tong. En wat rook die taart lekker. Wacht, +zij moest ook eventjes ruiken. Zij bracht de doos wat omhoog, haar +neus naar omlaag, en genoot van den heerlijken geur.... + +Maar Dik was meer dan kwaad, want hij dacht, dat vrouw Smul er van +snoepte. En in zijne boosheid gaf hij een geduchten duw tegen den +bodem van de doos, zoodat neus en kin van de baker in een oogwenk +tot in het hart van de taart doordrongen. En toen vrouw Smul die +lichaamsdeelen weer uit hun ontijdig graf had opgedolven, zaten zij +dik in de room. Zij leken wel roomhorentjes. + +Vrouw Smul kon zich in het eerste oogenblik maar niet begrijpen, wat +er gebeurd was, zoo snel was het in zijn werk gegaan, en zij gaf een +gil van den schrik. Doos en taart liet zij op den vloer vallen, en zij +vluchtte op een draf den winkel uit en de huiskamer in, waar Anneke +in een schaterlach uitbarstte, zoo mal zag baker er uit. En zij kon +haast niet tot bedaren komen, toen Dik haar vertelde wat er eigenlijk +gebeurd was, al vond zij het meer dan jammer van de heerlijke taart. + +"En wat zullen Piet van Dril en zijne vrouw het akelig vinden, als +zij het hooren," zei Anneke. + +"Die zullen het niet hooren," zei Dik. "Ik ga dadelijk een nieuwe +taart bestellen, precies eender als deze, en wij noodigen Piet +en zijne vrouw een avondje bij ons op de koffie, om haar te helpen +opeten. Dan hooren zij er nooit iets van. Baker zal er haar mond wel +over houden,--en wij praten er natuurlijk ook niet over." + +Zoo geschiedde. Piet en zijn vrouw smulden er heerlijk van en vonden +het prettig, dat de taart Dik en Anneke zoo lekker smaakte, maar zij +hebben nooit geweten, dat het de hunne niet was. De baker wilde den +heelen avond niet binnen komen. Zij bleef stil in de keuken. Maar +Anneke zorgde toch, dat zij haar deel van de lekkernij kreeg. + +Want zij paste uitstekend op den kleinen Jan, en dat waardeerde Anneke +bizonder. Een paar dagen later ging de baker voor goed heen. + + + + +Vierde Hoofdstuk. + + De eigenschappen van den kleinen Jan en het geduldige busje + van de orgelvrouw. + + +De kleine Jan groeide zeer voorspoedig op, dat wil zeggen alleen in +de lengte, want hij bleef broodmager, tot groote verbazing van Dik +en Anneke, die elken dag opnieuw in de gelegenheid werden gesteld om +zijn eetlust te bewonderen. + +"Hij is precies een hazewindhond," zei Dik meer dan eens. "Hoeveel +hij ook eet, hij blijft altijd even dun. 't Is verwonderlijk!" + +Overigens was de kleine Jan een zeer voorlijk kind. Hij lachte al, +toen hij nog maar enkele dagen oud was, en zijne tandjes kwamen +zeldzaam vroeg. Hij kroop veel gauwer over den vloer, dan nog ooit +eenig kind gedaan had, en kreeg mazelen, kinkhoest en waterpokken, +toen andere kinderen van zijn leeftijd de gedachte daaraan nog niet +in hun hoofd voelden opkomen. + +Zijn grootvader hield daarom staande tegenover iedereen die het hooren +wilde, dat de kleine Jan een bizonder kind was, en dat was-ie. + +Jan was met zijn grootvader al spoedig goede maatjes. Toen hij nog heel +klein was, wilde hij altoos op diens knieën zitten en paardje-rijden, +zoodra hij hem maar zag, en als Grootvader zijn zin niet dadelijk deed, +zette hij het zoo geweldig op een schreeuwen, dat zelfs Grootvaders +gehoorvliezen er pijn van gingen doen. En dan haastte de oude man zich, +om zijn kleinzoontje tevreden te stellen. + +Zoodra Jantje loopen kon, en dat kon hij heel vroeg, liep hij +grootvader overal na. Anneke was daar eerst wel wat ongerust over, +omdat grootvader zoo erg doof was, maar toen haar Jantje altoos weer +gezond en wèl terugkeerde in de ouderlijke woning, begon zij daar +spoedig aan te wennen. Als Jantje zoek was, dacht ze al dadelijk: +"O, hij zal wel weer bij grootvader wezen." + +Toen Jantje zag, dat grootvader bijna altoos aan het timmeren was, +schreeuwde hij net zoo lang, tot hij ook een hamer kreeg, en van +dat oogenblik af deed hij niet anders dan hameren. Hij sloeg er meê +tegen de toonbank, dat de weegschalen er van rinkelden, klopte op +de vijgenmand met zooveel kracht, dat de pitjes uit de vruchten te +voorschijn kwamen, hamerde een melkkan aan scherven en sloeg een barst +in de winkelruit. Dat gebeurde alles op één dag, tot grooten schrik +van Anneke, die hem den hamer afnam, toen het te laat was. Grootvader +had er niets van gemerkt, en toen Anneke hem op de verwoesting attent +maakte, keek hij die eenigen tijd in verbazing aan, tot hij eindelijk +mompelde: + +"Zie je wel, Anneke, dat Jantje een bizonder kind is?--En dat is-ie." + +Dat bleek ook uit het feit, dat Jantje het geweldig op een schreeuwen +zette, toen Anneke hem den hamer had afgenomen. Hij kon echter zoo hard +niet schreeuwen, dat zijne Moeder hem dien teruggaf. Grootvader was +bezig de stijfsellade te herstellen, die niet meer goed heen en weer +kon schuiven. Jantje zat schreeuwend achter hem op den vloer, tot het +twaalf uur werd en Grootvader naar huis moest om te eten. Grootvader +legde den hamer in den spijkerbak en vertrok. Nauwelijks was hij +verdwenen, of Jantje greep den hamer en zette de werkzaamheden +voort. Hij sloeg draadnagels in de verschillende winkelladen, waar +zij schots en scheef in terecht kwamen, timmerde Grootvaders rooden, +katoenen zakdoek, dien hij vergeten had mede te nemen, als een vlag +aan de toonbank vast, en ging naar het petroleumvat, om ook daar +een paar draadnagels in te slaan. Maar toen viel zijn aandacht op de +kraan, die in het vat zat, en Jantje sloeg er net zoo lang op met zijn +hamer, tot de kraan uit het vat vloog en de petroleum in een breeden +stroom op den vloer en op Jantjes beenen terecht kwam. Ha, dat vond +Jantje pas mooi. Hij hield er den hamer onder, waardoor de stroom een +bizonder mooien vorm kreeg en de droppels hem om de ooren spatten, +en hij keek met innig welbehagen de gevolgen van zijn bemoeiingen +aan. De petroleum bedekte weldra den geheelen vloer, en Jantje was +zoo nat als een gedrenkte spons. Zijne Moeder had er geen erg in, want +zij was in de keuken, tot zij opeens een geweldig geschreeuw vernam, +zóó hevig, dat zij van schrik opsprong en naar den winkel ijlde. Maar +nauwelijks had zij de deur geopend, of zij bleef als verstomd staan en +keek met open mond naar de petroleum, die den geheelen vloer bedekte +tot aan den drempel toe, waarop hare voeten stonden, en naar Jantje, +die uit alle macht schreeuwde en met zijn hamer op het vat sloeg. + +De tranen sprongen Anneke in de oogen, en zij was in één woord +radeloos. Zij wist niet, wat ze beginnen moest. Ze kon niet eens bij +haar zoontje komen, zonder door de petroleum te plassen, wat ze op +hare pantoffeltjes onmogelijk doen kon. + +En Jantje schreeuwde uit alle macht, niet om hetgeen hij gedaan had, +ook niet omdat hij met de beentjes rechtuit in de petroleum zat, +maar eenvoudig om. het feit, dat er geen petroleum meer uit het vat +stroomde. Hij was er meer dan kwaad om, dat de stroom opgehouden had te +vloeien, en hij meende net zoo lang te schreeuwen, tot het weer begon. + +Bedroefd en niet wetende wat zij beginnen moest, snelde Anneke de +achterdeur uit, om Grootvaders hulp in te roepen. Schreiende kwam +zij daar binnen, en zij vertelde onder snikken en tranen, wat Jantje +gedaan had. + +"Wat is er?" vroeg Grootmoeder, toen zij Anneke zoo bedroefd zag +staan. Grootvader stond ook van zijn stoel op en vroeg: + +"Wat is er, Anneke? Wat scheelt er aan?" + +De goede man voelde al naar zijn zakdoek, om haar de tranen van de +wangen te vegen, want hij hield veel van Anneke. Maar hij vond zijn +zakdoek nergens. Hij kon ook niet vermoeden, dat die als een vlag +aan de toonbank wapperde. + +"O, o," zei Anneke, "daar heeft Jantje me de kraan uit het petroleumvat +geslagen...." + +"Den haan uit het kippenhok doodgeslagen?" vroeg Grootvader +ontsteld. "Hoe komt het kind er bij." + +"Neen, neen," zei Anneke met haar mond aan Grootvaders oor, "de +kraan uit het petroleumvat geslagen, en nu is alle petroleum uit +het vat geloopen, en Jantje zit er midden in. Ik weet niet, wat ik +beginnen moet...." + +Grootvader had nu goed verstaan. Hij trok zijn klompen aan en +stapte den winkel binnen, waar Jantje nog zijn uiterste best deed, +om petroleum uit het leege vat te laten vloeien. Hij schreeuwde als +'t ware moord en brand. + +Grootvader keek ook niet weinig verschrikt, evenals een paar vrouwtjes, +die juist kwamen aanloopen om boodschappen te halen. + +Trom plaste op zijn klompen door de petroleum en pakte Jantje op, +dien hij regelrecht naar de keuken bracht. + +"Hier Griet, kleed hem maar dadelijk uit en stop hem in de tobbe," +zei hij tegen zijn vrouw, die van schrik bijna niet spreken kon, +toen zij de ramp in oogenschouw nam. + +Daarna haalde Grootvader eene tobbe uit het schuurtje, benevens een +paar dweilen, en begon den vloer op te dweilen. + +Hij schudde daarbij echter bedenkelijk met het hoofd, want hij begreep +zeer goed, dat de zaak zoo gemakkelijk niet in orde kwam. Jantje +schreeuwde intusschen honderd-uit, want hij werd door Moeder en +Grootmoeder naakt uitgekleed en in een warm bad gestopt. Zijn kleeren +waren onbruikbaar geworden. + +Dat laatste was ook het geval met den winkelvloer. Trom besloot dan +ook dadelijk de handen uit de mouwen te steken De geheele vloer werd +opgebroken en door een nieuwen vervangen, wat den ouden man heel wat +werk bezorgde, 't Is te begrijpen, dat Dik verbaasd opkeek, toen hij +'s avonds thuis kwam en hem het gebeurde verteld werd. + +"Die kleine hazewindhond, hoe krijgt hij 't in zijn hoofd," zei hij +eindelijk. En Grootvader zei: + +"Ik zeg, dat hij een bizonder kind is, Dik, net als jij, en dat is-ie." + +Sinds dien dag werd het petroleumvat zoo geplaatst, dat Jantje er +niet meer bij kon. En de kleine kerel kreeg van zijn vader een houten +hamertje, waar hij niet veel kwaad mee kon doen. Hij timmerde nu den +geheelen dag en hielp Grootvader op zijn manier bij al diens werk. Hij +liet zich daarbij door niets storen, of het moest door een draaiorgel +zijn. Dat vond hij zoo verrukkelijk mooi, dat hij er zelfs zijn eten +voor liet staan, wat hij anders voor geen geld ter wereld zou doen. En +nog mooier vond hij het busje, waarin de vrouw van den orgeldraaier +het geld ophaalde. De orgeldraaier en zijne vrouw woonden op het dorp +en kwamen vast elken Dinsdag met het orgel rond. Dat was erg lastig +voor Anneke, want die had dan altoos waschdag, en moest toch al elk +oogenblik haar waschgoed in den steek laten, om de klanten in den +winkel te helpen. + +Eens op een Dinsdagmorgen had zij het daarmede erg druk gehad, toe +het geluid van het orgel al van verre tot haar doordrong. Ook Jantje +had het gehoord. Hij was toen een jaar of drie en kon dus de deur al +zelf opendoen. + +'t Geluid van het orgel kwam naderbij, en Jantje was in de voordeur +gaan staan, om van de muziek zooveel mogelijk te genieten. Eindelijk +was het orgel tot voor den winkel gekomen en verscheen Mietje, de +vrouw van den orgeldraaier, die Klaas Touw heette, aan de deur. Jantje +haastte zich naar de keuken, en zei: + +"Moedel, daal is Klaas Touw met het olgel." De r kon hij nog niet +zeggen, zoodat hij gemakshalve daar maar een l voor nam. + +"Hè, wat een gezeur van morgen," zei Anneke, wie de zweetdroppels +op het voorhoofd parelden van de drukte. "Er ligt wel een cent in de +toonbanklade, Jantje, je weet wel." + +"Ja moedel," zei Jan, en weg was hij. + +Hij greep een handjevol centen en begaf zich naar Mietje. + +Hij legde een cent in het bakje en zag hem met de grootste +belangstelling door de gleuf verdwijnen, want dat vond hij iets zeer +geheimzinnigs. Toen de cent weg was, legde hij er een tweeden in, +die op dezelfde eigenaardige wijze in de diepte verdween. Daarna een +derde, en een vierde, en een vijfde. Dat ging zoo voort tot Jantjes +handje leeg was. Mietje was blijkbaar een heel geduldig vrouwtje en +zij streek Jantje liefkoozend over zijn kopje. + +"Wacht even, ik zal del nog meel halen," zei Jantje, en hij voegde +de daad bij het woord. De toonbanklade was nog lang niet uitgeput en +Jantje vond het heel aardig, dat het orgel zoo lang bleef draaien, +en dat de centen zoo mooi in de bus verdwenen. + +"Flap," daar viel er weer een naar beneden, tot groote pret van Jantje, +die er hardop om lachen moest. "Flap," weer een, en nog een, en nog +een, tot zijn handje alweer leeg was. En tot zijn groote vreugde +draaide het orgel nog maar steeds door, en bleek Mietje vriendelijk +genoeg om voor zijn plezier nog een poosje te blijven staan. + +"Wacht even," zei Jantje, "ik zal del nog meel halen. El zijn del +nog genoeg." + +Nu, dat was waar, en hij kwam al spoedig weer met een handjevol terug. + +"Flap," ging het alweer, en "flap, flap, flap," volgden de +andere. Anneke was zoo druk aan het wasschen, dat zij het heele +orgel vergeten was. Gelukkig, dat er nu eens een poosje geen klanten +kwamen.... + +Jantje liep geregeld heen en weer van Mietje naar de lade, en van de +lade naar Mietje, wier geduld onuitputtelijk bleek. Jantje vond haar +erg zoet, dat ze zoo lang blijven wou en dat hij zoo prettig met het +busje mocht spelen. + +Maar eindelijk was de voorraad centen uitgeput, en daarom begon +Jantje met de dubbeltjes, die hij in de lade vond. Gelukkig kwam er +juist een meisje den winkel binnen om een half pond suiker te halen +en toen ze zag, wat Jantje deed, zei ze: + +"Zeg, stoute jongen, dat mag je niet doen." Zij nam Jantje de +dubbeltjes af, die hij in de hand had, en riep luid: + +"Vollek!--Vollek!" + +Opeens bleek Mietje haast te krijgen. Zij wenkte Klaas, die +onmiddellijk den slinger van het orgel in rust bracht, en samen +vervolgden zij met meer dan gewonen spoed hun tocht. Zij liepen +zelfs zonder te spelen verscheidene huizen voorbij, en verdwenen in +een achterbuurtje. + +Jantje was echter boos en begon luidkeels te schreeuwen. Maar zijn +Moeder was nog boozer, toen zij van het meisje vernam wat er gebeurd +was, en zij gaf Jantje voor zijne broek en zette hem in de woonkamer +met bevel, dat hij daar den geheelen middag blijven moest. Klaas Touw +en Mietje kregen, toen zij weer met het orgel kwamen, een geducht +standje van haar en mochten in geen vol jaar meer aankomen. + +"Je hebt wel voor een jaar genoeg gehad," zei Anneke boos, "en 't +is een schande, dat je het geld aangenomen hebt. Als je fatsoenlijke +menschen waart, zou je mij gewaarschuwd hebben." + +Of Mietje al zei, dat het zoo erg niet geweest was, en dat Jantje +maar een cent of vijf in het busje had gedaan, 't hielp haar niets. + +"Je hebt voor een jaar genoeg gehad, en daarmede is het uit," zei +Anneke beslist. Boos deed ze de deur voor Mietje's neus dicht. + + + + +Vijfde Hoofdstuk. + + Jantje en de school. + + +Jantje bleef zeer voorspoedig opgroeien. De gewone kinderziekten had +hij al lang achter den rug, verkouden was hij nooit, en voor koorts +scheen hij geen aanleg te hebben. Hij was buitengewoon levendig van +natuur, waarvan het gevolg was, dat zijne Moeder hem zelfs met geen +stok in huis kon houden. + +Eerst had zij daartoe wel alle middelen, die haar ten dienste stonden, +in 't werk gesteld, maar tevergeefs. Toen hij nog erg klein was, volgde +hij steeds zijn Grootvader als diens schaduw, en dan timmerde hij den +geheelen dag, maar toen hij een jaar of vier werd, vond hij daar niet +veel pleizier meer in. Hij ging toen liever de buurt op, en was bijna +altoos op de smerigste plaatsen te vinden, die er bestonden. Hij zag +er daardoor gewoonlijk ontoonbaar uit. De modder zat hem dikwijls tot +in de haren, zijne broek was bijna altoos hier of daar gescheurd, +en zijn handen zagen zoo zwart als roet. Wel tienmaal op een dag +greep Anneke hem bij den arm, nam hem mêe naar de keuken, en boende +hem met groene zeep schoon, waarbij de kleine patiënt gewoonlijk een +erbarmelijk geschreeuw deed hooren, zoo erg, dat de klanten, die in +den winkel kwamen, soms dachten, dat er iemand vermoord werd. In die +meening werden zij dan nog versterkt door de noodkreten van Jantje, +die op zijn gewonen huilerigen toon niets anders deed, dan schreeuwen: + +"Ik wou, dat ik dood was! Ik wou, dat ik dood was! Ik moet ook altijd +maar gewasschen worden!" + +Zijn moeder toonde echter niet het minste medelijden en hield niet op, +voordat Jantje vanwege de groene zeep blonk als een spiegeltje. + +'t Was maar jammer, dat het slechts voor zoo korten tijd hielp. Geen +tien minuten later zat Jantje weer in de modder te baggeren. Zijn +voeten waren meestal kletsnat, want hij bewoog zich graag aan de +slootkanten, om naar de kikkers te kijken en watertorren te vangen. + +Toen hij vier jaar oud was, kwam hij voor het eerst met een nat pak +thuis. Hij had kopje-onder in het water gelegen. Dat gaf een schrik +bij Anneke, en zij besloot kort en goed hem voortaan in huis te +houden. Zij sloot hem in den tuin op. Maar dat beviel haar nog veel +minder, want tot haar schrik zag zij hem 's morgens om negen uur al +op de vorsten van het schuurtje zitten, en even later kwam hij naar +beneden tuimelen. Anneke zag het juist gebeuren, en zij dacht, dat +hij wel dood zou zijn. Zij zat als met lamheid geslagen op haar stoel +en was niet bij machte om op te rijzen en Jantje te gaan helpen. Dat +bleek echter ook niet noodig te zijn, want Jantje sprong dadelijk +overeind en klom weer tegen het schuurtje op. Een poosje later zat +hij weer op de vorsten. Eerst was hij wel een beetje bleek van den +schrik, maar dat werd spoedig beter. + +Anneke besloot hem niet meer op te sluiten, zoodat Jantje 's middags +weer in de buurt rondwandelde. + +Toen Dik het 's avonds hoorde, moest hij er braaf om lachen, en +hij zei: + +"Wel, wel, kan die hazewindhond zóó klimmen? Kijk Anneke, dat is nu +iets, wat ik in mijn jeugd nooit heb kunnen doen, omdat ik zoo dik +was. Ik vind het wel aardig." + +Anneke vond het dat niet, en zij klaagde zóó over de zorg, die zij van +den vroegen morgen tot den laten avond over Jantje had, dat Dik besloot +hem voortaan, als het goed weer was, maar meê te nemen op den wagen. + +Dat was een kolfje naar Jantjes hand. Ha, wat vond hij het prettig +om naast Vader op den bok van den wagen te zitten. Soms mocht hij +de leidsels vasthouden of met de zweep klappen. Van slaan was geen +sprake; dat wilde Dik volstrekt niet hebben. Zelf deed hij het ook +alleen in bizondere omstandigheden. Het was dan ook werkelijk niet +noodig, want de hit van Dik kon verbazend hard loopen. Dat beweerde +Dik niet alleen, maar alle menschen op het dorp zeiden het. Die hit +was eigenlijk een harddraver en Dik kende geen hit, uren in den omtrek, +die zoo hard loopen kon als de zijne. Eén ding was maar jammer. De hit +had namelijk wel eens koppige buien, eene kwaal, die ook andere hitten +wel met hem gemeen hebben. Als hij in zoo'n booze bui was, bleef hij +vierkant op den weg staan met de pooten wijd uit elkander. Dan was +er geen beweging in hem te krijgen. Eerst had Dik zijne toevlucht +wel eens genomen tot de zweep, hoewel hij daar een geduchten hekel +aan had, maar 't had hem totaal niets geholpen. Eindelijk was Dik op +'t idée gekomen om hem een klontje suiker voor den bek te houden, en +als de hit het pakken wilde, hield hij het weer een eindje verder. Dat +hielp goed, want de hit hield veel van klontjes, en liep zijn meester +dan dadelijk na. En onder het smullen vergat hij zijn koppige bui, +zoodat Dik weer op den bok kon gaan zitten. Als de hit weer eens +niet voort wilde, nam Dik dadelijk een klontje suiker, en dan was de +zaak in orde. Maar de hit was slim, en telkens als hij trek kreeg in +een klontje, bleef hij midden op den weg staan en ging niet verder, +vóór hij zijn zin gekregen had. Dat gebeurde spoedig wel al een keer +of tien op een dag, zoodat Dik begreep, dat het niet langer ging. Hij +gaf den hit geen enkel klontje meer, al bleef hij ook een half uur op +den weg staan. Zoo leerde het beest langzamerhand zijn snoeplust weer +af. Maar de koppige buien kwamen telkens terug. Wel niet dikwijls, +maar toch te veel naar Dik's zin. 't Was overigens een prachtige hit, +die zijns gelijke niet had in het loopen. Dik hield dan ook bizonder +veel van hem, en Jantje vond het wát heerlijk, als het lieve paardje +zoo lustig voor den wagen draafde. + +En Dik vond het prettig, als de kleine Jan naast hem op den bok +zat. Als 't mooi weer was, mocht Jantje altoos met hem mee, en dat +gaf Anneke heel wat rust. Deze had het trouwens al druk genoeg met +den winkel. + +Eindelijk werd Jantje vijf jaar en toen moest hij naar school. Maar +daar had hij in 't geheel geen zin in. Het vrije leventje en de +toertjes met zijn vader bevielen hem veel te goed, en hij hield stijf +en strak vol, dat hij nooit en nooit naar school wilde. + +Toch moest het gebeuren, en Dik bracht hem er zelf heen. + +Och, och, wat schreeuwde de kleine baas, en wat deed hij eene moeite +om los te komen. Maar dat lukte hem niet, want zijn vader hield hem +stevig vast. + +Hij schreeuwde nog, toen hij door de Juffrouw in ontvangst werd +genomen, en hoeveel moeite zij ook deed om hem tot bedaren te brengen, +'t hielp haar niets. De andere nieuwelingen keken hem met de grootste +verbazing aan. Zulk schreeuwen hadden zij blijkbaar nog nooit gehoord. + +De Juffrouw werd er zenuwachtig van, en wist eindelijk geen raad +meer met het kereltje. 't Was haar onmogelijk iets te beginnen, +want Jantje overschreeuwde haar stem wel tienmaal, zoodat niemand +haar kon verstaan. + +Maar opeens kwam hij tot bedaren, tot groote verwondering en even +groote blijdschap van de Juffrouw. Hij veegde zijne oogen af met de +mouwen van zijn jasje, en stak toen parmantig den vinger op. + +De Juffrouw lachte hem vriendelijk toe, en vroeg: + +"Wel kleine man, wat is er?" + +"Juffrouw, wanneer begint de groote vacantie?" vroeg Jantje. + +De Juffrouw schoot in een lach, en zei: + +"O hé, dat duurt nog een heelen tijd, Jantje. Dat duurt nog wel eene +maand of drie." + +"Vandaag nog niet?" vroeg Jantje, wiens lippen weer zenuwachtig +begonnen te beven. + +"Neen, vandaag nog niet, Jan. Maar dat hindert niet. 't Is hier in +de school ook wel prettig." + +Jantje was dit echter in 't geheel niet met haar eens, wat duidelijk +bleek uit het feit, dat hij het weer verschrikkelijk op een schreeuwen +zette. Er kwam geen einde aan. + +Jantje kreeg zelfs al spoedig gezelschap, want een paar andere +nieuwelingen werden door zijn verdriet dermate aangestoken, dat zij ook +hunne stem verhieven, en met Jantje om 't hardst schreeuwden. Jantje +keek even om, ten einde te zien, waar die nieuwe geluiden vandaan +kwamen, en zette daarna de zaak op den ouden voet voort. 't Was +eindelijk langer niet uit te houden, en de Juffrouw besloot hare +toevlucht tot krachtige maatregelen te nemen. Zij stapte op Jantje af, +greep hem bij den arm, en zette hem in den hoek. Maar Jantje schreeuwde +daardoor niet harder of zachter. De zaak liet hem volkomen koud. + +Daarom zette de juffrouw hem in een klein kamertje, dat als boekenkast +gebruikt werd, en zij deed de deur achter hem dicht. Eerst had zij +geducht op hem gebromd. + +"Dáár dan, stoute jongen," had ze gezegd. "Als jij niet naar verbieden +wilt luisteren, moet je maar heelemaal alleen in de boekenkast +zitten. Daar mag je schreeuwen, zoo hard je maar wilt." + +Jantje volgde dat bevel echter in 't geheel niet op. Hij vond het in +die boekenkast heel vreemd, want zóoveel boeken had hij nog nooit +bij elkaar gezien. En in den achtermuur was een raampje, dat bij +mooi weer opengezet werd, omdat er anders zoo'n vunzige lucht in de +kast kwam. Toen Jantje de boeken bekeken had, wat niet lang duurde, +deed hij het raampje open en klom behendig naar buiten. + +Ha, daar in de vrije natuur vond hij het pas heerlijk. Hij veegde de +laatste tranen van zijn gezicht, stak zijn handen in de broekzakken, +en zakte zingende op huis af. + +Anneke keek wát gek op, toen zij hem om half elf binnen zag komen. + +"Mocht jij naar huis toe, Jan?" vroeg ze. + +"Ja, Moeder," zei Jan, "de Juffrouw bracht me zelf in een kamertje, +waar een raam was om er uit te kruipen. O Moeder, dat was zoo'n mooi +kamertje, allemaal boeken, wel honderd millioen drie honderd duizend +en nog veel meer." + +"In een kamertje met boeken, en een raam, waar je door moest +kruipen? Dat begrijp ik niet, kind," zei Anneke. "Enfin, 't is al +half elf. Blijf nu maar thuis." + +Dat deed Jantje met het meeste genoegen. + +Maar de juffrouw, die na eenige minuten wachtens merkte, dat er geen +geluid meer uit de boekenkast kwam en daarom besloot Jantje maar weer +in de klasse te halen, schrikte geducht, toen zij de kast ledig vond. + +"Als het kind maar geen ongeluk gekregen heeft!" zuchtte ze. En ze +stuurde dadelijk een jongen uit de hoogste klasse naar zijn huis, +om te vragen, of hij daar was. + +"Ja, hier ben ik," zei Jantje, nog voordat zijn Moeder gelegenheid +had gehad iets te antwoorden. "En ik wil nooit meer naar school.--Vast +niet!" + +Juist op dit oogenblik kwam Dik binnen, die even naar de smederij +van Piet van Dril was geweest, om zijn hit te laten beslaan. + +"Wat is er aan de hand, Anneke?" vroeg hij. + +En nauwelijks had hij gehoord, wat Jantje gedaan had, of hij pakte +hem bij zijn arm en bracht hem weer naar school, waar Jantje onder +een vervaarlijk geschreeuw zijn intocht deed. + +"Juffrouw," zei Dik, "als hij niet ophoudt met schreeuwen, mag hij +nooit meer mee uit rijden. Dat zèg ik en dat méén ik." + +Die bedreiging hielp dadelijk. Jantje deed zijn mond dicht en gaf +geen kik meer, tot groote vreugde van de Juffrouw. Voor Jantje was +er geen zwaardere straf te bedenken dan dat hij niet meer met zijn +vader uit rijden mocht. + +Toen hij eenmaal tot bedaren gekomen was, zette hij zich met ijver +aan de studie, en het bleek weldra, dat hij de vlugste van de geheele +klasse was. Hij kende de letters al, als hij ze nog maar eenmaal +gezien had, hij schreef het mooist, en hij rekende beter dan iemand +anders. De Juffrouw vond hem bepaald een vluggertje. Maar omdat hij +altoos 't eerst met zijn werk gereed was, had hij ook steeds tijd +over, en dan werd hij ondeugend. 't Duurde dan ook maar kort, of de +Juffrouw zei altoos, als ze van hem sprak: + +"De jongen heeft drie bijzondere eigenschappen: hij is de vlugste, +de ondeugendste en de magerste jongen van de geheele school." + +En dat was ook zoo. Hij deed altoos kattekwaad, als hij zijn werk +afhad. Naast hem zat Karel van Dril, de zoon van den smid. Jan kende +hem al lang voor hij naar school ging, omdat hunne ouders zeer bevriend +waren en dikwijls bij elkaar op visite kwamen. + +Karel kon vrij goed leeren, maar met het rekenen had hij het eerste +jaar nog al moeite. Hij verwarde altijd de 3 met de 8 en de 6 met +de 9, waardoor de uitkomst natuurlijk niet goed kwam. Ook gelukte +het hem maar zelden, om een leesbare 5 te schrijven. Als Jantje zijn +werk al afhad, was Karel nog niet op de helft. En toch deed hij erg +zijn best. Hij hoorde dan niet eens, wat Jantje hem toefluisterde, +en eigenlijk hoorde hij zelfs niet, dat er wat tegen hem gezegd werd, +zoo verdiept was hij dan in zijn werk. Die rekensommen kostten hem +menigen zweetdroppel, en hij kon er bij zuchten als een stoommachine. + +Jantje was dan niet in de mogelijkheid om een gesprek met hem aan te +knoopen, en moest zich dus op andere wijze zien te vermaken. In den +knikkertijd speelde hij met zijn knikkers, die hij dan zoo dikwijls +telde, tot ze eindelijk met groot lawaai op den grond terecht +kwamen. Dan was Holland in last. Hij raakte zijne knikkers kwijt en +kreeg nog straf op den koop toe. + +Eens in den toltijd had hij zijne tollen zitten bekijken, die hij +onder de tafel in de handen hield. Eindelijk haalde hij zijn tolsnoer +te voorschijn en ging er op zijn manier mee zitten hengelen. Dan +verbeeldde hij zich, dat hij tuk kreeg, en als hij dan ophaalde, +zag hij er snoeken of karpers aan. Toen hij visch genoeg gevangen +had naar zijn zin, bedacht hij een ander spelletje. Hij slingerde het +touw om zijn rechterbeen en om het linkerbeen van Karel, die zoo in +zijne sommen verdiept zat, dat hij er niets van merkte. En Jantje bond +de beenen stijf aan elkander. Toen diepte hij zijne tollen weer op, +om ze voor de honderdste maal nog eens te bekijken. De Juffrouw zag, +dat hij zat te spelen, en verbood het hem, maar zij was zoo druk +bezig met hier en daar een achterlijk kind voort te helpen, dat zij +niet veel aandacht aan Jantje kon wijden. Maar inwendig was zij toch +wel boos op hem, want zijne lei was al eens met een harden smak op +den grond gevallen, en nu kwamen plotseling weer al zijn tollen op +den vloer terecht, tot groot vermaak van de andere jongens, waarvan +er eenige hardop begonnen te lachen. + +Nu werd de wanorde de Juffrouw toch wel wat al te groot. Met forsche +schreden stapte zij op Jantje toe, greep hem driftig bij den arm en +wilde hem de bank uittrekken. + +"Allo, ondeugende jongen, vóór de klasse! Direct!" En zij trok zoo +hard, dat Jantje wel mee moest. Maar o wee, zijn rechterbeen zat aan +het linker van Karel vast, zoodat Kareltje óók mee moest,--tot zijn +groote verbazing. + +"O Juffrouw! Mijn been! Mijn been!" schreeuwde Karel. + +"Houd jij je mond!" riep de Juffrouw boos, en zij trok nog harder +aan Jantjes arm. Jantje viel half de bank uit, en Kareltje volgde +zijn voorbeeld. + +"O Juffrouw, mijn been!--Mijn been zit vast!" + +"'t Kan me niets schelen,--vooruit bengel!" riep de Juffrouw. + +Maar Jantje kon niet verder. Het blok aan zijn been was te zwaar, +en de Juffrouw begon eindelijk te begrijpen, wat er aan de hand +was. Toen werd zij nog veel boozer, vooral toen de andere kinderen +hun lachen niet konden inhouden. Zij nam haar zakmesje en sneed +het touw in verscheidene stukken. Jantje werd in den eenen hoek +gezet, en Kareltje, die dood-onschuldig was aan 't geheele zaakje, +in den anderen. Maar Karel protesteerde. Hij wou geen straf hebben, +omdat hij niets gedaan had, en toen de Juffrouw eindelijk goed op +de hoogte kwam van het gebeurde, vond zij ook, dat hij geen straf +had verdiend. Hij mocht dus weer gaan rekenen, maar Jantje moest +schoolblijven, was zijn tolsnoer kwijt, en zag ook zijne tollen, +die de Juffrouw hem afgenomen had, in de kast verdwijnen. + +Toen hij 's middags om half een verlof kreeg om naar huis te gaan, +vroeg hij met een deemoedig gezicht, of hij asjeblieft zijn tollen +terug mocht hebben. Maar daar was geen denken aan. + +"Met Nieuwjaar!" zei de Juffrouw kortaf. En daar was de zaak meê +afgeloopen. Jantje had niet erg veel plezier van de grap, want nu +kon hij 's avonds niet meer met de andere jongens meedoen, als zij +potje-tolden. En dat deed hij juist zoo graag. Hij was trouwens een +liefhebber van alle mogelijke spelletjes. Was het in den toltijd, +dan vond hij dat het prettigste spel van de wereld, was het in den +knikkertijd, dan vond hij dát weer 't mooist. En zoo ging het met alle +spelen, die door de jongens werden gedaan. Maar 't állerprettigst +vond hij toch den sneeuwtijd. Iets heerlijkers was er volgens hem +niet te bedenken. + +Zijn grootvader had voor hem een slee gemaakt, en daar gleed hij elk +vrij uurtje mede van een hoogen dijk af. Ha, wat ging dat echt. En +zoo vlug! 't Was net of hij naar beneden viel, maar 't liep altoos +erg best af. Hij moest wel oppassen, dat hij in zijne vaart niet in +een sloot terecht kwam, die langs den dijk liep, maar Jantje wist zich +met zijne klompen zoo netjes te sturen, dat hij altoos vlak langs de +sloot zijn draai kon nemen. Dat mislukte hem nooit. + +Op de speelplaats van de school vermaakte hij zich met het gooien +van sneeuwballen. Ieder, dien hij maar raken kon, kreeg er een tegen +zijn muts of in zijn hals, en dan had Jantje de grootste pret. Maar +dan kreeg hij ook rijkelijk zijn portie terug, want de andere jongens +lieten zich niet ongestraft bekogelen. + +Toch hadden zij het tegen Jantje altijd kwaad te verantwoorden, want +hij was zeldzaam vlug in zijne bewegingen en kon best mikken. Bovendien +zorgde hij er steeds voor, een goeden voorraad sneeuwballen in zijn +broekzakken te hebben, zoodat hij ze, als de nood aan den man kwam, +maar voor het grijpen had. Dan vlogen de kogels den jongens als het +ware om de ooren, en meestal eindigde het gevecht met een smadelijke +vlucht van zijne tegenstanders. Eens op een avond echter, om vier +uur, toen hij uit de school naar huis ging, kreeg hij onverwachts +met zooveel kracht een sneeuwbal achter in zijn nek, dat hij niet kon +nalaten au te roepen. 't Deed hem dan ook geducht pijn, want 't was +een verbazend harde sneeuwbal geweest, veel harder, dan hij ze ooit +gooide. 't Was eigenlijk een valsche streek, en toen hij omkeek, zag +hij dat een jongen uit de buurt de dader was. Die jongen heette Klaas +Zwart, en stond niet al te gunstig onder zijne kameraadjes bekend. + +Jan zag, hoe Klaas er om lachte, dat hij hem zoo geducht geraakt had, +en hij werd er erg boos om. + +"Dat is valsch, leelijkerd," riep hij Klaas toe. "Jij gooit met +sneeuwballen, waar een steen in zit. Maar ik zal het je betaald zetten, +wacht maar!" + +"'t Is nietes!" riep Klaas terug, zich op een eerbiedigen afstand +houdende, "er zat geen steen in." + +"Kom op als je durft!" schreeuwde Jantje hem toe, wiens nek prikkelde +van de pijn. Het koude water liep hem langs zijn ruggestreng. + +Maar Klaas durfde niet. Hij bleef op eenigen afstand staan, gereed +om te vluchten. + +"Lafaard!" riep Jantje. "Kom op, als je durft.--Je durft niet, hè, +daar ben je te bang voor! Leelijke gluiperd!" + +Hij keerde zich verontwaardigd om en liep naar huis. + +Maar den volgenden morgen ging hij vroeg naar de speelplaats, maakte +een flinken voorraad sneeuwballen, die hij als kogels op elkander +stapelde, en stopte toen ook nog zijn broekzakken vol sneeuwballen +voor het geval, dat Klaas op de vlucht mocht slaan, en hij hem dus +achtervolgen moest. Zoo gewapend wachtte hij de komst van zijn vijand +af. Zijne broekzakken puilden wijd uit van de sneeuwkogels, en hij +kon er veel in zijn zakken bergen, want hij had wijde broekspijpen, +en zijne dunne beentjes namen niet veel plaats in. + +Eindelijk verscheen Klaas op de speelplaats. + +Maar hij was op zijn hoede, want hij vertrouwde Jantje niet erg. Hij +kreeg hem dan ook al spoedig in het oog, en meende hem door een +vriendelijk praatje wat zachter te stemmen. Er waren nu al verscheidene +jongens op het plein. + +"Zoo Jan," riep hij zijn vijand toe, "ga je van middag mee op mijn +slee?" + +"Op je gezicht kun-je krijgen," riep Jantje terug. "Kom op, als je +durft, dan zullen wij sleden!" + +"Hij durft niet!" riepen de andere jongens lachend, toen zij zagen, +dat Klaas bleef staan. "Hè, wat een bangerd! Kijk hem nu eens staan, +zoo'n hufter!" + +"Toe dan, Klaas, kom op!" tartte Jantje. Hij nam een sneeuwbal van +zijn stapel, en wierp hem Klaas vlak in 't gezicht. Zijn neus zat +dik onder de sneeuw, en Klaas kreeg er sterretjes van voor zijne oogen. + +"Lekker zoo! Goed zoo!" riepen de jongens. "Geef hem zijn portie, Jan!" + +"Flap!" + +Daar kreeg Klaas den tweeden, ditmaal tegen zijne muts, die hem van +het hoofd vloog, tot groote pret van de jongens, die in het rond +sprongen van pleizier. Want zij hielden niet erg van Klaas. + +Maar Klaas werd nu toch woedend, en hij vergat zijne vrees. + +Vlug bukte hij zich om een sneeuwbal te maken, doch voordat hij +daarmede gereed was, kreeg hij er een van Jan tegen zijn linkeroor. + +Toen wierp Klaas er Jan een tegen zijn schouder, maar hij kreeg er +dadelijk wel drie voor terug. + +"Houd-je goed, Jan, toe maar!" schreeuwden de jongens. + +'t Werd een verwoed gevecht, en Klaas verweerde zich dapper, maar +hij verkeerde in veel ongunstiger omstandigheden dan Jantje, daar +deze de ballen al gereed had liggen. + +Jantje nam er een stuk of vier in zijne hand, en vloog op Klaas +af. Maar dat was Klaas te veel, en hij zette het op een loopen. + +Jan hem achterna. + +"Daar gaat hij loopen!" schreeuwden de jongens. "Houd-je goed, Jan!" + +Klaas liep, wat hij loopen kon, en Jan volgde hem op de hielen. + +Telkens voelde Klaas een sneeuwbal tegen zijn achterhoofd of in zijn +nek terechtkomen, en 't huilen stond hem nader dan het lachen. + +Tot opeens Jantje misgooide, en zijn sneeuwbal in een ruit van de +school terecht kwam. De scherven vielen rinkelend naar beneden, +en op 't zelfde oogenblik kwam de hoofdonderwijzer naar buiten, die +Jantje bij zijn kraag pakte en hem in een hoek van de school zette, +niet ver van de kachel. + +"Jij blijft om twaalf uur wachten, hoor baasje!" zei de meester. "Ik +moet je dan eens vragen, hoeveel geld je wel in je spaarpot hebt. 't +Is er nu te laat voor, want de school gaat aan." + +Inderdaad werden de deuren geopend en de kinderen binnengeroepen. + +De Juffrouw kwam naar Jantje toe en bromde ook op hem. + +"Stoute jongen," zei ze, "moet jij hier de glazen ingooien? Je bent +niet bij je moeder thuis." + +"Daar mag ik het ook niet doen, Juffrouw," zei Jan op deemoedigen toon, +en de Juffrouw begreep, dat zij zich niet al te juist had uitgedrukt. + +"Houd je mond, brutale jongen," zei ze. + +Ze ging voor de klasse staan en begon met hare werkzaamheden. + +Jantje vond het niet prettig in dien warmen hoek bij de kachel, want +hij leerde veel liever met de andere leerlingen mêe, en bovendien +was hij al erg warm van het sneeuwballen zoodat hij het bij de heete +kachel bijna niet kon uithouden. Deze stond dan ook rondom gloeiend, +want ze was nog niet lang geleden aangelegd, en het lokaal moest +eerst door en door verwarmd worden. Jantjes handen begonnen al gauw te +tintelen, zoo erg, dat hij er bleek van werd. Maar dat ging spoedig +over, en Jantje voelde zich al weer wat lekkerder worden, toen hij +opeens een onaangenaam gevoel langs zijne beenen kreeg. 't Was net, +of er een straaltje koud water langs liep. + +Eerst begreep hij niet, wat dat wezen kon, maar toch voelde hij het +duidelijk. 't Liep langs zijne dijen, passeerde zijne knieën en kwam +eindelijk in zijne kousen terecht. + +Al spoedig snapte hij, wat er aan de hand was. 't Waren de +sneeuwballen, waarmede hij zijne broekzakken had gevuld, die bij +de heete kachel langzaam begonnen te smelten. Hij voelde, dat zijne +kousen nat werden, en hij begreep, dat het zaakje leelijk voor hem +kon afloopen. Hij hoopte echter, dat de sneeuwballen niet zóóveel +water zouden geven, dat het de aandacht van de Juffrouw zou trekken. + +Doch onophoudelijk liepen kleine straaltjes water langs zijne dunne +beentjes naar beneden, en toen hij zijne voeten even verzette, merkte +hij, dat zijne kousen al kletsnat waren. + +Angstvallig hield hij zijn blik op zijne voeten gericht. En waarlijk, +daar zag hij tot zijn grooten schrik, dat er zich rondom zijne voeten +een klein meertje begon te vormen, dat langzaam maar zeker grooter +werd. 't Nam steeds in omvang toe, zoodat Jantje zich hoe langer hoe +minder op zijn gemak voelde. + +Gelukkig was de Juffrouw met zooveel ijver aan het werk, dat zij Jan +geheel vergeten was. + +Eindelijk was de plas rondom Jan zóó groot geworden, dat hij de +aandacht trok van Klaas Zwart, wiens haren nog druipnat waren van de +sneeuwballen, waarop Jan hem had getracteerd. Nauwelijks had hij hem +gezien, of hij stak met veel bombarie zijn vinger op, en riep: + +"Juffrouw! Juffrouw! Jan Trom heeft wat op den grond gedaan!" + +Die tijding gaf eene heele opschudding in de klasse. De kinderen +gingen half in de banken staan en rekten de halzen, om goed te +kunnen kijken. En de Juffrouw keerde zich om en keek heel vies naar +de plaats, waar Jantje stond met beschaamde kaken. Hij zag rood tot +achter zijne ooren. + +"Vieze jongen!" riep de Juffrouw hem toe. "Waarom heb je me niet +gewaarschuwd?" + +"'t Is niet waar, Juffrouw!" riep Jan, huilend van verontwaardiging +"Ik had sneeuwballen in mijn zak, en die zijn bij de heete kachel +gesmolten." + +En om te bewijzen, dat hij de waarheid sprak, stak hij zijn handen +in de zakken, en dolf er de half gesmolten kogels uit op. + +De Juffrouw schoot in een geweldige lachbui, en de kinderen moesten +ook zoo lachen, dat zij bijna niet tot bedaren konden komen. + +Jantje mocht naar huis om droge kleeren aan te trekken. + +Zijn vader keek hem eerst heel boos aan, toen hij hem zoo tusschentijds +zag binnenkomen, maar toen hij hoorde, wat er gebeurd was, moest hij +er ook smakelijk om lachen, en hij vertelde het aan alle klanten, +die dien dag in den winkel kwamen. + +Toen Jan 's middags weer naar school ging, gaf zijn vader hem de +opdracht om eerst naar den glazenmaker te gaan en hem te verzoeken, +de gebroken ruit door een andere te vervangen. Zoo liep dat zaakje +voor Jantje nog al goed af. Maar op Klaas Zwart was hij meer dan boos, +want hij vond hem een valschen jongen en een laffen klikspaan. + + + + +Zesde Hoofdstuk. + + Jantje wordt jarig en krijgt mooie cadeaux. + + +Jantje zou voor den achtsten keer jarig worden. Zijn vader had hem +beloofd, dat hij den volgenden morgen een prachtig cadeau van hem +zou krijgen, maar van die belofte had hij later erg veel spijt, want +Jantje wilde met alle geweld weten, welk cadeau dat was, en hij hield +niet op met zeuren. + +Zijn Vader wilde het echter niet zeggen. + +"Morgenochtend zul-je het wel zien," zei Dik. + +"Is het mooi?" vroeg Jantje. + +"Erg mooi," was het antwoord. + +"Erg prachtig mooi?" hield Jantje vol, wiens oogen schitterden van +nieuwsgierigheid. + +"Ja," lachte zijn Vader, "erg prachtig mooi. Zóó mooi, zóó mooi, +dat er niets mooiers op de wereld te bedenken is." + +"Waar lijkt het op?" vroeg Jan polsend. + +"Op onzen hit," zei zijn vader. + +"O, zeker een paardje op wieletjes?" zei Jantje met een opgetrokken +neus. "Dát is niet mooi, Vader, veel te kinderachtig. Toe Moeder, +zegt u me maar, wat het is.--Toe." + +"Neen Janneman, dat zeg ik niet," zei zijne moe. "Morgenochtend zul je +'t wel zien." + +Jantje zeurde nog geruimen tijd door, maar toen hij zag, dat hij +zijn doel daarmede niet bereikte, zette hij het op een schreeuwen op +eene geweldige manier. De ondervinding had hem geleerd, dat dit een +beproefd middel was. + +Maar dezen keer hielp het hem van den wal in de sloot, want het +begon zijn vader al spoedig te vervelen. Hij pakte Jantje bij zijn +kraag, deed het kelderluik in den winkelvloer open, en stopte Jantje +doodbedaard onder den grond. + +"Zie zoo, kereltje," zei Dik, "daar mag je schreeuwen, zoo lang en +zoo hard je maar kunt. Ga je gang maar." + +Jantje vond het een afdoend geneesmiddel, en jammerde: + +"Ik wil naar bed! Ik wil naar bed!" + +"'t Is nog maar half zes!" zei zijn vader. + +"'t Doet er niet toe, 'k wil tóch naar bed, dan is het veel gauwer +morgenochtend!" schreeuwde Jantje. + +"Ook al goed!" zei Dik. + +Vijf minuten later lag Jan onder de dekens, en een kwartier later +sliep hij als eene roos. + +Om elf uur gingen Dik en Anneke naar bed, maar zij hadden pas den +slaap te pakken, of Jantje werd wakker en dacht direct aan zijn cadeau. + +"Vader!" riep hij zoo hard hij kon,--"Vader, wat krijg ik nu van +u? Ik ben jarig!" + +"Een pak voor je broek, als je niet dadelijk je mond houdt," zei Dik, +die het lang niet prettig vond, dat hij wakker gemaakt werd. "De +nacht begint pas. Ga maar weer slapen." + +Met een zucht kneep Jantje zijne oogen weer dicht, en hij sliep ook +waarlijk in, maar 't duurde slechts kort. 't Was nog vóór twaalven, +toen hij opnieuw wakker werd. Nu zou het stellig toch wel morgen wezen, +dacht hij. + +Hij liet zich vlug van zijn bed glijden, ging naar het bed, waar zijn +ouders sliepen, en trok zijn vader aan zijn neus. + +"Hei, ho, wat is dat?" riep Dik verschrikt uit, want hij vond het +een vreemde manier om gewekt te worden. + +"Vader, ik ben jarig!" riep Jantje hem toe. "Welk cadeau krijg ik +nou van u?" + +Maar zijn vader werd terdege boos. + +"Ga naar je bed, deugniet, en als ik vannacht je geluid weer hoor, +krijg je morgen niets, hoor je, heelemaal niets! Allo, pak je weg, +naar je bed. En je geeft geen kik meer, versta-je?" + +Jantje maakte aanstalten om weer te gaan schreeuwen, maar Dik zei +knorrig: + +"Wou je liever in den kelder onder den winkelvloer?" + +Neen, dat kon Jantje in 't geheel niet bekoren, en hij maakte gauw, +dat hij weer in zijn bed kwam. + +Maar den slaap kon hij niet meer vatten; hij was dan ook veel te +vroeg naar zijn bed gegaan. Hij deed niet anders dan zuchten, en vond, +dat de nacht vreeselijk lang duurde. + +"Er komt nooit een einde aan," mompelde hij zacht. "Weet je wat, ik +ga tot duizend tellen. Karel van Dril zegt, dat je dan altijd vanzelf +in slaap valt. Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, +tien, ik ben toch nog wakker. Bij mij helpt het niet. Zeventien, +achttien, negentien, twintig, wat zou het toch voor een cadeautje +wezen? Ik denk van een bromtol, zeven en tachtig, acht en tachtig, +negen en tachtig, of een zak met knikkers, negen en negentig, honderd +hè, hè, nu ben ik al aan honderd, en ik slaap nog niet. Honderd en +een, honderd en twee, hè, ik wou dat ik een zak met tachtig knikkers +kreeg, een en tachtig, twee en tachtig, drie en tachtig, hò, dat is +fout, want nu ben ik nog maar aan drie en tachtig, en een heele poos +geleden was ik al bij honderd,--dan maar van voren af: een, twee, +drie, knikkers, knikkers, een, twee, bromtol, knikkers, zes, drie, +zeven, ... twee, jarig, zes..." + +Jantjes oogen vielen dicht en hij sliep weer. En hij droomde, dat hij +een mooien bromtol kreeg, die prachtige muziek kon maken. Hij nam een +touwtje, wond den tol op, en trok hem af. Hà , wat stond hij prachtig, +en er kwam muziek uit, precies als uit het orgel in de kerk of het +draaiorgel van Klaas Touw. En opeens nam hij een sprongetje en ging +bovenop den kop van den tol zitten, en draaide uit alle macht in de +rondte. Jongen, wat ging dat mooi, 't werd hem geel en groen voor de +oogen, en de tol wist niet van ophouden, leek het wel. Maar eindelijk +begon hij toch langzamer te draaien, toen waggelde hij eenige keeren, +zoodat Jantje zijn evenwicht bijna niet bewaren kon, en plof, daar +viel de tol om, en Jantje tuimelde op den grond.... + +Met een kreet van schrik werd hij weer wakker, en tot zijn spijt +voelde hij, dat hij nog in zijn bed lag, dat zijn tol verdwenen was, +en dat het nog al geen dag werd. + +Maar dat laatste kon hij toch niet gelooven. + +"Neen," zei hij zacht, "'t is bepaald al lang dag, en 't is hier +alleen zoo donker, omdat de luiken dicht zijn. Vader verslaapt zich +zeker. Weet je wat, ik zal heel stilletjes de luiken opendoen, +zóó stil, dat vader en moeder het niet hooren. En als dan de zon +naar binnen schijnt, zal ik Vader roepen, en wat zal hij dan vreemd +opkijken." + +Zoo gezegd, zoo gedaan. + +Jantje kroop stil zijn bed uit, liep op zijn bloote voeten naar het +raam, en stootte zijn kleinen teen zoo hard tegen den poot van de +tafel, dat de tranen hem in de oogen sprongen. + +"Au!" riep hij binnensmonds, en zijn vader werd er half wakker +van. Deze draaide zich in zijn bed om. + +Jantje liet zich daardoor echter niet afschrikken. + +Hij ging verder en kwam bij het raam. Daar zocht hij naar het luik, +en duwde het open. Maar 't bleef donker in de kamer; het was tot zijne +groote spijt blijkbaar nog nacht. Hij besloot, onder het slaken van +een diepen zucht, maar weer naar zijn bed terug te keeren, doch op +den terugtocht schoof hij zijn vaders glazen aschbak van de tafel, +zoodat dit voorwerp met veel lawaai op den grond terecht kwam, en in +scherven uit elkander spatte. + +Jantje bleef van schrik stokstijf staan, en zijn ouders, die niet +begrepen wat dit geraas midden in den nacht beteekenen moest, vlogen +in hun bed overeind. + +Met een wip stond Dik op den vloer, waar hij bijna over Jantje +struikelde, die het hazenpad wilde kiezen en vlak voor zijn vaders +beenen liep. Toen begreep Dik, wat er eigenlijk aan de hand was. Hij +greep op goed geluk rondom zich, om Jantje te pakken, en riep: + +"Jongen, ben je nu alwéer uit je bed?" Maar Jantje had zich zoo vlug +als hij kon uit de voeten gemaakt, en lag alweer onder de dekens. + +"Neen Vader," zei hij, "ik ben hier." + +Toen moest Dik wel lachen, of hij wilde of niet. + +"Ja, nú ben je weer in je bed, maar zoo pas liep je nog hier in de +kamer. Ga toch slapen, en houd ons niet den heelen nacht wakker. Als +ik je wéér hoor, eet ik het cadeau zelf op, en dan krijg je niemendal!" + +"Opeten, Vader?" vroeg Jantje verschrikt. "Kan het dan opgegeten +worden?" + +"O ja," zei Dik, terwijl hij weer in zijn bed stapte, "'t Smaakt wat +lekker, en als ik je weer hoor, krijg je er niets van." + +"En 't lijkt op een hit?" zei Jan spijtig. "Dat heeft u zelf gezegd." + +"Nu jongen, een hit kun-je toch ook opeten!" riep Dik terug. "Maar +ga nu slapen, en laat je geluid niet meer hooren." + +Jantje zweeg. Hij was verdrietig, omdat hij geen mooien tol kreeg, +of een zak met knikkers. + +"Iets lekkers, bah, wat heb-je daar nu aan?" dacht hij. + +De koele nachtlucht had hem huiverig gemaakt, en de warmte van het +bed deed hem behaaglijk aan. Hij stopte zich lekker toe, en sliep +werkelijk na een poosje weer in. Maar om vier uur werd hij weer wakker. + +Hij stak zijn hoofd buiten de gordijnen, om te kijken of het licht +al door de half openstaande luiken drong, en hij zag, dat het nog +altijd nacht was. + +"Moe,--Moeder!" riep hij zacht. + +Maar er volgde geen antwoord. + +"Moeder!--Moeder!" klonk het wat harder. + +Moeder sliep door. + +"Moeder!--Moeder!--Is het nóg nacht," riep Jantje met luider stem. + +Zijne ouders werden er wakker van, en Dik maakte zich boos. + +"Daar heb je dien drommelschen jongen alweer!" riep hij uit. "Wat +wil je toch?" + +"De nacht duurt zoo lang!" huilde Jantje. "Wil u de luiken vast +openzetten? 't Is al lang dag, geloof ik. De klok gaat achter." + +"En de zon zeker ook," zei Dik. "Ga lekker slapen, jongen, dan is het +morgen vóór je het weet. Wel te rusten, Jan, en je mond houden, hoor." + +"Wel te rusten," zei Jantje met een snik en een zucht. + +Nu kon hij echter den slaap in 't geheel niet meer vatten, en hij +verveelde zich schrikkelijk. Wel tienmaal begon hij tot duizend te +tellen, maar telkens raakte hij in de war, en eindelijk gaf hij het +op. Hij ging voor tijdverdrijf spelletjes doen. Eerst stak hij zijn +voeten zoo hoog mogelijk in de lucht, met de dekens er overheen. + +"Nu is het een hooge berg," dacht hij. "Wacht ik zal er een man boven +op zetten, dan kan hij ver zien." + +Hij liet zijn voeten zakken, en legde zijn kussen er op. Toen stak +hij het heele gevalletje voorzichtig in de hoogte, maar de man viel +telkens van den hoogen berg af, en kwam hem eenmaal precies op zijn +hoofd te liggen. + +Eens bleef de man boven op den berg, en toen liet Jan den berg +instorten, zoodat de man geheel bedolven werd. + +"Nu is hij morsdood," zei Jan. "Wacht, ik zal stil een stoel in mijn +bed halen. Dat is veel leuker." + +Hij kroop voorzichtig uit zijn bed, greep een stoel, en klom er weer +heel zacht in. Zijn ouders hadden er niets van gemerkt. Hij legde +den stoel voorover, en ging er op zitten. + +"Huup hit," zei hij. "Nu draven, zoo hard je kunt." + +Hij hobbelde met den stoel op en neer, en hij verbeeldde zich, dat +hij op den hit van zijn Vader zat, en dat hij aan het harddraven was. + +Soms gaf hij hem van achteren met zijn vlakke hand een harden klap +op de sporten. + +"Au," zei Jantje, want het deed hem pijn, en hij likte zijne hand af, +omdat de pijn daardoor gauwer beter werd. + +Toen zette de hit het op een loopen. + +Met twee handen had Jantje de leuning te pakken, en hij hobbelde op +en neer. In zijne gedachten reed hij in vliegenden galop langs den +weg, en telkens gaf hij zijn harddraver een klap op de sporten. De +hit vloog hoe langer hoe harder, maar opeens begon hij te steigeren. + +"Ha," mompelde Jantje, "hij krijgt weer eene koppige bui! Wacht, +ik zal hem leeren!" + +Hij sloeg met beide handen op de houten ribben van zijn harddraver, +greep daarna de leuning, en trok den stoel daaraan in de hoogte. + +O, o, wat steigerde dat beest woest! + +"Huupla," schreeuwde Jantje opeens, want hij verkeerde in hevige +geestvervoering. Zijn vader draaide zich onrustig om in zijn bed. Hij +werd er half wakker van. + +Jantje trok de leuning nog meer in de hoogte. De hit stond toen als het +ware loodrecht op zijn achterste pooten, en Jantje verbeeldde zich, +dat hij hem kwaadaardig hoorde brieschen. De hit nam een geweldigen +sprong, en bommerdebom, daar viel Jantje met hit en al uit zijn bed +op den grond. Dat gaf een lawaai! + +"Heeremenschen!" gilde Anneke, die verschrikt opvloog. "Daar valt +het huis in! Dik, Dik, het huis valt in. Jantje ligt er onder. Hoor +me dat kind eens gillen!" + +Dik was ook verschrikt, en hij haastte zich op te staan. Vlug schraapte +hij een lucifer aan en stak de lamp op. En wat zag hij? + +Jantje lag op den vloer met een stoel half over zich heen, en daarop +lag het kussen, dat den hit in zijn val gevolgd was. + +En Jantje schreeuwde moord en brand, zoowel van schrik als van angst, +want hij was erg bang, dat zijn vader hem nu wel voor zijn broek zou +geven. Hij twijfelde daar zelfs niet aan. + +Maar Dik kon onmogelijk boos blijven op zijn zoontje, en hij moest +er braaf om lachen, toen hij hem daar zag liggen. + +"Wat voer je toch uit, jongen?" vroeg hij. "Je doet niet anders dan +spoken, en houdt ons den heelen nacht wakker." + +"O Vader," schreeuwde Jantje, want hij vreesde altoos nog een beetje, +dat zijn Vader hem straffen zou, "ik was aan 't paardje-rijden op +onzen hit, en toen steigerde hij zoo,--o, o, o, en toen vielen we +alle twee het bed uit." + +Toen moest Dik nog meer lachen, en Anneke lachte van den weeromstuit +meê. Dik pakte zijn zoontje op, en legde hem in bed. + +"Zie zoo, nu ga je maar weer slapen, hoor. Ik zal je wel roepen, +als het dag wordt. Wel te rusten." + +"Wel te rusten," zei Jantje. "Maar dit weet ik wel, dat een nacht +véél en véél langer duurt, dan een dag." + +Een half uurtje later werd Dik alweer wakker gemaakt. + +"Vader!--Vader!" hoorde hij roepen. + +"Jongen, wat verveel je me vannacht," was zijn antwoord. "Wat is er +nu weer?" + +"Vader, komt de zon vast elken morgen weer op?" vroeg Jantje met iets +twijfelmoedigs in zijne stem. + +"Wel ja, Jan, vast en zeker, hoor! Als je maar geduld hebt." + +"Maar Vader, is-ie nog nooit eens weggebleven?" + +"Neen, nog nooit," zei Dik met een zucht. "Kijk maar door het raam. 't +Wordt nu ook al wat lichter. Als je nog een uurtje geslapen hebt, +is de nacht om, en dan ben je jarig. Over een uur zal ik je roepen." + +"Ja Vader," zei Jan, en hij begon nog maar eens tot duizend +te tellen. Maar 't hielp hem niets, hij kon den slaap niet meer +vatten. Och, och, wat duurde dat uur hem lang. Hij luisterde naar het +tikken van de hangklok, tot hij opeens meende, dat zij stilstond. Hoe +hij ook luisterde, hij merkte het eentonige getik niet meer op. Toch +ging de klok nog wel, want een poosje later hoorde hij het weer. + +Eindelijk was het uur om, en sprong hij uit bed. + +"Vader," riep hij luid, "nu ben ik eindelijk dan toch echt jarig. Toe +Vader, wat krijg ik nu van u?" + +"Ja jongen, je hebt me van nacht schrikkelijk verveeld, maar nu ben +je echt jarig, en ik feliciteer je wèl." + +Dik stond op en nam Jantje in zijn armen, en kuste hem op allebei +zijn wangen. En toen gaf hij hem aan Anneke, die hem niet minder +hartelijk pakte. + +Dik kleedde zich spoedig aan, en zei: + +"Kom meê, Jan, dan krijg je je cadeau. Ik hoop maar, dat het je +bevallen zal." + +Jan beefde van blijdschap en nieuwsgierigheid. + +"Kan ik het echt opeten?" vroeg hij. + +"Neen, dat was maar gekheid," zei Dik, terwijl hij Jantje bij de hand +pakte en hem meenam naar den stal. Hij opende de deur, en stapte met +zijn zoontje binnen. + +En wat zag Jan daar? + +Hij kon zijne oogen niet gelooven, want daar, vlak naast den hit, +stond een prachtige, bonte bok, met twee groote horens op zijn kop +en een lange sik aan zijn kin. + +"Die bok!" riep Jantje verrukt uit. "Is die bok voor mij?" + +"Ja, die bok is voor jou," zei Dik lachend, en hij zag met innige +blijdschap, hoe gelukkig dit geschenk zijn zoontje maakte. + +Jan sprong als een kleine dolleman in 't rond, en hij klapte in +de handen. + +"O, dank u, dank u!" riep hij uit. "O, o, wat een mooie bok is +dat. Kijk eens, hij heeft prachtige horens!" + +"Ja, hè?" zei Dik. + +"En een sik!" ging Jan voort. + +"Bè, bè, bè-è-è-è!" blaatte de bok. + +Jantje's vreugde kende geen grenzen. + +"O, hoor eens, hij kan schreeuwen ook. O, wat eene mooie stem," +riep Jan opgetogen. + +In de vreugde zijns harten liep hij op den bok toe en wilde hem zijne +armen om den nek slaan, maar de bok scheen daar niet van gediend, +want hij ging op zijne achterpooten staan, stak den kop omlaag en +drukte zijn groote, kromme horens zoo stevig tegen Jans smalle buikje, +dat Jantje achterover tegen het houten beschot terecht kwam. + +"O, dat mag hij wel doen," zei Jantje, die in zijn bok allerminst +eenige kwade eigenschap wilde ontdekken. Maar toch kroop hij schielijk +overeind en maakte zich uit de voeten. + +"Toe Vader, mag hij eens uit den stal komen?" vroeg hij, want dáár +kon de bok hem niet tegen een muur stooten. + +"Wel zeker," zei Dik, die het wel grappig gevonden had, toen de bok +zijn zoontje zoo onvriendelijk ontving. + +Hij maakte den bok los en bracht hem in den tuin. Eigenlijk was de +tuin alleen bleekveld. Hij was rondom door schuren omringd, behalve +aan den achterkant, waar zich een breede sloot bevond. Jantje mocht +daar soms wel eens graag hengelen. + +Toen de bok den stal verlaten had en rondom zich het welige gras +ontdekte, begon hij dadelijk te grazen. Jantje ging bij hem staan, +en streelde hem met zijne hand langs den nek. + +Hij was méér dan blij met zijn verjaargeschenk; hij had wel kunnen +gieren van blijdschap. De bok liet hem stilletjes begaan, ook toen +Jan hem zijn arm om den hals sloeg. + +"Wat is hij mak, Vader," zei hij. + +"Ja, daar heb ik hem ook op gekocht," zei Dik. "'t Moet een mak beest +zijn, en een flink looper." + +"Hè ja, nu moest ik ook nog een wagen hebben," zei Jantje +begeerig. "Wat zou ik rijden." + +Vol teederheid liet hij zijn beide handen langs het lichaam van zijn +bok glijden, en hij streelde het korte staartje. De bok scheen het in +'t geheel niet onpleizierig te vinden, en deed niet anders dan eten. + +"Zou ik er zoo ook op kunnen rijden?" vroeg Jantje. + +"Wel ja, ik denk het wel," zei Dik. "Hij is sterk genoeg, en zal niet +in tweeën breken." + +Dat vond Jantje heerlijk, en met een wip sprong hij op den bok. Maar +deze vond het allesbehalve prettig. Hij sprong met zijn achterpooten +in de hoogte, om Jantje van zijn rug af te gooien, en toen dat niet +hielp, sprong hij met de voorpooten omhoog. + +Vader Dik schaterde het uit van de pret. + +"Houd je goed, Jantje", riep hij zijn zoontje toe. "Laat je niet van +de vliegen steken!" + +"Be, bè, bè-è-è-è!" schreeuwde de bok nijdig. Het beest was meer dan +kwaad. Opeens nam hij een grooten sprong, zoodat Jantje toch haast van +zijn rug afviel, en zette het op een loopen. Met echte bokkesprongen +holde hij het bleekveld over. 't Ging vliegensvlug, en Jantje vond +'t razend prettig. Zijn Vader ook. Die moest er onbedaarlijk om lachen. + +De bok was echter op een hem onbekend terrein, en daar hij te kwaad +was om goed uit zijn oogen te kijken, sprong hij opeens pardoes in +de sloot. Dat gaf een plons van belang, en voor een oogenblik waren +èn bok èn berijder onder 't water verdwenen. + +Toen lachte Dik niet meer. Integendeel, een hevige schrik maakte +zich van hem meester, en hij ijlde naar den slootkant. Maar daar zag +hij niets. + +Ja toch, er verscheen een hoofd boven water.... + +Helaas, 't was de kop van den bok. 't Kroos zat hem aan de groote +kromme horens. + +"B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!" blaatte hij angstig. + +"Jantje! Jantje!" schreeuwde Dik. + +Daar verscheen ook Jantje's hoofd boven de oppervlakte. + +"Vader, ... help, ... ik ... hik, hik, ... ik, hik verdrink!" + +Dik bukte zich en greep Jantje bij de haren. + +"B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!" schreeuwde de bok. + +Dik trok zijn zoontje op den wal. Daar stond het kereltje, druipend +van het water. + +"O Vader, m'n bok! M'n bok!" jammerde Jantje. + +Dik boog zich nogmaals, en greep met beide handen de horens van den +bok. 't Kostte hem echter vrij wat moeite om het beest op den wal te +krijgen, doch het gelukte hem toch. + +Jantje werd naar binnen gestuurd, om droge kleeren aan te trekken, +en de bok moest in den stal. + +Moeder Anneke was ook niet weinig geschrokken, want zij had het +angstgeschreeuw duidelijk gehoord. Zij stond op,--want dat alles +gebeurde zeer vroeg in den morgen--en hielp Jantje aan droge kleeren. + +De kleine vent stond te bibberen van de koû, maar hij was toch erg +blij met zijn bok. + +"B-b-b-b-b--wat een b-b-b-b--mooie b-b bok, Moeder," zei hij opgetogen, +terwijl de rillingen hem langs zijn mageren rug gingen. En zijn +spillebeentjes trilden zoo erg, dat Jantje er haast niet op staan kon. + +"Dat was me daar 'n mooie geschiedenis!" zei Dik +binnenstappende. "Jantje ging op den bok zitten, en daar sprong me +dat beest pardoes in de sloot. 't Was een bespottelijk gezicht." + +"Leeft hij b-b-b-b-b-nog, Vader?" vroeg Jantje. + +"Of hij!" zei Dik. + +"Zou hij b-b-b-b--niet dood--b-b-b-b gaan?" vroeg Jantje, niet zonder +eenigen angst, dat het koude bad zijn mooien bok kwaad kon hebben +gedaan. En hij vervolgde: + +"Hè b-b-b-b, dat hemd is b-b-b-b-lekker warm, Moeder. Brrr, wat ben +ik koud." + +"Ja, dat wil ik wel gelooven," zei Dik, "Je gaat ook direct weer naar +je bed, om goed warm te worden, door en door warm." + +Jantje had daar wel niet veel ooren naar, maar het gebeurde +toch. Enkele minuten later lag hij weer diep onder de wol. Daar werd +hij al spoedig lekker warm, want zijn moeder had er nog een paar +dekens extra bijgedaan. + +Lang hield Jantje het er echter niet uit. Een half uur later kreeg +hij zijn Zondagsche pak aan en stapte hij naar buiten, om weer naar +zijn bok te gaan kijken. Deze stond heel rustig bij den hit gemaaid +gras te eten, en hij keek Jantje aan of hij zeggen wou: + +"Dat was een rare geschiedenis, hè Jan?" + +Jan kon zijn bok niet genoeg aankijken, zoo mooi vond hij hem. + +"He," dacht hij, "als ik nu een wagentje had en een tuig, dan was ik +heelemaal klaar. Wat zou ik dan heerlijk rijden. Had ik vast maar een +wagentje, dan zou ik zelf wel een tuig maken. Karel van Dril zal er me +wel aan helpen.--Wacht, daar hoor ik Grootvader in zijn tuintje. Ik +ga gauw naar hem toe, om het te vertellen, dat ik zoo'n mooien bok +heb gekregen." + +Vlug begaf hij zich naar de woning van zijne grootouders. Zijn +Grootmoeder kwam hem al tegemoet, en féliciteerde hem met zijn +verjaardag. En ze zei: + +"Ga maar gauw mee naar Grootvader in den tuin." + +"En o, Grootmoê," zei Jan, "ik heb zoo'n prachtigen bok gekregen van +Vader en Moeder, toch zòò mooi, o zoo mooi!" + +Grootmoeder sloeg van verbazing de handen in elkaar. + +"Een bok?" riep zij opgetogen uit. "Een echte, levende bok?" + +"Ja, ja, een echte levende bok, en we hebben samen al in de sloot +gelegen ook. Ik zat boven op zijn rug, en toen vloog hij van kwaadheid +de sloot in. Vind u het niet heerlijk, Grootmoe?" + +"Dat je in de sloot gelegen hebt?" + +"Neen, dat ik een bok heb," lachte Jantje. Samen gingen ze den tuin +in, naar Grootvader. + +Deze kwam hem vroolijk lachend tegemoet. + +"Dag Jan, wèl geféliciteerd met je verjaardag." + +"Dank u, Grootvader!" schreeuwde Jantje, die wel wist, dat Grootvader +hem anders niet verstond. "Ik heb een bok gekregen! O, zoo mooi. Gaat +u mee kijken?" + +"Wat moet jij met eene klok doen, kind?" vroeg Grootvader, die zich +hield, of hij hem niet verstaan had. + +"Neen, neen, geen klok, maar een bok!" schreeuwde Jantje. + +"Een bok? Wat heb je aan een bok, als je geen wagentje hebt?" ging +Grootvader plagend voort. "Ik zou hem maar aan den slager verkoopen!" + +Jantje keek zijn Grootvader diep verontwaardigd aan. + +"Dat nooit!--Nooit, hoor Grootvader!" riep hij uit. + +Grootvader scheen hem echter niet te hooren. Hij stond in gedachten +verdiept, en streek met zijn wijsvinger peinzend langs zijn +neus. Eindelijk zei hij: + +"Wacht eens, Jan. Ik geloof, dat ik nog wat ouden rommel heb, waar +misschien wel een wagentje van gemaakt kan worden. Ga maar eens mee +naar 't schuurtje." + +"Dat zou mooi wezen, Grootvader," zei Jantje blij. + +De schuur werd geopend, en daar stond me zoo waar een prachtige +bokkewagen kant en klaar. Grootvader had hem zelf getimmerd, heel +stilletjes, zoodat Jantje er niets van gemerkt had. O, o, wat lachten +Grootvader en Grootmoeder ondeugend. + +"Wel, hoe lijkt je dat, Jan? Vind je dat wagentje mooi?" + +Jantje werd beurtelings bleek en rood, want hij begreep wel, dat het +wagentje voor hem was, en toch durfde hij het haast niet te gelooven. + +"Of ik het mooi vind?" stamelde hij met bevende lippen, "'t Is prachtig +mooi, Grootvader, prachtig, prachtig mooi!" + +En meteen vloog hij Grootvader om den hals en kuste hem, dat het +klapte, en toen kreeg Grootmoeder eene beurt. Zij bezweek er bijna +onder. + +Jantjes vreugde kende geen grenzen. Hij nam het lemoen op, en trok +het wagentje naar zijn huis, waar Vader en Moeder het dadelijk +moesten zien. + +"Had ik nu nog maar een tuig," zei Jantje, "dan was ik heelemaal +klaar. Ha, wat zou ik rijden!" + +"In de hangkast liggen nog wel een paar oude riemen," zei z'n +moeder. "Daar is misschien, als Grootvader of Vader je helpen wil, +nog wel een goed tuigje van te maken." + +"Oude riemen?" zei Jantje, "hebben wij nog oude riemen? Die zouden +mij goed te pas komen." + +Hij deed de deur open. Zijne ouders stonden lachend naar hem te kijken. + +In plaats van een paar oude riemen zag Jantje tot zijne groote +verrassing een prachtig bokketuig hangen, als een geschenk van +zijne moeder. + +Hij slaakte een kreet van vreugde, nam het tuig uit de kast, en begon +als een dolle door de kamer te springen. + +"Rinkinkeleking! Ringeling! Rinkinkeling-king!" klonk het. Dat kwam +van de bellen, die met twee mooie pluimen op het tuig bevestigd waren. + +"Hoor eens! Hoor eens!" riep Jantje verrukt. "O, o wat mooi. O, ik +weet zelf niet, hoe mooi het is. Nu den bok inspannen, Vader! Laten +we hem dadelijk inspannen!" + +Dat gebeurde. De bok werd uit den stal gehaald en voor den wagen +gezet. De tuigen werden hem omgehangen, en Jantje stapte in. + +"Waar is mijn zweep?" vroeg hij. + +"Hier," zei Dik. "Maar één ding mag je nooit vergeten: sla den bok +niet, als het niet noodig is." + +"Slaan, Vader?" vroeg Jantje. "O neen, mijn bok sla ik niet. De zweep +is alleen maar voor 't mooi. Huup bok! Allo!" + +Daar ging de bok, tot groote vreugde van Jantje, die in het wagentje +zat als een kleine prins. Zijn ouders en grootouders keken hem lachend +na, want zij vonden het bijna even prettig als Jantje zelf. + +"Als hij maar niet in de sloot rijdt!" zei zijne moeder, die wel een +beetje bezorgd was. + +"Laat hem maar begaan," zei Dik met vadertrots. "Hij is mans genoeg, +de kleine baas. Wat is 't een mooi stelletje, hè?" + +En grootvader zei: + +"Wil ik je eens wat zeggen, Dik? Jantje is ook een bizonder kind,--en +dat is-ie." + +"Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou," lachte Dik. + + + + +Zevende Hoofdstuk. + + Hoe Jantje uit rijden ging, en bij slot van rekening een + dwaze vertooning maakte. + + +Wat reed Jantje heerlijk. Zijn bok stapte parmantig over den weg, +met den kop fier opgeheven, en Jantje hield de leidsels in de eene en +de zweep in de andere hand. De pluimen op den rug van den bok wuifden +sierlijk heen en weer, en de bellen rinkelden zoo mooi, dat het een +lust was om te hooren. + +Eerst reed Jantje natuurlijk naar zijn vriendje Karel van Dril, en die +keek zijne oogen uit naar 't mooie spannetje. Hij was er jaloersch op, +maar hij gunde het Jantje toch wel. En zijn vader, de smid Piet van +Dril, kwam ook naar buiten, om het mooie span te bewonderen. + +"Dat is een prachtig stelletje, Jan!" zei hij, nadat hij Jantje +gefeliciteerd had. "De bok is mooi, de wagen is mooi, het tuig is +mooi, en het koetsiertje is ook mooi." + +"Alleen een beetje mager," zei Jan Vos, de metselaar, die juist +voorbij liep. + +"Mag ik met je meerijden?" vroeg Karel. "Toe zeg, schik een eindje om, +dan kom ik naast je zitten." + +Dat gebeurde, en de twee vrienden reden verder. + +Al spoedig hadden zij heel wat jongens om hen heen, die het allen een +mooi gerij vonden. En allen vroegen om de gunst, of zij ook eens een +eindje mochten rijden. + +"Toe Jan, mag ik ook eens?" vroeg de een. + +"Neen zeg, laat mij dan liever," zei een ander. Jan antwoordde niet +veel, want hij wist wel, dat daar geen beginnen aan was. Hij kon alle +jongens van het dorp toch niet bij zich in het karretje nemen. + +Maar de jongens werden er niet boos om. Zij begrepen zelf wel, dat +het niet ging, en vonden het al prettig met den bok mee te loopen. + +"Huup sik! Huup sik!" riepen de jongens. Maar de bok had zijn eigen +willetje en liet zich niet voortjagen. Hij stapte met krachtigen tred +verder, zonder zich aan het roepen van de jongens te storen. + +Dicht bij de school kwamen zij Klaas Zwart tegen met diens vriendje +Frans Thor. De jongens hielden niet van hen en gingen liever niet +met hen om, want 't waren twee vervelende jongens. + +Zij hadden altoos ontzaglijk veel praats, konden niemand ongemoeid +passeeren, wierpen winkeldeuren open, trokken onnoodig bij de menschen +aan de schel, en plaagden, waar zij maar plagen konden. Aan Klaas +Zwart had Jantje al een hekel gehad, zoolang hij hem kende, omdat hij +een klikspaan was. Frans Thor was later op het dorp komen wonen. Hij +was een verwaarloosde ruwe jongen, die geen moeder had en met zijn +vader samen in een huisje woonde. Zijn vader was soldaat in Indië +geweest, en leefde van een pensioentje. Hij deed zijn huishouden zelf, +veegde zelf den vloer, kookte zijn eigen potje, en maakte zelf de +bedden op. Om de opvoeding van Frans bekommerde hij zich bizonder +weinig. Algemeen stond hij bekend als een pochhans, die wel heel +veel wist te vertellen van zijn heldendaden in Indië, maar die er +zooveel bij jokte, dat hij door niemand werd geloofd. En Frans jokte +ook niet zoo'n beetje. Al spoedig had hij op het dorp geen vriendje +meer kunnen krijgen, en daar Klaas Zwart in hetzelfde geval verkeerde, +liepen ze meestal samen. En ze deden gewoonlijk niet veel goeds. + +Zoodra zij den bok van Jan in 't oog kregen, kwamen zij haastig +toeloopen, elk met een stok in de hand. + +"Wel heb ik van m'n leven!" riep Frans uit. "Kijk Jan Trom eens +geuren! Huup Sik, allo, vooruit!" + +Maar de bok stoorde zich aan dat bevel niet, en bleef kalmpjes +doorstappen. Hij hief den kop eventjes op, en keek Frans aan. + +"'t Is het bokje wèl!" ging Frans voort. "Hij loopt niet harder dan +een slak. Zeg Jan, je moet hem eens met de zweep kietelen, dan zal +hij wel beter voortmaken." + +"Hij loopt hard genoeg," zei Jan. "Toe bok, vooruit!" + +"'t Is een oud, afgeleefd beest!" zei Klaas Zwart smalend. "Hij heeft +de rumathiek in zijn pooten." + +"Als jij maar niet de rumathiek hebt," gaf Jan beleedigd ten +antwoord. "Hij kan harder loopen dan jij." + +"Ha, ha!" lachte Klaas. "Zoo'n stijve huut. Je moet hem smeren met +machine-olie; zijne botten zijn wat stijf." + +"Met stok-olie!" zei Frans Thor grinnekend, terwijl hij den bok een +klap met zijn stok op den rug gaf. + +De bok ging op zijn achterpooten staan. + +Jan werd wit van kwaadheid, en Karel van Dril zei: + +"Wil jij met dien stok wel eens van hem afblijven, of ik zal je met +datzelfde houtje je portie geven." + +Die bedreiging hielp voor een poosje. Maar nu gingen Frans en Klaas +van achteren tegen het karretje duwen, zoodat de bok gedwongen werd +op een draf te loopen. De andere jongens hielden zich een beetje op +een afstand, want ze waren bang voor de twee plaaggeesten, vooral +voor Frans Thor, die een paar jaar ouder was. + +Jan hief zijn zweep op, en wilde de jongens dwingen de kar los te +laten. Maar Frans greep de zweep onverwachts aan, en rukte haar Jan +uit de handen. + +"Wat denk jij wel, magere sprinkhaan," zei hij sarrend. "Denk je soms, +dat ik bang voor je ben? Voor geen tien zulke kereltjes als jij. Ho, +bok, ho!" + +De bok liep echter door, en daarom hielden Frans en Klaas de kar zoo +hard zij konden tegen. + +Jan keerde zich driftig om. + +"Laat je de kar los!" riep hij hun toe. "Laat los, zeg ik je, of ik +sla er op!" + +De twee plaaggeesten lachten hem smakelijk uit. Karel van Dril was +zijn drift ook niet langer meester, en wilde van de kar stappen. Maar +Jan hield hem tegen. + +"Hier," zei hij, "houd jij de leidsels even vast." + +Vlug sprong hij uit de kar, en nog voor Frans er op verdacht was, vloog +Jan op hem aan. Deze zag wit van kwaadheid. Met eene vlugge beweging +rukte hij hem de zweep uit de hand, en in 't volgende oogenblik had +Frans een geduchten striem dwars over zijn gelaat te pakken. + +Klaas Zwart zag, dat het ernst werd en maakte, dat hij op een +eerbiedigen afstand kwam, want hij was laf van aard. Maar Frans +niet. Deze was de grootste en sterkste, en de zweepslag had +hem vreeselijk nijdig gemaakt. Hij kon een kreet van pijn niet +onderdrukken, en de tranen sprongen hem in de oogen. Woest viel hij +op Jan aan, die de zweep alweer opgeheven had, om hem een tweeden +striem te geven. + +"Laat de kar los, zeg ik je!" riep hij Frans toe. + +"Dat zal ik," antwoordde Frans, en hij greep Jan met beide handen +aan. Jan liet zijne zweep op den grond vallen, om zich beter te +kunnen verweren. + +"Geef hem zijn portie, Frans!" schreeuwde Klaas Zwart uit de +verte. "Als je 't alleen niet afkunt, zal ik je wel komen helpen." + +"Daar moest je 't hart eens toe hebben," riep Karel van Dril +terug. "Dan krijg je 't met mij te doen." + +De twee jongens waren geducht met elkaar aan 't worstelen, en iedereen +dacht, dat Frans het gemakkelijk winnen kon, omdat hij zooveel ouder +en sterker was, maar Jantje was de vlugste. Hij wist al spoedig +tusschen Frans' armen door te glippen, liet zich vliegensvlug op +zijne knieën vallen, greep Frans bij de beenen, en liet hem in een +ommezien een buiteling maken. Daar lag Frans lang-uit op den grond, +tot groot vermaak van de jongens, die hem zijne smadelijke nederlaag +van harte gunden. + +"Ha, ha, daar ligt de praatsmaker!" riepen ze juichend. "Waar blijf +je nu met je praats?" + +Jan nam den stok van Frans en gaf hem een geducht pak slaag, veel +te hard naar den zin van Frans, die schielijk overeind kroop, en +beenen maakte. + +Wat werd hij uitgelachen! En wat hadden de andere jongens een pret. + +Maar Klaas Zwart en Frans Thor lachten niet, en Frans was niet van +plan den strijd op te geven. + +Jan stapte weltevreden over de behaalde overwinning weer in zijn +karretje, nam de leidsels van Karel over, en zei: + +"Huup bok! Vooruit maar weer.--Dat viel Frans Thor niet meê, hè +Karel? Wat heeft hij gehad!" + +"En wat buitelde hij lekker over den grond," grinnikte Karel +vroolijk. "Zij zullen wel niet spoedig terugkeeren." + +Dat had hij echter mis. + +Frans en Klaas stonden eerst van uit de verte een poosje te schelden. + +"Magere sprinkhaan!" schreeuwde Frans. + +"Panlat!" smaalde Klaas. + +Maar langzamerhand kwamen zij naderbij. Zij liepen al scheldend een +eindje voor den bok uit. + +"Hij is zoo oud als je grootvader!" schreeuwde Klaas. + +"Verkoop hem aan den slager!" zei Frans. "Die kan misschien nog worst +van hem hakken." + +"Niets terugroepen, Jan," raadde Karel aan. "Dan hebben zij er het +minste pleizier van." + +De afstand tusschen den bok en de twee scheldende jongens werd +voortdurend kleiner. De bok stapte flink, de pluimen op zijn rug +wapperden prachtig, en de bellen rinkelden helder en luid. Jantje +genoot méér, dan hij zeggen kon. 't Verveelde hem echter geducht, +dat die twee akelige jongens vlak voor zijn bok bleven loopen. Dat +vergalde zijn genoegen. En zij hielden niet op, den gek met zijn bok +te steken, wat hem erg griefde. + +Klaas Zwart ging eindelijk vlak voor den bok loopen. Dan liep hij +erg kreupel en met kromme beenen, en riep voortdurend: + +"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!" + +De bok lichtte zijn kop op en keek den jongen nijdig aan. 't Scheen +wel, of hij begreep, dat die jongen hem voor den gek hield. + +"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è! schreeuwde Klaas plagend. "O, wat heb ik 'n +rumathiek in mijn pooten. Bè-è-è-è!" + +De bok schudde den kop, en riep ook: + +"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!" + +"Zie je wel, hij is het met mij eens!" grinnikte Klaas, die met kromme +beenen en in een gebogen houding voor den bok uitliep. + +Plotseling schoot de bok op een drafje vooruit, wat zoo overwachts +gebeurde, dat Jan en Karel bijna achterover uit de kar sloegen. Daarop +sprong de bok op zijn achterpooten overeind, en gaf Klaas zoo'n +geduchten stomp in zijn rug, dat deze voorover op den weg tuimelde. + +"Au, au, au, o, wat is dat!" schreeuwde Klaas. + +"Bom!" daar drukte de bok hem nog eens met kracht zijne horens in +den rug. + +"Au, au, o, o, au!" jammerde Klaas. + +Op handen en voeten poogde hij zich te redden. + +"Bom!" + +De bok drukte hem nogmaals plat op den grond. + +Klaas zag doodsbleek van den schrik. Hij spartelde met armen en beenen, +en schreeuwde moord en brand. + +Jan en Karel vielen haast uit de kar van het lachen, 't Was dan ook +een bespottelijk gezicht. + +Klaas wist geen raad van angst en pijn. + +"Help!" riep hij. "Frans, help,--help! Hij maakt me dood!" + +Hulp was echter niet meer noodig, want de bok hield uit eigen beweging +met zijn afstraffing op. Hij dacht zeker, dat Klaas het er zóó wel +meê doen kon. Zonder zich aan de leidsels te storen, keerde hij om, +en stapte bedaard verder in de richting van Jan's huis. Dat was +maar goed ook, want het werd tijd, dat Jantje naar huis ging om te +ontbijten. 't Was al over achten, en om negen uur begon de school. + +Jan en Karel schoten telkens nog in een lach, als zij aan het malle +figuur van Klaas dachten. + +"Hij zal nu wel ondervonden hebben, dat de bok niet rumathiekerig is, +en dat hij nog kracht in zijne horens heeft," meende Jantje, en dat +was Karel volkomen met hem eens. + +En wat Vader Dik lachen moest, toen hij het hoorde. + +"'t Is bepaald een verstandige bok," zei hij tegen Jan. "Hij begreep +wel, dat die jongen hem voor den gek hield. Maar voortaan zal Klaas +Zwart hem wel uit de voeten blijven." + +"Dat denk ik ook," zei Jan. + +Den geheelen dag op school moest hij, of hij wilde of niet, aan zijn +mooien bok denken, en aan het leuke karretje, dat zijn grootvader +voor hem getimmerd had, en aan het prachtige tuig met de pluimen en +de rinkelbellen, en de meester had een onoplettenden leerling aan hem, +wat hij niet van hem gewoon was. 't Scheelde dan ook maar een beetje, +of hij had zoowel 's morgens als 's middags school moeten blijven. Bij +'t rekenen maakte hij meer dan de helft van de sommen fout, en bij +'t lezen wist hij niet, waar hij beginnen moest. + +De meester werd eindelijk knorrig op hem. + +"Jij moest beter opletten, Jantje, anders worden wij kwade vrienden." + +Jan zat toevallig naast Klaas Zwart, en hij kon den jongen, niet +aankijken, zonder te lachen. + +"Heb je nog pijn in je rug?" vroeg hij fluisterend. + +Klaas keek hem aan als een nijdige spin. + +"Zou het misschien rumathiek kunnen wezen?" plaagde Jantje. + +"Magere sprinkhaan! Panlat!" siste Klaas tusschen de tanden, en +telkens voelde hij aan z'n rug, die geducht pijn deed. + +"Stilte daar!" gebood de meester. "Ik geloof, dat er een paar jongens +zijn, die graag willen nablijven." + +Zoover kwam het echter niet, en om vier uur mocht Jantje naar +huis. Karel holde met hem meê, dat spreekt van zelf. Kwart over vieren +stond de bok alweer voor de kar. De beide vrienden namen plaats, en +daar ging het heen. De bok stapte weer even deftig als 's morgens, +en hij keek eigenwijs om zich heen, de bellen rinkelden en de pluimen +wapperden. De jongens vonden het prachtig, en zij reden het heele dorp +door. 't Bleek een prettig dier te zijn. Als de jongens even uit de kar +stapten, om naar een vink te zoeken, die zij hoorden fluiten in het +riet aan den kant van het kanaal, bleef hij geduldig wachten. Alleen +ging hij een weinigje zijwaarts, om op den berm wat gras te eten. + +Een eindje voorbij de Roomsche kerk, die aan het einde van het dorp +stond, was de timmerwinkel van baas Meijer, bij wien Jans grootvader +vroeger gewerkt had. Naast den winkel stond een kleine houtzaagmolen, +want Meijer zaagde zijn hout zooveel mogelijk zelf. Er lag dan ook +altoos vóór dien molen in het kanaal een vlot balken in voorraad, +en op die balken gingen de jongens dikwijls spelen. Menigeen had +daar al een paar natte voeten gehaald, en sommigen zelfs een nat +pak. Want die balken waren maar losjes aan elkander verbonden, en +het gebeurde dikwijls, dat zij omkantelden, als de jongens er over +liepen. Er behoorde dan ook heel wat behendigheid toe, om geheel +droog te blijven, als zij er op speelden. + +Toen de jongens de houtzagerij bereikt hadden, zei Karel: + +"Zeg Jan, willen we eventjes balkje-loopen? Dat is zoo lekker." + +Daar had Jantje wel zin in. + +"Zou de bok blijven staan?" + +"Wel ja,--de bok loopt niet weg. En al was dat zoo, dan kunnen we +hem toch gemakkelijk genoeg inhalen." + +"Dat is zoo," zei Jan. + +De jongens stapten uit de kar. Jan keerde den bok om en bracht hem +op een plaatsje, waar veel gras en klaver groeide. + +"Daar staat hij heerlijk!" zei hij. + +Toen gingen de jongens op het vlot, en wipten van den eenen balk op +den anderen. Soms stonden zij met de armen om elkaars hals geslagen +op het einde van een balk, die dan door hun zwaarte langzaam onder +water zonk. Maar vóórdat het water hun voeten bereikte, sprongen zij +vlug naar het hooger gelegen deel van den balk. + +En dan lachten zij luidkeels van de pret. + +Dat deden zij ook, als een van de balken onder hunne voeten omkantelde, +want dan moesten zij zich door vlugge sprongen redden. + +Jantje was een echte waaghals. Dat kwam, omdat hij verbazend lenig +was en nog nooit een ongeluk had gehad. + +"Ik moet een beetje voorzichtig wezen," zei hij wijs tegen Karel. + +"Waarom?" vroeg deze. + +"Wel, ik heb mijn Zondagsche pak aan, doordat ik van morgen vroeg +kopje-onder in de sloot gelegen heb. En als ik nu met mijn mooie +pak weer in 't water viel, zou Moeder me zien aankomen, dat begrijp +je. Jongen, wat zou ik er van lusten!" + +"Nou, dat snap ik," zei Karel. + +En nauwelijks had hij dat gezegd, of hij merkte, dat zijn paal +omkantelde en dat hij dus veel kans had, naar beneden te rollen. Met +een vlugge beweging sprong hij op den balk, waarop Jan stond, maar +door den schok kantelde deze ook. + +Plomp! Daar zakte Jantje tot aan zijn middel in het kanaal. Karel +viel achterover op het vlot, zoodat hij vrij droog bleef. + +"O wee!" schreeuwde Jantje, met groote oogen van schrik en angst. Hij +had zijn arm nog om den paal geslagen. + +Vlug als hij was, hief hij zich met kracht in de hoogte, en in 't +volgende oogenblik stond hij weer op het vlot. 't Water droop hem +uit zijne Zondagsche broek langs zijne dunne beentjes naar beneden. + +Karel schaterde het intusschen uit van pret. + +Maar Jantje lachte in 't geheel niet. Hij stapte zonder een woord +te spreken van het vlot af op den kant, en keek zwijgend naar zijn +natte broek. + +Karel kwam bij hem. + +"Wat zat je daar koddig met je hoofd boven dien paal uit!" zei hij +lachend. "Ik wou, dat je het gezien hadt." + +"Ik vind het heelemaal niet koddig!" zei Jantje. "Ik kan me niet +begrijpen, dat je dit nou zoo grappig vindt. Zeg Karel, ik durf zoo +niet naar huis toe, hoor." + +"O, ik weet wel raad," zei Karel. "Trek allebêi je broeken uit en je +kousen. Dan neem jij het eene einde en ik het andere, en we draaien +in tegengestelde richting. Op die manier wringen wij al het water er +uit, en dan is het dadelijk droog." + +"Is het waar?" vroeg Jantje, met een flikkering van hoop in zijn oogen. + +"Stellig!" zei Karel. "Vader heeft wel eens verteld, dat hij het ook +deed, toen hij nog een jongen was. Trek maar uit." + +Dat deed Jantje, en al spoedig stond hij met bloote beenen in +het gras. Toen gingen de twee jongens aan het wringen. Eerst de +onderbroek. Karel nam het bovengedeelte en Jantje de pijpen. Karel +draaide van rechts naar links, en Jantje van links naar rechts. En +zij waren zoo in die bezigheid verdiept, dat zij niet zagen, dat +Frans Thor en Klaas Zwart naderden, ieder weer met een stok in de +hand en niet veel goeds in den zin. + +Deze twee hadden gezien, wat er gebeurd was, en daar zij nog boos +waren over de nederlaag, die zij 's morgens hadden geleden, besloten +zij wraak te nemen. + +Aan den anderen kant van den weg slopen zij zooveel mogelijk ongemerkt +nader, en kwamen meer en meer bij de plaats, waar de bok rustig stond +te grazen. + +Juist waren Jan en Karel met de onderbroek klaar gekomen, die zij +op het gras uitspreidden om te drogen, toen de twee vijanden met +een woesten kreet opsprongen, vlak achter den bok, die er geweldig +van schrikte. En dat werd nog erger, toen de jongens hem met hunne +stokken hard op den rug sloegen, en schreeuwden: + +"Huup bok, huup bok! Allo! koesssss!" + +De bok zette het verschrikt op een loopen, het dorp in. Hij holde +voort, zoo hard hij kon. Van bokkendeftigheid was bij hem geen sprake +meer, hij holde voort als een wild paard. + +"Koesssss! Koesssss!" schreeuwden Frans en Klaas hem na. + +"Dát is gemeen!" riep Jan verschrikt en verontwaardigd uit, en zonder +te bedenken, dat hij geen broek aan had, sprong hij op, en ijlde zijn +bok na. + +Maar deze was hem een geducht eind voor, en rende al midden in het +dorp. Jantje liep wat hij loopen kon, om hem in te halen. + +De menschen bleven lachend staan, om de twee hardloopers na te +kijken. 't Was dan ook een dwaas gezicht, dien bok te zien hollen, +met de rinkelende bellen en de wapperende pluimen op zijn rug, terwijl +de leidsels langs de kar zwierden, maar nog veel maller was het Jantje +te zien, die zonder broek zijn bok naholde. + +Jantje met zijne dunne beentjes liep het hardst. De keisteentjes deden +wel pijn aan zijne bloote voeten, maar hij voelde het niet, en dat de +menschen om hem lachten, merkte hij evenmin. Hij dacht maar alleen aan +zijn mooien bok. Tot zijn vreugde bemerkte hij, dat hij op hem won, en +dat hij hem misschien nog kon inhalen, voordat hij de brug had bereikt. + +Plotseling echter zag hij, dat de bok gegrepen werd. Iemand met +een mandje aan den arm sprong op den weg, en greep den bok bij den +teugel. Daar was Jantje blij om, tot hij opeens zag, dat die man zijn +vader was. + +"Hei, hei, wat is dat voor een malle vertooning?" riep Dik zijn +zoontje toe, die hijgend bij den bok stond. + +"De jongens hebben hem op hol gejaagd, Vader," zei Jantje, die zijn +vader een beetje uit de voeten bleef. + +"Maar hoe komt het, dat jij hier zonder broek langs den weg rent?" ging +Dik voort. + +Jantje zweeg. + +"Allo, spreek op, mannetje. Waar zijn je broeken, en je kousen en +je klompen?" + +"O Vader, ik had ... ik ... ik was ... ik ... had ... ik ..." + +"Ik had en ik was en ik was en ik had!" viel zijn Vader in. "Ik was +een ondeugende jongen en ik had een pak slaag verdiend, wil je zeker +zeggen, hè?" + +Jantje deed een paar stappen achteruit. + +"Spreek op, Jantje, wat is er gebeurd?" + +"Ik was in 't kanaal gevallen, Vader, en omdat ik mijn Zondagsche +broek aan had, dorst ik niet thuis te komen, en toen..." + +"En toen?" + +"Toen hebben Karel en ik mijn broek uitgewrongen, maar toen hebben +Frans Thor en Klaas Zwart den bok op hol gejaagd..." + +"En toen ben jij den bok achterna gehold?" vroeg Dik, en opeens +begon hij er smakelijk om te lachen, want hij vond het een koddige +geschiedenis. + +"Dat is tweemaal vandaag, Jantje!" zei hij. "Pas maar op, dat je er +niet voor den derden keer invalt. Vooruit, stap in de kar en haal je +kleeren. En ik zou dat wringen verder maar aan Moeder overlaten. Je +gaat direct naar huis, hoor." + +"Ja Vader," zei Jantje, die blij was, dat het zoo goed afliep. "Maar +van Frans en Klaas is het een gemeene streek." + +"Dat is het," zei Dik. + +Jantje stapte in de kar en reed naar het vlot terug, waar Karel op de +natte plunje paste. Jan kleedde zich weer behoorlijk aan, en reed naar +huis terug. Zijn Moeder vond de geschiedenis lang zoo grappig niet als +Vader Dik, maar omdat Jantje jarig was, liep alles nog al goed voor +hem af. Hij kon zijn daagsche pakje weer aantrekken, dat intusschen +gedroogd was, maar met den bok mocht hij dien avond niet meer rijden. + + + + + +Achtste Hoofdstuk. + + Jantje krijgt het met Flipsen te kwaad, en dankt aan zijne + magere leden zijne redding uit een dreigend gevaar. + + +Hoe ouder Jantje werd, des te meer gingen zijne kameraden van hem +houden. Dat was volstrekt geen wonder, want hij was een aardige +jongen met een goed hart. Van alles wat slecht en leelijk was, +had hij een afkeer, en als sommige jongens nog wel eens iets deden, +waarvan groote menschen last of schade ondervonden, deed hij nooit +meê. Eénmaal had hij appelen gestolen in den tuin van Wobbe, waar de +jongens dikwijls heengingen om vruchten weg te nemen, want Wobbe had +een grooten boomgaard, waarin heel veel lekkers groeide. Jantje had +er nog nooit aan meêgedaan, maar eindelijk liet hij zich overhalen +om ook meê te gaan. 't Was op een herfstavond en ruw weer. De jongens +slopen stilletjes naar de boerderij van Wobbe, die een eindje buiten +het dorp lag, en sprongen na elkander over de sloot. Zoo kwamen zij +in den boomgaard. + +Maar Wobbe had zich met een paar knechts verdekt opgesteld, want +dat appelen stelen begon hem geducht te vervelen. Hij had Flipsen, +den veldwachter, wel gewaarschuwd, maar die werd een dagje ouder en +maakte er niet veel werk van. + +"Als je een van de dieven snapt, breng je hem maar bij me, dan zal ik +hem wel mores leeren," had hij gezegd. En hij had er aan toegevoegd: +"zelf zal ik ook wel een oogje in 't zeil houden." + +Wobbe was daarom besloten, zelf de handen uit de mouwen te steken, +en had zich met zijne knechts op verschillende plaatsen in den +boomgaard verscholen. + +Zij hadden er nog niet lang gezeten, toen zij de jongens hoorden +komen. Zij merkten duidelijk, hoewel zij nog niemand zagen, dat +de jongens over de sloot sprongen. Wobbe en zijne knechts bleven, +waar zij waren. Hunne afspraak was, de jongens tot midden in den +boomgaard te laten komen, en hen dan plotseling van drie kanten +tegelijk te bespringen. + +Jantje voelde zich in 't geheel niet op zijn gemak, en toen alle +jongens al over de sloot waren, stond hij nog weifelend op den weg. + +"Pssst! Pssst!" hoorde hij zacht roepen, 't Was de stem van Karel +van Dril. "Kom maar hier, Jan, alles is veilig." + +"O ja," zei een ander, "kom maar gerust. Bij Wobbe brandt het licht +in de huiskamer. Er is niet het minste gevaar." + +Jan kwam nader en sprong ook over de sloot. + +De jongens gingen behoedzaam verder den boomgaard in. + +"Hier!" riep er een. "Kijk eens, wat een prachtige appelen! De boom +zit propvol!" + +"Hier ook," riep Karel van Dril een eindje verder. "Kom hier, Jan, +hier zijn peren." + +Eerst waren de jongens bang en keken schuw rond, of er geen gevaar +dreigde, maar toen alles stil bleef, steeg hun moed, en liepen zij +brutaal tot midden in den boomgaard. + +Frans Thor en Klaas Zwart waren de brutaalsten. De jongens gingen +weinig of nooit met hen om, maar soms sloot het tweetal zich ongevraagd +bij hen aan, en dan waren zij moeilijk te weren. + +Frans had een stok bij zich en sloeg er mede tegen de takken. De +appelen vielen naar beneden. + +Maar hij kreeg geen tijd om ze op te rapen, want opeens werden zij +van drie kanten tegelijk besprongen. + +"Voorwaarts! Grijpt de dieven!" klonk de stem van Wobbe. Deze was +een groote, sterke boer met harde handen. + +Verschrikt vlogen de jongens uit elkaar. De een ijlde hier-, de ander +daarheen. Klaas Zwart haastte zich zoo, dat hij in de sloot viel. Tot +aan zijn hals toe zakte hij in het water. Karel van Dril sprong over +de sloot, Frans Thor ook, Gerrit Kikke en Piet Vos kwamen er met +natte voeten af, maar Jantje, die eerst niet wist, wat er gebeurde, +liep den verkeerden kant op, en vloog precies boer Wobbe in de armen. + +"Loopen! Loopen, jongens!" riep Frans Thor. + +Een van de knechts sprong over de sloot, en riep: + +"Wij zullen eens zien, wie 't hardst kan loopen, kereltje!" + +En hij liep Frans zoo hard hij kon achterna. + +Dat werd een wedren van belang, want Frans was vlug ter been, maar de +knecht nam veel grootere stappen. Frans hoorde zijne stappen hoe langer +hoe dichter achter zich. Eindelijk voelde hij zich bij den kraag van +zijn jas grijpen. Hu, wat kneep die knecht. Frans werd bijna geworgd +maar toch wrong hij zich nog als een aal, om los te komen. Dat gelukte +hem echter niet. De knecht gaf hem een geducht pak slaag, en joeg hem +voor zich uit, terug naar de boerderij. Daar beleefde Jantje intusschen +ook geen prettige oogenblikken, want Wobbe trok hem aan zijne ooren +in de hoogte, tot zijn gezicht vlak voor dat van den boer gekomen was. + +Jantje gierde van de pijn! + +"Ha zoo, kereltje, wat ben jij licht!" zei de boer met een boozen +lach. "Jij bent te dun om appelen te eten, manneke. Hoe heet jij?" + +"Au, au!" schreeuwde Jantje, die spartelde als een mager varken. + +"Heet jij au-au?" lachte de boer. "Magere langbeenige mug!" + +"Au! Au!" huilde Jantje. + +"Heet jij au-au?" herhaalde de boer driftig. + +"Neen, au neen, ik heet Jan Trom! Au, au, laat me los asjeblieft!" + +"Zoo, heet jij Jan Trom," zei de boer. Hij liet Jantje weer zakken, +tot hij op den grond stond, legde hem toen over zijne knie, en gaf +hem een geducht pak voor zijn broek. + +'t Werd een warme geschiedenis voor Jantje, want de handen van den +boer waren nog veel harder, dan hij ze zich voorgesteld had. Zoo'n +pak slaag had hij nog nooit van zijn leven gehad, en hij vreesde, +dat er geen stuk van hem heel zou blijven. + +Eindelijk liet Wobbe hem los. + +"En maak nu, dat je wegkomt!" bulderde Wobbe hem toe, "of ik breng +je nog bij Nero in het hondenhok. Die houdt wel van kluifjes, al zijn +ze mager." + +Dat liet Jantje zich geen tweemaal zeggen. Hij liep wat hij loopen +kon, en 't viel hem meê, dat het nog zoo goed ging, want hij dacht +niet anders, of de boer had hem zijne beenderen stuk geslagen. Hij +haastte zich zoo om over de sloot te komen, dat het maar zus of zoo +scheelde, of hij kwam in het water terecht. Maar dat liep gelukkig +nog goed af. En toen vloog hij naar het dorp terug. Zijn rooftocht +was hem bitter slecht bevallen. + +Even later hoorde hij de noodkreten van Frans Thor, die door den boer +en zijn knecht onderhanden werd genomen. Jantje liep dientengevolge +nog harder. + +"Hij lust er ook van!" mompelde Jantje, die in ijlende vaart +voortholde, "hu, wat slaat die boer hard. Hoor Frans eens schreeuwen." + +Na een poosje haalde hij Klaas Zwart in, die zoo hard niet loopen kon, +omdat hij tot aan zijn hals toe in de sloot gezeten had. Klaas huilde, +want hij stelde zich de ontvangst thuis ook niet erg vriendelijk voor. + +Jantje ging regelrecht naar huis met het stellige voornemen nooit +meer appelen of peren te stelen. En 's avonds wreef hij meermalen +over zijn broek, omdat hij zoo'n pijn had. + +De zaak was echter nog niet uit, want Wobbe vertelde den volgenden +dag aan Flipsen, den veldwachter, welk eene gelukkige vangst hij +had gehad, en gaf hem de namen der schuldigen op. Zoo kwam het, dat +Flipsen den winkel van Trom binnenstapte, waar Dik juist bezig was +een paar klanten te helpen. + +Flipsen had altoos nog een kijkje op Dik, want hij was nog niet +vergeten, wat Dik in zijn jeugd voor streken had uitgehaald. + +"Goeden avond, Dik!" zei hij. + +"Dag Flipsen," was het antwoord. "Wat is er van je dienst?" + +"Niet veel moois, man. Ik kom je waarschuwen, dat je wel wat beter +op je zoontje mag passen, want 't is erg, zooals hij op het dorp +huishoudt." + +"Zoo, zoo," zei Dik verwonderd en ook een beetje ongeloovig want hij +had nog nooit gemerkt, dat Jantje veel kwaad deed. "Is het zóó erg, +Flipsen? Wat heeft hij uitgevoerd! Jantje is anders zoo kwaad niet." + +Dik werd wel een beetje boos over den lompen uitval van Flipsen. + +"Dat zeggen alle vaders en moeders van hunne kinderen," hernam +Flipsen. "Van hun eigen kinderen kunnen zij nooit kwaad hooren, +vooral wanneer ze zelf ook nooit gedeugd hebben." + +Dik werd nu erg boos. + +"Wou je zeggen, dat _ik_ nooit gedeugd heb?" vroeg hij driftig, +en hij zwaaide zoo heftig met den strooplepel,--want hij was juist +bezig een vrouwtje aan een pond stroop te helpen,--dat Flipsen een +flinken lik van dat goedje op de mouw van zijn jas kreeg. + +"O, neem me niet kwalijk, dat is bij ongeluk," zei Dik. + +"Bij ongeluk! Bij ongeluk!" schreeuwde Flipsen verontwaardigd. "'t +Is een schandaal! En ik zal proces-verbaal tegen je opmaken, wegens +beleediging van een politieman in dienst!" + +Hij haalde zijn zakdoek te voorschijn om de stroop weg te vegen, en +maakte de zaak daardoor nog veel erger. De stroop kwam nu bijna over de +geheele mouw. En Flipsen was altijd zoo keurig netjes op zijn uniform. + +"Asjeblieft, juffrouw," zei Dik. "Wenscht u nog iets?" + +"Neen," zei de vrouw, die haar lachen haast niet kon houden. + +"Ik zeg," schreeuwde Flipsen, "dat je wel wat op je lieve Jantje mag +passen, of hij raakt nog in 't hok. Gisterenavond heeft hij appelen +en peren gestolen in den boomgaard van Wobbe, en dat zal wel niet +de eerste keer geweest zijn, denk ik.--Die akelige, ellendige stroop +zit er zoo vast op, dat mijn heele jas bedorven is. 't Is meer..." + +"Alleen de mouw maar," zei Dik. "Ik dank je voor de boodschap, +Flipsen. Ik zal er mijn zoontje over onderhouden." + +"Zoo vader, zoo zoon," zei Flipsen nijdig, want hij dacht, dat Dik +hem voor den gek hield. Met groote stappen liep hij den winkel uit. + +Toch waren die woorden Dik ernst geweest. + +Hij herinnerde zich nog best, hoe hij in zijne jeugd ook vruchten +gestolen had, en hoe hij tot inkeer gekomen was. + +'s Avonds vertelde hij aan Jan, wat er in zijn kinderjaren gebeurd was, +en hoeveel spijt hij er later over had gehad. + +En Jantje beloofde hem, dat hij het nooit, nooit weer doen zou. Dik +was er blij om toen hij hoorde, dat het Jantje's eerste strooptocht +geweest was, en hij vertrouwde er stellig op, dat het ook de laatste +zou geweest zijn. + +Na dien dag keek Flipsen den zoon van Dik Trom nooit meer vriendelijk +aan. Hij had een hekel aan Dik gehad, zoolang hij hem had gekend, en +dat sloeg nu op Jantje over. Dat kon deze zeer goed merken. Als hij +met zijn bok uit rijden was en hier of daar even uitstapte, wat nog +al dikwijls gebeurde, zoodat zijn bok gelegenheid kreeg om wat gras +of klaver van den berm te eten, kwam Flipsen, zoodra hij dat zag, +op hem af, en gaf een geducht standje. + +"Die bok mà g daar niet loopen, en nog veel minder van dat gras +eten. Dat gras is immers niet van jou? Of heeft je vader misschien +den berm gepacht?" + +"Neen Flipsen, dat geloof ik niet." + +"Ik weet het zeker. Dat gras is van Geurs, en je bok moet er +afblijven. Als ik het weer zie gebeuren, zal ik er proces-verbaal van +opmaken, hoor je. Denk jij, dat je maar doen moogt, wat je wilt? Ik +zal je dat wel anders leeren. 't Is gewoon diefstal, maar daar storen +jullie je niet aan, hè? Jij niet,--en je vader niet! Pas op je tellen, +mannetje, of je loopt er nog eens geducht tegen." + +Zijn vader lachte er om, toen Jan het hem vertelde. + +"Gekheid, jongen, maak je maar niet ongerust. Als je geen grooter +kwaad doet, is het nog al zoo erg niet, en zal Flipsen je wel met +rust laten. 't Is een nijdige kerel, die het allen menschen lastig +maakt. 't Is ook al erg, dat die bok daar een mondje gras of klaver +eet. Dat doet mijn hit immers elken dag ook? En de menschen, die het +gras van de publieke wegen pachten, weten immers vooruit, dat zulke +dingen niet te keeren zijn. Daarom betalen zij ook minder pacht. 't +Is te gek om er van te praten, Jan, en maak je maar niet ongerust. 't +Zal zoo'n vaart niet loopen." + +Na dien tijd liet Jan zijn bok gewoon z'n gang gaan, of Flipsen het +zag of niet. Dat begon Flipsen geducht te vervelen, en eindelijk +maakte hij er werkelijk proces-verbaal van op. + +"Jij heet Jan Trom, hè?" zei hij, zijn zakboekje te voorschijn halende. + +"Ja," zei Jan. + +"Hoe oud ben je?" + +"Tien jaar," zei Jan. + +"Zoon van Dik Trom, hè?" + +"Ja wel." + +"En je erkent, dat je bok hier gras en klaver van den berm eet?" + +"Ja," zei Jan, "dat kan ik niet ontkennen." + +"Mooi zoo," zei Flipsen, die zijn boekje met een flap dichtsloeg, +"daar zal je wel meer van hooren, manneke. Jullie doet maar, of er +geen overheid bestaat. Maar 't zal je berouwen." + +Toen Jan het aan zijn vader vertelde, haalde deze glimlachend de +schouders op. + +"Wat bezielt dien man toch," zei hij. "Maak je maar niet ongerust, +'t is een storm in een glas water. We hooren er hoogstwaarschijnlijk +nooit meer iets van." + +Dat was ook zoo. Toen Flipsen met zijn proces-verbaal bij den +burgemeester kwam, lachte deze den veldwachter hartelijk uit. + +"Ben je dwaas, Flipsen," zei hij. "Denk je, dat we met zulke nesterijen +bij den Officier van Justitie kunnen komen?" + +"Maar burgemeester, 't is toch diefstal?" zei Flipsen knorrig. + +"Dat beschouw ik niet als diefstal," was het antwoord. "Op die manier +zou een jongen zelfs geen konijntje meer kunnen houden, als hij niet +een beetje gras van den berm mag snijden. 't Is te mal om er van +te praten." + +Hiermede kon Flipsen vertrekken, maar Jantje keek hij nooit meer +vriendelijk aan. En dat zou nog erger worden, geheel buiten Jan's +schuld. + +Op een avond waren Jan en Karel met nog een paar andere jongens aan +het spelen op de markt, toen zij opeens een eigenaardig puffend geluid +hoorden. Verwonderd keken zij in het rond, om te zien, waar dat geluid +vandaan kwam. En tot hun groote verbazing ontdekten zij een wagen +zonder paard er voor, die met groote snelheid langs den weg vloog. + +"Boe!--Boe!--Boe!" klonk het geluid van een grooten horen. In den wagen +zaten heeren en dames, die zich vreeselijk mal toegetakeld hadden. Zij +droegen groote stofbrillen voor de oogen, en zagen er uit als ijsberen. + +'t Vreemde rijtuig was een automobiel, en wel de eerste automobiel, +die het dorp, waar Jan woonde, met een bezoek vereerde. + +"Kijk, kijk!" riepen de jongens, "wat een gekke wagen!" + +"Zij lijken wel van den Noordpool te komen," merkte Jan op. "'t Is +een wagen vol ijsberen. Kijk, daar houdt hij stil voor de herberg +van De Vries. Gaan jullie mee kijken?" + +De jongens liepen, wat zij loopen konden, om bij het vreemde voertuig +te komen. + +"'t Is eene automobiel!" zei Karel van Dril. "'k Weet zeker, dat het +eene automobiel is!" + +"Gaat die door stoom?" vroeg Jan. + +"Neen, ze stoken er benzine in, zei Vader. O, ze kunnen zoo hard +rijden, wel zoo hard als een sneltrein." + +De jongens hadden den wagen spoedig bereikt, en bekeken hem aan +alle kanten. De reizigers waren het café binnengegaan, om iets te +gebruiken. En al spoedig stonden er heel wat menschen om het vreemde +voertuig, want velen hadden wel al van automobiles gehoord of gelezen, +maar nog slechts weinigen hadden er een gezien. + +"Ik noem het een mooi ding!" merkte Jan wijs op. "Ik zou er mijn +bokkewagen wel voor willen ruilen." + +"Wat je zegt!" zei Karel lachend. "Kijk, hij staat nog te trillen en +te zuchten, of het een levend wezen is." + +"Hij is moê," lachte Jan. "Hij staat uit te blazen. Die twee groote +lantaarns voorop zijn net een paar oogen.--Zeg Karel, zoo'n automobiel +ga ik ook maken." + +"Je doet wat!" lachte Karel een beetje spottend. "'t Is maar geen +kleinigheid. Je begrijpt toch, dat er een heele machinerie binnenin +zit?" + +"O ja natuurlijk," zei Jan. "Ik bedoel ook niet, dat ik een echte ga +maken, want dat zou jou vader nog niet eens kunnen, en die kan haast +alles,--maar ik maak toch net een wagen als dit ding, wat ik je zeg." + +Op dit oogenblik kwamen de reizigers weer naar buiten en namen +in de auto plaats. De chauffeur greep het stuurrad deed een paar +geheimzinnige grepen in den wagen, en er kwam leven in het monster. Het +trillen en schokken werd heviger, en opeens schoot het gevaarte met +kracht vooruit. + +"Poe! Poe! Poe!" toeterde de reusachtige horen. + +De omstanders sprongen verschrikt op zijde, en een oogenblik later +was de wagen uit het gezicht verdwenen. Hij vloog als het ware langs +den weg, de menschen in een wolk van stof achterlatende. + +Jan stond het vreemde voertuig met open mond na te staren. En toen +hij het niet meer kon zien, riep hij zijn makkers toe: + +"Dag!--Ik ga naar huis!" + +Op een drafje liep hij weg. De auto had een overweldigenden indruk op +hem gemaakt, en hij was besloten niet te rusten, voor hij er ook een +had. Wel een week lang bleef hij voor zijne kameraden onzichtbaar, +behalve op school natuurlijk. Daar mòèst hij wel heen. Maar al zijn +vrijen tijd besteedde hij aan het vervaardigen van zijne automobiel, +en dat was geen gemakkelijk werkje. Hij schoot er vlug mede op, +en was verbazend trotsch op het product van zijne handen. + +De kinderwagen, waarin zijne Moeder hem gereden had, toen hij nog een +klein kereltje was, had hij van het bovenstel ontdaan, zoodat alleen +de wielen overbleven. Zijn Moeder had hem daartoe hare toestemming +gegeven, omdat de wagen oud en versleten en dientengevolge geen +dubbeltje meer waard was. + +Toen had hij van zijn vader een paar pakkisten gevraagd, die hem +graag werden afgestaan. + +"Wat moet je er meê uitvoeren, Jan?" had zijn Vader gevraagd. + +"Ik maak er een automobiel van," zei Jan, en toen vond zijn Vader het +goed. Die kisten gaf hij precies het model van de auto, en bevestigde +ze daarna op het onderstel van den kinderwagen. Keurig netjes timmerde +hij er twee bankjes in, een voor- en een achterbankje. Gelukkig +mocht hij het gereedschap van zijn grootvader gebruiken, en deze gaf +meermalen goeden raad. + +Maar nu kwam het moeilijkste nog aan, want hij wilde zijn wagen van een +toestel voorzien, waarmede hij hem in beweging kon brengen, zonder dat +het noodig was hem te duwen of te trekken. Het duurde lang, eer hij +daar iets op gevonden had, en toen hij wist, hoe het worden moest, +kon hij het onmogelijk zonder hulp van een smid uitvoeren. Hij ging +daarom met zijn wagen naar Piet van Dril, den smid, en legde hem uit, +wat er gedaan moest worden. + +"Kijk, Van Dril," zei hij, "zooals het nu is, is het niet goed. De +as van mijn wagen deugt er niet voor. Ik zou naast mijn voorbankje +een wiel willen hebben met een tandrad precies als aan een fiets. Als +nu aan den as van den wagen ook zoo'n rad bevestigd werd, kon er een +fietsketting omgelegd worden, zoodat ik maar aan het wiel te draaien +heb om de kar in beweging te brengen. Aan dat wiel moet natuurlijk +een handvat komen, precies als aan het wiel van een draaiorgel." + +Piet van Dril keek hem een poosje peinzend aan, en krabde zich in +gedachten achter het oor. Eindelijk gaf hij Jan een geduchten klap +op diens smalle schoudertje, zoodat de beentjes ervan haast kraakten, +en zeide: + +"Dat heb je al wonder knap bedacht, Jan. Wonder knap, zeg ik! Je kon +wel ingenieur of zoo iets worden. Maar hoe moet je aan zoo'n wiel +met een handvat komen? Ik heb er geen." + +"Wij wèl, Van Dril," zei Jan. "In de schuur ligt die oude koffiemolen +nog van ons, u weet wel, die oude afgedankte uit den winkel. En daar +zit een groot wiel aan met een handvat." + +"Juist!--Ja, juist," zei Van Dril. "Wel jongen, ik vind, dat je +het zóó knap bedacht hebt, dat ik je nu eens voor pleizier aan die +kamraderen helpen wil. Haal dat wiel maar hier." + +Wat was Jantje blij. Hij liep als een haas naar huis om het wiel +te halen en was den geheelen avond niet uit de smederij weg te +krijgen. Geen wonder waarlijk, want Van Dril hield woord. Hij smeedde +de kamraderen aan den vooras van den wagen en aan het wiel van den +koffiemolen, maakte een oude fietsketting pasklaar, en zette alles +netjes en flink in elkander. + +Jan stond er verrukt naar te kijken, en Karel niet minder. + +"Nu moet ik nog een horen hebben!" zei Jan, zich de handen wrijvende +van genot. + +Ja, en nog twee lantaarns," zei Karel. "Je weet wel, dat zijn de oogen +van het beest. Een paar oude fietslantaarns konden er best dienst +voor doen. Vader, hebben wij nog niet een paar van zulke oudjes?" + +"O, ja wel," zei Van Dril. "Hier heb je er twee." + +In een kwartiertje had Jan ze voor aan de auto bevestigd. Toen nam +hij nog een veerkrachtig metalen plaatje, en timmerde dat aan den +linkerkant van den wagen, er voor zorgende, dat de spaken van het +voorwiel er beurtelings tegen aan tikten, als de wagen in beweging +kwam. Daardoor werd een geluid veroorzaakt, dat precies het tuffen +van een auto nabootste. + +Nu was de wagen klaar. Jan en Karel brachten hem naar buiten, waar +Jan op het voorbankje ging zitten, en Karel op de achterbank. Jan +nam het handvat en draaide het wiel rond. Ha, wat reed het karretje +prachtig. De twee jongens konden hun lachen niet houden van +pleizier. 't Was precies een auto, en hij maakte een aardig gangetje. + +'t Was maar jammer, dat de voorwielen niet om een spil konden draaien, +want nu kon de wagen alleen vooruit en achteruit, maar van sturen +was geen sprake. + +Elken avond gingen de jongens er meê spelen en zij hadden niet weinig +bekijks. Maar Jan raakte er door in volslagen vijandschap met Flipsen, +en toch was het geheel buiten zijne schuld. Dat kwam zoo. + +Karel van Dril moest eene boodschap voor zijn vader doen, en daarom +besloot Jan maar alleen met zijn auto te gaan rijden. Eerst tufte +hij een paar malen het dorp door, en ging toen naar het fort even +voorbij het kerkhof, dat aan het einde van 't dorp lag. Daar werd een +fort aangelegd waarlangs een hooge kluft liep. Jantje besloot van die +kluft af te tuffen. Jongen, wat zou hij dan een snelle vaart krijgen! + +Nu, dat was ook zoo. Hij duwde zijne auto tegen de hoogte op, ging er +toen in zitten, en reed vliegensvlug naar beneden. Ha, nu leek het +precies een echte automobile. Hij toeterde, dat het een lust was om +te hooren, en het stof dwarrelde achter hem omhoog. 't Was verbazend +te zien, hoever zijn kar nog voortreed, als hij den vlakken weg reeds +had bereikt. + +Jan vond het spelletje zoo mooi, dat hij aan geen ophouden +dacht. Zoodra was hij niet beneden gekomen, of hij duwde de kar +opnieuw naar boven, en liet zich dan weer vliegensvlug gaan. + +Toen hij eens weer op het hoogste punt aangekomen was en gereed stond +om in te stappen, kwam van den anderen kant juist Flipsen aan. De man +was bepaald in eene erg knorrige bui, want hij keek verschrikkelijk +boos. Zoodra hij Jan zag, bleef hij staan en zeide: + +"Zoo,--wat voer jij hier in je eentje uit? Zeker niet veel goeds, hè?" + +"Ik doe in het geheel geen kwaad, Flipsen," zei Jan. "Ik rijd alleen +maar met mijn auto van de hoogte af, omdat het zoo lekker gaat." + +"Ja, ja," zei Flipsen, "jij hebt je woordjes wel klaar, maar ik +vertrouw je niet verder, dan ik je zie. Pas op, manneke, ik waarschuw +je, dat je geen verkeerde dingen doet, want ik heb je al lang in +de gaten." + +Flipsen vervolgde zijn tocht langs de kluft naar beneden. + +Jan besloot nog een poosje te wachten, want hij zag zeer goed, dat +Flipsen om de een of andere reden uit zijn humeur was, en dat het maar +het veiligst was hem uit den weg te blijven. Hij nam plaats op het +voorbankje en was van plan zoo lang te wachten, tot Flipsen weg was. + +Dat duurde geruimen tijd, want het was eene lange kluft, en Flipsen +kuierde op zijn gemak naar het dorp. + +Opeens voelde Jan, dat er beweging in zijne auto kwam. Deze werd met +kracht vooruit geduwd. Hij keek om en zag, dat Frans Tor achter de +kar liep. Lachend zei deze: + +"Ik zal je een zetje geven, Jan, dan ga je vliegensvlug naar beneden." + +"Niet doen,--niet doen, Frans!" riep Jan hem waarschuwend toe. "Ginder +loopt Flipsen, en ik wou hem liever niet voorbij rijden." + +"Gekheid! Wat kan jou Flipsen schelen!" riep Frans terug. Met alle +kracht en zoo snel hij loopen kon, duwde deze de kar naar beneden. + +Opeens liet hij haar los, en voort vloog Jantje, in ijlende vaart +de helling af. Angstvallig hield hij de oogen gericht op Flipsen, +want hij vreesde niet zonder reden, dat er veel kans bestond om hem +onderst-boven te rijden. + +"O jé!" dacht Jan met een zucht van ontsteltenis, "als dat maar goed +afloopt! Ik vlieg regelrecht op hem aan. Had ik maar een stuur aan +mijn auto, dan kon ik langs hem heen rijden, of een rem, om den wagen +tot stilstand te brengen.--Poe,--ik geloof, dat ik hem regelrecht +tegen de beenen vlieg!" + +Jantje begon op zijn horen te toeteren, dat het wel vijf minuten ver +te hooren was, maar Flipsen keek niet op of om. Jan zag dat tot zijn +grooten schrik. Hij zag ook, dat Flipsen recht-uit, recht-aan verder +liep, zonder ook maar een stap op zijde te gaan. + +"Zou hij me niet hooren?" dacht Jan, en hij toeterde zoo hard, dat +zijn horen er van berstte, en in 't geheel geen geluid meer gaf. + +Jan was ten einde raad, want hij naderde Flipsen met groote snelheid, +en 't leed geen twijfel, of bij dezen voortgang reed hij hem pardoes +tegen de beenen. + +Hij probeerde de kar op zijde te rukken, maar tevergeefs. + +"Hei, hei daar, hola Flipsen!" riep hij in doodsangst den boozen +veldwachter toe, want hij was hem bijna genaderd. + +Maar Flipsen verkoos geen stap op zij te gaan. + +"Dat moet er nog bijkomen, dat ik, een regeeringspersoon, voor een +kwâjongen uit den weg moet gaan. Dank je hartelijk. Hij moet voor +mij uitwijken, en niet ik voor hem. 't Zou me wat moois worden op +die ma..." + +"Bom!" + +Daar voelde hij een geduchten smak tegen zijn kuiten, en op 't zelfde +oogenblik sloeg hij met kracht achterover in de auto van Jantje. En +voort vloog de kar. Flipsen lag met zijn beenen omhoog in den wagen, +en hij zag geen kans om overeind te komen. + +"Satansche jongen," schreeuwde hij, toen hij zijn eersten schrik te +boven was. "Brutale vlegel,--ik zal je leeren!" + +'t Was een bespottelijk gezicht hem te zien liggen. Vader Dik, +die er juist op aan kwam loopen, wist eerst niet goed, wat hij zag, +maar een oogenblik later barstte hij in een onbedaarlijk lachen uit. + +"Wat nu, Flipsen," riep hij den veldwachter toe, "ga je in het karretje +van mijn Jan rijden?" + +Flipsen richtte zich op uit zijne moeielijke positie, en bracht met +zijne beenen de kar tot staan. Maar waar was Jan? Er was tot verbazing +zoowel van Dik als van Flipsen, geen spoor van hem te zien. + +Flipsen was woest van kwaadheid, en met gebalde vuist kwam hij op +Dik af. + +"'t Is eene schande, eene schande!" schreeuwde hij Dik toe. "Ik zeg, +'t is eene schande om je zoontje zoo tegen mij op te zetten, en hem +te leeren mij te bespotten. Maar ik zal hem krijgen,--ik zal hem +krijgen,--ik zal..." + +Flipsen wist van kwaadheid niet, wat hij zeggen moest, en met toornige +blikken keek hij van Dik naar de auto, die verlaten aan den kant van +den weg stond, en van de auto naar Dik. Maar deze deed niet anders +dan lachen, want het was hem onmogelijk zich te bedwingen. + +"Bedaar toch, Flipsen, bedaar toch!" riep hij tusschen de buiën door +den veldwachter toe. + +"Bedaren?" schreeuwde Flipsen. "Bedaar jij met je gelach, dat zou +je fatsoenlijker staan. Foei man, ik zou me schamen, om mijn kind +zoo'n opvoeding te geven. Maar ik zal hem wel krijgen, den rakker, +wacht maar!" + +Met groote schreden vervolgde Flipsen zijn weg, zonder Dik of de auto +met een enkelen blik te verwaardigen. + +Dik lachte nòg! + +"Wat was dat een bespottelijk gezicht!" zei hij binnensmonds. "Maar +waar mag Jan toch zitten? 't Is zijn auto, dat weet ik zeker. De +jongen zal toch geen ongeluk gekregen hebben..." + +Dik werd ernstiger, en hij wierp een blik langs de kluft om te zien, +of Jan zich daar bevond. + +Opeens hoorde hij echter diens welbekende stem. + +"Pssst, Vader,--is hij weg?" werd hem half fluisterend toegeroepen. 't +Geluid kwam uit de auto. + +Dik draaide zich om, en waarlijk, daar kwam Jantje's smalle hoofdje +van tusschen het voor- en het achterbankje te voorschijn. Snel keek +Jan om zich heen. + +Ha, de veldwachter verwijderde zich met groote schreden. Dik kwam +naderbij. + +"Hoe zit jij daar zoo tusschen die banken gewrongen, kind?" vroeg hij +lachend, want de heele geschiedenis maakte op hem een onweerstaanbaar +lachwekkenden indruk. "En wat is er eigenlijk gebeurd?" + +Jan kroop nu uit den wagen en zeide: + +"O, Flipsen was erg boos, waarom weet ik niet. Ik stond met mijne auto +ginds op de hoogte, en was juist van plan om naar beneden te rijden, +toen Flipsen mij een standje gaf, omdat ik--ja, ik weet echt niet +waarom, want ik deed in 't geheel niets. En toen ging Flipsen verder, +en omdat hij zoo boos was, meende ik te wachten, tot ik hem niet meer +kon inhalen. Maar Frans Thor kwam onverwachts achter me en gaf me +een harden duw, zoodat ik naar beneden vloog, regelrecht op Flipsen +aan.--Wat zat ik in de benauwdheid, Vader. Ik toeterde zoo hard ik kon, +en toen nòg harder, zoodat de horen er van gebarsten is. Hoor maar, +hij geeft geen geluid meer. Maar Flipsen deed net of hij doof was, +en keek niet op of om, tot ik eindelijk zag, dat ik hem niet meer +ontwijken kon. Ik kroop vlug tusschen het voor- en het achterbankje +en maakte mij zoo klein mogelijk, en op 't volgende oogenblik vloog de +kar Flipsen van achteren tegen de beenen, zoodat hij achterover op de +kar viel. Zoo reden we samen verder, tot u kwam. Wat zat ik in angst, +Vader. Ik zweet nog, als ik er aan denk." + +Dik kreeg opnieuw een lachbui, waar haast geen einde aan kwam, zoo +mal vond hij het. + +"Dus je magere leden hebben je gered!" riep hij eindelijk uit. "Als +je zoo mager niet was geweest, had je je onmogelijk op zoo'n klein +plaatsje kunnen opvouwen. 't Is merkwaardig. Ga maar gauw naar huis, +en blijf Flipsen zoo ver mogelijk uit de voeten, want hij is meer +dan kwaad op je." + +"Maar Vader, ik kon er toch niets aan doen." + +"Ja jongen, dat weten _wij_ wel, maar _hij_ gelooft het niet. Blijf +van avond verder maar stilletjes thuis." + +Jan beloofde dat, maar hij ging toch even naar de smederij, om het +geval aan Karel Van Dril en diens vader te vertellen, die er ook niet +weinig om lachen moesten. + +Jan evenwel verzonk in diep gepeins, want de kar beviel hem zoo niet +meer. Hij nam zich vast voor niet te rusten, voordat hij de voorwielen +aan een beweegbaren as verbonden had, zoodat hij de auto sturen kon, +en dan nog wilde hij er een rem aan hebben. + +Toen Dik 's avonds het geval aan Jan's Grootvader vertelde, moest +deze er ook braaf om lachen, en hij kwam tot de conclusie, dat Jan +ook een bizonder kind was--en dat was-ie! + + + + +Negende Hoofdstuk. + + Jan omarmt den schoorsteenveger met groote innigheid. + + +Flipsen wà s en blèèf erg boos op Jan Trom. Misschien zou die boosheid +langzamerhand wel wat afgezakt zijn, als het malle figuur, dat hij +gemaakt had, niet door het geheele dorp bekend geraakt was, maar dat +gebeurde wèl. Frans Thor was daar de schuld van. Toen hij Jan met +zijne auto zoo'n geduchte vaart gegeven had, bleef hij lachend staan +kijken, hoe de zaak zou afloopen, en zoo had hij alles gezien, wat er +gebeurd was. Hij gierde het uit van de pret, en hij vertelde het aan +iedereen, die het maar hooren wilde. En wat nog erger was: hij hield +Flipsen telkens voor den gek, als hij hem op straat tegenkwam. Dat zou +Jan Trom in geen geval gedaan hebben, want hij vond het geval voor +Flipsen al erg genoeg, maar Frans deed het wèl en Klaas Zwart hield +hem daarbij trouw gezelschap. Telkens als zij Flipsen ontmoetten, +begonnen zij te tuffen als eene auto, zonder Flipsen aan te kijken. + +"Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!" zei dan Frans. + +"Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!" zei dan ook Klaas, en dan tuften zij om het +hardst. Eerst had Flipsen er geen erg in gehad, maar toen het telkens +gebeurde, als die jongens in zijne nabijheid waren, begon hij lont +te ruiken. Hij keek ze aan met een paar oogen, of hij hen verscheuren +wilde, maar dat deed hij toch niet. + +Doch toen hij hen later weer tegenkwam, en zij opnieuw begonnen +te tuffen, sprong hij plotseling op hen af, en gaf hun ieder een +klinkenden draai om de ooren. Dat gebeurde zóó snel en onverwachts, +dat de twee jongens eerst niet eens goed begrepen, wat er gebeurde. + +"Au!" riep Frans. + +"Au!" riep Klaas. + +En beiden grepen zij naar hun ooren, waar zij een stekende pijn +voelden. + +Flipsen lachte, en gaf hun een tweeden. + +"Daar!" zei hij. "Ik zal je leeren tuffen! Hard gaat-ie, hè?" + +Ze gingen allebei hard, want vóór Flipsen gelegenheid kreeg hun +nog een derden oorveeg toe te dienen, zetten zij het op een loopen, +zoo hard zij konden. En na dien tijd tuften zij niet meer, als zij +Flipsen tegenkwamen. Zij gingen hem zelfs eerbiedig uit den weg. + +Op Jan Trom bleef Flipsen erg boos, dat kon Jan duidelijk +opmerken. Flipsen groette hem nooit terug, als hij hem tegenkwam, +en keek hem altoos aan met een blik, die hem niet veel goeds +voorspelde. Jan trok er zich echter niets van aan, want hij voelde +zich volkomen onschuldig. + +"Ik heb het niet met voordacht gedaan," dacht hij, "en als ik het +had kunnen vermijden, zou het in 't geheel niet gebeurd zijn. Flipsen +zal dat ook wel begrijpen, als hij er kalm over nadenkt." + +En zijn vader zei ook: + +"'t Zal van zelf wel weer beter worden, als jij Flipsen maar met rust +laat en hem zooveel mogelijk uit de voeten blijft. Hij zal dan zelf +wel begrijpen, dat hij zich vergist heeft. + +En zoo was het ook. Toen Flipsen opmerkte, dat Jan hem altoos even +beleefd bleef groeten en hem nooit voor den gek hield, bedaarde zijne +boosheid meer en meer, en eindelijk groette hij Jan zelfs terug. + +Jan peinsde voortdurend op een middel, om eene herhaling van het +gebeurde te voorkomen. Hij was vast besloten niet te rusten, voor +hij zijne auto bestuurbaar had gemaakt. En eindelijk meende hij het +gevonden te hebben. Hij had er een spil voor noodig, met aan het +boveneinde een stuurrad, precies als aan eene echte auto. Die spil +moest van onderen bevestigd worden aan den vooras, welke beweegbaar +moest zijn. Als hij dan in zijn auto zat, kon hij hem gemakkelijk +door middel van het stuurrad heen en weer bewegen, waardoor hij den +wagen geheel in zijne macht kreeg. + +Nauwelijks waren zijne plannen tot rijpheid gekomen, of hij begaf +zich na schooltijd op weg naar Van Dril, zonder wiens hulp hij +geen kans zag een en ander ten uitvoer te brengen. Er zou echter +dien avond niet veel van komen. Hij was nog maar pas zijn huis uit, +of hij kwam Dries Klomp tegen, den jongsten knecht van Jan Vos. Deze +had een emmertje in de hand, en een bezem, een bosje stroo en een +touw onder den arm. Hij werd op het dorp meestal bij zijn voornaam +genoemd en stond bekend als een grappenmaker. + +"Dag Dries!" riep Jan hem toe. + +"Zoo Jantje," zei Dries. "Jongen, jongen, wat word je toch dik in den +laatsten tijd. Als je niet oppast, kun je weldra met de konijntjes +door de tralies van het hok meê-eten." + +"Is het waar?" vroeg Jan lachend, want hij kon wel tegen een klein +plagerijtje. "Dan zal ik de koolstronkjes voor jou laten liggen. Is +dat goed?" + +"Graag,--asjeblief. Ga je mee naar den molenaar? Dan kun-je me helpen +aan 't vegen van de schoorsteenen. Dat is een mooi werkje voor je." + +"Dank je hartelijk, om zoo zwart als roet thuis te komen," zei Jan. "'t +Is je van harte gegund, Dries." + +"Geen lust? Even goede vrienden, hoor. Dag Jan." + +"Dag Dries." + +Jan vervolgde zijn weg, tot hij onderweg een schilder bezig zag met het +verven van een der lantarenpalen, die aan den weg stonden. Hij mocht +dat graag zien, en bleef er dus een poos naar kijken. De schilder +bevond zich op een ladder, om het bovengedeelte te verven. Op den +grond stond ook een pot met verf, met een kwast er in. Nauwelijks +had Jan dat gezien, of hij greep de kwast en vroeg, of hij ook eens +schilderen mocht. + +"Jawel, Jan," was het antwoord. "Maar niet met de verf morsen." + +Ha, dat vond hij prettig, en hij smeerde er lustig op los. + +"Niet zoo dik, Jan," zei de schilder. "Je moet de verf meer +uitsmeren. Zooals jij het doet, is de paal de volgende week nog +niet droog." + +"En zooals u het doet?" vroeg Jan. + +"Morgen, denk ik," was het antwoord. + +Jan bleef bij den schilder tot de geheele lantarenpaal klaar was, maar +toen ging hij ook direct naar den smid, om aan zijn wagen te werken. + +Van Dril had juist een oude fiets van iemand overgenomen, en zijn +zoontje Karel stond te zeuren, of hij er op mocht leeren rijden. + +"Hè toe, Vader," zei Karel, "laat mij er maar op rijden. 't Is toch +al een oudje.--Toe maar." + +Van Dril zei niets, maar hij lachte eventjes, wat Karel moed gaf, +dat hij de gewenschte toestemming verwerven zou. + +"Mag ik, Vader?" vroeg hij nog eens. + +"Als je dan maar voorzichtig bent," zei Van Dril. "Breek geen armen +of beenen, en de fiets ook niet." + +Dat liet Karel zich geen twee keer zeggen. + +"Ga je meê, Jan?" vroeg hij met eene kleur van blijdschap "Dan gaan +we leeren fietsen." + +Dat was een kolfje naar Jan's hand. Hij vergat zijn heele machinerie +en ging met Karel naar buiten. Samen hielden zij de fiets vast. + +"Ik het eerst, Jan," zei Karel. + +"Natuurlijk," was het antwoord. + +"Zeg, hij ziet er nog mooi uit, al is het een oudje, hè?" + +"Dat geloof ik," zei Jan. "'k wou, dat het de mijne was. Toe, +hier kunnen we wel beginnen. Stap jij er maar op, dan zal ik hem +vasthouden." Karel probeerde op het zadel te wippen, maar op 't zelfde +oogenblik lag hij al op den grond. "Je moet hem beter vasthouden, +Jan," zei hij. "Zóó kan ik er niet op komen." + +"Ik hield hem goed vast, maar jij zat veel te scheef!" zei Jan. "Als +je zoo scheef zit, kan ik je niet houden." + +Karel stapte nog eens op. Nu ging het beter, en Jan duwde hem vooruit. + +"Trappen, jongen, trappen!" riep Jan hem toe. Karel durfde niet. Hij +was bang, dat hij vallen zou. "Trap dan toch! Als je niet trapt, +leer je het nooit!" + +Karel drukte zijn rechtervoet naar beneden. Voort ging de fiets, +met het gevolg, dat Jan haar alweer niet houden kon, en Kareltje op +den weg terecht kwam. + +"Au!" zei hij. "Dat kwam wel een beetje hard aan." + +"Hindert niet!" riep Jan. "Stap maar weer op, maar niet zoo schuin +hangen. Dan ben je me veel te zwaar!" + +Wip! Met een vlugge beweging stapte Karel weer op de fiets. + +Hij durfde nu al een beetje beter, en drukte de trappers met kracht +naar beneden. 't Was hem echter onmogelijk zijn stuur goed te houden, +zoodat de fiets over den weg slingerde als een dronken man. En als +de fiets naar rechts ging, hing Karel schuin naar links, en ging zij +naar links, dan hing Karel naar rechts. + +"Bom!" Daar tuimelde Karel weer over de straat. + +Hij gaf echter den moed niet op, en Jan evenmin. + +"Je leert het al aardig," zei Jan, toen het Karel inderdaad gelukt +was, eenige seconden op de fiets te blijven zitten. "Trappen, zeg, +hoe harder je trapt, hoe beter ik je houden kan." + +Karel trapte uit alle macht, en Jan draafde achter hem aan, als een +hazewindhond achter zijn meester. + +Na een half uurtje durfde Jan het zadel even los te laten, en Karel +reed werkelijk al eenige meters zonder te vallen. Toen zei hij: + +"Nu is het jouw beurt Jan. Jij hebt het mij geleerd, nu zal ik het +jou leeren." + +"O, ik wed, dat ik het al dadelijk kan," pochte Jan. "Houd hem maar +vast, dan zul-je eens zien, hoe ik er van door ga. Je zult er van +staan te kijken." + +Karel lachte. Hij wist wel beter, want in het laatste half uur had +hij de moeilijkheden pas goed leeren kennen. + +"Je hebt praats genoeg," zei hij. "Stap er maar op, dan zul je eens +zien, hoe gauw je tegen den grond ligt. Zóó gemakkelijk gaat het niet." + +Jan stapte op, en Karel hield het zadel vast. + +"Vooruit, Jan, trappen.--O, wat hang je schuin--nog veel erger dan +ik.--Ik kan je niet--" + +"Bom!" + +Daar lag Jan onder de fiets, maar hij sprong dadelijk overeind en +stapte opnieuw op. + +"Je moet me beter vasthouden, Karel,--je laat me ook maar dadelijk +vallen." + +Daar ging het weer. Jan trapte nu uit alle macht, want hij was in +'t geheel niet bang uitgevallen, en inderdaad ging het een eindje goed. + +"Zie je wel?" riep hij Karel triomfantelijk toe. "Zóó moet je ook +rijden! Ha, wat gaat dat lek..." + +"Flap!" Weer lag Jan op den grond, en hij bezeerde zijn been erger, +dan hem lief was. Maar hij stoorde er zich niet veel aan, en zat in +'t volgende oogenblik weer op de fiets. + +Werkelijk had hij er spoedig den slag van beet. Karel kon hem soms al +een heel poosje aan zijn lot overlaten. Jan slingerde dan wel van den +eenen kant van den weg naar den anderen, en soms dreigde hij pardoes +in het kanaal te rijden, dat langs den weg liep, maar hij reed toch, +en dat was de hoofdzaak. Hij was er wà t trotsch op. + +Even later was Karel weer aan de beurt. Het duurde niet lang, of hij +kon ook al eenige meters los rijden, en daar was hij verrukt over. Hij +trapte als een dolleman, want hij had gemerkt, dat hij dadelijk viel, +als hij langzaam trapte. En Jan draafde achter hem aan zoo hard hij +kon, om hem dadelijk te kunnen grijpen, als hij dreigde om te slaan. + +Eindelijk werd Jan zóó moê, dat hij niet meer kon. + +"Ik moet rusten, Karel," zei hij. "Ik ben zoo moê als een hond. Maar +je kunt het nu wel alleen. Probeer het maar gerust; je zult zien, +dat het gaat." + +Hij hielp Karel nog even bij het opstappen, en toen reed deze heen. Ha, +wat slingerde hij! Jan stond hem na te kijken, nieuwsgierig op welke +plaats Karel zou omvallen, want dat dit gebeuren moest, betwijfelde hij +geen oogenblik. Een vijftig meters ging het vrij goed, al slingerde +hij ook beangstigend, maar opeens gaf Jan een schreeuw van schrik, +want Karel begon geweldig te slingeren, en reed toen regelrecht op +het kanaal aan. Nog een oogenblik, en hij tuimelde bij den hoogen +kant neer.... + +Jan ijlde naar de plaats des onheils, en bemerkte tot zijn genoegen, +dat hij zich voor niets bang had gemaakt, want Karels hoofd verscheen +alweer boven den walkant. Hij was wel tot vlak bij het water geweest, +maar hij was er toch niet ingevallen. + +"Hè-hè, dat scheelde een beetje!" zei hij vergenoegd, nu het zoo goed +afgeloopen was. "Ik had geen duim verder moeten belanden,--dan was +ik kopje-onder gegaan." + +"Ik zag het," zei Jan. "Hè, wat schrok ik! Ik dacht stellig, dat je +te water ging." + +"Gelukkig niet;--zeg, help je even de fiets naar boven trekken?" + +Met vereende krachten brachten zij de fiets op den weg. + +"Zou hij nog heel wezen?" vroeg Karel. + +Dat bleek gelukkig het geval te zijn. + +"Nu is 't mijn beurt weer," zei Jan. "Is 't goed?" + +"Best," zei Karel. "Bij mij zit de schrik er wel een beetje in. Ga +je gang maar." + +Jan sprong op de fiets, en nu draafde Karel er achter. Eerst ging het +langzaam, want Jan durfde niet goed, maar spoedig overwon hij zijne +vrees, en nu moest Karel achter de fiets draven. + +"'t Gaat goed zoo,--best,--erg best!" riep hij Jan bemoedigend toe. "Je +rijdt nog beter dan ik." + +"Laat me maar gerust los!" riep Jan hem toe. + +"Ik heb je niet vast!" hijgde Karel achter hem, moê van het draven. Ha, +wat trapte Jan lustig voort. Hij zwierde wel links en rechts, maar +dat hinderde niet; hij wist toch op den weg te blijven. + +O jé, ginds zag hij een grooten steen liggen, midden op den weg. + +"Als ik maar niet over dien steen ga," dacht Jan met eenige zorg. "Ik +moet hem zien te ontwijken." + +Angstvallig hield hij zijn blik op het gevreesde voorwerp gericht, +met het gevolg, dat hij er juist op aanreed. + +"O, die steen!" schreeuwde hij. Plof! Daar reed hij er overheen, +wat een geduchten schok gaf, maar hij bleef zitten. Slingerend reed +hij verder. + +"Dat scheelde een beetje!" riep Karel. + +"Of het! Wat gaat het al goed." + +Met krommen rug, den stuurstang krampachtig in de handen geklemd, +trapte Jan voort. Hij vond, dat het al prachtig ging. Ha, daar zag +hij den lantaarnpaal al, dien hij had helpen verven. Dien paal moest +hij ook zien te ontwijken, want hij was natuurlijk nog nat. Maar tot +zijne verbazing en ook tot zijn schrik bemerkte hij, dat hij er alweer +regelrecht op aanreed. + +"Gek toch," mompelde hij. "Zoo'n fiets brengt je juist, waar je niet +wezen wilt. Maar ik zal hem wel mis zien te rijden." + +Hij naderde den lantaarnpaal meer en meer, hoewel hij alle moeite +deed om de fiets eene andere richting te geven. Dat wilde hem echter +niet gelukken. + +"Pas op, die lantaarn daar!" schreeuwde hij in angst Karel toe. + +Maar Karel kwam enkele meters achter hem aan, want Jan had hard +gereden, en hij was erg moê geworden. Karel verkeerde dus in de +onmogelijkheid om zijn vriend te helpen. + +"Grijp me dan toch!" schreeuwde Jan in grooten angst, want hij zag, dat +hij regelrecht koers hield naar den pas geverfden paal. Op 't volgende +oogenblik schaafde zijn wiel er tegen aan, en om niet te vallen greep +Jan, zonder er bij te denken, den paal met beide handen aan. O wee, +hij voelde het kleven van de verf. Daarom liet hij den paal dadelijk +weer los, maar merkte, dat hij ging vallen. Hij breidde daarom de +armen uit en klemde den groenen paal teeder aan zijn borst. Zelfs +zijn linker wang kwam er mede in aanraking. + +"Dat loopt best af!" riep Karel hem toe. Deze was hem spoedig genaderd, +trok de fiets een beetje achteruit, en riep: + +"Vooruit maar weer, Jan. 't Gaat opperbest. Nog tot jullie huis, +en dan mag ik terug weer." + +Hij wist niet, dat de paal geverfd was, en voordat Jan iets in 't +midden kon brengen, voelde deze zich alweer vooruit duwen. Met zijn +geverfde handen greep hij de handvatten van het stuur, en voort ging +het weer. + +En 't ging weer goed ook. Jan trapte als een dolleman. + +"Straks zal ik de handvatten wel afvegen," dacht hij. "Ik denk, +dat mijn kleeren ook wel vol verf zullen zitten. Die akelige paal +ook. Hoe kan de fiets er nu juist tegen aanrijden." + +O, wat slingerde Jan langs den weg. Soms reed hij haast tegen een +boom op, een oogenblik later scheelde het maar zus of zoo, of hij +reed in het kanaal. Maar toch bleef hij op den weg. De menschen, +die hij tegenkwam, maakten zich uit de voeten, en bleven hem dan +lachend nakijken. + +"Houd je roer recht, schipper!" riep de een hem toe. + +"Je lijkt wel dronken, jongen!" merkte een ander op. + +Jan lachte maar. Hij vond het verrukkelijk op de fiets, en had geen +oogen voor iets anders. Hij keek niemand aan, en staarde maar recht +voor zich uit op den weg. + +"Jongen, jongen, wat gaat dat echt," dacht Jan bij zichzelven. "Als +mij nu maar weer niet iets in den weg komt." + +Zwaaiende en zwierende fietste Jan verder. + +Toen hij even zijne oogleden ophief, om te kijken, of de weg vrij +bleef, zag hij in de verte iemand naderen. + +"Wacht," dacht hij, "nu zal ik toch eens zien, of ik hem niet kan +passeeren, zonder tegen hem aan te bommen. Maar die akelige fietsen +lijken wel altoos juist den verkeerden kant op te gaan." + +Weer hief hij eventjes de oogleden op. + +De man was al een heel stukje naderbij gekomen. + +"Nu zal het er op aankomen," dacht Jan. + +Hij omklemde de handvatten van het stuur nog krampachtiger dan te +voren en trapte wat hij kon. Voortdurend hield hij den man in het +vizier, tot hij opeens tot zijn schrik zag, dat het Dries was, die +van het schoorsteenvegen bij den molenaar terugkeerde. Wat was Dries +veranderd, en niet in zijn voordeel, want hij zag zoo zwart als een +neger en zijn kleeren zaten vol roet. + +"Hu, wat een roetmop," dacht Jan. "Maar ik zal hem wel +misrijden,--wacht maar. Ik begin het sturen al aardig te leeren.--Hola, +wat een zwier maakte ik daar!--O jé, het kanaal,--daar ga ik!" + +Maar neen, met inspanning van al zijn krachten wierp hij het stuur om, +en het gevaar was geweken. Jantje reed verder. + +Dries stond midden op den weg lachend naar hem te kijken. + +"Wil je een nat pak halen, Jan?" riep hij hem plagend toe. "Aanstonds +ga je kopje-onder het kanaal in." + +"Uit den weg! Ga uit den weg!" schreeuwde Jan, die tot zijn schrik +bemerkte, dat hij regelrecht op Dries aanhield. + +"Berg je, menschen, berg je!" spotte Dries. Maar hij ging toch een +beetje op zijde, om Jan te laten passeeren. + +'t Hielp echter niet. + +Nauwelijks was Dries van plaats veranderd, of Jan merkte, dat de fiets +daar rekening meê hield en weer regelrecht koers hield naar Dries. + +"Op zij! Op zij!" schreeuwde Jan. + +Maar op 't volgende oogenblik bonsde hij tegen Dries aan. Jan sloeg +hem in de verwarring de armen om den hals, en klemde zich krampachtig +aan den zwarten schoorsteenveger vast. Zij wang kwam tegen de wang +van Dries terecht, die dadelijk iets kleverigs voelde. Dat was de +verf van den lantaarnpaal, die Jan op zijn gezicht had. + +O, wat lachte Dries. + +"Wel, wel, houd je zooveel van me, dat je me omarmen wilt?" vroeg +hij. "Dan zal ik je wel een handje helpen." + +En hij wreef met zijn zwarte gezicht tegen de wangen van Jan, precies +als eene moeder doet, die haar kindje knuffelt. + +"Daar dan! Is het zoo goed?" vroeg Dries, die schaterlachte van +de pret. + +De fiets was op den grond gevallen, en Jan hing nog aan den hals van +zijn plaaggeest. + +Karel trok de fiets weg en Jan liet zich op de grond zakken. Maar wat +zag hij er uit. Hij was zoo zwart als een moriaan, en 't leek wel, +of hij al de schoorsteenen van het dorp had geveegd. + +Hij werd braaf uitgelachen, en ging zoo spoedig mogelijk naar huis +om zich te wasschen. + +En zijn vader plaagde hem ook niet zoo'n beetje. + + + + + +Tiende Hoofdstuk. + + Hoe Flipsen zocht. + + +Frans Thor en Klaas Zwart hadden zich van lieverlede zeer nauw bij +elkander aangesloten, en waren boezemvrienden geworden. Eindelijk +waren zij samen een handeltje begonnen. Steeds kon men hen in elkanders +gezelschap vinden met een mand tusschen hen in, of ieder met een zak +op den arm of over den schouder. Dan trokken zij er op uit om vodden +en beenen te zoeken, die langs de wegkanten, bij huizen en schuren, +of in weilanden en boschjes verspreid lagen. En 't was inderdaad niet +weinig, wat zij vonden. Elken avond keerden zij met een goed gevulden +zak huiswaarts, en als de voorraad groot genoeg was, verkochten zij +dien aan den pottenschipper. + +De pottenschipper was een man, die eenzaam in een zolderschuit +leefde. Hij had vrouw noch kind op de wereld, en ging met niemand +om. De menschen hielden ook niet veel van hem, want het was bekend, +dat hij geen gunstig verleden achter zich had. En in elk geval had +hij een zeer ongunstig uiterlijk. Hij leefde van zijn handel in potten +en pannen, en ook kocht hij vodden en beenen op. + +Alles, wat Klaas Zwart en Frans Thor vonden, brachten zij bij den +pottenschipper, zooals hij algemeen werd genoemd. En zij ontvingen +er menig centje voor. Soms verkochten zij wel voor dertig à vijftig +centen in eene week, en al dat geld versnoepten zij. Of zij kochten +er sigaren voor, en rookten die op. + +Maar langzamerhand begon hun vondst kleiner te worden, want ze +hadden het geheele dorp al meermalen afgezocht. En eindelijk raakte +de voorraad uitgeput. + +Dat merkte de pottenschipper, en hij zei: + +"Wat hebben jullie een beetje, jongens. Ik geef voor dit zoodje niet +meer dan vijf centen. Je bent een paar groote domkoppen, dat moet +ik zeggen." + +"Domkoppen?" vroeg Frans. "Wij kunnen er toch niets aan doen, dat we +maar zoo weinig hebben? 't Heele dorp hebben we al meermalen afgezocht, +en er is eenvoudig niet meer. Ik zie niet in, dat wij daarom domkoppen +moeten zijn." + +"Neen," zei Klaas Zwart, "ik ook niet." + +De pottenschipper lachte slim. + +"Toch is het zoo," zei hij. "Toen ik nog een jongen was, wist ik +altijd wel aan een zakduitje te komen. Vond ik geen vodden en beenen, +dan wist ik wel wat anders te bemachtigen. Ha, ha,--als je maar slim +bent en zorgt, dat de menschen 't niet zien." + +Frans en Klaas keken hem vragend aan. + +De pottenschipper legde zijn wijsvinger tegen den neus, en knipoogde +tegen de jongens. + +"Och wat," zei hij, "als je 't slim weet te overleggen, is er nog +genoeg te vinden. Je behoeft me juist geen vodden te brengen, +jongens. Ik kan wel hemden, broeken, borstrokken en andere +kleedingstukken ook gebruiken. Er zijn menschen genoeg, die hun wasch +den geheelen nacht buiten laten liggen.--Ha, ha, ik zeg, als je maar +slim bent en er voor zorgt, dat de menschen je niet zien..." + +"Maar dat is stelen," zei Klaas Zwart. + +"Ja," zei Frans, "dat is stelen." + +De pottenschipper richtte zich op. + +"Zooals ik zeg, jongens, ik geef voor dit zoodje niet meer dan +vijf centen. 't Is maar een rommeltje. Voor goede kleedingstukken, +die nog gedragen kunnen worden, geef ik natuurlijk heel wat meer, +en voor ijzer, zink, lood en wat dies meer zij, wil ik je zelfs wel +guldens betalen in plaats van centen." + +"Ja, maar dat hebben we niet," zei Frans. + +"Als je wilt, is er genoeg te vinden," lachte de schipper weer. "Bij +den smid, bij den loodgieter, bij den timmerman, overal is wel wat +te snorren, als je maar goed uit je oogen kijkt en voorzichtig te +werk gaat." + +"Maar," herhaalden de jongens, die eerst niet goed begrepen, wat de +pottenschipper bedoelde, "dat is stelen..." + +"Ik zeg niet, dat je 't stelen moet," zei de schipper weer met een +listig knipoogje, "je moet die dingen vinden, jongens, je moet ze +eerlijk vinden. Alles wat je vindt, al is het ook nog zoo gek, wil +ik wel van je opkoopen. Als je er maar eerlijk aankomt..." + +De jongens gingen heen. + +Maar na dien tijd vermisten de menschen op het dorp telkens +kleinigheden. Van Dril raakte op voor hem onbegrijpelijke wijze +een nijptang kwijt, de loodgieter een soldeerbout, de timmerman +een hamer en een zaag, en vele huismoeders vermisten verschillende +kleedingstukken. Van de een waren kousen zoek, van een ander een hemd, +van een derde een nachtjapon, en zoo verder. + +Toch dacht men eerst niet aan diefstal. Van Dril vertelde het verlies +van zijn nijptang niet aan anderen, om de eenvoudige reden, dat hij +wel eens meer een of ander stuk gereedschap kwijtraakte. + +"Zeker hier of daar laten liggen," dacht hij. En spoedig was zijn +verlies vergeten. De knechts gingen wel eens meer slordig met het +gereedschap te werk, niet allen natuurlijk, maar enkelen. Op dezelfde +wijze dachten ook de andere menschen er over, die het een of ander +vermisten. + +Maar toen het winter werd en er lange, donkere avonden kwamen, +verdwenen er op geheimzinnige wijze allerlei voorwerpen uit +werkplaatsen en huizen, en 't werd zoo erg, dat de menschen er onder +elkander over spraken. + +"Er wordt bepaald gestolen," was de algemeene opinie. En menigeen +sloot 's avonds de deuren van huis en werkplaats zorgvuldiger dan +vroeger. De ondervinding leerde, dat wat men 's nachts buiten liet +staan, den volgenden morgen gewoonlijk verdwenen was. En niemand kon +er eenig vermoeden van krijgen, wie de dief was en waar de gestolen +voorwerpen belandden. + +Van Dril pruttelde tegen zijn knechts, als er weer 't een of ander +spoorloos verdwenen was, maar dezen verklaarden, dat zij het vermiste +voorwerp niet hadden laten slingeren. 't Was op geheimzinnige wijze +verdwenen. + +Eindelijk kwam een en ander den burgemeester ter oore, en hij liet +Flipsen bij zich komen. + +"Zeg Flipsen, heb je ook gehoord, dat er den laatsten tijd op 't dorp +gestolen wordt? Telkens worden kleinigheden van meer of minder waarde +vermist, en het waschgoed van de huismoeders ligt niet meer veilig +op de bleek." + +"Ja burgemeester, ik heb er ook van gehoord," zei Flipsen. + +"En heb je al eens hier en daar gesurveilleerd?" vroeg de burgemeester. + +"O ja, al meermalen, maar tot nog toe is het mij niet gelukt, den +dader op 't spoor te komen." + +"Zoo, 't is een gek geval. Ik begrijp ook niet, wie de dief zou +kunnen zijn. Voor zoover ik weet, wonen er enkel knappe menschen op +het dorp. Waar zouden die gestolen voorwerpen toch allemaal blijven?" + +"Ik denk in de stad, burgemeester. Daar wonen wel menschen, die +gestolen goederen opkoopen. Ik vermoed, dat zij in den nacht naar +Amsterdam worden vervoerd..." + +"Dan zou ik eens een oog in 't zeil houden, wie bij nacht of +ontijd daarheen gaat, Flipsen. 't Is best mogelijk, dat je gelijk +hebt. In elk geval is het hoog tijd, dat de dief gesnapt wordt. De +menschen dienen in 't rustige bezit te kunnen blijven van 't geen +hun eigendom is. Zoolang ik hier burgemeester ben, is er van geen +dieverij sprake geweest, en wij moeten het kwaad zoo spoedig mogelijk +den kop indrukken." + +Flipsen sloeg op militaire wijze aan, en zeide: + +"Ik zal m'n best doen, burgemeester. 't Zal aan mij niet liggen, +als de dief niet gesnapt wordt." + +"Dat is goed, en daar vertrouw ik ook op." + +Met eene handbeweging gaf de burgemeester Flipsen zijn afscheid, +en deze was vastbesloten zijn uiterste best te doen, om den dief te +ontdekken. Maar dat het moeilijk zou gaan, stond bij hem vast. + +Den geheelen avond liep hij buiten het dorp te loeren, of ook iemand +zich verwijderde in de richting van Amsterdam,--maar tevergeefs. Alles +was en bleef rustig op het dorp. 't Was dan ook een koude, gure avond, +en de menschen bleven liever bij de warme kachel. Flipsen zag den +geheelen avond geen levende ziel buiten, en hij liep te bibberen van +de koû. 't Was al haast elf uur geworden, en nog stond hij trouw op +zijn post. Eindelijk hoorde hij in de verte iets naderen. + +"Wacht," dacht hij, "nu zal het komen." + +Hij verschool zich achter een boom. + +'t Geluid kwam nader. Duidelijk hoorde hij, dat het een wagen was. + +"'t Is een hondenkar," prevelde Flipsen. "Ik denk, dat ik den dief op +het spoor ben. De gestolen voorwerpen worden zeker met een hondenkar +naar Amsterdam gebracht." + +"Halt!" riep hij plotseling, want het voertuig was hem nu genaderd. + +De man, die op de kar zat, schrok er niet weinig van, en sprong +dadelijk van den wagen. Maar zijn stok hield hij opgeheven, want hij +dacht niet anders, of hij had met een aanrander te doen. + +Flipsen sprong van achter zijn boom te voorschijn. + +"Wie ben je,--en waarheen ga je?" vroeg hij op bevelenden toon. + +"O, Flipsen, ben jij het?" vroeg de man van de hondenkar. "Kerel, +is me dat laten schrikken. Ik dacht waarlijk met..." + +"'t Doet er niet toe, wat jij denkt," viel Flipsen norsch in. "Ik +vraag, wie je bent,--maar dat zie ik nu al,--en waar je heengaat." + +"Wel, ik ben Dirk Kroeze, de slager, en ik ga naar Amsterdam. Daar +steekt toch niets achter, zou ik zeggen?" + +"Juist, Kroeze, de slager. Wat heb je in dien wagen?" + +"Twee doode schapen, anders niet," was het antwoord. "Ik ga ze +naar Amsterdam brengen, waar ze met een dood schaap altijd wel raad +weten. Nu er zoo'n strenge keuring is op het vleesch, worden doode +beesten altijd 's nachts de stad ingevoerd. Vroeger gebeurde dat +overdag. Zie je, dat is het eenige verschil..." + +Kroeze was een derderangs-slager. Hij kocht bij de boeren de doode +beesten op, die andere slagers niet hebben wilden, en wist daarmede het +brood te verdienen voor zich en zijn gezin. En de kroegbazen kregen +er ook rijkelijk hun deel van, want Kroeze maakte veel misbruik van +sterken drank. Hij was dikwijls dronken. + +Flipsen was den wagen genaderd en bekeek den inhoud. + +"Denk je soms, dat ik een dief ben?" vroeg Kroeze een beetje +beleedigd. "Ik verdien op eerlijke manier mijn brood, man, en ik heb +mijn vingers nog nooit uitgestoken naar een andermans goed. Of weet +jij iemand te noemen, die iets op Kroeze te zeggen heeft?" + +"Neen," zei Flipsen. "Maar er wordt tegenwoordig gestolen op 't dorp, +en 't is meer dan tijd, dat wij den dief vinden." + +"Ach zoo, is dà t de zaak?" zei Kroeze. "Dan is het goed, hoor, en +kijk mijn wagen maar na. Je hebt gelijk, er wordt tegenwoordig meer +gestolen, dan mij lief is. Verleden week ben ik mijn beste mes uit +de slagerij kwijt geraakt, en nog een zwaren vleeschhaak op den koop +toe. Ik heb m'n hoofd gek gezocht om ze terug te vinden, maar jawel, +ze zijn weg en ze blijven weg. En ik zal ze wel nooit terugzien, +vrees ik." + +"Dat vrees ik ook," zei Flipsen. "Je kunt wel verder gaan, Kroeze, +ik heb er het mijne van gezien. Goeden avond." + +"Ook goeden avond," zei Kroeze. Hij duwde de kar voort, en riep: + +"Allo, honden, kssssss, kssssss! Vooruit zeg 'k! Allo!" + +Hij sloeg met zijn stok tegen den wagen. + +De honden, die tijdens het onderzoek op den weg waren gaan liggen, +richtten zich met tegenzin op, en trokken den wagen voort. Maar 't ging +Kroeze niet hard genoeg. Hij maakte veel lawaai met zijn stok, en riep: + +"Ksssss! Ksssss! Allo, Allo! Vooruit honden. Kssssss!" + +Een oogenblik later sprong hij op den wagen, en weldra was hij in de +duisternis verdwenen. + +"Dat was mis!" mompelde Flipsen, huiverend van de koude. Hij trok +den kraag van zijn jas en zijne schouders omhoog, en bleef geduldig +wachten. Maar toen er na een uur nog niemand gekomen was, besloot +hij naar huis te gaan. + +Den volgenden avond was hij echter weer op zijn post, want hij +was iemand, die zijne plichten trouw nakwam. Als hij zich eenmaal +voorgenomen had, dit of dat te doen, was hem geen moeite te veel, +en stoorde hij zich aan koude noch warmte. + +Maar hoe hij zich ook inspande, het gelukte hem niet, den dief +te snappen. Daarom besloot hij de wacht te houden op den weg, die +naar Haarlem voerde. Avond aan avond verschool hij zich op eenigen +afstand buiten het dorp, maar alweer tevergeefs. Hij vond van den +dief geen spoor. + +"Dan zal ik gedurende enkele avonden in het dorp zelf eens goed +uitkijken. Wie weet betrap ik den dief dan niet op heeterdaad," +dacht hij. + +En zoo deed hij ook. + +Zoodra het donker geworden was en in de huizen overal de lichten +opgestoken waren, verliet Flipsen zijn woning, om over de +veiligheid van zijne medeburgers te waken. Eerst begaf hij zich +naar verschillende werkplaatsen, van welke het hem bekend was, dat +er al meermalen voorwerpen vermist waren. Hij vond ze echter alle +zorgvuldig gesloten. De menschen waren, door de ondervinding geleerd, +al voorzichtiger geworden. + +Eindelijk bemerkte hij, dat er achter het huis van de weduwe Butter +eenig waschgoed op een bleekveldje lag. + +"Wacht," dacht hij. "Hier zal ik mij ergens verschuilen. Waschgoed +is den laatsten tijd ook dikwijls ontvreemd." + +Achter het schuurtje stond, naast het bleekveld, een groote ton, waarin +het regenwater, dat van het schuurtje in de goot kwam, opgevangen +werd. Achter die ton maakte Flipsen zich zoo klein mogelijk. Geduldig +wachtte hij, of de dief komen zou. + +Dat gebeurde echter niet. Toen hij een half uur in zijne gebogen +houding had doorgebracht, kon hij bijna niet blijven zitten van de +pijn, die hij in zijne beenen kreeg. Voorzichtig richtte hij zich +een weinigje op. + +Alles bleef stil in den omtrek. + +Flipsen gaf echter den moed nog niet verloren. + +En waarlijk, eer er een tweede half uur voorbijgegaan was, hoorde +hij eenig gerucht. + +Hij richtte zich op en keek over de ton. + +Ha, daar zag hij een gestalte, die haastig naar het bleekveld ging +en vliegensvlug enkele kleedingstukken bij elkaar greep. + +Met een vluggen sprong kwam Flipsen op de gestalte af. + +"Ha, dief, daar heb ik je!" schreeuwde hij in de vreugde zijns harten, +nu hij eindelijk in zijn pogingen geslaagd was. + +Een hevige gil was het antwoord. Flipsen hoorde, dat het een +vrouwenstem was, hetgeen hem verwonderde. + +Met groote snelheid liep hij op de gestalte af, en greep haar bij +den schouder. De onbekende sloeg de armen ten hemel en slaakte een +tweeden, hartverscheurenden gil. + +"Wie ben jij?" beet Flipsen haar toe. + +Er kwam geen antwoord. De schrik verlamde als het ware haar tong. + +"Hoor je me niet? Wie ben jij?" herhaalde Flipsen. + +"O,--ik ben--ik ben Trijntje--de meid.--O, wat een schrik!" + +"Trijntje--de meid?" vroeg Flipsen spijtig. "Ik dacht, dat jij de +dief was. Waarom laat je dat waschgoed ook buiten liggen?" + +"Ik--de dief!" riep het meisje uit, half schreiende van schrik en +half lachende van blijdschap, nu zij bemerkte, dat zij met geen +spoken te doen had. Want Trijntje geloofde nog aan spoken. "Ja,--dat +zei de juffrouw ook, dat ik het waschgoed niet mocht laten liggen, +en daarom ging ik het nog maar gauw eventjes halen. Hè--hè--ik beef +over mijn heele lijf van den schrik..." + +Flipsen ging zonder groeten heen. Het speet hem, dat hij zich ten +tweeden male vergist had. + +Maar het meest speet het hem, dat hij den volgenden dag moest +vernemen van den burgemeester, dat er bij den molenaar tien meelzakken +gestolen waren en dat er bij Legels, een herbergier, een mandje met +ledige flesschen verdwenen was. Flipsen begreep daaruit, dat hij in +een geheel verkeerde richting had gezocht. Hij wist er, zooals men +dat wel noemt, geen touw meer aan vast te knoopen, en hij verdiepte +zich in gissingen, wie toch wel de brutale dief kon zijn. Het trok +zijn opmerkzaamheid, dat het altijd kleinigheden waren, die gestolen +werden, en dat er nooit sprake was van inbraak. Langzamerhand vestigde +zich de overtuiging bij hem, dat de dief geen man, maar een jongen +moest zijn. En hij besloot voortaan in die richting te zoeken. + +Jan Trom merkte op, dat Flipsen hem telkens onderzoekend aankeek, +als hij hem tegenkwam. Eens, toen hij met zijn bokkenwagen bij Van +Dril vandaan kwam, schoot plotseling Flipsen op hem af, en vroeg hem: + +"Waar kom jij vandaan?" + +"Van Van Dril," zei Jan. + +"Zoo,--wat heb je daar gedaan?" + +"Eventjes in de smederij gekeken," was het antwoord. + +"Stap eens uit je wagen!" gebood Flipsen. + +Jan gehoorzaamde dadelijk, niet weinig verwonderd, wat dit alles wel +te beduiden had. + +Flipsen doorsnuffelde het geheele karretje. Het bankje bestond uit een +bak met een plankje er op als deksel. Flipsen lichtte dat plankje op +en keek, wat er zich in den bak bevond. Maar hij zag niets verdachts. + +"'t Is goed," zeide hij. "Je kunt wel weer gaan." En Jan ging. + +Dienzelfden middag kwam Flipsen Frans Thor en Klaas Zwart tegen. Hij +zag ze uit het schoolboschje komen. De school werd door drie boschjes +elzenhout omringd, die te zamen altoos het schoolbosch werden +genoemd. Tusschen die boschjes in lagen vrije strooken gronds, die +tot speelplaats dienden. + +Frans en Klaas droegen een mand tusschen zich in. Elk hield een +oor vast. + +"Daar is Flipsen," zei Klaas Zwart. Hij voelde zich nooit bizonder +op zijn gemak, als hij den politiedienaar zag. Geen wonder trouwens, +want hij en zijn makker hadden al menig diefstalletje op hun geweten. + +"Ja, dat zie ik," zei Frans. "'t Hindert niet; laat hem komen." + +Zoodra Flipsen deze jongens zag, schoot hem dadelijk de gedachte +door het hoofd, dat zij wel eens de schuldigen konden zijn, want zij +liepen altoos overal te "schuimen," zooals Flipsen dat noemde. En +'t verwonderde hem, dat hij al niet eerder aan deze twee knapen had +gedacht. Met groote schreden liep hij op hen af, en 't scheen wel, +of zijne scherpe oogen hen wilden doorboren. + +Klaas Zwart werd er bang van en keek een anderen kant op, wat Flipsen +niet ontging. + +"Waar komen jullie vandaan?" vroeg hij barsch. Hij boog zich voorover +en hield zijn blik stijf op Klaas Zwart gericht. Klaas werd er bleek +van, en zijne stem hokte hem in de keel. + +"Uit het boschje," zei Frans, die niet zoo bang was als Klaas. + +"En wat deed je daar?" + +"Wij zoeken beenen en vodden," gaf Frans ten antwoord. En hij hield de +mand een weinig naar voren, om er Flipsen in te laten kijken. Deze +wierp er een blik in en zag, dat er inderdaad enkele beenderen +in lagen. + +"Vind-je die in het schoolboschje?" vroeg Flipsen verwonderd. "Hoe +komen die daar dan?" + +"Misschien door de honden, die er daar aan kluiven, omdat het er +een rustig plekje is," zei Frans. "Wij vinden er daar maar zelden +een. Eigenlijk is er op het geheele dorp bijna geen beentje meer te +vinden, want wij hebben alles al meermalen afgezocht." + +"Zoo," zei Flipsen. "Ja, aan alles komt een einde. En aan wien verkoop +je dien rommel?" + +"Och," zei Frans, "aan voddenkoopers..." + +"En aan den pot..." zei Klaas. Maar Frans viel hem in de rede: + +"Aan voddenkoopers uit Haarlem, die hier wel met hondenwagens komen." + +"Ja, ja," zei Flipsen. "Houd jij je mond nu maar eens. Wat wou jij +straks zeggen, Klaas Zwart? Aan den pot..." + +"Dat heb ik niet gezegd," loog Klaas. "U heeft me verkeerd verstaan. Ik +zei: aan de vod.... Maar toen viel Frans mij in de rede." + +"Juist,--juist," zei Flipsen met een onmerkbaar lachje om zijne +lippen. "Nu jongens, zoekt maar goed. Er zal hier of daar nog wel +wat te vinden zijn." + +Hij liet de jongens staan en ging naar huis. Maar hij lachte inwendig +van pret, want hij twijfelde niet, of hij was thans de daders wel +degelijk op het spoor. + +"De pottenschipper," mompelde hij tusschen de tanden. "Ja, ja, die +jongen verklapte het leelijk: de pottenschipper is de opkooper. Wacht +maar, zij zullen mij niet ontsnappen..." + +Frans en Klaas gingen zwijgend verder. Het korte onderhoud met den +veldwachter had hun eenigen schrik aangejaagd. Na een poosje zei Frans: + +"Stommerd!--Jij had de heele zaak daar bijna verklapt." + +"Ja," zei Klaas angstig. "Maar ik geloof niet, dat hij het verstaan +heeft. Zou je denken, dat hij me verstond?" + +"Dat weet ik niet," zei Frans, "'k Geloof haast van niet, maar toch +moeten wij voorzichtig zijn. We dienen ons een poos althans rustig +te houden. Ik vertrouw Flipsen niet." + +"Ik ook niet," zei Klaas met een zucht. "Als hij me maar niet verstaan +heeft. _Pot_ lijkt erg veel op _vod_. Zeg Frans, ik ga naar huis; +ik heb geen zin meer in het zoeken." + +"Ga dan," zei Frans. + +Zoo scheidden de jongens. + +Flipsen lette na dien dag zorgvuldig op de zolderschuit van den +pottenschipper. Hij twijfelde er niet aan, of den een of anderen dag +zou het raadsel nu wel worden opgelost. + +Maar dagen en zelfs enkele weken gingen voorbij, en Flipsen bleef +even wijs, als hij was. De pottenschipper leefde even eenzaam en +verlaten in zijn schuit als altoos, en Frans en Klaas zag Flipsen er +nooit heengaan. + +Doch,--en dit trok zijne opmerkzaamheid, er werd niet meer gestolen +ook op het dorp. En dat was hem een troost. + + + + +Elfde Hoofdstuk. + + De bestorming van het sneeuwkasteel, en eene heldendaad + van Jan. + + +'t Was in het begin van December. De winter was vroeg ingevallen, +en het vroor, dat het kraakte. Eerst had het geducht gesneeuwd, +tot groot vermaak van Jan Trom en zijne makkers. Ha, wat hadden zij +gesneeuwbald! De kogels vlogen de jongens om de ooren. Toen hadden zij +bedacht op het marktplein een fort op te werpen. Dat was een heel werk +voor hen, want zij waren maar niet tevreden met een opgeworpen hoogte +van sneeuw, neen, zij wilden een mooi fort hebben met schuin afloopende +kanten, met torens op de hoeken en kanteelen daartusschen. 't Leek, +toen het klaar was, veel meer op een kasteel dan op een fort. De +jongens vonden het prachtig, en zij werkten er aan met een ijver en +toewijding, zooals die alleen bij jongens gevonden kan worden. + +Eindelijk was het kasteel klaar, en nu besloten zij, zich in twee +gelijke troepen te verdeelen. De eene helft zou het kasteel aanvallen, +de andere zou het verdedigen. + +Aan de twee vrienden Jan Trom en Karel van Dril viel eene groote +onderscheiding ten deel. Jan Trom werd namelijk verkozen tot +bevelhebber van het sneeuwslot, en Karel tot aanvoerder van de +vijanden. + +"Eventjes wachten, jongens!" riep Jan zijn makkers toe. "We moeten +twee vlaggen hebben, voor elke troep één." + +"Ja, best!" zei Karel. "Maar weet je, wat het ergste is? Alle vlaggen +zijn rood, wit en blauw, en 't is niet aardig, als onze vlaggen +hetzelfde zijn." + +"O, daar weet ik wel raad op. 't Kasteel is een Hollandsch slot, +dus daar zetten we de nationale vlag op, dat spreekt vanzelf. Als +jij nu je vlag onderst-boven aan den stok bindt, lijkt hij heel veel +op de Duitsche vlag. Jullie stelt dan het Duitsche leger voor, dat +een inval doet op Hollandsch grondgebied. Zeg jongens, dat kan leuk +worden, zou ik meenen." + +Dit voorstel vond algemeen goedkeuring, en Jan en Karel haastten +zich naar huis, om eene vlag te halen. Binnen tien minuten waren zij +terug. De Hollandsche vlag werd op den hoogsten toren van het kasteel +geplant, en Karel benoemde een van zijne soldaten tot vaandrig. Jan +en zijne krijgers maakten een ontzaglijken voorraad sneeuwballen, +die achter de kanteelen werden opgestapeld, maar ook de Duitsche +veldheer maakte zich zijn tijd ten nutte. Eindelijk waren beide +partijen slagvaardig. + +De Duitschers omringden het fort aan alle kanten, en wachtten op het +sein om aan te vallen. Karel, als bevelhebber, ging met den vaandrig +aan zijn zijde naar het fort, en riep de bezetting toe: + +"Hallo! Hei daar!" + +"Werda!" antwoordde Jan Trom, wiens bovenlijf boven den gekanteelden +muur verscheen. "Wat is er van uw begeeren." + +"In naam van mijn meester, den Keizer van Duitschland, eisch ik dit +kasteel op," was het antwoord van Karel. "Mijn soldaten omringen het +van alle kanten, geef u dus goedschiks over, dan beloof ik vrijen +uittocht aan de manschappen. Zoo niet, wacht u dan voor de gevolgen." + +"Die komen voor mijne verantwoording. Dit slot behoort aan Koningin +Wilhelmina der Nederlanden, en zoolang ik leef, zal geen Duitscher +het binnenkomen. Dat is mijn antwoord. Leve de Koningin!" + +"Leve de Koningin!" juichten Jan's volgelingen. + +"Leve de Keizer!" riep Karel van Dril, en zijn krijgers herhaalden: + +"Leve de Keizer!" + +"Dan is het oorlog!" riep Karel zijn vriend Jan nog toe, terwijl hij +zich met zijn vaandrig verwijderde. + +"Oorlog op leven of dood!" schreeuwde Jan. + +Weldra vloog de eerste sneeuwbal over de muren van het kasteel, +en de belegerden keken hem lachend na. + +"Je moet beter mikken, mannetje!" riep Willem Kroeze, de zoon van +den slager. "Op deze manier!" + +En hij wierp den Duitschen bevelhebber heel netjes zijne pet van het +hoofd, tot groot vermaak van de andere Hollanders. + +Maar toen kwam er een regen van kogels op het kasteel af. De Hollanders +moesten zich zelfs achter de kanteelen verbergen, want de Duitschers +ontzagen hen niet. Zij wierpen uit alle macht, en de ballen kwamen +hard aan, als zij raakten. + +"Hoera, zij worden bang!" riep Karel zijne mannen toe. "Allo, allo, +beklimt de muren, en werpt den vijand naar beneden." + +'t Werd een geweldige bestorming. Van alle kanten schoten de vijanden +toe, en behendig klauterden zij tegen de hoogte op. + +Maar Jan zag het gevaar. + +"Zij wagen eene bestorming, jongens! Geeft ze de volle laag!" riep +hij. Zijn bevel werd uitgevoerd, en de Duitschers werden haast +onder de sneeuw bedolven. Sommigen kregen oogen, mond en neus vol, +zoodat zij hoestend en proestend het hazenpad moesten kiezen, en +anderen kregen een flinken voorraad tusschen den kraag van hun jas, +zoodat het water hun over den rug liep. Weldra was de storm met glans +afgeslagen. De Duitschers trokken zich terug. De vaandrig liep zelfs +wel wat erg hard voor 't mooi. Hij viel met vaandel en al voorover +in eene greppel, tot groot vermaak van de Hollanders. + +"Het Duitsche vaandel valt!" riepen zij lachend. "Dat is een goed +voorteeken. Hoera! Leve de Koningin!" + +"Kijk ze eens loopen!" riep Jan, wiens oogen schitterden van +opgewondenheid. "Die storm is afgeslagen, jongens, en tot een tweeden +zullen zij zoo spoedig wel niet overgaan." + +Dat was ook zoo. Er werd zelfs geen bal meer gegooid. Karel hield +met zijn makkers krijgsraad, want het was hem gebleken, dat het niet +gemakkelijk zou gaan het fort te veroveren. + +"Wat dunkt je, jongens," zei hij, "als we met ons allen eens +op één punt een zóó geweldig vuur openden, dat de kanteelen in +puin vallen? Dan zijn de belegerden ongedekt en vinden nergens +beschutting. Als we ze dan de volle laag geven, kunnen zij het +onmogelijk uithouden." + +"Ja, ja, dat is goed. De kanteelen moeten we wegkogelen," zei de +vaandrig, "en dan wil ik wel eens zien, of ze 't volhouden." + +"Afgesproken!" zei Karel. "Hierheen, jongens, aan dezen kant hebben we +de sneeuw maar voor 't grijpen. Zeg, weet je, wat we in ons voordeel +hebben?" + +"Wat dan?" + +"Wel,--wij kunnen zooveel sneeuwballen maken, als we willen, maar +hun voorraad raakt eenmaal uitgeput. En dan kunnen zij niets meer +beginnen." + +"Dat is waar, ha ja, dat is waar!" lachten de Duitschers. + +Op 't volgende oogenblik openden zij een zoo geweldig bombardement +op de kanteelen, dat deze het werkelijk kwaad te verantwoorden +kregen. Hier en daar begonnen zij al spoedig af te brokkelen en +in te storten, tot groote vreugde van de vijanden, die soms even +ophielden om hunne vingers in den mond te steken,--want die werden +erg koud,--en dan maakten zij tevens van de gelegenheid gebruik, +om een oorverdoovend gejuich aan te heffen. Onder 't sneeuwballen +gunden zij zich daar den tijd niet toe. + +Inderdaad kreeg de bezetting het kwaad te verantwoorden. + +Maar Jan toonde zich iemand van groote veldheerstalenten. Hij zag +niet alleen het gevaar, dat hem dreigde, maar hij doorzag ook de +bedoeling van zijne vijanden. + +"Jongens," riep hij zijne soldaten toe, "als we de kanteelen niet +behouden, zijn we verloren. Neemt de schoppen en werpt op elke bres +een nieuwen muur op. Maar slaat de sneeuw stevig in elkander, zoodat +de kogels er geen vat op hebben. Weest echter voorzichtig, want als +je een bal tegen je gezicht krijgt, dan ben je--zuur!" + +De soldaten lachten smakelijk om deze laatste uitdrukking, maar zij +begrepen de bedoeling van hun aanvoerder toch zeer goed, en gingen +dadelijk met ijver aan 't werk. Een deel van hen wierp de bressen +dicht, en zij zorgden er voor, dat de sneeuw goed in elkaar geslagen +werd, zoodat zij een harde koek vormde,--een ander deel maakte nieuwe +sneeuwballen, waarvoor zij het fort als het ware onder hunne voeten +moesten afbreken, en de rest bekogelde den vijand. + +Al spoedig verstomde daar het gejuich, want 't was duidelijk, dat de +pogingen om de gekanteelde muren te vernietigen, schipbreuk zouden +lijden. Zoodra was het den Duitschers niet gelukt een bres in den +muur te schieten, of op 't volgende oogenblik waren wel tien handen +gereed om het gat weer te stoppen. De vijanden waren verder van de +overwinning dan ooit, en zij werden er moedeloos onder. Hun ijver +verflauwde, het bombardement werd minder hevig, en eindelijk trokken +zij af om opnieuw krijgsraad te beleggen. + +Wat de Hollanders juichten! + +Zij zwaaiden met hunne mutsen, en riepen: + +"Hoezee! Leve de Koningin! Hoezee!" + +Zij waren echter wel blij, dat zij nu ook een poosje rust kregen, +want de strijd was hevig geweest, en zij waren erg vermoeid. + +"Ik kan haast niet meer," zei Willem Kroeze. + +"Ik ook niet," zuchtte Jacob Boors. "En wat zijn mijne vingers +koud. Ze tintelen!" + +Hij kreeg haast tranen in de oogen van de pijn, die ze hem deden. + +"Steek ze een poosje in je mond, en blaas dan hard. Dan worden ze +wel weer warm," zei Jan Trom. "Zeg jongens, wat hebben we ons goed +gehouden, hè? Als we oppassen, krijgen zij ons fort nooit. Kijk ze +'t eens druk hebben. Ze houden zeker weer krijgsraad." + +"Laat ze maar!" zei Tines Wobbe. "We zullen ze ontvangen, zooals het +behoort. Weg met de Duitschers!" + +"Weg met de Duitschers!" riepen ze allen, en weer zwaaiden ze met +hunne hoofddeksels. + +"En leve de Koningin!" juichte Jan Trom. + +"Ja, ja, leve de Koningin!" riepen allen. + +Na een paar minuten werd de krijg hervat. De vijanden waren tot +het besluit gekomen, eene nieuwe bestorming te wagen. In gesloten +rijen liepen zij op het fort toe, en opnieuw probeerden zij tegen +den schuinen kant op te klauteren. Maar weer werden zij lang niet +malsch ontvangen. + +Een hagelbui van sneeuwballen begroette hen, en de verdedigers wierpen +schoppen vol losse sneeuw over hunne hoofden uit. + +Maar Karel wilde niet opnieuw wijken. + +"Sterven of overwinnen!" riep hij zijne volgelingen toe, en hij +klauterde moedig omhoog, zich niet storende aan de projectielen +der belegerden. + +Zijne soldaten, aangevuurd door zijn geestdrift, volgden hem met +mannenmoed. Ha, daar had Karel den gekanteelden muur bereikt, en +reeds richtte hij zich op om victorie te roepen, toen Jan plotseling +op hem toesprong, en hem pardoes achterover naar beneden wierp. + +"Weg met de Duitschers!" schreeuwde hij. + +Karel was veel gauwer beneden, dan hij boven gekomen was. Eerst keek +hij een oogenblik beteuterd rond, maar toen hij zag, dat zijne soldaten +voet bij stuk hielden, bestormde hij de vesting opnieuw. 't Was een +verwoede aanval, en de belegerden konden niet dan met de uiterste +inspanning stand houden. Met ongebreidelde geestdrift drongen de +Duitschers op hen in, maar de een na den ander werd van de borstwering +afgeduwd en naar beneden geworpen. Daar werden zij haast onder de +sneeuw bedolven, die hun bij schoppenvol nageworpen werd. + +Eindelijk deinsden de Duitschers af. Zij waren opnieuw afgeslagen. Maar +het fort verkeerde in een deerniswaardigen toestand, want om zich te +verdedigen waren de Hollanders genoodzaakt geweest, zich den grond +onder de voeten weg te spitten. De torens helden dientengevolge sterk +over naar den binnenkant van het slot, en dreigden elk oogenblik in +te storten. Ook de muren geleken wel bouwvallen. Maar nog wapperde +de Hollandsche vlag fier van den hoofdtoren. Jan was daar trotsch op, +en hij prees zijne soldaten om den betoonden moed. + +"Maar mijne vingers vallen haast af van de kou!" zei Tines. + +"Dat doet er niet toe!" riep Jan hem toe. "Zoolang de vlag nog van +den toren wappert, is er niets verloren, al hadden wij geen van allen +meer een vinger over! Leve de Koningin!" + +"Leve de Koningin, en weg met de Duitschers!" schreeuwden zij om +het hardst. + +"Dat is niet om uit te staan!" riep Karel zijne soldaten toe. "Komt +jongens, opnieuw aangevallen, en niet gerust, voordat het fort ons is!" + +De vijanden bestormden den burcht opnieuw, en de aanval was zoo +mogelijk nog verwoeder dan de vorige. + +"Nu of nooit!" schreeuwde Karel, die zich op en top krijgsman voelde. + +"Sterven of overwinnen!" antwoordde Jan Trom, en de jongens vochten +van weerskanten als leeuwen. + +Eindelijk gelukte het Karel ten tweeden male op het fort te komen, +vlak bij den hoofdtoren. Maar Jan en zijne soldaten wierpen zooveel +sneeuw tegen zijn hoofd en schouders, dat hij zijn evenwicht verloor +en tegen den toren viel. Deze was echter al zoo bouwvallig, dat hij +den schok niet meer kon weerstaan en instortte. De vlag der Hollanders +verdween van hare hooge standplaats. + +"De toren stort in!" riep Willem Kroeze. + +"De vlag duikt!" schreeuwden de Duitschers. + +"Hoera! Hoera!" + +Karel lag te spartelen onder de sneeuw in het fort, want de toren +had hem half bedolven. De Hollanders sprongen op hem aan en grepen hem. + +"Een gevangene! Een gevangene!" juichten zij. "De bevelhebber is +gevangen! Weg met de Duitschers! Leve de Koningin!" + +De Duitschers, ontsteld door het gevangennemen van hun Commandant, +deinsden af, maar spoedig kwamen zij terug met het stellige voornemen, +hun hoofdman te verlossen. + +Het kasteel was nu een puinhoop geworden. De torens waren ingestort, +en van de gekanteelde muren was geen spoor meer overgebleven. De +belegerden waren thans geheel ongedekt aan het vuur der vijanden +blootgesteld, en het maken van nieuwe sneeuwballen, of zooals zij +zeiden het gieten van nieuwe kogels was hun zoo goed als onmogelijk +geworden, omdat de sneeuw, waarop zij stonden, door de soldaten als +het ware tot een harden koek was vastgestampt. Met hunne schoppen +moesten zij de sneeuw omspitten om kogels te kunnen gieten. + +En toen kwam een nieuwe storm. De vijanden klauterden als katten +tegen den muur op, en de belegerden hadden geen middelen meer om +hen te keeren. Zij vochten nog wel als leeuwen en wierpen menigen +Duitscher naar beneden, maar tevergeefs. Het fort was verloren. Voor +en na verschenen de vijanden op de hoogte, en eindelijk moest Jan +zich overgeven. + +"Hoera! Hoera!" riepen Karel en zijn mannen. "Het kasteel is ons! Leve +de Keizer!" + +De Hollandsche vlag, waarvan de stok gewoon in de sneeuw gestoken +was, daar de torens totaal verdwenen waren, werd omvergeworpen, +en de vijandelijke vlag kwam er voor in de plaats. + +"Leve de Keizer!" juichten de Duitschers, en zij zwaaiden met hunne +mutsen. + +"Goed, goed!" zei Jan. "Maar wat heb je nu? Wat is er van het kasteel +overgeschoten? Een puinhoop, meer niet. Veel pleizier er mede." + +"Ja, ja, dat is waar!" zei Karel. "Jelui hebt je kolossaal goed +gehouden, dat moet ik zeggen.--Hè, hè, jongens, dat was een mooi +spelletje!--'t Is nu tijd om naar huis te gaan. Doen we het morgen +weer?" + +"Ja, ja!" werd er van alle kanten geroepen. "Dat is afgesproken." + +Zingende verlieten vriend en vijand het marktplein, om naar huis te +gaan. Zij hadden heerlijk gespeeld en dachten er nog lang daarna met +pleizier aan. Zij waren vast besloten, den volgenden dag een nieuw +kasteel te bouwen en den strijd te hervatten. + +Maar den volgenden morgen merkten zij al dadelijk, dat het niet +kon. 't Had namelijk dien nacht verbazend hard gevroren, en 't +was daardoor onmogelijk geworden sneeuwballen te maken. De sneeuw +wilde niet pakken. Zij vonden dat wel erg jammer, maar daarentegen +verheugden zij er zich weer in, dat het zoo hard gevroren had, en +zij hoopten, dat het ijs spoedig sterk zou worden. De twee kanalen, +die in het hart van het dorp elkander kruisten, lagen al dicht. De +jongens wierpen er steentjes op, om te zien, of zij er doorheen konden +gooien, maar dat konden zij niet. Alleen klinkers gingen er ongeveer +voor de helft doorheen. + +Zij vermaakten zich nu met glijbanen te maken en daar in lange risten +overheen te glijden. De grond werd hier en daar spiegelglad. Opeens +bedachten zij, dat het nu prachtig zou glijden langs de helling +buiten het dorp, bij het fort, waar Jan met zijn automobile den +veldwachter bij ongeluk van de been gereden had. En nauwelijks hadden +zij dat bedacht, of zij snelden er heen. Ha ja, ze hadden zich niet +bedrogen. De helling was er prachtig voor geschikt, en er lag dik +sneeuw. Spoedig was het er zoo glad, dat men er haast niet op de beenen +kon blijven staan, en als de jongens eenmaal op de helling waren, +mòèsten zij verder, of zij wilden of niet. Zij vonden het meer dan +verrukkelijk, en wisten van geen ophouden. 't Was een koddig gezicht, +als een van hen het ongeluk had te vallen. Dan buitelden allen, die +achter hem kwamen aanglijden, hals over kop over hem heen, en werd +het een levende berg van jongens. + +Menigeen riep dan au, au! en sommigen kwamen erg in de verdrukking, +maar daarom werd niet getreurd. Een volgend oogenblik gleed de geheele +rij weer met statie verder, en 't ging vliegensvlug. + +'t Was al laat, eer de jongens thuiskwamen, en voordat zij de deur +instapten, wierpen zij eerst nog een blik op het hemelgewelf om +te zien, of de lucht naar vorst stond. En dat deed ze gelukkig. De +sterretjes fonkelden aan den hemel, en er was geen wolkje aan te zien. + +Dien nacht vroor het kolossaal! Toen Jan 's morgens zijn neus buiten +de bedgordijnen stak, zag hij al dadelijk, dat de bloemen dik op de +ruiten stonden. + +"De pomp is bevroren!" riep zijn vader van uit de keuken. "Jongen, +jongen, wat een vorst. 't Is buitengewoon! Zeg Jan, nog één nachtje +zoo, en we kunnen schaatsenrijden. Dan is het kanaal sterk genoeg. Maar +vandaag nog voorzichtig wezen, hoor, 't kan nog niet vertrouwd zijn." + +"Ja Vader," zei Jan. + +Hij was van nature geen waaghals. Niet, dat hij bang was, in het +geheel niet, maar hij vond het dwaasheid zijn leven roekeloos in +gevaar te stellen. Toch waren er wel jongens, die zich al op het kanaal +waagden. Voorzichtig, voetje voor voetje, liepen zij het ijs op, dat +door een sterk gekraak waarschuwde om terug te gaan. De waaghalzen +hoorden het wel, en als het heel erg kraakte, bleven zij even +stilstaan, maar spoedig gingen zij weer verder. Tines Wobbe bereikte +zelfs de overzijde van het kanaal, waar hij niet weinig trotsch op was. + +'s Middags na schooltijd liep Jan met zijn vriend Karel van Dril het +dorp in, en kwam bij de drie bruggen. Zij zagen, dat het water daar +nog open lag. Dat was bijna altoos zoo in den winter. Alleen als het +lang bleef vriezen, werd het daar ook sterk genoeg, om er over te +loopen. Zij stonden er een poosje naar te kijken, toen plotseling +hunne aandacht werd getrokken door Frans Thor, die een vuilen hond +vervolgde. Hij wierp het beest met steenen. 't Was een broodmager +beest, dat er vreeselijk vervuild uitzag. De jongens herkenden dadelijk +Fik in hem, den hond van den orgeldraaier Klaas Touw. + +"Houdt hem! Houdt hem!" riep Frans hun toe. + +"Een heldendaad van Frans," zei Jan tot Karel. "Hij kan geen hond +met rust laten." + +"Houdt hem! Houdt hem!" riep Frans nog eens. + +De hond was nu op het midden van de brug. Jan en Karel deden, of zij +Frans niet hoorden. Maar juist kwam Klaas Zwart van den anderen kant +de brug op. + +"Houd hem, Klaas!" riep Frans zijn vriend toe. "Jaag hem op!" + +"Ja,--ja!" was het antwoord. En met zijn armen zwaaiende en onder +een luid geschreeuw joeg hij het verhongerde beest terug. + +Spoedig kwam Fik nu Frans weer tegen, en deze joeg hem ook terug. De +dierenkwellers hadden braaf schik in den angst van den hond, die, +naarmate de jongens elkander naderden, meer in het nauw gedreven +werd. Eindelijk wist het arme dier geen raad meer, en toen het +probeerde om langs de beenen van Frans te ontsnappen, op gevaar af +een schop van dien jongen te krijgen, gaf deze hem een duw, waardoor +hij van de brug af in het water viel. + +Wat hadden Frans en Klaas een pret. En hoe vermaakten zij zich met +de wanhopige pogingen van het dier om zich te redden. + +De lantaarnopsteker, die op zijn laddertje stond, om de lantaren schoon +te maken en de peer van de lamp te vullen, was er verontwaardigd over, +en hij riep de jongens toe, dat zij zich schamen moesten. Hij klom +naar beneden en zag, hoe het beest tevergeefs poogde zich te redden. + +"'t Is meer dan schandelijk!" riep de man nog eens. "'t Beest is +onherroepelijk verloren. Wie zal het wagen, het te redden? Wie het +doet, loopt groot gevaar om zelf te verdrinken. Zulke dierenbeulen!" + +Ook Jan en Karel zagen met smart de pogingen van den armen hond, om +zich te redden, 't Was duidelijk, dat het beest verdrinken moest. Eene +hevige verontwaardiging maakte zich van Jan meester, en ook Karel +vond het eene schandelijke daad. + +Fik zwom in het breede wak rond, nu hier, dan daar pogingen doende, +om op het ijs te klimmen. Maar dit was te glad. Telkens gleden zijn +pootjes uit en zakte hij in het water terug. + +Jan kon het niet langer aanzien. + +"Mag ik dat laddertje gebruiken?" vroeg hij aan den +lantaarnopsteker. Zonder antwoord af te wachten, lichtte hij de haken +los, waarmede het aan den paal bevestigd was, en liep er mede naar +den kanaalkant. + +"Niet doen, Jan, niet doen!" riep Karel hem toe. + +Maar Jan antwoordde niet. + +"Dà n zal ik je helpen!" hernam Karel, en hij voegde zich bij zijn +vriend. Maar deze stond al op het ijs. + +"Blijf daar, Karel, ik ben lichter," zei Jan kortaf. + +Hij schoof het laddertje voor zich uit en naderde behoedzaam het +wak. Al was Jan nòg zoo mager, en al woog zijn lichaampje nòg zoo +licht, toch liet het ijs, dat bij de brug erg dun was, een dreigend +gekraak hooren. Jan liet er zich echter niet door weerhouden. Bedaard +ging hij verder, half steunende op het laddertje, dat hij met kleine +stootjes voortduwde. + +"Fik! Fik!" riep hij den hond toe. + +Het beest zag hem komen. Met verkleumde pooten zwom het in het +ijskoude water. Het jankte van vreugde.... Bijna kon het zich niet +meer bewegen. Het uiterste einde van het laddertje had het begin van +het wak bereikt. + +Vele menschen verzamelden zich langs de brugleuning, en met angstige +spanning volgden zij de bewegingen van den knaap. Ook Jan's vader +was op de brug. Zijne oogen waren geen seconde van zijn dapperen +jongen af. Ha, hoe verheugde hij zich over deze kranige daad van zijn +kind. Hij was trotsch op hem! + +Jan keek op noch om. Al zijne gedachten waren op één punt gericht, +namelijk, dat het zijn plicht was den armen hond te redden. Op handen +en knieën kroop hij behoedzaam verder. + +Het ijs boog door. Er kwam water op. De ladder werd nat. Maar Jan +keerde niet terug. Hij zag, dat de hond op 't punt was van verdrinken. + +Nog een sport,--daarna nog een.... + +Hij legde zich lang-uit op de ladder. Zijne kleêren werden nat. Toen +strekte hij den arm uit, en met een krachtigen greep trok hij den +hond uit het wak. Verkleumd bleef het dier liggen. + +Jan durfde zich niet omkeeren. Hij wist bijna zeker, dat het ijs +dan breken zou. Zoo voorzichtig mogelijk kroop hij achteruit, +langzaam--langzaam verder. Den hond trok hij meê. + +Eindelijk had hij het achtereinde van het laddertje bereikt en moest +hij op het ijs stappen. Maar daar was het niet zoo erg zwak meer. De +hond kwam eenigszins tot zichzelven. Bevend op zijne pooten liep het +dier naar den walkant. Daar hielp Karel het omhoog, tegen den walkant +op. Eindelijk had ook Jan den oever bereikt.... + +En op 't zelfde oogenblik klonk een daverend handgeklap hem in +de ooren. De menschen, die gezien hadden, welk heldenstuk hij had +verricht, verbraken de stilte en juichten hem toe. Jan kreeg er een +kleur van. En zijn vader drong door het volk heen en drukte hem in +zijn armen. Hij had er zoowaar tranen van in de oogen. + +"Ben je erg nat?" vroeg Dik. + +"Haast niet, Vader," zei Jan. "Ik ga met Karel den hond even +thuisbrengen, want hij kan bijna niet loopen." + +"Goed, goed," zei Dik, "maar dan direct droog goed aantrekken." + +Jan en Karel vertrokken met den verkleumden hond, en de menschen +vervolgden hun weg. Met lof werd over Jan gesproken. Iedereen had er +den mond vol van. Maar de dierenbeulen Frans en Klaas waren stilletjes +afgedropen. + +Het huisje van Klaas Touw, den orgeldraaier, stond een weinigje +achteraf, aan een achterweg. De jongens hadden het spoedig bereikt. Zij +deden de deur van het armoedig hutje open en traden binnen. + +Mietje zat bij de tafel. Zij zag er bleek en mager uit, en hare oogen +keken de jongens droevig aan. De bedsteêdeuren aan den achterkant +van het kamertje stonden open, en de jongens zagen, dat Klaas Touw +te bed lag. Hij was ziek. + +"Hier is uw hond, Mietje," zei Jan, die den hond in de kamer liet +loopen. "We hebben hem uit het water gehaald. Hij lag in het wak bij +de brug." + +"Neen, _wij_ niet, maar Jan heeft hem er uitgehaald," zei Karel, +die zijn vriend om diens heldendaad bewonderde. "Met levensgevaar +heeft hij hem gered." + +"Zoo,--arme Fik," zei Mietje. "Was hij maar verdronken." + +"Waarom?" vroegen de jongens als uit één mond. Zij waren niet weinig +verwonderd over die woorden. + +"Waarom? Wel, dan was hij meteen uit zijn lijden. Klaas is ziek, +en hij zal wel zoo gauw niet beter wezen, zegt de dokter. We hebben +zelf niet eens te eten, hoe zal ik dan voor den hond zorgen?" + +De jongens keken de vrouw zwijgend aan. En hun blik dwaalde door +het armoedige vertrek en naar het bed van den zieke. Zij zagen ook, +dat er geen vuur was in de oude kachel, en dat de bloemen dik op de +ruiten stonden. + +"En uw orgel dan?" vroeg Jan na een poosje. + +"Dat is weggehaald, omdat wij de huur ervan niet betalen konden," +zei Mietje, en zij kreeg de oogen vol tranen. "Wij lijden armoê, +jongens, erger dan ik het zeggen kan." + +De jongens wisten niet veel te zeggen, maar zij kregen diep medelijden +met die arme menschen. + +"Weet je wat, Mietje," zei Jan. "Morgen is het ijs wel sterk. Ga dan +met een tentje op het ijs staan, om melk en koek te verkoopen." + +Vrouw Touw lachte droevig. + +"Hoe moet ik aan melk komen?" zei ze met een zucht. "En aan chocolade +en suiker en koek? Wie zal mij dat alles borgen?" + +"Mijn vader wel," zei Jan beslist. "Ik ga het hem vragen. Ga je mee, +Karel?" + +De jongens liepen op een drafje naar huis. En toen Jan verteld had, +hoe het met den orgeldraaier en diens vrouw gesteld was, zei Dik: + +"Zeker wil ik helpen, jongen! Ga maar aan Mietje zeggen, dat ik haar +alles wil voorschieten, wat zij noodig heeft." + +"Hoera!" riep Jan. "Wat is u toch goed, Vader. En mogen ze een paar +oude stoelen hebben, en wat palen en een paar banken?" + +"Ja," zei Dik lachend, want het verheugde hem, dat Jan en Karel zich +zoo druk maakten om een paar arme menschen te helpen, die in nood +verkeerden. "Maar weet je, wat in de eerste plaats noodig is? De +stakkers hebben niets in huis, zelfs geen brandstof om de kachel +te stoken. Span je bok voor den wagen, en breng er dadelijk flink +wat turven naar toe. Ik zal dan meteen een en ander uit den winkel +inpakken, zoodat ze van avond wat te eten hebben ook." + +"Ja, ja,--ik met den bokkenwagen, en Karel met de automobiel! Dat +zal leuk wezen." + +'t Was intusschen al donker geworden, en de sterretjes begonnen al +weder aan het hemelgewelf te flonkeren. + +Jan en Karel hadden het druk, want zij maakten van Dik's mildheid +een ruim gebruik. De automobile werd volgestapeld met turven en +kachelblokjes, en in het bakje van den bokkenwagen kwamen verscheidene +zakjes met levensmiddelen. Dik wist wel, wat het meest noodig was. + +Toen de jongens wegreden, keken Dik en Anneke hen lachend na, en Dik +herinnerde zich op dat oogenblik weer levendig, hoe hij zich als kind +op een donkeren avond geheel alleen op weg begeven had, om aan de +heks op den achterweg, die ook in nood verkeerde, levensmiddelen te +brengen. En hij voelde zich gelukkig, dat hij zulk een goed kind had. + +In het hutje van de twee arme menschen heerschte dien avond groote +blijdschap. Jan en Karel werden hartelijk door den orgeldraaier en +diens vrouw bedankt. + +"Morgen zullen we een tent voor u bouwen, Mietje," zei Jan. "En Vader +wil u al het noodige voorschieten, om alles te kunnen inslaan. Wacht +maar, u zal eens zien, hoe 'n mooie tent wij zullen maken." + +De jongens keerden naar huis terug. De bok liep met opgetrokken +pooten, want hij vond de bevroren sneeuw erg koud, en hij was +er slecht over gestemd, dat hij zijn warm plaatsje bij den hit +had moeten verlaten. Karel draaide lustig aan het wiel van de +automobile. "Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf klonk het achter den bokkenwagen. De +beide lantarens gaven een helder licht, en de jongens vonden het een +prettig tochtje. Zij spraken af, den volgenden morgen vroeg op te +staan en dan ijverig te gaan bouwen aan de tent. Met een prettig +gevoel in hun borst keerden zij in huis terug. Zij voelden zich +tevreden en gelukkig. + + + + + +Twaalfde Hoofdstuk. + + Een goede daad, een vroolijke dag en een treurige morgen. + + +Wat was Jan Trom vroeg wakker. 't Was nog maar kwart over zessen, +toen hij uit zijn bed stapte. Zijn vader werd er wakker van, toen +Jan de luiken opende. + +"Wie is daar?" vroeg Dik. + +"Ik Vader," zei Jan. "Weet u niet meer, dat we eene tent zouden bouwen +voor Mietje van Klaas Touw. De bloemen staan weer dik op de ruiten. 't +Heeft bepaald erg hard gevroren." + +"Zeker wel," zei Dik. + +Jan was spoedig aangekleed. Hij opende de provisiekast en nam er een +paar sneden brood uit, die hij gebruikte met een glas melk. Daarna +verliet hij het huis, om zijn vriend te gaan wekken. Nauwelijks was +hij vertrokken, of ook Dik stapte zijn bed uit. Hij was bang, dat het +bouwen van een ijstent de krachten der jongens te boven zou gaan, en +daarom wilde hij gereed zijn om zoo noodig een handje te kunnen helpen. + +Karel van Dril was al op, toen Jan hem kwam roepen. + +"Wat is het koud, hè?" zei Karel huiverend. + +"Ja, erg koud," zei Jan. "Maar wij zullen ons wel warm werken. Om +negen uur moet de tent klaar zijn, want dan gaat de school aan en +moeten wij binnen zijn." + +"Ja," zei Karel. "Ik ben klaar, Jan. Zullen we gaan?" + +"Goed." + +De jongens gingen naar buiten. Lange, dunne palen namen zij op de +schouders en droegen die naar het ijs. Het kanaal was dicht bij hun +huis. Zij hadden den weg maar over te steken om het te bereiken. Een +goed plaatsje was spoedig gevonden. Zij besloten de tent te bouwen +vlak voor den winkel van Dik Trom. Een paar malen liepen zij heen en +weer om alles te halen, wat zij noodig hadden. + +Daarna gingen zij aan het werk. + +Eerst moesten er met een bijl gaten in het ijs worden gemaakt. Jan +begon te hakken. O, wat was het ijs hard. De splinters spatten hem +bij elken hak om de ooren, en rinkelend vlogen zij een eind ver over +de gladde ijsvlakte. + +'t Was een zwaar werkje. Al spoedig had Jan geen last meer van de koû, +en hij merkte, dat het niet gemakkelijk zou gaan, een gat in het ijs +te hakken. Hij zuchtte zoo hard, dat Karel er om lachen moest. + +"Toe maar, hak maar raak," zei hij. "Ik zal wel voor je zuchten." + +Jan begon te wanhopen, of hij er wel mee klaar zou komen. Maar +eindelijk toch zakte zijn bijl door het ijs. Het water drong er +doorheen. Nog een paar slagen, en het schotsje was los. Met de bijl +wipte hij het stuk ijs omhoog. + +"Zie zoo, dat is er één," zei hij. "Nu den paal er in." + +"Doe jij dat maar, dan zal ik intusschen het tweede gat hakken," +zei Karel. Hij nam de bijl, en trok aan 't werk. Op dit oogenblik +kwam Dik Trom aanstappen. Hij kwam eens kijken, of de jongens het +klaar zouden spelen. + +"Gaat het goed?" vroeg hij. + +"Best, Vader," zei Jan. "O, maar wat is dat ijs hard. Ik kan er bijna +niet doorheen slaan met de bijl." + +"Ja, dat dacht ik wel. Daarom kwam ik juist even kijken. Maar ik zie +wel, dat mijn hulp niet noodig is. Hoeveel palen moeten er in?" + +"Wij dachten van zeven," zei Karel. "'t Zou met minder kunnen, maar +als het dan wat hard gaat waaien, is de tent niet sterk genoeg." + +"Je hebt gelijk," zei Dik. "Wel, wel, wat is dat ijs gl...." + +"Glad," wilde hij zeggen, maar zoover kwam hij niet, want plotseling +gleden zijne beenen onder hem weg, en viel de dikke Dik met een +geweldigen bom op het ijs. Het ging zoo snel en onverwachts, dat hij +eerst niet wist, wat er gebeurde. Het ijs kraakte niet zoo'n beetje, +en er kwam een groote ster in. + +Gelukkig bezeerde Dik zich niet, en de jongens konden er dus naar +hartelust om lachen. Doch zij gunden zich daar niet veel tijd toe, +want zij moesten hard werken om op tijd klaar te komen. Om de beurt +hakten zij een gat in het ijs, en toen Dik koud werd, hakte hij er +ook een. De tent schoot flink op. Aan drie kanten werden er zeilen +aan de palen bevestigd, en de vierde kant bleef natuurlijk open. Om +acht uur waren zij met hun arbeid gereed. Toen repten zij zich naar +huis, om een oude tafel, wat afgedankte stoelen en een paar banken te +halen. Ook namen zij ieder eene vlag mêe, en die werden aan de twee +voorste palen bevestigd. Om half negen was de tent kant en klaar. Dik +was al lang naar huis, want hij zag, dat de jongens zijne hulp best +konden ontberen, en hij vond het een prettiger idee voor hen, dat +zij de tent geheel alleen bouwden. Toen om half negen Mietje op het +ijs verscheen, sloeg zij van verbazing de handen in elkaar, en zij +was wat grootsch op de mooie tent, die de jongens voor haar hadden +gemaakt. En alles was gereed. Zij had er om zoo te zeggen zóó maar +in te stappen. Alleen moest zij nog melk koken en de noodige koeken +bij den bakker bestellen. De arme ziel wist geen woorden te vinden, +om de jongens te bedanken voor alles, wat zij voor haar en haar zieken +man hadden gedaan. + +"Hoe is het met Klaas?" vroeg Jan. + +"Nog hetzelfde," was het antwoord. "Hij ligt nu al vier weken te +bed, en ik zie niet den minsten vooruitgang. Maar hoe zou dat ook +kunnen? Wij zijn te arm, om de versterkende middelen te kunnen koopen, +die zijn verzwakt lichaam noodig heeft, want hij is door en door +verzwakt, zegt de dokter." + +"Nu, wie weet, hoeveel u vandaag nog verdient," zei Karel. "En hoe +is het met Fik?" + +"O, die is weer geheel en al in orde. Hij houdt den baas +gezelschap. Die moet natuurlijk den heelen middag alleen in huis +blijven. Maar hij zal zich wel redden. Ik zal de tafel bij zijn bed +schuiven en alles, wat hij noodig heeft, daarop klaar zetten. Vóór +twee uur van middag behoef ik niet in de tent te staan, en om vijf +uur kan ik wel al weer thuis zijn. Dan wordt het donker en gaan de +schaatsenrijders naar huis. Dus langer dan een uur of drie, vier is +hij niet aan zijn lot overgelaten. O jongens, wat redden jullie me +heerlijk uit den nood; je weet niet, hoe dankbaar ik ben." + +"Dat is niet noodig, Mietje. We hopen, dat je vandaag nu maar +flink geld verdient. Maar 't wordt voor ons tijd om naar school te +gaan. Vanmiddag zullen we wel vacantie krijgen, denk ik, nu het zulk +mooi ijs is." + +"'t Is te hopen," zei Karel. "Hè, wat heb ik een zin om te gaan +rijden." + +"En ik!--Dag Mietje, tot vanmiddag!" + +De jongens gingen naar huis. Het gebruikte gereedschap namen zij mee, +en eenige minuten later stapten zij de school binnen. Zij dachten +dien morgen meer aan het mooie ijs, dan aan de lessen. + +Mietje was intusschen druk in de weer om alles voor den middag in +gereedheid te brengen. Bij den bakker bestelde zij een groot getal +ijskoeken, die ook wel dikke Pieten werden genoemd, eene lekkernij, +waar de jongens verzot op waren, en die de meisjes ook wel lustten. Dik +Trom had aan den bakker gezegd, dat hij voor de goede betaling borg +stond. Ook gaf Dik de noodige chocolade en suiker, en mocht zij bij +Wobbe op zijne rekening zooveel melk bestellen, als zij dacht noodig +te hebben. Mietje vloeide over van dankbaarheid. + +"Zorg nu," zei Dik, "dat alles er netjes en zindelijk uitziet in je +tent, en maak de kopjes telkens schoon, als er uit gedronken is. De +menschen hebben een hekel aan vuile koppen en schotels." + +Dik wist wel, dat Mietje niet aan overdreven zindelijkheid leed. + +"Daar zal ik voor zorgen," zei Mietje. + +Van een kastelein had zij de noodige koppen en schotels geleend. Zoo +werd Mietje door de hulp van verschillende menschen, die medelijden +met haar hadden, netjes ingespannen, en om één uur stond zij al in +hare tent, gereed om de gasten te ontvangen. + +Jan en Karel hadden goed geraden. Dien middag kregen zij inderdaad +vacantie. Dat gaf eene vreugde. Onder een luid gejoel verlieten de +kinderen de school, om te gaan eten. Sommigen gunden zich daar haast +den tijd niet eens toe, zoo verlangden zij om op 't ijs te komen. + +Om een uur krioelde het al van jongens en meisjes op de baan, en Mietje +kreeg het al aardig druk in hare tent. Jan en Karel waren er ook. Hun +eerste gang was naar Mietje, want zij wilden graag de eersten zijn, +die wat bij haar kochten. En Mietje zag er wat helder uit. Van Anneke +had zij een grooten huishoudboezelaar gekregen, die hare armoedige +plunje geheel bedekte. Ook de kopjes waren helder gewasschen, en +'t zag er gezellig bij haar uit. Jan en Karel zagen met genoegen, +dat zij het verbazend druk kreeg. Dat was trouwens geen wonder, want +zij was de eenige, wier tent geheel klaar was. Er waren er nog wel +verscheidene in aanbouw, maar gereed was er nog maar een, en dat +was de hare. Wat hadden de twee jongens er een pret in. Vroolijk +zwierden zij op de baan heen en weer, want zij konden goed rijden, +vooral Jan. Die kon al zwieren als de beste. Dat had hij van zijn +vader geleerd die ook een groot liefhebber van het ijsvermaak was. En +als zij een poosje gereden hadden, gingen zij uitrusten in de tent +van Mietje, die er recht gelukkig en tevreden uitzag, want zij kon +wel aan het bedienen blijven. + +"Dikke Pieten! Dikke Pieten!" riep Karel lachend zijne kameraden +toe. "Steekt er eens op, en legt er eens aan! Lekkere, versche dikke +Pieten! De mooiste ijskoeken van de wereld!" + +De jongens en meisjes lachten er om, en toen zij hoorden, dat Mietje +het zoo erg arm had en dat haar man ziek was, en daarbij vernamen, dat +Karel en Jan samen die mooie tent voor haar hadden gebouwd, kijk,--toen +wilde iedereen ook een steentje bijdragen om den nood der arme menschen +te lenigen, en wie wat koopen wilde, deed het daarom bij Mietje. + +Jan ging ook achter de tafel staan, en riep zoo hard hij kon: + + +"Heete melk en koude Jan, +Steekt er eens op en legt er eens an!" + + +De kinderen moesten er hartelijk om lachen, maar 't gevolg was toch, +dat de koeken als 't ware wegvlogen, en dat Mietje telkens een nieuwen +voorraad melk moest koken. Hare zaakjes gingen best, opperbest, en +zij ontving zooveel geld, als zij in haar heele leven nog niet bij +elkaar had gezien. + +Later op den middag kreeg zij het nog drukker. Toen kwamen de groote +menschen op de baan. Ook Dik Trom stapte met zijn schaatsen onder +den arm het ijs op. En even later verschenen de twee mannen, met +wie hij al van zijne vroegste jeugd af trouwe vrienden was geweest, +namelijk Piet van Dril, de smid, en Jan Vos, de metselaar. In de +tent van Mietje bonden zij de schaatsen onder. Dik trakteerde eenige +jongens, die dicht in de nabijheid stonden, op dikke Pieten, en even +later zwierde het drietal lustig over de baan. Wat kreeg deze meer en +meer een vroolijk aanzien. De andere tenten waren nu langzamerhand ook +gereed gekomen, en de vlaggen wapperden vroolijk in den wind. En wat +kwamen er een menschen op het ijs! 't Werd er hoe langer hoe voller, +en soms, als de menschen erg dicht op een hoop stonden, gaf het ijs +een geweldigen krak, zoodat iedereen er van schrikte en men ijlings +uit elkander stoof. + +De baanvegers hadden weinig te doen, want het ijs was spiegelglad. Des +te meer tijd hadden zij om geld op te halen. + +"Een centje voor den baanveger!" klonk het hier. "Een centje voor den +baanveger," klonk het daar. 't Leek wel, of de baanvegers uit den bodem +van het kanaal opstegen, zooveel kwamen er. Maar de schaatsenrijders +genoten volop, en zij hadden een gulle bui. Dik Trom, wiens winkel +thans verreweg de grootste was van het geheele dorp, zoodat hij veel +geld verdiende en van nabij met den toestand der baanvegers bekend was, +liet menig dubbeltje in de handen der baanvegers overgaan. Hij was +niet gierig, en als hij wist, dat hier of daar armoede geleden werd, +was hij altoos bereid om te helpen. Hij was dan ook verbazend bemind +onder zijne dorpsgenooten. Iedereen had een vriendelijk woord voor +hem over, en niemand passeerde hem zonder een groet. + +"Dag Dik!" werd er overal geroepen, waar hij voorbij reed. "Dag +Dik! Dat is nog eens een echt ouderwetsch dagje, hè?" + +'t Was vreemd, maar Dik werd op het dorp nog bijna door iedereen Dik +genoemd. Zelden zeide men Trom tegen hem. + +Hij kon mooi schaatsenrijden, veel mooier, dan men van zoo'n +dikken man verwacht zou hebben. Als hij goed aan het zwieren was, +had hij aan de breede baan niet genoeg, neen, dan gebruikte hij +wel de halve breedte van het kanaal. En 't was grappig om te zien, +als Jan achter hem aanzwierde. Dik had altoos een ijsstok bij zich, +met aan elk einde een knop. Soms hield Dik het eene einde onder den +arm, en Jan het andere, en dan zwierden zij samen zoo kolossaal, +dat de menschen bleven staan om er naar te kijken. En 't was een +grappig gezicht, dien dikken Dik en dien mageren Jan samen aan den +stok te zien zwieren. Iedereen lachte er om, en Dik zelf ook.... Ha, +wat was Jantje dan grootsch. Dan reed hij zoo prachtig beentje-over, +dat Karel van Dril er jaloersch op was. + +Het drukste punt van de geheele ijsbaan was, waar de tent van Mietje +stond. Karel en Jan zagen met onbeschrijflijk veel genoegen, dat hare +tent nooit leeg was. Altijd zaten er menschen op de stoelen of banken, +om uit te rusten, en iedereen gebruikte wat bij haar. De koek was om +drie uur al uitverkocht, maar melk had zij in overvloed. Haar zak +was zwaar van de centen, die zij ontvangen had, en steeds kwam er +meer bij. Iedereen wilde haar helpen in den nood. Alleen de andere +tenters waren er een beetje boos om, maar toch niet heel erg, want +het was zóó druk op de baan, dat ook zij een heel goeden dag maakten. + +Frans Thor en Klaas Zwart waren ook aan het schaatsenrijden, maar de +andere jongens ontweken hen zooveel mogelijk. Zij wilden 't liefst +niet met hen te maken hebben. + +Eindelijk begon de schemering te vallen, en de drukte op het ijs +verminderde gaandeweg. Vele boerenjongens en -meisjes moesten naar +huis, om de koeien te melken en het vee te voederen, en langzamerhand +zakten ook de anderen op huis af. Jan en Karel waren onder de laatsten, +die vertrokken. + +"Kunnen we je helpen, om een en ander naar huis te brengen, +Mietje?" vroegen zij. Want zij hadden zich nu eenmaal voorgenomen, +Mietje zooveel zij konden terzijde te staan. + +"Neen, jongens, dank je vriendelijk," was het antwoord. "De kopjes +en schoteltjes doe ik in een sleetje en neem ik meê naar huis. Maar +den vuurpot en den ketel laat ik van nacht hier maar staan. Dat wordt +anders maar heen- en weer sjouwen voor niemendal." + +"En heb-je goede zaken gemaakt?" vroegen de jongens blij, want zij +wisten wel, hoe het antwoord zou zijn. + +"Goede zaken?"--Of ik!" zei Mietje, en zij klopte met hare hand +op den zak, die onder haar boezelaar hing. De jongens hoorden een +rinkelend geluid. + +"Allemaal centen, Mietje!" plaagde Jan. "Dat beschiet niet veel." + +"Allemaal centen?" herhaalde Mietje, terwijl zij een flinken +greep in den zak deed, en den inhoud van hare hand op de tafel +uitstortte. "Allemaal centen? Kijk eens, een dubbeltje, weer een, hier +nog een, een kwartje, nog een kwartje, daar nog een dubbeltje,--neen, +neen, als het nog een paar dagen mag blijven vriezen, ga ik den winter +zonder zorg tegemoet.--En dat heb ik alles aan jelui te danken,--en +aan je vader, Jan." + +Zij deed het geld weer in den zak, pakte alles wat meegenomen moest +worden, in de slede, schoof de tafels en stoelen zooveel mogelijk in +elkaar en ging naar huis. + +"Zeg aan je vader, dat ik vanavond met hem kom afrekenen," zei ze +nog tegen Jan. "Ik heb vandaag wel zooveel verdiend, dat ik mezelf +verder redden kan. 't Is een pak van m'n hart, jongens." + +Jan en Karel gingen recht vergenoegd naar huis. De lucht zag er wel +naar uit, dat het weer geducht vriezen zou. + +'s Avonds kwam Mietje inderdaad met Dik afrekenen en zij deelde hem +mede, dat zij wel meer dan twintig gulden had verdiend. Dik was er +recht blijde om, en hij gaf Jan een knipoogje, of hij zeggen wilde: +"Zie je, Jan, dat is het werk van jou en je vriend. Je hebt eene +goede daad gedaan." + +Vol vreugde keerde Mietje naar haar hutje terug. Klaas en zijne vrouw +hadden zich in langen tijd niet zoo gelukkig gevoeld. + +Helaas, de blijdschap van Mietje zou al spoedig in verdriet +veranderen. Toen zij den volgenden morgen in de tent kwam, om alles +voor den middag in orde te brengen, want het had weer sterk gevroren, +bemerkte zij tot haar grooten schrik, dat de ijzeren pot, dien zij +van Van Dril te leen had gekregen, en de mooie koperen ketel, dien +De Vries, de kastelein, haar ten gebruike had afgestaan, verdwenen +waren. Eerst meende zij nog, dat de andere tenters een grapje hadden +willen hebben en een en ander hadden weggehaald, maar dat bleek niet +zoo te zijn. Die menschen vermisten ook voorwerpen, die zij in de +tenten hadden achtergelaten, en zij waren erg boos en terneergeslagen. + +"'t Is eene schande," zei er een. "Ik dacht zóó, dat de diefstallen +ten einde waren, en nu komen zij ons armoedje nog wegstelen." + +"Ja, 't is eene schande," zei een ander. "De politie doet hier ook +niets. Maar ik ga naar den burgemeester om mij te beklagen. 't Is +verregaand, dat er niets meer veilig is op 't dorp." + +"Ik ga meê," riep een derde. + +"En ik! En ik," zeiden de anderen. + +En te zamen verlieten zij het ijs, om naar den burgemeester te gaan +en hem te zeggen, dat er verschillende voorwerpen uit de tenten +ontvreemd waren. + +Mietje kreeg de tranen in de oogen. Al hare verdiensten waren weer +weg, want zij moest de gestolen voorwerpen natuurlijk vergoeden, dat +begreep zij zeer goed. Allereerst ging zij naar Van Dril, om hem te +zeggen, wat er gebeurd was. + +"Dat is verregaand!" riep hij uit. "'t Wordt hoog tijd, dat de dieven +gesnapt worden, want zóó kan het niet langer. Maar jij, arme ziel, +behoeft de schade niet te lijden. Hier staat nog een andere pot met +toebehooren. Gebruik dien maar, doch laat hem 's nachts niet meer op +het ijs staan. Alles, wat je in de tent gebruikt, moet je vanavond +opbergen. Anders heb je kans, dat morgen alles weer verdwenen is." + +Mietje bedankte van Dril voor zijn goedheid, en begaf zich dadelijk +naar de Vries. Maar deze was lang zoo vriendelijk niet als de smid. Hij +werd zelfs onbillijk. + +"Daar heb je 't al," riep hij uit, toen Mietje hem het gebeurde had +verteld. "Dan leen je aan zulk volk je beste spullen, en in plaats, +dat zij er dankbaar voor zijn en er goed op passen, maken ze, dat +je ze nooit terugziet. Maar je zult me den ketel betalen, wat ik +je zeg! 't Was een beste, koperen ketel, een zware koperen ketel, +en ik laat hem maar niet goedschiks verdonkeremanen! Wie weet, wat +je er mêe uitgevoerd hebt." + +"Ik? Er mêe uitgevoerd?" zei Mietje schreiend. "Ach, wat heb ik er een +spijt van, dat ik hem niet meegenomen heb naar huis, gisterenavond, +maar de andere tenters lieten hun boeltje ook in de tent achter, +net zoo goed als ik. Wie kon ook denken, dat de menschen zoo slecht +zouden zijn, om ons armoedje weg te stelen." + +"Alles goed en wel, maar ik moet den ketel terughebben, of je zult +mij de schade vergoeden. Met minder dan vijf gulden ben ik niet +tevreden. 't Was een dure ketel, en nog zoo goed als nieuw!" + +"Vijf gulden?" stamelde Mietje verschrikt. "Vijf gulden, zegt u?" + +"Ja, vijf gulden minstens," was het antwoord. "Koper is duur." + +Verdrietig keerde Mietje naar de tent terug. Zij wist geen raad om +zich te helpen. + +"Wie zal mij weer een ketel leenen?" vroeg zij droevig. + +"Dat zal ik doen," zei Anneke. "Je kunt mijn ketel gebruiken, Mietje, +als je er maar voor zorgt, dat hij elken avond bij mij binnengebracht +wordt." + +"O, dat zal ik zeker," zei Mietje. "Een ezel zelfs stoot zich geen +tweemaal aan denzelfden steen." + +'t Ging als een loopend vuurtje door het dorp, dat de dief weer aan +den gang was geweest. En de burgemeester vond, dat er hoog noodig +een einde aan moest komen. Zoodra hij het gebeurde vernomen had, +liet hij dadelijk Flipsen bij zich ontbieden. Deze kwam direct, en +onderweg vernam hij al, wat er aan de hand was. Maar de burgemeester +vertelde het hem nog eens dunnetjes over. Flipsen hoorde hem zwijgend +aan; er speelde een bijna onmerkbaar glimlachje om zijne lippen. Hij +meende te weten, waar hij thans zoeken moest. + +"Je moet bij de tenters eerst gaan onderzoeken, welke voorwerpen door +hen worden vermist, en dan zoek je maar net zoo lang, tot je den dief +gevonden hebt," besloot de burgemeester. + +"Laat het maar aan mij over, burgemeester," zei Flipsen met een hooge +borst. "Ik zal het zaakje wel afwikkelen." + +Hij stapte op het ijs, en begaf zich met een zakboekje in de linker +en een potlood in de rechterhand van de eene tent naar de andere, +en overal vroeg hij, welke voorwerpen gestolen waren. Het bleek hem, +dat alle tenters hun ijzeren pot en grooten ketel hadden achtergelaten, +en dat die nu vermist werden. + +De tenters waren er bitter slecht over te spreken, en Flipsen moest +menig onaangenaam woord hooren. + +"Waarom heb je niet beter uitgekeken?" vroeg er een. "Je doet ook +niet veel voor den kost, Flipsen." + +En een ander merkte op: + +"Of wij politie op het dorp hebben of geen politie, dat komt op +hetzelfde neer. De dieven doen toch maar, wat ze willen." + +"'t Is jullie eigen schuld," gaf Flipsen ten antwoord. "Wie laat +zulke dingen bij nacht en ontijd ook buiten staan? Je bent te lui om +voor je spullen te zorgen, en als ze dan gestolen worden, krijgt de +politie de schuld. Zoo is het altijd. 't Is het oude liedje en anders +niet. Doch heb maar geduld. Dezen keer zul-je eens zien, dat Flipsen +wèl uit zijne oogen gekeken heeft, en terdege ook. Eer we een halven +dag verder zijn, heb ik de dieven gesnapt, want er is er niet één, +maar er zijn er twee." + +De menschen keken hem ongeloovig aan. + +"Twee?" vroegen ze. "Zijn er twee? Weet je dan, wie de daders zijn?" + +"Ik weet, wat ik weet," gaf Flipsen gewichtig ten antwoord. "En ik +zeg, hebt maar geduld. Je zult je verloren zaakjes spoedig genoeg +terug hebben, veel vlugger zelfs, dan je denkt." + +Flipsen keerde zich om en begaf zich regelrecht op weg naar--den +pottenschipper. De menschen zagen dat tot hunne verbazing, en ook zij +begaven zich naar de hun welbekende schuit, die niet ver van de tent +van Mietje aan den wal lag. Dat was hare vaste plaats. Een plank +lag van de schuit naar den walkant om te maken, dat de bezoekers +gemakkelijk op de schuit konden komen. + +Flipsen liep de plank over en deed het deurtje van de kajuit open, +die den pottenschipper tot woonvertrek diende. Eene warme lucht kwam +den veldwachter tegemoet. Hij zag dadelijk, dat de pottenschipper bij +een klein tafeltje zat met een pijpje in den mond. De rook dwarrelde +door het geopende deurtje naar buiten. + +"Goeden dag," zei Flipsen binnentredende. Zijne oogen dwaalden +onderzoekend in het kleine vertrekje rond. + +"Dag Flipsen," was het antwoord. "Kom binnen. Wat is er van je dienst?" + +"Dat zal ik je zeggen. Er zijn ijzeren potten en verscheidene ketels +gestolen uit de tenten, die op het ijs staan." + +"Is het waar?" vroeg de pottenschipper. En hij liet er op volgen: +"Wat zijn die menschen onvoorzichtig, om zulke dingen 's nachts te +laten staan. 't Is meer dan dom." + +"Dat is het," zei Flipsen. + +"Maar ik begrijp niet, wat _ik_ daarmede te maken heb," hernam de +schipper. "_Ik_ ben gelukkig geen dief, en heb ze niet gestolen." + +"Zoo--ja, dat kan wel," zei Flipsen, die wel een beetje in de +war raakte, toen hij den schipper zoo kalm zag zitten. De man was +blijkbaar in 't geheel niet geschrokken door zijn bezoek, wat Flipsen +toch stellig verwacht had. + +"Zoo--ja, dat kan wel," herhaalde hij. "En dat wil ik wel gelooven ook, +maar ik dacht, de pottenschipper is iemand, die vodden, beenen, oud +ijzer en dergelijke dingen opkoopt. Misschien kan hij me inlichtingen +geven, die me een beetje op weg helpen. Want die dieven moeten gevonden +worden, dat spreekt van zelf." + +"Juist, hoe gauwer, hoe beter," zei de pottenschipper. "Ik heb, +zooals je weet, heel wat potten en pannen boven op mijn schuit staan, +en ik houd mijn hart in mijn lijf vast, dat de dieven daar ook een +bezoek zullen brengen. Wat zou ik lachen, als je ze snappen kon, +Flipsen; 't is meer dan tijd. Maar inlichtingen,--neen, die kan ik +niet geven. Ik heb van niets gemerkt." + +"En is u niets van dien aard te koop aangeboden ook?" vroeg Flipsen, +terwijl hij zijn oogen strak op die van den schipper gevestigd hield. + +"Nu nog mooier!" riep deze uit. "Ze moesten het eens wagen met +gestolen goed bij me aan te komen! Wat zouden ze gauw mijne schuit +uit zijn. Neen man, voor zoo iets zijn ze bij mij aan het verkeerde +kantoor. Daar moet ik niets,--niemendal van hebben. Dank je hartelijk!" + +De veldwachter stond op. Hij begreep thans zeer goed, dat de +pottenschipper òf totaal onschuldig was, òf dat deze te slim was om +zich te laten uithooren. Hij zeide dus: + +"'t Spijt me, dat u me geen inlichtingen kan geven. Mag ik nu de +schuit nog even van binnen bekijken?" + +"Wel, nu nog mooier!" riep de schipper boos uit. "Wou je mijn schuit +doorzoeken? 't Is fraai, dat moet ik zeggen. En met welk doel, als +ik vragen mag?" + +"Louter uit nieuwsgierigheid," zei Flipsen. Hij klom op het dek +en begaf zich naar de voorzijde van de schuit. Hij wist, dat daar +de ingang was van het ruim, waar de schipper zijne meeste goederen +bewaarde. Deze volgde hem onwillig, en hij deed niets dan mopperen +over de onbeschaamdheid van Flipsen. + +"'t Is een schande, om een fatsoenlijk mensch van diefstal te +verdenken," zei hij. "Welke reden heb je daarvoor? Wie heeft er iets +op mij aan te merken?" + +Flipsen zei niets. Hij ging het ruim binnen en keek onderzoekend +rond. Maar hij zag niets dan steenen voorwerpen voor huishoudelijk +gebruik, en alles fonkelnieuw. Achter in het ruim, in een donkeren +hoek, vond hij ook nog een hoop vodden, beenen en oud-roest. Hij +was er te vies van, om het met zijne handen aan te raken. Daarom +trok hij zijn sabel en wroette in den hoop rond. Maar hij ontdekte +niets verdachts, wat hem geducht tegenviel, want hij had er stellig +op gerekend, de gestolen voorwerpen hier aan te treffen. Er bleef +geen gaatje ondoorzocht, en eindelijk verliet hij de schuit, zonder +iets wijzer geworden te zijn. + +Er hadden zich heel wat menschen op den kanaalkant verzameld, +om den afloop van Flipsen's onderzoek af te wachten. Maar zij +zagen al dadelijk aan zijn gezicht, dat hij niets gevonden had. De +pottenschipper beklaagde zich met luider stem tegen de menschen +over de schande, die Flipsen hem had aangedaan, en zijn toehoorders +vonden, dat hij wel een beetje gelijk had. Ook Frans Thor en Klaas +Zwart bevonden zich onder de toeschouwers. Zij zeiden niets, en Klaas +Zwart zag zelfs een beetje bleek. De pottenschipper zag hen staan, +en hij zeide zoo luid tegen Flipsen, dat iedereen het hooren kon: + +"Als er nu weer eens wat vermist wordt, hoop ik van je vereerend +verzoek verschoond te blijven, Flipsen. Je weet nu eenmaal, dat ik +part noch deel aan de zaak heb. Ik ben een eerlijk koopman, en houd +mij met slechte practijken niet op." + +Een zucht van verlichting ontsnapte bij die woorden aan de borst +der beide jongens, en onmerkbaar stootten zij elkander met den +elleboog aan. + +Flipsen was erg teleurgesteld. Hij begreep, dat hij het spoor van +den dief weer geheel bijster was, en hij wist niet, wáár thans te +zoeken. Toch gaf hij het nog niet op. Regelrecht ging hij naar de +woning van Klaas Zwart, en ook daar doorzocht hij het heele huis en de +schuur. Maar alweer tevergeefs. Daarna begaf hij zich naar 't huis van +Thor, den oud-gediende uit Indië. Deze ontving hem ver van vriendelijk, +maar daar stoorde Flipsen zich niet aan. Hij doorsnuffelde ook diens +woning van boven tot beneden, echter zonder het gewenschte gevolg. Hij +kwam tot de conclusie, dat hij zich totaal vergist had. En toch stond +het bij hem vast, dat de dief op het dorp woonde. + + + + + +Dertiende Hoofdstuk. + + Hoe Jantje op een gelukkig idée kwam. + + +Er werd 's avonds, toen de lampen opgestoken waren en de menschen +gezellig in de kamer rondom de kachels zaten, heel veel over het +gebeurde gesproken. Zoo ook bij Dik Trom. Jan Vos en Piet van Dril +waren bij hem op visite, en Anneke had anijsmelk gekookt, tot groote +vreugde van Jan, die zijn vriendje Karel ook bij zich mocht hebben, +en bizonder veel van anijsmelk hield. + +'t Was een recht prettige avond, want de drie oude vrienden zaten te +praten over hunne kinderjaren, en de twee jongens luisterden met open +mond naar hetgeen er verteld werd. Eindelijk kwam het gesprek ook +op den gepleegden diefstal, en algemeen waren zij het er over eens, +dat het een laaghartige daad was. Ja, vroeger was er ook meermalen +gestolen, maar nu had de dief zelfs de laagheid gehad de spulletjes +weg te stelen van de armsten onder de armen. 't Was wel zoo erg, +als het maar wezen kon. + +"En Flipsen was de plank heelemaal mis," zei Dik. "Hoe kwam hij er +ook toe, den pottenscihpper van den diefstal te verdenken? Die man +komt zelden of nooit zijne schuit uit." + +"Dat is wel mogelijk," zei Jan Vos, "maar vroeger moet hij een echte +deugniet geweest zijn, heb ik wel eens gehoord." + +"O, vroeger!"--meende Piet van Dril, "vroeger, dat is nù niet. Een +mensch kan zich beteren." + +"Dat is waar," zei Dik. "Ik geloof er trouwens ook niets van, dat hij +er aan schuldig is. Maar 't is toch wonderlijk, dat de dief zoo lang +met zijne diefstallen kan doorgaan, zonder betrapt te worden. Flipsen +loert avond aan avond op hem, en hij is waarlijk toch niet voor +de poes." + +"Neen, dat geloof ik ook!" zei Piet van Dril lachend. "Daar weten wij +van mêe te praten, hè?--Denk nog maar eens aan een zeker avondje in +den tuin van den burgemeester...!" + +Allen schoten in den lach. + +"Ja, maar toen waren wij hem toch te knap af!" zei Dik. + +Zoo zaten zij nog lang te praten, tot Jan Vos opeens zeide: "Als het +zoo blijft voortvriezen, zal de visch het gauw benauwd krijgen onder +het ijs. Morgen moet ik toch eens probeeren, of ik niet een lekker +maaltje paling kan vangen." + +"Ja, doe dat maar," zei zijne vrouw, die intusschen druk met de andere +vrouwen had zitten praten. "Overmorgen is het Zondag, en dan wil ik +wel graag een lekker maaltje hebben." + +"Paling vangen? Hoe doet u dat dan?" vroeg Jan nieuwsgierig. + +"Wel jongen, als 't ijs erg dik is, krijgt de paling het er benauwd +onder en begeeft zich naar de bijten en wakken, waar open water +is. Met een sikkel, die aan een langen stok bevestigd is, kun-je ze +gemakkelijk uit het water op het ijs wippen. Dat vereischt alleen +maar wat behendigheid." + +"Zwemmen ze dan niet weg?" vroeg Karel. + +"Neen jongens," zei Dik. "Of het van de koû komt, of van wat anders, +dat weet ik niet, maar zij zijn bij sterk ijs min of meer suf. Je +kunt ze dan vrij gemakkelijk vangen." + +"Willen wij dat morgen ook eens gaan doen?" vroeg Karel aan Jan. "Wij +hebben dan toch den heelen dag vrij." + +"Ik vind het best," zei Jan. "Graag zelfs. Van Dril, heeft u voor +ons elk ook een sikkel? Dan gaan wij morgen op de vangst." + +"Zeker wel, jongens, er liggen oude sikkels genoeg in de smederij. Als +je er zelf dan maar een langer handvat aan maakt, want het gewone +handvat is voor dat werk te kort. Je moet er een stok aan doen, +ongeveer zoo lang als je arm." + +"Een gewone lat is wel goed," zei Dik. + +Jan en Karel spraken af, dat zij er na het ontbijt samen op uit zouden +trekken. De sikkels zouden spoedig genoeg in orde zijn, daar waren +zij het over eens. + +En zoo gebeurde het ook. Toen Jan ontbeten had, ging hij naar Karel, +die al twee goede sikkels had opgezocht. Zij haalden de handvatten er +af, en deden er langere voor in de plaats. In een kwartiertje waren zij +daarmede klaar. Karel nam een emmertje meê, om er de visch in te doen, +en zoo trokken zij er samen op uit. Ook namen zij elk een bijl mede, +om hier en daar een gat te hakken. 't Eerst gingen zij naar de bijt, +die voor het huis van Dik Trom gehakt was. Het ijs van den laatsten +nacht lag er nog in. Zij hakten het los en trokken de schotsen op +het ijs. Toen keken zij in de bijt, en waarlijk, heel rustig lag daar +een dikke paling op den bodem. + +"Kijk, kijk, daar ligt er een," zei Jan, die hem het eerst zag. + +Hij stak den sikkel voorzichtig onder het beest door en wipte hem met +een snelle beweging omhoog. Daar spartelde de paling op het ijs. Ha, +wat kronkelde hij zich! De jongens sprongen beiden op hem toe, want +hij lag dicht bij den rand van de bijt. + +"Grijp hem, grijp hem!" riep Jan zijn vriend toe, want deze was het +dichtst bij hem. Maar Karel kwam te laat. Wel gelukte het hem nog +den paling te grijpen, maar deze kronkelde zich om zijn arm heen, +en dat vond Kareltje zoo'n eng gevoel, dat hij het beest met een +rilling over de leden losliet. Op 't volgende oogenblik verdween de +paling in de bijt, en de jongens hadden nakijk. + +"Hè, wat is dat jammer!" riep Jan spijtig uit. "Hoe dom ook van je, +om hem weer los te laten, toen je hem zoo mooi vast hadt." + +"Hu, wat glibberig was hij, en wat kronkelde hij akelig om mijn +arm heen," zei Karel, wien opnieuw eene huivering over den rug +ging. "Precies een slang." + +"Dat zal jij wel weten," zei Jan. "Je hebt nog nooit een slang gezien." + +"Genoeg,--meer dan jij," meende Karel. "In Artis." + +"O, in Artis. Daar liggen ze achter glas.--Nu, deze is in elk geval +weg, en wij zullen hem wel nooit terugzien. Wat was het een dikkerd." + +"Of hij dik was," zei Karel. "Akelig dik." + +"In deze bijt is niets meer te zien. Willen we naar die van den +burgemeester gaan aan den overkant? Dat is ook eene groote bijt." + +"Mij goed," zei Karel. "Maar ik pak ze vast niet meer met mijne handen +beet. Hu, wat een akelige beesten." + +"Je bent een bangerd, hoor!" spotte Jan. + +"Jij bent een held!" zei Karel. "Dat weet ik wel." + +"In elk geval zou ik hem niet loslaten, als ik hem eenmaal te pakken +had," zei Jan. + +Zij liepen het kanaal over, en kwamen bij de bijt van den +burgemeester. Hun eerste werk was ook hier het ijs van den laatsten +nacht los te hakken en de schotsen op het ijs te trekken. Toen dat +gebeurd was, keken zij in het water. + +"Ik zie er een," zei Karel. + +"Ik ook,--wel twee," zei Jan. + +Zij brachten de sikkels in het water, en op 't volgende oogenblik +spartelden twee palinkjes op het ijs. Jan wierp er een van in +het emmertje, maar Karel was niet te bewegen, den tweeden aan te +grijpen. Jan moest er om lachen. + +"Help, help, hier is er een," schreeuwde Karel, die moeite had om +het beest met zijn sikkel van de bijt weg te houden. 't Beest wilde +met alle geweld weer in 't water. + +"Pak hem dan!" riep Jan hem lachend toe. + +"Ik dank je,--ik moet er niets van hebben. Toe dan, Jan, grijp hem, +of we zijn hem kwijt." + +Jan kwam zijn vriend te hulp, en spoedig was ook de tweede paling in +het emmertje opgeborgen. Maar van den derden was, toen zij weer in +de bijt keken, geen spoor meer te vinden. De jongens hadden hem wat +al te veel lawaai gemaakt naar zijn zin, zoodat hij het verstandig +geoordeeld had, zich wat uit hunne nabijheid te verwijderen. Maar Jan +en Karel waren toch wat in hun schik met hunne vangst, en zij begaven +zich van de eene bijt naar de andere. De voorraad in hun emmertje +werd steeds grooter, en zij twijfelden niet, of zij zouden wel een +flink maal bij elkander krijgen. + +Lachend zei Karel tot Jan: + +"Als Vos op de vangst gaat, zooals zijn plan was, zal hij niet erg +veel meer vangen. Wij hebben zoetjes-aan alle bijten van het dorp +afgevischt." + +Jan lachte ook. + +"Dan vischt hij achter het net," zei hij. "Kijk, ginds gaan Frans +Thor en Klaas Zwart. Zij hebben ook bijlen bij zich. Ik denk, dat +zij ook op de vangst uitgaan." + +"Laat hen maar vooruitgaan," zei Karel. "Wij zijn op hun gezelschap +niet gesteld. Willen wij nu buiten het dorp gaan, voorbij het +fort? Daar zijn wel geen bijten, maar vader zegt, dat de visch zich +aan de kanten van het kanaal ophoudt, zeker om beter lucht te kunnen +krijgen. Dan hakken wij hier en daar eene schots los." + +"Mij goed,--best zelfs," zei Jan. + +De jongens gingen langs het fort en deden als gezegd is. En 't was +inderdaad een prettig werkje voor hen, want zij vingen veel meer, +dan zij verwacht hadden. Er waren palingen bij, wel zoo dik als hun +pols. De jongens hadden de grootste moeite, om die dikke beesten in +het emmertje te houden. Telkens keken de koppen boven den rand uit, +en eens, toen het Karels beurt was om den emmer te dragen, kronkelde +plotseling alweer zoo'n dier tegen zijn arm op. 't Gebeurde zoo +onverwachts, dat hij er hevig van schrikte. Met een gil liet hij den +emmer op het ijs vallen, en alle palingen kronkelden in het rond. + +"Jou ezel!" riep Jan uit. Maar veel tijd tot praten had hij niet, want +hij moest dadelijk aan het vangen. En 't ging lang niet gemakkelijk, +om de dieren weer in den emmer te krijgen, vooral nu hij alles alleen +moest doen. Karel was niet te bewegen eene hand uit te steken. Hij +vond de beesten zóó eng, dat hij ze niet durfde aanraken. Eindelijk +had Jan ze alle weer verzameld. + +"Geef mij den emmer maar," zei hij. "Anders ligt het heele zaakje +aanstonds weer op het ijs. Draag jij dan de bijlen." + +De jongens verwijderden zich hoe langer hoe verder van het dorp. Hier +en daar waren kleine, vierkante bijtjes gehakt. Een schots lag er +naast, om de schaatsenrijders te waarschuwen. + +"Dat zijn bijtjes van de visschers," zei Jan. "Die brengen er hunne +netten door onder het ijs. Ik wed, dat ze heel wat vangen." + +"Dat denk ik ook," zei Karel. "Als je nagaat, wat wij al hebben, +kun-je wel begrijpen, wat zij moeten vangen." + +Jan had het druk om de palingen naar beneden te duwen, die telkens +opnieuw uit het emmertje wilden kruipen. + +"Heidaar, blijven waar je bent!" zei hij tegen een dikkerd, die +nieuwsgierig over den rand keek. "Bij je kameraden blijven!" + +Bij een van de visschersbijtjes deden de jongens eene gelukkige +vondst. In het riet namelijk zagen zij een groot stuk net liggen, +dat zeker door de visschers weggeworpen was. Karel zag het het eerst. + +"Kijk eens, Jan,--dáár," zei hij. "Daar ligt een groot stuk net. Laten +wij daar de palingen in doen, dan kunnen zij niet ontsnappen en hebben +wij er geen last meer van." + +"Daar zeg je zoo wat," zei Jan. + +De jongens haalden het net uit het riet. Zij zagen, dat het een +palingfuik wast geweest. Op verschillende plaatsen was het stuk. + +"De visschers hebben het zeker weggegooid," zei Jan. "En ons komt +het mooi te pas." + +Zij deden de palingen in het net en bonden het dicht met een touwtje, +dat Jan in den zak had. + +"Zie zoo, nu zitten ze goed bewaard," zei Jan. + +"Ja,--lekker warm. Ze zullen nu geen last meer van de kou hebben.--Zeg, +wat hebben we er al veel, hè?" + +"Ja, heel wat. Mij dunkt, dat we er al meer hebben, dan we +oplusten. Willen we nu weer naar huis gaan?" + +"Goed," zei Karel. "Het begint mij zoetjes-aan te vervelen ook. Zullen +we vanmiddag gaan schaatsenrijden?" + +"Ja,--dat is afgesproken." + +Karel had de sikkels en de bijlen op den schouder, en Jan droeg het +net met de paling. Zoo kuierden zij samen naar het dorp terug. + +Toen zij dicht bij het fort gekomen waren, en dus het dorp bijna +hadden bereikt, hoorden zij achter zich het krassen van schaatsen +op het ijs, en het schuifelen van een slede. Omziende zagen zij, +dat het twee visschers waren, die eene slede voortduwden. Zij kenden +de mannen niet. 't Waren zeker lieden van een ander dorp. Zoodra die +menschen hen bereikt hadden, hielden zij stil. + +"Hola, jongens, wacht eens even," riep een van hen hun toe. + +Zij bleven staan, en de twee mannen kwamen met groote schreden op +hen af. + +"Zie je wel?" zei de een tegen den ander. "Daar heb je de dieven al." + +"Ja," was het antwoord van den tweede. + +Deze greep het net en rukte het Jan driftig uit de hand. + +"Hoe kom jij aan dat net?" vroeg hij op barschen toon. + +"Ja, hoe kom jij aan dat net, kleine dief!" zei de andere visscherman. + +"Dat hebben wij gevonden, ginds in het riet," zei Jan. "Hoe zouden +wij er anders aankomen?" + +"En die paling dan?" vroeg een der visschers smalend. "Die heb je +zeker ook gevonden, hè kereltje?" + +"Neen," zei Jan, "die hebben we gevangen." + +"Juist, die hebben we gevangen," zei ook Karel. + +"In dit net zeker, hè, en dit net heb je onder het ijs gevonden, +hè? Ja, ja, eerlijk gevonden, hè?" + +"Eerlijk gestolen," zei de andere visscher. "Houdt je maar niet van den +domme, want dat baat je niemendal. Dit net is van òns, en jullie hebt +onze fuiken gelicht. Maar dat zal je berouwen, wat ik je zeg. Vooruit, +kereltjes, gaat maar eens mee naar den burgemeester." + +"Ik zeg, dat het niet waar is!" riep Jan de visschers driftig toe, +en hij werd rood van kwaadheid. "Wij zijn geen dieven, en dat net +hebben we eerlijk gevonden. 't Is op verschillende plaatsen stuk, +en 't lag in 't riet. Daarom meenden we, dat het door de visschers +weggegooid was, daar het toch niet meer gebruikt kon worden. Wij +hebben het niet gestolen." + +"Jongen, jij kunt liegen, of het gedrukt is," zei een der +visschers. "Maar ons zul-je er niet meê bedriegen. Jelui hebt onze +fuiken gelicht, en dat is strafbaar..." + +"Niet zoo'n beetje ook!" viel de andere visscher zijn kameraad +in de rede. "En dat is maar goed ook. Is 't geen schande, onze +netten te verscheuren, en onze visch te stelen? Maar het zal je +berouwen. Vooruit, zeg ik je, naar den burgemeester!" + +"Dat doe ik niet!" zei Jan driftig. "Wij zijn geen dieven." + +"Je praat dom, jongen, want de bewijzen droeg je in de handen." + +"Ja," zei de ander, "je bent er gloeiend bij!" + +"Vooruit, jongens, en als je niet goedschiks gaat, dan moet het +maar kwaadschiks gebeuren. Vooruit, zeg ik je, en een beetje vlug, +asjeblieft!" + +De jongens begrepen, dat er niet veel anders opzat dan te +gehoorzamen. Met hun vieren vervolgden zij hun tocht naar het dorp. + +Eerst was Jan meer dan kwaad, maar dat bedaarde langzamerhand, +en eindelijk vond hij het wel goed, dat zij naar den burgemeester +gingen. Deze zou wel dadelijk begrijpen, dat zij onschuldig waren. + +Maar dat was niet zoo. De burgemeester was bijzonder slecht gehumeurd, +omdat het Flipsen nog niet gelukt was, de dieven te ontdekken. Zoodra +nu de visschers, die hem tot hun genoegen thuis getroffen hadden, hem +vertelden, wat er aan de hand was, geloofde de burgemeester stellig, +dat hij de dieven thans op het spoor was, en hij besloot de jongens +scherp te ondervragen. + +Jan en Karel betuigden echter hunne onschuld. Zij vertelden dat zij +de palingen gevangen en het net gevonden hadden. Maar de visschers +lachten om die verklaring. + +"Dat zou al heel toevallig zijn, burgemeester," zei een van hen. "De +jongens kwamen uit de richting van onze vischbijtjes, en zij hadden +het net in de hand, met een flink zoodje paling daarbij. 't Lijdt geen +twijfel, of zij hebben onze netten gelicht en de brutaliteit gehad, +een van de netten zelfs stuk te maken en meê te nemen." + +"'t Is niet waar!" riep Jan den spreker toe. + +"Houd je mond verder maar, jongen," gebood de burgemeester kortaf. "De +bewijzen zijn tegen jullie, en 't staat bij mij vast, dat jullie en +niemand anders de daders zijt. En wie weet, aan welke diefstallen je +meer schuldig bent. Ik zou dat nooit, nooit, zeg ik, van je gedacht +hebben. Twee jongens van zulke brave ouders. 't Is een schande! + +Vertel me nu meteen maar, waar de potten en ketels uit de ijstenten +gebleven zijn, want daar zul-je ook wel meer van weten." + +"Wij weten nergens van, burgemeester," zei Jan, + +"Neen, nergens van," zei Karel. "Wij hebben ze niet weggenomen." + +"Dat zeg je van dit net en deze visch ook, en toch liep je er mede +in je handen," sprak de burgemeester streng, en hij keek de jongens +beurtelings doordringend aan. "Komaan, spreek de waarheid maar, +dat is in allen gevalle het beste voor je. Beken het maar..." + +"Ik heb niets te bekennen," zei Jan. + +"Ik ook niet," zei Karel. + +"Zoo, zoo," hernam de burgemeester. "Dan zal ik je tijd geven, om er +eens ernstig over na te denken." + +Hij vroeg de namen der visschers en schreef die op. Daarna sprak hij +tot de beide mannen: + +"U kunt nu wel gaan. Neemt mede, wat je eigendom is. Met deze jongens +zal ik wel afrekenen." + +De visschers namen het net en de palingen, groetten den burgemeester +en verlieten het vertrek. Jan en Karel moesten blijven. Met leede +oogen zagen zij de visschers met hunne palingen heengaan, en Jan +sprongen van spijt de tranen in de oogen. + +De burgemeester liet zijn blik nog een poosje op de jongens rusten, +en zei toen ernstig: + +"Ontkennen baat niet langer, jongens. Je hebt je aan een ernstig +vergrijp schuldig gemaakt en..." + +"Maar we hebben het niet gedaan," riep Jan uit. + +"Zwijg jongen, en lieg niet langer. Je hebt het wèl gedaan, en dat +spijt me heel erg. Zeg me nu ook maar, waar je die andere voorwerpen +gelaten hebt, die den laatsten tijd verdwenen zijn. Als je me eerlijk +de waarheid zegt, zal ik zien, wat ik in de gegeven omstandigheden +nog voor je doen kan." + +"'t Baat niet, of wij al zeggen, dat wij onschuldig zijn," sprak +Jan. "U gelooft ons toch niet." + +"Neen, dat doe ik ook niet. Enfin, als je dan niet hooren wilt, +moet je maar voelen. Ik zal je tijd geven om je te bedenken." + +Hij ging aan zijne schrijftafel zitten en schreef het volgende briefje: + + + + _Flipsen_! + + Ik geloof, dat ik de daders van de gepleegde diefstallen op het + spoor ben. Sluit deze twee jongens elk in eene afzonderlijke + cel, dan hebben zij gelegenheid om eens goed na te denken + en kunnen geen afspraakjes maken. Tegen den avond zal ik hen + opnieuw verhooren. + + De Burgemeester. + + + +Hij vouwde den brief dicht en deed hem in eene enveloppe, die hij +zorgvuldig toelakte. + +"Ziedaar," sprak hij. "Breng dezen brief voor mij aan Flipsen. Hij +is in het raadhuis. Je kunt gaan." + +De jongens gingen heen. Wat er in den brief stond, wisten zij +natuurlijk niet. Zij keken tamelijk bedrukt, toen zij de deur +uitstapten, maar toen zij op den weg gekomen waren, ontsnapte een +zucht van verlichting aan de borst van Karel. + +"Hè, hè, dat was een benauwd half-elfje," zei hij. "Daar zaten wij +er geducht tusschen, maar 't is bij slot van rekening toch nog al +goed afgeloopen. We zijn alleen onze palingen kwijt." + +"En dit briefje dan?" vroeg Jan. "Ik vertrouw dit papiertje geen +zier. Waarom zei de burgemeester dan telkens, dat hij ons gelegenheid +zou geven, om eens goed na te denken?" + +Langzaam liepen zij verder, met de bijlen en de sikkels over den +schouder. Karel hernam na een poosje: + +"Dat briefje heeft niets met ons te maken, en wij niets met dat +briefje. We moeten het alleen even bij Flipsen brengen, anders +niet. Neen, ik zeg, dat wij er goed afgekomen zijn. 't Had veel +leelijker kunnen uitpakken.--Kijk, daar komen Frans en Klaas ook +van de vischvangst terug." + +Dat was zoo. Die twee jongens hadden hen spoedig ingehaald. Samen +droegen zij een emmertje, dat blijkbaar nog al zwaar was. + +"Zeg," riep Frans hun toe, "komen jullie platzak thuis?' + +"Ja!" zei Jan kortaf. Hij had niet veel lust tot spreken. + +"Wij niet!" zei Frans. "Kijk maar eens hier, wat een paling we +hebben. De emmer is bijna vol." + +De jongens stonden stil en keken in den emmer, 't Was inderdaad een +kolossale voorraad, dien zij gevangen hadden. + +Frans en Klaas hadden er pret in. Zij deden niet anders dan elkaar +aanstooten en lachen. + +"Zoo knap zijn jullie niet, hè? Maar zeg, weet je, wat we gedaan +hebben? Een kwartiertje voorbij het fort hebben we stilletjes een net +van de visschers opgehaald. Jongens, wat zat daar een paling in. Niet +oververtellen, hoor! Slim hè?" + +Jan en Karel keken Frans met open mond aan. + +"Hebben jullie dat net gelicht en stuk gemaakt?" vroeg Jan. "Wij +hebben het ... tusschen het riet zien liggen." + +"Ja," lachte Frans. "Wij konden het niet goed meer onder het ijs +krijgen, en hebben het toen maar in het riet gegooid. Wat zullen die +visschers leelijk op hun neus gekeken hebben, toen zij bij hun bijt +kwamen. Ha-ha-ha, wat eene leuke grap, hè?" + +Dat vond Jan ook, en hij knipoogde Karel toe, dat hij niets moest +zeggen. Hij had een mooi plannetje. + +"En voor die leuke grap hebben wij voor den burgemeester moeten +verschijnen," zei Jan tot de twee jongens. "Wij hadden het net +opgeraapt en er onze paling ingedaan. Maar even later kwamen de +visschers, en die hebben ons om zoo te zeggen opgebracht. Noem jij +het maar een leuke grap!" + +"Ja," zei Karel. "Ik zie er het leuke niet van in." + +Frans en Klaas moesten er smakelijk om lachen. + +"Nu wordt de grap nog leuker!" zei Frans. + +"Ja, maar ik laat het er niet bij zitten," zei Jan. "Ik ga dadelijk +naar den burgemeester terug, om hem te zeggen, dat julie het gedaan +hebt..." + +"Je zult wel wijzer wezen!" zei Frans, die nu in 't geheel niet meer +lachen moest. "Als je nog voor den burgemeester verschijnen moest, +o ja, dan was het een ander geval. Dan zou ik het in jouw plaats ook +zeggen. Maar nu je het standje van den burgemeester al achter den +rug hebt, zou het een leelijke streek wezen. Dan speelde je gewoonweg +voor verklikker!" + +"Ja, voor verklikker!" beaamde Klaas Zwart. + +"Dat kan me niet schelen," zei Jan, "ik zeg het tòch. 't Is me ook wat +moois, om voor jullie pleizier een uitbrander van den burgemeester +op te loopen, en een ander met je paling weg te zien gaan. Ik laat +me dat maar niet welgevallen." + +Hij keerde zich om en deed net, of hij naar den burgemeester wilde +gaan. Maar Frans en Klaas hielden hem tegen. + +"Je kunt wel de helft van onze paling krijgen," zei Frans. "Toe Jan, +vertel het nu niet aan den burgemeester. Daar worden jullie toch +niets beter van. En je krijgt de helft van..." + +"Je gestolen paling wil ik niet eens hebben," zei Jan. "Maar 't is +goed. Ik zal niet naar den burgemeester gaan, onder één voorwaarde..." + +"Welke?" vroegen de twee jongens tegelijk. + +"Een, die gemakkelijk te vervullen is," zei Jan. "Zie je dezen +brief? Dien moesten wij naar Flipsen brengen, in het raadhuis. Jullie +moet er toch voorbij. Als jij nu die boodschap voor mij doet, zal ik +er verder geen werk van maken." + +"Och, is 't anders niet?" vroeg Frans. "Geef hem maar hier, dan zullen +wij hem wel even aanreiken." + +"Wel zeker, met alle pleizier," zei Klaas. + +Jan gaf den brief over, en Klaas en Frans begaven zich regelrecht naar +het raadhuis. Zij stapten het gebouw binnen en gaven den brief aan +Flipsen, die in de vestibule stond te praten met een rijksveldwachter. + +"Zoo jongens, dank-je!" zei Flipsen. "Wacht maar even." + +"Wij behoeven niet te wachten," zei Frans. + +"Als ik zeg, dat je wachten moet, dan doe je dat!" zei Flipsen. + +Hij brak den brief open en las hem vlug door. + +"Ha zoo," zei hij, "zoo! Dat is goed. Gaat maar even meê, jongens, +hier, de gang door." + +Frans en Klaas keken elkander vragend aan, maar durfden niet +weigeren. Zwijgend volgden zij Flipsen, die een sleutelring uit zijn +zak haalde en een sleutel uitzocht. + +"Mooi zoo. Nu dit trapje af.--Goed zoo." + +Hij stak den sleutel in het slot en draaide hem om. De deur ging open. + +"Maar Flipsen," zei Frans met schrik. "Wat gaat u doen? Dat is +een cel!" + +"Ha ha!" lachte Flipsen, terwijl hij Frans bij den schouder pakte en +hem naar binnen duwde. "Dà t ga ik doen." + +Flap! De deur ging dicht en op slot. + +Klaas werd bleek van den schrik. Hij begon te beven over al zijne +leden, en het angstzweet brak hem uit. + +Hij hoorde Frans schreeuwen. + +"Flipsen! Maar Flipsen!" jammerde Klaas. "Dat is eene vergissing, +geloof me. U moet ons niet opsluiten, want..." + +Klaas bleef midden in zijne redevoering steken, want Flipsen had +de tweede deur geopend en duwde Klaas naar binnen. Op 't volgende +oogenblik was ook deze deur gesloten. + +"Ja, ja, net zooals ik dacht," mompelde Flipsen. "Die twee jongens +zijn de dieven, en wij zullen ze wel aan het praten krijgen. Als ze +hier eerst maar een paar uurtjes opgesloten gezeten hebben, zullen +ze wel makker geworden zijn." + +Hij ging naar zijn confrater terug en vertelde hem het geval. "Grappig, +dat die twee jongens zelf niet wisten, wat zij hier zouden +ondervinden," zei hij. "Zij liepen dood-gemoedereerd met mij mee, +en kregen er pas erg in, toen de deur open stond. Je hadt ze moeten +zien kijken!" + +Intusschen waren Jan en Karel de richting ingeslagen van hun huis. Zij +staken schuin het ijs over. 't Was nog vroeg, nog geen elf uur. En +voor twaalven aten zij niet. + +"Hè," zei Jan, "wat heb ik een spijt, als ik aan onze paling denk, +die de visschers hebben meegenomen. Zoo'n prachtigen voorraad te +hebben en dan toch nog platzak thuis te komen. 't Is onuitstaanbaar!" + +"Ja," zei Karel, "dat zeg ik ook. Kijk de pottenschipper eens aan +'t hakken geweest zijn. Zijn schuit ligt rondom in 't open water." + +"Ja, anders vriest ze stuk," zei Jan. "Willen wij daar nog even kijken, +of we wat vangen kunnen?" + +"Goed," zei Karel. + +Zij legden hunne bijlen op het ijs, en gingen met den sikkel in de +hand naar de schuit. Opmerkzaam tuurden zij in de diepte. + +"Daar zie ik er een," zei Karel + +"Wip hem er dan uit!" riep Jan. "Zeg, misschien komen we toch niet +platzak thuis." + +"Daar is hij!" riep Karel. En Jan schoot hem te hulp want de paling +lag dicht bij het open water. + +Spoedig was hij in het emmertje overgebracht, en de jongens liepen +voorzichtig langs de schuit verder. Opeens hoorden zij zich toeroepen: + +"Wat moeten jullie daar? Wil je wel eens maken, dat je wegkomt!" + +'t Was de pottenschipper, die zijne kajuit verlaten had en hun dit +toeriep. + +"We kijken maar even, of er paling zit!" riep Jan terug. + +"Dat wil ik niet hebben!" hernam de pottenschipper. Hij klom op de +schuit en stak dreigend de vuist op. + +Maar Jan zei tegen Karel: + +"Wij doen hier volstrekt geen kwaad. Laat hem maar praten." + +Zij stoorden zich verder aan den schipper niet en keken in de +diepte. Zij waren nu dicht bij het roer gekomen. + +"Kijk, daar zit er weer een!" zei Jan. + +Hij stak zijn sikkel onder water, en wilde hem met een ruk bovenhalen, +doch dat gelukte hem niet. De sikkel bleef ergens aan vastzitten. + +De pottenschipper nam een langen stok, en schreeuwde den jongens toe: + +"Als je niet weggaat, sla ik er op! Vooruit, kwâjongens, je hebt hier +geen boodschap." + +Jan trok zoo hard hij kon aan den sikkel, om hem los te krijgen, +maar dat ging niet. Er zat iets zwaars aan. + +"Help me even!" riep hij Karel toe. En tot den boozen schipper +zeide hij: + +"Wij gaan dadelijk heen. Maar eerst moet ik mijn sikkel losmaken." + +"Vooruit, zeg ik je!"--schreeuwde de schipper. "Allo, marsch!" + +De twee jongens trokken, wat zij konden. + +Zij voelden, dat er iets zwaars naar boven kwam. De pottenschipper werd +hoe langer hoe boozer. Hij schreeuwde zóó hard, dat de voorbijgangers +op den weg bleven staan. + +Maar Jan en Karel waren niet van plan hun sikkel in den steek te +laten. Zij spanden al hunne krachten in. + +Ha, daar stak iets boven water uit. Jan bukte zich, en pakte het beet. + +"Een ketel!" riep hij uit. "En daar zit er nog een aan vast. Een +pot! Help Karel,--hier zijn, geloof ik, de gestolen voorwerpen uit +de tenten..." + +'t Was werkelijk zoo. De jongens haalden verscheidene dingen op +het ijs, en zij herkenden ook den koperen ketel van Mietje. Tot +hun groote verbazing bemerkten zij, dat al die voorwerpen met een +koperdraad aan elkander verbonden waren, en dat het einde van dat +draad een paar centimeter onder water aan het roer bevestigd was. + +De jongens werden verbazend opgewonden, en zij riepen den menschen +op den weg luidkeels toe, dat zij de gestolen voorwerpen gevonden +hadden. In minder dan geen tijd waren zij door een groot aantal +menschen omringd, die luide hunne verbazing te kennen gaven. + +"Dat moet de burgemeester weten!" riep er een uit, en hij ijlde naar +de woning, die Jan en Karel nog maar kort geleden verlaten hadden. + +'t Leek wel, of de menschen konden ruiken, dat er iets bizonders aan +de hand was. Van alle kanten kwamen zij toeloopen, en de kring om de +schuit van den pottenschipper werd bij de minuut grooter. Het ijs, +al was het nog zoo sterk, kon de samengepakte menschenmassa bijna +niet dragen. De ijsvloer boog sterk door, en er kwam veel water op. + +De pottenschipper zei niets meer. Hij stond op zijne schuit, en hield +de oogen op de gevonden voorwerpen gericht, maar af en toe keek hij +de twee jongens aan, en dan zag hij er alles behalve vriendelijk uit. + +"Wat is daar te doen?" riep eene stem. + +Opziende zag Jan zijn vader, die met den hit en den wagen van 't +venten terugkeerde. Jan zwaaide met beide armen, en riep: + +"O Vader, we hebben de gestolen potten en ketels gevonden. Kom maar +gauw kijken. Hier liggen ze!" + +In een oogenblik was Dik van den wagen gesprongen. Hij wierp de +leidsels op den rug van den hit en snelde het ijs op. + +Och, och, wat een drukte hadden de menschen. + +"Of de pottenschipper er dan toch van wist!" riep de een. + +"Zoo komen zijne schelmerijen aan het licht," zei een tweede. + +"Hij zal nu zijn gerechte straf niet ontloopen," profeteerde een derde. + +Iedereen had wat te zeggen, en velen beweerden, dat zij het altijd +wel van den pottenschipper gedacht hadden. + +Opeens kwam er stilte onder den drom en eerbiedig week men op zijde, +om den burgemeester door te laten. Weldra had hij de schuit bereikt +en zag hij de gevonden voorwerpen op het ijs liggen. + +"Wie heeft die dingen opgehaald?" vroeg hij. Jan en Karel namen hunne +petten af, en zeiden: + +"Wij waren hier aan het paling vangen, burgemeester, en toen bleef een +van de sikkels er aan vastzitten. Kijk, ze zijn met een koperdraad aan +elkander verbonden, en het einde daarvan is aan het roer bevestigd." + +"Ja, ja," zei de burgemeester, die de jongens met de grootste verbazing +aanstaarde. "Maar hoe heb ik het nu? Heb ik jullie dan niet opgedragen, +een briefje voor mij aan Flipsen te brengen in het raadhuis? En hoe +kom je dan hier? Daar begrijp ik niets van!" + +Jan nam zijn pet nu geheel af, en zeide: + +"Dat is waar, burgemeester, maar ik vertrouwde dat briefje niet. Ik +geloofde stellig, dat Flipsen ons moest opsluiten..." + +"Dat was ook zoo," viel de burgemeester driftig in. "En waarom heeft +hij dat niet gedaan?" + +"Wij waren onschuldig, burgemeester," zei Jan. + +"Die praatjes kennen wij, en zij doen ook niets ter zake. In dien +brief gaf ik Flipsen last, jullie op te sluiten,--en nu sta je alle +twee hier? Hoe komt dat?" + +"Burgemeester," zei Jan, "wij hadden het niet gedaan, maar twee andere +jongens waren de schuldigen. Toen wij op weg waren naar het raadhuis, +hebben die twee ons zelf verteld dat zij het uit de grap gedaan hadden, +en ziet u..." + +"Wat ... ziet u?" viel de burgemeester in, toen Jan een oogenblik +met zijn verhaal haperde. + +"Toen dacht ik," vervolgde Jan, "dat het voor ons beter was, als _zij_ +dat briefje maar aan Flipsen brachten, en vroeg ik hun, of zij het +even wilden aanreiken..." + +"En toen?" vervolgde de burgemeester. + +"Dat hebben zij gedaan," zei Jan. + +"Maar dan zitten op 't oogenblik _die_ twee jongens onder het raadhuis +opgesloten, in plaats van jelui!" riep de burgemeester uit. + +"Dat zal dan zoo wel wezen, burgemeester," zei Jan. + +De menschen schoten in een onbedaarlijk gelach, want zij vonden de +geheele zaak verbazend grappig. Ook de burgemeester kon haast zijn +lachen niet bedwingen. En eindelijk gelukte hem dat in het geheel +niet meer. Hij proestte het opeens uit. + +"Ha-ha-ha!" riep hij lachend uit, "wat is dat een grappige historie. En +hadden jullie dan echt die fuiken niet gelicht?" + +"Neen burgemeester, dat hebben die twee jongens gedaan." + +"Ha-ha-ha,--en wie zijn dat dan?" + +"Frans Thor en Klaas Zwart, burgemeester," zei Jan. + +Op dit oogenblik drong Flipsen tusschen het volk door. Hij kwam uit +het raadhuis en wilde zien, wat er aan de hand was. Nauwelijks zag +hij den burgemeester, of hij sloeg aan en zei: + +"Uw bevel is uitgevoerd, burgemeester, de jongens zitten elk in +een cel. Ik geloof ook wel, dat wij de rechte personen op den kop +hebben getikt." + +"Maar het zijn de verkeerde!" riep de burgemeester hem lachend +toe. "Deze twee had-je moeten hebben!" + +Wat keek Flipsen verwonderd, en zijne verbazing nam nog toe, toen +hij de gevonden voorwerpen op het ijs zag liggen. De burgemeester +vertelde hem in korte woorden, wat er gebeurd was. + +Flipsen lachte slim. Hij bekeek de potten en ketels met aandacht +en liet ook het koperdraad door zijne vingers glijden. Toen zag hij +meteen, dat dit aan het roer bevestigd was. + +"Burgemeester," zei hij, "U zegt, dat wij de verkeerde jongens +opgesloten hebben, maar ik beweer, dat het, al is het dan ook bij +toeval, de goede zijn. Frans Thor en Klaas Zwart hebben deze dingen +gestolen, en ze hebben ze verkocht aan den pottenschipper, die ze +in het water heeft laten zinken om ze te verbergen. Hij is wèl slim +geweest maar toch niet slim genoeg." + +"'t Is een grove leugen!" zei de pottenschipper. "Die jongens zullen +ze vermoedelijk zelf hier in het water hebben laten zakken, om de +verdenking op mij te schuiven." + +"Zoo," zei Flipsen, "dan hebben ze zeker aan jou een stukje koperdraad +te leen gevraagd, niet waar? Want in je schuit heb ik precies zulk +koperdraad zien liggen." + +De pottenschipper werd doodsbleek. + +"Ga het halen, Flipsen," gebood de burgemeester. + +Flipsen verdween in de schuit, en kwam weldra met een rol koperdraad +terug. Het bleek, dat het draad aan de ketels en potten daarmede +precies overeenstemde. + +"Burgemeester," zei Flipsen, "de jongens, die op 't oogenblik onder +'t raadhuis opgesloten zitten, zijn de stelers, en de pottenschipper +is de heler. Ondervraagt u de jongens maar één voor één, dan zal u +zien, hoe gauw zij door de mand vallen. Vooral Klaas Zwart." + +"Zoo zal het gebeuren," zei de burgemeester. "Schipper, je gaat mede +naar het raadhuis, en Flipsen, neem jij die voorwerpen in beslag. Ik +houd mij overtuigd, dat wij de bende thans op het spoor zijn. En jelui, +jongens," vervolgde hij vriendelijk tot Jan en Karel, "zal ik het voor +dezen keer vergeven, dat je mijn bevel, om den brief bij Flipsen te +bezorgen, niet hebt uitgevoerd. Je bent een paar slimme rotten!" + +Och och, wat had Dik een pret, toen hij aan Anneke vertelde, wat Jan +gedaan had. Hij schoot er telkens opnieuw over in een lach, en ook +Grootvader en Grootmoeder moesten het dadelijk vernemen, toen zij +even bij Dik en Anneke kwamen aanloopen. + +De oude Trom vond het blijkbaar een verbazend scherpzinnigen zet van +Jantje. Hij trok een poosje aan zijn bakkebaardjes en zei toen: + +"Ja, Dik, zie-je, ik heb het altoos wel gezegd: Jan is ook een bizonder +kind, en dat is-ie." + + + + +Veertiende Hoofdstuk. + + Besluit. + + +'t Gebeurde werkelijk, zooals Flipsen voorspeld had. Niet zoodra +verscheen Klaas Zwart in de burgemeesterskamer, en zag hij daar den +pottenschipper staan naast de potten en ketels, die uit het water +waren opgevischt, of hij begon over al zijne leden te beven, en de +tranen sprongen hem in de oogen. + +"Kom nader," gebood de burgemeester. + +Klaas kwam tot vlak voor de tafel, waarachter het hoofd der gemeente +in een leuningstoel gezeten was. Deze keek hem doordringend aan, +maar zeide niets. Klaas sloeg de oogen naar den grond. + +Eindelijk zei de burgemeester kortaf: + +"Vertel mij alles, wat je daarvan weet. Maar vergeet niet, dat ik +enkel _waarheid_ wil hooren. Leugens zouden je trouwens niet meer +baten, want alles is ontdekt. Spreek op!" + +Zweetdroppels parelden Klaas op het voorhoofd van angst. + +Hij hief de samengevouwen handen op en zeide snikkend: + +"O burgemeester, vergeef u het me voor dezen keer astublief. O, +ik heb er zoo'n spijt van." + +"Waarvan?" vroeg de burgemeester gestreng. "Spreek op, jongen, wà à r +heb je spijt van?" + +"Dat ik gestolen heb," zei Klaas zacht. + +"Die potten en ketels?" + +"Ja burgemeester." + +"En al die dingen, die bij de verschillende menschen op het dorp +worden vermist?" + +"Ja burgemeester." + +"Heb je dat alles alleen gedaan?" + +"Neen, met Frans, burgemeester." + +"Zoo, zoo.--'t Is wat fraais. En wie hebben dat net gelicht van +morgen?" + +"Wij ook," zei Klaas. + +"En waar liet je al die gestolen voorwerpen?" vroeg de burgemeester, +terwijl hij Klaas opnieuw doordringend aanzag. + +"De pottenschipper kocht ze van ons." + +"Maar ik wist niet, dat het gestolen goed was," viel de pottenschipper +in, die voelde, dat hij den grond onder zijne voeten thans geheel +verloor. + +"Dat wist iedereen op het dorp, tot den kleinsten jongen toe," +gaf de burgemeester op gestrengen toon ten antwoord. "Doe maar geen +moeite meer, om je baantje schoon te praten. 't Is een schande voor +een man op uw leeftijd! Eene dubbele schande, omdat je ook nog twee +jongens in je val meesleept. Jij en jij alleen hebt die kinderen in +het ongeluk gestort. 't Is diep treurig." + +Even later werd Frans Thor binnengebracht. Deze was brutaler dan Klaas +Zwart, en hij meende den burgemeester eerst nog met allerlei praatjes +om den tuin te kunnen leiden. Maar toen hij vernam, dat Klaas reeds +eene volledige bekentenis had afgelegd, raakte hij geheel in de war +en in zijn eigen leugens verward. Het einde was, dat ook hij bekende +aan de gepleegde diefstallen schuldig te zijn. + +De burgemeester maakte van alles proces-verbaal op, en toen hij +daarmede klaar was, zeide hij: + +"Flipsen, doe de deur maar open. Zij kunnnen alle drie +vertrekken. Later zullen zij wel meer van de zaak hooren." + +Zwijgend verlieten zij het raadhuis. + +Den Maandag daaropvolgende kwamen Frans en Klaas weer gewoon school, +maar zij waren nu nog meer afgezonderd van de overige jongens, dan +zij vroeger al geweest waren. Iedereen vermeed hun gezelschap. In +het midden van Februari bleven zij absent, en iedereen wist er +de reden van. Zij waren namelijk opgeroepen om voor de rechtbank +te verschijnen. Ook de pottenschipper moest daar verantwoording +afleggen van zijne daden. Hij kreeg eene geduchte betraffing, omdat +hij de beide jongens tot diefstal had overgehaald en hen daardoor +ongelukkig had gemaakt. Eene gevangenisstraf van eenige maanden was +zijn welverdiende loon. + +De jongens werden niet veroordeeld, omdat zij nog zoo jong waren, maar +de rechtbank stelde hen tot hun achttiende jaar ter beschikking van +de regeering, om in een rijksopvoedingsgesticht geplaatst te worden. + +Dat gebeurde evenwel niet dadelijk. Den volgenden dag zagen de +schooljongens hen opnieuw verschijnen, en zij hoorden er dagen en +weken lang niet meer van. + +Zoo kwam de eenendertigste Maart, de laatste dag, dien Jan en Karel +op de school zouden doorbrengen. Karel zou bij zijn vader in de +smederij komen, en Jan kwam in den winkel. Dik kon alles onmogelijk +meer alleen af, want nog steeds nam het aantal zijner klanten toe, +en elken dag kreeg hij het drukker. Hij verdiende dan ook veel geld, +en was mooi op weg, om een rijk man te worden. + +Frans en Klaas zaten ook voor de laatste maal op de schoolbanken. Niet +dat zij een vak gingen leeren. Daar kon geen sprake van zijn, omdat +zij toch den een of anderen dag weggevoerd zouden worden. + +'t Was in den middag. Het laatste schooluur was aangebroken. De leien, +boeken en schriften waren opgehaald en de onderwijzer maakte zich juist +gereed om een woord van afscheid te spreken tot de jongens en meisjes, +die de school voor goed verlieten, toen er aan de deur werd geklopt. + +"Jan Trom, doe even open," zei de meester. + +Jan deed het, en hij zag Flipsen en een rijksveldwachter in de +vestibule staan. Zij kwamen het lokaal binnen. + +"Mijnheer," zei Flipsen, "wij hebben de opdracht Frans Thor en Klaas +Zwart meê te nemen." + +'t Was doodstil in de klasse. + +Frans en Klaas werden doodsbleek, en niet zij alleen, neen, +verscheidene jongens en meisjes voelden zich eene rilling door de +leden gaan, en menig meisjesoog vulde zich met tranen. + +"Zoo," zei de onderwijzer zacht, en zijn toon klonk droevig. De +kinderen konden het hem aanzien, dat ook hij ontroerd was. "Zoo, dat +is wel eene treurige opdracht, Flipsen.--Frans en Klaas, komt hier." + +De jongens stapten de bank uit en kwamen voor de klasse. Beiden +barstten in tranen uit. De onderwijzer gaf hun de hand. + +"Dag Frans,--dag Klaas," zei hij droevig. "Ik hoop je eenmaal terug +te zien als brave mannen, die voor niemand de oogen behoeven neer te +slaan. Beloof je me, dat je daartoe je best zult doen?" + +De jongens konden niet antwoorden. Met gebogen hoofd verlieten zij +het lokaal, om weggebracht te worden ver van hunne ouders, naar een +vreemde plaats.... + +Hun vertrek maakte een diepen indruk op de achterblijvenden. De +onderwijzer had de gewoonte den laatsten schooldag eene vertelling te +doen. En dezen keer deed hij dat met meer gloed dan ooit te voren. Hij +deed een verhaal van schoolkameraden, waarvan er een goed oppaste en +tot een braaf man opgroeide, terwijl de andere door eigen schuld al +dieper en dieper zonk en eindelijk in de gevangenis terecht kwam. En +toen het verhaal uit was, drukte hij hun allen op het hart, toch +nooit den weg van eer en plicht te verlaten, maar steeds het goede +te doen en het kwade te haten. + +Met deze wijze les verlieten Jan en Karel voor goed de school, en +zij vergaten haar hun leven lang niet. + + +EINDE. + + + + + +End of Project Gutenberg's De Zoon van Dik Trom, by Cornelis Johannes Kieviet + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10971 *** diff --git a/10971-h/10971-h.htm b/10971-h/10971-h.htm new file mode 100644 index 0000000..e62b2e0 --- /dev/null +++ b/10971-h/10971-h.htm @@ -0,0 +1,7070 @@ + +<!DOCTYPE html +PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> + +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. --> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=UTF-8"> + +<title>De Zoon van Dik Trom</title> +<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="author" content="Cornelis Johannes Kieviet (1858–1931)"> +<meta name="DC.Creator" content="Cornelis Johannes Kieviet (1858–1931)"> +<meta name="DC.Title" content="De Zoon van Dik Trom"> +<meta name="DC.Date" content="Februari 2004"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css"> +/* Standard CSS stylesheet */ + + + +body +{ +font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; +margin: 1.58em 16%; +text-align: left; +} + +.titlePage +{ +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0% 7em 0%; +padding: 5em 10% 6em 10%; +} + +h1.docTitle +{ +font-size:1.6em; +line-height:2em; +} + +h2.byline +{ +font-size:1.1em; +font-weight:normal; +line-height:1.44em; +} + +span.docAuthor +{ +font-size:1.2em; +font-weight:bold; +} + +h2.docImprint +{ +font-size:1.2em; +font-weight:normal; +} + +.transcribernote +{ +background-color:#DDE; +border:black 1px dotted; +color:#000; +font-family:sans-serif; +font-size:80%; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} + +.div0 +{ +padding-top: 5.6em; +} + +.div1 +{ +padding-top: 4.8em; +} + +.index +{ +font-size: 80%; +} + +.div2 +{ +padding-top: 3.6em; +} + +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-top: 2.4em; +} + +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ +padding: 0; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} + +h3 +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +} + +h3.label +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} + +h4 +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +} + +h4.lghead +{ +margin-left:10%; +margin-right:10%; +} + +.alignleft +{ +text-align:left; +} + +.alignright +{ +text-align:right; +} + +.alignblock +{ +text-align:justify; +} + +p.tb, hr.tb +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +text-align: center; +} + +p.poetry +{ +margin:0 10% 1.58em; +} + +p.line +{ +margin:0 10%; +} + +p.argument, p.note, p.tocArgument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +text-indent:0; +} + +p.argument, p.tocArgument +{ +margin:1.58em 10%; +} + +p.tocChapter +{ +margin:1.58em 0%; +} + +p.tocSection +{ +margin:0.7em 5%; +} + + +div.epigraph +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} + +.epigraph .bibl +{ +text-align: right; +} + +.epigraph .poem +{ +margin-left: 0; +} + +.epigraph .line +{ +margin-left: 0; +text-indent: 0; +} + +.trailer +{ +clear: both; +padding-top: 2.4em; +padding-bottom: 1.6em; +} + +.floatLeft +{ +float:left; +margin:10px 10px 10px 0; +} + +.floatRight +{ +float:right; +margin:10px 0 10px 10px; +} + +p.figureHead +{ +font-size:100%; +text-align:center; +} + +.figure p +{ +font-size:80%; +margin-top:0; +text-align:center; +} + +p.smallprint,li.smallprint +{ +color:#666666; +font-size:80%; +} + +span.parnum +{ +font-weight: bold; +} + +.leftnote +{ +font-size:0.8em; +height:0; +left:1%; +line-height:1.2em; +position:absolute; +text-indent:0; +width:14%; +} + +.pagenum +{ +display:inline; +font-size:70%; +font-style:normal; +margin:0; +padding:0; +position:absolute; +right:1%; +text-align:right; +} + +a.noteref +{ +font-size: 80%; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} + + +.displayfootnote +{ +display: none; +} + +div.footnotes +{ +margin-top: 1em; +padding: 0; +} + +hr.fnsep +{ +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} + +p.footnote +{ +font-size: 80%; +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} + +p.footnote .label +{ +float: left; +text-align:left; +width:2em; +} + +.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption +{ +font-size: 80%; +} + + +.poem +{ +margin-left:5%; +position:relative; +text-align:left; +width:90%; +} + +.poem h4 +{ +font-weight:normal; +margin-left:5em; +text-decoration:underline; +} + +.poem .linenum +{ +color:#777; +font-size:90%; +left:-2.5em; +margin:0; +position:absolute; +text-align:center; +text-indent:0; +top:auto; +width:1.75em; +} + +.versenum +{ +font-weight:bold; +} + +/* right aligned page number in table of contents */ +.tocPagenum +{ +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +} + +.footnotes .line +{ +font-size:80%; +margin:0 5%; +} + +.poem .i0 +{ +display:block; +margin-left:2em; +} + +.poem .i1 +{ +display:block; +margin-left:3em; +} + +.poem .i2 +{ +display:block; +margin-left:4em; +} + +.poem .i3 +{ +display:block; +margin-left:5em; +} + +.poem .i4 +{ +display:block; +margin-left:6em; +} + +.poem .i5 +{ +display:block; +margin-left:7em; +} + +.poem .i6 +{ +display:block; +margin-left:8em; +} + +.poem .i7 +{ +display:block; +margin-left:9em; +} + +.poem .i8 +{ +display:block; +margin-left:10em; +} + +.poem .i9 +{ +display:block; +margin-left:11em; +} + +span.corr +{ +border-bottom:1px dotted red; +} + +span.abbr +{ +border-bottom:1px dotted gray; +} + +span.measure +{ +border-bottom:1px dotted green; +} + +.letterspaced +{ +letter-spacing:0.2em; +} + +.smallcaps +{ +font-variant:small-caps; +} + + +.caps +{ +text-transform:uppercase; +} + + +hr +{ +clear:both; +height:1px; +margin-left:auto; +margin-right:auto; +margin-top:1em; +text-align:center; +width:45%; +} + +h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure +{ +text-align:center; +} + +h1,h2 +{ +font-size:1.44em; +line-height:1.5em; +} + +h1.label,h2.label +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} + +h5,h6 +{ +font-size:1em; +font-style:italic; +line-height:1em; +} + +p,p.initial +{ +text-indent:0; +} + +.poem .stanza +{ +padding: .5em 0% .5em 0%; +} + +p.quote,div.blockquote,div.argument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +margin:1.58em 5%; +} + +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ +text-decoration:none; +} + + +ul { list-style-type: disc; } +ol { list-style-type: decimal; } +ol.AL { list-style-type: lower-alpha; } +ol.AU { list-style-type: upper-alpha; } +ol.RU { list-style-type: upper-roman; } +ol.RL { list-style-type: lower-roman; } +.lsoff { list-style-type: none; } + + + + + +/* Supplement CSS stylesheet "style/arctic.css.xml +" */ + + + +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} + +body, a.hidden +{ +color: black; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} + +p.byline +{ +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} + +.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend, .versenum +{ +color: #001FA4; +} + +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} + +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} + + +</style></head> +<body> +<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10971 ***</div> + +<div class="front"> +<div class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/cover.jpg" alt=""></div><p> + +</p> +</div> +<div class="titlePage"> +<h1 class="docTitle">De Zoon van Dik Trom</h1> +<h2 class="byline">Door + +<span class="docAuthor">C. Joh. Kieviet</span></h2> +<h2 class="docImprint">Twaalfde, Goedkoope Druk<br> +Amersfoort—Valkhoff & Co. +</h2> +</div> +<div class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1.jpg" alt=""></div><p> + + + + +</p> +</div> +</div> +<div class="body"><a id="d0e98"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e98">5</a>]</span><div id="d0e99" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Eerste Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>Dik heeft een plan, en zijn vader vindt, dat hij een bizonder kind is, en dat is-ie.</p> +</div> +<p>ʼt Was met den kruidenierswinkel van den ouden Trom uitstekend gegaan. Dat was geen wonder, want Vrouw Trom was eene zindelijke +vrouw, die er voor zorgde, dat alles in den winkel er keurig netjes uitzag. De koperen weegschalen waren zoo prachtig geschuurd, +dat zij haast wel van goud schenen, de toonbanken zagen er brandhelder uit, en de koopwaren waren van de beste kwaliteit. + + +</p> +<p>Elken morgen spande Dik zijn mooien hit voor den wagen, om de klanten, die buiten het dorp woonden, te gaan bedienen. Zijn +paard was altoos helder geroskamd, zijn wagen zag er proper uit, en wat hij leverde was prompt in orde. Nooit vergat hij te +doen, wat hij beloofd had, en tegen wat extra werk zag hij niet op, als hij een van zijne klanten er mede gerieven kon. Geen +wonder dus, dat hij steeds méér verkocht, er telkens nieuwe klanten bijkreeg en er zelden of nooit een verloor. In enkele +jaren was de winkel van Jan Trom de voornaamste van het dorp geworden, en ʼt was een lust te zien, hoe vol het er somtijds +wezen kon. Vooral op Zaterdagavond was het er verbazend druk. Dan stond de winkel opgepropt met menschen, die inslag voor +de volgende week kwamen doen, en hadden Vader <a id="d0e109"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e109">6</a>]</span>en Moeder Trom, benevens Dik, geen handen genoeg, om de klanten te bedienen. Maar al moesten dezen wat wachten, dat hinderde +niet erg, want allen luisterden graag naar de vroolijke grappen van Dik, die zijn praatje steeds klaar had. + +</p> +<p>De oude Trom deed niet veel. Hij was niet sterk genoeg om lang achter de toonbank te staan, en als het hem al te druk werd, +trok hij zich op zijn stoeltje in een hoek van den winkel terug en keek met innig welbehagen de drukte aan. En dan luisterde +hij naar de gesprekken der vrouwtjes, die het wel gezellig vonden, als zij niet dadelijk geholpen konden worden, omdat zij +dan nog een poosje konden babbelen,—maar het meest genoot hij van de grappen en kwinkslagen van zijn zoon Dik, dien hij soms +langen tijd achtereen met de grootste bewondering kon zitten aanstaren. En menigmaal, als hij zag, hoe graag de menschen door +Dik geholpen werden, mompelde hij zacht voor zich heen: + +</p> +<p>“Die Dik,—o, dat is toch een bizonder kind,—en dat is-ie!” + +</p> +<p>Trom werd er niet sterker op, en meer en meer begon de winkel hem te zwaar te worden, vooral overdag, als Dik de klanten afreed, +en Moeder het huiswerk verrichtte. Want de winkelschel liet hem bijna nooit met rust, van den morgen tot den avond. + +</p> +<p>“Klingelingeling!” ging het, als Trom zijn ontbijt gebruikte. “Klingelingeling!” als hij ʼs middags aan tafel zat. “Klingelingeling!” +als hij zijn middagdutje wilde doen, waaraan zijn zwak lichaam zooveel behoefte had. + +</p> +<p>Den geheelen dag was het voortdurend: “klingelingeling!” en dat hield niet op, voordat ʼs avonds laat de winkeldeur op het +nachtslot werd gedaan. + +</p> +<p>De oude man beefde soms over al zijn leden van vermoeidheid als hij eindelijk in zijn bed gestapt was, en van overspanning +kon hij dan dikwijls in geen uren den slaap <a id="d0e123"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e123">7</a>]</span>nog vatten. Eindelijk begrepen Moeder Griet en Dik beiden, dat het zoo niet langer ging,—dat er verandering moest komen. + +</p> +<p>En die verandering kwam. + +</p> +<p>Het huisje naast den winkel kwam te huur. ʼt Was een allerliefst huisje, wel klein, maar keurig net. ʼt Was een huisje voor +een paar oude menschen, die rustig hun ouden dag wilden doorbrengen. + +</p> +<p>Zoodra Dik hoorde, dat het te huur was, zei hij op een avond, toen de winkel op het nachtslot was: + +</p> +<p>“Hoor eens, Vader en Moeder, weet u, dat het huisje hiernaast te huur komt?” + +</p> +<p>“Is ʼt waar?” vroeg moeder Trom. “Neen, dat weet ik niet.” + +</p> +<p>Trom zei niets. Hij keek Dik aan en streek met zijn hand langs zijn dunne bakkebaardjes. + +</p> +<p>“Ja,” zei Dik,—“ʼt is zoo, en nu had ik gedacht, dat het juist een huisje voor u beiden zou zijn.” + +</p> +<p>“Ja,” zei Trom, “dat denk ik ook, en dat doe ik.” + +</p> +<p>“ʼt Is een lief huis,” ging Dik voort. “Niet te groot en erg gemakkelijk in ʼt bewonen. En als u mij dan den winkel verhuurde, +zou u een rustigen ouden dag kunnen hebben. ʼt Wordt Vader toch wel wat erg zwaar in den winkel.” + +</p> +<p>“Ja, dat doet het—en dat doet het,” zei Trom. + +</p> +<p>“En wou jij dan alleen in den winkel gaan wonen, Dik?” vroeg vrouw Trom met een glimlachje. + +</p> +<p>Dik lachte ook. + +</p> +<p>“Neen Moeder, dat is nu juist mijne bedoeling niet. Als u en Vader het goedvinden, zou ik wel willen trouwen. Anneke en ik +hebben elkander al gekend van onze vroegste kinderjaren af, en wij houden veel van mekaar. Dus,—wat dunkt u er van?” + +</p> +<p>Moeder Trom stond op, sloeg haar armen om Dikʼs hals, gaf hem een kus op elke wang, en zei: +<a id="d0e153"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e153">8</a>]</span> +“Mijn zegen er op, Dik!” + +</p> +<p>Trom trok zoo hard aan zijn bakkebaardjes, dat hij er de vlassige haartjes van in de hand hield, en zei: + +</p> +<p>“Ja, ja, zoo is het goed, en dat is het. Griet, onze Dik is toch een bizonder kind,—en dat is-ie!” + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e159" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Tweede Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>De belangrijkste dag uit het leven van Dik Trom.</p> +</div> +<p>Het ging al gauw als een loopend vuurtje door het dorp: “Dik Trom gaat trouwen met Anneke, en zijn ouders gaan het huisje +bewonen naast den winkel.” En alle menschen vonden het erg best. “ʼt Was net een spannetje, dat bij elkaar hoorde,” zei men. +“Allebêi zijn ze vroolijk, allebêi jong, allebêi dik,” en dat was waar, want Anneke evenaarde in gezetheid haar aanstaanden +man. Zij zag er door en door gezond uit, had een paar blozende wangen en keek iedereen altoos vroolijk en opgeruimd aan. En +zij vond het wàt prettig om met Dik te trouwen. Van hun vroegste jeugd af hadden zij elkander gekend en veel van mekaar gehouden, +en niemand vond het vreemd, dat zij man en vrouw zouden worden. Eigenlijk hadden de menschen het al lang gedacht. + +</p> +<p>Op een mooien dag in de maand Juni werd de bruiloft gevierd. Dik was ʼs morgens al vroeg opgestaan en den tuin achter zijn +huis ingestapt. Het zonnetje scheen zoo vroolijk, de vogels zongen zoo blijde, de bloemen in de perkjes geurden zoo heerlijk, +en Dik voelde zich zóó gelukkig, dat hij van louter plezier een liedje begon te zingen. En met zijn zakmes sneed hij de vroege +rozen af en de seringen en de vogelkers, en bond ze te zamen tot een <a id="d0e169"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e169">9</a>]</span>welriekenden ruiker, dien hij zelf aan zijne bruid ging brengen. Overal zag hij de vlaggen uitsteken ter eere van hem en van +Anneke. Piet van Dril was de eerste, die zijn vlag uit het zolderraam stak, en toen volgde Jan Vos, en daarna Van Dijk, de +molenaar, en Vrouw van Aken, en Teun de visscher, en de meester, en de ontvanger, en de burgemeester. Ja, zelfs uit het huisje +van Kee, de heks van den Achterweg, wapperde een klein, verschoten vlaggetje uit het boven-zijraampje, want zij hield dolveel +van Dik en verheugde zich in zijn geluk. Weldra was er geen huis meer, waar de vlag niet uithing, wat wel een bewijs was, +dat de bruid en de bruidegom geliefde personen waren op het dorp. + +</p> +<p>Dik vond het heerlijk te zien, dat alle menschen hem en Anneke een blijk van vriendschap wilden geven. Hij had een glimlach +van geluk op de lippen, en zijne oogen tintelden van blijdschap. + +</p> +<p>De menschen, die hem tegenkwamen, hielden hem staande om hem geluk te wenschen en de hand te drukken, en Piet van Dril stak +zijn zwarte gezicht buiten de deur van de smederij, toen Dik daar voorbijkwam, zwaaide met zijn vette, glimmende petje, en +riep driemaal: “Hoezee! Leven Dik en zijne bruid!” + +</p> +<p>Voor het huis van Anneke wachtte hem eene verrassing, want daar was een mooie, groote eerepoort opgericht met sparregroen +en papieren bloemen. Bovenin prijkte een schild met de namen van de bruid en den bruidegom, en er hingen lampions met kaarsen, +die ʼs avonds een schitterend licht zouden geven. + +</p> +<p>Dat hadden zijn vrienden en kennissen gedaan onder leiding van Piet van Dril, zijn boezemvriend. + +</p> +<p>En onder de poort stond Anneke, die maar niet begrijpen kon, dat die poort ter harer eere was opgericht, en ze lachte en schreide +tegelijk van blijdschap en zei, dat ze zoo <a id="d0e181"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e181">10</a>]</span>gelukkig was en zooveel eer niet verdiende. En zij dankte Dik voor zijn mooien ruiker, en wist bijna niet, wat zij doen zou +van vreugde. + +</p> +<p>Toen ging Dik naar huis terug, om alles voor de bruiloft in orde te brengen. Er werden in de schuur, die in gewone tijden +voor pakhuis diende, groote tafels en stoelen geplaatst voor de gasten. En hij versierde de wanden met vlaggedoek, en nog +was hij daarmee niet gereed, toen de deur openging, en Piet van Dril en Jan Vos verschenen, die een wagen met sparregroen +meebrachten en hem hielpen aan de versiering. + +</p> +<p>De schuur was weldra haast niet meer te herkennen, zoo mooi werd zij. Vader en moeder Trom konden hun oogen bijna niet gelooven, +toen zij even binnen kwamen om een kijkje te nemen. Zij sloegen de handen van verbazing in elkaar, en Trom mompelde: + +</p> +<p>“Wat een feest,—wat een feest! ʼt Heele dorp vlagt, en dan die schuur! O, die Dik is een bizonder kind, en dat is-ie!” + +</p> +<p>Moeder Griet was dat volkomen met hem eens, maar zij gunde zich den tijd niet om lang te kijken, want zij had het nog meer +dan druk om alles voor het feest in gereedheid te brengen. De beste spullen moesten uit de kast, en alles werd zorgvuldig +geschuierd en opgeknapt. Trom had het vreeselijk druk met zijn hoogen hoed, denzelfden nog, waarop Dik was gaan zitten, toen +deze nog een kleine jongen was. Trom poetste de stugge haartjes glad en liefkoosde hem wel honderdmaal met de mouw van zijne +lakensche jas. De man zag er wàt deftig uit, heelemaal in ʼt zwart en met dien hoogen hoed op. ʼt Model van zijn costuum was +wel wat ouderwetsch,—want ʼt was zijn eigen trouwpak nog, dat hij maar zelden had aangehad,—en zijn hoed was wel wat hoog +van bol en breed van rand, maar dat hinderde niet. +<a id="d0e191"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e191">11</a>]</span></p> +<p>“Die hoed is nog mooi, en dat is-ie,” zei Trom, “en mijn pak kan ook nog best meê, en dat kan het.” + +</p> +<p>Dik was van top tot teen in ʼt nieuw. Hij had ook een lakensch pak laten maken en een hoogen hoed gekocht. Zelf vond hij wel, +dat hij er met den hoed erg gek uitzag, maar Trom zei, dat hij hem deftig stond, en dat deed-ie. Dikʼs nieuwe laarzen kraakten +bij elken stap, zoodat men hem in de verte al kon hooren aankomen. Dik had er een hekel aan, maar zijn vader vond dat ook +al erg deftig. + +</p> +<p>“Alle laarzen van deftige menschen kraken, en dat doen ze,” zei hij wijs. + +</p> +<p>Eindelijk werd het tijd om naar het huis van de bruid en vervolgens naar het gemeentehuis te gaan, waar het huwelijk zou worden +voltrokken. Het drietal begaf zich daarom op weg. + +</p> +<p>Dik zag wel wat tegen de plechtigheid op, en hij voelde zich in zijn mooie zwarte pak, in zijne krakende laarzen en onder +zijn hoogen hoed verre van lekker. Hij was in het geheel geen mensch voor zooveel moois en plechtigs. Maar ʼt moest nu eenmaal +gebeuren, en hij besloot daarom zoo goed mogelijk door den zuren appel heen te bijten. + +</p> +<p>Vader en moeder Trom keken met gepasten ernst naar al de vlaggen, die ter eere van hun zoon waren uitgestoken, en vonden zich +verbazend gewichtig. Moeder Griet zag er ook zeer feestelijk uit. Zij had hare zijden japon aan, waarover een met palmen doorgewerkte +omslagdoek, die haar in den vorm van een gelijkbeenigen driehoek over den rug hing met de punt naar beneden, een zijden hoedje +op met groote keellinten, en aan haar arm een karbies, welke in sterke mate de aandacht trok van de kinderen, die den kleinen +stoet omringden en steeds in aantal toenamen. Een van de grootste jongens begon al spoedig te zingen: + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span>“Bruid, bruid, strooi wat uit!”</span></p> +</div> +</div><a id="d0e207"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e207">12</a>]</span><p>Maar de anderen legden hem het zwijgen op met de opmerking, dat de bruid nog niet aanwezig en hij dus met zijn liedje te vroeg +was. + +</p> +<p>De jongens en meisjes zagen er zeer opgewekt uit en het ontbrak hun niet aan de noodige luidruchtigheid. + +</p> +<p>Zoo bereikte het drietal de woning van de bruid, waar de gasten, die voor het feest genoodigd waren, zich reeds verzameld +hadden. Met een krachtigen handdruk werd Dik ontvangen, die onhandig met zijn hoogen hoed omsprong en voortdurend het vervelende +kraken van zijne laarzen hoorde. + +</p> +<p>ʼt Was nu hoog tijd om naar het raadhuis te gaan. De stoet stelde zich dus op. Jan Vos en zijn verloofde openden de rij, daarop +volgden Dik en Anneke, daarachter de wederzijdsche ouders en verdere familieleden, en eindelijk de vrienden en kennissen, +die genoodigd waren. Piet van Dril en zijn jonge vrouw, want Piet was al sedert een jaar getrouwd, waren de laatsten van den +stoet. + +</p> +<p>De meisjes en vrouwen hadden allen een groote karbies, tot groote vreugde van de jongens en meisjes, die zich vol blijde verwachting +voor het huis hadden opgesteld. Nauwelijks waren de bruiloftsgasten zichtbaar, of daar klonk uit wel honderd kelen: + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span>“Bruid, Bruid,</span></p> +<p class="line" style=""><span>Strooi wat uit!</span></p> +<p class="line" style=""><span>Bruid, Bruid,</span></p> +<p class="line" style=""><span>Strooi wat uit!”</span></p> +</div> +</div> +<p>ʼt Was een verschrikkelijk gejoel en lawaai, maar de karbiezen bleven potdicht. Eerst moest het jonge paar getrouwd zijn; +zoolang dat niet gebeurd was, werd er niet gestrooid. + +</p> +<p>In lange rij trok de stoet door het dorp en bereikte ongestoord het raadhuis. Daar werden de groote deuren geopend door den +veldwachter, die bij trouwpartijen dienst <a id="d0e231"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e231">13</a>]</span>deed als concièrge, en men nam plaats in de trouwzaal, waar vele dorpelingen aanwezig waren om van de plechtigheid getuige +te zijn. + +</p> +<p>Spoedig verscheen de burgemeester, en nu werden Dik en Anneke in den echt verbonden. De burgemeester deed nog een hartelijke +toespraak en drukte het bruidspaar de hand. + +</p> +<p>Pas kwam de stoet weer buiten het raadhuis, of daar galmde het weer, nu wel uit tweehonderd monden: + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span>“Bruid, Bruid,</span></p> +<p class="line" style=""><span>Strooi wat uit!</span></p> +<p class="line" style=""><span>Bruid, Bruid,</span></p> +<p class="line" style=""><span>Strooi wat uit!”</span></p> +</div> +</div> +<p>De lieve straatjeugd drong geweldig op om dicht bij de karbiezen te komen, die de begeerde lekkernijen bevatten. En thans +bestond er tegen het openen daarvan geen enkele hinderpaal meer. + +</p> +<p>“Dààr dan, jongens, grabbelt maar!” riep Anneke, die tijdens de plechtigheid erg bleek had gezien, maar nu hare frissche kleur +langzamerhand terugkreeg, en zij tastte diep in de karbies en strooide de bruidssuikers onder de menigte. Haar voorbeeld werd +door Moeder Trom en de andere vrouwen en meisjes gevolgd. Het regende als het ware links en rechts suikergoed, zoodat de jongens +op en over elkander buitelden, om toch maar zooveel mogelijk bijeen te grabbelen. ʼt Was een allerdolst schouwspel. De kinderen +hadden nergens meer oog voor, dan voor de uitgestrooide lekkernijen, en zij waren zoo verwoed aan het grabbelen, dat zij den +heelen bruidsstoet uit elkaar duwden. Een van de jongens kwam vlak voor de voeten te liggen van Vader Trom, zoodat het weinig +scheelde, of deze viel voorover op de straat. Zijn hooge hoed rolde wel twee meter ver voor hem uit en kwam onder een paar +jongens <a id="d0e250"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e250">14</a>]</span>terecht, die aan het vechten waren om een suikerboon, waarop zij beiden recht meenden te hebben. De arme hoed kreeg het kwaad +te verantwoorden en leek al spoedig meer op een waterhoozer uit een lekke roeiboot, dan op een deftigen hoogen hoed. + +</p> +<p>Piet van Dril gaf den vechtenden jongens een paar klinkende oorvijgen, die hun met verbazenden spoed het hazenpad deden kiezen. +Den hoed bracht hij zooveel mogelijk weer in zijn fatsoen, en zette hem den ouden man op het hoofd. + +</p> +<p>Van het gemeentehuis wandelde de stoet, steeds vergezeld door de straatjeugd, die met ijzeren volharding het “Bruid, Bruid, +strooi wat uit” galmde, naar de kerk, waar het huwelijk ingezegend werd, en van daar naar de versierde schuur. + +</p> +<p>Den geheelen dag heerschte er groote vreugde. Dik rookte uit een lange Goudsche pijp, die met groen en bloemen was versierd, +en de bruid dronk uit een kopje, waarvan het oortje met een rozeknopje en een paar rozeblaadjes prijkte. + +</p> +<p>ʼt Was een heerlijk feest. ʼs Middags kwamen vele vrienden en kennissen gelukwenschen, en ook de oude heks van den Achterweg +kwam binnen, om bruid en bruidegom de hand te drukken. En in een klein mandje bracht zij zes kippeneitjes meê, als een klein +blijk van hare vriendschap en dankbaarheid, want zij was maar een arme, oude vrouw en wilde toch ook zoo graag wat geven. + + +</p> +<p>Dik kreeg het er bijna te kwaad onder, zoo aardig vond hij dat van de goede ziel, en hij pakte het oudje beet en danste met +haar in het rond tot groote pret van alle bruiloftsgasten. ʼs Avonds kwamen twee muzikanten met violen, en toen konden de +jongelui dansen naar hartelust, wat zij dan ook deden. +<a id="d0e262"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e262">15</a>]</span></p> +<p>ʼt Was al zeer laat in den avond, en nog was er niemand naar huis gegaan. De oude molenaar was de eerste, die opstond om te +vertrekken, en hij klopte Trom op den rug en zeide: + +</p> +<p>“Dat was nog eens een echte, mooie bruiloft, niet waar?” + +</p> +<p>En Trom antwoordde, aan zijne bakkebaardjes plukkende: + +</p> +<p>“Ja, dat is het,—en dat doet het,—maar Dik is ook een bizonder kind,—en dat is-ie!” + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e271" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Derde Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>Dik wordt vader, en vrouw Smul begraaft haar neus in een roomtaart.</p> +</div> +<p>ʼt Bleef met den winkel onder leiding van Dik en Anneke uitstekend gaan, zoodat men gerust kon voorspellen, dat zij nog eens +in goeden doen zouden komen. Nu, Dik werkte dan ook met den grootsten ijver, en als hij de boeren afreed met boodschappen, +verving Anneke hem op uitstekende wijze in den winkel. En zij was een zuinig vrouwtje, naar de meening van Dik haast wel een +beetje al te zuinig. + +</p> +<p>“Hoor eens, Anneke,” zei hij meer dan eens, “daar moet je toch voorzichtig meê wezen. Zuinig is goed, best zelfs, maar àl +te zuinig is verkeerd. Komen de vrouwtjes om een pondje van dit of van dat, dan moet je niet bang wezen, dat de schaal even +doorslaat. ʼt Is beter overwicht te geven, dan te klein gewicht. Daar hebben de menschen een hekel aan, en dan gaan ze al +gauw naar een anderen winkel, waar de maat wat ruimer is. Heusch, een klein toegiftje doet geen schade, maar voordeel. En +komen er <a id="d0e281"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e281">16</a>]</span>kinderen boodschappen halen, geef ze dan een balletje of een pepermunt, of een stukje zoethout, of een vijg. Dat hebben ze +graag en dan koopen ze liever hier dan bij een ander.” + +</p> +<p>Anneke gaf aan dien raad gehoor, maar zuinig van aard bleef ze toch, en dat was goed. + +</p> +<p>In den winkel zag het er keurig netjes uit, en hij was van alle gemakken voorzien. Daar zorgde vader Trom wel voor. Nu hij +niets meer te doen had, was de oude liefhebberij voor het timmervak weer bij hem ontwaakt, en liep hij altoos te passen en +te meten, te schaven en te hameren. ʼt Was dan ook, eer een jaar verloopen was, een pracht van een winkel geworden, en Trom +was daar erg trotsch op. Jammer voor den braven man, dat hij den laatsten tijd zoo doof werd. Kort na Dikʼs bruiloft was het +begonnen, en ʼt nam met den dag toe, zoodat hij eindelijk bijna niet meer te beschreeuwen was. ʼt Was voor Griet een verbazende +last, want zij hield erg veel van een praatje. + +</p> +<p>Een paar jaar na Dikʼs huwelijk had er eene groote gebeurtenis plaats. Dik werd namelijk vader van een zoontje, en hij was +daar erg blij om. Toen hij op een avond met paard en kar thuis kwam, vond hij den kleinen kerel al in de wieg liggen, en grootvader +en grootmoeder Trom zaten er op een stoel naast en keken met de grootste belangstelling naar hun pasgeboren kleinkind. Grootmoeder +Griet vond het een allerliefst schattig kindje, maar grootvader zei geen woord. Hij was blijkbaar in gedachten verdiept, en +staarde met open mond den kleinen schreeuwer aan. Want een scheeuwer was het. De oude Trom had een klein, pasgeboren kindje +nog nooit zóó hooren schreeuwen. Grootvader vond het erg verwonderlijk, en soms sloeg hij zijne oogen even op en staarde grootmoeder +<a id="d0e289"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e289">17</a>]</span>aan met een blik, waarin zoowel verbazing als bewondering opgesloten lag. ʼt Was hem aan te zien, dat hij in het kind iets +gewichtigs zag. + +</p> +<p>“O, o, wat was Dik blij, toen hij zijn zoontje zag. Zijne ouders feliciteerden hem recht hartelijk, en hij drukte moeder Anneke, +die te bed lag, een kus op elke wang. En toen ging hij weer dadelijk naar de wieg, om zijn zoontje in oogenschouw te nemen. + +</p> +<p>“Wel verschrikkelijk, wat schreeuwt dat kind!” zei Dik, die ook in de grootste verbazing naar het geluid van den nieuwen huisgenoot +luisterde. “Moeder, heb ik ook zoo geschreeuwd, toen ik pas in de wereld was?” + +</p> +<p>“Neen,” zei grootmoeder Trom, “jij schreeuwde nooit, dan alleen als je honger hadt.” + +</p> +<p>“Maar dan heeft dat ventje ook honger!” riep Dik met beslistheid uit. “Hei baker, waar zit je? Geef dat kind wat eten!” + +</p> +<p>Op zijn geroep kwam de baker uit de keuken te voorschijn ʼt Was vrouw Smul, die ook Dik nog gebakerd had. Zij was nu eene +oude vrouw geworden, met bijna geen tand meer in haar mond, en een puntige, vooruitstekende kin. Dik hield in het geheel niet +van haar, maar daar zij de eenige baker op het dorp was, moest hare hulp wel ingeroepen worden. Met een vriendelijk lachje +feliciteerde zij den gelukkigen vader, en zij haalde het kleine kereltje uit de wieg, en hield hem Dik voor, die nu in de +gelegenheid kwam, zijn zoon goed te bezien. + +</p> +<p>Ten tweeden male wekte het ventje zijn groote verbazing, want zoo dik als hij zelf geweest was, toen hij op de wereld kwam, +zoo smal en dun was de kleine. En schreeuwen, schreeuwen dat het kind deed, neen maar, ʼt ging Diks verwachting verre te boven. +Ook grootmoeder en grootvader keken het wichtje met verwondering aan, want zoo <a id="d0e303"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e303">18</a>]</span>dun en mager hadden zij nog nooit een kind gezien. + +</p> +<p>Dik sloeg van verbazing de handen ineen, en riep uit: + +</p> +<p>“Neen maar, wat een wonderlijk mager kind is dat! ʼt Is veel te dun!” + +</p> +<p>“Maar ʼt is toch een erg lief kindje,” zei Anneke met moedertrots. + +</p> +<p>“En wat schreeuwt het!” ging Dik voort, “ʼt Schreeuwt als een speenvarken. Toe baker, geef dat kind dadelijk wat te eten, +want zulk geschreeuw is niet uit te houden. Een mensch krijgt er hoofdpijn van.” + +</p> +<p>Grootvader Trom had nog geen woord gesproken, maar eindelijk ging hij naar zijn vrouw, en driftig aan zijn bakkebaardjes plukkende, +zei hij op gewichtigen toon: + +</p> +<p>“Griet, ʼt is een bizonder kind,—ik zeg een bizonder kind,—en dat is-ie!” + +</p> +<p>“Ik geloof het ook,” zei Dik lachend. “Zoo dun,—en dan dat geschreeuw. ʼt Is wél bizonder!” + +</p> +<p>Inderdaad bleken deze twee eigenschappen van den kleine op den duur wèl wat bizonder te zijn, want het kind schreide van den +morgen tot den avond, en van den avond tot den morgen. Alleen als hij sliep, was hij stil. Hij dronk de eene flesch melk na +de andere, maar bleef even dun en mager. En hij schreeuwde om er wanhopig onder te worden. Kreeg hij geen flesch, dan maakte +hij een ijselijk misbaar om de aandacht op zich te vestigen, en had hij de flesch leeggedronken, dan vond hij dàt weer een +reden om zijne stem te verheffen. Maar hij groeide best, al was het alleen in de lengte. + +</p> +<p>Dik vreesde, dat zijn wieg hem gauw te kort zou worden, en hij ergerde zich den ganschen dag aan de aanwezigheid van de baker. +Daar had hij trouwens zijn goede redenen voor, want in den winkel was veel te snoepen, en daar hield vrouw Smul van. Telkens +zag Dik, dat zij tersluiks <a id="d0e323"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e323">19</a>]</span>iets in den mond stak, als zij even in den winkel moest wezen, en dat kon Dik niet uitstaan. Eens zag hij, dat zij bij de +kistjes vijgen stond en er een handjevol uitnam, en hij besloot haar dat eens en voor goed af te leeren. Baker had hem niet +gezien, en schrok dus niet weinig, toen hij eensklaps achter haar stond. Dik nam een grooten bak met stroop, dien zij onmogelijk +met éen hand kon vasthouden en zei: + +</p> +<p>“Toe baker, help me even. Houd dien bak eens vast.” + +</p> +<p>Maar dat kon baker niet doen, want dan zou Dik zien, dat zij een hand vol vijgen had. Haastig draaide zij zich dus om en stak +de vijgen met eene behendige beweging in haar mond, maar ongelukkig konden ze daarin haast niet geborgen worden, zooveel had +zij er wel uit het kistje genomen. Zij moest den mond dus stijf dicht houden, wilde zij zich niet verraden. Toen greep zij +den stroopbak met beide handen aan. Haar mond zat als ʼt ware volgepropt, tot groot vermaak van Dik, die een vriendelijk praatje +met haar begon. + +</p> +<p>“Wel baker,” vroeg hij, “hoe zou het toch komen, dat de kleine Jan”,—want zijn zoon heette Jan, naar zijn grootvader,—“dat +de kleine Jan altijd zoo schreeuwt? Wat kan daar toch de reden van wezen?” + +</p> +<p>Maar baker kon niet antwoorden vanwege de vijgen, die zij in den mond had. En er waren er te veel, dan dat zij ze had kunnen +doorslikken. Kauwen durfde zij ook niet, want dan zou zij zichzelve dadelijk verraden hebben. Zij verkeerde nog in de heilige +overtuiging, dat Dik niets van hare snoeperij had gemerkt. Zij zeide dus niets, maar haalde alleen de schouders op, ten teeken +dat de reden van Jantjes geschreeuw haar totaal onbekend was. Doch met dat gebaar was Dik niet tevreden. + +</p> +<p>“Neen baker, haal nu de schouders niet op,” zei hij <a id="d0e335"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e335">20</a>]</span>op ernstigen toon, “maar zeg mij liever kort en goed, wat er de oorzaak van is. Hij moet toch ergens met zooveel volharding +om schreeuwen!” + +</p> +<p>Baker haalde nogmaals de schouders op, en Dik keek haar ernstig aan. + +</p> +<p>“Scheelt er wat aan, baker? U trekt zooʼn raar gezicht,” ging hij voort. “Heeft u pijn of zoo iets?” + +</p> +<p>Baker schudde ontkennend met het hoofd, maar het angstzweet brak haar uit, want de vijgen in haar mond begonnen haar verschrikkelijk +zwaar te liggen, en zij kon haar mond bijna niet meer dicht houden. Zij kneep de lippen wanhopig stijf op elkander en liet +den zwaren stroopbak haast vallen. + +</p> +<p>Dik had de grootste pret, en ging plagend voort: + +</p> +<p>“Heeft u kiespijn, baker?” + +</p> +<p>Baker schudde alweer van neen. + +</p> +<p>“Of buikpijn?” + +</p> +<p>Nogmaals hetzelfde gebaar. + +</p> +<p>“U lijkt wel stommetje te spelen, baker. Ik geloof, dat ik den dokter voor u moet halen.” + +</p> +<p>De baker slaakte een diepen zucht, maar wilde blijkbaar niets van een dokter weten. Zij schudde heftig van neen. + +</p> +<p>“Maar zèg dan toch wat, baker! Zulk zwijgen is om er tureluursch van te worden. Of kan u niet spreken?” + +</p> +<p>De baker zei nog niets, maar keek wanhopig naar den zolder. + +</p> +<p>“Doe uw mond eens open, baker,” ging Dik zonder medelijden voort, en hij pakte haar kin tusschen vinger en duim. Maar nu werd +het baker te erg, en zij begreep, dat Dik heel goed had gezien, dat zij van de vijgen gesnoept had. Zij zette den stroopbak +haastig neer en verliet in allerijl den winkel, terwijl Dik het uitschaterde van pret, omdat hij haar zoo geducht te pakken +had gehad. Zij dorst den “baas” den geheelen dag niet meer aankijken van <a id="d0e363"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e363">21</a>]</span>schaamte, en zij had nog grooter hekel aan hem dan vroeger, toen hij haar klompen vol water had geschept. + +</p> +<p>Maar haar snoeplust leerde zij er niet meê af. Die kwaal was bij haar te veel ingekankerd. + +</p> +<p>Dat bleek Dik, toen zijn zoontje een dag of acht oud was. In den winkel, achter een van de toonbanken, was een luik, waaronder +zich de kelder bevond. Dik was in dien kelder, toen de winkelschel ging, maar de baker wist niet, dat Dik daar was. Zij kwam +in den winkel en zag daar den loopjongen van den banketbakker, die eene heerlijke roomtaart kwam brengen, een geschenk van +Piet van Dril en diens vrouw. Ha, de neusvleugels van vrouw Smul trilden van begeerte. Na haastig om zich heen gekeken te +hebben, of zij wel alleen was, lichtte zij behendig het deksel van de doos en genoot van den heerlijken aanblik, dien de verrukkelijke +taart opleverde. + +</p> +<p>Dik kwam langzaam en onhoorbaar naderbij. “Als zij gaat snoepen, zal ik het haar eens en voor altijd afleeren,” dacht hij. + + +</p> +<p>En jawel, vrouw Smul moest toch eventjes proeven. Met haar vinger streek zij er wat room af en stak het in den mond. Wat smaakte +dat heerlijk! Zij smakte met de tong. En wat rook die taart lekker. Wacht, zij moest ook eventjes ruiken. Zij bracht de doos +wat omhoog, haar neus naar omlaag, en genoot van den heerlijken geur.... + +</p> +<p>Maar Dik was meer dan kwaad, want hij dacht, dat vrouw Smul er van snoepte. En in zijne boosheid gaf hij een geduchten duw +tegen den bodem van de doos, zoodat neus en kin van de baker in een oogwenk tot in het hart van de taart doordrongen. En toen +vrouw Smul die lichaamsdeelen weer uit hun ontijdig graf had opgedolven, zaten zij dik in de room. Zij leken wel roomhorentjes. + + +</p> +<p>Vrouw Smul kon zich in het eerste oogenblik maar niet begrijpen, wat er gebeurd was, zoo snel was het in zijn <a id="d0e377"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e377">22</a>]</span>werk gegaan, en zij gaf een gil van den schrik. Doos en taart liet zij op den vloer vallen, en zij vluchtte op een draf den +winkel uit en de huiskamer in, waar Anneke in een schaterlach uitbarstte, zoo mal zag baker er uit. En zij kon haast niet +tot bedaren komen, toen Dik haar vertelde wat er eigenlijk gebeurd was, al vond zij het meer dan jammer van de heerlijke taart. + + +</p> +<p>“En wat zullen Piet van Dril en zijne vrouw het akelig vinden, als zij het hooren,” zei Anneke. + +</p> +<p>“Die zullen het niet hooren,” zei Dik. “Ik ga dadelijk een nieuwe taart bestellen, precies eender als deze, en wij noodigen +Piet en zijne vrouw een avondje bij ons op de koffie, om haar te helpen opeten. Dan hooren zij er nooit iets van. Baker zal +er haar mond wel over houden,—en wij praten er natuurlijk ook niet over.” + +</p> +<p>Zoo geschiedde. Piet en zijn vrouw smulden er heerlijk van en vonden het prettig, dat de taart Dik en Anneke zoo lekker smaakte, +maar zij hebben nooit geweten, dat het de hunne niet was. De baker wilde den heelen avond niet binnen komen. Zij bleef stil +in de keuken. Maar Anneke zorgde toch, dat zij haar deel van de lekkernij kreeg. + +</p> +<p>Want zij paste uitstekend op den kleinen Jan, en dat waardeerde Anneke bizonder. Een paar dagen later ging de baker voor goed +heen. + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e387" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Vierde Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>De eigenschappen van den kleinen Jan en het geduldige busje van de orgelvrouw.</p> +</div> +<p>De kleine Jan groeide zeer voorspoedig op, dat wil zeggen alleen in de lengte, want hij bleef broodmager, tot groote <a id="d0e395"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e395">23</a>]</span>verbazing van Dik en Anneke, die elken dag opnieuw in de gelegenheid werden gesteld om zijn eetlust te bewonderen. + +</p> +<p>“Hij is precies een hazewindhond,” zei Dik meer dan eens. “Hoeveel hij ook eet, hij blijft altijd even dun. ʼt Is verwonderlijk!” + + +</p> +<p>Overigens was de kleine Jan een zeer voorlijk kind. Hij lachte al, toen hij nog maar enkele dagen oud was, en zijne tandjes +kwamen zeldzaam vroeg. Hij kroop veel gauwer over den vloer, dan nog ooit eenig kind gedaan had, en kreeg mazelen, kinkhoest +en waterpokken, toen andere kinderen van zijn leeftijd de gedachte daaraan nog niet in hun hoofd voelden opkomen. + +</p> +<p>Zijn grootvader hield daarom staande tegenover iedereen die het hooren wilde, dat de kleine Jan een bizonder kind was, en +dat was-ie. + +</p> +<p>Jan was met zijn grootvader al spoedig goede maatjes. Toen hij nog heel klein was, wilde hij altoos op diens knieën zitten +en paardje-rijden, zoodra hij hem maar zag, en als Grootvader zijn zin niet dadelijk deed, zette hij het zoo geweldig op een +schreeuwen, dat zelfs Grootvaders gehoorvliezen er pijn van gingen doen. En dan haastte de oude man zich, om zijn kleinzoontje +tevreden te stellen. + +</p> +<p>Zoodra Jantje loopen kon, en dat kon hij heel vroeg, liep hij grootvader overal na. Anneke was daar eerst wel wat ongerust +over, omdat grootvader zoo erg doof was, maar toen haar Jantje altoos weer gezond en wèl terugkeerde in de ouderlijke woning, +begon zij daar spoedig aan te wennen. Als Jantje zoek was, dacht ze al dadelijk: “O, hij zal wel weer bij grootvader wezen.” + + +</p> +<p>Toen Jantje zag, dat grootvader bijna altoos aan het timmeren was, schreeuwde hij net zoo lang, tot hij ook een hamer kreeg, +en van dat oogenblik af deed hij niet anders dan hameren. Hij sloeg er meê tegen de toonbank, <a id="d0e409"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e409">24</a>]</span>dat de weegschalen er van rinkelden, klopte op de vijgenmand met zooveel kracht, dat de pitjes uit de vruchten te voorschijn +kwamen, hamerde een melkkan aan scherven en sloeg een barst in de winkelruit. Dat gebeurde alles op één dag, tot grooten schrik +van Anneke, die hem den hamer afnam, toen het te laat was. Grootvader had er niets van gemerkt, en toen Anneke hem op de verwoesting +attent maakte, keek hij die eenigen tijd in verbazing aan, tot hij eindelijk mompelde: + +</p> +<p>“Zie je wel, Anneke, dat Jantje een bizonder kind is?—En dat is-ie.” + +</p> +<p>Dat bleek ook uit het feit, dat Jantje het geweldig op een schreeuwen zette, toen Anneke hem den hamer had afgenomen. Hij +kon echter zoo hard niet schreeuwen, dat zijne Moeder hem dien teruggaf. Grootvader was bezig de stijfsellade te herstellen, +die niet meer goed heen en weer kon schuiven. Jantje zat schreeuwend achter hem op den vloer, tot het twaalf uur werd en Grootvader +naar huis moest om te eten. Grootvader legde den hamer in den spijkerbak en vertrok. Nauwelijks was hij verdwenen, of Jantje +greep den hamer en zette de werkzaamheden voort. Hij sloeg draadnagels in de verschillende winkelladen, waar zij schots en +scheef in terecht kwamen, timmerde Grootvaders rooden, katoenen zakdoek, dien hij vergeten had mede te nemen, als een vlag +aan de toonbank vast, en ging naar het petroleumvat, om ook daar een paar draadnagels in te slaan. Maar toen viel zijn aandacht +op de kraan, die in het vat zat, en Jantje sloeg er net zoo lang op met zijn hamer, tot de kraan uit het vat vloog en de petroleum +in een breeden stroom op den vloer en op Jantjes beenen terecht kwam. Ha, dat vond Jantje pas mooi. Hij hield er den hamer +onder, waardoor de stroom een bizonder mooien vorm kreeg en de droppels hem om de <a id="d0e415"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e415">25</a>]</span>ooren spatten, en hij keek met innig welbehagen de gevolgen van zijn bemoeiingen aan. De petroleum bedekte weldra den geheelen +vloer, en Jantje was zoo nat als een gedrenkte spons. Zijne Moeder had er geen erg in, want zij was in de keuken, tot zij +opeens een geweldig geschreeuw vernam, zóó hevig, dat zij van schrik opsprong en naar den winkel ijlde. Maar nauwelijks had +zij de deur geopend, of zij bleef als verstomd staan en keek met open mond naar de petroleum, die den geheelen vloer bedekte +tot aan den drempel toe, waarop hare voeten stonden, en naar Jantje, die uit alle macht schreeuwde en met zijn hamer op het +vat sloeg. + +</p> +<p>De tranen sprongen Anneke in de oogen, en zij was in één woord radeloos. Zij wist niet, wat ze beginnen moest. Ze kon niet +eens bij haar zoontje komen, zonder door de petroleum te plassen, wat ze op hare pantoffeltjes onmogelijk doen kon. + +</p> +<p>En Jantje schreeuwde uit alle macht, niet om hetgeen hij gedaan had, ook niet omdat hij met de beentjes rechtuit in de petroleum +zat, maar eenvoudig om. het feit, dat er geen petroleum meer uit het vat stroomde. Hij was er meer dan kwaad om, dat de stroom +opgehouden had te vloeien, en hij meende net zoo lang te schreeuwen, tot het weer begon. + +</p> +<p>Bedroefd en niet wetende wat zij beginnen moest, snelde Anneke de achterdeur uit, om Grootvaders hulp in te roepen. Schreiende +kwam zij daar binnen, en zij vertelde onder snikken en tranen, wat Jantje gedaan had. + +</p> +<p>“Wat is er?” vroeg Grootmoeder, toen zij Anneke zoo bedroefd zag staan. Grootvader stond ook van zijn stoel op en vroeg: + +</p> +<p>“Wat is er, Anneke? Wat scheelt er aan?” + +</p> +<p>De goede man voelde al naar zijn zakdoek, om haar de tranen van de wangen te vegen, want hij hield veel van <a id="d0e429"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e429">26</a>]</span>Anneke. Maar hij vond zijn zakdoek nergens. Hij kon ook niet vermoeden, dat die als een vlag aan de toonbank wapperde. + +</p> +<p>“O, o,” zei Anneke, “daar heeft Jantje me de kraan uit het petroleumvat geslagen....” + +</p> +<p>“Den haan uit het kippenhok doodgeslagen?” vroeg Grootvader ontsteld. “Hoe komt het kind er bij.” + +</p> +<p>“Neen, neen,” zei Anneke met haar mond aan Grootvaders oor, “de kraan uit het petroleumvat geslagen, en nu is alle petroleum +uit het vat geloopen, en Jantje zit er midden in. Ik weet niet, wat ik beginnen moet....” + +</p> +<p>Grootvader had nu goed verstaan. Hij trok zijn klompen aan en stapte den winkel binnen, waar Jantje nog zijn uiterste best +deed, om petroleum uit het leege vat te laten vloeien. Hij schreeuwde als ʼt ware moord en brand. + +</p> +<p>Grootvader keek ook niet weinig verschrikt, evenals een paar vrouwtjes, die juist kwamen aanloopen om boodschappen te halen. + + +</p> +<p>Trom plaste op zijn klompen door de petroleum en pakte Jantje op, dien hij regelrecht naar de keuken bracht. + +</p> +<p>“Hier Griet, kleed hem maar dadelijk uit en stop hem in de tobbe,” zei hij tegen zijn vrouw, die van schrik bijna niet spreken +kon, toen zij de ramp in oogenschouw nam. + +</p> +<p>Daarna haalde Grootvader eene tobbe uit het schuurtje, benevens een paar dweilen, en begon den vloer op te dweilen. + +</p> +<p>Hij schudde daarbij echter bedenkelijk met het hoofd, want hij begreep zeer goed, dat de zaak zoo gemakkelijk niet in orde +kwam. Jantje schreeuwde intusschen honderd-uit, want hij werd door Moeder en Grootmoeder naakt uitgekleed en in een warm bad +gestopt. Zijn kleeren waren onbruikbaar geworden. + +</p> +<p>Dat laatste was ook het geval met den winkelvloer. <a id="d0e451"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e451">27</a>]</span>Trom besloot dan ook dadelijk de handen uit de mouwen te steken De geheele vloer werd opgebroken en door een nieuwen vervangen, +wat den ouden man heel wat werk bezorgde, ʼt Is te begrijpen, dat Dik verbaasd opkeek, toen hij ʼs avonds thuis kwam en hem +het gebeurde verteld werd. + +</p> +<p>“Die kleine hazewindhond, hoe krijgt hij ʼt in zijn hoofd,” zei hij eindelijk. En Grootvader zei: + +</p> +<p>“Ik zeg, dat hij een bizonder kind is, Dik, net als jij, en dat is-ie.” + +</p> +<p>Sinds dien dag werd het petroleumvat zoo geplaatst, dat Jantje er niet meer bij kon. En de kleine kerel kreeg van zijn vader +een houten hamertje, waar hij niet veel kwaad mee kon doen. Hij timmerde nu den geheelen dag en hielp Grootvader op zijn manier +bij al diens werk. Hij liet zich daarbij door niets storen, of het moest door een draaiorgel zijn. Dat vond hij zoo verrukkelijk +mooi, dat hij er zelfs zijn eten voor liet staan, wat hij anders voor geen geld ter wereld zou doen. En nog mooier vond hij +het busje, waarin de vrouw van den orgeldraaier het geld ophaalde. De orgeldraaier en zijne vrouw woonden op het dorp en kwamen +vast elken Dinsdag met het orgel rond. Dat was erg lastig voor Anneke, want die had dan altoos waschdag, en moest toch al +elk oogenblik haar waschgoed in den steek laten, om de klanten in den winkel te helpen. + +</p> +<p>Eens op een Dinsdagmorgen had zij het daarmede erg druk gehad, toe het geluid van het orgel al van verre tot haar doordrong. +Ook Jantje had het gehoord. Hij was toen een jaar of drie en kon dus de deur al zelf opendoen. + +</p> +<p>ʼt Geluid van het orgel kwam naderbij, en Jantje was in de voordeur gaan staan, om van de muziek zooveel mogelijk te genieten. +Eindelijk was het orgel tot voor <a id="d0e463"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e463">28</a>]</span>den winkel gekomen en verscheen Mietje, de vrouw van den orgeldraaier, die Klaas Touw heette, aan de deur. Jantje haastte +zich naar de keuken, en zei: + +</p> +<p>“Moedel, daal is Klaas Touw met het olgel.” De r kon hij nog niet zeggen, zoodat hij gemakshalve daar maar een l voor nam. + + +</p> +<p>“Hè, wat een gezeur van morgen,” zei Anneke, wie de zweetdroppels op het voorhoofd parelden van de drukte. “Er ligt wel een +cent in de toonbanklade, Jantje, je weet wel.” + +</p> +<p>“Ja moedel,” zei Jan, en weg was hij. + +</p> +<p>Hij greep een handjevol centen en begaf zich naar Mietje. + +</p> +<p>Hij legde een cent in het bakje en zag hem met de grootste belangstelling door de gleuf verdwijnen, want dat vond hij iets +zeer geheimzinnigs. Toen de cent weg was, legde hij er een tweeden in, die op dezelfde eigenaardige wijze in de diepte verdween. +Daarna een derde, en een vierde, en een vijfde. Dat ging zoo voort tot Jantjes handje leeg was. Mietje was blijkbaar een heel +geduldig vrouwtje en zij streek Jantje liefkoozend over zijn kopje. + +</p> +<p>“Wacht even, ik zal del nog meel halen,” zei Jantje, en hij voegde de daad bij het woord. De toonbanklade was nog lang niet +uitgeput en Jantje vond het heel aardig, dat het orgel zoo lang bleef draaien, en dat de centen zoo mooi in de bus verdwenen. + + +</p> +<p>“Flap,” daar viel er weer een naar beneden, tot groote pret van Jantje, die er hardop om lachen moest. “Flap,” weer een, en +nog een, en nog een, tot zijn handje alweer leeg was. En tot zijn groote vreugde draaide het orgel nog maar steeds door, en +bleek Mietje vriendelijk genoeg om voor zijn plezier nog een poosje te blijven staan. + +</p> +<p>“Wacht even,” zei Jantje, “ik zal del nog meel halen. El zijn del nog genoeg.” + +</p> +<p>Nu, dat was waar, en hij kwam al spoedig weer met een handjevol terug. +<a id="d0e483"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e483">29</a>]</span></p> +<p>“Flap,” ging het alweer, en “flap, flap, flap,” volgden de andere. Anneke was zoo druk aan het wasschen, dat zij het heele +orgel vergeten was. Gelukkig, dat er nu eens een poosje geen klanten kwamen.... + +</p> +<p>Jantje liep geregeld heen en weer van Mietje naar de lade, en van de lade naar Mietje, wier geduld onuitputtelijk bleek. Jantje +vond haar erg zoet, dat ze zoo lang blijven wou en dat hij zoo prettig met het busje mocht spelen. + +</p> +<p>Maar eindelijk was de voorraad centen uitgeput, en daarom begon Jantje met de dubbeltjes, die hij in de lade vond. Gelukkig +kwam er juist een meisje den winkel binnen om een half pond suiker te halen en toen ze zag, wat Jantje deed, zei ze: + +</p> +<p>“Zeg, stoute jongen, dat mag je niet doen.” Zij nam Jantje de dubbeltjes af, die hij in de hand had, en riep luid: + +</p> +<p>“Vollek!—Vollek!” + +</p> +<p>Opeens bleek Mietje haast te krijgen. Zij wenkte Klaas, die onmiddellijk den slinger van het orgel in rust bracht, en samen +vervolgden zij met meer dan gewonen spoed hun tocht. Zij liepen zelfs zonder te spelen verscheidene huizen voorbij, en verdwenen +in een achterbuurtje. + +</p> +<p>Jantje was echter boos en begon luidkeels te schreeuwen. Maar zijn Moeder was nog boozer, toen zij van het meisje vernam wat +er gebeurd was, en zij gaf Jantje voor zijne broek en zette hem in de woonkamer met bevel, dat hij daar den geheelen middag +blijven moest. Klaas Touw en Mietje kregen, toen zij weer met het orgel kwamen, een geducht standje van haar en mochten in +geen vol jaar meer aankomen. + +</p> +<p>“Je hebt wel voor een jaar genoeg gehad,” zei Anneke boos, “en ʼt is een schande, dat je het geld aangenomen hebt. Als je +fatsoenlijke menschen waart, zou je mij gewaarschuwd hebben.” + +</p> +<p>Of Mietje al zei, dat het zoo erg niet geweest was, en <a id="d0e502"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e502">30</a>]</span>dat Jantje maar een cent of vijf in het busje had gedaan, ʼt hielp haar niets. + +</p> +<p>“Je hebt voor een jaar genoeg gehad, en daarmede is het uit,” zei Anneke beslist. Boos deed ze de deur voor Mietjeʼs neus +dicht. + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e506" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Vijfde Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>Jantje en de school.</p> +</div> +<p>Jantje bleef zeer voorspoedig opgroeien. De gewone kinderziekten had hij al lang achter den rug, verkouden was hij nooit, +en voor koorts scheen hij geen aanleg te hebben. Hij was buitengewoon levendig van natuur, waarvan het gevolg was, dat zijne +Moeder hem zelfs met geen stok in huis kon houden. + +</p> +<p>Eerst had zij daartoe wel alle middelen, die haar ten dienste stonden, in ʼt werk gesteld, maar tevergeefs. Toen hij nog erg +klein was, volgde hij steeds zijn Grootvader als diens schaduw, en dan timmerde hij den geheelen dag, maar toen hij een jaar +of vier werd, vond hij daar niet veel pleizier meer in. Hij ging toen liever de buurt op, en was bijna altoos op de smerigste +plaatsen te vinden, die er bestonden. Hij zag er daardoor gewoonlijk ontoonbaar uit. De modder zat hem dikwijls tot in de +haren, zijne broek was bijna altoos hier of daar gescheurd, en zijn handen zagen zoo zwart als roet. Wel tienmaal op een dag +greep Anneke hem bij den arm, nam hem mêe naar de keuken, en boende hem met groene zeep schoon, waarbij de kleine patiënt +gewoonlijk een erbarmelijk geschreeuw deed hooren, zoo erg, dat de klanten, die in <a id="d0e516"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e516">31</a>]</span>den winkel kwamen, soms dachten, dat er iemand vermoord werd. In die meening werden zij dan nog versterkt door de noodkreten +van Jantje, die op zijn gewonen huilerigen toon niets anders deed, dan schreeuwen: + +</p> +<p>“Ik wou, dat ik dood was! Ik wou, dat ik dood was! Ik moet ook altijd maar gewasschen worden!” + +</p> +<p>Zijn moeder toonde echter niet het minste medelijden en hield niet op, voordat Jantje vanwege de groene zeep blonk als een +spiegeltje. + +</p> +<p>ʼt Was maar jammer, dat het slechts voor zoo korten tijd hielp. Geen tien minuten later zat Jantje weer in de modder te baggeren. +Zijn voeten waren meestal kletsnat, want hij bewoog zich graag aan de slootkanten, om naar de kikkers te kijken en watertorren +te vangen. + +</p> +<p>Toen hij vier jaar oud was, kwam hij voor het eerst met een nat pak thuis. Hij had kopje-onder in het water gelegen. Dat gaf +een schrik bij Anneke, en zij besloot kort en goed hem voortaan in huis te houden. Zij sloot hem in den tuin op. Maar dat +beviel haar nog veel minder, want tot haar schrik zag zij hem ʼs morgens om negen uur al op de vorsten van het schuurtje zitten, +en even later kwam hij naar beneden tuimelen. Anneke zag het juist gebeuren, en zij dacht, dat hij wel dood zou zijn. Zij +zat als met lamheid geslagen op haar stoel en was niet bij machte om op te rijzen en Jantje te gaan helpen. Dat bleek echter +ook niet noodig te zijn, want Jantje sprong dadelijk overeind en klom weer tegen het schuurtje op. Een poosje later zat hij +weer op de vorsten. Eerst was hij wel een beetje bleek van den schrik, maar dat werd spoedig beter. + +</p> +<p>Anneke besloot hem niet meer op te sluiten, zoodat Jantje ʼs middags weer in de buurt rondwandelde. + +</p> +<p>Toen Dik het ʼs avonds hoorde, moest hij er braaf om lachen, en hij zei: +<a id="d0e530"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e530">32</a>]</span></p> +<p>“Wel, wel, kan die hazewindhond zóó klimmen? Kijk Anneke, dat is nu iets, wat ik in mijn jeugd nooit heb kunnen doen, omdat +ik zoo dik was. Ik vind het wel aardig.” + +</p> +<p>Anneke vond het dat niet, en zij klaagde zóó over de zorg, die zij van den vroegen morgen tot den laten avond over Jantje +had, dat Dik besloot hem voortaan, als het goed weer was, maar meê te nemen op den wagen. + +</p> +<p>Dat was een kolfje naar Jantjes hand. Ha, wat vond hij het prettig om naast Vader op den bok van den wagen te zitten. Soms +mocht hij de leidsels vasthouden of met de zweep klappen. Van slaan was geen sprake; dat wilde Dik volstrekt niet hebben. +Zelf deed hij het ook alleen in bizondere omstandigheden. Het was dan ook werkelijk niet noodig, want de hit van Dik kon verbazend +hard loopen. Dat beweerde Dik niet alleen, maar alle menschen op het dorp zeiden het. Die hit was eigenlijk een harddraver +en Dik kende geen hit, uren in den omtrek, die zoo hard loopen kon als de zijne. Eén ding was maar jammer. De hit had namelijk +wel eens koppige buien, eene kwaal, die ook andere hitten wel met hem gemeen hebben. Als hij in zooʼn booze bui was, bleef +hij vierkant op den weg staan met de pooten wijd uit elkander. Dan was er geen beweging in hem te krijgen. Eerst had Dik zijne +toevlucht wel eens genomen tot de zweep, hoewel hij daar een geduchten hekel aan had, maar ʼt had hem totaal niets geholpen. +Eindelijk was Dik op ʼt idée gekomen om hem een klontje suiker voor den bek te houden, en als de hit het pakken wilde, hield +hij het weer een eindje verder. Dat hielp goed, want de hit hield veel van klontjes, en liep zijn meester dan dadelijk na. +En onder het smullen vergat hij zijn koppige bui, zoodat Dik weer op den bok kon gaan zitten. Als de hit weer eens niet voort +wilde, <a id="d0e537"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e537">33</a>]</span>nam Dik dadelijk een klontje suiker, en dan was de zaak in orde. Maar de hit was slim, en telkens als hij trek kreeg in een +klontje, bleef hij midden op den weg staan en ging niet verder, vóór hij zijn zin gekregen had. Dat gebeurde spoedig wel al +een keer of tien op een dag, zoodat Dik begreep, dat het niet langer ging. Hij gaf den hit geen enkel klontje meer, al bleef +hij ook een half uur op den weg staan. Zoo leerde het beest langzamerhand zijn snoeplust weer af. Maar de koppige buien kwamen +telkens terug. Wel niet dikwijls, maar toch te veel naar Dikʼs zin. ʼt Was overigens een prachtige hit, die zijns gelijke +niet had in het loopen. Dik hield dan ook bizonder veel van hem, en Jantje vond het wát heerlijk, als het lieve paardje zoo +lustig voor den wagen draafde. + +</p> +<p>En Dik vond het prettig, als de kleine Jan naast hem op den bok zat. Als ʼt mooi weer was, mocht Jantje altoos met hem mee, +en dat gaf Anneke heel wat rust. Deze had het trouwens al druk genoeg met den winkel. + +</p> +<p>Eindelijk werd Jantje vijf jaar en toen moest hij naar school. Maar daar had hij in ʼt geheel geen zin in. Het vrije leventje +en de toertjes met zijn vader bevielen hem veel te goed, en hij hield stijf en strak vol, dat hij nooit en nooit naar school +wilde. + +</p> +<p>Toch moest het gebeuren, en Dik bracht hem er zelf heen. + +</p> +<p>Och, och, wat schreeuwde de kleine baas, en wat deed hij eene moeite om los te komen. Maar dat lukte hem niet, want zijn vader +hield hem stevig vast. + +</p> +<p>Hij schreeuwde nog, toen hij door de Juffrouw in ontvangst werd genomen, en hoeveel moeite zij ook deed om hem tot bedaren +te brengen, ʼt hielp haar niets. De andere nieuwelingen keken hem met de grootste verbazing aan. Zulk schreeuwen hadden zij +blijkbaar nog nooit gehoord. + +</p> +<p>De Juffrouw werd er zenuwachtig van, en wist eindelijk <a id="d0e551"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e551">34</a>]</span>geen raad meer met het kereltje. ʼt Was haar onmogelijk iets te beginnen, want Jantje overschreeuwde haar stem wel tienmaal, +zoodat niemand haar kon verstaan. + +</p> +<p>Maar opeens kwam hij tot bedaren, tot groote verwondering en even groote blijdschap van de Juffrouw. Hij veegde zijne oogen +af met de mouwen van zijn jasje, en stak toen parmantig den vinger op. + +</p> +<p>De Juffrouw lachte hem vriendelijk toe, en vroeg: + +</p> +<p>“Wel kleine man, wat is er?” + +</p> +<p>“Juffrouw, wanneer begint de groote vacantie?” vroeg Jantje. + +</p> +<p>De Juffrouw schoot in een lach, en zei: + +</p> +<p>“O hé, dat duurt nog een heelen tijd, Jantje. Dat duurt nog wel eene maand of drie.” + +</p> +<p>“Vandaag nog niet?” vroeg Jantje, wiens lippen weer zenuwachtig begonnen te beven. + +</p> +<p>“Neen, vandaag nog niet, Jan. Maar dat hindert niet. ʼt Is hier in de school ook wel prettig.” + +</p> +<p>Jantje was dit echter in ʼt geheel niet met haar eens, wat duidelijk bleek uit het feit, dat hij het weer verschrikkelijk +op een schreeuwen zette. Er kwam geen einde aan. + +</p> +<p>Jantje kreeg zelfs al spoedig gezelschap, want een paar andere nieuwelingen werden door zijn verdriet dermate aangestoken, +dat zij ook hunne stem verhieven, en met Jantje om ʼt hardst schreeuwden. Jantje keek even om, ten einde te zien, waar die +nieuwe geluiden vandaan kwamen, en zette daarna de zaak op den ouden voet voort. ʼt Was eindelijk langer niet uit te houden, +en de Juffrouw besloot hare toevlucht tot krachtige maatregelen te nemen. Zij stapte op Jantje af, greep hem bij den arm, +en zette hem in den hoek. Maar Jantje schreeuwde daardoor niet harder of zachter. De zaak liet hem volkomen koud. + +</p> +<p>Daarom zette de juffrouw hem in een klein kamertje, dat als boekenkast gebruikt werd, en zij deed de deur achter <a id="d0e575"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e575">35</a>]</span>hem dicht. Eerst had zij geducht op hem gebromd. + +</p> +<p>“Dáár dan, stoute jongen,” had ze gezegd. “Als jij niet naar verbieden wilt luisteren, moet je maar heelemaal alleen in de +boekenkast zitten. Daar mag je schreeuwen, zoo hard je maar wilt.” + +</p> +<p>Jantje volgde dat bevel echter in ʼt geheel niet op. Hij vond het in die boekenkast heel vreemd, want zóoveel boeken had hij +nog nooit bij elkaar gezien. En in den achtermuur was een raampje, dat bij mooi weer opengezet werd, omdat er anders zooʼn +vunzige lucht in de kast kwam. Toen Jantje de boeken bekeken had, wat niet lang duurde, deed hij het raampje open en klom +behendig naar buiten. + +</p> +<p>Ha, daar in de vrije natuur vond hij het pas heerlijk. Hij veegde de laatste tranen van zijn gezicht, stak zijn handen in +de broekzakken, en zakte zingende op huis af. + +</p> +<p>Anneke keek wát gek op, toen zij hem om half elf binnen zag komen. + +</p> +<p>“Mocht jij naar huis toe, Jan?” vroeg ze. + +</p> +<p>“Ja, Moeder,” zei Jan, “de Juffrouw bracht me zelf in een kamertje, waar een raam was om er uit te kruipen. O Moeder, dat +was zooʼn mooi kamertje, allemaal boeken, wel honderd millioen drie honderd duizend en nog veel meer.” + +</p> +<p>“In een kamertje met boeken, en een raam, waar je door moest kruipen? Dat begrijp ik niet, kind,” zei Anneke. “Enfin, ʼt is +al half elf. Blijf nu maar thuis.” + +</p> +<p>Dat deed Jantje met het meeste genoegen. + +</p> +<p>Maar de juffrouw, die na eenige minuten wachtens merkte, dat er geen geluid meer uit de boekenkast kwam en daarom besloot +Jantje maar weer in de klasse te halen, schrikte geducht, toen zij de kast ledig vond. + +</p> +<p>“Als het kind maar geen ongeluk gekregen heeft!” zuchtte ze. En ze stuurde dadelijk een jongen uit de hoogste klasse naar +zijn huis, om te vragen, of hij daar was. +<a id="d0e597"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e597">36</a>]</span></p> +<p>“Ja, hier ben ik,” zei Jantje, nog voordat zijn Moeder gelegenheid had gehad iets te antwoorden. “En ik wil nooit meer naar +school.—Vast niet!” + +</p> +<p>Juist op dit oogenblik kwam Dik binnen, die even naar de smederij van Piet van Dril was geweest, om zijn hit te laten beslaan. + + +</p> +<p>“Wat is er aan de hand, Anneke?” vroeg hij. + +</p> +<p>En nauwelijks had hij gehoord, wat Jantje gedaan had, of hij pakte hem bij zijn arm en bracht hem weer naar school, waar Jantje +onder een vervaarlijk geschreeuw zijn intocht deed. + +</p> +<p>“Juffrouw,” zei Dik, “als hij niet ophoudt met schreeuwen, mag hij nooit meer mee uit rijden. Dat zèg ik en dat méén ik.” + + +</p> +<p>Die bedreiging hielp dadelijk. Jantje deed zijn mond dicht en gaf geen kik meer, tot groote vreugde van de Juffrouw. Voor +Jantje was er geen zwaardere straf te bedenken dan dat hij niet meer met zijn vader uit rijden mocht. + +</p> +<p>Toen hij eenmaal tot bedaren gekomen was, zette hij zich met ijver aan de studie, en het bleek weldra, dat hij de vlugste +van de geheele klasse was. Hij kende de letters al, als hij ze nog maar eenmaal gezien had, hij schreef het mooist, en hij +rekende beter dan iemand anders. De Juffrouw vond hem bepaald een vluggertje. Maar omdat hij altoos ʼt eerst met zijn werk +gereed was, had hij ook steeds tijd over, en dan werd hij ondeugend. ʼt Duurde dan ook maar kort, of de Juffrouw zei altoos, +als ze van hem sprak: + +</p> +<p>“De jongen heeft drie bijzondere eigenschappen: hij is de vlugste, de ondeugendste en de magerste jongen van de geheele school.” + + +</p> +<p>En dat was ook zoo. Hij deed altoos kattekwaad, als hij zijn werk afhad. Naast hem zat Karel van Dril, de zoon <a id="d0e616"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e616">37</a>]</span>van den smid. Jan kende hem al lang voor hij naar school ging, omdat hunne ouders zeer bevriend waren en dikwijls bij elkaar +op visite kwamen. + +</p> +<p>Karel kon vrij goed leeren, maar met het rekenen had hij het eerste jaar nog al moeite. Hij verwarde altijd de 3 met de 8 +en de 6 met de 9, waardoor de uitkomst natuurlijk niet goed kwam. Ook gelukte het hem maar zelden, om een leesbare 5 te schrijven. +Als Jantje zijn werk al afhad, was Karel nog niet op de helft. En toch deed hij erg zijn best. Hij hoorde dan niet eens, wat +Jantje hem toefluisterde, en eigenlijk hoorde hij zelfs niet, dat er wat tegen hem gezegd werd, zoo verdiept was hij dan in +zijn werk. Die rekensommen kostten hem menigen zweetdroppel, en hij kon er bij zuchten als een stoommachine. + +</p> +<p>Jantje was dan niet in de mogelijkheid om een gesprek met hem aan te knoopen, en moest zich dus op andere wijze zien te vermaken. +In den knikkertijd speelde hij met zijn knikkers, die hij dan zoo dikwijls telde, tot ze eindelijk met groot lawaai op den +grond terecht kwamen. Dan was Holland in last. Hij raakte zijne knikkers kwijt en kreeg nog straf op den koop toe. + +</p> +<p>Eens in den toltijd had hij zijne tollen zitten bekijken, die hij onder de tafel in de handen hield. Eindelijk haalde hij +zijn tolsnoer te voorschijn en ging er op zijn manier mee zitten hengelen. Dan verbeeldde hij zich, dat hij tuk kreeg, en +als hij dan ophaalde, zag hij er snoeken of karpers aan. Toen hij visch genoeg gevangen had naar zijn zin, bedacht hij een +ander spelletje. Hij slingerde het touw om zijn rechterbeen en om het linkerbeen van Karel, die zoo in zijne sommen verdiept +zat, dat hij er niets van merkte. En Jantje bond de beenen stijf aan elkander. Toen diepte hij zijne tollen weer op, om ze +voor de honderdste maal nog eens te bekijken. De Juffrouw zag, dat hij zat <a id="d0e624"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e624">38</a>]</span>te spelen, en verbood het hem, maar zij was zoo druk bezig met hier en daar een achterlijk kind voort te helpen, dat zij niet +veel aandacht aan Jantje kon wijden. Maar inwendig was zij toch wel boos op hem, want zijne lei was al eens met een harden +smak op den grond gevallen, en nu kwamen plotseling weer al zijn tollen op den vloer terecht, tot groot vermaak van de andere +jongens, waarvan er eenige hardop begonnen te lachen. + +</p> +<p>Nu werd de wanorde de Juffrouw toch wel wat al te groot. Met forsche schreden stapte zij op Jantje toe, greep hem driftig +bij den arm en wilde hem de bank uittrekken. + +</p> +<p>“Allo, ondeugende jongen, vóór de klasse! Direct!” En zij trok zoo hard, dat Jantje wel mee moest. Maar o wee, zijn rechterbeen +zat aan het linker van Karel vast, zoodat Kareltje óók mee moest,—tot zijn groote verbazing. + +</p> +<p>“O Juffrouw! Mijn been! Mijn been!” schreeuwde Karel. + +</p> +<p>“Houd jij je mond!” riep de Juffrouw boos, en zij trok nog harder aan Jantjes arm. Jantje viel half de bank uit, en Kareltje +volgde zijn voorbeeld. + +</p> +<p>“O Juffrouw, mijn been!—Mijn been zit vast!” + +</p> +<p>“ʼt Kan me niets schelen,—vooruit bengel!” riep de Juffrouw. + +</p> +<p>Maar Jantje kon niet verder. Het blok aan zijn been was te zwaar, en de Juffrouw begon eindelijk te begrijpen, wat er aan +de hand was. Toen werd zij nog veel boozer, vooral toen de andere kinderen hun lachen niet konden inhouden. Zij nam haar zakmesje +en sneed het touw in verscheidene stukken. Jantje werd in den eenen hoek gezet, en Kareltje, die dood-onschuldig was aan ʼt +geheele zaakje, in den anderen. Maar Karel protesteerde. Hij wou geen straf hebben, omdat hij niets gedaan had, en toen de +Juffrouw eindelijk goed op de hoogte kwam van het gebeurde, vond <a id="d0e640"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e640">39</a>]</span>zij ook, dat hij geen straf had verdiend. Hij mocht dus weer gaan rekenen, maar Jantje moest schoolblijven, was zijn tolsnoer +kwijt, en zag ook zijne tollen, die de Juffrouw hem afgenomen had, in de kast verdwijnen. + +</p> +<p>Toen hij ʼs middags om half een verlof kreeg om naar huis te gaan, vroeg hij met een deemoedig gezicht, of hij asjeblieft +zijn tollen terug mocht hebben. Maar daar was geen denken aan. + +</p> +<p>“Met Nieuwjaar!” zei de Juffrouw kortaf. En daar was de zaak meê afgeloopen. Jantje had niet erg veel plezier van de grap, +want nu kon hij ʼs avonds niet meer met de andere jongens meedoen, als zij potje-tolden. En dat deed hij juist zoo graag. +Hij was trouwens een liefhebber van alle mogelijke spelletjes. Was het in den toltijd, dan vond hij dat het prettigste spel +van de wereld, was het in den knikkertijd, dan vond hij dát weer ʼt mooist. En zoo ging het met alle spelen, die door de jongens +werden gedaan. Maar ʼt állerprettigst vond hij toch den sneeuwtijd. Iets heerlijkers was er volgens hem niet te bedenken. + + +</p> +<p>Zijn grootvader had voor hem een slee gemaakt, en daar gleed hij elk vrij uurtje mede van een hoogen dijk af. Ha, wat ging +dat echt. En zoo vlug! ʼt Was net of hij naar beneden viel, maar ʼt liep altoos erg best af. Hij moest wel oppassen, dat hij +in zijne vaart niet in een sloot terecht kwam, die langs den dijk liep, maar Jantje wist zich met zijne klompen zoo netjes +te sturen, dat hij altoos vlak langs de sloot zijn draai kon nemen. Dat mislukte hem nooit. + +</p> +<p>Op de speelplaats van de school vermaakte hij zich met het gooien van sneeuwballen. Ieder, dien hij maar raken kon, kreeg +er een tegen zijn muts of in zijn hals, en dan had Jantje de grootste pret. Maar dan kreeg hij ook rijkelijk zijn portie terug, +want de andere jongens lieten zich niet ongestraft bekogelen. +<a id="d0e650"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e650">40</a>]</span></p> +<p>Toch hadden zij het tegen Jantje altijd kwaad te verantwoorden, want hij was zeldzaam vlug in zijne bewegingen en kon best +mikken. Bovendien zorgde hij er steeds voor, een goeden voorraad sneeuwballen in zijn broekzakken te hebben, zoodat hij ze, +als de nood aan den man kwam, maar voor het grijpen had. Dan vlogen de kogels den jongens als het ware om de ooren, en meestal +eindigde het gevecht met een smadelijke vlucht van zijne tegenstanders. Eens op een avond echter, om vier uur, toen hij uit +de school naar huis ging, kreeg hij onverwachts met zooveel kracht een sneeuwbal achter in zijn nek, dat hij niet kon nalaten +au te roepen. ʼt Deed hem dan ook geducht pijn, want ʼt was een verbazend harde sneeuwbal geweest, veel harder, dan hij ze +ooit gooide. ʼt Was eigenlijk een valsche streek, en toen hij omkeek, zag hij dat een jongen uit de buurt de dader was. Die +jongen heette Klaas Zwart, en stond niet al te gunstig onder zijne kameraadjes bekend. + +</p> +<p>Jan zag, hoe Klaas er om lachte, dat hij hem zoo geducht geraakt had, en hij werd er erg boos om. + +</p> +<p>“Dat is valsch, leelijkerd,” riep hij Klaas toe. “Jij gooit met sneeuwballen, waar een steen in zit. Maar ik zal het je betaald +zetten, wacht maar!” + +</p> +<p>“ʼt Is nietes!” riep Klaas terug, zich op een eerbiedigen afstand houdende, “er zat geen steen in.” + +</p> +<p>“Kom op als je durft!” schreeuwde Jantje hem toe, wiens nek prikkelde van de pijn. Het koude water liep hem langs zijn ruggestreng. + + +</p> +<p>Maar Klaas durfde niet. Hij bleef op eenigen afstand staan, gereed om te vluchten. + +</p> +<p>“Lafaard!” riep Jantje. “Kom op, als je durft.—Je durft niet, hè, daar ben je te bang voor! Leelijke gluiperd!” + +</p> +<p>Hij keerde zich verontwaardigd om en liep naar huis. + +</p> +<p>Maar den volgenden morgen ging hij vroeg naar de <a id="d0e669"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e669">41</a>]</span>speelplaats, maakte een flinken voorraad sneeuwballen, die hij als kogels op elkander stapelde, en stopte toen ook nog zijn +broekzakken vol sneeuwballen voor het geval, dat Klaas op de vlucht mocht slaan, en hij hem dus achtervolgen moest. Zoo gewapend +wachtte hij de komst van zijn vijand af. Zijne broekzakken puilden wijd uit van de sneeuwkogels, en hij kon er veel in zijn +zakken bergen, want hij had wijde broekspijpen, en zijne dunne beentjes namen niet veel plaats in. + +</p> +<p>Eindelijk verscheen Klaas op de speelplaats. + +</p> +<p>Maar hij was op zijn hoede, want hij vertrouwde Jantje niet erg. Hij kreeg hem dan ook al spoedig in het oog, en meende hem +door een vriendelijk praatje wat zachter te stemmen. Er waren nu al verscheidene jongens op het plein. + +</p> +<p>“Zoo Jan,” riep hij zijn vijand toe, “ga je van middag mee op mijn slee?” + +</p> +<p>“Op je gezicht kun-je krijgen,” riep Jantje terug. “Kom op, als je durft, dan zullen wij sleden!” + +</p> +<p>“Hij durft niet!” riepen de andere jongens lachend, toen zij zagen, dat Klaas bleef staan. “Hè, wat een bangerd! Kijk hem +nu eens staan, zooʼn hufter!” + +</p> +<p>“Toe dan, Klaas, kom op!” tartte Jantje. Hij nam een sneeuwbal van zijn stapel, en wierp hem Klaas vlak in ʼt gezicht. Zijn +neus zat dik onder de sneeuw, en Klaas kreeg er sterretjes van voor zijne oogen. + +</p> +<p>“Lekker zoo! Goed zoo!” riepen de jongens. “Geef hem zijn portie, Jan!” + +</p> +<p>“Flap!” + +</p> +<p>Daar kreeg Klaas den tweeden, ditmaal tegen zijne muts, die hem van het hoofd vloog, tot groote pret van de jongens, die in +het rond sprongen van pleizier. Want zij hielden niet erg van Klaas. +<a id="d0e689"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e689">42</a>]</span></p> +<p>Maar Klaas werd nu toch woedend, en hij vergat zijne vrees. + +</p> +<p>Vlug bukte hij zich om een sneeuwbal te maken, doch voordat hij daarmede gereed was, kreeg hij er een van Jan tegen zijn linkeroor. + + +</p> +<p>Toen wierp Klaas er Jan een tegen zijn schouder, maar hij kreeg er dadelijk wel drie voor terug. + +</p> +<p>“Houd-je goed, Jan, toe maar!” schreeuwden de jongens. + +</p> +<p>ʼt Werd een verwoed gevecht, en Klaas verweerde zich dapper, maar hij verkeerde in veel ongunstiger omstandigheden dan Jantje, +daar deze de ballen al gereed had liggen. + +</p> +<p>Jantje nam er een stuk of vier in zijne hand, en vloog op Klaas af. Maar dat was Klaas te veel, en hij zette het op een loopen. + + +</p> +<p>Jan hem achterna. + +</p> +<p>“Daar gaat hij loopen!” schreeuwden de jongens. “Houd-je goed, Jan!” + +</p> +<p>Klaas liep, wat hij loopen kon, en Jan volgde hem op de hielen. + +</p> +<p>Telkens voelde Klaas een sneeuwbal tegen zijn achterhoofd of in zijn nek terechtkomen, en ʼt huilen stond hem nader dan het +lachen. + +</p> +<p>Tot opeens Jantje misgooide, en zijn sneeuwbal in een ruit van de school terecht kwam. De scherven vielen rinkelend naar beneden, +en op ʼt zelfde oogenblik kwam de hoofdonderwijzer naar buiten, die Jantje bij zijn kraag pakte en hem in een hoek van de +school zette, niet ver van de kachel. + +</p> +<p>“Jij blijft om twaalf uur wachten, hoor baasje!” zei de meester. “Ik moet je dan eens vragen, hoeveel geld je wel in je spaarpot +hebt. ʼt Is er nu te laat voor, want de school gaat aan.” + +</p> +<p>Inderdaad werden de deuren geopend en de kinderen binnengeroepen. +<a id="d0e716"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e716">43</a>]</span></p> +<p>De Juffrouw kwam naar Jantje toe en bromde ook op hem. + +</p> +<p>“Stoute jongen,” zei ze, “moet jij hier de glazen ingooien? Je bent niet bij je moeder thuis.” + +</p> +<p>“Daar mag ik het ook niet doen, Juffrouw,” zei Jan op deemoedigen toon, en de Juffrouw begreep, dat zij zich niet al te juist +had uitgedrukt. + +</p> +<p>“Houd je mond, brutale jongen,” zei ze. + +</p> +<p>Ze ging voor de klasse staan en begon met hare werkzaamheden. + +</p> +<p>Jantje vond het niet prettig in dien warmen hoek bij de kachel, want hij leerde veel liever met de andere leerlingen mêe, +en bovendien was hij al erg warm van het sneeuwballen zoodat hij het bij de heete kachel bijna niet kon uithouden. Deze stond +dan ook rondom gloeiend, want ze was nog niet lang geleden aangelegd, en het lokaal moest eerst door en door verwarmd worden. +Jantjes handen begonnen al gauw te tintelen, zoo erg, dat hij er bleek van werd. Maar dat ging spoedig over, en Jantje voelde +zich al weer wat lekkerder worden, toen hij opeens een onaangenaam gevoel langs zijne beenen kreeg. ʼt Was net, of er een +straaltje koud water langs liep. + +</p> +<p>Eerst begreep hij niet, wat dat wezen kon, maar toch voelde hij het duidelijk. ʼt Liep langs zijne dijen, passeerde zijne +knieën en kwam eindelijk in zijne kousen terecht. + +</p> +<p>Al spoedig snapte hij, wat er aan de hand was. ʼt Waren de sneeuwballen, waarmede hij zijne broekzakken had gevuld, die bij +de heete kachel langzaam begonnen te smelten. Hij voelde, dat zijne kousen nat werden, en hij begreep, dat het zaakje leelijk +voor hem kon afloopen. Hij hoopte echter, dat de sneeuwballen niet zóóveel water zouden geven, dat het de aandacht van de +Juffrouw zou trekken. + +</p> +<p>Doch onophoudelijk liepen kleine straaltjes water langs <a id="d0e735"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e735">44</a>]</span>zijne dunne beentjes naar beneden, en toen hij zijne voeten even verzette, merkte hij, dat zijne kousen al kletsnat waren. + + +</p> +<p>Angstvallig hield hij zijn blik op zijne voeten gericht. En waarlijk, daar zag hij tot zijn grooten schrik, dat er zich rondom +zijne voeten een klein meertje begon te vormen, dat langzaam maar zeker grooter werd. ʼt Nam steeds in omvang toe, zoodat +Jantje zich hoe langer hoe minder op zijn gemak voelde. + +</p> +<p>Gelukkig was de Juffrouw met zooveel ijver aan het werk, dat zij Jan geheel vergeten was. + +</p> +<p>Eindelijk was de plas rondom Jan zóó groot geworden, dat hij de aandacht trok van Klaas Zwart, wiens haren nog druipnat waren +van de sneeuwballen, waarop Jan hem had getracteerd. Nauwelijks had hij hem gezien, of hij stak met veel bombarie zijn vinger +op, en riep: + +</p> +<p>“Juffrouw! Juffrouw! Jan Trom heeft wat op den grond gedaan!” + +</p> +<p>Die tijding gaf eene heele opschudding in de klasse. De kinderen gingen half in de banken staan en rekten de halzen, om goed +te kunnen kijken. En de Juffrouw keerde zich om en keek heel vies naar de plaats, waar Jantje stond met beschaamde kaken. +Hij zag rood tot achter zijne ooren. + +</p> +<p>“Vieze jongen!” riep de Juffrouw hem toe. “Waarom heb je me niet gewaarschuwd?” + +</p> +<p>“ʼt Is niet waar, Juffrouw!” riep Jan, huilend van verontwaardiging “Ik had sneeuwballen in mijn zak, en die zijn bij de +heete kachel gesmolten.” + +</p> +<p>En om te bewijzen, dat hij de waarheid sprak, stak hij zijn handen in de zakken, en dolf er de half gesmolten kogels uit op. + + +</p> +<p>De Juffrouw schoot in een geweldige lachbui, en de kinderen moesten ook zoo lachen, dat zij bijna niet tot bedaren konden +komen. +<a id="d0e755"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e755">45</a>]</span></p> +<p>Jantje mocht naar huis om droge kleeren aan te trekken. + +</p> +<p>Zijn vader keek hem eerst heel boos aan, toen hij hem zoo tusschentijds zag binnenkomen, maar toen hij hoorde, wat er gebeurd +was, moest hij er ook smakelijk om lachen, en hij vertelde het aan alle klanten, die dien dag in den winkel kwamen. + +</p> +<p>Toen Jan ʼs middags weer naar school ging, gaf zijn vader hem de opdracht om eerst naar den glazenmaker te gaan en hem te +verzoeken, de gebroken ruit door een andere te vervangen. Zoo liep dat zaakje voor Jantje nog al goed af. Maar op Klaas Zwart +was hij meer dan boos, want hij vond hem een valschen jongen en een laffen klikspaan. + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e762" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Zesde Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>Jantje wordt jarig en krijgt mooie cadeaux.</p> +</div> +<p>Jantje zou voor den achtsten keer jarig worden. Zijn vader had hem beloofd, dat hij den volgenden morgen een prachtig cadeau +van hem zou krijgen, maar van die belofte had hij later erg veel spijt, want Jantje wilde met alle geweld weten, welk cadeau +dat was, en hij hield niet op met zeuren. + +</p> +<p>Zijn Vader wilde het echter niet zeggen. + +</p> +<p>“Morgenochtend zul-je het wel zien,” zei Dik. + +</p> +<p>“Is het mooi?” vroeg Jantje. + +</p> +<p>“Erg mooi,” was het antwoord. + +</p> +<p>“Erg prachtig mooi?” hield Jantje vol, wiens oogen schitterden van nieuwsgierigheid. + +</p> +<p>“Ja,” lachte zijn Vader, “erg prachtig mooi. Zóó mooi, zóó mooi, dat er niets mooiers op de wereld te bedenken is.” +<a id="d0e782"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e782">46</a>]</span></p> +<p>“Waar lijkt het op?” vroeg Jan polsend. + +</p> +<p>“Op onzen hit,” zei zijn vader. + +</p> +<p>“O, zeker een paardje op wieletjes?” zei Jantje met een opgetrokken neus. “Dát is niet mooi, Vader, veel te kinderachtig. +Toe Moeder, zegt u me maar, wat het is.—Toe.” + +</p> +<p>“Neen Janneman, dat zeg ik niet,” zei zijne moe. “Morgenochtend zul je ʼt wel zien.” + +</p> +<p>Jantje zeurde nog geruimen tijd door, maar toen hij zag, dat hij zijn doel daarmede niet bereikte, zette hij het op een schreeuwen +op eene geweldige manier. De ondervinding had hem geleerd, dat dit een beproefd middel was. + +</p> +<p>Maar dezen keer hielp het hem van den wal in de sloot, want het begon zijn vader al spoedig te vervelen. Hij pakte Jantje +bij zijn kraag, deed het kelderluik in den winkelvloer open, en stopte Jantje doodbedaard onder den grond. + +</p> +<p>“Zie zoo, kereltje,” zei Dik, “daar mag je schreeuwen, zoo lang en zoo hard je maar kunt. Ga je gang maar.” + +</p> +<p>Jantje vond het een afdoend geneesmiddel, en jammerde: + +</p> +<p>“Ik wil naar bed! Ik wil naar bed!” + +</p> +<p>“ʼt Is nog maar half zes!” zei zijn vader. + +</p> +<p>“ʼt Doet er niet toe, ʼk wil tóch naar bed, dan is het veel gauwer morgenochtend!” schreeuwde Jantje. + +</p> +<p>“Ook al goed!” zei Dik. + +</p> +<p>Vijf minuten later lag Jan onder de dekens, en een kwartier later sliep hij als eene roos. + +</p> +<p>Om elf uur gingen Dik en Anneke naar bed, maar zij hadden pas den slaap te pakken, of Jantje werd wakker en dacht direct aan +zijn cadeau. + +</p> +<p>“Vader!” riep hij zoo hard hij kon,—“Vader, wat krijg ik nu van u? Ik ben jarig!” + +</p> +<p>“Een pak voor je broek, als je niet dadelijk je mond houdt,” zei Dik, die het lang niet prettig vond, dat hij <a id="d0e815"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e815">47</a>]</span>wakker gemaakt werd. “De nacht begint pas. Ga maar weer slapen.” + +</p> +<p>Met een zucht kneep Jantje zijne oogen weer dicht, en hij sliep ook waarlijk in, maar ʼt duurde slechts kort. ʼt Was nog vóór +twaalven, toen hij opnieuw wakker werd. Nu zou het stellig toch wel morgen wezen, dacht hij. + +</p> +<p>Hij liet zich vlug van zijn bed glijden, ging naar het bed, waar zijn ouders sliepen, en trok zijn vader aan zijn neus. + +</p> +<p>“Hei, ho, wat is dat?” riep Dik verschrikt uit, want hij vond het een vreemde manier om gewekt te worden. + +</p> +<p>“Vader, ik ben jarig!” riep Jantje hem toe. “Welk cadeau krijg ik nou van u?” + +</p> +<p>Maar zijn vader werd terdege boos. + +</p> +<p>“Ga naar je bed, deugniet, en als ik vannacht je geluid weer hoor, krijg je morgen niets, hoor je, heelemaal niets! Allo, +pak je weg, naar je bed. En je geeft geen kik meer, versta-je?” + +</p> +<p>Jantje maakte aanstalten om weer te gaan schreeuwen, maar Dik zei knorrig: + +</p> +<p>“Wou je liever in den kelder onder den winkelvloer?” + +</p> +<p>Neen, dat kon Jantje in ʼt geheel niet bekoren, en hij maakte gauw, dat hij weer in zijn bed kwam. + +</p> +<p>Maar den slaap kon hij niet meer vatten; hij was dan ook veel te vroeg naar zijn bed gegaan. Hij deed niet anders dan zuchten, +en vond, dat de nacht vreeselijk lang duurde. + +</p> +<p>“Er komt nooit een einde aan,” mompelde hij zacht. “Weet je wat, ik ga tot duizend tellen. Karel van Dril zegt, dat je dan +altijd vanzelf in slaap valt. Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, ik ben toch nog wakker. Bij mij +helpt het niet. Zeventien, achttien, negentien, twintig, wat zou het toch voor een cadeautje wezen? Ik denk van <a id="d0e839"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e839">48</a>]</span>een bromtol, zeven en tachtig, acht en tachtig, negen en tachtig, of een zak met knikkers, negen en negentig, honderd hè, +hè, nu ben ik al aan honderd, en ik slaap nog niet. Honderd en een, honderd en twee, hè, ik wou dat ik een zak met tachtig +knikkers kreeg, een en tachtig, twee en tachtig, drie en tachtig, hò, dat is fout, want nu ben ik nog maar aan drie en tachtig, +en een heele poos geleden was ik al bij honderd,—dan maar van voren af: een, twee, drie, knikkers, knikkers, een, twee, bromtol, +knikkers, zes, drie, zeven, ... twee, jarig, zes...” + +</p> +<p>Jantjes oogen vielen dicht en hij sliep weer. En hij droomde, dat hij een mooien bromtol kreeg, die prachtige muziek kon maken. +Hij nam een touwtje, wond den tol op, en trok hem af. Hà, wat stond hij prachtig, en er kwam muziek uit, precies als uit het +orgel in de kerk of het draaiorgel van Klaas Touw. En opeens nam hij een sprongetje en ging bovenop den kop van den tol zitten, +en draaide uit alle macht in de rondte. Jongen, wat ging dat mooi, ʼt werd hem geel en groen voor de oogen, en de tol wist +niet van ophouden, leek het wel. Maar eindelijk begon hij toch langzamer te draaien, toen waggelde hij eenige keeren, zoodat +Jantje zijn evenwicht bijna niet bewaren kon, en plof, daar viel de tol om, en Jantje tuimelde op den grond.... + +</p> +<p>Met een kreet van schrik werd hij weer wakker, en tot zijn spijt voelde hij, dat hij nog in zijn bed lag, dat zijn tol verdwenen +was, en dat het nog al geen dag werd. + +</p> +<p>Maar dat laatste kon hij toch niet gelooven. + +</p> +<p>“Neen,” zei hij zacht, “ʼt is bepaald al lang dag, en ʼt is hier alleen zoo donker, omdat de luiken dicht zijn. Vader verslaapt +zich zeker. Weet je wat, ik zal heel stilletjes de luiken opendoen, zóó stil, dat vader en moeder het niet hooren. En als +dan de zon naar binnen schijnt, zal ik Vader roepen, en wat zal hij dan vreemd opkijken.” +<a id="d0e849"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e849">49</a>]</span></p> +<p>Zoo gezegd, zoo gedaan. + +</p> +<p>Jantje kroop stil zijn bed uit, liep op zijn bloote voeten naar het raam, en stootte zijn kleinen teen zoo hard tegen den +poot van de tafel, dat de tranen hem in de oogen sprongen. + +</p> +<p>“Au!” riep hij binnensmonds, en zijn vader werd er half wakker van. Deze draaide zich in zijn bed om. + +</p> +<p>Jantje liet zich daardoor echter niet afschrikken. + +</p> +<p>Hij ging verder en kwam bij het raam. Daar zocht hij naar het luik, en duwde het open. Maar ʼt bleef donker in de kamer; het +was tot zijne groote spijt blijkbaar nog nacht. Hij besloot, onder het slaken van een diepen zucht, maar weer naar zijn bed +terug te keeren, doch op den terugtocht schoof hij zijn vaders glazen aschbak van de tafel, zoodat dit voorwerp met veel lawaai +op den grond terecht kwam, en in scherven uit elkander spatte. + +</p> +<p>Jantje bleef van schrik stokstijf staan, en zijn ouders, die niet begrepen wat dit geraas midden in den nacht beteekenen moest, +vlogen in hun bed overeind. + +</p> +<p>Met een wip stond Dik op den vloer, waar hij bijna over Jantje struikelde, die het hazenpad wilde kiezen en vlak voor zijn +vaders beenen liep. Toen begreep Dik, wat er eigenlijk aan de hand was. Hij greep op goed geluk rondom zich, om Jantje te +pakken, en riep: + +</p> +<p>“Jongen, ben je nu alwéer uit je bed?” Maar Jantje had zich zoo vlug als hij kon uit de voeten gemaakt, en lag alweer onder +de dekens. + +</p> +<p>“Neen Vader,” zei hij, “ik ben hier.” + +</p> +<p>Toen moest Dik wel lachen, of hij wilde of niet. + +</p> +<p>“Ja, nú ben je weer in je bed, maar zoo pas liep je nog hier in de kamer. Ga toch slapen, en houd ons niet den heelen nacht +wakker. Als ik je wéér hoor, eet ik het cadeau zelf op, en dan krijg je niemendal!” +<a id="d0e872"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e872">50</a>]</span></p> +<p>“Opeten, Vader?” vroeg Jantje verschrikt. “Kan het dan opgegeten worden?” + +</p> +<p>“O ja,” zei Dik, terwijl hij weer in zijn bed stapte, “ʼt Smaakt wat lekker, en als ik je weer hoor, krijg je er niets van.” + + +</p> +<p>“En ʼt lijkt op een hit?” zei Jan spijtig. “Dat heeft u zelf gezegd.” + +</p> +<p>“Nu jongen, een hit kun-je toch ook opeten!” riep Dik terug. “Maar ga nu slapen, en laat je geluid niet meer hooren.” + +</p> +<p>Jantje zweeg. Hij was verdrietig, omdat hij geen mooien tol kreeg, of een zak met knikkers. + +</p> +<p>“Iets lekkers, bah, wat heb-je daar nu aan?” dacht hij. + +</p> +<p>De koele nachtlucht had hem huiverig gemaakt, en de warmte van het bed deed hem behaaglijk aan. Hij stopte zich lekker toe, +en sliep werkelijk na een poosje weer in. Maar om vier uur werd hij weer wakker. + +</p> +<p>Hij stak zijn hoofd buiten de gordijnen, om te kijken of het licht al door de half openstaande luiken drong, en hij zag, dat +het nog altijd nacht was. + +</p> +<p>“Moe,—Moeder!” riep hij zacht. + +</p> +<p>Maar er volgde geen antwoord. + +</p> +<p>“Moeder!—Moeder!” klonk het wat harder. + +</p> +<p>Moeder sliep door. + +</p> +<p>“Moeder!—Moeder!—Is het nóg nacht,” riep Jantje met luider stem. + +</p> +<p>Zijne ouders werden er wakker van, en Dik maakte zich boos. + +</p> +<p>“Daar heb je dien drommelschen jongen alweer!” riep hij uit. “Wat wil je toch?” + +</p> +<p>“De nacht duurt zoo lang!” huilde Jantje. “Wil u de luiken vast openzetten? ʼt Is al lang dag, geloof ik. De klok gaat achter.” + +<a id="d0e905"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e905">51</a>]</span></p> +<p>“En de zon zeker ook,” zei Dik. “Ga lekker slapen, jongen, dan is het morgen vóór je het weet. Wel te rusten, Jan, en je mond +houden, hoor.” + +</p> +<p>“Wel te rusten,” zei Jantje met een snik en een zucht. + +</p> +<p>Nu kon hij echter den slaap in ʼt geheel niet meer vatten, en hij verveelde zich schrikkelijk. Wel tienmaal begon hij tot +duizend te tellen, maar telkens raakte hij in de war, en eindelijk gaf hij het op. Hij ging voor tijdverdrijf spelletjes doen. +Eerst stak hij zijn voeten zoo hoog mogelijk in de lucht, met de dekens er overheen. + +</p> +<p>“Nu is het een hooge berg,” dacht hij. “Wacht ik zal er een man boven op zetten, dan kan hij ver zien.” + +</p> +<p>Hij liet zijn voeten zakken, en legde zijn kussen er op. Toen stak hij het heele gevalletje voorzichtig in de hoogte, maar +de man viel telkens van den hoogen berg af, en kwam hem eenmaal precies op zijn hoofd te liggen. + +</p> +<p>Eens bleef de man boven op den berg, en toen liet Jan den berg instorten, zoodat de man geheel bedolven werd. + +</p> +<p>“Nu is hij morsdood,” zei Jan. “Wacht, ik zal stil een stoel in mijn bed halen. Dat is veel leuker.” + +</p> +<p>Hij kroop voorzichtig uit zijn bed, greep een stoel, en klom er weer heel zacht in. Zijn ouders hadden er niets van gemerkt. +Hij legde den stoel voorover, en ging er op zitten. + +</p> +<p>“Huup hit,” zei hij. “Nu draven, zoo hard je kunt.” + +</p> +<p>Hij hobbelde met den stoel op en neer, en hij verbeeldde zich, dat hij op den hit van zijn Vader zat, en dat hij aan het harddraven +was. + +</p> +<p>Soms gaf hij hem van achteren met zijn vlakke hand een harden klap op de sporten. + +</p> +<p>“Au,” zei Jantje, want het deed hem pijn, en hij likte zijne hand af, omdat de pijn daardoor gauwer beter werd. + +</p> +<p>Toen zette de hit het op een loopen. +<a id="d0e932"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e932">52</a>]</span></p> +<p>Met twee handen had Jantje de leuning te pakken, en hij hobbelde op en neer. In zijne gedachten reed hij in vliegenden galop +langs den weg, en telkens gaf hij zijn harddraver een klap op de sporten. De hit vloog hoe langer hoe harder, maar opeens +begon hij te steigeren. + +</p> +<p>“Ha,” mompelde Jantje, “hij krijgt weer eene koppige bui! Wacht, ik zal hem leeren!” + +</p> +<p>Hij sloeg met beide handen op de houten ribben van zijn harddraver, greep daarna de leuning, en trok den stoel daaraan in +de hoogte. + +</p> +<p>O, o, wat steigerde dat beest woest! + +</p> +<p>“Huupla,” schreeuwde Jantje opeens, want hij verkeerde in hevige geestvervoering. Zijn vader draaide zich onrustig om in zijn +bed. Hij werd er half wakker van. + +</p> +<p>Jantje trok de leuning nog meer in de hoogte. De hit stond toen als het ware loodrecht op zijn achterste pooten, en Jantje +verbeeldde zich, dat hij hem kwaadaardig hoorde brieschen. De hit nam een geweldigen sprong, en bommerdebom, daar viel Jantje +met hit en al uit zijn bed op den grond. Dat gaf een lawaai! + +</p> +<p>“Heeremenschen!” gilde Anneke, die verschrikt opvloog. “Daar valt het huis in! Dik, Dik, het huis valt in. Jantje ligt er +onder. Hoor me dat kind eens gillen!” + +</p> +<p>Dik was ook verschrikt, en hij haastte zich op te staan. Vlug schraapte hij een lucifer aan en stak de lamp op. En wat zag +hij? + +</p> +<p>Jantje lag op den vloer met een stoel half over zich heen, en daarop lag het kussen, dat den hit in zijn val gevolgd was. + + +</p> +<p>En Jantje schreeuwde moord en brand, zoowel van schrik als van angst, want hij was erg bang, dat zijn vader hem nu wel voor +zijn broek zou geven. Hij twijfelde daar zelfs niet aan. +<a id="d0e953"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e953">53</a>]</span></p> +<p>Maar Dik kon onmogelijk boos blijven op zijn zoontje, en hij moest er braaf om lachen, toen hij hem daar zag liggen. + +</p> +<p>“Wat voer je toch uit, jongen?” vroeg hij. “Je doet niet anders dan spoken, en houdt ons den heelen nacht wakker.” + +</p> +<p>“O Vader,” schreeuwde Jantje, want hij vreesde altoos nog een beetje, dat zijn Vader hem straffen zou, “ik was aan ʼt paardje-rijden +op onzen hit, en toen steigerde hij zoo,—o, o, o, en toen vielen we alle twee het bed uit.” + +</p> +<p>Toen moest Dik nog meer lachen, en Anneke lachte van den weeromstuit meê. Dik pakte zijn zoontje op, en legde hem in bed. + + +</p> +<p>“Zie zoo, nu ga je maar weer slapen, hoor. Ik zal je wel roepen, als het dag wordt. Wel te rusten.” + +</p> +<p>“Wel te rusten,” zei Jantje. “Maar dit weet ik wel, dat een nacht véél en véél langer duurt, dan een dag.” + +</p> +<p>Een half uurtje later werd Dik alweer wakker gemaakt. + +</p> +<p>“Vader!—Vader!” hoorde hij roepen. + +</p> +<p>“Jongen, wat verveel je me vannacht,” was zijn antwoord. “Wat is er nu weer?” + +</p> +<p>“Vader, komt de zon vast elken morgen weer op?” vroeg Jantje met iets twijfelmoedigs in zijne stem. + +</p> +<p>“Wel ja, Jan, vast en zeker, hoor! Als je maar geduld hebt.” + +</p> +<p>“Maar Vader, is-ie nog nooit eens weggebleven?” + +</p> +<p>“Neen, nog nooit,” zei Dik met een zucht. “Kijk maar door het raam. ʼt Wordt nu ook al wat lichter. Als je nog een uurtje +geslapen hebt, is de nacht om, en dan ben je jarig. Over een uur zal ik je roepen.” + +</p> +<p>“Ja Vader,” zei Jan, en hij begon nog maar eens tot duizend te tellen. Maar ʼt hielp hem niets, hij kon den slaap niet meer +vatten. Och, och, wat duurde dat uur hem lang. Hij luisterde naar het tikken van de hangklok, tot hij opeens meende, dat zij +stilstond. Hoe hij ook luisterde, hij merkte het eentonige getik niet meer op. Toch ging de <a id="d0e982"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e982">54</a>]</span>klok nog wel, want een poosje later hoorde hij het weer. + +</p> +<p>Eindelijk was het uur om, en sprong hij uit bed. + +</p> +<p>“Vader,” riep hij luid, “nu ben ik eindelijk dan toch echt jarig. Toe Vader, wat krijg ik nu van u?” + +</p> +<p>“Ja jongen, je hebt me van nacht schrikkelijk verveeld, maar nu ben je echt jarig, en ik feliciteer je wèl.” + +</p> +<p>Dik stond op en nam Jantje in zijn armen, en kuste hem op allebei zijn wangen. En toen gaf hij hem aan Anneke, die hem niet +minder hartelijk pakte. + +</p> +<p>Dik kleedde zich spoedig aan, en zei: + +</p> +<p>“Kom meê, Jan, dan krijg je je cadeau. Ik hoop maar, dat het je bevallen zal.” + +</p> +<p>Jan beefde van blijdschap en nieuwsgierigheid. + +</p> +<p>“Kan ik het echt opeten?” vroeg hij. + +</p> +<p>“Neen, dat was maar gekheid,” zei Dik, terwijl hij Jantje bij de hand pakte en hem meenam naar den stal. Hij opende de deur, +en stapte met zijn zoontje binnen. + +</p> +<p>En wat zag Jan daar? + +</p> +<p>Hij kon zijne oogen niet gelooven, want daar, vlak naast den hit, stond een prachtige, bonte bok, met twee groote horens op +zijn kop en een lange sik aan zijn kin. + +</p> +<p>“Die bok!” riep Jantje verrukt uit. “Is die bok voor mij?” + +</p> +<p>“Ja, die bok is voor jou,” zei Dik lachend, en hij zag met innige blijdschap, hoe gelukkig dit geschenk zijn zoontje maakte. + + +</p> +<p>Jan sprong als een kleine dolleman in ʼt rond, en hij klapte in de handen. + +</p> +<p>“O, dank u, dank u!” riep hij uit. “O, o, wat een mooie bok is dat. Kijk eens, hij heeft prachtige horens!” + +</p> +<p>“Ja, hè?” zei Dik. + +</p> +<p>“En een sik!” ging Jan voort. + +</p> +<p>“Bè, bè, bè-è-è-è!” blaatte de bok. + +</p> +<p>Jantjeʼs vreugde kende geen grenzen. +<a id="d0e1022"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1022">55</a>]</span></p> +<p>“O, hoor eens, hij kan schreeuwen ook. O, wat eene mooie stem,” riep Jan opgetogen. + +</p> +<p>In de vreugde zijns harten liep hij op den bok toe en wilde hem zijne armen om den nek slaan, maar de bok scheen daar niet +van gediend, want hij ging op zijne achterpooten staan, stak den kop omlaag en drukte zijn groote, kromme horens zoo stevig +tegen Jans smalle buikje, dat Jantje achterover tegen het houten beschot terecht kwam. + +</p> +<p>“O, dat mag hij wel doen,” zei Jantje, die in zijn bok allerminst eenige kwade eigenschap wilde ontdekken. Maar toch kroop +hij schielijk overeind en maakte zich uit de voeten. + +</p> +<p>“Toe Vader, mag hij eens uit den stal komen?” vroeg hij, want dáár kon de bok hem niet tegen een muur stooten. + +</p> +<p>“Wel zeker,” zei Dik, die het wel grappig gevonden had, toen de bok zijn zoontje zoo onvriendelijk ontving. + +</p> +<p>Hij maakte den bok los en bracht hem in den tuin. Eigenlijk was de tuin alleen bleekveld. Hij was rondom door schuren omringd, +behalve aan den achterkant, waar zich een breede sloot bevond. Jantje mocht daar soms wel eens graag hengelen. + +</p> +<p>Toen de bok den stal verlaten had en rondom zich het welige gras ontdekte, begon hij dadelijk te grazen. Jantje ging bij hem +staan, en streelde hem met zijne hand langs den nek. + +</p> +<p>Hij was méér dan blij met zijn verjaargeschenk; hij had wel kunnen gieren van blijdschap. De bok liet hem stilletjes begaan, +ook toen Jan hem zijn arm om den hals sloeg. + +</p> +<p>“Wat is hij mak, Vader,” zei hij. + +</p> +<p>“Ja, daar heb ik hem ook op gekocht,” zei Dik. “ʼt Moet een mak beest zijn, en een flink looper.” +<a id="d0e1043"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1043">56</a>]</span></p> +<p>“Hè ja, nu moest ik ook nog een wagen hebben,” zei Jantje begeerig. “Wat zou ik rijden.” + +</p> +<p>Vol teederheid liet hij zijn beide handen langs het lichaam van zijn bok glijden, en hij streelde het korte staartje. De bok +scheen het in ʼt geheel niet onpleizierig te vinden, en deed niet anders dan eten. + +</p> +<p>“Zou ik er zoo ook op kunnen rijden?” vroeg Jantje. + +</p> +<p>“Wel ja, ik denk het wel,” zei Dik. “Hij is sterk genoeg, en zal niet in tweeën breken.” + +</p> +<p>Dat vond Jantje heerlijk, en met een wip sprong hij op den bok. Maar deze vond het allesbehalve prettig. Hij sprong met zijn +achterpooten in de hoogte, om Jantje van zijn rug af te gooien, en toen dat niet hielp, sprong hij met de voorpooten omhoog. + + +</p> +<p>Vader Dik schaterde het uit van de pret. + +</p> +<p>“Houd je goed, Jantje”, riep hij zijn zoontje toe. “Laat je niet van de vliegen steken!” + +</p> +<p>“Be, bè, bè-è-è-è!” schreeuwde de bok nijdig. Het beest was meer dan kwaad. Opeens nam hij een grooten sprong, zoodat Jantje +toch haast van zijn rug afviel, en zette het op een loopen. Met echte bokkesprongen holde hij het bleekveld over. ʼt Ging +vliegensvlug, en Jantje vond ʼt razend prettig. Zijn Vader ook. Die moest er onbedaarlijk om lachen. + +</p> +<p>De bok was echter op een hem onbekend terrein, en daar hij te kwaad was om goed uit zijn oogen te kijken, sprong hij opeens +pardoes in de sloot. Dat gaf een plons van belang, en voor een oogenblik waren èn bok èn berijder onder ʼt water verdwenen. + + +</p> +<p>Toen lachte Dik niet meer. Integendeel, een hevige schrik maakte zich van hem meester, en hij ijlde naar den slootkant. Maar +daar zag hij niets. + +</p> +<p>Ja toch, er verscheen een hoofd boven water.... +<a id="d0e1066"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1066">57</a>]</span></p> +<p>Helaas, ʼt was de kop van den bok. ʼt Kroos zat hem aan de groote kromme horens. + +</p> +<p>“B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!” blaatte hij angstig. + +</p> +<p>“Jantje! Jantje!” schreeuwde Dik. + +</p> +<p>Daar verscheen ook Jantjeʼs hoofd boven de oppervlakte. + +</p> +<p>“Vader, ... help, ... ik ... hik, hik, ... ik, hik verdrink!” + +</p> +<p>Dik bukte zich en greep Jantje bij de haren. + +</p> +<p>“B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!” schreeuwde de bok. + +</p> +<p>Dik trok zijn zoontje op den wal. Daar stond het kereltje, druipend van het water. + +</p> +<p>“O Vader, mʼn bok! Mʼn bok!” jammerde Jantje. + +</p> +<p>Dik boog zich nogmaals, en greep met beide handen de horens van den bok. ʼt Kostte hem echter vrij wat moeite om het beest +op den wal te krijgen, doch het gelukte hem toch. + +</p> +<p>Jantje werd naar binnen gestuurd, om droge kleeren aan te trekken, en de bok moest in den stal. + +</p> +<p>Moeder Anneke was ook niet weinig geschrokken, want zij had het angstgeschreeuw duidelijk gehoord. Zij stond op,—want dat +alles gebeurde zeer vroeg in den morgen—en hielp Jantje aan droge kleeren. + +</p> +<p>De kleine vent stond te bibberen van de koû, maar hij was toch erg blij met zijn bok. + +</p> +<p>“B-b-b-b-b—wat een b-b-b-b—mooie b-b bok, Moeder,” zei hij opgetogen, terwijl de rillingen hem langs zijn mageren rug gingen. +En zijn spillebeentjes trilden zoo erg, dat Jantje er haast niet op staan kon. + +</p> +<p>“Dat was me daar ʼn mooie geschiedenis!” zei Dik binnenstappende. “Jantje ging op den bok zitten, en daar sprong me dat beest +pardoes in de sloot. ʼt Was een bespottelijk gezicht.” + +</p> +<p>“Leeft hij b-b-b-b-b-nog, Vader?” vroeg Jantje. +<a id="d0e1099"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1099">58</a>]</span></p> +<p>“Of hij!” zei Dik. + +</p> +<p>“Zou hij b-b-b-b—niet dood—b-b-b-b gaan?” vroeg Jantje, niet zonder eenigen angst, dat het koude bad zijn mooien bok kwaad +kon hebben gedaan. En hij vervolgde: + +</p> +<p>“Hè b-b-b-b, dat hemd is b-b-b-b-lekker warm, Moeder. Brrr, wat ben ik koud.” + +</p> +<p>“Ja, dat wil ik wel gelooven,” zei Dik, “Je gaat ook direct weer naar je bed, om goed warm te worden, door en door warm.” + + +</p> +<p>Jantje had daar wel niet veel ooren naar, maar het gebeurde toch. Enkele minuten later lag hij weer diep onder de wol. Daar +werd hij al spoedig lekker warm, want zijn moeder had er nog een paar dekens extra bijgedaan. + +</p> +<p>Lang hield Jantje het er echter niet uit. Een half uur later kreeg hij zijn Zondagsche pak aan en stapte hij naar buiten, +om weer naar zijn bok te gaan kijken. Deze stond heel rustig bij den hit gemaaid gras te eten, en hij keek Jantje aan of hij +zeggen wou: + +</p> +<p>“Dat was een rare geschiedenis, hè Jan?” + +</p> +<p>Jan kon zijn bok niet genoeg aankijken, zoo mooi vond hij hem. + +</p> +<p>“He,” dacht hij, “als ik nu een wagentje had en een tuig, dan was ik heelemaal klaar. Wat zou ik dan heerlijk rijden. Had +ik vast maar een wagentje, dan zou ik zelf wel een tuig maken. Karel van Dril zal er me wel aan helpen.—Wacht, daar hoor ik +Grootvader in zijn tuintje. Ik ga gauw naar hem toe, om het te vertellen, dat ik zooʼn mooien bok heb gekregen.” + +</p> +<p>Vlug begaf hij zich naar de woning van zijne grootouders. Zijn Grootmoeder kwam hem al tegemoet, en féliciteerde hem met zijn +verjaardag. En ze zei: + +</p> +<p>“Ga maar gauw mee naar Grootvader in den tuin.” + +</p> +<p>“En o, Grootmoê,” zei Jan, “ik heb zooʼn prachtigen <a id="d0e1124"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1124">59</a>]</span>bok gekregen van Vader en Moeder, toch zòò mooi, o zoo mooi!” + +</p> +<p>Grootmoeder sloeg van verbazing de handen in elkaar. + +</p> +<p>“Een bok?” riep zij opgetogen uit. “Een echte, levende bok?” + +</p> +<p>“Ja, ja, een echte levende bok, en we hebben samen al in de sloot gelegen ook. Ik zat boven op zijn rug, en toen vloog hij +van kwaadheid de sloot in. Vind u het niet heerlijk, Grootmoe?” + +</p> +<p>“Dat je in de sloot gelegen hebt?” + +</p> +<p>“Neen, dat ik een bok heb,” lachte Jantje. Samen gingen ze den tuin in, naar Grootvader. + +</p> +<p>Deze kwam hem vroolijk lachend tegemoet. + +</p> +<p>“Dag Jan, wèl geféliciteerd met je verjaardag.” + +</p> +<p>“Dank u, Grootvader!” schreeuwde Jantje, die wel wist, dat Grootvader hem anders niet verstond. “Ik heb een bok gekregen! +O, zoo mooi. Gaat u mee kijken?” + +</p> +<p>“Wat moet jij met eene klok doen, kind?” vroeg Grootvader, die zich hield, of hij hem niet verstaan had. + +</p> +<p>“Neen, neen, geen klok, maar een bok!” schreeuwde Jantje. + +</p> +<p>“Een bok? Wat heb je aan een bok, als je geen wagentje hebt?” ging Grootvader plagend voort. “Ik zou hem maar aan den slager +verkoopen!” + +</p> +<p>Jantje keek zijn Grootvader diep verontwaardigd aan. + +</p> +<p>“Dat nooit!—Nooit, hoor Grootvader!” riep hij uit. + +</p> +<p>Grootvader scheen hem echter niet te hooren. Hij stond in gedachten verdiept, en streek met zijn wijsvinger peinzend langs +zijn neus. Eindelijk zei hij: + +</p> +<p>“Wacht eens, Jan. Ik geloof, dat ik nog wat ouden rommel heb, waar misschien wel een wagentje van gemaakt kan worden. Ga maar +eens mee naar ʼt schuurtje.” + +</p> +<p>“Dat zou mooi wezen, Grootvader,” zei Jantje blij. + +</p> +<p>De schuur werd geopend, en daar stond me zoo waar <a id="d0e1160"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1160">60</a>]</span>een prachtige bokkewagen kant en klaar. Grootvader had hem zelf getimmerd, heel stilletjes, zoodat Jantje er niets van gemerkt +had. O, o, wat lachten Grootvader en Grootmoeder ondeugend. + +</p> +<p>“Wel, hoe lijkt je dat, Jan? Vind je dat wagentje mooi?” + +</p> +<p>Jantje werd beurtelings bleek en rood, want hij begreep wel, dat het wagentje voor hem was, en toch durfde hij het haast niet +te gelooven. + +</p> +<p>“Of ik het mooi vind?” stamelde hij met bevende lippen, “ʼt Is prachtig mooi, Grootvader, prachtig, prachtig mooi!” + +</p> +<p>En meteen vloog hij Grootvader om den hals en kuste hem, dat het klapte, en toen kreeg Grootmoeder eene beurt. Zij bezweek +er bijna onder. + +</p> +<p>Jantjes vreugde kende geen grenzen. Hij nam het lemoen op, en trok het wagentje naar zijn huis, waar Vader en Moeder het dadelijk +moesten zien. + +</p> +<p>“Had ik nu nog maar een tuig,” zei Jantje, “dan was ik heelemaal klaar. Ha, wat zou ik rijden!” + +</p> +<p>“In de hangkast liggen nog wel een paar oude riemen,” zei zʼn moeder. “Daar is misschien, als Grootvader of Vader je helpen +wil, nog wel een goed tuigje van te maken.” + +</p> +<p>“Oude riemen?” zei Jantje, “hebben wij nog oude riemen? Die zouden mij goed te pas komen.” + +</p> +<p>Hij deed de deur open. Zijne ouders stonden lachend naar hem te kijken. + +</p> +<p>In plaats van een paar oude riemen zag Jantje tot zijne groote verrassing een prachtig bokketuig hangen, als een geschenk +van zijne moeder. + +</p> +<p>Hij slaakte een kreet van vreugde, nam het tuig uit de kast, en begon als een dolle door de kamer te springen. + +</p> +<p>“Rinkinkeleking! Ringeling! Rinkinkeling-king!” klonk het. Dat kwam van de bellen, die met twee mooie pluimen op het tuig +bevestigd waren. +<a id="d0e1186"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1186">61</a>]</span></p> +<p>“Hoor eens! Hoor eens!” riep Jantje verrukt. “O, o wat mooi. O, ik weet zelf niet, hoe mooi het is. Nu den bok inspannen, +Vader! Laten we hem dadelijk inspannen!” + +</p> +<p>Dat gebeurde. De bok werd uit den stal gehaald en voor den wagen gezet. De tuigen werden hem omgehangen, en Jantje stapte +in. + +</p> +<p>“Waar is mijn zweep?” vroeg hij. + +</p> +<p>“Hier,” zei Dik. “Maar één ding mag je nooit vergeten: sla den bok niet, als het niet noodig is.” + +</p> +<p>“Slaan, Vader?” vroeg Jantje. “O neen, mijn bok sla ik niet. De zweep is alleen maar voor ʼt mooi. Huup bok! Allo!” + +</p> +<p>Daar ging de bok, tot groote vreugde van Jantje, die in het wagentje zat als een kleine prins. Zijn ouders en grootouders +keken hem lachend na, want zij vonden het bijna even prettig als Jantje zelf. + +</p> +<p>“Als hij maar niet in de sloot rijdt!” zei zijne moeder, die wel een beetje bezorgd was. + +</p> +<p>“Laat hem maar begaan,” zei Dik met vadertrots. “Hij is mans genoeg, de kleine baas. Wat is ʼt een mooi stelletje, hè?” + +</p> +<p>En grootvader zei: + +</p> +<p>“Wil ik je eens wat zeggen, Dik? Jantje is ook een bizonder kind,—en dat is-ie.” + +</p> +<p>“Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou,” lachte Dik. + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e1209" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Zevende Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>Hoe Jantje uit rijden ging, en bij slot van rekening een dwaze vertooning maakte.</p> +</div> +<p>Wat reed Jantje heerlijk. Zijn bok stapte parmantig over den weg, met den kop fier opgeheven, en Jantje hield de <a id="d0e1217"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1217">62</a>]</span>leidsels in de eene en de zweep in de andere hand. De pluimen op den rug van den bok wuifden sierlijk heen en weer, en de +bellen rinkelden zoo mooi, dat het een lust was om te hooren. + +</p> +<p>Eerst reed Jantje natuurlijk naar zijn vriendje Karel van Dril, en die keek zijne oogen uit naar ʼt mooie spannetje. Hij was +er jaloersch op, maar hij gunde het Jantje toch wel. En zijn vader, de smid Piet van Dril, kwam ook naar buiten, om het mooie +span te bewonderen. + +</p> +<p>“Dat is een prachtig stelletje, Jan!” zei hij, nadat hij Jantje gefeliciteerd had. “De bok is mooi, de wagen is mooi, het +tuig is mooi, en het koetsiertje is ook mooi.” + +</p> +<p>“Alleen een beetje mager,” zei Jan Vos, de metselaar, die juist voorbij liep. + +</p> +<p>“Mag ik met je meerijden?” vroeg Karel. “Toe zeg, schik een eindje om, dan kom ik naast je zitten.” + +</p> +<p>Dat gebeurde, en de twee vrienden reden verder. + +</p> +<p>Al spoedig hadden zij heel wat jongens om hen heen, die het allen een mooi gerij vonden. En allen vroegen om de gunst, of +zij ook eens een eindje mochten rijden. + +</p> +<p>“Toe Jan, mag ik ook eens?” vroeg de een. + +</p> +<p>“Neen zeg, laat mij dan liever,” zei een ander. Jan antwoordde niet veel, want hij wist wel, dat daar geen beginnen aan was. +Hij kon alle jongens van het dorp toch niet bij zich in het karretje nemen. + +</p> +<p>Maar de jongens werden er niet boos om. Zij begrepen zelf wel, dat het niet ging, en vonden het al prettig met den bok mee +te loopen. + +</p> +<p>“Huup sik! Huup sik!” riepen de jongens. Maar de bok had zijn eigen willetje en liet zich niet voortjagen. Hij stapte met +krachtigen tred verder, zonder zich aan het roepen van de jongens te storen. + +</p> +<p>Dicht bij de school kwamen zij Klaas Zwart tegen met <a id="d0e1241"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1241">63</a>]</span>diens vriendje Frans Thor. De jongens hielden niet van hen en gingen liever niet met hen om, want ʼt waren twee vervelende +jongens. + +</p> +<p>Zij hadden altoos ontzaglijk veel praats, konden niemand ongemoeid passeeren, wierpen winkeldeuren open, trokken onnoodig +bij de menschen aan de schel, en plaagden, waar zij maar plagen konden. Aan Klaas Zwart had Jantje al een hekel gehad, zoolang +hij hem kende, omdat hij een klikspaan was. Frans Thor was later op het dorp komen wonen. Hij was een verwaarloosde ruwe jongen, +die geen moeder had en met zijn vader samen in een huisje woonde. Zijn vader was soldaat in Indië geweest, en leefde van een +pensioentje. Hij deed zijn huishouden zelf, veegde zelf den vloer, kookte zijn eigen potje, en maakte zelf de bedden op. Om +de opvoeding van Frans bekommerde hij zich bizonder weinig. Algemeen stond hij bekend als een pochhans, die wel heel veel +wist te vertellen van zijn heldendaden in Indië, maar die er zooveel bij jokte, dat hij door niemand werd geloofd. En Frans +jokte ook niet zooʼn beetje. Al spoedig had hij op het dorp geen vriendje meer kunnen krijgen, en daar Klaas Zwart in hetzelfde +geval verkeerde, liepen ze meestal samen. En ze deden gewoonlijk niet veel goeds. + +</p> +<p>Zoodra zij den bok van Jan in ʼt oog kregen, kwamen zij haastig toeloopen, elk met een stok in de hand. + +</p> +<p>“Wel heb ik van mʼn leven!” riep Frans uit. “Kijk Jan Trom eens geuren! Huup Sik, allo, vooruit!” + +</p> +<p>Maar de bok stoorde zich aan dat bevel niet, en bleef kalmpjes doorstappen. Hij hief den kop eventjes op, en keek Frans aan. + + +</p> +<p>“ʼt Is het bokje wèl!” ging Frans voort. “Hij loopt niet harder dan een slak. Zeg Jan, je moet hem eens met de zweep kietelen, +dan zal hij wel beter voortmaken.” +<a id="d0e1253"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1253">64</a>]</span></p> +<p>“Hij loopt hard genoeg,” zei Jan. “Toe bok, vooruit!” + +</p> +<p>“ʼt Is een oud, afgeleefd beest!” zei Klaas Zwart smalend. “Hij heeft de rumathiek in zijn pooten.” + +</p> +<p>“Als jij maar niet de rumathiek hebt,” gaf Jan beleedigd ten antwoord. “Hij kan harder loopen dan jij.” + +</p> +<p>“Ha, ha!” lachte Klaas. “Zooʼn stijve huut. Je moet hem smeren met machine-olie; zijne botten zijn wat stijf.” + +</p> +<p>“Met stok-olie!” zei Frans Thor grinnekend, terwijl hij den bok een klap met zijn stok op den rug gaf. + +</p> +<p>De bok ging op zijn achterpooten staan. + +</p> +<p>Jan werd wit van kwaadheid, en Karel van Dril zei: + +</p> +<p>“Wil jij met dien stok wel eens van hem afblijven, of ik zal je met datzelfde houtje je portie geven.” + +</p> +<p>Die bedreiging hielp voor een poosje. Maar nu gingen Frans en Klaas van achteren tegen het karretje duwen, zoodat de bok gedwongen +werd op een draf te loopen. De andere jongens hielden zich een beetje op een afstand, want ze waren bang voor de twee plaaggeesten, +vooral voor Frans Thor, die een paar jaar ouder was. + +</p> +<p>Jan hief zijn zweep op, en wilde de jongens dwingen de kar los te laten. Maar Frans greep de zweep onverwachts aan, en rukte +haar Jan uit de handen. + +</p> +<p>“Wat denk jij wel, magere sprinkhaan,” zei hij sarrend. “Denk je soms, dat ik bang voor je ben? Voor geen tien zulke kereltjes +als jij. Ho, bok, ho!” + +</p> +<p>De bok liep echter door, en daarom hielden Frans en Klaas de kar zoo hard zij konden tegen. + +</p> +<p>Jan keerde zich driftig om. + +</p> +<p>“Laat je de kar los!” riep hij hun toe. “Laat los, zeg ik je, of ik sla er op!” + +</p> +<p>De twee plaaggeesten lachten hem smakelijk uit. Karel van Dril was zijn drift ook niet langer meester, en wilde van de kar +stappen. Maar Jan hield hem tegen. +<a id="d0e1284"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1284">65</a>]</span></p> +<p>“Hier,” zei hij, “houd jij de leidsels even vast.” + +</p> +<p>Vlug sprong hij uit de kar, en nog voor Frans er op verdacht was, vloog Jan op hem aan. Deze zag wit van kwaadheid. Met eene +vlugge beweging rukte hij hem de zweep uit de hand, en in ʼt volgende oogenblik had Frans een geduchten striem dwars over +zijn gelaat te pakken. + +</p> +<p>Klaas Zwart zag, dat het ernst werd en maakte, dat hij op een eerbiedigen afstand kwam, want hij was laf van aard. Maar Frans +niet. Deze was de grootste en sterkste, en de zweepslag had hem vreeselijk nijdig gemaakt. Hij kon een kreet van pijn niet +onderdrukken, en de tranen sprongen hem in de oogen. Woest viel hij op Jan aan, die de zweep alweer opgeheven had, om hem +een tweeden striem te geven. + +</p> +<p>“Laat de kar los, zeg ik je!” riep hij Frans toe. + +</p> +<p>“Dat zal ik,” antwoordde Frans, en hij greep Jan met beide handen aan. Jan liet zijne zweep op den grond vallen, om zich beter +te kunnen verweren. + +</p> +<p>“Geef hem zijn portie, Frans!” schreeuwde Klaas Zwart uit de verte. “Als je ʼt alleen niet afkunt, zal ik je wel komen helpen.” + + +</p> +<p>“Daar moest je ʼt hart eens toe hebben,” riep Karel van Dril terug. “Dan krijg je ʼt met mij te doen.” + +</p> +<p>De twee jongens waren geducht met elkaar aan ʼt worstelen, en iedereen dacht, dat Frans het gemakkelijk winnen kon, omdat +hij zooveel ouder en sterker was, maar Jantje was de vlugste. Hij wist al spoedig tusschen Fransʼ armen door te glippen, liet +zich vliegensvlug op zijne knieën vallen, greep Frans bij de beenen, en liet hem in een ommezien een buiteling maken. Daar +lag Frans lang-uit op den grond, tot groot vermaak van de jongens, die hem zijne smadelijke nederlaag van harte gunden. + +</p> +<p>“Ha, ha, daar ligt de praatsmaker!” riepen ze juichend. “Waar blijf je nu met je praats?” +<a id="d0e1303"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1303">66</a>]</span></p> +<p>Jan nam den stok van Frans en gaf hem een geducht pak slaag, veel te hard naar den zin van Frans, die schielijk overeind kroop, +en beenen maakte. + +</p> +<p>Wat werd hij uitgelachen! En wat hadden de andere jongens een pret. + +</p> +<p>Maar Klaas Zwart en Frans Thor lachten niet, en Frans was niet van plan den strijd op te geven. + +</p> +<p>Jan stapte weltevreden over de behaalde overwinning weer in zijn karretje, nam de leidsels van Karel over, en zei: + +</p> +<p>“Huup bok! Vooruit maar weer.—Dat viel Frans Thor niet meê, hè Karel? Wat heeft hij gehad!” + +</p> +<p>“En wat buitelde hij lekker over den grond,” grinnikte Karel vroolijk. “Zij zullen wel niet spoedig terugkeeren.” + +</p> +<p>Dat had hij echter mis. + +</p> +<p>Frans en Klaas stonden eerst van uit de verte een poosje te schelden. + +</p> +<p>“Magere sprinkhaan!” schreeuwde Frans. + +</p> +<p>“Panlat!” smaalde Klaas. + +</p> +<p>Maar langzamerhand kwamen zij naderbij. Zij liepen al scheldend een eindje voor den bok uit. + +</p> +<p>“Hij is zoo oud als je grootvader!” schreeuwde Klaas. + +</p> +<p>“Verkoop hem aan den slager!” zei Frans. “Die kan misschien nog worst van hem hakken.” + +</p> +<p>“Niets terugroepen, Jan,” raadde Karel aan. “Dan hebben zij er het minste pleizier van.” + +</p> +<p>De afstand tusschen den bok en de twee scheldende jongens werd voortdurend kleiner. De bok stapte flink, de pluimen op zijn +rug wapperden prachtig, en de bellen rinkelden helder en luid. Jantje genoot méér, dan hij zeggen kon. ʼt Verveelde hem echter +geducht, dat die twee akelige jongens vlak voor zijn bok bleven loopen. Dat vergalde zijn genoegen. En zij hielden niet op, +den gek met zijn bok te steken, wat hem erg griefde. +<a id="d0e1334"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1334">67</a>]</span></p> +<p>Klaas Zwart ging eindelijk vlak voor den bok loopen. Dan liep hij erg kreupel en met kromme beenen, en riep voortdurend: + +</p> +<p>“Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!” + +</p> +<p>De bok lichtte zijn kop op en keek den jongen nijdig aan. ʼt Scheen wel, of hij begreep, dat die jongen hem voor den gek hield. + + +</p> +<p>“Bè-è-è-è! Bè-è-è-è! schreeuwde Klaas plagend. “O, wat heb ik ʼn rumathiek in mijn pooten. Bè-è-è-è!” + +</p> +<p>De bok schudde den kop, en riep ook: + +</p> +<p>“Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!” + +</p> +<p>“Zie je wel, hij is het met mij eens!” grinnikte Klaas, die met kromme beenen en in een gebogen houding voor den bok uitliep. + + +</p> +<p>Plotseling schoot de bok op een drafje vooruit, wat zoo overwachts gebeurde, dat Jan en Karel bijna achterover uit de kar +sloegen. Daarop sprong de bok op zijn achterpooten overeind, en gaf Klaas zooʼn geduchten stomp in zijn rug, dat deze voorover +op den weg tuimelde. + +</p> +<p>“Au, au, au, o, wat is dat!” schreeuwde Klaas. + +</p> +<p>“Bom!” daar drukte de bok hem nog eens met kracht zijne horens in den rug. + +</p> +<p>“Au, au, o, o, au!” jammerde Klaas. + +</p> +<p>Op handen en voeten poogde hij zich te redden. + +</p> +<p>“Bom!” + +</p> +<p>De bok drukte hem nogmaals plat op den grond. + +</p> +<p>Klaas zag doodsbleek van den schrik. Hij spartelde met armen en beenen, en schreeuwde moord en brand. + +</p> +<p>Jan en Karel vielen haast uit de kar van het lachen, ʼt Was dan ook een bespottelijk gezicht. + +</p> +<p>Klaas wist geen raad van angst en pijn. + +</p> +<p>“Help!” riep hij. “Frans, help,—help! Hij maakt me dood!” +<a id="d0e1371"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1371">68</a>]</span></p> +<p>Hulp was echter niet meer noodig, want de bok hield uit eigen beweging met zijn afstraffing op. Hij dacht zeker, dat Klaas +het er zóó wel meê doen kon. Zonder zich aan de leidsels te storen, keerde hij om, en stapte bedaard verder in de richting +van Janʼs huis. Dat was maar goed ook, want het werd tijd, dat Jantje naar huis ging om te ontbijten. ʼt Was al over achten, +en om negen uur begon de school. + +</p> +<p>Jan en Karel schoten telkens nog in een lach, als zij aan het malle figuur van Klaas dachten. + +</p> +<p>“Hij zal nu wel ondervonden hebben, dat de bok niet rumathiekerig is, en dat hij nog kracht in zijne horens heeft,” meende +Jantje, en dat was Karel volkomen met hem eens. + +</p> +<p>En wat Vader Dik lachen moest, toen hij het hoorde. + +</p> +<p>“ʼt Is bepaald een verstandige bok,” zei hij tegen Jan. “Hij begreep wel, dat die jongen hem voor den gek hield. Maar voortaan +zal Klaas Zwart hem wel uit de voeten blijven.” + +</p> +<p>“Dat denk ik ook,” zei Jan. + +</p> +<p>Den geheelen dag op school moest hij, of hij wilde of niet, aan zijn mooien bok denken, en aan het leuke karretje, dat zijn +grootvader voor hem getimmerd had, en aan het prachtige tuig met de pluimen en de rinkelbellen, en de meester had een onoplettenden +leerling aan hem, wat hij niet van hem gewoon was. ʼt Scheelde dan ook maar een beetje, of hij had zoowel ʼs morgens als ʼs +middags school moeten blijven. Bij ʼt rekenen maakte hij meer dan de helft van de sommen fout, en bij ʼt lezen wist hij niet, +waar hij beginnen moest. + +</p> +<p>De meester werd eindelijk knorrig op hem. + +</p> +<p>“Jij moest beter opletten, Jantje, anders worden wij kwade vrienden.” +<a id="d0e1390"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1390">69</a>]</span></p> +<p>Jan zat toevallig naast Klaas Zwart, en hij kon den jongen, niet aankijken, zonder te lachen. + +</p> +<p>“Heb je nog pijn in je rug?” vroeg hij fluisterend. + +</p> +<p>Klaas keek hem aan als een nijdige spin. + +</p> +<p>“Zou het misschien rumathiek kunnen wezen?” plaagde Jantje. + +</p> +<p>“Magere sprinkhaan! Panlat!” siste Klaas tusschen de tanden, en telkens voelde hij aan zʼn rug, die geducht pijn deed. + +</p> +<p>“Stilte daar!” gebood de meester. “Ik geloof, dat er een paar jongens zijn, die graag willen nablijven.” + +</p> +<p>Zoover kwam het echter niet, en om vier uur mocht Jantje naar huis. Karel holde met hem meê, dat spreekt van zelf. Kwart over +vieren stond de bok alweer voor de kar. De beide vrienden namen plaats, en daar ging het heen. De bok stapte weer even deftig +als ʼs morgens, en hij keek eigenwijs om zich heen, de bellen rinkelden en de pluimen wapperden. De jongens vonden het prachtig, +en zij reden het heele dorp door. ʼt Bleek een prettig dier te zijn. Als de jongens even uit de kar stapten, om naar een vink +te zoeken, die zij hoorden fluiten in het riet aan den kant van het kanaal, bleef hij geduldig wachten. Alleen ging hij een +weinigje zijwaarts, om op den berm wat gras te eten. + +</p> +<p>Een eindje voorbij de Roomsche kerk, die aan het einde van het dorp stond, was de timmerwinkel van baas Meijer, bij wien Jans +grootvader vroeger gewerkt had. Naast den winkel stond een kleine houtzaagmolen, want Meijer zaagde zijn hout zooveel mogelijk +zelf. Er lag dan ook altoos vóór dien molen in het kanaal een vlot balken in voorraad, en op die balken gingen de jongens +dikwijls spelen. Menigeen had daar al een paar natte voeten gehaald, en sommigen zelfs een nat pak. Want die balken waren +maar <a id="d0e1407"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1407">70</a>]</span>losjes aan elkander verbonden, en het gebeurde dikwijls, dat zij omkantelden, als de jongens er over liepen. Er behoorde dan +ook heel wat behendigheid toe, om geheel droog te blijven, als zij er op speelden. + +</p> +<p>Toen de jongens de houtzagerij bereikt hadden, zei Karel: + +</p> +<p>“Zeg Jan, willen we eventjes balkje-loopen? Dat is zoo lekker.” + +</p> +<p>Daar had Jantje wel zin in. + +</p> +<p>“Zou de bok blijven staan?” + +</p> +<p>“Wel ja,—de bok loopt niet weg. En al was dat zoo, dan kunnen we hem toch gemakkelijk genoeg inhalen.” + +</p> +<p>“Dat is zoo,” zei Jan. + +</p> +<p>De jongens stapten uit de kar. Jan keerde den bok om en bracht hem op een plaatsje, waar veel gras en klaver groeide. + +</p> +<p>“Daar staat hij heerlijk!” zei hij. + +</p> +<p>Toen gingen de jongens op het vlot, en wipten van den eenen balk op den anderen. Soms stonden zij met de armen om elkaars +hals geslagen op het einde van een balk, die dan door hun zwaarte langzaam onder water zonk. Maar vóórdat het water hun voeten +bereikte, sprongen zij vlug naar het hooger gelegen deel van den balk. + +</p> +<p>En dan lachten zij luidkeels van de pret. + +</p> +<p>Dat deden zij ook, als een van de balken onder hunne voeten omkantelde, want dan moesten zij zich door vlugge sprongen redden. + + +</p> +<p>Jantje was een echte waaghals. Dat kwam, omdat hij verbazend lenig was en nog nooit een ongeluk had gehad. + +</p> +<p>“Ik moet een beetje voorzichtig wezen,” zei hij wijs tegen Karel. + +</p> +<p>“Waarom?” vroeg deze. + +</p> +<p>“Wel, ik heb mijn Zondagsche pak aan, doordat ik van <a id="d0e1439"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1439">71</a>]</span>morgen vroeg kopje-onder in de sloot gelegen heb. En als ik nu met mijn mooie pak weer in ʼt water viel, zou Moeder me zien +aankomen, dat begrijp je. Jongen, wat zou ik er van lusten!” + +</p> +<p>“Nou, dat snap ik,” zei Karel. + +</p> +<p>En nauwelijks had hij dat gezegd, of hij merkte, dat zijn paal omkantelde en dat hij dus veel kans had, naar beneden te rollen. +Met een vlugge beweging sprong hij op den balk, waarop Jan stond, maar door den schok kantelde deze ook. + +</p> +<p>Plomp! Daar zakte Jantje tot aan zijn middel in het kanaal. Karel viel achterover op het vlot, zoodat hij vrij droog bleef. + + +</p> +<p>“O wee!” schreeuwde Jantje, met groote oogen van schrik en angst. Hij had zijn arm nog om den paal geslagen. + +</p> +<p>Vlug als hij was, hief hij zich met kracht in de hoogte, en in ʼt volgende oogenblik stond hij weer op het vlot. ʼt Water +droop hem uit zijne Zondagsche broek langs zijne dunne beentjes naar beneden. + +</p> +<p>Karel schaterde het intusschen uit van pret. + +</p> +<p>Maar Jantje lachte in ʼt geheel niet. Hij stapte zonder een woord te spreken van het vlot af op den kant, en keek zwijgend +naar zijn natte broek. + +</p> +<p>Karel kwam bij hem. + +</p> +<p>“Wat zat je daar koddig met je hoofd boven dien paal uit!” zei hij lachend. “Ik wou, dat je het gezien hadt.” + +</p> +<p>“Ik vind het heelemaal niet koddig!” zei Jantje. “Ik kan me niet begrijpen, dat je dit nou zoo grappig vindt. Zeg Karel, ik +durf zoo niet naar huis toe, hoor.” + +</p> +<p>“O, ik weet wel raad,” zei Karel. “Trek allebêi je broeken uit en je kousen. Dan neem jij het eene einde en ik het andere, +en we draaien in tegengestelde richting. Op die manier wringen wij al het water er uit, en dan is het dadelijk droog.” +<a id="d0e1463"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1463">72</a>]</span></p> +<p>“Is het waar?” vroeg Jantje, met een flikkering van hoop in zijn oogen. + +</p> +<p>“Stellig!” zei Karel. “Vader heeft wel eens verteld, dat hij het ook deed, toen hij nog een jongen was. Trek maar uit.” + +</p> +<p>Dat deed Jantje, en al spoedig stond hij met bloote beenen in het gras. Toen gingen de twee jongens aan het wringen. Eerst +de onderbroek. Karel nam het bovengedeelte en Jantje de pijpen. Karel draaide van rechts naar links, en Jantje van links naar +rechts. En zij waren zoo in die bezigheid verdiept, dat zij niet zagen, dat Frans Thor en Klaas Zwart naderden, ieder weer +met een stok in de hand en niet veel goeds in den zin. + +</p> +<p>Deze twee hadden gezien, wat er gebeurd was, en daar zij nog boos waren over de nederlaag, die zij ʼs morgens hadden geleden, +besloten zij wraak te nemen. + +</p> +<p>Aan den anderen kant van den weg slopen zij zooveel mogelijk ongemerkt nader, en kwamen meer en meer bij de plaats, waar de +bok rustig stond te grazen. + +</p> +<p>Juist waren Jan en Karel met de onderbroek klaar gekomen, die zij op het gras uitspreidden om te drogen, toen de twee vijanden +met een woesten kreet opsprongen, vlak achter den bok, die er geweldig van schrikte. En dat werd nog erger, toen de jongens +hem met hunne stokken hard op den rug sloegen, en schreeuwden: + +</p> +<p>“Huup bok, huup bok! Allo! koesssss!” + +</p> +<p>De bok zette het verschrikt op een loopen, het dorp in. Hij holde voort, zoo hard hij kon. Van bokkendeftigheid was bij hem +geen sprake meer, hij holde voort als een wild paard. + +</p> +<p>“Koesssss! Koesssss!” schreeuwden Frans en Klaas hem na. + +</p> +<p>“Dát is gemeen!” riep Jan verschrikt en verontwaardigd <a id="d0e1484"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1484">73</a>]</span>uit, en zonder te bedenken, dat hij geen broek aan had, sprong hij op, en ijlde zijn bok na. + +</p> +<p>Maar deze was hem een geducht eind voor, en rende al midden in het dorp. Jantje liep wat hij loopen kon, om hem in te halen. + + +</p> +<p>De menschen bleven lachend staan, om de twee hardloopers na te kijken. ʼt Was dan ook een dwaas gezicht, dien bok te zien +hollen, met de rinkelende bellen en de wapperende pluimen op zijn rug, terwijl de leidsels langs de kar zwierden, maar nog +veel maller was het Jantje te zien, die zonder broek zijn bok naholde. + +</p> +<p>Jantje met zijne dunne beentjes liep het hardst. De keisteentjes deden wel pijn aan zijne bloote voeten, maar hij voelde het +niet, en dat de menschen om hem lachten, merkte hij evenmin. Hij dacht maar alleen aan zijn mooien bok. Tot zijn vreugde bemerkte +hij, dat hij op hem won, en dat hij hem misschien nog kon inhalen, voordat hij de brug had bereikt. + +</p> +<p>Plotseling echter zag hij, dat de bok gegrepen werd. Iemand met een mandje aan den arm sprong op den weg, en greep den bok +bij den teugel. Daar was Jantje blij om, tot hij opeens zag, dat die man zijn vader was. + +</p> +<p>“Hei, hei, wat is dat voor een malle vertooning?” riep Dik zijn zoontje toe, die hijgend bij den bok stond. + +</p> +<p>“De jongens hebben hem op hol gejaagd, Vader,” zei Jantje, die zijn vader een beetje uit de voeten bleef. + +</p> +<p>“Maar hoe komt het, dat jij hier zonder broek langs den weg rent?” ging Dik voort. + +</p> +<p>Jantje zweeg. + +</p> +<p>“Allo, spreek op, mannetje. Waar zijn je broeken, en je kousen en je klompen?” + +</p> +<p>“O Vader, ik had ... ik ... ik was ... ik ... had ... ik ...” + +</p> +<p>“Ik had en ik was en ik was en ik had!” viel zijn <a id="d0e1508"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1508">74</a>]</span>Vader in. “Ik was een ondeugende jongen en ik had een pak slaag verdiend, wil je zeker zeggen, hè?” + +</p> +<p>Jantje deed een paar stappen achteruit. + +</p> +<p>“Spreek op, Jantje, wat is er gebeurd?” + +</p> +<p>“Ik was in ʼt kanaal gevallen, Vader, en omdat ik mijn Zondagsche broek aan had, dorst ik niet thuis te komen, en toen...” + + +</p> +<p>“En toen?” + +</p> +<p>“Toen hebben Karel en ik mijn broek uitgewrongen, maar toen hebben Frans Thor en Klaas Zwart den bok op hol gejaagd...” + +</p> +<p>“En toen ben jij den bok achterna gehold?” vroeg Dik, en opeens begon hij er smakelijk om te lachen, want hij vond het een +koddige geschiedenis. + +</p> +<p>“Dat is tweemaal vandaag, Jantje!” zei hij. “Pas maar op, dat je er niet voor den derden keer invalt. Vooruit, stap in de +kar en haal je kleeren. En ik zou dat wringen verder maar aan Moeder overlaten. Je gaat direct naar huis, hoor.” + +</p> +<p>“Ja Vader,” zei Jantje, die blij was, dat het zoo goed afliep. “Maar van Frans en Klaas is het een gemeene streek.” + +</p> +<p>“Dat is het,” zei Dik. + +</p> +<p>Jantje stapte in de kar en reed naar het vlot terug, waar Karel op de natte plunje paste. Jan kleedde zich weer behoorlijk +aan, en reed naar huis terug. Zijn Moeder vond de geschiedenis lang zoo grappig niet als Vader Dik, maar omdat Jantje jarig +was, liep alles nog al goed voor hem af. Hij kon zijn daagsche pakje weer aantrekken, dat intusschen gedroogd was, maar met +den bok mocht hij dien avond niet meer rijden. + + + +<a id="d0e1530"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1530">75</a>]</span></p> +</div> +<div id="d0e1531" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Achtste Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>Jantje krijgt het met Flipsen te kwaad, en dankt aan zijne magere leden zijne redding uit een dreigend gevaar.</p> +</div> +<p>Hoe ouder Jantje werd, des te meer gingen zijne kameraden van hem houden. Dat was volstrekt geen wonder, want hij was een +aardige jongen met een goed hart. Van alles wat slecht en leelijk was, had hij een afkeer, en als sommige jongens nog wel +eens iets deden, waarvan groote menschen last of schade ondervonden, deed hij nooit meê. Eénmaal had hij appelen gestolen +in den tuin van Wobbe, waar de jongens dikwijls heengingen om vruchten weg te nemen, want Wobbe had een grooten boomgaard, +waarin heel veel lekkers groeide. Jantje had er nog nooit aan meêgedaan, maar eindelijk liet hij zich overhalen om ook meê +te gaan. ʼt Was op een herfstavond en ruw weer. De jongens slopen stilletjes naar de boerderij van Wobbe, die een eindje buiten +het dorp lag, en sprongen na elkander over de sloot. Zoo kwamen zij in den boomgaard. + +</p> +<p>Maar Wobbe had zich met een paar knechts verdekt opgesteld, want dat appelen stelen begon hem geducht te vervelen. Hij had +Flipsen, den veldwachter, wel gewaarschuwd, maar die werd een dagje ouder en maakte er niet veel werk van. + +</p> +<p>“Als je een van de dieven snapt, breng je hem maar bij me, dan zal ik hem wel mores leeren,” had hij gezegd. En hij had er +aan toegevoegd: “zelf zal ik ook wel een oogje in ʼt zeil houden.” + +</p> +<p>Wobbe was daarom besloten, zelf de handen uit de mouwen te steken, en had zich met zijne knechts op verschillende plaatsen +in den boomgaard verscholen. +<a id="d0e1545"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1545">76</a>]</span></p> +<p>Zij hadden er nog niet lang gezeten, toen zij de jongens hoorden komen. Zij merkten duidelijk, hoewel zij nog niemand zagen, +dat de jongens over de sloot sprongen. Wobbe en zijne knechts bleven, waar zij waren. Hunne afspraak was, de jongens tot midden +in den boomgaard te laten komen, en hen dan plotseling van drie kanten tegelijk te bespringen. + +</p> +<p>Jantje voelde zich in ʼt geheel niet op zijn gemak, en toen alle jongens al over de sloot waren, stond hij nog weifelend op +den weg. + +</p> +<p>“Pssst! Pssst!” hoorde hij zacht roepen, ʼt Was de stem van Karel van Dril. “Kom maar hier, Jan, alles is veilig.” + +</p> +<p>“O ja,” zei een ander, “kom maar gerust. Bij Wobbe brandt het licht in de huiskamer. Er is niet het minste gevaar.” + +</p> +<p>Jan kwam nader en sprong ook over de sloot. + +</p> +<p>De jongens gingen behoedzaam verder den boomgaard in. + +</p> +<p>“Hier!” riep er een. “Kijk eens, wat een prachtige appelen! De boom zit propvol!” + +</p> +<p>“Hier ook,” riep Karel van Dril een eindje verder. “Kom hier, Jan, hier zijn peren.” + +</p> +<p>Eerst waren de jongens bang en keken schuw rond, of er geen gevaar dreigde, maar toen alles stil bleef, steeg hun moed, en +liepen zij brutaal tot midden in den boomgaard. + +</p> +<p>Frans Thor en Klaas Zwart waren de brutaalsten. De jongens gingen weinig of nooit met hen om, maar soms sloot het tweetal +zich ongevraagd bij hen aan, en dan waren zij moeilijk te weren. + +</p> +<p>Frans had een stok bij zich en sloeg er mede tegen de takken. De appelen vielen naar beneden. + +</p> +<p>Maar hij kreeg geen tijd om ze op te rapen, want opeens werden zij van drie kanten tegelijk besprongen. + +</p> +<p>“Voorwaarts! Grijpt de dieven!” klonk de stem van Wobbe. Deze was een groote, sterke boer met harde handen. +<a id="d0e1572"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1572">77</a>]</span></p> +<p>Verschrikt vlogen de jongens uit elkaar. De een ijlde hier-, de ander daarheen. Klaas Zwart haastte zich zoo, dat hij in de +sloot viel. Tot aan zijn hals toe zakte hij in het water. Karel van Dril sprong over de sloot, Frans Thor ook, Gerrit Kikke +en Piet Vos kwamen er met natte voeten af, maar Jantje, die eerst niet wist, wat er gebeurde, liep den verkeerden kant op, +en vloog precies boer Wobbe in de armen. + +</p> +<p>“Loopen! Loopen, jongens!” riep Frans Thor. + +</p> +<p>Een van de knechts sprong over de sloot, en riep: + +</p> +<p>“Wij zullen eens zien, wie ʼt hardst kan loopen, kereltje!” + +</p> +<p>En hij liep Frans zoo hard hij kon achterna. + +</p> +<p>Dat werd een wedren van belang, want Frans was vlug ter been, maar de knecht nam veel grootere stappen. Frans hoorde zijne +stappen hoe langer hoe dichter achter zich. Eindelijk voelde hij zich bij den kraag van zijn jas grijpen. Hu, wat kneep die +knecht. Frans werd bijna geworgd maar toch wrong hij zich nog als een aal, om los te komen. Dat gelukte hem echter niet. De +knecht gaf hem een geducht pak slaag, en joeg hem voor zich uit, terug naar de boerderij. Daar beleefde Jantje intusschen +ook geen prettige oogenblikken, want Wobbe trok hem aan zijne ooren in de hoogte, tot zijn gezicht vlak voor dat van den boer +gekomen was. + +</p> +<p>Jantje gierde van de pijn! + +</p> +<p>“Ha zoo, kereltje, wat ben jij licht!” zei de boer met een boozen lach. “Jij bent te dun om appelen te eten, manneke. Hoe +heet jij?” + +</p> +<p>“Au, au!” schreeuwde Jantje, die spartelde als een mager varken. + +</p> +<p>“Heet jij au-au?” lachte de boer. “Magere langbeenige mug!” + +</p> +<p>“Au! Au!” huilde Jantje. +<a id="d0e1595"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1595">78</a>]</span></p> +<p>“Heet jij au-au?” herhaalde de boer driftig. + +</p> +<p>“Neen, au neen, ik heet Jan Trom! Au, au, laat me los asjeblieft!” + +</p> +<p>“Zoo, heet jij Jan Trom,” zei de boer. Hij liet Jantje weer zakken, tot hij op den grond stond, legde hem toen over zijne +knie, en gaf hem een geducht pak voor zijn broek. + +</p> +<p>ʼt Werd een warme geschiedenis voor Jantje, want de handen van den boer waren nog veel harder, dan hij ze zich voorgesteld +had. Zooʼn pak slaag had hij nog nooit van zijn leven gehad, en hij vreesde, dat er geen stuk van hem heel zou blijven. + +</p> +<p>Eindelijk liet Wobbe hem los. + +</p> +<p>“En maak nu, dat je wegkomt!” bulderde Wobbe hem toe, “of ik breng je nog bij Nero in het hondenhok. Die houdt wel van kluifjes, +al zijn ze mager.” + +</p> +<p>Dat liet Jantje zich geen tweemaal zeggen. Hij liep wat hij loopen kon, en ʼt viel hem meê, dat het nog zoo goed ging, want +hij dacht niet anders, of de boer had hem zijne beenderen stuk geslagen. Hij haastte zich zoo om over de sloot te komen, dat +het maar zus of zoo scheelde, of hij kwam in het water terecht. Maar dat liep gelukkig nog goed af. En toen vloog hij naar +het dorp terug. Zijn rooftocht was hem bitter slecht bevallen. + +</p> +<p>Even later hoorde hij de noodkreten van Frans Thor, die door den boer en zijn knecht onderhanden werd genomen. Jantje liep +dientengevolge nog harder. + +</p> +<p>“Hij lust er ook van!” mompelde Jantje, die in ijlende vaart voortholde, “hu, wat slaat die boer hard. Hoor Frans eens schreeuwen.” + + +</p> +<p>Na een poosje haalde hij Klaas Zwart in, die zoo hard niet loopen kon, omdat hij tot aan zijn hals toe in de sloot gezeten +had. Klaas huilde, want hij stelde zich de ontvangst thuis ook niet erg vriendelijk voor. +<a id="d0e1616"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1616">79</a>]</span></p> +<p>Jantje ging regelrecht naar huis met het stellige voornemen nooit meer appelen of peren te stelen. En ʼs avonds wreef hij +meermalen over zijn broek, omdat hij zooʼn pijn had. + +</p> +<p>De zaak was echter nog niet uit, want Wobbe vertelde den volgenden dag aan Flipsen, den veldwachter, welk eene gelukkige vangst +hij had gehad, en gaf hem de namen der schuldigen op. Zoo kwam het, dat Flipsen den winkel van Trom binnenstapte, waar Dik +juist bezig was een paar klanten te helpen. + +</p> +<p>Flipsen had altoos nog een kijkje op Dik, want hij was nog niet vergeten, wat Dik in zijn jeugd voor streken had uitgehaald. + + +</p> +<p>“Goeden avond, Dik!” zei hij. + +</p> +<p>“Dag Flipsen,” was het antwoord. “Wat is er van je dienst?” + +</p> +<p>“Niet veel moois, man. Ik kom je waarschuwen, dat je wel wat beter op je zoontje mag passen, want ʼt is erg, zooals hij op +het dorp huishoudt.” + +</p> +<p>“Zoo, zoo,” zei Dik verwonderd en ook een beetje ongeloovig want hij had nog nooit gemerkt, dat Jantje veel kwaad deed. “Is +het zóó erg, Flipsen? Wat heeft hij uitgevoerd! Jantje is anders zoo kwaad niet.” + +</p> +<p>Dik werd wel een beetje boos over den lompen uitval van Flipsen. + +</p> +<p>“Dat zeggen alle vaders en moeders van hunne kinderen,” hernam Flipsen. “Van hun eigen kinderen kunnen zij nooit kwaad hooren, +vooral wanneer ze zelf ook nooit gedeugd hebben.” + +</p> +<p>Dik werd nu erg boos. + +</p> +<p>“Wou je zeggen, dat <i>ik</i> nooit gedeugd heb?” vroeg hij driftig, en hij zwaaide zoo heftig met den strooplepel,—want hij was juist bezig een vrouwtje +aan een pond stroop te helpen,—dat Flipsen een flinken lik van dat goedje op de mouw van zijn jas kreeg. +<a id="d0e1642"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1642">80</a>]</span></p> +<p>“O, neem me niet kwalijk, dat is bij ongeluk,” zei Dik. + +</p> +<p>“Bij ongeluk! Bij ongeluk!” schreeuwde Flipsen verontwaardigd. “ʼt Is een schandaal! En ik zal proces-verbaal tegen je opmaken, +wegens beleediging van een politieman in dienst!” + +</p> +<p>Hij haalde zijn zakdoek te voorschijn om de stroop weg te vegen, en maakte de zaak daardoor nog veel erger. De stroop kwam +nu bijna over de geheele mouw. En Flipsen was altijd zoo keurig netjes op zijn uniform. + +</p> +<p>“Asjeblieft, juffrouw,” zei Dik. “Wenscht u nog iets?” + +</p> +<p>“Neen,” zei de vrouw, die haar lachen haast niet kon houden. + +</p> +<p>“Ik zeg,” schreeuwde Flipsen, “dat je wel wat op je lieve Jantje mag passen, of hij raakt nog in ʼt hok. Gisterenavond heeft +hij appelen en peren gestolen in den boomgaard van Wobbe, en dat zal wel niet de eerste keer geweest zijn, denk ik.—Die akelige, +ellendige stroop zit er zoo vast op, dat mijn heele jas bedorven is. ʼt Is meer...” + +</p> +<p>“Alleen de mouw maar,” zei Dik. “Ik dank je voor de boodschap, Flipsen. Ik zal er mijn zoontje over onderhouden.” + +</p> +<p>“Zoo vader, zoo zoon,” zei Flipsen nijdig, want hij dacht, dat Dik hem voor den gek hield. Met groote stappen liep hij den +winkel uit. + +</p> +<p>Toch waren die woorden Dik ernst geweest. + +</p> +<p>Hij herinnerde zich nog best, hoe hij in zijne jeugd ook vruchten gestolen had, en hoe hij tot inkeer gekomen was. + +</p> +<p>ʼs Avonds vertelde hij aan Jan, wat er in zijn kinderjaren gebeurd was, en hoeveel spijt hij er later over had gehad. + +</p> +<p>En Jantje beloofde hem, dat hij het nooit, nooit weer doen zou. Dik was er blij om toen hij hoorde, dat het Jantjeʼs eerste +strooptocht geweest was, en hij vertrouwde er stellig op, dat het ook de laatste zou geweest zijn. +<a id="d0e1667"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1667">81</a>]</span></p> +<p>Na dien dag keek Flipsen den zoon van Dik Trom nooit meer vriendelijk aan. Hij had een hekel aan Dik gehad, zoolang hij hem +had gekend, en dat sloeg nu op Jantje over. Dat kon deze zeer goed merken. Als hij met zijn bok uit rijden was en hier of +daar even uitstapte, wat nog al dikwijls gebeurde, zoodat zijn bok gelegenheid kreeg om wat gras of klaver van den berm te +eten, kwam Flipsen, zoodra hij dat zag, op hem af, en gaf een geducht standje. + +</p> +<p>“Die bok màg daar niet loopen, en nog veel minder van dat gras eten. Dat gras is immers niet van jou? Of heeft je vader misschien +den berm gepacht?” + +</p> +<p>“Neen Flipsen, dat geloof ik niet.” + +</p> +<p>“Ik weet het zeker. Dat gras is van Geurs, en je bok moet er afblijven. Als ik het weer zie gebeuren, zal ik er proces-verbaal +van opmaken, hoor je. Denk jij, dat je maar doen moogt, wat je wilt? Ik zal je dat wel anders leeren. ʼt Is gewoon diefstal, +maar daar storen jullie je niet aan, hè? Jij niet,—en je vader niet! Pas op je tellen, mannetje, of je loopt er nog eens geducht +tegen.” + +</p> +<p>Zijn vader lachte er om, toen Jan het hem vertelde. + +</p> +<p>“Gekheid, jongen, maak je maar niet ongerust. Als je geen grooter kwaad doet, is het nog al zoo erg niet, en zal Flipsen je +wel met rust laten. ʼt Is een nijdige kerel, die het allen menschen lastig maakt. ʼt Is ook al erg, dat die bok daar een mondje +gras of klaver eet. Dat doet mijn hit immers elken dag ook? En de menschen, die het gras van de publieke wegen pachten, weten +immers vooruit, dat zulke dingen niet te keeren zijn. Daarom betalen zij ook minder pacht. ʼt Is te gek om er van te praten, +Jan, en maak je maar niet ongerust. ʼt Zal zooʼn vaart niet loopen.” + +</p> +<p>Na dien tijd liet Jan zijn bok gewoon zʼn gang gaan, <a id="d0e1682"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1682">82</a>]</span>of Flipsen het zag of niet. Dat begon Flipsen geducht te vervelen, en eindelijk maakte hij er werkelijk proces-verbaal van +op. + +</p> +<p>“Jij heet Jan Trom, hè?” zei hij, zijn zakboekje te voorschijn halende. + +</p> +<p>“Ja,” zei Jan. + +</p> +<p>“Hoe oud ben je?” + +</p> +<p>“Tien jaar,” zei Jan. + +</p> +<p>“Zoon van Dik Trom, hè?” + +</p> +<p>“Ja wel.” + +</p> +<p>“En je erkent, dat je bok hier gras en klaver van den berm eet?” + +</p> +<p>“Ja,” zei Jan, “dat kan ik niet ontkennen.” + +</p> +<p>“Mooi zoo,” zei Flipsen, die zijn boekje met een flap dichtsloeg, “daar zal je wel meer van hooren, manneke. Jullie doet maar, +of er geen overheid bestaat. Maar ʼt zal je berouwen.” + +</p> +<p>Toen Jan het aan zijn vader vertelde, haalde deze glimlachend de schouders op. + +</p> +<p>“Wat bezielt dien man toch,” zei hij. “Maak je maar niet ongerust, ʼt is een storm in een glas water. We hooren er hoogstwaarschijnlijk +nooit meer iets van.” + +</p> +<p>Dat was ook zoo. Toen Flipsen met zijn proces-verbaal bij den burgemeester kwam, lachte deze den veldwachter hartelijk uit. + + +</p> +<p>“Ben je dwaas, Flipsen,” zei hij. “Denk je, dat we met zulke nesterijen bij den Officier van Justitie kunnen komen?” + +</p> +<p>“Maar burgemeester, ʼt is toch diefstal?” zei Flipsen knorrig. + +</p> +<p>“Dat beschouw ik niet als diefstal,” was het antwoord. “Op die manier zou een jongen zelfs geen konijntje meer kunnen houden, +als hij niet een beetje gras van den berm mag snijden. ʼt Is te mal om er van te praten.” + +</p> +<p>Hiermede kon Flipsen vertrekken, maar Jantje keek hij <a id="d0e1719"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1719">83</a>]</span>nooit meer vriendelijk aan. En dat zou nog erger worden, geheel buiten Janʼs schuld. + +</p> +<p>Op een avond waren Jan en Karel met nog een paar andere jongens aan het spelen op de markt, toen zij opeens een eigenaardig +puffend geluid hoorden. Verwonderd keken zij in het rond, om te zien, waar dat geluid vandaan kwam. En tot hun groote verbazing +ontdekten zij een wagen zonder paard er voor, die met groote snelheid langs den weg vloog. + +</p> +<p>“Boe!—Boe!—Boe!” klonk het geluid van een grooten horen. In den wagen zaten heeren en dames, die zich vreeselijk mal toegetakeld +hadden. Zij droegen groote stofbrillen voor de oogen, en zagen er uit als ijsberen. + +</p> +<p>ʼt Vreemde rijtuig was een automobiel, en wel de eerste automobiel, die het dorp, waar Jan woonde, met een bezoek vereerde. + + +</p> +<p>“Kijk, kijk!” riepen de jongens, “wat een gekke wagen!” + +</p> +<p>“Zij lijken wel van den Noordpool te komen,” merkte Jan op. “ʼt Is een wagen vol ijsberen. Kijk, daar houdt hij stil voor +de herberg van De Vries. Gaan jullie mee kijken?” + +</p> +<p>De jongens liepen, wat zij loopen konden, om bij het vreemde voertuig te komen. + +</p> +<p>“ʼt Is eene automobiel!” zei Karel van Dril. “ʼk Weet zeker, dat het eene automobiel is!” + +</p> +<p>“Gaat die door stoom?” vroeg Jan. + +</p> +<p>“Neen, ze stoken er benzine in, zei Vader. O, ze kunnen zoo hard rijden, wel zoo hard als een sneltrein.” + +</p> +<p>De jongens hadden den wagen spoedig bereikt, en bekeken hem aan alle kanten. De reizigers waren het café binnengegaan, om +iets te gebruiken. En al spoedig stonden er heel wat menschen om het vreemde voertuig, want velen hadden wel al van automobiles +gehoord of gelezen, maar nog slechts weinigen hadden er een gezien. +<a id="d0e1741"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1741">84</a>]</span></p> +<p>“Ik noem het een mooi ding!” merkte Jan wijs op. “Ik zou er mijn bokkewagen wel voor willen ruilen.” + +</p> +<p>“Wat je zegt!” zei Karel lachend. “Kijk, hij staat nog te trillen en te zuchten, of het een levend wezen is.” + +</p> +<p>“Hij is moê,” lachte Jan. “Hij staat uit te blazen. Die twee groote lantaarns voorop zijn net een paar oogen.—Zeg Karel, zooʼn +automobiel ga ik ook maken.” + +</p> +<p>“Je doet wat!” lachte Karel een beetje spottend. “ʼt Is maar geen kleinigheid. Je begrijpt toch, dat er een heele machinerie +binnenin zit?” + +</p> +<p>“O ja natuurlijk,” zei Jan. “Ik bedoel ook niet, dat ik een echte ga maken, want dat zou jou vader nog niet eens kunnen, en +die kan haast alles,—maar ik maak toch net een wagen als dit ding, wat ik je zeg.” + +</p> +<p>Op dit oogenblik kwamen de reizigers weer naar buiten en namen in de auto plaats. De chauffeur greep het stuurrad deed een +paar geheimzinnige grepen in den wagen, en er kwam leven in het monster. Het trillen en schokken werd heviger, en opeens schoot +het gevaarte met kracht vooruit. + +</p> +<p>“Poe! Poe! Poe!” toeterde de reusachtige horen. + +</p> +<p>De omstanders sprongen verschrikt op zijde, en een oogenblik later was de wagen uit het gezicht verdwenen. Hij vloog als het +ware langs den weg, de menschen in een wolk van stof achterlatende. + +</p> +<p>Jan stond het vreemde voertuig met open mond na te staren. En toen hij het niet meer kon zien, riep hij zijn makkers toe: + + +</p> +<p>“Dag!—Ik ga naar huis!” + +</p> +<p>Op een drafje liep hij weg. De auto had een overweldigenden indruk op hem gemaakt, en hij was besloten niet te rusten, voor +hij er ook een had. Wel een week lang bleef hij voor zijne kameraden onzichtbaar, behalve op school natuurlijk. Daar mòèst +hij wel heen. Maar al zijn <a id="d0e1764"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1764">85</a>]</span>vrijen tijd besteedde hij aan het vervaardigen van zijne automobiel, en dat was geen gemakkelijk werkje. Hij schoot er vlug +mede op, en was verbazend trotsch op het product van zijne handen. + +</p> +<p>De kinderwagen, waarin zijne Moeder hem gereden had, toen hij nog een klein kereltje was, had hij van het bovenstel ontdaan, +zoodat alleen de wielen overbleven. Zijn Moeder had hem daartoe hare toestemming gegeven, omdat de wagen oud en versleten +en dientengevolge geen dubbeltje meer waard was. + +</p> +<p>Toen had hij van zijn vader een paar pakkisten gevraagd, die hem graag werden afgestaan. + +</p> +<p>“Wat moet je er meê uitvoeren, Jan?” had zijn Vader gevraagd. + +</p> +<p>“Ik maak er een automobiel van,” zei Jan, en toen vond zijn Vader het goed. Die kisten gaf hij precies het model van de auto, +en bevestigde ze daarna op het onderstel van den kinderwagen. Keurig netjes timmerde hij er twee bankjes in, een voor- en +een achterbankje. Gelukkig mocht hij het gereedschap van zijn grootvader gebruiken, en deze gaf meermalen goeden raad. + +</p> +<p>Maar nu kwam het moeilijkste nog aan, want hij wilde zijn wagen van een toestel voorzien, waarmede hij hem in beweging kon +brengen, zonder dat het noodig was hem te duwen of te trekken. Het duurde lang, eer hij daar iets op gevonden had, en toen +hij wist, hoe het worden moest, kon hij het onmogelijk zonder hulp van een smid uitvoeren. Hij ging daarom met zijn wagen +naar Piet van Dril, den smid, en legde hem uit, wat er gedaan moest worden. + +</p> +<p>“Kijk, Van Dril,” zei hij, “zooals het nu is, is het niet goed. De as van mijn wagen deugt er niet voor. Ik zou naast mijn +voorbankje een wiel willen hebben met een <a id="d0e1778"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1778">86</a>]</span>tandrad precies als aan een fiets. Als nu aan den as van den wagen ook zooʼn rad bevestigd werd, kon er een fietsketting omgelegd +worden, zoodat ik maar aan het wiel te draaien heb om de kar in beweging te brengen. Aan dat wiel moet natuurlijk een handvat +komen, precies als aan het wiel van een draaiorgel.” + +</p> +<p>Piet van Dril keek hem een poosje peinzend aan, en krabde zich in gedachten achter het oor. Eindelijk gaf hij Jan een geduchten +klap op diens smalle schoudertje, zoodat de beentjes ervan haast kraakten, en zeide: + +</p> +<p>“Dat heb je al wonder knap bedacht, Jan. Wonder knap, zeg ik! Je kon wel ingenieur of zoo iets worden. Maar hoe moet je aan +zooʼn wiel met een handvat komen? Ik heb er geen.” + +</p> +<p>“Wij wèl, Van Dril,” zei Jan. “In de schuur ligt die oude koffiemolen nog van ons, u weet wel, die oude afgedankte uit den +winkel. En daar zit een groot wiel aan met een handvat.” + +</p> +<p>“Juist!—Ja, juist,” zei Van Dril. “Wel jongen, ik vind, dat je het zóó knap bedacht hebt, dat ik je nu eens voor pleizier +aan die kamraderen helpen wil. Haal dat wiel maar hier.” + +</p> +<p>Wat was Jantje blij. Hij liep als een haas naar huis om het wiel te halen en was den geheelen avond niet uit de smederij weg +te krijgen. Geen wonder waarlijk, want Van Dril hield woord. Hij smeedde de kamraderen aan den vooras van den wagen en aan +het wiel van den koffiemolen, maakte een oude fietsketting pasklaar, en zette alles netjes en flink in elkander. + +</p> +<p>Jan stond er verrukt naar te kijken, en Karel niet minder. + +</p> +<p>“Nu moet ik nog een horen hebben!” zei Jan, zich de handen wrijvende van genot. + +</p> +<p>Ja, en nog twee lantaarns,” zei Karel. “Je weet wel, <a id="d0e1796"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1796">87</a>]</span>dat zijn de oogen van het beest. Een paar oude fietslantaarns konden er best dienst voor doen. Vader, hebben wij nog niet +een paar van zulke oudjes?” + +</p> +<p>“O, ja wel,” zei Van Dril. “Hier heb je er twee.” + +</p> +<p>In een kwartiertje had Jan ze voor aan de auto bevestigd. Toen nam hij nog een veerkrachtig metalen plaatje, en timmerde dat +aan den linkerkant van den wagen, er voor zorgende, dat de spaken van het voorwiel er beurtelings tegen aan tikten, als de +wagen in beweging kwam. Daardoor werd een geluid veroorzaakt, dat precies het tuffen van een auto nabootste. + +</p> +<p>Nu was de wagen klaar. Jan en Karel brachten hem naar buiten, waar Jan op het voorbankje ging zitten, en Karel op de achterbank. +Jan nam het handvat en draaide het wiel rond. Ha, wat reed het karretje prachtig. De twee jongens konden hun lachen niet houden +van pleizier. ʼt Was precies een auto, en hij maakte een aardig gangetje. + +</p> +<p>ʼt Was maar jammer, dat de voorwielen niet om een spil konden draaien, want nu kon de wagen alleen vooruit en achteruit, maar +van sturen was geen sprake. + +</p> +<p>Elken avond gingen de jongens er meê spelen en zij hadden niet weinig bekijks. Maar Jan raakte er door in volslagen vijandschap +met Flipsen, en toch was het geheel buiten zijne schuld. Dat kwam zoo. + +</p> +<p>Karel van Dril moest eene boodschap voor zijn vader doen, en daarom besloot Jan maar alleen met zijn auto te gaan rijden. +Eerst tufte hij een paar malen het dorp door, en ging toen naar het fort even voorbij het kerkhof, dat aan het einde van ʼt +dorp lag. Daar werd een fort aangelegd waarlangs een hooge kluft liep. Jantje besloot van die kluft af te tuffen. Jongen, +wat zou hij dan een snelle vaart krijgen! + +</p> +<p>Nu, dat was ook zoo. Hij duwde zijne auto tegen de <a id="d0e1812"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1812">88</a>]</span>hoogte op, ging er toen in zitten, en reed vliegensvlug naar beneden. Ha, nu leek het precies een echte automobile. Hij toeterde, +dat het een lust was om te hooren, en het stof dwarrelde achter hem omhoog. ʼt Was verbazend te zien, hoever zijn kar nog +voortreed, als hij den vlakken weg reeds had bereikt. + +</p> +<p>Jan vond het spelletje zoo mooi, dat hij aan geen ophouden dacht. Zoodra was hij niet beneden gekomen, of hij duwde de kar +opnieuw naar boven, en liet zich dan weer vliegensvlug gaan. + +</p> +<p>Toen hij eens weer op het hoogste punt aangekomen was en gereed stond om in te stappen, kwam van den anderen kant juist Flipsen +aan. De man was bepaald in eene erg knorrige bui, want hij keek verschrikkelijk boos. Zoodra hij Jan zag, bleef hij staan +en zeide: + +</p> +<p>“Zoo,—wat voer jij hier in je eentje uit? Zeker niet veel goeds, hè?” + +</p> +<p>“Ik doe in het geheel geen kwaad, Flipsen,” zei Jan. “Ik rijd alleen maar met mijn auto van de hoogte af, omdat het zoo lekker +gaat.” + +</p> +<p>“Ja, ja,” zei Flipsen, “jij hebt je woordjes wel klaar, maar ik vertrouw je niet verder, dan ik je zie. Pas op, manneke, ik +waarschuw je, dat je geen verkeerde dingen doet, want ik heb je al lang in de gaten.” + +</p> +<p>Flipsen vervolgde zijn tocht langs de kluft naar beneden. + +</p> +<p>Jan besloot nog een poosje te wachten, want hij zag zeer goed, dat Flipsen om de een of andere reden uit zijn humeur was, +en dat het maar het veiligst was hem uit den weg te blijven. Hij nam plaats op het voorbankje en was van plan zoo lang te +wachten, tot Flipsen weg was. + +</p> +<p>Dat duurde geruimen tijd, want het was eene lange kluft, en Flipsen kuierde op zijn gemak naar het dorp. + +</p> +<p>Opeens voelde Jan, dat er beweging in zijne auto kwam. <a id="d0e1832"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1832">89</a>]</span>Deze werd met kracht vooruit geduwd. Hij keek om en zag, dat Frans Tor achter de kar liep. Lachend zei deze: + +</p> +<p>“Ik zal je een zetje geven, Jan, dan ga je vliegensvlug naar beneden.” + +</p> +<p>“Niet doen,—niet doen, Frans!” riep Jan hem waarschuwend toe. “Ginder loopt Flipsen, en ik wou hem liever niet voorbij rijden.” + + +</p> +<p>“Gekheid! Wat kan jou Flipsen schelen!” riep Frans terug. Met alle kracht en zoo snel hij loopen kon, duwde deze de kar naar +beneden. + +</p> +<p>Opeens liet hij haar los, en voort vloog Jantje, in ijlende vaart de helling af. Angstvallig hield hij de oogen gericht op +Flipsen, want hij vreesde niet zonder reden, dat er veel kans bestond om hem onderst-boven te rijden. + +</p> +<p>“O jé!” dacht Jan met een zucht van ontsteltenis, “als dat maar goed afloopt! Ik vlieg regelrecht op hem aan. Had ik maar +een stuur aan mijn auto, dan kon ik langs hem heen rijden, of een rem, om den wagen tot stilstand te brengen.—Poe,—ik geloof, +dat ik hem regelrecht tegen de beenen vlieg!” + +</p> +<p>Jantje begon op zijn horen te toeteren, dat het wel vijf minuten ver te hooren was, maar Flipsen keek niet op of om. Jan zag +dat tot zijn grooten schrik. Hij zag ook, dat Flipsen recht-uit, recht-aan verder liep, zonder ook maar een stap op zijde +te gaan. + +</p> +<p>“Zou hij me niet hooren?” dacht Jan, en hij toeterde zoo hard, dat zijn horen er van berstte, en in ʼt geheel geen geluid +meer gaf. + +</p> +<p>Jan was ten einde raad, want hij naderde Flipsen met groote snelheid, en ʼt leed geen twijfel, of bij dezen voortgang reed +hij hem pardoes tegen de beenen. + +</p> +<p>Hij probeerde de kar op zijde te rukken, maar tevergeefs. + +</p> +<p>“Hei, hei daar, hola Flipsen!” riep hij in doodsangst <a id="d0e1854"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1854">90</a>]</span>den boozen veldwachter toe, want hij was hem bijna genaderd. + +</p> +<p>Maar Flipsen verkoos geen stap op zij te gaan. + +</p> +<p>“Dat moet er nog bijkomen, dat ik, een regeeringspersoon, voor een kwâjongen uit den weg moet gaan. Dank je hartelijk. Hij +moet voor mij uitwijken, en niet ik voor hem. ʼt Zou me wat moois worden op die ma...” + +</p> +<p>“Bom!” + +</p> +<p>Daar voelde hij een geduchten smak tegen zijn kuiten, en op ʼt zelfde oogenblik sloeg hij met kracht achterover in de auto +van Jantje. En voort vloog de kar. Flipsen lag met zijn beenen omhoog in den wagen, en hij zag geen kans om overeind te komen. + + +</p> +<p>“Satansche jongen,” schreeuwde hij, toen hij zijn eersten schrik te boven was. “Brutale vlegel,—ik zal je leeren!” + +</p> +<p>ʼt Was een bespottelijk gezicht hem te zien liggen. Vader Dik, die er juist op aan kwam loopen, wist eerst niet goed, wat +hij zag, maar een oogenblik later barstte hij in een onbedaarlijk lachen uit. + +</p> +<p>“Wat nu, Flipsen,” riep hij den veldwachter toe, “ga je in het karretje van mijn Jan rijden?” + +</p> +<p>Flipsen richtte zich op uit zijne moeielijke positie, en bracht met zijne beenen de kar tot staan. Maar waar was Jan? Er was +tot verbazing zoowel van Dik als van Flipsen, geen spoor van hem te zien. + +</p> +<p>Flipsen was woest van kwaadheid, en met gebalde vuist kwam hij op Dik af. + +</p> +<p>“ʼt Is eene schande, eene schande!” schreeuwde hij Dik toe. “Ik zeg, ʼt is eene schande om je zoontje zoo tegen mij op te +zetten, en hem te leeren mij te bespotten. Maar ik zal hem krijgen,—ik zal hem krijgen,—ik zal...” + +</p> +<p>Flipsen wist van kwaadheid niet, wat hij zeggen moest, en met toornige blikken keek hij van Dik naar de auto, <a id="d0e1878"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1878">91</a>]</span>die verlaten aan den kant van den weg stond, en van de auto naar Dik. Maar deze deed niet anders dan lachen, want het was +hem onmogelijk zich te bedwingen. + +</p> +<p>“Bedaar toch, Flipsen, bedaar toch!” riep hij tusschen de buiën door den veldwachter toe. + +</p> +<p>“Bedaren?” schreeuwde Flipsen. “Bedaar jij met je gelach, dat zou je fatsoenlijker staan. Foei man, ik zou me schamen, om +mijn kind zooʼn opvoeding te geven. Maar ik zal hem wel krijgen, den rakker, wacht maar!” + +</p> +<p>Met groote schreden vervolgde Flipsen zijn weg, zonder Dik of de auto met een enkelen blik te verwaardigen. + +</p> +<p>Dik lachte nòg! + +</p> +<p>“Wat was dat een bespottelijk gezicht!” zei hij binnensmonds. “Maar waar mag Jan toch zitten? ʼt Is zijn auto, dat weet ik +zeker. De jongen zal toch geen ongeluk gekregen hebben...” + +</p> +<p>Dik werd ernstiger, en hij wierp een blik langs de kluft om te zien, of Jan zich daar bevond. + +</p> +<p>Opeens hoorde hij echter diens welbekende stem. + +</p> +<p>“Pssst, Vader,—is hij weg?” werd hem half fluisterend toegeroepen. ʼt Geluid kwam uit de auto. + +</p> +<p>Dik draaide zich om, en waarlijk, daar kwam Jantjeʼs smalle hoofdje van tusschen het voor- en het achterbankje te voorschijn. +Snel keek Jan om zich heen. + +</p> +<p>Ha, de veldwachter verwijderde zich met groote schreden. Dik kwam naderbij. + +</p> +<p>“Hoe zit jij daar zoo tusschen die banken gewrongen, kind?” vroeg hij lachend, want de heele geschiedenis maakte op hem een +onweerstaanbaar lachwekkenden indruk. “En wat is er eigenlijk gebeurd?” + +</p> +<p>Jan kroop nu uit den wagen en zeide: + +</p> +<p>“O, Flipsen was erg boos, waarom weet ik niet. Ik stond met mijne auto ginds op de hoogte, en was juist <a id="d0e1906"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1906">92</a>]</span>van plan om naar beneden te rijden, toen Flipsen mij een standje gaf, omdat ik—ja, ik weet echt niet waarom, want ik deed +in ʼt geheel niets. En toen ging Flipsen verder, en omdat hij zoo boos was, meende ik te wachten, tot ik hem niet meer kon +inhalen. Maar Frans Thor kwam onverwachts achter me en gaf me een harden duw, zoodat ik naar beneden vloog, regelrecht op +Flipsen aan.—Wat zat ik in de benauwdheid, Vader. Ik toeterde zoo hard ik kon, en toen nòg harder, zoodat de horen er van +gebarsten is. Hoor maar, hij geeft geen geluid meer. Maar Flipsen deed net of hij doof was, en keek niet op of om, tot ik +eindelijk zag, dat ik hem niet meer ontwijken kon. Ik kroop vlug tusschen het voor- en het achterbankje en maakte mij zoo +klein mogelijk, en op ʼt volgende oogenblik vloog de kar Flipsen van achteren tegen de beenen, zoodat hij achterover op de +kar viel. Zoo reden we samen verder, tot u kwam. Wat zat ik in angst, Vader. Ik zweet nog, als ik er aan denk.” + +</p> +<p>Dik kreeg opnieuw een lachbui, waar haast geen einde aan kwam, zoo mal vond hij het. + +</p> +<p>“Dus je magere leden hebben je gered!” riep hij eindelijk uit. “Als je zoo mager niet was geweest, had je je onmogelijk op +zooʼn klein plaatsje kunnen opvouwen. ʼt Is merkwaardig. Ga maar gauw naar huis, en blijf Flipsen zoo ver mogelijk uit de +voeten, want hij is meer dan kwaad op je.” + +</p> +<p>“Maar Vader, ik kon er toch niets aan doen.” + +</p> +<p>“Ja jongen, dat weten <i>wij</i> wel, maar <i>hij</i> gelooft het niet. Blijf van avond verder maar stilletjes thuis.” + +</p> +<p>Jan beloofde dat, maar hij ging toch even naar de smederij, om het geval aan Karel Van Dril en diens vader te vertellen, die +er ook niet weinig om lachen moesten. + +</p> +<p>Jan evenwel verzonk in diep gepeins, want de kar beviel <a id="d0e1926"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1926">93</a>]</span>hem zoo niet meer. Hij nam zich vast voor niet te rusten, voordat hij de voorwielen aan een beweegbaren as verbonden had, +zoodat hij de auto sturen kon, en dan nog wilde hij er een rem aan hebben. + +</p> +<p>Toen Dik ʼs avonds het geval aan Janʼs Grootvader vertelde, moest deze er ook braaf om lachen, en hij kwam tot de conclusie, +dat Jan ook een bizonder kind was—en dat was-ie! + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e1930" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Negende Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>Jan omarmt den schoorsteenveger met groote innigheid.</p> +</div> +<p>Flipsen wàs en blèèf erg boos op Jan Trom. Misschien zou die boosheid langzamerhand wel wat afgezakt zijn, als het malle figuur, +dat hij gemaakt had, niet door het geheele dorp bekend geraakt was, maar dat gebeurde wèl. Frans Thor was daar de schuld van. +Toen hij Jan met zijne auto zooʼn geduchte vaart gegeven had, bleef hij lachend staan kijken, hoe de zaak zou afloopen, en +zoo had hij alles gezien, wat er gebeurd was. Hij gierde het uit van de pret, en hij vertelde het aan iedereen, die het maar +hooren wilde. En wat nog erger was: hij hield Flipsen telkens voor den gek, als hij hem op straat tegenkwam. Dat zou Jan Trom +in geen geval gedaan hebben, want hij vond het geval voor Flipsen al erg genoeg, maar Frans deed het wèl en Klaas Zwart hield +hem daarbij trouw gezelschap. Telkens als zij Flipsen ontmoetten, begonnen zij te tuffen als eene auto, zonder Flipsen aan +te kijken. + +</p> +<p>“Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!” zei dan Frans. +<a id="d0e1940"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1940">94</a>]</span></p> +<p>“Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!” zei dan ook Klaas, en dan tuften zij om het hardst. Eerst had Flipsen er geen erg in gehad, maar toen +het telkens gebeurde, als die jongens in zijne nabijheid waren, begon hij lont te ruiken. Hij keek ze aan met een paar oogen, +of hij hen verscheuren wilde, maar dat deed hij toch niet. + +</p> +<p>Doch toen hij hen later weer tegenkwam, en zij opnieuw begonnen te tuffen, sprong hij plotseling op hen af, en gaf hun ieder +een klinkenden draai om de ooren. Dat gebeurde zóó snel en onverwachts, dat de twee jongens eerst niet eens goed begrepen, +wat er gebeurde. + +</p> +<p>“Au!” riep Frans. + +</p> +<p>“Au!” riep Klaas. + +</p> +<p>En beiden grepen zij naar hun ooren, waar zij een stekende pijn voelden. + +</p> +<p>Flipsen lachte, en gaf hun een tweeden. + +</p> +<p>“Daar!” zei hij. “Ik zal je leeren tuffen! Hard gaat-ie, hè?” + +</p> +<p>Ze gingen allebei hard, want vóór Flipsen gelegenheid kreeg hun nog een derden oorveeg toe te dienen, zetten zij het op een +loopen, zoo hard zij konden. En na dien tijd tuften zij niet meer, als zij Flipsen tegenkwamen. Zij gingen hem zelfs eerbiedig +uit den weg. + +</p> +<p>Op Jan Trom bleef Flipsen erg boos, dat kon Jan duidelijk opmerken. Flipsen groette hem nooit terug, als hij hem tegenkwam, +en keek hem altoos aan met een blik, die hem niet veel goeds voorspelde. Jan trok er zich echter niets van aan, want hij voelde +zich volkomen onschuldig. + +</p> +<p>“Ik heb het niet met voordacht gedaan,” dacht hij, “en als ik het had kunnen vermijden, zou het in ʼt geheel niet gebeurd +zijn. Flipsen zal dat ook wel begrijpen, als hij er kalm over nadenkt.” + +</p> +<p>En zijn vader zei ook: + +</p> +<p>“ʼt Zal van zelf wel weer beter worden, als jij Flipsen <a id="d0e1965"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1965">95</a>]</span>maar met rust laat en hem zooveel mogelijk uit de voeten blijft. Hij zal dan zelf wel begrijpen, dat hij zich vergist heeft. + + +</p> +<p>En zoo was het ook. Toen Flipsen opmerkte, dat Jan hem altoos even beleefd bleef groeten en hem nooit voor den gek hield, +bedaarde zijne boosheid meer en meer, en eindelijk groette hij Jan zelfs terug. + +</p> +<p>Jan peinsde voortdurend op een middel, om eene herhaling van het gebeurde te voorkomen. Hij was vast besloten niet te rusten, +voor hij zijne auto bestuurbaar had gemaakt. En eindelijk meende hij het gevonden te hebben. Hij had er een spil voor noodig, +met aan het boveneinde een stuurrad, precies als aan eene echte auto. Die spil moest van onderen bevestigd worden aan den +vooras, welke beweegbaar moest zijn. Als hij dan in zijn auto zat, kon hij hem gemakkelijk door middel van het stuurrad heen +en weer bewegen, waardoor hij den wagen geheel in zijne macht kreeg. + +</p> +<p>Nauwelijks waren zijne plannen tot rijpheid gekomen, of hij begaf zich na schooltijd op weg naar Van Dril, zonder wiens hulp +hij geen kans zag een en ander ten uitvoer te brengen. Er zou echter dien avond niet veel van komen. Hij was nog maar pas +zijn huis uit, of hij kwam Dries Klomp tegen, den jongsten knecht van Jan Vos. Deze had een emmertje in de hand, en een bezem, +een bosje stroo en een touw onder den arm. Hij werd op het dorp meestal bij zijn voornaam genoemd en stond bekend als een +grappenmaker. + +</p> +<p>“Dag Dries!” riep Jan hem toe. + +</p> +<p>“Zoo Jantje,” zei Dries. “Jongen, jongen, wat word je toch dik in den laatsten tijd. Als je niet oppast, kun je weldra met +de konijntjes door de tralies van het hok meê-eten.” +<a id="d0e1977"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1977">96</a>]</span></p> +<p>“Is het waar?” vroeg Jan lachend, want hij kon wel tegen een klein plagerijtje. “Dan zal ik de koolstronkjes voor jou laten +liggen. Is dat goed?” + +</p> +<p>“Graag,—asjeblief. Ga je mee naar den molenaar? Dan kun-je me helpen aan ʼt vegen van de schoorsteenen. Dat is een mooi werkje +voor je.” + +</p> +<p>“Dank je hartelijk, om zoo zwart als roet thuis te komen,” zei Jan. “ʼt Is je van harte gegund, Dries.” + +</p> +<p>“Geen lust? Even goede vrienden, hoor. Dag Jan.” + +</p> +<p>“Dag Dries.” + +</p> +<p>Jan vervolgde zijn weg, tot hij onderweg een schilder bezig zag met het verven van een der lantarenpalen, die aan den weg +stonden. Hij mocht dat graag zien, en bleef er dus een poos naar kijken. De schilder bevond zich op een ladder, om het bovengedeelte +te verven. Op den grond stond ook een pot met verf, met een kwast er in. Nauwelijks had Jan dat gezien, of hij greep de kwast +en vroeg, of hij ook eens schilderen mocht. + +</p> +<p>“Jawel, Jan,” was het antwoord. “Maar niet met de verf morsen.” + +</p> +<p>Ha, dat vond hij prettig, en hij smeerde er lustig op los. + +</p> +<p>“Niet zoo dik, Jan,” zei de schilder. “Je moet de verf meer uitsmeren. Zooals jij het doet, is de paal de volgende week nog +niet droog.” + +</p> +<p>“En zooals u het doet?” vroeg Jan. + +</p> +<p>“Morgen, denk ik,” was het antwoord. + +</p> +<p>Jan bleef bij den schilder tot de geheele lantarenpaal klaar was, maar toen ging hij ook direct naar den smid, om aan zijn +wagen te werken. + +</p> +<p>Van Dril had juist een oude fiets van iemand overgenomen, en zijn zoontje Karel stond te zeuren, of hij er op mocht leeren +rijden. + +</p> +<p>“Hè toe, Vader,” zei Karel, “laat mij er maar op rijden. ʼt Is toch al een oudje.—Toe maar.” +<a id="d0e2006"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2006">97</a>]</span></p> +<p>Van Dril zei niets, maar hij lachte eventjes, wat Karel moed gaf, dat hij de gewenschte toestemming verwerven zou. + +</p> +<p>“Mag ik, Vader?” vroeg hij nog eens. + +</p> +<p>“Als je dan maar voorzichtig bent,” zei Van Dril. “Breek geen armen of beenen, en de fiets ook niet.” + +</p> +<p>Dat liet Karel zich geen twee keer zeggen. + +</p> +<p>“Ga je meê, Jan?” vroeg hij met eene kleur van blijdschap “Dan gaan we leeren fietsen.” + +</p> +<p>Dat was een kolfje naar Janʼs hand. Hij vergat zijn heele machinerie en ging met Karel naar buiten. Samen hielden zij de fiets +vast. + +</p> +<p>“Ik het eerst, Jan,” zei Karel. + +</p> +<p>“Natuurlijk,” was het antwoord. + +</p> +<p>“Zeg, hij ziet er nog mooi uit, al is het een oudje, hè?” + +</p> +<p>“Dat geloof ik,” zei Jan. “ʼk wou, dat het de mijne was. Toe, hier kunnen we wel beginnen. Stap jij er maar op, dan zal ik +hem vasthouden.” Karel probeerde op het zadel te wippen, maar op ʼt zelfde oogenblik lag hij al op den grond. “Je moet hem +beter vasthouden, Jan,” zei hij. “Zóó kan ik er niet op komen.” + +</p> +<p>“Ik hield hem goed vast, maar jij zat veel te scheef!” zei Jan. “Als je zoo scheef zit, kan ik je niet houden.” + +</p> +<p>Karel stapte nog eens op. Nu ging het beter, en Jan duwde hem vooruit. + +</p> +<p>“Trappen, jongen, trappen!” riep Jan hem toe. Karel durfde niet. Hij was bang, dat hij vallen zou. “Trap dan toch! Als je +niet trapt, leer je het nooit!” + +</p> +<p>Karel drukte zijn rechtervoet naar beneden. Voort ging de fiets, met het gevolg, dat Jan haar alweer niet houden kon, en Kareltje +op den weg terecht kwam. + +</p> +<p>“Au!” zei hij. “Dat kwam wel een beetje hard aan.” + +</p> +<p>“Hindert niet!” riep Jan. “Stap maar weer op, maar niet zoo schuin hangen. Dan ben je me veel te zwaar!” +<a id="d0e2039"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2039">98</a>]</span></p> +<p>Wip! Met een vlugge beweging stapte Karel weer op de fiets. + +</p> +<p>Hij durfde nu al een beetje beter, en drukte de trappers met kracht naar beneden. ʼt Was hem echter onmogelijk zijn stuur +goed te houden, zoodat de fiets over den weg slingerde als een dronken man. En als de fiets naar rechts ging, hing Karel schuin +naar links, en ging zij naar links, dan hing Karel naar rechts. + +</p> +<p>“Bom!” Daar tuimelde Karel weer over de straat. + +</p> +<p>Hij gaf echter den moed niet op, en Jan evenmin. + +</p> +<p>“Je leert het al aardig,” zei Jan, toen het Karel inderdaad gelukt was, eenige seconden op de fiets te blijven zitten. “Trappen, +zeg, hoe harder je trapt, hoe beter ik je houden kan.” + +</p> +<p>Karel trapte uit alle macht, en Jan draafde achter hem aan, als een hazewindhond achter zijn meester. + +</p> +<p>Na een half uurtje durfde Jan het zadel even los te laten, en Karel reed werkelijk al eenige meters zonder te vallen. Toen +zei hij: + +</p> +<p>“Nu is het jouw beurt Jan. Jij hebt het mij geleerd, nu zal ik het jou leeren.” + +</p> +<p>“O, ik wed, dat ik het al dadelijk kan,” pochte Jan. “Houd hem maar vast, dan zul-je eens zien, hoe ik er van door ga. Je +zult er van staan te kijken.” + +</p> +<p>Karel lachte. Hij wist wel beter, want in het laatste half uur had hij de moeilijkheden pas goed leeren kennen. + +</p> +<p>“Je hebt praats genoeg,” zei hij. “Stap er maar op, dan zul je eens zien, hoe gauw je tegen den grond ligt. Zóó gemakkelijk +gaat het niet.” + +</p> +<p>Jan stapte op, en Karel hield het zadel vast. + +</p> +<p>“Vooruit, Jan, trappen.—O, wat hang je schuin—nog veel erger dan ik.—Ik kan je niet—” + +</p> +<p>“Bom!” +<a id="d0e2068"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2068">99</a>]</span></p> +<p>Daar lag Jan onder de fiets, maar hij sprong dadelijk overeind en stapte opnieuw op. + +</p> +<p>“Je moet me beter vasthouden, Karel,—je laat me ook maar dadelijk vallen.” + +</p> +<p>Daar ging het weer. Jan trapte nu uit alle macht, want hij was in ʼt geheel niet bang uitgevallen, en inderdaad ging het een +eindje goed. + +</p> +<p>“Zie je wel?” riep hij Karel triomfantelijk toe. “Zóó moet je ook rijden! Ha, wat gaat dat lek...” + +</p> +<p>“Flap!” Weer lag Jan op den grond, en hij bezeerde zijn been erger, dan hem lief was. Maar hij stoorde er zich niet veel aan, +en zat in ʼt volgende oogenblik weer op de fiets. + +</p> +<p>Werkelijk had hij er spoedig den slag van beet. Karel kon hem soms al een heel poosje aan zijn lot overlaten. Jan slingerde +dan wel van den eenen kant van den weg naar den anderen, en soms dreigde hij pardoes in het kanaal te rijden, dat langs den +weg liep, maar hij reed toch, en dat was de hoofdzaak. Hij was er wàt trotsch op. + +</p> +<p>Even later was Karel weer aan de beurt. Het duurde niet lang, of hij kon ook al eenige meters los rijden, en daar was hij +verrukt over. Hij trapte als een dolleman, want hij had gemerkt, dat hij dadelijk viel, als hij langzaam trapte. En Jan draafde +achter hem aan zoo hard hij kon, om hem dadelijk te kunnen grijpen, als hij dreigde om te slaan. + +</p> +<p>Eindelijk werd Jan zóó moê, dat hij niet meer kon. + +</p> +<p>“Ik moet rusten, Karel,” zei hij. “Ik ben zoo moê als een hond. Maar je kunt het nu wel alleen. Probeer het maar gerust; je +zult zien, dat het gaat.” + +</p> +<p>Hij hielp Karel nog even bij het opstappen, en toen reed deze heen. Ha, wat slingerde hij! Jan stond hem na te kijken, nieuwsgierig +op welke plaats Karel zou omvallen, <a id="d0e2089"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2089">100</a>]</span>want dat dit gebeuren moest, betwijfelde hij geen oogenblik. Een vijftig meters ging het vrij goed, al slingerde hij ook beangstigend, +maar opeens gaf Jan een schreeuw van schrik, want Karel begon geweldig te slingeren, en reed toen regelrecht op het kanaal +aan. Nog een oogenblik, en hij tuimelde bij den hoogen kant neer.... + +</p> +<p>Jan ijlde naar de plaats des onheils, en bemerkte tot zijn genoegen, dat hij zich voor niets bang had gemaakt, want Karels +hoofd verscheen alweer boven den walkant. Hij was wel tot vlak bij het water geweest, maar hij was er toch niet ingevallen. + + +</p> +<p>“Hè-hè, dat scheelde een beetje!” zei hij vergenoegd, nu het zoo goed afgeloopen was. “Ik had geen duim verder moeten belanden,—dan +was ik kopje-onder gegaan.” + +</p> +<p>“Ik zag het,” zei Jan. “Hè, wat schrok ik! Ik dacht stellig, dat je te water ging.” + +</p> +<p>“Gelukkig niet;—zeg, help je even de fiets naar boven trekken?” + +</p> +<p>Met vereende krachten brachten zij de fiets op den weg. + +</p> +<p>“Zou hij nog heel wezen?” vroeg Karel. + +</p> +<p>Dat bleek gelukkig het geval te zijn. + +</p> +<p>“Nu is ʼt mijn beurt weer,” zei Jan. “Is ʼt goed?” + +</p> +<p>“Best,” zei Karel. “Bij mij zit de schrik er wel een beetje in. Ga je gang maar.” + +</p> +<p>Jan sprong op de fiets, en nu draafde Karel er achter. Eerst ging het langzaam, want Jan durfde niet goed, maar spoedig overwon +hij zijne vrees, en nu moest Karel achter de fiets draven. + +</p> +<p>“ʼt Gaat goed zoo,—best,—erg best!” riep hij Jan bemoedigend toe. “Je rijdt nog beter dan ik.” + +</p> +<p>“Laat me maar gerust los!” riep Jan hem toe. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p2.jpg" alt=""></div><p> + + +</p> +<p>“Ik heb je niet vast!” hijgde Karel achter hem, moê van het draven. Ha, wat trapte Jan lustig voort. Hij zwierde <a id="d0e2120"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2120">101</a>]</span>wel links en rechts, maar dat hinderde niet; hij wist toch op den weg te blijven. + +</p> +<p>O jé, ginds zag hij een grooten steen liggen, midden op den weg. + +</p> +<p>“Als ik maar niet over dien steen ga,” dacht Jan met eenige zorg. “Ik moet hem zien te ontwijken.” + +</p> +<p>Angstvallig hield hij zijn blik op het gevreesde voorwerp gericht, met het gevolg, dat hij er juist op aanreed. + +</p> +<p>“O, die steen!” schreeuwde hij. Plof! Daar reed hij er overheen, wat een geduchten schok gaf, maar hij bleef zitten. Slingerend +reed hij verder. + +</p> +<p>“Dat scheelde een beetje!” riep Karel. + +</p> +<p>“Of het! Wat gaat het al goed.” + +</p> +<p>Met krommen rug, den stuurstang krampachtig in de handen geklemd, trapte Jan voort. Hij vond, dat het al prachtig ging. Ha, +daar zag hij den lantaarnpaal al, dien hij had helpen verven. Dien paal moest hij ook zien te ontwijken, want hij was natuurlijk +nog nat. Maar tot zijne verbazing en ook tot zijn schrik bemerkte hij, dat hij er alweer regelrecht op aanreed. + +</p> +<p>“Gek toch,” mompelde hij. “Zooʼn fiets brengt je juist, waar je niet wezen wilt. Maar ik zal hem wel mis zien te rijden.” + + +</p> +<p>Hij naderde den lantaarnpaal meer en meer, hoewel hij alle moeite deed om de fiets eene andere richting te geven. Dat wilde +hem echter niet gelukken. + +</p> +<p>“Pas op, die lantaarn daar!” schreeuwde hij in angst Karel toe. + +</p> +<p>Maar Karel kwam enkele meters achter hem aan, want Jan had hard gereden, en hij was erg moê geworden. Karel verkeerde dus +in de onmogelijkheid om zijn vriend te helpen. + +</p> +<p>“Grijp me dan toch!” schreeuwde Jan in grooten angst, <a id="d0e2146"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2146">102</a>]</span>want hij zag, dat hij regelrecht koers hield naar den pas geverfden paal. Op ʼt volgende oogenblik schaafde zijn wiel er tegen +aan, en om niet te vallen greep Jan, zonder er bij te denken, den paal met beide handen aan. O wee, hij voelde het kleven +van de verf. Daarom liet hij den paal dadelijk weer los, maar merkte, dat hij ging vallen. Hij breidde daarom de armen uit +en klemde den groenen paal teeder aan zijn borst. Zelfs zijn linker wang kwam er mede in aanraking. + +</p> +<p>“Dat loopt best af!” riep Karel hem toe. Deze was hem spoedig genaderd, trok de fiets een beetje achteruit, en riep: + +</p> +<p>“Vooruit maar weer, Jan. ʼt Gaat opperbest. Nog tot jullie huis, en dan mag ik terug weer.” + +</p> +<p>Hij wist niet, dat de paal geverfd was, en voordat Jan iets in ʼt midden kon brengen, voelde deze zich alweer vooruit duwen. +Met zijn geverfde handen greep hij de handvatten van het stuur, en voort ging het weer. + +</p> +<p>En ʼt ging weer goed ook. Jan trapte als een dolleman. + +</p> +<p>“Straks zal ik de handvatten wel afvegen,” dacht hij. “Ik denk, dat mijn kleeren ook wel vol verf zullen zitten. Die akelige +paal ook. Hoe kan de fiets er nu juist tegen aanrijden.” + +</p> +<p>O, wat slingerde Jan langs den weg. Soms reed hij haast tegen een boom op, een oogenblik later scheelde het maar zus of zoo, +of hij reed in het kanaal. Maar toch bleef hij op den weg. De menschen, die hij tegenkwam, maakten zich uit de voeten, en +bleven hem dan lachend nakijken. + +</p> +<p>“Houd je roer recht, schipper!” riep de een hem toe. + +</p> +<p>“Je lijkt wel dronken, jongen!” merkte een ander op. + +</p> +<p>Jan lachte maar. Hij vond het verrukkelijk op de fiets, en had geen oogen voor iets anders. Hij keek niemand <a id="d0e2166"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2166">103</a>]</span>aan, en staarde maar recht voor zich uit op den weg. + +</p> +<p>“Jongen, jongen, wat gaat dat echt,” dacht Jan bij zichzelven. “Als mij nu maar weer niet iets in den weg komt.” + +</p> +<p>Zwaaiende en zwierende fietste Jan verder. + +</p> +<p>Toen hij even zijne oogleden ophief, om te kijken, of de weg vrij bleef, zag hij in de verte iemand naderen. + +</p> +<p>“Wacht,” dacht hij, “nu zal ik toch eens zien, of ik hem niet kan passeeren, zonder tegen hem aan te bommen. Maar die akelige +fietsen lijken wel altoos juist den verkeerden kant op te gaan.” + +</p> +<p>Weer hief hij eventjes de oogleden op. + +</p> +<p>De man was al een heel stukje naderbij gekomen. + +</p> +<p>“Nu zal het er op aankomen,” dacht Jan. + +</p> +<p>Hij omklemde de handvatten van het stuur nog krampachtiger dan te voren en trapte wat hij kon. Voortdurend hield hij den man +in het vizier, tot hij opeens tot zijn schrik zag, dat het Dries was, die van het schoorsteenvegen bij den molenaar terugkeerde. +Wat was Dries veranderd, en niet in zijn voordeel, want hij zag zoo zwart als een neger en zijn kleeren zaten vol roet. + +</p> +<p>“Hu, wat een roetmop,” dacht Jan. “Maar ik zal hem wel misrijden,—wacht maar. Ik begin het sturen al aardig te leeren.—Hola, +wat een zwier maakte ik daar!—O jé, het kanaal,—daar ga ik!” + +</p> +<p>Maar neen, met inspanning van al zijn krachten wierp hij het stuur om, en het gevaar was geweken. Jantje reed verder. + +</p> +<p>Dries stond midden op den weg lachend naar hem te kijken. + +</p> +<p>“Wil je een nat pak halen, Jan?” riep hij hem plagend toe. “Aanstonds ga je kopje-onder het kanaal in.” + +</p> +<p>“Uit den weg! Ga uit den weg!” schreeuwde Jan, die tot zijn schrik bemerkte, dat hij regelrecht op Dries aanhield. +<a id="d0e2194"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2194">104</a>]</span></p> +<p>“Berg je, menschen, berg je!” spotte Dries. Maar hij ging toch een beetje op zijde, om Jan te laten passeeren. + +</p> +<p>ʼt Hielp echter niet. + +</p> +<p>Nauwelijks was Dries van plaats veranderd, of Jan merkte, dat de fiets daar rekening meê hield en weer regelrecht koers hield +naar Dries. + +</p> +<p>“Op zij! Op zij!” schreeuwde Jan. + +</p> +<p>Maar op ʼt volgende oogenblik bonsde hij tegen Dries aan. Jan sloeg hem in de verwarring de armen om den hals, en klemde zich +krampachtig aan den zwarten schoorsteenveger vast. Zij wang kwam tegen de wang van Dries terecht, die dadelijk iets kleverigs +voelde. Dat was de verf van den lantaarnpaal, die Jan op zijn gezicht had. + +</p> +<p>O, wat lachte Dries. + +</p> +<p>“Wel, wel, houd je zooveel van me, dat je me omarmen wilt?” vroeg hij. “Dan zal ik je wel een handje helpen.” + +</p> +<p>En hij wreef met zijn zwarte gezicht tegen de wangen van Jan, precies als eene moeder doet, die haar kindje knuffelt. + +</p> +<p>“Daar dan! Is het zoo goed?” vroeg Dries, die schaterlachte van de pret. + +</p> +<p>De fiets was op den grond gevallen, en Jan hing nog aan den hals van zijn plaaggeest. + +</p> +<p>Karel trok de fiets weg en Jan liet zich op de grond zakken. Maar wat zag hij er uit. Hij was zoo zwart als een moriaan, en +ʼt leek wel, of hij al de schoorsteenen van het dorp had geveegd. + +</p> +<p>Hij werd braaf uitgelachen, en ging zoo spoedig mogelijk naar huis om zich te wasschen. + +</p> +<p>En zijn vader plaagde hem ook niet zooʼn beetje. + + + +<a id="d0e2221"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2221">105</a>]</span></p> +</div> +<div id="d0e2222" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Tiende Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>Hoe Flipsen zocht.</p> +</div> +<p>Frans Thor en Klaas Zwart hadden zich van lieverlede zeer nauw bij elkander aangesloten, en waren boezemvrienden geworden. +Eindelijk waren zij samen een handeltje begonnen. Steeds kon men hen in elkanders gezelschap vinden met een mand tusschen +hen in, of ieder met een zak op den arm of over den schouder. Dan trokken zij er op uit om vodden en beenen te zoeken, die +langs de wegkanten, bij huizen en schuren, of in weilanden en boschjes verspreid lagen. En ʼt was inderdaad niet weinig, wat +zij vonden. Elken avond keerden zij met een goed gevulden zak huiswaarts, en als de voorraad groot genoeg was, verkochten +zij dien aan den pottenschipper. + +</p> +<p>De pottenschipper was een man, die eenzaam in een zolderschuit leefde. Hij had vrouw noch kind op de wereld, en ging met niemand +om. De menschen hielden ook niet veel van hem, want het was bekend, dat hij geen gunstig verleden achter zich had. En in elk +geval had hij een zeer ongunstig uiterlijk. Hij leefde van zijn handel in potten en pannen, en ook kocht hij vodden en beenen +op. + +</p> +<p>Alles, wat Klaas Zwart en Frans Thor vonden, brachten zij bij den pottenschipper, zooals hij algemeen werd genoemd. En zij +ontvingen er menig centje voor. Soms verkochten zij wel voor dertig à vijftig centen in eene week, en al dat geld versnoepten +zij. Of zij kochten er sigaren voor, en rookten die op. + +</p> +<p>Maar langzamerhand begon hun vondst kleiner te worden, want ze hadden het geheele dorp al meermalen afgezocht. En eindelijk +raakte de voorraad uitgeput. +<a id="d0e2236"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2236">106</a>]</span></p> +<p>Dat merkte de pottenschipper, en hij zei: + +</p> +<p>“Wat hebben jullie een beetje, jongens. Ik geef voor dit zoodje niet meer dan vijf centen. Je bent een paar groote domkoppen, +dat moet ik zeggen.” + +</p> +<p>“Domkoppen?” vroeg Frans. “Wij kunnen er toch niets aan doen, dat we maar zoo weinig hebben? ʼt Heele dorp hebben we al meermalen +afgezocht, en er is eenvoudig niet meer. Ik zie niet in, dat wij daarom domkoppen moeten zijn.” + +</p> +<p>“Neen,” zei Klaas Zwart, “ik ook niet.” + +</p> +<p>De pottenschipper lachte slim. + +</p> +<p>“Toch is het zoo,” zei hij. “Toen ik nog een jongen was, wist ik altijd wel aan een zakduitje te komen. Vond ik geen vodden +en beenen, dan wist ik wel wat anders te bemachtigen. Ha, ha,—als je maar slim bent en zorgt, dat de menschen ʼt niet zien.” + + +</p> +<p>Frans en Klaas keken hem vragend aan. + +</p> +<p>De pottenschipper legde zijn wijsvinger tegen den neus, en knipoogde tegen de jongens. + +</p> +<p>“Och wat,” zei hij, “als je ʼt slim weet te overleggen, is er nog genoeg te vinden. Je behoeft me juist geen vodden te brengen, +jongens. Ik kan wel hemden, broeken, borstrokken en andere kleedingstukken ook gebruiken. Er zijn menschen genoeg, die hun +wasch den geheelen nacht buiten laten liggen.—Ha, ha, ik zeg, als je maar slim bent en er voor zorgt, dat de menschen je niet +zien...” + +</p> +<p>“Maar dat is stelen,” zei Klaas Zwart. + +</p> +<p>“Ja,” zei Frans, “dat is stelen.” + +</p> +<p>De pottenschipper richtte zich op. + +</p> +<p>“Zooals ik zeg, jongens, ik geef voor dit zoodje niet meer dan vijf centen. ʼt Is maar een rommeltje. Voor goede kleedingstukken, +die nog gedragen kunnen worden, geef ik natuurlijk heel wat meer, en voor ijzer, zink, lood en <a id="d0e2263"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2263">107</a>]</span>wat dies meer zij, wil ik je zelfs wel guldens betalen in plaats van centen.” + +</p> +<p>“Ja, maar dat hebben we niet,” zei Frans. + +</p> +<p>“Als je wilt, is er genoeg te vinden,” lachte de schipper weer. “Bij den smid, bij den loodgieter, bij den timmerman, overal +is wel wat te snorren, als je maar goed uit je oogen kijkt en voorzichtig te werk gaat.” + +</p> +<p>“Maar,” herhaalden de jongens, die eerst niet goed begrepen, wat de pottenschipper bedoelde, “dat is stelen...” + +</p> +<p>“Ik zeg niet, dat je ʼt stelen moet,” zei de schipper weer met een listig knipoogje, “je moet die dingen vinden, jongens, +je moet ze eerlijk vinden. Alles wat je vindt, al is het ook nog zoo gek, wil ik wel van je opkoopen. Als je er maar eerlijk +aankomt...” + +</p> +<p>De jongens gingen heen. + +</p> +<p>Maar na dien tijd vermisten de menschen op het dorp telkens kleinigheden. Van Dril raakte op voor hem onbegrijpelijke wijze +een nijptang kwijt, de loodgieter een soldeerbout, de timmerman een hamer en een zaag, en vele huismoeders vermisten verschillende +kleedingstukken. Van de een waren kousen zoek, van een ander een hemd, van een derde een nachtjapon, en zoo verder. + +</p> +<p>Toch dacht men eerst niet aan diefstal. Van Dril vertelde het verlies van zijn nijptang niet aan anderen, om de eenvoudige +reden, dat hij wel eens meer een of ander stuk gereedschap kwijtraakte. + +</p> +<p>“Zeker hier of daar laten liggen,” dacht hij. En spoedig was zijn verlies vergeten. De knechts gingen wel eens meer slordig +met het gereedschap te werk, niet allen natuurlijk, maar enkelen. Op dezelfde wijze dachten ook de andere menschen er over, +die het een of ander vermisten. + +</p> +<p>Maar toen het winter werd en er lange, donkere avonden kwamen, verdwenen er op geheimzinnige wijze allerlei <a id="d0e2283"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2283">108</a>]</span>voorwerpen uit werkplaatsen en huizen, en ʼt werd zoo erg, dat de menschen er onder elkander over spraken. + +</p> +<p>“Er wordt bepaald gestolen,” was de algemeene opinie. En menigeen sloot ʼs avonds de deuren van huis en werkplaats zorgvuldiger +dan vroeger. De ondervinding leerde, dat wat men ʼs nachts buiten liet staan, den volgenden morgen gewoonlijk verdwenen was. +En niemand kon er eenig vermoeden van krijgen, wie de dief was en waar de gestolen voorwerpen belandden. + +</p> +<p>Van Dril pruttelde tegen zijn knechts, als er weer ʼt een of ander spoorloos verdwenen was, maar dezen verklaarden, dat zij +het vermiste voorwerp niet hadden laten slingeren. ʼt Was op geheimzinnige wijze verdwenen. + +</p> +<p>Eindelijk kwam een en ander den burgemeester ter oore, en hij liet Flipsen bij zich komen. + +</p> +<p>“Zeg Flipsen, heb je ook gehoord, dat er den laatsten tijd op ʼt dorp gestolen wordt? Telkens worden kleinigheden van meer +of minder waarde vermist, en het waschgoed van de huismoeders ligt niet meer veilig op de bleek.” + +</p> +<p>“Ja burgemeester, ik heb er ook van gehoord,” zei Flipsen. + +</p> +<p>“En heb je al eens hier en daar gesurveilleerd?” vroeg de burgemeester. + +</p> +<p>“O ja, al meermalen, maar tot nog toe is het mij niet gelukt, den dader op ʼt spoor te komen.” + +</p> +<p>“Zoo, ʼt is een gek geval. Ik begrijp ook niet, wie de dief zou kunnen zijn. Voor zoover ik weet, wonen er enkel knappe menschen +op het dorp. Waar zouden die gestolen voorwerpen toch allemaal blijven?” + +</p> +<p>“Ik denk in de stad, burgemeester. Daar wonen wel menschen, die gestolen goederen opkoopen. Ik vermoed, dat zij in den nacht +naar Amsterdam worden vervoerd...” + +</p> +<p>“Dan zou ik eens een oog in ʼt zeil houden, wie bij <a id="d0e2305"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2305">109</a>]</span>nacht of ontijd daarheen gaat, Flipsen. ʼt Is best mogelijk, dat je gelijk hebt. In elk geval is het hoog tijd, dat de dief +gesnapt wordt. De menschen dienen in ʼt rustige bezit te kunnen blijven van ʼt geen hun eigendom is. Zoolang ik hier burgemeester +ben, is er van geen dieverij sprake geweest, en wij moeten het kwaad zoo spoedig mogelijk den kop indrukken.” + +</p> +<p>Flipsen sloeg op militaire wijze aan, en zeide: + +</p> +<p>“Ik zal mʼn best doen, burgemeester. ʼt Zal aan mij niet liggen, als de dief niet gesnapt wordt.” + +</p> +<p>“Dat is goed, en daar vertrouw ik ook op.” + +</p> +<p>Met eene handbeweging gaf de burgemeester Flipsen zijn afscheid, en deze was vastbesloten zijn uiterste best te doen, om den +dief te ontdekken. Maar dat het moeilijk zou gaan, stond bij hem vast. + +</p> +<p>Den geheelen avond liep hij buiten het dorp te loeren, of ook iemand zich verwijderde in de richting van Amsterdam,—maar +tevergeefs. Alles was en bleef rustig op het dorp. ʼt Was dan ook een koude, gure avond, en de menschen bleven liever bij +de warme kachel. Flipsen zag den geheelen avond geen levende ziel buiten, en hij liep te bibberen van de koû. ʼt Was al haast +elf uur geworden, en nog stond hij trouw op zijn post. Eindelijk hoorde hij in de verte iets naderen. + +</p> +<p>“Wacht,” dacht hij, “nu zal het komen.” + +</p> +<p>Hij verschool zich achter een boom. + +</p> +<p>ʼt Geluid kwam nader. Duidelijk hoorde hij, dat het een wagen was. + +</p> +<p>“ʼt Is een hondenkar,” prevelde Flipsen. “Ik denk, dat ik den dief op het spoor ben. De gestolen voorwerpen worden zeker met +een hondenkar naar Amsterdam gebracht.” + +</p> +<p>“Halt!” riep hij plotseling, want het voertuig was hem nu genaderd. +<a id="d0e2327"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2327">110</a>]</span></p> +<p>De man, die op de kar zat, schrok er niet weinig van, en sprong dadelijk van den wagen. Maar zijn stok hield hij opgeheven, +want hij dacht niet anders, of hij had met een aanrander te doen. + +</p> +<p>Flipsen sprong van achter zijn boom te voorschijn. + +</p> +<p>“Wie ben je,—en waarheen ga je?” vroeg hij op bevelenden toon. + +</p> +<p>“O, Flipsen, ben jij het?” vroeg de man van de hondenkar. “Kerel, is me dat laten schrikken. Ik dacht waarlijk met...” + +</p> +<p>“ʼt Doet er niet toe, wat jij denkt,” viel Flipsen norsch in. “Ik vraag, wie je bent,—maar dat zie ik nu al,—en waar je heengaat.” + + +</p> +<p>“Wel, ik ben Dirk Kroeze, de slager, en ik ga naar Amsterdam. Daar steekt toch niets achter, zou ik zeggen?” + +</p> +<p>“Juist, Kroeze, de slager. Wat heb je in dien wagen?” + +</p> +<p>“Twee doode schapen, anders niet,” was het antwoord. “Ik ga ze naar Amsterdam brengen, waar ze met een dood schaap altijd +wel raad weten. Nu er zooʼn strenge keuring is op het vleesch, worden doode beesten altijd ʼs nachts de stad ingevoerd. Vroeger +gebeurde dat overdag. Zie je, dat is het eenige verschil...” + +</p> +<p>Kroeze was een derderangs-slager. Hij kocht bij de boeren de doode beesten op, die andere slagers niet hebben wilden, en wist +daarmede het brood te verdienen voor zich en zijn gezin. En de kroegbazen kregen er ook rijkelijk hun deel van, want Kroeze +maakte veel misbruik van sterken drank. Hij was dikwijls dronken. + +</p> +<p>Flipsen was den wagen genaderd en bekeek den inhoud. + +</p> +<p>“Denk je soms, dat ik een dief ben?” vroeg Kroeze een beetje beleedigd. “Ik verdien op eerlijke manier mijn brood, man, en +ik heb mijn vingers nog nooit uitgestoken <a id="d0e2350"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2350">111</a>]</span>naar een andermans goed. Of weet jij iemand te noemen, die iets op Kroeze te zeggen heeft?” + +</p> +<p>“Neen,” zei Flipsen. “Maar er wordt tegenwoordig gestolen op ʼt dorp, en ʼt is meer dan tijd, dat wij den dief vinden.” + +</p> +<p>“Ach zoo, is dàt de zaak?” zei Kroeze. “Dan is het goed, hoor, en kijk mijn wagen maar na. Je hebt gelijk, er wordt tegenwoordig +meer gestolen, dan mij lief is. Verleden week ben ik mijn beste mes uit de slagerij kwijt geraakt, en nog een zwaren vleeschhaak +op den koop toe. Ik heb mʼn hoofd gek gezocht om ze terug te vinden, maar jawel, ze zijn weg en ze blijven weg. En ik zal +ze wel nooit terugzien, vrees ik.” + +</p> +<p>“Dat vrees ik ook,” zei Flipsen. “Je kunt wel verder gaan, Kroeze, ik heb er het mijne van gezien. Goeden avond.” + +</p> +<p>“Ook goeden avond,” zei Kroeze. Hij duwde de kar voort, en riep: + +</p> +<p>“Allo, honden, kssssss, kssssss! Vooruit zeg ʼk! Allo!” + +</p> +<p>Hij sloeg met zijn stok tegen den wagen. + +</p> +<p>De honden, die tijdens het onderzoek op den weg waren gaan liggen, richtten zich met tegenzin op, en trokken den wagen voort. +Maar ʼt ging Kroeze niet hard genoeg. Hij maakte veel lawaai met zijn stok, en riep: + +</p> +<p>“Ksssss! Ksssss! Allo, Allo! Vooruit honden. Kssssss!” + +</p> +<p>Een oogenblik later sprong hij op den wagen, en weldra was hij in de duisternis verdwenen. + +</p> +<p>“Dat was mis!” mompelde Flipsen, huiverend van de koude. Hij trok den kraag van zijn jas en zijne schouders omhoog, en bleef +geduldig wachten. Maar toen er na een uur nog niemand gekomen was, besloot hij naar huis te gaan. + +</p> +<p>Den volgenden avond was hij echter weer op zijn post, want hij was iemand, die zijne plichten trouw nakwam. <a id="d0e2374"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2374">112</a>]</span>Als hij zich eenmaal voorgenomen had, dit of dat te doen, was hem geen moeite te veel, en stoorde hij zich aan koude noch +warmte. + +</p> +<p>Maar hoe hij zich ook inspande, het gelukte hem niet, den dief te snappen. Daarom besloot hij de wacht te houden op den weg, +die naar Haarlem voerde. Avond aan avond verschool hij zich op eenigen afstand buiten het dorp, maar alweer tevergeefs. Hij +vond van den dief geen spoor. + +</p> +<p>“Dan zal ik gedurende enkele avonden in het dorp zelf eens goed uitkijken. Wie weet betrap ik den dief dan niet op heeterdaad,” +dacht hij. + +</p> +<p>En zoo deed hij ook. + +</p> +<p>Zoodra het donker geworden was en in de huizen overal de lichten opgestoken waren, verliet Flipsen zijn woning, om over de +veiligheid van zijne medeburgers te waken. Eerst begaf hij zich naar verschillende werkplaatsen, van welke het hem bekend +was, dat er al meermalen voorwerpen vermist waren. Hij vond ze echter alle zorgvuldig gesloten. De menschen waren, door de +ondervinding geleerd, al voorzichtiger geworden. + +</p> +<p>Eindelijk bemerkte hij, dat er achter het huis van de weduwe Butter eenig waschgoed op een bleekveldje lag. + +</p> +<p>“Wacht,” dacht hij. “Hier zal ik mij ergens verschuilen. Waschgoed is den laatsten tijd ook dikwijls ontvreemd.” + +</p> +<p>Achter het schuurtje stond, naast het bleekveld, een groote ton, waarin het regenwater, dat van het schuurtje in de goot kwam, +opgevangen werd. Achter die ton maakte Flipsen zich zoo klein mogelijk. Geduldig wachtte hij, of de dief komen zou. + +</p> +<p>Dat gebeurde echter niet. Toen hij een half uur in zijne gebogen houding had doorgebracht, kon hij bijna niet blijven zitten +van de pijn, die hij in zijne beenen kreeg. Voorzichtig richtte hij zich een weinigje op. +<a id="d0e2392"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2392">113</a>]</span></p> +<p>Alles bleef stil in den omtrek. + +</p> +<p>Flipsen gaf echter den moed nog niet verloren. + +</p> +<p>En waarlijk, eer er een tweede half uur voorbijgegaan was, hoorde hij eenig gerucht. + +</p> +<p>Hij richtte zich op en keek over de ton. + +</p> +<p>Ha, daar zag hij een gestalte, die haastig naar het bleekveld ging en vliegensvlug enkele kleedingstukken bij elkaar greep. + + +</p> +<p>Met een vluggen sprong kwam Flipsen op de gestalte af. + +</p> +<p>“Ha, dief, daar heb ik je!” schreeuwde hij in de vreugde zijns harten, nu hij eindelijk in zijn pogingen geslaagd was. + +</p> +<p>Een hevige gil was het antwoord. Flipsen hoorde, dat het een vrouwenstem was, hetgeen hem verwonderde. + +</p> +<p>Met groote snelheid liep hij op de gestalte af, en greep haar bij den schouder. De onbekende sloeg de armen ten hemel en slaakte +een tweeden, hartverscheurenden gil. + +</p> +<p>“Wie ben jij?” beet Flipsen haar toe. + +</p> +<p>Er kwam geen antwoord. De schrik verlamde als het ware haar tong. + +</p> +<p>“Hoor je me niet? Wie ben jij?” herhaalde Flipsen. + +</p> +<p>“O,—ik ben—ik ben Trijntje—de meid.—O, wat een schrik!” + +</p> +<p>“Trijntje—de meid?” vroeg Flipsen spijtig. “Ik dacht, dat jij de dief was. Waarom laat je dat waschgoed ook buiten liggen?” + + +</p> +<p>“Ik—de dief!” riep het meisje uit, half schreiende van schrik en half lachende van blijdschap, nu zij bemerkte, dat zij met +geen spoken te doen had. Want Trijntje geloofde nog aan spoken. “Ja,—dat zei de juffrouw ook, dat ik het waschgoed niet mocht +laten liggen, en daarom ging ik het nog maar gauw eventjes halen. Hè—hè—ik beef over mijn heele lijf van den schrik...” +<a id="d0e2423"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2423">114</a>]</span></p> +<p>Flipsen ging zonder groeten heen. Het speet hem, dat hij zich ten tweeden male vergist had. + +</p> +<p>Maar het meest speet het hem, dat hij den volgenden dag moest vernemen van den burgemeester, dat er bij den molenaar tien +meelzakken gestolen waren en dat er bij Legels, een herbergier, een mandje met ledige flesschen verdwenen was. Flipsen begreep +daaruit, dat hij in een geheel verkeerde richting had gezocht. Hij wist er, zooals men dat wel noemt, geen touw meer aan vast +te knoopen, en hij verdiepte zich in gissingen, wie toch wel de brutale dief kon zijn. Het trok zijn opmerkzaamheid, dat het +altijd kleinigheden waren, die gestolen werden, en dat er nooit sprake was van inbraak. Langzamerhand vestigde zich de overtuiging +bij hem, dat de dief geen man, maar een jongen moest zijn. En hij besloot voortaan in die richting te zoeken. + +</p> +<p>Jan Trom merkte op, dat Flipsen hem telkens onderzoekend aankeek, als hij hem tegenkwam. Eens, toen hij met zijn bokkenwagen +bij Van Dril vandaan kwam, schoot plotseling Flipsen op hem af, en vroeg hem: + +</p> +<p>“Waar kom jij vandaan?” + +</p> +<p>“Van Van Dril,” zei Jan. + +</p> +<p>“Zoo,—wat heb je daar gedaan?” + +</p> +<p>“Eventjes in de smederij gekeken,” was het antwoord. + +</p> +<p>“Stap eens uit je wagen!” gebood Flipsen. + +</p> +<p>Jan gehoorzaamde dadelijk, niet weinig verwonderd, wat dit alles wel te beduiden had. + +</p> +<p>Flipsen doorsnuffelde het geheele karretje. Het bankje bestond uit een bak met een plankje er op als deksel. Flipsen lichtte +dat plankje op en keek, wat er zich in den bak bevond. Maar hij zag niets verdachts. + +</p> +<p>“ʼt Is goed,” zeide hij. “Je kunt wel weer gaan.” En Jan ging. +<a id="d0e2446"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2446">115</a>]</span></p> +<p>Dienzelfden middag kwam Flipsen Frans Thor en Klaas Zwart tegen. Hij zag ze uit het schoolboschje komen. De school werd door +drie boschjes elzenhout omringd, die te zamen altoos het schoolbosch werden genoemd. Tusschen die boschjes in lagen vrije +strooken gronds, die tot speelplaats dienden. + +</p> +<p>Frans en Klaas droegen een mand tusschen zich in. Elk hield een oor vast. + +</p> +<p>“Daar is Flipsen,” zei Klaas Zwart. Hij voelde zich nooit bizonder op zijn gemak, als hij den politiedienaar zag. Geen wonder +trouwens, want hij en zijn makker hadden al menig diefstalletje op hun geweten. + +</p> +<p>“Ja, dat zie ik,” zei Frans. “ʼt Hindert niet; laat hem komen.” + +</p> +<p>Zoodra Flipsen deze jongens zag, schoot hem dadelijk de gedachte door het hoofd, dat zij wel eens de schuldigen konden zijn, +want zij liepen altoos overal te “schuimen,” zooals Flipsen dat noemde. En ʼt verwonderde hem, dat hij al niet eerder aan +deze twee knapen had gedacht. Met groote schreden liep hij op hen af, en ʼt scheen wel, of zijne scherpe oogen hen wilden +doorboren. + +</p> +<p>Klaas Zwart werd er bang van en keek een anderen kant op, wat Flipsen niet ontging. + +</p> +<p>“Waar komen jullie vandaan?” vroeg hij barsch. Hij boog zich voorover en hield zijn blik stijf op Klaas Zwart gericht. Klaas +werd er bleek van, en zijne stem hokte hem in de keel. + +</p> +<p>“Uit het boschje,” zei Frans, die niet zoo bang was als Klaas. + +</p> +<p>“En wat deed je daar?” + +</p> +<p>“Wij zoeken beenen en vodden,” gaf Frans ten antwoord. En hij hield de mand een weinig naar voren, om er Flipsen in te laten +kijken. Deze wierp er een blik in <a id="d0e2467"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2467">116</a>]</span>en zag, dat er inderdaad enkele beenderen in lagen. + +</p> +<p>“Vind-je die in het schoolboschje?” vroeg Flipsen verwonderd. “Hoe komen die daar dan?” + +</p> +<p>“Misschien door de honden, die er daar aan kluiven, omdat het er een rustig plekje is,” zei Frans. “Wij vinden er daar maar +zelden een. Eigenlijk is er op het geheele dorp bijna geen beentje meer te vinden, want wij hebben alles al meermalen afgezocht.” + + +</p> +<p>“Zoo,” zei Flipsen. “Ja, aan alles komt een einde. En aan wien verkoop je dien rommel?” + +</p> +<p>“Och,” zei Frans, “aan voddenkoopers...” + +</p> +<p>“En aan den pot...” zei Klaas. Maar Frans viel hem in de rede: + +</p> +<p>“Aan voddenkoopers uit Haarlem, die hier wel met hondenwagens komen.” + +</p> +<p>“Ja, ja,” zei Flipsen. “Houd jij je mond nu maar eens. Wat wou jij straks zeggen, Klaas Zwart? Aan den pot...” + +</p> +<p>“Dat heb ik niet gezegd,” loog Klaas. “U heeft me verkeerd verstaan. Ik zei: aan de vod.... Maar toen viel Frans mij in de +rede.” + +</p> +<p>“Juist,—juist,” zei Flipsen met een onmerkbaar lachje om zijne lippen. “Nu jongens, zoekt maar goed. Er zal hier of daar nog +wel wat te vinden zijn.” + +</p> +<p>Hij liet de jongens staan en ging naar huis. Maar hij lachte inwendig van pret, want hij twijfelde niet, of hij was thans +de daders wel degelijk op het spoor. + +</p> +<p>“De pottenschipper,” mompelde hij tusschen de tanden. “Ja, ja, die jongen verklapte het leelijk: de pottenschipper is de opkooper. +Wacht maar, zij zullen mij niet ontsnappen...” + +</p> +<p>Frans en Klaas gingen zwijgend verder. Het korte onderhoud met den veldwachter had hun eenigen schrik aangejaagd. Na een poosje +zei Frans: +<a id="d0e2493"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2493">117</a>]</span></p> +<p>“Stommerd!—Jij had de heele zaak daar bijna verklapt.” + +</p> +<p>“Ja,” zei Klaas angstig. “Maar ik geloof niet, dat hij het verstaan heeft. Zou je denken, dat hij me verstond?” + +</p> +<p>“Dat weet ik niet,” zei Frans, “ʼk Geloof haast van niet, maar toch moeten wij voorzichtig zijn. We dienen ons een poos althans +rustig te houden. Ik vertrouw Flipsen niet.” + +</p> +<p>“Ik ook niet,” zei Klaas met een zucht. “Als hij me maar niet verstaan heeft. <i>Pot</i> lijkt erg veel op <i>vod</i>. Zeg Frans, ik ga naar huis; ik heb geen zin meer in het zoeken.” + +</p> +<p>“Ga dan,” zei Frans. + +</p> +<p>Zoo scheidden de jongens. + +</p> +<p>Flipsen lette na dien dag zorgvuldig op de zolderschuit van den pottenschipper. Hij twijfelde er niet aan, of den een of anderen +dag zou het raadsel nu wel worden opgelost. + +</p> +<p>Maar dagen en zelfs enkele weken gingen voorbij, en Flipsen bleef even wijs, als hij was. De pottenschipper leefde even eenzaam +en verlaten in zijn schuit als altoos, en Frans en Klaas zag Flipsen er nooit heengaan. + +</p> +<p>Doch,—en dit trok zijne opmerkzaamheid, er werd niet meer gestolen ook op het dorp. En dat was hem een troost. + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e2518" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Elfde Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>De bestorming van het sneeuwkasteel, en eene heldendaad van Jan.</p> +</div> +<p>ʼt Was in het begin van December. De winter was vroeg ingevallen, en het vroor, dat het kraakte. Eerst had het geducht gesneeuwd, +tot groot vermaak van Jan Trom en <a id="d0e2526"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2526">118</a>]</span>zijne makkers. Ha, wat hadden zij gesneeuwbald! De kogels vlogen de jongens om de ooren. Toen hadden zij bedacht op het marktplein +een fort op te werpen. Dat was een heel werk voor hen, want zij waren maar niet tevreden met een opgeworpen hoogte van sneeuw, +neen, zij wilden een mooi fort hebben met schuin afloopende kanten, met torens op de hoeken en kanteelen daartusschen. ʼt +Leek, toen het klaar was, veel meer op een kasteel dan op een fort. De jongens vonden het prachtig, en zij werkten er aan +met een ijver en toewijding, zooals die alleen bij jongens gevonden kan worden. + +</p> +<p>Eindelijk was het kasteel klaar, en nu besloten zij, zich in twee gelijke troepen te verdeelen. De eene helft zou het kasteel +aanvallen, de andere zou het verdedigen. + +</p> +<p>Aan de twee vrienden Jan Trom en Karel van Dril viel eene groote onderscheiding ten deel. Jan Trom werd namelijk verkozen +tot bevelhebber van het sneeuwslot, en Karel tot aanvoerder van de vijanden. + +</p> +<p>“Eventjes wachten, jongens!” riep Jan zijn makkers toe. “We moeten twee vlaggen hebben, voor elke troep één.” + +</p> +<p>“Ja, best!” zei Karel. “Maar weet je, wat het ergste is? Alle vlaggen zijn rood, wit en blauw, en ʼt is niet aardig, als onze +vlaggen hetzelfde zijn.” + +</p> +<p>“O, daar weet ik wel raad op. ʼt Kasteel is een Hollandsch slot, dus daar zetten we de nationale vlag op, dat spreekt vanzelf. +Als jij nu je vlag onderst-boven aan den stok bindt, lijkt hij heel veel op de Duitsche vlag. Jullie stelt dan het Duitsche +leger voor, dat een inval doet op Hollandsch grondgebied. Zeg jongens, dat kan leuk worden, zou ik meenen.” + +</p> +<p>Dit voorstel vond algemeen goedkeuring, en Jan en Karel haastten zich naar huis, om eene vlag te halen. Binnen tien minuten +waren zij terug. De Hollandsche vlag <a id="d0e2540"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2540">119</a>]</span>werd op den hoogsten toren van het kasteel geplant, en Karel benoemde een van zijne soldaten tot vaandrig. Jan en zijne krijgers +maakten een ontzaglijken voorraad sneeuwballen, die achter de kanteelen werden opgestapeld, maar ook de Duitsche veldheer +maakte zich zijn tijd ten nutte. Eindelijk waren beide partijen slagvaardig. + +</p> +<p>De Duitschers omringden het fort aan alle kanten, en wachtten op het sein om aan te vallen. Karel, als bevelhebber, ging +met den vaandrig aan zijn zijde naar het fort, en riep de bezetting toe: + +</p> +<p>“Hallo! Hei daar!” + +</p> +<p>“Werda!” antwoordde Jan Trom, wiens bovenlijf boven den gekanteelden muur verscheen. “Wat is er van uw begeeren.” + +</p> +<p>“In naam van mijn meester, den Keizer van Duitschland, eisch ik dit kasteel op,” was het antwoord van Karel. “Mijn soldaten +omringen het van alle kanten, geef u dus goedschiks over, dan beloof ik vrijen uittocht aan de manschappen. Zoo niet, wacht +u dan voor de gevolgen.” + +</p> +<p>“Die komen voor mijne verantwoording. Dit slot behoort aan Koningin Wilhelmina der Nederlanden, en zoolang ik leef, zal geen +Duitscher het binnenkomen. Dat is mijn antwoord. Leve de Koningin!” + +</p> +<p>“Leve de Koningin!” juichten Janʼs volgelingen. + +</p> +<p>“Leve de Keizer!” riep Karel van Dril, en zijn krijgers herhaalden: + +</p> +<p>“Leve de Keizer!” + +</p> +<p>“Dan is het oorlog!” riep Karel zijn vriend Jan nog toe, terwijl hij zich met zijn vaandrig verwijderde. + +</p> +<p>“Oorlog op leven of dood!” schreeuwde Jan. + +</p> +<p>Weldra vloog de eerste sneeuwbal over de muren van het kasteel, en de belegerden keken hem lachend na. + +</p> +<p>“Je moet beter mikken, mannetje!” riep Willem Kroeze, de zoon van den slager. “Op deze manier!” +<a id="d0e2566"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2566">120</a>]</span></p> +<p>En hij wierp den Duitschen bevelhebber heel netjes zijne pet van het hoofd, tot groot vermaak van de andere Hollanders. + +</p> +<p>Maar toen kwam er een regen van kogels op het kasteel af. De Hollanders moesten zich zelfs achter de kanteelen verbergen, +want de Duitschers ontzagen hen niet. Zij wierpen uit alle macht, en de ballen kwamen hard aan, als zij raakten. + +</p> +<p>“Hoera, zij worden bang!” riep Karel zijne mannen toe. “Allo, allo, beklimt de muren, en werpt den vijand naar beneden.” + +</p> +<p>ʼt Werd een geweldige bestorming. Van alle kanten schoten de vijanden toe, en behendig klauterden zij tegen de hoogte op. + + +</p> +<p>Maar Jan zag het gevaar. + +</p> +<p>“Zij wagen eene bestorming, jongens! Geeft ze de volle laag!” riep hij. Zijn bevel werd uitgevoerd, en de Duitschers werden +haast onder de sneeuw bedolven. Sommigen kregen oogen, mond en neus vol, zoodat zij hoestend en proestend het hazenpad moesten +kiezen, en anderen kregen een flinken voorraad tusschen den kraag van hun jas, zoodat het water hun over den rug liep. Weldra +was de storm met glans afgeslagen. De Duitschers trokken zich terug. De vaandrig liep zelfs wel wat erg hard voor ʼt mooi. +Hij viel met vaandel en al voorover in eene greppel, tot groot vermaak van de Hollanders. + +</p> +<p>“Het Duitsche vaandel valt!” riepen zij lachend. “Dat is een goed voorteeken. Hoera! Leve de Koningin!” + +</p> +<p>“Kijk ze eens loopen!” riep Jan, wiens oogen schitterden van opgewondenheid. “Die storm is afgeslagen, jongens, en tot een +tweeden zullen zij zoo spoedig wel niet overgaan.” + +</p> +<p>Dat was ook zoo. Er werd zelfs geen bal meer gegooid. Karel hield met zijn makkers krijgsraad, want het was <a id="d0e2585"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2585">121</a>]</span>hem gebleken, dat het niet gemakkelijk zou gaan het fort te veroveren. + +</p> +<p>“Wat dunkt je, jongens,” zei hij, “als we met ons allen eens op één punt een zóó geweldig vuur openden, dat de kanteelen in +puin vallen? Dan zijn de belegerden ongedekt en vinden nergens beschutting. Als we ze dan de volle laag geven, kunnen zij +het onmogelijk uithouden.” + +</p> +<p>“Ja, ja, dat is goed. De kanteelen moeten we wegkogelen,” zei de vaandrig, “en dan wil ik wel eens zien, of ze ʼt volhouden.” + + +</p> +<p>“Afgesproken!” zei Karel. “Hierheen, jongens, aan dezen kant hebben we de sneeuw maar voor ʼt grijpen. Zeg, weet je, wat we +in ons voordeel hebben?” + +</p> +<p>“Wat dan?” + +</p> +<p>“Wel,—wij kunnen zooveel sneeuwballen maken, als we willen, maar hun voorraad raakt eenmaal uitgeput. En dan kunnen zij niets +meer beginnen.” + +</p> +<p>“Dat is waar, ha ja, dat is waar!” lachten de Duitschers. + +</p> +<p>Op ʼt volgende oogenblik openden zij een zoo geweldig bombardement op de kanteelen, dat deze het werkelijk kwaad te verantwoorden +kregen. Hier en daar begonnen zij al spoedig af te brokkelen en in te storten, tot groote vreugde van de vijanden, die soms +even ophielden om hunne vingers in den mond te steken,—want die werden erg koud,—en dan maakten zij tevens van de gelegenheid +gebruik, om een oorverdoovend gejuich aan te heffen. Onder ʼt sneeuwballen gunden zij zich daar den tijd niet toe. + +</p> +<p>Inderdaad kreeg de bezetting het kwaad te verantwoorden. + +</p> +<p>Maar Jan toonde zich iemand van groote veldheerstalenten. Hij zag niet alleen het gevaar, dat hem dreigde, maar hij doorzag +ook de bedoeling van zijne vijanden. + +</p> +<p>“Jongens,” riep hij zijne soldaten toe, “als we de <a id="d0e2607"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2607">122</a>]</span>kanteelen niet behouden, zijn we verloren. Neemt de schoppen en werpt op elke bres een nieuwen muur op. Maar slaat de sneeuw +stevig in elkander, zoodat de kogels er geen vat op hebben. Weest echter voorzichtig, want als je een bal tegen je gezicht +krijgt, dan ben je—zuur!” + +</p> +<p>De soldaten lachten smakelijk om deze <span id="d0e2611" class="corr" title="Bron: laaste">laatste</span> uitdrukking, maar zij begrepen de bedoeling van hun aanvoerder toch zeer goed, en gingen dadelijk met ijver aan ʼt werk. +Een deel van hen wierp de bressen dicht, en zij zorgden er voor, dat de sneeuw goed in elkaar geslagen werd, zoodat zij een +harde koek vormde,—een ander deel maakte nieuwe sneeuwballen, waarvoor zij het fort als het ware onder hunne voeten moesten +afbreken, en de rest bekogelde den vijand. + +</p> +<p>Al spoedig verstomde daar het gejuich, want ʼt was duidelijk, dat de pogingen om de gekanteelde muren te vernietigen, schipbreuk +zouden lijden. Zoodra was het den Duitschers niet gelukt een bres in den muur te schieten, of op ʼt volgende oogenblik waren +wel tien handen gereed om het gat weer te stoppen. De vijanden waren verder van de overwinning dan ooit, en zij werden er +moedeloos onder. Hun ijver verflauwde, het bombardement werd minder hevig, en eindelijk trokken zij af om opnieuw krijgsraad +te beleggen. + +</p> +<p>Wat de Hollanders juichten! + +</p> +<p>Zij zwaaiden met hunne mutsen, en riepen: + +</p> +<p>“Hoezee! Leve de Koningin! Hoezee!” + +</p> +<p>Zij waren echter wel blij, dat zij nu ook een poosje rust kregen, want de strijd was hevig geweest, en zij waren erg vermoeid. + + +</p> +<p>“Ik kan haast niet meer,” zei Willem Kroeze. + +</p> +<p>“Ik ook niet,” zuchtte Jacob Boors. “En wat zijn mijne vingers koud. Ze tintelen!” +<a id="d0e2628"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2628">123</a>]</span></p> +<p>Hij kreeg haast tranen in de oogen van de pijn, die ze hem deden. + +</p> +<p>“Steek ze een poosje in je mond, en blaas dan hard. Dan worden ze wel weer warm,” zei Jan Trom. “Zeg jongens, wat hebben we +ons goed gehouden, hè? Als we oppassen, krijgen zij ons fort nooit. Kijk ze ʼt eens druk hebben. Ze houden zeker weer krijgsraad.” + + +</p> +<p>“Laat ze maar!” zei Tines Wobbe. “We zullen ze ontvangen, zooals het behoort. Weg met de Duitschers!” + +</p> +<p>“Weg met de Duitschers!” riepen ze allen, en weer zwaaiden ze met hunne hoofddeksels. + +</p> +<p>“En leve de Koningin!” juichte Jan Trom. + +</p> +<p>“Ja, ja, leve de Koningin!” riepen allen. + +</p> +<p>Na een paar minuten werd de krijg hervat. De vijanden waren tot het besluit gekomen, eene nieuwe bestorming te wagen. In gesloten +rijen liepen zij op het fort toe, en opnieuw probeerden zij tegen den schuinen kant op te klauteren. Maar weer werden zij +lang niet malsch ontvangen. + +</p> +<p>Een hagelbui van sneeuwballen begroette hen, en de verdedigers wierpen schoppen vol losse sneeuw over hunne hoofden uit. + +</p> +<p>Maar Karel wilde niet opnieuw wijken. + +</p> +<p>“Sterven of overwinnen!” riep hij zijne volgelingen toe, en hij klauterde moedig omhoog, zich niet storende aan de projectielen +der belegerden. + +</p> +<p>Zijne soldaten, aangevuurd door zijn geestdrift, volgden hem met mannenmoed. Ha, daar had Karel den gekanteelden muur bereikt, +en reeds richtte hij zich op om victorie te roepen, toen Jan plotseling op hem toesprong, en hem pardoes achterover naar beneden +wierp. + +</p> +<p>“Weg met de Duitschers!” schreeuwde hij. + +</p> +<p>Karel was veel gauwer beneden, dan hij boven gekomen was. Eerst keek hij een oogenblik beteuterd rond, maar toen <a id="d0e2655"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2655">124</a>]</span>hij zag, dat zijne soldaten voet bij stuk hielden, bestormde hij de vesting opnieuw. ʼt Was een verwoede aanval, en de belegerden +konden niet dan met de uiterste inspanning stand houden. Met ongebreidelde geestdrift drongen de Duitschers op hen in, maar +de een na den ander werd van de borstwering afgeduwd en naar beneden geworpen. Daar werden zij haast onder de sneeuw bedolven, +die hun bij schoppenvol nageworpen werd. + +</p> +<p>Eindelijk deinsden de Duitschers af. Zij waren opnieuw afgeslagen. Maar het fort verkeerde in een deerniswaardigen toestand, +want om zich te verdedigen waren de Hollanders genoodzaakt geweest, zich den grond onder de voeten weg te spitten. De torens +helden dientengevolge sterk over naar den binnenkant van het slot, en dreigden elk oogenblik in te storten. Ook de muren geleken +wel bouwvallen. Maar nog wapperde de Hollandsche vlag fier van den hoofdtoren. Jan was daar trotsch op, en hij prees zijne +soldaten om den betoonden moed. + +</p> +<p>“Maar mijne vingers vallen haast af van de kou!” zei Tines. + +</p> +<p>“Dat doet er niet toe!” riep Jan hem toe. “Zoolang de vlag nog van den toren wappert, is er niets verloren, al hadden wij +geen van allen meer een vinger over! Leve de Koningin!” + +</p> +<p>“Leve de Koningin, en weg met de Duitschers!” schreeuwden zij om het hardst. + +</p> +<p>“Dat is niet om uit te staan!” riep Karel zijne soldaten toe. “Komt jongens, opnieuw aangevallen, en niet gerust, voordat +het fort ons is!” + +</p> +<p>De vijanden bestormden den burcht opnieuw, en de aanval was zoo mogelijk nog verwoeder dan de vorige. + +</p> +<p>“Nu of nooit!” schreeuwde Karel, die zich op en top krijgsman voelde. +<a id="d0e2671"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2671">125</a>]</span></p> +<p>“Sterven of overwinnen!” antwoordde Jan Trom, en de jongens vochten van weerskanten als leeuwen. + +</p> +<p>Eindelijk gelukte het Karel ten tweeden male op het fort te komen, vlak bij den hoofdtoren. Maar Jan en zijne soldaten wierpen +zooveel sneeuw tegen zijn hoofd en schouders, dat hij zijn evenwicht verloor en tegen den toren viel. Deze was echter al zoo +bouwvallig, dat hij den schok niet meer kon weerstaan en instortte. De vlag der Hollanders verdween van hare hooge standplaats. + + +</p> +<p>“De toren stort in!” riep Willem Kroeze. + +</p> +<p>“De vlag duikt!” schreeuwden de Duitschers. + +</p> +<p>“Hoera! Hoera!” + +</p> +<p>Karel lag te spartelen onder de sneeuw in het fort, want de toren had hem half bedolven. De Hollanders sprongen op hem aan +en grepen hem. + +</p> +<p>“Een gevangene! Een gevangene!” juichten zij. “De bevelhebber is gevangen! Weg met de Duitschers! Leve de Koningin!” + +</p> +<p>De Duitschers, ontsteld door het gevangennemen van hun Commandant, deinsden af, maar spoedig kwamen zij terug met het stellige +voornemen, hun hoofdman te verlossen. + +</p> +<p>Het kasteel was nu een puinhoop geworden. De torens waren ingestort, en van de gekanteelde muren was geen spoor meer overgebleven. +De belegerden waren thans geheel ongedekt aan het vuur der vijanden blootgesteld, en het maken van nieuwe sneeuwballen, of +zooals zij zeiden het gieten van nieuwe kogels was hun zoo goed als onmogelijk geworden, omdat de sneeuw, waarop zij stonden, +door de soldaten als het ware tot een harden koek was vastgestampt. Met hunne schoppen moesten zij de sneeuw omspitten om +kogels te kunnen gieten. + +</p> +<p>En toen kwam een nieuwe storm. De vijanden klauterden als katten tegen den muur op, en de belegerden hadden <a id="d0e2692"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2692">126</a>]</span>geen middelen meer om hen te keeren. Zij vochten nog wel als leeuwen en wierpen menigen Duitscher naar beneden, maar tevergeefs. +Het fort was verloren. Voor en na verschenen de vijanden op de hoogte, en eindelijk moest Jan zich overgeven. + +</p> +<p>“Hoera! Hoera!” riepen Karel en zijn mannen. “Het kasteel is ons! Leve de Keizer!” + +</p> +<p>De Hollandsche vlag, waarvan de stok gewoon in de sneeuw gestoken was, daar de torens totaal verdwenen waren, werd omvergeworpen, +en de vijandelijke vlag kwam er voor in de plaats. + +</p> +<p>“Leve de Keizer!” juichten de Duitschers, en zij zwaaiden met hunne mutsen. + +</p> +<p>“Goed, goed!” zei Jan. “Maar wat heb je nu? Wat is er van het kasteel overgeschoten? Een puinhoop, meer niet. Veel pleizier +er mede.” + +</p> +<p>“Ja, ja, dat is waar!” zei Karel. “Jelui hebt je kolossaal goed gehouden, dat moet ik zeggen.—Hè, hè, jongens, dat was een +mooi spelletje!—ʼt Is nu tijd om naar huis te gaan. Doen we het morgen weer?” + +</p> +<p>“Ja, ja!” werd er van alle kanten geroepen. “Dat is afgesproken.” + +</p> +<p>Zingende verlieten vriend en vijand het marktplein, om naar huis te gaan. Zij hadden heerlijk gespeeld en dachten er nog lang +daarna met pleizier aan. Zij waren vast besloten, den volgenden dag een nieuw kasteel te bouwen en den strijd te hervatten. + + +</p> +<p>Maar den volgenden morgen merkten zij al dadelijk, dat het niet kon. ʼt Had namelijk dien nacht verbazend hard gevroren, en +ʼt was daardoor onmogelijk geworden sneeuwballen te maken. De sneeuw wilde niet pakken. Zij vonden dat wel erg jammer, maar +daarentegen verheugden zij er zich weer in, dat het zoo hard gevroren had, en <a id="d0e2710"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2710">127</a>]</span>zij hoopten, dat het ijs spoedig sterk zou worden. De twee kanalen, die in het hart van het dorp elkander kruisten, lagen +al dicht. De jongens wierpen er steentjes op, om te zien, of zij er doorheen konden gooien, maar dat konden zij niet. Alleen +klinkers gingen er ongeveer voor de helft doorheen. + +</p> +<p>Zij vermaakten zich nu met glijbanen te maken en daar in lange risten overheen te glijden. De grond werd hier en daar spiegelglad. +Opeens bedachten zij, dat het nu prachtig zou glijden langs de helling buiten het dorp, bij het fort, waar Jan met zijn automobile +den veldwachter bij ongeluk van de been gereden had. En nauwelijks hadden zij dat bedacht, of zij snelden er heen. Ha ja, +ze hadden zich niet bedrogen. De helling was er prachtig voor geschikt, en er lag dik sneeuw. Spoedig was het er zoo glad, +dat men er haast niet op de beenen kon blijven staan, en als de jongens eenmaal op de helling waren, mòèsten zij verder, of +zij wilden of niet. Zij vonden het meer dan verrukkelijk, en wisten van geen ophouden. ʼt Was een koddig gezicht, als een +van hen het ongeluk had te vallen. Dan buitelden allen, die achter hem kwamen aanglijden, hals over kop over hem heen, en +werd het een levende berg van jongens. + +</p> +<p>Menigeen riep dan au, au! en sommigen kwamen erg in de verdrukking, maar daarom werd niet getreurd. Een volgend oogenblik +gleed de geheele rij weer met statie verder, en ʼt ging vliegensvlug. + +</p> +<p>ʼt Was al laat, eer de jongens thuiskwamen, en voordat zij de deur instapten, wierpen zij eerst nog een blik op het hemelgewelf +om te zien, of de lucht naar vorst stond. En dat deed ze gelukkig. De sterretjes fonkelden aan den hemel, en er was geen wolkje +aan te zien. + +</p> +<p>Dien nacht vroor het kolossaal! Toen Jan ʼs morgens <a id="d0e2720"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2720">128</a>]</span>zijn neus buiten de bedgordijnen stak, zag hij al dadelijk, dat de bloemen dik op de ruiten stonden. + +</p> +<p>“De pomp is bevroren!” riep zijn vader van uit de keuken. “Jongen, jongen, wat een vorst. ʼt Is buitengewoon! Zeg Jan, nog +één nachtje zoo, en we kunnen schaatsenrijden. Dan is het kanaal sterk genoeg. Maar vandaag nog voorzichtig wezen, hoor, ʼt +kan nog niet vertrouwd zijn.” + +</p> +<p>“Ja Vader,” zei Jan. + +</p> +<p>Hij was van nature geen waaghals. Niet, dat hij bang was, in het geheel niet, maar hij vond het dwaasheid zijn leven roekeloos +in gevaar te stellen. Toch waren er wel jongens, die zich al op het kanaal waagden. Voorzichtig, voetje voor voetje, liepen +zij het ijs op, dat door een sterk gekraak waarschuwde om terug te gaan. De waaghalzen hoorden het wel, en als het heel erg +kraakte, bleven zij even stilstaan, maar spoedig gingen zij weer verder. Tines Wobbe bereikte zelfs de overzijde van het kanaal, +waar hij niet weinig trotsch op was. + +</p> +<p>ʼs Middags na schooltijd liep Jan met zijn vriend Karel van Dril het dorp in, en kwam bij de drie bruggen. Zij zagen, dat +het water daar nog open lag. Dat was bijna altoos zoo in den winter. Alleen als het lang bleef vriezen, werd het daar ook +sterk genoeg, om er over te loopen. Zij stonden er een poosje naar te kijken, toen plotseling hunne aandacht werd getrokken +door Frans Thor, die een vuilen hond vervolgde. Hij wierp het beest met steenen. ʼt Was een broodmager beest, dat er vreeselijk +vervuild uitzag. De jongens herkenden dadelijk Fik in hem, den hond van den orgeldraaier Klaas Touw. + +</p> +<p>“Houdt hem! Houdt hem!” riep Frans hun toe. + +</p> +<p>“Een heldendaad van Frans,” zei Jan tot Karel. “Hij kan geen hond met rust laten.” + +</p> +<p>“Houdt hem! Houdt hem!” riep Frans nog eens. +<a id="d0e2736"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2736">129</a>]</span></p> +<p>De hond was nu op het midden van de brug. Jan en Karel deden, of zij Frans niet hoorden. Maar juist kwam Klaas Zwart van den +anderen kant de brug op. + +</p> +<p>“Houd hem, Klaas!” riep Frans zijn vriend toe. “Jaag hem op!” + +</p> +<p>“Ja,—ja!” was het antwoord. En met zijn armen zwaaiende en onder een luid geschreeuw joeg hij het verhongerde beest terug. + + +</p> +<p>Spoedig kwam Fik nu Frans weer tegen, en deze joeg hem ook terug. De dierenkwellers hadden braaf schik in den angst van den +hond, die, naarmate de jongens elkander naderden, meer in het nauw gedreven werd. Eindelijk wist het arme dier geen raad meer, +en toen het probeerde om langs de beenen van Frans te ontsnappen, op gevaar af een schop van dien jongen te krijgen, gaf deze +hem een duw, waardoor hij van de brug af in het water viel. + +</p> +<p>Wat hadden Frans en Klaas een pret. En hoe vermaakten zij zich met de wanhopige pogingen van het dier om zich te redden. + +</p> +<p>De lantaarnopsteker, die op zijn laddertje stond, om de lantaren schoon te maken en de peer van de lamp te vullen, was er +verontwaardigd over, en hij riep de jongens toe, dat zij zich schamen moesten. Hij klom naar beneden en zag, hoe het beest +tevergeefs poogde zich te redden. + +</p> +<p>“ʼt Is meer dan schandelijk!” riep de man nog eens. “ʼt Beest is onherroepelijk verloren. Wie zal het wagen, het te redden? +Wie het doet, loopt groot gevaar om zelf te verdrinken. Zulke dierenbeulen!” + +</p> +<p>Ook Jan en Karel zagen met smart de pogingen van den armen hond, om zich te redden, ʼt Was duidelijk, dat het beest verdrinken +moest. Eene hevige verontwaardiging maakte zich van Jan meester, en ook Karel vond het eene schandelijke daad. +<a id="d0e2753"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2753">130</a>]</span></p> +<p>Fik zwom in het breede wak rond, nu hier, dan daar pogingen doende, om op het ijs te klimmen. Maar dit was te glad. Telkens +gleden zijn pootjes uit en zakte hij in het water terug. + +</p> +<p>Jan kon het niet langer aanzien. + +</p> +<p>“Mag ik dat laddertje gebruiken?” vroeg hij aan den lantaarnopsteker. Zonder antwoord af te wachten, lichtte hij de haken +los, waarmede het aan den paal bevestigd was, en liep er mede naar den kanaalkant. + +</p> +<p>“Niet doen, Jan, niet doen!” riep Karel hem toe. + +</p> +<p>Maar Jan antwoordde niet. + +</p> +<p>“Dàn zal ik je helpen!” hernam Karel, en hij voegde zich bij zijn vriend. Maar deze stond al op het ijs. + +</p> +<p>“Blijf daar, Karel, ik ben lichter,” zei Jan kortaf. + +</p> +<p>Hij schoof het laddertje voor zich uit en naderde behoedzaam het wak. Al was Jan nòg zoo mager, en al woog zijn lichaampje +nòg zoo licht, toch liet het ijs, dat bij de brug erg dun was, een dreigend gekraak hooren. Jan liet er zich echter niet door +weerhouden. Bedaard ging hij verder, half steunende op het laddertje, dat hij met kleine stootjes voortduwde. + +</p> +<p>“Fik! Fik!” riep hij den hond toe. + +</p> +<p>Het beest zag hem komen. Met verkleumde pooten zwom het in het ijskoude water. Het jankte van vreugde.... Bijna kon het zich +niet meer bewegen. Het uiterste einde van het laddertje had het begin van het wak bereikt. + +</p> +<p>Vele menschen verzamelden zich langs de brugleuning, en met angstige spanning volgden zij de bewegingen van den knaap. Ook +Janʼs vader was op de brug. Zijne oogen waren geen seconde van zijn dapperen jongen af. Ha, hoe verheugde hij zich over deze +kranige daad van zijn kind. Hij was trotsch op hem! + +</p> +<p>Jan keek op noch om. Al zijne gedachten waren op één <a id="d0e2778"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2778">131</a>]</span>punt gericht, namelijk, dat het zijn plicht was den armen hond te redden. Op handen en knieën kroop hij behoedzaam verder. + + +</p> +<p>Het ijs boog door. Er kwam water op. De ladder werd nat. Maar Jan keerde niet terug. Hij zag, dat de hond op ʼt punt was van +verdrinken. + +</p> +<p>Nog een sport,—daarna nog een.... + +</p> +<p>Hij legde zich lang-uit op de ladder. Zijne kleêren werden nat. Toen strekte hij den arm uit, en met een krachtigen greep +trok hij den hond uit het wak. Verkleumd bleef het dier liggen. + +</p> +<p>Jan durfde zich niet omkeeren. Hij wist bijna zeker, dat het ijs dan breken zou. Zoo voorzichtig mogelijk kroop hij achteruit, +langzaam—langzaam verder. Den hond trok hij meê. + +</p> +<p>Eindelijk had hij het achtereinde van het laddertje bereikt en moest hij op het ijs stappen. Maar daar was het niet zoo erg +zwak meer. De hond kwam eenigszins tot zichzelven. Bevend op zijne pooten liep het dier naar den walkant. Daar hielp Karel +het omhoog, tegen den walkant op. Eindelijk had ook Jan den oever bereikt.... + +</p> +<p>En op ʼt zelfde oogenblik klonk een daverend handgeklap hem in de ooren. De menschen, die gezien hadden, welk heldenstuk hij +had verricht, verbraken de stilte en juichten hem toe. Jan kreeg er een kleur van. En zijn vader drong door het volk heen +en drukte hem in zijn armen. Hij had er zoowaar tranen van in de oogen. + +</p> +<p>“Ben je erg nat?” vroeg Dik. + +</p> +<p>“Haast niet, Vader,” zei Jan. “Ik ga met Karel den hond even thuisbrengen, want hij kan bijna niet loopen.” + +</p> +<p>“Goed, goed,” zei Dik, “maar dan direct droog goed aantrekken.” + +</p> +<p>Jan en Karel vertrokken met den verkleumden hond, <a id="d0e2800"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2800">132</a>]</span>en de menschen vervolgden hun weg. Met lof werd over Jan gesproken. Iedereen had er den mond vol van. Maar de dierenbeulen +Frans en Klaas waren stilletjes afgedropen. + +</p> +<p>Het huisje van Klaas Touw, den orgeldraaier, stond een weinigje achteraf, aan een achterweg. De jongens hadden het spoedig +bereikt. Zij deden de deur van het armoedig hutje open en traden binnen. + +</p> +<p>Mietje zat bij de tafel. Zij zag er bleek en mager uit, en hare oogen keken de jongens droevig aan. De bedsteêdeuren aan den +achterkant van het kamertje stonden open, en de jongens zagen, dat Klaas Touw te bed lag. Hij was ziek. + +</p> +<p>“Hier is uw hond, Mietje,” zei Jan, die den hond in de kamer liet loopen. “We hebben hem uit het water gehaald. Hij lag in +het wak bij de brug.” + +</p> +<p>“Neen, <i>wij</i> niet, maar Jan heeft hem er uitgehaald,” zei Karel, die zijn vriend om diens heldendaad bewonderde. “Met levensgevaar heeft +hij hem gered.” + +</p> +<p>“Zoo,—arme Fik,” zei Mietje. “Was hij maar verdronken.” + +</p> +<p>“Waarom?” vroegen de jongens als uit één mond. Zij waren niet weinig verwonderd over die woorden. + +</p> +<p>“Waarom? Wel, dan was hij meteen uit zijn lijden. Klaas is ziek, en hij zal wel zoo gauw niet beter wezen, zegt de dokter. +We hebben zelf niet eens te eten, hoe zal ik dan voor den hond zorgen?” + +</p> +<p>De jongens keken de vrouw zwijgend aan. En hun blik dwaalde door het armoedige vertrek en naar het bed van den zieke. Zij +zagen ook, dat er geen vuur was in de oude kachel, en dat de bloemen dik op de ruiten stonden. + +</p> +<p>“En uw orgel dan?” vroeg Jan na een poosje. + +</p> +<p>“Dat is weggehaald, omdat wij de huur ervan niet betalen konden,” zei Mietje, en zij kreeg de oogen vol tranen. “Wij lijden +armoê, jongens, erger dan ik het zeggen kan.” +<a id="d0e2825"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2825">133</a>]</span></p> +<p>De jongens wisten niet veel te zeggen, maar zij kregen diep medelijden met die arme menschen. + +</p> +<p>“Weet je wat, Mietje,” zei Jan. “Morgen is het ijs wel sterk. Ga dan met een tentje op het ijs staan, om melk en koek te verkoopen.” + + +</p> +<p>Vrouw Touw lachte droevig. + +</p> +<p>“Hoe moet ik aan melk komen?” zei ze met een zucht. “En aan chocolade en suiker en koek? Wie zal mij dat alles borgen?” + +</p> +<p>“Mijn vader wel,” zei Jan beslist. “Ik ga het hem vragen. Ga je mee, Karel?” + +</p> +<p>De jongens liepen op een drafje naar huis. En toen Jan verteld had, hoe het met den orgeldraaier en diens vrouw gesteld was, +zei Dik: + +</p> +<p>“Zeker wil ik helpen, jongen! Ga maar aan Mietje zeggen, dat ik haar alles wil voorschieten, wat zij noodig heeft.” + +</p> +<p>“Hoera!” riep Jan. “Wat is u toch goed, Vader. En mogen ze een paar oude stoelen hebben, en wat palen en een paar banken?” + + +</p> +<p>“Ja,” zei Dik lachend, want het verheugde hem, dat Jan en Karel zich zoo druk maakten om een paar arme menschen te helpen, +die in nood verkeerden. “Maar weet je, wat in de eerste plaats noodig is? De stakkers hebben niets in huis, zelfs geen brandstof +om de kachel te stoken. Span je bok voor den wagen, en breng er dadelijk flink wat turven naar toe. Ik zal dan meteen een +en ander uit den winkel inpakken, zoodat ze van avond wat te eten hebben ook.” + +</p> +<p>“Ja, ja,—ik met den bokkenwagen, en Karel met de automobiel! Dat zal leuk wezen.” + +</p> +<p>ʼt Was intusschen al donker geworden, en de sterretjes begonnen al weder aan het hemelgewelf te flonkeren. +<a id="d0e2848"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2848">134</a>]</span></p> +<p>Jan en Karel hadden het druk, want zij maakten van Dikʼs mildheid een ruim gebruik. De automobile werd volgestapeld met turven +en kachelblokjes, en in het bakje van den bokkenwagen kwamen verscheidene zakjes met levensmiddelen. Dik wist wel, wat het +meest noodig was. + +</p> +<p>Toen de jongens wegreden, keken Dik en Anneke hen lachend na, en Dik herinnerde zich op dat oogenblik weer levendig, hoe hij +zich als kind op een donkeren avond geheel alleen op weg begeven had, om aan de heks op den achterweg, die ook in nood verkeerde, +levensmiddelen te brengen. En hij voelde zich gelukkig, dat hij zulk een goed kind had. + +</p> +<p>In het hutje van de twee arme menschen heerschte dien avond groote blijdschap. Jan en Karel werden hartelijk door den orgeldraaier +en diens vrouw bedankt. + +</p> +<p>“Morgen zullen we een tent voor u bouwen, Mietje,” zei Jan. “En Vader wil u al het noodige voorschieten, om alles te kunnen +inslaan. Wacht maar, u zal eens zien, hoe ʼn mooie tent wij zullen maken.” + +</p> +<p>De jongens keerden naar huis terug. De bok liep met opgetrokken pooten, want hij vond de bevroren sneeuw erg koud, en hij +was er slecht over gestemd, dat hij zijn warm plaatsje bij den hit had moeten verlaten. Karel draaide lustig aan het wiel +van de automobile. “Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf klonk het achter den bokkenwagen. De beide lantarens gaven een helder licht, en de +jongens vonden het een prettig tochtje. Zij spraken af, den volgenden morgen vroeg op te staan en dan ijverig te gaan bouwen +aan de tent. Met een prettig gevoel in hun borst keerden zij in huis terug. Zij voelden zich tevreden en gelukkig. + + + +<a id="d0e2859"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2859">135</a>]</span></p> +</div> +<div id="d0e2860" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Twaalfde Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>Een goede daad, een vroolijke dag en een treurige morgen.</p> +</div> +<p>Wat was Jan Trom vroeg wakker. ʼt Was nog maar kwart over zessen, toen hij uit zijn bed stapte. Zijn vader werd er wakker +van, toen Jan de luiken opende. + +</p> +<p>“Wie is daar?” vroeg Dik. + +</p> +<p>“Ik Vader,” zei Jan. “Weet u niet meer, dat we eene tent zouden bouwen voor Mietje van Klaas Touw. De bloemen staan weer dik +op de ruiten. ʼt Heeft bepaald erg hard gevroren.” + +</p> +<p>“Zeker wel,” zei Dik. + +</p> +<p>Jan was spoedig aangekleed. Hij opende de provisiekast en nam er een paar sneden brood uit, die hij gebruikte met een glas +melk. Daarna verliet hij het huis, om zijn vriend te gaan wekken. Nauwelijks was hij vertrokken, of ook Dik stapte zijn bed +uit. Hij was bang, dat het bouwen van een ijstent de krachten der jongens te boven zou gaan, en daarom wilde hij gereed zijn +om zoo noodig een handje te kunnen helpen. + +</p> +<p>Karel van Dril was al op, toen Jan hem kwam roepen. + +</p> +<p>“Wat is het koud, hè?” zei Karel huiverend. + +</p> +<p>“Ja, erg koud,” zei Jan. “Maar wij zullen ons wel warm werken. Om negen uur moet de tent klaar zijn, want dan gaat de school +aan en moeten wij binnen zijn.” + +</p> +<p>“Ja,” zei Karel. “Ik ben klaar, Jan. Zullen we gaan?” + +</p> +<p>“Goed.” + +</p> +<p>De jongens gingen naar buiten. Lange, dunne palen namen zij op de schouders en droegen die naar het ijs. Het kanaal was dicht +bij hun huis. Zij hadden den weg maar over te steken om het te bereiken. Een goed plaatsje <a id="d0e2888"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2888">136</a>]</span>was spoedig gevonden. Zij besloten de tent te bouwen vlak voor den winkel van Dik Trom. Een paar malen liepen zij heen en +weer om alles te halen, wat zij noodig hadden. + +</p> +<p>Daarna gingen zij aan het werk. + +</p> +<p>Eerst moesten er met een bijl gaten in het ijs worden gemaakt. Jan begon te hakken. O, wat was het ijs hard. De splinters +spatten hem bij elken hak om de ooren, en rinkelend vlogen zij een eind ver over de gladde ijsvlakte. + +</p> +<p>ʼt Was een zwaar werkje. Al spoedig had Jan geen last meer van de koû, en hij merkte, dat het niet gemakkelijk zou gaan, een +gat in het ijs te hakken. Hij zuchtte zoo hard, dat Karel er om lachen moest. + +</p> +<p>“Toe maar, hak maar raak,” zei hij. “Ik zal wel voor je zuchten.” + +</p> +<p>Jan begon te wanhopen, of hij er wel mee klaar zou komen. Maar eindelijk toch zakte zijn bijl door het ijs. Het water drong +er doorheen. Nog een paar slagen, en het schotsje was los. Met de bijl wipte hij het stuk ijs omhoog. + +</p> +<p>“Zie zoo, dat is er één,” zei hij. “Nu den paal er in.” + +</p> +<p>“Doe jij dat maar, dan zal ik intusschen het tweede gat hakken,” zei Karel. Hij nam de bijl, en trok aan ʼt werk. Op dit oogenblik +kwam Dik Trom aanstappen. Hij kwam eens kijken, of de jongens het klaar zouden spelen. + +</p> +<p>“Gaat het goed?” vroeg hij. + +</p> +<p>“Best, Vader,” zei Jan. “O, maar wat is dat ijs hard. Ik kan er bijna niet doorheen slaan met de bijl.” + +</p> +<p>“Ja, dat dacht ik wel. Daarom kwam ik juist even kijken. Maar ik zie wel, dat mijn hulp niet noodig is. Hoeveel palen moeten +er in?” + +</p> +<p>“Wij dachten van zeven,” zei Karel. “ʼt Zou met minder kunnen, maar als het dan wat hard gaat waaien, is de tent niet sterk +genoeg.” +<a id="d0e2912"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2912">137</a>]</span></p> +<p>“Je hebt gelijk,” zei Dik. “Wel, wel, wat is dat ijs gl....” + +</p> +<p>“Glad,” wilde hij zeggen, maar zoover kwam hij niet, want plotseling gleden zijne beenen onder hem weg, en viel de dikke Dik +met een geweldigen bom op het ijs. Het ging zoo snel en onverwachts, dat hij eerst niet wist, wat er gebeurde. Het ijs kraakte +niet zooʼn beetje, en er kwam een groote ster in. + +</p> +<p>Gelukkig bezeerde Dik zich niet, en de jongens konden er dus naar hartelust om lachen. Doch zij gunden zich daar niet veel +tijd toe, want zij moesten hard werken om op tijd klaar te komen. Om de beurt hakten zij een gat in het ijs, en toen Dik koud +werd, hakte hij er ook een. De tent schoot flink op. Aan drie kanten werden er zeilen aan de palen bevestigd, en de vierde +kant bleef natuurlijk open. Om acht uur waren zij met hun arbeid gereed. Toen repten zij zich naar huis, om een oude tafel, +wat afgedankte stoelen en een paar banken te halen. Ook namen zij ieder eene vlag mêe, en die werden aan de twee voorste palen +bevestigd. Om half negen was de tent kant en klaar. Dik was al lang naar huis, want hij zag, dat de jongens zijne hulp best +konden ontberen, en hij vond het een prettiger idee voor hen, dat zij de tent geheel alleen bouwden. Toen om half negen Mietje +op het ijs verscheen, sloeg zij van verbazing de handen in elkaar, en zij was wat grootsch op de mooie tent, die de jongens +voor haar hadden gemaakt. En alles was gereed. Zij had er om zoo te zeggen zóó maar in te stappen. Alleen moest zij nog melk +koken en de noodige koeken bij den bakker bestellen. De arme ziel wist geen woorden te vinden, om de jongens te bedanken voor +alles, wat zij voor haar en haar zieken man hadden gedaan. + +</p> +<p>“Hoe is het met Klaas?” vroeg Jan. + +</p> +<p>“Nog hetzelfde,” was het antwoord. “Hij ligt nu al vier <a id="d0e2923"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2923">138</a>]</span>weken te bed, en ik zie niet den minsten vooruitgang. Maar hoe zou dat ook kunnen? Wij zijn te arm, om de versterkende middelen +te kunnen koopen, die zijn verzwakt lichaam noodig heeft, want hij is door en door verzwakt, zegt de dokter.” + +</p> +<p>“Nu, wie weet, hoeveel u vandaag nog verdient,” zei Karel. “En hoe is het met Fik?” + +</p> +<p>“O, die is weer geheel en al in orde. Hij houdt den baas gezelschap. Die moet natuurlijk den heelen middag alleen in huis +blijven. Maar hij zal zich wel redden. Ik zal de tafel bij zijn bed schuiven en alles, wat hij noodig heeft, daarop klaar +zetten. Vóór twee uur van middag behoef ik niet in de tent te staan, en om vijf uur kan ik wel al weer thuis zijn. Dan wordt +het donker en gaan de schaatsenrijders naar huis. Dus langer dan een uur of drie, vier is hij niet aan zijn lot overgelaten. +O jongens, wat redden jullie me heerlijk uit den nood; je weet niet, hoe dankbaar ik ben.” + +</p> +<p>“Dat is niet noodig, Mietje. We hopen, dat je vandaag nu maar flink geld verdient. Maar ʼt wordt voor ons tijd om naar school +te gaan. Vanmiddag zullen we wel vacantie krijgen, denk ik, nu het zulk mooi ijs is.” + +</p> +<p>“ʼt Is te hopen,” zei Karel. “Hè, wat heb ik een zin om te gaan rijden.” + +</p> +<p>“En ik!—Dag Mietje, tot vanmiddag!” + +</p> +<p>De jongens gingen naar huis. Het gebruikte gereedschap namen zij mee, en eenige minuten later stapten zij de school binnen. +Zij dachten dien morgen meer aan het mooie ijs, dan aan de lessen. + +</p> +<p>Mietje was intusschen druk in de weer om alles voor den middag in gereedheid te brengen. Bij den bakker bestelde zij een groot +getal ijskoeken, die ook wel dikke Pieten werden genoemd, eene lekkernij, waar de jongens <a id="d0e2939"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2939">139</a>]</span>verzot op waren, en die de meisjes ook wel lustten. Dik Trom had aan den bakker gezegd, dat hij voor de goede betaling borg +stond. Ook gaf Dik de noodige chocolade en suiker, en mocht zij bij Wobbe op zijne rekening zooveel melk bestellen, als zij +dacht noodig te hebben. Mietje vloeide over van dankbaarheid. + +</p> +<p>“Zorg nu,” zei Dik, “dat alles er netjes en zindelijk uitziet in je tent, en maak de kopjes telkens schoon, als er uit gedronken +is. De menschen hebben een hekel aan vuile koppen en schotels.” + +</p> +<p>Dik wist wel, dat Mietje niet aan overdreven zindelijkheid leed. + +</p> +<p>“Daar zal ik voor zorgen,” zei Mietje. + +</p> +<p>Van een kastelein had zij de noodige koppen en schotels geleend. Zoo werd Mietje door de hulp van verschillende menschen, +die medelijden met haar hadden, netjes ingespannen, en om één uur stond zij al in hare tent, gereed om de gasten te ontvangen. + + +</p> +<p>Jan en Karel hadden goed geraden. Dien middag kregen zij inderdaad vacantie. Dat gaf eene vreugde. Onder een luid gejoel verlieten +de kinderen de school, om te gaan eten. Sommigen gunden zich daar haast den tijd niet eens toe, zoo verlangden zij om op ʼt +ijs te komen. + +</p> +<p>Om een uur krioelde het al van jongens en meisjes op de baan, en Mietje kreeg het al aardig druk in hare tent. Jan en Karel +waren er ook. Hun eerste gang was naar Mietje, want zij wilden graag de eersten zijn, die wat bij haar kochten. En Mietje +zag er wat helder uit. Van Anneke had zij een grooten huishoudboezelaar gekregen, die hare armoedige plunje geheel bedekte. +Ook de kopjes waren helder gewasschen, en ʼt zag er gezellig bij haar uit. Jan en Karel zagen met genoegen, dat zij het verbazend +druk kreeg. Dat was trouwens geen wonder, want zij was de <a id="d0e2953"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2953">140</a>]</span>eenige, wier tent geheel klaar was. Er waren er nog wel verscheidene in aanbouw, maar gereed was er nog maar een, en dat was +de hare. Wat hadden de twee jongens er een pret in. Vroolijk zwierden zij op de baan heen en weer, want zij konden goed rijden, +vooral Jan. Die kon al zwieren als de beste. Dat had hij van zijn vader geleerd die ook een groot liefhebber van het ijsvermaak +was. En als zij een poosje gereden hadden, gingen zij uitrusten in de tent van Mietje, die er recht gelukkig en tevreden uitzag, +want zij kon wel aan het bedienen blijven. + +</p> +<p>“Dikke Pieten! Dikke Pieten!” riep Karel lachend zijne kameraden toe. “Steekt er eens op, en legt er eens aan! Lekkere, versche +dikke Pieten! De mooiste ijskoeken van de wereld!” + +</p> +<p>De jongens en meisjes lachten er om, en toen zij hoorden, dat Mietje het zoo erg arm had en dat haar man ziek was, en daarbij +vernamen, dat Karel en Jan samen die mooie tent voor haar hadden gebouwd, kijk,—toen wilde iedereen ook een steentje bijdragen +om den nood der arme menschen te lenigen, en wie wat koopen wilde, deed het daarom bij Mietje. + +</p> +<p>Jan ging ook achter de tafel staan, en riep zoo hard hij kon: + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span>“Heete melk en koude Jan,</span></p> +<p class="line" style=""><span>Steekt er eens op en legt er eens an!”</span></p> +</div> +</div> +<p>De kinderen moesten er hartelijk om lachen, maar ʼt gevolg was toch, dat de koeken als ʼt ware wegvlogen, en dat Mietje telkens +een nieuwen voorraad melk moest koken. Hare zaakjes gingen best, opperbest, en zij ontving zooveel geld, als zij in haar heele +leven nog niet bij elkaar had gezien. + +</p> +<p>Later op den middag kreeg zij het nog drukker. Toen kwamen de groote menschen op de baan. Ook Dik Trom <a id="d0e2970"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2970">141</a>]</span>stapte met zijn schaatsen onder den arm het ijs op. En even later verschenen de twee mannen, met wie hij al van zijne vroegste +jeugd af trouwe vrienden was geweest, namelijk Piet van Dril, de smid, en Jan Vos, de metselaar. In de tent van Mietje bonden +zij de schaatsen onder. Dik trakteerde eenige jongens, die dicht in de nabijheid stonden, op dikke Pieten, en even later zwierde +het drietal lustig over de baan. Wat kreeg deze meer en meer een vroolijk aanzien. De andere tenten waren nu langzamerhand +ook gereed gekomen, en de vlaggen wapperden vroolijk in den wind. En wat kwamen er een menschen op het ijs! ʼt Werd er hoe +langer hoe voller, en soms, als de menschen erg dicht op een hoop stonden, gaf het ijs een geweldigen krak, zoodat iedereen +er van schrikte en men ijlings uit elkander stoof. + +</p> +<p>De baanvegers hadden weinig te doen, want het ijs was spiegelglad. Des te meer tijd hadden zij om geld op te halen. + +</p> +<p>“Een centje voor den baanveger!” klonk het hier. “Een centje voor den baanveger,” <span id="d0e2976" class="corr" title="Bron: klok">klonk</span> het daar. ʼt Leek wel, of de baanvegers uit den bodem van het kanaal opstegen, zooveel kwamen er. Maar de schaatsenrijders +genoten volop, en zij hadden een gulle bui. Dik Trom, wiens winkel thans verreweg de grootste was van het geheele dorp, zoodat +hij veel geld verdiende en van nabij met den toestand der baanvegers bekend was, liet menig dubbeltje in de handen der baanvegers +overgaan. Hij was niet gierig, en als hij wist, dat hier of daar armoede geleden werd, was hij altoos bereid om te helpen. +Hij was dan ook verbazend bemind onder zijne dorpsgenooten. Iedereen had een vriendelijk woord voor hem over, en niemand passeerde +hem zonder een groet. + +</p> +<p>“Dag Dik!” werd er overal geroepen, waar hij voorbij <a id="d0e2981"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2981">142</a>]</span>reed. “Dag Dik! Dat is nog eens een echt ouderwetsch dagje, hè?” + +</p> +<p>ʼt Was vreemd, maar Dik werd op het dorp nog bijna door iedereen Dik genoemd. Zelden zeide men Trom tegen hem. + +</p> +<p>Hij kon mooi schaatsenrijden, veel mooier, dan men van zooʼn dikken man verwacht zou hebben. Als hij goed aan het zwieren +was, had hij aan de breede baan niet genoeg, neen, dan gebruikte hij wel de halve breedte van het kanaal. En ʼt was grappig +om te zien, als Jan achter hem aanzwierde. Dik had altoos een ijsstok bij zich, met aan elk einde een knop. Soms hield Dik +het eene einde onder den arm, en Jan het andere, en dan zwierden zij samen zoo kolossaal, dat de menschen bleven staan om +er naar te kijken. En ʼt was een grappig gezicht, dien dikken Dik en dien mageren Jan samen aan den stok te zien zwieren. +Iedereen lachte er om, en Dik zelf ook.... Ha, wat was Jantje dan grootsch. Dan reed hij zoo prachtig beentje-over, dat Karel +van Dril er jaloersch op was. + +</p> +<p>Het drukste punt van de geheele ijsbaan was, waar de tent van Mietje stond. Karel en Jan zagen met onbeschrijflijk veel genoegen, +dat hare tent nooit leeg was. Altijd zaten er menschen op de stoelen of banken, om uit te rusten, en iedereen gebruikte wat +bij haar. De koek was om drie uur al uitverkocht, maar melk had zij in overvloed. Haar zak was zwaar van de centen, die zij +ontvangen had, en steeds kwam er meer bij. Iedereen wilde haar helpen in den nood. Alleen de andere tenters waren er een beetje +boos om, maar toch niet heel erg, want het was zóó druk op de baan, dat ook zij een heel goeden dag maakten. + +</p> +<p>Frans Thor en Klaas Zwart waren ook aan het schaatsenrijden, maar de andere jongens ontweken hen zooveel mogelijk. Zij wilden +ʼt liefst niet met hen te maken hebben. +<a id="d0e2991"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2991">143</a>]</span></p> +<p>Eindelijk begon de schemering te vallen, en de drukte op het ijs verminderde gaandeweg. Vele boerenjongens en -meisjes moesten +naar huis, om de koeien te melken en het vee te voederen, en langzamerhand zakten ook de anderen op huis af. Jan en Karel +waren onder de laatsten, die vertrokken. + +</p> +<p>“Kunnen we je helpen, om een en ander naar huis te brengen, Mietje?” vroegen zij. Want zij hadden zich nu eenmaal voorgenomen, +Mietje zooveel zij konden terzijde te staan. + +</p> +<p>“Neen, jongens, dank je vriendelijk,” was het antwoord. “De kopjes en schoteltjes doe ik in een sleetje en neem ik meê naar +huis. Maar den vuurpot en den ketel laat ik van nacht hier maar staan. Dat wordt anders maar heen- en weer sjouwen voor niemendal.” + + +</p> +<p>“En heb-je goede zaken gemaakt?” vroegen de jongens blij, want zij wisten wel, hoe het antwoord zou zijn. + +</p> +<p>“Goede zaken?”—Of ik!” zei Mietje, en zij klopte met hare hand op den zak, die onder haar boezelaar hing. De jongens hoorden +een rinkelend geluid. + +</p> +<p>“Allemaal centen, Mietje!” plaagde Jan. “Dat beschiet niet veel.” + +</p> +<p>“Allemaal centen?” herhaalde Mietje, terwijl zij een flinken greep in den zak deed, en den inhoud van hare hand op de tafel +uitstortte. “Allemaal centen? Kijk eens, een dubbeltje, weer een, hier nog een, een kwartje, nog een kwartje, daar nog een +dubbeltje,—neen, neen, als het nog een paar dagen mag blijven vriezen, ga ik den winter zonder zorg tegemoet.—En dat heb ik +alles aan jelui te danken,—en aan je vader, Jan.” + +</p> +<p>Zij deed het geld weer in den zak, pakte alles wat meegenomen moest worden, in de slede, schoof de tafels en stoelen zooveel +mogelijk in elkaar en ging naar huis. +<a id="d0e3008"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3008">144</a>]</span></p> +<p>“Zeg aan je vader, dat ik vanavond met hem kom afrekenen,” zei ze nog tegen Jan. “Ik heb vandaag wel zooveel verdiend, dat +ik mezelf verder redden kan. ʼt Is een pak van mʼn hart, jongens.” + +</p> +<p>Jan en Karel gingen recht vergenoegd naar huis. De lucht zag er wel naar uit, dat het weer geducht vriezen zou. + +</p> +<p>ʼs Avonds kwam Mietje inderdaad met Dik afrekenen en zij deelde hem mede, dat zij wel meer dan twintig gulden had verdiend. +Dik was er recht blijde om, en hij gaf Jan een knipoogje, of hij zeggen wilde: “Zie je, Jan, dat is het werk van jou en je +vriend. Je hebt eene goede daad gedaan.” + +</p> +<p>Vol vreugde keerde Mietje naar haar hutje terug. Klaas en zijne vrouw hadden zich in langen tijd niet zoo gelukkig gevoeld. + + +</p> +<p>Helaas, de blijdschap van Mietje zou al spoedig in verdriet veranderen. Toen zij den volgenden morgen in de tent kwam, om +alles voor den middag in orde te brengen, want het had weer sterk gevroren, bemerkte zij tot haar grooten schrik, dat de ijzeren +pot, dien zij van Van Dril te leen had gekregen, en de mooie koperen ketel, dien De Vries, de kastelein, haar ten gebruike +had afgestaan, verdwenen waren. Eerst meende zij nog, dat de andere tenters een grapje hadden willen hebben en een en ander +hadden weggehaald, maar dat bleek niet zoo te zijn. Die menschen vermisten ook voorwerpen, die zij in de tenten hadden achtergelaten, +en zij waren erg boos en terneergeslagen. + +</p> +<p>“ʼt Is eene schande,” zei er een. “Ik dacht zóó, dat de diefstallen ten einde waren, en nu komen zij ons armoedje nog wegstelen.” + + +</p> +<p>“Ja, ʼt is eene schande,” zei een ander. “De politie doet hier ook niets. Maar ik ga naar den burgemeester <a id="d0e3023"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3023">145</a>]</span>om mij te beklagen. ʼt Is verregaand, dat er niets meer veilig is op ʼt dorp.” + +</p> +<p>“Ik ga meê,” riep een derde. + +</p> +<p>“En ik! En ik,” zeiden de anderen. + +</p> +<p>En te zamen verlieten zij het ijs, om naar den burgemeester te gaan en hem te zeggen, dat er verschillende voorwerpen uit +de tenten ontvreemd waren. + +</p> +<p>Mietje kreeg de tranen in de oogen. Al hare verdiensten waren weer weg, want zij moest de gestolen voorwerpen natuurlijk vergoeden, +dat begreep zij zeer goed. Allereerst ging zij naar Van Dril, om hem te zeggen, wat er gebeurd was. + +</p> +<p>“Dat is verregaand!” riep hij uit. “ʼt Wordt hoog tijd, dat de dieven gesnapt worden, want zóó kan het niet langer. Maar jij, +arme ziel, behoeft de schade niet te lijden. Hier staat nog een andere pot met toebehooren. Gebruik dien maar, doch laat hem +ʼs nachts niet meer op het ijs staan. Alles, wat je in de tent gebruikt, moet je vanavond opbergen. Anders heb je kans, dat +morgen alles weer verdwenen is.” + +</p> +<p>Mietje bedankte van Dril voor zijn goedheid, en begaf zich dadelijk naar de Vries. Maar deze was lang zoo vriendelijk niet +als de smid. Hij werd zelfs onbillijk. + +</p> +<p>“Daar heb je ʼt al,” riep hij uit, toen Mietje hem het gebeurde had verteld. “Dan leen je aan zulk volk je beste spullen, +en in plaats, dat zij er dankbaar voor zijn en er goed op passen, maken ze, dat je ze nooit terugziet. Maar je zult me den +ketel betalen, wat ik je zeg! ʼt Was een beste, koperen ketel, een zware koperen ketel, en ik laat hem maar niet goedschiks +verdonkeremanen! Wie weet, wat je er mêe uitgevoerd hebt.” + +</p> +<p>“Ik? Er mêe uitgevoerd?” zei Mietje schreiend. “Ach, wat heb ik er een spijt van, dat ik hem niet meegenomen <a id="d0e3041"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3041">146</a>]</span>heb naar huis, gisterenavond, maar de andere tenters lieten hun boeltje ook in de tent achter, net zoo goed als ik. Wie kon +ook denken, dat de menschen zoo slecht zouden zijn, om ons armoedje weg te stelen.” + +</p> +<p>“Alles goed en wel, maar ik moet den ketel terughebben, of je zult mij de schade vergoeden. Met minder dan vijf gulden ben +ik niet tevreden. ʼt Was een dure ketel, en nog zoo goed als nieuw!” + +</p> +<p>“Vijf gulden?” stamelde Mietje verschrikt. “Vijf gulden, zegt u?” + +</p> +<p>“Ja, vijf gulden minstens,” was het antwoord. “Koper is duur.” + +</p> +<p>Verdrietig keerde Mietje naar de tent terug. Zij wist geen raad om zich te helpen. + +</p> +<p>“Wie zal mij weer een ketel leenen?” vroeg zij droevig. + +</p> +<p>“Dat zal ik doen,” zei Anneke. “Je kunt mijn ketel gebruiken, Mietje, als je er maar voor zorgt, dat hij elken avond bij mij +binnengebracht wordt.” + +</p> +<p>“O, dat zal ik zeker,” zei Mietje. “Een ezel zelfs stoot zich geen tweemaal aan denzelfden steen.” + +</p> +<p>ʼt Ging als een loopend vuurtje door het dorp, dat de dief weer aan den gang was geweest. En de burgemeester vond, dat er +hoog noodig een einde aan moest komen. Zoodra hij het gebeurde vernomen had, liet hij dadelijk Flipsen bij zich ontbieden. +Deze kwam direct, en onderweg vernam hij al, wat er aan de hand was. Maar de burgemeester vertelde het hem nog eens dunnetjes +over. Flipsen hoorde hem zwijgend aan; er speelde een bijna onmerkbaar glimlachje om zijne lippen. Hij meende te weten, waar +hij thans zoeken moest. + +</p> +<p>“Je moet bij de tenters eerst gaan onderzoeken, welke voorwerpen door hen worden vermist, en dan zoek je maar net zoo lang, +tot je den dief gevonden hebt,” besloot de burgemeester. +<a id="d0e3061"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3061">147</a>]</span></p> +<p>“Laat het maar aan mij over, burgemeester,” zei Flipsen met een hooge borst. “Ik zal het zaakje wel afwikkelen.” + +</p> +<p>Hij stapte op het ijs, en begaf zich met een zakboekje in de linker en een potlood in de rechterhand van de eene tent naar +de andere, en overal vroeg hij, welke voorwerpen gestolen waren. Het bleek hem, dat alle tenters hun ijzeren pot en grooten +ketel hadden achtergelaten, en dat die nu vermist werden. + +</p> +<p>De tenters waren er bitter slecht over te spreken, en Flipsen moest menig onaangenaam woord hooren. + +</p> +<p>“Waarom heb je niet beter uitgekeken?” vroeg er een. “Je doet ook niet veel voor den kost, Flipsen.” + +</p> +<p>En een ander merkte op: + +</p> +<p>“Of wij politie op het dorp hebben of geen politie, dat komt op hetzelfde neer. De dieven doen toch maar, wat ze willen.” + + +</p> +<p>“ʼt Is jullie eigen schuld,” gaf Flipsen ten antwoord. “Wie laat zulke dingen bij nacht en ontijd ook buiten staan? Je bent +te lui om voor je spullen te zorgen, en als ze dan gestolen worden, krijgt de politie de schuld. Zoo is het altijd. ʼt Is +het oude liedje en anders niet. Doch heb maar geduld. Dezen keer zul-je eens zien, dat Flipsen wèl uit zijne oogen gekeken +heeft, en terdege ook. Eer we een halven dag verder zijn, heb ik de dieven gesnapt, want er is er niet één, maar er zijn er +twee.” + +</p> +<p>De menschen keken hem ongeloovig aan. + +</p> +<p>“Twee?” vroegen ze. “Zijn er twee? Weet je dan, wie de daders zijn?” + +</p> +<p>“Ik weet, wat ik weet,” gaf Flipsen gewichtig ten antwoord. “En ik zeg, hebt maar geduld. Je zult je verloren zaakjes spoedig +genoeg terug hebben, veel vlugger zelfs, dan je denkt.” + +</p> +<p>Flipsen keerde zich om en begaf zich regelrecht op <a id="d0e3084"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3084">148</a>]</span>weg naar—den pottenschipper. De menschen zagen dat tot hunne verbazing, en ook zij begaven zich naar de hun welbekende schuit, +die niet ver van de tent van Mietje aan den wal lag. Dat was hare vaste plaats. Een plank lag van de schuit naar den walkant +om te maken, dat de bezoekers gemakkelijk op de schuit konden komen. + +</p> +<p>Flipsen liep de plank over en deed het deurtje van de kajuit open, die den pottenschipper tot woonvertrek diende. Eene warme +lucht kwam den veldwachter tegemoet. Hij zag dadelijk, dat de pottenschipper bij een klein tafeltje zat met een pijpje in +den mond. De rook dwarrelde door het geopende deurtje naar buiten. + +</p> +<p>“Goeden dag,” zei Flipsen binnentredende. Zijne oogen dwaalden onderzoekend in het kleine vertrekje rond. + +</p> +<p>“Dag Flipsen,” was het antwoord. “Kom binnen. Wat is er van je dienst?” + +</p> +<p>“Dat zal ik je zeggen. Er zijn ijzeren potten en verscheidene ketels gestolen uit de tenten, die op het ijs staan.” + +</p> +<p>“Is het waar?” vroeg de pottenschipper. En hij liet er op volgen: “Wat zijn die menschen onvoorzichtig, om zulke dingen ʼs +nachts te laten staan. ʼt Is meer dan dom.” + +</p> +<p>“Dat is het,” zei Flipsen. + +</p> +<p>“Maar ik begrijp niet, wat <i>ik</i> daarmede te maken heb,” hernam de schipper. “<i>Ik</i> ben gelukkig geen dief, en heb ze niet gestolen.” + +</p> +<p>“Zoo—ja, dat kan wel,” zei Flipsen, die wel een beetje in de war raakte, toen hij den schipper zoo kalm zag zitten. De man +was blijkbaar in ʼt geheel niet geschrokken door zijn bezoek, wat Flipsen toch stellig verwacht had. + +</p> +<p>“Zoo—ja, dat kan wel,” herhaalde hij. “En dat wil ik wel gelooven ook, maar ik dacht, de pottenschipper is iemand, die vodden, +beenen, oud ijzer en dergelijke dingen opkoopt. Misschien kan hij me inlichtingen geven, die me een beetje <a id="d0e3110"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3110">149</a>]</span>op weg helpen. Want die dieven moeten gevonden worden, dat spreekt van zelf.” + +</p> +<p>“Juist, hoe gauwer, hoe beter,” zei de pottenschipper. “Ik heb, zooals je weet, heel wat potten en pannen boven op mijn schuit +staan, en ik houd mijn hart in mijn lijf vast, dat de dieven daar ook een bezoek zullen brengen. Wat zou ik lachen, als je +ze snappen kon, Flipsen; ʼt is meer dan tijd. Maar inlichtingen,—neen, die kan ik niet geven. Ik heb van niets gemerkt.” + +</p> +<p>“En is u niets van dien aard te koop aangeboden ook?” vroeg Flipsen, terwijl hij zijn oogen strak op die van den schipper +gevestigd hield. + +</p> +<p>“Nu nog mooier!” riep deze uit. “Ze moesten het eens wagen met gestolen goed bij me aan te komen! Wat zouden ze gauw mijne +schuit uit zijn. Neen man, voor zoo iets zijn ze bij mij aan het verkeerde kantoor. Daar moet ik niets,—niemendal van hebben. +Dank je hartelijk!” + +</p> +<p>De veldwachter stond op. Hij begreep thans zeer goed, dat de pottenschipper òf totaal onschuldig was, òf dat deze te slim +was om zich te laten uithooren. Hij zeide dus: + +</p> +<p>“ʼt Spijt me, dat u me geen inlichtingen kan geven. Mag ik nu de schuit nog even van binnen bekijken?” + +</p> +<p>“Wel, nu nog mooier!” riep de schipper boos uit. “Wou je mijn schuit doorzoeken? ʼt Is fraai, dat moet ik zeggen. En met welk +doel, als ik vragen mag?” + +</p> +<p>“Louter uit nieuwsgierigheid,” zei Flipsen. Hij klom op het dek en begaf zich naar de voorzijde van de schuit. Hij wist, dat +daar de ingang was van het ruim, waar de schipper zijne meeste goederen bewaarde. Deze volgde hem onwillig, en hij deed niets +dan mopperen over de onbeschaamdheid van Flipsen. + +</p> +<p>“ʼt Is een schande, om een fatsoenlijk mensch van diefstal <a id="d0e3128"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3128">150</a>]</span>te verdenken,” zei hij. “Welke reden heb je daarvoor? Wie heeft er iets op mij aan te merken?” + +</p> +<p>Flipsen zei niets. Hij ging het ruim binnen en keek onderzoekend rond. Maar hij zag niets dan steenen voorwerpen voor huishoudelijk +gebruik, en alles fonkelnieuw. Achter in het ruim, in een donkeren hoek, vond hij ook nog een hoop vodden, beenen en oud-roest. +Hij was er te vies van, om het met zijne handen aan te raken. Daarom trok hij zijn sabel en wroette in den hoop rond. Maar +hij ontdekte niets verdachts, wat hem geducht tegenviel, want hij had er stellig op gerekend, de gestolen voorwerpen hier +aan te treffen. Er bleef geen gaatje ondoorzocht, en eindelijk verliet hij de schuit, zonder iets wijzer geworden te zijn. + + +</p> +<p>Er hadden zich heel wat menschen op den kanaalkant verzameld, om den afloop van Flipsenʼs onderzoek af te wachten. Maar zij +zagen al dadelijk aan zijn gezicht, dat hij niets gevonden had. De pottenschipper beklaagde zich met luider stem tegen de +menschen over de schande, die Flipsen hem had aangedaan, en zijn toehoorders vonden, dat hij wel een beetje gelijk had. Ook +Frans Thor en Klaas Zwart bevonden zich onder de toeschouwers. Zij zeiden niets, en Klaas Zwart zag zelfs een beetje bleek. +De pottenschipper zag hen staan, en hij zeide zoo luid tegen Flipsen, dat iedereen het hooren kon: + +</p> +<p>“Als er nu weer eens wat vermist wordt, hoop ik van je vereerend verzoek verschoond te blijven, Flipsen. Je weet nu eenmaal, +dat ik part noch deel aan de zaak heb. Ik ben een eerlijk koopman, en houd mij met slechte practijken niet op.” + +</p> +<p>Een zucht van verlichting ontsnapte bij die woorden aan de borst der beide jongens, en onmerkbaar stootten zij elkander met +den elleboog aan. +<a id="d0e3138"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3138">151</a>]</span></p> +<p>Flipsen was erg teleurgesteld. Hij begreep, dat hij het spoor van den dief weer geheel bijster was, en hij wist niet, wáár +thans te zoeken. Toch gaf hij het nog niet op. Regelrecht ging hij naar de woning van Klaas Zwart, en ook daar doorzocht hij +het heele huis en de schuur. Maar alweer tevergeefs. Daarna begaf hij zich naar ʼt huis van Thor, den oud-gediende uit Indië. +Deze ontving hem ver van vriendelijk, maar daar stoorde Flipsen zich niet aan. Hij doorsnuffelde ook diens woning van boven +tot beneden, echter zonder het gewenschte gevolg. Hij kwam tot de conclusie, dat hij zich totaal vergist had. En toch stond +het bij hem vast, dat de dief op het dorp woonde. + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e3141" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Dertiende Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>Hoe Jantje op een gelukkig idée kwam.</p> +</div> +<p>Er werd ʼs avonds, toen de lampen opgestoken waren en de menschen gezellig in de kamer rondom de kachels zaten, heel veel +over het gebeurde gesproken. Zoo ook bij Dik Trom. Jan Vos en Piet van Dril waren bij hem op visite, en Anneke had anijsmelk +gekookt, tot groote vreugde van Jan, die zijn vriendje Karel ook bij zich mocht hebben, en bizonder veel van anijsmelk hield. + + +</p> +<p>ʼt Was een recht prettige avond, want de drie oude vrienden zaten te praten over hunne kinderjaren, en de twee jongens luisterden +met open mond naar hetgeen er verteld werd. Eindelijk kwam het gesprek ook op den gepleegden diefstal, en algemeen waren zij +het er over eens, dat het een laaghartige daad was. Ja, vroeger was er ook meermalen gestolen, maar nu had de dief zelfs de +<a id="d0e3151"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3151">152</a>]</span>laagheid gehad de spulletjes weg te stelen van de armsten onder de armen. ʼt Was wel zoo erg, als het maar wezen kon. + +</p> +<p>“En Flipsen was de plank heelemaal mis,” zei Dik. “Hoe kwam hij er ook toe, den pottenscihpper van den diefstal te verdenken? +Die man komt zelden of nooit zijne schuit uit.” + +</p> +<p>“Dat is wel mogelijk,” zei Jan Vos, “maar vroeger moet hij een echte deugniet geweest zijn, heb ik wel eens gehoord.” + +</p> +<p>“O, vroeger!”—meende Piet van Dril, “vroeger, dat is nù niet. Een mensch kan zich beteren.” + +</p> +<p>“Dat is waar,” zei Dik. “Ik geloof er trouwens ook niets van, dat hij er aan schuldig is. Maar ʼt is toch wonderlijk, dat +de dief zoo lang met zijne diefstallen kan doorgaan, zonder betrapt te worden. Flipsen loert avond aan avond op hem, en hij +is waarlijk toch niet voor de poes.” + +</p> +<p>“Neen, dat geloof ik ook!” zei Piet van Dril lachend. “Daar weten wij van mêe te praten, hè?—Denk nog maar eens aan een zeker +avondje in den tuin van den burgemeester...!” + +</p> +<p>Allen schoten in den lach. + +</p> +<p>“Ja, maar toen waren wij hem toch te knap af!” zei Dik. + +</p> +<p>Zoo zaten zij nog lang te praten, tot Jan Vos opeens zeide: “Als het zoo blijft voortvriezen, zal de visch het gauw benauwd +krijgen onder het ijs. Morgen moet ik toch eens probeeren, of ik niet een lekker maaltje paling kan vangen.” + +</p> +<p>“Ja, doe dat maar,” zei zijne vrouw, die intusschen druk met de andere vrouwen had zitten praten. “Overmorgen is het Zondag, +en dan wil ik wel graag een lekker maaltje hebben.” + +</p> +<p>“Paling vangen? Hoe doet u dat dan?” vroeg Jan nieuwsgierig. + +</p> +<p>“Wel jongen, als ʼt ijs erg dik is, krijgt de paling het <a id="d0e3175"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3175">153</a>]</span>er benauwd onder en begeeft zich naar de bijten en wakken, waar open water is. Met een sikkel, die aan een langen stok bevestigd +is, kun-je ze gemakkelijk uit het water op het ijs wippen. Dat vereischt alleen maar wat behendigheid.” + +</p> +<p>“Zwemmen ze dan niet weg?” vroeg Karel. + +</p> +<p>“Neen jongens,” zei Dik. “Of het van de koû komt, of van wat anders, dat weet ik niet, maar zij zijn bij sterk ijs min of +meer suf. Je kunt ze dan vrij gemakkelijk vangen.” + +</p> +<p>“Willen wij dat morgen ook eens gaan doen?” vroeg Karel aan Jan. “Wij hebben dan toch den heelen dag vrij.” + +</p> +<p>“Ik vind het best,” zei Jan. “Graag zelfs. Van Dril, heeft u voor ons elk ook een sikkel? Dan gaan wij morgen op de vangst.” + + +</p> +<p>“Zeker wel, jongens, er liggen oude sikkels genoeg in de smederij. Als je er zelf dan maar een langer handvat aan maakt, want +het gewone handvat is voor dat werk te kort. Je moet er een stok aan doen, ongeveer zoo lang als je arm.” + +</p> +<p>“Een gewone lat is wel goed,” zei Dik. + +</p> +<p>Jan en Karel spraken af, dat zij er na het ontbijt samen op uit zouden trekken. De sikkels zouden spoedig genoeg in orde zijn, +daar waren zij het over eens. + +</p> +<p>En zoo gebeurde het ook. Toen Jan ontbeten had, ging hij naar Karel, die al twee goede sikkels had opgezocht. Zij haalden +de handvatten er af, en deden er langere voor in de plaats. In een kwartiertje waren zij daarmede klaar. Karel nam een emmertje +meê, om er de visch in te doen, en zoo trokken zij er samen op uit. Ook namen zij elk een bijl mede, om hier en daar een gat +te hakken. ʼt Eerst gingen zij naar de bijt, die voor het huis van Dik Trom gehakt was. Het ijs van den laatsten nacht lag +er nog in. Zij hakten het los en trokken de schotsen op het ijs. Toen <a id="d0e3193"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3193">154</a>]</span>keken zij in de bijt, en waarlijk, heel rustig lag daar een dikke paling op den bodem. + +</p> +<p>“Kijk, kijk, daar ligt er een,” zei Jan, die hem het eerst zag. + +</p> +<p>Hij stak den sikkel voorzichtig onder het beest door en wipte hem met een snelle beweging omhoog. Daar spartelde de paling +op het ijs. Ha, wat kronkelde hij zich! De jongens sprongen beiden op hem toe, want hij lag dicht bij den rand van de bijt. + + +</p> +<p>“Grijp hem, grijp hem!” riep Jan zijn vriend toe, want deze was het dichtst bij hem. Maar Karel kwam te laat. Wel gelukte +het hem nog den paling te grijpen, maar deze kronkelde zich om zijn arm heen, en dat vond Kareltje zooʼn eng gevoel, dat hij +het beest met een rilling over de leden losliet. Op ʼt volgende oogenblik verdween de paling in de bijt, en de jongens hadden +nakijk. + +</p> +<p>“Hè, wat is dat jammer!” riep Jan spijtig uit. “Hoe dom ook van je, om hem weer los te laten, toen je hem zoo mooi vast hadt.” + + +</p> +<p>“Hu, wat glibberig was hij, en wat kronkelde hij akelig om mijn arm heen,” zei Karel, wien opnieuw eene huivering over den +rug ging. “Precies een slang.” + +</p> +<p>“Dat zal jij wel weten,” zei Jan. “Je hebt nog nooit een slang gezien.” + +</p> +<p>“Genoeg,—meer dan jij,” meende Karel. “In Artis.” + +</p> +<p>“O, in Artis. Daar liggen ze achter glas.—Nu, deze is in elk geval weg, en wij zullen hem wel nooit terugzien. Wat was het +een dikkerd.” + +</p> +<p>“Of hij dik was,” zei Karel. “Akelig dik.” + +</p> +<p>“In deze bijt is niets meer te zien. Willen we naar die van den burgemeester gaan aan den overkant? Dat is ook eene groote +bijt.” + +</p> +<p>“Mij goed,” zei Karel. “Maar ik pak ze vast niet meer met mijne handen beet. Hu, wat een akelige beesten.” +<a id="d0e3217"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3217">155</a>]</span></p> +<p>“Je bent een bangerd, hoor!” spotte Jan. + +</p> +<p>“Jij bent een held!” zei Karel. “Dat weet ik wel.” + +</p> +<p>“In elk geval zou ik hem niet loslaten, als ik hem eenmaal te pakken had,” zei Jan. + +</p> +<p>Zij liepen het kanaal over, en kwamen bij de bijt van den burgemeester. Hun eerste werk was ook hier het ijs van den laatsten +nacht los te hakken en de schotsen op het ijs te trekken. Toen dat gebeurd was, keken zij in het water. + +</p> +<p>“Ik zie er een,” zei Karel. + +</p> +<p>“Ik ook,—wel twee,” zei Jan. + +</p> +<p>Zij brachten de sikkels in het water, en op ʼt volgende oogenblik spartelden twee palinkjes op het ijs. Jan wierp er een van +in het emmertje, maar Karel was niet te bewegen, den tweeden aan te grijpen. Jan moest er om lachen. + +</p> +<p>“Help, help, hier is er een,” schreeuwde Karel, die moeite had om het beest met zijn sikkel van de bijt weg te houden. ʼt +Beest wilde met alle geweld weer in ʼt water. + +</p> +<p>“Pak hem dan!” riep Jan hem lachend toe. + +</p> +<p>“Ik dank je,—ik moet er niets van hebben. Toe dan, Jan, grijp hem, of we zijn hem kwijt.” + +</p> +<p>Jan kwam zijn vriend te hulp, en spoedig was ook de tweede paling in het emmertje opgeborgen. Maar van den derden was, toen +zij weer in de bijt keken, geen spoor meer te vinden. De jongens hadden hem wat al te veel lawaai gemaakt naar zijn zin, zoodat +hij het verstandig geoordeeld had, zich wat uit hunne nabijheid te verwijderen. Maar Jan en Karel waren toch wat in hun schik +met hunne vangst, en zij begaven zich van de eene bijt naar de andere. De voorraad in hun emmertje werd steeds grooter, en +zij twijfelden niet, of zij zouden wel een flink maal bij elkander krijgen. + +</p> +<p>Lachend zei Karel tot Jan: +<a id="d0e3242"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3242">156</a>]</span></p> +<p>“Als Vos op de vangst gaat, zooals zijn plan was, zal hij niet erg veel meer vangen. Wij hebben zoetjes-aan alle bijten van +het dorp afgevischt.” + +</p> +<p>Jan lachte ook. + +</p> +<p>“Dan vischt hij achter het net,” zei hij. “Kijk, ginds gaan Frans Thor en Klaas Zwart. Zij hebben ook bijlen bij zich. Ik +denk, dat zij ook op de vangst uitgaan.” + +</p> +<p>“Laat hen maar vooruitgaan,” zei Karel. “Wij zijn op hun gezelschap niet gesteld. Willen wij nu buiten het dorp gaan, voorbij +het fort? Daar zijn wel geen bijten, maar vader zegt, dat de visch zich aan de kanten van het kanaal ophoudt, zeker om beter +lucht te kunnen krijgen. Dan hakken wij hier en daar eene schots los.” + +</p> +<p>“Mij goed,—best zelfs,” zei Jan. + +</p> +<p>De jongens gingen langs het fort en deden als gezegd is. En ʼt was inderdaad een prettig werkje voor hen, want zij vingen +veel meer, dan zij verwacht hadden. Er waren palingen bij, wel zoo dik als hun pols. De jongens hadden de grootste moeite, +om die dikke beesten in het emmertje te houden. Telkens keken de koppen boven den rand uit, en eens, toen het Karels beurt +was om den emmer te dragen, kronkelde plotseling alweer zooʼn dier tegen zijn arm op. ʼt Gebeurde zoo onverwachts, dat hij +er hevig van schrikte. Met een gil liet hij den emmer op het ijs vallen, en alle palingen kronkelden in het rond. + +</p> +<p>“Jou ezel!” riep Jan uit. Maar veel tijd tot praten had hij niet, want hij moest dadelijk aan het vangen. En ʼt ging lang +niet gemakkelijk, om de dieren weer in den emmer te krijgen, vooral nu hij alles alleen moest doen. Karel was niet te bewegen +eene hand uit te steken. Hij vond de beesten zóó eng, dat hij ze niet durfde aanraken. Eindelijk had Jan ze alle weer verzameld. + + +</p> +<p>“Geef mij den emmer maar,” zei hij. “Anders ligt het <a id="d0e3259"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3259">157</a>]</span>heele zaakje aanstonds weer op het ijs. Draag jij dan de bijlen.” + +</p> +<p>De jongens verwijderden zich hoe langer hoe verder van het dorp. Hier en daar waren kleine, vierkante bijtjes gehakt. Een +schots lag er naast, om de schaatsenrijders te waarschuwen. + +</p> +<p>“Dat zijn bijtjes van de visschers,” zei Jan. “Die brengen er hunne netten door onder het ijs. Ik wed, dat ze heel wat vangen.” + + +</p> +<p>“Dat denk ik ook,” zei Karel. “Als je nagaat, wat wij al hebben, kun-je wel begrijpen, wat zij moeten vangen.” + +</p> +<p>Jan had het druk om de palingen naar beneden te duwen, die telkens opnieuw uit het emmertje wilden kruipen. + +</p> +<p>“Heidaar, blijven waar je bent!” zei hij tegen een dikkerd, die nieuwsgierig over den rand keek. “Bij je kameraden blijven!” + + +</p> +<p>Bij een van de visschersbijtjes deden de jongens eene gelukkige vondst. In het riet namelijk zagen zij een groot stuk net +liggen, dat zeker door de visschers weggeworpen was. Karel zag het het eerst. + +</p> +<p>“Kijk eens, Jan,—dáár,” zei hij. “Daar ligt een groot stuk net. Laten wij daar de palingen in doen, dan kunnen zij niet ontsnappen +en hebben wij er geen last meer van.” + +</p> +<p>“Daar zeg je zoo wat,” zei Jan. + +</p> +<p>De jongens haalden het net uit het riet. Zij zagen, dat het een palingfuik wast geweest. Op verschillende plaatsen was het +stuk. + +</p> +<p>“De visschers hebben het zeker weggegooid,” zei Jan. “En ons komt het mooi te pas.” + +</p> +<p>Zij deden de palingen in het net en bonden het dicht met een touwtje, dat Jan in den zak had. + +</p> +<p>“Zie zoo, nu zitten ze goed bewaard,” zei Jan. + +</p> +<p>“Ja,—lekker warm. Ze zullen nu geen last meer van <a id="d0e3287"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3287">158</a>]</span>de kou hebben.—Zeg, wat hebben we er al veel, hè?” + +</p> +<p>“Ja, heel wat. Mij dunkt, dat we er al meer hebben, dan we oplusten. Willen we nu weer naar huis gaan?” + +</p> +<p>“Goed,” zei Karel. “Het begint mij zoetjes-aan te vervelen ook. Zullen we vanmiddag gaan schaatsenrijden?” + +</p> +<p>“Ja,—dat is afgesproken.” + +</p> +<p>Karel had de sikkels en de bijlen op den schouder, en Jan droeg het net met de paling. Zoo kuierden zij samen naar het dorp +terug. + +</p> +<p>Toen zij dicht bij het fort gekomen waren, en dus het dorp bijna hadden bereikt, hoorden zij achter zich het krassen van schaatsen +op het ijs, en het schuifelen van een slede. Omziende zagen zij, dat het twee visschers waren, die eene slede voortduwden. +Zij kenden de mannen niet. ʼt Waren zeker lieden van een ander dorp. Zoodra die menschen hen bereikt hadden, hielden zij stil. + + +</p> +<p>“Hola, jongens, wacht eens even,” riep een van hen hun toe. + +</p> +<p>Zij bleven staan, en de twee mannen kwamen met groote schreden op hen af. + +</p> +<p>“Zie je wel?” zei de een tegen den ander. “Daar heb je de dieven al.” + +</p> +<p>“Ja,” was het antwoord van den tweede. + +</p> +<p>Deze greep het net en rukte het Jan driftig uit de hand. + +</p> +<p>“Hoe kom jij aan dat net?” vroeg hij op barschen toon. + +</p> +<p>“Ja, hoe kom jij aan dat net, kleine dief!” zei de andere visscherman. + +</p> +<p>“Dat hebben wij gevonden, ginds in het riet,” zei Jan. “Hoe zouden wij er anders aankomen?” + +</p> +<p>“En die paling dan?” vroeg een der visschers smalend. “Die heb je zeker ook gevonden, hè kereltje?” + +</p> +<p>“Neen,” zei Jan, “die hebben we gevangen.” + +</p> +<p>“Juist, die hebben we gevangen,” zei ook Karel. +<a id="d0e3321"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3321">159</a>]</span></p> +<p>“In dit net zeker, hè, en dit net heb je onder het ijs gevonden, hè? Ja, ja, eerlijk gevonden, hè?” + +</p> +<p>“Eerlijk gestolen,” zei de andere visscher. “Houdt je maar niet van den domme, want dat baat je niemendal. Dit net is van +òns, en jullie hebt onze fuiken gelicht. Maar dat zal je berouwen, wat ik je zeg. Vooruit, kereltjes, gaat maar eens mee naar +den burgemeester.” + +</p> +<p>“Ik zeg, dat het niet waar is!” riep Jan de visschers driftig toe, en hij werd rood van kwaadheid. “Wij zijn geen dieven, +en dat net hebben we eerlijk gevonden. ʼt Is op verschillende plaatsen stuk, en ʼt lag in ʼt riet. Daarom meenden we, dat +het door de visschers weggegooid was, daar het toch niet meer gebruikt kon worden. Wij hebben het niet gestolen.” + +</p> +<p>“Jongen, jij kunt liegen, of het gedrukt is,” zei een der visschers. “Maar ons zul-je er niet meê bedriegen. Jelui hebt onze +fuiken gelicht, en dat is strafbaar...” + +</p> +<p>“Niet zooʼn beetje ook!” viel de andere visscher zijn kameraad in de rede. “En dat is maar goed ook. Is ʼt geen schande, onze +netten te verscheuren, en onze visch te stelen? Maar het zal je berouwen. Vooruit, zeg ik je, naar den burgemeester!” + +</p> +<p>“Dat doe ik niet!” zei Jan driftig. “Wij zijn geen dieven.” + +</p> +<p>“Je praat dom, jongen, want de bewijzen droeg je in de handen.” + +</p> +<p>“Ja,” zei de ander, “je bent er gloeiend bij!” + +</p> +<p>“Vooruit, jongens, en als je niet goedschiks gaat, dan moet het maar kwaadschiks gebeuren. Vooruit, zeg ik je, en een beetje +vlug, asjeblieft!” + +</p> +<p>De jongens begrepen, dat er niet veel anders opzat dan te gehoorzamen. Met hun vieren vervolgden zij hun tocht naar het dorp. + + +</p> +<p>Eerst was Jan meer dan kwaad, maar dat bedaarde <a id="d0e3344"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3344">160</a>]</span>langzamerhand, en eindelijk vond hij het wel goed, dat zij naar den burgemeester gingen. Deze zou wel dadelijk begrijpen, +dat zij onschuldig waren. + +</p> +<p>Maar dat was niet zoo. De burgemeester was bijzonder slecht gehumeurd, omdat het Flipsen nog niet gelukt was, de dieven te +ontdekken. Zoodra nu de visschers, die hem tot hun genoegen thuis getroffen hadden, hem vertelden, wat er aan de hand was, +geloofde de burgemeester stellig, dat hij de dieven thans op het spoor was, en hij besloot de jongens scherp te ondervragen. + + +</p> +<p>Jan en Karel betuigden echter hunne onschuld. Zij vertelden dat zij de palingen gevangen en het net gevonden hadden. Maar +de visschers lachten om die verklaring. + +</p> +<p>“Dat zou al heel toevallig zijn, burgemeester,” zei een van hen. “De jongens kwamen uit de richting van onze vischbijtjes, +en zij hadden het net in de hand, met een flink zoodje paling daarbij. ʼt Lijdt geen twijfel, of zij hebben onze netten gelicht +en de brutaliteit gehad, een van de netten zelfs stuk te maken en meê te nemen.” + +</p> +<p>“ʼt Is niet waar!” riep Jan den spreker toe. + +</p> +<p>“Houd je mond verder maar, jongen,” gebood de burgemeester kortaf. “De bewijzen zijn tegen jullie, en ʼt staat bij mij vast, +dat jullie en niemand anders de daders zijt. En wie weet, aan welke diefstallen je meer schuldig bent. Ik zou dat nooit, nooit, +zeg ik, van je gedacht hebben. Twee jongens van zulke brave ouders. ʼt Is een schande! + +</p> +<p>Vertel me nu meteen maar, waar de potten en ketels uit de ijstenten gebleven zijn, want daar zul-je ook wel meer van weten.” + + +</p> +<p>“Wij weten nergens van, burgemeester,” zei Jan, + +</p> +<p>“Neen, nergens van,” zei Karel. “Wij hebben ze niet weggenomen.” + +</p> +<p>“Dat zeg je van dit net en deze visch ook, en toch <a id="d0e3364"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3364">161</a>]</span>liep je er mede in je handen,” sprak de burgemeester streng, en hij keek de jongens beurtelings doordringend aan. “Komaan, +spreek de waarheid maar, dat is in allen gevalle het beste voor je. Beken het maar...” + +</p> +<p>“Ik heb niets te bekennen,” zei Jan. + +</p> +<p>“Ik ook niet,” zei Karel. + +</p> +<p>“Zoo, zoo,” hernam de burgemeester. “Dan zal ik je tijd geven, om er eens ernstig over na te denken.” + +</p> +<p>Hij vroeg de namen der visschers en schreef die op. Daarna sprak hij tot de beide mannen: + +</p> +<p>“U kunt nu wel gaan. Neemt mede, wat je eigendom is. Met deze jongens zal ik wel afrekenen.” + +</p> +<p>De visschers namen het net en de palingen, groetten den burgemeester en verlieten het vertrek. Jan en Karel moesten blijven. +Met leede oogen zagen zij de visschers met hunne palingen heengaan, en Jan sprongen van spijt de tranen in de oogen. + +</p> +<p>De burgemeester liet zijn blik nog een poosje op de jongens rusten, en zei toen ernstig: + +</p> +<p>“Ontkennen baat niet langer, jongens. Je hebt je aan een ernstig vergrijp schuldig gemaakt en...” + +</p> +<p>“Maar we hebben het niet gedaan,” riep Jan uit. + +</p> +<p>“Zwijg jongen, en lieg niet langer. Je hebt het wèl gedaan, en dat spijt me heel erg. Zeg me nu ook maar, waar je die andere +voorwerpen gelaten hebt, die den laatsten tijd verdwenen zijn. Als je me eerlijk de waarheid zegt, zal ik zien, wat ik in +de gegeven omstandigheden nog voor je doen kan.” + +</p> +<p>“ʼt Baat niet, of wij al zeggen, dat wij onschuldig zijn,” sprak Jan. “U gelooft ons toch niet.” + +</p> +<p>“Neen, dat doe ik ook niet. Enfin, als je dan niet hooren wilt, moet je maar voelen. Ik zal je tijd geven om je te bedenken.” + +<a id="d0e3390"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3390">162</a>]</span></p> +<p>Hij ging aan zijne schrijftafel zitten en schreef het volgende briefje: + + +</p> +<div class="blockquote"> +<div class="body"> +<div class="div1"> +<p><i>Flipsen</i>! + + +</p> +<p>Ik geloof, dat ik de daders van de gepleegde diefstallen op het spoor ben. Sluit deze twee jongens elk in eene afzonderlijke +cel, dan hebben zij gelegenheid om eens goed na te denken en kunnen geen afspraakjes maken. Tegen den avond zal ik hen opnieuw +verhooren. + + +</p> +<p><span class="smallcaps">De Burgemeester</span>. + +</p> +</div> +</div> +</div><p> + + +</p> +<p>Hij vouwde den brief dicht en deed hem in eene enveloppe, die hij zorgvuldig toelakte. + +</p> +<p>“Ziedaar,” sprak hij. “Breng dezen brief voor mij aan Flipsen. Hij is in het raadhuis. Je kunt gaan.” + +</p> +<p>De jongens gingen heen. Wat er in den brief stond, wisten zij natuurlijk niet. Zij keken tamelijk bedrukt, toen zij de deur +uitstapten, maar toen zij op den weg gekomen waren, ontsnapte een zucht van verlichting aan de borst van Karel. + +</p> +<p>“Hè, hè, dat was een benauwd half-elfje,” zei hij. “Daar zaten wij er geducht tusschen, maar ʼt is bij slot van rekening toch +nog al goed afgeloopen. We zijn alleen onze palingen kwijt.” + +</p> +<p>“En dit briefje dan?” vroeg Jan. “Ik vertrouw dit papiertje geen zier. Waarom zei de burgemeester dan telkens, dat hij ons +gelegenheid zou geven, om eens goed na te denken?” + +</p> +<p>Langzaam liepen zij verder, met de bijlen en de sikkels over den schouder. Karel hernam na een poosje: + +</p> +<p>“Dat briefje heeft niets met ons te maken, en wij niets met dat briefje. We moeten het alleen even bij Flipsen brengen, anders +niet. Neen, ik zeg, dat wij er goed afgekomen <a id="d0e3422"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3422">163</a>]</span>zijn. ʼt Had veel leelijker kunnen uitpakken.—Kijk, daar komen Frans en Klaas ook van de vischvangst terug.” + +</p> +<p>Dat was zoo. Die twee jongens hadden hen spoedig ingehaald. Samen droegen zij een emmertje, dat blijkbaar nog al zwaar was. + + +</p> +<p>“Zeg,” riep Frans hun toe, “komen jullie platzak thuis?ʼ + +</p> +<p>“Ja!” zei Jan kortaf. Hij had niet veel lust tot spreken. + +</p> +<p>“Wij niet!” zei Frans. “Kijk maar eens hier, wat een paling we hebben. De emmer is bijna vol.” + +</p> +<p>De jongens stonden stil en keken in den emmer, ʼt Was inderdaad een kolossale voorraad, dien zij gevangen hadden. + +</p> +<p>Frans en Klaas hadden er pret in. Zij deden niet anders dan elkaar aanstooten en lachen. + +</p> +<p>“Zoo knap zijn jullie niet, hè? Maar zeg, weet je, wat we gedaan hebben? Een kwartiertje voorbij het fort hebben we stilletjes +een net van de visschers opgehaald. Jongens, wat zat daar een paling in. Niet oververtellen, hoor! Slim hè?” + +</p> +<p>Jan en Karel keken Frans met open mond aan. + +</p> +<p>“Hebben jullie dat net gelicht en stuk gemaakt?” vroeg Jan. “Wij hebben het ... tusschen het riet zien liggen.” + +</p> +<p>“Ja,” lachte Frans. “Wij konden het niet goed meer onder het ijs krijgen, en hebben het toen maar in het riet gegooid. Wat +zullen die visschers leelijk op hun neus gekeken hebben, toen zij bij hun bijt kwamen. Ha-ha-ha, wat eene leuke grap, hè?” + + +</p> +<p>Dat vond Jan ook, en hij knipoogde Karel toe, dat hij niets moest zeggen. Hij had een mooi plannetje. + +</p> +<p>“En voor die leuke grap hebben wij voor den burgemeester moeten verschijnen,” zei Jan tot de twee jongens. “Wij hadden het +net opgeraapt en er onze paling ingedaan. Maar even later kwamen de visschers, en die hebben ons <a id="d0e3448"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3448">164</a>]</span>om zoo te zeggen opgebracht. Noem jij het maar een leuke grap!” + +</p> +<p>“Ja,” zei Karel. “Ik zie er het leuke niet van in.” + +</p> +<p>Frans en Klaas moesten er smakelijk om lachen. + +</p> +<p>“Nu wordt de grap nog leuker!” zei Frans. + +</p> +<p>“Ja, maar ik laat het er niet bij zitten,” zei Jan. “Ik ga dadelijk naar den burgemeester terug, om hem te zeggen, dat julie +het gedaan hebt...” + +</p> +<p>“Je zult wel wijzer wezen!” zei Frans, die nu in ʼt geheel niet meer lachen moest. “Als je nog voor den burgemeester verschijnen +moest, o ja, dan was het een ander geval. Dan zou ik het in jouw plaats ook zeggen. Maar nu je het standje van den burgemeester +al achter den rug hebt, zou het een leelijke streek wezen. Dan speelde je gewoonweg voor verklikker!” + +</p> +<p>“Ja, voor verklikker!” beaamde Klaas Zwart. + +</p> +<p>“Dat kan me niet schelen,” zei Jan, “ik zeg het tòch. ʼt Is me ook wat moois, om voor jullie pleizier een uitbrander van den +burgemeester op te loopen, en een ander met je paling weg te zien gaan. Ik laat me dat maar niet welgevallen.” + +</p> +<p>Hij keerde zich om en deed net, of hij naar den burgemeester wilde gaan. Maar Frans en Klaas hielden hem tegen. + +</p> +<p>“Je kunt wel de helft van onze paling krijgen,” zei Frans. “Toe Jan, vertel het nu niet aan den burgemeester. Daar worden +jullie toch niets beter van. En je krijgt de helft van...” + +</p> +<p>“Je gestolen paling wil ik niet eens hebben,” zei Jan. “Maar ʼt is goed. Ik zal niet naar den burgemeester gaan, onder één +voorwaarde...” + +</p> +<p>“Welke?” vroegen de twee jongens tegelijk. + +</p> +<p>“Een, die gemakkelijk te vervullen is,” zei Jan. “Zie je dezen brief? Dien moesten wij naar Flipsen brengen, in <a id="d0e3474"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3474">165</a>]</span>het raadhuis. Jullie moet er toch voorbij. Als jij nu die boodschap voor mij doet, zal ik er verder geen werk van maken.” + + +</p> +<p>“Och, is ʼt anders niet?” vroeg Frans. “Geef hem maar hier, dan zullen wij hem wel even aanreiken.” + +</p> +<p>“Wel zeker, met alle pleizier,” zei Klaas. + +</p> +<p>Jan gaf den brief over, en Klaas en Frans begaven zich regelrecht naar het raadhuis. Zij stapten het gebouw binnen en gaven +den brief aan Flipsen, die in de vestibule stond te praten met een rijksveldwachter. + +</p> +<p>“Zoo jongens, dank-je!” zei Flipsen. “Wacht maar even.” + +</p> +<p>“Wij behoeven niet te wachten,” zei Frans. + +</p> +<p>“Als ik zeg, dat je wachten moet, dan doe je dat!” zei Flipsen. + +</p> +<p>Hij brak den brief open en las hem vlug door. + +</p> +<p>“Ha zoo,” zei hij, “zoo! Dat is goed. Gaat maar even meê, jongens, hier, de gang door.” + +</p> +<p>Frans en Klaas keken elkander vragend aan, maar durfden niet weigeren. Zwijgend volgden zij Flipsen, die een sleutelring uit +zijn zak haalde en een sleutel uitzocht. + +</p> +<p>“Mooi zoo. Nu dit trapje af.—Goed zoo.” + +</p> +<p>Hij stak den sleutel in het slot en draaide hem om. De deur ging open. + +</p> +<p>“Maar Flipsen,” zei Frans met schrik. “Wat gaat u doen? Dat is een cel!” + +</p> +<p>“Ha ha!” lachte Flipsen, terwijl hij Frans bij den schouder pakte en hem naar binnen duwde. “Dàt ga ik doen.” + +</p> +<p>Flap! De deur ging dicht en op slot. + +</p> +<p>Klaas werd bleek van den schrik. Hij begon te beven over al zijne leden, en het angstzweet brak hem uit. + +</p> +<p>Hij hoorde Frans schreeuwen. + +</p> +<p>“Flipsen! Maar Flipsen!” jammerde Klaas. “Dat is eene vergissing, geloof me. U moet ons niet opsluiten, want...” +<a id="d0e3510"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3510">166</a>]</span></p> +<p>Klaas bleef midden in zijne redevoering steken, want Flipsen had de tweede deur geopend en duwde Klaas naar binnen. Op ʼt +volgende oogenblik was ook deze deur gesloten. + +</p> +<p>“Ja, ja, net zooals ik dacht,” mompelde Flipsen. “Die twee jongens zijn de dieven, en wij zullen ze wel aan het praten krijgen. +Als ze hier eerst maar een paar uurtjes opgesloten gezeten hebben, zullen ze wel makker geworden zijn.” + +</p> +<p>Hij ging naar zijn confrater terug en vertelde hem het geval. “Grappig, dat die twee jongens zelf niet wisten, wat zij hier +zouden ondervinden,” zei hij. “Zij liepen dood-gemoedereerd met mij mee, en kregen er pas erg in, toen de deur open stond. +Je hadt ze moeten zien kijken!” + +</p> +<p>Intusschen waren Jan en Karel de richting ingeslagen van hun huis. Zij staken schuin het ijs over. ʼt Was nog vroeg, nog geen +elf uur. En voor twaalven aten zij niet. + +</p> +<p>“Hè,” zei Jan, “wat heb ik een spijt, als ik aan onze paling denk, die de visschers hebben meegenomen. Zooʼn prachtigen voorraad +te hebben en dan toch nog platzak thuis te komen. ʼt Is onuitstaanbaar!” + +</p> +<p>“Ja,” zei Karel, “dat zeg ik ook. Kijk de pottenschipper eens aan ʼt hakken geweest zijn. Zijn schuit ligt rondom in ʼt open +water.” + +</p> +<p>“Ja, anders vriest ze stuk,” zei Jan. “Willen wij daar nog even kijken, of we wat vangen kunnen?” + +</p> +<p>“Goed,” zei Karel. + +</p> +<p>Zij legden hunne bijlen op het ijs, en gingen met den sikkel in de hand naar de schuit. Opmerkzaam tuurden zij in de diepte. + + +</p> +<p>“Daar zie ik er een,” zei Karel + +</p> +<p>“Wip hem er dan uit!” riep Jan. “Zeg, misschien komen we toch niet platzak thuis.” +<a id="d0e3533"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3533">167</a>]</span></p> +<p>“Daar is hij!” riep Karel. En Jan schoot hem te hulp want de paling lag dicht bij het open water. + +</p> +<p>Spoedig was hij in het emmertje overgebracht, en de jongens liepen voorzichtig langs de schuit verder. Opeens hoorden zij +zich toeroepen: + +</p> +<p>“Wat moeten jullie daar? Wil je wel eens maken, dat je wegkomt!” + +</p> +<p>ʼt Was de pottenschipper, die zijne kajuit verlaten had en hun dit toeriep. + +</p> +<p>“We kijken maar even, of er paling zit!” riep Jan terug. + +</p> +<p>“Dat wil ik niet hebben!” hernam de pottenschipper. Hij klom op de schuit en stak dreigend de vuist op. + +</p> +<p>Maar Jan zei tegen Karel: + +</p> +<p>“Wij doen hier volstrekt geen kwaad. Laat hem maar praten.” + +</p> +<p>Zij stoorden zich verder aan den schipper niet en keken in de diepte. Zij waren nu dicht bij het roer gekomen. + +</p> +<p>“Kijk, daar zit er weer een!” zei Jan. + +</p> +<p>Hij stak zijn sikkel onder water, en wilde hem met een ruk bovenhalen, doch dat gelukte hem niet. De sikkel bleef ergens aan +vastzitten. + +</p> +<p>De pottenschipper nam een langen stok, en schreeuwde den jongens toe: + +</p> +<p>“Als je niet weggaat, sla ik er op! Vooruit, kwâjongens, je hebt hier geen boodschap.” + +</p> +<p>Jan trok zoo hard hij kon aan den sikkel, om hem los te krijgen, maar dat ging niet. Er zat iets zwaars aan. + +</p> +<p>“Help me even!” riep hij Karel toe. En tot den boozen schipper zeide hij: + +</p> +<p>“Wij gaan dadelijk heen. Maar eerst moet ik mijn sikkel losmaken.” + +</p> +<p>“Vooruit, zeg ik je!”—schreeuwde de schipper. “Allo, marsch!” + +</p> +<p>De twee jongens trokken, wat zij konden. +<a id="d0e3570"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3570">168</a>]</span></p> +<p>Zij voelden, dat er iets zwaars naar boven kwam. De pottenschipper werd hoe langer hoe boozer. Hij schreeuwde zóó hard, dat +de voorbijgangers op den weg bleven staan. + +</p> +<p>Maar Jan en Karel waren niet van plan hun sikkel in den steek te laten. Zij spanden al hunne krachten in. + +</p> +<p>Ha, daar stak iets boven water uit. Jan bukte zich, en pakte het beet. + +</p> +<p>“Een ketel!” riep hij uit. “En daar zit er nog een aan vast. Een pot! Help Karel,—hier zijn, geloof ik, de gestolen voorwerpen +uit de tenten...” + +</p> +<p>ʼt Was werkelijk zoo. De jongens haalden verscheidene dingen op het ijs, en zij herkenden ook den koperen ketel van Mietje. +Tot hun groote verbazing bemerkten zij, dat al die voorwerpen met een koperdraad aan elkander verbonden waren, en dat het +einde van dat draad een paar centimeter onder water aan het roer bevestigd was. + +</p> +<p>De jongens werden verbazend opgewonden, en zij riepen den menschen op den weg luidkeels toe, dat zij de gestolen voorwerpen +gevonden hadden. In minder dan geen tijd waren zij door een groot aantal menschen omringd, die luide hunne verbazing te kennen +gaven. + +</p> +<p>“Dat moet de burgemeester weten!” riep er een uit, en hij ijlde naar de woning, die Jan en Karel nog maar kort geleden verlaten +hadden. + +</p> +<p>ʼt Leek wel, of de menschen konden ruiken, dat er iets bizonders aan de hand was. Van alle kanten kwamen zij toeloopen, en +de kring om de schuit van den pottenschipper werd bij de minuut grooter. Het ijs, al was het nog zoo sterk, kon de samengepakte +menschenmassa bijna niet dragen. De ijsvloer boog sterk door, en er kwam veel water op. + +</p> +<p>De pottenschipper zei niets meer. Hij stond op zijne schuit, en hield de oogen op de gevonden voorwerpen <a id="d0e3589"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3589">169</a>]</span>gericht, maar af en toe keek hij de twee jongens aan, en dan zag hij er alles behalve vriendelijk uit. + +</p> +<p>“Wat is daar te doen?” riep eene stem. + +</p> +<p>Opziende zag Jan zijn vader, die met den hit en den wagen van ʼt venten terugkeerde. Jan zwaaide met beide armen, en riep: + + +</p> +<p>“O Vader, we hebben de gestolen potten en ketels gevonden. Kom maar gauw kijken. Hier liggen ze!” + +</p> +<p>In een oogenblik was Dik van den wagen gesprongen. Hij wierp de leidsels op den rug van den hit en snelde het ijs op. + +</p> +<p>Och, och, wat een drukte hadden de menschen. + +</p> +<p>“Of de pottenschipper er dan toch van wist!” riep de een. + +</p> +<p>“Zoo komen zijne schelmerijen aan het licht,” zei een tweede. + +</p> +<p>“Hij zal nu zijn gerechte straf niet ontloopen,” profeteerde een derde. + +</p> +<p>Iedereen had wat te zeggen, en velen beweerden, dat zij het altijd wel van den pottenschipper gedacht hadden. + +</p> +<p>Opeens kwam er stilte onder den drom en eerbiedig week men op zijde, om den burgemeester door te laten. Weldra had hij de +schuit bereikt en zag hij de gevonden voorwerpen op het ijs liggen. + +</p> +<p>“Wie heeft die dingen opgehaald?” vroeg hij. Jan en Karel namen hunne petten af, en zeiden: + +</p> +<p>“Wij waren hier aan het paling vangen, burgemeester, en toen bleef een van de sikkels er aan vastzitten. Kijk, ze zijn met +een koperdraad aan elkander verbonden, en het einde daarvan is aan het roer bevestigd.” + +</p> +<p>“Ja, ja,” zei de burgemeester, die de jongens met de grootste verbazing aanstaarde. “Maar hoe heb ik het nu? Heb ik jullie +dan niet opgedragen, een briefje voor mij aan Flipsen te brengen in het raadhuis? En hoe kom je dan hier? Daar begrijp ik +niets van!” +<a id="d0e3617"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3617">170</a>]</span></p> +<p>Jan nam zijn pet nu geheel af, en zeide: + +</p> +<p>“Dat is waar, burgemeester, maar ik vertrouwde dat briefje niet. Ik geloofde stellig, dat Flipsen ons moest opsluiten...” + + +</p> +<p>“Dat was ook zoo,” viel de burgemeester driftig in. “En waarom heeft hij dat niet gedaan?” + +</p> +<p>“Wij waren onschuldig, burgemeester,” zei Jan. + +</p> +<p>“Die praatjes kennen wij, en zij doen ook niets ter zake. In dien brief gaf ik Flipsen last, jullie op te sluiten,—en nu sta +je alle twee hier? Hoe komt dat?” + +</p> +<p>“Burgemeester,” zei Jan, “wij hadden het niet gedaan, maar twee andere jongens waren de schuldigen. Toen wij op weg waren +naar het raadhuis, hebben die twee ons zelf verteld dat zij het uit de grap gedaan hadden, en ziet u...” + +</p> +<p>“Wat ... ziet u?” viel de burgemeester in, toen Jan een oogenblik met zijn verhaal haperde. + +</p> +<p>“Toen dacht ik,” vervolgde Jan, “dat het voor ons beter was, als <i>zij</i> dat briefje maar aan Flipsen brachten, en vroeg ik hun, of zij het even wilden aanreiken...” + +</p> +<p>“En toen?” vervolgde de burgemeester. + +</p> +<p>“Dat hebben zij gedaan,” zei Jan. + +</p> +<p>“Maar dan zitten op ʼt oogenblik <i>die</i> twee jongens onder het raadhuis opgesloten, in plaats van jelui!” riep de burgemeester uit. + +</p> +<p>“Dat zal dan zoo wel wezen, burgemeester,” zei Jan. + +</p> +<p>De menschen schoten in een onbedaarlijk gelach, want zij vonden de geheele zaak verbazend grappig. Ook de burgemeester kon +haast zijn lachen niet bedwingen. En eindelijk gelukte hem dat in het geheel niet meer. Hij proestte het opeens uit. + +</p> +<p>“Ha-ha-ha!” riep hij lachend uit, “wat is dat een grappige historie. En hadden jullie dan echt die fuiken niet gelicht?” + +</p> +<p>“Neen burgemeester, dat hebben die twee jongens gedaan.” + +</p> +<p>“Ha-ha-ha,—en wie zijn dat dan?” +<a id="d0e3656"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3656">171</a>]</span></p> +<p>“Frans Thor en Klaas Zwart, burgemeester,” zei Jan. + +</p> +<p>Op dit oogenblik drong Flipsen tusschen het volk door. Hij kwam uit het raadhuis en wilde zien, wat er aan de hand was. Nauwelijks +zag hij den burgemeester, of hij sloeg aan en zei: + +</p> +<p>“Uw bevel is uitgevoerd, burgemeester, de jongens zitten elk in een cel. Ik geloof ook wel, dat wij de rechte personen op +den kop hebben getikt.” + +</p> +<p>“Maar het zijn de verkeerde!” riep de burgemeester hem lachend toe. “Deze twee had-je moeten hebben!” + +</p> +<p>Wat keek Flipsen verwonderd, en zijne verbazing nam nog toe, toen hij de gevonden voorwerpen op het ijs zag liggen. De burgemeester +vertelde hem in korte woorden, wat er gebeurd was. + +</p> +<p>Flipsen lachte slim. Hij bekeek de potten en ketels met aandacht en liet ook het koperdraad door zijne vingers glijden. Toen +zag hij meteen, dat dit aan het roer bevestigd was. + +</p> +<p>“Burgemeester,” zei hij, “U zegt, dat wij de verkeerde jongens opgesloten hebben, maar ik beweer, dat het, al is het dan ook +bij toeval, de goede zijn. Frans Thor en Klaas Zwart hebben deze dingen gestolen, en ze hebben ze verkocht aan den pottenschipper, +die ze in het water heeft laten zinken om ze te verbergen. Hij is wèl slim geweest maar toch niet slim genoeg.” + +</p> +<p>“ʼt Is een grove leugen!” zei de pottenschipper. “Die jongens zullen ze vermoedelijk zelf hier in het water hebben laten zakken, +om de verdenking op mij te schuiven.” + +</p> +<p>“Zoo,” zei Flipsen, “dan hebben ze zeker aan jou een stukje koperdraad te leen gevraagd, niet waar? Want in je schuit heb +ik precies zulk koperdraad zien liggen.” + +</p> +<p>De pottenschipper werd doodsbleek. + +</p> +<p>“Ga het halen, Flipsen,” gebood de burgemeester. + +</p> +<p>Flipsen verdween in de schuit, en kwam weldra met <a id="d0e3681"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3681">172</a>]</span>een rol koperdraad terug. Het bleek, dat het draad aan de ketels en potten daarmede precies overeenstemde. + +</p> +<p>“Burgemeester,” zei Flipsen, “de jongens, die op ʼt oogenblik onder ʼt raadhuis opgesloten zitten, zijn de stelers, en de +pottenschipper is de heler. Ondervraagt u de jongens maar één voor één, dan zal u zien, hoe gauw zij door de mand vallen. +Vooral Klaas Zwart.” + +</p> +<p>“Zoo zal het gebeuren,” zei de burgemeester. “Schipper, je gaat mede naar het raadhuis, en Flipsen, neem jij die voorwerpen +in beslag. Ik houd mij overtuigd, dat wij de bende thans op het spoor zijn. En jelui, jongens,” vervolgde hij vriendelijk +tot Jan en Karel, “zal ik het voor dezen keer vergeven, dat je mijn bevel, om den brief bij Flipsen te bezorgen, niet hebt +uitgevoerd. Je bent een paar slimme rotten!” + +</p> +<p>Och och, wat had Dik een pret, toen hij aan Anneke vertelde, wat Jan gedaan had. Hij schoot er telkens opnieuw over in een +lach, en ook Grootvader en Grootmoeder moesten het dadelijk vernemen, toen zij even bij Dik en Anneke kwamen aanloopen. + +</p> +<p>De oude Trom vond het blijkbaar een verbazend scherpzinnigen zet van Jantje. Hij trok een poosje aan zijn bakkebaardjes en +zei toen: + +</p> +<p>“Ja, Dik, zie-je, ik heb het altoos wel gezegd: Jan is ook een bizonder kind, en dat is-ie.” + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e3693" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Veertiende Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>Besluit.</p> +</div> +<p>ʼt Gebeurde werkelijk, zooals Flipsen voorspeld had. Niet zoodra verscheen Klaas Zwart in de burgemeesterskamer, <a id="d0e3701"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3701">173</a>]</span>en zag hij daar den pottenschipper staan naast de potten en ketels, die uit het water waren opgevischt, of hij begon over +al zijne leden te beven, en de tranen sprongen hem in de oogen. + +</p> +<p>“Kom nader,” gebood de burgemeester. + +</p> +<p>Klaas kwam tot vlak voor de tafel, waarachter het hoofd der gemeente in een leuningstoel gezeten was. Deze keek hem doordringend +aan, maar zeide niets. Klaas sloeg de oogen naar den grond. + +</p> +<p>Eindelijk zei de burgemeester kortaf: + +</p> +<p>“Vertel mij alles, wat je daarvan weet. Maar vergeet niet, dat ik enkel <i>waarheid</i> wil hooren. Leugens zouden je trouwens niet meer baten, want alles is ontdekt. Spreek op!” + +</p> +<p>Zweetdroppels parelden Klaas op het voorhoofd van angst. + +</p> +<p>Hij hief de samengevouwen handen op en zeide snikkend: + +</p> +<p>“O burgemeester, vergeef u het me voor dezen keer astublief. O, ik heb er zooʼn spijt van.” + +</p> +<p>“Waarvan?” vroeg de burgemeester gestreng. “Spreek op, jongen, wààr heb je spijt van?” + +</p> +<p>“Dat ik gestolen heb,” zei Klaas zacht. + +</p> +<p>“Die potten en ketels?” + +</p> +<p>“Ja burgemeester.” + +</p> +<p>“En al die dingen, die bij de verschillende menschen op het dorp worden vermist?” + +</p> +<p>“Ja burgemeester.” + +</p> +<p>“Heb je dat alles alleen gedaan?” + +</p> +<p>“Neen, met Frans, burgemeester.” + +</p> +<p>“Zoo, zoo.—ʼt Is wat fraais. En wie hebben dat net gelicht van morgen?” + +</p> +<p>“Wij ook,” zei Klaas. + +</p> +<p>“En waar liet je al die gestolen voorwerpen?” vroeg de burgemeester, terwijl hij Klaas opnieuw doordringend aanzag. + +</p> +<p>“De pottenschipper kocht ze van ons.” +<a id="d0e3744"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3744">174</a>]</span></p> +<p>“Maar ik wist niet, dat het gestolen goed was,” viel de pottenschipper in, die voelde, dat hij den grond onder zijne voeten +thans geheel verloor. + +</p> +<p>“Dat wist iedereen op het dorp, tot den kleinsten jongen toe,” gaf de burgemeester op gestrengen toon ten antwoord. “Doe maar +geen moeite meer, om je baantje schoon te praten. ʼt Is een schande voor een man op uw leeftijd! Eene dubbele schande, omdat +je ook nog twee jongens in je val meesleept. Jij en jij alleen hebt die kinderen in het ongeluk gestort. ʼt Is diep treurig.” + + +</p> +<p>Even later werd Frans Thor binnengebracht. Deze was brutaler dan Klaas Zwart, en hij meende den burgemeester eerst nog met +allerlei praatjes om den tuin te kunnen leiden. Maar toen hij vernam, dat Klaas reeds eene volledige bekentenis had afgelegd, +raakte hij geheel in de war en in zijn eigen leugens verward. Het einde was, dat ook hij bekende aan de gepleegde diefstallen +schuldig te zijn. + +</p> +<p>De burgemeester maakte van alles proces-verbaal op, en toen hij daarmede klaar was, zeide hij: + +</p> +<p>“Flipsen, doe de deur maar open. Zij kunnnen alle drie vertrekken. Later zullen zij wel meer van de zaak hooren.” + +</p> +<p>Zwijgend verlieten zij het raadhuis. + +</p> +<p>Den Maandag daaropvolgende kwamen Frans en Klaas weer gewoon school, maar zij waren nu nog meer afgezonderd van de overige +jongens, dan zij vroeger al geweest waren. Iedereen vermeed hun gezelschap. In het midden van Februari bleven zij absent, +en iedereen wist er de reden van. Zij waren namelijk opgeroepen om voor de rechtbank te verschijnen. Ook de pottenschipper +moest daar verantwoording afleggen van zijne daden. Hij kreeg eene geduchte betraffing, omdat hij de beide jongens tot diefstal +had overgehaald en hen daardoor ongelukkig <a id="d0e3759"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3759">175</a>]</span>had gemaakt. Eene gevangenisstraf van eenige maanden was zijn welverdiende loon. + +</p> +<p>De jongens werden niet veroordeeld, omdat zij nog zoo jong waren, maar de rechtbank stelde hen tot hun achttiende jaar ter +beschikking van de regeering, om in een rijksopvoedingsgesticht geplaatst te worden. + +</p> +<p>Dat gebeurde evenwel niet dadelijk. Den volgenden dag zagen de schooljongens hen opnieuw verschijnen, en zij hoorden er dagen +en weken lang niet meer van. + +</p> +<p>Zoo kwam de eenendertigste Maart, de laatste dag, dien Jan en Karel op de school zouden doorbrengen. Karel zou bij zijn vader +in de smederij komen, en Jan kwam in den winkel. Dik kon alles onmogelijk meer alleen af, want nog steeds nam het aantal zijner +klanten toe, en elken dag kreeg hij het drukker. Hij verdiende dan ook veel geld, en was mooi op weg, om een rijk man te worden. + + +</p> +<p>Frans en Klaas zaten ook voor de laatste maal op de schoolbanken. Niet dat zij een vak gingen leeren. Daar kon geen sprake +van zijn, omdat zij toch den een of anderen dag weggevoerd zouden worden. + +</p> +<p>ʼt Was in den middag. Het laatste schooluur was aangebroken. De leien, boeken en schriften waren opgehaald en de onderwijzer +maakte zich juist gereed om een woord van afscheid te spreken tot de jongens en meisjes, die de school voor goed verlieten, +toen er aan de deur werd geklopt. + +</p> +<p>“Jan Trom, doe even open,” zei de meester. + +</p> +<p>Jan deed het, en hij zag Flipsen en een rijksveldwachter in de vestibule staan. Zij kwamen het lokaal binnen. + +</p> +<p>“Mijnheer,” zei Flipsen, “wij hebben de opdracht Frans Thor en Klaas Zwart meê te nemen.” + +</p> +<p>ʼt Was doodstil in de klasse. + +</p> +<p>Frans en Klaas werden doodsbleek, en niet zij alleen, <a id="d0e3781"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3781">176</a>]</span>neen, verscheidene jongens en meisjes voelden zich eene rilling door de leden gaan, en menig meisjesoog vulde zich met tranen. + + +</p> +<p>“Zoo,” zei de onderwijzer zacht, en zijn toon klonk droevig. De kinderen konden het hem aanzien, dat ook hij ontroerd was. +“Zoo, dat is wel eene treurige opdracht, Flipsen.—Frans en Klaas, komt hier.” + +</p> +<p>De jongens stapten de bank uit en kwamen voor de klasse. Beiden barstten in tranen uit. De onderwijzer gaf hun de hand. + +</p> +<p>“Dag Frans,—dag Klaas,” zei hij droevig. “Ik hoop je eenmaal terug te zien als brave mannen, die voor niemand de oogen behoeven +neer te slaan. Beloof je me, dat je daartoe je best zult doen?” + +</p> +<p>De jongens konden niet antwoorden. Met gebogen hoofd verlieten zij het lokaal, om weggebracht te worden ver van hunne ouders, +naar een vreemde plaats.... + +</p> +<p>Hun vertrek maakte een diepen indruk op de achterblijvenden. De onderwijzer had de gewoonte den laatsten schooldag eene vertelling +te doen. En dezen keer deed hij dat met meer gloed dan ooit te voren. Hij deed een verhaal van schoolkameraden, waarvan er +een goed oppaste en tot een braaf man opgroeide, terwijl de andere door eigen schuld al dieper en dieper zonk en eindelijk +in de gevangenis terecht kwam. En toen het verhaal uit was, drukte hij hun allen op het hart, toch nooit den weg van eer en +plicht te verlaten, maar steeds het goede te doen en het kwade te haten. + +</p> +<p>Met deze wijze les verlieten Jan en Karel voor goed de school, en zij vergaten haar hun leven lang niet. + + +</p> +<p class="aligncenter">EINDE. + + + +</p> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div class="div1" id="d0e3798"> +<h2 class="normal">Inhoudsopgave</h2> +<ul> +<li><a href="#d0e99">Eerste Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e159">Tweede Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e271">Derde Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e387">Vierde Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e506">Vijfde Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e762">Zesde Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e1209">Zevende Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e1531">Achtste Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e1930">Negende Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e2222">Tiende Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e2518">Elfde Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e2860">Twaalfde Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e3141">Dertiende Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e3693">Veertiende Hoofdstuk.</a></li> +</ul> +</div> +<div class="transcribernote"> +<h2>Colofon</h2> +<h3>Beschikbaarheid</h3> +<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het +kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. + +</p> +<p>Deze digitale editie is gebaseerd op de twaalfde druk uit 1922. + +</p> +<p>Dit eBoek is geproduceerd door Jeroen Hellingman. + +</p> +<p lang="en">This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give +it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. + +</p> +<p lang="en">This eBook is produced by Jeroen Hellingman. + +</p> +<h3>Codering</h3> +<p>Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde +van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn +gemarkeerd met het corr-element. + +</p> +<p>Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen gebruikt, zijn deze in dit bestand gecodeerd met “. Geneste +dubbele aanhalingstekens zijn stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens. + +</p> +<h3>Documentgeschiedenis</h3> +<ol class="lsoff"> +<li>2004-02-06 begonnen. + +</li> +<li>2007-11-15 meer tags toegevoegd.</li> +</ol> +<h3>Verbeteringen</h3> +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table width="75%"> +<tr> +<th>Plaats</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2611">Bladzijde 122</a></td> +<td width="40%">laaste</td> +<td width="40%">laatste</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2976">Bladzijde 141</a></td> +<td width="40%">klok</td> +<td width="40%">klonk</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> + +<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10971 ***</div> +</body> +</html> diff --git a/10971-h/images/cover.jpg b/10971-h/images/cover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..70fc254 --- /dev/null +++ b/10971-h/images/cover.jpg diff --git a/10971-h/images/p1.jpg b/10971-h/images/p1.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3060a17 --- /dev/null +++ b/10971-h/images/p1.jpg diff --git a/10971-h/images/p2.jpg b/10971-h/images/p2.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..03a31b3 --- /dev/null +++ b/10971-h/images/p2.jpg diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..6deb365 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #10971 (https://www.gutenberg.org/ebooks/10971) diff --git a/old/10971-8.txt b/old/10971-8.txt new file mode 100644 index 0000000..8737af6 --- /dev/null +++ b/old/10971-8.txt @@ -0,0 +1,6898 @@ +Project Gutenberg's De Zoon van Dik Trom, by Cornelis Johannes Kieviet + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Zoon van Dik Trom + +Author: Cornelis Johannes Kieviet + +Release Date: November 16, 2007 [EBook #10971] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZOON VAN DIK TROM *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + +De Zoon van Dik Trom + +Door + +C. Joh. Kieviet + + + +Twaalfde, Goedkoope Druk +Amersfoort--Valkhoff & Co. + + + + + + +Eerste Hoofdstuk. + + Dik heeft een plan, en zijn vader vindt, dat hij een bizonder + kind is, en dat is-ie. + + +'t Was met den kruidenierswinkel van den ouden Trom uitstekend +gegaan. Dat was geen wonder, want Vrouw Trom was eene zindelijke +vrouw, die er voor zorgde, dat alles in den winkel er keurig netjes +uitzag. De koperen weegschalen waren zoo prachtig geschuurd, dat zij +haast wel van goud schenen, de toonbanken zagen er brandhelder uit, +en de koopwaren waren van de beste kwaliteit. + +Elken morgen spande Dik zijn mooien hit voor den wagen, om de klanten, +die buiten het dorp woonden, te gaan bedienen. Zijn paard was altoos +helder geroskamd, zijn wagen zag er proper uit, en wat hij leverde +was prompt in orde. Nooit vergat hij te doen, wat hij beloofd had, en +tegen wat extra werk zag hij niet op, als hij een van zijne klanten er +mede gerieven kon. Geen wonder dus, dat hij steeds méér verkocht, er +telkens nieuwe klanten bijkreeg en er zelden of nooit een verloor. In +enkele jaren was de winkel van Jan Trom de voornaamste van het dorp +geworden, en 't was een lust te zien, hoe vol het er somtijds wezen +kon. Vooral op Zaterdagavond was het er verbazend druk. Dan stond +de winkel opgepropt met menschen, die inslag voor de volgende week +kwamen doen, en hadden Vader en Moeder Trom, benevens Dik, geen handen +genoeg, om de klanten te bedienen. Maar al moesten dezen wat wachten, +dat hinderde niet erg, want allen luisterden graag naar de vroolijke +grappen van Dik, die zijn praatje steeds klaar had. + +De oude Trom deed niet veel. Hij was niet sterk genoeg om lang achter +de toonbank te staan, en als het hem al te druk werd, trok hij zich +op zijn stoeltje in een hoek van den winkel terug en keek met innig +welbehagen de drukte aan. En dan luisterde hij naar de gesprekken der +vrouwtjes, die het wel gezellig vonden, als zij niet dadelijk geholpen +konden worden, omdat zij dan nog een poosje konden babbelen,--maar +het meest genoot hij van de grappen en kwinkslagen van zijn zoon Dik, +dien hij soms langen tijd achtereen met de grootste bewondering kon +zitten aanstaren. En menigmaal, als hij zag, hoe graag de menschen +door Dik geholpen werden, mompelde hij zacht voor zich heen: + +"Die Dik,--o, dat is toch een bizonder kind,--en dat is-ie!" + +Trom werd er niet sterker op, en meer en meer begon de winkel hem +te zwaar te worden, vooral overdag, als Dik de klanten afreed, en +Moeder het huiswerk verrichtte. Want de winkelschel liet hem bijna +nooit met rust, van den morgen tot den avond. + +"Klingelingeling!" ging het, als Trom zijn ontbijt +gebruikte. "Klingelingeling!" als hij 's middags aan tafel +zat. "Klingelingeling!" als hij zijn middagdutje wilde doen, waaraan +zijn zwak lichaam zooveel behoefte had. + +Den geheelen dag was het voortdurend: "klingelingeling!" en dat +hield niet op, voordat 's avonds laat de winkeldeur op het nachtslot +werd gedaan. + +De oude man beefde soms over al zijn leden van vermoeidheid als hij +eindelijk in zijn bed gestapt was, en van overspanning kon hij dan +dikwijls in geen uren den slaap nog vatten. Eindelijk begrepen Moeder +Griet en Dik beiden, dat het zoo niet langer ging,--dat er verandering +moest komen. + +En die verandering kwam. + +Het huisje naast den winkel kwam te huur. 't Was een allerliefst +huisje, wel klein, maar keurig net. 't Was een huisje voor een paar +oude menschen, die rustig hun ouden dag wilden doorbrengen. + +Zoodra Dik hoorde, dat het te huur was, zei hij op een avond, toen +de winkel op het nachtslot was: + +"Hoor eens, Vader en Moeder, weet u, dat het huisje hiernaast te +huur komt?" + +"Is 't waar?" vroeg moeder Trom. "Neen, dat weet ik niet." + +Trom zei niets. Hij keek Dik aan en streek met zijn hand langs zijn +dunne bakkebaardjes. + +"Ja," zei Dik,--"'t is zoo, en nu had ik gedacht, dat het juist een +huisje voor u beiden zou zijn." + +"Ja," zei Trom, "dat denk ik ook, en dat doe ik." + +"'t Is een lief huis," ging Dik voort. "Niet te groot en erg +gemakkelijk in 't bewonen. En als u mij dan den winkel verhuurde, +zou u een rustigen ouden dag kunnen hebben. 't Wordt Vader toch wel +wat erg zwaar in den winkel." + +"Ja, dat doet het--en dat doet het," zei Trom. + +"En wou jij dan alleen in den winkel gaan wonen, Dik?" vroeg vrouw +Trom met een glimlachje. + +Dik lachte ook. + +"Neen Moeder, dat is nu juist mijne bedoeling niet. Als u en Vader het +goedvinden, zou ik wel willen trouwen. Anneke en ik hebben elkander +al gekend van onze vroegste kinderjaren af, en wij houden veel van +mekaar. Dus,--wat dunkt u er van?" + +Moeder Trom stond op, sloeg haar armen om Dik's hals, gaf hem een +kus op elke wang, en zei: + +"Mijn zegen er op, Dik!" + +Trom trok zoo hard aan zijn bakkebaardjes, dat hij er de vlassige +haartjes van in de hand hield, en zei: + +"Ja, ja, zoo is het goed, en dat is het. Griet, onze Dik is toch een +bizonder kind,--en dat is-ie!" + + + + +Tweede Hoofdstuk. + + De belangrijkste dag uit het leven van Dik Trom. + + +Het ging al gauw als een loopend vuurtje door het dorp: "Dik Trom +gaat trouwen met Anneke, en zijn ouders gaan het huisje bewonen naast +den winkel." En alle menschen vonden het erg best. "'t Was net een +spannetje, dat bij elkaar hoorde," zei men. "Allebêi zijn ze vroolijk, +allebêi jong, allebêi dik," en dat was waar, want Anneke evenaarde in +gezetheid haar aanstaanden man. Zij zag er door en door gezond uit, +had een paar blozende wangen en keek iedereen altoos vroolijk en +opgeruimd aan. En zij vond het wàt prettig om met Dik te trouwen. Van +hun vroegste jeugd af hadden zij elkander gekend en veel van mekaar +gehouden, en niemand vond het vreemd, dat zij man en vrouw zouden +worden. Eigenlijk hadden de menschen het al lang gedacht. + +Op een mooien dag in de maand Juni werd de bruiloft gevierd. Dik was 's +morgens al vroeg opgestaan en den tuin achter zijn huis ingestapt. Het +zonnetje scheen zoo vroolijk, de vogels zongen zoo blijde, de bloemen +in de perkjes geurden zoo heerlijk, en Dik voelde zich zóó gelukkig, +dat hij van louter plezier een liedje begon te zingen. En met zijn +zakmes sneed hij de vroege rozen af en de seringen en de vogelkers, +en bond ze te zamen tot een welriekenden ruiker, dien hij zelf aan +zijne bruid ging brengen. Overal zag hij de vlaggen uitsteken ter +eere van hem en van Anneke. Piet van Dril was de eerste, die zijn vlag +uit het zolderraam stak, en toen volgde Jan Vos, en daarna Van Dijk, +de molenaar, en Vrouw van Aken, en Teun de visscher, en de meester, +en de ontvanger, en de burgemeester. Ja, zelfs uit het huisje van Kee, +de heks van den Achterweg, wapperde een klein, verschoten vlaggetje +uit het boven-zijraampje, want zij hield dolveel van Dik en verheugde +zich in zijn geluk. Weldra was er geen huis meer, waar de vlag niet +uithing, wat wel een bewijs was, dat de bruid en de bruidegom geliefde +personen waren op het dorp. + +Dik vond het heerlijk te zien, dat alle menschen hem en Anneke een +blijk van vriendschap wilden geven. Hij had een glimlach van geluk +op de lippen, en zijne oogen tintelden van blijdschap. + +De menschen, die hem tegenkwamen, hielden hem staande om hem geluk +te wenschen en de hand te drukken, en Piet van Dril stak zijn zwarte +gezicht buiten de deur van de smederij, toen Dik daar voorbijkwam, +zwaaide met zijn vette, glimmende petje, en riep driemaal: +"Hoezee! Leven Dik en zijne bruid!" + +Voor het huis van Anneke wachtte hem eene verrassing, want daar was +een mooie, groote eerepoort opgericht met sparregroen en papieren +bloemen. Bovenin prijkte een schild met de namen van de bruid en +den bruidegom, en er hingen lampions met kaarsen, die 's avonds een +schitterend licht zouden geven. + +Dat hadden zijn vrienden en kennissen gedaan onder leiding van Piet +van Dril, zijn boezemvriend. + +En onder de poort stond Anneke, die maar niet begrijpen kon, dat die +poort ter harer eere was opgericht, en ze lachte en schreide tegelijk +van blijdschap en zei, dat ze zoo gelukkig was en zooveel eer niet +verdiende. En zij dankte Dik voor zijn mooien ruiker, en wist bijna +niet, wat zij doen zou van vreugde. + +Toen ging Dik naar huis terug, om alles voor de bruiloft in orde te +brengen. Er werden in de schuur, die in gewone tijden voor pakhuis +diende, groote tafels en stoelen geplaatst voor de gasten. En hij +versierde de wanden met vlaggedoek, en nog was hij daarmee niet gereed, +toen de deur openging, en Piet van Dril en Jan Vos verschenen, die +een wagen met sparregroen meebrachten en hem hielpen aan de versiering. + +De schuur was weldra haast niet meer te herkennen, zoo mooi werd +zij. Vader en moeder Trom konden hun oogen bijna niet gelooven, toen +zij even binnen kwamen om een kijkje te nemen. Zij sloegen de handen +van verbazing in elkaar, en Trom mompelde: + +"Wat een feest,--wat een feest! 't Heele dorp vlagt, en dan die +schuur! O, die Dik is een bizonder kind, en dat is-ie!" + +Moeder Griet was dat volkomen met hem eens, maar zij gunde zich den +tijd niet om lang te kijken, want zij had het nog meer dan druk om +alles voor het feest in gereedheid te brengen. De beste spullen moesten +uit de kast, en alles werd zorgvuldig geschuierd en opgeknapt. Trom +had het vreeselijk druk met zijn hoogen hoed, denzelfden nog, waarop +Dik was gaan zitten, toen deze nog een kleine jongen was. Trom poetste +de stugge haartjes glad en liefkoosde hem wel honderdmaal met de mouw +van zijne lakensche jas. De man zag er wàt deftig uit, heelemaal in +'t zwart en met dien hoogen hoed op. 't Model van zijn costuum was +wel wat ouderwetsch,--want 't was zijn eigen trouwpak nog, dat hij +maar zelden had aangehad,--en zijn hoed was wel wat hoog van bol en +breed van rand, maar dat hinderde niet. + +"Die hoed is nog mooi, en dat is-ie," zei Trom, "en mijn pak kan ook +nog best meê, en dat kan het." + +Dik was van top tot teen in 't nieuw. Hij had ook een lakensch pak +laten maken en een hoogen hoed gekocht. Zelf vond hij wel, dat hij er +met den hoed erg gek uitzag, maar Trom zei, dat hij hem deftig stond, +en dat deed-ie. Dik's nieuwe laarzen kraakten bij elken stap, zoodat +men hem in de verte al kon hooren aankomen. Dik had er een hekel aan, +maar zijn vader vond dat ook al erg deftig. + +"Alle laarzen van deftige menschen kraken, en dat doen ze," zei +hij wijs. + +Eindelijk werd het tijd om naar het huis van de bruid en vervolgens +naar het gemeentehuis te gaan, waar het huwelijk zou worden +voltrokken. Het drietal begaf zich daarom op weg. + +Dik zag wel wat tegen de plechtigheid op, en hij voelde zich in zijn +mooie zwarte pak, in zijne krakende laarzen en onder zijn hoogen hoed +verre van lekker. Hij was in het geheel geen mensch voor zooveel moois +en plechtigs. Maar 't moest nu eenmaal gebeuren, en hij besloot daarom +zoo goed mogelijk door den zuren appel heen te bijten. + +Vader en moeder Trom keken met gepasten ernst naar al de vlaggen, +die ter eere van hun zoon waren uitgestoken, en vonden zich verbazend +gewichtig. Moeder Griet zag er ook zeer feestelijk uit. Zij had hare +zijden japon aan, waarover een met palmen doorgewerkte omslagdoek, +die haar in den vorm van een gelijkbeenigen driehoek over den rug hing +met de punt naar beneden, een zijden hoedje op met groote keellinten, +en aan haar arm een karbies, welke in sterke mate de aandacht trok +van de kinderen, die den kleinen stoet omringden en steeds in aantal +toenamen. Een van de grootste jongens begon al spoedig te zingen: + + +"Bruid, bruid, strooi wat uit!" + + +Maar de anderen legden hem het zwijgen op met de opmerking, dat de +bruid nog niet aanwezig en hij dus met zijn liedje te vroeg was. + +De jongens en meisjes zagen er zeer opgewekt uit en het ontbrak hun +niet aan de noodige luidruchtigheid. + +Zoo bereikte het drietal de woning van de bruid, waar de gasten, +die voor het feest genoodigd waren, zich reeds verzameld hadden. Met +een krachtigen handdruk werd Dik ontvangen, die onhandig met zijn +hoogen hoed omsprong en voortdurend het vervelende kraken van zijne +laarzen hoorde. + +'t Was nu hoog tijd om naar het raadhuis te gaan. De stoet stelde zich +dus op. Jan Vos en zijn verloofde openden de rij, daarop volgden Dik +en Anneke, daarachter de wederzijdsche ouders en verdere familieleden, +en eindelijk de vrienden en kennissen, die genoodigd waren. Piet van +Dril en zijn jonge vrouw, want Piet was al sedert een jaar getrouwd, +waren de laatsten van den stoet. + +De meisjes en vrouwen hadden allen een groote karbies, tot groote +vreugde van de jongens en meisjes, die zich vol blijde verwachting +voor het huis hadden opgesteld. Nauwelijks waren de bruiloftsgasten +zichtbaar, of daar klonk uit wel honderd kelen: + + +"Bruid, Bruid, +Strooi wat uit! +Bruid, Bruid, +Strooi wat uit!" + + +'t Was een verschrikkelijk gejoel en lawaai, maar de karbiezen bleven +potdicht. Eerst moest het jonge paar getrouwd zijn; zoolang dat niet +gebeurd was, werd er niet gestrooid. + +In lange rij trok de stoet door het dorp en bereikte ongestoord het +raadhuis. Daar werden de groote deuren geopend door den veldwachter, +die bij trouwpartijen dienst deed als concièrge, en men nam plaats +in de trouwzaal, waar vele dorpelingen aanwezig waren om van de +plechtigheid getuige te zijn. + +Spoedig verscheen de burgemeester, en nu werden Dik en Anneke in den +echt verbonden. De burgemeester deed nog een hartelijke toespraak en +drukte het bruidspaar de hand. + +Pas kwam de stoet weer buiten het raadhuis, of daar galmde het weer, +nu wel uit tweehonderd monden: + + +"Bruid, Bruid, +Strooi wat uit! +Bruid, Bruid, +Strooi wat uit!" + + +De lieve straatjeugd drong geweldig op om dicht bij de karbiezen +te komen, die de begeerde lekkernijen bevatten. En thans bestond er +tegen het openen daarvan geen enkele hinderpaal meer. + +"Dààr dan, jongens, grabbelt maar!" riep Anneke, die tijdens de +plechtigheid erg bleek had gezien, maar nu hare frissche kleur +langzamerhand terugkreeg, en zij tastte diep in de karbies en strooide +de bruidssuikers onder de menigte. Haar voorbeeld werd door Moeder +Trom en de andere vrouwen en meisjes gevolgd. Het regende als het +ware links en rechts suikergoed, zoodat de jongens op en over elkander +buitelden, om toch maar zooveel mogelijk bijeen te grabbelen. 't Was +een allerdolst schouwspel. De kinderen hadden nergens meer oog voor, +dan voor de uitgestrooide lekkernijen, en zij waren zoo verwoed aan +het grabbelen, dat zij den heelen bruidsstoet uit elkaar duwden. Een +van de jongens kwam vlak voor de voeten te liggen van Vader Trom, +zoodat het weinig scheelde, of deze viel voorover op de straat. Zijn +hooge hoed rolde wel twee meter ver voor hem uit en kwam onder een +paar jongens terecht, die aan het vechten waren om een suikerboon, +waarop zij beiden recht meenden te hebben. De arme hoed kreeg het +kwaad te verantwoorden en leek al spoedig meer op een waterhoozer +uit een lekke roeiboot, dan op een deftigen hoogen hoed. + +Piet van Dril gaf den vechtenden jongens een paar klinkende oorvijgen, +die hun met verbazenden spoed het hazenpad deden kiezen. Den hoed +bracht hij zooveel mogelijk weer in zijn fatsoen, en zette hem den +ouden man op het hoofd. + +Van het gemeentehuis wandelde de stoet, steeds vergezeld door de +straatjeugd, die met ijzeren volharding het "Bruid, Bruid, strooi +wat uit" galmde, naar de kerk, waar het huwelijk ingezegend werd, +en van daar naar de versierde schuur. + +Den geheelen dag heerschte er groote vreugde. Dik rookte uit een +lange Goudsche pijp, die met groen en bloemen was versierd, en de +bruid dronk uit een kopje, waarvan het oortje met een rozeknopje en +een paar rozeblaadjes prijkte. + +'t Was een heerlijk feest. 's Middags kwamen vele vrienden en kennissen +gelukwenschen, en ook de oude heks van den Achterweg kwam binnen, om +bruid en bruidegom de hand te drukken. En in een klein mandje bracht +zij zes kippeneitjes meê, als een klein blijk van hare vriendschap +en dankbaarheid, want zij was maar een arme, oude vrouw en wilde toch +ook zoo graag wat geven. + +Dik kreeg het er bijna te kwaad onder, zoo aardig vond hij dat van +de goede ziel, en hij pakte het oudje beet en danste met haar in +het rond tot groote pret van alle bruiloftsgasten. 's Avonds kwamen +twee muzikanten met violen, en toen konden de jongelui dansen naar +hartelust, wat zij dan ook deden. + +'t Was al zeer laat in den avond, en nog was er niemand naar huis +gegaan. De oude molenaar was de eerste, die opstond om te vertrekken, +en hij klopte Trom op den rug en zeide: + +"Dat was nog eens een echte, mooie bruiloft, niet waar?" + +En Trom antwoordde, aan zijne bakkebaardjes plukkende: + +"Ja, dat is het,--en dat doet het,--maar Dik is ook een bizonder +kind,--en dat is-ie!" + + + + +Derde Hoofdstuk. + + Dik wordt vader, en vrouw Smul begraaft haar neus in een + roomtaart. + + +'t Bleef met den winkel onder leiding van Dik en Anneke uitstekend +gaan, zoodat men gerust kon voorspellen, dat zij nog eens in goeden +doen zouden komen. Nu, Dik werkte dan ook met den grootsten ijver, +en als hij de boeren afreed met boodschappen, verving Anneke hem +op uitstekende wijze in den winkel. En zij was een zuinig vrouwtje, +naar de meening van Dik haast wel een beetje al te zuinig. + +"Hoor eens, Anneke," zei hij meer dan eens, "daar moet je toch +voorzichtig meê wezen. Zuinig is goed, best zelfs, maar àl te zuinig +is verkeerd. Komen de vrouwtjes om een pondje van dit of van dat, dan +moet je niet bang wezen, dat de schaal even doorslaat. 't Is beter +overwicht te geven, dan te klein gewicht. Daar hebben de menschen +een hekel aan, en dan gaan ze al gauw naar een anderen winkel, waar +de maat wat ruimer is. Heusch, een klein toegiftje doet geen schade, +maar voordeel. En komen er kinderen boodschappen halen, geef ze dan +een balletje of een pepermunt, of een stukje zoethout, of een vijg. Dat +hebben ze graag en dan koopen ze liever hier dan bij een ander." + +Anneke gaf aan dien raad gehoor, maar zuinig van aard bleef ze toch, +en dat was goed. + +In den winkel zag het er keurig netjes uit, en hij was van alle +gemakken voorzien. Daar zorgde vader Trom wel voor. Nu hij niets meer +te doen had, was de oude liefhebberij voor het timmervak weer bij hem +ontwaakt, en liep hij altoos te passen en te meten, te schaven en te +hameren. 't Was dan ook, eer een jaar verloopen was, een pracht van +een winkel geworden, en Trom was daar erg trotsch op. Jammer voor +den braven man, dat hij den laatsten tijd zoo doof werd. Kort na +Dik's bruiloft was het begonnen, en 't nam met den dag toe, zoodat +hij eindelijk bijna niet meer te beschreeuwen was. 't Was voor Griet +een verbazende last, want zij hield erg veel van een praatje. + +Een paar jaar na Dik's huwelijk had er eene groote gebeurtenis +plaats. Dik werd namelijk vader van een zoontje, en hij was daar +erg blij om. Toen hij op een avond met paard en kar thuis kwam, +vond hij den kleinen kerel al in de wieg liggen, en grootvader +en grootmoeder Trom zaten er op een stoel naast en keken met de +grootste belangstelling naar hun pasgeboren kleinkind. Grootmoeder +Griet vond het een allerliefst schattig kindje, maar grootvader zei +geen woord. Hij was blijkbaar in gedachten verdiept, en staarde met +open mond den kleinen schreeuwer aan. Want een scheeuwer was het. De +oude Trom had een klein, pasgeboren kindje nog nooit zóó hooren +schreeuwen. Grootvader vond het erg verwonderlijk, en soms sloeg hij +zijne oogen even op en staarde grootmoeder aan met een blik, waarin +zoowel verbazing als bewondering opgesloten lag. 't Was hem aan te +zien, dat hij in het kind iets gewichtigs zag. + +"O, o, wat was Dik blij, toen hij zijn zoontje zag. Zijne ouders +feliciteerden hem recht hartelijk, en hij drukte moeder Anneke, die +te bed lag, een kus op elke wang. En toen ging hij weer dadelijk naar +de wieg, om zijn zoontje in oogenschouw te nemen. + +"Wel verschrikkelijk, wat schreeuwt dat kind!" zei Dik, die ook in +de grootste verbazing naar het geluid van den nieuwen huisgenoot +luisterde. "Moeder, heb ik ook zoo geschreeuwd, toen ik pas in de +wereld was?" + +"Neen," zei grootmoeder Trom, "jij schreeuwde nooit, dan alleen als +je honger hadt." + +"Maar dan heeft dat ventje ook honger!" riep Dik met beslistheid +uit. "Hei baker, waar zit je? Geef dat kind wat eten!" + +Op zijn geroep kwam de baker uit de keuken te voorschijn 't Was +vrouw Smul, die ook Dik nog gebakerd had. Zij was nu eene oude vrouw +geworden, met bijna geen tand meer in haar mond, en een puntige, +vooruitstekende kin. Dik hield in het geheel niet van haar, maar daar +zij de eenige baker op het dorp was, moest hare hulp wel ingeroepen +worden. Met een vriendelijk lachje feliciteerde zij den gelukkigen +vader, en zij haalde het kleine kereltje uit de wieg, en hield hem +Dik voor, die nu in de gelegenheid kwam, zijn zoon goed te bezien. + +Ten tweeden male wekte het ventje zijn groote verbazing, want zoo +dik als hij zelf geweest was, toen hij op de wereld kwam, zoo smal +en dun was de kleine. En schreeuwen, schreeuwen dat het kind deed, +neen maar, 't ging Diks verwachting verre te boven. Ook grootmoeder +en grootvader keken het wichtje met verwondering aan, want zoo dun +en mager hadden zij nog nooit een kind gezien. + +Dik sloeg van verbazing de handen ineen, en riep uit: + +"Neen maar, wat een wonderlijk mager kind is dat! 't Is veel te dun!" + +"Maar 't is toch een erg lief kindje," zei Anneke met moedertrots. + +"En wat schreeuwt het!" ging Dik voort, "'t Schreeuwt als een +speenvarken. Toe baker, geef dat kind dadelijk wat te eten, want zulk +geschreeuw is niet uit te houden. Een mensch krijgt er hoofdpijn van." + +Grootvader Trom had nog geen woord gesproken, maar eindelijk ging +hij naar zijn vrouw, en driftig aan zijn bakkebaardjes plukkende, +zei hij op gewichtigen toon: + +"Griet, 't is een bizonder kind,--ik zeg een bizonder kind,--en +dat is-ie!" + +"Ik geloof het ook," zei Dik lachend. "Zoo dun,--en dan dat +geschreeuw. 't Is wél bizonder!" + +Inderdaad bleken deze twee eigenschappen van den kleine op den duur +wèl wat bizonder te zijn, want het kind schreide van den morgen tot +den avond, en van den avond tot den morgen. Alleen als hij sliep, was +hij stil. Hij dronk de eene flesch melk na de andere, maar bleef even +dun en mager. En hij schreeuwde om er wanhopig onder te worden. Kreeg +hij geen flesch, dan maakte hij een ijselijk misbaar om de aandacht +op zich te vestigen, en had hij de flesch leeggedronken, dan vond hij +dàt weer een reden om zijne stem te verheffen. Maar hij groeide best, +al was het alleen in de lengte. + +Dik vreesde, dat zijn wieg hem gauw te kort zou worden, en hij +ergerde zich den ganschen dag aan de aanwezigheid van de baker. Daar +had hij trouwens zijn goede redenen voor, want in den winkel was +veel te snoepen, en daar hield vrouw Smul van. Telkens zag Dik, +dat zij tersluiks iets in den mond stak, als zij even in den winkel +moest wezen, en dat kon Dik niet uitstaan. Eens zag hij, dat zij bij +de kistjes vijgen stond en er een handjevol uitnam, en hij besloot +haar dat eens en voor goed af te leeren. Baker had hem niet gezien, +en schrok dus niet weinig, toen hij eensklaps achter haar stond. Dik +nam een grooten bak met stroop, dien zij onmogelijk met éen hand kon +vasthouden en zei: + +"Toe baker, help me even. Houd dien bak eens vast." + +Maar dat kon baker niet doen, want dan zou Dik zien, dat zij een +hand vol vijgen had. Haastig draaide zij zich dus om en stak de +vijgen met eene behendige beweging in haar mond, maar ongelukkig +konden ze daarin haast niet geborgen worden, zooveel had zij er wel +uit het kistje genomen. Zij moest den mond dus stijf dicht houden, +wilde zij zich niet verraden. Toen greep zij den stroopbak met beide +handen aan. Haar mond zat als 't ware volgepropt, tot groot vermaak +van Dik, die een vriendelijk praatje met haar begon. + +"Wel baker," vroeg hij, "hoe zou het toch komen, dat de kleine +Jan",--want zijn zoon heette Jan, naar zijn grootvader,--"dat de +kleine Jan altijd zoo schreeuwt? Wat kan daar toch de reden van wezen?" + +Maar baker kon niet antwoorden vanwege de vijgen, die zij in +den mond had. En er waren er te veel, dan dat zij ze had kunnen +doorslikken. Kauwen durfde zij ook niet, want dan zou zij zichzelve +dadelijk verraden hebben. Zij verkeerde nog in de heilige overtuiging, +dat Dik niets van hare snoeperij had gemerkt. Zij zeide dus niets, +maar haalde alleen de schouders op, ten teeken dat de reden van +Jantjes geschreeuw haar totaal onbekend was. Doch met dat gebaar was +Dik niet tevreden. + +"Neen baker, haal nu de schouders niet op," zei hij op ernstigen toon, +"maar zeg mij liever kort en goed, wat er de oorzaak van is. Hij moet +toch ergens met zooveel volharding om schreeuwen!" + +Baker haalde nogmaals de schouders op, en Dik keek haar ernstig aan. + +"Scheelt er wat aan, baker? U trekt zoo'n raar gezicht," ging hij +voort. "Heeft u pijn of zoo iets?" + +Baker schudde ontkennend met het hoofd, maar het angstzweet brak haar +uit, want de vijgen in haar mond begonnen haar verschrikkelijk zwaar te +liggen, en zij kon haar mond bijna niet meer dicht houden. Zij kneep +de lippen wanhopig stijf op elkander en liet den zwaren stroopbak +haast vallen. + +Dik had de grootste pret, en ging plagend voort: + +"Heeft u kiespijn, baker?" + +Baker schudde alweer van neen. + +"Of buikpijn?" + +Nogmaals hetzelfde gebaar. + +"U lijkt wel stommetje te spelen, baker. Ik geloof, dat ik den dokter +voor u moet halen." + +De baker slaakte een diepen zucht, maar wilde blijkbaar niets van +een dokter weten. Zij schudde heftig van neen. + +"Maar zèg dan toch wat, baker! Zulk zwijgen is om er tureluursch van +te worden. Of kan u niet spreken?" + +De baker zei nog niets, maar keek wanhopig naar den zolder. + +"Doe uw mond eens open, baker," ging Dik zonder medelijden voort, +en hij pakte haar kin tusschen vinger en duim. Maar nu werd het baker +te erg, en zij begreep, dat Dik heel goed had gezien, dat zij van de +vijgen gesnoept had. Zij zette den stroopbak haastig neer en verliet in +allerijl den winkel, terwijl Dik het uitschaterde van pret, omdat hij +haar zoo geducht te pakken had gehad. Zij dorst den "baas" den geheelen +dag niet meer aankijken van schaamte, en zij had nog grooter hekel +aan hem dan vroeger, toen hij haar klompen vol water had geschept. + +Maar haar snoeplust leerde zij er niet meê af. Die kwaal was bij haar +te veel ingekankerd. + +Dat bleek Dik, toen zijn zoontje een dag of acht oud was. In den +winkel, achter een van de toonbanken, was een luik, waaronder zich de +kelder bevond. Dik was in dien kelder, toen de winkelschel ging, maar +de baker wist niet, dat Dik daar was. Zij kwam in den winkel en zag +daar den loopjongen van den banketbakker, die eene heerlijke roomtaart +kwam brengen, een geschenk van Piet van Dril en diens vrouw. Ha, de +neusvleugels van vrouw Smul trilden van begeerte. Na haastig om zich +heen gekeken te hebben, of zij wel alleen was, lichtte zij behendig +het deksel van de doos en genoot van den heerlijken aanblik, dien de +verrukkelijke taart opleverde. + +Dik kwam langzaam en onhoorbaar naderbij. "Als zij gaat snoepen, +zal ik het haar eens en voor altijd afleeren," dacht hij. + +En jawel, vrouw Smul moest toch eventjes proeven. Met haar vinger +streek zij er wat room af en stak het in den mond. Wat smaakte dat +heerlijk! Zij smakte met de tong. En wat rook die taart lekker. Wacht, +zij moest ook eventjes ruiken. Zij bracht de doos wat omhoog, haar +neus naar omlaag, en genoot van den heerlijken geur.... + +Maar Dik was meer dan kwaad, want hij dacht, dat vrouw Smul er van +snoepte. En in zijne boosheid gaf hij een geduchten duw tegen den +bodem van de doos, zoodat neus en kin van de baker in een oogwenk +tot in het hart van de taart doordrongen. En toen vrouw Smul die +lichaamsdeelen weer uit hun ontijdig graf had opgedolven, zaten zij +dik in de room. Zij leken wel roomhorentjes. + +Vrouw Smul kon zich in het eerste oogenblik maar niet begrijpen, wat +er gebeurd was, zoo snel was het in zijn werk gegaan, en zij gaf een +gil van den schrik. Doos en taart liet zij op den vloer vallen, en zij +vluchtte op een draf den winkel uit en de huiskamer in, waar Anneke +in een schaterlach uitbarstte, zoo mal zag baker er uit. En zij kon +haast niet tot bedaren komen, toen Dik haar vertelde wat er eigenlijk +gebeurd was, al vond zij het meer dan jammer van de heerlijke taart. + +"En wat zullen Piet van Dril en zijne vrouw het akelig vinden, als +zij het hooren," zei Anneke. + +"Die zullen het niet hooren," zei Dik. "Ik ga dadelijk een nieuwe +taart bestellen, precies eender als deze, en wij noodigen Piet +en zijne vrouw een avondje bij ons op de koffie, om haar te helpen +opeten. Dan hooren zij er nooit iets van. Baker zal er haar mond wel +over houden,--en wij praten er natuurlijk ook niet over." + +Zoo geschiedde. Piet en zijn vrouw smulden er heerlijk van en vonden +het prettig, dat de taart Dik en Anneke zoo lekker smaakte, maar zij +hebben nooit geweten, dat het de hunne niet was. De baker wilde den +heelen avond niet binnen komen. Zij bleef stil in de keuken. Maar +Anneke zorgde toch, dat zij haar deel van de lekkernij kreeg. + +Want zij paste uitstekend op den kleinen Jan, en dat waardeerde Anneke +bizonder. Een paar dagen later ging de baker voor goed heen. + + + + +Vierde Hoofdstuk. + + De eigenschappen van den kleinen Jan en het geduldige busje + van de orgelvrouw. + + +De kleine Jan groeide zeer voorspoedig op, dat wil zeggen alleen in +de lengte, want hij bleef broodmager, tot groote verbazing van Dik +en Anneke, die elken dag opnieuw in de gelegenheid werden gesteld om +zijn eetlust te bewonderen. + +"Hij is precies een hazewindhond," zei Dik meer dan eens. "Hoeveel +hij ook eet, hij blijft altijd even dun. 't Is verwonderlijk!" + +Overigens was de kleine Jan een zeer voorlijk kind. Hij lachte al, +toen hij nog maar enkele dagen oud was, en zijne tandjes kwamen +zeldzaam vroeg. Hij kroop veel gauwer over den vloer, dan nog ooit +eenig kind gedaan had, en kreeg mazelen, kinkhoest en waterpokken, +toen andere kinderen van zijn leeftijd de gedachte daaraan nog niet +in hun hoofd voelden opkomen. + +Zijn grootvader hield daarom staande tegenover iedereen die het hooren +wilde, dat de kleine Jan een bizonder kind was, en dat was-ie. + +Jan was met zijn grootvader al spoedig goede maatjes. Toen hij nog heel +klein was, wilde hij altoos op diens knieën zitten en paardje-rijden, +zoodra hij hem maar zag, en als Grootvader zijn zin niet dadelijk deed, +zette hij het zoo geweldig op een schreeuwen, dat zelfs Grootvaders +gehoorvliezen er pijn van gingen doen. En dan haastte de oude man zich, +om zijn kleinzoontje tevreden te stellen. + +Zoodra Jantje loopen kon, en dat kon hij heel vroeg, liep hij +grootvader overal na. Anneke was daar eerst wel wat ongerust over, +omdat grootvader zoo erg doof was, maar toen haar Jantje altoos weer +gezond en wèl terugkeerde in de ouderlijke woning, begon zij daar +spoedig aan te wennen. Als Jantje zoek was, dacht ze al dadelijk: +"O, hij zal wel weer bij grootvader wezen." + +Toen Jantje zag, dat grootvader bijna altoos aan het timmeren was, +schreeuwde hij net zoo lang, tot hij ook een hamer kreeg, en van +dat oogenblik af deed hij niet anders dan hameren. Hij sloeg er meê +tegen de toonbank, dat de weegschalen er van rinkelden, klopte op +de vijgenmand met zooveel kracht, dat de pitjes uit de vruchten te +voorschijn kwamen, hamerde een melkkan aan scherven en sloeg een barst +in de winkelruit. Dat gebeurde alles op één dag, tot grooten schrik +van Anneke, die hem den hamer afnam, toen het te laat was. Grootvader +had er niets van gemerkt, en toen Anneke hem op de verwoesting attent +maakte, keek hij die eenigen tijd in verbazing aan, tot hij eindelijk +mompelde: + +"Zie je wel, Anneke, dat Jantje een bizonder kind is?--En dat is-ie." + +Dat bleek ook uit het feit, dat Jantje het geweldig op een schreeuwen +zette, toen Anneke hem den hamer had afgenomen. Hij kon echter zoo hard +niet schreeuwen, dat zijne Moeder hem dien teruggaf. Grootvader was +bezig de stijfsellade te herstellen, die niet meer goed heen en weer +kon schuiven. Jantje zat schreeuwend achter hem op den vloer, tot het +twaalf uur werd en Grootvader naar huis moest om te eten. Grootvader +legde den hamer in den spijkerbak en vertrok. Nauwelijks was hij +verdwenen, of Jantje greep den hamer en zette de werkzaamheden +voort. Hij sloeg draadnagels in de verschillende winkelladen, waar +zij schots en scheef in terecht kwamen, timmerde Grootvaders rooden, +katoenen zakdoek, dien hij vergeten had mede te nemen, als een vlag +aan de toonbank vast, en ging naar het petroleumvat, om ook daar +een paar draadnagels in te slaan. Maar toen viel zijn aandacht op de +kraan, die in het vat zat, en Jantje sloeg er net zoo lang op met zijn +hamer, tot de kraan uit het vat vloog en de petroleum in een breeden +stroom op den vloer en op Jantjes beenen terecht kwam. Ha, dat vond +Jantje pas mooi. Hij hield er den hamer onder, waardoor de stroom een +bizonder mooien vorm kreeg en de droppels hem om de ooren spatten, +en hij keek met innig welbehagen de gevolgen van zijn bemoeiingen +aan. De petroleum bedekte weldra den geheelen vloer, en Jantje was +zoo nat als een gedrenkte spons. Zijne Moeder had er geen erg in, want +zij was in de keuken, tot zij opeens een geweldig geschreeuw vernam, +zóó hevig, dat zij van schrik opsprong en naar den winkel ijlde. Maar +nauwelijks had zij de deur geopend, of zij bleef als verstomd staan en +keek met open mond naar de petroleum, die den geheelen vloer bedekte +tot aan den drempel toe, waarop hare voeten stonden, en naar Jantje, +die uit alle macht schreeuwde en met zijn hamer op het vat sloeg. + +De tranen sprongen Anneke in de oogen, en zij was in één woord +radeloos. Zij wist niet, wat ze beginnen moest. Ze kon niet eens bij +haar zoontje komen, zonder door de petroleum te plassen, wat ze op +hare pantoffeltjes onmogelijk doen kon. + +En Jantje schreeuwde uit alle macht, niet om hetgeen hij gedaan had, +ook niet omdat hij met de beentjes rechtuit in de petroleum zat, +maar eenvoudig om. het feit, dat er geen petroleum meer uit het vat +stroomde. Hij was er meer dan kwaad om, dat de stroom opgehouden had te +vloeien, en hij meende net zoo lang te schreeuwen, tot het weer begon. + +Bedroefd en niet wetende wat zij beginnen moest, snelde Anneke de +achterdeur uit, om Grootvaders hulp in te roepen. Schreiende kwam +zij daar binnen, en zij vertelde onder snikken en tranen, wat Jantje +gedaan had. + +"Wat is er?" vroeg Grootmoeder, toen zij Anneke zoo bedroefd zag +staan. Grootvader stond ook van zijn stoel op en vroeg: + +"Wat is er, Anneke? Wat scheelt er aan?" + +De goede man voelde al naar zijn zakdoek, om haar de tranen van de +wangen te vegen, want hij hield veel van Anneke. Maar hij vond zijn +zakdoek nergens. Hij kon ook niet vermoeden, dat die als een vlag +aan de toonbank wapperde. + +"O, o," zei Anneke, "daar heeft Jantje me de kraan uit het petroleumvat +geslagen...." + +"Den haan uit het kippenhok doodgeslagen?" vroeg Grootvader +ontsteld. "Hoe komt het kind er bij." + +"Neen, neen," zei Anneke met haar mond aan Grootvaders oor, "de +kraan uit het petroleumvat geslagen, en nu is alle petroleum uit +het vat geloopen, en Jantje zit er midden in. Ik weet niet, wat ik +beginnen moet...." + +Grootvader had nu goed verstaan. Hij trok zijn klompen aan en +stapte den winkel binnen, waar Jantje nog zijn uiterste best deed, +om petroleum uit het leege vat te laten vloeien. Hij schreeuwde als +'t ware moord en brand. + +Grootvader keek ook niet weinig verschrikt, evenals een paar vrouwtjes, +die juist kwamen aanloopen om boodschappen te halen. + +Trom plaste op zijn klompen door de petroleum en pakte Jantje op, +dien hij regelrecht naar de keuken bracht. + +"Hier Griet, kleed hem maar dadelijk uit en stop hem in de tobbe," +zei hij tegen zijn vrouw, die van schrik bijna niet spreken kon, +toen zij de ramp in oogenschouw nam. + +Daarna haalde Grootvader eene tobbe uit het schuurtje, benevens een +paar dweilen, en begon den vloer op te dweilen. + +Hij schudde daarbij echter bedenkelijk met het hoofd, want hij begreep +zeer goed, dat de zaak zoo gemakkelijk niet in orde kwam. Jantje +schreeuwde intusschen honderd-uit, want hij werd door Moeder en +Grootmoeder naakt uitgekleed en in een warm bad gestopt. Zijn kleeren +waren onbruikbaar geworden. + +Dat laatste was ook het geval met den winkelvloer. Trom besloot dan +ook dadelijk de handen uit de mouwen te steken De geheele vloer werd +opgebroken en door een nieuwen vervangen, wat den ouden man heel wat +werk bezorgde, 't Is te begrijpen, dat Dik verbaasd opkeek, toen hij +'s avonds thuis kwam en hem het gebeurde verteld werd. + +"Die kleine hazewindhond, hoe krijgt hij 't in zijn hoofd," zei hij +eindelijk. En Grootvader zei: + +"Ik zeg, dat hij een bizonder kind is, Dik, net als jij, en dat is-ie." + +Sinds dien dag werd het petroleumvat zoo geplaatst, dat Jantje er +niet meer bij kon. En de kleine kerel kreeg van zijn vader een houten +hamertje, waar hij niet veel kwaad mee kon doen. Hij timmerde nu den +geheelen dag en hielp Grootvader op zijn manier bij al diens werk. Hij +liet zich daarbij door niets storen, of het moest door een draaiorgel +zijn. Dat vond hij zoo verrukkelijk mooi, dat hij er zelfs zijn eten +voor liet staan, wat hij anders voor geen geld ter wereld zou doen. En +nog mooier vond hij het busje, waarin de vrouw van den orgeldraaier +het geld ophaalde. De orgeldraaier en zijne vrouw woonden op het dorp +en kwamen vast elken Dinsdag met het orgel rond. Dat was erg lastig +voor Anneke, want die had dan altoos waschdag, en moest toch al elk +oogenblik haar waschgoed in den steek laten, om de klanten in den +winkel te helpen. + +Eens op een Dinsdagmorgen had zij het daarmede erg druk gehad, toe +het geluid van het orgel al van verre tot haar doordrong. Ook Jantje +had het gehoord. Hij was toen een jaar of drie en kon dus de deur al +zelf opendoen. + +'t Geluid van het orgel kwam naderbij, en Jantje was in de voordeur +gaan staan, om van de muziek zooveel mogelijk te genieten. Eindelijk +was het orgel tot voor den winkel gekomen en verscheen Mietje, de +vrouw van den orgeldraaier, die Klaas Touw heette, aan de deur. Jantje +haastte zich naar de keuken, en zei: + +"Moedel, daal is Klaas Touw met het olgel." De r kon hij nog niet +zeggen, zoodat hij gemakshalve daar maar een l voor nam. + +"Hè, wat een gezeur van morgen," zei Anneke, wie de zweetdroppels +op het voorhoofd parelden van de drukte. "Er ligt wel een cent in de +toonbanklade, Jantje, je weet wel." + +"Ja moedel," zei Jan, en weg was hij. + +Hij greep een handjevol centen en begaf zich naar Mietje. + +Hij legde een cent in het bakje en zag hem met de grootste +belangstelling door de gleuf verdwijnen, want dat vond hij iets zeer +geheimzinnigs. Toen de cent weg was, legde hij er een tweeden in, +die op dezelfde eigenaardige wijze in de diepte verdween. Daarna een +derde, en een vierde, en een vijfde. Dat ging zoo voort tot Jantjes +handje leeg was. Mietje was blijkbaar een heel geduldig vrouwtje en +zij streek Jantje liefkoozend over zijn kopje. + +"Wacht even, ik zal del nog meel halen," zei Jantje, en hij voegde +de daad bij het woord. De toonbanklade was nog lang niet uitgeput en +Jantje vond het heel aardig, dat het orgel zoo lang bleef draaien, +en dat de centen zoo mooi in de bus verdwenen. + +"Flap," daar viel er weer een naar beneden, tot groote pret van Jantje, +die er hardop om lachen moest. "Flap," weer een, en nog een, en nog +een, tot zijn handje alweer leeg was. En tot zijn groote vreugde +draaide het orgel nog maar steeds door, en bleek Mietje vriendelijk +genoeg om voor zijn plezier nog een poosje te blijven staan. + +"Wacht even," zei Jantje, "ik zal del nog meel halen. El zijn del +nog genoeg." + +Nu, dat was waar, en hij kwam al spoedig weer met een handjevol terug. + +"Flap," ging het alweer, en "flap, flap, flap," volgden de +andere. Anneke was zoo druk aan het wasschen, dat zij het heele +orgel vergeten was. Gelukkig, dat er nu eens een poosje geen klanten +kwamen.... + +Jantje liep geregeld heen en weer van Mietje naar de lade, en van de +lade naar Mietje, wier geduld onuitputtelijk bleek. Jantje vond haar +erg zoet, dat ze zoo lang blijven wou en dat hij zoo prettig met het +busje mocht spelen. + +Maar eindelijk was de voorraad centen uitgeput, en daarom begon +Jantje met de dubbeltjes, die hij in de lade vond. Gelukkig kwam er +juist een meisje den winkel binnen om een half pond suiker te halen +en toen ze zag, wat Jantje deed, zei ze: + +"Zeg, stoute jongen, dat mag je niet doen." Zij nam Jantje de +dubbeltjes af, die hij in de hand had, en riep luid: + +"Vollek!--Vollek!" + +Opeens bleek Mietje haast te krijgen. Zij wenkte Klaas, die +onmiddellijk den slinger van het orgel in rust bracht, en samen +vervolgden zij met meer dan gewonen spoed hun tocht. Zij liepen +zelfs zonder te spelen verscheidene huizen voorbij, en verdwenen in +een achterbuurtje. + +Jantje was echter boos en begon luidkeels te schreeuwen. Maar zijn +Moeder was nog boozer, toen zij van het meisje vernam wat er gebeurd +was, en zij gaf Jantje voor zijne broek en zette hem in de woonkamer +met bevel, dat hij daar den geheelen middag blijven moest. Klaas Touw +en Mietje kregen, toen zij weer met het orgel kwamen, een geducht +standje van haar en mochten in geen vol jaar meer aankomen. + +"Je hebt wel voor een jaar genoeg gehad," zei Anneke boos, "en 't +is een schande, dat je het geld aangenomen hebt. Als je fatsoenlijke +menschen waart, zou je mij gewaarschuwd hebben." + +Of Mietje al zei, dat het zoo erg niet geweest was, en dat Jantje +maar een cent of vijf in het busje had gedaan, 't hielp haar niets. + +"Je hebt voor een jaar genoeg gehad, en daarmede is het uit," zei +Anneke beslist. Boos deed ze de deur voor Mietje's neus dicht. + + + + +Vijfde Hoofdstuk. + + Jantje en de school. + + +Jantje bleef zeer voorspoedig opgroeien. De gewone kinderziekten had +hij al lang achter den rug, verkouden was hij nooit, en voor koorts +scheen hij geen aanleg te hebben. Hij was buitengewoon levendig van +natuur, waarvan het gevolg was, dat zijne Moeder hem zelfs met geen +stok in huis kon houden. + +Eerst had zij daartoe wel alle middelen, die haar ten dienste stonden, +in 't werk gesteld, maar tevergeefs. Toen hij nog erg klein was, volgde +hij steeds zijn Grootvader als diens schaduw, en dan timmerde hij den +geheelen dag, maar toen hij een jaar of vier werd, vond hij daar niet +veel pleizier meer in. Hij ging toen liever de buurt op, en was bijna +altoos op de smerigste plaatsen te vinden, die er bestonden. Hij zag +er daardoor gewoonlijk ontoonbaar uit. De modder zat hem dikwijls tot +in de haren, zijne broek was bijna altoos hier of daar gescheurd, +en zijn handen zagen zoo zwart als roet. Wel tienmaal op een dag +greep Anneke hem bij den arm, nam hem mêe naar de keuken, en boende +hem met groene zeep schoon, waarbij de kleine patiënt gewoonlijk een +erbarmelijk geschreeuw deed hooren, zoo erg, dat de klanten, die in +den winkel kwamen, soms dachten, dat er iemand vermoord werd. In die +meening werden zij dan nog versterkt door de noodkreten van Jantje, +die op zijn gewonen huilerigen toon niets anders deed, dan schreeuwen: + +"Ik wou, dat ik dood was! Ik wou, dat ik dood was! Ik moet ook altijd +maar gewasschen worden!" + +Zijn moeder toonde echter niet het minste medelijden en hield niet op, +voordat Jantje vanwege de groene zeep blonk als een spiegeltje. + +'t Was maar jammer, dat het slechts voor zoo korten tijd hielp. Geen +tien minuten later zat Jantje weer in de modder te baggeren. Zijn +voeten waren meestal kletsnat, want hij bewoog zich graag aan de +slootkanten, om naar de kikkers te kijken en watertorren te vangen. + +Toen hij vier jaar oud was, kwam hij voor het eerst met een nat pak +thuis. Hij had kopje-onder in het water gelegen. Dat gaf een schrik +bij Anneke, en zij besloot kort en goed hem voortaan in huis te +houden. Zij sloot hem in den tuin op. Maar dat beviel haar nog veel +minder, want tot haar schrik zag zij hem 's morgens om negen uur al +op de vorsten van het schuurtje zitten, en even later kwam hij naar +beneden tuimelen. Anneke zag het juist gebeuren, en zij dacht, dat +hij wel dood zou zijn. Zij zat als met lamheid geslagen op haar stoel +en was niet bij machte om op te rijzen en Jantje te gaan helpen. Dat +bleek echter ook niet noodig te zijn, want Jantje sprong dadelijk +overeind en klom weer tegen het schuurtje op. Een poosje later zat +hij weer op de vorsten. Eerst was hij wel een beetje bleek van den +schrik, maar dat werd spoedig beter. + +Anneke besloot hem niet meer op te sluiten, zoodat Jantje 's middags +weer in de buurt rondwandelde. + +Toen Dik het 's avonds hoorde, moest hij er braaf om lachen, en +hij zei: + +"Wel, wel, kan die hazewindhond zóó klimmen? Kijk Anneke, dat is nu +iets, wat ik in mijn jeugd nooit heb kunnen doen, omdat ik zoo dik +was. Ik vind het wel aardig." + +Anneke vond het dat niet, en zij klaagde zóó over de zorg, die zij van +den vroegen morgen tot den laten avond over Jantje had, dat Dik besloot +hem voortaan, als het goed weer was, maar meê te nemen op den wagen. + +Dat was een kolfje naar Jantjes hand. Ha, wat vond hij het prettig +om naast Vader op den bok van den wagen te zitten. Soms mocht hij +de leidsels vasthouden of met de zweep klappen. Van slaan was geen +sprake; dat wilde Dik volstrekt niet hebben. Zelf deed hij het ook +alleen in bizondere omstandigheden. Het was dan ook werkelijk niet +noodig, want de hit van Dik kon verbazend hard loopen. Dat beweerde +Dik niet alleen, maar alle menschen op het dorp zeiden het. Die hit +was eigenlijk een harddraver en Dik kende geen hit, uren in den omtrek, +die zoo hard loopen kon als de zijne. Eén ding was maar jammer. De hit +had namelijk wel eens koppige buien, eene kwaal, die ook andere hitten +wel met hem gemeen hebben. Als hij in zoo'n booze bui was, bleef hij +vierkant op den weg staan met de pooten wijd uit elkander. Dan was +er geen beweging in hem te krijgen. Eerst had Dik zijne toevlucht +wel eens genomen tot de zweep, hoewel hij daar een geduchten hekel +aan had, maar 't had hem totaal niets geholpen. Eindelijk was Dik op +'t idée gekomen om hem een klontje suiker voor den bek te houden, en +als de hit het pakken wilde, hield hij het weer een eindje verder. Dat +hielp goed, want de hit hield veel van klontjes, en liep zijn meester +dan dadelijk na. En onder het smullen vergat hij zijn koppige bui, +zoodat Dik weer op den bok kon gaan zitten. Als de hit weer eens +niet voort wilde, nam Dik dadelijk een klontje suiker, en dan was de +zaak in orde. Maar de hit was slim, en telkens als hij trek kreeg in +een klontje, bleef hij midden op den weg staan en ging niet verder, +vóór hij zijn zin gekregen had. Dat gebeurde spoedig wel al een keer +of tien op een dag, zoodat Dik begreep, dat het niet langer ging. Hij +gaf den hit geen enkel klontje meer, al bleef hij ook een half uur op +den weg staan. Zoo leerde het beest langzamerhand zijn snoeplust weer +af. Maar de koppige buien kwamen telkens terug. Wel niet dikwijls, +maar toch te veel naar Dik's zin. 't Was overigens een prachtige hit, +die zijns gelijke niet had in het loopen. Dik hield dan ook bizonder +veel van hem, en Jantje vond het wát heerlijk, als het lieve paardje +zoo lustig voor den wagen draafde. + +En Dik vond het prettig, als de kleine Jan naast hem op den bok +zat. Als 't mooi weer was, mocht Jantje altoos met hem mee, en dat +gaf Anneke heel wat rust. Deze had het trouwens al druk genoeg met +den winkel. + +Eindelijk werd Jantje vijf jaar en toen moest hij naar school. Maar +daar had hij in 't geheel geen zin in. Het vrije leventje en de +toertjes met zijn vader bevielen hem veel te goed, en hij hield stijf +en strak vol, dat hij nooit en nooit naar school wilde. + +Toch moest het gebeuren, en Dik bracht hem er zelf heen. + +Och, och, wat schreeuwde de kleine baas, en wat deed hij eene moeite +om los te komen. Maar dat lukte hem niet, want zijn vader hield hem +stevig vast. + +Hij schreeuwde nog, toen hij door de Juffrouw in ontvangst werd +genomen, en hoeveel moeite zij ook deed om hem tot bedaren te brengen, +'t hielp haar niets. De andere nieuwelingen keken hem met de grootste +verbazing aan. Zulk schreeuwen hadden zij blijkbaar nog nooit gehoord. + +De Juffrouw werd er zenuwachtig van, en wist eindelijk geen raad +meer met het kereltje. 't Was haar onmogelijk iets te beginnen, +want Jantje overschreeuwde haar stem wel tienmaal, zoodat niemand +haar kon verstaan. + +Maar opeens kwam hij tot bedaren, tot groote verwondering en even +groote blijdschap van de Juffrouw. Hij veegde zijne oogen af met de +mouwen van zijn jasje, en stak toen parmantig den vinger op. + +De Juffrouw lachte hem vriendelijk toe, en vroeg: + +"Wel kleine man, wat is er?" + +"Juffrouw, wanneer begint de groote vacantie?" vroeg Jantje. + +De Juffrouw schoot in een lach, en zei: + +"O hé, dat duurt nog een heelen tijd, Jantje. Dat duurt nog wel eene +maand of drie." + +"Vandaag nog niet?" vroeg Jantje, wiens lippen weer zenuwachtig +begonnen te beven. + +"Neen, vandaag nog niet, Jan. Maar dat hindert niet. 't Is hier in +de school ook wel prettig." + +Jantje was dit echter in 't geheel niet met haar eens, wat duidelijk +bleek uit het feit, dat hij het weer verschrikkelijk op een schreeuwen +zette. Er kwam geen einde aan. + +Jantje kreeg zelfs al spoedig gezelschap, want een paar andere +nieuwelingen werden door zijn verdriet dermate aangestoken, dat zij ook +hunne stem verhieven, en met Jantje om 't hardst schreeuwden. Jantje +keek even om, ten einde te zien, waar die nieuwe geluiden vandaan +kwamen, en zette daarna de zaak op den ouden voet voort. 't Was +eindelijk langer niet uit te houden, en de Juffrouw besloot hare +toevlucht tot krachtige maatregelen te nemen. Zij stapte op Jantje af, +greep hem bij den arm, en zette hem in den hoek. Maar Jantje schreeuwde +daardoor niet harder of zachter. De zaak liet hem volkomen koud. + +Daarom zette de juffrouw hem in een klein kamertje, dat als boekenkast +gebruikt werd, en zij deed de deur achter hem dicht. Eerst had zij +geducht op hem gebromd. + +"Dáár dan, stoute jongen," had ze gezegd. "Als jij niet naar verbieden +wilt luisteren, moet je maar heelemaal alleen in de boekenkast +zitten. Daar mag je schreeuwen, zoo hard je maar wilt." + +Jantje volgde dat bevel echter in 't geheel niet op. Hij vond het in +die boekenkast heel vreemd, want zóoveel boeken had hij nog nooit +bij elkaar gezien. En in den achtermuur was een raampje, dat bij +mooi weer opengezet werd, omdat er anders zoo'n vunzige lucht in de +kast kwam. Toen Jantje de boeken bekeken had, wat niet lang duurde, +deed hij het raampje open en klom behendig naar buiten. + +Ha, daar in de vrije natuur vond hij het pas heerlijk. Hij veegde de +laatste tranen van zijn gezicht, stak zijn handen in de broekzakken, +en zakte zingende op huis af. + +Anneke keek wát gek op, toen zij hem om half elf binnen zag komen. + +"Mocht jij naar huis toe, Jan?" vroeg ze. + +"Ja, Moeder," zei Jan, "de Juffrouw bracht me zelf in een kamertje, +waar een raam was om er uit te kruipen. O Moeder, dat was zoo'n mooi +kamertje, allemaal boeken, wel honderd millioen drie honderd duizend +en nog veel meer." + +"In een kamertje met boeken, en een raam, waar je door moest +kruipen? Dat begrijp ik niet, kind," zei Anneke. "Enfin, 't is al +half elf. Blijf nu maar thuis." + +Dat deed Jantje met het meeste genoegen. + +Maar de juffrouw, die na eenige minuten wachtens merkte, dat er geen +geluid meer uit de boekenkast kwam en daarom besloot Jantje maar weer +in de klasse te halen, schrikte geducht, toen zij de kast ledig vond. + +"Als het kind maar geen ongeluk gekregen heeft!" zuchtte ze. En ze +stuurde dadelijk een jongen uit de hoogste klasse naar zijn huis, +om te vragen, of hij daar was. + +"Ja, hier ben ik," zei Jantje, nog voordat zijn Moeder gelegenheid +had gehad iets te antwoorden. "En ik wil nooit meer naar school.--Vast +niet!" + +Juist op dit oogenblik kwam Dik binnen, die even naar de smederij +van Piet van Dril was geweest, om zijn hit te laten beslaan. + +"Wat is er aan de hand, Anneke?" vroeg hij. + +En nauwelijks had hij gehoord, wat Jantje gedaan had, of hij pakte +hem bij zijn arm en bracht hem weer naar school, waar Jantje onder +een vervaarlijk geschreeuw zijn intocht deed. + +"Juffrouw," zei Dik, "als hij niet ophoudt met schreeuwen, mag hij +nooit meer mee uit rijden. Dat zèg ik en dat méén ik." + +Die bedreiging hielp dadelijk. Jantje deed zijn mond dicht en gaf +geen kik meer, tot groote vreugde van de Juffrouw. Voor Jantje was +er geen zwaardere straf te bedenken dan dat hij niet meer met zijn +vader uit rijden mocht. + +Toen hij eenmaal tot bedaren gekomen was, zette hij zich met ijver +aan de studie, en het bleek weldra, dat hij de vlugste van de geheele +klasse was. Hij kende de letters al, als hij ze nog maar eenmaal +gezien had, hij schreef het mooist, en hij rekende beter dan iemand +anders. De Juffrouw vond hem bepaald een vluggertje. Maar omdat hij +altoos 't eerst met zijn werk gereed was, had hij ook steeds tijd +over, en dan werd hij ondeugend. 't Duurde dan ook maar kort, of de +Juffrouw zei altoos, als ze van hem sprak: + +"De jongen heeft drie bijzondere eigenschappen: hij is de vlugste, +de ondeugendste en de magerste jongen van de geheele school." + +En dat was ook zoo. Hij deed altoos kattekwaad, als hij zijn werk +afhad. Naast hem zat Karel van Dril, de zoon van den smid. Jan kende +hem al lang voor hij naar school ging, omdat hunne ouders zeer bevriend +waren en dikwijls bij elkaar op visite kwamen. + +Karel kon vrij goed leeren, maar met het rekenen had hij het eerste +jaar nog al moeite. Hij verwarde altijd de 3 met de 8 en de 6 met +de 9, waardoor de uitkomst natuurlijk niet goed kwam. Ook gelukte +het hem maar zelden, om een leesbare 5 te schrijven. Als Jantje zijn +werk al afhad, was Karel nog niet op de helft. En toch deed hij erg +zijn best. Hij hoorde dan niet eens, wat Jantje hem toefluisterde, +en eigenlijk hoorde hij zelfs niet, dat er wat tegen hem gezegd werd, +zoo verdiept was hij dan in zijn werk. Die rekensommen kostten hem +menigen zweetdroppel, en hij kon er bij zuchten als een stoommachine. + +Jantje was dan niet in de mogelijkheid om een gesprek met hem aan te +knoopen, en moest zich dus op andere wijze zien te vermaken. In den +knikkertijd speelde hij met zijn knikkers, die hij dan zoo dikwijls +telde, tot ze eindelijk met groot lawaai op den grond terecht +kwamen. Dan was Holland in last. Hij raakte zijne knikkers kwijt en +kreeg nog straf op den koop toe. + +Eens in den toltijd had hij zijne tollen zitten bekijken, die hij +onder de tafel in de handen hield. Eindelijk haalde hij zijn tolsnoer +te voorschijn en ging er op zijn manier mee zitten hengelen. Dan +verbeeldde hij zich, dat hij tuk kreeg, en als hij dan ophaalde, +zag hij er snoeken of karpers aan. Toen hij visch genoeg gevangen +had naar zijn zin, bedacht hij een ander spelletje. Hij slingerde het +touw om zijn rechterbeen en om het linkerbeen van Karel, die zoo in +zijne sommen verdiept zat, dat hij er niets van merkte. En Jantje bond +de beenen stijf aan elkander. Toen diepte hij zijne tollen weer op, +om ze voor de honderdste maal nog eens te bekijken. De Juffrouw zag, +dat hij zat te spelen, en verbood het hem, maar zij was zoo druk +bezig met hier en daar een achterlijk kind voort te helpen, dat zij +niet veel aandacht aan Jantje kon wijden. Maar inwendig was zij toch +wel boos op hem, want zijne lei was al eens met een harden smak op +den grond gevallen, en nu kwamen plotseling weer al zijn tollen op +den vloer terecht, tot groot vermaak van de andere jongens, waarvan +er eenige hardop begonnen te lachen. + +Nu werd de wanorde de Juffrouw toch wel wat al te groot. Met forsche +schreden stapte zij op Jantje toe, greep hem driftig bij den arm en +wilde hem de bank uittrekken. + +"Allo, ondeugende jongen, vóór de klasse! Direct!" En zij trok zoo +hard, dat Jantje wel mee moest. Maar o wee, zijn rechterbeen zat aan +het linker van Karel vast, zoodat Kareltje óók mee moest,--tot zijn +groote verbazing. + +"O Juffrouw! Mijn been! Mijn been!" schreeuwde Karel. + +"Houd jij je mond!" riep de Juffrouw boos, en zij trok nog harder +aan Jantjes arm. Jantje viel half de bank uit, en Kareltje volgde +zijn voorbeeld. + +"O Juffrouw, mijn been!--Mijn been zit vast!" + +"'t Kan me niets schelen,--vooruit bengel!" riep de Juffrouw. + +Maar Jantje kon niet verder. Het blok aan zijn been was te zwaar, +en de Juffrouw begon eindelijk te begrijpen, wat er aan de hand +was. Toen werd zij nog veel boozer, vooral toen de andere kinderen +hun lachen niet konden inhouden. Zij nam haar zakmesje en sneed +het touw in verscheidene stukken. Jantje werd in den eenen hoek +gezet, en Kareltje, die dood-onschuldig was aan 't geheele zaakje, +in den anderen. Maar Karel protesteerde. Hij wou geen straf hebben, +omdat hij niets gedaan had, en toen de Juffrouw eindelijk goed op +de hoogte kwam van het gebeurde, vond zij ook, dat hij geen straf +had verdiend. Hij mocht dus weer gaan rekenen, maar Jantje moest +schoolblijven, was zijn tolsnoer kwijt, en zag ook zijne tollen, +die de Juffrouw hem afgenomen had, in de kast verdwijnen. + +Toen hij 's middags om half een verlof kreeg om naar huis te gaan, +vroeg hij met een deemoedig gezicht, of hij asjeblieft zijn tollen +terug mocht hebben. Maar daar was geen denken aan. + +"Met Nieuwjaar!" zei de Juffrouw kortaf. En daar was de zaak meê +afgeloopen. Jantje had niet erg veel plezier van de grap, want nu +kon hij 's avonds niet meer met de andere jongens meedoen, als zij +potje-tolden. En dat deed hij juist zoo graag. Hij was trouwens een +liefhebber van alle mogelijke spelletjes. Was het in den toltijd, +dan vond hij dat het prettigste spel van de wereld, was het in den +knikkertijd, dan vond hij dát weer 't mooist. En zoo ging het met alle +spelen, die door de jongens werden gedaan. Maar 't állerprettigst +vond hij toch den sneeuwtijd. Iets heerlijkers was er volgens hem +niet te bedenken. + +Zijn grootvader had voor hem een slee gemaakt, en daar gleed hij elk +vrij uurtje mede van een hoogen dijk af. Ha, wat ging dat echt. En +zoo vlug! 't Was net of hij naar beneden viel, maar 't liep altoos +erg best af. Hij moest wel oppassen, dat hij in zijne vaart niet in +een sloot terecht kwam, die langs den dijk liep, maar Jantje wist zich +met zijne klompen zoo netjes te sturen, dat hij altoos vlak langs de +sloot zijn draai kon nemen. Dat mislukte hem nooit. + +Op de speelplaats van de school vermaakte hij zich met het gooien +van sneeuwballen. Ieder, dien hij maar raken kon, kreeg er een tegen +zijn muts of in zijn hals, en dan had Jantje de grootste pret. Maar +dan kreeg hij ook rijkelijk zijn portie terug, want de andere jongens +lieten zich niet ongestraft bekogelen. + +Toch hadden zij het tegen Jantje altijd kwaad te verantwoorden, want +hij was zeldzaam vlug in zijne bewegingen en kon best mikken. Bovendien +zorgde hij er steeds voor, een goeden voorraad sneeuwballen in zijn +broekzakken te hebben, zoodat hij ze, als de nood aan den man kwam, +maar voor het grijpen had. Dan vlogen de kogels den jongens als het +ware om de ooren, en meestal eindigde het gevecht met een smadelijke +vlucht van zijne tegenstanders. Eens op een avond echter, om vier +uur, toen hij uit de school naar huis ging, kreeg hij onverwachts +met zooveel kracht een sneeuwbal achter in zijn nek, dat hij niet kon +nalaten au te roepen. 't Deed hem dan ook geducht pijn, want 't was +een verbazend harde sneeuwbal geweest, veel harder, dan hij ze ooit +gooide. 't Was eigenlijk een valsche streek, en toen hij omkeek, zag +hij dat een jongen uit de buurt de dader was. Die jongen heette Klaas +Zwart, en stond niet al te gunstig onder zijne kameraadjes bekend. + +Jan zag, hoe Klaas er om lachte, dat hij hem zoo geducht geraakt had, +en hij werd er erg boos om. + +"Dat is valsch, leelijkerd," riep hij Klaas toe. "Jij gooit met +sneeuwballen, waar een steen in zit. Maar ik zal het je betaald zetten, +wacht maar!" + +"'t Is nietes!" riep Klaas terug, zich op een eerbiedigen afstand +houdende, "er zat geen steen in." + +"Kom op als je durft!" schreeuwde Jantje hem toe, wiens nek prikkelde +van de pijn. Het koude water liep hem langs zijn ruggestreng. + +Maar Klaas durfde niet. Hij bleef op eenigen afstand staan, gereed +om te vluchten. + +"Lafaard!" riep Jantje. "Kom op, als je durft.--Je durft niet, hè, +daar ben je te bang voor! Leelijke gluiperd!" + +Hij keerde zich verontwaardigd om en liep naar huis. + +Maar den volgenden morgen ging hij vroeg naar de speelplaats, maakte +een flinken voorraad sneeuwballen, die hij als kogels op elkander +stapelde, en stopte toen ook nog zijn broekzakken vol sneeuwballen +voor het geval, dat Klaas op de vlucht mocht slaan, en hij hem dus +achtervolgen moest. Zoo gewapend wachtte hij de komst van zijn vijand +af. Zijne broekzakken puilden wijd uit van de sneeuwkogels, en hij +kon er veel in zijn zakken bergen, want hij had wijde broekspijpen, +en zijne dunne beentjes namen niet veel plaats in. + +Eindelijk verscheen Klaas op de speelplaats. + +Maar hij was op zijn hoede, want hij vertrouwde Jantje niet erg. Hij +kreeg hem dan ook al spoedig in het oog, en meende hem door een +vriendelijk praatje wat zachter te stemmen. Er waren nu al verscheidene +jongens op het plein. + +"Zoo Jan," riep hij zijn vijand toe, "ga je van middag mee op mijn +slee?" + +"Op je gezicht kun-je krijgen," riep Jantje terug. "Kom op, als je +durft, dan zullen wij sleden!" + +"Hij durft niet!" riepen de andere jongens lachend, toen zij zagen, +dat Klaas bleef staan. "Hè, wat een bangerd! Kijk hem nu eens staan, +zoo'n hufter!" + +"Toe dan, Klaas, kom op!" tartte Jantje. Hij nam een sneeuwbal van +zijn stapel, en wierp hem Klaas vlak in 't gezicht. Zijn neus zat +dik onder de sneeuw, en Klaas kreeg er sterretjes van voor zijne oogen. + +"Lekker zoo! Goed zoo!" riepen de jongens. "Geef hem zijn portie, Jan!" + +"Flap!" + +Daar kreeg Klaas den tweeden, ditmaal tegen zijne muts, die hem van +het hoofd vloog, tot groote pret van de jongens, die in het rond +sprongen van pleizier. Want zij hielden niet erg van Klaas. + +Maar Klaas werd nu toch woedend, en hij vergat zijne vrees. + +Vlug bukte hij zich om een sneeuwbal te maken, doch voordat hij +daarmede gereed was, kreeg hij er een van Jan tegen zijn linkeroor. + +Toen wierp Klaas er Jan een tegen zijn schouder, maar hij kreeg er +dadelijk wel drie voor terug. + +"Houd-je goed, Jan, toe maar!" schreeuwden de jongens. + +'t Werd een verwoed gevecht, en Klaas verweerde zich dapper, maar +hij verkeerde in veel ongunstiger omstandigheden dan Jantje, daar +deze de ballen al gereed had liggen. + +Jantje nam er een stuk of vier in zijne hand, en vloog op Klaas +af. Maar dat was Klaas te veel, en hij zette het op een loopen. + +Jan hem achterna. + +"Daar gaat hij loopen!" schreeuwden de jongens. "Houd-je goed, Jan!" + +Klaas liep, wat hij loopen kon, en Jan volgde hem op de hielen. + +Telkens voelde Klaas een sneeuwbal tegen zijn achterhoofd of in zijn +nek terechtkomen, en 't huilen stond hem nader dan het lachen. + +Tot opeens Jantje misgooide, en zijn sneeuwbal in een ruit van de +school terecht kwam. De scherven vielen rinkelend naar beneden, +en op 't zelfde oogenblik kwam de hoofdonderwijzer naar buiten, die +Jantje bij zijn kraag pakte en hem in een hoek van de school zette, +niet ver van de kachel. + +"Jij blijft om twaalf uur wachten, hoor baasje!" zei de meester. "Ik +moet je dan eens vragen, hoeveel geld je wel in je spaarpot hebt. 't +Is er nu te laat voor, want de school gaat aan." + +Inderdaad werden de deuren geopend en de kinderen binnengeroepen. + +De Juffrouw kwam naar Jantje toe en bromde ook op hem. + +"Stoute jongen," zei ze, "moet jij hier de glazen ingooien? Je bent +niet bij je moeder thuis." + +"Daar mag ik het ook niet doen, Juffrouw," zei Jan op deemoedigen toon, +en de Juffrouw begreep, dat zij zich niet al te juist had uitgedrukt. + +"Houd je mond, brutale jongen," zei ze. + +Ze ging voor de klasse staan en begon met hare werkzaamheden. + +Jantje vond het niet prettig in dien warmen hoek bij de kachel, want +hij leerde veel liever met de andere leerlingen mêe, en bovendien +was hij al erg warm van het sneeuwballen zoodat hij het bij de heete +kachel bijna niet kon uithouden. Deze stond dan ook rondom gloeiend, +want ze was nog niet lang geleden aangelegd, en het lokaal moest +eerst door en door verwarmd worden. Jantjes handen begonnen al gauw te +tintelen, zoo erg, dat hij er bleek van werd. Maar dat ging spoedig +over, en Jantje voelde zich al weer wat lekkerder worden, toen hij +opeens een onaangenaam gevoel langs zijne beenen kreeg. 't Was net, +of er een straaltje koud water langs liep. + +Eerst begreep hij niet, wat dat wezen kon, maar toch voelde hij het +duidelijk. 't Liep langs zijne dijen, passeerde zijne knieën en kwam +eindelijk in zijne kousen terecht. + +Al spoedig snapte hij, wat er aan de hand was. 't Waren de +sneeuwballen, waarmede hij zijne broekzakken had gevuld, die bij +de heete kachel langzaam begonnen te smelten. Hij voelde, dat zijne +kousen nat werden, en hij begreep, dat het zaakje leelijk voor hem +kon afloopen. Hij hoopte echter, dat de sneeuwballen niet zóóveel +water zouden geven, dat het de aandacht van de Juffrouw zou trekken. + +Doch onophoudelijk liepen kleine straaltjes water langs zijne dunne +beentjes naar beneden, en toen hij zijne voeten even verzette, merkte +hij, dat zijne kousen al kletsnat waren. + +Angstvallig hield hij zijn blik op zijne voeten gericht. En waarlijk, +daar zag hij tot zijn grooten schrik, dat er zich rondom zijne voeten +een klein meertje begon te vormen, dat langzaam maar zeker grooter +werd. 't Nam steeds in omvang toe, zoodat Jantje zich hoe langer hoe +minder op zijn gemak voelde. + +Gelukkig was de Juffrouw met zooveel ijver aan het werk, dat zij Jan +geheel vergeten was. + +Eindelijk was de plas rondom Jan zóó groot geworden, dat hij de +aandacht trok van Klaas Zwart, wiens haren nog druipnat waren van de +sneeuwballen, waarop Jan hem had getracteerd. Nauwelijks had hij hem +gezien, of hij stak met veel bombarie zijn vinger op, en riep: + +"Juffrouw! Juffrouw! Jan Trom heeft wat op den grond gedaan!" + +Die tijding gaf eene heele opschudding in de klasse. De kinderen +gingen half in de banken staan en rekten de halzen, om goed te +kunnen kijken. En de Juffrouw keerde zich om en keek heel vies naar +de plaats, waar Jantje stond met beschaamde kaken. Hij zag rood tot +achter zijne ooren. + +"Vieze jongen!" riep de Juffrouw hem toe. "Waarom heb je me niet +gewaarschuwd?" + +"'t Is niet waar, Juffrouw!" riep Jan, huilend van verontwaardiging +"Ik had sneeuwballen in mijn zak, en die zijn bij de heete kachel +gesmolten." + +En om te bewijzen, dat hij de waarheid sprak, stak hij zijn handen +in de zakken, en dolf er de half gesmolten kogels uit op. + +De Juffrouw schoot in een geweldige lachbui, en de kinderen moesten +ook zoo lachen, dat zij bijna niet tot bedaren konden komen. + +Jantje mocht naar huis om droge kleeren aan te trekken. + +Zijn vader keek hem eerst heel boos aan, toen hij hem zoo tusschentijds +zag binnenkomen, maar toen hij hoorde, wat er gebeurd was, moest hij +er ook smakelijk om lachen, en hij vertelde het aan alle klanten, +die dien dag in den winkel kwamen. + +Toen Jan 's middags weer naar school ging, gaf zijn vader hem de +opdracht om eerst naar den glazenmaker te gaan en hem te verzoeken, +de gebroken ruit door een andere te vervangen. Zoo liep dat zaakje +voor Jantje nog al goed af. Maar op Klaas Zwart was hij meer dan boos, +want hij vond hem een valschen jongen en een laffen klikspaan. + + + + +Zesde Hoofdstuk. + + Jantje wordt jarig en krijgt mooie cadeaux. + + +Jantje zou voor den achtsten keer jarig worden. Zijn vader had hem +beloofd, dat hij den volgenden morgen een prachtig cadeau van hem +zou krijgen, maar van die belofte had hij later erg veel spijt, want +Jantje wilde met alle geweld weten, welk cadeau dat was, en hij hield +niet op met zeuren. + +Zijn Vader wilde het echter niet zeggen. + +"Morgenochtend zul-je het wel zien," zei Dik. + +"Is het mooi?" vroeg Jantje. + +"Erg mooi," was het antwoord. + +"Erg prachtig mooi?" hield Jantje vol, wiens oogen schitterden van +nieuwsgierigheid. + +"Ja," lachte zijn Vader, "erg prachtig mooi. Zóó mooi, zóó mooi, +dat er niets mooiers op de wereld te bedenken is." + +"Waar lijkt het op?" vroeg Jan polsend. + +"Op onzen hit," zei zijn vader. + +"O, zeker een paardje op wieletjes?" zei Jantje met een opgetrokken +neus. "Dát is niet mooi, Vader, veel te kinderachtig. Toe Moeder, +zegt u me maar, wat het is.--Toe." + +"Neen Janneman, dat zeg ik niet," zei zijne moe. "Morgenochtend zul je +'t wel zien." + +Jantje zeurde nog geruimen tijd door, maar toen hij zag, dat hij +zijn doel daarmede niet bereikte, zette hij het op een schreeuwen op +eene geweldige manier. De ondervinding had hem geleerd, dat dit een +beproefd middel was. + +Maar dezen keer hielp het hem van den wal in de sloot, want het +begon zijn vader al spoedig te vervelen. Hij pakte Jantje bij zijn +kraag, deed het kelderluik in den winkelvloer open, en stopte Jantje +doodbedaard onder den grond. + +"Zie zoo, kereltje," zei Dik, "daar mag je schreeuwen, zoo lang en +zoo hard je maar kunt. Ga je gang maar." + +Jantje vond het een afdoend geneesmiddel, en jammerde: + +"Ik wil naar bed! Ik wil naar bed!" + +"'t Is nog maar half zes!" zei zijn vader. + +"'t Doet er niet toe, 'k wil tóch naar bed, dan is het veel gauwer +morgenochtend!" schreeuwde Jantje. + +"Ook al goed!" zei Dik. + +Vijf minuten later lag Jan onder de dekens, en een kwartier later +sliep hij als eene roos. + +Om elf uur gingen Dik en Anneke naar bed, maar zij hadden pas den +slaap te pakken, of Jantje werd wakker en dacht direct aan zijn cadeau. + +"Vader!" riep hij zoo hard hij kon,--"Vader, wat krijg ik nu van +u? Ik ben jarig!" + +"Een pak voor je broek, als je niet dadelijk je mond houdt," zei Dik, +die het lang niet prettig vond, dat hij wakker gemaakt werd. "De +nacht begint pas. Ga maar weer slapen." + +Met een zucht kneep Jantje zijne oogen weer dicht, en hij sliep ook +waarlijk in, maar 't duurde slechts kort. 't Was nog vóór twaalven, +toen hij opnieuw wakker werd. Nu zou het stellig toch wel morgen wezen, +dacht hij. + +Hij liet zich vlug van zijn bed glijden, ging naar het bed, waar zijn +ouders sliepen, en trok zijn vader aan zijn neus. + +"Hei, ho, wat is dat?" riep Dik verschrikt uit, want hij vond het +een vreemde manier om gewekt te worden. + +"Vader, ik ben jarig!" riep Jantje hem toe. "Welk cadeau krijg ik +nou van u?" + +Maar zijn vader werd terdege boos. + +"Ga naar je bed, deugniet, en als ik vannacht je geluid weer hoor, +krijg je morgen niets, hoor je, heelemaal niets! Allo, pak je weg, +naar je bed. En je geeft geen kik meer, versta-je?" + +Jantje maakte aanstalten om weer te gaan schreeuwen, maar Dik zei +knorrig: + +"Wou je liever in den kelder onder den winkelvloer?" + +Neen, dat kon Jantje in 't geheel niet bekoren, en hij maakte gauw, +dat hij weer in zijn bed kwam. + +Maar den slaap kon hij niet meer vatten; hij was dan ook veel te +vroeg naar zijn bed gegaan. Hij deed niet anders dan zuchten, en vond, +dat de nacht vreeselijk lang duurde. + +"Er komt nooit een einde aan," mompelde hij zacht. "Weet je wat, ik +ga tot duizend tellen. Karel van Dril zegt, dat je dan altijd vanzelf +in slaap valt. Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, +tien, ik ben toch nog wakker. Bij mij helpt het niet. Zeventien, +achttien, negentien, twintig, wat zou het toch voor een cadeautje +wezen? Ik denk van een bromtol, zeven en tachtig, acht en tachtig, +negen en tachtig, of een zak met knikkers, negen en negentig, honderd +hè, hè, nu ben ik al aan honderd, en ik slaap nog niet. Honderd en +een, honderd en twee, hè, ik wou dat ik een zak met tachtig knikkers +kreeg, een en tachtig, twee en tachtig, drie en tachtig, hò, dat is +fout, want nu ben ik nog maar aan drie en tachtig, en een heele poos +geleden was ik al bij honderd,--dan maar van voren af: een, twee, +drie, knikkers, knikkers, een, twee, bromtol, knikkers, zes, drie, +zeven, ... twee, jarig, zes..." + +Jantjes oogen vielen dicht en hij sliep weer. En hij droomde, dat hij +een mooien bromtol kreeg, die prachtige muziek kon maken. Hij nam een +touwtje, wond den tol op, en trok hem af. Hà, wat stond hij prachtig, +en er kwam muziek uit, precies als uit het orgel in de kerk of het +draaiorgel van Klaas Touw. En opeens nam hij een sprongetje en ging +bovenop den kop van den tol zitten, en draaide uit alle macht in de +rondte. Jongen, wat ging dat mooi, 't werd hem geel en groen voor de +oogen, en de tol wist niet van ophouden, leek het wel. Maar eindelijk +begon hij toch langzamer te draaien, toen waggelde hij eenige keeren, +zoodat Jantje zijn evenwicht bijna niet bewaren kon, en plof, daar +viel de tol om, en Jantje tuimelde op den grond.... + +Met een kreet van schrik werd hij weer wakker, en tot zijn spijt +voelde hij, dat hij nog in zijn bed lag, dat zijn tol verdwenen was, +en dat het nog al geen dag werd. + +Maar dat laatste kon hij toch niet gelooven. + +"Neen," zei hij zacht, "'t is bepaald al lang dag, en 't is hier +alleen zoo donker, omdat de luiken dicht zijn. Vader verslaapt zich +zeker. Weet je wat, ik zal heel stilletjes de luiken opendoen, +zóó stil, dat vader en moeder het niet hooren. En als dan de zon +naar binnen schijnt, zal ik Vader roepen, en wat zal hij dan vreemd +opkijken." + +Zoo gezegd, zoo gedaan. + +Jantje kroop stil zijn bed uit, liep op zijn bloote voeten naar het +raam, en stootte zijn kleinen teen zoo hard tegen den poot van de +tafel, dat de tranen hem in de oogen sprongen. + +"Au!" riep hij binnensmonds, en zijn vader werd er half wakker +van. Deze draaide zich in zijn bed om. + +Jantje liet zich daardoor echter niet afschrikken. + +Hij ging verder en kwam bij het raam. Daar zocht hij naar het luik, +en duwde het open. Maar 't bleef donker in de kamer; het was tot zijne +groote spijt blijkbaar nog nacht. Hij besloot, onder het slaken van +een diepen zucht, maar weer naar zijn bed terug te keeren, doch op +den terugtocht schoof hij zijn vaders glazen aschbak van de tafel, +zoodat dit voorwerp met veel lawaai op den grond terecht kwam, en in +scherven uit elkander spatte. + +Jantje bleef van schrik stokstijf staan, en zijn ouders, die niet +begrepen wat dit geraas midden in den nacht beteekenen moest, vlogen +in hun bed overeind. + +Met een wip stond Dik op den vloer, waar hij bijna over Jantje +struikelde, die het hazenpad wilde kiezen en vlak voor zijn vaders +beenen liep. Toen begreep Dik, wat er eigenlijk aan de hand was. Hij +greep op goed geluk rondom zich, om Jantje te pakken, en riep: + +"Jongen, ben je nu alwéer uit je bed?" Maar Jantje had zich zoo vlug +als hij kon uit de voeten gemaakt, en lag alweer onder de dekens. + +"Neen Vader," zei hij, "ik ben hier." + +Toen moest Dik wel lachen, of hij wilde of niet. + +"Ja, nú ben je weer in je bed, maar zoo pas liep je nog hier in de +kamer. Ga toch slapen, en houd ons niet den heelen nacht wakker. Als +ik je wéér hoor, eet ik het cadeau zelf op, en dan krijg je niemendal!" + +"Opeten, Vader?" vroeg Jantje verschrikt. "Kan het dan opgegeten +worden?" + +"O ja," zei Dik, terwijl hij weer in zijn bed stapte, "'t Smaakt wat +lekker, en als ik je weer hoor, krijg je er niets van." + +"En 't lijkt op een hit?" zei Jan spijtig. "Dat heeft u zelf gezegd." + +"Nu jongen, een hit kun-je toch ook opeten!" riep Dik terug. "Maar +ga nu slapen, en laat je geluid niet meer hooren." + +Jantje zweeg. Hij was verdrietig, omdat hij geen mooien tol kreeg, +of een zak met knikkers. + +"Iets lekkers, bah, wat heb-je daar nu aan?" dacht hij. + +De koele nachtlucht had hem huiverig gemaakt, en de warmte van het +bed deed hem behaaglijk aan. Hij stopte zich lekker toe, en sliep +werkelijk na een poosje weer in. Maar om vier uur werd hij weer wakker. + +Hij stak zijn hoofd buiten de gordijnen, om te kijken of het licht +al door de half openstaande luiken drong, en hij zag, dat het nog +altijd nacht was. + +"Moe,--Moeder!" riep hij zacht. + +Maar er volgde geen antwoord. + +"Moeder!--Moeder!" klonk het wat harder. + +Moeder sliep door. + +"Moeder!--Moeder!--Is het nóg nacht," riep Jantje met luider stem. + +Zijne ouders werden er wakker van, en Dik maakte zich boos. + +"Daar heb je dien drommelschen jongen alweer!" riep hij uit. "Wat +wil je toch?" + +"De nacht duurt zoo lang!" huilde Jantje. "Wil u de luiken vast +openzetten? 't Is al lang dag, geloof ik. De klok gaat achter." + +"En de zon zeker ook," zei Dik. "Ga lekker slapen, jongen, dan is het +morgen vóór je het weet. Wel te rusten, Jan, en je mond houden, hoor." + +"Wel te rusten," zei Jantje met een snik en een zucht. + +Nu kon hij echter den slaap in 't geheel niet meer vatten, en hij +verveelde zich schrikkelijk. Wel tienmaal begon hij tot duizend te +tellen, maar telkens raakte hij in de war, en eindelijk gaf hij het +op. Hij ging voor tijdverdrijf spelletjes doen. Eerst stak hij zijn +voeten zoo hoog mogelijk in de lucht, met de dekens er overheen. + +"Nu is het een hooge berg," dacht hij. "Wacht ik zal er een man boven +op zetten, dan kan hij ver zien." + +Hij liet zijn voeten zakken, en legde zijn kussen er op. Toen stak +hij het heele gevalletje voorzichtig in de hoogte, maar de man viel +telkens van den hoogen berg af, en kwam hem eenmaal precies op zijn +hoofd te liggen. + +Eens bleef de man boven op den berg, en toen liet Jan den berg +instorten, zoodat de man geheel bedolven werd. + +"Nu is hij morsdood," zei Jan. "Wacht, ik zal stil een stoel in mijn +bed halen. Dat is veel leuker." + +Hij kroop voorzichtig uit zijn bed, greep een stoel, en klom er weer +heel zacht in. Zijn ouders hadden er niets van gemerkt. Hij legde +den stoel voorover, en ging er op zitten. + +"Huup hit," zei hij. "Nu draven, zoo hard je kunt." + +Hij hobbelde met den stoel op en neer, en hij verbeeldde zich, dat +hij op den hit van zijn Vader zat, en dat hij aan het harddraven was. + +Soms gaf hij hem van achteren met zijn vlakke hand een harden klap +op de sporten. + +"Au," zei Jantje, want het deed hem pijn, en hij likte zijne hand af, +omdat de pijn daardoor gauwer beter werd. + +Toen zette de hit het op een loopen. + +Met twee handen had Jantje de leuning te pakken, en hij hobbelde op +en neer. In zijne gedachten reed hij in vliegenden galop langs den +weg, en telkens gaf hij zijn harddraver een klap op de sporten. De +hit vloog hoe langer hoe harder, maar opeens begon hij te steigeren. + +"Ha," mompelde Jantje, "hij krijgt weer eene koppige bui! Wacht, +ik zal hem leeren!" + +Hij sloeg met beide handen op de houten ribben van zijn harddraver, +greep daarna de leuning, en trok den stoel daaraan in de hoogte. + +O, o, wat steigerde dat beest woest! + +"Huupla," schreeuwde Jantje opeens, want hij verkeerde in hevige +geestvervoering. Zijn vader draaide zich onrustig om in zijn bed. Hij +werd er half wakker van. + +Jantje trok de leuning nog meer in de hoogte. De hit stond toen als het +ware loodrecht op zijn achterste pooten, en Jantje verbeeldde zich, +dat hij hem kwaadaardig hoorde brieschen. De hit nam een geweldigen +sprong, en bommerdebom, daar viel Jantje met hit en al uit zijn bed +op den grond. Dat gaf een lawaai! + +"Heeremenschen!" gilde Anneke, die verschrikt opvloog. "Daar valt +het huis in! Dik, Dik, het huis valt in. Jantje ligt er onder. Hoor +me dat kind eens gillen!" + +Dik was ook verschrikt, en hij haastte zich op te staan. Vlug schraapte +hij een lucifer aan en stak de lamp op. En wat zag hij? + +Jantje lag op den vloer met een stoel half over zich heen, en daarop +lag het kussen, dat den hit in zijn val gevolgd was. + +En Jantje schreeuwde moord en brand, zoowel van schrik als van angst, +want hij was erg bang, dat zijn vader hem nu wel voor zijn broek zou +geven. Hij twijfelde daar zelfs niet aan. + +Maar Dik kon onmogelijk boos blijven op zijn zoontje, en hij moest +er braaf om lachen, toen hij hem daar zag liggen. + +"Wat voer je toch uit, jongen?" vroeg hij. "Je doet niet anders dan +spoken, en houdt ons den heelen nacht wakker." + +"O Vader," schreeuwde Jantje, want hij vreesde altoos nog een beetje, +dat zijn Vader hem straffen zou, "ik was aan 't paardje-rijden op +onzen hit, en toen steigerde hij zoo,--o, o, o, en toen vielen we +alle twee het bed uit." + +Toen moest Dik nog meer lachen, en Anneke lachte van den weeromstuit +meê. Dik pakte zijn zoontje op, en legde hem in bed. + +"Zie zoo, nu ga je maar weer slapen, hoor. Ik zal je wel roepen, +als het dag wordt. Wel te rusten." + +"Wel te rusten," zei Jantje. "Maar dit weet ik wel, dat een nacht +véél en véél langer duurt, dan een dag." + +Een half uurtje later werd Dik alweer wakker gemaakt. + +"Vader!--Vader!" hoorde hij roepen. + +"Jongen, wat verveel je me vannacht," was zijn antwoord. "Wat is er +nu weer?" + +"Vader, komt de zon vast elken morgen weer op?" vroeg Jantje met iets +twijfelmoedigs in zijne stem. + +"Wel ja, Jan, vast en zeker, hoor! Als je maar geduld hebt." + +"Maar Vader, is-ie nog nooit eens weggebleven?" + +"Neen, nog nooit," zei Dik met een zucht. "Kijk maar door het raam. 't +Wordt nu ook al wat lichter. Als je nog een uurtje geslapen hebt, +is de nacht om, en dan ben je jarig. Over een uur zal ik je roepen." + +"Ja Vader," zei Jan, en hij begon nog maar eens tot duizend +te tellen. Maar 't hielp hem niets, hij kon den slaap niet meer +vatten. Och, och, wat duurde dat uur hem lang. Hij luisterde naar het +tikken van de hangklok, tot hij opeens meende, dat zij stilstond. Hoe +hij ook luisterde, hij merkte het eentonige getik niet meer op. Toch +ging de klok nog wel, want een poosje later hoorde hij het weer. + +Eindelijk was het uur om, en sprong hij uit bed. + +"Vader," riep hij luid, "nu ben ik eindelijk dan toch echt jarig. Toe +Vader, wat krijg ik nu van u?" + +"Ja jongen, je hebt me van nacht schrikkelijk verveeld, maar nu ben +je echt jarig, en ik feliciteer je wèl." + +Dik stond op en nam Jantje in zijn armen, en kuste hem op allebei +zijn wangen. En toen gaf hij hem aan Anneke, die hem niet minder +hartelijk pakte. + +Dik kleedde zich spoedig aan, en zei: + +"Kom meê, Jan, dan krijg je je cadeau. Ik hoop maar, dat het je +bevallen zal." + +Jan beefde van blijdschap en nieuwsgierigheid. + +"Kan ik het echt opeten?" vroeg hij. + +"Neen, dat was maar gekheid," zei Dik, terwijl hij Jantje bij de hand +pakte en hem meenam naar den stal. Hij opende de deur, en stapte met +zijn zoontje binnen. + +En wat zag Jan daar? + +Hij kon zijne oogen niet gelooven, want daar, vlak naast den hit, +stond een prachtige, bonte bok, met twee groote horens op zijn kop +en een lange sik aan zijn kin. + +"Die bok!" riep Jantje verrukt uit. "Is die bok voor mij?" + +"Ja, die bok is voor jou," zei Dik lachend, en hij zag met innige +blijdschap, hoe gelukkig dit geschenk zijn zoontje maakte. + +Jan sprong als een kleine dolleman in 't rond, en hij klapte in +de handen. + +"O, dank u, dank u!" riep hij uit. "O, o, wat een mooie bok is +dat. Kijk eens, hij heeft prachtige horens!" + +"Ja, hè?" zei Dik. + +"En een sik!" ging Jan voort. + +"Bè, bè, bè-è-è-è!" blaatte de bok. + +Jantje's vreugde kende geen grenzen. + +"O, hoor eens, hij kan schreeuwen ook. O, wat eene mooie stem," +riep Jan opgetogen. + +In de vreugde zijns harten liep hij op den bok toe en wilde hem zijne +armen om den nek slaan, maar de bok scheen daar niet van gediend, +want hij ging op zijne achterpooten staan, stak den kop omlaag en +drukte zijn groote, kromme horens zoo stevig tegen Jans smalle buikje, +dat Jantje achterover tegen het houten beschot terecht kwam. + +"O, dat mag hij wel doen," zei Jantje, die in zijn bok allerminst +eenige kwade eigenschap wilde ontdekken. Maar toch kroop hij schielijk +overeind en maakte zich uit de voeten. + +"Toe Vader, mag hij eens uit den stal komen?" vroeg hij, want dáár +kon de bok hem niet tegen een muur stooten. + +"Wel zeker," zei Dik, die het wel grappig gevonden had, toen de bok +zijn zoontje zoo onvriendelijk ontving. + +Hij maakte den bok los en bracht hem in den tuin. Eigenlijk was de +tuin alleen bleekveld. Hij was rondom door schuren omringd, behalve +aan den achterkant, waar zich een breede sloot bevond. Jantje mocht +daar soms wel eens graag hengelen. + +Toen de bok den stal verlaten had en rondom zich het welige gras +ontdekte, begon hij dadelijk te grazen. Jantje ging bij hem staan, +en streelde hem met zijne hand langs den nek. + +Hij was méér dan blij met zijn verjaargeschenk; hij had wel kunnen +gieren van blijdschap. De bok liet hem stilletjes begaan, ook toen +Jan hem zijn arm om den hals sloeg. + +"Wat is hij mak, Vader," zei hij. + +"Ja, daar heb ik hem ook op gekocht," zei Dik. "'t Moet een mak beest +zijn, en een flink looper." + +"Hè ja, nu moest ik ook nog een wagen hebben," zei Jantje +begeerig. "Wat zou ik rijden." + +Vol teederheid liet hij zijn beide handen langs het lichaam van zijn +bok glijden, en hij streelde het korte staartje. De bok scheen het in +'t geheel niet onpleizierig te vinden, en deed niet anders dan eten. + +"Zou ik er zoo ook op kunnen rijden?" vroeg Jantje. + +"Wel ja, ik denk het wel," zei Dik. "Hij is sterk genoeg, en zal niet +in tweeën breken." + +Dat vond Jantje heerlijk, en met een wip sprong hij op den bok. Maar +deze vond het allesbehalve prettig. Hij sprong met zijn achterpooten +in de hoogte, om Jantje van zijn rug af te gooien, en toen dat niet +hielp, sprong hij met de voorpooten omhoog. + +Vader Dik schaterde het uit van de pret. + +"Houd je goed, Jantje", riep hij zijn zoontje toe. "Laat je niet van +de vliegen steken!" + +"Be, bè, bè-è-è-è!" schreeuwde de bok nijdig. Het beest was meer dan +kwaad. Opeens nam hij een grooten sprong, zoodat Jantje toch haast van +zijn rug afviel, en zette het op een loopen. Met echte bokkesprongen +holde hij het bleekveld over. 't Ging vliegensvlug, en Jantje vond +'t razend prettig. Zijn Vader ook. Die moest er onbedaarlijk om lachen. + +De bok was echter op een hem onbekend terrein, en daar hij te kwaad +was om goed uit zijn oogen te kijken, sprong hij opeens pardoes in +de sloot. Dat gaf een plons van belang, en voor een oogenblik waren +èn bok èn berijder onder 't water verdwenen. + +Toen lachte Dik niet meer. Integendeel, een hevige schrik maakte +zich van hem meester, en hij ijlde naar den slootkant. Maar daar zag +hij niets. + +Ja toch, er verscheen een hoofd boven water.... + +Helaas, 't was de kop van den bok. 't Kroos zat hem aan de groote +kromme horens. + +"B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!" blaatte hij angstig. + +"Jantje! Jantje!" schreeuwde Dik. + +Daar verscheen ook Jantje's hoofd boven de oppervlakte. + +"Vader, ... help, ... ik ... hik, hik, ... ik, hik verdrink!" + +Dik bukte zich en greep Jantje bij de haren. + +"B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!" schreeuwde de bok. + +Dik trok zijn zoontje op den wal. Daar stond het kereltje, druipend +van het water. + +"O Vader, m'n bok! M'n bok!" jammerde Jantje. + +Dik boog zich nogmaals, en greep met beide handen de horens van den +bok. 't Kostte hem echter vrij wat moeite om het beest op den wal te +krijgen, doch het gelukte hem toch. + +Jantje werd naar binnen gestuurd, om droge kleeren aan te trekken, +en de bok moest in den stal. + +Moeder Anneke was ook niet weinig geschrokken, want zij had het +angstgeschreeuw duidelijk gehoord. Zij stond op,--want dat alles +gebeurde zeer vroeg in den morgen--en hielp Jantje aan droge kleeren. + +De kleine vent stond te bibberen van de koû, maar hij was toch erg +blij met zijn bok. + +"B-b-b-b-b--wat een b-b-b-b--mooie b-b bok, Moeder," zei hij opgetogen, +terwijl de rillingen hem langs zijn mageren rug gingen. En zijn +spillebeentjes trilden zoo erg, dat Jantje er haast niet op staan kon. + +"Dat was me daar 'n mooie geschiedenis!" zei Dik +binnenstappende. "Jantje ging op den bok zitten, en daar sprong me +dat beest pardoes in de sloot. 't Was een bespottelijk gezicht." + +"Leeft hij b-b-b-b-b-nog, Vader?" vroeg Jantje. + +"Of hij!" zei Dik. + +"Zou hij b-b-b-b--niet dood--b-b-b-b gaan?" vroeg Jantje, niet zonder +eenigen angst, dat het koude bad zijn mooien bok kwaad kon hebben +gedaan. En hij vervolgde: + +"Hè b-b-b-b, dat hemd is b-b-b-b-lekker warm, Moeder. Brrr, wat ben +ik koud." + +"Ja, dat wil ik wel gelooven," zei Dik, "Je gaat ook direct weer naar +je bed, om goed warm te worden, door en door warm." + +Jantje had daar wel niet veel ooren naar, maar het gebeurde +toch. Enkele minuten later lag hij weer diep onder de wol. Daar werd +hij al spoedig lekker warm, want zijn moeder had er nog een paar +dekens extra bijgedaan. + +Lang hield Jantje het er echter niet uit. Een half uur later kreeg +hij zijn Zondagsche pak aan en stapte hij naar buiten, om weer naar +zijn bok te gaan kijken. Deze stond heel rustig bij den hit gemaaid +gras te eten, en hij keek Jantje aan of hij zeggen wou: + +"Dat was een rare geschiedenis, hè Jan?" + +Jan kon zijn bok niet genoeg aankijken, zoo mooi vond hij hem. + +"He," dacht hij, "als ik nu een wagentje had en een tuig, dan was ik +heelemaal klaar. Wat zou ik dan heerlijk rijden. Had ik vast maar een +wagentje, dan zou ik zelf wel een tuig maken. Karel van Dril zal er me +wel aan helpen.--Wacht, daar hoor ik Grootvader in zijn tuintje. Ik +ga gauw naar hem toe, om het te vertellen, dat ik zoo'n mooien bok +heb gekregen." + +Vlug begaf hij zich naar de woning van zijne grootouders. Zijn +Grootmoeder kwam hem al tegemoet, en féliciteerde hem met zijn +verjaardag. En ze zei: + +"Ga maar gauw mee naar Grootvader in den tuin." + +"En o, Grootmoê," zei Jan, "ik heb zoo'n prachtigen bok gekregen van +Vader en Moeder, toch zòò mooi, o zoo mooi!" + +Grootmoeder sloeg van verbazing de handen in elkaar. + +"Een bok?" riep zij opgetogen uit. "Een echte, levende bok?" + +"Ja, ja, een echte levende bok, en we hebben samen al in de sloot +gelegen ook. Ik zat boven op zijn rug, en toen vloog hij van kwaadheid +de sloot in. Vind u het niet heerlijk, Grootmoe?" + +"Dat je in de sloot gelegen hebt?" + +"Neen, dat ik een bok heb," lachte Jantje. Samen gingen ze den tuin +in, naar Grootvader. + +Deze kwam hem vroolijk lachend tegemoet. + +"Dag Jan, wèl geféliciteerd met je verjaardag." + +"Dank u, Grootvader!" schreeuwde Jantje, die wel wist, dat Grootvader +hem anders niet verstond. "Ik heb een bok gekregen! O, zoo mooi. Gaat +u mee kijken?" + +"Wat moet jij met eene klok doen, kind?" vroeg Grootvader, die zich +hield, of hij hem niet verstaan had. + +"Neen, neen, geen klok, maar een bok!" schreeuwde Jantje. + +"Een bok? Wat heb je aan een bok, als je geen wagentje hebt?" ging +Grootvader plagend voort. "Ik zou hem maar aan den slager verkoopen!" + +Jantje keek zijn Grootvader diep verontwaardigd aan. + +"Dat nooit!--Nooit, hoor Grootvader!" riep hij uit. + +Grootvader scheen hem echter niet te hooren. Hij stond in gedachten +verdiept, en streek met zijn wijsvinger peinzend langs zijn +neus. Eindelijk zei hij: + +"Wacht eens, Jan. Ik geloof, dat ik nog wat ouden rommel heb, waar +misschien wel een wagentje van gemaakt kan worden. Ga maar eens mee +naar 't schuurtje." + +"Dat zou mooi wezen, Grootvader," zei Jantje blij. + +De schuur werd geopend, en daar stond me zoo waar een prachtige +bokkewagen kant en klaar. Grootvader had hem zelf getimmerd, heel +stilletjes, zoodat Jantje er niets van gemerkt had. O, o, wat lachten +Grootvader en Grootmoeder ondeugend. + +"Wel, hoe lijkt je dat, Jan? Vind je dat wagentje mooi?" + +Jantje werd beurtelings bleek en rood, want hij begreep wel, dat het +wagentje voor hem was, en toch durfde hij het haast niet te gelooven. + +"Of ik het mooi vind?" stamelde hij met bevende lippen, "'t Is prachtig +mooi, Grootvader, prachtig, prachtig mooi!" + +En meteen vloog hij Grootvader om den hals en kuste hem, dat het +klapte, en toen kreeg Grootmoeder eene beurt. Zij bezweek er bijna +onder. + +Jantjes vreugde kende geen grenzen. Hij nam het lemoen op, en trok +het wagentje naar zijn huis, waar Vader en Moeder het dadelijk +moesten zien. + +"Had ik nu nog maar een tuig," zei Jantje, "dan was ik heelemaal +klaar. Ha, wat zou ik rijden!" + +"In de hangkast liggen nog wel een paar oude riemen," zei z'n +moeder. "Daar is misschien, als Grootvader of Vader je helpen wil, +nog wel een goed tuigje van te maken." + +"Oude riemen?" zei Jantje, "hebben wij nog oude riemen? Die zouden +mij goed te pas komen." + +Hij deed de deur open. Zijne ouders stonden lachend naar hem te kijken. + +In plaats van een paar oude riemen zag Jantje tot zijne groote +verrassing een prachtig bokketuig hangen, als een geschenk van +zijne moeder. + +Hij slaakte een kreet van vreugde, nam het tuig uit de kast, en begon +als een dolle door de kamer te springen. + +"Rinkinkeleking! Ringeling! Rinkinkeling-king!" klonk het. Dat kwam +van de bellen, die met twee mooie pluimen op het tuig bevestigd waren. + +"Hoor eens! Hoor eens!" riep Jantje verrukt. "O, o wat mooi. O, ik +weet zelf niet, hoe mooi het is. Nu den bok inspannen, Vader! Laten +we hem dadelijk inspannen!" + +Dat gebeurde. De bok werd uit den stal gehaald en voor den wagen +gezet. De tuigen werden hem omgehangen, en Jantje stapte in. + +"Waar is mijn zweep?" vroeg hij. + +"Hier," zei Dik. "Maar één ding mag je nooit vergeten: sla den bok +niet, als het niet noodig is." + +"Slaan, Vader?" vroeg Jantje. "O neen, mijn bok sla ik niet. De zweep +is alleen maar voor 't mooi. Huup bok! Allo!" + +Daar ging de bok, tot groote vreugde van Jantje, die in het wagentje +zat als een kleine prins. Zijn ouders en grootouders keken hem lachend +na, want zij vonden het bijna even prettig als Jantje zelf. + +"Als hij maar niet in de sloot rijdt!" zei zijne moeder, die wel een +beetje bezorgd was. + +"Laat hem maar begaan," zei Dik met vadertrots. "Hij is mans genoeg, +de kleine baas. Wat is 't een mooi stelletje, hè?" + +En grootvader zei: + +"Wil ik je eens wat zeggen, Dik? Jantje is ook een bizonder kind,--en +dat is-ie." + +"Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou," lachte Dik. + + + + +Zevende Hoofdstuk. + + Hoe Jantje uit rijden ging, en bij slot van rekening een + dwaze vertooning maakte. + + +Wat reed Jantje heerlijk. Zijn bok stapte parmantig over den weg, +met den kop fier opgeheven, en Jantje hield de leidsels in de eene en +de zweep in de andere hand. De pluimen op den rug van den bok wuifden +sierlijk heen en weer, en de bellen rinkelden zoo mooi, dat het een +lust was om te hooren. + +Eerst reed Jantje natuurlijk naar zijn vriendje Karel van Dril, en die +keek zijne oogen uit naar 't mooie spannetje. Hij was er jaloersch op, +maar hij gunde het Jantje toch wel. En zijn vader, de smid Piet van +Dril, kwam ook naar buiten, om het mooie span te bewonderen. + +"Dat is een prachtig stelletje, Jan!" zei hij, nadat hij Jantje +gefeliciteerd had. "De bok is mooi, de wagen is mooi, het tuig is +mooi, en het koetsiertje is ook mooi." + +"Alleen een beetje mager," zei Jan Vos, de metselaar, die juist +voorbij liep. + +"Mag ik met je meerijden?" vroeg Karel. "Toe zeg, schik een eindje om, +dan kom ik naast je zitten." + +Dat gebeurde, en de twee vrienden reden verder. + +Al spoedig hadden zij heel wat jongens om hen heen, die het allen een +mooi gerij vonden. En allen vroegen om de gunst, of zij ook eens een +eindje mochten rijden. + +"Toe Jan, mag ik ook eens?" vroeg de een. + +"Neen zeg, laat mij dan liever," zei een ander. Jan antwoordde niet +veel, want hij wist wel, dat daar geen beginnen aan was. Hij kon alle +jongens van het dorp toch niet bij zich in het karretje nemen. + +Maar de jongens werden er niet boos om. Zij begrepen zelf wel, dat +het niet ging, en vonden het al prettig met den bok mee te loopen. + +"Huup sik! Huup sik!" riepen de jongens. Maar de bok had zijn eigen +willetje en liet zich niet voortjagen. Hij stapte met krachtigen tred +verder, zonder zich aan het roepen van de jongens te storen. + +Dicht bij de school kwamen zij Klaas Zwart tegen met diens vriendje +Frans Thor. De jongens hielden niet van hen en gingen liever niet +met hen om, want 't waren twee vervelende jongens. + +Zij hadden altoos ontzaglijk veel praats, konden niemand ongemoeid +passeeren, wierpen winkeldeuren open, trokken onnoodig bij de menschen +aan de schel, en plaagden, waar zij maar plagen konden. Aan Klaas +Zwart had Jantje al een hekel gehad, zoolang hij hem kende, omdat hij +een klikspaan was. Frans Thor was later op het dorp komen wonen. Hij +was een verwaarloosde ruwe jongen, die geen moeder had en met zijn +vader samen in een huisje woonde. Zijn vader was soldaat in Indië +geweest, en leefde van een pensioentje. Hij deed zijn huishouden zelf, +veegde zelf den vloer, kookte zijn eigen potje, en maakte zelf de +bedden op. Om de opvoeding van Frans bekommerde hij zich bizonder +weinig. Algemeen stond hij bekend als een pochhans, die wel heel +veel wist te vertellen van zijn heldendaden in Indië, maar die er +zooveel bij jokte, dat hij door niemand werd geloofd. En Frans jokte +ook niet zoo'n beetje. Al spoedig had hij op het dorp geen vriendje +meer kunnen krijgen, en daar Klaas Zwart in hetzelfde geval verkeerde, +liepen ze meestal samen. En ze deden gewoonlijk niet veel goeds. + +Zoodra zij den bok van Jan in 't oog kregen, kwamen zij haastig +toeloopen, elk met een stok in de hand. + +"Wel heb ik van m'n leven!" riep Frans uit. "Kijk Jan Trom eens +geuren! Huup Sik, allo, vooruit!" + +Maar de bok stoorde zich aan dat bevel niet, en bleef kalmpjes +doorstappen. Hij hief den kop eventjes op, en keek Frans aan. + +"'t Is het bokje wèl!" ging Frans voort. "Hij loopt niet harder dan +een slak. Zeg Jan, je moet hem eens met de zweep kietelen, dan zal +hij wel beter voortmaken." + +"Hij loopt hard genoeg," zei Jan. "Toe bok, vooruit!" + +"'t Is een oud, afgeleefd beest!" zei Klaas Zwart smalend. "Hij heeft +de rumathiek in zijn pooten." + +"Als jij maar niet de rumathiek hebt," gaf Jan beleedigd ten +antwoord. "Hij kan harder loopen dan jij." + +"Ha, ha!" lachte Klaas. "Zoo'n stijve huut. Je moet hem smeren met +machine-olie; zijne botten zijn wat stijf." + +"Met stok-olie!" zei Frans Thor grinnekend, terwijl hij den bok een +klap met zijn stok op den rug gaf. + +De bok ging op zijn achterpooten staan. + +Jan werd wit van kwaadheid, en Karel van Dril zei: + +"Wil jij met dien stok wel eens van hem afblijven, of ik zal je met +datzelfde houtje je portie geven." + +Die bedreiging hielp voor een poosje. Maar nu gingen Frans en Klaas +van achteren tegen het karretje duwen, zoodat de bok gedwongen werd +op een draf te loopen. De andere jongens hielden zich een beetje op +een afstand, want ze waren bang voor de twee plaaggeesten, vooral +voor Frans Thor, die een paar jaar ouder was. + +Jan hief zijn zweep op, en wilde de jongens dwingen de kar los te +laten. Maar Frans greep de zweep onverwachts aan, en rukte haar Jan +uit de handen. + +"Wat denk jij wel, magere sprinkhaan," zei hij sarrend. "Denk je soms, +dat ik bang voor je ben? Voor geen tien zulke kereltjes als jij. Ho, +bok, ho!" + +De bok liep echter door, en daarom hielden Frans en Klaas de kar zoo +hard zij konden tegen. + +Jan keerde zich driftig om. + +"Laat je de kar los!" riep hij hun toe. "Laat los, zeg ik je, of ik +sla er op!" + +De twee plaaggeesten lachten hem smakelijk uit. Karel van Dril was +zijn drift ook niet langer meester, en wilde van de kar stappen. Maar +Jan hield hem tegen. + +"Hier," zei hij, "houd jij de leidsels even vast." + +Vlug sprong hij uit de kar, en nog voor Frans er op verdacht was, vloog +Jan op hem aan. Deze zag wit van kwaadheid. Met eene vlugge beweging +rukte hij hem de zweep uit de hand, en in 't volgende oogenblik had +Frans een geduchten striem dwars over zijn gelaat te pakken. + +Klaas Zwart zag, dat het ernst werd en maakte, dat hij op een +eerbiedigen afstand kwam, want hij was laf van aard. Maar Frans +niet. Deze was de grootste en sterkste, en de zweepslag had +hem vreeselijk nijdig gemaakt. Hij kon een kreet van pijn niet +onderdrukken, en de tranen sprongen hem in de oogen. Woest viel hij +op Jan aan, die de zweep alweer opgeheven had, om hem een tweeden +striem te geven. + +"Laat de kar los, zeg ik je!" riep hij Frans toe. + +"Dat zal ik," antwoordde Frans, en hij greep Jan met beide handen +aan. Jan liet zijne zweep op den grond vallen, om zich beter te +kunnen verweren. + +"Geef hem zijn portie, Frans!" schreeuwde Klaas Zwart uit de +verte. "Als je 't alleen niet afkunt, zal ik je wel komen helpen." + +"Daar moest je 't hart eens toe hebben," riep Karel van Dril +terug. "Dan krijg je 't met mij te doen." + +De twee jongens waren geducht met elkaar aan 't worstelen, en iedereen +dacht, dat Frans het gemakkelijk winnen kon, omdat hij zooveel ouder +en sterker was, maar Jantje was de vlugste. Hij wist al spoedig +tusschen Frans' armen door te glippen, liet zich vliegensvlug op +zijne knieën vallen, greep Frans bij de beenen, en liet hem in een +ommezien een buiteling maken. Daar lag Frans lang-uit op den grond, +tot groot vermaak van de jongens, die hem zijne smadelijke nederlaag +van harte gunden. + +"Ha, ha, daar ligt de praatsmaker!" riepen ze juichend. "Waar blijf +je nu met je praats?" + +Jan nam den stok van Frans en gaf hem een geducht pak slaag, veel +te hard naar den zin van Frans, die schielijk overeind kroop, en +beenen maakte. + +Wat werd hij uitgelachen! En wat hadden de andere jongens een pret. + +Maar Klaas Zwart en Frans Thor lachten niet, en Frans was niet van +plan den strijd op te geven. + +Jan stapte weltevreden over de behaalde overwinning weer in zijn +karretje, nam de leidsels van Karel over, en zei: + +"Huup bok! Vooruit maar weer.--Dat viel Frans Thor niet meê, hè +Karel? Wat heeft hij gehad!" + +"En wat buitelde hij lekker over den grond," grinnikte Karel +vroolijk. "Zij zullen wel niet spoedig terugkeeren." + +Dat had hij echter mis. + +Frans en Klaas stonden eerst van uit de verte een poosje te schelden. + +"Magere sprinkhaan!" schreeuwde Frans. + +"Panlat!" smaalde Klaas. + +Maar langzamerhand kwamen zij naderbij. Zij liepen al scheldend een +eindje voor den bok uit. + +"Hij is zoo oud als je grootvader!" schreeuwde Klaas. + +"Verkoop hem aan den slager!" zei Frans. "Die kan misschien nog worst +van hem hakken." + +"Niets terugroepen, Jan," raadde Karel aan. "Dan hebben zij er het +minste pleizier van." + +De afstand tusschen den bok en de twee scheldende jongens werd +voortdurend kleiner. De bok stapte flink, de pluimen op zijn rug +wapperden prachtig, en de bellen rinkelden helder en luid. Jantje +genoot méér, dan hij zeggen kon. 't Verveelde hem echter geducht, +dat die twee akelige jongens vlak voor zijn bok bleven loopen. Dat +vergalde zijn genoegen. En zij hielden niet op, den gek met zijn bok +te steken, wat hem erg griefde. + +Klaas Zwart ging eindelijk vlak voor den bok loopen. Dan liep hij +erg kreupel en met kromme beenen, en riep voortdurend: + +"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!" + +De bok lichtte zijn kop op en keek den jongen nijdig aan. 't Scheen +wel, of hij begreep, dat die jongen hem voor den gek hield. + +"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è! schreeuwde Klaas plagend. "O, wat heb ik 'n +rumathiek in mijn pooten. Bè-è-è-è!" + +De bok schudde den kop, en riep ook: + +"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!" + +"Zie je wel, hij is het met mij eens!" grinnikte Klaas, die met kromme +beenen en in een gebogen houding voor den bok uitliep. + +Plotseling schoot de bok op een drafje vooruit, wat zoo overwachts +gebeurde, dat Jan en Karel bijna achterover uit de kar sloegen. Daarop +sprong de bok op zijn achterpooten overeind, en gaf Klaas zoo'n +geduchten stomp in zijn rug, dat deze voorover op den weg tuimelde. + +"Au, au, au, o, wat is dat!" schreeuwde Klaas. + +"Bom!" daar drukte de bok hem nog eens met kracht zijne horens in +den rug. + +"Au, au, o, o, au!" jammerde Klaas. + +Op handen en voeten poogde hij zich te redden. + +"Bom!" + +De bok drukte hem nogmaals plat op den grond. + +Klaas zag doodsbleek van den schrik. Hij spartelde met armen en beenen, +en schreeuwde moord en brand. + +Jan en Karel vielen haast uit de kar van het lachen, 't Was dan ook +een bespottelijk gezicht. + +Klaas wist geen raad van angst en pijn. + +"Help!" riep hij. "Frans, help,--help! Hij maakt me dood!" + +Hulp was echter niet meer noodig, want de bok hield uit eigen beweging +met zijn afstraffing op. Hij dacht zeker, dat Klaas het er zóó wel +meê doen kon. Zonder zich aan de leidsels te storen, keerde hij om, +en stapte bedaard verder in de richting van Jan's huis. Dat was +maar goed ook, want het werd tijd, dat Jantje naar huis ging om te +ontbijten. 't Was al over achten, en om negen uur begon de school. + +Jan en Karel schoten telkens nog in een lach, als zij aan het malle +figuur van Klaas dachten. + +"Hij zal nu wel ondervonden hebben, dat de bok niet rumathiekerig is, +en dat hij nog kracht in zijne horens heeft," meende Jantje, en dat +was Karel volkomen met hem eens. + +En wat Vader Dik lachen moest, toen hij het hoorde. + +"'t Is bepaald een verstandige bok," zei hij tegen Jan. "Hij begreep +wel, dat die jongen hem voor den gek hield. Maar voortaan zal Klaas +Zwart hem wel uit de voeten blijven." + +"Dat denk ik ook," zei Jan. + +Den geheelen dag op school moest hij, of hij wilde of niet, aan zijn +mooien bok denken, en aan het leuke karretje, dat zijn grootvader +voor hem getimmerd had, en aan het prachtige tuig met de pluimen en +de rinkelbellen, en de meester had een onoplettenden leerling aan hem, +wat hij niet van hem gewoon was. 't Scheelde dan ook maar een beetje, +of hij had zoowel 's morgens als 's middags school moeten blijven. Bij +'t rekenen maakte hij meer dan de helft van de sommen fout, en bij +'t lezen wist hij niet, waar hij beginnen moest. + +De meester werd eindelijk knorrig op hem. + +"Jij moest beter opletten, Jantje, anders worden wij kwade vrienden." + +Jan zat toevallig naast Klaas Zwart, en hij kon den jongen, niet +aankijken, zonder te lachen. + +"Heb je nog pijn in je rug?" vroeg hij fluisterend. + +Klaas keek hem aan als een nijdige spin. + +"Zou het misschien rumathiek kunnen wezen?" plaagde Jantje. + +"Magere sprinkhaan! Panlat!" siste Klaas tusschen de tanden, en +telkens voelde hij aan z'n rug, die geducht pijn deed. + +"Stilte daar!" gebood de meester. "Ik geloof, dat er een paar jongens +zijn, die graag willen nablijven." + +Zoover kwam het echter niet, en om vier uur mocht Jantje naar +huis. Karel holde met hem meê, dat spreekt van zelf. Kwart over vieren +stond de bok alweer voor de kar. De beide vrienden namen plaats, en +daar ging het heen. De bok stapte weer even deftig als 's morgens, +en hij keek eigenwijs om zich heen, de bellen rinkelden en de pluimen +wapperden. De jongens vonden het prachtig, en zij reden het heele dorp +door. 't Bleek een prettig dier te zijn. Als de jongens even uit de kar +stapten, om naar een vink te zoeken, die zij hoorden fluiten in het +riet aan den kant van het kanaal, bleef hij geduldig wachten. Alleen +ging hij een weinigje zijwaarts, om op den berm wat gras te eten. + +Een eindje voorbij de Roomsche kerk, die aan het einde van het dorp +stond, was de timmerwinkel van baas Meijer, bij wien Jans grootvader +vroeger gewerkt had. Naast den winkel stond een kleine houtzaagmolen, +want Meijer zaagde zijn hout zooveel mogelijk zelf. Er lag dan ook +altoos vóór dien molen in het kanaal een vlot balken in voorraad, +en op die balken gingen de jongens dikwijls spelen. Menigeen had +daar al een paar natte voeten gehaald, en sommigen zelfs een nat +pak. Want die balken waren maar losjes aan elkander verbonden, en +het gebeurde dikwijls, dat zij omkantelden, als de jongens er over +liepen. Er behoorde dan ook heel wat behendigheid toe, om geheel +droog te blijven, als zij er op speelden. + +Toen de jongens de houtzagerij bereikt hadden, zei Karel: + +"Zeg Jan, willen we eventjes balkje-loopen? Dat is zoo lekker." + +Daar had Jantje wel zin in. + +"Zou de bok blijven staan?" + +"Wel ja,--de bok loopt niet weg. En al was dat zoo, dan kunnen we +hem toch gemakkelijk genoeg inhalen." + +"Dat is zoo," zei Jan. + +De jongens stapten uit de kar. Jan keerde den bok om en bracht hem +op een plaatsje, waar veel gras en klaver groeide. + +"Daar staat hij heerlijk!" zei hij. + +Toen gingen de jongens op het vlot, en wipten van den eenen balk op +den anderen. Soms stonden zij met de armen om elkaars hals geslagen +op het einde van een balk, die dan door hun zwaarte langzaam onder +water zonk. Maar vóórdat het water hun voeten bereikte, sprongen zij +vlug naar het hooger gelegen deel van den balk. + +En dan lachten zij luidkeels van de pret. + +Dat deden zij ook, als een van de balken onder hunne voeten omkantelde, +want dan moesten zij zich door vlugge sprongen redden. + +Jantje was een echte waaghals. Dat kwam, omdat hij verbazend lenig +was en nog nooit een ongeluk had gehad. + +"Ik moet een beetje voorzichtig wezen," zei hij wijs tegen Karel. + +"Waarom?" vroeg deze. + +"Wel, ik heb mijn Zondagsche pak aan, doordat ik van morgen vroeg +kopje-onder in de sloot gelegen heb. En als ik nu met mijn mooie +pak weer in 't water viel, zou Moeder me zien aankomen, dat begrijp +je. Jongen, wat zou ik er van lusten!" + +"Nou, dat snap ik," zei Karel. + +En nauwelijks had hij dat gezegd, of hij merkte, dat zijn paal +omkantelde en dat hij dus veel kans had, naar beneden te rollen. Met +een vlugge beweging sprong hij op den balk, waarop Jan stond, maar +door den schok kantelde deze ook. + +Plomp! Daar zakte Jantje tot aan zijn middel in het kanaal. Karel +viel achterover op het vlot, zoodat hij vrij droog bleef. + +"O wee!" schreeuwde Jantje, met groote oogen van schrik en angst. Hij +had zijn arm nog om den paal geslagen. + +Vlug als hij was, hief hij zich met kracht in de hoogte, en in 't +volgende oogenblik stond hij weer op het vlot. 't Water droop hem +uit zijne Zondagsche broek langs zijne dunne beentjes naar beneden. + +Karel schaterde het intusschen uit van pret. + +Maar Jantje lachte in 't geheel niet. Hij stapte zonder een woord +te spreken van het vlot af op den kant, en keek zwijgend naar zijn +natte broek. + +Karel kwam bij hem. + +"Wat zat je daar koddig met je hoofd boven dien paal uit!" zei hij +lachend. "Ik wou, dat je het gezien hadt." + +"Ik vind het heelemaal niet koddig!" zei Jantje. "Ik kan me niet +begrijpen, dat je dit nou zoo grappig vindt. Zeg Karel, ik durf zoo +niet naar huis toe, hoor." + +"O, ik weet wel raad," zei Karel. "Trek allebêi je broeken uit en je +kousen. Dan neem jij het eene einde en ik het andere, en we draaien +in tegengestelde richting. Op die manier wringen wij al het water er +uit, en dan is het dadelijk droog." + +"Is het waar?" vroeg Jantje, met een flikkering van hoop in zijn oogen. + +"Stellig!" zei Karel. "Vader heeft wel eens verteld, dat hij het ook +deed, toen hij nog een jongen was. Trek maar uit." + +Dat deed Jantje, en al spoedig stond hij met bloote beenen in +het gras. Toen gingen de twee jongens aan het wringen. Eerst de +onderbroek. Karel nam het bovengedeelte en Jantje de pijpen. Karel +draaide van rechts naar links, en Jantje van links naar rechts. En +zij waren zoo in die bezigheid verdiept, dat zij niet zagen, dat +Frans Thor en Klaas Zwart naderden, ieder weer met een stok in de +hand en niet veel goeds in den zin. + +Deze twee hadden gezien, wat er gebeurd was, en daar zij nog boos +waren over de nederlaag, die zij 's morgens hadden geleden, besloten +zij wraak te nemen. + +Aan den anderen kant van den weg slopen zij zooveel mogelijk ongemerkt +nader, en kwamen meer en meer bij de plaats, waar de bok rustig stond +te grazen. + +Juist waren Jan en Karel met de onderbroek klaar gekomen, die zij +op het gras uitspreidden om te drogen, toen de twee vijanden met +een woesten kreet opsprongen, vlak achter den bok, die er geweldig +van schrikte. En dat werd nog erger, toen de jongens hem met hunne +stokken hard op den rug sloegen, en schreeuwden: + +"Huup bok, huup bok! Allo! koesssss!" + +De bok zette het verschrikt op een loopen, het dorp in. Hij holde +voort, zoo hard hij kon. Van bokkendeftigheid was bij hem geen sprake +meer, hij holde voort als een wild paard. + +"Koesssss! Koesssss!" schreeuwden Frans en Klaas hem na. + +"Dát is gemeen!" riep Jan verschrikt en verontwaardigd uit, en zonder +te bedenken, dat hij geen broek aan had, sprong hij op, en ijlde zijn +bok na. + +Maar deze was hem een geducht eind voor, en rende al midden in het +dorp. Jantje liep wat hij loopen kon, om hem in te halen. + +De menschen bleven lachend staan, om de twee hardloopers na te +kijken. 't Was dan ook een dwaas gezicht, dien bok te zien hollen, +met de rinkelende bellen en de wapperende pluimen op zijn rug, terwijl +de leidsels langs de kar zwierden, maar nog veel maller was het Jantje +te zien, die zonder broek zijn bok naholde. + +Jantje met zijne dunne beentjes liep het hardst. De keisteentjes deden +wel pijn aan zijne bloote voeten, maar hij voelde het niet, en dat de +menschen om hem lachten, merkte hij evenmin. Hij dacht maar alleen aan +zijn mooien bok. Tot zijn vreugde bemerkte hij, dat hij op hem won, en +dat hij hem misschien nog kon inhalen, voordat hij de brug had bereikt. + +Plotseling echter zag hij, dat de bok gegrepen werd. Iemand met +een mandje aan den arm sprong op den weg, en greep den bok bij den +teugel. Daar was Jantje blij om, tot hij opeens zag, dat die man zijn +vader was. + +"Hei, hei, wat is dat voor een malle vertooning?" riep Dik zijn +zoontje toe, die hijgend bij den bok stond. + +"De jongens hebben hem op hol gejaagd, Vader," zei Jantje, die zijn +vader een beetje uit de voeten bleef. + +"Maar hoe komt het, dat jij hier zonder broek langs den weg rent?" ging +Dik voort. + +Jantje zweeg. + +"Allo, spreek op, mannetje. Waar zijn je broeken, en je kousen en +je klompen?" + +"O Vader, ik had ... ik ... ik was ... ik ... had ... ik ..." + +"Ik had en ik was en ik was en ik had!" viel zijn Vader in. "Ik was +een ondeugende jongen en ik had een pak slaag verdiend, wil je zeker +zeggen, hè?" + +Jantje deed een paar stappen achteruit. + +"Spreek op, Jantje, wat is er gebeurd?" + +"Ik was in 't kanaal gevallen, Vader, en omdat ik mijn Zondagsche +broek aan had, dorst ik niet thuis te komen, en toen..." + +"En toen?" + +"Toen hebben Karel en ik mijn broek uitgewrongen, maar toen hebben +Frans Thor en Klaas Zwart den bok op hol gejaagd..." + +"En toen ben jij den bok achterna gehold?" vroeg Dik, en opeens +begon hij er smakelijk om te lachen, want hij vond het een koddige +geschiedenis. + +"Dat is tweemaal vandaag, Jantje!" zei hij. "Pas maar op, dat je er +niet voor den derden keer invalt. Vooruit, stap in de kar en haal je +kleeren. En ik zou dat wringen verder maar aan Moeder overlaten. Je +gaat direct naar huis, hoor." + +"Ja Vader," zei Jantje, die blij was, dat het zoo goed afliep. "Maar +van Frans en Klaas is het een gemeene streek." + +"Dat is het," zei Dik. + +Jantje stapte in de kar en reed naar het vlot terug, waar Karel op de +natte plunje paste. Jan kleedde zich weer behoorlijk aan, en reed naar +huis terug. Zijn Moeder vond de geschiedenis lang zoo grappig niet als +Vader Dik, maar omdat Jantje jarig was, liep alles nog al goed voor +hem af. Hij kon zijn daagsche pakje weer aantrekken, dat intusschen +gedroogd was, maar met den bok mocht hij dien avond niet meer rijden. + + + + + +Achtste Hoofdstuk. + + Jantje krijgt het met Flipsen te kwaad, en dankt aan zijne + magere leden zijne redding uit een dreigend gevaar. + + +Hoe ouder Jantje werd, des te meer gingen zijne kameraden van hem +houden. Dat was volstrekt geen wonder, want hij was een aardige +jongen met een goed hart. Van alles wat slecht en leelijk was, +had hij een afkeer, en als sommige jongens nog wel eens iets deden, +waarvan groote menschen last of schade ondervonden, deed hij nooit +meê. Eénmaal had hij appelen gestolen in den tuin van Wobbe, waar de +jongens dikwijls heengingen om vruchten weg te nemen, want Wobbe had +een grooten boomgaard, waarin heel veel lekkers groeide. Jantje had +er nog nooit aan meêgedaan, maar eindelijk liet hij zich overhalen +om ook meê te gaan. 't Was op een herfstavond en ruw weer. De jongens +slopen stilletjes naar de boerderij van Wobbe, die een eindje buiten +het dorp lag, en sprongen na elkander over de sloot. Zoo kwamen zij +in den boomgaard. + +Maar Wobbe had zich met een paar knechts verdekt opgesteld, want +dat appelen stelen begon hem geducht te vervelen. Hij had Flipsen, +den veldwachter, wel gewaarschuwd, maar die werd een dagje ouder en +maakte er niet veel werk van. + +"Als je een van de dieven snapt, breng je hem maar bij me, dan zal ik +hem wel mores leeren," had hij gezegd. En hij had er aan toegevoegd: +"zelf zal ik ook wel een oogje in 't zeil houden." + +Wobbe was daarom besloten, zelf de handen uit de mouwen te steken, +en had zich met zijne knechts op verschillende plaatsen in den +boomgaard verscholen. + +Zij hadden er nog niet lang gezeten, toen zij de jongens hoorden +komen. Zij merkten duidelijk, hoewel zij nog niemand zagen, dat +de jongens over de sloot sprongen. Wobbe en zijne knechts bleven, +waar zij waren. Hunne afspraak was, de jongens tot midden in den +boomgaard te laten komen, en hen dan plotseling van drie kanten +tegelijk te bespringen. + +Jantje voelde zich in 't geheel niet op zijn gemak, en toen alle +jongens al over de sloot waren, stond hij nog weifelend op den weg. + +"Pssst! Pssst!" hoorde hij zacht roepen, 't Was de stem van Karel +van Dril. "Kom maar hier, Jan, alles is veilig." + +"O ja," zei een ander, "kom maar gerust. Bij Wobbe brandt het licht +in de huiskamer. Er is niet het minste gevaar." + +Jan kwam nader en sprong ook over de sloot. + +De jongens gingen behoedzaam verder den boomgaard in. + +"Hier!" riep er een. "Kijk eens, wat een prachtige appelen! De boom +zit propvol!" + +"Hier ook," riep Karel van Dril een eindje verder. "Kom hier, Jan, +hier zijn peren." + +Eerst waren de jongens bang en keken schuw rond, of er geen gevaar +dreigde, maar toen alles stil bleef, steeg hun moed, en liepen zij +brutaal tot midden in den boomgaard. + +Frans Thor en Klaas Zwart waren de brutaalsten. De jongens gingen +weinig of nooit met hen om, maar soms sloot het tweetal zich ongevraagd +bij hen aan, en dan waren zij moeilijk te weren. + +Frans had een stok bij zich en sloeg er mede tegen de takken. De +appelen vielen naar beneden. + +Maar hij kreeg geen tijd om ze op te rapen, want opeens werden zij +van drie kanten tegelijk besprongen. + +"Voorwaarts! Grijpt de dieven!" klonk de stem van Wobbe. Deze was +een groote, sterke boer met harde handen. + +Verschrikt vlogen de jongens uit elkaar. De een ijlde hier-, de ander +daarheen. Klaas Zwart haastte zich zoo, dat hij in de sloot viel. Tot +aan zijn hals toe zakte hij in het water. Karel van Dril sprong over +de sloot, Frans Thor ook, Gerrit Kikke en Piet Vos kwamen er met +natte voeten af, maar Jantje, die eerst niet wist, wat er gebeurde, +liep den verkeerden kant op, en vloog precies boer Wobbe in de armen. + +"Loopen! Loopen, jongens!" riep Frans Thor. + +Een van de knechts sprong over de sloot, en riep: + +"Wij zullen eens zien, wie 't hardst kan loopen, kereltje!" + +En hij liep Frans zoo hard hij kon achterna. + +Dat werd een wedren van belang, want Frans was vlug ter been, maar de +knecht nam veel grootere stappen. Frans hoorde zijne stappen hoe langer +hoe dichter achter zich. Eindelijk voelde hij zich bij den kraag van +zijn jas grijpen. Hu, wat kneep die knecht. Frans werd bijna geworgd +maar toch wrong hij zich nog als een aal, om los te komen. Dat gelukte +hem echter niet. De knecht gaf hem een geducht pak slaag, en joeg hem +voor zich uit, terug naar de boerderij. Daar beleefde Jantje intusschen +ook geen prettige oogenblikken, want Wobbe trok hem aan zijne ooren +in de hoogte, tot zijn gezicht vlak voor dat van den boer gekomen was. + +Jantje gierde van de pijn! + +"Ha zoo, kereltje, wat ben jij licht!" zei de boer met een boozen +lach. "Jij bent te dun om appelen te eten, manneke. Hoe heet jij?" + +"Au, au!" schreeuwde Jantje, die spartelde als een mager varken. + +"Heet jij au-au?" lachte de boer. "Magere langbeenige mug!" + +"Au! Au!" huilde Jantje. + +"Heet jij au-au?" herhaalde de boer driftig. + +"Neen, au neen, ik heet Jan Trom! Au, au, laat me los asjeblieft!" + +"Zoo, heet jij Jan Trom," zei de boer. Hij liet Jantje weer zakken, +tot hij op den grond stond, legde hem toen over zijne knie, en gaf +hem een geducht pak voor zijn broek. + +'t Werd een warme geschiedenis voor Jantje, want de handen van den +boer waren nog veel harder, dan hij ze zich voorgesteld had. Zoo'n +pak slaag had hij nog nooit van zijn leven gehad, en hij vreesde, +dat er geen stuk van hem heel zou blijven. + +Eindelijk liet Wobbe hem los. + +"En maak nu, dat je wegkomt!" bulderde Wobbe hem toe, "of ik breng +je nog bij Nero in het hondenhok. Die houdt wel van kluifjes, al zijn +ze mager." + +Dat liet Jantje zich geen tweemaal zeggen. Hij liep wat hij loopen +kon, en 't viel hem meê, dat het nog zoo goed ging, want hij dacht +niet anders, of de boer had hem zijne beenderen stuk geslagen. Hij +haastte zich zoo om over de sloot te komen, dat het maar zus of zoo +scheelde, of hij kwam in het water terecht. Maar dat liep gelukkig +nog goed af. En toen vloog hij naar het dorp terug. Zijn rooftocht +was hem bitter slecht bevallen. + +Even later hoorde hij de noodkreten van Frans Thor, die door den boer +en zijn knecht onderhanden werd genomen. Jantje liep dientengevolge +nog harder. + +"Hij lust er ook van!" mompelde Jantje, die in ijlende vaart +voortholde, "hu, wat slaat die boer hard. Hoor Frans eens schreeuwen." + +Na een poosje haalde hij Klaas Zwart in, die zoo hard niet loopen kon, +omdat hij tot aan zijn hals toe in de sloot gezeten had. Klaas huilde, +want hij stelde zich de ontvangst thuis ook niet erg vriendelijk voor. + +Jantje ging regelrecht naar huis met het stellige voornemen nooit +meer appelen of peren te stelen. En 's avonds wreef hij meermalen +over zijn broek, omdat hij zoo'n pijn had. + +De zaak was echter nog niet uit, want Wobbe vertelde den volgenden +dag aan Flipsen, den veldwachter, welk eene gelukkige vangst hij +had gehad, en gaf hem de namen der schuldigen op. Zoo kwam het, dat +Flipsen den winkel van Trom binnenstapte, waar Dik juist bezig was +een paar klanten te helpen. + +Flipsen had altoos nog een kijkje op Dik, want hij was nog niet +vergeten, wat Dik in zijn jeugd voor streken had uitgehaald. + +"Goeden avond, Dik!" zei hij. + +"Dag Flipsen," was het antwoord. "Wat is er van je dienst?" + +"Niet veel moois, man. Ik kom je waarschuwen, dat je wel wat beter +op je zoontje mag passen, want 't is erg, zooals hij op het dorp +huishoudt." + +"Zoo, zoo," zei Dik verwonderd en ook een beetje ongeloovig want hij +had nog nooit gemerkt, dat Jantje veel kwaad deed. "Is het zóó erg, +Flipsen? Wat heeft hij uitgevoerd! Jantje is anders zoo kwaad niet." + +Dik werd wel een beetje boos over den lompen uitval van Flipsen. + +"Dat zeggen alle vaders en moeders van hunne kinderen," hernam +Flipsen. "Van hun eigen kinderen kunnen zij nooit kwaad hooren, +vooral wanneer ze zelf ook nooit gedeugd hebben." + +Dik werd nu erg boos. + +"Wou je zeggen, dat _ik_ nooit gedeugd heb?" vroeg hij driftig, +en hij zwaaide zoo heftig met den strooplepel,--want hij was juist +bezig een vrouwtje aan een pond stroop te helpen,--dat Flipsen een +flinken lik van dat goedje op de mouw van zijn jas kreeg. + +"O, neem me niet kwalijk, dat is bij ongeluk," zei Dik. + +"Bij ongeluk! Bij ongeluk!" schreeuwde Flipsen verontwaardigd. "'t +Is een schandaal! En ik zal proces-verbaal tegen je opmaken, wegens +beleediging van een politieman in dienst!" + +Hij haalde zijn zakdoek te voorschijn om de stroop weg te vegen, en +maakte de zaak daardoor nog veel erger. De stroop kwam nu bijna over de +geheele mouw. En Flipsen was altijd zoo keurig netjes op zijn uniform. + +"Asjeblieft, juffrouw," zei Dik. "Wenscht u nog iets?" + +"Neen," zei de vrouw, die haar lachen haast niet kon houden. + +"Ik zeg," schreeuwde Flipsen, "dat je wel wat op je lieve Jantje mag +passen, of hij raakt nog in 't hok. Gisterenavond heeft hij appelen +en peren gestolen in den boomgaard van Wobbe, en dat zal wel niet +de eerste keer geweest zijn, denk ik.--Die akelige, ellendige stroop +zit er zoo vast op, dat mijn heele jas bedorven is. 't Is meer..." + +"Alleen de mouw maar," zei Dik. "Ik dank je voor de boodschap, +Flipsen. Ik zal er mijn zoontje over onderhouden." + +"Zoo vader, zoo zoon," zei Flipsen nijdig, want hij dacht, dat Dik +hem voor den gek hield. Met groote stappen liep hij den winkel uit. + +Toch waren die woorden Dik ernst geweest. + +Hij herinnerde zich nog best, hoe hij in zijne jeugd ook vruchten +gestolen had, en hoe hij tot inkeer gekomen was. + +'s Avonds vertelde hij aan Jan, wat er in zijn kinderjaren gebeurd was, +en hoeveel spijt hij er later over had gehad. + +En Jantje beloofde hem, dat hij het nooit, nooit weer doen zou. Dik +was er blij om toen hij hoorde, dat het Jantje's eerste strooptocht +geweest was, en hij vertrouwde er stellig op, dat het ook de laatste +zou geweest zijn. + +Na dien dag keek Flipsen den zoon van Dik Trom nooit meer vriendelijk +aan. Hij had een hekel aan Dik gehad, zoolang hij hem had gekend, en +dat sloeg nu op Jantje over. Dat kon deze zeer goed merken. Als hij +met zijn bok uit rijden was en hier of daar even uitstapte, wat nog +al dikwijls gebeurde, zoodat zijn bok gelegenheid kreeg om wat gras +of klaver van den berm te eten, kwam Flipsen, zoodra hij dat zag, +op hem af, en gaf een geducht standje. + +"Die bok màg daar niet loopen, en nog veel minder van dat gras +eten. Dat gras is immers niet van jou? Of heeft je vader misschien +den berm gepacht?" + +"Neen Flipsen, dat geloof ik niet." + +"Ik weet het zeker. Dat gras is van Geurs, en je bok moet er +afblijven. Als ik het weer zie gebeuren, zal ik er proces-verbaal van +opmaken, hoor je. Denk jij, dat je maar doen moogt, wat je wilt? Ik +zal je dat wel anders leeren. 't Is gewoon diefstal, maar daar storen +jullie je niet aan, hè? Jij niet,--en je vader niet! Pas op je tellen, +mannetje, of je loopt er nog eens geducht tegen." + +Zijn vader lachte er om, toen Jan het hem vertelde. + +"Gekheid, jongen, maak je maar niet ongerust. Als je geen grooter +kwaad doet, is het nog al zoo erg niet, en zal Flipsen je wel met +rust laten. 't Is een nijdige kerel, die het allen menschen lastig +maakt. 't Is ook al erg, dat die bok daar een mondje gras of klaver +eet. Dat doet mijn hit immers elken dag ook? En de menschen, die het +gras van de publieke wegen pachten, weten immers vooruit, dat zulke +dingen niet te keeren zijn. Daarom betalen zij ook minder pacht. 't +Is te gek om er van te praten, Jan, en maak je maar niet ongerust. 't +Zal zoo'n vaart niet loopen." + +Na dien tijd liet Jan zijn bok gewoon z'n gang gaan, of Flipsen het +zag of niet. Dat begon Flipsen geducht te vervelen, en eindelijk +maakte hij er werkelijk proces-verbaal van op. + +"Jij heet Jan Trom, hè?" zei hij, zijn zakboekje te voorschijn halende. + +"Ja," zei Jan. + +"Hoe oud ben je?" + +"Tien jaar," zei Jan. + +"Zoon van Dik Trom, hè?" + +"Ja wel." + +"En je erkent, dat je bok hier gras en klaver van den berm eet?" + +"Ja," zei Jan, "dat kan ik niet ontkennen." + +"Mooi zoo," zei Flipsen, die zijn boekje met een flap dichtsloeg, +"daar zal je wel meer van hooren, manneke. Jullie doet maar, of er +geen overheid bestaat. Maar 't zal je berouwen." + +Toen Jan het aan zijn vader vertelde, haalde deze glimlachend de +schouders op. + +"Wat bezielt dien man toch," zei hij. "Maak je maar niet ongerust, +'t is een storm in een glas water. We hooren er hoogstwaarschijnlijk +nooit meer iets van." + +Dat was ook zoo. Toen Flipsen met zijn proces-verbaal bij den +burgemeester kwam, lachte deze den veldwachter hartelijk uit. + +"Ben je dwaas, Flipsen," zei hij. "Denk je, dat we met zulke nesterijen +bij den Officier van Justitie kunnen komen?" + +"Maar burgemeester, 't is toch diefstal?" zei Flipsen knorrig. + +"Dat beschouw ik niet als diefstal," was het antwoord. "Op die manier +zou een jongen zelfs geen konijntje meer kunnen houden, als hij niet +een beetje gras van den berm mag snijden. 't Is te mal om er van +te praten." + +Hiermede kon Flipsen vertrekken, maar Jantje keek hij nooit meer +vriendelijk aan. En dat zou nog erger worden, geheel buiten Jan's +schuld. + +Op een avond waren Jan en Karel met nog een paar andere jongens aan +het spelen op de markt, toen zij opeens een eigenaardig puffend geluid +hoorden. Verwonderd keken zij in het rond, om te zien, waar dat geluid +vandaan kwam. En tot hun groote verbazing ontdekten zij een wagen +zonder paard er voor, die met groote snelheid langs den weg vloog. + +"Boe!--Boe!--Boe!" klonk het geluid van een grooten horen. In den wagen +zaten heeren en dames, die zich vreeselijk mal toegetakeld hadden. Zij +droegen groote stofbrillen voor de oogen, en zagen er uit als ijsberen. + +'t Vreemde rijtuig was een automobiel, en wel de eerste automobiel, +die het dorp, waar Jan woonde, met een bezoek vereerde. + +"Kijk, kijk!" riepen de jongens, "wat een gekke wagen!" + +"Zij lijken wel van den Noordpool te komen," merkte Jan op. "'t Is +een wagen vol ijsberen. Kijk, daar houdt hij stil voor de herberg +van De Vries. Gaan jullie mee kijken?" + +De jongens liepen, wat zij loopen konden, om bij het vreemde voertuig +te komen. + +"'t Is eene automobiel!" zei Karel van Dril. "'k Weet zeker, dat het +eene automobiel is!" + +"Gaat die door stoom?" vroeg Jan. + +"Neen, ze stoken er benzine in, zei Vader. O, ze kunnen zoo hard +rijden, wel zoo hard als een sneltrein." + +De jongens hadden den wagen spoedig bereikt, en bekeken hem aan +alle kanten. De reizigers waren het café binnengegaan, om iets te +gebruiken. En al spoedig stonden er heel wat menschen om het vreemde +voertuig, want velen hadden wel al van automobiles gehoord of gelezen, +maar nog slechts weinigen hadden er een gezien. + +"Ik noem het een mooi ding!" merkte Jan wijs op. "Ik zou er mijn +bokkewagen wel voor willen ruilen." + +"Wat je zegt!" zei Karel lachend. "Kijk, hij staat nog te trillen en +te zuchten, of het een levend wezen is." + +"Hij is moê," lachte Jan. "Hij staat uit te blazen. Die twee groote +lantaarns voorop zijn net een paar oogen.--Zeg Karel, zoo'n automobiel +ga ik ook maken." + +"Je doet wat!" lachte Karel een beetje spottend. "'t Is maar geen +kleinigheid. Je begrijpt toch, dat er een heele machinerie binnenin +zit?" + +"O ja natuurlijk," zei Jan. "Ik bedoel ook niet, dat ik een echte ga +maken, want dat zou jou vader nog niet eens kunnen, en die kan haast +alles,--maar ik maak toch net een wagen als dit ding, wat ik je zeg." + +Op dit oogenblik kwamen de reizigers weer naar buiten en namen +in de auto plaats. De chauffeur greep het stuurrad deed een paar +geheimzinnige grepen in den wagen, en er kwam leven in het monster. Het +trillen en schokken werd heviger, en opeens schoot het gevaarte met +kracht vooruit. + +"Poe! Poe! Poe!" toeterde de reusachtige horen. + +De omstanders sprongen verschrikt op zijde, en een oogenblik later +was de wagen uit het gezicht verdwenen. Hij vloog als het ware langs +den weg, de menschen in een wolk van stof achterlatende. + +Jan stond het vreemde voertuig met open mond na te staren. En toen +hij het niet meer kon zien, riep hij zijn makkers toe: + +"Dag!--Ik ga naar huis!" + +Op een drafje liep hij weg. De auto had een overweldigenden indruk op +hem gemaakt, en hij was besloten niet te rusten, voor hij er ook een +had. Wel een week lang bleef hij voor zijne kameraden onzichtbaar, +behalve op school natuurlijk. Daar mòèst hij wel heen. Maar al zijn +vrijen tijd besteedde hij aan het vervaardigen van zijne automobiel, +en dat was geen gemakkelijk werkje. Hij schoot er vlug mede op, +en was verbazend trotsch op het product van zijne handen. + +De kinderwagen, waarin zijne Moeder hem gereden had, toen hij nog een +klein kereltje was, had hij van het bovenstel ontdaan, zoodat alleen +de wielen overbleven. Zijn Moeder had hem daartoe hare toestemming +gegeven, omdat de wagen oud en versleten en dientengevolge geen +dubbeltje meer waard was. + +Toen had hij van zijn vader een paar pakkisten gevraagd, die hem +graag werden afgestaan. + +"Wat moet je er meê uitvoeren, Jan?" had zijn Vader gevraagd. + +"Ik maak er een automobiel van," zei Jan, en toen vond zijn Vader het +goed. Die kisten gaf hij precies het model van de auto, en bevestigde +ze daarna op het onderstel van den kinderwagen. Keurig netjes timmerde +hij er twee bankjes in, een voor- en een achterbankje. Gelukkig +mocht hij het gereedschap van zijn grootvader gebruiken, en deze gaf +meermalen goeden raad. + +Maar nu kwam het moeilijkste nog aan, want hij wilde zijn wagen van een +toestel voorzien, waarmede hij hem in beweging kon brengen, zonder dat +het noodig was hem te duwen of te trekken. Het duurde lang, eer hij +daar iets op gevonden had, en toen hij wist, hoe het worden moest, +kon hij het onmogelijk zonder hulp van een smid uitvoeren. Hij ging +daarom met zijn wagen naar Piet van Dril, den smid, en legde hem uit, +wat er gedaan moest worden. + +"Kijk, Van Dril," zei hij, "zooals het nu is, is het niet goed. De +as van mijn wagen deugt er niet voor. Ik zou naast mijn voorbankje +een wiel willen hebben met een tandrad precies als aan een fiets. Als +nu aan den as van den wagen ook zoo'n rad bevestigd werd, kon er een +fietsketting omgelegd worden, zoodat ik maar aan het wiel te draaien +heb om de kar in beweging te brengen. Aan dat wiel moet natuurlijk +een handvat komen, precies als aan het wiel van een draaiorgel." + +Piet van Dril keek hem een poosje peinzend aan, en krabde zich in +gedachten achter het oor. Eindelijk gaf hij Jan een geduchten klap +op diens smalle schoudertje, zoodat de beentjes ervan haast kraakten, +en zeide: + +"Dat heb je al wonder knap bedacht, Jan. Wonder knap, zeg ik! Je kon +wel ingenieur of zoo iets worden. Maar hoe moet je aan zoo'n wiel +met een handvat komen? Ik heb er geen." + +"Wij wèl, Van Dril," zei Jan. "In de schuur ligt die oude koffiemolen +nog van ons, u weet wel, die oude afgedankte uit den winkel. En daar +zit een groot wiel aan met een handvat." + +"Juist!--Ja, juist," zei Van Dril. "Wel jongen, ik vind, dat je +het zóó knap bedacht hebt, dat ik je nu eens voor pleizier aan die +kamraderen helpen wil. Haal dat wiel maar hier." + +Wat was Jantje blij. Hij liep als een haas naar huis om het wiel +te halen en was den geheelen avond niet uit de smederij weg te +krijgen. Geen wonder waarlijk, want Van Dril hield woord. Hij smeedde +de kamraderen aan den vooras van den wagen en aan het wiel van den +koffiemolen, maakte een oude fietsketting pasklaar, en zette alles +netjes en flink in elkander. + +Jan stond er verrukt naar te kijken, en Karel niet minder. + +"Nu moet ik nog een horen hebben!" zei Jan, zich de handen wrijvende +van genot. + +Ja, en nog twee lantaarns," zei Karel. "Je weet wel, dat zijn de oogen +van het beest. Een paar oude fietslantaarns konden er best dienst +voor doen. Vader, hebben wij nog niet een paar van zulke oudjes?" + +"O, ja wel," zei Van Dril. "Hier heb je er twee." + +In een kwartiertje had Jan ze voor aan de auto bevestigd. Toen nam +hij nog een veerkrachtig metalen plaatje, en timmerde dat aan den +linkerkant van den wagen, er voor zorgende, dat de spaken van het +voorwiel er beurtelings tegen aan tikten, als de wagen in beweging +kwam. Daardoor werd een geluid veroorzaakt, dat precies het tuffen +van een auto nabootste. + +Nu was de wagen klaar. Jan en Karel brachten hem naar buiten, waar +Jan op het voorbankje ging zitten, en Karel op de achterbank. Jan +nam het handvat en draaide het wiel rond. Ha, wat reed het karretje +prachtig. De twee jongens konden hun lachen niet houden van +pleizier. 't Was precies een auto, en hij maakte een aardig gangetje. + +'t Was maar jammer, dat de voorwielen niet om een spil konden draaien, +want nu kon de wagen alleen vooruit en achteruit, maar van sturen +was geen sprake. + +Elken avond gingen de jongens er meê spelen en zij hadden niet weinig +bekijks. Maar Jan raakte er door in volslagen vijandschap met Flipsen, +en toch was het geheel buiten zijne schuld. Dat kwam zoo. + +Karel van Dril moest eene boodschap voor zijn vader doen, en daarom +besloot Jan maar alleen met zijn auto te gaan rijden. Eerst tufte +hij een paar malen het dorp door, en ging toen naar het fort even +voorbij het kerkhof, dat aan het einde van 't dorp lag. Daar werd een +fort aangelegd waarlangs een hooge kluft liep. Jantje besloot van die +kluft af te tuffen. Jongen, wat zou hij dan een snelle vaart krijgen! + +Nu, dat was ook zoo. Hij duwde zijne auto tegen de hoogte op, ging er +toen in zitten, en reed vliegensvlug naar beneden. Ha, nu leek het +precies een echte automobile. Hij toeterde, dat het een lust was om +te hooren, en het stof dwarrelde achter hem omhoog. 't Was verbazend +te zien, hoever zijn kar nog voortreed, als hij den vlakken weg reeds +had bereikt. + +Jan vond het spelletje zoo mooi, dat hij aan geen ophouden +dacht. Zoodra was hij niet beneden gekomen, of hij duwde de kar +opnieuw naar boven, en liet zich dan weer vliegensvlug gaan. + +Toen hij eens weer op het hoogste punt aangekomen was en gereed stond +om in te stappen, kwam van den anderen kant juist Flipsen aan. De man +was bepaald in eene erg knorrige bui, want hij keek verschrikkelijk +boos. Zoodra hij Jan zag, bleef hij staan en zeide: + +"Zoo,--wat voer jij hier in je eentje uit? Zeker niet veel goeds, hè?" + +"Ik doe in het geheel geen kwaad, Flipsen," zei Jan. "Ik rijd alleen +maar met mijn auto van de hoogte af, omdat het zoo lekker gaat." + +"Ja, ja," zei Flipsen, "jij hebt je woordjes wel klaar, maar ik +vertrouw je niet verder, dan ik je zie. Pas op, manneke, ik waarschuw +je, dat je geen verkeerde dingen doet, want ik heb je al lang in +de gaten." + +Flipsen vervolgde zijn tocht langs de kluft naar beneden. + +Jan besloot nog een poosje te wachten, want hij zag zeer goed, dat +Flipsen om de een of andere reden uit zijn humeur was, en dat het maar +het veiligst was hem uit den weg te blijven. Hij nam plaats op het +voorbankje en was van plan zoo lang te wachten, tot Flipsen weg was. + +Dat duurde geruimen tijd, want het was eene lange kluft, en Flipsen +kuierde op zijn gemak naar het dorp. + +Opeens voelde Jan, dat er beweging in zijne auto kwam. Deze werd met +kracht vooruit geduwd. Hij keek om en zag, dat Frans Tor achter de +kar liep. Lachend zei deze: + +"Ik zal je een zetje geven, Jan, dan ga je vliegensvlug naar beneden." + +"Niet doen,--niet doen, Frans!" riep Jan hem waarschuwend toe. "Ginder +loopt Flipsen, en ik wou hem liever niet voorbij rijden." + +"Gekheid! Wat kan jou Flipsen schelen!" riep Frans terug. Met alle +kracht en zoo snel hij loopen kon, duwde deze de kar naar beneden. + +Opeens liet hij haar los, en voort vloog Jantje, in ijlende vaart +de helling af. Angstvallig hield hij de oogen gericht op Flipsen, +want hij vreesde niet zonder reden, dat er veel kans bestond om hem +onderst-boven te rijden. + +"O jé!" dacht Jan met een zucht van ontsteltenis, "als dat maar goed +afloopt! Ik vlieg regelrecht op hem aan. Had ik maar een stuur aan +mijn auto, dan kon ik langs hem heen rijden, of een rem, om den wagen +tot stilstand te brengen.--Poe,--ik geloof, dat ik hem regelrecht +tegen de beenen vlieg!" + +Jantje begon op zijn horen te toeteren, dat het wel vijf minuten ver +te hooren was, maar Flipsen keek niet op of om. Jan zag dat tot zijn +grooten schrik. Hij zag ook, dat Flipsen recht-uit, recht-aan verder +liep, zonder ook maar een stap op zijde te gaan. + +"Zou hij me niet hooren?" dacht Jan, en hij toeterde zoo hard, dat +zijn horen er van berstte, en in 't geheel geen geluid meer gaf. + +Jan was ten einde raad, want hij naderde Flipsen met groote snelheid, +en 't leed geen twijfel, of bij dezen voortgang reed hij hem pardoes +tegen de beenen. + +Hij probeerde de kar op zijde te rukken, maar tevergeefs. + +"Hei, hei daar, hola Flipsen!" riep hij in doodsangst den boozen +veldwachter toe, want hij was hem bijna genaderd. + +Maar Flipsen verkoos geen stap op zij te gaan. + +"Dat moet er nog bijkomen, dat ik, een regeeringspersoon, voor een +kwâjongen uit den weg moet gaan. Dank je hartelijk. Hij moet voor +mij uitwijken, en niet ik voor hem. 't Zou me wat moois worden op +die ma..." + +"Bom!" + +Daar voelde hij een geduchten smak tegen zijn kuiten, en op 't zelfde +oogenblik sloeg hij met kracht achterover in de auto van Jantje. En +voort vloog de kar. Flipsen lag met zijn beenen omhoog in den wagen, +en hij zag geen kans om overeind te komen. + +"Satansche jongen," schreeuwde hij, toen hij zijn eersten schrik te +boven was. "Brutale vlegel,--ik zal je leeren!" + +'t Was een bespottelijk gezicht hem te zien liggen. Vader Dik, +die er juist op aan kwam loopen, wist eerst niet goed, wat hij zag, +maar een oogenblik later barstte hij in een onbedaarlijk lachen uit. + +"Wat nu, Flipsen," riep hij den veldwachter toe, "ga je in het karretje +van mijn Jan rijden?" + +Flipsen richtte zich op uit zijne moeielijke positie, en bracht met +zijne beenen de kar tot staan. Maar waar was Jan? Er was tot verbazing +zoowel van Dik als van Flipsen, geen spoor van hem te zien. + +Flipsen was woest van kwaadheid, en met gebalde vuist kwam hij op +Dik af. + +"'t Is eene schande, eene schande!" schreeuwde hij Dik toe. "Ik zeg, +'t is eene schande om je zoontje zoo tegen mij op te zetten, en hem +te leeren mij te bespotten. Maar ik zal hem krijgen,--ik zal hem +krijgen,--ik zal..." + +Flipsen wist van kwaadheid niet, wat hij zeggen moest, en met toornige +blikken keek hij van Dik naar de auto, die verlaten aan den kant van +den weg stond, en van de auto naar Dik. Maar deze deed niet anders +dan lachen, want het was hem onmogelijk zich te bedwingen. + +"Bedaar toch, Flipsen, bedaar toch!" riep hij tusschen de buiën door +den veldwachter toe. + +"Bedaren?" schreeuwde Flipsen. "Bedaar jij met je gelach, dat zou +je fatsoenlijker staan. Foei man, ik zou me schamen, om mijn kind +zoo'n opvoeding te geven. Maar ik zal hem wel krijgen, den rakker, +wacht maar!" + +Met groote schreden vervolgde Flipsen zijn weg, zonder Dik of de auto +met een enkelen blik te verwaardigen. + +Dik lachte nòg! + +"Wat was dat een bespottelijk gezicht!" zei hij binnensmonds. "Maar +waar mag Jan toch zitten? 't Is zijn auto, dat weet ik zeker. De +jongen zal toch geen ongeluk gekregen hebben..." + +Dik werd ernstiger, en hij wierp een blik langs de kluft om te zien, +of Jan zich daar bevond. + +Opeens hoorde hij echter diens welbekende stem. + +"Pssst, Vader,--is hij weg?" werd hem half fluisterend toegeroepen. 't +Geluid kwam uit de auto. + +Dik draaide zich om, en waarlijk, daar kwam Jantje's smalle hoofdje +van tusschen het voor- en het achterbankje te voorschijn. Snel keek +Jan om zich heen. + +Ha, de veldwachter verwijderde zich met groote schreden. Dik kwam +naderbij. + +"Hoe zit jij daar zoo tusschen die banken gewrongen, kind?" vroeg hij +lachend, want de heele geschiedenis maakte op hem een onweerstaanbaar +lachwekkenden indruk. "En wat is er eigenlijk gebeurd?" + +Jan kroop nu uit den wagen en zeide: + +"O, Flipsen was erg boos, waarom weet ik niet. Ik stond met mijne auto +ginds op de hoogte, en was juist van plan om naar beneden te rijden, +toen Flipsen mij een standje gaf, omdat ik--ja, ik weet echt niet +waarom, want ik deed in 't geheel niets. En toen ging Flipsen verder, +en omdat hij zoo boos was, meende ik te wachten, tot ik hem niet meer +kon inhalen. Maar Frans Thor kwam onverwachts achter me en gaf me +een harden duw, zoodat ik naar beneden vloog, regelrecht op Flipsen +aan.--Wat zat ik in de benauwdheid, Vader. Ik toeterde zoo hard ik kon, +en toen nòg harder, zoodat de horen er van gebarsten is. Hoor maar, +hij geeft geen geluid meer. Maar Flipsen deed net of hij doof was, +en keek niet op of om, tot ik eindelijk zag, dat ik hem niet meer +ontwijken kon. Ik kroop vlug tusschen het voor- en het achterbankje +en maakte mij zoo klein mogelijk, en op 't volgende oogenblik vloog de +kar Flipsen van achteren tegen de beenen, zoodat hij achterover op de +kar viel. Zoo reden we samen verder, tot u kwam. Wat zat ik in angst, +Vader. Ik zweet nog, als ik er aan denk." + +Dik kreeg opnieuw een lachbui, waar haast geen einde aan kwam, zoo +mal vond hij het. + +"Dus je magere leden hebben je gered!" riep hij eindelijk uit. "Als +je zoo mager niet was geweest, had je je onmogelijk op zoo'n klein +plaatsje kunnen opvouwen. 't Is merkwaardig. Ga maar gauw naar huis, +en blijf Flipsen zoo ver mogelijk uit de voeten, want hij is meer +dan kwaad op je." + +"Maar Vader, ik kon er toch niets aan doen." + +"Ja jongen, dat weten _wij_ wel, maar _hij_ gelooft het niet. Blijf +van avond verder maar stilletjes thuis." + +Jan beloofde dat, maar hij ging toch even naar de smederij, om het +geval aan Karel Van Dril en diens vader te vertellen, die er ook niet +weinig om lachen moesten. + +Jan evenwel verzonk in diep gepeins, want de kar beviel hem zoo niet +meer. Hij nam zich vast voor niet te rusten, voordat hij de voorwielen +aan een beweegbaren as verbonden had, zoodat hij de auto sturen kon, +en dan nog wilde hij er een rem aan hebben. + +Toen Dik 's avonds het geval aan Jan's Grootvader vertelde, moest +deze er ook braaf om lachen, en hij kwam tot de conclusie, dat Jan +ook een bizonder kind was--en dat was-ie! + + + + +Negende Hoofdstuk. + + Jan omarmt den schoorsteenveger met groote innigheid. + + +Flipsen wàs en blèèf erg boos op Jan Trom. Misschien zou die boosheid +langzamerhand wel wat afgezakt zijn, als het malle figuur, dat hij +gemaakt had, niet door het geheele dorp bekend geraakt was, maar dat +gebeurde wèl. Frans Thor was daar de schuld van. Toen hij Jan met +zijne auto zoo'n geduchte vaart gegeven had, bleef hij lachend staan +kijken, hoe de zaak zou afloopen, en zoo had hij alles gezien, wat er +gebeurd was. Hij gierde het uit van de pret, en hij vertelde het aan +iedereen, die het maar hooren wilde. En wat nog erger was: hij hield +Flipsen telkens voor den gek, als hij hem op straat tegenkwam. Dat zou +Jan Trom in geen geval gedaan hebben, want hij vond het geval voor +Flipsen al erg genoeg, maar Frans deed het wèl en Klaas Zwart hield +hem daarbij trouw gezelschap. Telkens als zij Flipsen ontmoetten, +begonnen zij te tuffen als eene auto, zonder Flipsen aan te kijken. + +"Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!" zei dan Frans. + +"Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!" zei dan ook Klaas, en dan tuften zij om het +hardst. Eerst had Flipsen er geen erg in gehad, maar toen het telkens +gebeurde, als die jongens in zijne nabijheid waren, begon hij lont +te ruiken. Hij keek ze aan met een paar oogen, of hij hen verscheuren +wilde, maar dat deed hij toch niet. + +Doch toen hij hen later weer tegenkwam, en zij opnieuw begonnen +te tuffen, sprong hij plotseling op hen af, en gaf hun ieder een +klinkenden draai om de ooren. Dat gebeurde zóó snel en onverwachts, +dat de twee jongens eerst niet eens goed begrepen, wat er gebeurde. + +"Au!" riep Frans. + +"Au!" riep Klaas. + +En beiden grepen zij naar hun ooren, waar zij een stekende pijn +voelden. + +Flipsen lachte, en gaf hun een tweeden. + +"Daar!" zei hij. "Ik zal je leeren tuffen! Hard gaat-ie, hè?" + +Ze gingen allebei hard, want vóór Flipsen gelegenheid kreeg hun +nog een derden oorveeg toe te dienen, zetten zij het op een loopen, +zoo hard zij konden. En na dien tijd tuften zij niet meer, als zij +Flipsen tegenkwamen. Zij gingen hem zelfs eerbiedig uit den weg. + +Op Jan Trom bleef Flipsen erg boos, dat kon Jan duidelijk +opmerken. Flipsen groette hem nooit terug, als hij hem tegenkwam, +en keek hem altoos aan met een blik, die hem niet veel goeds +voorspelde. Jan trok er zich echter niets van aan, want hij voelde +zich volkomen onschuldig. + +"Ik heb het niet met voordacht gedaan," dacht hij, "en als ik het +had kunnen vermijden, zou het in 't geheel niet gebeurd zijn. Flipsen +zal dat ook wel begrijpen, als hij er kalm over nadenkt." + +En zijn vader zei ook: + +"'t Zal van zelf wel weer beter worden, als jij Flipsen maar met rust +laat en hem zooveel mogelijk uit de voeten blijft. Hij zal dan zelf +wel begrijpen, dat hij zich vergist heeft. + +En zoo was het ook. Toen Flipsen opmerkte, dat Jan hem altoos even +beleefd bleef groeten en hem nooit voor den gek hield, bedaarde zijne +boosheid meer en meer, en eindelijk groette hij Jan zelfs terug. + +Jan peinsde voortdurend op een middel, om eene herhaling van het +gebeurde te voorkomen. Hij was vast besloten niet te rusten, voor +hij zijne auto bestuurbaar had gemaakt. En eindelijk meende hij het +gevonden te hebben. Hij had er een spil voor noodig, met aan het +boveneinde een stuurrad, precies als aan eene echte auto. Die spil +moest van onderen bevestigd worden aan den vooras, welke beweegbaar +moest zijn. Als hij dan in zijn auto zat, kon hij hem gemakkelijk +door middel van het stuurrad heen en weer bewegen, waardoor hij den +wagen geheel in zijne macht kreeg. + +Nauwelijks waren zijne plannen tot rijpheid gekomen, of hij begaf +zich na schooltijd op weg naar Van Dril, zonder wiens hulp hij +geen kans zag een en ander ten uitvoer te brengen. Er zou echter +dien avond niet veel van komen. Hij was nog maar pas zijn huis uit, +of hij kwam Dries Klomp tegen, den jongsten knecht van Jan Vos. Deze +had een emmertje in de hand, en een bezem, een bosje stroo en een +touw onder den arm. Hij werd op het dorp meestal bij zijn voornaam +genoemd en stond bekend als een grappenmaker. + +"Dag Dries!" riep Jan hem toe. + +"Zoo Jantje," zei Dries. "Jongen, jongen, wat word je toch dik in den +laatsten tijd. Als je niet oppast, kun je weldra met de konijntjes +door de tralies van het hok meê-eten." + +"Is het waar?" vroeg Jan lachend, want hij kon wel tegen een klein +plagerijtje. "Dan zal ik de koolstronkjes voor jou laten liggen. Is +dat goed?" + +"Graag,--asjeblief. Ga je mee naar den molenaar? Dan kun-je me helpen +aan 't vegen van de schoorsteenen. Dat is een mooi werkje voor je." + +"Dank je hartelijk, om zoo zwart als roet thuis te komen," zei Jan. "'t +Is je van harte gegund, Dries." + +"Geen lust? Even goede vrienden, hoor. Dag Jan." + +"Dag Dries." + +Jan vervolgde zijn weg, tot hij onderweg een schilder bezig zag met het +verven van een der lantarenpalen, die aan den weg stonden. Hij mocht +dat graag zien, en bleef er dus een poos naar kijken. De schilder +bevond zich op een ladder, om het bovengedeelte te verven. Op den +grond stond ook een pot met verf, met een kwast er in. Nauwelijks +had Jan dat gezien, of hij greep de kwast en vroeg, of hij ook eens +schilderen mocht. + +"Jawel, Jan," was het antwoord. "Maar niet met de verf morsen." + +Ha, dat vond hij prettig, en hij smeerde er lustig op los. + +"Niet zoo dik, Jan," zei de schilder. "Je moet de verf meer +uitsmeren. Zooals jij het doet, is de paal de volgende week nog +niet droog." + +"En zooals u het doet?" vroeg Jan. + +"Morgen, denk ik," was het antwoord. + +Jan bleef bij den schilder tot de geheele lantarenpaal klaar was, maar +toen ging hij ook direct naar den smid, om aan zijn wagen te werken. + +Van Dril had juist een oude fiets van iemand overgenomen, en zijn +zoontje Karel stond te zeuren, of hij er op mocht leeren rijden. + +"Hè toe, Vader," zei Karel, "laat mij er maar op rijden. 't Is toch +al een oudje.--Toe maar." + +Van Dril zei niets, maar hij lachte eventjes, wat Karel moed gaf, +dat hij de gewenschte toestemming verwerven zou. + +"Mag ik, Vader?" vroeg hij nog eens. + +"Als je dan maar voorzichtig bent," zei Van Dril. "Breek geen armen +of beenen, en de fiets ook niet." + +Dat liet Karel zich geen twee keer zeggen. + +"Ga je meê, Jan?" vroeg hij met eene kleur van blijdschap "Dan gaan +we leeren fietsen." + +Dat was een kolfje naar Jan's hand. Hij vergat zijn heele machinerie +en ging met Karel naar buiten. Samen hielden zij de fiets vast. + +"Ik het eerst, Jan," zei Karel. + +"Natuurlijk," was het antwoord. + +"Zeg, hij ziet er nog mooi uit, al is het een oudje, hè?" + +"Dat geloof ik," zei Jan. "'k wou, dat het de mijne was. Toe, +hier kunnen we wel beginnen. Stap jij er maar op, dan zal ik hem +vasthouden." Karel probeerde op het zadel te wippen, maar op 't zelfde +oogenblik lag hij al op den grond. "Je moet hem beter vasthouden, +Jan," zei hij. "Zóó kan ik er niet op komen." + +"Ik hield hem goed vast, maar jij zat veel te scheef!" zei Jan. "Als +je zoo scheef zit, kan ik je niet houden." + +Karel stapte nog eens op. Nu ging het beter, en Jan duwde hem vooruit. + +"Trappen, jongen, trappen!" riep Jan hem toe. Karel durfde niet. Hij +was bang, dat hij vallen zou. "Trap dan toch! Als je niet trapt, +leer je het nooit!" + +Karel drukte zijn rechtervoet naar beneden. Voort ging de fiets, +met het gevolg, dat Jan haar alweer niet houden kon, en Kareltje op +den weg terecht kwam. + +"Au!" zei hij. "Dat kwam wel een beetje hard aan." + +"Hindert niet!" riep Jan. "Stap maar weer op, maar niet zoo schuin +hangen. Dan ben je me veel te zwaar!" + +Wip! Met een vlugge beweging stapte Karel weer op de fiets. + +Hij durfde nu al een beetje beter, en drukte de trappers met kracht +naar beneden. 't Was hem echter onmogelijk zijn stuur goed te houden, +zoodat de fiets over den weg slingerde als een dronken man. En als +de fiets naar rechts ging, hing Karel schuin naar links, en ging zij +naar links, dan hing Karel naar rechts. + +"Bom!" Daar tuimelde Karel weer over de straat. + +Hij gaf echter den moed niet op, en Jan evenmin. + +"Je leert het al aardig," zei Jan, toen het Karel inderdaad gelukt +was, eenige seconden op de fiets te blijven zitten. "Trappen, zeg, +hoe harder je trapt, hoe beter ik je houden kan." + +Karel trapte uit alle macht, en Jan draafde achter hem aan, als een +hazewindhond achter zijn meester. + +Na een half uurtje durfde Jan het zadel even los te laten, en Karel +reed werkelijk al eenige meters zonder te vallen. Toen zei hij: + +"Nu is het jouw beurt Jan. Jij hebt het mij geleerd, nu zal ik het +jou leeren." + +"O, ik wed, dat ik het al dadelijk kan," pochte Jan. "Houd hem maar +vast, dan zul-je eens zien, hoe ik er van door ga. Je zult er van +staan te kijken." + +Karel lachte. Hij wist wel beter, want in het laatste half uur had +hij de moeilijkheden pas goed leeren kennen. + +"Je hebt praats genoeg," zei hij. "Stap er maar op, dan zul je eens +zien, hoe gauw je tegen den grond ligt. Zóó gemakkelijk gaat het niet." + +Jan stapte op, en Karel hield het zadel vast. + +"Vooruit, Jan, trappen.--O, wat hang je schuin--nog veel erger dan +ik.--Ik kan je niet--" + +"Bom!" + +Daar lag Jan onder de fiets, maar hij sprong dadelijk overeind en +stapte opnieuw op. + +"Je moet me beter vasthouden, Karel,--je laat me ook maar dadelijk +vallen." + +Daar ging het weer. Jan trapte nu uit alle macht, want hij was in +'t geheel niet bang uitgevallen, en inderdaad ging het een eindje goed. + +"Zie je wel?" riep hij Karel triomfantelijk toe. "Zóó moet je ook +rijden! Ha, wat gaat dat lek..." + +"Flap!" Weer lag Jan op den grond, en hij bezeerde zijn been erger, +dan hem lief was. Maar hij stoorde er zich niet veel aan, en zat in +'t volgende oogenblik weer op de fiets. + +Werkelijk had hij er spoedig den slag van beet. Karel kon hem soms al +een heel poosje aan zijn lot overlaten. Jan slingerde dan wel van den +eenen kant van den weg naar den anderen, en soms dreigde hij pardoes +in het kanaal te rijden, dat langs den weg liep, maar hij reed toch, +en dat was de hoofdzaak. Hij was er wàt trotsch op. + +Even later was Karel weer aan de beurt. Het duurde niet lang, of hij +kon ook al eenige meters los rijden, en daar was hij verrukt over. Hij +trapte als een dolleman, want hij had gemerkt, dat hij dadelijk viel, +als hij langzaam trapte. En Jan draafde achter hem aan zoo hard hij +kon, om hem dadelijk te kunnen grijpen, als hij dreigde om te slaan. + +Eindelijk werd Jan zóó moê, dat hij niet meer kon. + +"Ik moet rusten, Karel," zei hij. "Ik ben zoo moê als een hond. Maar +je kunt het nu wel alleen. Probeer het maar gerust; je zult zien, +dat het gaat." + +Hij hielp Karel nog even bij het opstappen, en toen reed deze heen. Ha, +wat slingerde hij! Jan stond hem na te kijken, nieuwsgierig op welke +plaats Karel zou omvallen, want dat dit gebeuren moest, betwijfelde hij +geen oogenblik. Een vijftig meters ging het vrij goed, al slingerde +hij ook beangstigend, maar opeens gaf Jan een schreeuw van schrik, +want Karel begon geweldig te slingeren, en reed toen regelrecht op +het kanaal aan. Nog een oogenblik, en hij tuimelde bij den hoogen +kant neer.... + +Jan ijlde naar de plaats des onheils, en bemerkte tot zijn genoegen, +dat hij zich voor niets bang had gemaakt, want Karels hoofd verscheen +alweer boven den walkant. Hij was wel tot vlak bij het water geweest, +maar hij was er toch niet ingevallen. + +"Hè-hè, dat scheelde een beetje!" zei hij vergenoegd, nu het zoo goed +afgeloopen was. "Ik had geen duim verder moeten belanden,--dan was +ik kopje-onder gegaan." + +"Ik zag het," zei Jan. "Hè, wat schrok ik! Ik dacht stellig, dat je +te water ging." + +"Gelukkig niet;--zeg, help je even de fiets naar boven trekken?" + +Met vereende krachten brachten zij de fiets op den weg. + +"Zou hij nog heel wezen?" vroeg Karel. + +Dat bleek gelukkig het geval te zijn. + +"Nu is 't mijn beurt weer," zei Jan. "Is 't goed?" + +"Best," zei Karel. "Bij mij zit de schrik er wel een beetje in. Ga +je gang maar." + +Jan sprong op de fiets, en nu draafde Karel er achter. Eerst ging het +langzaam, want Jan durfde niet goed, maar spoedig overwon hij zijne +vrees, en nu moest Karel achter de fiets draven. + +"'t Gaat goed zoo,--best,--erg best!" riep hij Jan bemoedigend toe. "Je +rijdt nog beter dan ik." + +"Laat me maar gerust los!" riep Jan hem toe. + +"Ik heb je niet vast!" hijgde Karel achter hem, moê van het draven. Ha, +wat trapte Jan lustig voort. Hij zwierde wel links en rechts, maar +dat hinderde niet; hij wist toch op den weg te blijven. + +O jé, ginds zag hij een grooten steen liggen, midden op den weg. + +"Als ik maar niet over dien steen ga," dacht Jan met eenige zorg. "Ik +moet hem zien te ontwijken." + +Angstvallig hield hij zijn blik op het gevreesde voorwerp gericht, +met het gevolg, dat hij er juist op aanreed. + +"O, die steen!" schreeuwde hij. Plof! Daar reed hij er overheen, +wat een geduchten schok gaf, maar hij bleef zitten. Slingerend reed +hij verder. + +"Dat scheelde een beetje!" riep Karel. + +"Of het! Wat gaat het al goed." + +Met krommen rug, den stuurstang krampachtig in de handen geklemd, +trapte Jan voort. Hij vond, dat het al prachtig ging. Ha, daar zag +hij den lantaarnpaal al, dien hij had helpen verven. Dien paal moest +hij ook zien te ontwijken, want hij was natuurlijk nog nat. Maar tot +zijne verbazing en ook tot zijn schrik bemerkte hij, dat hij er alweer +regelrecht op aanreed. + +"Gek toch," mompelde hij. "Zoo'n fiets brengt je juist, waar je niet +wezen wilt. Maar ik zal hem wel mis zien te rijden." + +Hij naderde den lantaarnpaal meer en meer, hoewel hij alle moeite +deed om de fiets eene andere richting te geven. Dat wilde hem echter +niet gelukken. + +"Pas op, die lantaarn daar!" schreeuwde hij in angst Karel toe. + +Maar Karel kwam enkele meters achter hem aan, want Jan had hard +gereden, en hij was erg moê geworden. Karel verkeerde dus in de +onmogelijkheid om zijn vriend te helpen. + +"Grijp me dan toch!" schreeuwde Jan in grooten angst, want hij zag, dat +hij regelrecht koers hield naar den pas geverfden paal. Op 't volgende +oogenblik schaafde zijn wiel er tegen aan, en om niet te vallen greep +Jan, zonder er bij te denken, den paal met beide handen aan. O wee, +hij voelde het kleven van de verf. Daarom liet hij den paal dadelijk +weer los, maar merkte, dat hij ging vallen. Hij breidde daarom de +armen uit en klemde den groenen paal teeder aan zijn borst. Zelfs +zijn linker wang kwam er mede in aanraking. + +"Dat loopt best af!" riep Karel hem toe. Deze was hem spoedig genaderd, +trok de fiets een beetje achteruit, en riep: + +"Vooruit maar weer, Jan. 't Gaat opperbest. Nog tot jullie huis, +en dan mag ik terug weer." + +Hij wist niet, dat de paal geverfd was, en voordat Jan iets in 't +midden kon brengen, voelde deze zich alweer vooruit duwen. Met zijn +geverfde handen greep hij de handvatten van het stuur, en voort ging +het weer. + +En 't ging weer goed ook. Jan trapte als een dolleman. + +"Straks zal ik de handvatten wel afvegen," dacht hij. "Ik denk, +dat mijn kleeren ook wel vol verf zullen zitten. Die akelige paal +ook. Hoe kan de fiets er nu juist tegen aanrijden." + +O, wat slingerde Jan langs den weg. Soms reed hij haast tegen een +boom op, een oogenblik later scheelde het maar zus of zoo, of hij +reed in het kanaal. Maar toch bleef hij op den weg. De menschen, +die hij tegenkwam, maakten zich uit de voeten, en bleven hem dan +lachend nakijken. + +"Houd je roer recht, schipper!" riep de een hem toe. + +"Je lijkt wel dronken, jongen!" merkte een ander op. + +Jan lachte maar. Hij vond het verrukkelijk op de fiets, en had geen +oogen voor iets anders. Hij keek niemand aan, en staarde maar recht +voor zich uit op den weg. + +"Jongen, jongen, wat gaat dat echt," dacht Jan bij zichzelven. "Als +mij nu maar weer niet iets in den weg komt." + +Zwaaiende en zwierende fietste Jan verder. + +Toen hij even zijne oogleden ophief, om te kijken, of de weg vrij +bleef, zag hij in de verte iemand naderen. + +"Wacht," dacht hij, "nu zal ik toch eens zien, of ik hem niet kan +passeeren, zonder tegen hem aan te bommen. Maar die akelige fietsen +lijken wel altoos juist den verkeerden kant op te gaan." + +Weer hief hij eventjes de oogleden op. + +De man was al een heel stukje naderbij gekomen. + +"Nu zal het er op aankomen," dacht Jan. + +Hij omklemde de handvatten van het stuur nog krampachtiger dan te +voren en trapte wat hij kon. Voortdurend hield hij den man in het +vizier, tot hij opeens tot zijn schrik zag, dat het Dries was, die +van het schoorsteenvegen bij den molenaar terugkeerde. Wat was Dries +veranderd, en niet in zijn voordeel, want hij zag zoo zwart als een +neger en zijn kleeren zaten vol roet. + +"Hu, wat een roetmop," dacht Jan. "Maar ik zal hem wel +misrijden,--wacht maar. Ik begin het sturen al aardig te leeren.--Hola, +wat een zwier maakte ik daar!--O jé, het kanaal,--daar ga ik!" + +Maar neen, met inspanning van al zijn krachten wierp hij het stuur om, +en het gevaar was geweken. Jantje reed verder. + +Dries stond midden op den weg lachend naar hem te kijken. + +"Wil je een nat pak halen, Jan?" riep hij hem plagend toe. "Aanstonds +ga je kopje-onder het kanaal in." + +"Uit den weg! Ga uit den weg!" schreeuwde Jan, die tot zijn schrik +bemerkte, dat hij regelrecht op Dries aanhield. + +"Berg je, menschen, berg je!" spotte Dries. Maar hij ging toch een +beetje op zijde, om Jan te laten passeeren. + +'t Hielp echter niet. + +Nauwelijks was Dries van plaats veranderd, of Jan merkte, dat de fiets +daar rekening meê hield en weer regelrecht koers hield naar Dries. + +"Op zij! Op zij!" schreeuwde Jan. + +Maar op 't volgende oogenblik bonsde hij tegen Dries aan. Jan sloeg +hem in de verwarring de armen om den hals, en klemde zich krampachtig +aan den zwarten schoorsteenveger vast. Zij wang kwam tegen de wang +van Dries terecht, die dadelijk iets kleverigs voelde. Dat was de +verf van den lantaarnpaal, die Jan op zijn gezicht had. + +O, wat lachte Dries. + +"Wel, wel, houd je zooveel van me, dat je me omarmen wilt?" vroeg +hij. "Dan zal ik je wel een handje helpen." + +En hij wreef met zijn zwarte gezicht tegen de wangen van Jan, precies +als eene moeder doet, die haar kindje knuffelt. + +"Daar dan! Is het zoo goed?" vroeg Dries, die schaterlachte van +de pret. + +De fiets was op den grond gevallen, en Jan hing nog aan den hals van +zijn plaaggeest. + +Karel trok de fiets weg en Jan liet zich op de grond zakken. Maar wat +zag hij er uit. Hij was zoo zwart als een moriaan, en 't leek wel, +of hij al de schoorsteenen van het dorp had geveegd. + +Hij werd braaf uitgelachen, en ging zoo spoedig mogelijk naar huis +om zich te wasschen. + +En zijn vader plaagde hem ook niet zoo'n beetje. + + + + + +Tiende Hoofdstuk. + + Hoe Flipsen zocht. + + +Frans Thor en Klaas Zwart hadden zich van lieverlede zeer nauw bij +elkander aangesloten, en waren boezemvrienden geworden. Eindelijk +waren zij samen een handeltje begonnen. Steeds kon men hen in elkanders +gezelschap vinden met een mand tusschen hen in, of ieder met een zak +op den arm of over den schouder. Dan trokken zij er op uit om vodden +en beenen te zoeken, die langs de wegkanten, bij huizen en schuren, +of in weilanden en boschjes verspreid lagen. En 't was inderdaad niet +weinig, wat zij vonden. Elken avond keerden zij met een goed gevulden +zak huiswaarts, en als de voorraad groot genoeg was, verkochten zij +dien aan den pottenschipper. + +De pottenschipper was een man, die eenzaam in een zolderschuit +leefde. Hij had vrouw noch kind op de wereld, en ging met niemand +om. De menschen hielden ook niet veel van hem, want het was bekend, +dat hij geen gunstig verleden achter zich had. En in elk geval had +hij een zeer ongunstig uiterlijk. Hij leefde van zijn handel in potten +en pannen, en ook kocht hij vodden en beenen op. + +Alles, wat Klaas Zwart en Frans Thor vonden, brachten zij bij den +pottenschipper, zooals hij algemeen werd genoemd. En zij ontvingen +er menig centje voor. Soms verkochten zij wel voor dertig à vijftig +centen in eene week, en al dat geld versnoepten zij. Of zij kochten +er sigaren voor, en rookten die op. + +Maar langzamerhand begon hun vondst kleiner te worden, want ze +hadden het geheele dorp al meermalen afgezocht. En eindelijk raakte +de voorraad uitgeput. + +Dat merkte de pottenschipper, en hij zei: + +"Wat hebben jullie een beetje, jongens. Ik geef voor dit zoodje niet +meer dan vijf centen. Je bent een paar groote domkoppen, dat moet +ik zeggen." + +"Domkoppen?" vroeg Frans. "Wij kunnen er toch niets aan doen, dat we +maar zoo weinig hebben? 't Heele dorp hebben we al meermalen afgezocht, +en er is eenvoudig niet meer. Ik zie niet in, dat wij daarom domkoppen +moeten zijn." + +"Neen," zei Klaas Zwart, "ik ook niet." + +De pottenschipper lachte slim. + +"Toch is het zoo," zei hij. "Toen ik nog een jongen was, wist ik +altijd wel aan een zakduitje te komen. Vond ik geen vodden en beenen, +dan wist ik wel wat anders te bemachtigen. Ha, ha,--als je maar slim +bent en zorgt, dat de menschen 't niet zien." + +Frans en Klaas keken hem vragend aan. + +De pottenschipper legde zijn wijsvinger tegen den neus, en knipoogde +tegen de jongens. + +"Och wat," zei hij, "als je 't slim weet te overleggen, is er nog +genoeg te vinden. Je behoeft me juist geen vodden te brengen, +jongens. Ik kan wel hemden, broeken, borstrokken en andere +kleedingstukken ook gebruiken. Er zijn menschen genoeg, die hun wasch +den geheelen nacht buiten laten liggen.--Ha, ha, ik zeg, als je maar +slim bent en er voor zorgt, dat de menschen je niet zien..." + +"Maar dat is stelen," zei Klaas Zwart. + +"Ja," zei Frans, "dat is stelen." + +De pottenschipper richtte zich op. + +"Zooals ik zeg, jongens, ik geef voor dit zoodje niet meer dan +vijf centen. 't Is maar een rommeltje. Voor goede kleedingstukken, +die nog gedragen kunnen worden, geef ik natuurlijk heel wat meer, +en voor ijzer, zink, lood en wat dies meer zij, wil ik je zelfs wel +guldens betalen in plaats van centen." + +"Ja, maar dat hebben we niet," zei Frans. + +"Als je wilt, is er genoeg te vinden," lachte de schipper weer. "Bij +den smid, bij den loodgieter, bij den timmerman, overal is wel wat +te snorren, als je maar goed uit je oogen kijkt en voorzichtig te +werk gaat." + +"Maar," herhaalden de jongens, die eerst niet goed begrepen, wat de +pottenschipper bedoelde, "dat is stelen..." + +"Ik zeg niet, dat je 't stelen moet," zei de schipper weer met een +listig knipoogje, "je moet die dingen vinden, jongens, je moet ze +eerlijk vinden. Alles wat je vindt, al is het ook nog zoo gek, wil +ik wel van je opkoopen. Als je er maar eerlijk aankomt..." + +De jongens gingen heen. + +Maar na dien tijd vermisten de menschen op het dorp telkens +kleinigheden. Van Dril raakte op voor hem onbegrijpelijke wijze +een nijptang kwijt, de loodgieter een soldeerbout, de timmerman +een hamer en een zaag, en vele huismoeders vermisten verschillende +kleedingstukken. Van de een waren kousen zoek, van een ander een hemd, +van een derde een nachtjapon, en zoo verder. + +Toch dacht men eerst niet aan diefstal. Van Dril vertelde het verlies +van zijn nijptang niet aan anderen, om de eenvoudige reden, dat hij +wel eens meer een of ander stuk gereedschap kwijtraakte. + +"Zeker hier of daar laten liggen," dacht hij. En spoedig was zijn +verlies vergeten. De knechts gingen wel eens meer slordig met het +gereedschap te werk, niet allen natuurlijk, maar enkelen. Op dezelfde +wijze dachten ook de andere menschen er over, die het een of ander +vermisten. + +Maar toen het winter werd en er lange, donkere avonden kwamen, +verdwenen er op geheimzinnige wijze allerlei voorwerpen uit +werkplaatsen en huizen, en 't werd zoo erg, dat de menschen er onder +elkander over spraken. + +"Er wordt bepaald gestolen," was de algemeene opinie. En menigeen +sloot 's avonds de deuren van huis en werkplaats zorgvuldiger dan +vroeger. De ondervinding leerde, dat wat men 's nachts buiten liet +staan, den volgenden morgen gewoonlijk verdwenen was. En niemand kon +er eenig vermoeden van krijgen, wie de dief was en waar de gestolen +voorwerpen belandden. + +Van Dril pruttelde tegen zijn knechts, als er weer 't een of ander +spoorloos verdwenen was, maar dezen verklaarden, dat zij het vermiste +voorwerp niet hadden laten slingeren. 't Was op geheimzinnige wijze +verdwenen. + +Eindelijk kwam een en ander den burgemeester ter oore, en hij liet +Flipsen bij zich komen. + +"Zeg Flipsen, heb je ook gehoord, dat er den laatsten tijd op 't dorp +gestolen wordt? Telkens worden kleinigheden van meer of minder waarde +vermist, en het waschgoed van de huismoeders ligt niet meer veilig +op de bleek." + +"Ja burgemeester, ik heb er ook van gehoord," zei Flipsen. + +"En heb je al eens hier en daar gesurveilleerd?" vroeg de burgemeester. + +"O ja, al meermalen, maar tot nog toe is het mij niet gelukt, den +dader op 't spoor te komen." + +"Zoo, 't is een gek geval. Ik begrijp ook niet, wie de dief zou +kunnen zijn. Voor zoover ik weet, wonen er enkel knappe menschen op +het dorp. Waar zouden die gestolen voorwerpen toch allemaal blijven?" + +"Ik denk in de stad, burgemeester. Daar wonen wel menschen, die +gestolen goederen opkoopen. Ik vermoed, dat zij in den nacht naar +Amsterdam worden vervoerd..." + +"Dan zou ik eens een oog in 't zeil houden, wie bij nacht of +ontijd daarheen gaat, Flipsen. 't Is best mogelijk, dat je gelijk +hebt. In elk geval is het hoog tijd, dat de dief gesnapt wordt. De +menschen dienen in 't rustige bezit te kunnen blijven van 't geen +hun eigendom is. Zoolang ik hier burgemeester ben, is er van geen +dieverij sprake geweest, en wij moeten het kwaad zoo spoedig mogelijk +den kop indrukken." + +Flipsen sloeg op militaire wijze aan, en zeide: + +"Ik zal m'n best doen, burgemeester. 't Zal aan mij niet liggen, +als de dief niet gesnapt wordt." + +"Dat is goed, en daar vertrouw ik ook op." + +Met eene handbeweging gaf de burgemeester Flipsen zijn afscheid, +en deze was vastbesloten zijn uiterste best te doen, om den dief te +ontdekken. Maar dat het moeilijk zou gaan, stond bij hem vast. + +Den geheelen avond liep hij buiten het dorp te loeren, of ook iemand +zich verwijderde in de richting van Amsterdam,--maar tevergeefs. Alles +was en bleef rustig op het dorp. 't Was dan ook een koude, gure avond, +en de menschen bleven liever bij de warme kachel. Flipsen zag den +geheelen avond geen levende ziel buiten, en hij liep te bibberen van +de koû. 't Was al haast elf uur geworden, en nog stond hij trouw op +zijn post. Eindelijk hoorde hij in de verte iets naderen. + +"Wacht," dacht hij, "nu zal het komen." + +Hij verschool zich achter een boom. + +'t Geluid kwam nader. Duidelijk hoorde hij, dat het een wagen was. + +"'t Is een hondenkar," prevelde Flipsen. "Ik denk, dat ik den dief op +het spoor ben. De gestolen voorwerpen worden zeker met een hondenkar +naar Amsterdam gebracht." + +"Halt!" riep hij plotseling, want het voertuig was hem nu genaderd. + +De man, die op de kar zat, schrok er niet weinig van, en sprong +dadelijk van den wagen. Maar zijn stok hield hij opgeheven, want hij +dacht niet anders, of hij had met een aanrander te doen. + +Flipsen sprong van achter zijn boom te voorschijn. + +"Wie ben je,--en waarheen ga je?" vroeg hij op bevelenden toon. + +"O, Flipsen, ben jij het?" vroeg de man van de hondenkar. "Kerel, +is me dat laten schrikken. Ik dacht waarlijk met..." + +"'t Doet er niet toe, wat jij denkt," viel Flipsen norsch in. "Ik +vraag, wie je bent,--maar dat zie ik nu al,--en waar je heengaat." + +"Wel, ik ben Dirk Kroeze, de slager, en ik ga naar Amsterdam. Daar +steekt toch niets achter, zou ik zeggen?" + +"Juist, Kroeze, de slager. Wat heb je in dien wagen?" + +"Twee doode schapen, anders niet," was het antwoord. "Ik ga ze +naar Amsterdam brengen, waar ze met een dood schaap altijd wel raad +weten. Nu er zoo'n strenge keuring is op het vleesch, worden doode +beesten altijd 's nachts de stad ingevoerd. Vroeger gebeurde dat +overdag. Zie je, dat is het eenige verschil..." + +Kroeze was een derderangs-slager. Hij kocht bij de boeren de doode +beesten op, die andere slagers niet hebben wilden, en wist daarmede het +brood te verdienen voor zich en zijn gezin. En de kroegbazen kregen +er ook rijkelijk hun deel van, want Kroeze maakte veel misbruik van +sterken drank. Hij was dikwijls dronken. + +Flipsen was den wagen genaderd en bekeek den inhoud. + +"Denk je soms, dat ik een dief ben?" vroeg Kroeze een beetje +beleedigd. "Ik verdien op eerlijke manier mijn brood, man, en ik heb +mijn vingers nog nooit uitgestoken naar een andermans goed. Of weet +jij iemand te noemen, die iets op Kroeze te zeggen heeft?" + +"Neen," zei Flipsen. "Maar er wordt tegenwoordig gestolen op 't dorp, +en 't is meer dan tijd, dat wij den dief vinden." + +"Ach zoo, is dàt de zaak?" zei Kroeze. "Dan is het goed, hoor, en +kijk mijn wagen maar na. Je hebt gelijk, er wordt tegenwoordig meer +gestolen, dan mij lief is. Verleden week ben ik mijn beste mes uit +de slagerij kwijt geraakt, en nog een zwaren vleeschhaak op den koop +toe. Ik heb m'n hoofd gek gezocht om ze terug te vinden, maar jawel, +ze zijn weg en ze blijven weg. En ik zal ze wel nooit terugzien, +vrees ik." + +"Dat vrees ik ook," zei Flipsen. "Je kunt wel verder gaan, Kroeze, +ik heb er het mijne van gezien. Goeden avond." + +"Ook goeden avond," zei Kroeze. Hij duwde de kar voort, en riep: + +"Allo, honden, kssssss, kssssss! Vooruit zeg 'k! Allo!" + +Hij sloeg met zijn stok tegen den wagen. + +De honden, die tijdens het onderzoek op den weg waren gaan liggen, +richtten zich met tegenzin op, en trokken den wagen voort. Maar 't ging +Kroeze niet hard genoeg. Hij maakte veel lawaai met zijn stok, en riep: + +"Ksssss! Ksssss! Allo, Allo! Vooruit honden. Kssssss!" + +Een oogenblik later sprong hij op den wagen, en weldra was hij in de +duisternis verdwenen. + +"Dat was mis!" mompelde Flipsen, huiverend van de koude. Hij trok +den kraag van zijn jas en zijne schouders omhoog, en bleef geduldig +wachten. Maar toen er na een uur nog niemand gekomen was, besloot +hij naar huis te gaan. + +Den volgenden avond was hij echter weer op zijn post, want hij +was iemand, die zijne plichten trouw nakwam. Als hij zich eenmaal +voorgenomen had, dit of dat te doen, was hem geen moeite te veel, +en stoorde hij zich aan koude noch warmte. + +Maar hoe hij zich ook inspande, het gelukte hem niet, den dief +te snappen. Daarom besloot hij de wacht te houden op den weg, die +naar Haarlem voerde. Avond aan avond verschool hij zich op eenigen +afstand buiten het dorp, maar alweer tevergeefs. Hij vond van den +dief geen spoor. + +"Dan zal ik gedurende enkele avonden in het dorp zelf eens goed +uitkijken. Wie weet betrap ik den dief dan niet op heeterdaad," +dacht hij. + +En zoo deed hij ook. + +Zoodra het donker geworden was en in de huizen overal de lichten +opgestoken waren, verliet Flipsen zijn woning, om over de +veiligheid van zijne medeburgers te waken. Eerst begaf hij zich +naar verschillende werkplaatsen, van welke het hem bekend was, dat +er al meermalen voorwerpen vermist waren. Hij vond ze echter alle +zorgvuldig gesloten. De menschen waren, door de ondervinding geleerd, +al voorzichtiger geworden. + +Eindelijk bemerkte hij, dat er achter het huis van de weduwe Butter +eenig waschgoed op een bleekveldje lag. + +"Wacht," dacht hij. "Hier zal ik mij ergens verschuilen. Waschgoed +is den laatsten tijd ook dikwijls ontvreemd." + +Achter het schuurtje stond, naast het bleekveld, een groote ton, waarin +het regenwater, dat van het schuurtje in de goot kwam, opgevangen +werd. Achter die ton maakte Flipsen zich zoo klein mogelijk. Geduldig +wachtte hij, of de dief komen zou. + +Dat gebeurde echter niet. Toen hij een half uur in zijne gebogen +houding had doorgebracht, kon hij bijna niet blijven zitten van de +pijn, die hij in zijne beenen kreeg. Voorzichtig richtte hij zich +een weinigje op. + +Alles bleef stil in den omtrek. + +Flipsen gaf echter den moed nog niet verloren. + +En waarlijk, eer er een tweede half uur voorbijgegaan was, hoorde +hij eenig gerucht. + +Hij richtte zich op en keek over de ton. + +Ha, daar zag hij een gestalte, die haastig naar het bleekveld ging +en vliegensvlug enkele kleedingstukken bij elkaar greep. + +Met een vluggen sprong kwam Flipsen op de gestalte af. + +"Ha, dief, daar heb ik je!" schreeuwde hij in de vreugde zijns harten, +nu hij eindelijk in zijn pogingen geslaagd was. + +Een hevige gil was het antwoord. Flipsen hoorde, dat het een +vrouwenstem was, hetgeen hem verwonderde. + +Met groote snelheid liep hij op de gestalte af, en greep haar bij +den schouder. De onbekende sloeg de armen ten hemel en slaakte een +tweeden, hartverscheurenden gil. + +"Wie ben jij?" beet Flipsen haar toe. + +Er kwam geen antwoord. De schrik verlamde als het ware haar tong. + +"Hoor je me niet? Wie ben jij?" herhaalde Flipsen. + +"O,--ik ben--ik ben Trijntje--de meid.--O, wat een schrik!" + +"Trijntje--de meid?" vroeg Flipsen spijtig. "Ik dacht, dat jij de +dief was. Waarom laat je dat waschgoed ook buiten liggen?" + +"Ik--de dief!" riep het meisje uit, half schreiende van schrik en +half lachende van blijdschap, nu zij bemerkte, dat zij met geen +spoken te doen had. Want Trijntje geloofde nog aan spoken. "Ja,--dat +zei de juffrouw ook, dat ik het waschgoed niet mocht laten liggen, +en daarom ging ik het nog maar gauw eventjes halen. Hè--hè--ik beef +over mijn heele lijf van den schrik..." + +Flipsen ging zonder groeten heen. Het speet hem, dat hij zich ten +tweeden male vergist had. + +Maar het meest speet het hem, dat hij den volgenden dag moest +vernemen van den burgemeester, dat er bij den molenaar tien meelzakken +gestolen waren en dat er bij Legels, een herbergier, een mandje met +ledige flesschen verdwenen was. Flipsen begreep daaruit, dat hij in +een geheel verkeerde richting had gezocht. Hij wist er, zooals men +dat wel noemt, geen touw meer aan vast te knoopen, en hij verdiepte +zich in gissingen, wie toch wel de brutale dief kon zijn. Het trok +zijn opmerkzaamheid, dat het altijd kleinigheden waren, die gestolen +werden, en dat er nooit sprake was van inbraak. Langzamerhand vestigde +zich de overtuiging bij hem, dat de dief geen man, maar een jongen +moest zijn. En hij besloot voortaan in die richting te zoeken. + +Jan Trom merkte op, dat Flipsen hem telkens onderzoekend aankeek, +als hij hem tegenkwam. Eens, toen hij met zijn bokkenwagen bij Van +Dril vandaan kwam, schoot plotseling Flipsen op hem af, en vroeg hem: + +"Waar kom jij vandaan?" + +"Van Van Dril," zei Jan. + +"Zoo,--wat heb je daar gedaan?" + +"Eventjes in de smederij gekeken," was het antwoord. + +"Stap eens uit je wagen!" gebood Flipsen. + +Jan gehoorzaamde dadelijk, niet weinig verwonderd, wat dit alles wel +te beduiden had. + +Flipsen doorsnuffelde het geheele karretje. Het bankje bestond uit een +bak met een plankje er op als deksel. Flipsen lichtte dat plankje op +en keek, wat er zich in den bak bevond. Maar hij zag niets verdachts. + +"'t Is goed," zeide hij. "Je kunt wel weer gaan." En Jan ging. + +Dienzelfden middag kwam Flipsen Frans Thor en Klaas Zwart tegen. Hij +zag ze uit het schoolboschje komen. De school werd door drie boschjes +elzenhout omringd, die te zamen altoos het schoolbosch werden +genoemd. Tusschen die boschjes in lagen vrije strooken gronds, die +tot speelplaats dienden. + +Frans en Klaas droegen een mand tusschen zich in. Elk hield een +oor vast. + +"Daar is Flipsen," zei Klaas Zwart. Hij voelde zich nooit bizonder +op zijn gemak, als hij den politiedienaar zag. Geen wonder trouwens, +want hij en zijn makker hadden al menig diefstalletje op hun geweten. + +"Ja, dat zie ik," zei Frans. "'t Hindert niet; laat hem komen." + +Zoodra Flipsen deze jongens zag, schoot hem dadelijk de gedachte +door het hoofd, dat zij wel eens de schuldigen konden zijn, want zij +liepen altoos overal te "schuimen," zooals Flipsen dat noemde. En +'t verwonderde hem, dat hij al niet eerder aan deze twee knapen had +gedacht. Met groote schreden liep hij op hen af, en 't scheen wel, +of zijne scherpe oogen hen wilden doorboren. + +Klaas Zwart werd er bang van en keek een anderen kant op, wat Flipsen +niet ontging. + +"Waar komen jullie vandaan?" vroeg hij barsch. Hij boog zich voorover +en hield zijn blik stijf op Klaas Zwart gericht. Klaas werd er bleek +van, en zijne stem hokte hem in de keel. + +"Uit het boschje," zei Frans, die niet zoo bang was als Klaas. + +"En wat deed je daar?" + +"Wij zoeken beenen en vodden," gaf Frans ten antwoord. En hij hield de +mand een weinig naar voren, om er Flipsen in te laten kijken. Deze +wierp er een blik in en zag, dat er inderdaad enkele beenderen +in lagen. + +"Vind-je die in het schoolboschje?" vroeg Flipsen verwonderd. "Hoe +komen die daar dan?" + +"Misschien door de honden, die er daar aan kluiven, omdat het er +een rustig plekje is," zei Frans. "Wij vinden er daar maar zelden +een. Eigenlijk is er op het geheele dorp bijna geen beentje meer te +vinden, want wij hebben alles al meermalen afgezocht." + +"Zoo," zei Flipsen. "Ja, aan alles komt een einde. En aan wien verkoop +je dien rommel?" + +"Och," zei Frans, "aan voddenkoopers..." + +"En aan den pot..." zei Klaas. Maar Frans viel hem in de rede: + +"Aan voddenkoopers uit Haarlem, die hier wel met hondenwagens komen." + +"Ja, ja," zei Flipsen. "Houd jij je mond nu maar eens. Wat wou jij +straks zeggen, Klaas Zwart? Aan den pot..." + +"Dat heb ik niet gezegd," loog Klaas. "U heeft me verkeerd verstaan. Ik +zei: aan de vod.... Maar toen viel Frans mij in de rede." + +"Juist,--juist," zei Flipsen met een onmerkbaar lachje om zijne +lippen. "Nu jongens, zoekt maar goed. Er zal hier of daar nog wel +wat te vinden zijn." + +Hij liet de jongens staan en ging naar huis. Maar hij lachte inwendig +van pret, want hij twijfelde niet, of hij was thans de daders wel +degelijk op het spoor. + +"De pottenschipper," mompelde hij tusschen de tanden. "Ja, ja, die +jongen verklapte het leelijk: de pottenschipper is de opkooper. Wacht +maar, zij zullen mij niet ontsnappen..." + +Frans en Klaas gingen zwijgend verder. Het korte onderhoud met den +veldwachter had hun eenigen schrik aangejaagd. Na een poosje zei Frans: + +"Stommerd!--Jij had de heele zaak daar bijna verklapt." + +"Ja," zei Klaas angstig. "Maar ik geloof niet, dat hij het verstaan +heeft. Zou je denken, dat hij me verstond?" + +"Dat weet ik niet," zei Frans, "'k Geloof haast van niet, maar toch +moeten wij voorzichtig zijn. We dienen ons een poos althans rustig +te houden. Ik vertrouw Flipsen niet." + +"Ik ook niet," zei Klaas met een zucht. "Als hij me maar niet verstaan +heeft. _Pot_ lijkt erg veel op _vod_. Zeg Frans, ik ga naar huis; +ik heb geen zin meer in het zoeken." + +"Ga dan," zei Frans. + +Zoo scheidden de jongens. + +Flipsen lette na dien dag zorgvuldig op de zolderschuit van den +pottenschipper. Hij twijfelde er niet aan, of den een of anderen dag +zou het raadsel nu wel worden opgelost. + +Maar dagen en zelfs enkele weken gingen voorbij, en Flipsen bleef +even wijs, als hij was. De pottenschipper leefde even eenzaam en +verlaten in zijn schuit als altoos, en Frans en Klaas zag Flipsen er +nooit heengaan. + +Doch,--en dit trok zijne opmerkzaamheid, er werd niet meer gestolen +ook op het dorp. En dat was hem een troost. + + + + +Elfde Hoofdstuk. + + De bestorming van het sneeuwkasteel, en eene heldendaad + van Jan. + + +'t Was in het begin van December. De winter was vroeg ingevallen, +en het vroor, dat het kraakte. Eerst had het geducht gesneeuwd, +tot groot vermaak van Jan Trom en zijne makkers. Ha, wat hadden zij +gesneeuwbald! De kogels vlogen de jongens om de ooren. Toen hadden zij +bedacht op het marktplein een fort op te werpen. Dat was een heel werk +voor hen, want zij waren maar niet tevreden met een opgeworpen hoogte +van sneeuw, neen, zij wilden een mooi fort hebben met schuin afloopende +kanten, met torens op de hoeken en kanteelen daartusschen. 't Leek, +toen het klaar was, veel meer op een kasteel dan op een fort. De +jongens vonden het prachtig, en zij werkten er aan met een ijver en +toewijding, zooals die alleen bij jongens gevonden kan worden. + +Eindelijk was het kasteel klaar, en nu besloten zij, zich in twee +gelijke troepen te verdeelen. De eene helft zou het kasteel aanvallen, +de andere zou het verdedigen. + +Aan de twee vrienden Jan Trom en Karel van Dril viel eene groote +onderscheiding ten deel. Jan Trom werd namelijk verkozen tot +bevelhebber van het sneeuwslot, en Karel tot aanvoerder van de +vijanden. + +"Eventjes wachten, jongens!" riep Jan zijn makkers toe. "We moeten +twee vlaggen hebben, voor elke troep één." + +"Ja, best!" zei Karel. "Maar weet je, wat het ergste is? Alle vlaggen +zijn rood, wit en blauw, en 't is niet aardig, als onze vlaggen +hetzelfde zijn." + +"O, daar weet ik wel raad op. 't Kasteel is een Hollandsch slot, +dus daar zetten we de nationale vlag op, dat spreekt vanzelf. Als +jij nu je vlag onderst-boven aan den stok bindt, lijkt hij heel veel +op de Duitsche vlag. Jullie stelt dan het Duitsche leger voor, dat +een inval doet op Hollandsch grondgebied. Zeg jongens, dat kan leuk +worden, zou ik meenen." + +Dit voorstel vond algemeen goedkeuring, en Jan en Karel haastten +zich naar huis, om eene vlag te halen. Binnen tien minuten waren zij +terug. De Hollandsche vlag werd op den hoogsten toren van het kasteel +geplant, en Karel benoemde een van zijne soldaten tot vaandrig. Jan +en zijne krijgers maakten een ontzaglijken voorraad sneeuwballen, +die achter de kanteelen werden opgestapeld, maar ook de Duitsche +veldheer maakte zich zijn tijd ten nutte. Eindelijk waren beide +partijen slagvaardig. + +De Duitschers omringden het fort aan alle kanten, en wachtten op het +sein om aan te vallen. Karel, als bevelhebber, ging met den vaandrig +aan zijn zijde naar het fort, en riep de bezetting toe: + +"Hallo! Hei daar!" + +"Werda!" antwoordde Jan Trom, wiens bovenlijf boven den gekanteelden +muur verscheen. "Wat is er van uw begeeren." + +"In naam van mijn meester, den Keizer van Duitschland, eisch ik dit +kasteel op," was het antwoord van Karel. "Mijn soldaten omringen het +van alle kanten, geef u dus goedschiks over, dan beloof ik vrijen +uittocht aan de manschappen. Zoo niet, wacht u dan voor de gevolgen." + +"Die komen voor mijne verantwoording. Dit slot behoort aan Koningin +Wilhelmina der Nederlanden, en zoolang ik leef, zal geen Duitscher +het binnenkomen. Dat is mijn antwoord. Leve de Koningin!" + +"Leve de Koningin!" juichten Jan's volgelingen. + +"Leve de Keizer!" riep Karel van Dril, en zijn krijgers herhaalden: + +"Leve de Keizer!" + +"Dan is het oorlog!" riep Karel zijn vriend Jan nog toe, terwijl hij +zich met zijn vaandrig verwijderde. + +"Oorlog op leven of dood!" schreeuwde Jan. + +Weldra vloog de eerste sneeuwbal over de muren van het kasteel, +en de belegerden keken hem lachend na. + +"Je moet beter mikken, mannetje!" riep Willem Kroeze, de zoon van +den slager. "Op deze manier!" + +En hij wierp den Duitschen bevelhebber heel netjes zijne pet van het +hoofd, tot groot vermaak van de andere Hollanders. + +Maar toen kwam er een regen van kogels op het kasteel af. De Hollanders +moesten zich zelfs achter de kanteelen verbergen, want de Duitschers +ontzagen hen niet. Zij wierpen uit alle macht, en de ballen kwamen +hard aan, als zij raakten. + +"Hoera, zij worden bang!" riep Karel zijne mannen toe. "Allo, allo, +beklimt de muren, en werpt den vijand naar beneden." + +'t Werd een geweldige bestorming. Van alle kanten schoten de vijanden +toe, en behendig klauterden zij tegen de hoogte op. + +Maar Jan zag het gevaar. + +"Zij wagen eene bestorming, jongens! Geeft ze de volle laag!" riep +hij. Zijn bevel werd uitgevoerd, en de Duitschers werden haast +onder de sneeuw bedolven. Sommigen kregen oogen, mond en neus vol, +zoodat zij hoestend en proestend het hazenpad moesten kiezen, en +anderen kregen een flinken voorraad tusschen den kraag van hun jas, +zoodat het water hun over den rug liep. Weldra was de storm met glans +afgeslagen. De Duitschers trokken zich terug. De vaandrig liep zelfs +wel wat erg hard voor 't mooi. Hij viel met vaandel en al voorover +in eene greppel, tot groot vermaak van de Hollanders. + +"Het Duitsche vaandel valt!" riepen zij lachend. "Dat is een goed +voorteeken. Hoera! Leve de Koningin!" + +"Kijk ze eens loopen!" riep Jan, wiens oogen schitterden van +opgewondenheid. "Die storm is afgeslagen, jongens, en tot een tweeden +zullen zij zoo spoedig wel niet overgaan." + +Dat was ook zoo. Er werd zelfs geen bal meer gegooid. Karel hield +met zijn makkers krijgsraad, want het was hem gebleken, dat het niet +gemakkelijk zou gaan het fort te veroveren. + +"Wat dunkt je, jongens," zei hij, "als we met ons allen eens +op één punt een zóó geweldig vuur openden, dat de kanteelen in +puin vallen? Dan zijn de belegerden ongedekt en vinden nergens +beschutting. Als we ze dan de volle laag geven, kunnen zij het +onmogelijk uithouden." + +"Ja, ja, dat is goed. De kanteelen moeten we wegkogelen," zei de +vaandrig, "en dan wil ik wel eens zien, of ze 't volhouden." + +"Afgesproken!" zei Karel. "Hierheen, jongens, aan dezen kant hebben we +de sneeuw maar voor 't grijpen. Zeg, weet je, wat we in ons voordeel +hebben?" + +"Wat dan?" + +"Wel,--wij kunnen zooveel sneeuwballen maken, als we willen, maar +hun voorraad raakt eenmaal uitgeput. En dan kunnen zij niets meer +beginnen." + +"Dat is waar, ha ja, dat is waar!" lachten de Duitschers. + +Op 't volgende oogenblik openden zij een zoo geweldig bombardement +op de kanteelen, dat deze het werkelijk kwaad te verantwoorden +kregen. Hier en daar begonnen zij al spoedig af te brokkelen en +in te storten, tot groote vreugde van de vijanden, die soms even +ophielden om hunne vingers in den mond te steken,--want die werden +erg koud,--en dan maakten zij tevens van de gelegenheid gebruik, +om een oorverdoovend gejuich aan te heffen. Onder 't sneeuwballen +gunden zij zich daar den tijd niet toe. + +Inderdaad kreeg de bezetting het kwaad te verantwoorden. + +Maar Jan toonde zich iemand van groote veldheerstalenten. Hij zag +niet alleen het gevaar, dat hem dreigde, maar hij doorzag ook de +bedoeling van zijne vijanden. + +"Jongens," riep hij zijne soldaten toe, "als we de kanteelen niet +behouden, zijn we verloren. Neemt de schoppen en werpt op elke bres +een nieuwen muur op. Maar slaat de sneeuw stevig in elkander, zoodat +de kogels er geen vat op hebben. Weest echter voorzichtig, want als +je een bal tegen je gezicht krijgt, dan ben je--zuur!" + +De soldaten lachten smakelijk om deze laatste uitdrukking, maar zij +begrepen de bedoeling van hun aanvoerder toch zeer goed, en gingen +dadelijk met ijver aan 't werk. Een deel van hen wierp de bressen +dicht, en zij zorgden er voor, dat de sneeuw goed in elkaar geslagen +werd, zoodat zij een harde koek vormde,--een ander deel maakte nieuwe +sneeuwballen, waarvoor zij het fort als het ware onder hunne voeten +moesten afbreken, en de rest bekogelde den vijand. + +Al spoedig verstomde daar het gejuich, want 't was duidelijk, dat de +pogingen om de gekanteelde muren te vernietigen, schipbreuk zouden +lijden. Zoodra was het den Duitschers niet gelukt een bres in den +muur te schieten, of op 't volgende oogenblik waren wel tien handen +gereed om het gat weer te stoppen. De vijanden waren verder van de +overwinning dan ooit, en zij werden er moedeloos onder. Hun ijver +verflauwde, het bombardement werd minder hevig, en eindelijk trokken +zij af om opnieuw krijgsraad te beleggen. + +Wat de Hollanders juichten! + +Zij zwaaiden met hunne mutsen, en riepen: + +"Hoezee! Leve de Koningin! Hoezee!" + +Zij waren echter wel blij, dat zij nu ook een poosje rust kregen, +want de strijd was hevig geweest, en zij waren erg vermoeid. + +"Ik kan haast niet meer," zei Willem Kroeze. + +"Ik ook niet," zuchtte Jacob Boors. "En wat zijn mijne vingers +koud. Ze tintelen!" + +Hij kreeg haast tranen in de oogen van de pijn, die ze hem deden. + +"Steek ze een poosje in je mond, en blaas dan hard. Dan worden ze +wel weer warm," zei Jan Trom. "Zeg jongens, wat hebben we ons goed +gehouden, hè? Als we oppassen, krijgen zij ons fort nooit. Kijk ze +'t eens druk hebben. Ze houden zeker weer krijgsraad." + +"Laat ze maar!" zei Tines Wobbe. "We zullen ze ontvangen, zooals het +behoort. Weg met de Duitschers!" + +"Weg met de Duitschers!" riepen ze allen, en weer zwaaiden ze met +hunne hoofddeksels. + +"En leve de Koningin!" juichte Jan Trom. + +"Ja, ja, leve de Koningin!" riepen allen. + +Na een paar minuten werd de krijg hervat. De vijanden waren tot +het besluit gekomen, eene nieuwe bestorming te wagen. In gesloten +rijen liepen zij op het fort toe, en opnieuw probeerden zij tegen +den schuinen kant op te klauteren. Maar weer werden zij lang niet +malsch ontvangen. + +Een hagelbui van sneeuwballen begroette hen, en de verdedigers wierpen +schoppen vol losse sneeuw over hunne hoofden uit. + +Maar Karel wilde niet opnieuw wijken. + +"Sterven of overwinnen!" riep hij zijne volgelingen toe, en hij +klauterde moedig omhoog, zich niet storende aan de projectielen +der belegerden. + +Zijne soldaten, aangevuurd door zijn geestdrift, volgden hem met +mannenmoed. Ha, daar had Karel den gekanteelden muur bereikt, en +reeds richtte hij zich op om victorie te roepen, toen Jan plotseling +op hem toesprong, en hem pardoes achterover naar beneden wierp. + +"Weg met de Duitschers!" schreeuwde hij. + +Karel was veel gauwer beneden, dan hij boven gekomen was. Eerst keek +hij een oogenblik beteuterd rond, maar toen hij zag, dat zijne soldaten +voet bij stuk hielden, bestormde hij de vesting opnieuw. 't Was een +verwoede aanval, en de belegerden konden niet dan met de uiterste +inspanning stand houden. Met ongebreidelde geestdrift drongen de +Duitschers op hen in, maar de een na den ander werd van de borstwering +afgeduwd en naar beneden geworpen. Daar werden zij haast onder de +sneeuw bedolven, die hun bij schoppenvol nageworpen werd. + +Eindelijk deinsden de Duitschers af. Zij waren opnieuw afgeslagen. Maar +het fort verkeerde in een deerniswaardigen toestand, want om zich te +verdedigen waren de Hollanders genoodzaakt geweest, zich den grond +onder de voeten weg te spitten. De torens helden dientengevolge sterk +over naar den binnenkant van het slot, en dreigden elk oogenblik in +te storten. Ook de muren geleken wel bouwvallen. Maar nog wapperde +de Hollandsche vlag fier van den hoofdtoren. Jan was daar trotsch op, +en hij prees zijne soldaten om den betoonden moed. + +"Maar mijne vingers vallen haast af van de kou!" zei Tines. + +"Dat doet er niet toe!" riep Jan hem toe. "Zoolang de vlag nog van +den toren wappert, is er niets verloren, al hadden wij geen van allen +meer een vinger over! Leve de Koningin!" + +"Leve de Koningin, en weg met de Duitschers!" schreeuwden zij om +het hardst. + +"Dat is niet om uit te staan!" riep Karel zijne soldaten toe. "Komt +jongens, opnieuw aangevallen, en niet gerust, voordat het fort ons is!" + +De vijanden bestormden den burcht opnieuw, en de aanval was zoo +mogelijk nog verwoeder dan de vorige. + +"Nu of nooit!" schreeuwde Karel, die zich op en top krijgsman voelde. + +"Sterven of overwinnen!" antwoordde Jan Trom, en de jongens vochten +van weerskanten als leeuwen. + +Eindelijk gelukte het Karel ten tweeden male op het fort te komen, +vlak bij den hoofdtoren. Maar Jan en zijne soldaten wierpen zooveel +sneeuw tegen zijn hoofd en schouders, dat hij zijn evenwicht verloor +en tegen den toren viel. Deze was echter al zoo bouwvallig, dat hij +den schok niet meer kon weerstaan en instortte. De vlag der Hollanders +verdween van hare hooge standplaats. + +"De toren stort in!" riep Willem Kroeze. + +"De vlag duikt!" schreeuwden de Duitschers. + +"Hoera! Hoera!" + +Karel lag te spartelen onder de sneeuw in het fort, want de toren +had hem half bedolven. De Hollanders sprongen op hem aan en grepen hem. + +"Een gevangene! Een gevangene!" juichten zij. "De bevelhebber is +gevangen! Weg met de Duitschers! Leve de Koningin!" + +De Duitschers, ontsteld door het gevangennemen van hun Commandant, +deinsden af, maar spoedig kwamen zij terug met het stellige voornemen, +hun hoofdman te verlossen. + +Het kasteel was nu een puinhoop geworden. De torens waren ingestort, +en van de gekanteelde muren was geen spoor meer overgebleven. De +belegerden waren thans geheel ongedekt aan het vuur der vijanden +blootgesteld, en het maken van nieuwe sneeuwballen, of zooals zij +zeiden het gieten van nieuwe kogels was hun zoo goed als onmogelijk +geworden, omdat de sneeuw, waarop zij stonden, door de soldaten als +het ware tot een harden koek was vastgestampt. Met hunne schoppen +moesten zij de sneeuw omspitten om kogels te kunnen gieten. + +En toen kwam een nieuwe storm. De vijanden klauterden als katten +tegen den muur op, en de belegerden hadden geen middelen meer om +hen te keeren. Zij vochten nog wel als leeuwen en wierpen menigen +Duitscher naar beneden, maar tevergeefs. Het fort was verloren. Voor +en na verschenen de vijanden op de hoogte, en eindelijk moest Jan +zich overgeven. + +"Hoera! Hoera!" riepen Karel en zijn mannen. "Het kasteel is ons! Leve +de Keizer!" + +De Hollandsche vlag, waarvan de stok gewoon in de sneeuw gestoken +was, daar de torens totaal verdwenen waren, werd omvergeworpen, +en de vijandelijke vlag kwam er voor in de plaats. + +"Leve de Keizer!" juichten de Duitschers, en zij zwaaiden met hunne +mutsen. + +"Goed, goed!" zei Jan. "Maar wat heb je nu? Wat is er van het kasteel +overgeschoten? Een puinhoop, meer niet. Veel pleizier er mede." + +"Ja, ja, dat is waar!" zei Karel. "Jelui hebt je kolossaal goed +gehouden, dat moet ik zeggen.--Hè, hè, jongens, dat was een mooi +spelletje!--'t Is nu tijd om naar huis te gaan. Doen we het morgen +weer?" + +"Ja, ja!" werd er van alle kanten geroepen. "Dat is afgesproken." + +Zingende verlieten vriend en vijand het marktplein, om naar huis te +gaan. Zij hadden heerlijk gespeeld en dachten er nog lang daarna met +pleizier aan. Zij waren vast besloten, den volgenden dag een nieuw +kasteel te bouwen en den strijd te hervatten. + +Maar den volgenden morgen merkten zij al dadelijk, dat het niet +kon. 't Had namelijk dien nacht verbazend hard gevroren, en 't +was daardoor onmogelijk geworden sneeuwballen te maken. De sneeuw +wilde niet pakken. Zij vonden dat wel erg jammer, maar daarentegen +verheugden zij er zich weer in, dat het zoo hard gevroren had, en +zij hoopten, dat het ijs spoedig sterk zou worden. De twee kanalen, +die in het hart van het dorp elkander kruisten, lagen al dicht. De +jongens wierpen er steentjes op, om te zien, of zij er doorheen konden +gooien, maar dat konden zij niet. Alleen klinkers gingen er ongeveer +voor de helft doorheen. + +Zij vermaakten zich nu met glijbanen te maken en daar in lange risten +overheen te glijden. De grond werd hier en daar spiegelglad. Opeens +bedachten zij, dat het nu prachtig zou glijden langs de helling +buiten het dorp, bij het fort, waar Jan met zijn automobile den +veldwachter bij ongeluk van de been gereden had. En nauwelijks hadden +zij dat bedacht, of zij snelden er heen. Ha ja, ze hadden zich niet +bedrogen. De helling was er prachtig voor geschikt, en er lag dik +sneeuw. Spoedig was het er zoo glad, dat men er haast niet op de beenen +kon blijven staan, en als de jongens eenmaal op de helling waren, +mòèsten zij verder, of zij wilden of niet. Zij vonden het meer dan +verrukkelijk, en wisten van geen ophouden. 't Was een koddig gezicht, +als een van hen het ongeluk had te vallen. Dan buitelden allen, die +achter hem kwamen aanglijden, hals over kop over hem heen, en werd +het een levende berg van jongens. + +Menigeen riep dan au, au! en sommigen kwamen erg in de verdrukking, +maar daarom werd niet getreurd. Een volgend oogenblik gleed de geheele +rij weer met statie verder, en 't ging vliegensvlug. + +'t Was al laat, eer de jongens thuiskwamen, en voordat zij de deur +instapten, wierpen zij eerst nog een blik op het hemelgewelf om +te zien, of de lucht naar vorst stond. En dat deed ze gelukkig. De +sterretjes fonkelden aan den hemel, en er was geen wolkje aan te zien. + +Dien nacht vroor het kolossaal! Toen Jan 's morgens zijn neus buiten +de bedgordijnen stak, zag hij al dadelijk, dat de bloemen dik op de +ruiten stonden. + +"De pomp is bevroren!" riep zijn vader van uit de keuken. "Jongen, +jongen, wat een vorst. 't Is buitengewoon! Zeg Jan, nog één nachtje +zoo, en we kunnen schaatsenrijden. Dan is het kanaal sterk genoeg. Maar +vandaag nog voorzichtig wezen, hoor, 't kan nog niet vertrouwd zijn." + +"Ja Vader," zei Jan. + +Hij was van nature geen waaghals. Niet, dat hij bang was, in het +geheel niet, maar hij vond het dwaasheid zijn leven roekeloos in +gevaar te stellen. Toch waren er wel jongens, die zich al op het kanaal +waagden. Voorzichtig, voetje voor voetje, liepen zij het ijs op, dat +door een sterk gekraak waarschuwde om terug te gaan. De waaghalzen +hoorden het wel, en als het heel erg kraakte, bleven zij even +stilstaan, maar spoedig gingen zij weer verder. Tines Wobbe bereikte +zelfs de overzijde van het kanaal, waar hij niet weinig trotsch op was. + +'s Middags na schooltijd liep Jan met zijn vriend Karel van Dril het +dorp in, en kwam bij de drie bruggen. Zij zagen, dat het water daar +nog open lag. Dat was bijna altoos zoo in den winter. Alleen als het +lang bleef vriezen, werd het daar ook sterk genoeg, om er over te +loopen. Zij stonden er een poosje naar te kijken, toen plotseling +hunne aandacht werd getrokken door Frans Thor, die een vuilen hond +vervolgde. Hij wierp het beest met steenen. 't Was een broodmager +beest, dat er vreeselijk vervuild uitzag. De jongens herkenden dadelijk +Fik in hem, den hond van den orgeldraaier Klaas Touw. + +"Houdt hem! Houdt hem!" riep Frans hun toe. + +"Een heldendaad van Frans," zei Jan tot Karel. "Hij kan geen hond +met rust laten." + +"Houdt hem! Houdt hem!" riep Frans nog eens. + +De hond was nu op het midden van de brug. Jan en Karel deden, of zij +Frans niet hoorden. Maar juist kwam Klaas Zwart van den anderen kant +de brug op. + +"Houd hem, Klaas!" riep Frans zijn vriend toe. "Jaag hem op!" + +"Ja,--ja!" was het antwoord. En met zijn armen zwaaiende en onder +een luid geschreeuw joeg hij het verhongerde beest terug. + +Spoedig kwam Fik nu Frans weer tegen, en deze joeg hem ook terug. De +dierenkwellers hadden braaf schik in den angst van den hond, die, +naarmate de jongens elkander naderden, meer in het nauw gedreven +werd. Eindelijk wist het arme dier geen raad meer, en toen het +probeerde om langs de beenen van Frans te ontsnappen, op gevaar af +een schop van dien jongen te krijgen, gaf deze hem een duw, waardoor +hij van de brug af in het water viel. + +Wat hadden Frans en Klaas een pret. En hoe vermaakten zij zich met +de wanhopige pogingen van het dier om zich te redden. + +De lantaarnopsteker, die op zijn laddertje stond, om de lantaren schoon +te maken en de peer van de lamp te vullen, was er verontwaardigd over, +en hij riep de jongens toe, dat zij zich schamen moesten. Hij klom +naar beneden en zag, hoe het beest tevergeefs poogde zich te redden. + +"'t Is meer dan schandelijk!" riep de man nog eens. "'t Beest is +onherroepelijk verloren. Wie zal het wagen, het te redden? Wie het +doet, loopt groot gevaar om zelf te verdrinken. Zulke dierenbeulen!" + +Ook Jan en Karel zagen met smart de pogingen van den armen hond, om +zich te redden, 't Was duidelijk, dat het beest verdrinken moest. Eene +hevige verontwaardiging maakte zich van Jan meester, en ook Karel +vond het eene schandelijke daad. + +Fik zwom in het breede wak rond, nu hier, dan daar pogingen doende, +om op het ijs te klimmen. Maar dit was te glad. Telkens gleden zijn +pootjes uit en zakte hij in het water terug. + +Jan kon het niet langer aanzien. + +"Mag ik dat laddertje gebruiken?" vroeg hij aan den +lantaarnopsteker. Zonder antwoord af te wachten, lichtte hij de haken +los, waarmede het aan den paal bevestigd was, en liep er mede naar +den kanaalkant. + +"Niet doen, Jan, niet doen!" riep Karel hem toe. + +Maar Jan antwoordde niet. + +"Dàn zal ik je helpen!" hernam Karel, en hij voegde zich bij zijn +vriend. Maar deze stond al op het ijs. + +"Blijf daar, Karel, ik ben lichter," zei Jan kortaf. + +Hij schoof het laddertje voor zich uit en naderde behoedzaam het +wak. Al was Jan nòg zoo mager, en al woog zijn lichaampje nòg zoo +licht, toch liet het ijs, dat bij de brug erg dun was, een dreigend +gekraak hooren. Jan liet er zich echter niet door weerhouden. Bedaard +ging hij verder, half steunende op het laddertje, dat hij met kleine +stootjes voortduwde. + +"Fik! Fik!" riep hij den hond toe. + +Het beest zag hem komen. Met verkleumde pooten zwom het in het +ijskoude water. Het jankte van vreugde.... Bijna kon het zich niet +meer bewegen. Het uiterste einde van het laddertje had het begin van +het wak bereikt. + +Vele menschen verzamelden zich langs de brugleuning, en met angstige +spanning volgden zij de bewegingen van den knaap. Ook Jan's vader +was op de brug. Zijne oogen waren geen seconde van zijn dapperen +jongen af. Ha, hoe verheugde hij zich over deze kranige daad van zijn +kind. Hij was trotsch op hem! + +Jan keek op noch om. Al zijne gedachten waren op één punt gericht, +namelijk, dat het zijn plicht was den armen hond te redden. Op handen +en knieën kroop hij behoedzaam verder. + +Het ijs boog door. Er kwam water op. De ladder werd nat. Maar Jan +keerde niet terug. Hij zag, dat de hond op 't punt was van verdrinken. + +Nog een sport,--daarna nog een.... + +Hij legde zich lang-uit op de ladder. Zijne kleêren werden nat. Toen +strekte hij den arm uit, en met een krachtigen greep trok hij den +hond uit het wak. Verkleumd bleef het dier liggen. + +Jan durfde zich niet omkeeren. Hij wist bijna zeker, dat het ijs +dan breken zou. Zoo voorzichtig mogelijk kroop hij achteruit, +langzaam--langzaam verder. Den hond trok hij meê. + +Eindelijk had hij het achtereinde van het laddertje bereikt en moest +hij op het ijs stappen. Maar daar was het niet zoo erg zwak meer. De +hond kwam eenigszins tot zichzelven. Bevend op zijne pooten liep het +dier naar den walkant. Daar hielp Karel het omhoog, tegen den walkant +op. Eindelijk had ook Jan den oever bereikt.... + +En op 't zelfde oogenblik klonk een daverend handgeklap hem in +de ooren. De menschen, die gezien hadden, welk heldenstuk hij had +verricht, verbraken de stilte en juichten hem toe. Jan kreeg er een +kleur van. En zijn vader drong door het volk heen en drukte hem in +zijn armen. Hij had er zoowaar tranen van in de oogen. + +"Ben je erg nat?" vroeg Dik. + +"Haast niet, Vader," zei Jan. "Ik ga met Karel den hond even +thuisbrengen, want hij kan bijna niet loopen." + +"Goed, goed," zei Dik, "maar dan direct droog goed aantrekken." + +Jan en Karel vertrokken met den verkleumden hond, en de menschen +vervolgden hun weg. Met lof werd over Jan gesproken. Iedereen had er +den mond vol van. Maar de dierenbeulen Frans en Klaas waren stilletjes +afgedropen. + +Het huisje van Klaas Touw, den orgeldraaier, stond een weinigje +achteraf, aan een achterweg. De jongens hadden het spoedig bereikt. Zij +deden de deur van het armoedig hutje open en traden binnen. + +Mietje zat bij de tafel. Zij zag er bleek en mager uit, en hare oogen +keken de jongens droevig aan. De bedsteêdeuren aan den achterkant +van het kamertje stonden open, en de jongens zagen, dat Klaas Touw +te bed lag. Hij was ziek. + +"Hier is uw hond, Mietje," zei Jan, die den hond in de kamer liet +loopen. "We hebben hem uit het water gehaald. Hij lag in het wak bij +de brug." + +"Neen, _wij_ niet, maar Jan heeft hem er uitgehaald," zei Karel, +die zijn vriend om diens heldendaad bewonderde. "Met levensgevaar +heeft hij hem gered." + +"Zoo,--arme Fik," zei Mietje. "Was hij maar verdronken." + +"Waarom?" vroegen de jongens als uit één mond. Zij waren niet weinig +verwonderd over die woorden. + +"Waarom? Wel, dan was hij meteen uit zijn lijden. Klaas is ziek, +en hij zal wel zoo gauw niet beter wezen, zegt de dokter. We hebben +zelf niet eens te eten, hoe zal ik dan voor den hond zorgen?" + +De jongens keken de vrouw zwijgend aan. En hun blik dwaalde door +het armoedige vertrek en naar het bed van den zieke. Zij zagen ook, +dat er geen vuur was in de oude kachel, en dat de bloemen dik op de +ruiten stonden. + +"En uw orgel dan?" vroeg Jan na een poosje. + +"Dat is weggehaald, omdat wij de huur ervan niet betalen konden," +zei Mietje, en zij kreeg de oogen vol tranen. "Wij lijden armoê, +jongens, erger dan ik het zeggen kan." + +De jongens wisten niet veel te zeggen, maar zij kregen diep medelijden +met die arme menschen. + +"Weet je wat, Mietje," zei Jan. "Morgen is het ijs wel sterk. Ga dan +met een tentje op het ijs staan, om melk en koek te verkoopen." + +Vrouw Touw lachte droevig. + +"Hoe moet ik aan melk komen?" zei ze met een zucht. "En aan chocolade +en suiker en koek? Wie zal mij dat alles borgen?" + +"Mijn vader wel," zei Jan beslist. "Ik ga het hem vragen. Ga je mee, +Karel?" + +De jongens liepen op een drafje naar huis. En toen Jan verteld had, +hoe het met den orgeldraaier en diens vrouw gesteld was, zei Dik: + +"Zeker wil ik helpen, jongen! Ga maar aan Mietje zeggen, dat ik haar +alles wil voorschieten, wat zij noodig heeft." + +"Hoera!" riep Jan. "Wat is u toch goed, Vader. En mogen ze een paar +oude stoelen hebben, en wat palen en een paar banken?" + +"Ja," zei Dik lachend, want het verheugde hem, dat Jan en Karel zich +zoo druk maakten om een paar arme menschen te helpen, die in nood +verkeerden. "Maar weet je, wat in de eerste plaats noodig is? De +stakkers hebben niets in huis, zelfs geen brandstof om de kachel +te stoken. Span je bok voor den wagen, en breng er dadelijk flink +wat turven naar toe. Ik zal dan meteen een en ander uit den winkel +inpakken, zoodat ze van avond wat te eten hebben ook." + +"Ja, ja,--ik met den bokkenwagen, en Karel met de automobiel! Dat +zal leuk wezen." + +'t Was intusschen al donker geworden, en de sterretjes begonnen al +weder aan het hemelgewelf te flonkeren. + +Jan en Karel hadden het druk, want zij maakten van Dik's mildheid +een ruim gebruik. De automobile werd volgestapeld met turven en +kachelblokjes, en in het bakje van den bokkenwagen kwamen verscheidene +zakjes met levensmiddelen. Dik wist wel, wat het meest noodig was. + +Toen de jongens wegreden, keken Dik en Anneke hen lachend na, en Dik +herinnerde zich op dat oogenblik weer levendig, hoe hij zich als kind +op een donkeren avond geheel alleen op weg begeven had, om aan de +heks op den achterweg, die ook in nood verkeerde, levensmiddelen te +brengen. En hij voelde zich gelukkig, dat hij zulk een goed kind had. + +In het hutje van de twee arme menschen heerschte dien avond groote +blijdschap. Jan en Karel werden hartelijk door den orgeldraaier en +diens vrouw bedankt. + +"Morgen zullen we een tent voor u bouwen, Mietje," zei Jan. "En Vader +wil u al het noodige voorschieten, om alles te kunnen inslaan. Wacht +maar, u zal eens zien, hoe 'n mooie tent wij zullen maken." + +De jongens keerden naar huis terug. De bok liep met opgetrokken +pooten, want hij vond de bevroren sneeuw erg koud, en hij was +er slecht over gestemd, dat hij zijn warm plaatsje bij den hit +had moeten verlaten. Karel draaide lustig aan het wiel van de +automobile. "Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf klonk het achter den bokkenwagen. De +beide lantarens gaven een helder licht, en de jongens vonden het een +prettig tochtje. Zij spraken af, den volgenden morgen vroeg op te +staan en dan ijverig te gaan bouwen aan de tent. Met een prettig +gevoel in hun borst keerden zij in huis terug. Zij voelden zich +tevreden en gelukkig. + + + + + +Twaalfde Hoofdstuk. + + Een goede daad, een vroolijke dag en een treurige morgen. + + +Wat was Jan Trom vroeg wakker. 't Was nog maar kwart over zessen, +toen hij uit zijn bed stapte. Zijn vader werd er wakker van, toen +Jan de luiken opende. + +"Wie is daar?" vroeg Dik. + +"Ik Vader," zei Jan. "Weet u niet meer, dat we eene tent zouden bouwen +voor Mietje van Klaas Touw. De bloemen staan weer dik op de ruiten. 't +Heeft bepaald erg hard gevroren." + +"Zeker wel," zei Dik. + +Jan was spoedig aangekleed. Hij opende de provisiekast en nam er een +paar sneden brood uit, die hij gebruikte met een glas melk. Daarna +verliet hij het huis, om zijn vriend te gaan wekken. Nauwelijks was +hij vertrokken, of ook Dik stapte zijn bed uit. Hij was bang, dat het +bouwen van een ijstent de krachten der jongens te boven zou gaan, en +daarom wilde hij gereed zijn om zoo noodig een handje te kunnen helpen. + +Karel van Dril was al op, toen Jan hem kwam roepen. + +"Wat is het koud, hè?" zei Karel huiverend. + +"Ja, erg koud," zei Jan. "Maar wij zullen ons wel warm werken. Om +negen uur moet de tent klaar zijn, want dan gaat de school aan en +moeten wij binnen zijn." + +"Ja," zei Karel. "Ik ben klaar, Jan. Zullen we gaan?" + +"Goed." + +De jongens gingen naar buiten. Lange, dunne palen namen zij op de +schouders en droegen die naar het ijs. Het kanaal was dicht bij hun +huis. Zij hadden den weg maar over te steken om het te bereiken. Een +goed plaatsje was spoedig gevonden. Zij besloten de tent te bouwen +vlak voor den winkel van Dik Trom. Een paar malen liepen zij heen en +weer om alles te halen, wat zij noodig hadden. + +Daarna gingen zij aan het werk. + +Eerst moesten er met een bijl gaten in het ijs worden gemaakt. Jan +begon te hakken. O, wat was het ijs hard. De splinters spatten hem +bij elken hak om de ooren, en rinkelend vlogen zij een eind ver over +de gladde ijsvlakte. + +'t Was een zwaar werkje. Al spoedig had Jan geen last meer van de koû, +en hij merkte, dat het niet gemakkelijk zou gaan, een gat in het ijs +te hakken. Hij zuchtte zoo hard, dat Karel er om lachen moest. + +"Toe maar, hak maar raak," zei hij. "Ik zal wel voor je zuchten." + +Jan begon te wanhopen, of hij er wel mee klaar zou komen. Maar +eindelijk toch zakte zijn bijl door het ijs. Het water drong er +doorheen. Nog een paar slagen, en het schotsje was los. Met de bijl +wipte hij het stuk ijs omhoog. + +"Zie zoo, dat is er één," zei hij. "Nu den paal er in." + +"Doe jij dat maar, dan zal ik intusschen het tweede gat hakken," +zei Karel. Hij nam de bijl, en trok aan 't werk. Op dit oogenblik +kwam Dik Trom aanstappen. Hij kwam eens kijken, of de jongens het +klaar zouden spelen. + +"Gaat het goed?" vroeg hij. + +"Best, Vader," zei Jan. "O, maar wat is dat ijs hard. Ik kan er bijna +niet doorheen slaan met de bijl." + +"Ja, dat dacht ik wel. Daarom kwam ik juist even kijken. Maar ik zie +wel, dat mijn hulp niet noodig is. Hoeveel palen moeten er in?" + +"Wij dachten van zeven," zei Karel. "'t Zou met minder kunnen, maar +als het dan wat hard gaat waaien, is de tent niet sterk genoeg." + +"Je hebt gelijk," zei Dik. "Wel, wel, wat is dat ijs gl...." + +"Glad," wilde hij zeggen, maar zoover kwam hij niet, want plotseling +gleden zijne beenen onder hem weg, en viel de dikke Dik met een +geweldigen bom op het ijs. Het ging zoo snel en onverwachts, dat hij +eerst niet wist, wat er gebeurde. Het ijs kraakte niet zoo'n beetje, +en er kwam een groote ster in. + +Gelukkig bezeerde Dik zich niet, en de jongens konden er dus naar +hartelust om lachen. Doch zij gunden zich daar niet veel tijd toe, +want zij moesten hard werken om op tijd klaar te komen. Om de beurt +hakten zij een gat in het ijs, en toen Dik koud werd, hakte hij er +ook een. De tent schoot flink op. Aan drie kanten werden er zeilen +aan de palen bevestigd, en de vierde kant bleef natuurlijk open. Om +acht uur waren zij met hun arbeid gereed. Toen repten zij zich naar +huis, om een oude tafel, wat afgedankte stoelen en een paar banken te +halen. Ook namen zij ieder eene vlag mêe, en die werden aan de twee +voorste palen bevestigd. Om half negen was de tent kant en klaar. Dik +was al lang naar huis, want hij zag, dat de jongens zijne hulp best +konden ontberen, en hij vond het een prettiger idee voor hen, dat +zij de tent geheel alleen bouwden. Toen om half negen Mietje op het +ijs verscheen, sloeg zij van verbazing de handen in elkaar, en zij +was wat grootsch op de mooie tent, die de jongens voor haar hadden +gemaakt. En alles was gereed. Zij had er om zoo te zeggen zóó maar +in te stappen. Alleen moest zij nog melk koken en de noodige koeken +bij den bakker bestellen. De arme ziel wist geen woorden te vinden, +om de jongens te bedanken voor alles, wat zij voor haar en haar zieken +man hadden gedaan. + +"Hoe is het met Klaas?" vroeg Jan. + +"Nog hetzelfde," was het antwoord. "Hij ligt nu al vier weken te +bed, en ik zie niet den minsten vooruitgang. Maar hoe zou dat ook +kunnen? Wij zijn te arm, om de versterkende middelen te kunnen koopen, +die zijn verzwakt lichaam noodig heeft, want hij is door en door +verzwakt, zegt de dokter." + +"Nu, wie weet, hoeveel u vandaag nog verdient," zei Karel. "En hoe +is het met Fik?" + +"O, die is weer geheel en al in orde. Hij houdt den baas +gezelschap. Die moet natuurlijk den heelen middag alleen in huis +blijven. Maar hij zal zich wel redden. Ik zal de tafel bij zijn bed +schuiven en alles, wat hij noodig heeft, daarop klaar zetten. Vóór +twee uur van middag behoef ik niet in de tent te staan, en om vijf +uur kan ik wel al weer thuis zijn. Dan wordt het donker en gaan de +schaatsenrijders naar huis. Dus langer dan een uur of drie, vier is +hij niet aan zijn lot overgelaten. O jongens, wat redden jullie me +heerlijk uit den nood; je weet niet, hoe dankbaar ik ben." + +"Dat is niet noodig, Mietje. We hopen, dat je vandaag nu maar +flink geld verdient. Maar 't wordt voor ons tijd om naar school te +gaan. Vanmiddag zullen we wel vacantie krijgen, denk ik, nu het zulk +mooi ijs is." + +"'t Is te hopen," zei Karel. "Hè, wat heb ik een zin om te gaan +rijden." + +"En ik!--Dag Mietje, tot vanmiddag!" + +De jongens gingen naar huis. Het gebruikte gereedschap namen zij mee, +en eenige minuten later stapten zij de school binnen. Zij dachten +dien morgen meer aan het mooie ijs, dan aan de lessen. + +Mietje was intusschen druk in de weer om alles voor den middag in +gereedheid te brengen. Bij den bakker bestelde zij een groot getal +ijskoeken, die ook wel dikke Pieten werden genoemd, eene lekkernij, +waar de jongens verzot op waren, en die de meisjes ook wel lustten. Dik +Trom had aan den bakker gezegd, dat hij voor de goede betaling borg +stond. Ook gaf Dik de noodige chocolade en suiker, en mocht zij bij +Wobbe op zijne rekening zooveel melk bestellen, als zij dacht noodig +te hebben. Mietje vloeide over van dankbaarheid. + +"Zorg nu," zei Dik, "dat alles er netjes en zindelijk uitziet in je +tent, en maak de kopjes telkens schoon, als er uit gedronken is. De +menschen hebben een hekel aan vuile koppen en schotels." + +Dik wist wel, dat Mietje niet aan overdreven zindelijkheid leed. + +"Daar zal ik voor zorgen," zei Mietje. + +Van een kastelein had zij de noodige koppen en schotels geleend. Zoo +werd Mietje door de hulp van verschillende menschen, die medelijden +met haar hadden, netjes ingespannen, en om één uur stond zij al in +hare tent, gereed om de gasten te ontvangen. + +Jan en Karel hadden goed geraden. Dien middag kregen zij inderdaad +vacantie. Dat gaf eene vreugde. Onder een luid gejoel verlieten de +kinderen de school, om te gaan eten. Sommigen gunden zich daar haast +den tijd niet eens toe, zoo verlangden zij om op 't ijs te komen. + +Om een uur krioelde het al van jongens en meisjes op de baan, en Mietje +kreeg het al aardig druk in hare tent. Jan en Karel waren er ook. Hun +eerste gang was naar Mietje, want zij wilden graag de eersten zijn, +die wat bij haar kochten. En Mietje zag er wat helder uit. Van Anneke +had zij een grooten huishoudboezelaar gekregen, die hare armoedige +plunje geheel bedekte. Ook de kopjes waren helder gewasschen, en +'t zag er gezellig bij haar uit. Jan en Karel zagen met genoegen, +dat zij het verbazend druk kreeg. Dat was trouwens geen wonder, want +zij was de eenige, wier tent geheel klaar was. Er waren er nog wel +verscheidene in aanbouw, maar gereed was er nog maar een, en dat +was de hare. Wat hadden de twee jongens er een pret in. Vroolijk +zwierden zij op de baan heen en weer, want zij konden goed rijden, +vooral Jan. Die kon al zwieren als de beste. Dat had hij van zijn +vader geleerd die ook een groot liefhebber van het ijsvermaak was. En +als zij een poosje gereden hadden, gingen zij uitrusten in de tent +van Mietje, die er recht gelukkig en tevreden uitzag, want zij kon +wel aan het bedienen blijven. + +"Dikke Pieten! Dikke Pieten!" riep Karel lachend zijne kameraden +toe. "Steekt er eens op, en legt er eens aan! Lekkere, versche dikke +Pieten! De mooiste ijskoeken van de wereld!" + +De jongens en meisjes lachten er om, en toen zij hoorden, dat Mietje +het zoo erg arm had en dat haar man ziek was, en daarbij vernamen, dat +Karel en Jan samen die mooie tent voor haar hadden gebouwd, kijk,--toen +wilde iedereen ook een steentje bijdragen om den nood der arme menschen +te lenigen, en wie wat koopen wilde, deed het daarom bij Mietje. + +Jan ging ook achter de tafel staan, en riep zoo hard hij kon: + + +"Heete melk en koude Jan, +Steekt er eens op en legt er eens an!" + + +De kinderen moesten er hartelijk om lachen, maar 't gevolg was toch, +dat de koeken als 't ware wegvlogen, en dat Mietje telkens een nieuwen +voorraad melk moest koken. Hare zaakjes gingen best, opperbest, en +zij ontving zooveel geld, als zij in haar heele leven nog niet bij +elkaar had gezien. + +Later op den middag kreeg zij het nog drukker. Toen kwamen de groote +menschen op de baan. Ook Dik Trom stapte met zijn schaatsen onder +den arm het ijs op. En even later verschenen de twee mannen, met +wie hij al van zijne vroegste jeugd af trouwe vrienden was geweest, +namelijk Piet van Dril, de smid, en Jan Vos, de metselaar. In de +tent van Mietje bonden zij de schaatsen onder. Dik trakteerde eenige +jongens, die dicht in de nabijheid stonden, op dikke Pieten, en even +later zwierde het drietal lustig over de baan. Wat kreeg deze meer en +meer een vroolijk aanzien. De andere tenten waren nu langzamerhand ook +gereed gekomen, en de vlaggen wapperden vroolijk in den wind. En wat +kwamen er een menschen op het ijs! 't Werd er hoe langer hoe voller, +en soms, als de menschen erg dicht op een hoop stonden, gaf het ijs +een geweldigen krak, zoodat iedereen er van schrikte en men ijlings +uit elkander stoof. + +De baanvegers hadden weinig te doen, want het ijs was spiegelglad. Des +te meer tijd hadden zij om geld op te halen. + +"Een centje voor den baanveger!" klonk het hier. "Een centje voor den +baanveger," klonk het daar. 't Leek wel, of de baanvegers uit den bodem +van het kanaal opstegen, zooveel kwamen er. Maar de schaatsenrijders +genoten volop, en zij hadden een gulle bui. Dik Trom, wiens winkel +thans verreweg de grootste was van het geheele dorp, zoodat hij veel +geld verdiende en van nabij met den toestand der baanvegers bekend was, +liet menig dubbeltje in de handen der baanvegers overgaan. Hij was +niet gierig, en als hij wist, dat hier of daar armoede geleden werd, +was hij altoos bereid om te helpen. Hij was dan ook verbazend bemind +onder zijne dorpsgenooten. Iedereen had een vriendelijk woord voor +hem over, en niemand passeerde hem zonder een groet. + +"Dag Dik!" werd er overal geroepen, waar hij voorbij reed. "Dag +Dik! Dat is nog eens een echt ouderwetsch dagje, hè?" + +'t Was vreemd, maar Dik werd op het dorp nog bijna door iedereen Dik +genoemd. Zelden zeide men Trom tegen hem. + +Hij kon mooi schaatsenrijden, veel mooier, dan men van zoo'n +dikken man verwacht zou hebben. Als hij goed aan het zwieren was, +had hij aan de breede baan niet genoeg, neen, dan gebruikte hij +wel de halve breedte van het kanaal. En 't was grappig om te zien, +als Jan achter hem aanzwierde. Dik had altoos een ijsstok bij zich, +met aan elk einde een knop. Soms hield Dik het eene einde onder den +arm, en Jan het andere, en dan zwierden zij samen zoo kolossaal, +dat de menschen bleven staan om er naar te kijken. En 't was een +grappig gezicht, dien dikken Dik en dien mageren Jan samen aan den +stok te zien zwieren. Iedereen lachte er om, en Dik zelf ook.... Ha, +wat was Jantje dan grootsch. Dan reed hij zoo prachtig beentje-over, +dat Karel van Dril er jaloersch op was. + +Het drukste punt van de geheele ijsbaan was, waar de tent van Mietje +stond. Karel en Jan zagen met onbeschrijflijk veel genoegen, dat hare +tent nooit leeg was. Altijd zaten er menschen op de stoelen of banken, +om uit te rusten, en iedereen gebruikte wat bij haar. De koek was om +drie uur al uitverkocht, maar melk had zij in overvloed. Haar zak +was zwaar van de centen, die zij ontvangen had, en steeds kwam er +meer bij. Iedereen wilde haar helpen in den nood. Alleen de andere +tenters waren er een beetje boos om, maar toch niet heel erg, want +het was zóó druk op de baan, dat ook zij een heel goeden dag maakten. + +Frans Thor en Klaas Zwart waren ook aan het schaatsenrijden, maar de +andere jongens ontweken hen zooveel mogelijk. Zij wilden 't liefst +niet met hen te maken hebben. + +Eindelijk begon de schemering te vallen, en de drukte op het ijs +verminderde gaandeweg. Vele boerenjongens en -meisjes moesten naar +huis, om de koeien te melken en het vee te voederen, en langzamerhand +zakten ook de anderen op huis af. Jan en Karel waren onder de laatsten, +die vertrokken. + +"Kunnen we je helpen, om een en ander naar huis te brengen, +Mietje?" vroegen zij. Want zij hadden zich nu eenmaal voorgenomen, +Mietje zooveel zij konden terzijde te staan. + +"Neen, jongens, dank je vriendelijk," was het antwoord. "De kopjes +en schoteltjes doe ik in een sleetje en neem ik meê naar huis. Maar +den vuurpot en den ketel laat ik van nacht hier maar staan. Dat wordt +anders maar heen- en weer sjouwen voor niemendal." + +"En heb-je goede zaken gemaakt?" vroegen de jongens blij, want zij +wisten wel, hoe het antwoord zou zijn. + +"Goede zaken?"--Of ik!" zei Mietje, en zij klopte met hare hand +op den zak, die onder haar boezelaar hing. De jongens hoorden een +rinkelend geluid. + +"Allemaal centen, Mietje!" plaagde Jan. "Dat beschiet niet veel." + +"Allemaal centen?" herhaalde Mietje, terwijl zij een flinken +greep in den zak deed, en den inhoud van hare hand op de tafel +uitstortte. "Allemaal centen? Kijk eens, een dubbeltje, weer een, hier +nog een, een kwartje, nog een kwartje, daar nog een dubbeltje,--neen, +neen, als het nog een paar dagen mag blijven vriezen, ga ik den winter +zonder zorg tegemoet.--En dat heb ik alles aan jelui te danken,--en +aan je vader, Jan." + +Zij deed het geld weer in den zak, pakte alles wat meegenomen moest +worden, in de slede, schoof de tafels en stoelen zooveel mogelijk in +elkaar en ging naar huis. + +"Zeg aan je vader, dat ik vanavond met hem kom afrekenen," zei ze +nog tegen Jan. "Ik heb vandaag wel zooveel verdiend, dat ik mezelf +verder redden kan. 't Is een pak van m'n hart, jongens." + +Jan en Karel gingen recht vergenoegd naar huis. De lucht zag er wel +naar uit, dat het weer geducht vriezen zou. + +'s Avonds kwam Mietje inderdaad met Dik afrekenen en zij deelde hem +mede, dat zij wel meer dan twintig gulden had verdiend. Dik was er +recht blijde om, en hij gaf Jan een knipoogje, of hij zeggen wilde: +"Zie je, Jan, dat is het werk van jou en je vriend. Je hebt eene +goede daad gedaan." + +Vol vreugde keerde Mietje naar haar hutje terug. Klaas en zijne vrouw +hadden zich in langen tijd niet zoo gelukkig gevoeld. + +Helaas, de blijdschap van Mietje zou al spoedig in verdriet +veranderen. Toen zij den volgenden morgen in de tent kwam, om alles +voor den middag in orde te brengen, want het had weer sterk gevroren, +bemerkte zij tot haar grooten schrik, dat de ijzeren pot, dien zij +van Van Dril te leen had gekregen, en de mooie koperen ketel, dien +De Vries, de kastelein, haar ten gebruike had afgestaan, verdwenen +waren. Eerst meende zij nog, dat de andere tenters een grapje hadden +willen hebben en een en ander hadden weggehaald, maar dat bleek niet +zoo te zijn. Die menschen vermisten ook voorwerpen, die zij in de +tenten hadden achtergelaten, en zij waren erg boos en terneergeslagen. + +"'t Is eene schande," zei er een. "Ik dacht zóó, dat de diefstallen +ten einde waren, en nu komen zij ons armoedje nog wegstelen." + +"Ja, 't is eene schande," zei een ander. "De politie doet hier ook +niets. Maar ik ga naar den burgemeester om mij te beklagen. 't Is +verregaand, dat er niets meer veilig is op 't dorp." + +"Ik ga meê," riep een derde. + +"En ik! En ik," zeiden de anderen. + +En te zamen verlieten zij het ijs, om naar den burgemeester te gaan +en hem te zeggen, dat er verschillende voorwerpen uit de tenten +ontvreemd waren. + +Mietje kreeg de tranen in de oogen. Al hare verdiensten waren weer +weg, want zij moest de gestolen voorwerpen natuurlijk vergoeden, dat +begreep zij zeer goed. Allereerst ging zij naar Van Dril, om hem te +zeggen, wat er gebeurd was. + +"Dat is verregaand!" riep hij uit. "'t Wordt hoog tijd, dat de dieven +gesnapt worden, want zóó kan het niet langer. Maar jij, arme ziel, +behoeft de schade niet te lijden. Hier staat nog een andere pot met +toebehooren. Gebruik dien maar, doch laat hem 's nachts niet meer op +het ijs staan. Alles, wat je in de tent gebruikt, moet je vanavond +opbergen. Anders heb je kans, dat morgen alles weer verdwenen is." + +Mietje bedankte van Dril voor zijn goedheid, en begaf zich dadelijk +naar de Vries. Maar deze was lang zoo vriendelijk niet als de smid. Hij +werd zelfs onbillijk. + +"Daar heb je 't al," riep hij uit, toen Mietje hem het gebeurde had +verteld. "Dan leen je aan zulk volk je beste spullen, en in plaats, +dat zij er dankbaar voor zijn en er goed op passen, maken ze, dat +je ze nooit terugziet. Maar je zult me den ketel betalen, wat ik +je zeg! 't Was een beste, koperen ketel, een zware koperen ketel, +en ik laat hem maar niet goedschiks verdonkeremanen! Wie weet, wat +je er mêe uitgevoerd hebt." + +"Ik? Er mêe uitgevoerd?" zei Mietje schreiend. "Ach, wat heb ik er een +spijt van, dat ik hem niet meegenomen heb naar huis, gisterenavond, +maar de andere tenters lieten hun boeltje ook in de tent achter, +net zoo goed als ik. Wie kon ook denken, dat de menschen zoo slecht +zouden zijn, om ons armoedje weg te stelen." + +"Alles goed en wel, maar ik moet den ketel terughebben, of je zult +mij de schade vergoeden. Met minder dan vijf gulden ben ik niet +tevreden. 't Was een dure ketel, en nog zoo goed als nieuw!" + +"Vijf gulden?" stamelde Mietje verschrikt. "Vijf gulden, zegt u?" + +"Ja, vijf gulden minstens," was het antwoord. "Koper is duur." + +Verdrietig keerde Mietje naar de tent terug. Zij wist geen raad om +zich te helpen. + +"Wie zal mij weer een ketel leenen?" vroeg zij droevig. + +"Dat zal ik doen," zei Anneke. "Je kunt mijn ketel gebruiken, Mietje, +als je er maar voor zorgt, dat hij elken avond bij mij binnengebracht +wordt." + +"O, dat zal ik zeker," zei Mietje. "Een ezel zelfs stoot zich geen +tweemaal aan denzelfden steen." + +'t Ging als een loopend vuurtje door het dorp, dat de dief weer aan +den gang was geweest. En de burgemeester vond, dat er hoog noodig +een einde aan moest komen. Zoodra hij het gebeurde vernomen had, +liet hij dadelijk Flipsen bij zich ontbieden. Deze kwam direct, en +onderweg vernam hij al, wat er aan de hand was. Maar de burgemeester +vertelde het hem nog eens dunnetjes over. Flipsen hoorde hem zwijgend +aan; er speelde een bijna onmerkbaar glimlachje om zijne lippen. Hij +meende te weten, waar hij thans zoeken moest. + +"Je moet bij de tenters eerst gaan onderzoeken, welke voorwerpen door +hen worden vermist, en dan zoek je maar net zoo lang, tot je den dief +gevonden hebt," besloot de burgemeester. + +"Laat het maar aan mij over, burgemeester," zei Flipsen met een hooge +borst. "Ik zal het zaakje wel afwikkelen." + +Hij stapte op het ijs, en begaf zich met een zakboekje in de linker +en een potlood in de rechterhand van de eene tent naar de andere, +en overal vroeg hij, welke voorwerpen gestolen waren. Het bleek hem, +dat alle tenters hun ijzeren pot en grooten ketel hadden achtergelaten, +en dat die nu vermist werden. + +De tenters waren er bitter slecht over te spreken, en Flipsen moest +menig onaangenaam woord hooren. + +"Waarom heb je niet beter uitgekeken?" vroeg er een. "Je doet ook +niet veel voor den kost, Flipsen." + +En een ander merkte op: + +"Of wij politie op het dorp hebben of geen politie, dat komt op +hetzelfde neer. De dieven doen toch maar, wat ze willen." + +"'t Is jullie eigen schuld," gaf Flipsen ten antwoord. "Wie laat +zulke dingen bij nacht en ontijd ook buiten staan? Je bent te lui om +voor je spullen te zorgen, en als ze dan gestolen worden, krijgt de +politie de schuld. Zoo is het altijd. 't Is het oude liedje en anders +niet. Doch heb maar geduld. Dezen keer zul-je eens zien, dat Flipsen +wèl uit zijne oogen gekeken heeft, en terdege ook. Eer we een halven +dag verder zijn, heb ik de dieven gesnapt, want er is er niet één, +maar er zijn er twee." + +De menschen keken hem ongeloovig aan. + +"Twee?" vroegen ze. "Zijn er twee? Weet je dan, wie de daders zijn?" + +"Ik weet, wat ik weet," gaf Flipsen gewichtig ten antwoord. "En ik +zeg, hebt maar geduld. Je zult je verloren zaakjes spoedig genoeg +terug hebben, veel vlugger zelfs, dan je denkt." + +Flipsen keerde zich om en begaf zich regelrecht op weg naar--den +pottenschipper. De menschen zagen dat tot hunne verbazing, en ook zij +begaven zich naar de hun welbekende schuit, die niet ver van de tent +van Mietje aan den wal lag. Dat was hare vaste plaats. Een plank +lag van de schuit naar den walkant om te maken, dat de bezoekers +gemakkelijk op de schuit konden komen. + +Flipsen liep de plank over en deed het deurtje van de kajuit open, +die den pottenschipper tot woonvertrek diende. Eene warme lucht kwam +den veldwachter tegemoet. Hij zag dadelijk, dat de pottenschipper bij +een klein tafeltje zat met een pijpje in den mond. De rook dwarrelde +door het geopende deurtje naar buiten. + +"Goeden dag," zei Flipsen binnentredende. Zijne oogen dwaalden +onderzoekend in het kleine vertrekje rond. + +"Dag Flipsen," was het antwoord. "Kom binnen. Wat is er van je dienst?" + +"Dat zal ik je zeggen. Er zijn ijzeren potten en verscheidene ketels +gestolen uit de tenten, die op het ijs staan." + +"Is het waar?" vroeg de pottenschipper. En hij liet er op volgen: +"Wat zijn die menschen onvoorzichtig, om zulke dingen 's nachts te +laten staan. 't Is meer dan dom." + +"Dat is het," zei Flipsen. + +"Maar ik begrijp niet, wat _ik_ daarmede te maken heb," hernam de +schipper. "_Ik_ ben gelukkig geen dief, en heb ze niet gestolen." + +"Zoo--ja, dat kan wel," zei Flipsen, die wel een beetje in de +war raakte, toen hij den schipper zoo kalm zag zitten. De man was +blijkbaar in 't geheel niet geschrokken door zijn bezoek, wat Flipsen +toch stellig verwacht had. + +"Zoo--ja, dat kan wel," herhaalde hij. "En dat wil ik wel gelooven ook, +maar ik dacht, de pottenschipper is iemand, die vodden, beenen, oud +ijzer en dergelijke dingen opkoopt. Misschien kan hij me inlichtingen +geven, die me een beetje op weg helpen. Want die dieven moeten gevonden +worden, dat spreekt van zelf." + +"Juist, hoe gauwer, hoe beter," zei de pottenschipper. "Ik heb, +zooals je weet, heel wat potten en pannen boven op mijn schuit staan, +en ik houd mijn hart in mijn lijf vast, dat de dieven daar ook een +bezoek zullen brengen. Wat zou ik lachen, als je ze snappen kon, +Flipsen; 't is meer dan tijd. Maar inlichtingen,--neen, die kan ik +niet geven. Ik heb van niets gemerkt." + +"En is u niets van dien aard te koop aangeboden ook?" vroeg Flipsen, +terwijl hij zijn oogen strak op die van den schipper gevestigd hield. + +"Nu nog mooier!" riep deze uit. "Ze moesten het eens wagen met +gestolen goed bij me aan te komen! Wat zouden ze gauw mijne schuit +uit zijn. Neen man, voor zoo iets zijn ze bij mij aan het verkeerde +kantoor. Daar moet ik niets,--niemendal van hebben. Dank je hartelijk!" + +De veldwachter stond op. Hij begreep thans zeer goed, dat de +pottenschipper òf totaal onschuldig was, òf dat deze te slim was om +zich te laten uithooren. Hij zeide dus: + +"'t Spijt me, dat u me geen inlichtingen kan geven. Mag ik nu de +schuit nog even van binnen bekijken?" + +"Wel, nu nog mooier!" riep de schipper boos uit. "Wou je mijn schuit +doorzoeken? 't Is fraai, dat moet ik zeggen. En met welk doel, als +ik vragen mag?" + +"Louter uit nieuwsgierigheid," zei Flipsen. Hij klom op het dek +en begaf zich naar de voorzijde van de schuit. Hij wist, dat daar +de ingang was van het ruim, waar de schipper zijne meeste goederen +bewaarde. Deze volgde hem onwillig, en hij deed niets dan mopperen +over de onbeschaamdheid van Flipsen. + +"'t Is een schande, om een fatsoenlijk mensch van diefstal te +verdenken," zei hij. "Welke reden heb je daarvoor? Wie heeft er iets +op mij aan te merken?" + +Flipsen zei niets. Hij ging het ruim binnen en keek onderzoekend +rond. Maar hij zag niets dan steenen voorwerpen voor huishoudelijk +gebruik, en alles fonkelnieuw. Achter in het ruim, in een donkeren +hoek, vond hij ook nog een hoop vodden, beenen en oud-roest. Hij +was er te vies van, om het met zijne handen aan te raken. Daarom +trok hij zijn sabel en wroette in den hoop rond. Maar hij ontdekte +niets verdachts, wat hem geducht tegenviel, want hij had er stellig +op gerekend, de gestolen voorwerpen hier aan te treffen. Er bleef +geen gaatje ondoorzocht, en eindelijk verliet hij de schuit, zonder +iets wijzer geworden te zijn. + +Er hadden zich heel wat menschen op den kanaalkant verzameld, +om den afloop van Flipsen's onderzoek af te wachten. Maar zij +zagen al dadelijk aan zijn gezicht, dat hij niets gevonden had. De +pottenschipper beklaagde zich met luider stem tegen de menschen +over de schande, die Flipsen hem had aangedaan, en zijn toehoorders +vonden, dat hij wel een beetje gelijk had. Ook Frans Thor en Klaas +Zwart bevonden zich onder de toeschouwers. Zij zeiden niets, en Klaas +Zwart zag zelfs een beetje bleek. De pottenschipper zag hen staan, +en hij zeide zoo luid tegen Flipsen, dat iedereen het hooren kon: + +"Als er nu weer eens wat vermist wordt, hoop ik van je vereerend +verzoek verschoond te blijven, Flipsen. Je weet nu eenmaal, dat ik +part noch deel aan de zaak heb. Ik ben een eerlijk koopman, en houd +mij met slechte practijken niet op." + +Een zucht van verlichting ontsnapte bij die woorden aan de borst +der beide jongens, en onmerkbaar stootten zij elkander met den +elleboog aan. + +Flipsen was erg teleurgesteld. Hij begreep, dat hij het spoor van +den dief weer geheel bijster was, en hij wist niet, wáár thans te +zoeken. Toch gaf hij het nog niet op. Regelrecht ging hij naar de +woning van Klaas Zwart, en ook daar doorzocht hij het heele huis en de +schuur. Maar alweer tevergeefs. Daarna begaf hij zich naar 't huis van +Thor, den oud-gediende uit Indië. Deze ontving hem ver van vriendelijk, +maar daar stoorde Flipsen zich niet aan. Hij doorsnuffelde ook diens +woning van boven tot beneden, echter zonder het gewenschte gevolg. Hij +kwam tot de conclusie, dat hij zich totaal vergist had. En toch stond +het bij hem vast, dat de dief op het dorp woonde. + + + + + +Dertiende Hoofdstuk. + + Hoe Jantje op een gelukkig idée kwam. + + +Er werd 's avonds, toen de lampen opgestoken waren en de menschen +gezellig in de kamer rondom de kachels zaten, heel veel over het +gebeurde gesproken. Zoo ook bij Dik Trom. Jan Vos en Piet van Dril +waren bij hem op visite, en Anneke had anijsmelk gekookt, tot groote +vreugde van Jan, die zijn vriendje Karel ook bij zich mocht hebben, +en bizonder veel van anijsmelk hield. + +'t Was een recht prettige avond, want de drie oude vrienden zaten te +praten over hunne kinderjaren, en de twee jongens luisterden met open +mond naar hetgeen er verteld werd. Eindelijk kwam het gesprek ook +op den gepleegden diefstal, en algemeen waren zij het er over eens, +dat het een laaghartige daad was. Ja, vroeger was er ook meermalen +gestolen, maar nu had de dief zelfs de laagheid gehad de spulletjes +weg te stelen van de armsten onder de armen. 't Was wel zoo erg, +als het maar wezen kon. + +"En Flipsen was de plank heelemaal mis," zei Dik. "Hoe kwam hij er +ook toe, den pottenscihpper van den diefstal te verdenken? Die man +komt zelden of nooit zijne schuit uit." + +"Dat is wel mogelijk," zei Jan Vos, "maar vroeger moet hij een echte +deugniet geweest zijn, heb ik wel eens gehoord." + +"O, vroeger!"--meende Piet van Dril, "vroeger, dat is nù niet. Een +mensch kan zich beteren." + +"Dat is waar," zei Dik. "Ik geloof er trouwens ook niets van, dat hij +er aan schuldig is. Maar 't is toch wonderlijk, dat de dief zoo lang +met zijne diefstallen kan doorgaan, zonder betrapt te worden. Flipsen +loert avond aan avond op hem, en hij is waarlijk toch niet voor +de poes." + +"Neen, dat geloof ik ook!" zei Piet van Dril lachend. "Daar weten wij +van mêe te praten, hè?--Denk nog maar eens aan een zeker avondje in +den tuin van den burgemeester...!" + +Allen schoten in den lach. + +"Ja, maar toen waren wij hem toch te knap af!" zei Dik. + +Zoo zaten zij nog lang te praten, tot Jan Vos opeens zeide: "Als het +zoo blijft voortvriezen, zal de visch het gauw benauwd krijgen onder +het ijs. Morgen moet ik toch eens probeeren, of ik niet een lekker +maaltje paling kan vangen." + +"Ja, doe dat maar," zei zijne vrouw, die intusschen druk met de andere +vrouwen had zitten praten. "Overmorgen is het Zondag, en dan wil ik +wel graag een lekker maaltje hebben." + +"Paling vangen? Hoe doet u dat dan?" vroeg Jan nieuwsgierig. + +"Wel jongen, als 't ijs erg dik is, krijgt de paling het er benauwd +onder en begeeft zich naar de bijten en wakken, waar open water +is. Met een sikkel, die aan een langen stok bevestigd is, kun-je ze +gemakkelijk uit het water op het ijs wippen. Dat vereischt alleen +maar wat behendigheid." + +"Zwemmen ze dan niet weg?" vroeg Karel. + +"Neen jongens," zei Dik. "Of het van de koû komt, of van wat anders, +dat weet ik niet, maar zij zijn bij sterk ijs min of meer suf. Je +kunt ze dan vrij gemakkelijk vangen." + +"Willen wij dat morgen ook eens gaan doen?" vroeg Karel aan Jan. "Wij +hebben dan toch den heelen dag vrij." + +"Ik vind het best," zei Jan. "Graag zelfs. Van Dril, heeft u voor +ons elk ook een sikkel? Dan gaan wij morgen op de vangst." + +"Zeker wel, jongens, er liggen oude sikkels genoeg in de smederij. Als +je er zelf dan maar een langer handvat aan maakt, want het gewone +handvat is voor dat werk te kort. Je moet er een stok aan doen, +ongeveer zoo lang als je arm." + +"Een gewone lat is wel goed," zei Dik. + +Jan en Karel spraken af, dat zij er na het ontbijt samen op uit zouden +trekken. De sikkels zouden spoedig genoeg in orde zijn, daar waren +zij het over eens. + +En zoo gebeurde het ook. Toen Jan ontbeten had, ging hij naar Karel, +die al twee goede sikkels had opgezocht. Zij haalden de handvatten er +af, en deden er langere voor in de plaats. In een kwartiertje waren zij +daarmede klaar. Karel nam een emmertje meê, om er de visch in te doen, +en zoo trokken zij er samen op uit. Ook namen zij elk een bijl mede, +om hier en daar een gat te hakken. 't Eerst gingen zij naar de bijt, +die voor het huis van Dik Trom gehakt was. Het ijs van den laatsten +nacht lag er nog in. Zij hakten het los en trokken de schotsen op +het ijs. Toen keken zij in de bijt, en waarlijk, heel rustig lag daar +een dikke paling op den bodem. + +"Kijk, kijk, daar ligt er een," zei Jan, die hem het eerst zag. + +Hij stak den sikkel voorzichtig onder het beest door en wipte hem met +een snelle beweging omhoog. Daar spartelde de paling op het ijs. Ha, +wat kronkelde hij zich! De jongens sprongen beiden op hem toe, want +hij lag dicht bij den rand van de bijt. + +"Grijp hem, grijp hem!" riep Jan zijn vriend toe, want deze was het +dichtst bij hem. Maar Karel kwam te laat. Wel gelukte het hem nog +den paling te grijpen, maar deze kronkelde zich om zijn arm heen, +en dat vond Kareltje zoo'n eng gevoel, dat hij het beest met een +rilling over de leden losliet. Op 't volgende oogenblik verdween de +paling in de bijt, en de jongens hadden nakijk. + +"Hè, wat is dat jammer!" riep Jan spijtig uit. "Hoe dom ook van je, +om hem weer los te laten, toen je hem zoo mooi vast hadt." + +"Hu, wat glibberig was hij, en wat kronkelde hij akelig om mijn +arm heen," zei Karel, wien opnieuw eene huivering over den rug +ging. "Precies een slang." + +"Dat zal jij wel weten," zei Jan. "Je hebt nog nooit een slang gezien." + +"Genoeg,--meer dan jij," meende Karel. "In Artis." + +"O, in Artis. Daar liggen ze achter glas.--Nu, deze is in elk geval +weg, en wij zullen hem wel nooit terugzien. Wat was het een dikkerd." + +"Of hij dik was," zei Karel. "Akelig dik." + +"In deze bijt is niets meer te zien. Willen we naar die van den +burgemeester gaan aan den overkant? Dat is ook eene groote bijt." + +"Mij goed," zei Karel. "Maar ik pak ze vast niet meer met mijne handen +beet. Hu, wat een akelige beesten." + +"Je bent een bangerd, hoor!" spotte Jan. + +"Jij bent een held!" zei Karel. "Dat weet ik wel." + +"In elk geval zou ik hem niet loslaten, als ik hem eenmaal te pakken +had," zei Jan. + +Zij liepen het kanaal over, en kwamen bij de bijt van den +burgemeester. Hun eerste werk was ook hier het ijs van den laatsten +nacht los te hakken en de schotsen op het ijs te trekken. Toen dat +gebeurd was, keken zij in het water. + +"Ik zie er een," zei Karel. + +"Ik ook,--wel twee," zei Jan. + +Zij brachten de sikkels in het water, en op 't volgende oogenblik +spartelden twee palinkjes op het ijs. Jan wierp er een van in +het emmertje, maar Karel was niet te bewegen, den tweeden aan te +grijpen. Jan moest er om lachen. + +"Help, help, hier is er een," schreeuwde Karel, die moeite had om +het beest met zijn sikkel van de bijt weg te houden. 't Beest wilde +met alle geweld weer in 't water. + +"Pak hem dan!" riep Jan hem lachend toe. + +"Ik dank je,--ik moet er niets van hebben. Toe dan, Jan, grijp hem, +of we zijn hem kwijt." + +Jan kwam zijn vriend te hulp, en spoedig was ook de tweede paling in +het emmertje opgeborgen. Maar van den derden was, toen zij weer in +de bijt keken, geen spoor meer te vinden. De jongens hadden hem wat +al te veel lawaai gemaakt naar zijn zin, zoodat hij het verstandig +geoordeeld had, zich wat uit hunne nabijheid te verwijderen. Maar Jan +en Karel waren toch wat in hun schik met hunne vangst, en zij begaven +zich van de eene bijt naar de andere. De voorraad in hun emmertje +werd steeds grooter, en zij twijfelden niet, of zij zouden wel een +flink maal bij elkander krijgen. + +Lachend zei Karel tot Jan: + +"Als Vos op de vangst gaat, zooals zijn plan was, zal hij niet erg +veel meer vangen. Wij hebben zoetjes-aan alle bijten van het dorp +afgevischt." + +Jan lachte ook. + +"Dan vischt hij achter het net," zei hij. "Kijk, ginds gaan Frans +Thor en Klaas Zwart. Zij hebben ook bijlen bij zich. Ik denk, dat +zij ook op de vangst uitgaan." + +"Laat hen maar vooruitgaan," zei Karel. "Wij zijn op hun gezelschap +niet gesteld. Willen wij nu buiten het dorp gaan, voorbij het +fort? Daar zijn wel geen bijten, maar vader zegt, dat de visch zich +aan de kanten van het kanaal ophoudt, zeker om beter lucht te kunnen +krijgen. Dan hakken wij hier en daar eene schots los." + +"Mij goed,--best zelfs," zei Jan. + +De jongens gingen langs het fort en deden als gezegd is. En 't was +inderdaad een prettig werkje voor hen, want zij vingen veel meer, +dan zij verwacht hadden. Er waren palingen bij, wel zoo dik als hun +pols. De jongens hadden de grootste moeite, om die dikke beesten in +het emmertje te houden. Telkens keken de koppen boven den rand uit, +en eens, toen het Karels beurt was om den emmer te dragen, kronkelde +plotseling alweer zoo'n dier tegen zijn arm op. 't Gebeurde zoo +onverwachts, dat hij er hevig van schrikte. Met een gil liet hij den +emmer op het ijs vallen, en alle palingen kronkelden in het rond. + +"Jou ezel!" riep Jan uit. Maar veel tijd tot praten had hij niet, want +hij moest dadelijk aan het vangen. En 't ging lang niet gemakkelijk, +om de dieren weer in den emmer te krijgen, vooral nu hij alles alleen +moest doen. Karel was niet te bewegen eene hand uit te steken. Hij +vond de beesten zóó eng, dat hij ze niet durfde aanraken. Eindelijk +had Jan ze alle weer verzameld. + +"Geef mij den emmer maar," zei hij. "Anders ligt het heele zaakje +aanstonds weer op het ijs. Draag jij dan de bijlen." + +De jongens verwijderden zich hoe langer hoe verder van het dorp. Hier +en daar waren kleine, vierkante bijtjes gehakt. Een schots lag er +naast, om de schaatsenrijders te waarschuwen. + +"Dat zijn bijtjes van de visschers," zei Jan. "Die brengen er hunne +netten door onder het ijs. Ik wed, dat ze heel wat vangen." + +"Dat denk ik ook," zei Karel. "Als je nagaat, wat wij al hebben, +kun-je wel begrijpen, wat zij moeten vangen." + +Jan had het druk om de palingen naar beneden te duwen, die telkens +opnieuw uit het emmertje wilden kruipen. + +"Heidaar, blijven waar je bent!" zei hij tegen een dikkerd, die +nieuwsgierig over den rand keek. "Bij je kameraden blijven!" + +Bij een van de visschersbijtjes deden de jongens eene gelukkige +vondst. In het riet namelijk zagen zij een groot stuk net liggen, +dat zeker door de visschers weggeworpen was. Karel zag het het eerst. + +"Kijk eens, Jan,--dáár," zei hij. "Daar ligt een groot stuk net. Laten +wij daar de palingen in doen, dan kunnen zij niet ontsnappen en hebben +wij er geen last meer van." + +"Daar zeg je zoo wat," zei Jan. + +De jongens haalden het net uit het riet. Zij zagen, dat het een +palingfuik wast geweest. Op verschillende plaatsen was het stuk. + +"De visschers hebben het zeker weggegooid," zei Jan. "En ons komt +het mooi te pas." + +Zij deden de palingen in het net en bonden het dicht met een touwtje, +dat Jan in den zak had. + +"Zie zoo, nu zitten ze goed bewaard," zei Jan. + +"Ja,--lekker warm. Ze zullen nu geen last meer van de kou hebben.--Zeg, +wat hebben we er al veel, hè?" + +"Ja, heel wat. Mij dunkt, dat we er al meer hebben, dan we +oplusten. Willen we nu weer naar huis gaan?" + +"Goed," zei Karel. "Het begint mij zoetjes-aan te vervelen ook. Zullen +we vanmiddag gaan schaatsenrijden?" + +"Ja,--dat is afgesproken." + +Karel had de sikkels en de bijlen op den schouder, en Jan droeg het +net met de paling. Zoo kuierden zij samen naar het dorp terug. + +Toen zij dicht bij het fort gekomen waren, en dus het dorp bijna +hadden bereikt, hoorden zij achter zich het krassen van schaatsen +op het ijs, en het schuifelen van een slede. Omziende zagen zij, +dat het twee visschers waren, die eene slede voortduwden. Zij kenden +de mannen niet. 't Waren zeker lieden van een ander dorp. Zoodra die +menschen hen bereikt hadden, hielden zij stil. + +"Hola, jongens, wacht eens even," riep een van hen hun toe. + +Zij bleven staan, en de twee mannen kwamen met groote schreden op +hen af. + +"Zie je wel?" zei de een tegen den ander. "Daar heb je de dieven al." + +"Ja," was het antwoord van den tweede. + +Deze greep het net en rukte het Jan driftig uit de hand. + +"Hoe kom jij aan dat net?" vroeg hij op barschen toon. + +"Ja, hoe kom jij aan dat net, kleine dief!" zei de andere visscherman. + +"Dat hebben wij gevonden, ginds in het riet," zei Jan. "Hoe zouden +wij er anders aankomen?" + +"En die paling dan?" vroeg een der visschers smalend. "Die heb je +zeker ook gevonden, hè kereltje?" + +"Neen," zei Jan, "die hebben we gevangen." + +"Juist, die hebben we gevangen," zei ook Karel. + +"In dit net zeker, hè, en dit net heb je onder het ijs gevonden, +hè? Ja, ja, eerlijk gevonden, hè?" + +"Eerlijk gestolen," zei de andere visscher. "Houdt je maar niet van den +domme, want dat baat je niemendal. Dit net is van òns, en jullie hebt +onze fuiken gelicht. Maar dat zal je berouwen, wat ik je zeg. Vooruit, +kereltjes, gaat maar eens mee naar den burgemeester." + +"Ik zeg, dat het niet waar is!" riep Jan de visschers driftig toe, +en hij werd rood van kwaadheid. "Wij zijn geen dieven, en dat net +hebben we eerlijk gevonden. 't Is op verschillende plaatsen stuk, +en 't lag in 't riet. Daarom meenden we, dat het door de visschers +weggegooid was, daar het toch niet meer gebruikt kon worden. Wij +hebben het niet gestolen." + +"Jongen, jij kunt liegen, of het gedrukt is," zei een der +visschers. "Maar ons zul-je er niet meê bedriegen. Jelui hebt onze +fuiken gelicht, en dat is strafbaar..." + +"Niet zoo'n beetje ook!" viel de andere visscher zijn kameraad +in de rede. "En dat is maar goed ook. Is 't geen schande, onze +netten te verscheuren, en onze visch te stelen? Maar het zal je +berouwen. Vooruit, zeg ik je, naar den burgemeester!" + +"Dat doe ik niet!" zei Jan driftig. "Wij zijn geen dieven." + +"Je praat dom, jongen, want de bewijzen droeg je in de handen." + +"Ja," zei de ander, "je bent er gloeiend bij!" + +"Vooruit, jongens, en als je niet goedschiks gaat, dan moet het +maar kwaadschiks gebeuren. Vooruit, zeg ik je, en een beetje vlug, +asjeblieft!" + +De jongens begrepen, dat er niet veel anders opzat dan te +gehoorzamen. Met hun vieren vervolgden zij hun tocht naar het dorp. + +Eerst was Jan meer dan kwaad, maar dat bedaarde langzamerhand, +en eindelijk vond hij het wel goed, dat zij naar den burgemeester +gingen. Deze zou wel dadelijk begrijpen, dat zij onschuldig waren. + +Maar dat was niet zoo. De burgemeester was bijzonder slecht gehumeurd, +omdat het Flipsen nog niet gelukt was, de dieven te ontdekken. Zoodra +nu de visschers, die hem tot hun genoegen thuis getroffen hadden, hem +vertelden, wat er aan de hand was, geloofde de burgemeester stellig, +dat hij de dieven thans op het spoor was, en hij besloot de jongens +scherp te ondervragen. + +Jan en Karel betuigden echter hunne onschuld. Zij vertelden dat zij +de palingen gevangen en het net gevonden hadden. Maar de visschers +lachten om die verklaring. + +"Dat zou al heel toevallig zijn, burgemeester," zei een van hen. "De +jongens kwamen uit de richting van onze vischbijtjes, en zij hadden +het net in de hand, met een flink zoodje paling daarbij. 't Lijdt geen +twijfel, of zij hebben onze netten gelicht en de brutaliteit gehad, +een van de netten zelfs stuk te maken en meê te nemen." + +"'t Is niet waar!" riep Jan den spreker toe. + +"Houd je mond verder maar, jongen," gebood de burgemeester kortaf. "De +bewijzen zijn tegen jullie, en 't staat bij mij vast, dat jullie en +niemand anders de daders zijt. En wie weet, aan welke diefstallen je +meer schuldig bent. Ik zou dat nooit, nooit, zeg ik, van je gedacht +hebben. Twee jongens van zulke brave ouders. 't Is een schande! + +Vertel me nu meteen maar, waar de potten en ketels uit de ijstenten +gebleven zijn, want daar zul-je ook wel meer van weten." + +"Wij weten nergens van, burgemeester," zei Jan, + +"Neen, nergens van," zei Karel. "Wij hebben ze niet weggenomen." + +"Dat zeg je van dit net en deze visch ook, en toch liep je er mede +in je handen," sprak de burgemeester streng, en hij keek de jongens +beurtelings doordringend aan. "Komaan, spreek de waarheid maar, +dat is in allen gevalle het beste voor je. Beken het maar..." + +"Ik heb niets te bekennen," zei Jan. + +"Ik ook niet," zei Karel. + +"Zoo, zoo," hernam de burgemeester. "Dan zal ik je tijd geven, om er +eens ernstig over na te denken." + +Hij vroeg de namen der visschers en schreef die op. Daarna sprak hij +tot de beide mannen: + +"U kunt nu wel gaan. Neemt mede, wat je eigendom is. Met deze jongens +zal ik wel afrekenen." + +De visschers namen het net en de palingen, groetten den burgemeester +en verlieten het vertrek. Jan en Karel moesten blijven. Met leede +oogen zagen zij de visschers met hunne palingen heengaan, en Jan +sprongen van spijt de tranen in de oogen. + +De burgemeester liet zijn blik nog een poosje op de jongens rusten, +en zei toen ernstig: + +"Ontkennen baat niet langer, jongens. Je hebt je aan een ernstig +vergrijp schuldig gemaakt en..." + +"Maar we hebben het niet gedaan," riep Jan uit. + +"Zwijg jongen, en lieg niet langer. Je hebt het wèl gedaan, en dat +spijt me heel erg. Zeg me nu ook maar, waar je die andere voorwerpen +gelaten hebt, die den laatsten tijd verdwenen zijn. Als je me eerlijk +de waarheid zegt, zal ik zien, wat ik in de gegeven omstandigheden +nog voor je doen kan." + +"'t Baat niet, of wij al zeggen, dat wij onschuldig zijn," sprak +Jan. "U gelooft ons toch niet." + +"Neen, dat doe ik ook niet. Enfin, als je dan niet hooren wilt, +moet je maar voelen. Ik zal je tijd geven om je te bedenken." + +Hij ging aan zijne schrijftafel zitten en schreef het volgende briefje: + + + + _Flipsen_! + + Ik geloof, dat ik de daders van de gepleegde diefstallen op het + spoor ben. Sluit deze twee jongens elk in eene afzonderlijke + cel, dan hebben zij gelegenheid om eens goed na te denken + en kunnen geen afspraakjes maken. Tegen den avond zal ik hen + opnieuw verhooren. + + De Burgemeester. + + + +Hij vouwde den brief dicht en deed hem in eene enveloppe, die hij +zorgvuldig toelakte. + +"Ziedaar," sprak hij. "Breng dezen brief voor mij aan Flipsen. Hij +is in het raadhuis. Je kunt gaan." + +De jongens gingen heen. Wat er in den brief stond, wisten zij +natuurlijk niet. Zij keken tamelijk bedrukt, toen zij de deur +uitstapten, maar toen zij op den weg gekomen waren, ontsnapte een +zucht van verlichting aan de borst van Karel. + +"Hè, hè, dat was een benauwd half-elfje," zei hij. "Daar zaten wij +er geducht tusschen, maar 't is bij slot van rekening toch nog al +goed afgeloopen. We zijn alleen onze palingen kwijt." + +"En dit briefje dan?" vroeg Jan. "Ik vertrouw dit papiertje geen +zier. Waarom zei de burgemeester dan telkens, dat hij ons gelegenheid +zou geven, om eens goed na te denken?" + +Langzaam liepen zij verder, met de bijlen en de sikkels over den +schouder. Karel hernam na een poosje: + +"Dat briefje heeft niets met ons te maken, en wij niets met dat +briefje. We moeten het alleen even bij Flipsen brengen, anders +niet. Neen, ik zeg, dat wij er goed afgekomen zijn. 't Had veel +leelijker kunnen uitpakken.--Kijk, daar komen Frans en Klaas ook +van de vischvangst terug." + +Dat was zoo. Die twee jongens hadden hen spoedig ingehaald. Samen +droegen zij een emmertje, dat blijkbaar nog al zwaar was. + +"Zeg," riep Frans hun toe, "komen jullie platzak thuis?' + +"Ja!" zei Jan kortaf. Hij had niet veel lust tot spreken. + +"Wij niet!" zei Frans. "Kijk maar eens hier, wat een paling we +hebben. De emmer is bijna vol." + +De jongens stonden stil en keken in den emmer, 't Was inderdaad een +kolossale voorraad, dien zij gevangen hadden. + +Frans en Klaas hadden er pret in. Zij deden niet anders dan elkaar +aanstooten en lachen. + +"Zoo knap zijn jullie niet, hè? Maar zeg, weet je, wat we gedaan +hebben? Een kwartiertje voorbij het fort hebben we stilletjes een net +van de visschers opgehaald. Jongens, wat zat daar een paling in. Niet +oververtellen, hoor! Slim hè?" + +Jan en Karel keken Frans met open mond aan. + +"Hebben jullie dat net gelicht en stuk gemaakt?" vroeg Jan. "Wij +hebben het ... tusschen het riet zien liggen." + +"Ja," lachte Frans. "Wij konden het niet goed meer onder het ijs +krijgen, en hebben het toen maar in het riet gegooid. Wat zullen die +visschers leelijk op hun neus gekeken hebben, toen zij bij hun bijt +kwamen. Ha-ha-ha, wat eene leuke grap, hè?" + +Dat vond Jan ook, en hij knipoogde Karel toe, dat hij niets moest +zeggen. Hij had een mooi plannetje. + +"En voor die leuke grap hebben wij voor den burgemeester moeten +verschijnen," zei Jan tot de twee jongens. "Wij hadden het net +opgeraapt en er onze paling ingedaan. Maar even later kwamen de +visschers, en die hebben ons om zoo te zeggen opgebracht. Noem jij +het maar een leuke grap!" + +"Ja," zei Karel. "Ik zie er het leuke niet van in." + +Frans en Klaas moesten er smakelijk om lachen. + +"Nu wordt de grap nog leuker!" zei Frans. + +"Ja, maar ik laat het er niet bij zitten," zei Jan. "Ik ga dadelijk +naar den burgemeester terug, om hem te zeggen, dat julie het gedaan +hebt..." + +"Je zult wel wijzer wezen!" zei Frans, die nu in 't geheel niet meer +lachen moest. "Als je nog voor den burgemeester verschijnen moest, +o ja, dan was het een ander geval. Dan zou ik het in jouw plaats ook +zeggen. Maar nu je het standje van den burgemeester al achter den +rug hebt, zou het een leelijke streek wezen. Dan speelde je gewoonweg +voor verklikker!" + +"Ja, voor verklikker!" beaamde Klaas Zwart. + +"Dat kan me niet schelen," zei Jan, "ik zeg het tòch. 't Is me ook wat +moois, om voor jullie pleizier een uitbrander van den burgemeester +op te loopen, en een ander met je paling weg te zien gaan. Ik laat +me dat maar niet welgevallen." + +Hij keerde zich om en deed net, of hij naar den burgemeester wilde +gaan. Maar Frans en Klaas hielden hem tegen. + +"Je kunt wel de helft van onze paling krijgen," zei Frans. "Toe Jan, +vertel het nu niet aan den burgemeester. Daar worden jullie toch +niets beter van. En je krijgt de helft van..." + +"Je gestolen paling wil ik niet eens hebben," zei Jan. "Maar 't is +goed. Ik zal niet naar den burgemeester gaan, onder één voorwaarde..." + +"Welke?" vroegen de twee jongens tegelijk. + +"Een, die gemakkelijk te vervullen is," zei Jan. "Zie je dezen +brief? Dien moesten wij naar Flipsen brengen, in het raadhuis. Jullie +moet er toch voorbij. Als jij nu die boodschap voor mij doet, zal ik +er verder geen werk van maken." + +"Och, is 't anders niet?" vroeg Frans. "Geef hem maar hier, dan zullen +wij hem wel even aanreiken." + +"Wel zeker, met alle pleizier," zei Klaas. + +Jan gaf den brief over, en Klaas en Frans begaven zich regelrecht naar +het raadhuis. Zij stapten het gebouw binnen en gaven den brief aan +Flipsen, die in de vestibule stond te praten met een rijksveldwachter. + +"Zoo jongens, dank-je!" zei Flipsen. "Wacht maar even." + +"Wij behoeven niet te wachten," zei Frans. + +"Als ik zeg, dat je wachten moet, dan doe je dat!" zei Flipsen. + +Hij brak den brief open en las hem vlug door. + +"Ha zoo," zei hij, "zoo! Dat is goed. Gaat maar even meê, jongens, +hier, de gang door." + +Frans en Klaas keken elkander vragend aan, maar durfden niet +weigeren. Zwijgend volgden zij Flipsen, die een sleutelring uit zijn +zak haalde en een sleutel uitzocht. + +"Mooi zoo. Nu dit trapje af.--Goed zoo." + +Hij stak den sleutel in het slot en draaide hem om. De deur ging open. + +"Maar Flipsen," zei Frans met schrik. "Wat gaat u doen? Dat is +een cel!" + +"Ha ha!" lachte Flipsen, terwijl hij Frans bij den schouder pakte en +hem naar binnen duwde. "Dàt ga ik doen." + +Flap! De deur ging dicht en op slot. + +Klaas werd bleek van den schrik. Hij begon te beven over al zijne +leden, en het angstzweet brak hem uit. + +Hij hoorde Frans schreeuwen. + +"Flipsen! Maar Flipsen!" jammerde Klaas. "Dat is eene vergissing, +geloof me. U moet ons niet opsluiten, want..." + +Klaas bleef midden in zijne redevoering steken, want Flipsen had +de tweede deur geopend en duwde Klaas naar binnen. Op 't volgende +oogenblik was ook deze deur gesloten. + +"Ja, ja, net zooals ik dacht," mompelde Flipsen. "Die twee jongens +zijn de dieven, en wij zullen ze wel aan het praten krijgen. Als ze +hier eerst maar een paar uurtjes opgesloten gezeten hebben, zullen +ze wel makker geworden zijn." + +Hij ging naar zijn confrater terug en vertelde hem het geval. "Grappig, +dat die twee jongens zelf niet wisten, wat zij hier zouden +ondervinden," zei hij. "Zij liepen dood-gemoedereerd met mij mee, +en kregen er pas erg in, toen de deur open stond. Je hadt ze moeten +zien kijken!" + +Intusschen waren Jan en Karel de richting ingeslagen van hun huis. Zij +staken schuin het ijs over. 't Was nog vroeg, nog geen elf uur. En +voor twaalven aten zij niet. + +"Hè," zei Jan, "wat heb ik een spijt, als ik aan onze paling denk, +die de visschers hebben meegenomen. Zoo'n prachtigen voorraad te +hebben en dan toch nog platzak thuis te komen. 't Is onuitstaanbaar!" + +"Ja," zei Karel, "dat zeg ik ook. Kijk de pottenschipper eens aan +'t hakken geweest zijn. Zijn schuit ligt rondom in 't open water." + +"Ja, anders vriest ze stuk," zei Jan. "Willen wij daar nog even kijken, +of we wat vangen kunnen?" + +"Goed," zei Karel. + +Zij legden hunne bijlen op het ijs, en gingen met den sikkel in de +hand naar de schuit. Opmerkzaam tuurden zij in de diepte. + +"Daar zie ik er een," zei Karel + +"Wip hem er dan uit!" riep Jan. "Zeg, misschien komen we toch niet +platzak thuis." + +"Daar is hij!" riep Karel. En Jan schoot hem te hulp want de paling +lag dicht bij het open water. + +Spoedig was hij in het emmertje overgebracht, en de jongens liepen +voorzichtig langs de schuit verder. Opeens hoorden zij zich toeroepen: + +"Wat moeten jullie daar? Wil je wel eens maken, dat je wegkomt!" + +'t Was de pottenschipper, die zijne kajuit verlaten had en hun dit +toeriep. + +"We kijken maar even, of er paling zit!" riep Jan terug. + +"Dat wil ik niet hebben!" hernam de pottenschipper. Hij klom op de +schuit en stak dreigend de vuist op. + +Maar Jan zei tegen Karel: + +"Wij doen hier volstrekt geen kwaad. Laat hem maar praten." + +Zij stoorden zich verder aan den schipper niet en keken in de +diepte. Zij waren nu dicht bij het roer gekomen. + +"Kijk, daar zit er weer een!" zei Jan. + +Hij stak zijn sikkel onder water, en wilde hem met een ruk bovenhalen, +doch dat gelukte hem niet. De sikkel bleef ergens aan vastzitten. + +De pottenschipper nam een langen stok, en schreeuwde den jongens toe: + +"Als je niet weggaat, sla ik er op! Vooruit, kwâjongens, je hebt hier +geen boodschap." + +Jan trok zoo hard hij kon aan den sikkel, om hem los te krijgen, +maar dat ging niet. Er zat iets zwaars aan. + +"Help me even!" riep hij Karel toe. En tot den boozen schipper +zeide hij: + +"Wij gaan dadelijk heen. Maar eerst moet ik mijn sikkel losmaken." + +"Vooruit, zeg ik je!"--schreeuwde de schipper. "Allo, marsch!" + +De twee jongens trokken, wat zij konden. + +Zij voelden, dat er iets zwaars naar boven kwam. De pottenschipper werd +hoe langer hoe boozer. Hij schreeuwde zóó hard, dat de voorbijgangers +op den weg bleven staan. + +Maar Jan en Karel waren niet van plan hun sikkel in den steek te +laten. Zij spanden al hunne krachten in. + +Ha, daar stak iets boven water uit. Jan bukte zich, en pakte het beet. + +"Een ketel!" riep hij uit. "En daar zit er nog een aan vast. Een +pot! Help Karel,--hier zijn, geloof ik, de gestolen voorwerpen uit +de tenten..." + +'t Was werkelijk zoo. De jongens haalden verscheidene dingen op +het ijs, en zij herkenden ook den koperen ketel van Mietje. Tot +hun groote verbazing bemerkten zij, dat al die voorwerpen met een +koperdraad aan elkander verbonden waren, en dat het einde van dat +draad een paar centimeter onder water aan het roer bevestigd was. + +De jongens werden verbazend opgewonden, en zij riepen den menschen +op den weg luidkeels toe, dat zij de gestolen voorwerpen gevonden +hadden. In minder dan geen tijd waren zij door een groot aantal +menschen omringd, die luide hunne verbazing te kennen gaven. + +"Dat moet de burgemeester weten!" riep er een uit, en hij ijlde naar +de woning, die Jan en Karel nog maar kort geleden verlaten hadden. + +'t Leek wel, of de menschen konden ruiken, dat er iets bizonders aan +de hand was. Van alle kanten kwamen zij toeloopen, en de kring om de +schuit van den pottenschipper werd bij de minuut grooter. Het ijs, +al was het nog zoo sterk, kon de samengepakte menschenmassa bijna +niet dragen. De ijsvloer boog sterk door, en er kwam veel water op. + +De pottenschipper zei niets meer. Hij stond op zijne schuit, en hield +de oogen op de gevonden voorwerpen gericht, maar af en toe keek hij +de twee jongens aan, en dan zag hij er alles behalve vriendelijk uit. + +"Wat is daar te doen?" riep eene stem. + +Opziende zag Jan zijn vader, die met den hit en den wagen van 't +venten terugkeerde. Jan zwaaide met beide armen, en riep: + +"O Vader, we hebben de gestolen potten en ketels gevonden. Kom maar +gauw kijken. Hier liggen ze!" + +In een oogenblik was Dik van den wagen gesprongen. Hij wierp de +leidsels op den rug van den hit en snelde het ijs op. + +Och, och, wat een drukte hadden de menschen. + +"Of de pottenschipper er dan toch van wist!" riep de een. + +"Zoo komen zijne schelmerijen aan het licht," zei een tweede. + +"Hij zal nu zijn gerechte straf niet ontloopen," profeteerde een derde. + +Iedereen had wat te zeggen, en velen beweerden, dat zij het altijd +wel van den pottenschipper gedacht hadden. + +Opeens kwam er stilte onder den drom en eerbiedig week men op zijde, +om den burgemeester door te laten. Weldra had hij de schuit bereikt +en zag hij de gevonden voorwerpen op het ijs liggen. + +"Wie heeft die dingen opgehaald?" vroeg hij. Jan en Karel namen hunne +petten af, en zeiden: + +"Wij waren hier aan het paling vangen, burgemeester, en toen bleef een +van de sikkels er aan vastzitten. Kijk, ze zijn met een koperdraad aan +elkander verbonden, en het einde daarvan is aan het roer bevestigd." + +"Ja, ja," zei de burgemeester, die de jongens met de grootste verbazing +aanstaarde. "Maar hoe heb ik het nu? Heb ik jullie dan niet opgedragen, +een briefje voor mij aan Flipsen te brengen in het raadhuis? En hoe +kom je dan hier? Daar begrijp ik niets van!" + +Jan nam zijn pet nu geheel af, en zeide: + +"Dat is waar, burgemeester, maar ik vertrouwde dat briefje niet. Ik +geloofde stellig, dat Flipsen ons moest opsluiten..." + +"Dat was ook zoo," viel de burgemeester driftig in. "En waarom heeft +hij dat niet gedaan?" + +"Wij waren onschuldig, burgemeester," zei Jan. + +"Die praatjes kennen wij, en zij doen ook niets ter zake. In dien +brief gaf ik Flipsen last, jullie op te sluiten,--en nu sta je alle +twee hier? Hoe komt dat?" + +"Burgemeester," zei Jan, "wij hadden het niet gedaan, maar twee andere +jongens waren de schuldigen. Toen wij op weg waren naar het raadhuis, +hebben die twee ons zelf verteld dat zij het uit de grap gedaan hadden, +en ziet u..." + +"Wat ... ziet u?" viel de burgemeester in, toen Jan een oogenblik +met zijn verhaal haperde. + +"Toen dacht ik," vervolgde Jan, "dat het voor ons beter was, als _zij_ +dat briefje maar aan Flipsen brachten, en vroeg ik hun, of zij het +even wilden aanreiken..." + +"En toen?" vervolgde de burgemeester. + +"Dat hebben zij gedaan," zei Jan. + +"Maar dan zitten op 't oogenblik _die_ twee jongens onder het raadhuis +opgesloten, in plaats van jelui!" riep de burgemeester uit. + +"Dat zal dan zoo wel wezen, burgemeester," zei Jan. + +De menschen schoten in een onbedaarlijk gelach, want zij vonden de +geheele zaak verbazend grappig. Ook de burgemeester kon haast zijn +lachen niet bedwingen. En eindelijk gelukte hem dat in het geheel +niet meer. Hij proestte het opeens uit. + +"Ha-ha-ha!" riep hij lachend uit, "wat is dat een grappige historie. En +hadden jullie dan echt die fuiken niet gelicht?" + +"Neen burgemeester, dat hebben die twee jongens gedaan." + +"Ha-ha-ha,--en wie zijn dat dan?" + +"Frans Thor en Klaas Zwart, burgemeester," zei Jan. + +Op dit oogenblik drong Flipsen tusschen het volk door. Hij kwam uit +het raadhuis en wilde zien, wat er aan de hand was. Nauwelijks zag +hij den burgemeester, of hij sloeg aan en zei: + +"Uw bevel is uitgevoerd, burgemeester, de jongens zitten elk in +een cel. Ik geloof ook wel, dat wij de rechte personen op den kop +hebben getikt." + +"Maar het zijn de verkeerde!" riep de burgemeester hem lachend +toe. "Deze twee had-je moeten hebben!" + +Wat keek Flipsen verwonderd, en zijne verbazing nam nog toe, toen +hij de gevonden voorwerpen op het ijs zag liggen. De burgemeester +vertelde hem in korte woorden, wat er gebeurd was. + +Flipsen lachte slim. Hij bekeek de potten en ketels met aandacht +en liet ook het koperdraad door zijne vingers glijden. Toen zag hij +meteen, dat dit aan het roer bevestigd was. + +"Burgemeester," zei hij, "U zegt, dat wij de verkeerde jongens +opgesloten hebben, maar ik beweer, dat het, al is het dan ook bij +toeval, de goede zijn. Frans Thor en Klaas Zwart hebben deze dingen +gestolen, en ze hebben ze verkocht aan den pottenschipper, die ze +in het water heeft laten zinken om ze te verbergen. Hij is wèl slim +geweest maar toch niet slim genoeg." + +"'t Is een grove leugen!" zei de pottenschipper. "Die jongens zullen +ze vermoedelijk zelf hier in het water hebben laten zakken, om de +verdenking op mij te schuiven." + +"Zoo," zei Flipsen, "dan hebben ze zeker aan jou een stukje koperdraad +te leen gevraagd, niet waar? Want in je schuit heb ik precies zulk +koperdraad zien liggen." + +De pottenschipper werd doodsbleek. + +"Ga het halen, Flipsen," gebood de burgemeester. + +Flipsen verdween in de schuit, en kwam weldra met een rol koperdraad +terug. Het bleek, dat het draad aan de ketels en potten daarmede +precies overeenstemde. + +"Burgemeester," zei Flipsen, "de jongens, die op 't oogenblik onder +'t raadhuis opgesloten zitten, zijn de stelers, en de pottenschipper +is de heler. Ondervraagt u de jongens maar één voor één, dan zal u +zien, hoe gauw zij door de mand vallen. Vooral Klaas Zwart." + +"Zoo zal het gebeuren," zei de burgemeester. "Schipper, je gaat mede +naar het raadhuis, en Flipsen, neem jij die voorwerpen in beslag. Ik +houd mij overtuigd, dat wij de bende thans op het spoor zijn. En jelui, +jongens," vervolgde hij vriendelijk tot Jan en Karel, "zal ik het voor +dezen keer vergeven, dat je mijn bevel, om den brief bij Flipsen te +bezorgen, niet hebt uitgevoerd. Je bent een paar slimme rotten!" + +Och och, wat had Dik een pret, toen hij aan Anneke vertelde, wat Jan +gedaan had. Hij schoot er telkens opnieuw over in een lach, en ook +Grootvader en Grootmoeder moesten het dadelijk vernemen, toen zij +even bij Dik en Anneke kwamen aanloopen. + +De oude Trom vond het blijkbaar een verbazend scherpzinnigen zet van +Jantje. Hij trok een poosje aan zijn bakkebaardjes en zei toen: + +"Ja, Dik, zie-je, ik heb het altoos wel gezegd: Jan is ook een bizonder +kind, en dat is-ie." + + + + +Veertiende Hoofdstuk. + + Besluit. + + +'t Gebeurde werkelijk, zooals Flipsen voorspeld had. Niet zoodra +verscheen Klaas Zwart in de burgemeesterskamer, en zag hij daar den +pottenschipper staan naast de potten en ketels, die uit het water +waren opgevischt, of hij begon over al zijne leden te beven, en de +tranen sprongen hem in de oogen. + +"Kom nader," gebood de burgemeester. + +Klaas kwam tot vlak voor de tafel, waarachter het hoofd der gemeente +in een leuningstoel gezeten was. Deze keek hem doordringend aan, +maar zeide niets. Klaas sloeg de oogen naar den grond. + +Eindelijk zei de burgemeester kortaf: + +"Vertel mij alles, wat je daarvan weet. Maar vergeet niet, dat ik +enkel _waarheid_ wil hooren. Leugens zouden je trouwens niet meer +baten, want alles is ontdekt. Spreek op!" + +Zweetdroppels parelden Klaas op het voorhoofd van angst. + +Hij hief de samengevouwen handen op en zeide snikkend: + +"O burgemeester, vergeef u het me voor dezen keer astublief. O, +ik heb er zoo'n spijt van." + +"Waarvan?" vroeg de burgemeester gestreng. "Spreek op, jongen, wààr +heb je spijt van?" + +"Dat ik gestolen heb," zei Klaas zacht. + +"Die potten en ketels?" + +"Ja burgemeester." + +"En al die dingen, die bij de verschillende menschen op het dorp +worden vermist?" + +"Ja burgemeester." + +"Heb je dat alles alleen gedaan?" + +"Neen, met Frans, burgemeester." + +"Zoo, zoo.--'t Is wat fraais. En wie hebben dat net gelicht van +morgen?" + +"Wij ook," zei Klaas. + +"En waar liet je al die gestolen voorwerpen?" vroeg de burgemeester, +terwijl hij Klaas opnieuw doordringend aanzag. + +"De pottenschipper kocht ze van ons." + +"Maar ik wist niet, dat het gestolen goed was," viel de pottenschipper +in, die voelde, dat hij den grond onder zijne voeten thans geheel +verloor. + +"Dat wist iedereen op het dorp, tot den kleinsten jongen toe," +gaf de burgemeester op gestrengen toon ten antwoord. "Doe maar geen +moeite meer, om je baantje schoon te praten. 't Is een schande voor +een man op uw leeftijd! Eene dubbele schande, omdat je ook nog twee +jongens in je val meesleept. Jij en jij alleen hebt die kinderen in +het ongeluk gestort. 't Is diep treurig." + +Even later werd Frans Thor binnengebracht. Deze was brutaler dan Klaas +Zwart, en hij meende den burgemeester eerst nog met allerlei praatjes +om den tuin te kunnen leiden. Maar toen hij vernam, dat Klaas reeds +eene volledige bekentenis had afgelegd, raakte hij geheel in de war +en in zijn eigen leugens verward. Het einde was, dat ook hij bekende +aan de gepleegde diefstallen schuldig te zijn. + +De burgemeester maakte van alles proces-verbaal op, en toen hij +daarmede klaar was, zeide hij: + +"Flipsen, doe de deur maar open. Zij kunnnen alle drie +vertrekken. Later zullen zij wel meer van de zaak hooren." + +Zwijgend verlieten zij het raadhuis. + +Den Maandag daaropvolgende kwamen Frans en Klaas weer gewoon school, +maar zij waren nu nog meer afgezonderd van de overige jongens, dan +zij vroeger al geweest waren. Iedereen vermeed hun gezelschap. In +het midden van Februari bleven zij absent, en iedereen wist er +de reden van. Zij waren namelijk opgeroepen om voor de rechtbank +te verschijnen. Ook de pottenschipper moest daar verantwoording +afleggen van zijne daden. Hij kreeg eene geduchte betraffing, omdat +hij de beide jongens tot diefstal had overgehaald en hen daardoor +ongelukkig had gemaakt. Eene gevangenisstraf van eenige maanden was +zijn welverdiende loon. + +De jongens werden niet veroordeeld, omdat zij nog zoo jong waren, maar +de rechtbank stelde hen tot hun achttiende jaar ter beschikking van +de regeering, om in een rijksopvoedingsgesticht geplaatst te worden. + +Dat gebeurde evenwel niet dadelijk. Den volgenden dag zagen de +schooljongens hen opnieuw verschijnen, en zij hoorden er dagen en +weken lang niet meer van. + +Zoo kwam de eenendertigste Maart, de laatste dag, dien Jan en Karel +op de school zouden doorbrengen. Karel zou bij zijn vader in de +smederij komen, en Jan kwam in den winkel. Dik kon alles onmogelijk +meer alleen af, want nog steeds nam het aantal zijner klanten toe, +en elken dag kreeg hij het drukker. Hij verdiende dan ook veel geld, +en was mooi op weg, om een rijk man te worden. + +Frans en Klaas zaten ook voor de laatste maal op de schoolbanken. Niet +dat zij een vak gingen leeren. Daar kon geen sprake van zijn, omdat +zij toch den een of anderen dag weggevoerd zouden worden. + +'t Was in den middag. Het laatste schooluur was aangebroken. De leien, +boeken en schriften waren opgehaald en de onderwijzer maakte zich juist +gereed om een woord van afscheid te spreken tot de jongens en meisjes, +die de school voor goed verlieten, toen er aan de deur werd geklopt. + +"Jan Trom, doe even open," zei de meester. + +Jan deed het, en hij zag Flipsen en een rijksveldwachter in de +vestibule staan. Zij kwamen het lokaal binnen. + +"Mijnheer," zei Flipsen, "wij hebben de opdracht Frans Thor en Klaas +Zwart meê te nemen." + +'t Was doodstil in de klasse. + +Frans en Klaas werden doodsbleek, en niet zij alleen, neen, +verscheidene jongens en meisjes voelden zich eene rilling door de +leden gaan, en menig meisjesoog vulde zich met tranen. + +"Zoo," zei de onderwijzer zacht, en zijn toon klonk droevig. De +kinderen konden het hem aanzien, dat ook hij ontroerd was. "Zoo, dat +is wel eene treurige opdracht, Flipsen.--Frans en Klaas, komt hier." + +De jongens stapten de bank uit en kwamen voor de klasse. Beiden +barstten in tranen uit. De onderwijzer gaf hun de hand. + +"Dag Frans,--dag Klaas," zei hij droevig. "Ik hoop je eenmaal terug +te zien als brave mannen, die voor niemand de oogen behoeven neer te +slaan. Beloof je me, dat je daartoe je best zult doen?" + +De jongens konden niet antwoorden. Met gebogen hoofd verlieten zij +het lokaal, om weggebracht te worden ver van hunne ouders, naar een +vreemde plaats.... + +Hun vertrek maakte een diepen indruk op de achterblijvenden. De +onderwijzer had de gewoonte den laatsten schooldag eene vertelling te +doen. En dezen keer deed hij dat met meer gloed dan ooit te voren. Hij +deed een verhaal van schoolkameraden, waarvan er een goed oppaste en +tot een braaf man opgroeide, terwijl de andere door eigen schuld al +dieper en dieper zonk en eindelijk in de gevangenis terecht kwam. En +toen het verhaal uit was, drukte hij hun allen op het hart, toch +nooit den weg van eer en plicht te verlaten, maar steeds het goede +te doen en het kwade te haten. + +Met deze wijze les verlieten Jan en Karel voor goed de school, en +zij vergaten haar hun leven lang niet. + + +EINDE. + + + + + +End of Project Gutenberg's De Zoon van Dik Trom, by Cornelis Johannes Kieviet + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZOON VAN DIK TROM *** + +***** This file should be named 10971-8.txt or 10971-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/0/9/7/10971/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/10971-8.zip b/old/10971-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f9266c5 --- /dev/null +++ b/old/10971-8.zip diff --git a/old/10971-h.zip b/old/10971-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d684273 --- /dev/null +++ b/old/10971-h.zip diff --git a/old/10971-h/10971-h.htm b/old/10971-h/10971-h.htm new file mode 100644 index 0000000..d3deb64 --- /dev/null +++ b/old/10971-h/10971-h.htm @@ -0,0 +1,7484 @@ + +<!DOCTYPE html +PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> + +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. --> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1"> + +<title>De Zoon van Dik Trom</title> +<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="author" content="Cornelis Johannes Kieviet (1858–1931)"> +<meta name="DC.Creator" content="Cornelis Johannes Kieviet (1858–1931)"> +<meta name="DC.Title" content="De Zoon van Dik Trom"> +<meta name="DC.Date" content="Februari 2004"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css"> +/* Standard CSS stylesheet */ + + + +body +{ +font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; +margin: 1.58em 16%; +text-align: left; +} + +.titlePage +{ +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0% 7em 0%; +padding: 5em 10% 6em 10%; +} + +h1.docTitle +{ +font-size:1.6em; +line-height:2em; +} + +h2.byline +{ +font-size:1.1em; +font-weight:normal; +line-height:1.44em; +} + +span.docAuthor +{ +font-size:1.2em; +font-weight:bold; +} + +h2.docImprint +{ +font-size:1.2em; +font-weight:normal; +} + +.transcribernote +{ +background-color:#DDE; +border:black 1px dotted; +color:#000; +font-family:sans-serif; +font-size:80%; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} + +.div0 +{ +padding-top: 5.6em; +} + +.div1 +{ +padding-top: 4.8em; +} + +.index +{ +font-size: 80%; +} + +.div2 +{ +padding-top: 3.6em; +} + +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-top: 2.4em; +} + +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ +padding: 0; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} + +h3 +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +} + +h3.label +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} + +h4 +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +} + +h4.lghead +{ +margin-left:10%; +margin-right:10%; +} + +.alignleft +{ +text-align:left; +} + +.alignright +{ +text-align:right; +} + +.alignblock +{ +text-align:justify; +} + +p.tb, hr.tb +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +text-align: center; +} + +p.poetry +{ +margin:0 10% 1.58em; +} + +p.line +{ +margin:0 10%; +} + +p.argument, p.note, p.tocArgument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +text-indent:0; +} + +p.argument, p.tocArgument +{ +margin:1.58em 10%; +} + +p.tocChapter +{ +margin:1.58em 0%; +} + +p.tocSection +{ +margin:0.7em 5%; +} + + +div.epigraph +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} + +.epigraph .bibl +{ +text-align: right; +} + +.epigraph .poem +{ +margin-left: 0; +} + +.epigraph .line +{ +margin-left: 0; +text-indent: 0; +} + +.trailer +{ +clear: both; +padding-top: 2.4em; +padding-bottom: 1.6em; +} + +.floatLeft +{ +float:left; +margin:10px 10px 10px 0; +} + +.floatRight +{ +float:right; +margin:10px 0 10px 10px; +} + +p.figureHead +{ +font-size:100%; +text-align:center; +} + +.figure p +{ +font-size:80%; +margin-top:0; +text-align:center; +} + +p.smallprint,li.smallprint +{ +color:#666666; +font-size:80%; +} + +span.parnum +{ +font-weight: bold; +} + +.leftnote +{ +font-size:0.8em; +height:0; +left:1%; +line-height:1.2em; +position:absolute; +text-indent:0; +width:14%; +} + +.pagenum +{ +display:inline; +font-size:70%; +font-style:normal; +margin:0; +padding:0; +position:absolute; +right:1%; +text-align:right; +} + +a.noteref +{ +font-size: 80%; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} + + +.displayfootnote +{ +display: none; +} + +div.footnotes +{ +margin-top: 1em; +padding: 0; +} + +hr.fnsep +{ +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} + +p.footnote +{ +font-size: 80%; +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} + +p.footnote .label +{ +float: left; +text-align:left; +width:2em; +} + +.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption +{ +font-size: 80%; +} + + +.poem +{ +margin-left:5%; +position:relative; +text-align:left; +width:90%; +} + +.poem h4 +{ +font-weight:normal; +margin-left:5em; +text-decoration:underline; +} + +.poem .linenum +{ +color:#777; +font-size:90%; +left:-2.5em; +margin:0; +position:absolute; +text-align:center; +text-indent:0; +top:auto; +width:1.75em; +} + +.versenum +{ +font-weight:bold; +} + +/* right aligned page number in table of contents */ +.tocPagenum +{ +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +} + +.footnotes .line +{ +font-size:80%; +margin:0 5%; +} + +.poem .i0 +{ +display:block; +margin-left:2em; +} + +.poem .i1 +{ +display:block; +margin-left:3em; +} + +.poem .i2 +{ +display:block; +margin-left:4em; +} + +.poem .i3 +{ +display:block; +margin-left:5em; +} + +.poem .i4 +{ +display:block; +margin-left:6em; +} + +.poem .i5 +{ +display:block; +margin-left:7em; +} + +.poem .i6 +{ +display:block; +margin-left:8em; +} + +.poem .i7 +{ +display:block; +margin-left:9em; +} + +.poem .i8 +{ +display:block; +margin-left:10em; +} + +.poem .i9 +{ +display:block; +margin-left:11em; +} + +span.corr +{ +border-bottom:1px dotted red; +} + +span.abbr +{ +border-bottom:1px dotted gray; +} + +span.measure +{ +border-bottom:1px dotted green; +} + +.letterspaced +{ +letter-spacing:0.2em; +} + +.smallcaps +{ +font-variant:small-caps; +} + + +.caps +{ +text-transform:uppercase; +} + + +hr +{ +clear:both; +height:1px; +margin-left:auto; +margin-right:auto; +margin-top:1em; +text-align:center; +width:45%; +} + +h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure +{ +text-align:center; +} + +h1,h2 +{ +font-size:1.44em; +line-height:1.5em; +} + +h1.label,h2.label +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} + +h5,h6 +{ +font-size:1em; +font-style:italic; +line-height:1em; +} + +p,p.initial +{ +text-indent:0; +} + +.poem .stanza +{ +padding: .5em 0% .5em 0%; +} + +p.quote,div.blockquote,div.argument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +margin:1.58em 5%; +} + +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ +text-decoration:none; +} + + +ul { list-style-type: disc; } +ol { list-style-type: decimal; } +ol.AL { list-style-type: lower-alpha; } +ol.AU { list-style-type: upper-alpha; } +ol.RU { list-style-type: upper-roman; } +ol.RL { list-style-type: lower-roman; } +.lsoff { list-style-type: none; } + + + + + +/* Supplement CSS stylesheet "style/arctic.css.xml +" */ + + + +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} + +body, a.hidden +{ +color: black; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} + +p.byline +{ +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} + +.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend, .versenum +{ +color: #001FA4; +} + +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} + +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} + + +</style></head> +<body> + + +<pre> + +Project Gutenberg's De Zoon van Dik Trom, by Cornelis Johannes Kieviet + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Zoon van Dik Trom + +Author: Cornelis Johannes Kieviet + +Release Date: November 16, 2007 [EBook #10971] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZOON VAN DIK TROM *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + +</pre> + + +<div class="front"> +<div class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/cover.jpg" alt=""></div><p> + +</p> +</div> +<div class="titlePage"> +<h1 class="docTitle">De Zoon van Dik Trom</h1> +<h2 class="byline">Door + +<span class="docAuthor">C. Joh. Kieviet</span></h2> +<h2 class="docImprint">Twaalfde, Goedkoope Druk<br> +Amersfoort—Valkhoff & Co. +</h2> +</div> +<div class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1.jpg" alt=""></div><p> + + + + +</p> +</div> +</div> +<div class="body"><a id="d0e98"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e98">5</a>]</span><div id="d0e99" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Eerste Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>Dik heeft een plan, en zijn vader vindt, dat hij een bizonder kind is, en dat is-ie.</p> +</div> +<p>ʼt Was met den kruidenierswinkel van den ouden Trom uitstekend gegaan. Dat was geen wonder, want Vrouw Trom was eene zindelijke +vrouw, die er voor zorgde, dat alles in den winkel er keurig netjes uitzag. De koperen weegschalen waren zoo prachtig geschuurd, +dat zij haast wel van goud schenen, de toonbanken zagen er brandhelder uit, en de koopwaren waren van de beste kwaliteit. + + +</p> +<p>Elken morgen spande Dik zijn mooien hit voor den wagen, om de klanten, die buiten het dorp woonden, te gaan bedienen. Zijn +paard was altoos helder geroskamd, zijn wagen zag er proper uit, en wat hij leverde was prompt in orde. Nooit vergat hij te +doen, wat hij beloofd had, en tegen wat extra werk zag hij niet op, als hij een van zijne klanten er mede gerieven kon. Geen +wonder dus, dat hij steeds méér verkocht, er telkens nieuwe klanten bijkreeg en er zelden of nooit een verloor. In enkele +jaren was de winkel van Jan Trom de voornaamste van het dorp geworden, en ʼt was een lust te zien, hoe vol het er somtijds +wezen kon. Vooral op Zaterdagavond was het er verbazend druk. Dan stond de winkel opgepropt met menschen, die inslag voor +de volgende week kwamen doen, en hadden Vader <a id="d0e109"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e109">6</a>]</span>en Moeder Trom, benevens Dik, geen handen genoeg, om de klanten te bedienen. Maar al moesten dezen wat wachten, dat hinderde +niet erg, want allen luisterden graag naar de vroolijke grappen van Dik, die zijn praatje steeds klaar had. + +</p> +<p>De oude Trom deed niet veel. Hij was niet sterk genoeg om lang achter de toonbank te staan, en als het hem al te druk werd, +trok hij zich op zijn stoeltje in een hoek van den winkel terug en keek met innig welbehagen de drukte aan. En dan luisterde +hij naar de gesprekken der vrouwtjes, die het wel gezellig vonden, als zij niet dadelijk geholpen konden worden, omdat zij +dan nog een poosje konden babbelen,—maar het meest genoot hij van de grappen en kwinkslagen van zijn zoon Dik, dien hij soms +langen tijd achtereen met de grootste bewondering kon zitten aanstaren. En menigmaal, als hij zag, hoe graag de menschen door +Dik geholpen werden, mompelde hij zacht voor zich heen: + +</p> +<p>“Die Dik,—o, dat is toch een bizonder kind,—en dat is-ie!” + +</p> +<p>Trom werd er niet sterker op, en meer en meer begon de winkel hem te zwaar te worden, vooral overdag, als Dik de klanten afreed, +en Moeder het huiswerk verrichtte. Want de winkelschel liet hem bijna nooit met rust, van den morgen tot den avond. + +</p> +<p>“Klingelingeling!” ging het, als Trom zijn ontbijt gebruikte. “Klingelingeling!” als hij ʼs middags aan tafel zat. “Klingelingeling!” +als hij zijn middagdutje wilde doen, waaraan zijn zwak lichaam zooveel behoefte had. + +</p> +<p>Den geheelen dag was het voortdurend: “klingelingeling!” en dat hield niet op, voordat ʼs avonds laat de winkeldeur op het +nachtslot werd gedaan. + +</p> +<p>De oude man beefde soms over al zijn leden van vermoeidheid als hij eindelijk in zijn bed gestapt was, en van overspanning +kon hij dan dikwijls in geen uren den slaap <a id="d0e123"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e123">7</a>]</span>nog vatten. Eindelijk begrepen Moeder Griet en Dik beiden, dat het zoo niet langer ging,—dat er verandering moest komen. + +</p> +<p>En die verandering kwam. + +</p> +<p>Het huisje naast den winkel kwam te huur. ʼt Was een allerliefst huisje, wel klein, maar keurig net. ʼt Was een huisje voor +een paar oude menschen, die rustig hun ouden dag wilden doorbrengen. + +</p> +<p>Zoodra Dik hoorde, dat het te huur was, zei hij op een avond, toen de winkel op het nachtslot was: + +</p> +<p>“Hoor eens, Vader en Moeder, weet u, dat het huisje hiernaast te huur komt?” + +</p> +<p>“Is ʼt waar?” vroeg moeder Trom. “Neen, dat weet ik niet.” + +</p> +<p>Trom zei niets. Hij keek Dik aan en streek met zijn hand langs zijn dunne bakkebaardjes. + +</p> +<p>“Ja,” zei Dik,—“ʼt is zoo, en nu had ik gedacht, dat het juist een huisje voor u beiden zou zijn.” + +</p> +<p>“Ja,” zei Trom, “dat denk ik ook, en dat doe ik.” + +</p> +<p>“ʼt Is een lief huis,” ging Dik voort. “Niet te groot en erg gemakkelijk in ʼt bewonen. En als u mij dan den winkel verhuurde, +zou u een rustigen ouden dag kunnen hebben. ʼt Wordt Vader toch wel wat erg zwaar in den winkel.” + +</p> +<p>“Ja, dat doet het—en dat doet het,” zei Trom. + +</p> +<p>“En wou jij dan alleen in den winkel gaan wonen, Dik?” vroeg vrouw Trom met een glimlachje. + +</p> +<p>Dik lachte ook. + +</p> +<p>“Neen Moeder, dat is nu juist mijne bedoeling niet. Als u en Vader het goedvinden, zou ik wel willen trouwen. Anneke en ik +hebben elkander al gekend van onze vroegste kinderjaren af, en wij houden veel van mekaar. Dus,—wat dunkt u er van?” + +</p> +<p>Moeder Trom stond op, sloeg haar armen om Dikʼs hals, gaf hem een kus op elke wang, en zei: +<a id="d0e153"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e153">8</a>]</span> +“Mijn zegen er op, Dik!” + +</p> +<p>Trom trok zoo hard aan zijn bakkebaardjes, dat hij er de vlassige haartjes van in de hand hield, en zei: + +</p> +<p>“Ja, ja, zoo is het goed, en dat is het. Griet, onze Dik is toch een bizonder kind,—en dat is-ie!” + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e159" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Tweede Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>De belangrijkste dag uit het leven van Dik Trom.</p> +</div> +<p>Het ging al gauw als een loopend vuurtje door het dorp: “Dik Trom gaat trouwen met Anneke, en zijn ouders gaan het huisje +bewonen naast den winkel.” En alle menschen vonden het erg best. “ʼt Was net een spannetje, dat bij elkaar hoorde,” zei men. +“Allebêi zijn ze vroolijk, allebêi jong, allebêi dik,” en dat was waar, want Anneke evenaarde in gezetheid haar aanstaanden +man. Zij zag er door en door gezond uit, had een paar blozende wangen en keek iedereen altoos vroolijk en opgeruimd aan. En +zij vond het wàt prettig om met Dik te trouwen. Van hun vroegste jeugd af hadden zij elkander gekend en veel van mekaar gehouden, +en niemand vond het vreemd, dat zij man en vrouw zouden worden. Eigenlijk hadden de menschen het al lang gedacht. + +</p> +<p>Op een mooien dag in de maand Juni werd de bruiloft gevierd. Dik was ʼs morgens al vroeg opgestaan en den tuin achter zijn +huis ingestapt. Het zonnetje scheen zoo vroolijk, de vogels zongen zoo blijde, de bloemen in de perkjes geurden zoo heerlijk, +en Dik voelde zich zóó gelukkig, dat hij van louter plezier een liedje begon te zingen. En met zijn zakmes sneed hij de vroege +rozen af en de seringen en de vogelkers, en bond ze te zamen tot een <a id="d0e169"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e169">9</a>]</span>welriekenden ruiker, dien hij zelf aan zijne bruid ging brengen. Overal zag hij de vlaggen uitsteken ter eere van hem en van +Anneke. Piet van Dril was de eerste, die zijn vlag uit het zolderraam stak, en toen volgde Jan Vos, en daarna Van Dijk, de +molenaar, en Vrouw van Aken, en Teun de visscher, en de meester, en de ontvanger, en de burgemeester. Ja, zelfs uit het huisje +van Kee, de heks van den Achterweg, wapperde een klein, verschoten vlaggetje uit het boven-zijraampje, want zij hield dolveel +van Dik en verheugde zich in zijn geluk. Weldra was er geen huis meer, waar de vlag niet uithing, wat wel een bewijs was, +dat de bruid en de bruidegom geliefde personen waren op het dorp. + +</p> +<p>Dik vond het heerlijk te zien, dat alle menschen hem en Anneke een blijk van vriendschap wilden geven. Hij had een glimlach +van geluk op de lippen, en zijne oogen tintelden van blijdschap. + +</p> +<p>De menschen, die hem tegenkwamen, hielden hem staande om hem geluk te wenschen en de hand te drukken, en Piet van Dril stak +zijn zwarte gezicht buiten de deur van de smederij, toen Dik daar voorbijkwam, zwaaide met zijn vette, glimmende petje, en +riep driemaal: “Hoezee! Leven Dik en zijne bruid!” + +</p> +<p>Voor het huis van Anneke wachtte hem eene verrassing, want daar was een mooie, groote eerepoort opgericht met sparregroen +en papieren bloemen. Bovenin prijkte een schild met de namen van de bruid en den bruidegom, en er hingen lampions met kaarsen, +die ʼs avonds een schitterend licht zouden geven. + +</p> +<p>Dat hadden zijn vrienden en kennissen gedaan onder leiding van Piet van Dril, zijn boezemvriend. + +</p> +<p>En onder de poort stond Anneke, die maar niet begrijpen kon, dat die poort ter harer eere was opgericht, en ze lachte en schreide +tegelijk van blijdschap en zei, dat ze zoo <a id="d0e181"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e181">10</a>]</span>gelukkig was en zooveel eer niet verdiende. En zij dankte Dik voor zijn mooien ruiker, en wist bijna niet, wat zij doen zou +van vreugde. + +</p> +<p>Toen ging Dik naar huis terug, om alles voor de bruiloft in orde te brengen. Er werden in de schuur, die in gewone tijden +voor pakhuis diende, groote tafels en stoelen geplaatst voor de gasten. En hij versierde de wanden met vlaggedoek, en nog +was hij daarmee niet gereed, toen de deur openging, en Piet van Dril en Jan Vos verschenen, die een wagen met sparregroen +meebrachten en hem hielpen aan de versiering. + +</p> +<p>De schuur was weldra haast niet meer te herkennen, zoo mooi werd zij. Vader en moeder Trom konden hun oogen bijna niet gelooven, +toen zij even binnen kwamen om een kijkje te nemen. Zij sloegen de handen van verbazing in elkaar, en Trom mompelde: + +</p> +<p>“Wat een feest,—wat een feest! ʼt Heele dorp vlagt, en dan die schuur! O, die Dik is een bizonder kind, en dat is-ie!” + +</p> +<p>Moeder Griet was dat volkomen met hem eens, maar zij gunde zich den tijd niet om lang te kijken, want zij had het nog meer +dan druk om alles voor het feest in gereedheid te brengen. De beste spullen moesten uit de kast, en alles werd zorgvuldig +geschuierd en opgeknapt. Trom had het vreeselijk druk met zijn hoogen hoed, denzelfden nog, waarop Dik was gaan zitten, toen +deze nog een kleine jongen was. Trom poetste de stugge haartjes glad en liefkoosde hem wel honderdmaal met de mouw van zijne +lakensche jas. De man zag er wàt deftig uit, heelemaal in ʼt zwart en met dien hoogen hoed op. ʼt Model van zijn costuum was +wel wat ouderwetsch,—want ʼt was zijn eigen trouwpak nog, dat hij maar zelden had aangehad,—en zijn hoed was wel wat hoog +van bol en breed van rand, maar dat hinderde niet. +<a id="d0e191"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e191">11</a>]</span></p> +<p>“Die hoed is nog mooi, en dat is-ie,” zei Trom, “en mijn pak kan ook nog best meê, en dat kan het.” + +</p> +<p>Dik was van top tot teen in ʼt nieuw. Hij had ook een lakensch pak laten maken en een hoogen hoed gekocht. Zelf vond hij wel, +dat hij er met den hoed erg gek uitzag, maar Trom zei, dat hij hem deftig stond, en dat deed-ie. Dikʼs nieuwe laarzen kraakten +bij elken stap, zoodat men hem in de verte al kon hooren aankomen. Dik had er een hekel aan, maar zijn vader vond dat ook +al erg deftig. + +</p> +<p>“Alle laarzen van deftige menschen kraken, en dat doen ze,” zei hij wijs. + +</p> +<p>Eindelijk werd het tijd om naar het huis van de bruid en vervolgens naar het gemeentehuis te gaan, waar het huwelijk zou worden +voltrokken. Het drietal begaf zich daarom op weg. + +</p> +<p>Dik zag wel wat tegen de plechtigheid op, en hij voelde zich in zijn mooie zwarte pak, in zijne krakende laarzen en onder +zijn hoogen hoed verre van lekker. Hij was in het geheel geen mensch voor zooveel moois en plechtigs. Maar ʼt moest nu eenmaal +gebeuren, en hij besloot daarom zoo goed mogelijk door den zuren appel heen te bijten. + +</p> +<p>Vader en moeder Trom keken met gepasten ernst naar al de vlaggen, die ter eere van hun zoon waren uitgestoken, en vonden zich +verbazend gewichtig. Moeder Griet zag er ook zeer feestelijk uit. Zij had hare zijden japon aan, waarover een met palmen doorgewerkte +omslagdoek, die haar in den vorm van een gelijkbeenigen driehoek over den rug hing met de punt naar beneden, een zijden hoedje +op met groote keellinten, en aan haar arm een karbies, welke in sterke mate de aandacht trok van de kinderen, die den kleinen +stoet omringden en steeds in aantal toenamen. Een van de grootste jongens begon al spoedig te zingen: + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span>“Bruid, bruid, strooi wat uit!”</span></p> +</div> +</div><a id="d0e207"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e207">12</a>]</span><p>Maar de anderen legden hem het zwijgen op met de opmerking, dat de bruid nog niet aanwezig en hij dus met zijn liedje te vroeg +was. + +</p> +<p>De jongens en meisjes zagen er zeer opgewekt uit en het ontbrak hun niet aan de noodige luidruchtigheid. + +</p> +<p>Zoo bereikte het drietal de woning van de bruid, waar de gasten, die voor het feest genoodigd waren, zich reeds verzameld +hadden. Met een krachtigen handdruk werd Dik ontvangen, die onhandig met zijn hoogen hoed omsprong en voortdurend het vervelende +kraken van zijne laarzen hoorde. + +</p> +<p>ʼt Was nu hoog tijd om naar het raadhuis te gaan. De stoet stelde zich dus op. Jan Vos en zijn verloofde openden de rij, daarop +volgden Dik en Anneke, daarachter de wederzijdsche ouders en verdere familieleden, en eindelijk de vrienden en kennissen, +die genoodigd waren. Piet van Dril en zijn jonge vrouw, want Piet was al sedert een jaar getrouwd, waren de laatsten van den +stoet. + +</p> +<p>De meisjes en vrouwen hadden allen een groote karbies, tot groote vreugde van de jongens en meisjes, die zich vol blijde verwachting +voor het huis hadden opgesteld. Nauwelijks waren de bruiloftsgasten zichtbaar, of daar klonk uit wel honderd kelen: + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span>“Bruid, Bruid,</span></p> +<p class="line" style=""><span>Strooi wat uit!</span></p> +<p class="line" style=""><span>Bruid, Bruid,</span></p> +<p class="line" style=""><span>Strooi wat uit!”</span></p> +</div> +</div> +<p>ʼt Was een verschrikkelijk gejoel en lawaai, maar de karbiezen bleven potdicht. Eerst moest het jonge paar getrouwd zijn; +zoolang dat niet gebeurd was, werd er niet gestrooid. + +</p> +<p>In lange rij trok de stoet door het dorp en bereikte ongestoord het raadhuis. Daar werden de groote deuren geopend door den +veldwachter, die bij trouwpartijen dienst <a id="d0e231"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e231">13</a>]</span>deed als concièrge, en men nam plaats in de trouwzaal, waar vele dorpelingen aanwezig waren om van de plechtigheid getuige +te zijn. + +</p> +<p>Spoedig verscheen de burgemeester, en nu werden Dik en Anneke in den echt verbonden. De burgemeester deed nog een hartelijke +toespraak en drukte het bruidspaar de hand. + +</p> +<p>Pas kwam de stoet weer buiten het raadhuis, of daar galmde het weer, nu wel uit tweehonderd monden: + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span>“Bruid, Bruid,</span></p> +<p class="line" style=""><span>Strooi wat uit!</span></p> +<p class="line" style=""><span>Bruid, Bruid,</span></p> +<p class="line" style=""><span>Strooi wat uit!”</span></p> +</div> +</div> +<p>De lieve straatjeugd drong geweldig op om dicht bij de karbiezen te komen, die de begeerde lekkernijen bevatten. En thans +bestond er tegen het openen daarvan geen enkele hinderpaal meer. + +</p> +<p>“Dààr dan, jongens, grabbelt maar!” riep Anneke, die tijdens de plechtigheid erg bleek had gezien, maar nu hare frissche kleur +langzamerhand terugkreeg, en zij tastte diep in de karbies en strooide de bruidssuikers onder de menigte. Haar voorbeeld werd +door Moeder Trom en de andere vrouwen en meisjes gevolgd. Het regende als het ware links en rechts suikergoed, zoodat de jongens +op en over elkander buitelden, om toch maar zooveel mogelijk bijeen te grabbelen. ʼt Was een allerdolst schouwspel. De kinderen +hadden nergens meer oog voor, dan voor de uitgestrooide lekkernijen, en zij waren zoo verwoed aan het grabbelen, dat zij den +heelen bruidsstoet uit elkaar duwden. Een van de jongens kwam vlak voor de voeten te liggen van Vader Trom, zoodat het weinig +scheelde, of deze viel voorover op de straat. Zijn hooge hoed rolde wel twee meter ver voor hem uit en kwam onder een paar +jongens <a id="d0e250"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e250">14</a>]</span>terecht, die aan het vechten waren om een suikerboon, waarop zij beiden recht meenden te hebben. De arme hoed kreeg het kwaad +te verantwoorden en leek al spoedig meer op een waterhoozer uit een lekke roeiboot, dan op een deftigen hoogen hoed. + +</p> +<p>Piet van Dril gaf den vechtenden jongens een paar klinkende oorvijgen, die hun met verbazenden spoed het hazenpad deden kiezen. +Den hoed bracht hij zooveel mogelijk weer in zijn fatsoen, en zette hem den ouden man op het hoofd. + +</p> +<p>Van het gemeentehuis wandelde de stoet, steeds vergezeld door de straatjeugd, die met ijzeren volharding het “Bruid, Bruid, +strooi wat uit” galmde, naar de kerk, waar het huwelijk ingezegend werd, en van daar naar de versierde schuur. + +</p> +<p>Den geheelen dag heerschte er groote vreugde. Dik rookte uit een lange Goudsche pijp, die met groen en bloemen was versierd, +en de bruid dronk uit een kopje, waarvan het oortje met een rozeknopje en een paar rozeblaadjes prijkte. + +</p> +<p>ʼt Was een heerlijk feest. ʼs Middags kwamen vele vrienden en kennissen gelukwenschen, en ook de oude heks van den Achterweg +kwam binnen, om bruid en bruidegom de hand te drukken. En in een klein mandje bracht zij zes kippeneitjes meê, als een klein +blijk van hare vriendschap en dankbaarheid, want zij was maar een arme, oude vrouw en wilde toch ook zoo graag wat geven. + + +</p> +<p>Dik kreeg het er bijna te kwaad onder, zoo aardig vond hij dat van de goede ziel, en hij pakte het oudje beet en danste met +haar in het rond tot groote pret van alle bruiloftsgasten. ʼs Avonds kwamen twee muzikanten met violen, en toen konden de +jongelui dansen naar hartelust, wat zij dan ook deden. +<a id="d0e262"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e262">15</a>]</span></p> +<p>ʼt Was al zeer laat in den avond, en nog was er niemand naar huis gegaan. De oude molenaar was de eerste, die opstond om te +vertrekken, en hij klopte Trom op den rug en zeide: + +</p> +<p>“Dat was nog eens een echte, mooie bruiloft, niet waar?” + +</p> +<p>En Trom antwoordde, aan zijne bakkebaardjes plukkende: + +</p> +<p>“Ja, dat is het,—en dat doet het,—maar Dik is ook een bizonder kind,—en dat is-ie!” + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e271" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Derde Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>Dik wordt vader, en vrouw Smul begraaft haar neus in een roomtaart.</p> +</div> +<p>ʼt Bleef met den winkel onder leiding van Dik en Anneke uitstekend gaan, zoodat men gerust kon voorspellen, dat zij nog eens +in goeden doen zouden komen. Nu, Dik werkte dan ook met den grootsten ijver, en als hij de boeren afreed met boodschappen, +verving Anneke hem op uitstekende wijze in den winkel. En zij was een zuinig vrouwtje, naar de meening van Dik haast wel een +beetje al te zuinig. + +</p> +<p>“Hoor eens, Anneke,” zei hij meer dan eens, “daar moet je toch voorzichtig meê wezen. Zuinig is goed, best zelfs, maar àl +te zuinig is verkeerd. Komen de vrouwtjes om een pondje van dit of van dat, dan moet je niet bang wezen, dat de schaal even +doorslaat. ʼt Is beter overwicht te geven, dan te klein gewicht. Daar hebben de menschen een hekel aan, en dan gaan ze al +gauw naar een anderen winkel, waar de maat wat ruimer is. Heusch, een klein toegiftje doet geen schade, maar voordeel. En +komen er <a id="d0e281"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e281">16</a>]</span>kinderen boodschappen halen, geef ze dan een balletje of een pepermunt, of een stukje zoethout, of een vijg. Dat hebben ze +graag en dan koopen ze liever hier dan bij een ander.” + +</p> +<p>Anneke gaf aan dien raad gehoor, maar zuinig van aard bleef ze toch, en dat was goed. + +</p> +<p>In den winkel zag het er keurig netjes uit, en hij was van alle gemakken voorzien. Daar zorgde vader Trom wel voor. Nu hij +niets meer te doen had, was de oude liefhebberij voor het timmervak weer bij hem ontwaakt, en liep hij altoos te passen en +te meten, te schaven en te hameren. ʼt Was dan ook, eer een jaar verloopen was, een pracht van een winkel geworden, en Trom +was daar erg trotsch op. Jammer voor den braven man, dat hij den laatsten tijd zoo doof werd. Kort na Dikʼs bruiloft was het +begonnen, en ʼt nam met den dag toe, zoodat hij eindelijk bijna niet meer te beschreeuwen was. ʼt Was voor Griet een verbazende +last, want zij hield erg veel van een praatje. + +</p> +<p>Een paar jaar na Dikʼs huwelijk had er eene groote gebeurtenis plaats. Dik werd namelijk vader van een zoontje, en hij was +daar erg blij om. Toen hij op een avond met paard en kar thuis kwam, vond hij den kleinen kerel al in de wieg liggen, en grootvader +en grootmoeder Trom zaten er op een stoel naast en keken met de grootste belangstelling naar hun pasgeboren kleinkind. Grootmoeder +Griet vond het een allerliefst schattig kindje, maar grootvader zei geen woord. Hij was blijkbaar in gedachten verdiept, en +staarde met open mond den kleinen schreeuwer aan. Want een scheeuwer was het. De oude Trom had een klein, pasgeboren kindje +nog nooit zóó hooren schreeuwen. Grootvader vond het erg verwonderlijk, en soms sloeg hij zijne oogen even op en staarde grootmoeder +<a id="d0e289"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e289">17</a>]</span>aan met een blik, waarin zoowel verbazing als bewondering opgesloten lag. ʼt Was hem aan te zien, dat hij in het kind iets +gewichtigs zag. + +</p> +<p>“O, o, wat was Dik blij, toen hij zijn zoontje zag. Zijne ouders feliciteerden hem recht hartelijk, en hij drukte moeder Anneke, +die te bed lag, een kus op elke wang. En toen ging hij weer dadelijk naar de wieg, om zijn zoontje in oogenschouw te nemen. + +</p> +<p>“Wel verschrikkelijk, wat schreeuwt dat kind!” zei Dik, die ook in de grootste verbazing naar het geluid van den nieuwen huisgenoot +luisterde. “Moeder, heb ik ook zoo geschreeuwd, toen ik pas in de wereld was?” + +</p> +<p>“Neen,” zei grootmoeder Trom, “jij schreeuwde nooit, dan alleen als je honger hadt.” + +</p> +<p>“Maar dan heeft dat ventje ook honger!” riep Dik met beslistheid uit. “Hei baker, waar zit je? Geef dat kind wat eten!” + +</p> +<p>Op zijn geroep kwam de baker uit de keuken te voorschijn ʼt Was vrouw Smul, die ook Dik nog gebakerd had. Zij was nu eene +oude vrouw geworden, met bijna geen tand meer in haar mond, en een puntige, vooruitstekende kin. Dik hield in het geheel niet +van haar, maar daar zij de eenige baker op het dorp was, moest hare hulp wel ingeroepen worden. Met een vriendelijk lachje +feliciteerde zij den gelukkigen vader, en zij haalde het kleine kereltje uit de wieg, en hield hem Dik voor, die nu in de +gelegenheid kwam, zijn zoon goed te bezien. + +</p> +<p>Ten tweeden male wekte het ventje zijn groote verbazing, want zoo dik als hij zelf geweest was, toen hij op de wereld kwam, +zoo smal en dun was de kleine. En schreeuwen, schreeuwen dat het kind deed, neen maar, ʼt ging Diks verwachting verre te boven. +Ook grootmoeder en grootvader keken het wichtje met verwondering aan, want zoo <a id="d0e303"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e303">18</a>]</span>dun en mager hadden zij nog nooit een kind gezien. + +</p> +<p>Dik sloeg van verbazing de handen ineen, en riep uit: + +</p> +<p>“Neen maar, wat een wonderlijk mager kind is dat! ʼt Is veel te dun!” + +</p> +<p>“Maar ʼt is toch een erg lief kindje,” zei Anneke met moedertrots. + +</p> +<p>“En wat schreeuwt het!” ging Dik voort, “ʼt Schreeuwt als een speenvarken. Toe baker, geef dat kind dadelijk wat te eten, +want zulk geschreeuw is niet uit te houden. Een mensch krijgt er hoofdpijn van.” + +</p> +<p>Grootvader Trom had nog geen woord gesproken, maar eindelijk ging hij naar zijn vrouw, en driftig aan zijn bakkebaardjes plukkende, +zei hij op gewichtigen toon: + +</p> +<p>“Griet, ʼt is een bizonder kind,—ik zeg een bizonder kind,—en dat is-ie!” + +</p> +<p>“Ik geloof het ook,” zei Dik lachend. “Zoo dun,—en dan dat geschreeuw. ʼt Is wél bizonder!” + +</p> +<p>Inderdaad bleken deze twee eigenschappen van den kleine op den duur wèl wat bizonder te zijn, want het kind schreide van den +morgen tot den avond, en van den avond tot den morgen. Alleen als hij sliep, was hij stil. Hij dronk de eene flesch melk na +de andere, maar bleef even dun en mager. En hij schreeuwde om er wanhopig onder te worden. Kreeg hij geen flesch, dan maakte +hij een ijselijk misbaar om de aandacht op zich te vestigen, en had hij de flesch leeggedronken, dan vond hij dàt weer een +reden om zijne stem te verheffen. Maar hij groeide best, al was het alleen in de lengte. + +</p> +<p>Dik vreesde, dat zijn wieg hem gauw te kort zou worden, en hij ergerde zich den ganschen dag aan de aanwezigheid van de baker. +Daar had hij trouwens zijn goede redenen voor, want in den winkel was veel te snoepen, en daar hield vrouw Smul van. Telkens +zag Dik, dat zij tersluiks <a id="d0e323"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e323">19</a>]</span>iets in den mond stak, als zij even in den winkel moest wezen, en dat kon Dik niet uitstaan. Eens zag hij, dat zij bij de +kistjes vijgen stond en er een handjevol uitnam, en hij besloot haar dat eens en voor goed af te leeren. Baker had hem niet +gezien, en schrok dus niet weinig, toen hij eensklaps achter haar stond. Dik nam een grooten bak met stroop, dien zij onmogelijk +met éen hand kon vasthouden en zei: + +</p> +<p>“Toe baker, help me even. Houd dien bak eens vast.” + +</p> +<p>Maar dat kon baker niet doen, want dan zou Dik zien, dat zij een hand vol vijgen had. Haastig draaide zij zich dus om en stak +de vijgen met eene behendige beweging in haar mond, maar ongelukkig konden ze daarin haast niet geborgen worden, zooveel had +zij er wel uit het kistje genomen. Zij moest den mond dus stijf dicht houden, wilde zij zich niet verraden. Toen greep zij +den stroopbak met beide handen aan. Haar mond zat als ʼt ware volgepropt, tot groot vermaak van Dik, die een vriendelijk praatje +met haar begon. + +</p> +<p>“Wel baker,” vroeg hij, “hoe zou het toch komen, dat de kleine Jan”,—want zijn zoon heette Jan, naar zijn grootvader,—“dat +de kleine Jan altijd zoo schreeuwt? Wat kan daar toch de reden van wezen?” + +</p> +<p>Maar baker kon niet antwoorden vanwege de vijgen, die zij in den mond had. En er waren er te veel, dan dat zij ze had kunnen +doorslikken. Kauwen durfde zij ook niet, want dan zou zij zichzelve dadelijk verraden hebben. Zij verkeerde nog in de heilige +overtuiging, dat Dik niets van hare snoeperij had gemerkt. Zij zeide dus niets, maar haalde alleen de schouders op, ten teeken +dat de reden van Jantjes geschreeuw haar totaal onbekend was. Doch met dat gebaar was Dik niet tevreden. + +</p> +<p>“Neen baker, haal nu de schouders niet op,” zei hij <a id="d0e335"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e335">20</a>]</span>op ernstigen toon, “maar zeg mij liever kort en goed, wat er de oorzaak van is. Hij moet toch ergens met zooveel volharding +om schreeuwen!” + +</p> +<p>Baker haalde nogmaals de schouders op, en Dik keek haar ernstig aan. + +</p> +<p>“Scheelt er wat aan, baker? U trekt zooʼn raar gezicht,” ging hij voort. “Heeft u pijn of zoo iets?” + +</p> +<p>Baker schudde ontkennend met het hoofd, maar het angstzweet brak haar uit, want de vijgen in haar mond begonnen haar verschrikkelijk +zwaar te liggen, en zij kon haar mond bijna niet meer dicht houden. Zij kneep de lippen wanhopig stijf op elkander en liet +den zwaren stroopbak haast vallen. + +</p> +<p>Dik had de grootste pret, en ging plagend voort: + +</p> +<p>“Heeft u kiespijn, baker?” + +</p> +<p>Baker schudde alweer van neen. + +</p> +<p>“Of buikpijn?” + +</p> +<p>Nogmaals hetzelfde gebaar. + +</p> +<p>“U lijkt wel stommetje te spelen, baker. Ik geloof, dat ik den dokter voor u moet halen.” + +</p> +<p>De baker slaakte een diepen zucht, maar wilde blijkbaar niets van een dokter weten. Zij schudde heftig van neen. + +</p> +<p>“Maar zèg dan toch wat, baker! Zulk zwijgen is om er tureluursch van te worden. Of kan u niet spreken?” + +</p> +<p>De baker zei nog niets, maar keek wanhopig naar den zolder. + +</p> +<p>“Doe uw mond eens open, baker,” ging Dik zonder medelijden voort, en hij pakte haar kin tusschen vinger en duim. Maar nu werd +het baker te erg, en zij begreep, dat Dik heel goed had gezien, dat zij van de vijgen gesnoept had. Zij zette den stroopbak +haastig neer en verliet in allerijl den winkel, terwijl Dik het uitschaterde van pret, omdat hij haar zoo geducht te pakken +had gehad. Zij dorst den “baas” den geheelen dag niet meer aankijken van <a id="d0e363"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e363">21</a>]</span>schaamte, en zij had nog grooter hekel aan hem dan vroeger, toen hij haar klompen vol water had geschept. + +</p> +<p>Maar haar snoeplust leerde zij er niet meê af. Die kwaal was bij haar te veel ingekankerd. + +</p> +<p>Dat bleek Dik, toen zijn zoontje een dag of acht oud was. In den winkel, achter een van de toonbanken, was een luik, waaronder +zich de kelder bevond. Dik was in dien kelder, toen de winkelschel ging, maar de baker wist niet, dat Dik daar was. Zij kwam +in den winkel en zag daar den loopjongen van den banketbakker, die eene heerlijke roomtaart kwam brengen, een geschenk van +Piet van Dril en diens vrouw. Ha, de neusvleugels van vrouw Smul trilden van begeerte. Na haastig om zich heen gekeken te +hebben, of zij wel alleen was, lichtte zij behendig het deksel van de doos en genoot van den heerlijken aanblik, dien de verrukkelijke +taart opleverde. + +</p> +<p>Dik kwam langzaam en onhoorbaar naderbij. “Als zij gaat snoepen, zal ik het haar eens en voor altijd afleeren,” dacht hij. + + +</p> +<p>En jawel, vrouw Smul moest toch eventjes proeven. Met haar vinger streek zij er wat room af en stak het in den mond. Wat smaakte +dat heerlijk! Zij smakte met de tong. En wat rook die taart lekker. Wacht, zij moest ook eventjes ruiken. Zij bracht de doos +wat omhoog, haar neus naar omlaag, en genoot van den heerlijken geur.... + +</p> +<p>Maar Dik was meer dan kwaad, want hij dacht, dat vrouw Smul er van snoepte. En in zijne boosheid gaf hij een geduchten duw +tegen den bodem van de doos, zoodat neus en kin van de baker in een oogwenk tot in het hart van de taart doordrongen. En toen +vrouw Smul die lichaamsdeelen weer uit hun ontijdig graf had opgedolven, zaten zij dik in de room. Zij leken wel roomhorentjes. + + +</p> +<p>Vrouw Smul kon zich in het eerste oogenblik maar niet begrijpen, wat er gebeurd was, zoo snel was het in zijn <a id="d0e377"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e377">22</a>]</span>werk gegaan, en zij gaf een gil van den schrik. Doos en taart liet zij op den vloer vallen, en zij vluchtte op een draf den +winkel uit en de huiskamer in, waar Anneke in een schaterlach uitbarstte, zoo mal zag baker er uit. En zij kon haast niet +tot bedaren komen, toen Dik haar vertelde wat er eigenlijk gebeurd was, al vond zij het meer dan jammer van de heerlijke taart. + + +</p> +<p>“En wat zullen Piet van Dril en zijne vrouw het akelig vinden, als zij het hooren,” zei Anneke. + +</p> +<p>“Die zullen het niet hooren,” zei Dik. “Ik ga dadelijk een nieuwe taart bestellen, precies eender als deze, en wij noodigen +Piet en zijne vrouw een avondje bij ons op de koffie, om haar te helpen opeten. Dan hooren zij er nooit iets van. Baker zal +er haar mond wel over houden,—en wij praten er natuurlijk ook niet over.” + +</p> +<p>Zoo geschiedde. Piet en zijn vrouw smulden er heerlijk van en vonden het prettig, dat de taart Dik en Anneke zoo lekker smaakte, +maar zij hebben nooit geweten, dat het de hunne niet was. De baker wilde den heelen avond niet binnen komen. Zij bleef stil +in de keuken. Maar Anneke zorgde toch, dat zij haar deel van de lekkernij kreeg. + +</p> +<p>Want zij paste uitstekend op den kleinen Jan, en dat waardeerde Anneke bizonder. Een paar dagen later ging de baker voor goed +heen. + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e387" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Vierde Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>De eigenschappen van den kleinen Jan en het geduldige busje van de orgelvrouw.</p> +</div> +<p>De kleine Jan groeide zeer voorspoedig op, dat wil zeggen alleen in de lengte, want hij bleef broodmager, tot groote <a id="d0e395"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e395">23</a>]</span>verbazing van Dik en Anneke, die elken dag opnieuw in de gelegenheid werden gesteld om zijn eetlust te bewonderen. + +</p> +<p>“Hij is precies een hazewindhond,” zei Dik meer dan eens. “Hoeveel hij ook eet, hij blijft altijd even dun. ʼt Is verwonderlijk!” + + +</p> +<p>Overigens was de kleine Jan een zeer voorlijk kind. Hij lachte al, toen hij nog maar enkele dagen oud was, en zijne tandjes +kwamen zeldzaam vroeg. Hij kroop veel gauwer over den vloer, dan nog ooit eenig kind gedaan had, en kreeg mazelen, kinkhoest +en waterpokken, toen andere kinderen van zijn leeftijd de gedachte daaraan nog niet in hun hoofd voelden opkomen. + +</p> +<p>Zijn grootvader hield daarom staande tegenover iedereen die het hooren wilde, dat de kleine Jan een bizonder kind was, en +dat was-ie. + +</p> +<p>Jan was met zijn grootvader al spoedig goede maatjes. Toen hij nog heel klein was, wilde hij altoos op diens knieën zitten +en paardje-rijden, zoodra hij hem maar zag, en als Grootvader zijn zin niet dadelijk deed, zette hij het zoo geweldig op een +schreeuwen, dat zelfs Grootvaders gehoorvliezen er pijn van gingen doen. En dan haastte de oude man zich, om zijn kleinzoontje +tevreden te stellen. + +</p> +<p>Zoodra Jantje loopen kon, en dat kon hij heel vroeg, liep hij grootvader overal na. Anneke was daar eerst wel wat ongerust +over, omdat grootvader zoo erg doof was, maar toen haar Jantje altoos weer gezond en wèl terugkeerde in de ouderlijke woning, +begon zij daar spoedig aan te wennen. Als Jantje zoek was, dacht ze al dadelijk: “O, hij zal wel weer bij grootvader wezen.” + + +</p> +<p>Toen Jantje zag, dat grootvader bijna altoos aan het timmeren was, schreeuwde hij net zoo lang, tot hij ook een hamer kreeg, +en van dat oogenblik af deed hij niet anders dan hameren. Hij sloeg er meê tegen de toonbank, <a id="d0e409"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e409">24</a>]</span>dat de weegschalen er van rinkelden, klopte op de vijgenmand met zooveel kracht, dat de pitjes uit de vruchten te voorschijn +kwamen, hamerde een melkkan aan scherven en sloeg een barst in de winkelruit. Dat gebeurde alles op één dag, tot grooten schrik +van Anneke, die hem den hamer afnam, toen het te laat was. Grootvader had er niets van gemerkt, en toen Anneke hem op de verwoesting +attent maakte, keek hij die eenigen tijd in verbazing aan, tot hij eindelijk mompelde: + +</p> +<p>“Zie je wel, Anneke, dat Jantje een bizonder kind is?—En dat is-ie.” + +</p> +<p>Dat bleek ook uit het feit, dat Jantje het geweldig op een schreeuwen zette, toen Anneke hem den hamer had afgenomen. Hij +kon echter zoo hard niet schreeuwen, dat zijne Moeder hem dien teruggaf. Grootvader was bezig de stijfsellade te herstellen, +die niet meer goed heen en weer kon schuiven. Jantje zat schreeuwend achter hem op den vloer, tot het twaalf uur werd en Grootvader +naar huis moest om te eten. Grootvader legde den hamer in den spijkerbak en vertrok. Nauwelijks was hij verdwenen, of Jantje +greep den hamer en zette de werkzaamheden voort. Hij sloeg draadnagels in de verschillende winkelladen, waar zij schots en +scheef in terecht kwamen, timmerde Grootvaders rooden, katoenen zakdoek, dien hij vergeten had mede te nemen, als een vlag +aan de toonbank vast, en ging naar het petroleumvat, om ook daar een paar draadnagels in te slaan. Maar toen viel zijn aandacht +op de kraan, die in het vat zat, en Jantje sloeg er net zoo lang op met zijn hamer, tot de kraan uit het vat vloog en de petroleum +in een breeden stroom op den vloer en op Jantjes beenen terecht kwam. Ha, dat vond Jantje pas mooi. Hij hield er den hamer +onder, waardoor de stroom een bizonder mooien vorm kreeg en de droppels hem om de <a id="d0e415"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e415">25</a>]</span>ooren spatten, en hij keek met innig welbehagen de gevolgen van zijn bemoeiingen aan. De petroleum bedekte weldra den geheelen +vloer, en Jantje was zoo nat als een gedrenkte spons. Zijne Moeder had er geen erg in, want zij was in de keuken, tot zij +opeens een geweldig geschreeuw vernam, zóó hevig, dat zij van schrik opsprong en naar den winkel ijlde. Maar nauwelijks had +zij de deur geopend, of zij bleef als verstomd staan en keek met open mond naar de petroleum, die den geheelen vloer bedekte +tot aan den drempel toe, waarop hare voeten stonden, en naar Jantje, die uit alle macht schreeuwde en met zijn hamer op het +vat sloeg. + +</p> +<p>De tranen sprongen Anneke in de oogen, en zij was in één woord radeloos. Zij wist niet, wat ze beginnen moest. Ze kon niet +eens bij haar zoontje komen, zonder door de petroleum te plassen, wat ze op hare pantoffeltjes onmogelijk doen kon. + +</p> +<p>En Jantje schreeuwde uit alle macht, niet om hetgeen hij gedaan had, ook niet omdat hij met de beentjes rechtuit in de petroleum +zat, maar eenvoudig om. het feit, dat er geen petroleum meer uit het vat stroomde. Hij was er meer dan kwaad om, dat de stroom +opgehouden had te vloeien, en hij meende net zoo lang te schreeuwen, tot het weer begon. + +</p> +<p>Bedroefd en niet wetende wat zij beginnen moest, snelde Anneke de achterdeur uit, om Grootvaders hulp in te roepen. Schreiende +kwam zij daar binnen, en zij vertelde onder snikken en tranen, wat Jantje gedaan had. + +</p> +<p>“Wat is er?” vroeg Grootmoeder, toen zij Anneke zoo bedroefd zag staan. Grootvader stond ook van zijn stoel op en vroeg: + +</p> +<p>“Wat is er, Anneke? Wat scheelt er aan?” + +</p> +<p>De goede man voelde al naar zijn zakdoek, om haar de tranen van de wangen te vegen, want hij hield veel van <a id="d0e429"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e429">26</a>]</span>Anneke. Maar hij vond zijn zakdoek nergens. Hij kon ook niet vermoeden, dat die als een vlag aan de toonbank wapperde. + +</p> +<p>“O, o,” zei Anneke, “daar heeft Jantje me de kraan uit het petroleumvat geslagen....” + +</p> +<p>“Den haan uit het kippenhok doodgeslagen?” vroeg Grootvader ontsteld. “Hoe komt het kind er bij.” + +</p> +<p>“Neen, neen,” zei Anneke met haar mond aan Grootvaders oor, “de kraan uit het petroleumvat geslagen, en nu is alle petroleum +uit het vat geloopen, en Jantje zit er midden in. Ik weet niet, wat ik beginnen moet....” + +</p> +<p>Grootvader had nu goed verstaan. Hij trok zijn klompen aan en stapte den winkel binnen, waar Jantje nog zijn uiterste best +deed, om petroleum uit het leege vat te laten vloeien. Hij schreeuwde als ʼt ware moord en brand. + +</p> +<p>Grootvader keek ook niet weinig verschrikt, evenals een paar vrouwtjes, die juist kwamen aanloopen om boodschappen te halen. + + +</p> +<p>Trom plaste op zijn klompen door de petroleum en pakte Jantje op, dien hij regelrecht naar de keuken bracht. + +</p> +<p>“Hier Griet, kleed hem maar dadelijk uit en stop hem in de tobbe,” zei hij tegen zijn vrouw, die van schrik bijna niet spreken +kon, toen zij de ramp in oogenschouw nam. + +</p> +<p>Daarna haalde Grootvader eene tobbe uit het schuurtje, benevens een paar dweilen, en begon den vloer op te dweilen. + +</p> +<p>Hij schudde daarbij echter bedenkelijk met het hoofd, want hij begreep zeer goed, dat de zaak zoo gemakkelijk niet in orde +kwam. Jantje schreeuwde intusschen honderd-uit, want hij werd door Moeder en Grootmoeder naakt uitgekleed en in een warm bad +gestopt. Zijn kleeren waren onbruikbaar geworden. + +</p> +<p>Dat laatste was ook het geval met den winkelvloer. <a id="d0e451"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e451">27</a>]</span>Trom besloot dan ook dadelijk de handen uit de mouwen te steken De geheele vloer werd opgebroken en door een nieuwen vervangen, +wat den ouden man heel wat werk bezorgde, ʼt Is te begrijpen, dat Dik verbaasd opkeek, toen hij ʼs avonds thuis kwam en hem +het gebeurde verteld werd. + +</p> +<p>“Die kleine hazewindhond, hoe krijgt hij ʼt in zijn hoofd,” zei hij eindelijk. En Grootvader zei: + +</p> +<p>“Ik zeg, dat hij een bizonder kind is, Dik, net als jij, en dat is-ie.” + +</p> +<p>Sinds dien dag werd het petroleumvat zoo geplaatst, dat Jantje er niet meer bij kon. En de kleine kerel kreeg van zijn vader +een houten hamertje, waar hij niet veel kwaad mee kon doen. Hij timmerde nu den geheelen dag en hielp Grootvader op zijn manier +bij al diens werk. Hij liet zich daarbij door niets storen, of het moest door een draaiorgel zijn. Dat vond hij zoo verrukkelijk +mooi, dat hij er zelfs zijn eten voor liet staan, wat hij anders voor geen geld ter wereld zou doen. En nog mooier vond hij +het busje, waarin de vrouw van den orgeldraaier het geld ophaalde. De orgeldraaier en zijne vrouw woonden op het dorp en kwamen +vast elken Dinsdag met het orgel rond. Dat was erg lastig voor Anneke, want die had dan altoos waschdag, en moest toch al +elk oogenblik haar waschgoed in den steek laten, om de klanten in den winkel te helpen. + +</p> +<p>Eens op een Dinsdagmorgen had zij het daarmede erg druk gehad, toe het geluid van het orgel al van verre tot haar doordrong. +Ook Jantje had het gehoord. Hij was toen een jaar of drie en kon dus de deur al zelf opendoen. + +</p> +<p>ʼt Geluid van het orgel kwam naderbij, en Jantje was in de voordeur gaan staan, om van de muziek zooveel mogelijk te genieten. +Eindelijk was het orgel tot voor <a id="d0e463"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e463">28</a>]</span>den winkel gekomen en verscheen Mietje, de vrouw van den orgeldraaier, die Klaas Touw heette, aan de deur. Jantje haastte +zich naar de keuken, en zei: + +</p> +<p>“Moedel, daal is Klaas Touw met het olgel.” De r kon hij nog niet zeggen, zoodat hij gemakshalve daar maar een l voor nam. + + +</p> +<p>“Hè, wat een gezeur van morgen,” zei Anneke, wie de zweetdroppels op het voorhoofd parelden van de drukte. “Er ligt wel een +cent in de toonbanklade, Jantje, je weet wel.” + +</p> +<p>“Ja moedel,” zei Jan, en weg was hij. + +</p> +<p>Hij greep een handjevol centen en begaf zich naar Mietje. + +</p> +<p>Hij legde een cent in het bakje en zag hem met de grootste belangstelling door de gleuf verdwijnen, want dat vond hij iets +zeer geheimzinnigs. Toen de cent weg was, legde hij er een tweeden in, die op dezelfde eigenaardige wijze in de diepte verdween. +Daarna een derde, en een vierde, en een vijfde. Dat ging zoo voort tot Jantjes handje leeg was. Mietje was blijkbaar een heel +geduldig vrouwtje en zij streek Jantje liefkoozend over zijn kopje. + +</p> +<p>“Wacht even, ik zal del nog meel halen,” zei Jantje, en hij voegde de daad bij het woord. De toonbanklade was nog lang niet +uitgeput en Jantje vond het heel aardig, dat het orgel zoo lang bleef draaien, en dat de centen zoo mooi in de bus verdwenen. + + +</p> +<p>“Flap,” daar viel er weer een naar beneden, tot groote pret van Jantje, die er hardop om lachen moest. “Flap,” weer een, en +nog een, en nog een, tot zijn handje alweer leeg was. En tot zijn groote vreugde draaide het orgel nog maar steeds door, en +bleek Mietje vriendelijk genoeg om voor zijn plezier nog een poosje te blijven staan. + +</p> +<p>“Wacht even,” zei Jantje, “ik zal del nog meel halen. El zijn del nog genoeg.” + +</p> +<p>Nu, dat was waar, en hij kwam al spoedig weer met een handjevol terug. +<a id="d0e483"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e483">29</a>]</span></p> +<p>“Flap,” ging het alweer, en “flap, flap, flap,” volgden de andere. Anneke was zoo druk aan het wasschen, dat zij het heele +orgel vergeten was. Gelukkig, dat er nu eens een poosje geen klanten kwamen.... + +</p> +<p>Jantje liep geregeld heen en weer van Mietje naar de lade, en van de lade naar Mietje, wier geduld onuitputtelijk bleek. Jantje +vond haar erg zoet, dat ze zoo lang blijven wou en dat hij zoo prettig met het busje mocht spelen. + +</p> +<p>Maar eindelijk was de voorraad centen uitgeput, en daarom begon Jantje met de dubbeltjes, die hij in de lade vond. Gelukkig +kwam er juist een meisje den winkel binnen om een half pond suiker te halen en toen ze zag, wat Jantje deed, zei ze: + +</p> +<p>“Zeg, stoute jongen, dat mag je niet doen.” Zij nam Jantje de dubbeltjes af, die hij in de hand had, en riep luid: + +</p> +<p>“Vollek!—Vollek!” + +</p> +<p>Opeens bleek Mietje haast te krijgen. Zij wenkte Klaas, die onmiddellijk den slinger van het orgel in rust bracht, en samen +vervolgden zij met meer dan gewonen spoed hun tocht. Zij liepen zelfs zonder te spelen verscheidene huizen voorbij, en verdwenen +in een achterbuurtje. + +</p> +<p>Jantje was echter boos en begon luidkeels te schreeuwen. Maar zijn Moeder was nog boozer, toen zij van het meisje vernam wat +er gebeurd was, en zij gaf Jantje voor zijne broek en zette hem in de woonkamer met bevel, dat hij daar den geheelen middag +blijven moest. Klaas Touw en Mietje kregen, toen zij weer met het orgel kwamen, een geducht standje van haar en mochten in +geen vol jaar meer aankomen. + +</p> +<p>“Je hebt wel voor een jaar genoeg gehad,” zei Anneke boos, “en ʼt is een schande, dat je het geld aangenomen hebt. Als je +fatsoenlijke menschen waart, zou je mij gewaarschuwd hebben.” + +</p> +<p>Of Mietje al zei, dat het zoo erg niet geweest was, en <a id="d0e502"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e502">30</a>]</span>dat Jantje maar een cent of vijf in het busje had gedaan, ʼt hielp haar niets. + +</p> +<p>“Je hebt voor een jaar genoeg gehad, en daarmede is het uit,” zei Anneke beslist. Boos deed ze de deur voor Mietjeʼs neus +dicht. + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e506" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Vijfde Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>Jantje en de school.</p> +</div> +<p>Jantje bleef zeer voorspoedig opgroeien. De gewone kinderziekten had hij al lang achter den rug, verkouden was hij nooit, +en voor koorts scheen hij geen aanleg te hebben. Hij was buitengewoon levendig van natuur, waarvan het gevolg was, dat zijne +Moeder hem zelfs met geen stok in huis kon houden. + +</p> +<p>Eerst had zij daartoe wel alle middelen, die haar ten dienste stonden, in ʼt werk gesteld, maar tevergeefs. Toen hij nog erg +klein was, volgde hij steeds zijn Grootvader als diens schaduw, en dan timmerde hij den geheelen dag, maar toen hij een jaar +of vier werd, vond hij daar niet veel pleizier meer in. Hij ging toen liever de buurt op, en was bijna altoos op de smerigste +plaatsen te vinden, die er bestonden. Hij zag er daardoor gewoonlijk ontoonbaar uit. De modder zat hem dikwijls tot in de +haren, zijne broek was bijna altoos hier of daar gescheurd, en zijn handen zagen zoo zwart als roet. Wel tienmaal op een dag +greep Anneke hem bij den arm, nam hem mêe naar de keuken, en boende hem met groene zeep schoon, waarbij de kleine patiënt +gewoonlijk een erbarmelijk geschreeuw deed hooren, zoo erg, dat de klanten, die in <a id="d0e516"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e516">31</a>]</span>den winkel kwamen, soms dachten, dat er iemand vermoord werd. In die meening werden zij dan nog versterkt door de noodkreten +van Jantje, die op zijn gewonen huilerigen toon niets anders deed, dan schreeuwen: + +</p> +<p>“Ik wou, dat ik dood was! Ik wou, dat ik dood was! Ik moet ook altijd maar gewasschen worden!” + +</p> +<p>Zijn moeder toonde echter niet het minste medelijden en hield niet op, voordat Jantje vanwege de groene zeep blonk als een +spiegeltje. + +</p> +<p>ʼt Was maar jammer, dat het slechts voor zoo korten tijd hielp. Geen tien minuten later zat Jantje weer in de modder te baggeren. +Zijn voeten waren meestal kletsnat, want hij bewoog zich graag aan de slootkanten, om naar de kikkers te kijken en watertorren +te vangen. + +</p> +<p>Toen hij vier jaar oud was, kwam hij voor het eerst met een nat pak thuis. Hij had kopje-onder in het water gelegen. Dat gaf +een schrik bij Anneke, en zij besloot kort en goed hem voortaan in huis te houden. Zij sloot hem in den tuin op. Maar dat +beviel haar nog veel minder, want tot haar schrik zag zij hem ʼs morgens om negen uur al op de vorsten van het schuurtje zitten, +en even later kwam hij naar beneden tuimelen. Anneke zag het juist gebeuren, en zij dacht, dat hij wel dood zou zijn. Zij +zat als met lamheid geslagen op haar stoel en was niet bij machte om op te rijzen en Jantje te gaan helpen. Dat bleek echter +ook niet noodig te zijn, want Jantje sprong dadelijk overeind en klom weer tegen het schuurtje op. Een poosje later zat hij +weer op de vorsten. Eerst was hij wel een beetje bleek van den schrik, maar dat werd spoedig beter. + +</p> +<p>Anneke besloot hem niet meer op te sluiten, zoodat Jantje ʼs middags weer in de buurt rondwandelde. + +</p> +<p>Toen Dik het ʼs avonds hoorde, moest hij er braaf om lachen, en hij zei: +<a id="d0e530"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e530">32</a>]</span></p> +<p>“Wel, wel, kan die hazewindhond zóó klimmen? Kijk Anneke, dat is nu iets, wat ik in mijn jeugd nooit heb kunnen doen, omdat +ik zoo dik was. Ik vind het wel aardig.” + +</p> +<p>Anneke vond het dat niet, en zij klaagde zóó over de zorg, die zij van den vroegen morgen tot den laten avond over Jantje +had, dat Dik besloot hem voortaan, als het goed weer was, maar meê te nemen op den wagen. + +</p> +<p>Dat was een kolfje naar Jantjes hand. Ha, wat vond hij het prettig om naast Vader op den bok van den wagen te zitten. Soms +mocht hij de leidsels vasthouden of met de zweep klappen. Van slaan was geen sprake; dat wilde Dik volstrekt niet hebben. +Zelf deed hij het ook alleen in bizondere omstandigheden. Het was dan ook werkelijk niet noodig, want de hit van Dik kon verbazend +hard loopen. Dat beweerde Dik niet alleen, maar alle menschen op het dorp zeiden het. Die hit was eigenlijk een harddraver +en Dik kende geen hit, uren in den omtrek, die zoo hard loopen kon als de zijne. Eén ding was maar jammer. De hit had namelijk +wel eens koppige buien, eene kwaal, die ook andere hitten wel met hem gemeen hebben. Als hij in zooʼn booze bui was, bleef +hij vierkant op den weg staan met de pooten wijd uit elkander. Dan was er geen beweging in hem te krijgen. Eerst had Dik zijne +toevlucht wel eens genomen tot de zweep, hoewel hij daar een geduchten hekel aan had, maar ʼt had hem totaal niets geholpen. +Eindelijk was Dik op ʼt idée gekomen om hem een klontje suiker voor den bek te houden, en als de hit het pakken wilde, hield +hij het weer een eindje verder. Dat hielp goed, want de hit hield veel van klontjes, en liep zijn meester dan dadelijk na. +En onder het smullen vergat hij zijn koppige bui, zoodat Dik weer op den bok kon gaan zitten. Als de hit weer eens niet voort +wilde, <a id="d0e537"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e537">33</a>]</span>nam Dik dadelijk een klontje suiker, en dan was de zaak in orde. Maar de hit was slim, en telkens als hij trek kreeg in een +klontje, bleef hij midden op den weg staan en ging niet verder, vóór hij zijn zin gekregen had. Dat gebeurde spoedig wel al +een keer of tien op een dag, zoodat Dik begreep, dat het niet langer ging. Hij gaf den hit geen enkel klontje meer, al bleef +hij ook een half uur op den weg staan. Zoo leerde het beest langzamerhand zijn snoeplust weer af. Maar de koppige buien kwamen +telkens terug. Wel niet dikwijls, maar toch te veel naar Dikʼs zin. ʼt Was overigens een prachtige hit, die zijns gelijke +niet had in het loopen. Dik hield dan ook bizonder veel van hem, en Jantje vond het wát heerlijk, als het lieve paardje zoo +lustig voor den wagen draafde. + +</p> +<p>En Dik vond het prettig, als de kleine Jan naast hem op den bok zat. Als ʼt mooi weer was, mocht Jantje altoos met hem mee, +en dat gaf Anneke heel wat rust. Deze had het trouwens al druk genoeg met den winkel. + +</p> +<p>Eindelijk werd Jantje vijf jaar en toen moest hij naar school. Maar daar had hij in ʼt geheel geen zin in. Het vrije leventje +en de toertjes met zijn vader bevielen hem veel te goed, en hij hield stijf en strak vol, dat hij nooit en nooit naar school +wilde. + +</p> +<p>Toch moest het gebeuren, en Dik bracht hem er zelf heen. + +</p> +<p>Och, och, wat schreeuwde de kleine baas, en wat deed hij eene moeite om los te komen. Maar dat lukte hem niet, want zijn vader +hield hem stevig vast. + +</p> +<p>Hij schreeuwde nog, toen hij door de Juffrouw in ontvangst werd genomen, en hoeveel moeite zij ook deed om hem tot bedaren +te brengen, ʼt hielp haar niets. De andere nieuwelingen keken hem met de grootste verbazing aan. Zulk schreeuwen hadden zij +blijkbaar nog nooit gehoord. + +</p> +<p>De Juffrouw werd er zenuwachtig van, en wist eindelijk <a id="d0e551"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e551">34</a>]</span>geen raad meer met het kereltje. ʼt Was haar onmogelijk iets te beginnen, want Jantje overschreeuwde haar stem wel tienmaal, +zoodat niemand haar kon verstaan. + +</p> +<p>Maar opeens kwam hij tot bedaren, tot groote verwondering en even groote blijdschap van de Juffrouw. Hij veegde zijne oogen +af met de mouwen van zijn jasje, en stak toen parmantig den vinger op. + +</p> +<p>De Juffrouw lachte hem vriendelijk toe, en vroeg: + +</p> +<p>“Wel kleine man, wat is er?” + +</p> +<p>“Juffrouw, wanneer begint de groote vacantie?” vroeg Jantje. + +</p> +<p>De Juffrouw schoot in een lach, en zei: + +</p> +<p>“O hé, dat duurt nog een heelen tijd, Jantje. Dat duurt nog wel eene maand of drie.” + +</p> +<p>“Vandaag nog niet?” vroeg Jantje, wiens lippen weer zenuwachtig begonnen te beven. + +</p> +<p>“Neen, vandaag nog niet, Jan. Maar dat hindert niet. ʼt Is hier in de school ook wel prettig.” + +</p> +<p>Jantje was dit echter in ʼt geheel niet met haar eens, wat duidelijk bleek uit het feit, dat hij het weer verschrikkelijk +op een schreeuwen zette. Er kwam geen einde aan. + +</p> +<p>Jantje kreeg zelfs al spoedig gezelschap, want een paar andere nieuwelingen werden door zijn verdriet dermate aangestoken, +dat zij ook hunne stem verhieven, en met Jantje om ʼt hardst schreeuwden. Jantje keek even om, ten einde te zien, waar die +nieuwe geluiden vandaan kwamen, en zette daarna de zaak op den ouden voet voort. ʼt Was eindelijk langer niet uit te houden, +en de Juffrouw besloot hare toevlucht tot krachtige maatregelen te nemen. Zij stapte op Jantje af, greep hem bij den arm, +en zette hem in den hoek. Maar Jantje schreeuwde daardoor niet harder of zachter. De zaak liet hem volkomen koud. + +</p> +<p>Daarom zette de juffrouw hem in een klein kamertje, dat als boekenkast gebruikt werd, en zij deed de deur achter <a id="d0e575"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e575">35</a>]</span>hem dicht. Eerst had zij geducht op hem gebromd. + +</p> +<p>“Dáár dan, stoute jongen,” had ze gezegd. “Als jij niet naar verbieden wilt luisteren, moet je maar heelemaal alleen in de +boekenkast zitten. Daar mag je schreeuwen, zoo hard je maar wilt.” + +</p> +<p>Jantje volgde dat bevel echter in ʼt geheel niet op. Hij vond het in die boekenkast heel vreemd, want zóoveel boeken had hij +nog nooit bij elkaar gezien. En in den achtermuur was een raampje, dat bij mooi weer opengezet werd, omdat er anders zooʼn +vunzige lucht in de kast kwam. Toen Jantje de boeken bekeken had, wat niet lang duurde, deed hij het raampje open en klom +behendig naar buiten. + +</p> +<p>Ha, daar in de vrije natuur vond hij het pas heerlijk. Hij veegde de laatste tranen van zijn gezicht, stak zijn handen in +de broekzakken, en zakte zingende op huis af. + +</p> +<p>Anneke keek wát gek op, toen zij hem om half elf binnen zag komen. + +</p> +<p>“Mocht jij naar huis toe, Jan?” vroeg ze. + +</p> +<p>“Ja, Moeder,” zei Jan, “de Juffrouw bracht me zelf in een kamertje, waar een raam was om er uit te kruipen. O Moeder, dat +was zooʼn mooi kamertje, allemaal boeken, wel honderd millioen drie honderd duizend en nog veel meer.” + +</p> +<p>“In een kamertje met boeken, en een raam, waar je door moest kruipen? Dat begrijp ik niet, kind,” zei Anneke. “Enfin, ʼt is +al half elf. Blijf nu maar thuis.” + +</p> +<p>Dat deed Jantje met het meeste genoegen. + +</p> +<p>Maar de juffrouw, die na eenige minuten wachtens merkte, dat er geen geluid meer uit de boekenkast kwam en daarom besloot +Jantje maar weer in de klasse te halen, schrikte geducht, toen zij de kast ledig vond. + +</p> +<p>“Als het kind maar geen ongeluk gekregen heeft!” zuchtte ze. En ze stuurde dadelijk een jongen uit de hoogste klasse naar +zijn huis, om te vragen, of hij daar was. +<a id="d0e597"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e597">36</a>]</span></p> +<p>“Ja, hier ben ik,” zei Jantje, nog voordat zijn Moeder gelegenheid had gehad iets te antwoorden. “En ik wil nooit meer naar +school.—Vast niet!” + +</p> +<p>Juist op dit oogenblik kwam Dik binnen, die even naar de smederij van Piet van Dril was geweest, om zijn hit te laten beslaan. + + +</p> +<p>“Wat is er aan de hand, Anneke?” vroeg hij. + +</p> +<p>En nauwelijks had hij gehoord, wat Jantje gedaan had, of hij pakte hem bij zijn arm en bracht hem weer naar school, waar Jantje +onder een vervaarlijk geschreeuw zijn intocht deed. + +</p> +<p>“Juffrouw,” zei Dik, “als hij niet ophoudt met schreeuwen, mag hij nooit meer mee uit rijden. Dat zèg ik en dat méén ik.” + + +</p> +<p>Die bedreiging hielp dadelijk. Jantje deed zijn mond dicht en gaf geen kik meer, tot groote vreugde van de Juffrouw. Voor +Jantje was er geen zwaardere straf te bedenken dan dat hij niet meer met zijn vader uit rijden mocht. + +</p> +<p>Toen hij eenmaal tot bedaren gekomen was, zette hij zich met ijver aan de studie, en het bleek weldra, dat hij de vlugste +van de geheele klasse was. Hij kende de letters al, als hij ze nog maar eenmaal gezien had, hij schreef het mooist, en hij +rekende beter dan iemand anders. De Juffrouw vond hem bepaald een vluggertje. Maar omdat hij altoos ʼt eerst met zijn werk +gereed was, had hij ook steeds tijd over, en dan werd hij ondeugend. ʼt Duurde dan ook maar kort, of de Juffrouw zei altoos, +als ze van hem sprak: + +</p> +<p>“De jongen heeft drie bijzondere eigenschappen: hij is de vlugste, de ondeugendste en de magerste jongen van de geheele school.” + + +</p> +<p>En dat was ook zoo. Hij deed altoos kattekwaad, als hij zijn werk afhad. Naast hem zat Karel van Dril, de zoon <a id="d0e616"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e616">37</a>]</span>van den smid. Jan kende hem al lang voor hij naar school ging, omdat hunne ouders zeer bevriend waren en dikwijls bij elkaar +op visite kwamen. + +</p> +<p>Karel kon vrij goed leeren, maar met het rekenen had hij het eerste jaar nog al moeite. Hij verwarde altijd de 3 met de 8 +en de 6 met de 9, waardoor de uitkomst natuurlijk niet goed kwam. Ook gelukte het hem maar zelden, om een leesbare 5 te schrijven. +Als Jantje zijn werk al afhad, was Karel nog niet op de helft. En toch deed hij erg zijn best. Hij hoorde dan niet eens, wat +Jantje hem toefluisterde, en eigenlijk hoorde hij zelfs niet, dat er wat tegen hem gezegd werd, zoo verdiept was hij dan in +zijn werk. Die rekensommen kostten hem menigen zweetdroppel, en hij kon er bij zuchten als een stoommachine. + +</p> +<p>Jantje was dan niet in de mogelijkheid om een gesprek met hem aan te knoopen, en moest zich dus op andere wijze zien te vermaken. +In den knikkertijd speelde hij met zijn knikkers, die hij dan zoo dikwijls telde, tot ze eindelijk met groot lawaai op den +grond terecht kwamen. Dan was Holland in last. Hij raakte zijne knikkers kwijt en kreeg nog straf op den koop toe. + +</p> +<p>Eens in den toltijd had hij zijne tollen zitten bekijken, die hij onder de tafel in de handen hield. Eindelijk haalde hij +zijn tolsnoer te voorschijn en ging er op zijn manier mee zitten hengelen. Dan verbeeldde hij zich, dat hij tuk kreeg, en +als hij dan ophaalde, zag hij er snoeken of karpers aan. Toen hij visch genoeg gevangen had naar zijn zin, bedacht hij een +ander spelletje. Hij slingerde het touw om zijn rechterbeen en om het linkerbeen van Karel, die zoo in zijne sommen verdiept +zat, dat hij er niets van merkte. En Jantje bond de beenen stijf aan elkander. Toen diepte hij zijne tollen weer op, om ze +voor de honderdste maal nog eens te bekijken. De Juffrouw zag, dat hij zat <a id="d0e624"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e624">38</a>]</span>te spelen, en verbood het hem, maar zij was zoo druk bezig met hier en daar een achterlijk kind voort te helpen, dat zij niet +veel aandacht aan Jantje kon wijden. Maar inwendig was zij toch wel boos op hem, want zijne lei was al eens met een harden +smak op den grond gevallen, en nu kwamen plotseling weer al zijn tollen op den vloer terecht, tot groot vermaak van de andere +jongens, waarvan er eenige hardop begonnen te lachen. + +</p> +<p>Nu werd de wanorde de Juffrouw toch wel wat al te groot. Met forsche schreden stapte zij op Jantje toe, greep hem driftig +bij den arm en wilde hem de bank uittrekken. + +</p> +<p>“Allo, ondeugende jongen, vóór de klasse! Direct!” En zij trok zoo hard, dat Jantje wel mee moest. Maar o wee, zijn rechterbeen +zat aan het linker van Karel vast, zoodat Kareltje óók mee moest,—tot zijn groote verbazing. + +</p> +<p>“O Juffrouw! Mijn been! Mijn been!” schreeuwde Karel. + +</p> +<p>“Houd jij je mond!” riep de Juffrouw boos, en zij trok nog harder aan Jantjes arm. Jantje viel half de bank uit, en Kareltje +volgde zijn voorbeeld. + +</p> +<p>“O Juffrouw, mijn been!—Mijn been zit vast!” + +</p> +<p>“ʼt Kan me niets schelen,—vooruit bengel!” riep de Juffrouw. + +</p> +<p>Maar Jantje kon niet verder. Het blok aan zijn been was te zwaar, en de Juffrouw begon eindelijk te begrijpen, wat er aan +de hand was. Toen werd zij nog veel boozer, vooral toen de andere kinderen hun lachen niet konden inhouden. Zij nam haar zakmesje +en sneed het touw in verscheidene stukken. Jantje werd in den eenen hoek gezet, en Kareltje, die dood-onschuldig was aan ʼt +geheele zaakje, in den anderen. Maar Karel protesteerde. Hij wou geen straf hebben, omdat hij niets gedaan had, en toen de +Juffrouw eindelijk goed op de hoogte kwam van het gebeurde, vond <a id="d0e640"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e640">39</a>]</span>zij ook, dat hij geen straf had verdiend. Hij mocht dus weer gaan rekenen, maar Jantje moest schoolblijven, was zijn tolsnoer +kwijt, en zag ook zijne tollen, die de Juffrouw hem afgenomen had, in de kast verdwijnen. + +</p> +<p>Toen hij ʼs middags om half een verlof kreeg om naar huis te gaan, vroeg hij met een deemoedig gezicht, of hij asjeblieft +zijn tollen terug mocht hebben. Maar daar was geen denken aan. + +</p> +<p>“Met Nieuwjaar!” zei de Juffrouw kortaf. En daar was de zaak meê afgeloopen. Jantje had niet erg veel plezier van de grap, +want nu kon hij ʼs avonds niet meer met de andere jongens meedoen, als zij potje-tolden. En dat deed hij juist zoo graag. +Hij was trouwens een liefhebber van alle mogelijke spelletjes. Was het in den toltijd, dan vond hij dat het prettigste spel +van de wereld, was het in den knikkertijd, dan vond hij dát weer ʼt mooist. En zoo ging het met alle spelen, die door de jongens +werden gedaan. Maar ʼt állerprettigst vond hij toch den sneeuwtijd. Iets heerlijkers was er volgens hem niet te bedenken. + + +</p> +<p>Zijn grootvader had voor hem een slee gemaakt, en daar gleed hij elk vrij uurtje mede van een hoogen dijk af. Ha, wat ging +dat echt. En zoo vlug! ʼt Was net of hij naar beneden viel, maar ʼt liep altoos erg best af. Hij moest wel oppassen, dat hij +in zijne vaart niet in een sloot terecht kwam, die langs den dijk liep, maar Jantje wist zich met zijne klompen zoo netjes +te sturen, dat hij altoos vlak langs de sloot zijn draai kon nemen. Dat mislukte hem nooit. + +</p> +<p>Op de speelplaats van de school vermaakte hij zich met het gooien van sneeuwballen. Ieder, dien hij maar raken kon, kreeg +er een tegen zijn muts of in zijn hals, en dan had Jantje de grootste pret. Maar dan kreeg hij ook rijkelijk zijn portie terug, +want de andere jongens lieten zich niet ongestraft bekogelen. +<a id="d0e650"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e650">40</a>]</span></p> +<p>Toch hadden zij het tegen Jantje altijd kwaad te verantwoorden, want hij was zeldzaam vlug in zijne bewegingen en kon best +mikken. Bovendien zorgde hij er steeds voor, een goeden voorraad sneeuwballen in zijn broekzakken te hebben, zoodat hij ze, +als de nood aan den man kwam, maar voor het grijpen had. Dan vlogen de kogels den jongens als het ware om de ooren, en meestal +eindigde het gevecht met een smadelijke vlucht van zijne tegenstanders. Eens op een avond echter, om vier uur, toen hij uit +de school naar huis ging, kreeg hij onverwachts met zooveel kracht een sneeuwbal achter in zijn nek, dat hij niet kon nalaten +au te roepen. ʼt Deed hem dan ook geducht pijn, want ʼt was een verbazend harde sneeuwbal geweest, veel harder, dan hij ze +ooit gooide. ʼt Was eigenlijk een valsche streek, en toen hij omkeek, zag hij dat een jongen uit de buurt de dader was. Die +jongen heette Klaas Zwart, en stond niet al te gunstig onder zijne kameraadjes bekend. + +</p> +<p>Jan zag, hoe Klaas er om lachte, dat hij hem zoo geducht geraakt had, en hij werd er erg boos om. + +</p> +<p>“Dat is valsch, leelijkerd,” riep hij Klaas toe. “Jij gooit met sneeuwballen, waar een steen in zit. Maar ik zal het je betaald +zetten, wacht maar!” + +</p> +<p>“ʼt Is nietes!” riep Klaas terug, zich op een eerbiedigen afstand houdende, “er zat geen steen in.” + +</p> +<p>“Kom op als je durft!” schreeuwde Jantje hem toe, wiens nek prikkelde van de pijn. Het koude water liep hem langs zijn ruggestreng. + + +</p> +<p>Maar Klaas durfde niet. Hij bleef op eenigen afstand staan, gereed om te vluchten. + +</p> +<p>“Lafaard!” riep Jantje. “Kom op, als je durft.—Je durft niet, hè, daar ben je te bang voor! Leelijke gluiperd!” + +</p> +<p>Hij keerde zich verontwaardigd om en liep naar huis. + +</p> +<p>Maar den volgenden morgen ging hij vroeg naar de <a id="d0e669"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e669">41</a>]</span>speelplaats, maakte een flinken voorraad sneeuwballen, die hij als kogels op elkander stapelde, en stopte toen ook nog zijn +broekzakken vol sneeuwballen voor het geval, dat Klaas op de vlucht mocht slaan, en hij hem dus achtervolgen moest. Zoo gewapend +wachtte hij de komst van zijn vijand af. Zijne broekzakken puilden wijd uit van de sneeuwkogels, en hij kon er veel in zijn +zakken bergen, want hij had wijde broekspijpen, en zijne dunne beentjes namen niet veel plaats in. + +</p> +<p>Eindelijk verscheen Klaas op de speelplaats. + +</p> +<p>Maar hij was op zijn hoede, want hij vertrouwde Jantje niet erg. Hij kreeg hem dan ook al spoedig in het oog, en meende hem +door een vriendelijk praatje wat zachter te stemmen. Er waren nu al verscheidene jongens op het plein. + +</p> +<p>“Zoo Jan,” riep hij zijn vijand toe, “ga je van middag mee op mijn slee?” + +</p> +<p>“Op je gezicht kun-je krijgen,” riep Jantje terug. “Kom op, als je durft, dan zullen wij sleden!” + +</p> +<p>“Hij durft niet!” riepen de andere jongens lachend, toen zij zagen, dat Klaas bleef staan. “Hè, wat een bangerd! Kijk hem +nu eens staan, zooʼn hufter!” + +</p> +<p>“Toe dan, Klaas, kom op!” tartte Jantje. Hij nam een sneeuwbal van zijn stapel, en wierp hem Klaas vlak in ʼt gezicht. Zijn +neus zat dik onder de sneeuw, en Klaas kreeg er sterretjes van voor zijne oogen. + +</p> +<p>“Lekker zoo! Goed zoo!” riepen de jongens. “Geef hem zijn portie, Jan!” + +</p> +<p>“Flap!” + +</p> +<p>Daar kreeg Klaas den tweeden, ditmaal tegen zijne muts, die hem van het hoofd vloog, tot groote pret van de jongens, die in +het rond sprongen van pleizier. Want zij hielden niet erg van Klaas. +<a id="d0e689"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e689">42</a>]</span></p> +<p>Maar Klaas werd nu toch woedend, en hij vergat zijne vrees. + +</p> +<p>Vlug bukte hij zich om een sneeuwbal te maken, doch voordat hij daarmede gereed was, kreeg hij er een van Jan tegen zijn linkeroor. + + +</p> +<p>Toen wierp Klaas er Jan een tegen zijn schouder, maar hij kreeg er dadelijk wel drie voor terug. + +</p> +<p>“Houd-je goed, Jan, toe maar!” schreeuwden de jongens. + +</p> +<p>ʼt Werd een verwoed gevecht, en Klaas verweerde zich dapper, maar hij verkeerde in veel ongunstiger omstandigheden dan Jantje, +daar deze de ballen al gereed had liggen. + +</p> +<p>Jantje nam er een stuk of vier in zijne hand, en vloog op Klaas af. Maar dat was Klaas te veel, en hij zette het op een loopen. + + +</p> +<p>Jan hem achterna. + +</p> +<p>“Daar gaat hij loopen!” schreeuwden de jongens. “Houd-je goed, Jan!” + +</p> +<p>Klaas liep, wat hij loopen kon, en Jan volgde hem op de hielen. + +</p> +<p>Telkens voelde Klaas een sneeuwbal tegen zijn achterhoofd of in zijn nek terechtkomen, en ʼt huilen stond hem nader dan het +lachen. + +</p> +<p>Tot opeens Jantje misgooide, en zijn sneeuwbal in een ruit van de school terecht kwam. De scherven vielen rinkelend naar beneden, +en op ʼt zelfde oogenblik kwam de hoofdonderwijzer naar buiten, die Jantje bij zijn kraag pakte en hem in een hoek van de +school zette, niet ver van de kachel. + +</p> +<p>“Jij blijft om twaalf uur wachten, hoor baasje!” zei de meester. “Ik moet je dan eens vragen, hoeveel geld je wel in je spaarpot +hebt. ʼt Is er nu te laat voor, want de school gaat aan.” + +</p> +<p>Inderdaad werden de deuren geopend en de kinderen binnengeroepen. +<a id="d0e716"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e716">43</a>]</span></p> +<p>De Juffrouw kwam naar Jantje toe en bromde ook op hem. + +</p> +<p>“Stoute jongen,” zei ze, “moet jij hier de glazen ingooien? Je bent niet bij je moeder thuis.” + +</p> +<p>“Daar mag ik het ook niet doen, Juffrouw,” zei Jan op deemoedigen toon, en de Juffrouw begreep, dat zij zich niet al te juist +had uitgedrukt. + +</p> +<p>“Houd je mond, brutale jongen,” zei ze. + +</p> +<p>Ze ging voor de klasse staan en begon met hare werkzaamheden. + +</p> +<p>Jantje vond het niet prettig in dien warmen hoek bij de kachel, want hij leerde veel liever met de andere leerlingen mêe, +en bovendien was hij al erg warm van het sneeuwballen zoodat hij het bij de heete kachel bijna niet kon uithouden. Deze stond +dan ook rondom gloeiend, want ze was nog niet lang geleden aangelegd, en het lokaal moest eerst door en door verwarmd worden. +Jantjes handen begonnen al gauw te tintelen, zoo erg, dat hij er bleek van werd. Maar dat ging spoedig over, en Jantje voelde +zich al weer wat lekkerder worden, toen hij opeens een onaangenaam gevoel langs zijne beenen kreeg. ʼt Was net, of er een +straaltje koud water langs liep. + +</p> +<p>Eerst begreep hij niet, wat dat wezen kon, maar toch voelde hij het duidelijk. ʼt Liep langs zijne dijen, passeerde zijne +knieën en kwam eindelijk in zijne kousen terecht. + +</p> +<p>Al spoedig snapte hij, wat er aan de hand was. ʼt Waren de sneeuwballen, waarmede hij zijne broekzakken had gevuld, die bij +de heete kachel langzaam begonnen te smelten. Hij voelde, dat zijne kousen nat werden, en hij begreep, dat het zaakje leelijk +voor hem kon afloopen. Hij hoopte echter, dat de sneeuwballen niet zóóveel water zouden geven, dat het de aandacht van de +Juffrouw zou trekken. + +</p> +<p>Doch onophoudelijk liepen kleine straaltjes water langs <a id="d0e735"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e735">44</a>]</span>zijne dunne beentjes naar beneden, en toen hij zijne voeten even verzette, merkte hij, dat zijne kousen al kletsnat waren. + + +</p> +<p>Angstvallig hield hij zijn blik op zijne voeten gericht. En waarlijk, daar zag hij tot zijn grooten schrik, dat er zich rondom +zijne voeten een klein meertje begon te vormen, dat langzaam maar zeker grooter werd. ʼt Nam steeds in omvang toe, zoodat +Jantje zich hoe langer hoe minder op zijn gemak voelde. + +</p> +<p>Gelukkig was de Juffrouw met zooveel ijver aan het werk, dat zij Jan geheel vergeten was. + +</p> +<p>Eindelijk was de plas rondom Jan zóó groot geworden, dat hij de aandacht trok van Klaas Zwart, wiens haren nog druipnat waren +van de sneeuwballen, waarop Jan hem had getracteerd. Nauwelijks had hij hem gezien, of hij stak met veel bombarie zijn vinger +op, en riep: + +</p> +<p>“Juffrouw! Juffrouw! Jan Trom heeft wat op den grond gedaan!” + +</p> +<p>Die tijding gaf eene heele opschudding in de klasse. De kinderen gingen half in de banken staan en rekten de halzen, om goed +te kunnen kijken. En de Juffrouw keerde zich om en keek heel vies naar de plaats, waar Jantje stond met beschaamde kaken. +Hij zag rood tot achter zijne ooren. + +</p> +<p>“Vieze jongen!” riep de Juffrouw hem toe. “Waarom heb je me niet gewaarschuwd?” + +</p> +<p>“ʼt Is niet waar, Juffrouw!” riep Jan, huilend van verontwaardiging “Ik had sneeuwballen in mijn zak, en die zijn bij de +heete kachel gesmolten.” + +</p> +<p>En om te bewijzen, dat hij de waarheid sprak, stak hij zijn handen in de zakken, en dolf er de half gesmolten kogels uit op. + + +</p> +<p>De Juffrouw schoot in een geweldige lachbui, en de kinderen moesten ook zoo lachen, dat zij bijna niet tot bedaren konden +komen. +<a id="d0e755"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e755">45</a>]</span></p> +<p>Jantje mocht naar huis om droge kleeren aan te trekken. + +</p> +<p>Zijn vader keek hem eerst heel boos aan, toen hij hem zoo tusschentijds zag binnenkomen, maar toen hij hoorde, wat er gebeurd +was, moest hij er ook smakelijk om lachen, en hij vertelde het aan alle klanten, die dien dag in den winkel kwamen. + +</p> +<p>Toen Jan ʼs middags weer naar school ging, gaf zijn vader hem de opdracht om eerst naar den glazenmaker te gaan en hem te +verzoeken, de gebroken ruit door een andere te vervangen. Zoo liep dat zaakje voor Jantje nog al goed af. Maar op Klaas Zwart +was hij meer dan boos, want hij vond hem een valschen jongen en een laffen klikspaan. + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e762" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Zesde Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>Jantje wordt jarig en krijgt mooie cadeaux.</p> +</div> +<p>Jantje zou voor den achtsten keer jarig worden. Zijn vader had hem beloofd, dat hij den volgenden morgen een prachtig cadeau +van hem zou krijgen, maar van die belofte had hij later erg veel spijt, want Jantje wilde met alle geweld weten, welk cadeau +dat was, en hij hield niet op met zeuren. + +</p> +<p>Zijn Vader wilde het echter niet zeggen. + +</p> +<p>“Morgenochtend zul-je het wel zien,” zei Dik. + +</p> +<p>“Is het mooi?” vroeg Jantje. + +</p> +<p>“Erg mooi,” was het antwoord. + +</p> +<p>“Erg prachtig mooi?” hield Jantje vol, wiens oogen schitterden van nieuwsgierigheid. + +</p> +<p>“Ja,” lachte zijn Vader, “erg prachtig mooi. Zóó mooi, zóó mooi, dat er niets mooiers op de wereld te bedenken is.” +<a id="d0e782"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e782">46</a>]</span></p> +<p>“Waar lijkt het op?” vroeg Jan polsend. + +</p> +<p>“Op onzen hit,” zei zijn vader. + +</p> +<p>“O, zeker een paardje op wieletjes?” zei Jantje met een opgetrokken neus. “Dát is niet mooi, Vader, veel te kinderachtig. +Toe Moeder, zegt u me maar, wat het is.—Toe.” + +</p> +<p>“Neen Janneman, dat zeg ik niet,” zei zijne moe. “Morgenochtend zul je ʼt wel zien.” + +</p> +<p>Jantje zeurde nog geruimen tijd door, maar toen hij zag, dat hij zijn doel daarmede niet bereikte, zette hij het op een schreeuwen +op eene geweldige manier. De ondervinding had hem geleerd, dat dit een beproefd middel was. + +</p> +<p>Maar dezen keer hielp het hem van den wal in de sloot, want het begon zijn vader al spoedig te vervelen. Hij pakte Jantje +bij zijn kraag, deed het kelderluik in den winkelvloer open, en stopte Jantje doodbedaard onder den grond. + +</p> +<p>“Zie zoo, kereltje,” zei Dik, “daar mag je schreeuwen, zoo lang en zoo hard je maar kunt. Ga je gang maar.” + +</p> +<p>Jantje vond het een afdoend geneesmiddel, en jammerde: + +</p> +<p>“Ik wil naar bed! Ik wil naar bed!” + +</p> +<p>“ʼt Is nog maar half zes!” zei zijn vader. + +</p> +<p>“ʼt Doet er niet toe, ʼk wil tóch naar bed, dan is het veel gauwer morgenochtend!” schreeuwde Jantje. + +</p> +<p>“Ook al goed!” zei Dik. + +</p> +<p>Vijf minuten later lag Jan onder de dekens, en een kwartier later sliep hij als eene roos. + +</p> +<p>Om elf uur gingen Dik en Anneke naar bed, maar zij hadden pas den slaap te pakken, of Jantje werd wakker en dacht direct aan +zijn cadeau. + +</p> +<p>“Vader!” riep hij zoo hard hij kon,—“Vader, wat krijg ik nu van u? Ik ben jarig!” + +</p> +<p>“Een pak voor je broek, als je niet dadelijk je mond houdt,” zei Dik, die het lang niet prettig vond, dat hij <a id="d0e815"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e815">47</a>]</span>wakker gemaakt werd. “De nacht begint pas. Ga maar weer slapen.” + +</p> +<p>Met een zucht kneep Jantje zijne oogen weer dicht, en hij sliep ook waarlijk in, maar ʼt duurde slechts kort. ʼt Was nog vóór +twaalven, toen hij opnieuw wakker werd. Nu zou het stellig toch wel morgen wezen, dacht hij. + +</p> +<p>Hij liet zich vlug van zijn bed glijden, ging naar het bed, waar zijn ouders sliepen, en trok zijn vader aan zijn neus. + +</p> +<p>“Hei, ho, wat is dat?” riep Dik verschrikt uit, want hij vond het een vreemde manier om gewekt te worden. + +</p> +<p>“Vader, ik ben jarig!” riep Jantje hem toe. “Welk cadeau krijg ik nou van u?” + +</p> +<p>Maar zijn vader werd terdege boos. + +</p> +<p>“Ga naar je bed, deugniet, en als ik vannacht je geluid weer hoor, krijg je morgen niets, hoor je, heelemaal niets! Allo, +pak je weg, naar je bed. En je geeft geen kik meer, versta-je?” + +</p> +<p>Jantje maakte aanstalten om weer te gaan schreeuwen, maar Dik zei knorrig: + +</p> +<p>“Wou je liever in den kelder onder den winkelvloer?” + +</p> +<p>Neen, dat kon Jantje in ʼt geheel niet bekoren, en hij maakte gauw, dat hij weer in zijn bed kwam. + +</p> +<p>Maar den slaap kon hij niet meer vatten; hij was dan ook veel te vroeg naar zijn bed gegaan. Hij deed niet anders dan zuchten, +en vond, dat de nacht vreeselijk lang duurde. + +</p> +<p>“Er komt nooit een einde aan,” mompelde hij zacht. “Weet je wat, ik ga tot duizend tellen. Karel van Dril zegt, dat je dan +altijd vanzelf in slaap valt. Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, ik ben toch nog wakker. Bij mij +helpt het niet. Zeventien, achttien, negentien, twintig, wat zou het toch voor een cadeautje wezen? Ik denk van <a id="d0e839"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e839">48</a>]</span>een bromtol, zeven en tachtig, acht en tachtig, negen en tachtig, of een zak met knikkers, negen en negentig, honderd hè, +hè, nu ben ik al aan honderd, en ik slaap nog niet. Honderd en een, honderd en twee, hè, ik wou dat ik een zak met tachtig +knikkers kreeg, een en tachtig, twee en tachtig, drie en tachtig, hò, dat is fout, want nu ben ik nog maar aan drie en tachtig, +en een heele poos geleden was ik al bij honderd,—dan maar van voren af: een, twee, drie, knikkers, knikkers, een, twee, bromtol, +knikkers, zes, drie, zeven, ... twee, jarig, zes...” + +</p> +<p>Jantjes oogen vielen dicht en hij sliep weer. En hij droomde, dat hij een mooien bromtol kreeg, die prachtige muziek kon maken. +Hij nam een touwtje, wond den tol op, en trok hem af. Hà, wat stond hij prachtig, en er kwam muziek uit, precies als uit het +orgel in de kerk of het draaiorgel van Klaas Touw. En opeens nam hij een sprongetje en ging bovenop den kop van den tol zitten, +en draaide uit alle macht in de rondte. Jongen, wat ging dat mooi, ʼt werd hem geel en groen voor de oogen, en de tol wist +niet van ophouden, leek het wel. Maar eindelijk begon hij toch langzamer te draaien, toen waggelde hij eenige keeren, zoodat +Jantje zijn evenwicht bijna niet bewaren kon, en plof, daar viel de tol om, en Jantje tuimelde op den grond.... + +</p> +<p>Met een kreet van schrik werd hij weer wakker, en tot zijn spijt voelde hij, dat hij nog in zijn bed lag, dat zijn tol verdwenen +was, en dat het nog al geen dag werd. + +</p> +<p>Maar dat laatste kon hij toch niet gelooven. + +</p> +<p>“Neen,” zei hij zacht, “ʼt is bepaald al lang dag, en ʼt is hier alleen zoo donker, omdat de luiken dicht zijn. Vader verslaapt +zich zeker. Weet je wat, ik zal heel stilletjes de luiken opendoen, zóó stil, dat vader en moeder het niet hooren. En als +dan de zon naar binnen schijnt, zal ik Vader roepen, en wat zal hij dan vreemd opkijken.” +<a id="d0e849"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e849">49</a>]</span></p> +<p>Zoo gezegd, zoo gedaan. + +</p> +<p>Jantje kroop stil zijn bed uit, liep op zijn bloote voeten naar het raam, en stootte zijn kleinen teen zoo hard tegen den +poot van de tafel, dat de tranen hem in de oogen sprongen. + +</p> +<p>“Au!” riep hij binnensmonds, en zijn vader werd er half wakker van. Deze draaide zich in zijn bed om. + +</p> +<p>Jantje liet zich daardoor echter niet afschrikken. + +</p> +<p>Hij ging verder en kwam bij het raam. Daar zocht hij naar het luik, en duwde het open. Maar ʼt bleef donker in de kamer; het +was tot zijne groote spijt blijkbaar nog nacht. Hij besloot, onder het slaken van een diepen zucht, maar weer naar zijn bed +terug te keeren, doch op den terugtocht schoof hij zijn vaders glazen aschbak van de tafel, zoodat dit voorwerp met veel lawaai +op den grond terecht kwam, en in scherven uit elkander spatte. + +</p> +<p>Jantje bleef van schrik stokstijf staan, en zijn ouders, die niet begrepen wat dit geraas midden in den nacht beteekenen moest, +vlogen in hun bed overeind. + +</p> +<p>Met een wip stond Dik op den vloer, waar hij bijna over Jantje struikelde, die het hazenpad wilde kiezen en vlak voor zijn +vaders beenen liep. Toen begreep Dik, wat er eigenlijk aan de hand was. Hij greep op goed geluk rondom zich, om Jantje te +pakken, en riep: + +</p> +<p>“Jongen, ben je nu alwéer uit je bed?” Maar Jantje had zich zoo vlug als hij kon uit de voeten gemaakt, en lag alweer onder +de dekens. + +</p> +<p>“Neen Vader,” zei hij, “ik ben hier.” + +</p> +<p>Toen moest Dik wel lachen, of hij wilde of niet. + +</p> +<p>“Ja, nú ben je weer in je bed, maar zoo pas liep je nog hier in de kamer. Ga toch slapen, en houd ons niet den heelen nacht +wakker. Als ik je wéér hoor, eet ik het cadeau zelf op, en dan krijg je niemendal!” +<a id="d0e872"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e872">50</a>]</span></p> +<p>“Opeten, Vader?” vroeg Jantje verschrikt. “Kan het dan opgegeten worden?” + +</p> +<p>“O ja,” zei Dik, terwijl hij weer in zijn bed stapte, “ʼt Smaakt wat lekker, en als ik je weer hoor, krijg je er niets van.” + + +</p> +<p>“En ʼt lijkt op een hit?” zei Jan spijtig. “Dat heeft u zelf gezegd.” + +</p> +<p>“Nu jongen, een hit kun-je toch ook opeten!” riep Dik terug. “Maar ga nu slapen, en laat je geluid niet meer hooren.” + +</p> +<p>Jantje zweeg. Hij was verdrietig, omdat hij geen mooien tol kreeg, of een zak met knikkers. + +</p> +<p>“Iets lekkers, bah, wat heb-je daar nu aan?” dacht hij. + +</p> +<p>De koele nachtlucht had hem huiverig gemaakt, en de warmte van het bed deed hem behaaglijk aan. Hij stopte zich lekker toe, +en sliep werkelijk na een poosje weer in. Maar om vier uur werd hij weer wakker. + +</p> +<p>Hij stak zijn hoofd buiten de gordijnen, om te kijken of het licht al door de half openstaande luiken drong, en hij zag, dat +het nog altijd nacht was. + +</p> +<p>“Moe,—Moeder!” riep hij zacht. + +</p> +<p>Maar er volgde geen antwoord. + +</p> +<p>“Moeder!—Moeder!” klonk het wat harder. + +</p> +<p>Moeder sliep door. + +</p> +<p>“Moeder!—Moeder!—Is het nóg nacht,” riep Jantje met luider stem. + +</p> +<p>Zijne ouders werden er wakker van, en Dik maakte zich boos. + +</p> +<p>“Daar heb je dien drommelschen jongen alweer!” riep hij uit. “Wat wil je toch?” + +</p> +<p>“De nacht duurt zoo lang!” huilde Jantje. “Wil u de luiken vast openzetten? ʼt Is al lang dag, geloof ik. De klok gaat achter.” + +<a id="d0e905"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e905">51</a>]</span></p> +<p>“En de zon zeker ook,” zei Dik. “Ga lekker slapen, jongen, dan is het morgen vóór je het weet. Wel te rusten, Jan, en je mond +houden, hoor.” + +</p> +<p>“Wel te rusten,” zei Jantje met een snik en een zucht. + +</p> +<p>Nu kon hij echter den slaap in ʼt geheel niet meer vatten, en hij verveelde zich schrikkelijk. Wel tienmaal begon hij tot +duizend te tellen, maar telkens raakte hij in de war, en eindelijk gaf hij het op. Hij ging voor tijdverdrijf spelletjes doen. +Eerst stak hij zijn voeten zoo hoog mogelijk in de lucht, met de dekens er overheen. + +</p> +<p>“Nu is het een hooge berg,” dacht hij. “Wacht ik zal er een man boven op zetten, dan kan hij ver zien.” + +</p> +<p>Hij liet zijn voeten zakken, en legde zijn kussen er op. Toen stak hij het heele gevalletje voorzichtig in de hoogte, maar +de man viel telkens van den hoogen berg af, en kwam hem eenmaal precies op zijn hoofd te liggen. + +</p> +<p>Eens bleef de man boven op den berg, en toen liet Jan den berg instorten, zoodat de man geheel bedolven werd. + +</p> +<p>“Nu is hij morsdood,” zei Jan. “Wacht, ik zal stil een stoel in mijn bed halen. Dat is veel leuker.” + +</p> +<p>Hij kroop voorzichtig uit zijn bed, greep een stoel, en klom er weer heel zacht in. Zijn ouders hadden er niets van gemerkt. +Hij legde den stoel voorover, en ging er op zitten. + +</p> +<p>“Huup hit,” zei hij. “Nu draven, zoo hard je kunt.” + +</p> +<p>Hij hobbelde met den stoel op en neer, en hij verbeeldde zich, dat hij op den hit van zijn Vader zat, en dat hij aan het harddraven +was. + +</p> +<p>Soms gaf hij hem van achteren met zijn vlakke hand een harden klap op de sporten. + +</p> +<p>“Au,” zei Jantje, want het deed hem pijn, en hij likte zijne hand af, omdat de pijn daardoor gauwer beter werd. + +</p> +<p>Toen zette de hit het op een loopen. +<a id="d0e932"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e932">52</a>]</span></p> +<p>Met twee handen had Jantje de leuning te pakken, en hij hobbelde op en neer. In zijne gedachten reed hij in vliegenden galop +langs den weg, en telkens gaf hij zijn harddraver een klap op de sporten. De hit vloog hoe langer hoe harder, maar opeens +begon hij te steigeren. + +</p> +<p>“Ha,” mompelde Jantje, “hij krijgt weer eene koppige bui! Wacht, ik zal hem leeren!” + +</p> +<p>Hij sloeg met beide handen op de houten ribben van zijn harddraver, greep daarna de leuning, en trok den stoel daaraan in +de hoogte. + +</p> +<p>O, o, wat steigerde dat beest woest! + +</p> +<p>“Huupla,” schreeuwde Jantje opeens, want hij verkeerde in hevige geestvervoering. Zijn vader draaide zich onrustig om in zijn +bed. Hij werd er half wakker van. + +</p> +<p>Jantje trok de leuning nog meer in de hoogte. De hit stond toen als het ware loodrecht op zijn achterste pooten, en Jantje +verbeeldde zich, dat hij hem kwaadaardig hoorde brieschen. De hit nam een geweldigen sprong, en bommerdebom, daar viel Jantje +met hit en al uit zijn bed op den grond. Dat gaf een lawaai! + +</p> +<p>“Heeremenschen!” gilde Anneke, die verschrikt opvloog. “Daar valt het huis in! Dik, Dik, het huis valt in. Jantje ligt er +onder. Hoor me dat kind eens gillen!” + +</p> +<p>Dik was ook verschrikt, en hij haastte zich op te staan. Vlug schraapte hij een lucifer aan en stak de lamp op. En wat zag +hij? + +</p> +<p>Jantje lag op den vloer met een stoel half over zich heen, en daarop lag het kussen, dat den hit in zijn val gevolgd was. + + +</p> +<p>En Jantje schreeuwde moord en brand, zoowel van schrik als van angst, want hij was erg bang, dat zijn vader hem nu wel voor +zijn broek zou geven. Hij twijfelde daar zelfs niet aan. +<a id="d0e953"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e953">53</a>]</span></p> +<p>Maar Dik kon onmogelijk boos blijven op zijn zoontje, en hij moest er braaf om lachen, toen hij hem daar zag liggen. + +</p> +<p>“Wat voer je toch uit, jongen?” vroeg hij. “Je doet niet anders dan spoken, en houdt ons den heelen nacht wakker.” + +</p> +<p>“O Vader,” schreeuwde Jantje, want hij vreesde altoos nog een beetje, dat zijn Vader hem straffen zou, “ik was aan ʼt paardje-rijden +op onzen hit, en toen steigerde hij zoo,—o, o, o, en toen vielen we alle twee het bed uit.” + +</p> +<p>Toen moest Dik nog meer lachen, en Anneke lachte van den weeromstuit meê. Dik pakte zijn zoontje op, en legde hem in bed. + + +</p> +<p>“Zie zoo, nu ga je maar weer slapen, hoor. Ik zal je wel roepen, als het dag wordt. Wel te rusten.” + +</p> +<p>“Wel te rusten,” zei Jantje. “Maar dit weet ik wel, dat een nacht véél en véél langer duurt, dan een dag.” + +</p> +<p>Een half uurtje later werd Dik alweer wakker gemaakt. + +</p> +<p>“Vader!—Vader!” hoorde hij roepen. + +</p> +<p>“Jongen, wat verveel je me vannacht,” was zijn antwoord. “Wat is er nu weer?” + +</p> +<p>“Vader, komt de zon vast elken morgen weer op?” vroeg Jantje met iets twijfelmoedigs in zijne stem. + +</p> +<p>“Wel ja, Jan, vast en zeker, hoor! Als je maar geduld hebt.” + +</p> +<p>“Maar Vader, is-ie nog nooit eens weggebleven?” + +</p> +<p>“Neen, nog nooit,” zei Dik met een zucht. “Kijk maar door het raam. ʼt Wordt nu ook al wat lichter. Als je nog een uurtje +geslapen hebt, is de nacht om, en dan ben je jarig. Over een uur zal ik je roepen.” + +</p> +<p>“Ja Vader,” zei Jan, en hij begon nog maar eens tot duizend te tellen. Maar ʼt hielp hem niets, hij kon den slaap niet meer +vatten. Och, och, wat duurde dat uur hem lang. Hij luisterde naar het tikken van de hangklok, tot hij opeens meende, dat zij +stilstond. Hoe hij ook luisterde, hij merkte het eentonige getik niet meer op. Toch ging de <a id="d0e982"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e982">54</a>]</span>klok nog wel, want een poosje later hoorde hij het weer. + +</p> +<p>Eindelijk was het uur om, en sprong hij uit bed. + +</p> +<p>“Vader,” riep hij luid, “nu ben ik eindelijk dan toch echt jarig. Toe Vader, wat krijg ik nu van u?” + +</p> +<p>“Ja jongen, je hebt me van nacht schrikkelijk verveeld, maar nu ben je echt jarig, en ik feliciteer je wèl.” + +</p> +<p>Dik stond op en nam Jantje in zijn armen, en kuste hem op allebei zijn wangen. En toen gaf hij hem aan Anneke, die hem niet +minder hartelijk pakte. + +</p> +<p>Dik kleedde zich spoedig aan, en zei: + +</p> +<p>“Kom meê, Jan, dan krijg je je cadeau. Ik hoop maar, dat het je bevallen zal.” + +</p> +<p>Jan beefde van blijdschap en nieuwsgierigheid. + +</p> +<p>“Kan ik het echt opeten?” vroeg hij. + +</p> +<p>“Neen, dat was maar gekheid,” zei Dik, terwijl hij Jantje bij de hand pakte en hem meenam naar den stal. Hij opende de deur, +en stapte met zijn zoontje binnen. + +</p> +<p>En wat zag Jan daar? + +</p> +<p>Hij kon zijne oogen niet gelooven, want daar, vlak naast den hit, stond een prachtige, bonte bok, met twee groote horens op +zijn kop en een lange sik aan zijn kin. + +</p> +<p>“Die bok!” riep Jantje verrukt uit. “Is die bok voor mij?” + +</p> +<p>“Ja, die bok is voor jou,” zei Dik lachend, en hij zag met innige blijdschap, hoe gelukkig dit geschenk zijn zoontje maakte. + + +</p> +<p>Jan sprong als een kleine dolleman in ʼt rond, en hij klapte in de handen. + +</p> +<p>“O, dank u, dank u!” riep hij uit. “O, o, wat een mooie bok is dat. Kijk eens, hij heeft prachtige horens!” + +</p> +<p>“Ja, hè?” zei Dik. + +</p> +<p>“En een sik!” ging Jan voort. + +</p> +<p>“Bè, bè, bè-è-è-è!” blaatte de bok. + +</p> +<p>Jantjeʼs vreugde kende geen grenzen. +<a id="d0e1022"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1022">55</a>]</span></p> +<p>“O, hoor eens, hij kan schreeuwen ook. O, wat eene mooie stem,” riep Jan opgetogen. + +</p> +<p>In de vreugde zijns harten liep hij op den bok toe en wilde hem zijne armen om den nek slaan, maar de bok scheen daar niet +van gediend, want hij ging op zijne achterpooten staan, stak den kop omlaag en drukte zijn groote, kromme horens zoo stevig +tegen Jans smalle buikje, dat Jantje achterover tegen het houten beschot terecht kwam. + +</p> +<p>“O, dat mag hij wel doen,” zei Jantje, die in zijn bok allerminst eenige kwade eigenschap wilde ontdekken. Maar toch kroop +hij schielijk overeind en maakte zich uit de voeten. + +</p> +<p>“Toe Vader, mag hij eens uit den stal komen?” vroeg hij, want dáár kon de bok hem niet tegen een muur stooten. + +</p> +<p>“Wel zeker,” zei Dik, die het wel grappig gevonden had, toen de bok zijn zoontje zoo onvriendelijk ontving. + +</p> +<p>Hij maakte den bok los en bracht hem in den tuin. Eigenlijk was de tuin alleen bleekveld. Hij was rondom door schuren omringd, +behalve aan den achterkant, waar zich een breede sloot bevond. Jantje mocht daar soms wel eens graag hengelen. + +</p> +<p>Toen de bok den stal verlaten had en rondom zich het welige gras ontdekte, begon hij dadelijk te grazen. Jantje ging bij hem +staan, en streelde hem met zijne hand langs den nek. + +</p> +<p>Hij was méér dan blij met zijn verjaargeschenk; hij had wel kunnen gieren van blijdschap. De bok liet hem stilletjes begaan, +ook toen Jan hem zijn arm om den hals sloeg. + +</p> +<p>“Wat is hij mak, Vader,” zei hij. + +</p> +<p>“Ja, daar heb ik hem ook op gekocht,” zei Dik. “ʼt Moet een mak beest zijn, en een flink looper.” +<a id="d0e1043"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1043">56</a>]</span></p> +<p>“Hè ja, nu moest ik ook nog een wagen hebben,” zei Jantje begeerig. “Wat zou ik rijden.” + +</p> +<p>Vol teederheid liet hij zijn beide handen langs het lichaam van zijn bok glijden, en hij streelde het korte staartje. De bok +scheen het in ʼt geheel niet onpleizierig te vinden, en deed niet anders dan eten. + +</p> +<p>“Zou ik er zoo ook op kunnen rijden?” vroeg Jantje. + +</p> +<p>“Wel ja, ik denk het wel,” zei Dik. “Hij is sterk genoeg, en zal niet in tweeën breken.” + +</p> +<p>Dat vond Jantje heerlijk, en met een wip sprong hij op den bok. Maar deze vond het allesbehalve prettig. Hij sprong met zijn +achterpooten in de hoogte, om Jantje van zijn rug af te gooien, en toen dat niet hielp, sprong hij met de voorpooten omhoog. + + +</p> +<p>Vader Dik schaterde het uit van de pret. + +</p> +<p>“Houd je goed, Jantje”, riep hij zijn zoontje toe. “Laat je niet van de vliegen steken!” + +</p> +<p>“Be, bè, bè-è-è-è!” schreeuwde de bok nijdig. Het beest was meer dan kwaad. Opeens nam hij een grooten sprong, zoodat Jantje +toch haast van zijn rug afviel, en zette het op een loopen. Met echte bokkesprongen holde hij het bleekveld over. ʼt Ging +vliegensvlug, en Jantje vond ʼt razend prettig. Zijn Vader ook. Die moest er onbedaarlijk om lachen. + +</p> +<p>De bok was echter op een hem onbekend terrein, en daar hij te kwaad was om goed uit zijn oogen te kijken, sprong hij opeens +pardoes in de sloot. Dat gaf een plons van belang, en voor een oogenblik waren èn bok èn berijder onder ʼt water verdwenen. + + +</p> +<p>Toen lachte Dik niet meer. Integendeel, een hevige schrik maakte zich van hem meester, en hij ijlde naar den slootkant. Maar +daar zag hij niets. + +</p> +<p>Ja toch, er verscheen een hoofd boven water.... +<a id="d0e1066"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1066">57</a>]</span></p> +<p>Helaas, ʼt was de kop van den bok. ʼt Kroos zat hem aan de groote kromme horens. + +</p> +<p>“B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!” blaatte hij angstig. + +</p> +<p>“Jantje! Jantje!” schreeuwde Dik. + +</p> +<p>Daar verscheen ook Jantjeʼs hoofd boven de oppervlakte. + +</p> +<p>“Vader, ... help, ... ik ... hik, hik, ... ik, hik verdrink!” + +</p> +<p>Dik bukte zich en greep Jantje bij de haren. + +</p> +<p>“B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!” schreeuwde de bok. + +</p> +<p>Dik trok zijn zoontje op den wal. Daar stond het kereltje, druipend van het water. + +</p> +<p>“O Vader, mʼn bok! Mʼn bok!” jammerde Jantje. + +</p> +<p>Dik boog zich nogmaals, en greep met beide handen de horens van den bok. ʼt Kostte hem echter vrij wat moeite om het beest +op den wal te krijgen, doch het gelukte hem toch. + +</p> +<p>Jantje werd naar binnen gestuurd, om droge kleeren aan te trekken, en de bok moest in den stal. + +</p> +<p>Moeder Anneke was ook niet weinig geschrokken, want zij had het angstgeschreeuw duidelijk gehoord. Zij stond op,—want dat +alles gebeurde zeer vroeg in den morgen—en hielp Jantje aan droge kleeren. + +</p> +<p>De kleine vent stond te bibberen van de koû, maar hij was toch erg blij met zijn bok. + +</p> +<p>“B-b-b-b-b—wat een b-b-b-b—mooie b-b bok, Moeder,” zei hij opgetogen, terwijl de rillingen hem langs zijn mageren rug gingen. +En zijn spillebeentjes trilden zoo erg, dat Jantje er haast niet op staan kon. + +</p> +<p>“Dat was me daar ʼn mooie geschiedenis!” zei Dik binnenstappende. “Jantje ging op den bok zitten, en daar sprong me dat beest +pardoes in de sloot. ʼt Was een bespottelijk gezicht.” + +</p> +<p>“Leeft hij b-b-b-b-b-nog, Vader?” vroeg Jantje. +<a id="d0e1099"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1099">58</a>]</span></p> +<p>“Of hij!” zei Dik. + +</p> +<p>“Zou hij b-b-b-b—niet dood—b-b-b-b gaan?” vroeg Jantje, niet zonder eenigen angst, dat het koude bad zijn mooien bok kwaad +kon hebben gedaan. En hij vervolgde: + +</p> +<p>“Hè b-b-b-b, dat hemd is b-b-b-b-lekker warm, Moeder. Brrr, wat ben ik koud.” + +</p> +<p>“Ja, dat wil ik wel gelooven,” zei Dik, “Je gaat ook direct weer naar je bed, om goed warm te worden, door en door warm.” + + +</p> +<p>Jantje had daar wel niet veel ooren naar, maar het gebeurde toch. Enkele minuten later lag hij weer diep onder de wol. Daar +werd hij al spoedig lekker warm, want zijn moeder had er nog een paar dekens extra bijgedaan. + +</p> +<p>Lang hield Jantje het er echter niet uit. Een half uur later kreeg hij zijn Zondagsche pak aan en stapte hij naar buiten, +om weer naar zijn bok te gaan kijken. Deze stond heel rustig bij den hit gemaaid gras te eten, en hij keek Jantje aan of hij +zeggen wou: + +</p> +<p>“Dat was een rare geschiedenis, hè Jan?” + +</p> +<p>Jan kon zijn bok niet genoeg aankijken, zoo mooi vond hij hem. + +</p> +<p>“He,” dacht hij, “als ik nu een wagentje had en een tuig, dan was ik heelemaal klaar. Wat zou ik dan heerlijk rijden. Had +ik vast maar een wagentje, dan zou ik zelf wel een tuig maken. Karel van Dril zal er me wel aan helpen.—Wacht, daar hoor ik +Grootvader in zijn tuintje. Ik ga gauw naar hem toe, om het te vertellen, dat ik zooʼn mooien bok heb gekregen.” + +</p> +<p>Vlug begaf hij zich naar de woning van zijne grootouders. Zijn Grootmoeder kwam hem al tegemoet, en féliciteerde hem met zijn +verjaardag. En ze zei: + +</p> +<p>“Ga maar gauw mee naar Grootvader in den tuin.” + +</p> +<p>“En o, Grootmoê,” zei Jan, “ik heb zooʼn prachtigen <a id="d0e1124"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1124">59</a>]</span>bok gekregen van Vader en Moeder, toch zòò mooi, o zoo mooi!” + +</p> +<p>Grootmoeder sloeg van verbazing de handen in elkaar. + +</p> +<p>“Een bok?” riep zij opgetogen uit. “Een echte, levende bok?” + +</p> +<p>“Ja, ja, een echte levende bok, en we hebben samen al in de sloot gelegen ook. Ik zat boven op zijn rug, en toen vloog hij +van kwaadheid de sloot in. Vind u het niet heerlijk, Grootmoe?” + +</p> +<p>“Dat je in de sloot gelegen hebt?” + +</p> +<p>“Neen, dat ik een bok heb,” lachte Jantje. Samen gingen ze den tuin in, naar Grootvader. + +</p> +<p>Deze kwam hem vroolijk lachend tegemoet. + +</p> +<p>“Dag Jan, wèl geféliciteerd met je verjaardag.” + +</p> +<p>“Dank u, Grootvader!” schreeuwde Jantje, die wel wist, dat Grootvader hem anders niet verstond. “Ik heb een bok gekregen! +O, zoo mooi. Gaat u mee kijken?” + +</p> +<p>“Wat moet jij met eene klok doen, kind?” vroeg Grootvader, die zich hield, of hij hem niet verstaan had. + +</p> +<p>“Neen, neen, geen klok, maar een bok!” schreeuwde Jantje. + +</p> +<p>“Een bok? Wat heb je aan een bok, als je geen wagentje hebt?” ging Grootvader plagend voort. “Ik zou hem maar aan den slager +verkoopen!” + +</p> +<p>Jantje keek zijn Grootvader diep verontwaardigd aan. + +</p> +<p>“Dat nooit!—Nooit, hoor Grootvader!” riep hij uit. + +</p> +<p>Grootvader scheen hem echter niet te hooren. Hij stond in gedachten verdiept, en streek met zijn wijsvinger peinzend langs +zijn neus. Eindelijk zei hij: + +</p> +<p>“Wacht eens, Jan. Ik geloof, dat ik nog wat ouden rommel heb, waar misschien wel een wagentje van gemaakt kan worden. Ga maar +eens mee naar ʼt schuurtje.” + +</p> +<p>“Dat zou mooi wezen, Grootvader,” zei Jantje blij. + +</p> +<p>De schuur werd geopend, en daar stond me zoo waar <a id="d0e1160"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1160">60</a>]</span>een prachtige bokkewagen kant en klaar. Grootvader had hem zelf getimmerd, heel stilletjes, zoodat Jantje er niets van gemerkt +had. O, o, wat lachten Grootvader en Grootmoeder ondeugend. + +</p> +<p>“Wel, hoe lijkt je dat, Jan? Vind je dat wagentje mooi?” + +</p> +<p>Jantje werd beurtelings bleek en rood, want hij begreep wel, dat het wagentje voor hem was, en toch durfde hij het haast niet +te gelooven. + +</p> +<p>“Of ik het mooi vind?” stamelde hij met bevende lippen, “ʼt Is prachtig mooi, Grootvader, prachtig, prachtig mooi!” + +</p> +<p>En meteen vloog hij Grootvader om den hals en kuste hem, dat het klapte, en toen kreeg Grootmoeder eene beurt. Zij bezweek +er bijna onder. + +</p> +<p>Jantjes vreugde kende geen grenzen. Hij nam het lemoen op, en trok het wagentje naar zijn huis, waar Vader en Moeder het dadelijk +moesten zien. + +</p> +<p>“Had ik nu nog maar een tuig,” zei Jantje, “dan was ik heelemaal klaar. Ha, wat zou ik rijden!” + +</p> +<p>“In de hangkast liggen nog wel een paar oude riemen,” zei zʼn moeder. “Daar is misschien, als Grootvader of Vader je helpen +wil, nog wel een goed tuigje van te maken.” + +</p> +<p>“Oude riemen?” zei Jantje, “hebben wij nog oude riemen? Die zouden mij goed te pas komen.” + +</p> +<p>Hij deed de deur open. Zijne ouders stonden lachend naar hem te kijken. + +</p> +<p>In plaats van een paar oude riemen zag Jantje tot zijne groote verrassing een prachtig bokketuig hangen, als een geschenk +van zijne moeder. + +</p> +<p>Hij slaakte een kreet van vreugde, nam het tuig uit de kast, en begon als een dolle door de kamer te springen. + +</p> +<p>“Rinkinkeleking! Ringeling! Rinkinkeling-king!” klonk het. Dat kwam van de bellen, die met twee mooie pluimen op het tuig +bevestigd waren. +<a id="d0e1186"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1186">61</a>]</span></p> +<p>“Hoor eens! Hoor eens!” riep Jantje verrukt. “O, o wat mooi. O, ik weet zelf niet, hoe mooi het is. Nu den bok inspannen, +Vader! Laten we hem dadelijk inspannen!” + +</p> +<p>Dat gebeurde. De bok werd uit den stal gehaald en voor den wagen gezet. De tuigen werden hem omgehangen, en Jantje stapte +in. + +</p> +<p>“Waar is mijn zweep?” vroeg hij. + +</p> +<p>“Hier,” zei Dik. “Maar één ding mag je nooit vergeten: sla den bok niet, als het niet noodig is.” + +</p> +<p>“Slaan, Vader?” vroeg Jantje. “O neen, mijn bok sla ik niet. De zweep is alleen maar voor ʼt mooi. Huup bok! Allo!” + +</p> +<p>Daar ging de bok, tot groote vreugde van Jantje, die in het wagentje zat als een kleine prins. Zijn ouders en grootouders +keken hem lachend na, want zij vonden het bijna even prettig als Jantje zelf. + +</p> +<p>“Als hij maar niet in de sloot rijdt!” zei zijne moeder, die wel een beetje bezorgd was. + +</p> +<p>“Laat hem maar begaan,” zei Dik met vadertrots. “Hij is mans genoeg, de kleine baas. Wat is ʼt een mooi stelletje, hè?” + +</p> +<p>En grootvader zei: + +</p> +<p>“Wil ik je eens wat zeggen, Dik? Jantje is ook een bizonder kind,—en dat is-ie.” + +</p> +<p>“Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou,” lachte Dik. + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e1209" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Zevende Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>Hoe Jantje uit rijden ging, en bij slot van rekening een dwaze vertooning maakte.</p> +</div> +<p>Wat reed Jantje heerlijk. Zijn bok stapte parmantig over den weg, met den kop fier opgeheven, en Jantje hield de <a id="d0e1217"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1217">62</a>]</span>leidsels in de eene en de zweep in de andere hand. De pluimen op den rug van den bok wuifden sierlijk heen en weer, en de +bellen rinkelden zoo mooi, dat het een lust was om te hooren. + +</p> +<p>Eerst reed Jantje natuurlijk naar zijn vriendje Karel van Dril, en die keek zijne oogen uit naar ʼt mooie spannetje. Hij was +er jaloersch op, maar hij gunde het Jantje toch wel. En zijn vader, de smid Piet van Dril, kwam ook naar buiten, om het mooie +span te bewonderen. + +</p> +<p>“Dat is een prachtig stelletje, Jan!” zei hij, nadat hij Jantje gefeliciteerd had. “De bok is mooi, de wagen is mooi, het +tuig is mooi, en het koetsiertje is ook mooi.” + +</p> +<p>“Alleen een beetje mager,” zei Jan Vos, de metselaar, die juist voorbij liep. + +</p> +<p>“Mag ik met je meerijden?” vroeg Karel. “Toe zeg, schik een eindje om, dan kom ik naast je zitten.” + +</p> +<p>Dat gebeurde, en de twee vrienden reden verder. + +</p> +<p>Al spoedig hadden zij heel wat jongens om hen heen, die het allen een mooi gerij vonden. En allen vroegen om de gunst, of +zij ook eens een eindje mochten rijden. + +</p> +<p>“Toe Jan, mag ik ook eens?” vroeg de een. + +</p> +<p>“Neen zeg, laat mij dan liever,” zei een ander. Jan antwoordde niet veel, want hij wist wel, dat daar geen beginnen aan was. +Hij kon alle jongens van het dorp toch niet bij zich in het karretje nemen. + +</p> +<p>Maar de jongens werden er niet boos om. Zij begrepen zelf wel, dat het niet ging, en vonden het al prettig met den bok mee +te loopen. + +</p> +<p>“Huup sik! Huup sik!” riepen de jongens. Maar de bok had zijn eigen willetje en liet zich niet voortjagen. Hij stapte met +krachtigen tred verder, zonder zich aan het roepen van de jongens te storen. + +</p> +<p>Dicht bij de school kwamen zij Klaas Zwart tegen met <a id="d0e1241"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1241">63</a>]</span>diens vriendje Frans Thor. De jongens hielden niet van hen en gingen liever niet met hen om, want ʼt waren twee vervelende +jongens. + +</p> +<p>Zij hadden altoos ontzaglijk veel praats, konden niemand ongemoeid passeeren, wierpen winkeldeuren open, trokken onnoodig +bij de menschen aan de schel, en plaagden, waar zij maar plagen konden. Aan Klaas Zwart had Jantje al een hekel gehad, zoolang +hij hem kende, omdat hij een klikspaan was. Frans Thor was later op het dorp komen wonen. Hij was een verwaarloosde ruwe jongen, +die geen moeder had en met zijn vader samen in een huisje woonde. Zijn vader was soldaat in Indië geweest, en leefde van een +pensioentje. Hij deed zijn huishouden zelf, veegde zelf den vloer, kookte zijn eigen potje, en maakte zelf de bedden op. Om +de opvoeding van Frans bekommerde hij zich bizonder weinig. Algemeen stond hij bekend als een pochhans, die wel heel veel +wist te vertellen van zijn heldendaden in Indië, maar die er zooveel bij jokte, dat hij door niemand werd geloofd. En Frans +jokte ook niet zooʼn beetje. Al spoedig had hij op het dorp geen vriendje meer kunnen krijgen, en daar Klaas Zwart in hetzelfde +geval verkeerde, liepen ze meestal samen. En ze deden gewoonlijk niet veel goeds. + +</p> +<p>Zoodra zij den bok van Jan in ʼt oog kregen, kwamen zij haastig toeloopen, elk met een stok in de hand. + +</p> +<p>“Wel heb ik van mʼn leven!” riep Frans uit. “Kijk Jan Trom eens geuren! Huup Sik, allo, vooruit!” + +</p> +<p>Maar de bok stoorde zich aan dat bevel niet, en bleef kalmpjes doorstappen. Hij hief den kop eventjes op, en keek Frans aan. + + +</p> +<p>“ʼt Is het bokje wèl!” ging Frans voort. “Hij loopt niet harder dan een slak. Zeg Jan, je moet hem eens met de zweep kietelen, +dan zal hij wel beter voortmaken.” +<a id="d0e1253"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1253">64</a>]</span></p> +<p>“Hij loopt hard genoeg,” zei Jan. “Toe bok, vooruit!” + +</p> +<p>“ʼt Is een oud, afgeleefd beest!” zei Klaas Zwart smalend. “Hij heeft de rumathiek in zijn pooten.” + +</p> +<p>“Als jij maar niet de rumathiek hebt,” gaf Jan beleedigd ten antwoord. “Hij kan harder loopen dan jij.” + +</p> +<p>“Ha, ha!” lachte Klaas. “Zooʼn stijve huut. Je moet hem smeren met machine-olie; zijne botten zijn wat stijf.” + +</p> +<p>“Met stok-olie!” zei Frans Thor grinnekend, terwijl hij den bok een klap met zijn stok op den rug gaf. + +</p> +<p>De bok ging op zijn achterpooten staan. + +</p> +<p>Jan werd wit van kwaadheid, en Karel van Dril zei: + +</p> +<p>“Wil jij met dien stok wel eens van hem afblijven, of ik zal je met datzelfde houtje je portie geven.” + +</p> +<p>Die bedreiging hielp voor een poosje. Maar nu gingen Frans en Klaas van achteren tegen het karretje duwen, zoodat de bok gedwongen +werd op een draf te loopen. De andere jongens hielden zich een beetje op een afstand, want ze waren bang voor de twee plaaggeesten, +vooral voor Frans Thor, die een paar jaar ouder was. + +</p> +<p>Jan hief zijn zweep op, en wilde de jongens dwingen de kar los te laten. Maar Frans greep de zweep onverwachts aan, en rukte +haar Jan uit de handen. + +</p> +<p>“Wat denk jij wel, magere sprinkhaan,” zei hij sarrend. “Denk je soms, dat ik bang voor je ben? Voor geen tien zulke kereltjes +als jij. Ho, bok, ho!” + +</p> +<p>De bok liep echter door, en daarom hielden Frans en Klaas de kar zoo hard zij konden tegen. + +</p> +<p>Jan keerde zich driftig om. + +</p> +<p>“Laat je de kar los!” riep hij hun toe. “Laat los, zeg ik je, of ik sla er op!” + +</p> +<p>De twee plaaggeesten lachten hem smakelijk uit. Karel van Dril was zijn drift ook niet langer meester, en wilde van de kar +stappen. Maar Jan hield hem tegen. +<a id="d0e1284"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1284">65</a>]</span></p> +<p>“Hier,” zei hij, “houd jij de leidsels even vast.” + +</p> +<p>Vlug sprong hij uit de kar, en nog voor Frans er op verdacht was, vloog Jan op hem aan. Deze zag wit van kwaadheid. Met eene +vlugge beweging rukte hij hem de zweep uit de hand, en in ʼt volgende oogenblik had Frans een geduchten striem dwars over +zijn gelaat te pakken. + +</p> +<p>Klaas Zwart zag, dat het ernst werd en maakte, dat hij op een eerbiedigen afstand kwam, want hij was laf van aard. Maar Frans +niet. Deze was de grootste en sterkste, en de zweepslag had hem vreeselijk nijdig gemaakt. Hij kon een kreet van pijn niet +onderdrukken, en de tranen sprongen hem in de oogen. Woest viel hij op Jan aan, die de zweep alweer opgeheven had, om hem +een tweeden striem te geven. + +</p> +<p>“Laat de kar los, zeg ik je!” riep hij Frans toe. + +</p> +<p>“Dat zal ik,” antwoordde Frans, en hij greep Jan met beide handen aan. Jan liet zijne zweep op den grond vallen, om zich beter +te kunnen verweren. + +</p> +<p>“Geef hem zijn portie, Frans!” schreeuwde Klaas Zwart uit de verte. “Als je ʼt alleen niet afkunt, zal ik je wel komen helpen.” + + +</p> +<p>“Daar moest je ʼt hart eens toe hebben,” riep Karel van Dril terug. “Dan krijg je ʼt met mij te doen.” + +</p> +<p>De twee jongens waren geducht met elkaar aan ʼt worstelen, en iedereen dacht, dat Frans het gemakkelijk winnen kon, omdat +hij zooveel ouder en sterker was, maar Jantje was de vlugste. Hij wist al spoedig tusschen Fransʼ armen door te glippen, liet +zich vliegensvlug op zijne knieën vallen, greep Frans bij de beenen, en liet hem in een ommezien een buiteling maken. Daar +lag Frans lang-uit op den grond, tot groot vermaak van de jongens, die hem zijne smadelijke nederlaag van harte gunden. + +</p> +<p>“Ha, ha, daar ligt de praatsmaker!” riepen ze juichend. “Waar blijf je nu met je praats?” +<a id="d0e1303"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1303">66</a>]</span></p> +<p>Jan nam den stok van Frans en gaf hem een geducht pak slaag, veel te hard naar den zin van Frans, die schielijk overeind kroop, +en beenen maakte. + +</p> +<p>Wat werd hij uitgelachen! En wat hadden de andere jongens een pret. + +</p> +<p>Maar Klaas Zwart en Frans Thor lachten niet, en Frans was niet van plan den strijd op te geven. + +</p> +<p>Jan stapte weltevreden over de behaalde overwinning weer in zijn karretje, nam de leidsels van Karel over, en zei: + +</p> +<p>“Huup bok! Vooruit maar weer.—Dat viel Frans Thor niet meê, hè Karel? Wat heeft hij gehad!” + +</p> +<p>“En wat buitelde hij lekker over den grond,” grinnikte Karel vroolijk. “Zij zullen wel niet spoedig terugkeeren.” + +</p> +<p>Dat had hij echter mis. + +</p> +<p>Frans en Klaas stonden eerst van uit de verte een poosje te schelden. + +</p> +<p>“Magere sprinkhaan!” schreeuwde Frans. + +</p> +<p>“Panlat!” smaalde Klaas. + +</p> +<p>Maar langzamerhand kwamen zij naderbij. Zij liepen al scheldend een eindje voor den bok uit. + +</p> +<p>“Hij is zoo oud als je grootvader!” schreeuwde Klaas. + +</p> +<p>“Verkoop hem aan den slager!” zei Frans. “Die kan misschien nog worst van hem hakken.” + +</p> +<p>“Niets terugroepen, Jan,” raadde Karel aan. “Dan hebben zij er het minste pleizier van.” + +</p> +<p>De afstand tusschen den bok en de twee scheldende jongens werd voortdurend kleiner. De bok stapte flink, de pluimen op zijn +rug wapperden prachtig, en de bellen rinkelden helder en luid. Jantje genoot méér, dan hij zeggen kon. ʼt Verveelde hem echter +geducht, dat die twee akelige jongens vlak voor zijn bok bleven loopen. Dat vergalde zijn genoegen. En zij hielden niet op, +den gek met zijn bok te steken, wat hem erg griefde. +<a id="d0e1334"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1334">67</a>]</span></p> +<p>Klaas Zwart ging eindelijk vlak voor den bok loopen. Dan liep hij erg kreupel en met kromme beenen, en riep voortdurend: + +</p> +<p>“Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!” + +</p> +<p>De bok lichtte zijn kop op en keek den jongen nijdig aan. ʼt Scheen wel, of hij begreep, dat die jongen hem voor den gek hield. + + +</p> +<p>“Bè-è-è-è! Bè-è-è-è! schreeuwde Klaas plagend. “O, wat heb ik ʼn rumathiek in mijn pooten. Bè-è-è-è!” + +</p> +<p>De bok schudde den kop, en riep ook: + +</p> +<p>“Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!” + +</p> +<p>“Zie je wel, hij is het met mij eens!” grinnikte Klaas, die met kromme beenen en in een gebogen houding voor den bok uitliep. + + +</p> +<p>Plotseling schoot de bok op een drafje vooruit, wat zoo overwachts gebeurde, dat Jan en Karel bijna achterover uit de kar +sloegen. Daarop sprong de bok op zijn achterpooten overeind, en gaf Klaas zooʼn geduchten stomp in zijn rug, dat deze voorover +op den weg tuimelde. + +</p> +<p>“Au, au, au, o, wat is dat!” schreeuwde Klaas. + +</p> +<p>“Bom!” daar drukte de bok hem nog eens met kracht zijne horens in den rug. + +</p> +<p>“Au, au, o, o, au!” jammerde Klaas. + +</p> +<p>Op handen en voeten poogde hij zich te redden. + +</p> +<p>“Bom!” + +</p> +<p>De bok drukte hem nogmaals plat op den grond. + +</p> +<p>Klaas zag doodsbleek van den schrik. Hij spartelde met armen en beenen, en schreeuwde moord en brand. + +</p> +<p>Jan en Karel vielen haast uit de kar van het lachen, ʼt Was dan ook een bespottelijk gezicht. + +</p> +<p>Klaas wist geen raad van angst en pijn. + +</p> +<p>“Help!” riep hij. “Frans, help,—help! Hij maakt me dood!” +<a id="d0e1371"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1371">68</a>]</span></p> +<p>Hulp was echter niet meer noodig, want de bok hield uit eigen beweging met zijn afstraffing op. Hij dacht zeker, dat Klaas +het er zóó wel meê doen kon. Zonder zich aan de leidsels te storen, keerde hij om, en stapte bedaard verder in de richting +van Janʼs huis. Dat was maar goed ook, want het werd tijd, dat Jantje naar huis ging om te ontbijten. ʼt Was al over achten, +en om negen uur begon de school. + +</p> +<p>Jan en Karel schoten telkens nog in een lach, als zij aan het malle figuur van Klaas dachten. + +</p> +<p>“Hij zal nu wel ondervonden hebben, dat de bok niet rumathiekerig is, en dat hij nog kracht in zijne horens heeft,” meende +Jantje, en dat was Karel volkomen met hem eens. + +</p> +<p>En wat Vader Dik lachen moest, toen hij het hoorde. + +</p> +<p>“ʼt Is bepaald een verstandige bok,” zei hij tegen Jan. “Hij begreep wel, dat die jongen hem voor den gek hield. Maar voortaan +zal Klaas Zwart hem wel uit de voeten blijven.” + +</p> +<p>“Dat denk ik ook,” zei Jan. + +</p> +<p>Den geheelen dag op school moest hij, of hij wilde of niet, aan zijn mooien bok denken, en aan het leuke karretje, dat zijn +grootvader voor hem getimmerd had, en aan het prachtige tuig met de pluimen en de rinkelbellen, en de meester had een onoplettenden +leerling aan hem, wat hij niet van hem gewoon was. ʼt Scheelde dan ook maar een beetje, of hij had zoowel ʼs morgens als ʼs +middags school moeten blijven. Bij ʼt rekenen maakte hij meer dan de helft van de sommen fout, en bij ʼt lezen wist hij niet, +waar hij beginnen moest. + +</p> +<p>De meester werd eindelijk knorrig op hem. + +</p> +<p>“Jij moest beter opletten, Jantje, anders worden wij kwade vrienden.” +<a id="d0e1390"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1390">69</a>]</span></p> +<p>Jan zat toevallig naast Klaas Zwart, en hij kon den jongen, niet aankijken, zonder te lachen. + +</p> +<p>“Heb je nog pijn in je rug?” vroeg hij fluisterend. + +</p> +<p>Klaas keek hem aan als een nijdige spin. + +</p> +<p>“Zou het misschien rumathiek kunnen wezen?” plaagde Jantje. + +</p> +<p>“Magere sprinkhaan! Panlat!” siste Klaas tusschen de tanden, en telkens voelde hij aan zʼn rug, die geducht pijn deed. + +</p> +<p>“Stilte daar!” gebood de meester. “Ik geloof, dat er een paar jongens zijn, die graag willen nablijven.” + +</p> +<p>Zoover kwam het echter niet, en om vier uur mocht Jantje naar huis. Karel holde met hem meê, dat spreekt van zelf. Kwart over +vieren stond de bok alweer voor de kar. De beide vrienden namen plaats, en daar ging het heen. De bok stapte weer even deftig +als ʼs morgens, en hij keek eigenwijs om zich heen, de bellen rinkelden en de pluimen wapperden. De jongens vonden het prachtig, +en zij reden het heele dorp door. ʼt Bleek een prettig dier te zijn. Als de jongens even uit de kar stapten, om naar een vink +te zoeken, die zij hoorden fluiten in het riet aan den kant van het kanaal, bleef hij geduldig wachten. Alleen ging hij een +weinigje zijwaarts, om op den berm wat gras te eten. + +</p> +<p>Een eindje voorbij de Roomsche kerk, die aan het einde van het dorp stond, was de timmerwinkel van baas Meijer, bij wien Jans +grootvader vroeger gewerkt had. Naast den winkel stond een kleine houtzaagmolen, want Meijer zaagde zijn hout zooveel mogelijk +zelf. Er lag dan ook altoos vóór dien molen in het kanaal een vlot balken in voorraad, en op die balken gingen de jongens +dikwijls spelen. Menigeen had daar al een paar natte voeten gehaald, en sommigen zelfs een nat pak. Want die balken waren +maar <a id="d0e1407"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1407">70</a>]</span>losjes aan elkander verbonden, en het gebeurde dikwijls, dat zij omkantelden, als de jongens er over liepen. Er behoorde dan +ook heel wat behendigheid toe, om geheel droog te blijven, als zij er op speelden. + +</p> +<p>Toen de jongens de houtzagerij bereikt hadden, zei Karel: + +</p> +<p>“Zeg Jan, willen we eventjes balkje-loopen? Dat is zoo lekker.” + +</p> +<p>Daar had Jantje wel zin in. + +</p> +<p>“Zou de bok blijven staan?” + +</p> +<p>“Wel ja,—de bok loopt niet weg. En al was dat zoo, dan kunnen we hem toch gemakkelijk genoeg inhalen.” + +</p> +<p>“Dat is zoo,” zei Jan. + +</p> +<p>De jongens stapten uit de kar. Jan keerde den bok om en bracht hem op een plaatsje, waar veel gras en klaver groeide. + +</p> +<p>“Daar staat hij heerlijk!” zei hij. + +</p> +<p>Toen gingen de jongens op het vlot, en wipten van den eenen balk op den anderen. Soms stonden zij met de armen om elkaars +hals geslagen op het einde van een balk, die dan door hun zwaarte langzaam onder water zonk. Maar vóórdat het water hun voeten +bereikte, sprongen zij vlug naar het hooger gelegen deel van den balk. + +</p> +<p>En dan lachten zij luidkeels van de pret. + +</p> +<p>Dat deden zij ook, als een van de balken onder hunne voeten omkantelde, want dan moesten zij zich door vlugge sprongen redden. + + +</p> +<p>Jantje was een echte waaghals. Dat kwam, omdat hij verbazend lenig was en nog nooit een ongeluk had gehad. + +</p> +<p>“Ik moet een beetje voorzichtig wezen,” zei hij wijs tegen Karel. + +</p> +<p>“Waarom?” vroeg deze. + +</p> +<p>“Wel, ik heb mijn Zondagsche pak aan, doordat ik van <a id="d0e1439"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1439">71</a>]</span>morgen vroeg kopje-onder in de sloot gelegen heb. En als ik nu met mijn mooie pak weer in ʼt water viel, zou Moeder me zien +aankomen, dat begrijp je. Jongen, wat zou ik er van lusten!” + +</p> +<p>“Nou, dat snap ik,” zei Karel. + +</p> +<p>En nauwelijks had hij dat gezegd, of hij merkte, dat zijn paal omkantelde en dat hij dus veel kans had, naar beneden te rollen. +Met een vlugge beweging sprong hij op den balk, waarop Jan stond, maar door den schok kantelde deze ook. + +</p> +<p>Plomp! Daar zakte Jantje tot aan zijn middel in het kanaal. Karel viel achterover op het vlot, zoodat hij vrij droog bleef. + + +</p> +<p>“O wee!” schreeuwde Jantje, met groote oogen van schrik en angst. Hij had zijn arm nog om den paal geslagen. + +</p> +<p>Vlug als hij was, hief hij zich met kracht in de hoogte, en in ʼt volgende oogenblik stond hij weer op het vlot. ʼt Water +droop hem uit zijne Zondagsche broek langs zijne dunne beentjes naar beneden. + +</p> +<p>Karel schaterde het intusschen uit van pret. + +</p> +<p>Maar Jantje lachte in ʼt geheel niet. Hij stapte zonder een woord te spreken van het vlot af op den kant, en keek zwijgend +naar zijn natte broek. + +</p> +<p>Karel kwam bij hem. + +</p> +<p>“Wat zat je daar koddig met je hoofd boven dien paal uit!” zei hij lachend. “Ik wou, dat je het gezien hadt.” + +</p> +<p>“Ik vind het heelemaal niet koddig!” zei Jantje. “Ik kan me niet begrijpen, dat je dit nou zoo grappig vindt. Zeg Karel, ik +durf zoo niet naar huis toe, hoor.” + +</p> +<p>“O, ik weet wel raad,” zei Karel. “Trek allebêi je broeken uit en je kousen. Dan neem jij het eene einde en ik het andere, +en we draaien in tegengestelde richting. Op die manier wringen wij al het water er uit, en dan is het dadelijk droog.” +<a id="d0e1463"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1463">72</a>]</span></p> +<p>“Is het waar?” vroeg Jantje, met een flikkering van hoop in zijn oogen. + +</p> +<p>“Stellig!” zei Karel. “Vader heeft wel eens verteld, dat hij het ook deed, toen hij nog een jongen was. Trek maar uit.” + +</p> +<p>Dat deed Jantje, en al spoedig stond hij met bloote beenen in het gras. Toen gingen de twee jongens aan het wringen. Eerst +de onderbroek. Karel nam het bovengedeelte en Jantje de pijpen. Karel draaide van rechts naar links, en Jantje van links naar +rechts. En zij waren zoo in die bezigheid verdiept, dat zij niet zagen, dat Frans Thor en Klaas Zwart naderden, ieder weer +met een stok in de hand en niet veel goeds in den zin. + +</p> +<p>Deze twee hadden gezien, wat er gebeurd was, en daar zij nog boos waren over de nederlaag, die zij ʼs morgens hadden geleden, +besloten zij wraak te nemen. + +</p> +<p>Aan den anderen kant van den weg slopen zij zooveel mogelijk ongemerkt nader, en kwamen meer en meer bij de plaats, waar de +bok rustig stond te grazen. + +</p> +<p>Juist waren Jan en Karel met de onderbroek klaar gekomen, die zij op het gras uitspreidden om te drogen, toen de twee vijanden +met een woesten kreet opsprongen, vlak achter den bok, die er geweldig van schrikte. En dat werd nog erger, toen de jongens +hem met hunne stokken hard op den rug sloegen, en schreeuwden: + +</p> +<p>“Huup bok, huup bok! Allo! koesssss!” + +</p> +<p>De bok zette het verschrikt op een loopen, het dorp in. Hij holde voort, zoo hard hij kon. Van bokkendeftigheid was bij hem +geen sprake meer, hij holde voort als een wild paard. + +</p> +<p>“Koesssss! Koesssss!” schreeuwden Frans en Klaas hem na. + +</p> +<p>“Dát is gemeen!” riep Jan verschrikt en verontwaardigd <a id="d0e1484"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1484">73</a>]</span>uit, en zonder te bedenken, dat hij geen broek aan had, sprong hij op, en ijlde zijn bok na. + +</p> +<p>Maar deze was hem een geducht eind voor, en rende al midden in het dorp. Jantje liep wat hij loopen kon, om hem in te halen. + + +</p> +<p>De menschen bleven lachend staan, om de twee hardloopers na te kijken. ʼt Was dan ook een dwaas gezicht, dien bok te zien +hollen, met de rinkelende bellen en de wapperende pluimen op zijn rug, terwijl de leidsels langs de kar zwierden, maar nog +veel maller was het Jantje te zien, die zonder broek zijn bok naholde. + +</p> +<p>Jantje met zijne dunne beentjes liep het hardst. De keisteentjes deden wel pijn aan zijne bloote voeten, maar hij voelde het +niet, en dat de menschen om hem lachten, merkte hij evenmin. Hij dacht maar alleen aan zijn mooien bok. Tot zijn vreugde bemerkte +hij, dat hij op hem won, en dat hij hem misschien nog kon inhalen, voordat hij de brug had bereikt. + +</p> +<p>Plotseling echter zag hij, dat de bok gegrepen werd. Iemand met een mandje aan den arm sprong op den weg, en greep den bok +bij den teugel. Daar was Jantje blij om, tot hij opeens zag, dat die man zijn vader was. + +</p> +<p>“Hei, hei, wat is dat voor een malle vertooning?” riep Dik zijn zoontje toe, die hijgend bij den bok stond. + +</p> +<p>“De jongens hebben hem op hol gejaagd, Vader,” zei Jantje, die zijn vader een beetje uit de voeten bleef. + +</p> +<p>“Maar hoe komt het, dat jij hier zonder broek langs den weg rent?” ging Dik voort. + +</p> +<p>Jantje zweeg. + +</p> +<p>“Allo, spreek op, mannetje. Waar zijn je broeken, en je kousen en je klompen?” + +</p> +<p>“O Vader, ik had ... ik ... ik was ... ik ... had ... ik ...” + +</p> +<p>“Ik had en ik was en ik was en ik had!” viel zijn <a id="d0e1508"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1508">74</a>]</span>Vader in. “Ik was een ondeugende jongen en ik had een pak slaag verdiend, wil je zeker zeggen, hè?” + +</p> +<p>Jantje deed een paar stappen achteruit. + +</p> +<p>“Spreek op, Jantje, wat is er gebeurd?” + +</p> +<p>“Ik was in ʼt kanaal gevallen, Vader, en omdat ik mijn Zondagsche broek aan had, dorst ik niet thuis te komen, en toen...” + + +</p> +<p>“En toen?” + +</p> +<p>“Toen hebben Karel en ik mijn broek uitgewrongen, maar toen hebben Frans Thor en Klaas Zwart den bok op hol gejaagd...” + +</p> +<p>“En toen ben jij den bok achterna gehold?” vroeg Dik, en opeens begon hij er smakelijk om te lachen, want hij vond het een +koddige geschiedenis. + +</p> +<p>“Dat is tweemaal vandaag, Jantje!” zei hij. “Pas maar op, dat je er niet voor den derden keer invalt. Vooruit, stap in de +kar en haal je kleeren. En ik zou dat wringen verder maar aan Moeder overlaten. Je gaat direct naar huis, hoor.” + +</p> +<p>“Ja Vader,” zei Jantje, die blij was, dat het zoo goed afliep. “Maar van Frans en Klaas is het een gemeene streek.” + +</p> +<p>“Dat is het,” zei Dik. + +</p> +<p>Jantje stapte in de kar en reed naar het vlot terug, waar Karel op de natte plunje paste. Jan kleedde zich weer behoorlijk +aan, en reed naar huis terug. Zijn Moeder vond de geschiedenis lang zoo grappig niet als Vader Dik, maar omdat Jantje jarig +was, liep alles nog al goed voor hem af. Hij kon zijn daagsche pakje weer aantrekken, dat intusschen gedroogd was, maar met +den bok mocht hij dien avond niet meer rijden. + + + +<a id="d0e1530"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1530">75</a>]</span></p> +</div> +<div id="d0e1531" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Achtste Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>Jantje krijgt het met Flipsen te kwaad, en dankt aan zijne magere leden zijne redding uit een dreigend gevaar.</p> +</div> +<p>Hoe ouder Jantje werd, des te meer gingen zijne kameraden van hem houden. Dat was volstrekt geen wonder, want hij was een +aardige jongen met een goed hart. Van alles wat slecht en leelijk was, had hij een afkeer, en als sommige jongens nog wel +eens iets deden, waarvan groote menschen last of schade ondervonden, deed hij nooit meê. Eénmaal had hij appelen gestolen +in den tuin van Wobbe, waar de jongens dikwijls heengingen om vruchten weg te nemen, want Wobbe had een grooten boomgaard, +waarin heel veel lekkers groeide. Jantje had er nog nooit aan meêgedaan, maar eindelijk liet hij zich overhalen om ook meê +te gaan. ʼt Was op een herfstavond en ruw weer. De jongens slopen stilletjes naar de boerderij van Wobbe, die een eindje buiten +het dorp lag, en sprongen na elkander over de sloot. Zoo kwamen zij in den boomgaard. + +</p> +<p>Maar Wobbe had zich met een paar knechts verdekt opgesteld, want dat appelen stelen begon hem geducht te vervelen. Hij had +Flipsen, den veldwachter, wel gewaarschuwd, maar die werd een dagje ouder en maakte er niet veel werk van. + +</p> +<p>“Als je een van de dieven snapt, breng je hem maar bij me, dan zal ik hem wel mores leeren,” had hij gezegd. En hij had er +aan toegevoegd: “zelf zal ik ook wel een oogje in ʼt zeil houden.” + +</p> +<p>Wobbe was daarom besloten, zelf de handen uit de mouwen te steken, en had zich met zijne knechts op verschillende plaatsen +in den boomgaard verscholen. +<a id="d0e1545"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1545">76</a>]</span></p> +<p>Zij hadden er nog niet lang gezeten, toen zij de jongens hoorden komen. Zij merkten duidelijk, hoewel zij nog niemand zagen, +dat de jongens over de sloot sprongen. Wobbe en zijne knechts bleven, waar zij waren. Hunne afspraak was, de jongens tot midden +in den boomgaard te laten komen, en hen dan plotseling van drie kanten tegelijk te bespringen. + +</p> +<p>Jantje voelde zich in ʼt geheel niet op zijn gemak, en toen alle jongens al over de sloot waren, stond hij nog weifelend op +den weg. + +</p> +<p>“Pssst! Pssst!” hoorde hij zacht roepen, ʼt Was de stem van Karel van Dril. “Kom maar hier, Jan, alles is veilig.” + +</p> +<p>“O ja,” zei een ander, “kom maar gerust. Bij Wobbe brandt het licht in de huiskamer. Er is niet het minste gevaar.” + +</p> +<p>Jan kwam nader en sprong ook over de sloot. + +</p> +<p>De jongens gingen behoedzaam verder den boomgaard in. + +</p> +<p>“Hier!” riep er een. “Kijk eens, wat een prachtige appelen! De boom zit propvol!” + +</p> +<p>“Hier ook,” riep Karel van Dril een eindje verder. “Kom hier, Jan, hier zijn peren.” + +</p> +<p>Eerst waren de jongens bang en keken schuw rond, of er geen gevaar dreigde, maar toen alles stil bleef, steeg hun moed, en +liepen zij brutaal tot midden in den boomgaard. + +</p> +<p>Frans Thor en Klaas Zwart waren de brutaalsten. De jongens gingen weinig of nooit met hen om, maar soms sloot het tweetal +zich ongevraagd bij hen aan, en dan waren zij moeilijk te weren. + +</p> +<p>Frans had een stok bij zich en sloeg er mede tegen de takken. De appelen vielen naar beneden. + +</p> +<p>Maar hij kreeg geen tijd om ze op te rapen, want opeens werden zij van drie kanten tegelijk besprongen. + +</p> +<p>“Voorwaarts! Grijpt de dieven!” klonk de stem van Wobbe. Deze was een groote, sterke boer met harde handen. +<a id="d0e1572"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1572">77</a>]</span></p> +<p>Verschrikt vlogen de jongens uit elkaar. De een ijlde hier-, de ander daarheen. Klaas Zwart haastte zich zoo, dat hij in de +sloot viel. Tot aan zijn hals toe zakte hij in het water. Karel van Dril sprong over de sloot, Frans Thor ook, Gerrit Kikke +en Piet Vos kwamen er met natte voeten af, maar Jantje, die eerst niet wist, wat er gebeurde, liep den verkeerden kant op, +en vloog precies boer Wobbe in de armen. + +</p> +<p>“Loopen! Loopen, jongens!” riep Frans Thor. + +</p> +<p>Een van de knechts sprong over de sloot, en riep: + +</p> +<p>“Wij zullen eens zien, wie ʼt hardst kan loopen, kereltje!” + +</p> +<p>En hij liep Frans zoo hard hij kon achterna. + +</p> +<p>Dat werd een wedren van belang, want Frans was vlug ter been, maar de knecht nam veel grootere stappen. Frans hoorde zijne +stappen hoe langer hoe dichter achter zich. Eindelijk voelde hij zich bij den kraag van zijn jas grijpen. Hu, wat kneep die +knecht. Frans werd bijna geworgd maar toch wrong hij zich nog als een aal, om los te komen. Dat gelukte hem echter niet. De +knecht gaf hem een geducht pak slaag, en joeg hem voor zich uit, terug naar de boerderij. Daar beleefde Jantje intusschen +ook geen prettige oogenblikken, want Wobbe trok hem aan zijne ooren in de hoogte, tot zijn gezicht vlak voor dat van den boer +gekomen was. + +</p> +<p>Jantje gierde van de pijn! + +</p> +<p>“Ha zoo, kereltje, wat ben jij licht!” zei de boer met een boozen lach. “Jij bent te dun om appelen te eten, manneke. Hoe +heet jij?” + +</p> +<p>“Au, au!” schreeuwde Jantje, die spartelde als een mager varken. + +</p> +<p>“Heet jij au-au?” lachte de boer. “Magere langbeenige mug!” + +</p> +<p>“Au! Au!” huilde Jantje. +<a id="d0e1595"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1595">78</a>]</span></p> +<p>“Heet jij au-au?” herhaalde de boer driftig. + +</p> +<p>“Neen, au neen, ik heet Jan Trom! Au, au, laat me los asjeblieft!” + +</p> +<p>“Zoo, heet jij Jan Trom,” zei de boer. Hij liet Jantje weer zakken, tot hij op den grond stond, legde hem toen over zijne +knie, en gaf hem een geducht pak voor zijn broek. + +</p> +<p>ʼt Werd een warme geschiedenis voor Jantje, want de handen van den boer waren nog veel harder, dan hij ze zich voorgesteld +had. Zooʼn pak slaag had hij nog nooit van zijn leven gehad, en hij vreesde, dat er geen stuk van hem heel zou blijven. + +</p> +<p>Eindelijk liet Wobbe hem los. + +</p> +<p>“En maak nu, dat je wegkomt!” bulderde Wobbe hem toe, “of ik breng je nog bij Nero in het hondenhok. Die houdt wel van kluifjes, +al zijn ze mager.” + +</p> +<p>Dat liet Jantje zich geen tweemaal zeggen. Hij liep wat hij loopen kon, en ʼt viel hem meê, dat het nog zoo goed ging, want +hij dacht niet anders, of de boer had hem zijne beenderen stuk geslagen. Hij haastte zich zoo om over de sloot te komen, dat +het maar zus of zoo scheelde, of hij kwam in het water terecht. Maar dat liep gelukkig nog goed af. En toen vloog hij naar +het dorp terug. Zijn rooftocht was hem bitter slecht bevallen. + +</p> +<p>Even later hoorde hij de noodkreten van Frans Thor, die door den boer en zijn knecht onderhanden werd genomen. Jantje liep +dientengevolge nog harder. + +</p> +<p>“Hij lust er ook van!” mompelde Jantje, die in ijlende vaart voortholde, “hu, wat slaat die boer hard. Hoor Frans eens schreeuwen.” + + +</p> +<p>Na een poosje haalde hij Klaas Zwart in, die zoo hard niet loopen kon, omdat hij tot aan zijn hals toe in de sloot gezeten +had. Klaas huilde, want hij stelde zich de ontvangst thuis ook niet erg vriendelijk voor. +<a id="d0e1616"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1616">79</a>]</span></p> +<p>Jantje ging regelrecht naar huis met het stellige voornemen nooit meer appelen of peren te stelen. En ʼs avonds wreef hij +meermalen over zijn broek, omdat hij zooʼn pijn had. + +</p> +<p>De zaak was echter nog niet uit, want Wobbe vertelde den volgenden dag aan Flipsen, den veldwachter, welk eene gelukkige vangst +hij had gehad, en gaf hem de namen der schuldigen op. Zoo kwam het, dat Flipsen den winkel van Trom binnenstapte, waar Dik +juist bezig was een paar klanten te helpen. + +</p> +<p>Flipsen had altoos nog een kijkje op Dik, want hij was nog niet vergeten, wat Dik in zijn jeugd voor streken had uitgehaald. + + +</p> +<p>“Goeden avond, Dik!” zei hij. + +</p> +<p>“Dag Flipsen,” was het antwoord. “Wat is er van je dienst?” + +</p> +<p>“Niet veel moois, man. Ik kom je waarschuwen, dat je wel wat beter op je zoontje mag passen, want ʼt is erg, zooals hij op +het dorp huishoudt.” + +</p> +<p>“Zoo, zoo,” zei Dik verwonderd en ook een beetje ongeloovig want hij had nog nooit gemerkt, dat Jantje veel kwaad deed. “Is +het zóó erg, Flipsen? Wat heeft hij uitgevoerd! Jantje is anders zoo kwaad niet.” + +</p> +<p>Dik werd wel een beetje boos over den lompen uitval van Flipsen. + +</p> +<p>“Dat zeggen alle vaders en moeders van hunne kinderen,” hernam Flipsen. “Van hun eigen kinderen kunnen zij nooit kwaad hooren, +vooral wanneer ze zelf ook nooit gedeugd hebben.” + +</p> +<p>Dik werd nu erg boos. + +</p> +<p>“Wou je zeggen, dat <i>ik</i> nooit gedeugd heb?” vroeg hij driftig, en hij zwaaide zoo heftig met den strooplepel,—want hij was juist bezig een vrouwtje +aan een pond stroop te helpen,—dat Flipsen een flinken lik van dat goedje op de mouw van zijn jas kreeg. +<a id="d0e1642"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1642">80</a>]</span></p> +<p>“O, neem me niet kwalijk, dat is bij ongeluk,” zei Dik. + +</p> +<p>“Bij ongeluk! Bij ongeluk!” schreeuwde Flipsen verontwaardigd. “ʼt Is een schandaal! En ik zal proces-verbaal tegen je opmaken, +wegens beleediging van een politieman in dienst!” + +</p> +<p>Hij haalde zijn zakdoek te voorschijn om de stroop weg te vegen, en maakte de zaak daardoor nog veel erger. De stroop kwam +nu bijna over de geheele mouw. En Flipsen was altijd zoo keurig netjes op zijn uniform. + +</p> +<p>“Asjeblieft, juffrouw,” zei Dik. “Wenscht u nog iets?” + +</p> +<p>“Neen,” zei de vrouw, die haar lachen haast niet kon houden. + +</p> +<p>“Ik zeg,” schreeuwde Flipsen, “dat je wel wat op je lieve Jantje mag passen, of hij raakt nog in ʼt hok. Gisterenavond heeft +hij appelen en peren gestolen in den boomgaard van Wobbe, en dat zal wel niet de eerste keer geweest zijn, denk ik.—Die akelige, +ellendige stroop zit er zoo vast op, dat mijn heele jas bedorven is. ʼt Is meer...” + +</p> +<p>“Alleen de mouw maar,” zei Dik. “Ik dank je voor de boodschap, Flipsen. Ik zal er mijn zoontje over onderhouden.” + +</p> +<p>“Zoo vader, zoo zoon,” zei Flipsen nijdig, want hij dacht, dat Dik hem voor den gek hield. Met groote stappen liep hij den +winkel uit. + +</p> +<p>Toch waren die woorden Dik ernst geweest. + +</p> +<p>Hij herinnerde zich nog best, hoe hij in zijne jeugd ook vruchten gestolen had, en hoe hij tot inkeer gekomen was. + +</p> +<p>ʼs Avonds vertelde hij aan Jan, wat er in zijn kinderjaren gebeurd was, en hoeveel spijt hij er later over had gehad. + +</p> +<p>En Jantje beloofde hem, dat hij het nooit, nooit weer doen zou. Dik was er blij om toen hij hoorde, dat het Jantjeʼs eerste +strooptocht geweest was, en hij vertrouwde er stellig op, dat het ook de laatste zou geweest zijn. +<a id="d0e1667"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1667">81</a>]</span></p> +<p>Na dien dag keek Flipsen den zoon van Dik Trom nooit meer vriendelijk aan. Hij had een hekel aan Dik gehad, zoolang hij hem +had gekend, en dat sloeg nu op Jantje over. Dat kon deze zeer goed merken. Als hij met zijn bok uit rijden was en hier of +daar even uitstapte, wat nog al dikwijls gebeurde, zoodat zijn bok gelegenheid kreeg om wat gras of klaver van den berm te +eten, kwam Flipsen, zoodra hij dat zag, op hem af, en gaf een geducht standje. + +</p> +<p>“Die bok màg daar niet loopen, en nog veel minder van dat gras eten. Dat gras is immers niet van jou? Of heeft je vader misschien +den berm gepacht?” + +</p> +<p>“Neen Flipsen, dat geloof ik niet.” + +</p> +<p>“Ik weet het zeker. Dat gras is van Geurs, en je bok moet er afblijven. Als ik het weer zie gebeuren, zal ik er proces-verbaal +van opmaken, hoor je. Denk jij, dat je maar doen moogt, wat je wilt? Ik zal je dat wel anders leeren. ʼt Is gewoon diefstal, +maar daar storen jullie je niet aan, hè? Jij niet,—en je vader niet! Pas op je tellen, mannetje, of je loopt er nog eens geducht +tegen.” + +</p> +<p>Zijn vader lachte er om, toen Jan het hem vertelde. + +</p> +<p>“Gekheid, jongen, maak je maar niet ongerust. Als je geen grooter kwaad doet, is het nog al zoo erg niet, en zal Flipsen je +wel met rust laten. ʼt Is een nijdige kerel, die het allen menschen lastig maakt. ʼt Is ook al erg, dat die bok daar een mondje +gras of klaver eet. Dat doet mijn hit immers elken dag ook? En de menschen, die het gras van de publieke wegen pachten, weten +immers vooruit, dat zulke dingen niet te keeren zijn. Daarom betalen zij ook minder pacht. ʼt Is te gek om er van te praten, +Jan, en maak je maar niet ongerust. ʼt Zal zooʼn vaart niet loopen.” + +</p> +<p>Na dien tijd liet Jan zijn bok gewoon zʼn gang gaan, <a id="d0e1682"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1682">82</a>]</span>of Flipsen het zag of niet. Dat begon Flipsen geducht te vervelen, en eindelijk maakte hij er werkelijk proces-verbaal van +op. + +</p> +<p>“Jij heet Jan Trom, hè?” zei hij, zijn zakboekje te voorschijn halende. + +</p> +<p>“Ja,” zei Jan. + +</p> +<p>“Hoe oud ben je?” + +</p> +<p>“Tien jaar,” zei Jan. + +</p> +<p>“Zoon van Dik Trom, hè?” + +</p> +<p>“Ja wel.” + +</p> +<p>“En je erkent, dat je bok hier gras en klaver van den berm eet?” + +</p> +<p>“Ja,” zei Jan, “dat kan ik niet ontkennen.” + +</p> +<p>“Mooi zoo,” zei Flipsen, die zijn boekje met een flap dichtsloeg, “daar zal je wel meer van hooren, manneke. Jullie doet maar, +of er geen overheid bestaat. Maar ʼt zal je berouwen.” + +</p> +<p>Toen Jan het aan zijn vader vertelde, haalde deze glimlachend de schouders op. + +</p> +<p>“Wat bezielt dien man toch,” zei hij. “Maak je maar niet ongerust, ʼt is een storm in een glas water. We hooren er hoogstwaarschijnlijk +nooit meer iets van.” + +</p> +<p>Dat was ook zoo. Toen Flipsen met zijn proces-verbaal bij den burgemeester kwam, lachte deze den veldwachter hartelijk uit. + + +</p> +<p>“Ben je dwaas, Flipsen,” zei hij. “Denk je, dat we met zulke nesterijen bij den Officier van Justitie kunnen komen?” + +</p> +<p>“Maar burgemeester, ʼt is toch diefstal?” zei Flipsen knorrig. + +</p> +<p>“Dat beschouw ik niet als diefstal,” was het antwoord. “Op die manier zou een jongen zelfs geen konijntje meer kunnen houden, +als hij niet een beetje gras van den berm mag snijden. ʼt Is te mal om er van te praten.” + +</p> +<p>Hiermede kon Flipsen vertrekken, maar Jantje keek hij <a id="d0e1719"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1719">83</a>]</span>nooit meer vriendelijk aan. En dat zou nog erger worden, geheel buiten Janʼs schuld. + +</p> +<p>Op een avond waren Jan en Karel met nog een paar andere jongens aan het spelen op de markt, toen zij opeens een eigenaardig +puffend geluid hoorden. Verwonderd keken zij in het rond, om te zien, waar dat geluid vandaan kwam. En tot hun groote verbazing +ontdekten zij een wagen zonder paard er voor, die met groote snelheid langs den weg vloog. + +</p> +<p>“Boe!—Boe!—Boe!” klonk het geluid van een grooten horen. In den wagen zaten heeren en dames, die zich vreeselijk mal toegetakeld +hadden. Zij droegen groote stofbrillen voor de oogen, en zagen er uit als ijsberen. + +</p> +<p>ʼt Vreemde rijtuig was een automobiel, en wel de eerste automobiel, die het dorp, waar Jan woonde, met een bezoek vereerde. + + +</p> +<p>“Kijk, kijk!” riepen de jongens, “wat een gekke wagen!” + +</p> +<p>“Zij lijken wel van den Noordpool te komen,” merkte Jan op. “ʼt Is een wagen vol ijsberen. Kijk, daar houdt hij stil voor +de herberg van De Vries. Gaan jullie mee kijken?” + +</p> +<p>De jongens liepen, wat zij loopen konden, om bij het vreemde voertuig te komen. + +</p> +<p>“ʼt Is eene automobiel!” zei Karel van Dril. “ʼk Weet zeker, dat het eene automobiel is!” + +</p> +<p>“Gaat die door stoom?” vroeg Jan. + +</p> +<p>“Neen, ze stoken er benzine in, zei Vader. O, ze kunnen zoo hard rijden, wel zoo hard als een sneltrein.” + +</p> +<p>De jongens hadden den wagen spoedig bereikt, en bekeken hem aan alle kanten. De reizigers waren het café binnengegaan, om +iets te gebruiken. En al spoedig stonden er heel wat menschen om het vreemde voertuig, want velen hadden wel al van automobiles +gehoord of gelezen, maar nog slechts weinigen hadden er een gezien. +<a id="d0e1741"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1741">84</a>]</span></p> +<p>“Ik noem het een mooi ding!” merkte Jan wijs op. “Ik zou er mijn bokkewagen wel voor willen ruilen.” + +</p> +<p>“Wat je zegt!” zei Karel lachend. “Kijk, hij staat nog te trillen en te zuchten, of het een levend wezen is.” + +</p> +<p>“Hij is moê,” lachte Jan. “Hij staat uit te blazen. Die twee groote lantaarns voorop zijn net een paar oogen.—Zeg Karel, zooʼn +automobiel ga ik ook maken.” + +</p> +<p>“Je doet wat!” lachte Karel een beetje spottend. “ʼt Is maar geen kleinigheid. Je begrijpt toch, dat er een heele machinerie +binnenin zit?” + +</p> +<p>“O ja natuurlijk,” zei Jan. “Ik bedoel ook niet, dat ik een echte ga maken, want dat zou jou vader nog niet eens kunnen, en +die kan haast alles,—maar ik maak toch net een wagen als dit ding, wat ik je zeg.” + +</p> +<p>Op dit oogenblik kwamen de reizigers weer naar buiten en namen in de auto plaats. De chauffeur greep het stuurrad deed een +paar geheimzinnige grepen in den wagen, en er kwam leven in het monster. Het trillen en schokken werd heviger, en opeens schoot +het gevaarte met kracht vooruit. + +</p> +<p>“Poe! Poe! Poe!” toeterde de reusachtige horen. + +</p> +<p>De omstanders sprongen verschrikt op zijde, en een oogenblik later was de wagen uit het gezicht verdwenen. Hij vloog als het +ware langs den weg, de menschen in een wolk van stof achterlatende. + +</p> +<p>Jan stond het vreemde voertuig met open mond na te staren. En toen hij het niet meer kon zien, riep hij zijn makkers toe: + + +</p> +<p>“Dag!—Ik ga naar huis!” + +</p> +<p>Op een drafje liep hij weg. De auto had een overweldigenden indruk op hem gemaakt, en hij was besloten niet te rusten, voor +hij er ook een had. Wel een week lang bleef hij voor zijne kameraden onzichtbaar, behalve op school natuurlijk. Daar mòèst +hij wel heen. Maar al zijn <a id="d0e1764"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1764">85</a>]</span>vrijen tijd besteedde hij aan het vervaardigen van zijne automobiel, en dat was geen gemakkelijk werkje. Hij schoot er vlug +mede op, en was verbazend trotsch op het product van zijne handen. + +</p> +<p>De kinderwagen, waarin zijne Moeder hem gereden had, toen hij nog een klein kereltje was, had hij van het bovenstel ontdaan, +zoodat alleen de wielen overbleven. Zijn Moeder had hem daartoe hare toestemming gegeven, omdat de wagen oud en versleten +en dientengevolge geen dubbeltje meer waard was. + +</p> +<p>Toen had hij van zijn vader een paar pakkisten gevraagd, die hem graag werden afgestaan. + +</p> +<p>“Wat moet je er meê uitvoeren, Jan?” had zijn Vader gevraagd. + +</p> +<p>“Ik maak er een automobiel van,” zei Jan, en toen vond zijn Vader het goed. Die kisten gaf hij precies het model van de auto, +en bevestigde ze daarna op het onderstel van den kinderwagen. Keurig netjes timmerde hij er twee bankjes in, een voor- en +een achterbankje. Gelukkig mocht hij het gereedschap van zijn grootvader gebruiken, en deze gaf meermalen goeden raad. + +</p> +<p>Maar nu kwam het moeilijkste nog aan, want hij wilde zijn wagen van een toestel voorzien, waarmede hij hem in beweging kon +brengen, zonder dat het noodig was hem te duwen of te trekken. Het duurde lang, eer hij daar iets op gevonden had, en toen +hij wist, hoe het worden moest, kon hij het onmogelijk zonder hulp van een smid uitvoeren. Hij ging daarom met zijn wagen +naar Piet van Dril, den smid, en legde hem uit, wat er gedaan moest worden. + +</p> +<p>“Kijk, Van Dril,” zei hij, “zooals het nu is, is het niet goed. De as van mijn wagen deugt er niet voor. Ik zou naast mijn +voorbankje een wiel willen hebben met een <a id="d0e1778"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1778">86</a>]</span>tandrad precies als aan een fiets. Als nu aan den as van den wagen ook zooʼn rad bevestigd werd, kon er een fietsketting omgelegd +worden, zoodat ik maar aan het wiel te draaien heb om de kar in beweging te brengen. Aan dat wiel moet natuurlijk een handvat +komen, precies als aan het wiel van een draaiorgel.” + +</p> +<p>Piet van Dril keek hem een poosje peinzend aan, en krabde zich in gedachten achter het oor. Eindelijk gaf hij Jan een geduchten +klap op diens smalle schoudertje, zoodat de beentjes ervan haast kraakten, en zeide: + +</p> +<p>“Dat heb je al wonder knap bedacht, Jan. Wonder knap, zeg ik! Je kon wel ingenieur of zoo iets worden. Maar hoe moet je aan +zooʼn wiel met een handvat komen? Ik heb er geen.” + +</p> +<p>“Wij wèl, Van Dril,” zei Jan. “In de schuur ligt die oude koffiemolen nog van ons, u weet wel, die oude afgedankte uit den +winkel. En daar zit een groot wiel aan met een handvat.” + +</p> +<p>“Juist!—Ja, juist,” zei Van Dril. “Wel jongen, ik vind, dat je het zóó knap bedacht hebt, dat ik je nu eens voor pleizier +aan die kamraderen helpen wil. Haal dat wiel maar hier.” + +</p> +<p>Wat was Jantje blij. Hij liep als een haas naar huis om het wiel te halen en was den geheelen avond niet uit de smederij weg +te krijgen. Geen wonder waarlijk, want Van Dril hield woord. Hij smeedde de kamraderen aan den vooras van den wagen en aan +het wiel van den koffiemolen, maakte een oude fietsketting pasklaar, en zette alles netjes en flink in elkander. + +</p> +<p>Jan stond er verrukt naar te kijken, en Karel niet minder. + +</p> +<p>“Nu moet ik nog een horen hebben!” zei Jan, zich de handen wrijvende van genot. + +</p> +<p>Ja, en nog twee lantaarns,” zei Karel. “Je weet wel, <a id="d0e1796"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1796">87</a>]</span>dat zijn de oogen van het beest. Een paar oude fietslantaarns konden er best dienst voor doen. Vader, hebben wij nog niet +een paar van zulke oudjes?” + +</p> +<p>“O, ja wel,” zei Van Dril. “Hier heb je er twee.” + +</p> +<p>In een kwartiertje had Jan ze voor aan de auto bevestigd. Toen nam hij nog een veerkrachtig metalen plaatje, en timmerde dat +aan den linkerkant van den wagen, er voor zorgende, dat de spaken van het voorwiel er beurtelings tegen aan tikten, als de +wagen in beweging kwam. Daardoor werd een geluid veroorzaakt, dat precies het tuffen van een auto nabootste. + +</p> +<p>Nu was de wagen klaar. Jan en Karel brachten hem naar buiten, waar Jan op het voorbankje ging zitten, en Karel op de achterbank. +Jan nam het handvat en draaide het wiel rond. Ha, wat reed het karretje prachtig. De twee jongens konden hun lachen niet houden +van pleizier. ʼt Was precies een auto, en hij maakte een aardig gangetje. + +</p> +<p>ʼt Was maar jammer, dat de voorwielen niet om een spil konden draaien, want nu kon de wagen alleen vooruit en achteruit, maar +van sturen was geen sprake. + +</p> +<p>Elken avond gingen de jongens er meê spelen en zij hadden niet weinig bekijks. Maar Jan raakte er door in volslagen vijandschap +met Flipsen, en toch was het geheel buiten zijne schuld. Dat kwam zoo. + +</p> +<p>Karel van Dril moest eene boodschap voor zijn vader doen, en daarom besloot Jan maar alleen met zijn auto te gaan rijden. +Eerst tufte hij een paar malen het dorp door, en ging toen naar het fort even voorbij het kerkhof, dat aan het einde van ʼt +dorp lag. Daar werd een fort aangelegd waarlangs een hooge kluft liep. Jantje besloot van die kluft af te tuffen. Jongen, +wat zou hij dan een snelle vaart krijgen! + +</p> +<p>Nu, dat was ook zoo. Hij duwde zijne auto tegen de <a id="d0e1812"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1812">88</a>]</span>hoogte op, ging er toen in zitten, en reed vliegensvlug naar beneden. Ha, nu leek het precies een echte automobile. Hij toeterde, +dat het een lust was om te hooren, en het stof dwarrelde achter hem omhoog. ʼt Was verbazend te zien, hoever zijn kar nog +voortreed, als hij den vlakken weg reeds had bereikt. + +</p> +<p>Jan vond het spelletje zoo mooi, dat hij aan geen ophouden dacht. Zoodra was hij niet beneden gekomen, of hij duwde de kar +opnieuw naar boven, en liet zich dan weer vliegensvlug gaan. + +</p> +<p>Toen hij eens weer op het hoogste punt aangekomen was en gereed stond om in te stappen, kwam van den anderen kant juist Flipsen +aan. De man was bepaald in eene erg knorrige bui, want hij keek verschrikkelijk boos. Zoodra hij Jan zag, bleef hij staan +en zeide: + +</p> +<p>“Zoo,—wat voer jij hier in je eentje uit? Zeker niet veel goeds, hè?” + +</p> +<p>“Ik doe in het geheel geen kwaad, Flipsen,” zei Jan. “Ik rijd alleen maar met mijn auto van de hoogte af, omdat het zoo lekker +gaat.” + +</p> +<p>“Ja, ja,” zei Flipsen, “jij hebt je woordjes wel klaar, maar ik vertrouw je niet verder, dan ik je zie. Pas op, manneke, ik +waarschuw je, dat je geen verkeerde dingen doet, want ik heb je al lang in de gaten.” + +</p> +<p>Flipsen vervolgde zijn tocht langs de kluft naar beneden. + +</p> +<p>Jan besloot nog een poosje te wachten, want hij zag zeer goed, dat Flipsen om de een of andere reden uit zijn humeur was, +en dat het maar het veiligst was hem uit den weg te blijven. Hij nam plaats op het voorbankje en was van plan zoo lang te +wachten, tot Flipsen weg was. + +</p> +<p>Dat duurde geruimen tijd, want het was eene lange kluft, en Flipsen kuierde op zijn gemak naar het dorp. + +</p> +<p>Opeens voelde Jan, dat er beweging in zijne auto kwam. <a id="d0e1832"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1832">89</a>]</span>Deze werd met kracht vooruit geduwd. Hij keek om en zag, dat Frans Tor achter de kar liep. Lachend zei deze: + +</p> +<p>“Ik zal je een zetje geven, Jan, dan ga je vliegensvlug naar beneden.” + +</p> +<p>“Niet doen,—niet doen, Frans!” riep Jan hem waarschuwend toe. “Ginder loopt Flipsen, en ik wou hem liever niet voorbij rijden.” + + +</p> +<p>“Gekheid! Wat kan jou Flipsen schelen!” riep Frans terug. Met alle kracht en zoo snel hij loopen kon, duwde deze de kar naar +beneden. + +</p> +<p>Opeens liet hij haar los, en voort vloog Jantje, in ijlende vaart de helling af. Angstvallig hield hij de oogen gericht op +Flipsen, want hij vreesde niet zonder reden, dat er veel kans bestond om hem onderst-boven te rijden. + +</p> +<p>“O jé!” dacht Jan met een zucht van ontsteltenis, “als dat maar goed afloopt! Ik vlieg regelrecht op hem aan. Had ik maar +een stuur aan mijn auto, dan kon ik langs hem heen rijden, of een rem, om den wagen tot stilstand te brengen.—Poe,—ik geloof, +dat ik hem regelrecht tegen de beenen vlieg!” + +</p> +<p>Jantje begon op zijn horen te toeteren, dat het wel vijf minuten ver te hooren was, maar Flipsen keek niet op of om. Jan zag +dat tot zijn grooten schrik. Hij zag ook, dat Flipsen recht-uit, recht-aan verder liep, zonder ook maar een stap op zijde +te gaan. + +</p> +<p>“Zou hij me niet hooren?” dacht Jan, en hij toeterde zoo hard, dat zijn horen er van berstte, en in ʼt geheel geen geluid +meer gaf. + +</p> +<p>Jan was ten einde raad, want hij naderde Flipsen met groote snelheid, en ʼt leed geen twijfel, of bij dezen voortgang reed +hij hem pardoes tegen de beenen. + +</p> +<p>Hij probeerde de kar op zijde te rukken, maar tevergeefs. + +</p> +<p>“Hei, hei daar, hola Flipsen!” riep hij in doodsangst <a id="d0e1854"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1854">90</a>]</span>den boozen veldwachter toe, want hij was hem bijna genaderd. + +</p> +<p>Maar Flipsen verkoos geen stap op zij te gaan. + +</p> +<p>“Dat moet er nog bijkomen, dat ik, een regeeringspersoon, voor een kwâjongen uit den weg moet gaan. Dank je hartelijk. Hij +moet voor mij uitwijken, en niet ik voor hem. ʼt Zou me wat moois worden op die ma...” + +</p> +<p>“Bom!” + +</p> +<p>Daar voelde hij een geduchten smak tegen zijn kuiten, en op ʼt zelfde oogenblik sloeg hij met kracht achterover in de auto +van Jantje. En voort vloog de kar. Flipsen lag met zijn beenen omhoog in den wagen, en hij zag geen kans om overeind te komen. + + +</p> +<p>“Satansche jongen,” schreeuwde hij, toen hij zijn eersten schrik te boven was. “Brutale vlegel,—ik zal je leeren!” + +</p> +<p>ʼt Was een bespottelijk gezicht hem te zien liggen. Vader Dik, die er juist op aan kwam loopen, wist eerst niet goed, wat +hij zag, maar een oogenblik later barstte hij in een onbedaarlijk lachen uit. + +</p> +<p>“Wat nu, Flipsen,” riep hij den veldwachter toe, “ga je in het karretje van mijn Jan rijden?” + +</p> +<p>Flipsen richtte zich op uit zijne moeielijke positie, en bracht met zijne beenen de kar tot staan. Maar waar was Jan? Er was +tot verbazing zoowel van Dik als van Flipsen, geen spoor van hem te zien. + +</p> +<p>Flipsen was woest van kwaadheid, en met gebalde vuist kwam hij op Dik af. + +</p> +<p>“ʼt Is eene schande, eene schande!” schreeuwde hij Dik toe. “Ik zeg, ʼt is eene schande om je zoontje zoo tegen mij op te +zetten, en hem te leeren mij te bespotten. Maar ik zal hem krijgen,—ik zal hem krijgen,—ik zal...” + +</p> +<p>Flipsen wist van kwaadheid niet, wat hij zeggen moest, en met toornige blikken keek hij van Dik naar de auto, <a id="d0e1878"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1878">91</a>]</span>die verlaten aan den kant van den weg stond, en van de auto naar Dik. Maar deze deed niet anders dan lachen, want het was +hem onmogelijk zich te bedwingen. + +</p> +<p>“Bedaar toch, Flipsen, bedaar toch!” riep hij tusschen de buiën door den veldwachter toe. + +</p> +<p>“Bedaren?” schreeuwde Flipsen. “Bedaar jij met je gelach, dat zou je fatsoenlijker staan. Foei man, ik zou me schamen, om +mijn kind zooʼn opvoeding te geven. Maar ik zal hem wel krijgen, den rakker, wacht maar!” + +</p> +<p>Met groote schreden vervolgde Flipsen zijn weg, zonder Dik of de auto met een enkelen blik te verwaardigen. + +</p> +<p>Dik lachte nòg! + +</p> +<p>“Wat was dat een bespottelijk gezicht!” zei hij binnensmonds. “Maar waar mag Jan toch zitten? ʼt Is zijn auto, dat weet ik +zeker. De jongen zal toch geen ongeluk gekregen hebben...” + +</p> +<p>Dik werd ernstiger, en hij wierp een blik langs de kluft om te zien, of Jan zich daar bevond. + +</p> +<p>Opeens hoorde hij echter diens welbekende stem. + +</p> +<p>“Pssst, Vader,—is hij weg?” werd hem half fluisterend toegeroepen. ʼt Geluid kwam uit de auto. + +</p> +<p>Dik draaide zich om, en waarlijk, daar kwam Jantjeʼs smalle hoofdje van tusschen het voor- en het achterbankje te voorschijn. +Snel keek Jan om zich heen. + +</p> +<p>Ha, de veldwachter verwijderde zich met groote schreden. Dik kwam naderbij. + +</p> +<p>“Hoe zit jij daar zoo tusschen die banken gewrongen, kind?” vroeg hij lachend, want de heele geschiedenis maakte op hem een +onweerstaanbaar lachwekkenden indruk. “En wat is er eigenlijk gebeurd?” + +</p> +<p>Jan kroop nu uit den wagen en zeide: + +</p> +<p>“O, Flipsen was erg boos, waarom weet ik niet. Ik stond met mijne auto ginds op de hoogte, en was juist <a id="d0e1906"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1906">92</a>]</span>van plan om naar beneden te rijden, toen Flipsen mij een standje gaf, omdat ik—ja, ik weet echt niet waarom, want ik deed +in ʼt geheel niets. En toen ging Flipsen verder, en omdat hij zoo boos was, meende ik te wachten, tot ik hem niet meer kon +inhalen. Maar Frans Thor kwam onverwachts achter me en gaf me een harden duw, zoodat ik naar beneden vloog, regelrecht op +Flipsen aan.—Wat zat ik in de benauwdheid, Vader. Ik toeterde zoo hard ik kon, en toen nòg harder, zoodat de horen er van +gebarsten is. Hoor maar, hij geeft geen geluid meer. Maar Flipsen deed net of hij doof was, en keek niet op of om, tot ik +eindelijk zag, dat ik hem niet meer ontwijken kon. Ik kroop vlug tusschen het voor- en het achterbankje en maakte mij zoo +klein mogelijk, en op ʼt volgende oogenblik vloog de kar Flipsen van achteren tegen de beenen, zoodat hij achterover op de +kar viel. Zoo reden we samen verder, tot u kwam. Wat zat ik in angst, Vader. Ik zweet nog, als ik er aan denk.” + +</p> +<p>Dik kreeg opnieuw een lachbui, waar haast geen einde aan kwam, zoo mal vond hij het. + +</p> +<p>“Dus je magere leden hebben je gered!” riep hij eindelijk uit. “Als je zoo mager niet was geweest, had je je onmogelijk op +zooʼn klein plaatsje kunnen opvouwen. ʼt Is merkwaardig. Ga maar gauw naar huis, en blijf Flipsen zoo ver mogelijk uit de +voeten, want hij is meer dan kwaad op je.” + +</p> +<p>“Maar Vader, ik kon er toch niets aan doen.” + +</p> +<p>“Ja jongen, dat weten <i>wij</i> wel, maar <i>hij</i> gelooft het niet. Blijf van avond verder maar stilletjes thuis.” + +</p> +<p>Jan beloofde dat, maar hij ging toch even naar de smederij, om het geval aan Karel Van Dril en diens vader te vertellen, die +er ook niet weinig om lachen moesten. + +</p> +<p>Jan evenwel verzonk in diep gepeins, want de kar beviel <a id="d0e1926"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1926">93</a>]</span>hem zoo niet meer. Hij nam zich vast voor niet te rusten, voordat hij de voorwielen aan een beweegbaren as verbonden had, +zoodat hij de auto sturen kon, en dan nog wilde hij er een rem aan hebben. + +</p> +<p>Toen Dik ʼs avonds het geval aan Janʼs Grootvader vertelde, moest deze er ook braaf om lachen, en hij kwam tot de conclusie, +dat Jan ook een bizonder kind was—en dat was-ie! + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e1930" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Negende Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>Jan omarmt den schoorsteenveger met groote innigheid.</p> +</div> +<p>Flipsen wàs en blèèf erg boos op Jan Trom. Misschien zou die boosheid langzamerhand wel wat afgezakt zijn, als het malle figuur, +dat hij gemaakt had, niet door het geheele dorp bekend geraakt was, maar dat gebeurde wèl. Frans Thor was daar de schuld van. +Toen hij Jan met zijne auto zooʼn geduchte vaart gegeven had, bleef hij lachend staan kijken, hoe de zaak zou afloopen, en +zoo had hij alles gezien, wat er gebeurd was. Hij gierde het uit van de pret, en hij vertelde het aan iedereen, die het maar +hooren wilde. En wat nog erger was: hij hield Flipsen telkens voor den gek, als hij hem op straat tegenkwam. Dat zou Jan Trom +in geen geval gedaan hebben, want hij vond het geval voor Flipsen al erg genoeg, maar Frans deed het wèl en Klaas Zwart hield +hem daarbij trouw gezelschap. Telkens als zij Flipsen ontmoetten, begonnen zij te tuffen als eene auto, zonder Flipsen aan +te kijken. + +</p> +<p>“Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!” zei dan Frans. +<a id="d0e1940"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1940">94</a>]</span></p> +<p>“Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!” zei dan ook Klaas, en dan tuften zij om het hardst. Eerst had Flipsen er geen erg in gehad, maar toen +het telkens gebeurde, als die jongens in zijne nabijheid waren, begon hij lont te ruiken. Hij keek ze aan met een paar oogen, +of hij hen verscheuren wilde, maar dat deed hij toch niet. + +</p> +<p>Doch toen hij hen later weer tegenkwam, en zij opnieuw begonnen te tuffen, sprong hij plotseling op hen af, en gaf hun ieder +een klinkenden draai om de ooren. Dat gebeurde zóó snel en onverwachts, dat de twee jongens eerst niet eens goed begrepen, +wat er gebeurde. + +</p> +<p>“Au!” riep Frans. + +</p> +<p>“Au!” riep Klaas. + +</p> +<p>En beiden grepen zij naar hun ooren, waar zij een stekende pijn voelden. + +</p> +<p>Flipsen lachte, en gaf hun een tweeden. + +</p> +<p>“Daar!” zei hij. “Ik zal je leeren tuffen! Hard gaat-ie, hè?” + +</p> +<p>Ze gingen allebei hard, want vóór Flipsen gelegenheid kreeg hun nog een derden oorveeg toe te dienen, zetten zij het op een +loopen, zoo hard zij konden. En na dien tijd tuften zij niet meer, als zij Flipsen tegenkwamen. Zij gingen hem zelfs eerbiedig +uit den weg. + +</p> +<p>Op Jan Trom bleef Flipsen erg boos, dat kon Jan duidelijk opmerken. Flipsen groette hem nooit terug, als hij hem tegenkwam, +en keek hem altoos aan met een blik, die hem niet veel goeds voorspelde. Jan trok er zich echter niets van aan, want hij voelde +zich volkomen onschuldig. + +</p> +<p>“Ik heb het niet met voordacht gedaan,” dacht hij, “en als ik het had kunnen vermijden, zou het in ʼt geheel niet gebeurd +zijn. Flipsen zal dat ook wel begrijpen, als hij er kalm over nadenkt.” + +</p> +<p>En zijn vader zei ook: + +</p> +<p>“ʼt Zal van zelf wel weer beter worden, als jij Flipsen <a id="d0e1965"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1965">95</a>]</span>maar met rust laat en hem zooveel mogelijk uit de voeten blijft. Hij zal dan zelf wel begrijpen, dat hij zich vergist heeft. + + +</p> +<p>En zoo was het ook. Toen Flipsen opmerkte, dat Jan hem altoos even beleefd bleef groeten en hem nooit voor den gek hield, +bedaarde zijne boosheid meer en meer, en eindelijk groette hij Jan zelfs terug. + +</p> +<p>Jan peinsde voortdurend op een middel, om eene herhaling van het gebeurde te voorkomen. Hij was vast besloten niet te rusten, +voor hij zijne auto bestuurbaar had gemaakt. En eindelijk meende hij het gevonden te hebben. Hij had er een spil voor noodig, +met aan het boveneinde een stuurrad, precies als aan eene echte auto. Die spil moest van onderen bevestigd worden aan den +vooras, welke beweegbaar moest zijn. Als hij dan in zijn auto zat, kon hij hem gemakkelijk door middel van het stuurrad heen +en weer bewegen, waardoor hij den wagen geheel in zijne macht kreeg. + +</p> +<p>Nauwelijks waren zijne plannen tot rijpheid gekomen, of hij begaf zich na schooltijd op weg naar Van Dril, zonder wiens hulp +hij geen kans zag een en ander ten uitvoer te brengen. Er zou echter dien avond niet veel van komen. Hij was nog maar pas +zijn huis uit, of hij kwam Dries Klomp tegen, den jongsten knecht van Jan Vos. Deze had een emmertje in de hand, en een bezem, +een bosje stroo en een touw onder den arm. Hij werd op het dorp meestal bij zijn voornaam genoemd en stond bekend als een +grappenmaker. + +</p> +<p>“Dag Dries!” riep Jan hem toe. + +</p> +<p>“Zoo Jantje,” zei Dries. “Jongen, jongen, wat word je toch dik in den laatsten tijd. Als je niet oppast, kun je weldra met +de konijntjes door de tralies van het hok meê-eten.” +<a id="d0e1977"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1977">96</a>]</span></p> +<p>“Is het waar?” vroeg Jan lachend, want hij kon wel tegen een klein plagerijtje. “Dan zal ik de koolstronkjes voor jou laten +liggen. Is dat goed?” + +</p> +<p>“Graag,—asjeblief. Ga je mee naar den molenaar? Dan kun-je me helpen aan ʼt vegen van de schoorsteenen. Dat is een mooi werkje +voor je.” + +</p> +<p>“Dank je hartelijk, om zoo zwart als roet thuis te komen,” zei Jan. “ʼt Is je van harte gegund, Dries.” + +</p> +<p>“Geen lust? Even goede vrienden, hoor. Dag Jan.” + +</p> +<p>“Dag Dries.” + +</p> +<p>Jan vervolgde zijn weg, tot hij onderweg een schilder bezig zag met het verven van een der lantarenpalen, die aan den weg +stonden. Hij mocht dat graag zien, en bleef er dus een poos naar kijken. De schilder bevond zich op een ladder, om het bovengedeelte +te verven. Op den grond stond ook een pot met verf, met een kwast er in. Nauwelijks had Jan dat gezien, of hij greep de kwast +en vroeg, of hij ook eens schilderen mocht. + +</p> +<p>“Jawel, Jan,” was het antwoord. “Maar niet met de verf morsen.” + +</p> +<p>Ha, dat vond hij prettig, en hij smeerde er lustig op los. + +</p> +<p>“Niet zoo dik, Jan,” zei de schilder. “Je moet de verf meer uitsmeren. Zooals jij het doet, is de paal de volgende week nog +niet droog.” + +</p> +<p>“En zooals u het doet?” vroeg Jan. + +</p> +<p>“Morgen, denk ik,” was het antwoord. + +</p> +<p>Jan bleef bij den schilder tot de geheele lantarenpaal klaar was, maar toen ging hij ook direct naar den smid, om aan zijn +wagen te werken. + +</p> +<p>Van Dril had juist een oude fiets van iemand overgenomen, en zijn zoontje Karel stond te zeuren, of hij er op mocht leeren +rijden. + +</p> +<p>“Hè toe, Vader,” zei Karel, “laat mij er maar op rijden. ʼt Is toch al een oudje.—Toe maar.” +<a id="d0e2006"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2006">97</a>]</span></p> +<p>Van Dril zei niets, maar hij lachte eventjes, wat Karel moed gaf, dat hij de gewenschte toestemming verwerven zou. + +</p> +<p>“Mag ik, Vader?” vroeg hij nog eens. + +</p> +<p>“Als je dan maar voorzichtig bent,” zei Van Dril. “Breek geen armen of beenen, en de fiets ook niet.” + +</p> +<p>Dat liet Karel zich geen twee keer zeggen. + +</p> +<p>“Ga je meê, Jan?” vroeg hij met eene kleur van blijdschap “Dan gaan we leeren fietsen.” + +</p> +<p>Dat was een kolfje naar Janʼs hand. Hij vergat zijn heele machinerie en ging met Karel naar buiten. Samen hielden zij de fiets +vast. + +</p> +<p>“Ik het eerst, Jan,” zei Karel. + +</p> +<p>“Natuurlijk,” was het antwoord. + +</p> +<p>“Zeg, hij ziet er nog mooi uit, al is het een oudje, hè?” + +</p> +<p>“Dat geloof ik,” zei Jan. “ʼk wou, dat het de mijne was. Toe, hier kunnen we wel beginnen. Stap jij er maar op, dan zal ik +hem vasthouden.” Karel probeerde op het zadel te wippen, maar op ʼt zelfde oogenblik lag hij al op den grond. “Je moet hem +beter vasthouden, Jan,” zei hij. “Zóó kan ik er niet op komen.” + +</p> +<p>“Ik hield hem goed vast, maar jij zat veel te scheef!” zei Jan. “Als je zoo scheef zit, kan ik je niet houden.” + +</p> +<p>Karel stapte nog eens op. Nu ging het beter, en Jan duwde hem vooruit. + +</p> +<p>“Trappen, jongen, trappen!” riep Jan hem toe. Karel durfde niet. Hij was bang, dat hij vallen zou. “Trap dan toch! Als je +niet trapt, leer je het nooit!” + +</p> +<p>Karel drukte zijn rechtervoet naar beneden. Voort ging de fiets, met het gevolg, dat Jan haar alweer niet houden kon, en Kareltje +op den weg terecht kwam. + +</p> +<p>“Au!” zei hij. “Dat kwam wel een beetje hard aan.” + +</p> +<p>“Hindert niet!” riep Jan. “Stap maar weer op, maar niet zoo schuin hangen. Dan ben je me veel te zwaar!” +<a id="d0e2039"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2039">98</a>]</span></p> +<p>Wip! Met een vlugge beweging stapte Karel weer op de fiets. + +</p> +<p>Hij durfde nu al een beetje beter, en drukte de trappers met kracht naar beneden. ʼt Was hem echter onmogelijk zijn stuur +goed te houden, zoodat de fiets over den weg slingerde als een dronken man. En als de fiets naar rechts ging, hing Karel schuin +naar links, en ging zij naar links, dan hing Karel naar rechts. + +</p> +<p>“Bom!” Daar tuimelde Karel weer over de straat. + +</p> +<p>Hij gaf echter den moed niet op, en Jan evenmin. + +</p> +<p>“Je leert het al aardig,” zei Jan, toen het Karel inderdaad gelukt was, eenige seconden op de fiets te blijven zitten. “Trappen, +zeg, hoe harder je trapt, hoe beter ik je houden kan.” + +</p> +<p>Karel trapte uit alle macht, en Jan draafde achter hem aan, als een hazewindhond achter zijn meester. + +</p> +<p>Na een half uurtje durfde Jan het zadel even los te laten, en Karel reed werkelijk al eenige meters zonder te vallen. Toen +zei hij: + +</p> +<p>“Nu is het jouw beurt Jan. Jij hebt het mij geleerd, nu zal ik het jou leeren.” + +</p> +<p>“O, ik wed, dat ik het al dadelijk kan,” pochte Jan. “Houd hem maar vast, dan zul-je eens zien, hoe ik er van door ga. Je +zult er van staan te kijken.” + +</p> +<p>Karel lachte. Hij wist wel beter, want in het laatste half uur had hij de moeilijkheden pas goed leeren kennen. + +</p> +<p>“Je hebt praats genoeg,” zei hij. “Stap er maar op, dan zul je eens zien, hoe gauw je tegen den grond ligt. Zóó gemakkelijk +gaat het niet.” + +</p> +<p>Jan stapte op, en Karel hield het zadel vast. + +</p> +<p>“Vooruit, Jan, trappen.—O, wat hang je schuin—nog veel erger dan ik.—Ik kan je niet—” + +</p> +<p>“Bom!” +<a id="d0e2068"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2068">99</a>]</span></p> +<p>Daar lag Jan onder de fiets, maar hij sprong dadelijk overeind en stapte opnieuw op. + +</p> +<p>“Je moet me beter vasthouden, Karel,—je laat me ook maar dadelijk vallen.” + +</p> +<p>Daar ging het weer. Jan trapte nu uit alle macht, want hij was in ʼt geheel niet bang uitgevallen, en inderdaad ging het een +eindje goed. + +</p> +<p>“Zie je wel?” riep hij Karel triomfantelijk toe. “Zóó moet je ook rijden! Ha, wat gaat dat lek...” + +</p> +<p>“Flap!” Weer lag Jan op den grond, en hij bezeerde zijn been erger, dan hem lief was. Maar hij stoorde er zich niet veel aan, +en zat in ʼt volgende oogenblik weer op de fiets. + +</p> +<p>Werkelijk had hij er spoedig den slag van beet. Karel kon hem soms al een heel poosje aan zijn lot overlaten. Jan slingerde +dan wel van den eenen kant van den weg naar den anderen, en soms dreigde hij pardoes in het kanaal te rijden, dat langs den +weg liep, maar hij reed toch, en dat was de hoofdzaak. Hij was er wàt trotsch op. + +</p> +<p>Even later was Karel weer aan de beurt. Het duurde niet lang, of hij kon ook al eenige meters los rijden, en daar was hij +verrukt over. Hij trapte als een dolleman, want hij had gemerkt, dat hij dadelijk viel, als hij langzaam trapte. En Jan draafde +achter hem aan zoo hard hij kon, om hem dadelijk te kunnen grijpen, als hij dreigde om te slaan. + +</p> +<p>Eindelijk werd Jan zóó moê, dat hij niet meer kon. + +</p> +<p>“Ik moet rusten, Karel,” zei hij. “Ik ben zoo moê als een hond. Maar je kunt het nu wel alleen. Probeer het maar gerust; je +zult zien, dat het gaat.” + +</p> +<p>Hij hielp Karel nog even bij het opstappen, en toen reed deze heen. Ha, wat slingerde hij! Jan stond hem na te kijken, nieuwsgierig +op welke plaats Karel zou omvallen, <a id="d0e2089"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2089">100</a>]</span>want dat dit gebeuren moest, betwijfelde hij geen oogenblik. Een vijftig meters ging het vrij goed, al slingerde hij ook beangstigend, +maar opeens gaf Jan een schreeuw van schrik, want Karel begon geweldig te slingeren, en reed toen regelrecht op het kanaal +aan. Nog een oogenblik, en hij tuimelde bij den hoogen kant neer.... + +</p> +<p>Jan ijlde naar de plaats des onheils, en bemerkte tot zijn genoegen, dat hij zich voor niets bang had gemaakt, want Karels +hoofd verscheen alweer boven den walkant. Hij was wel tot vlak bij het water geweest, maar hij was er toch niet ingevallen. + + +</p> +<p>“Hè-hè, dat scheelde een beetje!” zei hij vergenoegd, nu het zoo goed afgeloopen was. “Ik had geen duim verder moeten belanden,—dan +was ik kopje-onder gegaan.” + +</p> +<p>“Ik zag het,” zei Jan. “Hè, wat schrok ik! Ik dacht stellig, dat je te water ging.” + +</p> +<p>“Gelukkig niet;—zeg, help je even de fiets naar boven trekken?” + +</p> +<p>Met vereende krachten brachten zij de fiets op den weg. + +</p> +<p>“Zou hij nog heel wezen?” vroeg Karel. + +</p> +<p>Dat bleek gelukkig het geval te zijn. + +</p> +<p>“Nu is ʼt mijn beurt weer,” zei Jan. “Is ʼt goed?” + +</p> +<p>“Best,” zei Karel. “Bij mij zit de schrik er wel een beetje in. Ga je gang maar.” + +</p> +<p>Jan sprong op de fiets, en nu draafde Karel er achter. Eerst ging het langzaam, want Jan durfde niet goed, maar spoedig overwon +hij zijne vrees, en nu moest Karel achter de fiets draven. + +</p> +<p>“ʼt Gaat goed zoo,—best,—erg best!” riep hij Jan bemoedigend toe. “Je rijdt nog beter dan ik.” + +</p> +<p>“Laat me maar gerust los!” riep Jan hem toe. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p2.jpg" alt=""></div><p> + + +</p> +<p>“Ik heb je niet vast!” hijgde Karel achter hem, moê van het draven. Ha, wat trapte Jan lustig voort. Hij zwierde <a id="d0e2120"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2120">101</a>]</span>wel links en rechts, maar dat hinderde niet; hij wist toch op den weg te blijven. + +</p> +<p>O jé, ginds zag hij een grooten steen liggen, midden op den weg. + +</p> +<p>“Als ik maar niet over dien steen ga,” dacht Jan met eenige zorg. “Ik moet hem zien te ontwijken.” + +</p> +<p>Angstvallig hield hij zijn blik op het gevreesde voorwerp gericht, met het gevolg, dat hij er juist op aanreed. + +</p> +<p>“O, die steen!” schreeuwde hij. Plof! Daar reed hij er overheen, wat een geduchten schok gaf, maar hij bleef zitten. Slingerend +reed hij verder. + +</p> +<p>“Dat scheelde een beetje!” riep Karel. + +</p> +<p>“Of het! Wat gaat het al goed.” + +</p> +<p>Met krommen rug, den stuurstang krampachtig in de handen geklemd, trapte Jan voort. Hij vond, dat het al prachtig ging. Ha, +daar zag hij den lantaarnpaal al, dien hij had helpen verven. Dien paal moest hij ook zien te ontwijken, want hij was natuurlijk +nog nat. Maar tot zijne verbazing en ook tot zijn schrik bemerkte hij, dat hij er alweer regelrecht op aanreed. + +</p> +<p>“Gek toch,” mompelde hij. “Zooʼn fiets brengt je juist, waar je niet wezen wilt. Maar ik zal hem wel mis zien te rijden.” + + +</p> +<p>Hij naderde den lantaarnpaal meer en meer, hoewel hij alle moeite deed om de fiets eene andere richting te geven. Dat wilde +hem echter niet gelukken. + +</p> +<p>“Pas op, die lantaarn daar!” schreeuwde hij in angst Karel toe. + +</p> +<p>Maar Karel kwam enkele meters achter hem aan, want Jan had hard gereden, en hij was erg moê geworden. Karel verkeerde dus +in de onmogelijkheid om zijn vriend te helpen. + +</p> +<p>“Grijp me dan toch!” schreeuwde Jan in grooten angst, <a id="d0e2146"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2146">102</a>]</span>want hij zag, dat hij regelrecht koers hield naar den pas geverfden paal. Op ʼt volgende oogenblik schaafde zijn wiel er tegen +aan, en om niet te vallen greep Jan, zonder er bij te denken, den paal met beide handen aan. O wee, hij voelde het kleven +van de verf. Daarom liet hij den paal dadelijk weer los, maar merkte, dat hij ging vallen. Hij breidde daarom de armen uit +en klemde den groenen paal teeder aan zijn borst. Zelfs zijn linker wang kwam er mede in aanraking. + +</p> +<p>“Dat loopt best af!” riep Karel hem toe. Deze was hem spoedig genaderd, trok de fiets een beetje achteruit, en riep: + +</p> +<p>“Vooruit maar weer, Jan. ʼt Gaat opperbest. Nog tot jullie huis, en dan mag ik terug weer.” + +</p> +<p>Hij wist niet, dat de paal geverfd was, en voordat Jan iets in ʼt midden kon brengen, voelde deze zich alweer vooruit duwen. +Met zijn geverfde handen greep hij de handvatten van het stuur, en voort ging het weer. + +</p> +<p>En ʼt ging weer goed ook. Jan trapte als een dolleman. + +</p> +<p>“Straks zal ik de handvatten wel afvegen,” dacht hij. “Ik denk, dat mijn kleeren ook wel vol verf zullen zitten. Die akelige +paal ook. Hoe kan de fiets er nu juist tegen aanrijden.” + +</p> +<p>O, wat slingerde Jan langs den weg. Soms reed hij haast tegen een boom op, een oogenblik later scheelde het maar zus of zoo, +of hij reed in het kanaal. Maar toch bleef hij op den weg. De menschen, die hij tegenkwam, maakten zich uit de voeten, en +bleven hem dan lachend nakijken. + +</p> +<p>“Houd je roer recht, schipper!” riep de een hem toe. + +</p> +<p>“Je lijkt wel dronken, jongen!” merkte een ander op. + +</p> +<p>Jan lachte maar. Hij vond het verrukkelijk op de fiets, en had geen oogen voor iets anders. Hij keek niemand <a id="d0e2166"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2166">103</a>]</span>aan, en staarde maar recht voor zich uit op den weg. + +</p> +<p>“Jongen, jongen, wat gaat dat echt,” dacht Jan bij zichzelven. “Als mij nu maar weer niet iets in den weg komt.” + +</p> +<p>Zwaaiende en zwierende fietste Jan verder. + +</p> +<p>Toen hij even zijne oogleden ophief, om te kijken, of de weg vrij bleef, zag hij in de verte iemand naderen. + +</p> +<p>“Wacht,” dacht hij, “nu zal ik toch eens zien, of ik hem niet kan passeeren, zonder tegen hem aan te bommen. Maar die akelige +fietsen lijken wel altoos juist den verkeerden kant op te gaan.” + +</p> +<p>Weer hief hij eventjes de oogleden op. + +</p> +<p>De man was al een heel stukje naderbij gekomen. + +</p> +<p>“Nu zal het er op aankomen,” dacht Jan. + +</p> +<p>Hij omklemde de handvatten van het stuur nog krampachtiger dan te voren en trapte wat hij kon. Voortdurend hield hij den man +in het vizier, tot hij opeens tot zijn schrik zag, dat het Dries was, die van het schoorsteenvegen bij den molenaar terugkeerde. +Wat was Dries veranderd, en niet in zijn voordeel, want hij zag zoo zwart als een neger en zijn kleeren zaten vol roet. + +</p> +<p>“Hu, wat een roetmop,” dacht Jan. “Maar ik zal hem wel misrijden,—wacht maar. Ik begin het sturen al aardig te leeren.—Hola, +wat een zwier maakte ik daar!—O jé, het kanaal,—daar ga ik!” + +</p> +<p>Maar neen, met inspanning van al zijn krachten wierp hij het stuur om, en het gevaar was geweken. Jantje reed verder. + +</p> +<p>Dries stond midden op den weg lachend naar hem te kijken. + +</p> +<p>“Wil je een nat pak halen, Jan?” riep hij hem plagend toe. “Aanstonds ga je kopje-onder het kanaal in.” + +</p> +<p>“Uit den weg! Ga uit den weg!” schreeuwde Jan, die tot zijn schrik bemerkte, dat hij regelrecht op Dries aanhield. +<a id="d0e2194"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2194">104</a>]</span></p> +<p>“Berg je, menschen, berg je!” spotte Dries. Maar hij ging toch een beetje op zijde, om Jan te laten passeeren. + +</p> +<p>ʼt Hielp echter niet. + +</p> +<p>Nauwelijks was Dries van plaats veranderd, of Jan merkte, dat de fiets daar rekening meê hield en weer regelrecht koers hield +naar Dries. + +</p> +<p>“Op zij! Op zij!” schreeuwde Jan. + +</p> +<p>Maar op ʼt volgende oogenblik bonsde hij tegen Dries aan. Jan sloeg hem in de verwarring de armen om den hals, en klemde zich +krampachtig aan den zwarten schoorsteenveger vast. Zij wang kwam tegen de wang van Dries terecht, die dadelijk iets kleverigs +voelde. Dat was de verf van den lantaarnpaal, die Jan op zijn gezicht had. + +</p> +<p>O, wat lachte Dries. + +</p> +<p>“Wel, wel, houd je zooveel van me, dat je me omarmen wilt?” vroeg hij. “Dan zal ik je wel een handje helpen.” + +</p> +<p>En hij wreef met zijn zwarte gezicht tegen de wangen van Jan, precies als eene moeder doet, die haar kindje knuffelt. + +</p> +<p>“Daar dan! Is het zoo goed?” vroeg Dries, die schaterlachte van de pret. + +</p> +<p>De fiets was op den grond gevallen, en Jan hing nog aan den hals van zijn plaaggeest. + +</p> +<p>Karel trok de fiets weg en Jan liet zich op de grond zakken. Maar wat zag hij er uit. Hij was zoo zwart als een moriaan, en +ʼt leek wel, of hij al de schoorsteenen van het dorp had geveegd. + +</p> +<p>Hij werd braaf uitgelachen, en ging zoo spoedig mogelijk naar huis om zich te wasschen. + +</p> +<p>En zijn vader plaagde hem ook niet zooʼn beetje. + + + +<a id="d0e2221"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2221">105</a>]</span></p> +</div> +<div id="d0e2222" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Tiende Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>Hoe Flipsen zocht.</p> +</div> +<p>Frans Thor en Klaas Zwart hadden zich van lieverlede zeer nauw bij elkander aangesloten, en waren boezemvrienden geworden. +Eindelijk waren zij samen een handeltje begonnen. Steeds kon men hen in elkanders gezelschap vinden met een mand tusschen +hen in, of ieder met een zak op den arm of over den schouder. Dan trokken zij er op uit om vodden en beenen te zoeken, die +langs de wegkanten, bij huizen en schuren, of in weilanden en boschjes verspreid lagen. En ʼt was inderdaad niet weinig, wat +zij vonden. Elken avond keerden zij met een goed gevulden zak huiswaarts, en als de voorraad groot genoeg was, verkochten +zij dien aan den pottenschipper. + +</p> +<p>De pottenschipper was een man, die eenzaam in een zolderschuit leefde. Hij had vrouw noch kind op de wereld, en ging met niemand +om. De menschen hielden ook niet veel van hem, want het was bekend, dat hij geen gunstig verleden achter zich had. En in elk +geval had hij een zeer ongunstig uiterlijk. Hij leefde van zijn handel in potten en pannen, en ook kocht hij vodden en beenen +op. + +</p> +<p>Alles, wat Klaas Zwart en Frans Thor vonden, brachten zij bij den pottenschipper, zooals hij algemeen werd genoemd. En zij +ontvingen er menig centje voor. Soms verkochten zij wel voor dertig à vijftig centen in eene week, en al dat geld versnoepten +zij. Of zij kochten er sigaren voor, en rookten die op. + +</p> +<p>Maar langzamerhand begon hun vondst kleiner te worden, want ze hadden het geheele dorp al meermalen afgezocht. En eindelijk +raakte de voorraad uitgeput. +<a id="d0e2236"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2236">106</a>]</span></p> +<p>Dat merkte de pottenschipper, en hij zei: + +</p> +<p>“Wat hebben jullie een beetje, jongens. Ik geef voor dit zoodje niet meer dan vijf centen. Je bent een paar groote domkoppen, +dat moet ik zeggen.” + +</p> +<p>“Domkoppen?” vroeg Frans. “Wij kunnen er toch niets aan doen, dat we maar zoo weinig hebben? ʼt Heele dorp hebben we al meermalen +afgezocht, en er is eenvoudig niet meer. Ik zie niet in, dat wij daarom domkoppen moeten zijn.” + +</p> +<p>“Neen,” zei Klaas Zwart, “ik ook niet.” + +</p> +<p>De pottenschipper lachte slim. + +</p> +<p>“Toch is het zoo,” zei hij. “Toen ik nog een jongen was, wist ik altijd wel aan een zakduitje te komen. Vond ik geen vodden +en beenen, dan wist ik wel wat anders te bemachtigen. Ha, ha,—als je maar slim bent en zorgt, dat de menschen ʼt niet zien.” + + +</p> +<p>Frans en Klaas keken hem vragend aan. + +</p> +<p>De pottenschipper legde zijn wijsvinger tegen den neus, en knipoogde tegen de jongens. + +</p> +<p>“Och wat,” zei hij, “als je ʼt slim weet te overleggen, is er nog genoeg te vinden. Je behoeft me juist geen vodden te brengen, +jongens. Ik kan wel hemden, broeken, borstrokken en andere kleedingstukken ook gebruiken. Er zijn menschen genoeg, die hun +wasch den geheelen nacht buiten laten liggen.—Ha, ha, ik zeg, als je maar slim bent en er voor zorgt, dat de menschen je niet +zien...” + +</p> +<p>“Maar dat is stelen,” zei Klaas Zwart. + +</p> +<p>“Ja,” zei Frans, “dat is stelen.” + +</p> +<p>De pottenschipper richtte zich op. + +</p> +<p>“Zooals ik zeg, jongens, ik geef voor dit zoodje niet meer dan vijf centen. ʼt Is maar een rommeltje. Voor goede kleedingstukken, +die nog gedragen kunnen worden, geef ik natuurlijk heel wat meer, en voor ijzer, zink, lood en <a id="d0e2263"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2263">107</a>]</span>wat dies meer zij, wil ik je zelfs wel guldens betalen in plaats van centen.” + +</p> +<p>“Ja, maar dat hebben we niet,” zei Frans. + +</p> +<p>“Als je wilt, is er genoeg te vinden,” lachte de schipper weer. “Bij den smid, bij den loodgieter, bij den timmerman, overal +is wel wat te snorren, als je maar goed uit je oogen kijkt en voorzichtig te werk gaat.” + +</p> +<p>“Maar,” herhaalden de jongens, die eerst niet goed begrepen, wat de pottenschipper bedoelde, “dat is stelen...” + +</p> +<p>“Ik zeg niet, dat je ʼt stelen moet,” zei de schipper weer met een listig knipoogje, “je moet die dingen vinden, jongens, +je moet ze eerlijk vinden. Alles wat je vindt, al is het ook nog zoo gek, wil ik wel van je opkoopen. Als je er maar eerlijk +aankomt...” + +</p> +<p>De jongens gingen heen. + +</p> +<p>Maar na dien tijd vermisten de menschen op het dorp telkens kleinigheden. Van Dril raakte op voor hem onbegrijpelijke wijze +een nijptang kwijt, de loodgieter een soldeerbout, de timmerman een hamer en een zaag, en vele huismoeders vermisten verschillende +kleedingstukken. Van de een waren kousen zoek, van een ander een hemd, van een derde een nachtjapon, en zoo verder. + +</p> +<p>Toch dacht men eerst niet aan diefstal. Van Dril vertelde het verlies van zijn nijptang niet aan anderen, om de eenvoudige +reden, dat hij wel eens meer een of ander stuk gereedschap kwijtraakte. + +</p> +<p>“Zeker hier of daar laten liggen,” dacht hij. En spoedig was zijn verlies vergeten. De knechts gingen wel eens meer slordig +met het gereedschap te werk, niet allen natuurlijk, maar enkelen. Op dezelfde wijze dachten ook de andere menschen er over, +die het een of ander vermisten. + +</p> +<p>Maar toen het winter werd en er lange, donkere avonden kwamen, verdwenen er op geheimzinnige wijze allerlei <a id="d0e2283"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2283">108</a>]</span>voorwerpen uit werkplaatsen en huizen, en ʼt werd zoo erg, dat de menschen er onder elkander over spraken. + +</p> +<p>“Er wordt bepaald gestolen,” was de algemeene opinie. En menigeen sloot ʼs avonds de deuren van huis en werkplaats zorgvuldiger +dan vroeger. De ondervinding leerde, dat wat men ʼs nachts buiten liet staan, den volgenden morgen gewoonlijk verdwenen was. +En niemand kon er eenig vermoeden van krijgen, wie de dief was en waar de gestolen voorwerpen belandden. + +</p> +<p>Van Dril pruttelde tegen zijn knechts, als er weer ʼt een of ander spoorloos verdwenen was, maar dezen verklaarden, dat zij +het vermiste voorwerp niet hadden laten slingeren. ʼt Was op geheimzinnige wijze verdwenen. + +</p> +<p>Eindelijk kwam een en ander den burgemeester ter oore, en hij liet Flipsen bij zich komen. + +</p> +<p>“Zeg Flipsen, heb je ook gehoord, dat er den laatsten tijd op ʼt dorp gestolen wordt? Telkens worden kleinigheden van meer +of minder waarde vermist, en het waschgoed van de huismoeders ligt niet meer veilig op de bleek.” + +</p> +<p>“Ja burgemeester, ik heb er ook van gehoord,” zei Flipsen. + +</p> +<p>“En heb je al eens hier en daar gesurveilleerd?” vroeg de burgemeester. + +</p> +<p>“O ja, al meermalen, maar tot nog toe is het mij niet gelukt, den dader op ʼt spoor te komen.” + +</p> +<p>“Zoo, ʼt is een gek geval. Ik begrijp ook niet, wie de dief zou kunnen zijn. Voor zoover ik weet, wonen er enkel knappe menschen +op het dorp. Waar zouden die gestolen voorwerpen toch allemaal blijven?” + +</p> +<p>“Ik denk in de stad, burgemeester. Daar wonen wel menschen, die gestolen goederen opkoopen. Ik vermoed, dat zij in den nacht +naar Amsterdam worden vervoerd...” + +</p> +<p>“Dan zou ik eens een oog in ʼt zeil houden, wie bij <a id="d0e2305"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2305">109</a>]</span>nacht of ontijd daarheen gaat, Flipsen. ʼt Is best mogelijk, dat je gelijk hebt. In elk geval is het hoog tijd, dat de dief +gesnapt wordt. De menschen dienen in ʼt rustige bezit te kunnen blijven van ʼt geen hun eigendom is. Zoolang ik hier burgemeester +ben, is er van geen dieverij sprake geweest, en wij moeten het kwaad zoo spoedig mogelijk den kop indrukken.” + +</p> +<p>Flipsen sloeg op militaire wijze aan, en zeide: + +</p> +<p>“Ik zal mʼn best doen, burgemeester. ʼt Zal aan mij niet liggen, als de dief niet gesnapt wordt.” + +</p> +<p>“Dat is goed, en daar vertrouw ik ook op.” + +</p> +<p>Met eene handbeweging gaf de burgemeester Flipsen zijn afscheid, en deze was vastbesloten zijn uiterste best te doen, om den +dief te ontdekken. Maar dat het moeilijk zou gaan, stond bij hem vast. + +</p> +<p>Den geheelen avond liep hij buiten het dorp te loeren, of ook iemand zich verwijderde in de richting van Amsterdam,—maar +tevergeefs. Alles was en bleef rustig op het dorp. ʼt Was dan ook een koude, gure avond, en de menschen bleven liever bij +de warme kachel. Flipsen zag den geheelen avond geen levende ziel buiten, en hij liep te bibberen van de koû. ʼt Was al haast +elf uur geworden, en nog stond hij trouw op zijn post. Eindelijk hoorde hij in de verte iets naderen. + +</p> +<p>“Wacht,” dacht hij, “nu zal het komen.” + +</p> +<p>Hij verschool zich achter een boom. + +</p> +<p>ʼt Geluid kwam nader. Duidelijk hoorde hij, dat het een wagen was. + +</p> +<p>“ʼt Is een hondenkar,” prevelde Flipsen. “Ik denk, dat ik den dief op het spoor ben. De gestolen voorwerpen worden zeker met +een hondenkar naar Amsterdam gebracht.” + +</p> +<p>“Halt!” riep hij plotseling, want het voertuig was hem nu genaderd. +<a id="d0e2327"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2327">110</a>]</span></p> +<p>De man, die op de kar zat, schrok er niet weinig van, en sprong dadelijk van den wagen. Maar zijn stok hield hij opgeheven, +want hij dacht niet anders, of hij had met een aanrander te doen. + +</p> +<p>Flipsen sprong van achter zijn boom te voorschijn. + +</p> +<p>“Wie ben je,—en waarheen ga je?” vroeg hij op bevelenden toon. + +</p> +<p>“O, Flipsen, ben jij het?” vroeg de man van de hondenkar. “Kerel, is me dat laten schrikken. Ik dacht waarlijk met...” + +</p> +<p>“ʼt Doet er niet toe, wat jij denkt,” viel Flipsen norsch in. “Ik vraag, wie je bent,—maar dat zie ik nu al,—en waar je heengaat.” + + +</p> +<p>“Wel, ik ben Dirk Kroeze, de slager, en ik ga naar Amsterdam. Daar steekt toch niets achter, zou ik zeggen?” + +</p> +<p>“Juist, Kroeze, de slager. Wat heb je in dien wagen?” + +</p> +<p>“Twee doode schapen, anders niet,” was het antwoord. “Ik ga ze naar Amsterdam brengen, waar ze met een dood schaap altijd +wel raad weten. Nu er zooʼn strenge keuring is op het vleesch, worden doode beesten altijd ʼs nachts de stad ingevoerd. Vroeger +gebeurde dat overdag. Zie je, dat is het eenige verschil...” + +</p> +<p>Kroeze was een derderangs-slager. Hij kocht bij de boeren de doode beesten op, die andere slagers niet hebben wilden, en wist +daarmede het brood te verdienen voor zich en zijn gezin. En de kroegbazen kregen er ook rijkelijk hun deel van, want Kroeze +maakte veel misbruik van sterken drank. Hij was dikwijls dronken. + +</p> +<p>Flipsen was den wagen genaderd en bekeek den inhoud. + +</p> +<p>“Denk je soms, dat ik een dief ben?” vroeg Kroeze een beetje beleedigd. “Ik verdien op eerlijke manier mijn brood, man, en +ik heb mijn vingers nog nooit uitgestoken <a id="d0e2350"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2350">111</a>]</span>naar een andermans goed. Of weet jij iemand te noemen, die iets op Kroeze te zeggen heeft?” + +</p> +<p>“Neen,” zei Flipsen. “Maar er wordt tegenwoordig gestolen op ʼt dorp, en ʼt is meer dan tijd, dat wij den dief vinden.” + +</p> +<p>“Ach zoo, is dàt de zaak?” zei Kroeze. “Dan is het goed, hoor, en kijk mijn wagen maar na. Je hebt gelijk, er wordt tegenwoordig +meer gestolen, dan mij lief is. Verleden week ben ik mijn beste mes uit de slagerij kwijt geraakt, en nog een zwaren vleeschhaak +op den koop toe. Ik heb mʼn hoofd gek gezocht om ze terug te vinden, maar jawel, ze zijn weg en ze blijven weg. En ik zal +ze wel nooit terugzien, vrees ik.” + +</p> +<p>“Dat vrees ik ook,” zei Flipsen. “Je kunt wel verder gaan, Kroeze, ik heb er het mijne van gezien. Goeden avond.” + +</p> +<p>“Ook goeden avond,” zei Kroeze. Hij duwde de kar voort, en riep: + +</p> +<p>“Allo, honden, kssssss, kssssss! Vooruit zeg ʼk! Allo!” + +</p> +<p>Hij sloeg met zijn stok tegen den wagen. + +</p> +<p>De honden, die tijdens het onderzoek op den weg waren gaan liggen, richtten zich met tegenzin op, en trokken den wagen voort. +Maar ʼt ging Kroeze niet hard genoeg. Hij maakte veel lawaai met zijn stok, en riep: + +</p> +<p>“Ksssss! Ksssss! Allo, Allo! Vooruit honden. Kssssss!” + +</p> +<p>Een oogenblik later sprong hij op den wagen, en weldra was hij in de duisternis verdwenen. + +</p> +<p>“Dat was mis!” mompelde Flipsen, huiverend van de koude. Hij trok den kraag van zijn jas en zijne schouders omhoog, en bleef +geduldig wachten. Maar toen er na een uur nog niemand gekomen was, besloot hij naar huis te gaan. + +</p> +<p>Den volgenden avond was hij echter weer op zijn post, want hij was iemand, die zijne plichten trouw nakwam. <a id="d0e2374"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2374">112</a>]</span>Als hij zich eenmaal voorgenomen had, dit of dat te doen, was hem geen moeite te veel, en stoorde hij zich aan koude noch +warmte. + +</p> +<p>Maar hoe hij zich ook inspande, het gelukte hem niet, den dief te snappen. Daarom besloot hij de wacht te houden op den weg, +die naar Haarlem voerde. Avond aan avond verschool hij zich op eenigen afstand buiten het dorp, maar alweer tevergeefs. Hij +vond van den dief geen spoor. + +</p> +<p>“Dan zal ik gedurende enkele avonden in het dorp zelf eens goed uitkijken. Wie weet betrap ik den dief dan niet op heeterdaad,” +dacht hij. + +</p> +<p>En zoo deed hij ook. + +</p> +<p>Zoodra het donker geworden was en in de huizen overal de lichten opgestoken waren, verliet Flipsen zijn woning, om over de +veiligheid van zijne medeburgers te waken. Eerst begaf hij zich naar verschillende werkplaatsen, van welke het hem bekend +was, dat er al meermalen voorwerpen vermist waren. Hij vond ze echter alle zorgvuldig gesloten. De menschen waren, door de +ondervinding geleerd, al voorzichtiger geworden. + +</p> +<p>Eindelijk bemerkte hij, dat er achter het huis van de weduwe Butter eenig waschgoed op een bleekveldje lag. + +</p> +<p>“Wacht,” dacht hij. “Hier zal ik mij ergens verschuilen. Waschgoed is den laatsten tijd ook dikwijls ontvreemd.” + +</p> +<p>Achter het schuurtje stond, naast het bleekveld, een groote ton, waarin het regenwater, dat van het schuurtje in de goot kwam, +opgevangen werd. Achter die ton maakte Flipsen zich zoo klein mogelijk. Geduldig wachtte hij, of de dief komen zou. + +</p> +<p>Dat gebeurde echter niet. Toen hij een half uur in zijne gebogen houding had doorgebracht, kon hij bijna niet blijven zitten +van de pijn, die hij in zijne beenen kreeg. Voorzichtig richtte hij zich een weinigje op. +<a id="d0e2392"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2392">113</a>]</span></p> +<p>Alles bleef stil in den omtrek. + +</p> +<p>Flipsen gaf echter den moed nog niet verloren. + +</p> +<p>En waarlijk, eer er een tweede half uur voorbijgegaan was, hoorde hij eenig gerucht. + +</p> +<p>Hij richtte zich op en keek over de ton. + +</p> +<p>Ha, daar zag hij een gestalte, die haastig naar het bleekveld ging en vliegensvlug enkele kleedingstukken bij elkaar greep. + + +</p> +<p>Met een vluggen sprong kwam Flipsen op de gestalte af. + +</p> +<p>“Ha, dief, daar heb ik je!” schreeuwde hij in de vreugde zijns harten, nu hij eindelijk in zijn pogingen geslaagd was. + +</p> +<p>Een hevige gil was het antwoord. Flipsen hoorde, dat het een vrouwenstem was, hetgeen hem verwonderde. + +</p> +<p>Met groote snelheid liep hij op de gestalte af, en greep haar bij den schouder. De onbekende sloeg de armen ten hemel en slaakte +een tweeden, hartverscheurenden gil. + +</p> +<p>“Wie ben jij?” beet Flipsen haar toe. + +</p> +<p>Er kwam geen antwoord. De schrik verlamde als het ware haar tong. + +</p> +<p>“Hoor je me niet? Wie ben jij?” herhaalde Flipsen. + +</p> +<p>“O,—ik ben—ik ben Trijntje—de meid.—O, wat een schrik!” + +</p> +<p>“Trijntje—de meid?” vroeg Flipsen spijtig. “Ik dacht, dat jij de dief was. Waarom laat je dat waschgoed ook buiten liggen?” + + +</p> +<p>“Ik—de dief!” riep het meisje uit, half schreiende van schrik en half lachende van blijdschap, nu zij bemerkte, dat zij met +geen spoken te doen had. Want Trijntje geloofde nog aan spoken. “Ja,—dat zei de juffrouw ook, dat ik het waschgoed niet mocht +laten liggen, en daarom ging ik het nog maar gauw eventjes halen. Hè—hè—ik beef over mijn heele lijf van den schrik...” +<a id="d0e2423"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2423">114</a>]</span></p> +<p>Flipsen ging zonder groeten heen. Het speet hem, dat hij zich ten tweeden male vergist had. + +</p> +<p>Maar het meest speet het hem, dat hij den volgenden dag moest vernemen van den burgemeester, dat er bij den molenaar tien +meelzakken gestolen waren en dat er bij Legels, een herbergier, een mandje met ledige flesschen verdwenen was. Flipsen begreep +daaruit, dat hij in een geheel verkeerde richting had gezocht. Hij wist er, zooals men dat wel noemt, geen touw meer aan vast +te knoopen, en hij verdiepte zich in gissingen, wie toch wel de brutale dief kon zijn. Het trok zijn opmerkzaamheid, dat het +altijd kleinigheden waren, die gestolen werden, en dat er nooit sprake was van inbraak. Langzamerhand vestigde zich de overtuiging +bij hem, dat de dief geen man, maar een jongen moest zijn. En hij besloot voortaan in die richting te zoeken. + +</p> +<p>Jan Trom merkte op, dat Flipsen hem telkens onderzoekend aankeek, als hij hem tegenkwam. Eens, toen hij met zijn bokkenwagen +bij Van Dril vandaan kwam, schoot plotseling Flipsen op hem af, en vroeg hem: + +</p> +<p>“Waar kom jij vandaan?” + +</p> +<p>“Van Van Dril,” zei Jan. + +</p> +<p>“Zoo,—wat heb je daar gedaan?” + +</p> +<p>“Eventjes in de smederij gekeken,” was het antwoord. + +</p> +<p>“Stap eens uit je wagen!” gebood Flipsen. + +</p> +<p>Jan gehoorzaamde dadelijk, niet weinig verwonderd, wat dit alles wel te beduiden had. + +</p> +<p>Flipsen doorsnuffelde het geheele karretje. Het bankje bestond uit een bak met een plankje er op als deksel. Flipsen lichtte +dat plankje op en keek, wat er zich in den bak bevond. Maar hij zag niets verdachts. + +</p> +<p>“ʼt Is goed,” zeide hij. “Je kunt wel weer gaan.” En Jan ging. +<a id="d0e2446"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2446">115</a>]</span></p> +<p>Dienzelfden middag kwam Flipsen Frans Thor en Klaas Zwart tegen. Hij zag ze uit het schoolboschje komen. De school werd door +drie boschjes elzenhout omringd, die te zamen altoos het schoolbosch werden genoemd. Tusschen die boschjes in lagen vrije +strooken gronds, die tot speelplaats dienden. + +</p> +<p>Frans en Klaas droegen een mand tusschen zich in. Elk hield een oor vast. + +</p> +<p>“Daar is Flipsen,” zei Klaas Zwart. Hij voelde zich nooit bizonder op zijn gemak, als hij den politiedienaar zag. Geen wonder +trouwens, want hij en zijn makker hadden al menig diefstalletje op hun geweten. + +</p> +<p>“Ja, dat zie ik,” zei Frans. “ʼt Hindert niet; laat hem komen.” + +</p> +<p>Zoodra Flipsen deze jongens zag, schoot hem dadelijk de gedachte door het hoofd, dat zij wel eens de schuldigen konden zijn, +want zij liepen altoos overal te “schuimen,” zooals Flipsen dat noemde. En ʼt verwonderde hem, dat hij al niet eerder aan +deze twee knapen had gedacht. Met groote schreden liep hij op hen af, en ʼt scheen wel, of zijne scherpe oogen hen wilden +doorboren. + +</p> +<p>Klaas Zwart werd er bang van en keek een anderen kant op, wat Flipsen niet ontging. + +</p> +<p>“Waar komen jullie vandaan?” vroeg hij barsch. Hij boog zich voorover en hield zijn blik stijf op Klaas Zwart gericht. Klaas +werd er bleek van, en zijne stem hokte hem in de keel. + +</p> +<p>“Uit het boschje,” zei Frans, die niet zoo bang was als Klaas. + +</p> +<p>“En wat deed je daar?” + +</p> +<p>“Wij zoeken beenen en vodden,” gaf Frans ten antwoord. En hij hield de mand een weinig naar voren, om er Flipsen in te laten +kijken. Deze wierp er een blik in <a id="d0e2467"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2467">116</a>]</span>en zag, dat er inderdaad enkele beenderen in lagen. + +</p> +<p>“Vind-je die in het schoolboschje?” vroeg Flipsen verwonderd. “Hoe komen die daar dan?” + +</p> +<p>“Misschien door de honden, die er daar aan kluiven, omdat het er een rustig plekje is,” zei Frans. “Wij vinden er daar maar +zelden een. Eigenlijk is er op het geheele dorp bijna geen beentje meer te vinden, want wij hebben alles al meermalen afgezocht.” + + +</p> +<p>“Zoo,” zei Flipsen. “Ja, aan alles komt een einde. En aan wien verkoop je dien rommel?” + +</p> +<p>“Och,” zei Frans, “aan voddenkoopers...” + +</p> +<p>“En aan den pot...” zei Klaas. Maar Frans viel hem in de rede: + +</p> +<p>“Aan voddenkoopers uit Haarlem, die hier wel met hondenwagens komen.” + +</p> +<p>“Ja, ja,” zei Flipsen. “Houd jij je mond nu maar eens. Wat wou jij straks zeggen, Klaas Zwart? Aan den pot...” + +</p> +<p>“Dat heb ik niet gezegd,” loog Klaas. “U heeft me verkeerd verstaan. Ik zei: aan de vod.... Maar toen viel Frans mij in de +rede.” + +</p> +<p>“Juist,—juist,” zei Flipsen met een onmerkbaar lachje om zijne lippen. “Nu jongens, zoekt maar goed. Er zal hier of daar nog +wel wat te vinden zijn.” + +</p> +<p>Hij liet de jongens staan en ging naar huis. Maar hij lachte inwendig van pret, want hij twijfelde niet, of hij was thans +de daders wel degelijk op het spoor. + +</p> +<p>“De pottenschipper,” mompelde hij tusschen de tanden. “Ja, ja, die jongen verklapte het leelijk: de pottenschipper is de opkooper. +Wacht maar, zij zullen mij niet ontsnappen...” + +</p> +<p>Frans en Klaas gingen zwijgend verder. Het korte onderhoud met den veldwachter had hun eenigen schrik aangejaagd. Na een poosje +zei Frans: +<a id="d0e2493"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2493">117</a>]</span></p> +<p>“Stommerd!—Jij had de heele zaak daar bijna verklapt.” + +</p> +<p>“Ja,” zei Klaas angstig. “Maar ik geloof niet, dat hij het verstaan heeft. Zou je denken, dat hij me verstond?” + +</p> +<p>“Dat weet ik niet,” zei Frans, “ʼk Geloof haast van niet, maar toch moeten wij voorzichtig zijn. We dienen ons een poos althans +rustig te houden. Ik vertrouw Flipsen niet.” + +</p> +<p>“Ik ook niet,” zei Klaas met een zucht. “Als hij me maar niet verstaan heeft. <i>Pot</i> lijkt erg veel op <i>vod</i>. Zeg Frans, ik ga naar huis; ik heb geen zin meer in het zoeken.” + +</p> +<p>“Ga dan,” zei Frans. + +</p> +<p>Zoo scheidden de jongens. + +</p> +<p>Flipsen lette na dien dag zorgvuldig op de zolderschuit van den pottenschipper. Hij twijfelde er niet aan, of den een of anderen +dag zou het raadsel nu wel worden opgelost. + +</p> +<p>Maar dagen en zelfs enkele weken gingen voorbij, en Flipsen bleef even wijs, als hij was. De pottenschipper leefde even eenzaam +en verlaten in zijn schuit als altoos, en Frans en Klaas zag Flipsen er nooit heengaan. + +</p> +<p>Doch,—en dit trok zijne opmerkzaamheid, er werd niet meer gestolen ook op het dorp. En dat was hem een troost. + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e2518" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Elfde Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>De bestorming van het sneeuwkasteel, en eene heldendaad van Jan.</p> +</div> +<p>ʼt Was in het begin van December. De winter was vroeg ingevallen, en het vroor, dat het kraakte. Eerst had het geducht gesneeuwd, +tot groot vermaak van Jan Trom en <a id="d0e2526"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2526">118</a>]</span>zijne makkers. Ha, wat hadden zij gesneeuwbald! De kogels vlogen de jongens om de ooren. Toen hadden zij bedacht op het marktplein +een fort op te werpen. Dat was een heel werk voor hen, want zij waren maar niet tevreden met een opgeworpen hoogte van sneeuw, +neen, zij wilden een mooi fort hebben met schuin afloopende kanten, met torens op de hoeken en kanteelen daartusschen. ʼt +Leek, toen het klaar was, veel meer op een kasteel dan op een fort. De jongens vonden het prachtig, en zij werkten er aan +met een ijver en toewijding, zooals die alleen bij jongens gevonden kan worden. + +</p> +<p>Eindelijk was het kasteel klaar, en nu besloten zij, zich in twee gelijke troepen te verdeelen. De eene helft zou het kasteel +aanvallen, de andere zou het verdedigen. + +</p> +<p>Aan de twee vrienden Jan Trom en Karel van Dril viel eene groote onderscheiding ten deel. Jan Trom werd namelijk verkozen +tot bevelhebber van het sneeuwslot, en Karel tot aanvoerder van de vijanden. + +</p> +<p>“Eventjes wachten, jongens!” riep Jan zijn makkers toe. “We moeten twee vlaggen hebben, voor elke troep één.” + +</p> +<p>“Ja, best!” zei Karel. “Maar weet je, wat het ergste is? Alle vlaggen zijn rood, wit en blauw, en ʼt is niet aardig, als onze +vlaggen hetzelfde zijn.” + +</p> +<p>“O, daar weet ik wel raad op. ʼt Kasteel is een Hollandsch slot, dus daar zetten we de nationale vlag op, dat spreekt vanzelf. +Als jij nu je vlag onderst-boven aan den stok bindt, lijkt hij heel veel op de Duitsche vlag. Jullie stelt dan het Duitsche +leger voor, dat een inval doet op Hollandsch grondgebied. Zeg jongens, dat kan leuk worden, zou ik meenen.” + +</p> +<p>Dit voorstel vond algemeen goedkeuring, en Jan en Karel haastten zich naar huis, om eene vlag te halen. Binnen tien minuten +waren zij terug. De Hollandsche vlag <a id="d0e2540"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2540">119</a>]</span>werd op den hoogsten toren van het kasteel geplant, en Karel benoemde een van zijne soldaten tot vaandrig. Jan en zijne krijgers +maakten een ontzaglijken voorraad sneeuwballen, die achter de kanteelen werden opgestapeld, maar ook de Duitsche veldheer +maakte zich zijn tijd ten nutte. Eindelijk waren beide partijen slagvaardig. + +</p> +<p>De Duitschers omringden het fort aan alle kanten, en wachtten op het sein om aan te vallen. Karel, als bevelhebber, ging +met den vaandrig aan zijn zijde naar het fort, en riep de bezetting toe: + +</p> +<p>“Hallo! Hei daar!” + +</p> +<p>“Werda!” antwoordde Jan Trom, wiens bovenlijf boven den gekanteelden muur verscheen. “Wat is er van uw begeeren.” + +</p> +<p>“In naam van mijn meester, den Keizer van Duitschland, eisch ik dit kasteel op,” was het antwoord van Karel. “Mijn soldaten +omringen het van alle kanten, geef u dus goedschiks over, dan beloof ik vrijen uittocht aan de manschappen. Zoo niet, wacht +u dan voor de gevolgen.” + +</p> +<p>“Die komen voor mijne verantwoording. Dit slot behoort aan Koningin Wilhelmina der Nederlanden, en zoolang ik leef, zal geen +Duitscher het binnenkomen. Dat is mijn antwoord. Leve de Koningin!” + +</p> +<p>“Leve de Koningin!” juichten Janʼs volgelingen. + +</p> +<p>“Leve de Keizer!” riep Karel van Dril, en zijn krijgers herhaalden: + +</p> +<p>“Leve de Keizer!” + +</p> +<p>“Dan is het oorlog!” riep Karel zijn vriend Jan nog toe, terwijl hij zich met zijn vaandrig verwijderde. + +</p> +<p>“Oorlog op leven of dood!” schreeuwde Jan. + +</p> +<p>Weldra vloog de eerste sneeuwbal over de muren van het kasteel, en de belegerden keken hem lachend na. + +</p> +<p>“Je moet beter mikken, mannetje!” riep Willem Kroeze, de zoon van den slager. “Op deze manier!” +<a id="d0e2566"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2566">120</a>]</span></p> +<p>En hij wierp den Duitschen bevelhebber heel netjes zijne pet van het hoofd, tot groot vermaak van de andere Hollanders. + +</p> +<p>Maar toen kwam er een regen van kogels op het kasteel af. De Hollanders moesten zich zelfs achter de kanteelen verbergen, +want de Duitschers ontzagen hen niet. Zij wierpen uit alle macht, en de ballen kwamen hard aan, als zij raakten. + +</p> +<p>“Hoera, zij worden bang!” riep Karel zijne mannen toe. “Allo, allo, beklimt de muren, en werpt den vijand naar beneden.” + +</p> +<p>ʼt Werd een geweldige bestorming. Van alle kanten schoten de vijanden toe, en behendig klauterden zij tegen de hoogte op. + + +</p> +<p>Maar Jan zag het gevaar. + +</p> +<p>“Zij wagen eene bestorming, jongens! Geeft ze de volle laag!” riep hij. Zijn bevel werd uitgevoerd, en de Duitschers werden +haast onder de sneeuw bedolven. Sommigen kregen oogen, mond en neus vol, zoodat zij hoestend en proestend het hazenpad moesten +kiezen, en anderen kregen een flinken voorraad tusschen den kraag van hun jas, zoodat het water hun over den rug liep. Weldra +was de storm met glans afgeslagen. De Duitschers trokken zich terug. De vaandrig liep zelfs wel wat erg hard voor ʼt mooi. +Hij viel met vaandel en al voorover in eene greppel, tot groot vermaak van de Hollanders. + +</p> +<p>“Het Duitsche vaandel valt!” riepen zij lachend. “Dat is een goed voorteeken. Hoera! Leve de Koningin!” + +</p> +<p>“Kijk ze eens loopen!” riep Jan, wiens oogen schitterden van opgewondenheid. “Die storm is afgeslagen, jongens, en tot een +tweeden zullen zij zoo spoedig wel niet overgaan.” + +</p> +<p>Dat was ook zoo. Er werd zelfs geen bal meer gegooid. Karel hield met zijn makkers krijgsraad, want het was <a id="d0e2585"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2585">121</a>]</span>hem gebleken, dat het niet gemakkelijk zou gaan het fort te veroveren. + +</p> +<p>“Wat dunkt je, jongens,” zei hij, “als we met ons allen eens op één punt een zóó geweldig vuur openden, dat de kanteelen in +puin vallen? Dan zijn de belegerden ongedekt en vinden nergens beschutting. Als we ze dan de volle laag geven, kunnen zij +het onmogelijk uithouden.” + +</p> +<p>“Ja, ja, dat is goed. De kanteelen moeten we wegkogelen,” zei de vaandrig, “en dan wil ik wel eens zien, of ze ʼt volhouden.” + + +</p> +<p>“Afgesproken!” zei Karel. “Hierheen, jongens, aan dezen kant hebben we de sneeuw maar voor ʼt grijpen. Zeg, weet je, wat we +in ons voordeel hebben?” + +</p> +<p>“Wat dan?” + +</p> +<p>“Wel,—wij kunnen zooveel sneeuwballen maken, als we willen, maar hun voorraad raakt eenmaal uitgeput. En dan kunnen zij niets +meer beginnen.” + +</p> +<p>“Dat is waar, ha ja, dat is waar!” lachten de Duitschers. + +</p> +<p>Op ʼt volgende oogenblik openden zij een zoo geweldig bombardement op de kanteelen, dat deze het werkelijk kwaad te verantwoorden +kregen. Hier en daar begonnen zij al spoedig af te brokkelen en in te storten, tot groote vreugde van de vijanden, die soms +even ophielden om hunne vingers in den mond te steken,—want die werden erg koud,—en dan maakten zij tevens van de gelegenheid +gebruik, om een oorverdoovend gejuich aan te heffen. Onder ʼt sneeuwballen gunden zij zich daar den tijd niet toe. + +</p> +<p>Inderdaad kreeg de bezetting het kwaad te verantwoorden. + +</p> +<p>Maar Jan toonde zich iemand van groote veldheerstalenten. Hij zag niet alleen het gevaar, dat hem dreigde, maar hij doorzag +ook de bedoeling van zijne vijanden. + +</p> +<p>“Jongens,” riep hij zijne soldaten toe, “als we de <a id="d0e2607"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2607">122</a>]</span>kanteelen niet behouden, zijn we verloren. Neemt de schoppen en werpt op elke bres een nieuwen muur op. Maar slaat de sneeuw +stevig in elkander, zoodat de kogels er geen vat op hebben. Weest echter voorzichtig, want als je een bal tegen je gezicht +krijgt, dan ben je—zuur!” + +</p> +<p>De soldaten lachten smakelijk om deze <span id="d0e2611" class="corr" title="Bron: laaste">laatste</span> uitdrukking, maar zij begrepen de bedoeling van hun aanvoerder toch zeer goed, en gingen dadelijk met ijver aan ʼt werk. +Een deel van hen wierp de bressen dicht, en zij zorgden er voor, dat de sneeuw goed in elkaar geslagen werd, zoodat zij een +harde koek vormde,—een ander deel maakte nieuwe sneeuwballen, waarvoor zij het fort als het ware onder hunne voeten moesten +afbreken, en de rest bekogelde den vijand. + +</p> +<p>Al spoedig verstomde daar het gejuich, want ʼt was duidelijk, dat de pogingen om de gekanteelde muren te vernietigen, schipbreuk +zouden lijden. Zoodra was het den Duitschers niet gelukt een bres in den muur te schieten, of op ʼt volgende oogenblik waren +wel tien handen gereed om het gat weer te stoppen. De vijanden waren verder van de overwinning dan ooit, en zij werden er +moedeloos onder. Hun ijver verflauwde, het bombardement werd minder hevig, en eindelijk trokken zij af om opnieuw krijgsraad +te beleggen. + +</p> +<p>Wat de Hollanders juichten! + +</p> +<p>Zij zwaaiden met hunne mutsen, en riepen: + +</p> +<p>“Hoezee! Leve de Koningin! Hoezee!” + +</p> +<p>Zij waren echter wel blij, dat zij nu ook een poosje rust kregen, want de strijd was hevig geweest, en zij waren erg vermoeid. + + +</p> +<p>“Ik kan haast niet meer,” zei Willem Kroeze. + +</p> +<p>“Ik ook niet,” zuchtte Jacob Boors. “En wat zijn mijne vingers koud. Ze tintelen!” +<a id="d0e2628"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2628">123</a>]</span></p> +<p>Hij kreeg haast tranen in de oogen van de pijn, die ze hem deden. + +</p> +<p>“Steek ze een poosje in je mond, en blaas dan hard. Dan worden ze wel weer warm,” zei Jan Trom. “Zeg jongens, wat hebben we +ons goed gehouden, hè? Als we oppassen, krijgen zij ons fort nooit. Kijk ze ʼt eens druk hebben. Ze houden zeker weer krijgsraad.” + + +</p> +<p>“Laat ze maar!” zei Tines Wobbe. “We zullen ze ontvangen, zooals het behoort. Weg met de Duitschers!” + +</p> +<p>“Weg met de Duitschers!” riepen ze allen, en weer zwaaiden ze met hunne hoofddeksels. + +</p> +<p>“En leve de Koningin!” juichte Jan Trom. + +</p> +<p>“Ja, ja, leve de Koningin!” riepen allen. + +</p> +<p>Na een paar minuten werd de krijg hervat. De vijanden waren tot het besluit gekomen, eene nieuwe bestorming te wagen. In gesloten +rijen liepen zij op het fort toe, en opnieuw probeerden zij tegen den schuinen kant op te klauteren. Maar weer werden zij +lang niet malsch ontvangen. + +</p> +<p>Een hagelbui van sneeuwballen begroette hen, en de verdedigers wierpen schoppen vol losse sneeuw over hunne hoofden uit. + +</p> +<p>Maar Karel wilde niet opnieuw wijken. + +</p> +<p>“Sterven of overwinnen!” riep hij zijne volgelingen toe, en hij klauterde moedig omhoog, zich niet storende aan de projectielen +der belegerden. + +</p> +<p>Zijne soldaten, aangevuurd door zijn geestdrift, volgden hem met mannenmoed. Ha, daar had Karel den gekanteelden muur bereikt, +en reeds richtte hij zich op om victorie te roepen, toen Jan plotseling op hem toesprong, en hem pardoes achterover naar beneden +wierp. + +</p> +<p>“Weg met de Duitschers!” schreeuwde hij. + +</p> +<p>Karel was veel gauwer beneden, dan hij boven gekomen was. Eerst keek hij een oogenblik beteuterd rond, maar toen <a id="d0e2655"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2655">124</a>]</span>hij zag, dat zijne soldaten voet bij stuk hielden, bestormde hij de vesting opnieuw. ʼt Was een verwoede aanval, en de belegerden +konden niet dan met de uiterste inspanning stand houden. Met ongebreidelde geestdrift drongen de Duitschers op hen in, maar +de een na den ander werd van de borstwering afgeduwd en naar beneden geworpen. Daar werden zij haast onder de sneeuw bedolven, +die hun bij schoppenvol nageworpen werd. + +</p> +<p>Eindelijk deinsden de Duitschers af. Zij waren opnieuw afgeslagen. Maar het fort verkeerde in een deerniswaardigen toestand, +want om zich te verdedigen waren de Hollanders genoodzaakt geweest, zich den grond onder de voeten weg te spitten. De torens +helden dientengevolge sterk over naar den binnenkant van het slot, en dreigden elk oogenblik in te storten. Ook de muren geleken +wel bouwvallen. Maar nog wapperde de Hollandsche vlag fier van den hoofdtoren. Jan was daar trotsch op, en hij prees zijne +soldaten om den betoonden moed. + +</p> +<p>“Maar mijne vingers vallen haast af van de kou!” zei Tines. + +</p> +<p>“Dat doet er niet toe!” riep Jan hem toe. “Zoolang de vlag nog van den toren wappert, is er niets verloren, al hadden wij +geen van allen meer een vinger over! Leve de Koningin!” + +</p> +<p>“Leve de Koningin, en weg met de Duitschers!” schreeuwden zij om het hardst. + +</p> +<p>“Dat is niet om uit te staan!” riep Karel zijne soldaten toe. “Komt jongens, opnieuw aangevallen, en niet gerust, voordat +het fort ons is!” + +</p> +<p>De vijanden bestormden den burcht opnieuw, en de aanval was zoo mogelijk nog verwoeder dan de vorige. + +</p> +<p>“Nu of nooit!” schreeuwde Karel, die zich op en top krijgsman voelde. +<a id="d0e2671"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2671">125</a>]</span></p> +<p>“Sterven of overwinnen!” antwoordde Jan Trom, en de jongens vochten van weerskanten als leeuwen. + +</p> +<p>Eindelijk gelukte het Karel ten tweeden male op het fort te komen, vlak bij den hoofdtoren. Maar Jan en zijne soldaten wierpen +zooveel sneeuw tegen zijn hoofd en schouders, dat hij zijn evenwicht verloor en tegen den toren viel. Deze was echter al zoo +bouwvallig, dat hij den schok niet meer kon weerstaan en instortte. De vlag der Hollanders verdween van hare hooge standplaats. + + +</p> +<p>“De toren stort in!” riep Willem Kroeze. + +</p> +<p>“De vlag duikt!” schreeuwden de Duitschers. + +</p> +<p>“Hoera! Hoera!” + +</p> +<p>Karel lag te spartelen onder de sneeuw in het fort, want de toren had hem half bedolven. De Hollanders sprongen op hem aan +en grepen hem. + +</p> +<p>“Een gevangene! Een gevangene!” juichten zij. “De bevelhebber is gevangen! Weg met de Duitschers! Leve de Koningin!” + +</p> +<p>De Duitschers, ontsteld door het gevangennemen van hun Commandant, deinsden af, maar spoedig kwamen zij terug met het stellige +voornemen, hun hoofdman te verlossen. + +</p> +<p>Het kasteel was nu een puinhoop geworden. De torens waren ingestort, en van de gekanteelde muren was geen spoor meer overgebleven. +De belegerden waren thans geheel ongedekt aan het vuur der vijanden blootgesteld, en het maken van nieuwe sneeuwballen, of +zooals zij zeiden het gieten van nieuwe kogels was hun zoo goed als onmogelijk geworden, omdat de sneeuw, waarop zij stonden, +door de soldaten als het ware tot een harden koek was vastgestampt. Met hunne schoppen moesten zij de sneeuw omspitten om +kogels te kunnen gieten. + +</p> +<p>En toen kwam een nieuwe storm. De vijanden klauterden als katten tegen den muur op, en de belegerden hadden <a id="d0e2692"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2692">126</a>]</span>geen middelen meer om hen te keeren. Zij vochten nog wel als leeuwen en wierpen menigen Duitscher naar beneden, maar tevergeefs. +Het fort was verloren. Voor en na verschenen de vijanden op de hoogte, en eindelijk moest Jan zich overgeven. + +</p> +<p>“Hoera! Hoera!” riepen Karel en zijn mannen. “Het kasteel is ons! Leve de Keizer!” + +</p> +<p>De Hollandsche vlag, waarvan de stok gewoon in de sneeuw gestoken was, daar de torens totaal verdwenen waren, werd omvergeworpen, +en de vijandelijke vlag kwam er voor in de plaats. + +</p> +<p>“Leve de Keizer!” juichten de Duitschers, en zij zwaaiden met hunne mutsen. + +</p> +<p>“Goed, goed!” zei Jan. “Maar wat heb je nu? Wat is er van het kasteel overgeschoten? Een puinhoop, meer niet. Veel pleizier +er mede.” + +</p> +<p>“Ja, ja, dat is waar!” zei Karel. “Jelui hebt je kolossaal goed gehouden, dat moet ik zeggen.—Hè, hè, jongens, dat was een +mooi spelletje!—ʼt Is nu tijd om naar huis te gaan. Doen we het morgen weer?” + +</p> +<p>“Ja, ja!” werd er van alle kanten geroepen. “Dat is afgesproken.” + +</p> +<p>Zingende verlieten vriend en vijand het marktplein, om naar huis te gaan. Zij hadden heerlijk gespeeld en dachten er nog lang +daarna met pleizier aan. Zij waren vast besloten, den volgenden dag een nieuw kasteel te bouwen en den strijd te hervatten. + + +</p> +<p>Maar den volgenden morgen merkten zij al dadelijk, dat het niet kon. ʼt Had namelijk dien nacht verbazend hard gevroren, en +ʼt was daardoor onmogelijk geworden sneeuwballen te maken. De sneeuw wilde niet pakken. Zij vonden dat wel erg jammer, maar +daarentegen verheugden zij er zich weer in, dat het zoo hard gevroren had, en <a id="d0e2710"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2710">127</a>]</span>zij hoopten, dat het ijs spoedig sterk zou worden. De twee kanalen, die in het hart van het dorp elkander kruisten, lagen +al dicht. De jongens wierpen er steentjes op, om te zien, of zij er doorheen konden gooien, maar dat konden zij niet. Alleen +klinkers gingen er ongeveer voor de helft doorheen. + +</p> +<p>Zij vermaakten zich nu met glijbanen te maken en daar in lange risten overheen te glijden. De grond werd hier en daar spiegelglad. +Opeens bedachten zij, dat het nu prachtig zou glijden langs de helling buiten het dorp, bij het fort, waar Jan met zijn automobile +den veldwachter bij ongeluk van de been gereden had. En nauwelijks hadden zij dat bedacht, of zij snelden er heen. Ha ja, +ze hadden zich niet bedrogen. De helling was er prachtig voor geschikt, en er lag dik sneeuw. Spoedig was het er zoo glad, +dat men er haast niet op de beenen kon blijven staan, en als de jongens eenmaal op de helling waren, mòèsten zij verder, of +zij wilden of niet. Zij vonden het meer dan verrukkelijk, en wisten van geen ophouden. ʼt Was een koddig gezicht, als een +van hen het ongeluk had te vallen. Dan buitelden allen, die achter hem kwamen aanglijden, hals over kop over hem heen, en +werd het een levende berg van jongens. + +</p> +<p>Menigeen riep dan au, au! en sommigen kwamen erg in de verdrukking, maar daarom werd niet getreurd. Een volgend oogenblik +gleed de geheele rij weer met statie verder, en ʼt ging vliegensvlug. + +</p> +<p>ʼt Was al laat, eer de jongens thuiskwamen, en voordat zij de deur instapten, wierpen zij eerst nog een blik op het hemelgewelf +om te zien, of de lucht naar vorst stond. En dat deed ze gelukkig. De sterretjes fonkelden aan den hemel, en er was geen wolkje +aan te zien. + +</p> +<p>Dien nacht vroor het kolossaal! Toen Jan ʼs morgens <a id="d0e2720"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2720">128</a>]</span>zijn neus buiten de bedgordijnen stak, zag hij al dadelijk, dat de bloemen dik op de ruiten stonden. + +</p> +<p>“De pomp is bevroren!” riep zijn vader van uit de keuken. “Jongen, jongen, wat een vorst. ʼt Is buitengewoon! Zeg Jan, nog +één nachtje zoo, en we kunnen schaatsenrijden. Dan is het kanaal sterk genoeg. Maar vandaag nog voorzichtig wezen, hoor, ʼt +kan nog niet vertrouwd zijn.” + +</p> +<p>“Ja Vader,” zei Jan. + +</p> +<p>Hij was van nature geen waaghals. Niet, dat hij bang was, in het geheel niet, maar hij vond het dwaasheid zijn leven roekeloos +in gevaar te stellen. Toch waren er wel jongens, die zich al op het kanaal waagden. Voorzichtig, voetje voor voetje, liepen +zij het ijs op, dat door een sterk gekraak waarschuwde om terug te gaan. De waaghalzen hoorden het wel, en als het heel erg +kraakte, bleven zij even stilstaan, maar spoedig gingen zij weer verder. Tines Wobbe bereikte zelfs de overzijde van het kanaal, +waar hij niet weinig trotsch op was. + +</p> +<p>ʼs Middags na schooltijd liep Jan met zijn vriend Karel van Dril het dorp in, en kwam bij de drie bruggen. Zij zagen, dat +het water daar nog open lag. Dat was bijna altoos zoo in den winter. Alleen als het lang bleef vriezen, werd het daar ook +sterk genoeg, om er over te loopen. Zij stonden er een poosje naar te kijken, toen plotseling hunne aandacht werd getrokken +door Frans Thor, die een vuilen hond vervolgde. Hij wierp het beest met steenen. ʼt Was een broodmager beest, dat er vreeselijk +vervuild uitzag. De jongens herkenden dadelijk Fik in hem, den hond van den orgeldraaier Klaas Touw. + +</p> +<p>“Houdt hem! Houdt hem!” riep Frans hun toe. + +</p> +<p>“Een heldendaad van Frans,” zei Jan tot Karel. “Hij kan geen hond met rust laten.” + +</p> +<p>“Houdt hem! Houdt hem!” riep Frans nog eens. +<a id="d0e2736"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2736">129</a>]</span></p> +<p>De hond was nu op het midden van de brug. Jan en Karel deden, of zij Frans niet hoorden. Maar juist kwam Klaas Zwart van den +anderen kant de brug op. + +</p> +<p>“Houd hem, Klaas!” riep Frans zijn vriend toe. “Jaag hem op!” + +</p> +<p>“Ja,—ja!” was het antwoord. En met zijn armen zwaaiende en onder een luid geschreeuw joeg hij het verhongerde beest terug. + + +</p> +<p>Spoedig kwam Fik nu Frans weer tegen, en deze joeg hem ook terug. De dierenkwellers hadden braaf schik in den angst van den +hond, die, naarmate de jongens elkander naderden, meer in het nauw gedreven werd. Eindelijk wist het arme dier geen raad meer, +en toen het probeerde om langs de beenen van Frans te ontsnappen, op gevaar af een schop van dien jongen te krijgen, gaf deze +hem een duw, waardoor hij van de brug af in het water viel. + +</p> +<p>Wat hadden Frans en Klaas een pret. En hoe vermaakten zij zich met de wanhopige pogingen van het dier om zich te redden. + +</p> +<p>De lantaarnopsteker, die op zijn laddertje stond, om de lantaren schoon te maken en de peer van de lamp te vullen, was er +verontwaardigd over, en hij riep de jongens toe, dat zij zich schamen moesten. Hij klom naar beneden en zag, hoe het beest +tevergeefs poogde zich te redden. + +</p> +<p>“ʼt Is meer dan schandelijk!” riep de man nog eens. “ʼt Beest is onherroepelijk verloren. Wie zal het wagen, het te redden? +Wie het doet, loopt groot gevaar om zelf te verdrinken. Zulke dierenbeulen!” + +</p> +<p>Ook Jan en Karel zagen met smart de pogingen van den armen hond, om zich te redden, ʼt Was duidelijk, dat het beest verdrinken +moest. Eene hevige verontwaardiging maakte zich van Jan meester, en ook Karel vond het eene schandelijke daad. +<a id="d0e2753"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2753">130</a>]</span></p> +<p>Fik zwom in het breede wak rond, nu hier, dan daar pogingen doende, om op het ijs te klimmen. Maar dit was te glad. Telkens +gleden zijn pootjes uit en zakte hij in het water terug. + +</p> +<p>Jan kon het niet langer aanzien. + +</p> +<p>“Mag ik dat laddertje gebruiken?” vroeg hij aan den lantaarnopsteker. Zonder antwoord af te wachten, lichtte hij de haken +los, waarmede het aan den paal bevestigd was, en liep er mede naar den kanaalkant. + +</p> +<p>“Niet doen, Jan, niet doen!” riep Karel hem toe. + +</p> +<p>Maar Jan antwoordde niet. + +</p> +<p>“Dàn zal ik je helpen!” hernam Karel, en hij voegde zich bij zijn vriend. Maar deze stond al op het ijs. + +</p> +<p>“Blijf daar, Karel, ik ben lichter,” zei Jan kortaf. + +</p> +<p>Hij schoof het laddertje voor zich uit en naderde behoedzaam het wak. Al was Jan nòg zoo mager, en al woog zijn lichaampje +nòg zoo licht, toch liet het ijs, dat bij de brug erg dun was, een dreigend gekraak hooren. Jan liet er zich echter niet door +weerhouden. Bedaard ging hij verder, half steunende op het laddertje, dat hij met kleine stootjes voortduwde. + +</p> +<p>“Fik! Fik!” riep hij den hond toe. + +</p> +<p>Het beest zag hem komen. Met verkleumde pooten zwom het in het ijskoude water. Het jankte van vreugde.... Bijna kon het zich +niet meer bewegen. Het uiterste einde van het laddertje had het begin van het wak bereikt. + +</p> +<p>Vele menschen verzamelden zich langs de brugleuning, en met angstige spanning volgden zij de bewegingen van den knaap. Ook +Janʼs vader was op de brug. Zijne oogen waren geen seconde van zijn dapperen jongen af. Ha, hoe verheugde hij zich over deze +kranige daad van zijn kind. Hij was trotsch op hem! + +</p> +<p>Jan keek op noch om. Al zijne gedachten waren op één <a id="d0e2778"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2778">131</a>]</span>punt gericht, namelijk, dat het zijn plicht was den armen hond te redden. Op handen en knieën kroop hij behoedzaam verder. + + +</p> +<p>Het ijs boog door. Er kwam water op. De ladder werd nat. Maar Jan keerde niet terug. Hij zag, dat de hond op ʼt punt was van +verdrinken. + +</p> +<p>Nog een sport,—daarna nog een.... + +</p> +<p>Hij legde zich lang-uit op de ladder. Zijne kleêren werden nat. Toen strekte hij den arm uit, en met een krachtigen greep +trok hij den hond uit het wak. Verkleumd bleef het dier liggen. + +</p> +<p>Jan durfde zich niet omkeeren. Hij wist bijna zeker, dat het ijs dan breken zou. Zoo voorzichtig mogelijk kroop hij achteruit, +langzaam—langzaam verder. Den hond trok hij meê. + +</p> +<p>Eindelijk had hij het achtereinde van het laddertje bereikt en moest hij op het ijs stappen. Maar daar was het niet zoo erg +zwak meer. De hond kwam eenigszins tot zichzelven. Bevend op zijne pooten liep het dier naar den walkant. Daar hielp Karel +het omhoog, tegen den walkant op. Eindelijk had ook Jan den oever bereikt.... + +</p> +<p>En op ʼt zelfde oogenblik klonk een daverend handgeklap hem in de ooren. De menschen, die gezien hadden, welk heldenstuk hij +had verricht, verbraken de stilte en juichten hem toe. Jan kreeg er een kleur van. En zijn vader drong door het volk heen +en drukte hem in zijn armen. Hij had er zoowaar tranen van in de oogen. + +</p> +<p>“Ben je erg nat?” vroeg Dik. + +</p> +<p>“Haast niet, Vader,” zei Jan. “Ik ga met Karel den hond even thuisbrengen, want hij kan bijna niet loopen.” + +</p> +<p>“Goed, goed,” zei Dik, “maar dan direct droog goed aantrekken.” + +</p> +<p>Jan en Karel vertrokken met den verkleumden hond, <a id="d0e2800"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2800">132</a>]</span>en de menschen vervolgden hun weg. Met lof werd over Jan gesproken. Iedereen had er den mond vol van. Maar de dierenbeulen +Frans en Klaas waren stilletjes afgedropen. + +</p> +<p>Het huisje van Klaas Touw, den orgeldraaier, stond een weinigje achteraf, aan een achterweg. De jongens hadden het spoedig +bereikt. Zij deden de deur van het armoedig hutje open en traden binnen. + +</p> +<p>Mietje zat bij de tafel. Zij zag er bleek en mager uit, en hare oogen keken de jongens droevig aan. De bedsteêdeuren aan den +achterkant van het kamertje stonden open, en de jongens zagen, dat Klaas Touw te bed lag. Hij was ziek. + +</p> +<p>“Hier is uw hond, Mietje,” zei Jan, die den hond in de kamer liet loopen. “We hebben hem uit het water gehaald. Hij lag in +het wak bij de brug.” + +</p> +<p>“Neen, <i>wij</i> niet, maar Jan heeft hem er uitgehaald,” zei Karel, die zijn vriend om diens heldendaad bewonderde. “Met levensgevaar heeft +hij hem gered.” + +</p> +<p>“Zoo,—arme Fik,” zei Mietje. “Was hij maar verdronken.” + +</p> +<p>“Waarom?” vroegen de jongens als uit één mond. Zij waren niet weinig verwonderd over die woorden. + +</p> +<p>“Waarom? Wel, dan was hij meteen uit zijn lijden. Klaas is ziek, en hij zal wel zoo gauw niet beter wezen, zegt de dokter. +We hebben zelf niet eens te eten, hoe zal ik dan voor den hond zorgen?” + +</p> +<p>De jongens keken de vrouw zwijgend aan. En hun blik dwaalde door het armoedige vertrek en naar het bed van den zieke. Zij +zagen ook, dat er geen vuur was in de oude kachel, en dat de bloemen dik op de ruiten stonden. + +</p> +<p>“En uw orgel dan?” vroeg Jan na een poosje. + +</p> +<p>“Dat is weggehaald, omdat wij de huur ervan niet betalen konden,” zei Mietje, en zij kreeg de oogen vol tranen. “Wij lijden +armoê, jongens, erger dan ik het zeggen kan.” +<a id="d0e2825"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2825">133</a>]</span></p> +<p>De jongens wisten niet veel te zeggen, maar zij kregen diep medelijden met die arme menschen. + +</p> +<p>“Weet je wat, Mietje,” zei Jan. “Morgen is het ijs wel sterk. Ga dan met een tentje op het ijs staan, om melk en koek te verkoopen.” + + +</p> +<p>Vrouw Touw lachte droevig. + +</p> +<p>“Hoe moet ik aan melk komen?” zei ze met een zucht. “En aan chocolade en suiker en koek? Wie zal mij dat alles borgen?” + +</p> +<p>“Mijn vader wel,” zei Jan beslist. “Ik ga het hem vragen. Ga je mee, Karel?” + +</p> +<p>De jongens liepen op een drafje naar huis. En toen Jan verteld had, hoe het met den orgeldraaier en diens vrouw gesteld was, +zei Dik: + +</p> +<p>“Zeker wil ik helpen, jongen! Ga maar aan Mietje zeggen, dat ik haar alles wil voorschieten, wat zij noodig heeft.” + +</p> +<p>“Hoera!” riep Jan. “Wat is u toch goed, Vader. En mogen ze een paar oude stoelen hebben, en wat palen en een paar banken?” + + +</p> +<p>“Ja,” zei Dik lachend, want het verheugde hem, dat Jan en Karel zich zoo druk maakten om een paar arme menschen te helpen, +die in nood verkeerden. “Maar weet je, wat in de eerste plaats noodig is? De stakkers hebben niets in huis, zelfs geen brandstof +om de kachel te stoken. Span je bok voor den wagen, en breng er dadelijk flink wat turven naar toe. Ik zal dan meteen een +en ander uit den winkel inpakken, zoodat ze van avond wat te eten hebben ook.” + +</p> +<p>“Ja, ja,—ik met den bokkenwagen, en Karel met de automobiel! Dat zal leuk wezen.” + +</p> +<p>ʼt Was intusschen al donker geworden, en de sterretjes begonnen al weder aan het hemelgewelf te flonkeren. +<a id="d0e2848"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2848">134</a>]</span></p> +<p>Jan en Karel hadden het druk, want zij maakten van Dikʼs mildheid een ruim gebruik. De automobile werd volgestapeld met turven +en kachelblokjes, en in het bakje van den bokkenwagen kwamen verscheidene zakjes met levensmiddelen. Dik wist wel, wat het +meest noodig was. + +</p> +<p>Toen de jongens wegreden, keken Dik en Anneke hen lachend na, en Dik herinnerde zich op dat oogenblik weer levendig, hoe hij +zich als kind op een donkeren avond geheel alleen op weg begeven had, om aan de heks op den achterweg, die ook in nood verkeerde, +levensmiddelen te brengen. En hij voelde zich gelukkig, dat hij zulk een goed kind had. + +</p> +<p>In het hutje van de twee arme menschen heerschte dien avond groote blijdschap. Jan en Karel werden hartelijk door den orgeldraaier +en diens vrouw bedankt. + +</p> +<p>“Morgen zullen we een tent voor u bouwen, Mietje,” zei Jan. “En Vader wil u al het noodige voorschieten, om alles te kunnen +inslaan. Wacht maar, u zal eens zien, hoe ʼn mooie tent wij zullen maken.” + +</p> +<p>De jongens keerden naar huis terug. De bok liep met opgetrokken pooten, want hij vond de bevroren sneeuw erg koud, en hij +was er slecht over gestemd, dat hij zijn warm plaatsje bij den hit had moeten verlaten. Karel draaide lustig aan het wiel +van de automobile. “Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf klonk het achter den bokkenwagen. De beide lantarens gaven een helder licht, en de +jongens vonden het een prettig tochtje. Zij spraken af, den volgenden morgen vroeg op te staan en dan ijverig te gaan bouwen +aan de tent. Met een prettig gevoel in hun borst keerden zij in huis terug. Zij voelden zich tevreden en gelukkig. + + + +<a id="d0e2859"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2859">135</a>]</span></p> +</div> +<div id="d0e2860" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Twaalfde Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>Een goede daad, een vroolijke dag en een treurige morgen.</p> +</div> +<p>Wat was Jan Trom vroeg wakker. ʼt Was nog maar kwart over zessen, toen hij uit zijn bed stapte. Zijn vader werd er wakker +van, toen Jan de luiken opende. + +</p> +<p>“Wie is daar?” vroeg Dik. + +</p> +<p>“Ik Vader,” zei Jan. “Weet u niet meer, dat we eene tent zouden bouwen voor Mietje van Klaas Touw. De bloemen staan weer dik +op de ruiten. ʼt Heeft bepaald erg hard gevroren.” + +</p> +<p>“Zeker wel,” zei Dik. + +</p> +<p>Jan was spoedig aangekleed. Hij opende de provisiekast en nam er een paar sneden brood uit, die hij gebruikte met een glas +melk. Daarna verliet hij het huis, om zijn vriend te gaan wekken. Nauwelijks was hij vertrokken, of ook Dik stapte zijn bed +uit. Hij was bang, dat het bouwen van een ijstent de krachten der jongens te boven zou gaan, en daarom wilde hij gereed zijn +om zoo noodig een handje te kunnen helpen. + +</p> +<p>Karel van Dril was al op, toen Jan hem kwam roepen. + +</p> +<p>“Wat is het koud, hè?” zei Karel huiverend. + +</p> +<p>“Ja, erg koud,” zei Jan. “Maar wij zullen ons wel warm werken. Om negen uur moet de tent klaar zijn, want dan gaat de school +aan en moeten wij binnen zijn.” + +</p> +<p>“Ja,” zei Karel. “Ik ben klaar, Jan. Zullen we gaan?” + +</p> +<p>“Goed.” + +</p> +<p>De jongens gingen naar buiten. Lange, dunne palen namen zij op de schouders en droegen die naar het ijs. Het kanaal was dicht +bij hun huis. Zij hadden den weg maar over te steken om het te bereiken. Een goed plaatsje <a id="d0e2888"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2888">136</a>]</span>was spoedig gevonden. Zij besloten de tent te bouwen vlak voor den winkel van Dik Trom. Een paar malen liepen zij heen en +weer om alles te halen, wat zij noodig hadden. + +</p> +<p>Daarna gingen zij aan het werk. + +</p> +<p>Eerst moesten er met een bijl gaten in het ijs worden gemaakt. Jan begon te hakken. O, wat was het ijs hard. De splinters +spatten hem bij elken hak om de ooren, en rinkelend vlogen zij een eind ver over de gladde ijsvlakte. + +</p> +<p>ʼt Was een zwaar werkje. Al spoedig had Jan geen last meer van de koû, en hij merkte, dat het niet gemakkelijk zou gaan, een +gat in het ijs te hakken. Hij zuchtte zoo hard, dat Karel er om lachen moest. + +</p> +<p>“Toe maar, hak maar raak,” zei hij. “Ik zal wel voor je zuchten.” + +</p> +<p>Jan begon te wanhopen, of hij er wel mee klaar zou komen. Maar eindelijk toch zakte zijn bijl door het ijs. Het water drong +er doorheen. Nog een paar slagen, en het schotsje was los. Met de bijl wipte hij het stuk ijs omhoog. + +</p> +<p>“Zie zoo, dat is er één,” zei hij. “Nu den paal er in.” + +</p> +<p>“Doe jij dat maar, dan zal ik intusschen het tweede gat hakken,” zei Karel. Hij nam de bijl, en trok aan ʼt werk. Op dit oogenblik +kwam Dik Trom aanstappen. Hij kwam eens kijken, of de jongens het klaar zouden spelen. + +</p> +<p>“Gaat het goed?” vroeg hij. + +</p> +<p>“Best, Vader,” zei Jan. “O, maar wat is dat ijs hard. Ik kan er bijna niet doorheen slaan met de bijl.” + +</p> +<p>“Ja, dat dacht ik wel. Daarom kwam ik juist even kijken. Maar ik zie wel, dat mijn hulp niet noodig is. Hoeveel palen moeten +er in?” + +</p> +<p>“Wij dachten van zeven,” zei Karel. “ʼt Zou met minder kunnen, maar als het dan wat hard gaat waaien, is de tent niet sterk +genoeg.” +<a id="d0e2912"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2912">137</a>]</span></p> +<p>“Je hebt gelijk,” zei Dik. “Wel, wel, wat is dat ijs gl....” + +</p> +<p>“Glad,” wilde hij zeggen, maar zoover kwam hij niet, want plotseling gleden zijne beenen onder hem weg, en viel de dikke Dik +met een geweldigen bom op het ijs. Het ging zoo snel en onverwachts, dat hij eerst niet wist, wat er gebeurde. Het ijs kraakte +niet zooʼn beetje, en er kwam een groote ster in. + +</p> +<p>Gelukkig bezeerde Dik zich niet, en de jongens konden er dus naar hartelust om lachen. Doch zij gunden zich daar niet veel +tijd toe, want zij moesten hard werken om op tijd klaar te komen. Om de beurt hakten zij een gat in het ijs, en toen Dik koud +werd, hakte hij er ook een. De tent schoot flink op. Aan drie kanten werden er zeilen aan de palen bevestigd, en de vierde +kant bleef natuurlijk open. Om acht uur waren zij met hun arbeid gereed. Toen repten zij zich naar huis, om een oude tafel, +wat afgedankte stoelen en een paar banken te halen. Ook namen zij ieder eene vlag mêe, en die werden aan de twee voorste palen +bevestigd. Om half negen was de tent kant en klaar. Dik was al lang naar huis, want hij zag, dat de jongens zijne hulp best +konden ontberen, en hij vond het een prettiger idee voor hen, dat zij de tent geheel alleen bouwden. Toen om half negen Mietje +op het ijs verscheen, sloeg zij van verbazing de handen in elkaar, en zij was wat grootsch op de mooie tent, die de jongens +voor haar hadden gemaakt. En alles was gereed. Zij had er om zoo te zeggen zóó maar in te stappen. Alleen moest zij nog melk +koken en de noodige koeken bij den bakker bestellen. De arme ziel wist geen woorden te vinden, om de jongens te bedanken voor +alles, wat zij voor haar en haar zieken man hadden gedaan. + +</p> +<p>“Hoe is het met Klaas?” vroeg Jan. + +</p> +<p>“Nog hetzelfde,” was het antwoord. “Hij ligt nu al vier <a id="d0e2923"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2923">138</a>]</span>weken te bed, en ik zie niet den minsten vooruitgang. Maar hoe zou dat ook kunnen? Wij zijn te arm, om de versterkende middelen +te kunnen koopen, die zijn verzwakt lichaam noodig heeft, want hij is door en door verzwakt, zegt de dokter.” + +</p> +<p>“Nu, wie weet, hoeveel u vandaag nog verdient,” zei Karel. “En hoe is het met Fik?” + +</p> +<p>“O, die is weer geheel en al in orde. Hij houdt den baas gezelschap. Die moet natuurlijk den heelen middag alleen in huis +blijven. Maar hij zal zich wel redden. Ik zal de tafel bij zijn bed schuiven en alles, wat hij noodig heeft, daarop klaar +zetten. Vóór twee uur van middag behoef ik niet in de tent te staan, en om vijf uur kan ik wel al weer thuis zijn. Dan wordt +het donker en gaan de schaatsenrijders naar huis. Dus langer dan een uur of drie, vier is hij niet aan zijn lot overgelaten. +O jongens, wat redden jullie me heerlijk uit den nood; je weet niet, hoe dankbaar ik ben.” + +</p> +<p>“Dat is niet noodig, Mietje. We hopen, dat je vandaag nu maar flink geld verdient. Maar ʼt wordt voor ons tijd om naar school +te gaan. Vanmiddag zullen we wel vacantie krijgen, denk ik, nu het zulk mooi ijs is.” + +</p> +<p>“ʼt Is te hopen,” zei Karel. “Hè, wat heb ik een zin om te gaan rijden.” + +</p> +<p>“En ik!—Dag Mietje, tot vanmiddag!” + +</p> +<p>De jongens gingen naar huis. Het gebruikte gereedschap namen zij mee, en eenige minuten later stapten zij de school binnen. +Zij dachten dien morgen meer aan het mooie ijs, dan aan de lessen. + +</p> +<p>Mietje was intusschen druk in de weer om alles voor den middag in gereedheid te brengen. Bij den bakker bestelde zij een groot +getal ijskoeken, die ook wel dikke Pieten werden genoemd, eene lekkernij, waar de jongens <a id="d0e2939"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2939">139</a>]</span>verzot op waren, en die de meisjes ook wel lustten. Dik Trom had aan den bakker gezegd, dat hij voor de goede betaling borg +stond. Ook gaf Dik de noodige chocolade en suiker, en mocht zij bij Wobbe op zijne rekening zooveel melk bestellen, als zij +dacht noodig te hebben. Mietje vloeide over van dankbaarheid. + +</p> +<p>“Zorg nu,” zei Dik, “dat alles er netjes en zindelijk uitziet in je tent, en maak de kopjes telkens schoon, als er uit gedronken +is. De menschen hebben een hekel aan vuile koppen en schotels.” + +</p> +<p>Dik wist wel, dat Mietje niet aan overdreven zindelijkheid leed. + +</p> +<p>“Daar zal ik voor zorgen,” zei Mietje. + +</p> +<p>Van een kastelein had zij de noodige koppen en schotels geleend. Zoo werd Mietje door de hulp van verschillende menschen, +die medelijden met haar hadden, netjes ingespannen, en om één uur stond zij al in hare tent, gereed om de gasten te ontvangen. + + +</p> +<p>Jan en Karel hadden goed geraden. Dien middag kregen zij inderdaad vacantie. Dat gaf eene vreugde. Onder een luid gejoel verlieten +de kinderen de school, om te gaan eten. Sommigen gunden zich daar haast den tijd niet eens toe, zoo verlangden zij om op ʼt +ijs te komen. + +</p> +<p>Om een uur krioelde het al van jongens en meisjes op de baan, en Mietje kreeg het al aardig druk in hare tent. Jan en Karel +waren er ook. Hun eerste gang was naar Mietje, want zij wilden graag de eersten zijn, die wat bij haar kochten. En Mietje +zag er wat helder uit. Van Anneke had zij een grooten huishoudboezelaar gekregen, die hare armoedige plunje geheel bedekte. +Ook de kopjes waren helder gewasschen, en ʼt zag er gezellig bij haar uit. Jan en Karel zagen met genoegen, dat zij het verbazend +druk kreeg. Dat was trouwens geen wonder, want zij was de <a id="d0e2953"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2953">140</a>]</span>eenige, wier tent geheel klaar was. Er waren er nog wel verscheidene in aanbouw, maar gereed was er nog maar een, en dat was +de hare. Wat hadden de twee jongens er een pret in. Vroolijk zwierden zij op de baan heen en weer, want zij konden goed rijden, +vooral Jan. Die kon al zwieren als de beste. Dat had hij van zijn vader geleerd die ook een groot liefhebber van het ijsvermaak +was. En als zij een poosje gereden hadden, gingen zij uitrusten in de tent van Mietje, die er recht gelukkig en tevreden uitzag, +want zij kon wel aan het bedienen blijven. + +</p> +<p>“Dikke Pieten! Dikke Pieten!” riep Karel lachend zijne kameraden toe. “Steekt er eens op, en legt er eens aan! Lekkere, versche +dikke Pieten! De mooiste ijskoeken van de wereld!” + +</p> +<p>De jongens en meisjes lachten er om, en toen zij hoorden, dat Mietje het zoo erg arm had en dat haar man ziek was, en daarbij +vernamen, dat Karel en Jan samen die mooie tent voor haar hadden gebouwd, kijk,—toen wilde iedereen ook een steentje bijdragen +om den nood der arme menschen te lenigen, en wie wat koopen wilde, deed het daarom bij Mietje. + +</p> +<p>Jan ging ook achter de tafel staan, en riep zoo hard hij kon: + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span>“Heete melk en koude Jan,</span></p> +<p class="line" style=""><span>Steekt er eens op en legt er eens an!”</span></p> +</div> +</div> +<p>De kinderen moesten er hartelijk om lachen, maar ʼt gevolg was toch, dat de koeken als ʼt ware wegvlogen, en dat Mietje telkens +een nieuwen voorraad melk moest koken. Hare zaakjes gingen best, opperbest, en zij ontving zooveel geld, als zij in haar heele +leven nog niet bij elkaar had gezien. + +</p> +<p>Later op den middag kreeg zij het nog drukker. Toen kwamen de groote menschen op de baan. Ook Dik Trom <a id="d0e2970"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2970">141</a>]</span>stapte met zijn schaatsen onder den arm het ijs op. En even later verschenen de twee mannen, met wie hij al van zijne vroegste +jeugd af trouwe vrienden was geweest, namelijk Piet van Dril, de smid, en Jan Vos, de metselaar. In de tent van Mietje bonden +zij de schaatsen onder. Dik trakteerde eenige jongens, die dicht in de nabijheid stonden, op dikke Pieten, en even later zwierde +het drietal lustig over de baan. Wat kreeg deze meer en meer een vroolijk aanzien. De andere tenten waren nu langzamerhand +ook gereed gekomen, en de vlaggen wapperden vroolijk in den wind. En wat kwamen er een menschen op het ijs! ʼt Werd er hoe +langer hoe voller, en soms, als de menschen erg dicht op een hoop stonden, gaf het ijs een geweldigen krak, zoodat iedereen +er van schrikte en men ijlings uit elkander stoof. + +</p> +<p>De baanvegers hadden weinig te doen, want het ijs was spiegelglad. Des te meer tijd hadden zij om geld op te halen. + +</p> +<p>“Een centje voor den baanveger!” klonk het hier. “Een centje voor den baanveger,” <span id="d0e2976" class="corr" title="Bron: klok">klonk</span> het daar. ʼt Leek wel, of de baanvegers uit den bodem van het kanaal opstegen, zooveel kwamen er. Maar de schaatsenrijders +genoten volop, en zij hadden een gulle bui. Dik Trom, wiens winkel thans verreweg de grootste was van het geheele dorp, zoodat +hij veel geld verdiende en van nabij met den toestand der baanvegers bekend was, liet menig dubbeltje in de handen der baanvegers +overgaan. Hij was niet gierig, en als hij wist, dat hier of daar armoede geleden werd, was hij altoos bereid om te helpen. +Hij was dan ook verbazend bemind onder zijne dorpsgenooten. Iedereen had een vriendelijk woord voor hem over, en niemand passeerde +hem zonder een groet. + +</p> +<p>“Dag Dik!” werd er overal geroepen, waar hij voorbij <a id="d0e2981"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2981">142</a>]</span>reed. “Dag Dik! Dat is nog eens een echt ouderwetsch dagje, hè?” + +</p> +<p>ʼt Was vreemd, maar Dik werd op het dorp nog bijna door iedereen Dik genoemd. Zelden zeide men Trom tegen hem. + +</p> +<p>Hij kon mooi schaatsenrijden, veel mooier, dan men van zooʼn dikken man verwacht zou hebben. Als hij goed aan het zwieren +was, had hij aan de breede baan niet genoeg, neen, dan gebruikte hij wel de halve breedte van het kanaal. En ʼt was grappig +om te zien, als Jan achter hem aanzwierde. Dik had altoos een ijsstok bij zich, met aan elk einde een knop. Soms hield Dik +het eene einde onder den arm, en Jan het andere, en dan zwierden zij samen zoo kolossaal, dat de menschen bleven staan om +er naar te kijken. En ʼt was een grappig gezicht, dien dikken Dik en dien mageren Jan samen aan den stok te zien zwieren. +Iedereen lachte er om, en Dik zelf ook.... Ha, wat was Jantje dan grootsch. Dan reed hij zoo prachtig beentje-over, dat Karel +van Dril er jaloersch op was. + +</p> +<p>Het drukste punt van de geheele ijsbaan was, waar de tent van Mietje stond. Karel en Jan zagen met onbeschrijflijk veel genoegen, +dat hare tent nooit leeg was. Altijd zaten er menschen op de stoelen of banken, om uit te rusten, en iedereen gebruikte wat +bij haar. De koek was om drie uur al uitverkocht, maar melk had zij in overvloed. Haar zak was zwaar van de centen, die zij +ontvangen had, en steeds kwam er meer bij. Iedereen wilde haar helpen in den nood. Alleen de andere tenters waren er een beetje +boos om, maar toch niet heel erg, want het was zóó druk op de baan, dat ook zij een heel goeden dag maakten. + +</p> +<p>Frans Thor en Klaas Zwart waren ook aan het schaatsenrijden, maar de andere jongens ontweken hen zooveel mogelijk. Zij wilden +ʼt liefst niet met hen te maken hebben. +<a id="d0e2991"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2991">143</a>]</span></p> +<p>Eindelijk begon de schemering te vallen, en de drukte op het ijs verminderde gaandeweg. Vele boerenjongens en -meisjes moesten +naar huis, om de koeien te melken en het vee te voederen, en langzamerhand zakten ook de anderen op huis af. Jan en Karel +waren onder de laatsten, die vertrokken. + +</p> +<p>“Kunnen we je helpen, om een en ander naar huis te brengen, Mietje?” vroegen zij. Want zij hadden zich nu eenmaal voorgenomen, +Mietje zooveel zij konden terzijde te staan. + +</p> +<p>“Neen, jongens, dank je vriendelijk,” was het antwoord. “De kopjes en schoteltjes doe ik in een sleetje en neem ik meê naar +huis. Maar den vuurpot en den ketel laat ik van nacht hier maar staan. Dat wordt anders maar heen- en weer sjouwen voor niemendal.” + + +</p> +<p>“En heb-je goede zaken gemaakt?” vroegen de jongens blij, want zij wisten wel, hoe het antwoord zou zijn. + +</p> +<p>“Goede zaken?”—Of ik!” zei Mietje, en zij klopte met hare hand op den zak, die onder haar boezelaar hing. De jongens hoorden +een rinkelend geluid. + +</p> +<p>“Allemaal centen, Mietje!” plaagde Jan. “Dat beschiet niet veel.” + +</p> +<p>“Allemaal centen?” herhaalde Mietje, terwijl zij een flinken greep in den zak deed, en den inhoud van hare hand op de tafel +uitstortte. “Allemaal centen? Kijk eens, een dubbeltje, weer een, hier nog een, een kwartje, nog een kwartje, daar nog een +dubbeltje,—neen, neen, als het nog een paar dagen mag blijven vriezen, ga ik den winter zonder zorg tegemoet.—En dat heb ik +alles aan jelui te danken,—en aan je vader, Jan.” + +</p> +<p>Zij deed het geld weer in den zak, pakte alles wat meegenomen moest worden, in de slede, schoof de tafels en stoelen zooveel +mogelijk in elkaar en ging naar huis. +<a id="d0e3008"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3008">144</a>]</span></p> +<p>“Zeg aan je vader, dat ik vanavond met hem kom afrekenen,” zei ze nog tegen Jan. “Ik heb vandaag wel zooveel verdiend, dat +ik mezelf verder redden kan. ʼt Is een pak van mʼn hart, jongens.” + +</p> +<p>Jan en Karel gingen recht vergenoegd naar huis. De lucht zag er wel naar uit, dat het weer geducht vriezen zou. + +</p> +<p>ʼs Avonds kwam Mietje inderdaad met Dik afrekenen en zij deelde hem mede, dat zij wel meer dan twintig gulden had verdiend. +Dik was er recht blijde om, en hij gaf Jan een knipoogje, of hij zeggen wilde: “Zie je, Jan, dat is het werk van jou en je +vriend. Je hebt eene goede daad gedaan.” + +</p> +<p>Vol vreugde keerde Mietje naar haar hutje terug. Klaas en zijne vrouw hadden zich in langen tijd niet zoo gelukkig gevoeld. + + +</p> +<p>Helaas, de blijdschap van Mietje zou al spoedig in verdriet veranderen. Toen zij den volgenden morgen in de tent kwam, om +alles voor den middag in orde te brengen, want het had weer sterk gevroren, bemerkte zij tot haar grooten schrik, dat de ijzeren +pot, dien zij van Van Dril te leen had gekregen, en de mooie koperen ketel, dien De Vries, de kastelein, haar ten gebruike +had afgestaan, verdwenen waren. Eerst meende zij nog, dat de andere tenters een grapje hadden willen hebben en een en ander +hadden weggehaald, maar dat bleek niet zoo te zijn. Die menschen vermisten ook voorwerpen, die zij in de tenten hadden achtergelaten, +en zij waren erg boos en terneergeslagen. + +</p> +<p>“ʼt Is eene schande,” zei er een. “Ik dacht zóó, dat de diefstallen ten einde waren, en nu komen zij ons armoedje nog wegstelen.” + + +</p> +<p>“Ja, ʼt is eene schande,” zei een ander. “De politie doet hier ook niets. Maar ik ga naar den burgemeester <a id="d0e3023"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3023">145</a>]</span>om mij te beklagen. ʼt Is verregaand, dat er niets meer veilig is op ʼt dorp.” + +</p> +<p>“Ik ga meê,” riep een derde. + +</p> +<p>“En ik! En ik,” zeiden de anderen. + +</p> +<p>En te zamen verlieten zij het ijs, om naar den burgemeester te gaan en hem te zeggen, dat er verschillende voorwerpen uit +de tenten ontvreemd waren. + +</p> +<p>Mietje kreeg de tranen in de oogen. Al hare verdiensten waren weer weg, want zij moest de gestolen voorwerpen natuurlijk vergoeden, +dat begreep zij zeer goed. Allereerst ging zij naar Van Dril, om hem te zeggen, wat er gebeurd was. + +</p> +<p>“Dat is verregaand!” riep hij uit. “ʼt Wordt hoog tijd, dat de dieven gesnapt worden, want zóó kan het niet langer. Maar jij, +arme ziel, behoeft de schade niet te lijden. Hier staat nog een andere pot met toebehooren. Gebruik dien maar, doch laat hem +ʼs nachts niet meer op het ijs staan. Alles, wat je in de tent gebruikt, moet je vanavond opbergen. Anders heb je kans, dat +morgen alles weer verdwenen is.” + +</p> +<p>Mietje bedankte van Dril voor zijn goedheid, en begaf zich dadelijk naar de Vries. Maar deze was lang zoo vriendelijk niet +als de smid. Hij werd zelfs onbillijk. + +</p> +<p>“Daar heb je ʼt al,” riep hij uit, toen Mietje hem het gebeurde had verteld. “Dan leen je aan zulk volk je beste spullen, +en in plaats, dat zij er dankbaar voor zijn en er goed op passen, maken ze, dat je ze nooit terugziet. Maar je zult me den +ketel betalen, wat ik je zeg! ʼt Was een beste, koperen ketel, een zware koperen ketel, en ik laat hem maar niet goedschiks +verdonkeremanen! Wie weet, wat je er mêe uitgevoerd hebt.” + +</p> +<p>“Ik? Er mêe uitgevoerd?” zei Mietje schreiend. “Ach, wat heb ik er een spijt van, dat ik hem niet meegenomen <a id="d0e3041"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3041">146</a>]</span>heb naar huis, gisterenavond, maar de andere tenters lieten hun boeltje ook in de tent achter, net zoo goed als ik. Wie kon +ook denken, dat de menschen zoo slecht zouden zijn, om ons armoedje weg te stelen.” + +</p> +<p>“Alles goed en wel, maar ik moet den ketel terughebben, of je zult mij de schade vergoeden. Met minder dan vijf gulden ben +ik niet tevreden. ʼt Was een dure ketel, en nog zoo goed als nieuw!” + +</p> +<p>“Vijf gulden?” stamelde Mietje verschrikt. “Vijf gulden, zegt u?” + +</p> +<p>“Ja, vijf gulden minstens,” was het antwoord. “Koper is duur.” + +</p> +<p>Verdrietig keerde Mietje naar de tent terug. Zij wist geen raad om zich te helpen. + +</p> +<p>“Wie zal mij weer een ketel leenen?” vroeg zij droevig. + +</p> +<p>“Dat zal ik doen,” zei Anneke. “Je kunt mijn ketel gebruiken, Mietje, als je er maar voor zorgt, dat hij elken avond bij mij +binnengebracht wordt.” + +</p> +<p>“O, dat zal ik zeker,” zei Mietje. “Een ezel zelfs stoot zich geen tweemaal aan denzelfden steen.” + +</p> +<p>ʼt Ging als een loopend vuurtje door het dorp, dat de dief weer aan den gang was geweest. En de burgemeester vond, dat er +hoog noodig een einde aan moest komen. Zoodra hij het gebeurde vernomen had, liet hij dadelijk Flipsen bij zich ontbieden. +Deze kwam direct, en onderweg vernam hij al, wat er aan de hand was. Maar de burgemeester vertelde het hem nog eens dunnetjes +over. Flipsen hoorde hem zwijgend aan; er speelde een bijna onmerkbaar glimlachje om zijne lippen. Hij meende te weten, waar +hij thans zoeken moest. + +</p> +<p>“Je moet bij de tenters eerst gaan onderzoeken, welke voorwerpen door hen worden vermist, en dan zoek je maar net zoo lang, +tot je den dief gevonden hebt,” besloot de burgemeester. +<a id="d0e3061"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3061">147</a>]</span></p> +<p>“Laat het maar aan mij over, burgemeester,” zei Flipsen met een hooge borst. “Ik zal het zaakje wel afwikkelen.” + +</p> +<p>Hij stapte op het ijs, en begaf zich met een zakboekje in de linker en een potlood in de rechterhand van de eene tent naar +de andere, en overal vroeg hij, welke voorwerpen gestolen waren. Het bleek hem, dat alle tenters hun ijzeren pot en grooten +ketel hadden achtergelaten, en dat die nu vermist werden. + +</p> +<p>De tenters waren er bitter slecht over te spreken, en Flipsen moest menig onaangenaam woord hooren. + +</p> +<p>“Waarom heb je niet beter uitgekeken?” vroeg er een. “Je doet ook niet veel voor den kost, Flipsen.” + +</p> +<p>En een ander merkte op: + +</p> +<p>“Of wij politie op het dorp hebben of geen politie, dat komt op hetzelfde neer. De dieven doen toch maar, wat ze willen.” + + +</p> +<p>“ʼt Is jullie eigen schuld,” gaf Flipsen ten antwoord. “Wie laat zulke dingen bij nacht en ontijd ook buiten staan? Je bent +te lui om voor je spullen te zorgen, en als ze dan gestolen worden, krijgt de politie de schuld. Zoo is het altijd. ʼt Is +het oude liedje en anders niet. Doch heb maar geduld. Dezen keer zul-je eens zien, dat Flipsen wèl uit zijne oogen gekeken +heeft, en terdege ook. Eer we een halven dag verder zijn, heb ik de dieven gesnapt, want er is er niet één, maar er zijn er +twee.” + +</p> +<p>De menschen keken hem ongeloovig aan. + +</p> +<p>“Twee?” vroegen ze. “Zijn er twee? Weet je dan, wie de daders zijn?” + +</p> +<p>“Ik weet, wat ik weet,” gaf Flipsen gewichtig ten antwoord. “En ik zeg, hebt maar geduld. Je zult je verloren zaakjes spoedig +genoeg terug hebben, veel vlugger zelfs, dan je denkt.” + +</p> +<p>Flipsen keerde zich om en begaf zich regelrecht op <a id="d0e3084"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3084">148</a>]</span>weg naar—den pottenschipper. De menschen zagen dat tot hunne verbazing, en ook zij begaven zich naar de hun welbekende schuit, +die niet ver van de tent van Mietje aan den wal lag. Dat was hare vaste plaats. Een plank lag van de schuit naar den walkant +om te maken, dat de bezoekers gemakkelijk op de schuit konden komen. + +</p> +<p>Flipsen liep de plank over en deed het deurtje van de kajuit open, die den pottenschipper tot woonvertrek diende. Eene warme +lucht kwam den veldwachter tegemoet. Hij zag dadelijk, dat de pottenschipper bij een klein tafeltje zat met een pijpje in +den mond. De rook dwarrelde door het geopende deurtje naar buiten. + +</p> +<p>“Goeden dag,” zei Flipsen binnentredende. Zijne oogen dwaalden onderzoekend in het kleine vertrekje rond. + +</p> +<p>“Dag Flipsen,” was het antwoord. “Kom binnen. Wat is er van je dienst?” + +</p> +<p>“Dat zal ik je zeggen. Er zijn ijzeren potten en verscheidene ketels gestolen uit de tenten, die op het ijs staan.” + +</p> +<p>“Is het waar?” vroeg de pottenschipper. En hij liet er op volgen: “Wat zijn die menschen onvoorzichtig, om zulke dingen ʼs +nachts te laten staan. ʼt Is meer dan dom.” + +</p> +<p>“Dat is het,” zei Flipsen. + +</p> +<p>“Maar ik begrijp niet, wat <i>ik</i> daarmede te maken heb,” hernam de schipper. “<i>Ik</i> ben gelukkig geen dief, en heb ze niet gestolen.” + +</p> +<p>“Zoo—ja, dat kan wel,” zei Flipsen, die wel een beetje in de war raakte, toen hij den schipper zoo kalm zag zitten. De man +was blijkbaar in ʼt geheel niet geschrokken door zijn bezoek, wat Flipsen toch stellig verwacht had. + +</p> +<p>“Zoo—ja, dat kan wel,” herhaalde hij. “En dat wil ik wel gelooven ook, maar ik dacht, de pottenschipper is iemand, die vodden, +beenen, oud ijzer en dergelijke dingen opkoopt. Misschien kan hij me inlichtingen geven, die me een beetje <a id="d0e3110"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3110">149</a>]</span>op weg helpen. Want die dieven moeten gevonden worden, dat spreekt van zelf.” + +</p> +<p>“Juist, hoe gauwer, hoe beter,” zei de pottenschipper. “Ik heb, zooals je weet, heel wat potten en pannen boven op mijn schuit +staan, en ik houd mijn hart in mijn lijf vast, dat de dieven daar ook een bezoek zullen brengen. Wat zou ik lachen, als je +ze snappen kon, Flipsen; ʼt is meer dan tijd. Maar inlichtingen,—neen, die kan ik niet geven. Ik heb van niets gemerkt.” + +</p> +<p>“En is u niets van dien aard te koop aangeboden ook?” vroeg Flipsen, terwijl hij zijn oogen strak op die van den schipper +gevestigd hield. + +</p> +<p>“Nu nog mooier!” riep deze uit. “Ze moesten het eens wagen met gestolen goed bij me aan te komen! Wat zouden ze gauw mijne +schuit uit zijn. Neen man, voor zoo iets zijn ze bij mij aan het verkeerde kantoor. Daar moet ik niets,—niemendal van hebben. +Dank je hartelijk!” + +</p> +<p>De veldwachter stond op. Hij begreep thans zeer goed, dat de pottenschipper òf totaal onschuldig was, òf dat deze te slim +was om zich te laten uithooren. Hij zeide dus: + +</p> +<p>“ʼt Spijt me, dat u me geen inlichtingen kan geven. Mag ik nu de schuit nog even van binnen bekijken?” + +</p> +<p>“Wel, nu nog mooier!” riep de schipper boos uit. “Wou je mijn schuit doorzoeken? ʼt Is fraai, dat moet ik zeggen. En met welk +doel, als ik vragen mag?” + +</p> +<p>“Louter uit nieuwsgierigheid,” zei Flipsen. Hij klom op het dek en begaf zich naar de voorzijde van de schuit. Hij wist, dat +daar de ingang was van het ruim, waar de schipper zijne meeste goederen bewaarde. Deze volgde hem onwillig, en hij deed niets +dan mopperen over de onbeschaamdheid van Flipsen. + +</p> +<p>“ʼt Is een schande, om een fatsoenlijk mensch van diefstal <a id="d0e3128"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3128">150</a>]</span>te verdenken,” zei hij. “Welke reden heb je daarvoor? Wie heeft er iets op mij aan te merken?” + +</p> +<p>Flipsen zei niets. Hij ging het ruim binnen en keek onderzoekend rond. Maar hij zag niets dan steenen voorwerpen voor huishoudelijk +gebruik, en alles fonkelnieuw. Achter in het ruim, in een donkeren hoek, vond hij ook nog een hoop vodden, beenen en oud-roest. +Hij was er te vies van, om het met zijne handen aan te raken. Daarom trok hij zijn sabel en wroette in den hoop rond. Maar +hij ontdekte niets verdachts, wat hem geducht tegenviel, want hij had er stellig op gerekend, de gestolen voorwerpen hier +aan te treffen. Er bleef geen gaatje ondoorzocht, en eindelijk verliet hij de schuit, zonder iets wijzer geworden te zijn. + + +</p> +<p>Er hadden zich heel wat menschen op den kanaalkant verzameld, om den afloop van Flipsenʼs onderzoek af te wachten. Maar zij +zagen al dadelijk aan zijn gezicht, dat hij niets gevonden had. De pottenschipper beklaagde zich met luider stem tegen de +menschen over de schande, die Flipsen hem had aangedaan, en zijn toehoorders vonden, dat hij wel een beetje gelijk had. Ook +Frans Thor en Klaas Zwart bevonden zich onder de toeschouwers. Zij zeiden niets, en Klaas Zwart zag zelfs een beetje bleek. +De pottenschipper zag hen staan, en hij zeide zoo luid tegen Flipsen, dat iedereen het hooren kon: + +</p> +<p>“Als er nu weer eens wat vermist wordt, hoop ik van je vereerend verzoek verschoond te blijven, Flipsen. Je weet nu eenmaal, +dat ik part noch deel aan de zaak heb. Ik ben een eerlijk koopman, en houd mij met slechte practijken niet op.” + +</p> +<p>Een zucht van verlichting ontsnapte bij die woorden aan de borst der beide jongens, en onmerkbaar stootten zij elkander met +den elleboog aan. +<a id="d0e3138"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3138">151</a>]</span></p> +<p>Flipsen was erg teleurgesteld. Hij begreep, dat hij het spoor van den dief weer geheel bijster was, en hij wist niet, wáár +thans te zoeken. Toch gaf hij het nog niet op. Regelrecht ging hij naar de woning van Klaas Zwart, en ook daar doorzocht hij +het heele huis en de schuur. Maar alweer tevergeefs. Daarna begaf hij zich naar ʼt huis van Thor, den oud-gediende uit Indië. +Deze ontving hem ver van vriendelijk, maar daar stoorde Flipsen zich niet aan. Hij doorsnuffelde ook diens woning van boven +tot beneden, echter zonder het gewenschte gevolg. Hij kwam tot de conclusie, dat hij zich totaal vergist had. En toch stond +het bij hem vast, dat de dief op het dorp woonde. + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e3141" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Dertiende Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>Hoe Jantje op een gelukkig idée kwam.</p> +</div> +<p>Er werd ʼs avonds, toen de lampen opgestoken waren en de menschen gezellig in de kamer rondom de kachels zaten, heel veel +over het gebeurde gesproken. Zoo ook bij Dik Trom. Jan Vos en Piet van Dril waren bij hem op visite, en Anneke had anijsmelk +gekookt, tot groote vreugde van Jan, die zijn vriendje Karel ook bij zich mocht hebben, en bizonder veel van anijsmelk hield. + + +</p> +<p>ʼt Was een recht prettige avond, want de drie oude vrienden zaten te praten over hunne kinderjaren, en de twee jongens luisterden +met open mond naar hetgeen er verteld werd. Eindelijk kwam het gesprek ook op den gepleegden diefstal, en algemeen waren zij +het er over eens, dat het een laaghartige daad was. Ja, vroeger was er ook meermalen gestolen, maar nu had de dief zelfs de +<a id="d0e3151"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3151">152</a>]</span>laagheid gehad de spulletjes weg te stelen van de armsten onder de armen. ʼt Was wel zoo erg, als het maar wezen kon. + +</p> +<p>“En Flipsen was de plank heelemaal mis,” zei Dik. “Hoe kwam hij er ook toe, den pottenscihpper van den diefstal te verdenken? +Die man komt zelden of nooit zijne schuit uit.” + +</p> +<p>“Dat is wel mogelijk,” zei Jan Vos, “maar vroeger moet hij een echte deugniet geweest zijn, heb ik wel eens gehoord.” + +</p> +<p>“O, vroeger!”—meende Piet van Dril, “vroeger, dat is nù niet. Een mensch kan zich beteren.” + +</p> +<p>“Dat is waar,” zei Dik. “Ik geloof er trouwens ook niets van, dat hij er aan schuldig is. Maar ʼt is toch wonderlijk, dat +de dief zoo lang met zijne diefstallen kan doorgaan, zonder betrapt te worden. Flipsen loert avond aan avond op hem, en hij +is waarlijk toch niet voor de poes.” + +</p> +<p>“Neen, dat geloof ik ook!” zei Piet van Dril lachend. “Daar weten wij van mêe te praten, hè?—Denk nog maar eens aan een zeker +avondje in den tuin van den burgemeester...!” + +</p> +<p>Allen schoten in den lach. + +</p> +<p>“Ja, maar toen waren wij hem toch te knap af!” zei Dik. + +</p> +<p>Zoo zaten zij nog lang te praten, tot Jan Vos opeens zeide: “Als het zoo blijft voortvriezen, zal de visch het gauw benauwd +krijgen onder het ijs. Morgen moet ik toch eens probeeren, of ik niet een lekker maaltje paling kan vangen.” + +</p> +<p>“Ja, doe dat maar,” zei zijne vrouw, die intusschen druk met de andere vrouwen had zitten praten. “Overmorgen is het Zondag, +en dan wil ik wel graag een lekker maaltje hebben.” + +</p> +<p>“Paling vangen? Hoe doet u dat dan?” vroeg Jan nieuwsgierig. + +</p> +<p>“Wel jongen, als ʼt ijs erg dik is, krijgt de paling het <a id="d0e3175"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3175">153</a>]</span>er benauwd onder en begeeft zich naar de bijten en wakken, waar open water is. Met een sikkel, die aan een langen stok bevestigd +is, kun-je ze gemakkelijk uit het water op het ijs wippen. Dat vereischt alleen maar wat behendigheid.” + +</p> +<p>“Zwemmen ze dan niet weg?” vroeg Karel. + +</p> +<p>“Neen jongens,” zei Dik. “Of het van de koû komt, of van wat anders, dat weet ik niet, maar zij zijn bij sterk ijs min of +meer suf. Je kunt ze dan vrij gemakkelijk vangen.” + +</p> +<p>“Willen wij dat morgen ook eens gaan doen?” vroeg Karel aan Jan. “Wij hebben dan toch den heelen dag vrij.” + +</p> +<p>“Ik vind het best,” zei Jan. “Graag zelfs. Van Dril, heeft u voor ons elk ook een sikkel? Dan gaan wij morgen op de vangst.” + + +</p> +<p>“Zeker wel, jongens, er liggen oude sikkels genoeg in de smederij. Als je er zelf dan maar een langer handvat aan maakt, want +het gewone handvat is voor dat werk te kort. Je moet er een stok aan doen, ongeveer zoo lang als je arm.” + +</p> +<p>“Een gewone lat is wel goed,” zei Dik. + +</p> +<p>Jan en Karel spraken af, dat zij er na het ontbijt samen op uit zouden trekken. De sikkels zouden spoedig genoeg in orde zijn, +daar waren zij het over eens. + +</p> +<p>En zoo gebeurde het ook. Toen Jan ontbeten had, ging hij naar Karel, die al twee goede sikkels had opgezocht. Zij haalden +de handvatten er af, en deden er langere voor in de plaats. In een kwartiertje waren zij daarmede klaar. Karel nam een emmertje +meê, om er de visch in te doen, en zoo trokken zij er samen op uit. Ook namen zij elk een bijl mede, om hier en daar een gat +te hakken. ʼt Eerst gingen zij naar de bijt, die voor het huis van Dik Trom gehakt was. Het ijs van den laatsten nacht lag +er nog in. Zij hakten het los en trokken de schotsen op het ijs. Toen <a id="d0e3193"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3193">154</a>]</span>keken zij in de bijt, en waarlijk, heel rustig lag daar een dikke paling op den bodem. + +</p> +<p>“Kijk, kijk, daar ligt er een,” zei Jan, die hem het eerst zag. + +</p> +<p>Hij stak den sikkel voorzichtig onder het beest door en wipte hem met een snelle beweging omhoog. Daar spartelde de paling +op het ijs. Ha, wat kronkelde hij zich! De jongens sprongen beiden op hem toe, want hij lag dicht bij den rand van de bijt. + + +</p> +<p>“Grijp hem, grijp hem!” riep Jan zijn vriend toe, want deze was het dichtst bij hem. Maar Karel kwam te laat. Wel gelukte +het hem nog den paling te grijpen, maar deze kronkelde zich om zijn arm heen, en dat vond Kareltje zooʼn eng gevoel, dat hij +het beest met een rilling over de leden losliet. Op ʼt volgende oogenblik verdween de paling in de bijt, en de jongens hadden +nakijk. + +</p> +<p>“Hè, wat is dat jammer!” riep Jan spijtig uit. “Hoe dom ook van je, om hem weer los te laten, toen je hem zoo mooi vast hadt.” + + +</p> +<p>“Hu, wat glibberig was hij, en wat kronkelde hij akelig om mijn arm heen,” zei Karel, wien opnieuw eene huivering over den +rug ging. “Precies een slang.” + +</p> +<p>“Dat zal jij wel weten,” zei Jan. “Je hebt nog nooit een slang gezien.” + +</p> +<p>“Genoeg,—meer dan jij,” meende Karel. “In Artis.” + +</p> +<p>“O, in Artis. Daar liggen ze achter glas.—Nu, deze is in elk geval weg, en wij zullen hem wel nooit terugzien. Wat was het +een dikkerd.” + +</p> +<p>“Of hij dik was,” zei Karel. “Akelig dik.” + +</p> +<p>“In deze bijt is niets meer te zien. Willen we naar die van den burgemeester gaan aan den overkant? Dat is ook eene groote +bijt.” + +</p> +<p>“Mij goed,” zei Karel. “Maar ik pak ze vast niet meer met mijne handen beet. Hu, wat een akelige beesten.” +<a id="d0e3217"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3217">155</a>]</span></p> +<p>“Je bent een bangerd, hoor!” spotte Jan. + +</p> +<p>“Jij bent een held!” zei Karel. “Dat weet ik wel.” + +</p> +<p>“In elk geval zou ik hem niet loslaten, als ik hem eenmaal te pakken had,” zei Jan. + +</p> +<p>Zij liepen het kanaal over, en kwamen bij de bijt van den burgemeester. Hun eerste werk was ook hier het ijs van den laatsten +nacht los te hakken en de schotsen op het ijs te trekken. Toen dat gebeurd was, keken zij in het water. + +</p> +<p>“Ik zie er een,” zei Karel. + +</p> +<p>“Ik ook,—wel twee,” zei Jan. + +</p> +<p>Zij brachten de sikkels in het water, en op ʼt volgende oogenblik spartelden twee palinkjes op het ijs. Jan wierp er een van +in het emmertje, maar Karel was niet te bewegen, den tweeden aan te grijpen. Jan moest er om lachen. + +</p> +<p>“Help, help, hier is er een,” schreeuwde Karel, die moeite had om het beest met zijn sikkel van de bijt weg te houden. ʼt +Beest wilde met alle geweld weer in ʼt water. + +</p> +<p>“Pak hem dan!” riep Jan hem lachend toe. + +</p> +<p>“Ik dank je,—ik moet er niets van hebben. Toe dan, Jan, grijp hem, of we zijn hem kwijt.” + +</p> +<p>Jan kwam zijn vriend te hulp, en spoedig was ook de tweede paling in het emmertje opgeborgen. Maar van den derden was, toen +zij weer in de bijt keken, geen spoor meer te vinden. De jongens hadden hem wat al te veel lawaai gemaakt naar zijn zin, zoodat +hij het verstandig geoordeeld had, zich wat uit hunne nabijheid te verwijderen. Maar Jan en Karel waren toch wat in hun schik +met hunne vangst, en zij begaven zich van de eene bijt naar de andere. De voorraad in hun emmertje werd steeds grooter, en +zij twijfelden niet, of zij zouden wel een flink maal bij elkander krijgen. + +</p> +<p>Lachend zei Karel tot Jan: +<a id="d0e3242"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3242">156</a>]</span></p> +<p>“Als Vos op de vangst gaat, zooals zijn plan was, zal hij niet erg veel meer vangen. Wij hebben zoetjes-aan alle bijten van +het dorp afgevischt.” + +</p> +<p>Jan lachte ook. + +</p> +<p>“Dan vischt hij achter het net,” zei hij. “Kijk, ginds gaan Frans Thor en Klaas Zwart. Zij hebben ook bijlen bij zich. Ik +denk, dat zij ook op de vangst uitgaan.” + +</p> +<p>“Laat hen maar vooruitgaan,” zei Karel. “Wij zijn op hun gezelschap niet gesteld. Willen wij nu buiten het dorp gaan, voorbij +het fort? Daar zijn wel geen bijten, maar vader zegt, dat de visch zich aan de kanten van het kanaal ophoudt, zeker om beter +lucht te kunnen krijgen. Dan hakken wij hier en daar eene schots los.” + +</p> +<p>“Mij goed,—best zelfs,” zei Jan. + +</p> +<p>De jongens gingen langs het fort en deden als gezegd is. En ʼt was inderdaad een prettig werkje voor hen, want zij vingen +veel meer, dan zij verwacht hadden. Er waren palingen bij, wel zoo dik als hun pols. De jongens hadden de grootste moeite, +om die dikke beesten in het emmertje te houden. Telkens keken de koppen boven den rand uit, en eens, toen het Karels beurt +was om den emmer te dragen, kronkelde plotseling alweer zooʼn dier tegen zijn arm op. ʼt Gebeurde zoo onverwachts, dat hij +er hevig van schrikte. Met een gil liet hij den emmer op het ijs vallen, en alle palingen kronkelden in het rond. + +</p> +<p>“Jou ezel!” riep Jan uit. Maar veel tijd tot praten had hij niet, want hij moest dadelijk aan het vangen. En ʼt ging lang +niet gemakkelijk, om de dieren weer in den emmer te krijgen, vooral nu hij alles alleen moest doen. Karel was niet te bewegen +eene hand uit te steken. Hij vond de beesten zóó eng, dat hij ze niet durfde aanraken. Eindelijk had Jan ze alle weer verzameld. + + +</p> +<p>“Geef mij den emmer maar,” zei hij. “Anders ligt het <a id="d0e3259"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3259">157</a>]</span>heele zaakje aanstonds weer op het ijs. Draag jij dan de bijlen.” + +</p> +<p>De jongens verwijderden zich hoe langer hoe verder van het dorp. Hier en daar waren kleine, vierkante bijtjes gehakt. Een +schots lag er naast, om de schaatsenrijders te waarschuwen. + +</p> +<p>“Dat zijn bijtjes van de visschers,” zei Jan. “Die brengen er hunne netten door onder het ijs. Ik wed, dat ze heel wat vangen.” + + +</p> +<p>“Dat denk ik ook,” zei Karel. “Als je nagaat, wat wij al hebben, kun-je wel begrijpen, wat zij moeten vangen.” + +</p> +<p>Jan had het druk om de palingen naar beneden te duwen, die telkens opnieuw uit het emmertje wilden kruipen. + +</p> +<p>“Heidaar, blijven waar je bent!” zei hij tegen een dikkerd, die nieuwsgierig over den rand keek. “Bij je kameraden blijven!” + + +</p> +<p>Bij een van de visschersbijtjes deden de jongens eene gelukkige vondst. In het riet namelijk zagen zij een groot stuk net +liggen, dat zeker door de visschers weggeworpen was. Karel zag het het eerst. + +</p> +<p>“Kijk eens, Jan,—dáár,” zei hij. “Daar ligt een groot stuk net. Laten wij daar de palingen in doen, dan kunnen zij niet ontsnappen +en hebben wij er geen last meer van.” + +</p> +<p>“Daar zeg je zoo wat,” zei Jan. + +</p> +<p>De jongens haalden het net uit het riet. Zij zagen, dat het een palingfuik wast geweest. Op verschillende plaatsen was het +stuk. + +</p> +<p>“De visschers hebben het zeker weggegooid,” zei Jan. “En ons komt het mooi te pas.” + +</p> +<p>Zij deden de palingen in het net en bonden het dicht met een touwtje, dat Jan in den zak had. + +</p> +<p>“Zie zoo, nu zitten ze goed bewaard,” zei Jan. + +</p> +<p>“Ja,—lekker warm. Ze zullen nu geen last meer van <a id="d0e3287"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3287">158</a>]</span>de kou hebben.—Zeg, wat hebben we er al veel, hè?” + +</p> +<p>“Ja, heel wat. Mij dunkt, dat we er al meer hebben, dan we oplusten. Willen we nu weer naar huis gaan?” + +</p> +<p>“Goed,” zei Karel. “Het begint mij zoetjes-aan te vervelen ook. Zullen we vanmiddag gaan schaatsenrijden?” + +</p> +<p>“Ja,—dat is afgesproken.” + +</p> +<p>Karel had de sikkels en de bijlen op den schouder, en Jan droeg het net met de paling. Zoo kuierden zij samen naar het dorp +terug. + +</p> +<p>Toen zij dicht bij het fort gekomen waren, en dus het dorp bijna hadden bereikt, hoorden zij achter zich het krassen van schaatsen +op het ijs, en het schuifelen van een slede. Omziende zagen zij, dat het twee visschers waren, die eene slede voortduwden. +Zij kenden de mannen niet. ʼt Waren zeker lieden van een ander dorp. Zoodra die menschen hen bereikt hadden, hielden zij stil. + + +</p> +<p>“Hola, jongens, wacht eens even,” riep een van hen hun toe. + +</p> +<p>Zij bleven staan, en de twee mannen kwamen met groote schreden op hen af. + +</p> +<p>“Zie je wel?” zei de een tegen den ander. “Daar heb je de dieven al.” + +</p> +<p>“Ja,” was het antwoord van den tweede. + +</p> +<p>Deze greep het net en rukte het Jan driftig uit de hand. + +</p> +<p>“Hoe kom jij aan dat net?” vroeg hij op barschen toon. + +</p> +<p>“Ja, hoe kom jij aan dat net, kleine dief!” zei de andere visscherman. + +</p> +<p>“Dat hebben wij gevonden, ginds in het riet,” zei Jan. “Hoe zouden wij er anders aankomen?” + +</p> +<p>“En die paling dan?” vroeg een der visschers smalend. “Die heb je zeker ook gevonden, hè kereltje?” + +</p> +<p>“Neen,” zei Jan, “die hebben we gevangen.” + +</p> +<p>“Juist, die hebben we gevangen,” zei ook Karel. +<a id="d0e3321"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3321">159</a>]</span></p> +<p>“In dit net zeker, hè, en dit net heb je onder het ijs gevonden, hè? Ja, ja, eerlijk gevonden, hè?” + +</p> +<p>“Eerlijk gestolen,” zei de andere visscher. “Houdt je maar niet van den domme, want dat baat je niemendal. Dit net is van +òns, en jullie hebt onze fuiken gelicht. Maar dat zal je berouwen, wat ik je zeg. Vooruit, kereltjes, gaat maar eens mee naar +den burgemeester.” + +</p> +<p>“Ik zeg, dat het niet waar is!” riep Jan de visschers driftig toe, en hij werd rood van kwaadheid. “Wij zijn geen dieven, +en dat net hebben we eerlijk gevonden. ʼt Is op verschillende plaatsen stuk, en ʼt lag in ʼt riet. Daarom meenden we, dat +het door de visschers weggegooid was, daar het toch niet meer gebruikt kon worden. Wij hebben het niet gestolen.” + +</p> +<p>“Jongen, jij kunt liegen, of het gedrukt is,” zei een der visschers. “Maar ons zul-je er niet meê bedriegen. Jelui hebt onze +fuiken gelicht, en dat is strafbaar...” + +</p> +<p>“Niet zooʼn beetje ook!” viel de andere visscher zijn kameraad in de rede. “En dat is maar goed ook. Is ʼt geen schande, onze +netten te verscheuren, en onze visch te stelen? Maar het zal je berouwen. Vooruit, zeg ik je, naar den burgemeester!” + +</p> +<p>“Dat doe ik niet!” zei Jan driftig. “Wij zijn geen dieven.” + +</p> +<p>“Je praat dom, jongen, want de bewijzen droeg je in de handen.” + +</p> +<p>“Ja,” zei de ander, “je bent er gloeiend bij!” + +</p> +<p>“Vooruit, jongens, en als je niet goedschiks gaat, dan moet het maar kwaadschiks gebeuren. Vooruit, zeg ik je, en een beetje +vlug, asjeblieft!” + +</p> +<p>De jongens begrepen, dat er niet veel anders opzat dan te gehoorzamen. Met hun vieren vervolgden zij hun tocht naar het dorp. + + +</p> +<p>Eerst was Jan meer dan kwaad, maar dat bedaarde <a id="d0e3344"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3344">160</a>]</span>langzamerhand, en eindelijk vond hij het wel goed, dat zij naar den burgemeester gingen. Deze zou wel dadelijk begrijpen, +dat zij onschuldig waren. + +</p> +<p>Maar dat was niet zoo. De burgemeester was bijzonder slecht gehumeurd, omdat het Flipsen nog niet gelukt was, de dieven te +ontdekken. Zoodra nu de visschers, die hem tot hun genoegen thuis getroffen hadden, hem vertelden, wat er aan de hand was, +geloofde de burgemeester stellig, dat hij de dieven thans op het spoor was, en hij besloot de jongens scherp te ondervragen. + + +</p> +<p>Jan en Karel betuigden echter hunne onschuld. Zij vertelden dat zij de palingen gevangen en het net gevonden hadden. Maar +de visschers lachten om die verklaring. + +</p> +<p>“Dat zou al heel toevallig zijn, burgemeester,” zei een van hen. “De jongens kwamen uit de richting van onze vischbijtjes, +en zij hadden het net in de hand, met een flink zoodje paling daarbij. ʼt Lijdt geen twijfel, of zij hebben onze netten gelicht +en de brutaliteit gehad, een van de netten zelfs stuk te maken en meê te nemen.” + +</p> +<p>“ʼt Is niet waar!” riep Jan den spreker toe. + +</p> +<p>“Houd je mond verder maar, jongen,” gebood de burgemeester kortaf. “De bewijzen zijn tegen jullie, en ʼt staat bij mij vast, +dat jullie en niemand anders de daders zijt. En wie weet, aan welke diefstallen je meer schuldig bent. Ik zou dat nooit, nooit, +zeg ik, van je gedacht hebben. Twee jongens van zulke brave ouders. ʼt Is een schande! + +</p> +<p>Vertel me nu meteen maar, waar de potten en ketels uit de ijstenten gebleven zijn, want daar zul-je ook wel meer van weten.” + + +</p> +<p>“Wij weten nergens van, burgemeester,” zei Jan, + +</p> +<p>“Neen, nergens van,” zei Karel. “Wij hebben ze niet weggenomen.” + +</p> +<p>“Dat zeg je van dit net en deze visch ook, en toch <a id="d0e3364"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3364">161</a>]</span>liep je er mede in je handen,” sprak de burgemeester streng, en hij keek de jongens beurtelings doordringend aan. “Komaan, +spreek de waarheid maar, dat is in allen gevalle het beste voor je. Beken het maar...” + +</p> +<p>“Ik heb niets te bekennen,” zei Jan. + +</p> +<p>“Ik ook niet,” zei Karel. + +</p> +<p>“Zoo, zoo,” hernam de burgemeester. “Dan zal ik je tijd geven, om er eens ernstig over na te denken.” + +</p> +<p>Hij vroeg de namen der visschers en schreef die op. Daarna sprak hij tot de beide mannen: + +</p> +<p>“U kunt nu wel gaan. Neemt mede, wat je eigendom is. Met deze jongens zal ik wel afrekenen.” + +</p> +<p>De visschers namen het net en de palingen, groetten den burgemeester en verlieten het vertrek. Jan en Karel moesten blijven. +Met leede oogen zagen zij de visschers met hunne palingen heengaan, en Jan sprongen van spijt de tranen in de oogen. + +</p> +<p>De burgemeester liet zijn blik nog een poosje op de jongens rusten, en zei toen ernstig: + +</p> +<p>“Ontkennen baat niet langer, jongens. Je hebt je aan een ernstig vergrijp schuldig gemaakt en...” + +</p> +<p>“Maar we hebben het niet gedaan,” riep Jan uit. + +</p> +<p>“Zwijg jongen, en lieg niet langer. Je hebt het wèl gedaan, en dat spijt me heel erg. Zeg me nu ook maar, waar je die andere +voorwerpen gelaten hebt, die den laatsten tijd verdwenen zijn. Als je me eerlijk de waarheid zegt, zal ik zien, wat ik in +de gegeven omstandigheden nog voor je doen kan.” + +</p> +<p>“ʼt Baat niet, of wij al zeggen, dat wij onschuldig zijn,” sprak Jan. “U gelooft ons toch niet.” + +</p> +<p>“Neen, dat doe ik ook niet. Enfin, als je dan niet hooren wilt, moet je maar voelen. Ik zal je tijd geven om je te bedenken.” + +<a id="d0e3390"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3390">162</a>]</span></p> +<p>Hij ging aan zijne schrijftafel zitten en schreef het volgende briefje: + + +</p> +<div class="blockquote"> +<div class="body"> +<div class="div1"> +<p><i>Flipsen</i>! + + +</p> +<p>Ik geloof, dat ik de daders van de gepleegde diefstallen op het spoor ben. Sluit deze twee jongens elk in eene afzonderlijke +cel, dan hebben zij gelegenheid om eens goed na te denken en kunnen geen afspraakjes maken. Tegen den avond zal ik hen opnieuw +verhooren. + + +</p> +<p><span class="smallcaps">De Burgemeester</span>. + +</p> +</div> +</div> +</div><p> + + +</p> +<p>Hij vouwde den brief dicht en deed hem in eene enveloppe, die hij zorgvuldig toelakte. + +</p> +<p>“Ziedaar,” sprak hij. “Breng dezen brief voor mij aan Flipsen. Hij is in het raadhuis. Je kunt gaan.” + +</p> +<p>De jongens gingen heen. Wat er in den brief stond, wisten zij natuurlijk niet. Zij keken tamelijk bedrukt, toen zij de deur +uitstapten, maar toen zij op den weg gekomen waren, ontsnapte een zucht van verlichting aan de borst van Karel. + +</p> +<p>“Hè, hè, dat was een benauwd half-elfje,” zei hij. “Daar zaten wij er geducht tusschen, maar ʼt is bij slot van rekening toch +nog al goed afgeloopen. We zijn alleen onze palingen kwijt.” + +</p> +<p>“En dit briefje dan?” vroeg Jan. “Ik vertrouw dit papiertje geen zier. Waarom zei de burgemeester dan telkens, dat hij ons +gelegenheid zou geven, om eens goed na te denken?” + +</p> +<p>Langzaam liepen zij verder, met de bijlen en de sikkels over den schouder. Karel hernam na een poosje: + +</p> +<p>“Dat briefje heeft niets met ons te maken, en wij niets met dat briefje. We moeten het alleen even bij Flipsen brengen, anders +niet. Neen, ik zeg, dat wij er goed afgekomen <a id="d0e3422"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3422">163</a>]</span>zijn. ʼt Had veel leelijker kunnen uitpakken.—Kijk, daar komen Frans en Klaas ook van de vischvangst terug.” + +</p> +<p>Dat was zoo. Die twee jongens hadden hen spoedig ingehaald. Samen droegen zij een emmertje, dat blijkbaar nog al zwaar was. + + +</p> +<p>“Zeg,” riep Frans hun toe, “komen jullie platzak thuis?ʼ + +</p> +<p>“Ja!” zei Jan kortaf. Hij had niet veel lust tot spreken. + +</p> +<p>“Wij niet!” zei Frans. “Kijk maar eens hier, wat een paling we hebben. De emmer is bijna vol.” + +</p> +<p>De jongens stonden stil en keken in den emmer, ʼt Was inderdaad een kolossale voorraad, dien zij gevangen hadden. + +</p> +<p>Frans en Klaas hadden er pret in. Zij deden niet anders dan elkaar aanstooten en lachen. + +</p> +<p>“Zoo knap zijn jullie niet, hè? Maar zeg, weet je, wat we gedaan hebben? Een kwartiertje voorbij het fort hebben we stilletjes +een net van de visschers opgehaald. Jongens, wat zat daar een paling in. Niet oververtellen, hoor! Slim hè?” + +</p> +<p>Jan en Karel keken Frans met open mond aan. + +</p> +<p>“Hebben jullie dat net gelicht en stuk gemaakt?” vroeg Jan. “Wij hebben het ... tusschen het riet zien liggen.” + +</p> +<p>“Ja,” lachte Frans. “Wij konden het niet goed meer onder het ijs krijgen, en hebben het toen maar in het riet gegooid. Wat +zullen die visschers leelijk op hun neus gekeken hebben, toen zij bij hun bijt kwamen. Ha-ha-ha, wat eene leuke grap, hè?” + + +</p> +<p>Dat vond Jan ook, en hij knipoogde Karel toe, dat hij niets moest zeggen. Hij had een mooi plannetje. + +</p> +<p>“En voor die leuke grap hebben wij voor den burgemeester moeten verschijnen,” zei Jan tot de twee jongens. “Wij hadden het +net opgeraapt en er onze paling ingedaan. Maar even later kwamen de visschers, en die hebben ons <a id="d0e3448"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3448">164</a>]</span>om zoo te zeggen opgebracht. Noem jij het maar een leuke grap!” + +</p> +<p>“Ja,” zei Karel. “Ik zie er het leuke niet van in.” + +</p> +<p>Frans en Klaas moesten er smakelijk om lachen. + +</p> +<p>“Nu wordt de grap nog leuker!” zei Frans. + +</p> +<p>“Ja, maar ik laat het er niet bij zitten,” zei Jan. “Ik ga dadelijk naar den burgemeester terug, om hem te zeggen, dat julie +het gedaan hebt...” + +</p> +<p>“Je zult wel wijzer wezen!” zei Frans, die nu in ʼt geheel niet meer lachen moest. “Als je nog voor den burgemeester verschijnen +moest, o ja, dan was het een ander geval. Dan zou ik het in jouw plaats ook zeggen. Maar nu je het standje van den burgemeester +al achter den rug hebt, zou het een leelijke streek wezen. Dan speelde je gewoonweg voor verklikker!” + +</p> +<p>“Ja, voor verklikker!” beaamde Klaas Zwart. + +</p> +<p>“Dat kan me niet schelen,” zei Jan, “ik zeg het tòch. ʼt Is me ook wat moois, om voor jullie pleizier een uitbrander van den +burgemeester op te loopen, en een ander met je paling weg te zien gaan. Ik laat me dat maar niet welgevallen.” + +</p> +<p>Hij keerde zich om en deed net, of hij naar den burgemeester wilde gaan. Maar Frans en Klaas hielden hem tegen. + +</p> +<p>“Je kunt wel de helft van onze paling krijgen,” zei Frans. “Toe Jan, vertel het nu niet aan den burgemeester. Daar worden +jullie toch niets beter van. En je krijgt de helft van...” + +</p> +<p>“Je gestolen paling wil ik niet eens hebben,” zei Jan. “Maar ʼt is goed. Ik zal niet naar den burgemeester gaan, onder één +voorwaarde...” + +</p> +<p>“Welke?” vroegen de twee jongens tegelijk. + +</p> +<p>“Een, die gemakkelijk te vervullen is,” zei Jan. “Zie je dezen brief? Dien moesten wij naar Flipsen brengen, in <a id="d0e3474"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3474">165</a>]</span>het raadhuis. Jullie moet er toch voorbij. Als jij nu die boodschap voor mij doet, zal ik er verder geen werk van maken.” + + +</p> +<p>“Och, is ʼt anders niet?” vroeg Frans. “Geef hem maar hier, dan zullen wij hem wel even aanreiken.” + +</p> +<p>“Wel zeker, met alle pleizier,” zei Klaas. + +</p> +<p>Jan gaf den brief over, en Klaas en Frans begaven zich regelrecht naar het raadhuis. Zij stapten het gebouw binnen en gaven +den brief aan Flipsen, die in de vestibule stond te praten met een rijksveldwachter. + +</p> +<p>“Zoo jongens, dank-je!” zei Flipsen. “Wacht maar even.” + +</p> +<p>“Wij behoeven niet te wachten,” zei Frans. + +</p> +<p>“Als ik zeg, dat je wachten moet, dan doe je dat!” zei Flipsen. + +</p> +<p>Hij brak den brief open en las hem vlug door. + +</p> +<p>“Ha zoo,” zei hij, “zoo! Dat is goed. Gaat maar even meê, jongens, hier, de gang door.” + +</p> +<p>Frans en Klaas keken elkander vragend aan, maar durfden niet weigeren. Zwijgend volgden zij Flipsen, die een sleutelring uit +zijn zak haalde en een sleutel uitzocht. + +</p> +<p>“Mooi zoo. Nu dit trapje af.—Goed zoo.” + +</p> +<p>Hij stak den sleutel in het slot en draaide hem om. De deur ging open. + +</p> +<p>“Maar Flipsen,” zei Frans met schrik. “Wat gaat u doen? Dat is een cel!” + +</p> +<p>“Ha ha!” lachte Flipsen, terwijl hij Frans bij den schouder pakte en hem naar binnen duwde. “Dàt ga ik doen.” + +</p> +<p>Flap! De deur ging dicht en op slot. + +</p> +<p>Klaas werd bleek van den schrik. Hij begon te beven over al zijne leden, en het angstzweet brak hem uit. + +</p> +<p>Hij hoorde Frans schreeuwen. + +</p> +<p>“Flipsen! Maar Flipsen!” jammerde Klaas. “Dat is eene vergissing, geloof me. U moet ons niet opsluiten, want...” +<a id="d0e3510"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3510">166</a>]</span></p> +<p>Klaas bleef midden in zijne redevoering steken, want Flipsen had de tweede deur geopend en duwde Klaas naar binnen. Op ʼt +volgende oogenblik was ook deze deur gesloten. + +</p> +<p>“Ja, ja, net zooals ik dacht,” mompelde Flipsen. “Die twee jongens zijn de dieven, en wij zullen ze wel aan het praten krijgen. +Als ze hier eerst maar een paar uurtjes opgesloten gezeten hebben, zullen ze wel makker geworden zijn.” + +</p> +<p>Hij ging naar zijn confrater terug en vertelde hem het geval. “Grappig, dat die twee jongens zelf niet wisten, wat zij hier +zouden ondervinden,” zei hij. “Zij liepen dood-gemoedereerd met mij mee, en kregen er pas erg in, toen de deur open stond. +Je hadt ze moeten zien kijken!” + +</p> +<p>Intusschen waren Jan en Karel de richting ingeslagen van hun huis. Zij staken schuin het ijs over. ʼt Was nog vroeg, nog geen +elf uur. En voor twaalven aten zij niet. + +</p> +<p>“Hè,” zei Jan, “wat heb ik een spijt, als ik aan onze paling denk, die de visschers hebben meegenomen. Zooʼn prachtigen voorraad +te hebben en dan toch nog platzak thuis te komen. ʼt Is onuitstaanbaar!” + +</p> +<p>“Ja,” zei Karel, “dat zeg ik ook. Kijk de pottenschipper eens aan ʼt hakken geweest zijn. Zijn schuit ligt rondom in ʼt open +water.” + +</p> +<p>“Ja, anders vriest ze stuk,” zei Jan. “Willen wij daar nog even kijken, of we wat vangen kunnen?” + +</p> +<p>“Goed,” zei Karel. + +</p> +<p>Zij legden hunne bijlen op het ijs, en gingen met den sikkel in de hand naar de schuit. Opmerkzaam tuurden zij in de diepte. + + +</p> +<p>“Daar zie ik er een,” zei Karel + +</p> +<p>“Wip hem er dan uit!” riep Jan. “Zeg, misschien komen we toch niet platzak thuis.” +<a id="d0e3533"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3533">167</a>]</span></p> +<p>“Daar is hij!” riep Karel. En Jan schoot hem te hulp want de paling lag dicht bij het open water. + +</p> +<p>Spoedig was hij in het emmertje overgebracht, en de jongens liepen voorzichtig langs de schuit verder. Opeens hoorden zij +zich toeroepen: + +</p> +<p>“Wat moeten jullie daar? Wil je wel eens maken, dat je wegkomt!” + +</p> +<p>ʼt Was de pottenschipper, die zijne kajuit verlaten had en hun dit toeriep. + +</p> +<p>“We kijken maar even, of er paling zit!” riep Jan terug. + +</p> +<p>“Dat wil ik niet hebben!” hernam de pottenschipper. Hij klom op de schuit en stak dreigend de vuist op. + +</p> +<p>Maar Jan zei tegen Karel: + +</p> +<p>“Wij doen hier volstrekt geen kwaad. Laat hem maar praten.” + +</p> +<p>Zij stoorden zich verder aan den schipper niet en keken in de diepte. Zij waren nu dicht bij het roer gekomen. + +</p> +<p>“Kijk, daar zit er weer een!” zei Jan. + +</p> +<p>Hij stak zijn sikkel onder water, en wilde hem met een ruk bovenhalen, doch dat gelukte hem niet. De sikkel bleef ergens aan +vastzitten. + +</p> +<p>De pottenschipper nam een langen stok, en schreeuwde den jongens toe: + +</p> +<p>“Als je niet weggaat, sla ik er op! Vooruit, kwâjongens, je hebt hier geen boodschap.” + +</p> +<p>Jan trok zoo hard hij kon aan den sikkel, om hem los te krijgen, maar dat ging niet. Er zat iets zwaars aan. + +</p> +<p>“Help me even!” riep hij Karel toe. En tot den boozen schipper zeide hij: + +</p> +<p>“Wij gaan dadelijk heen. Maar eerst moet ik mijn sikkel losmaken.” + +</p> +<p>“Vooruit, zeg ik je!”—schreeuwde de schipper. “Allo, marsch!” + +</p> +<p>De twee jongens trokken, wat zij konden. +<a id="d0e3570"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3570">168</a>]</span></p> +<p>Zij voelden, dat er iets zwaars naar boven kwam. De pottenschipper werd hoe langer hoe boozer. Hij schreeuwde zóó hard, dat +de voorbijgangers op den weg bleven staan. + +</p> +<p>Maar Jan en Karel waren niet van plan hun sikkel in den steek te laten. Zij spanden al hunne krachten in. + +</p> +<p>Ha, daar stak iets boven water uit. Jan bukte zich, en pakte het beet. + +</p> +<p>“Een ketel!” riep hij uit. “En daar zit er nog een aan vast. Een pot! Help Karel,—hier zijn, geloof ik, de gestolen voorwerpen +uit de tenten...” + +</p> +<p>ʼt Was werkelijk zoo. De jongens haalden verscheidene dingen op het ijs, en zij herkenden ook den koperen ketel van Mietje. +Tot hun groote verbazing bemerkten zij, dat al die voorwerpen met een koperdraad aan elkander verbonden waren, en dat het +einde van dat draad een paar centimeter onder water aan het roer bevestigd was. + +</p> +<p>De jongens werden verbazend opgewonden, en zij riepen den menschen op den weg luidkeels toe, dat zij de gestolen voorwerpen +gevonden hadden. In minder dan geen tijd waren zij door een groot aantal menschen omringd, die luide hunne verbazing te kennen +gaven. + +</p> +<p>“Dat moet de burgemeester weten!” riep er een uit, en hij ijlde naar de woning, die Jan en Karel nog maar kort geleden verlaten +hadden. + +</p> +<p>ʼt Leek wel, of de menschen konden ruiken, dat er iets bizonders aan de hand was. Van alle kanten kwamen zij toeloopen, en +de kring om de schuit van den pottenschipper werd bij de minuut grooter. Het ijs, al was het nog zoo sterk, kon de samengepakte +menschenmassa bijna niet dragen. De ijsvloer boog sterk door, en er kwam veel water op. + +</p> +<p>De pottenschipper zei niets meer. Hij stond op zijne schuit, en hield de oogen op de gevonden voorwerpen <a id="d0e3589"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3589">169</a>]</span>gericht, maar af en toe keek hij de twee jongens aan, en dan zag hij er alles behalve vriendelijk uit. + +</p> +<p>“Wat is daar te doen?” riep eene stem. + +</p> +<p>Opziende zag Jan zijn vader, die met den hit en den wagen van ʼt venten terugkeerde. Jan zwaaide met beide armen, en riep: + + +</p> +<p>“O Vader, we hebben de gestolen potten en ketels gevonden. Kom maar gauw kijken. Hier liggen ze!” + +</p> +<p>In een oogenblik was Dik van den wagen gesprongen. Hij wierp de leidsels op den rug van den hit en snelde het ijs op. + +</p> +<p>Och, och, wat een drukte hadden de menschen. + +</p> +<p>“Of de pottenschipper er dan toch van wist!” riep de een. + +</p> +<p>“Zoo komen zijne schelmerijen aan het licht,” zei een tweede. + +</p> +<p>“Hij zal nu zijn gerechte straf niet ontloopen,” profeteerde een derde. + +</p> +<p>Iedereen had wat te zeggen, en velen beweerden, dat zij het altijd wel van den pottenschipper gedacht hadden. + +</p> +<p>Opeens kwam er stilte onder den drom en eerbiedig week men op zijde, om den burgemeester door te laten. Weldra had hij de +schuit bereikt en zag hij de gevonden voorwerpen op het ijs liggen. + +</p> +<p>“Wie heeft die dingen opgehaald?” vroeg hij. Jan en Karel namen hunne petten af, en zeiden: + +</p> +<p>“Wij waren hier aan het paling vangen, burgemeester, en toen bleef een van de sikkels er aan vastzitten. Kijk, ze zijn met +een koperdraad aan elkander verbonden, en het einde daarvan is aan het roer bevestigd.” + +</p> +<p>“Ja, ja,” zei de burgemeester, die de jongens met de grootste verbazing aanstaarde. “Maar hoe heb ik het nu? Heb ik jullie +dan niet opgedragen, een briefje voor mij aan Flipsen te brengen in het raadhuis? En hoe kom je dan hier? Daar begrijp ik +niets van!” +<a id="d0e3617"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3617">170</a>]</span></p> +<p>Jan nam zijn pet nu geheel af, en zeide: + +</p> +<p>“Dat is waar, burgemeester, maar ik vertrouwde dat briefje niet. Ik geloofde stellig, dat Flipsen ons moest opsluiten...” + + +</p> +<p>“Dat was ook zoo,” viel de burgemeester driftig in. “En waarom heeft hij dat niet gedaan?” + +</p> +<p>“Wij waren onschuldig, burgemeester,” zei Jan. + +</p> +<p>“Die praatjes kennen wij, en zij doen ook niets ter zake. In dien brief gaf ik Flipsen last, jullie op te sluiten,—en nu sta +je alle twee hier? Hoe komt dat?” + +</p> +<p>“Burgemeester,” zei Jan, “wij hadden het niet gedaan, maar twee andere jongens waren de schuldigen. Toen wij op weg waren +naar het raadhuis, hebben die twee ons zelf verteld dat zij het uit de grap gedaan hadden, en ziet u...” + +</p> +<p>“Wat ... ziet u?” viel de burgemeester in, toen Jan een oogenblik met zijn verhaal haperde. + +</p> +<p>“Toen dacht ik,” vervolgde Jan, “dat het voor ons beter was, als <i>zij</i> dat briefje maar aan Flipsen brachten, en vroeg ik hun, of zij het even wilden aanreiken...” + +</p> +<p>“En toen?” vervolgde de burgemeester. + +</p> +<p>“Dat hebben zij gedaan,” zei Jan. + +</p> +<p>“Maar dan zitten op ʼt oogenblik <i>die</i> twee jongens onder het raadhuis opgesloten, in plaats van jelui!” riep de burgemeester uit. + +</p> +<p>“Dat zal dan zoo wel wezen, burgemeester,” zei Jan. + +</p> +<p>De menschen schoten in een onbedaarlijk gelach, want zij vonden de geheele zaak verbazend grappig. Ook de burgemeester kon +haast zijn lachen niet bedwingen. En eindelijk gelukte hem dat in het geheel niet meer. Hij proestte het opeens uit. + +</p> +<p>“Ha-ha-ha!” riep hij lachend uit, “wat is dat een grappige historie. En hadden jullie dan echt die fuiken niet gelicht?” + +</p> +<p>“Neen burgemeester, dat hebben die twee jongens gedaan.” + +</p> +<p>“Ha-ha-ha,—en wie zijn dat dan?” +<a id="d0e3656"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3656">171</a>]</span></p> +<p>“Frans Thor en Klaas Zwart, burgemeester,” zei Jan. + +</p> +<p>Op dit oogenblik drong Flipsen tusschen het volk door. Hij kwam uit het raadhuis en wilde zien, wat er aan de hand was. Nauwelijks +zag hij den burgemeester, of hij sloeg aan en zei: + +</p> +<p>“Uw bevel is uitgevoerd, burgemeester, de jongens zitten elk in een cel. Ik geloof ook wel, dat wij de rechte personen op +den kop hebben getikt.” + +</p> +<p>“Maar het zijn de verkeerde!” riep de burgemeester hem lachend toe. “Deze twee had-je moeten hebben!” + +</p> +<p>Wat keek Flipsen verwonderd, en zijne verbazing nam nog toe, toen hij de gevonden voorwerpen op het ijs zag liggen. De burgemeester +vertelde hem in korte woorden, wat er gebeurd was. + +</p> +<p>Flipsen lachte slim. Hij bekeek de potten en ketels met aandacht en liet ook het koperdraad door zijne vingers glijden. Toen +zag hij meteen, dat dit aan het roer bevestigd was. + +</p> +<p>“Burgemeester,” zei hij, “U zegt, dat wij de verkeerde jongens opgesloten hebben, maar ik beweer, dat het, al is het dan ook +bij toeval, de goede zijn. Frans Thor en Klaas Zwart hebben deze dingen gestolen, en ze hebben ze verkocht aan den pottenschipper, +die ze in het water heeft laten zinken om ze te verbergen. Hij is wèl slim geweest maar toch niet slim genoeg.” + +</p> +<p>“ʼt Is een grove leugen!” zei de pottenschipper. “Die jongens zullen ze vermoedelijk zelf hier in het water hebben laten zakken, +om de verdenking op mij te schuiven.” + +</p> +<p>“Zoo,” zei Flipsen, “dan hebben ze zeker aan jou een stukje koperdraad te leen gevraagd, niet waar? Want in je schuit heb +ik precies zulk koperdraad zien liggen.” + +</p> +<p>De pottenschipper werd doodsbleek. + +</p> +<p>“Ga het halen, Flipsen,” gebood de burgemeester. + +</p> +<p>Flipsen verdween in de schuit, en kwam weldra met <a id="d0e3681"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3681">172</a>]</span>een rol koperdraad terug. Het bleek, dat het draad aan de ketels en potten daarmede precies overeenstemde. + +</p> +<p>“Burgemeester,” zei Flipsen, “de jongens, die op ʼt oogenblik onder ʼt raadhuis opgesloten zitten, zijn de stelers, en de +pottenschipper is de heler. Ondervraagt u de jongens maar één voor één, dan zal u zien, hoe gauw zij door de mand vallen. +Vooral Klaas Zwart.” + +</p> +<p>“Zoo zal het gebeuren,” zei de burgemeester. “Schipper, je gaat mede naar het raadhuis, en Flipsen, neem jij die voorwerpen +in beslag. Ik houd mij overtuigd, dat wij de bende thans op het spoor zijn. En jelui, jongens,” vervolgde hij vriendelijk +tot Jan en Karel, “zal ik het voor dezen keer vergeven, dat je mijn bevel, om den brief bij Flipsen te bezorgen, niet hebt +uitgevoerd. Je bent een paar slimme rotten!” + +</p> +<p>Och och, wat had Dik een pret, toen hij aan Anneke vertelde, wat Jan gedaan had. Hij schoot er telkens opnieuw over in een +lach, en ook Grootvader en Grootmoeder moesten het dadelijk vernemen, toen zij even bij Dik en Anneke kwamen aanloopen. + +</p> +<p>De oude Trom vond het blijkbaar een verbazend scherpzinnigen zet van Jantje. Hij trok een poosje aan zijn bakkebaardjes en +zei toen: + +</p> +<p>“Ja, Dik, zie-je, ik heb het altoos wel gezegd: Jan is ook een bizonder kind, en dat is-ie.” + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e3693" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Veertiende Hoofdstuk.</h2> +<div class="argument"> +<p>Besluit.</p> +</div> +<p>ʼt Gebeurde werkelijk, zooals Flipsen voorspeld had. Niet zoodra verscheen Klaas Zwart in de burgemeesterskamer, <a id="d0e3701"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3701">173</a>]</span>en zag hij daar den pottenschipper staan naast de potten en ketels, die uit het water waren opgevischt, of hij begon over +al zijne leden te beven, en de tranen sprongen hem in de oogen. + +</p> +<p>“Kom nader,” gebood de burgemeester. + +</p> +<p>Klaas kwam tot vlak voor de tafel, waarachter het hoofd der gemeente in een leuningstoel gezeten was. Deze keek hem doordringend +aan, maar zeide niets. Klaas sloeg de oogen naar den grond. + +</p> +<p>Eindelijk zei de burgemeester kortaf: + +</p> +<p>“Vertel mij alles, wat je daarvan weet. Maar vergeet niet, dat ik enkel <i>waarheid</i> wil hooren. Leugens zouden je trouwens niet meer baten, want alles is ontdekt. Spreek op!” + +</p> +<p>Zweetdroppels parelden Klaas op het voorhoofd van angst. + +</p> +<p>Hij hief de samengevouwen handen op en zeide snikkend: + +</p> +<p>“O burgemeester, vergeef u het me voor dezen keer astublief. O, ik heb er zooʼn spijt van.” + +</p> +<p>“Waarvan?” vroeg de burgemeester gestreng. “Spreek op, jongen, wààr heb je spijt van?” + +</p> +<p>“Dat ik gestolen heb,” zei Klaas zacht. + +</p> +<p>“Die potten en ketels?” + +</p> +<p>“Ja burgemeester.” + +</p> +<p>“En al die dingen, die bij de verschillende menschen op het dorp worden vermist?” + +</p> +<p>“Ja burgemeester.” + +</p> +<p>“Heb je dat alles alleen gedaan?” + +</p> +<p>“Neen, met Frans, burgemeester.” + +</p> +<p>“Zoo, zoo.—ʼt Is wat fraais. En wie hebben dat net gelicht van morgen?” + +</p> +<p>“Wij ook,” zei Klaas. + +</p> +<p>“En waar liet je al die gestolen voorwerpen?” vroeg de burgemeester, terwijl hij Klaas opnieuw doordringend aanzag. + +</p> +<p>“De pottenschipper kocht ze van ons.” +<a id="d0e3744"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3744">174</a>]</span></p> +<p>“Maar ik wist niet, dat het gestolen goed was,” viel de pottenschipper in, die voelde, dat hij den grond onder zijne voeten +thans geheel verloor. + +</p> +<p>“Dat wist iedereen op het dorp, tot den kleinsten jongen toe,” gaf de burgemeester op gestrengen toon ten antwoord. “Doe maar +geen moeite meer, om je baantje schoon te praten. ʼt Is een schande voor een man op uw leeftijd! Eene dubbele schande, omdat +je ook nog twee jongens in je val meesleept. Jij en jij alleen hebt die kinderen in het ongeluk gestort. ʼt Is diep treurig.” + + +</p> +<p>Even later werd Frans Thor binnengebracht. Deze was brutaler dan Klaas Zwart, en hij meende den burgemeester eerst nog met +allerlei praatjes om den tuin te kunnen leiden. Maar toen hij vernam, dat Klaas reeds eene volledige bekentenis had afgelegd, +raakte hij geheel in de war en in zijn eigen leugens verward. Het einde was, dat ook hij bekende aan de gepleegde diefstallen +schuldig te zijn. + +</p> +<p>De burgemeester maakte van alles proces-verbaal op, en toen hij daarmede klaar was, zeide hij: + +</p> +<p>“Flipsen, doe de deur maar open. Zij kunnnen alle drie vertrekken. Later zullen zij wel meer van de zaak hooren.” + +</p> +<p>Zwijgend verlieten zij het raadhuis. + +</p> +<p>Den Maandag daaropvolgende kwamen Frans en Klaas weer gewoon school, maar zij waren nu nog meer afgezonderd van de overige +jongens, dan zij vroeger al geweest waren. Iedereen vermeed hun gezelschap. In het midden van Februari bleven zij absent, +en iedereen wist er de reden van. Zij waren namelijk opgeroepen om voor de rechtbank te verschijnen. Ook de pottenschipper +moest daar verantwoording afleggen van zijne daden. Hij kreeg eene geduchte betraffing, omdat hij de beide jongens tot diefstal +had overgehaald en hen daardoor ongelukkig <a id="d0e3759"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3759">175</a>]</span>had gemaakt. Eene gevangenisstraf van eenige maanden was zijn welverdiende loon. + +</p> +<p>De jongens werden niet veroordeeld, omdat zij nog zoo jong waren, maar de rechtbank stelde hen tot hun achttiende jaar ter +beschikking van de regeering, om in een rijksopvoedingsgesticht geplaatst te worden. + +</p> +<p>Dat gebeurde evenwel niet dadelijk. Den volgenden dag zagen de schooljongens hen opnieuw verschijnen, en zij hoorden er dagen +en weken lang niet meer van. + +</p> +<p>Zoo kwam de eenendertigste Maart, de laatste dag, dien Jan en Karel op de school zouden doorbrengen. Karel zou bij zijn vader +in de smederij komen, en Jan kwam in den winkel. Dik kon alles onmogelijk meer alleen af, want nog steeds nam het aantal zijner +klanten toe, en elken dag kreeg hij het drukker. Hij verdiende dan ook veel geld, en was mooi op weg, om een rijk man te worden. + + +</p> +<p>Frans en Klaas zaten ook voor de laatste maal op de schoolbanken. Niet dat zij een vak gingen leeren. Daar kon geen sprake +van zijn, omdat zij toch den een of anderen dag weggevoerd zouden worden. + +</p> +<p>ʼt Was in den middag. Het laatste schooluur was aangebroken. De leien, boeken en schriften waren opgehaald en de onderwijzer +maakte zich juist gereed om een woord van afscheid te spreken tot de jongens en meisjes, die de school voor goed verlieten, +toen er aan de deur werd geklopt. + +</p> +<p>“Jan Trom, doe even open,” zei de meester. + +</p> +<p>Jan deed het, en hij zag Flipsen en een rijksveldwachter in de vestibule staan. Zij kwamen het lokaal binnen. + +</p> +<p>“Mijnheer,” zei Flipsen, “wij hebben de opdracht Frans Thor en Klaas Zwart meê te nemen.” + +</p> +<p>ʼt Was doodstil in de klasse. + +</p> +<p>Frans en Klaas werden doodsbleek, en niet zij alleen, <a id="d0e3781"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3781">176</a>]</span>neen, verscheidene jongens en meisjes voelden zich eene rilling door de leden gaan, en menig meisjesoog vulde zich met tranen. + + +</p> +<p>“Zoo,” zei de onderwijzer zacht, en zijn toon klonk droevig. De kinderen konden het hem aanzien, dat ook hij ontroerd was. +“Zoo, dat is wel eene treurige opdracht, Flipsen.—Frans en Klaas, komt hier.” + +</p> +<p>De jongens stapten de bank uit en kwamen voor de klasse. Beiden barstten in tranen uit. De onderwijzer gaf hun de hand. + +</p> +<p>“Dag Frans,—dag Klaas,” zei hij droevig. “Ik hoop je eenmaal terug te zien als brave mannen, die voor niemand de oogen behoeven +neer te slaan. Beloof je me, dat je daartoe je best zult doen?” + +</p> +<p>De jongens konden niet antwoorden. Met gebogen hoofd verlieten zij het lokaal, om weggebracht te worden ver van hunne ouders, +naar een vreemde plaats.... + +</p> +<p>Hun vertrek maakte een diepen indruk op de achterblijvenden. De onderwijzer had de gewoonte den laatsten schooldag eene vertelling +te doen. En dezen keer deed hij dat met meer gloed dan ooit te voren. Hij deed een verhaal van schoolkameraden, waarvan er +een goed oppaste en tot een braaf man opgroeide, terwijl de andere door eigen schuld al dieper en dieper zonk en eindelijk +in de gevangenis terecht kwam. En toen het verhaal uit was, drukte hij hun allen op het hart, toch nooit den weg van eer en +plicht te verlaten, maar steeds het goede te doen en het kwade te haten. + +</p> +<p>Met deze wijze les verlieten Jan en Karel voor goed de school, en zij vergaten haar hun leven lang niet. + + +</p> +<p class="aligncenter">EINDE. + + + +</p> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div class="div1" id="d0e3798"> +<h2 class="normal">Inhoudsopgave</h2> +<ul> +<li><a href="#d0e99">Eerste Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e159">Tweede Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e271">Derde Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e387">Vierde Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e506">Vijfde Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e762">Zesde Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e1209">Zevende Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e1531">Achtste Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e1930">Negende Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e2222">Tiende Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e2518">Elfde Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e2860">Twaalfde Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e3141">Dertiende Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e3693">Veertiende Hoofdstuk.</a></li> +</ul> +</div> +<div class="transcribernote"> +<h2>Colofon</h2> +<h3>Beschikbaarheid</h3> +<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het +kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. + +</p> +<p>Deze digitale editie is gebaseerd op de twaalfde druk uit 1922. + +</p> +<p>Dit eBoek is geproduceerd door Jeroen Hellingman. + +</p> +<p lang="en">This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give +it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. + +</p> +<p lang="en">This eBook is produced by Jeroen Hellingman. + +</p> +<h3>Codering</h3> +<p>Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde +van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn +gemarkeerd met het corr-element. + +</p> +<p>Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen gebruikt, zijn deze in dit bestand gecodeerd met “. Geneste +dubbele aanhalingstekens zijn stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens. + +</p> +<h3>Documentgeschiedenis</h3> +<ol class="lsoff"> +<li>2004-02-06 begonnen. + +</li> +<li>2007-11-15 meer tags toegevoegd.</li> +</ol> +<h3>Verbeteringen</h3> +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table width="75%"> +<tr> +<th>Plaats</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2611">Bladzijde 122</a></td> +<td width="40%">laaste</td> +<td width="40%">laatste</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2976">Bladzijde 141</a></td> +<td width="40%">klok</td> +<td width="40%">klonk</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of Project Gutenberg's De Zoon van Dik Trom, by Cornelis Johannes Kieviet + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZOON VAN DIK TROM *** + +***** This file should be named 10971-h.htm or 10971-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/0/9/7/10971/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/old/10971-h/images/cover.jpg b/old/10971-h/images/cover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..70fc254 --- /dev/null +++ b/old/10971-h/images/cover.jpg diff --git a/old/10971-h/images/p1.jpg b/old/10971-h/images/p1.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3060a17 --- /dev/null +++ b/old/10971-h/images/p1.jpg diff --git a/old/10971-h/images/p2.jpg b/old/10971-h/images/p2.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..03a31b3 --- /dev/null +++ b/old/10971-h/images/p2.jpg diff --git a/old/old/10971.20040207-8.txt b/old/old/10971.20040207-8.txt new file mode 100644 index 0000000..00ce329 --- /dev/null +++ b/old/old/10971.20040207-8.txt @@ -0,0 +1,6907 @@ +The Project Gutenberg EBook of De Zoon van Dik Trom, by C. Joh. Kieviet + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.net + + +Title: De Zoon van Dik Trom + +Author: C. Joh. Kieviet + +Release Date: February 7, 2004 [EBook #10971] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO Latin-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZOON VAN DIK TROM *** + + + + + + + + + + Geproduceerd door Jeroen Hellingman + en het Gedistribueerd Proeflees Team + + + + De Zoon van Dik Trom + + Door + + C. Joh. Kieviet + + + + + + +Eerste Hoofdstuk. + +Dik heeft een plan, en zijn vader vindt, dat hij een bizonder kind is, +en dat is-ie. + + +'t Was met den kruidenierswinkel van den ouden Trom uitstekend +gegaan. Dat was geen wonder, want Vrouw Trom was eene zindelijke +vrouw, die er voor zorgde, dat alles in den winkel er keurig netjes +uitzag. De koperen weegschalen waren zoo prachtig geschuurd, dat zij +haast wel van goud schenen, de toonbanken zagen er brandhelder uit, +en de koopwaren waren van de beste kwaliteit. + +Elken morgen spande Dik zijn mooien hit voor den wagen, om de klanten, +die buiten het dorp woonden, te gaan bedienen. Zijn paard was altoos +helder geroskamd, zijn wagen zag er proper uit, en wat hij leverde +was prompt in orde. Nooit vergat hij te doen, wat hij beloofd had, en +tegen wat extra werk zag hij niet op, als hij een van zijne klanten er +mede gerieven kon. Geen wonder dus, dat hij steeds méér verkocht, er +telkens nieuwe klanten bijkreeg en er zelden of nooit een verloor. In +enkele jaren was de winkel van Jan Trom de voornaamste van het dorp +geworden, en 't was een lust te zien, hoe vol het er somtijds wezen +kon. Vooral op Zaterdagavond was het er verbazend druk. Dan stond +de winkel opgepropt met menschen, die inslag voor de volgende week +kwamen doen, en hadden Vader en Moeder Trom, benevens Dik, geen handen +genoeg, om de klanten te bedienen. Maar al moesten dezen wat wachten, +dat hinderde niet erg, want allen luisterden graag naar de vroolijke +grappen van Dik, die zijn praatje steeds klaar had. + +De oude Trom deed niet veel. Hij was niet sterk genoeg om lang achter +de toonbank te staan, en als het hem al te druk werd, trok hij zich +op zijn stoeltje in een hoek van den winkel terug en keek met innig +welbehagen de drukte aan. En dan luisterde hij naar de gesprekken der +vrouwtjes, die het wel gezellig vonden, als zij niet dadelijk geholpen +konden worden, omdat zij dan nog een poosje konden babbelen,--maar +het meest genoot hij van de grappen en kwinkslagen van zijn zoon Dik, +dien hij soms langen tijd achtereen met de grootste bewondering kon +zitten aanstaren. En menigmaal, als hij zag, hoe graag de menschen +door Dik geholpen werden, mompelde hij zacht voor zich heen: + +"Die Dik,--o, dat is toch een bizonder kind,--en dat is-ie!" + +Trom werd er niet sterker op, en meer en meer begon de winkel hem +te zwaar te worden, vooral overdag, als Dik de klanten afreed, en +Moeder het huiswerk verrichtte. Want de winkelschel liet hem bijna +nooit met rust, van den morgen tot den avond. + +"Klingelingeling!" ging het, als Trom zijn ontbijt +gebruikte. "Klingelingeling!" als hij 's middags aan tafel +zat. "Klingelingeling!" als hij zijn middagdutje wilde doen, waaraan +zijn zwak lichaam zooveel behoefte had. + +Den geheelen dag was het voortdurend: "klingelingeling!" en dat +hield niet op, voordat 's avonds laat de winkeldeur op het nachtslot +werd gedaan. + +De oude man beefde soms over al zijn leden van vermoeidheid als hij +eindelijk in zijn bed gestapt was, en van overspanning kon hij dan +dikwijls in geen uren den slaap nog vatten. Eindelijk begrepen Moeder +Griet en Dik beiden, dat het zoo niet langer ging,--dat er verandering +moest komen. + +En die verandering kwam. + +Het huisje naast den winkel kwam te huur. 't Was een allerliefst +huisje, wel klein, maar keurig net. 't Was een huisje voor een paar +oude menschen, die rustig hun ouden dag wilden doorbrengen. + +Zoodra Dik hoorde, dat het te huur was, zei hij op een avond, toen +de winkel op het nachtslot was: + +"Hoor eens, Vader en Moeder, weet u, dat het huisje hiernaast te +huur komt?" + +"Is 't waar?" vroeg moeder Trom. "Neen, dat weet ik niet." + +Trom zei niets. Hij keek Dik aan en streek met zijn hand langs zijn +dunne bakkebaardjes. + +"Ja," zei Dik,--"'t is zoo, en nu had ik gedacht, dat het juist een +huisje voor u beiden zou zijn." + +"Ja," zei Trom, "dat denk ik ook, en dat doe ik." + +"'t Is een lief huis," ging Dik voort. "Niet te groot en erg +gemakkelijk in 't bewonen. En als u mij dan den winkel verhuurde, +zou u een rustigen ouden dag kunnen hebben. 't Wordt Vader toch wel +wat erg zwaar in den winkel." + +"Ja, dat doet het--en dat doet het," zei Trom. + +"En wou jij dan alleen in den winkel gaan wonen, Dik?" vroeg vrouw +Trom met een glimlachje. + +Dik lachte ook. + +"Neen Moeder, dat is nu juist mijne bedoeling niet. Als u en Vader het +goedvinden, zou ik wel willen trouwen. Anneke en ik hebben elkander +al gekend van onze vroegste kinderjaren af, en wij houden veel van +mekaar. Dus,--wat dunkt u er van?" + +Moeder Trom stond op, sloeg haar armen om Dik's hals, gaf hem een +kus op elke wang, en zei: + +"Mijn zegen er op, Dik!" + +Trom trok zoo hard aan zijn bakkebaardjes, dat hij er de vlassige +haartjes van in de hand hield, en zei: + +"Ja, ja, zoo is het goed, en dat is het. Griet, onze Dik is toch een +bizonder kind,--en dat is-ie!" + + + +Tweede Hoofdstuk. + +De belangrijkste dag uit het leven van Dik Trom. + + +Het ging al gauw als een loopend vuurtje door het dorp: "Dik Trom +gaat trouwen met Anneke, en zijn ouders gaan het huisje bewonen naast +den winkel." En alle menschen vonden het erg best. "'t Was net een +spannetje, dat bij elkaar hoorde," zei men. "Allebêi zijn ze vroolijk, +allebêi jong, allebêi dik," en dat was waar, want Anneke evenaarde in +gezetheid haar aanstaanden man. Zij zag er door en door gezond uit, +had een paar blozende wangen en keek iedereen altoos vroolijk en +opgeruimd aan. En zij vond het wàt prettig om met Dik te trouwen. Van +hun vroegste jeugd af hadden zij elkander gekend en veel van mekaar +gehouden, en niemand vond het vreemd, dat zij man en vrouw zouden +worden. Eigenlijk hadden de menschen het al lang gedacht. + +Op een mooien dag in de maand Juni werd de bruiloft gevierd. Dik was 's +morgens al vroeg opgestaan en den tuin achter zijn huis ingestapt. Het +zonnetje scheen zoo vroolijk, de vogels zongen zoo blijde, de bloemen +in de perkjes geurden zoo heerlijk, en Dik voelde zich zóó gelukkig, +dat hij van louter plezier een liedje begon te zingen. En met zijn +zakmes sneed hij de vroege rozen af en de seringen en de vogelkers, +en bond ze te zamen tot een welriekenden ruiker, dien hij zelf aan +zijne bruid ging brengen. Overal zag hij de vlaggen uitsteken ter +eere van hem en van Anneke. Piet van Dril was de eerste, die zijn vlag +uit het zolderraam stak, en toen volgde Jan Vos, en daarna Van Dijk, +de molenaar, en Vrouw van Aken, en Teun de visscher, en de meester, +en de ontvanger, en de burgemeester. Ja, zelfs uit het huisje van Kee, +de heks van den Achterweg, wapperde een klein, verschoten vlaggetje +uit het boven-zijraampje, want zij hield dolveel van Dik en verheugde +zich in zijn geluk. Weldra was er geen huis meer, waar de vlag niet +uithing, wat wel een bewijs was, dat de bruid en de bruidegom geliefde +personen waren op het dorp. + +Dik vond het heerlijk te zien, dat alle menschen hem en Anneke een +blijk van vriendschap wilden geven. Hij had een glimlach van geluk +op de lippen, en zijne oogen tintelden van blijdschap. + +De menschen, die hem tegenkwamen, hielden hem staande om hem geluk +te wenschen en de hand te drukken, en Piet van Dril stak zijn zwarte +gezicht buiten de deur van de smederij, toen Dik daar voorbijkwam, +zwaaide met zijn vette, glimmende petje, en riep driemaal: +"Hoezee! Leven Dik en zijne bruid!" + +Voor het huis van Anneke wachtte hem eene verrassing, want daar was +een mooie, groote eerepoort opgericht met sparregroen en papieren +bloemen. Bovenin prijkte een schild met de namen van de bruid en +den bruidegom, en er hingen lampions met kaarsen, die 's avonds een +schitterend licht zouden geven. + +Dat hadden zijn vrienden en kennissen gedaan onder leiding van Piet +van Dril, zijn boezemvriend. + +En onder de poort stond Anneke, die maar niet begrijpen kon, dat die +poort ter harer eere was opgericht, en ze lachte en schreide tegelijk +van blijdschap en zei, dat ze zoo gelukkig was en zooveel eer niet +verdiende. En zij dankte Dik voor zijn mooien ruiker, en wist bijna +niet, wat zij doen zou van vreugde. + +Toen ging Dik naar huis terug, om alles voor de bruiloft in orde te +brengen. Er werden in de schuur, die in gewone tijden voor pakhuis +diende, groote tafels en stoelen geplaatst voor de gasten. En hij +versierde de wanden met vlaggedoek, en nog was hij daarmee niet gereed, +toen de deur openging, en Piet van Dril en Jan Vos verschenen, die +een wagen met sparregroen meebrachten en hem hielpen aan de versiering. + +De schuur was weldra haast niet meer te herkennen, zoo mooi werd +zij. Vader en moeder Trom konden hun oogen bijna niet gelooven, toen +zij even binnen kwamen om een kijkje te nemen. Zij sloegen de handen +van verbazing in elkaar, en Trom mompelde: + +"Wat een feest,--wat een feest! 't Heele dorp vlagt, en dan die +schuur! O, die Dik is een bizonder kind, en dat is-ie!" + +Moeder Griet was dat volkomen met hem eens, maar zij gunde zich den +tijd niet om lang te kijken, want zij had het nog meer dan druk om +alles voor het feest in gereedheid te brengen. De beste spullen moesten +uit de kast, en alles werd zorgvuldig geschuierd en opgeknapt. Trom +had het vreeselijk druk met zijn hoogen hoed, denzelfden nog, waarop +Dik was gaan zitten, toen deze nog een kleine jongen was. Trom poetste +de stugge haartjes glad en liefkoosde hem wel honderdmaal met de mouw +van zijne lakensche jas. De man zag er wàt deftig uit, heelemaal in +'t zwart en met dien hoogen hoed op. 't Model van zijn costuum was +wel wat ouderwetsch,--want 't was zijn eigen trouwpak nog, dat hij +maar zelden had aangehad,--en zijn hoed was wel wat hoog van bol en +breed van rand, maar dat hinderde niet. + +"Die hoed is nog mooi, en dat is-ie," zei Trom, "en mijn pak kan ook +nog best meê, en dat kan het." + +Dik was van top tot teen in 't nieuw. Hij had ook een lakensch pak +laten maken en een hoogen hoed gekocht. Zelf vond hij wel, dat hij er +met den hoed erg gek uitzag, maar Trom zei, dat hij hem deftig stond, +en dat deed-ie. Dik's nieuwe laarzen kraakten bij elken stap, zoodat +men hem in de verte al kon hooren aankomen. Dik had er een hekel aan, +maar zijn vader vond dat ook al erg deftig. + +"Alle laarzen van deftige menschen kraken, en dat doen ze," zei +hij wijs. + +Eindelijk werd het tijd om naar het huis van de bruid en vervolgens +naar het gemeentehuis te gaan, waar het huwelijk zou worden +voltrokken. Het drietal begaf zich daarom op weg. + +Dik zag wel wat tegen de plechtigheid op, en hij voelde zich in zijn +mooie zwarte pak, in zijne krakende laarzen en onder zijn hoogen hoed +verre van lekker. Hij was in het geheel geen mensch voor zooveel moois +en plechtigs. Maar 't moest nu eenmaal gebeuren, en hij besloot daarom +zoo goed mogelijk door den zuren appel heen te bijten. + +Vader en moeder Trom keken met gepasten ernst naar al de vlaggen, +die ter eere van hun zoon waren uitgestoken, en vonden zich verbazend +gewichtig. Moeder Griet zag er ook zeer feestelijk uit. Zij had hare +zijden japon aan, waarover een met palmen doorgewerkte omslagdoek, +die haar in den vorm van een gelijkbeenigen driehoek over den rug hing +met de punt naar beneden, een zijden hoedje op met groote keellinten, +en aan haar arm een karbies, welke in sterke mate de aandacht trok +van de kinderen, die den kleinen stoet omringden en steeds in aantal +toenamen. Een van de grootste jongens begon al spoedig te zingen: + + + "Bruid, bruid, strooi wat uit!" + + +Maar de anderen legden hem het zwijgen op met de opmerking, dat de +bruid nog niet aanwezig en hij dus met zijn liedje te vroeg was. + +De jongens en meisjes zagen er zeer opgewekt uit en het ontbrak hun +niet aan de noodige luidruchtigheid. + +Zoo bereikte het drietal de woning van de bruid, waar de gasten, +die voor het feest genoodigd waren, zich reeds verzameld hadden. Met +een krachtigen handdruk werd Dik ontvangen, die onhandig met zijn +hoogen hoed omsprong en voortdurend het vervelende kraken van zijne +laarzen hoorde. + +'t Was nu hoog tijd om naar het raadhuis te gaan. De stoet stelde zich +dus op. Jan Vos en zijn verloofde openden de rij, daarop volgden Dik +en Anneke, daarachter de wederzijdsche ouders en verdere familieleden, +en eindelijk de vrienden en kennissen, die genoodigd waren. Piet van +Dril en zijn jonge vrouw, want Piet was al sedert een jaar getrouwd, +waren de laatsten van den stoet. + +De meisjes en vrouwen hadden allen een groote karbies, tot groote +vreugde van de jongens en meisjes, die zich vol blijde verwachting +voor het huis hadden opgesteld. Nauwelijks waren de bruiloftsgasten +zichtbaar, of daar klonk uit wel honderd kelen: + + + "Bruid, Bruid, + Strooi wat uit! + Bruid, Bruid, + Strooi wat uit!" + + +'t Was een verschrikkelijk gejoel en lawaai, maar de karbiezen bleven +potdicht. Eerst moest het jonge paar getrouwd zijn; zoolang dat niet +gebeurd was, werd er niet gestrooid. + +In lange rij trok de stoet door het dorp en bereikte ongestoord het +raadhuis. Daar werden de groote deuren geopend door den veldwachter, +die bij trouwpartijen dienst deed als concièrge, en men nam plaats +in de trouwzaal, waar vele dorpelingen aanwezig waren om van de +plechtigheid getuige te zijn. + +Spoedig verscheen de burgemeester, en nu werden Dik en Anneke in den +echt verbonden. De burgemeester deed nog een hartelijke toespraak en +drukte het bruidspaar de hand. + +Pas kwam de stoet weer buiten het raadhuis, of daar galmde het weer, +nu wel uit tweehonderd monden: + + + "Bruid, Bruid, + Strooi wat uit! + Bruid, Bruid, + Strooi wat uit!" + + +De lieve straatjeugd drong geweldig op om dicht bij de karbiezen +te komen, die de begeerde lekkernijen bevatten. En thans bestond er +tegen het openen daarvan geen enkele hinderpaal meer. + +"Dààr dan, jongens, grabbelt maar!" riep Anneke, die tijdens de +plechtigheid erg bleek had gezien, maar nu hare frissche kleur +langzamerhand terugkreeg, en zij tastte diep in de karbies en strooide +de bruidssuikers onder de menigte. Haar voorbeeld werd door Moeder +Trom en de andere vrouwen en meisjes gevolgd. Het regende als het +ware links en rechts suikergoed, zoodat de jongens op en over elkander +buitelden, om toch maar zooveel mogelijk bijeen te grabbelen. 't Was +een allerdolst schouwspel. De kinderen hadden nergens meer oog voor, +dan voor de uitgestrooide lekkernijen, en zij waren zoo verwoed aan +het grabbelen, dat zij den heelen bruidsstoet uit elkaar duwden. Een +van de jongens kwam vlak voor de voeten te liggen van Vader Trom, +zoodat het weinig scheelde, of deze viel voorover op de straat. Zijn +hooge hoed rolde wel twee meter ver voor hem uit en kwam onder een +paar jongens terecht, die aan het vechten waren om een suikerboon, +waarop zij beiden recht meenden te hebben. De arme hoed kreeg het +kwaad te verantwoorden en leek al spoedig meer op een waterhoozer +uit een lekke roeiboot, dan op een deftigen hoogen hoed. + +Piet van Dril gaf den vechtenden jongens een paar klinkende oorvijgen, +die hun met verbazenden spoed het hazenpad deden kiezen. Den hoed +bracht hij zooveel mogelijk weer in zijn fatsoen, en zette hem den +ouden man op het hoofd. + +Van het gemeentehuis wandelde de stoet, steeds vergezeld door de +straatjeugd, die met ijzeren volharding het "Bruid, Bruid, strooi +wat uit" galmde, naar de kerk, waar het huwelijk ingezegend werd, +en van daar naar de versierde schuur. + +Den geheelen dag heerschte er groote vreugde. Dik rookte uit een +lange Goudsche pijp, die met groen en bloemen was versierd, en de +bruid dronk uit een kopje, waarvan het oortje met een rozeknopje en +een paar rozeblaadjes prijkte. + +'t Was een heerlijk feest. 's Middags kwamen vele vrienden en kennissen +gelukwenschen, en ook de oude heks van den Achterweg kwam binnen, om +bruid en bruidegom de hand te drukken. En in een klein mandje bracht +zij zes kippeneitjes meê, als een klein blijk van hare vriendschap +en dankbaarheid, want zij was maar een arme, oude vrouw en wilde toch +ook zoo graag wat geven. + +Dik kreeg het er bijna te kwaad onder, zoo aardig vond hij dat van +de goede ziel, en hij pakte het oudje beet en danste met haar in +het rond tot groote pret van alle bruiloftsgasten. 's Avonds kwamen +twee muzikanten met violen, en toen konden de jongelui dansen naar +hartelust, wat zij dan ook deden. + +'t Was al zeer laat in den avond, en nog was er niemand naar huis +gegaan. De oude molenaar was de eerste, die opstond om te vertrekken, +en hij klopte Trom op den rug en zeide: + +"Dat was nog eens een echte, mooie bruiloft, niet waar?" + +En Trom antwoordde, aan zijne bakkebaardjes plukkende: + +"Ja, dat is het,--en dat doet het,--maar Dik is ook een bizonder +kind,--en dat is-ie!" + + + +Derde Hoofdstuk. + +Dik wordt vader, en vrouw Smul begraaft haar neus in een roomtaart. + + +'t Bleef met den winkel onder leiding van Dik en Anneke uitstekend +gaan, zoodat men gerust kon voorspellen, dat zij nog eens in goeden +doen zouden komen. Nu, Dik werkte dan ook met den grootsten ijver, +en als hij de boeren afreed met boodschappen, verving Anneke hem +op uitstekende wijze in den winkel. En zij was een zuinig vrouwtje, +naar de meening van Dik haast wel een beetje al te zuinig. + +"Hoor eens, Anneke," zei hij meer dan eens, "daar moet je toch +voorzichtig meê wezen. Zuinig is goed, best zelfs, maar àl te zuinig +is verkeerd. Komen de vrouwtjes om een pondje van dit of van dat, dan +moet je niet bang wezen, dat de schaal even doorslaat. 't Is beter +overwicht te geven, dan te klein gewicht. Daar hebben de menschen +een hekel aan, en dan gaan ze al gauw naar een anderen winkel, waar +de maat wat ruimer is. Heusch, een klein toegiftje doet geen schade, +maar voordeel. En komen er kinderen boodschappen halen, geef ze dan +een balletje of een pepermunt, of een stukje zoethout, of een vijg. Dat +hebben ze graag en dan koopen ze liever hier dan bij een ander." + +Anneke gaf aan dien raad gehoor, maar zuinig van aard bleef ze toch, +en dat was goed. + +In den winkel zag het er keurig netjes uit, en hij was van alle +gemakken voorzien. Daar zorgde vader Trom wel voor. Nu hij niets meer +te doen had, was de oude liefhebberij voor het timmervak weer bij hem +ontwaakt, en liep hij altoos te passen en te meten, te schaven en te +hameren. 't Was dan ook, eer een jaar verloopen was, een pracht van +een winkel geworden, en Trom was daar erg trotsch op. Jammer voor +den braven man, dat hij den laatsten tijd zoo doof werd. Kort na +Dik's bruiloft was het begonnen, en 't nam met den dag toe, zoodat +hij eindelijk bijna niet meer te beschreeuwen was. 't Was voor Griet +een verbazende last, want zij hield erg veel van een praatje. + +Een paar jaar na Dik's huwelijk had er eene groote gebeurtenis +plaats. Dik werd namelijk vader van een zoontje, en hij was daar +erg blij om. Toen hij op een avond met paard en kar thuis kwam, +vond hij den kleinen kerel al in de wieg liggen, en grootvader +en grootmoeder Trom zaten er op een stoel naast en keken met de +grootste belangstelling naar hun pasgeboren kleinkind. Grootmoeder +Griet vond het een allerliefst schattig kindje, maar grootvader zei +geen woord. Hij was blijkbaar in gedachten verdiept, en staarde met +open mond den kleinen schreeuwer aan. Want een scheeuwer was het. De +oude Trom had een klein, pasgeboren kindje nog nooit zóó hooren +schreeuwen. Grootvader vond het erg verwonderlijk, en soms sloeg hij +zijne oogen even op en staarde grootmoeder aan met een blik, waarin +zoowel verbazing als bewondering opgesloten lag. 't Was hem aan te +zien, dat hij in het kind iets gewichtigs zag. + +"O, o, wat was Dik blij, toen hij zijn zoontje zag. Zijne ouders +feliciteerden hem recht hartelijk, en hij drukte moeder Anneke, die +te bed lag, een kus op elke wang. En toen ging hij weer dadelijk naar +de wieg, om zijn zoontje in oogenschouw te nemen. + +"Wel verschrikkelijk, wat schreeuwt dat kind!" zei Dik, die ook in +de grootste verbazing naar het geluid van den nieuwen huisgenoot +luisterde. "Moeder, heb ik ook zoo geschreeuwd, toen ik pas in de +wereld was?" + +"Neen," zei grootmoeder Trom, "jij schreeuwde nooit, dan alleen als +je honger hadt." + +"Maar dan heeft dat ventje ook honger!" riep Dik met beslistheid +uit. "Hei baker, waar zit je? Geef dat kind wat eten!" + +Op zijn geroep kwam de baker uit de keuken te voorschijn 't Was +vrouw Smul, die ook Dik nog gebakerd had. Zij was nu eene oude vrouw +geworden, met bijna geen tand meer in haar mond, en een puntige, +vooruitstekende kin. Dik hield in het geheel niet van haar, maar daar +zij de eenige baker op het dorp was, moest hare hulp wel ingeroepen +worden. Met een vriendelijk lachje feliciteerde zij den gelukkigen +vader, en zij haalde het kleine kereltje uit de wieg, en hield hem +Dik voor, die nu in de gelegenheid kwam, zijn zoon goed te bezien. + +Ten tweeden male wekte het ventje zijn groote verbazing, want zoo +dik als hij zelf geweest was, toen hij op de wereld kwam, zoo smal +en dun was de kleine. En schreeuwen, schreeuwen dat het kind deed, +neen maar, 't ging Diks verwachting verre te boven. Ook grootmoeder +en grootvader keken het wichtje met verwondering aan, want zoo dun +en mager hadden zij nog nooit een kind gezien. + +Dik sloeg van verbazing de handen ineen, en riep uit: + +"Neen maar, wat een wonderlijk mager kind is dat! 't Is veel te dun!" + +"Maar 't is toch een erg lief kindje," zei Anneke met moedertrots. + +"En wat schreeuwt het!" ging Dik voort, "'t Schreeuwt als een +speenvarken. Toe baker, geef dat kind dadelijk wat te eten, want zulk +geschreeuw is niet uit te houden. Een mensch krijgt er hoofdpijn van." + +Grootvader Trom had nog geen woord gesproken, maar eindelijk ging +hij naar zijn vrouw, en driftig aan zijn bakkebaardjes plukkende, +zei hij op gewichtigen toon: + +"Griet, 't is een bizonder kind,--ik zeg een bizonder kind,--en +dat is-ie!" + +"Ik geloof het ook," zei Dik lachend. "Zoo dun,--en dan dat +geschreeuw. 't Is wél bizonder!" + +Inderdaad bleken deze twee eigenschappen van den kleine op den duur +wèl wat bizonder te zijn, want het kind schreide van den morgen tot +den avond, en van den avond tot den morgen. Alleen als hij sliep, was +hij stil. Hij dronk de eene flesch melk na de andere, maar bleef even +dun en mager. En hij schreeuwde om er wanhopig onder te worden. Kreeg +hij geen flesch, dan maakte hij een ijselijk misbaar om de aandacht +op zich te vestigen, en had hij de flesch leeggedronken, dan vond hij +dàt weer een reden om zijne stem te verheffen. Maar hij groeide best, +al was het alleen in de lengte. + +Dik vreesde, dat zijn wieg hem gauw te kort zou worden, en hij +ergerde zich den ganschen dag aan de aanwezigheid van de baker. Daar +had hij trouwens zijn goede redenen voor, want in den winkel was +veel te snoepen, en daar hield vrouw Smul van. Telkens zag Dik, +dat zij tersluiks iets in den mond stak, als zij even in den winkel +moest wezen, en dat kon Dik niet uitstaan. Eens zag hij, dat zij bij +de kistjes vijgen stond en er een handjevol uitnam, en hij besloot +haar dat eens en voor goed af te leeren. Baker had hem niet gezien, +en schrok dus niet weinig, toen hij eensklaps achter haar stond. Dik +nam een grooten bak met stroop, dien zij onmogelijk met éen hand kon +vasthouden en zei: + +"Toe baker, help me even. Houd dien bak eens vast." + +Maar dat kon baker niet doen, want dan zou Dik zien, dat zij een +hand vol vijgen had. Haastig draaide zij zich dus om en stak de +vijgen met eene behendige beweging in haar mond, maar ongelukkig +konden ze daarin haast niet geborgen worden, zooveel had zij er wel +uit het kistje genomen. Zij moest den mond dus stijf dicht houden, +wilde zij zich niet verraden. Toen greep zij den stroopbak met beide +handen aan. Haar mond zat als 't ware volgepropt, tot groot vermaak +van Dik, die een vriendelijk praatje met haar begon. + +"Wel baker," vroeg hij, "hoe zou het toch komen, dat de kleine +Jan",--want zijn zoon heette Jan, naar zijn grootvader,--"dat de +kleine Jan altijd zoo schreeuwt? Wat kan daar toch de reden van wezen?" + +Maar baker kon niet antwoorden vanwege de vijgen, die zij in +den mond had. En er waren er te veel, dan dat zij ze had kunnen +doorslikken. Kauwen durfde zij ook niet, want dan zou zij zichzelve +dadelijk verraden hebben. Zij verkeerde nog in de heilige overtuiging, +dat Dik niets van hare snoeperij had gemerkt. Zij zeide dus niets, +maar haalde alleen de schouders op, ten teeken dat de reden van +Jantjes geschreeuw haar totaal onbekend was. Doch met dat gebaar was +Dik niet tevreden. + +"Neen baker, haal nu de schouders niet op," zei hij op ernstigen toon, +"maar zeg mij liever kort en goed, wat er de oorzaak van is. Hij moet +toch ergens met zooveel volharding om schreeuwen!" + +Baker haalde nogmaals de schouders op, en Dik keek haar ernstig aan. + +"Scheelt er wat aan, baker? U trekt zoo'n raar gezicht," ging hij +voort. "Heeft u pijn of zoo iets?" + +Baker schudde ontkennend met het hoofd, maar het angstzweet brak haar +uit, want de vijgen in haar mond begonnen haar verschrikkelijk zwaar te +liggen, en zij kon haar mond bijna niet meer dicht houden. Zij kneep +de lippen wanhopig stijf op elkander en liet den zwaren stroopbak +haast vallen. + +Dik had de grootste pret, en ging plagend voort: + +"Heeft u kiespijn, baker?" + +Baker schudde alweer van neen. + +"Of buikpijn?" + +Nogmaals hetzelfde gebaar. + +"U lijkt wel stommetje te spelen, baker. Ik geloof, dat ik den dokter +voor u moet halen." + +De baker slaakte een diepen zucht, maar wilde blijkbaar niets van +een dokter weten. Zij schudde heftig van neen. + +"Maar zèg dan toch wat, baker! Zulk zwijgen is om er tureluursch van +te worden. Of kan u niet spreken?" + +De baker zei nog niets, maar keek wanhopig naar den zolder. + +"Doe uw mond eens open, baker," ging Dik zonder medelijden voort, +en hij pakte haar kin tusschen vinger en duim. Maar nu werd het baker +te erg, en zij begreep, dat Dik heel goed had gezien, dat zij van de +vijgen gesnoept had. Zij zette den stroopbak haastig neer en verliet in +allerijl den winkel, terwijl Dik het uitschaterde van pret, omdat hij +haar zoo geducht te pakken had gehad. Zij dorst den "baas" den geheelen +dag niet meer aankijken van schaamte, en zij had nog grooter hekel +aan hem dan vroeger, toen hij haar klompen vol water had geschept. + +Maar haar snoeplust leerde zij er niet meê af. Die kwaal was bij haar +te veel ingekankerd. + +Dat bleek Dik, toen zijn zoontje een dag of acht oud was. In den +winkel, achter een van de toonbanken, was een luik, waaronder zich de +kelder bevond. Dik was in dien kelder, toen de winkelschel ging, maar +de baker wist niet, dat Dik daar was. Zij kwam in den winkel en zag +daar den loopjongen van den banketbakker, die eene heerlijke roomtaart +kwam brengen, een geschenk van Piet van Dril en diens vrouw. Ha, de +neusvleugels van vrouw Smul trilden van begeerte. Na haastig om zich +heen gekeken te hebben, of zij wel alleen was, lichtte zij behendig +het deksel van de doos en genoot van den heerlijken aanblik, dien de +verrukkelijke taart opleverde. + +Dik kwam langzaam en onhoorbaar naderbij. "Als zij gaat snoepen, +zal ik het haar eens en voor altijd afleeren," dacht hij. + +En jawel, vrouw Smul moest toch eventjes proeven. Met haar vinger +streek zij er wat room af en stak het in den mond. Wat smaakte dat +heerlijk! Zij smakte met de tong. En wat rook die taart lekker. Wacht, +zij moest ook eventjes ruiken. Zij bracht de doos wat omhoog, haar +neus naar omlaag, en genoot van den heerlijken geur.... + +Maar Dik was meer dan kwaad, want hij dacht, dat vrouw Smul er van +snoepte. En in zijne boosheid gaf hij een geduchten duw tegen den +bodem van de doos, zoodat neus en kin van de baker in een oogwenk +tot in het hart van de taart doordrongen. En toen vrouw Smul die +lichaamsdeelen weer uit hun ontijdig graf had opgedolven, zaten zij +dik in de room. Zij leken wel roomhorentjes. + +Vrouw Smul kon zich in het eerste oogenblik maar niet begrijpen, wat +er gebeurd was, zoo snel was het in zijn werk gegaan, en zij gaf een +gil van den schrik. Doos en taart liet zij op den vloer vallen, en zij +vluchtte op een draf den winkel uit en de huiskamer in, waar Anneke +in een schaterlach uitbarstte, zoo mal zag baker er uit. En zij kon +haast niet tot bedaren komen, toen Dik haar vertelde wat er eigenlijk +gebeurd was, al vond zij het meer dan jammer van de heerlijke taart. + +"En wat zullen Piet van Dril en zijne vrouw het akelig vinden, als +zij het hooren," zei Anneke. + +"Die zullen het niet hooren," zei Dik. "Ik ga dadelijk een nieuwe +taart bestellen, precies eender als deze, en wij noodigen Piet +en zijne vrouw een avondje bij ons op de koffie, om haar te helpen +opeten. Dan hooren zij er nooit iets van. Baker zal er haar mond wel +over houden,--en wij praten er natuurlijk ook niet over." + +Zoo geschiedde. Piet en zijn vrouw smulden er heerlijk van en vonden +het prettig, dat de taart Dik en Anneke zoo lekker smaakte, maar zij +hebben nooit geweten, dat het de hunne niet was. De baker wilde den +heelen avond niet binnen komen. Zij bleef stil in de keuken. Maar +Anneke zorgde toch, dat zij haar deel van de lekkernij kreeg. + +Want zij paste uitstekend op den kleinen Jan, en dat waardeerde Anneke +bizonder. Een paar dagen later ging de baker voor goed heen. + + + +Vierde Hoofdstuk. + +De eigenschappen van den kleinen Jan en het geduldige busje van +de orgelvrouw. + + +De kleine Jan groeide zeer voorspoedig op, dat wil zeggen alleen in +de lengte, want hij bleef broodmager, tot groote verbazing van Dik +en Anneke, die elken dag opnieuw in de gelegenheid werden gesteld om +zijn eetlust te bewonderen. + +"Hij is precies een hazewindhond," zei Dik meer dan eens. "Hoeveel +hij ook eet, hij blijft altijd even dun. 't Is verwonderlijk!" + +Overigens was de kleine Jan een zeer voorlijk kind. Hij lachte al, +toen hij nog maar enkele dagen oud was, en zijne tandjes kwamen +zeldzaam vroeg. Hij kroop veel gauwer over den vloer, dan nog ooit +eenig kind gedaan had, en kreeg mazelen, kinkhoest en waterpokken, +toen andere kinderen van zijn leeftijd de gedachte daaraan nog niet +in hun hoofd voelden opkomen. + +Zijn grootvader hield daarom staande tegenover iedereen die het hooren +wilde, dat de kleine Jan een bizonder kind was, en dat was-ie. + +Jan was met zijn grootvader al spoedig goede maatjes. Toen hij nog heel +klein was, wilde hij altoos op diens knieën zitten en paardje-rijden, +zoodra hij hem maar zag, en als Grootvader zijn zin niet dadelijk deed, +zette hij het zoo geweldig op een schreeuwen, dat zelfs Grootvaders +gehoorvliezen er pijn van gingen doen. En dan haastte de oude man zich, +om zijn kleinzoontje tevreden te stellen. + +Zoodra Jantje loopen kon, en dat kon hij heel vroeg, liep hij +grootvader overal na. Anneke was daar eerst wel wat ongerust over, +omdat grootvader zoo erg doof was, maar toen haar Jantje altoos weer +gezond en wèl terugkeerde in de ouderlijke woning, begon zij daar +spoedig aan te wennen. Als Jantje zoek was, dacht ze al dadelijk: +"O, hij zal wel weer bij grootvader wezen." + +Toen Jantje zag, dat grootvader bijna altoos aan het timmeren was, +schreeuwde hij net zoo lang, tot hij ook een hamer kreeg, en van +dat oogenblik af deed hij niet anders dan hameren. Hij sloeg er meê +tegen de toonbank, dat de weegschalen er van rinkelden, klopte op +de vijgenmand met zooveel kracht, dat de pitjes uit de vruchten te +voorschijn kwamen, hamerde een melkkan aan scherven en sloeg een barst +in de winkelruit. Dat gebeurde alles op één dag, tot grooten schrik +van Anneke, die hem den hamer afnam, toen het te laat was. Grootvader +had er niets van gemerkt, en toen Anneke hem op de verwoesting attent +maakte, keek hij die eenigen tijd in verbazing aan, tot hij eindelijk +mompelde: + +"Zie je wel, Anneke, dat Jantje een bizonder kind is?--En dat is-ie." + +Dat bleek ook uit het feit, dat Jantje het geweldig op een schreeuwen +zette, toen Anneke hem den hamer had afgenomen. Hij kon echter zoo hard +niet schreeuwen, dat zijne Moeder hem dien teruggaf. Grootvader was +bezig de stijfsellade te herstellen, die niet meer goed heen en weer +kon schuiven. Jantje zat schreeuwend achter hem op den vloer, tot het +twaalf uur werd en Grootvader naar huis moest om te eten. Grootvader +legde den hamer in den spijkerbak en vertrok. Nauwelijks was hij +verdwenen, of Jantje greep den hamer en zette de werkzaamheden +voort. Hij sloeg draadnagels in de verschillende winkelladen, waar +zij schots en scheef in terecht kwamen, timmerde Grootvaders rooden, +katoenen zakdoek, dien hij vergeten had mede te nemen, als een vlag +aan de toonbank vast, en ging naar het petroleumvat, om ook daar +een paar draadnagels in te slaan. Maar toen viel zijn aandacht op de +kraan, die in het vat zat, en Jantje sloeg er net zoo lang op met zijn +hamer, tot de kraan uit het vat vloog en de petroleum in een breeden +stroom op den vloer en op Jantjes beenen terecht kwam. Ha, dat vond +Jantje pas mooi. Hij hield er den hamer onder, waardoor de stroom een +bizonder mooien vorm kreeg en de droppels hem om de ooren spatten, +en hij keek met innig welbehagen de gevolgen van zijn bemoeiingen +aan. De petroleum bedekte weldra den geheelen vloer, en Jantje was +zoo nat als een gedrenkte spons. Zijne Moeder had er geen erg in, want +zij was in de keuken, tot zij opeens een geweldig geschreeuw vernam, +zóó hevig, dat zij van schrik opsprong en naar den winkel ijlde. Maar +nauwelijks had zij de deur geopend, of zij bleef als verstomd staan en +keek met open mond naar de petroleum, die den geheelen vloer bedekte +tot aan den drempel toe, waarop hare voeten stonden, en naar Jantje, +die uit alle macht schreeuwde en met zijn hamer op het vat sloeg. + +De tranen sprongen Anneke in de oogen, en zij was in één woord +radeloos. Zij wist niet, wat ze beginnen moest. Ze kon niet eens bij +haar zoontje komen, zonder door de petroleum te plassen, wat ze op +hare pantoffeltjes onmogelijk doen kon. + +En Jantje schreeuwde uit alle macht, niet om hetgeen hij gedaan had, +ook niet omdat hij met de beentjes rechtuit in de petroleum zat, +maar eenvoudig om. het feit, dat er geen petroleum meer uit het vat +stroomde. Hij was er meer dan kwaad om, dat de stroom opgehouden had te +vloeien, en hij meende net zoo lang te schreeuwen, tot het weer begon. + +Bedroefd en niet wetende wat zij beginnen moest, snelde Anneke de +achterdeur uit, om Grootvaders hulp in te roepen. Schreiende kwam +zij daar binnen, en zij vertelde onder snikken en tranen, wat Jantje +gedaan had. + +"Wat is er?" vroeg Grootmoeder, toen zij Anneke zoo bedroefd zag +staan. Grootvader stond ook van zijn stoel op en vroeg: + +"Wat is er, Anneke? Wat scheelt er aan?" + +De goede man voelde al naar zijn zakdoek, om haar de tranen van de +wangen te vegen, want hij hield veel van Anneke. Maar hij vond zijn +zakdoek nergens. Hij kon ook niet vermoeden, dat die als een vlag +aan de toonbank wapperde. + +"O, o," zei Anneke, "daar heeft Jantje me de kraan uit het petroleumvat +geslagen...." + +"Den haan uit het kippenhok doodgeslagen?" vroeg Grootvader +ontsteld. "Hoe komt het kind er bij." + +"Neen, neen," zei Anneke met haar mond aan Grootvaders oor, "de +kraan uit het petroleumvat geslagen, en nu is alle petroleum uit +het vat geloopen, en Jantje zit er midden in. Ik weet niet, wat ik +beginnen moet...." + +Grootvader had nu goed verstaan. Hij trok zijn klompen aan en +stapte den winkel binnen, waar Jantje nog zijn uiterste best deed, +om petroleum uit het leege vat te laten vloeien. Hij schreeuwde als +'t ware moord en brand. + +Grootvader keek ook niet weinig verschrikt, evenals een paar vrouwtjes, +die juist kwamen aanloopen om boodschappen te halen. + +Trom plaste op zijn klompen door de petroleum en pakte Jantje op, +dien hij regelrecht naar de keuken bracht. + +"Hier Griet, kleed hem maar dadelijk uit en stop hem in de tobbe," +zei hij tegen zijn vrouw, die van schrik bijna niet spreken kon, +toen zij de ramp in oogenschouw nam. + +Daarna haalde Grootvader eene tobbe uit het schuurtje, benevens een +paar dweilen, en begon den vloer op te dweilen. + +Hij schudde daarbij echter bedenkelijk met het hoofd, want hij begreep +zeer goed, dat de zaak zoo gemakkelijk niet in orde kwam. Jantje +schreeuwde intusschen honderd-uit, want hij werd door Moeder en +Grootmoeder naakt uitgekleed en in een warm bad gestopt. Zijn kleeren +waren onbruikbaar geworden. + +Dat laatste was ook het geval met den winkelvloer. Trom besloot dan +ook dadelijk de handen uit de mouwen te steken De geheele vloer werd +opgebroken en door een nieuwen vervangen, wat den ouden man heel wat +werk bezorgde, 't Is te begrijpen, dat Dik verbaasd opkeek, toen hij +'s avonds thuis kwam en hem het gebeurde verteld werd. + +"Die kleine hazewindhond, hoe krijgt hij 't in zijn hoofd," zei hij +eindelijk. En Grootvader zei: + +"Ik zeg, dat hij een bizonder kind is, Dik, net als jij, en dat is-ie." + +Sinds dien dag werd het petroleumvat zoo geplaatst, dat Jantje er +niet meer bij kon. En de kleine kerel kreeg van zijn vader een houten +hamertje, waar hij niet veel kwaad mee kon doen. Hij timmerde nu den +geheelen dag en hielp Grootvader op zijn manier bij al diens werk. Hij +liet zich daarbij door niets storen, of het moest door een draaiorgel +zijn. Dat vond hij zoo verrukkelijk mooi, dat hij er zelfs zijn eten +voor liet staan, wat hij anders voor geen geld ter wereld zou doen. En +nog mooier vond hij het busje, waarin de vrouw van den orgeldraaier +het geld ophaalde. De orgeldraaier en zijne vrouw woonden op het dorp +en kwamen vast elken Dinsdag met het orgel rond. Dat was erg lastig +voor Anneke, want die had dan altoos waschdag, en moest toch al elk +oogenblik haar waschgoed in den steek laten, om de klanten in den +winkel te helpen. + +Eens op een Dinsdagmorgen had zij het daarmede erg druk gehad, toe +het geluid van het orgel al van verre tot haar doordrong. Ook Jantje +had het gehoord. Hij was toen een jaar of drie en kon dus de deur al +zelf opendoen. + +'t Geluid van het orgel kwam naderbij, en Jantje was in de voordeur +gaan staan, om van de muziek zooveel mogelijk te genieten. Eindelijk +was het orgel tot voor den winkel gekomen en verscheen Mietje, de +vrouw van den orgeldraaier, die Klaas Touw heette, aan de deur. Jantje +haastte zich naar de keuken, en zei: + +"Moedel, daal is Klaas Touw met het olgel." De r kon hij nog niet +zeggen, zoodat hij gemakshalve daar maar een l voor nam. + +"Hè, wat een gezeur van morgen," zei Anneke, wie de zweetdroppels +op het voorhoofd parelden van de drukte. "Er ligt wel een cent in de +toonbanklade, Jantje, je weet wel." + +"Ja moedel," zei Jan, en weg was hij. + +Hij greep een handjevol centen en begaf zich naar Mietje. + +Hij legde een cent in het bakje en zag hem met de grootste +belangstelling door de gleuf verdwijnen, want dat vond hij iets zeer +geheimzinnigs. Toen de cent weg was, legde hij er een tweeden in, +die op dezelfde eigenaardige wijze in de diepte verdween. Daarna een +derde, en een vierde, en een vijfde. Dat ging zoo voort tot Jantjes +handje leeg was. Mietje was blijkbaar een heel geduldig vrouwtje en +zij streek Jantje liefkoozend over zijn kopje. + +"Wacht even, ik zal del nog meel halen," zei Jantje, en hij voegde +de daad bij het woord. De toonbanklade was nog lang niet uitgeput en +Jantje vond het heel aardig, dat het orgel zoo lang bleef draaien, +en dat de centen zoo mooi in de bus verdwenen. + +"Flap," daar viel er weer een naar beneden, tot groote pret van Jantje, +die er hardop om lachen moest. "Flap," weer een, en nog een, en nog +een, tot zijn handje alweer leeg was. En tot zijn groote vreugde +draaide het orgel nog maar steeds door, en bleek Mietje vriendelijk +genoeg om voor zijn plezier nog een poosje te blijven staan. + +"Wacht even," zei Jantje, "ik zal del nog meel halen. El zijn del +nog genoeg." + +Nu, dat was waar, en hij kwam al spoedig weer met een handjevol terug. + +"Flap," ging het alweer, en "flap, flap, flap," volgden de +andere. Anneke was zoo druk aan het wasschen, dat zij het heele +orgel vergeten was. Gelukkig, dat er nu eens een poosje geen klanten +kwamen.... + +Jantje liep geregeld heen en weer van Mietje naar de lade, en van de +lade naar Mietje, wier geduld onuitputtelijk bleek. Jantje vond haar +erg zoet, dat ze zoo lang blijven wou en dat hij zoo prettig met het +busje mocht spelen. + +Maar eindelijk was de voorraad centen uitgeput, en daarom begon +Jantje met de dubbeltjes, die hij in de lade vond. Gelukkig kwam er +juist een meisje den winkel binnen om een half pond suiker te halen +en toen ze zag, wat Jantje deed, zei ze: + +"Zeg, stoute jongen, dat mag je niet doen." Zij nam Jantje de +dubbeltjes af, die hij in de hand had, en riep luid: + +"Vollek!--Vollek!" + +Opeens bleek Mietje haast te krijgen. Zij wenkte Klaas, die +onmiddellijk den slinger van het orgel in rust bracht, en samen +vervolgden zij met meer dan gewonen spoed hun tocht. Zij liepen +zelfs zonder te spelen verscheidene huizen voorbij, en verdwenen in +een achterbuurtje. + +Jantje was echter boos en begon luidkeels te schreeuwen. Maar zijn +Moeder was nog boozer, toen zij van het meisje vernam wat er gebeurd +was, en zij gaf Jantje voor zijne broek en zette hem in de woonkamer +met bevel, dat hij daar den geheelen middag blijven moest. Klaas Touw +en Mietje kregen, toen zij weer met het orgel kwamen, een geducht +standje van haar en mochten in geen vol jaar meer aankomen. + +"Je hebt wel voor een jaar genoeg gehad," zei Anneke boos, "en 't +is een schande, dat je het geld aangenomen hebt. Als je fatsoenlijke +menschen waart, zou je mij gewaarschuwd hebben." + +Of Mietje al zei, dat het zoo erg niet geweest was, en dat Jantje +maar een cent of vijf in het busje had gedaan, 't hielp haar niets. + +"Je hebt voor een jaar genoeg gehad, en daarmede is het uit," zei +Anneke beslist. Boos deed ze de deur voor Mietje's neus dicht. + + + +Vijfde Hoofdstuk. + +Jantje en de school. + + +Jantje bleef zeer voorspoedig opgroeien. De gewone kinderziekten had +hij al lang achter den rug, verkouden was hij nooit, en voor koorts +scheen hij geen aanleg te hebben. Hij was buitengewoon levendig van +natuur, waarvan het gevolg was, dat zijne Moeder hem zelfs met geen +stok in huis kon houden. + +Eerst had zij daartoe wel alle middelen, die haar ten dienste stonden, +in 't werk gesteld, maar tevergeefs. Toen hij nog erg klein was, volgde +hij steeds zijn Grootvader als diens schaduw, en dan timmerde hij den +geheelen dag, maar toen hij een jaar of vier werd, vond hij daar niet +veel pleizier meer in. Hij ging toen liever de buurt op, en was bijna +altoos op de smerigste plaatsen te vinden, die er bestonden. Hij zag +er daardoor gewoonlijk ontoonbaar uit. De modder zat hem dikwijls tot +in de haren, zijne broek was bijna altoos hier of daar gescheurd, +en zijn handen zagen zoo zwart als roet. Wel tienmaal op een dag +greep Anneke hem bij den arm, nam hem mêe naar de keuken, en boende +hem met groene zeep schoon, waarbij de kleine patiënt gewoonlijk een +erbarmelijk geschreeuw deed hooren, zoo erg, dat de klanten, die in +den winkel kwamen, soms dachten, dat er iemand vermoord werd. In die +meening werden zij dan nog versterkt door de noodkreten van Jantje, +die op zijn gewonen huilerigen toon niets anders deed, dan schreeuwen: + +"Ik wou, dat ik dood was! Ik wou, dat ik dood was! Ik moet ook altijd +maar gewasschen worden!" + +Zijn moeder toonde echter niet het minste medelijden en hield niet op, +voordat Jantje vanwege de groene zeep blonk als een spiegeltje. + +'t Was maar jammer, dat het slechts voor zoo korten tijd hielp. Geen +tien minuten later zat Jantje weer in de modder te baggeren. Zijn +voeten waren meestal kletsnat, want hij bewoog zich graag aan de +slootkanten, om naar de kikkers te kijken en watertorren te vangen. + +Toen hij vier jaar oud was, kwam hij voor het eerst met een nat pak +thuis. Hij had kopje-onder in het water gelegen. Dat gaf een schrik +bij Anneke, en zij besloot kort en goed hem voortaan in huis te +houden. Zij sloot hem in den tuin op. Maar dat beviel haar nog veel +minder, want tot haar schrik zag zij hem 's morgens om negen uur al +op de vorsten van het schuurtje zitten, en even later kwam hij naar +beneden tuimelen. Anneke zag het juist gebeuren, en zij dacht, dat +hij wel dood zou zijn. Zij zat als met lamheid geslagen op haar stoel +en was niet bij machte om op te rijzen en Jantje te gaan helpen. Dat +bleek echter ook niet noodig te zijn, want Jantje sprong dadelijk +overeind en klom weer tegen het schuurtje op. Een poosje later zat +hij weer op de vorsten. Eerst was hij wel een beetje bleek van den +schrik, maar dat werd spoedig beter. + +Anneke besloot hem niet meer op te sluiten, zoodat Jantje 's middags +weer in de buurt rondwandelde. + +Toen Dik het 's avonds hoorde, moest hij er braaf om lachen, en +hij zei: + +"Wel, wel, kan die hazewindhond zóó klimmen? Kijk Anneke, dat is nu +iets, wat ik in mijn jeugd nooit heb kunnen doen, omdat ik zoo dik +was. Ik vind het wel aardig." + +Anneke vond het dat niet, en zij klaagde zóó over de zorg, die zij van +den vroegen morgen tot den laten avond over Jantje had, dat Dik besloot +hem voortaan, als het goed weer was, maar meê te nemen op den wagen. + +Dat was een kolfje naar Jantjes hand. Ha, wat vond hij het prettig +om naast Vader op den bok van den wagen te zitten. Soms mocht hij +de leidsels vasthouden of met de zweep klappen. Van slaan was geen +sprake; dat wilde Dik volstrekt niet hebben. Zelf deed hij het ook +alleen in bizondere omstandigheden. Het was dan ook werkelijk niet +noodig, want de hit van Dik kon verbazend hard loopen. Dat beweerde +Dik niet alleen, maar alle menschen op het dorp zeiden het. Die hit +was eigenlijk een harddraver en Dik kende geen hit, uren in den omtrek, +die zoo hard loopen kon als de zijne. Eén ding was maar jammer. De hit +had namelijk wel eens koppige buien, eene kwaal, die ook andere hitten +wel met hem gemeen hebben. Als hij in zoo'n booze bui was, bleef hij +vierkant op den weg staan met de pooten wijd uit elkander. Dan was +er geen beweging in hem te krijgen. Eerst had Dik zijne toevlucht +wel eens genomen tot de zweep, hoewel hij daar een geduchten hekel +aan had, maar 't had hem totaal niets geholpen. Eindelijk was Dik op +'t idée gekomen om hem een klontje suiker voor den bek te houden, en +als de hit het pakken wilde, hield hij het weer een eindje verder. Dat +hielp goed, want de hit hield veel van klontjes, en liep zijn meester +dan dadelijk na. En onder het smullen vergat hij zijn koppige bui, +zoodat Dik weer op den bok kon gaan zitten. Als de hit weer eens +niet voort wilde, nam Dik dadelijk een klontje suiker, en dan was de +zaak in orde. Maar de hit was slim, en telkens als hij trek kreeg in +een klontje, bleef hij midden op den weg staan en ging niet verder, +vóór hij zijn zin gekregen had. Dat gebeurde spoedig wel al een keer +of tien op een dag, zoodat Dik begreep, dat het niet langer ging. Hij +gaf den hit geen enkel klontje meer, al bleef hij ook een half uur op +den weg staan. Zoo leerde het beest langzamerhand zijn snoeplust weer +af. Maar de koppige buien kwamen telkens terug. Wel niet dikwijls, +maar toch te veel naar Dik's zin. 't Was overigens een prachtige hit, +die zijns gelijke niet had in het loopen. Dik hield dan ook bizonder +veel van hem, en Jantje vond het wát heerlijk, als het lieve paardje +zoo lustig voor den wagen draafde. + +En Dik vond het prettig, als de kleine Jan naast hem op den bok +zat. Als 't mooi weer was, mocht Jantje altoos met hem mee, en dat +gaf Anneke heel wat rust. Deze had het trouwens al druk genoeg met +den winkel. + +Eindelijk werd Jantje vijf jaar en toen moest hij naar school. Maar +daar had hij in 't geheel geen zin in. Het vrije leventje en de +toertjes met zijn vader bevielen hem veel te goed, en hij hield stijf +en strak vol, dat hij nooit en nooit naar school wilde. + +Toch moest het gebeuren, en Dik bracht hem er zelf heen. + +Och, och, wat schreeuwde de kleine baas, en wat deed hij eene moeite +om los te komen. Maar dat lukte hem niet, want zijn vader hield hem +stevig vast. + +Hij schreeuwde nog, toen hij door de Juffrouw in ontvangst werd +genomen, en hoeveel moeite zij ook deed om hem tot bedaren te brengen, +'t hielp haar niets. De andere nieuwelingen keken hem met de grootste +verbazing aan. Zulk schreeuwen hadden zij blijkbaar nog nooit gehoord. + +De Juffrouw werd er zenuwachtig van, en wist eindelijk geen raad +meer met het kereltje. 't Was haar onmogelijk iets te beginnen, +want Jantje overschreeuwde haar stem wel tienmaal, zoodat niemand +haar kon verstaan. + +Maar opeens kwam hij tot bedaren, tot groote verwondering en even +groote blijdschap van de Juffrouw. Hij veegde zijne oogen af met de +mouwen van zijn jasje, en stak toen parmantig den vinger op. + +De Juffrouw lachte hem vriendelijk toe, en vroeg: + +"Wel kleine man, wat is er?" + +"Juffrouw, wanneer begint de groote vacantie?" vroeg Jantje. + +De Juffrouw schoot in een lach, en zei: + +"O hé, dat duurt nog een heelen tijd, Jantje. Dat duurt nog wel eene +maand of drie." + +"Vandaag nog niet?" vroeg Jantje, wiens lippen weer zenuwachtig +begonnen te beven. + +"Neen, vandaag nog niet, Jan. Maar dat hindert niet. 't Is hier in +de school ook wel prettig." + +Jantje was dit echter in 't geheel niet met haar eens, wat duidelijk +bleek uit het feit, dat hij het weer verschrikkelijk op een schreeuwen +zette. Er kwam geen einde aan. + +Jantje kreeg zelfs al spoedig gezelschap, want een paar andere +nieuwelingen werden door zijn verdriet dermate aangestoken, dat zij ook +hunne stem verhieven, en met Jantje om 't hardst schreeuwden. Jantje +keek even om, ten einde te zien, waar die nieuwe geluiden vandaan +kwamen, en zette daarna de zaak op den ouden voet voort. 't Was +eindelijk langer niet uit te houden, en de Juffrouw besloot hare +toevlucht tot krachtige maatregelen te nemen. Zij stapte op Jantje af, +greep hem bij den arm, en zette hem in den hoek. Maar Jantje schreeuwde +daardoor niet harder of zachter De zaak liet hem volkomen koud. + +Daarom zette de juffrouw hem in een klein kamertje, dat als boekenkast +gebruikt werd, en zij deed de deur achter hem dicht. Eerst had zij +geducht op hem gebromd. + +"Dáár dan, stoute jongen," had ze gezegd. "Als jij niet naar verbieden +wilt luisteren, moet je maar heelemaal alleen in de boekenkast +zitten. Daar mag je schreeuwen, zoo hard je maar wilt." + +Jantje volgde dat bevel echter in 't geheel niet op. Hij vond het in +die boekenkast heel vreemd, want zóoveel boeken had hij nog nooit +bij elkaar gezien. En in den achtermuur was een raampje, dat bij +mooi weer opengezet werd, omdat er anders zoo'n vunzige lucht in de +kast kwam. Toen Jantje de boeken bekeken had, wat niet lang duurde, +deed hij het raampje open en klom behendig naar buiten. + +Ha, daar in de vrije natuur vond hij het pas heerlijk. Hij veegde de +laatste tranen van zijn gezicht, stak zijn handen in de broekzakken, +en zakte zingende op huis af. + +Anneke keek wát gek op, toen zij hem om half elf binnen zag komen. + +"Mocht jij naar huis toe, Jan?" vroeg ze. + +"Ja, Moeder," zei Jan, "de Juffrouw bracht me zelf in een kamertje, +waar een raam was om er uit te kruipen. O Moeder, dat was zoo'n mooi +kamertje, allemaal boeken, wel honderd millioen drie honderd duizend +en nog veel meer." + +"In een kamertje met boeken, en een raam, waar je door moest +kruipen? Dat begrijp ik niet, kind," zei Anneke. "Enfin, 't is al +half elf. Blijf nu maar thuis." + +Dat deed Jantje met het meeste genoegen. + +Maar de juffrouw, die na eenige minuten wachtens merkte, dat er geen +geluid meer uit de boekenkast kwam en daarom besloot Jantje maar weer +in de klasse te halen, schrikte geducht, toen zij de kast ledig vond. + +"Als het kind maar geen ongeluk gekregen heeft!" zuchtte ze. En ze +stuurde dadelijk een jongen uit de hoogste klasse naar zijn huis, +om te vragen, of hij daar was. + +"Ja, hier ben ik," zei Jantje, nog voordat zijn Moeder gelegenheid +had gehad iets te antwoorden. "En ik wil nooit meer naar school.--Vast +niet!" + +Juist op dit oogenblik kwam Dik binnen, die even naar de smederij +van Piet van Dril was geweest, om zijn hit te laten beslaan. + +"Wat is er aan de hand, Anneke?" vroeg hij. + +En nauwelijks had hij gehoord, wat Jantje gedaan had, of hij pakte +hem bij zijn arm en bracht hem weer naar school, waar Jantje onder +een vervaarlijk geschreeuw zijn intocht deed. + +"Juffrouw," zei Dik, "als hij niet ophoudt met schreeuwen, mag hij +nooit meer mee uit rijden. Dat zèg ik en dat méén ik." + +Die bedreiging hielp dadelijk. Jantje deed zijn mond dicht en gaf +geen kik meer, tot groote vreugde van de Juffrouw. Voor Jantje was +er geen zwaardere straf te bedenken dan dat hij niet meer met zijn +vader uit rijden mocht. + +Toen hij eenmaal tot bedaren gekomen was, zette hij zich met ijver +aan de studie, en het bleek weldra, dat hij de vlugste van de geheele +klasse was. Hij kende de letters al, als hij ze nog maar eenmaal +gezien had, hij schreef het mooist, en hij rekende beter dan iemand +anders. De Juffrouw vond hem bepaald een vluggertje. Maar omdat hij +altoos 't eerst met zijn werk gereed was, had hij ook steeds tijd +over, en dan werd hij ondeugend. 't Duurde dan ook maar kort, of de +Juffrouw zei altoos, als ze van hem sprak: + +"De jongen heeft drie bijzondere eigenschappen: hij is de vlugste, +de ondeugendste en de magerste jongen van de geheele school." + +En dat was ook zoo. Hij deed altoos kattekwaad, als hij zijn werk +afhad. Naast hem zat Karel van Dril, de zoon van den smid. Jan kende +hem al lang voor hij naar school ging, omdat hunne ouders zeer bevriend +waren en dikwijls bij elkaar op visite kwamen. + +Karel kon vrij goed leeren, maar met het rekenen had hij het eerste +jaar nog al moeite. Hij verwarde altijd de 3 met de 8 en de 6 met +de 9, waardoor de uitkomst natuurlijk niet goed kwam. Ook gelukte +het hem maar zelden, om een leesbare 5 te schrijven. Als Jantje zijn +werk al afhad, was Karel nog niet op de helft. En toch deed hij erg +zijn best. Hij hoorde dan niet eens, wat Jantje hem toefluisterde, +en eigenlijk hoorde hij zelfs niet, dat er wat tegen hem gezegd werd, +zoo verdiept was hij dan in zijn werk. Die rekensommen kostten hem +menigen zweetdroppel, en hij kon er bij zuchten als een stoommachine. + +Jantje was dan niet in de mogelijkheid om een gesprek met hem aan te +knoopen, en moest zich dus op andere wijze zien te vermaken. In den +knikkertijd speelde hij met zijn knikkers, die hij dan zoo dikwijls +telde, tot ze eindelijk met groot lawaai op den grond terecht +kwamen. Dan was Holland in last. Hij raakte zijne knikkers kwijt en +kreeg nog straf op den koop toe. + +Eens in den toltijd had hij zijne tollen zitten bekijken, die hij +onder de tafel in de handen hield. Eindelijk haalde hij zijn tolsnoer +te voorschijn en ging er op zijn manier mee zitten hengelen. Dan +verbeeldde hij zich, dal hij tuk kreeg, en als hij dan ophaalde, +zag hij er snoeken of karpers aan. Toen hij visch genoeg gevangen +had naar zijn zin, bedacht hij een ander spelletje. Hij slingerde het +touw om zijn rechterbeen en om het linkerbeen van Karel, die zoo in +zijne sommen verdiept zat, dat hij er niets van merkte. En Jantje bond +de beenen stijf aan elkander. Toen diepte hij zijne tollen weer op, +om ze voor de honderdste maal nog eens te bekijken. De Juffrouw zag, +dat hij zat te spelen, en verbood het hem, maar zij was zoo druk +bezig met hier en daar een achterlijk kind voort te helpen, dat zij +niet veel aandacht aan Jantje kon wijden. Maar inwendig was zij toch +wel boos op hem, want zijne lei was al eens met een harden smak op +den grond gevallen, en nu kwamen plotseling weer al zijn tollen op +den vloer terecht, tot groot vermaak van de andere jongens, waarvan +er eenige hardop begonnen te lachen. + +Nu werd de wanorde de Juffrouw toch wel wat al te groot. Met forsche +schreden stapte zij op Jantje toe, greep hem driftig bij den arm en +wilde hem de bank uittrekken. + +"Allo, ondeugende jongen, vóór de klasse! Direct!" En zij trok zoo +hard, dat Jantje wel mee moest. Maar o wee, zijn rechterbeen zat aan +het linker van Karel vast, zoodat Kareltje óók mee moest,--tot zijn +groote verbazing. + +"O Juffrouw! Mijn been! Mijn been!" schreeuwde Karel. + +"Houd jij je mond!" riep de Juffrouw boos, en zij trok nog harder +aan Jantjes arm. Jantje viel half de bank uit, en Kareltje volgde +zijn voorbeeld. + +"O Juffrouw, mijn been!--Mijn been zit vast!" + +"'t Kan me niets schelen,--vooruit bengel!" riep de Juffrouw. + +Maar Jantje kon niet verder. Het blok aan zijn been was te zwaar, +en de Juffrouw begon eindelijk te begrijpen, wat er aan de hand +was. Toen werd zij nog veel boozer, vooral toen de andere kinderen +hun lachen niet konden inhouden. Zij nam haar zakmesje en sneed +het touw in verscheidene stukken. Jantje werd in den eenen hoek +gezet, en Kareltje, die dood-onschuldig was aan 't geheele zaakje, +in den anderen. Maar Karel protesteerde. Hij wou geen straf hebben, +omdat hij niets gedaan had, en toen de Juffrouw eindelijk goed op +de hoogte kwam van het gebeurde, vond zij ook, dat hij geen straf +had verdiend. Hij mocht dus weer gaan rekenen, maar Jantje moest +schoolblijven, was zijn tolsnoer kwijt, en zag ook zijne tollen, +die de Juffrouw hem afgenomen had, in de kast verdwijnen. + +Toen hij 's middags om half een verlof kreeg om naar huis te gaan, +vroeg hij met een deemoedig gezicht, of hij asjeblieft zijn tollen +terug mocht hebben. Maar daar was geen denken aan. + +"Met Nieuwjaar!" zei de Juffrouw kortaf. En daar was de zaak meê +afgeloopen. Jantje had niet erg veel plezier van de grap, want nu +kon hij 's avonds niet meer met de andere jongens meedoen, als zij +potje-tolden. En dat deed hij juist zoo graag. Hij was trouwens een +liefhebber van alle mogelijke spelletjes. Was het in den toltijd, +dan vond hij dat het prettigste spel van de wereld, was het in den +knikkertijd, dan vond hij dát weer 't mooist. En zoo ging het met alle +spelen, die door de jongens werden gedaan. Maar 't állerprettigst +vond hij toch den sneeuwtijd. Iets heerlijkers was er volgens hem +niet te bedenken. + +Zijn grootvader had voor hem een slee gemaakt, en daar gleed hij elk +vrij uurtje mede van een hoogen dijk af. Ha, wat ging dat echt. En +zoo vlug! 't Was net of hij naar beneden viel, maar 't liep altoos +erg best af. Hij moest wel oppassen, dat hij in zijne vaart niet in +een sloot terecht kwam, die langs den dijk liep, maar Jantje wist zich +met zijne klompen zoo netjes te sturen, dat hij altoos vlak langs de +sloot zijn draai kon nemen. Dat mislukte hem nooit. + +Op de speelplaats van de school vermaakte hij zich met het gooien +van sneeuwballen. Ieder, dien hij maar raken kon, kreeg er een tegen +zijn muts of in zijn hals, en dan had Jantje de grootste pret. Maar +dan kreeg hij ook rijkelijk zijn portie terug, want de andere jongens +lieten zich niet ongestraft bekogelen. + +Toch hadden zij het tegen Jantje altijd kwaad te verantwoorden, want +hij was zeldzaam vlug in zijne bewegingen en kon best mikken. Bovendien +zorgde hij er steeds voor, een goeden voorraad sneeuwballen in zijn +broekzakken te hebben, zoodat hij ze, als de nood aan den man kwam, +maar voor het grijpen had. Dan vlogen de kogels den jongens als het +ware om de ooren, en meestal eindigde het gevecht met een smadelijke +vlucht van zijne tegenstanders. Eens op een avond echter, om vier +uur, toen hij uit de school naar huis ging, kreeg hij onverwachts +met zooveel kracht een sneeuwbal achter in zijn nek, dat hij niet kon +nalaten au te roepen. 't Deed hem dan ook geducht pijn, want 't was +een verbazend harde sneeuwbal geweest, veel harder, dan hij ze ooit +gooide. 't Was eigenlijk een valsche streek, en toen hij omkeek, zag +hij dat een jongen uit de buurt de dader was. Die jongen heette Klaas +Zwart, en stond niet al te gunstig onder zijne kameraadjes bekend. + +Jan zag, hoe Klaas er om lachte, dat hij hem zoo geducht geraakt had, +en hij werd er erg boos om. + +"Dat is valsch, leelijkerd," riep hij Klaas toe. "Jij gooit met +sneeuwballen, waar een steen in zit. Maar ik zal het je betaald zetten, +wacht maar!" + +"'t Is nietes!" riep Klaas terug, zich op een eerbiedigen afstand +houdende, "er zat geen steen in." + +"Kom op als je durft!" schreeuwde Jantje hem toe, wiens nek prikkelde +van de pijn. Het koude water liep hem langs zijn ruggestreng. + +Maar Klaas durfde niet. Hij bleef op eenigen afstand staan, gereed +om te vluchten. + +"Lafaard!" riep Jantje. "Kom op, als je durft.--Je durft niet, hè, +daar ben je te bang voor! Leelijke gluiperd!" + +Hij keerde zich verontwaardigd om en liep naar huis. + +Maar den volgenden morgen ging hij vroeg naar de speelplaats, maakte +een flinken voorraad sneeuwballen, die hij als kogels op elkander +stapelde, en stopte toen ook nog zijn broekzakken vol sneeuwballen +voor het geval, dat Klaas op de vlucht mocht slaan, en hij hem dus +achtervolgen moest. Zoo gewapend wachtte hij de komst van zijn vijand +af. Zijne broekzakken puilden wijd uit van de sneeuwkogels, en hij +kon er veel in zijn zakken bergen, want hij had wijde broekspijpen, +en zijne dunne beentjes namen niet veel plaats in. + +Eindelijk verscheen Klaas op de speelplaats. + +Maar hij was op zijn hoede, want hij vertrouwde Jantje niet erg. Hij +kreeg hem dan ook al spoedig in het oog, en meende hem door een +vriendelijk praatje wat zachter te stemmen. Er waren nu al verscheidene +jongens op het plein. + +"Zoo Jan," riep hij zijn vijand toe, "ga je van middag mee op mijn +slee?" + +"Op je gezicht kun-je krijgen," riep Jantje terug. "Kom op, als je +durft, dan zullen wij sleden!" + +"Hij durft niet!" riepen de andere jongens lachend, toen zij zagen, +dat Klaas bleef staan. "Hè, wat een bangerd! Kijk hem nu eens staan, +zoo'n hufter!" + +"Toe dan, Klaas, kom op!" tartte Jantje. Hij nam een sneeuwbal van +zijn stapel, en wierp hem Klaas vlak in 't gezicht. Zijn neus zat +dik onder de sneeuw, en Klaas kreeg er sterretjes van voor zijne oogen. + +"Lekker zoo! Goed zoo!" riepen de jongens. "Geef hem zijn portie, Jan!" + +"Flap!" + +Daar kreeg Klaas den tweeden, ditmaal tegen zijne muts, die hem van +het hoofd vloog, tot groote pret van de jongens, die in het rond +sprongen van pleizier. Want zij hielden niet erg van Klaas. + +Maar Klaas werd nu toch woedend, en hij vergat zijne vrees. + +Vlug bukte hij zich om een sneeuwbal te maken, doch voordat hij +daarmede gereed was, kreeg hij er een van Jan tegen zijn linkeroor. + +Toen wierp Klaas er Jan een tegen zijn schouder, maar hij kreeg er +dadelijk wel drie voor terug. + +"Houd-je goed, Jan, toe maar!" schreeuwden de jongens. + +'t Werd een verwoed gevecht, en Klaas verweerde zich dapper, maar +hij verkeerde in veel ongunstiger omstandigheden dan Jantje, daar +deze de ballen al gereed had liggen. + +Jantje nam er een stuk of vier in zijne hand, en vloog op Klaas +af. Maar dat was Klaas te veel, en hij zette het op een loopen. + +Jan hem achterna. + +"Daar gaat hij loopen!" schreeuwden de jongens. "Houd-je goed, Jan!" + +Klaas liep, wat hij loopen kon, en Jan volgde hem op de hielen. + +Telkens voelde Klaas een sneeuwbal tegen zijn achterhoofd of in zijn +nek terechtkomen, en 't huilen stond hem nader dan het lachen. + +Tot opeens Jantje misgooide, en zijn sneeuwbal in een ruit van de +school terecht kwam. De scherven vielen rinkelend naar beneden, +en op 't zelfde oogenblik kwam de hoofdonderwijzer naar buiten, die +Jantje bij zijn kraag pakte en hem in een hoek van de school zette, +niet ver van de kachel. + +"Jij blijft om twaalf uur wachten, hoor baasje!" zei de meester. "Ik +moet je dan eens vragen, hoeveel geld je wel in je spaarpot hebt. 't +Is er nu te laat voor, want de school gaat aan." + +Inderdaad werden de deuren geopend en de kinderen binnengeroepen. + +De Juffrouw kwam naar Jantje toe en bromde ook op hem. + +"Stoute jongen," zei ze, "moet jij hier de glazen ingooien? Je bent +niet bij je moeder thuis." + +"Daar mag ik het ook niet doen, Juffrouw," zei Jan op deemoedigen toon, +en de Juffrouw begreep, dat zij zich niet al te juist had uitgedrukt. + +"Houd je mond, brutale jongen," zei ze. + +Ze ging voor de klasse staan en begon met hare werkzaamheden. + +Jantje vond het niet prettig in dien warmen hoek bij de kachel, want +hij leerde veel liever met de andere leerlingen mêe, en bovendien +was hij al erg warm van het sneeuwballen zoodat hij het bij de heete +kachel bijna niet kon uithouden. Deze stond dan ook rondom gloeiend, +want ze was nog niet lang geleden aangelegd, en het lokaal moest +eerst door en door verwarmd worden. Jantjes handen begonnen al gauw te +tintelen, zoo erg, dat hij er bleek van werd. Maar dat ging spoedig +over, en Jantje voelde zich al weer wat lekkerder worden, toen hij +opeens een onaangenaam gevoel langs zijne beenen kreeg. 't Was net, +of er een straaltje koud water langs liep. + +Eerst begreep hij niet, wat dat wezen kon, maar toch voelde hij het +duidelijk. 't Liep langs zijne dijen, passeerde zijne knieën en kwam +eindelijk in zijne kousen terecht. + +Al spoedig snapte hij, wat er aan de hand was. 't Waren de +sneeuwballen, waarmede hij zijne broekzakken had gevuld, die bij +de heete kachel langzaam begonnen te smelten. Hij voelde, dat zijne +kousen nat werden, en hij begreep, dat het zaakje leelijk voor hem +kon afloopen. Hij hoopte echter, dat de sneeuwballen niet zóóveel +water zouden geven, dat het de aandacht van de Juffrouw zou trekken. + +Doch onophoudelijk liepen kleine straaltjes water langs zijne dunne +beentjes naar beneden, en toen hij zijne voeten even verzette, merkte +hij, dat zijne kousen al kletsnat waren. + +Angstvallig hield hij zijn blik op zijne voeten gericht. En waarlijk, +daar zag hij tot zijn grooten schrik, dat er zich rondom zijne voeten +een klein meertje begon te vormen, dat langzaam maar zeker grooter +werd. 't Nam steeds in omvang toe, zoodat Jantje zich hoe langer hoe +minder op zijn gemak voelde. + +Gelukkig was de Juffrouw met zooveel ijver aan het werk, dat zij Jan +geheel vergeten was. + +Eindelijk was de plas rondom Jan zóó groot geworden, dat hij de +aandacht trok van Klaas Zwart, wiens haren nog druipnat waren van de +sneeuwballen, waarop Jan hem had getracteerd. Nauwelijks had hij hem +gezien, of hij stak met veel bombarie zijn vinger op, en riep: + +"Juffrouw! Juffrouw! Jan Trom heeft wat op den grond gedaan!" + +Die tijding gaf eene heele opschudding in de klasse. De kinderen +gingen half in de banken staan en rekten de halzen, om goed te +kunnen kijken. En de Juffrouw keerde zich om en keek heel vies naar +de plaats, waar Jantje stond met beschaamde kaken. Hij zag rood tot +achter zijne ooren. + +"Vieze jongen!" riep de Juffrouw hem toe. "Waarom heb je me niet +gewaarschuwd?" + +"'t Is niet waar, Juffrouw!" riep Jan, huilend van verontwaardiging +"Ik had sneeuwballen in mijn zak, en die zijn bij de heete kachel +gesmolten." + +En om te bewijzen, dat hij de waarheid sprak, stak hij zijn handen +in de zakken, en dolf er de half gesmolten kogels uit op. + +De Juffrouw schoot in een geweldige lachbui, en de kinderen moesten +ook zoo lachen, dat zij bijna niet tot bedaren konden komen. + +Jantje mocht naar huis om droge kleeren aan te trekken. + +Zijn vader keek hem eerst heel boos aan, toen hij hem zoo tusschentijds +zag binnenkomen, maar toen hij hoorde, wat er gebeurd was, moest hij +er ook smakelijk om lachen, en hij vertelde het aan alle klanten, +die dien dag in den winkel kwamen. + +Toen Jan 's middags weer naar school ging, gaf zijn vader hem de +opdracht om eerst naar den glazenmaker te gaan en hem te verzoeken, +de gebroken ruit door een andere te vervangen. Zoo liep dat zaakje +voor Jantje nog al goed af. Maar op Klaas Zwart was hij meer dan boos, +want hij vond hem een valschen jongen en een laffen klikspaan. + + + +Zesde Hoofdstuk. + +Jantje wordt jarig en krijgt mooie cadeaux. + + +Jantje zou voor den achtsten keer jarig worden. Zijn vader had hem +beloofd, dat hij den volgenden morgen een prachtig cadeau van hem +zou krijgen, maar van die belofte had hij later erg veel spijt, want +Jantje wilde met alle geweld weten, welk cadeau dat was, en hij hield +niet op met zeuren. + +Zijn Vader wilde het echter niet zeggen. + +"Morgenochtend zul-je het wel zien," zei Dik. + +"Is het mooi?" vroeg Jantje. + +"Erg mooi," was het antwoord. + +"Erg prachtig mooi?" hield Jantje vol, wiens oogen schitterden van +nieuwsgierigheid. + +"Ja," lachte zijn Vader, "erg prachtig mooi. Zóó mooi, zóó mooi, +dat er niets mooiers op de wereld te bedenken is." + +"Waar lijkt het op?" vroeg Jan polsend. + +"Op onzen hit," zei zijn vader. + +"O, zeker een paardje op wieletjes?" zei Jantje met een opgetrokken +neus. "Dát is niet mooi, Vader, veel te kinderachtig. Toe Moeder, +zegt u me maar, wat het is.--Toe." + +"Neen Janneman, dat zeg ik niet," zei zijne moe. "Morgenochtend zul je +'t wel zien." + +Jantje zeurde nog geruimen tijd door, maar toen hij zag, dat hij +zijn doel daarmede niet bereikte, zette hij het op een schreeuwen op +eene geweldige manier. De ondervinding had hem geleerd, dat dit een +beproefd middel was. + +Maar dezen keer hielp het hem van den wal in de sloot, want het +begon zijn vader al spoedig te vervelen. Hij pakte Jantje bij zijn +kraag, deed het kelderluik in den winkelvloer open, en stopte Jantje +doodbedaard onder den grond. + +"Zie zoo, kereltje," zei Dik, "daar mag je schreeuwen, zoo lang en +zoo hard je maar kunt. Ga je gang maar." + +Jantje vond het een afdoend geneesmiddel, en jammerde: + +"Ik wil naar bed! Ik wil naar bed!" + +"'t Is nog maar half zes!" zei zijn vader. + +"'t Doet er niet toe, 'k wil tóch naar bed, dan is het veel gauwer +morgenochtend!" schreeuwde Jantje. + +"Ook al goed!" zei Dik. + +Vijf minuten later lag Jan onder de dekens, en een kwartier later +sliep hij als eene roos. + +Om elf uur gingen Dik en Anneke naar bed, maar zij hadden pas den +slaap te pakken, of Jantje werd wakker en dacht direct aan zijn cadeau. + +"Vader!" riep hij zoo hard hij kon,--"Vader, wat krijg ik nu van +u? Ik ben jarig!" + +"Een pak voor je broek, als je niet dadelijk je mond houdt," zei Dik, +die het lang niet prettig vond, dat hij wakker gemaakt werd. "De +nacht begint pas. Ga maar weer slapen." + +Met een zucht kneep Jantje zijne oogen weer dicht, en hij sliep ook +waarlijk in, maar 't duurde slechts kort. 't Was nog vóór twaalven, +toen hij opnieuw wakker werd. Nu zou het stellig toch wel morgen wezen, +dacht hij. + +Hij liet zich vlug van zijn bed glijden, ging naar het bed, waar zijn +ouders sliepen, en trok zijn vader aan zijn neus. + +"Hei, ho, wat is dat?" riep Dik verschrikt uit, want hij vond het +een vreemde manier om gewekt te worden. + +"Vader, ik ben jarig!" riep Jantje hem toe. "Welk cadeau krijg ik +nou van u?" + +Maar zijn vader werd terdege boos. + +"Ga naar je bed, deugniet, en als ik vannacht je geluid weer hoor, +krijg je morgen niets, hoor je, heelemaal niets! Allo, pak je weg, +naar je bed. En je geeft geen kik meer, versta-je?" + +Jantje maakte aanstalten om weer te gaan schreeuwen, maar Dik zei +knorrig: + +"Wou je liever in den kelder onder den winkelvloer?" + +Neen, dat kon Jantje in 't geheel niet bekoren, en hij maakte gauw, +dat hij weer in zijn bed kwam. + +Maar den slaap kon hij niet meer vatten; hij was dan ook veel te +vroeg naar zijn bed gegaan. Hij deed niet anders dan zuchten, en vond, +dat de nacht vreeselijk lang duurde. + +"Er komt nooit een einde aan," mompelde hij zacht. "Weet je wat, ik +ga tot duizend tellen. Karel van Dril zegt, dat je dan altijd vanzelf +in slaap valt. Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, +tien, ik ben toch nog wakker. Bij mij helpt het niet. Zeventien, +achttien, negentien, twintig, wat zou het toch voor een cadeautje +wezen? Ik denk van een bromtol, zeven en tachtig, acht en tachtig, +negen en tachtig, of een zak met knikkers, negen en negentig, honderd +hè, hè, nu ben ik al aan honderd, en ik slaap nog niet. Honderd en +een, honderd en twee, hè, ik wou dat ik een zak met tachtig knikkers +kreeg, een en tachtig, twee en tachtig, drie en tachtig, hò, dat is +fout, want nu ben ik nog maar aan drie en tachtig, en een heele poos +geleden was ik al bij honderd,--dan maar van voren af: een, twee, +drie, knikkers, knikkers, een, twee, bromtol, knikkers, zes, drie, +zeven, ... twee, jarig, zes..." + +Jantjes oogen vielen dicht en hij sliep weer. En hij droomde, dat hij +een mooien bromtol kreeg, die prachtige muziek kon maken. Hij nam een +touwtje, wond den tol op, en trok hem af. Hà, wat stond hij prachtig, +en er kwam muziek uit, precies als uit het orgel in de kerk of het +draaiorgel van Klaas Touw. En opeens nam hij een sprongetje en ging +bovenop den kop van den tol zitten, en draaide uit alle macht in de +rondte. Jongen, wat ging dat mooi, 't werd hem geel en groen voor de +oogen, en de tol wist niet van ophouden, leek het wel. Maar eindelijk +begon hij toch langzamer te draaien, toen waggelde hij eenige keeren, +zoodat Jantje zijn evenwicht bijna niet bewaren kon, en plof, daar +viel de tol om, en Jantje tuimelde op den grond.... + +Met een kreet van schrik werd hij weer wakker, en tot zijn spijt +voelde hij, dat hij nog in zijn bed lag, dat zijn tol verdwenen was, +en dat het nog al geen dag werd. + +Maar dat laatste kon hij toch niet gelooven. + +"Neen," zei hij zacht, "'t is bepaald al lang dag, en 't is hier +alleen zoo donker, omdat de luiken dicht zijn. Vader verslaapt zich +zeker. Weet je wat, ik zal heel stilletjes de luiken opendoen, +zóó stil, dat vader en moeder het niet hooren. En als dan de zon +naar binnen schijnt, zal ik Vader roepen, en wat zal hij dan vreemd +opkijken." + +Zoo gezegd, zoo gedaan. + +Jantje kroop stil zijn bed uit, liep op zijn bloote voeten naar het +raam, en stootte zijn kleinen teen zoo hard tegen den poot van de +tafel, dat de tranen hem in de oogen sprongen. + +"Au!" riep hij binnensmonds, en zijn vader werd er half wakker +van. Deze draaide zich in zijn bed om. + +Jantje liet zich daardoor echter niet afschrikken. + +Hij ging verder en kwam bij het raam. Daar zocht hij naar het luik, +en duwde het open. Maar 't bleef donker in de kamer; het was tot zijne +groote spijt blijkbaar nog nacht. Hij besloot, onder het slaken van +een diepen zucht, maar weer naar zijn bed terug te keeren, doch op +den terugtocht schoof hij zijn vaders glazen aschbak van de tafel, +zoodat dit voorwerp met veel lawaai op den grond terecht kwam, en in +scherven uit elkander spatte. + +Jantje bleef van schrik stokstijf staan, en zijn ouders, die niet +begrepen wat dit geraas midden in den nacht beteekenen moest, vlogen +in hun bed overeind. + +Met een wip stond Dik op den vloer, waar hij bijna over Jantje +struikelde, die het hazenpad wilde kiezen en vlak voor zijn vaders +beenen liep. Toen begreep Dik, wat er eigenlijk aan de hand was. Hij +greep op goed geluk rondom zich, om Jantje te pakken, en riep: + +"Jongen, ben je nu alwéer uit je bed?" Maar Jantje had zich zoo vlug +als hij kon uit de voeten gemaakt, en lag alweer onder de dekens. + +"Neen Vader," zei hij, "ik ben hier." + +Toen moest Dik wel lachen, of hij wilde of niet. + +"Ja, nú ben je weer in je bed, maar zoo pas liep je nog hier in de +kamer. Ga toch slapen, en houd ons niet den heelen nacht wakker. Als +ik je wéér hoor, eet ik het cadeau zelf op, en dan krijg je niemendal!" + +"Opeten, Vader?" vroeg Jantje verschrikt. "Kan het dan opgegeten +worden?" + +"O ja," zei Dik, terwijl hij weer in zijn bed stapte, "'t Smaakt wat +lekker, en als ik je weer hoor, krijg je er niets van." + +"En 't lijkt op een hit?" zei Jan spijtig. "Dat heeft u zelf gezegd." + +"Nu jongen, een hit kun-je toch ook opeten!" riep Dik terug. "Maar +ga nu slapen, en laat je geluid niet meer hooren." + +Jantje zweeg. Hij was verdrietig, omdat hij geen mooien tol kreeg, +of een zak met knikkers. + +"Iets lekkers, bah, wat heb-je daar nu aan?" dacht hij. + +De koele nachtlucht had hem huiverig gemaakt, en de warmte van het +bed deed hem behaaglijk aan. Hij stopte zich lekker toe, en sliep +werkelijk na een poosje weer in. Maar om vier uur werd hij weer wakker. + +Hij stak zijn hoofd buiten de gordijnen, om te kijken of het licht +al door de half openstaande luiken drong, en hij zag, dat het nog +altijd nacht was. + +"Moe,--Moeder!" riep hij zacht. + +Maar er volgde geen antwoord. + +"Moeder!--Moeder!" klonk het wat harder. + +Moeder sliep door. + +"Moeder!--Moeder!--Is het nóg nacht," riep Jantje met luider stem. + +Zijne ouders werden er wakker van, en Dik maakte zich boos. + +"Daar heb je dien drommelschen jongen alweer!" riep hij uit. "Wat +wil je toch?" + +"De nacht duurt zoo lang!" huilde Jantje. "Wil u de luiken vast +openzetten? 't Is al lang dag, geloof ik. De klok gaat achter." + +"En de zon zeker ook," zei Dik. "Ga lekker slapen, jongen, dan is het +morgen vóór je het weet. Wel te rusten, Jan, en je mond houden, hoor." + +"Wel te rusten," zei Jantje met een snik en een zucht. + +Nu kon hij echter den slaap in 't geheel niet meer vatten, en hij +verveelde zich schrikkelijk. Wel tienmaal begon hij tot duizend te +tellen, maar telkens raakte hij in de war, en eindelijk gaf hij het +op. Hij ging voor tijdverdrijf spelletjes doen. Eerst stak hij zijn +voeten zoo hoog mogelijk in de lucht, met de dekens er overheen. + +"Nu is het een hooge berg," dacht hij. "Wacht ik zal er een man boven +op zetten, dan kan hij ver zien." + +Hij liet zijn voeten zakken, en legde zijn kussen er op. Toen stak +hij het heele gevalletje voorzichtig in de hoogte, maar de man viel +telkens van den hoogen berg af, en kwam hem eenmaal precies op zijn +hoofd te liggen. + +Eens bleef de man boven op den berg, en toen liet Jan den berg +instorten, zoodat de man geheel bedolven werd. + +"Nu is hij morsdood," zei Jan. "Wacht, ik zal stil een stoel in mijn +bed halen. Dat is veel leuker." + +Hij kroop voorzichtig uit zijn bed, greep een stoel, en klom er weer +heel zacht in. Zijn ouders hadden er niets van gemerkt. Hij legde +den stoel voorover, en ging er op zitten. + +"Huup hit," zei hij. "Nu draven, zoo hard je kunt." + +Hij hobbelde met den stoel op en neer, en hij verbeeldde zich, dat +hij op den hit van zijn Vader zat, en dat hij aan het harddraven was. + +Soms gaf hij hem van achteren met zijn vlakke hand een harden klap +op de sporten. + +"Au," zei Jantje, want het deed hem pijn, en hij likte zijne hand af, +omdat de pijn daardoor gauwer beter werd. + +Toen zette de hit het op een loopen. + +Met twee handen had Jantje de leuning te pakken, en hij hobbelde op +en neer. In zijne gedachten reed hij in vliegenden galop langs den +weg, en telkens gaf hij zijn harddraver een klap op de sporten. De +hit vloog hoe langer hoe harder, maar opeens begon hij te steigeren. + +"Ha," mompelde Jantje, "hij krijgt weer eene koppige bui! Wacht, +ik zal hem leeren!" + +Hij sloeg met beide handen op de houten ribben van zijn harddraver, +greep daarna de leuning, en trok den stoel daaraan in de hoogte. + +O, o, wat steigerde dat beest woest! + +"Huupla," schreeuwde Jantje opeens, want hij verkeerde in hevige +geestvervoering. Zijn vader draaide zich onrustig om in zijn bed. Hij +werd er half wakker van. + +Jantje trok de leuning nog meer in de hoogte. De hit stond toen als het +ware loodrecht op zijn achterste pooten, en Jantje verbeeldde zich, +dat hij hem kwaadaardig hoorde brieschen. De hit nam een geweldigen +sprong, en bommerdebom, daar viel Jantje met hit en al uit zijn bed +op den grond. Dat gaf een lawaai! + +"Heeremenschen!" gilde Anneke, die verschrikt opvloog. "Daar valt +het huis in! Dik, Dik, het huis valt in. Jantje ligt er onder. Hoor +me dat kind eens gillen!" + +Dik was ook verschrikt, en hij haastte zich op te staan. Vlug schraapte +hij een lucifer aan en stak de lamp op. En wat zag hij? + +Jantje lag op den vloer met een stoel half over zich heen, en daarop +lag het kussen, dat den hit in zijn val gevolgd was. + +En Jantje schreeuwde moord en brand, zoowel van schrik als van angst, +want hij was erg bang, dat zijn vader hem nu wel voor zijn broek zou +geven. Hij twijfelde daar zelfs niet aan. + +Maar Dik kon onmogelijk boos blijven op zijn zoontje, en hij moest +er braaf om lachen, toen hij hem daar zag liggen. + +"Wat voer je toch uit, jongen?" vroeg hij. "Je doet niet anders dan +spoken, en houdt ons den heelen nacht wakker." + +"O Vader," schreeuwde Jantje, want hij vreesde altoos nog een beetje, +dat zijn Vader hem straffen zou, "ik was aan 't paardje-rijden op +onzen hit, en toen steigerde hij zoo,--o, o, o, en toen vielen we +alle twee het bed uit." + +Toen moest Dik nog meer lachen, en Anneke lachte van den weeromstuit +meê. Dik pakte zijn zoontje op, en legde hem in bed. + +"Zie zoo, nu ga je maar weer slapen, hoor. Ik zal je wel roepen, +als het dag wordt. Wel te rusten." + +"Wel te rusten," zei Jantje. "Maar dit weet ik wel, dat een nacht +véél en véél langer duurt, dan een dag." + +Een half uurtje later werd Dik alweer wakker gemaakt. + +"Vader!--Vader!" hoorde hij roepen. + +"Jongen, wat verveel je me vannacht," was zijn antwoord. "Wat is er +nu weer?" + +"Vader, komt de zon vast elken morgen weer op?" vroeg Jantje met iets +twijfelmoedigs in zijne stem. + +"Wel ja, Jan, vast en zeker, hoor! Als je maar geduld hebt." + +"Maar Vader, is-ie nog nooit eens weggebleven?" + +"Neen, nog nooit," zei Dik met een zucht. "Kijk maar door het raam. 't +Wordt nu ook al wat lichter. Als je nog een uurtje geslapen hebt, +is de nacht om, en dan ben je jarig. Over een uur zal ik je roepen." + +"Ja Vader," zei Jan, en hij begon nog maar eens tot duizend +te tellen. Maar 't hielp hem niets, hij kon den slaap niet meer +vatten. Och, och, wat duurde dat uur hem lang. Hij luisterde naar het +tikken van de hangklok, tot hij opeens meende, dat zij stilstond. Hoe +hij ook luisterde, hij merkte het eentonige getik niet meer op. Toch +ging de klok nog wel, want een poosje later hoorde hij het weer. + +Eindelijk was het uur om, en sprong hij uit bed. + +"Vader," riep hij luid, "nu ben ik eindelijk dan toch echt jarig. Toe +Vader, wat krijg ik nu van u?" + +"Ja jongen, je hebt me van nacht schrikkelijk verveeld, maar nu ben +je echt jarig, en ik feliciteer je wèl." + +Dik stond op en nam Jantje in zijn armen, en kuste hem op allebei +zijn wangen. En toen gaf hij hem aan Anneke, die hem niet minder +hartelijk pakte. + +Dik kleedde zich spoedig aan, en zei: + +"Kom meê, Jan, dan krijg je je cadeau. Ik hoop maar, dat het je +bevallen zal." + +Jan beefde van blijdschap en nieuwsgierigheid. + +"Kan ik het echt opeten?" vroeg hij. + +"Neen, dat was maar gekheid," zei Dik, terwijl hij Jantje bij de hand +pakte en hem meenam naar den stal. Hij opende de deur, en stapte met +zijn zoontje binnen. + +En wat zag Jan daar? + +Hij kon zijne oogen niet gelooven, want daar, vlak naast den hit, +stond een prachtige, bonte bok, met twee groote horens op zijn kop +en een lange sik aan zijn kin. + +"Die bok!" riep Jantje verrukt uit. "Is die bok voor mij?" + +"Ja, die bok is voor jou," zei Dik lachend, en hij zag met innige +blijdschap, hoe gelukkig dit geschenk zijn zoontje maakte. + +Jan sprong als een kleine dolleman in 't rond, en hij klapte in +de handen. + +"O, dank u, dank u!" riep hij uit. "O, o, wat een mooie bok is +dat. Kijk eens, hij heeft prachtige horens!" + +"Ja, hè?" zei Dik. + +"En een sik!" ging Jan voort. + +"Bè, bè, bè-è-è-è!" blaatte de bok. + +Jantje's vreugde kende geen grenzen. + +"O, hoor eens, hij kan schreeuwen ook. O, wat eene mooie stem," +riep Jan opgetogen. + +In de vreugde zijns harten liep hij op den bok toe en wilde hem zijne +armen om den nek slaan, maar de bok scheen daar niet van gediend, +want hij ging op zijne achterpooten staan, stak den kop omlaag en +drukte zijn groote, kromme horens zoo stevig tegen Jans smalle buikje, +dat Jantje achterover tegen het houten beschot terecht kwam. + +"O, dat mag hij wel doen," zei Jantje, die in zijn bok allerminst +eenige kwade eigenschap wilde ontdekken. Maar toch kroop hij schielijk +overeind en maakte zich uit de voeten. + +"Toe Vader, mag hij eens uit den stal komen?" vroeg hij, want dáár +kon de bok hem niet tegen een muur stooten. + +"Wel zeker," zei Dik, die het wel grappig gevonden had, toen de bok +zijn zoontje zoo onvriendelijk ontving. + +Hij maakte den bok los en bracht hem in den tuin. Eigenlijk was de +tuin alleen bleekveld. Hij was rondom door schuren omringd, behalve +aan den achterkant, waar zich een breede sloot bevond. Jantje mocht +daar soms wel eens graag hengelen. + +Toen de bok den stal verlaten had en rondom zich het welige gras +ontdekte, begon hij dadelijk te grazen. Jantje ging bij hem staan, +en streelde hem met zijne hand langs den nek. + +Hij was méér dan blij met zijn verjaargeschenk; hij had wel kunnen +gieren van blijdschap. De bok liet hem stilletjes begaan, ook toen +Jan hem zijn arm om den hals sloeg. + +"Wat is hij mak, Vader," zei hij. + +"Ja, daar heb ik hem ook op gekocht," zei Dik. "'t Moet een mak beest +zijn, en een flink looper." + +"Hè ja, nu moest ik ook nog een wagen hebben," zei Jantje +begeerig. "Wat zou ik rijden." + +Vol teederheid liet hij zijn beide handen langs het lichaam van zijn +bok glijden, en hij streelde het korte staartje. De bok scheen het in +'t geheel niet onpleizierig te vinden, en deed niet anders dan eten. + +"Zou ik er zoo ook op kunnen rijden?" vroeg Jantje. + +"Wel ja, ik denk het wel," zei Dik. "Hij is sterk genoeg, en zal niet +in tweeën breken." + +Dat vond Jantje heerlijk, en met een wip sprong hij op den bok. Maar +deze vond het allesbehalve prettig. Hij sprong met zijn achterpooten +in de hoogte, om Jantje van zijn rug af te gooien, en toen dat niet +hielp, sprong hij met de voorpooten omhoog. + +Vader Dik schaterde het uit van de pret. + +"Houd je goed, Jantje", riep hij zijn zoontje toe. "Laat je niet van +de vliegen steken!" + +"Be, bè, bè-è-è-è!" schreeuwde de bok nijdig. Het beest was meer dan +kwaad. Opeens nam hij een grooten sprong, zoodat Jantje toch haast van +zijn rug afviel, en zette het op een loopen. Met echte bokkesprongen +holde hij het bleekveld over. 't Ging vliegensvlug, en Jantje vond +'t razend prettig. Zijn Vader ook. Die moest er onbedaarlijk om lachen. + +De bok was echter op een hem onbekend terrein, en daar hij te kwaad +was om goed uit zijn oogen te kijken, sprong hij opeens pardoes in +de sloot. Dat gaf een plons van belang, en voor een oogenblik waren +èn bok èn berijder onder 't water verdwenen. + +Toen lachte Dik niet meer. Integendeel, een hevige schrik maakte +zich van hem meester, en hij ijlde naar den slootkant. Maar daar zag +hij niets. + +Ja toch, er verscheen een hoofd boven water.... + +Helaas, 't was de kop van den bok. 't Kroos zat hem aan de groote +kromme horens. + +"B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!" blaatte hij angstig. + +"Jantje! Jantje!" schreeuwde Dik. + +Daar verscheen ook Jantje's hoofd boven de oppervlakte. + +"Vader, ... help, ... ik ... hik, hik, ... ik, hik verdrink!" + +Dik bukte zich en greep Jantje bij de haren. + +"B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!" schreeuwde de bok. + +Dik trok zijn zoontje op den wal. Daar stond het kereltje, druipend +van het water. + +"O Vader, m'n bok! M'n bok!" jammerde Jantje. + +Dik boog zich nogmaals, en greep met beide handen de horens van den +bok. 't Kostte hem echter vrij wat moeite om het beest op den wal te +krijgen, doch het gelukte hem toch. + +Jantje werd naar binnen gestuurd, om droge kleeren aan te trekken, +en de bok moest in den stal. + +Moeder Anneke was ook niet weinig geschrokken, want zij had het +angstgeschreeuw duidelijk gehoord. Zij stond op,--want dat alles +gebeurde zeer vroeg in den morgen--en hielp Jantje aan droge kleeren. + +De kleine vent stond te bibberen van de koû, maar hij was toch erg +blij met zijn bok. + +"B-b-b-b-b--wat een b-b-b-b--mooie b-b bok, Moeder," zei hij opgetogen, +terwijl de rillingen hem langs zijn mageren rug gingen. En zijn +spillebeentjes trilden zoo erg, dat Jantje er haast niet op staan kon. + +"Dat was me daar 'n mooie geschiedenis!" zei Dik +binnenstappende. "Jantje ging op den bok zitten, en daar sprong me +dat beest pardoes in de sloot. 't Was een bespottelijk gezicht." + +"Leeft hij b-b-b-b-b-nog, Vader?" vroeg Jantje. + +"Of hij!" zei Dik. + +"Zou hij b-b-b-b--niet dood--b-b-b-b gaan?" vroeg Jantje, niet zonder +eenigen angst, dat het koude bad zijn mooien bok kwaad kon hebben +gedaan. En hij vervolgde: + +"Hè b-b-b-b, dat hemd is b-b-b-b-lekker warm, Moeder. Brrr, wat ben +ik koud." + +"Ja, dat wil ik wel gelooven," zei Dik, "Je gaat ook direct weer naar +je bed, om goed warm te worden, door en door warm." + +Jantje had daar wel niet veel ooren naar, maar het gebeurde +toch. Enkele minuten later lag hij weer diep onder de wol. Daar werd +hij al spoedig lekker warm, want zijn moeder had er nog een paar +dekens extra bijgedaan. + +Lang hield Jantje het er echter niet uit. Een half uur later kreeg +hij zijn Zondagsche pak aan en stapte hij naar buiten, om weer naar +zijn bok te gaan kijken. Deze stond heel rustig bij den hit gemaaid +gras te eten, en hij keek Jantje aan of hij zeggen wou: + +"Dat was een rare geschiedenis, hè Jan?" + +Jan kon zijn bok niet genoeg aankijken, zoo mooi vond hij hem. + +"He," dacht hij, "als ik nu een wagentje had en een tuig, dan was ik +heelemaal klaar. Wat zou ik dan heerlijk rijden. Had ik vast maar een +wagentje, dan zou ik zelf wel een tuig maken. Karel van Dril zal er me +wel aan helpen.--Wacht, daar hoor ik Grootvader in zijn tuintje. Ik +ga gauw naar hem toe, om het te vertellen, dat ik zoo'n mooien bok +heb gekregen." + +Vlug begaf hij zich naar de woning van zijne grootouders. Zijn +Grootmoeder kwam hem al tegemoet, en féliciteerde hem met zijn +verjaardag. En ze zei: + +"Ga maar gauw mee naar Grootvader in den tuin." + +"En o, Grootmoê," zei Jan, "ik heb zoo'n prachtigen bok gekregen van +Vader en Moeder, toch zòò mooi, o zoo mooi!" + +Grootmoeder sloeg van verbazing de handen in elkaar. + +"Een bok?" riep zij opgetogen uit. "Een echte, levende bok?" + +"Ja, ja, een echte levende bok, en we hebben samen al in de sloot +gelegen ook. Ik zat boven op zijn rug, en toen vloog hij van kwaadheid +de sloot in. Vind u het niet heerlijk, Grootmoe?" + +"Dat je in de sloot gelegen hebt?" + +"Neen, dat ik een bok heb," lachte Jantje. Samen gingen ze den tuin +in, naar Grootvader. + +Deze kwam hem vroolijk lachend tegemoet. + +"Dag Jan, wèl geféliciteerd met je verjaardag." + +"Dank u, Grootvader!" schreeuwde Jantje, die wel wist, dat Grootvader +hem anders niet verstond. "Ik heb een bok gekregen! O, zoo mooi. Gaat +u mee kijken?" + +"Wat moet jij met eene klok doen, kind?" vroeg Grootvader, die zich +hield, of hij hem niet verstaan had. + +"Neen, neen, geen klok, maar een bok!" schreeuwde Jantje. + +"Een bok? Wat heb je aan een bok, als je geen wagentje hebt?" ging +Grootvader plagend voort. "Ik zou hem maar aan den slager verkoopen!" + +Jantje keek zijn Grootvader diep verontwaardigd aan. + +"Dat nooit!--Nooit, hoor Grootvader!" riep hij uit. + +Grootvader scheen hem echter niet te hooren. Hij stond in gedachten +verdiept, en streek met zijn wijsvinger peinzend langs zijn +neus. Eindelijk zei hij: + +"Wacht eens, Jan. Ik geloof, dat ik nog wat ouden rommel heb, waar +misschien wel een wagentje van gemaakt kan worden. Ga maar eens mee +naar 't schuurtje." + +"Dat zou mooi wezen, Grootvader," zei Jantje blij. + +De schuur werd geopend, en daar stond me zoo waar een prachtige +bokkewagen kant en klaar. Grootvader had hem zelf getimmerd, heel +stilletjes, zoodat Jantje er niets van gemerkt had. O, o, wat lachten +Grootvader en Grootmoeder ondeugend. + +"Wel, hoe lijkt je dat, Jan? Vind je dat wagentje mooi?" + +Jantje werd beurtelings bleek en rood, want hij begreep wel, dat het +wagentje voor hem was, en toch durfde hij het haast niet te gelooven. + +"Of ik het mooi vind?" stamelde hij met bevende lippen, "'t Is prachtig +mooi, Grootvader, prachtig, prachtig mooi!" + +En meteen vloog hij Grootvader om den hals en kuste hem, dat het +klapte, en toen kreeg Grootmoeder eene beurt. Zij bezweek er bijna +onder. + +Jantjes vreugde kende geen grenzen. Hij nam het lemoen op, en trok +het wagentje naar zijn huis, waar Vader en Moeder het dadelijk +moesten zien. + +"Had ik nu nog maar een tuig," zei Jantje, "dan was ik heelemaal +klaar. Ha, wat zou ik rijden!" + +"In de hangkast liggen nog wel een paar oude riemen," zei z'n +moeder. "Daar is misschien, als Grootvader of Vader je helpen wil, +nog wel een goed tuigje van te maken." + +"Oude riemen?" zei Jantje, "hebben wij nog oude riemen? Die zouden +mij goed te pas komen." + +Hij deed de deur open. Zijne ouders stonden lachend naar hem te kijken. + +In plaats van een paar oude riemen zag Jantje tot zijne groote +verrassing een prachtig bokketuig hangen, als een geschenk van +zijne moeder. + +Hij slaakte een kreet van vreugde, nam het tuig uit de kast, en begon +als een dolle door de kamer te springen. + +"Rinkinkeleking! Ringeling! Rinkinkeling-king!" klonk het. Dat kwam +van de bellen, die met twee mooie pluimen op het tuig bevestigd waren. + +"Hoor eens! Hoor eens!" riep Jantje verrukt. "O, o wat mooi. O, ik +weet zelf niet, hoe mooi het is. Nu den bok inspannen, Vader! Laten +we hem dadelijk inspannen!" + +Dat gebeurde. De bok werd uit den stal gehaald en voor den wagen +gezet. De tuigen werden hem omgehangen, en Jantje stapte in. + +"Waar is mijn zweep?" vroeg hij. + +"Hier," zei Dik. "Maar één ding mag je nooit vergeten: sla den bok +niet, als het niet noodig is." + +"Slaan, Vader?" vroeg Jantje. "O neen, mijn bok sla ik niet. De zweep +is alleen maar voor 't mooi. Huup bok! Allo!" + +Daar ging de bok, tot groote vreugde van Jantje, die in het wagentje +zat als een kleine prins. Zijn ouders en grootouders keken hem lachend +na, want zij vonden het bijna even prettig als Jantje zelf. + +"Als hij maar niet in de sloot rijdt!" zei zijne moeder, die wel een +beetje bezorgd was. + +"Laat hem maar begaan," zei Dik met vadertrots. "Hij is mans genoeg, +de kleine baas. Wat is 't een mooi stelletje, hè?" + +En grootvader zei: + +"Wil ik je eens wat zeggen, Dik? Jantje is ook een bizonder kind,--en +dat is-ie." + +"Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou," lachte Dik. + + + +Zevende Hoofdstuk. + +Hoe Jantje uit rijden ging, en bij slot van rekening een dwaze +vertooning maakte. + +Wat reed Jantje heerlijk. Zijn bok stapte parmantig over den weg, +met den kop fier opgeheven, en Jantje hield de leidsels in de eene en +de zweep in de andere hand. De pluimen op den rug van den bok wuifden +sierlijk heen en weer, en de bellen rinkelden zoo mooi, dat het een +lust was om te hooren. + +Eerst reed Jantje natuurlijk naar zijn vriendje Karel van Dril, en die +keek zijne oogen uit naar 't mooie spannetje. Hij was er jaloersch op, +maar hij gunde het Jantje toch wel. En zijn vader, de smid Piet van +Dril, kwam ook naar buiten, om het mooie span te bewonderen. + +"Dat is een prachtig stelletje, Jan!" zei hij, nadat hij Jantje +gefeliciteerd had. "De bok is mooi, de wagen is mooi, het tuig is +mooi, en het koetsiertje is ook mooi." + +"Alleen een beetje mager," zei Jan Vos, de metselaar, die juist +voorbij liep. + +"Mag ik met je meerijden?" vroeg Karel. "Toe zeg, schik een eindje om, +dan kom ik naast je zitten." + +Dat gebeurde, en de twee vrienden reden verder. + +Al spoedig hadden zij heel wat jongens om hen heen, die het allen een +mooi gerij vonden. En allen vroegen om de gunst, of zij ook eens een +eindje mochten rijden. + +"Toe Jan, mag ik ook eens?" vroeg de een. + +"Neen zeg, laat mij dan liever," zei een ander. Jan antwoordde niet +veel, want hij wist wel, dat daar geen beginnen aan was. Hij kon alle +jongens van het dorp toch niet bij zich in het karretje nemen. + +Maar de jongens werden er niet boos om. Zij begrepen zelf wel, dat +het niet ging, en vonden het al prettig met den bok mee te loopen. + +"Huup sik! Huup sik!" riepen de jongens. Maar de bok had zijn eigen +willetje en liet zich niet voortjagen. Hij stapte met krachtigen tred +verder, zonder zich aan het roepen van de jongens te storen. + +Dicht bij de school kwamen zij Klaas Zwart tegen met diens vriendje +Frans Thor. De jongens hielden niet van hen en gingen liever niet +met hen om, want 't waren twee vervelende jongens. + +Zij hadden altoos ontzaglijk veel praats, konden niemand ongemoeid +passeeren, wierpen winkeldeuren open, trokken onnoodig bij de menschen +aan de schel, en plaagden, waar zij maar plagen konden. Aan Klaas +Zwart had Jantje al een hekel gehad, zoolang hij hem kende, omdat hij +een klikspaan was. Frans Thor was later op het dorp komen wonen. Hij +was een verwaarloosde ruwe jongen, die geen moeder had en met zijn +vader samen in een huisje woonde. Zijn vader was soldaat in Indië +geweest, en leefde van een pensioentje. Hij deed zijn huishouden zelf, +veegde zelf den vloer, kookte zijn eigen potje, en maakte zelf de +bedden op. Om de opvoeding van Frans bekommerde hij zich bizonder +weinig. Algemeen stond hij bekend als een pochhans, die wel heel +veel wist te vertellen van zijn heldendaden in Indië, maar die er +zooveel bij jokte, dat hij door niemand werd geloofd. En Frans jokte +ook niet zoo'n beetje. Al spoedig had hij op het dorp geen vriendje +meer kunnen krijgen, en daar Klaas Zwart in hetzelfde geval verkeerde, +liepen ze meestal samen. En ze deden gewoonlijk niet veel goeds. + +Zoodra zij den bok van Jan in 't oog kregen, kwamen zij haastig +toeloopen, elk met een stok in de hand. + +"Wel heb ik van m'n leven!" riep Frans uit. "Kijk Jan Trom eens +geuren! Huup Sik, allo, vooruit!" + +Maar de bok stoorde zich aan dat bevel niet, en bleef kalmpjes +doorstappen. Hij hief den kop eventjes op, en keek Frans aan. + +"'t Is het bokje wèl!" ging Frans voort. "Hij loopt niet harder dan +een slak. Zeg Jan, je moet hem eens met de zweep kietelen, dan zal +hij wel beter voortmaken." + +"Hij loopt hard genoeg," zei Jan. "Toe bok, vooruit!" + +"'t Is een oud, afgeleefd beest!" zei Klaas Zwart smalend. "Hij heeft +de rumathiek in zijn pooten." + +"Als jij maar niet de rumathiek hebt," gaf Jan beleedigd ten +antwoord. "Hij kan harder loopen dan jij." + +"Ha, ha!" lachte Klaas. "Zoo'n stijve huut. Je moet hem smeren met +machine-olie; zijne botten zijn wat stijf." + +"Met stok-olie!" zei Frans Thor grinnekend, terwijl hij den bok een +klap met zijn stok op den rug gaf. + +De bok ging op zijn achterpooten staan. + +Jan werd wit van kwaadheid, en Karel van Dril zei: + +"Wil jij met dien stok wel eens van hem afblijven, of ik zal je met +datzelfde houtje je portie geven." + +Die bedreiging hielp voor een poosje. Maar nu gingen Frans en Klaas +van achteren tegen het karretje duwen, zoodat de bok gedwongen werd +op een draf te loopen. De andere jongens hielden zich een beetje op +een afstand, want ze waren bang voor de twee plaaggeesten, vooral +voor Frans Thor, die een paar jaar ouder was. + +Jan hief zijn zweep op, en wilde de jongens dwingen de kar los te +laten. Maar Frans greep de zweep onverwachts aan, en rukte haar Jan +uit de handen. + +"Wat denk jij wel, magere sprinkhaan," zei hij sarrend. "Denk je soms, +dat ik bang voor je ben? Voor geen tien zulke kereltjes als jij. Ho, +bok, ho!" + +De bok liep echter door, en daarom hielden Frans en Klaas de kar zoo +hard zij konden tegen. + +Jan keerde zich driftig om. + +"Laat je de kar los!" riep hij hun toe. "Laat los, zeg ik je, of ik +sla er op!" + +De twee plaaggeesten lachten hem smakelijk uit. Karel van Dril was +zijn drift ook niet langer meester, en wilde van de kar stappen. Maar +Jan hield hem tegen. + +"Hier," zei hij, "houd jij de leidsels even vast." + +Vlug sprong hij uit de kar, en nog voor Frans er op verdacht was, vloog +Jan op hem aan. Deze zag wit van kwaadheid. Met eene vlugge beweging +rukte hij hem de zweep uit de hand, en in 't volgende oogenblik had +Frans een geduchten striem dwars over zijn gelaat te pakken. + +Klaas Zwart zag, dat het ernst werd en maakte, dat hij op een +eerbiedigen afstand kwam, want hij was laf van aard. Maar Frans +niet. Deze was de grootste en sterkste, en de zweepslag had +hem vreeselijk nijdig gemaakt. Hij kon een kreet van pijn niet +onderdrukken, en de tranen sprongen hem in de oogen. Woest viel hij +op Jan aan, die de zweep alweer opgeheven had, om hem een tweeden +striem te geven. + +"Laat de kar los, zeg ik je!" riep hij Frans toe. + +"Dat zal ik," antwoordde Frans, en hij greep Jan met beide handen +aan. Jan liet zijne zweep op den grond vallen, om zich beter te +kunnen verweren. + +"Geef hem zijn portie, Frans!" schreeuwde Klaas Zwart uit de +verte. "Als je 't alleen niet afkunt, zal ik je wel komen helpen." + +"Daar moest je 't hart eens toe hebben," riep Karel van Dril +terug. "Dan krijg je 't met mij te doen." + +De twee jongens waren geducht met elkaar aan 't worstelen, en iedereen +dacht, dat Frans het gemakkelijk winnen kon, omdat hij zooveel ouder +en sterker was, maar Jantje was de vlugste. Hij wist al spoedig +tusschen Frans' armen door te glippen, liet zich vliegensvlug op +zijne knieën vallen, greep Frans bij de beenen, en liet hem in een +ommezien een buiteling maken. Daar lag Frans lang-uit op den grond, +tot groot vermaak van de jongens, die hem zijne smadelijke nederlaag +van harte gunden. + +"Ha, ha, daar ligt de praatsmaker!" riepen ze juichend. "Waar blijf +je nu met je praats?" + +Jan nam den stok van Frans en gaf hem een geducht pak slaag, veel +te hard naar den zin van Frans, die schielijk overeind kroop, en +beenen maakte. + +Wat werd hij uitgelachen! En wat hadden de andere jongens een pret. + +Maar Klaas Zwart en Frans Thor lachten niet, en Frans was niet van +plan den strijd op te geven. + +Jan stapte weltevreden over de behaalde overwinning weer in zijn +karretje, nam de leidsels van Karel over, en zei: + +"Huup bok! Vooruit maar weer.--Dat viel Frans Thor niet meê, hè +Karel? Wat heeft hij gehad!" + +"En wat buitelde hij lekker over den grond," grinnikte Karel +vroolijk. "Zij zullen wel niet spoedig terugkeeren." + +Dat had hij echter mis. + +Frans en Klaas stonden eerst van uit de verte een poosje te schelden. + +"Magere sprinkhaan!" schreeuwde Frans. + +"Panlat!" smaalde Klaas. + +Maar langzamerhand kwamen zij naderbij. Zij liepen al scheldend een +eindje voor den bok uit. + +"Hij is zoo oud als je grootvader!" schreeuwde Klaas. + +"Verkoop hem aan den slager!" zei Frans. "Die kan misschien nog worst +van hem hakken." + +"Niets terugroepen, Jan," raadde Karel aan. "Dan hebben zij er het +minste pleizier van." + +De afstand tusschen den bok en de twee scheldende jongens werd +voortdurend kleiner. De bok stapte flink, de pluimen op zijn rug +wapperden prachtig, en de bellen rinkelden helder en luid. Jantje +genoot méér, dan hij zeggen kon. 't Verveelde hem echter geducht, +dat die twee akelige jongens vlak voor zijn bok bleven loopen. Dat +vergalde zijn genoegen. En zij hielden niet op, den gek met zijn bok +te steken, wat hem erg griefde. + +Klaas Zwart ging eindelijk vlak voor den bok loopen. Dan liep hij +erg kreupel en met kromme beenen, en riep voortdurend: + +"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!" + +De bok lichtte zijn kop op en keek den jongen nijdig aan. 't Scheen +wel, of hij begreep, dat die jongen hem voor den gek hield. + +"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è! schreeuwde Klaas plagend. "O, wat heb ik 'n +rumathiek in mijn pooten. Bè-è-è-è!" + +De bok schudde den kop, en riep ook: + +"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!" + +"Zie je wel, hij is het met mij eens!" grinnikte Klaas, die met kromme +beenen en in een gebogen houding voor den bok uitliep. + +Plotseling schoot de bok op een drafje vooruit, wat zoo overwachts +gebeurde, dat Jan en Karel bijna achterover uit de kar sloegen. Daarop +sprong de bok op zijn achterpooten overeind, en gaf Klaas zoo'n +geduchten stomp in zijn rug, dat deze voorover op den weg tuimelde. + +"Au, au, au, o, wat is dat!" schreeuwde Klaas. + +"Bom!" daar drukte de bok hem nog eens met kracht zijne horens in +den rug. + +"Au, au, o, o, au!" jammerde Klaas. + +Op handen en voeten poogde hij zich te redden. + +"Bom!" + +De bok drukte hem nogmaals plat op den grond. + +Klaas zag doodsbleek van den schrik. Hij spartelde met armen en beenen, +en schreeuwde moord en brand. + +Jan en Karel vielen haast uit de kar van het lachen, 't Was dan ook +een bespottelijk gezicht. + +Klaas wist geen raad van angst en pijn. + +"Help!" riep hij. "Frans, help,--help! Hij maakt me dood!" + +Hulp was echter niet meer noodig, want de bok hield uit eigen beweging +met zijn afstraffing op. Hij dacht zeker, dat Klaas het er zóó wel +meê doen kon. Zonder zich aan de leidsels te storen, keerde hij om, +en stapte bedaard verder in de richting van Jan's huis. Dat was +maar goed ook, want het werd tijd, dat Jantje naar huis ging om te +ontbijten. 't Was al over achten, en om negen uur begon de school. + +Jan en Karel schoten telkens nog in een lach, als zij aan het malle +figuur van Klaas dachten. + +"Hij zal nu wel ondervonden hebben, dat de bok niet rumathiekerig is, +en dat hij nog kracht in zijne horens heeft," meende Jantje, en dat +was Karel volkomen met hem eens. + +En wat Vader Dik lachen moest, toen hij het hoorde. + +"'t Is bepaald een verstandige bok," zei hij tegen Jan. "Hij begreep +wel, dat die jongen hem voor den gek hield. Maar voortaan zal Klaas +Zwart hem wel uit de voeten blijven." + +"Dat denk ik ook," zei Jan. + +Den geheelen dag op school moest hij, of hij wilde of niet, aan zijn +mooien bok denken, en aan het leuke karretje, dat zijn grootvader +voor hem getimmerd had, en aan het prachtige tuig met de pluimen en +de rinkelbellen, en de meester had een onoplettenden leerling aan hem, +wat hij niet van hem gewoon was. 't Scheelde dan ook maar een beetje, +of hij had zoowel 's morgens als 's middags school moeten blijven. Bij +'t rekenen maakte hij meer dan de helft van de sommen fout, en bij +'t lezen wist hij niet, waar hij beginnen moest. + +De meester werd eindelijk knorrig op hem. + +"Jij moest beter opletten, Jantje, anders worden wij kwade vrienden." + +Jan zat toevallig naast Klaas Zwart, en hij kon den jongen, niet +aankijken, zonder te lachen. + +"Heb je nog pijn in je rug?" vroeg hij fluisterend. + +Klaas keek hem aan als een nijdige spin. + +"Zou het misschien rumathiek kunnen wezen?" plaagde Jantje. + +"Magere sprinkhaan! Panlat!" siste Klaas tusschen de tanden, en +telkens voelde hij aan z'n rug, die geducht pijn deed. + +"Stilte daar!" gebood de meester. "Ik geloof, dat er een paar jongens +zijn, die graag willen nablijven." + +Zoover kwam het echter niet, en om vier uur mocht Jantje naar +huis. Karel holde met hem meê, dat spreekt van zelf. Kwart over vieren +stond de bok alweer voor de kar. De beide vrienden namen plaats, en +daar ging het heen. De bok stapte weer even deftig als 's morgens, +en hij keek eigenwijs om zich heen, de bellen rinkelden en de pluimen +wapperden. De jongens vonden het prachtig, en zij reden het heele dorp +door. 't Bleek een prettig dier te zijn. Als de jongens even uit de kar +stapten, om naar een vink te zoeken, die zij hoorden fluiten in het +riet aan den kant van het kanaal, bleef hij geduldig wachten. Alleen +ging hij een weinigje zijwaarts, om op den berm wat gras te eten. + +Een eindje voorbij de Roomsche kerk, die aan het einde van het dorp +stond, was de timmerwinkel van baas Meijer, bij wien Jans grootvader +vroeger gewerkt had. Naast den winkel stond een kleine houtzaagmolen, +want Meijer zaagde zijn hout zooveel mogelijk zelf. Er lag dan ook +altoos vóór dien molen in het kanaal een vlot balken in voorraad, +en op die balken gingen de jongens dikwijls spelen. Menigeen had +daar al een paar natte voeten gehaald, en sommigen zelfs een nat +pak. Want die balken waren maar losjes aan elkander verbonden, en +het gebeurde dikwijls, dat zij omkantelden, als de jongens er over +liepen. Er behoorde dan ook heel wat behendigheid toe, om geheel +droog te blijven, als zij er op speelden. + +Toen de jongens de houtzagerij bereikt hadden, zei Karel: + +"Zeg Jan, willen we eventjes balkje-loopen? Dat is zoo lekker." + +Daar had Jantje wel zin in. + +"Zou de bok blijven staan?" + +"Wel ja,--de bok loopt niet weg. En al was dat zoo, dan kunnen we +hem toch gemakkelijk genoeg inhalen." + +"Dat is zoo," zei Jan. + +De jongens stapten uit de kar. Jan keerde den bok om en bracht hem +op een plaatsje, waar veel gras en klaver groeide. + +"Daar staat hij heerlijk!" zei hij. + +Toen gingen de jongens op het vlot, en wipten van den eenen balk op +den anderen. Soms stonden zij met de armen om elkaars hals geslagen +op het einde van een balk, die dan door hun zwaarte langzaam onder +water zonk. Maar vóórdat het water hun voeten bereikte, sprongen zij +vlug naar het hooger gelegen deel van den balk. + +En dan lachten zij luidkeels van de pret. + +Dat deden zij ook, als een van de balken onder hunne voeten omkantelde, +want dan moesten zij zich door vlugge sprongen redden. + +Jantje was een echte waaghals. Dat kwam, omdat hij verbazend lenig +was en nog nooit een ongeluk had gehad. + +"Ik moet een beetje voorzichtig wezen," zei hij wijs tegen Karel. + +"Waarom?" vroeg deze. + +"Wel, ik heb mijn Zondagsche pak aan, doordat ik van morgen vroeg +kopje-onder in de sloot gelegen heb. En als ik nu met mijn mooie +pak weer in 't water viel, zou Moeder me zien aankomen, dat begrijp +je. Jongen, wat zou ik er van lusten!" + +"Nou, dat snap ik," zei Karel. + +En nauwelijks had hij dat gezegd, of hij merkte, dat zijn paal +omkantelde en dat hij dus veel kans had, naar beneden te rollen. Met +een vlugge beweging sprong hij op den balk, waarop Jan stond, maar +door den schok kantelde deze ook. + +Plomp! Daar zakte Jantje tot aan zijn middel in het kanaal. Karel +viel achterover op het vlot, zoodat hij vrij droog bleef. + +"O wee!" schreeuwde Jantje, met groote oogen van schrik en angst. Hij +had zijn arm nog om den paal geslagen. + +Vlug als hij was, hief hij zich met kracht in de hoogte, en in 't +volgende oogenblik stond hij weer op het vlot. 't Water droop hem +uit zijne Zondagsche broek langs zijne dunne beentjes naar beneden. + +Karel schaterde het intusschen uit van pret. + +Maar Jantje lachte in 't geheel niet. Hij stapte zonder een woord +te spreken van het vlot af op den kant, en keek zwijgend naar zijn +natte broek. + +Karel kwam bij hem. + +"Wat zat je daar koddig met je hoofd boven dien paal uit!" zei hij +lachend. "Ik wou, dat je het gezien hadt." + +"Ik vind het heelemaal niet koddig!" zei Jantje. "Ik kan me niet +begrijpen, dat je dit nou zoo grappig vindt. Zeg Karel, ik durf zoo +niet naar huis toe, hoor." + +"O, ik weet wel raad," zei Karel. "Trek allebêi je broeken uit en je +kousen. Dan neem jij het eene einde en ik het andere, en we draaien +in tegengestelde richting. Op die manier wringen wij al het water er +uit, en dan is het dadelijk droog." + +"Is het waar?" vroeg Jantje, met een flikkering van hoop in zijn oogen. + +"Stellig!" zei Karel. "Vader heeft wel eens verteld, dat hij het ook +deed, toen hij nog een jongen was. Trek maar uit." + +Dat deed Jantje, en al spoedig stond hij met bloote beenen in +het gras. Toen gingen de twee jongens aan het wringen. Eerst de +onderbroek. Karel nam het bovengedeelte en Jantje de pijpen. Karel +draaide van rechts naar links, en Jantje van links naar rechts. En +zij waren zoo in die bezigheid verdiept, dat zij niet zagen, dat +Frans Thor en Klaas Zwart naderden, ieder weer met een stok in de +hand en niet veel goeds in den zin. + +Deze twee hadden gezien, wat er gebeurd was, en daar zij nog boos +waren over de nederlaag, die zij 's morgens hadden geleden, besloten +zij wraak te nemen. + +Aan den anderen kant van den weg slopen zij zooveel mogelijk ongemerkt +nader, en kwamen meer en meer bij de plaats, waar de bok rustig stond +te grazen. + +Juist waren Jan en Karel met de onderbroek klaar gekomen, die zij +op het gras uitspreidden om te drogen, toen de twee vijanden met +een woesten kreet opsprongen, vlak achter den bok, die er geweldig +van schrikte. En dat werd nog erger, toen de jongens hem met hunne +stokken hard op den rug sloegen, en schreeuwden: + +"Huup bok, huup bok! Allo! koesssss!" + +De bok zette het verschrikt op een loopen, het dorp in. Hij holde +voort, zoo hard hij kon. Van bokkendeftigheid was bij hem geen sprake +meer, hij holde voort als een wild paard. + +"Koesssss! Koesssss!" schreeuwden Frans en Klaas hem na. + +"Dát is gemeen!" riep Jan verschrikt en verontwaardigd uit, en zonder +te bedenken, dat hij geen broek aan had, sprong hij op, en ijlde zijn +bok na. + +Maar deze was hem een geducht eind voor, en rende al midden in het +dorp. Jantje liep wat hij loopen kon, om hem in te halen. + +De menschen bleven lachend staan, om de twee hardloopers na te +kijken. 't Was dan ook een dwaas gezicht, dien bok te zien hollen, +met de rinkelende bellen en de wapperende pluimen op zijn rug, terwijl +de leidsels langs de kar zwierden, maar nog veel maller was het Jantje +te zien, die zonder broek zijn bok naholde. + +Jantje met zijne dunne beentjes liep het hardst. De keisteentjes deden +wel pijn aan zijne bloote voeten, maar hij voelde het niet, en dat de +menschen om hem lachten, merkte hij evenmin. Hij dacht maar alleen aan +zijn mooien bok. Tot zijn vreugde bemerkte hij, dat hij op hem won, en +dat hij hem misschien nog kon inhalen, voordat hij de brug had bereikt. + +Plotseling echter zag hij, dat de bok gegrepen werd. Iemand met +een mandje aan den arm sprong op den weg, en greep den bok bij den +teugel. Daar was Jantje blij om, tot hij opeens zag, dat die man zijn +vader was. + +"Hei, hei, wat is dat voor een malle vertooning?" riep Dik zijn +zoontje toe, die hijgend bij den bok stond. + +"De jongens hebben hem op hol gejaagd, Vader," zei Jantje, die zijn +vader een beetje uit de voeten bleef. + +"Maar hoe komt het, dat jij hier zonder broek langs den weg rent?" ging +Dik voort. + +Jantje zweeg. + +"Allo, spreek op, mannetje. Waar zijn je broeken, en je kousen en +je klompen?" + +"O Vader, ik had ... ik ... ik was ... ik ... had ... ik ..." + +"Ik had en ik was en ik was en ik had!" viel zijn Vader in. "Ik was +een ondeugende jongen en ik had een pak slaag verdiend, wil je zeker +zeggen, hè?" + +Jantje deed een paar stappen achteruit. + +"Spreek op, Jantje, wat is er gebeurd?" + +"Ik was in 't kanaal gevallen, Vader, en omdat ik mijn Zondagsche +broek aan had, dorst ik niet thuis te komen, en toen..." + +"En toen?" + +"Toen hebben Karel en ik mijn broek uitgewrongen, maar toen hebben +Frans Thor en Klaas Zwart den bok op hol gejaagd..." + +"En toen ben jij den bok achterna gehold?" vroeg Dik, en opeens +begon hij er smakelijk om te lachen, want hij vond het een koddige +geschiedenis. + +"Dat is tweemaal vandaag, Jantje!" zei hij. "Pas maar op, dat je er +niet voor den derden keer invalt. Vooruit, stap in de kar en haal je +kleeren. En ik zou dat wringen verder maar aan Moeder overlaten. Je +gaat direct naar huis, hoor." + +"Ja Vader," zei Jantje, die blij was, dat het zoo goed afliep. "Maar +van Frans en Klaas is het een gemeene streek." + +"Dat is het," zei Dik. + +Jantje stapte in de kar en reed naar het vlot terug, waar Karel op de +natte plunje paste. Jan kleedde zich weer behoorlijk aan, en reed naar +huis terug. Zijn Moeder vond de geschiedenis lang zoo grappig niet als +Vader Dik, maar omdat Jantje jarig was, liep alles nog al goed voor +hem af. Hij kon zijn daagsche pakje weer aantrekken, dat intusschen +gedroogd was, maar met den bok mocht hij dien avond niet meer rijden. + + + + +Achtste Hoofdstuk. + +Jantje krijgt het met Flipsen te kwaad, en dankt aan zijne magere +leden zijne redding uit een dreigend gevaar. + + +Hoe ouder Jantje werd, des te meer gingen zijne kameraden van hem +houden. Dat was volstrekt geen wonder, want hij was een aardige +jongen met een goed hart. Van alles wat slecht en leelijk was, +had hij een afkeer, en als sommige jongens nog wel eens iets deden, +waarvan groote menschen last of schade ondervonden, deed hij nooit +meê. Eénmaal had hij appelen gestolen in den tuin van Wobbe, waar de +jongens dikwijls heengingen om vruchten weg te nemen, want Wobbe had +een grooten boomgaard, waarin heel veel lekkers groeide. Jantje had +er nog nooit aan meêgedaan, maar eindelijk liet hij zich overhalen +om ook meê te gaan. 't Was op een herfstavond en ruw weer. De jongens +slopen stilletjes naar de boerderij van Wobbe, die een eindje buiten +het dorp lag, en sprongen na elkander over de sloot. Zoo kwamen zij +in den boomgaard. + +Maar Wobbe had zich met een paar knechts verdekt opgesteld, want +dat appelen stelen begon hem geducht te vervelen. Hij had Flipsen, +den veldwachter, wel gewaarschuwd, maar die werd een dagje ouder en +maakte er niet veel werk van. + +"Als je een van de dieven snapt, breng je hem maar bij me, dan zal ik +hem wel mores leeren," had hij gezegd. En hij had er aan toegevoegd: +"zelf zal ik ook wel een oogje in 't zeil houden." + +Wobbe was daarom besloten, zelf de handen uit de mouwen te steken, +en had zich met zijne knechts op verschillende plaatsen in den +boomgaard verscholen. + +Zij hadden er nog niet lang gezeten, toen zij de jongens hoorden +komen. Zij merkten duidelijk, hoewel zij nog niemand zagen, dat +de jongens over de sloot sprongen. Wobbe en zijne knechts bleven, +waar zij waren. Hunne afspraak was, de jongens tot midden in den +boomgaard te laten komen, en hen dan plotseling van drie kanten +tegelijk te bespringen. + +Jantje voelde zich in 't geheel niet op zijn gemak, en toen alle +jongens al over de sloot waren, stond hij nog weifelend op den weg. + +"Pssst! Pssst!" hoorde hij zacht roepen, 't Was de stem van Karel +van Dril. "Kom maar hier, Jan, alles is veilig." + +"O ja," zei een ander, "kom maar gerust. Bij Wobbe brandt het licht +in de huiskamer. Er is niet het minste gevaar." + +Jan kwam nader en sprong ook over de sloot. + +De jongens gingen behoedzaam verder den boomgaard in. + +"Hier!" riep er een. "Kijk eens, wat een prachtige appelen! De boom +zit propvol!" + +"Hier ook," riep Karel van Dril een eindje verder. "Kom hier, Jan, +hier zijn peren." + +Eerst waren de jongens bang en keken schuw rond, of er geen gevaar +dreigde, maar toen alles stil bleef, steeg hun moed, en liepen zij +brutaal tot midden in den boomgaard. + +Frans Thor en Klaas Zwart waren de brutaalsten. De jongens gingen +weinig of nooit met hen om, maar soms sloot het tweetal zich ongevraagd +bij hen aan, en dan waren zij moeilijk te weren. + +Frans had een stok bij zich en sloeg er mede tegen de takken. De +appelen vielen naar beneden. + +Maar hij kreeg geen tijd om ze op te rapen, want opeens werden zij +van drie kanten tegelijk besprongen. + +"Voorwaarts! Grijpt de dieven!" klonk de stem van Wobbe. Deze was +een groote, sterke boer met harde handen. + +Verschrikt vlogen de jongens uit elkaar. De een ijlde hier-, de ander +daarheen. Klaas Zwart haastte zich zoo, dat hij in de sloot viel. Tot +aan zijn hals toe zakte hij in het water. Karel van Dril sprong over +de sloot, Frans Thor ook, Gerrit Kikke en Piet Vos kwamen er met +natte voeten af, maar Jantje, die eerst niet wist, wat er gebeurde, +liep den verkeerden kant op, en vloog precies boer Wobbe in de armen. + +"Loopen! Loopen, jongens!" riep Frans Thor. + +Een van de knechts sprong over de sloot, en riep: + +"Wij zullen eens zien, wie 't hardst kan loopen, kereltje!" + +En hij liep Frans zoo hard hij kon achterna. + +Dat werd een wedren van belang, want Frans was vlug ter been, maar de +knecht nam veel grootere stappen. Frans hoorde zijne stappen hoe langer +hoe dichter achter zich. Eindelijk voelde hij zich bij den kraag van +zijn jas grijpen. Hu, wat kneep die knecht. Frans werd bijna geworgd +maar toch wrong hij zich nog als een aal, om los te komen. Dat gelukte +hem echter niet. De knecht gaf hem een geducht pak slaag, en joeg hem +voor zich uit, terug naar de boerderij. Daar beleefde Jantje intusschen +ook geen prettige oogenblikken, want Wobbe trok hem aan zijne ooren +in de hoogte, tot zijn gezicht vlak voor dat van den boer gekomen was. + +Jantje gierde van de pijn! + +"Ha zoo, kereltje, wat ben jij licht!" zei de boer met een boozen +lach. "Jij bent te dun om appelen te eten, manneke. Hoe heet jij?" + +"Au, au!" schreeuwde Jantje, die spartelde als een mager varken. + +"Heet jij au-au?" lachte de boer. "Magere langbeenige mug!" + +"Au! Au!" huilde Jantje. + +"Heet jij au-au?" herhaalde de boer driftig. + +"Neen, au neen, ik heet Jan Trom! Au, au, laat me los asjeblieft!" + +"Zoo, heet jij Jan Trom," zei de boer. Hij liet Jantje weer zakken, +tot hij op den grond stond, legde hem toen over zijne knie, en gaf +hem een geducht pak voor zijn broek. + +'t Werd een warme geschiedenis voor Jantje, want de handen van den +boer waren nog veel harder, dan hij ze zich voorgesteld had. Zoo'n +pak slaag had hij nog nooit van zijn leven gehad, en hij vreesde, +dat er geen stuk van hem heel zou blijven. + +Eindelijk liet Wobbe hem los. + +"En maak nu, dat je wegkomt!" bulderde Wobbe hem toe, "of ik breng +je nog bij Nero in het hondenhok. Die houdt wel van kluifjes, al zijn +ze mager." + +Dat liet Jantje zich geen tweemaal zeggen. Hij liep wat hij loopen +kon, en 't viel hem meê, dat het nog zoo goed ging, want hij dacht +niet anders, of de boer had hem zijne beenderen stuk geslagen. Hij +haastte zich zoo om over de sloot te komen, dat het maar zus of zoo +scheelde, of hij kwam in het water terecht. Maar dat liep gelukkig +nog goed af. En toen vloog hij naar het dorp terug. Zijn rooftocht +was hem bitter slecht bevallen. + +Even later hoorde hij de noodkreten van Frans Thor, die door den boer +en zijn knecht onderhanden werd genomen. Jantje liep dientengevolge +nog harder. + +"Hij lust er ook van!" mompelde Jantje, die in ijlende vaart +voortholde, "hu, wat slaat die boer hard. Hoor Frans eens schreeuwen." + +Na een poosje haalde hij Klaas Zwart in, die zoo hard niet loopen kon, +omdat hij tot aan zijn hals toe in de sloot gezeten had. Klaas huilde, +want hij stelde zich de ontvangst thuis ook niet erg vriendelijk voor. + +Jantje ging regelrecht naar huis met het stellige voornemen nooit +meer appelen of peren te stelen. En 's avonds wreef hij meermalen +over zijn broek, omdat hij zoo'n pijn had. + +De zaak was echter nog niet uit, want Wobbe vertelde den volgenden +dag aan Flipsen, den veldwachter, welk eene gelukkige vangst hij +had gehad, en gaf hem de namen der schuldigen op. Zoo kwam het, dat +Flipsen den winkel van Trom binnenstapte, waar Dik juist bezig was +een paar klanten te helpen. + +Flipsen had altoos nog een kijkje op Dik, want hij was nog niet +vergeten, wat Dik in zijn jeugd voor streken had uitgehaald. + +"Goeden avond, Dik!" zei hij. + +"Dag Flipsen," was het antwoord. "Wat is er van je dienst?" + +"Niet veel moois, man. Ik kom je waarschuwen, dat je wel wat beter +op je zoontje mag passen, want 't is erg, zooals hij op het dorp +huishoudt." + +"Zoo, zoo," zei Dik verwonderd en ook een beetje ongeloovig want hij +had nog nooit gemerkt, dat Jantje veel kwaad deed. "Is het zóó erg, +Flipsen? Wat heeft hij uitgevoerd! Jantje is anders zoo kwaad niet." + +Dik werd wel een beetje boos over den lompen uitval van Flipsen. + +"Dat zeggen alle vaders en moeders van hunne kinderen," hernam +Flipsen. "Van hun eigen kinderen kunnen zij nooit kwaad hooren, +vooral wanneer ze zelf ook nooit gedeugd hebben." + +Dik werd nu erg boos. + +"Wou je zeggen, dat ik nooit gedeugd heb?" vroeg hij driftig, en hij +zwaaide zoo heftig met den strooplepel,--want hij was juist bezig +een vrouwtje aan een pond stroop te helpen,--dat Flipsen een flinken +lik van dat goedje op de mouw van zijn jas kreeg. + +"O, neem me niet kwalijk, dat is bij ongeluk," zei Dik. + +"Bij ongeluk! Bij ongeluk!" schreeuwde Flipsen verontwaardigd. "'t +Is een schandaal! En ik zal proces-verbaal tegen je opmaken, wegens +beleediging van een politieman in dienst!" + +Hij haalde zijn zakdoek te voorschijn om de stroop weg te vegen, en +maakte de zaak daardoor nog veel erger. De stroop kwam nu bijna over de +geheele mouw. En Flipsen was altijd zoo keurig netjes op zijn uniform. + +"Asjeblieft, juffrouw," zei Dik. "Wenscht u nog iets?" + +"Neen," zei de vrouw, die haar lachen haast niet kon houden. + +"Ik zeg," schreeuwde Flipsen, "dat je wel wat op je lieve Jantje mag +passen, of hij raakt nog in 't hok. Gisterenavond heeft hij appelen +en peren gestolen in den boomgaard van Wobbe, en dat zal wel niet +de eerste keer geweest zijn, denk ik.--Die akelige, ellendige stroop +zit er zoo vast op, dat mijn heele jas bedorven is. 't Is meer..." + +"Alleen de mouw maar," zei Dik. "Ik dank je voor de boodschap, +Flipsen. Ik zal er mijn zoontje over onderhouden." + +"Zoo vader, zoo zoon," zei Flipsen nijdig, want hij dacht, dat Dik +hem voor den gek hield. Met groote stappen liep hij den winkel uit. + +Toch waren die woorden Dik ernst geweest. + +Hij herinnerde zich nog best, hoe hij in zijne jeugd ook vruchten +gestolen had, en hoe hij tot inkeer gekomen was. + +'s Avonds vertelde hij aan Jan, wat er in zijn kinderjaren gebeurd was, +en hoeveel spijt hij er later over had gehad. + +En Jantje beloofde hem, dat hij het nooit, nooit weer doen zou. Dik +was er blij om toen hij hoorde, dat het Jantje's eerste strooptocht +geweest was, en hij vertrouwde er stellig op, dat het ook de laatste +zou geweest zijn. + +Na dien dag keek Flipsen den zoon van Dik Trom nooit meer vriendelijk +aan. Hij had een hekel aan Dik gehad, zoolang hij hem had gekend, en +dat sloeg nu op Jantje over. Dat kon deze zeer goed merken. Als hij +met zijn bok uit rijden was en hier of daar even uitstapte, wat nog +al dikwijls gebeurde, zoodat zijn bok gelegenheid kreeg om wat gras +of klaver van den berm te eten, kwam Flipsen, zoodra hij dat zag, +op hem af, en gaf een geducht standje. + +"Die bok màg daar niet loopen, en nog veel minder van dat gras +eten. Dat gras is immers niet van jou? Of heeft je vader misschien +den berm gepacht?" + +"Neen Flipsen, dat geloof ik niet." + +"Ik weet het zeker. Dat gras is van Geurs, en je bok moet er +afblijven. Als ik het weer zie gebeuren, zal ik er proces-verbaal van +opmaken, hoor je. Denk jij, dat je maar doen moogt, wat je wilt? Ik +zal je dat wel anders leeren. 't Is gewoon diefstal, maar daar storen +jullie je niet aan, hè? Jij niet,--en je vader niet! Pas op je tellen, +mannetje, of je loopt er nog eens geducht tegen." + +Zijn vader lachte er om, toen Jan het hem vertelde. + +"Gekheid, jongen, maak je maar niet ongerust. Als je geen grooter +kwaad doet, is het nog al zoo erg niet, en zal Flipsen je wel met +rust laten. 't Is een nijdige kerel, die het allen menschen lastig +maakt. 't Is ook al erg, dat die bok daar een mondje gras of klaver +eet. Dat doet mijn hit immers elken dag ook? En de menschen, die het +gras van de publieke wegen pachten, weten immers vooruit, dat zulke +dingen niet te keeren zijn. Daarom betalen zij ook minder pacht. 't +Is te gek om er van te praten, Jan, en maak je maar niet ongerust. 't +Zal zoo'n vaart niet loopen." + +Na dien tijd liet Jan zijn bok gewoon z'n gang gaan, of Flipsen het +zag of niet. Dat begon Flipsen geducht te vervelen, en eindelijk +maakte hij er werkelijk proces-verbaal van op. + +"Jij heet Jan Trom, hè?" zei hij, zijn zakboekje te voorschijn halende. + +"Ja," zei Jan. + +"Hoe oud ben je?" + +"Tien jaar," zei Jan. + +"Zoon van Dik Trom, hè?" + +"Ja wel." + +"En je erkent, dat je bok hier gras en klaver van den berm eet?" + +"Ja," zei Jan, "dat kan ik niet ontkennen." + +"Mooi zoo," zei Flipsen, die zijn boekje met een flap dichtsloeg, +"daar zal je wel meer van hooren, manneke. Jullie doet maar, of er +geen overheid bestaat. Maar 't zal je berouwen." + +Toen Jan het aan zijn vader vertelde, haalde deze glimlachend de +schouders op. + +"Wat bezielt dien man toch," zei hij. "Maak je maar niet ongerust, +'t is een storm in een glas water. We hooren er hoogstwaarschijnlijk +nooit meer iets van." + +Dat was ook zoo. Toen Flipsen met zijn proces-verbaal bij den +burgemeester kwam, lachte deze den veldwachter hartelijk uit. + +"Ben je dwaas, Flipsen," zei hij. "Denk je, dat we met zulke nesterijen +bij den Officier van Justitie kunnen komen?" + +"Maar burgemeester, 't is toch diefstal?" zei Flipsen knorrig. + +"Dat beschouw ik niet als diefstal," was het antwoord. "Op die manier +zou een jongen zelfs geen konijntje meer kunnen houden, als hij niet +een beetje gras van den berm mag snijden. 't Is te mal om er van +te praten." + +Hiermede kon Flipsen vertrekken, maar Jantje keek hij nooit meer +vriendelijk aan. En dat zou nog erger worden, geheel buiten Jan's +schuld. + +Op een avond waren Jan en Karel met nog een paar andere jongens aan +het spelen op de markt, toen zij opeens een eigenaardig puffend geluid +hoorden. Verwonderd keken zij in het rond, om te zien, waar dat geluid +vandaan kwam. En tot hun groote verbazing ontdekten zij een wagen +zonder paard er voor, die met groote snelheid langs den weg vloog. + +"Boe!--Boe!--Boe!" klonk het geluid van een grooten horen. In den wagen +zaten heeren en dames, die zich vreeselijk mal toegetakeld hadden. Zij +droegen groote stofbrillen voor de oogen, en zagen er uit als ijsberen. + +'t Vreemde rijtuig was een automobiel, en wel de eerste automobiel, +die het dorp, waar Jan woonde, met een bezoek vereerde. + +"Kijk, kijk!" riepen de jongens, "wat een gekke wagen!" + +"Zij lijken wel van den Noordpool te komen," merkte Jan op. "'t Is +een wagen vol ijsberen. Kijk, daar houdt hij stil voor de herberg +van De Vries. Gaan jullie mee kijken?" + +De jongens liepen, wat zij loopen konden, om bij het vreemde voertuig +te komen. + +"'t Is eene automobiel!" zei Karel van Dril. "'k Weet zeker, dat het +eene automobiel is!" + +"Gaat die door stoom?" vroeg Jan. + +"Neen, ze stoken er benzine in, zei Vader. O, ze kunnen zoo hard +rijden, wel zoo hard als een sneltrein." + +De jongens hadden den wagen spoedig bereikt, en bekeken hem aan +alle kanten. De reizigers waren het café binnengegaan, om iets te +gebruiken. En al spoedig stonden er heel wat menschen om het vreemde +voertuig, want velen hadden wel al van automobiles gehoord of gelezen, +maar nog slechts weinigen hadden er een gezien. + +"Ik noem het een mooi ding!" merkte Jan wijs op. "Ik zou er mijn +bokkewagen wel voor willen ruilen." + +"Wat je zegt!" zei Karel lachend. "Kijk, hij staat nog te trillen en +te zuchten, of het een levend wezen is." + +"Hij is moê," lachte Jan. "Hij staat uit te blazen. Die twee groote +lantaarns voorop zijn net een paar oogen.--Zeg Karel, zoo'n automobiel +ga ik ook maken." + +"Je doet wat!" lachte Karel een beetje spottend. "'t Is maar geen +kleinigheid. Je begrijpt toch, dat er een heele machinerie binnenin +zit?" + +"O ja natuurlijk," zei Jan. "Ik bedoel ook niet, dat ik een echte ga +maken, want dat zou jou vader nog niet eens kunnen, en die kan haast +alles,--maar ik maak toch net een wagen als dit ding, wat ik je zeg." + +Op dit oogenblik kwamen de reizigers weer naar buiten en namen +in de auto plaats. De chauffeur greep het stuurrad deed een paar +geheimzinnige grepen in den wagen, en er kwam leven in het monster. Het +trillen en schokken werd heviger, en opeens schoot het gevaarte met +kracht vooruit. + +"Poe! Poe! Poe!" toeterde de reusachtige horen. + +De omstanders sprongen verschrikt op zijde, en een oogenblik later +was de wagen uit het gezicht verdwenen. Hij vloog als het ware langs +den weg, de menschen in een wolk van stof achterlatende. + +Jan stond het vreemde voertuig met open mond na te staren. En toen +hij het niet meer kon zien, riep hij zijn makkers toe: + +"Dag!--Ik ga naar huis!" + +Op een drafje liep hij weg. De auto had een overweldigenden indruk op +hem gemaakt, en hij was besloten niet te rusten, voor hij er ook een +had. Wel een week lang bleef hij voor zijne kameraden onzichtbaar, +behalve op school natuurlijk. Daar mòèst hij wel heen. Maar al zijn +vrijen tijd besteedde hij aan het vervaardigen van zijne automobiel, +en dat was geen gemakkelijk werkje. Hij schoot er vlug mede op, +en was verbazend trotsch op het product van zijne handen. + +De kinderwagen, waarin zijne Moeder hem gereden had, toen hij nog een +klein kereltje was, had hij van het bovenstel ontdaan, zoodat alleen +de wielen overbleven. Zijn Moeder had hem daartoe hare toeslemming +gegeven, omdat de wagen oud en versleten en dientengevolge geen +dubbeltje meer waard was. + +Toen had hij van zijn vader een paar pakkisten gevraagd, die hem +graag werden afgestaan. + +"Wat moet je er meê uitvoeren, Jan?" had zijn Vader gevraagd. + +"Ik maak er een automobiel van," zei Jan, en toen vond zijn Vader het +goed. Die kisten gaf hij precies het model van de auto, en bevestigde +ze daarna op het onderstel van den kinderwagen. Keurig netjes timmerde +hij er twee bankjes in, een voor- en een achterbankje. Gelukkig mocht +hij het gereedschap van zijn grootvader geruiken, en deze gaf meermalen +goeden raad. + +Maar nu kwam het moeilijkste nog aan, want hij wilde zijn wagen van een +toestel voorzien, waarmede hij hem in beweging kon brengen, zonder dat +het noodig was hem te duwen of te trekken. Het duurde lang, eer hij +daar iets op gevonden had, en toen hij wist, hoe het worden moest, +kon hij het onmogelijk zonder hulp van een smid uitvoeren. Hij ging +daarom met zijn wagen naar Piet van Dril, den smid, en legde hem uit, +wat er gedaan moest worden. + +"Kijk, Van Dril," zei hij, "zooals het nu is, is het niet goed. De +as van mijn wagen deugt er niet voor. Ik zou naast mijn voorbankje +een wiel willen hebben met een tandrad precies als aan een fiets. Als +nu aan den as van den wagen ook zoo'n rad bevestigd werd, kon er een +fietsketting omgelegd worden, zoodat ik maar aan het wiel te draaien +heb om de kar in beweging te brengen. Aan dat wiel moet natuurlijk +een handvat komen, precies als aan het wiel van een draaiorgel." + +Piet van Dril keek hem een poosje peinzend aan, en krabde zich in +gedachten achter het oor. Eindelijk gaf hij Jan een geduchten klap +op diens smalle schoudertje, zoodat de beentjes ervan haast kraakten, +en zeide: + +"Dat heb je al wonder knap bedacht, Jan. Wonder knap, zeg ik! Je kon +wel ingenieur of zoo iets worden. Maar hoe moet je aan zoo'n wiel +met een handvat komen? Ik heb er geen." + +"Wij wèl, Van Dril," zei Jan. "In de schuur ligt die oude koffiemolen +nog van ons, u weet wel, die oude afgedankte uit den winkel. En daar +zit een groot wiel aan met een handvat." + +"Juist!--Ja, juist," zei Van Dril. "Wel jongen, ik vind, dat je +het zóó knap bedacht hebt, dat ik je nu eens voor pleizier aan die +kamraderen helpen wil. Haal dat wiel maar hier." + +Wat was Jantje blij. Hij liep als een haas naar huis om het wiel +te halen en was den geheelen avond niet uit de smederij weg te +krijgen. Geen wonder waarlijk, want Van Dril hield woord. Hij smeedde +de kamraderen aan den vooras van den wagen en aan het wiel van den +koffiemolen, maakte een oude fietsketting pasklaar, en zette alles +netjes en flink in elkander. + +Jan stond er verrukt naar te kijken, en Karel niet minder. + +"Nu moet ik nog een horen hebben!" zei Jan, zich de handen wrijvende +van genot. + +Ja, en nog twee lantaarns," zei Karel. "Je weet wel, dat zijn de oogen +van het beest. Een paar oude fietslantaarns konden er best dienst +voor doen. Vader, hebben wij nog niet een paar van zulke oudjes?" + +"O, ja wel," zei Van Dril. "Hier heb je er twee." + +In een kwartiertje had Jan ze voor aan de auto bevestigd. Toen nam +hij nog een veerkrachtig metalen plaatje, en timmerde dat aan den +linkerkant van den wagen, er voor zorgende, dat de spaken van het +voorwiel er beurtelings tegen aan tikten, als de wagen in beweging +kwam. Daardoor werd een geluid veroorzaakt, dat precies het tuffen +van een auto nabootste. + +Nu was de wagen klaar. Jan en Karel brachten hem naar buiten, waar +Jan op het voorbankje ging zitten, en Karel op de achterbank. Jan +nam het handvat en draaide het wiel rond. Ha, wat reed het karretje +prachtig. De twee jongens konden hun lachen niet houden van +pleizier. 't Was precies een auto, en hij maakte een aardig gangetje. + +'t Was maar jammer, dat de voorwielen niet om een spil konden draaien, +want nu kon de wagen alleen vooruit en achteruit, maar van sturen +was geen sprake. + +Elken avond gingen de jongens er meê spelen en zij hadden niet weinig +bekijks. Maar Jan raakte er door in volslagen vijandschap met Flipsen, +en toch was het geheel buiten zijne schuld. Dat kwam zoo. + +Karel van Dril moest eene boodschap voor zijn vader doen, en daarom +besloot Jan maar alleen met zijn auto te gaan rijden. Eerst tufte +hij een paar malen het dorp door, en ging toen naar het fort even +voorbij het kerkhof, dat aan het einde van 't dorp lag. Daar werd een +fort aangelegd waarlangs een hooge kluft liep. Jantje besloot van die +kluft af te tuffen. Jongen, wat zou hij dan een snelle vaart krijgen! + +Nu, dat was ook zoo. Hij duwde zijne auto tegen de hoogte op, ging er +toen in zitten, en reed vliegensvlug naar beneden. Ha, nu leek het +precies een echte automobile. Hij toeterde, dat het een lust was om +te hooren, en het stof dwarrelde achter hem omhoog. 't Was verbazend +te zien, hoever zijn kar nog voortreed, als hij den vlakken weg reeds +had bereikt. + +Jan vond het spelletje zoo mooi, dat hij aan geen ophouden +dacht. Zoodra was hij niet beneden gekomen, of hij duwde de kar +opnieuw naar boven, en liet zich dan weer vliegensvlug gaan. + +Toen hij eens weer op het hoogste punt aangekomen was en gereed stond +om in te stappen, kwam van den anderen kant juist Flipsen aan. De man +was bepaald in eene erg knorrige bui, want hij keek verschrikkelijk +boos. Zoodra hij Jan zag, bleef hij staan en zeide: + +"Zoo,--wat voer jij hier in je eentje uit? Zeker niet veel goeds, hè?" + +"Ik doe in het geheel geen kwaad, Flipsen," zei Jan. "Ik rijd alleen +maar met mijn auto van de hoogte af, omdat het zoo lekker gaat." + +"Ja, ja," zei Flipsen, "jij hebt je woordjes wel klaar, maar ik +vertrouw je niet verder, dan ik je zie. Pas op, manneke, ik waarschuw +je, dat je geen verkeerde dingen doet, want ik heb je al lang in +de gaten." + +Flipsen vervolgde zijn tocht langs de kluft naar beneden. + +Jan besloot nog. een poosje te wachten, want hij zag zeer goed, dat +Flipsen om de een of andere reden uit zijn humeur was, en dat het maar +het veiligst was hem uit den weg te blijven. Hij nam plaats op het +voorbankje en was van plan zoo lang te wachten, tot Flipsen weg was. + +Dat duurde geruimen tijd, want het was eene lange kluft, en Flipsen +kuierde op zijn gemak naar het dorp. + +Opeens voelde Jan, dat er beweging in zijne auto kwam. Deze werd met +kracht vooruit geduwd. Hij keek om en zag, dat Frans Tor achter de +kar liep. Lachend zei deze: + +"Ik zal je een zetje geven, Jan, dan ga je vliegensvlug naar beneden." + +"Niet doen,--niet doen, Frans!" riep Jan hem waarschuwend toe. "Ginder +loopt Flipsen, en ik wou hem liever niet voorbij rijden." + +"Gekheid! Wat kan jou Flipsen schelen!" riep Frans terug. Met alle +kracht en zoo snel hij loopen kon, duwde deze de kar naar beneden. + +Opeens liet hij haar los, en voort vloog Jantje, in ijlende vaart +de helling af. Angstvallig hield hij de oogen gericht op Flipsen, +want hij vreesde niet zonder reden, dat er veel kans bestond om hem +onderst-boven te rijden. + +"O jé!" dacht Jan met een zucht van ontsteltenis, "als dat maar goed +afloopt! Ik vlieg regelrecht op hem aan. Had ik maar een stuur aan +mijn auto, dan kon ik langs hem heen rijden, of een rem, om den wagen +tot stilstand te brengen.--Poe,--ik geloof, dat ik hem regelrecht +tegen de beenen vlieg!" + +Jantje begon op zijn horen te toeteren, dat het wel vijf minuten ver +te hooren was, maar Flipsen keek niet op of om. Jan zag dat tot zijn +grooten schrik. Hij zag ook, dat Flipsen recht-uit, recht-aan verder +liep, zonder ook maar een stap op zijde te gaan. + +"Zou hij me niet hooren?" dacht Jan, en hij toeterde zoo hard, dat +zijn horen er van berstte, en in 't geheel geen geluid meer gaf. + +Jan was ten einde raad, want hij naderde Flipsen met groote snelheid, +en 't leed geen twijfel, of bij dezen voortgang reed hij hem pardoes +tegen de beenen. + +Hij probeerde de kar op zijde te rukken, maar tevergeefs. + +"Hei, hei daar, hola Flipsen!" riep hij in doodsangst den boozen +veldwachter toe, want hij was hem bijna genaderd. + +Maar Flipsen verkoos geen stap op zij te gaan. + +"Dat moet er nog bijkomen, dat ik, een regeeringspersoon, voor een +kwâjongen uit den weg moet gaan. Dank je hartelijk. Hij moet voor +mij uitwijken, en niet ik voor hem. 't Zou me wat moois worden op +die ma..." + +"Bom!" + +Daar voelde hij een geduchten smak tegen zijn kuiten, en op 't zelfde +oogenblik sloeg hij met kracht achterover in de auto van Jantje. En +voort vloog de kar. Flipsen lag met zijn beenen omhoog in den wagen, +en hij zag geen kans om overeind te komen. + +"Satansche jongen," schreeuwde hij, toen hij zijn eersten schrik te +boven was. "Brutale vlegel,--ik zal je leeren!" + +'t Was een bespottelijk gezicht hem te zien liggen. Vader Dik, +die er juist op aan kwam loopen, wist eerst niet goed, wat hij zag, +maar een oogenblik later barstte hij in een onbedaarlijk lachen uit. + +"Wat nu, Flipsen," riep hij den veldwachter toe, "ga je in het karretje +van mijn Jan rijden?" + +Flipsen richtte zich op uit zijne moeielijke positie, en bracht met +zijne beenen de kar tot staan. Maar waar was Jan? Er was tot verbazing +zoowel van Dik als van Flipsen, geen spoor van hem te zien. + +Flipsen was woest van kwaadheid, en met gebalde vuist kwam hij op +Dik af. + +"'t Is eene schande, eene schande!" schreeuwde hij Dik toe. "Ik zeg, +'t is eene schande om je zoontje zoo tegen mij op te zetten, en hem +te leeren mij te bespotten. Maar ik zal hem krijgen,--ik zal hem +krijgen,--ik zal..." + +Flipsen wist van kwaadheid niet, wat hij zeggen moest, en met toornige +blikken keek hij van Dik naar de auto, die verlaten aan den kant van +den weg stond, en van de auto naar Dik. Maar deze deed niet anders +dan lachen, want het was hem onmogelijk zich te bedwingen. + +"Bedaar toch, Flipsen, bedaar toch!" riep hij tusschen de buiën door +den veldwachter toe. + +"Bedaren?" schreeuwde Flipsen. "Bedaar jij met je gelach, dat zou +je fatsoenlijker staan. Foei man, ik zou me schamen, om mijn kind +zoo'n opvoeding te geven. Maar ik zal hem wel krijgen, den rakker, +wacht maar!" + +Met groote schreden vervolgde Flipsen zijn weg, zonder Dik of de auto +met een enkelen blik te verwaardigen. + +Dik lachte nòg! + +"Wat was dat een bespottelijk gezicht!" zei hij binnensmonds. "Maar +waar mag Jan toch zitten? 't Is zijn auto, dat weet ik zeker. De +jongen zal toch geen ongeluk gekregen hebben..." + +Dik werd ernstiger, en hij wierp een blik langs de kluft om te zien, +of Jan zich daar bevond. + +Opeens hoorde hij echter diens welbekende stem. + +"Pssst, Vader,--is hij weg?" werd hem half fluisterend toegeroepen. 't +Geluid kwam uit de auto. + +Dik draaide zich om, en waarlijk, daar kwam Jantje's smalle hoofdje +van tusschen het voor- en het achterbankje te voorschijn. Snel keek +Jan om zich heen. + +Ha, de veldwachter verwijderde zich met groote schreden. Dik kwam +naderbij. + +"Hoe zit jij daar zoo tusschen die banken gewrongen, kind?" vroeg hij +lachend, want de heele geschiedenis maakte op hem een onweerstaanbaar +lachwekkenden indruk. "En wat is er eigenlijk gebeurd?" + +Jan kroop nu uit den wagen en zeide: + +"O, Flipsen was erg boos, waarom weet ik niet. Ik stond met mijne auto +ginds op de hoogte, en was juist van plan om naar beneden te rijden, +toen Flipsen mij een standje gaf, omdat ik--ja, ik weet echt niet +waarom, want ik deed in 't geheel niets. En toen ging Flipsen verder, +en omdat hij zoo boos was, meende ik te wachten, tot ik hem niet meer +kon inhalen. Maar Frans Thor kwam onverwachts achter me en gaf me +een harden duw, zoodat ik naar beneden vloog, regelrecht op Flipsen +aan.--Wat zat ik in de benauwdheid, Vader. Ik toeterde zoo hard ik kon, +en toen nòg harder, zoodat de horen er van gebarsten is. Hoor maar, +hij geeft geen geluid meer. Maar Flipsen deed net of hij doof was, +en keek niet op of om, tot ik eindelijk zag, dat ik hem niet meer +ontwijken kon. Ik kroop vlug tusschen het voor- en het achterbankje +en maakte mij zoo klein mogelijk, en op 't volgende oogenblik vloog de +kar Flipsen van achteren tegen de beenen, zoodat hij achterover op de +kar viel. Zoo reden we samen verder, tot u kwam. Wat zat ik in angst, +Vader. Ik zweet nog, als ik er aan denk." + +Dik kreeg opnieuw een lachbui, waar haast geen einde aan kwam, zoo +mal vond hij het. + +"Dus je magere leden hebben je gered!" riep hij eindelijk uit. "Als +je zoo mager niet was geweest, had je je onmogelijk op zoo'n klein +plaatsje kunnen opvouwen. 't Is merkwaardig. Ga maar gauw naar huis, +en blijf Flipsen zoo ver mogelijk uit de voeten, want hij is meer +dan kwaad op je." + +"Maar Vader, ik kon er toch niets aan doen." + +"Ja jongen, dat weten wij wel, maar hij gelooft het niet. Blijf van +avond verder maar stilletjes thuis." + +Jan beloofde dat, maar hij ging toch even naar de smederij, om het +geval aan Karel Van Dril en diens vader te vertellen, die er ook niet +weinig om lachen moesten. + +Jan evenwel verzonk in diep gepeins, want de kar beviel hem zoo niet +meer. Hij nam zich vast voor niet te rusten, voordat hij de voorwielen +aan een beweegbaren as verbonden had, zoodat hij de auto sturen kon, +en dan nog wilde hij er een rem aan hebben. + +Toen Dik 's avonds het geval aan Jan's Grootvader vertelde, moest +deze er ook braaf om lachen, en hij kwam tot de conclusie, dat Jan +ook een bizonder kind was--en dat was-ie! + + + +Negende Hoofdstuk. + +Jan omarmt den schoorsteenveger met groote innigheid. + + +Flipsen wàs en blèèf erg boos op Jan Trom. Misschien zou die boosheid +langzamerhand wel wat afgezakt zijn, als het malle figuur, dat hij +gemaakt had, niet door het geheele dorp bekend geraakt was, maar dat +gebeurde wèl. Frans Thor was daar de schuld van. Toen hij Jan met +zijne auto zoo'n geduchte vaart gegeven had, bleef hij lachend staan +kijken, hoe de zaak zou afloopen, en zoo had hij alles gezien, wat er +gebeurd was. Hij gierde het uit van de pret, en hij vertelde het aan +iedereen, die het maar hooren wilde. En wat nog erger was: hij hield +Flipsen telkens voor den gek, als hij hem op straat tegenkwam. Dat zou +Jan Trom in geen geval gedaan hebben, want hij vond het geval voor +Flipsen al erg genoeg, maar Frans deed het wèl en Klaas Zwart hield +hem daarbij trouw gezelschap. Telkens als zij Flipsen ontmoetten, +begonnen zij te tuffen als eene auto, zonder Flipsen aan te kijken. + +"Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!" zei dan Frans. + +"Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!" zei dan ook Klaas, en dan tuften zij om het +hardst. Eerst had Flipsen er geen erg in gehad, maar toen het telkens +gebeurde, als die jongens in zijne nabijheid waren, begon hij lont +te ruiken. Hij keek ze aan met een paar oogen, of hij hen verscheuren +wilde, maar dat deed hij toch niet. + +Doch toen hij hen later weer tegenkwam, en zij opnieuw begonnen +te tuffen, sprong hij plotseling op hen af, en gaf hun ieder een +klinkenden draai om de ooren. Dat gebeurde zóó snel en onverwachts, +dat de twee jongens eerst niet eens goed begrepen, wat er gebeurde. + +"Au!" riep Frans. + +"Au!" riep Klaas. + +En beiden grepen zij naar hun ooren, waar zij een stekende pijn +voelden. + +Flipsen lachte, en gaf hun een tweeden. + +"Daar!" zei hij. "Ik zal je leeren tuffen! Hard gaat-ie, hè?" + +Ze gingen allebei hard, want vóór Flipsen gelegenheid kreeg hun +nog een derden oorveeg toe te dienen, zetten zij het op een loopen, +zoo hard zij konden. En na dien tijd tuften zij niet meer, als zij +Flipsen tegenkwamen. Zij gingen hem zelfs eerbiedig uit den weg. + +Op Jan Trom bleef Flipsen erg boos, dat kon Jan duidelijk +opmerken. Flipsen groette hem nooit terug, als hij hem tegenkwam, +en keek hem altoos aan met een blik, die hem niet veel goeds +voorspelde. Jan trok er zich echter niets van aan, want hij voelde +zich volkomen onschuldig. + +"Ik heb het niet met voordacht gedaan," dacht hij, "en als ik het +had kunnen vermijden, zou het in 't geheel niet gebeurd zijn. Flipsen +zal dat ook wel begrijpen, als hij er kalm over nadenkt." + +En zijn vader zei ook: + +"'t Zal van zelf wel weer beter worden, als jij Flipsen maar met rust +laat en hem zooveel mogelijk uit de voeten blijft. Hij zal dan zelf +wel begrijpen, dat hij zich vergist heeft. + +En zoo was het ook. Toen Flipsen opmerkte, dat Jan hem altoos even +beleefd bleef groeten en hem nooit voor den gek hield, bedaarde zijne +boosheid meer en meer, en eindelijk groette hij Jan zelfs terug. + +Jan peinsde voortdurend op een middel, om eene herhaling van het +gebeurde te voorkomen. Hij was vast besloten niet te rusten, voor +hij zijne auto bestuurbaar had gemaakt. En eindelijk meende hij het +gevonden te hebben. Hij had er een spil voor noodig, met aan het +boveneinde een stuurrad, precies als aan eene echte auto. Die spil +moest van onderen bevestigd worden aan den vooras, welke beweegbaar +moest zijn. Als hij dan in zijn auto zat, kon hij hem gemakkelijk +door middel van het stuurrad heen en weer bewegen, waardoor hij den +wagen geheel in zijne macht kreeg. + +Nauwelijks waren zijne plannen tot rijpheid gekomen, of hij begaf +zich na schooltijd op weg naar Van Dril, zonder wiens hulp hij +geen kans zag een en ander ten uitvoer te brengen. Er zou echter +dien avond niet veel van komen. Hij was nog maar pas zijn huis uit, +of hij kwam Dries Klomp tegen, den jongsten knecht van Jan Vos. Deze +had een emmertje in de hand, en een bezem, een bosje stroo en een +touw onder den arm. Hij werd op het dorp meestal bij zijn voornaam +genoemd en stond bekend als een grappenmaker. + +"Dag Dries!" riep Jan hem toe. + +"Zoo Jantje," zei Dries. "Jongen, jongen, wat word je toch dik in den +laatsten tijd. Als je niet oppast, kun je weldra met de konijntjes +door de tralies van het hok meê-eten." + +"Is het waar?" vroeg Jan lachend, want hij kon wel tegen een klein +plagerijtje. "Dan zal ik de koolstronkjes voor jou laten liggen. Is +dat goed?" + +"Graag,--asjeblief. Ga je mee naar den molenaar? Dan kun-je me helpen +aan 't vegen van de schoorsteenen. Dat is een mooi werkje voor je." + +"Dank je hartelijk, om zoo zwart als roet thuis te komen," zei Jan. "'t +Is je van harte gegund, Dries." + +"Geen lust? Even goede vrienden, hoor. Dag Jan." + +"Dag Dries." + +Jan vervolgde zijn weg, tot hij onderweg een schilder bezig zag met het +verven van een der lantarenpalen, die aan den weg stonden. Hij mocht +dat graag zien, en bleef er dus een poos naar kijken. De schilder +bevond zich op een ladder, om het bovengedeelte te verven. Op den +grond stond ook een pot met verf, met een kwast er in. Nauwelijks +had Jan dat gezien, of hij greep de kwast en vroeg, of hij ook eens +schilderen mocht. + +"Jawel, Jan," was het antwoord. "Maar niet met de verf morsen." + +Ha, dat vond hij prettig, en hij smeerde er lustig op los. + +"Niet zoo dik, Jan," zei de schilder. "Je moet de verf meer +uitsmeren. Zooals jij het doet, is de paal de volgende week nog +niet droog." + +"En zooals u het doet?" vroeg Jan. + +"Morgen, denk ik," was het antwoord. + +Jan bleef bij den schilder tot de geheele lantarenpaal klaar was, maar +toen ging hij ook direct naar den smid, om aan zijn wagen te werken. + +Van Dril had juist een oude fiets van iemand overgenomen, en zijn +zoontje Karel stond te zeuren, of hij er op mocht leeren rijden. + +"Hè toe, Vader," zei Karel, "laat mij er maar op rijden. 't Is toch +al een oudje.--Toe maar." + +Van Dril zei niets, maar hij lachte eventjes, wat Karel moed gaf, +dat hij de gewenschte toestemming verwerven zou. + +"Mag ik, Vader?" vroeg hij nog eens. + +"Als je dan maar voorzichtig bent," zei Van Dril. "Breek geen armen +of beenen, en de fiets ook niet." + +Dat liet Karel zich geen twee keer zeggen. + +"Ga je meê, Jan?" vroeg hij met eene kleur van blijdschap "Dan gaan +we leeren fietsen." + +Dat was een kolfje naar Jan's hand. Hij vergat zijn heele machinerie +en ging met Karel naar buiten. Samen hielden zij de fiets vast. + +"Ik het eerst, Jan," zei Karel. + +"Natuurlijk," was het antwoord. + +"Zeg, hij ziet er nog mooi uit, al is het een oudje, hè?" + +"Dat geloof ik," zei Jan. "'k wou, dat het de mijne was. Toe, +hier kunnen we wel beginnen. Stap jij er maar op, dan zal ik hem +vasthouden." Karel probeerde op het zadel te wippen, maar op 't zelfde +oogenblik lag hij al op den grond. "Je moet hem beter vasthouden, +Jan," zei hij. "Zóó kan ik er niet op komen." + +"Ik hield hem goed vast, maar jij zat veel te scheef!" zei Jan. "Als +je zoo scheef zit, kan ik je niet houden." + +Karel stapte nog eens op. Nu ging het beter, en Jan duwde hem vooruit. + +"Trappen, jongen, trappen!" riep Jan hem toe. Karel durfde niet. Hij +was bang, dat hij vallen zou. "Trap dan toch! Als je niet trapt, +leer je het nooit!" + +Karel drukte zijn rechtervoet naar beneden. Voort ging de fiets, +met het gevolg, dat Jan haar alweer niet houden kon, en Kareltje op +den weg terecht kwam. + +"Au!" zei hij. "Dat kwam wel een beetje hard aan." + +"Hindert niet!" riep Jan. "Stap maar weer op, maar niet zoo schuin +hangen. Dan ben je me veel te zwaar!" + +Wip! Met een vlugge beweging stapte Karel weer op de fiets. + +Hij durfde nu al een beetje beter, en drukte de trappers met kracht +naar beneden. 't Was hem echter onmogelijk zijn stuur goed te houden, +zoodat de fiets over den weg slingerde als een dronken man. En als +de fiets naar rechts ging, hing Karel schuin naar links, en ging zij +naar links, dan hing Karel naar rechts. + +"Bom!" Daar tuimelde Karel weer over de straat. + +Hij gaf echter den moed niet op, en Jan evenmin. + +"Je leert het al aardig," zei Jan, toen het Karel inderdaad gelukt +was, eenige seconden op de fiets te blijven zitten. "Trappen, zeg, +hoe harder je trapt, hoe beter ik je houden kan." + +Karel trapte uit alle macht, en Jan draafde achter hem aan, als een +hazewindhond achter zijn meester. + +Na een half uurtje durfde Jan het zadel even los te laten, en Karel +reed werkelijk al eenige meters zonder te vallen. Toen zei hij: + +"Nu is het jouw beurt Jan. Jij hebt het mij geleerd, nu zal ik het +jou leeren." + +"O, ik wed, dat ik het al dadelijk kan," pochte Jan. "Houd hem maar +vast, dan zul-je eens zien, hoe ik er van door ga. Je zult er van +staan te kijken." + +Karel lachte. Hij wist wel beter, want in het laatste half uur had +hij de moeilijkheden pas goed leeren kennen. + +"Je hebt praats genoeg," zei hij. "Stap er maar op, dan zul je eens +zien, hoe gauw je tegen den grond ligt. Zóó gemakkelijk gaat het niet." + +Jan stapte op, en Karel hield het zadel vast. + +"Vooruit, Jan, trappen.--O, wat hang je schuin--nog veel erger dan +ik.--Ik kan je niet--" + +"Bom!" + +Daar lag Jan onder de fiets, maar hij sprong dadelijk overeind en +stapte opnieuw op. + +"Je moet me beter vasthouden, Karel,--je laat me ook maar dadelijk +vallen." + +Daar ging het weer. Jan trapte nu uit alle macht, want hij was in +'t geheel niet bang uitgevallen, en inderdaad ging het een eindje goed. + +"Zie je wel?" riep hij Karel triomfantelijk toe. "Zóó moet je ook +rijden! Ha, wat gaat dat lek..." + +"Flap!" Weer lag Jan op den grond, en hij bezeerde zijn been erger, +dan hem lief was. Maar hij stoorde er zich niet veel aan, en zat in +'t volgende oogenblik weer op de fiets. + +Werkelijk had hij er spoedig den slag van beet. Karel kon hem soms al +een heel poosje aan zijn lot overlaten. Jan slingerde dan wel van den +eenen kant van den weg naar den anderen, en soms dreigde hij pardoes +in het kanaal te rijden, dat langs den weg liep, maar hij reed toch, +en dat was de hoofdzaak. Hij was er wàt trotsch op. + +Even later was Karel weer aan de beurt. Het duurde niet lang, of hij +kon ook al eenige meters los rijden, en daar was hij verrukt over. Hij +trapte als een dolleman, want hij had gemerkt, dat hij dadelijk viel, +als hij langzaam trapte. En Jan draafde achter hem aan zoo hard hij +kon, om hem dadelijk te kunnen grijpen, als hij dreigde om te slaan. + +Eindelijk werd Jan zóó moê, dat hij niet meer kon. + +"Ik moet rusten, Karel," zei hij. "Ik ben zoo moê als een hond. Maar +je kunt het nu wel alleen. Probeer het maar gerust; je zult zien, +dat het gaat." + +Hij hielp Karel nog even bij het opstappen, en toen reed deze heen. Ha, +wat slingerde hij! Jan stond hem na te kijken, nieuwsgierig op welke +plaats Karel zou omvallen, want dat dit gebeuren moest, betwijfelde hij +geen oogenblik. Een vijftig meters ging het vrij goed, al slingerde +hij ook beangstigend, maar opeens gaf Jan een schreeuw van schrik, +want Karel begon geweldig te slingeren, en reed toen regelrecht op +het kanaal aan. Nog een oogenblik, en hij tuimelde bij den hoogen +kant neer.... + +Jan ijlde naar de plaats des onheils, en bemerkte tot zijn genoegen, +dat hij zich voor niets bang had gemaakt, want Karels hoofd verscheen +alweer boven den walkant. Hij was wel tot vlak bij het water geweest, +maar hij was er toch niet ingevallen. + +"Hè-hè, dat scheelde een beetje!" zei hij vergenoegd, nu het zoo goed +afgeloopen was. "Ik had geen duim verder moeten belanden,--dan was +ik kopje-onder gegaan." + +"Ik zag het," zei Jan. "Hè, wat schrok ik! Ik dacht stellig, dat je +te water ging." + +"Gelukkig niet;--zeg, help je even de fiets naar boven trekken?" + +Met vereende krachten brachten zij de fiets op den weg. + +"Zou hij nog heel wezen?" vroeg Karel. + +Dat bleek gelukkig het geval te zijn. + +"Nu is 't mijn beurt weer," zei Jan. "Is 't goed?" + +"Best," zei Karel. "Bij mij zit de schrik er wel een beetje in. Ga +je gang maar." + +Jan sprong op de fiets, en nu draafde Karel er achter. Eerst ging het +langzaam, want Jan durfde niet goed, maar spoedig overwon hij zijne +vrees, en nu moest Karel achter de fiets draven. + +"'t Gaat goed zoo,--best,--erg best!" riep hij Jan bemoedigend toe. "Je +rijdt nog beter dan ik." + +"Laat me maar gerust los!" riep Jan hem toe. + +"Ik heb je niet vast!" hijgde Karel achter hem, moê van het draven. Ha, +wat trapte Jan lustig voort. Hij zwierde wel links en rechts, maar +dat hinderde niet; hij wist toch op den weg te blijven. + +O jé, ginds zag hij een grooten steen liggen, midden op den weg. + +"Als ik maar niet over dien steen ga," dacht Jan met eenige zorg. "Ik +moet hem zien te ontwijken." + +Angstvallig hield hij zijn blik op het gevreesde voorwerp gericht, +met het gevolg, dat hij er juist op aanreed. + +"O, die steen!" schreeuwde hij. Plof! Daar reed hij er overheen, +wat een geduchten schok gaf, maar hij bleef zitten. Slingerend reed +hij verder. + +"Dat scheelde een beetje!" riep Karel. + +"Of het! Wat gaat het al goed." + +Met krommen rug, den stuurstang krampachtig in de handen geklemd, +trapte Jan voort. Hij vond, dat het al prachtig ging. Ha, daar zag +hij den lantaarnpaal al, dien hij had helpen verven. Dien paal moest +hij ook zien te ontwijken, want hij was natuurlijk nog nat. Maar tot +zijne verbazing en ook tot zijn schrik bemerkte hij, dat hij er alweer +regelrecht op aanreed. + +"Gek toch," mompelde hij. "Zoo'n fiets brengt je juist, waar je niet +wezen wilt. Maar ik zal hem wel mis zien te rijden." + +Hij naderde den lantaarnpaal meer en meer, hoewel hij alle moeite +deed om de fiets eene andere richting te geven. Dat wilde hem echter +niet gelukken. + +"Pas op, die lantaarn daar!" schreeuwde hij in angst Karel toe. + +Maar Karel kwam enkele meters achter hem aan, want Jan had hard +gereden, en hij was erg moê geworden. Karel verkeerde dus in de +onmogelijkheid om zijn vriend te helpen. + +"Grijp me dan toch!" schreeuwde Jan in grooten angst, want hij zag, dat +hij regelrecht koers hield naar den pas geverfden paal. Op 't volgende +oogenblik schaafde zijn wiel er tegen aan, en om niet te vallen greep +Jan, zonder er bij te denken, den paal met beide handen aan. O wee, +hij voelde het kleven van de verf. Daarom liet hij den paal dadelijk +weer los, maar merkte, dat hij ging vallen. Hij breidde daarom de +armen uit en klemde den groenen paal teeder aan zijn borst. Zelfs +zijn linker wang kwam er mede in aanraking. + +"Dat loopt best af!" riep Karel hem toe. Deze was hem spoedig genaderd, +trok de fiets een beetje achteruit, en riep: + +"Vooruit maar weer, Jan. 't Gaat opperbest. Nog tot jullie huis, +en dan mag ik terug weer." + +Hij wist niet, dat de paal geverfd was, en voordat Jan iets in 't +midden kon brengen, voelde deze zich alweer vooruit duwen. Met zijn +geverfde handen greep hij de handvatten van het stuur, en voort ging +het weer. + +En 't ging weer goed ook. Jan trapte als een dolleman. + +"Straks zal ik de handvatten wel afvegen," dacht hij. "Ik denk, +dat mijn kleeren ook wel vol verf zullen zitten. Die akelige paal +ook. Hoe kan de fiets er nu juist tegen aanrijden." + +O, wat slingerde Jan langs den weg. Soms reed hij haast tegen een +boom op, een oogenblik later scheelde het maar zus of zoo, of hij +reed in het kanaal. Maar toch bleef hij op den weg. De menschen, +die hij tegenkwam, maakten zich uit de voeten, en bleven hem dan +lachend nakijken. + +"Houd je roer recht, schipper!" riep de een hem toe. + +"Je lijkt wel dronken, jongen!" merkte een ander op. + +Jan lachte maar. Hij vond het verrukkelijk op de fiets, en had geen +oogen voor iets anders. Hij keek niemand aan, en staarde maar recht +voor zich uit op den weg. + +"Jongen, jongen, wat gaat dat echt," dacht Jan bij zichzelven. "Als +mij nu maar weer niet iets in den weg komt." + +Zwaaiende en zwierende fietste Jan verder. + +Toen hij even zijne oogleden ophief, om te kijken, of de weg vrij +bleef, zag hij in de verte iemand naderen. + +"Wacht," dacht hij, "nu zal ik toch eens zien, of ik hem niet kan +passeeren, zonder tegen hem aan te bommen. Maar die akelige fietsen +lijken wel altoos juist den verkeerden kant op te gaan." + +Weer hief hij eventjes de oogleden op. + +De man was al een heel stukje naderbij gekomen. + +"Nu zal het er op aankomen," dacht Jan. + +Hij omklemde de handvatten van het stuur nog krampachtiger dan te +voren en trapte wat hij kon. Voortdurend hield hij den man in het +vizier, tot hij opeens tot zijn schrik zag, dat het Dries was, die +van het schoorsteenvegen bij den molenaar terugkeerde. Wat was Dries +veranderd, en niet in zijn voordeel, want hij zag zoo zwart als een +neger en zijn kleeren zaten vol roet. + +"Hu, wat een roetmop," dacht Jan. "Maar ik zal hem wel +misrijden,--wacht maar. Ik begin het sturen al aardig te leeren.--Hola, +wat een zwier maakte ik daar!--O jé, het kanaal,--daar ga ik!" + +Maar neen, met inspanning van al zijn krachten wierp hij het stuur om, +en het gevaar was geweken. Jantje reed verder. + +Dries stond midden op den weg lachend naar hem te kijken. + +"Wil je een nat pak halen, Jan?" riep hij hem plagend toe. "Aanstonds +ga je kopje-onder het kanaal in." + +"Uit den weg! Ga uit den weg!" schreeuwde Jan, die tot zijn schrik +bemerkte, dat hij regelrecht op Dries aanhield. + +"Berg je, menschen, berg je!" spotte Dries. Maar hij ging toch een +beetje op zijde, om Jan te laten passeeren. + +'t Hielp echter niet. + +Nauwelijks was Dries van plaats veranderd, of Jan merkte, dat de fiets +daar rekening meê hield en weer regelrecht koers hield naar Dries. + +"Op zij! Op zij!" schreeuwde Jan. + +Maar op 't volgende oogenblik bonsde hij tegen Dries aan. Jan sloeg +hem in de verwarring de armen om den hals, en klemde zich krampachtig +aan den zwarten schoorsteenveger vast. Zij wang kwam tegen de wang +van Dries terecht, die dadelijk iets kleverigs voelde. Dat was de +verf van den lantaarnpaal, die Jan op zijn gezicht had. + +O, wat lachte Dries. + +"Wel, wel, houd je zooveel van me, dat je me omarmen wilt?" vroeg +hij. "Dan zal ik je wel een handje helpen." + +En hij wreef met zijn zwarte gezicht tegen de wangen van Jan, precies +als eene moeder doet, die haar kindje knuffelt. + +"Daar dan! Is het zoo goed?" vroeg Dries, die schaterlachte van +de pret. + +De fiets was op den grond gevallen, en Jan hing nog aan den hals van +zijn plaaggeest. + +Karel trok de fiets weg en Jan liet zich op de grond zakken. Maar wat +zag hij er uit. Hij was zoo zwart als een moriaan, en 't leek wel, +of hij al de schoorsteenen van het dorp had geveegd. + +Hij werd braaf uitgelachen, en ging zoo spoedig mogelijk naar huis +om zich te wasschen. + +En zijn vader plaagde hem ook niet zoo'n beetje. + + + + +Tiende Hoofdstuk. + +Hoe Flipsen zocht. + + +Frans Thor en Klaas Zwart hadden zich van lieverlede zeer nauw bij +elkander aangesloten, en waren boezemvrienden geworden. Eindelijk +waren zij samen een handeltje begonnen. Steeds kon men hen in elkanders +gezelschap vinden met een mand tusschen hen in, of ieder met een zak +op den arm of over den schouder. Dan trokken zij er op uit om vodden +en beenen te zoeken, die langs de wegkanten, bij huizen en schuren, +of in weilanden en boschjes verspreid lagen. En 't was inderdaad niet +weinig, wat zij vonden. Elken avond keerden zij met een goed gevulden +zak huiswaarts, en als de voorraad groot genoeg was, verkochten zij +dien aan den pottenschipper. + +De pottenschipper was een man, die eenzaam in een zolderschuit +leefde. Hij had vrouw noch kind op de wereld, en ging met niemand +om. De menschen hielden ook niet veel van hem, want het was bekend, +dat hij geen gunstig verleden achter zich had. En in elk geval had +hij een zeer ongunstig uiterlijk. Hij leefde van zijn handel in potten +en pannen, en ook kocht hij vodden en beenen op. + +Alles, wat Klaas Zwart en Frans Thor vonden, brachten zij bij den +pottenschipper, zooals hij algemeen werd genoemd. En zij ontvingen +er menig centje voor. Soms verkochten zij wel voor dertig à vijftig +centen in eene week, en al dat geld versnoepten zij. Of zij kochten +er sigaren voor, en rookten die op. + +Maar langzamerhand begon hun vondst kleiner te worden, want ze +hadden het geheele dorp al meermalen afgezocht. En eindelijk raakte +de voorraad uitgeput. + +Dat merkte de pottenschipper, en hij zei: + +"Wat hebben jullie een beetje, jongens. Ik geef voor dit zoodje niet +meer dan vijf centen. Je bent een paar groote domkoppen, dat moet +ik zeggen," + +"Domkoppen?" vroeg Frans. "Wij kunnen er toch niets aan doen, dat we +maar zoo weinig hebben? 't Heele dorp hebben we al meermalen afgezocht, +en er is eenvoudig niet meer. Ik zie niet in, dat wij daarom domkoppen +moeten zijn." + +"Neen," zei Klaas Zwart, "ik ook niet." + +De pottenschipper lachte slim. + +"Toch is het zoo," zei hij. "Toen ik nog een jongen was, wist ik +altijd wel aan een zakduitje te komen. Vond ik geen vodden en beenen, +dan wist ik wel wat anders te bemachtigen. Ha, ha,--als je maar slim +bent en zorgt, dat de menschen 't niet zien." + +Frans en Klaas keken hem vragend aan. + +De pottenschipper legde zijn wijsvinger tegen den neus, en knipoogde +tegen de jongens. + +"Och wat," zei hij, "als je 't slim weet te overleggen, is er nog +genoeg te vinden. Je behoeft me juist geen vodden te brengen, +jongens. Ik kan wel hemden, broeken, borstrokken en andere +kleedingstukken ook gebruiken. Er zijn menschen genoeg, die hun wasch +den geheelen nacht buiten laten liggen.--Ha, ha, ik zeg, als je maar +slim bent en er voor zorgt, dat de menschen je niet zien..." + +"Maar dat is stelen," zei Klaas Zwart. + +"Ja," zei Frans, "dat is stelen." + +De pottenschipper richtte zich op. + +"Zooals ik zeg, jongens, ik geef voor dit zoodje niet meer dan +vijf centen. 't Is maar een rommeltje. Voor goede kleedingstukken, +die nog gedragen kunnen worden, geef ik natuurlijk heel wat meer, +en voor ijzer, zink, lood en wat dies meer zij, wil ik je zelfs wel +guldens betalen in plaats van centen." + +"Ja, maar dat hebben we niet," zei Frans. + +"Als je wilt, is er genoeg te vinden," lachte de schipper weer. "Bij +den smid, bij den loodgieter, bij den timmerman, overal is wel wat +te snorren, als je maar goed uit je oogen kijkt en voorzichtig te +werk gaat." + +"Maar," herhaalden de jongens, die eerst niet goed begrepen, wat de +pottenschipper bedoelde, "dat is stelen..." + +"Ik zeg niet, dat je 't stelen moet," zei de schipper weer met een +listig knipoogje, "je moet die dingen vinden, jongens, je moet ze +eerlijk vinden. Alles wat je vindt, al is het ook nog zoo gek, wil +ik wel van je opkoopen. Als je er maar eerlijk aankomt..." + +De jongens gingen heen. + +Maar na dien tijd vermisten de menschen op het dorp telkens +kleinigheden. Van Dril raakte op voor hem onbegrijpelijke wijze +een nijptang kwijt, de loodgieter een soldeerbout, de timmerman +een hamer en een zaag, en vele huismoeders vermisten verschillende +kleedingstukken. Van de een waren kousen zoek, van een ander een hemd, +van een derde een nachtjapon, en zoo verder. + +Toch dacht men eerst niet aan diefstal. Van Dril vertelde het verlies +van zijn nijptang niet aan anderen, om de eenvoudige reden, dat hij +wel eens meer een of ander stuk gereedschap kwijtraakte. + +"Zeker hier of daar laten liggen," dacht hij. En spoedig was zijn +verlies vergeten. De knechts gingen wel eens meer slordig met het +gereedschap te werk, niet allen natuurlijk, maar enkelen. Op dezelfde +wijze dachten ook de andere menschen er over, die het een of ander +vermisten. + +Maar toen het winter werd en er lange, donkere avonden kwamen, +verdwenen er op geheimzinnige wijze allerlei voorwerpen uit +werkplaatsen en huizen, en 't werd zoo erg, dat de menschen er onder +elkander over spraken. + +"Er wordt bepaald gestolen," was de algemeene opinie. En menigeen +sloot 's avonds de deuren van huis en werkplaats zorgvuldiger dan +vroeger. De ondervinding leerde, dat wat men 's nachts buiten liet +staan, den volgenden morgen gewoonlijk verdwenen was. En niemand kon +er eenig vermoeden van krijgen, wie de dief was en waar de gestolen +voorwerpen belandden. + +Van Dril pruttelde tegen zijn knechts, als er weer 't een of ander +spoorloos verdwenen was, maar dezen verklaarden, dat zij het vermiste +voorwerp niet hadden laten slingeren. 't Was op geheimzinnige wijze +verdwenen. + +Eindelijk kwam een en ander den burgemeester ter oore, en hij liet +Flipsen bij zich komen. + +"Zeg Flipsen, heb je ook gehoord, dat er den laatsten tijd op 't dorp +gestolen wordt? Telkens worden kleinigheden van meer of minder waarde +vermist, en het waschgoed van de huismoeders ligt niet meer veilig +op de bleek." + +"Ja burgemeester, ik heb er ook van gehoord," zei Flipsen. + +"En heb je al eens hier en daar gesurveilleerd?" vroeg de burgemeester. + +"O ja, al meermalen, maar tot nog toe is het mij niet gelukt, den +dader op 't spoor te komen." + +"Zoo, 't is een gek geval. Ik begrijp ook niet, wie de dief zou +kunnen zijn. Voor zoover ik weet, wonen er enkel knappe menschen op +het dorp. Waar zouden die gestolen voorwerpen toch allemaal blijven?" + +"Ik denk in de stad, burgemeester. Daar wonen wel menschen, die +gestolen goederen opkoopen. Ik vermoed, dat zij in den nacht naar +Amsterdam worden vervoerd..." + +"Dan zou ik eens een oog in 't zeil houden, wie bij nacht of +ontijd daarheen gaat, Flipsen. 't Is best mogelijk, dat je gelijk +hebt. In elk geval is het hoog tijd, dat de dief gesnapt wordt. De +menschen dienen in 't rustige bezit te kunnen blijven van 't geen +hun eigendom is. Zoolang ik hier burgemeester ben, is er van geen +dieverij sprake geweest, en wij moeten het kwaad zoo spoedig mogelijk +den kop indrukken." + +Flipsen sloeg op militaire wijze aan, en zeide: + +"Ik zal m'n best doen, burgemeester. 't Zal aan mij niet liggen, +als de dief niet gesnapt wordt." + +"Dat is goed, en daar vertrouw ik ook op." + +Met eene handbeweging gaf de burgemeester Flipsen zijn afscheid, +en deze was vastbesloten zijn uiterste best te doen, om den dief te +ontdekken. Maar dat het moeilijk zou gaan, stond bij hem vast. + +Den geheelen avond liep hij buiten het dorp te loeren, of ook iemand +zich verwijderde in de richting van Amsterdam,--maar tevergeefs. Alles +was en bleef rustig op het dorp. 't Was dan ook een koude, gure avond, +en de menschen bleven liever bij de warme kachel. Flipsen zag den +geheelen avond geen levende ziel buiten, en hij liep te bibberen van +de koû. 't Was al haast elf uur geworden, en nog stond hij trouw op +zijn post. Eindelijk hoorde hij in de verte iets naderen. + +"Wacht," dacht hij, "nu zal het komen." + +Hij verschool zich achter een boom. + +'t Geluid kwam nader. Duidelijk hoorde hij, dat het een wagen was. + +"'t Is een hondenkar," prevelde Flipsen. "Ik denk, dat ik den dief op +het spoor ben. De gestolen voorwerpen worden zeker met een hondenkar +naar Amsterdam gebracht." + +"Halt!" riep hij plotseling, want het voertuig was hem nu genaderd. + +De man, die op de kar zat, schrok er niet weinig van, en sprong +dadelijk van den wagen. Maar zijn stok hield hij opgeheven, want hij +dacht niet anders, of hij had met een aanrander te doen. + +Flipsen sprong van achter zijn boom te voorschijn. + +"Wie ben je,--en waarheen ga je?" vroeg hij op bevelenden toon. + +"O, Flipsen, ben jij het?" vroeg de man van de hondenkar. "Kerel, +is me dat laten schrikken. Ik dacht waarlijk met..." + +"'t Doet er niet toe, wat jij denkt," viel Flipsen norsch in. "Ik +vraag, wie je bent,--maar dat zie ik nu al,--en waar je heengaat." + +"Wel, ik ben Dirk Kroeze, de slager, en ik ga naar Amsterdam. Daar +steekt toch niets achter, zou ik zeggen?" + +"Juist, Kroeze, de slager. Wat heb je in dien wagen?" + +"Twee doode schapen, anders niet," was het antwoord. "Ik ga ze +naar Amsterdam brengen, waar ze met een dood schaap altijd wel raad +weten. Nu er zoo'n strenge keuring is op het vleesch, worden doode +beesten altijd 's nachts de stad ingevoerd. Vroeger gebeurde dat +overdag. Zie je, dat is het eenige verschil..." + +Kroeze was een derderangs-slager. Hij kocht bij de boeren de doode +beesten op, die andere slagers niet hebben wilden, en wist daarmede het +brood te verdienen voor zich en zijn gezin. En de kroegbazen kregen +er ook rijkelijk hun deel van, want Kroeze maakte veel misbruik van +sterken drank. Hij was dikwijls dronken. + +Flipsen was den wagen genaderd en bekeek den inhoud. + +"Denk je soms, dat ik een dief ben?" vroeg Kroeze een beetje +beleedigd. "Ik verdien op eerlijke manier mijn brood, man, en ik heb +mijn vingers nog nooit uitgestoken naar een andermans goed. Of weet +jij iemand te noemen, die iets op Kroeze te zeggen heeft?" + +"Neen," zei Flipsen. "Maar er wordt tegenwoordig gestolen op 't dorp, +en 't is meer dan tijd, dat wij den dief vinden." + +"Ach zoo, is dàt de zaak?" zei Kroeze. "Dan is het goed, hoor, en +kijk mijn wagen maar na. Je hebt gelijk, er wordt tegenwoordig meer +gestolen, dan mij lief is. Verleden week ben ik mijn beste mes uit +de slagerij kwijt geraakt, en nog een zwaren vleeschhaak op den koop +toe. Ik heb m'n hoofd gek gezocht om ze terug te vinden, maar jawel, +ze zijn weg en ze blijven weg. En ik zal ze wel nooit terugzien, +vrees ik." + +"Dat vrees ik ook," zei Flipsen. "Je kunt wel verder gaan, Kroeze, +ik heb er het mijne van gezien. Goeden avond." + +"Ook goeden avond," zei Kroeze. Hij duwde de kar voort, en riep: + +"Allo, honden, kssssss, kssssss! Vooruit zeg 'k! Allo!" + +Hij sloeg met zijn stok tegen den wagen. + +De honden, die tijdens het onderzoek op den weg waren gaan liggen, +richtten zich met tegenzin op, en trokken den wagen voort. Maar 't ging +Kroeze niet hard genoeg. Hij maakte veel lawaai met zijn stok, en riep: + +"Ksssss! Ksssss! Allo, Allo! Vooruit honden. Kssssss!" + +Een oogenblik later sprong hij op den wagen, en weldra was hij in de +duisternis verdwenen. + +"Dat was mis!" mompelde Flipsen, huiverend van de koude. Hij trok +den kraag van zijn jas en zijne schouders omhoog, en bleef geduldig +wachten. Maar toen er na een uur nog niemand gekomen was, besloot +hij naar huis te gaan. + +Den volgenden avond was hij echter weer op zijn post, want hij +was iemand, die zijne plichten trouw nakwam. Als hij zich eenmaal +voorgenomen had, dit of dat te doen, was hem geen moeite te veel, +en stoorde hij zich aan koude noch warmte. + +Maar hoe hij zich ook inspande, het gelukte hem niet, den dief +te snappen. Daarom besloot hij de wacht te houden op den weg, die +naar Haarlem voerde. Avond aan avond verschool hij zich op eenigen +afstand buiten het dorp, maar alweer tevergeefs. Hij vond van den +dief geen spoor. + +"Dan zal ik gedurende enkele avonden in het dorp zelf eens goed +uitkijken. Wie weet betrap ik den dief dan niet op heeterdaad," +dacht hij. + +En zoo deed hij ook. + +Zoodra het donker geworden was en in de huizen overal de lichten +opgestoken waren, verliet Flipsen zijn woning, om over de +veiligheid van zijne medeburgers te waken. Eerst begaf hij zich +naar verschillende werkplaatsen, van welke het hem bekend was, dat +er al meermalen voorwerpen vermist waren. Hij vond ze echter alle +zorgvuldig gesloten. De menschen waren, door de ondervinding geleerd, +al voorzichtiger geworden. + +Eindelijk bemerkte hij, dat er achter het huis van de weduwe Butter +eenig waschgoed op een bleekveldje lag. + +"Wacht," dacht hij. "Hier zal ik mij ergens verschuilen. Waschgoed +is den laatsten tijd ook dikwijls ontvreemd." + +Achter het schuurtje stond, naast het bleekveld, een groote ton, waarin +het regenwater, dat van het schuurtje in de goot kwam, opgevangen +werd. Achter die ton maakte Flipsen zich zoo klein mogelijk. Geduldig +wachtte hij, of de dief komen zou. + +Dat gebeurde echter niet. Toen hij een half uur in zijne gebogen +houding had doorgebracht, kon hij bijna niet blijven zitten van de +pijn, die hij in zijne beenen kreeg. Voorzichtig richtte hij zich +een weinigje op. + +Alles bleef stil in den omtrek. + +Flipsen gaf echter den moed nog niet verloren. + +En waarlijk, eer er een tweede half uur voorbijgegaan was, hoorde +hij eenig gerucht. + +Hij richtte zich op en keek over de ton. + +Ha, daar zag hij een gestalte, die haastig naar het bleekveld ging +en vliegensvlug enkele kleedingstukken bij elkaar greep. + +Met een vluggen sprong kwam Flipsen op de gestalte af. + +"Ha, dief, daar heb ik je!" schreeuwde hij in de vreugde zijns harten, +nu hij eindelijk in zijn pogingen geslaagd was. + +Een hevige gil was het antwoord. Flipsen hoorde, dat het een +vrouwenstem was, hetgeen hem verwonderde. + +Met groote snelheid liep hij op de gestalte af, en greep haar bij +den schouder. De onbekende sloeg de armen ten hemel en slaakte een +tweeden, hartverscheurenden gil. + +"Wie ben jij?" beet Flipsen haar toe. + +Er kwam geen antwoord. De schrik verlamde als het ware haar tong. + +"Hoor je me niet? Wie ben jij?" herhaalde Flipsen. + +"O,--ik ben--ik ben Trijntje--de meid.--O, wat een schrik!" + +"Trijntje--de meid?" vroeg Flipsen spijtig. "Ik dacht, dat jij de +dief was. Waarom laat je dat waschgoed ook buiten liggen?" + +"Ik--de dief!" riep het meisje uit, half schreiende van schrik en +half lachende van blijdschap, nu zij bemerkte, dat zij met geen +spoken te doen had. Want Trijntje geloofde nog aan spoken. "Ja,--dat +zei de juffrouw ook, dat ik het waschgoed niet mocht laten liggen, +en daarom ging ik het nog maar gauw eventjes halen. Hè--hè--ik beef +over mijn heele lijf van den schrik..." + +Flipsen ging zonder groeten heen. Het speet hem, dat hij zich ten +tweeden male vergist had. + +Maar het meest speet het hem, dat hij den volgenden dag moest +vernemen van den burgemeester, dat er bij den molenaar tien meelzakken +gestolen waren en dat er bij Legels, een herbergier, een mandje met +ledige flesschen verdwenen was. Flipsen begreep daaruit, dat hij in +een geheel verkeerde richting had gezocht. Hij wist er, zooals men +dat wel noemt, geen touw meer aan vast te knoopen, en hij verdiepte +zich in gissingen, wie toch wel de brutale dief kon zijn. Het trok +zijn opmerkzaamheid, dat het altijd kleinigheden waren, die gestolen +werden, en dat er nooit sprake was van inbraak. Langzamerhand vestigde +zich de overtuiging bij hem, dat de dief geen man, maar een jongen +moest zijn. En hij besloot voortaan in die richting te zoeken. + +Jan Trom merkte op, dat Flipsen hem telkens onderzoekend aankeek, +als hij hem tegenkwam. Eens, toen hij met zijn bokkenwagen bij Van +Dril vandaan kwam, schoot plotseling Flipsen op hem af, en vroeg hem: + +"Waar kom jij vandaan?" + +"Van Van Dril," zei Jan. + +"Zoo,--wat heb je daar gedaan?" + +"Eventjes in de smederij gekeken," was het antwoord. + +"Stap eens uit je wagen!" gebood Flipsen. + +Jan gehoorzaamde dadelijk, niet weinig verwonderd, wat dit alles wel +te beduiden had. + +Flipsen doorsnuffelde het geheele karretje. Het bankje bestond uit een +bak met een plankje er op als deksel. Flipsen lichtte dat plankje op +en keek, wat er zich in den bak bevond. Maar hij zag niets verdachts. + +"'t Is goed," zeide hij. "Je kunt wel weer gaan." En Jan ging. + +Dienzelfden middag kwam Flipsen Frans Thor en Klaas Zwart tegen. Hij +zag ze uit het schoolboschje komen. De school werd door drie boschjes +elzenhout omringd, die te zamen altoos het schoolbosch werden +genoemd. Tusschen die boschjes in lagen vrije strooken gronds, die +tot speelplaats dienden. + +Frans en Klaas droegen een mand tusschen zich in. Elk hield een +oor vast. + +"Daar is Flipsen," zei Klaas Zwart. Hij voelde zich nooit bizonder +op zijn gemak, als hij den politiedienaar zag. Geen wonder trouwens, +want hij en zijn makker hadden al menig diefstalletje op hun geweten. + +"Ja, dat zie ik," zei Frans. "'t Hindert niet; laat hem komen." + +Zoodra Flipsen deze jongens zag, schoot hem dadelijk de gedachte +door het hoofd, dat zij wel eens de schuldigen konden zijn, want zij +liepen altoos overal te "schuimen," zooals Flipsen dat noemde. En +'t verwonderde hem, dat hij al niet eerder aan deze twee knapen had +gedacht. Met groote schreden liep hij op hen af, en 't scheen wel, +of zijne scherpe oogen hen wilden doorboren. + +Klaas Zwart werd er bang van en keek een anderen kant op, wat Flipsen +niet ontging. + +"Waar komen jullie vandaan?" vroeg hij barsch. Hij boog zich voorover +en hield zijn blik stijf op Klaas Zwart gericht. Klaas werd er bleek +van, en zijne stem hokte hem in de keel. + +"Uit het boschje," zei Frans, die niet zoo bang was als Klaas. + +"En wat deed je daar?" + +"Wij zoeken beenen en vodden," gaf Frans ten antwoord. En hij hield de +mand een weinig naar voren, om er Flipsen in te laten kijken. Deze +wierp er een blik in en zag, dat er inderdaad enkele beenderen +in lagen. + +"Vind-je die in het schoolboschje?" vroeg Flipsen verwonderd. "Hoe +komen die daar dan?" + +"Misschien door de honden, die er daar aan kluiven, omdat het er +een rustig plekje is," zei Frans. "Wij vinden er daar maar zelden +een. Eigenlijk is er op het geheele dorp bijna geen beentje meer te +vinden, want wij hebben alles al meermalen afgezocht." + +"Zoo," zei Flipsen. "Ja, aan alles komt een einde. En aan wien verkoop +je dien rommel?" + +"Och," zei Frans, "aan voddenkoopers..." + +"En aan den pot..." zei Klaas. Maar Frans viel hem in de rede: + +"Aan voddenkoopers uit Haarlem, die hier wel met hondenwagens komen." + +"Ja, ja," zei Flipsen. "Houd jij je mond nu maar eens. Wat wou jij +straks zeggen, Klaas Zwart? Aan den pot..." + +"Dat heb ik niet gezegd," loog Klaas. "U heeft me verkeerd verstaan. Ik +zei: aan de vod.... Maar toen viel Frans mij in de rede." + +"Juist,--juist," zei Flipsen met een onmerkbaar lachje om zijne +lippen. "Nu jongens, zoekt maar goed. Er zal hier of daar nog wel +wat te vinden zijn." + +Hij liet de jongens staan en ging naar huis. Maar hij lachte inwendig +van pret, want hij twijfelde niet, of hij was thans de daders wel +degelijk op het spoor. + +"De pottenschipper," mompelde hij tusschen de tanden. "Ja, ja, die +jongen verklapte het leelijk: de pottenschipper is de opkooper. Wacht +maar, zij zullen mij niet ontsnappen..." + +Frans en Klaas gingen zwijgend verder. Het korte onderhoud met den +veldwachter had hun eenigen schrik aangejaagd. Na een poosje zei Frans: + +"Stommerd!--Jij had de heele zaak daar bijna verklapt." + +"Ja," zei Klaas angstig. "Maar ik geloof niet, dat hij het verstaan +heeft. Zou je denken, dat hij me verstond?" + +"Dat weet ik niet," zei Frans, "'k Geloof haast van niet, maar toch +moeten wij voorzichtig zijn. We dienen ons een poos althans rustig +te houden. Ik vertrouw Flipsen niet." + +"Ik ook niet," zei Klaas met een zucht. "Als hij me maar niet verstaan +heeft. Pot lijkt erg veel op vod. Zeg Frans, ik ga naar huis; ik heb +geen zin meer in het zoeken." + +"Ga dan," zei Frans. + +Zoo scheidden de jongens. + +Flipsen lette na dien dag zorgvuldig op de zolderschuit van den +pottenschipper. Hij twijfelde er niet aan, of den een of anderen dag +zou het raadsel nu wel worden opgelost. + +Maar dagen en zelfs enkele weken gingen voorbij, en Flipsen bleef +even wijs, als hij was. De pottenschipper leefde even eenzaam en +verlaten in zijn schuit als altoos, en Frans en Klaas zag Flipsen er +nooit heengaan. + +Doch,--en dit trok zijne opmerkzaamheid, er werd niet meer gestolen +ook op het dorp. En dat was hem een troost. + + + +Elfde Hoofdstuk. + +De bestorming van het sneeuwkasteel, en eene heldendaad van Jan. + + +'t Was in het begin van December. De winter was vroeg ingevallen, +en het vroor, dat het kraakte. Eerst had het geducht gesneeuwd, +tot groot vermaak van Jan Trom en zijne makkers. Ha, wat hadden zij +gesneeuwbald! De kogels vlogen de jongens om de ooren. Toen hadden zij +bedacht op het marktplein een fort op te werpen. Dat was een heel werk +voor hen, want zij waren maar niet tevreden met een opgeworpen hoogte +van sneeuw, neen, zij wilden een mooi fort hebben met schuin afloopende +kanten, met torens op de hoeken en kanteelen daartusschen. 't Leek, +toen het klaar was, veel meer op een kasteel dan op een fort. De +jongens vonden het prachtig, en zij werkten er aan met een ijver en +toewijding, zooals die alleen bij jongens gevonden kan worden. + +Eindelijk was het kasteel klaar, en nu besloten zij, zich in twee +gelijke troepen te verdeelen. De eene helft zou het kasteel aanvallen, +de andere zou het verdedigen. + +Aan de twee vrienden Jan Trom en Karel van Dril viel eene groote +onderscheiding ten deel. Jan Trom werd namelijk verkozen tot +bevelhebber van het sneeuwslot, en Karel tot aanvoerder van de +vijanden. + +"Eventjes wachten, jongens!" riep Jan zijn makkers toe. "We moeten +twee vlaggen hebben, voor elke troep één." + +"Ja, best!" zei Karel. "Maar weet je, wat het ergste is? Alle vlaggen +zijn rood, wit en blauw, en 't is niet aardig, als onze vlaggen +hetzelfde zijn." + +"O, daar weet ik wel raad op. 't Kasteel is een Hollandsch slot, +dus daar zetten we de nationale vlag op, dat spreekt vanzelf. Als +jij nu je vlag onderst-boven aan den stok bindt, lijkt hij heel veel +op de Duitsche vlag. Jullie stelt dan het Duitsche leger voor, dat +een inval doet op Hollandsch grondgebied. Zeg jongens, dat kan leuk +worden, zou ik meenen." + +Dit voorstel vond algemeen goedkeuring, en Jan en Karel haastten +zich naar huis, om eene vlag te halen. Binnen tien minuten waren zij +terug. De Hollandsche vlag werd op den hoogsten toren van het kasteel +geplant, en Karel benoemde een van zijne soldaten tot vaandrig. Jan +en zijne krijgers maakten een ontzaglijken voorraad sneeuwballen, +die achter de kanteelen werden opgestapeld, maar ook de Duitsche +veldheer maakte zich zijn tijd ten nutte. Eindelijk waren beide +partijen slagvaardig. + +De Duitschers omringden het fort aan alle kanten, en wachtten op het +sein om aan te vallen. Karel, als bevelhebber, ging met den vaandrig +aan zijn zijde naar het fort, en riep de bezetting toe: + +"Hallo! Hei daar!" + +"Werda!" antwoordde Jan Trom, wiens bovenlijf boven den gekanteelden +muur verscheen. "Wat is er van uw begeeren." + +"In naam van mijn meester, den Keizer van Duitschland, eisch ik dit +kasteel op," was het antwoord van Karel. "Mijn soldaten omringen het +van alle kanten, geef u dus goedschiks over, dan beloof ik vrijen +uittocht aan de manschappen. Zoo niet, wacht u dan voor de gevolgen." + +"Die komen voor mijne verantwoording. Dit slot behoort aan Koningin +Wilhelmina der Nederlanden, en zoolang ik leef, zal geen Duitscher +het binnenkomen. Dat is mijn antwoord. Leve de Koningin!" + +"Leve de Koningin!" juichten Jan's volgelingen. + +"Leve de Keizer!" riep Karel van Dril, en zijn krijgers herhaalden: + +"Leve de Keizer!" + +"Dan is het oorlog!" riep Karel zijn vriend Jan nog toe, terwijl hij +zich met zijn vaandrig verwijderde. + +"Oorlog op leven of dood!" schreeuwde Jan. + +Weldra vloog de eerste sneeuwbal over de muren van het kasteel, +en de belegerden keken hem lachend na. + +"Je moet beter mikken, mannetje!" riep Willem Kroeze, de zoon van +den slager. "Op deze manier!" + +En hij wierp den Duitschen bevelhebber heel netjes zijne pet van het +hoofd, tot groot vermaak van de andere Hollanders. + +Maar toen kwam er een regen van kogels op het kasteel af. De Hollanders +moesten zich zelfs achter de kanteelen verbergen, want de Duitschers +ontzagen hen niet. Zij wierpen uit alle macht, en de ballen kwamen +hard aan, als zij raakten. + +"Hoera, zij worden bang!" riep Karel zijne mannen toe. "Allo, allo, +beklimt de muren, en werpt den vijand naar beneden." + +'t Werd een geweldige bestorming. Van alle kanten schoten de vijanden +toe, en behendig klauterden zij tegen de hoogte op. + +Maar Jan zag het gevaar. + +"Zij wagen eene bestorming, jongens! Geeft ze de volle laag!" riep +hij. Zijn bevel werd uitgevoerd, en de Duitschers werden haast +onder de sneeuw bedolven. Sommigen kregen oogen, mond en neus vol, +zoodat zij hoestend en proestend het hazenpad moesten kiezen, en +anderen kregen een flinken voorraad tusschen den kraag van hun jas, +zoodat het water hun over den rug liep. Weldra was de storm met glans +afgeslagen. De Duitschers trokken zich terug. De vaandrig liep zelfs +wel wat erg hard voor 't mooi. Hij viel met vaandel en al voorover +in eene greppel, tot groot vermaak van de Hollanders. + +"Het Duitsche vaandel valt!" riepen zij lachend. "Dat is een goed +voorteeken. Hoera! Leve de Koningin!" + +"Kijk ze eens loopen!" riep Jan, wiens oogen schitterden van +opgewondenheid. "Die storm is afgeslagen, jongens, en tot een tweeden +zullen zij zoo spoedig wel niet overgaan." + +Dat was ook zoo. Er werd zelfs geen bal meer gegooid. Karel hield +met zijn makkers krijgsraad, want het was hem gebleken, dat het niet +gemakkelijk zou gaan het fort te veroveren. + +"Wat dunkt je, jongens," zei hij, "als we met ons allen eens +op één punt een zóó geweldig vuur openden, dat de kanteelen in +puin vallen? Dan zijn de belegerden ongedekt en vinden nergens +beschutting. Als we ze dan de volle laag geven, kunnen zij het +onmogelijk uithouden." + +"Ja, ja, dat is goed. De kanteelen moeten we wegkogelen," zei de +vaandrig, "en dan wil ik wel eens zien, of ze 't volhouden." + +"Afgesproken!" zei Karel. "Hierheen, jongens, aan dezen kant hebben we +de sneeuw maar voor 't grijpen. Zeg, weet je, wat we in ons voordeel +hebben?" + +"Wat dan?" + +"Wel,--wij kunnen zooveel sneeuwballen maken, als we willen, maar +hun voorraad raakt eenmaal uitgeput. En dan kunnen zij niets meer +beginnen." + +"Dat is waar, ha ja, dat is waar!" lachten de Duitschers. + +Op 't volgende oogenblik openden zij een zoo geweldig bombardement +op de kanteelen, dat deze het werkelijk kwaad te verantwoorden +kregen. Hier en daar begonnen zij al spoedig af te brokkelen en +in te storten, tot groote vreugde van de vijanden, die soms even +ophielden om hunne vingers in den mond te steken,--want die werden +erg koud,--en dan maakten zij tevens van de gelegenheid gebruik, +om een oorverdoovend gejuich aan te heffen. Onder 't sneeuwballen +gunden zij zich daar den tijd niet toe. + +Inderdaad kreeg de bezetting het kwaad te verantwoorden. + +Maar Jan toonde zich iemand van groote veldheerstalenten. Hij zag +niet alleen het gevaar, dat hem dreigde, maar hij doorzag ook de +bedoeling van zijne vijanden. + +"Jongens," riep hij zijne soldaten toe, "als we de kanteelen niet +behouden, zijn we verloren. Neemt de schoppen en werpt op elke bres +een nieuwen muur op. Maar slaat de sneeuw stevig in elkander, zoodat +de kogels er geen vat op hebben. Weest echter voorzichtig, want als +je een bal tegen je gezicht krijgt, dan ben je--zuur!" + +De soldaten lachten smakelijk om deze laaste uitdrukking, maar zij +begrepen de bedoeling van hun aanvoerder toch zeer goed, en gingen +dadelijk met ijver aan 't werk. Een deel van hen wierp de bressen +dicht, en zij zorgden er voor, dat de sneeuw goed in elkaar geslagen +werd, zoodat zij een harde koek vormde,--een ander deel maakte nieuwe +sneeuwballen, waarvoor zij het fort als het ware onder hunne voeten +moesten afbreken, en de rest bekogelde den vijand. + +Al spoedig verstomde daar het gejuich, want 't was duidelijk, dat de +pogingen om de gekanteelde muren te vernietigen, schipbreuk zouden +lijden. Zoodra was het den Duitschers niet gelukt een bres in den +muur te schieten, of op 't volgende oogenblik waren wel tien handen +gereed om het gat weer te stoppen. De vijanden waren verder van de +overwinning dan ooit, en zij werden er moedeloos onder. Hun ijver +verflauwde, het bombardement werd minder hevig, en eindelijk trokken +zij af om opnieuw krijgsraad te beleggen. + +Wat de Hollanders juichten! + +Zij zwaaiden met hunne mutsen, en riepen: + +"Hoezee! Leve de Koningin! Hoezee!" + +Zij waren echter wel blij, dat zij nu ook een poosje rust kregen, +want de strijd was hevig geweest, en zij waren erg vermoeid. + +"Ik kan haast niet meer," zei Willem Kroeze. + +"Ik ook niet," zuchtte Jacob Boors. "En wat zijn mijne vingers +koud. Ze tintelen!" + +Hij kreeg haast tranen in de oogen van de pijn, die ze hem deden. + +"Steek ze een poosje in je mond, en blaas dan hard. Dan worden ze +wel weer warm," zei Jan Trom. "Zeg jongens, wat hebben we ons goed +gehouden, hè? Als we oppassen, krijgen zij ons fort nooit. Kijk ze +'t eens druk hebben. Ze houden zeker weer krijgsraad." + +"Laat ze maar!" zei Tines Wobbe. "We zullen ze ontvangen, zooals het +behoort. Weg met de Duitschers!" + +"Weg met de Duitschers!" riepen ze allen, en weer zwaaiden ze met +hunne hoofddeksels. + +"En leve de Koningin!" juichte Jan Trom. + +"Ja, ja, leve de Koningin!" riepen allen. + +Na een paar minuten werd de krijg hervat. De vijanden waren tot +het besluit gekomen, eene nieuwe bestorming te wagen. In gesloten +rijen liepen zij op het fort toe, en opnieuw probeerden zij tegen +den schuinen kant op te klauteren. Maar weer werden zij lang niet +malsch ontvangen. + +Een hagelbui van sneeuwballen begroette hen, en de verdedigers wierpen +schoppen vol losse sneeuw over hunne hoofden uit. + +Maar Karel wilde niet opnieuw wijken. + +"Sterven of overwinnen!" riep hij zijne volgelingen toe, en hij +klauterde moedig omhoog, zich niet storende aan de projectielen +der belegerden. + +Zijne soldaten, aangevuurd door zijn geestdrift, volgden hem met +mannenmoed. Ha, daar had Karel den gekanteelden muur bereikt, en +reeds richtte hij zich op om victorie te roepen, toen Jan plotseling +op hem toesprong, en hem pardoes achterover naar beneden wierp. + +"Weg met de Duitschers!" schreeuwde hij. + +Karel was veel gauwer beneden, dan hij boven gekomen was. Eerst keek +hij een oogenblik beteuterd rond, maar toen hij zag, dat zijne soldaten +voet bij stuk hielden, bestormde hij de vesting opnieuw. 't Was een +verwoede aanval, en de belegerden konden niet dan met de uiterste +inspanning stand houden. Met ongebreidelde geestdrift drongen de +Duitschers op hen in, maar de een na den ander werd van de borstwering +afgeduwd en naar beneden geworpen. Daar werden zij haast onder de +sneeuw bedolven, die hun bij schoppenvol nageworpen werd. + +Eindelijk deinsden de Duitschers af. Zij waren opnieuw afgeslagen. Maar +het fort verkeerde in een deerniswaardigen toestand, want om zich te +verdedigen waren de Hollanders genoodzaakt geweest, zich den grond +onder de voeten weg te spitten. De torens helden dientengevolge sterk +over naar den binnenkant van het slot, en dreigden elk oogenblik in +te storten. Ook de muren geleken wel bouwvallen. Maar nog wapperde +de Hollandsche vlag fier van den hoofdtoren. Jan was daar trotsch op, +en hij prees zijne soldaten om den betoonden moed. + +"Maar mijne vingers vallen haast af van de kou!" zei Tines. + +"Dat doet er niet toe!" riep Jan hem toe. "Zoolang de vlag nog van +den toren wappert, is er niets verloren, al hadden wij geen van allen +meer een vinger over! Leve de Koningin!" + +"Leve de Koningin, en weg met de Duitschers!" schreeuwden zij om +het hardst. + +"Dat is niet om uit te staan!" riep Karel zijne soldaten toe. "Komt +jongens, opnieuw aangevallen, en niet gerust, voordat het fort ons is!" + +De vijanden bestormden den burcht opnieuw, en de aanval was zoo +mogelijk nog verwoeder dan de vorige. + +"Nu of nooit!" schreeuwde Karel, die zich op en top krijgsman voelde. + +"Sterven of overwinnen!" antwoordde Jan Trom, en de jongens vochten +van weerskanten als leeuwen. + +Eindelijk gelukte het Karel ten tweeden male op het fort te komen, +vlak bij den hoofdtoren. Maar Jan en zijne soldaten wierpen zooveel +sneeuw tegen zijn hoofd en schouders, dat hij zijn evenwicht verloor +en tegen den toren viel. Deze was echter al zoo bouwvallig, dat hij +den schok niet meer kon weerstaan en instortte. De vlag der Hollanders +verdween van hare hooge standplaats. + +"De toren stort in!" riep Willem Kroeze. + +"De vlag duikt!" schreeuwden de Duitschers. + +"Hoera! Hoera!" + +Karel lag te spartelen onder de sneeuw in het fort, want de toren +had hem half bedolven. De Hollanders sprongen op hem aan en grepen hem. + +"Een gevangene! Een gevangene!" juichten zij. "De bevelhebber is +gevangen! Weg met de Duitschers! Leve de Koningin!" + +De Duitschers, ontsteld door het gevangennemen van hun Commandant, +deinsden af, maar spoedig kwamen zij terug met het stellige voornemen, +hun hoofdman te verlossen. + +Het kasteel was nu een puinhoop geworden. De torens waren ingestort, +en van de gekanteelde muren was geen spoor meer overgebleven. De +belegerden waren thans geheel ongedekt aan het vuur der vijanden +blootgesteld, en het maken van nieuwe sneeuwballen, of zooals zij +zeiden het gieten van nieuwe kogels was hun zoo goed als onmogelijk +geworden, omdat de sneeuw, waarop zij stonden, door de soldaten als +het ware tot een harden koek was vastgestampt. Met hunne schoppen +moesten zij de sneeuw omspitten om kogels te kunnen gieten. + +En toen kwam een nieuwe storm. De vijanden klauterden als katten +tegen den muur op, en de belegerden hadden geen middelen meer om +hen te keeren. Zij vochten nog wel als leeuwen en wierpen menigen +Duitscher naar beneden, maar tevergeefs. Het fort was verloren. Voor +en na verschenen de vijanden op de hoogte, en eindelijk moest Jan +zich overgeven. + +"Hoera! Hoera!" riepen Karel en zijn mannen. "Het kasteel is ons! Leve +de Keizer!" + +De Hollandsche vlag, waarvan de stok gewoon in de sneeuw gestoken +was, daar de torens totaal verdwenen waren, werd omvergeworpen, +en de vijandelijke vlag kwam er voor in de plaats. + +"Leve de Keizer!" juichten de Duitschers, en zij zwaaiden met hunne +mutsen. + +"Goed, goed!" zei Jan. "Maar wat heb je nu? Wat is er van het kasteel +overgeschoten? Een puinhoop, meer niet. Veel pleizier er mede." + +"Ja, ja, dat is waar!" zei Karel. "Jelui hebt je kolossaal goed +gehouden, dat moet ik zeggen.--Hè, hè, jongens, dat was een mooi +spelletje!--'t Is nu tijd om naar huis te gaan. Doen we het morgen +weer?" + +"Ja, ja!" werd er van alle kanten geroepen. "Dat is afgesproken." + +Zingende verlieten vriend en vijand het marktplein, om naar huis te +gaan. Zij hadden heerlijk gespeeld en dachten er nog lang daarna met +pleizier aan. Zij waren vast besloten, den volgenden dag een nieuw +kasteel te bouwen en den strijd te hervatten. + +Maar den volgenden morgen merkten zij al dadelijk, dat het niet +kon. 't Had namelijk dien nacht verbazend hard gevroren, en 't +was daardoor onmogelijk geworden sneeuwballen te maken. De sneeuw +wilde niet pakken. Zij vonden dat wel erg jammer, maar daarentegen +verheugden zij er zich weer in, dat het zoo hard gevroren had, en +zij hoopten, dat het ijs spoedig sterk zou worden. De twee kanalen, +die in het hart van het dorp elkander kruisten, lagen al dicht. De +jongens wierpen er steentjes op, om te zien, of zij er doorheen konden +gooien, maar dat konden zij niet. Alleen klinkers gingen er ongeveer +voor de helft doorheen. + +Zij vermaakten zich nu met glijbanen te maken en daar in lange risten +overheen te glijden. De grond werd hier en daar spiegelglad. Opeens +bedachten zij, dat het nu prachtig zou glijden langs de helling +buiten het dorp, bij het fort, waar Jan met zijn automobile den +veldwachter bij ongeluk van de been gereden had. En nauwelijks hadden +zij dat bedacht, of zij snelden er heen. Ha ja, ze hadden zich niet +bedrogen. De helling was er prachtig voor geschikt, en er lag dik +sneeuw. Spoedig was het er zoo glad, dat men er haast niet op de beenen +kon blijven staan, en als de jongens eenmaal op de helling waren, +mòèsten zij verder, of zij wilden of niet. Zij vonden het meer dan +verrukkelijk, en wisten van geen ophouden. 't Was een koddig gezicht, +als een van hen het ongeluk had te vallen. Dan buitelden allen, die +achter hem kwamen aanglijden, hals over kop over hem heen, en werd +het een levende berg van jongens. + +Menigeen riep dan au, au! en sommigen kwamen erg in de verdrukking, +maar daarom werd niet getreurd. Een volgend oogenblik gleed de geheele +rij weer met statie verder, en 't ging vliegensvlug. + +'t Was al laat, eer de jongens thuiskwamen, en voordat zij de deur +instapten, wierpen zij eerst nog een blik op het hemelgewelf om +te zien, of de lucht naar vorst stond. En dat deed ze gelukkig. De +sterretjes fonkelden aan den hemel, en er was geen wolkje aan te zien. + +Dien nacht vroor het kolossaal! Toen Jan 's morgens zijn neus buiten +de bedgordijnen stak, zag hij al dadelijk, dat de bloemen dik op de +ruiten stonden. + +"De pomp is bevroren!" riep zijn vader van uit de keuken. "Jongen, +jongen, wat een vorst. 't Is buitengewoon! Zeg Jan, nog één nachtje +zoo, en we kunnen schaatsenrijden. Dan is het kanaal sterk genoeg. Maar +vandaag nog voorzichtig wezen, hoor, 't kan nog niet vertrouwd zijn." + +"Ja Vader," zei Jan. + +Hij was van nature geen waaghals. Niet, dat hij bang was, in het +geheel niet, maar hij vond het dwaasheid zijn leven roekeloos in +gevaar te stellen. Toch waren er wel jongens, die zich al op het kanaal +waagden. Voorzichtig, voetje voor voetje, liepen zij het ijs op, dat +door een sterk gekraak waarschuwde om terug te gaan. De waaghalzen +hoorden het wel, en als het heel erg kraakte, bleven zij even +stilstaan, maar spoedig gingen zij weer verder. Tines Wobbe bereikte +zelfs de overzijde van het kanaal, waar hij niet weinig trotsch op was. + +'s Middags na schooltijd liep Jan met zijn vriend Karel van Dril het +dorp in, en kwam bij de drie bruggen. Zij zagen, dat het water daar +nog open lag. Dat was bijna altoos zoo in den winter. Alleen als het +lang bleef vriezen, werd het daar ook sterk genoeg, om er over te +loopen. Zij stonden er een poosje naar te kijken, toen plotseling +hunne aandacht werd getrokken door Frans Thor, die een vuilen hond +vervolgde. Hij wierp het beest met steenen. 't Was een broodmager +beest, dat er vreeselijk vervuild uitzag. De jongens herkenden dadelijk +Fik in hem, den hond van den orgeldraaier Klaas Touw. + +"Houdt hem! Houdt hem!" riep Frans hun toe. + +"Een heldendaad van Frans," zei Jan tot Karel. "Hij kan geen hond +met rust laten." + +"Houdt hem! Houdt hem!" riep Frans nog eens. + +De hond was nu op het midden van de brug. Jan en Karel deden, of zij +Frans niet hoorden. Maar juist kwam Klaas Zwart van den anderen kant +de brug op. + +"Houd hem, Klaas!" riep Frans zijn vriend toe. "Jaag hem op!" + +"Ja,--ja!" was het antwoord. En met zijn armen zwaaiende en onder +een luid geschreeuw joeg hij het verhongerde beest terug. + +Spoedig kwam Fik nu Frans weer tegen, en deze joeg hem ook terug. De +dierenkwellers hadden braaf schik in den angst van den hond, die, +naarmate de jongens elkander naderden, meer in het nauw gedreven +werd. Eindelijk wist het arme dier geen raad meer, en toen het +probeerde om langs de beenen van Frans te ontsnappen, op gevaar af +een schop van dien jongen te krijgen, gaf deze hem een duw, waardoor +hij van de brug af in het water viel. + +Wat hadden Frans en Klaas een pret. En hoe vermaakten zij zich met +de wanhopige pogingen van het dier om zich te redden. + +De lantaarnopsteker, die op zijn laddertje stond, om de lantaren schoon +te maken en de peer van de lamp te vullen, was er verontwaardigd over, +en hij riep de jongens toe, dat zij zich schamen moesten. Hij klom +naar beneden en zag, hoe het beest tevergeefs poogde zich te redden. + +"'t Is meer dan schandelijk!" riep de man nog eens. "'t Beest is +onherroepelijk verloren. Wie zal het wagen, het te redden? Wie het +doet, loopt groot gevaar om zelf te verdrinken. Zulke dierenbeulen!" + +Ook Jan en Karel zagen met smart de pogingen van den armen hond, om +zich te redden, 't Was duidelijk, dat het beest verdrinken moest. Eene +hevige verontwaardiging maakte zich van Jan meester, en ook Karel +vond het eene schandelijke daad. + +Fik zwom in het breede wak rond, nu hier, dan daar pogingen doende, +om op het ijs te klimmen. Maar dit was te glad. Telkens gleden zijn +pootjes uit en zakte hij in het water terug. + +Jan kon het niet langer aanzien. + +"Mag ik dat laddertje gebruiken?" vroeg hij aan den +lantaarnopsteker. Zonder antwoord af te wachten, lichtte hij de haken +los, waarmede het aan den paal bevestigd was, en liep er mede naar +den kanaalkant. + +"Niet doen, Jan, niet doen!" riep Karel hem toe. + +Maar Jan antwoordde niet. + +"Dàn zal ik je helpen!" hernam Karel, en hij voegde zich bij zijn +vriend. Maar deze stond al op het ijs. + +"Blijf daar, Karel, ik ben lichter," zei Jan kortaf. + +Hij schoof het laddertje voor zich uit en naderde behoedzaam het +wak. Al was Jan nòg zoo mager, en al woog zijn lichaampje nòg zoo +licht, toch liet het ijs, dat bij de brug erg dun was, een dreigend +gekraak hooren. Jan liet er zich echter niet door weerhouden. Bedaard +ging hij verder, half steunende op het laddertje, dat hij met kleine +stootjes voortduwde. + +"Fik! Fik!" riep hij den hond toe. + +Het beest zag hem komen. Met verkleumde pooten zwom het in het +ijskoude water. Het jankte van vreugde.... Bijna kon het zich niet +meer bewegen. Het uiterste einde van het laddertje had het begin van +het wak bereikt. + +Vele menschen verzamelden zich langs de brugleuning, en met angstige +spanning volgden zij de bewegingen van den knaap. Ook Jan's vader +was op de brug. Zijne oogen waren geen seconde van zijn dapperen +jongen af. Ha, hoe verheugde hij zich over deze kranige daad van zijn +kind. Hij was trotsch op hem! + +Jan keek op noch om. Al zijne gedachten waren op één punt gericht, +namelijk, dat het zijn plicht was den armen hond te redden. Op handen +en knieën kroop hij behoedzaam verder. + +Het ijs boog door. Er kwam water op. De ladder werd nat. Maar Jan +keerde niet terug. Hij zag, dat de hond op 't punt was van verdrinken. + +Nog een sport,--daarna nog een.... + +Hij legde zich lang-uit op de ladder. Zijne kleêren werden nat. Toen +strekte hij den arm uit, en met een krachtigen greep trok hij den +hond uit het wak. Verkleumd bleef het dier liggen. + +Jan durfde zich niet omkeeren. Hij wist bijna zeker, dat het ijs +dan breken zou. Zoo voorzichtig mogelijk kroop hij achteruit, +langzaam--langzaam verder. Den hond trok hij meê. + +Eindelijk had hij het achtereinde van het laddertje bereikt en moest +hij op het ijs stappen. Maar daar was het niet zoo erg zwak meer. De +hond kwam eenigszins tot zichzelven. Bevend op zijne pooten liep het +dier naar den walkant. Daar hielp Karel het omhoog, tegen den walkant +op. Eindelijk had ook Jan den oever bereikt.... + +En op 't zelfde oogenblik klonk een daverend handgeklap hem in +de ooren. De menschen, die gezien hadden, welk heldenstuk hij had +verricht, verbraken de stilte en juichten hem toe. Jan kreeg er een +kleur van. En zijn vader drong door het volk heen en drukte hem in +zijn armen. Hij had er zoowaar tranen van in de oogen. + +"Ben je erg nat?" vroeg Dik. + +"Haast niet, Vader," zei Jan. "Ik ga met Karel den hond even +thuisbrengen, want hij kan bijna niet loopen." + +"Goed, goed," zei Dik, "maar dan direct droog goed aantrekken." + +Jan en Karel vertrokken met den verkleumden hond, en de menschen +vervolgden hun weg. Met lof werd over Jan gesproken. Iedereen had er +den mond vol van. Maar de dierenbeulen Frans en Klaas waren stilletjes +afgedropen. + +Het huisje van Klaas Touw, den orgeldraaier, stond een weinigje +achteraf, aan een achterweg. De jongens hadden het spoedig bereikt. Zij +deden de deur van het armoedig hutje open en traden binnen. + +Mietje zat bij de tafel. Zij zag er bleek en mager uit, en hare oogen +keken de jongens droevig aan. De bedsteêdeuren aan den achterkant +van het kamertje stonden open, en de jongens zagen, dat Klaas Touw +te bed lag. Hij was ziek. + +"Hier is uw hond, Mietje," zei Jan, die den hond in de kamer liet +loopen. "We hebben hem uit het water gehaald. Hij lag in het wak bij +de brug." + +"Neen, wij niet, maar Jan heeft hem er uitgehaald," zei Karel, die +zijn vriend om diens heldendaad bewonderde. "Met levensgevaar heeft +hij hem gered." + +"Zoo,--arme Fik," zei Mietje. "Was hij maar verdronken." + +"Waarom?" vroegen de jongens als uit één mond. Zij waren niet weinig +verwonderd over die woorden. + +"Waarom? Wel, dan was hij meteen uit zijn lijden. Klaas is ziek, +en hij zal wel zoo gauw niet beter wezen, zegt de dokter. We hebben +zelf niet eens te eten, hoe zal ik dan voor den hond zorgen?" + +De jongens keken de vrouw zwijgend aan. En hun blik dwaalde door +het armoedige vertrek en naar het bed van den zieke. Zij zagen ook, +dat er geen vuur was in de oude kachel, en dat de bloemen dik op de +ruiten stonden. + +"En uw orgel dan?" vroeg Jan na een poosje. + +"Dat is weggehaald, omdat wij de huur ervan niet betalen konden," +zei Mietje, en zij kreeg de oogen vol tranen. "Wij lijden armoê, +jongens, erger dan ik het zeggen kan." + +De jongens wisten niet veel te zeggen, maar zij kregen diep medelijden +met die arme menschen. + +"Weet je wat, Mietje," zei Jan. "Morgen is het ijs wel sterk. Ga dan +met een tentje op het ijs staan, om melk en koek te verkoopen." + +Vrouw Touw lachte droevig. + +"Hoe moet ik aan melk komen?" zei ze met een zucht. "En aan chocolade +en suiker en koek? Wie zal mij dat alles borgen?" + +"Mijn vader wel," zei Jan beslist. "Ik ga het hem vragen. Ga je mee, +Karel?" + +De jongens liepen op een drafje naar huis. En toen Jan verteld had, +hoe het met den orgeldraaier en diens vrouw gesteld was, zei Dik: + +"Zeker wil ik helpen, jongen! Ga maar aan Mietje zeggen, dat ik haar +alles wil voorschieten, wat zij noodig heeft." + +"Hoera!" riep Jan. "Wat is u toch goed, Vader. En mogen ze een paar +oude stoelen hebben, en wat palen en een paar banken?" + +"Ja," zei Dik lachend, want het verheugde hem, dat Jan en Karel zich +zoo druk maakten om een paar arme menschen te helpen, die in nood +verkeerden. "Maar weet je, wat in de eerste plaats noodig is? De +stakkers hebben niets in huis, zelfs geen brandstof om de kachel +te stoken. Span je bok voor den wagen, en breng er dadelijk flink +wat turven naar toe. Ik zal dan meteen een en ander uit den winkel +inpakken, zoodat ze van avond wat te eten hebben ook." + +"Ja, ja,--ik met den bokkenwagen, en Karel met de automobiel! Dat +zal leuk wezen." + +'t Was intusschen al donker geworden, en de sterretjes begonnen al +weder aan het hemelgewelf te flonkeren. + +Jan en Karel hadden het druk, want zij maakten van Dik's mildheid +een ruim gebruik. De automobile werd volgestapeld met turven en +kachelblokjes, en in het bakje van den bokkenwagen kwamen verscheidene +zakjes met levensmiddelen. Dik wist wel, wat het meest noodig was. + +Toen de jongens wegreden, keken Dik en Anneke hen lachend na, en Dik +herinnerde zich op dat oogenblik weer levendig, hoe hij zich als kind +op een donkeren avond geheel alleen op weg begeven had, om aan de +heks op den achterweg, die ook in nood verkeerde, levensmiddelen te +brengen. En hij voelde zich gelukkig, dat hij zulk een goed kind had. + +In het hutje van de twee arme menschen heerschte dien avond groote +blijdschap. Jan en Karel werden hartelijk door den orgeldraaier en +diens vrouw bedankt. + +"Morgen zullen we een tent voor u bouwen, Mietje," zei Jan. "En Vader +wil u al het noodige voorschieten, om alles te kunnen inslaan. Wacht +maar, u zal eens zien, hoe 'n mooie tent wij zullen maken." + +De jongens keerden naar huis terug. De bok liep met opgetrokken +pooten, want hij vond de bevroren sneeuw erg koud, en hij was +er slecht over gestemd, dat hij zijn warm plaatsje bij den hit +had moeten verlaten. Karel draaide lustig aan het wiel van de +automobile. "Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf klonk het achter den bokkenwagen. De +beide lantarens gaven een helder licht, en de jongens vonden het een +prettig tochtje. Zij spraken af, den volgenden morgen vroeg op te +staan en dan ijverig te gaan bouwen aan de tent. Met een prettig +gevoel in hun borst keerden zij in huis terug. Zij voelden zich +tevreden en gelukkig. + + + + +Twaalfde Hoofdstuk. + +Een goede daad, een vroolijke dag en een treurige morgen. + + +Wat was Jan Trom vroeg wakker. 't Was nog maar kwart over zessen, +toen hij uit zijn bed stapte. Zijn vader werd er wakker van, toen +Jan de luiken opende. + +"Wie is daar?" vroeg Dik. + +"Ik Vader," zei Jan. "Weet u niet meer, dat we eene tent zouden bouwen +voor Mietje van Klaas Touw. De bloemen staan weer dik op de ruiten. 't +Heeft bepaald erg hard gevroren." + +"Zeker wel," zei Dik. + +Jan was spoedig aangekleed. Hij opende de provisiekast en nam er een +paar sneden brood uit, die hij gebruikte met een glas melk. Daarna +verliet hij het huis, om zijn vriend te gaan wekken. Nauwelijks was +hij vertrokken, of ook Dik stapte zijn bed uit. Hij was bang, dat het +bouwen van een ijstent de krachten der jongens te boven zou gaan, en +daarom wilde hij gereed zijn om zoo noodig een handje te kunnen helpen. + +Karel van Dril was al op, toen Jan hem kwam roepen. + +"Wat is het koud, hè?" zei Karel huiverend. + +"Ja, erg koud," zei Jan. "Maar wij zullen ons wel warm werken. Om +negen uur moet de tent klaar zijn, want dan gaat de school aan en +moeten wij binnen zijn." + +"Ja," zei Karel. "Ik ben klaar, Jan. Zullen we gaan?" + +"Goed." + +De jongens gingen naar buiten. Lange, dunne palen namen zij op de +schouders en droegen die naar het ijs. Het kanaal was dicht bij hun +huis. Zij hadden den weg maar over te steken om het te bereiken. Een +goed plaatsje was spoedig gevonden. Zij besloten de tent te bouwen +vlak voor den winkel van Dik Trom. Een paar malen liepen zij heen en +weer om alles te halen, wat zij noodig hadden. + +Daarna gingen zij aan het werk. + +Eerst moesten er met een bijl gaten in het ijs worden gemaakt. Jan +begon te hakken. O, wat was het ijs hard. De splinters spatten hem +bij elken hak om de ooren, en rinkelend vlogen zij een eind ver over +de gladde ijsvlakte. + +'t Was een zwaar werkje. Al spoedig had Jan geen last meer van de koû, +en hij merkte, dat het niet gemakkelijk zou gaan, een gat in het ijs +te hakken. Hij zuchtte zoo hard, dat Karel er om lachen moest. + +"Toe maar, hak maar raak," zei hij. "Ik zal wel voor je zuchten." + +Jan begon te wanhopen, of hij er wel mee klaar zou komen. Maar +eindelijk toch zakte zijn bijl door het ijs. Het water drong er +doorheen. Nog een paar slagen, en het schotsje was los. Met de bijl +wipte hij het stuk ijs omhoog. + +"Zie zoo, dat is er één," zei hij. "Nu den paal er in." + +"Doe jij dat maar, dan zal ik intusschen het tweede gat hakken," +zei Karel. Hij nam de bijl, en trok aan 't werk. Op dit oogenblik +kwam Dik Trom aanstappen. Hij kwam eens kijken, of de jongens het +klaar zouden spelen. + +"Gaat het goed?" vroeg hij. + +"Best, Vader," zei Jan. "O, maar wat is dat ijs hard. Ik kan er bijna +niet doorheen slaan met de bijl." + +"Ja, dat dacht ik wel. Daarom kwam ik juist even kijken. Maar ik zie +wel, dat mijn hulp niet noodig is. Hoeveel palen moeten er in?" + +"Wij dachten van zeven," zei Karel. "'t Zou met minder kunnen, maar +als het dan wat hard gaat waaien, is de tent niet sterk genoeg." + +"Je hebt gelijk," zei Dik. "Wel, wel, wat is dat ijs gl...." + +"Glad," wilde hij zeggen, maar zoover kwam hij niet, want plotseling +gleden zijne beenen onder hem weg, en viel de dikke Dik met een +geweldigen bom op het ijs. Het ging zoo snel en onverwachts, dat hij +eerst niet wist, wat er gebeurde. Het ijs kraakte niet zoo'n beetje, +en er kwam een groote ster in. + +Gelukkig bezeerde Dik zich niet, en de jongens konden er dus naar +hartelust om lachen. Doch zij gunden zich daar niet veel tijd toe, +want zij moesten hard werken om op tijd klaar te komen. Om de beurt +hakten zij een gat in het ijs, en toen Dik koud werd, hakte hij er +ook een. De tent schoot flink op. Aan drie kanten werden er zeilen +aan de palen bevestigd, en de vierde kant bleef natuurlijk open. Om +acht uur waren zij met hun arbeid gereed. Toen repten zij zich naar +huis, om een oude tafel, wat afgedankte stoelen en een paar banken te +halen. Ook namen zij ieder eene vlag mêe, en die werden aan de twee +voorste palen bevestigd. Om half negen was de tent kant en klaar. Dik +was al lang naar huis, want hij zag, dat de jongens zijne hulp best +konden ontberen, en hij vond het een prettiger idee voor hen, dat +zij de tent geheel alleen bouwden. Toen om half negen Mietje op het +ijs verscheen, sloeg zij van verbazing de handen in elkaar, en zij +was wat grootsch op de mooie tent, die de jongens voor haar hadden +gemaakt. En alles was gereed. Zij had er om zoo te zeggen zóó maar +in te stappen. Alleen moest zij nog melk koken en de noodige koeken +bij den bakker bestellen. De arme ziel wist geen woorden te vinden, +om de jongens te bedanken voor alles, wat zij voor haar en haar zieken +man hadden gedaan. + +"Hoe is het met Klaas?" vroeg Jan. + +"Nog hetzelfde," was het antwoord. "Hij ligt nu al vier weken te +bed, en ik zie niet den minsten vooruitgang. Maar hoe zou dat ook +kunnen? Wij zijn te arm, om de versterkende middelen te kunnen koopen, +die zijn verzwakt lichaam noodig heeft, want hij is door en door +verzwakt, zegt de dokter." + +"Nu, wie weet, hoeveel u vandaag nog verdient," zei Karel. "En hoe +is het met Fik?" + +"O, die is weer geheel en al in orde. Hij houdt den baas +gezelschap. Die moet natuurlijk den heelen middag alleen in huis +blijven. Maar hij zal zich wel redden. Ik zal de tafel bij zijn bed +schuiven en alles, wat hij noodig heeft, daarop klaar zetten. Vóór +twee uur van middag behoef ik niet in de tent te staan, en om vijf +uur kan ik wel al weer thuis zijn. Dan wordt het donker en gaan de +schaatsenrijders naar huis. Dus langer dan een uur of drie, vier is +hij niet aan zijn lot overgelaten. O jongens, wat redden jullie me +heerlijk uit den nood; je weet niet, hoe dankbaar ik ben." + +"Dat is niet noodig, Mietje. We hopen, dat je vandaag nu maar +flink geld verdient. Maar 't wordt voor ons tijd om naar school te +gaan. Vanmiddag zullen we wel vacantie krijgen, denk ik, nu het zulk +mooi ijs is." + +"'t Is te hopen," zei Karel. "Hè, wat heb ik een zin om te gaan +rijden." + +"En ik!--Dag Mietje, tot vanmiddag!" + +De jongens gingen naar huis. Het gebruikte gereedschap namen zij mee, +en eenige minuten later stapten zij de school binnen. Zij dachten +dien morgen meer aan het mooie ijs, dan aan de lessen. + +Mietje was intusschen druk in de weer om alles voor den middag in +gereedheid te brengen. Bij den bakker bestelde zij een groot getal +ijskoeken, die ook wel dikke Pieten werden genoemd, eene lekkernij, +waar de jongens verzot op waren, en die de meisjes ook wel lustten. Dik +Trom had aan den bakker gezegd, dat hij voor de goede betaling borg +stond. Ook gaf Dik de noodige chocolade en suiker, en mocht zij bij +Wobbe op zijne rekening zooveel melk bestellen, als zij dacht noodig +te hebben. Mietje vloeide over van dankbaarheid. + +"Zorg nu," zei Dik, "dat alles er netjes en zindelijk uitziet in je +tent, en maak de kopjes telkens schoon, als er uit gedronken is. De +menschen hebben een hekel aan vuile koppen en schotels." + +Dik wist wel, dat Mietje niet aan overdreven zindelijkheid leed. + +"Daar zal ik voor zorgen," zei Mietje. + +Van een kastelein had zij de noodige koppen en schotels geleend. Zoo +werd Mietje door de hulp van verschillende menschen, die medelijden +met haar hadden, netjes ingespannen, en om één uur stond zij al in +hare tent, gereed om de gasten te ontvangen. + +Jan en Karel hadden goed geraden. Dien middag kregen zij inderdaad +vacantie. Dat gaf eene vreugde. Onder een luid gejoel verlieten de +kinderen de school, om te gaan eten. Sommigen gunden zich daar haast +den tijd niet eens toe, zoo verlangden zij om op 't ijs te komen. + +Om een uur krioelde het al van jongens en meisjes op de baan, en Mietje +kreeg het al aardig druk in hare tent. Jan en Karel waren er ook. Hun +eerste gang was naar Mietje, want zij wilden graag de eersten zijn, +die wat bij haar kochten. En Mietje zag er wat helder uit. Van Anneke +had zij een grooten huishoudboezelaar gekregen, die hare armoedige +plunje geheel bedekte. Ook de kopjes waren helder gewasschen, en +'t zag er gezellig bij haar uit. Jan en Karel zagen met genoegen, +dat zij het verbazend druk kreeg. Dat was trouwens geen wonder, want +zij was de eenige, wier tent geheel klaar was. Er waren er nog wel +verscheidene in aanbouw, maar gereed was er nog maar een, en dat +was de hare. Wat hadden de twee jongens er een pret in. Vroolijk +zwierden zij op de baan heen en weer, want zij konden goed rijden, +vooral Jan. Die kon al zwieren als de beste. Dat had hij van zijn +vader geleerd die ook een groot liefhebber van het ijsvermaak was. En +als zij een poosje gereden hadden, gingen zij uitrusten in de tent +van Mietje, die er recht gelukkig en tevreden uitzag, want zij kon +wel aan het bedienen blijven. + +"Dikke Pieten! Dikke Pieten!" riep Karel lachend zijne kameraden +toe. "Steekt er eens op, en legt er eens aan! Lekkere, versche dikke +Pieten! De mooiste ijskoeken van de wereld!" + +De jongens en meisjes lachten er om, en toen zij hoorden, dat Mietje +het zoo erg arm had en dat haar man ziek was, en daarbij vernamen, dat +Karel en Jan samen die mooie tent voor haar hadden gebouwd, kijk,--toen +wilde iedereen ook een steentje bijdragen om den nood der arme menschen +te lenigen, en wie wat koopen wilde, deed het daarom bij Mietje. + +Jan ging ook achter de tafel staan, en riep zoo hard hij kon: + + + "Heete melk en koude Jan, + Steekt er eens op en legt er eens an!" + + +De kinderen moesten er hartelijk om lachen, maar 't gevolg was toch, +dat de koeken als 't ware wegvlogen, en dat Mietje telkens een nieuwen +voorraad melk moest koken. Hare zaakjes gingen best, opperbest, en +zij ontving zooveel geld, als zij in haar heele leven nog niet bij +elkaar had gezien. + +Later op den middag kreeg zij het nog drukker. Toen kwamen de groote +menschen op de baan. Ook Dik Trom stapte met zijn schaatsen onder +den arm het ijs op. En even later verschenen de twee mannen, met +wie hij al van zijne vroegste jeugd af trouwe vrienden was geweest, +namelijk Piet van Dril, de smid, en Jan Vos, de metselaar. In de +tent van Mietje bonden zij de schaatsen onder. Dik trakteerde eenige +jongens, die dicht in de nabijheid stonden, op dikke Pieten, en even +later zwierde het drietal lustig over de baan. Wat kreeg deze meer en +meer een vroolijk aanzien. De andere tenten waren nu langzamerhand ook +gereed gekomen, en de vlaggen wapperden vroolijk in den wind. En wat +kwamen er een menschen op het ijs! 't Werd er hoe langer hoe voller, +en soms, als de menschen erg dicht op een hoop stonden, gaf het ijs +een geweldigen krak, zoodat iedereen er van schrikte en men ijlings +uit elkander stoof. + +De baanvegers hadden weinig te doen, want het ijs was spiegelglad. Des +te meer tijd hadden zij om geld op te halen. + +"Een centje voor den baanveger!" klonk het hier. "Een centje voor den +baanveger," klok het daar. 't Leek wel, of de baanvegers uit den bodem +van het kanaal opstegen, zooveel kwamen er. Maar de schaatsenrijders +genoten volop, en zij hadden een gulle bui. Dik Trom, wiens winkel +thans verreweg de grootste was van het geheele dorp, zoodat hij veel +geld verdiende en van nabij met den toestand der baanvegers bekend was, +liet menig dubbeltje in de handen der baanvegers overgaan. Hij was +niet gierig, en als hij wist, dat hier of daar armoede geleden werd, +was hij altoos bereid om te helpen. Hij was dan ook verbazend bemind +onder zijne dorpsgenooten. Iedereen had een vriendelijk woord voor +hem over, en niemand passeerde hem zonder een groet. + +"Dag Dik!" werd er overal geroepen, waar hij voorbij reed. "Dag +Dik! Dat is nog eens een echt ouderwetsch dagje, hè?" + +'t Was vreemd, maar Dik werd op het dorp nog bijna door iedereen Dik +genoemd. Zelden zeide men Trom tegen hem. + +Hij kon mooi schaatsenrijden, veel mooier, dan men van zoo'n +dikken man verwacht zou hebben. Als hij goed aan het zwieren was, +had hij aan de breede baan niet genoeg, neen, dan gebruikte hij +wel de halve breedte van het kanaal. En 't was grappig om te zien, +als Jan achter hem aanzwierde. Dik had altoos een ijsstok bij zich, +met aan elk einde een knop. Soms hield Dik het eene einde onder den +arm, en Jan het andere, en dan zwierden zij samen zoo kolossaal, +dat de menschen bleven staan om er naar te kijken. En 't was een +grappig gezicht, dien dikken Dik en dien mageren Jan samen aan den +stok te zien zwieren. Iedereen lachte er om, en Dik zelf ook.... Ha, +wat was Jantje dan grootsch. Dan reed hij zoo prachtig beentje-over, +dat Karel van Dril er jaloersch op was. + +Het drukste punt van de geheele ijsbaan was, waar de tent van Mietje +stond. Karel en Jan zagen met onbeschrijflijk veel genoegen, dat hare +tent nooit leeg was. Altijd zaten er menschen op de stoelen of banken, +om uit te rusten, en iedereen gebruikte wat bij haar. De koek was om +drie uur al uitverkocht, maar melk had zij in overvloed. Haar zak +was zwaar van de centen, die zij ontvangen had, en steeds kwam er +meer bij. Iedereen wilde haar helpen in den nood. Alleen de andere +tenters waren er een beetje boos om, maar toch niet heel erg, want +het was zóó druk op de baan, dat ook zij een heel goeden dag maakten. + +Frans Thor en Klaas Zwart waren ook aan het schaatsenrijden, maar de +andere jongens ontweken hen zooveel mogelijk. Zij wilden 't liefst +niet met hen te maken hebben. + +Eindelijk begon de schemering te vallen, en de drukte op het ijs +verminderde gaandeweg. Vele boerenjongens en -meisjes moesten naar +huis, om de koeien te melken en het vee te voederen, en langzamerhand +zakten ook de anderen op huis af. Jan en Karel waren onder de laatsten, +die vertrokken. + +"Kunnen we je helpen, om een en ander naar huis te brengen, +Mietje?" vroegen zij. Want zij hadden zich nu eenmaal voorgenomen, +Mietje zooveel zij konden terzijde te staan. + +"Neen, jongens, dank je vriendelijk," was het antwoord. "De kopjes +en schoteltjes doe ik in een sleetje en neem ik meê naar huis. Maar +den vuurpot en den ketel laat ik van nacht hier maar staan. Dat wordt +anders maar heen- en weer sjouwen voor niemendal." + +"En heb-je goede zaken gemaakt?" vroegen de jongens blij, want zij +wisten wel, hoe het antwoord zou zijn. + +"Goede zaken?"--Of ik!" zei Mietje, en zij klopte met hare hand +op den zak, die onder haar boezelaar hing. De jongens hoorden een +rinkelend geluid. + +"Allemaal centen, Mietje!" plaagde Jan. "Dat beschiet niet veel." + +"Allemaal centen?" herhaalde Mietje, terwijl zij een flinken +greep in den zak deed, en den inhoud van hare hand op de tafel +uitstortte. "Allemaal centen? Kijk eens, een dubbeltje, weer een, hier +nog een, een kwartje, nog een kwartje, daar nog een dubbeltje,--neen, +neen, als het nog een paar dagen mag blijven vriezen, ga ik den winter +zonder zorg tegemoet.--En dat heb ik alles aan jelui te danken,--en +aan je vader, Jan." + +Zij deed het geld weer in den zak, pakte alles wat meegenomen moest +worden, in de slede, schoof de tafels en stoelen zooveel mogelijk in +elkaar en ging naar huis. + +"Zeg aan je vader, dat ik vanavond met hem kom afrekenen," zei ze +nog tegen Jan. "Ik heb vandaag wel zooveel verdiend, dat ik mezelf +verder redden kan. 't Is een pak van m'n hart, jongens." + +Jan en Karel gingen recht vergenoegd naar huis. De lucht zag er wel +naar uit, dat het weer geducht vriezen zou. + +'s Avonds kwam Mietje inderdaad met Dik afrekenen en zij deelde hem +mede, dat zij wel meer dan twintig gulden had verdiend. Dik was er +recht blijde om, en hij gaf Jan een knipoogje, of hij zeggen wilde: +"Zie je, Jan, dat is het werk van jou en je vriend. Je hebt eene +goede daad gedaan." + +Vol vreugde keerde Mietje naar haar hutje terug. Klaas en zijne vrouw +hadden zich in langen tijd niet zoo gelukkig gevoeld. + +Helaas, de blijdschap van Mietje zou al spoedig in verdriet +veranderen. Toen zij den volgenden morgen in de tent kwam, om alles +voor den middag in orde te brengen, want het had weer sterk gevroren, +bemerkte zij tot haar grooten schrik, dat de ijzeren pot, dien zij +van Van Dril te leen had gekregen, en de mooie koperen ketel, dien +De Vries, de kastelein, haar ten gebruike had afgestaan, verdwenen +waren. Eerst meende zij nog, dat de andere tenters een grapje hadden +willen hebben en een en ander hadden weggehaald, maar dat bleek niet +zoo te zijn. Die menschen vermisten ook voorwerpen, die zij in de +tenten hadden achtergelaten, en zij waren erg boos en terneergeslagen. + +"'t Is eene schande," zei er een. "Ik dacht zóó, dat de diefstallen +ten einde waren, en nu komen zij ons armoedje nog wegstelen." + +"Ja, 't is eene schande," zei een ander. "De politie doet hier ook +niets. Maar ik ga naar den burgemeester om mij te beklagen. 't Is +verregaand, dat er niets meer veilig is op 't dorp." + +"Ik ga meê," riep een derde. + +"En ik! En ik," zeiden de anderen. + +En te zamen verlieten zij het ijs, om naar den burgemeester te gaan +en hem te zeggen, dat er verschillende voorwerpen uit de tenten +ontvreemd waren. + +Mietje kreeg de tranen in de oogen. Al hare verdiensten waren weer +weg, want zij moest de gestolen voorwerpen natuurlijk vergoeden, dat +begreep zij zeer goed. Allereerst ging zij naar Van Dril, om hem te +zeggen, wat er gebeurd was. + +"Dat is verregaand!" riep hij uit. "'t Wordt hoog tijd, dat de dieven +gesnapt worden, want zóó kan het niet langer. Maar jij, arme ziel, +behoeft de schade niet te lijden. Hier staat nog een andere pot met +toebehooren. Gebruik dien maar, doch laat hem 's nachts niet meer op +het ijs staan. Alles, wat je in de tent gebruikt, moet je vanavond +opbergen. Anders heb je kans, dat morgen alles weer verdwenen is." + +Mietje bedankte van Dril voor zijn goedheid, en begaf zich dadelijk +naar de Vries. Maar deze was lang zoo vriendelijk niet als de smid. Hij +werd zelfs onbillijk. + +"Daar heb je 't al," riep hij uit, toen Mietje hem het gebeurde had +verteld. "Dan leen je aan zulk volk je beste spullen, en in plaats, +dat zij er dankbaar voor zijn en er goed op passen, maken ze, dat +je ze nooit terugziet. Maar je zult me den ketel betalen, wat ik +je zeg! 't Was een beste, koperen ketel, een zware koperen ketel, +en ik laat hem maar niet goedschiks verdonkeremanen! Wie weet, wat +je er mêe uitgevoerd hebt." + +"Ik? Er mêe uitgevoerd?" zei Mietje schreiend. "Ach, wat heb ik er een +spijt van, dat ik hem niet meegenomen heb naar huis, gisterenavond, +maar de andere tenters lieten hun boeltje ook in de tent achter, +net zoo goed als ik. Wie kon ook denken, dat de menschen zoo slecht +zouden zijn, om ons armoedje weg te stelen." + +"Alles goed en wel, maar ik moet den ketel terughebben, of je zult +mij de schade vergoeden. Met minder dan vijf gulden ben ik niet +tevreden. 't Was een dure ketel, en nog zoo goed als nieuw!" + +"Vijf gulden?" stamelde Mietje verschrikt. "Vijf gulden, zegt u?" + +"Ja, vijf gulden minstens," was het antwoord. "Koper is duur." + +Verdrietig keerde Mietje naar de tent terug. Zij wist geen raad om +zich te helpen. + +"Wie zal mij weer een ketel leenen?" vroeg zij droevig. + +"Dat zal ik doen," zei Anneke. "Je kunt mijn ketel gebruiken, Mietje, +als je er maar voor zorgt, dat hij elken avond bij mij binnengebracht +wordt." + +"O, dat zal ik zeker," zei Mietje. "Een ezel zelfs stoot zich geen +tweemaal aan denzelfden steen." + +'t Ging als een loopend vuurtje door het dorp, dat de dief weer aan +den gang was geweest. En de burgemeester vond, dat er hoog noodig +een einde aan moest komen. Zoodra hij het gebeurde vernomen had, +liet hij dadelijk Flipsen bij zich ontbieden. Deze kwam direct, en +onderweg vernam hij al, wat er aan de hand was. Maar de burgemeester +vertelde het hem nog eens dunnetjes over. Flipsen hoorde hem zwijgend +aan; er speelde een bijna onmerkbaar glimlachje om zijne lippen. Hij +meende te weten, waar hij thans zoeken moest. + +"Je moet bij de tenters eerst gaan onderzoeken, welke voorwerpen door +hen worden vermist, en dan zoek je maar net zoo lang, tot je den dief +gevonden hebt," besloot de burgemeester. + +"Laat het maar aan mij over, burgemeester," zei Flipsen met een hooge +borst. "Ik zal het zaakje wel afwikkelen." + +Hij stapte op het ijs, en begaf zich met een zakboekje in de linker +en een potlood in de rechterhand van de eene tent naar de andere, +en overal vroeg hij, welke voorwerpen gestolen waren. Het bleek hem, +dat alle tenters hun ijzeren pot en grooten ketel hadden achtergelaten, +en dat die nu vermist werden. + +De tenters waren er bitter slecht over te spreken, en Flipsen moest +menig onaangenaam woord hooren. + +"Waarom heb je niet beter uitgekeken?" vroeg er een. "Je doet ook +niet veel voor den kost, Flipsen." + +En een ander merkte op: + +"Of wij politie op het dorp hebben of geen politie, dat komt op +hetzelfde neer. De dieven doen toch maar, wat ze willen." + +"'t Is jullie eigen schuld," gaf Flipsen ten antwoord. "Wie laat +zulke dingen bij nacht en ontijd ook buiten staan? Je bent te lui om +voor je spullen te zorgen, en als ze dan gestolen worden, krijgt de +politie de schuld. Zoo is het altijd. 't Is het oude liedje en anders +niet. Doch heb maar geduld. Dezen keer zul-je eens zien, dat Flipsen +wèl uit zijne oogen gekeken heeft, en terdege ook. Eer we een halven +dag verder zijn, heb ik de dieven gesnapt, want er is er niet één, +maar er zijn er twee." + +De menschen keken hem ongeloovig aan. + +"Twee?" vroegen ze. "Zijn er twee? Weet je dan, wie de daders zijn?" + +"Ik weet, wat ik weet," gaf Flipsen gewichtig ten antwoord. "En ik +zeg, hebt maar geduld. Je zult je verloren zaakjes spoedig genoeg +terug hebben, veel vlugger zelfs, dan je denkt." + +Flipsen keerde zich om en begaf zich regelrecht op weg naar--den +pottenschipper. De menschen zagen dat tot hunne verbazing, en ook zij +begaven zich naar de hun welbekende schuit, die niet ver van de tent +van Mietje aan den wal lag. Dat was hare vaste plaats. Een plank +lag van de schuit naar den walkant om te maken, dat de bezoekers +gemakkelijk op de schuit konden komen. + +Flipsen liep de plank over en deed het deurtje van de kajuit open, +die den pottenschipper tot woonvertrek diende. Eene warme lucht kwam +den veldwachter tegemoet. Hij zag dadelijk, dat de pottenschipper bij +een klein tafeltje zat met een pijpje in den mond. De rook dwarrelde +door het geopende deurtje naar buiten. + +"Goeden dag," zei Flipsen binnentredende. Zijne oogen dwaalden +onderzoekend in het kleine vertrekje rond. + +"Dag Flipsen," was het antwoord. "Kom binnen. Wat is er van je dienst?" + +"Dat zal ik je zeggen. Er zijn ijzeren potten en verscheidene ketels +gestolen uit de tenten, die op het ijs staan." + +"Is het waar?" vroeg de pottenschipper. En hij liet er op volgen: +"Wat zijn die menschen onvoorzichtig, om zulke dingen 's nachts te +laten staan. 't Is meer dan dom." + +"Dat is het," zei Flipsen. + +"Maar ik begrijp niet, wat ik daarmede te maken heb," hernam de +schipper. "Ik ben gelukkig geen dief, en heb ze niet gestolen." + +"Zoo--ja, dat kan wel," zei Flipsen, die wel een beetje in de +war raakte, toen hij den schipper zoo kalm zag zitten. De man was +blijkbaar in 't geheel niet geschrokken door zijn bezoek, wat Flipsen +toch stellig verwacht had. + +"Zoo--ja, dat kan wel," herhaalde hij. "En dat wil ik wel gelooven ook, +maar ik dacht, de pottenschipper is iemand, die vodden, beenen, oud +ijzer en dergelijke dingen opkoopt. Misschien kan hij me inlichtingen +geven, die me een beetje op weg helpen. Want die dieven moeten gevonden +worden, dat spreekt van zelf." + +"Juist, hoe gauwer, hoe beter," zei de pottenschipper. "Ik heb, +zooals je weet, heel wat potten en pannen boven op mijn schuit staan, +en ik houd mijn hart in mijn lijf vast, dat de dieven daar ook een +bezoek zullen brengen. Wat zou ik lachen, als je ze snappen kon, +Flipsen; 't is meer dan tijd. Maar inlichtingen,--neen, die kan ik +niet geven. Ik heb van niets gemerkt." + +"En is u niets van dien aard te koop aangeboden ook?" vroeg Flipsen, +terwijl hij zijn oogen strak op die van den schipper gevestigd hield. + +"Nu nog mooier!" riep deze uit. "Ze moesten het eens wagen met +gestolen goed bij me aan te komen! Wat zouden ze gauw mijne schuit +uit zijn. Neen man, voor zoo iets zijn ze bij mij aan het verkeerde +kantoor. Daar moet ik niets,--niemendal van hebben. Dank je hartelijk!" + +De veldwachter stond op. Hij begreep thans zeer goed, dat de +pottenschipper òf totaal onschuldig was, òf dat deze te slim was om +zich te laten uithooren. Hij zeide dus: + +"'t Spijt me, dat u me geen inlichtingen kan geven. Mag ik nu de +schuit nog even van binnen bekijken?" + +"Wel, nu nog mooier!" riep de schipper boos uit. "Wou je mijn schuit +doorzoeken? 't Is fraai, dat moet ik zeggen. En met welk doel, als +ik vragen mag?" + +"Louter uit nieuwsgierigheid," zei Flipsen. Hij klom op het dek +en begaf zich naar de voorzijde van de schuit. Hij wist, dat daar +de ingang was van het ruim, waar de schipper zijne meeste goederen +bewaarde. Deze volgde hem onwillig, en hij deed niets dan mopperen +over de onbeschaamdheid van Flipsen. + +"'t Is een schande, om een fatsoenlijk mensch van diefstal te +verdenken," zei hij. "Welke reden heb je daarvoor? Wie heeft er iets +op mij aan te merken?" + +Flipsen zei niets. Hij ging het ruim binnen en keek onderzoekend +rond. Maar hij zag niets dan steenen voorwerpen voor huishoudelijk +gebruik, en alles fonkelnieuw. Achter in het ruim, in een donkeren +hoek, vond hij ook nog een hoop vodden, beenen en oud-roest. Hij +was er te vies van, om het met zijne handen aan te raken. Daarom +trok hij zijn sabel en wroette in den hoop rond. Maar hij ontdekte +niets verdachts, wat hem geducht tegenviel, want hij had er stellig +op gerekend, de gestolen voorwerpen hier aan te treffen. Er bleef +geen gaatje ondoorzocht, en eindelijk verliet hij de schuit, zonder +iets wijzer geworden te zijn. + +Er hadden zich heel wat menschen op den kanaalkant verzameld, +om den afloop van Flipsen's onderzoek af te wachten. Maar zij +zagen al dadelijk aan zijn gezicht, dat hij niets gevonden had. De +pottenschipper beklaagde zich met luider stem tegen de menschen +over de schande, die Flipsen hem had aangedaan, en zijn toehoorders +vonden, dat hij wel een beetje gelijk had. Ook Frans Thor en Klaas +Zwart bevonden zich onder de toeschouwers. Zij zeiden niets, en Klaas +Zwart zag zelfs een beetje bleek. De pottenschipper zag hen staan, +en hij zeide zoo luid tegen Flipsen, dat iedereen het hooren kon: + +"Als er nu weer eens wat vermist wordt, hoop ik van je vereerend +verzoek verschoond te blijven, Flipsen. Je weet nu eenmaal, dat ik +part noch deel aan de zaak heb. Ik ben een eerlijk koopman, en houd +mij met slechte practijken niet op." + +Een zucht van verlichting ontsnapte bij die woorden aan de borst +der beide jongens, en onmerkbaar stootten zij elkander met den +elleboog aan. + +Flipsen was erg teleurgesteld. Hij begreep, dat hij het spoor van +den dief weer geheel bijster was, en hij wist niet, wáár thans te +zoeken. Toch gaf hij het nog niet op. Regelrecht ging hij naar de +woning van Klaas Zwart, en ook daar doorzocht hij het heele huis en de +schuur. Maar alweer tevergeefs. Daarna begaf hij zich naar 't huis van +Thor, den oud-gediende uit Indië. Deze ontving hem ver van vriendelijk, +maar daar stoorde Flipsen zich niet aan. Hij doorsnuffelde ook diens +woning van boven tot beneden, echter zonder het gewenschte gevolg. Hij +kwam tot de conclusie, dat hij zich totaal vergist had. En toch stond +het bij hem vast, dat de dief op het dorp woonde. + + + +Dertiende Hoofdstuk. + +Hoe Jantje op een gelukkig idée kwam. + + +Er werd 's avonds, toen de lampen opgestoken waren en de menschen +gezellig in de kamer rondom de kachels zaten, heel veel over het +gebeurde gesproken. Zoo ook bij Dik Trom. Jan Vos en Piet van Dril +waren bij hem op visite, en Anneke had anijsmelk gekookt, tot groote +vreugde van Jan, die zijn vriendje Karel ook bij zich mocht hebben, +en bizonder veel van anijsmelk hield. + +'t Was een recht prettige avond, want de drie oude vrienden zaten te +praten over hunne kinderjaren, en de twee jongens luisterden met open +mond naar hetgeen er verteld werd. Eindelijk kwam het gesprek ook +op den gepleegden diefstal, en algemeen waren zij het er over eens, +dat het een laaghartige daad was. Ja, vroeger was er ook meermalen +gestolen, maar nu had de dief zelfs de laagheid gehad de spulletjes +weg te stelen van de armsten onder de armen. 't Was wel zoo erg, +als het maar wezen kon. + +"En Flipsen was de plank heelemaal mis," zei Dik. "Hoe kwam hij er +ook toe, den pottenscihpper van den diefstal te verdenken? Die man +komt zelden of nooit zijne schuit uit." + +"Dat is wel mogelijk," zei Jan Vos, "maar vroeger moet hij een echte +deugniet geweest zijn, heb ik wel eens gehoord." + +"O, vroeger!"--meende Piet van Dril, "vroeger, dat is nù niet. Een +mensch kan zich beteren." + +"Dat is waar," zei Dik. "Ik geloof er trouwens ook niets van, dat hij +er aan schuldig is. Maar 't is toch wonderlijk, dat de dief zoo lang +met zijne diefstallen kan doorgaan, zonder betrapt te worden. Flipsen +loert avond aan avond op hem, en hij is waarlijk toch niet voor +de poes." + +"Neen, dat geloof ik ook!" zei Piet van Dril lachend. "Daar weten wij +van mêe te praten, hè?--Denk nog maar eens aan een zeker avondje in +den tuin van den burgemeester...!" + +Allen schoten in den lach. + +"Ja, maar toen waren wij hem toch te knap af!" zei Dik. + +Zoo zaten zij nog lang te praten, tot Jan Vos opeens zeide: "Als het +zoo blijft voortvriezen, zal de visch het gauw benauwd krijgen onder +het ijs. Morgen moet ik toch eens probeeren, of ik niet een lekker +maaltje paling kan vangen." + +"Ja, doe dat maar," zei zijne vrouw, die intusschen druk met de andere +vrouwen had zitten praten. "Overmorgen is het Zondag, en dan wil ik +wel graag een lekker maaltje hebben." + +"Paling vangen? Hoe doet u dat dan?" vroeg Jan nieuwsgierig. + +"Wel jongen, als 't ijs erg dik is, krijgt de paling het er benauwd +onder en begeeft zich naar de bijten en wakken, waar open water +is. Met een sikkel, die aan een langen stok bevestigd is, kun-je ze +gemakkelijk uit het water op het ijs wippen. Dat vereischt alleen +maar wat behendigheid." + +"Zwemmen ze dan niet weg?" vroeg Karel. + +"Neen jongens," zei Dik. "Of het van de koû komt, of van wat anders, +dat weet ik niet, maar zij zijn bij sterk ijs min of meer suf. Je +kunt ze dan vrij gemakkelijk vangen." + +"Willen wij dat morgen ook eens gaan doen?" vroeg Karel aan Jan. "Wij +hebben dan toch den heelen dag vrij." + +"Ik vind het best," zei Jan. "Graag zelfs. Van Dril, heeft u voor +ons elk ook een sikkel? Dan gaan wij morgen op de vangst." + +"Zeker wel, jongens, er liggen oude sikkels genoeg in de smederij. Als +je er zelf dan maar een langer handvat aan maakt, want het gewone +handvat is voor dat werk te kort. Je moet er een stok aan doen, +ongeveer zoo lang als je arm." + +"Een gewone lat is wel goed," zei Dik. + +Jan en Karel spraken af, dat zij er na het ontbijt samen op uit zouden +trekken. De sikkels zouden spoedig genoeg in orde zijn, daar waren +zij het over eens. + +En zoo gebeurde het ook. Toen Jan ontbeten had, ging hij naar Karel, +die al twee goede sikkels had opgezocht. Zij haalden de handvatten er +af, en deden er langere voor in de plaats. In een kwartiertje waren zij +daarmede klaar. Karel nam een emmertje meê, om er de visch in te doen, +en zoo trokken zij er samen op uit. Ook namen zij elk een bijl mede, +om hier en daar een gat te hakken. 't Eerst gingen zij naar de bijt, +die voor het huis van Dik Trom gehakt was. Het ijs van den laatsten +nacht lag er nog in. Zij hakten het los en trokken de schotsen op +het ijs. Toen keken zij in de bijt, en waarlijk, heel rustig lag daar +een dikke paling op den bodem. + +"Kijk, kijk, daar ligt er een," zei Jan, die hem het eerst zag. + +Hij stak den sikkel voorzichtig onder het beest door en wipte hem met +een snelle beweging omhoog. Daar spartelde de paling op het ijs. Ha, +wat kronkelde hij zich! De jongens sprongen beiden op hem toe, want +hij lag dicht bij den rand van de bijt. + +"Grijp hem, grijp hem!" riep Jan zijn vriend toe, want deze was het +dichtst bij hem. Maar Karel kwam te laat. Wel gelukte het hem nog +den paling te grijpen, maar deze kronkelde zich om zijn arm heen, +en dat vond Kareltje zoo'n eng gevoel, dat hij het beest met een +rilling over de leden losliet. Op 't volgende oogenblik verdween de +paling in de bijt, en de jongens hadden nakijk. + +"Hè, wat is dat jammer!" riep Jan spijtig uit. "Hoe dom ook van je, +om hem weer los te laten, toen je hem zoo mooi vast hadt." + +"Hu, wat glibberig was hij, en wat kronkelde hij akelig om mijn +arm heen," zei Karel, wien opnieuw eene huivering over den rug +ging. "Precies een slang." + +"Dat zal jij wel weten," zei Jan. "Je hebt nog nooit een slang gezien." + +"Genoeg,--meer dan jij," meende Karel. "In Artis." + +"O, in, Artis. Daar liggen ze achter glas.--Nu, deze is in elk geval +weg, en wij zullen hem wel nooit terugzien. Wat was het een dikkerd." + +"Of hij dik was," zei Karel. "Akelig dik." + +"In deze bijt is niets meer te zien. Willen we naar die van den +burgemeester gaan aan den overkant? Dat is ook eene groote bijt." + +"Mij goed," zei Karel. "Maar ik pak ze vast niet meer met mijne handen +beet. Hu, wat een akelige beesten." + +"Je bent een bangerd, hoor!" spotte Jan. + +"Jij bent een held!" zei Karel. "Dat weet ik wel." + +"In elk geval zou ik hem niet loslaten, als ik hem eenmaal te pakken +had," zei Jan. + +Zij liepen het kanaal over, en kwamen bij de bijt van den +burgemeester. Hun eerste werk was ook hier het ijs van den laatsten +nacht los te hakken en de schotsen op het ijs te trekken. Toen dat +gebeurd was, keken zij in het water. + +"Ik zie er een," zei Karel. + +"Ik ook,--wel twee," zei Jan. + +Zij brachten de sikkels in het water, en op 't volgende oogenblik +spartelden twee palinkjes op het ijs. Jan wierp er een van in +het emmertje, maar Karel was niet te bewegen, den tweeden aan te +grijpen. Jan moest er om lachen. + +"Help, help, hier is er een," schreeuwde Karel, die moeite had om +het beest met zijn sikkel van de bijt weg te houden. 't Beest wilde +met alle geweld weer in 't water. + +"Pak hem dan!" riep Jan hem lachend toe. + +"Ik dank je,--ik moet er niets van hebben. Toe dan, Jan, grijp hem, +of we zijn hem kwijt." + +Jan kwam zijn vriend te hulp, en spoedig was ook de tweede paling in +het emmertje opgeborgen. Maar van den derden was, toen zij weer in +de bijt keken, geen spoor meer te vinden. De jongens hadden hem wat +al te veel lawaai gemaakt naar zijn zin, zoodat hij het verstandig +geoordeeld had, zich wat uit hunne nabijheid te verwijderen. Maar Jan +en Karel waren toch wat in hun schik met hunne vangst, en zij begaven +zich van de eene bijt naar de andere. De voorraad in hun emmertje +werd steeds grooter, en zij twijfelden niet, of zij zouden wel een +flink maal bij elkander krijgen. + +Lachend zei Karel tot Jan: + +"Als Vos op de vangst gaat, zooals zijn plan was, zal hij niet erg +veel meer vangen. Wij hebben zoetjes-aan alle bijten van het dorp +afgevischt." + +Jan lachte ook. + +"Dan vischt hij achter het net," zei hij. "Kijk, ginds gaan Frans +Thor en Klaas Zwart. Zij hebben ook bijlen bij zich. Ik denk, dat +zij ook op de vangst uitgaan." + +"Laat hen maar vooruitgaan," zei Karel. "Wij zijn op hun gezelschap +niet gesteld. Willen wij nu buiten het dorp gaan, voorbij het +fort? Daar zijn wel geen bijten, maar vader zegt, dat de visch zich +aan de kanten van het kanaal ophoudt, zeker om beter lucht te kunnen +krijgen. Dan hakken wij hier en daar eene schots los." + +"Mij goed,--best zelfs," zei Jan. + +De jongens gingen langs het fort en deden als gezegd is. En 't was +inderdaad een prettig werkje voor hen, want zij vingen veel meer, +dan zij verwacht hadden. Er waren palingen bij, wel zoo dik als hun +pols. De jongens hadden de grootste moeite, om die dikke beesten in +het emmertje te houden. Telkens keken de koppen boven den rand uit, +en eens, toen het Karels beurt was om den emmer te dragen, kronkelde +plotseling alweer zoo'n dier tegen zijn arm op. 't Gebeurde zoo +onverwachts, dat hij er hevig van schrikte. Met een gil liet hij den +emmer op het ijs vallen, en alle palingen kronkelden in het rond. + +"Jou ezel!" riep Jan uit. Maar veel tijd tot praten had hij niet, want +hij moest dadelijk aan het vangen. En 't ging lang niet gemakkelijk, +om de dieren weer in den emmer te krijgen, vooral nu hij alles alleen +moest doen. Karel was niet te bewegen eene hand uit te steken. Hij +vond de beesten zóó eng, dat hij ze niet durfde aanraken. Eindelijk +had Jan ze alle weer verzameld. + +"Geef mij den emmer maar," zei hij. "Anders ligt het heele zaakje +aanstonds weer op het ijs. Draag jij dan de bijlen." + +De jongens verwijderden zich hoe langer hoe verder van het dorp. Hier +en daar waren kleine, vierkante bijtjes gehakt. Een schots lag er +naast, om de schaatsendrijders te waarschuwen. + +"Dat zijn bijtjes van de visschers," zei Jan. "Die brengen er hunne +netten door onder het ijs. Ik wed, dat ze heel wat vangen." + +"Dat denk ik ook," zei Karel. "Als je nagaat, wat wij al hebben, +kun-je wel begrijpen, wat zij moeten vangen." + +Jan had het druk om de palingen naar beneden te duwen, die telkens +opnieuw uit het emmertje wilden kruipen. + +"Heidaar, blijven waar je bent!" zei hij tegen een dikkerd, die +nieuwsgierig over den rand keek. "Bij je kameraden blijven!" + +Bij een van de visschersbijtjes deden de jongens eene gelukkige +vondst. In het riet namelijk zagen zij een groot stuk net liggen, +dat zeker door de visschers weggeworpen was. Karel zag het het eerst. + +"Kijk eens, Jan,--dáár," zei hij. "Daar ligt een groot stuk net. Laten +wij daar de palingen in doen, dan kunnen zij niet ontsnappen en hebben +wij er geen last meer van." + +"Daar zeg je zoo wat," zei Jan. + +De jongens haalden het net uit het riet. Zij zagen, dat het een +palingfuik wast geweest. Op verschillende plaatsen was het stuk. + +"De visschers hebben het zeker weggegooid," zei Jan. "En ons komt +het mooi te pas." + +Zij deden de palingen in het net en bonden het dicht met een touwtje, +dat Jan in den zak had. + +"Zie zoo, nu zitten ze goed bewaard," zei Jan. + +"Ja,--lekker warm. Ze zullen nu geen last meer van de kou hebben.--Zeg, +wat hebben we er al veel, hè?" + +"Ja, heel wat. Mij dunkt, dat we er al meer hebben, dan we +oplusten. Willen we nu weer naar huis gaan?" + +"Goed," zei Karel. "Het begint mij zoetjes-aan te vervelen ook. Zullen +we vanmiddag gaan schaatsenrijden?" + +"Ja,--dat is afgesproken." + +Karel had de sikkels en de bijlen op den schouder, en Jan droeg het +net met de paling. Zoo kuierden zij samen naar het dorp terug. + +Toen zij dicht bij het fort gekomen waren, en dus het dorp bijna +hadden bereikt, hoorden zij achter zich het krassen van schaatsen +op het ijs, en het schuifelen van een slede. Omziende zagen zij, +dat het twee visschers waren, die eene slede voortduwden. Zij kenden +de mannen niet. 't Waren zeker lieden van een ander dorp. Zoodra die +menschen hen bereikt hadden, hielden zij stil. + +"Hola, jongens, wacht eens even," riep een van hen hun toe. + +Zij bleven staan, en de twee mannen kwamen met groote schreden op +hen af. + +"Zie je wel?" zei de een tegen den ander. "Daar heb je de dieven al." + +"Ja," was het antwoord van den tweede. + +Deze greep het net en rukte het Jan driftig uit de hand. + +"Hoe kom jij aan dat net?" vroeg hij op barschen toon. + +"Ja, hoe kom jij aan dat net, kleine dief!" zei de andere visscherman. + +"Dat hebben wij gevonden, ginds in het riet," zei Jan. "Hoe zouden +wij er anders aankomen?" + +"En die paling dan?" vroeg een der visschers smalend. "Die heb je +zeker ook gevonden, hè kereltje?" + +"Neen," zei Jan, "die hebben we gevangen." + +"Juist, die hebben we gevangen," zei ook Karel. + +"In dit net zeker, hè, en dit net heb je onder het ijs gevonden, +hè? Ja, ja, eerlijk gevonden, hè?" + +"Eerlijk gestolen," zei de andere visscher. "Houdt je maar niet van den +domme, want dat baat je niemendal. Dit net is van òns, en jullie hebt +onze fuiken gelicht. Maar dat zal je berouwen, wat ik je zeg. Vooruit, +kereltjes, gaat maar eens mee naar den burgemeester." + +"Ik zeg, dat het niet waar is!" riep Jan de visschers driftig toe, +en hij werd rood van kwaadheid. "Wij zijn geen dieven, en dat net +hebben we eerlijk gevonden. 't Is op verschillende plaatsen stuk, +en 't lag in 't riet. Daarom meenden we, dat het door de visschers +weggegooid was, daar het toch niet meer gebruikt kon worden. Wij +hebben het niet gestolen." + +"Jongen, jij kunt liegen, of het gedrukt is," zei een der +visschers. "Maar ons zul-je er niet meê bedriegen. Jelui hebt onze +fuiken gelicht, en dat is strafbaar..." + +"Niet zoo'n beetje ook!" viel de andere visscher zijn kameraad +in de rede. "En dat is maar goed ook. Is 't geen schande, onze +netten te verscheuren, en onze visch te stelen? Maar het zal je +berouwen. Vooruit, zeg ik je, naar den burgemeester!" + +"Dat doe ik niet!" zei Jan driftig. "Wij zijn geen dieven." + +"Je praat dom, jongen, want de bewijzen droeg je in de handen." + +"Ja," zei de ander, "je bent er gloeiend bij!" + +"Vooruit, jongens, en als je niet goedschiks gaat, dan moet het +maar kwaadschiks gebeuren. Vooruit, zeg ik je, en een beetje vlug, +asjeblieft!" + +De jongens begrepen, dat er niet veel anders opzat dan te +gehoorzamen. Met hun vieren vervolgden zij hun tocht naar het dorp. + +Eerst was Jan meer dan kwaad, maar dat bedaarde langzamerhand, +en eindelijk vond hij het wel goed, dat zij naar den burgemeester +gingen. Deze zou wel dadelijk begrijpen, dat zij onschuldig waren. + +Maar dat was niet zoo. De burgemeester was bijzonder slecht gehumeurd, +omdat het Flipsen nog niet gelukt was, de dieven te ontdekken. Zoodra +nu de visschers, die hem tot hun genoegen thuis getroffen hadden, hem +vertelden, wat er aan de hand was, geloofde de burgemeester stellig, +dat hij de dieven thans op het spoor was, en hij besloot de jongens +scherp te ondervragen. + +Jan en Karel betuigden echter hunne onschuld. Zij vertelden dat zij +de palingen gevangen en het net gevonden hadden. Maar de visschers +lachten om die verklaring. + +"Dat zou al heel toevallig zijn, burgemeester," zei een van hen. "De +jongens kwamen uit de richting van onze vischbijtjes, en zij hadden +het net in de hand, met een flink zoodje paling daarbij. 't Lijdt geen +twijfel, of zij hebben onze netten gelicht en de brutaliteit gehad, +een van de netten zelfs stuk te maken en meê te nemen." + +"'t Is niet waar!" riep Jan den spreker toe. + +"Houd je mond verder maar, jongen," gebood de burgemeester kortaf. "De +bewijzen zijn tegen jullie, en 't staat bij mij vast, dat jullie en +niemand anders de daders zijt. En wie weet, aan welke diefstallen je +meer schuldig bent. Ik zou dat nooit, nooit, zeg ik, van je gedacht +hebben. Twee jongens van zulke brave ouders. 't Is een schande! + +Vertel me nu meteen maar, waar de potten en ketels uit de ijstenten +gebleven zijn, want daar zul-je ook wel meer van weten." + +"Wij weten nergens van, burgemeester," zei Jan, + +"Neen, nergens van," zei Karel. "Wij hebben ze niet weggenomen." + +"Dat zeg je van dit net en deze visch ook, en toch liep je er mede +in je handen," sprak de burgemeester streng, en hij keek de jongens +beurtelings doordringend aan. "Komaan, spreek de waarheid maar, +dat is in allen gevalle het beste voor je. Beken het maar..." + +"Ik heb niets te bekennen," zei Jan. + +"Ik ook niet," zei Karel. + +"Zoo, zoo," hernam de burgemeester. "Dan zal ik je tijd geven, om er +eens ernstig over na te denken." + +Hij vroeg de namen der visschers en schreef die op. Daarna sprak hij +tot de beide mannen: + +"U kunt nu wel gaan. Neemt mede, wat je eigendom is. Met deze jongens +zal ik wel afrekenen." + +De visschers namen het net en de palingen, groetten den burgemeester +en verlieten het vertrek. Jan en Karel moesten blijven. Met leede +oogen zagen zij de visschers met hunne palingen heengaan, en Jan +sprongen van spijt de tranen in de oogen. + +De burgemeester liet zijn blik nog een poosje op de jongens rusten, +en zei toen ernstig: + +"Ontkennen baat niet langer, jongens. Je hebt je aan een ernstig +vergrijp schuldig gemaakt en..." + +"Maar we hebben het niet gedaan," riep Jan uit. + +"Zwijg jongen, en lieg niet langer. Je hebt het wèl gedaan, en dat +spijt me heel erg. Zeg me nu ook maar, waar je die andere voorwerpen +gelaten hebt, die den laatsten tijd verdwenen zijn. Als je me eerlijk +de waarheid zegt, zal ik zien, wat ik in de gegeven omstandigheden +nog voor je doen kan." + +"'t Baat niet, of wij al zeggen, dat wij onschuldig zijn," sprak +Jan. "U gelooft ons toch niet." + +"Neen, dat doe ik ook niet. Enfin, als je dan niet hooren wilt, +moet je maar voelen. Ik zal je tijd geven om je te bedenken." + +Hij ging aan zijne schrijftafel zitten en schreef het volgende briefje: + + +Flipsen! + +Ik geloof, dat ik de daders van de gepleegde diefstallen op het +spoor ben. Sluit deze twee jongens elk in eene afzonderlijke cel, +dan hebben zij gelegenheid om eens goed na te denken en kunnen geen +afspraakjes maken. Tegen den avond zal ik hen opnieuw verhooren. + +De Burgemeester. + + +Hij vouwde den brief dicht en deed hem in eene enveloppe, die hij +zorgvuldig toelakte. + +"Ziedaar," sprak hij. "Breng dezen brief voor mij aan Flipsen. Hij +is in het raadhuis. Je kunt gaan." + +De jongens gingen heen. Wat er in den brief stond, wisten zij +natuurlijk niet. Zij keken tamelijk bedrukt, toen zij de deur +uitstapten, maar toen zij op den weg gekomen waren, ontsnapte een +zucht van verlichting aan de borst van Karel. + +"Hè, hè, dat was een benauwd half-elfje," zei hij. "Daar zaten wij +er geducht tusschen, maar 't is bij slot van rekening toch nog al +goed afgeloopen. We zijn alleen onze palingen kwijt." + +"En dit briefje dan?" vroeg Jan. "Ik vertrouw dit papiertje geen +zier. Waarom zei de burgemeester dan telkens, dat hij ons gelegenheid +zou geven, om eens goed na te denken?" + +Langzaam liepen zij verder, met de bijlen en de sikkels over den +schouder. Karel hernam na een poosje: + +"Dat briefje heeft niets met ons te maken, en wij niets met dat +briefje. We moeten het alleen even bij Flipsen brengen, anders +niet. Neen, ik zeg, dat wij er goed afgekomen zijn. 't Had veel +leelijker kunnen uitpakken.--Kijk, daar komen Frans en Klaas ook +van de vischvangst terug." + +Dat was zoo. Die twee jongens hadden hen spoedig ingehaald. Samen +droegen zij een emmertje, dat blijkbaar nog al zwaar was. + +"Zeg," riep Frans hun toe, "komen jullie platzak thuis?' + +"Ja!" zei Jan kortaf. Hij had niet veel lust tot spreken. + +"Wij niet!" zei Frans. "Kijk maar eens hier, wat een paling we +hebben. De emmer is bijna vol." + +De jongens stonden stil en keken in den emmer, 't Was inderdaad een +kolossale voorraad, dien zij gevangen hadden. + +Frans en Klaas hadden er pret in. Zij deden niet anders dan elkaar +aanstooten en lachen. + +"Zoo knap zijn jullie niet, hè? Maar zeg, weet je, wat we gedaan +hebben? Een kwartiertje voorbij het fort hebben we stilletjes een net +van de visschers opgehaald. Jongens, wat zat daar een paling in. Niet +oververtellen, hoor! Slim hè?" + +Jan en Karel keken Frans met open mond aan. + +"Hebben jullie dat net gelicht en stuk gemaakt?" vroeg Jan. "Wij +hebben het ... tusschen het riet zien liggen." + +"Ja," lachte Frans. "Wij konden het niet goed meer onder het ijs +krijgen, en hebben het toen maar in het riet gegooid. Wat zullen die +visschers leelijk op hun neus gekeken hebben, toen zij bij hun bijt +kwamen. Ha-ha-ha, wat eene leuke grap, hè?" + +Dat vond Jan ook, en hij knipoogde Karel toe, dat hij niets moest +zeggen. Hij had een mooi plannetje. + +"En voor die leuke grap hebben wij voor den burgemeester moeten +verschijnen," zei Jan tot de twee jongens. "Wij hadden het net +opgeraapt en er onze paling ingedaan. Maar even later kwamen de +visschers, en die hebben ons om zoo te zeggen opgebracht. Noem jij +het maar een leuke grap!" + +"Ja," zei Karel. "Ik zie er het leuke niet van in." + +Frans en Klaas moesten er smakelijk om lachen. + +"Nu wordt de grap nog leuker!" zei Frans. + +"Ja, maar ik laat het er niet bij zitten," zei Jan. "Ik ga dadelijk +naar den burgemeester terug, om hem te zeggen, dat julie het gedaan +hebt..." + +"Je zult wel wijzer wezen!" zei Frans, die nu in 't geheel niet meer +lachen moest. "Als je nog voor den burgemeester verschijnen moest, +o ja, dan was het een ander geval. Dan zou ik het in jouw plaats ook +zeggen. Maar nu je het standje van den burgemeester al achter den +rug hebt, zou het een leelijke streek wezen. Dan speelde je gewoonweg +voor verklikker!" + +"Ja, voor verklikker!" beaamde Klaas Zwart. + +"Dat kan me niet schelen," zei Jan, "ik zeg het tòch. 't Is me ook wat +moois, om voor jullie pleizier een uitbrander van den burgemeester +op te loopen, en een ander met je paling weg te zien gaan. Ik laat +me dat maar niet welgevallen." + +Hij keerde zich om en deed net, of hij naar den burgemeester wilde +gaan. Maar Frans en Klaas hielden hem tegen. + +"Je kunt wel de helft van onze paling krijgen," zei Frans. "Toe Jan, +vertel het nu niet aan den burgemeester. Daar worden jullie toch +niets beter van. En je krijgt de helft van..." + +"Je gestolen paling wil ik niet eens hebben," zei Jan. "Maar 't is +goed. Ik zal niet naar den burgemeester gaan, onder één voorwaarde..." + +"Welke?" vroegen de twee jongens tegelijk. + +"Een, die gemakkelijk te vervullen is," zei Jan. "Zie je dezen +brief? Dien moesten wij naar Flipsen brengen, in het raadhuis. Jullie +moet er toch voorbij. Als jij nu die boodschap voor mij doet, zal ik +er verder geen werk van maken." + +"Och, is 't anders niet?" vroeg Frans. "Geef hem maar hier, dan zullen +wij hem wel even aanreiken." + +"Wel zeker, met alle pleizier," zei Klaas. + +Jan gaf den brief over, en Klaas en Frans begaven zich regelrecht naar +het raadhuis. Zij stapten het gebouw binnen en gaven den brief aan +Flipsen, die in de vestibule stond te praten met een rijksveldwachter. + +"Zoo jongens, dank-je!" zei Flipsen. "Wacht maar even." + +"Wij behoeven niet te wachten," zei Frans. + +"Als ik zeg, dat je wachten moet, dan doe je dat!" zei Flipsen. + +Hij brak den brief open en las hem vlug door. + +"Ha zoo," zei hij, "zoo! Dat is goed. Gaat maar even meê, jongens, +hier, de gang door." + +Frans en Klaas keken elkander vragend aan, maar durfden niet +weigeren. Zwijgend volgden zij Flipsen, die een sleutelring uit zijn +zak haalde en een sleutel uitzocht. + +"Mooi zoo. Nu dit trapje af.--Goed zoo." + +Hij stak den sleutel in het slot en draaide hem om. De deur ging open. + +"Maar Flipsen," zei Frans met schrik. "Wat gaat u doen? Dat is +een cel!" + +"Ha ha!" lachte Flipsen, terwijl hij Frans bij den schouder pakte en +hem naar binnen duwde. "Dàt ga ik doen." + +Flap! De deur ging dicht en op slot. + +Klaas werd bleek van den schrik. Hij begon te beven over al zijne +leden, en het angstzweet brak hem uit. + +Hij hoorde Frans schreeuwen. + +"Flipsen! Maar Flipsen!" jammerde Klaas. "Dat is eene vergissing, +geloof me. U moet ons niet opsluiten, want..." + +Klaas bleef midden in zijne redevoering steken, want Flipsen had +de tweede deur geopend en duwde Klaas naar binnen. Op 't volgende +oogenblik was ook deze deur gesloten. + +"Ja, ja, net zooals ik dacht," mompelde Flipsen. "Die twee jongens +zijn de dieven, en wij zullen ze wel aan het praten krijgen. Als ze +hier eerst maar een paar uurtjes opgesloten gezeten hebben, zullen +ze wel makker geworden zijn." + +Hij ging naar zijn confrater terug en vertelde hem het geval. "Grappig, +dat die twee jongens zelf niet wisten, wat zij hier zouden +ondervinden," zei hij. "Zij liepen dood-gemoedereerd met mij mee, +en kregen er pas erg in, toen de deur open stond. Je hadt ze moeten +zien kijken!" + +Intusschen waren Jan en Karel de richting ingeslagen van hun huis. Zij +staken schuin het ijs over. 't Was nog vroeg, nog geen elf uur. En +voor twaalven aten zij niet. + +"Hè," zei Jan, "wat heb ik een spijt, als ik aan onze paling denk, +die de visschers hebben meegenomen. Zoo'n prachtigen voorraad te +hebben en dan toch nog platzak thuis te komen. 't Is onuitstaanbaar!" + +"Ja," zei Karel, "dat zeg ik ook. Kijk de pottenschipper eens aan +'t hakken geweest zijn. Zijn schuit ligt rondom in 't open water." + +"Ja, anders vriest ze stuk," zei Jan. "Willen wij daar nog even kijken, +of we wat vangen kunnen?" + +"Goed," zei Karel. + +Zij legden hunne bijlen op het ijs, en gingen met den sikkel in de +hand naar de schuit. Opmerkzaam tuurden zij in de diepte. + +"Daar zie ik er een," zei Karel + +"Wip hem er dan uit!" riep Jan. "Zeg, misschien komen we toch niet +platzak thuis." + +"Daar is hij!" riep Karel. En Jan schoot hem te hulp want de paling +lag dicht bij het open water. + +Spoedig was hij in het emmertje overgebracht, en de jongens liepen +voorzichtig langs de schuit verder. Opeens hoorden zij zich toeroepen: + +"Wat moeten jullie daar? Wil je wel eens maken, dat je wegkomt!" + +'t Was de pottenschipper, die zijne kajuit verlaten had en hun dit +toeriep. + +"We kijken maar even, of er paling zit!" riep Jan terug. + +"Dat wil ik niet hebben!" hernam de pottenschipper. Hij klom op de +schuit en stak dreigend de vuist op. + +Maar Jan zei tegen Karel: + +"Wij doen hier volstrekt geen kwaad. Laat hem maar praten." + +Zij stoorden zich verder aan den schipper niet en keken in de +diepte. Zij waren nu dicht bij het roer gekomen. + +"Kijk, daar zit er weer een!" zei Jan. + +Hij stak zijn sikkel onder water, en wilde hem met een ruk bovenhalen, +doch dat gelukte hem niet. De sikkel bleef ergens aan vastzitten. + +De pottenschipper nam een langen stok, en schreeuwde den jongens toe: + +"Als je niet weggaat, sla ik er op! Vooruit, kwâjongens, je hebt hier +geen boodschap." + +Jan trok zoo hard hij kon aan den sikkel, om hem los te krijgen, +maar dat ging niet. Er zat iets zwaars aan. + +"Help me even!" riep hij Karel toe. En tot den boozen schipper +zeide hij: + +"Wij gaan dadelijk heen. Maar eerst moet ik mijn sikkel losmaken." + +"Vooruit, zeg ik je!"--schreeuwde de schipper. "Allo, marsch!" + +De twee jongens trokken, wat zij konden. + +Zij voelden, dat er iets zwaars naar boven kwam. De pottenschipper werd +hoe langer hoe boozer. Hij schreeuwde zóó hard, dat de voorbijgangers +op den weg bleven staan. + +Maar Jan en Karel waren niet van plan hun sikkel in den steek te +laten. Zij spanden al hunne krachten in. + +Ha, daar stak iets boven water uit. Jan bukte zich, en pakte het beet. + +"Een ketel!" riep hij uit. "En daar zit er nog een aan vast. Een +pot! Help Karel,--hier zijn, geloof ik, de gestolen voorwerpen uit +de tenten..." + +'t Was werkelijk zoo. De jongens haalden verscheidene dingen op +het ijs, en zij herkenden ook den koperen ketel van Mietje. Tot +hun groote verbazing bemerkten zij, dat al die voorwerpen met een +koperdraad aan elkander verbonden waren, en dat het einde van dat +draad een paar centimeter onder water aan het roer bevestigd was. + +De jongens werden verbazend opgewonden, en zij riepen den menschen +op den weg luidkeels toe, dat zij de gestolen voorwerpen gevonden +hadden. In minder dan geen tijd waren zij door een groot aantal +menschen omringd, die luide hunne verbazing te kennen gaven. + +"Dat moet de burgemeester weten!" riep er een uit, en hij ijlde naar +de woning, die Jan en Karel nog maar kort geleden verlaten hadden. + +'t Leek wel, of de menschen konden ruiken, dat er iets bizonders aan +de hand was. Van alle kanten kwamen zij toeloopen, en de kring om de +schuit van den pottenschipper werd bij de minuut grooter. Het ijs, +al was het nog zoo sterk, kon de samengepakte menschenmassa bijna +niet dragen. De ijsvloer boog sterk door, en er kwam veel water op. + +De pottenschipper zei niets meer. Hij stond op zijne schuit, en hield +de oogen op de gevonden voorwerpen gericht, maar af en toe keek hij +de twee jongens aan, en dan zag hij er alles behalve vriendelijk uit. + +"Wat is daar te doen?" riep eene stem. + +Opziende zag Jan zijn vader, die met den hit en den wagen van 't +venten terugkeerde. Jan zwaaide met beide armen, en riep: + +"O Vader, we hebben de gestolen potten en ketels gevonden. Kom maar +gauw kijken. Hier liggen ze!" + +In een oogenblik was Dik van den wagen gesprongen. Hij wierp de +leidsels op den rug van den hit en snelde het ijs op. + +Och, och, wat een drukte hadden de menschen. + +"Of de pottenschipper er dan toch van wist!" riep de een. + +"Zoo komen zijne schelmerijen aan het licht," zei een tweede. + +"Hij zal nu zijn gerechte straf niet ontloopen," profeteerde een derde. + +Iedereen had wat te zeggen, en velen beweerden, dat zij het altijd +wel van den pottenschipper gedacht hadden. + +Opeens kwam er stilte onder den drom en eerbiedig week men op zijde, +om den burgemeester door te laten. Weldra had hij de schuit bereikt +en zag hij de gevonden voorwerpen op het ijs liggen. + +"Wie heeft die dingen opgehaald?" vroeg hij. Jan en Karel namen hunne +petten af, en zeiden: + +"Wij waren hier aan het paling vangen, burgemeester, en toen bleef een +van de sikkels er aan vastzitten. Kijk, ze zijn met een koperdraad aan +elkander verbonden, en het einde daarvan is aan het roer bevestigd." + +"Ja, ja," zei de burgemeester, die de jongens met de grootste verbazing +aanstaarde. "Maar hoe heb ik het nu? Heb ik jullie dan niet opgedragen, +een briefje voor mij aan Flipsen te brengen in het raadhuis? En hoe +kom je dan hier? Daar begrijp ik niets van!" + +Jan nam zijn pet nu geheel af, en zeide: + +"Dat is waar, burgemeester, maar ik vertrouwde dat briefje niet. Ik +geloofde stellig, dat Flipsen ons moest opsluiten..." + +"Dat was ook zoo," viel de burgemeester driftig in. "En waarom heeft +hij dat niet gedaan?" + +"Wij waren onschuldig, burgemeester," zei Jan. + +"Die praatjes kennen wij, en zij doen ook niets ter zake. In dien +brief gaf ik Flipsen last, jullie op te sluiten,--en nu sta je alle +twee hier? Hoe komt dat?" + +"Burgemeester," zei Jan, "wij hadden het niet gedaan, maar twee andere +jongens waren de schuldigen. Toen wij op weg waren naar het raadhuis, +hebben die twee ons zelf verteld dat zij het uit de grap gedaan hadden, +en ziet u..." + +"Wat ... ziet u?" viel de burgemeester in, toen Jan een oogenblik +met zijn verhaal haperde. + +"Toen dacht ik," vervolgde Jan, "dat het voor ons beter was, als zij +dat briefje maar aan Flipsen brachten, en vroeg ik hun, of zij het +even wilden aanreiken..." + +"En toen?" vervolgde de burgemeester. + +"Dat hebben zij gedaan," zei Jan. + +"Maar dan zitten op 't oogenblik die twee jongens onder het raadhuis +opgesloten, in plaats van jelui!" riep de burgemeester uit. + +"Dat zal dan zoo wel wezen, burgemeester," zei Jan. + +De menschen schoten in een onbedaarlijk gelach, want zij vonden de +geheele zaak verbazend grappig. Ook de burgemeester kon haast zijn +lachen niet bedwingen. En eindelijk gelukte hem dat in het geheel +niet meer. Hij proestte het opeens uit. + +"Ha-ha-ha!" riep hij lachend uit, "wat is dat een grappige historie. En +hadden jullie dan echt die fuiken niet gelicht?" + +"Neen burgemeester, dat hebben die twee jongens gedaan." + +"Ha-ha-ha,--en wie zijn dat dan?" + +"Frans Thor en Klaas Zwart, burgemeester," zei Jan. + +Op dit oogenblik drong Flipsen tusschen het volk door. Hij kwam uit +het raadhuis en wilde zien, wat er aan de hand was. Nauwelijks zag +hij den burgemeester, of hij sloeg aan en zei: + +"Uw bevel is uitgevoerd, burgemeester, de jongens zitten elk in +een cel. Ik geloof ook wel, dat wij de rechte personen op den kop +hebben getikt." + +"Maar het zijn de verkeerde!" riep de burgemeester hem lachend +toe. "Deze twee had-je moeten hebben!" + +Wat keek Flipsen verwonderd, en zijne verbazing nam nog toe, toen +hij de gevonden voorwerpen op het ijs zag liggen. De burgemeester +vertelde hem in korte woorden, wat er gebeurd was. + +Flipsen lachte slim. Hij bekeek de potten en ketels met aandacht +en liet ook het koperdraad door zijne vingers glijden. Toen zag hij +meteen, dat dit aan het roer bevestigd was. + +"Burgemeester," zei hij, "U zegt, dat wij de verkeerde jongens +opgesloten hebben, maar ik beweer, dat het, al is het dan ook bij +toeval, de goede zijn. Frans Thor en Klaas Zwart hebben deze dingen +gestolen, en ze hebben ze verkocht aan den pottenschipper, die ze +in het water heeft laten zinken om ze te verbergen. Hij is wèl slim +geweest maar toch niet slim genoeg." + +"'t Is een grove leugen!" zei de pottenschipper. "Die jongens zullen +ze vermoedelijk zelf hier in het water hebben laten zakken, om de +verdenking op mij te schuiven." + +"Zoo," zei Flipsen, "dan hebben ze zeker aan jou een stukje koperdraad +te leen gevraagd, niet waar? Want in je schuit heb ik precies zulk +koperdraad zien liggen." + +De pottenschipper werd doodsbleek. + +"Ga het halen, Flipsen," gebood de burgemeester. + +Flipsen verdween in de schuit, en kwam weldra met een rol koperdraad +terug. Het bleek, dat het draad aan de ketels en potten daarmede +precies overeenstemde. + +"Burgemeester," zei Flipsen, "de jongens, die op 't oogenblik onder +'t raadhuis opgesloten zitten, zijn de stelers, en de pottenschipper +is de heler. Ondervraagt u de jongens maar één voor één, dan zal u +zien, hoe gauw zij door de mand vallen. Vooral Klaas Zwart." + +"Zoo zal het gebeuren," zei de burgemeester. "Schipper, je gaat mede +naar het raadhuis, en Flipsen, neem jij die voorwerpen in beslag. Ik +houd mij overtuigd, dat wij de bende thans op het spoor zijn. En jelui, +jongens," vervolgde hij vriendelijk tot Jan en Karel, "zal ik het voor +dezen keer vergeven, dat je mijn bevel, om den brief bij Flipsen te +bezorgen, niet hebt uitgevoerd. Je bent een paar slimme rotten!" + +Och och, wat had Dik een pret, toen hij aan Anneke vertelde, wat Jan +gedaan had. Hij schoot er telkens opnieuw over in een lach, en ook +Grootvader en Grootmoeder moesten het dadelijk vernemen, toen zij +even bij Dik en Anneke kwamen aanloopen. + +De oude Trom vond het blijkbaar een verbazend scherpzinnigen zet van +Jantje. Hij trok een poosje aan zijn bakkebaardjes en zei toen: + +"Ja, Dik, zie-je, ik heb het altoos wel gezegd: Jan is ook een bizonder +kind, en dat is-ie." + + + +Veertiende Hoofdstuk. + +Besluit. + + +'t Gebeurde werkelijk, zooals Flipsen voorspeld had. Niet zoodra +verscheen Klaas Zwart in de burgemeesterskamer, en zag hij daar den +pottenschipper staan naast de potten en ketels, die uit het water +waren opgevischt, of hij begon over al zijne leden te beven, en de +tranen sprongen hem in de oogen. + +"Kom nader," gebood de burgemeester. + +Klaas kwam tot vlak voor de tafel, waarachter het hoofd der gemeente +in een leuningstoel gezeten was. Deze keek hem doordringend aan, +maar zeide niets. Klaas sloeg de oogen naar den grond. + +Eindelijk zei de burgemeester kortaf: + +"Vertel mij alles, wat je daarvan weet. Maar vergeet niet, dat ik +enkel waarheid wil hooren. Leugens zouden je trouwens niet meer baten, +want alles is ontdekt. Spreek op!" + +Zweetdroppels parelden Klaas op het voorhoofd van angst. + +Hij hief de samengevouwen handen op en zeide snikkend: + +"O burgemeester, vergeef u het me voor dezen keer astublief. O, +ik heb er zoo'n spijt van." + +"Waarvan?" vroeg de burgemeester gestreng. "Spreek op, jongen, wààr +heb je spijt van?" + +"Dat ik gestolen heb," zei Klaas zacht. + +"Die potten en ketels?" + +"Ja burgemeester." + +"En al die dingen, die bij de verschillende menschen op het dorp +worden vermist?" + +"Ja burgemeester." + +"Heb je dat alles alleen gedaan?" + +"Neen, met Frans, burgemeester." + +"Zoo, zoo.--'t Is wat fraais. En wie hebben dat net gelicht van +morgen?" + +"Wij ook," zei Klaas. + +"En waar liet je al die gestolen voorwerpen?" vroeg de burgemeester, +terwijl hij Klaas opnieuw doordringend aanzag. + +"De pottenschipper kocht ze van ons." + +"Maar ik wist niet, dat het gestolen goed was," viel de pottenschipper +in, die voelde, dat hij den grond onder zijne voeten thans geheel +verloor. + +"Dat wist iedereen op het dorp, tot den kleinsten jongen toe," +gaf de burgemeester op gestrengen toon ten antwoord. "Doe maar geen +moeite meer, om je baantje schoon te praten. 't Is een schande voor +een man op uw leeftijd! Eene dubbele schande, omdat je ook nog twee +jongens in je val meesleept. Jij en jij alleen hebt die kinderen in +het ongeluk gestort. 't Is diep treurig." + +Even later werd Frans Thor binnengebracht. Deze was brutaler dan Klaas +Zwart, en hij meende den burgemeester eerst nog met allerlei praatjes +om den tuin te kunnen leiden. Maar toen hij vernam, dat Klaas reeds +eene volledige bekentenis had afgelegd, raakte hij geheel in de war +en in zijn eigen leugens verward. Het einde was, dat ook hij bekende +aan de gepleegde diefstallen schuldig te zijn. + +De burgemeester maakte van alles proces-verbaal op, en toen hij +daarmede klaar was, zeide hij: + +"Flipsen, doe de deur maar open. Zij kunnnen alle drie +vertrekken. Later zullen zij wel meer van de zaak hooren." + +Zwijgend verlieten zij het raadhuis. + +Den Maandag daaropvolgende kwamen Frans en Klaas weer gewoon school, +maar zij waren nu nog meer afgezonderd van de overige jongens, dan +zij vroeger al geweest waren. Iedereen vermeed hun gezelschap. In +het midden van Februari bleven zij absent, en iedereen wist er +de reden van. Zij waren namelijk opgeroepen om voor de rechtbank +te verschijnen. Ook de pottenschipper moest daar verantwoording +afleggen van zijne daden. Hij kreeg eene geduchte betraffing, omdat +hij de beide jongens tot diefstal had overgehaald en hen daardoor +ongelukkig had gemaakt. Eene gevangenisstraf van eenige maanden was +zijn welverdiende loon. + +De jongens werden niet veroordeeld, omdat zij nog zoo jong waren, maar +de rechtbank stelde hen tot hun achttiende jaar ter beschikking van +de regeering, om in een rijksopvoedingsgesticht geplaatst te worden. + +Dat gebeurde evenwel niet dadelijk. Den volgenden dag zagen de +schooljongens hen opnieuw verschijnen, en zij hoorden er dagen en +weken lang niet meer van. + +Zoo kwam de eenendertigste Maart, de laatste dag, dien Jan en Karel +op de school zouden doorbrengen. Karel zou bij zijn vader in de +smederij komen, en Jan kwam in den winkel. Dik kon alles onmogelijk +meer alleen af, want nog steeds nam het aantal zijner klanten toe, +en elken dag kreeg hij het drukker. Hij verdiende dan ook veel geld, +en was mooi op weg, om een rijk man te worden. + +Frans en Klaas zaten ook voor de laatste maal op de schoolbanken. Niet +dat zij een vak gingen leeren. Daar kon geen sprake van zijn, omdat +zij toch den een of anderen dag weggevoerd zouden worden. + +'t Was in den middag. Het laatste schooluur was aangebroken. De leien, +boeken en schriften waren opgehaald en de onderwijzer maakte zich juist +gereed om een woord van afscheid te spreken tot de jongens en meisjes, +die de school voor goed verlieten, toen er aan de deur werd geklopt. + +"Jan Trom, doe even open," zei de meester. + +Jan deed het, en hij zag Flipsen en een rijksveldwachter in de +vestibule staan. Zij kwamen het lokaal binnen. + +"Mijnheer," zei Flipsen, "wij hebben de opdracht Frans Thor en Klaas +Zwart meê te nemen." + +'t Was doodstil in de klasse. + +Frans en Klaas werden doodsbleek, en niet zij alleen, neen, +verscheidene jongens en meisjes voelden zich eene rilling door de +leden gaan, en menig meisjesoog vulde zich met tranen. + +"Zoo," zei de onderwijzer zacht, en zijn toon klonk droevig. De +kinderen konden het hem aanzien, dat ook hij ontroerd was. "Zoo, dat +is wel eene treurige opdracht, Flipsen.--Frans en Klaas, komt hier." + +De jongens stapten de bank uit en kwamen voor de klasse. Beiden +barstten in tranen uit. De onderwijzer gaf hun de hand. + +"Dag Frans,--dag Klaas," zei hij droevig. "Ik hoop je eenmaal terug +te zien als brave mannen, die voor niemand de oogen behoeven neer te +slaan. Beloof je me, dat je daartoe je best zult doen?" + +De jongens konden niet antwoorden. Met gebogen hoofd verlieten zij +het lokaal, om weggebracht te worden ver van hunne ouders, naar een +vreemde plaats.... + +Hun vertrek maakte een diepen indruk op de achterblijvenden. De +onderwijzer had de gewoonte den laatsten schooldag eene vertelling te +doen. En dezen keer deed hij dat met meer gloed dan ooit te voren. Hij +deed een verhaal van schoolkameraden, waarvan er een goed oppaste en +tot een braaf man opgroeide, terwijl de andere door eigen schuld al +dieper en dieper zonk en eindelijk in de gevangenis terecht kwam. En +toen het verhaal uit was, drukte hij hun allen op het hart, toch +nooit den weg van eer en plicht te verlaten, maar steeds het goede +te doen en het kwade te haten. + +Met deze wijze les verlieten Jan en Karel voor goed de school, en +zij vergaten haar hun leven lang niet. + + + + EINDE. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De Zoon van Dik Trom, by C. Joh. Kieviet + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZOON VAN DIK TROM *** + +***** This file should be named 10971-8.txt or 10971-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.net/1/0/9/7/10971/ + + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.net/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.net + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.net), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's +eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII, +compressed (zipped), HTML and others. + +Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over +the old filename and etext number. The replaced older file is renamed. +VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving +new filenames and etext numbers. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.net + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000, +are filed in directories based on their release date. If you want to +download any of these eBooks directly, rather than using the regular +search system you may utilize the following addresses and just +download by the etext year. + + http://www.gutenberg.net/etext06 + + (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99, + 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90) + +EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are +filed in a different way. The year of a release date is no longer part +of the directory path. The path is based on the etext number (which is +identical to the filename). The path to the file is made up of single +digits corresponding to all but the last digit in the filename. For +example an eBook of filename 10234 would be found at: + + http://www.gutenberg.net/1/0/2/3/10234 + +or filename 24689 would be found at: + http://www.gutenberg.net/2/4/6/8/24689 + +An alternative method of locating eBooks: + http://www.gutenberg.net/GUTINDEX.ALL + + diff --git a/old/old/10971.20040207-8.zip b/old/old/10971.20040207-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..66cbf09 --- /dev/null +++ b/old/old/10971.20040207-8.zip |
