summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--10971-0.txt6507
-rw-r--r--10971-h/10971-h.htm7070
-rw-r--r--10971-h/images/cover.jpgbin0 -> 71753 bytes
-rw-r--r--10971-h/images/p1.jpgbin0 -> 47620 bytes
-rw-r--r--10971-h/images/p2.jpgbin0 -> 42158 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/10971-8.txt6898
-rw-r--r--old/10971-8.zipbin0 -> 110413 bytes
-rw-r--r--old/10971-h.zipbin0 -> 280016 bytes
-rw-r--r--old/10971-h/10971-h.htm7484
-rw-r--r--old/10971-h/images/cover.jpgbin0 -> 71753 bytes
-rw-r--r--old/10971-h/images/p1.jpgbin0 -> 47620 bytes
-rw-r--r--old/10971-h/images/p2.jpgbin0 -> 42158 bytes
-rw-r--r--old/old/10971.20040207-8.txt6907
-rw-r--r--old/old/10971.20040207-8.zipbin0 -> 113728 bytes
17 files changed, 34882 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/10971-0.txt b/10971-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..be9e72b
--- /dev/null
+++ b/10971-0.txt
@@ -0,0 +1,6507 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10971 ***
+
+De Zoon van Dik Trom
+
+Door
+
+C. Joh. Kieviet
+
+
+
+Twaalfde, Goedkoope Druk
+Amersfoort--Valkhoff & Co.
+
+
+
+
+
+
+Eerste Hoofdstuk.
+
+ Dik heeft een plan, en zijn vader vindt, dat hij een bizonder
+ kind is, en dat is-ie.
+
+
+'t Was met den kruidenierswinkel van den ouden Trom uitstekend
+gegaan. Dat was geen wonder, want Vrouw Trom was eene zindelijke
+vrouw, die er voor zorgde, dat alles in den winkel er keurig netjes
+uitzag. De koperen weegschalen waren zoo prachtig geschuurd, dat zij
+haast wel van goud schenen, de toonbanken zagen er brandhelder uit,
+en de koopwaren waren van de beste kwaliteit.
+
+Elken morgen spande Dik zijn mooien hit voor den wagen, om de klanten,
+die buiten het dorp woonden, te gaan bedienen. Zijn paard was altoos
+helder geroskamd, zijn wagen zag er proper uit, en wat hij leverde
+was prompt in orde. Nooit vergat hij te doen, wat hij beloofd had, en
+tegen wat extra werk zag hij niet op, als hij een van zijne klanten er
+mede gerieven kon. Geen wonder dus, dat hij steeds méér verkocht, er
+telkens nieuwe klanten bijkreeg en er zelden of nooit een verloor. In
+enkele jaren was de winkel van Jan Trom de voornaamste van het dorp
+geworden, en 't was een lust te zien, hoe vol het er somtijds wezen
+kon. Vooral op Zaterdagavond was het er verbazend druk. Dan stond
+de winkel opgepropt met menschen, die inslag voor de volgende week
+kwamen doen, en hadden Vader en Moeder Trom, benevens Dik, geen handen
+genoeg, om de klanten te bedienen. Maar al moesten dezen wat wachten,
+dat hinderde niet erg, want allen luisterden graag naar de vroolijke
+grappen van Dik, die zijn praatje steeds klaar had.
+
+De oude Trom deed niet veel. Hij was niet sterk genoeg om lang achter
+de toonbank te staan, en als het hem al te druk werd, trok hij zich
+op zijn stoeltje in een hoek van den winkel terug en keek met innig
+welbehagen de drukte aan. En dan luisterde hij naar de gesprekken der
+vrouwtjes, die het wel gezellig vonden, als zij niet dadelijk geholpen
+konden worden, omdat zij dan nog een poosje konden babbelen,--maar
+het meest genoot hij van de grappen en kwinkslagen van zijn zoon Dik,
+dien hij soms langen tijd achtereen met de grootste bewondering kon
+zitten aanstaren. En menigmaal, als hij zag, hoe graag de menschen
+door Dik geholpen werden, mompelde hij zacht voor zich heen:
+
+"Die Dik,--o, dat is toch een bizonder kind,--en dat is-ie!"
+
+Trom werd er niet sterker op, en meer en meer begon de winkel hem
+te zwaar te worden, vooral overdag, als Dik de klanten afreed, en
+Moeder het huiswerk verrichtte. Want de winkelschel liet hem bijna
+nooit met rust, van den morgen tot den avond.
+
+"Klingelingeling!" ging het, als Trom zijn ontbijt
+gebruikte. "Klingelingeling!" als hij 's middags aan tafel
+zat. "Klingelingeling!" als hij zijn middagdutje wilde doen, waaraan
+zijn zwak lichaam zooveel behoefte had.
+
+Den geheelen dag was het voortdurend: "klingelingeling!" en dat
+hield niet op, voordat 's avonds laat de winkeldeur op het nachtslot
+werd gedaan.
+
+De oude man beefde soms over al zijn leden van vermoeidheid als hij
+eindelijk in zijn bed gestapt was, en van overspanning kon hij dan
+dikwijls in geen uren den slaap nog vatten. Eindelijk begrepen Moeder
+Griet en Dik beiden, dat het zoo niet langer ging,--dat er verandering
+moest komen.
+
+En die verandering kwam.
+
+Het huisje naast den winkel kwam te huur. 't Was een allerliefst
+huisje, wel klein, maar keurig net. 't Was een huisje voor een paar
+oude menschen, die rustig hun ouden dag wilden doorbrengen.
+
+Zoodra Dik hoorde, dat het te huur was, zei hij op een avond, toen
+de winkel op het nachtslot was:
+
+"Hoor eens, Vader en Moeder, weet u, dat het huisje hiernaast te
+huur komt?"
+
+"Is 't waar?" vroeg moeder Trom. "Neen, dat weet ik niet."
+
+Trom zei niets. Hij keek Dik aan en streek met zijn hand langs zijn
+dunne bakkebaardjes.
+
+"Ja," zei Dik,--"'t is zoo, en nu had ik gedacht, dat het juist een
+huisje voor u beiden zou zijn."
+
+"Ja," zei Trom, "dat denk ik ook, en dat doe ik."
+
+"'t Is een lief huis," ging Dik voort. "Niet te groot en erg
+gemakkelijk in 't bewonen. En als u mij dan den winkel verhuurde,
+zou u een rustigen ouden dag kunnen hebben. 't Wordt Vader toch wel
+wat erg zwaar in den winkel."
+
+"Ja, dat doet het--en dat doet het," zei Trom.
+
+"En wou jij dan alleen in den winkel gaan wonen, Dik?" vroeg vrouw
+Trom met een glimlachje.
+
+Dik lachte ook.
+
+"Neen Moeder, dat is nu juist mijne bedoeling niet. Als u en Vader het
+goedvinden, zou ik wel willen trouwen. Anneke en ik hebben elkander
+al gekend van onze vroegste kinderjaren af, en wij houden veel van
+mekaar. Dus,--wat dunkt u er van?"
+
+Moeder Trom stond op, sloeg haar armen om Dik's hals, gaf hem een
+kus op elke wang, en zei:
+
+"Mijn zegen er op, Dik!"
+
+Trom trok zoo hard aan zijn bakkebaardjes, dat hij er de vlassige
+haartjes van in de hand hield, en zei:
+
+"Ja, ja, zoo is het goed, en dat is het. Griet, onze Dik is toch een
+bizonder kind,--en dat is-ie!"
+
+
+
+
+Tweede Hoofdstuk.
+
+ De belangrijkste dag uit het leven van Dik Trom.
+
+
+Het ging al gauw als een loopend vuurtje door het dorp: "Dik Trom
+gaat trouwen met Anneke, en zijn ouders gaan het huisje bewonen naast
+den winkel." En alle menschen vonden het erg best. "'t Was net een
+spannetje, dat bij elkaar hoorde," zei men. "Allebêi zijn ze vroolijk,
+allebêi jong, allebêi dik," en dat was waar, want Anneke evenaarde in
+gezetheid haar aanstaanden man. Zij zag er door en door gezond uit,
+had een paar blozende wangen en keek iedereen altoos vroolijk en
+opgeruimd aan. En zij vond het wàt prettig om met Dik te trouwen. Van
+hun vroegste jeugd af hadden zij elkander gekend en veel van mekaar
+gehouden, en niemand vond het vreemd, dat zij man en vrouw zouden
+worden. Eigenlijk hadden de menschen het al lang gedacht.
+
+Op een mooien dag in de maand Juni werd de bruiloft gevierd. Dik was 's
+morgens al vroeg opgestaan en den tuin achter zijn huis ingestapt. Het
+zonnetje scheen zoo vroolijk, de vogels zongen zoo blijde, de bloemen
+in de perkjes geurden zoo heerlijk, en Dik voelde zich zóó gelukkig,
+dat hij van louter plezier een liedje begon te zingen. En met zijn
+zakmes sneed hij de vroege rozen af en de seringen en de vogelkers,
+en bond ze te zamen tot een welriekenden ruiker, dien hij zelf aan
+zijne bruid ging brengen. Overal zag hij de vlaggen uitsteken ter
+eere van hem en van Anneke. Piet van Dril was de eerste, die zijn vlag
+uit het zolderraam stak, en toen volgde Jan Vos, en daarna Van Dijk,
+de molenaar, en Vrouw van Aken, en Teun de visscher, en de meester,
+en de ontvanger, en de burgemeester. Ja, zelfs uit het huisje van Kee,
+de heks van den Achterweg, wapperde een klein, verschoten vlaggetje
+uit het boven-zijraampje, want zij hield dolveel van Dik en verheugde
+zich in zijn geluk. Weldra was er geen huis meer, waar de vlag niet
+uithing, wat wel een bewijs was, dat de bruid en de bruidegom geliefde
+personen waren op het dorp.
+
+Dik vond het heerlijk te zien, dat alle menschen hem en Anneke een
+blijk van vriendschap wilden geven. Hij had een glimlach van geluk
+op de lippen, en zijne oogen tintelden van blijdschap.
+
+De menschen, die hem tegenkwamen, hielden hem staande om hem geluk
+te wenschen en de hand te drukken, en Piet van Dril stak zijn zwarte
+gezicht buiten de deur van de smederij, toen Dik daar voorbijkwam,
+zwaaide met zijn vette, glimmende petje, en riep driemaal:
+"Hoezee! Leven Dik en zijne bruid!"
+
+Voor het huis van Anneke wachtte hem eene verrassing, want daar was
+een mooie, groote eerepoort opgericht met sparregroen en papieren
+bloemen. Bovenin prijkte een schild met de namen van de bruid en
+den bruidegom, en er hingen lampions met kaarsen, die 's avonds een
+schitterend licht zouden geven.
+
+Dat hadden zijn vrienden en kennissen gedaan onder leiding van Piet
+van Dril, zijn boezemvriend.
+
+En onder de poort stond Anneke, die maar niet begrijpen kon, dat die
+poort ter harer eere was opgericht, en ze lachte en schreide tegelijk
+van blijdschap en zei, dat ze zoo gelukkig was en zooveel eer niet
+verdiende. En zij dankte Dik voor zijn mooien ruiker, en wist bijna
+niet, wat zij doen zou van vreugde.
+
+Toen ging Dik naar huis terug, om alles voor de bruiloft in orde te
+brengen. Er werden in de schuur, die in gewone tijden voor pakhuis
+diende, groote tafels en stoelen geplaatst voor de gasten. En hij
+versierde de wanden met vlaggedoek, en nog was hij daarmee niet gereed,
+toen de deur openging, en Piet van Dril en Jan Vos verschenen, die
+een wagen met sparregroen meebrachten en hem hielpen aan de versiering.
+
+De schuur was weldra haast niet meer te herkennen, zoo mooi werd
+zij. Vader en moeder Trom konden hun oogen bijna niet gelooven, toen
+zij even binnen kwamen om een kijkje te nemen. Zij sloegen de handen
+van verbazing in elkaar, en Trom mompelde:
+
+"Wat een feest,--wat een feest! 't Heele dorp vlagt, en dan die
+schuur! O, die Dik is een bizonder kind, en dat is-ie!"
+
+Moeder Griet was dat volkomen met hem eens, maar zij gunde zich den
+tijd niet om lang te kijken, want zij had het nog meer dan druk om
+alles voor het feest in gereedheid te brengen. De beste spullen moesten
+uit de kast, en alles werd zorgvuldig geschuierd en opgeknapt. Trom
+had het vreeselijk druk met zijn hoogen hoed, denzelfden nog, waarop
+Dik was gaan zitten, toen deze nog een kleine jongen was. Trom poetste
+de stugge haartjes glad en liefkoosde hem wel honderdmaal met de mouw
+van zijne lakensche jas. De man zag er wàt deftig uit, heelemaal in
+'t zwart en met dien hoogen hoed op. 't Model van zijn costuum was
+wel wat ouderwetsch,--want 't was zijn eigen trouwpak nog, dat hij
+maar zelden had aangehad,--en zijn hoed was wel wat hoog van bol en
+breed van rand, maar dat hinderde niet.
+
+"Die hoed is nog mooi, en dat is-ie," zei Trom, "en mijn pak kan ook
+nog best meê, en dat kan het."
+
+Dik was van top tot teen in 't nieuw. Hij had ook een lakensch pak
+laten maken en een hoogen hoed gekocht. Zelf vond hij wel, dat hij er
+met den hoed erg gek uitzag, maar Trom zei, dat hij hem deftig stond,
+en dat deed-ie. Dik's nieuwe laarzen kraakten bij elken stap, zoodat
+men hem in de verte al kon hooren aankomen. Dik had er een hekel aan,
+maar zijn vader vond dat ook al erg deftig.
+
+"Alle laarzen van deftige menschen kraken, en dat doen ze," zei
+hij wijs.
+
+Eindelijk werd het tijd om naar het huis van de bruid en vervolgens
+naar het gemeentehuis te gaan, waar het huwelijk zou worden
+voltrokken. Het drietal begaf zich daarom op weg.
+
+Dik zag wel wat tegen de plechtigheid op, en hij voelde zich in zijn
+mooie zwarte pak, in zijne krakende laarzen en onder zijn hoogen hoed
+verre van lekker. Hij was in het geheel geen mensch voor zooveel moois
+en plechtigs. Maar 't moest nu eenmaal gebeuren, en hij besloot daarom
+zoo goed mogelijk door den zuren appel heen te bijten.
+
+Vader en moeder Trom keken met gepasten ernst naar al de vlaggen,
+die ter eere van hun zoon waren uitgestoken, en vonden zich verbazend
+gewichtig. Moeder Griet zag er ook zeer feestelijk uit. Zij had hare
+zijden japon aan, waarover een met palmen doorgewerkte omslagdoek,
+die haar in den vorm van een gelijkbeenigen driehoek over den rug hing
+met de punt naar beneden, een zijden hoedje op met groote keellinten,
+en aan haar arm een karbies, welke in sterke mate de aandacht trok
+van de kinderen, die den kleinen stoet omringden en steeds in aantal
+toenamen. Een van de grootste jongens begon al spoedig te zingen:
+
+
+"Bruid, bruid, strooi wat uit!"
+
+
+Maar de anderen legden hem het zwijgen op met de opmerking, dat de
+bruid nog niet aanwezig en hij dus met zijn liedje te vroeg was.
+
+De jongens en meisjes zagen er zeer opgewekt uit en het ontbrak hun
+niet aan de noodige luidruchtigheid.
+
+Zoo bereikte het drietal de woning van de bruid, waar de gasten,
+die voor het feest genoodigd waren, zich reeds verzameld hadden. Met
+een krachtigen handdruk werd Dik ontvangen, die onhandig met zijn
+hoogen hoed omsprong en voortdurend het vervelende kraken van zijne
+laarzen hoorde.
+
+'t Was nu hoog tijd om naar het raadhuis te gaan. De stoet stelde zich
+dus op. Jan Vos en zijn verloofde openden de rij, daarop volgden Dik
+en Anneke, daarachter de wederzijdsche ouders en verdere familieleden,
+en eindelijk de vrienden en kennissen, die genoodigd waren. Piet van
+Dril en zijn jonge vrouw, want Piet was al sedert een jaar getrouwd,
+waren de laatsten van den stoet.
+
+De meisjes en vrouwen hadden allen een groote karbies, tot groote
+vreugde van de jongens en meisjes, die zich vol blijde verwachting
+voor het huis hadden opgesteld. Nauwelijks waren de bruiloftsgasten
+zichtbaar, of daar klonk uit wel honderd kelen:
+
+
+"Bruid, Bruid,
+Strooi wat uit!
+Bruid, Bruid,
+Strooi wat uit!"
+
+
+'t Was een verschrikkelijk gejoel en lawaai, maar de karbiezen bleven
+potdicht. Eerst moest het jonge paar getrouwd zijn; zoolang dat niet
+gebeurd was, werd er niet gestrooid.
+
+In lange rij trok de stoet door het dorp en bereikte ongestoord het
+raadhuis. Daar werden de groote deuren geopend door den veldwachter,
+die bij trouwpartijen dienst deed als concièrge, en men nam plaats
+in de trouwzaal, waar vele dorpelingen aanwezig waren om van de
+plechtigheid getuige te zijn.
+
+Spoedig verscheen de burgemeester, en nu werden Dik en Anneke in den
+echt verbonden. De burgemeester deed nog een hartelijke toespraak en
+drukte het bruidspaar de hand.
+
+Pas kwam de stoet weer buiten het raadhuis, of daar galmde het weer,
+nu wel uit tweehonderd monden:
+
+
+"Bruid, Bruid,
+Strooi wat uit!
+Bruid, Bruid,
+Strooi wat uit!"
+
+
+De lieve straatjeugd drong geweldig op om dicht bij de karbiezen
+te komen, die de begeerde lekkernijen bevatten. En thans bestond er
+tegen het openen daarvan geen enkele hinderpaal meer.
+
+"Dààr dan, jongens, grabbelt maar!" riep Anneke, die tijdens de
+plechtigheid erg bleek had gezien, maar nu hare frissche kleur
+langzamerhand terugkreeg, en zij tastte diep in de karbies en strooide
+de bruidssuikers onder de menigte. Haar voorbeeld werd door Moeder
+Trom en de andere vrouwen en meisjes gevolgd. Het regende als het
+ware links en rechts suikergoed, zoodat de jongens op en over elkander
+buitelden, om toch maar zooveel mogelijk bijeen te grabbelen. 't Was
+een allerdolst schouwspel. De kinderen hadden nergens meer oog voor,
+dan voor de uitgestrooide lekkernijen, en zij waren zoo verwoed aan
+het grabbelen, dat zij den heelen bruidsstoet uit elkaar duwden. Een
+van de jongens kwam vlak voor de voeten te liggen van Vader Trom,
+zoodat het weinig scheelde, of deze viel voorover op de straat. Zijn
+hooge hoed rolde wel twee meter ver voor hem uit en kwam onder een
+paar jongens terecht, die aan het vechten waren om een suikerboon,
+waarop zij beiden recht meenden te hebben. De arme hoed kreeg het
+kwaad te verantwoorden en leek al spoedig meer op een waterhoozer
+uit een lekke roeiboot, dan op een deftigen hoogen hoed.
+
+Piet van Dril gaf den vechtenden jongens een paar klinkende oorvijgen,
+die hun met verbazenden spoed het hazenpad deden kiezen. Den hoed
+bracht hij zooveel mogelijk weer in zijn fatsoen, en zette hem den
+ouden man op het hoofd.
+
+Van het gemeentehuis wandelde de stoet, steeds vergezeld door de
+straatjeugd, die met ijzeren volharding het "Bruid, Bruid, strooi
+wat uit" galmde, naar de kerk, waar het huwelijk ingezegend werd,
+en van daar naar de versierde schuur.
+
+Den geheelen dag heerschte er groote vreugde. Dik rookte uit een
+lange Goudsche pijp, die met groen en bloemen was versierd, en de
+bruid dronk uit een kopje, waarvan het oortje met een rozeknopje en
+een paar rozeblaadjes prijkte.
+
+'t Was een heerlijk feest. 's Middags kwamen vele vrienden en kennissen
+gelukwenschen, en ook de oude heks van den Achterweg kwam binnen, om
+bruid en bruidegom de hand te drukken. En in een klein mandje bracht
+zij zes kippeneitjes meê, als een klein blijk van hare vriendschap
+en dankbaarheid, want zij was maar een arme, oude vrouw en wilde toch
+ook zoo graag wat geven.
+
+Dik kreeg het er bijna te kwaad onder, zoo aardig vond hij dat van
+de goede ziel, en hij pakte het oudje beet en danste met haar in
+het rond tot groote pret van alle bruiloftsgasten. 's Avonds kwamen
+twee muzikanten met violen, en toen konden de jongelui dansen naar
+hartelust, wat zij dan ook deden.
+
+'t Was al zeer laat in den avond, en nog was er niemand naar huis
+gegaan. De oude molenaar was de eerste, die opstond om te vertrekken,
+en hij klopte Trom op den rug en zeide:
+
+"Dat was nog eens een echte, mooie bruiloft, niet waar?"
+
+En Trom antwoordde, aan zijne bakkebaardjes plukkende:
+
+"Ja, dat is het,--en dat doet het,--maar Dik is ook een bizonder
+kind,--en dat is-ie!"
+
+
+
+
+Derde Hoofdstuk.
+
+ Dik wordt vader, en vrouw Smul begraaft haar neus in een
+ roomtaart.
+
+
+'t Bleef met den winkel onder leiding van Dik en Anneke uitstekend
+gaan, zoodat men gerust kon voorspellen, dat zij nog eens in goeden
+doen zouden komen. Nu, Dik werkte dan ook met den grootsten ijver,
+en als hij de boeren afreed met boodschappen, verving Anneke hem
+op uitstekende wijze in den winkel. En zij was een zuinig vrouwtje,
+naar de meening van Dik haast wel een beetje al te zuinig.
+
+"Hoor eens, Anneke," zei hij meer dan eens, "daar moet je toch
+voorzichtig meê wezen. Zuinig is goed, best zelfs, maar àl te zuinig
+is verkeerd. Komen de vrouwtjes om een pondje van dit of van dat, dan
+moet je niet bang wezen, dat de schaal even doorslaat. 't Is beter
+overwicht te geven, dan te klein gewicht. Daar hebben de menschen
+een hekel aan, en dan gaan ze al gauw naar een anderen winkel, waar
+de maat wat ruimer is. Heusch, een klein toegiftje doet geen schade,
+maar voordeel. En komen er kinderen boodschappen halen, geef ze dan
+een balletje of een pepermunt, of een stukje zoethout, of een vijg. Dat
+hebben ze graag en dan koopen ze liever hier dan bij een ander."
+
+Anneke gaf aan dien raad gehoor, maar zuinig van aard bleef ze toch,
+en dat was goed.
+
+In den winkel zag het er keurig netjes uit, en hij was van alle
+gemakken voorzien. Daar zorgde vader Trom wel voor. Nu hij niets meer
+te doen had, was de oude liefhebberij voor het timmervak weer bij hem
+ontwaakt, en liep hij altoos te passen en te meten, te schaven en te
+hameren. 't Was dan ook, eer een jaar verloopen was, een pracht van
+een winkel geworden, en Trom was daar erg trotsch op. Jammer voor
+den braven man, dat hij den laatsten tijd zoo doof werd. Kort na
+Dik's bruiloft was het begonnen, en 't nam met den dag toe, zoodat
+hij eindelijk bijna niet meer te beschreeuwen was. 't Was voor Griet
+een verbazende last, want zij hield erg veel van een praatje.
+
+Een paar jaar na Dik's huwelijk had er eene groote gebeurtenis
+plaats. Dik werd namelijk vader van een zoontje, en hij was daar
+erg blij om. Toen hij op een avond met paard en kar thuis kwam,
+vond hij den kleinen kerel al in de wieg liggen, en grootvader
+en grootmoeder Trom zaten er op een stoel naast en keken met de
+grootste belangstelling naar hun pasgeboren kleinkind. Grootmoeder
+Griet vond het een allerliefst schattig kindje, maar grootvader zei
+geen woord. Hij was blijkbaar in gedachten verdiept, en staarde met
+open mond den kleinen schreeuwer aan. Want een scheeuwer was het. De
+oude Trom had een klein, pasgeboren kindje nog nooit zóó hooren
+schreeuwen. Grootvader vond het erg verwonderlijk, en soms sloeg hij
+zijne oogen even op en staarde grootmoeder aan met een blik, waarin
+zoowel verbazing als bewondering opgesloten lag. 't Was hem aan te
+zien, dat hij in het kind iets gewichtigs zag.
+
+"O, o, wat was Dik blij, toen hij zijn zoontje zag. Zijne ouders
+feliciteerden hem recht hartelijk, en hij drukte moeder Anneke, die
+te bed lag, een kus op elke wang. En toen ging hij weer dadelijk naar
+de wieg, om zijn zoontje in oogenschouw te nemen.
+
+"Wel verschrikkelijk, wat schreeuwt dat kind!" zei Dik, die ook in
+de grootste verbazing naar het geluid van den nieuwen huisgenoot
+luisterde. "Moeder, heb ik ook zoo geschreeuwd, toen ik pas in de
+wereld was?"
+
+"Neen," zei grootmoeder Trom, "jij schreeuwde nooit, dan alleen als
+je honger hadt."
+
+"Maar dan heeft dat ventje ook honger!" riep Dik met beslistheid
+uit. "Hei baker, waar zit je? Geef dat kind wat eten!"
+
+Op zijn geroep kwam de baker uit de keuken te voorschijn 't Was
+vrouw Smul, die ook Dik nog gebakerd had. Zij was nu eene oude vrouw
+geworden, met bijna geen tand meer in haar mond, en een puntige,
+vooruitstekende kin. Dik hield in het geheel niet van haar, maar daar
+zij de eenige baker op het dorp was, moest hare hulp wel ingeroepen
+worden. Met een vriendelijk lachje feliciteerde zij den gelukkigen
+vader, en zij haalde het kleine kereltje uit de wieg, en hield hem
+Dik voor, die nu in de gelegenheid kwam, zijn zoon goed te bezien.
+
+Ten tweeden male wekte het ventje zijn groote verbazing, want zoo
+dik als hij zelf geweest was, toen hij op de wereld kwam, zoo smal
+en dun was de kleine. En schreeuwen, schreeuwen dat het kind deed,
+neen maar, 't ging Diks verwachting verre te boven. Ook grootmoeder
+en grootvader keken het wichtje met verwondering aan, want zoo dun
+en mager hadden zij nog nooit een kind gezien.
+
+Dik sloeg van verbazing de handen ineen, en riep uit:
+
+"Neen maar, wat een wonderlijk mager kind is dat! 't Is veel te dun!"
+
+"Maar 't is toch een erg lief kindje," zei Anneke met moedertrots.
+
+"En wat schreeuwt het!" ging Dik voort, "'t Schreeuwt als een
+speenvarken. Toe baker, geef dat kind dadelijk wat te eten, want zulk
+geschreeuw is niet uit te houden. Een mensch krijgt er hoofdpijn van."
+
+Grootvader Trom had nog geen woord gesproken, maar eindelijk ging
+hij naar zijn vrouw, en driftig aan zijn bakkebaardjes plukkende,
+zei hij op gewichtigen toon:
+
+"Griet, 't is een bizonder kind,--ik zeg een bizonder kind,--en
+dat is-ie!"
+
+"Ik geloof het ook," zei Dik lachend. "Zoo dun,--en dan dat
+geschreeuw. 't Is wél bizonder!"
+
+Inderdaad bleken deze twee eigenschappen van den kleine op den duur
+wèl wat bizonder te zijn, want het kind schreide van den morgen tot
+den avond, en van den avond tot den morgen. Alleen als hij sliep, was
+hij stil. Hij dronk de eene flesch melk na de andere, maar bleef even
+dun en mager. En hij schreeuwde om er wanhopig onder te worden. Kreeg
+hij geen flesch, dan maakte hij een ijselijk misbaar om de aandacht
+op zich te vestigen, en had hij de flesch leeggedronken, dan vond hij
+dàt weer een reden om zijne stem te verheffen. Maar hij groeide best,
+al was het alleen in de lengte.
+
+Dik vreesde, dat zijn wieg hem gauw te kort zou worden, en hij
+ergerde zich den ganschen dag aan de aanwezigheid van de baker. Daar
+had hij trouwens zijn goede redenen voor, want in den winkel was
+veel te snoepen, en daar hield vrouw Smul van. Telkens zag Dik,
+dat zij tersluiks iets in den mond stak, als zij even in den winkel
+moest wezen, en dat kon Dik niet uitstaan. Eens zag hij, dat zij bij
+de kistjes vijgen stond en er een handjevol uitnam, en hij besloot
+haar dat eens en voor goed af te leeren. Baker had hem niet gezien,
+en schrok dus niet weinig, toen hij eensklaps achter haar stond. Dik
+nam een grooten bak met stroop, dien zij onmogelijk met éen hand kon
+vasthouden en zei:
+
+"Toe baker, help me even. Houd dien bak eens vast."
+
+Maar dat kon baker niet doen, want dan zou Dik zien, dat zij een
+hand vol vijgen had. Haastig draaide zij zich dus om en stak de
+vijgen met eene behendige beweging in haar mond, maar ongelukkig
+konden ze daarin haast niet geborgen worden, zooveel had zij er wel
+uit het kistje genomen. Zij moest den mond dus stijf dicht houden,
+wilde zij zich niet verraden. Toen greep zij den stroopbak met beide
+handen aan. Haar mond zat als 't ware volgepropt, tot groot vermaak
+van Dik, die een vriendelijk praatje met haar begon.
+
+"Wel baker," vroeg hij, "hoe zou het toch komen, dat de kleine
+Jan",--want zijn zoon heette Jan, naar zijn grootvader,--"dat de
+kleine Jan altijd zoo schreeuwt? Wat kan daar toch de reden van wezen?"
+
+Maar baker kon niet antwoorden vanwege de vijgen, die zij in
+den mond had. En er waren er te veel, dan dat zij ze had kunnen
+doorslikken. Kauwen durfde zij ook niet, want dan zou zij zichzelve
+dadelijk verraden hebben. Zij verkeerde nog in de heilige overtuiging,
+dat Dik niets van hare snoeperij had gemerkt. Zij zeide dus niets,
+maar haalde alleen de schouders op, ten teeken dat de reden van
+Jantjes geschreeuw haar totaal onbekend was. Doch met dat gebaar was
+Dik niet tevreden.
+
+"Neen baker, haal nu de schouders niet op," zei hij op ernstigen toon,
+"maar zeg mij liever kort en goed, wat er de oorzaak van is. Hij moet
+toch ergens met zooveel volharding om schreeuwen!"
+
+Baker haalde nogmaals de schouders op, en Dik keek haar ernstig aan.
+
+"Scheelt er wat aan, baker? U trekt zoo'n raar gezicht," ging hij
+voort. "Heeft u pijn of zoo iets?"
+
+Baker schudde ontkennend met het hoofd, maar het angstzweet brak haar
+uit, want de vijgen in haar mond begonnen haar verschrikkelijk zwaar te
+liggen, en zij kon haar mond bijna niet meer dicht houden. Zij kneep
+de lippen wanhopig stijf op elkander en liet den zwaren stroopbak
+haast vallen.
+
+Dik had de grootste pret, en ging plagend voort:
+
+"Heeft u kiespijn, baker?"
+
+Baker schudde alweer van neen.
+
+"Of buikpijn?"
+
+Nogmaals hetzelfde gebaar.
+
+"U lijkt wel stommetje te spelen, baker. Ik geloof, dat ik den dokter
+voor u moet halen."
+
+De baker slaakte een diepen zucht, maar wilde blijkbaar niets van
+een dokter weten. Zij schudde heftig van neen.
+
+"Maar zèg dan toch wat, baker! Zulk zwijgen is om er tureluursch van
+te worden. Of kan u niet spreken?"
+
+De baker zei nog niets, maar keek wanhopig naar den zolder.
+
+"Doe uw mond eens open, baker," ging Dik zonder medelijden voort,
+en hij pakte haar kin tusschen vinger en duim. Maar nu werd het baker
+te erg, en zij begreep, dat Dik heel goed had gezien, dat zij van de
+vijgen gesnoept had. Zij zette den stroopbak haastig neer en verliet in
+allerijl den winkel, terwijl Dik het uitschaterde van pret, omdat hij
+haar zoo geducht te pakken had gehad. Zij dorst den "baas" den geheelen
+dag niet meer aankijken van schaamte, en zij had nog grooter hekel
+aan hem dan vroeger, toen hij haar klompen vol water had geschept.
+
+Maar haar snoeplust leerde zij er niet meê af. Die kwaal was bij haar
+te veel ingekankerd.
+
+Dat bleek Dik, toen zijn zoontje een dag of acht oud was. In den
+winkel, achter een van de toonbanken, was een luik, waaronder zich de
+kelder bevond. Dik was in dien kelder, toen de winkelschel ging, maar
+de baker wist niet, dat Dik daar was. Zij kwam in den winkel en zag
+daar den loopjongen van den banketbakker, die eene heerlijke roomtaart
+kwam brengen, een geschenk van Piet van Dril en diens vrouw. Ha, de
+neusvleugels van vrouw Smul trilden van begeerte. Na haastig om zich
+heen gekeken te hebben, of zij wel alleen was, lichtte zij behendig
+het deksel van de doos en genoot van den heerlijken aanblik, dien de
+verrukkelijke taart opleverde.
+
+Dik kwam langzaam en onhoorbaar naderbij. "Als zij gaat snoepen,
+zal ik het haar eens en voor altijd afleeren," dacht hij.
+
+En jawel, vrouw Smul moest toch eventjes proeven. Met haar vinger
+streek zij er wat room af en stak het in den mond. Wat smaakte dat
+heerlijk! Zij smakte met de tong. En wat rook die taart lekker. Wacht,
+zij moest ook eventjes ruiken. Zij bracht de doos wat omhoog, haar
+neus naar omlaag, en genoot van den heerlijken geur....
+
+Maar Dik was meer dan kwaad, want hij dacht, dat vrouw Smul er van
+snoepte. En in zijne boosheid gaf hij een geduchten duw tegen den
+bodem van de doos, zoodat neus en kin van de baker in een oogwenk
+tot in het hart van de taart doordrongen. En toen vrouw Smul die
+lichaamsdeelen weer uit hun ontijdig graf had opgedolven, zaten zij
+dik in de room. Zij leken wel roomhorentjes.
+
+Vrouw Smul kon zich in het eerste oogenblik maar niet begrijpen, wat
+er gebeurd was, zoo snel was het in zijn werk gegaan, en zij gaf een
+gil van den schrik. Doos en taart liet zij op den vloer vallen, en zij
+vluchtte op een draf den winkel uit en de huiskamer in, waar Anneke
+in een schaterlach uitbarstte, zoo mal zag baker er uit. En zij kon
+haast niet tot bedaren komen, toen Dik haar vertelde wat er eigenlijk
+gebeurd was, al vond zij het meer dan jammer van de heerlijke taart.
+
+"En wat zullen Piet van Dril en zijne vrouw het akelig vinden, als
+zij het hooren," zei Anneke.
+
+"Die zullen het niet hooren," zei Dik. "Ik ga dadelijk een nieuwe
+taart bestellen, precies eender als deze, en wij noodigen Piet
+en zijne vrouw een avondje bij ons op de koffie, om haar te helpen
+opeten. Dan hooren zij er nooit iets van. Baker zal er haar mond wel
+over houden,--en wij praten er natuurlijk ook niet over."
+
+Zoo geschiedde. Piet en zijn vrouw smulden er heerlijk van en vonden
+het prettig, dat de taart Dik en Anneke zoo lekker smaakte, maar zij
+hebben nooit geweten, dat het de hunne niet was. De baker wilde den
+heelen avond niet binnen komen. Zij bleef stil in de keuken. Maar
+Anneke zorgde toch, dat zij haar deel van de lekkernij kreeg.
+
+Want zij paste uitstekend op den kleinen Jan, en dat waardeerde Anneke
+bizonder. Een paar dagen later ging de baker voor goed heen.
+
+
+
+
+Vierde Hoofdstuk.
+
+ De eigenschappen van den kleinen Jan en het geduldige busje
+ van de orgelvrouw.
+
+
+De kleine Jan groeide zeer voorspoedig op, dat wil zeggen alleen in
+de lengte, want hij bleef broodmager, tot groote verbazing van Dik
+en Anneke, die elken dag opnieuw in de gelegenheid werden gesteld om
+zijn eetlust te bewonderen.
+
+"Hij is precies een hazewindhond," zei Dik meer dan eens. "Hoeveel
+hij ook eet, hij blijft altijd even dun. 't Is verwonderlijk!"
+
+Overigens was de kleine Jan een zeer voorlijk kind. Hij lachte al,
+toen hij nog maar enkele dagen oud was, en zijne tandjes kwamen
+zeldzaam vroeg. Hij kroop veel gauwer over den vloer, dan nog ooit
+eenig kind gedaan had, en kreeg mazelen, kinkhoest en waterpokken,
+toen andere kinderen van zijn leeftijd de gedachte daaraan nog niet
+in hun hoofd voelden opkomen.
+
+Zijn grootvader hield daarom staande tegenover iedereen die het hooren
+wilde, dat de kleine Jan een bizonder kind was, en dat was-ie.
+
+Jan was met zijn grootvader al spoedig goede maatjes. Toen hij nog heel
+klein was, wilde hij altoos op diens knieën zitten en paardje-rijden,
+zoodra hij hem maar zag, en als Grootvader zijn zin niet dadelijk deed,
+zette hij het zoo geweldig op een schreeuwen, dat zelfs Grootvaders
+gehoorvliezen er pijn van gingen doen. En dan haastte de oude man zich,
+om zijn kleinzoontje tevreden te stellen.
+
+Zoodra Jantje loopen kon, en dat kon hij heel vroeg, liep hij
+grootvader overal na. Anneke was daar eerst wel wat ongerust over,
+omdat grootvader zoo erg doof was, maar toen haar Jantje altoos weer
+gezond en wèl terugkeerde in de ouderlijke woning, begon zij daar
+spoedig aan te wennen. Als Jantje zoek was, dacht ze al dadelijk:
+"O, hij zal wel weer bij grootvader wezen."
+
+Toen Jantje zag, dat grootvader bijna altoos aan het timmeren was,
+schreeuwde hij net zoo lang, tot hij ook een hamer kreeg, en van
+dat oogenblik af deed hij niet anders dan hameren. Hij sloeg er meê
+tegen de toonbank, dat de weegschalen er van rinkelden, klopte op
+de vijgenmand met zooveel kracht, dat de pitjes uit de vruchten te
+voorschijn kwamen, hamerde een melkkan aan scherven en sloeg een barst
+in de winkelruit. Dat gebeurde alles op één dag, tot grooten schrik
+van Anneke, die hem den hamer afnam, toen het te laat was. Grootvader
+had er niets van gemerkt, en toen Anneke hem op de verwoesting attent
+maakte, keek hij die eenigen tijd in verbazing aan, tot hij eindelijk
+mompelde:
+
+"Zie je wel, Anneke, dat Jantje een bizonder kind is?--En dat is-ie."
+
+Dat bleek ook uit het feit, dat Jantje het geweldig op een schreeuwen
+zette, toen Anneke hem den hamer had afgenomen. Hij kon echter zoo hard
+niet schreeuwen, dat zijne Moeder hem dien teruggaf. Grootvader was
+bezig de stijfsellade te herstellen, die niet meer goed heen en weer
+kon schuiven. Jantje zat schreeuwend achter hem op den vloer, tot het
+twaalf uur werd en Grootvader naar huis moest om te eten. Grootvader
+legde den hamer in den spijkerbak en vertrok. Nauwelijks was hij
+verdwenen, of Jantje greep den hamer en zette de werkzaamheden
+voort. Hij sloeg draadnagels in de verschillende winkelladen, waar
+zij schots en scheef in terecht kwamen, timmerde Grootvaders rooden,
+katoenen zakdoek, dien hij vergeten had mede te nemen, als een vlag
+aan de toonbank vast, en ging naar het petroleumvat, om ook daar
+een paar draadnagels in te slaan. Maar toen viel zijn aandacht op de
+kraan, die in het vat zat, en Jantje sloeg er net zoo lang op met zijn
+hamer, tot de kraan uit het vat vloog en de petroleum in een breeden
+stroom op den vloer en op Jantjes beenen terecht kwam. Ha, dat vond
+Jantje pas mooi. Hij hield er den hamer onder, waardoor de stroom een
+bizonder mooien vorm kreeg en de droppels hem om de ooren spatten,
+en hij keek met innig welbehagen de gevolgen van zijn bemoeiingen
+aan. De petroleum bedekte weldra den geheelen vloer, en Jantje was
+zoo nat als een gedrenkte spons. Zijne Moeder had er geen erg in, want
+zij was in de keuken, tot zij opeens een geweldig geschreeuw vernam,
+zóó hevig, dat zij van schrik opsprong en naar den winkel ijlde. Maar
+nauwelijks had zij de deur geopend, of zij bleef als verstomd staan en
+keek met open mond naar de petroleum, die den geheelen vloer bedekte
+tot aan den drempel toe, waarop hare voeten stonden, en naar Jantje,
+die uit alle macht schreeuwde en met zijn hamer op het vat sloeg.
+
+De tranen sprongen Anneke in de oogen, en zij was in één woord
+radeloos. Zij wist niet, wat ze beginnen moest. Ze kon niet eens bij
+haar zoontje komen, zonder door de petroleum te plassen, wat ze op
+hare pantoffeltjes onmogelijk doen kon.
+
+En Jantje schreeuwde uit alle macht, niet om hetgeen hij gedaan had,
+ook niet omdat hij met de beentjes rechtuit in de petroleum zat,
+maar eenvoudig om. het feit, dat er geen petroleum meer uit het vat
+stroomde. Hij was er meer dan kwaad om, dat de stroom opgehouden had te
+vloeien, en hij meende net zoo lang te schreeuwen, tot het weer begon.
+
+Bedroefd en niet wetende wat zij beginnen moest, snelde Anneke de
+achterdeur uit, om Grootvaders hulp in te roepen. Schreiende kwam
+zij daar binnen, en zij vertelde onder snikken en tranen, wat Jantje
+gedaan had.
+
+"Wat is er?" vroeg Grootmoeder, toen zij Anneke zoo bedroefd zag
+staan. Grootvader stond ook van zijn stoel op en vroeg:
+
+"Wat is er, Anneke? Wat scheelt er aan?"
+
+De goede man voelde al naar zijn zakdoek, om haar de tranen van de
+wangen te vegen, want hij hield veel van Anneke. Maar hij vond zijn
+zakdoek nergens. Hij kon ook niet vermoeden, dat die als een vlag
+aan de toonbank wapperde.
+
+"O, o," zei Anneke, "daar heeft Jantje me de kraan uit het petroleumvat
+geslagen...."
+
+"Den haan uit het kippenhok doodgeslagen?" vroeg Grootvader
+ontsteld. "Hoe komt het kind er bij."
+
+"Neen, neen," zei Anneke met haar mond aan Grootvaders oor, "de
+kraan uit het petroleumvat geslagen, en nu is alle petroleum uit
+het vat geloopen, en Jantje zit er midden in. Ik weet niet, wat ik
+beginnen moet...."
+
+Grootvader had nu goed verstaan. Hij trok zijn klompen aan en
+stapte den winkel binnen, waar Jantje nog zijn uiterste best deed,
+om petroleum uit het leege vat te laten vloeien. Hij schreeuwde als
+'t ware moord en brand.
+
+Grootvader keek ook niet weinig verschrikt, evenals een paar vrouwtjes,
+die juist kwamen aanloopen om boodschappen te halen.
+
+Trom plaste op zijn klompen door de petroleum en pakte Jantje op,
+dien hij regelrecht naar de keuken bracht.
+
+"Hier Griet, kleed hem maar dadelijk uit en stop hem in de tobbe,"
+zei hij tegen zijn vrouw, die van schrik bijna niet spreken kon,
+toen zij de ramp in oogenschouw nam.
+
+Daarna haalde Grootvader eene tobbe uit het schuurtje, benevens een
+paar dweilen, en begon den vloer op te dweilen.
+
+Hij schudde daarbij echter bedenkelijk met het hoofd, want hij begreep
+zeer goed, dat de zaak zoo gemakkelijk niet in orde kwam. Jantje
+schreeuwde intusschen honderd-uit, want hij werd door Moeder en
+Grootmoeder naakt uitgekleed en in een warm bad gestopt. Zijn kleeren
+waren onbruikbaar geworden.
+
+Dat laatste was ook het geval met den winkelvloer. Trom besloot dan
+ook dadelijk de handen uit de mouwen te steken De geheele vloer werd
+opgebroken en door een nieuwen vervangen, wat den ouden man heel wat
+werk bezorgde, 't Is te begrijpen, dat Dik verbaasd opkeek, toen hij
+'s avonds thuis kwam en hem het gebeurde verteld werd.
+
+"Die kleine hazewindhond, hoe krijgt hij 't in zijn hoofd," zei hij
+eindelijk. En Grootvader zei:
+
+"Ik zeg, dat hij een bizonder kind is, Dik, net als jij, en dat is-ie."
+
+Sinds dien dag werd het petroleumvat zoo geplaatst, dat Jantje er
+niet meer bij kon. En de kleine kerel kreeg van zijn vader een houten
+hamertje, waar hij niet veel kwaad mee kon doen. Hij timmerde nu den
+geheelen dag en hielp Grootvader op zijn manier bij al diens werk. Hij
+liet zich daarbij door niets storen, of het moest door een draaiorgel
+zijn. Dat vond hij zoo verrukkelijk mooi, dat hij er zelfs zijn eten
+voor liet staan, wat hij anders voor geen geld ter wereld zou doen. En
+nog mooier vond hij het busje, waarin de vrouw van den orgeldraaier
+het geld ophaalde. De orgeldraaier en zijne vrouw woonden op het dorp
+en kwamen vast elken Dinsdag met het orgel rond. Dat was erg lastig
+voor Anneke, want die had dan altoos waschdag, en moest toch al elk
+oogenblik haar waschgoed in den steek laten, om de klanten in den
+winkel te helpen.
+
+Eens op een Dinsdagmorgen had zij het daarmede erg druk gehad, toe
+het geluid van het orgel al van verre tot haar doordrong. Ook Jantje
+had het gehoord. Hij was toen een jaar of drie en kon dus de deur al
+zelf opendoen.
+
+'t Geluid van het orgel kwam naderbij, en Jantje was in de voordeur
+gaan staan, om van de muziek zooveel mogelijk te genieten. Eindelijk
+was het orgel tot voor den winkel gekomen en verscheen Mietje, de
+vrouw van den orgeldraaier, die Klaas Touw heette, aan de deur. Jantje
+haastte zich naar de keuken, en zei:
+
+"Moedel, daal is Klaas Touw met het olgel." De r kon hij nog niet
+zeggen, zoodat hij gemakshalve daar maar een l voor nam.
+
+"Hè, wat een gezeur van morgen," zei Anneke, wie de zweetdroppels
+op het voorhoofd parelden van de drukte. "Er ligt wel een cent in de
+toonbanklade, Jantje, je weet wel."
+
+"Ja moedel," zei Jan, en weg was hij.
+
+Hij greep een handjevol centen en begaf zich naar Mietje.
+
+Hij legde een cent in het bakje en zag hem met de grootste
+belangstelling door de gleuf verdwijnen, want dat vond hij iets zeer
+geheimzinnigs. Toen de cent weg was, legde hij er een tweeden in,
+die op dezelfde eigenaardige wijze in de diepte verdween. Daarna een
+derde, en een vierde, en een vijfde. Dat ging zoo voort tot Jantjes
+handje leeg was. Mietje was blijkbaar een heel geduldig vrouwtje en
+zij streek Jantje liefkoozend over zijn kopje.
+
+"Wacht even, ik zal del nog meel halen," zei Jantje, en hij voegde
+de daad bij het woord. De toonbanklade was nog lang niet uitgeput en
+Jantje vond het heel aardig, dat het orgel zoo lang bleef draaien,
+en dat de centen zoo mooi in de bus verdwenen.
+
+"Flap," daar viel er weer een naar beneden, tot groote pret van Jantje,
+die er hardop om lachen moest. "Flap," weer een, en nog een, en nog
+een, tot zijn handje alweer leeg was. En tot zijn groote vreugde
+draaide het orgel nog maar steeds door, en bleek Mietje vriendelijk
+genoeg om voor zijn plezier nog een poosje te blijven staan.
+
+"Wacht even," zei Jantje, "ik zal del nog meel halen. El zijn del
+nog genoeg."
+
+Nu, dat was waar, en hij kwam al spoedig weer met een handjevol terug.
+
+"Flap," ging het alweer, en "flap, flap, flap," volgden de
+andere. Anneke was zoo druk aan het wasschen, dat zij het heele
+orgel vergeten was. Gelukkig, dat er nu eens een poosje geen klanten
+kwamen....
+
+Jantje liep geregeld heen en weer van Mietje naar de lade, en van de
+lade naar Mietje, wier geduld onuitputtelijk bleek. Jantje vond haar
+erg zoet, dat ze zoo lang blijven wou en dat hij zoo prettig met het
+busje mocht spelen.
+
+Maar eindelijk was de voorraad centen uitgeput, en daarom begon
+Jantje met de dubbeltjes, die hij in de lade vond. Gelukkig kwam er
+juist een meisje den winkel binnen om een half pond suiker te halen
+en toen ze zag, wat Jantje deed, zei ze:
+
+"Zeg, stoute jongen, dat mag je niet doen." Zij nam Jantje de
+dubbeltjes af, die hij in de hand had, en riep luid:
+
+"Vollek!--Vollek!"
+
+Opeens bleek Mietje haast te krijgen. Zij wenkte Klaas, die
+onmiddellijk den slinger van het orgel in rust bracht, en samen
+vervolgden zij met meer dan gewonen spoed hun tocht. Zij liepen
+zelfs zonder te spelen verscheidene huizen voorbij, en verdwenen in
+een achterbuurtje.
+
+Jantje was echter boos en begon luidkeels te schreeuwen. Maar zijn
+Moeder was nog boozer, toen zij van het meisje vernam wat er gebeurd
+was, en zij gaf Jantje voor zijne broek en zette hem in de woonkamer
+met bevel, dat hij daar den geheelen middag blijven moest. Klaas Touw
+en Mietje kregen, toen zij weer met het orgel kwamen, een geducht
+standje van haar en mochten in geen vol jaar meer aankomen.
+
+"Je hebt wel voor een jaar genoeg gehad," zei Anneke boos, "en 't
+is een schande, dat je het geld aangenomen hebt. Als je fatsoenlijke
+menschen waart, zou je mij gewaarschuwd hebben."
+
+Of Mietje al zei, dat het zoo erg niet geweest was, en dat Jantje
+maar een cent of vijf in het busje had gedaan, 't hielp haar niets.
+
+"Je hebt voor een jaar genoeg gehad, en daarmede is het uit," zei
+Anneke beslist. Boos deed ze de deur voor Mietje's neus dicht.
+
+
+
+
+Vijfde Hoofdstuk.
+
+ Jantje en de school.
+
+
+Jantje bleef zeer voorspoedig opgroeien. De gewone kinderziekten had
+hij al lang achter den rug, verkouden was hij nooit, en voor koorts
+scheen hij geen aanleg te hebben. Hij was buitengewoon levendig van
+natuur, waarvan het gevolg was, dat zijne Moeder hem zelfs met geen
+stok in huis kon houden.
+
+Eerst had zij daartoe wel alle middelen, die haar ten dienste stonden,
+in 't werk gesteld, maar tevergeefs. Toen hij nog erg klein was, volgde
+hij steeds zijn Grootvader als diens schaduw, en dan timmerde hij den
+geheelen dag, maar toen hij een jaar of vier werd, vond hij daar niet
+veel pleizier meer in. Hij ging toen liever de buurt op, en was bijna
+altoos op de smerigste plaatsen te vinden, die er bestonden. Hij zag
+er daardoor gewoonlijk ontoonbaar uit. De modder zat hem dikwijls tot
+in de haren, zijne broek was bijna altoos hier of daar gescheurd,
+en zijn handen zagen zoo zwart als roet. Wel tienmaal op een dag
+greep Anneke hem bij den arm, nam hem mêe naar de keuken, en boende
+hem met groene zeep schoon, waarbij de kleine patiënt gewoonlijk een
+erbarmelijk geschreeuw deed hooren, zoo erg, dat de klanten, die in
+den winkel kwamen, soms dachten, dat er iemand vermoord werd. In die
+meening werden zij dan nog versterkt door de noodkreten van Jantje,
+die op zijn gewonen huilerigen toon niets anders deed, dan schreeuwen:
+
+"Ik wou, dat ik dood was! Ik wou, dat ik dood was! Ik moet ook altijd
+maar gewasschen worden!"
+
+Zijn moeder toonde echter niet het minste medelijden en hield niet op,
+voordat Jantje vanwege de groene zeep blonk als een spiegeltje.
+
+'t Was maar jammer, dat het slechts voor zoo korten tijd hielp. Geen
+tien minuten later zat Jantje weer in de modder te baggeren. Zijn
+voeten waren meestal kletsnat, want hij bewoog zich graag aan de
+slootkanten, om naar de kikkers te kijken en watertorren te vangen.
+
+Toen hij vier jaar oud was, kwam hij voor het eerst met een nat pak
+thuis. Hij had kopje-onder in het water gelegen. Dat gaf een schrik
+bij Anneke, en zij besloot kort en goed hem voortaan in huis te
+houden. Zij sloot hem in den tuin op. Maar dat beviel haar nog veel
+minder, want tot haar schrik zag zij hem 's morgens om negen uur al
+op de vorsten van het schuurtje zitten, en even later kwam hij naar
+beneden tuimelen. Anneke zag het juist gebeuren, en zij dacht, dat
+hij wel dood zou zijn. Zij zat als met lamheid geslagen op haar stoel
+en was niet bij machte om op te rijzen en Jantje te gaan helpen. Dat
+bleek echter ook niet noodig te zijn, want Jantje sprong dadelijk
+overeind en klom weer tegen het schuurtje op. Een poosje later zat
+hij weer op de vorsten. Eerst was hij wel een beetje bleek van den
+schrik, maar dat werd spoedig beter.
+
+Anneke besloot hem niet meer op te sluiten, zoodat Jantje 's middags
+weer in de buurt rondwandelde.
+
+Toen Dik het 's avonds hoorde, moest hij er braaf om lachen, en
+hij zei:
+
+"Wel, wel, kan die hazewindhond zóó klimmen? Kijk Anneke, dat is nu
+iets, wat ik in mijn jeugd nooit heb kunnen doen, omdat ik zoo dik
+was. Ik vind het wel aardig."
+
+Anneke vond het dat niet, en zij klaagde zóó over de zorg, die zij van
+den vroegen morgen tot den laten avond over Jantje had, dat Dik besloot
+hem voortaan, als het goed weer was, maar meê te nemen op den wagen.
+
+Dat was een kolfje naar Jantjes hand. Ha, wat vond hij het prettig
+om naast Vader op den bok van den wagen te zitten. Soms mocht hij
+de leidsels vasthouden of met de zweep klappen. Van slaan was geen
+sprake; dat wilde Dik volstrekt niet hebben. Zelf deed hij het ook
+alleen in bizondere omstandigheden. Het was dan ook werkelijk niet
+noodig, want de hit van Dik kon verbazend hard loopen. Dat beweerde
+Dik niet alleen, maar alle menschen op het dorp zeiden het. Die hit
+was eigenlijk een harddraver en Dik kende geen hit, uren in den omtrek,
+die zoo hard loopen kon als de zijne. Eén ding was maar jammer. De hit
+had namelijk wel eens koppige buien, eene kwaal, die ook andere hitten
+wel met hem gemeen hebben. Als hij in zoo'n booze bui was, bleef hij
+vierkant op den weg staan met de pooten wijd uit elkander. Dan was
+er geen beweging in hem te krijgen. Eerst had Dik zijne toevlucht
+wel eens genomen tot de zweep, hoewel hij daar een geduchten hekel
+aan had, maar 't had hem totaal niets geholpen. Eindelijk was Dik op
+'t idée gekomen om hem een klontje suiker voor den bek te houden, en
+als de hit het pakken wilde, hield hij het weer een eindje verder. Dat
+hielp goed, want de hit hield veel van klontjes, en liep zijn meester
+dan dadelijk na. En onder het smullen vergat hij zijn koppige bui,
+zoodat Dik weer op den bok kon gaan zitten. Als de hit weer eens
+niet voort wilde, nam Dik dadelijk een klontje suiker, en dan was de
+zaak in orde. Maar de hit was slim, en telkens als hij trek kreeg in
+een klontje, bleef hij midden op den weg staan en ging niet verder,
+vóór hij zijn zin gekregen had. Dat gebeurde spoedig wel al een keer
+of tien op een dag, zoodat Dik begreep, dat het niet langer ging. Hij
+gaf den hit geen enkel klontje meer, al bleef hij ook een half uur op
+den weg staan. Zoo leerde het beest langzamerhand zijn snoeplust weer
+af. Maar de koppige buien kwamen telkens terug. Wel niet dikwijls,
+maar toch te veel naar Dik's zin. 't Was overigens een prachtige hit,
+die zijns gelijke niet had in het loopen. Dik hield dan ook bizonder
+veel van hem, en Jantje vond het wát heerlijk, als het lieve paardje
+zoo lustig voor den wagen draafde.
+
+En Dik vond het prettig, als de kleine Jan naast hem op den bok
+zat. Als 't mooi weer was, mocht Jantje altoos met hem mee, en dat
+gaf Anneke heel wat rust. Deze had het trouwens al druk genoeg met
+den winkel.
+
+Eindelijk werd Jantje vijf jaar en toen moest hij naar school. Maar
+daar had hij in 't geheel geen zin in. Het vrije leventje en de
+toertjes met zijn vader bevielen hem veel te goed, en hij hield stijf
+en strak vol, dat hij nooit en nooit naar school wilde.
+
+Toch moest het gebeuren, en Dik bracht hem er zelf heen.
+
+Och, och, wat schreeuwde de kleine baas, en wat deed hij eene moeite
+om los te komen. Maar dat lukte hem niet, want zijn vader hield hem
+stevig vast.
+
+Hij schreeuwde nog, toen hij door de Juffrouw in ontvangst werd
+genomen, en hoeveel moeite zij ook deed om hem tot bedaren te brengen,
+'t hielp haar niets. De andere nieuwelingen keken hem met de grootste
+verbazing aan. Zulk schreeuwen hadden zij blijkbaar nog nooit gehoord.
+
+De Juffrouw werd er zenuwachtig van, en wist eindelijk geen raad
+meer met het kereltje. 't Was haar onmogelijk iets te beginnen,
+want Jantje overschreeuwde haar stem wel tienmaal, zoodat niemand
+haar kon verstaan.
+
+Maar opeens kwam hij tot bedaren, tot groote verwondering en even
+groote blijdschap van de Juffrouw. Hij veegde zijne oogen af met de
+mouwen van zijn jasje, en stak toen parmantig den vinger op.
+
+De Juffrouw lachte hem vriendelijk toe, en vroeg:
+
+"Wel kleine man, wat is er?"
+
+"Juffrouw, wanneer begint de groote vacantie?" vroeg Jantje.
+
+De Juffrouw schoot in een lach, en zei:
+
+"O hé, dat duurt nog een heelen tijd, Jantje. Dat duurt nog wel eene
+maand of drie."
+
+"Vandaag nog niet?" vroeg Jantje, wiens lippen weer zenuwachtig
+begonnen te beven.
+
+"Neen, vandaag nog niet, Jan. Maar dat hindert niet. 't Is hier in
+de school ook wel prettig."
+
+Jantje was dit echter in 't geheel niet met haar eens, wat duidelijk
+bleek uit het feit, dat hij het weer verschrikkelijk op een schreeuwen
+zette. Er kwam geen einde aan.
+
+Jantje kreeg zelfs al spoedig gezelschap, want een paar andere
+nieuwelingen werden door zijn verdriet dermate aangestoken, dat zij ook
+hunne stem verhieven, en met Jantje om 't hardst schreeuwden. Jantje
+keek even om, ten einde te zien, waar die nieuwe geluiden vandaan
+kwamen, en zette daarna de zaak op den ouden voet voort. 't Was
+eindelijk langer niet uit te houden, en de Juffrouw besloot hare
+toevlucht tot krachtige maatregelen te nemen. Zij stapte op Jantje af,
+greep hem bij den arm, en zette hem in den hoek. Maar Jantje schreeuwde
+daardoor niet harder of zachter. De zaak liet hem volkomen koud.
+
+Daarom zette de juffrouw hem in een klein kamertje, dat als boekenkast
+gebruikt werd, en zij deed de deur achter hem dicht. Eerst had zij
+geducht op hem gebromd.
+
+"Dáár dan, stoute jongen," had ze gezegd. "Als jij niet naar verbieden
+wilt luisteren, moet je maar heelemaal alleen in de boekenkast
+zitten. Daar mag je schreeuwen, zoo hard je maar wilt."
+
+Jantje volgde dat bevel echter in 't geheel niet op. Hij vond het in
+die boekenkast heel vreemd, want zóoveel boeken had hij nog nooit
+bij elkaar gezien. En in den achtermuur was een raampje, dat bij
+mooi weer opengezet werd, omdat er anders zoo'n vunzige lucht in de
+kast kwam. Toen Jantje de boeken bekeken had, wat niet lang duurde,
+deed hij het raampje open en klom behendig naar buiten.
+
+Ha, daar in de vrije natuur vond hij het pas heerlijk. Hij veegde de
+laatste tranen van zijn gezicht, stak zijn handen in de broekzakken,
+en zakte zingende op huis af.
+
+Anneke keek wát gek op, toen zij hem om half elf binnen zag komen.
+
+"Mocht jij naar huis toe, Jan?" vroeg ze.
+
+"Ja, Moeder," zei Jan, "de Juffrouw bracht me zelf in een kamertje,
+waar een raam was om er uit te kruipen. O Moeder, dat was zoo'n mooi
+kamertje, allemaal boeken, wel honderd millioen drie honderd duizend
+en nog veel meer."
+
+"In een kamertje met boeken, en een raam, waar je door moest
+kruipen? Dat begrijp ik niet, kind," zei Anneke. "Enfin, 't is al
+half elf. Blijf nu maar thuis."
+
+Dat deed Jantje met het meeste genoegen.
+
+Maar de juffrouw, die na eenige minuten wachtens merkte, dat er geen
+geluid meer uit de boekenkast kwam en daarom besloot Jantje maar weer
+in de klasse te halen, schrikte geducht, toen zij de kast ledig vond.
+
+"Als het kind maar geen ongeluk gekregen heeft!" zuchtte ze. En ze
+stuurde dadelijk een jongen uit de hoogste klasse naar zijn huis,
+om te vragen, of hij daar was.
+
+"Ja, hier ben ik," zei Jantje, nog voordat zijn Moeder gelegenheid
+had gehad iets te antwoorden. "En ik wil nooit meer naar school.--Vast
+niet!"
+
+Juist op dit oogenblik kwam Dik binnen, die even naar de smederij
+van Piet van Dril was geweest, om zijn hit te laten beslaan.
+
+"Wat is er aan de hand, Anneke?" vroeg hij.
+
+En nauwelijks had hij gehoord, wat Jantje gedaan had, of hij pakte
+hem bij zijn arm en bracht hem weer naar school, waar Jantje onder
+een vervaarlijk geschreeuw zijn intocht deed.
+
+"Juffrouw," zei Dik, "als hij niet ophoudt met schreeuwen, mag hij
+nooit meer mee uit rijden. Dat zèg ik en dat méén ik."
+
+Die bedreiging hielp dadelijk. Jantje deed zijn mond dicht en gaf
+geen kik meer, tot groote vreugde van de Juffrouw. Voor Jantje was
+er geen zwaardere straf te bedenken dan dat hij niet meer met zijn
+vader uit rijden mocht.
+
+Toen hij eenmaal tot bedaren gekomen was, zette hij zich met ijver
+aan de studie, en het bleek weldra, dat hij de vlugste van de geheele
+klasse was. Hij kende de letters al, als hij ze nog maar eenmaal
+gezien had, hij schreef het mooist, en hij rekende beter dan iemand
+anders. De Juffrouw vond hem bepaald een vluggertje. Maar omdat hij
+altoos 't eerst met zijn werk gereed was, had hij ook steeds tijd
+over, en dan werd hij ondeugend. 't Duurde dan ook maar kort, of de
+Juffrouw zei altoos, als ze van hem sprak:
+
+"De jongen heeft drie bijzondere eigenschappen: hij is de vlugste,
+de ondeugendste en de magerste jongen van de geheele school."
+
+En dat was ook zoo. Hij deed altoos kattekwaad, als hij zijn werk
+afhad. Naast hem zat Karel van Dril, de zoon van den smid. Jan kende
+hem al lang voor hij naar school ging, omdat hunne ouders zeer bevriend
+waren en dikwijls bij elkaar op visite kwamen.
+
+Karel kon vrij goed leeren, maar met het rekenen had hij het eerste
+jaar nog al moeite. Hij verwarde altijd de 3 met de 8 en de 6 met
+de 9, waardoor de uitkomst natuurlijk niet goed kwam. Ook gelukte
+het hem maar zelden, om een leesbare 5 te schrijven. Als Jantje zijn
+werk al afhad, was Karel nog niet op de helft. En toch deed hij erg
+zijn best. Hij hoorde dan niet eens, wat Jantje hem toefluisterde,
+en eigenlijk hoorde hij zelfs niet, dat er wat tegen hem gezegd werd,
+zoo verdiept was hij dan in zijn werk. Die rekensommen kostten hem
+menigen zweetdroppel, en hij kon er bij zuchten als een stoommachine.
+
+Jantje was dan niet in de mogelijkheid om een gesprek met hem aan te
+knoopen, en moest zich dus op andere wijze zien te vermaken. In den
+knikkertijd speelde hij met zijn knikkers, die hij dan zoo dikwijls
+telde, tot ze eindelijk met groot lawaai op den grond terecht
+kwamen. Dan was Holland in last. Hij raakte zijne knikkers kwijt en
+kreeg nog straf op den koop toe.
+
+Eens in den toltijd had hij zijne tollen zitten bekijken, die hij
+onder de tafel in de handen hield. Eindelijk haalde hij zijn tolsnoer
+te voorschijn en ging er op zijn manier mee zitten hengelen. Dan
+verbeeldde hij zich, dat hij tuk kreeg, en als hij dan ophaalde,
+zag hij er snoeken of karpers aan. Toen hij visch genoeg gevangen
+had naar zijn zin, bedacht hij een ander spelletje. Hij slingerde het
+touw om zijn rechterbeen en om het linkerbeen van Karel, die zoo in
+zijne sommen verdiept zat, dat hij er niets van merkte. En Jantje bond
+de beenen stijf aan elkander. Toen diepte hij zijne tollen weer op,
+om ze voor de honderdste maal nog eens te bekijken. De Juffrouw zag,
+dat hij zat te spelen, en verbood het hem, maar zij was zoo druk
+bezig met hier en daar een achterlijk kind voort te helpen, dat zij
+niet veel aandacht aan Jantje kon wijden. Maar inwendig was zij toch
+wel boos op hem, want zijne lei was al eens met een harden smak op
+den grond gevallen, en nu kwamen plotseling weer al zijn tollen op
+den vloer terecht, tot groot vermaak van de andere jongens, waarvan
+er eenige hardop begonnen te lachen.
+
+Nu werd de wanorde de Juffrouw toch wel wat al te groot. Met forsche
+schreden stapte zij op Jantje toe, greep hem driftig bij den arm en
+wilde hem de bank uittrekken.
+
+"Allo, ondeugende jongen, vóór de klasse! Direct!" En zij trok zoo
+hard, dat Jantje wel mee moest. Maar o wee, zijn rechterbeen zat aan
+het linker van Karel vast, zoodat Kareltje óók mee moest,--tot zijn
+groote verbazing.
+
+"O Juffrouw! Mijn been! Mijn been!" schreeuwde Karel.
+
+"Houd jij je mond!" riep de Juffrouw boos, en zij trok nog harder
+aan Jantjes arm. Jantje viel half de bank uit, en Kareltje volgde
+zijn voorbeeld.
+
+"O Juffrouw, mijn been!--Mijn been zit vast!"
+
+"'t Kan me niets schelen,--vooruit bengel!" riep de Juffrouw.
+
+Maar Jantje kon niet verder. Het blok aan zijn been was te zwaar,
+en de Juffrouw begon eindelijk te begrijpen, wat er aan de hand
+was. Toen werd zij nog veel boozer, vooral toen de andere kinderen
+hun lachen niet konden inhouden. Zij nam haar zakmesje en sneed
+het touw in verscheidene stukken. Jantje werd in den eenen hoek
+gezet, en Kareltje, die dood-onschuldig was aan 't geheele zaakje,
+in den anderen. Maar Karel protesteerde. Hij wou geen straf hebben,
+omdat hij niets gedaan had, en toen de Juffrouw eindelijk goed op
+de hoogte kwam van het gebeurde, vond zij ook, dat hij geen straf
+had verdiend. Hij mocht dus weer gaan rekenen, maar Jantje moest
+schoolblijven, was zijn tolsnoer kwijt, en zag ook zijne tollen,
+die de Juffrouw hem afgenomen had, in de kast verdwijnen.
+
+Toen hij 's middags om half een verlof kreeg om naar huis te gaan,
+vroeg hij met een deemoedig gezicht, of hij asjeblieft zijn tollen
+terug mocht hebben. Maar daar was geen denken aan.
+
+"Met Nieuwjaar!" zei de Juffrouw kortaf. En daar was de zaak meê
+afgeloopen. Jantje had niet erg veel plezier van de grap, want nu
+kon hij 's avonds niet meer met de andere jongens meedoen, als zij
+potje-tolden. En dat deed hij juist zoo graag. Hij was trouwens een
+liefhebber van alle mogelijke spelletjes. Was het in den toltijd,
+dan vond hij dat het prettigste spel van de wereld, was het in den
+knikkertijd, dan vond hij dát weer 't mooist. En zoo ging het met alle
+spelen, die door de jongens werden gedaan. Maar 't állerprettigst
+vond hij toch den sneeuwtijd. Iets heerlijkers was er volgens hem
+niet te bedenken.
+
+Zijn grootvader had voor hem een slee gemaakt, en daar gleed hij elk
+vrij uurtje mede van een hoogen dijk af. Ha, wat ging dat echt. En
+zoo vlug! 't Was net of hij naar beneden viel, maar 't liep altoos
+erg best af. Hij moest wel oppassen, dat hij in zijne vaart niet in
+een sloot terecht kwam, die langs den dijk liep, maar Jantje wist zich
+met zijne klompen zoo netjes te sturen, dat hij altoos vlak langs de
+sloot zijn draai kon nemen. Dat mislukte hem nooit.
+
+Op de speelplaats van de school vermaakte hij zich met het gooien
+van sneeuwballen. Ieder, dien hij maar raken kon, kreeg er een tegen
+zijn muts of in zijn hals, en dan had Jantje de grootste pret. Maar
+dan kreeg hij ook rijkelijk zijn portie terug, want de andere jongens
+lieten zich niet ongestraft bekogelen.
+
+Toch hadden zij het tegen Jantje altijd kwaad te verantwoorden, want
+hij was zeldzaam vlug in zijne bewegingen en kon best mikken. Bovendien
+zorgde hij er steeds voor, een goeden voorraad sneeuwballen in zijn
+broekzakken te hebben, zoodat hij ze, als de nood aan den man kwam,
+maar voor het grijpen had. Dan vlogen de kogels den jongens als het
+ware om de ooren, en meestal eindigde het gevecht met een smadelijke
+vlucht van zijne tegenstanders. Eens op een avond echter, om vier
+uur, toen hij uit de school naar huis ging, kreeg hij onverwachts
+met zooveel kracht een sneeuwbal achter in zijn nek, dat hij niet kon
+nalaten au te roepen. 't Deed hem dan ook geducht pijn, want 't was
+een verbazend harde sneeuwbal geweest, veel harder, dan hij ze ooit
+gooide. 't Was eigenlijk een valsche streek, en toen hij omkeek, zag
+hij dat een jongen uit de buurt de dader was. Die jongen heette Klaas
+Zwart, en stond niet al te gunstig onder zijne kameraadjes bekend.
+
+Jan zag, hoe Klaas er om lachte, dat hij hem zoo geducht geraakt had,
+en hij werd er erg boos om.
+
+"Dat is valsch, leelijkerd," riep hij Klaas toe. "Jij gooit met
+sneeuwballen, waar een steen in zit. Maar ik zal het je betaald zetten,
+wacht maar!"
+
+"'t Is nietes!" riep Klaas terug, zich op een eerbiedigen afstand
+houdende, "er zat geen steen in."
+
+"Kom op als je durft!" schreeuwde Jantje hem toe, wiens nek prikkelde
+van de pijn. Het koude water liep hem langs zijn ruggestreng.
+
+Maar Klaas durfde niet. Hij bleef op eenigen afstand staan, gereed
+om te vluchten.
+
+"Lafaard!" riep Jantje. "Kom op, als je durft.--Je durft niet, hè,
+daar ben je te bang voor! Leelijke gluiperd!"
+
+Hij keerde zich verontwaardigd om en liep naar huis.
+
+Maar den volgenden morgen ging hij vroeg naar de speelplaats, maakte
+een flinken voorraad sneeuwballen, die hij als kogels op elkander
+stapelde, en stopte toen ook nog zijn broekzakken vol sneeuwballen
+voor het geval, dat Klaas op de vlucht mocht slaan, en hij hem dus
+achtervolgen moest. Zoo gewapend wachtte hij de komst van zijn vijand
+af. Zijne broekzakken puilden wijd uit van de sneeuwkogels, en hij
+kon er veel in zijn zakken bergen, want hij had wijde broekspijpen,
+en zijne dunne beentjes namen niet veel plaats in.
+
+Eindelijk verscheen Klaas op de speelplaats.
+
+Maar hij was op zijn hoede, want hij vertrouwde Jantje niet erg. Hij
+kreeg hem dan ook al spoedig in het oog, en meende hem door een
+vriendelijk praatje wat zachter te stemmen. Er waren nu al verscheidene
+jongens op het plein.
+
+"Zoo Jan," riep hij zijn vijand toe, "ga je van middag mee op mijn
+slee?"
+
+"Op je gezicht kun-je krijgen," riep Jantje terug. "Kom op, als je
+durft, dan zullen wij sleden!"
+
+"Hij durft niet!" riepen de andere jongens lachend, toen zij zagen,
+dat Klaas bleef staan. "Hè, wat een bangerd! Kijk hem nu eens staan,
+zoo'n hufter!"
+
+"Toe dan, Klaas, kom op!" tartte Jantje. Hij nam een sneeuwbal van
+zijn stapel, en wierp hem Klaas vlak in 't gezicht. Zijn neus zat
+dik onder de sneeuw, en Klaas kreeg er sterretjes van voor zijne oogen.
+
+"Lekker zoo! Goed zoo!" riepen de jongens. "Geef hem zijn portie, Jan!"
+
+"Flap!"
+
+Daar kreeg Klaas den tweeden, ditmaal tegen zijne muts, die hem van
+het hoofd vloog, tot groote pret van de jongens, die in het rond
+sprongen van pleizier. Want zij hielden niet erg van Klaas.
+
+Maar Klaas werd nu toch woedend, en hij vergat zijne vrees.
+
+Vlug bukte hij zich om een sneeuwbal te maken, doch voordat hij
+daarmede gereed was, kreeg hij er een van Jan tegen zijn linkeroor.
+
+Toen wierp Klaas er Jan een tegen zijn schouder, maar hij kreeg er
+dadelijk wel drie voor terug.
+
+"Houd-je goed, Jan, toe maar!" schreeuwden de jongens.
+
+'t Werd een verwoed gevecht, en Klaas verweerde zich dapper, maar
+hij verkeerde in veel ongunstiger omstandigheden dan Jantje, daar
+deze de ballen al gereed had liggen.
+
+Jantje nam er een stuk of vier in zijne hand, en vloog op Klaas
+af. Maar dat was Klaas te veel, en hij zette het op een loopen.
+
+Jan hem achterna.
+
+"Daar gaat hij loopen!" schreeuwden de jongens. "Houd-je goed, Jan!"
+
+Klaas liep, wat hij loopen kon, en Jan volgde hem op de hielen.
+
+Telkens voelde Klaas een sneeuwbal tegen zijn achterhoofd of in zijn
+nek terechtkomen, en 't huilen stond hem nader dan het lachen.
+
+Tot opeens Jantje misgooide, en zijn sneeuwbal in een ruit van de
+school terecht kwam. De scherven vielen rinkelend naar beneden,
+en op 't zelfde oogenblik kwam de hoofdonderwijzer naar buiten, die
+Jantje bij zijn kraag pakte en hem in een hoek van de school zette,
+niet ver van de kachel.
+
+"Jij blijft om twaalf uur wachten, hoor baasje!" zei de meester. "Ik
+moet je dan eens vragen, hoeveel geld je wel in je spaarpot hebt. 't
+Is er nu te laat voor, want de school gaat aan."
+
+Inderdaad werden de deuren geopend en de kinderen binnengeroepen.
+
+De Juffrouw kwam naar Jantje toe en bromde ook op hem.
+
+"Stoute jongen," zei ze, "moet jij hier de glazen ingooien? Je bent
+niet bij je moeder thuis."
+
+"Daar mag ik het ook niet doen, Juffrouw," zei Jan op deemoedigen toon,
+en de Juffrouw begreep, dat zij zich niet al te juist had uitgedrukt.
+
+"Houd je mond, brutale jongen," zei ze.
+
+Ze ging voor de klasse staan en begon met hare werkzaamheden.
+
+Jantje vond het niet prettig in dien warmen hoek bij de kachel, want
+hij leerde veel liever met de andere leerlingen mêe, en bovendien
+was hij al erg warm van het sneeuwballen zoodat hij het bij de heete
+kachel bijna niet kon uithouden. Deze stond dan ook rondom gloeiend,
+want ze was nog niet lang geleden aangelegd, en het lokaal moest
+eerst door en door verwarmd worden. Jantjes handen begonnen al gauw te
+tintelen, zoo erg, dat hij er bleek van werd. Maar dat ging spoedig
+over, en Jantje voelde zich al weer wat lekkerder worden, toen hij
+opeens een onaangenaam gevoel langs zijne beenen kreeg. 't Was net,
+of er een straaltje koud water langs liep.
+
+Eerst begreep hij niet, wat dat wezen kon, maar toch voelde hij het
+duidelijk. 't Liep langs zijne dijen, passeerde zijne knieën en kwam
+eindelijk in zijne kousen terecht.
+
+Al spoedig snapte hij, wat er aan de hand was. 't Waren de
+sneeuwballen, waarmede hij zijne broekzakken had gevuld, die bij
+de heete kachel langzaam begonnen te smelten. Hij voelde, dat zijne
+kousen nat werden, en hij begreep, dat het zaakje leelijk voor hem
+kon afloopen. Hij hoopte echter, dat de sneeuwballen niet zóóveel
+water zouden geven, dat het de aandacht van de Juffrouw zou trekken.
+
+Doch onophoudelijk liepen kleine straaltjes water langs zijne dunne
+beentjes naar beneden, en toen hij zijne voeten even verzette, merkte
+hij, dat zijne kousen al kletsnat waren.
+
+Angstvallig hield hij zijn blik op zijne voeten gericht. En waarlijk,
+daar zag hij tot zijn grooten schrik, dat er zich rondom zijne voeten
+een klein meertje begon te vormen, dat langzaam maar zeker grooter
+werd. 't Nam steeds in omvang toe, zoodat Jantje zich hoe langer hoe
+minder op zijn gemak voelde.
+
+Gelukkig was de Juffrouw met zooveel ijver aan het werk, dat zij Jan
+geheel vergeten was.
+
+Eindelijk was de plas rondom Jan zóó groot geworden, dat hij de
+aandacht trok van Klaas Zwart, wiens haren nog druipnat waren van de
+sneeuwballen, waarop Jan hem had getracteerd. Nauwelijks had hij hem
+gezien, of hij stak met veel bombarie zijn vinger op, en riep:
+
+"Juffrouw! Juffrouw! Jan Trom heeft wat op den grond gedaan!"
+
+Die tijding gaf eene heele opschudding in de klasse. De kinderen
+gingen half in de banken staan en rekten de halzen, om goed te
+kunnen kijken. En de Juffrouw keerde zich om en keek heel vies naar
+de plaats, waar Jantje stond met beschaamde kaken. Hij zag rood tot
+achter zijne ooren.
+
+"Vieze jongen!" riep de Juffrouw hem toe. "Waarom heb je me niet
+gewaarschuwd?"
+
+"'t Is niet waar, Juffrouw!" riep Jan, huilend van verontwaardiging
+"Ik had sneeuwballen in mijn zak, en die zijn bij de heete kachel
+gesmolten."
+
+En om te bewijzen, dat hij de waarheid sprak, stak hij zijn handen
+in de zakken, en dolf er de half gesmolten kogels uit op.
+
+De Juffrouw schoot in een geweldige lachbui, en de kinderen moesten
+ook zoo lachen, dat zij bijna niet tot bedaren konden komen.
+
+Jantje mocht naar huis om droge kleeren aan te trekken.
+
+Zijn vader keek hem eerst heel boos aan, toen hij hem zoo tusschentijds
+zag binnenkomen, maar toen hij hoorde, wat er gebeurd was, moest hij
+er ook smakelijk om lachen, en hij vertelde het aan alle klanten,
+die dien dag in den winkel kwamen.
+
+Toen Jan 's middags weer naar school ging, gaf zijn vader hem de
+opdracht om eerst naar den glazenmaker te gaan en hem te verzoeken,
+de gebroken ruit door een andere te vervangen. Zoo liep dat zaakje
+voor Jantje nog al goed af. Maar op Klaas Zwart was hij meer dan boos,
+want hij vond hem een valschen jongen en een laffen klikspaan.
+
+
+
+
+Zesde Hoofdstuk.
+
+ Jantje wordt jarig en krijgt mooie cadeaux.
+
+
+Jantje zou voor den achtsten keer jarig worden. Zijn vader had hem
+beloofd, dat hij den volgenden morgen een prachtig cadeau van hem
+zou krijgen, maar van die belofte had hij later erg veel spijt, want
+Jantje wilde met alle geweld weten, welk cadeau dat was, en hij hield
+niet op met zeuren.
+
+Zijn Vader wilde het echter niet zeggen.
+
+"Morgenochtend zul-je het wel zien," zei Dik.
+
+"Is het mooi?" vroeg Jantje.
+
+"Erg mooi," was het antwoord.
+
+"Erg prachtig mooi?" hield Jantje vol, wiens oogen schitterden van
+nieuwsgierigheid.
+
+"Ja," lachte zijn Vader, "erg prachtig mooi. Zóó mooi, zóó mooi,
+dat er niets mooiers op de wereld te bedenken is."
+
+"Waar lijkt het op?" vroeg Jan polsend.
+
+"Op onzen hit," zei zijn vader.
+
+"O, zeker een paardje op wieletjes?" zei Jantje met een opgetrokken
+neus. "Dát is niet mooi, Vader, veel te kinderachtig. Toe Moeder,
+zegt u me maar, wat het is.--Toe."
+
+"Neen Janneman, dat zeg ik niet," zei zijne moe. "Morgenochtend zul je
+'t wel zien."
+
+Jantje zeurde nog geruimen tijd door, maar toen hij zag, dat hij
+zijn doel daarmede niet bereikte, zette hij het op een schreeuwen op
+eene geweldige manier. De ondervinding had hem geleerd, dat dit een
+beproefd middel was.
+
+Maar dezen keer hielp het hem van den wal in de sloot, want het
+begon zijn vader al spoedig te vervelen. Hij pakte Jantje bij zijn
+kraag, deed het kelderluik in den winkelvloer open, en stopte Jantje
+doodbedaard onder den grond.
+
+"Zie zoo, kereltje," zei Dik, "daar mag je schreeuwen, zoo lang en
+zoo hard je maar kunt. Ga je gang maar."
+
+Jantje vond het een afdoend geneesmiddel, en jammerde:
+
+"Ik wil naar bed! Ik wil naar bed!"
+
+"'t Is nog maar half zes!" zei zijn vader.
+
+"'t Doet er niet toe, 'k wil tóch naar bed, dan is het veel gauwer
+morgenochtend!" schreeuwde Jantje.
+
+"Ook al goed!" zei Dik.
+
+Vijf minuten later lag Jan onder de dekens, en een kwartier later
+sliep hij als eene roos.
+
+Om elf uur gingen Dik en Anneke naar bed, maar zij hadden pas den
+slaap te pakken, of Jantje werd wakker en dacht direct aan zijn cadeau.
+
+"Vader!" riep hij zoo hard hij kon,--"Vader, wat krijg ik nu van
+u? Ik ben jarig!"
+
+"Een pak voor je broek, als je niet dadelijk je mond houdt," zei Dik,
+die het lang niet prettig vond, dat hij wakker gemaakt werd. "De
+nacht begint pas. Ga maar weer slapen."
+
+Met een zucht kneep Jantje zijne oogen weer dicht, en hij sliep ook
+waarlijk in, maar 't duurde slechts kort. 't Was nog vóór twaalven,
+toen hij opnieuw wakker werd. Nu zou het stellig toch wel morgen wezen,
+dacht hij.
+
+Hij liet zich vlug van zijn bed glijden, ging naar het bed, waar zijn
+ouders sliepen, en trok zijn vader aan zijn neus.
+
+"Hei, ho, wat is dat?" riep Dik verschrikt uit, want hij vond het
+een vreemde manier om gewekt te worden.
+
+"Vader, ik ben jarig!" riep Jantje hem toe. "Welk cadeau krijg ik
+nou van u?"
+
+Maar zijn vader werd terdege boos.
+
+"Ga naar je bed, deugniet, en als ik vannacht je geluid weer hoor,
+krijg je morgen niets, hoor je, heelemaal niets! Allo, pak je weg,
+naar je bed. En je geeft geen kik meer, versta-je?"
+
+Jantje maakte aanstalten om weer te gaan schreeuwen, maar Dik zei
+knorrig:
+
+"Wou je liever in den kelder onder den winkelvloer?"
+
+Neen, dat kon Jantje in 't geheel niet bekoren, en hij maakte gauw,
+dat hij weer in zijn bed kwam.
+
+Maar den slaap kon hij niet meer vatten; hij was dan ook veel te
+vroeg naar zijn bed gegaan. Hij deed niet anders dan zuchten, en vond,
+dat de nacht vreeselijk lang duurde.
+
+"Er komt nooit een einde aan," mompelde hij zacht. "Weet je wat, ik
+ga tot duizend tellen. Karel van Dril zegt, dat je dan altijd vanzelf
+in slaap valt. Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen,
+tien, ik ben toch nog wakker. Bij mij helpt het niet. Zeventien,
+achttien, negentien, twintig, wat zou het toch voor een cadeautje
+wezen? Ik denk van een bromtol, zeven en tachtig, acht en tachtig,
+negen en tachtig, of een zak met knikkers, negen en negentig, honderd
+hè, hè, nu ben ik al aan honderd, en ik slaap nog niet. Honderd en
+een, honderd en twee, hè, ik wou dat ik een zak met tachtig knikkers
+kreeg, een en tachtig, twee en tachtig, drie en tachtig, hò, dat is
+fout, want nu ben ik nog maar aan drie en tachtig, en een heele poos
+geleden was ik al bij honderd,--dan maar van voren af: een, twee,
+drie, knikkers, knikkers, een, twee, bromtol, knikkers, zes, drie,
+zeven, ... twee, jarig, zes..."
+
+Jantjes oogen vielen dicht en hij sliep weer. En hij droomde, dat hij
+een mooien bromtol kreeg, die prachtige muziek kon maken. Hij nam een
+touwtje, wond den tol op, en trok hem af. Hà, wat stond hij prachtig,
+en er kwam muziek uit, precies als uit het orgel in de kerk of het
+draaiorgel van Klaas Touw. En opeens nam hij een sprongetje en ging
+bovenop den kop van den tol zitten, en draaide uit alle macht in de
+rondte. Jongen, wat ging dat mooi, 't werd hem geel en groen voor de
+oogen, en de tol wist niet van ophouden, leek het wel. Maar eindelijk
+begon hij toch langzamer te draaien, toen waggelde hij eenige keeren,
+zoodat Jantje zijn evenwicht bijna niet bewaren kon, en plof, daar
+viel de tol om, en Jantje tuimelde op den grond....
+
+Met een kreet van schrik werd hij weer wakker, en tot zijn spijt
+voelde hij, dat hij nog in zijn bed lag, dat zijn tol verdwenen was,
+en dat het nog al geen dag werd.
+
+Maar dat laatste kon hij toch niet gelooven.
+
+"Neen," zei hij zacht, "'t is bepaald al lang dag, en 't is hier
+alleen zoo donker, omdat de luiken dicht zijn. Vader verslaapt zich
+zeker. Weet je wat, ik zal heel stilletjes de luiken opendoen,
+zóó stil, dat vader en moeder het niet hooren. En als dan de zon
+naar binnen schijnt, zal ik Vader roepen, en wat zal hij dan vreemd
+opkijken."
+
+Zoo gezegd, zoo gedaan.
+
+Jantje kroop stil zijn bed uit, liep op zijn bloote voeten naar het
+raam, en stootte zijn kleinen teen zoo hard tegen den poot van de
+tafel, dat de tranen hem in de oogen sprongen.
+
+"Au!" riep hij binnensmonds, en zijn vader werd er half wakker
+van. Deze draaide zich in zijn bed om.
+
+Jantje liet zich daardoor echter niet afschrikken.
+
+Hij ging verder en kwam bij het raam. Daar zocht hij naar het luik,
+en duwde het open. Maar 't bleef donker in de kamer; het was tot zijne
+groote spijt blijkbaar nog nacht. Hij besloot, onder het slaken van
+een diepen zucht, maar weer naar zijn bed terug te keeren, doch op
+den terugtocht schoof hij zijn vaders glazen aschbak van de tafel,
+zoodat dit voorwerp met veel lawaai op den grond terecht kwam, en in
+scherven uit elkander spatte.
+
+Jantje bleef van schrik stokstijf staan, en zijn ouders, die niet
+begrepen wat dit geraas midden in den nacht beteekenen moest, vlogen
+in hun bed overeind.
+
+Met een wip stond Dik op den vloer, waar hij bijna over Jantje
+struikelde, die het hazenpad wilde kiezen en vlak voor zijn vaders
+beenen liep. Toen begreep Dik, wat er eigenlijk aan de hand was. Hij
+greep op goed geluk rondom zich, om Jantje te pakken, en riep:
+
+"Jongen, ben je nu alwéer uit je bed?" Maar Jantje had zich zoo vlug
+als hij kon uit de voeten gemaakt, en lag alweer onder de dekens.
+
+"Neen Vader," zei hij, "ik ben hier."
+
+Toen moest Dik wel lachen, of hij wilde of niet.
+
+"Ja, nú ben je weer in je bed, maar zoo pas liep je nog hier in de
+kamer. Ga toch slapen, en houd ons niet den heelen nacht wakker. Als
+ik je wéér hoor, eet ik het cadeau zelf op, en dan krijg je niemendal!"
+
+"Opeten, Vader?" vroeg Jantje verschrikt. "Kan het dan opgegeten
+worden?"
+
+"O ja," zei Dik, terwijl hij weer in zijn bed stapte, "'t Smaakt wat
+lekker, en als ik je weer hoor, krijg je er niets van."
+
+"En 't lijkt op een hit?" zei Jan spijtig. "Dat heeft u zelf gezegd."
+
+"Nu jongen, een hit kun-je toch ook opeten!" riep Dik terug. "Maar
+ga nu slapen, en laat je geluid niet meer hooren."
+
+Jantje zweeg. Hij was verdrietig, omdat hij geen mooien tol kreeg,
+of een zak met knikkers.
+
+"Iets lekkers, bah, wat heb-je daar nu aan?" dacht hij.
+
+De koele nachtlucht had hem huiverig gemaakt, en de warmte van het
+bed deed hem behaaglijk aan. Hij stopte zich lekker toe, en sliep
+werkelijk na een poosje weer in. Maar om vier uur werd hij weer wakker.
+
+Hij stak zijn hoofd buiten de gordijnen, om te kijken of het licht
+al door de half openstaande luiken drong, en hij zag, dat het nog
+altijd nacht was.
+
+"Moe,--Moeder!" riep hij zacht.
+
+Maar er volgde geen antwoord.
+
+"Moeder!--Moeder!" klonk het wat harder.
+
+Moeder sliep door.
+
+"Moeder!--Moeder!--Is het nóg nacht," riep Jantje met luider stem.
+
+Zijne ouders werden er wakker van, en Dik maakte zich boos.
+
+"Daar heb je dien drommelschen jongen alweer!" riep hij uit. "Wat
+wil je toch?"
+
+"De nacht duurt zoo lang!" huilde Jantje. "Wil u de luiken vast
+openzetten? 't Is al lang dag, geloof ik. De klok gaat achter."
+
+"En de zon zeker ook," zei Dik. "Ga lekker slapen, jongen, dan is het
+morgen vóór je het weet. Wel te rusten, Jan, en je mond houden, hoor."
+
+"Wel te rusten," zei Jantje met een snik en een zucht.
+
+Nu kon hij echter den slaap in 't geheel niet meer vatten, en hij
+verveelde zich schrikkelijk. Wel tienmaal begon hij tot duizend te
+tellen, maar telkens raakte hij in de war, en eindelijk gaf hij het
+op. Hij ging voor tijdverdrijf spelletjes doen. Eerst stak hij zijn
+voeten zoo hoog mogelijk in de lucht, met de dekens er overheen.
+
+"Nu is het een hooge berg," dacht hij. "Wacht ik zal er een man boven
+op zetten, dan kan hij ver zien."
+
+Hij liet zijn voeten zakken, en legde zijn kussen er op. Toen stak
+hij het heele gevalletje voorzichtig in de hoogte, maar de man viel
+telkens van den hoogen berg af, en kwam hem eenmaal precies op zijn
+hoofd te liggen.
+
+Eens bleef de man boven op den berg, en toen liet Jan den berg
+instorten, zoodat de man geheel bedolven werd.
+
+"Nu is hij morsdood," zei Jan. "Wacht, ik zal stil een stoel in mijn
+bed halen. Dat is veel leuker."
+
+Hij kroop voorzichtig uit zijn bed, greep een stoel, en klom er weer
+heel zacht in. Zijn ouders hadden er niets van gemerkt. Hij legde
+den stoel voorover, en ging er op zitten.
+
+"Huup hit," zei hij. "Nu draven, zoo hard je kunt."
+
+Hij hobbelde met den stoel op en neer, en hij verbeeldde zich, dat
+hij op den hit van zijn Vader zat, en dat hij aan het harddraven was.
+
+Soms gaf hij hem van achteren met zijn vlakke hand een harden klap
+op de sporten.
+
+"Au," zei Jantje, want het deed hem pijn, en hij likte zijne hand af,
+omdat de pijn daardoor gauwer beter werd.
+
+Toen zette de hit het op een loopen.
+
+Met twee handen had Jantje de leuning te pakken, en hij hobbelde op
+en neer. In zijne gedachten reed hij in vliegenden galop langs den
+weg, en telkens gaf hij zijn harddraver een klap op de sporten. De
+hit vloog hoe langer hoe harder, maar opeens begon hij te steigeren.
+
+"Ha," mompelde Jantje, "hij krijgt weer eene koppige bui! Wacht,
+ik zal hem leeren!"
+
+Hij sloeg met beide handen op de houten ribben van zijn harddraver,
+greep daarna de leuning, en trok den stoel daaraan in de hoogte.
+
+O, o, wat steigerde dat beest woest!
+
+"Huupla," schreeuwde Jantje opeens, want hij verkeerde in hevige
+geestvervoering. Zijn vader draaide zich onrustig om in zijn bed. Hij
+werd er half wakker van.
+
+Jantje trok de leuning nog meer in de hoogte. De hit stond toen als het
+ware loodrecht op zijn achterste pooten, en Jantje verbeeldde zich,
+dat hij hem kwaadaardig hoorde brieschen. De hit nam een geweldigen
+sprong, en bommerdebom, daar viel Jantje met hit en al uit zijn bed
+op den grond. Dat gaf een lawaai!
+
+"Heeremenschen!" gilde Anneke, die verschrikt opvloog. "Daar valt
+het huis in! Dik, Dik, het huis valt in. Jantje ligt er onder. Hoor
+me dat kind eens gillen!"
+
+Dik was ook verschrikt, en hij haastte zich op te staan. Vlug schraapte
+hij een lucifer aan en stak de lamp op. En wat zag hij?
+
+Jantje lag op den vloer met een stoel half over zich heen, en daarop
+lag het kussen, dat den hit in zijn val gevolgd was.
+
+En Jantje schreeuwde moord en brand, zoowel van schrik als van angst,
+want hij was erg bang, dat zijn vader hem nu wel voor zijn broek zou
+geven. Hij twijfelde daar zelfs niet aan.
+
+Maar Dik kon onmogelijk boos blijven op zijn zoontje, en hij moest
+er braaf om lachen, toen hij hem daar zag liggen.
+
+"Wat voer je toch uit, jongen?" vroeg hij. "Je doet niet anders dan
+spoken, en houdt ons den heelen nacht wakker."
+
+"O Vader," schreeuwde Jantje, want hij vreesde altoos nog een beetje,
+dat zijn Vader hem straffen zou, "ik was aan 't paardje-rijden op
+onzen hit, en toen steigerde hij zoo,--o, o, o, en toen vielen we
+alle twee het bed uit."
+
+Toen moest Dik nog meer lachen, en Anneke lachte van den weeromstuit
+meê. Dik pakte zijn zoontje op, en legde hem in bed.
+
+"Zie zoo, nu ga je maar weer slapen, hoor. Ik zal je wel roepen,
+als het dag wordt. Wel te rusten."
+
+"Wel te rusten," zei Jantje. "Maar dit weet ik wel, dat een nacht
+véél en véél langer duurt, dan een dag."
+
+Een half uurtje later werd Dik alweer wakker gemaakt.
+
+"Vader!--Vader!" hoorde hij roepen.
+
+"Jongen, wat verveel je me vannacht," was zijn antwoord. "Wat is er
+nu weer?"
+
+"Vader, komt de zon vast elken morgen weer op?" vroeg Jantje met iets
+twijfelmoedigs in zijne stem.
+
+"Wel ja, Jan, vast en zeker, hoor! Als je maar geduld hebt."
+
+"Maar Vader, is-ie nog nooit eens weggebleven?"
+
+"Neen, nog nooit," zei Dik met een zucht. "Kijk maar door het raam. 't
+Wordt nu ook al wat lichter. Als je nog een uurtje geslapen hebt,
+is de nacht om, en dan ben je jarig. Over een uur zal ik je roepen."
+
+"Ja Vader," zei Jan, en hij begon nog maar eens tot duizend
+te tellen. Maar 't hielp hem niets, hij kon den slaap niet meer
+vatten. Och, och, wat duurde dat uur hem lang. Hij luisterde naar het
+tikken van de hangklok, tot hij opeens meende, dat zij stilstond. Hoe
+hij ook luisterde, hij merkte het eentonige getik niet meer op. Toch
+ging de klok nog wel, want een poosje later hoorde hij het weer.
+
+Eindelijk was het uur om, en sprong hij uit bed.
+
+"Vader," riep hij luid, "nu ben ik eindelijk dan toch echt jarig. Toe
+Vader, wat krijg ik nu van u?"
+
+"Ja jongen, je hebt me van nacht schrikkelijk verveeld, maar nu ben
+je echt jarig, en ik feliciteer je wèl."
+
+Dik stond op en nam Jantje in zijn armen, en kuste hem op allebei
+zijn wangen. En toen gaf hij hem aan Anneke, die hem niet minder
+hartelijk pakte.
+
+Dik kleedde zich spoedig aan, en zei:
+
+"Kom meê, Jan, dan krijg je je cadeau. Ik hoop maar, dat het je
+bevallen zal."
+
+Jan beefde van blijdschap en nieuwsgierigheid.
+
+"Kan ik het echt opeten?" vroeg hij.
+
+"Neen, dat was maar gekheid," zei Dik, terwijl hij Jantje bij de hand
+pakte en hem meenam naar den stal. Hij opende de deur, en stapte met
+zijn zoontje binnen.
+
+En wat zag Jan daar?
+
+Hij kon zijne oogen niet gelooven, want daar, vlak naast den hit,
+stond een prachtige, bonte bok, met twee groote horens op zijn kop
+en een lange sik aan zijn kin.
+
+"Die bok!" riep Jantje verrukt uit. "Is die bok voor mij?"
+
+"Ja, die bok is voor jou," zei Dik lachend, en hij zag met innige
+blijdschap, hoe gelukkig dit geschenk zijn zoontje maakte.
+
+Jan sprong als een kleine dolleman in 't rond, en hij klapte in
+de handen.
+
+"O, dank u, dank u!" riep hij uit. "O, o, wat een mooie bok is
+dat. Kijk eens, hij heeft prachtige horens!"
+
+"Ja, hè?" zei Dik.
+
+"En een sik!" ging Jan voort.
+
+"Bè, bè, bè-è-è-è!" blaatte de bok.
+
+Jantje's vreugde kende geen grenzen.
+
+"O, hoor eens, hij kan schreeuwen ook. O, wat eene mooie stem,"
+riep Jan opgetogen.
+
+In de vreugde zijns harten liep hij op den bok toe en wilde hem zijne
+armen om den nek slaan, maar de bok scheen daar niet van gediend,
+want hij ging op zijne achterpooten staan, stak den kop omlaag en
+drukte zijn groote, kromme horens zoo stevig tegen Jans smalle buikje,
+dat Jantje achterover tegen het houten beschot terecht kwam.
+
+"O, dat mag hij wel doen," zei Jantje, die in zijn bok allerminst
+eenige kwade eigenschap wilde ontdekken. Maar toch kroop hij schielijk
+overeind en maakte zich uit de voeten.
+
+"Toe Vader, mag hij eens uit den stal komen?" vroeg hij, want dáár
+kon de bok hem niet tegen een muur stooten.
+
+"Wel zeker," zei Dik, die het wel grappig gevonden had, toen de bok
+zijn zoontje zoo onvriendelijk ontving.
+
+Hij maakte den bok los en bracht hem in den tuin. Eigenlijk was de
+tuin alleen bleekveld. Hij was rondom door schuren omringd, behalve
+aan den achterkant, waar zich een breede sloot bevond. Jantje mocht
+daar soms wel eens graag hengelen.
+
+Toen de bok den stal verlaten had en rondom zich het welige gras
+ontdekte, begon hij dadelijk te grazen. Jantje ging bij hem staan,
+en streelde hem met zijne hand langs den nek.
+
+Hij was méér dan blij met zijn verjaargeschenk; hij had wel kunnen
+gieren van blijdschap. De bok liet hem stilletjes begaan, ook toen
+Jan hem zijn arm om den hals sloeg.
+
+"Wat is hij mak, Vader," zei hij.
+
+"Ja, daar heb ik hem ook op gekocht," zei Dik. "'t Moet een mak beest
+zijn, en een flink looper."
+
+"Hè ja, nu moest ik ook nog een wagen hebben," zei Jantje
+begeerig. "Wat zou ik rijden."
+
+Vol teederheid liet hij zijn beide handen langs het lichaam van zijn
+bok glijden, en hij streelde het korte staartje. De bok scheen het in
+'t geheel niet onpleizierig te vinden, en deed niet anders dan eten.
+
+"Zou ik er zoo ook op kunnen rijden?" vroeg Jantje.
+
+"Wel ja, ik denk het wel," zei Dik. "Hij is sterk genoeg, en zal niet
+in tweeën breken."
+
+Dat vond Jantje heerlijk, en met een wip sprong hij op den bok. Maar
+deze vond het allesbehalve prettig. Hij sprong met zijn achterpooten
+in de hoogte, om Jantje van zijn rug af te gooien, en toen dat niet
+hielp, sprong hij met de voorpooten omhoog.
+
+Vader Dik schaterde het uit van de pret.
+
+"Houd je goed, Jantje", riep hij zijn zoontje toe. "Laat je niet van
+de vliegen steken!"
+
+"Be, bè, bè-è-è-è!" schreeuwde de bok nijdig. Het beest was meer dan
+kwaad. Opeens nam hij een grooten sprong, zoodat Jantje toch haast van
+zijn rug afviel, en zette het op een loopen. Met echte bokkesprongen
+holde hij het bleekveld over. 't Ging vliegensvlug, en Jantje vond
+'t razend prettig. Zijn Vader ook. Die moest er onbedaarlijk om lachen.
+
+De bok was echter op een hem onbekend terrein, en daar hij te kwaad
+was om goed uit zijn oogen te kijken, sprong hij opeens pardoes in
+de sloot. Dat gaf een plons van belang, en voor een oogenblik waren
+èn bok èn berijder onder 't water verdwenen.
+
+Toen lachte Dik niet meer. Integendeel, een hevige schrik maakte
+zich van hem meester, en hij ijlde naar den slootkant. Maar daar zag
+hij niets.
+
+Ja toch, er verscheen een hoofd boven water....
+
+Helaas, 't was de kop van den bok. 't Kroos zat hem aan de groote
+kromme horens.
+
+"B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!" blaatte hij angstig.
+
+"Jantje! Jantje!" schreeuwde Dik.
+
+Daar verscheen ook Jantje's hoofd boven de oppervlakte.
+
+"Vader, ... help, ... ik ... hik, hik, ... ik, hik verdrink!"
+
+Dik bukte zich en greep Jantje bij de haren.
+
+"B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!" schreeuwde de bok.
+
+Dik trok zijn zoontje op den wal. Daar stond het kereltje, druipend
+van het water.
+
+"O Vader, m'n bok! M'n bok!" jammerde Jantje.
+
+Dik boog zich nogmaals, en greep met beide handen de horens van den
+bok. 't Kostte hem echter vrij wat moeite om het beest op den wal te
+krijgen, doch het gelukte hem toch.
+
+Jantje werd naar binnen gestuurd, om droge kleeren aan te trekken,
+en de bok moest in den stal.
+
+Moeder Anneke was ook niet weinig geschrokken, want zij had het
+angstgeschreeuw duidelijk gehoord. Zij stond op,--want dat alles
+gebeurde zeer vroeg in den morgen--en hielp Jantje aan droge kleeren.
+
+De kleine vent stond te bibberen van de koû, maar hij was toch erg
+blij met zijn bok.
+
+"B-b-b-b-b--wat een b-b-b-b--mooie b-b bok, Moeder," zei hij opgetogen,
+terwijl de rillingen hem langs zijn mageren rug gingen. En zijn
+spillebeentjes trilden zoo erg, dat Jantje er haast niet op staan kon.
+
+"Dat was me daar 'n mooie geschiedenis!" zei Dik
+binnenstappende. "Jantje ging op den bok zitten, en daar sprong me
+dat beest pardoes in de sloot. 't Was een bespottelijk gezicht."
+
+"Leeft hij b-b-b-b-b-nog, Vader?" vroeg Jantje.
+
+"Of hij!" zei Dik.
+
+"Zou hij b-b-b-b--niet dood--b-b-b-b gaan?" vroeg Jantje, niet zonder
+eenigen angst, dat het koude bad zijn mooien bok kwaad kon hebben
+gedaan. En hij vervolgde:
+
+"Hè b-b-b-b, dat hemd is b-b-b-b-lekker warm, Moeder. Brrr, wat ben
+ik koud."
+
+"Ja, dat wil ik wel gelooven," zei Dik, "Je gaat ook direct weer naar
+je bed, om goed warm te worden, door en door warm."
+
+Jantje had daar wel niet veel ooren naar, maar het gebeurde
+toch. Enkele minuten later lag hij weer diep onder de wol. Daar werd
+hij al spoedig lekker warm, want zijn moeder had er nog een paar
+dekens extra bijgedaan.
+
+Lang hield Jantje het er echter niet uit. Een half uur later kreeg
+hij zijn Zondagsche pak aan en stapte hij naar buiten, om weer naar
+zijn bok te gaan kijken. Deze stond heel rustig bij den hit gemaaid
+gras te eten, en hij keek Jantje aan of hij zeggen wou:
+
+"Dat was een rare geschiedenis, hè Jan?"
+
+Jan kon zijn bok niet genoeg aankijken, zoo mooi vond hij hem.
+
+"He," dacht hij, "als ik nu een wagentje had en een tuig, dan was ik
+heelemaal klaar. Wat zou ik dan heerlijk rijden. Had ik vast maar een
+wagentje, dan zou ik zelf wel een tuig maken. Karel van Dril zal er me
+wel aan helpen.--Wacht, daar hoor ik Grootvader in zijn tuintje. Ik
+ga gauw naar hem toe, om het te vertellen, dat ik zoo'n mooien bok
+heb gekregen."
+
+Vlug begaf hij zich naar de woning van zijne grootouders. Zijn
+Grootmoeder kwam hem al tegemoet, en féliciteerde hem met zijn
+verjaardag. En ze zei:
+
+"Ga maar gauw mee naar Grootvader in den tuin."
+
+"En o, Grootmoê," zei Jan, "ik heb zoo'n prachtigen bok gekregen van
+Vader en Moeder, toch zòò mooi, o zoo mooi!"
+
+Grootmoeder sloeg van verbazing de handen in elkaar.
+
+"Een bok?" riep zij opgetogen uit. "Een echte, levende bok?"
+
+"Ja, ja, een echte levende bok, en we hebben samen al in de sloot
+gelegen ook. Ik zat boven op zijn rug, en toen vloog hij van kwaadheid
+de sloot in. Vind u het niet heerlijk, Grootmoe?"
+
+"Dat je in de sloot gelegen hebt?"
+
+"Neen, dat ik een bok heb," lachte Jantje. Samen gingen ze den tuin
+in, naar Grootvader.
+
+Deze kwam hem vroolijk lachend tegemoet.
+
+"Dag Jan, wèl geféliciteerd met je verjaardag."
+
+"Dank u, Grootvader!" schreeuwde Jantje, die wel wist, dat Grootvader
+hem anders niet verstond. "Ik heb een bok gekregen! O, zoo mooi. Gaat
+u mee kijken?"
+
+"Wat moet jij met eene klok doen, kind?" vroeg Grootvader, die zich
+hield, of hij hem niet verstaan had.
+
+"Neen, neen, geen klok, maar een bok!" schreeuwde Jantje.
+
+"Een bok? Wat heb je aan een bok, als je geen wagentje hebt?" ging
+Grootvader plagend voort. "Ik zou hem maar aan den slager verkoopen!"
+
+Jantje keek zijn Grootvader diep verontwaardigd aan.
+
+"Dat nooit!--Nooit, hoor Grootvader!" riep hij uit.
+
+Grootvader scheen hem echter niet te hooren. Hij stond in gedachten
+verdiept, en streek met zijn wijsvinger peinzend langs zijn
+neus. Eindelijk zei hij:
+
+"Wacht eens, Jan. Ik geloof, dat ik nog wat ouden rommel heb, waar
+misschien wel een wagentje van gemaakt kan worden. Ga maar eens mee
+naar 't schuurtje."
+
+"Dat zou mooi wezen, Grootvader," zei Jantje blij.
+
+De schuur werd geopend, en daar stond me zoo waar een prachtige
+bokkewagen kant en klaar. Grootvader had hem zelf getimmerd, heel
+stilletjes, zoodat Jantje er niets van gemerkt had. O, o, wat lachten
+Grootvader en Grootmoeder ondeugend.
+
+"Wel, hoe lijkt je dat, Jan? Vind je dat wagentje mooi?"
+
+Jantje werd beurtelings bleek en rood, want hij begreep wel, dat het
+wagentje voor hem was, en toch durfde hij het haast niet te gelooven.
+
+"Of ik het mooi vind?" stamelde hij met bevende lippen, "'t Is prachtig
+mooi, Grootvader, prachtig, prachtig mooi!"
+
+En meteen vloog hij Grootvader om den hals en kuste hem, dat het
+klapte, en toen kreeg Grootmoeder eene beurt. Zij bezweek er bijna
+onder.
+
+Jantjes vreugde kende geen grenzen. Hij nam het lemoen op, en trok
+het wagentje naar zijn huis, waar Vader en Moeder het dadelijk
+moesten zien.
+
+"Had ik nu nog maar een tuig," zei Jantje, "dan was ik heelemaal
+klaar. Ha, wat zou ik rijden!"
+
+"In de hangkast liggen nog wel een paar oude riemen," zei z'n
+moeder. "Daar is misschien, als Grootvader of Vader je helpen wil,
+nog wel een goed tuigje van te maken."
+
+"Oude riemen?" zei Jantje, "hebben wij nog oude riemen? Die zouden
+mij goed te pas komen."
+
+Hij deed de deur open. Zijne ouders stonden lachend naar hem te kijken.
+
+In plaats van een paar oude riemen zag Jantje tot zijne groote
+verrassing een prachtig bokketuig hangen, als een geschenk van
+zijne moeder.
+
+Hij slaakte een kreet van vreugde, nam het tuig uit de kast, en begon
+als een dolle door de kamer te springen.
+
+"Rinkinkeleking! Ringeling! Rinkinkeling-king!" klonk het. Dat kwam
+van de bellen, die met twee mooie pluimen op het tuig bevestigd waren.
+
+"Hoor eens! Hoor eens!" riep Jantje verrukt. "O, o wat mooi. O, ik
+weet zelf niet, hoe mooi het is. Nu den bok inspannen, Vader! Laten
+we hem dadelijk inspannen!"
+
+Dat gebeurde. De bok werd uit den stal gehaald en voor den wagen
+gezet. De tuigen werden hem omgehangen, en Jantje stapte in.
+
+"Waar is mijn zweep?" vroeg hij.
+
+"Hier," zei Dik. "Maar één ding mag je nooit vergeten: sla den bok
+niet, als het niet noodig is."
+
+"Slaan, Vader?" vroeg Jantje. "O neen, mijn bok sla ik niet. De zweep
+is alleen maar voor 't mooi. Huup bok! Allo!"
+
+Daar ging de bok, tot groote vreugde van Jantje, die in het wagentje
+zat als een kleine prins. Zijn ouders en grootouders keken hem lachend
+na, want zij vonden het bijna even prettig als Jantje zelf.
+
+"Als hij maar niet in de sloot rijdt!" zei zijne moeder, die wel een
+beetje bezorgd was.
+
+"Laat hem maar begaan," zei Dik met vadertrots. "Hij is mans genoeg,
+de kleine baas. Wat is 't een mooi stelletje, hè?"
+
+En grootvader zei:
+
+"Wil ik je eens wat zeggen, Dik? Jantje is ook een bizonder kind,--en
+dat is-ie."
+
+"Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou," lachte Dik.
+
+
+
+
+Zevende Hoofdstuk.
+
+ Hoe Jantje uit rijden ging, en bij slot van rekening een
+ dwaze vertooning maakte.
+
+
+Wat reed Jantje heerlijk. Zijn bok stapte parmantig over den weg,
+met den kop fier opgeheven, en Jantje hield de leidsels in de eene en
+de zweep in de andere hand. De pluimen op den rug van den bok wuifden
+sierlijk heen en weer, en de bellen rinkelden zoo mooi, dat het een
+lust was om te hooren.
+
+Eerst reed Jantje natuurlijk naar zijn vriendje Karel van Dril, en die
+keek zijne oogen uit naar 't mooie spannetje. Hij was er jaloersch op,
+maar hij gunde het Jantje toch wel. En zijn vader, de smid Piet van
+Dril, kwam ook naar buiten, om het mooie span te bewonderen.
+
+"Dat is een prachtig stelletje, Jan!" zei hij, nadat hij Jantje
+gefeliciteerd had. "De bok is mooi, de wagen is mooi, het tuig is
+mooi, en het koetsiertje is ook mooi."
+
+"Alleen een beetje mager," zei Jan Vos, de metselaar, die juist
+voorbij liep.
+
+"Mag ik met je meerijden?" vroeg Karel. "Toe zeg, schik een eindje om,
+dan kom ik naast je zitten."
+
+Dat gebeurde, en de twee vrienden reden verder.
+
+Al spoedig hadden zij heel wat jongens om hen heen, die het allen een
+mooi gerij vonden. En allen vroegen om de gunst, of zij ook eens een
+eindje mochten rijden.
+
+"Toe Jan, mag ik ook eens?" vroeg de een.
+
+"Neen zeg, laat mij dan liever," zei een ander. Jan antwoordde niet
+veel, want hij wist wel, dat daar geen beginnen aan was. Hij kon alle
+jongens van het dorp toch niet bij zich in het karretje nemen.
+
+Maar de jongens werden er niet boos om. Zij begrepen zelf wel, dat
+het niet ging, en vonden het al prettig met den bok mee te loopen.
+
+"Huup sik! Huup sik!" riepen de jongens. Maar de bok had zijn eigen
+willetje en liet zich niet voortjagen. Hij stapte met krachtigen tred
+verder, zonder zich aan het roepen van de jongens te storen.
+
+Dicht bij de school kwamen zij Klaas Zwart tegen met diens vriendje
+Frans Thor. De jongens hielden niet van hen en gingen liever niet
+met hen om, want 't waren twee vervelende jongens.
+
+Zij hadden altoos ontzaglijk veel praats, konden niemand ongemoeid
+passeeren, wierpen winkeldeuren open, trokken onnoodig bij de menschen
+aan de schel, en plaagden, waar zij maar plagen konden. Aan Klaas
+Zwart had Jantje al een hekel gehad, zoolang hij hem kende, omdat hij
+een klikspaan was. Frans Thor was later op het dorp komen wonen. Hij
+was een verwaarloosde ruwe jongen, die geen moeder had en met zijn
+vader samen in een huisje woonde. Zijn vader was soldaat in Indië
+geweest, en leefde van een pensioentje. Hij deed zijn huishouden zelf,
+veegde zelf den vloer, kookte zijn eigen potje, en maakte zelf de
+bedden op. Om de opvoeding van Frans bekommerde hij zich bizonder
+weinig. Algemeen stond hij bekend als een pochhans, die wel heel
+veel wist te vertellen van zijn heldendaden in Indië, maar die er
+zooveel bij jokte, dat hij door niemand werd geloofd. En Frans jokte
+ook niet zoo'n beetje. Al spoedig had hij op het dorp geen vriendje
+meer kunnen krijgen, en daar Klaas Zwart in hetzelfde geval verkeerde,
+liepen ze meestal samen. En ze deden gewoonlijk niet veel goeds.
+
+Zoodra zij den bok van Jan in 't oog kregen, kwamen zij haastig
+toeloopen, elk met een stok in de hand.
+
+"Wel heb ik van m'n leven!" riep Frans uit. "Kijk Jan Trom eens
+geuren! Huup Sik, allo, vooruit!"
+
+Maar de bok stoorde zich aan dat bevel niet, en bleef kalmpjes
+doorstappen. Hij hief den kop eventjes op, en keek Frans aan.
+
+"'t Is het bokje wèl!" ging Frans voort. "Hij loopt niet harder dan
+een slak. Zeg Jan, je moet hem eens met de zweep kietelen, dan zal
+hij wel beter voortmaken."
+
+"Hij loopt hard genoeg," zei Jan. "Toe bok, vooruit!"
+
+"'t Is een oud, afgeleefd beest!" zei Klaas Zwart smalend. "Hij heeft
+de rumathiek in zijn pooten."
+
+"Als jij maar niet de rumathiek hebt," gaf Jan beleedigd ten
+antwoord. "Hij kan harder loopen dan jij."
+
+"Ha, ha!" lachte Klaas. "Zoo'n stijve huut. Je moet hem smeren met
+machine-olie; zijne botten zijn wat stijf."
+
+"Met stok-olie!" zei Frans Thor grinnekend, terwijl hij den bok een
+klap met zijn stok op den rug gaf.
+
+De bok ging op zijn achterpooten staan.
+
+Jan werd wit van kwaadheid, en Karel van Dril zei:
+
+"Wil jij met dien stok wel eens van hem afblijven, of ik zal je met
+datzelfde houtje je portie geven."
+
+Die bedreiging hielp voor een poosje. Maar nu gingen Frans en Klaas
+van achteren tegen het karretje duwen, zoodat de bok gedwongen werd
+op een draf te loopen. De andere jongens hielden zich een beetje op
+een afstand, want ze waren bang voor de twee plaaggeesten, vooral
+voor Frans Thor, die een paar jaar ouder was.
+
+Jan hief zijn zweep op, en wilde de jongens dwingen de kar los te
+laten. Maar Frans greep de zweep onverwachts aan, en rukte haar Jan
+uit de handen.
+
+"Wat denk jij wel, magere sprinkhaan," zei hij sarrend. "Denk je soms,
+dat ik bang voor je ben? Voor geen tien zulke kereltjes als jij. Ho,
+bok, ho!"
+
+De bok liep echter door, en daarom hielden Frans en Klaas de kar zoo
+hard zij konden tegen.
+
+Jan keerde zich driftig om.
+
+"Laat je de kar los!" riep hij hun toe. "Laat los, zeg ik je, of ik
+sla er op!"
+
+De twee plaaggeesten lachten hem smakelijk uit. Karel van Dril was
+zijn drift ook niet langer meester, en wilde van de kar stappen. Maar
+Jan hield hem tegen.
+
+"Hier," zei hij, "houd jij de leidsels even vast."
+
+Vlug sprong hij uit de kar, en nog voor Frans er op verdacht was, vloog
+Jan op hem aan. Deze zag wit van kwaadheid. Met eene vlugge beweging
+rukte hij hem de zweep uit de hand, en in 't volgende oogenblik had
+Frans een geduchten striem dwars over zijn gelaat te pakken.
+
+Klaas Zwart zag, dat het ernst werd en maakte, dat hij op een
+eerbiedigen afstand kwam, want hij was laf van aard. Maar Frans
+niet. Deze was de grootste en sterkste, en de zweepslag had
+hem vreeselijk nijdig gemaakt. Hij kon een kreet van pijn niet
+onderdrukken, en de tranen sprongen hem in de oogen. Woest viel hij
+op Jan aan, die de zweep alweer opgeheven had, om hem een tweeden
+striem te geven.
+
+"Laat de kar los, zeg ik je!" riep hij Frans toe.
+
+"Dat zal ik," antwoordde Frans, en hij greep Jan met beide handen
+aan. Jan liet zijne zweep op den grond vallen, om zich beter te
+kunnen verweren.
+
+"Geef hem zijn portie, Frans!" schreeuwde Klaas Zwart uit de
+verte. "Als je 't alleen niet afkunt, zal ik je wel komen helpen."
+
+"Daar moest je 't hart eens toe hebben," riep Karel van Dril
+terug. "Dan krijg je 't met mij te doen."
+
+De twee jongens waren geducht met elkaar aan 't worstelen, en iedereen
+dacht, dat Frans het gemakkelijk winnen kon, omdat hij zooveel ouder
+en sterker was, maar Jantje was de vlugste. Hij wist al spoedig
+tusschen Frans' armen door te glippen, liet zich vliegensvlug op
+zijne knieën vallen, greep Frans bij de beenen, en liet hem in een
+ommezien een buiteling maken. Daar lag Frans lang-uit op den grond,
+tot groot vermaak van de jongens, die hem zijne smadelijke nederlaag
+van harte gunden.
+
+"Ha, ha, daar ligt de praatsmaker!" riepen ze juichend. "Waar blijf
+je nu met je praats?"
+
+Jan nam den stok van Frans en gaf hem een geducht pak slaag, veel
+te hard naar den zin van Frans, die schielijk overeind kroop, en
+beenen maakte.
+
+Wat werd hij uitgelachen! En wat hadden de andere jongens een pret.
+
+Maar Klaas Zwart en Frans Thor lachten niet, en Frans was niet van
+plan den strijd op te geven.
+
+Jan stapte weltevreden over de behaalde overwinning weer in zijn
+karretje, nam de leidsels van Karel over, en zei:
+
+"Huup bok! Vooruit maar weer.--Dat viel Frans Thor niet meê, hè
+Karel? Wat heeft hij gehad!"
+
+"En wat buitelde hij lekker over den grond," grinnikte Karel
+vroolijk. "Zij zullen wel niet spoedig terugkeeren."
+
+Dat had hij echter mis.
+
+Frans en Klaas stonden eerst van uit de verte een poosje te schelden.
+
+"Magere sprinkhaan!" schreeuwde Frans.
+
+"Panlat!" smaalde Klaas.
+
+Maar langzamerhand kwamen zij naderbij. Zij liepen al scheldend een
+eindje voor den bok uit.
+
+"Hij is zoo oud als je grootvader!" schreeuwde Klaas.
+
+"Verkoop hem aan den slager!" zei Frans. "Die kan misschien nog worst
+van hem hakken."
+
+"Niets terugroepen, Jan," raadde Karel aan. "Dan hebben zij er het
+minste pleizier van."
+
+De afstand tusschen den bok en de twee scheldende jongens werd
+voortdurend kleiner. De bok stapte flink, de pluimen op zijn rug
+wapperden prachtig, en de bellen rinkelden helder en luid. Jantje
+genoot méér, dan hij zeggen kon. 't Verveelde hem echter geducht,
+dat die twee akelige jongens vlak voor zijn bok bleven loopen. Dat
+vergalde zijn genoegen. En zij hielden niet op, den gek met zijn bok
+te steken, wat hem erg griefde.
+
+Klaas Zwart ging eindelijk vlak voor den bok loopen. Dan liep hij
+erg kreupel en met kromme beenen, en riep voortdurend:
+
+"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!"
+
+De bok lichtte zijn kop op en keek den jongen nijdig aan. 't Scheen
+wel, of hij begreep, dat die jongen hem voor den gek hield.
+
+"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è! schreeuwde Klaas plagend. "O, wat heb ik 'n
+rumathiek in mijn pooten. Bè-è-è-è!"
+
+De bok schudde den kop, en riep ook:
+
+"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!"
+
+"Zie je wel, hij is het met mij eens!" grinnikte Klaas, die met kromme
+beenen en in een gebogen houding voor den bok uitliep.
+
+Plotseling schoot de bok op een drafje vooruit, wat zoo overwachts
+gebeurde, dat Jan en Karel bijna achterover uit de kar sloegen. Daarop
+sprong de bok op zijn achterpooten overeind, en gaf Klaas zoo'n
+geduchten stomp in zijn rug, dat deze voorover op den weg tuimelde.
+
+"Au, au, au, o, wat is dat!" schreeuwde Klaas.
+
+"Bom!" daar drukte de bok hem nog eens met kracht zijne horens in
+den rug.
+
+"Au, au, o, o, au!" jammerde Klaas.
+
+Op handen en voeten poogde hij zich te redden.
+
+"Bom!"
+
+De bok drukte hem nogmaals plat op den grond.
+
+Klaas zag doodsbleek van den schrik. Hij spartelde met armen en beenen,
+en schreeuwde moord en brand.
+
+Jan en Karel vielen haast uit de kar van het lachen, 't Was dan ook
+een bespottelijk gezicht.
+
+Klaas wist geen raad van angst en pijn.
+
+"Help!" riep hij. "Frans, help,--help! Hij maakt me dood!"
+
+Hulp was echter niet meer noodig, want de bok hield uit eigen beweging
+met zijn afstraffing op. Hij dacht zeker, dat Klaas het er zóó wel
+meê doen kon. Zonder zich aan de leidsels te storen, keerde hij om,
+en stapte bedaard verder in de richting van Jan's huis. Dat was
+maar goed ook, want het werd tijd, dat Jantje naar huis ging om te
+ontbijten. 't Was al over achten, en om negen uur begon de school.
+
+Jan en Karel schoten telkens nog in een lach, als zij aan het malle
+figuur van Klaas dachten.
+
+"Hij zal nu wel ondervonden hebben, dat de bok niet rumathiekerig is,
+en dat hij nog kracht in zijne horens heeft," meende Jantje, en dat
+was Karel volkomen met hem eens.
+
+En wat Vader Dik lachen moest, toen hij het hoorde.
+
+"'t Is bepaald een verstandige bok," zei hij tegen Jan. "Hij begreep
+wel, dat die jongen hem voor den gek hield. Maar voortaan zal Klaas
+Zwart hem wel uit de voeten blijven."
+
+"Dat denk ik ook," zei Jan.
+
+Den geheelen dag op school moest hij, of hij wilde of niet, aan zijn
+mooien bok denken, en aan het leuke karretje, dat zijn grootvader
+voor hem getimmerd had, en aan het prachtige tuig met de pluimen en
+de rinkelbellen, en de meester had een onoplettenden leerling aan hem,
+wat hij niet van hem gewoon was. 't Scheelde dan ook maar een beetje,
+of hij had zoowel 's morgens als 's middags school moeten blijven. Bij
+'t rekenen maakte hij meer dan de helft van de sommen fout, en bij
+'t lezen wist hij niet, waar hij beginnen moest.
+
+De meester werd eindelijk knorrig op hem.
+
+"Jij moest beter opletten, Jantje, anders worden wij kwade vrienden."
+
+Jan zat toevallig naast Klaas Zwart, en hij kon den jongen, niet
+aankijken, zonder te lachen.
+
+"Heb je nog pijn in je rug?" vroeg hij fluisterend.
+
+Klaas keek hem aan als een nijdige spin.
+
+"Zou het misschien rumathiek kunnen wezen?" plaagde Jantje.
+
+"Magere sprinkhaan! Panlat!" siste Klaas tusschen de tanden, en
+telkens voelde hij aan z'n rug, die geducht pijn deed.
+
+"Stilte daar!" gebood de meester. "Ik geloof, dat er een paar jongens
+zijn, die graag willen nablijven."
+
+Zoover kwam het echter niet, en om vier uur mocht Jantje naar
+huis. Karel holde met hem meê, dat spreekt van zelf. Kwart over vieren
+stond de bok alweer voor de kar. De beide vrienden namen plaats, en
+daar ging het heen. De bok stapte weer even deftig als 's morgens,
+en hij keek eigenwijs om zich heen, de bellen rinkelden en de pluimen
+wapperden. De jongens vonden het prachtig, en zij reden het heele dorp
+door. 't Bleek een prettig dier te zijn. Als de jongens even uit de kar
+stapten, om naar een vink te zoeken, die zij hoorden fluiten in het
+riet aan den kant van het kanaal, bleef hij geduldig wachten. Alleen
+ging hij een weinigje zijwaarts, om op den berm wat gras te eten.
+
+Een eindje voorbij de Roomsche kerk, die aan het einde van het dorp
+stond, was de timmerwinkel van baas Meijer, bij wien Jans grootvader
+vroeger gewerkt had. Naast den winkel stond een kleine houtzaagmolen,
+want Meijer zaagde zijn hout zooveel mogelijk zelf. Er lag dan ook
+altoos vóór dien molen in het kanaal een vlot balken in voorraad,
+en op die balken gingen de jongens dikwijls spelen. Menigeen had
+daar al een paar natte voeten gehaald, en sommigen zelfs een nat
+pak. Want die balken waren maar losjes aan elkander verbonden, en
+het gebeurde dikwijls, dat zij omkantelden, als de jongens er over
+liepen. Er behoorde dan ook heel wat behendigheid toe, om geheel
+droog te blijven, als zij er op speelden.
+
+Toen de jongens de houtzagerij bereikt hadden, zei Karel:
+
+"Zeg Jan, willen we eventjes balkje-loopen? Dat is zoo lekker."
+
+Daar had Jantje wel zin in.
+
+"Zou de bok blijven staan?"
+
+"Wel ja,--de bok loopt niet weg. En al was dat zoo, dan kunnen we
+hem toch gemakkelijk genoeg inhalen."
+
+"Dat is zoo," zei Jan.
+
+De jongens stapten uit de kar. Jan keerde den bok om en bracht hem
+op een plaatsje, waar veel gras en klaver groeide.
+
+"Daar staat hij heerlijk!" zei hij.
+
+Toen gingen de jongens op het vlot, en wipten van den eenen balk op
+den anderen. Soms stonden zij met de armen om elkaars hals geslagen
+op het einde van een balk, die dan door hun zwaarte langzaam onder
+water zonk. Maar vóórdat het water hun voeten bereikte, sprongen zij
+vlug naar het hooger gelegen deel van den balk.
+
+En dan lachten zij luidkeels van de pret.
+
+Dat deden zij ook, als een van de balken onder hunne voeten omkantelde,
+want dan moesten zij zich door vlugge sprongen redden.
+
+Jantje was een echte waaghals. Dat kwam, omdat hij verbazend lenig
+was en nog nooit een ongeluk had gehad.
+
+"Ik moet een beetje voorzichtig wezen," zei hij wijs tegen Karel.
+
+"Waarom?" vroeg deze.
+
+"Wel, ik heb mijn Zondagsche pak aan, doordat ik van morgen vroeg
+kopje-onder in de sloot gelegen heb. En als ik nu met mijn mooie
+pak weer in 't water viel, zou Moeder me zien aankomen, dat begrijp
+je. Jongen, wat zou ik er van lusten!"
+
+"Nou, dat snap ik," zei Karel.
+
+En nauwelijks had hij dat gezegd, of hij merkte, dat zijn paal
+omkantelde en dat hij dus veel kans had, naar beneden te rollen. Met
+een vlugge beweging sprong hij op den balk, waarop Jan stond, maar
+door den schok kantelde deze ook.
+
+Plomp! Daar zakte Jantje tot aan zijn middel in het kanaal. Karel
+viel achterover op het vlot, zoodat hij vrij droog bleef.
+
+"O wee!" schreeuwde Jantje, met groote oogen van schrik en angst. Hij
+had zijn arm nog om den paal geslagen.
+
+Vlug als hij was, hief hij zich met kracht in de hoogte, en in 't
+volgende oogenblik stond hij weer op het vlot. 't Water droop hem
+uit zijne Zondagsche broek langs zijne dunne beentjes naar beneden.
+
+Karel schaterde het intusschen uit van pret.
+
+Maar Jantje lachte in 't geheel niet. Hij stapte zonder een woord
+te spreken van het vlot af op den kant, en keek zwijgend naar zijn
+natte broek.
+
+Karel kwam bij hem.
+
+"Wat zat je daar koddig met je hoofd boven dien paal uit!" zei hij
+lachend. "Ik wou, dat je het gezien hadt."
+
+"Ik vind het heelemaal niet koddig!" zei Jantje. "Ik kan me niet
+begrijpen, dat je dit nou zoo grappig vindt. Zeg Karel, ik durf zoo
+niet naar huis toe, hoor."
+
+"O, ik weet wel raad," zei Karel. "Trek allebêi je broeken uit en je
+kousen. Dan neem jij het eene einde en ik het andere, en we draaien
+in tegengestelde richting. Op die manier wringen wij al het water er
+uit, en dan is het dadelijk droog."
+
+"Is het waar?" vroeg Jantje, met een flikkering van hoop in zijn oogen.
+
+"Stellig!" zei Karel. "Vader heeft wel eens verteld, dat hij het ook
+deed, toen hij nog een jongen was. Trek maar uit."
+
+Dat deed Jantje, en al spoedig stond hij met bloote beenen in
+het gras. Toen gingen de twee jongens aan het wringen. Eerst de
+onderbroek. Karel nam het bovengedeelte en Jantje de pijpen. Karel
+draaide van rechts naar links, en Jantje van links naar rechts. En
+zij waren zoo in die bezigheid verdiept, dat zij niet zagen, dat
+Frans Thor en Klaas Zwart naderden, ieder weer met een stok in de
+hand en niet veel goeds in den zin.
+
+Deze twee hadden gezien, wat er gebeurd was, en daar zij nog boos
+waren over de nederlaag, die zij 's morgens hadden geleden, besloten
+zij wraak te nemen.
+
+Aan den anderen kant van den weg slopen zij zooveel mogelijk ongemerkt
+nader, en kwamen meer en meer bij de plaats, waar de bok rustig stond
+te grazen.
+
+Juist waren Jan en Karel met de onderbroek klaar gekomen, die zij
+op het gras uitspreidden om te drogen, toen de twee vijanden met
+een woesten kreet opsprongen, vlak achter den bok, die er geweldig
+van schrikte. En dat werd nog erger, toen de jongens hem met hunne
+stokken hard op den rug sloegen, en schreeuwden:
+
+"Huup bok, huup bok! Allo! koesssss!"
+
+De bok zette het verschrikt op een loopen, het dorp in. Hij holde
+voort, zoo hard hij kon. Van bokkendeftigheid was bij hem geen sprake
+meer, hij holde voort als een wild paard.
+
+"Koesssss! Koesssss!" schreeuwden Frans en Klaas hem na.
+
+"Dát is gemeen!" riep Jan verschrikt en verontwaardigd uit, en zonder
+te bedenken, dat hij geen broek aan had, sprong hij op, en ijlde zijn
+bok na.
+
+Maar deze was hem een geducht eind voor, en rende al midden in het
+dorp. Jantje liep wat hij loopen kon, om hem in te halen.
+
+De menschen bleven lachend staan, om de twee hardloopers na te
+kijken. 't Was dan ook een dwaas gezicht, dien bok te zien hollen,
+met de rinkelende bellen en de wapperende pluimen op zijn rug, terwijl
+de leidsels langs de kar zwierden, maar nog veel maller was het Jantje
+te zien, die zonder broek zijn bok naholde.
+
+Jantje met zijne dunne beentjes liep het hardst. De keisteentjes deden
+wel pijn aan zijne bloote voeten, maar hij voelde het niet, en dat de
+menschen om hem lachten, merkte hij evenmin. Hij dacht maar alleen aan
+zijn mooien bok. Tot zijn vreugde bemerkte hij, dat hij op hem won, en
+dat hij hem misschien nog kon inhalen, voordat hij de brug had bereikt.
+
+Plotseling echter zag hij, dat de bok gegrepen werd. Iemand met
+een mandje aan den arm sprong op den weg, en greep den bok bij den
+teugel. Daar was Jantje blij om, tot hij opeens zag, dat die man zijn
+vader was.
+
+"Hei, hei, wat is dat voor een malle vertooning?" riep Dik zijn
+zoontje toe, die hijgend bij den bok stond.
+
+"De jongens hebben hem op hol gejaagd, Vader," zei Jantje, die zijn
+vader een beetje uit de voeten bleef.
+
+"Maar hoe komt het, dat jij hier zonder broek langs den weg rent?" ging
+Dik voort.
+
+Jantje zweeg.
+
+"Allo, spreek op, mannetje. Waar zijn je broeken, en je kousen en
+je klompen?"
+
+"O Vader, ik had ... ik ... ik was ... ik ... had ... ik ..."
+
+"Ik had en ik was en ik was en ik had!" viel zijn Vader in. "Ik was
+een ondeugende jongen en ik had een pak slaag verdiend, wil je zeker
+zeggen, hè?"
+
+Jantje deed een paar stappen achteruit.
+
+"Spreek op, Jantje, wat is er gebeurd?"
+
+"Ik was in 't kanaal gevallen, Vader, en omdat ik mijn Zondagsche
+broek aan had, dorst ik niet thuis te komen, en toen..."
+
+"En toen?"
+
+"Toen hebben Karel en ik mijn broek uitgewrongen, maar toen hebben
+Frans Thor en Klaas Zwart den bok op hol gejaagd..."
+
+"En toen ben jij den bok achterna gehold?" vroeg Dik, en opeens
+begon hij er smakelijk om te lachen, want hij vond het een koddige
+geschiedenis.
+
+"Dat is tweemaal vandaag, Jantje!" zei hij. "Pas maar op, dat je er
+niet voor den derden keer invalt. Vooruit, stap in de kar en haal je
+kleeren. En ik zou dat wringen verder maar aan Moeder overlaten. Je
+gaat direct naar huis, hoor."
+
+"Ja Vader," zei Jantje, die blij was, dat het zoo goed afliep. "Maar
+van Frans en Klaas is het een gemeene streek."
+
+"Dat is het," zei Dik.
+
+Jantje stapte in de kar en reed naar het vlot terug, waar Karel op de
+natte plunje paste. Jan kleedde zich weer behoorlijk aan, en reed naar
+huis terug. Zijn Moeder vond de geschiedenis lang zoo grappig niet als
+Vader Dik, maar omdat Jantje jarig was, liep alles nog al goed voor
+hem af. Hij kon zijn daagsche pakje weer aantrekken, dat intusschen
+gedroogd was, maar met den bok mocht hij dien avond niet meer rijden.
+
+
+
+
+
+Achtste Hoofdstuk.
+
+ Jantje krijgt het met Flipsen te kwaad, en dankt aan zijne
+ magere leden zijne redding uit een dreigend gevaar.
+
+
+Hoe ouder Jantje werd, des te meer gingen zijne kameraden van hem
+houden. Dat was volstrekt geen wonder, want hij was een aardige
+jongen met een goed hart. Van alles wat slecht en leelijk was,
+had hij een afkeer, en als sommige jongens nog wel eens iets deden,
+waarvan groote menschen last of schade ondervonden, deed hij nooit
+meê. Eénmaal had hij appelen gestolen in den tuin van Wobbe, waar de
+jongens dikwijls heengingen om vruchten weg te nemen, want Wobbe had
+een grooten boomgaard, waarin heel veel lekkers groeide. Jantje had
+er nog nooit aan meêgedaan, maar eindelijk liet hij zich overhalen
+om ook meê te gaan. 't Was op een herfstavond en ruw weer. De jongens
+slopen stilletjes naar de boerderij van Wobbe, die een eindje buiten
+het dorp lag, en sprongen na elkander over de sloot. Zoo kwamen zij
+in den boomgaard.
+
+Maar Wobbe had zich met een paar knechts verdekt opgesteld, want
+dat appelen stelen begon hem geducht te vervelen. Hij had Flipsen,
+den veldwachter, wel gewaarschuwd, maar die werd een dagje ouder en
+maakte er niet veel werk van.
+
+"Als je een van de dieven snapt, breng je hem maar bij me, dan zal ik
+hem wel mores leeren," had hij gezegd. En hij had er aan toegevoegd:
+"zelf zal ik ook wel een oogje in 't zeil houden."
+
+Wobbe was daarom besloten, zelf de handen uit de mouwen te steken,
+en had zich met zijne knechts op verschillende plaatsen in den
+boomgaard verscholen.
+
+Zij hadden er nog niet lang gezeten, toen zij de jongens hoorden
+komen. Zij merkten duidelijk, hoewel zij nog niemand zagen, dat
+de jongens over de sloot sprongen. Wobbe en zijne knechts bleven,
+waar zij waren. Hunne afspraak was, de jongens tot midden in den
+boomgaard te laten komen, en hen dan plotseling van drie kanten
+tegelijk te bespringen.
+
+Jantje voelde zich in 't geheel niet op zijn gemak, en toen alle
+jongens al over de sloot waren, stond hij nog weifelend op den weg.
+
+"Pssst! Pssst!" hoorde hij zacht roepen, 't Was de stem van Karel
+van Dril. "Kom maar hier, Jan, alles is veilig."
+
+"O ja," zei een ander, "kom maar gerust. Bij Wobbe brandt het licht
+in de huiskamer. Er is niet het minste gevaar."
+
+Jan kwam nader en sprong ook over de sloot.
+
+De jongens gingen behoedzaam verder den boomgaard in.
+
+"Hier!" riep er een. "Kijk eens, wat een prachtige appelen! De boom
+zit propvol!"
+
+"Hier ook," riep Karel van Dril een eindje verder. "Kom hier, Jan,
+hier zijn peren."
+
+Eerst waren de jongens bang en keken schuw rond, of er geen gevaar
+dreigde, maar toen alles stil bleef, steeg hun moed, en liepen zij
+brutaal tot midden in den boomgaard.
+
+Frans Thor en Klaas Zwart waren de brutaalsten. De jongens gingen
+weinig of nooit met hen om, maar soms sloot het tweetal zich ongevraagd
+bij hen aan, en dan waren zij moeilijk te weren.
+
+Frans had een stok bij zich en sloeg er mede tegen de takken. De
+appelen vielen naar beneden.
+
+Maar hij kreeg geen tijd om ze op te rapen, want opeens werden zij
+van drie kanten tegelijk besprongen.
+
+"Voorwaarts! Grijpt de dieven!" klonk de stem van Wobbe. Deze was
+een groote, sterke boer met harde handen.
+
+Verschrikt vlogen de jongens uit elkaar. De een ijlde hier-, de ander
+daarheen. Klaas Zwart haastte zich zoo, dat hij in de sloot viel. Tot
+aan zijn hals toe zakte hij in het water. Karel van Dril sprong over
+de sloot, Frans Thor ook, Gerrit Kikke en Piet Vos kwamen er met
+natte voeten af, maar Jantje, die eerst niet wist, wat er gebeurde,
+liep den verkeerden kant op, en vloog precies boer Wobbe in de armen.
+
+"Loopen! Loopen, jongens!" riep Frans Thor.
+
+Een van de knechts sprong over de sloot, en riep:
+
+"Wij zullen eens zien, wie 't hardst kan loopen, kereltje!"
+
+En hij liep Frans zoo hard hij kon achterna.
+
+Dat werd een wedren van belang, want Frans was vlug ter been, maar de
+knecht nam veel grootere stappen. Frans hoorde zijne stappen hoe langer
+hoe dichter achter zich. Eindelijk voelde hij zich bij den kraag van
+zijn jas grijpen. Hu, wat kneep die knecht. Frans werd bijna geworgd
+maar toch wrong hij zich nog als een aal, om los te komen. Dat gelukte
+hem echter niet. De knecht gaf hem een geducht pak slaag, en joeg hem
+voor zich uit, terug naar de boerderij. Daar beleefde Jantje intusschen
+ook geen prettige oogenblikken, want Wobbe trok hem aan zijne ooren
+in de hoogte, tot zijn gezicht vlak voor dat van den boer gekomen was.
+
+Jantje gierde van de pijn!
+
+"Ha zoo, kereltje, wat ben jij licht!" zei de boer met een boozen
+lach. "Jij bent te dun om appelen te eten, manneke. Hoe heet jij?"
+
+"Au, au!" schreeuwde Jantje, die spartelde als een mager varken.
+
+"Heet jij au-au?" lachte de boer. "Magere langbeenige mug!"
+
+"Au! Au!" huilde Jantje.
+
+"Heet jij au-au?" herhaalde de boer driftig.
+
+"Neen, au neen, ik heet Jan Trom! Au, au, laat me los asjeblieft!"
+
+"Zoo, heet jij Jan Trom," zei de boer. Hij liet Jantje weer zakken,
+tot hij op den grond stond, legde hem toen over zijne knie, en gaf
+hem een geducht pak voor zijn broek.
+
+'t Werd een warme geschiedenis voor Jantje, want de handen van den
+boer waren nog veel harder, dan hij ze zich voorgesteld had. Zoo'n
+pak slaag had hij nog nooit van zijn leven gehad, en hij vreesde,
+dat er geen stuk van hem heel zou blijven.
+
+Eindelijk liet Wobbe hem los.
+
+"En maak nu, dat je wegkomt!" bulderde Wobbe hem toe, "of ik breng
+je nog bij Nero in het hondenhok. Die houdt wel van kluifjes, al zijn
+ze mager."
+
+Dat liet Jantje zich geen tweemaal zeggen. Hij liep wat hij loopen
+kon, en 't viel hem meê, dat het nog zoo goed ging, want hij dacht
+niet anders, of de boer had hem zijne beenderen stuk geslagen. Hij
+haastte zich zoo om over de sloot te komen, dat het maar zus of zoo
+scheelde, of hij kwam in het water terecht. Maar dat liep gelukkig
+nog goed af. En toen vloog hij naar het dorp terug. Zijn rooftocht
+was hem bitter slecht bevallen.
+
+Even later hoorde hij de noodkreten van Frans Thor, die door den boer
+en zijn knecht onderhanden werd genomen. Jantje liep dientengevolge
+nog harder.
+
+"Hij lust er ook van!" mompelde Jantje, die in ijlende vaart
+voortholde, "hu, wat slaat die boer hard. Hoor Frans eens schreeuwen."
+
+Na een poosje haalde hij Klaas Zwart in, die zoo hard niet loopen kon,
+omdat hij tot aan zijn hals toe in de sloot gezeten had. Klaas huilde,
+want hij stelde zich de ontvangst thuis ook niet erg vriendelijk voor.
+
+Jantje ging regelrecht naar huis met het stellige voornemen nooit
+meer appelen of peren te stelen. En 's avonds wreef hij meermalen
+over zijn broek, omdat hij zoo'n pijn had.
+
+De zaak was echter nog niet uit, want Wobbe vertelde den volgenden
+dag aan Flipsen, den veldwachter, welk eene gelukkige vangst hij
+had gehad, en gaf hem de namen der schuldigen op. Zoo kwam het, dat
+Flipsen den winkel van Trom binnenstapte, waar Dik juist bezig was
+een paar klanten te helpen.
+
+Flipsen had altoos nog een kijkje op Dik, want hij was nog niet
+vergeten, wat Dik in zijn jeugd voor streken had uitgehaald.
+
+"Goeden avond, Dik!" zei hij.
+
+"Dag Flipsen," was het antwoord. "Wat is er van je dienst?"
+
+"Niet veel moois, man. Ik kom je waarschuwen, dat je wel wat beter
+op je zoontje mag passen, want 't is erg, zooals hij op het dorp
+huishoudt."
+
+"Zoo, zoo," zei Dik verwonderd en ook een beetje ongeloovig want hij
+had nog nooit gemerkt, dat Jantje veel kwaad deed. "Is het zóó erg,
+Flipsen? Wat heeft hij uitgevoerd! Jantje is anders zoo kwaad niet."
+
+Dik werd wel een beetje boos over den lompen uitval van Flipsen.
+
+"Dat zeggen alle vaders en moeders van hunne kinderen," hernam
+Flipsen. "Van hun eigen kinderen kunnen zij nooit kwaad hooren,
+vooral wanneer ze zelf ook nooit gedeugd hebben."
+
+Dik werd nu erg boos.
+
+"Wou je zeggen, dat _ik_ nooit gedeugd heb?" vroeg hij driftig,
+en hij zwaaide zoo heftig met den strooplepel,--want hij was juist
+bezig een vrouwtje aan een pond stroop te helpen,--dat Flipsen een
+flinken lik van dat goedje op de mouw van zijn jas kreeg.
+
+"O, neem me niet kwalijk, dat is bij ongeluk," zei Dik.
+
+"Bij ongeluk! Bij ongeluk!" schreeuwde Flipsen verontwaardigd. "'t
+Is een schandaal! En ik zal proces-verbaal tegen je opmaken, wegens
+beleediging van een politieman in dienst!"
+
+Hij haalde zijn zakdoek te voorschijn om de stroop weg te vegen, en
+maakte de zaak daardoor nog veel erger. De stroop kwam nu bijna over de
+geheele mouw. En Flipsen was altijd zoo keurig netjes op zijn uniform.
+
+"Asjeblieft, juffrouw," zei Dik. "Wenscht u nog iets?"
+
+"Neen," zei de vrouw, die haar lachen haast niet kon houden.
+
+"Ik zeg," schreeuwde Flipsen, "dat je wel wat op je lieve Jantje mag
+passen, of hij raakt nog in 't hok. Gisterenavond heeft hij appelen
+en peren gestolen in den boomgaard van Wobbe, en dat zal wel niet
+de eerste keer geweest zijn, denk ik.--Die akelige, ellendige stroop
+zit er zoo vast op, dat mijn heele jas bedorven is. 't Is meer..."
+
+"Alleen de mouw maar," zei Dik. "Ik dank je voor de boodschap,
+Flipsen. Ik zal er mijn zoontje over onderhouden."
+
+"Zoo vader, zoo zoon," zei Flipsen nijdig, want hij dacht, dat Dik
+hem voor den gek hield. Met groote stappen liep hij den winkel uit.
+
+Toch waren die woorden Dik ernst geweest.
+
+Hij herinnerde zich nog best, hoe hij in zijne jeugd ook vruchten
+gestolen had, en hoe hij tot inkeer gekomen was.
+
+'s Avonds vertelde hij aan Jan, wat er in zijn kinderjaren gebeurd was,
+en hoeveel spijt hij er later over had gehad.
+
+En Jantje beloofde hem, dat hij het nooit, nooit weer doen zou. Dik
+was er blij om toen hij hoorde, dat het Jantje's eerste strooptocht
+geweest was, en hij vertrouwde er stellig op, dat het ook de laatste
+zou geweest zijn.
+
+Na dien dag keek Flipsen den zoon van Dik Trom nooit meer vriendelijk
+aan. Hij had een hekel aan Dik gehad, zoolang hij hem had gekend, en
+dat sloeg nu op Jantje over. Dat kon deze zeer goed merken. Als hij
+met zijn bok uit rijden was en hier of daar even uitstapte, wat nog
+al dikwijls gebeurde, zoodat zijn bok gelegenheid kreeg om wat gras
+of klaver van den berm te eten, kwam Flipsen, zoodra hij dat zag,
+op hem af, en gaf een geducht standje.
+
+"Die bok màg daar niet loopen, en nog veel minder van dat gras
+eten. Dat gras is immers niet van jou? Of heeft je vader misschien
+den berm gepacht?"
+
+"Neen Flipsen, dat geloof ik niet."
+
+"Ik weet het zeker. Dat gras is van Geurs, en je bok moet er
+afblijven. Als ik het weer zie gebeuren, zal ik er proces-verbaal van
+opmaken, hoor je. Denk jij, dat je maar doen moogt, wat je wilt? Ik
+zal je dat wel anders leeren. 't Is gewoon diefstal, maar daar storen
+jullie je niet aan, hè? Jij niet,--en je vader niet! Pas op je tellen,
+mannetje, of je loopt er nog eens geducht tegen."
+
+Zijn vader lachte er om, toen Jan het hem vertelde.
+
+"Gekheid, jongen, maak je maar niet ongerust. Als je geen grooter
+kwaad doet, is het nog al zoo erg niet, en zal Flipsen je wel met
+rust laten. 't Is een nijdige kerel, die het allen menschen lastig
+maakt. 't Is ook al erg, dat die bok daar een mondje gras of klaver
+eet. Dat doet mijn hit immers elken dag ook? En de menschen, die het
+gras van de publieke wegen pachten, weten immers vooruit, dat zulke
+dingen niet te keeren zijn. Daarom betalen zij ook minder pacht. 't
+Is te gek om er van te praten, Jan, en maak je maar niet ongerust. 't
+Zal zoo'n vaart niet loopen."
+
+Na dien tijd liet Jan zijn bok gewoon z'n gang gaan, of Flipsen het
+zag of niet. Dat begon Flipsen geducht te vervelen, en eindelijk
+maakte hij er werkelijk proces-verbaal van op.
+
+"Jij heet Jan Trom, hè?" zei hij, zijn zakboekje te voorschijn halende.
+
+"Ja," zei Jan.
+
+"Hoe oud ben je?"
+
+"Tien jaar," zei Jan.
+
+"Zoon van Dik Trom, hè?"
+
+"Ja wel."
+
+"En je erkent, dat je bok hier gras en klaver van den berm eet?"
+
+"Ja," zei Jan, "dat kan ik niet ontkennen."
+
+"Mooi zoo," zei Flipsen, die zijn boekje met een flap dichtsloeg,
+"daar zal je wel meer van hooren, manneke. Jullie doet maar, of er
+geen overheid bestaat. Maar 't zal je berouwen."
+
+Toen Jan het aan zijn vader vertelde, haalde deze glimlachend de
+schouders op.
+
+"Wat bezielt dien man toch," zei hij. "Maak je maar niet ongerust,
+'t is een storm in een glas water. We hooren er hoogstwaarschijnlijk
+nooit meer iets van."
+
+Dat was ook zoo. Toen Flipsen met zijn proces-verbaal bij den
+burgemeester kwam, lachte deze den veldwachter hartelijk uit.
+
+"Ben je dwaas, Flipsen," zei hij. "Denk je, dat we met zulke nesterijen
+bij den Officier van Justitie kunnen komen?"
+
+"Maar burgemeester, 't is toch diefstal?" zei Flipsen knorrig.
+
+"Dat beschouw ik niet als diefstal," was het antwoord. "Op die manier
+zou een jongen zelfs geen konijntje meer kunnen houden, als hij niet
+een beetje gras van den berm mag snijden. 't Is te mal om er van
+te praten."
+
+Hiermede kon Flipsen vertrekken, maar Jantje keek hij nooit meer
+vriendelijk aan. En dat zou nog erger worden, geheel buiten Jan's
+schuld.
+
+Op een avond waren Jan en Karel met nog een paar andere jongens aan
+het spelen op de markt, toen zij opeens een eigenaardig puffend geluid
+hoorden. Verwonderd keken zij in het rond, om te zien, waar dat geluid
+vandaan kwam. En tot hun groote verbazing ontdekten zij een wagen
+zonder paard er voor, die met groote snelheid langs den weg vloog.
+
+"Boe!--Boe!--Boe!" klonk het geluid van een grooten horen. In den wagen
+zaten heeren en dames, die zich vreeselijk mal toegetakeld hadden. Zij
+droegen groote stofbrillen voor de oogen, en zagen er uit als ijsberen.
+
+'t Vreemde rijtuig was een automobiel, en wel de eerste automobiel,
+die het dorp, waar Jan woonde, met een bezoek vereerde.
+
+"Kijk, kijk!" riepen de jongens, "wat een gekke wagen!"
+
+"Zij lijken wel van den Noordpool te komen," merkte Jan op. "'t Is
+een wagen vol ijsberen. Kijk, daar houdt hij stil voor de herberg
+van De Vries. Gaan jullie mee kijken?"
+
+De jongens liepen, wat zij loopen konden, om bij het vreemde voertuig
+te komen.
+
+"'t Is eene automobiel!" zei Karel van Dril. "'k Weet zeker, dat het
+eene automobiel is!"
+
+"Gaat die door stoom?" vroeg Jan.
+
+"Neen, ze stoken er benzine in, zei Vader. O, ze kunnen zoo hard
+rijden, wel zoo hard als een sneltrein."
+
+De jongens hadden den wagen spoedig bereikt, en bekeken hem aan
+alle kanten. De reizigers waren het café binnengegaan, om iets te
+gebruiken. En al spoedig stonden er heel wat menschen om het vreemde
+voertuig, want velen hadden wel al van automobiles gehoord of gelezen,
+maar nog slechts weinigen hadden er een gezien.
+
+"Ik noem het een mooi ding!" merkte Jan wijs op. "Ik zou er mijn
+bokkewagen wel voor willen ruilen."
+
+"Wat je zegt!" zei Karel lachend. "Kijk, hij staat nog te trillen en
+te zuchten, of het een levend wezen is."
+
+"Hij is moê," lachte Jan. "Hij staat uit te blazen. Die twee groote
+lantaarns voorop zijn net een paar oogen.--Zeg Karel, zoo'n automobiel
+ga ik ook maken."
+
+"Je doet wat!" lachte Karel een beetje spottend. "'t Is maar geen
+kleinigheid. Je begrijpt toch, dat er een heele machinerie binnenin
+zit?"
+
+"O ja natuurlijk," zei Jan. "Ik bedoel ook niet, dat ik een echte ga
+maken, want dat zou jou vader nog niet eens kunnen, en die kan haast
+alles,--maar ik maak toch net een wagen als dit ding, wat ik je zeg."
+
+Op dit oogenblik kwamen de reizigers weer naar buiten en namen
+in de auto plaats. De chauffeur greep het stuurrad deed een paar
+geheimzinnige grepen in den wagen, en er kwam leven in het monster. Het
+trillen en schokken werd heviger, en opeens schoot het gevaarte met
+kracht vooruit.
+
+"Poe! Poe! Poe!" toeterde de reusachtige horen.
+
+De omstanders sprongen verschrikt op zijde, en een oogenblik later
+was de wagen uit het gezicht verdwenen. Hij vloog als het ware langs
+den weg, de menschen in een wolk van stof achterlatende.
+
+Jan stond het vreemde voertuig met open mond na te staren. En toen
+hij het niet meer kon zien, riep hij zijn makkers toe:
+
+"Dag!--Ik ga naar huis!"
+
+Op een drafje liep hij weg. De auto had een overweldigenden indruk op
+hem gemaakt, en hij was besloten niet te rusten, voor hij er ook een
+had. Wel een week lang bleef hij voor zijne kameraden onzichtbaar,
+behalve op school natuurlijk. Daar mòèst hij wel heen. Maar al zijn
+vrijen tijd besteedde hij aan het vervaardigen van zijne automobiel,
+en dat was geen gemakkelijk werkje. Hij schoot er vlug mede op,
+en was verbazend trotsch op het product van zijne handen.
+
+De kinderwagen, waarin zijne Moeder hem gereden had, toen hij nog een
+klein kereltje was, had hij van het bovenstel ontdaan, zoodat alleen
+de wielen overbleven. Zijn Moeder had hem daartoe hare toestemming
+gegeven, omdat de wagen oud en versleten en dientengevolge geen
+dubbeltje meer waard was.
+
+Toen had hij van zijn vader een paar pakkisten gevraagd, die hem
+graag werden afgestaan.
+
+"Wat moet je er meê uitvoeren, Jan?" had zijn Vader gevraagd.
+
+"Ik maak er een automobiel van," zei Jan, en toen vond zijn Vader het
+goed. Die kisten gaf hij precies het model van de auto, en bevestigde
+ze daarna op het onderstel van den kinderwagen. Keurig netjes timmerde
+hij er twee bankjes in, een voor- en een achterbankje. Gelukkig
+mocht hij het gereedschap van zijn grootvader gebruiken, en deze gaf
+meermalen goeden raad.
+
+Maar nu kwam het moeilijkste nog aan, want hij wilde zijn wagen van een
+toestel voorzien, waarmede hij hem in beweging kon brengen, zonder dat
+het noodig was hem te duwen of te trekken. Het duurde lang, eer hij
+daar iets op gevonden had, en toen hij wist, hoe het worden moest,
+kon hij het onmogelijk zonder hulp van een smid uitvoeren. Hij ging
+daarom met zijn wagen naar Piet van Dril, den smid, en legde hem uit,
+wat er gedaan moest worden.
+
+"Kijk, Van Dril," zei hij, "zooals het nu is, is het niet goed. De
+as van mijn wagen deugt er niet voor. Ik zou naast mijn voorbankje
+een wiel willen hebben met een tandrad precies als aan een fiets. Als
+nu aan den as van den wagen ook zoo'n rad bevestigd werd, kon er een
+fietsketting omgelegd worden, zoodat ik maar aan het wiel te draaien
+heb om de kar in beweging te brengen. Aan dat wiel moet natuurlijk
+een handvat komen, precies als aan het wiel van een draaiorgel."
+
+Piet van Dril keek hem een poosje peinzend aan, en krabde zich in
+gedachten achter het oor. Eindelijk gaf hij Jan een geduchten klap
+op diens smalle schoudertje, zoodat de beentjes ervan haast kraakten,
+en zeide:
+
+"Dat heb je al wonder knap bedacht, Jan. Wonder knap, zeg ik! Je kon
+wel ingenieur of zoo iets worden. Maar hoe moet je aan zoo'n wiel
+met een handvat komen? Ik heb er geen."
+
+"Wij wèl, Van Dril," zei Jan. "In de schuur ligt die oude koffiemolen
+nog van ons, u weet wel, die oude afgedankte uit den winkel. En daar
+zit een groot wiel aan met een handvat."
+
+"Juist!--Ja, juist," zei Van Dril. "Wel jongen, ik vind, dat je
+het zóó knap bedacht hebt, dat ik je nu eens voor pleizier aan die
+kamraderen helpen wil. Haal dat wiel maar hier."
+
+Wat was Jantje blij. Hij liep als een haas naar huis om het wiel
+te halen en was den geheelen avond niet uit de smederij weg te
+krijgen. Geen wonder waarlijk, want Van Dril hield woord. Hij smeedde
+de kamraderen aan den vooras van den wagen en aan het wiel van den
+koffiemolen, maakte een oude fietsketting pasklaar, en zette alles
+netjes en flink in elkander.
+
+Jan stond er verrukt naar te kijken, en Karel niet minder.
+
+"Nu moet ik nog een horen hebben!" zei Jan, zich de handen wrijvende
+van genot.
+
+Ja, en nog twee lantaarns," zei Karel. "Je weet wel, dat zijn de oogen
+van het beest. Een paar oude fietslantaarns konden er best dienst
+voor doen. Vader, hebben wij nog niet een paar van zulke oudjes?"
+
+"O, ja wel," zei Van Dril. "Hier heb je er twee."
+
+In een kwartiertje had Jan ze voor aan de auto bevestigd. Toen nam
+hij nog een veerkrachtig metalen plaatje, en timmerde dat aan den
+linkerkant van den wagen, er voor zorgende, dat de spaken van het
+voorwiel er beurtelings tegen aan tikten, als de wagen in beweging
+kwam. Daardoor werd een geluid veroorzaakt, dat precies het tuffen
+van een auto nabootste.
+
+Nu was de wagen klaar. Jan en Karel brachten hem naar buiten, waar
+Jan op het voorbankje ging zitten, en Karel op de achterbank. Jan
+nam het handvat en draaide het wiel rond. Ha, wat reed het karretje
+prachtig. De twee jongens konden hun lachen niet houden van
+pleizier. 't Was precies een auto, en hij maakte een aardig gangetje.
+
+'t Was maar jammer, dat de voorwielen niet om een spil konden draaien,
+want nu kon de wagen alleen vooruit en achteruit, maar van sturen
+was geen sprake.
+
+Elken avond gingen de jongens er meê spelen en zij hadden niet weinig
+bekijks. Maar Jan raakte er door in volslagen vijandschap met Flipsen,
+en toch was het geheel buiten zijne schuld. Dat kwam zoo.
+
+Karel van Dril moest eene boodschap voor zijn vader doen, en daarom
+besloot Jan maar alleen met zijn auto te gaan rijden. Eerst tufte
+hij een paar malen het dorp door, en ging toen naar het fort even
+voorbij het kerkhof, dat aan het einde van 't dorp lag. Daar werd een
+fort aangelegd waarlangs een hooge kluft liep. Jantje besloot van die
+kluft af te tuffen. Jongen, wat zou hij dan een snelle vaart krijgen!
+
+Nu, dat was ook zoo. Hij duwde zijne auto tegen de hoogte op, ging er
+toen in zitten, en reed vliegensvlug naar beneden. Ha, nu leek het
+precies een echte automobile. Hij toeterde, dat het een lust was om
+te hooren, en het stof dwarrelde achter hem omhoog. 't Was verbazend
+te zien, hoever zijn kar nog voortreed, als hij den vlakken weg reeds
+had bereikt.
+
+Jan vond het spelletje zoo mooi, dat hij aan geen ophouden
+dacht. Zoodra was hij niet beneden gekomen, of hij duwde de kar
+opnieuw naar boven, en liet zich dan weer vliegensvlug gaan.
+
+Toen hij eens weer op het hoogste punt aangekomen was en gereed stond
+om in te stappen, kwam van den anderen kant juist Flipsen aan. De man
+was bepaald in eene erg knorrige bui, want hij keek verschrikkelijk
+boos. Zoodra hij Jan zag, bleef hij staan en zeide:
+
+"Zoo,--wat voer jij hier in je eentje uit? Zeker niet veel goeds, hè?"
+
+"Ik doe in het geheel geen kwaad, Flipsen," zei Jan. "Ik rijd alleen
+maar met mijn auto van de hoogte af, omdat het zoo lekker gaat."
+
+"Ja, ja," zei Flipsen, "jij hebt je woordjes wel klaar, maar ik
+vertrouw je niet verder, dan ik je zie. Pas op, manneke, ik waarschuw
+je, dat je geen verkeerde dingen doet, want ik heb je al lang in
+de gaten."
+
+Flipsen vervolgde zijn tocht langs de kluft naar beneden.
+
+Jan besloot nog een poosje te wachten, want hij zag zeer goed, dat
+Flipsen om de een of andere reden uit zijn humeur was, en dat het maar
+het veiligst was hem uit den weg te blijven. Hij nam plaats op het
+voorbankje en was van plan zoo lang te wachten, tot Flipsen weg was.
+
+Dat duurde geruimen tijd, want het was eene lange kluft, en Flipsen
+kuierde op zijn gemak naar het dorp.
+
+Opeens voelde Jan, dat er beweging in zijne auto kwam. Deze werd met
+kracht vooruit geduwd. Hij keek om en zag, dat Frans Tor achter de
+kar liep. Lachend zei deze:
+
+"Ik zal je een zetje geven, Jan, dan ga je vliegensvlug naar beneden."
+
+"Niet doen,--niet doen, Frans!" riep Jan hem waarschuwend toe. "Ginder
+loopt Flipsen, en ik wou hem liever niet voorbij rijden."
+
+"Gekheid! Wat kan jou Flipsen schelen!" riep Frans terug. Met alle
+kracht en zoo snel hij loopen kon, duwde deze de kar naar beneden.
+
+Opeens liet hij haar los, en voort vloog Jantje, in ijlende vaart
+de helling af. Angstvallig hield hij de oogen gericht op Flipsen,
+want hij vreesde niet zonder reden, dat er veel kans bestond om hem
+onderst-boven te rijden.
+
+"O jé!" dacht Jan met een zucht van ontsteltenis, "als dat maar goed
+afloopt! Ik vlieg regelrecht op hem aan. Had ik maar een stuur aan
+mijn auto, dan kon ik langs hem heen rijden, of een rem, om den wagen
+tot stilstand te brengen.--Poe,--ik geloof, dat ik hem regelrecht
+tegen de beenen vlieg!"
+
+Jantje begon op zijn horen te toeteren, dat het wel vijf minuten ver
+te hooren was, maar Flipsen keek niet op of om. Jan zag dat tot zijn
+grooten schrik. Hij zag ook, dat Flipsen recht-uit, recht-aan verder
+liep, zonder ook maar een stap op zijde te gaan.
+
+"Zou hij me niet hooren?" dacht Jan, en hij toeterde zoo hard, dat
+zijn horen er van berstte, en in 't geheel geen geluid meer gaf.
+
+Jan was ten einde raad, want hij naderde Flipsen met groote snelheid,
+en 't leed geen twijfel, of bij dezen voortgang reed hij hem pardoes
+tegen de beenen.
+
+Hij probeerde de kar op zijde te rukken, maar tevergeefs.
+
+"Hei, hei daar, hola Flipsen!" riep hij in doodsangst den boozen
+veldwachter toe, want hij was hem bijna genaderd.
+
+Maar Flipsen verkoos geen stap op zij te gaan.
+
+"Dat moet er nog bijkomen, dat ik, een regeeringspersoon, voor een
+kwâjongen uit den weg moet gaan. Dank je hartelijk. Hij moet voor
+mij uitwijken, en niet ik voor hem. 't Zou me wat moois worden op
+die ma..."
+
+"Bom!"
+
+Daar voelde hij een geduchten smak tegen zijn kuiten, en op 't zelfde
+oogenblik sloeg hij met kracht achterover in de auto van Jantje. En
+voort vloog de kar. Flipsen lag met zijn beenen omhoog in den wagen,
+en hij zag geen kans om overeind te komen.
+
+"Satansche jongen," schreeuwde hij, toen hij zijn eersten schrik te
+boven was. "Brutale vlegel,--ik zal je leeren!"
+
+'t Was een bespottelijk gezicht hem te zien liggen. Vader Dik,
+die er juist op aan kwam loopen, wist eerst niet goed, wat hij zag,
+maar een oogenblik later barstte hij in een onbedaarlijk lachen uit.
+
+"Wat nu, Flipsen," riep hij den veldwachter toe, "ga je in het karretje
+van mijn Jan rijden?"
+
+Flipsen richtte zich op uit zijne moeielijke positie, en bracht met
+zijne beenen de kar tot staan. Maar waar was Jan? Er was tot verbazing
+zoowel van Dik als van Flipsen, geen spoor van hem te zien.
+
+Flipsen was woest van kwaadheid, en met gebalde vuist kwam hij op
+Dik af.
+
+"'t Is eene schande, eene schande!" schreeuwde hij Dik toe. "Ik zeg,
+'t is eene schande om je zoontje zoo tegen mij op te zetten, en hem
+te leeren mij te bespotten. Maar ik zal hem krijgen,--ik zal hem
+krijgen,--ik zal..."
+
+Flipsen wist van kwaadheid niet, wat hij zeggen moest, en met toornige
+blikken keek hij van Dik naar de auto, die verlaten aan den kant van
+den weg stond, en van de auto naar Dik. Maar deze deed niet anders
+dan lachen, want het was hem onmogelijk zich te bedwingen.
+
+"Bedaar toch, Flipsen, bedaar toch!" riep hij tusschen de buiën door
+den veldwachter toe.
+
+"Bedaren?" schreeuwde Flipsen. "Bedaar jij met je gelach, dat zou
+je fatsoenlijker staan. Foei man, ik zou me schamen, om mijn kind
+zoo'n opvoeding te geven. Maar ik zal hem wel krijgen, den rakker,
+wacht maar!"
+
+Met groote schreden vervolgde Flipsen zijn weg, zonder Dik of de auto
+met een enkelen blik te verwaardigen.
+
+Dik lachte nòg!
+
+"Wat was dat een bespottelijk gezicht!" zei hij binnensmonds. "Maar
+waar mag Jan toch zitten? 't Is zijn auto, dat weet ik zeker. De
+jongen zal toch geen ongeluk gekregen hebben..."
+
+Dik werd ernstiger, en hij wierp een blik langs de kluft om te zien,
+of Jan zich daar bevond.
+
+Opeens hoorde hij echter diens welbekende stem.
+
+"Pssst, Vader,--is hij weg?" werd hem half fluisterend toegeroepen. 't
+Geluid kwam uit de auto.
+
+Dik draaide zich om, en waarlijk, daar kwam Jantje's smalle hoofdje
+van tusschen het voor- en het achterbankje te voorschijn. Snel keek
+Jan om zich heen.
+
+Ha, de veldwachter verwijderde zich met groote schreden. Dik kwam
+naderbij.
+
+"Hoe zit jij daar zoo tusschen die banken gewrongen, kind?" vroeg hij
+lachend, want de heele geschiedenis maakte op hem een onweerstaanbaar
+lachwekkenden indruk. "En wat is er eigenlijk gebeurd?"
+
+Jan kroop nu uit den wagen en zeide:
+
+"O, Flipsen was erg boos, waarom weet ik niet. Ik stond met mijne auto
+ginds op de hoogte, en was juist van plan om naar beneden te rijden,
+toen Flipsen mij een standje gaf, omdat ik--ja, ik weet echt niet
+waarom, want ik deed in 't geheel niets. En toen ging Flipsen verder,
+en omdat hij zoo boos was, meende ik te wachten, tot ik hem niet meer
+kon inhalen. Maar Frans Thor kwam onverwachts achter me en gaf me
+een harden duw, zoodat ik naar beneden vloog, regelrecht op Flipsen
+aan.--Wat zat ik in de benauwdheid, Vader. Ik toeterde zoo hard ik kon,
+en toen nòg harder, zoodat de horen er van gebarsten is. Hoor maar,
+hij geeft geen geluid meer. Maar Flipsen deed net of hij doof was,
+en keek niet op of om, tot ik eindelijk zag, dat ik hem niet meer
+ontwijken kon. Ik kroop vlug tusschen het voor- en het achterbankje
+en maakte mij zoo klein mogelijk, en op 't volgende oogenblik vloog de
+kar Flipsen van achteren tegen de beenen, zoodat hij achterover op de
+kar viel. Zoo reden we samen verder, tot u kwam. Wat zat ik in angst,
+Vader. Ik zweet nog, als ik er aan denk."
+
+Dik kreeg opnieuw een lachbui, waar haast geen einde aan kwam, zoo
+mal vond hij het.
+
+"Dus je magere leden hebben je gered!" riep hij eindelijk uit. "Als
+je zoo mager niet was geweest, had je je onmogelijk op zoo'n klein
+plaatsje kunnen opvouwen. 't Is merkwaardig. Ga maar gauw naar huis,
+en blijf Flipsen zoo ver mogelijk uit de voeten, want hij is meer
+dan kwaad op je."
+
+"Maar Vader, ik kon er toch niets aan doen."
+
+"Ja jongen, dat weten _wij_ wel, maar _hij_ gelooft het niet. Blijf
+van avond verder maar stilletjes thuis."
+
+Jan beloofde dat, maar hij ging toch even naar de smederij, om het
+geval aan Karel Van Dril en diens vader te vertellen, die er ook niet
+weinig om lachen moesten.
+
+Jan evenwel verzonk in diep gepeins, want de kar beviel hem zoo niet
+meer. Hij nam zich vast voor niet te rusten, voordat hij de voorwielen
+aan een beweegbaren as verbonden had, zoodat hij de auto sturen kon,
+en dan nog wilde hij er een rem aan hebben.
+
+Toen Dik 's avonds het geval aan Jan's Grootvader vertelde, moest
+deze er ook braaf om lachen, en hij kwam tot de conclusie, dat Jan
+ook een bizonder kind was--en dat was-ie!
+
+
+
+
+Negende Hoofdstuk.
+
+ Jan omarmt den schoorsteenveger met groote innigheid.
+
+
+Flipsen wàs en blèèf erg boos op Jan Trom. Misschien zou die boosheid
+langzamerhand wel wat afgezakt zijn, als het malle figuur, dat hij
+gemaakt had, niet door het geheele dorp bekend geraakt was, maar dat
+gebeurde wèl. Frans Thor was daar de schuld van. Toen hij Jan met
+zijne auto zoo'n geduchte vaart gegeven had, bleef hij lachend staan
+kijken, hoe de zaak zou afloopen, en zoo had hij alles gezien, wat er
+gebeurd was. Hij gierde het uit van de pret, en hij vertelde het aan
+iedereen, die het maar hooren wilde. En wat nog erger was: hij hield
+Flipsen telkens voor den gek, als hij hem op straat tegenkwam. Dat zou
+Jan Trom in geen geval gedaan hebben, want hij vond het geval voor
+Flipsen al erg genoeg, maar Frans deed het wèl en Klaas Zwart hield
+hem daarbij trouw gezelschap. Telkens als zij Flipsen ontmoetten,
+begonnen zij te tuffen als eene auto, zonder Flipsen aan te kijken.
+
+"Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!" zei dan Frans.
+
+"Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!" zei dan ook Klaas, en dan tuften zij om het
+hardst. Eerst had Flipsen er geen erg in gehad, maar toen het telkens
+gebeurde, als die jongens in zijne nabijheid waren, begon hij lont
+te ruiken. Hij keek ze aan met een paar oogen, of hij hen verscheuren
+wilde, maar dat deed hij toch niet.
+
+Doch toen hij hen later weer tegenkwam, en zij opnieuw begonnen
+te tuffen, sprong hij plotseling op hen af, en gaf hun ieder een
+klinkenden draai om de ooren. Dat gebeurde zóó snel en onverwachts,
+dat de twee jongens eerst niet eens goed begrepen, wat er gebeurde.
+
+"Au!" riep Frans.
+
+"Au!" riep Klaas.
+
+En beiden grepen zij naar hun ooren, waar zij een stekende pijn
+voelden.
+
+Flipsen lachte, en gaf hun een tweeden.
+
+"Daar!" zei hij. "Ik zal je leeren tuffen! Hard gaat-ie, hè?"
+
+Ze gingen allebei hard, want vóór Flipsen gelegenheid kreeg hun
+nog een derden oorveeg toe te dienen, zetten zij het op een loopen,
+zoo hard zij konden. En na dien tijd tuften zij niet meer, als zij
+Flipsen tegenkwamen. Zij gingen hem zelfs eerbiedig uit den weg.
+
+Op Jan Trom bleef Flipsen erg boos, dat kon Jan duidelijk
+opmerken. Flipsen groette hem nooit terug, als hij hem tegenkwam,
+en keek hem altoos aan met een blik, die hem niet veel goeds
+voorspelde. Jan trok er zich echter niets van aan, want hij voelde
+zich volkomen onschuldig.
+
+"Ik heb het niet met voordacht gedaan," dacht hij, "en als ik het
+had kunnen vermijden, zou het in 't geheel niet gebeurd zijn. Flipsen
+zal dat ook wel begrijpen, als hij er kalm over nadenkt."
+
+En zijn vader zei ook:
+
+"'t Zal van zelf wel weer beter worden, als jij Flipsen maar met rust
+laat en hem zooveel mogelijk uit de voeten blijft. Hij zal dan zelf
+wel begrijpen, dat hij zich vergist heeft.
+
+En zoo was het ook. Toen Flipsen opmerkte, dat Jan hem altoos even
+beleefd bleef groeten en hem nooit voor den gek hield, bedaarde zijne
+boosheid meer en meer, en eindelijk groette hij Jan zelfs terug.
+
+Jan peinsde voortdurend op een middel, om eene herhaling van het
+gebeurde te voorkomen. Hij was vast besloten niet te rusten, voor
+hij zijne auto bestuurbaar had gemaakt. En eindelijk meende hij het
+gevonden te hebben. Hij had er een spil voor noodig, met aan het
+boveneinde een stuurrad, precies als aan eene echte auto. Die spil
+moest van onderen bevestigd worden aan den vooras, welke beweegbaar
+moest zijn. Als hij dan in zijn auto zat, kon hij hem gemakkelijk
+door middel van het stuurrad heen en weer bewegen, waardoor hij den
+wagen geheel in zijne macht kreeg.
+
+Nauwelijks waren zijne plannen tot rijpheid gekomen, of hij begaf
+zich na schooltijd op weg naar Van Dril, zonder wiens hulp hij
+geen kans zag een en ander ten uitvoer te brengen. Er zou echter
+dien avond niet veel van komen. Hij was nog maar pas zijn huis uit,
+of hij kwam Dries Klomp tegen, den jongsten knecht van Jan Vos. Deze
+had een emmertje in de hand, en een bezem, een bosje stroo en een
+touw onder den arm. Hij werd op het dorp meestal bij zijn voornaam
+genoemd en stond bekend als een grappenmaker.
+
+"Dag Dries!" riep Jan hem toe.
+
+"Zoo Jantje," zei Dries. "Jongen, jongen, wat word je toch dik in den
+laatsten tijd. Als je niet oppast, kun je weldra met de konijntjes
+door de tralies van het hok meê-eten."
+
+"Is het waar?" vroeg Jan lachend, want hij kon wel tegen een klein
+plagerijtje. "Dan zal ik de koolstronkjes voor jou laten liggen. Is
+dat goed?"
+
+"Graag,--asjeblief. Ga je mee naar den molenaar? Dan kun-je me helpen
+aan 't vegen van de schoorsteenen. Dat is een mooi werkje voor je."
+
+"Dank je hartelijk, om zoo zwart als roet thuis te komen," zei Jan. "'t
+Is je van harte gegund, Dries."
+
+"Geen lust? Even goede vrienden, hoor. Dag Jan."
+
+"Dag Dries."
+
+Jan vervolgde zijn weg, tot hij onderweg een schilder bezig zag met het
+verven van een der lantarenpalen, die aan den weg stonden. Hij mocht
+dat graag zien, en bleef er dus een poos naar kijken. De schilder
+bevond zich op een ladder, om het bovengedeelte te verven. Op den
+grond stond ook een pot met verf, met een kwast er in. Nauwelijks
+had Jan dat gezien, of hij greep de kwast en vroeg, of hij ook eens
+schilderen mocht.
+
+"Jawel, Jan," was het antwoord. "Maar niet met de verf morsen."
+
+Ha, dat vond hij prettig, en hij smeerde er lustig op los.
+
+"Niet zoo dik, Jan," zei de schilder. "Je moet de verf meer
+uitsmeren. Zooals jij het doet, is de paal de volgende week nog
+niet droog."
+
+"En zooals u het doet?" vroeg Jan.
+
+"Morgen, denk ik," was het antwoord.
+
+Jan bleef bij den schilder tot de geheele lantarenpaal klaar was, maar
+toen ging hij ook direct naar den smid, om aan zijn wagen te werken.
+
+Van Dril had juist een oude fiets van iemand overgenomen, en zijn
+zoontje Karel stond te zeuren, of hij er op mocht leeren rijden.
+
+"Hè toe, Vader," zei Karel, "laat mij er maar op rijden. 't Is toch
+al een oudje.--Toe maar."
+
+Van Dril zei niets, maar hij lachte eventjes, wat Karel moed gaf,
+dat hij de gewenschte toestemming verwerven zou.
+
+"Mag ik, Vader?" vroeg hij nog eens.
+
+"Als je dan maar voorzichtig bent," zei Van Dril. "Breek geen armen
+of beenen, en de fiets ook niet."
+
+Dat liet Karel zich geen twee keer zeggen.
+
+"Ga je meê, Jan?" vroeg hij met eene kleur van blijdschap "Dan gaan
+we leeren fietsen."
+
+Dat was een kolfje naar Jan's hand. Hij vergat zijn heele machinerie
+en ging met Karel naar buiten. Samen hielden zij de fiets vast.
+
+"Ik het eerst, Jan," zei Karel.
+
+"Natuurlijk," was het antwoord.
+
+"Zeg, hij ziet er nog mooi uit, al is het een oudje, hè?"
+
+"Dat geloof ik," zei Jan. "'k wou, dat het de mijne was. Toe,
+hier kunnen we wel beginnen. Stap jij er maar op, dan zal ik hem
+vasthouden." Karel probeerde op het zadel te wippen, maar op 't zelfde
+oogenblik lag hij al op den grond. "Je moet hem beter vasthouden,
+Jan," zei hij. "Zóó kan ik er niet op komen."
+
+"Ik hield hem goed vast, maar jij zat veel te scheef!" zei Jan. "Als
+je zoo scheef zit, kan ik je niet houden."
+
+Karel stapte nog eens op. Nu ging het beter, en Jan duwde hem vooruit.
+
+"Trappen, jongen, trappen!" riep Jan hem toe. Karel durfde niet. Hij
+was bang, dat hij vallen zou. "Trap dan toch! Als je niet trapt,
+leer je het nooit!"
+
+Karel drukte zijn rechtervoet naar beneden. Voort ging de fiets,
+met het gevolg, dat Jan haar alweer niet houden kon, en Kareltje op
+den weg terecht kwam.
+
+"Au!" zei hij. "Dat kwam wel een beetje hard aan."
+
+"Hindert niet!" riep Jan. "Stap maar weer op, maar niet zoo schuin
+hangen. Dan ben je me veel te zwaar!"
+
+Wip! Met een vlugge beweging stapte Karel weer op de fiets.
+
+Hij durfde nu al een beetje beter, en drukte de trappers met kracht
+naar beneden. 't Was hem echter onmogelijk zijn stuur goed te houden,
+zoodat de fiets over den weg slingerde als een dronken man. En als
+de fiets naar rechts ging, hing Karel schuin naar links, en ging zij
+naar links, dan hing Karel naar rechts.
+
+"Bom!" Daar tuimelde Karel weer over de straat.
+
+Hij gaf echter den moed niet op, en Jan evenmin.
+
+"Je leert het al aardig," zei Jan, toen het Karel inderdaad gelukt
+was, eenige seconden op de fiets te blijven zitten. "Trappen, zeg,
+hoe harder je trapt, hoe beter ik je houden kan."
+
+Karel trapte uit alle macht, en Jan draafde achter hem aan, als een
+hazewindhond achter zijn meester.
+
+Na een half uurtje durfde Jan het zadel even los te laten, en Karel
+reed werkelijk al eenige meters zonder te vallen. Toen zei hij:
+
+"Nu is het jouw beurt Jan. Jij hebt het mij geleerd, nu zal ik het
+jou leeren."
+
+"O, ik wed, dat ik het al dadelijk kan," pochte Jan. "Houd hem maar
+vast, dan zul-je eens zien, hoe ik er van door ga. Je zult er van
+staan te kijken."
+
+Karel lachte. Hij wist wel beter, want in het laatste half uur had
+hij de moeilijkheden pas goed leeren kennen.
+
+"Je hebt praats genoeg," zei hij. "Stap er maar op, dan zul je eens
+zien, hoe gauw je tegen den grond ligt. Zóó gemakkelijk gaat het niet."
+
+Jan stapte op, en Karel hield het zadel vast.
+
+"Vooruit, Jan, trappen.--O, wat hang je schuin--nog veel erger dan
+ik.--Ik kan je niet--"
+
+"Bom!"
+
+Daar lag Jan onder de fiets, maar hij sprong dadelijk overeind en
+stapte opnieuw op.
+
+"Je moet me beter vasthouden, Karel,--je laat me ook maar dadelijk
+vallen."
+
+Daar ging het weer. Jan trapte nu uit alle macht, want hij was in
+'t geheel niet bang uitgevallen, en inderdaad ging het een eindje goed.
+
+"Zie je wel?" riep hij Karel triomfantelijk toe. "Zóó moet je ook
+rijden! Ha, wat gaat dat lek..."
+
+"Flap!" Weer lag Jan op den grond, en hij bezeerde zijn been erger,
+dan hem lief was. Maar hij stoorde er zich niet veel aan, en zat in
+'t volgende oogenblik weer op de fiets.
+
+Werkelijk had hij er spoedig den slag van beet. Karel kon hem soms al
+een heel poosje aan zijn lot overlaten. Jan slingerde dan wel van den
+eenen kant van den weg naar den anderen, en soms dreigde hij pardoes
+in het kanaal te rijden, dat langs den weg liep, maar hij reed toch,
+en dat was de hoofdzaak. Hij was er wàt trotsch op.
+
+Even later was Karel weer aan de beurt. Het duurde niet lang, of hij
+kon ook al eenige meters los rijden, en daar was hij verrukt over. Hij
+trapte als een dolleman, want hij had gemerkt, dat hij dadelijk viel,
+als hij langzaam trapte. En Jan draafde achter hem aan zoo hard hij
+kon, om hem dadelijk te kunnen grijpen, als hij dreigde om te slaan.
+
+Eindelijk werd Jan zóó moê, dat hij niet meer kon.
+
+"Ik moet rusten, Karel," zei hij. "Ik ben zoo moê als een hond. Maar
+je kunt het nu wel alleen. Probeer het maar gerust; je zult zien,
+dat het gaat."
+
+Hij hielp Karel nog even bij het opstappen, en toen reed deze heen. Ha,
+wat slingerde hij! Jan stond hem na te kijken, nieuwsgierig op welke
+plaats Karel zou omvallen, want dat dit gebeuren moest, betwijfelde hij
+geen oogenblik. Een vijftig meters ging het vrij goed, al slingerde
+hij ook beangstigend, maar opeens gaf Jan een schreeuw van schrik,
+want Karel begon geweldig te slingeren, en reed toen regelrecht op
+het kanaal aan. Nog een oogenblik, en hij tuimelde bij den hoogen
+kant neer....
+
+Jan ijlde naar de plaats des onheils, en bemerkte tot zijn genoegen,
+dat hij zich voor niets bang had gemaakt, want Karels hoofd verscheen
+alweer boven den walkant. Hij was wel tot vlak bij het water geweest,
+maar hij was er toch niet ingevallen.
+
+"Hè-hè, dat scheelde een beetje!" zei hij vergenoegd, nu het zoo goed
+afgeloopen was. "Ik had geen duim verder moeten belanden,--dan was
+ik kopje-onder gegaan."
+
+"Ik zag het," zei Jan. "Hè, wat schrok ik! Ik dacht stellig, dat je
+te water ging."
+
+"Gelukkig niet;--zeg, help je even de fiets naar boven trekken?"
+
+Met vereende krachten brachten zij de fiets op den weg.
+
+"Zou hij nog heel wezen?" vroeg Karel.
+
+Dat bleek gelukkig het geval te zijn.
+
+"Nu is 't mijn beurt weer," zei Jan. "Is 't goed?"
+
+"Best," zei Karel. "Bij mij zit de schrik er wel een beetje in. Ga
+je gang maar."
+
+Jan sprong op de fiets, en nu draafde Karel er achter. Eerst ging het
+langzaam, want Jan durfde niet goed, maar spoedig overwon hij zijne
+vrees, en nu moest Karel achter de fiets draven.
+
+"'t Gaat goed zoo,--best,--erg best!" riep hij Jan bemoedigend toe. "Je
+rijdt nog beter dan ik."
+
+"Laat me maar gerust los!" riep Jan hem toe.
+
+"Ik heb je niet vast!" hijgde Karel achter hem, moê van het draven. Ha,
+wat trapte Jan lustig voort. Hij zwierde wel links en rechts, maar
+dat hinderde niet; hij wist toch op den weg te blijven.
+
+O jé, ginds zag hij een grooten steen liggen, midden op den weg.
+
+"Als ik maar niet over dien steen ga," dacht Jan met eenige zorg. "Ik
+moet hem zien te ontwijken."
+
+Angstvallig hield hij zijn blik op het gevreesde voorwerp gericht,
+met het gevolg, dat hij er juist op aanreed.
+
+"O, die steen!" schreeuwde hij. Plof! Daar reed hij er overheen,
+wat een geduchten schok gaf, maar hij bleef zitten. Slingerend reed
+hij verder.
+
+"Dat scheelde een beetje!" riep Karel.
+
+"Of het! Wat gaat het al goed."
+
+Met krommen rug, den stuurstang krampachtig in de handen geklemd,
+trapte Jan voort. Hij vond, dat het al prachtig ging. Ha, daar zag
+hij den lantaarnpaal al, dien hij had helpen verven. Dien paal moest
+hij ook zien te ontwijken, want hij was natuurlijk nog nat. Maar tot
+zijne verbazing en ook tot zijn schrik bemerkte hij, dat hij er alweer
+regelrecht op aanreed.
+
+"Gek toch," mompelde hij. "Zoo'n fiets brengt je juist, waar je niet
+wezen wilt. Maar ik zal hem wel mis zien te rijden."
+
+Hij naderde den lantaarnpaal meer en meer, hoewel hij alle moeite
+deed om de fiets eene andere richting te geven. Dat wilde hem echter
+niet gelukken.
+
+"Pas op, die lantaarn daar!" schreeuwde hij in angst Karel toe.
+
+Maar Karel kwam enkele meters achter hem aan, want Jan had hard
+gereden, en hij was erg moê geworden. Karel verkeerde dus in de
+onmogelijkheid om zijn vriend te helpen.
+
+"Grijp me dan toch!" schreeuwde Jan in grooten angst, want hij zag, dat
+hij regelrecht koers hield naar den pas geverfden paal. Op 't volgende
+oogenblik schaafde zijn wiel er tegen aan, en om niet te vallen greep
+Jan, zonder er bij te denken, den paal met beide handen aan. O wee,
+hij voelde het kleven van de verf. Daarom liet hij den paal dadelijk
+weer los, maar merkte, dat hij ging vallen. Hij breidde daarom de
+armen uit en klemde den groenen paal teeder aan zijn borst. Zelfs
+zijn linker wang kwam er mede in aanraking.
+
+"Dat loopt best af!" riep Karel hem toe. Deze was hem spoedig genaderd,
+trok de fiets een beetje achteruit, en riep:
+
+"Vooruit maar weer, Jan. 't Gaat opperbest. Nog tot jullie huis,
+en dan mag ik terug weer."
+
+Hij wist niet, dat de paal geverfd was, en voordat Jan iets in 't
+midden kon brengen, voelde deze zich alweer vooruit duwen. Met zijn
+geverfde handen greep hij de handvatten van het stuur, en voort ging
+het weer.
+
+En 't ging weer goed ook. Jan trapte als een dolleman.
+
+"Straks zal ik de handvatten wel afvegen," dacht hij. "Ik denk,
+dat mijn kleeren ook wel vol verf zullen zitten. Die akelige paal
+ook. Hoe kan de fiets er nu juist tegen aanrijden."
+
+O, wat slingerde Jan langs den weg. Soms reed hij haast tegen een
+boom op, een oogenblik later scheelde het maar zus of zoo, of hij
+reed in het kanaal. Maar toch bleef hij op den weg. De menschen,
+die hij tegenkwam, maakten zich uit de voeten, en bleven hem dan
+lachend nakijken.
+
+"Houd je roer recht, schipper!" riep de een hem toe.
+
+"Je lijkt wel dronken, jongen!" merkte een ander op.
+
+Jan lachte maar. Hij vond het verrukkelijk op de fiets, en had geen
+oogen voor iets anders. Hij keek niemand aan, en staarde maar recht
+voor zich uit op den weg.
+
+"Jongen, jongen, wat gaat dat echt," dacht Jan bij zichzelven. "Als
+mij nu maar weer niet iets in den weg komt."
+
+Zwaaiende en zwierende fietste Jan verder.
+
+Toen hij even zijne oogleden ophief, om te kijken, of de weg vrij
+bleef, zag hij in de verte iemand naderen.
+
+"Wacht," dacht hij, "nu zal ik toch eens zien, of ik hem niet kan
+passeeren, zonder tegen hem aan te bommen. Maar die akelige fietsen
+lijken wel altoos juist den verkeerden kant op te gaan."
+
+Weer hief hij eventjes de oogleden op.
+
+De man was al een heel stukje naderbij gekomen.
+
+"Nu zal het er op aankomen," dacht Jan.
+
+Hij omklemde de handvatten van het stuur nog krampachtiger dan te
+voren en trapte wat hij kon. Voortdurend hield hij den man in het
+vizier, tot hij opeens tot zijn schrik zag, dat het Dries was, die
+van het schoorsteenvegen bij den molenaar terugkeerde. Wat was Dries
+veranderd, en niet in zijn voordeel, want hij zag zoo zwart als een
+neger en zijn kleeren zaten vol roet.
+
+"Hu, wat een roetmop," dacht Jan. "Maar ik zal hem wel
+misrijden,--wacht maar. Ik begin het sturen al aardig te leeren.--Hola,
+wat een zwier maakte ik daar!--O jé, het kanaal,--daar ga ik!"
+
+Maar neen, met inspanning van al zijn krachten wierp hij het stuur om,
+en het gevaar was geweken. Jantje reed verder.
+
+Dries stond midden op den weg lachend naar hem te kijken.
+
+"Wil je een nat pak halen, Jan?" riep hij hem plagend toe. "Aanstonds
+ga je kopje-onder het kanaal in."
+
+"Uit den weg! Ga uit den weg!" schreeuwde Jan, die tot zijn schrik
+bemerkte, dat hij regelrecht op Dries aanhield.
+
+"Berg je, menschen, berg je!" spotte Dries. Maar hij ging toch een
+beetje op zijde, om Jan te laten passeeren.
+
+'t Hielp echter niet.
+
+Nauwelijks was Dries van plaats veranderd, of Jan merkte, dat de fiets
+daar rekening meê hield en weer regelrecht koers hield naar Dries.
+
+"Op zij! Op zij!" schreeuwde Jan.
+
+Maar op 't volgende oogenblik bonsde hij tegen Dries aan. Jan sloeg
+hem in de verwarring de armen om den hals, en klemde zich krampachtig
+aan den zwarten schoorsteenveger vast. Zij wang kwam tegen de wang
+van Dries terecht, die dadelijk iets kleverigs voelde. Dat was de
+verf van den lantaarnpaal, die Jan op zijn gezicht had.
+
+O, wat lachte Dries.
+
+"Wel, wel, houd je zooveel van me, dat je me omarmen wilt?" vroeg
+hij. "Dan zal ik je wel een handje helpen."
+
+En hij wreef met zijn zwarte gezicht tegen de wangen van Jan, precies
+als eene moeder doet, die haar kindje knuffelt.
+
+"Daar dan! Is het zoo goed?" vroeg Dries, die schaterlachte van
+de pret.
+
+De fiets was op den grond gevallen, en Jan hing nog aan den hals van
+zijn plaaggeest.
+
+Karel trok de fiets weg en Jan liet zich op de grond zakken. Maar wat
+zag hij er uit. Hij was zoo zwart als een moriaan, en 't leek wel,
+of hij al de schoorsteenen van het dorp had geveegd.
+
+Hij werd braaf uitgelachen, en ging zoo spoedig mogelijk naar huis
+om zich te wasschen.
+
+En zijn vader plaagde hem ook niet zoo'n beetje.
+
+
+
+
+
+Tiende Hoofdstuk.
+
+ Hoe Flipsen zocht.
+
+
+Frans Thor en Klaas Zwart hadden zich van lieverlede zeer nauw bij
+elkander aangesloten, en waren boezemvrienden geworden. Eindelijk
+waren zij samen een handeltje begonnen. Steeds kon men hen in elkanders
+gezelschap vinden met een mand tusschen hen in, of ieder met een zak
+op den arm of over den schouder. Dan trokken zij er op uit om vodden
+en beenen te zoeken, die langs de wegkanten, bij huizen en schuren,
+of in weilanden en boschjes verspreid lagen. En 't was inderdaad niet
+weinig, wat zij vonden. Elken avond keerden zij met een goed gevulden
+zak huiswaarts, en als de voorraad groot genoeg was, verkochten zij
+dien aan den pottenschipper.
+
+De pottenschipper was een man, die eenzaam in een zolderschuit
+leefde. Hij had vrouw noch kind op de wereld, en ging met niemand
+om. De menschen hielden ook niet veel van hem, want het was bekend,
+dat hij geen gunstig verleden achter zich had. En in elk geval had
+hij een zeer ongunstig uiterlijk. Hij leefde van zijn handel in potten
+en pannen, en ook kocht hij vodden en beenen op.
+
+Alles, wat Klaas Zwart en Frans Thor vonden, brachten zij bij den
+pottenschipper, zooals hij algemeen werd genoemd. En zij ontvingen
+er menig centje voor. Soms verkochten zij wel voor dertig à vijftig
+centen in eene week, en al dat geld versnoepten zij. Of zij kochten
+er sigaren voor, en rookten die op.
+
+Maar langzamerhand begon hun vondst kleiner te worden, want ze
+hadden het geheele dorp al meermalen afgezocht. En eindelijk raakte
+de voorraad uitgeput.
+
+Dat merkte de pottenschipper, en hij zei:
+
+"Wat hebben jullie een beetje, jongens. Ik geef voor dit zoodje niet
+meer dan vijf centen. Je bent een paar groote domkoppen, dat moet
+ik zeggen."
+
+"Domkoppen?" vroeg Frans. "Wij kunnen er toch niets aan doen, dat we
+maar zoo weinig hebben? 't Heele dorp hebben we al meermalen afgezocht,
+en er is eenvoudig niet meer. Ik zie niet in, dat wij daarom domkoppen
+moeten zijn."
+
+"Neen," zei Klaas Zwart, "ik ook niet."
+
+De pottenschipper lachte slim.
+
+"Toch is het zoo," zei hij. "Toen ik nog een jongen was, wist ik
+altijd wel aan een zakduitje te komen. Vond ik geen vodden en beenen,
+dan wist ik wel wat anders te bemachtigen. Ha, ha,--als je maar slim
+bent en zorgt, dat de menschen 't niet zien."
+
+Frans en Klaas keken hem vragend aan.
+
+De pottenschipper legde zijn wijsvinger tegen den neus, en knipoogde
+tegen de jongens.
+
+"Och wat," zei hij, "als je 't slim weet te overleggen, is er nog
+genoeg te vinden. Je behoeft me juist geen vodden te brengen,
+jongens. Ik kan wel hemden, broeken, borstrokken en andere
+kleedingstukken ook gebruiken. Er zijn menschen genoeg, die hun wasch
+den geheelen nacht buiten laten liggen.--Ha, ha, ik zeg, als je maar
+slim bent en er voor zorgt, dat de menschen je niet zien..."
+
+"Maar dat is stelen," zei Klaas Zwart.
+
+"Ja," zei Frans, "dat is stelen."
+
+De pottenschipper richtte zich op.
+
+"Zooals ik zeg, jongens, ik geef voor dit zoodje niet meer dan
+vijf centen. 't Is maar een rommeltje. Voor goede kleedingstukken,
+die nog gedragen kunnen worden, geef ik natuurlijk heel wat meer,
+en voor ijzer, zink, lood en wat dies meer zij, wil ik je zelfs wel
+guldens betalen in plaats van centen."
+
+"Ja, maar dat hebben we niet," zei Frans.
+
+"Als je wilt, is er genoeg te vinden," lachte de schipper weer. "Bij
+den smid, bij den loodgieter, bij den timmerman, overal is wel wat
+te snorren, als je maar goed uit je oogen kijkt en voorzichtig te
+werk gaat."
+
+"Maar," herhaalden de jongens, die eerst niet goed begrepen, wat de
+pottenschipper bedoelde, "dat is stelen..."
+
+"Ik zeg niet, dat je 't stelen moet," zei de schipper weer met een
+listig knipoogje, "je moet die dingen vinden, jongens, je moet ze
+eerlijk vinden. Alles wat je vindt, al is het ook nog zoo gek, wil
+ik wel van je opkoopen. Als je er maar eerlijk aankomt..."
+
+De jongens gingen heen.
+
+Maar na dien tijd vermisten de menschen op het dorp telkens
+kleinigheden. Van Dril raakte op voor hem onbegrijpelijke wijze
+een nijptang kwijt, de loodgieter een soldeerbout, de timmerman
+een hamer en een zaag, en vele huismoeders vermisten verschillende
+kleedingstukken. Van de een waren kousen zoek, van een ander een hemd,
+van een derde een nachtjapon, en zoo verder.
+
+Toch dacht men eerst niet aan diefstal. Van Dril vertelde het verlies
+van zijn nijptang niet aan anderen, om de eenvoudige reden, dat hij
+wel eens meer een of ander stuk gereedschap kwijtraakte.
+
+"Zeker hier of daar laten liggen," dacht hij. En spoedig was zijn
+verlies vergeten. De knechts gingen wel eens meer slordig met het
+gereedschap te werk, niet allen natuurlijk, maar enkelen. Op dezelfde
+wijze dachten ook de andere menschen er over, die het een of ander
+vermisten.
+
+Maar toen het winter werd en er lange, donkere avonden kwamen,
+verdwenen er op geheimzinnige wijze allerlei voorwerpen uit
+werkplaatsen en huizen, en 't werd zoo erg, dat de menschen er onder
+elkander over spraken.
+
+"Er wordt bepaald gestolen," was de algemeene opinie. En menigeen
+sloot 's avonds de deuren van huis en werkplaats zorgvuldiger dan
+vroeger. De ondervinding leerde, dat wat men 's nachts buiten liet
+staan, den volgenden morgen gewoonlijk verdwenen was. En niemand kon
+er eenig vermoeden van krijgen, wie de dief was en waar de gestolen
+voorwerpen belandden.
+
+Van Dril pruttelde tegen zijn knechts, als er weer 't een of ander
+spoorloos verdwenen was, maar dezen verklaarden, dat zij het vermiste
+voorwerp niet hadden laten slingeren. 't Was op geheimzinnige wijze
+verdwenen.
+
+Eindelijk kwam een en ander den burgemeester ter oore, en hij liet
+Flipsen bij zich komen.
+
+"Zeg Flipsen, heb je ook gehoord, dat er den laatsten tijd op 't dorp
+gestolen wordt? Telkens worden kleinigheden van meer of minder waarde
+vermist, en het waschgoed van de huismoeders ligt niet meer veilig
+op de bleek."
+
+"Ja burgemeester, ik heb er ook van gehoord," zei Flipsen.
+
+"En heb je al eens hier en daar gesurveilleerd?" vroeg de burgemeester.
+
+"O ja, al meermalen, maar tot nog toe is het mij niet gelukt, den
+dader op 't spoor te komen."
+
+"Zoo, 't is een gek geval. Ik begrijp ook niet, wie de dief zou
+kunnen zijn. Voor zoover ik weet, wonen er enkel knappe menschen op
+het dorp. Waar zouden die gestolen voorwerpen toch allemaal blijven?"
+
+"Ik denk in de stad, burgemeester. Daar wonen wel menschen, die
+gestolen goederen opkoopen. Ik vermoed, dat zij in den nacht naar
+Amsterdam worden vervoerd..."
+
+"Dan zou ik eens een oog in 't zeil houden, wie bij nacht of
+ontijd daarheen gaat, Flipsen. 't Is best mogelijk, dat je gelijk
+hebt. In elk geval is het hoog tijd, dat de dief gesnapt wordt. De
+menschen dienen in 't rustige bezit te kunnen blijven van 't geen
+hun eigendom is. Zoolang ik hier burgemeester ben, is er van geen
+dieverij sprake geweest, en wij moeten het kwaad zoo spoedig mogelijk
+den kop indrukken."
+
+Flipsen sloeg op militaire wijze aan, en zeide:
+
+"Ik zal m'n best doen, burgemeester. 't Zal aan mij niet liggen,
+als de dief niet gesnapt wordt."
+
+"Dat is goed, en daar vertrouw ik ook op."
+
+Met eene handbeweging gaf de burgemeester Flipsen zijn afscheid,
+en deze was vastbesloten zijn uiterste best te doen, om den dief te
+ontdekken. Maar dat het moeilijk zou gaan, stond bij hem vast.
+
+Den geheelen avond liep hij buiten het dorp te loeren, of ook iemand
+zich verwijderde in de richting van Amsterdam,--maar tevergeefs. Alles
+was en bleef rustig op het dorp. 't Was dan ook een koude, gure avond,
+en de menschen bleven liever bij de warme kachel. Flipsen zag den
+geheelen avond geen levende ziel buiten, en hij liep te bibberen van
+de koû. 't Was al haast elf uur geworden, en nog stond hij trouw op
+zijn post. Eindelijk hoorde hij in de verte iets naderen.
+
+"Wacht," dacht hij, "nu zal het komen."
+
+Hij verschool zich achter een boom.
+
+'t Geluid kwam nader. Duidelijk hoorde hij, dat het een wagen was.
+
+"'t Is een hondenkar," prevelde Flipsen. "Ik denk, dat ik den dief op
+het spoor ben. De gestolen voorwerpen worden zeker met een hondenkar
+naar Amsterdam gebracht."
+
+"Halt!" riep hij plotseling, want het voertuig was hem nu genaderd.
+
+De man, die op de kar zat, schrok er niet weinig van, en sprong
+dadelijk van den wagen. Maar zijn stok hield hij opgeheven, want hij
+dacht niet anders, of hij had met een aanrander te doen.
+
+Flipsen sprong van achter zijn boom te voorschijn.
+
+"Wie ben je,--en waarheen ga je?" vroeg hij op bevelenden toon.
+
+"O, Flipsen, ben jij het?" vroeg de man van de hondenkar. "Kerel,
+is me dat laten schrikken. Ik dacht waarlijk met..."
+
+"'t Doet er niet toe, wat jij denkt," viel Flipsen norsch in. "Ik
+vraag, wie je bent,--maar dat zie ik nu al,--en waar je heengaat."
+
+"Wel, ik ben Dirk Kroeze, de slager, en ik ga naar Amsterdam. Daar
+steekt toch niets achter, zou ik zeggen?"
+
+"Juist, Kroeze, de slager. Wat heb je in dien wagen?"
+
+"Twee doode schapen, anders niet," was het antwoord. "Ik ga ze
+naar Amsterdam brengen, waar ze met een dood schaap altijd wel raad
+weten. Nu er zoo'n strenge keuring is op het vleesch, worden doode
+beesten altijd 's nachts de stad ingevoerd. Vroeger gebeurde dat
+overdag. Zie je, dat is het eenige verschil..."
+
+Kroeze was een derderangs-slager. Hij kocht bij de boeren de doode
+beesten op, die andere slagers niet hebben wilden, en wist daarmede het
+brood te verdienen voor zich en zijn gezin. En de kroegbazen kregen
+er ook rijkelijk hun deel van, want Kroeze maakte veel misbruik van
+sterken drank. Hij was dikwijls dronken.
+
+Flipsen was den wagen genaderd en bekeek den inhoud.
+
+"Denk je soms, dat ik een dief ben?" vroeg Kroeze een beetje
+beleedigd. "Ik verdien op eerlijke manier mijn brood, man, en ik heb
+mijn vingers nog nooit uitgestoken naar een andermans goed. Of weet
+jij iemand te noemen, die iets op Kroeze te zeggen heeft?"
+
+"Neen," zei Flipsen. "Maar er wordt tegenwoordig gestolen op 't dorp,
+en 't is meer dan tijd, dat wij den dief vinden."
+
+"Ach zoo, is dàt de zaak?" zei Kroeze. "Dan is het goed, hoor, en
+kijk mijn wagen maar na. Je hebt gelijk, er wordt tegenwoordig meer
+gestolen, dan mij lief is. Verleden week ben ik mijn beste mes uit
+de slagerij kwijt geraakt, en nog een zwaren vleeschhaak op den koop
+toe. Ik heb m'n hoofd gek gezocht om ze terug te vinden, maar jawel,
+ze zijn weg en ze blijven weg. En ik zal ze wel nooit terugzien,
+vrees ik."
+
+"Dat vrees ik ook," zei Flipsen. "Je kunt wel verder gaan, Kroeze,
+ik heb er het mijne van gezien. Goeden avond."
+
+"Ook goeden avond," zei Kroeze. Hij duwde de kar voort, en riep:
+
+"Allo, honden, kssssss, kssssss! Vooruit zeg 'k! Allo!"
+
+Hij sloeg met zijn stok tegen den wagen.
+
+De honden, die tijdens het onderzoek op den weg waren gaan liggen,
+richtten zich met tegenzin op, en trokken den wagen voort. Maar 't ging
+Kroeze niet hard genoeg. Hij maakte veel lawaai met zijn stok, en riep:
+
+"Ksssss! Ksssss! Allo, Allo! Vooruit honden. Kssssss!"
+
+Een oogenblik later sprong hij op den wagen, en weldra was hij in de
+duisternis verdwenen.
+
+"Dat was mis!" mompelde Flipsen, huiverend van de koude. Hij trok
+den kraag van zijn jas en zijne schouders omhoog, en bleef geduldig
+wachten. Maar toen er na een uur nog niemand gekomen was, besloot
+hij naar huis te gaan.
+
+Den volgenden avond was hij echter weer op zijn post, want hij
+was iemand, die zijne plichten trouw nakwam. Als hij zich eenmaal
+voorgenomen had, dit of dat te doen, was hem geen moeite te veel,
+en stoorde hij zich aan koude noch warmte.
+
+Maar hoe hij zich ook inspande, het gelukte hem niet, den dief
+te snappen. Daarom besloot hij de wacht te houden op den weg, die
+naar Haarlem voerde. Avond aan avond verschool hij zich op eenigen
+afstand buiten het dorp, maar alweer tevergeefs. Hij vond van den
+dief geen spoor.
+
+"Dan zal ik gedurende enkele avonden in het dorp zelf eens goed
+uitkijken. Wie weet betrap ik den dief dan niet op heeterdaad,"
+dacht hij.
+
+En zoo deed hij ook.
+
+Zoodra het donker geworden was en in de huizen overal de lichten
+opgestoken waren, verliet Flipsen zijn woning, om over de
+veiligheid van zijne medeburgers te waken. Eerst begaf hij zich
+naar verschillende werkplaatsen, van welke het hem bekend was, dat
+er al meermalen voorwerpen vermist waren. Hij vond ze echter alle
+zorgvuldig gesloten. De menschen waren, door de ondervinding geleerd,
+al voorzichtiger geworden.
+
+Eindelijk bemerkte hij, dat er achter het huis van de weduwe Butter
+eenig waschgoed op een bleekveldje lag.
+
+"Wacht," dacht hij. "Hier zal ik mij ergens verschuilen. Waschgoed
+is den laatsten tijd ook dikwijls ontvreemd."
+
+Achter het schuurtje stond, naast het bleekveld, een groote ton, waarin
+het regenwater, dat van het schuurtje in de goot kwam, opgevangen
+werd. Achter die ton maakte Flipsen zich zoo klein mogelijk. Geduldig
+wachtte hij, of de dief komen zou.
+
+Dat gebeurde echter niet. Toen hij een half uur in zijne gebogen
+houding had doorgebracht, kon hij bijna niet blijven zitten van de
+pijn, die hij in zijne beenen kreeg. Voorzichtig richtte hij zich
+een weinigje op.
+
+Alles bleef stil in den omtrek.
+
+Flipsen gaf echter den moed nog niet verloren.
+
+En waarlijk, eer er een tweede half uur voorbijgegaan was, hoorde
+hij eenig gerucht.
+
+Hij richtte zich op en keek over de ton.
+
+Ha, daar zag hij een gestalte, die haastig naar het bleekveld ging
+en vliegensvlug enkele kleedingstukken bij elkaar greep.
+
+Met een vluggen sprong kwam Flipsen op de gestalte af.
+
+"Ha, dief, daar heb ik je!" schreeuwde hij in de vreugde zijns harten,
+nu hij eindelijk in zijn pogingen geslaagd was.
+
+Een hevige gil was het antwoord. Flipsen hoorde, dat het een
+vrouwenstem was, hetgeen hem verwonderde.
+
+Met groote snelheid liep hij op de gestalte af, en greep haar bij
+den schouder. De onbekende sloeg de armen ten hemel en slaakte een
+tweeden, hartverscheurenden gil.
+
+"Wie ben jij?" beet Flipsen haar toe.
+
+Er kwam geen antwoord. De schrik verlamde als het ware haar tong.
+
+"Hoor je me niet? Wie ben jij?" herhaalde Flipsen.
+
+"O,--ik ben--ik ben Trijntje--de meid.--O, wat een schrik!"
+
+"Trijntje--de meid?" vroeg Flipsen spijtig. "Ik dacht, dat jij de
+dief was. Waarom laat je dat waschgoed ook buiten liggen?"
+
+"Ik--de dief!" riep het meisje uit, half schreiende van schrik en
+half lachende van blijdschap, nu zij bemerkte, dat zij met geen
+spoken te doen had. Want Trijntje geloofde nog aan spoken. "Ja,--dat
+zei de juffrouw ook, dat ik het waschgoed niet mocht laten liggen,
+en daarom ging ik het nog maar gauw eventjes halen. Hè--hè--ik beef
+over mijn heele lijf van den schrik..."
+
+Flipsen ging zonder groeten heen. Het speet hem, dat hij zich ten
+tweeden male vergist had.
+
+Maar het meest speet het hem, dat hij den volgenden dag moest
+vernemen van den burgemeester, dat er bij den molenaar tien meelzakken
+gestolen waren en dat er bij Legels, een herbergier, een mandje met
+ledige flesschen verdwenen was. Flipsen begreep daaruit, dat hij in
+een geheel verkeerde richting had gezocht. Hij wist er, zooals men
+dat wel noemt, geen touw meer aan vast te knoopen, en hij verdiepte
+zich in gissingen, wie toch wel de brutale dief kon zijn. Het trok
+zijn opmerkzaamheid, dat het altijd kleinigheden waren, die gestolen
+werden, en dat er nooit sprake was van inbraak. Langzamerhand vestigde
+zich de overtuiging bij hem, dat de dief geen man, maar een jongen
+moest zijn. En hij besloot voortaan in die richting te zoeken.
+
+Jan Trom merkte op, dat Flipsen hem telkens onderzoekend aankeek,
+als hij hem tegenkwam. Eens, toen hij met zijn bokkenwagen bij Van
+Dril vandaan kwam, schoot plotseling Flipsen op hem af, en vroeg hem:
+
+"Waar kom jij vandaan?"
+
+"Van Van Dril," zei Jan.
+
+"Zoo,--wat heb je daar gedaan?"
+
+"Eventjes in de smederij gekeken," was het antwoord.
+
+"Stap eens uit je wagen!" gebood Flipsen.
+
+Jan gehoorzaamde dadelijk, niet weinig verwonderd, wat dit alles wel
+te beduiden had.
+
+Flipsen doorsnuffelde het geheele karretje. Het bankje bestond uit een
+bak met een plankje er op als deksel. Flipsen lichtte dat plankje op
+en keek, wat er zich in den bak bevond. Maar hij zag niets verdachts.
+
+"'t Is goed," zeide hij. "Je kunt wel weer gaan." En Jan ging.
+
+Dienzelfden middag kwam Flipsen Frans Thor en Klaas Zwart tegen. Hij
+zag ze uit het schoolboschje komen. De school werd door drie boschjes
+elzenhout omringd, die te zamen altoos het schoolbosch werden
+genoemd. Tusschen die boschjes in lagen vrije strooken gronds, die
+tot speelplaats dienden.
+
+Frans en Klaas droegen een mand tusschen zich in. Elk hield een
+oor vast.
+
+"Daar is Flipsen," zei Klaas Zwart. Hij voelde zich nooit bizonder
+op zijn gemak, als hij den politiedienaar zag. Geen wonder trouwens,
+want hij en zijn makker hadden al menig diefstalletje op hun geweten.
+
+"Ja, dat zie ik," zei Frans. "'t Hindert niet; laat hem komen."
+
+Zoodra Flipsen deze jongens zag, schoot hem dadelijk de gedachte
+door het hoofd, dat zij wel eens de schuldigen konden zijn, want zij
+liepen altoos overal te "schuimen," zooals Flipsen dat noemde. En
+'t verwonderde hem, dat hij al niet eerder aan deze twee knapen had
+gedacht. Met groote schreden liep hij op hen af, en 't scheen wel,
+of zijne scherpe oogen hen wilden doorboren.
+
+Klaas Zwart werd er bang van en keek een anderen kant op, wat Flipsen
+niet ontging.
+
+"Waar komen jullie vandaan?" vroeg hij barsch. Hij boog zich voorover
+en hield zijn blik stijf op Klaas Zwart gericht. Klaas werd er bleek
+van, en zijne stem hokte hem in de keel.
+
+"Uit het boschje," zei Frans, die niet zoo bang was als Klaas.
+
+"En wat deed je daar?"
+
+"Wij zoeken beenen en vodden," gaf Frans ten antwoord. En hij hield de
+mand een weinig naar voren, om er Flipsen in te laten kijken. Deze
+wierp er een blik in en zag, dat er inderdaad enkele beenderen
+in lagen.
+
+"Vind-je die in het schoolboschje?" vroeg Flipsen verwonderd. "Hoe
+komen die daar dan?"
+
+"Misschien door de honden, die er daar aan kluiven, omdat het er
+een rustig plekje is," zei Frans. "Wij vinden er daar maar zelden
+een. Eigenlijk is er op het geheele dorp bijna geen beentje meer te
+vinden, want wij hebben alles al meermalen afgezocht."
+
+"Zoo," zei Flipsen. "Ja, aan alles komt een einde. En aan wien verkoop
+je dien rommel?"
+
+"Och," zei Frans, "aan voddenkoopers..."
+
+"En aan den pot..." zei Klaas. Maar Frans viel hem in de rede:
+
+"Aan voddenkoopers uit Haarlem, die hier wel met hondenwagens komen."
+
+"Ja, ja," zei Flipsen. "Houd jij je mond nu maar eens. Wat wou jij
+straks zeggen, Klaas Zwart? Aan den pot..."
+
+"Dat heb ik niet gezegd," loog Klaas. "U heeft me verkeerd verstaan. Ik
+zei: aan de vod.... Maar toen viel Frans mij in de rede."
+
+"Juist,--juist," zei Flipsen met een onmerkbaar lachje om zijne
+lippen. "Nu jongens, zoekt maar goed. Er zal hier of daar nog wel
+wat te vinden zijn."
+
+Hij liet de jongens staan en ging naar huis. Maar hij lachte inwendig
+van pret, want hij twijfelde niet, of hij was thans de daders wel
+degelijk op het spoor.
+
+"De pottenschipper," mompelde hij tusschen de tanden. "Ja, ja, die
+jongen verklapte het leelijk: de pottenschipper is de opkooper. Wacht
+maar, zij zullen mij niet ontsnappen..."
+
+Frans en Klaas gingen zwijgend verder. Het korte onderhoud met den
+veldwachter had hun eenigen schrik aangejaagd. Na een poosje zei Frans:
+
+"Stommerd!--Jij had de heele zaak daar bijna verklapt."
+
+"Ja," zei Klaas angstig. "Maar ik geloof niet, dat hij het verstaan
+heeft. Zou je denken, dat hij me verstond?"
+
+"Dat weet ik niet," zei Frans, "'k Geloof haast van niet, maar toch
+moeten wij voorzichtig zijn. We dienen ons een poos althans rustig
+te houden. Ik vertrouw Flipsen niet."
+
+"Ik ook niet," zei Klaas met een zucht. "Als hij me maar niet verstaan
+heeft. _Pot_ lijkt erg veel op _vod_. Zeg Frans, ik ga naar huis;
+ik heb geen zin meer in het zoeken."
+
+"Ga dan," zei Frans.
+
+Zoo scheidden de jongens.
+
+Flipsen lette na dien dag zorgvuldig op de zolderschuit van den
+pottenschipper. Hij twijfelde er niet aan, of den een of anderen dag
+zou het raadsel nu wel worden opgelost.
+
+Maar dagen en zelfs enkele weken gingen voorbij, en Flipsen bleef
+even wijs, als hij was. De pottenschipper leefde even eenzaam en
+verlaten in zijn schuit als altoos, en Frans en Klaas zag Flipsen er
+nooit heengaan.
+
+Doch,--en dit trok zijne opmerkzaamheid, er werd niet meer gestolen
+ook op het dorp. En dat was hem een troost.
+
+
+
+
+Elfde Hoofdstuk.
+
+ De bestorming van het sneeuwkasteel, en eene heldendaad
+ van Jan.
+
+
+'t Was in het begin van December. De winter was vroeg ingevallen,
+en het vroor, dat het kraakte. Eerst had het geducht gesneeuwd,
+tot groot vermaak van Jan Trom en zijne makkers. Ha, wat hadden zij
+gesneeuwbald! De kogels vlogen de jongens om de ooren. Toen hadden zij
+bedacht op het marktplein een fort op te werpen. Dat was een heel werk
+voor hen, want zij waren maar niet tevreden met een opgeworpen hoogte
+van sneeuw, neen, zij wilden een mooi fort hebben met schuin afloopende
+kanten, met torens op de hoeken en kanteelen daartusschen. 't Leek,
+toen het klaar was, veel meer op een kasteel dan op een fort. De
+jongens vonden het prachtig, en zij werkten er aan met een ijver en
+toewijding, zooals die alleen bij jongens gevonden kan worden.
+
+Eindelijk was het kasteel klaar, en nu besloten zij, zich in twee
+gelijke troepen te verdeelen. De eene helft zou het kasteel aanvallen,
+de andere zou het verdedigen.
+
+Aan de twee vrienden Jan Trom en Karel van Dril viel eene groote
+onderscheiding ten deel. Jan Trom werd namelijk verkozen tot
+bevelhebber van het sneeuwslot, en Karel tot aanvoerder van de
+vijanden.
+
+"Eventjes wachten, jongens!" riep Jan zijn makkers toe. "We moeten
+twee vlaggen hebben, voor elke troep één."
+
+"Ja, best!" zei Karel. "Maar weet je, wat het ergste is? Alle vlaggen
+zijn rood, wit en blauw, en 't is niet aardig, als onze vlaggen
+hetzelfde zijn."
+
+"O, daar weet ik wel raad op. 't Kasteel is een Hollandsch slot,
+dus daar zetten we de nationale vlag op, dat spreekt vanzelf. Als
+jij nu je vlag onderst-boven aan den stok bindt, lijkt hij heel veel
+op de Duitsche vlag. Jullie stelt dan het Duitsche leger voor, dat
+een inval doet op Hollandsch grondgebied. Zeg jongens, dat kan leuk
+worden, zou ik meenen."
+
+Dit voorstel vond algemeen goedkeuring, en Jan en Karel haastten
+zich naar huis, om eene vlag te halen. Binnen tien minuten waren zij
+terug. De Hollandsche vlag werd op den hoogsten toren van het kasteel
+geplant, en Karel benoemde een van zijne soldaten tot vaandrig. Jan
+en zijne krijgers maakten een ontzaglijken voorraad sneeuwballen,
+die achter de kanteelen werden opgestapeld, maar ook de Duitsche
+veldheer maakte zich zijn tijd ten nutte. Eindelijk waren beide
+partijen slagvaardig.
+
+De Duitschers omringden het fort aan alle kanten, en wachtten op het
+sein om aan te vallen. Karel, als bevelhebber, ging met den vaandrig
+aan zijn zijde naar het fort, en riep de bezetting toe:
+
+"Hallo! Hei daar!"
+
+"Werda!" antwoordde Jan Trom, wiens bovenlijf boven den gekanteelden
+muur verscheen. "Wat is er van uw begeeren."
+
+"In naam van mijn meester, den Keizer van Duitschland, eisch ik dit
+kasteel op," was het antwoord van Karel. "Mijn soldaten omringen het
+van alle kanten, geef u dus goedschiks over, dan beloof ik vrijen
+uittocht aan de manschappen. Zoo niet, wacht u dan voor de gevolgen."
+
+"Die komen voor mijne verantwoording. Dit slot behoort aan Koningin
+Wilhelmina der Nederlanden, en zoolang ik leef, zal geen Duitscher
+het binnenkomen. Dat is mijn antwoord. Leve de Koningin!"
+
+"Leve de Koningin!" juichten Jan's volgelingen.
+
+"Leve de Keizer!" riep Karel van Dril, en zijn krijgers herhaalden:
+
+"Leve de Keizer!"
+
+"Dan is het oorlog!" riep Karel zijn vriend Jan nog toe, terwijl hij
+zich met zijn vaandrig verwijderde.
+
+"Oorlog op leven of dood!" schreeuwde Jan.
+
+Weldra vloog de eerste sneeuwbal over de muren van het kasteel,
+en de belegerden keken hem lachend na.
+
+"Je moet beter mikken, mannetje!" riep Willem Kroeze, de zoon van
+den slager. "Op deze manier!"
+
+En hij wierp den Duitschen bevelhebber heel netjes zijne pet van het
+hoofd, tot groot vermaak van de andere Hollanders.
+
+Maar toen kwam er een regen van kogels op het kasteel af. De Hollanders
+moesten zich zelfs achter de kanteelen verbergen, want de Duitschers
+ontzagen hen niet. Zij wierpen uit alle macht, en de ballen kwamen
+hard aan, als zij raakten.
+
+"Hoera, zij worden bang!" riep Karel zijne mannen toe. "Allo, allo,
+beklimt de muren, en werpt den vijand naar beneden."
+
+'t Werd een geweldige bestorming. Van alle kanten schoten de vijanden
+toe, en behendig klauterden zij tegen de hoogte op.
+
+Maar Jan zag het gevaar.
+
+"Zij wagen eene bestorming, jongens! Geeft ze de volle laag!" riep
+hij. Zijn bevel werd uitgevoerd, en de Duitschers werden haast
+onder de sneeuw bedolven. Sommigen kregen oogen, mond en neus vol,
+zoodat zij hoestend en proestend het hazenpad moesten kiezen, en
+anderen kregen een flinken voorraad tusschen den kraag van hun jas,
+zoodat het water hun over den rug liep. Weldra was de storm met glans
+afgeslagen. De Duitschers trokken zich terug. De vaandrig liep zelfs
+wel wat erg hard voor 't mooi. Hij viel met vaandel en al voorover
+in eene greppel, tot groot vermaak van de Hollanders.
+
+"Het Duitsche vaandel valt!" riepen zij lachend. "Dat is een goed
+voorteeken. Hoera! Leve de Koningin!"
+
+"Kijk ze eens loopen!" riep Jan, wiens oogen schitterden van
+opgewondenheid. "Die storm is afgeslagen, jongens, en tot een tweeden
+zullen zij zoo spoedig wel niet overgaan."
+
+Dat was ook zoo. Er werd zelfs geen bal meer gegooid. Karel hield
+met zijn makkers krijgsraad, want het was hem gebleken, dat het niet
+gemakkelijk zou gaan het fort te veroveren.
+
+"Wat dunkt je, jongens," zei hij, "als we met ons allen eens
+op één punt een zóó geweldig vuur openden, dat de kanteelen in
+puin vallen? Dan zijn de belegerden ongedekt en vinden nergens
+beschutting. Als we ze dan de volle laag geven, kunnen zij het
+onmogelijk uithouden."
+
+"Ja, ja, dat is goed. De kanteelen moeten we wegkogelen," zei de
+vaandrig, "en dan wil ik wel eens zien, of ze 't volhouden."
+
+"Afgesproken!" zei Karel. "Hierheen, jongens, aan dezen kant hebben we
+de sneeuw maar voor 't grijpen. Zeg, weet je, wat we in ons voordeel
+hebben?"
+
+"Wat dan?"
+
+"Wel,--wij kunnen zooveel sneeuwballen maken, als we willen, maar
+hun voorraad raakt eenmaal uitgeput. En dan kunnen zij niets meer
+beginnen."
+
+"Dat is waar, ha ja, dat is waar!" lachten de Duitschers.
+
+Op 't volgende oogenblik openden zij een zoo geweldig bombardement
+op de kanteelen, dat deze het werkelijk kwaad te verantwoorden
+kregen. Hier en daar begonnen zij al spoedig af te brokkelen en
+in te storten, tot groote vreugde van de vijanden, die soms even
+ophielden om hunne vingers in den mond te steken,--want die werden
+erg koud,--en dan maakten zij tevens van de gelegenheid gebruik,
+om een oorverdoovend gejuich aan te heffen. Onder 't sneeuwballen
+gunden zij zich daar den tijd niet toe.
+
+Inderdaad kreeg de bezetting het kwaad te verantwoorden.
+
+Maar Jan toonde zich iemand van groote veldheerstalenten. Hij zag
+niet alleen het gevaar, dat hem dreigde, maar hij doorzag ook de
+bedoeling van zijne vijanden.
+
+"Jongens," riep hij zijne soldaten toe, "als we de kanteelen niet
+behouden, zijn we verloren. Neemt de schoppen en werpt op elke bres
+een nieuwen muur op. Maar slaat de sneeuw stevig in elkander, zoodat
+de kogels er geen vat op hebben. Weest echter voorzichtig, want als
+je een bal tegen je gezicht krijgt, dan ben je--zuur!"
+
+De soldaten lachten smakelijk om deze laatste uitdrukking, maar zij
+begrepen de bedoeling van hun aanvoerder toch zeer goed, en gingen
+dadelijk met ijver aan 't werk. Een deel van hen wierp de bressen
+dicht, en zij zorgden er voor, dat de sneeuw goed in elkaar geslagen
+werd, zoodat zij een harde koek vormde,--een ander deel maakte nieuwe
+sneeuwballen, waarvoor zij het fort als het ware onder hunne voeten
+moesten afbreken, en de rest bekogelde den vijand.
+
+Al spoedig verstomde daar het gejuich, want 't was duidelijk, dat de
+pogingen om de gekanteelde muren te vernietigen, schipbreuk zouden
+lijden. Zoodra was het den Duitschers niet gelukt een bres in den
+muur te schieten, of op 't volgende oogenblik waren wel tien handen
+gereed om het gat weer te stoppen. De vijanden waren verder van de
+overwinning dan ooit, en zij werden er moedeloos onder. Hun ijver
+verflauwde, het bombardement werd minder hevig, en eindelijk trokken
+zij af om opnieuw krijgsraad te beleggen.
+
+Wat de Hollanders juichten!
+
+Zij zwaaiden met hunne mutsen, en riepen:
+
+"Hoezee! Leve de Koningin! Hoezee!"
+
+Zij waren echter wel blij, dat zij nu ook een poosje rust kregen,
+want de strijd was hevig geweest, en zij waren erg vermoeid.
+
+"Ik kan haast niet meer," zei Willem Kroeze.
+
+"Ik ook niet," zuchtte Jacob Boors. "En wat zijn mijne vingers
+koud. Ze tintelen!"
+
+Hij kreeg haast tranen in de oogen van de pijn, die ze hem deden.
+
+"Steek ze een poosje in je mond, en blaas dan hard. Dan worden ze
+wel weer warm," zei Jan Trom. "Zeg jongens, wat hebben we ons goed
+gehouden, hè? Als we oppassen, krijgen zij ons fort nooit. Kijk ze
+'t eens druk hebben. Ze houden zeker weer krijgsraad."
+
+"Laat ze maar!" zei Tines Wobbe. "We zullen ze ontvangen, zooals het
+behoort. Weg met de Duitschers!"
+
+"Weg met de Duitschers!" riepen ze allen, en weer zwaaiden ze met
+hunne hoofddeksels.
+
+"En leve de Koningin!" juichte Jan Trom.
+
+"Ja, ja, leve de Koningin!" riepen allen.
+
+Na een paar minuten werd de krijg hervat. De vijanden waren tot
+het besluit gekomen, eene nieuwe bestorming te wagen. In gesloten
+rijen liepen zij op het fort toe, en opnieuw probeerden zij tegen
+den schuinen kant op te klauteren. Maar weer werden zij lang niet
+malsch ontvangen.
+
+Een hagelbui van sneeuwballen begroette hen, en de verdedigers wierpen
+schoppen vol losse sneeuw over hunne hoofden uit.
+
+Maar Karel wilde niet opnieuw wijken.
+
+"Sterven of overwinnen!" riep hij zijne volgelingen toe, en hij
+klauterde moedig omhoog, zich niet storende aan de projectielen
+der belegerden.
+
+Zijne soldaten, aangevuurd door zijn geestdrift, volgden hem met
+mannenmoed. Ha, daar had Karel den gekanteelden muur bereikt, en
+reeds richtte hij zich op om victorie te roepen, toen Jan plotseling
+op hem toesprong, en hem pardoes achterover naar beneden wierp.
+
+"Weg met de Duitschers!" schreeuwde hij.
+
+Karel was veel gauwer beneden, dan hij boven gekomen was. Eerst keek
+hij een oogenblik beteuterd rond, maar toen hij zag, dat zijne soldaten
+voet bij stuk hielden, bestormde hij de vesting opnieuw. 't Was een
+verwoede aanval, en de belegerden konden niet dan met de uiterste
+inspanning stand houden. Met ongebreidelde geestdrift drongen de
+Duitschers op hen in, maar de een na den ander werd van de borstwering
+afgeduwd en naar beneden geworpen. Daar werden zij haast onder de
+sneeuw bedolven, die hun bij schoppenvol nageworpen werd.
+
+Eindelijk deinsden de Duitschers af. Zij waren opnieuw afgeslagen. Maar
+het fort verkeerde in een deerniswaardigen toestand, want om zich te
+verdedigen waren de Hollanders genoodzaakt geweest, zich den grond
+onder de voeten weg te spitten. De torens helden dientengevolge sterk
+over naar den binnenkant van het slot, en dreigden elk oogenblik in
+te storten. Ook de muren geleken wel bouwvallen. Maar nog wapperde
+de Hollandsche vlag fier van den hoofdtoren. Jan was daar trotsch op,
+en hij prees zijne soldaten om den betoonden moed.
+
+"Maar mijne vingers vallen haast af van de kou!" zei Tines.
+
+"Dat doet er niet toe!" riep Jan hem toe. "Zoolang de vlag nog van
+den toren wappert, is er niets verloren, al hadden wij geen van allen
+meer een vinger over! Leve de Koningin!"
+
+"Leve de Koningin, en weg met de Duitschers!" schreeuwden zij om
+het hardst.
+
+"Dat is niet om uit te staan!" riep Karel zijne soldaten toe. "Komt
+jongens, opnieuw aangevallen, en niet gerust, voordat het fort ons is!"
+
+De vijanden bestormden den burcht opnieuw, en de aanval was zoo
+mogelijk nog verwoeder dan de vorige.
+
+"Nu of nooit!" schreeuwde Karel, die zich op en top krijgsman voelde.
+
+"Sterven of overwinnen!" antwoordde Jan Trom, en de jongens vochten
+van weerskanten als leeuwen.
+
+Eindelijk gelukte het Karel ten tweeden male op het fort te komen,
+vlak bij den hoofdtoren. Maar Jan en zijne soldaten wierpen zooveel
+sneeuw tegen zijn hoofd en schouders, dat hij zijn evenwicht verloor
+en tegen den toren viel. Deze was echter al zoo bouwvallig, dat hij
+den schok niet meer kon weerstaan en instortte. De vlag der Hollanders
+verdween van hare hooge standplaats.
+
+"De toren stort in!" riep Willem Kroeze.
+
+"De vlag duikt!" schreeuwden de Duitschers.
+
+"Hoera! Hoera!"
+
+Karel lag te spartelen onder de sneeuw in het fort, want de toren
+had hem half bedolven. De Hollanders sprongen op hem aan en grepen hem.
+
+"Een gevangene! Een gevangene!" juichten zij. "De bevelhebber is
+gevangen! Weg met de Duitschers! Leve de Koningin!"
+
+De Duitschers, ontsteld door het gevangennemen van hun Commandant,
+deinsden af, maar spoedig kwamen zij terug met het stellige voornemen,
+hun hoofdman te verlossen.
+
+Het kasteel was nu een puinhoop geworden. De torens waren ingestort,
+en van de gekanteelde muren was geen spoor meer overgebleven. De
+belegerden waren thans geheel ongedekt aan het vuur der vijanden
+blootgesteld, en het maken van nieuwe sneeuwballen, of zooals zij
+zeiden het gieten van nieuwe kogels was hun zoo goed als onmogelijk
+geworden, omdat de sneeuw, waarop zij stonden, door de soldaten als
+het ware tot een harden koek was vastgestampt. Met hunne schoppen
+moesten zij de sneeuw omspitten om kogels te kunnen gieten.
+
+En toen kwam een nieuwe storm. De vijanden klauterden als katten
+tegen den muur op, en de belegerden hadden geen middelen meer om
+hen te keeren. Zij vochten nog wel als leeuwen en wierpen menigen
+Duitscher naar beneden, maar tevergeefs. Het fort was verloren. Voor
+en na verschenen de vijanden op de hoogte, en eindelijk moest Jan
+zich overgeven.
+
+"Hoera! Hoera!" riepen Karel en zijn mannen. "Het kasteel is ons! Leve
+de Keizer!"
+
+De Hollandsche vlag, waarvan de stok gewoon in de sneeuw gestoken
+was, daar de torens totaal verdwenen waren, werd omvergeworpen,
+en de vijandelijke vlag kwam er voor in de plaats.
+
+"Leve de Keizer!" juichten de Duitschers, en zij zwaaiden met hunne
+mutsen.
+
+"Goed, goed!" zei Jan. "Maar wat heb je nu? Wat is er van het kasteel
+overgeschoten? Een puinhoop, meer niet. Veel pleizier er mede."
+
+"Ja, ja, dat is waar!" zei Karel. "Jelui hebt je kolossaal goed
+gehouden, dat moet ik zeggen.--Hè, hè, jongens, dat was een mooi
+spelletje!--'t Is nu tijd om naar huis te gaan. Doen we het morgen
+weer?"
+
+"Ja, ja!" werd er van alle kanten geroepen. "Dat is afgesproken."
+
+Zingende verlieten vriend en vijand het marktplein, om naar huis te
+gaan. Zij hadden heerlijk gespeeld en dachten er nog lang daarna met
+pleizier aan. Zij waren vast besloten, den volgenden dag een nieuw
+kasteel te bouwen en den strijd te hervatten.
+
+Maar den volgenden morgen merkten zij al dadelijk, dat het niet
+kon. 't Had namelijk dien nacht verbazend hard gevroren, en 't
+was daardoor onmogelijk geworden sneeuwballen te maken. De sneeuw
+wilde niet pakken. Zij vonden dat wel erg jammer, maar daarentegen
+verheugden zij er zich weer in, dat het zoo hard gevroren had, en
+zij hoopten, dat het ijs spoedig sterk zou worden. De twee kanalen,
+die in het hart van het dorp elkander kruisten, lagen al dicht. De
+jongens wierpen er steentjes op, om te zien, of zij er doorheen konden
+gooien, maar dat konden zij niet. Alleen klinkers gingen er ongeveer
+voor de helft doorheen.
+
+Zij vermaakten zich nu met glijbanen te maken en daar in lange risten
+overheen te glijden. De grond werd hier en daar spiegelglad. Opeens
+bedachten zij, dat het nu prachtig zou glijden langs de helling
+buiten het dorp, bij het fort, waar Jan met zijn automobile den
+veldwachter bij ongeluk van de been gereden had. En nauwelijks hadden
+zij dat bedacht, of zij snelden er heen. Ha ja, ze hadden zich niet
+bedrogen. De helling was er prachtig voor geschikt, en er lag dik
+sneeuw. Spoedig was het er zoo glad, dat men er haast niet op de beenen
+kon blijven staan, en als de jongens eenmaal op de helling waren,
+mòèsten zij verder, of zij wilden of niet. Zij vonden het meer dan
+verrukkelijk, en wisten van geen ophouden. 't Was een koddig gezicht,
+als een van hen het ongeluk had te vallen. Dan buitelden allen, die
+achter hem kwamen aanglijden, hals over kop over hem heen, en werd
+het een levende berg van jongens.
+
+Menigeen riep dan au, au! en sommigen kwamen erg in de verdrukking,
+maar daarom werd niet getreurd. Een volgend oogenblik gleed de geheele
+rij weer met statie verder, en 't ging vliegensvlug.
+
+'t Was al laat, eer de jongens thuiskwamen, en voordat zij de deur
+instapten, wierpen zij eerst nog een blik op het hemelgewelf om
+te zien, of de lucht naar vorst stond. En dat deed ze gelukkig. De
+sterretjes fonkelden aan den hemel, en er was geen wolkje aan te zien.
+
+Dien nacht vroor het kolossaal! Toen Jan 's morgens zijn neus buiten
+de bedgordijnen stak, zag hij al dadelijk, dat de bloemen dik op de
+ruiten stonden.
+
+"De pomp is bevroren!" riep zijn vader van uit de keuken. "Jongen,
+jongen, wat een vorst. 't Is buitengewoon! Zeg Jan, nog één nachtje
+zoo, en we kunnen schaatsenrijden. Dan is het kanaal sterk genoeg. Maar
+vandaag nog voorzichtig wezen, hoor, 't kan nog niet vertrouwd zijn."
+
+"Ja Vader," zei Jan.
+
+Hij was van nature geen waaghals. Niet, dat hij bang was, in het
+geheel niet, maar hij vond het dwaasheid zijn leven roekeloos in
+gevaar te stellen. Toch waren er wel jongens, die zich al op het kanaal
+waagden. Voorzichtig, voetje voor voetje, liepen zij het ijs op, dat
+door een sterk gekraak waarschuwde om terug te gaan. De waaghalzen
+hoorden het wel, en als het heel erg kraakte, bleven zij even
+stilstaan, maar spoedig gingen zij weer verder. Tines Wobbe bereikte
+zelfs de overzijde van het kanaal, waar hij niet weinig trotsch op was.
+
+'s Middags na schooltijd liep Jan met zijn vriend Karel van Dril het
+dorp in, en kwam bij de drie bruggen. Zij zagen, dat het water daar
+nog open lag. Dat was bijna altoos zoo in den winter. Alleen als het
+lang bleef vriezen, werd het daar ook sterk genoeg, om er over te
+loopen. Zij stonden er een poosje naar te kijken, toen plotseling
+hunne aandacht werd getrokken door Frans Thor, die een vuilen hond
+vervolgde. Hij wierp het beest met steenen. 't Was een broodmager
+beest, dat er vreeselijk vervuild uitzag. De jongens herkenden dadelijk
+Fik in hem, den hond van den orgeldraaier Klaas Touw.
+
+"Houdt hem! Houdt hem!" riep Frans hun toe.
+
+"Een heldendaad van Frans," zei Jan tot Karel. "Hij kan geen hond
+met rust laten."
+
+"Houdt hem! Houdt hem!" riep Frans nog eens.
+
+De hond was nu op het midden van de brug. Jan en Karel deden, of zij
+Frans niet hoorden. Maar juist kwam Klaas Zwart van den anderen kant
+de brug op.
+
+"Houd hem, Klaas!" riep Frans zijn vriend toe. "Jaag hem op!"
+
+"Ja,--ja!" was het antwoord. En met zijn armen zwaaiende en onder
+een luid geschreeuw joeg hij het verhongerde beest terug.
+
+Spoedig kwam Fik nu Frans weer tegen, en deze joeg hem ook terug. De
+dierenkwellers hadden braaf schik in den angst van den hond, die,
+naarmate de jongens elkander naderden, meer in het nauw gedreven
+werd. Eindelijk wist het arme dier geen raad meer, en toen het
+probeerde om langs de beenen van Frans te ontsnappen, op gevaar af
+een schop van dien jongen te krijgen, gaf deze hem een duw, waardoor
+hij van de brug af in het water viel.
+
+Wat hadden Frans en Klaas een pret. En hoe vermaakten zij zich met
+de wanhopige pogingen van het dier om zich te redden.
+
+De lantaarnopsteker, die op zijn laddertje stond, om de lantaren schoon
+te maken en de peer van de lamp te vullen, was er verontwaardigd over,
+en hij riep de jongens toe, dat zij zich schamen moesten. Hij klom
+naar beneden en zag, hoe het beest tevergeefs poogde zich te redden.
+
+"'t Is meer dan schandelijk!" riep de man nog eens. "'t Beest is
+onherroepelijk verloren. Wie zal het wagen, het te redden? Wie het
+doet, loopt groot gevaar om zelf te verdrinken. Zulke dierenbeulen!"
+
+Ook Jan en Karel zagen met smart de pogingen van den armen hond, om
+zich te redden, 't Was duidelijk, dat het beest verdrinken moest. Eene
+hevige verontwaardiging maakte zich van Jan meester, en ook Karel
+vond het eene schandelijke daad.
+
+Fik zwom in het breede wak rond, nu hier, dan daar pogingen doende,
+om op het ijs te klimmen. Maar dit was te glad. Telkens gleden zijn
+pootjes uit en zakte hij in het water terug.
+
+Jan kon het niet langer aanzien.
+
+"Mag ik dat laddertje gebruiken?" vroeg hij aan den
+lantaarnopsteker. Zonder antwoord af te wachten, lichtte hij de haken
+los, waarmede het aan den paal bevestigd was, en liep er mede naar
+den kanaalkant.
+
+"Niet doen, Jan, niet doen!" riep Karel hem toe.
+
+Maar Jan antwoordde niet.
+
+"Dàn zal ik je helpen!" hernam Karel, en hij voegde zich bij zijn
+vriend. Maar deze stond al op het ijs.
+
+"Blijf daar, Karel, ik ben lichter," zei Jan kortaf.
+
+Hij schoof het laddertje voor zich uit en naderde behoedzaam het
+wak. Al was Jan nòg zoo mager, en al woog zijn lichaampje nòg zoo
+licht, toch liet het ijs, dat bij de brug erg dun was, een dreigend
+gekraak hooren. Jan liet er zich echter niet door weerhouden. Bedaard
+ging hij verder, half steunende op het laddertje, dat hij met kleine
+stootjes voortduwde.
+
+"Fik! Fik!" riep hij den hond toe.
+
+Het beest zag hem komen. Met verkleumde pooten zwom het in het
+ijskoude water. Het jankte van vreugde.... Bijna kon het zich niet
+meer bewegen. Het uiterste einde van het laddertje had het begin van
+het wak bereikt.
+
+Vele menschen verzamelden zich langs de brugleuning, en met angstige
+spanning volgden zij de bewegingen van den knaap. Ook Jan's vader
+was op de brug. Zijne oogen waren geen seconde van zijn dapperen
+jongen af. Ha, hoe verheugde hij zich over deze kranige daad van zijn
+kind. Hij was trotsch op hem!
+
+Jan keek op noch om. Al zijne gedachten waren op één punt gericht,
+namelijk, dat het zijn plicht was den armen hond te redden. Op handen
+en knieën kroop hij behoedzaam verder.
+
+Het ijs boog door. Er kwam water op. De ladder werd nat. Maar Jan
+keerde niet terug. Hij zag, dat de hond op 't punt was van verdrinken.
+
+Nog een sport,--daarna nog een....
+
+Hij legde zich lang-uit op de ladder. Zijne kleêren werden nat. Toen
+strekte hij den arm uit, en met een krachtigen greep trok hij den
+hond uit het wak. Verkleumd bleef het dier liggen.
+
+Jan durfde zich niet omkeeren. Hij wist bijna zeker, dat het ijs
+dan breken zou. Zoo voorzichtig mogelijk kroop hij achteruit,
+langzaam--langzaam verder. Den hond trok hij meê.
+
+Eindelijk had hij het achtereinde van het laddertje bereikt en moest
+hij op het ijs stappen. Maar daar was het niet zoo erg zwak meer. De
+hond kwam eenigszins tot zichzelven. Bevend op zijne pooten liep het
+dier naar den walkant. Daar hielp Karel het omhoog, tegen den walkant
+op. Eindelijk had ook Jan den oever bereikt....
+
+En op 't zelfde oogenblik klonk een daverend handgeklap hem in
+de ooren. De menschen, die gezien hadden, welk heldenstuk hij had
+verricht, verbraken de stilte en juichten hem toe. Jan kreeg er een
+kleur van. En zijn vader drong door het volk heen en drukte hem in
+zijn armen. Hij had er zoowaar tranen van in de oogen.
+
+"Ben je erg nat?" vroeg Dik.
+
+"Haast niet, Vader," zei Jan. "Ik ga met Karel den hond even
+thuisbrengen, want hij kan bijna niet loopen."
+
+"Goed, goed," zei Dik, "maar dan direct droog goed aantrekken."
+
+Jan en Karel vertrokken met den verkleumden hond, en de menschen
+vervolgden hun weg. Met lof werd over Jan gesproken. Iedereen had er
+den mond vol van. Maar de dierenbeulen Frans en Klaas waren stilletjes
+afgedropen.
+
+Het huisje van Klaas Touw, den orgeldraaier, stond een weinigje
+achteraf, aan een achterweg. De jongens hadden het spoedig bereikt. Zij
+deden de deur van het armoedig hutje open en traden binnen.
+
+Mietje zat bij de tafel. Zij zag er bleek en mager uit, en hare oogen
+keken de jongens droevig aan. De bedsteêdeuren aan den achterkant
+van het kamertje stonden open, en de jongens zagen, dat Klaas Touw
+te bed lag. Hij was ziek.
+
+"Hier is uw hond, Mietje," zei Jan, die den hond in de kamer liet
+loopen. "We hebben hem uit het water gehaald. Hij lag in het wak bij
+de brug."
+
+"Neen, _wij_ niet, maar Jan heeft hem er uitgehaald," zei Karel,
+die zijn vriend om diens heldendaad bewonderde. "Met levensgevaar
+heeft hij hem gered."
+
+"Zoo,--arme Fik," zei Mietje. "Was hij maar verdronken."
+
+"Waarom?" vroegen de jongens als uit één mond. Zij waren niet weinig
+verwonderd over die woorden.
+
+"Waarom? Wel, dan was hij meteen uit zijn lijden. Klaas is ziek,
+en hij zal wel zoo gauw niet beter wezen, zegt de dokter. We hebben
+zelf niet eens te eten, hoe zal ik dan voor den hond zorgen?"
+
+De jongens keken de vrouw zwijgend aan. En hun blik dwaalde door
+het armoedige vertrek en naar het bed van den zieke. Zij zagen ook,
+dat er geen vuur was in de oude kachel, en dat de bloemen dik op de
+ruiten stonden.
+
+"En uw orgel dan?" vroeg Jan na een poosje.
+
+"Dat is weggehaald, omdat wij de huur ervan niet betalen konden,"
+zei Mietje, en zij kreeg de oogen vol tranen. "Wij lijden armoê,
+jongens, erger dan ik het zeggen kan."
+
+De jongens wisten niet veel te zeggen, maar zij kregen diep medelijden
+met die arme menschen.
+
+"Weet je wat, Mietje," zei Jan. "Morgen is het ijs wel sterk. Ga dan
+met een tentje op het ijs staan, om melk en koek te verkoopen."
+
+Vrouw Touw lachte droevig.
+
+"Hoe moet ik aan melk komen?" zei ze met een zucht. "En aan chocolade
+en suiker en koek? Wie zal mij dat alles borgen?"
+
+"Mijn vader wel," zei Jan beslist. "Ik ga het hem vragen. Ga je mee,
+Karel?"
+
+De jongens liepen op een drafje naar huis. En toen Jan verteld had,
+hoe het met den orgeldraaier en diens vrouw gesteld was, zei Dik:
+
+"Zeker wil ik helpen, jongen! Ga maar aan Mietje zeggen, dat ik haar
+alles wil voorschieten, wat zij noodig heeft."
+
+"Hoera!" riep Jan. "Wat is u toch goed, Vader. En mogen ze een paar
+oude stoelen hebben, en wat palen en een paar banken?"
+
+"Ja," zei Dik lachend, want het verheugde hem, dat Jan en Karel zich
+zoo druk maakten om een paar arme menschen te helpen, die in nood
+verkeerden. "Maar weet je, wat in de eerste plaats noodig is? De
+stakkers hebben niets in huis, zelfs geen brandstof om de kachel
+te stoken. Span je bok voor den wagen, en breng er dadelijk flink
+wat turven naar toe. Ik zal dan meteen een en ander uit den winkel
+inpakken, zoodat ze van avond wat te eten hebben ook."
+
+"Ja, ja,--ik met den bokkenwagen, en Karel met de automobiel! Dat
+zal leuk wezen."
+
+'t Was intusschen al donker geworden, en de sterretjes begonnen al
+weder aan het hemelgewelf te flonkeren.
+
+Jan en Karel hadden het druk, want zij maakten van Dik's mildheid
+een ruim gebruik. De automobile werd volgestapeld met turven en
+kachelblokjes, en in het bakje van den bokkenwagen kwamen verscheidene
+zakjes met levensmiddelen. Dik wist wel, wat het meest noodig was.
+
+Toen de jongens wegreden, keken Dik en Anneke hen lachend na, en Dik
+herinnerde zich op dat oogenblik weer levendig, hoe hij zich als kind
+op een donkeren avond geheel alleen op weg begeven had, om aan de
+heks op den achterweg, die ook in nood verkeerde, levensmiddelen te
+brengen. En hij voelde zich gelukkig, dat hij zulk een goed kind had.
+
+In het hutje van de twee arme menschen heerschte dien avond groote
+blijdschap. Jan en Karel werden hartelijk door den orgeldraaier en
+diens vrouw bedankt.
+
+"Morgen zullen we een tent voor u bouwen, Mietje," zei Jan. "En Vader
+wil u al het noodige voorschieten, om alles te kunnen inslaan. Wacht
+maar, u zal eens zien, hoe 'n mooie tent wij zullen maken."
+
+De jongens keerden naar huis terug. De bok liep met opgetrokken
+pooten, want hij vond de bevroren sneeuw erg koud, en hij was
+er slecht over gestemd, dat hij zijn warm plaatsje bij den hit
+had moeten verlaten. Karel draaide lustig aan het wiel van de
+automobile. "Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf klonk het achter den bokkenwagen. De
+beide lantarens gaven een helder licht, en de jongens vonden het een
+prettig tochtje. Zij spraken af, den volgenden morgen vroeg op te
+staan en dan ijverig te gaan bouwen aan de tent. Met een prettig
+gevoel in hun borst keerden zij in huis terug. Zij voelden zich
+tevreden en gelukkig.
+
+
+
+
+
+Twaalfde Hoofdstuk.
+
+ Een goede daad, een vroolijke dag en een treurige morgen.
+
+
+Wat was Jan Trom vroeg wakker. 't Was nog maar kwart over zessen,
+toen hij uit zijn bed stapte. Zijn vader werd er wakker van, toen
+Jan de luiken opende.
+
+"Wie is daar?" vroeg Dik.
+
+"Ik Vader," zei Jan. "Weet u niet meer, dat we eene tent zouden bouwen
+voor Mietje van Klaas Touw. De bloemen staan weer dik op de ruiten. 't
+Heeft bepaald erg hard gevroren."
+
+"Zeker wel," zei Dik.
+
+Jan was spoedig aangekleed. Hij opende de provisiekast en nam er een
+paar sneden brood uit, die hij gebruikte met een glas melk. Daarna
+verliet hij het huis, om zijn vriend te gaan wekken. Nauwelijks was
+hij vertrokken, of ook Dik stapte zijn bed uit. Hij was bang, dat het
+bouwen van een ijstent de krachten der jongens te boven zou gaan, en
+daarom wilde hij gereed zijn om zoo noodig een handje te kunnen helpen.
+
+Karel van Dril was al op, toen Jan hem kwam roepen.
+
+"Wat is het koud, hè?" zei Karel huiverend.
+
+"Ja, erg koud," zei Jan. "Maar wij zullen ons wel warm werken. Om
+negen uur moet de tent klaar zijn, want dan gaat de school aan en
+moeten wij binnen zijn."
+
+"Ja," zei Karel. "Ik ben klaar, Jan. Zullen we gaan?"
+
+"Goed."
+
+De jongens gingen naar buiten. Lange, dunne palen namen zij op de
+schouders en droegen die naar het ijs. Het kanaal was dicht bij hun
+huis. Zij hadden den weg maar over te steken om het te bereiken. Een
+goed plaatsje was spoedig gevonden. Zij besloten de tent te bouwen
+vlak voor den winkel van Dik Trom. Een paar malen liepen zij heen en
+weer om alles te halen, wat zij noodig hadden.
+
+Daarna gingen zij aan het werk.
+
+Eerst moesten er met een bijl gaten in het ijs worden gemaakt. Jan
+begon te hakken. O, wat was het ijs hard. De splinters spatten hem
+bij elken hak om de ooren, en rinkelend vlogen zij een eind ver over
+de gladde ijsvlakte.
+
+'t Was een zwaar werkje. Al spoedig had Jan geen last meer van de koû,
+en hij merkte, dat het niet gemakkelijk zou gaan, een gat in het ijs
+te hakken. Hij zuchtte zoo hard, dat Karel er om lachen moest.
+
+"Toe maar, hak maar raak," zei hij. "Ik zal wel voor je zuchten."
+
+Jan begon te wanhopen, of hij er wel mee klaar zou komen. Maar
+eindelijk toch zakte zijn bijl door het ijs. Het water drong er
+doorheen. Nog een paar slagen, en het schotsje was los. Met de bijl
+wipte hij het stuk ijs omhoog.
+
+"Zie zoo, dat is er één," zei hij. "Nu den paal er in."
+
+"Doe jij dat maar, dan zal ik intusschen het tweede gat hakken,"
+zei Karel. Hij nam de bijl, en trok aan 't werk. Op dit oogenblik
+kwam Dik Trom aanstappen. Hij kwam eens kijken, of de jongens het
+klaar zouden spelen.
+
+"Gaat het goed?" vroeg hij.
+
+"Best, Vader," zei Jan. "O, maar wat is dat ijs hard. Ik kan er bijna
+niet doorheen slaan met de bijl."
+
+"Ja, dat dacht ik wel. Daarom kwam ik juist even kijken. Maar ik zie
+wel, dat mijn hulp niet noodig is. Hoeveel palen moeten er in?"
+
+"Wij dachten van zeven," zei Karel. "'t Zou met minder kunnen, maar
+als het dan wat hard gaat waaien, is de tent niet sterk genoeg."
+
+"Je hebt gelijk," zei Dik. "Wel, wel, wat is dat ijs gl...."
+
+"Glad," wilde hij zeggen, maar zoover kwam hij niet, want plotseling
+gleden zijne beenen onder hem weg, en viel de dikke Dik met een
+geweldigen bom op het ijs. Het ging zoo snel en onverwachts, dat hij
+eerst niet wist, wat er gebeurde. Het ijs kraakte niet zoo'n beetje,
+en er kwam een groote ster in.
+
+Gelukkig bezeerde Dik zich niet, en de jongens konden er dus naar
+hartelust om lachen. Doch zij gunden zich daar niet veel tijd toe,
+want zij moesten hard werken om op tijd klaar te komen. Om de beurt
+hakten zij een gat in het ijs, en toen Dik koud werd, hakte hij er
+ook een. De tent schoot flink op. Aan drie kanten werden er zeilen
+aan de palen bevestigd, en de vierde kant bleef natuurlijk open. Om
+acht uur waren zij met hun arbeid gereed. Toen repten zij zich naar
+huis, om een oude tafel, wat afgedankte stoelen en een paar banken te
+halen. Ook namen zij ieder eene vlag mêe, en die werden aan de twee
+voorste palen bevestigd. Om half negen was de tent kant en klaar. Dik
+was al lang naar huis, want hij zag, dat de jongens zijne hulp best
+konden ontberen, en hij vond het een prettiger idee voor hen, dat
+zij de tent geheel alleen bouwden. Toen om half negen Mietje op het
+ijs verscheen, sloeg zij van verbazing de handen in elkaar, en zij
+was wat grootsch op de mooie tent, die de jongens voor haar hadden
+gemaakt. En alles was gereed. Zij had er om zoo te zeggen zóó maar
+in te stappen. Alleen moest zij nog melk koken en de noodige koeken
+bij den bakker bestellen. De arme ziel wist geen woorden te vinden,
+om de jongens te bedanken voor alles, wat zij voor haar en haar zieken
+man hadden gedaan.
+
+"Hoe is het met Klaas?" vroeg Jan.
+
+"Nog hetzelfde," was het antwoord. "Hij ligt nu al vier weken te
+bed, en ik zie niet den minsten vooruitgang. Maar hoe zou dat ook
+kunnen? Wij zijn te arm, om de versterkende middelen te kunnen koopen,
+die zijn verzwakt lichaam noodig heeft, want hij is door en door
+verzwakt, zegt de dokter."
+
+"Nu, wie weet, hoeveel u vandaag nog verdient," zei Karel. "En hoe
+is het met Fik?"
+
+"O, die is weer geheel en al in orde. Hij houdt den baas
+gezelschap. Die moet natuurlijk den heelen middag alleen in huis
+blijven. Maar hij zal zich wel redden. Ik zal de tafel bij zijn bed
+schuiven en alles, wat hij noodig heeft, daarop klaar zetten. Vóór
+twee uur van middag behoef ik niet in de tent te staan, en om vijf
+uur kan ik wel al weer thuis zijn. Dan wordt het donker en gaan de
+schaatsenrijders naar huis. Dus langer dan een uur of drie, vier is
+hij niet aan zijn lot overgelaten. O jongens, wat redden jullie me
+heerlijk uit den nood; je weet niet, hoe dankbaar ik ben."
+
+"Dat is niet noodig, Mietje. We hopen, dat je vandaag nu maar
+flink geld verdient. Maar 't wordt voor ons tijd om naar school te
+gaan. Vanmiddag zullen we wel vacantie krijgen, denk ik, nu het zulk
+mooi ijs is."
+
+"'t Is te hopen," zei Karel. "Hè, wat heb ik een zin om te gaan
+rijden."
+
+"En ik!--Dag Mietje, tot vanmiddag!"
+
+De jongens gingen naar huis. Het gebruikte gereedschap namen zij mee,
+en eenige minuten later stapten zij de school binnen. Zij dachten
+dien morgen meer aan het mooie ijs, dan aan de lessen.
+
+Mietje was intusschen druk in de weer om alles voor den middag in
+gereedheid te brengen. Bij den bakker bestelde zij een groot getal
+ijskoeken, die ook wel dikke Pieten werden genoemd, eene lekkernij,
+waar de jongens verzot op waren, en die de meisjes ook wel lustten. Dik
+Trom had aan den bakker gezegd, dat hij voor de goede betaling borg
+stond. Ook gaf Dik de noodige chocolade en suiker, en mocht zij bij
+Wobbe op zijne rekening zooveel melk bestellen, als zij dacht noodig
+te hebben. Mietje vloeide over van dankbaarheid.
+
+"Zorg nu," zei Dik, "dat alles er netjes en zindelijk uitziet in je
+tent, en maak de kopjes telkens schoon, als er uit gedronken is. De
+menschen hebben een hekel aan vuile koppen en schotels."
+
+Dik wist wel, dat Mietje niet aan overdreven zindelijkheid leed.
+
+"Daar zal ik voor zorgen," zei Mietje.
+
+Van een kastelein had zij de noodige koppen en schotels geleend. Zoo
+werd Mietje door de hulp van verschillende menschen, die medelijden
+met haar hadden, netjes ingespannen, en om één uur stond zij al in
+hare tent, gereed om de gasten te ontvangen.
+
+Jan en Karel hadden goed geraden. Dien middag kregen zij inderdaad
+vacantie. Dat gaf eene vreugde. Onder een luid gejoel verlieten de
+kinderen de school, om te gaan eten. Sommigen gunden zich daar haast
+den tijd niet eens toe, zoo verlangden zij om op 't ijs te komen.
+
+Om een uur krioelde het al van jongens en meisjes op de baan, en Mietje
+kreeg het al aardig druk in hare tent. Jan en Karel waren er ook. Hun
+eerste gang was naar Mietje, want zij wilden graag de eersten zijn,
+die wat bij haar kochten. En Mietje zag er wat helder uit. Van Anneke
+had zij een grooten huishoudboezelaar gekregen, die hare armoedige
+plunje geheel bedekte. Ook de kopjes waren helder gewasschen, en
+'t zag er gezellig bij haar uit. Jan en Karel zagen met genoegen,
+dat zij het verbazend druk kreeg. Dat was trouwens geen wonder, want
+zij was de eenige, wier tent geheel klaar was. Er waren er nog wel
+verscheidene in aanbouw, maar gereed was er nog maar een, en dat
+was de hare. Wat hadden de twee jongens er een pret in. Vroolijk
+zwierden zij op de baan heen en weer, want zij konden goed rijden,
+vooral Jan. Die kon al zwieren als de beste. Dat had hij van zijn
+vader geleerd die ook een groot liefhebber van het ijsvermaak was. En
+als zij een poosje gereden hadden, gingen zij uitrusten in de tent
+van Mietje, die er recht gelukkig en tevreden uitzag, want zij kon
+wel aan het bedienen blijven.
+
+"Dikke Pieten! Dikke Pieten!" riep Karel lachend zijne kameraden
+toe. "Steekt er eens op, en legt er eens aan! Lekkere, versche dikke
+Pieten! De mooiste ijskoeken van de wereld!"
+
+De jongens en meisjes lachten er om, en toen zij hoorden, dat Mietje
+het zoo erg arm had en dat haar man ziek was, en daarbij vernamen, dat
+Karel en Jan samen die mooie tent voor haar hadden gebouwd, kijk,--toen
+wilde iedereen ook een steentje bijdragen om den nood der arme menschen
+te lenigen, en wie wat koopen wilde, deed het daarom bij Mietje.
+
+Jan ging ook achter de tafel staan, en riep zoo hard hij kon:
+
+
+"Heete melk en koude Jan,
+Steekt er eens op en legt er eens an!"
+
+
+De kinderen moesten er hartelijk om lachen, maar 't gevolg was toch,
+dat de koeken als 't ware wegvlogen, en dat Mietje telkens een nieuwen
+voorraad melk moest koken. Hare zaakjes gingen best, opperbest, en
+zij ontving zooveel geld, als zij in haar heele leven nog niet bij
+elkaar had gezien.
+
+Later op den middag kreeg zij het nog drukker. Toen kwamen de groote
+menschen op de baan. Ook Dik Trom stapte met zijn schaatsen onder
+den arm het ijs op. En even later verschenen de twee mannen, met
+wie hij al van zijne vroegste jeugd af trouwe vrienden was geweest,
+namelijk Piet van Dril, de smid, en Jan Vos, de metselaar. In de
+tent van Mietje bonden zij de schaatsen onder. Dik trakteerde eenige
+jongens, die dicht in de nabijheid stonden, op dikke Pieten, en even
+later zwierde het drietal lustig over de baan. Wat kreeg deze meer en
+meer een vroolijk aanzien. De andere tenten waren nu langzamerhand ook
+gereed gekomen, en de vlaggen wapperden vroolijk in den wind. En wat
+kwamen er een menschen op het ijs! 't Werd er hoe langer hoe voller,
+en soms, als de menschen erg dicht op een hoop stonden, gaf het ijs
+een geweldigen krak, zoodat iedereen er van schrikte en men ijlings
+uit elkander stoof.
+
+De baanvegers hadden weinig te doen, want het ijs was spiegelglad. Des
+te meer tijd hadden zij om geld op te halen.
+
+"Een centje voor den baanveger!" klonk het hier. "Een centje voor den
+baanveger," klonk het daar. 't Leek wel, of de baanvegers uit den bodem
+van het kanaal opstegen, zooveel kwamen er. Maar de schaatsenrijders
+genoten volop, en zij hadden een gulle bui. Dik Trom, wiens winkel
+thans verreweg de grootste was van het geheele dorp, zoodat hij veel
+geld verdiende en van nabij met den toestand der baanvegers bekend was,
+liet menig dubbeltje in de handen der baanvegers overgaan. Hij was
+niet gierig, en als hij wist, dat hier of daar armoede geleden werd,
+was hij altoos bereid om te helpen. Hij was dan ook verbazend bemind
+onder zijne dorpsgenooten. Iedereen had een vriendelijk woord voor
+hem over, en niemand passeerde hem zonder een groet.
+
+"Dag Dik!" werd er overal geroepen, waar hij voorbij reed. "Dag
+Dik! Dat is nog eens een echt ouderwetsch dagje, hè?"
+
+'t Was vreemd, maar Dik werd op het dorp nog bijna door iedereen Dik
+genoemd. Zelden zeide men Trom tegen hem.
+
+Hij kon mooi schaatsenrijden, veel mooier, dan men van zoo'n
+dikken man verwacht zou hebben. Als hij goed aan het zwieren was,
+had hij aan de breede baan niet genoeg, neen, dan gebruikte hij
+wel de halve breedte van het kanaal. En 't was grappig om te zien,
+als Jan achter hem aanzwierde. Dik had altoos een ijsstok bij zich,
+met aan elk einde een knop. Soms hield Dik het eene einde onder den
+arm, en Jan het andere, en dan zwierden zij samen zoo kolossaal,
+dat de menschen bleven staan om er naar te kijken. En 't was een
+grappig gezicht, dien dikken Dik en dien mageren Jan samen aan den
+stok te zien zwieren. Iedereen lachte er om, en Dik zelf ook.... Ha,
+wat was Jantje dan grootsch. Dan reed hij zoo prachtig beentje-over,
+dat Karel van Dril er jaloersch op was.
+
+Het drukste punt van de geheele ijsbaan was, waar de tent van Mietje
+stond. Karel en Jan zagen met onbeschrijflijk veel genoegen, dat hare
+tent nooit leeg was. Altijd zaten er menschen op de stoelen of banken,
+om uit te rusten, en iedereen gebruikte wat bij haar. De koek was om
+drie uur al uitverkocht, maar melk had zij in overvloed. Haar zak
+was zwaar van de centen, die zij ontvangen had, en steeds kwam er
+meer bij. Iedereen wilde haar helpen in den nood. Alleen de andere
+tenters waren er een beetje boos om, maar toch niet heel erg, want
+het was zóó druk op de baan, dat ook zij een heel goeden dag maakten.
+
+Frans Thor en Klaas Zwart waren ook aan het schaatsenrijden, maar de
+andere jongens ontweken hen zooveel mogelijk. Zij wilden 't liefst
+niet met hen te maken hebben.
+
+Eindelijk begon de schemering te vallen, en de drukte op het ijs
+verminderde gaandeweg. Vele boerenjongens en -meisjes moesten naar
+huis, om de koeien te melken en het vee te voederen, en langzamerhand
+zakten ook de anderen op huis af. Jan en Karel waren onder de laatsten,
+die vertrokken.
+
+"Kunnen we je helpen, om een en ander naar huis te brengen,
+Mietje?" vroegen zij. Want zij hadden zich nu eenmaal voorgenomen,
+Mietje zooveel zij konden terzijde te staan.
+
+"Neen, jongens, dank je vriendelijk," was het antwoord. "De kopjes
+en schoteltjes doe ik in een sleetje en neem ik meê naar huis. Maar
+den vuurpot en den ketel laat ik van nacht hier maar staan. Dat wordt
+anders maar heen- en weer sjouwen voor niemendal."
+
+"En heb-je goede zaken gemaakt?" vroegen de jongens blij, want zij
+wisten wel, hoe het antwoord zou zijn.
+
+"Goede zaken?"--Of ik!" zei Mietje, en zij klopte met hare hand
+op den zak, die onder haar boezelaar hing. De jongens hoorden een
+rinkelend geluid.
+
+"Allemaal centen, Mietje!" plaagde Jan. "Dat beschiet niet veel."
+
+"Allemaal centen?" herhaalde Mietje, terwijl zij een flinken
+greep in den zak deed, en den inhoud van hare hand op de tafel
+uitstortte. "Allemaal centen? Kijk eens, een dubbeltje, weer een, hier
+nog een, een kwartje, nog een kwartje, daar nog een dubbeltje,--neen,
+neen, als het nog een paar dagen mag blijven vriezen, ga ik den winter
+zonder zorg tegemoet.--En dat heb ik alles aan jelui te danken,--en
+aan je vader, Jan."
+
+Zij deed het geld weer in den zak, pakte alles wat meegenomen moest
+worden, in de slede, schoof de tafels en stoelen zooveel mogelijk in
+elkaar en ging naar huis.
+
+"Zeg aan je vader, dat ik vanavond met hem kom afrekenen," zei ze
+nog tegen Jan. "Ik heb vandaag wel zooveel verdiend, dat ik mezelf
+verder redden kan. 't Is een pak van m'n hart, jongens."
+
+Jan en Karel gingen recht vergenoegd naar huis. De lucht zag er wel
+naar uit, dat het weer geducht vriezen zou.
+
+'s Avonds kwam Mietje inderdaad met Dik afrekenen en zij deelde hem
+mede, dat zij wel meer dan twintig gulden had verdiend. Dik was er
+recht blijde om, en hij gaf Jan een knipoogje, of hij zeggen wilde:
+"Zie je, Jan, dat is het werk van jou en je vriend. Je hebt eene
+goede daad gedaan."
+
+Vol vreugde keerde Mietje naar haar hutje terug. Klaas en zijne vrouw
+hadden zich in langen tijd niet zoo gelukkig gevoeld.
+
+Helaas, de blijdschap van Mietje zou al spoedig in verdriet
+veranderen. Toen zij den volgenden morgen in de tent kwam, om alles
+voor den middag in orde te brengen, want het had weer sterk gevroren,
+bemerkte zij tot haar grooten schrik, dat de ijzeren pot, dien zij
+van Van Dril te leen had gekregen, en de mooie koperen ketel, dien
+De Vries, de kastelein, haar ten gebruike had afgestaan, verdwenen
+waren. Eerst meende zij nog, dat de andere tenters een grapje hadden
+willen hebben en een en ander hadden weggehaald, maar dat bleek niet
+zoo te zijn. Die menschen vermisten ook voorwerpen, die zij in de
+tenten hadden achtergelaten, en zij waren erg boos en terneergeslagen.
+
+"'t Is eene schande," zei er een. "Ik dacht zóó, dat de diefstallen
+ten einde waren, en nu komen zij ons armoedje nog wegstelen."
+
+"Ja, 't is eene schande," zei een ander. "De politie doet hier ook
+niets. Maar ik ga naar den burgemeester om mij te beklagen. 't Is
+verregaand, dat er niets meer veilig is op 't dorp."
+
+"Ik ga meê," riep een derde.
+
+"En ik! En ik," zeiden de anderen.
+
+En te zamen verlieten zij het ijs, om naar den burgemeester te gaan
+en hem te zeggen, dat er verschillende voorwerpen uit de tenten
+ontvreemd waren.
+
+Mietje kreeg de tranen in de oogen. Al hare verdiensten waren weer
+weg, want zij moest de gestolen voorwerpen natuurlijk vergoeden, dat
+begreep zij zeer goed. Allereerst ging zij naar Van Dril, om hem te
+zeggen, wat er gebeurd was.
+
+"Dat is verregaand!" riep hij uit. "'t Wordt hoog tijd, dat de dieven
+gesnapt worden, want zóó kan het niet langer. Maar jij, arme ziel,
+behoeft de schade niet te lijden. Hier staat nog een andere pot met
+toebehooren. Gebruik dien maar, doch laat hem 's nachts niet meer op
+het ijs staan. Alles, wat je in de tent gebruikt, moet je vanavond
+opbergen. Anders heb je kans, dat morgen alles weer verdwenen is."
+
+Mietje bedankte van Dril voor zijn goedheid, en begaf zich dadelijk
+naar de Vries. Maar deze was lang zoo vriendelijk niet als de smid. Hij
+werd zelfs onbillijk.
+
+"Daar heb je 't al," riep hij uit, toen Mietje hem het gebeurde had
+verteld. "Dan leen je aan zulk volk je beste spullen, en in plaats,
+dat zij er dankbaar voor zijn en er goed op passen, maken ze, dat
+je ze nooit terugziet. Maar je zult me den ketel betalen, wat ik
+je zeg! 't Was een beste, koperen ketel, een zware koperen ketel,
+en ik laat hem maar niet goedschiks verdonkeremanen! Wie weet, wat
+je er mêe uitgevoerd hebt."
+
+"Ik? Er mêe uitgevoerd?" zei Mietje schreiend. "Ach, wat heb ik er een
+spijt van, dat ik hem niet meegenomen heb naar huis, gisterenavond,
+maar de andere tenters lieten hun boeltje ook in de tent achter,
+net zoo goed als ik. Wie kon ook denken, dat de menschen zoo slecht
+zouden zijn, om ons armoedje weg te stelen."
+
+"Alles goed en wel, maar ik moet den ketel terughebben, of je zult
+mij de schade vergoeden. Met minder dan vijf gulden ben ik niet
+tevreden. 't Was een dure ketel, en nog zoo goed als nieuw!"
+
+"Vijf gulden?" stamelde Mietje verschrikt. "Vijf gulden, zegt u?"
+
+"Ja, vijf gulden minstens," was het antwoord. "Koper is duur."
+
+Verdrietig keerde Mietje naar de tent terug. Zij wist geen raad om
+zich te helpen.
+
+"Wie zal mij weer een ketel leenen?" vroeg zij droevig.
+
+"Dat zal ik doen," zei Anneke. "Je kunt mijn ketel gebruiken, Mietje,
+als je er maar voor zorgt, dat hij elken avond bij mij binnengebracht
+wordt."
+
+"O, dat zal ik zeker," zei Mietje. "Een ezel zelfs stoot zich geen
+tweemaal aan denzelfden steen."
+
+'t Ging als een loopend vuurtje door het dorp, dat de dief weer aan
+den gang was geweest. En de burgemeester vond, dat er hoog noodig
+een einde aan moest komen. Zoodra hij het gebeurde vernomen had,
+liet hij dadelijk Flipsen bij zich ontbieden. Deze kwam direct, en
+onderweg vernam hij al, wat er aan de hand was. Maar de burgemeester
+vertelde het hem nog eens dunnetjes over. Flipsen hoorde hem zwijgend
+aan; er speelde een bijna onmerkbaar glimlachje om zijne lippen. Hij
+meende te weten, waar hij thans zoeken moest.
+
+"Je moet bij de tenters eerst gaan onderzoeken, welke voorwerpen door
+hen worden vermist, en dan zoek je maar net zoo lang, tot je den dief
+gevonden hebt," besloot de burgemeester.
+
+"Laat het maar aan mij over, burgemeester," zei Flipsen met een hooge
+borst. "Ik zal het zaakje wel afwikkelen."
+
+Hij stapte op het ijs, en begaf zich met een zakboekje in de linker
+en een potlood in de rechterhand van de eene tent naar de andere,
+en overal vroeg hij, welke voorwerpen gestolen waren. Het bleek hem,
+dat alle tenters hun ijzeren pot en grooten ketel hadden achtergelaten,
+en dat die nu vermist werden.
+
+De tenters waren er bitter slecht over te spreken, en Flipsen moest
+menig onaangenaam woord hooren.
+
+"Waarom heb je niet beter uitgekeken?" vroeg er een. "Je doet ook
+niet veel voor den kost, Flipsen."
+
+En een ander merkte op:
+
+"Of wij politie op het dorp hebben of geen politie, dat komt op
+hetzelfde neer. De dieven doen toch maar, wat ze willen."
+
+"'t Is jullie eigen schuld," gaf Flipsen ten antwoord. "Wie laat
+zulke dingen bij nacht en ontijd ook buiten staan? Je bent te lui om
+voor je spullen te zorgen, en als ze dan gestolen worden, krijgt de
+politie de schuld. Zoo is het altijd. 't Is het oude liedje en anders
+niet. Doch heb maar geduld. Dezen keer zul-je eens zien, dat Flipsen
+wèl uit zijne oogen gekeken heeft, en terdege ook. Eer we een halven
+dag verder zijn, heb ik de dieven gesnapt, want er is er niet één,
+maar er zijn er twee."
+
+De menschen keken hem ongeloovig aan.
+
+"Twee?" vroegen ze. "Zijn er twee? Weet je dan, wie de daders zijn?"
+
+"Ik weet, wat ik weet," gaf Flipsen gewichtig ten antwoord. "En ik
+zeg, hebt maar geduld. Je zult je verloren zaakjes spoedig genoeg
+terug hebben, veel vlugger zelfs, dan je denkt."
+
+Flipsen keerde zich om en begaf zich regelrecht op weg naar--den
+pottenschipper. De menschen zagen dat tot hunne verbazing, en ook zij
+begaven zich naar de hun welbekende schuit, die niet ver van de tent
+van Mietje aan den wal lag. Dat was hare vaste plaats. Een plank
+lag van de schuit naar den walkant om te maken, dat de bezoekers
+gemakkelijk op de schuit konden komen.
+
+Flipsen liep de plank over en deed het deurtje van de kajuit open,
+die den pottenschipper tot woonvertrek diende. Eene warme lucht kwam
+den veldwachter tegemoet. Hij zag dadelijk, dat de pottenschipper bij
+een klein tafeltje zat met een pijpje in den mond. De rook dwarrelde
+door het geopende deurtje naar buiten.
+
+"Goeden dag," zei Flipsen binnentredende. Zijne oogen dwaalden
+onderzoekend in het kleine vertrekje rond.
+
+"Dag Flipsen," was het antwoord. "Kom binnen. Wat is er van je dienst?"
+
+"Dat zal ik je zeggen. Er zijn ijzeren potten en verscheidene ketels
+gestolen uit de tenten, die op het ijs staan."
+
+"Is het waar?" vroeg de pottenschipper. En hij liet er op volgen:
+"Wat zijn die menschen onvoorzichtig, om zulke dingen 's nachts te
+laten staan. 't Is meer dan dom."
+
+"Dat is het," zei Flipsen.
+
+"Maar ik begrijp niet, wat _ik_ daarmede te maken heb," hernam de
+schipper. "_Ik_ ben gelukkig geen dief, en heb ze niet gestolen."
+
+"Zoo--ja, dat kan wel," zei Flipsen, die wel een beetje in de
+war raakte, toen hij den schipper zoo kalm zag zitten. De man was
+blijkbaar in 't geheel niet geschrokken door zijn bezoek, wat Flipsen
+toch stellig verwacht had.
+
+"Zoo--ja, dat kan wel," herhaalde hij. "En dat wil ik wel gelooven ook,
+maar ik dacht, de pottenschipper is iemand, die vodden, beenen, oud
+ijzer en dergelijke dingen opkoopt. Misschien kan hij me inlichtingen
+geven, die me een beetje op weg helpen. Want die dieven moeten gevonden
+worden, dat spreekt van zelf."
+
+"Juist, hoe gauwer, hoe beter," zei de pottenschipper. "Ik heb,
+zooals je weet, heel wat potten en pannen boven op mijn schuit staan,
+en ik houd mijn hart in mijn lijf vast, dat de dieven daar ook een
+bezoek zullen brengen. Wat zou ik lachen, als je ze snappen kon,
+Flipsen; 't is meer dan tijd. Maar inlichtingen,--neen, die kan ik
+niet geven. Ik heb van niets gemerkt."
+
+"En is u niets van dien aard te koop aangeboden ook?" vroeg Flipsen,
+terwijl hij zijn oogen strak op die van den schipper gevestigd hield.
+
+"Nu nog mooier!" riep deze uit. "Ze moesten het eens wagen met
+gestolen goed bij me aan te komen! Wat zouden ze gauw mijne schuit
+uit zijn. Neen man, voor zoo iets zijn ze bij mij aan het verkeerde
+kantoor. Daar moet ik niets,--niemendal van hebben. Dank je hartelijk!"
+
+De veldwachter stond op. Hij begreep thans zeer goed, dat de
+pottenschipper òf totaal onschuldig was, òf dat deze te slim was om
+zich te laten uithooren. Hij zeide dus:
+
+"'t Spijt me, dat u me geen inlichtingen kan geven. Mag ik nu de
+schuit nog even van binnen bekijken?"
+
+"Wel, nu nog mooier!" riep de schipper boos uit. "Wou je mijn schuit
+doorzoeken? 't Is fraai, dat moet ik zeggen. En met welk doel, als
+ik vragen mag?"
+
+"Louter uit nieuwsgierigheid," zei Flipsen. Hij klom op het dek
+en begaf zich naar de voorzijde van de schuit. Hij wist, dat daar
+de ingang was van het ruim, waar de schipper zijne meeste goederen
+bewaarde. Deze volgde hem onwillig, en hij deed niets dan mopperen
+over de onbeschaamdheid van Flipsen.
+
+"'t Is een schande, om een fatsoenlijk mensch van diefstal te
+verdenken," zei hij. "Welke reden heb je daarvoor? Wie heeft er iets
+op mij aan te merken?"
+
+Flipsen zei niets. Hij ging het ruim binnen en keek onderzoekend
+rond. Maar hij zag niets dan steenen voorwerpen voor huishoudelijk
+gebruik, en alles fonkelnieuw. Achter in het ruim, in een donkeren
+hoek, vond hij ook nog een hoop vodden, beenen en oud-roest. Hij
+was er te vies van, om het met zijne handen aan te raken. Daarom
+trok hij zijn sabel en wroette in den hoop rond. Maar hij ontdekte
+niets verdachts, wat hem geducht tegenviel, want hij had er stellig
+op gerekend, de gestolen voorwerpen hier aan te treffen. Er bleef
+geen gaatje ondoorzocht, en eindelijk verliet hij de schuit, zonder
+iets wijzer geworden te zijn.
+
+Er hadden zich heel wat menschen op den kanaalkant verzameld,
+om den afloop van Flipsen's onderzoek af te wachten. Maar zij
+zagen al dadelijk aan zijn gezicht, dat hij niets gevonden had. De
+pottenschipper beklaagde zich met luider stem tegen de menschen
+over de schande, die Flipsen hem had aangedaan, en zijn toehoorders
+vonden, dat hij wel een beetje gelijk had. Ook Frans Thor en Klaas
+Zwart bevonden zich onder de toeschouwers. Zij zeiden niets, en Klaas
+Zwart zag zelfs een beetje bleek. De pottenschipper zag hen staan,
+en hij zeide zoo luid tegen Flipsen, dat iedereen het hooren kon:
+
+"Als er nu weer eens wat vermist wordt, hoop ik van je vereerend
+verzoek verschoond te blijven, Flipsen. Je weet nu eenmaal, dat ik
+part noch deel aan de zaak heb. Ik ben een eerlijk koopman, en houd
+mij met slechte practijken niet op."
+
+Een zucht van verlichting ontsnapte bij die woorden aan de borst
+der beide jongens, en onmerkbaar stootten zij elkander met den
+elleboog aan.
+
+Flipsen was erg teleurgesteld. Hij begreep, dat hij het spoor van
+den dief weer geheel bijster was, en hij wist niet, wáár thans te
+zoeken. Toch gaf hij het nog niet op. Regelrecht ging hij naar de
+woning van Klaas Zwart, en ook daar doorzocht hij het heele huis en de
+schuur. Maar alweer tevergeefs. Daarna begaf hij zich naar 't huis van
+Thor, den oud-gediende uit Indië. Deze ontving hem ver van vriendelijk,
+maar daar stoorde Flipsen zich niet aan. Hij doorsnuffelde ook diens
+woning van boven tot beneden, echter zonder het gewenschte gevolg. Hij
+kwam tot de conclusie, dat hij zich totaal vergist had. En toch stond
+het bij hem vast, dat de dief op het dorp woonde.
+
+
+
+
+
+Dertiende Hoofdstuk.
+
+ Hoe Jantje op een gelukkig idée kwam.
+
+
+Er werd 's avonds, toen de lampen opgestoken waren en de menschen
+gezellig in de kamer rondom de kachels zaten, heel veel over het
+gebeurde gesproken. Zoo ook bij Dik Trom. Jan Vos en Piet van Dril
+waren bij hem op visite, en Anneke had anijsmelk gekookt, tot groote
+vreugde van Jan, die zijn vriendje Karel ook bij zich mocht hebben,
+en bizonder veel van anijsmelk hield.
+
+'t Was een recht prettige avond, want de drie oude vrienden zaten te
+praten over hunne kinderjaren, en de twee jongens luisterden met open
+mond naar hetgeen er verteld werd. Eindelijk kwam het gesprek ook
+op den gepleegden diefstal, en algemeen waren zij het er over eens,
+dat het een laaghartige daad was. Ja, vroeger was er ook meermalen
+gestolen, maar nu had de dief zelfs de laagheid gehad de spulletjes
+weg te stelen van de armsten onder de armen. 't Was wel zoo erg,
+als het maar wezen kon.
+
+"En Flipsen was de plank heelemaal mis," zei Dik. "Hoe kwam hij er
+ook toe, den pottenscihpper van den diefstal te verdenken? Die man
+komt zelden of nooit zijne schuit uit."
+
+"Dat is wel mogelijk," zei Jan Vos, "maar vroeger moet hij een echte
+deugniet geweest zijn, heb ik wel eens gehoord."
+
+"O, vroeger!"--meende Piet van Dril, "vroeger, dat is nù niet. Een
+mensch kan zich beteren."
+
+"Dat is waar," zei Dik. "Ik geloof er trouwens ook niets van, dat hij
+er aan schuldig is. Maar 't is toch wonderlijk, dat de dief zoo lang
+met zijne diefstallen kan doorgaan, zonder betrapt te worden. Flipsen
+loert avond aan avond op hem, en hij is waarlijk toch niet voor
+de poes."
+
+"Neen, dat geloof ik ook!" zei Piet van Dril lachend. "Daar weten wij
+van mêe te praten, hè?--Denk nog maar eens aan een zeker avondje in
+den tuin van den burgemeester...!"
+
+Allen schoten in den lach.
+
+"Ja, maar toen waren wij hem toch te knap af!" zei Dik.
+
+Zoo zaten zij nog lang te praten, tot Jan Vos opeens zeide: "Als het
+zoo blijft voortvriezen, zal de visch het gauw benauwd krijgen onder
+het ijs. Morgen moet ik toch eens probeeren, of ik niet een lekker
+maaltje paling kan vangen."
+
+"Ja, doe dat maar," zei zijne vrouw, die intusschen druk met de andere
+vrouwen had zitten praten. "Overmorgen is het Zondag, en dan wil ik
+wel graag een lekker maaltje hebben."
+
+"Paling vangen? Hoe doet u dat dan?" vroeg Jan nieuwsgierig.
+
+"Wel jongen, als 't ijs erg dik is, krijgt de paling het er benauwd
+onder en begeeft zich naar de bijten en wakken, waar open water
+is. Met een sikkel, die aan een langen stok bevestigd is, kun-je ze
+gemakkelijk uit het water op het ijs wippen. Dat vereischt alleen
+maar wat behendigheid."
+
+"Zwemmen ze dan niet weg?" vroeg Karel.
+
+"Neen jongens," zei Dik. "Of het van de koû komt, of van wat anders,
+dat weet ik niet, maar zij zijn bij sterk ijs min of meer suf. Je
+kunt ze dan vrij gemakkelijk vangen."
+
+"Willen wij dat morgen ook eens gaan doen?" vroeg Karel aan Jan. "Wij
+hebben dan toch den heelen dag vrij."
+
+"Ik vind het best," zei Jan. "Graag zelfs. Van Dril, heeft u voor
+ons elk ook een sikkel? Dan gaan wij morgen op de vangst."
+
+"Zeker wel, jongens, er liggen oude sikkels genoeg in de smederij. Als
+je er zelf dan maar een langer handvat aan maakt, want het gewone
+handvat is voor dat werk te kort. Je moet er een stok aan doen,
+ongeveer zoo lang als je arm."
+
+"Een gewone lat is wel goed," zei Dik.
+
+Jan en Karel spraken af, dat zij er na het ontbijt samen op uit zouden
+trekken. De sikkels zouden spoedig genoeg in orde zijn, daar waren
+zij het over eens.
+
+En zoo gebeurde het ook. Toen Jan ontbeten had, ging hij naar Karel,
+die al twee goede sikkels had opgezocht. Zij haalden de handvatten er
+af, en deden er langere voor in de plaats. In een kwartiertje waren zij
+daarmede klaar. Karel nam een emmertje meê, om er de visch in te doen,
+en zoo trokken zij er samen op uit. Ook namen zij elk een bijl mede,
+om hier en daar een gat te hakken. 't Eerst gingen zij naar de bijt,
+die voor het huis van Dik Trom gehakt was. Het ijs van den laatsten
+nacht lag er nog in. Zij hakten het los en trokken de schotsen op
+het ijs. Toen keken zij in de bijt, en waarlijk, heel rustig lag daar
+een dikke paling op den bodem.
+
+"Kijk, kijk, daar ligt er een," zei Jan, die hem het eerst zag.
+
+Hij stak den sikkel voorzichtig onder het beest door en wipte hem met
+een snelle beweging omhoog. Daar spartelde de paling op het ijs. Ha,
+wat kronkelde hij zich! De jongens sprongen beiden op hem toe, want
+hij lag dicht bij den rand van de bijt.
+
+"Grijp hem, grijp hem!" riep Jan zijn vriend toe, want deze was het
+dichtst bij hem. Maar Karel kwam te laat. Wel gelukte het hem nog
+den paling te grijpen, maar deze kronkelde zich om zijn arm heen,
+en dat vond Kareltje zoo'n eng gevoel, dat hij het beest met een
+rilling over de leden losliet. Op 't volgende oogenblik verdween de
+paling in de bijt, en de jongens hadden nakijk.
+
+"Hè, wat is dat jammer!" riep Jan spijtig uit. "Hoe dom ook van je,
+om hem weer los te laten, toen je hem zoo mooi vast hadt."
+
+"Hu, wat glibberig was hij, en wat kronkelde hij akelig om mijn
+arm heen," zei Karel, wien opnieuw eene huivering over den rug
+ging. "Precies een slang."
+
+"Dat zal jij wel weten," zei Jan. "Je hebt nog nooit een slang gezien."
+
+"Genoeg,--meer dan jij," meende Karel. "In Artis."
+
+"O, in Artis. Daar liggen ze achter glas.--Nu, deze is in elk geval
+weg, en wij zullen hem wel nooit terugzien. Wat was het een dikkerd."
+
+"Of hij dik was," zei Karel. "Akelig dik."
+
+"In deze bijt is niets meer te zien. Willen we naar die van den
+burgemeester gaan aan den overkant? Dat is ook eene groote bijt."
+
+"Mij goed," zei Karel. "Maar ik pak ze vast niet meer met mijne handen
+beet. Hu, wat een akelige beesten."
+
+"Je bent een bangerd, hoor!" spotte Jan.
+
+"Jij bent een held!" zei Karel. "Dat weet ik wel."
+
+"In elk geval zou ik hem niet loslaten, als ik hem eenmaal te pakken
+had," zei Jan.
+
+Zij liepen het kanaal over, en kwamen bij de bijt van den
+burgemeester. Hun eerste werk was ook hier het ijs van den laatsten
+nacht los te hakken en de schotsen op het ijs te trekken. Toen dat
+gebeurd was, keken zij in het water.
+
+"Ik zie er een," zei Karel.
+
+"Ik ook,--wel twee," zei Jan.
+
+Zij brachten de sikkels in het water, en op 't volgende oogenblik
+spartelden twee palinkjes op het ijs. Jan wierp er een van in
+het emmertje, maar Karel was niet te bewegen, den tweeden aan te
+grijpen. Jan moest er om lachen.
+
+"Help, help, hier is er een," schreeuwde Karel, die moeite had om
+het beest met zijn sikkel van de bijt weg te houden. 't Beest wilde
+met alle geweld weer in 't water.
+
+"Pak hem dan!" riep Jan hem lachend toe.
+
+"Ik dank je,--ik moet er niets van hebben. Toe dan, Jan, grijp hem,
+of we zijn hem kwijt."
+
+Jan kwam zijn vriend te hulp, en spoedig was ook de tweede paling in
+het emmertje opgeborgen. Maar van den derden was, toen zij weer in
+de bijt keken, geen spoor meer te vinden. De jongens hadden hem wat
+al te veel lawaai gemaakt naar zijn zin, zoodat hij het verstandig
+geoordeeld had, zich wat uit hunne nabijheid te verwijderen. Maar Jan
+en Karel waren toch wat in hun schik met hunne vangst, en zij begaven
+zich van de eene bijt naar de andere. De voorraad in hun emmertje
+werd steeds grooter, en zij twijfelden niet, of zij zouden wel een
+flink maal bij elkander krijgen.
+
+Lachend zei Karel tot Jan:
+
+"Als Vos op de vangst gaat, zooals zijn plan was, zal hij niet erg
+veel meer vangen. Wij hebben zoetjes-aan alle bijten van het dorp
+afgevischt."
+
+Jan lachte ook.
+
+"Dan vischt hij achter het net," zei hij. "Kijk, ginds gaan Frans
+Thor en Klaas Zwart. Zij hebben ook bijlen bij zich. Ik denk, dat
+zij ook op de vangst uitgaan."
+
+"Laat hen maar vooruitgaan," zei Karel. "Wij zijn op hun gezelschap
+niet gesteld. Willen wij nu buiten het dorp gaan, voorbij het
+fort? Daar zijn wel geen bijten, maar vader zegt, dat de visch zich
+aan de kanten van het kanaal ophoudt, zeker om beter lucht te kunnen
+krijgen. Dan hakken wij hier en daar eene schots los."
+
+"Mij goed,--best zelfs," zei Jan.
+
+De jongens gingen langs het fort en deden als gezegd is. En 't was
+inderdaad een prettig werkje voor hen, want zij vingen veel meer,
+dan zij verwacht hadden. Er waren palingen bij, wel zoo dik als hun
+pols. De jongens hadden de grootste moeite, om die dikke beesten in
+het emmertje te houden. Telkens keken de koppen boven den rand uit,
+en eens, toen het Karels beurt was om den emmer te dragen, kronkelde
+plotseling alweer zoo'n dier tegen zijn arm op. 't Gebeurde zoo
+onverwachts, dat hij er hevig van schrikte. Met een gil liet hij den
+emmer op het ijs vallen, en alle palingen kronkelden in het rond.
+
+"Jou ezel!" riep Jan uit. Maar veel tijd tot praten had hij niet, want
+hij moest dadelijk aan het vangen. En 't ging lang niet gemakkelijk,
+om de dieren weer in den emmer te krijgen, vooral nu hij alles alleen
+moest doen. Karel was niet te bewegen eene hand uit te steken. Hij
+vond de beesten zóó eng, dat hij ze niet durfde aanraken. Eindelijk
+had Jan ze alle weer verzameld.
+
+"Geef mij den emmer maar," zei hij. "Anders ligt het heele zaakje
+aanstonds weer op het ijs. Draag jij dan de bijlen."
+
+De jongens verwijderden zich hoe langer hoe verder van het dorp. Hier
+en daar waren kleine, vierkante bijtjes gehakt. Een schots lag er
+naast, om de schaatsenrijders te waarschuwen.
+
+"Dat zijn bijtjes van de visschers," zei Jan. "Die brengen er hunne
+netten door onder het ijs. Ik wed, dat ze heel wat vangen."
+
+"Dat denk ik ook," zei Karel. "Als je nagaat, wat wij al hebben,
+kun-je wel begrijpen, wat zij moeten vangen."
+
+Jan had het druk om de palingen naar beneden te duwen, die telkens
+opnieuw uit het emmertje wilden kruipen.
+
+"Heidaar, blijven waar je bent!" zei hij tegen een dikkerd, die
+nieuwsgierig over den rand keek. "Bij je kameraden blijven!"
+
+Bij een van de visschersbijtjes deden de jongens eene gelukkige
+vondst. In het riet namelijk zagen zij een groot stuk net liggen,
+dat zeker door de visschers weggeworpen was. Karel zag het het eerst.
+
+"Kijk eens, Jan,--dáár," zei hij. "Daar ligt een groot stuk net. Laten
+wij daar de palingen in doen, dan kunnen zij niet ontsnappen en hebben
+wij er geen last meer van."
+
+"Daar zeg je zoo wat," zei Jan.
+
+De jongens haalden het net uit het riet. Zij zagen, dat het een
+palingfuik wast geweest. Op verschillende plaatsen was het stuk.
+
+"De visschers hebben het zeker weggegooid," zei Jan. "En ons komt
+het mooi te pas."
+
+Zij deden de palingen in het net en bonden het dicht met een touwtje,
+dat Jan in den zak had.
+
+"Zie zoo, nu zitten ze goed bewaard," zei Jan.
+
+"Ja,--lekker warm. Ze zullen nu geen last meer van de kou hebben.--Zeg,
+wat hebben we er al veel, hè?"
+
+"Ja, heel wat. Mij dunkt, dat we er al meer hebben, dan we
+oplusten. Willen we nu weer naar huis gaan?"
+
+"Goed," zei Karel. "Het begint mij zoetjes-aan te vervelen ook. Zullen
+we vanmiddag gaan schaatsenrijden?"
+
+"Ja,--dat is afgesproken."
+
+Karel had de sikkels en de bijlen op den schouder, en Jan droeg het
+net met de paling. Zoo kuierden zij samen naar het dorp terug.
+
+Toen zij dicht bij het fort gekomen waren, en dus het dorp bijna
+hadden bereikt, hoorden zij achter zich het krassen van schaatsen
+op het ijs, en het schuifelen van een slede. Omziende zagen zij,
+dat het twee visschers waren, die eene slede voortduwden. Zij kenden
+de mannen niet. 't Waren zeker lieden van een ander dorp. Zoodra die
+menschen hen bereikt hadden, hielden zij stil.
+
+"Hola, jongens, wacht eens even," riep een van hen hun toe.
+
+Zij bleven staan, en de twee mannen kwamen met groote schreden op
+hen af.
+
+"Zie je wel?" zei de een tegen den ander. "Daar heb je de dieven al."
+
+"Ja," was het antwoord van den tweede.
+
+Deze greep het net en rukte het Jan driftig uit de hand.
+
+"Hoe kom jij aan dat net?" vroeg hij op barschen toon.
+
+"Ja, hoe kom jij aan dat net, kleine dief!" zei de andere visscherman.
+
+"Dat hebben wij gevonden, ginds in het riet," zei Jan. "Hoe zouden
+wij er anders aankomen?"
+
+"En die paling dan?" vroeg een der visschers smalend. "Die heb je
+zeker ook gevonden, hè kereltje?"
+
+"Neen," zei Jan, "die hebben we gevangen."
+
+"Juist, die hebben we gevangen," zei ook Karel.
+
+"In dit net zeker, hè, en dit net heb je onder het ijs gevonden,
+hè? Ja, ja, eerlijk gevonden, hè?"
+
+"Eerlijk gestolen," zei de andere visscher. "Houdt je maar niet van den
+domme, want dat baat je niemendal. Dit net is van òns, en jullie hebt
+onze fuiken gelicht. Maar dat zal je berouwen, wat ik je zeg. Vooruit,
+kereltjes, gaat maar eens mee naar den burgemeester."
+
+"Ik zeg, dat het niet waar is!" riep Jan de visschers driftig toe,
+en hij werd rood van kwaadheid. "Wij zijn geen dieven, en dat net
+hebben we eerlijk gevonden. 't Is op verschillende plaatsen stuk,
+en 't lag in 't riet. Daarom meenden we, dat het door de visschers
+weggegooid was, daar het toch niet meer gebruikt kon worden. Wij
+hebben het niet gestolen."
+
+"Jongen, jij kunt liegen, of het gedrukt is," zei een der
+visschers. "Maar ons zul-je er niet meê bedriegen. Jelui hebt onze
+fuiken gelicht, en dat is strafbaar..."
+
+"Niet zoo'n beetje ook!" viel de andere visscher zijn kameraad
+in de rede. "En dat is maar goed ook. Is 't geen schande, onze
+netten te verscheuren, en onze visch te stelen? Maar het zal je
+berouwen. Vooruit, zeg ik je, naar den burgemeester!"
+
+"Dat doe ik niet!" zei Jan driftig. "Wij zijn geen dieven."
+
+"Je praat dom, jongen, want de bewijzen droeg je in de handen."
+
+"Ja," zei de ander, "je bent er gloeiend bij!"
+
+"Vooruit, jongens, en als je niet goedschiks gaat, dan moet het
+maar kwaadschiks gebeuren. Vooruit, zeg ik je, en een beetje vlug,
+asjeblieft!"
+
+De jongens begrepen, dat er niet veel anders opzat dan te
+gehoorzamen. Met hun vieren vervolgden zij hun tocht naar het dorp.
+
+Eerst was Jan meer dan kwaad, maar dat bedaarde langzamerhand,
+en eindelijk vond hij het wel goed, dat zij naar den burgemeester
+gingen. Deze zou wel dadelijk begrijpen, dat zij onschuldig waren.
+
+Maar dat was niet zoo. De burgemeester was bijzonder slecht gehumeurd,
+omdat het Flipsen nog niet gelukt was, de dieven te ontdekken. Zoodra
+nu de visschers, die hem tot hun genoegen thuis getroffen hadden, hem
+vertelden, wat er aan de hand was, geloofde de burgemeester stellig,
+dat hij de dieven thans op het spoor was, en hij besloot de jongens
+scherp te ondervragen.
+
+Jan en Karel betuigden echter hunne onschuld. Zij vertelden dat zij
+de palingen gevangen en het net gevonden hadden. Maar de visschers
+lachten om die verklaring.
+
+"Dat zou al heel toevallig zijn, burgemeester," zei een van hen. "De
+jongens kwamen uit de richting van onze vischbijtjes, en zij hadden
+het net in de hand, met een flink zoodje paling daarbij. 't Lijdt geen
+twijfel, of zij hebben onze netten gelicht en de brutaliteit gehad,
+een van de netten zelfs stuk te maken en meê te nemen."
+
+"'t Is niet waar!" riep Jan den spreker toe.
+
+"Houd je mond verder maar, jongen," gebood de burgemeester kortaf. "De
+bewijzen zijn tegen jullie, en 't staat bij mij vast, dat jullie en
+niemand anders de daders zijt. En wie weet, aan welke diefstallen je
+meer schuldig bent. Ik zou dat nooit, nooit, zeg ik, van je gedacht
+hebben. Twee jongens van zulke brave ouders. 't Is een schande!
+
+Vertel me nu meteen maar, waar de potten en ketels uit de ijstenten
+gebleven zijn, want daar zul-je ook wel meer van weten."
+
+"Wij weten nergens van, burgemeester," zei Jan,
+
+"Neen, nergens van," zei Karel. "Wij hebben ze niet weggenomen."
+
+"Dat zeg je van dit net en deze visch ook, en toch liep je er mede
+in je handen," sprak de burgemeester streng, en hij keek de jongens
+beurtelings doordringend aan. "Komaan, spreek de waarheid maar,
+dat is in allen gevalle het beste voor je. Beken het maar..."
+
+"Ik heb niets te bekennen," zei Jan.
+
+"Ik ook niet," zei Karel.
+
+"Zoo, zoo," hernam de burgemeester. "Dan zal ik je tijd geven, om er
+eens ernstig over na te denken."
+
+Hij vroeg de namen der visschers en schreef die op. Daarna sprak hij
+tot de beide mannen:
+
+"U kunt nu wel gaan. Neemt mede, wat je eigendom is. Met deze jongens
+zal ik wel afrekenen."
+
+De visschers namen het net en de palingen, groetten den burgemeester
+en verlieten het vertrek. Jan en Karel moesten blijven. Met leede
+oogen zagen zij de visschers met hunne palingen heengaan, en Jan
+sprongen van spijt de tranen in de oogen.
+
+De burgemeester liet zijn blik nog een poosje op de jongens rusten,
+en zei toen ernstig:
+
+"Ontkennen baat niet langer, jongens. Je hebt je aan een ernstig
+vergrijp schuldig gemaakt en..."
+
+"Maar we hebben het niet gedaan," riep Jan uit.
+
+"Zwijg jongen, en lieg niet langer. Je hebt het wèl gedaan, en dat
+spijt me heel erg. Zeg me nu ook maar, waar je die andere voorwerpen
+gelaten hebt, die den laatsten tijd verdwenen zijn. Als je me eerlijk
+de waarheid zegt, zal ik zien, wat ik in de gegeven omstandigheden
+nog voor je doen kan."
+
+"'t Baat niet, of wij al zeggen, dat wij onschuldig zijn," sprak
+Jan. "U gelooft ons toch niet."
+
+"Neen, dat doe ik ook niet. Enfin, als je dan niet hooren wilt,
+moet je maar voelen. Ik zal je tijd geven om je te bedenken."
+
+Hij ging aan zijne schrijftafel zitten en schreef het volgende briefje:
+
+
+
+ _Flipsen_!
+
+ Ik geloof, dat ik de daders van de gepleegde diefstallen op het
+ spoor ben. Sluit deze twee jongens elk in eene afzonderlijke
+ cel, dan hebben zij gelegenheid om eens goed na te denken
+ en kunnen geen afspraakjes maken. Tegen den avond zal ik hen
+ opnieuw verhooren.
+
+ De Burgemeester.
+
+
+
+Hij vouwde den brief dicht en deed hem in eene enveloppe, die hij
+zorgvuldig toelakte.
+
+"Ziedaar," sprak hij. "Breng dezen brief voor mij aan Flipsen. Hij
+is in het raadhuis. Je kunt gaan."
+
+De jongens gingen heen. Wat er in den brief stond, wisten zij
+natuurlijk niet. Zij keken tamelijk bedrukt, toen zij de deur
+uitstapten, maar toen zij op den weg gekomen waren, ontsnapte een
+zucht van verlichting aan de borst van Karel.
+
+"Hè, hè, dat was een benauwd half-elfje," zei hij. "Daar zaten wij
+er geducht tusschen, maar 't is bij slot van rekening toch nog al
+goed afgeloopen. We zijn alleen onze palingen kwijt."
+
+"En dit briefje dan?" vroeg Jan. "Ik vertrouw dit papiertje geen
+zier. Waarom zei de burgemeester dan telkens, dat hij ons gelegenheid
+zou geven, om eens goed na te denken?"
+
+Langzaam liepen zij verder, met de bijlen en de sikkels over den
+schouder. Karel hernam na een poosje:
+
+"Dat briefje heeft niets met ons te maken, en wij niets met dat
+briefje. We moeten het alleen even bij Flipsen brengen, anders
+niet. Neen, ik zeg, dat wij er goed afgekomen zijn. 't Had veel
+leelijker kunnen uitpakken.--Kijk, daar komen Frans en Klaas ook
+van de vischvangst terug."
+
+Dat was zoo. Die twee jongens hadden hen spoedig ingehaald. Samen
+droegen zij een emmertje, dat blijkbaar nog al zwaar was.
+
+"Zeg," riep Frans hun toe, "komen jullie platzak thuis?'
+
+"Ja!" zei Jan kortaf. Hij had niet veel lust tot spreken.
+
+"Wij niet!" zei Frans. "Kijk maar eens hier, wat een paling we
+hebben. De emmer is bijna vol."
+
+De jongens stonden stil en keken in den emmer, 't Was inderdaad een
+kolossale voorraad, dien zij gevangen hadden.
+
+Frans en Klaas hadden er pret in. Zij deden niet anders dan elkaar
+aanstooten en lachen.
+
+"Zoo knap zijn jullie niet, hè? Maar zeg, weet je, wat we gedaan
+hebben? Een kwartiertje voorbij het fort hebben we stilletjes een net
+van de visschers opgehaald. Jongens, wat zat daar een paling in. Niet
+oververtellen, hoor! Slim hè?"
+
+Jan en Karel keken Frans met open mond aan.
+
+"Hebben jullie dat net gelicht en stuk gemaakt?" vroeg Jan. "Wij
+hebben het ... tusschen het riet zien liggen."
+
+"Ja," lachte Frans. "Wij konden het niet goed meer onder het ijs
+krijgen, en hebben het toen maar in het riet gegooid. Wat zullen die
+visschers leelijk op hun neus gekeken hebben, toen zij bij hun bijt
+kwamen. Ha-ha-ha, wat eene leuke grap, hè?"
+
+Dat vond Jan ook, en hij knipoogde Karel toe, dat hij niets moest
+zeggen. Hij had een mooi plannetje.
+
+"En voor die leuke grap hebben wij voor den burgemeester moeten
+verschijnen," zei Jan tot de twee jongens. "Wij hadden het net
+opgeraapt en er onze paling ingedaan. Maar even later kwamen de
+visschers, en die hebben ons om zoo te zeggen opgebracht. Noem jij
+het maar een leuke grap!"
+
+"Ja," zei Karel. "Ik zie er het leuke niet van in."
+
+Frans en Klaas moesten er smakelijk om lachen.
+
+"Nu wordt de grap nog leuker!" zei Frans.
+
+"Ja, maar ik laat het er niet bij zitten," zei Jan. "Ik ga dadelijk
+naar den burgemeester terug, om hem te zeggen, dat julie het gedaan
+hebt..."
+
+"Je zult wel wijzer wezen!" zei Frans, die nu in 't geheel niet meer
+lachen moest. "Als je nog voor den burgemeester verschijnen moest,
+o ja, dan was het een ander geval. Dan zou ik het in jouw plaats ook
+zeggen. Maar nu je het standje van den burgemeester al achter den
+rug hebt, zou het een leelijke streek wezen. Dan speelde je gewoonweg
+voor verklikker!"
+
+"Ja, voor verklikker!" beaamde Klaas Zwart.
+
+"Dat kan me niet schelen," zei Jan, "ik zeg het tòch. 't Is me ook wat
+moois, om voor jullie pleizier een uitbrander van den burgemeester
+op te loopen, en een ander met je paling weg te zien gaan. Ik laat
+me dat maar niet welgevallen."
+
+Hij keerde zich om en deed net, of hij naar den burgemeester wilde
+gaan. Maar Frans en Klaas hielden hem tegen.
+
+"Je kunt wel de helft van onze paling krijgen," zei Frans. "Toe Jan,
+vertel het nu niet aan den burgemeester. Daar worden jullie toch
+niets beter van. En je krijgt de helft van..."
+
+"Je gestolen paling wil ik niet eens hebben," zei Jan. "Maar 't is
+goed. Ik zal niet naar den burgemeester gaan, onder één voorwaarde..."
+
+"Welke?" vroegen de twee jongens tegelijk.
+
+"Een, die gemakkelijk te vervullen is," zei Jan. "Zie je dezen
+brief? Dien moesten wij naar Flipsen brengen, in het raadhuis. Jullie
+moet er toch voorbij. Als jij nu die boodschap voor mij doet, zal ik
+er verder geen werk van maken."
+
+"Och, is 't anders niet?" vroeg Frans. "Geef hem maar hier, dan zullen
+wij hem wel even aanreiken."
+
+"Wel zeker, met alle pleizier," zei Klaas.
+
+Jan gaf den brief over, en Klaas en Frans begaven zich regelrecht naar
+het raadhuis. Zij stapten het gebouw binnen en gaven den brief aan
+Flipsen, die in de vestibule stond te praten met een rijksveldwachter.
+
+"Zoo jongens, dank-je!" zei Flipsen. "Wacht maar even."
+
+"Wij behoeven niet te wachten," zei Frans.
+
+"Als ik zeg, dat je wachten moet, dan doe je dat!" zei Flipsen.
+
+Hij brak den brief open en las hem vlug door.
+
+"Ha zoo," zei hij, "zoo! Dat is goed. Gaat maar even meê, jongens,
+hier, de gang door."
+
+Frans en Klaas keken elkander vragend aan, maar durfden niet
+weigeren. Zwijgend volgden zij Flipsen, die een sleutelring uit zijn
+zak haalde en een sleutel uitzocht.
+
+"Mooi zoo. Nu dit trapje af.--Goed zoo."
+
+Hij stak den sleutel in het slot en draaide hem om. De deur ging open.
+
+"Maar Flipsen," zei Frans met schrik. "Wat gaat u doen? Dat is
+een cel!"
+
+"Ha ha!" lachte Flipsen, terwijl hij Frans bij den schouder pakte en
+hem naar binnen duwde. "Dàt ga ik doen."
+
+Flap! De deur ging dicht en op slot.
+
+Klaas werd bleek van den schrik. Hij begon te beven over al zijne
+leden, en het angstzweet brak hem uit.
+
+Hij hoorde Frans schreeuwen.
+
+"Flipsen! Maar Flipsen!" jammerde Klaas. "Dat is eene vergissing,
+geloof me. U moet ons niet opsluiten, want..."
+
+Klaas bleef midden in zijne redevoering steken, want Flipsen had
+de tweede deur geopend en duwde Klaas naar binnen. Op 't volgende
+oogenblik was ook deze deur gesloten.
+
+"Ja, ja, net zooals ik dacht," mompelde Flipsen. "Die twee jongens
+zijn de dieven, en wij zullen ze wel aan het praten krijgen. Als ze
+hier eerst maar een paar uurtjes opgesloten gezeten hebben, zullen
+ze wel makker geworden zijn."
+
+Hij ging naar zijn confrater terug en vertelde hem het geval. "Grappig,
+dat die twee jongens zelf niet wisten, wat zij hier zouden
+ondervinden," zei hij. "Zij liepen dood-gemoedereerd met mij mee,
+en kregen er pas erg in, toen de deur open stond. Je hadt ze moeten
+zien kijken!"
+
+Intusschen waren Jan en Karel de richting ingeslagen van hun huis. Zij
+staken schuin het ijs over. 't Was nog vroeg, nog geen elf uur. En
+voor twaalven aten zij niet.
+
+"Hè," zei Jan, "wat heb ik een spijt, als ik aan onze paling denk,
+die de visschers hebben meegenomen. Zoo'n prachtigen voorraad te
+hebben en dan toch nog platzak thuis te komen. 't Is onuitstaanbaar!"
+
+"Ja," zei Karel, "dat zeg ik ook. Kijk de pottenschipper eens aan
+'t hakken geweest zijn. Zijn schuit ligt rondom in 't open water."
+
+"Ja, anders vriest ze stuk," zei Jan. "Willen wij daar nog even kijken,
+of we wat vangen kunnen?"
+
+"Goed," zei Karel.
+
+Zij legden hunne bijlen op het ijs, en gingen met den sikkel in de
+hand naar de schuit. Opmerkzaam tuurden zij in de diepte.
+
+"Daar zie ik er een," zei Karel
+
+"Wip hem er dan uit!" riep Jan. "Zeg, misschien komen we toch niet
+platzak thuis."
+
+"Daar is hij!" riep Karel. En Jan schoot hem te hulp want de paling
+lag dicht bij het open water.
+
+Spoedig was hij in het emmertje overgebracht, en de jongens liepen
+voorzichtig langs de schuit verder. Opeens hoorden zij zich toeroepen:
+
+"Wat moeten jullie daar? Wil je wel eens maken, dat je wegkomt!"
+
+'t Was de pottenschipper, die zijne kajuit verlaten had en hun dit
+toeriep.
+
+"We kijken maar even, of er paling zit!" riep Jan terug.
+
+"Dat wil ik niet hebben!" hernam de pottenschipper. Hij klom op de
+schuit en stak dreigend de vuist op.
+
+Maar Jan zei tegen Karel:
+
+"Wij doen hier volstrekt geen kwaad. Laat hem maar praten."
+
+Zij stoorden zich verder aan den schipper niet en keken in de
+diepte. Zij waren nu dicht bij het roer gekomen.
+
+"Kijk, daar zit er weer een!" zei Jan.
+
+Hij stak zijn sikkel onder water, en wilde hem met een ruk bovenhalen,
+doch dat gelukte hem niet. De sikkel bleef ergens aan vastzitten.
+
+De pottenschipper nam een langen stok, en schreeuwde den jongens toe:
+
+"Als je niet weggaat, sla ik er op! Vooruit, kwâjongens, je hebt hier
+geen boodschap."
+
+Jan trok zoo hard hij kon aan den sikkel, om hem los te krijgen,
+maar dat ging niet. Er zat iets zwaars aan.
+
+"Help me even!" riep hij Karel toe. En tot den boozen schipper
+zeide hij:
+
+"Wij gaan dadelijk heen. Maar eerst moet ik mijn sikkel losmaken."
+
+"Vooruit, zeg ik je!"--schreeuwde de schipper. "Allo, marsch!"
+
+De twee jongens trokken, wat zij konden.
+
+Zij voelden, dat er iets zwaars naar boven kwam. De pottenschipper werd
+hoe langer hoe boozer. Hij schreeuwde zóó hard, dat de voorbijgangers
+op den weg bleven staan.
+
+Maar Jan en Karel waren niet van plan hun sikkel in den steek te
+laten. Zij spanden al hunne krachten in.
+
+Ha, daar stak iets boven water uit. Jan bukte zich, en pakte het beet.
+
+"Een ketel!" riep hij uit. "En daar zit er nog een aan vast. Een
+pot! Help Karel,--hier zijn, geloof ik, de gestolen voorwerpen uit
+de tenten..."
+
+'t Was werkelijk zoo. De jongens haalden verscheidene dingen op
+het ijs, en zij herkenden ook den koperen ketel van Mietje. Tot
+hun groote verbazing bemerkten zij, dat al die voorwerpen met een
+koperdraad aan elkander verbonden waren, en dat het einde van dat
+draad een paar centimeter onder water aan het roer bevestigd was.
+
+De jongens werden verbazend opgewonden, en zij riepen den menschen
+op den weg luidkeels toe, dat zij de gestolen voorwerpen gevonden
+hadden. In minder dan geen tijd waren zij door een groot aantal
+menschen omringd, die luide hunne verbazing te kennen gaven.
+
+"Dat moet de burgemeester weten!" riep er een uit, en hij ijlde naar
+de woning, die Jan en Karel nog maar kort geleden verlaten hadden.
+
+'t Leek wel, of de menschen konden ruiken, dat er iets bizonders aan
+de hand was. Van alle kanten kwamen zij toeloopen, en de kring om de
+schuit van den pottenschipper werd bij de minuut grooter. Het ijs,
+al was het nog zoo sterk, kon de samengepakte menschenmassa bijna
+niet dragen. De ijsvloer boog sterk door, en er kwam veel water op.
+
+De pottenschipper zei niets meer. Hij stond op zijne schuit, en hield
+de oogen op de gevonden voorwerpen gericht, maar af en toe keek hij
+de twee jongens aan, en dan zag hij er alles behalve vriendelijk uit.
+
+"Wat is daar te doen?" riep eene stem.
+
+Opziende zag Jan zijn vader, die met den hit en den wagen van 't
+venten terugkeerde. Jan zwaaide met beide armen, en riep:
+
+"O Vader, we hebben de gestolen potten en ketels gevonden. Kom maar
+gauw kijken. Hier liggen ze!"
+
+In een oogenblik was Dik van den wagen gesprongen. Hij wierp de
+leidsels op den rug van den hit en snelde het ijs op.
+
+Och, och, wat een drukte hadden de menschen.
+
+"Of de pottenschipper er dan toch van wist!" riep de een.
+
+"Zoo komen zijne schelmerijen aan het licht," zei een tweede.
+
+"Hij zal nu zijn gerechte straf niet ontloopen," profeteerde een derde.
+
+Iedereen had wat te zeggen, en velen beweerden, dat zij het altijd
+wel van den pottenschipper gedacht hadden.
+
+Opeens kwam er stilte onder den drom en eerbiedig week men op zijde,
+om den burgemeester door te laten. Weldra had hij de schuit bereikt
+en zag hij de gevonden voorwerpen op het ijs liggen.
+
+"Wie heeft die dingen opgehaald?" vroeg hij. Jan en Karel namen hunne
+petten af, en zeiden:
+
+"Wij waren hier aan het paling vangen, burgemeester, en toen bleef een
+van de sikkels er aan vastzitten. Kijk, ze zijn met een koperdraad aan
+elkander verbonden, en het einde daarvan is aan het roer bevestigd."
+
+"Ja, ja," zei de burgemeester, die de jongens met de grootste verbazing
+aanstaarde. "Maar hoe heb ik het nu? Heb ik jullie dan niet opgedragen,
+een briefje voor mij aan Flipsen te brengen in het raadhuis? En hoe
+kom je dan hier? Daar begrijp ik niets van!"
+
+Jan nam zijn pet nu geheel af, en zeide:
+
+"Dat is waar, burgemeester, maar ik vertrouwde dat briefje niet. Ik
+geloofde stellig, dat Flipsen ons moest opsluiten..."
+
+"Dat was ook zoo," viel de burgemeester driftig in. "En waarom heeft
+hij dat niet gedaan?"
+
+"Wij waren onschuldig, burgemeester," zei Jan.
+
+"Die praatjes kennen wij, en zij doen ook niets ter zake. In dien
+brief gaf ik Flipsen last, jullie op te sluiten,--en nu sta je alle
+twee hier? Hoe komt dat?"
+
+"Burgemeester," zei Jan, "wij hadden het niet gedaan, maar twee andere
+jongens waren de schuldigen. Toen wij op weg waren naar het raadhuis,
+hebben die twee ons zelf verteld dat zij het uit de grap gedaan hadden,
+en ziet u..."
+
+"Wat ... ziet u?" viel de burgemeester in, toen Jan een oogenblik
+met zijn verhaal haperde.
+
+"Toen dacht ik," vervolgde Jan, "dat het voor ons beter was, als _zij_
+dat briefje maar aan Flipsen brachten, en vroeg ik hun, of zij het
+even wilden aanreiken..."
+
+"En toen?" vervolgde de burgemeester.
+
+"Dat hebben zij gedaan," zei Jan.
+
+"Maar dan zitten op 't oogenblik _die_ twee jongens onder het raadhuis
+opgesloten, in plaats van jelui!" riep de burgemeester uit.
+
+"Dat zal dan zoo wel wezen, burgemeester," zei Jan.
+
+De menschen schoten in een onbedaarlijk gelach, want zij vonden de
+geheele zaak verbazend grappig. Ook de burgemeester kon haast zijn
+lachen niet bedwingen. En eindelijk gelukte hem dat in het geheel
+niet meer. Hij proestte het opeens uit.
+
+"Ha-ha-ha!" riep hij lachend uit, "wat is dat een grappige historie. En
+hadden jullie dan echt die fuiken niet gelicht?"
+
+"Neen burgemeester, dat hebben die twee jongens gedaan."
+
+"Ha-ha-ha,--en wie zijn dat dan?"
+
+"Frans Thor en Klaas Zwart, burgemeester," zei Jan.
+
+Op dit oogenblik drong Flipsen tusschen het volk door. Hij kwam uit
+het raadhuis en wilde zien, wat er aan de hand was. Nauwelijks zag
+hij den burgemeester, of hij sloeg aan en zei:
+
+"Uw bevel is uitgevoerd, burgemeester, de jongens zitten elk in
+een cel. Ik geloof ook wel, dat wij de rechte personen op den kop
+hebben getikt."
+
+"Maar het zijn de verkeerde!" riep de burgemeester hem lachend
+toe. "Deze twee had-je moeten hebben!"
+
+Wat keek Flipsen verwonderd, en zijne verbazing nam nog toe, toen
+hij de gevonden voorwerpen op het ijs zag liggen. De burgemeester
+vertelde hem in korte woorden, wat er gebeurd was.
+
+Flipsen lachte slim. Hij bekeek de potten en ketels met aandacht
+en liet ook het koperdraad door zijne vingers glijden. Toen zag hij
+meteen, dat dit aan het roer bevestigd was.
+
+"Burgemeester," zei hij, "U zegt, dat wij de verkeerde jongens
+opgesloten hebben, maar ik beweer, dat het, al is het dan ook bij
+toeval, de goede zijn. Frans Thor en Klaas Zwart hebben deze dingen
+gestolen, en ze hebben ze verkocht aan den pottenschipper, die ze
+in het water heeft laten zinken om ze te verbergen. Hij is wèl slim
+geweest maar toch niet slim genoeg."
+
+"'t Is een grove leugen!" zei de pottenschipper. "Die jongens zullen
+ze vermoedelijk zelf hier in het water hebben laten zakken, om de
+verdenking op mij te schuiven."
+
+"Zoo," zei Flipsen, "dan hebben ze zeker aan jou een stukje koperdraad
+te leen gevraagd, niet waar? Want in je schuit heb ik precies zulk
+koperdraad zien liggen."
+
+De pottenschipper werd doodsbleek.
+
+"Ga het halen, Flipsen," gebood de burgemeester.
+
+Flipsen verdween in de schuit, en kwam weldra met een rol koperdraad
+terug. Het bleek, dat het draad aan de ketels en potten daarmede
+precies overeenstemde.
+
+"Burgemeester," zei Flipsen, "de jongens, die op 't oogenblik onder
+'t raadhuis opgesloten zitten, zijn de stelers, en de pottenschipper
+is de heler. Ondervraagt u de jongens maar één voor één, dan zal u
+zien, hoe gauw zij door de mand vallen. Vooral Klaas Zwart."
+
+"Zoo zal het gebeuren," zei de burgemeester. "Schipper, je gaat mede
+naar het raadhuis, en Flipsen, neem jij die voorwerpen in beslag. Ik
+houd mij overtuigd, dat wij de bende thans op het spoor zijn. En jelui,
+jongens," vervolgde hij vriendelijk tot Jan en Karel, "zal ik het voor
+dezen keer vergeven, dat je mijn bevel, om den brief bij Flipsen te
+bezorgen, niet hebt uitgevoerd. Je bent een paar slimme rotten!"
+
+Och och, wat had Dik een pret, toen hij aan Anneke vertelde, wat Jan
+gedaan had. Hij schoot er telkens opnieuw over in een lach, en ook
+Grootvader en Grootmoeder moesten het dadelijk vernemen, toen zij
+even bij Dik en Anneke kwamen aanloopen.
+
+De oude Trom vond het blijkbaar een verbazend scherpzinnigen zet van
+Jantje. Hij trok een poosje aan zijn bakkebaardjes en zei toen:
+
+"Ja, Dik, zie-je, ik heb het altoos wel gezegd: Jan is ook een bizonder
+kind, en dat is-ie."
+
+
+
+
+Veertiende Hoofdstuk.
+
+ Besluit.
+
+
+'t Gebeurde werkelijk, zooals Flipsen voorspeld had. Niet zoodra
+verscheen Klaas Zwart in de burgemeesterskamer, en zag hij daar den
+pottenschipper staan naast de potten en ketels, die uit het water
+waren opgevischt, of hij begon over al zijne leden te beven, en de
+tranen sprongen hem in de oogen.
+
+"Kom nader," gebood de burgemeester.
+
+Klaas kwam tot vlak voor de tafel, waarachter het hoofd der gemeente
+in een leuningstoel gezeten was. Deze keek hem doordringend aan,
+maar zeide niets. Klaas sloeg de oogen naar den grond.
+
+Eindelijk zei de burgemeester kortaf:
+
+"Vertel mij alles, wat je daarvan weet. Maar vergeet niet, dat ik
+enkel _waarheid_ wil hooren. Leugens zouden je trouwens niet meer
+baten, want alles is ontdekt. Spreek op!"
+
+Zweetdroppels parelden Klaas op het voorhoofd van angst.
+
+Hij hief de samengevouwen handen op en zeide snikkend:
+
+"O burgemeester, vergeef u het me voor dezen keer astublief. O,
+ik heb er zoo'n spijt van."
+
+"Waarvan?" vroeg de burgemeester gestreng. "Spreek op, jongen, wààr
+heb je spijt van?"
+
+"Dat ik gestolen heb," zei Klaas zacht.
+
+"Die potten en ketels?"
+
+"Ja burgemeester."
+
+"En al die dingen, die bij de verschillende menschen op het dorp
+worden vermist?"
+
+"Ja burgemeester."
+
+"Heb je dat alles alleen gedaan?"
+
+"Neen, met Frans, burgemeester."
+
+"Zoo, zoo.--'t Is wat fraais. En wie hebben dat net gelicht van
+morgen?"
+
+"Wij ook," zei Klaas.
+
+"En waar liet je al die gestolen voorwerpen?" vroeg de burgemeester,
+terwijl hij Klaas opnieuw doordringend aanzag.
+
+"De pottenschipper kocht ze van ons."
+
+"Maar ik wist niet, dat het gestolen goed was," viel de pottenschipper
+in, die voelde, dat hij den grond onder zijne voeten thans geheel
+verloor.
+
+"Dat wist iedereen op het dorp, tot den kleinsten jongen toe,"
+gaf de burgemeester op gestrengen toon ten antwoord. "Doe maar geen
+moeite meer, om je baantje schoon te praten. 't Is een schande voor
+een man op uw leeftijd! Eene dubbele schande, omdat je ook nog twee
+jongens in je val meesleept. Jij en jij alleen hebt die kinderen in
+het ongeluk gestort. 't Is diep treurig."
+
+Even later werd Frans Thor binnengebracht. Deze was brutaler dan Klaas
+Zwart, en hij meende den burgemeester eerst nog met allerlei praatjes
+om den tuin te kunnen leiden. Maar toen hij vernam, dat Klaas reeds
+eene volledige bekentenis had afgelegd, raakte hij geheel in de war
+en in zijn eigen leugens verward. Het einde was, dat ook hij bekende
+aan de gepleegde diefstallen schuldig te zijn.
+
+De burgemeester maakte van alles proces-verbaal op, en toen hij
+daarmede klaar was, zeide hij:
+
+"Flipsen, doe de deur maar open. Zij kunnnen alle drie
+vertrekken. Later zullen zij wel meer van de zaak hooren."
+
+Zwijgend verlieten zij het raadhuis.
+
+Den Maandag daaropvolgende kwamen Frans en Klaas weer gewoon school,
+maar zij waren nu nog meer afgezonderd van de overige jongens, dan
+zij vroeger al geweest waren. Iedereen vermeed hun gezelschap. In
+het midden van Februari bleven zij absent, en iedereen wist er
+de reden van. Zij waren namelijk opgeroepen om voor de rechtbank
+te verschijnen. Ook de pottenschipper moest daar verantwoording
+afleggen van zijne daden. Hij kreeg eene geduchte betraffing, omdat
+hij de beide jongens tot diefstal had overgehaald en hen daardoor
+ongelukkig had gemaakt. Eene gevangenisstraf van eenige maanden was
+zijn welverdiende loon.
+
+De jongens werden niet veroordeeld, omdat zij nog zoo jong waren, maar
+de rechtbank stelde hen tot hun achttiende jaar ter beschikking van
+de regeering, om in een rijksopvoedingsgesticht geplaatst te worden.
+
+Dat gebeurde evenwel niet dadelijk. Den volgenden dag zagen de
+schooljongens hen opnieuw verschijnen, en zij hoorden er dagen en
+weken lang niet meer van.
+
+Zoo kwam de eenendertigste Maart, de laatste dag, dien Jan en Karel
+op de school zouden doorbrengen. Karel zou bij zijn vader in de
+smederij komen, en Jan kwam in den winkel. Dik kon alles onmogelijk
+meer alleen af, want nog steeds nam het aantal zijner klanten toe,
+en elken dag kreeg hij het drukker. Hij verdiende dan ook veel geld,
+en was mooi op weg, om een rijk man te worden.
+
+Frans en Klaas zaten ook voor de laatste maal op de schoolbanken. Niet
+dat zij een vak gingen leeren. Daar kon geen sprake van zijn, omdat
+zij toch den een of anderen dag weggevoerd zouden worden.
+
+'t Was in den middag. Het laatste schooluur was aangebroken. De leien,
+boeken en schriften waren opgehaald en de onderwijzer maakte zich juist
+gereed om een woord van afscheid te spreken tot de jongens en meisjes,
+die de school voor goed verlieten, toen er aan de deur werd geklopt.
+
+"Jan Trom, doe even open," zei de meester.
+
+Jan deed het, en hij zag Flipsen en een rijksveldwachter in de
+vestibule staan. Zij kwamen het lokaal binnen.
+
+"Mijnheer," zei Flipsen, "wij hebben de opdracht Frans Thor en Klaas
+Zwart meê te nemen."
+
+'t Was doodstil in de klasse.
+
+Frans en Klaas werden doodsbleek, en niet zij alleen, neen,
+verscheidene jongens en meisjes voelden zich eene rilling door de
+leden gaan, en menig meisjesoog vulde zich met tranen.
+
+"Zoo," zei de onderwijzer zacht, en zijn toon klonk droevig. De
+kinderen konden het hem aanzien, dat ook hij ontroerd was. "Zoo, dat
+is wel eene treurige opdracht, Flipsen.--Frans en Klaas, komt hier."
+
+De jongens stapten de bank uit en kwamen voor de klasse. Beiden
+barstten in tranen uit. De onderwijzer gaf hun de hand.
+
+"Dag Frans,--dag Klaas," zei hij droevig. "Ik hoop je eenmaal terug
+te zien als brave mannen, die voor niemand de oogen behoeven neer te
+slaan. Beloof je me, dat je daartoe je best zult doen?"
+
+De jongens konden niet antwoorden. Met gebogen hoofd verlieten zij
+het lokaal, om weggebracht te worden ver van hunne ouders, naar een
+vreemde plaats....
+
+Hun vertrek maakte een diepen indruk op de achterblijvenden. De
+onderwijzer had de gewoonte den laatsten schooldag eene vertelling te
+doen. En dezen keer deed hij dat met meer gloed dan ooit te voren. Hij
+deed een verhaal van schoolkameraden, waarvan er een goed oppaste en
+tot een braaf man opgroeide, terwijl de andere door eigen schuld al
+dieper en dieper zonk en eindelijk in de gevangenis terecht kwam. En
+toen het verhaal uit was, drukte hij hun allen op het hart, toch
+nooit den weg van eer en plicht te verlaten, maar steeds het goede
+te doen en het kwade te haten.
+
+Met deze wijze les verlieten Jan en Karel voor goed de school, en
+zij vergaten haar hun leven lang niet.
+
+
+EINDE.
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De Zoon van Dik Trom, by Cornelis Johannes Kieviet
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10971 ***
diff --git a/10971-h/10971-h.htm b/10971-h/10971-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..e62b2e0
--- /dev/null
+++ b/10971-h/10971-h.htm
@@ -0,0 +1,7070 @@
+
+<!DOCTYPE html
+PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=UTF-8">
+
+<title>De Zoon van Dik Trom</title>
+<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="author" content="Cornelis Johannes Kieviet (1858&#8211;1931)">
+<meta name="DC.Creator" content="Cornelis Johannes Kieviet (1858&#8211;1931)">
+<meta name="DC.Title" content="De Zoon van Dik Trom">
+<meta name="DC.Date" content="Februari 2004">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css">
+/* Standard CSS stylesheet */
+
+
+
+body
+{
+font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif;
+margin: 1.58em 16%;
+text-align: left;
+}
+
+.titlePage
+{
+border: #DDDDDD 2px solid;
+margin: 3em 0% 7em 0%;
+padding: 5em 10% 6em 10%;
+}
+
+h1.docTitle
+{
+font-size:1.6em;
+line-height:2em;
+}
+
+h2.byline
+{
+font-size:1.1em;
+font-weight:normal;
+line-height:1.44em;
+}
+
+span.docAuthor
+{
+font-size:1.2em;
+font-weight:bold;
+}
+
+h2.docImprint
+{
+font-size:1.2em;
+font-weight:normal;
+}
+
+.transcribernote
+{
+background-color:#DDE;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+font-family:sans-serif;
+font-size:80%;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+
+.div0
+{
+padding-top: 5.6em;
+}
+
+.div1
+{
+padding-top: 4.8em;
+}
+
+.index
+{
+font-size: 80%;
+}
+
+.div2
+{
+padding-top: 3.6em;
+}
+
+.div3, .div4, .div5
+{
+padding-top: 2.4em;
+}
+
+.footnotes .body,
+.footnotes .div1
+{
+padding: 0;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+
+h3
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+}
+
+h3.label
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+
+h4
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+}
+
+h4.lghead
+{
+margin-left:10%;
+margin-right:10%;
+}
+
+.alignleft
+{
+text-align:left;
+}
+
+.alignright
+{
+text-align:right;
+}
+
+.alignblock
+{
+text-align:justify;
+}
+
+p.tb, hr.tb
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+text-align: center;
+}
+
+p.poetry
+{
+margin:0 10% 1.58em;
+}
+
+p.line
+{
+margin:0 10%;
+}
+
+p.argument, p.note, p.tocArgument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+text-indent:0;
+}
+
+p.argument, p.tocArgument
+{
+margin:1.58em 10%;
+}
+
+p.tocChapter
+{
+margin:1.58em 0%;
+}
+
+p.tocSection
+{
+margin:0.7em 5%;
+}
+
+
+div.epigraph
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+
+.epigraph .bibl
+{
+text-align: right;
+}
+
+.epigraph .poem
+{
+margin-left: 0;
+}
+
+.epigraph .line
+{
+margin-left: 0;
+text-indent: 0;
+}
+
+.trailer
+{
+clear: both;
+padding-top: 2.4em;
+padding-bottom: 1.6em;
+}
+
+.floatLeft
+{
+float:left;
+margin:10px 10px 10px 0;
+}
+
+.floatRight
+{
+float:right;
+margin:10px 0 10px 10px;
+}
+
+p.figureHead
+{
+font-size:100%;
+text-align:center;
+}
+
+.figure p
+{
+font-size:80%;
+margin-top:0;
+text-align:center;
+}
+
+p.smallprint,li.smallprint
+{
+color:#666666;
+font-size:80%;
+}
+
+span.parnum
+{
+font-weight: bold;
+}
+
+.leftnote
+{
+font-size:0.8em;
+height:0;
+left:1%;
+line-height:1.2em;
+position:absolute;
+text-indent:0;
+width:14%;
+}
+
+.pagenum
+{
+display:inline;
+font-size:70%;
+font-style:normal;
+margin:0;
+padding:0;
+position:absolute;
+right:1%;
+text-align:right;
+}
+
+a.noteref
+{
+font-size: 80%;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+
+
+.displayfootnote
+{
+display: none;
+}
+
+div.footnotes
+{
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+
+hr.fnsep
+{
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+
+p.footnote
+{
+font-size: 80%;
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+
+p.footnote .label
+{
+float: left;
+text-align:left;
+width:2em;
+}
+
+.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption
+{
+font-size: 80%;
+}
+
+
+.poem
+{
+margin-left:5%;
+position:relative;
+text-align:left;
+width:90%;
+}
+
+.poem h4
+{
+font-weight:normal;
+margin-left:5em;
+text-decoration:underline;
+}
+
+.poem .linenum
+{
+color:#777;
+font-size:90%;
+left:-2.5em;
+margin:0;
+position:absolute;
+text-align:center;
+text-indent:0;
+top:auto;
+width:1.75em;
+}
+
+.versenum
+{
+font-weight:bold;
+}
+
+/* right aligned page number in table of contents */
+.tocPagenum
+{
+position: absolute;
+right: 16%;
+top: auto;
+}
+
+.footnotes .line
+{
+font-size:80%;
+margin:0 5%;
+}
+
+.poem .i0
+{
+display:block;
+margin-left:2em;
+}
+
+.poem .i1
+{
+display:block;
+margin-left:3em;
+}
+
+.poem .i2
+{
+display:block;
+margin-left:4em;
+}
+
+.poem .i3
+{
+display:block;
+margin-left:5em;
+}
+
+.poem .i4
+{
+display:block;
+margin-left:6em;
+}
+
+.poem .i5
+{
+display:block;
+margin-left:7em;
+}
+
+.poem .i6
+{
+display:block;
+margin-left:8em;
+}
+
+.poem .i7
+{
+display:block;
+margin-left:9em;
+}
+
+.poem .i8
+{
+display:block;
+margin-left:10em;
+}
+
+.poem .i9
+{
+display:block;
+margin-left:11em;
+}
+
+span.corr
+{
+border-bottom:1px dotted red;
+}
+
+span.abbr
+{
+border-bottom:1px dotted gray;
+}
+
+span.measure
+{
+border-bottom:1px dotted green;
+}
+
+.letterspaced
+{
+letter-spacing:0.2em;
+}
+
+.smallcaps
+{
+font-variant:small-caps;
+}
+
+
+.caps
+{
+text-transform:uppercase;
+}
+
+
+hr
+{
+clear:both;
+height:1px;
+margin-left:auto;
+margin-right:auto;
+margin-top:1em;
+text-align:center;
+width:45%;
+}
+
+h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure
+{
+text-align:center;
+}
+
+h1,h2
+{
+font-size:1.44em;
+line-height:1.5em;
+}
+
+h1.label,h2.label
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+
+h5,h6
+{
+font-size:1em;
+font-style:italic;
+line-height:1em;
+}
+
+p,p.initial
+{
+text-indent:0;
+}
+
+.poem .stanza
+{
+padding: .5em 0% .5em 0%;
+}
+
+p.quote,div.blockquote,div.argument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+margin:1.58em 5%;
+}
+
+.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden
+{
+text-decoration:none;
+}
+
+
+ul { list-style-type: disc; }
+ol { list-style-type: decimal; }
+ol.AL { list-style-type: lower-alpha; }
+ol.AU { list-style-type: upper-alpha; }
+ol.RU { list-style-type: upper-roman; }
+ol.RL { list-style-type: lower-roman; }
+.lsoff { list-style-type: none; }
+
+
+
+
+
+/* Supplement CSS stylesheet "style/arctic.css.xml
+" */
+
+
+
+body
+{
+background: #FFFFFF;
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+
+body, a.hidden
+{
+color: black;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+color: #001FA4;
+font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif;
+}
+
+p.byline
+{
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+
+.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend, .versenum
+{
+color: #001FA4;
+}
+
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+color: #AAAAAA;
+}
+
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+color: red;
+}
+
+
+</style></head>
+<body>
+<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10971 ***</div>
+
+<div class="front">
+<div class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/cover.jpg" alt=""></div><p>
+
+</p>
+</div>
+<div class="titlePage">
+<h1 class="docTitle">De Zoon van Dik Trom</h1>
+<h2 class="byline">Door
+
+<span class="docAuthor">C. Joh. Kieviet</span></h2>
+<h2 class="docImprint">Twaalfde, Goedkoope Druk<br>
+Amersfoort&#8212;Valkhoff &amp; Co.
+</h2>
+</div>
+<div class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1.jpg" alt=""></div><p>
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="body"><a id="d0e98"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e98">5</a>]</span><div id="d0e99" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Eerste Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>Dik heeft een plan, en zijn vader vindt, dat hij een bizonder kind is, en dat is-ie.</p>
+</div>
+<p>&#700;t Was met den kruidenierswinkel van den ouden Trom uitstekend gegaan. Dat was geen wonder, want Vrouw Trom was eene zindelijke
+vrouw, die er voor zorgde, dat alles in den winkel er keurig netjes uitzag. De koperen weegschalen waren zoo prachtig geschuurd,
+dat zij haast wel van goud schenen, de toonbanken zagen er brandhelder uit, en de koopwaren waren van de beste kwaliteit.
+
+
+</p>
+<p>Elken morgen spande Dik zijn mooien hit voor den wagen, om de klanten, die buiten het dorp woonden, te gaan bedienen. Zijn
+paard was altoos helder geroskamd, zijn wagen zag er proper uit, en wat hij leverde was prompt in orde. Nooit vergat hij te
+doen, wat hij beloofd had, en tegen wat extra werk zag hij niet op, als hij een van zijne klanten er mede gerieven kon. Geen
+wonder dus, dat hij steeds m&eacute;&eacute;r verkocht, er telkens nieuwe klanten bijkreeg en er zelden of nooit een verloor. In enkele
+jaren was de winkel van Jan Trom de voornaamste van het dorp geworden, en &#700;t was een lust te zien, hoe vol het er somtijds
+wezen kon. Vooral op Zaterdagavond was het er verbazend druk. Dan stond de winkel opgepropt met menschen, die inslag voor
+de volgende week kwamen doen, en hadden Vader <a id="d0e109"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e109">6</a>]</span>en Moeder Trom, benevens Dik, geen handen genoeg, om de klanten te bedienen. Maar al moesten dezen wat wachten, dat hinderde
+niet erg, want allen luisterden graag naar de vroolijke grappen van Dik, die zijn praatje steeds klaar had.
+
+</p>
+<p>De oude Trom deed niet veel. Hij was niet sterk genoeg om lang achter de toonbank te staan, en als het hem al te druk werd,
+trok hij zich op zijn stoeltje in een hoek van den winkel terug en keek met innig welbehagen de drukte aan. En dan luisterde
+hij naar de gesprekken der vrouwtjes, die het wel gezellig vonden, als zij niet dadelijk geholpen konden worden, omdat zij
+dan nog een poosje konden babbelen,&#8212;maar het meest genoot hij van de grappen en kwinkslagen van zijn zoon Dik, dien hij soms
+langen tijd achtereen met de grootste bewondering kon zitten aanstaren. En menigmaal, als hij zag, hoe graag de menschen door
+Dik geholpen werden, mompelde hij zacht voor zich heen:
+
+</p>
+<p>&#8220;Die Dik,&#8212;o, dat is toch een bizonder kind,&#8212;en dat is-ie!&#8221;
+
+</p>
+<p>Trom werd er niet sterker op, en meer en meer begon de winkel hem te zwaar te worden, vooral overdag, als Dik de klanten afreed,
+en Moeder het huiswerk verrichtte. Want de winkelschel liet hem bijna nooit met rust, van den morgen tot den avond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Klingelingeling!&#8221; ging het, als Trom zijn ontbijt gebruikte. &#8220;Klingelingeling!&#8221; als hij &#700;s middags aan tafel zat. &#8220;Klingelingeling!&#8221;
+als hij zijn middagdutje wilde doen, waaraan zijn zwak lichaam zooveel behoefte had.
+
+</p>
+<p>Den geheelen dag was het voortdurend: &#8220;klingelingeling!&#8221; en dat hield niet op, voordat &#700;s avonds laat de winkeldeur op het
+nachtslot werd gedaan.
+
+</p>
+<p>De oude man beefde soms over al zijn leden van vermoeidheid als hij eindelijk in zijn bed gestapt was, en van overspanning
+kon hij dan dikwijls in geen uren den slaap <a id="d0e123"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e123">7</a>]</span>nog vatten. Eindelijk begrepen Moeder Griet en Dik beiden, dat het zoo niet langer ging,&#8212;dat er verandering moest komen.
+
+</p>
+<p>En die verandering kwam.
+
+</p>
+<p>Het huisje naast den winkel kwam te huur. &#700;t Was een allerliefst huisje, wel klein, maar keurig net. &#700;t Was een huisje voor
+een paar oude menschen, die rustig hun ouden dag wilden doorbrengen.
+
+</p>
+<p>Zoodra Dik hoorde, dat het te huur was, zei hij op een avond, toen de winkel op het nachtslot was:
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoor eens, Vader en Moeder, weet u, dat het huisje hiernaast te huur komt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is &#700;t waar?&#8221; vroeg moeder Trom. &#8220;Neen, dat weet ik niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>Trom zei niets. Hij keek Dik aan en streek met zijn hand langs zijn dunne bakkebaardjes.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei Dik,&#8212;&#8220;&#700;t is zoo, en nu had ik gedacht, dat het juist een huisje voor u beiden zou zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei Trom, &#8220;dat denk ik ook, en dat doe ik.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is een lief huis,&#8221; ging Dik voort. &#8220;Niet te groot en erg gemakkelijk in &#700;t bewonen. En als u mij dan den winkel verhuurde,
+zou u een rustigen ouden dag kunnen hebben. &#700;t Wordt Vader toch wel wat erg zwaar in den winkel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat doet het&#8212;en dat doet het,&#8221; zei Trom.
+
+</p>
+<p>&#8220;En wou jij dan alleen in den winkel gaan wonen, Dik?&#8221; vroeg vrouw Trom met een glimlachje.
+
+</p>
+<p>Dik lachte ook.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen Moeder, dat is nu juist mijne bedoeling niet. Als u en Vader het goedvinden, zou ik wel willen trouwen. Anneke en ik
+hebben elkander al gekend van onze vroegste kinderjaren af, en wij houden veel van mekaar. Dus,&#8212;wat dunkt u er van?&#8221;
+
+</p>
+<p>Moeder Trom stond op, sloeg haar armen om Dik&#700;s hals, gaf hem een kus op elke wang, en zei:
+<a id="d0e153"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e153">8</a>]</span>
+&#8220;Mijn zegen er op, Dik!&#8221;
+
+</p>
+<p>Trom trok zoo hard aan zijn bakkebaardjes, dat hij er de vlassige haartjes van in de hand hield, en zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja, zoo is het goed, en dat is het. Griet, onze Dik is toch een bizonder kind,&#8212;en dat is-ie!&#8221;
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e159" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Tweede Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>De belangrijkste dag uit het leven van Dik Trom.</p>
+</div>
+<p>Het ging al gauw als een loopend vuurtje door het dorp: &#8220;Dik Trom gaat trouwen met Anneke, en zijn ouders gaan het huisje
+bewonen naast den winkel.&#8221; En alle menschen vonden het erg best. &#8220;&#700;t Was net een spannetje, dat bij elkaar hoorde,&#8221; zei men.
+&#8220;Alleb&ecirc;i zijn ze vroolijk, alleb&ecirc;i jong, alleb&ecirc;i dik,&#8221; en dat was waar, want Anneke evenaarde in gezetheid haar aanstaanden
+man. Zij zag er door en door gezond uit, had een paar blozende wangen en keek iedereen altoos vroolijk en opgeruimd aan. En
+zij vond het w&agrave;t prettig om met Dik te trouwen. Van hun vroegste jeugd af hadden zij elkander gekend en veel van mekaar gehouden,
+en niemand vond het vreemd, dat zij man en vrouw zouden worden. Eigenlijk hadden de menschen het al lang gedacht.
+
+</p>
+<p>Op een mooien dag in de maand Juni werd de bruiloft gevierd. Dik was &#700;s morgens al vroeg opgestaan en den tuin achter zijn
+huis ingestapt. Het zonnetje scheen zoo vroolijk, de vogels zongen zoo blijde, de bloemen in de perkjes geurden zoo heerlijk,
+en Dik voelde zich z&oacute;&oacute; gelukkig, dat hij van louter plezier een liedje begon te zingen. En met zijn zakmes sneed hij de vroege
+rozen af en de seringen en de vogelkers, en bond ze te zamen tot een <a id="d0e169"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e169">9</a>]</span>welriekenden ruiker, dien hij zelf aan zijne bruid ging brengen. Overal zag hij de vlaggen uitsteken ter eere van hem en van
+Anneke. Piet van Dril was de eerste, die zijn vlag uit het zolderraam stak, en toen volgde Jan Vos, en daarna Van Dijk, de
+molenaar, en Vrouw van Aken, en Teun de visscher, en de meester, en de ontvanger, en de burgemeester. Ja, zelfs uit het huisje
+van Kee, de heks van den Achterweg, wapperde een klein, verschoten vlaggetje uit het boven-zijraampje, want zij hield dolveel
+van Dik en verheugde zich in zijn geluk. Weldra was er geen huis meer, waar de vlag niet uithing, wat wel een bewijs was,
+dat de bruid en de bruidegom geliefde personen waren op het dorp.
+
+</p>
+<p>Dik vond het heerlijk te zien, dat alle menschen hem en Anneke een blijk van vriendschap wilden geven. Hij had een glimlach
+van geluk op de lippen, en zijne oogen tintelden van blijdschap.
+
+</p>
+<p>De menschen, die hem tegenkwamen, hielden hem staande om hem geluk te wenschen en de hand te drukken, en Piet van Dril stak
+zijn zwarte gezicht buiten de deur van de smederij, toen Dik daar voorbijkwam, zwaaide met zijn vette, glimmende petje, en
+riep driemaal: &#8220;Hoezee! Leven Dik en zijne bruid!&#8221;
+
+</p>
+<p>Voor het huis van Anneke wachtte hem eene verrassing, want daar was een mooie, groote eerepoort opgericht met sparregroen
+en papieren bloemen. Bovenin prijkte een schild met de namen van de bruid en den bruidegom, en er hingen lampions met kaarsen,
+die &#700;s avonds een schitterend licht zouden geven.
+
+</p>
+<p>Dat hadden zijn vrienden en kennissen gedaan onder leiding van Piet van Dril, zijn boezemvriend.
+
+</p>
+<p>En onder de poort stond Anneke, die maar niet begrijpen kon, dat die poort ter harer eere was opgericht, en ze lachte en schreide
+tegelijk van blijdschap en zei, dat ze zoo <a id="d0e181"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e181">10</a>]</span>gelukkig was en zooveel eer niet verdiende. En zij dankte Dik voor zijn mooien ruiker, en wist bijna niet, wat zij doen zou
+van vreugde.
+
+</p>
+<p>Toen ging Dik naar huis terug, om alles voor de bruiloft in orde te brengen. Er werden in de schuur, die in gewone tijden
+voor pakhuis diende, groote tafels en stoelen geplaatst voor de gasten. En hij versierde de wanden met vlaggedoek, en nog
+was hij daarmee niet gereed, toen de deur openging, en Piet van Dril en Jan Vos verschenen, die een wagen met sparregroen
+meebrachten en hem hielpen aan de versiering.
+
+</p>
+<p>De schuur was weldra haast niet meer te herkennen, zoo mooi werd zij. Vader en moeder Trom konden hun oogen bijna niet gelooven,
+toen zij even binnen kwamen om een kijkje te nemen. Zij sloegen de handen van verbazing in elkaar, en Trom mompelde:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat een feest,&#8212;wat een feest! &#700;t Heele dorp vlagt, en dan die schuur! O, die Dik is een bizonder kind, en dat is-ie!&#8221;
+
+</p>
+<p>Moeder Griet was dat volkomen met hem eens, maar zij gunde zich den tijd niet om lang te kijken, want zij had het nog meer
+dan druk om alles voor het feest in gereedheid te brengen. De beste spullen moesten uit de kast, en alles werd zorgvuldig
+geschuierd en opgeknapt. Trom had het vreeselijk druk met zijn hoogen hoed, denzelfden nog, waarop Dik was gaan zitten, toen
+deze nog een kleine jongen was. Trom poetste de stugge haartjes glad en liefkoosde hem wel honderdmaal met de mouw van zijne
+lakensche jas. De man zag er w&agrave;t deftig uit, heelemaal in &#700;t zwart en met dien hoogen hoed op. &#700;t Model van zijn costuum was
+wel wat ouderwetsch,&#8212;want &#700;t was zijn eigen trouwpak nog, dat hij maar zelden had aangehad,&#8212;en zijn hoed was wel wat hoog
+van bol en breed van rand, maar dat hinderde niet.
+<a id="d0e191"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e191">11</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Die hoed is nog mooi, en dat is-ie,&#8221; zei Trom, &#8220;en mijn pak kan ook nog best me&ecirc;, en dat kan het.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dik was van top tot teen in &#700;t nieuw. Hij had ook een lakensch pak laten maken en een hoogen hoed gekocht. Zelf vond hij wel,
+dat hij er met den hoed erg gek uitzag, maar Trom zei, dat hij hem deftig stond, en dat deed-ie. Dik&#700;s nieuwe laarzen kraakten
+bij elken stap, zoodat men hem in de verte al kon hooren aankomen. Dik had er een hekel aan, maar zijn vader vond dat ook
+al erg deftig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Alle laarzen van deftige menschen kraken, en dat doen ze,&#8221; zei hij wijs.
+
+</p>
+<p>Eindelijk werd het tijd om naar het huis van de bruid en vervolgens naar het gemeentehuis te gaan, waar het huwelijk zou worden
+voltrokken. Het drietal begaf zich daarom op weg.
+
+</p>
+<p>Dik zag wel wat tegen de plechtigheid op, en hij voelde zich in zijn mooie zwarte pak, in zijne krakende laarzen en onder
+zijn hoogen hoed verre van lekker. Hij was in het geheel geen mensch voor zooveel moois en plechtigs. Maar &#700;t moest nu eenmaal
+gebeuren, en hij besloot daarom zoo goed mogelijk door den zuren appel heen te bijten.
+
+</p>
+<p>Vader en moeder Trom keken met gepasten ernst naar al de vlaggen, die ter eere van hun zoon waren uitgestoken, en vonden zich
+verbazend gewichtig. Moeder Griet zag er ook zeer feestelijk uit. Zij had hare zijden japon aan, waarover een met palmen doorgewerkte
+omslagdoek, die haar in den vorm van een gelijkbeenigen driehoek over den rug hing met de punt naar beneden, een zijden hoedje
+op met groote keellinten, en aan haar arm een karbies, welke in sterke mate de aandacht trok van de kinderen, die den kleinen
+stoet omringden en steeds in aantal toenamen. Een van de grootste jongens begon al spoedig te zingen:
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Bruid, bruid, strooi wat uit!&#8221;</span></p>
+</div>
+</div><a id="d0e207"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e207">12</a>]</span><p>Maar de anderen legden hem het zwijgen op met de opmerking, dat de bruid nog niet aanwezig en hij dus met zijn liedje te vroeg
+was.
+
+</p>
+<p>De jongens en meisjes zagen er zeer opgewekt uit en het ontbrak hun niet aan de noodige luidruchtigheid.
+
+</p>
+<p>Zoo bereikte het drietal de woning van de bruid, waar de gasten, die voor het feest genoodigd waren, zich reeds verzameld
+hadden. Met een krachtigen handdruk werd Dik ontvangen, die onhandig met zijn hoogen hoed omsprong en voortdurend het vervelende
+kraken van zijne laarzen hoorde.
+
+</p>
+<p>&#700;t Was nu hoog tijd om naar het raadhuis te gaan. De stoet stelde zich dus op. Jan Vos en zijn verloofde openden de rij, daarop
+volgden Dik en Anneke, daarachter de wederzijdsche ouders en verdere familieleden, en eindelijk de vrienden en kennissen,
+die genoodigd waren. Piet van Dril en zijn jonge vrouw, want Piet was al sedert een jaar getrouwd, waren de laatsten van den
+stoet.
+
+</p>
+<p>De meisjes en vrouwen hadden allen een groote karbies, tot groote vreugde van de jongens en meisjes, die zich vol blijde verwachting
+voor het huis hadden opgesteld. Nauwelijks waren de bruiloftsgasten zichtbaar, of daar klonk uit wel honderd kelen:
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Bruid, Bruid,</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Strooi wat uit!</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Bruid, Bruid,</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Strooi wat uit!&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>&#700;t Was een verschrikkelijk gejoel en lawaai, maar de karbiezen bleven potdicht. Eerst moest het jonge paar getrouwd zijn;
+zoolang dat niet gebeurd was, werd er niet gestrooid.
+
+</p>
+<p>In lange rij trok de stoet door het dorp en bereikte ongestoord het raadhuis. Daar werden de groote deuren geopend door den
+veldwachter, die bij trouwpartijen dienst <a id="d0e231"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e231">13</a>]</span>deed als conci&egrave;rge, en men nam plaats in de trouwzaal, waar vele dorpelingen aanwezig waren om van de plechtigheid getuige
+te zijn.
+
+</p>
+<p>Spoedig verscheen de burgemeester, en nu werden Dik en Anneke in den echt verbonden. De burgemeester deed nog een hartelijke
+toespraak en drukte het bruidspaar de hand.
+
+</p>
+<p>Pas kwam de stoet weer buiten het raadhuis, of daar galmde het weer, nu wel uit tweehonderd monden:
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Bruid, Bruid,</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Strooi wat uit!</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Bruid, Bruid,</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Strooi wat uit!&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>De lieve straatjeugd drong geweldig op om dicht bij de karbiezen te komen, die de begeerde lekkernijen bevatten. En thans
+bestond er tegen het openen daarvan geen enkele hinderpaal meer.
+
+</p>
+<p>&#8220;D&agrave;&agrave;r dan, jongens, grabbelt maar!&#8221; riep Anneke, die tijdens de plechtigheid erg bleek had gezien, maar nu hare frissche kleur
+langzamerhand terugkreeg, en zij tastte diep in de karbies en strooide de bruidssuikers onder de menigte. Haar voorbeeld werd
+door Moeder Trom en de andere vrouwen en meisjes gevolgd. Het regende als het ware links en rechts suikergoed, zoodat de jongens
+op en over elkander buitelden, om toch maar zooveel mogelijk bijeen te grabbelen. &#700;t Was een allerdolst schouwspel. De kinderen
+hadden nergens meer oog voor, dan voor de uitgestrooide lekkernijen, en zij waren zoo verwoed aan het grabbelen, dat zij den
+heelen bruidsstoet uit elkaar duwden. Een van de jongens kwam vlak voor de voeten te liggen van Vader Trom, zoodat het weinig
+scheelde, of deze viel voorover op de straat. Zijn hooge hoed rolde wel twee meter ver voor hem uit en kwam onder een paar
+jongens <a id="d0e250"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e250">14</a>]</span>terecht, die aan het vechten waren om een suikerboon, waarop zij beiden recht meenden te hebben. De arme hoed kreeg het kwaad
+te verantwoorden en leek al spoedig meer op een waterhoozer uit een lekke roeiboot, dan op een deftigen hoogen hoed.
+
+</p>
+<p>Piet van Dril gaf den vechtenden jongens een paar klinkende oorvijgen, die hun met verbazenden spoed het hazenpad deden kiezen.
+Den hoed bracht hij zooveel mogelijk weer in zijn fatsoen, en zette hem den ouden man op het hoofd.
+
+</p>
+<p>Van het gemeentehuis wandelde de stoet, steeds vergezeld door de straatjeugd, die met ijzeren volharding het &#8220;Bruid, Bruid,
+strooi wat uit&#8221; galmde, naar de kerk, waar het huwelijk ingezegend werd, en van daar naar de versierde schuur.
+
+</p>
+<p>Den geheelen dag heerschte er groote vreugde. Dik rookte uit een lange Goudsche pijp, die met groen en bloemen was versierd,
+en de bruid dronk uit een kopje, waarvan het oortje met een rozeknopje en een paar rozeblaadjes prijkte.
+
+</p>
+<p>&#700;t Was een heerlijk feest. &#700;s Middags kwamen vele vrienden en kennissen gelukwenschen, en ook de oude heks van den Achterweg
+kwam binnen, om bruid en bruidegom de hand te drukken. En in een klein mandje bracht zij zes kippeneitjes me&ecirc;, als een klein
+blijk van hare vriendschap en dankbaarheid, want zij was maar een arme, oude vrouw en wilde toch ook zoo graag wat geven.
+
+
+</p>
+<p>Dik kreeg het er bijna te kwaad onder, zoo aardig vond hij dat van de goede ziel, en hij pakte het oudje beet en danste met
+haar in het rond tot groote pret van alle bruiloftsgasten. &#700;s Avonds kwamen twee muzikanten met violen, en toen konden de
+jongelui dansen naar hartelust, wat zij dan ook deden.
+<a id="d0e262"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e262">15</a>]</span></p>
+<p>&#700;t Was al zeer laat in den avond, en nog was er niemand naar huis gegaan. De oude molenaar was de eerste, die opstond om te
+vertrekken, en hij klopte Trom op den rug en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat was nog eens een echte, mooie bruiloft, niet waar?&#8221;
+
+</p>
+<p>En Trom antwoordde, aan zijne bakkebaardjes plukkende:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat is het,&#8212;en dat doet het,&#8212;maar Dik is ook een bizonder kind,&#8212;en dat is-ie!&#8221;
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e271" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Derde Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>Dik wordt vader, en vrouw Smul begraaft haar neus in een roomtaart.</p>
+</div>
+<p>&#700;t Bleef met den winkel onder leiding van Dik en Anneke uitstekend gaan, zoodat men gerust kon voorspellen, dat zij nog eens
+in goeden doen zouden komen. Nu, Dik werkte dan ook met den grootsten ijver, en als hij de boeren afreed met boodschappen,
+verving Anneke hem op uitstekende wijze in den winkel. En zij was een zuinig vrouwtje, naar de meening van Dik haast wel een
+beetje al te zuinig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoor eens, Anneke,&#8221; zei hij meer dan eens, &#8220;daar moet je toch voorzichtig me&ecirc; wezen. Zuinig is goed, best zelfs, maar &agrave;l
+te zuinig is verkeerd. Komen de vrouwtjes om een pondje van dit of van dat, dan moet je niet bang wezen, dat de schaal even
+doorslaat. &#700;t Is beter overwicht te geven, dan te klein gewicht. Daar hebben de menschen een hekel aan, en dan gaan ze al
+gauw naar een anderen winkel, waar de maat wat ruimer is. Heusch, een klein toegiftje doet geen schade, maar voordeel. En
+komen er <a id="d0e281"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e281">16</a>]</span>kinderen boodschappen halen, geef ze dan een balletje of een pepermunt, of een stukje zoethout, of een vijg. Dat hebben ze
+graag en dan koopen ze liever hier dan bij een ander.&#8221;
+
+</p>
+<p>Anneke gaf aan dien raad gehoor, maar zuinig van aard bleef ze toch, en dat was goed.
+
+</p>
+<p>In den winkel zag het er keurig netjes uit, en hij was van alle gemakken voorzien. Daar zorgde vader Trom wel voor. Nu hij
+niets meer te doen had, was de oude liefhebberij voor het timmervak weer bij hem ontwaakt, en liep hij altoos te passen en
+te meten, te schaven en te hameren. &#700;t Was dan ook, eer een jaar verloopen was, een pracht van een winkel geworden, en Trom
+was daar erg trotsch op. Jammer voor den braven man, dat hij den laatsten tijd zoo doof werd. Kort na Dik&#700;s bruiloft was het
+begonnen, en &#700;t nam met den dag toe, zoodat hij eindelijk bijna niet meer te beschreeuwen was. &#700;t Was voor Griet een verbazende
+last, want zij hield erg veel van een praatje.
+
+</p>
+<p>Een paar jaar na Dik&#700;s huwelijk had er eene groote gebeurtenis plaats. Dik werd namelijk vader van een zoontje, en hij was
+daar erg blij om. Toen hij op een avond met paard en kar thuis kwam, vond hij den kleinen kerel al in de wieg liggen, en grootvader
+en grootmoeder Trom zaten er op een stoel naast en keken met de grootste belangstelling naar hun pasgeboren kleinkind. Grootmoeder
+Griet vond het een allerliefst schattig kindje, maar grootvader zei geen woord. Hij was blijkbaar in gedachten verdiept, en
+staarde met open mond den kleinen schreeuwer aan. Want een scheeuwer was het. De oude Trom had een klein, pasgeboren kindje
+nog nooit z&oacute;&oacute; hooren schreeuwen. Grootvader vond het erg verwonderlijk, en soms sloeg hij zijne oogen even op en staarde grootmoeder
+<a id="d0e289"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e289">17</a>]</span>aan met een blik, waarin zoowel verbazing als bewondering opgesloten lag. &#700;t Was hem aan te zien, dat hij in het kind iets
+gewichtigs zag.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, o, wat was Dik blij, toen hij zijn zoontje zag. Zijne ouders feliciteerden hem recht hartelijk, en hij drukte moeder Anneke,
+die te bed lag, een kus op elke wang. En toen ging hij weer dadelijk naar de wieg, om zijn zoontje in oogenschouw te nemen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel verschrikkelijk, wat schreeuwt dat kind!&#8221; zei Dik, die ook in de grootste verbazing naar het geluid van den nieuwen huisgenoot
+luisterde. &#8220;Moeder, heb ik ook zoo geschreeuwd, toen ik pas in de wereld was?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; zei grootmoeder Trom, &#8220;jij schreeuwde nooit, dan alleen als je honger hadt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar dan heeft dat ventje ook honger!&#8221; riep Dik met beslistheid uit. &#8220;Hei baker, waar zit je? Geef dat kind wat eten!&#8221;
+
+</p>
+<p>Op zijn geroep kwam de baker uit de keuken te voorschijn &#700;t Was vrouw Smul, die ook Dik nog gebakerd had. Zij was nu eene
+oude vrouw geworden, met bijna geen tand meer in haar mond, en een puntige, vooruitstekende kin. Dik hield in het geheel niet
+van haar, maar daar zij de eenige baker op het dorp was, moest hare hulp wel ingeroepen worden. Met een vriendelijk lachje
+feliciteerde zij den gelukkigen vader, en zij haalde het kleine kereltje uit de wieg, en hield hem Dik voor, die nu in de
+gelegenheid kwam, zijn zoon goed te bezien.
+
+</p>
+<p>Ten tweeden male wekte het ventje zijn groote verbazing, want zoo dik als hij zelf geweest was, toen hij op de wereld kwam,
+zoo smal en dun was de kleine. En schreeuwen, schreeuwen dat het kind deed, neen maar, &#700;t ging Diks verwachting verre te boven.
+Ook grootmoeder en grootvader keken het wichtje met verwondering aan, want zoo <a id="d0e303"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e303">18</a>]</span>dun en mager hadden zij nog nooit een kind gezien.
+
+</p>
+<p>Dik sloeg van verbazing de handen ineen, en riep uit:
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen maar, wat een wonderlijk mager kind is dat! &#700;t Is veel te dun!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar &#700;t is toch een erg lief kindje,&#8221; zei Anneke met moedertrots.
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat schreeuwt het!&#8221; ging Dik voort, &#8220;&#700;t Schreeuwt als een speenvarken. Toe baker, geef dat kind dadelijk wat te eten,
+want zulk geschreeuw is niet uit te houden. Een mensch krijgt er hoofdpijn van.&#8221;
+
+</p>
+<p>Grootvader Trom had nog geen woord gesproken, maar eindelijk ging hij naar zijn vrouw, en driftig aan zijn bakkebaardjes plukkende,
+zei hij op gewichtigen toon:
+
+</p>
+<p>&#8220;Griet, &#700;t is een bizonder kind,&#8212;ik zeg een bizonder kind,&#8212;en dat is-ie!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik geloof het ook,&#8221; zei Dik lachend. &#8220;Zoo dun,&#8212;en dan dat geschreeuw. &#700;t Is w&eacute;l bizonder!&#8221;
+
+</p>
+<p>Inderdaad bleken deze twee eigenschappen van den kleine op den duur w&egrave;l wat bizonder te zijn, want het kind schreide van den
+morgen tot den avond, en van den avond tot den morgen. Alleen als hij sliep, was hij stil. Hij dronk de eene flesch melk na
+de andere, maar bleef even dun en mager. En hij schreeuwde om er wanhopig onder te worden. Kreeg hij geen flesch, dan maakte
+hij een ijselijk misbaar om de aandacht op zich te vestigen, en had hij de flesch leeggedronken, dan vond hij d&agrave;t weer een
+reden om zijne stem te verheffen. Maar hij groeide best, al was het alleen in de lengte.
+
+</p>
+<p>Dik vreesde, dat zijn wieg hem gauw te kort zou worden, en hij ergerde zich den ganschen dag aan de aanwezigheid van de baker.
+Daar had hij trouwens zijn goede redenen voor, want in den winkel was veel te snoepen, en daar hield vrouw Smul van. Telkens
+zag Dik, dat zij tersluiks <a id="d0e323"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e323">19</a>]</span>iets in den mond stak, als zij even in den winkel moest wezen, en dat kon Dik niet uitstaan. Eens zag hij, dat zij bij de
+kistjes vijgen stond en er een handjevol uitnam, en hij besloot haar dat eens en voor goed af te leeren. Baker had hem niet
+gezien, en schrok dus niet weinig, toen hij eensklaps achter haar stond. Dik nam een grooten bak met stroop, dien zij onmogelijk
+met &eacute;en hand kon vasthouden en zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Toe baker, help me even. Houd dien bak eens vast.&#8221;
+
+</p>
+<p>Maar dat kon baker niet doen, want dan zou Dik zien, dat zij een hand vol vijgen had. Haastig draaide zij zich dus om en stak
+de vijgen met eene behendige beweging in haar mond, maar ongelukkig konden ze daarin haast niet geborgen worden, zooveel had
+zij er wel uit het kistje genomen. Zij moest den mond dus stijf dicht houden, wilde zij zich niet verraden. Toen greep zij
+den stroopbak met beide handen aan. Haar mond zat als &#700;t ware volgepropt, tot groot vermaak van Dik, die een vriendelijk praatje
+met haar begon.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel baker,&#8221; vroeg hij, &#8220;hoe zou het toch komen, dat de kleine Jan&#8221;,&#8212;want zijn zoon heette Jan, naar zijn grootvader,&#8212;&#8220;dat
+de kleine Jan altijd zoo schreeuwt? Wat kan daar toch de reden van wezen?&#8221;
+
+</p>
+<p>Maar baker kon niet antwoorden vanwege de vijgen, die zij in den mond had. En er waren er te veel, dan dat zij ze had kunnen
+doorslikken. Kauwen durfde zij ook niet, want dan zou zij zichzelve dadelijk verraden hebben. Zij verkeerde nog in de heilige
+overtuiging, dat Dik niets van hare snoeperij had gemerkt. Zij zeide dus niets, maar haalde alleen de schouders op, ten teeken
+dat de reden van Jantjes geschreeuw haar totaal onbekend was. Doch met dat gebaar was Dik niet tevreden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen baker, haal nu de schouders niet op,&#8221; zei hij <a id="d0e335"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e335">20</a>]</span>op ernstigen toon, &#8220;maar zeg mij liever kort en goed, wat er de oorzaak van is. Hij moet toch ergens met zooveel volharding
+om schreeuwen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Baker haalde nogmaals de schouders op, en Dik keek haar ernstig aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Scheelt er wat aan, baker? U trekt zoo&#700;n raar gezicht,&#8221; ging hij voort. &#8220;Heeft u pijn of zoo iets?&#8221;
+
+</p>
+<p>Baker schudde ontkennend met het hoofd, maar het angstzweet brak haar uit, want de vijgen in haar mond begonnen haar verschrikkelijk
+zwaar te liggen, en zij kon haar mond bijna niet meer dicht houden. Zij kneep de lippen wanhopig stijf op elkander en liet
+den zwaren stroopbak haast vallen.
+
+</p>
+<p>Dik had de grootste pret, en ging plagend voort:
+
+</p>
+<p>&#8220;Heeft u kiespijn, baker?&#8221;
+
+</p>
+<p>Baker schudde alweer van neen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Of buikpijn?&#8221;
+
+</p>
+<p>Nogmaals hetzelfde gebaar.
+
+</p>
+<p>&#8220;U lijkt wel stommetje te spelen, baker. Ik geloof, dat ik den dokter voor u moet halen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De baker slaakte een diepen zucht, maar wilde blijkbaar niets van een dokter weten. Zij schudde heftig van neen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar z&egrave;g dan toch wat, baker! Zulk zwijgen is om er tureluursch van te worden. Of kan u niet spreken?&#8221;
+
+</p>
+<p>De baker zei nog niets, maar keek wanhopig naar den zolder.
+
+</p>
+<p>&#8220;Doe uw mond eens open, baker,&#8221; ging Dik zonder medelijden voort, en hij pakte haar kin tusschen vinger en duim. Maar nu werd
+het baker te erg, en zij begreep, dat Dik heel goed had gezien, dat zij van de vijgen gesnoept had. Zij zette den stroopbak
+haastig neer en verliet in allerijl den winkel, terwijl Dik het uitschaterde van pret, omdat hij haar zoo geducht te pakken
+had gehad. Zij dorst den &#8220;baas&#8221; den geheelen dag niet meer aankijken van <a id="d0e363"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e363">21</a>]</span>schaamte, en zij had nog grooter hekel aan hem dan vroeger, toen hij haar klompen vol water had geschept.
+
+</p>
+<p>Maar haar snoeplust leerde zij er niet me&ecirc; af. Die kwaal was bij haar te veel ingekankerd.
+
+</p>
+<p>Dat bleek Dik, toen zijn zoontje een dag of acht oud was. In den winkel, achter een van de toonbanken, was een luik, waaronder
+zich de kelder bevond. Dik was in dien kelder, toen de winkelschel ging, maar de baker wist niet, dat Dik daar was. Zij kwam
+in den winkel en zag daar den loopjongen van den banketbakker, die eene heerlijke roomtaart kwam brengen, een geschenk van
+Piet van Dril en diens vrouw. Ha, de neusvleugels van vrouw Smul trilden van begeerte. Na haastig om zich heen gekeken te
+hebben, of zij wel alleen was, lichtte zij behendig het deksel van de doos en genoot van den heerlijken aanblik, dien de verrukkelijke
+taart opleverde.
+
+</p>
+<p>Dik kwam langzaam en onhoorbaar naderbij. &#8220;Als zij gaat snoepen, zal ik het haar eens en voor altijd afleeren,&#8221; dacht hij.
+
+
+</p>
+<p>En jawel, vrouw Smul moest toch eventjes proeven. Met haar vinger streek zij er wat room af en stak het in den mond. Wat smaakte
+dat heerlijk! Zij smakte met de tong. En wat rook die taart lekker. Wacht, zij moest ook eventjes ruiken. Zij bracht de doos
+wat omhoog, haar neus naar omlaag, en genoot van den heerlijken geur....
+
+</p>
+<p>Maar Dik was meer dan kwaad, want hij dacht, dat vrouw Smul er van snoepte. En in zijne boosheid gaf hij een geduchten duw
+tegen den bodem van de doos, zoodat neus en kin van de baker in een oogwenk tot in het hart van de taart doordrongen. En toen
+vrouw Smul die lichaamsdeelen weer uit hun ontijdig graf had opgedolven, zaten zij dik in de room. Zij leken wel roomhorentjes.
+
+
+</p>
+<p>Vrouw Smul kon zich in het eerste oogenblik maar niet begrijpen, wat er gebeurd was, zoo snel was het in zijn <a id="d0e377"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e377">22</a>]</span>werk gegaan, en zij gaf een gil van den schrik. Doos en taart liet zij op den vloer vallen, en zij vluchtte op een draf den
+winkel uit en de huiskamer in, waar Anneke in een schaterlach uitbarstte, zoo mal zag baker er uit. En zij kon haast niet
+tot bedaren komen, toen Dik haar vertelde wat er eigenlijk gebeurd was, al vond zij het meer dan jammer van de heerlijke taart.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat zullen Piet van Dril en zijne vrouw het akelig vinden, als zij het hooren,&#8221; zei Anneke.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die zullen het niet hooren,&#8221; zei Dik. &#8220;Ik ga dadelijk een nieuwe taart bestellen, precies eender als deze, en wij noodigen
+Piet en zijne vrouw een avondje bij ons op de koffie, om haar te helpen opeten. Dan hooren zij er nooit iets van. Baker zal
+er haar mond wel over houden,&#8212;en wij praten er natuurlijk ook niet over.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zoo geschiedde. Piet en zijn vrouw smulden er heerlijk van en vonden het prettig, dat de taart Dik en Anneke zoo lekker smaakte,
+maar zij hebben nooit geweten, dat het de hunne niet was. De baker wilde den heelen avond niet binnen komen. Zij bleef stil
+in de keuken. Maar Anneke zorgde toch, dat zij haar deel van de lekkernij kreeg.
+
+</p>
+<p>Want zij paste uitstekend op den kleinen Jan, en dat waardeerde Anneke bizonder. Een paar dagen later ging de baker voor goed
+heen.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e387" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Vierde Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>De eigenschappen van den kleinen Jan en het geduldige busje van de orgelvrouw.</p>
+</div>
+<p>De kleine Jan groeide zeer voorspoedig op, dat wil zeggen alleen in de lengte, want hij bleef broodmager, tot groote <a id="d0e395"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e395">23</a>]</span>verbazing van Dik en Anneke, die elken dag opnieuw in de gelegenheid werden gesteld om zijn eetlust te bewonderen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij is precies een hazewindhond,&#8221; zei Dik meer dan eens. &#8220;Hoeveel hij ook eet, hij blijft altijd even dun. &#700;t Is verwonderlijk!&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Overigens was de kleine Jan een zeer voorlijk kind. Hij lachte al, toen hij nog maar enkele dagen oud was, en zijne tandjes
+kwamen zeldzaam vroeg. Hij kroop veel gauwer over den vloer, dan nog ooit eenig kind gedaan had, en kreeg mazelen, kinkhoest
+en waterpokken, toen andere kinderen van zijn leeftijd de gedachte daaraan nog niet in hun hoofd voelden opkomen.
+
+</p>
+<p>Zijn grootvader hield daarom staande tegenover iedereen die het hooren wilde, dat de kleine Jan een bizonder kind was, en
+dat was-ie.
+
+</p>
+<p>Jan was met zijn grootvader al spoedig goede maatjes. Toen hij nog heel klein was, wilde hij altoos op diens knie&euml;n zitten
+en paardje-rijden, zoodra hij hem maar zag, en als Grootvader zijn zin niet dadelijk deed, zette hij het zoo geweldig op een
+schreeuwen, dat zelfs Grootvaders gehoorvliezen er pijn van gingen doen. En dan haastte de oude man zich, om zijn kleinzoontje
+tevreden te stellen.
+
+</p>
+<p>Zoodra Jantje loopen kon, en dat kon hij heel vroeg, liep hij grootvader overal na. Anneke was daar eerst wel wat ongerust
+over, omdat grootvader zoo erg doof was, maar toen haar Jantje altoos weer gezond en w&egrave;l terugkeerde in de ouderlijke woning,
+begon zij daar spoedig aan te wennen. Als Jantje zoek was, dacht ze al dadelijk: &#8220;O, hij zal wel weer bij grootvader wezen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Toen Jantje zag, dat grootvader bijna altoos aan het timmeren was, schreeuwde hij net zoo lang, tot hij ook een hamer kreeg,
+en van dat oogenblik af deed hij niet anders dan hameren. Hij sloeg er me&ecirc; tegen de toonbank, <a id="d0e409"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e409">24</a>]</span>dat de weegschalen er van rinkelden, klopte op de vijgenmand met zooveel kracht, dat de pitjes uit de vruchten te voorschijn
+kwamen, hamerde een melkkan aan scherven en sloeg een barst in de winkelruit. Dat gebeurde alles op &eacute;&eacute;n dag, tot grooten schrik
+van Anneke, die hem den hamer afnam, toen het te laat was. Grootvader had er niets van gemerkt, en toen Anneke hem op de verwoesting
+attent maakte, keek hij die eenigen tijd in verbazing aan, tot hij eindelijk mompelde:
+
+</p>
+<p>&#8220;Zie je wel, Anneke, dat Jantje een bizonder kind is?&#8212;En dat is-ie.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat bleek ook uit het feit, dat Jantje het geweldig op een schreeuwen zette, toen Anneke hem den hamer had afgenomen. Hij
+kon echter zoo hard niet schreeuwen, dat zijne Moeder hem dien teruggaf. Grootvader was bezig de stijfsellade te herstellen,
+die niet meer goed heen en weer kon schuiven. Jantje zat schreeuwend achter hem op den vloer, tot het twaalf uur werd en Grootvader
+naar huis moest om te eten. Grootvader legde den hamer in den spijkerbak en vertrok. Nauwelijks was hij verdwenen, of Jantje
+greep den hamer en zette de werkzaamheden voort. Hij sloeg draadnagels in de verschillende winkelladen, waar zij schots en
+scheef in terecht kwamen, timmerde Grootvaders rooden, katoenen zakdoek, dien hij vergeten had mede te nemen, als een vlag
+aan de toonbank vast, en ging naar het petroleumvat, om ook daar een paar draadnagels in te slaan. Maar toen viel zijn aandacht
+op de kraan, die in het vat zat, en Jantje sloeg er net zoo lang op met zijn hamer, tot de kraan uit het vat vloog en de petroleum
+in een breeden stroom op den vloer en op Jantjes beenen terecht kwam. Ha, dat vond Jantje pas mooi. Hij hield er den hamer
+onder, waardoor de stroom een bizonder mooien vorm kreeg en de droppels hem om de <a id="d0e415"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e415">25</a>]</span>ooren spatten, en hij keek met innig welbehagen de gevolgen van zijn bemoeiingen aan. De petroleum bedekte weldra den geheelen
+vloer, en Jantje was zoo nat als een gedrenkte spons. Zijne Moeder had er geen erg in, want zij was in de keuken, tot zij
+opeens een geweldig geschreeuw vernam, z&oacute;&oacute; hevig, dat zij van schrik opsprong en naar den winkel ijlde. Maar nauwelijks had
+zij de deur geopend, of zij bleef als verstomd staan en keek met open mond naar de petroleum, die den geheelen vloer bedekte
+tot aan den drempel toe, waarop hare voeten stonden, en naar Jantje, die uit alle macht schreeuwde en met zijn hamer op het
+vat sloeg.
+
+</p>
+<p>De tranen sprongen Anneke in de oogen, en zij was in &eacute;&eacute;n woord radeloos. Zij wist niet, wat ze beginnen moest. Ze kon niet
+eens bij haar zoontje komen, zonder door de petroleum te plassen, wat ze op hare pantoffeltjes onmogelijk doen kon.
+
+</p>
+<p>En Jantje schreeuwde uit alle macht, niet om hetgeen hij gedaan had, ook niet omdat hij met de beentjes rechtuit in de petroleum
+zat, maar eenvoudig om. het feit, dat er geen petroleum meer uit het vat stroomde. Hij was er meer dan kwaad om, dat de stroom
+opgehouden had te vloeien, en hij meende net zoo lang te schreeuwen, tot het weer begon.
+
+</p>
+<p>Bedroefd en niet wetende wat zij beginnen moest, snelde Anneke de achterdeur uit, om Grootvaders hulp in te roepen. Schreiende
+kwam zij daar binnen, en zij vertelde onder snikken en tranen, wat Jantje gedaan had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is er?&#8221; vroeg Grootmoeder, toen zij Anneke zoo bedroefd zag staan. Grootvader stond ook van zijn stoel op en vroeg:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is er, Anneke? Wat scheelt er aan?&#8221;
+
+</p>
+<p>De goede man voelde al naar zijn zakdoek, om haar de tranen van de wangen te vegen, want hij hield veel van <a id="d0e429"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e429">26</a>]</span>Anneke. Maar hij vond zijn zakdoek nergens. Hij kon ook niet vermoeden, dat die als een vlag aan de toonbank wapperde.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, o,&#8221; zei Anneke, &#8220;daar heeft Jantje me de kraan uit het petroleumvat geslagen....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Den haan uit het kippenhok doodgeslagen?&#8221; vroeg Grootvader ontsteld. &#8220;Hoe komt het kind er bij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, neen,&#8221; zei Anneke met haar mond aan Grootvaders oor, &#8220;de kraan uit het petroleumvat geslagen, en nu is alle petroleum
+uit het vat geloopen, en Jantje zit er midden in. Ik weet niet, wat ik beginnen moet....&#8221;
+
+</p>
+<p>Grootvader had nu goed verstaan. Hij trok zijn klompen aan en stapte den winkel binnen, waar Jantje nog zijn uiterste best
+deed, om petroleum uit het leege vat te laten vloeien. Hij schreeuwde als &#700;t ware moord en brand.
+
+</p>
+<p>Grootvader keek ook niet weinig verschrikt, evenals een paar vrouwtjes, die juist kwamen aanloopen om boodschappen te halen.
+
+
+</p>
+<p>Trom plaste op zijn klompen door de petroleum en pakte Jantje op, dien hij regelrecht naar de keuken bracht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hier Griet, kleed hem maar dadelijk uit en stop hem in de tobbe,&#8221; zei hij tegen zijn vrouw, die van schrik bijna niet spreken
+kon, toen zij de ramp in oogenschouw nam.
+
+</p>
+<p>Daarna haalde Grootvader eene tobbe uit het schuurtje, benevens een paar dweilen, en begon den vloer op te dweilen.
+
+</p>
+<p>Hij schudde daarbij echter bedenkelijk met het hoofd, want hij begreep zeer goed, dat de zaak zoo gemakkelijk niet in orde
+kwam. Jantje schreeuwde intusschen honderd-uit, want hij werd door Moeder en Grootmoeder naakt uitgekleed en in een warm bad
+gestopt. Zijn kleeren waren onbruikbaar geworden.
+
+</p>
+<p>Dat laatste was ook het geval met den winkelvloer. <a id="d0e451"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e451">27</a>]</span>Trom besloot dan ook dadelijk de handen uit de mouwen te steken De geheele vloer werd opgebroken en door een nieuwen vervangen,
+wat den ouden man heel wat werk bezorgde, &#700;t Is te begrijpen, dat Dik verbaasd opkeek, toen hij &#700;s avonds thuis kwam en hem
+het gebeurde verteld werd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die kleine hazewindhond, hoe krijgt hij &#700;t in zijn hoofd,&#8221; zei hij eindelijk. En Grootvader zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zeg, dat hij een bizonder kind is, Dik, net als jij, en dat is-ie.&#8221;
+
+</p>
+<p>Sinds dien dag werd het petroleumvat zoo geplaatst, dat Jantje er niet meer bij kon. En de kleine kerel kreeg van zijn vader
+een houten hamertje, waar hij niet veel kwaad mee kon doen. Hij timmerde nu den geheelen dag en hielp Grootvader op zijn manier
+bij al diens werk. Hij liet zich daarbij door niets storen, of het moest door een draaiorgel zijn. Dat vond hij zoo verrukkelijk
+mooi, dat hij er zelfs zijn eten voor liet staan, wat hij anders voor geen geld ter wereld zou doen. En nog mooier vond hij
+het busje, waarin de vrouw van den orgeldraaier het geld ophaalde. De orgeldraaier en zijne vrouw woonden op het dorp en kwamen
+vast elken Dinsdag met het orgel rond. Dat was erg lastig voor Anneke, want die had dan altoos waschdag, en moest toch al
+elk oogenblik haar waschgoed in den steek laten, om de klanten in den winkel te helpen.
+
+</p>
+<p>Eens op een Dinsdagmorgen had zij het daarmede erg druk gehad, toe het geluid van het orgel al van verre tot haar doordrong.
+Ook Jantje had het gehoord. Hij was toen een jaar of drie en kon dus de deur al zelf opendoen.
+
+</p>
+<p>&#700;t Geluid van het orgel kwam naderbij, en Jantje was in de voordeur gaan staan, om van de muziek zooveel mogelijk te genieten.
+Eindelijk was het orgel tot voor <a id="d0e463"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e463">28</a>]</span>den winkel gekomen en verscheen Mietje, de vrouw van den orgeldraaier, die Klaas Touw heette, aan de deur. Jantje haastte
+zich naar de keuken, en zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Moedel, daal is Klaas Touw met het olgel.&#8221; De r kon hij nog niet zeggen, zoodat hij gemakshalve daar maar een l voor nam.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;H&egrave;, wat een gezeur van morgen,&#8221; zei Anneke, wie de zweetdroppels op het voorhoofd parelden van de drukte. &#8220;Er ligt wel een
+cent in de toonbanklade, Jantje, je weet wel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja moedel,&#8221; zei Jan, en weg was hij.
+
+</p>
+<p>Hij greep een handjevol centen en begaf zich naar Mietje.
+
+</p>
+<p>Hij legde een cent in het bakje en zag hem met de grootste belangstelling door de gleuf verdwijnen, want dat vond hij iets
+zeer geheimzinnigs. Toen de cent weg was, legde hij er een tweeden in, die op dezelfde eigenaardige wijze in de diepte verdween.
+Daarna een derde, en een vierde, en een vijfde. Dat ging zoo voort tot Jantjes handje leeg was. Mietje was blijkbaar een heel
+geduldig vrouwtje en zij streek Jantje liefkoozend over zijn kopje.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wacht even, ik zal del nog meel halen,&#8221; zei Jantje, en hij voegde de daad bij het woord. De toonbanklade was nog lang niet
+uitgeput en Jantje vond het heel aardig, dat het orgel zoo lang bleef draaien, en dat de centen zoo mooi in de bus verdwenen.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Flap,&#8221; daar viel er weer een naar beneden, tot groote pret van Jantje, die er hardop om lachen moest. &#8220;Flap,&#8221; weer een, en
+nog een, en nog een, tot zijn handje alweer leeg was. En tot zijn groote vreugde draaide het orgel nog maar steeds door, en
+bleek Mietje vriendelijk genoeg om voor zijn plezier nog een poosje te blijven staan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wacht even,&#8221; zei Jantje, &#8220;ik zal del nog meel halen. El zijn del nog genoeg.&#8221;
+
+</p>
+<p>Nu, dat was waar, en hij kwam al spoedig weer met een handjevol terug.
+<a id="d0e483"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e483">29</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Flap,&#8221; ging het alweer, en &#8220;flap, flap, flap,&#8221; volgden de andere. Anneke was zoo druk aan het wasschen, dat zij het heele
+orgel vergeten was. Gelukkig, dat er nu eens een poosje geen klanten kwamen....
+
+</p>
+<p>Jantje liep geregeld heen en weer van Mietje naar de lade, en van de lade naar Mietje, wier geduld onuitputtelijk bleek. Jantje
+vond haar erg zoet, dat ze zoo lang blijven wou en dat hij zoo prettig met het busje mocht spelen.
+
+</p>
+<p>Maar eindelijk was de voorraad centen uitgeput, en daarom begon Jantje met de dubbeltjes, die hij in de lade vond. Gelukkig
+kwam er juist een meisje den winkel binnen om een half pond suiker te halen en toen ze zag, wat Jantje deed, zei ze:
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg, stoute jongen, dat mag je niet doen.&#8221; Zij nam Jantje de dubbeltjes af, die hij in de hand had, en riep luid:
+
+</p>
+<p>&#8220;Vollek!&#8212;Vollek!&#8221;
+
+</p>
+<p>Opeens bleek Mietje haast te krijgen. Zij wenkte Klaas, die onmiddellijk den slinger van het orgel in rust bracht, en samen
+vervolgden zij met meer dan gewonen spoed hun tocht. Zij liepen zelfs zonder te spelen verscheidene huizen voorbij, en verdwenen
+in een achterbuurtje.
+
+</p>
+<p>Jantje was echter boos en begon luidkeels te schreeuwen. Maar zijn Moeder was nog boozer, toen zij van het meisje vernam wat
+er gebeurd was, en zij gaf Jantje voor zijne broek en zette hem in de woonkamer met bevel, dat hij daar den geheelen middag
+blijven moest. Klaas Touw en Mietje kregen, toen zij weer met het orgel kwamen, een geducht standje van haar en mochten in
+geen vol jaar meer aankomen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je hebt wel voor een jaar genoeg gehad,&#8221; zei Anneke boos, &#8220;en &#700;t is een schande, dat je het geld aangenomen hebt. Als je
+fatsoenlijke menschen waart, zou je mij gewaarschuwd hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>Of Mietje al zei, dat het zoo erg niet geweest was, en <a id="d0e502"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e502">30</a>]</span>dat Jantje maar een cent of vijf in het busje had gedaan, &#700;t hielp haar niets.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je hebt voor een jaar genoeg gehad, en daarmede is het uit,&#8221; zei Anneke beslist. Boos deed ze de deur voor Mietje&#700;s neus
+dicht.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e506" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Vijfde Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>Jantje en de school.</p>
+</div>
+<p>Jantje bleef zeer voorspoedig opgroeien. De gewone kinderziekten had hij al lang achter den rug, verkouden was hij nooit,
+en voor koorts scheen hij geen aanleg te hebben. Hij was buitengewoon levendig van natuur, waarvan het gevolg was, dat zijne
+Moeder hem zelfs met geen stok in huis kon houden.
+
+</p>
+<p>Eerst had zij daartoe wel alle middelen, die haar ten dienste stonden, in &#700;t werk gesteld, maar tevergeefs. Toen hij nog erg
+klein was, volgde hij steeds zijn Grootvader als diens schaduw, en dan timmerde hij den geheelen dag, maar toen hij een jaar
+of vier werd, vond hij daar niet veel pleizier meer in. Hij ging toen liever de buurt op, en was bijna altoos op de smerigste
+plaatsen te vinden, die er bestonden. Hij zag er daardoor gewoonlijk ontoonbaar uit. De modder zat hem dikwijls tot in de
+haren, zijne broek was bijna altoos hier of daar gescheurd, en zijn handen zagen zoo zwart als roet. Wel tienmaal op een dag
+greep Anneke hem bij den arm, nam hem m&ecirc;e naar de keuken, en boende hem met groene zeep schoon, waarbij de kleine pati&euml;nt
+gewoonlijk een erbarmelijk geschreeuw deed hooren, zoo erg, dat de klanten, die in <a id="d0e516"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e516">31</a>]</span>den winkel kwamen, soms dachten, dat er iemand vermoord werd. In die meening werden zij dan nog versterkt door de noodkreten
+van Jantje, die op zijn gewonen huilerigen toon niets anders deed, dan schreeuwen:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wou, dat ik dood was! Ik wou, dat ik dood was! Ik moet ook altijd maar gewasschen worden!&#8221;
+
+</p>
+<p>Zijn moeder toonde echter niet het minste medelijden en hield niet op, voordat Jantje vanwege de groene zeep blonk als een
+spiegeltje.
+
+</p>
+<p>&#700;t Was maar jammer, dat het slechts voor zoo korten tijd hielp. Geen tien minuten later zat Jantje weer in de modder te baggeren.
+Zijn voeten waren meestal kletsnat, want hij bewoog zich graag aan de slootkanten, om naar de kikkers te kijken en watertorren
+te vangen.
+
+</p>
+<p>Toen hij vier jaar oud was, kwam hij voor het eerst met een nat pak thuis. Hij had kopje-onder in het water gelegen. Dat gaf
+een schrik bij Anneke, en zij besloot kort en goed hem voortaan in huis te houden. Zij sloot hem in den tuin op. Maar dat
+beviel haar nog veel minder, want tot haar schrik zag zij hem &#700;s morgens om negen uur al op de vorsten van het schuurtje zitten,
+en even later kwam hij naar beneden tuimelen. Anneke zag het juist gebeuren, en zij dacht, dat hij wel dood zou zijn. Zij
+zat als met lamheid geslagen op haar stoel en was niet bij machte om op te rijzen en Jantje te gaan helpen. Dat bleek echter
+ook niet noodig te zijn, want Jantje sprong dadelijk overeind en klom weer tegen het schuurtje op. Een poosje later zat hij
+weer op de vorsten. Eerst was hij wel een beetje bleek van den schrik, maar dat werd spoedig beter.
+
+</p>
+<p>Anneke besloot hem niet meer op te sluiten, zoodat Jantje &#700;s middags weer in de buurt rondwandelde.
+
+</p>
+<p>Toen Dik het &#700;s avonds hoorde, moest hij er braaf om lachen, en hij zei:
+<a id="d0e530"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e530">32</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Wel, wel, kan die hazewindhond z&oacute;&oacute; klimmen? Kijk Anneke, dat is nu iets, wat ik in mijn jeugd nooit heb kunnen doen, omdat
+ik zoo dik was. Ik vind het wel aardig.&#8221;
+
+</p>
+<p>Anneke vond het dat niet, en zij klaagde z&oacute;&oacute; over de zorg, die zij van den vroegen morgen tot den laten avond over Jantje
+had, dat Dik besloot hem voortaan, als het goed weer was, maar me&ecirc; te nemen op den wagen.
+
+</p>
+<p>Dat was een kolfje naar Jantjes hand. Ha, wat vond hij het prettig om naast Vader op den bok van den wagen te zitten. Soms
+mocht hij de leidsels vasthouden of met de zweep klappen. Van slaan was geen sprake; dat wilde Dik volstrekt niet hebben.
+Zelf deed hij het ook alleen in bizondere omstandigheden. Het was dan ook werkelijk niet noodig, want de hit van Dik kon verbazend
+hard loopen. Dat beweerde Dik niet alleen, maar alle menschen op het dorp zeiden het. Die hit was eigenlijk een harddraver
+en Dik kende geen hit, uren in den omtrek, die zoo hard loopen kon als de zijne. E&eacute;n ding was maar jammer. De hit had namelijk
+wel eens koppige buien, eene kwaal, die ook andere hitten wel met hem gemeen hebben. Als hij in zoo&#700;n booze bui was, bleef
+hij vierkant op den weg staan met de pooten wijd uit elkander. Dan was er geen beweging in hem te krijgen. Eerst had Dik zijne
+toevlucht wel eens genomen tot de zweep, hoewel hij daar een geduchten hekel aan had, maar &#700;t had hem totaal niets geholpen.
+Eindelijk was Dik op &#700;t id&eacute;e gekomen om hem een klontje suiker voor den bek te houden, en als de hit het pakken wilde, hield
+hij het weer een eindje verder. Dat hielp goed, want de hit hield veel van klontjes, en liep zijn meester dan dadelijk na.
+En onder het smullen vergat hij zijn koppige bui, zoodat Dik weer op den bok kon gaan zitten. Als de hit weer eens niet voort
+wilde, <a id="d0e537"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e537">33</a>]</span>nam Dik dadelijk een klontje suiker, en dan was de zaak in orde. Maar de hit was slim, en telkens als hij trek kreeg in een
+klontje, bleef hij midden op den weg staan en ging niet verder, v&oacute;&oacute;r hij zijn zin gekregen had. Dat gebeurde spoedig wel al
+een keer of tien op een dag, zoodat Dik begreep, dat het niet langer ging. Hij gaf den hit geen enkel klontje meer, al bleef
+hij ook een half uur op den weg staan. Zoo leerde het beest langzamerhand zijn snoeplust weer af. Maar de koppige buien kwamen
+telkens terug. Wel niet dikwijls, maar toch te veel naar Dik&#700;s zin. &#700;t Was overigens een prachtige hit, die zijns gelijke
+niet had in het loopen. Dik hield dan ook bizonder veel van hem, en Jantje vond het w&aacute;t heerlijk, als het lieve paardje zoo
+lustig voor den wagen draafde.
+
+</p>
+<p>En Dik vond het prettig, als de kleine Jan naast hem op den bok zat. Als &#700;t mooi weer was, mocht Jantje altoos met hem mee,
+en dat gaf Anneke heel wat rust. Deze had het trouwens al druk genoeg met den winkel.
+
+</p>
+<p>Eindelijk werd Jantje vijf jaar en toen moest hij naar school. Maar daar had hij in &#700;t geheel geen zin in. Het vrije leventje
+en de toertjes met zijn vader bevielen hem veel te goed, en hij hield stijf en strak vol, dat hij nooit en nooit naar school
+wilde.
+
+</p>
+<p>Toch moest het gebeuren, en Dik bracht hem er zelf heen.
+
+</p>
+<p>Och, och, wat schreeuwde de kleine baas, en wat deed hij eene moeite om los te komen. Maar dat lukte hem niet, want zijn vader
+hield hem stevig vast.
+
+</p>
+<p>Hij schreeuwde nog, toen hij door de Juffrouw in ontvangst werd genomen, en hoeveel moeite zij ook deed om hem tot bedaren
+te brengen, &#700;t hielp haar niets. De andere nieuwelingen keken hem met de grootste verbazing aan. Zulk schreeuwen hadden zij
+blijkbaar nog nooit gehoord.
+
+</p>
+<p>De Juffrouw werd er zenuwachtig van, en wist eindelijk <a id="d0e551"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e551">34</a>]</span>geen raad meer met het kereltje. &#700;t Was haar onmogelijk iets te beginnen, want Jantje overschreeuwde haar stem wel tienmaal,
+zoodat niemand haar kon verstaan.
+
+</p>
+<p>Maar opeens kwam hij tot bedaren, tot groote verwondering en even groote blijdschap van de Juffrouw. Hij veegde zijne oogen
+af met de mouwen van zijn jasje, en stak toen parmantig den vinger op.
+
+</p>
+<p>De Juffrouw lachte hem vriendelijk toe, en vroeg:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel kleine man, wat is er?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juffrouw, wanneer begint de groote vacantie?&#8221; vroeg Jantje.
+
+</p>
+<p>De Juffrouw schoot in een lach, en zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;O h&eacute;, dat duurt nog een heelen tijd, Jantje. Dat duurt nog wel eene maand of drie.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vandaag nog niet?&#8221; vroeg Jantje, wiens lippen weer zenuwachtig begonnen te beven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, vandaag nog niet, Jan. Maar dat hindert niet. &#700;t Is hier in de school ook wel prettig.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jantje was dit echter in &#700;t geheel niet met haar eens, wat duidelijk bleek uit het feit, dat hij het weer verschrikkelijk
+op een schreeuwen zette. Er kwam geen einde aan.
+
+</p>
+<p>Jantje kreeg zelfs al spoedig gezelschap, want een paar andere nieuwelingen werden door zijn verdriet dermate aangestoken,
+dat zij ook hunne stem verhieven, en met Jantje om &#700;t hardst schreeuwden. Jantje keek even om, ten einde te zien, waar die
+nieuwe geluiden vandaan kwamen, en zette daarna de zaak op den ouden voet voort. &#700;t Was eindelijk langer niet uit te houden,
+en de Juffrouw besloot hare toevlucht tot krachtige maatregelen te nemen. Zij stapte op Jantje af, greep hem bij den arm,
+en zette hem in den hoek. Maar Jantje schreeuwde daardoor niet harder of zachter. De zaak liet hem volkomen koud.
+
+</p>
+<p>Daarom zette de juffrouw hem in een klein kamertje, dat als boekenkast gebruikt werd, en zij deed de deur achter <a id="d0e575"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e575">35</a>]</span>hem dicht. Eerst had zij geducht op hem gebromd.
+
+</p>
+<p>&#8220;D&aacute;&aacute;r dan, stoute jongen,&#8221; had ze gezegd. &#8220;Als jij niet naar verbieden wilt luisteren, moet je maar heelemaal alleen in de
+boekenkast zitten. Daar mag je schreeuwen, zoo hard je maar wilt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jantje volgde dat bevel echter in &#700;t geheel niet op. Hij vond het in die boekenkast heel vreemd, want z&oacute;oveel boeken had hij
+nog nooit bij elkaar gezien. En in den achtermuur was een raampje, dat bij mooi weer opengezet werd, omdat er anders zoo&#700;n
+vunzige lucht in de kast kwam. Toen Jantje de boeken bekeken had, wat niet lang duurde, deed hij het raampje open en klom
+behendig naar buiten.
+
+</p>
+<p>Ha, daar in de vrije natuur vond hij het pas heerlijk. Hij veegde de laatste tranen van zijn gezicht, stak zijn handen in
+de broekzakken, en zakte zingende op huis af.
+
+</p>
+<p>Anneke keek w&aacute;t gek op, toen zij hem om half elf binnen zag komen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mocht jij naar huis toe, Jan?&#8221; vroeg ze.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, Moeder,&#8221; zei Jan, &#8220;de Juffrouw bracht me zelf in een kamertje, waar een raam was om er uit te kruipen. O Moeder, dat
+was zoo&#700;n mooi kamertje, allemaal boeken, wel honderd millioen drie honderd duizend en nog veel meer.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In een kamertje met boeken, en een raam, waar je door moest kruipen? Dat begrijp ik niet, kind,&#8221; zei Anneke. &#8220;Enfin, &#700;t is
+al half elf. Blijf nu maar thuis.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat deed Jantje met het meeste genoegen.
+
+</p>
+<p>Maar de juffrouw, die na eenige minuten wachtens merkte, dat er geen geluid meer uit de boekenkast kwam en daarom besloot
+Jantje maar weer in de klasse te halen, schrikte geducht, toen zij de kast ledig vond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als het kind maar geen ongeluk gekregen heeft!&#8221; zuchtte ze. En ze stuurde dadelijk een jongen uit de hoogste klasse naar
+zijn huis, om te vragen, of hij daar was.
+<a id="d0e597"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e597">36</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ja, hier ben ik,&#8221; zei Jantje, nog voordat zijn Moeder gelegenheid had gehad iets te antwoorden. &#8220;En ik wil nooit meer naar
+school.&#8212;Vast niet!&#8221;
+
+</p>
+<p>Juist op dit oogenblik kwam Dik binnen, die even naar de smederij van Piet van Dril was geweest, om zijn hit te laten beslaan.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is er aan de hand, Anneke?&#8221; vroeg hij.
+
+</p>
+<p>En nauwelijks had hij gehoord, wat Jantje gedaan had, of hij pakte hem bij zijn arm en bracht hem weer naar school, waar Jantje
+onder een vervaarlijk geschreeuw zijn intocht deed.
+
+</p>
+<p>&#8220;Juffrouw,&#8221; zei Dik, &#8220;als hij niet ophoudt met schreeuwen, mag hij nooit meer mee uit rijden. Dat z&egrave;g ik en dat m&eacute;&eacute;n ik.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Die bedreiging hielp dadelijk. Jantje deed zijn mond dicht en gaf geen kik meer, tot groote vreugde van de Juffrouw. Voor
+Jantje was er geen zwaardere straf te bedenken dan dat hij niet meer met zijn vader uit rijden mocht.
+
+</p>
+<p>Toen hij eenmaal tot bedaren gekomen was, zette hij zich met ijver aan de studie, en het bleek weldra, dat hij de vlugste
+van de geheele klasse was. Hij kende de letters al, als hij ze nog maar eenmaal gezien had, hij schreef het mooist, en hij
+rekende beter dan iemand anders. De Juffrouw vond hem bepaald een vluggertje. Maar omdat hij altoos &#700;t eerst met zijn werk
+gereed was, had hij ook steeds tijd over, en dan werd hij ondeugend. &#700;t Duurde dan ook maar kort, of de Juffrouw zei altoos,
+als ze van hem sprak:
+
+</p>
+<p>&#8220;De jongen heeft drie bijzondere eigenschappen: hij is de vlugste, de ondeugendste en de magerste jongen van de geheele school.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>En dat was ook zoo. Hij deed altoos kattekwaad, als hij zijn werk afhad. Naast hem zat Karel van Dril, de zoon <a id="d0e616"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e616">37</a>]</span>van den smid. Jan kende hem al lang voor hij naar school ging, omdat hunne ouders zeer bevriend waren en dikwijls bij elkaar
+op visite kwamen.
+
+</p>
+<p>Karel kon vrij goed leeren, maar met het rekenen had hij het eerste jaar nog al moeite. Hij verwarde altijd de 3 met de 8
+en de 6 met de 9, waardoor de uitkomst natuurlijk niet goed kwam. Ook gelukte het hem maar zelden, om een leesbare 5 te schrijven.
+Als Jantje zijn werk al afhad, was Karel nog niet op de helft. En toch deed hij erg zijn best. Hij hoorde dan niet eens, wat
+Jantje hem toefluisterde, en eigenlijk hoorde hij zelfs niet, dat er wat tegen hem gezegd werd, zoo verdiept was hij dan in
+zijn werk. Die rekensommen kostten hem menigen zweetdroppel, en hij kon er bij zuchten als een stoommachine.
+
+</p>
+<p>Jantje was dan niet in de mogelijkheid om een gesprek met hem aan te knoopen, en moest zich dus op andere wijze zien te vermaken.
+In den knikkertijd speelde hij met zijn knikkers, die hij dan zoo dikwijls telde, tot ze eindelijk met groot lawaai op den
+grond terecht kwamen. Dan was Holland in last. Hij raakte zijne knikkers kwijt en kreeg nog straf op den koop toe.
+
+</p>
+<p>Eens in den toltijd had hij zijne tollen zitten bekijken, die hij onder de tafel in de handen hield. Eindelijk haalde hij
+zijn tolsnoer te voorschijn en ging er op zijn manier mee zitten hengelen. Dan verbeeldde hij zich, dat hij tuk kreeg, en
+als hij dan ophaalde, zag hij er snoeken of karpers aan. Toen hij visch genoeg gevangen had naar zijn zin, bedacht hij een
+ander spelletje. Hij slingerde het touw om zijn rechterbeen en om het linkerbeen van Karel, die zoo in zijne sommen verdiept
+zat, dat hij er niets van merkte. En Jantje bond de beenen stijf aan elkander. Toen diepte hij zijne tollen weer op, om ze
+voor de honderdste maal nog eens te bekijken. De Juffrouw zag, dat hij zat <a id="d0e624"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e624">38</a>]</span>te spelen, en verbood het hem, maar zij was zoo druk bezig met hier en daar een achterlijk kind voort te helpen, dat zij niet
+veel aandacht aan Jantje kon wijden. Maar inwendig was zij toch wel boos op hem, want zijne lei was al eens met een harden
+smak op den grond gevallen, en nu kwamen plotseling weer al zijn tollen op den vloer terecht, tot groot vermaak van de andere
+jongens, waarvan er eenige hardop begonnen te lachen.
+
+</p>
+<p>Nu werd de wanorde de Juffrouw toch wel wat al te groot. Met forsche schreden stapte zij op Jantje toe, greep hem driftig
+bij den arm en wilde hem de bank uittrekken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Allo, ondeugende jongen, v&oacute;&oacute;r de klasse! Direct!&#8221; En zij trok zoo hard, dat Jantje wel mee moest. Maar o wee, zijn rechterbeen
+zat aan het linker van Karel vast, zoodat Kareltje &oacute;&oacute;k mee moest,&#8212;tot zijn groote verbazing.
+
+</p>
+<p>&#8220;O Juffrouw! Mijn been! Mijn been!&#8221; schreeuwde Karel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Houd jij je mond!&#8221; riep de Juffrouw boos, en zij trok nog harder aan Jantjes arm. Jantje viel half de bank uit, en Kareltje
+volgde zijn voorbeeld.
+
+</p>
+<p>&#8220;O Juffrouw, mijn been!&#8212;Mijn been zit vast!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Kan me niets schelen,&#8212;vooruit bengel!&#8221; riep de Juffrouw.
+
+</p>
+<p>Maar Jantje kon niet verder. Het blok aan zijn been was te zwaar, en de Juffrouw begon eindelijk te begrijpen, wat er aan
+de hand was. Toen werd zij nog veel boozer, vooral toen de andere kinderen hun lachen niet konden inhouden. Zij nam haar zakmesje
+en sneed het touw in verscheidene stukken. Jantje werd in den eenen hoek gezet, en Kareltje, die dood-onschuldig was aan &#700;t
+geheele zaakje, in den anderen. Maar Karel protesteerde. Hij wou geen straf hebben, omdat hij niets gedaan had, en toen de
+Juffrouw eindelijk goed op de hoogte kwam van het gebeurde, vond <a id="d0e640"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e640">39</a>]</span>zij ook, dat hij geen straf had verdiend. Hij mocht dus weer gaan rekenen, maar Jantje moest schoolblijven, was zijn tolsnoer
+kwijt, en zag ook zijne tollen, die de Juffrouw hem afgenomen had, in de kast verdwijnen.
+
+</p>
+<p>Toen hij &#700;s middags om half een verlof kreeg om naar huis te gaan, vroeg hij met een deemoedig gezicht, of hij asjeblieft
+zijn tollen terug mocht hebben. Maar daar was geen denken aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Met Nieuwjaar!&#8221; zei de Juffrouw kortaf. En daar was de zaak me&ecirc; afgeloopen. Jantje had niet erg veel plezier van de grap,
+want nu kon hij &#700;s avonds niet meer met de andere jongens meedoen, als zij potje-tolden. En dat deed hij juist zoo graag.
+Hij was trouwens een liefhebber van alle mogelijke spelletjes. Was het in den toltijd, dan vond hij dat het prettigste spel
+van de wereld, was het in den knikkertijd, dan vond hij d&aacute;t weer &#700;t mooist. En zoo ging het met alle spelen, die door de jongens
+werden gedaan. Maar &#700;t &aacute;llerprettigst vond hij toch den sneeuwtijd. Iets heerlijkers was er volgens hem niet te bedenken.
+
+
+</p>
+<p>Zijn grootvader had voor hem een slee gemaakt, en daar gleed hij elk vrij uurtje mede van een hoogen dijk af. Ha, wat ging
+dat echt. En zoo vlug! &#700;t Was net of hij naar beneden viel, maar &#700;t liep altoos erg best af. Hij moest wel oppassen, dat hij
+in zijne vaart niet in een sloot terecht kwam, die langs den dijk liep, maar Jantje wist zich met zijne klompen zoo netjes
+te sturen, dat hij altoos vlak langs de sloot zijn draai kon nemen. Dat mislukte hem nooit.
+
+</p>
+<p>Op de speelplaats van de school vermaakte hij zich met het gooien van sneeuwballen. Ieder, dien hij maar raken kon, kreeg
+er een tegen zijn muts of in zijn hals, en dan had Jantje de grootste pret. Maar dan kreeg hij ook rijkelijk zijn portie terug,
+want de andere jongens lieten zich niet ongestraft bekogelen.
+<a id="d0e650"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e650">40</a>]</span></p>
+<p>Toch hadden zij het tegen Jantje altijd kwaad te verantwoorden, want hij was zeldzaam vlug in zijne bewegingen en kon best
+mikken. Bovendien zorgde hij er steeds voor, een goeden voorraad sneeuwballen in zijn broekzakken te hebben, zoodat hij ze,
+als de nood aan den man kwam, maar voor het grijpen had. Dan vlogen de kogels den jongens als het ware om de ooren, en meestal
+eindigde het gevecht met een smadelijke vlucht van zijne tegenstanders. Eens op een avond echter, om vier uur, toen hij uit
+de school naar huis ging, kreeg hij onverwachts met zooveel kracht een sneeuwbal achter in zijn nek, dat hij niet kon nalaten
+au te roepen. &#700;t Deed hem dan ook geducht pijn, want &#700;t was een verbazend harde sneeuwbal geweest, veel harder, dan hij ze
+ooit gooide. &#700;t Was eigenlijk een valsche streek, en toen hij omkeek, zag hij dat een jongen uit de buurt de dader was. Die
+jongen heette Klaas Zwart, en stond niet al te gunstig onder zijne kameraadjes bekend.
+
+</p>
+<p>Jan zag, hoe Klaas er om lachte, dat hij hem zoo geducht geraakt had, en hij werd er erg boos om.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is valsch, leelijkerd,&#8221; riep hij Klaas toe. &#8220;Jij gooit met sneeuwballen, waar een steen in zit. Maar ik zal het je betaald
+zetten, wacht maar!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is nietes!&#8221; riep Klaas terug, zich op een eerbiedigen afstand houdende, &#8220;er zat geen steen in.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom op als je durft!&#8221; schreeuwde Jantje hem toe, wiens nek prikkelde van de pijn. Het koude water liep hem langs zijn ruggestreng.
+
+
+</p>
+<p>Maar Klaas durfde niet. Hij bleef op eenigen afstand staan, gereed om te vluchten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Lafaard!&#8221; riep Jantje. &#8220;Kom op, als je durft.&#8212;Je durft niet, h&egrave;, daar ben je te bang voor! Leelijke gluiperd!&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij keerde zich verontwaardigd om en liep naar huis.
+
+</p>
+<p>Maar den volgenden morgen ging hij vroeg naar de <a id="d0e669"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e669">41</a>]</span>speelplaats, maakte een flinken voorraad sneeuwballen, die hij als kogels op elkander stapelde, en stopte toen ook nog zijn
+broekzakken vol sneeuwballen voor het geval, dat Klaas op de vlucht mocht slaan, en hij hem dus achtervolgen moest. Zoo gewapend
+wachtte hij de komst van zijn vijand af. Zijne broekzakken puilden wijd uit van de sneeuwkogels, en hij kon er veel in zijn
+zakken bergen, want hij had wijde broekspijpen, en zijne dunne beentjes namen niet veel plaats in.
+
+</p>
+<p>Eindelijk verscheen Klaas op de speelplaats.
+
+</p>
+<p>Maar hij was op zijn hoede, want hij vertrouwde Jantje niet erg. Hij kreeg hem dan ook al spoedig in het oog, en meende hem
+door een vriendelijk praatje wat zachter te stemmen. Er waren nu al verscheidene jongens op het plein.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo Jan,&#8221; riep hij zijn vijand toe, &#8220;ga je van middag mee op mijn slee?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Op je gezicht kun-je krijgen,&#8221; riep Jantje terug. &#8220;Kom op, als je durft, dan zullen wij sleden!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij durft niet!&#8221; riepen de andere jongens lachend, toen zij zagen, dat Klaas bleef staan. &#8220;H&egrave;, wat een bangerd! Kijk hem
+nu eens staan, zoo&#700;n hufter!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Toe dan, Klaas, kom op!&#8221; tartte Jantje. Hij nam een sneeuwbal van zijn stapel, en wierp hem Klaas vlak in &#700;t gezicht. Zijn
+neus zat dik onder de sneeuw, en Klaas kreeg er sterretjes van voor zijne oogen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Lekker zoo! Goed zoo!&#8221; riepen de jongens. &#8220;Geef hem zijn portie, Jan!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Flap!&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar kreeg Klaas den tweeden, ditmaal tegen zijne muts, die hem van het hoofd vloog, tot groote pret van de jongens, die in
+het rond sprongen van pleizier. Want zij hielden niet erg van Klaas.
+<a id="d0e689"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e689">42</a>]</span></p>
+<p>Maar Klaas werd nu toch woedend, en hij vergat zijne vrees.
+
+</p>
+<p>Vlug bukte hij zich om een sneeuwbal te maken, doch voordat hij daarmede gereed was, kreeg hij er een van Jan tegen zijn linkeroor.
+
+
+</p>
+<p>Toen wierp Klaas er Jan een tegen zijn schouder, maar hij kreeg er dadelijk wel drie voor terug.
+
+</p>
+<p>&#8220;Houd-je goed, Jan, toe maar!&#8221; schreeuwden de jongens.
+
+</p>
+<p>&#700;t Werd een verwoed gevecht, en Klaas verweerde zich dapper, maar hij verkeerde in veel ongunstiger omstandigheden dan Jantje,
+daar deze de ballen al gereed had liggen.
+
+</p>
+<p>Jantje nam er een stuk of vier in zijne hand, en vloog op Klaas af. Maar dat was Klaas te veel, en hij zette het op een loopen.
+
+
+</p>
+<p>Jan hem achterna.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar gaat hij loopen!&#8221; schreeuwden de jongens. &#8220;Houd-je goed, Jan!&#8221;
+
+</p>
+<p>Klaas liep, wat hij loopen kon, en Jan volgde hem op de hielen.
+
+</p>
+<p>Telkens voelde Klaas een sneeuwbal tegen zijn achterhoofd of in zijn nek terechtkomen, en &#700;t huilen stond hem nader dan het
+lachen.
+
+</p>
+<p>Tot opeens Jantje misgooide, en zijn sneeuwbal in een ruit van de school terecht kwam. De scherven vielen rinkelend naar beneden,
+en op &#700;t zelfde oogenblik kwam de hoofdonderwijzer naar buiten, die Jantje bij zijn kraag pakte en hem in een hoek van de
+school zette, niet ver van de kachel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jij blijft om twaalf uur wachten, hoor baasje!&#8221; zei de meester. &#8220;Ik moet je dan eens vragen, hoeveel geld je wel in je spaarpot
+hebt. &#700;t Is er nu te laat voor, want de school gaat aan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Inderdaad werden de deuren geopend en de kinderen binnengeroepen.
+<a id="d0e716"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e716">43</a>]</span></p>
+<p>De Juffrouw kwam naar Jantje toe en bromde ook op hem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Stoute jongen,&#8221; zei ze, &#8220;moet jij hier de glazen ingooien? Je bent niet bij je moeder thuis.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar mag ik het ook niet doen, Juffrouw,&#8221; zei Jan op deemoedigen toon, en de Juffrouw begreep, dat zij zich niet al te juist
+had uitgedrukt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Houd je mond, brutale jongen,&#8221; zei ze.
+
+</p>
+<p>Ze ging voor de klasse staan en begon met hare werkzaamheden.
+
+</p>
+<p>Jantje vond het niet prettig in dien warmen hoek bij de kachel, want hij leerde veel liever met de andere leerlingen m&ecirc;e,
+en bovendien was hij al erg warm van het sneeuwballen zoodat hij het bij de heete kachel bijna niet kon uithouden. Deze stond
+dan ook rondom gloeiend, want ze was nog niet lang geleden aangelegd, en het lokaal moest eerst door en door verwarmd worden.
+Jantjes handen begonnen al gauw te tintelen, zoo erg, dat hij er bleek van werd. Maar dat ging spoedig over, en Jantje voelde
+zich al weer wat lekkerder worden, toen hij opeens een onaangenaam gevoel langs zijne beenen kreeg. &#700;t Was net, of er een
+straaltje koud water langs liep.
+
+</p>
+<p>Eerst begreep hij niet, wat dat wezen kon, maar toch voelde hij het duidelijk. &#700;t Liep langs zijne dijen, passeerde zijne
+knie&euml;n en kwam eindelijk in zijne kousen terecht.
+
+</p>
+<p>Al spoedig snapte hij, wat er aan de hand was. &#700;t Waren de sneeuwballen, waarmede hij zijne broekzakken had gevuld, die bij
+de heete kachel langzaam begonnen te smelten. Hij voelde, dat zijne kousen nat werden, en hij begreep, dat het zaakje leelijk
+voor hem kon afloopen. Hij hoopte echter, dat de sneeuwballen niet z&oacute;&oacute;veel water zouden geven, dat het de aandacht van de
+Juffrouw zou trekken.
+
+</p>
+<p>Doch onophoudelijk liepen kleine straaltjes water langs <a id="d0e735"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e735">44</a>]</span>zijne dunne beentjes naar beneden, en toen hij zijne voeten even verzette, merkte hij, dat zijne kousen al kletsnat waren.
+
+
+</p>
+<p>Angstvallig hield hij zijn blik op zijne voeten gericht. En waarlijk, daar zag hij tot zijn grooten schrik, dat er zich rondom
+zijne voeten een klein meertje begon te vormen, dat langzaam maar zeker grooter werd. &#700;t Nam steeds in omvang toe, zoodat
+Jantje zich hoe langer hoe minder op zijn gemak voelde.
+
+</p>
+<p>Gelukkig was de Juffrouw met zooveel ijver aan het werk, dat zij Jan geheel vergeten was.
+
+</p>
+<p>Eindelijk was de plas rondom Jan z&oacute;&oacute; groot geworden, dat hij de aandacht trok van Klaas Zwart, wiens haren nog druipnat waren
+van de sneeuwballen, waarop Jan hem had getracteerd. Nauwelijks had hij hem gezien, of hij stak met veel bombarie zijn vinger
+op, en riep:
+
+</p>
+<p>&#8220;Juffrouw! Juffrouw! Jan Trom heeft wat op den grond gedaan!&#8221;
+
+</p>
+<p>Die tijding gaf eene heele opschudding in de klasse. De kinderen gingen half in de banken staan en rekten de halzen, om goed
+te kunnen kijken. En de Juffrouw keerde zich om en keek heel vies naar de plaats, waar Jantje stond met beschaamde kaken.
+Hij zag rood tot achter zijne ooren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vieze jongen!&#8221; riep de Juffrouw hem toe. &#8220;Waarom heb je me niet gewaarschuwd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is niet waar, Juffrouw!&#8221; riep Jan, huilend van verontwaardiging &#8220;Ik had sneeuwballen in mijn zak, en die zijn bij de
+heete kachel gesmolten.&#8221;
+
+</p>
+<p>En om te bewijzen, dat hij de waarheid sprak, stak hij zijn handen in de zakken, en dolf er de half gesmolten kogels uit op.
+
+
+</p>
+<p>De Juffrouw schoot in een geweldige lachbui, en de kinderen moesten ook zoo lachen, dat zij bijna niet tot bedaren konden
+komen.
+<a id="d0e755"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e755">45</a>]</span></p>
+<p>Jantje mocht naar huis om droge kleeren aan te trekken.
+
+</p>
+<p>Zijn vader keek hem eerst heel boos aan, toen hij hem zoo tusschentijds zag binnenkomen, maar toen hij hoorde, wat er gebeurd
+was, moest hij er ook smakelijk om lachen, en hij vertelde het aan alle klanten, die dien dag in den winkel kwamen.
+
+</p>
+<p>Toen Jan &#700;s middags weer naar school ging, gaf zijn vader hem de opdracht om eerst naar den glazenmaker te gaan en hem te
+verzoeken, de gebroken ruit door een andere te vervangen. Zoo liep dat zaakje voor Jantje nog al goed af. Maar op Klaas Zwart
+was hij meer dan boos, want hij vond hem een valschen jongen en een laffen klikspaan.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e762" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Zesde Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>Jantje wordt jarig en krijgt mooie cadeaux.</p>
+</div>
+<p>Jantje zou voor den achtsten keer jarig worden. Zijn vader had hem beloofd, dat hij den volgenden morgen een prachtig cadeau
+van hem zou krijgen, maar van die belofte had hij later erg veel spijt, want Jantje wilde met alle geweld weten, welk cadeau
+dat was, en hij hield niet op met zeuren.
+
+</p>
+<p>Zijn Vader wilde het echter niet zeggen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Morgenochtend zul-je het wel zien,&#8221; zei Dik.
+
+</p>
+<p>&#8220;Is het mooi?&#8221; vroeg Jantje.
+
+</p>
+<p>&#8220;Erg mooi,&#8221; was het antwoord.
+
+</p>
+<p>&#8220;Erg prachtig mooi?&#8221; hield Jantje vol, wiens oogen schitterden van nieuwsgierigheid.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; lachte zijn Vader, &#8220;erg prachtig mooi. Z&oacute;&oacute; mooi, z&oacute;&oacute; mooi, dat er niets mooiers op de wereld te bedenken is.&#8221;
+<a id="d0e782"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e782">46</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Waar lijkt het op?&#8221; vroeg Jan polsend.
+
+</p>
+<p>&#8220;Op onzen hit,&#8221; zei zijn vader.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, zeker een paardje op wieletjes?&#8221; zei Jantje met een opgetrokken neus. &#8220;D&aacute;t is niet mooi, Vader, veel te kinderachtig.
+Toe Moeder, zegt u me maar, wat het is.&#8212;Toe.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen Janneman, dat zeg ik niet,&#8221; zei zijne moe. &#8220;Morgenochtend zul je &#700;t wel zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jantje zeurde nog geruimen tijd door, maar toen hij zag, dat hij zijn doel daarmede niet bereikte, zette hij het op een schreeuwen
+op eene geweldige manier. De ondervinding had hem geleerd, dat dit een beproefd middel was.
+
+</p>
+<p>Maar dezen keer hielp het hem van den wal in de sloot, want het begon zijn vader al spoedig te vervelen. Hij pakte Jantje
+bij zijn kraag, deed het kelderluik in den winkelvloer open, en stopte Jantje doodbedaard onder den grond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zie zoo, kereltje,&#8221; zei Dik, &#8220;daar mag je schreeuwen, zoo lang en zoo hard je maar kunt. Ga je gang maar.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jantje vond het een afdoend geneesmiddel, en jammerde:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wil naar bed! Ik wil naar bed!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is nog maar half zes!&#8221; zei zijn vader.
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Doet er niet toe, &#700;k wil t&oacute;ch naar bed, dan is het veel gauwer morgenochtend!&#8221; schreeuwde Jantje.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ook al goed!&#8221; zei Dik.
+
+</p>
+<p>Vijf minuten later lag Jan onder de dekens, en een kwartier later sliep hij als eene roos.
+
+</p>
+<p>Om elf uur gingen Dik en Anneke naar bed, maar zij hadden pas den slaap te pakken, of Jantje werd wakker en dacht direct aan
+zijn cadeau.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vader!&#8221; riep hij zoo hard hij kon,&#8212;&#8220;Vader, wat krijg ik nu van u? Ik ben jarig!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een pak voor je broek, als je niet dadelijk je mond houdt,&#8221; zei Dik, die het lang niet prettig vond, dat hij <a id="d0e815"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e815">47</a>]</span>wakker gemaakt werd. &#8220;De nacht begint pas. Ga maar weer slapen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Met een zucht kneep Jantje zijne oogen weer dicht, en hij sliep ook waarlijk in, maar &#700;t duurde slechts kort. &#700;t Was nog v&oacute;&oacute;r
+twaalven, toen hij opnieuw wakker werd. Nu zou het stellig toch wel morgen wezen, dacht hij.
+
+</p>
+<p>Hij liet zich vlug van zijn bed glijden, ging naar het bed, waar zijn ouders sliepen, en trok zijn vader aan zijn neus.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hei, ho, wat is dat?&#8221; riep Dik verschrikt uit, want hij vond het een vreemde manier om gewekt te worden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vader, ik ben jarig!&#8221; riep Jantje hem toe. &#8220;Welk cadeau krijg ik nou van u?&#8221;
+
+</p>
+<p>Maar zijn vader werd terdege boos.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga naar je bed, deugniet, en als ik vannacht je geluid weer hoor, krijg je morgen niets, hoor je, heelemaal niets! Allo,
+pak je weg, naar je bed. En je geeft geen kik meer, versta-je?&#8221;
+
+</p>
+<p>Jantje maakte aanstalten om weer te gaan schreeuwen, maar Dik zei knorrig:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wou je liever in den kelder onder den winkelvloer?&#8221;
+
+</p>
+<p>Neen, dat kon Jantje in &#700;t geheel niet bekoren, en hij maakte gauw, dat hij weer in zijn bed kwam.
+
+</p>
+<p>Maar den slaap kon hij niet meer vatten; hij was dan ook veel te vroeg naar zijn bed gegaan. Hij deed niet anders dan zuchten,
+en vond, dat de nacht vreeselijk lang duurde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Er komt nooit een einde aan,&#8221; mompelde hij zacht. &#8220;Weet je wat, ik ga tot duizend tellen. Karel van Dril zegt, dat je dan
+altijd vanzelf in slaap valt. Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, ik ben toch nog wakker. Bij mij
+helpt het niet. Zeventien, achttien, negentien, twintig, wat zou het toch voor een cadeautje wezen? Ik denk van <a id="d0e839"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e839">48</a>]</span>een bromtol, zeven en tachtig, acht en tachtig, negen en tachtig, of een zak met knikkers, negen en negentig, honderd h&egrave;,
+h&egrave;, nu ben ik al aan honderd, en ik slaap nog niet. Honderd en een, honderd en twee, h&egrave;, ik wou dat ik een zak met tachtig
+knikkers kreeg, een en tachtig, twee en tachtig, drie en tachtig, h&ograve;, dat is fout, want nu ben ik nog maar aan drie en tachtig,
+en een heele poos geleden was ik al bij honderd,&#8212;dan maar van voren af: een, twee, drie, knikkers, knikkers, een, twee, bromtol,
+knikkers, zes, drie, zeven, ... twee, jarig, zes...&#8221;
+
+</p>
+<p>Jantjes oogen vielen dicht en hij sliep weer. En hij droomde, dat hij een mooien bromtol kreeg, die prachtige muziek kon maken.
+Hij nam een touwtje, wond den tol op, en trok hem af. H&agrave;, wat stond hij prachtig, en er kwam muziek uit, precies als uit het
+orgel in de kerk of het draaiorgel van Klaas Touw. En opeens nam hij een sprongetje en ging bovenop den kop van den tol zitten,
+en draaide uit alle macht in de rondte. Jongen, wat ging dat mooi, &#700;t werd hem geel en groen voor de oogen, en de tol wist
+niet van ophouden, leek het wel. Maar eindelijk begon hij toch langzamer te draaien, toen waggelde hij eenige keeren, zoodat
+Jantje zijn evenwicht bijna niet bewaren kon, en plof, daar viel de tol om, en Jantje tuimelde op den grond....
+
+</p>
+<p>Met een kreet van schrik werd hij weer wakker, en tot zijn spijt voelde hij, dat hij nog in zijn bed lag, dat zijn tol verdwenen
+was, en dat het nog al geen dag werd.
+
+</p>
+<p>Maar dat laatste kon hij toch niet gelooven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; zei hij zacht, &#8220;&#700;t is bepaald al lang dag, en &#700;t is hier alleen zoo donker, omdat de luiken dicht zijn. Vader verslaapt
+zich zeker. Weet je wat, ik zal heel stilletjes de luiken opendoen, z&oacute;&oacute; stil, dat vader en moeder het niet hooren. En als
+dan de zon naar binnen schijnt, zal ik Vader roepen, en wat zal hij dan vreemd opkijken.&#8221;
+<a id="d0e849"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e849">49</a>]</span></p>
+<p>Zoo gezegd, zoo gedaan.
+
+</p>
+<p>Jantje kroop stil zijn bed uit, liep op zijn bloote voeten naar het raam, en stootte zijn kleinen teen zoo hard tegen den
+poot van de tafel, dat de tranen hem in de oogen sprongen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Au!&#8221; riep hij binnensmonds, en zijn vader werd er half wakker van. Deze draaide zich in zijn bed om.
+
+</p>
+<p>Jantje liet zich daardoor echter niet afschrikken.
+
+</p>
+<p>Hij ging verder en kwam bij het raam. Daar zocht hij naar het luik, en duwde het open. Maar &#700;t bleef donker in de kamer; het
+was tot zijne groote spijt blijkbaar nog nacht. Hij besloot, onder het slaken van een diepen zucht, maar weer naar zijn bed
+terug te keeren, doch op den terugtocht schoof hij zijn vaders glazen aschbak van de tafel, zoodat dit voorwerp met veel lawaai
+op den grond terecht kwam, en in scherven uit elkander spatte.
+
+</p>
+<p>Jantje bleef van schrik stokstijf staan, en zijn ouders, die niet begrepen wat dit geraas midden in den nacht beteekenen moest,
+vlogen in hun bed overeind.
+
+</p>
+<p>Met een wip stond Dik op den vloer, waar hij bijna over Jantje struikelde, die het hazenpad wilde kiezen en vlak voor zijn
+vaders beenen liep. Toen begreep Dik, wat er eigenlijk aan de hand was. Hij greep op goed geluk rondom zich, om Jantje te
+pakken, en riep:
+
+</p>
+<p>&#8220;Jongen, ben je nu alw&eacute;er uit je bed?&#8221; Maar Jantje had zich zoo vlug als hij kon uit de voeten gemaakt, en lag alweer onder
+de dekens.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen Vader,&#8221; zei hij, &#8220;ik ben hier.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen moest Dik wel lachen, of hij wilde of niet.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, n&uacute; ben je weer in je bed, maar zoo pas liep je nog hier in de kamer. Ga toch slapen, en houd ons niet den heelen nacht
+wakker. Als ik je w&eacute;&eacute;r hoor, eet ik het cadeau zelf op, en dan krijg je niemendal!&#8221;
+<a id="d0e872"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e872">50</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Opeten, Vader?&#8221; vroeg Jantje verschrikt. &#8220;Kan het dan opgegeten worden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O ja,&#8221; zei Dik, terwijl hij weer in zijn bed stapte, &#8220;&#700;t Smaakt wat lekker, en als ik je weer hoor, krijg je er niets van.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;En &#700;t lijkt op een hit?&#8221; zei Jan spijtig. &#8220;Dat heeft u zelf gezegd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu jongen, een hit kun-je toch ook opeten!&#8221; riep Dik terug. &#8220;Maar ga nu slapen, en laat je geluid niet meer hooren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jantje zweeg. Hij was verdrietig, omdat hij geen mooien tol kreeg, of een zak met knikkers.
+
+</p>
+<p>&#8220;Iets lekkers, bah, wat heb-je daar nu aan?&#8221; dacht hij.
+
+</p>
+<p>De koele nachtlucht had hem huiverig gemaakt, en de warmte van het bed deed hem behaaglijk aan. Hij stopte zich lekker toe,
+en sliep werkelijk na een poosje weer in. Maar om vier uur werd hij weer wakker.
+
+</p>
+<p>Hij stak zijn hoofd buiten de gordijnen, om te kijken of het licht al door de half openstaande luiken drong, en hij zag, dat
+het nog altijd nacht was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Moe,&#8212;Moeder!&#8221; riep hij zacht.
+
+</p>
+<p>Maar er volgde geen antwoord.
+
+</p>
+<p>&#8220;Moeder!&#8212;Moeder!&#8221; klonk het wat harder.
+
+</p>
+<p>Moeder sliep door.
+
+</p>
+<p>&#8220;Moeder!&#8212;Moeder!&#8212;Is het n&oacute;g nacht,&#8221; riep Jantje met luider stem.
+
+</p>
+<p>Zijne ouders werden er wakker van, en Dik maakte zich boos.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar heb je dien drommelschen jongen alweer!&#8221; riep hij uit. &#8220;Wat wil je toch?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De nacht duurt zoo lang!&#8221; huilde Jantje. &#8220;Wil u de luiken vast openzetten? &#700;t Is al lang dag, geloof ik. De klok gaat achter.&#8221;
+
+<a id="d0e905"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e905">51</a>]</span></p>
+<p>&#8220;En de zon zeker ook,&#8221; zei Dik. &#8220;Ga lekker slapen, jongen, dan is het morgen v&oacute;&oacute;r je het weet. Wel te rusten, Jan, en je mond
+houden, hoor.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel te rusten,&#8221; zei Jantje met een snik en een zucht.
+
+</p>
+<p>Nu kon hij echter den slaap in &#700;t geheel niet meer vatten, en hij verveelde zich schrikkelijk. Wel tienmaal begon hij tot
+duizend te tellen, maar telkens raakte hij in de war, en eindelijk gaf hij het op. Hij ging voor tijdverdrijf spelletjes doen.
+Eerst stak hij zijn voeten zoo hoog mogelijk in de lucht, met de dekens er overheen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu is het een hooge berg,&#8221; dacht hij. &#8220;Wacht ik zal er een man boven op zetten, dan kan hij ver zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij liet zijn voeten zakken, en legde zijn kussen er op. Toen stak hij het heele gevalletje voorzichtig in de hoogte, maar
+de man viel telkens van den hoogen berg af, en kwam hem eenmaal precies op zijn hoofd te liggen.
+
+</p>
+<p>Eens bleef de man boven op den berg, en toen liet Jan den berg instorten, zoodat de man geheel bedolven werd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu is hij morsdood,&#8221; zei Jan. &#8220;Wacht, ik zal stil een stoel in mijn bed halen. Dat is veel leuker.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij kroop voorzichtig uit zijn bed, greep een stoel, en klom er weer heel zacht in. Zijn ouders hadden er niets van gemerkt.
+Hij legde den stoel voorover, en ging er op zitten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Huup hit,&#8221; zei hij. &#8220;Nu draven, zoo hard je kunt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij hobbelde met den stoel op en neer, en hij verbeeldde zich, dat hij op den hit van zijn Vader zat, en dat hij aan het harddraven
+was.
+
+</p>
+<p>Soms gaf hij hem van achteren met zijn vlakke hand een harden klap op de sporten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Au,&#8221; zei Jantje, want het deed hem pijn, en hij likte zijne hand af, omdat de pijn daardoor gauwer beter werd.
+
+</p>
+<p>Toen zette de hit het op een loopen.
+<a id="d0e932"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e932">52</a>]</span></p>
+<p>Met twee handen had Jantje de leuning te pakken, en hij hobbelde op en neer. In zijne gedachten reed hij in vliegenden galop
+langs den weg, en telkens gaf hij zijn harddraver een klap op de sporten. De hit vloog hoe langer hoe harder, maar opeens
+begon hij te steigeren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha,&#8221; mompelde Jantje, &#8220;hij krijgt weer eene koppige bui! Wacht, ik zal hem leeren!&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij sloeg met beide handen op de houten ribben van zijn harddraver, greep daarna de leuning, en trok den stoel daaraan in
+de hoogte.
+
+</p>
+<p>O, o, wat steigerde dat beest woest!
+
+</p>
+<p>&#8220;Huupla,&#8221; schreeuwde Jantje opeens, want hij verkeerde in hevige geestvervoering. Zijn vader draaide zich onrustig om in zijn
+bed. Hij werd er half wakker van.
+
+</p>
+<p>Jantje trok de leuning nog meer in de hoogte. De hit stond toen als het ware loodrecht op zijn achterste pooten, en Jantje
+verbeeldde zich, dat hij hem kwaadaardig hoorde brieschen. De hit nam een geweldigen sprong, en bommerdebom, daar viel Jantje
+met hit en al uit zijn bed op den grond. Dat gaf een lawaai!
+
+</p>
+<p>&#8220;Heeremenschen!&#8221; gilde Anneke, die verschrikt opvloog. &#8220;Daar valt het huis in! Dik, Dik, het huis valt in. Jantje ligt er
+onder. Hoor me dat kind eens gillen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Dik was ook verschrikt, en hij haastte zich op te staan. Vlug schraapte hij een lucifer aan en stak de lamp op. En wat zag
+hij?
+
+</p>
+<p>Jantje lag op den vloer met een stoel half over zich heen, en daarop lag het kussen, dat den hit in zijn val gevolgd was.
+
+
+</p>
+<p>En Jantje schreeuwde moord en brand, zoowel van schrik als van angst, want hij was erg bang, dat zijn vader hem nu wel voor
+zijn broek zou geven. Hij twijfelde daar zelfs niet aan.
+<a id="d0e953"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e953">53</a>]</span></p>
+<p>Maar Dik kon onmogelijk boos blijven op zijn zoontje, en hij moest er braaf om lachen, toen hij hem daar zag liggen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat voer je toch uit, jongen?&#8221; vroeg hij. &#8220;Je doet niet anders dan spoken, en houdt ons den heelen nacht wakker.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O Vader,&#8221; schreeuwde Jantje, want hij vreesde altoos nog een beetje, dat zijn Vader hem straffen zou, &#8220;ik was aan &#700;t paardje-rijden
+op onzen hit, en toen steigerde hij zoo,&#8212;o, o, o, en toen vielen we alle twee het bed uit.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen moest Dik nog meer lachen, en Anneke lachte van den weeromstuit me&ecirc;. Dik pakte zijn zoontje op, en legde hem in bed.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Zie zoo, nu ga je maar weer slapen, hoor. Ik zal je wel roepen, als het dag wordt. Wel te rusten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel te rusten,&#8221; zei Jantje. &#8220;Maar dit weet ik wel, dat een nacht v&eacute;&eacute;l en v&eacute;&eacute;l langer duurt, dan een dag.&#8221;
+
+</p>
+<p>Een half uurtje later werd Dik alweer wakker gemaakt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vader!&#8212;Vader!&#8221; hoorde hij roepen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jongen, wat verveel je me vannacht,&#8221; was zijn antwoord. &#8220;Wat is er nu weer?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vader, komt de zon vast elken morgen weer op?&#8221; vroeg Jantje met iets twijfelmoedigs in zijne stem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel ja, Jan, vast en zeker, hoor! Als je maar geduld hebt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar Vader, is-ie nog nooit eens weggebleven?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, nog nooit,&#8221; zei Dik met een zucht. &#8220;Kijk maar door het raam. &#700;t Wordt nu ook al wat lichter. Als je nog een uurtje
+geslapen hebt, is de nacht om, en dan ben je jarig. Over een uur zal ik je roepen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja Vader,&#8221; zei Jan, en hij begon nog maar eens tot duizend te tellen. Maar &#700;t hielp hem niets, hij kon den slaap niet meer
+vatten. Och, och, wat duurde dat uur hem lang. Hij luisterde naar het tikken van de hangklok, tot hij opeens meende, dat zij
+stilstond. Hoe hij ook luisterde, hij merkte het eentonige getik niet meer op. Toch ging de <a id="d0e982"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e982">54</a>]</span>klok nog wel, want een poosje later hoorde hij het weer.
+
+</p>
+<p>Eindelijk was het uur om, en sprong hij uit bed.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vader,&#8221; riep hij luid, &#8220;nu ben ik eindelijk dan toch echt jarig. Toe Vader, wat krijg ik nu van u?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja jongen, je hebt me van nacht schrikkelijk verveeld, maar nu ben je echt jarig, en ik feliciteer je w&egrave;l.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dik stond op en nam Jantje in zijn armen, en kuste hem op allebei zijn wangen. En toen gaf hij hem aan Anneke, die hem niet
+minder hartelijk pakte.
+
+</p>
+<p>Dik kleedde zich spoedig aan, en zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom me&ecirc;, Jan, dan krijg je je cadeau. Ik hoop maar, dat het je bevallen zal.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan beefde van blijdschap en nieuwsgierigheid.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kan ik het echt opeten?&#8221; vroeg hij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, dat was maar gekheid,&#8221; zei Dik, terwijl hij Jantje bij de hand pakte en hem meenam naar den stal. Hij opende de deur,
+en stapte met zijn zoontje binnen.
+
+</p>
+<p>En wat zag Jan daar?
+
+</p>
+<p>Hij kon zijne oogen niet gelooven, want daar, vlak naast den hit, stond een prachtige, bonte bok, met twee groote horens op
+zijn kop en een lange sik aan zijn kin.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die bok!&#8221; riep Jantje verrukt uit. &#8220;Is die bok voor mij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, die bok is voor jou,&#8221; zei Dik lachend, en hij zag met innige blijdschap, hoe gelukkig dit geschenk zijn zoontje maakte.
+
+
+</p>
+<p>Jan sprong als een kleine dolleman in &#700;t rond, en hij klapte in de handen.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, dank u, dank u!&#8221; riep hij uit. &#8220;O, o, wat een mooie bok is dat. Kijk eens, hij heeft prachtige horens!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, h&egrave;?&#8221; zei Dik.
+
+</p>
+<p>&#8220;En een sik!&#8221; ging Jan voort.
+
+</p>
+<p>&#8220;B&egrave;, b&egrave;, b&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;!&#8221; blaatte de bok.
+
+</p>
+<p>Jantje&#700;s vreugde kende geen grenzen.
+<a id="d0e1022"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1022">55</a>]</span></p>
+<p>&#8220;O, hoor eens, hij kan schreeuwen ook. O, wat eene mooie stem,&#8221; riep Jan opgetogen.
+
+</p>
+<p>In de vreugde zijns harten liep hij op den bok toe en wilde hem zijne armen om den nek slaan, maar de bok scheen daar niet
+van gediend, want hij ging op zijne achterpooten staan, stak den kop omlaag en drukte zijn groote, kromme horens zoo stevig
+tegen Jans smalle buikje, dat Jantje achterover tegen het houten beschot terecht kwam.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, dat mag hij wel doen,&#8221; zei Jantje, die in zijn bok allerminst eenige kwade eigenschap wilde ontdekken. Maar toch kroop
+hij schielijk overeind en maakte zich uit de voeten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Toe Vader, mag hij eens uit den stal komen?&#8221; vroeg hij, want d&aacute;&aacute;r kon de bok hem niet tegen een muur stooten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel zeker,&#8221; zei Dik, die het wel grappig gevonden had, toen de bok zijn zoontje zoo onvriendelijk ontving.
+
+</p>
+<p>Hij maakte den bok los en bracht hem in den tuin. Eigenlijk was de tuin alleen bleekveld. Hij was rondom door schuren omringd,
+behalve aan den achterkant, waar zich een breede sloot bevond. Jantje mocht daar soms wel eens graag hengelen.
+
+</p>
+<p>Toen de bok den stal verlaten had en rondom zich het welige gras ontdekte, begon hij dadelijk te grazen. Jantje ging bij hem
+staan, en streelde hem met zijne hand langs den nek.
+
+</p>
+<p>Hij was m&eacute;&eacute;r dan blij met zijn verjaargeschenk; hij had wel kunnen gieren van blijdschap. De bok liet hem stilletjes begaan,
+ook toen Jan hem zijn arm om den hals sloeg.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is hij mak, Vader,&#8221; zei hij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, daar heb ik hem ook op gekocht,&#8221; zei Dik. &#8220;&#700;t Moet een mak beest zijn, en een flink looper.&#8221;
+<a id="d0e1043"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1043">56</a>]</span></p>
+<p>&#8220;H&egrave; ja, nu moest ik ook nog een wagen hebben,&#8221; zei Jantje begeerig. &#8220;Wat zou ik rijden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Vol teederheid liet hij zijn beide handen langs het lichaam van zijn bok glijden, en hij streelde het korte staartje. De bok
+scheen het in &#700;t geheel niet onpleizierig te vinden, en deed niet anders dan eten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zou ik er zoo ook op kunnen rijden?&#8221; vroeg Jantje.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel ja, ik denk het wel,&#8221; zei Dik. &#8220;Hij is sterk genoeg, en zal niet in twee&euml;n breken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat vond Jantje heerlijk, en met een wip sprong hij op den bok. Maar deze vond het allesbehalve prettig. Hij sprong met zijn
+achterpooten in de hoogte, om Jantje van zijn rug af te gooien, en toen dat niet hielp, sprong hij met de voorpooten omhoog.
+
+
+</p>
+<p>Vader Dik schaterde het uit van de pret.
+
+</p>
+<p>&#8220;Houd je goed, Jantje&#8221;, riep hij zijn zoontje toe. &#8220;Laat je niet van de vliegen steken!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Be, b&egrave;, b&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;!&#8221; schreeuwde de bok nijdig. Het beest was meer dan kwaad. Opeens nam hij een grooten sprong, zoodat Jantje
+toch haast van zijn rug afviel, en zette het op een loopen. Met echte bokkesprongen holde hij het bleekveld over. &#700;t Ging
+vliegensvlug, en Jantje vond &#700;t razend prettig. Zijn Vader ook. Die moest er onbedaarlijk om lachen.
+
+</p>
+<p>De bok was echter op een hem onbekend terrein, en daar hij te kwaad was om goed uit zijn oogen te kijken, sprong hij opeens
+pardoes in de sloot. Dat gaf een plons van belang, en voor een oogenblik waren &egrave;n bok &egrave;n berijder onder &#700;t water verdwenen.
+
+
+</p>
+<p>Toen lachte Dik niet meer. Integendeel, een hevige schrik maakte zich van hem meester, en hij ijlde naar den slootkant. Maar
+daar zag hij niets.
+
+</p>
+<p>Ja toch, er verscheen een hoofd boven water....
+<a id="d0e1066"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1066">57</a>]</span></p>
+<p>Helaas, &#700;t was de kop van den bok. &#700;t Kroos zat hem aan de groote kromme horens.
+
+</p>
+<p>&#8220;B-&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;! B-&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;!&#8221; blaatte hij angstig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jantje! Jantje!&#8221; schreeuwde Dik.
+
+</p>
+<p>Daar verscheen ook Jantje&#700;s hoofd boven de oppervlakte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vader, ... help, ... ik ... hik, hik, ... ik, hik verdrink!&#8221;
+
+</p>
+<p>Dik bukte zich en greep Jantje bij de haren.
+
+</p>
+<p>&#8220;B-&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;! B-&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;!&#8221; schreeuwde de bok.
+
+</p>
+<p>Dik trok zijn zoontje op den wal. Daar stond het kereltje, druipend van het water.
+
+</p>
+<p>&#8220;O Vader, m&#700;n bok! M&#700;n bok!&#8221; jammerde Jantje.
+
+</p>
+<p>Dik boog zich nogmaals, en greep met beide handen de horens van den bok. &#700;t Kostte hem echter vrij wat moeite om het beest
+op den wal te krijgen, doch het gelukte hem toch.
+
+</p>
+<p>Jantje werd naar binnen gestuurd, om droge kleeren aan te trekken, en de bok moest in den stal.
+
+</p>
+<p>Moeder Anneke was ook niet weinig geschrokken, want zij had het angstgeschreeuw duidelijk gehoord. Zij stond op,&#8212;want dat
+alles gebeurde zeer vroeg in den morgen&#8212;en hielp Jantje aan droge kleeren.
+
+</p>
+<p>De kleine vent stond te bibberen van de ko&ucirc;, maar hij was toch erg blij met zijn bok.
+
+</p>
+<p>&#8220;B-b-b-b-b&#8212;wat een b-b-b-b&#8212;mooie b-b bok, Moeder,&#8221; zei hij opgetogen, terwijl de rillingen hem langs zijn mageren rug gingen.
+En zijn spillebeentjes trilden zoo erg, dat Jantje er haast niet op staan kon.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat was me daar &#700;n mooie geschiedenis!&#8221; zei Dik binnenstappende. &#8220;Jantje ging op den bok zitten, en daar sprong me dat beest
+pardoes in de sloot. &#700;t Was een bespottelijk gezicht.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Leeft hij b-b-b-b-b-nog, Vader?&#8221; vroeg Jantje.
+<a id="d0e1099"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1099">58</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Of hij!&#8221; zei Dik.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zou hij b-b-b-b&#8212;niet dood&#8212;b-b-b-b gaan?&#8221; vroeg Jantje, niet zonder eenigen angst, dat het koude bad zijn mooien bok kwaad
+kon hebben gedaan. En hij vervolgde:
+
+</p>
+<p>&#8220;H&egrave; b-b-b-b, dat hemd is b-b-b-b-lekker warm, Moeder. Brrr, wat ben ik koud.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat wil ik wel gelooven,&#8221; zei Dik, &#8220;Je gaat ook direct weer naar je bed, om goed warm te worden, door en door warm.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Jantje had daar wel niet veel ooren naar, maar het gebeurde toch. Enkele minuten later lag hij weer diep onder de wol. Daar
+werd hij al spoedig lekker warm, want zijn moeder had er nog een paar dekens extra bijgedaan.
+
+</p>
+<p>Lang hield Jantje het er echter niet uit. Een half uur later kreeg hij zijn Zondagsche pak aan en stapte hij naar buiten,
+om weer naar zijn bok te gaan kijken. Deze stond heel rustig bij den hit gemaaid gras te eten, en hij keek Jantje aan of hij
+zeggen wou:
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat was een rare geschiedenis, h&egrave; Jan?&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan kon zijn bok niet genoeg aankijken, zoo mooi vond hij hem.
+
+</p>
+<p>&#8220;He,&#8221; dacht hij, &#8220;als ik nu een wagentje had en een tuig, dan was ik heelemaal klaar. Wat zou ik dan heerlijk rijden. Had
+ik vast maar een wagentje, dan zou ik zelf wel een tuig maken. Karel van Dril zal er me wel aan helpen.&#8212;Wacht, daar hoor ik
+Grootvader in zijn tuintje. Ik ga gauw naar hem toe, om het te vertellen, dat ik zoo&#700;n mooien bok heb gekregen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Vlug begaf hij zich naar de woning van zijne grootouders. Zijn Grootmoeder kwam hem al tegemoet, en f&eacute;liciteerde hem met zijn
+verjaardag. En ze zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga maar gauw mee naar Grootvader in den tuin.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En o, Grootmo&ecirc;,&#8221; zei Jan, &#8220;ik heb zoo&#700;n prachtigen <a id="d0e1124"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1124">59</a>]</span>bok gekregen van Vader en Moeder, toch z&ograve;&ograve; mooi, o zoo mooi!&#8221;
+
+</p>
+<p>Grootmoeder sloeg van verbazing de handen in elkaar.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een bok?&#8221; riep zij opgetogen uit. &#8220;Een echte, levende bok?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja, een echte levende bok, en we hebben samen al in de sloot gelegen ook. Ik zat boven op zijn rug, en toen vloog hij
+van kwaadheid de sloot in. Vind u het niet heerlijk, Grootmoe?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat je in de sloot gelegen hebt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, dat ik een bok heb,&#8221; lachte Jantje. Samen gingen ze den tuin in, naar Grootvader.
+
+</p>
+<p>Deze kwam hem vroolijk lachend tegemoet.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dag Jan, w&egrave;l gef&eacute;liciteerd met je verjaardag.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dank u, Grootvader!&#8221; schreeuwde Jantje, die wel wist, dat Grootvader hem anders niet verstond. &#8220;Ik heb een bok gekregen!
+O, zoo mooi. Gaat u mee kijken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat moet jij met eene klok doen, kind?&#8221; vroeg Grootvader, die zich hield, of hij hem niet verstaan had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, neen, geen klok, maar een bok!&#8221; schreeuwde Jantje.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een bok? Wat heb je aan een bok, als je geen wagentje hebt?&#8221; ging Grootvader plagend voort. &#8220;Ik zou hem maar aan den slager
+verkoopen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Jantje keek zijn Grootvader diep verontwaardigd aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat nooit!&#8212;Nooit, hoor Grootvader!&#8221; riep hij uit.
+
+</p>
+<p>Grootvader scheen hem echter niet te hooren. Hij stond in gedachten verdiept, en streek met zijn wijsvinger peinzend langs
+zijn neus. Eindelijk zei hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wacht eens, Jan. Ik geloof, dat ik nog wat ouden rommel heb, waar misschien wel een wagentje van gemaakt kan worden. Ga maar
+eens mee naar &#700;t schuurtje.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zou mooi wezen, Grootvader,&#8221; zei Jantje blij.
+
+</p>
+<p>De schuur werd geopend, en daar stond me zoo waar <a id="d0e1160"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1160">60</a>]</span>een prachtige bokkewagen kant en klaar. Grootvader had hem zelf getimmerd, heel stilletjes, zoodat Jantje er niets van gemerkt
+had. O, o, wat lachten Grootvader en Grootmoeder ondeugend.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, hoe lijkt je dat, Jan? Vind je dat wagentje mooi?&#8221;
+
+</p>
+<p>Jantje werd beurtelings bleek en rood, want hij begreep wel, dat het wagentje voor hem was, en toch durfde hij het haast niet
+te gelooven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Of ik het mooi vind?&#8221; stamelde hij met bevende lippen, &#8220;&#700;t Is prachtig mooi, Grootvader, prachtig, prachtig mooi!&#8221;
+
+</p>
+<p>En meteen vloog hij Grootvader om den hals en kuste hem, dat het klapte, en toen kreeg Grootmoeder eene beurt. Zij bezweek
+er bijna onder.
+
+</p>
+<p>Jantjes vreugde kende geen grenzen. Hij nam het lemoen op, en trok het wagentje naar zijn huis, waar Vader en Moeder het dadelijk
+moesten zien.
+
+</p>
+<p>&#8220;Had ik nu nog maar een tuig,&#8221; zei Jantje, &#8220;dan was ik heelemaal klaar. Ha, wat zou ik rijden!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In de hangkast liggen nog wel een paar oude riemen,&#8221; zei z&#700;n moeder. &#8220;Daar is misschien, als Grootvader of Vader je helpen
+wil, nog wel een goed tuigje van te maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Oude riemen?&#8221; zei Jantje, &#8220;hebben wij nog oude riemen? Die zouden mij goed te pas komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij deed de deur open. Zijne ouders stonden lachend naar hem te kijken.
+
+</p>
+<p>In plaats van een paar oude riemen zag Jantje tot zijne groote verrassing een prachtig bokketuig hangen, als een geschenk
+van zijne moeder.
+
+</p>
+<p>Hij slaakte een kreet van vreugde, nam het tuig uit de kast, en begon als een dolle door de kamer te springen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Rinkinkeleking! Ringeling! Rinkinkeling-king!&#8221; klonk het. Dat kwam van de bellen, die met twee mooie pluimen op het tuig
+bevestigd waren.
+<a id="d0e1186"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1186">61</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Hoor eens! Hoor eens!&#8221; riep Jantje verrukt. &#8220;O, o wat mooi. O, ik weet zelf niet, hoe mooi het is. Nu den bok inspannen,
+Vader! Laten we hem dadelijk inspannen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat gebeurde. De bok werd uit den stal gehaald en voor den wagen gezet. De tuigen werden hem omgehangen, en Jantje stapte
+in.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar is mijn zweep?&#8221; vroeg hij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hier,&#8221; zei Dik. &#8220;Maar &eacute;&eacute;n ding mag je nooit vergeten: sla den bok niet, als het niet noodig is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Slaan, Vader?&#8221; vroeg Jantje. &#8220;O neen, mijn bok sla ik niet. De zweep is alleen maar voor &#700;t mooi. Huup bok! Allo!&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar ging de bok, tot groote vreugde van Jantje, die in het wagentje zat als een kleine prins. Zijn ouders en grootouders
+keken hem lachend na, want zij vonden het bijna even prettig als Jantje zelf.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als hij maar niet in de sloot rijdt!&#8221; zei zijne moeder, die wel een beetje bezorgd was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat hem maar begaan,&#8221; zei Dik met vadertrots. &#8220;Hij is mans genoeg, de kleine baas. Wat is &#700;t een mooi stelletje, h&egrave;?&#8221;
+
+</p>
+<p>En grootvader zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wil ik je eens wat zeggen, Dik? Jantje is ook een bizonder kind,&#8212;en dat is-ie.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou,&#8221; lachte Dik.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e1209" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Zevende Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>Hoe Jantje uit rijden ging, en bij slot van rekening een dwaze vertooning maakte.</p>
+</div>
+<p>Wat reed Jantje heerlijk. Zijn bok stapte parmantig over den weg, met den kop fier opgeheven, en Jantje hield de <a id="d0e1217"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1217">62</a>]</span>leidsels in de eene en de zweep in de andere hand. De pluimen op den rug van den bok wuifden sierlijk heen en weer, en de
+bellen rinkelden zoo mooi, dat het een lust was om te hooren.
+
+</p>
+<p>Eerst reed Jantje natuurlijk naar zijn vriendje Karel van Dril, en die keek zijne oogen uit naar &#700;t mooie spannetje. Hij was
+er jaloersch op, maar hij gunde het Jantje toch wel. En zijn vader, de smid Piet van Dril, kwam ook naar buiten, om het mooie
+span te bewonderen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is een prachtig stelletje, Jan!&#8221; zei hij, nadat hij Jantje gefeliciteerd had. &#8220;De bok is mooi, de wagen is mooi, het
+tuig is mooi, en het koetsiertje is ook mooi.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Alleen een beetje mager,&#8221; zei Jan Vos, de metselaar, die juist voorbij liep.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mag ik met je meerijden?&#8221; vroeg Karel. &#8220;Toe zeg, schik een eindje om, dan kom ik naast je zitten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat gebeurde, en de twee vrienden reden verder.
+
+</p>
+<p>Al spoedig hadden zij heel wat jongens om hen heen, die het allen een mooi gerij vonden. En allen vroegen om de gunst, of
+zij ook eens een eindje mochten rijden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Toe Jan, mag ik ook eens?&#8221; vroeg de een.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen zeg, laat mij dan liever,&#8221; zei een ander. Jan antwoordde niet veel, want hij wist wel, dat daar geen beginnen aan was.
+Hij kon alle jongens van het dorp toch niet bij zich in het karretje nemen.
+
+</p>
+<p>Maar de jongens werden er niet boos om. Zij begrepen zelf wel, dat het niet ging, en vonden het al prettig met den bok mee
+te loopen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Huup sik! Huup sik!&#8221; riepen de jongens. Maar de bok had zijn eigen willetje en liet zich niet voortjagen. Hij stapte met
+krachtigen tred verder, zonder zich aan het roepen van de jongens te storen.
+
+</p>
+<p>Dicht bij de school kwamen zij Klaas Zwart tegen met <a id="d0e1241"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1241">63</a>]</span>diens vriendje Frans Thor. De jongens hielden niet van hen en gingen liever niet met hen om, want &#700;t waren twee vervelende
+jongens.
+
+</p>
+<p>Zij hadden altoos ontzaglijk veel praats, konden niemand ongemoeid passeeren, wierpen winkeldeuren open, trokken onnoodig
+bij de menschen aan de schel, en plaagden, waar zij maar plagen konden. Aan Klaas Zwart had Jantje al een hekel gehad, zoolang
+hij hem kende, omdat hij een klikspaan was. Frans Thor was later op het dorp komen wonen. Hij was een verwaarloosde ruwe jongen,
+die geen moeder had en met zijn vader samen in een huisje woonde. Zijn vader was soldaat in Indi&euml; geweest, en leefde van een
+pensioentje. Hij deed zijn huishouden zelf, veegde zelf den vloer, kookte zijn eigen potje, en maakte zelf de bedden op. Om
+de opvoeding van Frans bekommerde hij zich bizonder weinig. Algemeen stond hij bekend als een pochhans, die wel heel veel
+wist te vertellen van zijn heldendaden in Indi&euml;, maar die er zooveel bij jokte, dat hij door niemand werd geloofd. En Frans
+jokte ook niet zoo&#700;n beetje. Al spoedig had hij op het dorp geen vriendje meer kunnen krijgen, en daar Klaas Zwart in hetzelfde
+geval verkeerde, liepen ze meestal samen. En ze deden gewoonlijk niet veel goeds.
+
+</p>
+<p>Zoodra zij den bok van Jan in &#700;t oog kregen, kwamen zij haastig toeloopen, elk met een stok in de hand.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel heb ik van m&#700;n leven!&#8221; riep Frans uit. &#8220;Kijk Jan Trom eens geuren! Huup Sik, allo, vooruit!&#8221;
+
+</p>
+<p>Maar de bok stoorde zich aan dat bevel niet, en bleef kalmpjes doorstappen. Hij hief den kop eventjes op, en keek Frans aan.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is het bokje w&egrave;l!&#8221; ging Frans voort. &#8220;Hij loopt niet harder dan een slak. Zeg Jan, je moet hem eens met de zweep kietelen,
+dan zal hij wel beter voortmaken.&#8221;
+<a id="d0e1253"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1253">64</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Hij loopt hard genoeg,&#8221; zei Jan. &#8220;Toe bok, vooruit!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is een oud, afgeleefd beest!&#8221; zei Klaas Zwart smalend. &#8220;Hij heeft de rumathiek in zijn pooten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Als jij maar niet de rumathiek hebt,&#8221; gaf Jan beleedigd ten antwoord. &#8220;Hij kan harder loopen dan jij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha, ha!&#8221; lachte Klaas. &#8220;Zoo&#700;n stijve huut. Je moet hem smeren met machine-olie; zijne botten zijn wat stijf.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met stok-olie!&#8221; zei Frans Thor grinnekend, terwijl hij den bok een klap met zijn stok op den rug gaf.
+
+</p>
+<p>De bok ging op zijn achterpooten staan.
+
+</p>
+<p>Jan werd wit van kwaadheid, en Karel van Dril zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wil jij met dien stok wel eens van hem afblijven, of ik zal je met datzelfde houtje je portie geven.&#8221;
+
+</p>
+<p>Die bedreiging hielp voor een poosje. Maar nu gingen Frans en Klaas van achteren tegen het karretje duwen, zoodat de bok gedwongen
+werd op een draf te loopen. De andere jongens hielden zich een beetje op een afstand, want ze waren bang voor de twee plaaggeesten,
+vooral voor Frans Thor, die een paar jaar ouder was.
+
+</p>
+<p>Jan hief zijn zweep op, en wilde de jongens dwingen de kar los te laten. Maar Frans greep de zweep onverwachts aan, en rukte
+haar Jan uit de handen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat denk jij wel, magere sprinkhaan,&#8221; zei hij sarrend. &#8220;Denk je soms, dat ik bang voor je ben? Voor geen tien zulke kereltjes
+als jij. Ho, bok, ho!&#8221;
+
+</p>
+<p>De bok liep echter door, en daarom hielden Frans en Klaas de kar zoo hard zij konden tegen.
+
+</p>
+<p>Jan keerde zich driftig om.
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat je de kar los!&#8221; riep hij hun toe. &#8220;Laat los, zeg ik je, of ik sla er op!&#8221;
+
+</p>
+<p>De twee plaaggeesten lachten hem smakelijk uit. Karel van Dril was zijn drift ook niet langer meester, en wilde van de kar
+stappen. Maar Jan hield hem tegen.
+<a id="d0e1284"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1284">65</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Hier,&#8221; zei hij, &#8220;houd jij de leidsels even vast.&#8221;
+
+</p>
+<p>Vlug sprong hij uit de kar, en nog voor Frans er op verdacht was, vloog Jan op hem aan. Deze zag wit van kwaadheid. Met eene
+vlugge beweging rukte hij hem de zweep uit de hand, en in &#700;t volgende oogenblik had Frans een geduchten striem dwars over
+zijn gelaat te pakken.
+
+</p>
+<p>Klaas Zwart zag, dat het ernst werd en maakte, dat hij op een eerbiedigen afstand kwam, want hij was laf van aard. Maar Frans
+niet. Deze was de grootste en sterkste, en de zweepslag had hem vreeselijk nijdig gemaakt. Hij kon een kreet van pijn niet
+onderdrukken, en de tranen sprongen hem in de oogen. Woest viel hij op Jan aan, die de zweep alweer opgeheven had, om hem
+een tweeden striem te geven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat de kar los, zeg ik je!&#8221; riep hij Frans toe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal ik,&#8221; antwoordde Frans, en hij greep Jan met beide handen aan. Jan liet zijne zweep op den grond vallen, om zich beter
+te kunnen verweren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Geef hem zijn portie, Frans!&#8221; schreeuwde Klaas Zwart uit de verte. &#8220;Als je &#700;t alleen niet afkunt, zal ik je wel komen helpen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar moest je &#700;t hart eens toe hebben,&#8221; riep Karel van Dril terug. &#8220;Dan krijg je &#700;t met mij te doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De twee jongens waren geducht met elkaar aan &#700;t worstelen, en iedereen dacht, dat Frans het gemakkelijk winnen kon, omdat
+hij zooveel ouder en sterker was, maar Jantje was de vlugste. Hij wist al spoedig tusschen Frans&#700; armen door te glippen, liet
+zich vliegensvlug op zijne knie&euml;n vallen, greep Frans bij de beenen, en liet hem in een ommezien een buiteling maken. Daar
+lag Frans lang-uit op den grond, tot groot vermaak van de jongens, die hem zijne smadelijke nederlaag van harte gunden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha, ha, daar ligt de praatsmaker!&#8221; riepen ze juichend. &#8220;Waar blijf je nu met je praats?&#8221;
+<a id="d0e1303"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1303">66</a>]</span></p>
+<p>Jan nam den stok van Frans en gaf hem een geducht pak slaag, veel te hard naar den zin van Frans, die schielijk overeind kroop,
+en beenen maakte.
+
+</p>
+<p>Wat werd hij uitgelachen! En wat hadden de andere jongens een pret.
+
+</p>
+<p>Maar Klaas Zwart en Frans Thor lachten niet, en Frans was niet van plan den strijd op te geven.
+
+</p>
+<p>Jan stapte weltevreden over de behaalde overwinning weer in zijn karretje, nam de leidsels van Karel over, en zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Huup bok! Vooruit maar weer.&#8212;Dat viel Frans Thor niet me&ecirc;, h&egrave; Karel? Wat heeft hij gehad!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat buitelde hij lekker over den grond,&#8221; grinnikte Karel vroolijk. &#8220;Zij zullen wel niet spoedig terugkeeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat had hij echter mis.
+
+</p>
+<p>Frans en Klaas stonden eerst van uit de verte een poosje te schelden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Magere sprinkhaan!&#8221; schreeuwde Frans.
+
+</p>
+<p>&#8220;Panlat!&#8221; smaalde Klaas.
+
+</p>
+<p>Maar langzamerhand kwamen zij naderbij. Zij liepen al scheldend een eindje voor den bok uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij is zoo oud als je grootvader!&#8221; schreeuwde Klaas.
+
+</p>
+<p>&#8220;Verkoop hem aan den slager!&#8221; zei Frans. &#8220;Die kan misschien nog worst van hem hakken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niets terugroepen, Jan,&#8221; raadde Karel aan. &#8220;Dan hebben zij er het minste pleizier van.&#8221;
+
+</p>
+<p>De afstand tusschen den bok en de twee scheldende jongens werd voortdurend kleiner. De bok stapte flink, de pluimen op zijn
+rug wapperden prachtig, en de bellen rinkelden helder en luid. Jantje genoot m&eacute;&eacute;r, dan hij zeggen kon. &#700;t Verveelde hem echter
+geducht, dat die twee akelige jongens vlak voor zijn bok bleven loopen. Dat vergalde zijn genoegen. En zij hielden niet op,
+den gek met zijn bok te steken, wat hem erg griefde.
+<a id="d0e1334"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1334">67</a>]</span></p>
+<p>Klaas Zwart ging eindelijk vlak voor den bok loopen. Dan liep hij erg kreupel en met kromme beenen, en riep voortdurend:
+
+</p>
+<p>&#8220;B&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;! B&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;!&#8221;
+
+</p>
+<p>De bok lichtte zijn kop op en keek den jongen nijdig aan. &#700;t Scheen wel, of hij begreep, dat die jongen hem voor den gek hield.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;B&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;! B&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;! schreeuwde Klaas plagend. &#8220;O, wat heb ik &#700;n rumathiek in mijn pooten. B&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;!&#8221;
+
+</p>
+<p>De bok schudde den kop, en riep ook:
+
+</p>
+<p>&#8220;B&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;! B&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zie je wel, hij is het met mij eens!&#8221; grinnikte Klaas, die met kromme beenen en in een gebogen houding voor den bok uitliep.
+
+
+</p>
+<p>Plotseling schoot de bok op een drafje vooruit, wat zoo overwachts gebeurde, dat Jan en Karel bijna achterover uit de kar
+sloegen. Daarop sprong de bok op zijn achterpooten overeind, en gaf Klaas zoo&#700;n geduchten stomp in zijn rug, dat deze voorover
+op den weg tuimelde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Au, au, au, o, wat is dat!&#8221; schreeuwde Klaas.
+
+</p>
+<p>&#8220;Bom!&#8221; daar drukte de bok hem nog eens met kracht zijne horens in den rug.
+
+</p>
+<p>&#8220;Au, au, o, o, au!&#8221; jammerde Klaas.
+
+</p>
+<p>Op handen en voeten poogde hij zich te redden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Bom!&#8221;
+
+</p>
+<p>De bok drukte hem nogmaals plat op den grond.
+
+</p>
+<p>Klaas zag doodsbleek van den schrik. Hij spartelde met armen en beenen, en schreeuwde moord en brand.
+
+</p>
+<p>Jan en Karel vielen haast uit de kar van het lachen, &#700;t Was dan ook een bespottelijk gezicht.
+
+</p>
+<p>Klaas wist geen raad van angst en pijn.
+
+</p>
+<p>&#8220;Help!&#8221; riep hij. &#8220;Frans, help,&#8212;help! Hij maakt me dood!&#8221;
+<a id="d0e1371"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1371">68</a>]</span></p>
+<p>Hulp was echter niet meer noodig, want de bok hield uit eigen beweging met zijn afstraffing op. Hij dacht zeker, dat Klaas
+het er z&oacute;&oacute; wel me&ecirc; doen kon. Zonder zich aan de leidsels te storen, keerde hij om, en stapte bedaard verder in de richting
+van Jan&#700;s huis. Dat was maar goed ook, want het werd tijd, dat Jantje naar huis ging om te ontbijten. &#700;t Was al over achten,
+en om negen uur begon de school.
+
+</p>
+<p>Jan en Karel schoten telkens nog in een lach, als zij aan het malle figuur van Klaas dachten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij zal nu wel ondervonden hebben, dat de bok niet rumathiekerig is, en dat hij nog kracht in zijne horens heeft,&#8221; meende
+Jantje, en dat was Karel volkomen met hem eens.
+
+</p>
+<p>En wat Vader Dik lachen moest, toen hij het hoorde.
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is bepaald een verstandige bok,&#8221; zei hij tegen Jan. &#8220;Hij begreep wel, dat die jongen hem voor den gek hield. Maar voortaan
+zal Klaas Zwart hem wel uit de voeten blijven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat denk ik ook,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>Den geheelen dag op school moest hij, of hij wilde of niet, aan zijn mooien bok denken, en aan het leuke karretje, dat zijn
+grootvader voor hem getimmerd had, en aan het prachtige tuig met de pluimen en de rinkelbellen, en de meester had een onoplettenden
+leerling aan hem, wat hij niet van hem gewoon was. &#700;t Scheelde dan ook maar een beetje, of hij had zoowel &#700;s morgens als &#700;s
+middags school moeten blijven. Bij &#700;t rekenen maakte hij meer dan de helft van de sommen fout, en bij &#700;t lezen wist hij niet,
+waar hij beginnen moest.
+
+</p>
+<p>De meester werd eindelijk knorrig op hem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jij moest beter opletten, Jantje, anders worden wij kwade vrienden.&#8221;
+<a id="d0e1390"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1390">69</a>]</span></p>
+<p>Jan zat toevallig naast Klaas Zwart, en hij kon den jongen, niet aankijken, zonder te lachen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Heb je nog pijn in je rug?&#8221; vroeg hij fluisterend.
+
+</p>
+<p>Klaas keek hem aan als een nijdige spin.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zou het misschien rumathiek kunnen wezen?&#8221; plaagde Jantje.
+
+</p>
+<p>&#8220;Magere sprinkhaan! Panlat!&#8221; siste Klaas tusschen de tanden, en telkens voelde hij aan z&#700;n rug, die geducht pijn deed.
+
+</p>
+<p>&#8220;Stilte daar!&#8221; gebood de meester. &#8220;Ik geloof, dat er een paar jongens zijn, die graag willen nablijven.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zoover kwam het echter niet, en om vier uur mocht Jantje naar huis. Karel holde met hem me&ecirc;, dat spreekt van zelf. Kwart over
+vieren stond de bok alweer voor de kar. De beide vrienden namen plaats, en daar ging het heen. De bok stapte weer even deftig
+als &#700;s morgens, en hij keek eigenwijs om zich heen, de bellen rinkelden en de pluimen wapperden. De jongens vonden het prachtig,
+en zij reden het heele dorp door. &#700;t Bleek een prettig dier te zijn. Als de jongens even uit de kar stapten, om naar een vink
+te zoeken, die zij hoorden fluiten in het riet aan den kant van het kanaal, bleef hij geduldig wachten. Alleen ging hij een
+weinigje zijwaarts, om op den berm wat gras te eten.
+
+</p>
+<p>Een eindje voorbij de Roomsche kerk, die aan het einde van het dorp stond, was de timmerwinkel van baas Meijer, bij wien Jans
+grootvader vroeger gewerkt had. Naast den winkel stond een kleine houtzaagmolen, want Meijer zaagde zijn hout zooveel mogelijk
+zelf. Er lag dan ook altoos v&oacute;&oacute;r dien molen in het kanaal een vlot balken in voorraad, en op die balken gingen de jongens
+dikwijls spelen. Menigeen had daar al een paar natte voeten gehaald, en sommigen zelfs een nat pak. Want die balken waren
+maar <a id="d0e1407"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1407">70</a>]</span>losjes aan elkander verbonden, en het gebeurde dikwijls, dat zij omkantelden, als de jongens er over liepen. Er behoorde dan
+ook heel wat behendigheid toe, om geheel droog te blijven, als zij er op speelden.
+
+</p>
+<p>Toen de jongens de houtzagerij bereikt hadden, zei Karel:
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg Jan, willen we eventjes balkje-loopen? Dat is zoo lekker.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar had Jantje wel zin in.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zou de bok blijven staan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel ja,&#8212;de bok loopt niet weg. En al was dat zoo, dan kunnen we hem toch gemakkelijk genoeg inhalen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is zoo,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>De jongens stapten uit de kar. Jan keerde den bok om en bracht hem op een plaatsje, waar veel gras en klaver groeide.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar staat hij heerlijk!&#8221; zei hij.
+
+</p>
+<p>Toen gingen de jongens op het vlot, en wipten van den eenen balk op den anderen. Soms stonden zij met de armen om elkaars
+hals geslagen op het einde van een balk, die dan door hun zwaarte langzaam onder water zonk. Maar v&oacute;&oacute;rdat het water hun voeten
+bereikte, sprongen zij vlug naar het hooger gelegen deel van den balk.
+
+</p>
+<p>En dan lachten zij luidkeels van de pret.
+
+</p>
+<p>Dat deden zij ook, als een van de balken onder hunne voeten omkantelde, want dan moesten zij zich door vlugge sprongen redden.
+
+
+</p>
+<p>Jantje was een echte waaghals. Dat kwam, omdat hij verbazend lenig was en nog nooit een ongeluk had gehad.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik moet een beetje voorzichtig wezen,&#8221; zei hij wijs tegen Karel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom?&#8221; vroeg deze.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, ik heb mijn Zondagsche pak aan, doordat ik van <a id="d0e1439"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1439">71</a>]</span>morgen vroeg kopje-onder in de sloot gelegen heb. En als ik nu met mijn mooie pak weer in &#700;t water viel, zou Moeder me zien
+aankomen, dat begrijp je. Jongen, wat zou ik er van lusten!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nou, dat snap ik,&#8221; zei Karel.
+
+</p>
+<p>En nauwelijks had hij dat gezegd, of hij merkte, dat zijn paal omkantelde en dat hij dus veel kans had, naar beneden te rollen.
+Met een vlugge beweging sprong hij op den balk, waarop Jan stond, maar door den schok kantelde deze ook.
+
+</p>
+<p>Plomp! Daar zakte Jantje tot aan zijn middel in het kanaal. Karel viel achterover op het vlot, zoodat hij vrij droog bleef.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;O wee!&#8221; schreeuwde Jantje, met groote oogen van schrik en angst. Hij had zijn arm nog om den paal geslagen.
+
+</p>
+<p>Vlug als hij was, hief hij zich met kracht in de hoogte, en in &#700;t volgende oogenblik stond hij weer op het vlot. &#700;t Water
+droop hem uit zijne Zondagsche broek langs zijne dunne beentjes naar beneden.
+
+</p>
+<p>Karel schaterde het intusschen uit van pret.
+
+</p>
+<p>Maar Jantje lachte in &#700;t geheel niet. Hij stapte zonder een woord te spreken van het vlot af op den kant, en keek zwijgend
+naar zijn natte broek.
+
+</p>
+<p>Karel kwam bij hem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zat je daar koddig met je hoofd boven dien paal uit!&#8221; zei hij lachend. &#8220;Ik wou, dat je het gezien hadt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik vind het heelemaal niet koddig!&#8221; zei Jantje. &#8220;Ik kan me niet begrijpen, dat je dit nou zoo grappig vindt. Zeg Karel, ik
+durf zoo niet naar huis toe, hoor.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, ik weet wel raad,&#8221; zei Karel. &#8220;Trek alleb&ecirc;i je broeken uit en je kousen. Dan neem jij het eene einde en ik het andere,
+en we draaien in tegengestelde richting. Op die manier wringen wij al het water er uit, en dan is het dadelijk droog.&#8221;
+<a id="d0e1463"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1463">72</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Is het waar?&#8221; vroeg Jantje, met een flikkering van hoop in zijn oogen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Stellig!&#8221; zei Karel. &#8220;Vader heeft wel eens verteld, dat hij het ook deed, toen hij nog een jongen was. Trek maar uit.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat deed Jantje, en al spoedig stond hij met bloote beenen in het gras. Toen gingen de twee jongens aan het wringen. Eerst
+de onderbroek. Karel nam het bovengedeelte en Jantje de pijpen. Karel draaide van rechts naar links, en Jantje van links naar
+rechts. En zij waren zoo in die bezigheid verdiept, dat zij niet zagen, dat Frans Thor en Klaas Zwart naderden, ieder weer
+met een stok in de hand en niet veel goeds in den zin.
+
+</p>
+<p>Deze twee hadden gezien, wat er gebeurd was, en daar zij nog boos waren over de nederlaag, die zij &#700;s morgens hadden geleden,
+besloten zij wraak te nemen.
+
+</p>
+<p>Aan den anderen kant van den weg slopen zij zooveel mogelijk ongemerkt nader, en kwamen meer en meer bij de plaats, waar de
+bok rustig stond te grazen.
+
+</p>
+<p>Juist waren Jan en Karel met de onderbroek klaar gekomen, die zij op het gras uitspreidden om te drogen, toen de twee vijanden
+met een woesten kreet opsprongen, vlak achter den bok, die er geweldig van schrikte. En dat werd nog erger, toen de jongens
+hem met hunne stokken hard op den rug sloegen, en schreeuwden:
+
+</p>
+<p>&#8220;Huup bok, huup bok! Allo! koesssss!&#8221;
+
+</p>
+<p>De bok zette het verschrikt op een loopen, het dorp in. Hij holde voort, zoo hard hij kon. Van bokkendeftigheid was bij hem
+geen sprake meer, hij holde voort als een wild paard.
+
+</p>
+<p>&#8220;Koesssss! Koesssss!&#8221; schreeuwden Frans en Klaas hem na.
+
+</p>
+<p>&#8220;D&aacute;t is gemeen!&#8221; riep Jan verschrikt en verontwaardigd <a id="d0e1484"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1484">73</a>]</span>uit, en zonder te bedenken, dat hij geen broek aan had, sprong hij op, en ijlde zijn bok na.
+
+</p>
+<p>Maar deze was hem een geducht eind voor, en rende al midden in het dorp. Jantje liep wat hij loopen kon, om hem in te halen.
+
+
+</p>
+<p>De menschen bleven lachend staan, om de twee hardloopers na te kijken. &#700;t Was dan ook een dwaas gezicht, dien bok te zien
+hollen, met de rinkelende bellen en de wapperende pluimen op zijn rug, terwijl de leidsels langs de kar zwierden, maar nog
+veel maller was het Jantje te zien, die zonder broek zijn bok naholde.
+
+</p>
+<p>Jantje met zijne dunne beentjes liep het hardst. De keisteentjes deden wel pijn aan zijne bloote voeten, maar hij voelde het
+niet, en dat de menschen om hem lachten, merkte hij evenmin. Hij dacht maar alleen aan zijn mooien bok. Tot zijn vreugde bemerkte
+hij, dat hij op hem won, en dat hij hem misschien nog kon inhalen, voordat hij de brug had bereikt.
+
+</p>
+<p>Plotseling echter zag hij, dat de bok gegrepen werd. Iemand met een mandje aan den arm sprong op den weg, en greep den bok
+bij den teugel. Daar was Jantje blij om, tot hij opeens zag, dat die man zijn vader was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hei, hei, wat is dat voor een malle vertooning?&#8221; riep Dik zijn zoontje toe, die hijgend bij den bok stond.
+
+</p>
+<p>&#8220;De jongens hebben hem op hol gejaagd, Vader,&#8221; zei Jantje, die zijn vader een beetje uit de voeten bleef.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar hoe komt het, dat jij hier zonder broek langs den weg rent?&#8221; ging Dik voort.
+
+</p>
+<p>Jantje zweeg.
+
+</p>
+<p>&#8220;Allo, spreek op, mannetje. Waar zijn je broeken, en je kousen en je klompen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O Vader, ik had ... ik ... ik was ... ik ... had ... ik ...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik had en ik was en ik was en ik had!&#8221; viel zijn <a id="d0e1508"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1508">74</a>]</span>Vader in. &#8220;Ik was een ondeugende jongen en ik had een pak slaag verdiend, wil je zeker zeggen, h&egrave;?&#8221;
+
+</p>
+<p>Jantje deed een paar stappen achteruit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Spreek op, Jantje, wat is er gebeurd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik was in &#700;t kanaal gevallen, Vader, en omdat ik mijn Zondagsche broek aan had, dorst ik niet thuis te komen, en toen...&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;En toen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Toen hebben Karel en ik mijn broek uitgewrongen, maar toen hebben Frans Thor en Klaas Zwart den bok op hol gejaagd...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En toen ben jij den bok achterna gehold?&#8221; vroeg Dik, en opeens begon hij er smakelijk om te lachen, want hij vond het een
+koddige geschiedenis.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is tweemaal vandaag, Jantje!&#8221; zei hij. &#8220;Pas maar op, dat je er niet voor den derden keer invalt. Vooruit, stap in de
+kar en haal je kleeren. En ik zou dat wringen verder maar aan Moeder overlaten. Je gaat direct naar huis, hoor.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja Vader,&#8221; zei Jantje, die blij was, dat het zoo goed afliep. &#8220;Maar van Frans en Klaas is het een gemeene streek.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is het,&#8221; zei Dik.
+
+</p>
+<p>Jantje stapte in de kar en reed naar het vlot terug, waar Karel op de natte plunje paste. Jan kleedde zich weer behoorlijk
+aan, en reed naar huis terug. Zijn Moeder vond de geschiedenis lang zoo grappig niet als Vader Dik, maar omdat Jantje jarig
+was, liep alles nog al goed voor hem af. Hij kon zijn daagsche pakje weer aantrekken, dat intusschen gedroogd was, maar met
+den bok mocht hij dien avond niet meer rijden.
+
+
+
+<a id="d0e1530"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1530">75</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="d0e1531" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Achtste Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>Jantje krijgt het met Flipsen te kwaad, en dankt aan zijne magere leden zijne redding uit een dreigend gevaar.</p>
+</div>
+<p>Hoe ouder Jantje werd, des te meer gingen zijne kameraden van hem houden. Dat was volstrekt geen wonder, want hij was een
+aardige jongen met een goed hart. Van alles wat slecht en leelijk was, had hij een afkeer, en als sommige jongens nog wel
+eens iets deden, waarvan groote menschen last of schade ondervonden, deed hij nooit me&ecirc;. E&eacute;nmaal had hij appelen gestolen
+in den tuin van Wobbe, waar de jongens dikwijls heengingen om vruchten weg te nemen, want Wobbe had een grooten boomgaard,
+waarin heel veel lekkers groeide. Jantje had er nog nooit aan me&ecirc;gedaan, maar eindelijk liet hij zich overhalen om ook me&ecirc;
+te gaan. &#700;t Was op een herfstavond en ruw weer. De jongens slopen stilletjes naar de boerderij van Wobbe, die een eindje buiten
+het dorp lag, en sprongen na elkander over de sloot. Zoo kwamen zij in den boomgaard.
+
+</p>
+<p>Maar Wobbe had zich met een paar knechts verdekt opgesteld, want dat appelen stelen begon hem geducht te vervelen. Hij had
+Flipsen, den veldwachter, wel gewaarschuwd, maar die werd een dagje ouder en maakte er niet veel werk van.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als je een van de dieven snapt, breng je hem maar bij me, dan zal ik hem wel mores leeren,&#8221; had hij gezegd. En hij had er
+aan toegevoegd: &#8220;zelf zal ik ook wel een oogje in &#700;t zeil houden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Wobbe was daarom besloten, zelf de handen uit de mouwen te steken, en had zich met zijne knechts op verschillende plaatsen
+in den boomgaard verscholen.
+<a id="d0e1545"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1545">76</a>]</span></p>
+<p>Zij hadden er nog niet lang gezeten, toen zij de jongens hoorden komen. Zij merkten duidelijk, hoewel zij nog niemand zagen,
+dat de jongens over de sloot sprongen. Wobbe en zijne knechts bleven, waar zij waren. Hunne afspraak was, de jongens tot midden
+in den boomgaard te laten komen, en hen dan plotseling van drie kanten tegelijk te bespringen.
+
+</p>
+<p>Jantje voelde zich in &#700;t geheel niet op zijn gemak, en toen alle jongens al over de sloot waren, stond hij nog weifelend op
+den weg.
+
+</p>
+<p>&#8220;Pssst! Pssst!&#8221; hoorde hij zacht roepen, &#700;t Was de stem van Karel van Dril. &#8220;Kom maar hier, Jan, alles is veilig.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O ja,&#8221; zei een ander, &#8220;kom maar gerust. Bij Wobbe brandt het licht in de huiskamer. Er is niet het minste gevaar.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan kwam nader en sprong ook over de sloot.
+
+</p>
+<p>De jongens gingen behoedzaam verder den boomgaard in.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hier!&#8221; riep er een. &#8220;Kijk eens, wat een prachtige appelen! De boom zit propvol!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hier ook,&#8221; riep Karel van Dril een eindje verder. &#8220;Kom hier, Jan, hier zijn peren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Eerst waren de jongens bang en keken schuw rond, of er geen gevaar dreigde, maar toen alles stil bleef, steeg hun moed, en
+liepen zij brutaal tot midden in den boomgaard.
+
+</p>
+<p>Frans Thor en Klaas Zwart waren de brutaalsten. De jongens gingen weinig of nooit met hen om, maar soms sloot het tweetal
+zich ongevraagd bij hen aan, en dan waren zij moeilijk te weren.
+
+</p>
+<p>Frans had een stok bij zich en sloeg er mede tegen de takken. De appelen vielen naar beneden.
+
+</p>
+<p>Maar hij kreeg geen tijd om ze op te rapen, want opeens werden zij van drie kanten tegelijk besprongen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Voorwaarts! Grijpt de dieven!&#8221; klonk de stem van Wobbe. Deze was een groote, sterke boer met harde handen.
+<a id="d0e1572"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1572">77</a>]</span></p>
+<p>Verschrikt vlogen de jongens uit elkaar. De een ijlde hier-, de ander daarheen. Klaas Zwart haastte zich zoo, dat hij in de
+sloot viel. Tot aan zijn hals toe zakte hij in het water. Karel van Dril sprong over de sloot, Frans Thor ook, Gerrit Kikke
+en Piet Vos kwamen er met natte voeten af, maar Jantje, die eerst niet wist, wat er gebeurde, liep den verkeerden kant op,
+en vloog precies boer Wobbe in de armen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Loopen! Loopen, jongens!&#8221; riep Frans Thor.
+
+</p>
+<p>Een van de knechts sprong over de sloot, en riep:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij zullen eens zien, wie &#700;t hardst kan loopen, kereltje!&#8221;
+
+</p>
+<p>En hij liep Frans zoo hard hij kon achterna.
+
+</p>
+<p>Dat werd een wedren van belang, want Frans was vlug ter been, maar de knecht nam veel grootere stappen. Frans hoorde zijne
+stappen hoe langer hoe dichter achter zich. Eindelijk voelde hij zich bij den kraag van zijn jas grijpen. Hu, wat kneep die
+knecht. Frans werd bijna geworgd maar toch wrong hij zich nog als een aal, om los te komen. Dat gelukte hem echter niet. De
+knecht gaf hem een geducht pak slaag, en joeg hem voor zich uit, terug naar de boerderij. Daar beleefde Jantje intusschen
+ook geen prettige oogenblikken, want Wobbe trok hem aan zijne ooren in de hoogte, tot zijn gezicht vlak voor dat van den boer
+gekomen was.
+
+</p>
+<p>Jantje gierde van de pijn!
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha zoo, kereltje, wat ben jij licht!&#8221; zei de boer met een boozen lach. &#8220;Jij bent te dun om appelen te eten, manneke. Hoe
+heet jij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Au, au!&#8221; schreeuwde Jantje, die spartelde als een mager varken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Heet jij au-au?&#8221; lachte de boer. &#8220;Magere langbeenige mug!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Au! Au!&#8221; huilde Jantje.
+<a id="d0e1595"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1595">78</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Heet jij au-au?&#8221; herhaalde de boer driftig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, au neen, ik heet Jan Trom! Au, au, laat me los asjeblieft!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo, heet jij Jan Trom,&#8221; zei de boer. Hij liet Jantje weer zakken, tot hij op den grond stond, legde hem toen over zijne
+knie, en gaf hem een geducht pak voor zijn broek.
+
+</p>
+<p>&#700;t Werd een warme geschiedenis voor Jantje, want de handen van den boer waren nog veel harder, dan hij ze zich voorgesteld
+had. Zoo&#700;n pak slaag had hij nog nooit van zijn leven gehad, en hij vreesde, dat er geen stuk van hem heel zou blijven.
+
+</p>
+<p>Eindelijk liet Wobbe hem los.
+
+</p>
+<p>&#8220;En maak nu, dat je wegkomt!&#8221; bulderde Wobbe hem toe, &#8220;of ik breng je nog bij Nero in het hondenhok. Die houdt wel van kluifjes,
+al zijn ze mager.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat liet Jantje zich geen tweemaal zeggen. Hij liep wat hij loopen kon, en &#700;t viel hem me&ecirc;, dat het nog zoo goed ging, want
+hij dacht niet anders, of de boer had hem zijne beenderen stuk geslagen. Hij haastte zich zoo om over de sloot te komen, dat
+het maar zus of zoo scheelde, of hij kwam in het water terecht. Maar dat liep gelukkig nog goed af. En toen vloog hij naar
+het dorp terug. Zijn rooftocht was hem bitter slecht bevallen.
+
+</p>
+<p>Even later hoorde hij de noodkreten van Frans Thor, die door den boer en zijn knecht onderhanden werd genomen. Jantje liep
+dientengevolge nog harder.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij lust er ook van!&#8221; mompelde Jantje, die in ijlende vaart voortholde, &#8220;hu, wat slaat die boer hard. Hoor Frans eens schreeuwen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Na een poosje haalde hij Klaas Zwart in, die zoo hard niet loopen kon, omdat hij tot aan zijn hals toe in de sloot gezeten
+had. Klaas huilde, want hij stelde zich de ontvangst thuis ook niet erg vriendelijk voor.
+<a id="d0e1616"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1616">79</a>]</span></p>
+<p>Jantje ging regelrecht naar huis met het stellige voornemen nooit meer appelen of peren te stelen. En &#700;s avonds wreef hij
+meermalen over zijn broek, omdat hij zoo&#700;n pijn had.
+
+</p>
+<p>De zaak was echter nog niet uit, want Wobbe vertelde den volgenden dag aan Flipsen, den veldwachter, welk eene gelukkige vangst
+hij had gehad, en gaf hem de namen der schuldigen op. Zoo kwam het, dat Flipsen den winkel van Trom binnenstapte, waar Dik
+juist bezig was een paar klanten te helpen.
+
+</p>
+<p>Flipsen had altoos nog een kijkje op Dik, want hij was nog niet vergeten, wat Dik in zijn jeugd voor streken had uitgehaald.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Goeden avond, Dik!&#8221; zei hij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dag Flipsen,&#8221; was het antwoord. &#8220;Wat is er van je dienst?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet veel moois, man. Ik kom je waarschuwen, dat je wel wat beter op je zoontje mag passen, want &#700;t is erg, zooals hij op
+het dorp huishoudt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo, zoo,&#8221; zei Dik verwonderd en ook een beetje ongeloovig want hij had nog nooit gemerkt, dat Jantje veel kwaad deed. &#8220;Is
+het z&oacute;&oacute; erg, Flipsen? Wat heeft hij uitgevoerd! Jantje is anders zoo kwaad niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dik werd wel een beetje boos over den lompen uitval van Flipsen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zeggen alle vaders en moeders van hunne kinderen,&#8221; hernam Flipsen. &#8220;Van hun eigen kinderen kunnen zij nooit kwaad hooren,
+vooral wanneer ze zelf ook nooit gedeugd hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dik werd nu erg boos.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wou je zeggen, dat <i>ik</i> nooit gedeugd heb?&#8221; vroeg hij driftig, en hij zwaaide zoo heftig met den strooplepel,&#8212;want hij was juist bezig een vrouwtje
+aan een pond stroop te helpen,&#8212;dat Flipsen een flinken lik van dat goedje op de mouw van zijn jas kreeg.
+<a id="d0e1642"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1642">80</a>]</span></p>
+<p>&#8220;O, neem me niet kwalijk, dat is bij ongeluk,&#8221; zei Dik.
+
+</p>
+<p>&#8220;Bij ongeluk! Bij ongeluk!&#8221; schreeuwde Flipsen verontwaardigd. &#8220;&#700;t Is een schandaal! En ik zal proces-verbaal tegen je opmaken,
+wegens beleediging van een politieman in dienst!&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij haalde zijn zakdoek te voorschijn om de stroop weg te vegen, en maakte de zaak daardoor nog veel erger. De stroop kwam
+nu bijna over de geheele mouw. En Flipsen was altijd zoo keurig netjes op zijn uniform.
+
+</p>
+<p>&#8220;Asjeblieft, juffrouw,&#8221; zei Dik. &#8220;Wenscht u nog iets?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; zei de vrouw, die haar lachen haast niet kon houden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zeg,&#8221; schreeuwde Flipsen, &#8220;dat je wel wat op je lieve Jantje mag passen, of hij raakt nog in &#700;t hok. Gisterenavond heeft
+hij appelen en peren gestolen in den boomgaard van Wobbe, en dat zal wel niet de eerste keer geweest zijn, denk ik.&#8212;Die akelige,
+ellendige stroop zit er zoo vast op, dat mijn heele jas bedorven is. &#700;t Is meer...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Alleen de mouw maar,&#8221; zei Dik. &#8220;Ik dank je voor de boodschap, Flipsen. Ik zal er mijn zoontje over onderhouden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo vader, zoo zoon,&#8221; zei Flipsen nijdig, want hij dacht, dat Dik hem voor den gek hield. Met groote stappen liep hij den
+winkel uit.
+
+</p>
+<p>Toch waren die woorden Dik ernst geweest.
+
+</p>
+<p>Hij herinnerde zich nog best, hoe hij in zijne jeugd ook vruchten gestolen had, en hoe hij tot inkeer gekomen was.
+
+</p>
+<p>&#700;s Avonds vertelde hij aan Jan, wat er in zijn kinderjaren gebeurd was, en hoeveel spijt hij er later over had gehad.
+
+</p>
+<p>En Jantje beloofde hem, dat hij het nooit, nooit weer doen zou. Dik was er blij om toen hij hoorde, dat het Jantje&#700;s eerste
+strooptocht geweest was, en hij vertrouwde er stellig op, dat het ook de laatste zou geweest zijn.
+<a id="d0e1667"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1667">81</a>]</span></p>
+<p>Na dien dag keek Flipsen den zoon van Dik Trom nooit meer vriendelijk aan. Hij had een hekel aan Dik gehad, zoolang hij hem
+had gekend, en dat sloeg nu op Jantje over. Dat kon deze zeer goed merken. Als hij met zijn bok uit rijden was en hier of
+daar even uitstapte, wat nog al dikwijls gebeurde, zoodat zijn bok gelegenheid kreeg om wat gras of klaver van den berm te
+eten, kwam Flipsen, zoodra hij dat zag, op hem af, en gaf een geducht standje.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die bok m&agrave;g daar niet loopen, en nog veel minder van dat gras eten. Dat gras is immers niet van jou? Of heeft je vader misschien
+den berm gepacht?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen Flipsen, dat geloof ik niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet het zeker. Dat gras is van Geurs, en je bok moet er afblijven. Als ik het weer zie gebeuren, zal ik er proces-verbaal
+van opmaken, hoor je. Denk jij, dat je maar doen moogt, wat je wilt? Ik zal je dat wel anders leeren. &#700;t Is gewoon diefstal,
+maar daar storen jullie je niet aan, h&egrave;? Jij niet,&#8212;en je vader niet! Pas op je tellen, mannetje, of je loopt er nog eens geducht
+tegen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zijn vader lachte er om, toen Jan het hem vertelde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gekheid, jongen, maak je maar niet ongerust. Als je geen grooter kwaad doet, is het nog al zoo erg niet, en zal Flipsen je
+wel met rust laten. &#700;t Is een nijdige kerel, die het allen menschen lastig maakt. &#700;t Is ook al erg, dat die bok daar een mondje
+gras of klaver eet. Dat doet mijn hit immers elken dag ook? En de menschen, die het gras van de publieke wegen pachten, weten
+immers vooruit, dat zulke dingen niet te keeren zijn. Daarom betalen zij ook minder pacht. &#700;t Is te gek om er van te praten,
+Jan, en maak je maar niet ongerust. &#700;t Zal zoo&#700;n vaart niet loopen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Na dien tijd liet Jan zijn bok gewoon z&#700;n gang gaan, <a id="d0e1682"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1682">82</a>]</span>of Flipsen het zag of niet. Dat begon Flipsen geducht te vervelen, en eindelijk maakte hij er werkelijk proces-verbaal van
+op.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jij heet Jan Trom, h&egrave;?&#8221; zei hij, zijn zakboekje te voorschijn halende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe oud ben je?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tien jaar,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoon van Dik Trom, h&egrave;?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja wel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En je erkent, dat je bok hier gras en klaver van den berm eet?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei Jan, &#8220;dat kan ik niet ontkennen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mooi zoo,&#8221; zei Flipsen, die zijn boekje met een flap dichtsloeg, &#8220;daar zal je wel meer van hooren, manneke. Jullie doet maar,
+of er geen overheid bestaat. Maar &#700;t zal je berouwen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen Jan het aan zijn vader vertelde, haalde deze glimlachend de schouders op.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat bezielt dien man toch,&#8221; zei hij. &#8220;Maak je maar niet ongerust, &#700;t is een storm in een glas water. We hooren er hoogstwaarschijnlijk
+nooit meer iets van.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat was ook zoo. Toen Flipsen met zijn proces-verbaal bij den burgemeester kwam, lachte deze den veldwachter hartelijk uit.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Ben je dwaas, Flipsen,&#8221; zei hij. &#8220;Denk je, dat we met zulke nesterijen bij den Officier van Justitie kunnen komen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar burgemeester, &#700;t is toch diefstal?&#8221; zei Flipsen knorrig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat beschouw ik niet als diefstal,&#8221; was het antwoord. &#8220;Op die manier zou een jongen zelfs geen konijntje meer kunnen houden,
+als hij niet een beetje gras van den berm mag snijden. &#700;t Is te mal om er van te praten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hiermede kon Flipsen vertrekken, maar Jantje keek hij <a id="d0e1719"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1719">83</a>]</span>nooit meer vriendelijk aan. En dat zou nog erger worden, geheel buiten Jan&#700;s schuld.
+
+</p>
+<p>Op een avond waren Jan en Karel met nog een paar andere jongens aan het spelen op de markt, toen zij opeens een eigenaardig
+puffend geluid hoorden. Verwonderd keken zij in het rond, om te zien, waar dat geluid vandaan kwam. En tot hun groote verbazing
+ontdekten zij een wagen zonder paard er voor, die met groote snelheid langs den weg vloog.
+
+</p>
+<p>&#8220;Boe!&#8212;Boe!&#8212;Boe!&#8221; klonk het geluid van een grooten horen. In den wagen zaten heeren en dames, die zich vreeselijk mal toegetakeld
+hadden. Zij droegen groote stofbrillen voor de oogen, en zagen er uit als ijsberen.
+
+</p>
+<p>&#700;t Vreemde rijtuig was een automobiel, en wel de eerste automobiel, die het dorp, waar Jan woonde, met een bezoek vereerde.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk, kijk!&#8221; riepen de jongens, &#8220;wat een gekke wagen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij lijken wel van den Noordpool te komen,&#8221; merkte Jan op. &#8220;&#700;t Is een wagen vol ijsberen. Kijk, daar houdt hij stil voor
+de herberg van De Vries. Gaan jullie mee kijken?&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens liepen, wat zij loopen konden, om bij het vreemde voertuig te komen.
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is eene automobiel!&#8221; zei Karel van Dril. &#8220;&#700;k Weet zeker, dat het eene automobiel is!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gaat die door stoom?&#8221; vroeg Jan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, ze stoken er benzine in, zei Vader. O, ze kunnen zoo hard rijden, wel zoo hard als een sneltrein.&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens hadden den wagen spoedig bereikt, en bekeken hem aan alle kanten. De reizigers waren het caf&eacute; binnengegaan, om
+iets te gebruiken. En al spoedig stonden er heel wat menschen om het vreemde voertuig, want velen hadden wel al van automobiles
+gehoord of gelezen, maar nog slechts weinigen hadden er een gezien.
+<a id="d0e1741"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1741">84</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik noem het een mooi ding!&#8221; merkte Jan wijs op. &#8220;Ik zou er mijn bokkewagen wel voor willen ruilen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat je zegt!&#8221; zei Karel lachend. &#8220;Kijk, hij staat nog te trillen en te zuchten, of het een levend wezen is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij is mo&ecirc;,&#8221; lachte Jan. &#8220;Hij staat uit te blazen. Die twee groote lantaarns voorop zijn net een paar oogen.&#8212;Zeg Karel, zoo&#700;n
+automobiel ga ik ook maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je doet wat!&#8221; lachte Karel een beetje spottend. &#8220;&#700;t Is maar geen kleinigheid. Je begrijpt toch, dat er een heele machinerie
+binnenin zit?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O ja natuurlijk,&#8221; zei Jan. &#8220;Ik bedoel ook niet, dat ik een echte ga maken, want dat zou jou vader nog niet eens kunnen, en
+die kan haast alles,&#8212;maar ik maak toch net een wagen als dit ding, wat ik je zeg.&#8221;
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik kwamen de reizigers weer naar buiten en namen in de auto plaats. De chauffeur greep het stuurrad deed een
+paar geheimzinnige grepen in den wagen, en er kwam leven in het monster. Het trillen en schokken werd heviger, en opeens schoot
+het gevaarte met kracht vooruit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Poe! Poe! Poe!&#8221; toeterde de reusachtige horen.
+
+</p>
+<p>De omstanders sprongen verschrikt op zijde, en een oogenblik later was de wagen uit het gezicht verdwenen. Hij vloog als het
+ware langs den weg, de menschen in een wolk van stof achterlatende.
+
+</p>
+<p>Jan stond het vreemde voertuig met open mond na te staren. En toen hij het niet meer kon zien, riep hij zijn makkers toe:
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Dag!&#8212;Ik ga naar huis!&#8221;
+
+</p>
+<p>Op een drafje liep hij weg. De auto had een overweldigenden indruk op hem gemaakt, en hij was besloten niet te rusten, voor
+hij er ook een had. Wel een week lang bleef hij voor zijne kameraden onzichtbaar, behalve op school natuurlijk. Daar m&ograve;&egrave;st
+hij wel heen. Maar al zijn <a id="d0e1764"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1764">85</a>]</span>vrijen tijd besteedde hij aan het vervaardigen van zijne automobiel, en dat was geen gemakkelijk werkje. Hij schoot er vlug
+mede op, en was verbazend trotsch op het product van zijne handen.
+
+</p>
+<p>De kinderwagen, waarin zijne Moeder hem gereden had, toen hij nog een klein kereltje was, had hij van het bovenstel ontdaan,
+zoodat alleen de wielen overbleven. Zijn Moeder had hem daartoe hare toestemming gegeven, omdat de wagen oud en versleten
+en dientengevolge geen dubbeltje meer waard was.
+
+</p>
+<p>Toen had hij van zijn vader een paar pakkisten gevraagd, die hem graag werden afgestaan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat moet je er me&ecirc; uitvoeren, Jan?&#8221; had zijn Vader gevraagd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik maak er een automobiel van,&#8221; zei Jan, en toen vond zijn Vader het goed. Die kisten gaf hij precies het model van de auto,
+en bevestigde ze daarna op het onderstel van den kinderwagen. Keurig netjes timmerde hij er twee bankjes in, een voor- en
+een achterbankje. Gelukkig mocht hij het gereedschap van zijn grootvader gebruiken, en deze gaf meermalen goeden raad.
+
+</p>
+<p>Maar nu kwam het moeilijkste nog aan, want hij wilde zijn wagen van een toestel voorzien, waarmede hij hem in beweging kon
+brengen, zonder dat het noodig was hem te duwen of te trekken. Het duurde lang, eer hij daar iets op gevonden had, en toen
+hij wist, hoe het worden moest, kon hij het onmogelijk zonder hulp van een smid uitvoeren. Hij ging daarom met zijn wagen
+naar Piet van Dril, den smid, en legde hem uit, wat er gedaan moest worden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk, Van Dril,&#8221; zei hij, &#8220;zooals het nu is, is het niet goed. De as van mijn wagen deugt er niet voor. Ik zou naast mijn
+voorbankje een wiel willen hebben met een <a id="d0e1778"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1778">86</a>]</span>tandrad precies als aan een fiets. Als nu aan den as van den wagen ook zoo&#700;n rad bevestigd werd, kon er een fietsketting omgelegd
+worden, zoodat ik maar aan het wiel te draaien heb om de kar in beweging te brengen. Aan dat wiel moet natuurlijk een handvat
+komen, precies als aan het wiel van een draaiorgel.&#8221;
+
+</p>
+<p>Piet van Dril keek hem een poosje peinzend aan, en krabde zich in gedachten achter het oor. Eindelijk gaf hij Jan een geduchten
+klap op diens smalle schoudertje, zoodat de beentjes ervan haast kraakten, en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat heb je al wonder knap bedacht, Jan. Wonder knap, zeg ik! Je kon wel ingenieur of zoo iets worden. Maar hoe moet je aan
+zoo&#700;n wiel met een handvat komen? Ik heb er geen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij w&egrave;l, Van Dril,&#8221; zei Jan. &#8220;In de schuur ligt die oude koffiemolen nog van ons, u weet wel, die oude afgedankte uit den
+winkel. En daar zit een groot wiel aan met een handvat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist!&#8212;Ja, juist,&#8221; zei Van Dril. &#8220;Wel jongen, ik vind, dat je het z&oacute;&oacute; knap bedacht hebt, dat ik je nu eens voor pleizier
+aan die kamraderen helpen wil. Haal dat wiel maar hier.&#8221;
+
+</p>
+<p>Wat was Jantje blij. Hij liep als een haas naar huis om het wiel te halen en was den geheelen avond niet uit de smederij weg
+te krijgen. Geen wonder waarlijk, want Van Dril hield woord. Hij smeedde de kamraderen aan den vooras van den wagen en aan
+het wiel van den koffiemolen, maakte een oude fietsketting pasklaar, en zette alles netjes en flink in elkander.
+
+</p>
+<p>Jan stond er verrukt naar te kijken, en Karel niet minder.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu moet ik nog een horen hebben!&#8221; zei Jan, zich de handen wrijvende van genot.
+
+</p>
+<p>Ja, en nog twee lantaarns,&#8221; zei Karel. &#8220;Je weet wel, <a id="d0e1796"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1796">87</a>]</span>dat zijn de oogen van het beest. Een paar oude fietslantaarns konden er best dienst voor doen. Vader, hebben wij nog niet
+een paar van zulke oudjes?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, ja wel,&#8221; zei Van Dril. &#8220;Hier heb je er twee.&#8221;
+
+</p>
+<p>In een kwartiertje had Jan ze voor aan de auto bevestigd. Toen nam hij nog een veerkrachtig metalen plaatje, en timmerde dat
+aan den linkerkant van den wagen, er voor zorgende, dat de spaken van het voorwiel er beurtelings tegen aan tikten, als de
+wagen in beweging kwam. Daardoor werd een geluid veroorzaakt, dat precies het tuffen van een auto nabootste.
+
+</p>
+<p>Nu was de wagen klaar. Jan en Karel brachten hem naar buiten, waar Jan op het voorbankje ging zitten, en Karel op de achterbank.
+Jan nam het handvat en draaide het wiel rond. Ha, wat reed het karretje prachtig. De twee jongens konden hun lachen niet houden
+van pleizier. &#700;t Was precies een auto, en hij maakte een aardig gangetje.
+
+</p>
+<p>&#700;t Was maar jammer, dat de voorwielen niet om een spil konden draaien, want nu kon de wagen alleen vooruit en achteruit, maar
+van sturen was geen sprake.
+
+</p>
+<p>Elken avond gingen de jongens er me&ecirc; spelen en zij hadden niet weinig bekijks. Maar Jan raakte er door in volslagen vijandschap
+met Flipsen, en toch was het geheel buiten zijne schuld. Dat kwam zoo.
+
+</p>
+<p>Karel van Dril moest eene boodschap voor zijn vader doen, en daarom besloot Jan maar alleen met zijn auto te gaan rijden.
+Eerst tufte hij een paar malen het dorp door, en ging toen naar het fort even voorbij het kerkhof, dat aan het einde van &#700;t
+dorp lag. Daar werd een fort aangelegd waarlangs een hooge kluft liep. Jantje besloot van die kluft af te tuffen. Jongen,
+wat zou hij dan een snelle vaart krijgen!
+
+</p>
+<p>Nu, dat was ook zoo. Hij duwde zijne auto tegen de <a id="d0e1812"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1812">88</a>]</span>hoogte op, ging er toen in zitten, en reed vliegensvlug naar beneden. Ha, nu leek het precies een echte automobile. Hij toeterde,
+dat het een lust was om te hooren, en het stof dwarrelde achter hem omhoog. &#700;t Was verbazend te zien, hoever zijn kar nog
+voortreed, als hij den vlakken weg reeds had bereikt.
+
+</p>
+<p>Jan vond het spelletje zoo mooi, dat hij aan geen ophouden dacht. Zoodra was hij niet beneden gekomen, of hij duwde de kar
+opnieuw naar boven, en liet zich dan weer vliegensvlug gaan.
+
+</p>
+<p>Toen hij eens weer op het hoogste punt aangekomen was en gereed stond om in te stappen, kwam van den anderen kant juist Flipsen
+aan. De man was bepaald in eene erg knorrige bui, want hij keek verschrikkelijk boos. Zoodra hij Jan zag, bleef hij staan
+en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo,&#8212;wat voer jij hier in je eentje uit? Zeker niet veel goeds, h&egrave;?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik doe in het geheel geen kwaad, Flipsen,&#8221; zei Jan. &#8220;Ik rijd alleen maar met mijn auto van de hoogte af, omdat het zoo lekker
+gaat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja,&#8221; zei Flipsen, &#8220;jij hebt je woordjes wel klaar, maar ik vertrouw je niet verder, dan ik je zie. Pas op, manneke, ik
+waarschuw je, dat je geen verkeerde dingen doet, want ik heb je al lang in de gaten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Flipsen vervolgde zijn tocht langs de kluft naar beneden.
+
+</p>
+<p>Jan besloot nog een poosje te wachten, want hij zag zeer goed, dat Flipsen om de een of andere reden uit zijn humeur was,
+en dat het maar het veiligst was hem uit den weg te blijven. Hij nam plaats op het voorbankje en was van plan zoo lang te
+wachten, tot Flipsen weg was.
+
+</p>
+<p>Dat duurde geruimen tijd, want het was eene lange kluft, en Flipsen kuierde op zijn gemak naar het dorp.
+
+</p>
+<p>Opeens voelde Jan, dat er beweging in zijne auto kwam. <a id="d0e1832"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1832">89</a>]</span>Deze werd met kracht vooruit geduwd. Hij keek om en zag, dat Frans Tor achter de kar liep. Lachend zei deze:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal je een zetje geven, Jan, dan ga je vliegensvlug naar beneden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet doen,&#8212;niet doen, Frans!&#8221; riep Jan hem waarschuwend toe. &#8220;Ginder loopt Flipsen, en ik wou hem liever niet voorbij rijden.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Gekheid! Wat kan jou Flipsen schelen!&#8221; riep Frans terug. Met alle kracht en zoo snel hij loopen kon, duwde deze de kar naar
+beneden.
+
+</p>
+<p>Opeens liet hij haar los, en voort vloog Jantje, in ijlende vaart de helling af. Angstvallig hield hij de oogen gericht op
+Flipsen, want hij vreesde niet zonder reden, dat er veel kans bestond om hem onderst-boven te rijden.
+
+</p>
+<p>&#8220;O j&eacute;!&#8221; dacht Jan met een zucht van ontsteltenis, &#8220;als dat maar goed afloopt! Ik vlieg regelrecht op hem aan. Had ik maar
+een stuur aan mijn auto, dan kon ik langs hem heen rijden, of een rem, om den wagen tot stilstand te brengen.&#8212;Poe,&#8212;ik geloof,
+dat ik hem regelrecht tegen de beenen vlieg!&#8221;
+
+</p>
+<p>Jantje begon op zijn horen te toeteren, dat het wel vijf minuten ver te hooren was, maar Flipsen keek niet op of om. Jan zag
+dat tot zijn grooten schrik. Hij zag ook, dat Flipsen recht-uit, recht-aan verder liep, zonder ook maar een stap op zijde
+te gaan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zou hij me niet hooren?&#8221; dacht Jan, en hij toeterde zoo hard, dat zijn horen er van berstte, en in &#700;t geheel geen geluid
+meer gaf.
+
+</p>
+<p>Jan was ten einde raad, want hij naderde Flipsen met groote snelheid, en &#700;t leed geen twijfel, of bij dezen voortgang reed
+hij hem pardoes tegen de beenen.
+
+</p>
+<p>Hij probeerde de kar op zijde te rukken, maar tevergeefs.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hei, hei daar, hola Flipsen!&#8221; riep hij in doodsangst <a id="d0e1854"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1854">90</a>]</span>den boozen veldwachter toe, want hij was hem bijna genaderd.
+
+</p>
+<p>Maar Flipsen verkoos geen stap op zij te gaan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat moet er nog bijkomen, dat ik, een regeeringspersoon, voor een kw&acirc;jongen uit den weg moet gaan. Dank je hartelijk. Hij
+moet voor mij uitwijken, en niet ik voor hem. &#700;t Zou me wat moois worden op die ma...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bom!&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar voelde hij een geduchten smak tegen zijn kuiten, en op &#700;t zelfde oogenblik sloeg hij met kracht achterover in de auto
+van Jantje. En voort vloog de kar. Flipsen lag met zijn beenen omhoog in den wagen, en hij zag geen kans om overeind te komen.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Satansche jongen,&#8221; schreeuwde hij, toen hij zijn eersten schrik te boven was. &#8220;Brutale vlegel,&#8212;ik zal je leeren!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#700;t Was een bespottelijk gezicht hem te zien liggen. Vader Dik, die er juist op aan kwam loopen, wist eerst niet goed, wat
+hij zag, maar een oogenblik later barstte hij in een onbedaarlijk lachen uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat nu, Flipsen,&#8221; riep hij den veldwachter toe, &#8220;ga je in het karretje van mijn Jan rijden?&#8221;
+
+</p>
+<p>Flipsen richtte zich op uit zijne moeielijke positie, en bracht met zijne beenen de kar tot staan. Maar waar was Jan? Er was
+tot verbazing zoowel van Dik als van Flipsen, geen spoor van hem te zien.
+
+</p>
+<p>Flipsen was woest van kwaadheid, en met gebalde vuist kwam hij op Dik af.
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is eene schande, eene schande!&#8221; schreeuwde hij Dik toe. &#8220;Ik zeg, &#700;t is eene schande om je zoontje zoo tegen mij op te
+zetten, en hem te leeren mij te bespotten. Maar ik zal hem krijgen,&#8212;ik zal hem krijgen,&#8212;ik zal...&#8221;
+
+</p>
+<p>Flipsen wist van kwaadheid niet, wat hij zeggen moest, en met toornige blikken keek hij van Dik naar de auto, <a id="d0e1878"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1878">91</a>]</span>die verlaten aan den kant van den weg stond, en van de auto naar Dik. Maar deze deed niet anders dan lachen, want het was
+hem onmogelijk zich te bedwingen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Bedaar toch, Flipsen, bedaar toch!&#8221; riep hij tusschen de bui&euml;n door den veldwachter toe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Bedaren?&#8221; schreeuwde Flipsen. &#8220;Bedaar jij met je gelach, dat zou je fatsoenlijker staan. Foei man, ik zou me schamen, om
+mijn kind zoo&#700;n opvoeding te geven. Maar ik zal hem wel krijgen, den rakker, wacht maar!&#8221;
+
+</p>
+<p>Met groote schreden vervolgde Flipsen zijn weg, zonder Dik of de auto met een enkelen blik te verwaardigen.
+
+</p>
+<p>Dik lachte n&ograve;g!
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat was dat een bespottelijk gezicht!&#8221; zei hij binnensmonds. &#8220;Maar waar mag Jan toch zitten? &#700;t Is zijn auto, dat weet ik
+zeker. De jongen zal toch geen ongeluk gekregen hebben...&#8221;
+
+</p>
+<p>Dik werd ernstiger, en hij wierp een blik langs de kluft om te zien, of Jan zich daar bevond.
+
+</p>
+<p>Opeens hoorde hij echter diens welbekende stem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Pssst, Vader,&#8212;is hij weg?&#8221; werd hem half fluisterend toegeroepen. &#700;t Geluid kwam uit de auto.
+
+</p>
+<p>Dik draaide zich om, en waarlijk, daar kwam Jantje&#700;s smalle hoofdje van tusschen het voor- en het achterbankje te voorschijn.
+Snel keek Jan om zich heen.
+
+</p>
+<p>Ha, de veldwachter verwijderde zich met groote schreden. Dik kwam naderbij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe zit jij daar zoo tusschen die banken gewrongen, kind?&#8221; vroeg hij lachend, want de heele geschiedenis maakte op hem een
+onweerstaanbaar lachwekkenden indruk. &#8220;En wat is er eigenlijk gebeurd?&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan kroop nu uit den wagen en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;O, Flipsen was erg boos, waarom weet ik niet. Ik stond met mijne auto ginds op de hoogte, en was juist <a id="d0e1906"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1906">92</a>]</span>van plan om naar beneden te rijden, toen Flipsen mij een standje gaf, omdat ik&#8212;ja, ik weet echt niet waarom, want ik deed
+in &#700;t geheel niets. En toen ging Flipsen verder, en omdat hij zoo boos was, meende ik te wachten, tot ik hem niet meer kon
+inhalen. Maar Frans Thor kwam onverwachts achter me en gaf me een harden duw, zoodat ik naar beneden vloog, regelrecht op
+Flipsen aan.&#8212;Wat zat ik in de benauwdheid, Vader. Ik toeterde zoo hard ik kon, en toen n&ograve;g harder, zoodat de horen er van
+gebarsten is. Hoor maar, hij geeft geen geluid meer. Maar Flipsen deed net of hij doof was, en keek niet op of om, tot ik
+eindelijk zag, dat ik hem niet meer ontwijken kon. Ik kroop vlug tusschen het voor- en het achterbankje en maakte mij zoo
+klein mogelijk, en op &#700;t volgende oogenblik vloog de kar Flipsen van achteren tegen de beenen, zoodat hij achterover op de
+kar viel. Zoo reden we samen verder, tot u kwam. Wat zat ik in angst, Vader. Ik zweet nog, als ik er aan denk.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dik kreeg opnieuw een lachbui, waar haast geen einde aan kwam, zoo mal vond hij het.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dus je magere leden hebben je gered!&#8221; riep hij eindelijk uit. &#8220;Als je zoo mager niet was geweest, had je je onmogelijk op
+zoo&#700;n klein plaatsje kunnen opvouwen. &#700;t Is merkwaardig. Ga maar gauw naar huis, en blijf Flipsen zoo ver mogelijk uit de
+voeten, want hij is meer dan kwaad op je.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar Vader, ik kon er toch niets aan doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja jongen, dat weten <i>wij</i> wel, maar <i>hij</i> gelooft het niet. Blijf van avond verder maar stilletjes thuis.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan beloofde dat, maar hij ging toch even naar de smederij, om het geval aan Karel Van Dril en diens vader te vertellen, die
+er ook niet weinig om lachen moesten.
+
+</p>
+<p>Jan evenwel verzonk in diep gepeins, want de kar beviel <a id="d0e1926"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1926">93</a>]</span>hem zoo niet meer. Hij nam zich vast voor niet te rusten, voordat hij de voorwielen aan een beweegbaren as verbonden had,
+zoodat hij de auto sturen kon, en dan nog wilde hij er een rem aan hebben.
+
+</p>
+<p>Toen Dik &#700;s avonds het geval aan Jan&#700;s Grootvader vertelde, moest deze er ook braaf om lachen, en hij kwam tot de conclusie,
+dat Jan ook een bizonder kind was&#8212;en dat was-ie!
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e1930" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Negende Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>Jan omarmt den schoorsteenveger met groote innigheid.</p>
+</div>
+<p>Flipsen w&agrave;s en bl&egrave;&egrave;f erg boos op Jan Trom. Misschien zou die boosheid langzamerhand wel wat afgezakt zijn, als het malle figuur,
+dat hij gemaakt had, niet door het geheele dorp bekend geraakt was, maar dat gebeurde w&egrave;l. Frans Thor was daar de schuld van.
+Toen hij Jan met zijne auto zoo&#700;n geduchte vaart gegeven had, bleef hij lachend staan kijken, hoe de zaak zou afloopen, en
+zoo had hij alles gezien, wat er gebeurd was. Hij gierde het uit van de pret, en hij vertelde het aan iedereen, die het maar
+hooren wilde. En wat nog erger was: hij hield Flipsen telkens voor den gek, als hij hem op straat tegenkwam. Dat zou Jan Trom
+in geen geval gedaan hebben, want hij vond het geval voor Flipsen al erg genoeg, maar Frans deed het w&egrave;l en Klaas Zwart hield
+hem daarbij trouw gezelschap. Telkens als zij Flipsen ontmoetten, begonnen zij te tuffen als eene auto, zonder Flipsen aan
+te kijken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!&#8221; zei dan Frans.
+<a id="d0e1940"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1940">94</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!&#8221; zei dan ook Klaas, en dan tuften zij om het hardst. Eerst had Flipsen er geen erg in gehad, maar toen
+het telkens gebeurde, als die jongens in zijne nabijheid waren, begon hij lont te ruiken. Hij keek ze aan met een paar oogen,
+of hij hen verscheuren wilde, maar dat deed hij toch niet.
+
+</p>
+<p>Doch toen hij hen later weer tegenkwam, en zij opnieuw begonnen te tuffen, sprong hij plotseling op hen af, en gaf hun ieder
+een klinkenden draai om de ooren. Dat gebeurde z&oacute;&oacute; snel en onverwachts, dat de twee jongens eerst niet eens goed begrepen,
+wat er gebeurde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Au!&#8221; riep Frans.
+
+</p>
+<p>&#8220;Au!&#8221; riep Klaas.
+
+</p>
+<p>En beiden grepen zij naar hun ooren, waar zij een stekende pijn voelden.
+
+</p>
+<p>Flipsen lachte, en gaf hun een tweeden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar!&#8221; zei hij. &#8220;Ik zal je leeren tuffen! Hard gaat-ie, h&egrave;?&#8221;
+
+</p>
+<p>Ze gingen allebei hard, want v&oacute;&oacute;r Flipsen gelegenheid kreeg hun nog een derden oorveeg toe te dienen, zetten zij het op een
+loopen, zoo hard zij konden. En na dien tijd tuften zij niet meer, als zij Flipsen tegenkwamen. Zij gingen hem zelfs eerbiedig
+uit den weg.
+
+</p>
+<p>Op Jan Trom bleef Flipsen erg boos, dat kon Jan duidelijk opmerken. Flipsen groette hem nooit terug, als hij hem tegenkwam,
+en keek hem altoos aan met een blik, die hem niet veel goeds voorspelde. Jan trok er zich echter niets van aan, want hij voelde
+zich volkomen onschuldig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb het niet met voordacht gedaan,&#8221; dacht hij, &#8220;en als ik het had kunnen vermijden, zou het in &#700;t geheel niet gebeurd
+zijn. Flipsen zal dat ook wel begrijpen, als hij er kalm over nadenkt.&#8221;
+
+</p>
+<p>En zijn vader zei ook:
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Zal van zelf wel weer beter worden, als jij Flipsen <a id="d0e1965"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1965">95</a>]</span>maar met rust laat en hem zooveel mogelijk uit de voeten blijft. Hij zal dan zelf wel begrijpen, dat hij zich vergist heeft.
+
+
+</p>
+<p>En zoo was het ook. Toen Flipsen opmerkte, dat Jan hem altoos even beleefd bleef groeten en hem nooit voor den gek hield,
+bedaarde zijne boosheid meer en meer, en eindelijk groette hij Jan zelfs terug.
+
+</p>
+<p>Jan peinsde voortdurend op een middel, om eene herhaling van het gebeurde te voorkomen. Hij was vast besloten niet te rusten,
+voor hij zijne auto bestuurbaar had gemaakt. En eindelijk meende hij het gevonden te hebben. Hij had er een spil voor noodig,
+met aan het boveneinde een stuurrad, precies als aan eene echte auto. Die spil moest van onderen bevestigd worden aan den
+vooras, welke beweegbaar moest zijn. Als hij dan in zijn auto zat, kon hij hem gemakkelijk door middel van het stuurrad heen
+en weer bewegen, waardoor hij den wagen geheel in zijne macht kreeg.
+
+</p>
+<p>Nauwelijks waren zijne plannen tot rijpheid gekomen, of hij begaf zich na schooltijd op weg naar Van Dril, zonder wiens hulp
+hij geen kans zag een en ander ten uitvoer te brengen. Er zou echter dien avond niet veel van komen. Hij was nog maar pas
+zijn huis uit, of hij kwam Dries Klomp tegen, den jongsten knecht van Jan Vos. Deze had een emmertje in de hand, en een bezem,
+een bosje stroo en een touw onder den arm. Hij werd op het dorp meestal bij zijn voornaam genoemd en stond bekend als een
+grappenmaker.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dag Dries!&#8221; riep Jan hem toe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo Jantje,&#8221; zei Dries. &#8220;Jongen, jongen, wat word je toch dik in den laatsten tijd. Als je niet oppast, kun je weldra met
+de konijntjes door de tralies van het hok me&ecirc;-eten.&#8221;
+<a id="d0e1977"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1977">96</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Is het waar?&#8221; vroeg Jan lachend, want hij kon wel tegen een klein plagerijtje. &#8220;Dan zal ik de koolstronkjes voor jou laten
+liggen. Is dat goed?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Graag,&#8212;asjeblief. Ga je mee naar den molenaar? Dan kun-je me helpen aan &#700;t vegen van de schoorsteenen. Dat is een mooi werkje
+voor je.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dank je hartelijk, om zoo zwart als roet thuis te komen,&#8221; zei Jan. &#8220;&#700;t Is je van harte gegund, Dries.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geen lust? Even goede vrienden, hoor. Dag Jan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dag Dries.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan vervolgde zijn weg, tot hij onderweg een schilder bezig zag met het verven van een der lantarenpalen, die aan den weg
+stonden. Hij mocht dat graag zien, en bleef er dus een poos naar kijken. De schilder bevond zich op een ladder, om het bovengedeelte
+te verven. Op den grond stond ook een pot met verf, met een kwast er in. Nauwelijks had Jan dat gezien, of hij greep de kwast
+en vroeg, of hij ook eens schilderen mocht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jawel, Jan,&#8221; was het antwoord. &#8220;Maar niet met de verf morsen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ha, dat vond hij prettig, en hij smeerde er lustig op los.
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet zoo dik, Jan,&#8221; zei de schilder. &#8220;Je moet de verf meer uitsmeren. Zooals jij het doet, is de paal de volgende week nog
+niet droog.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En zooals u het doet?&#8221; vroeg Jan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Morgen, denk ik,&#8221; was het antwoord.
+
+</p>
+<p>Jan bleef bij den schilder tot de geheele lantarenpaal klaar was, maar toen ging hij ook direct naar den smid, om aan zijn
+wagen te werken.
+
+</p>
+<p>Van Dril had juist een oude fiets van iemand overgenomen, en zijn zoontje Karel stond te zeuren, of hij er op mocht leeren
+rijden.
+
+</p>
+<p>&#8220;H&egrave; toe, Vader,&#8221; zei Karel, &#8220;laat mij er maar op rijden. &#700;t Is toch al een oudje.&#8212;Toe maar.&#8221;
+<a id="d0e2006"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2006">97</a>]</span></p>
+<p>Van Dril zei niets, maar hij lachte eventjes, wat Karel moed gaf, dat hij de gewenschte toestemming verwerven zou.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mag ik, Vader?&#8221; vroeg hij nog eens.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als je dan maar voorzichtig bent,&#8221; zei Van Dril. &#8220;Breek geen armen of beenen, en de fiets ook niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat liet Karel zich geen twee keer zeggen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga je me&ecirc;, Jan?&#8221; vroeg hij met eene kleur van blijdschap &#8220;Dan gaan we leeren fietsen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat was een kolfje naar Jan&#700;s hand. Hij vergat zijn heele machinerie en ging met Karel naar buiten. Samen hielden zij de fiets
+vast.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik het eerst, Jan,&#8221; zei Karel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Natuurlijk,&#8221; was het antwoord.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg, hij ziet er nog mooi uit, al is het een oudje, h&egrave;?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat geloof ik,&#8221; zei Jan. &#8220;&#700;k wou, dat het de mijne was. Toe, hier kunnen we wel beginnen. Stap jij er maar op, dan zal ik
+hem vasthouden.&#8221; Karel probeerde op het zadel te wippen, maar op &#700;t zelfde oogenblik lag hij al op den grond. &#8220;Je moet hem
+beter vasthouden, Jan,&#8221; zei hij. &#8220;Z&oacute;&oacute; kan ik er niet op komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik hield hem goed vast, maar jij zat veel te scheef!&#8221; zei Jan. &#8220;Als je zoo scheef zit, kan ik je niet houden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Karel stapte nog eens op. Nu ging het beter, en Jan duwde hem vooruit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Trappen, jongen, trappen!&#8221; riep Jan hem toe. Karel durfde niet. Hij was bang, dat hij vallen zou. &#8220;Trap dan toch! Als je
+niet trapt, leer je het nooit!&#8221;
+
+</p>
+<p>Karel drukte zijn rechtervoet naar beneden. Voort ging de fiets, met het gevolg, dat Jan haar alweer niet houden kon, en Kareltje
+op den weg terecht kwam.
+
+</p>
+<p>&#8220;Au!&#8221; zei hij. &#8220;Dat kwam wel een beetje hard aan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hindert niet!&#8221; riep Jan. &#8220;Stap maar weer op, maar niet zoo schuin hangen. Dan ben je me veel te zwaar!&#8221;
+<a id="d0e2039"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2039">98</a>]</span></p>
+<p>Wip! Met een vlugge beweging stapte Karel weer op de fiets.
+
+</p>
+<p>Hij durfde nu al een beetje beter, en drukte de trappers met kracht naar beneden. &#700;t Was hem echter onmogelijk zijn stuur
+goed te houden, zoodat de fiets over den weg slingerde als een dronken man. En als de fiets naar rechts ging, hing Karel schuin
+naar links, en ging zij naar links, dan hing Karel naar rechts.
+
+</p>
+<p>&#8220;Bom!&#8221; Daar tuimelde Karel weer over de straat.
+
+</p>
+<p>Hij gaf echter den moed niet op, en Jan evenmin.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je leert het al aardig,&#8221; zei Jan, toen het Karel inderdaad gelukt was, eenige seconden op de fiets te blijven zitten. &#8220;Trappen,
+zeg, hoe harder je trapt, hoe beter ik je houden kan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Karel trapte uit alle macht, en Jan draafde achter hem aan, als een hazewindhond achter zijn meester.
+
+</p>
+<p>Na een half uurtje durfde Jan het zadel even los te laten, en Karel reed werkelijk al eenige meters zonder te vallen. Toen
+zei hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu is het jouw beurt Jan. Jij hebt het mij geleerd, nu zal ik het jou leeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, ik wed, dat ik het al dadelijk kan,&#8221; pochte Jan. &#8220;Houd hem maar vast, dan zul-je eens zien, hoe ik er van door ga. Je
+zult er van staan te kijken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Karel lachte. Hij wist wel beter, want in het laatste half uur had hij de moeilijkheden pas goed leeren kennen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je hebt praats genoeg,&#8221; zei hij. &#8220;Stap er maar op, dan zul je eens zien, hoe gauw je tegen den grond ligt. Z&oacute;&oacute; gemakkelijk
+gaat het niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan stapte op, en Karel hield het zadel vast.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vooruit, Jan, trappen.&#8212;O, wat hang je schuin&#8212;nog veel erger dan ik.&#8212;Ik kan je niet&#8212;&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bom!&#8221;
+<a id="d0e2068"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2068">99</a>]</span></p>
+<p>Daar lag Jan onder de fiets, maar hij sprong dadelijk overeind en stapte opnieuw op.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je moet me beter vasthouden, Karel,&#8212;je laat me ook maar dadelijk vallen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar ging het weer. Jan trapte nu uit alle macht, want hij was in &#700;t geheel niet bang uitgevallen, en inderdaad ging het een
+eindje goed.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zie je wel?&#8221; riep hij Karel triomfantelijk toe. &#8220;Z&oacute;&oacute; moet je ook rijden! Ha, wat gaat dat lek...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Flap!&#8221; Weer lag Jan op den grond, en hij bezeerde zijn been erger, dan hem lief was. Maar hij stoorde er zich niet veel aan,
+en zat in &#700;t volgende oogenblik weer op de fiets.
+
+</p>
+<p>Werkelijk had hij er spoedig den slag van beet. Karel kon hem soms al een heel poosje aan zijn lot overlaten. Jan slingerde
+dan wel van den eenen kant van den weg naar den anderen, en soms dreigde hij pardoes in het kanaal te rijden, dat langs den
+weg liep, maar hij reed toch, en dat was de hoofdzaak. Hij was er w&agrave;t trotsch op.
+
+</p>
+<p>Even later was Karel weer aan de beurt. Het duurde niet lang, of hij kon ook al eenige meters los rijden, en daar was hij
+verrukt over. Hij trapte als een dolleman, want hij had gemerkt, dat hij dadelijk viel, als hij langzaam trapte. En Jan draafde
+achter hem aan zoo hard hij kon, om hem dadelijk te kunnen grijpen, als hij dreigde om te slaan.
+
+</p>
+<p>Eindelijk werd Jan z&oacute;&oacute; mo&ecirc;, dat hij niet meer kon.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik moet rusten, Karel,&#8221; zei hij. &#8220;Ik ben zoo mo&ecirc; als een hond. Maar je kunt het nu wel alleen. Probeer het maar gerust; je
+zult zien, dat het gaat.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij hielp Karel nog even bij het opstappen, en toen reed deze heen. Ha, wat slingerde hij! Jan stond hem na te kijken, nieuwsgierig
+op welke plaats Karel zou omvallen, <a id="d0e2089"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2089">100</a>]</span>want dat dit gebeuren moest, betwijfelde hij geen oogenblik. Een vijftig meters ging het vrij goed, al slingerde hij ook beangstigend,
+maar opeens gaf Jan een schreeuw van schrik, want Karel begon geweldig te slingeren, en reed toen regelrecht op het kanaal
+aan. Nog een oogenblik, en hij tuimelde bij den hoogen kant neer....
+
+</p>
+<p>Jan ijlde naar de plaats des onheils, en bemerkte tot zijn genoegen, dat hij zich voor niets bang had gemaakt, want Karels
+hoofd verscheen alweer boven den walkant. Hij was wel tot vlak bij het water geweest, maar hij was er toch niet ingevallen.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;H&egrave;-h&egrave;, dat scheelde een beetje!&#8221; zei hij vergenoegd, nu het zoo goed afgeloopen was. &#8220;Ik had geen duim verder moeten belanden,&#8212;dan
+was ik kopje-onder gegaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zag het,&#8221; zei Jan. &#8220;H&egrave;, wat schrok ik! Ik dacht stellig, dat je te water ging.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gelukkig niet;&#8212;zeg, help je even de fiets naar boven trekken?&#8221;
+
+</p>
+<p>Met vereende krachten brachten zij de fiets op den weg.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zou hij nog heel wezen?&#8221; vroeg Karel.
+
+</p>
+<p>Dat bleek gelukkig het geval te zijn.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu is &#700;t mijn beurt weer,&#8221; zei Jan. &#8220;Is &#700;t goed?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Best,&#8221; zei Karel. &#8220;Bij mij zit de schrik er wel een beetje in. Ga je gang maar.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan sprong op de fiets, en nu draafde Karel er achter. Eerst ging het langzaam, want Jan durfde niet goed, maar spoedig overwon
+hij zijne vrees, en nu moest Karel achter de fiets draven.
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Gaat goed zoo,&#8212;best,&#8212;erg best!&#8221; riep hij Jan bemoedigend toe. &#8220;Je rijdt nog beter dan ik.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat me maar gerust los!&#8221; riep Jan hem toe.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p2.jpg" alt=""></div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb je niet vast!&#8221; hijgde Karel achter hem, mo&ecirc; van het draven. Ha, wat trapte Jan lustig voort. Hij zwierde <a id="d0e2120"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2120">101</a>]</span>wel links en rechts, maar dat hinderde niet; hij wist toch op den weg te blijven.
+
+</p>
+<p>O j&eacute;, ginds zag hij een grooten steen liggen, midden op den weg.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als ik maar niet over dien steen ga,&#8221; dacht Jan met eenige zorg. &#8220;Ik moet hem zien te ontwijken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Angstvallig hield hij zijn blik op het gevreesde voorwerp gericht, met het gevolg, dat hij er juist op aanreed.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, die steen!&#8221; schreeuwde hij. Plof! Daar reed hij er overheen, wat een geduchten schok gaf, maar hij bleef zitten. Slingerend
+reed hij verder.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat scheelde een beetje!&#8221; riep Karel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Of het! Wat gaat het al goed.&#8221;
+
+</p>
+<p>Met krommen rug, den stuurstang krampachtig in de handen geklemd, trapte Jan voort. Hij vond, dat het al prachtig ging. Ha,
+daar zag hij den lantaarnpaal al, dien hij had helpen verven. Dien paal moest hij ook zien te ontwijken, want hij was natuurlijk
+nog nat. Maar tot zijne verbazing en ook tot zijn schrik bemerkte hij, dat hij er alweer regelrecht op aanreed.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gek toch,&#8221; mompelde hij. &#8220;Zoo&#700;n fiets brengt je juist, waar je niet wezen wilt. Maar ik zal hem wel mis zien te rijden.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Hij naderde den lantaarnpaal meer en meer, hoewel hij alle moeite deed om de fiets eene andere richting te geven. Dat wilde
+hem echter niet gelukken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Pas op, die lantaarn daar!&#8221; schreeuwde hij in angst Karel toe.
+
+</p>
+<p>Maar Karel kwam enkele meters achter hem aan, want Jan had hard gereden, en hij was erg mo&ecirc; geworden. Karel verkeerde dus
+in de onmogelijkheid om zijn vriend te helpen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Grijp me dan toch!&#8221; schreeuwde Jan in grooten angst, <a id="d0e2146"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2146">102</a>]</span>want hij zag, dat hij regelrecht koers hield naar den pas geverfden paal. Op &#700;t volgende oogenblik schaafde zijn wiel er tegen
+aan, en om niet te vallen greep Jan, zonder er bij te denken, den paal met beide handen aan. O wee, hij voelde het kleven
+van de verf. Daarom liet hij den paal dadelijk weer los, maar merkte, dat hij ging vallen. Hij breidde daarom de armen uit
+en klemde den groenen paal teeder aan zijn borst. Zelfs zijn linker wang kwam er mede in aanraking.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat loopt best af!&#8221; riep Karel hem toe. Deze was hem spoedig genaderd, trok de fiets een beetje achteruit, en riep:
+
+</p>
+<p>&#8220;Vooruit maar weer, Jan. &#700;t Gaat opperbest. Nog tot jullie huis, en dan mag ik terug weer.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij wist niet, dat de paal geverfd was, en voordat Jan iets in &#700;t midden kon brengen, voelde deze zich alweer vooruit duwen.
+Met zijn geverfde handen greep hij de handvatten van het stuur, en voort ging het weer.
+
+</p>
+<p>En &#700;t ging weer goed ook. Jan trapte als een dolleman.
+
+</p>
+<p>&#8220;Straks zal ik de handvatten wel afvegen,&#8221; dacht hij. &#8220;Ik denk, dat mijn kleeren ook wel vol verf zullen zitten. Die akelige
+paal ook. Hoe kan de fiets er nu juist tegen aanrijden.&#8221;
+
+</p>
+<p>O, wat slingerde Jan langs den weg. Soms reed hij haast tegen een boom op, een oogenblik later scheelde het maar zus of zoo,
+of hij reed in het kanaal. Maar toch bleef hij op den weg. De menschen, die hij tegenkwam, maakten zich uit de voeten, en
+bleven hem dan lachend nakijken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Houd je roer recht, schipper!&#8221; riep de een hem toe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je lijkt wel dronken, jongen!&#8221; merkte een ander op.
+
+</p>
+<p>Jan lachte maar. Hij vond het verrukkelijk op de fiets, en had geen oogen voor iets anders. Hij keek niemand <a id="d0e2166"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2166">103</a>]</span>aan, en staarde maar recht voor zich uit op den weg.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jongen, jongen, wat gaat dat echt,&#8221; dacht Jan bij zichzelven. &#8220;Als mij nu maar weer niet iets in den weg komt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zwaaiende en zwierende fietste Jan verder.
+
+</p>
+<p>Toen hij even zijne oogleden ophief, om te kijken, of de weg vrij bleef, zag hij in de verte iemand naderen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wacht,&#8221; dacht hij, &#8220;nu zal ik toch eens zien, of ik hem niet kan passeeren, zonder tegen hem aan te bommen. Maar die akelige
+fietsen lijken wel altoos juist den verkeerden kant op te gaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Weer hief hij eventjes de oogleden op.
+
+</p>
+<p>De man was al een heel stukje naderbij gekomen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu zal het er op aankomen,&#8221; dacht Jan.
+
+</p>
+<p>Hij omklemde de handvatten van het stuur nog krampachtiger dan te voren en trapte wat hij kon. Voortdurend hield hij den man
+in het vizier, tot hij opeens tot zijn schrik zag, dat het Dries was, die van het schoorsteenvegen bij den molenaar terugkeerde.
+Wat was Dries veranderd, en niet in zijn voordeel, want hij zag zoo zwart als een neger en zijn kleeren zaten vol roet.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hu, wat een roetmop,&#8221; dacht Jan. &#8220;Maar ik zal hem wel misrijden,&#8212;wacht maar. Ik begin het sturen al aardig te leeren.&#8212;Hola,
+wat een zwier maakte ik daar!&#8212;O j&eacute;, het kanaal,&#8212;daar ga ik!&#8221;
+
+</p>
+<p>Maar neen, met inspanning van al zijn krachten wierp hij het stuur om, en het gevaar was geweken. Jantje reed verder.
+
+</p>
+<p>Dries stond midden op den weg lachend naar hem te kijken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wil je een nat pak halen, Jan?&#8221; riep hij hem plagend toe. &#8220;Aanstonds ga je kopje-onder het kanaal in.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uit den weg! Ga uit den weg!&#8221; schreeuwde Jan, die tot zijn schrik bemerkte, dat hij regelrecht op Dries aanhield.
+<a id="d0e2194"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2194">104</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Berg je, menschen, berg je!&#8221; spotte Dries. Maar hij ging toch een beetje op zijde, om Jan te laten passeeren.
+
+</p>
+<p>&#700;t Hielp echter niet.
+
+</p>
+<p>Nauwelijks was Dries van plaats veranderd, of Jan merkte, dat de fiets daar rekening me&ecirc; hield en weer regelrecht koers hield
+naar Dries.
+
+</p>
+<p>&#8220;Op zij! Op zij!&#8221; schreeuwde Jan.
+
+</p>
+<p>Maar op &#700;t volgende oogenblik bonsde hij tegen Dries aan. Jan sloeg hem in de verwarring de armen om den hals, en klemde zich
+krampachtig aan den zwarten schoorsteenveger vast. Zij wang kwam tegen de wang van Dries terecht, die dadelijk iets kleverigs
+voelde. Dat was de verf van den lantaarnpaal, die Jan op zijn gezicht had.
+
+</p>
+<p>O, wat lachte Dries.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, wel, houd je zooveel van me, dat je me omarmen wilt?&#8221; vroeg hij. &#8220;Dan zal ik je wel een handje helpen.&#8221;
+
+</p>
+<p>En hij wreef met zijn zwarte gezicht tegen de wangen van Jan, precies als eene moeder doet, die haar kindje knuffelt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar dan! Is het zoo goed?&#8221; vroeg Dries, die schaterlachte van de pret.
+
+</p>
+<p>De fiets was op den grond gevallen, en Jan hing nog aan den hals van zijn plaaggeest.
+
+</p>
+<p>Karel trok de fiets weg en Jan liet zich op de grond zakken. Maar wat zag hij er uit. Hij was zoo zwart als een moriaan, en
+&#700;t leek wel, of hij al de schoorsteenen van het dorp had geveegd.
+
+</p>
+<p>Hij werd braaf uitgelachen, en ging zoo spoedig mogelijk naar huis om zich te wasschen.
+
+</p>
+<p>En zijn vader plaagde hem ook niet zoo&#700;n beetje.
+
+
+
+<a id="d0e2221"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2221">105</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="d0e2222" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Tiende Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>Hoe Flipsen zocht.</p>
+</div>
+<p>Frans Thor en Klaas Zwart hadden zich van lieverlede zeer nauw bij elkander aangesloten, en waren boezemvrienden geworden.
+Eindelijk waren zij samen een handeltje begonnen. Steeds kon men hen in elkanders gezelschap vinden met een mand tusschen
+hen in, of ieder met een zak op den arm of over den schouder. Dan trokken zij er op uit om vodden en beenen te zoeken, die
+langs de wegkanten, bij huizen en schuren, of in weilanden en boschjes verspreid lagen. En &#700;t was inderdaad niet weinig, wat
+zij vonden. Elken avond keerden zij met een goed gevulden zak huiswaarts, en als de voorraad groot genoeg was, verkochten
+zij dien aan den pottenschipper.
+
+</p>
+<p>De pottenschipper was een man, die eenzaam in een zolderschuit leefde. Hij had vrouw noch kind op de wereld, en ging met niemand
+om. De menschen hielden ook niet veel van hem, want het was bekend, dat hij geen gunstig verleden achter zich had. En in elk
+geval had hij een zeer ongunstig uiterlijk. Hij leefde van zijn handel in potten en pannen, en ook kocht hij vodden en beenen
+op.
+
+</p>
+<p>Alles, wat Klaas Zwart en Frans Thor vonden, brachten zij bij den pottenschipper, zooals hij algemeen werd genoemd. En zij
+ontvingen er menig centje voor. Soms verkochten zij wel voor dertig &agrave; vijftig centen in eene week, en al dat geld versnoepten
+zij. Of zij kochten er sigaren voor, en rookten die op.
+
+</p>
+<p>Maar langzamerhand begon hun vondst kleiner te worden, want ze hadden het geheele dorp al meermalen afgezocht. En eindelijk
+raakte de voorraad uitgeput.
+<a id="d0e2236"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2236">106</a>]</span></p>
+<p>Dat merkte de pottenschipper, en hij zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat hebben jullie een beetje, jongens. Ik geef voor dit zoodje niet meer dan vijf centen. Je bent een paar groote domkoppen,
+dat moet ik zeggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Domkoppen?&#8221; vroeg Frans. &#8220;Wij kunnen er toch niets aan doen, dat we maar zoo weinig hebben? &#700;t Heele dorp hebben we al meermalen
+afgezocht, en er is eenvoudig niet meer. Ik zie niet in, dat wij daarom domkoppen moeten zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; zei Klaas Zwart, &#8220;ik ook niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>De pottenschipper lachte slim.
+
+</p>
+<p>&#8220;Toch is het zoo,&#8221; zei hij. &#8220;Toen ik nog een jongen was, wist ik altijd wel aan een zakduitje te komen. Vond ik geen vodden
+en beenen, dan wist ik wel wat anders te bemachtigen. Ha, ha,&#8212;als je maar slim bent en zorgt, dat de menschen &#700;t niet zien.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Frans en Klaas keken hem vragend aan.
+
+</p>
+<p>De pottenschipper legde zijn wijsvinger tegen den neus, en knipoogde tegen de jongens.
+
+</p>
+<p>&#8220;Och wat,&#8221; zei hij, &#8220;als je &#700;t slim weet te overleggen, is er nog genoeg te vinden. Je behoeft me juist geen vodden te brengen,
+jongens. Ik kan wel hemden, broeken, borstrokken en andere kleedingstukken ook gebruiken. Er zijn menschen genoeg, die hun
+wasch den geheelen nacht buiten laten liggen.&#8212;Ha, ha, ik zeg, als je maar slim bent en er voor zorgt, dat de menschen je niet
+zien...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar dat is stelen,&#8221; zei Klaas Zwart.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei Frans, &#8220;dat is stelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De pottenschipper richtte zich op.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zooals ik zeg, jongens, ik geef voor dit zoodje niet meer dan vijf centen. &#700;t Is maar een rommeltje. Voor goede kleedingstukken,
+die nog gedragen kunnen worden, geef ik natuurlijk heel wat meer, en voor ijzer, zink, lood en <a id="d0e2263"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2263">107</a>]</span>wat dies meer zij, wil ik je zelfs wel guldens betalen in plaats van centen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, maar dat hebben we niet,&#8221; zei Frans.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als je wilt, is er genoeg te vinden,&#8221; lachte de schipper weer. &#8220;Bij den smid, bij den loodgieter, bij den timmerman, overal
+is wel wat te snorren, als je maar goed uit je oogen kijkt en voorzichtig te werk gaat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar,&#8221; herhaalden de jongens, die eerst niet goed begrepen, wat de pottenschipper bedoelde, &#8220;dat is stelen...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zeg niet, dat je &#700;t stelen moet,&#8221; zei de schipper weer met een listig knipoogje, &#8220;je moet die dingen vinden, jongens,
+je moet ze eerlijk vinden. Alles wat je vindt, al is het ook nog zoo gek, wil ik wel van je opkoopen. Als je er maar eerlijk
+aankomt...&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens gingen heen.
+
+</p>
+<p>Maar na dien tijd vermisten de menschen op het dorp telkens kleinigheden. Van Dril raakte op voor hem onbegrijpelijke wijze
+een nijptang kwijt, de loodgieter een soldeerbout, de timmerman een hamer en een zaag, en vele huismoeders vermisten verschillende
+kleedingstukken. Van de een waren kousen zoek, van een ander een hemd, van een derde een nachtjapon, en zoo verder.
+
+</p>
+<p>Toch dacht men eerst niet aan diefstal. Van Dril vertelde het verlies van zijn nijptang niet aan anderen, om de eenvoudige
+reden, dat hij wel eens meer een of ander stuk gereedschap kwijtraakte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeker hier of daar laten liggen,&#8221; dacht hij. En spoedig was zijn verlies vergeten. De knechts gingen wel eens meer slordig
+met het gereedschap te werk, niet allen natuurlijk, maar enkelen. Op dezelfde wijze dachten ook de andere menschen er over,
+die het een of ander vermisten.
+
+</p>
+<p>Maar toen het winter werd en er lange, donkere avonden kwamen, verdwenen er op geheimzinnige wijze allerlei <a id="d0e2283"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2283">108</a>]</span>voorwerpen uit werkplaatsen en huizen, en &#700;t werd zoo erg, dat de menschen er onder elkander over spraken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Er wordt bepaald gestolen,&#8221; was de algemeene opinie. En menigeen sloot &#700;s avonds de deuren van huis en werkplaats zorgvuldiger
+dan vroeger. De ondervinding leerde, dat wat men &#700;s nachts buiten liet staan, den volgenden morgen gewoonlijk verdwenen was.
+En niemand kon er eenig vermoeden van krijgen, wie de dief was en waar de gestolen voorwerpen belandden.
+
+</p>
+<p>Van Dril pruttelde tegen zijn knechts, als er weer &#700;t een of ander spoorloos verdwenen was, maar dezen verklaarden, dat zij
+het vermiste voorwerp niet hadden laten slingeren. &#700;t Was op geheimzinnige wijze verdwenen.
+
+</p>
+<p>Eindelijk kwam een en ander den burgemeester ter oore, en hij liet Flipsen bij zich komen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg Flipsen, heb je ook gehoord, dat er den laatsten tijd op &#700;t dorp gestolen wordt? Telkens worden kleinigheden van meer
+of minder waarde vermist, en het waschgoed van de huismoeders ligt niet meer veilig op de bleek.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja burgemeester, ik heb er ook van gehoord,&#8221; zei Flipsen.
+
+</p>
+<p>&#8220;En heb je al eens hier en daar gesurveilleerd?&#8221; vroeg de burgemeester.
+
+</p>
+<p>&#8220;O ja, al meermalen, maar tot nog toe is het mij niet gelukt, den dader op &#700;t spoor te komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo, &#700;t is een gek geval. Ik begrijp ook niet, wie de dief zou kunnen zijn. Voor zoover ik weet, wonen er enkel knappe menschen
+op het dorp. Waar zouden die gestolen voorwerpen toch allemaal blijven?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik denk in de stad, burgemeester. Daar wonen wel menschen, die gestolen goederen opkoopen. Ik vermoed, dat zij in den nacht
+naar Amsterdam worden vervoerd...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zou ik eens een oog in &#700;t zeil houden, wie bij <a id="d0e2305"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2305">109</a>]</span>nacht of ontijd daarheen gaat, Flipsen. &#700;t Is best mogelijk, dat je gelijk hebt. In elk geval is het hoog tijd, dat de dief
+gesnapt wordt. De menschen dienen in &#700;t rustige bezit te kunnen blijven van &#700;t geen hun eigendom is. Zoolang ik hier burgemeester
+ben, is er van geen dieverij sprake geweest, en wij moeten het kwaad zoo spoedig mogelijk den kop indrukken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Flipsen sloeg op militaire wijze aan, en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal m&#700;n best doen, burgemeester. &#700;t Zal aan mij niet liggen, als de dief niet gesnapt wordt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is goed, en daar vertrouw ik ook op.&#8221;
+
+</p>
+<p>Met eene handbeweging gaf de burgemeester Flipsen zijn afscheid, en deze was vastbesloten zijn uiterste best te doen, om den
+dief te ontdekken. Maar dat het moeilijk zou gaan, stond bij hem vast.
+
+</p>
+<p>Den geheelen avond liep hij buiten het dorp te loeren, of ook iemand zich verwijderde in de richting van Amsterdam,&#8212;maar
+tevergeefs. Alles was en bleef rustig op het dorp. &#700;t Was dan ook een koude, gure avond, en de menschen bleven liever bij
+de warme kachel. Flipsen zag den geheelen avond geen levende ziel buiten, en hij liep te bibberen van de ko&ucirc;. &#700;t Was al haast
+elf uur geworden, en nog stond hij trouw op zijn post. Eindelijk hoorde hij in de verte iets naderen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wacht,&#8221; dacht hij, &#8220;nu zal het komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij verschool zich achter een boom.
+
+</p>
+<p>&#700;t Geluid kwam nader. Duidelijk hoorde hij, dat het een wagen was.
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is een hondenkar,&#8221; prevelde Flipsen. &#8220;Ik denk, dat ik den dief op het spoor ben. De gestolen voorwerpen worden zeker met
+een hondenkar naar Amsterdam gebracht.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Halt!&#8221; riep hij plotseling, want het voertuig was hem nu genaderd.
+<a id="d0e2327"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2327">110</a>]</span></p>
+<p>De man, die op de kar zat, schrok er niet weinig van, en sprong dadelijk van den wagen. Maar zijn stok hield hij opgeheven,
+want hij dacht niet anders, of hij had met een aanrander te doen.
+
+</p>
+<p>Flipsen sprong van achter zijn boom te voorschijn.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie ben je,&#8212;en waarheen ga je?&#8221; vroeg hij op bevelenden toon.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, Flipsen, ben jij het?&#8221; vroeg de man van de hondenkar. &#8220;Kerel, is me dat laten schrikken. Ik dacht waarlijk met...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Doet er niet toe, wat jij denkt,&#8221; viel Flipsen norsch in. &#8220;Ik vraag, wie je bent,&#8212;maar dat zie ik nu al,&#8212;en waar je heengaat.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, ik ben Dirk Kroeze, de slager, en ik ga naar Amsterdam. Daar steekt toch niets achter, zou ik zeggen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist, Kroeze, de slager. Wat heb je in dien wagen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Twee doode schapen, anders niet,&#8221; was het antwoord. &#8220;Ik ga ze naar Amsterdam brengen, waar ze met een dood schaap altijd
+wel raad weten. Nu er zoo&#700;n strenge keuring is op het vleesch, worden doode beesten altijd &#700;s nachts de stad ingevoerd. Vroeger
+gebeurde dat overdag. Zie je, dat is het eenige verschil...&#8221;
+
+</p>
+<p>Kroeze was een derderangs-slager. Hij kocht bij de boeren de doode beesten op, die andere slagers niet hebben wilden, en wist
+daarmede het brood te verdienen voor zich en zijn gezin. En de kroegbazen kregen er ook rijkelijk hun deel van, want Kroeze
+maakte veel misbruik van sterken drank. Hij was dikwijls dronken.
+
+</p>
+<p>Flipsen was den wagen genaderd en bekeek den inhoud.
+
+</p>
+<p>&#8220;Denk je soms, dat ik een dief ben?&#8221; vroeg Kroeze een beetje beleedigd. &#8220;Ik verdien op eerlijke manier mijn brood, man, en
+ik heb mijn vingers nog nooit uitgestoken <a id="d0e2350"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2350">111</a>]</span>naar een andermans goed. Of weet jij iemand te noemen, die iets op Kroeze te zeggen heeft?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; zei Flipsen. &#8220;Maar er wordt tegenwoordig gestolen op &#700;t dorp, en &#700;t is meer dan tijd, dat wij den dief vinden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ach zoo, is d&agrave;t de zaak?&#8221; zei Kroeze. &#8220;Dan is het goed, hoor, en kijk mijn wagen maar na. Je hebt gelijk, er wordt tegenwoordig
+meer gestolen, dan mij lief is. Verleden week ben ik mijn beste mes uit de slagerij kwijt geraakt, en nog een zwaren vleeschhaak
+op den koop toe. Ik heb m&#700;n hoofd gek gezocht om ze terug te vinden, maar jawel, ze zijn weg en ze blijven weg. En ik zal
+ze wel nooit terugzien, vrees ik.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat vrees ik ook,&#8221; zei Flipsen. &#8220;Je kunt wel verder gaan, Kroeze, ik heb er het mijne van gezien. Goeden avond.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ook goeden avond,&#8221; zei Kroeze. Hij duwde de kar voort, en riep:
+
+</p>
+<p>&#8220;Allo, honden, kssssss, kssssss! Vooruit zeg &#700;k! Allo!&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij sloeg met zijn stok tegen den wagen.
+
+</p>
+<p>De honden, die tijdens het onderzoek op den weg waren gaan liggen, richtten zich met tegenzin op, en trokken den wagen voort.
+Maar &#700;t ging Kroeze niet hard genoeg. Hij maakte veel lawaai met zijn stok, en riep:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ksssss! Ksssss! Allo, Allo! Vooruit honden. Kssssss!&#8221;
+
+</p>
+<p>Een oogenblik later sprong hij op den wagen, en weldra was hij in de duisternis verdwenen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat was mis!&#8221; mompelde Flipsen, huiverend van de koude. Hij trok den kraag van zijn jas en zijne schouders omhoog, en bleef
+geduldig wachten. Maar toen er na een uur nog niemand gekomen was, besloot hij naar huis te gaan.
+
+</p>
+<p>Den volgenden avond was hij echter weer op zijn post, want hij was iemand, die zijne plichten trouw nakwam. <a id="d0e2374"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2374">112</a>]</span>Als hij zich eenmaal voorgenomen had, dit of dat te doen, was hem geen moeite te veel, en stoorde hij zich aan koude noch
+warmte.
+
+</p>
+<p>Maar hoe hij zich ook inspande, het gelukte hem niet, den dief te snappen. Daarom besloot hij de wacht te houden op den weg,
+die naar Haarlem voerde. Avond aan avond verschool hij zich op eenigen afstand buiten het dorp, maar alweer tevergeefs. Hij
+vond van den dief geen spoor.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zal ik gedurende enkele avonden in het dorp zelf eens goed uitkijken. Wie weet betrap ik den dief dan niet op heeterdaad,&#8221;
+dacht hij.
+
+</p>
+<p>En zoo deed hij ook.
+
+</p>
+<p>Zoodra het donker geworden was en in de huizen overal de lichten opgestoken waren, verliet Flipsen zijn woning, om over de
+veiligheid van zijne medeburgers te waken. Eerst begaf hij zich naar verschillende werkplaatsen, van welke het hem bekend
+was, dat er al meermalen voorwerpen vermist waren. Hij vond ze echter alle zorgvuldig gesloten. De menschen waren, door de
+ondervinding geleerd, al voorzichtiger geworden.
+
+</p>
+<p>Eindelijk bemerkte hij, dat er achter het huis van de weduwe Butter eenig waschgoed op een bleekveldje lag.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wacht,&#8221; dacht hij. &#8220;Hier zal ik mij ergens verschuilen. Waschgoed is den laatsten tijd ook dikwijls ontvreemd.&#8221;
+
+</p>
+<p>Achter het schuurtje stond, naast het bleekveld, een groote ton, waarin het regenwater, dat van het schuurtje in de goot kwam,
+opgevangen werd. Achter die ton maakte Flipsen zich zoo klein mogelijk. Geduldig wachtte hij, of de dief komen zou.
+
+</p>
+<p>Dat gebeurde echter niet. Toen hij een half uur in zijne gebogen houding had doorgebracht, kon hij bijna niet blijven zitten
+van de pijn, die hij in zijne beenen kreeg. Voorzichtig richtte hij zich een weinigje op.
+<a id="d0e2392"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2392">113</a>]</span></p>
+<p>Alles bleef stil in den omtrek.
+
+</p>
+<p>Flipsen gaf echter den moed nog niet verloren.
+
+</p>
+<p>En waarlijk, eer er een tweede half uur voorbijgegaan was, hoorde hij eenig gerucht.
+
+</p>
+<p>Hij richtte zich op en keek over de ton.
+
+</p>
+<p>Ha, daar zag hij een gestalte, die haastig naar het bleekveld ging en vliegensvlug enkele kleedingstukken bij elkaar greep.
+
+
+</p>
+<p>Met een vluggen sprong kwam Flipsen op de gestalte af.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha, dief, daar heb ik je!&#8221; schreeuwde hij in de vreugde zijns harten, nu hij eindelijk in zijn pogingen geslaagd was.
+
+</p>
+<p>Een hevige gil was het antwoord. Flipsen hoorde, dat het een vrouwenstem was, hetgeen hem verwonderde.
+
+</p>
+<p>Met groote snelheid liep hij op de gestalte af, en greep haar bij den schouder. De onbekende sloeg de armen ten hemel en slaakte
+een tweeden, hartverscheurenden gil.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie ben jij?&#8221; beet Flipsen haar toe.
+
+</p>
+<p>Er kwam geen antwoord. De schrik verlamde als het ware haar tong.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoor je me niet? Wie ben jij?&#8221; herhaalde Flipsen.
+
+</p>
+<p>&#8220;O,&#8212;ik ben&#8212;ik ben Trijntje&#8212;de meid.&#8212;O, wat een schrik!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Trijntje&#8212;de meid?&#8221; vroeg Flipsen spijtig. &#8220;Ik dacht, dat jij de dief was. Waarom laat je dat waschgoed ook buiten liggen?&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik&#8212;de dief!&#8221; riep het meisje uit, half schreiende van schrik en half lachende van blijdschap, nu zij bemerkte, dat zij met
+geen spoken te doen had. Want Trijntje geloofde nog aan spoken. &#8220;Ja,&#8212;dat zei de juffrouw ook, dat ik het waschgoed niet mocht
+laten liggen, en daarom ging ik het nog maar gauw eventjes halen. H&egrave;&#8212;h&egrave;&#8212;ik beef over mijn heele lijf van den schrik...&#8221;
+<a id="d0e2423"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2423">114</a>]</span></p>
+<p>Flipsen ging zonder groeten heen. Het speet hem, dat hij zich ten tweeden male vergist had.
+
+</p>
+<p>Maar het meest speet het hem, dat hij den volgenden dag moest vernemen van den burgemeester, dat er bij den molenaar tien
+meelzakken gestolen waren en dat er bij Legels, een herbergier, een mandje met ledige flesschen verdwenen was. Flipsen begreep
+daaruit, dat hij in een geheel verkeerde richting had gezocht. Hij wist er, zooals men dat wel noemt, geen touw meer aan vast
+te knoopen, en hij verdiepte zich in gissingen, wie toch wel de brutale dief kon zijn. Het trok zijn opmerkzaamheid, dat het
+altijd kleinigheden waren, die gestolen werden, en dat er nooit sprake was van inbraak. Langzamerhand vestigde zich de overtuiging
+bij hem, dat de dief geen man, maar een jongen moest zijn. En hij besloot voortaan in die richting te zoeken.
+
+</p>
+<p>Jan Trom merkte op, dat Flipsen hem telkens onderzoekend aankeek, als hij hem tegenkwam. Eens, toen hij met zijn bokkenwagen
+bij Van Dril vandaan kwam, schoot plotseling Flipsen op hem af, en vroeg hem:
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar kom jij vandaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Van Van Dril,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo,&#8212;wat heb je daar gedaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Eventjes in de smederij gekeken,&#8221; was het antwoord.
+
+</p>
+<p>&#8220;Stap eens uit je wagen!&#8221; gebood Flipsen.
+
+</p>
+<p>Jan gehoorzaamde dadelijk, niet weinig verwonderd, wat dit alles wel te beduiden had.
+
+</p>
+<p>Flipsen doorsnuffelde het geheele karretje. Het bankje bestond uit een bak met een plankje er op als deksel. Flipsen lichtte
+dat plankje op en keek, wat er zich in den bak bevond. Maar hij zag niets verdachts.
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is goed,&#8221; zeide hij. &#8220;Je kunt wel weer gaan.&#8221; En Jan ging.
+<a id="d0e2446"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2446">115</a>]</span></p>
+<p>Dienzelfden middag kwam Flipsen Frans Thor en Klaas Zwart tegen. Hij zag ze uit het schoolboschje komen. De school werd door
+drie boschjes elzenhout omringd, die te zamen altoos het schoolbosch werden genoemd. Tusschen die boschjes in lagen vrije
+strooken gronds, die tot speelplaats dienden.
+
+</p>
+<p>Frans en Klaas droegen een mand tusschen zich in. Elk hield een oor vast.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar is Flipsen,&#8221; zei Klaas Zwart. Hij voelde zich nooit bizonder op zijn gemak, als hij den politiedienaar zag. Geen wonder
+trouwens, want hij en zijn makker hadden al menig diefstalletje op hun geweten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat zie ik,&#8221; zei Frans. &#8220;&#700;t Hindert niet; laat hem komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zoodra Flipsen deze jongens zag, schoot hem dadelijk de gedachte door het hoofd, dat zij wel eens de schuldigen konden zijn,
+want zij liepen altoos overal te &#8220;schuimen,&#8221; zooals Flipsen dat noemde. En &#700;t verwonderde hem, dat hij al niet eerder aan
+deze twee knapen had gedacht. Met groote schreden liep hij op hen af, en &#700;t scheen wel, of zijne scherpe oogen hen wilden
+doorboren.
+
+</p>
+<p>Klaas Zwart werd er bang van en keek een anderen kant op, wat Flipsen niet ontging.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar komen jullie vandaan?&#8221; vroeg hij barsch. Hij boog zich voorover en hield zijn blik stijf op Klaas Zwart gericht. Klaas
+werd er bleek van, en zijne stem hokte hem in de keel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Uit het boschje,&#8221; zei Frans, die niet zoo bang was als Klaas.
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat deed je daar?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij zoeken beenen en vodden,&#8221; gaf Frans ten antwoord. En hij hield de mand een weinig naar voren, om er Flipsen in te laten
+kijken. Deze wierp er een blik in <a id="d0e2467"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2467">116</a>]</span>en zag, dat er inderdaad enkele beenderen in lagen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vind-je die in het schoolboschje?&#8221; vroeg Flipsen verwonderd. &#8220;Hoe komen die daar dan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Misschien door de honden, die er daar aan kluiven, omdat het er een rustig plekje is,&#8221; zei Frans. &#8220;Wij vinden er daar maar
+zelden een. Eigenlijk is er op het geheele dorp bijna geen beentje meer te vinden, want wij hebben alles al meermalen afgezocht.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo,&#8221; zei Flipsen. &#8220;Ja, aan alles komt een einde. En aan wien verkoop je dien rommel?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Och,&#8221; zei Frans, &#8220;aan voddenkoopers...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En aan den pot...&#8221; zei Klaas. Maar Frans viel hem in de rede:
+
+</p>
+<p>&#8220;Aan voddenkoopers uit Haarlem, die hier wel met hondenwagens komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja,&#8221; zei Flipsen. &#8220;Houd jij je mond nu maar eens. Wat wou jij straks zeggen, Klaas Zwart? Aan den pot...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat heb ik niet gezegd,&#8221; loog Klaas. &#8220;U heeft me verkeerd verstaan. Ik zei: aan de vod.... Maar toen viel Frans mij in de
+rede.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist,&#8212;juist,&#8221; zei Flipsen met een onmerkbaar lachje om zijne lippen. &#8220;Nu jongens, zoekt maar goed. Er zal hier of daar nog
+wel wat te vinden zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij liet de jongens staan en ging naar huis. Maar hij lachte inwendig van pret, want hij twijfelde niet, of hij was thans
+de daders wel degelijk op het spoor.
+
+</p>
+<p>&#8220;De pottenschipper,&#8221; mompelde hij tusschen de tanden. &#8220;Ja, ja, die jongen verklapte het leelijk: de pottenschipper is de opkooper.
+Wacht maar, zij zullen mij niet ontsnappen...&#8221;
+
+</p>
+<p>Frans en Klaas gingen zwijgend verder. Het korte onderhoud met den veldwachter had hun eenigen schrik aangejaagd. Na een poosje
+zei Frans:
+<a id="d0e2493"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2493">117</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Stommerd!&#8212;Jij had de heele zaak daar bijna verklapt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei Klaas angstig. &#8220;Maar ik geloof niet, dat hij het verstaan heeft. Zou je denken, dat hij me verstond?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat weet ik niet,&#8221; zei Frans, &#8220;&#700;k Geloof haast van niet, maar toch moeten wij voorzichtig zijn. We dienen ons een poos althans
+rustig te houden. Ik vertrouw Flipsen niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ook niet,&#8221; zei Klaas met een zucht. &#8220;Als hij me maar niet verstaan heeft. <i>Pot</i> lijkt erg veel op <i>vod</i>. Zeg Frans, ik ga naar huis; ik heb geen zin meer in het zoeken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga dan,&#8221; zei Frans.
+
+</p>
+<p>Zoo scheidden de jongens.
+
+</p>
+<p>Flipsen lette na dien dag zorgvuldig op de zolderschuit van den pottenschipper. Hij twijfelde er niet aan, of den een of anderen
+dag zou het raadsel nu wel worden opgelost.
+
+</p>
+<p>Maar dagen en zelfs enkele weken gingen voorbij, en Flipsen bleef even wijs, als hij was. De pottenschipper leefde even eenzaam
+en verlaten in zijn schuit als altoos, en Frans en Klaas zag Flipsen er nooit heengaan.
+
+</p>
+<p>Doch,&#8212;en dit trok zijne opmerkzaamheid, er werd niet meer gestolen ook op het dorp. En dat was hem een troost.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e2518" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Elfde Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>De bestorming van het sneeuwkasteel, en eene heldendaad van Jan.</p>
+</div>
+<p>&#700;t Was in het begin van December. De winter was vroeg ingevallen, en het vroor, dat het kraakte. Eerst had het geducht gesneeuwd,
+tot groot vermaak van Jan Trom en <a id="d0e2526"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2526">118</a>]</span>zijne makkers. Ha, wat hadden zij gesneeuwbald! De kogels vlogen de jongens om de ooren. Toen hadden zij bedacht op het marktplein
+een fort op te werpen. Dat was een heel werk voor hen, want zij waren maar niet tevreden met een opgeworpen hoogte van sneeuw,
+neen, zij wilden een mooi fort hebben met schuin afloopende kanten, met torens op de hoeken en kanteelen daartusschen. &#700;t
+Leek, toen het klaar was, veel meer op een kasteel dan op een fort. De jongens vonden het prachtig, en zij werkten er aan
+met een ijver en toewijding, zooals die alleen bij jongens gevonden kan worden.
+
+</p>
+<p>Eindelijk was het kasteel klaar, en nu besloten zij, zich in twee gelijke troepen te verdeelen. De eene helft zou het kasteel
+aanvallen, de andere zou het verdedigen.
+
+</p>
+<p>Aan de twee vrienden Jan Trom en Karel van Dril viel eene groote onderscheiding ten deel. Jan Trom werd namelijk verkozen
+tot bevelhebber van het sneeuwslot, en Karel tot aanvoerder van de vijanden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Eventjes wachten, jongens!&#8221; riep Jan zijn makkers toe. &#8220;We moeten twee vlaggen hebben, voor elke troep &eacute;&eacute;n.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, best!&#8221; zei Karel. &#8220;Maar weet je, wat het ergste is? Alle vlaggen zijn rood, wit en blauw, en &#700;t is niet aardig, als onze
+vlaggen hetzelfde zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, daar weet ik wel raad op. &#700;t Kasteel is een Hollandsch slot, dus daar zetten we de nationale vlag op, dat spreekt vanzelf.
+Als jij nu je vlag onderst-boven aan den stok bindt, lijkt hij heel veel op de Duitsche vlag. Jullie stelt dan het Duitsche
+leger voor, dat een inval doet op Hollandsch grondgebied. Zeg jongens, dat kan leuk worden, zou ik meenen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit voorstel vond algemeen goedkeuring, en Jan en Karel haastten zich naar huis, om eene vlag te halen. Binnen tien minuten
+waren zij terug. De Hollandsche vlag <a id="d0e2540"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2540">119</a>]</span>werd op den hoogsten toren van het kasteel geplant, en Karel benoemde een van zijne soldaten tot vaandrig. Jan en zijne krijgers
+maakten een ontzaglijken voorraad sneeuwballen, die achter de kanteelen werden opgestapeld, maar ook de Duitsche veldheer
+maakte zich zijn tijd ten nutte. Eindelijk waren beide partijen slagvaardig.
+
+</p>
+<p>De Duitschers omringden het fort aan alle kanten, en wachtten op het sein om aan te vallen. Karel, als bevelhebber, ging
+met den vaandrig aan zijn zijde naar het fort, en riep de bezetting toe:
+
+</p>
+<p>&#8220;Hallo! Hei daar!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Werda!&#8221; antwoordde Jan Trom, wiens bovenlijf boven den gekanteelden muur verscheen. &#8220;Wat is er van uw begeeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In naam van mijn meester, den Keizer van Duitschland, eisch ik dit kasteel op,&#8221; was het antwoord van Karel. &#8220;Mijn soldaten
+omringen het van alle kanten, geef u dus goedschiks over, dan beloof ik vrijen uittocht aan de manschappen. Zoo niet, wacht
+u dan voor de gevolgen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die komen voor mijne verantwoording. Dit slot behoort aan Koningin Wilhelmina der Nederlanden, en zoolang ik leef, zal geen
+Duitscher het binnenkomen. Dat is mijn antwoord. Leve de Koningin!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Leve de Koningin!&#8221; juichten Jan&#700;s volgelingen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Leve de Keizer!&#8221; riep Karel van Dril, en zijn krijgers herhaalden:
+
+</p>
+<p>&#8220;Leve de Keizer!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan is het oorlog!&#8221; riep Karel zijn vriend Jan nog toe, terwijl hij zich met zijn vaandrig verwijderde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Oorlog op leven of dood!&#8221; schreeuwde Jan.
+
+</p>
+<p>Weldra vloog de eerste sneeuwbal over de muren van het kasteel, en de belegerden keken hem lachend na.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je moet beter mikken, mannetje!&#8221; riep Willem Kroeze, de zoon van den slager. &#8220;Op deze manier!&#8221;
+<a id="d0e2566"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2566">120</a>]</span></p>
+<p>En hij wierp den Duitschen bevelhebber heel netjes zijne pet van het hoofd, tot groot vermaak van de andere Hollanders.
+
+</p>
+<p>Maar toen kwam er een regen van kogels op het kasteel af. De Hollanders moesten zich zelfs achter de kanteelen verbergen,
+want de Duitschers ontzagen hen niet. Zij wierpen uit alle macht, en de ballen kwamen hard aan, als zij raakten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoera, zij worden bang!&#8221; riep Karel zijne mannen toe. &#8220;Allo, allo, beklimt de muren, en werpt den vijand naar beneden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#700;t Werd een geweldige bestorming. Van alle kanten schoten de vijanden toe, en behendig klauterden zij tegen de hoogte op.
+
+
+</p>
+<p>Maar Jan zag het gevaar.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij wagen eene bestorming, jongens! Geeft ze de volle laag!&#8221; riep hij. Zijn bevel werd uitgevoerd, en de Duitschers werden
+haast onder de sneeuw bedolven. Sommigen kregen oogen, mond en neus vol, zoodat zij hoestend en proestend het hazenpad moesten
+kiezen, en anderen kregen een flinken voorraad tusschen den kraag van hun jas, zoodat het water hun over den rug liep. Weldra
+was de storm met glans afgeslagen. De Duitschers trokken zich terug. De vaandrig liep zelfs wel wat erg hard voor &#700;t mooi.
+Hij viel met vaandel en al voorover in eene greppel, tot groot vermaak van de Hollanders.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het Duitsche vaandel valt!&#8221; riepen zij lachend. &#8220;Dat is een goed voorteeken. Hoera! Leve de Koningin!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk ze eens loopen!&#8221; riep Jan, wiens oogen schitterden van opgewondenheid. &#8220;Die storm is afgeslagen, jongens, en tot een
+tweeden zullen zij zoo spoedig wel niet overgaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat was ook zoo. Er werd zelfs geen bal meer gegooid. Karel hield met zijn makkers krijgsraad, want het was <a id="d0e2585"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2585">121</a>]</span>hem gebleken, dat het niet gemakkelijk zou gaan het fort te veroveren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat dunkt je, jongens,&#8221; zei hij, &#8220;als we met ons allen eens op &eacute;&eacute;n punt een z&oacute;&oacute; geweldig vuur openden, dat de kanteelen in
+puin vallen? Dan zijn de belegerden ongedekt en vinden nergens beschutting. Als we ze dan de volle laag geven, kunnen zij
+het onmogelijk uithouden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja, dat is goed. De kanteelen moeten we wegkogelen,&#8221; zei de vaandrig, &#8220;en dan wil ik wel eens zien, of ze &#700;t volhouden.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Afgesproken!&#8221; zei Karel. &#8220;Hierheen, jongens, aan dezen kant hebben we de sneeuw maar voor &#700;t grijpen. Zeg, weet je, wat we
+in ons voordeel hebben?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat dan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel,&#8212;wij kunnen zooveel sneeuwballen maken, als we willen, maar hun voorraad raakt eenmaal uitgeput. En dan kunnen zij niets
+meer beginnen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is waar, ha ja, dat is waar!&#8221; lachten de Duitschers.
+
+</p>
+<p>Op &#700;t volgende oogenblik openden zij een zoo geweldig bombardement op de kanteelen, dat deze het werkelijk kwaad te verantwoorden
+kregen. Hier en daar begonnen zij al spoedig af te brokkelen en in te storten, tot groote vreugde van de vijanden, die soms
+even ophielden om hunne vingers in den mond te steken,&#8212;want die werden erg koud,&#8212;en dan maakten zij tevens van de gelegenheid
+gebruik, om een oorverdoovend gejuich aan te heffen. Onder &#700;t sneeuwballen gunden zij zich daar den tijd niet toe.
+
+</p>
+<p>Inderdaad kreeg de bezetting het kwaad te verantwoorden.
+
+</p>
+<p>Maar Jan toonde zich iemand van groote veldheerstalenten. Hij zag niet alleen het gevaar, dat hem dreigde, maar hij doorzag
+ook de bedoeling van zijne vijanden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jongens,&#8221; riep hij zijne soldaten toe, &#8220;als we de <a id="d0e2607"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2607">122</a>]</span>kanteelen niet behouden, zijn we verloren. Neemt de schoppen en werpt op elke bres een nieuwen muur op. Maar slaat de sneeuw
+stevig in elkander, zoodat de kogels er geen vat op hebben. Weest echter voorzichtig, want als je een bal tegen je gezicht
+krijgt, dan ben je&#8212;zuur!&#8221;
+
+</p>
+<p>De soldaten lachten smakelijk om deze <span id="d0e2611" class="corr" title="Bron: laaste">laatste</span> uitdrukking, maar zij begrepen de bedoeling van hun aanvoerder toch zeer goed, en gingen dadelijk met ijver aan &#700;t werk.
+Een deel van hen wierp de bressen dicht, en zij zorgden er voor, dat de sneeuw goed in elkaar geslagen werd, zoodat zij een
+harde koek vormde,&#8212;een ander deel maakte nieuwe sneeuwballen, waarvoor zij het fort als het ware onder hunne voeten moesten
+afbreken, en de rest bekogelde den vijand.
+
+</p>
+<p>Al spoedig verstomde daar het gejuich, want &#700;t was duidelijk, dat de pogingen om de gekanteelde muren te vernietigen, schipbreuk
+zouden lijden. Zoodra was het den Duitschers niet gelukt een bres in den muur te schieten, of op &#700;t volgende oogenblik waren
+wel tien handen gereed om het gat weer te stoppen. De vijanden waren verder van de overwinning dan ooit, en zij werden er
+moedeloos onder. Hun ijver verflauwde, het bombardement werd minder hevig, en eindelijk trokken zij af om opnieuw krijgsraad
+te beleggen.
+
+</p>
+<p>Wat de Hollanders juichten!
+
+</p>
+<p>Zij zwaaiden met hunne mutsen, en riepen:
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoezee! Leve de Koningin! Hoezee!&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij waren echter wel blij, dat zij nu ook een poosje rust kregen, want de strijd was hevig geweest, en zij waren erg vermoeid.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik kan haast niet meer,&#8221; zei Willem Kroeze.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ook niet,&#8221; zuchtte Jacob Boors. &#8220;En wat zijn mijne vingers koud. Ze tintelen!&#8221;
+<a id="d0e2628"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2628">123</a>]</span></p>
+<p>Hij kreeg haast tranen in de oogen van de pijn, die ze hem deden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Steek ze een poosje in je mond, en blaas dan hard. Dan worden ze wel weer warm,&#8221; zei Jan Trom. &#8220;Zeg jongens, wat hebben we
+ons goed gehouden, h&egrave;? Als we oppassen, krijgen zij ons fort nooit. Kijk ze &#700;t eens druk hebben. Ze houden zeker weer krijgsraad.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat ze maar!&#8221; zei Tines Wobbe. &#8220;We zullen ze ontvangen, zooals het behoort. Weg met de Duitschers!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Weg met de Duitschers!&#8221; riepen ze allen, en weer zwaaiden ze met hunne hoofddeksels.
+
+</p>
+<p>&#8220;En leve de Koningin!&#8221; juichte Jan Trom.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja, leve de Koningin!&#8221; riepen allen.
+
+</p>
+<p>Na een paar minuten werd de krijg hervat. De vijanden waren tot het besluit gekomen, eene nieuwe bestorming te wagen. In gesloten
+rijen liepen zij op het fort toe, en opnieuw probeerden zij tegen den schuinen kant op te klauteren. Maar weer werden zij
+lang niet malsch ontvangen.
+
+</p>
+<p>Een hagelbui van sneeuwballen begroette hen, en de verdedigers wierpen schoppen vol losse sneeuw over hunne hoofden uit.
+
+</p>
+<p>Maar Karel wilde niet opnieuw wijken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Sterven of overwinnen!&#8221; riep hij zijne volgelingen toe, en hij klauterde moedig omhoog, zich niet storende aan de projectielen
+der belegerden.
+
+</p>
+<p>Zijne soldaten, aangevuurd door zijn geestdrift, volgden hem met mannenmoed. Ha, daar had Karel den gekanteelden muur bereikt,
+en reeds richtte hij zich op om victorie te roepen, toen Jan plotseling op hem toesprong, en hem pardoes achterover naar beneden
+wierp.
+
+</p>
+<p>&#8220;Weg met de Duitschers!&#8221; schreeuwde hij.
+
+</p>
+<p>Karel was veel gauwer beneden, dan hij boven gekomen was. Eerst keek hij een oogenblik beteuterd rond, maar toen <a id="d0e2655"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2655">124</a>]</span>hij zag, dat zijne soldaten voet bij stuk hielden, bestormde hij de vesting opnieuw. &#700;t Was een verwoede aanval, en de belegerden
+konden niet dan met de uiterste inspanning stand houden. Met ongebreidelde geestdrift drongen de Duitschers op hen in, maar
+de een na den ander werd van de borstwering afgeduwd en naar beneden geworpen. Daar werden zij haast onder de sneeuw bedolven,
+die hun bij schoppenvol nageworpen werd.
+
+</p>
+<p>Eindelijk deinsden de Duitschers af. Zij waren opnieuw afgeslagen. Maar het fort verkeerde in een deerniswaardigen toestand,
+want om zich te verdedigen waren de Hollanders genoodzaakt geweest, zich den grond onder de voeten weg te spitten. De torens
+helden dientengevolge sterk over naar den binnenkant van het slot, en dreigden elk oogenblik in te storten. Ook de muren geleken
+wel bouwvallen. Maar nog wapperde de Hollandsche vlag fier van den hoofdtoren. Jan was daar trotsch op, en hij prees zijne
+soldaten om den betoonden moed.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar mijne vingers vallen haast af van de kou!&#8221; zei Tines.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat doet er niet toe!&#8221; riep Jan hem toe. &#8220;Zoolang de vlag nog van den toren wappert, is er niets verloren, al hadden wij
+geen van allen meer een vinger over! Leve de Koningin!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Leve de Koningin, en weg met de Duitschers!&#8221; schreeuwden zij om het hardst.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is niet om uit te staan!&#8221; riep Karel zijne soldaten toe. &#8220;Komt jongens, opnieuw aangevallen, en niet gerust, voordat
+het fort ons is!&#8221;
+
+</p>
+<p>De vijanden bestormden den burcht opnieuw, en de aanval was zoo mogelijk nog verwoeder dan de vorige.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu of nooit!&#8221; schreeuwde Karel, die zich op en top krijgsman voelde.
+<a id="d0e2671"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2671">125</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Sterven of overwinnen!&#8221; antwoordde Jan Trom, en de jongens vochten van weerskanten als leeuwen.
+
+</p>
+<p>Eindelijk gelukte het Karel ten tweeden male op het fort te komen, vlak bij den hoofdtoren. Maar Jan en zijne soldaten wierpen
+zooveel sneeuw tegen zijn hoofd en schouders, dat hij zijn evenwicht verloor en tegen den toren viel. Deze was echter al zoo
+bouwvallig, dat hij den schok niet meer kon weerstaan en instortte. De vlag der Hollanders verdween van hare hooge standplaats.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;De toren stort in!&#8221; riep Willem Kroeze.
+
+</p>
+<p>&#8220;De vlag duikt!&#8221; schreeuwden de Duitschers.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoera! Hoera!&#8221;
+
+</p>
+<p>Karel lag te spartelen onder de sneeuw in het fort, want de toren had hem half bedolven. De Hollanders sprongen op hem aan
+en grepen hem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een gevangene! Een gevangene!&#8221; juichten zij. &#8220;De bevelhebber is gevangen! Weg met de Duitschers! Leve de Koningin!&#8221;
+
+</p>
+<p>De Duitschers, ontsteld door het gevangennemen van hun Commandant, deinsden af, maar spoedig kwamen zij terug met het stellige
+voornemen, hun hoofdman te verlossen.
+
+</p>
+<p>Het kasteel was nu een puinhoop geworden. De torens waren ingestort, en van de gekanteelde muren was geen spoor meer overgebleven.
+De belegerden waren thans geheel ongedekt aan het vuur der vijanden blootgesteld, en het maken van nieuwe sneeuwballen, of
+zooals zij zeiden het gieten van nieuwe kogels was hun zoo goed als onmogelijk geworden, omdat de sneeuw, waarop zij stonden,
+door de soldaten als het ware tot een harden koek was vastgestampt. Met hunne schoppen moesten zij de sneeuw omspitten om
+kogels te kunnen gieten.
+
+</p>
+<p>En toen kwam een nieuwe storm. De vijanden klauterden als katten tegen den muur op, en de belegerden hadden <a id="d0e2692"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2692">126</a>]</span>geen middelen meer om hen te keeren. Zij vochten nog wel als leeuwen en wierpen menigen Duitscher naar beneden, maar tevergeefs.
+Het fort was verloren. Voor en na verschenen de vijanden op de hoogte, en eindelijk moest Jan zich overgeven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoera! Hoera!&#8221; riepen Karel en zijn mannen. &#8220;Het kasteel is ons! Leve de Keizer!&#8221;
+
+</p>
+<p>De Hollandsche vlag, waarvan de stok gewoon in de sneeuw gestoken was, daar de torens totaal verdwenen waren, werd omvergeworpen,
+en de vijandelijke vlag kwam er voor in de plaats.
+
+</p>
+<p>&#8220;Leve de Keizer!&#8221; juichten de Duitschers, en zij zwaaiden met hunne mutsen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed, goed!&#8221; zei Jan. &#8220;Maar wat heb je nu? Wat is er van het kasteel overgeschoten? Een puinhoop, meer niet. Veel pleizier
+er mede.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja, dat is waar!&#8221; zei Karel. &#8220;Jelui hebt je kolossaal goed gehouden, dat moet ik zeggen.&#8212;H&egrave;, h&egrave;, jongens, dat was een
+mooi spelletje!&#8212;&#700;t Is nu tijd om naar huis te gaan. Doen we het morgen weer?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja!&#8221; werd er van alle kanten geroepen. &#8220;Dat is afgesproken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zingende verlieten vriend en vijand het marktplein, om naar huis te gaan. Zij hadden heerlijk gespeeld en dachten er nog lang
+daarna met pleizier aan. Zij waren vast besloten, den volgenden dag een nieuw kasteel te bouwen en den strijd te hervatten.
+
+
+</p>
+<p>Maar den volgenden morgen merkten zij al dadelijk, dat het niet kon. &#700;t Had namelijk dien nacht verbazend hard gevroren, en
+&#700;t was daardoor onmogelijk geworden sneeuwballen te maken. De sneeuw wilde niet pakken. Zij vonden dat wel erg jammer, maar
+daarentegen verheugden zij er zich weer in, dat het zoo hard gevroren had, en <a id="d0e2710"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2710">127</a>]</span>zij hoopten, dat het ijs spoedig sterk zou worden. De twee kanalen, die in het hart van het dorp elkander kruisten, lagen
+al dicht. De jongens wierpen er steentjes op, om te zien, of zij er doorheen konden gooien, maar dat konden zij niet. Alleen
+klinkers gingen er ongeveer voor de helft doorheen.
+
+</p>
+<p>Zij vermaakten zich nu met glijbanen te maken en daar in lange risten overheen te glijden. De grond werd hier en daar spiegelglad.
+Opeens bedachten zij, dat het nu prachtig zou glijden langs de helling buiten het dorp, bij het fort, waar Jan met zijn automobile
+den veldwachter bij ongeluk van de been gereden had. En nauwelijks hadden zij dat bedacht, of zij snelden er heen. Ha ja,
+ze hadden zich niet bedrogen. De helling was er prachtig voor geschikt, en er lag dik sneeuw. Spoedig was het er zoo glad,
+dat men er haast niet op de beenen kon blijven staan, en als de jongens eenmaal op de helling waren, m&ograve;&egrave;sten zij verder, of
+zij wilden of niet. Zij vonden het meer dan verrukkelijk, en wisten van geen ophouden. &#700;t Was een koddig gezicht, als een
+van hen het ongeluk had te vallen. Dan buitelden allen, die achter hem kwamen aanglijden, hals over kop over hem heen, en
+werd het een levende berg van jongens.
+
+</p>
+<p>Menigeen riep dan au, au! en sommigen kwamen erg in de verdrukking, maar daarom werd niet getreurd. Een volgend oogenblik
+gleed de geheele rij weer met statie verder, en &#700;t ging vliegensvlug.
+
+</p>
+<p>&#700;t Was al laat, eer de jongens thuiskwamen, en voordat zij de deur instapten, wierpen zij eerst nog een blik op het hemelgewelf
+om te zien, of de lucht naar vorst stond. En dat deed ze gelukkig. De sterretjes fonkelden aan den hemel, en er was geen wolkje
+aan te zien.
+
+</p>
+<p>Dien nacht vroor het kolossaal! Toen Jan &#700;s morgens <a id="d0e2720"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2720">128</a>]</span>zijn neus buiten de bedgordijnen stak, zag hij al dadelijk, dat de bloemen dik op de ruiten stonden.
+
+</p>
+<p>&#8220;De pomp is bevroren!&#8221; riep zijn vader van uit de keuken. &#8220;Jongen, jongen, wat een vorst. &#700;t Is buitengewoon! Zeg Jan, nog
+&eacute;&eacute;n nachtje zoo, en we kunnen schaatsenrijden. Dan is het kanaal sterk genoeg. Maar vandaag nog voorzichtig wezen, hoor, &#700;t
+kan nog niet vertrouwd zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja Vader,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>Hij was van nature geen waaghals. Niet, dat hij bang was, in het geheel niet, maar hij vond het dwaasheid zijn leven roekeloos
+in gevaar te stellen. Toch waren er wel jongens, die zich al op het kanaal waagden. Voorzichtig, voetje voor voetje, liepen
+zij het ijs op, dat door een sterk gekraak waarschuwde om terug te gaan. De waaghalzen hoorden het wel, en als het heel erg
+kraakte, bleven zij even stilstaan, maar spoedig gingen zij weer verder. Tines Wobbe bereikte zelfs de overzijde van het kanaal,
+waar hij niet weinig trotsch op was.
+
+</p>
+<p>&#700;s Middags na schooltijd liep Jan met zijn vriend Karel van Dril het dorp in, en kwam bij de drie bruggen. Zij zagen, dat
+het water daar nog open lag. Dat was bijna altoos zoo in den winter. Alleen als het lang bleef vriezen, werd het daar ook
+sterk genoeg, om er over te loopen. Zij stonden er een poosje naar te kijken, toen plotseling hunne aandacht werd getrokken
+door Frans Thor, die een vuilen hond vervolgde. Hij wierp het beest met steenen. &#700;t Was een broodmager beest, dat er vreeselijk
+vervuild uitzag. De jongens herkenden dadelijk Fik in hem, den hond van den orgeldraaier Klaas Touw.
+
+</p>
+<p>&#8220;Houdt hem! Houdt hem!&#8221; riep Frans hun toe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een heldendaad van Frans,&#8221; zei Jan tot Karel. &#8220;Hij kan geen hond met rust laten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Houdt hem! Houdt hem!&#8221; riep Frans nog eens.
+<a id="d0e2736"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2736">129</a>]</span></p>
+<p>De hond was nu op het midden van de brug. Jan en Karel deden, of zij Frans niet hoorden. Maar juist kwam Klaas Zwart van den
+anderen kant de brug op.
+
+</p>
+<p>&#8220;Houd hem, Klaas!&#8221; riep Frans zijn vriend toe. &#8220;Jaag hem op!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8212;ja!&#8221; was het antwoord. En met zijn armen zwaaiende en onder een luid geschreeuw joeg hij het verhongerde beest terug.
+
+
+</p>
+<p>Spoedig kwam Fik nu Frans weer tegen, en deze joeg hem ook terug. De dierenkwellers hadden braaf schik in den angst van den
+hond, die, naarmate de jongens elkander naderden, meer in het nauw gedreven werd. Eindelijk wist het arme dier geen raad meer,
+en toen het probeerde om langs de beenen van Frans te ontsnappen, op gevaar af een schop van dien jongen te krijgen, gaf deze
+hem een duw, waardoor hij van de brug af in het water viel.
+
+</p>
+<p>Wat hadden Frans en Klaas een pret. En hoe vermaakten zij zich met de wanhopige pogingen van het dier om zich te redden.
+
+</p>
+<p>De lantaarnopsteker, die op zijn laddertje stond, om de lantaren schoon te maken en de peer van de lamp te vullen, was er
+verontwaardigd over, en hij riep de jongens toe, dat zij zich schamen moesten. Hij klom naar beneden en zag, hoe het beest
+tevergeefs poogde zich te redden.
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is meer dan schandelijk!&#8221; riep de man nog eens. &#8220;&#700;t Beest is onherroepelijk verloren. Wie zal het wagen, het te redden?
+Wie het doet, loopt groot gevaar om zelf te verdrinken. Zulke dierenbeulen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Ook Jan en Karel zagen met smart de pogingen van den armen hond, om zich te redden, &#700;t Was duidelijk, dat het beest verdrinken
+moest. Eene hevige verontwaardiging maakte zich van Jan meester, en ook Karel vond het eene schandelijke daad.
+<a id="d0e2753"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2753">130</a>]</span></p>
+<p>Fik zwom in het breede wak rond, nu hier, dan daar pogingen doende, om op het ijs te klimmen. Maar dit was te glad. Telkens
+gleden zijn pootjes uit en zakte hij in het water terug.
+
+</p>
+<p>Jan kon het niet langer aanzien.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mag ik dat laddertje gebruiken?&#8221; vroeg hij aan den lantaarnopsteker. Zonder antwoord af te wachten, lichtte hij de haken
+los, waarmede het aan den paal bevestigd was, en liep er mede naar den kanaalkant.
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet doen, Jan, niet doen!&#8221; riep Karel hem toe.
+
+</p>
+<p>Maar Jan antwoordde niet.
+
+</p>
+<p>&#8220;D&agrave;n zal ik je helpen!&#8221; hernam Karel, en hij voegde zich bij zijn vriend. Maar deze stond al op het ijs.
+
+</p>
+<p>&#8220;Blijf daar, Karel, ik ben lichter,&#8221; zei Jan kortaf.
+
+</p>
+<p>Hij schoof het laddertje voor zich uit en naderde behoedzaam het wak. Al was Jan n&ograve;g zoo mager, en al woog zijn lichaampje
+n&ograve;g zoo licht, toch liet het ijs, dat bij de brug erg dun was, een dreigend gekraak hooren. Jan liet er zich echter niet door
+weerhouden. Bedaard ging hij verder, half steunende op het laddertje, dat hij met kleine stootjes voortduwde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Fik! Fik!&#8221; riep hij den hond toe.
+
+</p>
+<p>Het beest zag hem komen. Met verkleumde pooten zwom het in het ijskoude water. Het jankte van vreugde.... Bijna kon het zich
+niet meer bewegen. Het uiterste einde van het laddertje had het begin van het wak bereikt.
+
+</p>
+<p>Vele menschen verzamelden zich langs de brugleuning, en met angstige spanning volgden zij de bewegingen van den knaap. Ook
+Jan&#700;s vader was op de brug. Zijne oogen waren geen seconde van zijn dapperen jongen af. Ha, hoe verheugde hij zich over deze
+kranige daad van zijn kind. Hij was trotsch op hem!
+
+</p>
+<p>Jan keek op noch om. Al zijne gedachten waren op &eacute;&eacute;n <a id="d0e2778"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2778">131</a>]</span>punt gericht, namelijk, dat het zijn plicht was den armen hond te redden. Op handen en knie&euml;n kroop hij behoedzaam verder.
+
+
+</p>
+<p>Het ijs boog door. Er kwam water op. De ladder werd nat. Maar Jan keerde niet terug. Hij zag, dat de hond op &#700;t punt was van
+verdrinken.
+
+</p>
+<p>Nog een sport,&#8212;daarna nog een....
+
+</p>
+<p>Hij legde zich lang-uit op de ladder. Zijne kle&ecirc;ren werden nat. Toen strekte hij den arm uit, en met een krachtigen greep
+trok hij den hond uit het wak. Verkleumd bleef het dier liggen.
+
+</p>
+<p>Jan durfde zich niet omkeeren. Hij wist bijna zeker, dat het ijs dan breken zou. Zoo voorzichtig mogelijk kroop hij achteruit,
+langzaam&#8212;langzaam verder. Den hond trok hij me&ecirc;.
+
+</p>
+<p>Eindelijk had hij het achtereinde van het laddertje bereikt en moest hij op het ijs stappen. Maar daar was het niet zoo erg
+zwak meer. De hond kwam eenigszins tot zichzelven. Bevend op zijne pooten liep het dier naar den walkant. Daar hielp Karel
+het omhoog, tegen den walkant op. Eindelijk had ook Jan den oever bereikt....
+
+</p>
+<p>En op &#700;t zelfde oogenblik klonk een daverend handgeklap hem in de ooren. De menschen, die gezien hadden, welk heldenstuk hij
+had verricht, verbraken de stilte en juichten hem toe. Jan kreeg er een kleur van. En zijn vader drong door het volk heen
+en drukte hem in zijn armen. Hij had er zoowaar tranen van in de oogen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ben je erg nat?&#8221; vroeg Dik.
+
+</p>
+<p>&#8220;Haast niet, Vader,&#8221; zei Jan. &#8220;Ik ga met Karel den hond even thuisbrengen, want hij kan bijna niet loopen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed, goed,&#8221; zei Dik, &#8220;maar dan direct droog goed aantrekken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan en Karel vertrokken met den verkleumden hond, <a id="d0e2800"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2800">132</a>]</span>en de menschen vervolgden hun weg. Met lof werd over Jan gesproken. Iedereen had er den mond vol van. Maar de dierenbeulen
+Frans en Klaas waren stilletjes afgedropen.
+
+</p>
+<p>Het huisje van Klaas Touw, den orgeldraaier, stond een weinigje achteraf, aan een achterweg. De jongens hadden het spoedig
+bereikt. Zij deden de deur van het armoedig hutje open en traden binnen.
+
+</p>
+<p>Mietje zat bij de tafel. Zij zag er bleek en mager uit, en hare oogen keken de jongens droevig aan. De bedste&ecirc;deuren aan den
+achterkant van het kamertje stonden open, en de jongens zagen, dat Klaas Touw te bed lag. Hij was ziek.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hier is uw hond, Mietje,&#8221; zei Jan, die den hond in de kamer liet loopen. &#8220;We hebben hem uit het water gehaald. Hij lag in
+het wak bij de brug.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, <i>wij</i> niet, maar Jan heeft hem er uitgehaald,&#8221; zei Karel, die zijn vriend om diens heldendaad bewonderde. &#8220;Met levensgevaar heeft
+hij hem gered.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo,&#8212;arme Fik,&#8221; zei Mietje. &#8220;Was hij maar verdronken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom?&#8221; vroegen de jongens als uit &eacute;&eacute;n mond. Zij waren niet weinig verwonderd over die woorden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom? Wel, dan was hij meteen uit zijn lijden. Klaas is ziek, en hij zal wel zoo gauw niet beter wezen, zegt de dokter.
+We hebben zelf niet eens te eten, hoe zal ik dan voor den hond zorgen?&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens keken de vrouw zwijgend aan. En hun blik dwaalde door het armoedige vertrek en naar het bed van den zieke. Zij
+zagen ook, dat er geen vuur was in de oude kachel, en dat de bloemen dik op de ruiten stonden.
+
+</p>
+<p>&#8220;En uw orgel dan?&#8221; vroeg Jan na een poosje.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is weggehaald, omdat wij de huur ervan niet betalen konden,&#8221; zei Mietje, en zij kreeg de oogen vol tranen. &#8220;Wij lijden
+armo&ecirc;, jongens, erger dan ik het zeggen kan.&#8221;
+<a id="d0e2825"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2825">133</a>]</span></p>
+<p>De jongens wisten niet veel te zeggen, maar zij kregen diep medelijden met die arme menschen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Weet je wat, Mietje,&#8221; zei Jan. &#8220;Morgen is het ijs wel sterk. Ga dan met een tentje op het ijs staan, om melk en koek te verkoopen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Vrouw Touw lachte droevig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe moet ik aan melk komen?&#8221; zei ze met een zucht. &#8220;En aan chocolade en suiker en koek? Wie zal mij dat alles borgen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn vader wel,&#8221; zei Jan beslist. &#8220;Ik ga het hem vragen. Ga je mee, Karel?&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens liepen op een drafje naar huis. En toen Jan verteld had, hoe het met den orgeldraaier en diens vrouw gesteld was,
+zei Dik:
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeker wil ik helpen, jongen! Ga maar aan Mietje zeggen, dat ik haar alles wil voorschieten, wat zij noodig heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoera!&#8221; riep Jan. &#8220;Wat is u toch goed, Vader. En mogen ze een paar oude stoelen hebben, en wat palen en een paar banken?&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei Dik lachend, want het verheugde hem, dat Jan en Karel zich zoo druk maakten om een paar arme menschen te helpen,
+die in nood verkeerden. &#8220;Maar weet je, wat in de eerste plaats noodig is? De stakkers hebben niets in huis, zelfs geen brandstof
+om de kachel te stoken. Span je bok voor den wagen, en breng er dadelijk flink wat turven naar toe. Ik zal dan meteen een
+en ander uit den winkel inpakken, zoodat ze van avond wat te eten hebben ook.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja,&#8212;ik met den bokkenwagen, en Karel met de automobiel! Dat zal leuk wezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#700;t Was intusschen al donker geworden, en de sterretjes begonnen al weder aan het hemelgewelf te flonkeren.
+<a id="d0e2848"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2848">134</a>]</span></p>
+<p>Jan en Karel hadden het druk, want zij maakten van Dik&#700;s mildheid een ruim gebruik. De automobile werd volgestapeld met turven
+en kachelblokjes, en in het bakje van den bokkenwagen kwamen verscheidene zakjes met levensmiddelen. Dik wist wel, wat het
+meest noodig was.
+
+</p>
+<p>Toen de jongens wegreden, keken Dik en Anneke hen lachend na, en Dik herinnerde zich op dat oogenblik weer levendig, hoe hij
+zich als kind op een donkeren avond geheel alleen op weg begeven had, om aan de heks op den achterweg, die ook in nood verkeerde,
+levensmiddelen te brengen. En hij voelde zich gelukkig, dat hij zulk een goed kind had.
+
+</p>
+<p>In het hutje van de twee arme menschen heerschte dien avond groote blijdschap. Jan en Karel werden hartelijk door den orgeldraaier
+en diens vrouw bedankt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Morgen zullen we een tent voor u bouwen, Mietje,&#8221; zei Jan. &#8220;En Vader wil u al het noodige voorschieten, om alles te kunnen
+inslaan. Wacht maar, u zal eens zien, hoe &#700;n mooie tent wij zullen maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens keerden naar huis terug. De bok liep met opgetrokken pooten, want hij vond de bevroren sneeuw erg koud, en hij
+was er slecht over gestemd, dat hij zijn warm plaatsje bij den hit had moeten verlaten. Karel draaide lustig aan het wiel
+van de automobile. &#8220;Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf klonk het achter den bokkenwagen. De beide lantarens gaven een helder licht, en de
+jongens vonden het een prettig tochtje. Zij spraken af, den volgenden morgen vroeg op te staan en dan ijverig te gaan bouwen
+aan de tent. Met een prettig gevoel in hun borst keerden zij in huis terug. Zij voelden zich tevreden en gelukkig.
+
+
+
+<a id="d0e2859"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2859">135</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="d0e2860" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Twaalfde Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>Een goede daad, een vroolijke dag en een treurige morgen.</p>
+</div>
+<p>Wat was Jan Trom vroeg wakker. &#700;t Was nog maar kwart over zessen, toen hij uit zijn bed stapte. Zijn vader werd er wakker
+van, toen Jan de luiken opende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie is daar?&#8221; vroeg Dik.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik Vader,&#8221; zei Jan. &#8220;Weet u niet meer, dat we eene tent zouden bouwen voor Mietje van Klaas Touw. De bloemen staan weer dik
+op de ruiten. &#700;t Heeft bepaald erg hard gevroren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeker wel,&#8221; zei Dik.
+
+</p>
+<p>Jan was spoedig aangekleed. Hij opende de provisiekast en nam er een paar sneden brood uit, die hij gebruikte met een glas
+melk. Daarna verliet hij het huis, om zijn vriend te gaan wekken. Nauwelijks was hij vertrokken, of ook Dik stapte zijn bed
+uit. Hij was bang, dat het bouwen van een ijstent de krachten der jongens te boven zou gaan, en daarom wilde hij gereed zijn
+om zoo noodig een handje te kunnen helpen.
+
+</p>
+<p>Karel van Dril was al op, toen Jan hem kwam roepen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is het koud, h&egrave;?&#8221; zei Karel huiverend.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, erg koud,&#8221; zei Jan. &#8220;Maar wij zullen ons wel warm werken. Om negen uur moet de tent klaar zijn, want dan gaat de school
+aan en moeten wij binnen zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei Karel. &#8220;Ik ben klaar, Jan. Zullen we gaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed.&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens gingen naar buiten. Lange, dunne palen namen zij op de schouders en droegen die naar het ijs. Het kanaal was dicht
+bij hun huis. Zij hadden den weg maar over te steken om het te bereiken. Een goed plaatsje <a id="d0e2888"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2888">136</a>]</span>was spoedig gevonden. Zij besloten de tent te bouwen vlak voor den winkel van Dik Trom. Een paar malen liepen zij heen en
+weer om alles te halen, wat zij noodig hadden.
+
+</p>
+<p>Daarna gingen zij aan het werk.
+
+</p>
+<p>Eerst moesten er met een bijl gaten in het ijs worden gemaakt. Jan begon te hakken. O, wat was het ijs hard. De splinters
+spatten hem bij elken hak om de ooren, en rinkelend vlogen zij een eind ver over de gladde ijsvlakte.
+
+</p>
+<p>&#700;t Was een zwaar werkje. Al spoedig had Jan geen last meer van de ko&ucirc;, en hij merkte, dat het niet gemakkelijk zou gaan, een
+gat in het ijs te hakken. Hij zuchtte zoo hard, dat Karel er om lachen moest.
+
+</p>
+<p>&#8220;Toe maar, hak maar raak,&#8221; zei hij. &#8220;Ik zal wel voor je zuchten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan begon te wanhopen, of hij er wel mee klaar zou komen. Maar eindelijk toch zakte zijn bijl door het ijs. Het water drong
+er doorheen. Nog een paar slagen, en het schotsje was los. Met de bijl wipte hij het stuk ijs omhoog.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zie zoo, dat is er &eacute;&eacute;n,&#8221; zei hij. &#8220;Nu den paal er in.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Doe jij dat maar, dan zal ik intusschen het tweede gat hakken,&#8221; zei Karel. Hij nam de bijl, en trok aan &#700;t werk. Op dit oogenblik
+kwam Dik Trom aanstappen. Hij kwam eens kijken, of de jongens het klaar zouden spelen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gaat het goed?&#8221; vroeg hij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Best, Vader,&#8221; zei Jan. &#8220;O, maar wat is dat ijs hard. Ik kan er bijna niet doorheen slaan met de bijl.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat dacht ik wel. Daarom kwam ik juist even kijken. Maar ik zie wel, dat mijn hulp niet noodig is. Hoeveel palen moeten
+er in?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij dachten van zeven,&#8221; zei Karel. &#8220;&#700;t Zou met minder kunnen, maar als het dan wat hard gaat waaien, is de tent niet sterk
+genoeg.&#8221;
+<a id="d0e2912"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2912">137</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Je hebt gelijk,&#8221; zei Dik. &#8220;Wel, wel, wat is dat ijs gl....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Glad,&#8221; wilde hij zeggen, maar zoover kwam hij niet, want plotseling gleden zijne beenen onder hem weg, en viel de dikke Dik
+met een geweldigen bom op het ijs. Het ging zoo snel en onverwachts, dat hij eerst niet wist, wat er gebeurde. Het ijs kraakte
+niet zoo&#700;n beetje, en er kwam een groote ster in.
+
+</p>
+<p>Gelukkig bezeerde Dik zich niet, en de jongens konden er dus naar hartelust om lachen. Doch zij gunden zich daar niet veel
+tijd toe, want zij moesten hard werken om op tijd klaar te komen. Om de beurt hakten zij een gat in het ijs, en toen Dik koud
+werd, hakte hij er ook een. De tent schoot flink op. Aan drie kanten werden er zeilen aan de palen bevestigd, en de vierde
+kant bleef natuurlijk open. Om acht uur waren zij met hun arbeid gereed. Toen repten zij zich naar huis, om een oude tafel,
+wat afgedankte stoelen en een paar banken te halen. Ook namen zij ieder eene vlag m&ecirc;e, en die werden aan de twee voorste palen
+bevestigd. Om half negen was de tent kant en klaar. Dik was al lang naar huis, want hij zag, dat de jongens zijne hulp best
+konden ontberen, en hij vond het een prettiger idee voor hen, dat zij de tent geheel alleen bouwden. Toen om half negen Mietje
+op het ijs verscheen, sloeg zij van verbazing de handen in elkaar, en zij was wat grootsch op de mooie tent, die de jongens
+voor haar hadden gemaakt. En alles was gereed. Zij had er om zoo te zeggen z&oacute;&oacute; maar in te stappen. Alleen moest zij nog melk
+koken en de noodige koeken bij den bakker bestellen. De arme ziel wist geen woorden te vinden, om de jongens te bedanken voor
+alles, wat zij voor haar en haar zieken man hadden gedaan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe is het met Klaas?&#8221; vroeg Jan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nog hetzelfde,&#8221; was het antwoord. &#8220;Hij ligt nu al vier <a id="d0e2923"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2923">138</a>]</span>weken te bed, en ik zie niet den minsten vooruitgang. Maar hoe zou dat ook kunnen? Wij zijn te arm, om de versterkende middelen
+te kunnen koopen, die zijn verzwakt lichaam noodig heeft, want hij is door en door verzwakt, zegt de dokter.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, wie weet, hoeveel u vandaag nog verdient,&#8221; zei Karel. &#8220;En hoe is het met Fik?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, die is weer geheel en al in orde. Hij houdt den baas gezelschap. Die moet natuurlijk den heelen middag alleen in huis
+blijven. Maar hij zal zich wel redden. Ik zal de tafel bij zijn bed schuiven en alles, wat hij noodig heeft, daarop klaar
+zetten. V&oacute;&oacute;r twee uur van middag behoef ik niet in de tent te staan, en om vijf uur kan ik wel al weer thuis zijn. Dan wordt
+het donker en gaan de schaatsenrijders naar huis. Dus langer dan een uur of drie, vier is hij niet aan zijn lot overgelaten.
+O jongens, wat redden jullie me heerlijk uit den nood; je weet niet, hoe dankbaar ik ben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is niet noodig, Mietje. We hopen, dat je vandaag nu maar flink geld verdient. Maar &#700;t wordt voor ons tijd om naar school
+te gaan. Vanmiddag zullen we wel vacantie krijgen, denk ik, nu het zulk mooi ijs is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is te hopen,&#8221; zei Karel. &#8220;H&egrave;, wat heb ik een zin om te gaan rijden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En ik!&#8212;Dag Mietje, tot vanmiddag!&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens gingen naar huis. Het gebruikte gereedschap namen zij mee, en eenige minuten later stapten zij de school binnen.
+Zij dachten dien morgen meer aan het mooie ijs, dan aan de lessen.
+
+</p>
+<p>Mietje was intusschen druk in de weer om alles voor den middag in gereedheid te brengen. Bij den bakker bestelde zij een groot
+getal ijskoeken, die ook wel dikke Pieten werden genoemd, eene lekkernij, waar de jongens <a id="d0e2939"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2939">139</a>]</span>verzot op waren, en die de meisjes ook wel lustten. Dik Trom had aan den bakker gezegd, dat hij voor de goede betaling borg
+stond. Ook gaf Dik de noodige chocolade en suiker, en mocht zij bij Wobbe op zijne rekening zooveel melk bestellen, als zij
+dacht noodig te hebben. Mietje vloeide over van dankbaarheid.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zorg nu,&#8221; zei Dik, &#8220;dat alles er netjes en zindelijk uitziet in je tent, en maak de kopjes telkens schoon, als er uit gedronken
+is. De menschen hebben een hekel aan vuile koppen en schotels.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dik wist wel, dat Mietje niet aan overdreven zindelijkheid leed.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar zal ik voor zorgen,&#8221; zei Mietje.
+
+</p>
+<p>Van een kastelein had zij de noodige koppen en schotels geleend. Zoo werd Mietje door de hulp van verschillende menschen,
+die medelijden met haar hadden, netjes ingespannen, en om &eacute;&eacute;n uur stond zij al in hare tent, gereed om de gasten te ontvangen.
+
+
+</p>
+<p>Jan en Karel hadden goed geraden. Dien middag kregen zij inderdaad vacantie. Dat gaf eene vreugde. Onder een luid gejoel verlieten
+de kinderen de school, om te gaan eten. Sommigen gunden zich daar haast den tijd niet eens toe, zoo verlangden zij om op &#700;t
+ijs te komen.
+
+</p>
+<p>Om een uur krioelde het al van jongens en meisjes op de baan, en Mietje kreeg het al aardig druk in hare tent. Jan en Karel
+waren er ook. Hun eerste gang was naar Mietje, want zij wilden graag de eersten zijn, die wat bij haar kochten. En Mietje
+zag er wat helder uit. Van Anneke had zij een grooten huishoudboezelaar gekregen, die hare armoedige plunje geheel bedekte.
+Ook de kopjes waren helder gewasschen, en &#700;t zag er gezellig bij haar uit. Jan en Karel zagen met genoegen, dat zij het verbazend
+druk kreeg. Dat was trouwens geen wonder, want zij was de <a id="d0e2953"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2953">140</a>]</span>eenige, wier tent geheel klaar was. Er waren er nog wel verscheidene in aanbouw, maar gereed was er nog maar een, en dat was
+de hare. Wat hadden de twee jongens er een pret in. Vroolijk zwierden zij op de baan heen en weer, want zij konden goed rijden,
+vooral Jan. Die kon al zwieren als de beste. Dat had hij van zijn vader geleerd die ook een groot liefhebber van het ijsvermaak
+was. En als zij een poosje gereden hadden, gingen zij uitrusten in de tent van Mietje, die er recht gelukkig en tevreden uitzag,
+want zij kon wel aan het bedienen blijven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dikke Pieten! Dikke Pieten!&#8221; riep Karel lachend zijne kameraden toe. &#8220;Steekt er eens op, en legt er eens aan! Lekkere, versche
+dikke Pieten! De mooiste ijskoeken van de wereld!&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens en meisjes lachten er om, en toen zij hoorden, dat Mietje het zoo erg arm had en dat haar man ziek was, en daarbij
+vernamen, dat Karel en Jan samen die mooie tent voor haar hadden gebouwd, kijk,&#8212;toen wilde iedereen ook een steentje bijdragen
+om den nood der arme menschen te lenigen, en wie wat koopen wilde, deed het daarom bij Mietje.
+
+</p>
+<p>Jan ging ook achter de tafel staan, en riep zoo hard hij kon:
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Heete melk en koude Jan,</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Steekt er eens op en legt er eens an!&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>De kinderen moesten er hartelijk om lachen, maar &#700;t gevolg was toch, dat de koeken als &#700;t ware wegvlogen, en dat Mietje telkens
+een nieuwen voorraad melk moest koken. Hare zaakjes gingen best, opperbest, en zij ontving zooveel geld, als zij in haar heele
+leven nog niet bij elkaar had gezien.
+
+</p>
+<p>Later op den middag kreeg zij het nog drukker. Toen kwamen de groote menschen op de baan. Ook Dik Trom <a id="d0e2970"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2970">141</a>]</span>stapte met zijn schaatsen onder den arm het ijs op. En even later verschenen de twee mannen, met wie hij al van zijne vroegste
+jeugd af trouwe vrienden was geweest, namelijk Piet van Dril, de smid, en Jan Vos, de metselaar. In de tent van Mietje bonden
+zij de schaatsen onder. Dik trakteerde eenige jongens, die dicht in de nabijheid stonden, op dikke Pieten, en even later zwierde
+het drietal lustig over de baan. Wat kreeg deze meer en meer een vroolijk aanzien. De andere tenten waren nu langzamerhand
+ook gereed gekomen, en de vlaggen wapperden vroolijk in den wind. En wat kwamen er een menschen op het ijs! &#700;t Werd er hoe
+langer hoe voller, en soms, als de menschen erg dicht op een hoop stonden, gaf het ijs een geweldigen krak, zoodat iedereen
+er van schrikte en men ijlings uit elkander stoof.
+
+</p>
+<p>De baanvegers hadden weinig te doen, want het ijs was spiegelglad. Des te meer tijd hadden zij om geld op te halen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een centje voor den baanveger!&#8221; klonk het hier. &#8220;Een centje voor den baanveger,&#8221; <span id="d0e2976" class="corr" title="Bron: klok">klonk</span> het daar. &#700;t Leek wel, of de baanvegers uit den bodem van het kanaal opstegen, zooveel kwamen er. Maar de schaatsenrijders
+genoten volop, en zij hadden een gulle bui. Dik Trom, wiens winkel thans verreweg de grootste was van het geheele dorp, zoodat
+hij veel geld verdiende en van nabij met den toestand der baanvegers bekend was, liet menig dubbeltje in de handen der baanvegers
+overgaan. Hij was niet gierig, en als hij wist, dat hier of daar armoede geleden werd, was hij altoos bereid om te helpen.
+Hij was dan ook verbazend bemind onder zijne dorpsgenooten. Iedereen had een vriendelijk woord voor hem over, en niemand passeerde
+hem zonder een groet.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dag Dik!&#8221; werd er overal geroepen, waar hij voorbij <a id="d0e2981"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2981">142</a>]</span>reed. &#8220;Dag Dik! Dat is nog eens een echt ouderwetsch dagje, h&egrave;?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#700;t Was vreemd, maar Dik werd op het dorp nog bijna door iedereen Dik genoemd. Zelden zeide men Trom tegen hem.
+
+</p>
+<p>Hij kon mooi schaatsenrijden, veel mooier, dan men van zoo&#700;n dikken man verwacht zou hebben. Als hij goed aan het zwieren
+was, had hij aan de breede baan niet genoeg, neen, dan gebruikte hij wel de halve breedte van het kanaal. En &#700;t was grappig
+om te zien, als Jan achter hem aanzwierde. Dik had altoos een ijsstok bij zich, met aan elk einde een knop. Soms hield Dik
+het eene einde onder den arm, en Jan het andere, en dan zwierden zij samen zoo kolossaal, dat de menschen bleven staan om
+er naar te kijken. En &#700;t was een grappig gezicht, dien dikken Dik en dien mageren Jan samen aan den stok te zien zwieren.
+Iedereen lachte er om, en Dik zelf ook.... Ha, wat was Jantje dan grootsch. Dan reed hij zoo prachtig beentje-over, dat Karel
+van Dril er jaloersch op was.
+
+</p>
+<p>Het drukste punt van de geheele ijsbaan was, waar de tent van Mietje stond. Karel en Jan zagen met onbeschrijflijk veel genoegen,
+dat hare tent nooit leeg was. Altijd zaten er menschen op de stoelen of banken, om uit te rusten, en iedereen gebruikte wat
+bij haar. De koek was om drie uur al uitverkocht, maar melk had zij in overvloed. Haar zak was zwaar van de centen, die zij
+ontvangen had, en steeds kwam er meer bij. Iedereen wilde haar helpen in den nood. Alleen de andere tenters waren er een beetje
+boos om, maar toch niet heel erg, want het was z&oacute;&oacute; druk op de baan, dat ook zij een heel goeden dag maakten.
+
+</p>
+<p>Frans Thor en Klaas Zwart waren ook aan het schaatsenrijden, maar de andere jongens ontweken hen zooveel mogelijk. Zij wilden
+&#700;t liefst niet met hen te maken hebben.
+<a id="d0e2991"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2991">143</a>]</span></p>
+<p>Eindelijk begon de schemering te vallen, en de drukte op het ijs verminderde gaandeweg. Vele boerenjongens en -meisjes moesten
+naar huis, om de koeien te melken en het vee te voederen, en langzamerhand zakten ook de anderen op huis af. Jan en Karel
+waren onder de laatsten, die vertrokken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kunnen we je helpen, om een en ander naar huis te brengen, Mietje?&#8221; vroegen zij. Want zij hadden zich nu eenmaal voorgenomen,
+Mietje zooveel zij konden terzijde te staan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, jongens, dank je vriendelijk,&#8221; was het antwoord. &#8220;De kopjes en schoteltjes doe ik in een sleetje en neem ik me&ecirc; naar
+huis. Maar den vuurpot en den ketel laat ik van nacht hier maar staan. Dat wordt anders maar heen- en weer sjouwen voor niemendal.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;En heb-je goede zaken gemaakt?&#8221; vroegen de jongens blij, want zij wisten wel, hoe het antwoord zou zijn.
+
+</p>
+<p>&#8220;Goede zaken?&#8221;&#8212;Of ik!&#8221; zei Mietje, en zij klopte met hare hand op den zak, die onder haar boezelaar hing. De jongens hoorden
+een rinkelend geluid.
+
+</p>
+<p>&#8220;Allemaal centen, Mietje!&#8221; plaagde Jan. &#8220;Dat beschiet niet veel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Allemaal centen?&#8221; herhaalde Mietje, terwijl zij een flinken greep in den zak deed, en den inhoud van hare hand op de tafel
+uitstortte. &#8220;Allemaal centen? Kijk eens, een dubbeltje, weer een, hier nog een, een kwartje, nog een kwartje, daar nog een
+dubbeltje,&#8212;neen, neen, als het nog een paar dagen mag blijven vriezen, ga ik den winter zonder zorg tegemoet.&#8212;En dat heb ik
+alles aan jelui te danken,&#8212;en aan je vader, Jan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij deed het geld weer in den zak, pakte alles wat meegenomen moest worden, in de slede, schoof de tafels en stoelen zooveel
+mogelijk in elkaar en ging naar huis.
+<a id="d0e3008"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3008">144</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Zeg aan je vader, dat ik vanavond met hem kom afrekenen,&#8221; zei ze nog tegen Jan. &#8220;Ik heb vandaag wel zooveel verdiend, dat
+ik mezelf verder redden kan. &#700;t Is een pak van m&#700;n hart, jongens.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan en Karel gingen recht vergenoegd naar huis. De lucht zag er wel naar uit, dat het weer geducht vriezen zou.
+
+</p>
+<p>&#700;s Avonds kwam Mietje inderdaad met Dik afrekenen en zij deelde hem mede, dat zij wel meer dan twintig gulden had verdiend.
+Dik was er recht blijde om, en hij gaf Jan een knipoogje, of hij zeggen wilde: &#8220;Zie je, Jan, dat is het werk van jou en je
+vriend. Je hebt eene goede daad gedaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Vol vreugde keerde Mietje naar haar hutje terug. Klaas en zijne vrouw hadden zich in langen tijd niet zoo gelukkig gevoeld.
+
+
+</p>
+<p>Helaas, de blijdschap van Mietje zou al spoedig in verdriet veranderen. Toen zij den volgenden morgen in de tent kwam, om
+alles voor den middag in orde te brengen, want het had weer sterk gevroren, bemerkte zij tot haar grooten schrik, dat de ijzeren
+pot, dien zij van Van Dril te leen had gekregen, en de mooie koperen ketel, dien De Vries, de kastelein, haar ten gebruike
+had afgestaan, verdwenen waren. Eerst meende zij nog, dat de andere tenters een grapje hadden willen hebben en een en ander
+hadden weggehaald, maar dat bleek niet zoo te zijn. Die menschen vermisten ook voorwerpen, die zij in de tenten hadden achtergelaten,
+en zij waren erg boos en terneergeslagen.
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is eene schande,&#8221; zei er een. &#8220;Ik dacht z&oacute;&oacute;, dat de diefstallen ten einde waren, en nu komen zij ons armoedje nog wegstelen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, &#700;t is eene schande,&#8221; zei een ander. &#8220;De politie doet hier ook niets. Maar ik ga naar den burgemeester <a id="d0e3023"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3023">145</a>]</span>om mij te beklagen. &#700;t Is verregaand, dat er niets meer veilig is op &#700;t dorp.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ga me&ecirc;,&#8221; riep een derde.
+
+</p>
+<p>&#8220;En ik! En ik,&#8221; zeiden de anderen.
+
+</p>
+<p>En te zamen verlieten zij het ijs, om naar den burgemeester te gaan en hem te zeggen, dat er verschillende voorwerpen uit
+de tenten ontvreemd waren.
+
+</p>
+<p>Mietje kreeg de tranen in de oogen. Al hare verdiensten waren weer weg, want zij moest de gestolen voorwerpen natuurlijk vergoeden,
+dat begreep zij zeer goed. Allereerst ging zij naar Van Dril, om hem te zeggen, wat er gebeurd was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is verregaand!&#8221; riep hij uit. &#8220;&#700;t Wordt hoog tijd, dat de dieven gesnapt worden, want z&oacute;&oacute; kan het niet langer. Maar jij,
+arme ziel, behoeft de schade niet te lijden. Hier staat nog een andere pot met toebehooren. Gebruik dien maar, doch laat hem
+&#700;s nachts niet meer op het ijs staan. Alles, wat je in de tent gebruikt, moet je vanavond opbergen. Anders heb je kans, dat
+morgen alles weer verdwenen is.&#8221;
+
+</p>
+<p>Mietje bedankte van Dril voor zijn goedheid, en begaf zich dadelijk naar de Vries. Maar deze was lang zoo vriendelijk niet
+als de smid. Hij werd zelfs onbillijk.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar heb je &#700;t al,&#8221; riep hij uit, toen Mietje hem het gebeurde had verteld. &#8220;Dan leen je aan zulk volk je beste spullen,
+en in plaats, dat zij er dankbaar voor zijn en er goed op passen, maken ze, dat je ze nooit terugziet. Maar je zult me den
+ketel betalen, wat ik je zeg! &#700;t Was een beste, koperen ketel, een zware koperen ketel, en ik laat hem maar niet goedschiks
+verdonkeremanen! Wie weet, wat je er m&ecirc;e uitgevoerd hebt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik? Er m&ecirc;e uitgevoerd?&#8221; zei Mietje schreiend. &#8220;Ach, wat heb ik er een spijt van, dat ik hem niet meegenomen <a id="d0e3041"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3041">146</a>]</span>heb naar huis, gisterenavond, maar de andere tenters lieten hun boeltje ook in de tent achter, net zoo goed als ik. Wie kon
+ook denken, dat de menschen zoo slecht zouden zijn, om ons armoedje weg te stelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Alles goed en wel, maar ik moet den ketel terughebben, of je zult mij de schade vergoeden. Met minder dan vijf gulden ben
+ik niet tevreden. &#700;t Was een dure ketel, en nog zoo goed als nieuw!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vijf gulden?&#8221; stamelde Mietje verschrikt. &#8220;Vijf gulden, zegt u?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, vijf gulden minstens,&#8221; was het antwoord. &#8220;Koper is duur.&#8221;
+
+</p>
+<p>Verdrietig keerde Mietje naar de tent terug. Zij wist geen raad om zich te helpen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie zal mij weer een ketel leenen?&#8221; vroeg zij droevig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal ik doen,&#8221; zei Anneke. &#8220;Je kunt mijn ketel gebruiken, Mietje, als je er maar voor zorgt, dat hij elken avond bij mij
+binnengebracht wordt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, dat zal ik zeker,&#8221; zei Mietje. &#8220;Een ezel zelfs stoot zich geen tweemaal aan denzelfden steen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#700;t Ging als een loopend vuurtje door het dorp, dat de dief weer aan den gang was geweest. En de burgemeester vond, dat er
+hoog noodig een einde aan moest komen. Zoodra hij het gebeurde vernomen had, liet hij dadelijk Flipsen bij zich ontbieden.
+Deze kwam direct, en onderweg vernam hij al, wat er aan de hand was. Maar de burgemeester vertelde het hem nog eens dunnetjes
+over. Flipsen hoorde hem zwijgend aan; er speelde een bijna onmerkbaar glimlachje om zijne lippen. Hij meende te weten, waar
+hij thans zoeken moest.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je moet bij de tenters eerst gaan onderzoeken, welke voorwerpen door hen worden vermist, en dan zoek je maar net zoo lang,
+tot je den dief gevonden hebt,&#8221; besloot de burgemeester.
+<a id="d0e3061"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3061">147</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Laat het maar aan mij over, burgemeester,&#8221; zei Flipsen met een hooge borst. &#8220;Ik zal het zaakje wel afwikkelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij stapte op het ijs, en begaf zich met een zakboekje in de linker en een potlood in de rechterhand van de eene tent naar
+de andere, en overal vroeg hij, welke voorwerpen gestolen waren. Het bleek hem, dat alle tenters hun ijzeren pot en grooten
+ketel hadden achtergelaten, en dat die nu vermist werden.
+
+</p>
+<p>De tenters waren er bitter slecht over te spreken, en Flipsen moest menig onaangenaam woord hooren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom heb je niet beter uitgekeken?&#8221; vroeg er een. &#8220;Je doet ook niet veel voor den kost, Flipsen.&#8221;
+
+</p>
+<p>En een ander merkte op:
+
+</p>
+<p>&#8220;Of wij politie op het dorp hebben of geen politie, dat komt op hetzelfde neer. De dieven doen toch maar, wat ze willen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is jullie eigen schuld,&#8221; gaf Flipsen ten antwoord. &#8220;Wie laat zulke dingen bij nacht en ontijd ook buiten staan? Je bent
+te lui om voor je spullen te zorgen, en als ze dan gestolen worden, krijgt de politie de schuld. Zoo is het altijd. &#700;t Is
+het oude liedje en anders niet. Doch heb maar geduld. Dezen keer zul-je eens zien, dat Flipsen w&egrave;l uit zijne oogen gekeken
+heeft, en terdege ook. Eer we een halven dag verder zijn, heb ik de dieven gesnapt, want er is er niet &eacute;&eacute;n, maar er zijn er
+twee.&#8221;
+
+</p>
+<p>De menschen keken hem ongeloovig aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Twee?&#8221; vroegen ze. &#8220;Zijn er twee? Weet je dan, wie de daders zijn?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet, wat ik weet,&#8221; gaf Flipsen gewichtig ten antwoord. &#8220;En ik zeg, hebt maar geduld. Je zult je verloren zaakjes spoedig
+genoeg terug hebben, veel vlugger zelfs, dan je denkt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Flipsen keerde zich om en begaf zich regelrecht op <a id="d0e3084"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3084">148</a>]</span>weg naar&#8212;den pottenschipper. De menschen zagen dat tot hunne verbazing, en ook zij begaven zich naar de hun welbekende schuit,
+die niet ver van de tent van Mietje aan den wal lag. Dat was hare vaste plaats. Een plank lag van de schuit naar den walkant
+om te maken, dat de bezoekers gemakkelijk op de schuit konden komen.
+
+</p>
+<p>Flipsen liep de plank over en deed het deurtje van de kajuit open, die den pottenschipper tot woonvertrek diende. Eene warme
+lucht kwam den veldwachter tegemoet. Hij zag dadelijk, dat de pottenschipper bij een klein tafeltje zat met een pijpje in
+den mond. De rook dwarrelde door het geopende deurtje naar buiten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Goeden dag,&#8221; zei Flipsen binnentredende. Zijne oogen dwaalden onderzoekend in het kleine vertrekje rond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dag Flipsen,&#8221; was het antwoord. &#8220;Kom binnen. Wat is er van je dienst?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal ik je zeggen. Er zijn ijzeren potten en verscheidene ketels gestolen uit de tenten, die op het ijs staan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is het waar?&#8221; vroeg de pottenschipper. En hij liet er op volgen: &#8220;Wat zijn die menschen onvoorzichtig, om zulke dingen &#700;s
+nachts te laten staan. &#700;t Is meer dan dom.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is het,&#8221; zei Flipsen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar ik begrijp niet, wat <i>ik</i> daarmede te maken heb,&#8221; hernam de schipper. &#8220;<i>Ik</i> ben gelukkig geen dief, en heb ze niet gestolen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo&#8212;ja, dat kan wel,&#8221; zei Flipsen, die wel een beetje in de war raakte, toen hij den schipper zoo kalm zag zitten. De man
+was blijkbaar in &#700;t geheel niet geschrokken door zijn bezoek, wat Flipsen toch stellig verwacht had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo&#8212;ja, dat kan wel,&#8221; herhaalde hij. &#8220;En dat wil ik wel gelooven ook, maar ik dacht, de pottenschipper is iemand, die vodden,
+beenen, oud ijzer en dergelijke dingen opkoopt. Misschien kan hij me inlichtingen geven, die me een beetje <a id="d0e3110"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3110">149</a>]</span>op weg helpen. Want die dieven moeten gevonden worden, dat spreekt van zelf.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist, hoe gauwer, hoe beter,&#8221; zei de pottenschipper. &#8220;Ik heb, zooals je weet, heel wat potten en pannen boven op mijn schuit
+staan, en ik houd mijn hart in mijn lijf vast, dat de dieven daar ook een bezoek zullen brengen. Wat zou ik lachen, als je
+ze snappen kon, Flipsen; &#700;t is meer dan tijd. Maar inlichtingen,&#8212;neen, die kan ik niet geven. Ik heb van niets gemerkt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En is u niets van dien aard te koop aangeboden ook?&#8221; vroeg Flipsen, terwijl hij zijn oogen strak op die van den schipper
+gevestigd hield.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu nog mooier!&#8221; riep deze uit. &#8220;Ze moesten het eens wagen met gestolen goed bij me aan te komen! Wat zouden ze gauw mijne
+schuit uit zijn. Neen man, voor zoo iets zijn ze bij mij aan het verkeerde kantoor. Daar moet ik niets,&#8212;niemendal van hebben.
+Dank je hartelijk!&#8221;
+
+</p>
+<p>De veldwachter stond op. Hij begreep thans zeer goed, dat de pottenschipper &ograve;f totaal onschuldig was, &ograve;f dat deze te slim
+was om zich te laten uithooren. Hij zeide dus:
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Spijt me, dat u me geen inlichtingen kan geven. Mag ik nu de schuit nog even van binnen bekijken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, nu nog mooier!&#8221; riep de schipper boos uit. &#8220;Wou je mijn schuit doorzoeken? &#700;t Is fraai, dat moet ik zeggen. En met welk
+doel, als ik vragen mag?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Louter uit nieuwsgierigheid,&#8221; zei Flipsen. Hij klom op het dek en begaf zich naar de voorzijde van de schuit. Hij wist, dat
+daar de ingang was van het ruim, waar de schipper zijne meeste goederen bewaarde. Deze volgde hem onwillig, en hij deed niets
+dan mopperen over de onbeschaamdheid van Flipsen.
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is een schande, om een fatsoenlijk mensch van diefstal <a id="d0e3128"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3128">150</a>]</span>te verdenken,&#8221; zei hij. &#8220;Welke reden heb je daarvoor? Wie heeft er iets op mij aan te merken?&#8221;
+
+</p>
+<p>Flipsen zei niets. Hij ging het ruim binnen en keek onderzoekend rond. Maar hij zag niets dan steenen voorwerpen voor huishoudelijk
+gebruik, en alles fonkelnieuw. Achter in het ruim, in een donkeren hoek, vond hij ook nog een hoop vodden, beenen en oud-roest.
+Hij was er te vies van, om het met zijne handen aan te raken. Daarom trok hij zijn sabel en wroette in den hoop rond. Maar
+hij ontdekte niets verdachts, wat hem geducht tegenviel, want hij had er stellig op gerekend, de gestolen voorwerpen hier
+aan te treffen. Er bleef geen gaatje ondoorzocht, en eindelijk verliet hij de schuit, zonder iets wijzer geworden te zijn.
+
+
+</p>
+<p>Er hadden zich heel wat menschen op den kanaalkant verzameld, om den afloop van Flipsen&#700;s onderzoek af te wachten. Maar zij
+zagen al dadelijk aan zijn gezicht, dat hij niets gevonden had. De pottenschipper beklaagde zich met luider stem tegen de
+menschen over de schande, die Flipsen hem had aangedaan, en zijn toehoorders vonden, dat hij wel een beetje gelijk had. Ook
+Frans Thor en Klaas Zwart bevonden zich onder de toeschouwers. Zij zeiden niets, en Klaas Zwart zag zelfs een beetje bleek.
+De pottenschipper zag hen staan, en hij zeide zoo luid tegen Flipsen, dat iedereen het hooren kon:
+
+</p>
+<p>&#8220;Als er nu weer eens wat vermist wordt, hoop ik van je vereerend verzoek verschoond te blijven, Flipsen. Je weet nu eenmaal,
+dat ik part noch deel aan de zaak heb. Ik ben een eerlijk koopman, en houd mij met slechte practijken niet op.&#8221;
+
+</p>
+<p>Een zucht van verlichting ontsnapte bij die woorden aan de borst der beide jongens, en onmerkbaar stootten zij elkander met
+den elleboog aan.
+<a id="d0e3138"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3138">151</a>]</span></p>
+<p>Flipsen was erg teleurgesteld. Hij begreep, dat hij het spoor van den dief weer geheel bijster was, en hij wist niet, w&aacute;&aacute;r
+thans te zoeken. Toch gaf hij het nog niet op. Regelrecht ging hij naar de woning van Klaas Zwart, en ook daar doorzocht hij
+het heele huis en de schuur. Maar alweer tevergeefs. Daarna begaf hij zich naar &#700;t huis van Thor, den oud-gediende uit Indi&euml;.
+Deze ontving hem ver van vriendelijk, maar daar stoorde Flipsen zich niet aan. Hij doorsnuffelde ook diens woning van boven
+tot beneden, echter zonder het gewenschte gevolg. Hij kwam tot de conclusie, dat hij zich totaal vergist had. En toch stond
+het bij hem vast, dat de dief op het dorp woonde.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e3141" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Dertiende Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>Hoe Jantje op een gelukkig id&eacute;e kwam.</p>
+</div>
+<p>Er werd &#700;s avonds, toen de lampen opgestoken waren en de menschen gezellig in de kamer rondom de kachels zaten, heel veel
+over het gebeurde gesproken. Zoo ook bij Dik Trom. Jan Vos en Piet van Dril waren bij hem op visite, en Anneke had anijsmelk
+gekookt, tot groote vreugde van Jan, die zijn vriendje Karel ook bij zich mocht hebben, en bizonder veel van anijsmelk hield.
+
+
+</p>
+<p>&#700;t Was een recht prettige avond, want de drie oude vrienden zaten te praten over hunne kinderjaren, en de twee jongens luisterden
+met open mond naar hetgeen er verteld werd. Eindelijk kwam het gesprek ook op den gepleegden diefstal, en algemeen waren zij
+het er over eens, dat het een laaghartige daad was. Ja, vroeger was er ook meermalen gestolen, maar nu had de dief zelfs de
+<a id="d0e3151"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3151">152</a>]</span>laagheid gehad de spulletjes weg te stelen van de armsten onder de armen. &#700;t Was wel zoo erg, als het maar wezen kon.
+
+</p>
+<p>&#8220;En Flipsen was de plank heelemaal mis,&#8221; zei Dik. &#8220;Hoe kwam hij er ook toe, den pottenscihpper van den diefstal te verdenken?
+Die man komt zelden of nooit zijne schuit uit.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is wel mogelijk,&#8221; zei Jan Vos, &#8220;maar vroeger moet hij een echte deugniet geweest zijn, heb ik wel eens gehoord.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, vroeger!&#8221;&#8212;meende Piet van Dril, &#8220;vroeger, dat is n&ugrave; niet. Een mensch kan zich beteren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is waar,&#8221; zei Dik. &#8220;Ik geloof er trouwens ook niets van, dat hij er aan schuldig is. Maar &#700;t is toch wonderlijk, dat
+de dief zoo lang met zijne diefstallen kan doorgaan, zonder betrapt te worden. Flipsen loert avond aan avond op hem, en hij
+is waarlijk toch niet voor de poes.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, dat geloof ik ook!&#8221; zei Piet van Dril lachend. &#8220;Daar weten wij van m&ecirc;e te praten, h&egrave;?&#8212;Denk nog maar eens aan een zeker
+avondje in den tuin van den burgemeester...!&#8221;
+
+</p>
+<p>Allen schoten in den lach.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, maar toen waren wij hem toch te knap af!&#8221; zei Dik.
+
+</p>
+<p>Zoo zaten zij nog lang te praten, tot Jan Vos opeens zeide: &#8220;Als het zoo blijft voortvriezen, zal de visch het gauw benauwd
+krijgen onder het ijs. Morgen moet ik toch eens probeeren, of ik niet een lekker maaltje paling kan vangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, doe dat maar,&#8221; zei zijne vrouw, die intusschen druk met de andere vrouwen had zitten praten. &#8220;Overmorgen is het Zondag,
+en dan wil ik wel graag een lekker maaltje hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Paling vangen? Hoe doet u dat dan?&#8221; vroeg Jan nieuwsgierig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel jongen, als &#700;t ijs erg dik is, krijgt de paling het <a id="d0e3175"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3175">153</a>]</span>er benauwd onder en begeeft zich naar de bijten en wakken, waar open water is. Met een sikkel, die aan een langen stok bevestigd
+is, kun-je ze gemakkelijk uit het water op het ijs wippen. Dat vereischt alleen maar wat behendigheid.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zwemmen ze dan niet weg?&#8221; vroeg Karel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen jongens,&#8221; zei Dik. &#8220;Of het van de ko&ucirc; komt, of van wat anders, dat weet ik niet, maar zij zijn bij sterk ijs min of
+meer suf. Je kunt ze dan vrij gemakkelijk vangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Willen wij dat morgen ook eens gaan doen?&#8221; vroeg Karel aan Jan. &#8220;Wij hebben dan toch den heelen dag vrij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik vind het best,&#8221; zei Jan. &#8220;Graag zelfs. Van Dril, heeft u voor ons elk ook een sikkel? Dan gaan wij morgen op de vangst.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeker wel, jongens, er liggen oude sikkels genoeg in de smederij. Als je er zelf dan maar een langer handvat aan maakt, want
+het gewone handvat is voor dat werk te kort. Je moet er een stok aan doen, ongeveer zoo lang als je arm.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een gewone lat is wel goed,&#8221; zei Dik.
+
+</p>
+<p>Jan en Karel spraken af, dat zij er na het ontbijt samen op uit zouden trekken. De sikkels zouden spoedig genoeg in orde zijn,
+daar waren zij het over eens.
+
+</p>
+<p>En zoo gebeurde het ook. Toen Jan ontbeten had, ging hij naar Karel, die al twee goede sikkels had opgezocht. Zij haalden
+de handvatten er af, en deden er langere voor in de plaats. In een kwartiertje waren zij daarmede klaar. Karel nam een emmertje
+me&ecirc;, om er de visch in te doen, en zoo trokken zij er samen op uit. Ook namen zij elk een bijl mede, om hier en daar een gat
+te hakken. &#700;t Eerst gingen zij naar de bijt, die voor het huis van Dik Trom gehakt was. Het ijs van den laatsten nacht lag
+er nog in. Zij hakten het los en trokken de schotsen op het ijs. Toen <a id="d0e3193"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3193">154</a>]</span>keken zij in de bijt, en waarlijk, heel rustig lag daar een dikke paling op den bodem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk, kijk, daar ligt er een,&#8221; zei Jan, die hem het eerst zag.
+
+</p>
+<p>Hij stak den sikkel voorzichtig onder het beest door en wipte hem met een snelle beweging omhoog. Daar spartelde de paling
+op het ijs. Ha, wat kronkelde hij zich! De jongens sprongen beiden op hem toe, want hij lag dicht bij den rand van de bijt.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Grijp hem, grijp hem!&#8221; riep Jan zijn vriend toe, want deze was het dichtst bij hem. Maar Karel kwam te laat. Wel gelukte
+het hem nog den paling te grijpen, maar deze kronkelde zich om zijn arm heen, en dat vond Kareltje zoo&#700;n eng gevoel, dat hij
+het beest met een rilling over de leden losliet. Op &#700;t volgende oogenblik verdween de paling in de bijt, en de jongens hadden
+nakijk.
+
+</p>
+<p>&#8220;H&egrave;, wat is dat jammer!&#8221; riep Jan spijtig uit. &#8220;Hoe dom ook van je, om hem weer los te laten, toen je hem zoo mooi vast hadt.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Hu, wat glibberig was hij, en wat kronkelde hij akelig om mijn arm heen,&#8221; zei Karel, wien opnieuw eene huivering over den
+rug ging. &#8220;Precies een slang.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal jij wel weten,&#8221; zei Jan. &#8220;Je hebt nog nooit een slang gezien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Genoeg,&#8212;meer dan jij,&#8221; meende Karel. &#8220;In Artis.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, in Artis. Daar liggen ze achter glas.&#8212;Nu, deze is in elk geval weg, en wij zullen hem wel nooit terugzien. Wat was het
+een dikkerd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Of hij dik was,&#8221; zei Karel. &#8220;Akelig dik.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In deze bijt is niets meer te zien. Willen we naar die van den burgemeester gaan aan den overkant? Dat is ook eene groote
+bijt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mij goed,&#8221; zei Karel. &#8220;Maar ik pak ze vast niet meer met mijne handen beet. Hu, wat een akelige beesten.&#8221;
+<a id="d0e3217"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3217">155</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Je bent een bangerd, hoor!&#8221; spotte Jan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jij bent een held!&#8221; zei Karel. &#8220;Dat weet ik wel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In elk geval zou ik hem niet loslaten, als ik hem eenmaal te pakken had,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>Zij liepen het kanaal over, en kwamen bij de bijt van den burgemeester. Hun eerste werk was ook hier het ijs van den laatsten
+nacht los te hakken en de schotsen op het ijs te trekken. Toen dat gebeurd was, keken zij in het water.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zie er een,&#8221; zei Karel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ook,&#8212;wel twee,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>Zij brachten de sikkels in het water, en op &#700;t volgende oogenblik spartelden twee palinkjes op het ijs. Jan wierp er een van
+in het emmertje, maar Karel was niet te bewegen, den tweeden aan te grijpen. Jan moest er om lachen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Help, help, hier is er een,&#8221; schreeuwde Karel, die moeite had om het beest met zijn sikkel van de bijt weg te houden. &#700;t
+Beest wilde met alle geweld weer in &#700;t water.
+
+</p>
+<p>&#8220;Pak hem dan!&#8221; riep Jan hem lachend toe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dank je,&#8212;ik moet er niets van hebben. Toe dan, Jan, grijp hem, of we zijn hem kwijt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan kwam zijn vriend te hulp, en spoedig was ook de tweede paling in het emmertje opgeborgen. Maar van den derden was, toen
+zij weer in de bijt keken, geen spoor meer te vinden. De jongens hadden hem wat al te veel lawaai gemaakt naar zijn zin, zoodat
+hij het verstandig geoordeeld had, zich wat uit hunne nabijheid te verwijderen. Maar Jan en Karel waren toch wat in hun schik
+met hunne vangst, en zij begaven zich van de eene bijt naar de andere. De voorraad in hun emmertje werd steeds grooter, en
+zij twijfelden niet, of zij zouden wel een flink maal bij elkander krijgen.
+
+</p>
+<p>Lachend zei Karel tot Jan:
+<a id="d0e3242"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3242">156</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Als Vos op de vangst gaat, zooals zijn plan was, zal hij niet erg veel meer vangen. Wij hebben zoetjes-aan alle bijten van
+het dorp afgevischt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan lachte ook.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan vischt hij achter het net,&#8221; zei hij. &#8220;Kijk, ginds gaan Frans Thor en Klaas Zwart. Zij hebben ook bijlen bij zich. Ik
+denk, dat zij ook op de vangst uitgaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat hen maar vooruitgaan,&#8221; zei Karel. &#8220;Wij zijn op hun gezelschap niet gesteld. Willen wij nu buiten het dorp gaan, voorbij
+het fort? Daar zijn wel geen bijten, maar vader zegt, dat de visch zich aan de kanten van het kanaal ophoudt, zeker om beter
+lucht te kunnen krijgen. Dan hakken wij hier en daar eene schots los.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mij goed,&#8212;best zelfs,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>De jongens gingen langs het fort en deden als gezegd is. En &#700;t was inderdaad een prettig werkje voor hen, want zij vingen
+veel meer, dan zij verwacht hadden. Er waren palingen bij, wel zoo dik als hun pols. De jongens hadden de grootste moeite,
+om die dikke beesten in het emmertje te houden. Telkens keken de koppen boven den rand uit, en eens, toen het Karels beurt
+was om den emmer te dragen, kronkelde plotseling alweer zoo&#700;n dier tegen zijn arm op. &#700;t Gebeurde zoo onverwachts, dat hij
+er hevig van schrikte. Met een gil liet hij den emmer op het ijs vallen, en alle palingen kronkelden in het rond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jou ezel!&#8221; riep Jan uit. Maar veel tijd tot praten had hij niet, want hij moest dadelijk aan het vangen. En &#700;t ging lang
+niet gemakkelijk, om de dieren weer in den emmer te krijgen, vooral nu hij alles alleen moest doen. Karel was niet te bewegen
+eene hand uit te steken. Hij vond de beesten z&oacute;&oacute; eng, dat hij ze niet durfde aanraken. Eindelijk had Jan ze alle weer verzameld.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Geef mij den emmer maar,&#8221; zei hij. &#8220;Anders ligt het <a id="d0e3259"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3259">157</a>]</span>heele zaakje aanstonds weer op het ijs. Draag jij dan de bijlen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens verwijderden zich hoe langer hoe verder van het dorp. Hier en daar waren kleine, vierkante bijtjes gehakt. Een
+schots lag er naast, om de schaatsenrijders te waarschuwen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zijn bijtjes van de visschers,&#8221; zei Jan. &#8220;Die brengen er hunne netten door onder het ijs. Ik wed, dat ze heel wat vangen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat denk ik ook,&#8221; zei Karel. &#8220;Als je nagaat, wat wij al hebben, kun-je wel begrijpen, wat zij moeten vangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan had het druk om de palingen naar beneden te duwen, die telkens opnieuw uit het emmertje wilden kruipen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Heidaar, blijven waar je bent!&#8221; zei hij tegen een dikkerd, die nieuwsgierig over den rand keek. &#8220;Bij je kameraden blijven!&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Bij een van de visschersbijtjes deden de jongens eene gelukkige vondst. In het riet namelijk zagen zij een groot stuk net
+liggen, dat zeker door de visschers weggeworpen was. Karel zag het het eerst.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk eens, Jan,&#8212;d&aacute;&aacute;r,&#8221; zei hij. &#8220;Daar ligt een groot stuk net. Laten wij daar de palingen in doen, dan kunnen zij niet ontsnappen
+en hebben wij er geen last meer van.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar zeg je zoo wat,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>De jongens haalden het net uit het riet. Zij zagen, dat het een palingfuik wast geweest. Op verschillende plaatsen was het
+stuk.
+
+</p>
+<p>&#8220;De visschers hebben het zeker weggegooid,&#8221; zei Jan. &#8220;En ons komt het mooi te pas.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij deden de palingen in het net en bonden het dicht met een touwtje, dat Jan in den zak had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zie zoo, nu zitten ze goed bewaard,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8212;lekker warm. Ze zullen nu geen last meer van <a id="d0e3287"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3287">158</a>]</span>de kou hebben.&#8212;Zeg, wat hebben we er al veel, h&egrave;?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, heel wat. Mij dunkt, dat we er al meer hebben, dan we oplusten. Willen we nu weer naar huis gaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed,&#8221; zei Karel. &#8220;Het begint mij zoetjes-aan te vervelen ook. Zullen we vanmiddag gaan schaatsenrijden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8212;dat is afgesproken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Karel had de sikkels en de bijlen op den schouder, en Jan droeg het net met de paling. Zoo kuierden zij samen naar het dorp
+terug.
+
+</p>
+<p>Toen zij dicht bij het fort gekomen waren, en dus het dorp bijna hadden bereikt, hoorden zij achter zich het krassen van schaatsen
+op het ijs, en het schuifelen van een slede. Omziende zagen zij, dat het twee visschers waren, die eene slede voortduwden.
+Zij kenden de mannen niet. &#700;t Waren zeker lieden van een ander dorp. Zoodra die menschen hen bereikt hadden, hielden zij stil.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Hola, jongens, wacht eens even,&#8221; riep een van hen hun toe.
+
+</p>
+<p>Zij bleven staan, en de twee mannen kwamen met groote schreden op hen af.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zie je wel?&#8221; zei de een tegen den ander. &#8220;Daar heb je de dieven al.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; was het antwoord van den tweede.
+
+</p>
+<p>Deze greep het net en rukte het Jan driftig uit de hand.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe kom jij aan dat net?&#8221; vroeg hij op barschen toon.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, hoe kom jij aan dat net, kleine dief!&#8221; zei de andere visscherman.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat hebben wij gevonden, ginds in het riet,&#8221; zei Jan. &#8220;Hoe zouden wij er anders aankomen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En die paling dan?&#8221; vroeg een der visschers smalend. &#8220;Die heb je zeker ook gevonden, h&egrave; kereltje?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; zei Jan, &#8220;die hebben we gevangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist, die hebben we gevangen,&#8221; zei ook Karel.
+<a id="d0e3321"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3321">159</a>]</span></p>
+<p>&#8220;In dit net zeker, h&egrave;, en dit net heb je onder het ijs gevonden, h&egrave;? Ja, ja, eerlijk gevonden, h&egrave;?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Eerlijk gestolen,&#8221; zei de andere visscher. &#8220;Houdt je maar niet van den domme, want dat baat je niemendal. Dit net is van
+&ograve;ns, en jullie hebt onze fuiken gelicht. Maar dat zal je berouwen, wat ik je zeg. Vooruit, kereltjes, gaat maar eens mee naar
+den burgemeester.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zeg, dat het niet waar is!&#8221; riep Jan de visschers driftig toe, en hij werd rood van kwaadheid. &#8220;Wij zijn geen dieven,
+en dat net hebben we eerlijk gevonden. &#700;t Is op verschillende plaatsen stuk, en &#700;t lag in &#700;t riet. Daarom meenden we, dat
+het door de visschers weggegooid was, daar het toch niet meer gebruikt kon worden. Wij hebben het niet gestolen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jongen, jij kunt liegen, of het gedrukt is,&#8221; zei een der visschers. &#8220;Maar ons zul-je er niet me&ecirc; bedriegen. Jelui hebt onze
+fuiken gelicht, en dat is strafbaar...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet zoo&#700;n beetje ook!&#8221; viel de andere visscher zijn kameraad in de rede. &#8220;En dat is maar goed ook. Is &#700;t geen schande, onze
+netten te verscheuren, en onze visch te stelen? Maar het zal je berouwen. Vooruit, zeg ik je, naar den burgemeester!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat doe ik niet!&#8221; zei Jan driftig. &#8220;Wij zijn geen dieven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je praat dom, jongen, want de bewijzen droeg je in de handen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei de ander, &#8220;je bent er gloeiend bij!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vooruit, jongens, en als je niet goedschiks gaat, dan moet het maar kwaadschiks gebeuren. Vooruit, zeg ik je, en een beetje
+vlug, asjeblieft!&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens begrepen, dat er niet veel anders opzat dan te gehoorzamen. Met hun vieren vervolgden zij hun tocht naar het dorp.
+
+
+</p>
+<p>Eerst was Jan meer dan kwaad, maar dat bedaarde <a id="d0e3344"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3344">160</a>]</span>langzamerhand, en eindelijk vond hij het wel goed, dat zij naar den burgemeester gingen. Deze zou wel dadelijk begrijpen,
+dat zij onschuldig waren.
+
+</p>
+<p>Maar dat was niet zoo. De burgemeester was bijzonder slecht gehumeurd, omdat het Flipsen nog niet gelukt was, de dieven te
+ontdekken. Zoodra nu de visschers, die hem tot hun genoegen thuis getroffen hadden, hem vertelden, wat er aan de hand was,
+geloofde de burgemeester stellig, dat hij de dieven thans op het spoor was, en hij besloot de jongens scherp te ondervragen.
+
+
+</p>
+<p>Jan en Karel betuigden echter hunne onschuld. Zij vertelden dat zij de palingen gevangen en het net gevonden hadden. Maar
+de visschers lachten om die verklaring.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zou al heel toevallig zijn, burgemeester,&#8221; zei een van hen. &#8220;De jongens kwamen uit de richting van onze vischbijtjes,
+en zij hadden het net in de hand, met een flink zoodje paling daarbij. &#700;t Lijdt geen twijfel, of zij hebben onze netten gelicht
+en de brutaliteit gehad, een van de netten zelfs stuk te maken en me&ecirc; te nemen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is niet waar!&#8221; riep Jan den spreker toe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Houd je mond verder maar, jongen,&#8221; gebood de burgemeester kortaf. &#8220;De bewijzen zijn tegen jullie, en &#700;t staat bij mij vast,
+dat jullie en niemand anders de daders zijt. En wie weet, aan welke diefstallen je meer schuldig bent. Ik zou dat nooit, nooit,
+zeg ik, van je gedacht hebben. Twee jongens van zulke brave ouders. &#700;t Is een schande!
+
+</p>
+<p>Vertel me nu meteen maar, waar de potten en ketels uit de ijstenten gebleven zijn, want daar zul-je ook wel meer van weten.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij weten nergens van, burgemeester,&#8221; zei Jan,
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, nergens van,&#8221; zei Karel. &#8220;Wij hebben ze niet weggenomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zeg je van dit net en deze visch ook, en toch <a id="d0e3364"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3364">161</a>]</span>liep je er mede in je handen,&#8221; sprak de burgemeester streng, en hij keek de jongens beurtelings doordringend aan. &#8220;Komaan,
+spreek de waarheid maar, dat is in allen gevalle het beste voor je. Beken het maar...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb niets te bekennen,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ook niet,&#8221; zei Karel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo, zoo,&#8221; hernam de burgemeester. &#8220;Dan zal ik je tijd geven, om er eens ernstig over na te denken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij vroeg de namen der visschers en schreef die op. Daarna sprak hij tot de beide mannen:
+
+</p>
+<p>&#8220;U kunt nu wel gaan. Neemt mede, wat je eigendom is. Met deze jongens zal ik wel afrekenen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De visschers namen het net en de palingen, groetten den burgemeester en verlieten het vertrek. Jan en Karel moesten blijven.
+Met leede oogen zagen zij de visschers met hunne palingen heengaan, en Jan sprongen van spijt de tranen in de oogen.
+
+</p>
+<p>De burgemeester liet zijn blik nog een poosje op de jongens rusten, en zei toen ernstig:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ontkennen baat niet langer, jongens. Je hebt je aan een ernstig vergrijp schuldig gemaakt en...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar we hebben het niet gedaan,&#8221; riep Jan uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zwijg jongen, en lieg niet langer. Je hebt het w&egrave;l gedaan, en dat spijt me heel erg. Zeg me nu ook maar, waar je die andere
+voorwerpen gelaten hebt, die den laatsten tijd verdwenen zijn. Als je me eerlijk de waarheid zegt, zal ik zien, wat ik in
+de gegeven omstandigheden nog voor je doen kan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Baat niet, of wij al zeggen, dat wij onschuldig zijn,&#8221; sprak Jan. &#8220;U gelooft ons toch niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, dat doe ik ook niet. Enfin, als je dan niet hooren wilt, moet je maar voelen. Ik zal je tijd geven om je te bedenken.&#8221;
+
+<a id="d0e3390"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3390">162</a>]</span></p>
+<p>Hij ging aan zijne schrijftafel zitten en schreef het volgende briefje:
+
+
+</p>
+<div class="blockquote">
+<div class="body">
+<div class="div1">
+<p><i>Flipsen</i>!
+
+
+</p>
+<p>Ik geloof, dat ik de daders van de gepleegde diefstallen op het spoor ben. Sluit deze twee jongens elk in eene afzonderlijke
+cel, dan hebben zij gelegenheid om eens goed na te denken en kunnen geen afspraakjes maken. Tegen den avond zal ik hen opnieuw
+verhooren.
+
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">De Burgemeester</span>.
+
+</p>
+</div>
+</div>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Hij vouwde den brief dicht en deed hem in eene enveloppe, die hij zorgvuldig toelakte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ziedaar,&#8221; sprak hij. &#8220;Breng dezen brief voor mij aan Flipsen. Hij is in het raadhuis. Je kunt gaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens gingen heen. Wat er in den brief stond, wisten zij natuurlijk niet. Zij keken tamelijk bedrukt, toen zij de deur
+uitstapten, maar toen zij op den weg gekomen waren, ontsnapte een zucht van verlichting aan de borst van Karel.
+
+</p>
+<p>&#8220;H&egrave;, h&egrave;, dat was een benauwd half-elfje,&#8221; zei hij. &#8220;Daar zaten wij er geducht tusschen, maar &#700;t is bij slot van rekening toch
+nog al goed afgeloopen. We zijn alleen onze palingen kwijt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En dit briefje dan?&#8221; vroeg Jan. &#8220;Ik vertrouw dit papiertje geen zier. Waarom zei de burgemeester dan telkens, dat hij ons
+gelegenheid zou geven, om eens goed na te denken?&#8221;
+
+</p>
+<p>Langzaam liepen zij verder, met de bijlen en de sikkels over den schouder. Karel hernam na een poosje:
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat briefje heeft niets met ons te maken, en wij niets met dat briefje. We moeten het alleen even bij Flipsen brengen, anders
+niet. Neen, ik zeg, dat wij er goed afgekomen <a id="d0e3422"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3422">163</a>]</span>zijn. &#700;t Had veel leelijker kunnen uitpakken.&#8212;Kijk, daar komen Frans en Klaas ook van de vischvangst terug.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat was zoo. Die twee jongens hadden hen spoedig ingehaald. Samen droegen zij een emmertje, dat blijkbaar nog al zwaar was.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg,&#8221; riep Frans hun toe, &#8220;komen jullie platzak thuis?&#700;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja!&#8221; zei Jan kortaf. Hij had niet veel lust tot spreken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij niet!&#8221; zei Frans. &#8220;Kijk maar eens hier, wat een paling we hebben. De emmer is bijna vol.&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens stonden stil en keken in den emmer, &#700;t Was inderdaad een kolossale voorraad, dien zij gevangen hadden.
+
+</p>
+<p>Frans en Klaas hadden er pret in. Zij deden niet anders dan elkaar aanstooten en lachen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo knap zijn jullie niet, h&egrave;? Maar zeg, weet je, wat we gedaan hebben? Een kwartiertje voorbij het fort hebben we stilletjes
+een net van de visschers opgehaald. Jongens, wat zat daar een paling in. Niet oververtellen, hoor! Slim h&egrave;?&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan en Karel keken Frans met open mond aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hebben jullie dat net gelicht en stuk gemaakt?&#8221; vroeg Jan. &#8220;Wij hebben het ... tusschen het riet zien liggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; lachte Frans. &#8220;Wij konden het niet goed meer onder het ijs krijgen, en hebben het toen maar in het riet gegooid. Wat
+zullen die visschers leelijk op hun neus gekeken hebben, toen zij bij hun bijt kwamen. Ha-ha-ha, wat eene leuke grap, h&egrave;?&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Dat vond Jan ook, en hij knipoogde Karel toe, dat hij niets moest zeggen. Hij had een mooi plannetje.
+
+</p>
+<p>&#8220;En voor die leuke grap hebben wij voor den burgemeester moeten verschijnen,&#8221; zei Jan tot de twee jongens. &#8220;Wij hadden het
+net opgeraapt en er onze paling ingedaan. Maar even later kwamen de visschers, en die hebben ons <a id="d0e3448"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3448">164</a>]</span>om zoo te zeggen opgebracht. Noem jij het maar een leuke grap!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei Karel. &#8220;Ik zie er het leuke niet van in.&#8221;
+
+</p>
+<p>Frans en Klaas moesten er smakelijk om lachen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu wordt de grap nog leuker!&#8221; zei Frans.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, maar ik laat het er niet bij zitten,&#8221; zei Jan. &#8220;Ik ga dadelijk naar den burgemeester terug, om hem te zeggen, dat julie
+het gedaan hebt...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je zult wel wijzer wezen!&#8221; zei Frans, die nu in &#700;t geheel niet meer lachen moest. &#8220;Als je nog voor den burgemeester verschijnen
+moest, o ja, dan was het een ander geval. Dan zou ik het in jouw plaats ook zeggen. Maar nu je het standje van den burgemeester
+al achter den rug hebt, zou het een leelijke streek wezen. Dan speelde je gewoonweg voor verklikker!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, voor verklikker!&#8221; beaamde Klaas Zwart.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat kan me niet schelen,&#8221; zei Jan, &#8220;ik zeg het t&ograve;ch. &#700;t Is me ook wat moois, om voor jullie pleizier een uitbrander van den
+burgemeester op te loopen, en een ander met je paling weg te zien gaan. Ik laat me dat maar niet welgevallen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij keerde zich om en deed net, of hij naar den burgemeester wilde gaan. Maar Frans en Klaas hielden hem tegen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je kunt wel de helft van onze paling krijgen,&#8221; zei Frans. &#8220;Toe Jan, vertel het nu niet aan den burgemeester. Daar worden
+jullie toch niets beter van. En je krijgt de helft van...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je gestolen paling wil ik niet eens hebben,&#8221; zei Jan. &#8220;Maar &#700;t is goed. Ik zal niet naar den burgemeester gaan, onder &eacute;&eacute;n
+voorwaarde...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welke?&#8221; vroegen de twee jongens tegelijk.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een, die gemakkelijk te vervullen is,&#8221; zei Jan. &#8220;Zie je dezen brief? Dien moesten wij naar Flipsen brengen, in <a id="d0e3474"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3474">165</a>]</span>het raadhuis. Jullie moet er toch voorbij. Als jij nu die boodschap voor mij doet, zal ik er verder geen werk van maken.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Och, is &#700;t anders niet?&#8221; vroeg Frans. &#8220;Geef hem maar hier, dan zullen wij hem wel even aanreiken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel zeker, met alle pleizier,&#8221; zei Klaas.
+
+</p>
+<p>Jan gaf den brief over, en Klaas en Frans begaven zich regelrecht naar het raadhuis. Zij stapten het gebouw binnen en gaven
+den brief aan Flipsen, die in de vestibule stond te praten met een rijksveldwachter.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo jongens, dank-je!&#8221; zei Flipsen. &#8220;Wacht maar even.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij behoeven niet te wachten,&#8221; zei Frans.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als ik zeg, dat je wachten moet, dan doe je dat!&#8221; zei Flipsen.
+
+</p>
+<p>Hij brak den brief open en las hem vlug door.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha zoo,&#8221; zei hij, &#8220;zoo! Dat is goed. Gaat maar even me&ecirc;, jongens, hier, de gang door.&#8221;
+
+</p>
+<p>Frans en Klaas keken elkander vragend aan, maar durfden niet weigeren. Zwijgend volgden zij Flipsen, die een sleutelring uit
+zijn zak haalde en een sleutel uitzocht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mooi zoo. Nu dit trapje af.&#8212;Goed zoo.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij stak den sleutel in het slot en draaide hem om. De deur ging open.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar Flipsen,&#8221; zei Frans met schrik. &#8220;Wat gaat u doen? Dat is een cel!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha ha!&#8221; lachte Flipsen, terwijl hij Frans bij den schouder pakte en hem naar binnen duwde. &#8220;D&agrave;t ga ik doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Flap! De deur ging dicht en op slot.
+
+</p>
+<p>Klaas werd bleek van den schrik. Hij begon te beven over al zijne leden, en het angstzweet brak hem uit.
+
+</p>
+<p>Hij hoorde Frans schreeuwen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Flipsen! Maar Flipsen!&#8221; jammerde Klaas. &#8220;Dat is eene vergissing, geloof me. U moet ons niet opsluiten, want...&#8221;
+<a id="d0e3510"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3510">166</a>]</span></p>
+<p>Klaas bleef midden in zijne redevoering steken, want Flipsen had de tweede deur geopend en duwde Klaas naar binnen. Op &#700;t
+volgende oogenblik was ook deze deur gesloten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja, net zooals ik dacht,&#8221; mompelde Flipsen. &#8220;Die twee jongens zijn de dieven, en wij zullen ze wel aan het praten krijgen.
+Als ze hier eerst maar een paar uurtjes opgesloten gezeten hebben, zullen ze wel makker geworden zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij ging naar zijn confrater terug en vertelde hem het geval. &#8220;Grappig, dat die twee jongens zelf niet wisten, wat zij hier
+zouden ondervinden,&#8221; zei hij. &#8220;Zij liepen dood-gemoedereerd met mij mee, en kregen er pas erg in, toen de deur open stond.
+Je hadt ze moeten zien kijken!&#8221;
+
+</p>
+<p>Intusschen waren Jan en Karel de richting ingeslagen van hun huis. Zij staken schuin het ijs over. &#700;t Was nog vroeg, nog geen
+elf uur. En voor twaalven aten zij niet.
+
+</p>
+<p>&#8220;H&egrave;,&#8221; zei Jan, &#8220;wat heb ik een spijt, als ik aan onze paling denk, die de visschers hebben meegenomen. Zoo&#700;n prachtigen voorraad
+te hebben en dan toch nog platzak thuis te komen. &#700;t Is onuitstaanbaar!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei Karel, &#8220;dat zeg ik ook. Kijk de pottenschipper eens aan &#700;t hakken geweest zijn. Zijn schuit ligt rondom in &#700;t open
+water.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, anders vriest ze stuk,&#8221; zei Jan. &#8220;Willen wij daar nog even kijken, of we wat vangen kunnen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed,&#8221; zei Karel.
+
+</p>
+<p>Zij legden hunne bijlen op het ijs, en gingen met den sikkel in de hand naar de schuit. Opmerkzaam tuurden zij in de diepte.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar zie ik er een,&#8221; zei Karel
+
+</p>
+<p>&#8220;Wip hem er dan uit!&#8221; riep Jan. &#8220;Zeg, misschien komen we toch niet platzak thuis.&#8221;
+<a id="d0e3533"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3533">167</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Daar is hij!&#8221; riep Karel. En Jan schoot hem te hulp want de paling lag dicht bij het open water.
+
+</p>
+<p>Spoedig was hij in het emmertje overgebracht, en de jongens liepen voorzichtig langs de schuit verder. Opeens hoorden zij
+zich toeroepen:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat moeten jullie daar? Wil je wel eens maken, dat je wegkomt!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#700;t Was de pottenschipper, die zijne kajuit verlaten had en hun dit toeriep.
+
+</p>
+<p>&#8220;We kijken maar even, of er paling zit!&#8221; riep Jan terug.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat wil ik niet hebben!&#8221; hernam de pottenschipper. Hij klom op de schuit en stak dreigend de vuist op.
+
+</p>
+<p>Maar Jan zei tegen Karel:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij doen hier volstrekt geen kwaad. Laat hem maar praten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij stoorden zich verder aan den schipper niet en keken in de diepte. Zij waren nu dicht bij het roer gekomen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk, daar zit er weer een!&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>Hij stak zijn sikkel onder water, en wilde hem met een ruk bovenhalen, doch dat gelukte hem niet. De sikkel bleef ergens aan
+vastzitten.
+
+</p>
+<p>De pottenschipper nam een langen stok, en schreeuwde den jongens toe:
+
+</p>
+<p>&#8220;Als je niet weggaat, sla ik er op! Vooruit, kw&acirc;jongens, je hebt hier geen boodschap.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan trok zoo hard hij kon aan den sikkel, om hem los te krijgen, maar dat ging niet. Er zat iets zwaars aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Help me even!&#8221; riep hij Karel toe. En tot den boozen schipper zeide hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij gaan dadelijk heen. Maar eerst moet ik mijn sikkel losmaken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vooruit, zeg ik je!&#8221;&#8212;schreeuwde de schipper. &#8220;Allo, marsch!&#8221;
+
+</p>
+<p>De twee jongens trokken, wat zij konden.
+<a id="d0e3570"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3570">168</a>]</span></p>
+<p>Zij voelden, dat er iets zwaars naar boven kwam. De pottenschipper werd hoe langer hoe boozer. Hij schreeuwde z&oacute;&oacute; hard, dat
+de voorbijgangers op den weg bleven staan.
+
+</p>
+<p>Maar Jan en Karel waren niet van plan hun sikkel in den steek te laten. Zij spanden al hunne krachten in.
+
+</p>
+<p>Ha, daar stak iets boven water uit. Jan bukte zich, en pakte het beet.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een ketel!&#8221; riep hij uit. &#8220;En daar zit er nog een aan vast. Een pot! Help Karel,&#8212;hier zijn, geloof ik, de gestolen voorwerpen
+uit de tenten...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#700;t Was werkelijk zoo. De jongens haalden verscheidene dingen op het ijs, en zij herkenden ook den koperen ketel van Mietje.
+Tot hun groote verbazing bemerkten zij, dat al die voorwerpen met een koperdraad aan elkander verbonden waren, en dat het
+einde van dat draad een paar centimeter onder water aan het roer bevestigd was.
+
+</p>
+<p>De jongens werden verbazend opgewonden, en zij riepen den menschen op den weg luidkeels toe, dat zij de gestolen voorwerpen
+gevonden hadden. In minder dan geen tijd waren zij door een groot aantal menschen omringd, die luide hunne verbazing te kennen
+gaven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat moet de burgemeester weten!&#8221; riep er een uit, en hij ijlde naar de woning, die Jan en Karel nog maar kort geleden verlaten
+hadden.
+
+</p>
+<p>&#700;t Leek wel, of de menschen konden ruiken, dat er iets bizonders aan de hand was. Van alle kanten kwamen zij toeloopen, en
+de kring om de schuit van den pottenschipper werd bij de minuut grooter. Het ijs, al was het nog zoo sterk, kon de samengepakte
+menschenmassa bijna niet dragen. De ijsvloer boog sterk door, en er kwam veel water op.
+
+</p>
+<p>De pottenschipper zei niets meer. Hij stond op zijne schuit, en hield de oogen op de gevonden voorwerpen <a id="d0e3589"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3589">169</a>]</span>gericht, maar af en toe keek hij de twee jongens aan, en dan zag hij er alles behalve vriendelijk uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is daar te doen?&#8221; riep eene stem.
+
+</p>
+<p>Opziende zag Jan zijn vader, die met den hit en den wagen van &#700;t venten terugkeerde. Jan zwaaide met beide armen, en riep:
+
+
+</p>
+<p>&#8220;O Vader, we hebben de gestolen potten en ketels gevonden. Kom maar gauw kijken. Hier liggen ze!&#8221;
+
+</p>
+<p>In een oogenblik was Dik van den wagen gesprongen. Hij wierp de leidsels op den rug van den hit en snelde het ijs op.
+
+</p>
+<p>Och, och, wat een drukte hadden de menschen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Of de pottenschipper er dan toch van wist!&#8221; riep de een.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo komen zijne schelmerijen aan het licht,&#8221; zei een tweede.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij zal nu zijn gerechte straf niet ontloopen,&#8221; profeteerde een derde.
+
+</p>
+<p>Iedereen had wat te zeggen, en velen beweerden, dat zij het altijd wel van den pottenschipper gedacht hadden.
+
+</p>
+<p>Opeens kwam er stilte onder den drom en eerbiedig week men op zijde, om den burgemeester door te laten. Weldra had hij de
+schuit bereikt en zag hij de gevonden voorwerpen op het ijs liggen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie heeft die dingen opgehaald?&#8221; vroeg hij. Jan en Karel namen hunne petten af, en zeiden:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij waren hier aan het paling vangen, burgemeester, en toen bleef een van de sikkels er aan vastzitten. Kijk, ze zijn met
+een koperdraad aan elkander verbonden, en het einde daarvan is aan het roer bevestigd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja,&#8221; zei de burgemeester, die de jongens met de grootste verbazing aanstaarde. &#8220;Maar hoe heb ik het nu? Heb ik jullie
+dan niet opgedragen, een briefje voor mij aan Flipsen te brengen in het raadhuis? En hoe kom je dan hier? Daar begrijp ik
+niets van!&#8221;
+<a id="d0e3617"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3617">170</a>]</span></p>
+<p>Jan nam zijn pet nu geheel af, en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is waar, burgemeester, maar ik vertrouwde dat briefje niet. Ik geloofde stellig, dat Flipsen ons moest opsluiten...&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat was ook zoo,&#8221; viel de burgemeester driftig in. &#8220;En waarom heeft hij dat niet gedaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij waren onschuldig, burgemeester,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die praatjes kennen wij, en zij doen ook niets ter zake. In dien brief gaf ik Flipsen last, jullie op te sluiten,&#8212;en nu sta
+je alle twee hier? Hoe komt dat?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Burgemeester,&#8221; zei Jan, &#8220;wij hadden het niet gedaan, maar twee andere jongens waren de schuldigen. Toen wij op weg waren
+naar het raadhuis, hebben die twee ons zelf verteld dat zij het uit de grap gedaan hadden, en ziet u...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat ... ziet u?&#8221; viel de burgemeester in, toen Jan een oogenblik met zijn verhaal haperde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Toen dacht ik,&#8221; vervolgde Jan, &#8220;dat het voor ons beter was, als <i>zij</i> dat briefje maar aan Flipsen brachten, en vroeg ik hun, of zij het even wilden aanreiken...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En toen?&#8221; vervolgde de burgemeester.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat hebben zij gedaan,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar dan zitten op &#700;t oogenblik <i>die</i> twee jongens onder het raadhuis opgesloten, in plaats van jelui!&#8221; riep de burgemeester uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal dan zoo wel wezen, burgemeester,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>De menschen schoten in een onbedaarlijk gelach, want zij vonden de geheele zaak verbazend grappig. Ook de burgemeester kon
+haast zijn lachen niet bedwingen. En eindelijk gelukte hem dat in het geheel niet meer. Hij proestte het opeens uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha-ha-ha!&#8221; riep hij lachend uit, &#8220;wat is dat een grappige historie. En hadden jullie dan echt die fuiken niet gelicht?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen burgemeester, dat hebben die twee jongens gedaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha-ha-ha,&#8212;en wie zijn dat dan?&#8221;
+<a id="d0e3656"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3656">171</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Frans Thor en Klaas Zwart, burgemeester,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik drong Flipsen tusschen het volk door. Hij kwam uit het raadhuis en wilde zien, wat er aan de hand was. Nauwelijks
+zag hij den burgemeester, of hij sloeg aan en zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Uw bevel is uitgevoerd, burgemeester, de jongens zitten elk in een cel. Ik geloof ook wel, dat wij de rechte personen op
+den kop hebben getikt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar het zijn de verkeerde!&#8221; riep de burgemeester hem lachend toe. &#8220;Deze twee had-je moeten hebben!&#8221;
+
+</p>
+<p>Wat keek Flipsen verwonderd, en zijne verbazing nam nog toe, toen hij de gevonden voorwerpen op het ijs zag liggen. De burgemeester
+vertelde hem in korte woorden, wat er gebeurd was.
+
+</p>
+<p>Flipsen lachte slim. Hij bekeek de potten en ketels met aandacht en liet ook het koperdraad door zijne vingers glijden. Toen
+zag hij meteen, dat dit aan het roer bevestigd was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Burgemeester,&#8221; zei hij, &#8220;U zegt, dat wij de verkeerde jongens opgesloten hebben, maar ik beweer, dat het, al is het dan ook
+bij toeval, de goede zijn. Frans Thor en Klaas Zwart hebben deze dingen gestolen, en ze hebben ze verkocht aan den pottenschipper,
+die ze in het water heeft laten zinken om ze te verbergen. Hij is w&egrave;l slim geweest maar toch niet slim genoeg.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is een grove leugen!&#8221; zei de pottenschipper. &#8220;Die jongens zullen ze vermoedelijk zelf hier in het water hebben laten zakken,
+om de verdenking op mij te schuiven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo,&#8221; zei Flipsen, &#8220;dan hebben ze zeker aan jou een stukje koperdraad te leen gevraagd, niet waar? Want in je schuit heb
+ik precies zulk koperdraad zien liggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De pottenschipper werd doodsbleek.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga het halen, Flipsen,&#8221; gebood de burgemeester.
+
+</p>
+<p>Flipsen verdween in de schuit, en kwam weldra met <a id="d0e3681"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3681">172</a>]</span>een rol koperdraad terug. Het bleek, dat het draad aan de ketels en potten daarmede precies overeenstemde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Burgemeester,&#8221; zei Flipsen, &#8220;de jongens, die op &#700;t oogenblik onder &#700;t raadhuis opgesloten zitten, zijn de stelers, en de
+pottenschipper is de heler. Ondervraagt u de jongens maar &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n, dan zal u zien, hoe gauw zij door de mand vallen.
+Vooral Klaas Zwart.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo zal het gebeuren,&#8221; zei de burgemeester. &#8220;Schipper, je gaat mede naar het raadhuis, en Flipsen, neem jij die voorwerpen
+in beslag. Ik houd mij overtuigd, dat wij de bende thans op het spoor zijn. En jelui, jongens,&#8221; vervolgde hij vriendelijk
+tot Jan en Karel, &#8220;zal ik het voor dezen keer vergeven, dat je mijn bevel, om den brief bij Flipsen te bezorgen, niet hebt
+uitgevoerd. Je bent een paar slimme rotten!&#8221;
+
+</p>
+<p>Och och, wat had Dik een pret, toen hij aan Anneke vertelde, wat Jan gedaan had. Hij schoot er telkens opnieuw over in een
+lach, en ook Grootvader en Grootmoeder moesten het dadelijk vernemen, toen zij even bij Dik en Anneke kwamen aanloopen.
+
+</p>
+<p>De oude Trom vond het blijkbaar een verbazend scherpzinnigen zet van Jantje. Hij trok een poosje aan zijn bakkebaardjes en
+zei toen:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, Dik, zie-je, ik heb het altoos wel gezegd: Jan is ook een bizonder kind, en dat is-ie.&#8221;
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e3693" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Veertiende Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>Besluit.</p>
+</div>
+<p>&#700;t Gebeurde werkelijk, zooals Flipsen voorspeld had. Niet zoodra verscheen Klaas Zwart in de burgemeesterskamer, <a id="d0e3701"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3701">173</a>]</span>en zag hij daar den pottenschipper staan naast de potten en ketels, die uit het water waren opgevischt, of hij begon over
+al zijne leden te beven, en de tranen sprongen hem in de oogen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom nader,&#8221; gebood de burgemeester.
+
+</p>
+<p>Klaas kwam tot vlak voor de tafel, waarachter het hoofd der gemeente in een leuningstoel gezeten was. Deze keek hem doordringend
+aan, maar zeide niets. Klaas sloeg de oogen naar den grond.
+
+</p>
+<p>Eindelijk zei de burgemeester kortaf:
+
+</p>
+<p>&#8220;Vertel mij alles, wat je daarvan weet. Maar vergeet niet, dat ik enkel <i>waarheid</i> wil hooren. Leugens zouden je trouwens niet meer baten, want alles is ontdekt. Spreek op!&#8221;
+
+</p>
+<p>Zweetdroppels parelden Klaas op het voorhoofd van angst.
+
+</p>
+<p>Hij hief de samengevouwen handen op en zeide snikkend:
+
+</p>
+<p>&#8220;O burgemeester, vergeef u het me voor dezen keer astublief. O, ik heb er zoo&#700;n spijt van.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarvan?&#8221; vroeg de burgemeester gestreng. &#8220;Spreek op, jongen, w&agrave;&agrave;r heb je spijt van?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat ik gestolen heb,&#8221; zei Klaas zacht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die potten en ketels?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja burgemeester.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En al die dingen, die bij de verschillende menschen op het dorp worden vermist?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja burgemeester.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heb je dat alles alleen gedaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, met Frans, burgemeester.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo, zoo.&#8212;&#700;t Is wat fraais. En wie hebben dat net gelicht van morgen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij ook,&#8221; zei Klaas.
+
+</p>
+<p>&#8220;En waar liet je al die gestolen voorwerpen?&#8221; vroeg de burgemeester, terwijl hij Klaas opnieuw doordringend aanzag.
+
+</p>
+<p>&#8220;De pottenschipper kocht ze van ons.&#8221;
+<a id="d0e3744"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3744">174</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Maar ik wist niet, dat het gestolen goed was,&#8221; viel de pottenschipper in, die voelde, dat hij den grond onder zijne voeten
+thans geheel verloor.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat wist iedereen op het dorp, tot den kleinsten jongen toe,&#8221; gaf de burgemeester op gestrengen toon ten antwoord. &#8220;Doe maar
+geen moeite meer, om je baantje schoon te praten. &#700;t Is een schande voor een man op uw leeftijd! Eene dubbele schande, omdat
+je ook nog twee jongens in je val meesleept. Jij en jij alleen hebt die kinderen in het ongeluk gestort. &#700;t Is diep treurig.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Even later werd Frans Thor binnengebracht. Deze was brutaler dan Klaas Zwart, en hij meende den burgemeester eerst nog met
+allerlei praatjes om den tuin te kunnen leiden. Maar toen hij vernam, dat Klaas reeds eene volledige bekentenis had afgelegd,
+raakte hij geheel in de war en in zijn eigen leugens verward. Het einde was, dat ook hij bekende aan de gepleegde diefstallen
+schuldig te zijn.
+
+</p>
+<p>De burgemeester maakte van alles proces-verbaal op, en toen hij daarmede klaar was, zeide hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Flipsen, doe de deur maar open. Zij kunnnen alle drie vertrekken. Later zullen zij wel meer van de zaak hooren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zwijgend verlieten zij het raadhuis.
+
+</p>
+<p>Den Maandag daaropvolgende kwamen Frans en Klaas weer gewoon school, maar zij waren nu nog meer afgezonderd van de overige
+jongens, dan zij vroeger al geweest waren. Iedereen vermeed hun gezelschap. In het midden van Februari bleven zij absent,
+en iedereen wist er de reden van. Zij waren namelijk opgeroepen om voor de rechtbank te verschijnen. Ook de pottenschipper
+moest daar verantwoording afleggen van zijne daden. Hij kreeg eene geduchte betraffing, omdat hij de beide jongens tot diefstal
+had overgehaald en hen daardoor ongelukkig <a id="d0e3759"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3759">175</a>]</span>had gemaakt. Eene gevangenisstraf van eenige maanden was zijn welverdiende loon.
+
+</p>
+<p>De jongens werden niet veroordeeld, omdat zij nog zoo jong waren, maar de rechtbank stelde hen tot hun achttiende jaar ter
+beschikking van de regeering, om in een rijksopvoedingsgesticht geplaatst te worden.
+
+</p>
+<p>Dat gebeurde evenwel niet dadelijk. Den volgenden dag zagen de schooljongens hen opnieuw verschijnen, en zij hoorden er dagen
+en weken lang niet meer van.
+
+</p>
+<p>Zoo kwam de eenendertigste Maart, de laatste dag, dien Jan en Karel op de school zouden doorbrengen. Karel zou bij zijn vader
+in de smederij komen, en Jan kwam in den winkel. Dik kon alles onmogelijk meer alleen af, want nog steeds nam het aantal zijner
+klanten toe, en elken dag kreeg hij het drukker. Hij verdiende dan ook veel geld, en was mooi op weg, om een rijk man te worden.
+
+
+</p>
+<p>Frans en Klaas zaten ook voor de laatste maal op de schoolbanken. Niet dat zij een vak gingen leeren. Daar kon geen sprake
+van zijn, omdat zij toch den een of anderen dag weggevoerd zouden worden.
+
+</p>
+<p>&#700;t Was in den middag. Het laatste schooluur was aangebroken. De leien, boeken en schriften waren opgehaald en de onderwijzer
+maakte zich juist gereed om een woord van afscheid te spreken tot de jongens en meisjes, die de school voor goed verlieten,
+toen er aan de deur werd geklopt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jan Trom, doe even open,&#8221; zei de meester.
+
+</p>
+<p>Jan deed het, en hij zag Flipsen en een rijksveldwachter in de vestibule staan. Zij kwamen het lokaal binnen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijnheer,&#8221; zei Flipsen, &#8220;wij hebben de opdracht Frans Thor en Klaas Zwart me&ecirc; te nemen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#700;t Was doodstil in de klasse.
+
+</p>
+<p>Frans en Klaas werden doodsbleek, en niet zij alleen, <a id="d0e3781"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3781">176</a>]</span>neen, verscheidene jongens en meisjes voelden zich eene rilling door de leden gaan, en menig meisjesoog vulde zich met tranen.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo,&#8221; zei de onderwijzer zacht, en zijn toon klonk droevig. De kinderen konden het hem aanzien, dat ook hij ontroerd was.
+&#8220;Zoo, dat is wel eene treurige opdracht, Flipsen.&#8212;Frans en Klaas, komt hier.&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens stapten de bank uit en kwamen voor de klasse. Beiden barstten in tranen uit. De onderwijzer gaf hun de hand.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dag Frans,&#8212;dag Klaas,&#8221; zei hij droevig. &#8220;Ik hoop je eenmaal terug te zien als brave mannen, die voor niemand de oogen behoeven
+neer te slaan. Beloof je me, dat je daartoe je best zult doen?&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens konden niet antwoorden. Met gebogen hoofd verlieten zij het lokaal, om weggebracht te worden ver van hunne ouders,
+naar een vreemde plaats....
+
+</p>
+<p>Hun vertrek maakte een diepen indruk op de achterblijvenden. De onderwijzer had de gewoonte den laatsten schooldag eene vertelling
+te doen. En dezen keer deed hij dat met meer gloed dan ooit te voren. Hij deed een verhaal van schoolkameraden, waarvan er
+een goed oppaste en tot een braaf man opgroeide, terwijl de andere door eigen schuld al dieper en dieper zonk en eindelijk
+in de gevangenis terecht kwam. En toen het verhaal uit was, drukte hij hun allen op het hart, toch nooit den weg van eer en
+plicht te verlaten, maar steeds het goede te doen en het kwade te haten.
+
+</p>
+<p>Met deze wijze les verlieten Jan en Karel voor goed de school, en zij vergaten haar hun leven lang niet.
+
+
+</p>
+<p class="aligncenter">EINDE.
+
+
+
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div class="div1" id="d0e3798">
+<h2 class="normal">Inhoudsopgave</h2>
+<ul>
+<li><a href="#d0e99">Eerste Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e159">Tweede Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e271">Derde Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e387">Vierde Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e506">Vijfde Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e762">Zesde Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e1209">Zevende Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e1531">Achtste Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e1930">Negende Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e2222">Tiende Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e2518">Elfde Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e2860">Twaalfde Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e3141">Dertiende Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e3693">Veertiende Hoofdstuk.</a></li>
+</ul>
+</div>
+<div class="transcribernote">
+<h2>Colofon</h2>
+<h3>Beschikbaarheid</h3>
+<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
+kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
+
+</p>
+<p>Deze digitale editie is gebaseerd op de twaalfde druk uit 1922.
+
+</p>
+<p>Dit eBoek is geproduceerd door Jeroen Hellingman.
+
+</p>
+<p lang="en">This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give
+it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
+
+</p>
+<p lang="en">This eBook is produced by Jeroen Hellingman.
+
+</p>
+<h3>Codering</h3>
+<p>Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde
+van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn
+gemarkeerd met het corr-element.
+
+</p>
+<p>Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen gebruikt, zijn deze in dit bestand gecodeerd met &#8220;. Geneste
+dubbele aanhalingstekens zijn stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens.
+
+</p>
+<h3>Documentgeschiedenis</h3>
+<ol class="lsoff">
+<li>2004-02-06 begonnen.
+
+</li>
+<li>2007-11-15 meer tags toegevoegd.</li>
+</ol>
+<h3>Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table width="75%">
+<tr>
+<th>Plaats</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2611">Bladzijde 122</a></td>
+<td width="40%">laaste</td>
+<td width="40%">laatste</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2976">Bladzijde 141</a></td>
+<td width="40%">klok</td>
+<td width="40%">klonk</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+
+<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10971 ***</div>
+</body>
+</html>
diff --git a/10971-h/images/cover.jpg b/10971-h/images/cover.jpg
new file mode 100644
index 0000000..70fc254
--- /dev/null
+++ b/10971-h/images/cover.jpg
Binary files differ
diff --git a/10971-h/images/p1.jpg b/10971-h/images/p1.jpg
new file mode 100644
index 0000000..3060a17
--- /dev/null
+++ b/10971-h/images/p1.jpg
Binary files differ
diff --git a/10971-h/images/p2.jpg b/10971-h/images/p2.jpg
new file mode 100644
index 0000000..03a31b3
--- /dev/null
+++ b/10971-h/images/p2.jpg
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..6deb365
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #10971 (https://www.gutenberg.org/ebooks/10971)
diff --git a/old/10971-8.txt b/old/10971-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..8737af6
--- /dev/null
+++ b/old/10971-8.txt
@@ -0,0 +1,6898 @@
+Project Gutenberg's De Zoon van Dik Trom, by Cornelis Johannes Kieviet
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Zoon van Dik Trom
+
+Author: Cornelis Johannes Kieviet
+
+Release Date: November 16, 2007 [EBook #10971]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZOON VAN DIK TROM ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+De Zoon van Dik Trom
+
+Door
+
+C. Joh. Kieviet
+
+
+
+Twaalfde, Goedkoope Druk
+Amersfoort--Valkhoff & Co.
+
+
+
+
+
+
+Eerste Hoofdstuk.
+
+ Dik heeft een plan, en zijn vader vindt, dat hij een bizonder
+ kind is, en dat is-ie.
+
+
+'t Was met den kruidenierswinkel van den ouden Trom uitstekend
+gegaan. Dat was geen wonder, want Vrouw Trom was eene zindelijke
+vrouw, die er voor zorgde, dat alles in den winkel er keurig netjes
+uitzag. De koperen weegschalen waren zoo prachtig geschuurd, dat zij
+haast wel van goud schenen, de toonbanken zagen er brandhelder uit,
+en de koopwaren waren van de beste kwaliteit.
+
+Elken morgen spande Dik zijn mooien hit voor den wagen, om de klanten,
+die buiten het dorp woonden, te gaan bedienen. Zijn paard was altoos
+helder geroskamd, zijn wagen zag er proper uit, en wat hij leverde
+was prompt in orde. Nooit vergat hij te doen, wat hij beloofd had, en
+tegen wat extra werk zag hij niet op, als hij een van zijne klanten er
+mede gerieven kon. Geen wonder dus, dat hij steeds méér verkocht, er
+telkens nieuwe klanten bijkreeg en er zelden of nooit een verloor. In
+enkele jaren was de winkel van Jan Trom de voornaamste van het dorp
+geworden, en 't was een lust te zien, hoe vol het er somtijds wezen
+kon. Vooral op Zaterdagavond was het er verbazend druk. Dan stond
+de winkel opgepropt met menschen, die inslag voor de volgende week
+kwamen doen, en hadden Vader en Moeder Trom, benevens Dik, geen handen
+genoeg, om de klanten te bedienen. Maar al moesten dezen wat wachten,
+dat hinderde niet erg, want allen luisterden graag naar de vroolijke
+grappen van Dik, die zijn praatje steeds klaar had.
+
+De oude Trom deed niet veel. Hij was niet sterk genoeg om lang achter
+de toonbank te staan, en als het hem al te druk werd, trok hij zich
+op zijn stoeltje in een hoek van den winkel terug en keek met innig
+welbehagen de drukte aan. En dan luisterde hij naar de gesprekken der
+vrouwtjes, die het wel gezellig vonden, als zij niet dadelijk geholpen
+konden worden, omdat zij dan nog een poosje konden babbelen,--maar
+het meest genoot hij van de grappen en kwinkslagen van zijn zoon Dik,
+dien hij soms langen tijd achtereen met de grootste bewondering kon
+zitten aanstaren. En menigmaal, als hij zag, hoe graag de menschen
+door Dik geholpen werden, mompelde hij zacht voor zich heen:
+
+"Die Dik,--o, dat is toch een bizonder kind,--en dat is-ie!"
+
+Trom werd er niet sterker op, en meer en meer begon de winkel hem
+te zwaar te worden, vooral overdag, als Dik de klanten afreed, en
+Moeder het huiswerk verrichtte. Want de winkelschel liet hem bijna
+nooit met rust, van den morgen tot den avond.
+
+"Klingelingeling!" ging het, als Trom zijn ontbijt
+gebruikte. "Klingelingeling!" als hij 's middags aan tafel
+zat. "Klingelingeling!" als hij zijn middagdutje wilde doen, waaraan
+zijn zwak lichaam zooveel behoefte had.
+
+Den geheelen dag was het voortdurend: "klingelingeling!" en dat
+hield niet op, voordat 's avonds laat de winkeldeur op het nachtslot
+werd gedaan.
+
+De oude man beefde soms over al zijn leden van vermoeidheid als hij
+eindelijk in zijn bed gestapt was, en van overspanning kon hij dan
+dikwijls in geen uren den slaap nog vatten. Eindelijk begrepen Moeder
+Griet en Dik beiden, dat het zoo niet langer ging,--dat er verandering
+moest komen.
+
+En die verandering kwam.
+
+Het huisje naast den winkel kwam te huur. 't Was een allerliefst
+huisje, wel klein, maar keurig net. 't Was een huisje voor een paar
+oude menschen, die rustig hun ouden dag wilden doorbrengen.
+
+Zoodra Dik hoorde, dat het te huur was, zei hij op een avond, toen
+de winkel op het nachtslot was:
+
+"Hoor eens, Vader en Moeder, weet u, dat het huisje hiernaast te
+huur komt?"
+
+"Is 't waar?" vroeg moeder Trom. "Neen, dat weet ik niet."
+
+Trom zei niets. Hij keek Dik aan en streek met zijn hand langs zijn
+dunne bakkebaardjes.
+
+"Ja," zei Dik,--"'t is zoo, en nu had ik gedacht, dat het juist een
+huisje voor u beiden zou zijn."
+
+"Ja," zei Trom, "dat denk ik ook, en dat doe ik."
+
+"'t Is een lief huis," ging Dik voort. "Niet te groot en erg
+gemakkelijk in 't bewonen. En als u mij dan den winkel verhuurde,
+zou u een rustigen ouden dag kunnen hebben. 't Wordt Vader toch wel
+wat erg zwaar in den winkel."
+
+"Ja, dat doet het--en dat doet het," zei Trom.
+
+"En wou jij dan alleen in den winkel gaan wonen, Dik?" vroeg vrouw
+Trom met een glimlachje.
+
+Dik lachte ook.
+
+"Neen Moeder, dat is nu juist mijne bedoeling niet. Als u en Vader het
+goedvinden, zou ik wel willen trouwen. Anneke en ik hebben elkander
+al gekend van onze vroegste kinderjaren af, en wij houden veel van
+mekaar. Dus,--wat dunkt u er van?"
+
+Moeder Trom stond op, sloeg haar armen om Dik's hals, gaf hem een
+kus op elke wang, en zei:
+
+"Mijn zegen er op, Dik!"
+
+Trom trok zoo hard aan zijn bakkebaardjes, dat hij er de vlassige
+haartjes van in de hand hield, en zei:
+
+"Ja, ja, zoo is het goed, en dat is het. Griet, onze Dik is toch een
+bizonder kind,--en dat is-ie!"
+
+
+
+
+Tweede Hoofdstuk.
+
+ De belangrijkste dag uit het leven van Dik Trom.
+
+
+Het ging al gauw als een loopend vuurtje door het dorp: "Dik Trom
+gaat trouwen met Anneke, en zijn ouders gaan het huisje bewonen naast
+den winkel." En alle menschen vonden het erg best. "'t Was net een
+spannetje, dat bij elkaar hoorde," zei men. "Allebêi zijn ze vroolijk,
+allebêi jong, allebêi dik," en dat was waar, want Anneke evenaarde in
+gezetheid haar aanstaanden man. Zij zag er door en door gezond uit,
+had een paar blozende wangen en keek iedereen altoos vroolijk en
+opgeruimd aan. En zij vond het wàt prettig om met Dik te trouwen. Van
+hun vroegste jeugd af hadden zij elkander gekend en veel van mekaar
+gehouden, en niemand vond het vreemd, dat zij man en vrouw zouden
+worden. Eigenlijk hadden de menschen het al lang gedacht.
+
+Op een mooien dag in de maand Juni werd de bruiloft gevierd. Dik was 's
+morgens al vroeg opgestaan en den tuin achter zijn huis ingestapt. Het
+zonnetje scheen zoo vroolijk, de vogels zongen zoo blijde, de bloemen
+in de perkjes geurden zoo heerlijk, en Dik voelde zich zóó gelukkig,
+dat hij van louter plezier een liedje begon te zingen. En met zijn
+zakmes sneed hij de vroege rozen af en de seringen en de vogelkers,
+en bond ze te zamen tot een welriekenden ruiker, dien hij zelf aan
+zijne bruid ging brengen. Overal zag hij de vlaggen uitsteken ter
+eere van hem en van Anneke. Piet van Dril was de eerste, die zijn vlag
+uit het zolderraam stak, en toen volgde Jan Vos, en daarna Van Dijk,
+de molenaar, en Vrouw van Aken, en Teun de visscher, en de meester,
+en de ontvanger, en de burgemeester. Ja, zelfs uit het huisje van Kee,
+de heks van den Achterweg, wapperde een klein, verschoten vlaggetje
+uit het boven-zijraampje, want zij hield dolveel van Dik en verheugde
+zich in zijn geluk. Weldra was er geen huis meer, waar de vlag niet
+uithing, wat wel een bewijs was, dat de bruid en de bruidegom geliefde
+personen waren op het dorp.
+
+Dik vond het heerlijk te zien, dat alle menschen hem en Anneke een
+blijk van vriendschap wilden geven. Hij had een glimlach van geluk
+op de lippen, en zijne oogen tintelden van blijdschap.
+
+De menschen, die hem tegenkwamen, hielden hem staande om hem geluk
+te wenschen en de hand te drukken, en Piet van Dril stak zijn zwarte
+gezicht buiten de deur van de smederij, toen Dik daar voorbijkwam,
+zwaaide met zijn vette, glimmende petje, en riep driemaal:
+"Hoezee! Leven Dik en zijne bruid!"
+
+Voor het huis van Anneke wachtte hem eene verrassing, want daar was
+een mooie, groote eerepoort opgericht met sparregroen en papieren
+bloemen. Bovenin prijkte een schild met de namen van de bruid en
+den bruidegom, en er hingen lampions met kaarsen, die 's avonds een
+schitterend licht zouden geven.
+
+Dat hadden zijn vrienden en kennissen gedaan onder leiding van Piet
+van Dril, zijn boezemvriend.
+
+En onder de poort stond Anneke, die maar niet begrijpen kon, dat die
+poort ter harer eere was opgericht, en ze lachte en schreide tegelijk
+van blijdschap en zei, dat ze zoo gelukkig was en zooveel eer niet
+verdiende. En zij dankte Dik voor zijn mooien ruiker, en wist bijna
+niet, wat zij doen zou van vreugde.
+
+Toen ging Dik naar huis terug, om alles voor de bruiloft in orde te
+brengen. Er werden in de schuur, die in gewone tijden voor pakhuis
+diende, groote tafels en stoelen geplaatst voor de gasten. En hij
+versierde de wanden met vlaggedoek, en nog was hij daarmee niet gereed,
+toen de deur openging, en Piet van Dril en Jan Vos verschenen, die
+een wagen met sparregroen meebrachten en hem hielpen aan de versiering.
+
+De schuur was weldra haast niet meer te herkennen, zoo mooi werd
+zij. Vader en moeder Trom konden hun oogen bijna niet gelooven, toen
+zij even binnen kwamen om een kijkje te nemen. Zij sloegen de handen
+van verbazing in elkaar, en Trom mompelde:
+
+"Wat een feest,--wat een feest! 't Heele dorp vlagt, en dan die
+schuur! O, die Dik is een bizonder kind, en dat is-ie!"
+
+Moeder Griet was dat volkomen met hem eens, maar zij gunde zich den
+tijd niet om lang te kijken, want zij had het nog meer dan druk om
+alles voor het feest in gereedheid te brengen. De beste spullen moesten
+uit de kast, en alles werd zorgvuldig geschuierd en opgeknapt. Trom
+had het vreeselijk druk met zijn hoogen hoed, denzelfden nog, waarop
+Dik was gaan zitten, toen deze nog een kleine jongen was. Trom poetste
+de stugge haartjes glad en liefkoosde hem wel honderdmaal met de mouw
+van zijne lakensche jas. De man zag er wàt deftig uit, heelemaal in
+'t zwart en met dien hoogen hoed op. 't Model van zijn costuum was
+wel wat ouderwetsch,--want 't was zijn eigen trouwpak nog, dat hij
+maar zelden had aangehad,--en zijn hoed was wel wat hoog van bol en
+breed van rand, maar dat hinderde niet.
+
+"Die hoed is nog mooi, en dat is-ie," zei Trom, "en mijn pak kan ook
+nog best meê, en dat kan het."
+
+Dik was van top tot teen in 't nieuw. Hij had ook een lakensch pak
+laten maken en een hoogen hoed gekocht. Zelf vond hij wel, dat hij er
+met den hoed erg gek uitzag, maar Trom zei, dat hij hem deftig stond,
+en dat deed-ie. Dik's nieuwe laarzen kraakten bij elken stap, zoodat
+men hem in de verte al kon hooren aankomen. Dik had er een hekel aan,
+maar zijn vader vond dat ook al erg deftig.
+
+"Alle laarzen van deftige menschen kraken, en dat doen ze," zei
+hij wijs.
+
+Eindelijk werd het tijd om naar het huis van de bruid en vervolgens
+naar het gemeentehuis te gaan, waar het huwelijk zou worden
+voltrokken. Het drietal begaf zich daarom op weg.
+
+Dik zag wel wat tegen de plechtigheid op, en hij voelde zich in zijn
+mooie zwarte pak, in zijne krakende laarzen en onder zijn hoogen hoed
+verre van lekker. Hij was in het geheel geen mensch voor zooveel moois
+en plechtigs. Maar 't moest nu eenmaal gebeuren, en hij besloot daarom
+zoo goed mogelijk door den zuren appel heen te bijten.
+
+Vader en moeder Trom keken met gepasten ernst naar al de vlaggen,
+die ter eere van hun zoon waren uitgestoken, en vonden zich verbazend
+gewichtig. Moeder Griet zag er ook zeer feestelijk uit. Zij had hare
+zijden japon aan, waarover een met palmen doorgewerkte omslagdoek,
+die haar in den vorm van een gelijkbeenigen driehoek over den rug hing
+met de punt naar beneden, een zijden hoedje op met groote keellinten,
+en aan haar arm een karbies, welke in sterke mate de aandacht trok
+van de kinderen, die den kleinen stoet omringden en steeds in aantal
+toenamen. Een van de grootste jongens begon al spoedig te zingen:
+
+
+"Bruid, bruid, strooi wat uit!"
+
+
+Maar de anderen legden hem het zwijgen op met de opmerking, dat de
+bruid nog niet aanwezig en hij dus met zijn liedje te vroeg was.
+
+De jongens en meisjes zagen er zeer opgewekt uit en het ontbrak hun
+niet aan de noodige luidruchtigheid.
+
+Zoo bereikte het drietal de woning van de bruid, waar de gasten,
+die voor het feest genoodigd waren, zich reeds verzameld hadden. Met
+een krachtigen handdruk werd Dik ontvangen, die onhandig met zijn
+hoogen hoed omsprong en voortdurend het vervelende kraken van zijne
+laarzen hoorde.
+
+'t Was nu hoog tijd om naar het raadhuis te gaan. De stoet stelde zich
+dus op. Jan Vos en zijn verloofde openden de rij, daarop volgden Dik
+en Anneke, daarachter de wederzijdsche ouders en verdere familieleden,
+en eindelijk de vrienden en kennissen, die genoodigd waren. Piet van
+Dril en zijn jonge vrouw, want Piet was al sedert een jaar getrouwd,
+waren de laatsten van den stoet.
+
+De meisjes en vrouwen hadden allen een groote karbies, tot groote
+vreugde van de jongens en meisjes, die zich vol blijde verwachting
+voor het huis hadden opgesteld. Nauwelijks waren de bruiloftsgasten
+zichtbaar, of daar klonk uit wel honderd kelen:
+
+
+"Bruid, Bruid,
+Strooi wat uit!
+Bruid, Bruid,
+Strooi wat uit!"
+
+
+'t Was een verschrikkelijk gejoel en lawaai, maar de karbiezen bleven
+potdicht. Eerst moest het jonge paar getrouwd zijn; zoolang dat niet
+gebeurd was, werd er niet gestrooid.
+
+In lange rij trok de stoet door het dorp en bereikte ongestoord het
+raadhuis. Daar werden de groote deuren geopend door den veldwachter,
+die bij trouwpartijen dienst deed als concièrge, en men nam plaats
+in de trouwzaal, waar vele dorpelingen aanwezig waren om van de
+plechtigheid getuige te zijn.
+
+Spoedig verscheen de burgemeester, en nu werden Dik en Anneke in den
+echt verbonden. De burgemeester deed nog een hartelijke toespraak en
+drukte het bruidspaar de hand.
+
+Pas kwam de stoet weer buiten het raadhuis, of daar galmde het weer,
+nu wel uit tweehonderd monden:
+
+
+"Bruid, Bruid,
+Strooi wat uit!
+Bruid, Bruid,
+Strooi wat uit!"
+
+
+De lieve straatjeugd drong geweldig op om dicht bij de karbiezen
+te komen, die de begeerde lekkernijen bevatten. En thans bestond er
+tegen het openen daarvan geen enkele hinderpaal meer.
+
+"Dààr dan, jongens, grabbelt maar!" riep Anneke, die tijdens de
+plechtigheid erg bleek had gezien, maar nu hare frissche kleur
+langzamerhand terugkreeg, en zij tastte diep in de karbies en strooide
+de bruidssuikers onder de menigte. Haar voorbeeld werd door Moeder
+Trom en de andere vrouwen en meisjes gevolgd. Het regende als het
+ware links en rechts suikergoed, zoodat de jongens op en over elkander
+buitelden, om toch maar zooveel mogelijk bijeen te grabbelen. 't Was
+een allerdolst schouwspel. De kinderen hadden nergens meer oog voor,
+dan voor de uitgestrooide lekkernijen, en zij waren zoo verwoed aan
+het grabbelen, dat zij den heelen bruidsstoet uit elkaar duwden. Een
+van de jongens kwam vlak voor de voeten te liggen van Vader Trom,
+zoodat het weinig scheelde, of deze viel voorover op de straat. Zijn
+hooge hoed rolde wel twee meter ver voor hem uit en kwam onder een
+paar jongens terecht, die aan het vechten waren om een suikerboon,
+waarop zij beiden recht meenden te hebben. De arme hoed kreeg het
+kwaad te verantwoorden en leek al spoedig meer op een waterhoozer
+uit een lekke roeiboot, dan op een deftigen hoogen hoed.
+
+Piet van Dril gaf den vechtenden jongens een paar klinkende oorvijgen,
+die hun met verbazenden spoed het hazenpad deden kiezen. Den hoed
+bracht hij zooveel mogelijk weer in zijn fatsoen, en zette hem den
+ouden man op het hoofd.
+
+Van het gemeentehuis wandelde de stoet, steeds vergezeld door de
+straatjeugd, die met ijzeren volharding het "Bruid, Bruid, strooi
+wat uit" galmde, naar de kerk, waar het huwelijk ingezegend werd,
+en van daar naar de versierde schuur.
+
+Den geheelen dag heerschte er groote vreugde. Dik rookte uit een
+lange Goudsche pijp, die met groen en bloemen was versierd, en de
+bruid dronk uit een kopje, waarvan het oortje met een rozeknopje en
+een paar rozeblaadjes prijkte.
+
+'t Was een heerlijk feest. 's Middags kwamen vele vrienden en kennissen
+gelukwenschen, en ook de oude heks van den Achterweg kwam binnen, om
+bruid en bruidegom de hand te drukken. En in een klein mandje bracht
+zij zes kippeneitjes meê, als een klein blijk van hare vriendschap
+en dankbaarheid, want zij was maar een arme, oude vrouw en wilde toch
+ook zoo graag wat geven.
+
+Dik kreeg het er bijna te kwaad onder, zoo aardig vond hij dat van
+de goede ziel, en hij pakte het oudje beet en danste met haar in
+het rond tot groote pret van alle bruiloftsgasten. 's Avonds kwamen
+twee muzikanten met violen, en toen konden de jongelui dansen naar
+hartelust, wat zij dan ook deden.
+
+'t Was al zeer laat in den avond, en nog was er niemand naar huis
+gegaan. De oude molenaar was de eerste, die opstond om te vertrekken,
+en hij klopte Trom op den rug en zeide:
+
+"Dat was nog eens een echte, mooie bruiloft, niet waar?"
+
+En Trom antwoordde, aan zijne bakkebaardjes plukkende:
+
+"Ja, dat is het,--en dat doet het,--maar Dik is ook een bizonder
+kind,--en dat is-ie!"
+
+
+
+
+Derde Hoofdstuk.
+
+ Dik wordt vader, en vrouw Smul begraaft haar neus in een
+ roomtaart.
+
+
+'t Bleef met den winkel onder leiding van Dik en Anneke uitstekend
+gaan, zoodat men gerust kon voorspellen, dat zij nog eens in goeden
+doen zouden komen. Nu, Dik werkte dan ook met den grootsten ijver,
+en als hij de boeren afreed met boodschappen, verving Anneke hem
+op uitstekende wijze in den winkel. En zij was een zuinig vrouwtje,
+naar de meening van Dik haast wel een beetje al te zuinig.
+
+"Hoor eens, Anneke," zei hij meer dan eens, "daar moet je toch
+voorzichtig meê wezen. Zuinig is goed, best zelfs, maar àl te zuinig
+is verkeerd. Komen de vrouwtjes om een pondje van dit of van dat, dan
+moet je niet bang wezen, dat de schaal even doorslaat. 't Is beter
+overwicht te geven, dan te klein gewicht. Daar hebben de menschen
+een hekel aan, en dan gaan ze al gauw naar een anderen winkel, waar
+de maat wat ruimer is. Heusch, een klein toegiftje doet geen schade,
+maar voordeel. En komen er kinderen boodschappen halen, geef ze dan
+een balletje of een pepermunt, of een stukje zoethout, of een vijg. Dat
+hebben ze graag en dan koopen ze liever hier dan bij een ander."
+
+Anneke gaf aan dien raad gehoor, maar zuinig van aard bleef ze toch,
+en dat was goed.
+
+In den winkel zag het er keurig netjes uit, en hij was van alle
+gemakken voorzien. Daar zorgde vader Trom wel voor. Nu hij niets meer
+te doen had, was de oude liefhebberij voor het timmervak weer bij hem
+ontwaakt, en liep hij altoos te passen en te meten, te schaven en te
+hameren. 't Was dan ook, eer een jaar verloopen was, een pracht van
+een winkel geworden, en Trom was daar erg trotsch op. Jammer voor
+den braven man, dat hij den laatsten tijd zoo doof werd. Kort na
+Dik's bruiloft was het begonnen, en 't nam met den dag toe, zoodat
+hij eindelijk bijna niet meer te beschreeuwen was. 't Was voor Griet
+een verbazende last, want zij hield erg veel van een praatje.
+
+Een paar jaar na Dik's huwelijk had er eene groote gebeurtenis
+plaats. Dik werd namelijk vader van een zoontje, en hij was daar
+erg blij om. Toen hij op een avond met paard en kar thuis kwam,
+vond hij den kleinen kerel al in de wieg liggen, en grootvader
+en grootmoeder Trom zaten er op een stoel naast en keken met de
+grootste belangstelling naar hun pasgeboren kleinkind. Grootmoeder
+Griet vond het een allerliefst schattig kindje, maar grootvader zei
+geen woord. Hij was blijkbaar in gedachten verdiept, en staarde met
+open mond den kleinen schreeuwer aan. Want een scheeuwer was het. De
+oude Trom had een klein, pasgeboren kindje nog nooit zóó hooren
+schreeuwen. Grootvader vond het erg verwonderlijk, en soms sloeg hij
+zijne oogen even op en staarde grootmoeder aan met een blik, waarin
+zoowel verbazing als bewondering opgesloten lag. 't Was hem aan te
+zien, dat hij in het kind iets gewichtigs zag.
+
+"O, o, wat was Dik blij, toen hij zijn zoontje zag. Zijne ouders
+feliciteerden hem recht hartelijk, en hij drukte moeder Anneke, die
+te bed lag, een kus op elke wang. En toen ging hij weer dadelijk naar
+de wieg, om zijn zoontje in oogenschouw te nemen.
+
+"Wel verschrikkelijk, wat schreeuwt dat kind!" zei Dik, die ook in
+de grootste verbazing naar het geluid van den nieuwen huisgenoot
+luisterde. "Moeder, heb ik ook zoo geschreeuwd, toen ik pas in de
+wereld was?"
+
+"Neen," zei grootmoeder Trom, "jij schreeuwde nooit, dan alleen als
+je honger hadt."
+
+"Maar dan heeft dat ventje ook honger!" riep Dik met beslistheid
+uit. "Hei baker, waar zit je? Geef dat kind wat eten!"
+
+Op zijn geroep kwam de baker uit de keuken te voorschijn 't Was
+vrouw Smul, die ook Dik nog gebakerd had. Zij was nu eene oude vrouw
+geworden, met bijna geen tand meer in haar mond, en een puntige,
+vooruitstekende kin. Dik hield in het geheel niet van haar, maar daar
+zij de eenige baker op het dorp was, moest hare hulp wel ingeroepen
+worden. Met een vriendelijk lachje feliciteerde zij den gelukkigen
+vader, en zij haalde het kleine kereltje uit de wieg, en hield hem
+Dik voor, die nu in de gelegenheid kwam, zijn zoon goed te bezien.
+
+Ten tweeden male wekte het ventje zijn groote verbazing, want zoo
+dik als hij zelf geweest was, toen hij op de wereld kwam, zoo smal
+en dun was de kleine. En schreeuwen, schreeuwen dat het kind deed,
+neen maar, 't ging Diks verwachting verre te boven. Ook grootmoeder
+en grootvader keken het wichtje met verwondering aan, want zoo dun
+en mager hadden zij nog nooit een kind gezien.
+
+Dik sloeg van verbazing de handen ineen, en riep uit:
+
+"Neen maar, wat een wonderlijk mager kind is dat! 't Is veel te dun!"
+
+"Maar 't is toch een erg lief kindje," zei Anneke met moedertrots.
+
+"En wat schreeuwt het!" ging Dik voort, "'t Schreeuwt als een
+speenvarken. Toe baker, geef dat kind dadelijk wat te eten, want zulk
+geschreeuw is niet uit te houden. Een mensch krijgt er hoofdpijn van."
+
+Grootvader Trom had nog geen woord gesproken, maar eindelijk ging
+hij naar zijn vrouw, en driftig aan zijn bakkebaardjes plukkende,
+zei hij op gewichtigen toon:
+
+"Griet, 't is een bizonder kind,--ik zeg een bizonder kind,--en
+dat is-ie!"
+
+"Ik geloof het ook," zei Dik lachend. "Zoo dun,--en dan dat
+geschreeuw. 't Is wél bizonder!"
+
+Inderdaad bleken deze twee eigenschappen van den kleine op den duur
+wèl wat bizonder te zijn, want het kind schreide van den morgen tot
+den avond, en van den avond tot den morgen. Alleen als hij sliep, was
+hij stil. Hij dronk de eene flesch melk na de andere, maar bleef even
+dun en mager. En hij schreeuwde om er wanhopig onder te worden. Kreeg
+hij geen flesch, dan maakte hij een ijselijk misbaar om de aandacht
+op zich te vestigen, en had hij de flesch leeggedronken, dan vond hij
+dàt weer een reden om zijne stem te verheffen. Maar hij groeide best,
+al was het alleen in de lengte.
+
+Dik vreesde, dat zijn wieg hem gauw te kort zou worden, en hij
+ergerde zich den ganschen dag aan de aanwezigheid van de baker. Daar
+had hij trouwens zijn goede redenen voor, want in den winkel was
+veel te snoepen, en daar hield vrouw Smul van. Telkens zag Dik,
+dat zij tersluiks iets in den mond stak, als zij even in den winkel
+moest wezen, en dat kon Dik niet uitstaan. Eens zag hij, dat zij bij
+de kistjes vijgen stond en er een handjevol uitnam, en hij besloot
+haar dat eens en voor goed af te leeren. Baker had hem niet gezien,
+en schrok dus niet weinig, toen hij eensklaps achter haar stond. Dik
+nam een grooten bak met stroop, dien zij onmogelijk met éen hand kon
+vasthouden en zei:
+
+"Toe baker, help me even. Houd dien bak eens vast."
+
+Maar dat kon baker niet doen, want dan zou Dik zien, dat zij een
+hand vol vijgen had. Haastig draaide zij zich dus om en stak de
+vijgen met eene behendige beweging in haar mond, maar ongelukkig
+konden ze daarin haast niet geborgen worden, zooveel had zij er wel
+uit het kistje genomen. Zij moest den mond dus stijf dicht houden,
+wilde zij zich niet verraden. Toen greep zij den stroopbak met beide
+handen aan. Haar mond zat als 't ware volgepropt, tot groot vermaak
+van Dik, die een vriendelijk praatje met haar begon.
+
+"Wel baker," vroeg hij, "hoe zou het toch komen, dat de kleine
+Jan",--want zijn zoon heette Jan, naar zijn grootvader,--"dat de
+kleine Jan altijd zoo schreeuwt? Wat kan daar toch de reden van wezen?"
+
+Maar baker kon niet antwoorden vanwege de vijgen, die zij in
+den mond had. En er waren er te veel, dan dat zij ze had kunnen
+doorslikken. Kauwen durfde zij ook niet, want dan zou zij zichzelve
+dadelijk verraden hebben. Zij verkeerde nog in de heilige overtuiging,
+dat Dik niets van hare snoeperij had gemerkt. Zij zeide dus niets,
+maar haalde alleen de schouders op, ten teeken dat de reden van
+Jantjes geschreeuw haar totaal onbekend was. Doch met dat gebaar was
+Dik niet tevreden.
+
+"Neen baker, haal nu de schouders niet op," zei hij op ernstigen toon,
+"maar zeg mij liever kort en goed, wat er de oorzaak van is. Hij moet
+toch ergens met zooveel volharding om schreeuwen!"
+
+Baker haalde nogmaals de schouders op, en Dik keek haar ernstig aan.
+
+"Scheelt er wat aan, baker? U trekt zoo'n raar gezicht," ging hij
+voort. "Heeft u pijn of zoo iets?"
+
+Baker schudde ontkennend met het hoofd, maar het angstzweet brak haar
+uit, want de vijgen in haar mond begonnen haar verschrikkelijk zwaar te
+liggen, en zij kon haar mond bijna niet meer dicht houden. Zij kneep
+de lippen wanhopig stijf op elkander en liet den zwaren stroopbak
+haast vallen.
+
+Dik had de grootste pret, en ging plagend voort:
+
+"Heeft u kiespijn, baker?"
+
+Baker schudde alweer van neen.
+
+"Of buikpijn?"
+
+Nogmaals hetzelfde gebaar.
+
+"U lijkt wel stommetje te spelen, baker. Ik geloof, dat ik den dokter
+voor u moet halen."
+
+De baker slaakte een diepen zucht, maar wilde blijkbaar niets van
+een dokter weten. Zij schudde heftig van neen.
+
+"Maar zèg dan toch wat, baker! Zulk zwijgen is om er tureluursch van
+te worden. Of kan u niet spreken?"
+
+De baker zei nog niets, maar keek wanhopig naar den zolder.
+
+"Doe uw mond eens open, baker," ging Dik zonder medelijden voort,
+en hij pakte haar kin tusschen vinger en duim. Maar nu werd het baker
+te erg, en zij begreep, dat Dik heel goed had gezien, dat zij van de
+vijgen gesnoept had. Zij zette den stroopbak haastig neer en verliet in
+allerijl den winkel, terwijl Dik het uitschaterde van pret, omdat hij
+haar zoo geducht te pakken had gehad. Zij dorst den "baas" den geheelen
+dag niet meer aankijken van schaamte, en zij had nog grooter hekel
+aan hem dan vroeger, toen hij haar klompen vol water had geschept.
+
+Maar haar snoeplust leerde zij er niet meê af. Die kwaal was bij haar
+te veel ingekankerd.
+
+Dat bleek Dik, toen zijn zoontje een dag of acht oud was. In den
+winkel, achter een van de toonbanken, was een luik, waaronder zich de
+kelder bevond. Dik was in dien kelder, toen de winkelschel ging, maar
+de baker wist niet, dat Dik daar was. Zij kwam in den winkel en zag
+daar den loopjongen van den banketbakker, die eene heerlijke roomtaart
+kwam brengen, een geschenk van Piet van Dril en diens vrouw. Ha, de
+neusvleugels van vrouw Smul trilden van begeerte. Na haastig om zich
+heen gekeken te hebben, of zij wel alleen was, lichtte zij behendig
+het deksel van de doos en genoot van den heerlijken aanblik, dien de
+verrukkelijke taart opleverde.
+
+Dik kwam langzaam en onhoorbaar naderbij. "Als zij gaat snoepen,
+zal ik het haar eens en voor altijd afleeren," dacht hij.
+
+En jawel, vrouw Smul moest toch eventjes proeven. Met haar vinger
+streek zij er wat room af en stak het in den mond. Wat smaakte dat
+heerlijk! Zij smakte met de tong. En wat rook die taart lekker. Wacht,
+zij moest ook eventjes ruiken. Zij bracht de doos wat omhoog, haar
+neus naar omlaag, en genoot van den heerlijken geur....
+
+Maar Dik was meer dan kwaad, want hij dacht, dat vrouw Smul er van
+snoepte. En in zijne boosheid gaf hij een geduchten duw tegen den
+bodem van de doos, zoodat neus en kin van de baker in een oogwenk
+tot in het hart van de taart doordrongen. En toen vrouw Smul die
+lichaamsdeelen weer uit hun ontijdig graf had opgedolven, zaten zij
+dik in de room. Zij leken wel roomhorentjes.
+
+Vrouw Smul kon zich in het eerste oogenblik maar niet begrijpen, wat
+er gebeurd was, zoo snel was het in zijn werk gegaan, en zij gaf een
+gil van den schrik. Doos en taart liet zij op den vloer vallen, en zij
+vluchtte op een draf den winkel uit en de huiskamer in, waar Anneke
+in een schaterlach uitbarstte, zoo mal zag baker er uit. En zij kon
+haast niet tot bedaren komen, toen Dik haar vertelde wat er eigenlijk
+gebeurd was, al vond zij het meer dan jammer van de heerlijke taart.
+
+"En wat zullen Piet van Dril en zijne vrouw het akelig vinden, als
+zij het hooren," zei Anneke.
+
+"Die zullen het niet hooren," zei Dik. "Ik ga dadelijk een nieuwe
+taart bestellen, precies eender als deze, en wij noodigen Piet
+en zijne vrouw een avondje bij ons op de koffie, om haar te helpen
+opeten. Dan hooren zij er nooit iets van. Baker zal er haar mond wel
+over houden,--en wij praten er natuurlijk ook niet over."
+
+Zoo geschiedde. Piet en zijn vrouw smulden er heerlijk van en vonden
+het prettig, dat de taart Dik en Anneke zoo lekker smaakte, maar zij
+hebben nooit geweten, dat het de hunne niet was. De baker wilde den
+heelen avond niet binnen komen. Zij bleef stil in de keuken. Maar
+Anneke zorgde toch, dat zij haar deel van de lekkernij kreeg.
+
+Want zij paste uitstekend op den kleinen Jan, en dat waardeerde Anneke
+bizonder. Een paar dagen later ging de baker voor goed heen.
+
+
+
+
+Vierde Hoofdstuk.
+
+ De eigenschappen van den kleinen Jan en het geduldige busje
+ van de orgelvrouw.
+
+
+De kleine Jan groeide zeer voorspoedig op, dat wil zeggen alleen in
+de lengte, want hij bleef broodmager, tot groote verbazing van Dik
+en Anneke, die elken dag opnieuw in de gelegenheid werden gesteld om
+zijn eetlust te bewonderen.
+
+"Hij is precies een hazewindhond," zei Dik meer dan eens. "Hoeveel
+hij ook eet, hij blijft altijd even dun. 't Is verwonderlijk!"
+
+Overigens was de kleine Jan een zeer voorlijk kind. Hij lachte al,
+toen hij nog maar enkele dagen oud was, en zijne tandjes kwamen
+zeldzaam vroeg. Hij kroop veel gauwer over den vloer, dan nog ooit
+eenig kind gedaan had, en kreeg mazelen, kinkhoest en waterpokken,
+toen andere kinderen van zijn leeftijd de gedachte daaraan nog niet
+in hun hoofd voelden opkomen.
+
+Zijn grootvader hield daarom staande tegenover iedereen die het hooren
+wilde, dat de kleine Jan een bizonder kind was, en dat was-ie.
+
+Jan was met zijn grootvader al spoedig goede maatjes. Toen hij nog heel
+klein was, wilde hij altoos op diens knieën zitten en paardje-rijden,
+zoodra hij hem maar zag, en als Grootvader zijn zin niet dadelijk deed,
+zette hij het zoo geweldig op een schreeuwen, dat zelfs Grootvaders
+gehoorvliezen er pijn van gingen doen. En dan haastte de oude man zich,
+om zijn kleinzoontje tevreden te stellen.
+
+Zoodra Jantje loopen kon, en dat kon hij heel vroeg, liep hij
+grootvader overal na. Anneke was daar eerst wel wat ongerust over,
+omdat grootvader zoo erg doof was, maar toen haar Jantje altoos weer
+gezond en wèl terugkeerde in de ouderlijke woning, begon zij daar
+spoedig aan te wennen. Als Jantje zoek was, dacht ze al dadelijk:
+"O, hij zal wel weer bij grootvader wezen."
+
+Toen Jantje zag, dat grootvader bijna altoos aan het timmeren was,
+schreeuwde hij net zoo lang, tot hij ook een hamer kreeg, en van
+dat oogenblik af deed hij niet anders dan hameren. Hij sloeg er meê
+tegen de toonbank, dat de weegschalen er van rinkelden, klopte op
+de vijgenmand met zooveel kracht, dat de pitjes uit de vruchten te
+voorschijn kwamen, hamerde een melkkan aan scherven en sloeg een barst
+in de winkelruit. Dat gebeurde alles op één dag, tot grooten schrik
+van Anneke, die hem den hamer afnam, toen het te laat was. Grootvader
+had er niets van gemerkt, en toen Anneke hem op de verwoesting attent
+maakte, keek hij die eenigen tijd in verbazing aan, tot hij eindelijk
+mompelde:
+
+"Zie je wel, Anneke, dat Jantje een bizonder kind is?--En dat is-ie."
+
+Dat bleek ook uit het feit, dat Jantje het geweldig op een schreeuwen
+zette, toen Anneke hem den hamer had afgenomen. Hij kon echter zoo hard
+niet schreeuwen, dat zijne Moeder hem dien teruggaf. Grootvader was
+bezig de stijfsellade te herstellen, die niet meer goed heen en weer
+kon schuiven. Jantje zat schreeuwend achter hem op den vloer, tot het
+twaalf uur werd en Grootvader naar huis moest om te eten. Grootvader
+legde den hamer in den spijkerbak en vertrok. Nauwelijks was hij
+verdwenen, of Jantje greep den hamer en zette de werkzaamheden
+voort. Hij sloeg draadnagels in de verschillende winkelladen, waar
+zij schots en scheef in terecht kwamen, timmerde Grootvaders rooden,
+katoenen zakdoek, dien hij vergeten had mede te nemen, als een vlag
+aan de toonbank vast, en ging naar het petroleumvat, om ook daar
+een paar draadnagels in te slaan. Maar toen viel zijn aandacht op de
+kraan, die in het vat zat, en Jantje sloeg er net zoo lang op met zijn
+hamer, tot de kraan uit het vat vloog en de petroleum in een breeden
+stroom op den vloer en op Jantjes beenen terecht kwam. Ha, dat vond
+Jantje pas mooi. Hij hield er den hamer onder, waardoor de stroom een
+bizonder mooien vorm kreeg en de droppels hem om de ooren spatten,
+en hij keek met innig welbehagen de gevolgen van zijn bemoeiingen
+aan. De petroleum bedekte weldra den geheelen vloer, en Jantje was
+zoo nat als een gedrenkte spons. Zijne Moeder had er geen erg in, want
+zij was in de keuken, tot zij opeens een geweldig geschreeuw vernam,
+zóó hevig, dat zij van schrik opsprong en naar den winkel ijlde. Maar
+nauwelijks had zij de deur geopend, of zij bleef als verstomd staan en
+keek met open mond naar de petroleum, die den geheelen vloer bedekte
+tot aan den drempel toe, waarop hare voeten stonden, en naar Jantje,
+die uit alle macht schreeuwde en met zijn hamer op het vat sloeg.
+
+De tranen sprongen Anneke in de oogen, en zij was in één woord
+radeloos. Zij wist niet, wat ze beginnen moest. Ze kon niet eens bij
+haar zoontje komen, zonder door de petroleum te plassen, wat ze op
+hare pantoffeltjes onmogelijk doen kon.
+
+En Jantje schreeuwde uit alle macht, niet om hetgeen hij gedaan had,
+ook niet omdat hij met de beentjes rechtuit in de petroleum zat,
+maar eenvoudig om. het feit, dat er geen petroleum meer uit het vat
+stroomde. Hij was er meer dan kwaad om, dat de stroom opgehouden had te
+vloeien, en hij meende net zoo lang te schreeuwen, tot het weer begon.
+
+Bedroefd en niet wetende wat zij beginnen moest, snelde Anneke de
+achterdeur uit, om Grootvaders hulp in te roepen. Schreiende kwam
+zij daar binnen, en zij vertelde onder snikken en tranen, wat Jantje
+gedaan had.
+
+"Wat is er?" vroeg Grootmoeder, toen zij Anneke zoo bedroefd zag
+staan. Grootvader stond ook van zijn stoel op en vroeg:
+
+"Wat is er, Anneke? Wat scheelt er aan?"
+
+De goede man voelde al naar zijn zakdoek, om haar de tranen van de
+wangen te vegen, want hij hield veel van Anneke. Maar hij vond zijn
+zakdoek nergens. Hij kon ook niet vermoeden, dat die als een vlag
+aan de toonbank wapperde.
+
+"O, o," zei Anneke, "daar heeft Jantje me de kraan uit het petroleumvat
+geslagen...."
+
+"Den haan uit het kippenhok doodgeslagen?" vroeg Grootvader
+ontsteld. "Hoe komt het kind er bij."
+
+"Neen, neen," zei Anneke met haar mond aan Grootvaders oor, "de
+kraan uit het petroleumvat geslagen, en nu is alle petroleum uit
+het vat geloopen, en Jantje zit er midden in. Ik weet niet, wat ik
+beginnen moet...."
+
+Grootvader had nu goed verstaan. Hij trok zijn klompen aan en
+stapte den winkel binnen, waar Jantje nog zijn uiterste best deed,
+om petroleum uit het leege vat te laten vloeien. Hij schreeuwde als
+'t ware moord en brand.
+
+Grootvader keek ook niet weinig verschrikt, evenals een paar vrouwtjes,
+die juist kwamen aanloopen om boodschappen te halen.
+
+Trom plaste op zijn klompen door de petroleum en pakte Jantje op,
+dien hij regelrecht naar de keuken bracht.
+
+"Hier Griet, kleed hem maar dadelijk uit en stop hem in de tobbe,"
+zei hij tegen zijn vrouw, die van schrik bijna niet spreken kon,
+toen zij de ramp in oogenschouw nam.
+
+Daarna haalde Grootvader eene tobbe uit het schuurtje, benevens een
+paar dweilen, en begon den vloer op te dweilen.
+
+Hij schudde daarbij echter bedenkelijk met het hoofd, want hij begreep
+zeer goed, dat de zaak zoo gemakkelijk niet in orde kwam. Jantje
+schreeuwde intusschen honderd-uit, want hij werd door Moeder en
+Grootmoeder naakt uitgekleed en in een warm bad gestopt. Zijn kleeren
+waren onbruikbaar geworden.
+
+Dat laatste was ook het geval met den winkelvloer. Trom besloot dan
+ook dadelijk de handen uit de mouwen te steken De geheele vloer werd
+opgebroken en door een nieuwen vervangen, wat den ouden man heel wat
+werk bezorgde, 't Is te begrijpen, dat Dik verbaasd opkeek, toen hij
+'s avonds thuis kwam en hem het gebeurde verteld werd.
+
+"Die kleine hazewindhond, hoe krijgt hij 't in zijn hoofd," zei hij
+eindelijk. En Grootvader zei:
+
+"Ik zeg, dat hij een bizonder kind is, Dik, net als jij, en dat is-ie."
+
+Sinds dien dag werd het petroleumvat zoo geplaatst, dat Jantje er
+niet meer bij kon. En de kleine kerel kreeg van zijn vader een houten
+hamertje, waar hij niet veel kwaad mee kon doen. Hij timmerde nu den
+geheelen dag en hielp Grootvader op zijn manier bij al diens werk. Hij
+liet zich daarbij door niets storen, of het moest door een draaiorgel
+zijn. Dat vond hij zoo verrukkelijk mooi, dat hij er zelfs zijn eten
+voor liet staan, wat hij anders voor geen geld ter wereld zou doen. En
+nog mooier vond hij het busje, waarin de vrouw van den orgeldraaier
+het geld ophaalde. De orgeldraaier en zijne vrouw woonden op het dorp
+en kwamen vast elken Dinsdag met het orgel rond. Dat was erg lastig
+voor Anneke, want die had dan altoos waschdag, en moest toch al elk
+oogenblik haar waschgoed in den steek laten, om de klanten in den
+winkel te helpen.
+
+Eens op een Dinsdagmorgen had zij het daarmede erg druk gehad, toe
+het geluid van het orgel al van verre tot haar doordrong. Ook Jantje
+had het gehoord. Hij was toen een jaar of drie en kon dus de deur al
+zelf opendoen.
+
+'t Geluid van het orgel kwam naderbij, en Jantje was in de voordeur
+gaan staan, om van de muziek zooveel mogelijk te genieten. Eindelijk
+was het orgel tot voor den winkel gekomen en verscheen Mietje, de
+vrouw van den orgeldraaier, die Klaas Touw heette, aan de deur. Jantje
+haastte zich naar de keuken, en zei:
+
+"Moedel, daal is Klaas Touw met het olgel." De r kon hij nog niet
+zeggen, zoodat hij gemakshalve daar maar een l voor nam.
+
+"Hè, wat een gezeur van morgen," zei Anneke, wie de zweetdroppels
+op het voorhoofd parelden van de drukte. "Er ligt wel een cent in de
+toonbanklade, Jantje, je weet wel."
+
+"Ja moedel," zei Jan, en weg was hij.
+
+Hij greep een handjevol centen en begaf zich naar Mietje.
+
+Hij legde een cent in het bakje en zag hem met de grootste
+belangstelling door de gleuf verdwijnen, want dat vond hij iets zeer
+geheimzinnigs. Toen de cent weg was, legde hij er een tweeden in,
+die op dezelfde eigenaardige wijze in de diepte verdween. Daarna een
+derde, en een vierde, en een vijfde. Dat ging zoo voort tot Jantjes
+handje leeg was. Mietje was blijkbaar een heel geduldig vrouwtje en
+zij streek Jantje liefkoozend over zijn kopje.
+
+"Wacht even, ik zal del nog meel halen," zei Jantje, en hij voegde
+de daad bij het woord. De toonbanklade was nog lang niet uitgeput en
+Jantje vond het heel aardig, dat het orgel zoo lang bleef draaien,
+en dat de centen zoo mooi in de bus verdwenen.
+
+"Flap," daar viel er weer een naar beneden, tot groote pret van Jantje,
+die er hardop om lachen moest. "Flap," weer een, en nog een, en nog
+een, tot zijn handje alweer leeg was. En tot zijn groote vreugde
+draaide het orgel nog maar steeds door, en bleek Mietje vriendelijk
+genoeg om voor zijn plezier nog een poosje te blijven staan.
+
+"Wacht even," zei Jantje, "ik zal del nog meel halen. El zijn del
+nog genoeg."
+
+Nu, dat was waar, en hij kwam al spoedig weer met een handjevol terug.
+
+"Flap," ging het alweer, en "flap, flap, flap," volgden de
+andere. Anneke was zoo druk aan het wasschen, dat zij het heele
+orgel vergeten was. Gelukkig, dat er nu eens een poosje geen klanten
+kwamen....
+
+Jantje liep geregeld heen en weer van Mietje naar de lade, en van de
+lade naar Mietje, wier geduld onuitputtelijk bleek. Jantje vond haar
+erg zoet, dat ze zoo lang blijven wou en dat hij zoo prettig met het
+busje mocht spelen.
+
+Maar eindelijk was de voorraad centen uitgeput, en daarom begon
+Jantje met de dubbeltjes, die hij in de lade vond. Gelukkig kwam er
+juist een meisje den winkel binnen om een half pond suiker te halen
+en toen ze zag, wat Jantje deed, zei ze:
+
+"Zeg, stoute jongen, dat mag je niet doen." Zij nam Jantje de
+dubbeltjes af, die hij in de hand had, en riep luid:
+
+"Vollek!--Vollek!"
+
+Opeens bleek Mietje haast te krijgen. Zij wenkte Klaas, die
+onmiddellijk den slinger van het orgel in rust bracht, en samen
+vervolgden zij met meer dan gewonen spoed hun tocht. Zij liepen
+zelfs zonder te spelen verscheidene huizen voorbij, en verdwenen in
+een achterbuurtje.
+
+Jantje was echter boos en begon luidkeels te schreeuwen. Maar zijn
+Moeder was nog boozer, toen zij van het meisje vernam wat er gebeurd
+was, en zij gaf Jantje voor zijne broek en zette hem in de woonkamer
+met bevel, dat hij daar den geheelen middag blijven moest. Klaas Touw
+en Mietje kregen, toen zij weer met het orgel kwamen, een geducht
+standje van haar en mochten in geen vol jaar meer aankomen.
+
+"Je hebt wel voor een jaar genoeg gehad," zei Anneke boos, "en 't
+is een schande, dat je het geld aangenomen hebt. Als je fatsoenlijke
+menschen waart, zou je mij gewaarschuwd hebben."
+
+Of Mietje al zei, dat het zoo erg niet geweest was, en dat Jantje
+maar een cent of vijf in het busje had gedaan, 't hielp haar niets.
+
+"Je hebt voor een jaar genoeg gehad, en daarmede is het uit," zei
+Anneke beslist. Boos deed ze de deur voor Mietje's neus dicht.
+
+
+
+
+Vijfde Hoofdstuk.
+
+ Jantje en de school.
+
+
+Jantje bleef zeer voorspoedig opgroeien. De gewone kinderziekten had
+hij al lang achter den rug, verkouden was hij nooit, en voor koorts
+scheen hij geen aanleg te hebben. Hij was buitengewoon levendig van
+natuur, waarvan het gevolg was, dat zijne Moeder hem zelfs met geen
+stok in huis kon houden.
+
+Eerst had zij daartoe wel alle middelen, die haar ten dienste stonden,
+in 't werk gesteld, maar tevergeefs. Toen hij nog erg klein was, volgde
+hij steeds zijn Grootvader als diens schaduw, en dan timmerde hij den
+geheelen dag, maar toen hij een jaar of vier werd, vond hij daar niet
+veel pleizier meer in. Hij ging toen liever de buurt op, en was bijna
+altoos op de smerigste plaatsen te vinden, die er bestonden. Hij zag
+er daardoor gewoonlijk ontoonbaar uit. De modder zat hem dikwijls tot
+in de haren, zijne broek was bijna altoos hier of daar gescheurd,
+en zijn handen zagen zoo zwart als roet. Wel tienmaal op een dag
+greep Anneke hem bij den arm, nam hem mêe naar de keuken, en boende
+hem met groene zeep schoon, waarbij de kleine patiënt gewoonlijk een
+erbarmelijk geschreeuw deed hooren, zoo erg, dat de klanten, die in
+den winkel kwamen, soms dachten, dat er iemand vermoord werd. In die
+meening werden zij dan nog versterkt door de noodkreten van Jantje,
+die op zijn gewonen huilerigen toon niets anders deed, dan schreeuwen:
+
+"Ik wou, dat ik dood was! Ik wou, dat ik dood was! Ik moet ook altijd
+maar gewasschen worden!"
+
+Zijn moeder toonde echter niet het minste medelijden en hield niet op,
+voordat Jantje vanwege de groene zeep blonk als een spiegeltje.
+
+'t Was maar jammer, dat het slechts voor zoo korten tijd hielp. Geen
+tien minuten later zat Jantje weer in de modder te baggeren. Zijn
+voeten waren meestal kletsnat, want hij bewoog zich graag aan de
+slootkanten, om naar de kikkers te kijken en watertorren te vangen.
+
+Toen hij vier jaar oud was, kwam hij voor het eerst met een nat pak
+thuis. Hij had kopje-onder in het water gelegen. Dat gaf een schrik
+bij Anneke, en zij besloot kort en goed hem voortaan in huis te
+houden. Zij sloot hem in den tuin op. Maar dat beviel haar nog veel
+minder, want tot haar schrik zag zij hem 's morgens om negen uur al
+op de vorsten van het schuurtje zitten, en even later kwam hij naar
+beneden tuimelen. Anneke zag het juist gebeuren, en zij dacht, dat
+hij wel dood zou zijn. Zij zat als met lamheid geslagen op haar stoel
+en was niet bij machte om op te rijzen en Jantje te gaan helpen. Dat
+bleek echter ook niet noodig te zijn, want Jantje sprong dadelijk
+overeind en klom weer tegen het schuurtje op. Een poosje later zat
+hij weer op de vorsten. Eerst was hij wel een beetje bleek van den
+schrik, maar dat werd spoedig beter.
+
+Anneke besloot hem niet meer op te sluiten, zoodat Jantje 's middags
+weer in de buurt rondwandelde.
+
+Toen Dik het 's avonds hoorde, moest hij er braaf om lachen, en
+hij zei:
+
+"Wel, wel, kan die hazewindhond zóó klimmen? Kijk Anneke, dat is nu
+iets, wat ik in mijn jeugd nooit heb kunnen doen, omdat ik zoo dik
+was. Ik vind het wel aardig."
+
+Anneke vond het dat niet, en zij klaagde zóó over de zorg, die zij van
+den vroegen morgen tot den laten avond over Jantje had, dat Dik besloot
+hem voortaan, als het goed weer was, maar meê te nemen op den wagen.
+
+Dat was een kolfje naar Jantjes hand. Ha, wat vond hij het prettig
+om naast Vader op den bok van den wagen te zitten. Soms mocht hij
+de leidsels vasthouden of met de zweep klappen. Van slaan was geen
+sprake; dat wilde Dik volstrekt niet hebben. Zelf deed hij het ook
+alleen in bizondere omstandigheden. Het was dan ook werkelijk niet
+noodig, want de hit van Dik kon verbazend hard loopen. Dat beweerde
+Dik niet alleen, maar alle menschen op het dorp zeiden het. Die hit
+was eigenlijk een harddraver en Dik kende geen hit, uren in den omtrek,
+die zoo hard loopen kon als de zijne. Eén ding was maar jammer. De hit
+had namelijk wel eens koppige buien, eene kwaal, die ook andere hitten
+wel met hem gemeen hebben. Als hij in zoo'n booze bui was, bleef hij
+vierkant op den weg staan met de pooten wijd uit elkander. Dan was
+er geen beweging in hem te krijgen. Eerst had Dik zijne toevlucht
+wel eens genomen tot de zweep, hoewel hij daar een geduchten hekel
+aan had, maar 't had hem totaal niets geholpen. Eindelijk was Dik op
+'t idée gekomen om hem een klontje suiker voor den bek te houden, en
+als de hit het pakken wilde, hield hij het weer een eindje verder. Dat
+hielp goed, want de hit hield veel van klontjes, en liep zijn meester
+dan dadelijk na. En onder het smullen vergat hij zijn koppige bui,
+zoodat Dik weer op den bok kon gaan zitten. Als de hit weer eens
+niet voort wilde, nam Dik dadelijk een klontje suiker, en dan was de
+zaak in orde. Maar de hit was slim, en telkens als hij trek kreeg in
+een klontje, bleef hij midden op den weg staan en ging niet verder,
+vóór hij zijn zin gekregen had. Dat gebeurde spoedig wel al een keer
+of tien op een dag, zoodat Dik begreep, dat het niet langer ging. Hij
+gaf den hit geen enkel klontje meer, al bleef hij ook een half uur op
+den weg staan. Zoo leerde het beest langzamerhand zijn snoeplust weer
+af. Maar de koppige buien kwamen telkens terug. Wel niet dikwijls,
+maar toch te veel naar Dik's zin. 't Was overigens een prachtige hit,
+die zijns gelijke niet had in het loopen. Dik hield dan ook bizonder
+veel van hem, en Jantje vond het wát heerlijk, als het lieve paardje
+zoo lustig voor den wagen draafde.
+
+En Dik vond het prettig, als de kleine Jan naast hem op den bok
+zat. Als 't mooi weer was, mocht Jantje altoos met hem mee, en dat
+gaf Anneke heel wat rust. Deze had het trouwens al druk genoeg met
+den winkel.
+
+Eindelijk werd Jantje vijf jaar en toen moest hij naar school. Maar
+daar had hij in 't geheel geen zin in. Het vrije leventje en de
+toertjes met zijn vader bevielen hem veel te goed, en hij hield stijf
+en strak vol, dat hij nooit en nooit naar school wilde.
+
+Toch moest het gebeuren, en Dik bracht hem er zelf heen.
+
+Och, och, wat schreeuwde de kleine baas, en wat deed hij eene moeite
+om los te komen. Maar dat lukte hem niet, want zijn vader hield hem
+stevig vast.
+
+Hij schreeuwde nog, toen hij door de Juffrouw in ontvangst werd
+genomen, en hoeveel moeite zij ook deed om hem tot bedaren te brengen,
+'t hielp haar niets. De andere nieuwelingen keken hem met de grootste
+verbazing aan. Zulk schreeuwen hadden zij blijkbaar nog nooit gehoord.
+
+De Juffrouw werd er zenuwachtig van, en wist eindelijk geen raad
+meer met het kereltje. 't Was haar onmogelijk iets te beginnen,
+want Jantje overschreeuwde haar stem wel tienmaal, zoodat niemand
+haar kon verstaan.
+
+Maar opeens kwam hij tot bedaren, tot groote verwondering en even
+groote blijdschap van de Juffrouw. Hij veegde zijne oogen af met de
+mouwen van zijn jasje, en stak toen parmantig den vinger op.
+
+De Juffrouw lachte hem vriendelijk toe, en vroeg:
+
+"Wel kleine man, wat is er?"
+
+"Juffrouw, wanneer begint de groote vacantie?" vroeg Jantje.
+
+De Juffrouw schoot in een lach, en zei:
+
+"O hé, dat duurt nog een heelen tijd, Jantje. Dat duurt nog wel eene
+maand of drie."
+
+"Vandaag nog niet?" vroeg Jantje, wiens lippen weer zenuwachtig
+begonnen te beven.
+
+"Neen, vandaag nog niet, Jan. Maar dat hindert niet. 't Is hier in
+de school ook wel prettig."
+
+Jantje was dit echter in 't geheel niet met haar eens, wat duidelijk
+bleek uit het feit, dat hij het weer verschrikkelijk op een schreeuwen
+zette. Er kwam geen einde aan.
+
+Jantje kreeg zelfs al spoedig gezelschap, want een paar andere
+nieuwelingen werden door zijn verdriet dermate aangestoken, dat zij ook
+hunne stem verhieven, en met Jantje om 't hardst schreeuwden. Jantje
+keek even om, ten einde te zien, waar die nieuwe geluiden vandaan
+kwamen, en zette daarna de zaak op den ouden voet voort. 't Was
+eindelijk langer niet uit te houden, en de Juffrouw besloot hare
+toevlucht tot krachtige maatregelen te nemen. Zij stapte op Jantje af,
+greep hem bij den arm, en zette hem in den hoek. Maar Jantje schreeuwde
+daardoor niet harder of zachter. De zaak liet hem volkomen koud.
+
+Daarom zette de juffrouw hem in een klein kamertje, dat als boekenkast
+gebruikt werd, en zij deed de deur achter hem dicht. Eerst had zij
+geducht op hem gebromd.
+
+"Dáár dan, stoute jongen," had ze gezegd. "Als jij niet naar verbieden
+wilt luisteren, moet je maar heelemaal alleen in de boekenkast
+zitten. Daar mag je schreeuwen, zoo hard je maar wilt."
+
+Jantje volgde dat bevel echter in 't geheel niet op. Hij vond het in
+die boekenkast heel vreemd, want zóoveel boeken had hij nog nooit
+bij elkaar gezien. En in den achtermuur was een raampje, dat bij
+mooi weer opengezet werd, omdat er anders zoo'n vunzige lucht in de
+kast kwam. Toen Jantje de boeken bekeken had, wat niet lang duurde,
+deed hij het raampje open en klom behendig naar buiten.
+
+Ha, daar in de vrije natuur vond hij het pas heerlijk. Hij veegde de
+laatste tranen van zijn gezicht, stak zijn handen in de broekzakken,
+en zakte zingende op huis af.
+
+Anneke keek wát gek op, toen zij hem om half elf binnen zag komen.
+
+"Mocht jij naar huis toe, Jan?" vroeg ze.
+
+"Ja, Moeder," zei Jan, "de Juffrouw bracht me zelf in een kamertje,
+waar een raam was om er uit te kruipen. O Moeder, dat was zoo'n mooi
+kamertje, allemaal boeken, wel honderd millioen drie honderd duizend
+en nog veel meer."
+
+"In een kamertje met boeken, en een raam, waar je door moest
+kruipen? Dat begrijp ik niet, kind," zei Anneke. "Enfin, 't is al
+half elf. Blijf nu maar thuis."
+
+Dat deed Jantje met het meeste genoegen.
+
+Maar de juffrouw, die na eenige minuten wachtens merkte, dat er geen
+geluid meer uit de boekenkast kwam en daarom besloot Jantje maar weer
+in de klasse te halen, schrikte geducht, toen zij de kast ledig vond.
+
+"Als het kind maar geen ongeluk gekregen heeft!" zuchtte ze. En ze
+stuurde dadelijk een jongen uit de hoogste klasse naar zijn huis,
+om te vragen, of hij daar was.
+
+"Ja, hier ben ik," zei Jantje, nog voordat zijn Moeder gelegenheid
+had gehad iets te antwoorden. "En ik wil nooit meer naar school.--Vast
+niet!"
+
+Juist op dit oogenblik kwam Dik binnen, die even naar de smederij
+van Piet van Dril was geweest, om zijn hit te laten beslaan.
+
+"Wat is er aan de hand, Anneke?" vroeg hij.
+
+En nauwelijks had hij gehoord, wat Jantje gedaan had, of hij pakte
+hem bij zijn arm en bracht hem weer naar school, waar Jantje onder
+een vervaarlijk geschreeuw zijn intocht deed.
+
+"Juffrouw," zei Dik, "als hij niet ophoudt met schreeuwen, mag hij
+nooit meer mee uit rijden. Dat zèg ik en dat méén ik."
+
+Die bedreiging hielp dadelijk. Jantje deed zijn mond dicht en gaf
+geen kik meer, tot groote vreugde van de Juffrouw. Voor Jantje was
+er geen zwaardere straf te bedenken dan dat hij niet meer met zijn
+vader uit rijden mocht.
+
+Toen hij eenmaal tot bedaren gekomen was, zette hij zich met ijver
+aan de studie, en het bleek weldra, dat hij de vlugste van de geheele
+klasse was. Hij kende de letters al, als hij ze nog maar eenmaal
+gezien had, hij schreef het mooist, en hij rekende beter dan iemand
+anders. De Juffrouw vond hem bepaald een vluggertje. Maar omdat hij
+altoos 't eerst met zijn werk gereed was, had hij ook steeds tijd
+over, en dan werd hij ondeugend. 't Duurde dan ook maar kort, of de
+Juffrouw zei altoos, als ze van hem sprak:
+
+"De jongen heeft drie bijzondere eigenschappen: hij is de vlugste,
+de ondeugendste en de magerste jongen van de geheele school."
+
+En dat was ook zoo. Hij deed altoos kattekwaad, als hij zijn werk
+afhad. Naast hem zat Karel van Dril, de zoon van den smid. Jan kende
+hem al lang voor hij naar school ging, omdat hunne ouders zeer bevriend
+waren en dikwijls bij elkaar op visite kwamen.
+
+Karel kon vrij goed leeren, maar met het rekenen had hij het eerste
+jaar nog al moeite. Hij verwarde altijd de 3 met de 8 en de 6 met
+de 9, waardoor de uitkomst natuurlijk niet goed kwam. Ook gelukte
+het hem maar zelden, om een leesbare 5 te schrijven. Als Jantje zijn
+werk al afhad, was Karel nog niet op de helft. En toch deed hij erg
+zijn best. Hij hoorde dan niet eens, wat Jantje hem toefluisterde,
+en eigenlijk hoorde hij zelfs niet, dat er wat tegen hem gezegd werd,
+zoo verdiept was hij dan in zijn werk. Die rekensommen kostten hem
+menigen zweetdroppel, en hij kon er bij zuchten als een stoommachine.
+
+Jantje was dan niet in de mogelijkheid om een gesprek met hem aan te
+knoopen, en moest zich dus op andere wijze zien te vermaken. In den
+knikkertijd speelde hij met zijn knikkers, die hij dan zoo dikwijls
+telde, tot ze eindelijk met groot lawaai op den grond terecht
+kwamen. Dan was Holland in last. Hij raakte zijne knikkers kwijt en
+kreeg nog straf op den koop toe.
+
+Eens in den toltijd had hij zijne tollen zitten bekijken, die hij
+onder de tafel in de handen hield. Eindelijk haalde hij zijn tolsnoer
+te voorschijn en ging er op zijn manier mee zitten hengelen. Dan
+verbeeldde hij zich, dat hij tuk kreeg, en als hij dan ophaalde,
+zag hij er snoeken of karpers aan. Toen hij visch genoeg gevangen
+had naar zijn zin, bedacht hij een ander spelletje. Hij slingerde het
+touw om zijn rechterbeen en om het linkerbeen van Karel, die zoo in
+zijne sommen verdiept zat, dat hij er niets van merkte. En Jantje bond
+de beenen stijf aan elkander. Toen diepte hij zijne tollen weer op,
+om ze voor de honderdste maal nog eens te bekijken. De Juffrouw zag,
+dat hij zat te spelen, en verbood het hem, maar zij was zoo druk
+bezig met hier en daar een achterlijk kind voort te helpen, dat zij
+niet veel aandacht aan Jantje kon wijden. Maar inwendig was zij toch
+wel boos op hem, want zijne lei was al eens met een harden smak op
+den grond gevallen, en nu kwamen plotseling weer al zijn tollen op
+den vloer terecht, tot groot vermaak van de andere jongens, waarvan
+er eenige hardop begonnen te lachen.
+
+Nu werd de wanorde de Juffrouw toch wel wat al te groot. Met forsche
+schreden stapte zij op Jantje toe, greep hem driftig bij den arm en
+wilde hem de bank uittrekken.
+
+"Allo, ondeugende jongen, vóór de klasse! Direct!" En zij trok zoo
+hard, dat Jantje wel mee moest. Maar o wee, zijn rechterbeen zat aan
+het linker van Karel vast, zoodat Kareltje óók mee moest,--tot zijn
+groote verbazing.
+
+"O Juffrouw! Mijn been! Mijn been!" schreeuwde Karel.
+
+"Houd jij je mond!" riep de Juffrouw boos, en zij trok nog harder
+aan Jantjes arm. Jantje viel half de bank uit, en Kareltje volgde
+zijn voorbeeld.
+
+"O Juffrouw, mijn been!--Mijn been zit vast!"
+
+"'t Kan me niets schelen,--vooruit bengel!" riep de Juffrouw.
+
+Maar Jantje kon niet verder. Het blok aan zijn been was te zwaar,
+en de Juffrouw begon eindelijk te begrijpen, wat er aan de hand
+was. Toen werd zij nog veel boozer, vooral toen de andere kinderen
+hun lachen niet konden inhouden. Zij nam haar zakmesje en sneed
+het touw in verscheidene stukken. Jantje werd in den eenen hoek
+gezet, en Kareltje, die dood-onschuldig was aan 't geheele zaakje,
+in den anderen. Maar Karel protesteerde. Hij wou geen straf hebben,
+omdat hij niets gedaan had, en toen de Juffrouw eindelijk goed op
+de hoogte kwam van het gebeurde, vond zij ook, dat hij geen straf
+had verdiend. Hij mocht dus weer gaan rekenen, maar Jantje moest
+schoolblijven, was zijn tolsnoer kwijt, en zag ook zijne tollen,
+die de Juffrouw hem afgenomen had, in de kast verdwijnen.
+
+Toen hij 's middags om half een verlof kreeg om naar huis te gaan,
+vroeg hij met een deemoedig gezicht, of hij asjeblieft zijn tollen
+terug mocht hebben. Maar daar was geen denken aan.
+
+"Met Nieuwjaar!" zei de Juffrouw kortaf. En daar was de zaak meê
+afgeloopen. Jantje had niet erg veel plezier van de grap, want nu
+kon hij 's avonds niet meer met de andere jongens meedoen, als zij
+potje-tolden. En dat deed hij juist zoo graag. Hij was trouwens een
+liefhebber van alle mogelijke spelletjes. Was het in den toltijd,
+dan vond hij dat het prettigste spel van de wereld, was het in den
+knikkertijd, dan vond hij dát weer 't mooist. En zoo ging het met alle
+spelen, die door de jongens werden gedaan. Maar 't állerprettigst
+vond hij toch den sneeuwtijd. Iets heerlijkers was er volgens hem
+niet te bedenken.
+
+Zijn grootvader had voor hem een slee gemaakt, en daar gleed hij elk
+vrij uurtje mede van een hoogen dijk af. Ha, wat ging dat echt. En
+zoo vlug! 't Was net of hij naar beneden viel, maar 't liep altoos
+erg best af. Hij moest wel oppassen, dat hij in zijne vaart niet in
+een sloot terecht kwam, die langs den dijk liep, maar Jantje wist zich
+met zijne klompen zoo netjes te sturen, dat hij altoos vlak langs de
+sloot zijn draai kon nemen. Dat mislukte hem nooit.
+
+Op de speelplaats van de school vermaakte hij zich met het gooien
+van sneeuwballen. Ieder, dien hij maar raken kon, kreeg er een tegen
+zijn muts of in zijn hals, en dan had Jantje de grootste pret. Maar
+dan kreeg hij ook rijkelijk zijn portie terug, want de andere jongens
+lieten zich niet ongestraft bekogelen.
+
+Toch hadden zij het tegen Jantje altijd kwaad te verantwoorden, want
+hij was zeldzaam vlug in zijne bewegingen en kon best mikken. Bovendien
+zorgde hij er steeds voor, een goeden voorraad sneeuwballen in zijn
+broekzakken te hebben, zoodat hij ze, als de nood aan den man kwam,
+maar voor het grijpen had. Dan vlogen de kogels den jongens als het
+ware om de ooren, en meestal eindigde het gevecht met een smadelijke
+vlucht van zijne tegenstanders. Eens op een avond echter, om vier
+uur, toen hij uit de school naar huis ging, kreeg hij onverwachts
+met zooveel kracht een sneeuwbal achter in zijn nek, dat hij niet kon
+nalaten au te roepen. 't Deed hem dan ook geducht pijn, want 't was
+een verbazend harde sneeuwbal geweest, veel harder, dan hij ze ooit
+gooide. 't Was eigenlijk een valsche streek, en toen hij omkeek, zag
+hij dat een jongen uit de buurt de dader was. Die jongen heette Klaas
+Zwart, en stond niet al te gunstig onder zijne kameraadjes bekend.
+
+Jan zag, hoe Klaas er om lachte, dat hij hem zoo geducht geraakt had,
+en hij werd er erg boos om.
+
+"Dat is valsch, leelijkerd," riep hij Klaas toe. "Jij gooit met
+sneeuwballen, waar een steen in zit. Maar ik zal het je betaald zetten,
+wacht maar!"
+
+"'t Is nietes!" riep Klaas terug, zich op een eerbiedigen afstand
+houdende, "er zat geen steen in."
+
+"Kom op als je durft!" schreeuwde Jantje hem toe, wiens nek prikkelde
+van de pijn. Het koude water liep hem langs zijn ruggestreng.
+
+Maar Klaas durfde niet. Hij bleef op eenigen afstand staan, gereed
+om te vluchten.
+
+"Lafaard!" riep Jantje. "Kom op, als je durft.--Je durft niet, hè,
+daar ben je te bang voor! Leelijke gluiperd!"
+
+Hij keerde zich verontwaardigd om en liep naar huis.
+
+Maar den volgenden morgen ging hij vroeg naar de speelplaats, maakte
+een flinken voorraad sneeuwballen, die hij als kogels op elkander
+stapelde, en stopte toen ook nog zijn broekzakken vol sneeuwballen
+voor het geval, dat Klaas op de vlucht mocht slaan, en hij hem dus
+achtervolgen moest. Zoo gewapend wachtte hij de komst van zijn vijand
+af. Zijne broekzakken puilden wijd uit van de sneeuwkogels, en hij
+kon er veel in zijn zakken bergen, want hij had wijde broekspijpen,
+en zijne dunne beentjes namen niet veel plaats in.
+
+Eindelijk verscheen Klaas op de speelplaats.
+
+Maar hij was op zijn hoede, want hij vertrouwde Jantje niet erg. Hij
+kreeg hem dan ook al spoedig in het oog, en meende hem door een
+vriendelijk praatje wat zachter te stemmen. Er waren nu al verscheidene
+jongens op het plein.
+
+"Zoo Jan," riep hij zijn vijand toe, "ga je van middag mee op mijn
+slee?"
+
+"Op je gezicht kun-je krijgen," riep Jantje terug. "Kom op, als je
+durft, dan zullen wij sleden!"
+
+"Hij durft niet!" riepen de andere jongens lachend, toen zij zagen,
+dat Klaas bleef staan. "Hè, wat een bangerd! Kijk hem nu eens staan,
+zoo'n hufter!"
+
+"Toe dan, Klaas, kom op!" tartte Jantje. Hij nam een sneeuwbal van
+zijn stapel, en wierp hem Klaas vlak in 't gezicht. Zijn neus zat
+dik onder de sneeuw, en Klaas kreeg er sterretjes van voor zijne oogen.
+
+"Lekker zoo! Goed zoo!" riepen de jongens. "Geef hem zijn portie, Jan!"
+
+"Flap!"
+
+Daar kreeg Klaas den tweeden, ditmaal tegen zijne muts, die hem van
+het hoofd vloog, tot groote pret van de jongens, die in het rond
+sprongen van pleizier. Want zij hielden niet erg van Klaas.
+
+Maar Klaas werd nu toch woedend, en hij vergat zijne vrees.
+
+Vlug bukte hij zich om een sneeuwbal te maken, doch voordat hij
+daarmede gereed was, kreeg hij er een van Jan tegen zijn linkeroor.
+
+Toen wierp Klaas er Jan een tegen zijn schouder, maar hij kreeg er
+dadelijk wel drie voor terug.
+
+"Houd-je goed, Jan, toe maar!" schreeuwden de jongens.
+
+'t Werd een verwoed gevecht, en Klaas verweerde zich dapper, maar
+hij verkeerde in veel ongunstiger omstandigheden dan Jantje, daar
+deze de ballen al gereed had liggen.
+
+Jantje nam er een stuk of vier in zijne hand, en vloog op Klaas
+af. Maar dat was Klaas te veel, en hij zette het op een loopen.
+
+Jan hem achterna.
+
+"Daar gaat hij loopen!" schreeuwden de jongens. "Houd-je goed, Jan!"
+
+Klaas liep, wat hij loopen kon, en Jan volgde hem op de hielen.
+
+Telkens voelde Klaas een sneeuwbal tegen zijn achterhoofd of in zijn
+nek terechtkomen, en 't huilen stond hem nader dan het lachen.
+
+Tot opeens Jantje misgooide, en zijn sneeuwbal in een ruit van de
+school terecht kwam. De scherven vielen rinkelend naar beneden,
+en op 't zelfde oogenblik kwam de hoofdonderwijzer naar buiten, die
+Jantje bij zijn kraag pakte en hem in een hoek van de school zette,
+niet ver van de kachel.
+
+"Jij blijft om twaalf uur wachten, hoor baasje!" zei de meester. "Ik
+moet je dan eens vragen, hoeveel geld je wel in je spaarpot hebt. 't
+Is er nu te laat voor, want de school gaat aan."
+
+Inderdaad werden de deuren geopend en de kinderen binnengeroepen.
+
+De Juffrouw kwam naar Jantje toe en bromde ook op hem.
+
+"Stoute jongen," zei ze, "moet jij hier de glazen ingooien? Je bent
+niet bij je moeder thuis."
+
+"Daar mag ik het ook niet doen, Juffrouw," zei Jan op deemoedigen toon,
+en de Juffrouw begreep, dat zij zich niet al te juist had uitgedrukt.
+
+"Houd je mond, brutale jongen," zei ze.
+
+Ze ging voor de klasse staan en begon met hare werkzaamheden.
+
+Jantje vond het niet prettig in dien warmen hoek bij de kachel, want
+hij leerde veel liever met de andere leerlingen mêe, en bovendien
+was hij al erg warm van het sneeuwballen zoodat hij het bij de heete
+kachel bijna niet kon uithouden. Deze stond dan ook rondom gloeiend,
+want ze was nog niet lang geleden aangelegd, en het lokaal moest
+eerst door en door verwarmd worden. Jantjes handen begonnen al gauw te
+tintelen, zoo erg, dat hij er bleek van werd. Maar dat ging spoedig
+over, en Jantje voelde zich al weer wat lekkerder worden, toen hij
+opeens een onaangenaam gevoel langs zijne beenen kreeg. 't Was net,
+of er een straaltje koud water langs liep.
+
+Eerst begreep hij niet, wat dat wezen kon, maar toch voelde hij het
+duidelijk. 't Liep langs zijne dijen, passeerde zijne knieën en kwam
+eindelijk in zijne kousen terecht.
+
+Al spoedig snapte hij, wat er aan de hand was. 't Waren de
+sneeuwballen, waarmede hij zijne broekzakken had gevuld, die bij
+de heete kachel langzaam begonnen te smelten. Hij voelde, dat zijne
+kousen nat werden, en hij begreep, dat het zaakje leelijk voor hem
+kon afloopen. Hij hoopte echter, dat de sneeuwballen niet zóóveel
+water zouden geven, dat het de aandacht van de Juffrouw zou trekken.
+
+Doch onophoudelijk liepen kleine straaltjes water langs zijne dunne
+beentjes naar beneden, en toen hij zijne voeten even verzette, merkte
+hij, dat zijne kousen al kletsnat waren.
+
+Angstvallig hield hij zijn blik op zijne voeten gericht. En waarlijk,
+daar zag hij tot zijn grooten schrik, dat er zich rondom zijne voeten
+een klein meertje begon te vormen, dat langzaam maar zeker grooter
+werd. 't Nam steeds in omvang toe, zoodat Jantje zich hoe langer hoe
+minder op zijn gemak voelde.
+
+Gelukkig was de Juffrouw met zooveel ijver aan het werk, dat zij Jan
+geheel vergeten was.
+
+Eindelijk was de plas rondom Jan zóó groot geworden, dat hij de
+aandacht trok van Klaas Zwart, wiens haren nog druipnat waren van de
+sneeuwballen, waarop Jan hem had getracteerd. Nauwelijks had hij hem
+gezien, of hij stak met veel bombarie zijn vinger op, en riep:
+
+"Juffrouw! Juffrouw! Jan Trom heeft wat op den grond gedaan!"
+
+Die tijding gaf eene heele opschudding in de klasse. De kinderen
+gingen half in de banken staan en rekten de halzen, om goed te
+kunnen kijken. En de Juffrouw keerde zich om en keek heel vies naar
+de plaats, waar Jantje stond met beschaamde kaken. Hij zag rood tot
+achter zijne ooren.
+
+"Vieze jongen!" riep de Juffrouw hem toe. "Waarom heb je me niet
+gewaarschuwd?"
+
+"'t Is niet waar, Juffrouw!" riep Jan, huilend van verontwaardiging
+"Ik had sneeuwballen in mijn zak, en die zijn bij de heete kachel
+gesmolten."
+
+En om te bewijzen, dat hij de waarheid sprak, stak hij zijn handen
+in de zakken, en dolf er de half gesmolten kogels uit op.
+
+De Juffrouw schoot in een geweldige lachbui, en de kinderen moesten
+ook zoo lachen, dat zij bijna niet tot bedaren konden komen.
+
+Jantje mocht naar huis om droge kleeren aan te trekken.
+
+Zijn vader keek hem eerst heel boos aan, toen hij hem zoo tusschentijds
+zag binnenkomen, maar toen hij hoorde, wat er gebeurd was, moest hij
+er ook smakelijk om lachen, en hij vertelde het aan alle klanten,
+die dien dag in den winkel kwamen.
+
+Toen Jan 's middags weer naar school ging, gaf zijn vader hem de
+opdracht om eerst naar den glazenmaker te gaan en hem te verzoeken,
+de gebroken ruit door een andere te vervangen. Zoo liep dat zaakje
+voor Jantje nog al goed af. Maar op Klaas Zwart was hij meer dan boos,
+want hij vond hem een valschen jongen en een laffen klikspaan.
+
+
+
+
+Zesde Hoofdstuk.
+
+ Jantje wordt jarig en krijgt mooie cadeaux.
+
+
+Jantje zou voor den achtsten keer jarig worden. Zijn vader had hem
+beloofd, dat hij den volgenden morgen een prachtig cadeau van hem
+zou krijgen, maar van die belofte had hij later erg veel spijt, want
+Jantje wilde met alle geweld weten, welk cadeau dat was, en hij hield
+niet op met zeuren.
+
+Zijn Vader wilde het echter niet zeggen.
+
+"Morgenochtend zul-je het wel zien," zei Dik.
+
+"Is het mooi?" vroeg Jantje.
+
+"Erg mooi," was het antwoord.
+
+"Erg prachtig mooi?" hield Jantje vol, wiens oogen schitterden van
+nieuwsgierigheid.
+
+"Ja," lachte zijn Vader, "erg prachtig mooi. Zóó mooi, zóó mooi,
+dat er niets mooiers op de wereld te bedenken is."
+
+"Waar lijkt het op?" vroeg Jan polsend.
+
+"Op onzen hit," zei zijn vader.
+
+"O, zeker een paardje op wieletjes?" zei Jantje met een opgetrokken
+neus. "Dát is niet mooi, Vader, veel te kinderachtig. Toe Moeder,
+zegt u me maar, wat het is.--Toe."
+
+"Neen Janneman, dat zeg ik niet," zei zijne moe. "Morgenochtend zul je
+'t wel zien."
+
+Jantje zeurde nog geruimen tijd door, maar toen hij zag, dat hij
+zijn doel daarmede niet bereikte, zette hij het op een schreeuwen op
+eene geweldige manier. De ondervinding had hem geleerd, dat dit een
+beproefd middel was.
+
+Maar dezen keer hielp het hem van den wal in de sloot, want het
+begon zijn vader al spoedig te vervelen. Hij pakte Jantje bij zijn
+kraag, deed het kelderluik in den winkelvloer open, en stopte Jantje
+doodbedaard onder den grond.
+
+"Zie zoo, kereltje," zei Dik, "daar mag je schreeuwen, zoo lang en
+zoo hard je maar kunt. Ga je gang maar."
+
+Jantje vond het een afdoend geneesmiddel, en jammerde:
+
+"Ik wil naar bed! Ik wil naar bed!"
+
+"'t Is nog maar half zes!" zei zijn vader.
+
+"'t Doet er niet toe, 'k wil tóch naar bed, dan is het veel gauwer
+morgenochtend!" schreeuwde Jantje.
+
+"Ook al goed!" zei Dik.
+
+Vijf minuten later lag Jan onder de dekens, en een kwartier later
+sliep hij als eene roos.
+
+Om elf uur gingen Dik en Anneke naar bed, maar zij hadden pas den
+slaap te pakken, of Jantje werd wakker en dacht direct aan zijn cadeau.
+
+"Vader!" riep hij zoo hard hij kon,--"Vader, wat krijg ik nu van
+u? Ik ben jarig!"
+
+"Een pak voor je broek, als je niet dadelijk je mond houdt," zei Dik,
+die het lang niet prettig vond, dat hij wakker gemaakt werd. "De
+nacht begint pas. Ga maar weer slapen."
+
+Met een zucht kneep Jantje zijne oogen weer dicht, en hij sliep ook
+waarlijk in, maar 't duurde slechts kort. 't Was nog vóór twaalven,
+toen hij opnieuw wakker werd. Nu zou het stellig toch wel morgen wezen,
+dacht hij.
+
+Hij liet zich vlug van zijn bed glijden, ging naar het bed, waar zijn
+ouders sliepen, en trok zijn vader aan zijn neus.
+
+"Hei, ho, wat is dat?" riep Dik verschrikt uit, want hij vond het
+een vreemde manier om gewekt te worden.
+
+"Vader, ik ben jarig!" riep Jantje hem toe. "Welk cadeau krijg ik
+nou van u?"
+
+Maar zijn vader werd terdege boos.
+
+"Ga naar je bed, deugniet, en als ik vannacht je geluid weer hoor,
+krijg je morgen niets, hoor je, heelemaal niets! Allo, pak je weg,
+naar je bed. En je geeft geen kik meer, versta-je?"
+
+Jantje maakte aanstalten om weer te gaan schreeuwen, maar Dik zei
+knorrig:
+
+"Wou je liever in den kelder onder den winkelvloer?"
+
+Neen, dat kon Jantje in 't geheel niet bekoren, en hij maakte gauw,
+dat hij weer in zijn bed kwam.
+
+Maar den slaap kon hij niet meer vatten; hij was dan ook veel te
+vroeg naar zijn bed gegaan. Hij deed niet anders dan zuchten, en vond,
+dat de nacht vreeselijk lang duurde.
+
+"Er komt nooit een einde aan," mompelde hij zacht. "Weet je wat, ik
+ga tot duizend tellen. Karel van Dril zegt, dat je dan altijd vanzelf
+in slaap valt. Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen,
+tien, ik ben toch nog wakker. Bij mij helpt het niet. Zeventien,
+achttien, negentien, twintig, wat zou het toch voor een cadeautje
+wezen? Ik denk van een bromtol, zeven en tachtig, acht en tachtig,
+negen en tachtig, of een zak met knikkers, negen en negentig, honderd
+hè, hè, nu ben ik al aan honderd, en ik slaap nog niet. Honderd en
+een, honderd en twee, hè, ik wou dat ik een zak met tachtig knikkers
+kreeg, een en tachtig, twee en tachtig, drie en tachtig, hò, dat is
+fout, want nu ben ik nog maar aan drie en tachtig, en een heele poos
+geleden was ik al bij honderd,--dan maar van voren af: een, twee,
+drie, knikkers, knikkers, een, twee, bromtol, knikkers, zes, drie,
+zeven, ... twee, jarig, zes..."
+
+Jantjes oogen vielen dicht en hij sliep weer. En hij droomde, dat hij
+een mooien bromtol kreeg, die prachtige muziek kon maken. Hij nam een
+touwtje, wond den tol op, en trok hem af. Hà, wat stond hij prachtig,
+en er kwam muziek uit, precies als uit het orgel in de kerk of het
+draaiorgel van Klaas Touw. En opeens nam hij een sprongetje en ging
+bovenop den kop van den tol zitten, en draaide uit alle macht in de
+rondte. Jongen, wat ging dat mooi, 't werd hem geel en groen voor de
+oogen, en de tol wist niet van ophouden, leek het wel. Maar eindelijk
+begon hij toch langzamer te draaien, toen waggelde hij eenige keeren,
+zoodat Jantje zijn evenwicht bijna niet bewaren kon, en plof, daar
+viel de tol om, en Jantje tuimelde op den grond....
+
+Met een kreet van schrik werd hij weer wakker, en tot zijn spijt
+voelde hij, dat hij nog in zijn bed lag, dat zijn tol verdwenen was,
+en dat het nog al geen dag werd.
+
+Maar dat laatste kon hij toch niet gelooven.
+
+"Neen," zei hij zacht, "'t is bepaald al lang dag, en 't is hier
+alleen zoo donker, omdat de luiken dicht zijn. Vader verslaapt zich
+zeker. Weet je wat, ik zal heel stilletjes de luiken opendoen,
+zóó stil, dat vader en moeder het niet hooren. En als dan de zon
+naar binnen schijnt, zal ik Vader roepen, en wat zal hij dan vreemd
+opkijken."
+
+Zoo gezegd, zoo gedaan.
+
+Jantje kroop stil zijn bed uit, liep op zijn bloote voeten naar het
+raam, en stootte zijn kleinen teen zoo hard tegen den poot van de
+tafel, dat de tranen hem in de oogen sprongen.
+
+"Au!" riep hij binnensmonds, en zijn vader werd er half wakker
+van. Deze draaide zich in zijn bed om.
+
+Jantje liet zich daardoor echter niet afschrikken.
+
+Hij ging verder en kwam bij het raam. Daar zocht hij naar het luik,
+en duwde het open. Maar 't bleef donker in de kamer; het was tot zijne
+groote spijt blijkbaar nog nacht. Hij besloot, onder het slaken van
+een diepen zucht, maar weer naar zijn bed terug te keeren, doch op
+den terugtocht schoof hij zijn vaders glazen aschbak van de tafel,
+zoodat dit voorwerp met veel lawaai op den grond terecht kwam, en in
+scherven uit elkander spatte.
+
+Jantje bleef van schrik stokstijf staan, en zijn ouders, die niet
+begrepen wat dit geraas midden in den nacht beteekenen moest, vlogen
+in hun bed overeind.
+
+Met een wip stond Dik op den vloer, waar hij bijna over Jantje
+struikelde, die het hazenpad wilde kiezen en vlak voor zijn vaders
+beenen liep. Toen begreep Dik, wat er eigenlijk aan de hand was. Hij
+greep op goed geluk rondom zich, om Jantje te pakken, en riep:
+
+"Jongen, ben je nu alwéer uit je bed?" Maar Jantje had zich zoo vlug
+als hij kon uit de voeten gemaakt, en lag alweer onder de dekens.
+
+"Neen Vader," zei hij, "ik ben hier."
+
+Toen moest Dik wel lachen, of hij wilde of niet.
+
+"Ja, nú ben je weer in je bed, maar zoo pas liep je nog hier in de
+kamer. Ga toch slapen, en houd ons niet den heelen nacht wakker. Als
+ik je wéér hoor, eet ik het cadeau zelf op, en dan krijg je niemendal!"
+
+"Opeten, Vader?" vroeg Jantje verschrikt. "Kan het dan opgegeten
+worden?"
+
+"O ja," zei Dik, terwijl hij weer in zijn bed stapte, "'t Smaakt wat
+lekker, en als ik je weer hoor, krijg je er niets van."
+
+"En 't lijkt op een hit?" zei Jan spijtig. "Dat heeft u zelf gezegd."
+
+"Nu jongen, een hit kun-je toch ook opeten!" riep Dik terug. "Maar
+ga nu slapen, en laat je geluid niet meer hooren."
+
+Jantje zweeg. Hij was verdrietig, omdat hij geen mooien tol kreeg,
+of een zak met knikkers.
+
+"Iets lekkers, bah, wat heb-je daar nu aan?" dacht hij.
+
+De koele nachtlucht had hem huiverig gemaakt, en de warmte van het
+bed deed hem behaaglijk aan. Hij stopte zich lekker toe, en sliep
+werkelijk na een poosje weer in. Maar om vier uur werd hij weer wakker.
+
+Hij stak zijn hoofd buiten de gordijnen, om te kijken of het licht
+al door de half openstaande luiken drong, en hij zag, dat het nog
+altijd nacht was.
+
+"Moe,--Moeder!" riep hij zacht.
+
+Maar er volgde geen antwoord.
+
+"Moeder!--Moeder!" klonk het wat harder.
+
+Moeder sliep door.
+
+"Moeder!--Moeder!--Is het nóg nacht," riep Jantje met luider stem.
+
+Zijne ouders werden er wakker van, en Dik maakte zich boos.
+
+"Daar heb je dien drommelschen jongen alweer!" riep hij uit. "Wat
+wil je toch?"
+
+"De nacht duurt zoo lang!" huilde Jantje. "Wil u de luiken vast
+openzetten? 't Is al lang dag, geloof ik. De klok gaat achter."
+
+"En de zon zeker ook," zei Dik. "Ga lekker slapen, jongen, dan is het
+morgen vóór je het weet. Wel te rusten, Jan, en je mond houden, hoor."
+
+"Wel te rusten," zei Jantje met een snik en een zucht.
+
+Nu kon hij echter den slaap in 't geheel niet meer vatten, en hij
+verveelde zich schrikkelijk. Wel tienmaal begon hij tot duizend te
+tellen, maar telkens raakte hij in de war, en eindelijk gaf hij het
+op. Hij ging voor tijdverdrijf spelletjes doen. Eerst stak hij zijn
+voeten zoo hoog mogelijk in de lucht, met de dekens er overheen.
+
+"Nu is het een hooge berg," dacht hij. "Wacht ik zal er een man boven
+op zetten, dan kan hij ver zien."
+
+Hij liet zijn voeten zakken, en legde zijn kussen er op. Toen stak
+hij het heele gevalletje voorzichtig in de hoogte, maar de man viel
+telkens van den hoogen berg af, en kwam hem eenmaal precies op zijn
+hoofd te liggen.
+
+Eens bleef de man boven op den berg, en toen liet Jan den berg
+instorten, zoodat de man geheel bedolven werd.
+
+"Nu is hij morsdood," zei Jan. "Wacht, ik zal stil een stoel in mijn
+bed halen. Dat is veel leuker."
+
+Hij kroop voorzichtig uit zijn bed, greep een stoel, en klom er weer
+heel zacht in. Zijn ouders hadden er niets van gemerkt. Hij legde
+den stoel voorover, en ging er op zitten.
+
+"Huup hit," zei hij. "Nu draven, zoo hard je kunt."
+
+Hij hobbelde met den stoel op en neer, en hij verbeeldde zich, dat
+hij op den hit van zijn Vader zat, en dat hij aan het harddraven was.
+
+Soms gaf hij hem van achteren met zijn vlakke hand een harden klap
+op de sporten.
+
+"Au," zei Jantje, want het deed hem pijn, en hij likte zijne hand af,
+omdat de pijn daardoor gauwer beter werd.
+
+Toen zette de hit het op een loopen.
+
+Met twee handen had Jantje de leuning te pakken, en hij hobbelde op
+en neer. In zijne gedachten reed hij in vliegenden galop langs den
+weg, en telkens gaf hij zijn harddraver een klap op de sporten. De
+hit vloog hoe langer hoe harder, maar opeens begon hij te steigeren.
+
+"Ha," mompelde Jantje, "hij krijgt weer eene koppige bui! Wacht,
+ik zal hem leeren!"
+
+Hij sloeg met beide handen op de houten ribben van zijn harddraver,
+greep daarna de leuning, en trok den stoel daaraan in de hoogte.
+
+O, o, wat steigerde dat beest woest!
+
+"Huupla," schreeuwde Jantje opeens, want hij verkeerde in hevige
+geestvervoering. Zijn vader draaide zich onrustig om in zijn bed. Hij
+werd er half wakker van.
+
+Jantje trok de leuning nog meer in de hoogte. De hit stond toen als het
+ware loodrecht op zijn achterste pooten, en Jantje verbeeldde zich,
+dat hij hem kwaadaardig hoorde brieschen. De hit nam een geweldigen
+sprong, en bommerdebom, daar viel Jantje met hit en al uit zijn bed
+op den grond. Dat gaf een lawaai!
+
+"Heeremenschen!" gilde Anneke, die verschrikt opvloog. "Daar valt
+het huis in! Dik, Dik, het huis valt in. Jantje ligt er onder. Hoor
+me dat kind eens gillen!"
+
+Dik was ook verschrikt, en hij haastte zich op te staan. Vlug schraapte
+hij een lucifer aan en stak de lamp op. En wat zag hij?
+
+Jantje lag op den vloer met een stoel half over zich heen, en daarop
+lag het kussen, dat den hit in zijn val gevolgd was.
+
+En Jantje schreeuwde moord en brand, zoowel van schrik als van angst,
+want hij was erg bang, dat zijn vader hem nu wel voor zijn broek zou
+geven. Hij twijfelde daar zelfs niet aan.
+
+Maar Dik kon onmogelijk boos blijven op zijn zoontje, en hij moest
+er braaf om lachen, toen hij hem daar zag liggen.
+
+"Wat voer je toch uit, jongen?" vroeg hij. "Je doet niet anders dan
+spoken, en houdt ons den heelen nacht wakker."
+
+"O Vader," schreeuwde Jantje, want hij vreesde altoos nog een beetje,
+dat zijn Vader hem straffen zou, "ik was aan 't paardje-rijden op
+onzen hit, en toen steigerde hij zoo,--o, o, o, en toen vielen we
+alle twee het bed uit."
+
+Toen moest Dik nog meer lachen, en Anneke lachte van den weeromstuit
+meê. Dik pakte zijn zoontje op, en legde hem in bed.
+
+"Zie zoo, nu ga je maar weer slapen, hoor. Ik zal je wel roepen,
+als het dag wordt. Wel te rusten."
+
+"Wel te rusten," zei Jantje. "Maar dit weet ik wel, dat een nacht
+véél en véél langer duurt, dan een dag."
+
+Een half uurtje later werd Dik alweer wakker gemaakt.
+
+"Vader!--Vader!" hoorde hij roepen.
+
+"Jongen, wat verveel je me vannacht," was zijn antwoord. "Wat is er
+nu weer?"
+
+"Vader, komt de zon vast elken morgen weer op?" vroeg Jantje met iets
+twijfelmoedigs in zijne stem.
+
+"Wel ja, Jan, vast en zeker, hoor! Als je maar geduld hebt."
+
+"Maar Vader, is-ie nog nooit eens weggebleven?"
+
+"Neen, nog nooit," zei Dik met een zucht. "Kijk maar door het raam. 't
+Wordt nu ook al wat lichter. Als je nog een uurtje geslapen hebt,
+is de nacht om, en dan ben je jarig. Over een uur zal ik je roepen."
+
+"Ja Vader," zei Jan, en hij begon nog maar eens tot duizend
+te tellen. Maar 't hielp hem niets, hij kon den slaap niet meer
+vatten. Och, och, wat duurde dat uur hem lang. Hij luisterde naar het
+tikken van de hangklok, tot hij opeens meende, dat zij stilstond. Hoe
+hij ook luisterde, hij merkte het eentonige getik niet meer op. Toch
+ging de klok nog wel, want een poosje later hoorde hij het weer.
+
+Eindelijk was het uur om, en sprong hij uit bed.
+
+"Vader," riep hij luid, "nu ben ik eindelijk dan toch echt jarig. Toe
+Vader, wat krijg ik nu van u?"
+
+"Ja jongen, je hebt me van nacht schrikkelijk verveeld, maar nu ben
+je echt jarig, en ik feliciteer je wèl."
+
+Dik stond op en nam Jantje in zijn armen, en kuste hem op allebei
+zijn wangen. En toen gaf hij hem aan Anneke, die hem niet minder
+hartelijk pakte.
+
+Dik kleedde zich spoedig aan, en zei:
+
+"Kom meê, Jan, dan krijg je je cadeau. Ik hoop maar, dat het je
+bevallen zal."
+
+Jan beefde van blijdschap en nieuwsgierigheid.
+
+"Kan ik het echt opeten?" vroeg hij.
+
+"Neen, dat was maar gekheid," zei Dik, terwijl hij Jantje bij de hand
+pakte en hem meenam naar den stal. Hij opende de deur, en stapte met
+zijn zoontje binnen.
+
+En wat zag Jan daar?
+
+Hij kon zijne oogen niet gelooven, want daar, vlak naast den hit,
+stond een prachtige, bonte bok, met twee groote horens op zijn kop
+en een lange sik aan zijn kin.
+
+"Die bok!" riep Jantje verrukt uit. "Is die bok voor mij?"
+
+"Ja, die bok is voor jou," zei Dik lachend, en hij zag met innige
+blijdschap, hoe gelukkig dit geschenk zijn zoontje maakte.
+
+Jan sprong als een kleine dolleman in 't rond, en hij klapte in
+de handen.
+
+"O, dank u, dank u!" riep hij uit. "O, o, wat een mooie bok is
+dat. Kijk eens, hij heeft prachtige horens!"
+
+"Ja, hè?" zei Dik.
+
+"En een sik!" ging Jan voort.
+
+"Bè, bè, bè-è-è-è!" blaatte de bok.
+
+Jantje's vreugde kende geen grenzen.
+
+"O, hoor eens, hij kan schreeuwen ook. O, wat eene mooie stem,"
+riep Jan opgetogen.
+
+In de vreugde zijns harten liep hij op den bok toe en wilde hem zijne
+armen om den nek slaan, maar de bok scheen daar niet van gediend,
+want hij ging op zijne achterpooten staan, stak den kop omlaag en
+drukte zijn groote, kromme horens zoo stevig tegen Jans smalle buikje,
+dat Jantje achterover tegen het houten beschot terecht kwam.
+
+"O, dat mag hij wel doen," zei Jantje, die in zijn bok allerminst
+eenige kwade eigenschap wilde ontdekken. Maar toch kroop hij schielijk
+overeind en maakte zich uit de voeten.
+
+"Toe Vader, mag hij eens uit den stal komen?" vroeg hij, want dáár
+kon de bok hem niet tegen een muur stooten.
+
+"Wel zeker," zei Dik, die het wel grappig gevonden had, toen de bok
+zijn zoontje zoo onvriendelijk ontving.
+
+Hij maakte den bok los en bracht hem in den tuin. Eigenlijk was de
+tuin alleen bleekveld. Hij was rondom door schuren omringd, behalve
+aan den achterkant, waar zich een breede sloot bevond. Jantje mocht
+daar soms wel eens graag hengelen.
+
+Toen de bok den stal verlaten had en rondom zich het welige gras
+ontdekte, begon hij dadelijk te grazen. Jantje ging bij hem staan,
+en streelde hem met zijne hand langs den nek.
+
+Hij was méér dan blij met zijn verjaargeschenk; hij had wel kunnen
+gieren van blijdschap. De bok liet hem stilletjes begaan, ook toen
+Jan hem zijn arm om den hals sloeg.
+
+"Wat is hij mak, Vader," zei hij.
+
+"Ja, daar heb ik hem ook op gekocht," zei Dik. "'t Moet een mak beest
+zijn, en een flink looper."
+
+"Hè ja, nu moest ik ook nog een wagen hebben," zei Jantje
+begeerig. "Wat zou ik rijden."
+
+Vol teederheid liet hij zijn beide handen langs het lichaam van zijn
+bok glijden, en hij streelde het korte staartje. De bok scheen het in
+'t geheel niet onpleizierig te vinden, en deed niet anders dan eten.
+
+"Zou ik er zoo ook op kunnen rijden?" vroeg Jantje.
+
+"Wel ja, ik denk het wel," zei Dik. "Hij is sterk genoeg, en zal niet
+in tweeën breken."
+
+Dat vond Jantje heerlijk, en met een wip sprong hij op den bok. Maar
+deze vond het allesbehalve prettig. Hij sprong met zijn achterpooten
+in de hoogte, om Jantje van zijn rug af te gooien, en toen dat niet
+hielp, sprong hij met de voorpooten omhoog.
+
+Vader Dik schaterde het uit van de pret.
+
+"Houd je goed, Jantje", riep hij zijn zoontje toe. "Laat je niet van
+de vliegen steken!"
+
+"Be, bè, bè-è-è-è!" schreeuwde de bok nijdig. Het beest was meer dan
+kwaad. Opeens nam hij een grooten sprong, zoodat Jantje toch haast van
+zijn rug afviel, en zette het op een loopen. Met echte bokkesprongen
+holde hij het bleekveld over. 't Ging vliegensvlug, en Jantje vond
+'t razend prettig. Zijn Vader ook. Die moest er onbedaarlijk om lachen.
+
+De bok was echter op een hem onbekend terrein, en daar hij te kwaad
+was om goed uit zijn oogen te kijken, sprong hij opeens pardoes in
+de sloot. Dat gaf een plons van belang, en voor een oogenblik waren
+èn bok èn berijder onder 't water verdwenen.
+
+Toen lachte Dik niet meer. Integendeel, een hevige schrik maakte
+zich van hem meester, en hij ijlde naar den slootkant. Maar daar zag
+hij niets.
+
+Ja toch, er verscheen een hoofd boven water....
+
+Helaas, 't was de kop van den bok. 't Kroos zat hem aan de groote
+kromme horens.
+
+"B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!" blaatte hij angstig.
+
+"Jantje! Jantje!" schreeuwde Dik.
+
+Daar verscheen ook Jantje's hoofd boven de oppervlakte.
+
+"Vader, ... help, ... ik ... hik, hik, ... ik, hik verdrink!"
+
+Dik bukte zich en greep Jantje bij de haren.
+
+"B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!" schreeuwde de bok.
+
+Dik trok zijn zoontje op den wal. Daar stond het kereltje, druipend
+van het water.
+
+"O Vader, m'n bok! M'n bok!" jammerde Jantje.
+
+Dik boog zich nogmaals, en greep met beide handen de horens van den
+bok. 't Kostte hem echter vrij wat moeite om het beest op den wal te
+krijgen, doch het gelukte hem toch.
+
+Jantje werd naar binnen gestuurd, om droge kleeren aan te trekken,
+en de bok moest in den stal.
+
+Moeder Anneke was ook niet weinig geschrokken, want zij had het
+angstgeschreeuw duidelijk gehoord. Zij stond op,--want dat alles
+gebeurde zeer vroeg in den morgen--en hielp Jantje aan droge kleeren.
+
+De kleine vent stond te bibberen van de koû, maar hij was toch erg
+blij met zijn bok.
+
+"B-b-b-b-b--wat een b-b-b-b--mooie b-b bok, Moeder," zei hij opgetogen,
+terwijl de rillingen hem langs zijn mageren rug gingen. En zijn
+spillebeentjes trilden zoo erg, dat Jantje er haast niet op staan kon.
+
+"Dat was me daar 'n mooie geschiedenis!" zei Dik
+binnenstappende. "Jantje ging op den bok zitten, en daar sprong me
+dat beest pardoes in de sloot. 't Was een bespottelijk gezicht."
+
+"Leeft hij b-b-b-b-b-nog, Vader?" vroeg Jantje.
+
+"Of hij!" zei Dik.
+
+"Zou hij b-b-b-b--niet dood--b-b-b-b gaan?" vroeg Jantje, niet zonder
+eenigen angst, dat het koude bad zijn mooien bok kwaad kon hebben
+gedaan. En hij vervolgde:
+
+"Hè b-b-b-b, dat hemd is b-b-b-b-lekker warm, Moeder. Brrr, wat ben
+ik koud."
+
+"Ja, dat wil ik wel gelooven," zei Dik, "Je gaat ook direct weer naar
+je bed, om goed warm te worden, door en door warm."
+
+Jantje had daar wel niet veel ooren naar, maar het gebeurde
+toch. Enkele minuten later lag hij weer diep onder de wol. Daar werd
+hij al spoedig lekker warm, want zijn moeder had er nog een paar
+dekens extra bijgedaan.
+
+Lang hield Jantje het er echter niet uit. Een half uur later kreeg
+hij zijn Zondagsche pak aan en stapte hij naar buiten, om weer naar
+zijn bok te gaan kijken. Deze stond heel rustig bij den hit gemaaid
+gras te eten, en hij keek Jantje aan of hij zeggen wou:
+
+"Dat was een rare geschiedenis, hè Jan?"
+
+Jan kon zijn bok niet genoeg aankijken, zoo mooi vond hij hem.
+
+"He," dacht hij, "als ik nu een wagentje had en een tuig, dan was ik
+heelemaal klaar. Wat zou ik dan heerlijk rijden. Had ik vast maar een
+wagentje, dan zou ik zelf wel een tuig maken. Karel van Dril zal er me
+wel aan helpen.--Wacht, daar hoor ik Grootvader in zijn tuintje. Ik
+ga gauw naar hem toe, om het te vertellen, dat ik zoo'n mooien bok
+heb gekregen."
+
+Vlug begaf hij zich naar de woning van zijne grootouders. Zijn
+Grootmoeder kwam hem al tegemoet, en féliciteerde hem met zijn
+verjaardag. En ze zei:
+
+"Ga maar gauw mee naar Grootvader in den tuin."
+
+"En o, Grootmoê," zei Jan, "ik heb zoo'n prachtigen bok gekregen van
+Vader en Moeder, toch zòò mooi, o zoo mooi!"
+
+Grootmoeder sloeg van verbazing de handen in elkaar.
+
+"Een bok?" riep zij opgetogen uit. "Een echte, levende bok?"
+
+"Ja, ja, een echte levende bok, en we hebben samen al in de sloot
+gelegen ook. Ik zat boven op zijn rug, en toen vloog hij van kwaadheid
+de sloot in. Vind u het niet heerlijk, Grootmoe?"
+
+"Dat je in de sloot gelegen hebt?"
+
+"Neen, dat ik een bok heb," lachte Jantje. Samen gingen ze den tuin
+in, naar Grootvader.
+
+Deze kwam hem vroolijk lachend tegemoet.
+
+"Dag Jan, wèl geféliciteerd met je verjaardag."
+
+"Dank u, Grootvader!" schreeuwde Jantje, die wel wist, dat Grootvader
+hem anders niet verstond. "Ik heb een bok gekregen! O, zoo mooi. Gaat
+u mee kijken?"
+
+"Wat moet jij met eene klok doen, kind?" vroeg Grootvader, die zich
+hield, of hij hem niet verstaan had.
+
+"Neen, neen, geen klok, maar een bok!" schreeuwde Jantje.
+
+"Een bok? Wat heb je aan een bok, als je geen wagentje hebt?" ging
+Grootvader plagend voort. "Ik zou hem maar aan den slager verkoopen!"
+
+Jantje keek zijn Grootvader diep verontwaardigd aan.
+
+"Dat nooit!--Nooit, hoor Grootvader!" riep hij uit.
+
+Grootvader scheen hem echter niet te hooren. Hij stond in gedachten
+verdiept, en streek met zijn wijsvinger peinzend langs zijn
+neus. Eindelijk zei hij:
+
+"Wacht eens, Jan. Ik geloof, dat ik nog wat ouden rommel heb, waar
+misschien wel een wagentje van gemaakt kan worden. Ga maar eens mee
+naar 't schuurtje."
+
+"Dat zou mooi wezen, Grootvader," zei Jantje blij.
+
+De schuur werd geopend, en daar stond me zoo waar een prachtige
+bokkewagen kant en klaar. Grootvader had hem zelf getimmerd, heel
+stilletjes, zoodat Jantje er niets van gemerkt had. O, o, wat lachten
+Grootvader en Grootmoeder ondeugend.
+
+"Wel, hoe lijkt je dat, Jan? Vind je dat wagentje mooi?"
+
+Jantje werd beurtelings bleek en rood, want hij begreep wel, dat het
+wagentje voor hem was, en toch durfde hij het haast niet te gelooven.
+
+"Of ik het mooi vind?" stamelde hij met bevende lippen, "'t Is prachtig
+mooi, Grootvader, prachtig, prachtig mooi!"
+
+En meteen vloog hij Grootvader om den hals en kuste hem, dat het
+klapte, en toen kreeg Grootmoeder eene beurt. Zij bezweek er bijna
+onder.
+
+Jantjes vreugde kende geen grenzen. Hij nam het lemoen op, en trok
+het wagentje naar zijn huis, waar Vader en Moeder het dadelijk
+moesten zien.
+
+"Had ik nu nog maar een tuig," zei Jantje, "dan was ik heelemaal
+klaar. Ha, wat zou ik rijden!"
+
+"In de hangkast liggen nog wel een paar oude riemen," zei z'n
+moeder. "Daar is misschien, als Grootvader of Vader je helpen wil,
+nog wel een goed tuigje van te maken."
+
+"Oude riemen?" zei Jantje, "hebben wij nog oude riemen? Die zouden
+mij goed te pas komen."
+
+Hij deed de deur open. Zijne ouders stonden lachend naar hem te kijken.
+
+In plaats van een paar oude riemen zag Jantje tot zijne groote
+verrassing een prachtig bokketuig hangen, als een geschenk van
+zijne moeder.
+
+Hij slaakte een kreet van vreugde, nam het tuig uit de kast, en begon
+als een dolle door de kamer te springen.
+
+"Rinkinkeleking! Ringeling! Rinkinkeling-king!" klonk het. Dat kwam
+van de bellen, die met twee mooie pluimen op het tuig bevestigd waren.
+
+"Hoor eens! Hoor eens!" riep Jantje verrukt. "O, o wat mooi. O, ik
+weet zelf niet, hoe mooi het is. Nu den bok inspannen, Vader! Laten
+we hem dadelijk inspannen!"
+
+Dat gebeurde. De bok werd uit den stal gehaald en voor den wagen
+gezet. De tuigen werden hem omgehangen, en Jantje stapte in.
+
+"Waar is mijn zweep?" vroeg hij.
+
+"Hier," zei Dik. "Maar één ding mag je nooit vergeten: sla den bok
+niet, als het niet noodig is."
+
+"Slaan, Vader?" vroeg Jantje. "O neen, mijn bok sla ik niet. De zweep
+is alleen maar voor 't mooi. Huup bok! Allo!"
+
+Daar ging de bok, tot groote vreugde van Jantje, die in het wagentje
+zat als een kleine prins. Zijn ouders en grootouders keken hem lachend
+na, want zij vonden het bijna even prettig als Jantje zelf.
+
+"Als hij maar niet in de sloot rijdt!" zei zijne moeder, die wel een
+beetje bezorgd was.
+
+"Laat hem maar begaan," zei Dik met vadertrots. "Hij is mans genoeg,
+de kleine baas. Wat is 't een mooi stelletje, hè?"
+
+En grootvader zei:
+
+"Wil ik je eens wat zeggen, Dik? Jantje is ook een bizonder kind,--en
+dat is-ie."
+
+"Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou," lachte Dik.
+
+
+
+
+Zevende Hoofdstuk.
+
+ Hoe Jantje uit rijden ging, en bij slot van rekening een
+ dwaze vertooning maakte.
+
+
+Wat reed Jantje heerlijk. Zijn bok stapte parmantig over den weg,
+met den kop fier opgeheven, en Jantje hield de leidsels in de eene en
+de zweep in de andere hand. De pluimen op den rug van den bok wuifden
+sierlijk heen en weer, en de bellen rinkelden zoo mooi, dat het een
+lust was om te hooren.
+
+Eerst reed Jantje natuurlijk naar zijn vriendje Karel van Dril, en die
+keek zijne oogen uit naar 't mooie spannetje. Hij was er jaloersch op,
+maar hij gunde het Jantje toch wel. En zijn vader, de smid Piet van
+Dril, kwam ook naar buiten, om het mooie span te bewonderen.
+
+"Dat is een prachtig stelletje, Jan!" zei hij, nadat hij Jantje
+gefeliciteerd had. "De bok is mooi, de wagen is mooi, het tuig is
+mooi, en het koetsiertje is ook mooi."
+
+"Alleen een beetje mager," zei Jan Vos, de metselaar, die juist
+voorbij liep.
+
+"Mag ik met je meerijden?" vroeg Karel. "Toe zeg, schik een eindje om,
+dan kom ik naast je zitten."
+
+Dat gebeurde, en de twee vrienden reden verder.
+
+Al spoedig hadden zij heel wat jongens om hen heen, die het allen een
+mooi gerij vonden. En allen vroegen om de gunst, of zij ook eens een
+eindje mochten rijden.
+
+"Toe Jan, mag ik ook eens?" vroeg de een.
+
+"Neen zeg, laat mij dan liever," zei een ander. Jan antwoordde niet
+veel, want hij wist wel, dat daar geen beginnen aan was. Hij kon alle
+jongens van het dorp toch niet bij zich in het karretje nemen.
+
+Maar de jongens werden er niet boos om. Zij begrepen zelf wel, dat
+het niet ging, en vonden het al prettig met den bok mee te loopen.
+
+"Huup sik! Huup sik!" riepen de jongens. Maar de bok had zijn eigen
+willetje en liet zich niet voortjagen. Hij stapte met krachtigen tred
+verder, zonder zich aan het roepen van de jongens te storen.
+
+Dicht bij de school kwamen zij Klaas Zwart tegen met diens vriendje
+Frans Thor. De jongens hielden niet van hen en gingen liever niet
+met hen om, want 't waren twee vervelende jongens.
+
+Zij hadden altoos ontzaglijk veel praats, konden niemand ongemoeid
+passeeren, wierpen winkeldeuren open, trokken onnoodig bij de menschen
+aan de schel, en plaagden, waar zij maar plagen konden. Aan Klaas
+Zwart had Jantje al een hekel gehad, zoolang hij hem kende, omdat hij
+een klikspaan was. Frans Thor was later op het dorp komen wonen. Hij
+was een verwaarloosde ruwe jongen, die geen moeder had en met zijn
+vader samen in een huisje woonde. Zijn vader was soldaat in Indië
+geweest, en leefde van een pensioentje. Hij deed zijn huishouden zelf,
+veegde zelf den vloer, kookte zijn eigen potje, en maakte zelf de
+bedden op. Om de opvoeding van Frans bekommerde hij zich bizonder
+weinig. Algemeen stond hij bekend als een pochhans, die wel heel
+veel wist te vertellen van zijn heldendaden in Indië, maar die er
+zooveel bij jokte, dat hij door niemand werd geloofd. En Frans jokte
+ook niet zoo'n beetje. Al spoedig had hij op het dorp geen vriendje
+meer kunnen krijgen, en daar Klaas Zwart in hetzelfde geval verkeerde,
+liepen ze meestal samen. En ze deden gewoonlijk niet veel goeds.
+
+Zoodra zij den bok van Jan in 't oog kregen, kwamen zij haastig
+toeloopen, elk met een stok in de hand.
+
+"Wel heb ik van m'n leven!" riep Frans uit. "Kijk Jan Trom eens
+geuren! Huup Sik, allo, vooruit!"
+
+Maar de bok stoorde zich aan dat bevel niet, en bleef kalmpjes
+doorstappen. Hij hief den kop eventjes op, en keek Frans aan.
+
+"'t Is het bokje wèl!" ging Frans voort. "Hij loopt niet harder dan
+een slak. Zeg Jan, je moet hem eens met de zweep kietelen, dan zal
+hij wel beter voortmaken."
+
+"Hij loopt hard genoeg," zei Jan. "Toe bok, vooruit!"
+
+"'t Is een oud, afgeleefd beest!" zei Klaas Zwart smalend. "Hij heeft
+de rumathiek in zijn pooten."
+
+"Als jij maar niet de rumathiek hebt," gaf Jan beleedigd ten
+antwoord. "Hij kan harder loopen dan jij."
+
+"Ha, ha!" lachte Klaas. "Zoo'n stijve huut. Je moet hem smeren met
+machine-olie; zijne botten zijn wat stijf."
+
+"Met stok-olie!" zei Frans Thor grinnekend, terwijl hij den bok een
+klap met zijn stok op den rug gaf.
+
+De bok ging op zijn achterpooten staan.
+
+Jan werd wit van kwaadheid, en Karel van Dril zei:
+
+"Wil jij met dien stok wel eens van hem afblijven, of ik zal je met
+datzelfde houtje je portie geven."
+
+Die bedreiging hielp voor een poosje. Maar nu gingen Frans en Klaas
+van achteren tegen het karretje duwen, zoodat de bok gedwongen werd
+op een draf te loopen. De andere jongens hielden zich een beetje op
+een afstand, want ze waren bang voor de twee plaaggeesten, vooral
+voor Frans Thor, die een paar jaar ouder was.
+
+Jan hief zijn zweep op, en wilde de jongens dwingen de kar los te
+laten. Maar Frans greep de zweep onverwachts aan, en rukte haar Jan
+uit de handen.
+
+"Wat denk jij wel, magere sprinkhaan," zei hij sarrend. "Denk je soms,
+dat ik bang voor je ben? Voor geen tien zulke kereltjes als jij. Ho,
+bok, ho!"
+
+De bok liep echter door, en daarom hielden Frans en Klaas de kar zoo
+hard zij konden tegen.
+
+Jan keerde zich driftig om.
+
+"Laat je de kar los!" riep hij hun toe. "Laat los, zeg ik je, of ik
+sla er op!"
+
+De twee plaaggeesten lachten hem smakelijk uit. Karel van Dril was
+zijn drift ook niet langer meester, en wilde van de kar stappen. Maar
+Jan hield hem tegen.
+
+"Hier," zei hij, "houd jij de leidsels even vast."
+
+Vlug sprong hij uit de kar, en nog voor Frans er op verdacht was, vloog
+Jan op hem aan. Deze zag wit van kwaadheid. Met eene vlugge beweging
+rukte hij hem de zweep uit de hand, en in 't volgende oogenblik had
+Frans een geduchten striem dwars over zijn gelaat te pakken.
+
+Klaas Zwart zag, dat het ernst werd en maakte, dat hij op een
+eerbiedigen afstand kwam, want hij was laf van aard. Maar Frans
+niet. Deze was de grootste en sterkste, en de zweepslag had
+hem vreeselijk nijdig gemaakt. Hij kon een kreet van pijn niet
+onderdrukken, en de tranen sprongen hem in de oogen. Woest viel hij
+op Jan aan, die de zweep alweer opgeheven had, om hem een tweeden
+striem te geven.
+
+"Laat de kar los, zeg ik je!" riep hij Frans toe.
+
+"Dat zal ik," antwoordde Frans, en hij greep Jan met beide handen
+aan. Jan liet zijne zweep op den grond vallen, om zich beter te
+kunnen verweren.
+
+"Geef hem zijn portie, Frans!" schreeuwde Klaas Zwart uit de
+verte. "Als je 't alleen niet afkunt, zal ik je wel komen helpen."
+
+"Daar moest je 't hart eens toe hebben," riep Karel van Dril
+terug. "Dan krijg je 't met mij te doen."
+
+De twee jongens waren geducht met elkaar aan 't worstelen, en iedereen
+dacht, dat Frans het gemakkelijk winnen kon, omdat hij zooveel ouder
+en sterker was, maar Jantje was de vlugste. Hij wist al spoedig
+tusschen Frans' armen door te glippen, liet zich vliegensvlug op
+zijne knieën vallen, greep Frans bij de beenen, en liet hem in een
+ommezien een buiteling maken. Daar lag Frans lang-uit op den grond,
+tot groot vermaak van de jongens, die hem zijne smadelijke nederlaag
+van harte gunden.
+
+"Ha, ha, daar ligt de praatsmaker!" riepen ze juichend. "Waar blijf
+je nu met je praats?"
+
+Jan nam den stok van Frans en gaf hem een geducht pak slaag, veel
+te hard naar den zin van Frans, die schielijk overeind kroop, en
+beenen maakte.
+
+Wat werd hij uitgelachen! En wat hadden de andere jongens een pret.
+
+Maar Klaas Zwart en Frans Thor lachten niet, en Frans was niet van
+plan den strijd op te geven.
+
+Jan stapte weltevreden over de behaalde overwinning weer in zijn
+karretje, nam de leidsels van Karel over, en zei:
+
+"Huup bok! Vooruit maar weer.--Dat viel Frans Thor niet meê, hè
+Karel? Wat heeft hij gehad!"
+
+"En wat buitelde hij lekker over den grond," grinnikte Karel
+vroolijk. "Zij zullen wel niet spoedig terugkeeren."
+
+Dat had hij echter mis.
+
+Frans en Klaas stonden eerst van uit de verte een poosje te schelden.
+
+"Magere sprinkhaan!" schreeuwde Frans.
+
+"Panlat!" smaalde Klaas.
+
+Maar langzamerhand kwamen zij naderbij. Zij liepen al scheldend een
+eindje voor den bok uit.
+
+"Hij is zoo oud als je grootvader!" schreeuwde Klaas.
+
+"Verkoop hem aan den slager!" zei Frans. "Die kan misschien nog worst
+van hem hakken."
+
+"Niets terugroepen, Jan," raadde Karel aan. "Dan hebben zij er het
+minste pleizier van."
+
+De afstand tusschen den bok en de twee scheldende jongens werd
+voortdurend kleiner. De bok stapte flink, de pluimen op zijn rug
+wapperden prachtig, en de bellen rinkelden helder en luid. Jantje
+genoot méér, dan hij zeggen kon. 't Verveelde hem echter geducht,
+dat die twee akelige jongens vlak voor zijn bok bleven loopen. Dat
+vergalde zijn genoegen. En zij hielden niet op, den gek met zijn bok
+te steken, wat hem erg griefde.
+
+Klaas Zwart ging eindelijk vlak voor den bok loopen. Dan liep hij
+erg kreupel en met kromme beenen, en riep voortdurend:
+
+"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!"
+
+De bok lichtte zijn kop op en keek den jongen nijdig aan. 't Scheen
+wel, of hij begreep, dat die jongen hem voor den gek hield.
+
+"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è! schreeuwde Klaas plagend. "O, wat heb ik 'n
+rumathiek in mijn pooten. Bè-è-è-è!"
+
+De bok schudde den kop, en riep ook:
+
+"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!"
+
+"Zie je wel, hij is het met mij eens!" grinnikte Klaas, die met kromme
+beenen en in een gebogen houding voor den bok uitliep.
+
+Plotseling schoot de bok op een drafje vooruit, wat zoo overwachts
+gebeurde, dat Jan en Karel bijna achterover uit de kar sloegen. Daarop
+sprong de bok op zijn achterpooten overeind, en gaf Klaas zoo'n
+geduchten stomp in zijn rug, dat deze voorover op den weg tuimelde.
+
+"Au, au, au, o, wat is dat!" schreeuwde Klaas.
+
+"Bom!" daar drukte de bok hem nog eens met kracht zijne horens in
+den rug.
+
+"Au, au, o, o, au!" jammerde Klaas.
+
+Op handen en voeten poogde hij zich te redden.
+
+"Bom!"
+
+De bok drukte hem nogmaals plat op den grond.
+
+Klaas zag doodsbleek van den schrik. Hij spartelde met armen en beenen,
+en schreeuwde moord en brand.
+
+Jan en Karel vielen haast uit de kar van het lachen, 't Was dan ook
+een bespottelijk gezicht.
+
+Klaas wist geen raad van angst en pijn.
+
+"Help!" riep hij. "Frans, help,--help! Hij maakt me dood!"
+
+Hulp was echter niet meer noodig, want de bok hield uit eigen beweging
+met zijn afstraffing op. Hij dacht zeker, dat Klaas het er zóó wel
+meê doen kon. Zonder zich aan de leidsels te storen, keerde hij om,
+en stapte bedaard verder in de richting van Jan's huis. Dat was
+maar goed ook, want het werd tijd, dat Jantje naar huis ging om te
+ontbijten. 't Was al over achten, en om negen uur begon de school.
+
+Jan en Karel schoten telkens nog in een lach, als zij aan het malle
+figuur van Klaas dachten.
+
+"Hij zal nu wel ondervonden hebben, dat de bok niet rumathiekerig is,
+en dat hij nog kracht in zijne horens heeft," meende Jantje, en dat
+was Karel volkomen met hem eens.
+
+En wat Vader Dik lachen moest, toen hij het hoorde.
+
+"'t Is bepaald een verstandige bok," zei hij tegen Jan. "Hij begreep
+wel, dat die jongen hem voor den gek hield. Maar voortaan zal Klaas
+Zwart hem wel uit de voeten blijven."
+
+"Dat denk ik ook," zei Jan.
+
+Den geheelen dag op school moest hij, of hij wilde of niet, aan zijn
+mooien bok denken, en aan het leuke karretje, dat zijn grootvader
+voor hem getimmerd had, en aan het prachtige tuig met de pluimen en
+de rinkelbellen, en de meester had een onoplettenden leerling aan hem,
+wat hij niet van hem gewoon was. 't Scheelde dan ook maar een beetje,
+of hij had zoowel 's morgens als 's middags school moeten blijven. Bij
+'t rekenen maakte hij meer dan de helft van de sommen fout, en bij
+'t lezen wist hij niet, waar hij beginnen moest.
+
+De meester werd eindelijk knorrig op hem.
+
+"Jij moest beter opletten, Jantje, anders worden wij kwade vrienden."
+
+Jan zat toevallig naast Klaas Zwart, en hij kon den jongen, niet
+aankijken, zonder te lachen.
+
+"Heb je nog pijn in je rug?" vroeg hij fluisterend.
+
+Klaas keek hem aan als een nijdige spin.
+
+"Zou het misschien rumathiek kunnen wezen?" plaagde Jantje.
+
+"Magere sprinkhaan! Panlat!" siste Klaas tusschen de tanden, en
+telkens voelde hij aan z'n rug, die geducht pijn deed.
+
+"Stilte daar!" gebood de meester. "Ik geloof, dat er een paar jongens
+zijn, die graag willen nablijven."
+
+Zoover kwam het echter niet, en om vier uur mocht Jantje naar
+huis. Karel holde met hem meê, dat spreekt van zelf. Kwart over vieren
+stond de bok alweer voor de kar. De beide vrienden namen plaats, en
+daar ging het heen. De bok stapte weer even deftig als 's morgens,
+en hij keek eigenwijs om zich heen, de bellen rinkelden en de pluimen
+wapperden. De jongens vonden het prachtig, en zij reden het heele dorp
+door. 't Bleek een prettig dier te zijn. Als de jongens even uit de kar
+stapten, om naar een vink te zoeken, die zij hoorden fluiten in het
+riet aan den kant van het kanaal, bleef hij geduldig wachten. Alleen
+ging hij een weinigje zijwaarts, om op den berm wat gras te eten.
+
+Een eindje voorbij de Roomsche kerk, die aan het einde van het dorp
+stond, was de timmerwinkel van baas Meijer, bij wien Jans grootvader
+vroeger gewerkt had. Naast den winkel stond een kleine houtzaagmolen,
+want Meijer zaagde zijn hout zooveel mogelijk zelf. Er lag dan ook
+altoos vóór dien molen in het kanaal een vlot balken in voorraad,
+en op die balken gingen de jongens dikwijls spelen. Menigeen had
+daar al een paar natte voeten gehaald, en sommigen zelfs een nat
+pak. Want die balken waren maar losjes aan elkander verbonden, en
+het gebeurde dikwijls, dat zij omkantelden, als de jongens er over
+liepen. Er behoorde dan ook heel wat behendigheid toe, om geheel
+droog te blijven, als zij er op speelden.
+
+Toen de jongens de houtzagerij bereikt hadden, zei Karel:
+
+"Zeg Jan, willen we eventjes balkje-loopen? Dat is zoo lekker."
+
+Daar had Jantje wel zin in.
+
+"Zou de bok blijven staan?"
+
+"Wel ja,--de bok loopt niet weg. En al was dat zoo, dan kunnen we
+hem toch gemakkelijk genoeg inhalen."
+
+"Dat is zoo," zei Jan.
+
+De jongens stapten uit de kar. Jan keerde den bok om en bracht hem
+op een plaatsje, waar veel gras en klaver groeide.
+
+"Daar staat hij heerlijk!" zei hij.
+
+Toen gingen de jongens op het vlot, en wipten van den eenen balk op
+den anderen. Soms stonden zij met de armen om elkaars hals geslagen
+op het einde van een balk, die dan door hun zwaarte langzaam onder
+water zonk. Maar vóórdat het water hun voeten bereikte, sprongen zij
+vlug naar het hooger gelegen deel van den balk.
+
+En dan lachten zij luidkeels van de pret.
+
+Dat deden zij ook, als een van de balken onder hunne voeten omkantelde,
+want dan moesten zij zich door vlugge sprongen redden.
+
+Jantje was een echte waaghals. Dat kwam, omdat hij verbazend lenig
+was en nog nooit een ongeluk had gehad.
+
+"Ik moet een beetje voorzichtig wezen," zei hij wijs tegen Karel.
+
+"Waarom?" vroeg deze.
+
+"Wel, ik heb mijn Zondagsche pak aan, doordat ik van morgen vroeg
+kopje-onder in de sloot gelegen heb. En als ik nu met mijn mooie
+pak weer in 't water viel, zou Moeder me zien aankomen, dat begrijp
+je. Jongen, wat zou ik er van lusten!"
+
+"Nou, dat snap ik," zei Karel.
+
+En nauwelijks had hij dat gezegd, of hij merkte, dat zijn paal
+omkantelde en dat hij dus veel kans had, naar beneden te rollen. Met
+een vlugge beweging sprong hij op den balk, waarop Jan stond, maar
+door den schok kantelde deze ook.
+
+Plomp! Daar zakte Jantje tot aan zijn middel in het kanaal. Karel
+viel achterover op het vlot, zoodat hij vrij droog bleef.
+
+"O wee!" schreeuwde Jantje, met groote oogen van schrik en angst. Hij
+had zijn arm nog om den paal geslagen.
+
+Vlug als hij was, hief hij zich met kracht in de hoogte, en in 't
+volgende oogenblik stond hij weer op het vlot. 't Water droop hem
+uit zijne Zondagsche broek langs zijne dunne beentjes naar beneden.
+
+Karel schaterde het intusschen uit van pret.
+
+Maar Jantje lachte in 't geheel niet. Hij stapte zonder een woord
+te spreken van het vlot af op den kant, en keek zwijgend naar zijn
+natte broek.
+
+Karel kwam bij hem.
+
+"Wat zat je daar koddig met je hoofd boven dien paal uit!" zei hij
+lachend. "Ik wou, dat je het gezien hadt."
+
+"Ik vind het heelemaal niet koddig!" zei Jantje. "Ik kan me niet
+begrijpen, dat je dit nou zoo grappig vindt. Zeg Karel, ik durf zoo
+niet naar huis toe, hoor."
+
+"O, ik weet wel raad," zei Karel. "Trek allebêi je broeken uit en je
+kousen. Dan neem jij het eene einde en ik het andere, en we draaien
+in tegengestelde richting. Op die manier wringen wij al het water er
+uit, en dan is het dadelijk droog."
+
+"Is het waar?" vroeg Jantje, met een flikkering van hoop in zijn oogen.
+
+"Stellig!" zei Karel. "Vader heeft wel eens verteld, dat hij het ook
+deed, toen hij nog een jongen was. Trek maar uit."
+
+Dat deed Jantje, en al spoedig stond hij met bloote beenen in
+het gras. Toen gingen de twee jongens aan het wringen. Eerst de
+onderbroek. Karel nam het bovengedeelte en Jantje de pijpen. Karel
+draaide van rechts naar links, en Jantje van links naar rechts. En
+zij waren zoo in die bezigheid verdiept, dat zij niet zagen, dat
+Frans Thor en Klaas Zwart naderden, ieder weer met een stok in de
+hand en niet veel goeds in den zin.
+
+Deze twee hadden gezien, wat er gebeurd was, en daar zij nog boos
+waren over de nederlaag, die zij 's morgens hadden geleden, besloten
+zij wraak te nemen.
+
+Aan den anderen kant van den weg slopen zij zooveel mogelijk ongemerkt
+nader, en kwamen meer en meer bij de plaats, waar de bok rustig stond
+te grazen.
+
+Juist waren Jan en Karel met de onderbroek klaar gekomen, die zij
+op het gras uitspreidden om te drogen, toen de twee vijanden met
+een woesten kreet opsprongen, vlak achter den bok, die er geweldig
+van schrikte. En dat werd nog erger, toen de jongens hem met hunne
+stokken hard op den rug sloegen, en schreeuwden:
+
+"Huup bok, huup bok! Allo! koesssss!"
+
+De bok zette het verschrikt op een loopen, het dorp in. Hij holde
+voort, zoo hard hij kon. Van bokkendeftigheid was bij hem geen sprake
+meer, hij holde voort als een wild paard.
+
+"Koesssss! Koesssss!" schreeuwden Frans en Klaas hem na.
+
+"Dát is gemeen!" riep Jan verschrikt en verontwaardigd uit, en zonder
+te bedenken, dat hij geen broek aan had, sprong hij op, en ijlde zijn
+bok na.
+
+Maar deze was hem een geducht eind voor, en rende al midden in het
+dorp. Jantje liep wat hij loopen kon, om hem in te halen.
+
+De menschen bleven lachend staan, om de twee hardloopers na te
+kijken. 't Was dan ook een dwaas gezicht, dien bok te zien hollen,
+met de rinkelende bellen en de wapperende pluimen op zijn rug, terwijl
+de leidsels langs de kar zwierden, maar nog veel maller was het Jantje
+te zien, die zonder broek zijn bok naholde.
+
+Jantje met zijne dunne beentjes liep het hardst. De keisteentjes deden
+wel pijn aan zijne bloote voeten, maar hij voelde het niet, en dat de
+menschen om hem lachten, merkte hij evenmin. Hij dacht maar alleen aan
+zijn mooien bok. Tot zijn vreugde bemerkte hij, dat hij op hem won, en
+dat hij hem misschien nog kon inhalen, voordat hij de brug had bereikt.
+
+Plotseling echter zag hij, dat de bok gegrepen werd. Iemand met
+een mandje aan den arm sprong op den weg, en greep den bok bij den
+teugel. Daar was Jantje blij om, tot hij opeens zag, dat die man zijn
+vader was.
+
+"Hei, hei, wat is dat voor een malle vertooning?" riep Dik zijn
+zoontje toe, die hijgend bij den bok stond.
+
+"De jongens hebben hem op hol gejaagd, Vader," zei Jantje, die zijn
+vader een beetje uit de voeten bleef.
+
+"Maar hoe komt het, dat jij hier zonder broek langs den weg rent?" ging
+Dik voort.
+
+Jantje zweeg.
+
+"Allo, spreek op, mannetje. Waar zijn je broeken, en je kousen en
+je klompen?"
+
+"O Vader, ik had ... ik ... ik was ... ik ... had ... ik ..."
+
+"Ik had en ik was en ik was en ik had!" viel zijn Vader in. "Ik was
+een ondeugende jongen en ik had een pak slaag verdiend, wil je zeker
+zeggen, hè?"
+
+Jantje deed een paar stappen achteruit.
+
+"Spreek op, Jantje, wat is er gebeurd?"
+
+"Ik was in 't kanaal gevallen, Vader, en omdat ik mijn Zondagsche
+broek aan had, dorst ik niet thuis te komen, en toen..."
+
+"En toen?"
+
+"Toen hebben Karel en ik mijn broek uitgewrongen, maar toen hebben
+Frans Thor en Klaas Zwart den bok op hol gejaagd..."
+
+"En toen ben jij den bok achterna gehold?" vroeg Dik, en opeens
+begon hij er smakelijk om te lachen, want hij vond het een koddige
+geschiedenis.
+
+"Dat is tweemaal vandaag, Jantje!" zei hij. "Pas maar op, dat je er
+niet voor den derden keer invalt. Vooruit, stap in de kar en haal je
+kleeren. En ik zou dat wringen verder maar aan Moeder overlaten. Je
+gaat direct naar huis, hoor."
+
+"Ja Vader," zei Jantje, die blij was, dat het zoo goed afliep. "Maar
+van Frans en Klaas is het een gemeene streek."
+
+"Dat is het," zei Dik.
+
+Jantje stapte in de kar en reed naar het vlot terug, waar Karel op de
+natte plunje paste. Jan kleedde zich weer behoorlijk aan, en reed naar
+huis terug. Zijn Moeder vond de geschiedenis lang zoo grappig niet als
+Vader Dik, maar omdat Jantje jarig was, liep alles nog al goed voor
+hem af. Hij kon zijn daagsche pakje weer aantrekken, dat intusschen
+gedroogd was, maar met den bok mocht hij dien avond niet meer rijden.
+
+
+
+
+
+Achtste Hoofdstuk.
+
+ Jantje krijgt het met Flipsen te kwaad, en dankt aan zijne
+ magere leden zijne redding uit een dreigend gevaar.
+
+
+Hoe ouder Jantje werd, des te meer gingen zijne kameraden van hem
+houden. Dat was volstrekt geen wonder, want hij was een aardige
+jongen met een goed hart. Van alles wat slecht en leelijk was,
+had hij een afkeer, en als sommige jongens nog wel eens iets deden,
+waarvan groote menschen last of schade ondervonden, deed hij nooit
+meê. Eénmaal had hij appelen gestolen in den tuin van Wobbe, waar de
+jongens dikwijls heengingen om vruchten weg te nemen, want Wobbe had
+een grooten boomgaard, waarin heel veel lekkers groeide. Jantje had
+er nog nooit aan meêgedaan, maar eindelijk liet hij zich overhalen
+om ook meê te gaan. 't Was op een herfstavond en ruw weer. De jongens
+slopen stilletjes naar de boerderij van Wobbe, die een eindje buiten
+het dorp lag, en sprongen na elkander over de sloot. Zoo kwamen zij
+in den boomgaard.
+
+Maar Wobbe had zich met een paar knechts verdekt opgesteld, want
+dat appelen stelen begon hem geducht te vervelen. Hij had Flipsen,
+den veldwachter, wel gewaarschuwd, maar die werd een dagje ouder en
+maakte er niet veel werk van.
+
+"Als je een van de dieven snapt, breng je hem maar bij me, dan zal ik
+hem wel mores leeren," had hij gezegd. En hij had er aan toegevoegd:
+"zelf zal ik ook wel een oogje in 't zeil houden."
+
+Wobbe was daarom besloten, zelf de handen uit de mouwen te steken,
+en had zich met zijne knechts op verschillende plaatsen in den
+boomgaard verscholen.
+
+Zij hadden er nog niet lang gezeten, toen zij de jongens hoorden
+komen. Zij merkten duidelijk, hoewel zij nog niemand zagen, dat
+de jongens over de sloot sprongen. Wobbe en zijne knechts bleven,
+waar zij waren. Hunne afspraak was, de jongens tot midden in den
+boomgaard te laten komen, en hen dan plotseling van drie kanten
+tegelijk te bespringen.
+
+Jantje voelde zich in 't geheel niet op zijn gemak, en toen alle
+jongens al over de sloot waren, stond hij nog weifelend op den weg.
+
+"Pssst! Pssst!" hoorde hij zacht roepen, 't Was de stem van Karel
+van Dril. "Kom maar hier, Jan, alles is veilig."
+
+"O ja," zei een ander, "kom maar gerust. Bij Wobbe brandt het licht
+in de huiskamer. Er is niet het minste gevaar."
+
+Jan kwam nader en sprong ook over de sloot.
+
+De jongens gingen behoedzaam verder den boomgaard in.
+
+"Hier!" riep er een. "Kijk eens, wat een prachtige appelen! De boom
+zit propvol!"
+
+"Hier ook," riep Karel van Dril een eindje verder. "Kom hier, Jan,
+hier zijn peren."
+
+Eerst waren de jongens bang en keken schuw rond, of er geen gevaar
+dreigde, maar toen alles stil bleef, steeg hun moed, en liepen zij
+brutaal tot midden in den boomgaard.
+
+Frans Thor en Klaas Zwart waren de brutaalsten. De jongens gingen
+weinig of nooit met hen om, maar soms sloot het tweetal zich ongevraagd
+bij hen aan, en dan waren zij moeilijk te weren.
+
+Frans had een stok bij zich en sloeg er mede tegen de takken. De
+appelen vielen naar beneden.
+
+Maar hij kreeg geen tijd om ze op te rapen, want opeens werden zij
+van drie kanten tegelijk besprongen.
+
+"Voorwaarts! Grijpt de dieven!" klonk de stem van Wobbe. Deze was
+een groote, sterke boer met harde handen.
+
+Verschrikt vlogen de jongens uit elkaar. De een ijlde hier-, de ander
+daarheen. Klaas Zwart haastte zich zoo, dat hij in de sloot viel. Tot
+aan zijn hals toe zakte hij in het water. Karel van Dril sprong over
+de sloot, Frans Thor ook, Gerrit Kikke en Piet Vos kwamen er met
+natte voeten af, maar Jantje, die eerst niet wist, wat er gebeurde,
+liep den verkeerden kant op, en vloog precies boer Wobbe in de armen.
+
+"Loopen! Loopen, jongens!" riep Frans Thor.
+
+Een van de knechts sprong over de sloot, en riep:
+
+"Wij zullen eens zien, wie 't hardst kan loopen, kereltje!"
+
+En hij liep Frans zoo hard hij kon achterna.
+
+Dat werd een wedren van belang, want Frans was vlug ter been, maar de
+knecht nam veel grootere stappen. Frans hoorde zijne stappen hoe langer
+hoe dichter achter zich. Eindelijk voelde hij zich bij den kraag van
+zijn jas grijpen. Hu, wat kneep die knecht. Frans werd bijna geworgd
+maar toch wrong hij zich nog als een aal, om los te komen. Dat gelukte
+hem echter niet. De knecht gaf hem een geducht pak slaag, en joeg hem
+voor zich uit, terug naar de boerderij. Daar beleefde Jantje intusschen
+ook geen prettige oogenblikken, want Wobbe trok hem aan zijne ooren
+in de hoogte, tot zijn gezicht vlak voor dat van den boer gekomen was.
+
+Jantje gierde van de pijn!
+
+"Ha zoo, kereltje, wat ben jij licht!" zei de boer met een boozen
+lach. "Jij bent te dun om appelen te eten, manneke. Hoe heet jij?"
+
+"Au, au!" schreeuwde Jantje, die spartelde als een mager varken.
+
+"Heet jij au-au?" lachte de boer. "Magere langbeenige mug!"
+
+"Au! Au!" huilde Jantje.
+
+"Heet jij au-au?" herhaalde de boer driftig.
+
+"Neen, au neen, ik heet Jan Trom! Au, au, laat me los asjeblieft!"
+
+"Zoo, heet jij Jan Trom," zei de boer. Hij liet Jantje weer zakken,
+tot hij op den grond stond, legde hem toen over zijne knie, en gaf
+hem een geducht pak voor zijn broek.
+
+'t Werd een warme geschiedenis voor Jantje, want de handen van den
+boer waren nog veel harder, dan hij ze zich voorgesteld had. Zoo'n
+pak slaag had hij nog nooit van zijn leven gehad, en hij vreesde,
+dat er geen stuk van hem heel zou blijven.
+
+Eindelijk liet Wobbe hem los.
+
+"En maak nu, dat je wegkomt!" bulderde Wobbe hem toe, "of ik breng
+je nog bij Nero in het hondenhok. Die houdt wel van kluifjes, al zijn
+ze mager."
+
+Dat liet Jantje zich geen tweemaal zeggen. Hij liep wat hij loopen
+kon, en 't viel hem meê, dat het nog zoo goed ging, want hij dacht
+niet anders, of de boer had hem zijne beenderen stuk geslagen. Hij
+haastte zich zoo om over de sloot te komen, dat het maar zus of zoo
+scheelde, of hij kwam in het water terecht. Maar dat liep gelukkig
+nog goed af. En toen vloog hij naar het dorp terug. Zijn rooftocht
+was hem bitter slecht bevallen.
+
+Even later hoorde hij de noodkreten van Frans Thor, die door den boer
+en zijn knecht onderhanden werd genomen. Jantje liep dientengevolge
+nog harder.
+
+"Hij lust er ook van!" mompelde Jantje, die in ijlende vaart
+voortholde, "hu, wat slaat die boer hard. Hoor Frans eens schreeuwen."
+
+Na een poosje haalde hij Klaas Zwart in, die zoo hard niet loopen kon,
+omdat hij tot aan zijn hals toe in de sloot gezeten had. Klaas huilde,
+want hij stelde zich de ontvangst thuis ook niet erg vriendelijk voor.
+
+Jantje ging regelrecht naar huis met het stellige voornemen nooit
+meer appelen of peren te stelen. En 's avonds wreef hij meermalen
+over zijn broek, omdat hij zoo'n pijn had.
+
+De zaak was echter nog niet uit, want Wobbe vertelde den volgenden
+dag aan Flipsen, den veldwachter, welk eene gelukkige vangst hij
+had gehad, en gaf hem de namen der schuldigen op. Zoo kwam het, dat
+Flipsen den winkel van Trom binnenstapte, waar Dik juist bezig was
+een paar klanten te helpen.
+
+Flipsen had altoos nog een kijkje op Dik, want hij was nog niet
+vergeten, wat Dik in zijn jeugd voor streken had uitgehaald.
+
+"Goeden avond, Dik!" zei hij.
+
+"Dag Flipsen," was het antwoord. "Wat is er van je dienst?"
+
+"Niet veel moois, man. Ik kom je waarschuwen, dat je wel wat beter
+op je zoontje mag passen, want 't is erg, zooals hij op het dorp
+huishoudt."
+
+"Zoo, zoo," zei Dik verwonderd en ook een beetje ongeloovig want hij
+had nog nooit gemerkt, dat Jantje veel kwaad deed. "Is het zóó erg,
+Flipsen? Wat heeft hij uitgevoerd! Jantje is anders zoo kwaad niet."
+
+Dik werd wel een beetje boos over den lompen uitval van Flipsen.
+
+"Dat zeggen alle vaders en moeders van hunne kinderen," hernam
+Flipsen. "Van hun eigen kinderen kunnen zij nooit kwaad hooren,
+vooral wanneer ze zelf ook nooit gedeugd hebben."
+
+Dik werd nu erg boos.
+
+"Wou je zeggen, dat _ik_ nooit gedeugd heb?" vroeg hij driftig,
+en hij zwaaide zoo heftig met den strooplepel,--want hij was juist
+bezig een vrouwtje aan een pond stroop te helpen,--dat Flipsen een
+flinken lik van dat goedje op de mouw van zijn jas kreeg.
+
+"O, neem me niet kwalijk, dat is bij ongeluk," zei Dik.
+
+"Bij ongeluk! Bij ongeluk!" schreeuwde Flipsen verontwaardigd. "'t
+Is een schandaal! En ik zal proces-verbaal tegen je opmaken, wegens
+beleediging van een politieman in dienst!"
+
+Hij haalde zijn zakdoek te voorschijn om de stroop weg te vegen, en
+maakte de zaak daardoor nog veel erger. De stroop kwam nu bijna over de
+geheele mouw. En Flipsen was altijd zoo keurig netjes op zijn uniform.
+
+"Asjeblieft, juffrouw," zei Dik. "Wenscht u nog iets?"
+
+"Neen," zei de vrouw, die haar lachen haast niet kon houden.
+
+"Ik zeg," schreeuwde Flipsen, "dat je wel wat op je lieve Jantje mag
+passen, of hij raakt nog in 't hok. Gisterenavond heeft hij appelen
+en peren gestolen in den boomgaard van Wobbe, en dat zal wel niet
+de eerste keer geweest zijn, denk ik.--Die akelige, ellendige stroop
+zit er zoo vast op, dat mijn heele jas bedorven is. 't Is meer..."
+
+"Alleen de mouw maar," zei Dik. "Ik dank je voor de boodschap,
+Flipsen. Ik zal er mijn zoontje over onderhouden."
+
+"Zoo vader, zoo zoon," zei Flipsen nijdig, want hij dacht, dat Dik
+hem voor den gek hield. Met groote stappen liep hij den winkel uit.
+
+Toch waren die woorden Dik ernst geweest.
+
+Hij herinnerde zich nog best, hoe hij in zijne jeugd ook vruchten
+gestolen had, en hoe hij tot inkeer gekomen was.
+
+'s Avonds vertelde hij aan Jan, wat er in zijn kinderjaren gebeurd was,
+en hoeveel spijt hij er later over had gehad.
+
+En Jantje beloofde hem, dat hij het nooit, nooit weer doen zou. Dik
+was er blij om toen hij hoorde, dat het Jantje's eerste strooptocht
+geweest was, en hij vertrouwde er stellig op, dat het ook de laatste
+zou geweest zijn.
+
+Na dien dag keek Flipsen den zoon van Dik Trom nooit meer vriendelijk
+aan. Hij had een hekel aan Dik gehad, zoolang hij hem had gekend, en
+dat sloeg nu op Jantje over. Dat kon deze zeer goed merken. Als hij
+met zijn bok uit rijden was en hier of daar even uitstapte, wat nog
+al dikwijls gebeurde, zoodat zijn bok gelegenheid kreeg om wat gras
+of klaver van den berm te eten, kwam Flipsen, zoodra hij dat zag,
+op hem af, en gaf een geducht standje.
+
+"Die bok màg daar niet loopen, en nog veel minder van dat gras
+eten. Dat gras is immers niet van jou? Of heeft je vader misschien
+den berm gepacht?"
+
+"Neen Flipsen, dat geloof ik niet."
+
+"Ik weet het zeker. Dat gras is van Geurs, en je bok moet er
+afblijven. Als ik het weer zie gebeuren, zal ik er proces-verbaal van
+opmaken, hoor je. Denk jij, dat je maar doen moogt, wat je wilt? Ik
+zal je dat wel anders leeren. 't Is gewoon diefstal, maar daar storen
+jullie je niet aan, hè? Jij niet,--en je vader niet! Pas op je tellen,
+mannetje, of je loopt er nog eens geducht tegen."
+
+Zijn vader lachte er om, toen Jan het hem vertelde.
+
+"Gekheid, jongen, maak je maar niet ongerust. Als je geen grooter
+kwaad doet, is het nog al zoo erg niet, en zal Flipsen je wel met
+rust laten. 't Is een nijdige kerel, die het allen menschen lastig
+maakt. 't Is ook al erg, dat die bok daar een mondje gras of klaver
+eet. Dat doet mijn hit immers elken dag ook? En de menschen, die het
+gras van de publieke wegen pachten, weten immers vooruit, dat zulke
+dingen niet te keeren zijn. Daarom betalen zij ook minder pacht. 't
+Is te gek om er van te praten, Jan, en maak je maar niet ongerust. 't
+Zal zoo'n vaart niet loopen."
+
+Na dien tijd liet Jan zijn bok gewoon z'n gang gaan, of Flipsen het
+zag of niet. Dat begon Flipsen geducht te vervelen, en eindelijk
+maakte hij er werkelijk proces-verbaal van op.
+
+"Jij heet Jan Trom, hè?" zei hij, zijn zakboekje te voorschijn halende.
+
+"Ja," zei Jan.
+
+"Hoe oud ben je?"
+
+"Tien jaar," zei Jan.
+
+"Zoon van Dik Trom, hè?"
+
+"Ja wel."
+
+"En je erkent, dat je bok hier gras en klaver van den berm eet?"
+
+"Ja," zei Jan, "dat kan ik niet ontkennen."
+
+"Mooi zoo," zei Flipsen, die zijn boekje met een flap dichtsloeg,
+"daar zal je wel meer van hooren, manneke. Jullie doet maar, of er
+geen overheid bestaat. Maar 't zal je berouwen."
+
+Toen Jan het aan zijn vader vertelde, haalde deze glimlachend de
+schouders op.
+
+"Wat bezielt dien man toch," zei hij. "Maak je maar niet ongerust,
+'t is een storm in een glas water. We hooren er hoogstwaarschijnlijk
+nooit meer iets van."
+
+Dat was ook zoo. Toen Flipsen met zijn proces-verbaal bij den
+burgemeester kwam, lachte deze den veldwachter hartelijk uit.
+
+"Ben je dwaas, Flipsen," zei hij. "Denk je, dat we met zulke nesterijen
+bij den Officier van Justitie kunnen komen?"
+
+"Maar burgemeester, 't is toch diefstal?" zei Flipsen knorrig.
+
+"Dat beschouw ik niet als diefstal," was het antwoord. "Op die manier
+zou een jongen zelfs geen konijntje meer kunnen houden, als hij niet
+een beetje gras van den berm mag snijden. 't Is te mal om er van
+te praten."
+
+Hiermede kon Flipsen vertrekken, maar Jantje keek hij nooit meer
+vriendelijk aan. En dat zou nog erger worden, geheel buiten Jan's
+schuld.
+
+Op een avond waren Jan en Karel met nog een paar andere jongens aan
+het spelen op de markt, toen zij opeens een eigenaardig puffend geluid
+hoorden. Verwonderd keken zij in het rond, om te zien, waar dat geluid
+vandaan kwam. En tot hun groote verbazing ontdekten zij een wagen
+zonder paard er voor, die met groote snelheid langs den weg vloog.
+
+"Boe!--Boe!--Boe!" klonk het geluid van een grooten horen. In den wagen
+zaten heeren en dames, die zich vreeselijk mal toegetakeld hadden. Zij
+droegen groote stofbrillen voor de oogen, en zagen er uit als ijsberen.
+
+'t Vreemde rijtuig was een automobiel, en wel de eerste automobiel,
+die het dorp, waar Jan woonde, met een bezoek vereerde.
+
+"Kijk, kijk!" riepen de jongens, "wat een gekke wagen!"
+
+"Zij lijken wel van den Noordpool te komen," merkte Jan op. "'t Is
+een wagen vol ijsberen. Kijk, daar houdt hij stil voor de herberg
+van De Vries. Gaan jullie mee kijken?"
+
+De jongens liepen, wat zij loopen konden, om bij het vreemde voertuig
+te komen.
+
+"'t Is eene automobiel!" zei Karel van Dril. "'k Weet zeker, dat het
+eene automobiel is!"
+
+"Gaat die door stoom?" vroeg Jan.
+
+"Neen, ze stoken er benzine in, zei Vader. O, ze kunnen zoo hard
+rijden, wel zoo hard als een sneltrein."
+
+De jongens hadden den wagen spoedig bereikt, en bekeken hem aan
+alle kanten. De reizigers waren het café binnengegaan, om iets te
+gebruiken. En al spoedig stonden er heel wat menschen om het vreemde
+voertuig, want velen hadden wel al van automobiles gehoord of gelezen,
+maar nog slechts weinigen hadden er een gezien.
+
+"Ik noem het een mooi ding!" merkte Jan wijs op. "Ik zou er mijn
+bokkewagen wel voor willen ruilen."
+
+"Wat je zegt!" zei Karel lachend. "Kijk, hij staat nog te trillen en
+te zuchten, of het een levend wezen is."
+
+"Hij is moê," lachte Jan. "Hij staat uit te blazen. Die twee groote
+lantaarns voorop zijn net een paar oogen.--Zeg Karel, zoo'n automobiel
+ga ik ook maken."
+
+"Je doet wat!" lachte Karel een beetje spottend. "'t Is maar geen
+kleinigheid. Je begrijpt toch, dat er een heele machinerie binnenin
+zit?"
+
+"O ja natuurlijk," zei Jan. "Ik bedoel ook niet, dat ik een echte ga
+maken, want dat zou jou vader nog niet eens kunnen, en die kan haast
+alles,--maar ik maak toch net een wagen als dit ding, wat ik je zeg."
+
+Op dit oogenblik kwamen de reizigers weer naar buiten en namen
+in de auto plaats. De chauffeur greep het stuurrad deed een paar
+geheimzinnige grepen in den wagen, en er kwam leven in het monster. Het
+trillen en schokken werd heviger, en opeens schoot het gevaarte met
+kracht vooruit.
+
+"Poe! Poe! Poe!" toeterde de reusachtige horen.
+
+De omstanders sprongen verschrikt op zijde, en een oogenblik later
+was de wagen uit het gezicht verdwenen. Hij vloog als het ware langs
+den weg, de menschen in een wolk van stof achterlatende.
+
+Jan stond het vreemde voertuig met open mond na te staren. En toen
+hij het niet meer kon zien, riep hij zijn makkers toe:
+
+"Dag!--Ik ga naar huis!"
+
+Op een drafje liep hij weg. De auto had een overweldigenden indruk op
+hem gemaakt, en hij was besloten niet te rusten, voor hij er ook een
+had. Wel een week lang bleef hij voor zijne kameraden onzichtbaar,
+behalve op school natuurlijk. Daar mòèst hij wel heen. Maar al zijn
+vrijen tijd besteedde hij aan het vervaardigen van zijne automobiel,
+en dat was geen gemakkelijk werkje. Hij schoot er vlug mede op,
+en was verbazend trotsch op het product van zijne handen.
+
+De kinderwagen, waarin zijne Moeder hem gereden had, toen hij nog een
+klein kereltje was, had hij van het bovenstel ontdaan, zoodat alleen
+de wielen overbleven. Zijn Moeder had hem daartoe hare toestemming
+gegeven, omdat de wagen oud en versleten en dientengevolge geen
+dubbeltje meer waard was.
+
+Toen had hij van zijn vader een paar pakkisten gevraagd, die hem
+graag werden afgestaan.
+
+"Wat moet je er meê uitvoeren, Jan?" had zijn Vader gevraagd.
+
+"Ik maak er een automobiel van," zei Jan, en toen vond zijn Vader het
+goed. Die kisten gaf hij precies het model van de auto, en bevestigde
+ze daarna op het onderstel van den kinderwagen. Keurig netjes timmerde
+hij er twee bankjes in, een voor- en een achterbankje. Gelukkig
+mocht hij het gereedschap van zijn grootvader gebruiken, en deze gaf
+meermalen goeden raad.
+
+Maar nu kwam het moeilijkste nog aan, want hij wilde zijn wagen van een
+toestel voorzien, waarmede hij hem in beweging kon brengen, zonder dat
+het noodig was hem te duwen of te trekken. Het duurde lang, eer hij
+daar iets op gevonden had, en toen hij wist, hoe het worden moest,
+kon hij het onmogelijk zonder hulp van een smid uitvoeren. Hij ging
+daarom met zijn wagen naar Piet van Dril, den smid, en legde hem uit,
+wat er gedaan moest worden.
+
+"Kijk, Van Dril," zei hij, "zooals het nu is, is het niet goed. De
+as van mijn wagen deugt er niet voor. Ik zou naast mijn voorbankje
+een wiel willen hebben met een tandrad precies als aan een fiets. Als
+nu aan den as van den wagen ook zoo'n rad bevestigd werd, kon er een
+fietsketting omgelegd worden, zoodat ik maar aan het wiel te draaien
+heb om de kar in beweging te brengen. Aan dat wiel moet natuurlijk
+een handvat komen, precies als aan het wiel van een draaiorgel."
+
+Piet van Dril keek hem een poosje peinzend aan, en krabde zich in
+gedachten achter het oor. Eindelijk gaf hij Jan een geduchten klap
+op diens smalle schoudertje, zoodat de beentjes ervan haast kraakten,
+en zeide:
+
+"Dat heb je al wonder knap bedacht, Jan. Wonder knap, zeg ik! Je kon
+wel ingenieur of zoo iets worden. Maar hoe moet je aan zoo'n wiel
+met een handvat komen? Ik heb er geen."
+
+"Wij wèl, Van Dril," zei Jan. "In de schuur ligt die oude koffiemolen
+nog van ons, u weet wel, die oude afgedankte uit den winkel. En daar
+zit een groot wiel aan met een handvat."
+
+"Juist!--Ja, juist," zei Van Dril. "Wel jongen, ik vind, dat je
+het zóó knap bedacht hebt, dat ik je nu eens voor pleizier aan die
+kamraderen helpen wil. Haal dat wiel maar hier."
+
+Wat was Jantje blij. Hij liep als een haas naar huis om het wiel
+te halen en was den geheelen avond niet uit de smederij weg te
+krijgen. Geen wonder waarlijk, want Van Dril hield woord. Hij smeedde
+de kamraderen aan den vooras van den wagen en aan het wiel van den
+koffiemolen, maakte een oude fietsketting pasklaar, en zette alles
+netjes en flink in elkander.
+
+Jan stond er verrukt naar te kijken, en Karel niet minder.
+
+"Nu moet ik nog een horen hebben!" zei Jan, zich de handen wrijvende
+van genot.
+
+Ja, en nog twee lantaarns," zei Karel. "Je weet wel, dat zijn de oogen
+van het beest. Een paar oude fietslantaarns konden er best dienst
+voor doen. Vader, hebben wij nog niet een paar van zulke oudjes?"
+
+"O, ja wel," zei Van Dril. "Hier heb je er twee."
+
+In een kwartiertje had Jan ze voor aan de auto bevestigd. Toen nam
+hij nog een veerkrachtig metalen plaatje, en timmerde dat aan den
+linkerkant van den wagen, er voor zorgende, dat de spaken van het
+voorwiel er beurtelings tegen aan tikten, als de wagen in beweging
+kwam. Daardoor werd een geluid veroorzaakt, dat precies het tuffen
+van een auto nabootste.
+
+Nu was de wagen klaar. Jan en Karel brachten hem naar buiten, waar
+Jan op het voorbankje ging zitten, en Karel op de achterbank. Jan
+nam het handvat en draaide het wiel rond. Ha, wat reed het karretje
+prachtig. De twee jongens konden hun lachen niet houden van
+pleizier. 't Was precies een auto, en hij maakte een aardig gangetje.
+
+'t Was maar jammer, dat de voorwielen niet om een spil konden draaien,
+want nu kon de wagen alleen vooruit en achteruit, maar van sturen
+was geen sprake.
+
+Elken avond gingen de jongens er meê spelen en zij hadden niet weinig
+bekijks. Maar Jan raakte er door in volslagen vijandschap met Flipsen,
+en toch was het geheel buiten zijne schuld. Dat kwam zoo.
+
+Karel van Dril moest eene boodschap voor zijn vader doen, en daarom
+besloot Jan maar alleen met zijn auto te gaan rijden. Eerst tufte
+hij een paar malen het dorp door, en ging toen naar het fort even
+voorbij het kerkhof, dat aan het einde van 't dorp lag. Daar werd een
+fort aangelegd waarlangs een hooge kluft liep. Jantje besloot van die
+kluft af te tuffen. Jongen, wat zou hij dan een snelle vaart krijgen!
+
+Nu, dat was ook zoo. Hij duwde zijne auto tegen de hoogte op, ging er
+toen in zitten, en reed vliegensvlug naar beneden. Ha, nu leek het
+precies een echte automobile. Hij toeterde, dat het een lust was om
+te hooren, en het stof dwarrelde achter hem omhoog. 't Was verbazend
+te zien, hoever zijn kar nog voortreed, als hij den vlakken weg reeds
+had bereikt.
+
+Jan vond het spelletje zoo mooi, dat hij aan geen ophouden
+dacht. Zoodra was hij niet beneden gekomen, of hij duwde de kar
+opnieuw naar boven, en liet zich dan weer vliegensvlug gaan.
+
+Toen hij eens weer op het hoogste punt aangekomen was en gereed stond
+om in te stappen, kwam van den anderen kant juist Flipsen aan. De man
+was bepaald in eene erg knorrige bui, want hij keek verschrikkelijk
+boos. Zoodra hij Jan zag, bleef hij staan en zeide:
+
+"Zoo,--wat voer jij hier in je eentje uit? Zeker niet veel goeds, hè?"
+
+"Ik doe in het geheel geen kwaad, Flipsen," zei Jan. "Ik rijd alleen
+maar met mijn auto van de hoogte af, omdat het zoo lekker gaat."
+
+"Ja, ja," zei Flipsen, "jij hebt je woordjes wel klaar, maar ik
+vertrouw je niet verder, dan ik je zie. Pas op, manneke, ik waarschuw
+je, dat je geen verkeerde dingen doet, want ik heb je al lang in
+de gaten."
+
+Flipsen vervolgde zijn tocht langs de kluft naar beneden.
+
+Jan besloot nog een poosje te wachten, want hij zag zeer goed, dat
+Flipsen om de een of andere reden uit zijn humeur was, en dat het maar
+het veiligst was hem uit den weg te blijven. Hij nam plaats op het
+voorbankje en was van plan zoo lang te wachten, tot Flipsen weg was.
+
+Dat duurde geruimen tijd, want het was eene lange kluft, en Flipsen
+kuierde op zijn gemak naar het dorp.
+
+Opeens voelde Jan, dat er beweging in zijne auto kwam. Deze werd met
+kracht vooruit geduwd. Hij keek om en zag, dat Frans Tor achter de
+kar liep. Lachend zei deze:
+
+"Ik zal je een zetje geven, Jan, dan ga je vliegensvlug naar beneden."
+
+"Niet doen,--niet doen, Frans!" riep Jan hem waarschuwend toe. "Ginder
+loopt Flipsen, en ik wou hem liever niet voorbij rijden."
+
+"Gekheid! Wat kan jou Flipsen schelen!" riep Frans terug. Met alle
+kracht en zoo snel hij loopen kon, duwde deze de kar naar beneden.
+
+Opeens liet hij haar los, en voort vloog Jantje, in ijlende vaart
+de helling af. Angstvallig hield hij de oogen gericht op Flipsen,
+want hij vreesde niet zonder reden, dat er veel kans bestond om hem
+onderst-boven te rijden.
+
+"O jé!" dacht Jan met een zucht van ontsteltenis, "als dat maar goed
+afloopt! Ik vlieg regelrecht op hem aan. Had ik maar een stuur aan
+mijn auto, dan kon ik langs hem heen rijden, of een rem, om den wagen
+tot stilstand te brengen.--Poe,--ik geloof, dat ik hem regelrecht
+tegen de beenen vlieg!"
+
+Jantje begon op zijn horen te toeteren, dat het wel vijf minuten ver
+te hooren was, maar Flipsen keek niet op of om. Jan zag dat tot zijn
+grooten schrik. Hij zag ook, dat Flipsen recht-uit, recht-aan verder
+liep, zonder ook maar een stap op zijde te gaan.
+
+"Zou hij me niet hooren?" dacht Jan, en hij toeterde zoo hard, dat
+zijn horen er van berstte, en in 't geheel geen geluid meer gaf.
+
+Jan was ten einde raad, want hij naderde Flipsen met groote snelheid,
+en 't leed geen twijfel, of bij dezen voortgang reed hij hem pardoes
+tegen de beenen.
+
+Hij probeerde de kar op zijde te rukken, maar tevergeefs.
+
+"Hei, hei daar, hola Flipsen!" riep hij in doodsangst den boozen
+veldwachter toe, want hij was hem bijna genaderd.
+
+Maar Flipsen verkoos geen stap op zij te gaan.
+
+"Dat moet er nog bijkomen, dat ik, een regeeringspersoon, voor een
+kwâjongen uit den weg moet gaan. Dank je hartelijk. Hij moet voor
+mij uitwijken, en niet ik voor hem. 't Zou me wat moois worden op
+die ma..."
+
+"Bom!"
+
+Daar voelde hij een geduchten smak tegen zijn kuiten, en op 't zelfde
+oogenblik sloeg hij met kracht achterover in de auto van Jantje. En
+voort vloog de kar. Flipsen lag met zijn beenen omhoog in den wagen,
+en hij zag geen kans om overeind te komen.
+
+"Satansche jongen," schreeuwde hij, toen hij zijn eersten schrik te
+boven was. "Brutale vlegel,--ik zal je leeren!"
+
+'t Was een bespottelijk gezicht hem te zien liggen. Vader Dik,
+die er juist op aan kwam loopen, wist eerst niet goed, wat hij zag,
+maar een oogenblik later barstte hij in een onbedaarlijk lachen uit.
+
+"Wat nu, Flipsen," riep hij den veldwachter toe, "ga je in het karretje
+van mijn Jan rijden?"
+
+Flipsen richtte zich op uit zijne moeielijke positie, en bracht met
+zijne beenen de kar tot staan. Maar waar was Jan? Er was tot verbazing
+zoowel van Dik als van Flipsen, geen spoor van hem te zien.
+
+Flipsen was woest van kwaadheid, en met gebalde vuist kwam hij op
+Dik af.
+
+"'t Is eene schande, eene schande!" schreeuwde hij Dik toe. "Ik zeg,
+'t is eene schande om je zoontje zoo tegen mij op te zetten, en hem
+te leeren mij te bespotten. Maar ik zal hem krijgen,--ik zal hem
+krijgen,--ik zal..."
+
+Flipsen wist van kwaadheid niet, wat hij zeggen moest, en met toornige
+blikken keek hij van Dik naar de auto, die verlaten aan den kant van
+den weg stond, en van de auto naar Dik. Maar deze deed niet anders
+dan lachen, want het was hem onmogelijk zich te bedwingen.
+
+"Bedaar toch, Flipsen, bedaar toch!" riep hij tusschen de buiën door
+den veldwachter toe.
+
+"Bedaren?" schreeuwde Flipsen. "Bedaar jij met je gelach, dat zou
+je fatsoenlijker staan. Foei man, ik zou me schamen, om mijn kind
+zoo'n opvoeding te geven. Maar ik zal hem wel krijgen, den rakker,
+wacht maar!"
+
+Met groote schreden vervolgde Flipsen zijn weg, zonder Dik of de auto
+met een enkelen blik te verwaardigen.
+
+Dik lachte nòg!
+
+"Wat was dat een bespottelijk gezicht!" zei hij binnensmonds. "Maar
+waar mag Jan toch zitten? 't Is zijn auto, dat weet ik zeker. De
+jongen zal toch geen ongeluk gekregen hebben..."
+
+Dik werd ernstiger, en hij wierp een blik langs de kluft om te zien,
+of Jan zich daar bevond.
+
+Opeens hoorde hij echter diens welbekende stem.
+
+"Pssst, Vader,--is hij weg?" werd hem half fluisterend toegeroepen. 't
+Geluid kwam uit de auto.
+
+Dik draaide zich om, en waarlijk, daar kwam Jantje's smalle hoofdje
+van tusschen het voor- en het achterbankje te voorschijn. Snel keek
+Jan om zich heen.
+
+Ha, de veldwachter verwijderde zich met groote schreden. Dik kwam
+naderbij.
+
+"Hoe zit jij daar zoo tusschen die banken gewrongen, kind?" vroeg hij
+lachend, want de heele geschiedenis maakte op hem een onweerstaanbaar
+lachwekkenden indruk. "En wat is er eigenlijk gebeurd?"
+
+Jan kroop nu uit den wagen en zeide:
+
+"O, Flipsen was erg boos, waarom weet ik niet. Ik stond met mijne auto
+ginds op de hoogte, en was juist van plan om naar beneden te rijden,
+toen Flipsen mij een standje gaf, omdat ik--ja, ik weet echt niet
+waarom, want ik deed in 't geheel niets. En toen ging Flipsen verder,
+en omdat hij zoo boos was, meende ik te wachten, tot ik hem niet meer
+kon inhalen. Maar Frans Thor kwam onverwachts achter me en gaf me
+een harden duw, zoodat ik naar beneden vloog, regelrecht op Flipsen
+aan.--Wat zat ik in de benauwdheid, Vader. Ik toeterde zoo hard ik kon,
+en toen nòg harder, zoodat de horen er van gebarsten is. Hoor maar,
+hij geeft geen geluid meer. Maar Flipsen deed net of hij doof was,
+en keek niet op of om, tot ik eindelijk zag, dat ik hem niet meer
+ontwijken kon. Ik kroop vlug tusschen het voor- en het achterbankje
+en maakte mij zoo klein mogelijk, en op 't volgende oogenblik vloog de
+kar Flipsen van achteren tegen de beenen, zoodat hij achterover op de
+kar viel. Zoo reden we samen verder, tot u kwam. Wat zat ik in angst,
+Vader. Ik zweet nog, als ik er aan denk."
+
+Dik kreeg opnieuw een lachbui, waar haast geen einde aan kwam, zoo
+mal vond hij het.
+
+"Dus je magere leden hebben je gered!" riep hij eindelijk uit. "Als
+je zoo mager niet was geweest, had je je onmogelijk op zoo'n klein
+plaatsje kunnen opvouwen. 't Is merkwaardig. Ga maar gauw naar huis,
+en blijf Flipsen zoo ver mogelijk uit de voeten, want hij is meer
+dan kwaad op je."
+
+"Maar Vader, ik kon er toch niets aan doen."
+
+"Ja jongen, dat weten _wij_ wel, maar _hij_ gelooft het niet. Blijf
+van avond verder maar stilletjes thuis."
+
+Jan beloofde dat, maar hij ging toch even naar de smederij, om het
+geval aan Karel Van Dril en diens vader te vertellen, die er ook niet
+weinig om lachen moesten.
+
+Jan evenwel verzonk in diep gepeins, want de kar beviel hem zoo niet
+meer. Hij nam zich vast voor niet te rusten, voordat hij de voorwielen
+aan een beweegbaren as verbonden had, zoodat hij de auto sturen kon,
+en dan nog wilde hij er een rem aan hebben.
+
+Toen Dik 's avonds het geval aan Jan's Grootvader vertelde, moest
+deze er ook braaf om lachen, en hij kwam tot de conclusie, dat Jan
+ook een bizonder kind was--en dat was-ie!
+
+
+
+
+Negende Hoofdstuk.
+
+ Jan omarmt den schoorsteenveger met groote innigheid.
+
+
+Flipsen wàs en blèèf erg boos op Jan Trom. Misschien zou die boosheid
+langzamerhand wel wat afgezakt zijn, als het malle figuur, dat hij
+gemaakt had, niet door het geheele dorp bekend geraakt was, maar dat
+gebeurde wèl. Frans Thor was daar de schuld van. Toen hij Jan met
+zijne auto zoo'n geduchte vaart gegeven had, bleef hij lachend staan
+kijken, hoe de zaak zou afloopen, en zoo had hij alles gezien, wat er
+gebeurd was. Hij gierde het uit van de pret, en hij vertelde het aan
+iedereen, die het maar hooren wilde. En wat nog erger was: hij hield
+Flipsen telkens voor den gek, als hij hem op straat tegenkwam. Dat zou
+Jan Trom in geen geval gedaan hebben, want hij vond het geval voor
+Flipsen al erg genoeg, maar Frans deed het wèl en Klaas Zwart hield
+hem daarbij trouw gezelschap. Telkens als zij Flipsen ontmoetten,
+begonnen zij te tuffen als eene auto, zonder Flipsen aan te kijken.
+
+"Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!" zei dan Frans.
+
+"Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!" zei dan ook Klaas, en dan tuften zij om het
+hardst. Eerst had Flipsen er geen erg in gehad, maar toen het telkens
+gebeurde, als die jongens in zijne nabijheid waren, begon hij lont
+te ruiken. Hij keek ze aan met een paar oogen, of hij hen verscheuren
+wilde, maar dat deed hij toch niet.
+
+Doch toen hij hen later weer tegenkwam, en zij opnieuw begonnen
+te tuffen, sprong hij plotseling op hen af, en gaf hun ieder een
+klinkenden draai om de ooren. Dat gebeurde zóó snel en onverwachts,
+dat de twee jongens eerst niet eens goed begrepen, wat er gebeurde.
+
+"Au!" riep Frans.
+
+"Au!" riep Klaas.
+
+En beiden grepen zij naar hun ooren, waar zij een stekende pijn
+voelden.
+
+Flipsen lachte, en gaf hun een tweeden.
+
+"Daar!" zei hij. "Ik zal je leeren tuffen! Hard gaat-ie, hè?"
+
+Ze gingen allebei hard, want vóór Flipsen gelegenheid kreeg hun
+nog een derden oorveeg toe te dienen, zetten zij het op een loopen,
+zoo hard zij konden. En na dien tijd tuften zij niet meer, als zij
+Flipsen tegenkwamen. Zij gingen hem zelfs eerbiedig uit den weg.
+
+Op Jan Trom bleef Flipsen erg boos, dat kon Jan duidelijk
+opmerken. Flipsen groette hem nooit terug, als hij hem tegenkwam,
+en keek hem altoos aan met een blik, die hem niet veel goeds
+voorspelde. Jan trok er zich echter niets van aan, want hij voelde
+zich volkomen onschuldig.
+
+"Ik heb het niet met voordacht gedaan," dacht hij, "en als ik het
+had kunnen vermijden, zou het in 't geheel niet gebeurd zijn. Flipsen
+zal dat ook wel begrijpen, als hij er kalm over nadenkt."
+
+En zijn vader zei ook:
+
+"'t Zal van zelf wel weer beter worden, als jij Flipsen maar met rust
+laat en hem zooveel mogelijk uit de voeten blijft. Hij zal dan zelf
+wel begrijpen, dat hij zich vergist heeft.
+
+En zoo was het ook. Toen Flipsen opmerkte, dat Jan hem altoos even
+beleefd bleef groeten en hem nooit voor den gek hield, bedaarde zijne
+boosheid meer en meer, en eindelijk groette hij Jan zelfs terug.
+
+Jan peinsde voortdurend op een middel, om eene herhaling van het
+gebeurde te voorkomen. Hij was vast besloten niet te rusten, voor
+hij zijne auto bestuurbaar had gemaakt. En eindelijk meende hij het
+gevonden te hebben. Hij had er een spil voor noodig, met aan het
+boveneinde een stuurrad, precies als aan eene echte auto. Die spil
+moest van onderen bevestigd worden aan den vooras, welke beweegbaar
+moest zijn. Als hij dan in zijn auto zat, kon hij hem gemakkelijk
+door middel van het stuurrad heen en weer bewegen, waardoor hij den
+wagen geheel in zijne macht kreeg.
+
+Nauwelijks waren zijne plannen tot rijpheid gekomen, of hij begaf
+zich na schooltijd op weg naar Van Dril, zonder wiens hulp hij
+geen kans zag een en ander ten uitvoer te brengen. Er zou echter
+dien avond niet veel van komen. Hij was nog maar pas zijn huis uit,
+of hij kwam Dries Klomp tegen, den jongsten knecht van Jan Vos. Deze
+had een emmertje in de hand, en een bezem, een bosje stroo en een
+touw onder den arm. Hij werd op het dorp meestal bij zijn voornaam
+genoemd en stond bekend als een grappenmaker.
+
+"Dag Dries!" riep Jan hem toe.
+
+"Zoo Jantje," zei Dries. "Jongen, jongen, wat word je toch dik in den
+laatsten tijd. Als je niet oppast, kun je weldra met de konijntjes
+door de tralies van het hok meê-eten."
+
+"Is het waar?" vroeg Jan lachend, want hij kon wel tegen een klein
+plagerijtje. "Dan zal ik de koolstronkjes voor jou laten liggen. Is
+dat goed?"
+
+"Graag,--asjeblief. Ga je mee naar den molenaar? Dan kun-je me helpen
+aan 't vegen van de schoorsteenen. Dat is een mooi werkje voor je."
+
+"Dank je hartelijk, om zoo zwart als roet thuis te komen," zei Jan. "'t
+Is je van harte gegund, Dries."
+
+"Geen lust? Even goede vrienden, hoor. Dag Jan."
+
+"Dag Dries."
+
+Jan vervolgde zijn weg, tot hij onderweg een schilder bezig zag met het
+verven van een der lantarenpalen, die aan den weg stonden. Hij mocht
+dat graag zien, en bleef er dus een poos naar kijken. De schilder
+bevond zich op een ladder, om het bovengedeelte te verven. Op den
+grond stond ook een pot met verf, met een kwast er in. Nauwelijks
+had Jan dat gezien, of hij greep de kwast en vroeg, of hij ook eens
+schilderen mocht.
+
+"Jawel, Jan," was het antwoord. "Maar niet met de verf morsen."
+
+Ha, dat vond hij prettig, en hij smeerde er lustig op los.
+
+"Niet zoo dik, Jan," zei de schilder. "Je moet de verf meer
+uitsmeren. Zooals jij het doet, is de paal de volgende week nog
+niet droog."
+
+"En zooals u het doet?" vroeg Jan.
+
+"Morgen, denk ik," was het antwoord.
+
+Jan bleef bij den schilder tot de geheele lantarenpaal klaar was, maar
+toen ging hij ook direct naar den smid, om aan zijn wagen te werken.
+
+Van Dril had juist een oude fiets van iemand overgenomen, en zijn
+zoontje Karel stond te zeuren, of hij er op mocht leeren rijden.
+
+"Hè toe, Vader," zei Karel, "laat mij er maar op rijden. 't Is toch
+al een oudje.--Toe maar."
+
+Van Dril zei niets, maar hij lachte eventjes, wat Karel moed gaf,
+dat hij de gewenschte toestemming verwerven zou.
+
+"Mag ik, Vader?" vroeg hij nog eens.
+
+"Als je dan maar voorzichtig bent," zei Van Dril. "Breek geen armen
+of beenen, en de fiets ook niet."
+
+Dat liet Karel zich geen twee keer zeggen.
+
+"Ga je meê, Jan?" vroeg hij met eene kleur van blijdschap "Dan gaan
+we leeren fietsen."
+
+Dat was een kolfje naar Jan's hand. Hij vergat zijn heele machinerie
+en ging met Karel naar buiten. Samen hielden zij de fiets vast.
+
+"Ik het eerst, Jan," zei Karel.
+
+"Natuurlijk," was het antwoord.
+
+"Zeg, hij ziet er nog mooi uit, al is het een oudje, hè?"
+
+"Dat geloof ik," zei Jan. "'k wou, dat het de mijne was. Toe,
+hier kunnen we wel beginnen. Stap jij er maar op, dan zal ik hem
+vasthouden." Karel probeerde op het zadel te wippen, maar op 't zelfde
+oogenblik lag hij al op den grond. "Je moet hem beter vasthouden,
+Jan," zei hij. "Zóó kan ik er niet op komen."
+
+"Ik hield hem goed vast, maar jij zat veel te scheef!" zei Jan. "Als
+je zoo scheef zit, kan ik je niet houden."
+
+Karel stapte nog eens op. Nu ging het beter, en Jan duwde hem vooruit.
+
+"Trappen, jongen, trappen!" riep Jan hem toe. Karel durfde niet. Hij
+was bang, dat hij vallen zou. "Trap dan toch! Als je niet trapt,
+leer je het nooit!"
+
+Karel drukte zijn rechtervoet naar beneden. Voort ging de fiets,
+met het gevolg, dat Jan haar alweer niet houden kon, en Kareltje op
+den weg terecht kwam.
+
+"Au!" zei hij. "Dat kwam wel een beetje hard aan."
+
+"Hindert niet!" riep Jan. "Stap maar weer op, maar niet zoo schuin
+hangen. Dan ben je me veel te zwaar!"
+
+Wip! Met een vlugge beweging stapte Karel weer op de fiets.
+
+Hij durfde nu al een beetje beter, en drukte de trappers met kracht
+naar beneden. 't Was hem echter onmogelijk zijn stuur goed te houden,
+zoodat de fiets over den weg slingerde als een dronken man. En als
+de fiets naar rechts ging, hing Karel schuin naar links, en ging zij
+naar links, dan hing Karel naar rechts.
+
+"Bom!" Daar tuimelde Karel weer over de straat.
+
+Hij gaf echter den moed niet op, en Jan evenmin.
+
+"Je leert het al aardig," zei Jan, toen het Karel inderdaad gelukt
+was, eenige seconden op de fiets te blijven zitten. "Trappen, zeg,
+hoe harder je trapt, hoe beter ik je houden kan."
+
+Karel trapte uit alle macht, en Jan draafde achter hem aan, als een
+hazewindhond achter zijn meester.
+
+Na een half uurtje durfde Jan het zadel even los te laten, en Karel
+reed werkelijk al eenige meters zonder te vallen. Toen zei hij:
+
+"Nu is het jouw beurt Jan. Jij hebt het mij geleerd, nu zal ik het
+jou leeren."
+
+"O, ik wed, dat ik het al dadelijk kan," pochte Jan. "Houd hem maar
+vast, dan zul-je eens zien, hoe ik er van door ga. Je zult er van
+staan te kijken."
+
+Karel lachte. Hij wist wel beter, want in het laatste half uur had
+hij de moeilijkheden pas goed leeren kennen.
+
+"Je hebt praats genoeg," zei hij. "Stap er maar op, dan zul je eens
+zien, hoe gauw je tegen den grond ligt. Zóó gemakkelijk gaat het niet."
+
+Jan stapte op, en Karel hield het zadel vast.
+
+"Vooruit, Jan, trappen.--O, wat hang je schuin--nog veel erger dan
+ik.--Ik kan je niet--"
+
+"Bom!"
+
+Daar lag Jan onder de fiets, maar hij sprong dadelijk overeind en
+stapte opnieuw op.
+
+"Je moet me beter vasthouden, Karel,--je laat me ook maar dadelijk
+vallen."
+
+Daar ging het weer. Jan trapte nu uit alle macht, want hij was in
+'t geheel niet bang uitgevallen, en inderdaad ging het een eindje goed.
+
+"Zie je wel?" riep hij Karel triomfantelijk toe. "Zóó moet je ook
+rijden! Ha, wat gaat dat lek..."
+
+"Flap!" Weer lag Jan op den grond, en hij bezeerde zijn been erger,
+dan hem lief was. Maar hij stoorde er zich niet veel aan, en zat in
+'t volgende oogenblik weer op de fiets.
+
+Werkelijk had hij er spoedig den slag van beet. Karel kon hem soms al
+een heel poosje aan zijn lot overlaten. Jan slingerde dan wel van den
+eenen kant van den weg naar den anderen, en soms dreigde hij pardoes
+in het kanaal te rijden, dat langs den weg liep, maar hij reed toch,
+en dat was de hoofdzaak. Hij was er wàt trotsch op.
+
+Even later was Karel weer aan de beurt. Het duurde niet lang, of hij
+kon ook al eenige meters los rijden, en daar was hij verrukt over. Hij
+trapte als een dolleman, want hij had gemerkt, dat hij dadelijk viel,
+als hij langzaam trapte. En Jan draafde achter hem aan zoo hard hij
+kon, om hem dadelijk te kunnen grijpen, als hij dreigde om te slaan.
+
+Eindelijk werd Jan zóó moê, dat hij niet meer kon.
+
+"Ik moet rusten, Karel," zei hij. "Ik ben zoo moê als een hond. Maar
+je kunt het nu wel alleen. Probeer het maar gerust; je zult zien,
+dat het gaat."
+
+Hij hielp Karel nog even bij het opstappen, en toen reed deze heen. Ha,
+wat slingerde hij! Jan stond hem na te kijken, nieuwsgierig op welke
+plaats Karel zou omvallen, want dat dit gebeuren moest, betwijfelde hij
+geen oogenblik. Een vijftig meters ging het vrij goed, al slingerde
+hij ook beangstigend, maar opeens gaf Jan een schreeuw van schrik,
+want Karel begon geweldig te slingeren, en reed toen regelrecht op
+het kanaal aan. Nog een oogenblik, en hij tuimelde bij den hoogen
+kant neer....
+
+Jan ijlde naar de plaats des onheils, en bemerkte tot zijn genoegen,
+dat hij zich voor niets bang had gemaakt, want Karels hoofd verscheen
+alweer boven den walkant. Hij was wel tot vlak bij het water geweest,
+maar hij was er toch niet ingevallen.
+
+"Hè-hè, dat scheelde een beetje!" zei hij vergenoegd, nu het zoo goed
+afgeloopen was. "Ik had geen duim verder moeten belanden,--dan was
+ik kopje-onder gegaan."
+
+"Ik zag het," zei Jan. "Hè, wat schrok ik! Ik dacht stellig, dat je
+te water ging."
+
+"Gelukkig niet;--zeg, help je even de fiets naar boven trekken?"
+
+Met vereende krachten brachten zij de fiets op den weg.
+
+"Zou hij nog heel wezen?" vroeg Karel.
+
+Dat bleek gelukkig het geval te zijn.
+
+"Nu is 't mijn beurt weer," zei Jan. "Is 't goed?"
+
+"Best," zei Karel. "Bij mij zit de schrik er wel een beetje in. Ga
+je gang maar."
+
+Jan sprong op de fiets, en nu draafde Karel er achter. Eerst ging het
+langzaam, want Jan durfde niet goed, maar spoedig overwon hij zijne
+vrees, en nu moest Karel achter de fiets draven.
+
+"'t Gaat goed zoo,--best,--erg best!" riep hij Jan bemoedigend toe. "Je
+rijdt nog beter dan ik."
+
+"Laat me maar gerust los!" riep Jan hem toe.
+
+"Ik heb je niet vast!" hijgde Karel achter hem, moê van het draven. Ha,
+wat trapte Jan lustig voort. Hij zwierde wel links en rechts, maar
+dat hinderde niet; hij wist toch op den weg te blijven.
+
+O jé, ginds zag hij een grooten steen liggen, midden op den weg.
+
+"Als ik maar niet over dien steen ga," dacht Jan met eenige zorg. "Ik
+moet hem zien te ontwijken."
+
+Angstvallig hield hij zijn blik op het gevreesde voorwerp gericht,
+met het gevolg, dat hij er juist op aanreed.
+
+"O, die steen!" schreeuwde hij. Plof! Daar reed hij er overheen,
+wat een geduchten schok gaf, maar hij bleef zitten. Slingerend reed
+hij verder.
+
+"Dat scheelde een beetje!" riep Karel.
+
+"Of het! Wat gaat het al goed."
+
+Met krommen rug, den stuurstang krampachtig in de handen geklemd,
+trapte Jan voort. Hij vond, dat het al prachtig ging. Ha, daar zag
+hij den lantaarnpaal al, dien hij had helpen verven. Dien paal moest
+hij ook zien te ontwijken, want hij was natuurlijk nog nat. Maar tot
+zijne verbazing en ook tot zijn schrik bemerkte hij, dat hij er alweer
+regelrecht op aanreed.
+
+"Gek toch," mompelde hij. "Zoo'n fiets brengt je juist, waar je niet
+wezen wilt. Maar ik zal hem wel mis zien te rijden."
+
+Hij naderde den lantaarnpaal meer en meer, hoewel hij alle moeite
+deed om de fiets eene andere richting te geven. Dat wilde hem echter
+niet gelukken.
+
+"Pas op, die lantaarn daar!" schreeuwde hij in angst Karel toe.
+
+Maar Karel kwam enkele meters achter hem aan, want Jan had hard
+gereden, en hij was erg moê geworden. Karel verkeerde dus in de
+onmogelijkheid om zijn vriend te helpen.
+
+"Grijp me dan toch!" schreeuwde Jan in grooten angst, want hij zag, dat
+hij regelrecht koers hield naar den pas geverfden paal. Op 't volgende
+oogenblik schaafde zijn wiel er tegen aan, en om niet te vallen greep
+Jan, zonder er bij te denken, den paal met beide handen aan. O wee,
+hij voelde het kleven van de verf. Daarom liet hij den paal dadelijk
+weer los, maar merkte, dat hij ging vallen. Hij breidde daarom de
+armen uit en klemde den groenen paal teeder aan zijn borst. Zelfs
+zijn linker wang kwam er mede in aanraking.
+
+"Dat loopt best af!" riep Karel hem toe. Deze was hem spoedig genaderd,
+trok de fiets een beetje achteruit, en riep:
+
+"Vooruit maar weer, Jan. 't Gaat opperbest. Nog tot jullie huis,
+en dan mag ik terug weer."
+
+Hij wist niet, dat de paal geverfd was, en voordat Jan iets in 't
+midden kon brengen, voelde deze zich alweer vooruit duwen. Met zijn
+geverfde handen greep hij de handvatten van het stuur, en voort ging
+het weer.
+
+En 't ging weer goed ook. Jan trapte als een dolleman.
+
+"Straks zal ik de handvatten wel afvegen," dacht hij. "Ik denk,
+dat mijn kleeren ook wel vol verf zullen zitten. Die akelige paal
+ook. Hoe kan de fiets er nu juist tegen aanrijden."
+
+O, wat slingerde Jan langs den weg. Soms reed hij haast tegen een
+boom op, een oogenblik later scheelde het maar zus of zoo, of hij
+reed in het kanaal. Maar toch bleef hij op den weg. De menschen,
+die hij tegenkwam, maakten zich uit de voeten, en bleven hem dan
+lachend nakijken.
+
+"Houd je roer recht, schipper!" riep de een hem toe.
+
+"Je lijkt wel dronken, jongen!" merkte een ander op.
+
+Jan lachte maar. Hij vond het verrukkelijk op de fiets, en had geen
+oogen voor iets anders. Hij keek niemand aan, en staarde maar recht
+voor zich uit op den weg.
+
+"Jongen, jongen, wat gaat dat echt," dacht Jan bij zichzelven. "Als
+mij nu maar weer niet iets in den weg komt."
+
+Zwaaiende en zwierende fietste Jan verder.
+
+Toen hij even zijne oogleden ophief, om te kijken, of de weg vrij
+bleef, zag hij in de verte iemand naderen.
+
+"Wacht," dacht hij, "nu zal ik toch eens zien, of ik hem niet kan
+passeeren, zonder tegen hem aan te bommen. Maar die akelige fietsen
+lijken wel altoos juist den verkeerden kant op te gaan."
+
+Weer hief hij eventjes de oogleden op.
+
+De man was al een heel stukje naderbij gekomen.
+
+"Nu zal het er op aankomen," dacht Jan.
+
+Hij omklemde de handvatten van het stuur nog krampachtiger dan te
+voren en trapte wat hij kon. Voortdurend hield hij den man in het
+vizier, tot hij opeens tot zijn schrik zag, dat het Dries was, die
+van het schoorsteenvegen bij den molenaar terugkeerde. Wat was Dries
+veranderd, en niet in zijn voordeel, want hij zag zoo zwart als een
+neger en zijn kleeren zaten vol roet.
+
+"Hu, wat een roetmop," dacht Jan. "Maar ik zal hem wel
+misrijden,--wacht maar. Ik begin het sturen al aardig te leeren.--Hola,
+wat een zwier maakte ik daar!--O jé, het kanaal,--daar ga ik!"
+
+Maar neen, met inspanning van al zijn krachten wierp hij het stuur om,
+en het gevaar was geweken. Jantje reed verder.
+
+Dries stond midden op den weg lachend naar hem te kijken.
+
+"Wil je een nat pak halen, Jan?" riep hij hem plagend toe. "Aanstonds
+ga je kopje-onder het kanaal in."
+
+"Uit den weg! Ga uit den weg!" schreeuwde Jan, die tot zijn schrik
+bemerkte, dat hij regelrecht op Dries aanhield.
+
+"Berg je, menschen, berg je!" spotte Dries. Maar hij ging toch een
+beetje op zijde, om Jan te laten passeeren.
+
+'t Hielp echter niet.
+
+Nauwelijks was Dries van plaats veranderd, of Jan merkte, dat de fiets
+daar rekening meê hield en weer regelrecht koers hield naar Dries.
+
+"Op zij! Op zij!" schreeuwde Jan.
+
+Maar op 't volgende oogenblik bonsde hij tegen Dries aan. Jan sloeg
+hem in de verwarring de armen om den hals, en klemde zich krampachtig
+aan den zwarten schoorsteenveger vast. Zij wang kwam tegen de wang
+van Dries terecht, die dadelijk iets kleverigs voelde. Dat was de
+verf van den lantaarnpaal, die Jan op zijn gezicht had.
+
+O, wat lachte Dries.
+
+"Wel, wel, houd je zooveel van me, dat je me omarmen wilt?" vroeg
+hij. "Dan zal ik je wel een handje helpen."
+
+En hij wreef met zijn zwarte gezicht tegen de wangen van Jan, precies
+als eene moeder doet, die haar kindje knuffelt.
+
+"Daar dan! Is het zoo goed?" vroeg Dries, die schaterlachte van
+de pret.
+
+De fiets was op den grond gevallen, en Jan hing nog aan den hals van
+zijn plaaggeest.
+
+Karel trok de fiets weg en Jan liet zich op de grond zakken. Maar wat
+zag hij er uit. Hij was zoo zwart als een moriaan, en 't leek wel,
+of hij al de schoorsteenen van het dorp had geveegd.
+
+Hij werd braaf uitgelachen, en ging zoo spoedig mogelijk naar huis
+om zich te wasschen.
+
+En zijn vader plaagde hem ook niet zoo'n beetje.
+
+
+
+
+
+Tiende Hoofdstuk.
+
+ Hoe Flipsen zocht.
+
+
+Frans Thor en Klaas Zwart hadden zich van lieverlede zeer nauw bij
+elkander aangesloten, en waren boezemvrienden geworden. Eindelijk
+waren zij samen een handeltje begonnen. Steeds kon men hen in elkanders
+gezelschap vinden met een mand tusschen hen in, of ieder met een zak
+op den arm of over den schouder. Dan trokken zij er op uit om vodden
+en beenen te zoeken, die langs de wegkanten, bij huizen en schuren,
+of in weilanden en boschjes verspreid lagen. En 't was inderdaad niet
+weinig, wat zij vonden. Elken avond keerden zij met een goed gevulden
+zak huiswaarts, en als de voorraad groot genoeg was, verkochten zij
+dien aan den pottenschipper.
+
+De pottenschipper was een man, die eenzaam in een zolderschuit
+leefde. Hij had vrouw noch kind op de wereld, en ging met niemand
+om. De menschen hielden ook niet veel van hem, want het was bekend,
+dat hij geen gunstig verleden achter zich had. En in elk geval had
+hij een zeer ongunstig uiterlijk. Hij leefde van zijn handel in potten
+en pannen, en ook kocht hij vodden en beenen op.
+
+Alles, wat Klaas Zwart en Frans Thor vonden, brachten zij bij den
+pottenschipper, zooals hij algemeen werd genoemd. En zij ontvingen
+er menig centje voor. Soms verkochten zij wel voor dertig à vijftig
+centen in eene week, en al dat geld versnoepten zij. Of zij kochten
+er sigaren voor, en rookten die op.
+
+Maar langzamerhand begon hun vondst kleiner te worden, want ze
+hadden het geheele dorp al meermalen afgezocht. En eindelijk raakte
+de voorraad uitgeput.
+
+Dat merkte de pottenschipper, en hij zei:
+
+"Wat hebben jullie een beetje, jongens. Ik geef voor dit zoodje niet
+meer dan vijf centen. Je bent een paar groote domkoppen, dat moet
+ik zeggen."
+
+"Domkoppen?" vroeg Frans. "Wij kunnen er toch niets aan doen, dat we
+maar zoo weinig hebben? 't Heele dorp hebben we al meermalen afgezocht,
+en er is eenvoudig niet meer. Ik zie niet in, dat wij daarom domkoppen
+moeten zijn."
+
+"Neen," zei Klaas Zwart, "ik ook niet."
+
+De pottenschipper lachte slim.
+
+"Toch is het zoo," zei hij. "Toen ik nog een jongen was, wist ik
+altijd wel aan een zakduitje te komen. Vond ik geen vodden en beenen,
+dan wist ik wel wat anders te bemachtigen. Ha, ha,--als je maar slim
+bent en zorgt, dat de menschen 't niet zien."
+
+Frans en Klaas keken hem vragend aan.
+
+De pottenschipper legde zijn wijsvinger tegen den neus, en knipoogde
+tegen de jongens.
+
+"Och wat," zei hij, "als je 't slim weet te overleggen, is er nog
+genoeg te vinden. Je behoeft me juist geen vodden te brengen,
+jongens. Ik kan wel hemden, broeken, borstrokken en andere
+kleedingstukken ook gebruiken. Er zijn menschen genoeg, die hun wasch
+den geheelen nacht buiten laten liggen.--Ha, ha, ik zeg, als je maar
+slim bent en er voor zorgt, dat de menschen je niet zien..."
+
+"Maar dat is stelen," zei Klaas Zwart.
+
+"Ja," zei Frans, "dat is stelen."
+
+De pottenschipper richtte zich op.
+
+"Zooals ik zeg, jongens, ik geef voor dit zoodje niet meer dan
+vijf centen. 't Is maar een rommeltje. Voor goede kleedingstukken,
+die nog gedragen kunnen worden, geef ik natuurlijk heel wat meer,
+en voor ijzer, zink, lood en wat dies meer zij, wil ik je zelfs wel
+guldens betalen in plaats van centen."
+
+"Ja, maar dat hebben we niet," zei Frans.
+
+"Als je wilt, is er genoeg te vinden," lachte de schipper weer. "Bij
+den smid, bij den loodgieter, bij den timmerman, overal is wel wat
+te snorren, als je maar goed uit je oogen kijkt en voorzichtig te
+werk gaat."
+
+"Maar," herhaalden de jongens, die eerst niet goed begrepen, wat de
+pottenschipper bedoelde, "dat is stelen..."
+
+"Ik zeg niet, dat je 't stelen moet," zei de schipper weer met een
+listig knipoogje, "je moet die dingen vinden, jongens, je moet ze
+eerlijk vinden. Alles wat je vindt, al is het ook nog zoo gek, wil
+ik wel van je opkoopen. Als je er maar eerlijk aankomt..."
+
+De jongens gingen heen.
+
+Maar na dien tijd vermisten de menschen op het dorp telkens
+kleinigheden. Van Dril raakte op voor hem onbegrijpelijke wijze
+een nijptang kwijt, de loodgieter een soldeerbout, de timmerman
+een hamer en een zaag, en vele huismoeders vermisten verschillende
+kleedingstukken. Van de een waren kousen zoek, van een ander een hemd,
+van een derde een nachtjapon, en zoo verder.
+
+Toch dacht men eerst niet aan diefstal. Van Dril vertelde het verlies
+van zijn nijptang niet aan anderen, om de eenvoudige reden, dat hij
+wel eens meer een of ander stuk gereedschap kwijtraakte.
+
+"Zeker hier of daar laten liggen," dacht hij. En spoedig was zijn
+verlies vergeten. De knechts gingen wel eens meer slordig met het
+gereedschap te werk, niet allen natuurlijk, maar enkelen. Op dezelfde
+wijze dachten ook de andere menschen er over, die het een of ander
+vermisten.
+
+Maar toen het winter werd en er lange, donkere avonden kwamen,
+verdwenen er op geheimzinnige wijze allerlei voorwerpen uit
+werkplaatsen en huizen, en 't werd zoo erg, dat de menschen er onder
+elkander over spraken.
+
+"Er wordt bepaald gestolen," was de algemeene opinie. En menigeen
+sloot 's avonds de deuren van huis en werkplaats zorgvuldiger dan
+vroeger. De ondervinding leerde, dat wat men 's nachts buiten liet
+staan, den volgenden morgen gewoonlijk verdwenen was. En niemand kon
+er eenig vermoeden van krijgen, wie de dief was en waar de gestolen
+voorwerpen belandden.
+
+Van Dril pruttelde tegen zijn knechts, als er weer 't een of ander
+spoorloos verdwenen was, maar dezen verklaarden, dat zij het vermiste
+voorwerp niet hadden laten slingeren. 't Was op geheimzinnige wijze
+verdwenen.
+
+Eindelijk kwam een en ander den burgemeester ter oore, en hij liet
+Flipsen bij zich komen.
+
+"Zeg Flipsen, heb je ook gehoord, dat er den laatsten tijd op 't dorp
+gestolen wordt? Telkens worden kleinigheden van meer of minder waarde
+vermist, en het waschgoed van de huismoeders ligt niet meer veilig
+op de bleek."
+
+"Ja burgemeester, ik heb er ook van gehoord," zei Flipsen.
+
+"En heb je al eens hier en daar gesurveilleerd?" vroeg de burgemeester.
+
+"O ja, al meermalen, maar tot nog toe is het mij niet gelukt, den
+dader op 't spoor te komen."
+
+"Zoo, 't is een gek geval. Ik begrijp ook niet, wie de dief zou
+kunnen zijn. Voor zoover ik weet, wonen er enkel knappe menschen op
+het dorp. Waar zouden die gestolen voorwerpen toch allemaal blijven?"
+
+"Ik denk in de stad, burgemeester. Daar wonen wel menschen, die
+gestolen goederen opkoopen. Ik vermoed, dat zij in den nacht naar
+Amsterdam worden vervoerd..."
+
+"Dan zou ik eens een oog in 't zeil houden, wie bij nacht of
+ontijd daarheen gaat, Flipsen. 't Is best mogelijk, dat je gelijk
+hebt. In elk geval is het hoog tijd, dat de dief gesnapt wordt. De
+menschen dienen in 't rustige bezit te kunnen blijven van 't geen
+hun eigendom is. Zoolang ik hier burgemeester ben, is er van geen
+dieverij sprake geweest, en wij moeten het kwaad zoo spoedig mogelijk
+den kop indrukken."
+
+Flipsen sloeg op militaire wijze aan, en zeide:
+
+"Ik zal m'n best doen, burgemeester. 't Zal aan mij niet liggen,
+als de dief niet gesnapt wordt."
+
+"Dat is goed, en daar vertrouw ik ook op."
+
+Met eene handbeweging gaf de burgemeester Flipsen zijn afscheid,
+en deze was vastbesloten zijn uiterste best te doen, om den dief te
+ontdekken. Maar dat het moeilijk zou gaan, stond bij hem vast.
+
+Den geheelen avond liep hij buiten het dorp te loeren, of ook iemand
+zich verwijderde in de richting van Amsterdam,--maar tevergeefs. Alles
+was en bleef rustig op het dorp. 't Was dan ook een koude, gure avond,
+en de menschen bleven liever bij de warme kachel. Flipsen zag den
+geheelen avond geen levende ziel buiten, en hij liep te bibberen van
+de koû. 't Was al haast elf uur geworden, en nog stond hij trouw op
+zijn post. Eindelijk hoorde hij in de verte iets naderen.
+
+"Wacht," dacht hij, "nu zal het komen."
+
+Hij verschool zich achter een boom.
+
+'t Geluid kwam nader. Duidelijk hoorde hij, dat het een wagen was.
+
+"'t Is een hondenkar," prevelde Flipsen. "Ik denk, dat ik den dief op
+het spoor ben. De gestolen voorwerpen worden zeker met een hondenkar
+naar Amsterdam gebracht."
+
+"Halt!" riep hij plotseling, want het voertuig was hem nu genaderd.
+
+De man, die op de kar zat, schrok er niet weinig van, en sprong
+dadelijk van den wagen. Maar zijn stok hield hij opgeheven, want hij
+dacht niet anders, of hij had met een aanrander te doen.
+
+Flipsen sprong van achter zijn boom te voorschijn.
+
+"Wie ben je,--en waarheen ga je?" vroeg hij op bevelenden toon.
+
+"O, Flipsen, ben jij het?" vroeg de man van de hondenkar. "Kerel,
+is me dat laten schrikken. Ik dacht waarlijk met..."
+
+"'t Doet er niet toe, wat jij denkt," viel Flipsen norsch in. "Ik
+vraag, wie je bent,--maar dat zie ik nu al,--en waar je heengaat."
+
+"Wel, ik ben Dirk Kroeze, de slager, en ik ga naar Amsterdam. Daar
+steekt toch niets achter, zou ik zeggen?"
+
+"Juist, Kroeze, de slager. Wat heb je in dien wagen?"
+
+"Twee doode schapen, anders niet," was het antwoord. "Ik ga ze
+naar Amsterdam brengen, waar ze met een dood schaap altijd wel raad
+weten. Nu er zoo'n strenge keuring is op het vleesch, worden doode
+beesten altijd 's nachts de stad ingevoerd. Vroeger gebeurde dat
+overdag. Zie je, dat is het eenige verschil..."
+
+Kroeze was een derderangs-slager. Hij kocht bij de boeren de doode
+beesten op, die andere slagers niet hebben wilden, en wist daarmede het
+brood te verdienen voor zich en zijn gezin. En de kroegbazen kregen
+er ook rijkelijk hun deel van, want Kroeze maakte veel misbruik van
+sterken drank. Hij was dikwijls dronken.
+
+Flipsen was den wagen genaderd en bekeek den inhoud.
+
+"Denk je soms, dat ik een dief ben?" vroeg Kroeze een beetje
+beleedigd. "Ik verdien op eerlijke manier mijn brood, man, en ik heb
+mijn vingers nog nooit uitgestoken naar een andermans goed. Of weet
+jij iemand te noemen, die iets op Kroeze te zeggen heeft?"
+
+"Neen," zei Flipsen. "Maar er wordt tegenwoordig gestolen op 't dorp,
+en 't is meer dan tijd, dat wij den dief vinden."
+
+"Ach zoo, is dàt de zaak?" zei Kroeze. "Dan is het goed, hoor, en
+kijk mijn wagen maar na. Je hebt gelijk, er wordt tegenwoordig meer
+gestolen, dan mij lief is. Verleden week ben ik mijn beste mes uit
+de slagerij kwijt geraakt, en nog een zwaren vleeschhaak op den koop
+toe. Ik heb m'n hoofd gek gezocht om ze terug te vinden, maar jawel,
+ze zijn weg en ze blijven weg. En ik zal ze wel nooit terugzien,
+vrees ik."
+
+"Dat vrees ik ook," zei Flipsen. "Je kunt wel verder gaan, Kroeze,
+ik heb er het mijne van gezien. Goeden avond."
+
+"Ook goeden avond," zei Kroeze. Hij duwde de kar voort, en riep:
+
+"Allo, honden, kssssss, kssssss! Vooruit zeg 'k! Allo!"
+
+Hij sloeg met zijn stok tegen den wagen.
+
+De honden, die tijdens het onderzoek op den weg waren gaan liggen,
+richtten zich met tegenzin op, en trokken den wagen voort. Maar 't ging
+Kroeze niet hard genoeg. Hij maakte veel lawaai met zijn stok, en riep:
+
+"Ksssss! Ksssss! Allo, Allo! Vooruit honden. Kssssss!"
+
+Een oogenblik later sprong hij op den wagen, en weldra was hij in de
+duisternis verdwenen.
+
+"Dat was mis!" mompelde Flipsen, huiverend van de koude. Hij trok
+den kraag van zijn jas en zijne schouders omhoog, en bleef geduldig
+wachten. Maar toen er na een uur nog niemand gekomen was, besloot
+hij naar huis te gaan.
+
+Den volgenden avond was hij echter weer op zijn post, want hij
+was iemand, die zijne plichten trouw nakwam. Als hij zich eenmaal
+voorgenomen had, dit of dat te doen, was hem geen moeite te veel,
+en stoorde hij zich aan koude noch warmte.
+
+Maar hoe hij zich ook inspande, het gelukte hem niet, den dief
+te snappen. Daarom besloot hij de wacht te houden op den weg, die
+naar Haarlem voerde. Avond aan avond verschool hij zich op eenigen
+afstand buiten het dorp, maar alweer tevergeefs. Hij vond van den
+dief geen spoor.
+
+"Dan zal ik gedurende enkele avonden in het dorp zelf eens goed
+uitkijken. Wie weet betrap ik den dief dan niet op heeterdaad,"
+dacht hij.
+
+En zoo deed hij ook.
+
+Zoodra het donker geworden was en in de huizen overal de lichten
+opgestoken waren, verliet Flipsen zijn woning, om over de
+veiligheid van zijne medeburgers te waken. Eerst begaf hij zich
+naar verschillende werkplaatsen, van welke het hem bekend was, dat
+er al meermalen voorwerpen vermist waren. Hij vond ze echter alle
+zorgvuldig gesloten. De menschen waren, door de ondervinding geleerd,
+al voorzichtiger geworden.
+
+Eindelijk bemerkte hij, dat er achter het huis van de weduwe Butter
+eenig waschgoed op een bleekveldje lag.
+
+"Wacht," dacht hij. "Hier zal ik mij ergens verschuilen. Waschgoed
+is den laatsten tijd ook dikwijls ontvreemd."
+
+Achter het schuurtje stond, naast het bleekveld, een groote ton, waarin
+het regenwater, dat van het schuurtje in de goot kwam, opgevangen
+werd. Achter die ton maakte Flipsen zich zoo klein mogelijk. Geduldig
+wachtte hij, of de dief komen zou.
+
+Dat gebeurde echter niet. Toen hij een half uur in zijne gebogen
+houding had doorgebracht, kon hij bijna niet blijven zitten van de
+pijn, die hij in zijne beenen kreeg. Voorzichtig richtte hij zich
+een weinigje op.
+
+Alles bleef stil in den omtrek.
+
+Flipsen gaf echter den moed nog niet verloren.
+
+En waarlijk, eer er een tweede half uur voorbijgegaan was, hoorde
+hij eenig gerucht.
+
+Hij richtte zich op en keek over de ton.
+
+Ha, daar zag hij een gestalte, die haastig naar het bleekveld ging
+en vliegensvlug enkele kleedingstukken bij elkaar greep.
+
+Met een vluggen sprong kwam Flipsen op de gestalte af.
+
+"Ha, dief, daar heb ik je!" schreeuwde hij in de vreugde zijns harten,
+nu hij eindelijk in zijn pogingen geslaagd was.
+
+Een hevige gil was het antwoord. Flipsen hoorde, dat het een
+vrouwenstem was, hetgeen hem verwonderde.
+
+Met groote snelheid liep hij op de gestalte af, en greep haar bij
+den schouder. De onbekende sloeg de armen ten hemel en slaakte een
+tweeden, hartverscheurenden gil.
+
+"Wie ben jij?" beet Flipsen haar toe.
+
+Er kwam geen antwoord. De schrik verlamde als het ware haar tong.
+
+"Hoor je me niet? Wie ben jij?" herhaalde Flipsen.
+
+"O,--ik ben--ik ben Trijntje--de meid.--O, wat een schrik!"
+
+"Trijntje--de meid?" vroeg Flipsen spijtig. "Ik dacht, dat jij de
+dief was. Waarom laat je dat waschgoed ook buiten liggen?"
+
+"Ik--de dief!" riep het meisje uit, half schreiende van schrik en
+half lachende van blijdschap, nu zij bemerkte, dat zij met geen
+spoken te doen had. Want Trijntje geloofde nog aan spoken. "Ja,--dat
+zei de juffrouw ook, dat ik het waschgoed niet mocht laten liggen,
+en daarom ging ik het nog maar gauw eventjes halen. Hè--hè--ik beef
+over mijn heele lijf van den schrik..."
+
+Flipsen ging zonder groeten heen. Het speet hem, dat hij zich ten
+tweeden male vergist had.
+
+Maar het meest speet het hem, dat hij den volgenden dag moest
+vernemen van den burgemeester, dat er bij den molenaar tien meelzakken
+gestolen waren en dat er bij Legels, een herbergier, een mandje met
+ledige flesschen verdwenen was. Flipsen begreep daaruit, dat hij in
+een geheel verkeerde richting had gezocht. Hij wist er, zooals men
+dat wel noemt, geen touw meer aan vast te knoopen, en hij verdiepte
+zich in gissingen, wie toch wel de brutale dief kon zijn. Het trok
+zijn opmerkzaamheid, dat het altijd kleinigheden waren, die gestolen
+werden, en dat er nooit sprake was van inbraak. Langzamerhand vestigde
+zich de overtuiging bij hem, dat de dief geen man, maar een jongen
+moest zijn. En hij besloot voortaan in die richting te zoeken.
+
+Jan Trom merkte op, dat Flipsen hem telkens onderzoekend aankeek,
+als hij hem tegenkwam. Eens, toen hij met zijn bokkenwagen bij Van
+Dril vandaan kwam, schoot plotseling Flipsen op hem af, en vroeg hem:
+
+"Waar kom jij vandaan?"
+
+"Van Van Dril," zei Jan.
+
+"Zoo,--wat heb je daar gedaan?"
+
+"Eventjes in de smederij gekeken," was het antwoord.
+
+"Stap eens uit je wagen!" gebood Flipsen.
+
+Jan gehoorzaamde dadelijk, niet weinig verwonderd, wat dit alles wel
+te beduiden had.
+
+Flipsen doorsnuffelde het geheele karretje. Het bankje bestond uit een
+bak met een plankje er op als deksel. Flipsen lichtte dat plankje op
+en keek, wat er zich in den bak bevond. Maar hij zag niets verdachts.
+
+"'t Is goed," zeide hij. "Je kunt wel weer gaan." En Jan ging.
+
+Dienzelfden middag kwam Flipsen Frans Thor en Klaas Zwart tegen. Hij
+zag ze uit het schoolboschje komen. De school werd door drie boschjes
+elzenhout omringd, die te zamen altoos het schoolbosch werden
+genoemd. Tusschen die boschjes in lagen vrije strooken gronds, die
+tot speelplaats dienden.
+
+Frans en Klaas droegen een mand tusschen zich in. Elk hield een
+oor vast.
+
+"Daar is Flipsen," zei Klaas Zwart. Hij voelde zich nooit bizonder
+op zijn gemak, als hij den politiedienaar zag. Geen wonder trouwens,
+want hij en zijn makker hadden al menig diefstalletje op hun geweten.
+
+"Ja, dat zie ik," zei Frans. "'t Hindert niet; laat hem komen."
+
+Zoodra Flipsen deze jongens zag, schoot hem dadelijk de gedachte
+door het hoofd, dat zij wel eens de schuldigen konden zijn, want zij
+liepen altoos overal te "schuimen," zooals Flipsen dat noemde. En
+'t verwonderde hem, dat hij al niet eerder aan deze twee knapen had
+gedacht. Met groote schreden liep hij op hen af, en 't scheen wel,
+of zijne scherpe oogen hen wilden doorboren.
+
+Klaas Zwart werd er bang van en keek een anderen kant op, wat Flipsen
+niet ontging.
+
+"Waar komen jullie vandaan?" vroeg hij barsch. Hij boog zich voorover
+en hield zijn blik stijf op Klaas Zwart gericht. Klaas werd er bleek
+van, en zijne stem hokte hem in de keel.
+
+"Uit het boschje," zei Frans, die niet zoo bang was als Klaas.
+
+"En wat deed je daar?"
+
+"Wij zoeken beenen en vodden," gaf Frans ten antwoord. En hij hield de
+mand een weinig naar voren, om er Flipsen in te laten kijken. Deze
+wierp er een blik in en zag, dat er inderdaad enkele beenderen
+in lagen.
+
+"Vind-je die in het schoolboschje?" vroeg Flipsen verwonderd. "Hoe
+komen die daar dan?"
+
+"Misschien door de honden, die er daar aan kluiven, omdat het er
+een rustig plekje is," zei Frans. "Wij vinden er daar maar zelden
+een. Eigenlijk is er op het geheele dorp bijna geen beentje meer te
+vinden, want wij hebben alles al meermalen afgezocht."
+
+"Zoo," zei Flipsen. "Ja, aan alles komt een einde. En aan wien verkoop
+je dien rommel?"
+
+"Och," zei Frans, "aan voddenkoopers..."
+
+"En aan den pot..." zei Klaas. Maar Frans viel hem in de rede:
+
+"Aan voddenkoopers uit Haarlem, die hier wel met hondenwagens komen."
+
+"Ja, ja," zei Flipsen. "Houd jij je mond nu maar eens. Wat wou jij
+straks zeggen, Klaas Zwart? Aan den pot..."
+
+"Dat heb ik niet gezegd," loog Klaas. "U heeft me verkeerd verstaan. Ik
+zei: aan de vod.... Maar toen viel Frans mij in de rede."
+
+"Juist,--juist," zei Flipsen met een onmerkbaar lachje om zijne
+lippen. "Nu jongens, zoekt maar goed. Er zal hier of daar nog wel
+wat te vinden zijn."
+
+Hij liet de jongens staan en ging naar huis. Maar hij lachte inwendig
+van pret, want hij twijfelde niet, of hij was thans de daders wel
+degelijk op het spoor.
+
+"De pottenschipper," mompelde hij tusschen de tanden. "Ja, ja, die
+jongen verklapte het leelijk: de pottenschipper is de opkooper. Wacht
+maar, zij zullen mij niet ontsnappen..."
+
+Frans en Klaas gingen zwijgend verder. Het korte onderhoud met den
+veldwachter had hun eenigen schrik aangejaagd. Na een poosje zei Frans:
+
+"Stommerd!--Jij had de heele zaak daar bijna verklapt."
+
+"Ja," zei Klaas angstig. "Maar ik geloof niet, dat hij het verstaan
+heeft. Zou je denken, dat hij me verstond?"
+
+"Dat weet ik niet," zei Frans, "'k Geloof haast van niet, maar toch
+moeten wij voorzichtig zijn. We dienen ons een poos althans rustig
+te houden. Ik vertrouw Flipsen niet."
+
+"Ik ook niet," zei Klaas met een zucht. "Als hij me maar niet verstaan
+heeft. _Pot_ lijkt erg veel op _vod_. Zeg Frans, ik ga naar huis;
+ik heb geen zin meer in het zoeken."
+
+"Ga dan," zei Frans.
+
+Zoo scheidden de jongens.
+
+Flipsen lette na dien dag zorgvuldig op de zolderschuit van den
+pottenschipper. Hij twijfelde er niet aan, of den een of anderen dag
+zou het raadsel nu wel worden opgelost.
+
+Maar dagen en zelfs enkele weken gingen voorbij, en Flipsen bleef
+even wijs, als hij was. De pottenschipper leefde even eenzaam en
+verlaten in zijn schuit als altoos, en Frans en Klaas zag Flipsen er
+nooit heengaan.
+
+Doch,--en dit trok zijne opmerkzaamheid, er werd niet meer gestolen
+ook op het dorp. En dat was hem een troost.
+
+
+
+
+Elfde Hoofdstuk.
+
+ De bestorming van het sneeuwkasteel, en eene heldendaad
+ van Jan.
+
+
+'t Was in het begin van December. De winter was vroeg ingevallen,
+en het vroor, dat het kraakte. Eerst had het geducht gesneeuwd,
+tot groot vermaak van Jan Trom en zijne makkers. Ha, wat hadden zij
+gesneeuwbald! De kogels vlogen de jongens om de ooren. Toen hadden zij
+bedacht op het marktplein een fort op te werpen. Dat was een heel werk
+voor hen, want zij waren maar niet tevreden met een opgeworpen hoogte
+van sneeuw, neen, zij wilden een mooi fort hebben met schuin afloopende
+kanten, met torens op de hoeken en kanteelen daartusschen. 't Leek,
+toen het klaar was, veel meer op een kasteel dan op een fort. De
+jongens vonden het prachtig, en zij werkten er aan met een ijver en
+toewijding, zooals die alleen bij jongens gevonden kan worden.
+
+Eindelijk was het kasteel klaar, en nu besloten zij, zich in twee
+gelijke troepen te verdeelen. De eene helft zou het kasteel aanvallen,
+de andere zou het verdedigen.
+
+Aan de twee vrienden Jan Trom en Karel van Dril viel eene groote
+onderscheiding ten deel. Jan Trom werd namelijk verkozen tot
+bevelhebber van het sneeuwslot, en Karel tot aanvoerder van de
+vijanden.
+
+"Eventjes wachten, jongens!" riep Jan zijn makkers toe. "We moeten
+twee vlaggen hebben, voor elke troep één."
+
+"Ja, best!" zei Karel. "Maar weet je, wat het ergste is? Alle vlaggen
+zijn rood, wit en blauw, en 't is niet aardig, als onze vlaggen
+hetzelfde zijn."
+
+"O, daar weet ik wel raad op. 't Kasteel is een Hollandsch slot,
+dus daar zetten we de nationale vlag op, dat spreekt vanzelf. Als
+jij nu je vlag onderst-boven aan den stok bindt, lijkt hij heel veel
+op de Duitsche vlag. Jullie stelt dan het Duitsche leger voor, dat
+een inval doet op Hollandsch grondgebied. Zeg jongens, dat kan leuk
+worden, zou ik meenen."
+
+Dit voorstel vond algemeen goedkeuring, en Jan en Karel haastten
+zich naar huis, om eene vlag te halen. Binnen tien minuten waren zij
+terug. De Hollandsche vlag werd op den hoogsten toren van het kasteel
+geplant, en Karel benoemde een van zijne soldaten tot vaandrig. Jan
+en zijne krijgers maakten een ontzaglijken voorraad sneeuwballen,
+die achter de kanteelen werden opgestapeld, maar ook de Duitsche
+veldheer maakte zich zijn tijd ten nutte. Eindelijk waren beide
+partijen slagvaardig.
+
+De Duitschers omringden het fort aan alle kanten, en wachtten op het
+sein om aan te vallen. Karel, als bevelhebber, ging met den vaandrig
+aan zijn zijde naar het fort, en riep de bezetting toe:
+
+"Hallo! Hei daar!"
+
+"Werda!" antwoordde Jan Trom, wiens bovenlijf boven den gekanteelden
+muur verscheen. "Wat is er van uw begeeren."
+
+"In naam van mijn meester, den Keizer van Duitschland, eisch ik dit
+kasteel op," was het antwoord van Karel. "Mijn soldaten omringen het
+van alle kanten, geef u dus goedschiks over, dan beloof ik vrijen
+uittocht aan de manschappen. Zoo niet, wacht u dan voor de gevolgen."
+
+"Die komen voor mijne verantwoording. Dit slot behoort aan Koningin
+Wilhelmina der Nederlanden, en zoolang ik leef, zal geen Duitscher
+het binnenkomen. Dat is mijn antwoord. Leve de Koningin!"
+
+"Leve de Koningin!" juichten Jan's volgelingen.
+
+"Leve de Keizer!" riep Karel van Dril, en zijn krijgers herhaalden:
+
+"Leve de Keizer!"
+
+"Dan is het oorlog!" riep Karel zijn vriend Jan nog toe, terwijl hij
+zich met zijn vaandrig verwijderde.
+
+"Oorlog op leven of dood!" schreeuwde Jan.
+
+Weldra vloog de eerste sneeuwbal over de muren van het kasteel,
+en de belegerden keken hem lachend na.
+
+"Je moet beter mikken, mannetje!" riep Willem Kroeze, de zoon van
+den slager. "Op deze manier!"
+
+En hij wierp den Duitschen bevelhebber heel netjes zijne pet van het
+hoofd, tot groot vermaak van de andere Hollanders.
+
+Maar toen kwam er een regen van kogels op het kasteel af. De Hollanders
+moesten zich zelfs achter de kanteelen verbergen, want de Duitschers
+ontzagen hen niet. Zij wierpen uit alle macht, en de ballen kwamen
+hard aan, als zij raakten.
+
+"Hoera, zij worden bang!" riep Karel zijne mannen toe. "Allo, allo,
+beklimt de muren, en werpt den vijand naar beneden."
+
+'t Werd een geweldige bestorming. Van alle kanten schoten de vijanden
+toe, en behendig klauterden zij tegen de hoogte op.
+
+Maar Jan zag het gevaar.
+
+"Zij wagen eene bestorming, jongens! Geeft ze de volle laag!" riep
+hij. Zijn bevel werd uitgevoerd, en de Duitschers werden haast
+onder de sneeuw bedolven. Sommigen kregen oogen, mond en neus vol,
+zoodat zij hoestend en proestend het hazenpad moesten kiezen, en
+anderen kregen een flinken voorraad tusschen den kraag van hun jas,
+zoodat het water hun over den rug liep. Weldra was de storm met glans
+afgeslagen. De Duitschers trokken zich terug. De vaandrig liep zelfs
+wel wat erg hard voor 't mooi. Hij viel met vaandel en al voorover
+in eene greppel, tot groot vermaak van de Hollanders.
+
+"Het Duitsche vaandel valt!" riepen zij lachend. "Dat is een goed
+voorteeken. Hoera! Leve de Koningin!"
+
+"Kijk ze eens loopen!" riep Jan, wiens oogen schitterden van
+opgewondenheid. "Die storm is afgeslagen, jongens, en tot een tweeden
+zullen zij zoo spoedig wel niet overgaan."
+
+Dat was ook zoo. Er werd zelfs geen bal meer gegooid. Karel hield
+met zijn makkers krijgsraad, want het was hem gebleken, dat het niet
+gemakkelijk zou gaan het fort te veroveren.
+
+"Wat dunkt je, jongens," zei hij, "als we met ons allen eens
+op één punt een zóó geweldig vuur openden, dat de kanteelen in
+puin vallen? Dan zijn de belegerden ongedekt en vinden nergens
+beschutting. Als we ze dan de volle laag geven, kunnen zij het
+onmogelijk uithouden."
+
+"Ja, ja, dat is goed. De kanteelen moeten we wegkogelen," zei de
+vaandrig, "en dan wil ik wel eens zien, of ze 't volhouden."
+
+"Afgesproken!" zei Karel. "Hierheen, jongens, aan dezen kant hebben we
+de sneeuw maar voor 't grijpen. Zeg, weet je, wat we in ons voordeel
+hebben?"
+
+"Wat dan?"
+
+"Wel,--wij kunnen zooveel sneeuwballen maken, als we willen, maar
+hun voorraad raakt eenmaal uitgeput. En dan kunnen zij niets meer
+beginnen."
+
+"Dat is waar, ha ja, dat is waar!" lachten de Duitschers.
+
+Op 't volgende oogenblik openden zij een zoo geweldig bombardement
+op de kanteelen, dat deze het werkelijk kwaad te verantwoorden
+kregen. Hier en daar begonnen zij al spoedig af te brokkelen en
+in te storten, tot groote vreugde van de vijanden, die soms even
+ophielden om hunne vingers in den mond te steken,--want die werden
+erg koud,--en dan maakten zij tevens van de gelegenheid gebruik,
+om een oorverdoovend gejuich aan te heffen. Onder 't sneeuwballen
+gunden zij zich daar den tijd niet toe.
+
+Inderdaad kreeg de bezetting het kwaad te verantwoorden.
+
+Maar Jan toonde zich iemand van groote veldheerstalenten. Hij zag
+niet alleen het gevaar, dat hem dreigde, maar hij doorzag ook de
+bedoeling van zijne vijanden.
+
+"Jongens," riep hij zijne soldaten toe, "als we de kanteelen niet
+behouden, zijn we verloren. Neemt de schoppen en werpt op elke bres
+een nieuwen muur op. Maar slaat de sneeuw stevig in elkander, zoodat
+de kogels er geen vat op hebben. Weest echter voorzichtig, want als
+je een bal tegen je gezicht krijgt, dan ben je--zuur!"
+
+De soldaten lachten smakelijk om deze laatste uitdrukking, maar zij
+begrepen de bedoeling van hun aanvoerder toch zeer goed, en gingen
+dadelijk met ijver aan 't werk. Een deel van hen wierp de bressen
+dicht, en zij zorgden er voor, dat de sneeuw goed in elkaar geslagen
+werd, zoodat zij een harde koek vormde,--een ander deel maakte nieuwe
+sneeuwballen, waarvoor zij het fort als het ware onder hunne voeten
+moesten afbreken, en de rest bekogelde den vijand.
+
+Al spoedig verstomde daar het gejuich, want 't was duidelijk, dat de
+pogingen om de gekanteelde muren te vernietigen, schipbreuk zouden
+lijden. Zoodra was het den Duitschers niet gelukt een bres in den
+muur te schieten, of op 't volgende oogenblik waren wel tien handen
+gereed om het gat weer te stoppen. De vijanden waren verder van de
+overwinning dan ooit, en zij werden er moedeloos onder. Hun ijver
+verflauwde, het bombardement werd minder hevig, en eindelijk trokken
+zij af om opnieuw krijgsraad te beleggen.
+
+Wat de Hollanders juichten!
+
+Zij zwaaiden met hunne mutsen, en riepen:
+
+"Hoezee! Leve de Koningin! Hoezee!"
+
+Zij waren echter wel blij, dat zij nu ook een poosje rust kregen,
+want de strijd was hevig geweest, en zij waren erg vermoeid.
+
+"Ik kan haast niet meer," zei Willem Kroeze.
+
+"Ik ook niet," zuchtte Jacob Boors. "En wat zijn mijne vingers
+koud. Ze tintelen!"
+
+Hij kreeg haast tranen in de oogen van de pijn, die ze hem deden.
+
+"Steek ze een poosje in je mond, en blaas dan hard. Dan worden ze
+wel weer warm," zei Jan Trom. "Zeg jongens, wat hebben we ons goed
+gehouden, hè? Als we oppassen, krijgen zij ons fort nooit. Kijk ze
+'t eens druk hebben. Ze houden zeker weer krijgsraad."
+
+"Laat ze maar!" zei Tines Wobbe. "We zullen ze ontvangen, zooals het
+behoort. Weg met de Duitschers!"
+
+"Weg met de Duitschers!" riepen ze allen, en weer zwaaiden ze met
+hunne hoofddeksels.
+
+"En leve de Koningin!" juichte Jan Trom.
+
+"Ja, ja, leve de Koningin!" riepen allen.
+
+Na een paar minuten werd de krijg hervat. De vijanden waren tot
+het besluit gekomen, eene nieuwe bestorming te wagen. In gesloten
+rijen liepen zij op het fort toe, en opnieuw probeerden zij tegen
+den schuinen kant op te klauteren. Maar weer werden zij lang niet
+malsch ontvangen.
+
+Een hagelbui van sneeuwballen begroette hen, en de verdedigers wierpen
+schoppen vol losse sneeuw over hunne hoofden uit.
+
+Maar Karel wilde niet opnieuw wijken.
+
+"Sterven of overwinnen!" riep hij zijne volgelingen toe, en hij
+klauterde moedig omhoog, zich niet storende aan de projectielen
+der belegerden.
+
+Zijne soldaten, aangevuurd door zijn geestdrift, volgden hem met
+mannenmoed. Ha, daar had Karel den gekanteelden muur bereikt, en
+reeds richtte hij zich op om victorie te roepen, toen Jan plotseling
+op hem toesprong, en hem pardoes achterover naar beneden wierp.
+
+"Weg met de Duitschers!" schreeuwde hij.
+
+Karel was veel gauwer beneden, dan hij boven gekomen was. Eerst keek
+hij een oogenblik beteuterd rond, maar toen hij zag, dat zijne soldaten
+voet bij stuk hielden, bestormde hij de vesting opnieuw. 't Was een
+verwoede aanval, en de belegerden konden niet dan met de uiterste
+inspanning stand houden. Met ongebreidelde geestdrift drongen de
+Duitschers op hen in, maar de een na den ander werd van de borstwering
+afgeduwd en naar beneden geworpen. Daar werden zij haast onder de
+sneeuw bedolven, die hun bij schoppenvol nageworpen werd.
+
+Eindelijk deinsden de Duitschers af. Zij waren opnieuw afgeslagen. Maar
+het fort verkeerde in een deerniswaardigen toestand, want om zich te
+verdedigen waren de Hollanders genoodzaakt geweest, zich den grond
+onder de voeten weg te spitten. De torens helden dientengevolge sterk
+over naar den binnenkant van het slot, en dreigden elk oogenblik in
+te storten. Ook de muren geleken wel bouwvallen. Maar nog wapperde
+de Hollandsche vlag fier van den hoofdtoren. Jan was daar trotsch op,
+en hij prees zijne soldaten om den betoonden moed.
+
+"Maar mijne vingers vallen haast af van de kou!" zei Tines.
+
+"Dat doet er niet toe!" riep Jan hem toe. "Zoolang de vlag nog van
+den toren wappert, is er niets verloren, al hadden wij geen van allen
+meer een vinger over! Leve de Koningin!"
+
+"Leve de Koningin, en weg met de Duitschers!" schreeuwden zij om
+het hardst.
+
+"Dat is niet om uit te staan!" riep Karel zijne soldaten toe. "Komt
+jongens, opnieuw aangevallen, en niet gerust, voordat het fort ons is!"
+
+De vijanden bestormden den burcht opnieuw, en de aanval was zoo
+mogelijk nog verwoeder dan de vorige.
+
+"Nu of nooit!" schreeuwde Karel, die zich op en top krijgsman voelde.
+
+"Sterven of overwinnen!" antwoordde Jan Trom, en de jongens vochten
+van weerskanten als leeuwen.
+
+Eindelijk gelukte het Karel ten tweeden male op het fort te komen,
+vlak bij den hoofdtoren. Maar Jan en zijne soldaten wierpen zooveel
+sneeuw tegen zijn hoofd en schouders, dat hij zijn evenwicht verloor
+en tegen den toren viel. Deze was echter al zoo bouwvallig, dat hij
+den schok niet meer kon weerstaan en instortte. De vlag der Hollanders
+verdween van hare hooge standplaats.
+
+"De toren stort in!" riep Willem Kroeze.
+
+"De vlag duikt!" schreeuwden de Duitschers.
+
+"Hoera! Hoera!"
+
+Karel lag te spartelen onder de sneeuw in het fort, want de toren
+had hem half bedolven. De Hollanders sprongen op hem aan en grepen hem.
+
+"Een gevangene! Een gevangene!" juichten zij. "De bevelhebber is
+gevangen! Weg met de Duitschers! Leve de Koningin!"
+
+De Duitschers, ontsteld door het gevangennemen van hun Commandant,
+deinsden af, maar spoedig kwamen zij terug met het stellige voornemen,
+hun hoofdman te verlossen.
+
+Het kasteel was nu een puinhoop geworden. De torens waren ingestort,
+en van de gekanteelde muren was geen spoor meer overgebleven. De
+belegerden waren thans geheel ongedekt aan het vuur der vijanden
+blootgesteld, en het maken van nieuwe sneeuwballen, of zooals zij
+zeiden het gieten van nieuwe kogels was hun zoo goed als onmogelijk
+geworden, omdat de sneeuw, waarop zij stonden, door de soldaten als
+het ware tot een harden koek was vastgestampt. Met hunne schoppen
+moesten zij de sneeuw omspitten om kogels te kunnen gieten.
+
+En toen kwam een nieuwe storm. De vijanden klauterden als katten
+tegen den muur op, en de belegerden hadden geen middelen meer om
+hen te keeren. Zij vochten nog wel als leeuwen en wierpen menigen
+Duitscher naar beneden, maar tevergeefs. Het fort was verloren. Voor
+en na verschenen de vijanden op de hoogte, en eindelijk moest Jan
+zich overgeven.
+
+"Hoera! Hoera!" riepen Karel en zijn mannen. "Het kasteel is ons! Leve
+de Keizer!"
+
+De Hollandsche vlag, waarvan de stok gewoon in de sneeuw gestoken
+was, daar de torens totaal verdwenen waren, werd omvergeworpen,
+en de vijandelijke vlag kwam er voor in de plaats.
+
+"Leve de Keizer!" juichten de Duitschers, en zij zwaaiden met hunne
+mutsen.
+
+"Goed, goed!" zei Jan. "Maar wat heb je nu? Wat is er van het kasteel
+overgeschoten? Een puinhoop, meer niet. Veel pleizier er mede."
+
+"Ja, ja, dat is waar!" zei Karel. "Jelui hebt je kolossaal goed
+gehouden, dat moet ik zeggen.--Hè, hè, jongens, dat was een mooi
+spelletje!--'t Is nu tijd om naar huis te gaan. Doen we het morgen
+weer?"
+
+"Ja, ja!" werd er van alle kanten geroepen. "Dat is afgesproken."
+
+Zingende verlieten vriend en vijand het marktplein, om naar huis te
+gaan. Zij hadden heerlijk gespeeld en dachten er nog lang daarna met
+pleizier aan. Zij waren vast besloten, den volgenden dag een nieuw
+kasteel te bouwen en den strijd te hervatten.
+
+Maar den volgenden morgen merkten zij al dadelijk, dat het niet
+kon. 't Had namelijk dien nacht verbazend hard gevroren, en 't
+was daardoor onmogelijk geworden sneeuwballen te maken. De sneeuw
+wilde niet pakken. Zij vonden dat wel erg jammer, maar daarentegen
+verheugden zij er zich weer in, dat het zoo hard gevroren had, en
+zij hoopten, dat het ijs spoedig sterk zou worden. De twee kanalen,
+die in het hart van het dorp elkander kruisten, lagen al dicht. De
+jongens wierpen er steentjes op, om te zien, of zij er doorheen konden
+gooien, maar dat konden zij niet. Alleen klinkers gingen er ongeveer
+voor de helft doorheen.
+
+Zij vermaakten zich nu met glijbanen te maken en daar in lange risten
+overheen te glijden. De grond werd hier en daar spiegelglad. Opeens
+bedachten zij, dat het nu prachtig zou glijden langs de helling
+buiten het dorp, bij het fort, waar Jan met zijn automobile den
+veldwachter bij ongeluk van de been gereden had. En nauwelijks hadden
+zij dat bedacht, of zij snelden er heen. Ha ja, ze hadden zich niet
+bedrogen. De helling was er prachtig voor geschikt, en er lag dik
+sneeuw. Spoedig was het er zoo glad, dat men er haast niet op de beenen
+kon blijven staan, en als de jongens eenmaal op de helling waren,
+mòèsten zij verder, of zij wilden of niet. Zij vonden het meer dan
+verrukkelijk, en wisten van geen ophouden. 't Was een koddig gezicht,
+als een van hen het ongeluk had te vallen. Dan buitelden allen, die
+achter hem kwamen aanglijden, hals over kop over hem heen, en werd
+het een levende berg van jongens.
+
+Menigeen riep dan au, au! en sommigen kwamen erg in de verdrukking,
+maar daarom werd niet getreurd. Een volgend oogenblik gleed de geheele
+rij weer met statie verder, en 't ging vliegensvlug.
+
+'t Was al laat, eer de jongens thuiskwamen, en voordat zij de deur
+instapten, wierpen zij eerst nog een blik op het hemelgewelf om
+te zien, of de lucht naar vorst stond. En dat deed ze gelukkig. De
+sterretjes fonkelden aan den hemel, en er was geen wolkje aan te zien.
+
+Dien nacht vroor het kolossaal! Toen Jan 's morgens zijn neus buiten
+de bedgordijnen stak, zag hij al dadelijk, dat de bloemen dik op de
+ruiten stonden.
+
+"De pomp is bevroren!" riep zijn vader van uit de keuken. "Jongen,
+jongen, wat een vorst. 't Is buitengewoon! Zeg Jan, nog één nachtje
+zoo, en we kunnen schaatsenrijden. Dan is het kanaal sterk genoeg. Maar
+vandaag nog voorzichtig wezen, hoor, 't kan nog niet vertrouwd zijn."
+
+"Ja Vader," zei Jan.
+
+Hij was van nature geen waaghals. Niet, dat hij bang was, in het
+geheel niet, maar hij vond het dwaasheid zijn leven roekeloos in
+gevaar te stellen. Toch waren er wel jongens, die zich al op het kanaal
+waagden. Voorzichtig, voetje voor voetje, liepen zij het ijs op, dat
+door een sterk gekraak waarschuwde om terug te gaan. De waaghalzen
+hoorden het wel, en als het heel erg kraakte, bleven zij even
+stilstaan, maar spoedig gingen zij weer verder. Tines Wobbe bereikte
+zelfs de overzijde van het kanaal, waar hij niet weinig trotsch op was.
+
+'s Middags na schooltijd liep Jan met zijn vriend Karel van Dril het
+dorp in, en kwam bij de drie bruggen. Zij zagen, dat het water daar
+nog open lag. Dat was bijna altoos zoo in den winter. Alleen als het
+lang bleef vriezen, werd het daar ook sterk genoeg, om er over te
+loopen. Zij stonden er een poosje naar te kijken, toen plotseling
+hunne aandacht werd getrokken door Frans Thor, die een vuilen hond
+vervolgde. Hij wierp het beest met steenen. 't Was een broodmager
+beest, dat er vreeselijk vervuild uitzag. De jongens herkenden dadelijk
+Fik in hem, den hond van den orgeldraaier Klaas Touw.
+
+"Houdt hem! Houdt hem!" riep Frans hun toe.
+
+"Een heldendaad van Frans," zei Jan tot Karel. "Hij kan geen hond
+met rust laten."
+
+"Houdt hem! Houdt hem!" riep Frans nog eens.
+
+De hond was nu op het midden van de brug. Jan en Karel deden, of zij
+Frans niet hoorden. Maar juist kwam Klaas Zwart van den anderen kant
+de brug op.
+
+"Houd hem, Klaas!" riep Frans zijn vriend toe. "Jaag hem op!"
+
+"Ja,--ja!" was het antwoord. En met zijn armen zwaaiende en onder
+een luid geschreeuw joeg hij het verhongerde beest terug.
+
+Spoedig kwam Fik nu Frans weer tegen, en deze joeg hem ook terug. De
+dierenkwellers hadden braaf schik in den angst van den hond, die,
+naarmate de jongens elkander naderden, meer in het nauw gedreven
+werd. Eindelijk wist het arme dier geen raad meer, en toen het
+probeerde om langs de beenen van Frans te ontsnappen, op gevaar af
+een schop van dien jongen te krijgen, gaf deze hem een duw, waardoor
+hij van de brug af in het water viel.
+
+Wat hadden Frans en Klaas een pret. En hoe vermaakten zij zich met
+de wanhopige pogingen van het dier om zich te redden.
+
+De lantaarnopsteker, die op zijn laddertje stond, om de lantaren schoon
+te maken en de peer van de lamp te vullen, was er verontwaardigd over,
+en hij riep de jongens toe, dat zij zich schamen moesten. Hij klom
+naar beneden en zag, hoe het beest tevergeefs poogde zich te redden.
+
+"'t Is meer dan schandelijk!" riep de man nog eens. "'t Beest is
+onherroepelijk verloren. Wie zal het wagen, het te redden? Wie het
+doet, loopt groot gevaar om zelf te verdrinken. Zulke dierenbeulen!"
+
+Ook Jan en Karel zagen met smart de pogingen van den armen hond, om
+zich te redden, 't Was duidelijk, dat het beest verdrinken moest. Eene
+hevige verontwaardiging maakte zich van Jan meester, en ook Karel
+vond het eene schandelijke daad.
+
+Fik zwom in het breede wak rond, nu hier, dan daar pogingen doende,
+om op het ijs te klimmen. Maar dit was te glad. Telkens gleden zijn
+pootjes uit en zakte hij in het water terug.
+
+Jan kon het niet langer aanzien.
+
+"Mag ik dat laddertje gebruiken?" vroeg hij aan den
+lantaarnopsteker. Zonder antwoord af te wachten, lichtte hij de haken
+los, waarmede het aan den paal bevestigd was, en liep er mede naar
+den kanaalkant.
+
+"Niet doen, Jan, niet doen!" riep Karel hem toe.
+
+Maar Jan antwoordde niet.
+
+"Dàn zal ik je helpen!" hernam Karel, en hij voegde zich bij zijn
+vriend. Maar deze stond al op het ijs.
+
+"Blijf daar, Karel, ik ben lichter," zei Jan kortaf.
+
+Hij schoof het laddertje voor zich uit en naderde behoedzaam het
+wak. Al was Jan nòg zoo mager, en al woog zijn lichaampje nòg zoo
+licht, toch liet het ijs, dat bij de brug erg dun was, een dreigend
+gekraak hooren. Jan liet er zich echter niet door weerhouden. Bedaard
+ging hij verder, half steunende op het laddertje, dat hij met kleine
+stootjes voortduwde.
+
+"Fik! Fik!" riep hij den hond toe.
+
+Het beest zag hem komen. Met verkleumde pooten zwom het in het
+ijskoude water. Het jankte van vreugde.... Bijna kon het zich niet
+meer bewegen. Het uiterste einde van het laddertje had het begin van
+het wak bereikt.
+
+Vele menschen verzamelden zich langs de brugleuning, en met angstige
+spanning volgden zij de bewegingen van den knaap. Ook Jan's vader
+was op de brug. Zijne oogen waren geen seconde van zijn dapperen
+jongen af. Ha, hoe verheugde hij zich over deze kranige daad van zijn
+kind. Hij was trotsch op hem!
+
+Jan keek op noch om. Al zijne gedachten waren op één punt gericht,
+namelijk, dat het zijn plicht was den armen hond te redden. Op handen
+en knieën kroop hij behoedzaam verder.
+
+Het ijs boog door. Er kwam water op. De ladder werd nat. Maar Jan
+keerde niet terug. Hij zag, dat de hond op 't punt was van verdrinken.
+
+Nog een sport,--daarna nog een....
+
+Hij legde zich lang-uit op de ladder. Zijne kleêren werden nat. Toen
+strekte hij den arm uit, en met een krachtigen greep trok hij den
+hond uit het wak. Verkleumd bleef het dier liggen.
+
+Jan durfde zich niet omkeeren. Hij wist bijna zeker, dat het ijs
+dan breken zou. Zoo voorzichtig mogelijk kroop hij achteruit,
+langzaam--langzaam verder. Den hond trok hij meê.
+
+Eindelijk had hij het achtereinde van het laddertje bereikt en moest
+hij op het ijs stappen. Maar daar was het niet zoo erg zwak meer. De
+hond kwam eenigszins tot zichzelven. Bevend op zijne pooten liep het
+dier naar den walkant. Daar hielp Karel het omhoog, tegen den walkant
+op. Eindelijk had ook Jan den oever bereikt....
+
+En op 't zelfde oogenblik klonk een daverend handgeklap hem in
+de ooren. De menschen, die gezien hadden, welk heldenstuk hij had
+verricht, verbraken de stilte en juichten hem toe. Jan kreeg er een
+kleur van. En zijn vader drong door het volk heen en drukte hem in
+zijn armen. Hij had er zoowaar tranen van in de oogen.
+
+"Ben je erg nat?" vroeg Dik.
+
+"Haast niet, Vader," zei Jan. "Ik ga met Karel den hond even
+thuisbrengen, want hij kan bijna niet loopen."
+
+"Goed, goed," zei Dik, "maar dan direct droog goed aantrekken."
+
+Jan en Karel vertrokken met den verkleumden hond, en de menschen
+vervolgden hun weg. Met lof werd over Jan gesproken. Iedereen had er
+den mond vol van. Maar de dierenbeulen Frans en Klaas waren stilletjes
+afgedropen.
+
+Het huisje van Klaas Touw, den orgeldraaier, stond een weinigje
+achteraf, aan een achterweg. De jongens hadden het spoedig bereikt. Zij
+deden de deur van het armoedig hutje open en traden binnen.
+
+Mietje zat bij de tafel. Zij zag er bleek en mager uit, en hare oogen
+keken de jongens droevig aan. De bedsteêdeuren aan den achterkant
+van het kamertje stonden open, en de jongens zagen, dat Klaas Touw
+te bed lag. Hij was ziek.
+
+"Hier is uw hond, Mietje," zei Jan, die den hond in de kamer liet
+loopen. "We hebben hem uit het water gehaald. Hij lag in het wak bij
+de brug."
+
+"Neen, _wij_ niet, maar Jan heeft hem er uitgehaald," zei Karel,
+die zijn vriend om diens heldendaad bewonderde. "Met levensgevaar
+heeft hij hem gered."
+
+"Zoo,--arme Fik," zei Mietje. "Was hij maar verdronken."
+
+"Waarom?" vroegen de jongens als uit één mond. Zij waren niet weinig
+verwonderd over die woorden.
+
+"Waarom? Wel, dan was hij meteen uit zijn lijden. Klaas is ziek,
+en hij zal wel zoo gauw niet beter wezen, zegt de dokter. We hebben
+zelf niet eens te eten, hoe zal ik dan voor den hond zorgen?"
+
+De jongens keken de vrouw zwijgend aan. En hun blik dwaalde door
+het armoedige vertrek en naar het bed van den zieke. Zij zagen ook,
+dat er geen vuur was in de oude kachel, en dat de bloemen dik op de
+ruiten stonden.
+
+"En uw orgel dan?" vroeg Jan na een poosje.
+
+"Dat is weggehaald, omdat wij de huur ervan niet betalen konden,"
+zei Mietje, en zij kreeg de oogen vol tranen. "Wij lijden armoê,
+jongens, erger dan ik het zeggen kan."
+
+De jongens wisten niet veel te zeggen, maar zij kregen diep medelijden
+met die arme menschen.
+
+"Weet je wat, Mietje," zei Jan. "Morgen is het ijs wel sterk. Ga dan
+met een tentje op het ijs staan, om melk en koek te verkoopen."
+
+Vrouw Touw lachte droevig.
+
+"Hoe moet ik aan melk komen?" zei ze met een zucht. "En aan chocolade
+en suiker en koek? Wie zal mij dat alles borgen?"
+
+"Mijn vader wel," zei Jan beslist. "Ik ga het hem vragen. Ga je mee,
+Karel?"
+
+De jongens liepen op een drafje naar huis. En toen Jan verteld had,
+hoe het met den orgeldraaier en diens vrouw gesteld was, zei Dik:
+
+"Zeker wil ik helpen, jongen! Ga maar aan Mietje zeggen, dat ik haar
+alles wil voorschieten, wat zij noodig heeft."
+
+"Hoera!" riep Jan. "Wat is u toch goed, Vader. En mogen ze een paar
+oude stoelen hebben, en wat palen en een paar banken?"
+
+"Ja," zei Dik lachend, want het verheugde hem, dat Jan en Karel zich
+zoo druk maakten om een paar arme menschen te helpen, die in nood
+verkeerden. "Maar weet je, wat in de eerste plaats noodig is? De
+stakkers hebben niets in huis, zelfs geen brandstof om de kachel
+te stoken. Span je bok voor den wagen, en breng er dadelijk flink
+wat turven naar toe. Ik zal dan meteen een en ander uit den winkel
+inpakken, zoodat ze van avond wat te eten hebben ook."
+
+"Ja, ja,--ik met den bokkenwagen, en Karel met de automobiel! Dat
+zal leuk wezen."
+
+'t Was intusschen al donker geworden, en de sterretjes begonnen al
+weder aan het hemelgewelf te flonkeren.
+
+Jan en Karel hadden het druk, want zij maakten van Dik's mildheid
+een ruim gebruik. De automobile werd volgestapeld met turven en
+kachelblokjes, en in het bakje van den bokkenwagen kwamen verscheidene
+zakjes met levensmiddelen. Dik wist wel, wat het meest noodig was.
+
+Toen de jongens wegreden, keken Dik en Anneke hen lachend na, en Dik
+herinnerde zich op dat oogenblik weer levendig, hoe hij zich als kind
+op een donkeren avond geheel alleen op weg begeven had, om aan de
+heks op den achterweg, die ook in nood verkeerde, levensmiddelen te
+brengen. En hij voelde zich gelukkig, dat hij zulk een goed kind had.
+
+In het hutje van de twee arme menschen heerschte dien avond groote
+blijdschap. Jan en Karel werden hartelijk door den orgeldraaier en
+diens vrouw bedankt.
+
+"Morgen zullen we een tent voor u bouwen, Mietje," zei Jan. "En Vader
+wil u al het noodige voorschieten, om alles te kunnen inslaan. Wacht
+maar, u zal eens zien, hoe 'n mooie tent wij zullen maken."
+
+De jongens keerden naar huis terug. De bok liep met opgetrokken
+pooten, want hij vond de bevroren sneeuw erg koud, en hij was
+er slecht over gestemd, dat hij zijn warm plaatsje bij den hit
+had moeten verlaten. Karel draaide lustig aan het wiel van de
+automobile. "Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf klonk het achter den bokkenwagen. De
+beide lantarens gaven een helder licht, en de jongens vonden het een
+prettig tochtje. Zij spraken af, den volgenden morgen vroeg op te
+staan en dan ijverig te gaan bouwen aan de tent. Met een prettig
+gevoel in hun borst keerden zij in huis terug. Zij voelden zich
+tevreden en gelukkig.
+
+
+
+
+
+Twaalfde Hoofdstuk.
+
+ Een goede daad, een vroolijke dag en een treurige morgen.
+
+
+Wat was Jan Trom vroeg wakker. 't Was nog maar kwart over zessen,
+toen hij uit zijn bed stapte. Zijn vader werd er wakker van, toen
+Jan de luiken opende.
+
+"Wie is daar?" vroeg Dik.
+
+"Ik Vader," zei Jan. "Weet u niet meer, dat we eene tent zouden bouwen
+voor Mietje van Klaas Touw. De bloemen staan weer dik op de ruiten. 't
+Heeft bepaald erg hard gevroren."
+
+"Zeker wel," zei Dik.
+
+Jan was spoedig aangekleed. Hij opende de provisiekast en nam er een
+paar sneden brood uit, die hij gebruikte met een glas melk. Daarna
+verliet hij het huis, om zijn vriend te gaan wekken. Nauwelijks was
+hij vertrokken, of ook Dik stapte zijn bed uit. Hij was bang, dat het
+bouwen van een ijstent de krachten der jongens te boven zou gaan, en
+daarom wilde hij gereed zijn om zoo noodig een handje te kunnen helpen.
+
+Karel van Dril was al op, toen Jan hem kwam roepen.
+
+"Wat is het koud, hè?" zei Karel huiverend.
+
+"Ja, erg koud," zei Jan. "Maar wij zullen ons wel warm werken. Om
+negen uur moet de tent klaar zijn, want dan gaat de school aan en
+moeten wij binnen zijn."
+
+"Ja," zei Karel. "Ik ben klaar, Jan. Zullen we gaan?"
+
+"Goed."
+
+De jongens gingen naar buiten. Lange, dunne palen namen zij op de
+schouders en droegen die naar het ijs. Het kanaal was dicht bij hun
+huis. Zij hadden den weg maar over te steken om het te bereiken. Een
+goed plaatsje was spoedig gevonden. Zij besloten de tent te bouwen
+vlak voor den winkel van Dik Trom. Een paar malen liepen zij heen en
+weer om alles te halen, wat zij noodig hadden.
+
+Daarna gingen zij aan het werk.
+
+Eerst moesten er met een bijl gaten in het ijs worden gemaakt. Jan
+begon te hakken. O, wat was het ijs hard. De splinters spatten hem
+bij elken hak om de ooren, en rinkelend vlogen zij een eind ver over
+de gladde ijsvlakte.
+
+'t Was een zwaar werkje. Al spoedig had Jan geen last meer van de koû,
+en hij merkte, dat het niet gemakkelijk zou gaan, een gat in het ijs
+te hakken. Hij zuchtte zoo hard, dat Karel er om lachen moest.
+
+"Toe maar, hak maar raak," zei hij. "Ik zal wel voor je zuchten."
+
+Jan begon te wanhopen, of hij er wel mee klaar zou komen. Maar
+eindelijk toch zakte zijn bijl door het ijs. Het water drong er
+doorheen. Nog een paar slagen, en het schotsje was los. Met de bijl
+wipte hij het stuk ijs omhoog.
+
+"Zie zoo, dat is er één," zei hij. "Nu den paal er in."
+
+"Doe jij dat maar, dan zal ik intusschen het tweede gat hakken,"
+zei Karel. Hij nam de bijl, en trok aan 't werk. Op dit oogenblik
+kwam Dik Trom aanstappen. Hij kwam eens kijken, of de jongens het
+klaar zouden spelen.
+
+"Gaat het goed?" vroeg hij.
+
+"Best, Vader," zei Jan. "O, maar wat is dat ijs hard. Ik kan er bijna
+niet doorheen slaan met de bijl."
+
+"Ja, dat dacht ik wel. Daarom kwam ik juist even kijken. Maar ik zie
+wel, dat mijn hulp niet noodig is. Hoeveel palen moeten er in?"
+
+"Wij dachten van zeven," zei Karel. "'t Zou met minder kunnen, maar
+als het dan wat hard gaat waaien, is de tent niet sterk genoeg."
+
+"Je hebt gelijk," zei Dik. "Wel, wel, wat is dat ijs gl...."
+
+"Glad," wilde hij zeggen, maar zoover kwam hij niet, want plotseling
+gleden zijne beenen onder hem weg, en viel de dikke Dik met een
+geweldigen bom op het ijs. Het ging zoo snel en onverwachts, dat hij
+eerst niet wist, wat er gebeurde. Het ijs kraakte niet zoo'n beetje,
+en er kwam een groote ster in.
+
+Gelukkig bezeerde Dik zich niet, en de jongens konden er dus naar
+hartelust om lachen. Doch zij gunden zich daar niet veel tijd toe,
+want zij moesten hard werken om op tijd klaar te komen. Om de beurt
+hakten zij een gat in het ijs, en toen Dik koud werd, hakte hij er
+ook een. De tent schoot flink op. Aan drie kanten werden er zeilen
+aan de palen bevestigd, en de vierde kant bleef natuurlijk open. Om
+acht uur waren zij met hun arbeid gereed. Toen repten zij zich naar
+huis, om een oude tafel, wat afgedankte stoelen en een paar banken te
+halen. Ook namen zij ieder eene vlag mêe, en die werden aan de twee
+voorste palen bevestigd. Om half negen was de tent kant en klaar. Dik
+was al lang naar huis, want hij zag, dat de jongens zijne hulp best
+konden ontberen, en hij vond het een prettiger idee voor hen, dat
+zij de tent geheel alleen bouwden. Toen om half negen Mietje op het
+ijs verscheen, sloeg zij van verbazing de handen in elkaar, en zij
+was wat grootsch op de mooie tent, die de jongens voor haar hadden
+gemaakt. En alles was gereed. Zij had er om zoo te zeggen zóó maar
+in te stappen. Alleen moest zij nog melk koken en de noodige koeken
+bij den bakker bestellen. De arme ziel wist geen woorden te vinden,
+om de jongens te bedanken voor alles, wat zij voor haar en haar zieken
+man hadden gedaan.
+
+"Hoe is het met Klaas?" vroeg Jan.
+
+"Nog hetzelfde," was het antwoord. "Hij ligt nu al vier weken te
+bed, en ik zie niet den minsten vooruitgang. Maar hoe zou dat ook
+kunnen? Wij zijn te arm, om de versterkende middelen te kunnen koopen,
+die zijn verzwakt lichaam noodig heeft, want hij is door en door
+verzwakt, zegt de dokter."
+
+"Nu, wie weet, hoeveel u vandaag nog verdient," zei Karel. "En hoe
+is het met Fik?"
+
+"O, die is weer geheel en al in orde. Hij houdt den baas
+gezelschap. Die moet natuurlijk den heelen middag alleen in huis
+blijven. Maar hij zal zich wel redden. Ik zal de tafel bij zijn bed
+schuiven en alles, wat hij noodig heeft, daarop klaar zetten. Vóór
+twee uur van middag behoef ik niet in de tent te staan, en om vijf
+uur kan ik wel al weer thuis zijn. Dan wordt het donker en gaan de
+schaatsenrijders naar huis. Dus langer dan een uur of drie, vier is
+hij niet aan zijn lot overgelaten. O jongens, wat redden jullie me
+heerlijk uit den nood; je weet niet, hoe dankbaar ik ben."
+
+"Dat is niet noodig, Mietje. We hopen, dat je vandaag nu maar
+flink geld verdient. Maar 't wordt voor ons tijd om naar school te
+gaan. Vanmiddag zullen we wel vacantie krijgen, denk ik, nu het zulk
+mooi ijs is."
+
+"'t Is te hopen," zei Karel. "Hè, wat heb ik een zin om te gaan
+rijden."
+
+"En ik!--Dag Mietje, tot vanmiddag!"
+
+De jongens gingen naar huis. Het gebruikte gereedschap namen zij mee,
+en eenige minuten later stapten zij de school binnen. Zij dachten
+dien morgen meer aan het mooie ijs, dan aan de lessen.
+
+Mietje was intusschen druk in de weer om alles voor den middag in
+gereedheid te brengen. Bij den bakker bestelde zij een groot getal
+ijskoeken, die ook wel dikke Pieten werden genoemd, eene lekkernij,
+waar de jongens verzot op waren, en die de meisjes ook wel lustten. Dik
+Trom had aan den bakker gezegd, dat hij voor de goede betaling borg
+stond. Ook gaf Dik de noodige chocolade en suiker, en mocht zij bij
+Wobbe op zijne rekening zooveel melk bestellen, als zij dacht noodig
+te hebben. Mietje vloeide over van dankbaarheid.
+
+"Zorg nu," zei Dik, "dat alles er netjes en zindelijk uitziet in je
+tent, en maak de kopjes telkens schoon, als er uit gedronken is. De
+menschen hebben een hekel aan vuile koppen en schotels."
+
+Dik wist wel, dat Mietje niet aan overdreven zindelijkheid leed.
+
+"Daar zal ik voor zorgen," zei Mietje.
+
+Van een kastelein had zij de noodige koppen en schotels geleend. Zoo
+werd Mietje door de hulp van verschillende menschen, die medelijden
+met haar hadden, netjes ingespannen, en om één uur stond zij al in
+hare tent, gereed om de gasten te ontvangen.
+
+Jan en Karel hadden goed geraden. Dien middag kregen zij inderdaad
+vacantie. Dat gaf eene vreugde. Onder een luid gejoel verlieten de
+kinderen de school, om te gaan eten. Sommigen gunden zich daar haast
+den tijd niet eens toe, zoo verlangden zij om op 't ijs te komen.
+
+Om een uur krioelde het al van jongens en meisjes op de baan, en Mietje
+kreeg het al aardig druk in hare tent. Jan en Karel waren er ook. Hun
+eerste gang was naar Mietje, want zij wilden graag de eersten zijn,
+die wat bij haar kochten. En Mietje zag er wat helder uit. Van Anneke
+had zij een grooten huishoudboezelaar gekregen, die hare armoedige
+plunje geheel bedekte. Ook de kopjes waren helder gewasschen, en
+'t zag er gezellig bij haar uit. Jan en Karel zagen met genoegen,
+dat zij het verbazend druk kreeg. Dat was trouwens geen wonder, want
+zij was de eenige, wier tent geheel klaar was. Er waren er nog wel
+verscheidene in aanbouw, maar gereed was er nog maar een, en dat
+was de hare. Wat hadden de twee jongens er een pret in. Vroolijk
+zwierden zij op de baan heen en weer, want zij konden goed rijden,
+vooral Jan. Die kon al zwieren als de beste. Dat had hij van zijn
+vader geleerd die ook een groot liefhebber van het ijsvermaak was. En
+als zij een poosje gereden hadden, gingen zij uitrusten in de tent
+van Mietje, die er recht gelukkig en tevreden uitzag, want zij kon
+wel aan het bedienen blijven.
+
+"Dikke Pieten! Dikke Pieten!" riep Karel lachend zijne kameraden
+toe. "Steekt er eens op, en legt er eens aan! Lekkere, versche dikke
+Pieten! De mooiste ijskoeken van de wereld!"
+
+De jongens en meisjes lachten er om, en toen zij hoorden, dat Mietje
+het zoo erg arm had en dat haar man ziek was, en daarbij vernamen, dat
+Karel en Jan samen die mooie tent voor haar hadden gebouwd, kijk,--toen
+wilde iedereen ook een steentje bijdragen om den nood der arme menschen
+te lenigen, en wie wat koopen wilde, deed het daarom bij Mietje.
+
+Jan ging ook achter de tafel staan, en riep zoo hard hij kon:
+
+
+"Heete melk en koude Jan,
+Steekt er eens op en legt er eens an!"
+
+
+De kinderen moesten er hartelijk om lachen, maar 't gevolg was toch,
+dat de koeken als 't ware wegvlogen, en dat Mietje telkens een nieuwen
+voorraad melk moest koken. Hare zaakjes gingen best, opperbest, en
+zij ontving zooveel geld, als zij in haar heele leven nog niet bij
+elkaar had gezien.
+
+Later op den middag kreeg zij het nog drukker. Toen kwamen de groote
+menschen op de baan. Ook Dik Trom stapte met zijn schaatsen onder
+den arm het ijs op. En even later verschenen de twee mannen, met
+wie hij al van zijne vroegste jeugd af trouwe vrienden was geweest,
+namelijk Piet van Dril, de smid, en Jan Vos, de metselaar. In de
+tent van Mietje bonden zij de schaatsen onder. Dik trakteerde eenige
+jongens, die dicht in de nabijheid stonden, op dikke Pieten, en even
+later zwierde het drietal lustig over de baan. Wat kreeg deze meer en
+meer een vroolijk aanzien. De andere tenten waren nu langzamerhand ook
+gereed gekomen, en de vlaggen wapperden vroolijk in den wind. En wat
+kwamen er een menschen op het ijs! 't Werd er hoe langer hoe voller,
+en soms, als de menschen erg dicht op een hoop stonden, gaf het ijs
+een geweldigen krak, zoodat iedereen er van schrikte en men ijlings
+uit elkander stoof.
+
+De baanvegers hadden weinig te doen, want het ijs was spiegelglad. Des
+te meer tijd hadden zij om geld op te halen.
+
+"Een centje voor den baanveger!" klonk het hier. "Een centje voor den
+baanveger," klonk het daar. 't Leek wel, of de baanvegers uit den bodem
+van het kanaal opstegen, zooveel kwamen er. Maar de schaatsenrijders
+genoten volop, en zij hadden een gulle bui. Dik Trom, wiens winkel
+thans verreweg de grootste was van het geheele dorp, zoodat hij veel
+geld verdiende en van nabij met den toestand der baanvegers bekend was,
+liet menig dubbeltje in de handen der baanvegers overgaan. Hij was
+niet gierig, en als hij wist, dat hier of daar armoede geleden werd,
+was hij altoos bereid om te helpen. Hij was dan ook verbazend bemind
+onder zijne dorpsgenooten. Iedereen had een vriendelijk woord voor
+hem over, en niemand passeerde hem zonder een groet.
+
+"Dag Dik!" werd er overal geroepen, waar hij voorbij reed. "Dag
+Dik! Dat is nog eens een echt ouderwetsch dagje, hè?"
+
+'t Was vreemd, maar Dik werd op het dorp nog bijna door iedereen Dik
+genoemd. Zelden zeide men Trom tegen hem.
+
+Hij kon mooi schaatsenrijden, veel mooier, dan men van zoo'n
+dikken man verwacht zou hebben. Als hij goed aan het zwieren was,
+had hij aan de breede baan niet genoeg, neen, dan gebruikte hij
+wel de halve breedte van het kanaal. En 't was grappig om te zien,
+als Jan achter hem aanzwierde. Dik had altoos een ijsstok bij zich,
+met aan elk einde een knop. Soms hield Dik het eene einde onder den
+arm, en Jan het andere, en dan zwierden zij samen zoo kolossaal,
+dat de menschen bleven staan om er naar te kijken. En 't was een
+grappig gezicht, dien dikken Dik en dien mageren Jan samen aan den
+stok te zien zwieren. Iedereen lachte er om, en Dik zelf ook.... Ha,
+wat was Jantje dan grootsch. Dan reed hij zoo prachtig beentje-over,
+dat Karel van Dril er jaloersch op was.
+
+Het drukste punt van de geheele ijsbaan was, waar de tent van Mietje
+stond. Karel en Jan zagen met onbeschrijflijk veel genoegen, dat hare
+tent nooit leeg was. Altijd zaten er menschen op de stoelen of banken,
+om uit te rusten, en iedereen gebruikte wat bij haar. De koek was om
+drie uur al uitverkocht, maar melk had zij in overvloed. Haar zak
+was zwaar van de centen, die zij ontvangen had, en steeds kwam er
+meer bij. Iedereen wilde haar helpen in den nood. Alleen de andere
+tenters waren er een beetje boos om, maar toch niet heel erg, want
+het was zóó druk op de baan, dat ook zij een heel goeden dag maakten.
+
+Frans Thor en Klaas Zwart waren ook aan het schaatsenrijden, maar de
+andere jongens ontweken hen zooveel mogelijk. Zij wilden 't liefst
+niet met hen te maken hebben.
+
+Eindelijk begon de schemering te vallen, en de drukte op het ijs
+verminderde gaandeweg. Vele boerenjongens en -meisjes moesten naar
+huis, om de koeien te melken en het vee te voederen, en langzamerhand
+zakten ook de anderen op huis af. Jan en Karel waren onder de laatsten,
+die vertrokken.
+
+"Kunnen we je helpen, om een en ander naar huis te brengen,
+Mietje?" vroegen zij. Want zij hadden zich nu eenmaal voorgenomen,
+Mietje zooveel zij konden terzijde te staan.
+
+"Neen, jongens, dank je vriendelijk," was het antwoord. "De kopjes
+en schoteltjes doe ik in een sleetje en neem ik meê naar huis. Maar
+den vuurpot en den ketel laat ik van nacht hier maar staan. Dat wordt
+anders maar heen- en weer sjouwen voor niemendal."
+
+"En heb-je goede zaken gemaakt?" vroegen de jongens blij, want zij
+wisten wel, hoe het antwoord zou zijn.
+
+"Goede zaken?"--Of ik!" zei Mietje, en zij klopte met hare hand
+op den zak, die onder haar boezelaar hing. De jongens hoorden een
+rinkelend geluid.
+
+"Allemaal centen, Mietje!" plaagde Jan. "Dat beschiet niet veel."
+
+"Allemaal centen?" herhaalde Mietje, terwijl zij een flinken
+greep in den zak deed, en den inhoud van hare hand op de tafel
+uitstortte. "Allemaal centen? Kijk eens, een dubbeltje, weer een, hier
+nog een, een kwartje, nog een kwartje, daar nog een dubbeltje,--neen,
+neen, als het nog een paar dagen mag blijven vriezen, ga ik den winter
+zonder zorg tegemoet.--En dat heb ik alles aan jelui te danken,--en
+aan je vader, Jan."
+
+Zij deed het geld weer in den zak, pakte alles wat meegenomen moest
+worden, in de slede, schoof de tafels en stoelen zooveel mogelijk in
+elkaar en ging naar huis.
+
+"Zeg aan je vader, dat ik vanavond met hem kom afrekenen," zei ze
+nog tegen Jan. "Ik heb vandaag wel zooveel verdiend, dat ik mezelf
+verder redden kan. 't Is een pak van m'n hart, jongens."
+
+Jan en Karel gingen recht vergenoegd naar huis. De lucht zag er wel
+naar uit, dat het weer geducht vriezen zou.
+
+'s Avonds kwam Mietje inderdaad met Dik afrekenen en zij deelde hem
+mede, dat zij wel meer dan twintig gulden had verdiend. Dik was er
+recht blijde om, en hij gaf Jan een knipoogje, of hij zeggen wilde:
+"Zie je, Jan, dat is het werk van jou en je vriend. Je hebt eene
+goede daad gedaan."
+
+Vol vreugde keerde Mietje naar haar hutje terug. Klaas en zijne vrouw
+hadden zich in langen tijd niet zoo gelukkig gevoeld.
+
+Helaas, de blijdschap van Mietje zou al spoedig in verdriet
+veranderen. Toen zij den volgenden morgen in de tent kwam, om alles
+voor den middag in orde te brengen, want het had weer sterk gevroren,
+bemerkte zij tot haar grooten schrik, dat de ijzeren pot, dien zij
+van Van Dril te leen had gekregen, en de mooie koperen ketel, dien
+De Vries, de kastelein, haar ten gebruike had afgestaan, verdwenen
+waren. Eerst meende zij nog, dat de andere tenters een grapje hadden
+willen hebben en een en ander hadden weggehaald, maar dat bleek niet
+zoo te zijn. Die menschen vermisten ook voorwerpen, die zij in de
+tenten hadden achtergelaten, en zij waren erg boos en terneergeslagen.
+
+"'t Is eene schande," zei er een. "Ik dacht zóó, dat de diefstallen
+ten einde waren, en nu komen zij ons armoedje nog wegstelen."
+
+"Ja, 't is eene schande," zei een ander. "De politie doet hier ook
+niets. Maar ik ga naar den burgemeester om mij te beklagen. 't Is
+verregaand, dat er niets meer veilig is op 't dorp."
+
+"Ik ga meê," riep een derde.
+
+"En ik! En ik," zeiden de anderen.
+
+En te zamen verlieten zij het ijs, om naar den burgemeester te gaan
+en hem te zeggen, dat er verschillende voorwerpen uit de tenten
+ontvreemd waren.
+
+Mietje kreeg de tranen in de oogen. Al hare verdiensten waren weer
+weg, want zij moest de gestolen voorwerpen natuurlijk vergoeden, dat
+begreep zij zeer goed. Allereerst ging zij naar Van Dril, om hem te
+zeggen, wat er gebeurd was.
+
+"Dat is verregaand!" riep hij uit. "'t Wordt hoog tijd, dat de dieven
+gesnapt worden, want zóó kan het niet langer. Maar jij, arme ziel,
+behoeft de schade niet te lijden. Hier staat nog een andere pot met
+toebehooren. Gebruik dien maar, doch laat hem 's nachts niet meer op
+het ijs staan. Alles, wat je in de tent gebruikt, moet je vanavond
+opbergen. Anders heb je kans, dat morgen alles weer verdwenen is."
+
+Mietje bedankte van Dril voor zijn goedheid, en begaf zich dadelijk
+naar de Vries. Maar deze was lang zoo vriendelijk niet als de smid. Hij
+werd zelfs onbillijk.
+
+"Daar heb je 't al," riep hij uit, toen Mietje hem het gebeurde had
+verteld. "Dan leen je aan zulk volk je beste spullen, en in plaats,
+dat zij er dankbaar voor zijn en er goed op passen, maken ze, dat
+je ze nooit terugziet. Maar je zult me den ketel betalen, wat ik
+je zeg! 't Was een beste, koperen ketel, een zware koperen ketel,
+en ik laat hem maar niet goedschiks verdonkeremanen! Wie weet, wat
+je er mêe uitgevoerd hebt."
+
+"Ik? Er mêe uitgevoerd?" zei Mietje schreiend. "Ach, wat heb ik er een
+spijt van, dat ik hem niet meegenomen heb naar huis, gisterenavond,
+maar de andere tenters lieten hun boeltje ook in de tent achter,
+net zoo goed als ik. Wie kon ook denken, dat de menschen zoo slecht
+zouden zijn, om ons armoedje weg te stelen."
+
+"Alles goed en wel, maar ik moet den ketel terughebben, of je zult
+mij de schade vergoeden. Met minder dan vijf gulden ben ik niet
+tevreden. 't Was een dure ketel, en nog zoo goed als nieuw!"
+
+"Vijf gulden?" stamelde Mietje verschrikt. "Vijf gulden, zegt u?"
+
+"Ja, vijf gulden minstens," was het antwoord. "Koper is duur."
+
+Verdrietig keerde Mietje naar de tent terug. Zij wist geen raad om
+zich te helpen.
+
+"Wie zal mij weer een ketel leenen?" vroeg zij droevig.
+
+"Dat zal ik doen," zei Anneke. "Je kunt mijn ketel gebruiken, Mietje,
+als je er maar voor zorgt, dat hij elken avond bij mij binnengebracht
+wordt."
+
+"O, dat zal ik zeker," zei Mietje. "Een ezel zelfs stoot zich geen
+tweemaal aan denzelfden steen."
+
+'t Ging als een loopend vuurtje door het dorp, dat de dief weer aan
+den gang was geweest. En de burgemeester vond, dat er hoog noodig
+een einde aan moest komen. Zoodra hij het gebeurde vernomen had,
+liet hij dadelijk Flipsen bij zich ontbieden. Deze kwam direct, en
+onderweg vernam hij al, wat er aan de hand was. Maar de burgemeester
+vertelde het hem nog eens dunnetjes over. Flipsen hoorde hem zwijgend
+aan; er speelde een bijna onmerkbaar glimlachje om zijne lippen. Hij
+meende te weten, waar hij thans zoeken moest.
+
+"Je moet bij de tenters eerst gaan onderzoeken, welke voorwerpen door
+hen worden vermist, en dan zoek je maar net zoo lang, tot je den dief
+gevonden hebt," besloot de burgemeester.
+
+"Laat het maar aan mij over, burgemeester," zei Flipsen met een hooge
+borst. "Ik zal het zaakje wel afwikkelen."
+
+Hij stapte op het ijs, en begaf zich met een zakboekje in de linker
+en een potlood in de rechterhand van de eene tent naar de andere,
+en overal vroeg hij, welke voorwerpen gestolen waren. Het bleek hem,
+dat alle tenters hun ijzeren pot en grooten ketel hadden achtergelaten,
+en dat die nu vermist werden.
+
+De tenters waren er bitter slecht over te spreken, en Flipsen moest
+menig onaangenaam woord hooren.
+
+"Waarom heb je niet beter uitgekeken?" vroeg er een. "Je doet ook
+niet veel voor den kost, Flipsen."
+
+En een ander merkte op:
+
+"Of wij politie op het dorp hebben of geen politie, dat komt op
+hetzelfde neer. De dieven doen toch maar, wat ze willen."
+
+"'t Is jullie eigen schuld," gaf Flipsen ten antwoord. "Wie laat
+zulke dingen bij nacht en ontijd ook buiten staan? Je bent te lui om
+voor je spullen te zorgen, en als ze dan gestolen worden, krijgt de
+politie de schuld. Zoo is het altijd. 't Is het oude liedje en anders
+niet. Doch heb maar geduld. Dezen keer zul-je eens zien, dat Flipsen
+wèl uit zijne oogen gekeken heeft, en terdege ook. Eer we een halven
+dag verder zijn, heb ik de dieven gesnapt, want er is er niet één,
+maar er zijn er twee."
+
+De menschen keken hem ongeloovig aan.
+
+"Twee?" vroegen ze. "Zijn er twee? Weet je dan, wie de daders zijn?"
+
+"Ik weet, wat ik weet," gaf Flipsen gewichtig ten antwoord. "En ik
+zeg, hebt maar geduld. Je zult je verloren zaakjes spoedig genoeg
+terug hebben, veel vlugger zelfs, dan je denkt."
+
+Flipsen keerde zich om en begaf zich regelrecht op weg naar--den
+pottenschipper. De menschen zagen dat tot hunne verbazing, en ook zij
+begaven zich naar de hun welbekende schuit, die niet ver van de tent
+van Mietje aan den wal lag. Dat was hare vaste plaats. Een plank
+lag van de schuit naar den walkant om te maken, dat de bezoekers
+gemakkelijk op de schuit konden komen.
+
+Flipsen liep de plank over en deed het deurtje van de kajuit open,
+die den pottenschipper tot woonvertrek diende. Eene warme lucht kwam
+den veldwachter tegemoet. Hij zag dadelijk, dat de pottenschipper bij
+een klein tafeltje zat met een pijpje in den mond. De rook dwarrelde
+door het geopende deurtje naar buiten.
+
+"Goeden dag," zei Flipsen binnentredende. Zijne oogen dwaalden
+onderzoekend in het kleine vertrekje rond.
+
+"Dag Flipsen," was het antwoord. "Kom binnen. Wat is er van je dienst?"
+
+"Dat zal ik je zeggen. Er zijn ijzeren potten en verscheidene ketels
+gestolen uit de tenten, die op het ijs staan."
+
+"Is het waar?" vroeg de pottenschipper. En hij liet er op volgen:
+"Wat zijn die menschen onvoorzichtig, om zulke dingen 's nachts te
+laten staan. 't Is meer dan dom."
+
+"Dat is het," zei Flipsen.
+
+"Maar ik begrijp niet, wat _ik_ daarmede te maken heb," hernam de
+schipper. "_Ik_ ben gelukkig geen dief, en heb ze niet gestolen."
+
+"Zoo--ja, dat kan wel," zei Flipsen, die wel een beetje in de
+war raakte, toen hij den schipper zoo kalm zag zitten. De man was
+blijkbaar in 't geheel niet geschrokken door zijn bezoek, wat Flipsen
+toch stellig verwacht had.
+
+"Zoo--ja, dat kan wel," herhaalde hij. "En dat wil ik wel gelooven ook,
+maar ik dacht, de pottenschipper is iemand, die vodden, beenen, oud
+ijzer en dergelijke dingen opkoopt. Misschien kan hij me inlichtingen
+geven, die me een beetje op weg helpen. Want die dieven moeten gevonden
+worden, dat spreekt van zelf."
+
+"Juist, hoe gauwer, hoe beter," zei de pottenschipper. "Ik heb,
+zooals je weet, heel wat potten en pannen boven op mijn schuit staan,
+en ik houd mijn hart in mijn lijf vast, dat de dieven daar ook een
+bezoek zullen brengen. Wat zou ik lachen, als je ze snappen kon,
+Flipsen; 't is meer dan tijd. Maar inlichtingen,--neen, die kan ik
+niet geven. Ik heb van niets gemerkt."
+
+"En is u niets van dien aard te koop aangeboden ook?" vroeg Flipsen,
+terwijl hij zijn oogen strak op die van den schipper gevestigd hield.
+
+"Nu nog mooier!" riep deze uit. "Ze moesten het eens wagen met
+gestolen goed bij me aan te komen! Wat zouden ze gauw mijne schuit
+uit zijn. Neen man, voor zoo iets zijn ze bij mij aan het verkeerde
+kantoor. Daar moet ik niets,--niemendal van hebben. Dank je hartelijk!"
+
+De veldwachter stond op. Hij begreep thans zeer goed, dat de
+pottenschipper òf totaal onschuldig was, òf dat deze te slim was om
+zich te laten uithooren. Hij zeide dus:
+
+"'t Spijt me, dat u me geen inlichtingen kan geven. Mag ik nu de
+schuit nog even van binnen bekijken?"
+
+"Wel, nu nog mooier!" riep de schipper boos uit. "Wou je mijn schuit
+doorzoeken? 't Is fraai, dat moet ik zeggen. En met welk doel, als
+ik vragen mag?"
+
+"Louter uit nieuwsgierigheid," zei Flipsen. Hij klom op het dek
+en begaf zich naar de voorzijde van de schuit. Hij wist, dat daar
+de ingang was van het ruim, waar de schipper zijne meeste goederen
+bewaarde. Deze volgde hem onwillig, en hij deed niets dan mopperen
+over de onbeschaamdheid van Flipsen.
+
+"'t Is een schande, om een fatsoenlijk mensch van diefstal te
+verdenken," zei hij. "Welke reden heb je daarvoor? Wie heeft er iets
+op mij aan te merken?"
+
+Flipsen zei niets. Hij ging het ruim binnen en keek onderzoekend
+rond. Maar hij zag niets dan steenen voorwerpen voor huishoudelijk
+gebruik, en alles fonkelnieuw. Achter in het ruim, in een donkeren
+hoek, vond hij ook nog een hoop vodden, beenen en oud-roest. Hij
+was er te vies van, om het met zijne handen aan te raken. Daarom
+trok hij zijn sabel en wroette in den hoop rond. Maar hij ontdekte
+niets verdachts, wat hem geducht tegenviel, want hij had er stellig
+op gerekend, de gestolen voorwerpen hier aan te treffen. Er bleef
+geen gaatje ondoorzocht, en eindelijk verliet hij de schuit, zonder
+iets wijzer geworden te zijn.
+
+Er hadden zich heel wat menschen op den kanaalkant verzameld,
+om den afloop van Flipsen's onderzoek af te wachten. Maar zij
+zagen al dadelijk aan zijn gezicht, dat hij niets gevonden had. De
+pottenschipper beklaagde zich met luider stem tegen de menschen
+over de schande, die Flipsen hem had aangedaan, en zijn toehoorders
+vonden, dat hij wel een beetje gelijk had. Ook Frans Thor en Klaas
+Zwart bevonden zich onder de toeschouwers. Zij zeiden niets, en Klaas
+Zwart zag zelfs een beetje bleek. De pottenschipper zag hen staan,
+en hij zeide zoo luid tegen Flipsen, dat iedereen het hooren kon:
+
+"Als er nu weer eens wat vermist wordt, hoop ik van je vereerend
+verzoek verschoond te blijven, Flipsen. Je weet nu eenmaal, dat ik
+part noch deel aan de zaak heb. Ik ben een eerlijk koopman, en houd
+mij met slechte practijken niet op."
+
+Een zucht van verlichting ontsnapte bij die woorden aan de borst
+der beide jongens, en onmerkbaar stootten zij elkander met den
+elleboog aan.
+
+Flipsen was erg teleurgesteld. Hij begreep, dat hij het spoor van
+den dief weer geheel bijster was, en hij wist niet, wáár thans te
+zoeken. Toch gaf hij het nog niet op. Regelrecht ging hij naar de
+woning van Klaas Zwart, en ook daar doorzocht hij het heele huis en de
+schuur. Maar alweer tevergeefs. Daarna begaf hij zich naar 't huis van
+Thor, den oud-gediende uit Indië. Deze ontving hem ver van vriendelijk,
+maar daar stoorde Flipsen zich niet aan. Hij doorsnuffelde ook diens
+woning van boven tot beneden, echter zonder het gewenschte gevolg. Hij
+kwam tot de conclusie, dat hij zich totaal vergist had. En toch stond
+het bij hem vast, dat de dief op het dorp woonde.
+
+
+
+
+
+Dertiende Hoofdstuk.
+
+ Hoe Jantje op een gelukkig idée kwam.
+
+
+Er werd 's avonds, toen de lampen opgestoken waren en de menschen
+gezellig in de kamer rondom de kachels zaten, heel veel over het
+gebeurde gesproken. Zoo ook bij Dik Trom. Jan Vos en Piet van Dril
+waren bij hem op visite, en Anneke had anijsmelk gekookt, tot groote
+vreugde van Jan, die zijn vriendje Karel ook bij zich mocht hebben,
+en bizonder veel van anijsmelk hield.
+
+'t Was een recht prettige avond, want de drie oude vrienden zaten te
+praten over hunne kinderjaren, en de twee jongens luisterden met open
+mond naar hetgeen er verteld werd. Eindelijk kwam het gesprek ook
+op den gepleegden diefstal, en algemeen waren zij het er over eens,
+dat het een laaghartige daad was. Ja, vroeger was er ook meermalen
+gestolen, maar nu had de dief zelfs de laagheid gehad de spulletjes
+weg te stelen van de armsten onder de armen. 't Was wel zoo erg,
+als het maar wezen kon.
+
+"En Flipsen was de plank heelemaal mis," zei Dik. "Hoe kwam hij er
+ook toe, den pottenscihpper van den diefstal te verdenken? Die man
+komt zelden of nooit zijne schuit uit."
+
+"Dat is wel mogelijk," zei Jan Vos, "maar vroeger moet hij een echte
+deugniet geweest zijn, heb ik wel eens gehoord."
+
+"O, vroeger!"--meende Piet van Dril, "vroeger, dat is nù niet. Een
+mensch kan zich beteren."
+
+"Dat is waar," zei Dik. "Ik geloof er trouwens ook niets van, dat hij
+er aan schuldig is. Maar 't is toch wonderlijk, dat de dief zoo lang
+met zijne diefstallen kan doorgaan, zonder betrapt te worden. Flipsen
+loert avond aan avond op hem, en hij is waarlijk toch niet voor
+de poes."
+
+"Neen, dat geloof ik ook!" zei Piet van Dril lachend. "Daar weten wij
+van mêe te praten, hè?--Denk nog maar eens aan een zeker avondje in
+den tuin van den burgemeester...!"
+
+Allen schoten in den lach.
+
+"Ja, maar toen waren wij hem toch te knap af!" zei Dik.
+
+Zoo zaten zij nog lang te praten, tot Jan Vos opeens zeide: "Als het
+zoo blijft voortvriezen, zal de visch het gauw benauwd krijgen onder
+het ijs. Morgen moet ik toch eens probeeren, of ik niet een lekker
+maaltje paling kan vangen."
+
+"Ja, doe dat maar," zei zijne vrouw, die intusschen druk met de andere
+vrouwen had zitten praten. "Overmorgen is het Zondag, en dan wil ik
+wel graag een lekker maaltje hebben."
+
+"Paling vangen? Hoe doet u dat dan?" vroeg Jan nieuwsgierig.
+
+"Wel jongen, als 't ijs erg dik is, krijgt de paling het er benauwd
+onder en begeeft zich naar de bijten en wakken, waar open water
+is. Met een sikkel, die aan een langen stok bevestigd is, kun-je ze
+gemakkelijk uit het water op het ijs wippen. Dat vereischt alleen
+maar wat behendigheid."
+
+"Zwemmen ze dan niet weg?" vroeg Karel.
+
+"Neen jongens," zei Dik. "Of het van de koû komt, of van wat anders,
+dat weet ik niet, maar zij zijn bij sterk ijs min of meer suf. Je
+kunt ze dan vrij gemakkelijk vangen."
+
+"Willen wij dat morgen ook eens gaan doen?" vroeg Karel aan Jan. "Wij
+hebben dan toch den heelen dag vrij."
+
+"Ik vind het best," zei Jan. "Graag zelfs. Van Dril, heeft u voor
+ons elk ook een sikkel? Dan gaan wij morgen op de vangst."
+
+"Zeker wel, jongens, er liggen oude sikkels genoeg in de smederij. Als
+je er zelf dan maar een langer handvat aan maakt, want het gewone
+handvat is voor dat werk te kort. Je moet er een stok aan doen,
+ongeveer zoo lang als je arm."
+
+"Een gewone lat is wel goed," zei Dik.
+
+Jan en Karel spraken af, dat zij er na het ontbijt samen op uit zouden
+trekken. De sikkels zouden spoedig genoeg in orde zijn, daar waren
+zij het over eens.
+
+En zoo gebeurde het ook. Toen Jan ontbeten had, ging hij naar Karel,
+die al twee goede sikkels had opgezocht. Zij haalden de handvatten er
+af, en deden er langere voor in de plaats. In een kwartiertje waren zij
+daarmede klaar. Karel nam een emmertje meê, om er de visch in te doen,
+en zoo trokken zij er samen op uit. Ook namen zij elk een bijl mede,
+om hier en daar een gat te hakken. 't Eerst gingen zij naar de bijt,
+die voor het huis van Dik Trom gehakt was. Het ijs van den laatsten
+nacht lag er nog in. Zij hakten het los en trokken de schotsen op
+het ijs. Toen keken zij in de bijt, en waarlijk, heel rustig lag daar
+een dikke paling op den bodem.
+
+"Kijk, kijk, daar ligt er een," zei Jan, die hem het eerst zag.
+
+Hij stak den sikkel voorzichtig onder het beest door en wipte hem met
+een snelle beweging omhoog. Daar spartelde de paling op het ijs. Ha,
+wat kronkelde hij zich! De jongens sprongen beiden op hem toe, want
+hij lag dicht bij den rand van de bijt.
+
+"Grijp hem, grijp hem!" riep Jan zijn vriend toe, want deze was het
+dichtst bij hem. Maar Karel kwam te laat. Wel gelukte het hem nog
+den paling te grijpen, maar deze kronkelde zich om zijn arm heen,
+en dat vond Kareltje zoo'n eng gevoel, dat hij het beest met een
+rilling over de leden losliet. Op 't volgende oogenblik verdween de
+paling in de bijt, en de jongens hadden nakijk.
+
+"Hè, wat is dat jammer!" riep Jan spijtig uit. "Hoe dom ook van je,
+om hem weer los te laten, toen je hem zoo mooi vast hadt."
+
+"Hu, wat glibberig was hij, en wat kronkelde hij akelig om mijn
+arm heen," zei Karel, wien opnieuw eene huivering over den rug
+ging. "Precies een slang."
+
+"Dat zal jij wel weten," zei Jan. "Je hebt nog nooit een slang gezien."
+
+"Genoeg,--meer dan jij," meende Karel. "In Artis."
+
+"O, in Artis. Daar liggen ze achter glas.--Nu, deze is in elk geval
+weg, en wij zullen hem wel nooit terugzien. Wat was het een dikkerd."
+
+"Of hij dik was," zei Karel. "Akelig dik."
+
+"In deze bijt is niets meer te zien. Willen we naar die van den
+burgemeester gaan aan den overkant? Dat is ook eene groote bijt."
+
+"Mij goed," zei Karel. "Maar ik pak ze vast niet meer met mijne handen
+beet. Hu, wat een akelige beesten."
+
+"Je bent een bangerd, hoor!" spotte Jan.
+
+"Jij bent een held!" zei Karel. "Dat weet ik wel."
+
+"In elk geval zou ik hem niet loslaten, als ik hem eenmaal te pakken
+had," zei Jan.
+
+Zij liepen het kanaal over, en kwamen bij de bijt van den
+burgemeester. Hun eerste werk was ook hier het ijs van den laatsten
+nacht los te hakken en de schotsen op het ijs te trekken. Toen dat
+gebeurd was, keken zij in het water.
+
+"Ik zie er een," zei Karel.
+
+"Ik ook,--wel twee," zei Jan.
+
+Zij brachten de sikkels in het water, en op 't volgende oogenblik
+spartelden twee palinkjes op het ijs. Jan wierp er een van in
+het emmertje, maar Karel was niet te bewegen, den tweeden aan te
+grijpen. Jan moest er om lachen.
+
+"Help, help, hier is er een," schreeuwde Karel, die moeite had om
+het beest met zijn sikkel van de bijt weg te houden. 't Beest wilde
+met alle geweld weer in 't water.
+
+"Pak hem dan!" riep Jan hem lachend toe.
+
+"Ik dank je,--ik moet er niets van hebben. Toe dan, Jan, grijp hem,
+of we zijn hem kwijt."
+
+Jan kwam zijn vriend te hulp, en spoedig was ook de tweede paling in
+het emmertje opgeborgen. Maar van den derden was, toen zij weer in
+de bijt keken, geen spoor meer te vinden. De jongens hadden hem wat
+al te veel lawaai gemaakt naar zijn zin, zoodat hij het verstandig
+geoordeeld had, zich wat uit hunne nabijheid te verwijderen. Maar Jan
+en Karel waren toch wat in hun schik met hunne vangst, en zij begaven
+zich van de eene bijt naar de andere. De voorraad in hun emmertje
+werd steeds grooter, en zij twijfelden niet, of zij zouden wel een
+flink maal bij elkander krijgen.
+
+Lachend zei Karel tot Jan:
+
+"Als Vos op de vangst gaat, zooals zijn plan was, zal hij niet erg
+veel meer vangen. Wij hebben zoetjes-aan alle bijten van het dorp
+afgevischt."
+
+Jan lachte ook.
+
+"Dan vischt hij achter het net," zei hij. "Kijk, ginds gaan Frans
+Thor en Klaas Zwart. Zij hebben ook bijlen bij zich. Ik denk, dat
+zij ook op de vangst uitgaan."
+
+"Laat hen maar vooruitgaan," zei Karel. "Wij zijn op hun gezelschap
+niet gesteld. Willen wij nu buiten het dorp gaan, voorbij het
+fort? Daar zijn wel geen bijten, maar vader zegt, dat de visch zich
+aan de kanten van het kanaal ophoudt, zeker om beter lucht te kunnen
+krijgen. Dan hakken wij hier en daar eene schots los."
+
+"Mij goed,--best zelfs," zei Jan.
+
+De jongens gingen langs het fort en deden als gezegd is. En 't was
+inderdaad een prettig werkje voor hen, want zij vingen veel meer,
+dan zij verwacht hadden. Er waren palingen bij, wel zoo dik als hun
+pols. De jongens hadden de grootste moeite, om die dikke beesten in
+het emmertje te houden. Telkens keken de koppen boven den rand uit,
+en eens, toen het Karels beurt was om den emmer te dragen, kronkelde
+plotseling alweer zoo'n dier tegen zijn arm op. 't Gebeurde zoo
+onverwachts, dat hij er hevig van schrikte. Met een gil liet hij den
+emmer op het ijs vallen, en alle palingen kronkelden in het rond.
+
+"Jou ezel!" riep Jan uit. Maar veel tijd tot praten had hij niet, want
+hij moest dadelijk aan het vangen. En 't ging lang niet gemakkelijk,
+om de dieren weer in den emmer te krijgen, vooral nu hij alles alleen
+moest doen. Karel was niet te bewegen eene hand uit te steken. Hij
+vond de beesten zóó eng, dat hij ze niet durfde aanraken. Eindelijk
+had Jan ze alle weer verzameld.
+
+"Geef mij den emmer maar," zei hij. "Anders ligt het heele zaakje
+aanstonds weer op het ijs. Draag jij dan de bijlen."
+
+De jongens verwijderden zich hoe langer hoe verder van het dorp. Hier
+en daar waren kleine, vierkante bijtjes gehakt. Een schots lag er
+naast, om de schaatsenrijders te waarschuwen.
+
+"Dat zijn bijtjes van de visschers," zei Jan. "Die brengen er hunne
+netten door onder het ijs. Ik wed, dat ze heel wat vangen."
+
+"Dat denk ik ook," zei Karel. "Als je nagaat, wat wij al hebben,
+kun-je wel begrijpen, wat zij moeten vangen."
+
+Jan had het druk om de palingen naar beneden te duwen, die telkens
+opnieuw uit het emmertje wilden kruipen.
+
+"Heidaar, blijven waar je bent!" zei hij tegen een dikkerd, die
+nieuwsgierig over den rand keek. "Bij je kameraden blijven!"
+
+Bij een van de visschersbijtjes deden de jongens eene gelukkige
+vondst. In het riet namelijk zagen zij een groot stuk net liggen,
+dat zeker door de visschers weggeworpen was. Karel zag het het eerst.
+
+"Kijk eens, Jan,--dáár," zei hij. "Daar ligt een groot stuk net. Laten
+wij daar de palingen in doen, dan kunnen zij niet ontsnappen en hebben
+wij er geen last meer van."
+
+"Daar zeg je zoo wat," zei Jan.
+
+De jongens haalden het net uit het riet. Zij zagen, dat het een
+palingfuik wast geweest. Op verschillende plaatsen was het stuk.
+
+"De visschers hebben het zeker weggegooid," zei Jan. "En ons komt
+het mooi te pas."
+
+Zij deden de palingen in het net en bonden het dicht met een touwtje,
+dat Jan in den zak had.
+
+"Zie zoo, nu zitten ze goed bewaard," zei Jan.
+
+"Ja,--lekker warm. Ze zullen nu geen last meer van de kou hebben.--Zeg,
+wat hebben we er al veel, hè?"
+
+"Ja, heel wat. Mij dunkt, dat we er al meer hebben, dan we
+oplusten. Willen we nu weer naar huis gaan?"
+
+"Goed," zei Karel. "Het begint mij zoetjes-aan te vervelen ook. Zullen
+we vanmiddag gaan schaatsenrijden?"
+
+"Ja,--dat is afgesproken."
+
+Karel had de sikkels en de bijlen op den schouder, en Jan droeg het
+net met de paling. Zoo kuierden zij samen naar het dorp terug.
+
+Toen zij dicht bij het fort gekomen waren, en dus het dorp bijna
+hadden bereikt, hoorden zij achter zich het krassen van schaatsen
+op het ijs, en het schuifelen van een slede. Omziende zagen zij,
+dat het twee visschers waren, die eene slede voortduwden. Zij kenden
+de mannen niet. 't Waren zeker lieden van een ander dorp. Zoodra die
+menschen hen bereikt hadden, hielden zij stil.
+
+"Hola, jongens, wacht eens even," riep een van hen hun toe.
+
+Zij bleven staan, en de twee mannen kwamen met groote schreden op
+hen af.
+
+"Zie je wel?" zei de een tegen den ander. "Daar heb je de dieven al."
+
+"Ja," was het antwoord van den tweede.
+
+Deze greep het net en rukte het Jan driftig uit de hand.
+
+"Hoe kom jij aan dat net?" vroeg hij op barschen toon.
+
+"Ja, hoe kom jij aan dat net, kleine dief!" zei de andere visscherman.
+
+"Dat hebben wij gevonden, ginds in het riet," zei Jan. "Hoe zouden
+wij er anders aankomen?"
+
+"En die paling dan?" vroeg een der visschers smalend. "Die heb je
+zeker ook gevonden, hè kereltje?"
+
+"Neen," zei Jan, "die hebben we gevangen."
+
+"Juist, die hebben we gevangen," zei ook Karel.
+
+"In dit net zeker, hè, en dit net heb je onder het ijs gevonden,
+hè? Ja, ja, eerlijk gevonden, hè?"
+
+"Eerlijk gestolen," zei de andere visscher. "Houdt je maar niet van den
+domme, want dat baat je niemendal. Dit net is van òns, en jullie hebt
+onze fuiken gelicht. Maar dat zal je berouwen, wat ik je zeg. Vooruit,
+kereltjes, gaat maar eens mee naar den burgemeester."
+
+"Ik zeg, dat het niet waar is!" riep Jan de visschers driftig toe,
+en hij werd rood van kwaadheid. "Wij zijn geen dieven, en dat net
+hebben we eerlijk gevonden. 't Is op verschillende plaatsen stuk,
+en 't lag in 't riet. Daarom meenden we, dat het door de visschers
+weggegooid was, daar het toch niet meer gebruikt kon worden. Wij
+hebben het niet gestolen."
+
+"Jongen, jij kunt liegen, of het gedrukt is," zei een der
+visschers. "Maar ons zul-je er niet meê bedriegen. Jelui hebt onze
+fuiken gelicht, en dat is strafbaar..."
+
+"Niet zoo'n beetje ook!" viel de andere visscher zijn kameraad
+in de rede. "En dat is maar goed ook. Is 't geen schande, onze
+netten te verscheuren, en onze visch te stelen? Maar het zal je
+berouwen. Vooruit, zeg ik je, naar den burgemeester!"
+
+"Dat doe ik niet!" zei Jan driftig. "Wij zijn geen dieven."
+
+"Je praat dom, jongen, want de bewijzen droeg je in de handen."
+
+"Ja," zei de ander, "je bent er gloeiend bij!"
+
+"Vooruit, jongens, en als je niet goedschiks gaat, dan moet het
+maar kwaadschiks gebeuren. Vooruit, zeg ik je, en een beetje vlug,
+asjeblieft!"
+
+De jongens begrepen, dat er niet veel anders opzat dan te
+gehoorzamen. Met hun vieren vervolgden zij hun tocht naar het dorp.
+
+Eerst was Jan meer dan kwaad, maar dat bedaarde langzamerhand,
+en eindelijk vond hij het wel goed, dat zij naar den burgemeester
+gingen. Deze zou wel dadelijk begrijpen, dat zij onschuldig waren.
+
+Maar dat was niet zoo. De burgemeester was bijzonder slecht gehumeurd,
+omdat het Flipsen nog niet gelukt was, de dieven te ontdekken. Zoodra
+nu de visschers, die hem tot hun genoegen thuis getroffen hadden, hem
+vertelden, wat er aan de hand was, geloofde de burgemeester stellig,
+dat hij de dieven thans op het spoor was, en hij besloot de jongens
+scherp te ondervragen.
+
+Jan en Karel betuigden echter hunne onschuld. Zij vertelden dat zij
+de palingen gevangen en het net gevonden hadden. Maar de visschers
+lachten om die verklaring.
+
+"Dat zou al heel toevallig zijn, burgemeester," zei een van hen. "De
+jongens kwamen uit de richting van onze vischbijtjes, en zij hadden
+het net in de hand, met een flink zoodje paling daarbij. 't Lijdt geen
+twijfel, of zij hebben onze netten gelicht en de brutaliteit gehad,
+een van de netten zelfs stuk te maken en meê te nemen."
+
+"'t Is niet waar!" riep Jan den spreker toe.
+
+"Houd je mond verder maar, jongen," gebood de burgemeester kortaf. "De
+bewijzen zijn tegen jullie, en 't staat bij mij vast, dat jullie en
+niemand anders de daders zijt. En wie weet, aan welke diefstallen je
+meer schuldig bent. Ik zou dat nooit, nooit, zeg ik, van je gedacht
+hebben. Twee jongens van zulke brave ouders. 't Is een schande!
+
+Vertel me nu meteen maar, waar de potten en ketels uit de ijstenten
+gebleven zijn, want daar zul-je ook wel meer van weten."
+
+"Wij weten nergens van, burgemeester," zei Jan,
+
+"Neen, nergens van," zei Karel. "Wij hebben ze niet weggenomen."
+
+"Dat zeg je van dit net en deze visch ook, en toch liep je er mede
+in je handen," sprak de burgemeester streng, en hij keek de jongens
+beurtelings doordringend aan. "Komaan, spreek de waarheid maar,
+dat is in allen gevalle het beste voor je. Beken het maar..."
+
+"Ik heb niets te bekennen," zei Jan.
+
+"Ik ook niet," zei Karel.
+
+"Zoo, zoo," hernam de burgemeester. "Dan zal ik je tijd geven, om er
+eens ernstig over na te denken."
+
+Hij vroeg de namen der visschers en schreef die op. Daarna sprak hij
+tot de beide mannen:
+
+"U kunt nu wel gaan. Neemt mede, wat je eigendom is. Met deze jongens
+zal ik wel afrekenen."
+
+De visschers namen het net en de palingen, groetten den burgemeester
+en verlieten het vertrek. Jan en Karel moesten blijven. Met leede
+oogen zagen zij de visschers met hunne palingen heengaan, en Jan
+sprongen van spijt de tranen in de oogen.
+
+De burgemeester liet zijn blik nog een poosje op de jongens rusten,
+en zei toen ernstig:
+
+"Ontkennen baat niet langer, jongens. Je hebt je aan een ernstig
+vergrijp schuldig gemaakt en..."
+
+"Maar we hebben het niet gedaan," riep Jan uit.
+
+"Zwijg jongen, en lieg niet langer. Je hebt het wèl gedaan, en dat
+spijt me heel erg. Zeg me nu ook maar, waar je die andere voorwerpen
+gelaten hebt, die den laatsten tijd verdwenen zijn. Als je me eerlijk
+de waarheid zegt, zal ik zien, wat ik in de gegeven omstandigheden
+nog voor je doen kan."
+
+"'t Baat niet, of wij al zeggen, dat wij onschuldig zijn," sprak
+Jan. "U gelooft ons toch niet."
+
+"Neen, dat doe ik ook niet. Enfin, als je dan niet hooren wilt,
+moet je maar voelen. Ik zal je tijd geven om je te bedenken."
+
+Hij ging aan zijne schrijftafel zitten en schreef het volgende briefje:
+
+
+
+ _Flipsen_!
+
+ Ik geloof, dat ik de daders van de gepleegde diefstallen op het
+ spoor ben. Sluit deze twee jongens elk in eene afzonderlijke
+ cel, dan hebben zij gelegenheid om eens goed na te denken
+ en kunnen geen afspraakjes maken. Tegen den avond zal ik hen
+ opnieuw verhooren.
+
+ De Burgemeester.
+
+
+
+Hij vouwde den brief dicht en deed hem in eene enveloppe, die hij
+zorgvuldig toelakte.
+
+"Ziedaar," sprak hij. "Breng dezen brief voor mij aan Flipsen. Hij
+is in het raadhuis. Je kunt gaan."
+
+De jongens gingen heen. Wat er in den brief stond, wisten zij
+natuurlijk niet. Zij keken tamelijk bedrukt, toen zij de deur
+uitstapten, maar toen zij op den weg gekomen waren, ontsnapte een
+zucht van verlichting aan de borst van Karel.
+
+"Hè, hè, dat was een benauwd half-elfje," zei hij. "Daar zaten wij
+er geducht tusschen, maar 't is bij slot van rekening toch nog al
+goed afgeloopen. We zijn alleen onze palingen kwijt."
+
+"En dit briefje dan?" vroeg Jan. "Ik vertrouw dit papiertje geen
+zier. Waarom zei de burgemeester dan telkens, dat hij ons gelegenheid
+zou geven, om eens goed na te denken?"
+
+Langzaam liepen zij verder, met de bijlen en de sikkels over den
+schouder. Karel hernam na een poosje:
+
+"Dat briefje heeft niets met ons te maken, en wij niets met dat
+briefje. We moeten het alleen even bij Flipsen brengen, anders
+niet. Neen, ik zeg, dat wij er goed afgekomen zijn. 't Had veel
+leelijker kunnen uitpakken.--Kijk, daar komen Frans en Klaas ook
+van de vischvangst terug."
+
+Dat was zoo. Die twee jongens hadden hen spoedig ingehaald. Samen
+droegen zij een emmertje, dat blijkbaar nog al zwaar was.
+
+"Zeg," riep Frans hun toe, "komen jullie platzak thuis?'
+
+"Ja!" zei Jan kortaf. Hij had niet veel lust tot spreken.
+
+"Wij niet!" zei Frans. "Kijk maar eens hier, wat een paling we
+hebben. De emmer is bijna vol."
+
+De jongens stonden stil en keken in den emmer, 't Was inderdaad een
+kolossale voorraad, dien zij gevangen hadden.
+
+Frans en Klaas hadden er pret in. Zij deden niet anders dan elkaar
+aanstooten en lachen.
+
+"Zoo knap zijn jullie niet, hè? Maar zeg, weet je, wat we gedaan
+hebben? Een kwartiertje voorbij het fort hebben we stilletjes een net
+van de visschers opgehaald. Jongens, wat zat daar een paling in. Niet
+oververtellen, hoor! Slim hè?"
+
+Jan en Karel keken Frans met open mond aan.
+
+"Hebben jullie dat net gelicht en stuk gemaakt?" vroeg Jan. "Wij
+hebben het ... tusschen het riet zien liggen."
+
+"Ja," lachte Frans. "Wij konden het niet goed meer onder het ijs
+krijgen, en hebben het toen maar in het riet gegooid. Wat zullen die
+visschers leelijk op hun neus gekeken hebben, toen zij bij hun bijt
+kwamen. Ha-ha-ha, wat eene leuke grap, hè?"
+
+Dat vond Jan ook, en hij knipoogde Karel toe, dat hij niets moest
+zeggen. Hij had een mooi plannetje.
+
+"En voor die leuke grap hebben wij voor den burgemeester moeten
+verschijnen," zei Jan tot de twee jongens. "Wij hadden het net
+opgeraapt en er onze paling ingedaan. Maar even later kwamen de
+visschers, en die hebben ons om zoo te zeggen opgebracht. Noem jij
+het maar een leuke grap!"
+
+"Ja," zei Karel. "Ik zie er het leuke niet van in."
+
+Frans en Klaas moesten er smakelijk om lachen.
+
+"Nu wordt de grap nog leuker!" zei Frans.
+
+"Ja, maar ik laat het er niet bij zitten," zei Jan. "Ik ga dadelijk
+naar den burgemeester terug, om hem te zeggen, dat julie het gedaan
+hebt..."
+
+"Je zult wel wijzer wezen!" zei Frans, die nu in 't geheel niet meer
+lachen moest. "Als je nog voor den burgemeester verschijnen moest,
+o ja, dan was het een ander geval. Dan zou ik het in jouw plaats ook
+zeggen. Maar nu je het standje van den burgemeester al achter den
+rug hebt, zou het een leelijke streek wezen. Dan speelde je gewoonweg
+voor verklikker!"
+
+"Ja, voor verklikker!" beaamde Klaas Zwart.
+
+"Dat kan me niet schelen," zei Jan, "ik zeg het tòch. 't Is me ook wat
+moois, om voor jullie pleizier een uitbrander van den burgemeester
+op te loopen, en een ander met je paling weg te zien gaan. Ik laat
+me dat maar niet welgevallen."
+
+Hij keerde zich om en deed net, of hij naar den burgemeester wilde
+gaan. Maar Frans en Klaas hielden hem tegen.
+
+"Je kunt wel de helft van onze paling krijgen," zei Frans. "Toe Jan,
+vertel het nu niet aan den burgemeester. Daar worden jullie toch
+niets beter van. En je krijgt de helft van..."
+
+"Je gestolen paling wil ik niet eens hebben," zei Jan. "Maar 't is
+goed. Ik zal niet naar den burgemeester gaan, onder één voorwaarde..."
+
+"Welke?" vroegen de twee jongens tegelijk.
+
+"Een, die gemakkelijk te vervullen is," zei Jan. "Zie je dezen
+brief? Dien moesten wij naar Flipsen brengen, in het raadhuis. Jullie
+moet er toch voorbij. Als jij nu die boodschap voor mij doet, zal ik
+er verder geen werk van maken."
+
+"Och, is 't anders niet?" vroeg Frans. "Geef hem maar hier, dan zullen
+wij hem wel even aanreiken."
+
+"Wel zeker, met alle pleizier," zei Klaas.
+
+Jan gaf den brief over, en Klaas en Frans begaven zich regelrecht naar
+het raadhuis. Zij stapten het gebouw binnen en gaven den brief aan
+Flipsen, die in de vestibule stond te praten met een rijksveldwachter.
+
+"Zoo jongens, dank-je!" zei Flipsen. "Wacht maar even."
+
+"Wij behoeven niet te wachten," zei Frans.
+
+"Als ik zeg, dat je wachten moet, dan doe je dat!" zei Flipsen.
+
+Hij brak den brief open en las hem vlug door.
+
+"Ha zoo," zei hij, "zoo! Dat is goed. Gaat maar even meê, jongens,
+hier, de gang door."
+
+Frans en Klaas keken elkander vragend aan, maar durfden niet
+weigeren. Zwijgend volgden zij Flipsen, die een sleutelring uit zijn
+zak haalde en een sleutel uitzocht.
+
+"Mooi zoo. Nu dit trapje af.--Goed zoo."
+
+Hij stak den sleutel in het slot en draaide hem om. De deur ging open.
+
+"Maar Flipsen," zei Frans met schrik. "Wat gaat u doen? Dat is
+een cel!"
+
+"Ha ha!" lachte Flipsen, terwijl hij Frans bij den schouder pakte en
+hem naar binnen duwde. "Dàt ga ik doen."
+
+Flap! De deur ging dicht en op slot.
+
+Klaas werd bleek van den schrik. Hij begon te beven over al zijne
+leden, en het angstzweet brak hem uit.
+
+Hij hoorde Frans schreeuwen.
+
+"Flipsen! Maar Flipsen!" jammerde Klaas. "Dat is eene vergissing,
+geloof me. U moet ons niet opsluiten, want..."
+
+Klaas bleef midden in zijne redevoering steken, want Flipsen had
+de tweede deur geopend en duwde Klaas naar binnen. Op 't volgende
+oogenblik was ook deze deur gesloten.
+
+"Ja, ja, net zooals ik dacht," mompelde Flipsen. "Die twee jongens
+zijn de dieven, en wij zullen ze wel aan het praten krijgen. Als ze
+hier eerst maar een paar uurtjes opgesloten gezeten hebben, zullen
+ze wel makker geworden zijn."
+
+Hij ging naar zijn confrater terug en vertelde hem het geval. "Grappig,
+dat die twee jongens zelf niet wisten, wat zij hier zouden
+ondervinden," zei hij. "Zij liepen dood-gemoedereerd met mij mee,
+en kregen er pas erg in, toen de deur open stond. Je hadt ze moeten
+zien kijken!"
+
+Intusschen waren Jan en Karel de richting ingeslagen van hun huis. Zij
+staken schuin het ijs over. 't Was nog vroeg, nog geen elf uur. En
+voor twaalven aten zij niet.
+
+"Hè," zei Jan, "wat heb ik een spijt, als ik aan onze paling denk,
+die de visschers hebben meegenomen. Zoo'n prachtigen voorraad te
+hebben en dan toch nog platzak thuis te komen. 't Is onuitstaanbaar!"
+
+"Ja," zei Karel, "dat zeg ik ook. Kijk de pottenschipper eens aan
+'t hakken geweest zijn. Zijn schuit ligt rondom in 't open water."
+
+"Ja, anders vriest ze stuk," zei Jan. "Willen wij daar nog even kijken,
+of we wat vangen kunnen?"
+
+"Goed," zei Karel.
+
+Zij legden hunne bijlen op het ijs, en gingen met den sikkel in de
+hand naar de schuit. Opmerkzaam tuurden zij in de diepte.
+
+"Daar zie ik er een," zei Karel
+
+"Wip hem er dan uit!" riep Jan. "Zeg, misschien komen we toch niet
+platzak thuis."
+
+"Daar is hij!" riep Karel. En Jan schoot hem te hulp want de paling
+lag dicht bij het open water.
+
+Spoedig was hij in het emmertje overgebracht, en de jongens liepen
+voorzichtig langs de schuit verder. Opeens hoorden zij zich toeroepen:
+
+"Wat moeten jullie daar? Wil je wel eens maken, dat je wegkomt!"
+
+'t Was de pottenschipper, die zijne kajuit verlaten had en hun dit
+toeriep.
+
+"We kijken maar even, of er paling zit!" riep Jan terug.
+
+"Dat wil ik niet hebben!" hernam de pottenschipper. Hij klom op de
+schuit en stak dreigend de vuist op.
+
+Maar Jan zei tegen Karel:
+
+"Wij doen hier volstrekt geen kwaad. Laat hem maar praten."
+
+Zij stoorden zich verder aan den schipper niet en keken in de
+diepte. Zij waren nu dicht bij het roer gekomen.
+
+"Kijk, daar zit er weer een!" zei Jan.
+
+Hij stak zijn sikkel onder water, en wilde hem met een ruk bovenhalen,
+doch dat gelukte hem niet. De sikkel bleef ergens aan vastzitten.
+
+De pottenschipper nam een langen stok, en schreeuwde den jongens toe:
+
+"Als je niet weggaat, sla ik er op! Vooruit, kwâjongens, je hebt hier
+geen boodschap."
+
+Jan trok zoo hard hij kon aan den sikkel, om hem los te krijgen,
+maar dat ging niet. Er zat iets zwaars aan.
+
+"Help me even!" riep hij Karel toe. En tot den boozen schipper
+zeide hij:
+
+"Wij gaan dadelijk heen. Maar eerst moet ik mijn sikkel losmaken."
+
+"Vooruit, zeg ik je!"--schreeuwde de schipper. "Allo, marsch!"
+
+De twee jongens trokken, wat zij konden.
+
+Zij voelden, dat er iets zwaars naar boven kwam. De pottenschipper werd
+hoe langer hoe boozer. Hij schreeuwde zóó hard, dat de voorbijgangers
+op den weg bleven staan.
+
+Maar Jan en Karel waren niet van plan hun sikkel in den steek te
+laten. Zij spanden al hunne krachten in.
+
+Ha, daar stak iets boven water uit. Jan bukte zich, en pakte het beet.
+
+"Een ketel!" riep hij uit. "En daar zit er nog een aan vast. Een
+pot! Help Karel,--hier zijn, geloof ik, de gestolen voorwerpen uit
+de tenten..."
+
+'t Was werkelijk zoo. De jongens haalden verscheidene dingen op
+het ijs, en zij herkenden ook den koperen ketel van Mietje. Tot
+hun groote verbazing bemerkten zij, dat al die voorwerpen met een
+koperdraad aan elkander verbonden waren, en dat het einde van dat
+draad een paar centimeter onder water aan het roer bevestigd was.
+
+De jongens werden verbazend opgewonden, en zij riepen den menschen
+op den weg luidkeels toe, dat zij de gestolen voorwerpen gevonden
+hadden. In minder dan geen tijd waren zij door een groot aantal
+menschen omringd, die luide hunne verbazing te kennen gaven.
+
+"Dat moet de burgemeester weten!" riep er een uit, en hij ijlde naar
+de woning, die Jan en Karel nog maar kort geleden verlaten hadden.
+
+'t Leek wel, of de menschen konden ruiken, dat er iets bizonders aan
+de hand was. Van alle kanten kwamen zij toeloopen, en de kring om de
+schuit van den pottenschipper werd bij de minuut grooter. Het ijs,
+al was het nog zoo sterk, kon de samengepakte menschenmassa bijna
+niet dragen. De ijsvloer boog sterk door, en er kwam veel water op.
+
+De pottenschipper zei niets meer. Hij stond op zijne schuit, en hield
+de oogen op de gevonden voorwerpen gericht, maar af en toe keek hij
+de twee jongens aan, en dan zag hij er alles behalve vriendelijk uit.
+
+"Wat is daar te doen?" riep eene stem.
+
+Opziende zag Jan zijn vader, die met den hit en den wagen van 't
+venten terugkeerde. Jan zwaaide met beide armen, en riep:
+
+"O Vader, we hebben de gestolen potten en ketels gevonden. Kom maar
+gauw kijken. Hier liggen ze!"
+
+In een oogenblik was Dik van den wagen gesprongen. Hij wierp de
+leidsels op den rug van den hit en snelde het ijs op.
+
+Och, och, wat een drukte hadden de menschen.
+
+"Of de pottenschipper er dan toch van wist!" riep de een.
+
+"Zoo komen zijne schelmerijen aan het licht," zei een tweede.
+
+"Hij zal nu zijn gerechte straf niet ontloopen," profeteerde een derde.
+
+Iedereen had wat te zeggen, en velen beweerden, dat zij het altijd
+wel van den pottenschipper gedacht hadden.
+
+Opeens kwam er stilte onder den drom en eerbiedig week men op zijde,
+om den burgemeester door te laten. Weldra had hij de schuit bereikt
+en zag hij de gevonden voorwerpen op het ijs liggen.
+
+"Wie heeft die dingen opgehaald?" vroeg hij. Jan en Karel namen hunne
+petten af, en zeiden:
+
+"Wij waren hier aan het paling vangen, burgemeester, en toen bleef een
+van de sikkels er aan vastzitten. Kijk, ze zijn met een koperdraad aan
+elkander verbonden, en het einde daarvan is aan het roer bevestigd."
+
+"Ja, ja," zei de burgemeester, die de jongens met de grootste verbazing
+aanstaarde. "Maar hoe heb ik het nu? Heb ik jullie dan niet opgedragen,
+een briefje voor mij aan Flipsen te brengen in het raadhuis? En hoe
+kom je dan hier? Daar begrijp ik niets van!"
+
+Jan nam zijn pet nu geheel af, en zeide:
+
+"Dat is waar, burgemeester, maar ik vertrouwde dat briefje niet. Ik
+geloofde stellig, dat Flipsen ons moest opsluiten..."
+
+"Dat was ook zoo," viel de burgemeester driftig in. "En waarom heeft
+hij dat niet gedaan?"
+
+"Wij waren onschuldig, burgemeester," zei Jan.
+
+"Die praatjes kennen wij, en zij doen ook niets ter zake. In dien
+brief gaf ik Flipsen last, jullie op te sluiten,--en nu sta je alle
+twee hier? Hoe komt dat?"
+
+"Burgemeester," zei Jan, "wij hadden het niet gedaan, maar twee andere
+jongens waren de schuldigen. Toen wij op weg waren naar het raadhuis,
+hebben die twee ons zelf verteld dat zij het uit de grap gedaan hadden,
+en ziet u..."
+
+"Wat ... ziet u?" viel de burgemeester in, toen Jan een oogenblik
+met zijn verhaal haperde.
+
+"Toen dacht ik," vervolgde Jan, "dat het voor ons beter was, als _zij_
+dat briefje maar aan Flipsen brachten, en vroeg ik hun, of zij het
+even wilden aanreiken..."
+
+"En toen?" vervolgde de burgemeester.
+
+"Dat hebben zij gedaan," zei Jan.
+
+"Maar dan zitten op 't oogenblik _die_ twee jongens onder het raadhuis
+opgesloten, in plaats van jelui!" riep de burgemeester uit.
+
+"Dat zal dan zoo wel wezen, burgemeester," zei Jan.
+
+De menschen schoten in een onbedaarlijk gelach, want zij vonden de
+geheele zaak verbazend grappig. Ook de burgemeester kon haast zijn
+lachen niet bedwingen. En eindelijk gelukte hem dat in het geheel
+niet meer. Hij proestte het opeens uit.
+
+"Ha-ha-ha!" riep hij lachend uit, "wat is dat een grappige historie. En
+hadden jullie dan echt die fuiken niet gelicht?"
+
+"Neen burgemeester, dat hebben die twee jongens gedaan."
+
+"Ha-ha-ha,--en wie zijn dat dan?"
+
+"Frans Thor en Klaas Zwart, burgemeester," zei Jan.
+
+Op dit oogenblik drong Flipsen tusschen het volk door. Hij kwam uit
+het raadhuis en wilde zien, wat er aan de hand was. Nauwelijks zag
+hij den burgemeester, of hij sloeg aan en zei:
+
+"Uw bevel is uitgevoerd, burgemeester, de jongens zitten elk in
+een cel. Ik geloof ook wel, dat wij de rechte personen op den kop
+hebben getikt."
+
+"Maar het zijn de verkeerde!" riep de burgemeester hem lachend
+toe. "Deze twee had-je moeten hebben!"
+
+Wat keek Flipsen verwonderd, en zijne verbazing nam nog toe, toen
+hij de gevonden voorwerpen op het ijs zag liggen. De burgemeester
+vertelde hem in korte woorden, wat er gebeurd was.
+
+Flipsen lachte slim. Hij bekeek de potten en ketels met aandacht
+en liet ook het koperdraad door zijne vingers glijden. Toen zag hij
+meteen, dat dit aan het roer bevestigd was.
+
+"Burgemeester," zei hij, "U zegt, dat wij de verkeerde jongens
+opgesloten hebben, maar ik beweer, dat het, al is het dan ook bij
+toeval, de goede zijn. Frans Thor en Klaas Zwart hebben deze dingen
+gestolen, en ze hebben ze verkocht aan den pottenschipper, die ze
+in het water heeft laten zinken om ze te verbergen. Hij is wèl slim
+geweest maar toch niet slim genoeg."
+
+"'t Is een grove leugen!" zei de pottenschipper. "Die jongens zullen
+ze vermoedelijk zelf hier in het water hebben laten zakken, om de
+verdenking op mij te schuiven."
+
+"Zoo," zei Flipsen, "dan hebben ze zeker aan jou een stukje koperdraad
+te leen gevraagd, niet waar? Want in je schuit heb ik precies zulk
+koperdraad zien liggen."
+
+De pottenschipper werd doodsbleek.
+
+"Ga het halen, Flipsen," gebood de burgemeester.
+
+Flipsen verdween in de schuit, en kwam weldra met een rol koperdraad
+terug. Het bleek, dat het draad aan de ketels en potten daarmede
+precies overeenstemde.
+
+"Burgemeester," zei Flipsen, "de jongens, die op 't oogenblik onder
+'t raadhuis opgesloten zitten, zijn de stelers, en de pottenschipper
+is de heler. Ondervraagt u de jongens maar één voor één, dan zal u
+zien, hoe gauw zij door de mand vallen. Vooral Klaas Zwart."
+
+"Zoo zal het gebeuren," zei de burgemeester. "Schipper, je gaat mede
+naar het raadhuis, en Flipsen, neem jij die voorwerpen in beslag. Ik
+houd mij overtuigd, dat wij de bende thans op het spoor zijn. En jelui,
+jongens," vervolgde hij vriendelijk tot Jan en Karel, "zal ik het voor
+dezen keer vergeven, dat je mijn bevel, om den brief bij Flipsen te
+bezorgen, niet hebt uitgevoerd. Je bent een paar slimme rotten!"
+
+Och och, wat had Dik een pret, toen hij aan Anneke vertelde, wat Jan
+gedaan had. Hij schoot er telkens opnieuw over in een lach, en ook
+Grootvader en Grootmoeder moesten het dadelijk vernemen, toen zij
+even bij Dik en Anneke kwamen aanloopen.
+
+De oude Trom vond het blijkbaar een verbazend scherpzinnigen zet van
+Jantje. Hij trok een poosje aan zijn bakkebaardjes en zei toen:
+
+"Ja, Dik, zie-je, ik heb het altoos wel gezegd: Jan is ook een bizonder
+kind, en dat is-ie."
+
+
+
+
+Veertiende Hoofdstuk.
+
+ Besluit.
+
+
+'t Gebeurde werkelijk, zooals Flipsen voorspeld had. Niet zoodra
+verscheen Klaas Zwart in de burgemeesterskamer, en zag hij daar den
+pottenschipper staan naast de potten en ketels, die uit het water
+waren opgevischt, of hij begon over al zijne leden te beven, en de
+tranen sprongen hem in de oogen.
+
+"Kom nader," gebood de burgemeester.
+
+Klaas kwam tot vlak voor de tafel, waarachter het hoofd der gemeente
+in een leuningstoel gezeten was. Deze keek hem doordringend aan,
+maar zeide niets. Klaas sloeg de oogen naar den grond.
+
+Eindelijk zei de burgemeester kortaf:
+
+"Vertel mij alles, wat je daarvan weet. Maar vergeet niet, dat ik
+enkel _waarheid_ wil hooren. Leugens zouden je trouwens niet meer
+baten, want alles is ontdekt. Spreek op!"
+
+Zweetdroppels parelden Klaas op het voorhoofd van angst.
+
+Hij hief de samengevouwen handen op en zeide snikkend:
+
+"O burgemeester, vergeef u het me voor dezen keer astublief. O,
+ik heb er zoo'n spijt van."
+
+"Waarvan?" vroeg de burgemeester gestreng. "Spreek op, jongen, wààr
+heb je spijt van?"
+
+"Dat ik gestolen heb," zei Klaas zacht.
+
+"Die potten en ketels?"
+
+"Ja burgemeester."
+
+"En al die dingen, die bij de verschillende menschen op het dorp
+worden vermist?"
+
+"Ja burgemeester."
+
+"Heb je dat alles alleen gedaan?"
+
+"Neen, met Frans, burgemeester."
+
+"Zoo, zoo.--'t Is wat fraais. En wie hebben dat net gelicht van
+morgen?"
+
+"Wij ook," zei Klaas.
+
+"En waar liet je al die gestolen voorwerpen?" vroeg de burgemeester,
+terwijl hij Klaas opnieuw doordringend aanzag.
+
+"De pottenschipper kocht ze van ons."
+
+"Maar ik wist niet, dat het gestolen goed was," viel de pottenschipper
+in, die voelde, dat hij den grond onder zijne voeten thans geheel
+verloor.
+
+"Dat wist iedereen op het dorp, tot den kleinsten jongen toe,"
+gaf de burgemeester op gestrengen toon ten antwoord. "Doe maar geen
+moeite meer, om je baantje schoon te praten. 't Is een schande voor
+een man op uw leeftijd! Eene dubbele schande, omdat je ook nog twee
+jongens in je val meesleept. Jij en jij alleen hebt die kinderen in
+het ongeluk gestort. 't Is diep treurig."
+
+Even later werd Frans Thor binnengebracht. Deze was brutaler dan Klaas
+Zwart, en hij meende den burgemeester eerst nog met allerlei praatjes
+om den tuin te kunnen leiden. Maar toen hij vernam, dat Klaas reeds
+eene volledige bekentenis had afgelegd, raakte hij geheel in de war
+en in zijn eigen leugens verward. Het einde was, dat ook hij bekende
+aan de gepleegde diefstallen schuldig te zijn.
+
+De burgemeester maakte van alles proces-verbaal op, en toen hij
+daarmede klaar was, zeide hij:
+
+"Flipsen, doe de deur maar open. Zij kunnnen alle drie
+vertrekken. Later zullen zij wel meer van de zaak hooren."
+
+Zwijgend verlieten zij het raadhuis.
+
+Den Maandag daaropvolgende kwamen Frans en Klaas weer gewoon school,
+maar zij waren nu nog meer afgezonderd van de overige jongens, dan
+zij vroeger al geweest waren. Iedereen vermeed hun gezelschap. In
+het midden van Februari bleven zij absent, en iedereen wist er
+de reden van. Zij waren namelijk opgeroepen om voor de rechtbank
+te verschijnen. Ook de pottenschipper moest daar verantwoording
+afleggen van zijne daden. Hij kreeg eene geduchte betraffing, omdat
+hij de beide jongens tot diefstal had overgehaald en hen daardoor
+ongelukkig had gemaakt. Eene gevangenisstraf van eenige maanden was
+zijn welverdiende loon.
+
+De jongens werden niet veroordeeld, omdat zij nog zoo jong waren, maar
+de rechtbank stelde hen tot hun achttiende jaar ter beschikking van
+de regeering, om in een rijksopvoedingsgesticht geplaatst te worden.
+
+Dat gebeurde evenwel niet dadelijk. Den volgenden dag zagen de
+schooljongens hen opnieuw verschijnen, en zij hoorden er dagen en
+weken lang niet meer van.
+
+Zoo kwam de eenendertigste Maart, de laatste dag, dien Jan en Karel
+op de school zouden doorbrengen. Karel zou bij zijn vader in de
+smederij komen, en Jan kwam in den winkel. Dik kon alles onmogelijk
+meer alleen af, want nog steeds nam het aantal zijner klanten toe,
+en elken dag kreeg hij het drukker. Hij verdiende dan ook veel geld,
+en was mooi op weg, om een rijk man te worden.
+
+Frans en Klaas zaten ook voor de laatste maal op de schoolbanken. Niet
+dat zij een vak gingen leeren. Daar kon geen sprake van zijn, omdat
+zij toch den een of anderen dag weggevoerd zouden worden.
+
+'t Was in den middag. Het laatste schooluur was aangebroken. De leien,
+boeken en schriften waren opgehaald en de onderwijzer maakte zich juist
+gereed om een woord van afscheid te spreken tot de jongens en meisjes,
+die de school voor goed verlieten, toen er aan de deur werd geklopt.
+
+"Jan Trom, doe even open," zei de meester.
+
+Jan deed het, en hij zag Flipsen en een rijksveldwachter in de
+vestibule staan. Zij kwamen het lokaal binnen.
+
+"Mijnheer," zei Flipsen, "wij hebben de opdracht Frans Thor en Klaas
+Zwart meê te nemen."
+
+'t Was doodstil in de klasse.
+
+Frans en Klaas werden doodsbleek, en niet zij alleen, neen,
+verscheidene jongens en meisjes voelden zich eene rilling door de
+leden gaan, en menig meisjesoog vulde zich met tranen.
+
+"Zoo," zei de onderwijzer zacht, en zijn toon klonk droevig. De
+kinderen konden het hem aanzien, dat ook hij ontroerd was. "Zoo, dat
+is wel eene treurige opdracht, Flipsen.--Frans en Klaas, komt hier."
+
+De jongens stapten de bank uit en kwamen voor de klasse. Beiden
+barstten in tranen uit. De onderwijzer gaf hun de hand.
+
+"Dag Frans,--dag Klaas," zei hij droevig. "Ik hoop je eenmaal terug
+te zien als brave mannen, die voor niemand de oogen behoeven neer te
+slaan. Beloof je me, dat je daartoe je best zult doen?"
+
+De jongens konden niet antwoorden. Met gebogen hoofd verlieten zij
+het lokaal, om weggebracht te worden ver van hunne ouders, naar een
+vreemde plaats....
+
+Hun vertrek maakte een diepen indruk op de achterblijvenden. De
+onderwijzer had de gewoonte den laatsten schooldag eene vertelling te
+doen. En dezen keer deed hij dat met meer gloed dan ooit te voren. Hij
+deed een verhaal van schoolkameraden, waarvan er een goed oppaste en
+tot een braaf man opgroeide, terwijl de andere door eigen schuld al
+dieper en dieper zonk en eindelijk in de gevangenis terecht kwam. En
+toen het verhaal uit was, drukte hij hun allen op het hart, toch
+nooit den weg van eer en plicht te verlaten, maar steeds het goede
+te doen en het kwade te haten.
+
+Met deze wijze les verlieten Jan en Karel voor goed de school, en
+zij vergaten haar hun leven lang niet.
+
+
+EINDE.
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De Zoon van Dik Trom, by Cornelis Johannes Kieviet
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZOON VAN DIK TROM ***
+
+***** This file should be named 10971-8.txt or 10971-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/0/9/7/10971/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/10971-8.zip b/old/10971-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..f9266c5
--- /dev/null
+++ b/old/10971-8.zip
Binary files differ
diff --git a/old/10971-h.zip b/old/10971-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..d684273
--- /dev/null
+++ b/old/10971-h.zip
Binary files differ
diff --git a/old/10971-h/10971-h.htm b/old/10971-h/10971-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..d3deb64
--- /dev/null
+++ b/old/10971-h/10971-h.htm
@@ -0,0 +1,7484 @@
+
+<!DOCTYPE html
+PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1">
+
+<title>De Zoon van Dik Trom</title>
+<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="author" content="Cornelis Johannes Kieviet (1858&#8211;1931)">
+<meta name="DC.Creator" content="Cornelis Johannes Kieviet (1858&#8211;1931)">
+<meta name="DC.Title" content="De Zoon van Dik Trom">
+<meta name="DC.Date" content="Februari 2004">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css">
+/* Standard CSS stylesheet */
+
+
+
+body
+{
+font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif;
+margin: 1.58em 16%;
+text-align: left;
+}
+
+.titlePage
+{
+border: #DDDDDD 2px solid;
+margin: 3em 0% 7em 0%;
+padding: 5em 10% 6em 10%;
+}
+
+h1.docTitle
+{
+font-size:1.6em;
+line-height:2em;
+}
+
+h2.byline
+{
+font-size:1.1em;
+font-weight:normal;
+line-height:1.44em;
+}
+
+span.docAuthor
+{
+font-size:1.2em;
+font-weight:bold;
+}
+
+h2.docImprint
+{
+font-size:1.2em;
+font-weight:normal;
+}
+
+.transcribernote
+{
+background-color:#DDE;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+font-family:sans-serif;
+font-size:80%;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+
+.div0
+{
+padding-top: 5.6em;
+}
+
+.div1
+{
+padding-top: 4.8em;
+}
+
+.index
+{
+font-size: 80%;
+}
+
+.div2
+{
+padding-top: 3.6em;
+}
+
+.div3, .div4, .div5
+{
+padding-top: 2.4em;
+}
+
+.footnotes .body,
+.footnotes .div1
+{
+padding: 0;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+
+h3
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+}
+
+h3.label
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+
+h4
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+}
+
+h4.lghead
+{
+margin-left:10%;
+margin-right:10%;
+}
+
+.alignleft
+{
+text-align:left;
+}
+
+.alignright
+{
+text-align:right;
+}
+
+.alignblock
+{
+text-align:justify;
+}
+
+p.tb, hr.tb
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+text-align: center;
+}
+
+p.poetry
+{
+margin:0 10% 1.58em;
+}
+
+p.line
+{
+margin:0 10%;
+}
+
+p.argument, p.note, p.tocArgument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+text-indent:0;
+}
+
+p.argument, p.tocArgument
+{
+margin:1.58em 10%;
+}
+
+p.tocChapter
+{
+margin:1.58em 0%;
+}
+
+p.tocSection
+{
+margin:0.7em 5%;
+}
+
+
+div.epigraph
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+
+.epigraph .bibl
+{
+text-align: right;
+}
+
+.epigraph .poem
+{
+margin-left: 0;
+}
+
+.epigraph .line
+{
+margin-left: 0;
+text-indent: 0;
+}
+
+.trailer
+{
+clear: both;
+padding-top: 2.4em;
+padding-bottom: 1.6em;
+}
+
+.floatLeft
+{
+float:left;
+margin:10px 10px 10px 0;
+}
+
+.floatRight
+{
+float:right;
+margin:10px 0 10px 10px;
+}
+
+p.figureHead
+{
+font-size:100%;
+text-align:center;
+}
+
+.figure p
+{
+font-size:80%;
+margin-top:0;
+text-align:center;
+}
+
+p.smallprint,li.smallprint
+{
+color:#666666;
+font-size:80%;
+}
+
+span.parnum
+{
+font-weight: bold;
+}
+
+.leftnote
+{
+font-size:0.8em;
+height:0;
+left:1%;
+line-height:1.2em;
+position:absolute;
+text-indent:0;
+width:14%;
+}
+
+.pagenum
+{
+display:inline;
+font-size:70%;
+font-style:normal;
+margin:0;
+padding:0;
+position:absolute;
+right:1%;
+text-align:right;
+}
+
+a.noteref
+{
+font-size: 80%;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+
+
+.displayfootnote
+{
+display: none;
+}
+
+div.footnotes
+{
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+
+hr.fnsep
+{
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+
+p.footnote
+{
+font-size: 80%;
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+
+p.footnote .label
+{
+float: left;
+text-align:left;
+width:2em;
+}
+
+.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption
+{
+font-size: 80%;
+}
+
+
+.poem
+{
+margin-left:5%;
+position:relative;
+text-align:left;
+width:90%;
+}
+
+.poem h4
+{
+font-weight:normal;
+margin-left:5em;
+text-decoration:underline;
+}
+
+.poem .linenum
+{
+color:#777;
+font-size:90%;
+left:-2.5em;
+margin:0;
+position:absolute;
+text-align:center;
+text-indent:0;
+top:auto;
+width:1.75em;
+}
+
+.versenum
+{
+font-weight:bold;
+}
+
+/* right aligned page number in table of contents */
+.tocPagenum
+{
+position: absolute;
+right: 16%;
+top: auto;
+}
+
+.footnotes .line
+{
+font-size:80%;
+margin:0 5%;
+}
+
+.poem .i0
+{
+display:block;
+margin-left:2em;
+}
+
+.poem .i1
+{
+display:block;
+margin-left:3em;
+}
+
+.poem .i2
+{
+display:block;
+margin-left:4em;
+}
+
+.poem .i3
+{
+display:block;
+margin-left:5em;
+}
+
+.poem .i4
+{
+display:block;
+margin-left:6em;
+}
+
+.poem .i5
+{
+display:block;
+margin-left:7em;
+}
+
+.poem .i6
+{
+display:block;
+margin-left:8em;
+}
+
+.poem .i7
+{
+display:block;
+margin-left:9em;
+}
+
+.poem .i8
+{
+display:block;
+margin-left:10em;
+}
+
+.poem .i9
+{
+display:block;
+margin-left:11em;
+}
+
+span.corr
+{
+border-bottom:1px dotted red;
+}
+
+span.abbr
+{
+border-bottom:1px dotted gray;
+}
+
+span.measure
+{
+border-bottom:1px dotted green;
+}
+
+.letterspaced
+{
+letter-spacing:0.2em;
+}
+
+.smallcaps
+{
+font-variant:small-caps;
+}
+
+
+.caps
+{
+text-transform:uppercase;
+}
+
+
+hr
+{
+clear:both;
+height:1px;
+margin-left:auto;
+margin-right:auto;
+margin-top:1em;
+text-align:center;
+width:45%;
+}
+
+h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure
+{
+text-align:center;
+}
+
+h1,h2
+{
+font-size:1.44em;
+line-height:1.5em;
+}
+
+h1.label,h2.label
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+
+h5,h6
+{
+font-size:1em;
+font-style:italic;
+line-height:1em;
+}
+
+p,p.initial
+{
+text-indent:0;
+}
+
+.poem .stanza
+{
+padding: .5em 0% .5em 0%;
+}
+
+p.quote,div.blockquote,div.argument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+margin:1.58em 5%;
+}
+
+.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden
+{
+text-decoration:none;
+}
+
+
+ul { list-style-type: disc; }
+ol { list-style-type: decimal; }
+ol.AL { list-style-type: lower-alpha; }
+ol.AU { list-style-type: upper-alpha; }
+ol.RU { list-style-type: upper-roman; }
+ol.RL { list-style-type: lower-roman; }
+.lsoff { list-style-type: none; }
+
+
+
+
+
+/* Supplement CSS stylesheet "style/arctic.css.xml
+" */
+
+
+
+body
+{
+background: #FFFFFF;
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+
+body, a.hidden
+{
+color: black;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+color: #001FA4;
+font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif;
+}
+
+p.byline
+{
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+
+.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend, .versenum
+{
+color: #001FA4;
+}
+
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+color: #AAAAAA;
+}
+
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+color: red;
+}
+
+
+</style></head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+Project Gutenberg's De Zoon van Dik Trom, by Cornelis Johannes Kieviet
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Zoon van Dik Trom
+
+Author: Cornelis Johannes Kieviet
+
+Release Date: November 16, 2007 [EBook #10971]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZOON VAN DIK TROM ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+<div class="front">
+<div class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/cover.jpg" alt=""></div><p>
+
+</p>
+</div>
+<div class="titlePage">
+<h1 class="docTitle">De Zoon van Dik Trom</h1>
+<h2 class="byline">Door
+
+<span class="docAuthor">C. Joh. Kieviet</span></h2>
+<h2 class="docImprint">Twaalfde, Goedkoope Druk<br>
+Amersfoort&#8212;Valkhoff &amp; Co.
+</h2>
+</div>
+<div class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1.jpg" alt=""></div><p>
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="body"><a id="d0e98"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e98">5</a>]</span><div id="d0e99" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Eerste Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>Dik heeft een plan, en zijn vader vindt, dat hij een bizonder kind is, en dat is-ie.</p>
+</div>
+<p>&#700;t Was met den kruidenierswinkel van den ouden Trom uitstekend gegaan. Dat was geen wonder, want Vrouw Trom was eene zindelijke
+vrouw, die er voor zorgde, dat alles in den winkel er keurig netjes uitzag. De koperen weegschalen waren zoo prachtig geschuurd,
+dat zij haast wel van goud schenen, de toonbanken zagen er brandhelder uit, en de koopwaren waren van de beste kwaliteit.
+
+
+</p>
+<p>Elken morgen spande Dik zijn mooien hit voor den wagen, om de klanten, die buiten het dorp woonden, te gaan bedienen. Zijn
+paard was altoos helder geroskamd, zijn wagen zag er proper uit, en wat hij leverde was prompt in orde. Nooit vergat hij te
+doen, wat hij beloofd had, en tegen wat extra werk zag hij niet op, als hij een van zijne klanten er mede gerieven kon. Geen
+wonder dus, dat hij steeds m&eacute;&eacute;r verkocht, er telkens nieuwe klanten bijkreeg en er zelden of nooit een verloor. In enkele
+jaren was de winkel van Jan Trom de voornaamste van het dorp geworden, en &#700;t was een lust te zien, hoe vol het er somtijds
+wezen kon. Vooral op Zaterdagavond was het er verbazend druk. Dan stond de winkel opgepropt met menschen, die inslag voor
+de volgende week kwamen doen, en hadden Vader <a id="d0e109"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e109">6</a>]</span>en Moeder Trom, benevens Dik, geen handen genoeg, om de klanten te bedienen. Maar al moesten dezen wat wachten, dat hinderde
+niet erg, want allen luisterden graag naar de vroolijke grappen van Dik, die zijn praatje steeds klaar had.
+
+</p>
+<p>De oude Trom deed niet veel. Hij was niet sterk genoeg om lang achter de toonbank te staan, en als het hem al te druk werd,
+trok hij zich op zijn stoeltje in een hoek van den winkel terug en keek met innig welbehagen de drukte aan. En dan luisterde
+hij naar de gesprekken der vrouwtjes, die het wel gezellig vonden, als zij niet dadelijk geholpen konden worden, omdat zij
+dan nog een poosje konden babbelen,&#8212;maar het meest genoot hij van de grappen en kwinkslagen van zijn zoon Dik, dien hij soms
+langen tijd achtereen met de grootste bewondering kon zitten aanstaren. En menigmaal, als hij zag, hoe graag de menschen door
+Dik geholpen werden, mompelde hij zacht voor zich heen:
+
+</p>
+<p>&#8220;Die Dik,&#8212;o, dat is toch een bizonder kind,&#8212;en dat is-ie!&#8221;
+
+</p>
+<p>Trom werd er niet sterker op, en meer en meer begon de winkel hem te zwaar te worden, vooral overdag, als Dik de klanten afreed,
+en Moeder het huiswerk verrichtte. Want de winkelschel liet hem bijna nooit met rust, van den morgen tot den avond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Klingelingeling!&#8221; ging het, als Trom zijn ontbijt gebruikte. &#8220;Klingelingeling!&#8221; als hij &#700;s middags aan tafel zat. &#8220;Klingelingeling!&#8221;
+als hij zijn middagdutje wilde doen, waaraan zijn zwak lichaam zooveel behoefte had.
+
+</p>
+<p>Den geheelen dag was het voortdurend: &#8220;klingelingeling!&#8221; en dat hield niet op, voordat &#700;s avonds laat de winkeldeur op het
+nachtslot werd gedaan.
+
+</p>
+<p>De oude man beefde soms over al zijn leden van vermoeidheid als hij eindelijk in zijn bed gestapt was, en van overspanning
+kon hij dan dikwijls in geen uren den slaap <a id="d0e123"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e123">7</a>]</span>nog vatten. Eindelijk begrepen Moeder Griet en Dik beiden, dat het zoo niet langer ging,&#8212;dat er verandering moest komen.
+
+</p>
+<p>En die verandering kwam.
+
+</p>
+<p>Het huisje naast den winkel kwam te huur. &#700;t Was een allerliefst huisje, wel klein, maar keurig net. &#700;t Was een huisje voor
+een paar oude menschen, die rustig hun ouden dag wilden doorbrengen.
+
+</p>
+<p>Zoodra Dik hoorde, dat het te huur was, zei hij op een avond, toen de winkel op het nachtslot was:
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoor eens, Vader en Moeder, weet u, dat het huisje hiernaast te huur komt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is &#700;t waar?&#8221; vroeg moeder Trom. &#8220;Neen, dat weet ik niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>Trom zei niets. Hij keek Dik aan en streek met zijn hand langs zijn dunne bakkebaardjes.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei Dik,&#8212;&#8220;&#700;t is zoo, en nu had ik gedacht, dat het juist een huisje voor u beiden zou zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei Trom, &#8220;dat denk ik ook, en dat doe ik.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is een lief huis,&#8221; ging Dik voort. &#8220;Niet te groot en erg gemakkelijk in &#700;t bewonen. En als u mij dan den winkel verhuurde,
+zou u een rustigen ouden dag kunnen hebben. &#700;t Wordt Vader toch wel wat erg zwaar in den winkel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat doet het&#8212;en dat doet het,&#8221; zei Trom.
+
+</p>
+<p>&#8220;En wou jij dan alleen in den winkel gaan wonen, Dik?&#8221; vroeg vrouw Trom met een glimlachje.
+
+</p>
+<p>Dik lachte ook.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen Moeder, dat is nu juist mijne bedoeling niet. Als u en Vader het goedvinden, zou ik wel willen trouwen. Anneke en ik
+hebben elkander al gekend van onze vroegste kinderjaren af, en wij houden veel van mekaar. Dus,&#8212;wat dunkt u er van?&#8221;
+
+</p>
+<p>Moeder Trom stond op, sloeg haar armen om Dik&#700;s hals, gaf hem een kus op elke wang, en zei:
+<a id="d0e153"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e153">8</a>]</span>
+&#8220;Mijn zegen er op, Dik!&#8221;
+
+</p>
+<p>Trom trok zoo hard aan zijn bakkebaardjes, dat hij er de vlassige haartjes van in de hand hield, en zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja, zoo is het goed, en dat is het. Griet, onze Dik is toch een bizonder kind,&#8212;en dat is-ie!&#8221;
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e159" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Tweede Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>De belangrijkste dag uit het leven van Dik Trom.</p>
+</div>
+<p>Het ging al gauw als een loopend vuurtje door het dorp: &#8220;Dik Trom gaat trouwen met Anneke, en zijn ouders gaan het huisje
+bewonen naast den winkel.&#8221; En alle menschen vonden het erg best. &#8220;&#700;t Was net een spannetje, dat bij elkaar hoorde,&#8221; zei men.
+&#8220;Alleb&ecirc;i zijn ze vroolijk, alleb&ecirc;i jong, alleb&ecirc;i dik,&#8221; en dat was waar, want Anneke evenaarde in gezetheid haar aanstaanden
+man. Zij zag er door en door gezond uit, had een paar blozende wangen en keek iedereen altoos vroolijk en opgeruimd aan. En
+zij vond het w&agrave;t prettig om met Dik te trouwen. Van hun vroegste jeugd af hadden zij elkander gekend en veel van mekaar gehouden,
+en niemand vond het vreemd, dat zij man en vrouw zouden worden. Eigenlijk hadden de menschen het al lang gedacht.
+
+</p>
+<p>Op een mooien dag in de maand Juni werd de bruiloft gevierd. Dik was &#700;s morgens al vroeg opgestaan en den tuin achter zijn
+huis ingestapt. Het zonnetje scheen zoo vroolijk, de vogels zongen zoo blijde, de bloemen in de perkjes geurden zoo heerlijk,
+en Dik voelde zich z&oacute;&oacute; gelukkig, dat hij van louter plezier een liedje begon te zingen. En met zijn zakmes sneed hij de vroege
+rozen af en de seringen en de vogelkers, en bond ze te zamen tot een <a id="d0e169"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e169">9</a>]</span>welriekenden ruiker, dien hij zelf aan zijne bruid ging brengen. Overal zag hij de vlaggen uitsteken ter eere van hem en van
+Anneke. Piet van Dril was de eerste, die zijn vlag uit het zolderraam stak, en toen volgde Jan Vos, en daarna Van Dijk, de
+molenaar, en Vrouw van Aken, en Teun de visscher, en de meester, en de ontvanger, en de burgemeester. Ja, zelfs uit het huisje
+van Kee, de heks van den Achterweg, wapperde een klein, verschoten vlaggetje uit het boven-zijraampje, want zij hield dolveel
+van Dik en verheugde zich in zijn geluk. Weldra was er geen huis meer, waar de vlag niet uithing, wat wel een bewijs was,
+dat de bruid en de bruidegom geliefde personen waren op het dorp.
+
+</p>
+<p>Dik vond het heerlijk te zien, dat alle menschen hem en Anneke een blijk van vriendschap wilden geven. Hij had een glimlach
+van geluk op de lippen, en zijne oogen tintelden van blijdschap.
+
+</p>
+<p>De menschen, die hem tegenkwamen, hielden hem staande om hem geluk te wenschen en de hand te drukken, en Piet van Dril stak
+zijn zwarte gezicht buiten de deur van de smederij, toen Dik daar voorbijkwam, zwaaide met zijn vette, glimmende petje, en
+riep driemaal: &#8220;Hoezee! Leven Dik en zijne bruid!&#8221;
+
+</p>
+<p>Voor het huis van Anneke wachtte hem eene verrassing, want daar was een mooie, groote eerepoort opgericht met sparregroen
+en papieren bloemen. Bovenin prijkte een schild met de namen van de bruid en den bruidegom, en er hingen lampions met kaarsen,
+die &#700;s avonds een schitterend licht zouden geven.
+
+</p>
+<p>Dat hadden zijn vrienden en kennissen gedaan onder leiding van Piet van Dril, zijn boezemvriend.
+
+</p>
+<p>En onder de poort stond Anneke, die maar niet begrijpen kon, dat die poort ter harer eere was opgericht, en ze lachte en schreide
+tegelijk van blijdschap en zei, dat ze zoo <a id="d0e181"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e181">10</a>]</span>gelukkig was en zooveel eer niet verdiende. En zij dankte Dik voor zijn mooien ruiker, en wist bijna niet, wat zij doen zou
+van vreugde.
+
+</p>
+<p>Toen ging Dik naar huis terug, om alles voor de bruiloft in orde te brengen. Er werden in de schuur, die in gewone tijden
+voor pakhuis diende, groote tafels en stoelen geplaatst voor de gasten. En hij versierde de wanden met vlaggedoek, en nog
+was hij daarmee niet gereed, toen de deur openging, en Piet van Dril en Jan Vos verschenen, die een wagen met sparregroen
+meebrachten en hem hielpen aan de versiering.
+
+</p>
+<p>De schuur was weldra haast niet meer te herkennen, zoo mooi werd zij. Vader en moeder Trom konden hun oogen bijna niet gelooven,
+toen zij even binnen kwamen om een kijkje te nemen. Zij sloegen de handen van verbazing in elkaar, en Trom mompelde:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat een feest,&#8212;wat een feest! &#700;t Heele dorp vlagt, en dan die schuur! O, die Dik is een bizonder kind, en dat is-ie!&#8221;
+
+</p>
+<p>Moeder Griet was dat volkomen met hem eens, maar zij gunde zich den tijd niet om lang te kijken, want zij had het nog meer
+dan druk om alles voor het feest in gereedheid te brengen. De beste spullen moesten uit de kast, en alles werd zorgvuldig
+geschuierd en opgeknapt. Trom had het vreeselijk druk met zijn hoogen hoed, denzelfden nog, waarop Dik was gaan zitten, toen
+deze nog een kleine jongen was. Trom poetste de stugge haartjes glad en liefkoosde hem wel honderdmaal met de mouw van zijne
+lakensche jas. De man zag er w&agrave;t deftig uit, heelemaal in &#700;t zwart en met dien hoogen hoed op. &#700;t Model van zijn costuum was
+wel wat ouderwetsch,&#8212;want &#700;t was zijn eigen trouwpak nog, dat hij maar zelden had aangehad,&#8212;en zijn hoed was wel wat hoog
+van bol en breed van rand, maar dat hinderde niet.
+<a id="d0e191"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e191">11</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Die hoed is nog mooi, en dat is-ie,&#8221; zei Trom, &#8220;en mijn pak kan ook nog best me&ecirc;, en dat kan het.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dik was van top tot teen in &#700;t nieuw. Hij had ook een lakensch pak laten maken en een hoogen hoed gekocht. Zelf vond hij wel,
+dat hij er met den hoed erg gek uitzag, maar Trom zei, dat hij hem deftig stond, en dat deed-ie. Dik&#700;s nieuwe laarzen kraakten
+bij elken stap, zoodat men hem in de verte al kon hooren aankomen. Dik had er een hekel aan, maar zijn vader vond dat ook
+al erg deftig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Alle laarzen van deftige menschen kraken, en dat doen ze,&#8221; zei hij wijs.
+
+</p>
+<p>Eindelijk werd het tijd om naar het huis van de bruid en vervolgens naar het gemeentehuis te gaan, waar het huwelijk zou worden
+voltrokken. Het drietal begaf zich daarom op weg.
+
+</p>
+<p>Dik zag wel wat tegen de plechtigheid op, en hij voelde zich in zijn mooie zwarte pak, in zijne krakende laarzen en onder
+zijn hoogen hoed verre van lekker. Hij was in het geheel geen mensch voor zooveel moois en plechtigs. Maar &#700;t moest nu eenmaal
+gebeuren, en hij besloot daarom zoo goed mogelijk door den zuren appel heen te bijten.
+
+</p>
+<p>Vader en moeder Trom keken met gepasten ernst naar al de vlaggen, die ter eere van hun zoon waren uitgestoken, en vonden zich
+verbazend gewichtig. Moeder Griet zag er ook zeer feestelijk uit. Zij had hare zijden japon aan, waarover een met palmen doorgewerkte
+omslagdoek, die haar in den vorm van een gelijkbeenigen driehoek over den rug hing met de punt naar beneden, een zijden hoedje
+op met groote keellinten, en aan haar arm een karbies, welke in sterke mate de aandacht trok van de kinderen, die den kleinen
+stoet omringden en steeds in aantal toenamen. Een van de grootste jongens begon al spoedig te zingen:
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Bruid, bruid, strooi wat uit!&#8221;</span></p>
+</div>
+</div><a id="d0e207"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e207">12</a>]</span><p>Maar de anderen legden hem het zwijgen op met de opmerking, dat de bruid nog niet aanwezig en hij dus met zijn liedje te vroeg
+was.
+
+</p>
+<p>De jongens en meisjes zagen er zeer opgewekt uit en het ontbrak hun niet aan de noodige luidruchtigheid.
+
+</p>
+<p>Zoo bereikte het drietal de woning van de bruid, waar de gasten, die voor het feest genoodigd waren, zich reeds verzameld
+hadden. Met een krachtigen handdruk werd Dik ontvangen, die onhandig met zijn hoogen hoed omsprong en voortdurend het vervelende
+kraken van zijne laarzen hoorde.
+
+</p>
+<p>&#700;t Was nu hoog tijd om naar het raadhuis te gaan. De stoet stelde zich dus op. Jan Vos en zijn verloofde openden de rij, daarop
+volgden Dik en Anneke, daarachter de wederzijdsche ouders en verdere familieleden, en eindelijk de vrienden en kennissen,
+die genoodigd waren. Piet van Dril en zijn jonge vrouw, want Piet was al sedert een jaar getrouwd, waren de laatsten van den
+stoet.
+
+</p>
+<p>De meisjes en vrouwen hadden allen een groote karbies, tot groote vreugde van de jongens en meisjes, die zich vol blijde verwachting
+voor het huis hadden opgesteld. Nauwelijks waren de bruiloftsgasten zichtbaar, of daar klonk uit wel honderd kelen:
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Bruid, Bruid,</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Strooi wat uit!</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Bruid, Bruid,</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Strooi wat uit!&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>&#700;t Was een verschrikkelijk gejoel en lawaai, maar de karbiezen bleven potdicht. Eerst moest het jonge paar getrouwd zijn;
+zoolang dat niet gebeurd was, werd er niet gestrooid.
+
+</p>
+<p>In lange rij trok de stoet door het dorp en bereikte ongestoord het raadhuis. Daar werden de groote deuren geopend door den
+veldwachter, die bij trouwpartijen dienst <a id="d0e231"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e231">13</a>]</span>deed als conci&egrave;rge, en men nam plaats in de trouwzaal, waar vele dorpelingen aanwezig waren om van de plechtigheid getuige
+te zijn.
+
+</p>
+<p>Spoedig verscheen de burgemeester, en nu werden Dik en Anneke in den echt verbonden. De burgemeester deed nog een hartelijke
+toespraak en drukte het bruidspaar de hand.
+
+</p>
+<p>Pas kwam de stoet weer buiten het raadhuis, of daar galmde het weer, nu wel uit tweehonderd monden:
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Bruid, Bruid,</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Strooi wat uit!</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Bruid, Bruid,</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Strooi wat uit!&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>De lieve straatjeugd drong geweldig op om dicht bij de karbiezen te komen, die de begeerde lekkernijen bevatten. En thans
+bestond er tegen het openen daarvan geen enkele hinderpaal meer.
+
+</p>
+<p>&#8220;D&agrave;&agrave;r dan, jongens, grabbelt maar!&#8221; riep Anneke, die tijdens de plechtigheid erg bleek had gezien, maar nu hare frissche kleur
+langzamerhand terugkreeg, en zij tastte diep in de karbies en strooide de bruidssuikers onder de menigte. Haar voorbeeld werd
+door Moeder Trom en de andere vrouwen en meisjes gevolgd. Het regende als het ware links en rechts suikergoed, zoodat de jongens
+op en over elkander buitelden, om toch maar zooveel mogelijk bijeen te grabbelen. &#700;t Was een allerdolst schouwspel. De kinderen
+hadden nergens meer oog voor, dan voor de uitgestrooide lekkernijen, en zij waren zoo verwoed aan het grabbelen, dat zij den
+heelen bruidsstoet uit elkaar duwden. Een van de jongens kwam vlak voor de voeten te liggen van Vader Trom, zoodat het weinig
+scheelde, of deze viel voorover op de straat. Zijn hooge hoed rolde wel twee meter ver voor hem uit en kwam onder een paar
+jongens <a id="d0e250"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e250">14</a>]</span>terecht, die aan het vechten waren om een suikerboon, waarop zij beiden recht meenden te hebben. De arme hoed kreeg het kwaad
+te verantwoorden en leek al spoedig meer op een waterhoozer uit een lekke roeiboot, dan op een deftigen hoogen hoed.
+
+</p>
+<p>Piet van Dril gaf den vechtenden jongens een paar klinkende oorvijgen, die hun met verbazenden spoed het hazenpad deden kiezen.
+Den hoed bracht hij zooveel mogelijk weer in zijn fatsoen, en zette hem den ouden man op het hoofd.
+
+</p>
+<p>Van het gemeentehuis wandelde de stoet, steeds vergezeld door de straatjeugd, die met ijzeren volharding het &#8220;Bruid, Bruid,
+strooi wat uit&#8221; galmde, naar de kerk, waar het huwelijk ingezegend werd, en van daar naar de versierde schuur.
+
+</p>
+<p>Den geheelen dag heerschte er groote vreugde. Dik rookte uit een lange Goudsche pijp, die met groen en bloemen was versierd,
+en de bruid dronk uit een kopje, waarvan het oortje met een rozeknopje en een paar rozeblaadjes prijkte.
+
+</p>
+<p>&#700;t Was een heerlijk feest. &#700;s Middags kwamen vele vrienden en kennissen gelukwenschen, en ook de oude heks van den Achterweg
+kwam binnen, om bruid en bruidegom de hand te drukken. En in een klein mandje bracht zij zes kippeneitjes me&ecirc;, als een klein
+blijk van hare vriendschap en dankbaarheid, want zij was maar een arme, oude vrouw en wilde toch ook zoo graag wat geven.
+
+
+</p>
+<p>Dik kreeg het er bijna te kwaad onder, zoo aardig vond hij dat van de goede ziel, en hij pakte het oudje beet en danste met
+haar in het rond tot groote pret van alle bruiloftsgasten. &#700;s Avonds kwamen twee muzikanten met violen, en toen konden de
+jongelui dansen naar hartelust, wat zij dan ook deden.
+<a id="d0e262"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e262">15</a>]</span></p>
+<p>&#700;t Was al zeer laat in den avond, en nog was er niemand naar huis gegaan. De oude molenaar was de eerste, die opstond om te
+vertrekken, en hij klopte Trom op den rug en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat was nog eens een echte, mooie bruiloft, niet waar?&#8221;
+
+</p>
+<p>En Trom antwoordde, aan zijne bakkebaardjes plukkende:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat is het,&#8212;en dat doet het,&#8212;maar Dik is ook een bizonder kind,&#8212;en dat is-ie!&#8221;
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e271" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Derde Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>Dik wordt vader, en vrouw Smul begraaft haar neus in een roomtaart.</p>
+</div>
+<p>&#700;t Bleef met den winkel onder leiding van Dik en Anneke uitstekend gaan, zoodat men gerust kon voorspellen, dat zij nog eens
+in goeden doen zouden komen. Nu, Dik werkte dan ook met den grootsten ijver, en als hij de boeren afreed met boodschappen,
+verving Anneke hem op uitstekende wijze in den winkel. En zij was een zuinig vrouwtje, naar de meening van Dik haast wel een
+beetje al te zuinig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoor eens, Anneke,&#8221; zei hij meer dan eens, &#8220;daar moet je toch voorzichtig me&ecirc; wezen. Zuinig is goed, best zelfs, maar &agrave;l
+te zuinig is verkeerd. Komen de vrouwtjes om een pondje van dit of van dat, dan moet je niet bang wezen, dat de schaal even
+doorslaat. &#700;t Is beter overwicht te geven, dan te klein gewicht. Daar hebben de menschen een hekel aan, en dan gaan ze al
+gauw naar een anderen winkel, waar de maat wat ruimer is. Heusch, een klein toegiftje doet geen schade, maar voordeel. En
+komen er <a id="d0e281"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e281">16</a>]</span>kinderen boodschappen halen, geef ze dan een balletje of een pepermunt, of een stukje zoethout, of een vijg. Dat hebben ze
+graag en dan koopen ze liever hier dan bij een ander.&#8221;
+
+</p>
+<p>Anneke gaf aan dien raad gehoor, maar zuinig van aard bleef ze toch, en dat was goed.
+
+</p>
+<p>In den winkel zag het er keurig netjes uit, en hij was van alle gemakken voorzien. Daar zorgde vader Trom wel voor. Nu hij
+niets meer te doen had, was de oude liefhebberij voor het timmervak weer bij hem ontwaakt, en liep hij altoos te passen en
+te meten, te schaven en te hameren. &#700;t Was dan ook, eer een jaar verloopen was, een pracht van een winkel geworden, en Trom
+was daar erg trotsch op. Jammer voor den braven man, dat hij den laatsten tijd zoo doof werd. Kort na Dik&#700;s bruiloft was het
+begonnen, en &#700;t nam met den dag toe, zoodat hij eindelijk bijna niet meer te beschreeuwen was. &#700;t Was voor Griet een verbazende
+last, want zij hield erg veel van een praatje.
+
+</p>
+<p>Een paar jaar na Dik&#700;s huwelijk had er eene groote gebeurtenis plaats. Dik werd namelijk vader van een zoontje, en hij was
+daar erg blij om. Toen hij op een avond met paard en kar thuis kwam, vond hij den kleinen kerel al in de wieg liggen, en grootvader
+en grootmoeder Trom zaten er op een stoel naast en keken met de grootste belangstelling naar hun pasgeboren kleinkind. Grootmoeder
+Griet vond het een allerliefst schattig kindje, maar grootvader zei geen woord. Hij was blijkbaar in gedachten verdiept, en
+staarde met open mond den kleinen schreeuwer aan. Want een scheeuwer was het. De oude Trom had een klein, pasgeboren kindje
+nog nooit z&oacute;&oacute; hooren schreeuwen. Grootvader vond het erg verwonderlijk, en soms sloeg hij zijne oogen even op en staarde grootmoeder
+<a id="d0e289"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e289">17</a>]</span>aan met een blik, waarin zoowel verbazing als bewondering opgesloten lag. &#700;t Was hem aan te zien, dat hij in het kind iets
+gewichtigs zag.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, o, wat was Dik blij, toen hij zijn zoontje zag. Zijne ouders feliciteerden hem recht hartelijk, en hij drukte moeder Anneke,
+die te bed lag, een kus op elke wang. En toen ging hij weer dadelijk naar de wieg, om zijn zoontje in oogenschouw te nemen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel verschrikkelijk, wat schreeuwt dat kind!&#8221; zei Dik, die ook in de grootste verbazing naar het geluid van den nieuwen huisgenoot
+luisterde. &#8220;Moeder, heb ik ook zoo geschreeuwd, toen ik pas in de wereld was?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; zei grootmoeder Trom, &#8220;jij schreeuwde nooit, dan alleen als je honger hadt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar dan heeft dat ventje ook honger!&#8221; riep Dik met beslistheid uit. &#8220;Hei baker, waar zit je? Geef dat kind wat eten!&#8221;
+
+</p>
+<p>Op zijn geroep kwam de baker uit de keuken te voorschijn &#700;t Was vrouw Smul, die ook Dik nog gebakerd had. Zij was nu eene
+oude vrouw geworden, met bijna geen tand meer in haar mond, en een puntige, vooruitstekende kin. Dik hield in het geheel niet
+van haar, maar daar zij de eenige baker op het dorp was, moest hare hulp wel ingeroepen worden. Met een vriendelijk lachje
+feliciteerde zij den gelukkigen vader, en zij haalde het kleine kereltje uit de wieg, en hield hem Dik voor, die nu in de
+gelegenheid kwam, zijn zoon goed te bezien.
+
+</p>
+<p>Ten tweeden male wekte het ventje zijn groote verbazing, want zoo dik als hij zelf geweest was, toen hij op de wereld kwam,
+zoo smal en dun was de kleine. En schreeuwen, schreeuwen dat het kind deed, neen maar, &#700;t ging Diks verwachting verre te boven.
+Ook grootmoeder en grootvader keken het wichtje met verwondering aan, want zoo <a id="d0e303"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e303">18</a>]</span>dun en mager hadden zij nog nooit een kind gezien.
+
+</p>
+<p>Dik sloeg van verbazing de handen ineen, en riep uit:
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen maar, wat een wonderlijk mager kind is dat! &#700;t Is veel te dun!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar &#700;t is toch een erg lief kindje,&#8221; zei Anneke met moedertrots.
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat schreeuwt het!&#8221; ging Dik voort, &#8220;&#700;t Schreeuwt als een speenvarken. Toe baker, geef dat kind dadelijk wat te eten,
+want zulk geschreeuw is niet uit te houden. Een mensch krijgt er hoofdpijn van.&#8221;
+
+</p>
+<p>Grootvader Trom had nog geen woord gesproken, maar eindelijk ging hij naar zijn vrouw, en driftig aan zijn bakkebaardjes plukkende,
+zei hij op gewichtigen toon:
+
+</p>
+<p>&#8220;Griet, &#700;t is een bizonder kind,&#8212;ik zeg een bizonder kind,&#8212;en dat is-ie!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik geloof het ook,&#8221; zei Dik lachend. &#8220;Zoo dun,&#8212;en dan dat geschreeuw. &#700;t Is w&eacute;l bizonder!&#8221;
+
+</p>
+<p>Inderdaad bleken deze twee eigenschappen van den kleine op den duur w&egrave;l wat bizonder te zijn, want het kind schreide van den
+morgen tot den avond, en van den avond tot den morgen. Alleen als hij sliep, was hij stil. Hij dronk de eene flesch melk na
+de andere, maar bleef even dun en mager. En hij schreeuwde om er wanhopig onder te worden. Kreeg hij geen flesch, dan maakte
+hij een ijselijk misbaar om de aandacht op zich te vestigen, en had hij de flesch leeggedronken, dan vond hij d&agrave;t weer een
+reden om zijne stem te verheffen. Maar hij groeide best, al was het alleen in de lengte.
+
+</p>
+<p>Dik vreesde, dat zijn wieg hem gauw te kort zou worden, en hij ergerde zich den ganschen dag aan de aanwezigheid van de baker.
+Daar had hij trouwens zijn goede redenen voor, want in den winkel was veel te snoepen, en daar hield vrouw Smul van. Telkens
+zag Dik, dat zij tersluiks <a id="d0e323"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e323">19</a>]</span>iets in den mond stak, als zij even in den winkel moest wezen, en dat kon Dik niet uitstaan. Eens zag hij, dat zij bij de
+kistjes vijgen stond en er een handjevol uitnam, en hij besloot haar dat eens en voor goed af te leeren. Baker had hem niet
+gezien, en schrok dus niet weinig, toen hij eensklaps achter haar stond. Dik nam een grooten bak met stroop, dien zij onmogelijk
+met &eacute;en hand kon vasthouden en zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Toe baker, help me even. Houd dien bak eens vast.&#8221;
+
+</p>
+<p>Maar dat kon baker niet doen, want dan zou Dik zien, dat zij een hand vol vijgen had. Haastig draaide zij zich dus om en stak
+de vijgen met eene behendige beweging in haar mond, maar ongelukkig konden ze daarin haast niet geborgen worden, zooveel had
+zij er wel uit het kistje genomen. Zij moest den mond dus stijf dicht houden, wilde zij zich niet verraden. Toen greep zij
+den stroopbak met beide handen aan. Haar mond zat als &#700;t ware volgepropt, tot groot vermaak van Dik, die een vriendelijk praatje
+met haar begon.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel baker,&#8221; vroeg hij, &#8220;hoe zou het toch komen, dat de kleine Jan&#8221;,&#8212;want zijn zoon heette Jan, naar zijn grootvader,&#8212;&#8220;dat
+de kleine Jan altijd zoo schreeuwt? Wat kan daar toch de reden van wezen?&#8221;
+
+</p>
+<p>Maar baker kon niet antwoorden vanwege de vijgen, die zij in den mond had. En er waren er te veel, dan dat zij ze had kunnen
+doorslikken. Kauwen durfde zij ook niet, want dan zou zij zichzelve dadelijk verraden hebben. Zij verkeerde nog in de heilige
+overtuiging, dat Dik niets van hare snoeperij had gemerkt. Zij zeide dus niets, maar haalde alleen de schouders op, ten teeken
+dat de reden van Jantjes geschreeuw haar totaal onbekend was. Doch met dat gebaar was Dik niet tevreden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen baker, haal nu de schouders niet op,&#8221; zei hij <a id="d0e335"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e335">20</a>]</span>op ernstigen toon, &#8220;maar zeg mij liever kort en goed, wat er de oorzaak van is. Hij moet toch ergens met zooveel volharding
+om schreeuwen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Baker haalde nogmaals de schouders op, en Dik keek haar ernstig aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Scheelt er wat aan, baker? U trekt zoo&#700;n raar gezicht,&#8221; ging hij voort. &#8220;Heeft u pijn of zoo iets?&#8221;
+
+</p>
+<p>Baker schudde ontkennend met het hoofd, maar het angstzweet brak haar uit, want de vijgen in haar mond begonnen haar verschrikkelijk
+zwaar te liggen, en zij kon haar mond bijna niet meer dicht houden. Zij kneep de lippen wanhopig stijf op elkander en liet
+den zwaren stroopbak haast vallen.
+
+</p>
+<p>Dik had de grootste pret, en ging plagend voort:
+
+</p>
+<p>&#8220;Heeft u kiespijn, baker?&#8221;
+
+</p>
+<p>Baker schudde alweer van neen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Of buikpijn?&#8221;
+
+</p>
+<p>Nogmaals hetzelfde gebaar.
+
+</p>
+<p>&#8220;U lijkt wel stommetje te spelen, baker. Ik geloof, dat ik den dokter voor u moet halen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De baker slaakte een diepen zucht, maar wilde blijkbaar niets van een dokter weten. Zij schudde heftig van neen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar z&egrave;g dan toch wat, baker! Zulk zwijgen is om er tureluursch van te worden. Of kan u niet spreken?&#8221;
+
+</p>
+<p>De baker zei nog niets, maar keek wanhopig naar den zolder.
+
+</p>
+<p>&#8220;Doe uw mond eens open, baker,&#8221; ging Dik zonder medelijden voort, en hij pakte haar kin tusschen vinger en duim. Maar nu werd
+het baker te erg, en zij begreep, dat Dik heel goed had gezien, dat zij van de vijgen gesnoept had. Zij zette den stroopbak
+haastig neer en verliet in allerijl den winkel, terwijl Dik het uitschaterde van pret, omdat hij haar zoo geducht te pakken
+had gehad. Zij dorst den &#8220;baas&#8221; den geheelen dag niet meer aankijken van <a id="d0e363"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e363">21</a>]</span>schaamte, en zij had nog grooter hekel aan hem dan vroeger, toen hij haar klompen vol water had geschept.
+
+</p>
+<p>Maar haar snoeplust leerde zij er niet me&ecirc; af. Die kwaal was bij haar te veel ingekankerd.
+
+</p>
+<p>Dat bleek Dik, toen zijn zoontje een dag of acht oud was. In den winkel, achter een van de toonbanken, was een luik, waaronder
+zich de kelder bevond. Dik was in dien kelder, toen de winkelschel ging, maar de baker wist niet, dat Dik daar was. Zij kwam
+in den winkel en zag daar den loopjongen van den banketbakker, die eene heerlijke roomtaart kwam brengen, een geschenk van
+Piet van Dril en diens vrouw. Ha, de neusvleugels van vrouw Smul trilden van begeerte. Na haastig om zich heen gekeken te
+hebben, of zij wel alleen was, lichtte zij behendig het deksel van de doos en genoot van den heerlijken aanblik, dien de verrukkelijke
+taart opleverde.
+
+</p>
+<p>Dik kwam langzaam en onhoorbaar naderbij. &#8220;Als zij gaat snoepen, zal ik het haar eens en voor altijd afleeren,&#8221; dacht hij.
+
+
+</p>
+<p>En jawel, vrouw Smul moest toch eventjes proeven. Met haar vinger streek zij er wat room af en stak het in den mond. Wat smaakte
+dat heerlijk! Zij smakte met de tong. En wat rook die taart lekker. Wacht, zij moest ook eventjes ruiken. Zij bracht de doos
+wat omhoog, haar neus naar omlaag, en genoot van den heerlijken geur....
+
+</p>
+<p>Maar Dik was meer dan kwaad, want hij dacht, dat vrouw Smul er van snoepte. En in zijne boosheid gaf hij een geduchten duw
+tegen den bodem van de doos, zoodat neus en kin van de baker in een oogwenk tot in het hart van de taart doordrongen. En toen
+vrouw Smul die lichaamsdeelen weer uit hun ontijdig graf had opgedolven, zaten zij dik in de room. Zij leken wel roomhorentjes.
+
+
+</p>
+<p>Vrouw Smul kon zich in het eerste oogenblik maar niet begrijpen, wat er gebeurd was, zoo snel was het in zijn <a id="d0e377"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e377">22</a>]</span>werk gegaan, en zij gaf een gil van den schrik. Doos en taart liet zij op den vloer vallen, en zij vluchtte op een draf den
+winkel uit en de huiskamer in, waar Anneke in een schaterlach uitbarstte, zoo mal zag baker er uit. En zij kon haast niet
+tot bedaren komen, toen Dik haar vertelde wat er eigenlijk gebeurd was, al vond zij het meer dan jammer van de heerlijke taart.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat zullen Piet van Dril en zijne vrouw het akelig vinden, als zij het hooren,&#8221; zei Anneke.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die zullen het niet hooren,&#8221; zei Dik. &#8220;Ik ga dadelijk een nieuwe taart bestellen, precies eender als deze, en wij noodigen
+Piet en zijne vrouw een avondje bij ons op de koffie, om haar te helpen opeten. Dan hooren zij er nooit iets van. Baker zal
+er haar mond wel over houden,&#8212;en wij praten er natuurlijk ook niet over.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zoo geschiedde. Piet en zijn vrouw smulden er heerlijk van en vonden het prettig, dat de taart Dik en Anneke zoo lekker smaakte,
+maar zij hebben nooit geweten, dat het de hunne niet was. De baker wilde den heelen avond niet binnen komen. Zij bleef stil
+in de keuken. Maar Anneke zorgde toch, dat zij haar deel van de lekkernij kreeg.
+
+</p>
+<p>Want zij paste uitstekend op den kleinen Jan, en dat waardeerde Anneke bizonder. Een paar dagen later ging de baker voor goed
+heen.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e387" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Vierde Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>De eigenschappen van den kleinen Jan en het geduldige busje van de orgelvrouw.</p>
+</div>
+<p>De kleine Jan groeide zeer voorspoedig op, dat wil zeggen alleen in de lengte, want hij bleef broodmager, tot groote <a id="d0e395"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e395">23</a>]</span>verbazing van Dik en Anneke, die elken dag opnieuw in de gelegenheid werden gesteld om zijn eetlust te bewonderen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij is precies een hazewindhond,&#8221; zei Dik meer dan eens. &#8220;Hoeveel hij ook eet, hij blijft altijd even dun. &#700;t Is verwonderlijk!&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Overigens was de kleine Jan een zeer voorlijk kind. Hij lachte al, toen hij nog maar enkele dagen oud was, en zijne tandjes
+kwamen zeldzaam vroeg. Hij kroop veel gauwer over den vloer, dan nog ooit eenig kind gedaan had, en kreeg mazelen, kinkhoest
+en waterpokken, toen andere kinderen van zijn leeftijd de gedachte daaraan nog niet in hun hoofd voelden opkomen.
+
+</p>
+<p>Zijn grootvader hield daarom staande tegenover iedereen die het hooren wilde, dat de kleine Jan een bizonder kind was, en
+dat was-ie.
+
+</p>
+<p>Jan was met zijn grootvader al spoedig goede maatjes. Toen hij nog heel klein was, wilde hij altoos op diens knie&euml;n zitten
+en paardje-rijden, zoodra hij hem maar zag, en als Grootvader zijn zin niet dadelijk deed, zette hij het zoo geweldig op een
+schreeuwen, dat zelfs Grootvaders gehoorvliezen er pijn van gingen doen. En dan haastte de oude man zich, om zijn kleinzoontje
+tevreden te stellen.
+
+</p>
+<p>Zoodra Jantje loopen kon, en dat kon hij heel vroeg, liep hij grootvader overal na. Anneke was daar eerst wel wat ongerust
+over, omdat grootvader zoo erg doof was, maar toen haar Jantje altoos weer gezond en w&egrave;l terugkeerde in de ouderlijke woning,
+begon zij daar spoedig aan te wennen. Als Jantje zoek was, dacht ze al dadelijk: &#8220;O, hij zal wel weer bij grootvader wezen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Toen Jantje zag, dat grootvader bijna altoos aan het timmeren was, schreeuwde hij net zoo lang, tot hij ook een hamer kreeg,
+en van dat oogenblik af deed hij niet anders dan hameren. Hij sloeg er me&ecirc; tegen de toonbank, <a id="d0e409"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e409">24</a>]</span>dat de weegschalen er van rinkelden, klopte op de vijgenmand met zooveel kracht, dat de pitjes uit de vruchten te voorschijn
+kwamen, hamerde een melkkan aan scherven en sloeg een barst in de winkelruit. Dat gebeurde alles op &eacute;&eacute;n dag, tot grooten schrik
+van Anneke, die hem den hamer afnam, toen het te laat was. Grootvader had er niets van gemerkt, en toen Anneke hem op de verwoesting
+attent maakte, keek hij die eenigen tijd in verbazing aan, tot hij eindelijk mompelde:
+
+</p>
+<p>&#8220;Zie je wel, Anneke, dat Jantje een bizonder kind is?&#8212;En dat is-ie.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat bleek ook uit het feit, dat Jantje het geweldig op een schreeuwen zette, toen Anneke hem den hamer had afgenomen. Hij
+kon echter zoo hard niet schreeuwen, dat zijne Moeder hem dien teruggaf. Grootvader was bezig de stijfsellade te herstellen,
+die niet meer goed heen en weer kon schuiven. Jantje zat schreeuwend achter hem op den vloer, tot het twaalf uur werd en Grootvader
+naar huis moest om te eten. Grootvader legde den hamer in den spijkerbak en vertrok. Nauwelijks was hij verdwenen, of Jantje
+greep den hamer en zette de werkzaamheden voort. Hij sloeg draadnagels in de verschillende winkelladen, waar zij schots en
+scheef in terecht kwamen, timmerde Grootvaders rooden, katoenen zakdoek, dien hij vergeten had mede te nemen, als een vlag
+aan de toonbank vast, en ging naar het petroleumvat, om ook daar een paar draadnagels in te slaan. Maar toen viel zijn aandacht
+op de kraan, die in het vat zat, en Jantje sloeg er net zoo lang op met zijn hamer, tot de kraan uit het vat vloog en de petroleum
+in een breeden stroom op den vloer en op Jantjes beenen terecht kwam. Ha, dat vond Jantje pas mooi. Hij hield er den hamer
+onder, waardoor de stroom een bizonder mooien vorm kreeg en de droppels hem om de <a id="d0e415"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e415">25</a>]</span>ooren spatten, en hij keek met innig welbehagen de gevolgen van zijn bemoeiingen aan. De petroleum bedekte weldra den geheelen
+vloer, en Jantje was zoo nat als een gedrenkte spons. Zijne Moeder had er geen erg in, want zij was in de keuken, tot zij
+opeens een geweldig geschreeuw vernam, z&oacute;&oacute; hevig, dat zij van schrik opsprong en naar den winkel ijlde. Maar nauwelijks had
+zij de deur geopend, of zij bleef als verstomd staan en keek met open mond naar de petroleum, die den geheelen vloer bedekte
+tot aan den drempel toe, waarop hare voeten stonden, en naar Jantje, die uit alle macht schreeuwde en met zijn hamer op het
+vat sloeg.
+
+</p>
+<p>De tranen sprongen Anneke in de oogen, en zij was in &eacute;&eacute;n woord radeloos. Zij wist niet, wat ze beginnen moest. Ze kon niet
+eens bij haar zoontje komen, zonder door de petroleum te plassen, wat ze op hare pantoffeltjes onmogelijk doen kon.
+
+</p>
+<p>En Jantje schreeuwde uit alle macht, niet om hetgeen hij gedaan had, ook niet omdat hij met de beentjes rechtuit in de petroleum
+zat, maar eenvoudig om. het feit, dat er geen petroleum meer uit het vat stroomde. Hij was er meer dan kwaad om, dat de stroom
+opgehouden had te vloeien, en hij meende net zoo lang te schreeuwen, tot het weer begon.
+
+</p>
+<p>Bedroefd en niet wetende wat zij beginnen moest, snelde Anneke de achterdeur uit, om Grootvaders hulp in te roepen. Schreiende
+kwam zij daar binnen, en zij vertelde onder snikken en tranen, wat Jantje gedaan had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is er?&#8221; vroeg Grootmoeder, toen zij Anneke zoo bedroefd zag staan. Grootvader stond ook van zijn stoel op en vroeg:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is er, Anneke? Wat scheelt er aan?&#8221;
+
+</p>
+<p>De goede man voelde al naar zijn zakdoek, om haar de tranen van de wangen te vegen, want hij hield veel van <a id="d0e429"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e429">26</a>]</span>Anneke. Maar hij vond zijn zakdoek nergens. Hij kon ook niet vermoeden, dat die als een vlag aan de toonbank wapperde.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, o,&#8221; zei Anneke, &#8220;daar heeft Jantje me de kraan uit het petroleumvat geslagen....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Den haan uit het kippenhok doodgeslagen?&#8221; vroeg Grootvader ontsteld. &#8220;Hoe komt het kind er bij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, neen,&#8221; zei Anneke met haar mond aan Grootvaders oor, &#8220;de kraan uit het petroleumvat geslagen, en nu is alle petroleum
+uit het vat geloopen, en Jantje zit er midden in. Ik weet niet, wat ik beginnen moet....&#8221;
+
+</p>
+<p>Grootvader had nu goed verstaan. Hij trok zijn klompen aan en stapte den winkel binnen, waar Jantje nog zijn uiterste best
+deed, om petroleum uit het leege vat te laten vloeien. Hij schreeuwde als &#700;t ware moord en brand.
+
+</p>
+<p>Grootvader keek ook niet weinig verschrikt, evenals een paar vrouwtjes, die juist kwamen aanloopen om boodschappen te halen.
+
+
+</p>
+<p>Trom plaste op zijn klompen door de petroleum en pakte Jantje op, dien hij regelrecht naar de keuken bracht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hier Griet, kleed hem maar dadelijk uit en stop hem in de tobbe,&#8221; zei hij tegen zijn vrouw, die van schrik bijna niet spreken
+kon, toen zij de ramp in oogenschouw nam.
+
+</p>
+<p>Daarna haalde Grootvader eene tobbe uit het schuurtje, benevens een paar dweilen, en begon den vloer op te dweilen.
+
+</p>
+<p>Hij schudde daarbij echter bedenkelijk met het hoofd, want hij begreep zeer goed, dat de zaak zoo gemakkelijk niet in orde
+kwam. Jantje schreeuwde intusschen honderd-uit, want hij werd door Moeder en Grootmoeder naakt uitgekleed en in een warm bad
+gestopt. Zijn kleeren waren onbruikbaar geworden.
+
+</p>
+<p>Dat laatste was ook het geval met den winkelvloer. <a id="d0e451"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e451">27</a>]</span>Trom besloot dan ook dadelijk de handen uit de mouwen te steken De geheele vloer werd opgebroken en door een nieuwen vervangen,
+wat den ouden man heel wat werk bezorgde, &#700;t Is te begrijpen, dat Dik verbaasd opkeek, toen hij &#700;s avonds thuis kwam en hem
+het gebeurde verteld werd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die kleine hazewindhond, hoe krijgt hij &#700;t in zijn hoofd,&#8221; zei hij eindelijk. En Grootvader zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zeg, dat hij een bizonder kind is, Dik, net als jij, en dat is-ie.&#8221;
+
+</p>
+<p>Sinds dien dag werd het petroleumvat zoo geplaatst, dat Jantje er niet meer bij kon. En de kleine kerel kreeg van zijn vader
+een houten hamertje, waar hij niet veel kwaad mee kon doen. Hij timmerde nu den geheelen dag en hielp Grootvader op zijn manier
+bij al diens werk. Hij liet zich daarbij door niets storen, of het moest door een draaiorgel zijn. Dat vond hij zoo verrukkelijk
+mooi, dat hij er zelfs zijn eten voor liet staan, wat hij anders voor geen geld ter wereld zou doen. En nog mooier vond hij
+het busje, waarin de vrouw van den orgeldraaier het geld ophaalde. De orgeldraaier en zijne vrouw woonden op het dorp en kwamen
+vast elken Dinsdag met het orgel rond. Dat was erg lastig voor Anneke, want die had dan altoos waschdag, en moest toch al
+elk oogenblik haar waschgoed in den steek laten, om de klanten in den winkel te helpen.
+
+</p>
+<p>Eens op een Dinsdagmorgen had zij het daarmede erg druk gehad, toe het geluid van het orgel al van verre tot haar doordrong.
+Ook Jantje had het gehoord. Hij was toen een jaar of drie en kon dus de deur al zelf opendoen.
+
+</p>
+<p>&#700;t Geluid van het orgel kwam naderbij, en Jantje was in de voordeur gaan staan, om van de muziek zooveel mogelijk te genieten.
+Eindelijk was het orgel tot voor <a id="d0e463"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e463">28</a>]</span>den winkel gekomen en verscheen Mietje, de vrouw van den orgeldraaier, die Klaas Touw heette, aan de deur. Jantje haastte
+zich naar de keuken, en zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Moedel, daal is Klaas Touw met het olgel.&#8221; De r kon hij nog niet zeggen, zoodat hij gemakshalve daar maar een l voor nam.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;H&egrave;, wat een gezeur van morgen,&#8221; zei Anneke, wie de zweetdroppels op het voorhoofd parelden van de drukte. &#8220;Er ligt wel een
+cent in de toonbanklade, Jantje, je weet wel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja moedel,&#8221; zei Jan, en weg was hij.
+
+</p>
+<p>Hij greep een handjevol centen en begaf zich naar Mietje.
+
+</p>
+<p>Hij legde een cent in het bakje en zag hem met de grootste belangstelling door de gleuf verdwijnen, want dat vond hij iets
+zeer geheimzinnigs. Toen de cent weg was, legde hij er een tweeden in, die op dezelfde eigenaardige wijze in de diepte verdween.
+Daarna een derde, en een vierde, en een vijfde. Dat ging zoo voort tot Jantjes handje leeg was. Mietje was blijkbaar een heel
+geduldig vrouwtje en zij streek Jantje liefkoozend over zijn kopje.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wacht even, ik zal del nog meel halen,&#8221; zei Jantje, en hij voegde de daad bij het woord. De toonbanklade was nog lang niet
+uitgeput en Jantje vond het heel aardig, dat het orgel zoo lang bleef draaien, en dat de centen zoo mooi in de bus verdwenen.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Flap,&#8221; daar viel er weer een naar beneden, tot groote pret van Jantje, die er hardop om lachen moest. &#8220;Flap,&#8221; weer een, en
+nog een, en nog een, tot zijn handje alweer leeg was. En tot zijn groote vreugde draaide het orgel nog maar steeds door, en
+bleek Mietje vriendelijk genoeg om voor zijn plezier nog een poosje te blijven staan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wacht even,&#8221; zei Jantje, &#8220;ik zal del nog meel halen. El zijn del nog genoeg.&#8221;
+
+</p>
+<p>Nu, dat was waar, en hij kwam al spoedig weer met een handjevol terug.
+<a id="d0e483"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e483">29</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Flap,&#8221; ging het alweer, en &#8220;flap, flap, flap,&#8221; volgden de andere. Anneke was zoo druk aan het wasschen, dat zij het heele
+orgel vergeten was. Gelukkig, dat er nu eens een poosje geen klanten kwamen....
+
+</p>
+<p>Jantje liep geregeld heen en weer van Mietje naar de lade, en van de lade naar Mietje, wier geduld onuitputtelijk bleek. Jantje
+vond haar erg zoet, dat ze zoo lang blijven wou en dat hij zoo prettig met het busje mocht spelen.
+
+</p>
+<p>Maar eindelijk was de voorraad centen uitgeput, en daarom begon Jantje met de dubbeltjes, die hij in de lade vond. Gelukkig
+kwam er juist een meisje den winkel binnen om een half pond suiker te halen en toen ze zag, wat Jantje deed, zei ze:
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg, stoute jongen, dat mag je niet doen.&#8221; Zij nam Jantje de dubbeltjes af, die hij in de hand had, en riep luid:
+
+</p>
+<p>&#8220;Vollek!&#8212;Vollek!&#8221;
+
+</p>
+<p>Opeens bleek Mietje haast te krijgen. Zij wenkte Klaas, die onmiddellijk den slinger van het orgel in rust bracht, en samen
+vervolgden zij met meer dan gewonen spoed hun tocht. Zij liepen zelfs zonder te spelen verscheidene huizen voorbij, en verdwenen
+in een achterbuurtje.
+
+</p>
+<p>Jantje was echter boos en begon luidkeels te schreeuwen. Maar zijn Moeder was nog boozer, toen zij van het meisje vernam wat
+er gebeurd was, en zij gaf Jantje voor zijne broek en zette hem in de woonkamer met bevel, dat hij daar den geheelen middag
+blijven moest. Klaas Touw en Mietje kregen, toen zij weer met het orgel kwamen, een geducht standje van haar en mochten in
+geen vol jaar meer aankomen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je hebt wel voor een jaar genoeg gehad,&#8221; zei Anneke boos, &#8220;en &#700;t is een schande, dat je het geld aangenomen hebt. Als je
+fatsoenlijke menschen waart, zou je mij gewaarschuwd hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>Of Mietje al zei, dat het zoo erg niet geweest was, en <a id="d0e502"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e502">30</a>]</span>dat Jantje maar een cent of vijf in het busje had gedaan, &#700;t hielp haar niets.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je hebt voor een jaar genoeg gehad, en daarmede is het uit,&#8221; zei Anneke beslist. Boos deed ze de deur voor Mietje&#700;s neus
+dicht.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e506" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Vijfde Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>Jantje en de school.</p>
+</div>
+<p>Jantje bleef zeer voorspoedig opgroeien. De gewone kinderziekten had hij al lang achter den rug, verkouden was hij nooit,
+en voor koorts scheen hij geen aanleg te hebben. Hij was buitengewoon levendig van natuur, waarvan het gevolg was, dat zijne
+Moeder hem zelfs met geen stok in huis kon houden.
+
+</p>
+<p>Eerst had zij daartoe wel alle middelen, die haar ten dienste stonden, in &#700;t werk gesteld, maar tevergeefs. Toen hij nog erg
+klein was, volgde hij steeds zijn Grootvader als diens schaduw, en dan timmerde hij den geheelen dag, maar toen hij een jaar
+of vier werd, vond hij daar niet veel pleizier meer in. Hij ging toen liever de buurt op, en was bijna altoos op de smerigste
+plaatsen te vinden, die er bestonden. Hij zag er daardoor gewoonlijk ontoonbaar uit. De modder zat hem dikwijls tot in de
+haren, zijne broek was bijna altoos hier of daar gescheurd, en zijn handen zagen zoo zwart als roet. Wel tienmaal op een dag
+greep Anneke hem bij den arm, nam hem m&ecirc;e naar de keuken, en boende hem met groene zeep schoon, waarbij de kleine pati&euml;nt
+gewoonlijk een erbarmelijk geschreeuw deed hooren, zoo erg, dat de klanten, die in <a id="d0e516"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e516">31</a>]</span>den winkel kwamen, soms dachten, dat er iemand vermoord werd. In die meening werden zij dan nog versterkt door de noodkreten
+van Jantje, die op zijn gewonen huilerigen toon niets anders deed, dan schreeuwen:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wou, dat ik dood was! Ik wou, dat ik dood was! Ik moet ook altijd maar gewasschen worden!&#8221;
+
+</p>
+<p>Zijn moeder toonde echter niet het minste medelijden en hield niet op, voordat Jantje vanwege de groene zeep blonk als een
+spiegeltje.
+
+</p>
+<p>&#700;t Was maar jammer, dat het slechts voor zoo korten tijd hielp. Geen tien minuten later zat Jantje weer in de modder te baggeren.
+Zijn voeten waren meestal kletsnat, want hij bewoog zich graag aan de slootkanten, om naar de kikkers te kijken en watertorren
+te vangen.
+
+</p>
+<p>Toen hij vier jaar oud was, kwam hij voor het eerst met een nat pak thuis. Hij had kopje-onder in het water gelegen. Dat gaf
+een schrik bij Anneke, en zij besloot kort en goed hem voortaan in huis te houden. Zij sloot hem in den tuin op. Maar dat
+beviel haar nog veel minder, want tot haar schrik zag zij hem &#700;s morgens om negen uur al op de vorsten van het schuurtje zitten,
+en even later kwam hij naar beneden tuimelen. Anneke zag het juist gebeuren, en zij dacht, dat hij wel dood zou zijn. Zij
+zat als met lamheid geslagen op haar stoel en was niet bij machte om op te rijzen en Jantje te gaan helpen. Dat bleek echter
+ook niet noodig te zijn, want Jantje sprong dadelijk overeind en klom weer tegen het schuurtje op. Een poosje later zat hij
+weer op de vorsten. Eerst was hij wel een beetje bleek van den schrik, maar dat werd spoedig beter.
+
+</p>
+<p>Anneke besloot hem niet meer op te sluiten, zoodat Jantje &#700;s middags weer in de buurt rondwandelde.
+
+</p>
+<p>Toen Dik het &#700;s avonds hoorde, moest hij er braaf om lachen, en hij zei:
+<a id="d0e530"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e530">32</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Wel, wel, kan die hazewindhond z&oacute;&oacute; klimmen? Kijk Anneke, dat is nu iets, wat ik in mijn jeugd nooit heb kunnen doen, omdat
+ik zoo dik was. Ik vind het wel aardig.&#8221;
+
+</p>
+<p>Anneke vond het dat niet, en zij klaagde z&oacute;&oacute; over de zorg, die zij van den vroegen morgen tot den laten avond over Jantje
+had, dat Dik besloot hem voortaan, als het goed weer was, maar me&ecirc; te nemen op den wagen.
+
+</p>
+<p>Dat was een kolfje naar Jantjes hand. Ha, wat vond hij het prettig om naast Vader op den bok van den wagen te zitten. Soms
+mocht hij de leidsels vasthouden of met de zweep klappen. Van slaan was geen sprake; dat wilde Dik volstrekt niet hebben.
+Zelf deed hij het ook alleen in bizondere omstandigheden. Het was dan ook werkelijk niet noodig, want de hit van Dik kon verbazend
+hard loopen. Dat beweerde Dik niet alleen, maar alle menschen op het dorp zeiden het. Die hit was eigenlijk een harddraver
+en Dik kende geen hit, uren in den omtrek, die zoo hard loopen kon als de zijne. E&eacute;n ding was maar jammer. De hit had namelijk
+wel eens koppige buien, eene kwaal, die ook andere hitten wel met hem gemeen hebben. Als hij in zoo&#700;n booze bui was, bleef
+hij vierkant op den weg staan met de pooten wijd uit elkander. Dan was er geen beweging in hem te krijgen. Eerst had Dik zijne
+toevlucht wel eens genomen tot de zweep, hoewel hij daar een geduchten hekel aan had, maar &#700;t had hem totaal niets geholpen.
+Eindelijk was Dik op &#700;t id&eacute;e gekomen om hem een klontje suiker voor den bek te houden, en als de hit het pakken wilde, hield
+hij het weer een eindje verder. Dat hielp goed, want de hit hield veel van klontjes, en liep zijn meester dan dadelijk na.
+En onder het smullen vergat hij zijn koppige bui, zoodat Dik weer op den bok kon gaan zitten. Als de hit weer eens niet voort
+wilde, <a id="d0e537"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e537">33</a>]</span>nam Dik dadelijk een klontje suiker, en dan was de zaak in orde. Maar de hit was slim, en telkens als hij trek kreeg in een
+klontje, bleef hij midden op den weg staan en ging niet verder, v&oacute;&oacute;r hij zijn zin gekregen had. Dat gebeurde spoedig wel al
+een keer of tien op een dag, zoodat Dik begreep, dat het niet langer ging. Hij gaf den hit geen enkel klontje meer, al bleef
+hij ook een half uur op den weg staan. Zoo leerde het beest langzamerhand zijn snoeplust weer af. Maar de koppige buien kwamen
+telkens terug. Wel niet dikwijls, maar toch te veel naar Dik&#700;s zin. &#700;t Was overigens een prachtige hit, die zijns gelijke
+niet had in het loopen. Dik hield dan ook bizonder veel van hem, en Jantje vond het w&aacute;t heerlijk, als het lieve paardje zoo
+lustig voor den wagen draafde.
+
+</p>
+<p>En Dik vond het prettig, als de kleine Jan naast hem op den bok zat. Als &#700;t mooi weer was, mocht Jantje altoos met hem mee,
+en dat gaf Anneke heel wat rust. Deze had het trouwens al druk genoeg met den winkel.
+
+</p>
+<p>Eindelijk werd Jantje vijf jaar en toen moest hij naar school. Maar daar had hij in &#700;t geheel geen zin in. Het vrije leventje
+en de toertjes met zijn vader bevielen hem veel te goed, en hij hield stijf en strak vol, dat hij nooit en nooit naar school
+wilde.
+
+</p>
+<p>Toch moest het gebeuren, en Dik bracht hem er zelf heen.
+
+</p>
+<p>Och, och, wat schreeuwde de kleine baas, en wat deed hij eene moeite om los te komen. Maar dat lukte hem niet, want zijn vader
+hield hem stevig vast.
+
+</p>
+<p>Hij schreeuwde nog, toen hij door de Juffrouw in ontvangst werd genomen, en hoeveel moeite zij ook deed om hem tot bedaren
+te brengen, &#700;t hielp haar niets. De andere nieuwelingen keken hem met de grootste verbazing aan. Zulk schreeuwen hadden zij
+blijkbaar nog nooit gehoord.
+
+</p>
+<p>De Juffrouw werd er zenuwachtig van, en wist eindelijk <a id="d0e551"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e551">34</a>]</span>geen raad meer met het kereltje. &#700;t Was haar onmogelijk iets te beginnen, want Jantje overschreeuwde haar stem wel tienmaal,
+zoodat niemand haar kon verstaan.
+
+</p>
+<p>Maar opeens kwam hij tot bedaren, tot groote verwondering en even groote blijdschap van de Juffrouw. Hij veegde zijne oogen
+af met de mouwen van zijn jasje, en stak toen parmantig den vinger op.
+
+</p>
+<p>De Juffrouw lachte hem vriendelijk toe, en vroeg:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel kleine man, wat is er?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juffrouw, wanneer begint de groote vacantie?&#8221; vroeg Jantje.
+
+</p>
+<p>De Juffrouw schoot in een lach, en zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;O h&eacute;, dat duurt nog een heelen tijd, Jantje. Dat duurt nog wel eene maand of drie.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vandaag nog niet?&#8221; vroeg Jantje, wiens lippen weer zenuwachtig begonnen te beven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, vandaag nog niet, Jan. Maar dat hindert niet. &#700;t Is hier in de school ook wel prettig.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jantje was dit echter in &#700;t geheel niet met haar eens, wat duidelijk bleek uit het feit, dat hij het weer verschrikkelijk
+op een schreeuwen zette. Er kwam geen einde aan.
+
+</p>
+<p>Jantje kreeg zelfs al spoedig gezelschap, want een paar andere nieuwelingen werden door zijn verdriet dermate aangestoken,
+dat zij ook hunne stem verhieven, en met Jantje om &#700;t hardst schreeuwden. Jantje keek even om, ten einde te zien, waar die
+nieuwe geluiden vandaan kwamen, en zette daarna de zaak op den ouden voet voort. &#700;t Was eindelijk langer niet uit te houden,
+en de Juffrouw besloot hare toevlucht tot krachtige maatregelen te nemen. Zij stapte op Jantje af, greep hem bij den arm,
+en zette hem in den hoek. Maar Jantje schreeuwde daardoor niet harder of zachter. De zaak liet hem volkomen koud.
+
+</p>
+<p>Daarom zette de juffrouw hem in een klein kamertje, dat als boekenkast gebruikt werd, en zij deed de deur achter <a id="d0e575"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e575">35</a>]</span>hem dicht. Eerst had zij geducht op hem gebromd.
+
+</p>
+<p>&#8220;D&aacute;&aacute;r dan, stoute jongen,&#8221; had ze gezegd. &#8220;Als jij niet naar verbieden wilt luisteren, moet je maar heelemaal alleen in de
+boekenkast zitten. Daar mag je schreeuwen, zoo hard je maar wilt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jantje volgde dat bevel echter in &#700;t geheel niet op. Hij vond het in die boekenkast heel vreemd, want z&oacute;oveel boeken had hij
+nog nooit bij elkaar gezien. En in den achtermuur was een raampje, dat bij mooi weer opengezet werd, omdat er anders zoo&#700;n
+vunzige lucht in de kast kwam. Toen Jantje de boeken bekeken had, wat niet lang duurde, deed hij het raampje open en klom
+behendig naar buiten.
+
+</p>
+<p>Ha, daar in de vrije natuur vond hij het pas heerlijk. Hij veegde de laatste tranen van zijn gezicht, stak zijn handen in
+de broekzakken, en zakte zingende op huis af.
+
+</p>
+<p>Anneke keek w&aacute;t gek op, toen zij hem om half elf binnen zag komen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mocht jij naar huis toe, Jan?&#8221; vroeg ze.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, Moeder,&#8221; zei Jan, &#8220;de Juffrouw bracht me zelf in een kamertje, waar een raam was om er uit te kruipen. O Moeder, dat
+was zoo&#700;n mooi kamertje, allemaal boeken, wel honderd millioen drie honderd duizend en nog veel meer.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In een kamertje met boeken, en een raam, waar je door moest kruipen? Dat begrijp ik niet, kind,&#8221; zei Anneke. &#8220;Enfin, &#700;t is
+al half elf. Blijf nu maar thuis.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat deed Jantje met het meeste genoegen.
+
+</p>
+<p>Maar de juffrouw, die na eenige minuten wachtens merkte, dat er geen geluid meer uit de boekenkast kwam en daarom besloot
+Jantje maar weer in de klasse te halen, schrikte geducht, toen zij de kast ledig vond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als het kind maar geen ongeluk gekregen heeft!&#8221; zuchtte ze. En ze stuurde dadelijk een jongen uit de hoogste klasse naar
+zijn huis, om te vragen, of hij daar was.
+<a id="d0e597"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e597">36</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ja, hier ben ik,&#8221; zei Jantje, nog voordat zijn Moeder gelegenheid had gehad iets te antwoorden. &#8220;En ik wil nooit meer naar
+school.&#8212;Vast niet!&#8221;
+
+</p>
+<p>Juist op dit oogenblik kwam Dik binnen, die even naar de smederij van Piet van Dril was geweest, om zijn hit te laten beslaan.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is er aan de hand, Anneke?&#8221; vroeg hij.
+
+</p>
+<p>En nauwelijks had hij gehoord, wat Jantje gedaan had, of hij pakte hem bij zijn arm en bracht hem weer naar school, waar Jantje
+onder een vervaarlijk geschreeuw zijn intocht deed.
+
+</p>
+<p>&#8220;Juffrouw,&#8221; zei Dik, &#8220;als hij niet ophoudt met schreeuwen, mag hij nooit meer mee uit rijden. Dat z&egrave;g ik en dat m&eacute;&eacute;n ik.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Die bedreiging hielp dadelijk. Jantje deed zijn mond dicht en gaf geen kik meer, tot groote vreugde van de Juffrouw. Voor
+Jantje was er geen zwaardere straf te bedenken dan dat hij niet meer met zijn vader uit rijden mocht.
+
+</p>
+<p>Toen hij eenmaal tot bedaren gekomen was, zette hij zich met ijver aan de studie, en het bleek weldra, dat hij de vlugste
+van de geheele klasse was. Hij kende de letters al, als hij ze nog maar eenmaal gezien had, hij schreef het mooist, en hij
+rekende beter dan iemand anders. De Juffrouw vond hem bepaald een vluggertje. Maar omdat hij altoos &#700;t eerst met zijn werk
+gereed was, had hij ook steeds tijd over, en dan werd hij ondeugend. &#700;t Duurde dan ook maar kort, of de Juffrouw zei altoos,
+als ze van hem sprak:
+
+</p>
+<p>&#8220;De jongen heeft drie bijzondere eigenschappen: hij is de vlugste, de ondeugendste en de magerste jongen van de geheele school.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>En dat was ook zoo. Hij deed altoos kattekwaad, als hij zijn werk afhad. Naast hem zat Karel van Dril, de zoon <a id="d0e616"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e616">37</a>]</span>van den smid. Jan kende hem al lang voor hij naar school ging, omdat hunne ouders zeer bevriend waren en dikwijls bij elkaar
+op visite kwamen.
+
+</p>
+<p>Karel kon vrij goed leeren, maar met het rekenen had hij het eerste jaar nog al moeite. Hij verwarde altijd de 3 met de 8
+en de 6 met de 9, waardoor de uitkomst natuurlijk niet goed kwam. Ook gelukte het hem maar zelden, om een leesbare 5 te schrijven.
+Als Jantje zijn werk al afhad, was Karel nog niet op de helft. En toch deed hij erg zijn best. Hij hoorde dan niet eens, wat
+Jantje hem toefluisterde, en eigenlijk hoorde hij zelfs niet, dat er wat tegen hem gezegd werd, zoo verdiept was hij dan in
+zijn werk. Die rekensommen kostten hem menigen zweetdroppel, en hij kon er bij zuchten als een stoommachine.
+
+</p>
+<p>Jantje was dan niet in de mogelijkheid om een gesprek met hem aan te knoopen, en moest zich dus op andere wijze zien te vermaken.
+In den knikkertijd speelde hij met zijn knikkers, die hij dan zoo dikwijls telde, tot ze eindelijk met groot lawaai op den
+grond terecht kwamen. Dan was Holland in last. Hij raakte zijne knikkers kwijt en kreeg nog straf op den koop toe.
+
+</p>
+<p>Eens in den toltijd had hij zijne tollen zitten bekijken, die hij onder de tafel in de handen hield. Eindelijk haalde hij
+zijn tolsnoer te voorschijn en ging er op zijn manier mee zitten hengelen. Dan verbeeldde hij zich, dat hij tuk kreeg, en
+als hij dan ophaalde, zag hij er snoeken of karpers aan. Toen hij visch genoeg gevangen had naar zijn zin, bedacht hij een
+ander spelletje. Hij slingerde het touw om zijn rechterbeen en om het linkerbeen van Karel, die zoo in zijne sommen verdiept
+zat, dat hij er niets van merkte. En Jantje bond de beenen stijf aan elkander. Toen diepte hij zijne tollen weer op, om ze
+voor de honderdste maal nog eens te bekijken. De Juffrouw zag, dat hij zat <a id="d0e624"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e624">38</a>]</span>te spelen, en verbood het hem, maar zij was zoo druk bezig met hier en daar een achterlijk kind voort te helpen, dat zij niet
+veel aandacht aan Jantje kon wijden. Maar inwendig was zij toch wel boos op hem, want zijne lei was al eens met een harden
+smak op den grond gevallen, en nu kwamen plotseling weer al zijn tollen op den vloer terecht, tot groot vermaak van de andere
+jongens, waarvan er eenige hardop begonnen te lachen.
+
+</p>
+<p>Nu werd de wanorde de Juffrouw toch wel wat al te groot. Met forsche schreden stapte zij op Jantje toe, greep hem driftig
+bij den arm en wilde hem de bank uittrekken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Allo, ondeugende jongen, v&oacute;&oacute;r de klasse! Direct!&#8221; En zij trok zoo hard, dat Jantje wel mee moest. Maar o wee, zijn rechterbeen
+zat aan het linker van Karel vast, zoodat Kareltje &oacute;&oacute;k mee moest,&#8212;tot zijn groote verbazing.
+
+</p>
+<p>&#8220;O Juffrouw! Mijn been! Mijn been!&#8221; schreeuwde Karel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Houd jij je mond!&#8221; riep de Juffrouw boos, en zij trok nog harder aan Jantjes arm. Jantje viel half de bank uit, en Kareltje
+volgde zijn voorbeeld.
+
+</p>
+<p>&#8220;O Juffrouw, mijn been!&#8212;Mijn been zit vast!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Kan me niets schelen,&#8212;vooruit bengel!&#8221; riep de Juffrouw.
+
+</p>
+<p>Maar Jantje kon niet verder. Het blok aan zijn been was te zwaar, en de Juffrouw begon eindelijk te begrijpen, wat er aan
+de hand was. Toen werd zij nog veel boozer, vooral toen de andere kinderen hun lachen niet konden inhouden. Zij nam haar zakmesje
+en sneed het touw in verscheidene stukken. Jantje werd in den eenen hoek gezet, en Kareltje, die dood-onschuldig was aan &#700;t
+geheele zaakje, in den anderen. Maar Karel protesteerde. Hij wou geen straf hebben, omdat hij niets gedaan had, en toen de
+Juffrouw eindelijk goed op de hoogte kwam van het gebeurde, vond <a id="d0e640"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e640">39</a>]</span>zij ook, dat hij geen straf had verdiend. Hij mocht dus weer gaan rekenen, maar Jantje moest schoolblijven, was zijn tolsnoer
+kwijt, en zag ook zijne tollen, die de Juffrouw hem afgenomen had, in de kast verdwijnen.
+
+</p>
+<p>Toen hij &#700;s middags om half een verlof kreeg om naar huis te gaan, vroeg hij met een deemoedig gezicht, of hij asjeblieft
+zijn tollen terug mocht hebben. Maar daar was geen denken aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Met Nieuwjaar!&#8221; zei de Juffrouw kortaf. En daar was de zaak me&ecirc; afgeloopen. Jantje had niet erg veel plezier van de grap,
+want nu kon hij &#700;s avonds niet meer met de andere jongens meedoen, als zij potje-tolden. En dat deed hij juist zoo graag.
+Hij was trouwens een liefhebber van alle mogelijke spelletjes. Was het in den toltijd, dan vond hij dat het prettigste spel
+van de wereld, was het in den knikkertijd, dan vond hij d&aacute;t weer &#700;t mooist. En zoo ging het met alle spelen, die door de jongens
+werden gedaan. Maar &#700;t &aacute;llerprettigst vond hij toch den sneeuwtijd. Iets heerlijkers was er volgens hem niet te bedenken.
+
+
+</p>
+<p>Zijn grootvader had voor hem een slee gemaakt, en daar gleed hij elk vrij uurtje mede van een hoogen dijk af. Ha, wat ging
+dat echt. En zoo vlug! &#700;t Was net of hij naar beneden viel, maar &#700;t liep altoos erg best af. Hij moest wel oppassen, dat hij
+in zijne vaart niet in een sloot terecht kwam, die langs den dijk liep, maar Jantje wist zich met zijne klompen zoo netjes
+te sturen, dat hij altoos vlak langs de sloot zijn draai kon nemen. Dat mislukte hem nooit.
+
+</p>
+<p>Op de speelplaats van de school vermaakte hij zich met het gooien van sneeuwballen. Ieder, dien hij maar raken kon, kreeg
+er een tegen zijn muts of in zijn hals, en dan had Jantje de grootste pret. Maar dan kreeg hij ook rijkelijk zijn portie terug,
+want de andere jongens lieten zich niet ongestraft bekogelen.
+<a id="d0e650"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e650">40</a>]</span></p>
+<p>Toch hadden zij het tegen Jantje altijd kwaad te verantwoorden, want hij was zeldzaam vlug in zijne bewegingen en kon best
+mikken. Bovendien zorgde hij er steeds voor, een goeden voorraad sneeuwballen in zijn broekzakken te hebben, zoodat hij ze,
+als de nood aan den man kwam, maar voor het grijpen had. Dan vlogen de kogels den jongens als het ware om de ooren, en meestal
+eindigde het gevecht met een smadelijke vlucht van zijne tegenstanders. Eens op een avond echter, om vier uur, toen hij uit
+de school naar huis ging, kreeg hij onverwachts met zooveel kracht een sneeuwbal achter in zijn nek, dat hij niet kon nalaten
+au te roepen. &#700;t Deed hem dan ook geducht pijn, want &#700;t was een verbazend harde sneeuwbal geweest, veel harder, dan hij ze
+ooit gooide. &#700;t Was eigenlijk een valsche streek, en toen hij omkeek, zag hij dat een jongen uit de buurt de dader was. Die
+jongen heette Klaas Zwart, en stond niet al te gunstig onder zijne kameraadjes bekend.
+
+</p>
+<p>Jan zag, hoe Klaas er om lachte, dat hij hem zoo geducht geraakt had, en hij werd er erg boos om.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is valsch, leelijkerd,&#8221; riep hij Klaas toe. &#8220;Jij gooit met sneeuwballen, waar een steen in zit. Maar ik zal het je betaald
+zetten, wacht maar!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is nietes!&#8221; riep Klaas terug, zich op een eerbiedigen afstand houdende, &#8220;er zat geen steen in.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom op als je durft!&#8221; schreeuwde Jantje hem toe, wiens nek prikkelde van de pijn. Het koude water liep hem langs zijn ruggestreng.
+
+
+</p>
+<p>Maar Klaas durfde niet. Hij bleef op eenigen afstand staan, gereed om te vluchten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Lafaard!&#8221; riep Jantje. &#8220;Kom op, als je durft.&#8212;Je durft niet, h&egrave;, daar ben je te bang voor! Leelijke gluiperd!&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij keerde zich verontwaardigd om en liep naar huis.
+
+</p>
+<p>Maar den volgenden morgen ging hij vroeg naar de <a id="d0e669"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e669">41</a>]</span>speelplaats, maakte een flinken voorraad sneeuwballen, die hij als kogels op elkander stapelde, en stopte toen ook nog zijn
+broekzakken vol sneeuwballen voor het geval, dat Klaas op de vlucht mocht slaan, en hij hem dus achtervolgen moest. Zoo gewapend
+wachtte hij de komst van zijn vijand af. Zijne broekzakken puilden wijd uit van de sneeuwkogels, en hij kon er veel in zijn
+zakken bergen, want hij had wijde broekspijpen, en zijne dunne beentjes namen niet veel plaats in.
+
+</p>
+<p>Eindelijk verscheen Klaas op de speelplaats.
+
+</p>
+<p>Maar hij was op zijn hoede, want hij vertrouwde Jantje niet erg. Hij kreeg hem dan ook al spoedig in het oog, en meende hem
+door een vriendelijk praatje wat zachter te stemmen. Er waren nu al verscheidene jongens op het plein.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo Jan,&#8221; riep hij zijn vijand toe, &#8220;ga je van middag mee op mijn slee?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Op je gezicht kun-je krijgen,&#8221; riep Jantje terug. &#8220;Kom op, als je durft, dan zullen wij sleden!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij durft niet!&#8221; riepen de andere jongens lachend, toen zij zagen, dat Klaas bleef staan. &#8220;H&egrave;, wat een bangerd! Kijk hem
+nu eens staan, zoo&#700;n hufter!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Toe dan, Klaas, kom op!&#8221; tartte Jantje. Hij nam een sneeuwbal van zijn stapel, en wierp hem Klaas vlak in &#700;t gezicht. Zijn
+neus zat dik onder de sneeuw, en Klaas kreeg er sterretjes van voor zijne oogen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Lekker zoo! Goed zoo!&#8221; riepen de jongens. &#8220;Geef hem zijn portie, Jan!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Flap!&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar kreeg Klaas den tweeden, ditmaal tegen zijne muts, die hem van het hoofd vloog, tot groote pret van de jongens, die in
+het rond sprongen van pleizier. Want zij hielden niet erg van Klaas.
+<a id="d0e689"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e689">42</a>]</span></p>
+<p>Maar Klaas werd nu toch woedend, en hij vergat zijne vrees.
+
+</p>
+<p>Vlug bukte hij zich om een sneeuwbal te maken, doch voordat hij daarmede gereed was, kreeg hij er een van Jan tegen zijn linkeroor.
+
+
+</p>
+<p>Toen wierp Klaas er Jan een tegen zijn schouder, maar hij kreeg er dadelijk wel drie voor terug.
+
+</p>
+<p>&#8220;Houd-je goed, Jan, toe maar!&#8221; schreeuwden de jongens.
+
+</p>
+<p>&#700;t Werd een verwoed gevecht, en Klaas verweerde zich dapper, maar hij verkeerde in veel ongunstiger omstandigheden dan Jantje,
+daar deze de ballen al gereed had liggen.
+
+</p>
+<p>Jantje nam er een stuk of vier in zijne hand, en vloog op Klaas af. Maar dat was Klaas te veel, en hij zette het op een loopen.
+
+
+</p>
+<p>Jan hem achterna.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar gaat hij loopen!&#8221; schreeuwden de jongens. &#8220;Houd-je goed, Jan!&#8221;
+
+</p>
+<p>Klaas liep, wat hij loopen kon, en Jan volgde hem op de hielen.
+
+</p>
+<p>Telkens voelde Klaas een sneeuwbal tegen zijn achterhoofd of in zijn nek terechtkomen, en &#700;t huilen stond hem nader dan het
+lachen.
+
+</p>
+<p>Tot opeens Jantje misgooide, en zijn sneeuwbal in een ruit van de school terecht kwam. De scherven vielen rinkelend naar beneden,
+en op &#700;t zelfde oogenblik kwam de hoofdonderwijzer naar buiten, die Jantje bij zijn kraag pakte en hem in een hoek van de
+school zette, niet ver van de kachel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jij blijft om twaalf uur wachten, hoor baasje!&#8221; zei de meester. &#8220;Ik moet je dan eens vragen, hoeveel geld je wel in je spaarpot
+hebt. &#700;t Is er nu te laat voor, want de school gaat aan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Inderdaad werden de deuren geopend en de kinderen binnengeroepen.
+<a id="d0e716"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e716">43</a>]</span></p>
+<p>De Juffrouw kwam naar Jantje toe en bromde ook op hem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Stoute jongen,&#8221; zei ze, &#8220;moet jij hier de glazen ingooien? Je bent niet bij je moeder thuis.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar mag ik het ook niet doen, Juffrouw,&#8221; zei Jan op deemoedigen toon, en de Juffrouw begreep, dat zij zich niet al te juist
+had uitgedrukt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Houd je mond, brutale jongen,&#8221; zei ze.
+
+</p>
+<p>Ze ging voor de klasse staan en begon met hare werkzaamheden.
+
+</p>
+<p>Jantje vond het niet prettig in dien warmen hoek bij de kachel, want hij leerde veel liever met de andere leerlingen m&ecirc;e,
+en bovendien was hij al erg warm van het sneeuwballen zoodat hij het bij de heete kachel bijna niet kon uithouden. Deze stond
+dan ook rondom gloeiend, want ze was nog niet lang geleden aangelegd, en het lokaal moest eerst door en door verwarmd worden.
+Jantjes handen begonnen al gauw te tintelen, zoo erg, dat hij er bleek van werd. Maar dat ging spoedig over, en Jantje voelde
+zich al weer wat lekkerder worden, toen hij opeens een onaangenaam gevoel langs zijne beenen kreeg. &#700;t Was net, of er een
+straaltje koud water langs liep.
+
+</p>
+<p>Eerst begreep hij niet, wat dat wezen kon, maar toch voelde hij het duidelijk. &#700;t Liep langs zijne dijen, passeerde zijne
+knie&euml;n en kwam eindelijk in zijne kousen terecht.
+
+</p>
+<p>Al spoedig snapte hij, wat er aan de hand was. &#700;t Waren de sneeuwballen, waarmede hij zijne broekzakken had gevuld, die bij
+de heete kachel langzaam begonnen te smelten. Hij voelde, dat zijne kousen nat werden, en hij begreep, dat het zaakje leelijk
+voor hem kon afloopen. Hij hoopte echter, dat de sneeuwballen niet z&oacute;&oacute;veel water zouden geven, dat het de aandacht van de
+Juffrouw zou trekken.
+
+</p>
+<p>Doch onophoudelijk liepen kleine straaltjes water langs <a id="d0e735"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e735">44</a>]</span>zijne dunne beentjes naar beneden, en toen hij zijne voeten even verzette, merkte hij, dat zijne kousen al kletsnat waren.
+
+
+</p>
+<p>Angstvallig hield hij zijn blik op zijne voeten gericht. En waarlijk, daar zag hij tot zijn grooten schrik, dat er zich rondom
+zijne voeten een klein meertje begon te vormen, dat langzaam maar zeker grooter werd. &#700;t Nam steeds in omvang toe, zoodat
+Jantje zich hoe langer hoe minder op zijn gemak voelde.
+
+</p>
+<p>Gelukkig was de Juffrouw met zooveel ijver aan het werk, dat zij Jan geheel vergeten was.
+
+</p>
+<p>Eindelijk was de plas rondom Jan z&oacute;&oacute; groot geworden, dat hij de aandacht trok van Klaas Zwart, wiens haren nog druipnat waren
+van de sneeuwballen, waarop Jan hem had getracteerd. Nauwelijks had hij hem gezien, of hij stak met veel bombarie zijn vinger
+op, en riep:
+
+</p>
+<p>&#8220;Juffrouw! Juffrouw! Jan Trom heeft wat op den grond gedaan!&#8221;
+
+</p>
+<p>Die tijding gaf eene heele opschudding in de klasse. De kinderen gingen half in de banken staan en rekten de halzen, om goed
+te kunnen kijken. En de Juffrouw keerde zich om en keek heel vies naar de plaats, waar Jantje stond met beschaamde kaken.
+Hij zag rood tot achter zijne ooren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vieze jongen!&#8221; riep de Juffrouw hem toe. &#8220;Waarom heb je me niet gewaarschuwd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is niet waar, Juffrouw!&#8221; riep Jan, huilend van verontwaardiging &#8220;Ik had sneeuwballen in mijn zak, en die zijn bij de
+heete kachel gesmolten.&#8221;
+
+</p>
+<p>En om te bewijzen, dat hij de waarheid sprak, stak hij zijn handen in de zakken, en dolf er de half gesmolten kogels uit op.
+
+
+</p>
+<p>De Juffrouw schoot in een geweldige lachbui, en de kinderen moesten ook zoo lachen, dat zij bijna niet tot bedaren konden
+komen.
+<a id="d0e755"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e755">45</a>]</span></p>
+<p>Jantje mocht naar huis om droge kleeren aan te trekken.
+
+</p>
+<p>Zijn vader keek hem eerst heel boos aan, toen hij hem zoo tusschentijds zag binnenkomen, maar toen hij hoorde, wat er gebeurd
+was, moest hij er ook smakelijk om lachen, en hij vertelde het aan alle klanten, die dien dag in den winkel kwamen.
+
+</p>
+<p>Toen Jan &#700;s middags weer naar school ging, gaf zijn vader hem de opdracht om eerst naar den glazenmaker te gaan en hem te
+verzoeken, de gebroken ruit door een andere te vervangen. Zoo liep dat zaakje voor Jantje nog al goed af. Maar op Klaas Zwart
+was hij meer dan boos, want hij vond hem een valschen jongen en een laffen klikspaan.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e762" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Zesde Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>Jantje wordt jarig en krijgt mooie cadeaux.</p>
+</div>
+<p>Jantje zou voor den achtsten keer jarig worden. Zijn vader had hem beloofd, dat hij den volgenden morgen een prachtig cadeau
+van hem zou krijgen, maar van die belofte had hij later erg veel spijt, want Jantje wilde met alle geweld weten, welk cadeau
+dat was, en hij hield niet op met zeuren.
+
+</p>
+<p>Zijn Vader wilde het echter niet zeggen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Morgenochtend zul-je het wel zien,&#8221; zei Dik.
+
+</p>
+<p>&#8220;Is het mooi?&#8221; vroeg Jantje.
+
+</p>
+<p>&#8220;Erg mooi,&#8221; was het antwoord.
+
+</p>
+<p>&#8220;Erg prachtig mooi?&#8221; hield Jantje vol, wiens oogen schitterden van nieuwsgierigheid.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; lachte zijn Vader, &#8220;erg prachtig mooi. Z&oacute;&oacute; mooi, z&oacute;&oacute; mooi, dat er niets mooiers op de wereld te bedenken is.&#8221;
+<a id="d0e782"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e782">46</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Waar lijkt het op?&#8221; vroeg Jan polsend.
+
+</p>
+<p>&#8220;Op onzen hit,&#8221; zei zijn vader.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, zeker een paardje op wieletjes?&#8221; zei Jantje met een opgetrokken neus. &#8220;D&aacute;t is niet mooi, Vader, veel te kinderachtig.
+Toe Moeder, zegt u me maar, wat het is.&#8212;Toe.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen Janneman, dat zeg ik niet,&#8221; zei zijne moe. &#8220;Morgenochtend zul je &#700;t wel zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jantje zeurde nog geruimen tijd door, maar toen hij zag, dat hij zijn doel daarmede niet bereikte, zette hij het op een schreeuwen
+op eene geweldige manier. De ondervinding had hem geleerd, dat dit een beproefd middel was.
+
+</p>
+<p>Maar dezen keer hielp het hem van den wal in de sloot, want het begon zijn vader al spoedig te vervelen. Hij pakte Jantje
+bij zijn kraag, deed het kelderluik in den winkelvloer open, en stopte Jantje doodbedaard onder den grond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zie zoo, kereltje,&#8221; zei Dik, &#8220;daar mag je schreeuwen, zoo lang en zoo hard je maar kunt. Ga je gang maar.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jantje vond het een afdoend geneesmiddel, en jammerde:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wil naar bed! Ik wil naar bed!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is nog maar half zes!&#8221; zei zijn vader.
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Doet er niet toe, &#700;k wil t&oacute;ch naar bed, dan is het veel gauwer morgenochtend!&#8221; schreeuwde Jantje.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ook al goed!&#8221; zei Dik.
+
+</p>
+<p>Vijf minuten later lag Jan onder de dekens, en een kwartier later sliep hij als eene roos.
+
+</p>
+<p>Om elf uur gingen Dik en Anneke naar bed, maar zij hadden pas den slaap te pakken, of Jantje werd wakker en dacht direct aan
+zijn cadeau.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vader!&#8221; riep hij zoo hard hij kon,&#8212;&#8220;Vader, wat krijg ik nu van u? Ik ben jarig!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een pak voor je broek, als je niet dadelijk je mond houdt,&#8221; zei Dik, die het lang niet prettig vond, dat hij <a id="d0e815"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e815">47</a>]</span>wakker gemaakt werd. &#8220;De nacht begint pas. Ga maar weer slapen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Met een zucht kneep Jantje zijne oogen weer dicht, en hij sliep ook waarlijk in, maar &#700;t duurde slechts kort. &#700;t Was nog v&oacute;&oacute;r
+twaalven, toen hij opnieuw wakker werd. Nu zou het stellig toch wel morgen wezen, dacht hij.
+
+</p>
+<p>Hij liet zich vlug van zijn bed glijden, ging naar het bed, waar zijn ouders sliepen, en trok zijn vader aan zijn neus.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hei, ho, wat is dat?&#8221; riep Dik verschrikt uit, want hij vond het een vreemde manier om gewekt te worden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vader, ik ben jarig!&#8221; riep Jantje hem toe. &#8220;Welk cadeau krijg ik nou van u?&#8221;
+
+</p>
+<p>Maar zijn vader werd terdege boos.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga naar je bed, deugniet, en als ik vannacht je geluid weer hoor, krijg je morgen niets, hoor je, heelemaal niets! Allo,
+pak je weg, naar je bed. En je geeft geen kik meer, versta-je?&#8221;
+
+</p>
+<p>Jantje maakte aanstalten om weer te gaan schreeuwen, maar Dik zei knorrig:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wou je liever in den kelder onder den winkelvloer?&#8221;
+
+</p>
+<p>Neen, dat kon Jantje in &#700;t geheel niet bekoren, en hij maakte gauw, dat hij weer in zijn bed kwam.
+
+</p>
+<p>Maar den slaap kon hij niet meer vatten; hij was dan ook veel te vroeg naar zijn bed gegaan. Hij deed niet anders dan zuchten,
+en vond, dat de nacht vreeselijk lang duurde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Er komt nooit een einde aan,&#8221; mompelde hij zacht. &#8220;Weet je wat, ik ga tot duizend tellen. Karel van Dril zegt, dat je dan
+altijd vanzelf in slaap valt. Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, ik ben toch nog wakker. Bij mij
+helpt het niet. Zeventien, achttien, negentien, twintig, wat zou het toch voor een cadeautje wezen? Ik denk van <a id="d0e839"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e839">48</a>]</span>een bromtol, zeven en tachtig, acht en tachtig, negen en tachtig, of een zak met knikkers, negen en negentig, honderd h&egrave;,
+h&egrave;, nu ben ik al aan honderd, en ik slaap nog niet. Honderd en een, honderd en twee, h&egrave;, ik wou dat ik een zak met tachtig
+knikkers kreeg, een en tachtig, twee en tachtig, drie en tachtig, h&ograve;, dat is fout, want nu ben ik nog maar aan drie en tachtig,
+en een heele poos geleden was ik al bij honderd,&#8212;dan maar van voren af: een, twee, drie, knikkers, knikkers, een, twee, bromtol,
+knikkers, zes, drie, zeven, ... twee, jarig, zes...&#8221;
+
+</p>
+<p>Jantjes oogen vielen dicht en hij sliep weer. En hij droomde, dat hij een mooien bromtol kreeg, die prachtige muziek kon maken.
+Hij nam een touwtje, wond den tol op, en trok hem af. H&agrave;, wat stond hij prachtig, en er kwam muziek uit, precies als uit het
+orgel in de kerk of het draaiorgel van Klaas Touw. En opeens nam hij een sprongetje en ging bovenop den kop van den tol zitten,
+en draaide uit alle macht in de rondte. Jongen, wat ging dat mooi, &#700;t werd hem geel en groen voor de oogen, en de tol wist
+niet van ophouden, leek het wel. Maar eindelijk begon hij toch langzamer te draaien, toen waggelde hij eenige keeren, zoodat
+Jantje zijn evenwicht bijna niet bewaren kon, en plof, daar viel de tol om, en Jantje tuimelde op den grond....
+
+</p>
+<p>Met een kreet van schrik werd hij weer wakker, en tot zijn spijt voelde hij, dat hij nog in zijn bed lag, dat zijn tol verdwenen
+was, en dat het nog al geen dag werd.
+
+</p>
+<p>Maar dat laatste kon hij toch niet gelooven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; zei hij zacht, &#8220;&#700;t is bepaald al lang dag, en &#700;t is hier alleen zoo donker, omdat de luiken dicht zijn. Vader verslaapt
+zich zeker. Weet je wat, ik zal heel stilletjes de luiken opendoen, z&oacute;&oacute; stil, dat vader en moeder het niet hooren. En als
+dan de zon naar binnen schijnt, zal ik Vader roepen, en wat zal hij dan vreemd opkijken.&#8221;
+<a id="d0e849"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e849">49</a>]</span></p>
+<p>Zoo gezegd, zoo gedaan.
+
+</p>
+<p>Jantje kroop stil zijn bed uit, liep op zijn bloote voeten naar het raam, en stootte zijn kleinen teen zoo hard tegen den
+poot van de tafel, dat de tranen hem in de oogen sprongen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Au!&#8221; riep hij binnensmonds, en zijn vader werd er half wakker van. Deze draaide zich in zijn bed om.
+
+</p>
+<p>Jantje liet zich daardoor echter niet afschrikken.
+
+</p>
+<p>Hij ging verder en kwam bij het raam. Daar zocht hij naar het luik, en duwde het open. Maar &#700;t bleef donker in de kamer; het
+was tot zijne groote spijt blijkbaar nog nacht. Hij besloot, onder het slaken van een diepen zucht, maar weer naar zijn bed
+terug te keeren, doch op den terugtocht schoof hij zijn vaders glazen aschbak van de tafel, zoodat dit voorwerp met veel lawaai
+op den grond terecht kwam, en in scherven uit elkander spatte.
+
+</p>
+<p>Jantje bleef van schrik stokstijf staan, en zijn ouders, die niet begrepen wat dit geraas midden in den nacht beteekenen moest,
+vlogen in hun bed overeind.
+
+</p>
+<p>Met een wip stond Dik op den vloer, waar hij bijna over Jantje struikelde, die het hazenpad wilde kiezen en vlak voor zijn
+vaders beenen liep. Toen begreep Dik, wat er eigenlijk aan de hand was. Hij greep op goed geluk rondom zich, om Jantje te
+pakken, en riep:
+
+</p>
+<p>&#8220;Jongen, ben je nu alw&eacute;er uit je bed?&#8221; Maar Jantje had zich zoo vlug als hij kon uit de voeten gemaakt, en lag alweer onder
+de dekens.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen Vader,&#8221; zei hij, &#8220;ik ben hier.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen moest Dik wel lachen, of hij wilde of niet.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, n&uacute; ben je weer in je bed, maar zoo pas liep je nog hier in de kamer. Ga toch slapen, en houd ons niet den heelen nacht
+wakker. Als ik je w&eacute;&eacute;r hoor, eet ik het cadeau zelf op, en dan krijg je niemendal!&#8221;
+<a id="d0e872"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e872">50</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Opeten, Vader?&#8221; vroeg Jantje verschrikt. &#8220;Kan het dan opgegeten worden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O ja,&#8221; zei Dik, terwijl hij weer in zijn bed stapte, &#8220;&#700;t Smaakt wat lekker, en als ik je weer hoor, krijg je er niets van.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;En &#700;t lijkt op een hit?&#8221; zei Jan spijtig. &#8220;Dat heeft u zelf gezegd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu jongen, een hit kun-je toch ook opeten!&#8221; riep Dik terug. &#8220;Maar ga nu slapen, en laat je geluid niet meer hooren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jantje zweeg. Hij was verdrietig, omdat hij geen mooien tol kreeg, of een zak met knikkers.
+
+</p>
+<p>&#8220;Iets lekkers, bah, wat heb-je daar nu aan?&#8221; dacht hij.
+
+</p>
+<p>De koele nachtlucht had hem huiverig gemaakt, en de warmte van het bed deed hem behaaglijk aan. Hij stopte zich lekker toe,
+en sliep werkelijk na een poosje weer in. Maar om vier uur werd hij weer wakker.
+
+</p>
+<p>Hij stak zijn hoofd buiten de gordijnen, om te kijken of het licht al door de half openstaande luiken drong, en hij zag, dat
+het nog altijd nacht was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Moe,&#8212;Moeder!&#8221; riep hij zacht.
+
+</p>
+<p>Maar er volgde geen antwoord.
+
+</p>
+<p>&#8220;Moeder!&#8212;Moeder!&#8221; klonk het wat harder.
+
+</p>
+<p>Moeder sliep door.
+
+</p>
+<p>&#8220;Moeder!&#8212;Moeder!&#8212;Is het n&oacute;g nacht,&#8221; riep Jantje met luider stem.
+
+</p>
+<p>Zijne ouders werden er wakker van, en Dik maakte zich boos.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar heb je dien drommelschen jongen alweer!&#8221; riep hij uit. &#8220;Wat wil je toch?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De nacht duurt zoo lang!&#8221; huilde Jantje. &#8220;Wil u de luiken vast openzetten? &#700;t Is al lang dag, geloof ik. De klok gaat achter.&#8221;
+
+<a id="d0e905"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e905">51</a>]</span></p>
+<p>&#8220;En de zon zeker ook,&#8221; zei Dik. &#8220;Ga lekker slapen, jongen, dan is het morgen v&oacute;&oacute;r je het weet. Wel te rusten, Jan, en je mond
+houden, hoor.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel te rusten,&#8221; zei Jantje met een snik en een zucht.
+
+</p>
+<p>Nu kon hij echter den slaap in &#700;t geheel niet meer vatten, en hij verveelde zich schrikkelijk. Wel tienmaal begon hij tot
+duizend te tellen, maar telkens raakte hij in de war, en eindelijk gaf hij het op. Hij ging voor tijdverdrijf spelletjes doen.
+Eerst stak hij zijn voeten zoo hoog mogelijk in de lucht, met de dekens er overheen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu is het een hooge berg,&#8221; dacht hij. &#8220;Wacht ik zal er een man boven op zetten, dan kan hij ver zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij liet zijn voeten zakken, en legde zijn kussen er op. Toen stak hij het heele gevalletje voorzichtig in de hoogte, maar
+de man viel telkens van den hoogen berg af, en kwam hem eenmaal precies op zijn hoofd te liggen.
+
+</p>
+<p>Eens bleef de man boven op den berg, en toen liet Jan den berg instorten, zoodat de man geheel bedolven werd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu is hij morsdood,&#8221; zei Jan. &#8220;Wacht, ik zal stil een stoel in mijn bed halen. Dat is veel leuker.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij kroop voorzichtig uit zijn bed, greep een stoel, en klom er weer heel zacht in. Zijn ouders hadden er niets van gemerkt.
+Hij legde den stoel voorover, en ging er op zitten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Huup hit,&#8221; zei hij. &#8220;Nu draven, zoo hard je kunt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij hobbelde met den stoel op en neer, en hij verbeeldde zich, dat hij op den hit van zijn Vader zat, en dat hij aan het harddraven
+was.
+
+</p>
+<p>Soms gaf hij hem van achteren met zijn vlakke hand een harden klap op de sporten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Au,&#8221; zei Jantje, want het deed hem pijn, en hij likte zijne hand af, omdat de pijn daardoor gauwer beter werd.
+
+</p>
+<p>Toen zette de hit het op een loopen.
+<a id="d0e932"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e932">52</a>]</span></p>
+<p>Met twee handen had Jantje de leuning te pakken, en hij hobbelde op en neer. In zijne gedachten reed hij in vliegenden galop
+langs den weg, en telkens gaf hij zijn harddraver een klap op de sporten. De hit vloog hoe langer hoe harder, maar opeens
+begon hij te steigeren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha,&#8221; mompelde Jantje, &#8220;hij krijgt weer eene koppige bui! Wacht, ik zal hem leeren!&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij sloeg met beide handen op de houten ribben van zijn harddraver, greep daarna de leuning, en trok den stoel daaraan in
+de hoogte.
+
+</p>
+<p>O, o, wat steigerde dat beest woest!
+
+</p>
+<p>&#8220;Huupla,&#8221; schreeuwde Jantje opeens, want hij verkeerde in hevige geestvervoering. Zijn vader draaide zich onrustig om in zijn
+bed. Hij werd er half wakker van.
+
+</p>
+<p>Jantje trok de leuning nog meer in de hoogte. De hit stond toen als het ware loodrecht op zijn achterste pooten, en Jantje
+verbeeldde zich, dat hij hem kwaadaardig hoorde brieschen. De hit nam een geweldigen sprong, en bommerdebom, daar viel Jantje
+met hit en al uit zijn bed op den grond. Dat gaf een lawaai!
+
+</p>
+<p>&#8220;Heeremenschen!&#8221; gilde Anneke, die verschrikt opvloog. &#8220;Daar valt het huis in! Dik, Dik, het huis valt in. Jantje ligt er
+onder. Hoor me dat kind eens gillen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Dik was ook verschrikt, en hij haastte zich op te staan. Vlug schraapte hij een lucifer aan en stak de lamp op. En wat zag
+hij?
+
+</p>
+<p>Jantje lag op den vloer met een stoel half over zich heen, en daarop lag het kussen, dat den hit in zijn val gevolgd was.
+
+
+</p>
+<p>En Jantje schreeuwde moord en brand, zoowel van schrik als van angst, want hij was erg bang, dat zijn vader hem nu wel voor
+zijn broek zou geven. Hij twijfelde daar zelfs niet aan.
+<a id="d0e953"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e953">53</a>]</span></p>
+<p>Maar Dik kon onmogelijk boos blijven op zijn zoontje, en hij moest er braaf om lachen, toen hij hem daar zag liggen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat voer je toch uit, jongen?&#8221; vroeg hij. &#8220;Je doet niet anders dan spoken, en houdt ons den heelen nacht wakker.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O Vader,&#8221; schreeuwde Jantje, want hij vreesde altoos nog een beetje, dat zijn Vader hem straffen zou, &#8220;ik was aan &#700;t paardje-rijden
+op onzen hit, en toen steigerde hij zoo,&#8212;o, o, o, en toen vielen we alle twee het bed uit.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen moest Dik nog meer lachen, en Anneke lachte van den weeromstuit me&ecirc;. Dik pakte zijn zoontje op, en legde hem in bed.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Zie zoo, nu ga je maar weer slapen, hoor. Ik zal je wel roepen, als het dag wordt. Wel te rusten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel te rusten,&#8221; zei Jantje. &#8220;Maar dit weet ik wel, dat een nacht v&eacute;&eacute;l en v&eacute;&eacute;l langer duurt, dan een dag.&#8221;
+
+</p>
+<p>Een half uurtje later werd Dik alweer wakker gemaakt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vader!&#8212;Vader!&#8221; hoorde hij roepen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jongen, wat verveel je me vannacht,&#8221; was zijn antwoord. &#8220;Wat is er nu weer?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vader, komt de zon vast elken morgen weer op?&#8221; vroeg Jantje met iets twijfelmoedigs in zijne stem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel ja, Jan, vast en zeker, hoor! Als je maar geduld hebt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar Vader, is-ie nog nooit eens weggebleven?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, nog nooit,&#8221; zei Dik met een zucht. &#8220;Kijk maar door het raam. &#700;t Wordt nu ook al wat lichter. Als je nog een uurtje
+geslapen hebt, is de nacht om, en dan ben je jarig. Over een uur zal ik je roepen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja Vader,&#8221; zei Jan, en hij begon nog maar eens tot duizend te tellen. Maar &#700;t hielp hem niets, hij kon den slaap niet meer
+vatten. Och, och, wat duurde dat uur hem lang. Hij luisterde naar het tikken van de hangklok, tot hij opeens meende, dat zij
+stilstond. Hoe hij ook luisterde, hij merkte het eentonige getik niet meer op. Toch ging de <a id="d0e982"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e982">54</a>]</span>klok nog wel, want een poosje later hoorde hij het weer.
+
+</p>
+<p>Eindelijk was het uur om, en sprong hij uit bed.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vader,&#8221; riep hij luid, &#8220;nu ben ik eindelijk dan toch echt jarig. Toe Vader, wat krijg ik nu van u?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja jongen, je hebt me van nacht schrikkelijk verveeld, maar nu ben je echt jarig, en ik feliciteer je w&egrave;l.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dik stond op en nam Jantje in zijn armen, en kuste hem op allebei zijn wangen. En toen gaf hij hem aan Anneke, die hem niet
+minder hartelijk pakte.
+
+</p>
+<p>Dik kleedde zich spoedig aan, en zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom me&ecirc;, Jan, dan krijg je je cadeau. Ik hoop maar, dat het je bevallen zal.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan beefde van blijdschap en nieuwsgierigheid.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kan ik het echt opeten?&#8221; vroeg hij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, dat was maar gekheid,&#8221; zei Dik, terwijl hij Jantje bij de hand pakte en hem meenam naar den stal. Hij opende de deur,
+en stapte met zijn zoontje binnen.
+
+</p>
+<p>En wat zag Jan daar?
+
+</p>
+<p>Hij kon zijne oogen niet gelooven, want daar, vlak naast den hit, stond een prachtige, bonte bok, met twee groote horens op
+zijn kop en een lange sik aan zijn kin.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die bok!&#8221; riep Jantje verrukt uit. &#8220;Is die bok voor mij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, die bok is voor jou,&#8221; zei Dik lachend, en hij zag met innige blijdschap, hoe gelukkig dit geschenk zijn zoontje maakte.
+
+
+</p>
+<p>Jan sprong als een kleine dolleman in &#700;t rond, en hij klapte in de handen.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, dank u, dank u!&#8221; riep hij uit. &#8220;O, o, wat een mooie bok is dat. Kijk eens, hij heeft prachtige horens!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, h&egrave;?&#8221; zei Dik.
+
+</p>
+<p>&#8220;En een sik!&#8221; ging Jan voort.
+
+</p>
+<p>&#8220;B&egrave;, b&egrave;, b&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;!&#8221; blaatte de bok.
+
+</p>
+<p>Jantje&#700;s vreugde kende geen grenzen.
+<a id="d0e1022"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1022">55</a>]</span></p>
+<p>&#8220;O, hoor eens, hij kan schreeuwen ook. O, wat eene mooie stem,&#8221; riep Jan opgetogen.
+
+</p>
+<p>In de vreugde zijns harten liep hij op den bok toe en wilde hem zijne armen om den nek slaan, maar de bok scheen daar niet
+van gediend, want hij ging op zijne achterpooten staan, stak den kop omlaag en drukte zijn groote, kromme horens zoo stevig
+tegen Jans smalle buikje, dat Jantje achterover tegen het houten beschot terecht kwam.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, dat mag hij wel doen,&#8221; zei Jantje, die in zijn bok allerminst eenige kwade eigenschap wilde ontdekken. Maar toch kroop
+hij schielijk overeind en maakte zich uit de voeten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Toe Vader, mag hij eens uit den stal komen?&#8221; vroeg hij, want d&aacute;&aacute;r kon de bok hem niet tegen een muur stooten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel zeker,&#8221; zei Dik, die het wel grappig gevonden had, toen de bok zijn zoontje zoo onvriendelijk ontving.
+
+</p>
+<p>Hij maakte den bok los en bracht hem in den tuin. Eigenlijk was de tuin alleen bleekveld. Hij was rondom door schuren omringd,
+behalve aan den achterkant, waar zich een breede sloot bevond. Jantje mocht daar soms wel eens graag hengelen.
+
+</p>
+<p>Toen de bok den stal verlaten had en rondom zich het welige gras ontdekte, begon hij dadelijk te grazen. Jantje ging bij hem
+staan, en streelde hem met zijne hand langs den nek.
+
+</p>
+<p>Hij was m&eacute;&eacute;r dan blij met zijn verjaargeschenk; hij had wel kunnen gieren van blijdschap. De bok liet hem stilletjes begaan,
+ook toen Jan hem zijn arm om den hals sloeg.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is hij mak, Vader,&#8221; zei hij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, daar heb ik hem ook op gekocht,&#8221; zei Dik. &#8220;&#700;t Moet een mak beest zijn, en een flink looper.&#8221;
+<a id="d0e1043"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1043">56</a>]</span></p>
+<p>&#8220;H&egrave; ja, nu moest ik ook nog een wagen hebben,&#8221; zei Jantje begeerig. &#8220;Wat zou ik rijden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Vol teederheid liet hij zijn beide handen langs het lichaam van zijn bok glijden, en hij streelde het korte staartje. De bok
+scheen het in &#700;t geheel niet onpleizierig te vinden, en deed niet anders dan eten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zou ik er zoo ook op kunnen rijden?&#8221; vroeg Jantje.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel ja, ik denk het wel,&#8221; zei Dik. &#8220;Hij is sterk genoeg, en zal niet in twee&euml;n breken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat vond Jantje heerlijk, en met een wip sprong hij op den bok. Maar deze vond het allesbehalve prettig. Hij sprong met zijn
+achterpooten in de hoogte, om Jantje van zijn rug af te gooien, en toen dat niet hielp, sprong hij met de voorpooten omhoog.
+
+
+</p>
+<p>Vader Dik schaterde het uit van de pret.
+
+</p>
+<p>&#8220;Houd je goed, Jantje&#8221;, riep hij zijn zoontje toe. &#8220;Laat je niet van de vliegen steken!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Be, b&egrave;, b&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;!&#8221; schreeuwde de bok nijdig. Het beest was meer dan kwaad. Opeens nam hij een grooten sprong, zoodat Jantje
+toch haast van zijn rug afviel, en zette het op een loopen. Met echte bokkesprongen holde hij het bleekveld over. &#700;t Ging
+vliegensvlug, en Jantje vond &#700;t razend prettig. Zijn Vader ook. Die moest er onbedaarlijk om lachen.
+
+</p>
+<p>De bok was echter op een hem onbekend terrein, en daar hij te kwaad was om goed uit zijn oogen te kijken, sprong hij opeens
+pardoes in de sloot. Dat gaf een plons van belang, en voor een oogenblik waren &egrave;n bok &egrave;n berijder onder &#700;t water verdwenen.
+
+
+</p>
+<p>Toen lachte Dik niet meer. Integendeel, een hevige schrik maakte zich van hem meester, en hij ijlde naar den slootkant. Maar
+daar zag hij niets.
+
+</p>
+<p>Ja toch, er verscheen een hoofd boven water....
+<a id="d0e1066"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1066">57</a>]</span></p>
+<p>Helaas, &#700;t was de kop van den bok. &#700;t Kroos zat hem aan de groote kromme horens.
+
+</p>
+<p>&#8220;B-&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;! B-&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;!&#8221; blaatte hij angstig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jantje! Jantje!&#8221; schreeuwde Dik.
+
+</p>
+<p>Daar verscheen ook Jantje&#700;s hoofd boven de oppervlakte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vader, ... help, ... ik ... hik, hik, ... ik, hik verdrink!&#8221;
+
+</p>
+<p>Dik bukte zich en greep Jantje bij de haren.
+
+</p>
+<p>&#8220;B-&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;! B-&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;!&#8221; schreeuwde de bok.
+
+</p>
+<p>Dik trok zijn zoontje op den wal. Daar stond het kereltje, druipend van het water.
+
+</p>
+<p>&#8220;O Vader, m&#700;n bok! M&#700;n bok!&#8221; jammerde Jantje.
+
+</p>
+<p>Dik boog zich nogmaals, en greep met beide handen de horens van den bok. &#700;t Kostte hem echter vrij wat moeite om het beest
+op den wal te krijgen, doch het gelukte hem toch.
+
+</p>
+<p>Jantje werd naar binnen gestuurd, om droge kleeren aan te trekken, en de bok moest in den stal.
+
+</p>
+<p>Moeder Anneke was ook niet weinig geschrokken, want zij had het angstgeschreeuw duidelijk gehoord. Zij stond op,&#8212;want dat
+alles gebeurde zeer vroeg in den morgen&#8212;en hielp Jantje aan droge kleeren.
+
+</p>
+<p>De kleine vent stond te bibberen van de ko&ucirc;, maar hij was toch erg blij met zijn bok.
+
+</p>
+<p>&#8220;B-b-b-b-b&#8212;wat een b-b-b-b&#8212;mooie b-b bok, Moeder,&#8221; zei hij opgetogen, terwijl de rillingen hem langs zijn mageren rug gingen.
+En zijn spillebeentjes trilden zoo erg, dat Jantje er haast niet op staan kon.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat was me daar &#700;n mooie geschiedenis!&#8221; zei Dik binnenstappende. &#8220;Jantje ging op den bok zitten, en daar sprong me dat beest
+pardoes in de sloot. &#700;t Was een bespottelijk gezicht.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Leeft hij b-b-b-b-b-nog, Vader?&#8221; vroeg Jantje.
+<a id="d0e1099"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1099">58</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Of hij!&#8221; zei Dik.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zou hij b-b-b-b&#8212;niet dood&#8212;b-b-b-b gaan?&#8221; vroeg Jantje, niet zonder eenigen angst, dat het koude bad zijn mooien bok kwaad
+kon hebben gedaan. En hij vervolgde:
+
+</p>
+<p>&#8220;H&egrave; b-b-b-b, dat hemd is b-b-b-b-lekker warm, Moeder. Brrr, wat ben ik koud.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat wil ik wel gelooven,&#8221; zei Dik, &#8220;Je gaat ook direct weer naar je bed, om goed warm te worden, door en door warm.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Jantje had daar wel niet veel ooren naar, maar het gebeurde toch. Enkele minuten later lag hij weer diep onder de wol. Daar
+werd hij al spoedig lekker warm, want zijn moeder had er nog een paar dekens extra bijgedaan.
+
+</p>
+<p>Lang hield Jantje het er echter niet uit. Een half uur later kreeg hij zijn Zondagsche pak aan en stapte hij naar buiten,
+om weer naar zijn bok te gaan kijken. Deze stond heel rustig bij den hit gemaaid gras te eten, en hij keek Jantje aan of hij
+zeggen wou:
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat was een rare geschiedenis, h&egrave; Jan?&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan kon zijn bok niet genoeg aankijken, zoo mooi vond hij hem.
+
+</p>
+<p>&#8220;He,&#8221; dacht hij, &#8220;als ik nu een wagentje had en een tuig, dan was ik heelemaal klaar. Wat zou ik dan heerlijk rijden. Had
+ik vast maar een wagentje, dan zou ik zelf wel een tuig maken. Karel van Dril zal er me wel aan helpen.&#8212;Wacht, daar hoor ik
+Grootvader in zijn tuintje. Ik ga gauw naar hem toe, om het te vertellen, dat ik zoo&#700;n mooien bok heb gekregen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Vlug begaf hij zich naar de woning van zijne grootouders. Zijn Grootmoeder kwam hem al tegemoet, en f&eacute;liciteerde hem met zijn
+verjaardag. En ze zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga maar gauw mee naar Grootvader in den tuin.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En o, Grootmo&ecirc;,&#8221; zei Jan, &#8220;ik heb zoo&#700;n prachtigen <a id="d0e1124"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1124">59</a>]</span>bok gekregen van Vader en Moeder, toch z&ograve;&ograve; mooi, o zoo mooi!&#8221;
+
+</p>
+<p>Grootmoeder sloeg van verbazing de handen in elkaar.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een bok?&#8221; riep zij opgetogen uit. &#8220;Een echte, levende bok?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja, een echte levende bok, en we hebben samen al in de sloot gelegen ook. Ik zat boven op zijn rug, en toen vloog hij
+van kwaadheid de sloot in. Vind u het niet heerlijk, Grootmoe?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat je in de sloot gelegen hebt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, dat ik een bok heb,&#8221; lachte Jantje. Samen gingen ze den tuin in, naar Grootvader.
+
+</p>
+<p>Deze kwam hem vroolijk lachend tegemoet.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dag Jan, w&egrave;l gef&eacute;liciteerd met je verjaardag.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dank u, Grootvader!&#8221; schreeuwde Jantje, die wel wist, dat Grootvader hem anders niet verstond. &#8220;Ik heb een bok gekregen!
+O, zoo mooi. Gaat u mee kijken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat moet jij met eene klok doen, kind?&#8221; vroeg Grootvader, die zich hield, of hij hem niet verstaan had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, neen, geen klok, maar een bok!&#8221; schreeuwde Jantje.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een bok? Wat heb je aan een bok, als je geen wagentje hebt?&#8221; ging Grootvader plagend voort. &#8220;Ik zou hem maar aan den slager
+verkoopen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Jantje keek zijn Grootvader diep verontwaardigd aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat nooit!&#8212;Nooit, hoor Grootvader!&#8221; riep hij uit.
+
+</p>
+<p>Grootvader scheen hem echter niet te hooren. Hij stond in gedachten verdiept, en streek met zijn wijsvinger peinzend langs
+zijn neus. Eindelijk zei hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wacht eens, Jan. Ik geloof, dat ik nog wat ouden rommel heb, waar misschien wel een wagentje van gemaakt kan worden. Ga maar
+eens mee naar &#700;t schuurtje.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zou mooi wezen, Grootvader,&#8221; zei Jantje blij.
+
+</p>
+<p>De schuur werd geopend, en daar stond me zoo waar <a id="d0e1160"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1160">60</a>]</span>een prachtige bokkewagen kant en klaar. Grootvader had hem zelf getimmerd, heel stilletjes, zoodat Jantje er niets van gemerkt
+had. O, o, wat lachten Grootvader en Grootmoeder ondeugend.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, hoe lijkt je dat, Jan? Vind je dat wagentje mooi?&#8221;
+
+</p>
+<p>Jantje werd beurtelings bleek en rood, want hij begreep wel, dat het wagentje voor hem was, en toch durfde hij het haast niet
+te gelooven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Of ik het mooi vind?&#8221; stamelde hij met bevende lippen, &#8220;&#700;t Is prachtig mooi, Grootvader, prachtig, prachtig mooi!&#8221;
+
+</p>
+<p>En meteen vloog hij Grootvader om den hals en kuste hem, dat het klapte, en toen kreeg Grootmoeder eene beurt. Zij bezweek
+er bijna onder.
+
+</p>
+<p>Jantjes vreugde kende geen grenzen. Hij nam het lemoen op, en trok het wagentje naar zijn huis, waar Vader en Moeder het dadelijk
+moesten zien.
+
+</p>
+<p>&#8220;Had ik nu nog maar een tuig,&#8221; zei Jantje, &#8220;dan was ik heelemaal klaar. Ha, wat zou ik rijden!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In de hangkast liggen nog wel een paar oude riemen,&#8221; zei z&#700;n moeder. &#8220;Daar is misschien, als Grootvader of Vader je helpen
+wil, nog wel een goed tuigje van te maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Oude riemen?&#8221; zei Jantje, &#8220;hebben wij nog oude riemen? Die zouden mij goed te pas komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij deed de deur open. Zijne ouders stonden lachend naar hem te kijken.
+
+</p>
+<p>In plaats van een paar oude riemen zag Jantje tot zijne groote verrassing een prachtig bokketuig hangen, als een geschenk
+van zijne moeder.
+
+</p>
+<p>Hij slaakte een kreet van vreugde, nam het tuig uit de kast, en begon als een dolle door de kamer te springen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Rinkinkeleking! Ringeling! Rinkinkeling-king!&#8221; klonk het. Dat kwam van de bellen, die met twee mooie pluimen op het tuig
+bevestigd waren.
+<a id="d0e1186"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1186">61</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Hoor eens! Hoor eens!&#8221; riep Jantje verrukt. &#8220;O, o wat mooi. O, ik weet zelf niet, hoe mooi het is. Nu den bok inspannen,
+Vader! Laten we hem dadelijk inspannen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat gebeurde. De bok werd uit den stal gehaald en voor den wagen gezet. De tuigen werden hem omgehangen, en Jantje stapte
+in.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar is mijn zweep?&#8221; vroeg hij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hier,&#8221; zei Dik. &#8220;Maar &eacute;&eacute;n ding mag je nooit vergeten: sla den bok niet, als het niet noodig is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Slaan, Vader?&#8221; vroeg Jantje. &#8220;O neen, mijn bok sla ik niet. De zweep is alleen maar voor &#700;t mooi. Huup bok! Allo!&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar ging de bok, tot groote vreugde van Jantje, die in het wagentje zat als een kleine prins. Zijn ouders en grootouders
+keken hem lachend na, want zij vonden het bijna even prettig als Jantje zelf.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als hij maar niet in de sloot rijdt!&#8221; zei zijne moeder, die wel een beetje bezorgd was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat hem maar begaan,&#8221; zei Dik met vadertrots. &#8220;Hij is mans genoeg, de kleine baas. Wat is &#700;t een mooi stelletje, h&egrave;?&#8221;
+
+</p>
+<p>En grootvader zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wil ik je eens wat zeggen, Dik? Jantje is ook een bizonder kind,&#8212;en dat is-ie.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou,&#8221; lachte Dik.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e1209" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Zevende Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>Hoe Jantje uit rijden ging, en bij slot van rekening een dwaze vertooning maakte.</p>
+</div>
+<p>Wat reed Jantje heerlijk. Zijn bok stapte parmantig over den weg, met den kop fier opgeheven, en Jantje hield de <a id="d0e1217"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1217">62</a>]</span>leidsels in de eene en de zweep in de andere hand. De pluimen op den rug van den bok wuifden sierlijk heen en weer, en de
+bellen rinkelden zoo mooi, dat het een lust was om te hooren.
+
+</p>
+<p>Eerst reed Jantje natuurlijk naar zijn vriendje Karel van Dril, en die keek zijne oogen uit naar &#700;t mooie spannetje. Hij was
+er jaloersch op, maar hij gunde het Jantje toch wel. En zijn vader, de smid Piet van Dril, kwam ook naar buiten, om het mooie
+span te bewonderen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is een prachtig stelletje, Jan!&#8221; zei hij, nadat hij Jantje gefeliciteerd had. &#8220;De bok is mooi, de wagen is mooi, het
+tuig is mooi, en het koetsiertje is ook mooi.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Alleen een beetje mager,&#8221; zei Jan Vos, de metselaar, die juist voorbij liep.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mag ik met je meerijden?&#8221; vroeg Karel. &#8220;Toe zeg, schik een eindje om, dan kom ik naast je zitten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat gebeurde, en de twee vrienden reden verder.
+
+</p>
+<p>Al spoedig hadden zij heel wat jongens om hen heen, die het allen een mooi gerij vonden. En allen vroegen om de gunst, of
+zij ook eens een eindje mochten rijden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Toe Jan, mag ik ook eens?&#8221; vroeg de een.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen zeg, laat mij dan liever,&#8221; zei een ander. Jan antwoordde niet veel, want hij wist wel, dat daar geen beginnen aan was.
+Hij kon alle jongens van het dorp toch niet bij zich in het karretje nemen.
+
+</p>
+<p>Maar de jongens werden er niet boos om. Zij begrepen zelf wel, dat het niet ging, en vonden het al prettig met den bok mee
+te loopen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Huup sik! Huup sik!&#8221; riepen de jongens. Maar de bok had zijn eigen willetje en liet zich niet voortjagen. Hij stapte met
+krachtigen tred verder, zonder zich aan het roepen van de jongens te storen.
+
+</p>
+<p>Dicht bij de school kwamen zij Klaas Zwart tegen met <a id="d0e1241"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1241">63</a>]</span>diens vriendje Frans Thor. De jongens hielden niet van hen en gingen liever niet met hen om, want &#700;t waren twee vervelende
+jongens.
+
+</p>
+<p>Zij hadden altoos ontzaglijk veel praats, konden niemand ongemoeid passeeren, wierpen winkeldeuren open, trokken onnoodig
+bij de menschen aan de schel, en plaagden, waar zij maar plagen konden. Aan Klaas Zwart had Jantje al een hekel gehad, zoolang
+hij hem kende, omdat hij een klikspaan was. Frans Thor was later op het dorp komen wonen. Hij was een verwaarloosde ruwe jongen,
+die geen moeder had en met zijn vader samen in een huisje woonde. Zijn vader was soldaat in Indi&euml; geweest, en leefde van een
+pensioentje. Hij deed zijn huishouden zelf, veegde zelf den vloer, kookte zijn eigen potje, en maakte zelf de bedden op. Om
+de opvoeding van Frans bekommerde hij zich bizonder weinig. Algemeen stond hij bekend als een pochhans, die wel heel veel
+wist te vertellen van zijn heldendaden in Indi&euml;, maar die er zooveel bij jokte, dat hij door niemand werd geloofd. En Frans
+jokte ook niet zoo&#700;n beetje. Al spoedig had hij op het dorp geen vriendje meer kunnen krijgen, en daar Klaas Zwart in hetzelfde
+geval verkeerde, liepen ze meestal samen. En ze deden gewoonlijk niet veel goeds.
+
+</p>
+<p>Zoodra zij den bok van Jan in &#700;t oog kregen, kwamen zij haastig toeloopen, elk met een stok in de hand.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel heb ik van m&#700;n leven!&#8221; riep Frans uit. &#8220;Kijk Jan Trom eens geuren! Huup Sik, allo, vooruit!&#8221;
+
+</p>
+<p>Maar de bok stoorde zich aan dat bevel niet, en bleef kalmpjes doorstappen. Hij hief den kop eventjes op, en keek Frans aan.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is het bokje w&egrave;l!&#8221; ging Frans voort. &#8220;Hij loopt niet harder dan een slak. Zeg Jan, je moet hem eens met de zweep kietelen,
+dan zal hij wel beter voortmaken.&#8221;
+<a id="d0e1253"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1253">64</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Hij loopt hard genoeg,&#8221; zei Jan. &#8220;Toe bok, vooruit!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is een oud, afgeleefd beest!&#8221; zei Klaas Zwart smalend. &#8220;Hij heeft de rumathiek in zijn pooten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Als jij maar niet de rumathiek hebt,&#8221; gaf Jan beleedigd ten antwoord. &#8220;Hij kan harder loopen dan jij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha, ha!&#8221; lachte Klaas. &#8220;Zoo&#700;n stijve huut. Je moet hem smeren met machine-olie; zijne botten zijn wat stijf.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met stok-olie!&#8221; zei Frans Thor grinnekend, terwijl hij den bok een klap met zijn stok op den rug gaf.
+
+</p>
+<p>De bok ging op zijn achterpooten staan.
+
+</p>
+<p>Jan werd wit van kwaadheid, en Karel van Dril zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wil jij met dien stok wel eens van hem afblijven, of ik zal je met datzelfde houtje je portie geven.&#8221;
+
+</p>
+<p>Die bedreiging hielp voor een poosje. Maar nu gingen Frans en Klaas van achteren tegen het karretje duwen, zoodat de bok gedwongen
+werd op een draf te loopen. De andere jongens hielden zich een beetje op een afstand, want ze waren bang voor de twee plaaggeesten,
+vooral voor Frans Thor, die een paar jaar ouder was.
+
+</p>
+<p>Jan hief zijn zweep op, en wilde de jongens dwingen de kar los te laten. Maar Frans greep de zweep onverwachts aan, en rukte
+haar Jan uit de handen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat denk jij wel, magere sprinkhaan,&#8221; zei hij sarrend. &#8220;Denk je soms, dat ik bang voor je ben? Voor geen tien zulke kereltjes
+als jij. Ho, bok, ho!&#8221;
+
+</p>
+<p>De bok liep echter door, en daarom hielden Frans en Klaas de kar zoo hard zij konden tegen.
+
+</p>
+<p>Jan keerde zich driftig om.
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat je de kar los!&#8221; riep hij hun toe. &#8220;Laat los, zeg ik je, of ik sla er op!&#8221;
+
+</p>
+<p>De twee plaaggeesten lachten hem smakelijk uit. Karel van Dril was zijn drift ook niet langer meester, en wilde van de kar
+stappen. Maar Jan hield hem tegen.
+<a id="d0e1284"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1284">65</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Hier,&#8221; zei hij, &#8220;houd jij de leidsels even vast.&#8221;
+
+</p>
+<p>Vlug sprong hij uit de kar, en nog voor Frans er op verdacht was, vloog Jan op hem aan. Deze zag wit van kwaadheid. Met eene
+vlugge beweging rukte hij hem de zweep uit de hand, en in &#700;t volgende oogenblik had Frans een geduchten striem dwars over
+zijn gelaat te pakken.
+
+</p>
+<p>Klaas Zwart zag, dat het ernst werd en maakte, dat hij op een eerbiedigen afstand kwam, want hij was laf van aard. Maar Frans
+niet. Deze was de grootste en sterkste, en de zweepslag had hem vreeselijk nijdig gemaakt. Hij kon een kreet van pijn niet
+onderdrukken, en de tranen sprongen hem in de oogen. Woest viel hij op Jan aan, die de zweep alweer opgeheven had, om hem
+een tweeden striem te geven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat de kar los, zeg ik je!&#8221; riep hij Frans toe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal ik,&#8221; antwoordde Frans, en hij greep Jan met beide handen aan. Jan liet zijne zweep op den grond vallen, om zich beter
+te kunnen verweren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Geef hem zijn portie, Frans!&#8221; schreeuwde Klaas Zwart uit de verte. &#8220;Als je &#700;t alleen niet afkunt, zal ik je wel komen helpen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar moest je &#700;t hart eens toe hebben,&#8221; riep Karel van Dril terug. &#8220;Dan krijg je &#700;t met mij te doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De twee jongens waren geducht met elkaar aan &#700;t worstelen, en iedereen dacht, dat Frans het gemakkelijk winnen kon, omdat
+hij zooveel ouder en sterker was, maar Jantje was de vlugste. Hij wist al spoedig tusschen Frans&#700; armen door te glippen, liet
+zich vliegensvlug op zijne knie&euml;n vallen, greep Frans bij de beenen, en liet hem in een ommezien een buiteling maken. Daar
+lag Frans lang-uit op den grond, tot groot vermaak van de jongens, die hem zijne smadelijke nederlaag van harte gunden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha, ha, daar ligt de praatsmaker!&#8221; riepen ze juichend. &#8220;Waar blijf je nu met je praats?&#8221;
+<a id="d0e1303"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1303">66</a>]</span></p>
+<p>Jan nam den stok van Frans en gaf hem een geducht pak slaag, veel te hard naar den zin van Frans, die schielijk overeind kroop,
+en beenen maakte.
+
+</p>
+<p>Wat werd hij uitgelachen! En wat hadden de andere jongens een pret.
+
+</p>
+<p>Maar Klaas Zwart en Frans Thor lachten niet, en Frans was niet van plan den strijd op te geven.
+
+</p>
+<p>Jan stapte weltevreden over de behaalde overwinning weer in zijn karretje, nam de leidsels van Karel over, en zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Huup bok! Vooruit maar weer.&#8212;Dat viel Frans Thor niet me&ecirc;, h&egrave; Karel? Wat heeft hij gehad!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat buitelde hij lekker over den grond,&#8221; grinnikte Karel vroolijk. &#8220;Zij zullen wel niet spoedig terugkeeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat had hij echter mis.
+
+</p>
+<p>Frans en Klaas stonden eerst van uit de verte een poosje te schelden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Magere sprinkhaan!&#8221; schreeuwde Frans.
+
+</p>
+<p>&#8220;Panlat!&#8221; smaalde Klaas.
+
+</p>
+<p>Maar langzamerhand kwamen zij naderbij. Zij liepen al scheldend een eindje voor den bok uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij is zoo oud als je grootvader!&#8221; schreeuwde Klaas.
+
+</p>
+<p>&#8220;Verkoop hem aan den slager!&#8221; zei Frans. &#8220;Die kan misschien nog worst van hem hakken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niets terugroepen, Jan,&#8221; raadde Karel aan. &#8220;Dan hebben zij er het minste pleizier van.&#8221;
+
+</p>
+<p>De afstand tusschen den bok en de twee scheldende jongens werd voortdurend kleiner. De bok stapte flink, de pluimen op zijn
+rug wapperden prachtig, en de bellen rinkelden helder en luid. Jantje genoot m&eacute;&eacute;r, dan hij zeggen kon. &#700;t Verveelde hem echter
+geducht, dat die twee akelige jongens vlak voor zijn bok bleven loopen. Dat vergalde zijn genoegen. En zij hielden niet op,
+den gek met zijn bok te steken, wat hem erg griefde.
+<a id="d0e1334"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1334">67</a>]</span></p>
+<p>Klaas Zwart ging eindelijk vlak voor den bok loopen. Dan liep hij erg kreupel en met kromme beenen, en riep voortdurend:
+
+</p>
+<p>&#8220;B&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;! B&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;!&#8221;
+
+</p>
+<p>De bok lichtte zijn kop op en keek den jongen nijdig aan. &#700;t Scheen wel, of hij begreep, dat die jongen hem voor den gek hield.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;B&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;! B&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;! schreeuwde Klaas plagend. &#8220;O, wat heb ik &#700;n rumathiek in mijn pooten. B&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;!&#8221;
+
+</p>
+<p>De bok schudde den kop, en riep ook:
+
+</p>
+<p>&#8220;B&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;! B&egrave;-&egrave;-&egrave;-&egrave;!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zie je wel, hij is het met mij eens!&#8221; grinnikte Klaas, die met kromme beenen en in een gebogen houding voor den bok uitliep.
+
+
+</p>
+<p>Plotseling schoot de bok op een drafje vooruit, wat zoo overwachts gebeurde, dat Jan en Karel bijna achterover uit de kar
+sloegen. Daarop sprong de bok op zijn achterpooten overeind, en gaf Klaas zoo&#700;n geduchten stomp in zijn rug, dat deze voorover
+op den weg tuimelde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Au, au, au, o, wat is dat!&#8221; schreeuwde Klaas.
+
+</p>
+<p>&#8220;Bom!&#8221; daar drukte de bok hem nog eens met kracht zijne horens in den rug.
+
+</p>
+<p>&#8220;Au, au, o, o, au!&#8221; jammerde Klaas.
+
+</p>
+<p>Op handen en voeten poogde hij zich te redden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Bom!&#8221;
+
+</p>
+<p>De bok drukte hem nogmaals plat op den grond.
+
+</p>
+<p>Klaas zag doodsbleek van den schrik. Hij spartelde met armen en beenen, en schreeuwde moord en brand.
+
+</p>
+<p>Jan en Karel vielen haast uit de kar van het lachen, &#700;t Was dan ook een bespottelijk gezicht.
+
+</p>
+<p>Klaas wist geen raad van angst en pijn.
+
+</p>
+<p>&#8220;Help!&#8221; riep hij. &#8220;Frans, help,&#8212;help! Hij maakt me dood!&#8221;
+<a id="d0e1371"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1371">68</a>]</span></p>
+<p>Hulp was echter niet meer noodig, want de bok hield uit eigen beweging met zijn afstraffing op. Hij dacht zeker, dat Klaas
+het er z&oacute;&oacute; wel me&ecirc; doen kon. Zonder zich aan de leidsels te storen, keerde hij om, en stapte bedaard verder in de richting
+van Jan&#700;s huis. Dat was maar goed ook, want het werd tijd, dat Jantje naar huis ging om te ontbijten. &#700;t Was al over achten,
+en om negen uur begon de school.
+
+</p>
+<p>Jan en Karel schoten telkens nog in een lach, als zij aan het malle figuur van Klaas dachten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij zal nu wel ondervonden hebben, dat de bok niet rumathiekerig is, en dat hij nog kracht in zijne horens heeft,&#8221; meende
+Jantje, en dat was Karel volkomen met hem eens.
+
+</p>
+<p>En wat Vader Dik lachen moest, toen hij het hoorde.
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is bepaald een verstandige bok,&#8221; zei hij tegen Jan. &#8220;Hij begreep wel, dat die jongen hem voor den gek hield. Maar voortaan
+zal Klaas Zwart hem wel uit de voeten blijven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat denk ik ook,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>Den geheelen dag op school moest hij, of hij wilde of niet, aan zijn mooien bok denken, en aan het leuke karretje, dat zijn
+grootvader voor hem getimmerd had, en aan het prachtige tuig met de pluimen en de rinkelbellen, en de meester had een onoplettenden
+leerling aan hem, wat hij niet van hem gewoon was. &#700;t Scheelde dan ook maar een beetje, of hij had zoowel &#700;s morgens als &#700;s
+middags school moeten blijven. Bij &#700;t rekenen maakte hij meer dan de helft van de sommen fout, en bij &#700;t lezen wist hij niet,
+waar hij beginnen moest.
+
+</p>
+<p>De meester werd eindelijk knorrig op hem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jij moest beter opletten, Jantje, anders worden wij kwade vrienden.&#8221;
+<a id="d0e1390"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1390">69</a>]</span></p>
+<p>Jan zat toevallig naast Klaas Zwart, en hij kon den jongen, niet aankijken, zonder te lachen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Heb je nog pijn in je rug?&#8221; vroeg hij fluisterend.
+
+</p>
+<p>Klaas keek hem aan als een nijdige spin.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zou het misschien rumathiek kunnen wezen?&#8221; plaagde Jantje.
+
+</p>
+<p>&#8220;Magere sprinkhaan! Panlat!&#8221; siste Klaas tusschen de tanden, en telkens voelde hij aan z&#700;n rug, die geducht pijn deed.
+
+</p>
+<p>&#8220;Stilte daar!&#8221; gebood de meester. &#8220;Ik geloof, dat er een paar jongens zijn, die graag willen nablijven.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zoover kwam het echter niet, en om vier uur mocht Jantje naar huis. Karel holde met hem me&ecirc;, dat spreekt van zelf. Kwart over
+vieren stond de bok alweer voor de kar. De beide vrienden namen plaats, en daar ging het heen. De bok stapte weer even deftig
+als &#700;s morgens, en hij keek eigenwijs om zich heen, de bellen rinkelden en de pluimen wapperden. De jongens vonden het prachtig,
+en zij reden het heele dorp door. &#700;t Bleek een prettig dier te zijn. Als de jongens even uit de kar stapten, om naar een vink
+te zoeken, die zij hoorden fluiten in het riet aan den kant van het kanaal, bleef hij geduldig wachten. Alleen ging hij een
+weinigje zijwaarts, om op den berm wat gras te eten.
+
+</p>
+<p>Een eindje voorbij de Roomsche kerk, die aan het einde van het dorp stond, was de timmerwinkel van baas Meijer, bij wien Jans
+grootvader vroeger gewerkt had. Naast den winkel stond een kleine houtzaagmolen, want Meijer zaagde zijn hout zooveel mogelijk
+zelf. Er lag dan ook altoos v&oacute;&oacute;r dien molen in het kanaal een vlot balken in voorraad, en op die balken gingen de jongens
+dikwijls spelen. Menigeen had daar al een paar natte voeten gehaald, en sommigen zelfs een nat pak. Want die balken waren
+maar <a id="d0e1407"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1407">70</a>]</span>losjes aan elkander verbonden, en het gebeurde dikwijls, dat zij omkantelden, als de jongens er over liepen. Er behoorde dan
+ook heel wat behendigheid toe, om geheel droog te blijven, als zij er op speelden.
+
+</p>
+<p>Toen de jongens de houtzagerij bereikt hadden, zei Karel:
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg Jan, willen we eventjes balkje-loopen? Dat is zoo lekker.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar had Jantje wel zin in.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zou de bok blijven staan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel ja,&#8212;de bok loopt niet weg. En al was dat zoo, dan kunnen we hem toch gemakkelijk genoeg inhalen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is zoo,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>De jongens stapten uit de kar. Jan keerde den bok om en bracht hem op een plaatsje, waar veel gras en klaver groeide.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar staat hij heerlijk!&#8221; zei hij.
+
+</p>
+<p>Toen gingen de jongens op het vlot, en wipten van den eenen balk op den anderen. Soms stonden zij met de armen om elkaars
+hals geslagen op het einde van een balk, die dan door hun zwaarte langzaam onder water zonk. Maar v&oacute;&oacute;rdat het water hun voeten
+bereikte, sprongen zij vlug naar het hooger gelegen deel van den balk.
+
+</p>
+<p>En dan lachten zij luidkeels van de pret.
+
+</p>
+<p>Dat deden zij ook, als een van de balken onder hunne voeten omkantelde, want dan moesten zij zich door vlugge sprongen redden.
+
+
+</p>
+<p>Jantje was een echte waaghals. Dat kwam, omdat hij verbazend lenig was en nog nooit een ongeluk had gehad.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik moet een beetje voorzichtig wezen,&#8221; zei hij wijs tegen Karel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom?&#8221; vroeg deze.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, ik heb mijn Zondagsche pak aan, doordat ik van <a id="d0e1439"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1439">71</a>]</span>morgen vroeg kopje-onder in de sloot gelegen heb. En als ik nu met mijn mooie pak weer in &#700;t water viel, zou Moeder me zien
+aankomen, dat begrijp je. Jongen, wat zou ik er van lusten!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nou, dat snap ik,&#8221; zei Karel.
+
+</p>
+<p>En nauwelijks had hij dat gezegd, of hij merkte, dat zijn paal omkantelde en dat hij dus veel kans had, naar beneden te rollen.
+Met een vlugge beweging sprong hij op den balk, waarop Jan stond, maar door den schok kantelde deze ook.
+
+</p>
+<p>Plomp! Daar zakte Jantje tot aan zijn middel in het kanaal. Karel viel achterover op het vlot, zoodat hij vrij droog bleef.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;O wee!&#8221; schreeuwde Jantje, met groote oogen van schrik en angst. Hij had zijn arm nog om den paal geslagen.
+
+</p>
+<p>Vlug als hij was, hief hij zich met kracht in de hoogte, en in &#700;t volgende oogenblik stond hij weer op het vlot. &#700;t Water
+droop hem uit zijne Zondagsche broek langs zijne dunne beentjes naar beneden.
+
+</p>
+<p>Karel schaterde het intusschen uit van pret.
+
+</p>
+<p>Maar Jantje lachte in &#700;t geheel niet. Hij stapte zonder een woord te spreken van het vlot af op den kant, en keek zwijgend
+naar zijn natte broek.
+
+</p>
+<p>Karel kwam bij hem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zat je daar koddig met je hoofd boven dien paal uit!&#8221; zei hij lachend. &#8220;Ik wou, dat je het gezien hadt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik vind het heelemaal niet koddig!&#8221; zei Jantje. &#8220;Ik kan me niet begrijpen, dat je dit nou zoo grappig vindt. Zeg Karel, ik
+durf zoo niet naar huis toe, hoor.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, ik weet wel raad,&#8221; zei Karel. &#8220;Trek alleb&ecirc;i je broeken uit en je kousen. Dan neem jij het eene einde en ik het andere,
+en we draaien in tegengestelde richting. Op die manier wringen wij al het water er uit, en dan is het dadelijk droog.&#8221;
+<a id="d0e1463"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1463">72</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Is het waar?&#8221; vroeg Jantje, met een flikkering van hoop in zijn oogen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Stellig!&#8221; zei Karel. &#8220;Vader heeft wel eens verteld, dat hij het ook deed, toen hij nog een jongen was. Trek maar uit.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat deed Jantje, en al spoedig stond hij met bloote beenen in het gras. Toen gingen de twee jongens aan het wringen. Eerst
+de onderbroek. Karel nam het bovengedeelte en Jantje de pijpen. Karel draaide van rechts naar links, en Jantje van links naar
+rechts. En zij waren zoo in die bezigheid verdiept, dat zij niet zagen, dat Frans Thor en Klaas Zwart naderden, ieder weer
+met een stok in de hand en niet veel goeds in den zin.
+
+</p>
+<p>Deze twee hadden gezien, wat er gebeurd was, en daar zij nog boos waren over de nederlaag, die zij &#700;s morgens hadden geleden,
+besloten zij wraak te nemen.
+
+</p>
+<p>Aan den anderen kant van den weg slopen zij zooveel mogelijk ongemerkt nader, en kwamen meer en meer bij de plaats, waar de
+bok rustig stond te grazen.
+
+</p>
+<p>Juist waren Jan en Karel met de onderbroek klaar gekomen, die zij op het gras uitspreidden om te drogen, toen de twee vijanden
+met een woesten kreet opsprongen, vlak achter den bok, die er geweldig van schrikte. En dat werd nog erger, toen de jongens
+hem met hunne stokken hard op den rug sloegen, en schreeuwden:
+
+</p>
+<p>&#8220;Huup bok, huup bok! Allo! koesssss!&#8221;
+
+</p>
+<p>De bok zette het verschrikt op een loopen, het dorp in. Hij holde voort, zoo hard hij kon. Van bokkendeftigheid was bij hem
+geen sprake meer, hij holde voort als een wild paard.
+
+</p>
+<p>&#8220;Koesssss! Koesssss!&#8221; schreeuwden Frans en Klaas hem na.
+
+</p>
+<p>&#8220;D&aacute;t is gemeen!&#8221; riep Jan verschrikt en verontwaardigd <a id="d0e1484"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1484">73</a>]</span>uit, en zonder te bedenken, dat hij geen broek aan had, sprong hij op, en ijlde zijn bok na.
+
+</p>
+<p>Maar deze was hem een geducht eind voor, en rende al midden in het dorp. Jantje liep wat hij loopen kon, om hem in te halen.
+
+
+</p>
+<p>De menschen bleven lachend staan, om de twee hardloopers na te kijken. &#700;t Was dan ook een dwaas gezicht, dien bok te zien
+hollen, met de rinkelende bellen en de wapperende pluimen op zijn rug, terwijl de leidsels langs de kar zwierden, maar nog
+veel maller was het Jantje te zien, die zonder broek zijn bok naholde.
+
+</p>
+<p>Jantje met zijne dunne beentjes liep het hardst. De keisteentjes deden wel pijn aan zijne bloote voeten, maar hij voelde het
+niet, en dat de menschen om hem lachten, merkte hij evenmin. Hij dacht maar alleen aan zijn mooien bok. Tot zijn vreugde bemerkte
+hij, dat hij op hem won, en dat hij hem misschien nog kon inhalen, voordat hij de brug had bereikt.
+
+</p>
+<p>Plotseling echter zag hij, dat de bok gegrepen werd. Iemand met een mandje aan den arm sprong op den weg, en greep den bok
+bij den teugel. Daar was Jantje blij om, tot hij opeens zag, dat die man zijn vader was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hei, hei, wat is dat voor een malle vertooning?&#8221; riep Dik zijn zoontje toe, die hijgend bij den bok stond.
+
+</p>
+<p>&#8220;De jongens hebben hem op hol gejaagd, Vader,&#8221; zei Jantje, die zijn vader een beetje uit de voeten bleef.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar hoe komt het, dat jij hier zonder broek langs den weg rent?&#8221; ging Dik voort.
+
+</p>
+<p>Jantje zweeg.
+
+</p>
+<p>&#8220;Allo, spreek op, mannetje. Waar zijn je broeken, en je kousen en je klompen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O Vader, ik had ... ik ... ik was ... ik ... had ... ik ...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik had en ik was en ik was en ik had!&#8221; viel zijn <a id="d0e1508"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1508">74</a>]</span>Vader in. &#8220;Ik was een ondeugende jongen en ik had een pak slaag verdiend, wil je zeker zeggen, h&egrave;?&#8221;
+
+</p>
+<p>Jantje deed een paar stappen achteruit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Spreek op, Jantje, wat is er gebeurd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik was in &#700;t kanaal gevallen, Vader, en omdat ik mijn Zondagsche broek aan had, dorst ik niet thuis te komen, en toen...&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;En toen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Toen hebben Karel en ik mijn broek uitgewrongen, maar toen hebben Frans Thor en Klaas Zwart den bok op hol gejaagd...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En toen ben jij den bok achterna gehold?&#8221; vroeg Dik, en opeens begon hij er smakelijk om te lachen, want hij vond het een
+koddige geschiedenis.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is tweemaal vandaag, Jantje!&#8221; zei hij. &#8220;Pas maar op, dat je er niet voor den derden keer invalt. Vooruit, stap in de
+kar en haal je kleeren. En ik zou dat wringen verder maar aan Moeder overlaten. Je gaat direct naar huis, hoor.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja Vader,&#8221; zei Jantje, die blij was, dat het zoo goed afliep. &#8220;Maar van Frans en Klaas is het een gemeene streek.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is het,&#8221; zei Dik.
+
+</p>
+<p>Jantje stapte in de kar en reed naar het vlot terug, waar Karel op de natte plunje paste. Jan kleedde zich weer behoorlijk
+aan, en reed naar huis terug. Zijn Moeder vond de geschiedenis lang zoo grappig niet als Vader Dik, maar omdat Jantje jarig
+was, liep alles nog al goed voor hem af. Hij kon zijn daagsche pakje weer aantrekken, dat intusschen gedroogd was, maar met
+den bok mocht hij dien avond niet meer rijden.
+
+
+
+<a id="d0e1530"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1530">75</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="d0e1531" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Achtste Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>Jantje krijgt het met Flipsen te kwaad, en dankt aan zijne magere leden zijne redding uit een dreigend gevaar.</p>
+</div>
+<p>Hoe ouder Jantje werd, des te meer gingen zijne kameraden van hem houden. Dat was volstrekt geen wonder, want hij was een
+aardige jongen met een goed hart. Van alles wat slecht en leelijk was, had hij een afkeer, en als sommige jongens nog wel
+eens iets deden, waarvan groote menschen last of schade ondervonden, deed hij nooit me&ecirc;. E&eacute;nmaal had hij appelen gestolen
+in den tuin van Wobbe, waar de jongens dikwijls heengingen om vruchten weg te nemen, want Wobbe had een grooten boomgaard,
+waarin heel veel lekkers groeide. Jantje had er nog nooit aan me&ecirc;gedaan, maar eindelijk liet hij zich overhalen om ook me&ecirc;
+te gaan. &#700;t Was op een herfstavond en ruw weer. De jongens slopen stilletjes naar de boerderij van Wobbe, die een eindje buiten
+het dorp lag, en sprongen na elkander over de sloot. Zoo kwamen zij in den boomgaard.
+
+</p>
+<p>Maar Wobbe had zich met een paar knechts verdekt opgesteld, want dat appelen stelen begon hem geducht te vervelen. Hij had
+Flipsen, den veldwachter, wel gewaarschuwd, maar die werd een dagje ouder en maakte er niet veel werk van.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als je een van de dieven snapt, breng je hem maar bij me, dan zal ik hem wel mores leeren,&#8221; had hij gezegd. En hij had er
+aan toegevoegd: &#8220;zelf zal ik ook wel een oogje in &#700;t zeil houden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Wobbe was daarom besloten, zelf de handen uit de mouwen te steken, en had zich met zijne knechts op verschillende plaatsen
+in den boomgaard verscholen.
+<a id="d0e1545"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1545">76</a>]</span></p>
+<p>Zij hadden er nog niet lang gezeten, toen zij de jongens hoorden komen. Zij merkten duidelijk, hoewel zij nog niemand zagen,
+dat de jongens over de sloot sprongen. Wobbe en zijne knechts bleven, waar zij waren. Hunne afspraak was, de jongens tot midden
+in den boomgaard te laten komen, en hen dan plotseling van drie kanten tegelijk te bespringen.
+
+</p>
+<p>Jantje voelde zich in &#700;t geheel niet op zijn gemak, en toen alle jongens al over de sloot waren, stond hij nog weifelend op
+den weg.
+
+</p>
+<p>&#8220;Pssst! Pssst!&#8221; hoorde hij zacht roepen, &#700;t Was de stem van Karel van Dril. &#8220;Kom maar hier, Jan, alles is veilig.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O ja,&#8221; zei een ander, &#8220;kom maar gerust. Bij Wobbe brandt het licht in de huiskamer. Er is niet het minste gevaar.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan kwam nader en sprong ook over de sloot.
+
+</p>
+<p>De jongens gingen behoedzaam verder den boomgaard in.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hier!&#8221; riep er een. &#8220;Kijk eens, wat een prachtige appelen! De boom zit propvol!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hier ook,&#8221; riep Karel van Dril een eindje verder. &#8220;Kom hier, Jan, hier zijn peren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Eerst waren de jongens bang en keken schuw rond, of er geen gevaar dreigde, maar toen alles stil bleef, steeg hun moed, en
+liepen zij brutaal tot midden in den boomgaard.
+
+</p>
+<p>Frans Thor en Klaas Zwart waren de brutaalsten. De jongens gingen weinig of nooit met hen om, maar soms sloot het tweetal
+zich ongevraagd bij hen aan, en dan waren zij moeilijk te weren.
+
+</p>
+<p>Frans had een stok bij zich en sloeg er mede tegen de takken. De appelen vielen naar beneden.
+
+</p>
+<p>Maar hij kreeg geen tijd om ze op te rapen, want opeens werden zij van drie kanten tegelijk besprongen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Voorwaarts! Grijpt de dieven!&#8221; klonk de stem van Wobbe. Deze was een groote, sterke boer met harde handen.
+<a id="d0e1572"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1572">77</a>]</span></p>
+<p>Verschrikt vlogen de jongens uit elkaar. De een ijlde hier-, de ander daarheen. Klaas Zwart haastte zich zoo, dat hij in de
+sloot viel. Tot aan zijn hals toe zakte hij in het water. Karel van Dril sprong over de sloot, Frans Thor ook, Gerrit Kikke
+en Piet Vos kwamen er met natte voeten af, maar Jantje, die eerst niet wist, wat er gebeurde, liep den verkeerden kant op,
+en vloog precies boer Wobbe in de armen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Loopen! Loopen, jongens!&#8221; riep Frans Thor.
+
+</p>
+<p>Een van de knechts sprong over de sloot, en riep:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij zullen eens zien, wie &#700;t hardst kan loopen, kereltje!&#8221;
+
+</p>
+<p>En hij liep Frans zoo hard hij kon achterna.
+
+</p>
+<p>Dat werd een wedren van belang, want Frans was vlug ter been, maar de knecht nam veel grootere stappen. Frans hoorde zijne
+stappen hoe langer hoe dichter achter zich. Eindelijk voelde hij zich bij den kraag van zijn jas grijpen. Hu, wat kneep die
+knecht. Frans werd bijna geworgd maar toch wrong hij zich nog als een aal, om los te komen. Dat gelukte hem echter niet. De
+knecht gaf hem een geducht pak slaag, en joeg hem voor zich uit, terug naar de boerderij. Daar beleefde Jantje intusschen
+ook geen prettige oogenblikken, want Wobbe trok hem aan zijne ooren in de hoogte, tot zijn gezicht vlak voor dat van den boer
+gekomen was.
+
+</p>
+<p>Jantje gierde van de pijn!
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha zoo, kereltje, wat ben jij licht!&#8221; zei de boer met een boozen lach. &#8220;Jij bent te dun om appelen te eten, manneke. Hoe
+heet jij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Au, au!&#8221; schreeuwde Jantje, die spartelde als een mager varken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Heet jij au-au?&#8221; lachte de boer. &#8220;Magere langbeenige mug!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Au! Au!&#8221; huilde Jantje.
+<a id="d0e1595"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1595">78</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Heet jij au-au?&#8221; herhaalde de boer driftig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, au neen, ik heet Jan Trom! Au, au, laat me los asjeblieft!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo, heet jij Jan Trom,&#8221; zei de boer. Hij liet Jantje weer zakken, tot hij op den grond stond, legde hem toen over zijne
+knie, en gaf hem een geducht pak voor zijn broek.
+
+</p>
+<p>&#700;t Werd een warme geschiedenis voor Jantje, want de handen van den boer waren nog veel harder, dan hij ze zich voorgesteld
+had. Zoo&#700;n pak slaag had hij nog nooit van zijn leven gehad, en hij vreesde, dat er geen stuk van hem heel zou blijven.
+
+</p>
+<p>Eindelijk liet Wobbe hem los.
+
+</p>
+<p>&#8220;En maak nu, dat je wegkomt!&#8221; bulderde Wobbe hem toe, &#8220;of ik breng je nog bij Nero in het hondenhok. Die houdt wel van kluifjes,
+al zijn ze mager.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat liet Jantje zich geen tweemaal zeggen. Hij liep wat hij loopen kon, en &#700;t viel hem me&ecirc;, dat het nog zoo goed ging, want
+hij dacht niet anders, of de boer had hem zijne beenderen stuk geslagen. Hij haastte zich zoo om over de sloot te komen, dat
+het maar zus of zoo scheelde, of hij kwam in het water terecht. Maar dat liep gelukkig nog goed af. En toen vloog hij naar
+het dorp terug. Zijn rooftocht was hem bitter slecht bevallen.
+
+</p>
+<p>Even later hoorde hij de noodkreten van Frans Thor, die door den boer en zijn knecht onderhanden werd genomen. Jantje liep
+dientengevolge nog harder.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij lust er ook van!&#8221; mompelde Jantje, die in ijlende vaart voortholde, &#8220;hu, wat slaat die boer hard. Hoor Frans eens schreeuwen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Na een poosje haalde hij Klaas Zwart in, die zoo hard niet loopen kon, omdat hij tot aan zijn hals toe in de sloot gezeten
+had. Klaas huilde, want hij stelde zich de ontvangst thuis ook niet erg vriendelijk voor.
+<a id="d0e1616"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1616">79</a>]</span></p>
+<p>Jantje ging regelrecht naar huis met het stellige voornemen nooit meer appelen of peren te stelen. En &#700;s avonds wreef hij
+meermalen over zijn broek, omdat hij zoo&#700;n pijn had.
+
+</p>
+<p>De zaak was echter nog niet uit, want Wobbe vertelde den volgenden dag aan Flipsen, den veldwachter, welk eene gelukkige vangst
+hij had gehad, en gaf hem de namen der schuldigen op. Zoo kwam het, dat Flipsen den winkel van Trom binnenstapte, waar Dik
+juist bezig was een paar klanten te helpen.
+
+</p>
+<p>Flipsen had altoos nog een kijkje op Dik, want hij was nog niet vergeten, wat Dik in zijn jeugd voor streken had uitgehaald.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Goeden avond, Dik!&#8221; zei hij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dag Flipsen,&#8221; was het antwoord. &#8220;Wat is er van je dienst?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet veel moois, man. Ik kom je waarschuwen, dat je wel wat beter op je zoontje mag passen, want &#700;t is erg, zooals hij op
+het dorp huishoudt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo, zoo,&#8221; zei Dik verwonderd en ook een beetje ongeloovig want hij had nog nooit gemerkt, dat Jantje veel kwaad deed. &#8220;Is
+het z&oacute;&oacute; erg, Flipsen? Wat heeft hij uitgevoerd! Jantje is anders zoo kwaad niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dik werd wel een beetje boos over den lompen uitval van Flipsen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zeggen alle vaders en moeders van hunne kinderen,&#8221; hernam Flipsen. &#8220;Van hun eigen kinderen kunnen zij nooit kwaad hooren,
+vooral wanneer ze zelf ook nooit gedeugd hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dik werd nu erg boos.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wou je zeggen, dat <i>ik</i> nooit gedeugd heb?&#8221; vroeg hij driftig, en hij zwaaide zoo heftig met den strooplepel,&#8212;want hij was juist bezig een vrouwtje
+aan een pond stroop te helpen,&#8212;dat Flipsen een flinken lik van dat goedje op de mouw van zijn jas kreeg.
+<a id="d0e1642"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1642">80</a>]</span></p>
+<p>&#8220;O, neem me niet kwalijk, dat is bij ongeluk,&#8221; zei Dik.
+
+</p>
+<p>&#8220;Bij ongeluk! Bij ongeluk!&#8221; schreeuwde Flipsen verontwaardigd. &#8220;&#700;t Is een schandaal! En ik zal proces-verbaal tegen je opmaken,
+wegens beleediging van een politieman in dienst!&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij haalde zijn zakdoek te voorschijn om de stroop weg te vegen, en maakte de zaak daardoor nog veel erger. De stroop kwam
+nu bijna over de geheele mouw. En Flipsen was altijd zoo keurig netjes op zijn uniform.
+
+</p>
+<p>&#8220;Asjeblieft, juffrouw,&#8221; zei Dik. &#8220;Wenscht u nog iets?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; zei de vrouw, die haar lachen haast niet kon houden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zeg,&#8221; schreeuwde Flipsen, &#8220;dat je wel wat op je lieve Jantje mag passen, of hij raakt nog in &#700;t hok. Gisterenavond heeft
+hij appelen en peren gestolen in den boomgaard van Wobbe, en dat zal wel niet de eerste keer geweest zijn, denk ik.&#8212;Die akelige,
+ellendige stroop zit er zoo vast op, dat mijn heele jas bedorven is. &#700;t Is meer...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Alleen de mouw maar,&#8221; zei Dik. &#8220;Ik dank je voor de boodschap, Flipsen. Ik zal er mijn zoontje over onderhouden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo vader, zoo zoon,&#8221; zei Flipsen nijdig, want hij dacht, dat Dik hem voor den gek hield. Met groote stappen liep hij den
+winkel uit.
+
+</p>
+<p>Toch waren die woorden Dik ernst geweest.
+
+</p>
+<p>Hij herinnerde zich nog best, hoe hij in zijne jeugd ook vruchten gestolen had, en hoe hij tot inkeer gekomen was.
+
+</p>
+<p>&#700;s Avonds vertelde hij aan Jan, wat er in zijn kinderjaren gebeurd was, en hoeveel spijt hij er later over had gehad.
+
+</p>
+<p>En Jantje beloofde hem, dat hij het nooit, nooit weer doen zou. Dik was er blij om toen hij hoorde, dat het Jantje&#700;s eerste
+strooptocht geweest was, en hij vertrouwde er stellig op, dat het ook de laatste zou geweest zijn.
+<a id="d0e1667"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1667">81</a>]</span></p>
+<p>Na dien dag keek Flipsen den zoon van Dik Trom nooit meer vriendelijk aan. Hij had een hekel aan Dik gehad, zoolang hij hem
+had gekend, en dat sloeg nu op Jantje over. Dat kon deze zeer goed merken. Als hij met zijn bok uit rijden was en hier of
+daar even uitstapte, wat nog al dikwijls gebeurde, zoodat zijn bok gelegenheid kreeg om wat gras of klaver van den berm te
+eten, kwam Flipsen, zoodra hij dat zag, op hem af, en gaf een geducht standje.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die bok m&agrave;g daar niet loopen, en nog veel minder van dat gras eten. Dat gras is immers niet van jou? Of heeft je vader misschien
+den berm gepacht?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen Flipsen, dat geloof ik niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet het zeker. Dat gras is van Geurs, en je bok moet er afblijven. Als ik het weer zie gebeuren, zal ik er proces-verbaal
+van opmaken, hoor je. Denk jij, dat je maar doen moogt, wat je wilt? Ik zal je dat wel anders leeren. &#700;t Is gewoon diefstal,
+maar daar storen jullie je niet aan, h&egrave;? Jij niet,&#8212;en je vader niet! Pas op je tellen, mannetje, of je loopt er nog eens geducht
+tegen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zijn vader lachte er om, toen Jan het hem vertelde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gekheid, jongen, maak je maar niet ongerust. Als je geen grooter kwaad doet, is het nog al zoo erg niet, en zal Flipsen je
+wel met rust laten. &#700;t Is een nijdige kerel, die het allen menschen lastig maakt. &#700;t Is ook al erg, dat die bok daar een mondje
+gras of klaver eet. Dat doet mijn hit immers elken dag ook? En de menschen, die het gras van de publieke wegen pachten, weten
+immers vooruit, dat zulke dingen niet te keeren zijn. Daarom betalen zij ook minder pacht. &#700;t Is te gek om er van te praten,
+Jan, en maak je maar niet ongerust. &#700;t Zal zoo&#700;n vaart niet loopen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Na dien tijd liet Jan zijn bok gewoon z&#700;n gang gaan, <a id="d0e1682"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1682">82</a>]</span>of Flipsen het zag of niet. Dat begon Flipsen geducht te vervelen, en eindelijk maakte hij er werkelijk proces-verbaal van
+op.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jij heet Jan Trom, h&egrave;?&#8221; zei hij, zijn zakboekje te voorschijn halende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe oud ben je?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tien jaar,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoon van Dik Trom, h&egrave;?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja wel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En je erkent, dat je bok hier gras en klaver van den berm eet?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei Jan, &#8220;dat kan ik niet ontkennen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mooi zoo,&#8221; zei Flipsen, die zijn boekje met een flap dichtsloeg, &#8220;daar zal je wel meer van hooren, manneke. Jullie doet maar,
+of er geen overheid bestaat. Maar &#700;t zal je berouwen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen Jan het aan zijn vader vertelde, haalde deze glimlachend de schouders op.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat bezielt dien man toch,&#8221; zei hij. &#8220;Maak je maar niet ongerust, &#700;t is een storm in een glas water. We hooren er hoogstwaarschijnlijk
+nooit meer iets van.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat was ook zoo. Toen Flipsen met zijn proces-verbaal bij den burgemeester kwam, lachte deze den veldwachter hartelijk uit.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Ben je dwaas, Flipsen,&#8221; zei hij. &#8220;Denk je, dat we met zulke nesterijen bij den Officier van Justitie kunnen komen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar burgemeester, &#700;t is toch diefstal?&#8221; zei Flipsen knorrig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat beschouw ik niet als diefstal,&#8221; was het antwoord. &#8220;Op die manier zou een jongen zelfs geen konijntje meer kunnen houden,
+als hij niet een beetje gras van den berm mag snijden. &#700;t Is te mal om er van te praten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hiermede kon Flipsen vertrekken, maar Jantje keek hij <a id="d0e1719"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1719">83</a>]</span>nooit meer vriendelijk aan. En dat zou nog erger worden, geheel buiten Jan&#700;s schuld.
+
+</p>
+<p>Op een avond waren Jan en Karel met nog een paar andere jongens aan het spelen op de markt, toen zij opeens een eigenaardig
+puffend geluid hoorden. Verwonderd keken zij in het rond, om te zien, waar dat geluid vandaan kwam. En tot hun groote verbazing
+ontdekten zij een wagen zonder paard er voor, die met groote snelheid langs den weg vloog.
+
+</p>
+<p>&#8220;Boe!&#8212;Boe!&#8212;Boe!&#8221; klonk het geluid van een grooten horen. In den wagen zaten heeren en dames, die zich vreeselijk mal toegetakeld
+hadden. Zij droegen groote stofbrillen voor de oogen, en zagen er uit als ijsberen.
+
+</p>
+<p>&#700;t Vreemde rijtuig was een automobiel, en wel de eerste automobiel, die het dorp, waar Jan woonde, met een bezoek vereerde.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk, kijk!&#8221; riepen de jongens, &#8220;wat een gekke wagen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij lijken wel van den Noordpool te komen,&#8221; merkte Jan op. &#8220;&#700;t Is een wagen vol ijsberen. Kijk, daar houdt hij stil voor
+de herberg van De Vries. Gaan jullie mee kijken?&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens liepen, wat zij loopen konden, om bij het vreemde voertuig te komen.
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is eene automobiel!&#8221; zei Karel van Dril. &#8220;&#700;k Weet zeker, dat het eene automobiel is!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gaat die door stoom?&#8221; vroeg Jan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, ze stoken er benzine in, zei Vader. O, ze kunnen zoo hard rijden, wel zoo hard als een sneltrein.&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens hadden den wagen spoedig bereikt, en bekeken hem aan alle kanten. De reizigers waren het caf&eacute; binnengegaan, om
+iets te gebruiken. En al spoedig stonden er heel wat menschen om het vreemde voertuig, want velen hadden wel al van automobiles
+gehoord of gelezen, maar nog slechts weinigen hadden er een gezien.
+<a id="d0e1741"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1741">84</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik noem het een mooi ding!&#8221; merkte Jan wijs op. &#8220;Ik zou er mijn bokkewagen wel voor willen ruilen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat je zegt!&#8221; zei Karel lachend. &#8220;Kijk, hij staat nog te trillen en te zuchten, of het een levend wezen is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij is mo&ecirc;,&#8221; lachte Jan. &#8220;Hij staat uit te blazen. Die twee groote lantaarns voorop zijn net een paar oogen.&#8212;Zeg Karel, zoo&#700;n
+automobiel ga ik ook maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je doet wat!&#8221; lachte Karel een beetje spottend. &#8220;&#700;t Is maar geen kleinigheid. Je begrijpt toch, dat er een heele machinerie
+binnenin zit?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O ja natuurlijk,&#8221; zei Jan. &#8220;Ik bedoel ook niet, dat ik een echte ga maken, want dat zou jou vader nog niet eens kunnen, en
+die kan haast alles,&#8212;maar ik maak toch net een wagen als dit ding, wat ik je zeg.&#8221;
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik kwamen de reizigers weer naar buiten en namen in de auto plaats. De chauffeur greep het stuurrad deed een
+paar geheimzinnige grepen in den wagen, en er kwam leven in het monster. Het trillen en schokken werd heviger, en opeens schoot
+het gevaarte met kracht vooruit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Poe! Poe! Poe!&#8221; toeterde de reusachtige horen.
+
+</p>
+<p>De omstanders sprongen verschrikt op zijde, en een oogenblik later was de wagen uit het gezicht verdwenen. Hij vloog als het
+ware langs den weg, de menschen in een wolk van stof achterlatende.
+
+</p>
+<p>Jan stond het vreemde voertuig met open mond na te staren. En toen hij het niet meer kon zien, riep hij zijn makkers toe:
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Dag!&#8212;Ik ga naar huis!&#8221;
+
+</p>
+<p>Op een drafje liep hij weg. De auto had een overweldigenden indruk op hem gemaakt, en hij was besloten niet te rusten, voor
+hij er ook een had. Wel een week lang bleef hij voor zijne kameraden onzichtbaar, behalve op school natuurlijk. Daar m&ograve;&egrave;st
+hij wel heen. Maar al zijn <a id="d0e1764"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1764">85</a>]</span>vrijen tijd besteedde hij aan het vervaardigen van zijne automobiel, en dat was geen gemakkelijk werkje. Hij schoot er vlug
+mede op, en was verbazend trotsch op het product van zijne handen.
+
+</p>
+<p>De kinderwagen, waarin zijne Moeder hem gereden had, toen hij nog een klein kereltje was, had hij van het bovenstel ontdaan,
+zoodat alleen de wielen overbleven. Zijn Moeder had hem daartoe hare toestemming gegeven, omdat de wagen oud en versleten
+en dientengevolge geen dubbeltje meer waard was.
+
+</p>
+<p>Toen had hij van zijn vader een paar pakkisten gevraagd, die hem graag werden afgestaan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat moet je er me&ecirc; uitvoeren, Jan?&#8221; had zijn Vader gevraagd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik maak er een automobiel van,&#8221; zei Jan, en toen vond zijn Vader het goed. Die kisten gaf hij precies het model van de auto,
+en bevestigde ze daarna op het onderstel van den kinderwagen. Keurig netjes timmerde hij er twee bankjes in, een voor- en
+een achterbankje. Gelukkig mocht hij het gereedschap van zijn grootvader gebruiken, en deze gaf meermalen goeden raad.
+
+</p>
+<p>Maar nu kwam het moeilijkste nog aan, want hij wilde zijn wagen van een toestel voorzien, waarmede hij hem in beweging kon
+brengen, zonder dat het noodig was hem te duwen of te trekken. Het duurde lang, eer hij daar iets op gevonden had, en toen
+hij wist, hoe het worden moest, kon hij het onmogelijk zonder hulp van een smid uitvoeren. Hij ging daarom met zijn wagen
+naar Piet van Dril, den smid, en legde hem uit, wat er gedaan moest worden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk, Van Dril,&#8221; zei hij, &#8220;zooals het nu is, is het niet goed. De as van mijn wagen deugt er niet voor. Ik zou naast mijn
+voorbankje een wiel willen hebben met een <a id="d0e1778"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1778">86</a>]</span>tandrad precies als aan een fiets. Als nu aan den as van den wagen ook zoo&#700;n rad bevestigd werd, kon er een fietsketting omgelegd
+worden, zoodat ik maar aan het wiel te draaien heb om de kar in beweging te brengen. Aan dat wiel moet natuurlijk een handvat
+komen, precies als aan het wiel van een draaiorgel.&#8221;
+
+</p>
+<p>Piet van Dril keek hem een poosje peinzend aan, en krabde zich in gedachten achter het oor. Eindelijk gaf hij Jan een geduchten
+klap op diens smalle schoudertje, zoodat de beentjes ervan haast kraakten, en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat heb je al wonder knap bedacht, Jan. Wonder knap, zeg ik! Je kon wel ingenieur of zoo iets worden. Maar hoe moet je aan
+zoo&#700;n wiel met een handvat komen? Ik heb er geen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij w&egrave;l, Van Dril,&#8221; zei Jan. &#8220;In de schuur ligt die oude koffiemolen nog van ons, u weet wel, die oude afgedankte uit den
+winkel. En daar zit een groot wiel aan met een handvat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist!&#8212;Ja, juist,&#8221; zei Van Dril. &#8220;Wel jongen, ik vind, dat je het z&oacute;&oacute; knap bedacht hebt, dat ik je nu eens voor pleizier
+aan die kamraderen helpen wil. Haal dat wiel maar hier.&#8221;
+
+</p>
+<p>Wat was Jantje blij. Hij liep als een haas naar huis om het wiel te halen en was den geheelen avond niet uit de smederij weg
+te krijgen. Geen wonder waarlijk, want Van Dril hield woord. Hij smeedde de kamraderen aan den vooras van den wagen en aan
+het wiel van den koffiemolen, maakte een oude fietsketting pasklaar, en zette alles netjes en flink in elkander.
+
+</p>
+<p>Jan stond er verrukt naar te kijken, en Karel niet minder.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu moet ik nog een horen hebben!&#8221; zei Jan, zich de handen wrijvende van genot.
+
+</p>
+<p>Ja, en nog twee lantaarns,&#8221; zei Karel. &#8220;Je weet wel, <a id="d0e1796"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1796">87</a>]</span>dat zijn de oogen van het beest. Een paar oude fietslantaarns konden er best dienst voor doen. Vader, hebben wij nog niet
+een paar van zulke oudjes?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, ja wel,&#8221; zei Van Dril. &#8220;Hier heb je er twee.&#8221;
+
+</p>
+<p>In een kwartiertje had Jan ze voor aan de auto bevestigd. Toen nam hij nog een veerkrachtig metalen plaatje, en timmerde dat
+aan den linkerkant van den wagen, er voor zorgende, dat de spaken van het voorwiel er beurtelings tegen aan tikten, als de
+wagen in beweging kwam. Daardoor werd een geluid veroorzaakt, dat precies het tuffen van een auto nabootste.
+
+</p>
+<p>Nu was de wagen klaar. Jan en Karel brachten hem naar buiten, waar Jan op het voorbankje ging zitten, en Karel op de achterbank.
+Jan nam het handvat en draaide het wiel rond. Ha, wat reed het karretje prachtig. De twee jongens konden hun lachen niet houden
+van pleizier. &#700;t Was precies een auto, en hij maakte een aardig gangetje.
+
+</p>
+<p>&#700;t Was maar jammer, dat de voorwielen niet om een spil konden draaien, want nu kon de wagen alleen vooruit en achteruit, maar
+van sturen was geen sprake.
+
+</p>
+<p>Elken avond gingen de jongens er me&ecirc; spelen en zij hadden niet weinig bekijks. Maar Jan raakte er door in volslagen vijandschap
+met Flipsen, en toch was het geheel buiten zijne schuld. Dat kwam zoo.
+
+</p>
+<p>Karel van Dril moest eene boodschap voor zijn vader doen, en daarom besloot Jan maar alleen met zijn auto te gaan rijden.
+Eerst tufte hij een paar malen het dorp door, en ging toen naar het fort even voorbij het kerkhof, dat aan het einde van &#700;t
+dorp lag. Daar werd een fort aangelegd waarlangs een hooge kluft liep. Jantje besloot van die kluft af te tuffen. Jongen,
+wat zou hij dan een snelle vaart krijgen!
+
+</p>
+<p>Nu, dat was ook zoo. Hij duwde zijne auto tegen de <a id="d0e1812"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1812">88</a>]</span>hoogte op, ging er toen in zitten, en reed vliegensvlug naar beneden. Ha, nu leek het precies een echte automobile. Hij toeterde,
+dat het een lust was om te hooren, en het stof dwarrelde achter hem omhoog. &#700;t Was verbazend te zien, hoever zijn kar nog
+voortreed, als hij den vlakken weg reeds had bereikt.
+
+</p>
+<p>Jan vond het spelletje zoo mooi, dat hij aan geen ophouden dacht. Zoodra was hij niet beneden gekomen, of hij duwde de kar
+opnieuw naar boven, en liet zich dan weer vliegensvlug gaan.
+
+</p>
+<p>Toen hij eens weer op het hoogste punt aangekomen was en gereed stond om in te stappen, kwam van den anderen kant juist Flipsen
+aan. De man was bepaald in eene erg knorrige bui, want hij keek verschrikkelijk boos. Zoodra hij Jan zag, bleef hij staan
+en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo,&#8212;wat voer jij hier in je eentje uit? Zeker niet veel goeds, h&egrave;?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik doe in het geheel geen kwaad, Flipsen,&#8221; zei Jan. &#8220;Ik rijd alleen maar met mijn auto van de hoogte af, omdat het zoo lekker
+gaat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja,&#8221; zei Flipsen, &#8220;jij hebt je woordjes wel klaar, maar ik vertrouw je niet verder, dan ik je zie. Pas op, manneke, ik
+waarschuw je, dat je geen verkeerde dingen doet, want ik heb je al lang in de gaten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Flipsen vervolgde zijn tocht langs de kluft naar beneden.
+
+</p>
+<p>Jan besloot nog een poosje te wachten, want hij zag zeer goed, dat Flipsen om de een of andere reden uit zijn humeur was,
+en dat het maar het veiligst was hem uit den weg te blijven. Hij nam plaats op het voorbankje en was van plan zoo lang te
+wachten, tot Flipsen weg was.
+
+</p>
+<p>Dat duurde geruimen tijd, want het was eene lange kluft, en Flipsen kuierde op zijn gemak naar het dorp.
+
+</p>
+<p>Opeens voelde Jan, dat er beweging in zijne auto kwam. <a id="d0e1832"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1832">89</a>]</span>Deze werd met kracht vooruit geduwd. Hij keek om en zag, dat Frans Tor achter de kar liep. Lachend zei deze:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal je een zetje geven, Jan, dan ga je vliegensvlug naar beneden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet doen,&#8212;niet doen, Frans!&#8221; riep Jan hem waarschuwend toe. &#8220;Ginder loopt Flipsen, en ik wou hem liever niet voorbij rijden.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Gekheid! Wat kan jou Flipsen schelen!&#8221; riep Frans terug. Met alle kracht en zoo snel hij loopen kon, duwde deze de kar naar
+beneden.
+
+</p>
+<p>Opeens liet hij haar los, en voort vloog Jantje, in ijlende vaart de helling af. Angstvallig hield hij de oogen gericht op
+Flipsen, want hij vreesde niet zonder reden, dat er veel kans bestond om hem onderst-boven te rijden.
+
+</p>
+<p>&#8220;O j&eacute;!&#8221; dacht Jan met een zucht van ontsteltenis, &#8220;als dat maar goed afloopt! Ik vlieg regelrecht op hem aan. Had ik maar
+een stuur aan mijn auto, dan kon ik langs hem heen rijden, of een rem, om den wagen tot stilstand te brengen.&#8212;Poe,&#8212;ik geloof,
+dat ik hem regelrecht tegen de beenen vlieg!&#8221;
+
+</p>
+<p>Jantje begon op zijn horen te toeteren, dat het wel vijf minuten ver te hooren was, maar Flipsen keek niet op of om. Jan zag
+dat tot zijn grooten schrik. Hij zag ook, dat Flipsen recht-uit, recht-aan verder liep, zonder ook maar een stap op zijde
+te gaan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zou hij me niet hooren?&#8221; dacht Jan, en hij toeterde zoo hard, dat zijn horen er van berstte, en in &#700;t geheel geen geluid
+meer gaf.
+
+</p>
+<p>Jan was ten einde raad, want hij naderde Flipsen met groote snelheid, en &#700;t leed geen twijfel, of bij dezen voortgang reed
+hij hem pardoes tegen de beenen.
+
+</p>
+<p>Hij probeerde de kar op zijde te rukken, maar tevergeefs.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hei, hei daar, hola Flipsen!&#8221; riep hij in doodsangst <a id="d0e1854"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1854">90</a>]</span>den boozen veldwachter toe, want hij was hem bijna genaderd.
+
+</p>
+<p>Maar Flipsen verkoos geen stap op zij te gaan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat moet er nog bijkomen, dat ik, een regeeringspersoon, voor een kw&acirc;jongen uit den weg moet gaan. Dank je hartelijk. Hij
+moet voor mij uitwijken, en niet ik voor hem. &#700;t Zou me wat moois worden op die ma...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bom!&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar voelde hij een geduchten smak tegen zijn kuiten, en op &#700;t zelfde oogenblik sloeg hij met kracht achterover in de auto
+van Jantje. En voort vloog de kar. Flipsen lag met zijn beenen omhoog in den wagen, en hij zag geen kans om overeind te komen.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Satansche jongen,&#8221; schreeuwde hij, toen hij zijn eersten schrik te boven was. &#8220;Brutale vlegel,&#8212;ik zal je leeren!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#700;t Was een bespottelijk gezicht hem te zien liggen. Vader Dik, die er juist op aan kwam loopen, wist eerst niet goed, wat
+hij zag, maar een oogenblik later barstte hij in een onbedaarlijk lachen uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat nu, Flipsen,&#8221; riep hij den veldwachter toe, &#8220;ga je in het karretje van mijn Jan rijden?&#8221;
+
+</p>
+<p>Flipsen richtte zich op uit zijne moeielijke positie, en bracht met zijne beenen de kar tot staan. Maar waar was Jan? Er was
+tot verbazing zoowel van Dik als van Flipsen, geen spoor van hem te zien.
+
+</p>
+<p>Flipsen was woest van kwaadheid, en met gebalde vuist kwam hij op Dik af.
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is eene schande, eene schande!&#8221; schreeuwde hij Dik toe. &#8220;Ik zeg, &#700;t is eene schande om je zoontje zoo tegen mij op te
+zetten, en hem te leeren mij te bespotten. Maar ik zal hem krijgen,&#8212;ik zal hem krijgen,&#8212;ik zal...&#8221;
+
+</p>
+<p>Flipsen wist van kwaadheid niet, wat hij zeggen moest, en met toornige blikken keek hij van Dik naar de auto, <a id="d0e1878"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1878">91</a>]</span>die verlaten aan den kant van den weg stond, en van de auto naar Dik. Maar deze deed niet anders dan lachen, want het was
+hem onmogelijk zich te bedwingen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Bedaar toch, Flipsen, bedaar toch!&#8221; riep hij tusschen de bui&euml;n door den veldwachter toe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Bedaren?&#8221; schreeuwde Flipsen. &#8220;Bedaar jij met je gelach, dat zou je fatsoenlijker staan. Foei man, ik zou me schamen, om
+mijn kind zoo&#700;n opvoeding te geven. Maar ik zal hem wel krijgen, den rakker, wacht maar!&#8221;
+
+</p>
+<p>Met groote schreden vervolgde Flipsen zijn weg, zonder Dik of de auto met een enkelen blik te verwaardigen.
+
+</p>
+<p>Dik lachte n&ograve;g!
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat was dat een bespottelijk gezicht!&#8221; zei hij binnensmonds. &#8220;Maar waar mag Jan toch zitten? &#700;t Is zijn auto, dat weet ik
+zeker. De jongen zal toch geen ongeluk gekregen hebben...&#8221;
+
+</p>
+<p>Dik werd ernstiger, en hij wierp een blik langs de kluft om te zien, of Jan zich daar bevond.
+
+</p>
+<p>Opeens hoorde hij echter diens welbekende stem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Pssst, Vader,&#8212;is hij weg?&#8221; werd hem half fluisterend toegeroepen. &#700;t Geluid kwam uit de auto.
+
+</p>
+<p>Dik draaide zich om, en waarlijk, daar kwam Jantje&#700;s smalle hoofdje van tusschen het voor- en het achterbankje te voorschijn.
+Snel keek Jan om zich heen.
+
+</p>
+<p>Ha, de veldwachter verwijderde zich met groote schreden. Dik kwam naderbij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe zit jij daar zoo tusschen die banken gewrongen, kind?&#8221; vroeg hij lachend, want de heele geschiedenis maakte op hem een
+onweerstaanbaar lachwekkenden indruk. &#8220;En wat is er eigenlijk gebeurd?&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan kroop nu uit den wagen en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;O, Flipsen was erg boos, waarom weet ik niet. Ik stond met mijne auto ginds op de hoogte, en was juist <a id="d0e1906"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1906">92</a>]</span>van plan om naar beneden te rijden, toen Flipsen mij een standje gaf, omdat ik&#8212;ja, ik weet echt niet waarom, want ik deed
+in &#700;t geheel niets. En toen ging Flipsen verder, en omdat hij zoo boos was, meende ik te wachten, tot ik hem niet meer kon
+inhalen. Maar Frans Thor kwam onverwachts achter me en gaf me een harden duw, zoodat ik naar beneden vloog, regelrecht op
+Flipsen aan.&#8212;Wat zat ik in de benauwdheid, Vader. Ik toeterde zoo hard ik kon, en toen n&ograve;g harder, zoodat de horen er van
+gebarsten is. Hoor maar, hij geeft geen geluid meer. Maar Flipsen deed net of hij doof was, en keek niet op of om, tot ik
+eindelijk zag, dat ik hem niet meer ontwijken kon. Ik kroop vlug tusschen het voor- en het achterbankje en maakte mij zoo
+klein mogelijk, en op &#700;t volgende oogenblik vloog de kar Flipsen van achteren tegen de beenen, zoodat hij achterover op de
+kar viel. Zoo reden we samen verder, tot u kwam. Wat zat ik in angst, Vader. Ik zweet nog, als ik er aan denk.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dik kreeg opnieuw een lachbui, waar haast geen einde aan kwam, zoo mal vond hij het.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dus je magere leden hebben je gered!&#8221; riep hij eindelijk uit. &#8220;Als je zoo mager niet was geweest, had je je onmogelijk op
+zoo&#700;n klein plaatsje kunnen opvouwen. &#700;t Is merkwaardig. Ga maar gauw naar huis, en blijf Flipsen zoo ver mogelijk uit de
+voeten, want hij is meer dan kwaad op je.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar Vader, ik kon er toch niets aan doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja jongen, dat weten <i>wij</i> wel, maar <i>hij</i> gelooft het niet. Blijf van avond verder maar stilletjes thuis.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan beloofde dat, maar hij ging toch even naar de smederij, om het geval aan Karel Van Dril en diens vader te vertellen, die
+er ook niet weinig om lachen moesten.
+
+</p>
+<p>Jan evenwel verzonk in diep gepeins, want de kar beviel <a id="d0e1926"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1926">93</a>]</span>hem zoo niet meer. Hij nam zich vast voor niet te rusten, voordat hij de voorwielen aan een beweegbaren as verbonden had,
+zoodat hij de auto sturen kon, en dan nog wilde hij er een rem aan hebben.
+
+</p>
+<p>Toen Dik &#700;s avonds het geval aan Jan&#700;s Grootvader vertelde, moest deze er ook braaf om lachen, en hij kwam tot de conclusie,
+dat Jan ook een bizonder kind was&#8212;en dat was-ie!
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e1930" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Negende Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>Jan omarmt den schoorsteenveger met groote innigheid.</p>
+</div>
+<p>Flipsen w&agrave;s en bl&egrave;&egrave;f erg boos op Jan Trom. Misschien zou die boosheid langzamerhand wel wat afgezakt zijn, als het malle figuur,
+dat hij gemaakt had, niet door het geheele dorp bekend geraakt was, maar dat gebeurde w&egrave;l. Frans Thor was daar de schuld van.
+Toen hij Jan met zijne auto zoo&#700;n geduchte vaart gegeven had, bleef hij lachend staan kijken, hoe de zaak zou afloopen, en
+zoo had hij alles gezien, wat er gebeurd was. Hij gierde het uit van de pret, en hij vertelde het aan iedereen, die het maar
+hooren wilde. En wat nog erger was: hij hield Flipsen telkens voor den gek, als hij hem op straat tegenkwam. Dat zou Jan Trom
+in geen geval gedaan hebben, want hij vond het geval voor Flipsen al erg genoeg, maar Frans deed het w&egrave;l en Klaas Zwart hield
+hem daarbij trouw gezelschap. Telkens als zij Flipsen ontmoetten, begonnen zij te tuffen als eene auto, zonder Flipsen aan
+te kijken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!&#8221; zei dan Frans.
+<a id="d0e1940"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1940">94</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!&#8221; zei dan ook Klaas, en dan tuften zij om het hardst. Eerst had Flipsen er geen erg in gehad, maar toen
+het telkens gebeurde, als die jongens in zijne nabijheid waren, begon hij lont te ruiken. Hij keek ze aan met een paar oogen,
+of hij hen verscheuren wilde, maar dat deed hij toch niet.
+
+</p>
+<p>Doch toen hij hen later weer tegenkwam, en zij opnieuw begonnen te tuffen, sprong hij plotseling op hen af, en gaf hun ieder
+een klinkenden draai om de ooren. Dat gebeurde z&oacute;&oacute; snel en onverwachts, dat de twee jongens eerst niet eens goed begrepen,
+wat er gebeurde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Au!&#8221; riep Frans.
+
+</p>
+<p>&#8220;Au!&#8221; riep Klaas.
+
+</p>
+<p>En beiden grepen zij naar hun ooren, waar zij een stekende pijn voelden.
+
+</p>
+<p>Flipsen lachte, en gaf hun een tweeden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar!&#8221; zei hij. &#8220;Ik zal je leeren tuffen! Hard gaat-ie, h&egrave;?&#8221;
+
+</p>
+<p>Ze gingen allebei hard, want v&oacute;&oacute;r Flipsen gelegenheid kreeg hun nog een derden oorveeg toe te dienen, zetten zij het op een
+loopen, zoo hard zij konden. En na dien tijd tuften zij niet meer, als zij Flipsen tegenkwamen. Zij gingen hem zelfs eerbiedig
+uit den weg.
+
+</p>
+<p>Op Jan Trom bleef Flipsen erg boos, dat kon Jan duidelijk opmerken. Flipsen groette hem nooit terug, als hij hem tegenkwam,
+en keek hem altoos aan met een blik, die hem niet veel goeds voorspelde. Jan trok er zich echter niets van aan, want hij voelde
+zich volkomen onschuldig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb het niet met voordacht gedaan,&#8221; dacht hij, &#8220;en als ik het had kunnen vermijden, zou het in &#700;t geheel niet gebeurd
+zijn. Flipsen zal dat ook wel begrijpen, als hij er kalm over nadenkt.&#8221;
+
+</p>
+<p>En zijn vader zei ook:
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Zal van zelf wel weer beter worden, als jij Flipsen <a id="d0e1965"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1965">95</a>]</span>maar met rust laat en hem zooveel mogelijk uit de voeten blijft. Hij zal dan zelf wel begrijpen, dat hij zich vergist heeft.
+
+
+</p>
+<p>En zoo was het ook. Toen Flipsen opmerkte, dat Jan hem altoos even beleefd bleef groeten en hem nooit voor den gek hield,
+bedaarde zijne boosheid meer en meer, en eindelijk groette hij Jan zelfs terug.
+
+</p>
+<p>Jan peinsde voortdurend op een middel, om eene herhaling van het gebeurde te voorkomen. Hij was vast besloten niet te rusten,
+voor hij zijne auto bestuurbaar had gemaakt. En eindelijk meende hij het gevonden te hebben. Hij had er een spil voor noodig,
+met aan het boveneinde een stuurrad, precies als aan eene echte auto. Die spil moest van onderen bevestigd worden aan den
+vooras, welke beweegbaar moest zijn. Als hij dan in zijn auto zat, kon hij hem gemakkelijk door middel van het stuurrad heen
+en weer bewegen, waardoor hij den wagen geheel in zijne macht kreeg.
+
+</p>
+<p>Nauwelijks waren zijne plannen tot rijpheid gekomen, of hij begaf zich na schooltijd op weg naar Van Dril, zonder wiens hulp
+hij geen kans zag een en ander ten uitvoer te brengen. Er zou echter dien avond niet veel van komen. Hij was nog maar pas
+zijn huis uit, of hij kwam Dries Klomp tegen, den jongsten knecht van Jan Vos. Deze had een emmertje in de hand, en een bezem,
+een bosje stroo en een touw onder den arm. Hij werd op het dorp meestal bij zijn voornaam genoemd en stond bekend als een
+grappenmaker.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dag Dries!&#8221; riep Jan hem toe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo Jantje,&#8221; zei Dries. &#8220;Jongen, jongen, wat word je toch dik in den laatsten tijd. Als je niet oppast, kun je weldra met
+de konijntjes door de tralies van het hok me&ecirc;-eten.&#8221;
+<a id="d0e1977"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1977">96</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Is het waar?&#8221; vroeg Jan lachend, want hij kon wel tegen een klein plagerijtje. &#8220;Dan zal ik de koolstronkjes voor jou laten
+liggen. Is dat goed?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Graag,&#8212;asjeblief. Ga je mee naar den molenaar? Dan kun-je me helpen aan &#700;t vegen van de schoorsteenen. Dat is een mooi werkje
+voor je.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dank je hartelijk, om zoo zwart als roet thuis te komen,&#8221; zei Jan. &#8220;&#700;t Is je van harte gegund, Dries.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geen lust? Even goede vrienden, hoor. Dag Jan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dag Dries.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan vervolgde zijn weg, tot hij onderweg een schilder bezig zag met het verven van een der lantarenpalen, die aan den weg
+stonden. Hij mocht dat graag zien, en bleef er dus een poos naar kijken. De schilder bevond zich op een ladder, om het bovengedeelte
+te verven. Op den grond stond ook een pot met verf, met een kwast er in. Nauwelijks had Jan dat gezien, of hij greep de kwast
+en vroeg, of hij ook eens schilderen mocht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jawel, Jan,&#8221; was het antwoord. &#8220;Maar niet met de verf morsen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ha, dat vond hij prettig, en hij smeerde er lustig op los.
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet zoo dik, Jan,&#8221; zei de schilder. &#8220;Je moet de verf meer uitsmeren. Zooals jij het doet, is de paal de volgende week nog
+niet droog.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En zooals u het doet?&#8221; vroeg Jan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Morgen, denk ik,&#8221; was het antwoord.
+
+</p>
+<p>Jan bleef bij den schilder tot de geheele lantarenpaal klaar was, maar toen ging hij ook direct naar den smid, om aan zijn
+wagen te werken.
+
+</p>
+<p>Van Dril had juist een oude fiets van iemand overgenomen, en zijn zoontje Karel stond te zeuren, of hij er op mocht leeren
+rijden.
+
+</p>
+<p>&#8220;H&egrave; toe, Vader,&#8221; zei Karel, &#8220;laat mij er maar op rijden. &#700;t Is toch al een oudje.&#8212;Toe maar.&#8221;
+<a id="d0e2006"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2006">97</a>]</span></p>
+<p>Van Dril zei niets, maar hij lachte eventjes, wat Karel moed gaf, dat hij de gewenschte toestemming verwerven zou.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mag ik, Vader?&#8221; vroeg hij nog eens.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als je dan maar voorzichtig bent,&#8221; zei Van Dril. &#8220;Breek geen armen of beenen, en de fiets ook niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat liet Karel zich geen twee keer zeggen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga je me&ecirc;, Jan?&#8221; vroeg hij met eene kleur van blijdschap &#8220;Dan gaan we leeren fietsen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat was een kolfje naar Jan&#700;s hand. Hij vergat zijn heele machinerie en ging met Karel naar buiten. Samen hielden zij de fiets
+vast.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik het eerst, Jan,&#8221; zei Karel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Natuurlijk,&#8221; was het antwoord.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg, hij ziet er nog mooi uit, al is het een oudje, h&egrave;?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat geloof ik,&#8221; zei Jan. &#8220;&#700;k wou, dat het de mijne was. Toe, hier kunnen we wel beginnen. Stap jij er maar op, dan zal ik
+hem vasthouden.&#8221; Karel probeerde op het zadel te wippen, maar op &#700;t zelfde oogenblik lag hij al op den grond. &#8220;Je moet hem
+beter vasthouden, Jan,&#8221; zei hij. &#8220;Z&oacute;&oacute; kan ik er niet op komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik hield hem goed vast, maar jij zat veel te scheef!&#8221; zei Jan. &#8220;Als je zoo scheef zit, kan ik je niet houden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Karel stapte nog eens op. Nu ging het beter, en Jan duwde hem vooruit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Trappen, jongen, trappen!&#8221; riep Jan hem toe. Karel durfde niet. Hij was bang, dat hij vallen zou. &#8220;Trap dan toch! Als je
+niet trapt, leer je het nooit!&#8221;
+
+</p>
+<p>Karel drukte zijn rechtervoet naar beneden. Voort ging de fiets, met het gevolg, dat Jan haar alweer niet houden kon, en Kareltje
+op den weg terecht kwam.
+
+</p>
+<p>&#8220;Au!&#8221; zei hij. &#8220;Dat kwam wel een beetje hard aan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hindert niet!&#8221; riep Jan. &#8220;Stap maar weer op, maar niet zoo schuin hangen. Dan ben je me veel te zwaar!&#8221;
+<a id="d0e2039"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2039">98</a>]</span></p>
+<p>Wip! Met een vlugge beweging stapte Karel weer op de fiets.
+
+</p>
+<p>Hij durfde nu al een beetje beter, en drukte de trappers met kracht naar beneden. &#700;t Was hem echter onmogelijk zijn stuur
+goed te houden, zoodat de fiets over den weg slingerde als een dronken man. En als de fiets naar rechts ging, hing Karel schuin
+naar links, en ging zij naar links, dan hing Karel naar rechts.
+
+</p>
+<p>&#8220;Bom!&#8221; Daar tuimelde Karel weer over de straat.
+
+</p>
+<p>Hij gaf echter den moed niet op, en Jan evenmin.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je leert het al aardig,&#8221; zei Jan, toen het Karel inderdaad gelukt was, eenige seconden op de fiets te blijven zitten. &#8220;Trappen,
+zeg, hoe harder je trapt, hoe beter ik je houden kan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Karel trapte uit alle macht, en Jan draafde achter hem aan, als een hazewindhond achter zijn meester.
+
+</p>
+<p>Na een half uurtje durfde Jan het zadel even los te laten, en Karel reed werkelijk al eenige meters zonder te vallen. Toen
+zei hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu is het jouw beurt Jan. Jij hebt het mij geleerd, nu zal ik het jou leeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, ik wed, dat ik het al dadelijk kan,&#8221; pochte Jan. &#8220;Houd hem maar vast, dan zul-je eens zien, hoe ik er van door ga. Je
+zult er van staan te kijken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Karel lachte. Hij wist wel beter, want in het laatste half uur had hij de moeilijkheden pas goed leeren kennen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je hebt praats genoeg,&#8221; zei hij. &#8220;Stap er maar op, dan zul je eens zien, hoe gauw je tegen den grond ligt. Z&oacute;&oacute; gemakkelijk
+gaat het niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan stapte op, en Karel hield het zadel vast.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vooruit, Jan, trappen.&#8212;O, wat hang je schuin&#8212;nog veel erger dan ik.&#8212;Ik kan je niet&#8212;&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bom!&#8221;
+<a id="d0e2068"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2068">99</a>]</span></p>
+<p>Daar lag Jan onder de fiets, maar hij sprong dadelijk overeind en stapte opnieuw op.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je moet me beter vasthouden, Karel,&#8212;je laat me ook maar dadelijk vallen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar ging het weer. Jan trapte nu uit alle macht, want hij was in &#700;t geheel niet bang uitgevallen, en inderdaad ging het een
+eindje goed.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zie je wel?&#8221; riep hij Karel triomfantelijk toe. &#8220;Z&oacute;&oacute; moet je ook rijden! Ha, wat gaat dat lek...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Flap!&#8221; Weer lag Jan op den grond, en hij bezeerde zijn been erger, dan hem lief was. Maar hij stoorde er zich niet veel aan,
+en zat in &#700;t volgende oogenblik weer op de fiets.
+
+</p>
+<p>Werkelijk had hij er spoedig den slag van beet. Karel kon hem soms al een heel poosje aan zijn lot overlaten. Jan slingerde
+dan wel van den eenen kant van den weg naar den anderen, en soms dreigde hij pardoes in het kanaal te rijden, dat langs den
+weg liep, maar hij reed toch, en dat was de hoofdzaak. Hij was er w&agrave;t trotsch op.
+
+</p>
+<p>Even later was Karel weer aan de beurt. Het duurde niet lang, of hij kon ook al eenige meters los rijden, en daar was hij
+verrukt over. Hij trapte als een dolleman, want hij had gemerkt, dat hij dadelijk viel, als hij langzaam trapte. En Jan draafde
+achter hem aan zoo hard hij kon, om hem dadelijk te kunnen grijpen, als hij dreigde om te slaan.
+
+</p>
+<p>Eindelijk werd Jan z&oacute;&oacute; mo&ecirc;, dat hij niet meer kon.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik moet rusten, Karel,&#8221; zei hij. &#8220;Ik ben zoo mo&ecirc; als een hond. Maar je kunt het nu wel alleen. Probeer het maar gerust; je
+zult zien, dat het gaat.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij hielp Karel nog even bij het opstappen, en toen reed deze heen. Ha, wat slingerde hij! Jan stond hem na te kijken, nieuwsgierig
+op welke plaats Karel zou omvallen, <a id="d0e2089"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2089">100</a>]</span>want dat dit gebeuren moest, betwijfelde hij geen oogenblik. Een vijftig meters ging het vrij goed, al slingerde hij ook beangstigend,
+maar opeens gaf Jan een schreeuw van schrik, want Karel begon geweldig te slingeren, en reed toen regelrecht op het kanaal
+aan. Nog een oogenblik, en hij tuimelde bij den hoogen kant neer....
+
+</p>
+<p>Jan ijlde naar de plaats des onheils, en bemerkte tot zijn genoegen, dat hij zich voor niets bang had gemaakt, want Karels
+hoofd verscheen alweer boven den walkant. Hij was wel tot vlak bij het water geweest, maar hij was er toch niet ingevallen.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;H&egrave;-h&egrave;, dat scheelde een beetje!&#8221; zei hij vergenoegd, nu het zoo goed afgeloopen was. &#8220;Ik had geen duim verder moeten belanden,&#8212;dan
+was ik kopje-onder gegaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zag het,&#8221; zei Jan. &#8220;H&egrave;, wat schrok ik! Ik dacht stellig, dat je te water ging.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gelukkig niet;&#8212;zeg, help je even de fiets naar boven trekken?&#8221;
+
+</p>
+<p>Met vereende krachten brachten zij de fiets op den weg.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zou hij nog heel wezen?&#8221; vroeg Karel.
+
+</p>
+<p>Dat bleek gelukkig het geval te zijn.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu is &#700;t mijn beurt weer,&#8221; zei Jan. &#8220;Is &#700;t goed?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Best,&#8221; zei Karel. &#8220;Bij mij zit de schrik er wel een beetje in. Ga je gang maar.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan sprong op de fiets, en nu draafde Karel er achter. Eerst ging het langzaam, want Jan durfde niet goed, maar spoedig overwon
+hij zijne vrees, en nu moest Karel achter de fiets draven.
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Gaat goed zoo,&#8212;best,&#8212;erg best!&#8221; riep hij Jan bemoedigend toe. &#8220;Je rijdt nog beter dan ik.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat me maar gerust los!&#8221; riep Jan hem toe.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p2.jpg" alt=""></div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb je niet vast!&#8221; hijgde Karel achter hem, mo&ecirc; van het draven. Ha, wat trapte Jan lustig voort. Hij zwierde <a id="d0e2120"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2120">101</a>]</span>wel links en rechts, maar dat hinderde niet; hij wist toch op den weg te blijven.
+
+</p>
+<p>O j&eacute;, ginds zag hij een grooten steen liggen, midden op den weg.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als ik maar niet over dien steen ga,&#8221; dacht Jan met eenige zorg. &#8220;Ik moet hem zien te ontwijken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Angstvallig hield hij zijn blik op het gevreesde voorwerp gericht, met het gevolg, dat hij er juist op aanreed.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, die steen!&#8221; schreeuwde hij. Plof! Daar reed hij er overheen, wat een geduchten schok gaf, maar hij bleef zitten. Slingerend
+reed hij verder.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat scheelde een beetje!&#8221; riep Karel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Of het! Wat gaat het al goed.&#8221;
+
+</p>
+<p>Met krommen rug, den stuurstang krampachtig in de handen geklemd, trapte Jan voort. Hij vond, dat het al prachtig ging. Ha,
+daar zag hij den lantaarnpaal al, dien hij had helpen verven. Dien paal moest hij ook zien te ontwijken, want hij was natuurlijk
+nog nat. Maar tot zijne verbazing en ook tot zijn schrik bemerkte hij, dat hij er alweer regelrecht op aanreed.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gek toch,&#8221; mompelde hij. &#8220;Zoo&#700;n fiets brengt je juist, waar je niet wezen wilt. Maar ik zal hem wel mis zien te rijden.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Hij naderde den lantaarnpaal meer en meer, hoewel hij alle moeite deed om de fiets eene andere richting te geven. Dat wilde
+hem echter niet gelukken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Pas op, die lantaarn daar!&#8221; schreeuwde hij in angst Karel toe.
+
+</p>
+<p>Maar Karel kwam enkele meters achter hem aan, want Jan had hard gereden, en hij was erg mo&ecirc; geworden. Karel verkeerde dus
+in de onmogelijkheid om zijn vriend te helpen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Grijp me dan toch!&#8221; schreeuwde Jan in grooten angst, <a id="d0e2146"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2146">102</a>]</span>want hij zag, dat hij regelrecht koers hield naar den pas geverfden paal. Op &#700;t volgende oogenblik schaafde zijn wiel er tegen
+aan, en om niet te vallen greep Jan, zonder er bij te denken, den paal met beide handen aan. O wee, hij voelde het kleven
+van de verf. Daarom liet hij den paal dadelijk weer los, maar merkte, dat hij ging vallen. Hij breidde daarom de armen uit
+en klemde den groenen paal teeder aan zijn borst. Zelfs zijn linker wang kwam er mede in aanraking.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat loopt best af!&#8221; riep Karel hem toe. Deze was hem spoedig genaderd, trok de fiets een beetje achteruit, en riep:
+
+</p>
+<p>&#8220;Vooruit maar weer, Jan. &#700;t Gaat opperbest. Nog tot jullie huis, en dan mag ik terug weer.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij wist niet, dat de paal geverfd was, en voordat Jan iets in &#700;t midden kon brengen, voelde deze zich alweer vooruit duwen.
+Met zijn geverfde handen greep hij de handvatten van het stuur, en voort ging het weer.
+
+</p>
+<p>En &#700;t ging weer goed ook. Jan trapte als een dolleman.
+
+</p>
+<p>&#8220;Straks zal ik de handvatten wel afvegen,&#8221; dacht hij. &#8220;Ik denk, dat mijn kleeren ook wel vol verf zullen zitten. Die akelige
+paal ook. Hoe kan de fiets er nu juist tegen aanrijden.&#8221;
+
+</p>
+<p>O, wat slingerde Jan langs den weg. Soms reed hij haast tegen een boom op, een oogenblik later scheelde het maar zus of zoo,
+of hij reed in het kanaal. Maar toch bleef hij op den weg. De menschen, die hij tegenkwam, maakten zich uit de voeten, en
+bleven hem dan lachend nakijken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Houd je roer recht, schipper!&#8221; riep de een hem toe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je lijkt wel dronken, jongen!&#8221; merkte een ander op.
+
+</p>
+<p>Jan lachte maar. Hij vond het verrukkelijk op de fiets, en had geen oogen voor iets anders. Hij keek niemand <a id="d0e2166"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2166">103</a>]</span>aan, en staarde maar recht voor zich uit op den weg.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jongen, jongen, wat gaat dat echt,&#8221; dacht Jan bij zichzelven. &#8220;Als mij nu maar weer niet iets in den weg komt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zwaaiende en zwierende fietste Jan verder.
+
+</p>
+<p>Toen hij even zijne oogleden ophief, om te kijken, of de weg vrij bleef, zag hij in de verte iemand naderen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wacht,&#8221; dacht hij, &#8220;nu zal ik toch eens zien, of ik hem niet kan passeeren, zonder tegen hem aan te bommen. Maar die akelige
+fietsen lijken wel altoos juist den verkeerden kant op te gaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Weer hief hij eventjes de oogleden op.
+
+</p>
+<p>De man was al een heel stukje naderbij gekomen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu zal het er op aankomen,&#8221; dacht Jan.
+
+</p>
+<p>Hij omklemde de handvatten van het stuur nog krampachtiger dan te voren en trapte wat hij kon. Voortdurend hield hij den man
+in het vizier, tot hij opeens tot zijn schrik zag, dat het Dries was, die van het schoorsteenvegen bij den molenaar terugkeerde.
+Wat was Dries veranderd, en niet in zijn voordeel, want hij zag zoo zwart als een neger en zijn kleeren zaten vol roet.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hu, wat een roetmop,&#8221; dacht Jan. &#8220;Maar ik zal hem wel misrijden,&#8212;wacht maar. Ik begin het sturen al aardig te leeren.&#8212;Hola,
+wat een zwier maakte ik daar!&#8212;O j&eacute;, het kanaal,&#8212;daar ga ik!&#8221;
+
+</p>
+<p>Maar neen, met inspanning van al zijn krachten wierp hij het stuur om, en het gevaar was geweken. Jantje reed verder.
+
+</p>
+<p>Dries stond midden op den weg lachend naar hem te kijken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wil je een nat pak halen, Jan?&#8221; riep hij hem plagend toe. &#8220;Aanstonds ga je kopje-onder het kanaal in.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uit den weg! Ga uit den weg!&#8221; schreeuwde Jan, die tot zijn schrik bemerkte, dat hij regelrecht op Dries aanhield.
+<a id="d0e2194"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2194">104</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Berg je, menschen, berg je!&#8221; spotte Dries. Maar hij ging toch een beetje op zijde, om Jan te laten passeeren.
+
+</p>
+<p>&#700;t Hielp echter niet.
+
+</p>
+<p>Nauwelijks was Dries van plaats veranderd, of Jan merkte, dat de fiets daar rekening me&ecirc; hield en weer regelrecht koers hield
+naar Dries.
+
+</p>
+<p>&#8220;Op zij! Op zij!&#8221; schreeuwde Jan.
+
+</p>
+<p>Maar op &#700;t volgende oogenblik bonsde hij tegen Dries aan. Jan sloeg hem in de verwarring de armen om den hals, en klemde zich
+krampachtig aan den zwarten schoorsteenveger vast. Zij wang kwam tegen de wang van Dries terecht, die dadelijk iets kleverigs
+voelde. Dat was de verf van den lantaarnpaal, die Jan op zijn gezicht had.
+
+</p>
+<p>O, wat lachte Dries.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, wel, houd je zooveel van me, dat je me omarmen wilt?&#8221; vroeg hij. &#8220;Dan zal ik je wel een handje helpen.&#8221;
+
+</p>
+<p>En hij wreef met zijn zwarte gezicht tegen de wangen van Jan, precies als eene moeder doet, die haar kindje knuffelt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar dan! Is het zoo goed?&#8221; vroeg Dries, die schaterlachte van de pret.
+
+</p>
+<p>De fiets was op den grond gevallen, en Jan hing nog aan den hals van zijn plaaggeest.
+
+</p>
+<p>Karel trok de fiets weg en Jan liet zich op de grond zakken. Maar wat zag hij er uit. Hij was zoo zwart als een moriaan, en
+&#700;t leek wel, of hij al de schoorsteenen van het dorp had geveegd.
+
+</p>
+<p>Hij werd braaf uitgelachen, en ging zoo spoedig mogelijk naar huis om zich te wasschen.
+
+</p>
+<p>En zijn vader plaagde hem ook niet zoo&#700;n beetje.
+
+
+
+<a id="d0e2221"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2221">105</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="d0e2222" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Tiende Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>Hoe Flipsen zocht.</p>
+</div>
+<p>Frans Thor en Klaas Zwart hadden zich van lieverlede zeer nauw bij elkander aangesloten, en waren boezemvrienden geworden.
+Eindelijk waren zij samen een handeltje begonnen. Steeds kon men hen in elkanders gezelschap vinden met een mand tusschen
+hen in, of ieder met een zak op den arm of over den schouder. Dan trokken zij er op uit om vodden en beenen te zoeken, die
+langs de wegkanten, bij huizen en schuren, of in weilanden en boschjes verspreid lagen. En &#700;t was inderdaad niet weinig, wat
+zij vonden. Elken avond keerden zij met een goed gevulden zak huiswaarts, en als de voorraad groot genoeg was, verkochten
+zij dien aan den pottenschipper.
+
+</p>
+<p>De pottenschipper was een man, die eenzaam in een zolderschuit leefde. Hij had vrouw noch kind op de wereld, en ging met niemand
+om. De menschen hielden ook niet veel van hem, want het was bekend, dat hij geen gunstig verleden achter zich had. En in elk
+geval had hij een zeer ongunstig uiterlijk. Hij leefde van zijn handel in potten en pannen, en ook kocht hij vodden en beenen
+op.
+
+</p>
+<p>Alles, wat Klaas Zwart en Frans Thor vonden, brachten zij bij den pottenschipper, zooals hij algemeen werd genoemd. En zij
+ontvingen er menig centje voor. Soms verkochten zij wel voor dertig &agrave; vijftig centen in eene week, en al dat geld versnoepten
+zij. Of zij kochten er sigaren voor, en rookten die op.
+
+</p>
+<p>Maar langzamerhand begon hun vondst kleiner te worden, want ze hadden het geheele dorp al meermalen afgezocht. En eindelijk
+raakte de voorraad uitgeput.
+<a id="d0e2236"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2236">106</a>]</span></p>
+<p>Dat merkte de pottenschipper, en hij zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat hebben jullie een beetje, jongens. Ik geef voor dit zoodje niet meer dan vijf centen. Je bent een paar groote domkoppen,
+dat moet ik zeggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Domkoppen?&#8221; vroeg Frans. &#8220;Wij kunnen er toch niets aan doen, dat we maar zoo weinig hebben? &#700;t Heele dorp hebben we al meermalen
+afgezocht, en er is eenvoudig niet meer. Ik zie niet in, dat wij daarom domkoppen moeten zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; zei Klaas Zwart, &#8220;ik ook niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>De pottenschipper lachte slim.
+
+</p>
+<p>&#8220;Toch is het zoo,&#8221; zei hij. &#8220;Toen ik nog een jongen was, wist ik altijd wel aan een zakduitje te komen. Vond ik geen vodden
+en beenen, dan wist ik wel wat anders te bemachtigen. Ha, ha,&#8212;als je maar slim bent en zorgt, dat de menschen &#700;t niet zien.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Frans en Klaas keken hem vragend aan.
+
+</p>
+<p>De pottenschipper legde zijn wijsvinger tegen den neus, en knipoogde tegen de jongens.
+
+</p>
+<p>&#8220;Och wat,&#8221; zei hij, &#8220;als je &#700;t slim weet te overleggen, is er nog genoeg te vinden. Je behoeft me juist geen vodden te brengen,
+jongens. Ik kan wel hemden, broeken, borstrokken en andere kleedingstukken ook gebruiken. Er zijn menschen genoeg, die hun
+wasch den geheelen nacht buiten laten liggen.&#8212;Ha, ha, ik zeg, als je maar slim bent en er voor zorgt, dat de menschen je niet
+zien...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar dat is stelen,&#8221; zei Klaas Zwart.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei Frans, &#8220;dat is stelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De pottenschipper richtte zich op.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zooals ik zeg, jongens, ik geef voor dit zoodje niet meer dan vijf centen. &#700;t Is maar een rommeltje. Voor goede kleedingstukken,
+die nog gedragen kunnen worden, geef ik natuurlijk heel wat meer, en voor ijzer, zink, lood en <a id="d0e2263"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2263">107</a>]</span>wat dies meer zij, wil ik je zelfs wel guldens betalen in plaats van centen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, maar dat hebben we niet,&#8221; zei Frans.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als je wilt, is er genoeg te vinden,&#8221; lachte de schipper weer. &#8220;Bij den smid, bij den loodgieter, bij den timmerman, overal
+is wel wat te snorren, als je maar goed uit je oogen kijkt en voorzichtig te werk gaat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar,&#8221; herhaalden de jongens, die eerst niet goed begrepen, wat de pottenschipper bedoelde, &#8220;dat is stelen...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zeg niet, dat je &#700;t stelen moet,&#8221; zei de schipper weer met een listig knipoogje, &#8220;je moet die dingen vinden, jongens,
+je moet ze eerlijk vinden. Alles wat je vindt, al is het ook nog zoo gek, wil ik wel van je opkoopen. Als je er maar eerlijk
+aankomt...&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens gingen heen.
+
+</p>
+<p>Maar na dien tijd vermisten de menschen op het dorp telkens kleinigheden. Van Dril raakte op voor hem onbegrijpelijke wijze
+een nijptang kwijt, de loodgieter een soldeerbout, de timmerman een hamer en een zaag, en vele huismoeders vermisten verschillende
+kleedingstukken. Van de een waren kousen zoek, van een ander een hemd, van een derde een nachtjapon, en zoo verder.
+
+</p>
+<p>Toch dacht men eerst niet aan diefstal. Van Dril vertelde het verlies van zijn nijptang niet aan anderen, om de eenvoudige
+reden, dat hij wel eens meer een of ander stuk gereedschap kwijtraakte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeker hier of daar laten liggen,&#8221; dacht hij. En spoedig was zijn verlies vergeten. De knechts gingen wel eens meer slordig
+met het gereedschap te werk, niet allen natuurlijk, maar enkelen. Op dezelfde wijze dachten ook de andere menschen er over,
+die het een of ander vermisten.
+
+</p>
+<p>Maar toen het winter werd en er lange, donkere avonden kwamen, verdwenen er op geheimzinnige wijze allerlei <a id="d0e2283"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2283">108</a>]</span>voorwerpen uit werkplaatsen en huizen, en &#700;t werd zoo erg, dat de menschen er onder elkander over spraken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Er wordt bepaald gestolen,&#8221; was de algemeene opinie. En menigeen sloot &#700;s avonds de deuren van huis en werkplaats zorgvuldiger
+dan vroeger. De ondervinding leerde, dat wat men &#700;s nachts buiten liet staan, den volgenden morgen gewoonlijk verdwenen was.
+En niemand kon er eenig vermoeden van krijgen, wie de dief was en waar de gestolen voorwerpen belandden.
+
+</p>
+<p>Van Dril pruttelde tegen zijn knechts, als er weer &#700;t een of ander spoorloos verdwenen was, maar dezen verklaarden, dat zij
+het vermiste voorwerp niet hadden laten slingeren. &#700;t Was op geheimzinnige wijze verdwenen.
+
+</p>
+<p>Eindelijk kwam een en ander den burgemeester ter oore, en hij liet Flipsen bij zich komen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg Flipsen, heb je ook gehoord, dat er den laatsten tijd op &#700;t dorp gestolen wordt? Telkens worden kleinigheden van meer
+of minder waarde vermist, en het waschgoed van de huismoeders ligt niet meer veilig op de bleek.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja burgemeester, ik heb er ook van gehoord,&#8221; zei Flipsen.
+
+</p>
+<p>&#8220;En heb je al eens hier en daar gesurveilleerd?&#8221; vroeg de burgemeester.
+
+</p>
+<p>&#8220;O ja, al meermalen, maar tot nog toe is het mij niet gelukt, den dader op &#700;t spoor te komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo, &#700;t is een gek geval. Ik begrijp ook niet, wie de dief zou kunnen zijn. Voor zoover ik weet, wonen er enkel knappe menschen
+op het dorp. Waar zouden die gestolen voorwerpen toch allemaal blijven?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik denk in de stad, burgemeester. Daar wonen wel menschen, die gestolen goederen opkoopen. Ik vermoed, dat zij in den nacht
+naar Amsterdam worden vervoerd...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zou ik eens een oog in &#700;t zeil houden, wie bij <a id="d0e2305"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2305">109</a>]</span>nacht of ontijd daarheen gaat, Flipsen. &#700;t Is best mogelijk, dat je gelijk hebt. In elk geval is het hoog tijd, dat de dief
+gesnapt wordt. De menschen dienen in &#700;t rustige bezit te kunnen blijven van &#700;t geen hun eigendom is. Zoolang ik hier burgemeester
+ben, is er van geen dieverij sprake geweest, en wij moeten het kwaad zoo spoedig mogelijk den kop indrukken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Flipsen sloeg op militaire wijze aan, en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal m&#700;n best doen, burgemeester. &#700;t Zal aan mij niet liggen, als de dief niet gesnapt wordt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is goed, en daar vertrouw ik ook op.&#8221;
+
+</p>
+<p>Met eene handbeweging gaf de burgemeester Flipsen zijn afscheid, en deze was vastbesloten zijn uiterste best te doen, om den
+dief te ontdekken. Maar dat het moeilijk zou gaan, stond bij hem vast.
+
+</p>
+<p>Den geheelen avond liep hij buiten het dorp te loeren, of ook iemand zich verwijderde in de richting van Amsterdam,&#8212;maar
+tevergeefs. Alles was en bleef rustig op het dorp. &#700;t Was dan ook een koude, gure avond, en de menschen bleven liever bij
+de warme kachel. Flipsen zag den geheelen avond geen levende ziel buiten, en hij liep te bibberen van de ko&ucirc;. &#700;t Was al haast
+elf uur geworden, en nog stond hij trouw op zijn post. Eindelijk hoorde hij in de verte iets naderen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wacht,&#8221; dacht hij, &#8220;nu zal het komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij verschool zich achter een boom.
+
+</p>
+<p>&#700;t Geluid kwam nader. Duidelijk hoorde hij, dat het een wagen was.
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is een hondenkar,&#8221; prevelde Flipsen. &#8220;Ik denk, dat ik den dief op het spoor ben. De gestolen voorwerpen worden zeker met
+een hondenkar naar Amsterdam gebracht.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Halt!&#8221; riep hij plotseling, want het voertuig was hem nu genaderd.
+<a id="d0e2327"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2327">110</a>]</span></p>
+<p>De man, die op de kar zat, schrok er niet weinig van, en sprong dadelijk van den wagen. Maar zijn stok hield hij opgeheven,
+want hij dacht niet anders, of hij had met een aanrander te doen.
+
+</p>
+<p>Flipsen sprong van achter zijn boom te voorschijn.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie ben je,&#8212;en waarheen ga je?&#8221; vroeg hij op bevelenden toon.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, Flipsen, ben jij het?&#8221; vroeg de man van de hondenkar. &#8220;Kerel, is me dat laten schrikken. Ik dacht waarlijk met...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Doet er niet toe, wat jij denkt,&#8221; viel Flipsen norsch in. &#8220;Ik vraag, wie je bent,&#8212;maar dat zie ik nu al,&#8212;en waar je heengaat.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, ik ben Dirk Kroeze, de slager, en ik ga naar Amsterdam. Daar steekt toch niets achter, zou ik zeggen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist, Kroeze, de slager. Wat heb je in dien wagen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Twee doode schapen, anders niet,&#8221; was het antwoord. &#8220;Ik ga ze naar Amsterdam brengen, waar ze met een dood schaap altijd
+wel raad weten. Nu er zoo&#700;n strenge keuring is op het vleesch, worden doode beesten altijd &#700;s nachts de stad ingevoerd. Vroeger
+gebeurde dat overdag. Zie je, dat is het eenige verschil...&#8221;
+
+</p>
+<p>Kroeze was een derderangs-slager. Hij kocht bij de boeren de doode beesten op, die andere slagers niet hebben wilden, en wist
+daarmede het brood te verdienen voor zich en zijn gezin. En de kroegbazen kregen er ook rijkelijk hun deel van, want Kroeze
+maakte veel misbruik van sterken drank. Hij was dikwijls dronken.
+
+</p>
+<p>Flipsen was den wagen genaderd en bekeek den inhoud.
+
+</p>
+<p>&#8220;Denk je soms, dat ik een dief ben?&#8221; vroeg Kroeze een beetje beleedigd. &#8220;Ik verdien op eerlijke manier mijn brood, man, en
+ik heb mijn vingers nog nooit uitgestoken <a id="d0e2350"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2350">111</a>]</span>naar een andermans goed. Of weet jij iemand te noemen, die iets op Kroeze te zeggen heeft?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; zei Flipsen. &#8220;Maar er wordt tegenwoordig gestolen op &#700;t dorp, en &#700;t is meer dan tijd, dat wij den dief vinden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ach zoo, is d&agrave;t de zaak?&#8221; zei Kroeze. &#8220;Dan is het goed, hoor, en kijk mijn wagen maar na. Je hebt gelijk, er wordt tegenwoordig
+meer gestolen, dan mij lief is. Verleden week ben ik mijn beste mes uit de slagerij kwijt geraakt, en nog een zwaren vleeschhaak
+op den koop toe. Ik heb m&#700;n hoofd gek gezocht om ze terug te vinden, maar jawel, ze zijn weg en ze blijven weg. En ik zal
+ze wel nooit terugzien, vrees ik.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat vrees ik ook,&#8221; zei Flipsen. &#8220;Je kunt wel verder gaan, Kroeze, ik heb er het mijne van gezien. Goeden avond.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ook goeden avond,&#8221; zei Kroeze. Hij duwde de kar voort, en riep:
+
+</p>
+<p>&#8220;Allo, honden, kssssss, kssssss! Vooruit zeg &#700;k! Allo!&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij sloeg met zijn stok tegen den wagen.
+
+</p>
+<p>De honden, die tijdens het onderzoek op den weg waren gaan liggen, richtten zich met tegenzin op, en trokken den wagen voort.
+Maar &#700;t ging Kroeze niet hard genoeg. Hij maakte veel lawaai met zijn stok, en riep:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ksssss! Ksssss! Allo, Allo! Vooruit honden. Kssssss!&#8221;
+
+</p>
+<p>Een oogenblik later sprong hij op den wagen, en weldra was hij in de duisternis verdwenen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat was mis!&#8221; mompelde Flipsen, huiverend van de koude. Hij trok den kraag van zijn jas en zijne schouders omhoog, en bleef
+geduldig wachten. Maar toen er na een uur nog niemand gekomen was, besloot hij naar huis te gaan.
+
+</p>
+<p>Den volgenden avond was hij echter weer op zijn post, want hij was iemand, die zijne plichten trouw nakwam. <a id="d0e2374"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2374">112</a>]</span>Als hij zich eenmaal voorgenomen had, dit of dat te doen, was hem geen moeite te veel, en stoorde hij zich aan koude noch
+warmte.
+
+</p>
+<p>Maar hoe hij zich ook inspande, het gelukte hem niet, den dief te snappen. Daarom besloot hij de wacht te houden op den weg,
+die naar Haarlem voerde. Avond aan avond verschool hij zich op eenigen afstand buiten het dorp, maar alweer tevergeefs. Hij
+vond van den dief geen spoor.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zal ik gedurende enkele avonden in het dorp zelf eens goed uitkijken. Wie weet betrap ik den dief dan niet op heeterdaad,&#8221;
+dacht hij.
+
+</p>
+<p>En zoo deed hij ook.
+
+</p>
+<p>Zoodra het donker geworden was en in de huizen overal de lichten opgestoken waren, verliet Flipsen zijn woning, om over de
+veiligheid van zijne medeburgers te waken. Eerst begaf hij zich naar verschillende werkplaatsen, van welke het hem bekend
+was, dat er al meermalen voorwerpen vermist waren. Hij vond ze echter alle zorgvuldig gesloten. De menschen waren, door de
+ondervinding geleerd, al voorzichtiger geworden.
+
+</p>
+<p>Eindelijk bemerkte hij, dat er achter het huis van de weduwe Butter eenig waschgoed op een bleekveldje lag.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wacht,&#8221; dacht hij. &#8220;Hier zal ik mij ergens verschuilen. Waschgoed is den laatsten tijd ook dikwijls ontvreemd.&#8221;
+
+</p>
+<p>Achter het schuurtje stond, naast het bleekveld, een groote ton, waarin het regenwater, dat van het schuurtje in de goot kwam,
+opgevangen werd. Achter die ton maakte Flipsen zich zoo klein mogelijk. Geduldig wachtte hij, of de dief komen zou.
+
+</p>
+<p>Dat gebeurde echter niet. Toen hij een half uur in zijne gebogen houding had doorgebracht, kon hij bijna niet blijven zitten
+van de pijn, die hij in zijne beenen kreeg. Voorzichtig richtte hij zich een weinigje op.
+<a id="d0e2392"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2392">113</a>]</span></p>
+<p>Alles bleef stil in den omtrek.
+
+</p>
+<p>Flipsen gaf echter den moed nog niet verloren.
+
+</p>
+<p>En waarlijk, eer er een tweede half uur voorbijgegaan was, hoorde hij eenig gerucht.
+
+</p>
+<p>Hij richtte zich op en keek over de ton.
+
+</p>
+<p>Ha, daar zag hij een gestalte, die haastig naar het bleekveld ging en vliegensvlug enkele kleedingstukken bij elkaar greep.
+
+
+</p>
+<p>Met een vluggen sprong kwam Flipsen op de gestalte af.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha, dief, daar heb ik je!&#8221; schreeuwde hij in de vreugde zijns harten, nu hij eindelijk in zijn pogingen geslaagd was.
+
+</p>
+<p>Een hevige gil was het antwoord. Flipsen hoorde, dat het een vrouwenstem was, hetgeen hem verwonderde.
+
+</p>
+<p>Met groote snelheid liep hij op de gestalte af, en greep haar bij den schouder. De onbekende sloeg de armen ten hemel en slaakte
+een tweeden, hartverscheurenden gil.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie ben jij?&#8221; beet Flipsen haar toe.
+
+</p>
+<p>Er kwam geen antwoord. De schrik verlamde als het ware haar tong.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoor je me niet? Wie ben jij?&#8221; herhaalde Flipsen.
+
+</p>
+<p>&#8220;O,&#8212;ik ben&#8212;ik ben Trijntje&#8212;de meid.&#8212;O, wat een schrik!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Trijntje&#8212;de meid?&#8221; vroeg Flipsen spijtig. &#8220;Ik dacht, dat jij de dief was. Waarom laat je dat waschgoed ook buiten liggen?&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik&#8212;de dief!&#8221; riep het meisje uit, half schreiende van schrik en half lachende van blijdschap, nu zij bemerkte, dat zij met
+geen spoken te doen had. Want Trijntje geloofde nog aan spoken. &#8220;Ja,&#8212;dat zei de juffrouw ook, dat ik het waschgoed niet mocht
+laten liggen, en daarom ging ik het nog maar gauw eventjes halen. H&egrave;&#8212;h&egrave;&#8212;ik beef over mijn heele lijf van den schrik...&#8221;
+<a id="d0e2423"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2423">114</a>]</span></p>
+<p>Flipsen ging zonder groeten heen. Het speet hem, dat hij zich ten tweeden male vergist had.
+
+</p>
+<p>Maar het meest speet het hem, dat hij den volgenden dag moest vernemen van den burgemeester, dat er bij den molenaar tien
+meelzakken gestolen waren en dat er bij Legels, een herbergier, een mandje met ledige flesschen verdwenen was. Flipsen begreep
+daaruit, dat hij in een geheel verkeerde richting had gezocht. Hij wist er, zooals men dat wel noemt, geen touw meer aan vast
+te knoopen, en hij verdiepte zich in gissingen, wie toch wel de brutale dief kon zijn. Het trok zijn opmerkzaamheid, dat het
+altijd kleinigheden waren, die gestolen werden, en dat er nooit sprake was van inbraak. Langzamerhand vestigde zich de overtuiging
+bij hem, dat de dief geen man, maar een jongen moest zijn. En hij besloot voortaan in die richting te zoeken.
+
+</p>
+<p>Jan Trom merkte op, dat Flipsen hem telkens onderzoekend aankeek, als hij hem tegenkwam. Eens, toen hij met zijn bokkenwagen
+bij Van Dril vandaan kwam, schoot plotseling Flipsen op hem af, en vroeg hem:
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar kom jij vandaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Van Van Dril,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo,&#8212;wat heb je daar gedaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Eventjes in de smederij gekeken,&#8221; was het antwoord.
+
+</p>
+<p>&#8220;Stap eens uit je wagen!&#8221; gebood Flipsen.
+
+</p>
+<p>Jan gehoorzaamde dadelijk, niet weinig verwonderd, wat dit alles wel te beduiden had.
+
+</p>
+<p>Flipsen doorsnuffelde het geheele karretje. Het bankje bestond uit een bak met een plankje er op als deksel. Flipsen lichtte
+dat plankje op en keek, wat er zich in den bak bevond. Maar hij zag niets verdachts.
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is goed,&#8221; zeide hij. &#8220;Je kunt wel weer gaan.&#8221; En Jan ging.
+<a id="d0e2446"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2446">115</a>]</span></p>
+<p>Dienzelfden middag kwam Flipsen Frans Thor en Klaas Zwart tegen. Hij zag ze uit het schoolboschje komen. De school werd door
+drie boschjes elzenhout omringd, die te zamen altoos het schoolbosch werden genoemd. Tusschen die boschjes in lagen vrije
+strooken gronds, die tot speelplaats dienden.
+
+</p>
+<p>Frans en Klaas droegen een mand tusschen zich in. Elk hield een oor vast.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar is Flipsen,&#8221; zei Klaas Zwart. Hij voelde zich nooit bizonder op zijn gemak, als hij den politiedienaar zag. Geen wonder
+trouwens, want hij en zijn makker hadden al menig diefstalletje op hun geweten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat zie ik,&#8221; zei Frans. &#8220;&#700;t Hindert niet; laat hem komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zoodra Flipsen deze jongens zag, schoot hem dadelijk de gedachte door het hoofd, dat zij wel eens de schuldigen konden zijn,
+want zij liepen altoos overal te &#8220;schuimen,&#8221; zooals Flipsen dat noemde. En &#700;t verwonderde hem, dat hij al niet eerder aan
+deze twee knapen had gedacht. Met groote schreden liep hij op hen af, en &#700;t scheen wel, of zijne scherpe oogen hen wilden
+doorboren.
+
+</p>
+<p>Klaas Zwart werd er bang van en keek een anderen kant op, wat Flipsen niet ontging.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar komen jullie vandaan?&#8221; vroeg hij barsch. Hij boog zich voorover en hield zijn blik stijf op Klaas Zwart gericht. Klaas
+werd er bleek van, en zijne stem hokte hem in de keel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Uit het boschje,&#8221; zei Frans, die niet zoo bang was als Klaas.
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat deed je daar?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij zoeken beenen en vodden,&#8221; gaf Frans ten antwoord. En hij hield de mand een weinig naar voren, om er Flipsen in te laten
+kijken. Deze wierp er een blik in <a id="d0e2467"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2467">116</a>]</span>en zag, dat er inderdaad enkele beenderen in lagen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vind-je die in het schoolboschje?&#8221; vroeg Flipsen verwonderd. &#8220;Hoe komen die daar dan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Misschien door de honden, die er daar aan kluiven, omdat het er een rustig plekje is,&#8221; zei Frans. &#8220;Wij vinden er daar maar
+zelden een. Eigenlijk is er op het geheele dorp bijna geen beentje meer te vinden, want wij hebben alles al meermalen afgezocht.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo,&#8221; zei Flipsen. &#8220;Ja, aan alles komt een einde. En aan wien verkoop je dien rommel?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Och,&#8221; zei Frans, &#8220;aan voddenkoopers...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En aan den pot...&#8221; zei Klaas. Maar Frans viel hem in de rede:
+
+</p>
+<p>&#8220;Aan voddenkoopers uit Haarlem, die hier wel met hondenwagens komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja,&#8221; zei Flipsen. &#8220;Houd jij je mond nu maar eens. Wat wou jij straks zeggen, Klaas Zwart? Aan den pot...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat heb ik niet gezegd,&#8221; loog Klaas. &#8220;U heeft me verkeerd verstaan. Ik zei: aan de vod.... Maar toen viel Frans mij in de
+rede.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist,&#8212;juist,&#8221; zei Flipsen met een onmerkbaar lachje om zijne lippen. &#8220;Nu jongens, zoekt maar goed. Er zal hier of daar nog
+wel wat te vinden zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij liet de jongens staan en ging naar huis. Maar hij lachte inwendig van pret, want hij twijfelde niet, of hij was thans
+de daders wel degelijk op het spoor.
+
+</p>
+<p>&#8220;De pottenschipper,&#8221; mompelde hij tusschen de tanden. &#8220;Ja, ja, die jongen verklapte het leelijk: de pottenschipper is de opkooper.
+Wacht maar, zij zullen mij niet ontsnappen...&#8221;
+
+</p>
+<p>Frans en Klaas gingen zwijgend verder. Het korte onderhoud met den veldwachter had hun eenigen schrik aangejaagd. Na een poosje
+zei Frans:
+<a id="d0e2493"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2493">117</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Stommerd!&#8212;Jij had de heele zaak daar bijna verklapt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei Klaas angstig. &#8220;Maar ik geloof niet, dat hij het verstaan heeft. Zou je denken, dat hij me verstond?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat weet ik niet,&#8221; zei Frans, &#8220;&#700;k Geloof haast van niet, maar toch moeten wij voorzichtig zijn. We dienen ons een poos althans
+rustig te houden. Ik vertrouw Flipsen niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ook niet,&#8221; zei Klaas met een zucht. &#8220;Als hij me maar niet verstaan heeft. <i>Pot</i> lijkt erg veel op <i>vod</i>. Zeg Frans, ik ga naar huis; ik heb geen zin meer in het zoeken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga dan,&#8221; zei Frans.
+
+</p>
+<p>Zoo scheidden de jongens.
+
+</p>
+<p>Flipsen lette na dien dag zorgvuldig op de zolderschuit van den pottenschipper. Hij twijfelde er niet aan, of den een of anderen
+dag zou het raadsel nu wel worden opgelost.
+
+</p>
+<p>Maar dagen en zelfs enkele weken gingen voorbij, en Flipsen bleef even wijs, als hij was. De pottenschipper leefde even eenzaam
+en verlaten in zijn schuit als altoos, en Frans en Klaas zag Flipsen er nooit heengaan.
+
+</p>
+<p>Doch,&#8212;en dit trok zijne opmerkzaamheid, er werd niet meer gestolen ook op het dorp. En dat was hem een troost.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e2518" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Elfde Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>De bestorming van het sneeuwkasteel, en eene heldendaad van Jan.</p>
+</div>
+<p>&#700;t Was in het begin van December. De winter was vroeg ingevallen, en het vroor, dat het kraakte. Eerst had het geducht gesneeuwd,
+tot groot vermaak van Jan Trom en <a id="d0e2526"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2526">118</a>]</span>zijne makkers. Ha, wat hadden zij gesneeuwbald! De kogels vlogen de jongens om de ooren. Toen hadden zij bedacht op het marktplein
+een fort op te werpen. Dat was een heel werk voor hen, want zij waren maar niet tevreden met een opgeworpen hoogte van sneeuw,
+neen, zij wilden een mooi fort hebben met schuin afloopende kanten, met torens op de hoeken en kanteelen daartusschen. &#700;t
+Leek, toen het klaar was, veel meer op een kasteel dan op een fort. De jongens vonden het prachtig, en zij werkten er aan
+met een ijver en toewijding, zooals die alleen bij jongens gevonden kan worden.
+
+</p>
+<p>Eindelijk was het kasteel klaar, en nu besloten zij, zich in twee gelijke troepen te verdeelen. De eene helft zou het kasteel
+aanvallen, de andere zou het verdedigen.
+
+</p>
+<p>Aan de twee vrienden Jan Trom en Karel van Dril viel eene groote onderscheiding ten deel. Jan Trom werd namelijk verkozen
+tot bevelhebber van het sneeuwslot, en Karel tot aanvoerder van de vijanden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Eventjes wachten, jongens!&#8221; riep Jan zijn makkers toe. &#8220;We moeten twee vlaggen hebben, voor elke troep &eacute;&eacute;n.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, best!&#8221; zei Karel. &#8220;Maar weet je, wat het ergste is? Alle vlaggen zijn rood, wit en blauw, en &#700;t is niet aardig, als onze
+vlaggen hetzelfde zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, daar weet ik wel raad op. &#700;t Kasteel is een Hollandsch slot, dus daar zetten we de nationale vlag op, dat spreekt vanzelf.
+Als jij nu je vlag onderst-boven aan den stok bindt, lijkt hij heel veel op de Duitsche vlag. Jullie stelt dan het Duitsche
+leger voor, dat een inval doet op Hollandsch grondgebied. Zeg jongens, dat kan leuk worden, zou ik meenen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit voorstel vond algemeen goedkeuring, en Jan en Karel haastten zich naar huis, om eene vlag te halen. Binnen tien minuten
+waren zij terug. De Hollandsche vlag <a id="d0e2540"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2540">119</a>]</span>werd op den hoogsten toren van het kasteel geplant, en Karel benoemde een van zijne soldaten tot vaandrig. Jan en zijne krijgers
+maakten een ontzaglijken voorraad sneeuwballen, die achter de kanteelen werden opgestapeld, maar ook de Duitsche veldheer
+maakte zich zijn tijd ten nutte. Eindelijk waren beide partijen slagvaardig.
+
+</p>
+<p>De Duitschers omringden het fort aan alle kanten, en wachtten op het sein om aan te vallen. Karel, als bevelhebber, ging
+met den vaandrig aan zijn zijde naar het fort, en riep de bezetting toe:
+
+</p>
+<p>&#8220;Hallo! Hei daar!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Werda!&#8221; antwoordde Jan Trom, wiens bovenlijf boven den gekanteelden muur verscheen. &#8220;Wat is er van uw begeeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In naam van mijn meester, den Keizer van Duitschland, eisch ik dit kasteel op,&#8221; was het antwoord van Karel. &#8220;Mijn soldaten
+omringen het van alle kanten, geef u dus goedschiks over, dan beloof ik vrijen uittocht aan de manschappen. Zoo niet, wacht
+u dan voor de gevolgen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die komen voor mijne verantwoording. Dit slot behoort aan Koningin Wilhelmina der Nederlanden, en zoolang ik leef, zal geen
+Duitscher het binnenkomen. Dat is mijn antwoord. Leve de Koningin!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Leve de Koningin!&#8221; juichten Jan&#700;s volgelingen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Leve de Keizer!&#8221; riep Karel van Dril, en zijn krijgers herhaalden:
+
+</p>
+<p>&#8220;Leve de Keizer!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan is het oorlog!&#8221; riep Karel zijn vriend Jan nog toe, terwijl hij zich met zijn vaandrig verwijderde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Oorlog op leven of dood!&#8221; schreeuwde Jan.
+
+</p>
+<p>Weldra vloog de eerste sneeuwbal over de muren van het kasteel, en de belegerden keken hem lachend na.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je moet beter mikken, mannetje!&#8221; riep Willem Kroeze, de zoon van den slager. &#8220;Op deze manier!&#8221;
+<a id="d0e2566"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2566">120</a>]</span></p>
+<p>En hij wierp den Duitschen bevelhebber heel netjes zijne pet van het hoofd, tot groot vermaak van de andere Hollanders.
+
+</p>
+<p>Maar toen kwam er een regen van kogels op het kasteel af. De Hollanders moesten zich zelfs achter de kanteelen verbergen,
+want de Duitschers ontzagen hen niet. Zij wierpen uit alle macht, en de ballen kwamen hard aan, als zij raakten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoera, zij worden bang!&#8221; riep Karel zijne mannen toe. &#8220;Allo, allo, beklimt de muren, en werpt den vijand naar beneden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#700;t Werd een geweldige bestorming. Van alle kanten schoten de vijanden toe, en behendig klauterden zij tegen de hoogte op.
+
+
+</p>
+<p>Maar Jan zag het gevaar.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij wagen eene bestorming, jongens! Geeft ze de volle laag!&#8221; riep hij. Zijn bevel werd uitgevoerd, en de Duitschers werden
+haast onder de sneeuw bedolven. Sommigen kregen oogen, mond en neus vol, zoodat zij hoestend en proestend het hazenpad moesten
+kiezen, en anderen kregen een flinken voorraad tusschen den kraag van hun jas, zoodat het water hun over den rug liep. Weldra
+was de storm met glans afgeslagen. De Duitschers trokken zich terug. De vaandrig liep zelfs wel wat erg hard voor &#700;t mooi.
+Hij viel met vaandel en al voorover in eene greppel, tot groot vermaak van de Hollanders.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het Duitsche vaandel valt!&#8221; riepen zij lachend. &#8220;Dat is een goed voorteeken. Hoera! Leve de Koningin!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk ze eens loopen!&#8221; riep Jan, wiens oogen schitterden van opgewondenheid. &#8220;Die storm is afgeslagen, jongens, en tot een
+tweeden zullen zij zoo spoedig wel niet overgaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat was ook zoo. Er werd zelfs geen bal meer gegooid. Karel hield met zijn makkers krijgsraad, want het was <a id="d0e2585"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2585">121</a>]</span>hem gebleken, dat het niet gemakkelijk zou gaan het fort te veroveren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat dunkt je, jongens,&#8221; zei hij, &#8220;als we met ons allen eens op &eacute;&eacute;n punt een z&oacute;&oacute; geweldig vuur openden, dat de kanteelen in
+puin vallen? Dan zijn de belegerden ongedekt en vinden nergens beschutting. Als we ze dan de volle laag geven, kunnen zij
+het onmogelijk uithouden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja, dat is goed. De kanteelen moeten we wegkogelen,&#8221; zei de vaandrig, &#8220;en dan wil ik wel eens zien, of ze &#700;t volhouden.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Afgesproken!&#8221; zei Karel. &#8220;Hierheen, jongens, aan dezen kant hebben we de sneeuw maar voor &#700;t grijpen. Zeg, weet je, wat we
+in ons voordeel hebben?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat dan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel,&#8212;wij kunnen zooveel sneeuwballen maken, als we willen, maar hun voorraad raakt eenmaal uitgeput. En dan kunnen zij niets
+meer beginnen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is waar, ha ja, dat is waar!&#8221; lachten de Duitschers.
+
+</p>
+<p>Op &#700;t volgende oogenblik openden zij een zoo geweldig bombardement op de kanteelen, dat deze het werkelijk kwaad te verantwoorden
+kregen. Hier en daar begonnen zij al spoedig af te brokkelen en in te storten, tot groote vreugde van de vijanden, die soms
+even ophielden om hunne vingers in den mond te steken,&#8212;want die werden erg koud,&#8212;en dan maakten zij tevens van de gelegenheid
+gebruik, om een oorverdoovend gejuich aan te heffen. Onder &#700;t sneeuwballen gunden zij zich daar den tijd niet toe.
+
+</p>
+<p>Inderdaad kreeg de bezetting het kwaad te verantwoorden.
+
+</p>
+<p>Maar Jan toonde zich iemand van groote veldheerstalenten. Hij zag niet alleen het gevaar, dat hem dreigde, maar hij doorzag
+ook de bedoeling van zijne vijanden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jongens,&#8221; riep hij zijne soldaten toe, &#8220;als we de <a id="d0e2607"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2607">122</a>]</span>kanteelen niet behouden, zijn we verloren. Neemt de schoppen en werpt op elke bres een nieuwen muur op. Maar slaat de sneeuw
+stevig in elkander, zoodat de kogels er geen vat op hebben. Weest echter voorzichtig, want als je een bal tegen je gezicht
+krijgt, dan ben je&#8212;zuur!&#8221;
+
+</p>
+<p>De soldaten lachten smakelijk om deze <span id="d0e2611" class="corr" title="Bron: laaste">laatste</span> uitdrukking, maar zij begrepen de bedoeling van hun aanvoerder toch zeer goed, en gingen dadelijk met ijver aan &#700;t werk.
+Een deel van hen wierp de bressen dicht, en zij zorgden er voor, dat de sneeuw goed in elkaar geslagen werd, zoodat zij een
+harde koek vormde,&#8212;een ander deel maakte nieuwe sneeuwballen, waarvoor zij het fort als het ware onder hunne voeten moesten
+afbreken, en de rest bekogelde den vijand.
+
+</p>
+<p>Al spoedig verstomde daar het gejuich, want &#700;t was duidelijk, dat de pogingen om de gekanteelde muren te vernietigen, schipbreuk
+zouden lijden. Zoodra was het den Duitschers niet gelukt een bres in den muur te schieten, of op &#700;t volgende oogenblik waren
+wel tien handen gereed om het gat weer te stoppen. De vijanden waren verder van de overwinning dan ooit, en zij werden er
+moedeloos onder. Hun ijver verflauwde, het bombardement werd minder hevig, en eindelijk trokken zij af om opnieuw krijgsraad
+te beleggen.
+
+</p>
+<p>Wat de Hollanders juichten!
+
+</p>
+<p>Zij zwaaiden met hunne mutsen, en riepen:
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoezee! Leve de Koningin! Hoezee!&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij waren echter wel blij, dat zij nu ook een poosje rust kregen, want de strijd was hevig geweest, en zij waren erg vermoeid.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik kan haast niet meer,&#8221; zei Willem Kroeze.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ook niet,&#8221; zuchtte Jacob Boors. &#8220;En wat zijn mijne vingers koud. Ze tintelen!&#8221;
+<a id="d0e2628"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2628">123</a>]</span></p>
+<p>Hij kreeg haast tranen in de oogen van de pijn, die ze hem deden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Steek ze een poosje in je mond, en blaas dan hard. Dan worden ze wel weer warm,&#8221; zei Jan Trom. &#8220;Zeg jongens, wat hebben we
+ons goed gehouden, h&egrave;? Als we oppassen, krijgen zij ons fort nooit. Kijk ze &#700;t eens druk hebben. Ze houden zeker weer krijgsraad.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat ze maar!&#8221; zei Tines Wobbe. &#8220;We zullen ze ontvangen, zooals het behoort. Weg met de Duitschers!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Weg met de Duitschers!&#8221; riepen ze allen, en weer zwaaiden ze met hunne hoofddeksels.
+
+</p>
+<p>&#8220;En leve de Koningin!&#8221; juichte Jan Trom.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja, leve de Koningin!&#8221; riepen allen.
+
+</p>
+<p>Na een paar minuten werd de krijg hervat. De vijanden waren tot het besluit gekomen, eene nieuwe bestorming te wagen. In gesloten
+rijen liepen zij op het fort toe, en opnieuw probeerden zij tegen den schuinen kant op te klauteren. Maar weer werden zij
+lang niet malsch ontvangen.
+
+</p>
+<p>Een hagelbui van sneeuwballen begroette hen, en de verdedigers wierpen schoppen vol losse sneeuw over hunne hoofden uit.
+
+</p>
+<p>Maar Karel wilde niet opnieuw wijken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Sterven of overwinnen!&#8221; riep hij zijne volgelingen toe, en hij klauterde moedig omhoog, zich niet storende aan de projectielen
+der belegerden.
+
+</p>
+<p>Zijne soldaten, aangevuurd door zijn geestdrift, volgden hem met mannenmoed. Ha, daar had Karel den gekanteelden muur bereikt,
+en reeds richtte hij zich op om victorie te roepen, toen Jan plotseling op hem toesprong, en hem pardoes achterover naar beneden
+wierp.
+
+</p>
+<p>&#8220;Weg met de Duitschers!&#8221; schreeuwde hij.
+
+</p>
+<p>Karel was veel gauwer beneden, dan hij boven gekomen was. Eerst keek hij een oogenblik beteuterd rond, maar toen <a id="d0e2655"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2655">124</a>]</span>hij zag, dat zijne soldaten voet bij stuk hielden, bestormde hij de vesting opnieuw. &#700;t Was een verwoede aanval, en de belegerden
+konden niet dan met de uiterste inspanning stand houden. Met ongebreidelde geestdrift drongen de Duitschers op hen in, maar
+de een na den ander werd van de borstwering afgeduwd en naar beneden geworpen. Daar werden zij haast onder de sneeuw bedolven,
+die hun bij schoppenvol nageworpen werd.
+
+</p>
+<p>Eindelijk deinsden de Duitschers af. Zij waren opnieuw afgeslagen. Maar het fort verkeerde in een deerniswaardigen toestand,
+want om zich te verdedigen waren de Hollanders genoodzaakt geweest, zich den grond onder de voeten weg te spitten. De torens
+helden dientengevolge sterk over naar den binnenkant van het slot, en dreigden elk oogenblik in te storten. Ook de muren geleken
+wel bouwvallen. Maar nog wapperde de Hollandsche vlag fier van den hoofdtoren. Jan was daar trotsch op, en hij prees zijne
+soldaten om den betoonden moed.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar mijne vingers vallen haast af van de kou!&#8221; zei Tines.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat doet er niet toe!&#8221; riep Jan hem toe. &#8220;Zoolang de vlag nog van den toren wappert, is er niets verloren, al hadden wij
+geen van allen meer een vinger over! Leve de Koningin!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Leve de Koningin, en weg met de Duitschers!&#8221; schreeuwden zij om het hardst.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is niet om uit te staan!&#8221; riep Karel zijne soldaten toe. &#8220;Komt jongens, opnieuw aangevallen, en niet gerust, voordat
+het fort ons is!&#8221;
+
+</p>
+<p>De vijanden bestormden den burcht opnieuw, en de aanval was zoo mogelijk nog verwoeder dan de vorige.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu of nooit!&#8221; schreeuwde Karel, die zich op en top krijgsman voelde.
+<a id="d0e2671"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2671">125</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Sterven of overwinnen!&#8221; antwoordde Jan Trom, en de jongens vochten van weerskanten als leeuwen.
+
+</p>
+<p>Eindelijk gelukte het Karel ten tweeden male op het fort te komen, vlak bij den hoofdtoren. Maar Jan en zijne soldaten wierpen
+zooveel sneeuw tegen zijn hoofd en schouders, dat hij zijn evenwicht verloor en tegen den toren viel. Deze was echter al zoo
+bouwvallig, dat hij den schok niet meer kon weerstaan en instortte. De vlag der Hollanders verdween van hare hooge standplaats.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;De toren stort in!&#8221; riep Willem Kroeze.
+
+</p>
+<p>&#8220;De vlag duikt!&#8221; schreeuwden de Duitschers.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoera! Hoera!&#8221;
+
+</p>
+<p>Karel lag te spartelen onder de sneeuw in het fort, want de toren had hem half bedolven. De Hollanders sprongen op hem aan
+en grepen hem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een gevangene! Een gevangene!&#8221; juichten zij. &#8220;De bevelhebber is gevangen! Weg met de Duitschers! Leve de Koningin!&#8221;
+
+</p>
+<p>De Duitschers, ontsteld door het gevangennemen van hun Commandant, deinsden af, maar spoedig kwamen zij terug met het stellige
+voornemen, hun hoofdman te verlossen.
+
+</p>
+<p>Het kasteel was nu een puinhoop geworden. De torens waren ingestort, en van de gekanteelde muren was geen spoor meer overgebleven.
+De belegerden waren thans geheel ongedekt aan het vuur der vijanden blootgesteld, en het maken van nieuwe sneeuwballen, of
+zooals zij zeiden het gieten van nieuwe kogels was hun zoo goed als onmogelijk geworden, omdat de sneeuw, waarop zij stonden,
+door de soldaten als het ware tot een harden koek was vastgestampt. Met hunne schoppen moesten zij de sneeuw omspitten om
+kogels te kunnen gieten.
+
+</p>
+<p>En toen kwam een nieuwe storm. De vijanden klauterden als katten tegen den muur op, en de belegerden hadden <a id="d0e2692"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2692">126</a>]</span>geen middelen meer om hen te keeren. Zij vochten nog wel als leeuwen en wierpen menigen Duitscher naar beneden, maar tevergeefs.
+Het fort was verloren. Voor en na verschenen de vijanden op de hoogte, en eindelijk moest Jan zich overgeven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoera! Hoera!&#8221; riepen Karel en zijn mannen. &#8220;Het kasteel is ons! Leve de Keizer!&#8221;
+
+</p>
+<p>De Hollandsche vlag, waarvan de stok gewoon in de sneeuw gestoken was, daar de torens totaal verdwenen waren, werd omvergeworpen,
+en de vijandelijke vlag kwam er voor in de plaats.
+
+</p>
+<p>&#8220;Leve de Keizer!&#8221; juichten de Duitschers, en zij zwaaiden met hunne mutsen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed, goed!&#8221; zei Jan. &#8220;Maar wat heb je nu? Wat is er van het kasteel overgeschoten? Een puinhoop, meer niet. Veel pleizier
+er mede.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja, dat is waar!&#8221; zei Karel. &#8220;Jelui hebt je kolossaal goed gehouden, dat moet ik zeggen.&#8212;H&egrave;, h&egrave;, jongens, dat was een
+mooi spelletje!&#8212;&#700;t Is nu tijd om naar huis te gaan. Doen we het morgen weer?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja!&#8221; werd er van alle kanten geroepen. &#8220;Dat is afgesproken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zingende verlieten vriend en vijand het marktplein, om naar huis te gaan. Zij hadden heerlijk gespeeld en dachten er nog lang
+daarna met pleizier aan. Zij waren vast besloten, den volgenden dag een nieuw kasteel te bouwen en den strijd te hervatten.
+
+
+</p>
+<p>Maar den volgenden morgen merkten zij al dadelijk, dat het niet kon. &#700;t Had namelijk dien nacht verbazend hard gevroren, en
+&#700;t was daardoor onmogelijk geworden sneeuwballen te maken. De sneeuw wilde niet pakken. Zij vonden dat wel erg jammer, maar
+daarentegen verheugden zij er zich weer in, dat het zoo hard gevroren had, en <a id="d0e2710"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2710">127</a>]</span>zij hoopten, dat het ijs spoedig sterk zou worden. De twee kanalen, die in het hart van het dorp elkander kruisten, lagen
+al dicht. De jongens wierpen er steentjes op, om te zien, of zij er doorheen konden gooien, maar dat konden zij niet. Alleen
+klinkers gingen er ongeveer voor de helft doorheen.
+
+</p>
+<p>Zij vermaakten zich nu met glijbanen te maken en daar in lange risten overheen te glijden. De grond werd hier en daar spiegelglad.
+Opeens bedachten zij, dat het nu prachtig zou glijden langs de helling buiten het dorp, bij het fort, waar Jan met zijn automobile
+den veldwachter bij ongeluk van de been gereden had. En nauwelijks hadden zij dat bedacht, of zij snelden er heen. Ha ja,
+ze hadden zich niet bedrogen. De helling was er prachtig voor geschikt, en er lag dik sneeuw. Spoedig was het er zoo glad,
+dat men er haast niet op de beenen kon blijven staan, en als de jongens eenmaal op de helling waren, m&ograve;&egrave;sten zij verder, of
+zij wilden of niet. Zij vonden het meer dan verrukkelijk, en wisten van geen ophouden. &#700;t Was een koddig gezicht, als een
+van hen het ongeluk had te vallen. Dan buitelden allen, die achter hem kwamen aanglijden, hals over kop over hem heen, en
+werd het een levende berg van jongens.
+
+</p>
+<p>Menigeen riep dan au, au! en sommigen kwamen erg in de verdrukking, maar daarom werd niet getreurd. Een volgend oogenblik
+gleed de geheele rij weer met statie verder, en &#700;t ging vliegensvlug.
+
+</p>
+<p>&#700;t Was al laat, eer de jongens thuiskwamen, en voordat zij de deur instapten, wierpen zij eerst nog een blik op het hemelgewelf
+om te zien, of de lucht naar vorst stond. En dat deed ze gelukkig. De sterretjes fonkelden aan den hemel, en er was geen wolkje
+aan te zien.
+
+</p>
+<p>Dien nacht vroor het kolossaal! Toen Jan &#700;s morgens <a id="d0e2720"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2720">128</a>]</span>zijn neus buiten de bedgordijnen stak, zag hij al dadelijk, dat de bloemen dik op de ruiten stonden.
+
+</p>
+<p>&#8220;De pomp is bevroren!&#8221; riep zijn vader van uit de keuken. &#8220;Jongen, jongen, wat een vorst. &#700;t Is buitengewoon! Zeg Jan, nog
+&eacute;&eacute;n nachtje zoo, en we kunnen schaatsenrijden. Dan is het kanaal sterk genoeg. Maar vandaag nog voorzichtig wezen, hoor, &#700;t
+kan nog niet vertrouwd zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja Vader,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>Hij was van nature geen waaghals. Niet, dat hij bang was, in het geheel niet, maar hij vond het dwaasheid zijn leven roekeloos
+in gevaar te stellen. Toch waren er wel jongens, die zich al op het kanaal waagden. Voorzichtig, voetje voor voetje, liepen
+zij het ijs op, dat door een sterk gekraak waarschuwde om terug te gaan. De waaghalzen hoorden het wel, en als het heel erg
+kraakte, bleven zij even stilstaan, maar spoedig gingen zij weer verder. Tines Wobbe bereikte zelfs de overzijde van het kanaal,
+waar hij niet weinig trotsch op was.
+
+</p>
+<p>&#700;s Middags na schooltijd liep Jan met zijn vriend Karel van Dril het dorp in, en kwam bij de drie bruggen. Zij zagen, dat
+het water daar nog open lag. Dat was bijna altoos zoo in den winter. Alleen als het lang bleef vriezen, werd het daar ook
+sterk genoeg, om er over te loopen. Zij stonden er een poosje naar te kijken, toen plotseling hunne aandacht werd getrokken
+door Frans Thor, die een vuilen hond vervolgde. Hij wierp het beest met steenen. &#700;t Was een broodmager beest, dat er vreeselijk
+vervuild uitzag. De jongens herkenden dadelijk Fik in hem, den hond van den orgeldraaier Klaas Touw.
+
+</p>
+<p>&#8220;Houdt hem! Houdt hem!&#8221; riep Frans hun toe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een heldendaad van Frans,&#8221; zei Jan tot Karel. &#8220;Hij kan geen hond met rust laten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Houdt hem! Houdt hem!&#8221; riep Frans nog eens.
+<a id="d0e2736"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2736">129</a>]</span></p>
+<p>De hond was nu op het midden van de brug. Jan en Karel deden, of zij Frans niet hoorden. Maar juist kwam Klaas Zwart van den
+anderen kant de brug op.
+
+</p>
+<p>&#8220;Houd hem, Klaas!&#8221; riep Frans zijn vriend toe. &#8220;Jaag hem op!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8212;ja!&#8221; was het antwoord. En met zijn armen zwaaiende en onder een luid geschreeuw joeg hij het verhongerde beest terug.
+
+
+</p>
+<p>Spoedig kwam Fik nu Frans weer tegen, en deze joeg hem ook terug. De dierenkwellers hadden braaf schik in den angst van den
+hond, die, naarmate de jongens elkander naderden, meer in het nauw gedreven werd. Eindelijk wist het arme dier geen raad meer,
+en toen het probeerde om langs de beenen van Frans te ontsnappen, op gevaar af een schop van dien jongen te krijgen, gaf deze
+hem een duw, waardoor hij van de brug af in het water viel.
+
+</p>
+<p>Wat hadden Frans en Klaas een pret. En hoe vermaakten zij zich met de wanhopige pogingen van het dier om zich te redden.
+
+</p>
+<p>De lantaarnopsteker, die op zijn laddertje stond, om de lantaren schoon te maken en de peer van de lamp te vullen, was er
+verontwaardigd over, en hij riep de jongens toe, dat zij zich schamen moesten. Hij klom naar beneden en zag, hoe het beest
+tevergeefs poogde zich te redden.
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is meer dan schandelijk!&#8221; riep de man nog eens. &#8220;&#700;t Beest is onherroepelijk verloren. Wie zal het wagen, het te redden?
+Wie het doet, loopt groot gevaar om zelf te verdrinken. Zulke dierenbeulen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Ook Jan en Karel zagen met smart de pogingen van den armen hond, om zich te redden, &#700;t Was duidelijk, dat het beest verdrinken
+moest. Eene hevige verontwaardiging maakte zich van Jan meester, en ook Karel vond het eene schandelijke daad.
+<a id="d0e2753"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2753">130</a>]</span></p>
+<p>Fik zwom in het breede wak rond, nu hier, dan daar pogingen doende, om op het ijs te klimmen. Maar dit was te glad. Telkens
+gleden zijn pootjes uit en zakte hij in het water terug.
+
+</p>
+<p>Jan kon het niet langer aanzien.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mag ik dat laddertje gebruiken?&#8221; vroeg hij aan den lantaarnopsteker. Zonder antwoord af te wachten, lichtte hij de haken
+los, waarmede het aan den paal bevestigd was, en liep er mede naar den kanaalkant.
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet doen, Jan, niet doen!&#8221; riep Karel hem toe.
+
+</p>
+<p>Maar Jan antwoordde niet.
+
+</p>
+<p>&#8220;D&agrave;n zal ik je helpen!&#8221; hernam Karel, en hij voegde zich bij zijn vriend. Maar deze stond al op het ijs.
+
+</p>
+<p>&#8220;Blijf daar, Karel, ik ben lichter,&#8221; zei Jan kortaf.
+
+</p>
+<p>Hij schoof het laddertje voor zich uit en naderde behoedzaam het wak. Al was Jan n&ograve;g zoo mager, en al woog zijn lichaampje
+n&ograve;g zoo licht, toch liet het ijs, dat bij de brug erg dun was, een dreigend gekraak hooren. Jan liet er zich echter niet door
+weerhouden. Bedaard ging hij verder, half steunende op het laddertje, dat hij met kleine stootjes voortduwde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Fik! Fik!&#8221; riep hij den hond toe.
+
+</p>
+<p>Het beest zag hem komen. Met verkleumde pooten zwom het in het ijskoude water. Het jankte van vreugde.... Bijna kon het zich
+niet meer bewegen. Het uiterste einde van het laddertje had het begin van het wak bereikt.
+
+</p>
+<p>Vele menschen verzamelden zich langs de brugleuning, en met angstige spanning volgden zij de bewegingen van den knaap. Ook
+Jan&#700;s vader was op de brug. Zijne oogen waren geen seconde van zijn dapperen jongen af. Ha, hoe verheugde hij zich over deze
+kranige daad van zijn kind. Hij was trotsch op hem!
+
+</p>
+<p>Jan keek op noch om. Al zijne gedachten waren op &eacute;&eacute;n <a id="d0e2778"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2778">131</a>]</span>punt gericht, namelijk, dat het zijn plicht was den armen hond te redden. Op handen en knie&euml;n kroop hij behoedzaam verder.
+
+
+</p>
+<p>Het ijs boog door. Er kwam water op. De ladder werd nat. Maar Jan keerde niet terug. Hij zag, dat de hond op &#700;t punt was van
+verdrinken.
+
+</p>
+<p>Nog een sport,&#8212;daarna nog een....
+
+</p>
+<p>Hij legde zich lang-uit op de ladder. Zijne kle&ecirc;ren werden nat. Toen strekte hij den arm uit, en met een krachtigen greep
+trok hij den hond uit het wak. Verkleumd bleef het dier liggen.
+
+</p>
+<p>Jan durfde zich niet omkeeren. Hij wist bijna zeker, dat het ijs dan breken zou. Zoo voorzichtig mogelijk kroop hij achteruit,
+langzaam&#8212;langzaam verder. Den hond trok hij me&ecirc;.
+
+</p>
+<p>Eindelijk had hij het achtereinde van het laddertje bereikt en moest hij op het ijs stappen. Maar daar was het niet zoo erg
+zwak meer. De hond kwam eenigszins tot zichzelven. Bevend op zijne pooten liep het dier naar den walkant. Daar hielp Karel
+het omhoog, tegen den walkant op. Eindelijk had ook Jan den oever bereikt....
+
+</p>
+<p>En op &#700;t zelfde oogenblik klonk een daverend handgeklap hem in de ooren. De menschen, die gezien hadden, welk heldenstuk hij
+had verricht, verbraken de stilte en juichten hem toe. Jan kreeg er een kleur van. En zijn vader drong door het volk heen
+en drukte hem in zijn armen. Hij had er zoowaar tranen van in de oogen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ben je erg nat?&#8221; vroeg Dik.
+
+</p>
+<p>&#8220;Haast niet, Vader,&#8221; zei Jan. &#8220;Ik ga met Karel den hond even thuisbrengen, want hij kan bijna niet loopen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed, goed,&#8221; zei Dik, &#8220;maar dan direct droog goed aantrekken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan en Karel vertrokken met den verkleumden hond, <a id="d0e2800"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2800">132</a>]</span>en de menschen vervolgden hun weg. Met lof werd over Jan gesproken. Iedereen had er den mond vol van. Maar de dierenbeulen
+Frans en Klaas waren stilletjes afgedropen.
+
+</p>
+<p>Het huisje van Klaas Touw, den orgeldraaier, stond een weinigje achteraf, aan een achterweg. De jongens hadden het spoedig
+bereikt. Zij deden de deur van het armoedig hutje open en traden binnen.
+
+</p>
+<p>Mietje zat bij de tafel. Zij zag er bleek en mager uit, en hare oogen keken de jongens droevig aan. De bedste&ecirc;deuren aan den
+achterkant van het kamertje stonden open, en de jongens zagen, dat Klaas Touw te bed lag. Hij was ziek.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hier is uw hond, Mietje,&#8221; zei Jan, die den hond in de kamer liet loopen. &#8220;We hebben hem uit het water gehaald. Hij lag in
+het wak bij de brug.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, <i>wij</i> niet, maar Jan heeft hem er uitgehaald,&#8221; zei Karel, die zijn vriend om diens heldendaad bewonderde. &#8220;Met levensgevaar heeft
+hij hem gered.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo,&#8212;arme Fik,&#8221; zei Mietje. &#8220;Was hij maar verdronken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom?&#8221; vroegen de jongens als uit &eacute;&eacute;n mond. Zij waren niet weinig verwonderd over die woorden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom? Wel, dan was hij meteen uit zijn lijden. Klaas is ziek, en hij zal wel zoo gauw niet beter wezen, zegt de dokter.
+We hebben zelf niet eens te eten, hoe zal ik dan voor den hond zorgen?&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens keken de vrouw zwijgend aan. En hun blik dwaalde door het armoedige vertrek en naar het bed van den zieke. Zij
+zagen ook, dat er geen vuur was in de oude kachel, en dat de bloemen dik op de ruiten stonden.
+
+</p>
+<p>&#8220;En uw orgel dan?&#8221; vroeg Jan na een poosje.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is weggehaald, omdat wij de huur ervan niet betalen konden,&#8221; zei Mietje, en zij kreeg de oogen vol tranen. &#8220;Wij lijden
+armo&ecirc;, jongens, erger dan ik het zeggen kan.&#8221;
+<a id="d0e2825"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2825">133</a>]</span></p>
+<p>De jongens wisten niet veel te zeggen, maar zij kregen diep medelijden met die arme menschen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Weet je wat, Mietje,&#8221; zei Jan. &#8220;Morgen is het ijs wel sterk. Ga dan met een tentje op het ijs staan, om melk en koek te verkoopen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Vrouw Touw lachte droevig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe moet ik aan melk komen?&#8221; zei ze met een zucht. &#8220;En aan chocolade en suiker en koek? Wie zal mij dat alles borgen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn vader wel,&#8221; zei Jan beslist. &#8220;Ik ga het hem vragen. Ga je mee, Karel?&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens liepen op een drafje naar huis. En toen Jan verteld had, hoe het met den orgeldraaier en diens vrouw gesteld was,
+zei Dik:
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeker wil ik helpen, jongen! Ga maar aan Mietje zeggen, dat ik haar alles wil voorschieten, wat zij noodig heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoera!&#8221; riep Jan. &#8220;Wat is u toch goed, Vader. En mogen ze een paar oude stoelen hebben, en wat palen en een paar banken?&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei Dik lachend, want het verheugde hem, dat Jan en Karel zich zoo druk maakten om een paar arme menschen te helpen,
+die in nood verkeerden. &#8220;Maar weet je, wat in de eerste plaats noodig is? De stakkers hebben niets in huis, zelfs geen brandstof
+om de kachel te stoken. Span je bok voor den wagen, en breng er dadelijk flink wat turven naar toe. Ik zal dan meteen een
+en ander uit den winkel inpakken, zoodat ze van avond wat te eten hebben ook.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja,&#8212;ik met den bokkenwagen, en Karel met de automobiel! Dat zal leuk wezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#700;t Was intusschen al donker geworden, en de sterretjes begonnen al weder aan het hemelgewelf te flonkeren.
+<a id="d0e2848"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2848">134</a>]</span></p>
+<p>Jan en Karel hadden het druk, want zij maakten van Dik&#700;s mildheid een ruim gebruik. De automobile werd volgestapeld met turven
+en kachelblokjes, en in het bakje van den bokkenwagen kwamen verscheidene zakjes met levensmiddelen. Dik wist wel, wat het
+meest noodig was.
+
+</p>
+<p>Toen de jongens wegreden, keken Dik en Anneke hen lachend na, en Dik herinnerde zich op dat oogenblik weer levendig, hoe hij
+zich als kind op een donkeren avond geheel alleen op weg begeven had, om aan de heks op den achterweg, die ook in nood verkeerde,
+levensmiddelen te brengen. En hij voelde zich gelukkig, dat hij zulk een goed kind had.
+
+</p>
+<p>In het hutje van de twee arme menschen heerschte dien avond groote blijdschap. Jan en Karel werden hartelijk door den orgeldraaier
+en diens vrouw bedankt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Morgen zullen we een tent voor u bouwen, Mietje,&#8221; zei Jan. &#8220;En Vader wil u al het noodige voorschieten, om alles te kunnen
+inslaan. Wacht maar, u zal eens zien, hoe &#700;n mooie tent wij zullen maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens keerden naar huis terug. De bok liep met opgetrokken pooten, want hij vond de bevroren sneeuw erg koud, en hij
+was er slecht over gestemd, dat hij zijn warm plaatsje bij den hit had moeten verlaten. Karel draaide lustig aan het wiel
+van de automobile. &#8220;Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf klonk het achter den bokkenwagen. De beide lantarens gaven een helder licht, en de
+jongens vonden het een prettig tochtje. Zij spraken af, den volgenden morgen vroeg op te staan en dan ijverig te gaan bouwen
+aan de tent. Met een prettig gevoel in hun borst keerden zij in huis terug. Zij voelden zich tevreden en gelukkig.
+
+
+
+<a id="d0e2859"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2859">135</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="d0e2860" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Twaalfde Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>Een goede daad, een vroolijke dag en een treurige morgen.</p>
+</div>
+<p>Wat was Jan Trom vroeg wakker. &#700;t Was nog maar kwart over zessen, toen hij uit zijn bed stapte. Zijn vader werd er wakker
+van, toen Jan de luiken opende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie is daar?&#8221; vroeg Dik.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik Vader,&#8221; zei Jan. &#8220;Weet u niet meer, dat we eene tent zouden bouwen voor Mietje van Klaas Touw. De bloemen staan weer dik
+op de ruiten. &#700;t Heeft bepaald erg hard gevroren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeker wel,&#8221; zei Dik.
+
+</p>
+<p>Jan was spoedig aangekleed. Hij opende de provisiekast en nam er een paar sneden brood uit, die hij gebruikte met een glas
+melk. Daarna verliet hij het huis, om zijn vriend te gaan wekken. Nauwelijks was hij vertrokken, of ook Dik stapte zijn bed
+uit. Hij was bang, dat het bouwen van een ijstent de krachten der jongens te boven zou gaan, en daarom wilde hij gereed zijn
+om zoo noodig een handje te kunnen helpen.
+
+</p>
+<p>Karel van Dril was al op, toen Jan hem kwam roepen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is het koud, h&egrave;?&#8221; zei Karel huiverend.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, erg koud,&#8221; zei Jan. &#8220;Maar wij zullen ons wel warm werken. Om negen uur moet de tent klaar zijn, want dan gaat de school
+aan en moeten wij binnen zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei Karel. &#8220;Ik ben klaar, Jan. Zullen we gaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed.&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens gingen naar buiten. Lange, dunne palen namen zij op de schouders en droegen die naar het ijs. Het kanaal was dicht
+bij hun huis. Zij hadden den weg maar over te steken om het te bereiken. Een goed plaatsje <a id="d0e2888"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2888">136</a>]</span>was spoedig gevonden. Zij besloten de tent te bouwen vlak voor den winkel van Dik Trom. Een paar malen liepen zij heen en
+weer om alles te halen, wat zij noodig hadden.
+
+</p>
+<p>Daarna gingen zij aan het werk.
+
+</p>
+<p>Eerst moesten er met een bijl gaten in het ijs worden gemaakt. Jan begon te hakken. O, wat was het ijs hard. De splinters
+spatten hem bij elken hak om de ooren, en rinkelend vlogen zij een eind ver over de gladde ijsvlakte.
+
+</p>
+<p>&#700;t Was een zwaar werkje. Al spoedig had Jan geen last meer van de ko&ucirc;, en hij merkte, dat het niet gemakkelijk zou gaan, een
+gat in het ijs te hakken. Hij zuchtte zoo hard, dat Karel er om lachen moest.
+
+</p>
+<p>&#8220;Toe maar, hak maar raak,&#8221; zei hij. &#8220;Ik zal wel voor je zuchten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan begon te wanhopen, of hij er wel mee klaar zou komen. Maar eindelijk toch zakte zijn bijl door het ijs. Het water drong
+er doorheen. Nog een paar slagen, en het schotsje was los. Met de bijl wipte hij het stuk ijs omhoog.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zie zoo, dat is er &eacute;&eacute;n,&#8221; zei hij. &#8220;Nu den paal er in.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Doe jij dat maar, dan zal ik intusschen het tweede gat hakken,&#8221; zei Karel. Hij nam de bijl, en trok aan &#700;t werk. Op dit oogenblik
+kwam Dik Trom aanstappen. Hij kwam eens kijken, of de jongens het klaar zouden spelen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gaat het goed?&#8221; vroeg hij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Best, Vader,&#8221; zei Jan. &#8220;O, maar wat is dat ijs hard. Ik kan er bijna niet doorheen slaan met de bijl.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat dacht ik wel. Daarom kwam ik juist even kijken. Maar ik zie wel, dat mijn hulp niet noodig is. Hoeveel palen moeten
+er in?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij dachten van zeven,&#8221; zei Karel. &#8220;&#700;t Zou met minder kunnen, maar als het dan wat hard gaat waaien, is de tent niet sterk
+genoeg.&#8221;
+<a id="d0e2912"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2912">137</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Je hebt gelijk,&#8221; zei Dik. &#8220;Wel, wel, wat is dat ijs gl....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Glad,&#8221; wilde hij zeggen, maar zoover kwam hij niet, want plotseling gleden zijne beenen onder hem weg, en viel de dikke Dik
+met een geweldigen bom op het ijs. Het ging zoo snel en onverwachts, dat hij eerst niet wist, wat er gebeurde. Het ijs kraakte
+niet zoo&#700;n beetje, en er kwam een groote ster in.
+
+</p>
+<p>Gelukkig bezeerde Dik zich niet, en de jongens konden er dus naar hartelust om lachen. Doch zij gunden zich daar niet veel
+tijd toe, want zij moesten hard werken om op tijd klaar te komen. Om de beurt hakten zij een gat in het ijs, en toen Dik koud
+werd, hakte hij er ook een. De tent schoot flink op. Aan drie kanten werden er zeilen aan de palen bevestigd, en de vierde
+kant bleef natuurlijk open. Om acht uur waren zij met hun arbeid gereed. Toen repten zij zich naar huis, om een oude tafel,
+wat afgedankte stoelen en een paar banken te halen. Ook namen zij ieder eene vlag m&ecirc;e, en die werden aan de twee voorste palen
+bevestigd. Om half negen was de tent kant en klaar. Dik was al lang naar huis, want hij zag, dat de jongens zijne hulp best
+konden ontberen, en hij vond het een prettiger idee voor hen, dat zij de tent geheel alleen bouwden. Toen om half negen Mietje
+op het ijs verscheen, sloeg zij van verbazing de handen in elkaar, en zij was wat grootsch op de mooie tent, die de jongens
+voor haar hadden gemaakt. En alles was gereed. Zij had er om zoo te zeggen z&oacute;&oacute; maar in te stappen. Alleen moest zij nog melk
+koken en de noodige koeken bij den bakker bestellen. De arme ziel wist geen woorden te vinden, om de jongens te bedanken voor
+alles, wat zij voor haar en haar zieken man hadden gedaan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe is het met Klaas?&#8221; vroeg Jan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nog hetzelfde,&#8221; was het antwoord. &#8220;Hij ligt nu al vier <a id="d0e2923"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2923">138</a>]</span>weken te bed, en ik zie niet den minsten vooruitgang. Maar hoe zou dat ook kunnen? Wij zijn te arm, om de versterkende middelen
+te kunnen koopen, die zijn verzwakt lichaam noodig heeft, want hij is door en door verzwakt, zegt de dokter.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, wie weet, hoeveel u vandaag nog verdient,&#8221; zei Karel. &#8220;En hoe is het met Fik?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, die is weer geheel en al in orde. Hij houdt den baas gezelschap. Die moet natuurlijk den heelen middag alleen in huis
+blijven. Maar hij zal zich wel redden. Ik zal de tafel bij zijn bed schuiven en alles, wat hij noodig heeft, daarop klaar
+zetten. V&oacute;&oacute;r twee uur van middag behoef ik niet in de tent te staan, en om vijf uur kan ik wel al weer thuis zijn. Dan wordt
+het donker en gaan de schaatsenrijders naar huis. Dus langer dan een uur of drie, vier is hij niet aan zijn lot overgelaten.
+O jongens, wat redden jullie me heerlijk uit den nood; je weet niet, hoe dankbaar ik ben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is niet noodig, Mietje. We hopen, dat je vandaag nu maar flink geld verdient. Maar &#700;t wordt voor ons tijd om naar school
+te gaan. Vanmiddag zullen we wel vacantie krijgen, denk ik, nu het zulk mooi ijs is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is te hopen,&#8221; zei Karel. &#8220;H&egrave;, wat heb ik een zin om te gaan rijden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En ik!&#8212;Dag Mietje, tot vanmiddag!&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens gingen naar huis. Het gebruikte gereedschap namen zij mee, en eenige minuten later stapten zij de school binnen.
+Zij dachten dien morgen meer aan het mooie ijs, dan aan de lessen.
+
+</p>
+<p>Mietje was intusschen druk in de weer om alles voor den middag in gereedheid te brengen. Bij den bakker bestelde zij een groot
+getal ijskoeken, die ook wel dikke Pieten werden genoemd, eene lekkernij, waar de jongens <a id="d0e2939"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2939">139</a>]</span>verzot op waren, en die de meisjes ook wel lustten. Dik Trom had aan den bakker gezegd, dat hij voor de goede betaling borg
+stond. Ook gaf Dik de noodige chocolade en suiker, en mocht zij bij Wobbe op zijne rekening zooveel melk bestellen, als zij
+dacht noodig te hebben. Mietje vloeide over van dankbaarheid.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zorg nu,&#8221; zei Dik, &#8220;dat alles er netjes en zindelijk uitziet in je tent, en maak de kopjes telkens schoon, als er uit gedronken
+is. De menschen hebben een hekel aan vuile koppen en schotels.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dik wist wel, dat Mietje niet aan overdreven zindelijkheid leed.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar zal ik voor zorgen,&#8221; zei Mietje.
+
+</p>
+<p>Van een kastelein had zij de noodige koppen en schotels geleend. Zoo werd Mietje door de hulp van verschillende menschen,
+die medelijden met haar hadden, netjes ingespannen, en om &eacute;&eacute;n uur stond zij al in hare tent, gereed om de gasten te ontvangen.
+
+
+</p>
+<p>Jan en Karel hadden goed geraden. Dien middag kregen zij inderdaad vacantie. Dat gaf eene vreugde. Onder een luid gejoel verlieten
+de kinderen de school, om te gaan eten. Sommigen gunden zich daar haast den tijd niet eens toe, zoo verlangden zij om op &#700;t
+ijs te komen.
+
+</p>
+<p>Om een uur krioelde het al van jongens en meisjes op de baan, en Mietje kreeg het al aardig druk in hare tent. Jan en Karel
+waren er ook. Hun eerste gang was naar Mietje, want zij wilden graag de eersten zijn, die wat bij haar kochten. En Mietje
+zag er wat helder uit. Van Anneke had zij een grooten huishoudboezelaar gekregen, die hare armoedige plunje geheel bedekte.
+Ook de kopjes waren helder gewasschen, en &#700;t zag er gezellig bij haar uit. Jan en Karel zagen met genoegen, dat zij het verbazend
+druk kreeg. Dat was trouwens geen wonder, want zij was de <a id="d0e2953"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2953">140</a>]</span>eenige, wier tent geheel klaar was. Er waren er nog wel verscheidene in aanbouw, maar gereed was er nog maar een, en dat was
+de hare. Wat hadden de twee jongens er een pret in. Vroolijk zwierden zij op de baan heen en weer, want zij konden goed rijden,
+vooral Jan. Die kon al zwieren als de beste. Dat had hij van zijn vader geleerd die ook een groot liefhebber van het ijsvermaak
+was. En als zij een poosje gereden hadden, gingen zij uitrusten in de tent van Mietje, die er recht gelukkig en tevreden uitzag,
+want zij kon wel aan het bedienen blijven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dikke Pieten! Dikke Pieten!&#8221; riep Karel lachend zijne kameraden toe. &#8220;Steekt er eens op, en legt er eens aan! Lekkere, versche
+dikke Pieten! De mooiste ijskoeken van de wereld!&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens en meisjes lachten er om, en toen zij hoorden, dat Mietje het zoo erg arm had en dat haar man ziek was, en daarbij
+vernamen, dat Karel en Jan samen die mooie tent voor haar hadden gebouwd, kijk,&#8212;toen wilde iedereen ook een steentje bijdragen
+om den nood der arme menschen te lenigen, en wie wat koopen wilde, deed het daarom bij Mietje.
+
+</p>
+<p>Jan ging ook achter de tafel staan, en riep zoo hard hij kon:
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Heete melk en koude Jan,</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Steekt er eens op en legt er eens an!&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>De kinderen moesten er hartelijk om lachen, maar &#700;t gevolg was toch, dat de koeken als &#700;t ware wegvlogen, en dat Mietje telkens
+een nieuwen voorraad melk moest koken. Hare zaakjes gingen best, opperbest, en zij ontving zooveel geld, als zij in haar heele
+leven nog niet bij elkaar had gezien.
+
+</p>
+<p>Later op den middag kreeg zij het nog drukker. Toen kwamen de groote menschen op de baan. Ook Dik Trom <a id="d0e2970"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2970">141</a>]</span>stapte met zijn schaatsen onder den arm het ijs op. En even later verschenen de twee mannen, met wie hij al van zijne vroegste
+jeugd af trouwe vrienden was geweest, namelijk Piet van Dril, de smid, en Jan Vos, de metselaar. In de tent van Mietje bonden
+zij de schaatsen onder. Dik trakteerde eenige jongens, die dicht in de nabijheid stonden, op dikke Pieten, en even later zwierde
+het drietal lustig over de baan. Wat kreeg deze meer en meer een vroolijk aanzien. De andere tenten waren nu langzamerhand
+ook gereed gekomen, en de vlaggen wapperden vroolijk in den wind. En wat kwamen er een menschen op het ijs! &#700;t Werd er hoe
+langer hoe voller, en soms, als de menschen erg dicht op een hoop stonden, gaf het ijs een geweldigen krak, zoodat iedereen
+er van schrikte en men ijlings uit elkander stoof.
+
+</p>
+<p>De baanvegers hadden weinig te doen, want het ijs was spiegelglad. Des te meer tijd hadden zij om geld op te halen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een centje voor den baanveger!&#8221; klonk het hier. &#8220;Een centje voor den baanveger,&#8221; <span id="d0e2976" class="corr" title="Bron: klok">klonk</span> het daar. &#700;t Leek wel, of de baanvegers uit den bodem van het kanaal opstegen, zooveel kwamen er. Maar de schaatsenrijders
+genoten volop, en zij hadden een gulle bui. Dik Trom, wiens winkel thans verreweg de grootste was van het geheele dorp, zoodat
+hij veel geld verdiende en van nabij met den toestand der baanvegers bekend was, liet menig dubbeltje in de handen der baanvegers
+overgaan. Hij was niet gierig, en als hij wist, dat hier of daar armoede geleden werd, was hij altoos bereid om te helpen.
+Hij was dan ook verbazend bemind onder zijne dorpsgenooten. Iedereen had een vriendelijk woord voor hem over, en niemand passeerde
+hem zonder een groet.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dag Dik!&#8221; werd er overal geroepen, waar hij voorbij <a id="d0e2981"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2981">142</a>]</span>reed. &#8220;Dag Dik! Dat is nog eens een echt ouderwetsch dagje, h&egrave;?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#700;t Was vreemd, maar Dik werd op het dorp nog bijna door iedereen Dik genoemd. Zelden zeide men Trom tegen hem.
+
+</p>
+<p>Hij kon mooi schaatsenrijden, veel mooier, dan men van zoo&#700;n dikken man verwacht zou hebben. Als hij goed aan het zwieren
+was, had hij aan de breede baan niet genoeg, neen, dan gebruikte hij wel de halve breedte van het kanaal. En &#700;t was grappig
+om te zien, als Jan achter hem aanzwierde. Dik had altoos een ijsstok bij zich, met aan elk einde een knop. Soms hield Dik
+het eene einde onder den arm, en Jan het andere, en dan zwierden zij samen zoo kolossaal, dat de menschen bleven staan om
+er naar te kijken. En &#700;t was een grappig gezicht, dien dikken Dik en dien mageren Jan samen aan den stok te zien zwieren.
+Iedereen lachte er om, en Dik zelf ook.... Ha, wat was Jantje dan grootsch. Dan reed hij zoo prachtig beentje-over, dat Karel
+van Dril er jaloersch op was.
+
+</p>
+<p>Het drukste punt van de geheele ijsbaan was, waar de tent van Mietje stond. Karel en Jan zagen met onbeschrijflijk veel genoegen,
+dat hare tent nooit leeg was. Altijd zaten er menschen op de stoelen of banken, om uit te rusten, en iedereen gebruikte wat
+bij haar. De koek was om drie uur al uitverkocht, maar melk had zij in overvloed. Haar zak was zwaar van de centen, die zij
+ontvangen had, en steeds kwam er meer bij. Iedereen wilde haar helpen in den nood. Alleen de andere tenters waren er een beetje
+boos om, maar toch niet heel erg, want het was z&oacute;&oacute; druk op de baan, dat ook zij een heel goeden dag maakten.
+
+</p>
+<p>Frans Thor en Klaas Zwart waren ook aan het schaatsenrijden, maar de andere jongens ontweken hen zooveel mogelijk. Zij wilden
+&#700;t liefst niet met hen te maken hebben.
+<a id="d0e2991"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2991">143</a>]</span></p>
+<p>Eindelijk begon de schemering te vallen, en de drukte op het ijs verminderde gaandeweg. Vele boerenjongens en -meisjes moesten
+naar huis, om de koeien te melken en het vee te voederen, en langzamerhand zakten ook de anderen op huis af. Jan en Karel
+waren onder de laatsten, die vertrokken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kunnen we je helpen, om een en ander naar huis te brengen, Mietje?&#8221; vroegen zij. Want zij hadden zich nu eenmaal voorgenomen,
+Mietje zooveel zij konden terzijde te staan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, jongens, dank je vriendelijk,&#8221; was het antwoord. &#8220;De kopjes en schoteltjes doe ik in een sleetje en neem ik me&ecirc; naar
+huis. Maar den vuurpot en den ketel laat ik van nacht hier maar staan. Dat wordt anders maar heen- en weer sjouwen voor niemendal.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;En heb-je goede zaken gemaakt?&#8221; vroegen de jongens blij, want zij wisten wel, hoe het antwoord zou zijn.
+
+</p>
+<p>&#8220;Goede zaken?&#8221;&#8212;Of ik!&#8221; zei Mietje, en zij klopte met hare hand op den zak, die onder haar boezelaar hing. De jongens hoorden
+een rinkelend geluid.
+
+</p>
+<p>&#8220;Allemaal centen, Mietje!&#8221; plaagde Jan. &#8220;Dat beschiet niet veel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Allemaal centen?&#8221; herhaalde Mietje, terwijl zij een flinken greep in den zak deed, en den inhoud van hare hand op de tafel
+uitstortte. &#8220;Allemaal centen? Kijk eens, een dubbeltje, weer een, hier nog een, een kwartje, nog een kwartje, daar nog een
+dubbeltje,&#8212;neen, neen, als het nog een paar dagen mag blijven vriezen, ga ik den winter zonder zorg tegemoet.&#8212;En dat heb ik
+alles aan jelui te danken,&#8212;en aan je vader, Jan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij deed het geld weer in den zak, pakte alles wat meegenomen moest worden, in de slede, schoof de tafels en stoelen zooveel
+mogelijk in elkaar en ging naar huis.
+<a id="d0e3008"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3008">144</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Zeg aan je vader, dat ik vanavond met hem kom afrekenen,&#8221; zei ze nog tegen Jan. &#8220;Ik heb vandaag wel zooveel verdiend, dat
+ik mezelf verder redden kan. &#700;t Is een pak van m&#700;n hart, jongens.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan en Karel gingen recht vergenoegd naar huis. De lucht zag er wel naar uit, dat het weer geducht vriezen zou.
+
+</p>
+<p>&#700;s Avonds kwam Mietje inderdaad met Dik afrekenen en zij deelde hem mede, dat zij wel meer dan twintig gulden had verdiend.
+Dik was er recht blijde om, en hij gaf Jan een knipoogje, of hij zeggen wilde: &#8220;Zie je, Jan, dat is het werk van jou en je
+vriend. Je hebt eene goede daad gedaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Vol vreugde keerde Mietje naar haar hutje terug. Klaas en zijne vrouw hadden zich in langen tijd niet zoo gelukkig gevoeld.
+
+
+</p>
+<p>Helaas, de blijdschap van Mietje zou al spoedig in verdriet veranderen. Toen zij den volgenden morgen in de tent kwam, om
+alles voor den middag in orde te brengen, want het had weer sterk gevroren, bemerkte zij tot haar grooten schrik, dat de ijzeren
+pot, dien zij van Van Dril te leen had gekregen, en de mooie koperen ketel, dien De Vries, de kastelein, haar ten gebruike
+had afgestaan, verdwenen waren. Eerst meende zij nog, dat de andere tenters een grapje hadden willen hebben en een en ander
+hadden weggehaald, maar dat bleek niet zoo te zijn. Die menschen vermisten ook voorwerpen, die zij in de tenten hadden achtergelaten,
+en zij waren erg boos en terneergeslagen.
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is eene schande,&#8221; zei er een. &#8220;Ik dacht z&oacute;&oacute;, dat de diefstallen ten einde waren, en nu komen zij ons armoedje nog wegstelen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, &#700;t is eene schande,&#8221; zei een ander. &#8220;De politie doet hier ook niets. Maar ik ga naar den burgemeester <a id="d0e3023"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3023">145</a>]</span>om mij te beklagen. &#700;t Is verregaand, dat er niets meer veilig is op &#700;t dorp.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ga me&ecirc;,&#8221; riep een derde.
+
+</p>
+<p>&#8220;En ik! En ik,&#8221; zeiden de anderen.
+
+</p>
+<p>En te zamen verlieten zij het ijs, om naar den burgemeester te gaan en hem te zeggen, dat er verschillende voorwerpen uit
+de tenten ontvreemd waren.
+
+</p>
+<p>Mietje kreeg de tranen in de oogen. Al hare verdiensten waren weer weg, want zij moest de gestolen voorwerpen natuurlijk vergoeden,
+dat begreep zij zeer goed. Allereerst ging zij naar Van Dril, om hem te zeggen, wat er gebeurd was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is verregaand!&#8221; riep hij uit. &#8220;&#700;t Wordt hoog tijd, dat de dieven gesnapt worden, want z&oacute;&oacute; kan het niet langer. Maar jij,
+arme ziel, behoeft de schade niet te lijden. Hier staat nog een andere pot met toebehooren. Gebruik dien maar, doch laat hem
+&#700;s nachts niet meer op het ijs staan. Alles, wat je in de tent gebruikt, moet je vanavond opbergen. Anders heb je kans, dat
+morgen alles weer verdwenen is.&#8221;
+
+</p>
+<p>Mietje bedankte van Dril voor zijn goedheid, en begaf zich dadelijk naar de Vries. Maar deze was lang zoo vriendelijk niet
+als de smid. Hij werd zelfs onbillijk.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar heb je &#700;t al,&#8221; riep hij uit, toen Mietje hem het gebeurde had verteld. &#8220;Dan leen je aan zulk volk je beste spullen,
+en in plaats, dat zij er dankbaar voor zijn en er goed op passen, maken ze, dat je ze nooit terugziet. Maar je zult me den
+ketel betalen, wat ik je zeg! &#700;t Was een beste, koperen ketel, een zware koperen ketel, en ik laat hem maar niet goedschiks
+verdonkeremanen! Wie weet, wat je er m&ecirc;e uitgevoerd hebt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik? Er m&ecirc;e uitgevoerd?&#8221; zei Mietje schreiend. &#8220;Ach, wat heb ik er een spijt van, dat ik hem niet meegenomen <a id="d0e3041"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3041">146</a>]</span>heb naar huis, gisterenavond, maar de andere tenters lieten hun boeltje ook in de tent achter, net zoo goed als ik. Wie kon
+ook denken, dat de menschen zoo slecht zouden zijn, om ons armoedje weg te stelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Alles goed en wel, maar ik moet den ketel terughebben, of je zult mij de schade vergoeden. Met minder dan vijf gulden ben
+ik niet tevreden. &#700;t Was een dure ketel, en nog zoo goed als nieuw!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vijf gulden?&#8221; stamelde Mietje verschrikt. &#8220;Vijf gulden, zegt u?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, vijf gulden minstens,&#8221; was het antwoord. &#8220;Koper is duur.&#8221;
+
+</p>
+<p>Verdrietig keerde Mietje naar de tent terug. Zij wist geen raad om zich te helpen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie zal mij weer een ketel leenen?&#8221; vroeg zij droevig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal ik doen,&#8221; zei Anneke. &#8220;Je kunt mijn ketel gebruiken, Mietje, als je er maar voor zorgt, dat hij elken avond bij mij
+binnengebracht wordt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, dat zal ik zeker,&#8221; zei Mietje. &#8220;Een ezel zelfs stoot zich geen tweemaal aan denzelfden steen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#700;t Ging als een loopend vuurtje door het dorp, dat de dief weer aan den gang was geweest. En de burgemeester vond, dat er
+hoog noodig een einde aan moest komen. Zoodra hij het gebeurde vernomen had, liet hij dadelijk Flipsen bij zich ontbieden.
+Deze kwam direct, en onderweg vernam hij al, wat er aan de hand was. Maar de burgemeester vertelde het hem nog eens dunnetjes
+over. Flipsen hoorde hem zwijgend aan; er speelde een bijna onmerkbaar glimlachje om zijne lippen. Hij meende te weten, waar
+hij thans zoeken moest.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je moet bij de tenters eerst gaan onderzoeken, welke voorwerpen door hen worden vermist, en dan zoek je maar net zoo lang,
+tot je den dief gevonden hebt,&#8221; besloot de burgemeester.
+<a id="d0e3061"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3061">147</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Laat het maar aan mij over, burgemeester,&#8221; zei Flipsen met een hooge borst. &#8220;Ik zal het zaakje wel afwikkelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij stapte op het ijs, en begaf zich met een zakboekje in de linker en een potlood in de rechterhand van de eene tent naar
+de andere, en overal vroeg hij, welke voorwerpen gestolen waren. Het bleek hem, dat alle tenters hun ijzeren pot en grooten
+ketel hadden achtergelaten, en dat die nu vermist werden.
+
+</p>
+<p>De tenters waren er bitter slecht over te spreken, en Flipsen moest menig onaangenaam woord hooren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom heb je niet beter uitgekeken?&#8221; vroeg er een. &#8220;Je doet ook niet veel voor den kost, Flipsen.&#8221;
+
+</p>
+<p>En een ander merkte op:
+
+</p>
+<p>&#8220;Of wij politie op het dorp hebben of geen politie, dat komt op hetzelfde neer. De dieven doen toch maar, wat ze willen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is jullie eigen schuld,&#8221; gaf Flipsen ten antwoord. &#8220;Wie laat zulke dingen bij nacht en ontijd ook buiten staan? Je bent
+te lui om voor je spullen te zorgen, en als ze dan gestolen worden, krijgt de politie de schuld. Zoo is het altijd. &#700;t Is
+het oude liedje en anders niet. Doch heb maar geduld. Dezen keer zul-je eens zien, dat Flipsen w&egrave;l uit zijne oogen gekeken
+heeft, en terdege ook. Eer we een halven dag verder zijn, heb ik de dieven gesnapt, want er is er niet &eacute;&eacute;n, maar er zijn er
+twee.&#8221;
+
+</p>
+<p>De menschen keken hem ongeloovig aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Twee?&#8221; vroegen ze. &#8220;Zijn er twee? Weet je dan, wie de daders zijn?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet, wat ik weet,&#8221; gaf Flipsen gewichtig ten antwoord. &#8220;En ik zeg, hebt maar geduld. Je zult je verloren zaakjes spoedig
+genoeg terug hebben, veel vlugger zelfs, dan je denkt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Flipsen keerde zich om en begaf zich regelrecht op <a id="d0e3084"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3084">148</a>]</span>weg naar&#8212;den pottenschipper. De menschen zagen dat tot hunne verbazing, en ook zij begaven zich naar de hun welbekende schuit,
+die niet ver van de tent van Mietje aan den wal lag. Dat was hare vaste plaats. Een plank lag van de schuit naar den walkant
+om te maken, dat de bezoekers gemakkelijk op de schuit konden komen.
+
+</p>
+<p>Flipsen liep de plank over en deed het deurtje van de kajuit open, die den pottenschipper tot woonvertrek diende. Eene warme
+lucht kwam den veldwachter tegemoet. Hij zag dadelijk, dat de pottenschipper bij een klein tafeltje zat met een pijpje in
+den mond. De rook dwarrelde door het geopende deurtje naar buiten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Goeden dag,&#8221; zei Flipsen binnentredende. Zijne oogen dwaalden onderzoekend in het kleine vertrekje rond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dag Flipsen,&#8221; was het antwoord. &#8220;Kom binnen. Wat is er van je dienst?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal ik je zeggen. Er zijn ijzeren potten en verscheidene ketels gestolen uit de tenten, die op het ijs staan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is het waar?&#8221; vroeg de pottenschipper. En hij liet er op volgen: &#8220;Wat zijn die menschen onvoorzichtig, om zulke dingen &#700;s
+nachts te laten staan. &#700;t Is meer dan dom.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is het,&#8221; zei Flipsen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar ik begrijp niet, wat <i>ik</i> daarmede te maken heb,&#8221; hernam de schipper. &#8220;<i>Ik</i> ben gelukkig geen dief, en heb ze niet gestolen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo&#8212;ja, dat kan wel,&#8221; zei Flipsen, die wel een beetje in de war raakte, toen hij den schipper zoo kalm zag zitten. De man
+was blijkbaar in &#700;t geheel niet geschrokken door zijn bezoek, wat Flipsen toch stellig verwacht had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo&#8212;ja, dat kan wel,&#8221; herhaalde hij. &#8220;En dat wil ik wel gelooven ook, maar ik dacht, de pottenschipper is iemand, die vodden,
+beenen, oud ijzer en dergelijke dingen opkoopt. Misschien kan hij me inlichtingen geven, die me een beetje <a id="d0e3110"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3110">149</a>]</span>op weg helpen. Want die dieven moeten gevonden worden, dat spreekt van zelf.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist, hoe gauwer, hoe beter,&#8221; zei de pottenschipper. &#8220;Ik heb, zooals je weet, heel wat potten en pannen boven op mijn schuit
+staan, en ik houd mijn hart in mijn lijf vast, dat de dieven daar ook een bezoek zullen brengen. Wat zou ik lachen, als je
+ze snappen kon, Flipsen; &#700;t is meer dan tijd. Maar inlichtingen,&#8212;neen, die kan ik niet geven. Ik heb van niets gemerkt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En is u niets van dien aard te koop aangeboden ook?&#8221; vroeg Flipsen, terwijl hij zijn oogen strak op die van den schipper
+gevestigd hield.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu nog mooier!&#8221; riep deze uit. &#8220;Ze moesten het eens wagen met gestolen goed bij me aan te komen! Wat zouden ze gauw mijne
+schuit uit zijn. Neen man, voor zoo iets zijn ze bij mij aan het verkeerde kantoor. Daar moet ik niets,&#8212;niemendal van hebben.
+Dank je hartelijk!&#8221;
+
+</p>
+<p>De veldwachter stond op. Hij begreep thans zeer goed, dat de pottenschipper &ograve;f totaal onschuldig was, &ograve;f dat deze te slim
+was om zich te laten uithooren. Hij zeide dus:
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Spijt me, dat u me geen inlichtingen kan geven. Mag ik nu de schuit nog even van binnen bekijken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, nu nog mooier!&#8221; riep de schipper boos uit. &#8220;Wou je mijn schuit doorzoeken? &#700;t Is fraai, dat moet ik zeggen. En met welk
+doel, als ik vragen mag?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Louter uit nieuwsgierigheid,&#8221; zei Flipsen. Hij klom op het dek en begaf zich naar de voorzijde van de schuit. Hij wist, dat
+daar de ingang was van het ruim, waar de schipper zijne meeste goederen bewaarde. Deze volgde hem onwillig, en hij deed niets
+dan mopperen over de onbeschaamdheid van Flipsen.
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is een schande, om een fatsoenlijk mensch van diefstal <a id="d0e3128"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3128">150</a>]</span>te verdenken,&#8221; zei hij. &#8220;Welke reden heb je daarvoor? Wie heeft er iets op mij aan te merken?&#8221;
+
+</p>
+<p>Flipsen zei niets. Hij ging het ruim binnen en keek onderzoekend rond. Maar hij zag niets dan steenen voorwerpen voor huishoudelijk
+gebruik, en alles fonkelnieuw. Achter in het ruim, in een donkeren hoek, vond hij ook nog een hoop vodden, beenen en oud-roest.
+Hij was er te vies van, om het met zijne handen aan te raken. Daarom trok hij zijn sabel en wroette in den hoop rond. Maar
+hij ontdekte niets verdachts, wat hem geducht tegenviel, want hij had er stellig op gerekend, de gestolen voorwerpen hier
+aan te treffen. Er bleef geen gaatje ondoorzocht, en eindelijk verliet hij de schuit, zonder iets wijzer geworden te zijn.
+
+
+</p>
+<p>Er hadden zich heel wat menschen op den kanaalkant verzameld, om den afloop van Flipsen&#700;s onderzoek af te wachten. Maar zij
+zagen al dadelijk aan zijn gezicht, dat hij niets gevonden had. De pottenschipper beklaagde zich met luider stem tegen de
+menschen over de schande, die Flipsen hem had aangedaan, en zijn toehoorders vonden, dat hij wel een beetje gelijk had. Ook
+Frans Thor en Klaas Zwart bevonden zich onder de toeschouwers. Zij zeiden niets, en Klaas Zwart zag zelfs een beetje bleek.
+De pottenschipper zag hen staan, en hij zeide zoo luid tegen Flipsen, dat iedereen het hooren kon:
+
+</p>
+<p>&#8220;Als er nu weer eens wat vermist wordt, hoop ik van je vereerend verzoek verschoond te blijven, Flipsen. Je weet nu eenmaal,
+dat ik part noch deel aan de zaak heb. Ik ben een eerlijk koopman, en houd mij met slechte practijken niet op.&#8221;
+
+</p>
+<p>Een zucht van verlichting ontsnapte bij die woorden aan de borst der beide jongens, en onmerkbaar stootten zij elkander met
+den elleboog aan.
+<a id="d0e3138"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3138">151</a>]</span></p>
+<p>Flipsen was erg teleurgesteld. Hij begreep, dat hij het spoor van den dief weer geheel bijster was, en hij wist niet, w&aacute;&aacute;r
+thans te zoeken. Toch gaf hij het nog niet op. Regelrecht ging hij naar de woning van Klaas Zwart, en ook daar doorzocht hij
+het heele huis en de schuur. Maar alweer tevergeefs. Daarna begaf hij zich naar &#700;t huis van Thor, den oud-gediende uit Indi&euml;.
+Deze ontving hem ver van vriendelijk, maar daar stoorde Flipsen zich niet aan. Hij doorsnuffelde ook diens woning van boven
+tot beneden, echter zonder het gewenschte gevolg. Hij kwam tot de conclusie, dat hij zich totaal vergist had. En toch stond
+het bij hem vast, dat de dief op het dorp woonde.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e3141" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Dertiende Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>Hoe Jantje op een gelukkig id&eacute;e kwam.</p>
+</div>
+<p>Er werd &#700;s avonds, toen de lampen opgestoken waren en de menschen gezellig in de kamer rondom de kachels zaten, heel veel
+over het gebeurde gesproken. Zoo ook bij Dik Trom. Jan Vos en Piet van Dril waren bij hem op visite, en Anneke had anijsmelk
+gekookt, tot groote vreugde van Jan, die zijn vriendje Karel ook bij zich mocht hebben, en bizonder veel van anijsmelk hield.
+
+
+</p>
+<p>&#700;t Was een recht prettige avond, want de drie oude vrienden zaten te praten over hunne kinderjaren, en de twee jongens luisterden
+met open mond naar hetgeen er verteld werd. Eindelijk kwam het gesprek ook op den gepleegden diefstal, en algemeen waren zij
+het er over eens, dat het een laaghartige daad was. Ja, vroeger was er ook meermalen gestolen, maar nu had de dief zelfs de
+<a id="d0e3151"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3151">152</a>]</span>laagheid gehad de spulletjes weg te stelen van de armsten onder de armen. &#700;t Was wel zoo erg, als het maar wezen kon.
+
+</p>
+<p>&#8220;En Flipsen was de plank heelemaal mis,&#8221; zei Dik. &#8220;Hoe kwam hij er ook toe, den pottenscihpper van den diefstal te verdenken?
+Die man komt zelden of nooit zijne schuit uit.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is wel mogelijk,&#8221; zei Jan Vos, &#8220;maar vroeger moet hij een echte deugniet geweest zijn, heb ik wel eens gehoord.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, vroeger!&#8221;&#8212;meende Piet van Dril, &#8220;vroeger, dat is n&ugrave; niet. Een mensch kan zich beteren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is waar,&#8221; zei Dik. &#8220;Ik geloof er trouwens ook niets van, dat hij er aan schuldig is. Maar &#700;t is toch wonderlijk, dat
+de dief zoo lang met zijne diefstallen kan doorgaan, zonder betrapt te worden. Flipsen loert avond aan avond op hem, en hij
+is waarlijk toch niet voor de poes.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, dat geloof ik ook!&#8221; zei Piet van Dril lachend. &#8220;Daar weten wij van m&ecirc;e te praten, h&egrave;?&#8212;Denk nog maar eens aan een zeker
+avondje in den tuin van den burgemeester...!&#8221;
+
+</p>
+<p>Allen schoten in den lach.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, maar toen waren wij hem toch te knap af!&#8221; zei Dik.
+
+</p>
+<p>Zoo zaten zij nog lang te praten, tot Jan Vos opeens zeide: &#8220;Als het zoo blijft voortvriezen, zal de visch het gauw benauwd
+krijgen onder het ijs. Morgen moet ik toch eens probeeren, of ik niet een lekker maaltje paling kan vangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, doe dat maar,&#8221; zei zijne vrouw, die intusschen druk met de andere vrouwen had zitten praten. &#8220;Overmorgen is het Zondag,
+en dan wil ik wel graag een lekker maaltje hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Paling vangen? Hoe doet u dat dan?&#8221; vroeg Jan nieuwsgierig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel jongen, als &#700;t ijs erg dik is, krijgt de paling het <a id="d0e3175"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3175">153</a>]</span>er benauwd onder en begeeft zich naar de bijten en wakken, waar open water is. Met een sikkel, die aan een langen stok bevestigd
+is, kun-je ze gemakkelijk uit het water op het ijs wippen. Dat vereischt alleen maar wat behendigheid.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zwemmen ze dan niet weg?&#8221; vroeg Karel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen jongens,&#8221; zei Dik. &#8220;Of het van de ko&ucirc; komt, of van wat anders, dat weet ik niet, maar zij zijn bij sterk ijs min of
+meer suf. Je kunt ze dan vrij gemakkelijk vangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Willen wij dat morgen ook eens gaan doen?&#8221; vroeg Karel aan Jan. &#8220;Wij hebben dan toch den heelen dag vrij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik vind het best,&#8221; zei Jan. &#8220;Graag zelfs. Van Dril, heeft u voor ons elk ook een sikkel? Dan gaan wij morgen op de vangst.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeker wel, jongens, er liggen oude sikkels genoeg in de smederij. Als je er zelf dan maar een langer handvat aan maakt, want
+het gewone handvat is voor dat werk te kort. Je moet er een stok aan doen, ongeveer zoo lang als je arm.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een gewone lat is wel goed,&#8221; zei Dik.
+
+</p>
+<p>Jan en Karel spraken af, dat zij er na het ontbijt samen op uit zouden trekken. De sikkels zouden spoedig genoeg in orde zijn,
+daar waren zij het over eens.
+
+</p>
+<p>En zoo gebeurde het ook. Toen Jan ontbeten had, ging hij naar Karel, die al twee goede sikkels had opgezocht. Zij haalden
+de handvatten er af, en deden er langere voor in de plaats. In een kwartiertje waren zij daarmede klaar. Karel nam een emmertje
+me&ecirc;, om er de visch in te doen, en zoo trokken zij er samen op uit. Ook namen zij elk een bijl mede, om hier en daar een gat
+te hakken. &#700;t Eerst gingen zij naar de bijt, die voor het huis van Dik Trom gehakt was. Het ijs van den laatsten nacht lag
+er nog in. Zij hakten het los en trokken de schotsen op het ijs. Toen <a id="d0e3193"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3193">154</a>]</span>keken zij in de bijt, en waarlijk, heel rustig lag daar een dikke paling op den bodem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk, kijk, daar ligt er een,&#8221; zei Jan, die hem het eerst zag.
+
+</p>
+<p>Hij stak den sikkel voorzichtig onder het beest door en wipte hem met een snelle beweging omhoog. Daar spartelde de paling
+op het ijs. Ha, wat kronkelde hij zich! De jongens sprongen beiden op hem toe, want hij lag dicht bij den rand van de bijt.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Grijp hem, grijp hem!&#8221; riep Jan zijn vriend toe, want deze was het dichtst bij hem. Maar Karel kwam te laat. Wel gelukte
+het hem nog den paling te grijpen, maar deze kronkelde zich om zijn arm heen, en dat vond Kareltje zoo&#700;n eng gevoel, dat hij
+het beest met een rilling over de leden losliet. Op &#700;t volgende oogenblik verdween de paling in de bijt, en de jongens hadden
+nakijk.
+
+</p>
+<p>&#8220;H&egrave;, wat is dat jammer!&#8221; riep Jan spijtig uit. &#8220;Hoe dom ook van je, om hem weer los te laten, toen je hem zoo mooi vast hadt.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Hu, wat glibberig was hij, en wat kronkelde hij akelig om mijn arm heen,&#8221; zei Karel, wien opnieuw eene huivering over den
+rug ging. &#8220;Precies een slang.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal jij wel weten,&#8221; zei Jan. &#8220;Je hebt nog nooit een slang gezien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Genoeg,&#8212;meer dan jij,&#8221; meende Karel. &#8220;In Artis.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, in Artis. Daar liggen ze achter glas.&#8212;Nu, deze is in elk geval weg, en wij zullen hem wel nooit terugzien. Wat was het
+een dikkerd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Of hij dik was,&#8221; zei Karel. &#8220;Akelig dik.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In deze bijt is niets meer te zien. Willen we naar die van den burgemeester gaan aan den overkant? Dat is ook eene groote
+bijt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mij goed,&#8221; zei Karel. &#8220;Maar ik pak ze vast niet meer met mijne handen beet. Hu, wat een akelige beesten.&#8221;
+<a id="d0e3217"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3217">155</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Je bent een bangerd, hoor!&#8221; spotte Jan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jij bent een held!&#8221; zei Karel. &#8220;Dat weet ik wel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In elk geval zou ik hem niet loslaten, als ik hem eenmaal te pakken had,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>Zij liepen het kanaal over, en kwamen bij de bijt van den burgemeester. Hun eerste werk was ook hier het ijs van den laatsten
+nacht los te hakken en de schotsen op het ijs te trekken. Toen dat gebeurd was, keken zij in het water.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zie er een,&#8221; zei Karel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ook,&#8212;wel twee,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>Zij brachten de sikkels in het water, en op &#700;t volgende oogenblik spartelden twee palinkjes op het ijs. Jan wierp er een van
+in het emmertje, maar Karel was niet te bewegen, den tweeden aan te grijpen. Jan moest er om lachen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Help, help, hier is er een,&#8221; schreeuwde Karel, die moeite had om het beest met zijn sikkel van de bijt weg te houden. &#700;t
+Beest wilde met alle geweld weer in &#700;t water.
+
+</p>
+<p>&#8220;Pak hem dan!&#8221; riep Jan hem lachend toe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dank je,&#8212;ik moet er niets van hebben. Toe dan, Jan, grijp hem, of we zijn hem kwijt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan kwam zijn vriend te hulp, en spoedig was ook de tweede paling in het emmertje opgeborgen. Maar van den derden was, toen
+zij weer in de bijt keken, geen spoor meer te vinden. De jongens hadden hem wat al te veel lawaai gemaakt naar zijn zin, zoodat
+hij het verstandig geoordeeld had, zich wat uit hunne nabijheid te verwijderen. Maar Jan en Karel waren toch wat in hun schik
+met hunne vangst, en zij begaven zich van de eene bijt naar de andere. De voorraad in hun emmertje werd steeds grooter, en
+zij twijfelden niet, of zij zouden wel een flink maal bij elkander krijgen.
+
+</p>
+<p>Lachend zei Karel tot Jan:
+<a id="d0e3242"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3242">156</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Als Vos op de vangst gaat, zooals zijn plan was, zal hij niet erg veel meer vangen. Wij hebben zoetjes-aan alle bijten van
+het dorp afgevischt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan lachte ook.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan vischt hij achter het net,&#8221; zei hij. &#8220;Kijk, ginds gaan Frans Thor en Klaas Zwart. Zij hebben ook bijlen bij zich. Ik
+denk, dat zij ook op de vangst uitgaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat hen maar vooruitgaan,&#8221; zei Karel. &#8220;Wij zijn op hun gezelschap niet gesteld. Willen wij nu buiten het dorp gaan, voorbij
+het fort? Daar zijn wel geen bijten, maar vader zegt, dat de visch zich aan de kanten van het kanaal ophoudt, zeker om beter
+lucht te kunnen krijgen. Dan hakken wij hier en daar eene schots los.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mij goed,&#8212;best zelfs,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>De jongens gingen langs het fort en deden als gezegd is. En &#700;t was inderdaad een prettig werkje voor hen, want zij vingen
+veel meer, dan zij verwacht hadden. Er waren palingen bij, wel zoo dik als hun pols. De jongens hadden de grootste moeite,
+om die dikke beesten in het emmertje te houden. Telkens keken de koppen boven den rand uit, en eens, toen het Karels beurt
+was om den emmer te dragen, kronkelde plotseling alweer zoo&#700;n dier tegen zijn arm op. &#700;t Gebeurde zoo onverwachts, dat hij
+er hevig van schrikte. Met een gil liet hij den emmer op het ijs vallen, en alle palingen kronkelden in het rond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jou ezel!&#8221; riep Jan uit. Maar veel tijd tot praten had hij niet, want hij moest dadelijk aan het vangen. En &#700;t ging lang
+niet gemakkelijk, om de dieren weer in den emmer te krijgen, vooral nu hij alles alleen moest doen. Karel was niet te bewegen
+eene hand uit te steken. Hij vond de beesten z&oacute;&oacute; eng, dat hij ze niet durfde aanraken. Eindelijk had Jan ze alle weer verzameld.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Geef mij den emmer maar,&#8221; zei hij. &#8220;Anders ligt het <a id="d0e3259"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3259">157</a>]</span>heele zaakje aanstonds weer op het ijs. Draag jij dan de bijlen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens verwijderden zich hoe langer hoe verder van het dorp. Hier en daar waren kleine, vierkante bijtjes gehakt. Een
+schots lag er naast, om de schaatsenrijders te waarschuwen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zijn bijtjes van de visschers,&#8221; zei Jan. &#8220;Die brengen er hunne netten door onder het ijs. Ik wed, dat ze heel wat vangen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat denk ik ook,&#8221; zei Karel. &#8220;Als je nagaat, wat wij al hebben, kun-je wel begrijpen, wat zij moeten vangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan had het druk om de palingen naar beneden te duwen, die telkens opnieuw uit het emmertje wilden kruipen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Heidaar, blijven waar je bent!&#8221; zei hij tegen een dikkerd, die nieuwsgierig over den rand keek. &#8220;Bij je kameraden blijven!&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Bij een van de visschersbijtjes deden de jongens eene gelukkige vondst. In het riet namelijk zagen zij een groot stuk net
+liggen, dat zeker door de visschers weggeworpen was. Karel zag het het eerst.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk eens, Jan,&#8212;d&aacute;&aacute;r,&#8221; zei hij. &#8220;Daar ligt een groot stuk net. Laten wij daar de palingen in doen, dan kunnen zij niet ontsnappen
+en hebben wij er geen last meer van.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar zeg je zoo wat,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>De jongens haalden het net uit het riet. Zij zagen, dat het een palingfuik wast geweest. Op verschillende plaatsen was het
+stuk.
+
+</p>
+<p>&#8220;De visschers hebben het zeker weggegooid,&#8221; zei Jan. &#8220;En ons komt het mooi te pas.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij deden de palingen in het net en bonden het dicht met een touwtje, dat Jan in den zak had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zie zoo, nu zitten ze goed bewaard,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8212;lekker warm. Ze zullen nu geen last meer van <a id="d0e3287"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3287">158</a>]</span>de kou hebben.&#8212;Zeg, wat hebben we er al veel, h&egrave;?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, heel wat. Mij dunkt, dat we er al meer hebben, dan we oplusten. Willen we nu weer naar huis gaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed,&#8221; zei Karel. &#8220;Het begint mij zoetjes-aan te vervelen ook. Zullen we vanmiddag gaan schaatsenrijden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8212;dat is afgesproken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Karel had de sikkels en de bijlen op den schouder, en Jan droeg het net met de paling. Zoo kuierden zij samen naar het dorp
+terug.
+
+</p>
+<p>Toen zij dicht bij het fort gekomen waren, en dus het dorp bijna hadden bereikt, hoorden zij achter zich het krassen van schaatsen
+op het ijs, en het schuifelen van een slede. Omziende zagen zij, dat het twee visschers waren, die eene slede voortduwden.
+Zij kenden de mannen niet. &#700;t Waren zeker lieden van een ander dorp. Zoodra die menschen hen bereikt hadden, hielden zij stil.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Hola, jongens, wacht eens even,&#8221; riep een van hen hun toe.
+
+</p>
+<p>Zij bleven staan, en de twee mannen kwamen met groote schreden op hen af.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zie je wel?&#8221; zei de een tegen den ander. &#8220;Daar heb je de dieven al.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; was het antwoord van den tweede.
+
+</p>
+<p>Deze greep het net en rukte het Jan driftig uit de hand.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe kom jij aan dat net?&#8221; vroeg hij op barschen toon.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, hoe kom jij aan dat net, kleine dief!&#8221; zei de andere visscherman.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat hebben wij gevonden, ginds in het riet,&#8221; zei Jan. &#8220;Hoe zouden wij er anders aankomen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En die paling dan?&#8221; vroeg een der visschers smalend. &#8220;Die heb je zeker ook gevonden, h&egrave; kereltje?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; zei Jan, &#8220;die hebben we gevangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist, die hebben we gevangen,&#8221; zei ook Karel.
+<a id="d0e3321"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3321">159</a>]</span></p>
+<p>&#8220;In dit net zeker, h&egrave;, en dit net heb je onder het ijs gevonden, h&egrave;? Ja, ja, eerlijk gevonden, h&egrave;?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Eerlijk gestolen,&#8221; zei de andere visscher. &#8220;Houdt je maar niet van den domme, want dat baat je niemendal. Dit net is van
+&ograve;ns, en jullie hebt onze fuiken gelicht. Maar dat zal je berouwen, wat ik je zeg. Vooruit, kereltjes, gaat maar eens mee naar
+den burgemeester.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zeg, dat het niet waar is!&#8221; riep Jan de visschers driftig toe, en hij werd rood van kwaadheid. &#8220;Wij zijn geen dieven,
+en dat net hebben we eerlijk gevonden. &#700;t Is op verschillende plaatsen stuk, en &#700;t lag in &#700;t riet. Daarom meenden we, dat
+het door de visschers weggegooid was, daar het toch niet meer gebruikt kon worden. Wij hebben het niet gestolen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jongen, jij kunt liegen, of het gedrukt is,&#8221; zei een der visschers. &#8220;Maar ons zul-je er niet me&ecirc; bedriegen. Jelui hebt onze
+fuiken gelicht, en dat is strafbaar...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet zoo&#700;n beetje ook!&#8221; viel de andere visscher zijn kameraad in de rede. &#8220;En dat is maar goed ook. Is &#700;t geen schande, onze
+netten te verscheuren, en onze visch te stelen? Maar het zal je berouwen. Vooruit, zeg ik je, naar den burgemeester!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat doe ik niet!&#8221; zei Jan driftig. &#8220;Wij zijn geen dieven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je praat dom, jongen, want de bewijzen droeg je in de handen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei de ander, &#8220;je bent er gloeiend bij!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vooruit, jongens, en als je niet goedschiks gaat, dan moet het maar kwaadschiks gebeuren. Vooruit, zeg ik je, en een beetje
+vlug, asjeblieft!&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens begrepen, dat er niet veel anders opzat dan te gehoorzamen. Met hun vieren vervolgden zij hun tocht naar het dorp.
+
+
+</p>
+<p>Eerst was Jan meer dan kwaad, maar dat bedaarde <a id="d0e3344"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3344">160</a>]</span>langzamerhand, en eindelijk vond hij het wel goed, dat zij naar den burgemeester gingen. Deze zou wel dadelijk begrijpen,
+dat zij onschuldig waren.
+
+</p>
+<p>Maar dat was niet zoo. De burgemeester was bijzonder slecht gehumeurd, omdat het Flipsen nog niet gelukt was, de dieven te
+ontdekken. Zoodra nu de visschers, die hem tot hun genoegen thuis getroffen hadden, hem vertelden, wat er aan de hand was,
+geloofde de burgemeester stellig, dat hij de dieven thans op het spoor was, en hij besloot de jongens scherp te ondervragen.
+
+
+</p>
+<p>Jan en Karel betuigden echter hunne onschuld. Zij vertelden dat zij de palingen gevangen en het net gevonden hadden. Maar
+de visschers lachten om die verklaring.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zou al heel toevallig zijn, burgemeester,&#8221; zei een van hen. &#8220;De jongens kwamen uit de richting van onze vischbijtjes,
+en zij hadden het net in de hand, met een flink zoodje paling daarbij. &#700;t Lijdt geen twijfel, of zij hebben onze netten gelicht
+en de brutaliteit gehad, een van de netten zelfs stuk te maken en me&ecirc; te nemen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is niet waar!&#8221; riep Jan den spreker toe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Houd je mond verder maar, jongen,&#8221; gebood de burgemeester kortaf. &#8220;De bewijzen zijn tegen jullie, en &#700;t staat bij mij vast,
+dat jullie en niemand anders de daders zijt. En wie weet, aan welke diefstallen je meer schuldig bent. Ik zou dat nooit, nooit,
+zeg ik, van je gedacht hebben. Twee jongens van zulke brave ouders. &#700;t Is een schande!
+
+</p>
+<p>Vertel me nu meteen maar, waar de potten en ketels uit de ijstenten gebleven zijn, want daar zul-je ook wel meer van weten.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij weten nergens van, burgemeester,&#8221; zei Jan,
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, nergens van,&#8221; zei Karel. &#8220;Wij hebben ze niet weggenomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zeg je van dit net en deze visch ook, en toch <a id="d0e3364"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3364">161</a>]</span>liep je er mede in je handen,&#8221; sprak de burgemeester streng, en hij keek de jongens beurtelings doordringend aan. &#8220;Komaan,
+spreek de waarheid maar, dat is in allen gevalle het beste voor je. Beken het maar...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb niets te bekennen,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ook niet,&#8221; zei Karel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo, zoo,&#8221; hernam de burgemeester. &#8220;Dan zal ik je tijd geven, om er eens ernstig over na te denken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij vroeg de namen der visschers en schreef die op. Daarna sprak hij tot de beide mannen:
+
+</p>
+<p>&#8220;U kunt nu wel gaan. Neemt mede, wat je eigendom is. Met deze jongens zal ik wel afrekenen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De visschers namen het net en de palingen, groetten den burgemeester en verlieten het vertrek. Jan en Karel moesten blijven.
+Met leede oogen zagen zij de visschers met hunne palingen heengaan, en Jan sprongen van spijt de tranen in de oogen.
+
+</p>
+<p>De burgemeester liet zijn blik nog een poosje op de jongens rusten, en zei toen ernstig:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ontkennen baat niet langer, jongens. Je hebt je aan een ernstig vergrijp schuldig gemaakt en...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar we hebben het niet gedaan,&#8221; riep Jan uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zwijg jongen, en lieg niet langer. Je hebt het w&egrave;l gedaan, en dat spijt me heel erg. Zeg me nu ook maar, waar je die andere
+voorwerpen gelaten hebt, die den laatsten tijd verdwenen zijn. Als je me eerlijk de waarheid zegt, zal ik zien, wat ik in
+de gegeven omstandigheden nog voor je doen kan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Baat niet, of wij al zeggen, dat wij onschuldig zijn,&#8221; sprak Jan. &#8220;U gelooft ons toch niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, dat doe ik ook niet. Enfin, als je dan niet hooren wilt, moet je maar voelen. Ik zal je tijd geven om je te bedenken.&#8221;
+
+<a id="d0e3390"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3390">162</a>]</span></p>
+<p>Hij ging aan zijne schrijftafel zitten en schreef het volgende briefje:
+
+
+</p>
+<div class="blockquote">
+<div class="body">
+<div class="div1">
+<p><i>Flipsen</i>!
+
+
+</p>
+<p>Ik geloof, dat ik de daders van de gepleegde diefstallen op het spoor ben. Sluit deze twee jongens elk in eene afzonderlijke
+cel, dan hebben zij gelegenheid om eens goed na te denken en kunnen geen afspraakjes maken. Tegen den avond zal ik hen opnieuw
+verhooren.
+
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">De Burgemeester</span>.
+
+</p>
+</div>
+</div>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Hij vouwde den brief dicht en deed hem in eene enveloppe, die hij zorgvuldig toelakte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ziedaar,&#8221; sprak hij. &#8220;Breng dezen brief voor mij aan Flipsen. Hij is in het raadhuis. Je kunt gaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens gingen heen. Wat er in den brief stond, wisten zij natuurlijk niet. Zij keken tamelijk bedrukt, toen zij de deur
+uitstapten, maar toen zij op den weg gekomen waren, ontsnapte een zucht van verlichting aan de borst van Karel.
+
+</p>
+<p>&#8220;H&egrave;, h&egrave;, dat was een benauwd half-elfje,&#8221; zei hij. &#8220;Daar zaten wij er geducht tusschen, maar &#700;t is bij slot van rekening toch
+nog al goed afgeloopen. We zijn alleen onze palingen kwijt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En dit briefje dan?&#8221; vroeg Jan. &#8220;Ik vertrouw dit papiertje geen zier. Waarom zei de burgemeester dan telkens, dat hij ons
+gelegenheid zou geven, om eens goed na te denken?&#8221;
+
+</p>
+<p>Langzaam liepen zij verder, met de bijlen en de sikkels over den schouder. Karel hernam na een poosje:
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat briefje heeft niets met ons te maken, en wij niets met dat briefje. We moeten het alleen even bij Flipsen brengen, anders
+niet. Neen, ik zeg, dat wij er goed afgekomen <a id="d0e3422"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3422">163</a>]</span>zijn. &#700;t Had veel leelijker kunnen uitpakken.&#8212;Kijk, daar komen Frans en Klaas ook van de vischvangst terug.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat was zoo. Die twee jongens hadden hen spoedig ingehaald. Samen droegen zij een emmertje, dat blijkbaar nog al zwaar was.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg,&#8221; riep Frans hun toe, &#8220;komen jullie platzak thuis?&#700;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja!&#8221; zei Jan kortaf. Hij had niet veel lust tot spreken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij niet!&#8221; zei Frans. &#8220;Kijk maar eens hier, wat een paling we hebben. De emmer is bijna vol.&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens stonden stil en keken in den emmer, &#700;t Was inderdaad een kolossale voorraad, dien zij gevangen hadden.
+
+</p>
+<p>Frans en Klaas hadden er pret in. Zij deden niet anders dan elkaar aanstooten en lachen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo knap zijn jullie niet, h&egrave;? Maar zeg, weet je, wat we gedaan hebben? Een kwartiertje voorbij het fort hebben we stilletjes
+een net van de visschers opgehaald. Jongens, wat zat daar een paling in. Niet oververtellen, hoor! Slim h&egrave;?&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan en Karel keken Frans met open mond aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hebben jullie dat net gelicht en stuk gemaakt?&#8221; vroeg Jan. &#8220;Wij hebben het ... tusschen het riet zien liggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; lachte Frans. &#8220;Wij konden het niet goed meer onder het ijs krijgen, en hebben het toen maar in het riet gegooid. Wat
+zullen die visschers leelijk op hun neus gekeken hebben, toen zij bij hun bijt kwamen. Ha-ha-ha, wat eene leuke grap, h&egrave;?&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Dat vond Jan ook, en hij knipoogde Karel toe, dat hij niets moest zeggen. Hij had een mooi plannetje.
+
+</p>
+<p>&#8220;En voor die leuke grap hebben wij voor den burgemeester moeten verschijnen,&#8221; zei Jan tot de twee jongens. &#8220;Wij hadden het
+net opgeraapt en er onze paling ingedaan. Maar even later kwamen de visschers, en die hebben ons <a id="d0e3448"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3448">164</a>]</span>om zoo te zeggen opgebracht. Noem jij het maar een leuke grap!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei Karel. &#8220;Ik zie er het leuke niet van in.&#8221;
+
+</p>
+<p>Frans en Klaas moesten er smakelijk om lachen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu wordt de grap nog leuker!&#8221; zei Frans.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, maar ik laat het er niet bij zitten,&#8221; zei Jan. &#8220;Ik ga dadelijk naar den burgemeester terug, om hem te zeggen, dat julie
+het gedaan hebt...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je zult wel wijzer wezen!&#8221; zei Frans, die nu in &#700;t geheel niet meer lachen moest. &#8220;Als je nog voor den burgemeester verschijnen
+moest, o ja, dan was het een ander geval. Dan zou ik het in jouw plaats ook zeggen. Maar nu je het standje van den burgemeester
+al achter den rug hebt, zou het een leelijke streek wezen. Dan speelde je gewoonweg voor verklikker!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, voor verklikker!&#8221; beaamde Klaas Zwart.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat kan me niet schelen,&#8221; zei Jan, &#8220;ik zeg het t&ograve;ch. &#700;t Is me ook wat moois, om voor jullie pleizier een uitbrander van den
+burgemeester op te loopen, en een ander met je paling weg te zien gaan. Ik laat me dat maar niet welgevallen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij keerde zich om en deed net, of hij naar den burgemeester wilde gaan. Maar Frans en Klaas hielden hem tegen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je kunt wel de helft van onze paling krijgen,&#8221; zei Frans. &#8220;Toe Jan, vertel het nu niet aan den burgemeester. Daar worden
+jullie toch niets beter van. En je krijgt de helft van...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je gestolen paling wil ik niet eens hebben,&#8221; zei Jan. &#8220;Maar &#700;t is goed. Ik zal niet naar den burgemeester gaan, onder &eacute;&eacute;n
+voorwaarde...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welke?&#8221; vroegen de twee jongens tegelijk.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een, die gemakkelijk te vervullen is,&#8221; zei Jan. &#8220;Zie je dezen brief? Dien moesten wij naar Flipsen brengen, in <a id="d0e3474"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3474">165</a>]</span>het raadhuis. Jullie moet er toch voorbij. Als jij nu die boodschap voor mij doet, zal ik er verder geen werk van maken.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Och, is &#700;t anders niet?&#8221; vroeg Frans. &#8220;Geef hem maar hier, dan zullen wij hem wel even aanreiken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel zeker, met alle pleizier,&#8221; zei Klaas.
+
+</p>
+<p>Jan gaf den brief over, en Klaas en Frans begaven zich regelrecht naar het raadhuis. Zij stapten het gebouw binnen en gaven
+den brief aan Flipsen, die in de vestibule stond te praten met een rijksveldwachter.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo jongens, dank-je!&#8221; zei Flipsen. &#8220;Wacht maar even.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij behoeven niet te wachten,&#8221; zei Frans.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als ik zeg, dat je wachten moet, dan doe je dat!&#8221; zei Flipsen.
+
+</p>
+<p>Hij brak den brief open en las hem vlug door.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha zoo,&#8221; zei hij, &#8220;zoo! Dat is goed. Gaat maar even me&ecirc;, jongens, hier, de gang door.&#8221;
+
+</p>
+<p>Frans en Klaas keken elkander vragend aan, maar durfden niet weigeren. Zwijgend volgden zij Flipsen, die een sleutelring uit
+zijn zak haalde en een sleutel uitzocht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mooi zoo. Nu dit trapje af.&#8212;Goed zoo.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij stak den sleutel in het slot en draaide hem om. De deur ging open.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar Flipsen,&#8221; zei Frans met schrik. &#8220;Wat gaat u doen? Dat is een cel!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha ha!&#8221; lachte Flipsen, terwijl hij Frans bij den schouder pakte en hem naar binnen duwde. &#8220;D&agrave;t ga ik doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Flap! De deur ging dicht en op slot.
+
+</p>
+<p>Klaas werd bleek van den schrik. Hij begon te beven over al zijne leden, en het angstzweet brak hem uit.
+
+</p>
+<p>Hij hoorde Frans schreeuwen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Flipsen! Maar Flipsen!&#8221; jammerde Klaas. &#8220;Dat is eene vergissing, geloof me. U moet ons niet opsluiten, want...&#8221;
+<a id="d0e3510"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3510">166</a>]</span></p>
+<p>Klaas bleef midden in zijne redevoering steken, want Flipsen had de tweede deur geopend en duwde Klaas naar binnen. Op &#700;t
+volgende oogenblik was ook deze deur gesloten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja, net zooals ik dacht,&#8221; mompelde Flipsen. &#8220;Die twee jongens zijn de dieven, en wij zullen ze wel aan het praten krijgen.
+Als ze hier eerst maar een paar uurtjes opgesloten gezeten hebben, zullen ze wel makker geworden zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij ging naar zijn confrater terug en vertelde hem het geval. &#8220;Grappig, dat die twee jongens zelf niet wisten, wat zij hier
+zouden ondervinden,&#8221; zei hij. &#8220;Zij liepen dood-gemoedereerd met mij mee, en kregen er pas erg in, toen de deur open stond.
+Je hadt ze moeten zien kijken!&#8221;
+
+</p>
+<p>Intusschen waren Jan en Karel de richting ingeslagen van hun huis. Zij staken schuin het ijs over. &#700;t Was nog vroeg, nog geen
+elf uur. En voor twaalven aten zij niet.
+
+</p>
+<p>&#8220;H&egrave;,&#8221; zei Jan, &#8220;wat heb ik een spijt, als ik aan onze paling denk, die de visschers hebben meegenomen. Zoo&#700;n prachtigen voorraad
+te hebben en dan toch nog platzak thuis te komen. &#700;t Is onuitstaanbaar!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei Karel, &#8220;dat zeg ik ook. Kijk de pottenschipper eens aan &#700;t hakken geweest zijn. Zijn schuit ligt rondom in &#700;t open
+water.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, anders vriest ze stuk,&#8221; zei Jan. &#8220;Willen wij daar nog even kijken, of we wat vangen kunnen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed,&#8221; zei Karel.
+
+</p>
+<p>Zij legden hunne bijlen op het ijs, en gingen met den sikkel in de hand naar de schuit. Opmerkzaam tuurden zij in de diepte.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar zie ik er een,&#8221; zei Karel
+
+</p>
+<p>&#8220;Wip hem er dan uit!&#8221; riep Jan. &#8220;Zeg, misschien komen we toch niet platzak thuis.&#8221;
+<a id="d0e3533"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3533">167</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Daar is hij!&#8221; riep Karel. En Jan schoot hem te hulp want de paling lag dicht bij het open water.
+
+</p>
+<p>Spoedig was hij in het emmertje overgebracht, en de jongens liepen voorzichtig langs de schuit verder. Opeens hoorden zij
+zich toeroepen:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat moeten jullie daar? Wil je wel eens maken, dat je wegkomt!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#700;t Was de pottenschipper, die zijne kajuit verlaten had en hun dit toeriep.
+
+</p>
+<p>&#8220;We kijken maar even, of er paling zit!&#8221; riep Jan terug.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat wil ik niet hebben!&#8221; hernam de pottenschipper. Hij klom op de schuit en stak dreigend de vuist op.
+
+</p>
+<p>Maar Jan zei tegen Karel:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij doen hier volstrekt geen kwaad. Laat hem maar praten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij stoorden zich verder aan den schipper niet en keken in de diepte. Zij waren nu dicht bij het roer gekomen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk, daar zit er weer een!&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>Hij stak zijn sikkel onder water, en wilde hem met een ruk bovenhalen, doch dat gelukte hem niet. De sikkel bleef ergens aan
+vastzitten.
+
+</p>
+<p>De pottenschipper nam een langen stok, en schreeuwde den jongens toe:
+
+</p>
+<p>&#8220;Als je niet weggaat, sla ik er op! Vooruit, kw&acirc;jongens, je hebt hier geen boodschap.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan trok zoo hard hij kon aan den sikkel, om hem los te krijgen, maar dat ging niet. Er zat iets zwaars aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Help me even!&#8221; riep hij Karel toe. En tot den boozen schipper zeide hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij gaan dadelijk heen. Maar eerst moet ik mijn sikkel losmaken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vooruit, zeg ik je!&#8221;&#8212;schreeuwde de schipper. &#8220;Allo, marsch!&#8221;
+
+</p>
+<p>De twee jongens trokken, wat zij konden.
+<a id="d0e3570"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3570">168</a>]</span></p>
+<p>Zij voelden, dat er iets zwaars naar boven kwam. De pottenschipper werd hoe langer hoe boozer. Hij schreeuwde z&oacute;&oacute; hard, dat
+de voorbijgangers op den weg bleven staan.
+
+</p>
+<p>Maar Jan en Karel waren niet van plan hun sikkel in den steek te laten. Zij spanden al hunne krachten in.
+
+</p>
+<p>Ha, daar stak iets boven water uit. Jan bukte zich, en pakte het beet.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een ketel!&#8221; riep hij uit. &#8220;En daar zit er nog een aan vast. Een pot! Help Karel,&#8212;hier zijn, geloof ik, de gestolen voorwerpen
+uit de tenten...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#700;t Was werkelijk zoo. De jongens haalden verscheidene dingen op het ijs, en zij herkenden ook den koperen ketel van Mietje.
+Tot hun groote verbazing bemerkten zij, dat al die voorwerpen met een koperdraad aan elkander verbonden waren, en dat het
+einde van dat draad een paar centimeter onder water aan het roer bevestigd was.
+
+</p>
+<p>De jongens werden verbazend opgewonden, en zij riepen den menschen op den weg luidkeels toe, dat zij de gestolen voorwerpen
+gevonden hadden. In minder dan geen tijd waren zij door een groot aantal menschen omringd, die luide hunne verbazing te kennen
+gaven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat moet de burgemeester weten!&#8221; riep er een uit, en hij ijlde naar de woning, die Jan en Karel nog maar kort geleden verlaten
+hadden.
+
+</p>
+<p>&#700;t Leek wel, of de menschen konden ruiken, dat er iets bizonders aan de hand was. Van alle kanten kwamen zij toeloopen, en
+de kring om de schuit van den pottenschipper werd bij de minuut grooter. Het ijs, al was het nog zoo sterk, kon de samengepakte
+menschenmassa bijna niet dragen. De ijsvloer boog sterk door, en er kwam veel water op.
+
+</p>
+<p>De pottenschipper zei niets meer. Hij stond op zijne schuit, en hield de oogen op de gevonden voorwerpen <a id="d0e3589"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3589">169</a>]</span>gericht, maar af en toe keek hij de twee jongens aan, en dan zag hij er alles behalve vriendelijk uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is daar te doen?&#8221; riep eene stem.
+
+</p>
+<p>Opziende zag Jan zijn vader, die met den hit en den wagen van &#700;t venten terugkeerde. Jan zwaaide met beide armen, en riep:
+
+
+</p>
+<p>&#8220;O Vader, we hebben de gestolen potten en ketels gevonden. Kom maar gauw kijken. Hier liggen ze!&#8221;
+
+</p>
+<p>In een oogenblik was Dik van den wagen gesprongen. Hij wierp de leidsels op den rug van den hit en snelde het ijs op.
+
+</p>
+<p>Och, och, wat een drukte hadden de menschen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Of de pottenschipper er dan toch van wist!&#8221; riep de een.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo komen zijne schelmerijen aan het licht,&#8221; zei een tweede.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij zal nu zijn gerechte straf niet ontloopen,&#8221; profeteerde een derde.
+
+</p>
+<p>Iedereen had wat te zeggen, en velen beweerden, dat zij het altijd wel van den pottenschipper gedacht hadden.
+
+</p>
+<p>Opeens kwam er stilte onder den drom en eerbiedig week men op zijde, om den burgemeester door te laten. Weldra had hij de
+schuit bereikt en zag hij de gevonden voorwerpen op het ijs liggen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie heeft die dingen opgehaald?&#8221; vroeg hij. Jan en Karel namen hunne petten af, en zeiden:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij waren hier aan het paling vangen, burgemeester, en toen bleef een van de sikkels er aan vastzitten. Kijk, ze zijn met
+een koperdraad aan elkander verbonden, en het einde daarvan is aan het roer bevestigd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja,&#8221; zei de burgemeester, die de jongens met de grootste verbazing aanstaarde. &#8220;Maar hoe heb ik het nu? Heb ik jullie
+dan niet opgedragen, een briefje voor mij aan Flipsen te brengen in het raadhuis? En hoe kom je dan hier? Daar begrijp ik
+niets van!&#8221;
+<a id="d0e3617"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3617">170</a>]</span></p>
+<p>Jan nam zijn pet nu geheel af, en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is waar, burgemeester, maar ik vertrouwde dat briefje niet. Ik geloofde stellig, dat Flipsen ons moest opsluiten...&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat was ook zoo,&#8221; viel de burgemeester driftig in. &#8220;En waarom heeft hij dat niet gedaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij waren onschuldig, burgemeester,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die praatjes kennen wij, en zij doen ook niets ter zake. In dien brief gaf ik Flipsen last, jullie op te sluiten,&#8212;en nu sta
+je alle twee hier? Hoe komt dat?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Burgemeester,&#8221; zei Jan, &#8220;wij hadden het niet gedaan, maar twee andere jongens waren de schuldigen. Toen wij op weg waren
+naar het raadhuis, hebben die twee ons zelf verteld dat zij het uit de grap gedaan hadden, en ziet u...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat ... ziet u?&#8221; viel de burgemeester in, toen Jan een oogenblik met zijn verhaal haperde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Toen dacht ik,&#8221; vervolgde Jan, &#8220;dat het voor ons beter was, als <i>zij</i> dat briefje maar aan Flipsen brachten, en vroeg ik hun, of zij het even wilden aanreiken...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En toen?&#8221; vervolgde de burgemeester.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat hebben zij gedaan,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar dan zitten op &#700;t oogenblik <i>die</i> twee jongens onder het raadhuis opgesloten, in plaats van jelui!&#8221; riep de burgemeester uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal dan zoo wel wezen, burgemeester,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>De menschen schoten in een onbedaarlijk gelach, want zij vonden de geheele zaak verbazend grappig. Ook de burgemeester kon
+haast zijn lachen niet bedwingen. En eindelijk gelukte hem dat in het geheel niet meer. Hij proestte het opeens uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha-ha-ha!&#8221; riep hij lachend uit, &#8220;wat is dat een grappige historie. En hadden jullie dan echt die fuiken niet gelicht?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen burgemeester, dat hebben die twee jongens gedaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha-ha-ha,&#8212;en wie zijn dat dan?&#8221;
+<a id="d0e3656"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3656">171</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Frans Thor en Klaas Zwart, burgemeester,&#8221; zei Jan.
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik drong Flipsen tusschen het volk door. Hij kwam uit het raadhuis en wilde zien, wat er aan de hand was. Nauwelijks
+zag hij den burgemeester, of hij sloeg aan en zei:
+
+</p>
+<p>&#8220;Uw bevel is uitgevoerd, burgemeester, de jongens zitten elk in een cel. Ik geloof ook wel, dat wij de rechte personen op
+den kop hebben getikt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar het zijn de verkeerde!&#8221; riep de burgemeester hem lachend toe. &#8220;Deze twee had-je moeten hebben!&#8221;
+
+</p>
+<p>Wat keek Flipsen verwonderd, en zijne verbazing nam nog toe, toen hij de gevonden voorwerpen op het ijs zag liggen. De burgemeester
+vertelde hem in korte woorden, wat er gebeurd was.
+
+</p>
+<p>Flipsen lachte slim. Hij bekeek de potten en ketels met aandacht en liet ook het koperdraad door zijne vingers glijden. Toen
+zag hij meteen, dat dit aan het roer bevestigd was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Burgemeester,&#8221; zei hij, &#8220;U zegt, dat wij de verkeerde jongens opgesloten hebben, maar ik beweer, dat het, al is het dan ook
+bij toeval, de goede zijn. Frans Thor en Klaas Zwart hebben deze dingen gestolen, en ze hebben ze verkocht aan den pottenschipper,
+die ze in het water heeft laten zinken om ze te verbergen. Hij is w&egrave;l slim geweest maar toch niet slim genoeg.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;&#700;t Is een grove leugen!&#8221; zei de pottenschipper. &#8220;Die jongens zullen ze vermoedelijk zelf hier in het water hebben laten zakken,
+om de verdenking op mij te schuiven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo,&#8221; zei Flipsen, &#8220;dan hebben ze zeker aan jou een stukje koperdraad te leen gevraagd, niet waar? Want in je schuit heb
+ik precies zulk koperdraad zien liggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De pottenschipper werd doodsbleek.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga het halen, Flipsen,&#8221; gebood de burgemeester.
+
+</p>
+<p>Flipsen verdween in de schuit, en kwam weldra met <a id="d0e3681"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3681">172</a>]</span>een rol koperdraad terug. Het bleek, dat het draad aan de ketels en potten daarmede precies overeenstemde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Burgemeester,&#8221; zei Flipsen, &#8220;de jongens, die op &#700;t oogenblik onder &#700;t raadhuis opgesloten zitten, zijn de stelers, en de
+pottenschipper is de heler. Ondervraagt u de jongens maar &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n, dan zal u zien, hoe gauw zij door de mand vallen.
+Vooral Klaas Zwart.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo zal het gebeuren,&#8221; zei de burgemeester. &#8220;Schipper, je gaat mede naar het raadhuis, en Flipsen, neem jij die voorwerpen
+in beslag. Ik houd mij overtuigd, dat wij de bende thans op het spoor zijn. En jelui, jongens,&#8221; vervolgde hij vriendelijk
+tot Jan en Karel, &#8220;zal ik het voor dezen keer vergeven, dat je mijn bevel, om den brief bij Flipsen te bezorgen, niet hebt
+uitgevoerd. Je bent een paar slimme rotten!&#8221;
+
+</p>
+<p>Och och, wat had Dik een pret, toen hij aan Anneke vertelde, wat Jan gedaan had. Hij schoot er telkens opnieuw over in een
+lach, en ook Grootvader en Grootmoeder moesten het dadelijk vernemen, toen zij even bij Dik en Anneke kwamen aanloopen.
+
+</p>
+<p>De oude Trom vond het blijkbaar een verbazend scherpzinnigen zet van Jantje. Hij trok een poosje aan zijn bakkebaardjes en
+zei toen:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, Dik, zie-je, ik heb het altoos wel gezegd: Jan is ook een bizonder kind, en dat is-ie.&#8221;
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e3693" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e3798">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Veertiende Hoofdstuk.</h2>
+<div class="argument">
+<p>Besluit.</p>
+</div>
+<p>&#700;t Gebeurde werkelijk, zooals Flipsen voorspeld had. Niet zoodra verscheen Klaas Zwart in de burgemeesterskamer, <a id="d0e3701"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3701">173</a>]</span>en zag hij daar den pottenschipper staan naast de potten en ketels, die uit het water waren opgevischt, of hij begon over
+al zijne leden te beven, en de tranen sprongen hem in de oogen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom nader,&#8221; gebood de burgemeester.
+
+</p>
+<p>Klaas kwam tot vlak voor de tafel, waarachter het hoofd der gemeente in een leuningstoel gezeten was. Deze keek hem doordringend
+aan, maar zeide niets. Klaas sloeg de oogen naar den grond.
+
+</p>
+<p>Eindelijk zei de burgemeester kortaf:
+
+</p>
+<p>&#8220;Vertel mij alles, wat je daarvan weet. Maar vergeet niet, dat ik enkel <i>waarheid</i> wil hooren. Leugens zouden je trouwens niet meer baten, want alles is ontdekt. Spreek op!&#8221;
+
+</p>
+<p>Zweetdroppels parelden Klaas op het voorhoofd van angst.
+
+</p>
+<p>Hij hief de samengevouwen handen op en zeide snikkend:
+
+</p>
+<p>&#8220;O burgemeester, vergeef u het me voor dezen keer astublief. O, ik heb er zoo&#700;n spijt van.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarvan?&#8221; vroeg de burgemeester gestreng. &#8220;Spreek op, jongen, w&agrave;&agrave;r heb je spijt van?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat ik gestolen heb,&#8221; zei Klaas zacht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die potten en ketels?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja burgemeester.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En al die dingen, die bij de verschillende menschen op het dorp worden vermist?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja burgemeester.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heb je dat alles alleen gedaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, met Frans, burgemeester.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo, zoo.&#8212;&#700;t Is wat fraais. En wie hebben dat net gelicht van morgen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij ook,&#8221; zei Klaas.
+
+</p>
+<p>&#8220;En waar liet je al die gestolen voorwerpen?&#8221; vroeg de burgemeester, terwijl hij Klaas opnieuw doordringend aanzag.
+
+</p>
+<p>&#8220;De pottenschipper kocht ze van ons.&#8221;
+<a id="d0e3744"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3744">174</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Maar ik wist niet, dat het gestolen goed was,&#8221; viel de pottenschipper in, die voelde, dat hij den grond onder zijne voeten
+thans geheel verloor.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat wist iedereen op het dorp, tot den kleinsten jongen toe,&#8221; gaf de burgemeester op gestrengen toon ten antwoord. &#8220;Doe maar
+geen moeite meer, om je baantje schoon te praten. &#700;t Is een schande voor een man op uw leeftijd! Eene dubbele schande, omdat
+je ook nog twee jongens in je val meesleept. Jij en jij alleen hebt die kinderen in het ongeluk gestort. &#700;t Is diep treurig.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Even later werd Frans Thor binnengebracht. Deze was brutaler dan Klaas Zwart, en hij meende den burgemeester eerst nog met
+allerlei praatjes om den tuin te kunnen leiden. Maar toen hij vernam, dat Klaas reeds eene volledige bekentenis had afgelegd,
+raakte hij geheel in de war en in zijn eigen leugens verward. Het einde was, dat ook hij bekende aan de gepleegde diefstallen
+schuldig te zijn.
+
+</p>
+<p>De burgemeester maakte van alles proces-verbaal op, en toen hij daarmede klaar was, zeide hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Flipsen, doe de deur maar open. Zij kunnnen alle drie vertrekken. Later zullen zij wel meer van de zaak hooren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zwijgend verlieten zij het raadhuis.
+
+</p>
+<p>Den Maandag daaropvolgende kwamen Frans en Klaas weer gewoon school, maar zij waren nu nog meer afgezonderd van de overige
+jongens, dan zij vroeger al geweest waren. Iedereen vermeed hun gezelschap. In het midden van Februari bleven zij absent,
+en iedereen wist er de reden van. Zij waren namelijk opgeroepen om voor de rechtbank te verschijnen. Ook de pottenschipper
+moest daar verantwoording afleggen van zijne daden. Hij kreeg eene geduchte betraffing, omdat hij de beide jongens tot diefstal
+had overgehaald en hen daardoor ongelukkig <a id="d0e3759"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3759">175</a>]</span>had gemaakt. Eene gevangenisstraf van eenige maanden was zijn welverdiende loon.
+
+</p>
+<p>De jongens werden niet veroordeeld, omdat zij nog zoo jong waren, maar de rechtbank stelde hen tot hun achttiende jaar ter
+beschikking van de regeering, om in een rijksopvoedingsgesticht geplaatst te worden.
+
+</p>
+<p>Dat gebeurde evenwel niet dadelijk. Den volgenden dag zagen de schooljongens hen opnieuw verschijnen, en zij hoorden er dagen
+en weken lang niet meer van.
+
+</p>
+<p>Zoo kwam de eenendertigste Maart, de laatste dag, dien Jan en Karel op de school zouden doorbrengen. Karel zou bij zijn vader
+in de smederij komen, en Jan kwam in den winkel. Dik kon alles onmogelijk meer alleen af, want nog steeds nam het aantal zijner
+klanten toe, en elken dag kreeg hij het drukker. Hij verdiende dan ook veel geld, en was mooi op weg, om een rijk man te worden.
+
+
+</p>
+<p>Frans en Klaas zaten ook voor de laatste maal op de schoolbanken. Niet dat zij een vak gingen leeren. Daar kon geen sprake
+van zijn, omdat zij toch den een of anderen dag weggevoerd zouden worden.
+
+</p>
+<p>&#700;t Was in den middag. Het laatste schooluur was aangebroken. De leien, boeken en schriften waren opgehaald en de onderwijzer
+maakte zich juist gereed om een woord van afscheid te spreken tot de jongens en meisjes, die de school voor goed verlieten,
+toen er aan de deur werd geklopt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jan Trom, doe even open,&#8221; zei de meester.
+
+</p>
+<p>Jan deed het, en hij zag Flipsen en een rijksveldwachter in de vestibule staan. Zij kwamen het lokaal binnen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijnheer,&#8221; zei Flipsen, &#8220;wij hebben de opdracht Frans Thor en Klaas Zwart me&ecirc; te nemen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#700;t Was doodstil in de klasse.
+
+</p>
+<p>Frans en Klaas werden doodsbleek, en niet zij alleen, <a id="d0e3781"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3781">176</a>]</span>neen, verscheidene jongens en meisjes voelden zich eene rilling door de leden gaan, en menig meisjesoog vulde zich met tranen.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo,&#8221; zei de onderwijzer zacht, en zijn toon klonk droevig. De kinderen konden het hem aanzien, dat ook hij ontroerd was.
+&#8220;Zoo, dat is wel eene treurige opdracht, Flipsen.&#8212;Frans en Klaas, komt hier.&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens stapten de bank uit en kwamen voor de klasse. Beiden barstten in tranen uit. De onderwijzer gaf hun de hand.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dag Frans,&#8212;dag Klaas,&#8221; zei hij droevig. &#8220;Ik hoop je eenmaal terug te zien als brave mannen, die voor niemand de oogen behoeven
+neer te slaan. Beloof je me, dat je daartoe je best zult doen?&#8221;
+
+</p>
+<p>De jongens konden niet antwoorden. Met gebogen hoofd verlieten zij het lokaal, om weggebracht te worden ver van hunne ouders,
+naar een vreemde plaats....
+
+</p>
+<p>Hun vertrek maakte een diepen indruk op de achterblijvenden. De onderwijzer had de gewoonte den laatsten schooldag eene vertelling
+te doen. En dezen keer deed hij dat met meer gloed dan ooit te voren. Hij deed een verhaal van schoolkameraden, waarvan er
+een goed oppaste en tot een braaf man opgroeide, terwijl de andere door eigen schuld al dieper en dieper zonk en eindelijk
+in de gevangenis terecht kwam. En toen het verhaal uit was, drukte hij hun allen op het hart, toch nooit den weg van eer en
+plicht te verlaten, maar steeds het goede te doen en het kwade te haten.
+
+</p>
+<p>Met deze wijze les verlieten Jan en Karel voor goed de school, en zij vergaten haar hun leven lang niet.
+
+
+</p>
+<p class="aligncenter">EINDE.
+
+
+
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div class="div1" id="d0e3798">
+<h2 class="normal">Inhoudsopgave</h2>
+<ul>
+<li><a href="#d0e99">Eerste Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e159">Tweede Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e271">Derde Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e387">Vierde Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e506">Vijfde Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e762">Zesde Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e1209">Zevende Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e1531">Achtste Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e1930">Negende Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e2222">Tiende Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e2518">Elfde Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e2860">Twaalfde Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e3141">Dertiende Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e3693">Veertiende Hoofdstuk.</a></li>
+</ul>
+</div>
+<div class="transcribernote">
+<h2>Colofon</h2>
+<h3>Beschikbaarheid</h3>
+<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
+kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
+
+</p>
+<p>Deze digitale editie is gebaseerd op de twaalfde druk uit 1922.
+
+</p>
+<p>Dit eBoek is geproduceerd door Jeroen Hellingman.
+
+</p>
+<p lang="en">This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give
+it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
+
+</p>
+<p lang="en">This eBook is produced by Jeroen Hellingman.
+
+</p>
+<h3>Codering</h3>
+<p>Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde
+van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn
+gemarkeerd met het corr-element.
+
+</p>
+<p>Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen gebruikt, zijn deze in dit bestand gecodeerd met &#8220;. Geneste
+dubbele aanhalingstekens zijn stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens.
+
+</p>
+<h3>Documentgeschiedenis</h3>
+<ol class="lsoff">
+<li>2004-02-06 begonnen.
+
+</li>
+<li>2007-11-15 meer tags toegevoegd.</li>
+</ol>
+<h3>Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table width="75%">
+<tr>
+<th>Plaats</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2611">Bladzijde 122</a></td>
+<td width="40%">laaste</td>
+<td width="40%">laatste</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2976">Bladzijde 141</a></td>
+<td width="40%">klok</td>
+<td width="40%">klonk</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De Zoon van Dik Trom, by Cornelis Johannes Kieviet
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZOON VAN DIK TROM ***
+
+***** This file should be named 10971-h.htm or 10971-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/0/9/7/10971/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/old/10971-h/images/cover.jpg b/old/10971-h/images/cover.jpg
new file mode 100644
index 0000000..70fc254
--- /dev/null
+++ b/old/10971-h/images/cover.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/10971-h/images/p1.jpg b/old/10971-h/images/p1.jpg
new file mode 100644
index 0000000..3060a17
--- /dev/null
+++ b/old/10971-h/images/p1.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/10971-h/images/p2.jpg b/old/10971-h/images/p2.jpg
new file mode 100644
index 0000000..03a31b3
--- /dev/null
+++ b/old/10971-h/images/p2.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/old/10971.20040207-8.txt b/old/old/10971.20040207-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..00ce329
--- /dev/null
+++ b/old/old/10971.20040207-8.txt
@@ -0,0 +1,6907 @@
+The Project Gutenberg EBook of De Zoon van Dik Trom, by C. Joh. Kieviet
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.net
+
+
+Title: De Zoon van Dik Trom
+
+Author: C. Joh. Kieviet
+
+Release Date: February 7, 2004 [EBook #10971]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO Latin-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZOON VAN DIK TROM ***
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Geproduceerd door Jeroen Hellingman
+ en het Gedistribueerd Proeflees Team
+
+
+
+ De Zoon van Dik Trom
+
+ Door
+
+ C. Joh. Kieviet
+
+
+
+
+
+
+Eerste Hoofdstuk.
+
+Dik heeft een plan, en zijn vader vindt, dat hij een bizonder kind is,
+en dat is-ie.
+
+
+'t Was met den kruidenierswinkel van den ouden Trom uitstekend
+gegaan. Dat was geen wonder, want Vrouw Trom was eene zindelijke
+vrouw, die er voor zorgde, dat alles in den winkel er keurig netjes
+uitzag. De koperen weegschalen waren zoo prachtig geschuurd, dat zij
+haast wel van goud schenen, de toonbanken zagen er brandhelder uit,
+en de koopwaren waren van de beste kwaliteit.
+
+Elken morgen spande Dik zijn mooien hit voor den wagen, om de klanten,
+die buiten het dorp woonden, te gaan bedienen. Zijn paard was altoos
+helder geroskamd, zijn wagen zag er proper uit, en wat hij leverde
+was prompt in orde. Nooit vergat hij te doen, wat hij beloofd had, en
+tegen wat extra werk zag hij niet op, als hij een van zijne klanten er
+mede gerieven kon. Geen wonder dus, dat hij steeds méér verkocht, er
+telkens nieuwe klanten bijkreeg en er zelden of nooit een verloor. In
+enkele jaren was de winkel van Jan Trom de voornaamste van het dorp
+geworden, en 't was een lust te zien, hoe vol het er somtijds wezen
+kon. Vooral op Zaterdagavond was het er verbazend druk. Dan stond
+de winkel opgepropt met menschen, die inslag voor de volgende week
+kwamen doen, en hadden Vader en Moeder Trom, benevens Dik, geen handen
+genoeg, om de klanten te bedienen. Maar al moesten dezen wat wachten,
+dat hinderde niet erg, want allen luisterden graag naar de vroolijke
+grappen van Dik, die zijn praatje steeds klaar had.
+
+De oude Trom deed niet veel. Hij was niet sterk genoeg om lang achter
+de toonbank te staan, en als het hem al te druk werd, trok hij zich
+op zijn stoeltje in een hoek van den winkel terug en keek met innig
+welbehagen de drukte aan. En dan luisterde hij naar de gesprekken der
+vrouwtjes, die het wel gezellig vonden, als zij niet dadelijk geholpen
+konden worden, omdat zij dan nog een poosje konden babbelen,--maar
+het meest genoot hij van de grappen en kwinkslagen van zijn zoon Dik,
+dien hij soms langen tijd achtereen met de grootste bewondering kon
+zitten aanstaren. En menigmaal, als hij zag, hoe graag de menschen
+door Dik geholpen werden, mompelde hij zacht voor zich heen:
+
+"Die Dik,--o, dat is toch een bizonder kind,--en dat is-ie!"
+
+Trom werd er niet sterker op, en meer en meer begon de winkel hem
+te zwaar te worden, vooral overdag, als Dik de klanten afreed, en
+Moeder het huiswerk verrichtte. Want de winkelschel liet hem bijna
+nooit met rust, van den morgen tot den avond.
+
+"Klingelingeling!" ging het, als Trom zijn ontbijt
+gebruikte. "Klingelingeling!" als hij 's middags aan tafel
+zat. "Klingelingeling!" als hij zijn middagdutje wilde doen, waaraan
+zijn zwak lichaam zooveel behoefte had.
+
+Den geheelen dag was het voortdurend: "klingelingeling!" en dat
+hield niet op, voordat 's avonds laat de winkeldeur op het nachtslot
+werd gedaan.
+
+De oude man beefde soms over al zijn leden van vermoeidheid als hij
+eindelijk in zijn bed gestapt was, en van overspanning kon hij dan
+dikwijls in geen uren den slaap nog vatten. Eindelijk begrepen Moeder
+Griet en Dik beiden, dat het zoo niet langer ging,--dat er verandering
+moest komen.
+
+En die verandering kwam.
+
+Het huisje naast den winkel kwam te huur. 't Was een allerliefst
+huisje, wel klein, maar keurig net. 't Was een huisje voor een paar
+oude menschen, die rustig hun ouden dag wilden doorbrengen.
+
+Zoodra Dik hoorde, dat het te huur was, zei hij op een avond, toen
+de winkel op het nachtslot was:
+
+"Hoor eens, Vader en Moeder, weet u, dat het huisje hiernaast te
+huur komt?"
+
+"Is 't waar?" vroeg moeder Trom. "Neen, dat weet ik niet."
+
+Trom zei niets. Hij keek Dik aan en streek met zijn hand langs zijn
+dunne bakkebaardjes.
+
+"Ja," zei Dik,--"'t is zoo, en nu had ik gedacht, dat het juist een
+huisje voor u beiden zou zijn."
+
+"Ja," zei Trom, "dat denk ik ook, en dat doe ik."
+
+"'t Is een lief huis," ging Dik voort. "Niet te groot en erg
+gemakkelijk in 't bewonen. En als u mij dan den winkel verhuurde,
+zou u een rustigen ouden dag kunnen hebben. 't Wordt Vader toch wel
+wat erg zwaar in den winkel."
+
+"Ja, dat doet het--en dat doet het," zei Trom.
+
+"En wou jij dan alleen in den winkel gaan wonen, Dik?" vroeg vrouw
+Trom met een glimlachje.
+
+Dik lachte ook.
+
+"Neen Moeder, dat is nu juist mijne bedoeling niet. Als u en Vader het
+goedvinden, zou ik wel willen trouwen. Anneke en ik hebben elkander
+al gekend van onze vroegste kinderjaren af, en wij houden veel van
+mekaar. Dus,--wat dunkt u er van?"
+
+Moeder Trom stond op, sloeg haar armen om Dik's hals, gaf hem een
+kus op elke wang, en zei:
+
+"Mijn zegen er op, Dik!"
+
+Trom trok zoo hard aan zijn bakkebaardjes, dat hij er de vlassige
+haartjes van in de hand hield, en zei:
+
+"Ja, ja, zoo is het goed, en dat is het. Griet, onze Dik is toch een
+bizonder kind,--en dat is-ie!"
+
+
+
+Tweede Hoofdstuk.
+
+De belangrijkste dag uit het leven van Dik Trom.
+
+
+Het ging al gauw als een loopend vuurtje door het dorp: "Dik Trom
+gaat trouwen met Anneke, en zijn ouders gaan het huisje bewonen naast
+den winkel." En alle menschen vonden het erg best. "'t Was net een
+spannetje, dat bij elkaar hoorde," zei men. "Allebêi zijn ze vroolijk,
+allebêi jong, allebêi dik," en dat was waar, want Anneke evenaarde in
+gezetheid haar aanstaanden man. Zij zag er door en door gezond uit,
+had een paar blozende wangen en keek iedereen altoos vroolijk en
+opgeruimd aan. En zij vond het wàt prettig om met Dik te trouwen. Van
+hun vroegste jeugd af hadden zij elkander gekend en veel van mekaar
+gehouden, en niemand vond het vreemd, dat zij man en vrouw zouden
+worden. Eigenlijk hadden de menschen het al lang gedacht.
+
+Op een mooien dag in de maand Juni werd de bruiloft gevierd. Dik was 's
+morgens al vroeg opgestaan en den tuin achter zijn huis ingestapt. Het
+zonnetje scheen zoo vroolijk, de vogels zongen zoo blijde, de bloemen
+in de perkjes geurden zoo heerlijk, en Dik voelde zich zóó gelukkig,
+dat hij van louter plezier een liedje begon te zingen. En met zijn
+zakmes sneed hij de vroege rozen af en de seringen en de vogelkers,
+en bond ze te zamen tot een welriekenden ruiker, dien hij zelf aan
+zijne bruid ging brengen. Overal zag hij de vlaggen uitsteken ter
+eere van hem en van Anneke. Piet van Dril was de eerste, die zijn vlag
+uit het zolderraam stak, en toen volgde Jan Vos, en daarna Van Dijk,
+de molenaar, en Vrouw van Aken, en Teun de visscher, en de meester,
+en de ontvanger, en de burgemeester. Ja, zelfs uit het huisje van Kee,
+de heks van den Achterweg, wapperde een klein, verschoten vlaggetje
+uit het boven-zijraampje, want zij hield dolveel van Dik en verheugde
+zich in zijn geluk. Weldra was er geen huis meer, waar de vlag niet
+uithing, wat wel een bewijs was, dat de bruid en de bruidegom geliefde
+personen waren op het dorp.
+
+Dik vond het heerlijk te zien, dat alle menschen hem en Anneke een
+blijk van vriendschap wilden geven. Hij had een glimlach van geluk
+op de lippen, en zijne oogen tintelden van blijdschap.
+
+De menschen, die hem tegenkwamen, hielden hem staande om hem geluk
+te wenschen en de hand te drukken, en Piet van Dril stak zijn zwarte
+gezicht buiten de deur van de smederij, toen Dik daar voorbijkwam,
+zwaaide met zijn vette, glimmende petje, en riep driemaal:
+"Hoezee! Leven Dik en zijne bruid!"
+
+Voor het huis van Anneke wachtte hem eene verrassing, want daar was
+een mooie, groote eerepoort opgericht met sparregroen en papieren
+bloemen. Bovenin prijkte een schild met de namen van de bruid en
+den bruidegom, en er hingen lampions met kaarsen, die 's avonds een
+schitterend licht zouden geven.
+
+Dat hadden zijn vrienden en kennissen gedaan onder leiding van Piet
+van Dril, zijn boezemvriend.
+
+En onder de poort stond Anneke, die maar niet begrijpen kon, dat die
+poort ter harer eere was opgericht, en ze lachte en schreide tegelijk
+van blijdschap en zei, dat ze zoo gelukkig was en zooveel eer niet
+verdiende. En zij dankte Dik voor zijn mooien ruiker, en wist bijna
+niet, wat zij doen zou van vreugde.
+
+Toen ging Dik naar huis terug, om alles voor de bruiloft in orde te
+brengen. Er werden in de schuur, die in gewone tijden voor pakhuis
+diende, groote tafels en stoelen geplaatst voor de gasten. En hij
+versierde de wanden met vlaggedoek, en nog was hij daarmee niet gereed,
+toen de deur openging, en Piet van Dril en Jan Vos verschenen, die
+een wagen met sparregroen meebrachten en hem hielpen aan de versiering.
+
+De schuur was weldra haast niet meer te herkennen, zoo mooi werd
+zij. Vader en moeder Trom konden hun oogen bijna niet gelooven, toen
+zij even binnen kwamen om een kijkje te nemen. Zij sloegen de handen
+van verbazing in elkaar, en Trom mompelde:
+
+"Wat een feest,--wat een feest! 't Heele dorp vlagt, en dan die
+schuur! O, die Dik is een bizonder kind, en dat is-ie!"
+
+Moeder Griet was dat volkomen met hem eens, maar zij gunde zich den
+tijd niet om lang te kijken, want zij had het nog meer dan druk om
+alles voor het feest in gereedheid te brengen. De beste spullen moesten
+uit de kast, en alles werd zorgvuldig geschuierd en opgeknapt. Trom
+had het vreeselijk druk met zijn hoogen hoed, denzelfden nog, waarop
+Dik was gaan zitten, toen deze nog een kleine jongen was. Trom poetste
+de stugge haartjes glad en liefkoosde hem wel honderdmaal met de mouw
+van zijne lakensche jas. De man zag er wàt deftig uit, heelemaal in
+'t zwart en met dien hoogen hoed op. 't Model van zijn costuum was
+wel wat ouderwetsch,--want 't was zijn eigen trouwpak nog, dat hij
+maar zelden had aangehad,--en zijn hoed was wel wat hoog van bol en
+breed van rand, maar dat hinderde niet.
+
+"Die hoed is nog mooi, en dat is-ie," zei Trom, "en mijn pak kan ook
+nog best meê, en dat kan het."
+
+Dik was van top tot teen in 't nieuw. Hij had ook een lakensch pak
+laten maken en een hoogen hoed gekocht. Zelf vond hij wel, dat hij er
+met den hoed erg gek uitzag, maar Trom zei, dat hij hem deftig stond,
+en dat deed-ie. Dik's nieuwe laarzen kraakten bij elken stap, zoodat
+men hem in de verte al kon hooren aankomen. Dik had er een hekel aan,
+maar zijn vader vond dat ook al erg deftig.
+
+"Alle laarzen van deftige menschen kraken, en dat doen ze," zei
+hij wijs.
+
+Eindelijk werd het tijd om naar het huis van de bruid en vervolgens
+naar het gemeentehuis te gaan, waar het huwelijk zou worden
+voltrokken. Het drietal begaf zich daarom op weg.
+
+Dik zag wel wat tegen de plechtigheid op, en hij voelde zich in zijn
+mooie zwarte pak, in zijne krakende laarzen en onder zijn hoogen hoed
+verre van lekker. Hij was in het geheel geen mensch voor zooveel moois
+en plechtigs. Maar 't moest nu eenmaal gebeuren, en hij besloot daarom
+zoo goed mogelijk door den zuren appel heen te bijten.
+
+Vader en moeder Trom keken met gepasten ernst naar al de vlaggen,
+die ter eere van hun zoon waren uitgestoken, en vonden zich verbazend
+gewichtig. Moeder Griet zag er ook zeer feestelijk uit. Zij had hare
+zijden japon aan, waarover een met palmen doorgewerkte omslagdoek,
+die haar in den vorm van een gelijkbeenigen driehoek over den rug hing
+met de punt naar beneden, een zijden hoedje op met groote keellinten,
+en aan haar arm een karbies, welke in sterke mate de aandacht trok
+van de kinderen, die den kleinen stoet omringden en steeds in aantal
+toenamen. Een van de grootste jongens begon al spoedig te zingen:
+
+
+ "Bruid, bruid, strooi wat uit!"
+
+
+Maar de anderen legden hem het zwijgen op met de opmerking, dat de
+bruid nog niet aanwezig en hij dus met zijn liedje te vroeg was.
+
+De jongens en meisjes zagen er zeer opgewekt uit en het ontbrak hun
+niet aan de noodige luidruchtigheid.
+
+Zoo bereikte het drietal de woning van de bruid, waar de gasten,
+die voor het feest genoodigd waren, zich reeds verzameld hadden. Met
+een krachtigen handdruk werd Dik ontvangen, die onhandig met zijn
+hoogen hoed omsprong en voortdurend het vervelende kraken van zijne
+laarzen hoorde.
+
+'t Was nu hoog tijd om naar het raadhuis te gaan. De stoet stelde zich
+dus op. Jan Vos en zijn verloofde openden de rij, daarop volgden Dik
+en Anneke, daarachter de wederzijdsche ouders en verdere familieleden,
+en eindelijk de vrienden en kennissen, die genoodigd waren. Piet van
+Dril en zijn jonge vrouw, want Piet was al sedert een jaar getrouwd,
+waren de laatsten van den stoet.
+
+De meisjes en vrouwen hadden allen een groote karbies, tot groote
+vreugde van de jongens en meisjes, die zich vol blijde verwachting
+voor het huis hadden opgesteld. Nauwelijks waren de bruiloftsgasten
+zichtbaar, of daar klonk uit wel honderd kelen:
+
+
+ "Bruid, Bruid,
+ Strooi wat uit!
+ Bruid, Bruid,
+ Strooi wat uit!"
+
+
+'t Was een verschrikkelijk gejoel en lawaai, maar de karbiezen bleven
+potdicht. Eerst moest het jonge paar getrouwd zijn; zoolang dat niet
+gebeurd was, werd er niet gestrooid.
+
+In lange rij trok de stoet door het dorp en bereikte ongestoord het
+raadhuis. Daar werden de groote deuren geopend door den veldwachter,
+die bij trouwpartijen dienst deed als concièrge, en men nam plaats
+in de trouwzaal, waar vele dorpelingen aanwezig waren om van de
+plechtigheid getuige te zijn.
+
+Spoedig verscheen de burgemeester, en nu werden Dik en Anneke in den
+echt verbonden. De burgemeester deed nog een hartelijke toespraak en
+drukte het bruidspaar de hand.
+
+Pas kwam de stoet weer buiten het raadhuis, of daar galmde het weer,
+nu wel uit tweehonderd monden:
+
+
+ "Bruid, Bruid,
+ Strooi wat uit!
+ Bruid, Bruid,
+ Strooi wat uit!"
+
+
+De lieve straatjeugd drong geweldig op om dicht bij de karbiezen
+te komen, die de begeerde lekkernijen bevatten. En thans bestond er
+tegen het openen daarvan geen enkele hinderpaal meer.
+
+"Dààr dan, jongens, grabbelt maar!" riep Anneke, die tijdens de
+plechtigheid erg bleek had gezien, maar nu hare frissche kleur
+langzamerhand terugkreeg, en zij tastte diep in de karbies en strooide
+de bruidssuikers onder de menigte. Haar voorbeeld werd door Moeder
+Trom en de andere vrouwen en meisjes gevolgd. Het regende als het
+ware links en rechts suikergoed, zoodat de jongens op en over elkander
+buitelden, om toch maar zooveel mogelijk bijeen te grabbelen. 't Was
+een allerdolst schouwspel. De kinderen hadden nergens meer oog voor,
+dan voor de uitgestrooide lekkernijen, en zij waren zoo verwoed aan
+het grabbelen, dat zij den heelen bruidsstoet uit elkaar duwden. Een
+van de jongens kwam vlak voor de voeten te liggen van Vader Trom,
+zoodat het weinig scheelde, of deze viel voorover op de straat. Zijn
+hooge hoed rolde wel twee meter ver voor hem uit en kwam onder een
+paar jongens terecht, die aan het vechten waren om een suikerboon,
+waarop zij beiden recht meenden te hebben. De arme hoed kreeg het
+kwaad te verantwoorden en leek al spoedig meer op een waterhoozer
+uit een lekke roeiboot, dan op een deftigen hoogen hoed.
+
+Piet van Dril gaf den vechtenden jongens een paar klinkende oorvijgen,
+die hun met verbazenden spoed het hazenpad deden kiezen. Den hoed
+bracht hij zooveel mogelijk weer in zijn fatsoen, en zette hem den
+ouden man op het hoofd.
+
+Van het gemeentehuis wandelde de stoet, steeds vergezeld door de
+straatjeugd, die met ijzeren volharding het "Bruid, Bruid, strooi
+wat uit" galmde, naar de kerk, waar het huwelijk ingezegend werd,
+en van daar naar de versierde schuur.
+
+Den geheelen dag heerschte er groote vreugde. Dik rookte uit een
+lange Goudsche pijp, die met groen en bloemen was versierd, en de
+bruid dronk uit een kopje, waarvan het oortje met een rozeknopje en
+een paar rozeblaadjes prijkte.
+
+'t Was een heerlijk feest. 's Middags kwamen vele vrienden en kennissen
+gelukwenschen, en ook de oude heks van den Achterweg kwam binnen, om
+bruid en bruidegom de hand te drukken. En in een klein mandje bracht
+zij zes kippeneitjes meê, als een klein blijk van hare vriendschap
+en dankbaarheid, want zij was maar een arme, oude vrouw en wilde toch
+ook zoo graag wat geven.
+
+Dik kreeg het er bijna te kwaad onder, zoo aardig vond hij dat van
+de goede ziel, en hij pakte het oudje beet en danste met haar in
+het rond tot groote pret van alle bruiloftsgasten. 's Avonds kwamen
+twee muzikanten met violen, en toen konden de jongelui dansen naar
+hartelust, wat zij dan ook deden.
+
+'t Was al zeer laat in den avond, en nog was er niemand naar huis
+gegaan. De oude molenaar was de eerste, die opstond om te vertrekken,
+en hij klopte Trom op den rug en zeide:
+
+"Dat was nog eens een echte, mooie bruiloft, niet waar?"
+
+En Trom antwoordde, aan zijne bakkebaardjes plukkende:
+
+"Ja, dat is het,--en dat doet het,--maar Dik is ook een bizonder
+kind,--en dat is-ie!"
+
+
+
+Derde Hoofdstuk.
+
+Dik wordt vader, en vrouw Smul begraaft haar neus in een roomtaart.
+
+
+'t Bleef met den winkel onder leiding van Dik en Anneke uitstekend
+gaan, zoodat men gerust kon voorspellen, dat zij nog eens in goeden
+doen zouden komen. Nu, Dik werkte dan ook met den grootsten ijver,
+en als hij de boeren afreed met boodschappen, verving Anneke hem
+op uitstekende wijze in den winkel. En zij was een zuinig vrouwtje,
+naar de meening van Dik haast wel een beetje al te zuinig.
+
+"Hoor eens, Anneke," zei hij meer dan eens, "daar moet je toch
+voorzichtig meê wezen. Zuinig is goed, best zelfs, maar àl te zuinig
+is verkeerd. Komen de vrouwtjes om een pondje van dit of van dat, dan
+moet je niet bang wezen, dat de schaal even doorslaat. 't Is beter
+overwicht te geven, dan te klein gewicht. Daar hebben de menschen
+een hekel aan, en dan gaan ze al gauw naar een anderen winkel, waar
+de maat wat ruimer is. Heusch, een klein toegiftje doet geen schade,
+maar voordeel. En komen er kinderen boodschappen halen, geef ze dan
+een balletje of een pepermunt, of een stukje zoethout, of een vijg. Dat
+hebben ze graag en dan koopen ze liever hier dan bij een ander."
+
+Anneke gaf aan dien raad gehoor, maar zuinig van aard bleef ze toch,
+en dat was goed.
+
+In den winkel zag het er keurig netjes uit, en hij was van alle
+gemakken voorzien. Daar zorgde vader Trom wel voor. Nu hij niets meer
+te doen had, was de oude liefhebberij voor het timmervak weer bij hem
+ontwaakt, en liep hij altoos te passen en te meten, te schaven en te
+hameren. 't Was dan ook, eer een jaar verloopen was, een pracht van
+een winkel geworden, en Trom was daar erg trotsch op. Jammer voor
+den braven man, dat hij den laatsten tijd zoo doof werd. Kort na
+Dik's bruiloft was het begonnen, en 't nam met den dag toe, zoodat
+hij eindelijk bijna niet meer te beschreeuwen was. 't Was voor Griet
+een verbazende last, want zij hield erg veel van een praatje.
+
+Een paar jaar na Dik's huwelijk had er eene groote gebeurtenis
+plaats. Dik werd namelijk vader van een zoontje, en hij was daar
+erg blij om. Toen hij op een avond met paard en kar thuis kwam,
+vond hij den kleinen kerel al in de wieg liggen, en grootvader
+en grootmoeder Trom zaten er op een stoel naast en keken met de
+grootste belangstelling naar hun pasgeboren kleinkind. Grootmoeder
+Griet vond het een allerliefst schattig kindje, maar grootvader zei
+geen woord. Hij was blijkbaar in gedachten verdiept, en staarde met
+open mond den kleinen schreeuwer aan. Want een scheeuwer was het. De
+oude Trom had een klein, pasgeboren kindje nog nooit zóó hooren
+schreeuwen. Grootvader vond het erg verwonderlijk, en soms sloeg hij
+zijne oogen even op en staarde grootmoeder aan met een blik, waarin
+zoowel verbazing als bewondering opgesloten lag. 't Was hem aan te
+zien, dat hij in het kind iets gewichtigs zag.
+
+"O, o, wat was Dik blij, toen hij zijn zoontje zag. Zijne ouders
+feliciteerden hem recht hartelijk, en hij drukte moeder Anneke, die
+te bed lag, een kus op elke wang. En toen ging hij weer dadelijk naar
+de wieg, om zijn zoontje in oogenschouw te nemen.
+
+"Wel verschrikkelijk, wat schreeuwt dat kind!" zei Dik, die ook in
+de grootste verbazing naar het geluid van den nieuwen huisgenoot
+luisterde. "Moeder, heb ik ook zoo geschreeuwd, toen ik pas in de
+wereld was?"
+
+"Neen," zei grootmoeder Trom, "jij schreeuwde nooit, dan alleen als
+je honger hadt."
+
+"Maar dan heeft dat ventje ook honger!" riep Dik met beslistheid
+uit. "Hei baker, waar zit je? Geef dat kind wat eten!"
+
+Op zijn geroep kwam de baker uit de keuken te voorschijn 't Was
+vrouw Smul, die ook Dik nog gebakerd had. Zij was nu eene oude vrouw
+geworden, met bijna geen tand meer in haar mond, en een puntige,
+vooruitstekende kin. Dik hield in het geheel niet van haar, maar daar
+zij de eenige baker op het dorp was, moest hare hulp wel ingeroepen
+worden. Met een vriendelijk lachje feliciteerde zij den gelukkigen
+vader, en zij haalde het kleine kereltje uit de wieg, en hield hem
+Dik voor, die nu in de gelegenheid kwam, zijn zoon goed te bezien.
+
+Ten tweeden male wekte het ventje zijn groote verbazing, want zoo
+dik als hij zelf geweest was, toen hij op de wereld kwam, zoo smal
+en dun was de kleine. En schreeuwen, schreeuwen dat het kind deed,
+neen maar, 't ging Diks verwachting verre te boven. Ook grootmoeder
+en grootvader keken het wichtje met verwondering aan, want zoo dun
+en mager hadden zij nog nooit een kind gezien.
+
+Dik sloeg van verbazing de handen ineen, en riep uit:
+
+"Neen maar, wat een wonderlijk mager kind is dat! 't Is veel te dun!"
+
+"Maar 't is toch een erg lief kindje," zei Anneke met moedertrots.
+
+"En wat schreeuwt het!" ging Dik voort, "'t Schreeuwt als een
+speenvarken. Toe baker, geef dat kind dadelijk wat te eten, want zulk
+geschreeuw is niet uit te houden. Een mensch krijgt er hoofdpijn van."
+
+Grootvader Trom had nog geen woord gesproken, maar eindelijk ging
+hij naar zijn vrouw, en driftig aan zijn bakkebaardjes plukkende,
+zei hij op gewichtigen toon:
+
+"Griet, 't is een bizonder kind,--ik zeg een bizonder kind,--en
+dat is-ie!"
+
+"Ik geloof het ook," zei Dik lachend. "Zoo dun,--en dan dat
+geschreeuw. 't Is wél bizonder!"
+
+Inderdaad bleken deze twee eigenschappen van den kleine op den duur
+wèl wat bizonder te zijn, want het kind schreide van den morgen tot
+den avond, en van den avond tot den morgen. Alleen als hij sliep, was
+hij stil. Hij dronk de eene flesch melk na de andere, maar bleef even
+dun en mager. En hij schreeuwde om er wanhopig onder te worden. Kreeg
+hij geen flesch, dan maakte hij een ijselijk misbaar om de aandacht
+op zich te vestigen, en had hij de flesch leeggedronken, dan vond hij
+dàt weer een reden om zijne stem te verheffen. Maar hij groeide best,
+al was het alleen in de lengte.
+
+Dik vreesde, dat zijn wieg hem gauw te kort zou worden, en hij
+ergerde zich den ganschen dag aan de aanwezigheid van de baker. Daar
+had hij trouwens zijn goede redenen voor, want in den winkel was
+veel te snoepen, en daar hield vrouw Smul van. Telkens zag Dik,
+dat zij tersluiks iets in den mond stak, als zij even in den winkel
+moest wezen, en dat kon Dik niet uitstaan. Eens zag hij, dat zij bij
+de kistjes vijgen stond en er een handjevol uitnam, en hij besloot
+haar dat eens en voor goed af te leeren. Baker had hem niet gezien,
+en schrok dus niet weinig, toen hij eensklaps achter haar stond. Dik
+nam een grooten bak met stroop, dien zij onmogelijk met éen hand kon
+vasthouden en zei:
+
+"Toe baker, help me even. Houd dien bak eens vast."
+
+Maar dat kon baker niet doen, want dan zou Dik zien, dat zij een
+hand vol vijgen had. Haastig draaide zij zich dus om en stak de
+vijgen met eene behendige beweging in haar mond, maar ongelukkig
+konden ze daarin haast niet geborgen worden, zooveel had zij er wel
+uit het kistje genomen. Zij moest den mond dus stijf dicht houden,
+wilde zij zich niet verraden. Toen greep zij den stroopbak met beide
+handen aan. Haar mond zat als 't ware volgepropt, tot groot vermaak
+van Dik, die een vriendelijk praatje met haar begon.
+
+"Wel baker," vroeg hij, "hoe zou het toch komen, dat de kleine
+Jan",--want zijn zoon heette Jan, naar zijn grootvader,--"dat de
+kleine Jan altijd zoo schreeuwt? Wat kan daar toch de reden van wezen?"
+
+Maar baker kon niet antwoorden vanwege de vijgen, die zij in
+den mond had. En er waren er te veel, dan dat zij ze had kunnen
+doorslikken. Kauwen durfde zij ook niet, want dan zou zij zichzelve
+dadelijk verraden hebben. Zij verkeerde nog in de heilige overtuiging,
+dat Dik niets van hare snoeperij had gemerkt. Zij zeide dus niets,
+maar haalde alleen de schouders op, ten teeken dat de reden van
+Jantjes geschreeuw haar totaal onbekend was. Doch met dat gebaar was
+Dik niet tevreden.
+
+"Neen baker, haal nu de schouders niet op," zei hij op ernstigen toon,
+"maar zeg mij liever kort en goed, wat er de oorzaak van is. Hij moet
+toch ergens met zooveel volharding om schreeuwen!"
+
+Baker haalde nogmaals de schouders op, en Dik keek haar ernstig aan.
+
+"Scheelt er wat aan, baker? U trekt zoo'n raar gezicht," ging hij
+voort. "Heeft u pijn of zoo iets?"
+
+Baker schudde ontkennend met het hoofd, maar het angstzweet brak haar
+uit, want de vijgen in haar mond begonnen haar verschrikkelijk zwaar te
+liggen, en zij kon haar mond bijna niet meer dicht houden. Zij kneep
+de lippen wanhopig stijf op elkander en liet den zwaren stroopbak
+haast vallen.
+
+Dik had de grootste pret, en ging plagend voort:
+
+"Heeft u kiespijn, baker?"
+
+Baker schudde alweer van neen.
+
+"Of buikpijn?"
+
+Nogmaals hetzelfde gebaar.
+
+"U lijkt wel stommetje te spelen, baker. Ik geloof, dat ik den dokter
+voor u moet halen."
+
+De baker slaakte een diepen zucht, maar wilde blijkbaar niets van
+een dokter weten. Zij schudde heftig van neen.
+
+"Maar zèg dan toch wat, baker! Zulk zwijgen is om er tureluursch van
+te worden. Of kan u niet spreken?"
+
+De baker zei nog niets, maar keek wanhopig naar den zolder.
+
+"Doe uw mond eens open, baker," ging Dik zonder medelijden voort,
+en hij pakte haar kin tusschen vinger en duim. Maar nu werd het baker
+te erg, en zij begreep, dat Dik heel goed had gezien, dat zij van de
+vijgen gesnoept had. Zij zette den stroopbak haastig neer en verliet in
+allerijl den winkel, terwijl Dik het uitschaterde van pret, omdat hij
+haar zoo geducht te pakken had gehad. Zij dorst den "baas" den geheelen
+dag niet meer aankijken van schaamte, en zij had nog grooter hekel
+aan hem dan vroeger, toen hij haar klompen vol water had geschept.
+
+Maar haar snoeplust leerde zij er niet meê af. Die kwaal was bij haar
+te veel ingekankerd.
+
+Dat bleek Dik, toen zijn zoontje een dag of acht oud was. In den
+winkel, achter een van de toonbanken, was een luik, waaronder zich de
+kelder bevond. Dik was in dien kelder, toen de winkelschel ging, maar
+de baker wist niet, dat Dik daar was. Zij kwam in den winkel en zag
+daar den loopjongen van den banketbakker, die eene heerlijke roomtaart
+kwam brengen, een geschenk van Piet van Dril en diens vrouw. Ha, de
+neusvleugels van vrouw Smul trilden van begeerte. Na haastig om zich
+heen gekeken te hebben, of zij wel alleen was, lichtte zij behendig
+het deksel van de doos en genoot van den heerlijken aanblik, dien de
+verrukkelijke taart opleverde.
+
+Dik kwam langzaam en onhoorbaar naderbij. "Als zij gaat snoepen,
+zal ik het haar eens en voor altijd afleeren," dacht hij.
+
+En jawel, vrouw Smul moest toch eventjes proeven. Met haar vinger
+streek zij er wat room af en stak het in den mond. Wat smaakte dat
+heerlijk! Zij smakte met de tong. En wat rook die taart lekker. Wacht,
+zij moest ook eventjes ruiken. Zij bracht de doos wat omhoog, haar
+neus naar omlaag, en genoot van den heerlijken geur....
+
+Maar Dik was meer dan kwaad, want hij dacht, dat vrouw Smul er van
+snoepte. En in zijne boosheid gaf hij een geduchten duw tegen den
+bodem van de doos, zoodat neus en kin van de baker in een oogwenk
+tot in het hart van de taart doordrongen. En toen vrouw Smul die
+lichaamsdeelen weer uit hun ontijdig graf had opgedolven, zaten zij
+dik in de room. Zij leken wel roomhorentjes.
+
+Vrouw Smul kon zich in het eerste oogenblik maar niet begrijpen, wat
+er gebeurd was, zoo snel was het in zijn werk gegaan, en zij gaf een
+gil van den schrik. Doos en taart liet zij op den vloer vallen, en zij
+vluchtte op een draf den winkel uit en de huiskamer in, waar Anneke
+in een schaterlach uitbarstte, zoo mal zag baker er uit. En zij kon
+haast niet tot bedaren komen, toen Dik haar vertelde wat er eigenlijk
+gebeurd was, al vond zij het meer dan jammer van de heerlijke taart.
+
+"En wat zullen Piet van Dril en zijne vrouw het akelig vinden, als
+zij het hooren," zei Anneke.
+
+"Die zullen het niet hooren," zei Dik. "Ik ga dadelijk een nieuwe
+taart bestellen, precies eender als deze, en wij noodigen Piet
+en zijne vrouw een avondje bij ons op de koffie, om haar te helpen
+opeten. Dan hooren zij er nooit iets van. Baker zal er haar mond wel
+over houden,--en wij praten er natuurlijk ook niet over."
+
+Zoo geschiedde. Piet en zijn vrouw smulden er heerlijk van en vonden
+het prettig, dat de taart Dik en Anneke zoo lekker smaakte, maar zij
+hebben nooit geweten, dat het de hunne niet was. De baker wilde den
+heelen avond niet binnen komen. Zij bleef stil in de keuken. Maar
+Anneke zorgde toch, dat zij haar deel van de lekkernij kreeg.
+
+Want zij paste uitstekend op den kleinen Jan, en dat waardeerde Anneke
+bizonder. Een paar dagen later ging de baker voor goed heen.
+
+
+
+Vierde Hoofdstuk.
+
+De eigenschappen van den kleinen Jan en het geduldige busje van
+de orgelvrouw.
+
+
+De kleine Jan groeide zeer voorspoedig op, dat wil zeggen alleen in
+de lengte, want hij bleef broodmager, tot groote verbazing van Dik
+en Anneke, die elken dag opnieuw in de gelegenheid werden gesteld om
+zijn eetlust te bewonderen.
+
+"Hij is precies een hazewindhond," zei Dik meer dan eens. "Hoeveel
+hij ook eet, hij blijft altijd even dun. 't Is verwonderlijk!"
+
+Overigens was de kleine Jan een zeer voorlijk kind. Hij lachte al,
+toen hij nog maar enkele dagen oud was, en zijne tandjes kwamen
+zeldzaam vroeg. Hij kroop veel gauwer over den vloer, dan nog ooit
+eenig kind gedaan had, en kreeg mazelen, kinkhoest en waterpokken,
+toen andere kinderen van zijn leeftijd de gedachte daaraan nog niet
+in hun hoofd voelden opkomen.
+
+Zijn grootvader hield daarom staande tegenover iedereen die het hooren
+wilde, dat de kleine Jan een bizonder kind was, en dat was-ie.
+
+Jan was met zijn grootvader al spoedig goede maatjes. Toen hij nog heel
+klein was, wilde hij altoos op diens knieën zitten en paardje-rijden,
+zoodra hij hem maar zag, en als Grootvader zijn zin niet dadelijk deed,
+zette hij het zoo geweldig op een schreeuwen, dat zelfs Grootvaders
+gehoorvliezen er pijn van gingen doen. En dan haastte de oude man zich,
+om zijn kleinzoontje tevreden te stellen.
+
+Zoodra Jantje loopen kon, en dat kon hij heel vroeg, liep hij
+grootvader overal na. Anneke was daar eerst wel wat ongerust over,
+omdat grootvader zoo erg doof was, maar toen haar Jantje altoos weer
+gezond en wèl terugkeerde in de ouderlijke woning, begon zij daar
+spoedig aan te wennen. Als Jantje zoek was, dacht ze al dadelijk:
+"O, hij zal wel weer bij grootvader wezen."
+
+Toen Jantje zag, dat grootvader bijna altoos aan het timmeren was,
+schreeuwde hij net zoo lang, tot hij ook een hamer kreeg, en van
+dat oogenblik af deed hij niet anders dan hameren. Hij sloeg er meê
+tegen de toonbank, dat de weegschalen er van rinkelden, klopte op
+de vijgenmand met zooveel kracht, dat de pitjes uit de vruchten te
+voorschijn kwamen, hamerde een melkkan aan scherven en sloeg een barst
+in de winkelruit. Dat gebeurde alles op één dag, tot grooten schrik
+van Anneke, die hem den hamer afnam, toen het te laat was. Grootvader
+had er niets van gemerkt, en toen Anneke hem op de verwoesting attent
+maakte, keek hij die eenigen tijd in verbazing aan, tot hij eindelijk
+mompelde:
+
+"Zie je wel, Anneke, dat Jantje een bizonder kind is?--En dat is-ie."
+
+Dat bleek ook uit het feit, dat Jantje het geweldig op een schreeuwen
+zette, toen Anneke hem den hamer had afgenomen. Hij kon echter zoo hard
+niet schreeuwen, dat zijne Moeder hem dien teruggaf. Grootvader was
+bezig de stijfsellade te herstellen, die niet meer goed heen en weer
+kon schuiven. Jantje zat schreeuwend achter hem op den vloer, tot het
+twaalf uur werd en Grootvader naar huis moest om te eten. Grootvader
+legde den hamer in den spijkerbak en vertrok. Nauwelijks was hij
+verdwenen, of Jantje greep den hamer en zette de werkzaamheden
+voort. Hij sloeg draadnagels in de verschillende winkelladen, waar
+zij schots en scheef in terecht kwamen, timmerde Grootvaders rooden,
+katoenen zakdoek, dien hij vergeten had mede te nemen, als een vlag
+aan de toonbank vast, en ging naar het petroleumvat, om ook daar
+een paar draadnagels in te slaan. Maar toen viel zijn aandacht op de
+kraan, die in het vat zat, en Jantje sloeg er net zoo lang op met zijn
+hamer, tot de kraan uit het vat vloog en de petroleum in een breeden
+stroom op den vloer en op Jantjes beenen terecht kwam. Ha, dat vond
+Jantje pas mooi. Hij hield er den hamer onder, waardoor de stroom een
+bizonder mooien vorm kreeg en de droppels hem om de ooren spatten,
+en hij keek met innig welbehagen de gevolgen van zijn bemoeiingen
+aan. De petroleum bedekte weldra den geheelen vloer, en Jantje was
+zoo nat als een gedrenkte spons. Zijne Moeder had er geen erg in, want
+zij was in de keuken, tot zij opeens een geweldig geschreeuw vernam,
+zóó hevig, dat zij van schrik opsprong en naar den winkel ijlde. Maar
+nauwelijks had zij de deur geopend, of zij bleef als verstomd staan en
+keek met open mond naar de petroleum, die den geheelen vloer bedekte
+tot aan den drempel toe, waarop hare voeten stonden, en naar Jantje,
+die uit alle macht schreeuwde en met zijn hamer op het vat sloeg.
+
+De tranen sprongen Anneke in de oogen, en zij was in één woord
+radeloos. Zij wist niet, wat ze beginnen moest. Ze kon niet eens bij
+haar zoontje komen, zonder door de petroleum te plassen, wat ze op
+hare pantoffeltjes onmogelijk doen kon.
+
+En Jantje schreeuwde uit alle macht, niet om hetgeen hij gedaan had,
+ook niet omdat hij met de beentjes rechtuit in de petroleum zat,
+maar eenvoudig om. het feit, dat er geen petroleum meer uit het vat
+stroomde. Hij was er meer dan kwaad om, dat de stroom opgehouden had te
+vloeien, en hij meende net zoo lang te schreeuwen, tot het weer begon.
+
+Bedroefd en niet wetende wat zij beginnen moest, snelde Anneke de
+achterdeur uit, om Grootvaders hulp in te roepen. Schreiende kwam
+zij daar binnen, en zij vertelde onder snikken en tranen, wat Jantje
+gedaan had.
+
+"Wat is er?" vroeg Grootmoeder, toen zij Anneke zoo bedroefd zag
+staan. Grootvader stond ook van zijn stoel op en vroeg:
+
+"Wat is er, Anneke? Wat scheelt er aan?"
+
+De goede man voelde al naar zijn zakdoek, om haar de tranen van de
+wangen te vegen, want hij hield veel van Anneke. Maar hij vond zijn
+zakdoek nergens. Hij kon ook niet vermoeden, dat die als een vlag
+aan de toonbank wapperde.
+
+"O, o," zei Anneke, "daar heeft Jantje me de kraan uit het petroleumvat
+geslagen...."
+
+"Den haan uit het kippenhok doodgeslagen?" vroeg Grootvader
+ontsteld. "Hoe komt het kind er bij."
+
+"Neen, neen," zei Anneke met haar mond aan Grootvaders oor, "de
+kraan uit het petroleumvat geslagen, en nu is alle petroleum uit
+het vat geloopen, en Jantje zit er midden in. Ik weet niet, wat ik
+beginnen moet...."
+
+Grootvader had nu goed verstaan. Hij trok zijn klompen aan en
+stapte den winkel binnen, waar Jantje nog zijn uiterste best deed,
+om petroleum uit het leege vat te laten vloeien. Hij schreeuwde als
+'t ware moord en brand.
+
+Grootvader keek ook niet weinig verschrikt, evenals een paar vrouwtjes,
+die juist kwamen aanloopen om boodschappen te halen.
+
+Trom plaste op zijn klompen door de petroleum en pakte Jantje op,
+dien hij regelrecht naar de keuken bracht.
+
+"Hier Griet, kleed hem maar dadelijk uit en stop hem in de tobbe,"
+zei hij tegen zijn vrouw, die van schrik bijna niet spreken kon,
+toen zij de ramp in oogenschouw nam.
+
+Daarna haalde Grootvader eene tobbe uit het schuurtje, benevens een
+paar dweilen, en begon den vloer op te dweilen.
+
+Hij schudde daarbij echter bedenkelijk met het hoofd, want hij begreep
+zeer goed, dat de zaak zoo gemakkelijk niet in orde kwam. Jantje
+schreeuwde intusschen honderd-uit, want hij werd door Moeder en
+Grootmoeder naakt uitgekleed en in een warm bad gestopt. Zijn kleeren
+waren onbruikbaar geworden.
+
+Dat laatste was ook het geval met den winkelvloer. Trom besloot dan
+ook dadelijk de handen uit de mouwen te steken De geheele vloer werd
+opgebroken en door een nieuwen vervangen, wat den ouden man heel wat
+werk bezorgde, 't Is te begrijpen, dat Dik verbaasd opkeek, toen hij
+'s avonds thuis kwam en hem het gebeurde verteld werd.
+
+"Die kleine hazewindhond, hoe krijgt hij 't in zijn hoofd," zei hij
+eindelijk. En Grootvader zei:
+
+"Ik zeg, dat hij een bizonder kind is, Dik, net als jij, en dat is-ie."
+
+Sinds dien dag werd het petroleumvat zoo geplaatst, dat Jantje er
+niet meer bij kon. En de kleine kerel kreeg van zijn vader een houten
+hamertje, waar hij niet veel kwaad mee kon doen. Hij timmerde nu den
+geheelen dag en hielp Grootvader op zijn manier bij al diens werk. Hij
+liet zich daarbij door niets storen, of het moest door een draaiorgel
+zijn. Dat vond hij zoo verrukkelijk mooi, dat hij er zelfs zijn eten
+voor liet staan, wat hij anders voor geen geld ter wereld zou doen. En
+nog mooier vond hij het busje, waarin de vrouw van den orgeldraaier
+het geld ophaalde. De orgeldraaier en zijne vrouw woonden op het dorp
+en kwamen vast elken Dinsdag met het orgel rond. Dat was erg lastig
+voor Anneke, want die had dan altoos waschdag, en moest toch al elk
+oogenblik haar waschgoed in den steek laten, om de klanten in den
+winkel te helpen.
+
+Eens op een Dinsdagmorgen had zij het daarmede erg druk gehad, toe
+het geluid van het orgel al van verre tot haar doordrong. Ook Jantje
+had het gehoord. Hij was toen een jaar of drie en kon dus de deur al
+zelf opendoen.
+
+'t Geluid van het orgel kwam naderbij, en Jantje was in de voordeur
+gaan staan, om van de muziek zooveel mogelijk te genieten. Eindelijk
+was het orgel tot voor den winkel gekomen en verscheen Mietje, de
+vrouw van den orgeldraaier, die Klaas Touw heette, aan de deur. Jantje
+haastte zich naar de keuken, en zei:
+
+"Moedel, daal is Klaas Touw met het olgel." De r kon hij nog niet
+zeggen, zoodat hij gemakshalve daar maar een l voor nam.
+
+"Hè, wat een gezeur van morgen," zei Anneke, wie de zweetdroppels
+op het voorhoofd parelden van de drukte. "Er ligt wel een cent in de
+toonbanklade, Jantje, je weet wel."
+
+"Ja moedel," zei Jan, en weg was hij.
+
+Hij greep een handjevol centen en begaf zich naar Mietje.
+
+Hij legde een cent in het bakje en zag hem met de grootste
+belangstelling door de gleuf verdwijnen, want dat vond hij iets zeer
+geheimzinnigs. Toen de cent weg was, legde hij er een tweeden in,
+die op dezelfde eigenaardige wijze in de diepte verdween. Daarna een
+derde, en een vierde, en een vijfde. Dat ging zoo voort tot Jantjes
+handje leeg was. Mietje was blijkbaar een heel geduldig vrouwtje en
+zij streek Jantje liefkoozend over zijn kopje.
+
+"Wacht even, ik zal del nog meel halen," zei Jantje, en hij voegde
+de daad bij het woord. De toonbanklade was nog lang niet uitgeput en
+Jantje vond het heel aardig, dat het orgel zoo lang bleef draaien,
+en dat de centen zoo mooi in de bus verdwenen.
+
+"Flap," daar viel er weer een naar beneden, tot groote pret van Jantje,
+die er hardop om lachen moest. "Flap," weer een, en nog een, en nog
+een, tot zijn handje alweer leeg was. En tot zijn groote vreugde
+draaide het orgel nog maar steeds door, en bleek Mietje vriendelijk
+genoeg om voor zijn plezier nog een poosje te blijven staan.
+
+"Wacht even," zei Jantje, "ik zal del nog meel halen. El zijn del
+nog genoeg."
+
+Nu, dat was waar, en hij kwam al spoedig weer met een handjevol terug.
+
+"Flap," ging het alweer, en "flap, flap, flap," volgden de
+andere. Anneke was zoo druk aan het wasschen, dat zij het heele
+orgel vergeten was. Gelukkig, dat er nu eens een poosje geen klanten
+kwamen....
+
+Jantje liep geregeld heen en weer van Mietje naar de lade, en van de
+lade naar Mietje, wier geduld onuitputtelijk bleek. Jantje vond haar
+erg zoet, dat ze zoo lang blijven wou en dat hij zoo prettig met het
+busje mocht spelen.
+
+Maar eindelijk was de voorraad centen uitgeput, en daarom begon
+Jantje met de dubbeltjes, die hij in de lade vond. Gelukkig kwam er
+juist een meisje den winkel binnen om een half pond suiker te halen
+en toen ze zag, wat Jantje deed, zei ze:
+
+"Zeg, stoute jongen, dat mag je niet doen." Zij nam Jantje de
+dubbeltjes af, die hij in de hand had, en riep luid:
+
+"Vollek!--Vollek!"
+
+Opeens bleek Mietje haast te krijgen. Zij wenkte Klaas, die
+onmiddellijk den slinger van het orgel in rust bracht, en samen
+vervolgden zij met meer dan gewonen spoed hun tocht. Zij liepen
+zelfs zonder te spelen verscheidene huizen voorbij, en verdwenen in
+een achterbuurtje.
+
+Jantje was echter boos en begon luidkeels te schreeuwen. Maar zijn
+Moeder was nog boozer, toen zij van het meisje vernam wat er gebeurd
+was, en zij gaf Jantje voor zijne broek en zette hem in de woonkamer
+met bevel, dat hij daar den geheelen middag blijven moest. Klaas Touw
+en Mietje kregen, toen zij weer met het orgel kwamen, een geducht
+standje van haar en mochten in geen vol jaar meer aankomen.
+
+"Je hebt wel voor een jaar genoeg gehad," zei Anneke boos, "en 't
+is een schande, dat je het geld aangenomen hebt. Als je fatsoenlijke
+menschen waart, zou je mij gewaarschuwd hebben."
+
+Of Mietje al zei, dat het zoo erg niet geweest was, en dat Jantje
+maar een cent of vijf in het busje had gedaan, 't hielp haar niets.
+
+"Je hebt voor een jaar genoeg gehad, en daarmede is het uit," zei
+Anneke beslist. Boos deed ze de deur voor Mietje's neus dicht.
+
+
+
+Vijfde Hoofdstuk.
+
+Jantje en de school.
+
+
+Jantje bleef zeer voorspoedig opgroeien. De gewone kinderziekten had
+hij al lang achter den rug, verkouden was hij nooit, en voor koorts
+scheen hij geen aanleg te hebben. Hij was buitengewoon levendig van
+natuur, waarvan het gevolg was, dat zijne Moeder hem zelfs met geen
+stok in huis kon houden.
+
+Eerst had zij daartoe wel alle middelen, die haar ten dienste stonden,
+in 't werk gesteld, maar tevergeefs. Toen hij nog erg klein was, volgde
+hij steeds zijn Grootvader als diens schaduw, en dan timmerde hij den
+geheelen dag, maar toen hij een jaar of vier werd, vond hij daar niet
+veel pleizier meer in. Hij ging toen liever de buurt op, en was bijna
+altoos op de smerigste plaatsen te vinden, die er bestonden. Hij zag
+er daardoor gewoonlijk ontoonbaar uit. De modder zat hem dikwijls tot
+in de haren, zijne broek was bijna altoos hier of daar gescheurd,
+en zijn handen zagen zoo zwart als roet. Wel tienmaal op een dag
+greep Anneke hem bij den arm, nam hem mêe naar de keuken, en boende
+hem met groene zeep schoon, waarbij de kleine patiënt gewoonlijk een
+erbarmelijk geschreeuw deed hooren, zoo erg, dat de klanten, die in
+den winkel kwamen, soms dachten, dat er iemand vermoord werd. In die
+meening werden zij dan nog versterkt door de noodkreten van Jantje,
+die op zijn gewonen huilerigen toon niets anders deed, dan schreeuwen:
+
+"Ik wou, dat ik dood was! Ik wou, dat ik dood was! Ik moet ook altijd
+maar gewasschen worden!"
+
+Zijn moeder toonde echter niet het minste medelijden en hield niet op,
+voordat Jantje vanwege de groene zeep blonk als een spiegeltje.
+
+'t Was maar jammer, dat het slechts voor zoo korten tijd hielp. Geen
+tien minuten later zat Jantje weer in de modder te baggeren. Zijn
+voeten waren meestal kletsnat, want hij bewoog zich graag aan de
+slootkanten, om naar de kikkers te kijken en watertorren te vangen.
+
+Toen hij vier jaar oud was, kwam hij voor het eerst met een nat pak
+thuis. Hij had kopje-onder in het water gelegen. Dat gaf een schrik
+bij Anneke, en zij besloot kort en goed hem voortaan in huis te
+houden. Zij sloot hem in den tuin op. Maar dat beviel haar nog veel
+minder, want tot haar schrik zag zij hem 's morgens om negen uur al
+op de vorsten van het schuurtje zitten, en even later kwam hij naar
+beneden tuimelen. Anneke zag het juist gebeuren, en zij dacht, dat
+hij wel dood zou zijn. Zij zat als met lamheid geslagen op haar stoel
+en was niet bij machte om op te rijzen en Jantje te gaan helpen. Dat
+bleek echter ook niet noodig te zijn, want Jantje sprong dadelijk
+overeind en klom weer tegen het schuurtje op. Een poosje later zat
+hij weer op de vorsten. Eerst was hij wel een beetje bleek van den
+schrik, maar dat werd spoedig beter.
+
+Anneke besloot hem niet meer op te sluiten, zoodat Jantje 's middags
+weer in de buurt rondwandelde.
+
+Toen Dik het 's avonds hoorde, moest hij er braaf om lachen, en
+hij zei:
+
+"Wel, wel, kan die hazewindhond zóó klimmen? Kijk Anneke, dat is nu
+iets, wat ik in mijn jeugd nooit heb kunnen doen, omdat ik zoo dik
+was. Ik vind het wel aardig."
+
+Anneke vond het dat niet, en zij klaagde zóó over de zorg, die zij van
+den vroegen morgen tot den laten avond over Jantje had, dat Dik besloot
+hem voortaan, als het goed weer was, maar meê te nemen op den wagen.
+
+Dat was een kolfje naar Jantjes hand. Ha, wat vond hij het prettig
+om naast Vader op den bok van den wagen te zitten. Soms mocht hij
+de leidsels vasthouden of met de zweep klappen. Van slaan was geen
+sprake; dat wilde Dik volstrekt niet hebben. Zelf deed hij het ook
+alleen in bizondere omstandigheden. Het was dan ook werkelijk niet
+noodig, want de hit van Dik kon verbazend hard loopen. Dat beweerde
+Dik niet alleen, maar alle menschen op het dorp zeiden het. Die hit
+was eigenlijk een harddraver en Dik kende geen hit, uren in den omtrek,
+die zoo hard loopen kon als de zijne. Eén ding was maar jammer. De hit
+had namelijk wel eens koppige buien, eene kwaal, die ook andere hitten
+wel met hem gemeen hebben. Als hij in zoo'n booze bui was, bleef hij
+vierkant op den weg staan met de pooten wijd uit elkander. Dan was
+er geen beweging in hem te krijgen. Eerst had Dik zijne toevlucht
+wel eens genomen tot de zweep, hoewel hij daar een geduchten hekel
+aan had, maar 't had hem totaal niets geholpen. Eindelijk was Dik op
+'t idée gekomen om hem een klontje suiker voor den bek te houden, en
+als de hit het pakken wilde, hield hij het weer een eindje verder. Dat
+hielp goed, want de hit hield veel van klontjes, en liep zijn meester
+dan dadelijk na. En onder het smullen vergat hij zijn koppige bui,
+zoodat Dik weer op den bok kon gaan zitten. Als de hit weer eens
+niet voort wilde, nam Dik dadelijk een klontje suiker, en dan was de
+zaak in orde. Maar de hit was slim, en telkens als hij trek kreeg in
+een klontje, bleef hij midden op den weg staan en ging niet verder,
+vóór hij zijn zin gekregen had. Dat gebeurde spoedig wel al een keer
+of tien op een dag, zoodat Dik begreep, dat het niet langer ging. Hij
+gaf den hit geen enkel klontje meer, al bleef hij ook een half uur op
+den weg staan. Zoo leerde het beest langzamerhand zijn snoeplust weer
+af. Maar de koppige buien kwamen telkens terug. Wel niet dikwijls,
+maar toch te veel naar Dik's zin. 't Was overigens een prachtige hit,
+die zijns gelijke niet had in het loopen. Dik hield dan ook bizonder
+veel van hem, en Jantje vond het wát heerlijk, als het lieve paardje
+zoo lustig voor den wagen draafde.
+
+En Dik vond het prettig, als de kleine Jan naast hem op den bok
+zat. Als 't mooi weer was, mocht Jantje altoos met hem mee, en dat
+gaf Anneke heel wat rust. Deze had het trouwens al druk genoeg met
+den winkel.
+
+Eindelijk werd Jantje vijf jaar en toen moest hij naar school. Maar
+daar had hij in 't geheel geen zin in. Het vrije leventje en de
+toertjes met zijn vader bevielen hem veel te goed, en hij hield stijf
+en strak vol, dat hij nooit en nooit naar school wilde.
+
+Toch moest het gebeuren, en Dik bracht hem er zelf heen.
+
+Och, och, wat schreeuwde de kleine baas, en wat deed hij eene moeite
+om los te komen. Maar dat lukte hem niet, want zijn vader hield hem
+stevig vast.
+
+Hij schreeuwde nog, toen hij door de Juffrouw in ontvangst werd
+genomen, en hoeveel moeite zij ook deed om hem tot bedaren te brengen,
+'t hielp haar niets. De andere nieuwelingen keken hem met de grootste
+verbazing aan. Zulk schreeuwen hadden zij blijkbaar nog nooit gehoord.
+
+De Juffrouw werd er zenuwachtig van, en wist eindelijk geen raad
+meer met het kereltje. 't Was haar onmogelijk iets te beginnen,
+want Jantje overschreeuwde haar stem wel tienmaal, zoodat niemand
+haar kon verstaan.
+
+Maar opeens kwam hij tot bedaren, tot groote verwondering en even
+groote blijdschap van de Juffrouw. Hij veegde zijne oogen af met de
+mouwen van zijn jasje, en stak toen parmantig den vinger op.
+
+De Juffrouw lachte hem vriendelijk toe, en vroeg:
+
+"Wel kleine man, wat is er?"
+
+"Juffrouw, wanneer begint de groote vacantie?" vroeg Jantje.
+
+De Juffrouw schoot in een lach, en zei:
+
+"O hé, dat duurt nog een heelen tijd, Jantje. Dat duurt nog wel eene
+maand of drie."
+
+"Vandaag nog niet?" vroeg Jantje, wiens lippen weer zenuwachtig
+begonnen te beven.
+
+"Neen, vandaag nog niet, Jan. Maar dat hindert niet. 't Is hier in
+de school ook wel prettig."
+
+Jantje was dit echter in 't geheel niet met haar eens, wat duidelijk
+bleek uit het feit, dat hij het weer verschrikkelijk op een schreeuwen
+zette. Er kwam geen einde aan.
+
+Jantje kreeg zelfs al spoedig gezelschap, want een paar andere
+nieuwelingen werden door zijn verdriet dermate aangestoken, dat zij ook
+hunne stem verhieven, en met Jantje om 't hardst schreeuwden. Jantje
+keek even om, ten einde te zien, waar die nieuwe geluiden vandaan
+kwamen, en zette daarna de zaak op den ouden voet voort. 't Was
+eindelijk langer niet uit te houden, en de Juffrouw besloot hare
+toevlucht tot krachtige maatregelen te nemen. Zij stapte op Jantje af,
+greep hem bij den arm, en zette hem in den hoek. Maar Jantje schreeuwde
+daardoor niet harder of zachter De zaak liet hem volkomen koud.
+
+Daarom zette de juffrouw hem in een klein kamertje, dat als boekenkast
+gebruikt werd, en zij deed de deur achter hem dicht. Eerst had zij
+geducht op hem gebromd.
+
+"Dáár dan, stoute jongen," had ze gezegd. "Als jij niet naar verbieden
+wilt luisteren, moet je maar heelemaal alleen in de boekenkast
+zitten. Daar mag je schreeuwen, zoo hard je maar wilt."
+
+Jantje volgde dat bevel echter in 't geheel niet op. Hij vond het in
+die boekenkast heel vreemd, want zóoveel boeken had hij nog nooit
+bij elkaar gezien. En in den achtermuur was een raampje, dat bij
+mooi weer opengezet werd, omdat er anders zoo'n vunzige lucht in de
+kast kwam. Toen Jantje de boeken bekeken had, wat niet lang duurde,
+deed hij het raampje open en klom behendig naar buiten.
+
+Ha, daar in de vrije natuur vond hij het pas heerlijk. Hij veegde de
+laatste tranen van zijn gezicht, stak zijn handen in de broekzakken,
+en zakte zingende op huis af.
+
+Anneke keek wát gek op, toen zij hem om half elf binnen zag komen.
+
+"Mocht jij naar huis toe, Jan?" vroeg ze.
+
+"Ja, Moeder," zei Jan, "de Juffrouw bracht me zelf in een kamertje,
+waar een raam was om er uit te kruipen. O Moeder, dat was zoo'n mooi
+kamertje, allemaal boeken, wel honderd millioen drie honderd duizend
+en nog veel meer."
+
+"In een kamertje met boeken, en een raam, waar je door moest
+kruipen? Dat begrijp ik niet, kind," zei Anneke. "Enfin, 't is al
+half elf. Blijf nu maar thuis."
+
+Dat deed Jantje met het meeste genoegen.
+
+Maar de juffrouw, die na eenige minuten wachtens merkte, dat er geen
+geluid meer uit de boekenkast kwam en daarom besloot Jantje maar weer
+in de klasse te halen, schrikte geducht, toen zij de kast ledig vond.
+
+"Als het kind maar geen ongeluk gekregen heeft!" zuchtte ze. En ze
+stuurde dadelijk een jongen uit de hoogste klasse naar zijn huis,
+om te vragen, of hij daar was.
+
+"Ja, hier ben ik," zei Jantje, nog voordat zijn Moeder gelegenheid
+had gehad iets te antwoorden. "En ik wil nooit meer naar school.--Vast
+niet!"
+
+Juist op dit oogenblik kwam Dik binnen, die even naar de smederij
+van Piet van Dril was geweest, om zijn hit te laten beslaan.
+
+"Wat is er aan de hand, Anneke?" vroeg hij.
+
+En nauwelijks had hij gehoord, wat Jantje gedaan had, of hij pakte
+hem bij zijn arm en bracht hem weer naar school, waar Jantje onder
+een vervaarlijk geschreeuw zijn intocht deed.
+
+"Juffrouw," zei Dik, "als hij niet ophoudt met schreeuwen, mag hij
+nooit meer mee uit rijden. Dat zèg ik en dat méén ik."
+
+Die bedreiging hielp dadelijk. Jantje deed zijn mond dicht en gaf
+geen kik meer, tot groote vreugde van de Juffrouw. Voor Jantje was
+er geen zwaardere straf te bedenken dan dat hij niet meer met zijn
+vader uit rijden mocht.
+
+Toen hij eenmaal tot bedaren gekomen was, zette hij zich met ijver
+aan de studie, en het bleek weldra, dat hij de vlugste van de geheele
+klasse was. Hij kende de letters al, als hij ze nog maar eenmaal
+gezien had, hij schreef het mooist, en hij rekende beter dan iemand
+anders. De Juffrouw vond hem bepaald een vluggertje. Maar omdat hij
+altoos 't eerst met zijn werk gereed was, had hij ook steeds tijd
+over, en dan werd hij ondeugend. 't Duurde dan ook maar kort, of de
+Juffrouw zei altoos, als ze van hem sprak:
+
+"De jongen heeft drie bijzondere eigenschappen: hij is de vlugste,
+de ondeugendste en de magerste jongen van de geheele school."
+
+En dat was ook zoo. Hij deed altoos kattekwaad, als hij zijn werk
+afhad. Naast hem zat Karel van Dril, de zoon van den smid. Jan kende
+hem al lang voor hij naar school ging, omdat hunne ouders zeer bevriend
+waren en dikwijls bij elkaar op visite kwamen.
+
+Karel kon vrij goed leeren, maar met het rekenen had hij het eerste
+jaar nog al moeite. Hij verwarde altijd de 3 met de 8 en de 6 met
+de 9, waardoor de uitkomst natuurlijk niet goed kwam. Ook gelukte
+het hem maar zelden, om een leesbare 5 te schrijven. Als Jantje zijn
+werk al afhad, was Karel nog niet op de helft. En toch deed hij erg
+zijn best. Hij hoorde dan niet eens, wat Jantje hem toefluisterde,
+en eigenlijk hoorde hij zelfs niet, dat er wat tegen hem gezegd werd,
+zoo verdiept was hij dan in zijn werk. Die rekensommen kostten hem
+menigen zweetdroppel, en hij kon er bij zuchten als een stoommachine.
+
+Jantje was dan niet in de mogelijkheid om een gesprek met hem aan te
+knoopen, en moest zich dus op andere wijze zien te vermaken. In den
+knikkertijd speelde hij met zijn knikkers, die hij dan zoo dikwijls
+telde, tot ze eindelijk met groot lawaai op den grond terecht
+kwamen. Dan was Holland in last. Hij raakte zijne knikkers kwijt en
+kreeg nog straf op den koop toe.
+
+Eens in den toltijd had hij zijne tollen zitten bekijken, die hij
+onder de tafel in de handen hield. Eindelijk haalde hij zijn tolsnoer
+te voorschijn en ging er op zijn manier mee zitten hengelen. Dan
+verbeeldde hij zich, dal hij tuk kreeg, en als hij dan ophaalde,
+zag hij er snoeken of karpers aan. Toen hij visch genoeg gevangen
+had naar zijn zin, bedacht hij een ander spelletje. Hij slingerde het
+touw om zijn rechterbeen en om het linkerbeen van Karel, die zoo in
+zijne sommen verdiept zat, dat hij er niets van merkte. En Jantje bond
+de beenen stijf aan elkander. Toen diepte hij zijne tollen weer op,
+om ze voor de honderdste maal nog eens te bekijken. De Juffrouw zag,
+dat hij zat te spelen, en verbood het hem, maar zij was zoo druk
+bezig met hier en daar een achterlijk kind voort te helpen, dat zij
+niet veel aandacht aan Jantje kon wijden. Maar inwendig was zij toch
+wel boos op hem, want zijne lei was al eens met een harden smak op
+den grond gevallen, en nu kwamen plotseling weer al zijn tollen op
+den vloer terecht, tot groot vermaak van de andere jongens, waarvan
+er eenige hardop begonnen te lachen.
+
+Nu werd de wanorde de Juffrouw toch wel wat al te groot. Met forsche
+schreden stapte zij op Jantje toe, greep hem driftig bij den arm en
+wilde hem de bank uittrekken.
+
+"Allo, ondeugende jongen, vóór de klasse! Direct!" En zij trok zoo
+hard, dat Jantje wel mee moest. Maar o wee, zijn rechterbeen zat aan
+het linker van Karel vast, zoodat Kareltje óók mee moest,--tot zijn
+groote verbazing.
+
+"O Juffrouw! Mijn been! Mijn been!" schreeuwde Karel.
+
+"Houd jij je mond!" riep de Juffrouw boos, en zij trok nog harder
+aan Jantjes arm. Jantje viel half de bank uit, en Kareltje volgde
+zijn voorbeeld.
+
+"O Juffrouw, mijn been!--Mijn been zit vast!"
+
+"'t Kan me niets schelen,--vooruit bengel!" riep de Juffrouw.
+
+Maar Jantje kon niet verder. Het blok aan zijn been was te zwaar,
+en de Juffrouw begon eindelijk te begrijpen, wat er aan de hand
+was. Toen werd zij nog veel boozer, vooral toen de andere kinderen
+hun lachen niet konden inhouden. Zij nam haar zakmesje en sneed
+het touw in verscheidene stukken. Jantje werd in den eenen hoek
+gezet, en Kareltje, die dood-onschuldig was aan 't geheele zaakje,
+in den anderen. Maar Karel protesteerde. Hij wou geen straf hebben,
+omdat hij niets gedaan had, en toen de Juffrouw eindelijk goed op
+de hoogte kwam van het gebeurde, vond zij ook, dat hij geen straf
+had verdiend. Hij mocht dus weer gaan rekenen, maar Jantje moest
+schoolblijven, was zijn tolsnoer kwijt, en zag ook zijne tollen,
+die de Juffrouw hem afgenomen had, in de kast verdwijnen.
+
+Toen hij 's middags om half een verlof kreeg om naar huis te gaan,
+vroeg hij met een deemoedig gezicht, of hij asjeblieft zijn tollen
+terug mocht hebben. Maar daar was geen denken aan.
+
+"Met Nieuwjaar!" zei de Juffrouw kortaf. En daar was de zaak meê
+afgeloopen. Jantje had niet erg veel plezier van de grap, want nu
+kon hij 's avonds niet meer met de andere jongens meedoen, als zij
+potje-tolden. En dat deed hij juist zoo graag. Hij was trouwens een
+liefhebber van alle mogelijke spelletjes. Was het in den toltijd,
+dan vond hij dat het prettigste spel van de wereld, was het in den
+knikkertijd, dan vond hij dát weer 't mooist. En zoo ging het met alle
+spelen, die door de jongens werden gedaan. Maar 't állerprettigst
+vond hij toch den sneeuwtijd. Iets heerlijkers was er volgens hem
+niet te bedenken.
+
+Zijn grootvader had voor hem een slee gemaakt, en daar gleed hij elk
+vrij uurtje mede van een hoogen dijk af. Ha, wat ging dat echt. En
+zoo vlug! 't Was net of hij naar beneden viel, maar 't liep altoos
+erg best af. Hij moest wel oppassen, dat hij in zijne vaart niet in
+een sloot terecht kwam, die langs den dijk liep, maar Jantje wist zich
+met zijne klompen zoo netjes te sturen, dat hij altoos vlak langs de
+sloot zijn draai kon nemen. Dat mislukte hem nooit.
+
+Op de speelplaats van de school vermaakte hij zich met het gooien
+van sneeuwballen. Ieder, dien hij maar raken kon, kreeg er een tegen
+zijn muts of in zijn hals, en dan had Jantje de grootste pret. Maar
+dan kreeg hij ook rijkelijk zijn portie terug, want de andere jongens
+lieten zich niet ongestraft bekogelen.
+
+Toch hadden zij het tegen Jantje altijd kwaad te verantwoorden, want
+hij was zeldzaam vlug in zijne bewegingen en kon best mikken. Bovendien
+zorgde hij er steeds voor, een goeden voorraad sneeuwballen in zijn
+broekzakken te hebben, zoodat hij ze, als de nood aan den man kwam,
+maar voor het grijpen had. Dan vlogen de kogels den jongens als het
+ware om de ooren, en meestal eindigde het gevecht met een smadelijke
+vlucht van zijne tegenstanders. Eens op een avond echter, om vier
+uur, toen hij uit de school naar huis ging, kreeg hij onverwachts
+met zooveel kracht een sneeuwbal achter in zijn nek, dat hij niet kon
+nalaten au te roepen. 't Deed hem dan ook geducht pijn, want 't was
+een verbazend harde sneeuwbal geweest, veel harder, dan hij ze ooit
+gooide. 't Was eigenlijk een valsche streek, en toen hij omkeek, zag
+hij dat een jongen uit de buurt de dader was. Die jongen heette Klaas
+Zwart, en stond niet al te gunstig onder zijne kameraadjes bekend.
+
+Jan zag, hoe Klaas er om lachte, dat hij hem zoo geducht geraakt had,
+en hij werd er erg boos om.
+
+"Dat is valsch, leelijkerd," riep hij Klaas toe. "Jij gooit met
+sneeuwballen, waar een steen in zit. Maar ik zal het je betaald zetten,
+wacht maar!"
+
+"'t Is nietes!" riep Klaas terug, zich op een eerbiedigen afstand
+houdende, "er zat geen steen in."
+
+"Kom op als je durft!" schreeuwde Jantje hem toe, wiens nek prikkelde
+van de pijn. Het koude water liep hem langs zijn ruggestreng.
+
+Maar Klaas durfde niet. Hij bleef op eenigen afstand staan, gereed
+om te vluchten.
+
+"Lafaard!" riep Jantje. "Kom op, als je durft.--Je durft niet, hè,
+daar ben je te bang voor! Leelijke gluiperd!"
+
+Hij keerde zich verontwaardigd om en liep naar huis.
+
+Maar den volgenden morgen ging hij vroeg naar de speelplaats, maakte
+een flinken voorraad sneeuwballen, die hij als kogels op elkander
+stapelde, en stopte toen ook nog zijn broekzakken vol sneeuwballen
+voor het geval, dat Klaas op de vlucht mocht slaan, en hij hem dus
+achtervolgen moest. Zoo gewapend wachtte hij de komst van zijn vijand
+af. Zijne broekzakken puilden wijd uit van de sneeuwkogels, en hij
+kon er veel in zijn zakken bergen, want hij had wijde broekspijpen,
+en zijne dunne beentjes namen niet veel plaats in.
+
+Eindelijk verscheen Klaas op de speelplaats.
+
+Maar hij was op zijn hoede, want hij vertrouwde Jantje niet erg. Hij
+kreeg hem dan ook al spoedig in het oog, en meende hem door een
+vriendelijk praatje wat zachter te stemmen. Er waren nu al verscheidene
+jongens op het plein.
+
+"Zoo Jan," riep hij zijn vijand toe, "ga je van middag mee op mijn
+slee?"
+
+"Op je gezicht kun-je krijgen," riep Jantje terug. "Kom op, als je
+durft, dan zullen wij sleden!"
+
+"Hij durft niet!" riepen de andere jongens lachend, toen zij zagen,
+dat Klaas bleef staan. "Hè, wat een bangerd! Kijk hem nu eens staan,
+zoo'n hufter!"
+
+"Toe dan, Klaas, kom op!" tartte Jantje. Hij nam een sneeuwbal van
+zijn stapel, en wierp hem Klaas vlak in 't gezicht. Zijn neus zat
+dik onder de sneeuw, en Klaas kreeg er sterretjes van voor zijne oogen.
+
+"Lekker zoo! Goed zoo!" riepen de jongens. "Geef hem zijn portie, Jan!"
+
+"Flap!"
+
+Daar kreeg Klaas den tweeden, ditmaal tegen zijne muts, die hem van
+het hoofd vloog, tot groote pret van de jongens, die in het rond
+sprongen van pleizier. Want zij hielden niet erg van Klaas.
+
+Maar Klaas werd nu toch woedend, en hij vergat zijne vrees.
+
+Vlug bukte hij zich om een sneeuwbal te maken, doch voordat hij
+daarmede gereed was, kreeg hij er een van Jan tegen zijn linkeroor.
+
+Toen wierp Klaas er Jan een tegen zijn schouder, maar hij kreeg er
+dadelijk wel drie voor terug.
+
+"Houd-je goed, Jan, toe maar!" schreeuwden de jongens.
+
+'t Werd een verwoed gevecht, en Klaas verweerde zich dapper, maar
+hij verkeerde in veel ongunstiger omstandigheden dan Jantje, daar
+deze de ballen al gereed had liggen.
+
+Jantje nam er een stuk of vier in zijne hand, en vloog op Klaas
+af. Maar dat was Klaas te veel, en hij zette het op een loopen.
+
+Jan hem achterna.
+
+"Daar gaat hij loopen!" schreeuwden de jongens. "Houd-je goed, Jan!"
+
+Klaas liep, wat hij loopen kon, en Jan volgde hem op de hielen.
+
+Telkens voelde Klaas een sneeuwbal tegen zijn achterhoofd of in zijn
+nek terechtkomen, en 't huilen stond hem nader dan het lachen.
+
+Tot opeens Jantje misgooide, en zijn sneeuwbal in een ruit van de
+school terecht kwam. De scherven vielen rinkelend naar beneden,
+en op 't zelfde oogenblik kwam de hoofdonderwijzer naar buiten, die
+Jantje bij zijn kraag pakte en hem in een hoek van de school zette,
+niet ver van de kachel.
+
+"Jij blijft om twaalf uur wachten, hoor baasje!" zei de meester. "Ik
+moet je dan eens vragen, hoeveel geld je wel in je spaarpot hebt. 't
+Is er nu te laat voor, want de school gaat aan."
+
+Inderdaad werden de deuren geopend en de kinderen binnengeroepen.
+
+De Juffrouw kwam naar Jantje toe en bromde ook op hem.
+
+"Stoute jongen," zei ze, "moet jij hier de glazen ingooien? Je bent
+niet bij je moeder thuis."
+
+"Daar mag ik het ook niet doen, Juffrouw," zei Jan op deemoedigen toon,
+en de Juffrouw begreep, dat zij zich niet al te juist had uitgedrukt.
+
+"Houd je mond, brutale jongen," zei ze.
+
+Ze ging voor de klasse staan en begon met hare werkzaamheden.
+
+Jantje vond het niet prettig in dien warmen hoek bij de kachel, want
+hij leerde veel liever met de andere leerlingen mêe, en bovendien
+was hij al erg warm van het sneeuwballen zoodat hij het bij de heete
+kachel bijna niet kon uithouden. Deze stond dan ook rondom gloeiend,
+want ze was nog niet lang geleden aangelegd, en het lokaal moest
+eerst door en door verwarmd worden. Jantjes handen begonnen al gauw te
+tintelen, zoo erg, dat hij er bleek van werd. Maar dat ging spoedig
+over, en Jantje voelde zich al weer wat lekkerder worden, toen hij
+opeens een onaangenaam gevoel langs zijne beenen kreeg. 't Was net,
+of er een straaltje koud water langs liep.
+
+Eerst begreep hij niet, wat dat wezen kon, maar toch voelde hij het
+duidelijk. 't Liep langs zijne dijen, passeerde zijne knieën en kwam
+eindelijk in zijne kousen terecht.
+
+Al spoedig snapte hij, wat er aan de hand was. 't Waren de
+sneeuwballen, waarmede hij zijne broekzakken had gevuld, die bij
+de heete kachel langzaam begonnen te smelten. Hij voelde, dat zijne
+kousen nat werden, en hij begreep, dat het zaakje leelijk voor hem
+kon afloopen. Hij hoopte echter, dat de sneeuwballen niet zóóveel
+water zouden geven, dat het de aandacht van de Juffrouw zou trekken.
+
+Doch onophoudelijk liepen kleine straaltjes water langs zijne dunne
+beentjes naar beneden, en toen hij zijne voeten even verzette, merkte
+hij, dat zijne kousen al kletsnat waren.
+
+Angstvallig hield hij zijn blik op zijne voeten gericht. En waarlijk,
+daar zag hij tot zijn grooten schrik, dat er zich rondom zijne voeten
+een klein meertje begon te vormen, dat langzaam maar zeker grooter
+werd. 't Nam steeds in omvang toe, zoodat Jantje zich hoe langer hoe
+minder op zijn gemak voelde.
+
+Gelukkig was de Juffrouw met zooveel ijver aan het werk, dat zij Jan
+geheel vergeten was.
+
+Eindelijk was de plas rondom Jan zóó groot geworden, dat hij de
+aandacht trok van Klaas Zwart, wiens haren nog druipnat waren van de
+sneeuwballen, waarop Jan hem had getracteerd. Nauwelijks had hij hem
+gezien, of hij stak met veel bombarie zijn vinger op, en riep:
+
+"Juffrouw! Juffrouw! Jan Trom heeft wat op den grond gedaan!"
+
+Die tijding gaf eene heele opschudding in de klasse. De kinderen
+gingen half in de banken staan en rekten de halzen, om goed te
+kunnen kijken. En de Juffrouw keerde zich om en keek heel vies naar
+de plaats, waar Jantje stond met beschaamde kaken. Hij zag rood tot
+achter zijne ooren.
+
+"Vieze jongen!" riep de Juffrouw hem toe. "Waarom heb je me niet
+gewaarschuwd?"
+
+"'t Is niet waar, Juffrouw!" riep Jan, huilend van verontwaardiging
+"Ik had sneeuwballen in mijn zak, en die zijn bij de heete kachel
+gesmolten."
+
+En om te bewijzen, dat hij de waarheid sprak, stak hij zijn handen
+in de zakken, en dolf er de half gesmolten kogels uit op.
+
+De Juffrouw schoot in een geweldige lachbui, en de kinderen moesten
+ook zoo lachen, dat zij bijna niet tot bedaren konden komen.
+
+Jantje mocht naar huis om droge kleeren aan te trekken.
+
+Zijn vader keek hem eerst heel boos aan, toen hij hem zoo tusschentijds
+zag binnenkomen, maar toen hij hoorde, wat er gebeurd was, moest hij
+er ook smakelijk om lachen, en hij vertelde het aan alle klanten,
+die dien dag in den winkel kwamen.
+
+Toen Jan 's middags weer naar school ging, gaf zijn vader hem de
+opdracht om eerst naar den glazenmaker te gaan en hem te verzoeken,
+de gebroken ruit door een andere te vervangen. Zoo liep dat zaakje
+voor Jantje nog al goed af. Maar op Klaas Zwart was hij meer dan boos,
+want hij vond hem een valschen jongen en een laffen klikspaan.
+
+
+
+Zesde Hoofdstuk.
+
+Jantje wordt jarig en krijgt mooie cadeaux.
+
+
+Jantje zou voor den achtsten keer jarig worden. Zijn vader had hem
+beloofd, dat hij den volgenden morgen een prachtig cadeau van hem
+zou krijgen, maar van die belofte had hij later erg veel spijt, want
+Jantje wilde met alle geweld weten, welk cadeau dat was, en hij hield
+niet op met zeuren.
+
+Zijn Vader wilde het echter niet zeggen.
+
+"Morgenochtend zul-je het wel zien," zei Dik.
+
+"Is het mooi?" vroeg Jantje.
+
+"Erg mooi," was het antwoord.
+
+"Erg prachtig mooi?" hield Jantje vol, wiens oogen schitterden van
+nieuwsgierigheid.
+
+"Ja," lachte zijn Vader, "erg prachtig mooi. Zóó mooi, zóó mooi,
+dat er niets mooiers op de wereld te bedenken is."
+
+"Waar lijkt het op?" vroeg Jan polsend.
+
+"Op onzen hit," zei zijn vader.
+
+"O, zeker een paardje op wieletjes?" zei Jantje met een opgetrokken
+neus. "Dát is niet mooi, Vader, veel te kinderachtig. Toe Moeder,
+zegt u me maar, wat het is.--Toe."
+
+"Neen Janneman, dat zeg ik niet," zei zijne moe. "Morgenochtend zul je
+'t wel zien."
+
+Jantje zeurde nog geruimen tijd door, maar toen hij zag, dat hij
+zijn doel daarmede niet bereikte, zette hij het op een schreeuwen op
+eene geweldige manier. De ondervinding had hem geleerd, dat dit een
+beproefd middel was.
+
+Maar dezen keer hielp het hem van den wal in de sloot, want het
+begon zijn vader al spoedig te vervelen. Hij pakte Jantje bij zijn
+kraag, deed het kelderluik in den winkelvloer open, en stopte Jantje
+doodbedaard onder den grond.
+
+"Zie zoo, kereltje," zei Dik, "daar mag je schreeuwen, zoo lang en
+zoo hard je maar kunt. Ga je gang maar."
+
+Jantje vond het een afdoend geneesmiddel, en jammerde:
+
+"Ik wil naar bed! Ik wil naar bed!"
+
+"'t Is nog maar half zes!" zei zijn vader.
+
+"'t Doet er niet toe, 'k wil tóch naar bed, dan is het veel gauwer
+morgenochtend!" schreeuwde Jantje.
+
+"Ook al goed!" zei Dik.
+
+Vijf minuten later lag Jan onder de dekens, en een kwartier later
+sliep hij als eene roos.
+
+Om elf uur gingen Dik en Anneke naar bed, maar zij hadden pas den
+slaap te pakken, of Jantje werd wakker en dacht direct aan zijn cadeau.
+
+"Vader!" riep hij zoo hard hij kon,--"Vader, wat krijg ik nu van
+u? Ik ben jarig!"
+
+"Een pak voor je broek, als je niet dadelijk je mond houdt," zei Dik,
+die het lang niet prettig vond, dat hij wakker gemaakt werd. "De
+nacht begint pas. Ga maar weer slapen."
+
+Met een zucht kneep Jantje zijne oogen weer dicht, en hij sliep ook
+waarlijk in, maar 't duurde slechts kort. 't Was nog vóór twaalven,
+toen hij opnieuw wakker werd. Nu zou het stellig toch wel morgen wezen,
+dacht hij.
+
+Hij liet zich vlug van zijn bed glijden, ging naar het bed, waar zijn
+ouders sliepen, en trok zijn vader aan zijn neus.
+
+"Hei, ho, wat is dat?" riep Dik verschrikt uit, want hij vond het
+een vreemde manier om gewekt te worden.
+
+"Vader, ik ben jarig!" riep Jantje hem toe. "Welk cadeau krijg ik
+nou van u?"
+
+Maar zijn vader werd terdege boos.
+
+"Ga naar je bed, deugniet, en als ik vannacht je geluid weer hoor,
+krijg je morgen niets, hoor je, heelemaal niets! Allo, pak je weg,
+naar je bed. En je geeft geen kik meer, versta-je?"
+
+Jantje maakte aanstalten om weer te gaan schreeuwen, maar Dik zei
+knorrig:
+
+"Wou je liever in den kelder onder den winkelvloer?"
+
+Neen, dat kon Jantje in 't geheel niet bekoren, en hij maakte gauw,
+dat hij weer in zijn bed kwam.
+
+Maar den slaap kon hij niet meer vatten; hij was dan ook veel te
+vroeg naar zijn bed gegaan. Hij deed niet anders dan zuchten, en vond,
+dat de nacht vreeselijk lang duurde.
+
+"Er komt nooit een einde aan," mompelde hij zacht. "Weet je wat, ik
+ga tot duizend tellen. Karel van Dril zegt, dat je dan altijd vanzelf
+in slaap valt. Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen,
+tien, ik ben toch nog wakker. Bij mij helpt het niet. Zeventien,
+achttien, negentien, twintig, wat zou het toch voor een cadeautje
+wezen? Ik denk van een bromtol, zeven en tachtig, acht en tachtig,
+negen en tachtig, of een zak met knikkers, negen en negentig, honderd
+hè, hè, nu ben ik al aan honderd, en ik slaap nog niet. Honderd en
+een, honderd en twee, hè, ik wou dat ik een zak met tachtig knikkers
+kreeg, een en tachtig, twee en tachtig, drie en tachtig, hò, dat is
+fout, want nu ben ik nog maar aan drie en tachtig, en een heele poos
+geleden was ik al bij honderd,--dan maar van voren af: een, twee,
+drie, knikkers, knikkers, een, twee, bromtol, knikkers, zes, drie,
+zeven, ... twee, jarig, zes..."
+
+Jantjes oogen vielen dicht en hij sliep weer. En hij droomde, dat hij
+een mooien bromtol kreeg, die prachtige muziek kon maken. Hij nam een
+touwtje, wond den tol op, en trok hem af. Hà, wat stond hij prachtig,
+en er kwam muziek uit, precies als uit het orgel in de kerk of het
+draaiorgel van Klaas Touw. En opeens nam hij een sprongetje en ging
+bovenop den kop van den tol zitten, en draaide uit alle macht in de
+rondte. Jongen, wat ging dat mooi, 't werd hem geel en groen voor de
+oogen, en de tol wist niet van ophouden, leek het wel. Maar eindelijk
+begon hij toch langzamer te draaien, toen waggelde hij eenige keeren,
+zoodat Jantje zijn evenwicht bijna niet bewaren kon, en plof, daar
+viel de tol om, en Jantje tuimelde op den grond....
+
+Met een kreet van schrik werd hij weer wakker, en tot zijn spijt
+voelde hij, dat hij nog in zijn bed lag, dat zijn tol verdwenen was,
+en dat het nog al geen dag werd.
+
+Maar dat laatste kon hij toch niet gelooven.
+
+"Neen," zei hij zacht, "'t is bepaald al lang dag, en 't is hier
+alleen zoo donker, omdat de luiken dicht zijn. Vader verslaapt zich
+zeker. Weet je wat, ik zal heel stilletjes de luiken opendoen,
+zóó stil, dat vader en moeder het niet hooren. En als dan de zon
+naar binnen schijnt, zal ik Vader roepen, en wat zal hij dan vreemd
+opkijken."
+
+Zoo gezegd, zoo gedaan.
+
+Jantje kroop stil zijn bed uit, liep op zijn bloote voeten naar het
+raam, en stootte zijn kleinen teen zoo hard tegen den poot van de
+tafel, dat de tranen hem in de oogen sprongen.
+
+"Au!" riep hij binnensmonds, en zijn vader werd er half wakker
+van. Deze draaide zich in zijn bed om.
+
+Jantje liet zich daardoor echter niet afschrikken.
+
+Hij ging verder en kwam bij het raam. Daar zocht hij naar het luik,
+en duwde het open. Maar 't bleef donker in de kamer; het was tot zijne
+groote spijt blijkbaar nog nacht. Hij besloot, onder het slaken van
+een diepen zucht, maar weer naar zijn bed terug te keeren, doch op
+den terugtocht schoof hij zijn vaders glazen aschbak van de tafel,
+zoodat dit voorwerp met veel lawaai op den grond terecht kwam, en in
+scherven uit elkander spatte.
+
+Jantje bleef van schrik stokstijf staan, en zijn ouders, die niet
+begrepen wat dit geraas midden in den nacht beteekenen moest, vlogen
+in hun bed overeind.
+
+Met een wip stond Dik op den vloer, waar hij bijna over Jantje
+struikelde, die het hazenpad wilde kiezen en vlak voor zijn vaders
+beenen liep. Toen begreep Dik, wat er eigenlijk aan de hand was. Hij
+greep op goed geluk rondom zich, om Jantje te pakken, en riep:
+
+"Jongen, ben je nu alwéer uit je bed?" Maar Jantje had zich zoo vlug
+als hij kon uit de voeten gemaakt, en lag alweer onder de dekens.
+
+"Neen Vader," zei hij, "ik ben hier."
+
+Toen moest Dik wel lachen, of hij wilde of niet.
+
+"Ja, nú ben je weer in je bed, maar zoo pas liep je nog hier in de
+kamer. Ga toch slapen, en houd ons niet den heelen nacht wakker. Als
+ik je wéér hoor, eet ik het cadeau zelf op, en dan krijg je niemendal!"
+
+"Opeten, Vader?" vroeg Jantje verschrikt. "Kan het dan opgegeten
+worden?"
+
+"O ja," zei Dik, terwijl hij weer in zijn bed stapte, "'t Smaakt wat
+lekker, en als ik je weer hoor, krijg je er niets van."
+
+"En 't lijkt op een hit?" zei Jan spijtig. "Dat heeft u zelf gezegd."
+
+"Nu jongen, een hit kun-je toch ook opeten!" riep Dik terug. "Maar
+ga nu slapen, en laat je geluid niet meer hooren."
+
+Jantje zweeg. Hij was verdrietig, omdat hij geen mooien tol kreeg,
+of een zak met knikkers.
+
+"Iets lekkers, bah, wat heb-je daar nu aan?" dacht hij.
+
+De koele nachtlucht had hem huiverig gemaakt, en de warmte van het
+bed deed hem behaaglijk aan. Hij stopte zich lekker toe, en sliep
+werkelijk na een poosje weer in. Maar om vier uur werd hij weer wakker.
+
+Hij stak zijn hoofd buiten de gordijnen, om te kijken of het licht
+al door de half openstaande luiken drong, en hij zag, dat het nog
+altijd nacht was.
+
+"Moe,--Moeder!" riep hij zacht.
+
+Maar er volgde geen antwoord.
+
+"Moeder!--Moeder!" klonk het wat harder.
+
+Moeder sliep door.
+
+"Moeder!--Moeder!--Is het nóg nacht," riep Jantje met luider stem.
+
+Zijne ouders werden er wakker van, en Dik maakte zich boos.
+
+"Daar heb je dien drommelschen jongen alweer!" riep hij uit. "Wat
+wil je toch?"
+
+"De nacht duurt zoo lang!" huilde Jantje. "Wil u de luiken vast
+openzetten? 't Is al lang dag, geloof ik. De klok gaat achter."
+
+"En de zon zeker ook," zei Dik. "Ga lekker slapen, jongen, dan is het
+morgen vóór je het weet. Wel te rusten, Jan, en je mond houden, hoor."
+
+"Wel te rusten," zei Jantje met een snik en een zucht.
+
+Nu kon hij echter den slaap in 't geheel niet meer vatten, en hij
+verveelde zich schrikkelijk. Wel tienmaal begon hij tot duizend te
+tellen, maar telkens raakte hij in de war, en eindelijk gaf hij het
+op. Hij ging voor tijdverdrijf spelletjes doen. Eerst stak hij zijn
+voeten zoo hoog mogelijk in de lucht, met de dekens er overheen.
+
+"Nu is het een hooge berg," dacht hij. "Wacht ik zal er een man boven
+op zetten, dan kan hij ver zien."
+
+Hij liet zijn voeten zakken, en legde zijn kussen er op. Toen stak
+hij het heele gevalletje voorzichtig in de hoogte, maar de man viel
+telkens van den hoogen berg af, en kwam hem eenmaal precies op zijn
+hoofd te liggen.
+
+Eens bleef de man boven op den berg, en toen liet Jan den berg
+instorten, zoodat de man geheel bedolven werd.
+
+"Nu is hij morsdood," zei Jan. "Wacht, ik zal stil een stoel in mijn
+bed halen. Dat is veel leuker."
+
+Hij kroop voorzichtig uit zijn bed, greep een stoel, en klom er weer
+heel zacht in. Zijn ouders hadden er niets van gemerkt. Hij legde
+den stoel voorover, en ging er op zitten.
+
+"Huup hit," zei hij. "Nu draven, zoo hard je kunt."
+
+Hij hobbelde met den stoel op en neer, en hij verbeeldde zich, dat
+hij op den hit van zijn Vader zat, en dat hij aan het harddraven was.
+
+Soms gaf hij hem van achteren met zijn vlakke hand een harden klap
+op de sporten.
+
+"Au," zei Jantje, want het deed hem pijn, en hij likte zijne hand af,
+omdat de pijn daardoor gauwer beter werd.
+
+Toen zette de hit het op een loopen.
+
+Met twee handen had Jantje de leuning te pakken, en hij hobbelde op
+en neer. In zijne gedachten reed hij in vliegenden galop langs den
+weg, en telkens gaf hij zijn harddraver een klap op de sporten. De
+hit vloog hoe langer hoe harder, maar opeens begon hij te steigeren.
+
+"Ha," mompelde Jantje, "hij krijgt weer eene koppige bui! Wacht,
+ik zal hem leeren!"
+
+Hij sloeg met beide handen op de houten ribben van zijn harddraver,
+greep daarna de leuning, en trok den stoel daaraan in de hoogte.
+
+O, o, wat steigerde dat beest woest!
+
+"Huupla," schreeuwde Jantje opeens, want hij verkeerde in hevige
+geestvervoering. Zijn vader draaide zich onrustig om in zijn bed. Hij
+werd er half wakker van.
+
+Jantje trok de leuning nog meer in de hoogte. De hit stond toen als het
+ware loodrecht op zijn achterste pooten, en Jantje verbeeldde zich,
+dat hij hem kwaadaardig hoorde brieschen. De hit nam een geweldigen
+sprong, en bommerdebom, daar viel Jantje met hit en al uit zijn bed
+op den grond. Dat gaf een lawaai!
+
+"Heeremenschen!" gilde Anneke, die verschrikt opvloog. "Daar valt
+het huis in! Dik, Dik, het huis valt in. Jantje ligt er onder. Hoor
+me dat kind eens gillen!"
+
+Dik was ook verschrikt, en hij haastte zich op te staan. Vlug schraapte
+hij een lucifer aan en stak de lamp op. En wat zag hij?
+
+Jantje lag op den vloer met een stoel half over zich heen, en daarop
+lag het kussen, dat den hit in zijn val gevolgd was.
+
+En Jantje schreeuwde moord en brand, zoowel van schrik als van angst,
+want hij was erg bang, dat zijn vader hem nu wel voor zijn broek zou
+geven. Hij twijfelde daar zelfs niet aan.
+
+Maar Dik kon onmogelijk boos blijven op zijn zoontje, en hij moest
+er braaf om lachen, toen hij hem daar zag liggen.
+
+"Wat voer je toch uit, jongen?" vroeg hij. "Je doet niet anders dan
+spoken, en houdt ons den heelen nacht wakker."
+
+"O Vader," schreeuwde Jantje, want hij vreesde altoos nog een beetje,
+dat zijn Vader hem straffen zou, "ik was aan 't paardje-rijden op
+onzen hit, en toen steigerde hij zoo,--o, o, o, en toen vielen we
+alle twee het bed uit."
+
+Toen moest Dik nog meer lachen, en Anneke lachte van den weeromstuit
+meê. Dik pakte zijn zoontje op, en legde hem in bed.
+
+"Zie zoo, nu ga je maar weer slapen, hoor. Ik zal je wel roepen,
+als het dag wordt. Wel te rusten."
+
+"Wel te rusten," zei Jantje. "Maar dit weet ik wel, dat een nacht
+véél en véél langer duurt, dan een dag."
+
+Een half uurtje later werd Dik alweer wakker gemaakt.
+
+"Vader!--Vader!" hoorde hij roepen.
+
+"Jongen, wat verveel je me vannacht," was zijn antwoord. "Wat is er
+nu weer?"
+
+"Vader, komt de zon vast elken morgen weer op?" vroeg Jantje met iets
+twijfelmoedigs in zijne stem.
+
+"Wel ja, Jan, vast en zeker, hoor! Als je maar geduld hebt."
+
+"Maar Vader, is-ie nog nooit eens weggebleven?"
+
+"Neen, nog nooit," zei Dik met een zucht. "Kijk maar door het raam. 't
+Wordt nu ook al wat lichter. Als je nog een uurtje geslapen hebt,
+is de nacht om, en dan ben je jarig. Over een uur zal ik je roepen."
+
+"Ja Vader," zei Jan, en hij begon nog maar eens tot duizend
+te tellen. Maar 't hielp hem niets, hij kon den slaap niet meer
+vatten. Och, och, wat duurde dat uur hem lang. Hij luisterde naar het
+tikken van de hangklok, tot hij opeens meende, dat zij stilstond. Hoe
+hij ook luisterde, hij merkte het eentonige getik niet meer op. Toch
+ging de klok nog wel, want een poosje later hoorde hij het weer.
+
+Eindelijk was het uur om, en sprong hij uit bed.
+
+"Vader," riep hij luid, "nu ben ik eindelijk dan toch echt jarig. Toe
+Vader, wat krijg ik nu van u?"
+
+"Ja jongen, je hebt me van nacht schrikkelijk verveeld, maar nu ben
+je echt jarig, en ik feliciteer je wèl."
+
+Dik stond op en nam Jantje in zijn armen, en kuste hem op allebei
+zijn wangen. En toen gaf hij hem aan Anneke, die hem niet minder
+hartelijk pakte.
+
+Dik kleedde zich spoedig aan, en zei:
+
+"Kom meê, Jan, dan krijg je je cadeau. Ik hoop maar, dat het je
+bevallen zal."
+
+Jan beefde van blijdschap en nieuwsgierigheid.
+
+"Kan ik het echt opeten?" vroeg hij.
+
+"Neen, dat was maar gekheid," zei Dik, terwijl hij Jantje bij de hand
+pakte en hem meenam naar den stal. Hij opende de deur, en stapte met
+zijn zoontje binnen.
+
+En wat zag Jan daar?
+
+Hij kon zijne oogen niet gelooven, want daar, vlak naast den hit,
+stond een prachtige, bonte bok, met twee groote horens op zijn kop
+en een lange sik aan zijn kin.
+
+"Die bok!" riep Jantje verrukt uit. "Is die bok voor mij?"
+
+"Ja, die bok is voor jou," zei Dik lachend, en hij zag met innige
+blijdschap, hoe gelukkig dit geschenk zijn zoontje maakte.
+
+Jan sprong als een kleine dolleman in 't rond, en hij klapte in
+de handen.
+
+"O, dank u, dank u!" riep hij uit. "O, o, wat een mooie bok is
+dat. Kijk eens, hij heeft prachtige horens!"
+
+"Ja, hè?" zei Dik.
+
+"En een sik!" ging Jan voort.
+
+"Bè, bè, bè-è-è-è!" blaatte de bok.
+
+Jantje's vreugde kende geen grenzen.
+
+"O, hoor eens, hij kan schreeuwen ook. O, wat eene mooie stem,"
+riep Jan opgetogen.
+
+In de vreugde zijns harten liep hij op den bok toe en wilde hem zijne
+armen om den nek slaan, maar de bok scheen daar niet van gediend,
+want hij ging op zijne achterpooten staan, stak den kop omlaag en
+drukte zijn groote, kromme horens zoo stevig tegen Jans smalle buikje,
+dat Jantje achterover tegen het houten beschot terecht kwam.
+
+"O, dat mag hij wel doen," zei Jantje, die in zijn bok allerminst
+eenige kwade eigenschap wilde ontdekken. Maar toch kroop hij schielijk
+overeind en maakte zich uit de voeten.
+
+"Toe Vader, mag hij eens uit den stal komen?" vroeg hij, want dáár
+kon de bok hem niet tegen een muur stooten.
+
+"Wel zeker," zei Dik, die het wel grappig gevonden had, toen de bok
+zijn zoontje zoo onvriendelijk ontving.
+
+Hij maakte den bok los en bracht hem in den tuin. Eigenlijk was de
+tuin alleen bleekveld. Hij was rondom door schuren omringd, behalve
+aan den achterkant, waar zich een breede sloot bevond. Jantje mocht
+daar soms wel eens graag hengelen.
+
+Toen de bok den stal verlaten had en rondom zich het welige gras
+ontdekte, begon hij dadelijk te grazen. Jantje ging bij hem staan,
+en streelde hem met zijne hand langs den nek.
+
+Hij was méér dan blij met zijn verjaargeschenk; hij had wel kunnen
+gieren van blijdschap. De bok liet hem stilletjes begaan, ook toen
+Jan hem zijn arm om den hals sloeg.
+
+"Wat is hij mak, Vader," zei hij.
+
+"Ja, daar heb ik hem ook op gekocht," zei Dik. "'t Moet een mak beest
+zijn, en een flink looper."
+
+"Hè ja, nu moest ik ook nog een wagen hebben," zei Jantje
+begeerig. "Wat zou ik rijden."
+
+Vol teederheid liet hij zijn beide handen langs het lichaam van zijn
+bok glijden, en hij streelde het korte staartje. De bok scheen het in
+'t geheel niet onpleizierig te vinden, en deed niet anders dan eten.
+
+"Zou ik er zoo ook op kunnen rijden?" vroeg Jantje.
+
+"Wel ja, ik denk het wel," zei Dik. "Hij is sterk genoeg, en zal niet
+in tweeën breken."
+
+Dat vond Jantje heerlijk, en met een wip sprong hij op den bok. Maar
+deze vond het allesbehalve prettig. Hij sprong met zijn achterpooten
+in de hoogte, om Jantje van zijn rug af te gooien, en toen dat niet
+hielp, sprong hij met de voorpooten omhoog.
+
+Vader Dik schaterde het uit van de pret.
+
+"Houd je goed, Jantje", riep hij zijn zoontje toe. "Laat je niet van
+de vliegen steken!"
+
+"Be, bè, bè-è-è-è!" schreeuwde de bok nijdig. Het beest was meer dan
+kwaad. Opeens nam hij een grooten sprong, zoodat Jantje toch haast van
+zijn rug afviel, en zette het op een loopen. Met echte bokkesprongen
+holde hij het bleekveld over. 't Ging vliegensvlug, en Jantje vond
+'t razend prettig. Zijn Vader ook. Die moest er onbedaarlijk om lachen.
+
+De bok was echter op een hem onbekend terrein, en daar hij te kwaad
+was om goed uit zijn oogen te kijken, sprong hij opeens pardoes in
+de sloot. Dat gaf een plons van belang, en voor een oogenblik waren
+èn bok èn berijder onder 't water verdwenen.
+
+Toen lachte Dik niet meer. Integendeel, een hevige schrik maakte
+zich van hem meester, en hij ijlde naar den slootkant. Maar daar zag
+hij niets.
+
+Ja toch, er verscheen een hoofd boven water....
+
+Helaas, 't was de kop van den bok. 't Kroos zat hem aan de groote
+kromme horens.
+
+"B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!" blaatte hij angstig.
+
+"Jantje! Jantje!" schreeuwde Dik.
+
+Daar verscheen ook Jantje's hoofd boven de oppervlakte.
+
+"Vader, ... help, ... ik ... hik, hik, ... ik, hik verdrink!"
+
+Dik bukte zich en greep Jantje bij de haren.
+
+"B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!" schreeuwde de bok.
+
+Dik trok zijn zoontje op den wal. Daar stond het kereltje, druipend
+van het water.
+
+"O Vader, m'n bok! M'n bok!" jammerde Jantje.
+
+Dik boog zich nogmaals, en greep met beide handen de horens van den
+bok. 't Kostte hem echter vrij wat moeite om het beest op den wal te
+krijgen, doch het gelukte hem toch.
+
+Jantje werd naar binnen gestuurd, om droge kleeren aan te trekken,
+en de bok moest in den stal.
+
+Moeder Anneke was ook niet weinig geschrokken, want zij had het
+angstgeschreeuw duidelijk gehoord. Zij stond op,--want dat alles
+gebeurde zeer vroeg in den morgen--en hielp Jantje aan droge kleeren.
+
+De kleine vent stond te bibberen van de koû, maar hij was toch erg
+blij met zijn bok.
+
+"B-b-b-b-b--wat een b-b-b-b--mooie b-b bok, Moeder," zei hij opgetogen,
+terwijl de rillingen hem langs zijn mageren rug gingen. En zijn
+spillebeentjes trilden zoo erg, dat Jantje er haast niet op staan kon.
+
+"Dat was me daar 'n mooie geschiedenis!" zei Dik
+binnenstappende. "Jantje ging op den bok zitten, en daar sprong me
+dat beest pardoes in de sloot. 't Was een bespottelijk gezicht."
+
+"Leeft hij b-b-b-b-b-nog, Vader?" vroeg Jantje.
+
+"Of hij!" zei Dik.
+
+"Zou hij b-b-b-b--niet dood--b-b-b-b gaan?" vroeg Jantje, niet zonder
+eenigen angst, dat het koude bad zijn mooien bok kwaad kon hebben
+gedaan. En hij vervolgde:
+
+"Hè b-b-b-b, dat hemd is b-b-b-b-lekker warm, Moeder. Brrr, wat ben
+ik koud."
+
+"Ja, dat wil ik wel gelooven," zei Dik, "Je gaat ook direct weer naar
+je bed, om goed warm te worden, door en door warm."
+
+Jantje had daar wel niet veel ooren naar, maar het gebeurde
+toch. Enkele minuten later lag hij weer diep onder de wol. Daar werd
+hij al spoedig lekker warm, want zijn moeder had er nog een paar
+dekens extra bijgedaan.
+
+Lang hield Jantje het er echter niet uit. Een half uur later kreeg
+hij zijn Zondagsche pak aan en stapte hij naar buiten, om weer naar
+zijn bok te gaan kijken. Deze stond heel rustig bij den hit gemaaid
+gras te eten, en hij keek Jantje aan of hij zeggen wou:
+
+"Dat was een rare geschiedenis, hè Jan?"
+
+Jan kon zijn bok niet genoeg aankijken, zoo mooi vond hij hem.
+
+"He," dacht hij, "als ik nu een wagentje had en een tuig, dan was ik
+heelemaal klaar. Wat zou ik dan heerlijk rijden. Had ik vast maar een
+wagentje, dan zou ik zelf wel een tuig maken. Karel van Dril zal er me
+wel aan helpen.--Wacht, daar hoor ik Grootvader in zijn tuintje. Ik
+ga gauw naar hem toe, om het te vertellen, dat ik zoo'n mooien bok
+heb gekregen."
+
+Vlug begaf hij zich naar de woning van zijne grootouders. Zijn
+Grootmoeder kwam hem al tegemoet, en féliciteerde hem met zijn
+verjaardag. En ze zei:
+
+"Ga maar gauw mee naar Grootvader in den tuin."
+
+"En o, Grootmoê," zei Jan, "ik heb zoo'n prachtigen bok gekregen van
+Vader en Moeder, toch zòò mooi, o zoo mooi!"
+
+Grootmoeder sloeg van verbazing de handen in elkaar.
+
+"Een bok?" riep zij opgetogen uit. "Een echte, levende bok?"
+
+"Ja, ja, een echte levende bok, en we hebben samen al in de sloot
+gelegen ook. Ik zat boven op zijn rug, en toen vloog hij van kwaadheid
+de sloot in. Vind u het niet heerlijk, Grootmoe?"
+
+"Dat je in de sloot gelegen hebt?"
+
+"Neen, dat ik een bok heb," lachte Jantje. Samen gingen ze den tuin
+in, naar Grootvader.
+
+Deze kwam hem vroolijk lachend tegemoet.
+
+"Dag Jan, wèl geféliciteerd met je verjaardag."
+
+"Dank u, Grootvader!" schreeuwde Jantje, die wel wist, dat Grootvader
+hem anders niet verstond. "Ik heb een bok gekregen! O, zoo mooi. Gaat
+u mee kijken?"
+
+"Wat moet jij met eene klok doen, kind?" vroeg Grootvader, die zich
+hield, of hij hem niet verstaan had.
+
+"Neen, neen, geen klok, maar een bok!" schreeuwde Jantje.
+
+"Een bok? Wat heb je aan een bok, als je geen wagentje hebt?" ging
+Grootvader plagend voort. "Ik zou hem maar aan den slager verkoopen!"
+
+Jantje keek zijn Grootvader diep verontwaardigd aan.
+
+"Dat nooit!--Nooit, hoor Grootvader!" riep hij uit.
+
+Grootvader scheen hem echter niet te hooren. Hij stond in gedachten
+verdiept, en streek met zijn wijsvinger peinzend langs zijn
+neus. Eindelijk zei hij:
+
+"Wacht eens, Jan. Ik geloof, dat ik nog wat ouden rommel heb, waar
+misschien wel een wagentje van gemaakt kan worden. Ga maar eens mee
+naar 't schuurtje."
+
+"Dat zou mooi wezen, Grootvader," zei Jantje blij.
+
+De schuur werd geopend, en daar stond me zoo waar een prachtige
+bokkewagen kant en klaar. Grootvader had hem zelf getimmerd, heel
+stilletjes, zoodat Jantje er niets van gemerkt had. O, o, wat lachten
+Grootvader en Grootmoeder ondeugend.
+
+"Wel, hoe lijkt je dat, Jan? Vind je dat wagentje mooi?"
+
+Jantje werd beurtelings bleek en rood, want hij begreep wel, dat het
+wagentje voor hem was, en toch durfde hij het haast niet te gelooven.
+
+"Of ik het mooi vind?" stamelde hij met bevende lippen, "'t Is prachtig
+mooi, Grootvader, prachtig, prachtig mooi!"
+
+En meteen vloog hij Grootvader om den hals en kuste hem, dat het
+klapte, en toen kreeg Grootmoeder eene beurt. Zij bezweek er bijna
+onder.
+
+Jantjes vreugde kende geen grenzen. Hij nam het lemoen op, en trok
+het wagentje naar zijn huis, waar Vader en Moeder het dadelijk
+moesten zien.
+
+"Had ik nu nog maar een tuig," zei Jantje, "dan was ik heelemaal
+klaar. Ha, wat zou ik rijden!"
+
+"In de hangkast liggen nog wel een paar oude riemen," zei z'n
+moeder. "Daar is misschien, als Grootvader of Vader je helpen wil,
+nog wel een goed tuigje van te maken."
+
+"Oude riemen?" zei Jantje, "hebben wij nog oude riemen? Die zouden
+mij goed te pas komen."
+
+Hij deed de deur open. Zijne ouders stonden lachend naar hem te kijken.
+
+In plaats van een paar oude riemen zag Jantje tot zijne groote
+verrassing een prachtig bokketuig hangen, als een geschenk van
+zijne moeder.
+
+Hij slaakte een kreet van vreugde, nam het tuig uit de kast, en begon
+als een dolle door de kamer te springen.
+
+"Rinkinkeleking! Ringeling! Rinkinkeling-king!" klonk het. Dat kwam
+van de bellen, die met twee mooie pluimen op het tuig bevestigd waren.
+
+"Hoor eens! Hoor eens!" riep Jantje verrukt. "O, o wat mooi. O, ik
+weet zelf niet, hoe mooi het is. Nu den bok inspannen, Vader! Laten
+we hem dadelijk inspannen!"
+
+Dat gebeurde. De bok werd uit den stal gehaald en voor den wagen
+gezet. De tuigen werden hem omgehangen, en Jantje stapte in.
+
+"Waar is mijn zweep?" vroeg hij.
+
+"Hier," zei Dik. "Maar één ding mag je nooit vergeten: sla den bok
+niet, als het niet noodig is."
+
+"Slaan, Vader?" vroeg Jantje. "O neen, mijn bok sla ik niet. De zweep
+is alleen maar voor 't mooi. Huup bok! Allo!"
+
+Daar ging de bok, tot groote vreugde van Jantje, die in het wagentje
+zat als een kleine prins. Zijn ouders en grootouders keken hem lachend
+na, want zij vonden het bijna even prettig als Jantje zelf.
+
+"Als hij maar niet in de sloot rijdt!" zei zijne moeder, die wel een
+beetje bezorgd was.
+
+"Laat hem maar begaan," zei Dik met vadertrots. "Hij is mans genoeg,
+de kleine baas. Wat is 't een mooi stelletje, hè?"
+
+En grootvader zei:
+
+"Wil ik je eens wat zeggen, Dik? Jantje is ook een bizonder kind,--en
+dat is-ie."
+
+"Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou," lachte Dik.
+
+
+
+Zevende Hoofdstuk.
+
+Hoe Jantje uit rijden ging, en bij slot van rekening een dwaze
+vertooning maakte.
+
+Wat reed Jantje heerlijk. Zijn bok stapte parmantig over den weg,
+met den kop fier opgeheven, en Jantje hield de leidsels in de eene en
+de zweep in de andere hand. De pluimen op den rug van den bok wuifden
+sierlijk heen en weer, en de bellen rinkelden zoo mooi, dat het een
+lust was om te hooren.
+
+Eerst reed Jantje natuurlijk naar zijn vriendje Karel van Dril, en die
+keek zijne oogen uit naar 't mooie spannetje. Hij was er jaloersch op,
+maar hij gunde het Jantje toch wel. En zijn vader, de smid Piet van
+Dril, kwam ook naar buiten, om het mooie span te bewonderen.
+
+"Dat is een prachtig stelletje, Jan!" zei hij, nadat hij Jantje
+gefeliciteerd had. "De bok is mooi, de wagen is mooi, het tuig is
+mooi, en het koetsiertje is ook mooi."
+
+"Alleen een beetje mager," zei Jan Vos, de metselaar, die juist
+voorbij liep.
+
+"Mag ik met je meerijden?" vroeg Karel. "Toe zeg, schik een eindje om,
+dan kom ik naast je zitten."
+
+Dat gebeurde, en de twee vrienden reden verder.
+
+Al spoedig hadden zij heel wat jongens om hen heen, die het allen een
+mooi gerij vonden. En allen vroegen om de gunst, of zij ook eens een
+eindje mochten rijden.
+
+"Toe Jan, mag ik ook eens?" vroeg de een.
+
+"Neen zeg, laat mij dan liever," zei een ander. Jan antwoordde niet
+veel, want hij wist wel, dat daar geen beginnen aan was. Hij kon alle
+jongens van het dorp toch niet bij zich in het karretje nemen.
+
+Maar de jongens werden er niet boos om. Zij begrepen zelf wel, dat
+het niet ging, en vonden het al prettig met den bok mee te loopen.
+
+"Huup sik! Huup sik!" riepen de jongens. Maar de bok had zijn eigen
+willetje en liet zich niet voortjagen. Hij stapte met krachtigen tred
+verder, zonder zich aan het roepen van de jongens te storen.
+
+Dicht bij de school kwamen zij Klaas Zwart tegen met diens vriendje
+Frans Thor. De jongens hielden niet van hen en gingen liever niet
+met hen om, want 't waren twee vervelende jongens.
+
+Zij hadden altoos ontzaglijk veel praats, konden niemand ongemoeid
+passeeren, wierpen winkeldeuren open, trokken onnoodig bij de menschen
+aan de schel, en plaagden, waar zij maar plagen konden. Aan Klaas
+Zwart had Jantje al een hekel gehad, zoolang hij hem kende, omdat hij
+een klikspaan was. Frans Thor was later op het dorp komen wonen. Hij
+was een verwaarloosde ruwe jongen, die geen moeder had en met zijn
+vader samen in een huisje woonde. Zijn vader was soldaat in Indië
+geweest, en leefde van een pensioentje. Hij deed zijn huishouden zelf,
+veegde zelf den vloer, kookte zijn eigen potje, en maakte zelf de
+bedden op. Om de opvoeding van Frans bekommerde hij zich bizonder
+weinig. Algemeen stond hij bekend als een pochhans, die wel heel
+veel wist te vertellen van zijn heldendaden in Indië, maar die er
+zooveel bij jokte, dat hij door niemand werd geloofd. En Frans jokte
+ook niet zoo'n beetje. Al spoedig had hij op het dorp geen vriendje
+meer kunnen krijgen, en daar Klaas Zwart in hetzelfde geval verkeerde,
+liepen ze meestal samen. En ze deden gewoonlijk niet veel goeds.
+
+Zoodra zij den bok van Jan in 't oog kregen, kwamen zij haastig
+toeloopen, elk met een stok in de hand.
+
+"Wel heb ik van m'n leven!" riep Frans uit. "Kijk Jan Trom eens
+geuren! Huup Sik, allo, vooruit!"
+
+Maar de bok stoorde zich aan dat bevel niet, en bleef kalmpjes
+doorstappen. Hij hief den kop eventjes op, en keek Frans aan.
+
+"'t Is het bokje wèl!" ging Frans voort. "Hij loopt niet harder dan
+een slak. Zeg Jan, je moet hem eens met de zweep kietelen, dan zal
+hij wel beter voortmaken."
+
+"Hij loopt hard genoeg," zei Jan. "Toe bok, vooruit!"
+
+"'t Is een oud, afgeleefd beest!" zei Klaas Zwart smalend. "Hij heeft
+de rumathiek in zijn pooten."
+
+"Als jij maar niet de rumathiek hebt," gaf Jan beleedigd ten
+antwoord. "Hij kan harder loopen dan jij."
+
+"Ha, ha!" lachte Klaas. "Zoo'n stijve huut. Je moet hem smeren met
+machine-olie; zijne botten zijn wat stijf."
+
+"Met stok-olie!" zei Frans Thor grinnekend, terwijl hij den bok een
+klap met zijn stok op den rug gaf.
+
+De bok ging op zijn achterpooten staan.
+
+Jan werd wit van kwaadheid, en Karel van Dril zei:
+
+"Wil jij met dien stok wel eens van hem afblijven, of ik zal je met
+datzelfde houtje je portie geven."
+
+Die bedreiging hielp voor een poosje. Maar nu gingen Frans en Klaas
+van achteren tegen het karretje duwen, zoodat de bok gedwongen werd
+op een draf te loopen. De andere jongens hielden zich een beetje op
+een afstand, want ze waren bang voor de twee plaaggeesten, vooral
+voor Frans Thor, die een paar jaar ouder was.
+
+Jan hief zijn zweep op, en wilde de jongens dwingen de kar los te
+laten. Maar Frans greep de zweep onverwachts aan, en rukte haar Jan
+uit de handen.
+
+"Wat denk jij wel, magere sprinkhaan," zei hij sarrend. "Denk je soms,
+dat ik bang voor je ben? Voor geen tien zulke kereltjes als jij. Ho,
+bok, ho!"
+
+De bok liep echter door, en daarom hielden Frans en Klaas de kar zoo
+hard zij konden tegen.
+
+Jan keerde zich driftig om.
+
+"Laat je de kar los!" riep hij hun toe. "Laat los, zeg ik je, of ik
+sla er op!"
+
+De twee plaaggeesten lachten hem smakelijk uit. Karel van Dril was
+zijn drift ook niet langer meester, en wilde van de kar stappen. Maar
+Jan hield hem tegen.
+
+"Hier," zei hij, "houd jij de leidsels even vast."
+
+Vlug sprong hij uit de kar, en nog voor Frans er op verdacht was, vloog
+Jan op hem aan. Deze zag wit van kwaadheid. Met eene vlugge beweging
+rukte hij hem de zweep uit de hand, en in 't volgende oogenblik had
+Frans een geduchten striem dwars over zijn gelaat te pakken.
+
+Klaas Zwart zag, dat het ernst werd en maakte, dat hij op een
+eerbiedigen afstand kwam, want hij was laf van aard. Maar Frans
+niet. Deze was de grootste en sterkste, en de zweepslag had
+hem vreeselijk nijdig gemaakt. Hij kon een kreet van pijn niet
+onderdrukken, en de tranen sprongen hem in de oogen. Woest viel hij
+op Jan aan, die de zweep alweer opgeheven had, om hem een tweeden
+striem te geven.
+
+"Laat de kar los, zeg ik je!" riep hij Frans toe.
+
+"Dat zal ik," antwoordde Frans, en hij greep Jan met beide handen
+aan. Jan liet zijne zweep op den grond vallen, om zich beter te
+kunnen verweren.
+
+"Geef hem zijn portie, Frans!" schreeuwde Klaas Zwart uit de
+verte. "Als je 't alleen niet afkunt, zal ik je wel komen helpen."
+
+"Daar moest je 't hart eens toe hebben," riep Karel van Dril
+terug. "Dan krijg je 't met mij te doen."
+
+De twee jongens waren geducht met elkaar aan 't worstelen, en iedereen
+dacht, dat Frans het gemakkelijk winnen kon, omdat hij zooveel ouder
+en sterker was, maar Jantje was de vlugste. Hij wist al spoedig
+tusschen Frans' armen door te glippen, liet zich vliegensvlug op
+zijne knieën vallen, greep Frans bij de beenen, en liet hem in een
+ommezien een buiteling maken. Daar lag Frans lang-uit op den grond,
+tot groot vermaak van de jongens, die hem zijne smadelijke nederlaag
+van harte gunden.
+
+"Ha, ha, daar ligt de praatsmaker!" riepen ze juichend. "Waar blijf
+je nu met je praats?"
+
+Jan nam den stok van Frans en gaf hem een geducht pak slaag, veel
+te hard naar den zin van Frans, die schielijk overeind kroop, en
+beenen maakte.
+
+Wat werd hij uitgelachen! En wat hadden de andere jongens een pret.
+
+Maar Klaas Zwart en Frans Thor lachten niet, en Frans was niet van
+plan den strijd op te geven.
+
+Jan stapte weltevreden over de behaalde overwinning weer in zijn
+karretje, nam de leidsels van Karel over, en zei:
+
+"Huup bok! Vooruit maar weer.--Dat viel Frans Thor niet meê, hè
+Karel? Wat heeft hij gehad!"
+
+"En wat buitelde hij lekker over den grond," grinnikte Karel
+vroolijk. "Zij zullen wel niet spoedig terugkeeren."
+
+Dat had hij echter mis.
+
+Frans en Klaas stonden eerst van uit de verte een poosje te schelden.
+
+"Magere sprinkhaan!" schreeuwde Frans.
+
+"Panlat!" smaalde Klaas.
+
+Maar langzamerhand kwamen zij naderbij. Zij liepen al scheldend een
+eindje voor den bok uit.
+
+"Hij is zoo oud als je grootvader!" schreeuwde Klaas.
+
+"Verkoop hem aan den slager!" zei Frans. "Die kan misschien nog worst
+van hem hakken."
+
+"Niets terugroepen, Jan," raadde Karel aan. "Dan hebben zij er het
+minste pleizier van."
+
+De afstand tusschen den bok en de twee scheldende jongens werd
+voortdurend kleiner. De bok stapte flink, de pluimen op zijn rug
+wapperden prachtig, en de bellen rinkelden helder en luid. Jantje
+genoot méér, dan hij zeggen kon. 't Verveelde hem echter geducht,
+dat die twee akelige jongens vlak voor zijn bok bleven loopen. Dat
+vergalde zijn genoegen. En zij hielden niet op, den gek met zijn bok
+te steken, wat hem erg griefde.
+
+Klaas Zwart ging eindelijk vlak voor den bok loopen. Dan liep hij
+erg kreupel en met kromme beenen, en riep voortdurend:
+
+"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!"
+
+De bok lichtte zijn kop op en keek den jongen nijdig aan. 't Scheen
+wel, of hij begreep, dat die jongen hem voor den gek hield.
+
+"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è! schreeuwde Klaas plagend. "O, wat heb ik 'n
+rumathiek in mijn pooten. Bè-è-è-è!"
+
+De bok schudde den kop, en riep ook:
+
+"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!"
+
+"Zie je wel, hij is het met mij eens!" grinnikte Klaas, die met kromme
+beenen en in een gebogen houding voor den bok uitliep.
+
+Plotseling schoot de bok op een drafje vooruit, wat zoo overwachts
+gebeurde, dat Jan en Karel bijna achterover uit de kar sloegen. Daarop
+sprong de bok op zijn achterpooten overeind, en gaf Klaas zoo'n
+geduchten stomp in zijn rug, dat deze voorover op den weg tuimelde.
+
+"Au, au, au, o, wat is dat!" schreeuwde Klaas.
+
+"Bom!" daar drukte de bok hem nog eens met kracht zijne horens in
+den rug.
+
+"Au, au, o, o, au!" jammerde Klaas.
+
+Op handen en voeten poogde hij zich te redden.
+
+"Bom!"
+
+De bok drukte hem nogmaals plat op den grond.
+
+Klaas zag doodsbleek van den schrik. Hij spartelde met armen en beenen,
+en schreeuwde moord en brand.
+
+Jan en Karel vielen haast uit de kar van het lachen, 't Was dan ook
+een bespottelijk gezicht.
+
+Klaas wist geen raad van angst en pijn.
+
+"Help!" riep hij. "Frans, help,--help! Hij maakt me dood!"
+
+Hulp was echter niet meer noodig, want de bok hield uit eigen beweging
+met zijn afstraffing op. Hij dacht zeker, dat Klaas het er zóó wel
+meê doen kon. Zonder zich aan de leidsels te storen, keerde hij om,
+en stapte bedaard verder in de richting van Jan's huis. Dat was
+maar goed ook, want het werd tijd, dat Jantje naar huis ging om te
+ontbijten. 't Was al over achten, en om negen uur begon de school.
+
+Jan en Karel schoten telkens nog in een lach, als zij aan het malle
+figuur van Klaas dachten.
+
+"Hij zal nu wel ondervonden hebben, dat de bok niet rumathiekerig is,
+en dat hij nog kracht in zijne horens heeft," meende Jantje, en dat
+was Karel volkomen met hem eens.
+
+En wat Vader Dik lachen moest, toen hij het hoorde.
+
+"'t Is bepaald een verstandige bok," zei hij tegen Jan. "Hij begreep
+wel, dat die jongen hem voor den gek hield. Maar voortaan zal Klaas
+Zwart hem wel uit de voeten blijven."
+
+"Dat denk ik ook," zei Jan.
+
+Den geheelen dag op school moest hij, of hij wilde of niet, aan zijn
+mooien bok denken, en aan het leuke karretje, dat zijn grootvader
+voor hem getimmerd had, en aan het prachtige tuig met de pluimen en
+de rinkelbellen, en de meester had een onoplettenden leerling aan hem,
+wat hij niet van hem gewoon was. 't Scheelde dan ook maar een beetje,
+of hij had zoowel 's morgens als 's middags school moeten blijven. Bij
+'t rekenen maakte hij meer dan de helft van de sommen fout, en bij
+'t lezen wist hij niet, waar hij beginnen moest.
+
+De meester werd eindelijk knorrig op hem.
+
+"Jij moest beter opletten, Jantje, anders worden wij kwade vrienden."
+
+Jan zat toevallig naast Klaas Zwart, en hij kon den jongen, niet
+aankijken, zonder te lachen.
+
+"Heb je nog pijn in je rug?" vroeg hij fluisterend.
+
+Klaas keek hem aan als een nijdige spin.
+
+"Zou het misschien rumathiek kunnen wezen?" plaagde Jantje.
+
+"Magere sprinkhaan! Panlat!" siste Klaas tusschen de tanden, en
+telkens voelde hij aan z'n rug, die geducht pijn deed.
+
+"Stilte daar!" gebood de meester. "Ik geloof, dat er een paar jongens
+zijn, die graag willen nablijven."
+
+Zoover kwam het echter niet, en om vier uur mocht Jantje naar
+huis. Karel holde met hem meê, dat spreekt van zelf. Kwart over vieren
+stond de bok alweer voor de kar. De beide vrienden namen plaats, en
+daar ging het heen. De bok stapte weer even deftig als 's morgens,
+en hij keek eigenwijs om zich heen, de bellen rinkelden en de pluimen
+wapperden. De jongens vonden het prachtig, en zij reden het heele dorp
+door. 't Bleek een prettig dier te zijn. Als de jongens even uit de kar
+stapten, om naar een vink te zoeken, die zij hoorden fluiten in het
+riet aan den kant van het kanaal, bleef hij geduldig wachten. Alleen
+ging hij een weinigje zijwaarts, om op den berm wat gras te eten.
+
+Een eindje voorbij de Roomsche kerk, die aan het einde van het dorp
+stond, was de timmerwinkel van baas Meijer, bij wien Jans grootvader
+vroeger gewerkt had. Naast den winkel stond een kleine houtzaagmolen,
+want Meijer zaagde zijn hout zooveel mogelijk zelf. Er lag dan ook
+altoos vóór dien molen in het kanaal een vlot balken in voorraad,
+en op die balken gingen de jongens dikwijls spelen. Menigeen had
+daar al een paar natte voeten gehaald, en sommigen zelfs een nat
+pak. Want die balken waren maar losjes aan elkander verbonden, en
+het gebeurde dikwijls, dat zij omkantelden, als de jongens er over
+liepen. Er behoorde dan ook heel wat behendigheid toe, om geheel
+droog te blijven, als zij er op speelden.
+
+Toen de jongens de houtzagerij bereikt hadden, zei Karel:
+
+"Zeg Jan, willen we eventjes balkje-loopen? Dat is zoo lekker."
+
+Daar had Jantje wel zin in.
+
+"Zou de bok blijven staan?"
+
+"Wel ja,--de bok loopt niet weg. En al was dat zoo, dan kunnen we
+hem toch gemakkelijk genoeg inhalen."
+
+"Dat is zoo," zei Jan.
+
+De jongens stapten uit de kar. Jan keerde den bok om en bracht hem
+op een plaatsje, waar veel gras en klaver groeide.
+
+"Daar staat hij heerlijk!" zei hij.
+
+Toen gingen de jongens op het vlot, en wipten van den eenen balk op
+den anderen. Soms stonden zij met de armen om elkaars hals geslagen
+op het einde van een balk, die dan door hun zwaarte langzaam onder
+water zonk. Maar vóórdat het water hun voeten bereikte, sprongen zij
+vlug naar het hooger gelegen deel van den balk.
+
+En dan lachten zij luidkeels van de pret.
+
+Dat deden zij ook, als een van de balken onder hunne voeten omkantelde,
+want dan moesten zij zich door vlugge sprongen redden.
+
+Jantje was een echte waaghals. Dat kwam, omdat hij verbazend lenig
+was en nog nooit een ongeluk had gehad.
+
+"Ik moet een beetje voorzichtig wezen," zei hij wijs tegen Karel.
+
+"Waarom?" vroeg deze.
+
+"Wel, ik heb mijn Zondagsche pak aan, doordat ik van morgen vroeg
+kopje-onder in de sloot gelegen heb. En als ik nu met mijn mooie
+pak weer in 't water viel, zou Moeder me zien aankomen, dat begrijp
+je. Jongen, wat zou ik er van lusten!"
+
+"Nou, dat snap ik," zei Karel.
+
+En nauwelijks had hij dat gezegd, of hij merkte, dat zijn paal
+omkantelde en dat hij dus veel kans had, naar beneden te rollen. Met
+een vlugge beweging sprong hij op den balk, waarop Jan stond, maar
+door den schok kantelde deze ook.
+
+Plomp! Daar zakte Jantje tot aan zijn middel in het kanaal. Karel
+viel achterover op het vlot, zoodat hij vrij droog bleef.
+
+"O wee!" schreeuwde Jantje, met groote oogen van schrik en angst. Hij
+had zijn arm nog om den paal geslagen.
+
+Vlug als hij was, hief hij zich met kracht in de hoogte, en in 't
+volgende oogenblik stond hij weer op het vlot. 't Water droop hem
+uit zijne Zondagsche broek langs zijne dunne beentjes naar beneden.
+
+Karel schaterde het intusschen uit van pret.
+
+Maar Jantje lachte in 't geheel niet. Hij stapte zonder een woord
+te spreken van het vlot af op den kant, en keek zwijgend naar zijn
+natte broek.
+
+Karel kwam bij hem.
+
+"Wat zat je daar koddig met je hoofd boven dien paal uit!" zei hij
+lachend. "Ik wou, dat je het gezien hadt."
+
+"Ik vind het heelemaal niet koddig!" zei Jantje. "Ik kan me niet
+begrijpen, dat je dit nou zoo grappig vindt. Zeg Karel, ik durf zoo
+niet naar huis toe, hoor."
+
+"O, ik weet wel raad," zei Karel. "Trek allebêi je broeken uit en je
+kousen. Dan neem jij het eene einde en ik het andere, en we draaien
+in tegengestelde richting. Op die manier wringen wij al het water er
+uit, en dan is het dadelijk droog."
+
+"Is het waar?" vroeg Jantje, met een flikkering van hoop in zijn oogen.
+
+"Stellig!" zei Karel. "Vader heeft wel eens verteld, dat hij het ook
+deed, toen hij nog een jongen was. Trek maar uit."
+
+Dat deed Jantje, en al spoedig stond hij met bloote beenen in
+het gras. Toen gingen de twee jongens aan het wringen. Eerst de
+onderbroek. Karel nam het bovengedeelte en Jantje de pijpen. Karel
+draaide van rechts naar links, en Jantje van links naar rechts. En
+zij waren zoo in die bezigheid verdiept, dat zij niet zagen, dat
+Frans Thor en Klaas Zwart naderden, ieder weer met een stok in de
+hand en niet veel goeds in den zin.
+
+Deze twee hadden gezien, wat er gebeurd was, en daar zij nog boos
+waren over de nederlaag, die zij 's morgens hadden geleden, besloten
+zij wraak te nemen.
+
+Aan den anderen kant van den weg slopen zij zooveel mogelijk ongemerkt
+nader, en kwamen meer en meer bij de plaats, waar de bok rustig stond
+te grazen.
+
+Juist waren Jan en Karel met de onderbroek klaar gekomen, die zij
+op het gras uitspreidden om te drogen, toen de twee vijanden met
+een woesten kreet opsprongen, vlak achter den bok, die er geweldig
+van schrikte. En dat werd nog erger, toen de jongens hem met hunne
+stokken hard op den rug sloegen, en schreeuwden:
+
+"Huup bok, huup bok! Allo! koesssss!"
+
+De bok zette het verschrikt op een loopen, het dorp in. Hij holde
+voort, zoo hard hij kon. Van bokkendeftigheid was bij hem geen sprake
+meer, hij holde voort als een wild paard.
+
+"Koesssss! Koesssss!" schreeuwden Frans en Klaas hem na.
+
+"Dát is gemeen!" riep Jan verschrikt en verontwaardigd uit, en zonder
+te bedenken, dat hij geen broek aan had, sprong hij op, en ijlde zijn
+bok na.
+
+Maar deze was hem een geducht eind voor, en rende al midden in het
+dorp. Jantje liep wat hij loopen kon, om hem in te halen.
+
+De menschen bleven lachend staan, om de twee hardloopers na te
+kijken. 't Was dan ook een dwaas gezicht, dien bok te zien hollen,
+met de rinkelende bellen en de wapperende pluimen op zijn rug, terwijl
+de leidsels langs de kar zwierden, maar nog veel maller was het Jantje
+te zien, die zonder broek zijn bok naholde.
+
+Jantje met zijne dunne beentjes liep het hardst. De keisteentjes deden
+wel pijn aan zijne bloote voeten, maar hij voelde het niet, en dat de
+menschen om hem lachten, merkte hij evenmin. Hij dacht maar alleen aan
+zijn mooien bok. Tot zijn vreugde bemerkte hij, dat hij op hem won, en
+dat hij hem misschien nog kon inhalen, voordat hij de brug had bereikt.
+
+Plotseling echter zag hij, dat de bok gegrepen werd. Iemand met
+een mandje aan den arm sprong op den weg, en greep den bok bij den
+teugel. Daar was Jantje blij om, tot hij opeens zag, dat die man zijn
+vader was.
+
+"Hei, hei, wat is dat voor een malle vertooning?" riep Dik zijn
+zoontje toe, die hijgend bij den bok stond.
+
+"De jongens hebben hem op hol gejaagd, Vader," zei Jantje, die zijn
+vader een beetje uit de voeten bleef.
+
+"Maar hoe komt het, dat jij hier zonder broek langs den weg rent?" ging
+Dik voort.
+
+Jantje zweeg.
+
+"Allo, spreek op, mannetje. Waar zijn je broeken, en je kousen en
+je klompen?"
+
+"O Vader, ik had ... ik ... ik was ... ik ... had ... ik ..."
+
+"Ik had en ik was en ik was en ik had!" viel zijn Vader in. "Ik was
+een ondeugende jongen en ik had een pak slaag verdiend, wil je zeker
+zeggen, hè?"
+
+Jantje deed een paar stappen achteruit.
+
+"Spreek op, Jantje, wat is er gebeurd?"
+
+"Ik was in 't kanaal gevallen, Vader, en omdat ik mijn Zondagsche
+broek aan had, dorst ik niet thuis te komen, en toen..."
+
+"En toen?"
+
+"Toen hebben Karel en ik mijn broek uitgewrongen, maar toen hebben
+Frans Thor en Klaas Zwart den bok op hol gejaagd..."
+
+"En toen ben jij den bok achterna gehold?" vroeg Dik, en opeens
+begon hij er smakelijk om te lachen, want hij vond het een koddige
+geschiedenis.
+
+"Dat is tweemaal vandaag, Jantje!" zei hij. "Pas maar op, dat je er
+niet voor den derden keer invalt. Vooruit, stap in de kar en haal je
+kleeren. En ik zou dat wringen verder maar aan Moeder overlaten. Je
+gaat direct naar huis, hoor."
+
+"Ja Vader," zei Jantje, die blij was, dat het zoo goed afliep. "Maar
+van Frans en Klaas is het een gemeene streek."
+
+"Dat is het," zei Dik.
+
+Jantje stapte in de kar en reed naar het vlot terug, waar Karel op de
+natte plunje paste. Jan kleedde zich weer behoorlijk aan, en reed naar
+huis terug. Zijn Moeder vond de geschiedenis lang zoo grappig niet als
+Vader Dik, maar omdat Jantje jarig was, liep alles nog al goed voor
+hem af. Hij kon zijn daagsche pakje weer aantrekken, dat intusschen
+gedroogd was, maar met den bok mocht hij dien avond niet meer rijden.
+
+
+
+
+Achtste Hoofdstuk.
+
+Jantje krijgt het met Flipsen te kwaad, en dankt aan zijne magere
+leden zijne redding uit een dreigend gevaar.
+
+
+Hoe ouder Jantje werd, des te meer gingen zijne kameraden van hem
+houden. Dat was volstrekt geen wonder, want hij was een aardige
+jongen met een goed hart. Van alles wat slecht en leelijk was,
+had hij een afkeer, en als sommige jongens nog wel eens iets deden,
+waarvan groote menschen last of schade ondervonden, deed hij nooit
+meê. Eénmaal had hij appelen gestolen in den tuin van Wobbe, waar de
+jongens dikwijls heengingen om vruchten weg te nemen, want Wobbe had
+een grooten boomgaard, waarin heel veel lekkers groeide. Jantje had
+er nog nooit aan meêgedaan, maar eindelijk liet hij zich overhalen
+om ook meê te gaan. 't Was op een herfstavond en ruw weer. De jongens
+slopen stilletjes naar de boerderij van Wobbe, die een eindje buiten
+het dorp lag, en sprongen na elkander over de sloot. Zoo kwamen zij
+in den boomgaard.
+
+Maar Wobbe had zich met een paar knechts verdekt opgesteld, want
+dat appelen stelen begon hem geducht te vervelen. Hij had Flipsen,
+den veldwachter, wel gewaarschuwd, maar die werd een dagje ouder en
+maakte er niet veel werk van.
+
+"Als je een van de dieven snapt, breng je hem maar bij me, dan zal ik
+hem wel mores leeren," had hij gezegd. En hij had er aan toegevoegd:
+"zelf zal ik ook wel een oogje in 't zeil houden."
+
+Wobbe was daarom besloten, zelf de handen uit de mouwen te steken,
+en had zich met zijne knechts op verschillende plaatsen in den
+boomgaard verscholen.
+
+Zij hadden er nog niet lang gezeten, toen zij de jongens hoorden
+komen. Zij merkten duidelijk, hoewel zij nog niemand zagen, dat
+de jongens over de sloot sprongen. Wobbe en zijne knechts bleven,
+waar zij waren. Hunne afspraak was, de jongens tot midden in den
+boomgaard te laten komen, en hen dan plotseling van drie kanten
+tegelijk te bespringen.
+
+Jantje voelde zich in 't geheel niet op zijn gemak, en toen alle
+jongens al over de sloot waren, stond hij nog weifelend op den weg.
+
+"Pssst! Pssst!" hoorde hij zacht roepen, 't Was de stem van Karel
+van Dril. "Kom maar hier, Jan, alles is veilig."
+
+"O ja," zei een ander, "kom maar gerust. Bij Wobbe brandt het licht
+in de huiskamer. Er is niet het minste gevaar."
+
+Jan kwam nader en sprong ook over de sloot.
+
+De jongens gingen behoedzaam verder den boomgaard in.
+
+"Hier!" riep er een. "Kijk eens, wat een prachtige appelen! De boom
+zit propvol!"
+
+"Hier ook," riep Karel van Dril een eindje verder. "Kom hier, Jan,
+hier zijn peren."
+
+Eerst waren de jongens bang en keken schuw rond, of er geen gevaar
+dreigde, maar toen alles stil bleef, steeg hun moed, en liepen zij
+brutaal tot midden in den boomgaard.
+
+Frans Thor en Klaas Zwart waren de brutaalsten. De jongens gingen
+weinig of nooit met hen om, maar soms sloot het tweetal zich ongevraagd
+bij hen aan, en dan waren zij moeilijk te weren.
+
+Frans had een stok bij zich en sloeg er mede tegen de takken. De
+appelen vielen naar beneden.
+
+Maar hij kreeg geen tijd om ze op te rapen, want opeens werden zij
+van drie kanten tegelijk besprongen.
+
+"Voorwaarts! Grijpt de dieven!" klonk de stem van Wobbe. Deze was
+een groote, sterke boer met harde handen.
+
+Verschrikt vlogen de jongens uit elkaar. De een ijlde hier-, de ander
+daarheen. Klaas Zwart haastte zich zoo, dat hij in de sloot viel. Tot
+aan zijn hals toe zakte hij in het water. Karel van Dril sprong over
+de sloot, Frans Thor ook, Gerrit Kikke en Piet Vos kwamen er met
+natte voeten af, maar Jantje, die eerst niet wist, wat er gebeurde,
+liep den verkeerden kant op, en vloog precies boer Wobbe in de armen.
+
+"Loopen! Loopen, jongens!" riep Frans Thor.
+
+Een van de knechts sprong over de sloot, en riep:
+
+"Wij zullen eens zien, wie 't hardst kan loopen, kereltje!"
+
+En hij liep Frans zoo hard hij kon achterna.
+
+Dat werd een wedren van belang, want Frans was vlug ter been, maar de
+knecht nam veel grootere stappen. Frans hoorde zijne stappen hoe langer
+hoe dichter achter zich. Eindelijk voelde hij zich bij den kraag van
+zijn jas grijpen. Hu, wat kneep die knecht. Frans werd bijna geworgd
+maar toch wrong hij zich nog als een aal, om los te komen. Dat gelukte
+hem echter niet. De knecht gaf hem een geducht pak slaag, en joeg hem
+voor zich uit, terug naar de boerderij. Daar beleefde Jantje intusschen
+ook geen prettige oogenblikken, want Wobbe trok hem aan zijne ooren
+in de hoogte, tot zijn gezicht vlak voor dat van den boer gekomen was.
+
+Jantje gierde van de pijn!
+
+"Ha zoo, kereltje, wat ben jij licht!" zei de boer met een boozen
+lach. "Jij bent te dun om appelen te eten, manneke. Hoe heet jij?"
+
+"Au, au!" schreeuwde Jantje, die spartelde als een mager varken.
+
+"Heet jij au-au?" lachte de boer. "Magere langbeenige mug!"
+
+"Au! Au!" huilde Jantje.
+
+"Heet jij au-au?" herhaalde de boer driftig.
+
+"Neen, au neen, ik heet Jan Trom! Au, au, laat me los asjeblieft!"
+
+"Zoo, heet jij Jan Trom," zei de boer. Hij liet Jantje weer zakken,
+tot hij op den grond stond, legde hem toen over zijne knie, en gaf
+hem een geducht pak voor zijn broek.
+
+'t Werd een warme geschiedenis voor Jantje, want de handen van den
+boer waren nog veel harder, dan hij ze zich voorgesteld had. Zoo'n
+pak slaag had hij nog nooit van zijn leven gehad, en hij vreesde,
+dat er geen stuk van hem heel zou blijven.
+
+Eindelijk liet Wobbe hem los.
+
+"En maak nu, dat je wegkomt!" bulderde Wobbe hem toe, "of ik breng
+je nog bij Nero in het hondenhok. Die houdt wel van kluifjes, al zijn
+ze mager."
+
+Dat liet Jantje zich geen tweemaal zeggen. Hij liep wat hij loopen
+kon, en 't viel hem meê, dat het nog zoo goed ging, want hij dacht
+niet anders, of de boer had hem zijne beenderen stuk geslagen. Hij
+haastte zich zoo om over de sloot te komen, dat het maar zus of zoo
+scheelde, of hij kwam in het water terecht. Maar dat liep gelukkig
+nog goed af. En toen vloog hij naar het dorp terug. Zijn rooftocht
+was hem bitter slecht bevallen.
+
+Even later hoorde hij de noodkreten van Frans Thor, die door den boer
+en zijn knecht onderhanden werd genomen. Jantje liep dientengevolge
+nog harder.
+
+"Hij lust er ook van!" mompelde Jantje, die in ijlende vaart
+voortholde, "hu, wat slaat die boer hard. Hoor Frans eens schreeuwen."
+
+Na een poosje haalde hij Klaas Zwart in, die zoo hard niet loopen kon,
+omdat hij tot aan zijn hals toe in de sloot gezeten had. Klaas huilde,
+want hij stelde zich de ontvangst thuis ook niet erg vriendelijk voor.
+
+Jantje ging regelrecht naar huis met het stellige voornemen nooit
+meer appelen of peren te stelen. En 's avonds wreef hij meermalen
+over zijn broek, omdat hij zoo'n pijn had.
+
+De zaak was echter nog niet uit, want Wobbe vertelde den volgenden
+dag aan Flipsen, den veldwachter, welk eene gelukkige vangst hij
+had gehad, en gaf hem de namen der schuldigen op. Zoo kwam het, dat
+Flipsen den winkel van Trom binnenstapte, waar Dik juist bezig was
+een paar klanten te helpen.
+
+Flipsen had altoos nog een kijkje op Dik, want hij was nog niet
+vergeten, wat Dik in zijn jeugd voor streken had uitgehaald.
+
+"Goeden avond, Dik!" zei hij.
+
+"Dag Flipsen," was het antwoord. "Wat is er van je dienst?"
+
+"Niet veel moois, man. Ik kom je waarschuwen, dat je wel wat beter
+op je zoontje mag passen, want 't is erg, zooals hij op het dorp
+huishoudt."
+
+"Zoo, zoo," zei Dik verwonderd en ook een beetje ongeloovig want hij
+had nog nooit gemerkt, dat Jantje veel kwaad deed. "Is het zóó erg,
+Flipsen? Wat heeft hij uitgevoerd! Jantje is anders zoo kwaad niet."
+
+Dik werd wel een beetje boos over den lompen uitval van Flipsen.
+
+"Dat zeggen alle vaders en moeders van hunne kinderen," hernam
+Flipsen. "Van hun eigen kinderen kunnen zij nooit kwaad hooren,
+vooral wanneer ze zelf ook nooit gedeugd hebben."
+
+Dik werd nu erg boos.
+
+"Wou je zeggen, dat ik nooit gedeugd heb?" vroeg hij driftig, en hij
+zwaaide zoo heftig met den strooplepel,--want hij was juist bezig
+een vrouwtje aan een pond stroop te helpen,--dat Flipsen een flinken
+lik van dat goedje op de mouw van zijn jas kreeg.
+
+"O, neem me niet kwalijk, dat is bij ongeluk," zei Dik.
+
+"Bij ongeluk! Bij ongeluk!" schreeuwde Flipsen verontwaardigd. "'t
+Is een schandaal! En ik zal proces-verbaal tegen je opmaken, wegens
+beleediging van een politieman in dienst!"
+
+Hij haalde zijn zakdoek te voorschijn om de stroop weg te vegen, en
+maakte de zaak daardoor nog veel erger. De stroop kwam nu bijna over de
+geheele mouw. En Flipsen was altijd zoo keurig netjes op zijn uniform.
+
+"Asjeblieft, juffrouw," zei Dik. "Wenscht u nog iets?"
+
+"Neen," zei de vrouw, die haar lachen haast niet kon houden.
+
+"Ik zeg," schreeuwde Flipsen, "dat je wel wat op je lieve Jantje mag
+passen, of hij raakt nog in 't hok. Gisterenavond heeft hij appelen
+en peren gestolen in den boomgaard van Wobbe, en dat zal wel niet
+de eerste keer geweest zijn, denk ik.--Die akelige, ellendige stroop
+zit er zoo vast op, dat mijn heele jas bedorven is. 't Is meer..."
+
+"Alleen de mouw maar," zei Dik. "Ik dank je voor de boodschap,
+Flipsen. Ik zal er mijn zoontje over onderhouden."
+
+"Zoo vader, zoo zoon," zei Flipsen nijdig, want hij dacht, dat Dik
+hem voor den gek hield. Met groote stappen liep hij den winkel uit.
+
+Toch waren die woorden Dik ernst geweest.
+
+Hij herinnerde zich nog best, hoe hij in zijne jeugd ook vruchten
+gestolen had, en hoe hij tot inkeer gekomen was.
+
+'s Avonds vertelde hij aan Jan, wat er in zijn kinderjaren gebeurd was,
+en hoeveel spijt hij er later over had gehad.
+
+En Jantje beloofde hem, dat hij het nooit, nooit weer doen zou. Dik
+was er blij om toen hij hoorde, dat het Jantje's eerste strooptocht
+geweest was, en hij vertrouwde er stellig op, dat het ook de laatste
+zou geweest zijn.
+
+Na dien dag keek Flipsen den zoon van Dik Trom nooit meer vriendelijk
+aan. Hij had een hekel aan Dik gehad, zoolang hij hem had gekend, en
+dat sloeg nu op Jantje over. Dat kon deze zeer goed merken. Als hij
+met zijn bok uit rijden was en hier of daar even uitstapte, wat nog
+al dikwijls gebeurde, zoodat zijn bok gelegenheid kreeg om wat gras
+of klaver van den berm te eten, kwam Flipsen, zoodra hij dat zag,
+op hem af, en gaf een geducht standje.
+
+"Die bok màg daar niet loopen, en nog veel minder van dat gras
+eten. Dat gras is immers niet van jou? Of heeft je vader misschien
+den berm gepacht?"
+
+"Neen Flipsen, dat geloof ik niet."
+
+"Ik weet het zeker. Dat gras is van Geurs, en je bok moet er
+afblijven. Als ik het weer zie gebeuren, zal ik er proces-verbaal van
+opmaken, hoor je. Denk jij, dat je maar doen moogt, wat je wilt? Ik
+zal je dat wel anders leeren. 't Is gewoon diefstal, maar daar storen
+jullie je niet aan, hè? Jij niet,--en je vader niet! Pas op je tellen,
+mannetje, of je loopt er nog eens geducht tegen."
+
+Zijn vader lachte er om, toen Jan het hem vertelde.
+
+"Gekheid, jongen, maak je maar niet ongerust. Als je geen grooter
+kwaad doet, is het nog al zoo erg niet, en zal Flipsen je wel met
+rust laten. 't Is een nijdige kerel, die het allen menschen lastig
+maakt. 't Is ook al erg, dat die bok daar een mondje gras of klaver
+eet. Dat doet mijn hit immers elken dag ook? En de menschen, die het
+gras van de publieke wegen pachten, weten immers vooruit, dat zulke
+dingen niet te keeren zijn. Daarom betalen zij ook minder pacht. 't
+Is te gek om er van te praten, Jan, en maak je maar niet ongerust. 't
+Zal zoo'n vaart niet loopen."
+
+Na dien tijd liet Jan zijn bok gewoon z'n gang gaan, of Flipsen het
+zag of niet. Dat begon Flipsen geducht te vervelen, en eindelijk
+maakte hij er werkelijk proces-verbaal van op.
+
+"Jij heet Jan Trom, hè?" zei hij, zijn zakboekje te voorschijn halende.
+
+"Ja," zei Jan.
+
+"Hoe oud ben je?"
+
+"Tien jaar," zei Jan.
+
+"Zoon van Dik Trom, hè?"
+
+"Ja wel."
+
+"En je erkent, dat je bok hier gras en klaver van den berm eet?"
+
+"Ja," zei Jan, "dat kan ik niet ontkennen."
+
+"Mooi zoo," zei Flipsen, die zijn boekje met een flap dichtsloeg,
+"daar zal je wel meer van hooren, manneke. Jullie doet maar, of er
+geen overheid bestaat. Maar 't zal je berouwen."
+
+Toen Jan het aan zijn vader vertelde, haalde deze glimlachend de
+schouders op.
+
+"Wat bezielt dien man toch," zei hij. "Maak je maar niet ongerust,
+'t is een storm in een glas water. We hooren er hoogstwaarschijnlijk
+nooit meer iets van."
+
+Dat was ook zoo. Toen Flipsen met zijn proces-verbaal bij den
+burgemeester kwam, lachte deze den veldwachter hartelijk uit.
+
+"Ben je dwaas, Flipsen," zei hij. "Denk je, dat we met zulke nesterijen
+bij den Officier van Justitie kunnen komen?"
+
+"Maar burgemeester, 't is toch diefstal?" zei Flipsen knorrig.
+
+"Dat beschouw ik niet als diefstal," was het antwoord. "Op die manier
+zou een jongen zelfs geen konijntje meer kunnen houden, als hij niet
+een beetje gras van den berm mag snijden. 't Is te mal om er van
+te praten."
+
+Hiermede kon Flipsen vertrekken, maar Jantje keek hij nooit meer
+vriendelijk aan. En dat zou nog erger worden, geheel buiten Jan's
+schuld.
+
+Op een avond waren Jan en Karel met nog een paar andere jongens aan
+het spelen op de markt, toen zij opeens een eigenaardig puffend geluid
+hoorden. Verwonderd keken zij in het rond, om te zien, waar dat geluid
+vandaan kwam. En tot hun groote verbazing ontdekten zij een wagen
+zonder paard er voor, die met groote snelheid langs den weg vloog.
+
+"Boe!--Boe!--Boe!" klonk het geluid van een grooten horen. In den wagen
+zaten heeren en dames, die zich vreeselijk mal toegetakeld hadden. Zij
+droegen groote stofbrillen voor de oogen, en zagen er uit als ijsberen.
+
+'t Vreemde rijtuig was een automobiel, en wel de eerste automobiel,
+die het dorp, waar Jan woonde, met een bezoek vereerde.
+
+"Kijk, kijk!" riepen de jongens, "wat een gekke wagen!"
+
+"Zij lijken wel van den Noordpool te komen," merkte Jan op. "'t Is
+een wagen vol ijsberen. Kijk, daar houdt hij stil voor de herberg
+van De Vries. Gaan jullie mee kijken?"
+
+De jongens liepen, wat zij loopen konden, om bij het vreemde voertuig
+te komen.
+
+"'t Is eene automobiel!" zei Karel van Dril. "'k Weet zeker, dat het
+eene automobiel is!"
+
+"Gaat die door stoom?" vroeg Jan.
+
+"Neen, ze stoken er benzine in, zei Vader. O, ze kunnen zoo hard
+rijden, wel zoo hard als een sneltrein."
+
+De jongens hadden den wagen spoedig bereikt, en bekeken hem aan
+alle kanten. De reizigers waren het café binnengegaan, om iets te
+gebruiken. En al spoedig stonden er heel wat menschen om het vreemde
+voertuig, want velen hadden wel al van automobiles gehoord of gelezen,
+maar nog slechts weinigen hadden er een gezien.
+
+"Ik noem het een mooi ding!" merkte Jan wijs op. "Ik zou er mijn
+bokkewagen wel voor willen ruilen."
+
+"Wat je zegt!" zei Karel lachend. "Kijk, hij staat nog te trillen en
+te zuchten, of het een levend wezen is."
+
+"Hij is moê," lachte Jan. "Hij staat uit te blazen. Die twee groote
+lantaarns voorop zijn net een paar oogen.--Zeg Karel, zoo'n automobiel
+ga ik ook maken."
+
+"Je doet wat!" lachte Karel een beetje spottend. "'t Is maar geen
+kleinigheid. Je begrijpt toch, dat er een heele machinerie binnenin
+zit?"
+
+"O ja natuurlijk," zei Jan. "Ik bedoel ook niet, dat ik een echte ga
+maken, want dat zou jou vader nog niet eens kunnen, en die kan haast
+alles,--maar ik maak toch net een wagen als dit ding, wat ik je zeg."
+
+Op dit oogenblik kwamen de reizigers weer naar buiten en namen
+in de auto plaats. De chauffeur greep het stuurrad deed een paar
+geheimzinnige grepen in den wagen, en er kwam leven in het monster. Het
+trillen en schokken werd heviger, en opeens schoot het gevaarte met
+kracht vooruit.
+
+"Poe! Poe! Poe!" toeterde de reusachtige horen.
+
+De omstanders sprongen verschrikt op zijde, en een oogenblik later
+was de wagen uit het gezicht verdwenen. Hij vloog als het ware langs
+den weg, de menschen in een wolk van stof achterlatende.
+
+Jan stond het vreemde voertuig met open mond na te staren. En toen
+hij het niet meer kon zien, riep hij zijn makkers toe:
+
+"Dag!--Ik ga naar huis!"
+
+Op een drafje liep hij weg. De auto had een overweldigenden indruk op
+hem gemaakt, en hij was besloten niet te rusten, voor hij er ook een
+had. Wel een week lang bleef hij voor zijne kameraden onzichtbaar,
+behalve op school natuurlijk. Daar mòèst hij wel heen. Maar al zijn
+vrijen tijd besteedde hij aan het vervaardigen van zijne automobiel,
+en dat was geen gemakkelijk werkje. Hij schoot er vlug mede op,
+en was verbazend trotsch op het product van zijne handen.
+
+De kinderwagen, waarin zijne Moeder hem gereden had, toen hij nog een
+klein kereltje was, had hij van het bovenstel ontdaan, zoodat alleen
+de wielen overbleven. Zijn Moeder had hem daartoe hare toeslemming
+gegeven, omdat de wagen oud en versleten en dientengevolge geen
+dubbeltje meer waard was.
+
+Toen had hij van zijn vader een paar pakkisten gevraagd, die hem
+graag werden afgestaan.
+
+"Wat moet je er meê uitvoeren, Jan?" had zijn Vader gevraagd.
+
+"Ik maak er een automobiel van," zei Jan, en toen vond zijn Vader het
+goed. Die kisten gaf hij precies het model van de auto, en bevestigde
+ze daarna op het onderstel van den kinderwagen. Keurig netjes timmerde
+hij er twee bankjes in, een voor- en een achterbankje. Gelukkig mocht
+hij het gereedschap van zijn grootvader geruiken, en deze gaf meermalen
+goeden raad.
+
+Maar nu kwam het moeilijkste nog aan, want hij wilde zijn wagen van een
+toestel voorzien, waarmede hij hem in beweging kon brengen, zonder dat
+het noodig was hem te duwen of te trekken. Het duurde lang, eer hij
+daar iets op gevonden had, en toen hij wist, hoe het worden moest,
+kon hij het onmogelijk zonder hulp van een smid uitvoeren. Hij ging
+daarom met zijn wagen naar Piet van Dril, den smid, en legde hem uit,
+wat er gedaan moest worden.
+
+"Kijk, Van Dril," zei hij, "zooals het nu is, is het niet goed. De
+as van mijn wagen deugt er niet voor. Ik zou naast mijn voorbankje
+een wiel willen hebben met een tandrad precies als aan een fiets. Als
+nu aan den as van den wagen ook zoo'n rad bevestigd werd, kon er een
+fietsketting omgelegd worden, zoodat ik maar aan het wiel te draaien
+heb om de kar in beweging te brengen. Aan dat wiel moet natuurlijk
+een handvat komen, precies als aan het wiel van een draaiorgel."
+
+Piet van Dril keek hem een poosje peinzend aan, en krabde zich in
+gedachten achter het oor. Eindelijk gaf hij Jan een geduchten klap
+op diens smalle schoudertje, zoodat de beentjes ervan haast kraakten,
+en zeide:
+
+"Dat heb je al wonder knap bedacht, Jan. Wonder knap, zeg ik! Je kon
+wel ingenieur of zoo iets worden. Maar hoe moet je aan zoo'n wiel
+met een handvat komen? Ik heb er geen."
+
+"Wij wèl, Van Dril," zei Jan. "In de schuur ligt die oude koffiemolen
+nog van ons, u weet wel, die oude afgedankte uit den winkel. En daar
+zit een groot wiel aan met een handvat."
+
+"Juist!--Ja, juist," zei Van Dril. "Wel jongen, ik vind, dat je
+het zóó knap bedacht hebt, dat ik je nu eens voor pleizier aan die
+kamraderen helpen wil. Haal dat wiel maar hier."
+
+Wat was Jantje blij. Hij liep als een haas naar huis om het wiel
+te halen en was den geheelen avond niet uit de smederij weg te
+krijgen. Geen wonder waarlijk, want Van Dril hield woord. Hij smeedde
+de kamraderen aan den vooras van den wagen en aan het wiel van den
+koffiemolen, maakte een oude fietsketting pasklaar, en zette alles
+netjes en flink in elkander.
+
+Jan stond er verrukt naar te kijken, en Karel niet minder.
+
+"Nu moet ik nog een horen hebben!" zei Jan, zich de handen wrijvende
+van genot.
+
+Ja, en nog twee lantaarns," zei Karel. "Je weet wel, dat zijn de oogen
+van het beest. Een paar oude fietslantaarns konden er best dienst
+voor doen. Vader, hebben wij nog niet een paar van zulke oudjes?"
+
+"O, ja wel," zei Van Dril. "Hier heb je er twee."
+
+In een kwartiertje had Jan ze voor aan de auto bevestigd. Toen nam
+hij nog een veerkrachtig metalen plaatje, en timmerde dat aan den
+linkerkant van den wagen, er voor zorgende, dat de spaken van het
+voorwiel er beurtelings tegen aan tikten, als de wagen in beweging
+kwam. Daardoor werd een geluid veroorzaakt, dat precies het tuffen
+van een auto nabootste.
+
+Nu was de wagen klaar. Jan en Karel brachten hem naar buiten, waar
+Jan op het voorbankje ging zitten, en Karel op de achterbank. Jan
+nam het handvat en draaide het wiel rond. Ha, wat reed het karretje
+prachtig. De twee jongens konden hun lachen niet houden van
+pleizier. 't Was precies een auto, en hij maakte een aardig gangetje.
+
+'t Was maar jammer, dat de voorwielen niet om een spil konden draaien,
+want nu kon de wagen alleen vooruit en achteruit, maar van sturen
+was geen sprake.
+
+Elken avond gingen de jongens er meê spelen en zij hadden niet weinig
+bekijks. Maar Jan raakte er door in volslagen vijandschap met Flipsen,
+en toch was het geheel buiten zijne schuld. Dat kwam zoo.
+
+Karel van Dril moest eene boodschap voor zijn vader doen, en daarom
+besloot Jan maar alleen met zijn auto te gaan rijden. Eerst tufte
+hij een paar malen het dorp door, en ging toen naar het fort even
+voorbij het kerkhof, dat aan het einde van 't dorp lag. Daar werd een
+fort aangelegd waarlangs een hooge kluft liep. Jantje besloot van die
+kluft af te tuffen. Jongen, wat zou hij dan een snelle vaart krijgen!
+
+Nu, dat was ook zoo. Hij duwde zijne auto tegen de hoogte op, ging er
+toen in zitten, en reed vliegensvlug naar beneden. Ha, nu leek het
+precies een echte automobile. Hij toeterde, dat het een lust was om
+te hooren, en het stof dwarrelde achter hem omhoog. 't Was verbazend
+te zien, hoever zijn kar nog voortreed, als hij den vlakken weg reeds
+had bereikt.
+
+Jan vond het spelletje zoo mooi, dat hij aan geen ophouden
+dacht. Zoodra was hij niet beneden gekomen, of hij duwde de kar
+opnieuw naar boven, en liet zich dan weer vliegensvlug gaan.
+
+Toen hij eens weer op het hoogste punt aangekomen was en gereed stond
+om in te stappen, kwam van den anderen kant juist Flipsen aan. De man
+was bepaald in eene erg knorrige bui, want hij keek verschrikkelijk
+boos. Zoodra hij Jan zag, bleef hij staan en zeide:
+
+"Zoo,--wat voer jij hier in je eentje uit? Zeker niet veel goeds, hè?"
+
+"Ik doe in het geheel geen kwaad, Flipsen," zei Jan. "Ik rijd alleen
+maar met mijn auto van de hoogte af, omdat het zoo lekker gaat."
+
+"Ja, ja," zei Flipsen, "jij hebt je woordjes wel klaar, maar ik
+vertrouw je niet verder, dan ik je zie. Pas op, manneke, ik waarschuw
+je, dat je geen verkeerde dingen doet, want ik heb je al lang in
+de gaten."
+
+Flipsen vervolgde zijn tocht langs de kluft naar beneden.
+
+Jan besloot nog. een poosje te wachten, want hij zag zeer goed, dat
+Flipsen om de een of andere reden uit zijn humeur was, en dat het maar
+het veiligst was hem uit den weg te blijven. Hij nam plaats op het
+voorbankje en was van plan zoo lang te wachten, tot Flipsen weg was.
+
+Dat duurde geruimen tijd, want het was eene lange kluft, en Flipsen
+kuierde op zijn gemak naar het dorp.
+
+Opeens voelde Jan, dat er beweging in zijne auto kwam. Deze werd met
+kracht vooruit geduwd. Hij keek om en zag, dat Frans Tor achter de
+kar liep. Lachend zei deze:
+
+"Ik zal je een zetje geven, Jan, dan ga je vliegensvlug naar beneden."
+
+"Niet doen,--niet doen, Frans!" riep Jan hem waarschuwend toe. "Ginder
+loopt Flipsen, en ik wou hem liever niet voorbij rijden."
+
+"Gekheid! Wat kan jou Flipsen schelen!" riep Frans terug. Met alle
+kracht en zoo snel hij loopen kon, duwde deze de kar naar beneden.
+
+Opeens liet hij haar los, en voort vloog Jantje, in ijlende vaart
+de helling af. Angstvallig hield hij de oogen gericht op Flipsen,
+want hij vreesde niet zonder reden, dat er veel kans bestond om hem
+onderst-boven te rijden.
+
+"O jé!" dacht Jan met een zucht van ontsteltenis, "als dat maar goed
+afloopt! Ik vlieg regelrecht op hem aan. Had ik maar een stuur aan
+mijn auto, dan kon ik langs hem heen rijden, of een rem, om den wagen
+tot stilstand te brengen.--Poe,--ik geloof, dat ik hem regelrecht
+tegen de beenen vlieg!"
+
+Jantje begon op zijn horen te toeteren, dat het wel vijf minuten ver
+te hooren was, maar Flipsen keek niet op of om. Jan zag dat tot zijn
+grooten schrik. Hij zag ook, dat Flipsen recht-uit, recht-aan verder
+liep, zonder ook maar een stap op zijde te gaan.
+
+"Zou hij me niet hooren?" dacht Jan, en hij toeterde zoo hard, dat
+zijn horen er van berstte, en in 't geheel geen geluid meer gaf.
+
+Jan was ten einde raad, want hij naderde Flipsen met groote snelheid,
+en 't leed geen twijfel, of bij dezen voortgang reed hij hem pardoes
+tegen de beenen.
+
+Hij probeerde de kar op zijde te rukken, maar tevergeefs.
+
+"Hei, hei daar, hola Flipsen!" riep hij in doodsangst den boozen
+veldwachter toe, want hij was hem bijna genaderd.
+
+Maar Flipsen verkoos geen stap op zij te gaan.
+
+"Dat moet er nog bijkomen, dat ik, een regeeringspersoon, voor een
+kwâjongen uit den weg moet gaan. Dank je hartelijk. Hij moet voor
+mij uitwijken, en niet ik voor hem. 't Zou me wat moois worden op
+die ma..."
+
+"Bom!"
+
+Daar voelde hij een geduchten smak tegen zijn kuiten, en op 't zelfde
+oogenblik sloeg hij met kracht achterover in de auto van Jantje. En
+voort vloog de kar. Flipsen lag met zijn beenen omhoog in den wagen,
+en hij zag geen kans om overeind te komen.
+
+"Satansche jongen," schreeuwde hij, toen hij zijn eersten schrik te
+boven was. "Brutale vlegel,--ik zal je leeren!"
+
+'t Was een bespottelijk gezicht hem te zien liggen. Vader Dik,
+die er juist op aan kwam loopen, wist eerst niet goed, wat hij zag,
+maar een oogenblik later barstte hij in een onbedaarlijk lachen uit.
+
+"Wat nu, Flipsen," riep hij den veldwachter toe, "ga je in het karretje
+van mijn Jan rijden?"
+
+Flipsen richtte zich op uit zijne moeielijke positie, en bracht met
+zijne beenen de kar tot staan. Maar waar was Jan? Er was tot verbazing
+zoowel van Dik als van Flipsen, geen spoor van hem te zien.
+
+Flipsen was woest van kwaadheid, en met gebalde vuist kwam hij op
+Dik af.
+
+"'t Is eene schande, eene schande!" schreeuwde hij Dik toe. "Ik zeg,
+'t is eene schande om je zoontje zoo tegen mij op te zetten, en hem
+te leeren mij te bespotten. Maar ik zal hem krijgen,--ik zal hem
+krijgen,--ik zal..."
+
+Flipsen wist van kwaadheid niet, wat hij zeggen moest, en met toornige
+blikken keek hij van Dik naar de auto, die verlaten aan den kant van
+den weg stond, en van de auto naar Dik. Maar deze deed niet anders
+dan lachen, want het was hem onmogelijk zich te bedwingen.
+
+"Bedaar toch, Flipsen, bedaar toch!" riep hij tusschen de buiën door
+den veldwachter toe.
+
+"Bedaren?" schreeuwde Flipsen. "Bedaar jij met je gelach, dat zou
+je fatsoenlijker staan. Foei man, ik zou me schamen, om mijn kind
+zoo'n opvoeding te geven. Maar ik zal hem wel krijgen, den rakker,
+wacht maar!"
+
+Met groote schreden vervolgde Flipsen zijn weg, zonder Dik of de auto
+met een enkelen blik te verwaardigen.
+
+Dik lachte nòg!
+
+"Wat was dat een bespottelijk gezicht!" zei hij binnensmonds. "Maar
+waar mag Jan toch zitten? 't Is zijn auto, dat weet ik zeker. De
+jongen zal toch geen ongeluk gekregen hebben..."
+
+Dik werd ernstiger, en hij wierp een blik langs de kluft om te zien,
+of Jan zich daar bevond.
+
+Opeens hoorde hij echter diens welbekende stem.
+
+"Pssst, Vader,--is hij weg?" werd hem half fluisterend toegeroepen. 't
+Geluid kwam uit de auto.
+
+Dik draaide zich om, en waarlijk, daar kwam Jantje's smalle hoofdje
+van tusschen het voor- en het achterbankje te voorschijn. Snel keek
+Jan om zich heen.
+
+Ha, de veldwachter verwijderde zich met groote schreden. Dik kwam
+naderbij.
+
+"Hoe zit jij daar zoo tusschen die banken gewrongen, kind?" vroeg hij
+lachend, want de heele geschiedenis maakte op hem een onweerstaanbaar
+lachwekkenden indruk. "En wat is er eigenlijk gebeurd?"
+
+Jan kroop nu uit den wagen en zeide:
+
+"O, Flipsen was erg boos, waarom weet ik niet. Ik stond met mijne auto
+ginds op de hoogte, en was juist van plan om naar beneden te rijden,
+toen Flipsen mij een standje gaf, omdat ik--ja, ik weet echt niet
+waarom, want ik deed in 't geheel niets. En toen ging Flipsen verder,
+en omdat hij zoo boos was, meende ik te wachten, tot ik hem niet meer
+kon inhalen. Maar Frans Thor kwam onverwachts achter me en gaf me
+een harden duw, zoodat ik naar beneden vloog, regelrecht op Flipsen
+aan.--Wat zat ik in de benauwdheid, Vader. Ik toeterde zoo hard ik kon,
+en toen nòg harder, zoodat de horen er van gebarsten is. Hoor maar,
+hij geeft geen geluid meer. Maar Flipsen deed net of hij doof was,
+en keek niet op of om, tot ik eindelijk zag, dat ik hem niet meer
+ontwijken kon. Ik kroop vlug tusschen het voor- en het achterbankje
+en maakte mij zoo klein mogelijk, en op 't volgende oogenblik vloog de
+kar Flipsen van achteren tegen de beenen, zoodat hij achterover op de
+kar viel. Zoo reden we samen verder, tot u kwam. Wat zat ik in angst,
+Vader. Ik zweet nog, als ik er aan denk."
+
+Dik kreeg opnieuw een lachbui, waar haast geen einde aan kwam, zoo
+mal vond hij het.
+
+"Dus je magere leden hebben je gered!" riep hij eindelijk uit. "Als
+je zoo mager niet was geweest, had je je onmogelijk op zoo'n klein
+plaatsje kunnen opvouwen. 't Is merkwaardig. Ga maar gauw naar huis,
+en blijf Flipsen zoo ver mogelijk uit de voeten, want hij is meer
+dan kwaad op je."
+
+"Maar Vader, ik kon er toch niets aan doen."
+
+"Ja jongen, dat weten wij wel, maar hij gelooft het niet. Blijf van
+avond verder maar stilletjes thuis."
+
+Jan beloofde dat, maar hij ging toch even naar de smederij, om het
+geval aan Karel Van Dril en diens vader te vertellen, die er ook niet
+weinig om lachen moesten.
+
+Jan evenwel verzonk in diep gepeins, want de kar beviel hem zoo niet
+meer. Hij nam zich vast voor niet te rusten, voordat hij de voorwielen
+aan een beweegbaren as verbonden had, zoodat hij de auto sturen kon,
+en dan nog wilde hij er een rem aan hebben.
+
+Toen Dik 's avonds het geval aan Jan's Grootvader vertelde, moest
+deze er ook braaf om lachen, en hij kwam tot de conclusie, dat Jan
+ook een bizonder kind was--en dat was-ie!
+
+
+
+Negende Hoofdstuk.
+
+Jan omarmt den schoorsteenveger met groote innigheid.
+
+
+Flipsen wàs en blèèf erg boos op Jan Trom. Misschien zou die boosheid
+langzamerhand wel wat afgezakt zijn, als het malle figuur, dat hij
+gemaakt had, niet door het geheele dorp bekend geraakt was, maar dat
+gebeurde wèl. Frans Thor was daar de schuld van. Toen hij Jan met
+zijne auto zoo'n geduchte vaart gegeven had, bleef hij lachend staan
+kijken, hoe de zaak zou afloopen, en zoo had hij alles gezien, wat er
+gebeurd was. Hij gierde het uit van de pret, en hij vertelde het aan
+iedereen, die het maar hooren wilde. En wat nog erger was: hij hield
+Flipsen telkens voor den gek, als hij hem op straat tegenkwam. Dat zou
+Jan Trom in geen geval gedaan hebben, want hij vond het geval voor
+Flipsen al erg genoeg, maar Frans deed het wèl en Klaas Zwart hield
+hem daarbij trouw gezelschap. Telkens als zij Flipsen ontmoetten,
+begonnen zij te tuffen als eene auto, zonder Flipsen aan te kijken.
+
+"Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!" zei dan Frans.
+
+"Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!" zei dan ook Klaas, en dan tuften zij om het
+hardst. Eerst had Flipsen er geen erg in gehad, maar toen het telkens
+gebeurde, als die jongens in zijne nabijheid waren, begon hij lont
+te ruiken. Hij keek ze aan met een paar oogen, of hij hen verscheuren
+wilde, maar dat deed hij toch niet.
+
+Doch toen hij hen later weer tegenkwam, en zij opnieuw begonnen
+te tuffen, sprong hij plotseling op hen af, en gaf hun ieder een
+klinkenden draai om de ooren. Dat gebeurde zóó snel en onverwachts,
+dat de twee jongens eerst niet eens goed begrepen, wat er gebeurde.
+
+"Au!" riep Frans.
+
+"Au!" riep Klaas.
+
+En beiden grepen zij naar hun ooren, waar zij een stekende pijn
+voelden.
+
+Flipsen lachte, en gaf hun een tweeden.
+
+"Daar!" zei hij. "Ik zal je leeren tuffen! Hard gaat-ie, hè?"
+
+Ze gingen allebei hard, want vóór Flipsen gelegenheid kreeg hun
+nog een derden oorveeg toe te dienen, zetten zij het op een loopen,
+zoo hard zij konden. En na dien tijd tuften zij niet meer, als zij
+Flipsen tegenkwamen. Zij gingen hem zelfs eerbiedig uit den weg.
+
+Op Jan Trom bleef Flipsen erg boos, dat kon Jan duidelijk
+opmerken. Flipsen groette hem nooit terug, als hij hem tegenkwam,
+en keek hem altoos aan met een blik, die hem niet veel goeds
+voorspelde. Jan trok er zich echter niets van aan, want hij voelde
+zich volkomen onschuldig.
+
+"Ik heb het niet met voordacht gedaan," dacht hij, "en als ik het
+had kunnen vermijden, zou het in 't geheel niet gebeurd zijn. Flipsen
+zal dat ook wel begrijpen, als hij er kalm over nadenkt."
+
+En zijn vader zei ook:
+
+"'t Zal van zelf wel weer beter worden, als jij Flipsen maar met rust
+laat en hem zooveel mogelijk uit de voeten blijft. Hij zal dan zelf
+wel begrijpen, dat hij zich vergist heeft.
+
+En zoo was het ook. Toen Flipsen opmerkte, dat Jan hem altoos even
+beleefd bleef groeten en hem nooit voor den gek hield, bedaarde zijne
+boosheid meer en meer, en eindelijk groette hij Jan zelfs terug.
+
+Jan peinsde voortdurend op een middel, om eene herhaling van het
+gebeurde te voorkomen. Hij was vast besloten niet te rusten, voor
+hij zijne auto bestuurbaar had gemaakt. En eindelijk meende hij het
+gevonden te hebben. Hij had er een spil voor noodig, met aan het
+boveneinde een stuurrad, precies als aan eene echte auto. Die spil
+moest van onderen bevestigd worden aan den vooras, welke beweegbaar
+moest zijn. Als hij dan in zijn auto zat, kon hij hem gemakkelijk
+door middel van het stuurrad heen en weer bewegen, waardoor hij den
+wagen geheel in zijne macht kreeg.
+
+Nauwelijks waren zijne plannen tot rijpheid gekomen, of hij begaf
+zich na schooltijd op weg naar Van Dril, zonder wiens hulp hij
+geen kans zag een en ander ten uitvoer te brengen. Er zou echter
+dien avond niet veel van komen. Hij was nog maar pas zijn huis uit,
+of hij kwam Dries Klomp tegen, den jongsten knecht van Jan Vos. Deze
+had een emmertje in de hand, en een bezem, een bosje stroo en een
+touw onder den arm. Hij werd op het dorp meestal bij zijn voornaam
+genoemd en stond bekend als een grappenmaker.
+
+"Dag Dries!" riep Jan hem toe.
+
+"Zoo Jantje," zei Dries. "Jongen, jongen, wat word je toch dik in den
+laatsten tijd. Als je niet oppast, kun je weldra met de konijntjes
+door de tralies van het hok meê-eten."
+
+"Is het waar?" vroeg Jan lachend, want hij kon wel tegen een klein
+plagerijtje. "Dan zal ik de koolstronkjes voor jou laten liggen. Is
+dat goed?"
+
+"Graag,--asjeblief. Ga je mee naar den molenaar? Dan kun-je me helpen
+aan 't vegen van de schoorsteenen. Dat is een mooi werkje voor je."
+
+"Dank je hartelijk, om zoo zwart als roet thuis te komen," zei Jan. "'t
+Is je van harte gegund, Dries."
+
+"Geen lust? Even goede vrienden, hoor. Dag Jan."
+
+"Dag Dries."
+
+Jan vervolgde zijn weg, tot hij onderweg een schilder bezig zag met het
+verven van een der lantarenpalen, die aan den weg stonden. Hij mocht
+dat graag zien, en bleef er dus een poos naar kijken. De schilder
+bevond zich op een ladder, om het bovengedeelte te verven. Op den
+grond stond ook een pot met verf, met een kwast er in. Nauwelijks
+had Jan dat gezien, of hij greep de kwast en vroeg, of hij ook eens
+schilderen mocht.
+
+"Jawel, Jan," was het antwoord. "Maar niet met de verf morsen."
+
+Ha, dat vond hij prettig, en hij smeerde er lustig op los.
+
+"Niet zoo dik, Jan," zei de schilder. "Je moet de verf meer
+uitsmeren. Zooals jij het doet, is de paal de volgende week nog
+niet droog."
+
+"En zooals u het doet?" vroeg Jan.
+
+"Morgen, denk ik," was het antwoord.
+
+Jan bleef bij den schilder tot de geheele lantarenpaal klaar was, maar
+toen ging hij ook direct naar den smid, om aan zijn wagen te werken.
+
+Van Dril had juist een oude fiets van iemand overgenomen, en zijn
+zoontje Karel stond te zeuren, of hij er op mocht leeren rijden.
+
+"Hè toe, Vader," zei Karel, "laat mij er maar op rijden. 't Is toch
+al een oudje.--Toe maar."
+
+Van Dril zei niets, maar hij lachte eventjes, wat Karel moed gaf,
+dat hij de gewenschte toestemming verwerven zou.
+
+"Mag ik, Vader?" vroeg hij nog eens.
+
+"Als je dan maar voorzichtig bent," zei Van Dril. "Breek geen armen
+of beenen, en de fiets ook niet."
+
+Dat liet Karel zich geen twee keer zeggen.
+
+"Ga je meê, Jan?" vroeg hij met eene kleur van blijdschap "Dan gaan
+we leeren fietsen."
+
+Dat was een kolfje naar Jan's hand. Hij vergat zijn heele machinerie
+en ging met Karel naar buiten. Samen hielden zij de fiets vast.
+
+"Ik het eerst, Jan," zei Karel.
+
+"Natuurlijk," was het antwoord.
+
+"Zeg, hij ziet er nog mooi uit, al is het een oudje, hè?"
+
+"Dat geloof ik," zei Jan. "'k wou, dat het de mijne was. Toe,
+hier kunnen we wel beginnen. Stap jij er maar op, dan zal ik hem
+vasthouden." Karel probeerde op het zadel te wippen, maar op 't zelfde
+oogenblik lag hij al op den grond. "Je moet hem beter vasthouden,
+Jan," zei hij. "Zóó kan ik er niet op komen."
+
+"Ik hield hem goed vast, maar jij zat veel te scheef!" zei Jan. "Als
+je zoo scheef zit, kan ik je niet houden."
+
+Karel stapte nog eens op. Nu ging het beter, en Jan duwde hem vooruit.
+
+"Trappen, jongen, trappen!" riep Jan hem toe. Karel durfde niet. Hij
+was bang, dat hij vallen zou. "Trap dan toch! Als je niet trapt,
+leer je het nooit!"
+
+Karel drukte zijn rechtervoet naar beneden. Voort ging de fiets,
+met het gevolg, dat Jan haar alweer niet houden kon, en Kareltje op
+den weg terecht kwam.
+
+"Au!" zei hij. "Dat kwam wel een beetje hard aan."
+
+"Hindert niet!" riep Jan. "Stap maar weer op, maar niet zoo schuin
+hangen. Dan ben je me veel te zwaar!"
+
+Wip! Met een vlugge beweging stapte Karel weer op de fiets.
+
+Hij durfde nu al een beetje beter, en drukte de trappers met kracht
+naar beneden. 't Was hem echter onmogelijk zijn stuur goed te houden,
+zoodat de fiets over den weg slingerde als een dronken man. En als
+de fiets naar rechts ging, hing Karel schuin naar links, en ging zij
+naar links, dan hing Karel naar rechts.
+
+"Bom!" Daar tuimelde Karel weer over de straat.
+
+Hij gaf echter den moed niet op, en Jan evenmin.
+
+"Je leert het al aardig," zei Jan, toen het Karel inderdaad gelukt
+was, eenige seconden op de fiets te blijven zitten. "Trappen, zeg,
+hoe harder je trapt, hoe beter ik je houden kan."
+
+Karel trapte uit alle macht, en Jan draafde achter hem aan, als een
+hazewindhond achter zijn meester.
+
+Na een half uurtje durfde Jan het zadel even los te laten, en Karel
+reed werkelijk al eenige meters zonder te vallen. Toen zei hij:
+
+"Nu is het jouw beurt Jan. Jij hebt het mij geleerd, nu zal ik het
+jou leeren."
+
+"O, ik wed, dat ik het al dadelijk kan," pochte Jan. "Houd hem maar
+vast, dan zul-je eens zien, hoe ik er van door ga. Je zult er van
+staan te kijken."
+
+Karel lachte. Hij wist wel beter, want in het laatste half uur had
+hij de moeilijkheden pas goed leeren kennen.
+
+"Je hebt praats genoeg," zei hij. "Stap er maar op, dan zul je eens
+zien, hoe gauw je tegen den grond ligt. Zóó gemakkelijk gaat het niet."
+
+Jan stapte op, en Karel hield het zadel vast.
+
+"Vooruit, Jan, trappen.--O, wat hang je schuin--nog veel erger dan
+ik.--Ik kan je niet--"
+
+"Bom!"
+
+Daar lag Jan onder de fiets, maar hij sprong dadelijk overeind en
+stapte opnieuw op.
+
+"Je moet me beter vasthouden, Karel,--je laat me ook maar dadelijk
+vallen."
+
+Daar ging het weer. Jan trapte nu uit alle macht, want hij was in
+'t geheel niet bang uitgevallen, en inderdaad ging het een eindje goed.
+
+"Zie je wel?" riep hij Karel triomfantelijk toe. "Zóó moet je ook
+rijden! Ha, wat gaat dat lek..."
+
+"Flap!" Weer lag Jan op den grond, en hij bezeerde zijn been erger,
+dan hem lief was. Maar hij stoorde er zich niet veel aan, en zat in
+'t volgende oogenblik weer op de fiets.
+
+Werkelijk had hij er spoedig den slag van beet. Karel kon hem soms al
+een heel poosje aan zijn lot overlaten. Jan slingerde dan wel van den
+eenen kant van den weg naar den anderen, en soms dreigde hij pardoes
+in het kanaal te rijden, dat langs den weg liep, maar hij reed toch,
+en dat was de hoofdzaak. Hij was er wàt trotsch op.
+
+Even later was Karel weer aan de beurt. Het duurde niet lang, of hij
+kon ook al eenige meters los rijden, en daar was hij verrukt over. Hij
+trapte als een dolleman, want hij had gemerkt, dat hij dadelijk viel,
+als hij langzaam trapte. En Jan draafde achter hem aan zoo hard hij
+kon, om hem dadelijk te kunnen grijpen, als hij dreigde om te slaan.
+
+Eindelijk werd Jan zóó moê, dat hij niet meer kon.
+
+"Ik moet rusten, Karel," zei hij. "Ik ben zoo moê als een hond. Maar
+je kunt het nu wel alleen. Probeer het maar gerust; je zult zien,
+dat het gaat."
+
+Hij hielp Karel nog even bij het opstappen, en toen reed deze heen. Ha,
+wat slingerde hij! Jan stond hem na te kijken, nieuwsgierig op welke
+plaats Karel zou omvallen, want dat dit gebeuren moest, betwijfelde hij
+geen oogenblik. Een vijftig meters ging het vrij goed, al slingerde
+hij ook beangstigend, maar opeens gaf Jan een schreeuw van schrik,
+want Karel begon geweldig te slingeren, en reed toen regelrecht op
+het kanaal aan. Nog een oogenblik, en hij tuimelde bij den hoogen
+kant neer....
+
+Jan ijlde naar de plaats des onheils, en bemerkte tot zijn genoegen,
+dat hij zich voor niets bang had gemaakt, want Karels hoofd verscheen
+alweer boven den walkant. Hij was wel tot vlak bij het water geweest,
+maar hij was er toch niet ingevallen.
+
+"Hè-hè, dat scheelde een beetje!" zei hij vergenoegd, nu het zoo goed
+afgeloopen was. "Ik had geen duim verder moeten belanden,--dan was
+ik kopje-onder gegaan."
+
+"Ik zag het," zei Jan. "Hè, wat schrok ik! Ik dacht stellig, dat je
+te water ging."
+
+"Gelukkig niet;--zeg, help je even de fiets naar boven trekken?"
+
+Met vereende krachten brachten zij de fiets op den weg.
+
+"Zou hij nog heel wezen?" vroeg Karel.
+
+Dat bleek gelukkig het geval te zijn.
+
+"Nu is 't mijn beurt weer," zei Jan. "Is 't goed?"
+
+"Best," zei Karel. "Bij mij zit de schrik er wel een beetje in. Ga
+je gang maar."
+
+Jan sprong op de fiets, en nu draafde Karel er achter. Eerst ging het
+langzaam, want Jan durfde niet goed, maar spoedig overwon hij zijne
+vrees, en nu moest Karel achter de fiets draven.
+
+"'t Gaat goed zoo,--best,--erg best!" riep hij Jan bemoedigend toe. "Je
+rijdt nog beter dan ik."
+
+"Laat me maar gerust los!" riep Jan hem toe.
+
+"Ik heb je niet vast!" hijgde Karel achter hem, moê van het draven. Ha,
+wat trapte Jan lustig voort. Hij zwierde wel links en rechts, maar
+dat hinderde niet; hij wist toch op den weg te blijven.
+
+O jé, ginds zag hij een grooten steen liggen, midden op den weg.
+
+"Als ik maar niet over dien steen ga," dacht Jan met eenige zorg. "Ik
+moet hem zien te ontwijken."
+
+Angstvallig hield hij zijn blik op het gevreesde voorwerp gericht,
+met het gevolg, dat hij er juist op aanreed.
+
+"O, die steen!" schreeuwde hij. Plof! Daar reed hij er overheen,
+wat een geduchten schok gaf, maar hij bleef zitten. Slingerend reed
+hij verder.
+
+"Dat scheelde een beetje!" riep Karel.
+
+"Of het! Wat gaat het al goed."
+
+Met krommen rug, den stuurstang krampachtig in de handen geklemd,
+trapte Jan voort. Hij vond, dat het al prachtig ging. Ha, daar zag
+hij den lantaarnpaal al, dien hij had helpen verven. Dien paal moest
+hij ook zien te ontwijken, want hij was natuurlijk nog nat. Maar tot
+zijne verbazing en ook tot zijn schrik bemerkte hij, dat hij er alweer
+regelrecht op aanreed.
+
+"Gek toch," mompelde hij. "Zoo'n fiets brengt je juist, waar je niet
+wezen wilt. Maar ik zal hem wel mis zien te rijden."
+
+Hij naderde den lantaarnpaal meer en meer, hoewel hij alle moeite
+deed om de fiets eene andere richting te geven. Dat wilde hem echter
+niet gelukken.
+
+"Pas op, die lantaarn daar!" schreeuwde hij in angst Karel toe.
+
+Maar Karel kwam enkele meters achter hem aan, want Jan had hard
+gereden, en hij was erg moê geworden. Karel verkeerde dus in de
+onmogelijkheid om zijn vriend te helpen.
+
+"Grijp me dan toch!" schreeuwde Jan in grooten angst, want hij zag, dat
+hij regelrecht koers hield naar den pas geverfden paal. Op 't volgende
+oogenblik schaafde zijn wiel er tegen aan, en om niet te vallen greep
+Jan, zonder er bij te denken, den paal met beide handen aan. O wee,
+hij voelde het kleven van de verf. Daarom liet hij den paal dadelijk
+weer los, maar merkte, dat hij ging vallen. Hij breidde daarom de
+armen uit en klemde den groenen paal teeder aan zijn borst. Zelfs
+zijn linker wang kwam er mede in aanraking.
+
+"Dat loopt best af!" riep Karel hem toe. Deze was hem spoedig genaderd,
+trok de fiets een beetje achteruit, en riep:
+
+"Vooruit maar weer, Jan. 't Gaat opperbest. Nog tot jullie huis,
+en dan mag ik terug weer."
+
+Hij wist niet, dat de paal geverfd was, en voordat Jan iets in 't
+midden kon brengen, voelde deze zich alweer vooruit duwen. Met zijn
+geverfde handen greep hij de handvatten van het stuur, en voort ging
+het weer.
+
+En 't ging weer goed ook. Jan trapte als een dolleman.
+
+"Straks zal ik de handvatten wel afvegen," dacht hij. "Ik denk,
+dat mijn kleeren ook wel vol verf zullen zitten. Die akelige paal
+ook. Hoe kan de fiets er nu juist tegen aanrijden."
+
+O, wat slingerde Jan langs den weg. Soms reed hij haast tegen een
+boom op, een oogenblik later scheelde het maar zus of zoo, of hij
+reed in het kanaal. Maar toch bleef hij op den weg. De menschen,
+die hij tegenkwam, maakten zich uit de voeten, en bleven hem dan
+lachend nakijken.
+
+"Houd je roer recht, schipper!" riep de een hem toe.
+
+"Je lijkt wel dronken, jongen!" merkte een ander op.
+
+Jan lachte maar. Hij vond het verrukkelijk op de fiets, en had geen
+oogen voor iets anders. Hij keek niemand aan, en staarde maar recht
+voor zich uit op den weg.
+
+"Jongen, jongen, wat gaat dat echt," dacht Jan bij zichzelven. "Als
+mij nu maar weer niet iets in den weg komt."
+
+Zwaaiende en zwierende fietste Jan verder.
+
+Toen hij even zijne oogleden ophief, om te kijken, of de weg vrij
+bleef, zag hij in de verte iemand naderen.
+
+"Wacht," dacht hij, "nu zal ik toch eens zien, of ik hem niet kan
+passeeren, zonder tegen hem aan te bommen. Maar die akelige fietsen
+lijken wel altoos juist den verkeerden kant op te gaan."
+
+Weer hief hij eventjes de oogleden op.
+
+De man was al een heel stukje naderbij gekomen.
+
+"Nu zal het er op aankomen," dacht Jan.
+
+Hij omklemde de handvatten van het stuur nog krampachtiger dan te
+voren en trapte wat hij kon. Voortdurend hield hij den man in het
+vizier, tot hij opeens tot zijn schrik zag, dat het Dries was, die
+van het schoorsteenvegen bij den molenaar terugkeerde. Wat was Dries
+veranderd, en niet in zijn voordeel, want hij zag zoo zwart als een
+neger en zijn kleeren zaten vol roet.
+
+"Hu, wat een roetmop," dacht Jan. "Maar ik zal hem wel
+misrijden,--wacht maar. Ik begin het sturen al aardig te leeren.--Hola,
+wat een zwier maakte ik daar!--O jé, het kanaal,--daar ga ik!"
+
+Maar neen, met inspanning van al zijn krachten wierp hij het stuur om,
+en het gevaar was geweken. Jantje reed verder.
+
+Dries stond midden op den weg lachend naar hem te kijken.
+
+"Wil je een nat pak halen, Jan?" riep hij hem plagend toe. "Aanstonds
+ga je kopje-onder het kanaal in."
+
+"Uit den weg! Ga uit den weg!" schreeuwde Jan, die tot zijn schrik
+bemerkte, dat hij regelrecht op Dries aanhield.
+
+"Berg je, menschen, berg je!" spotte Dries. Maar hij ging toch een
+beetje op zijde, om Jan te laten passeeren.
+
+'t Hielp echter niet.
+
+Nauwelijks was Dries van plaats veranderd, of Jan merkte, dat de fiets
+daar rekening meê hield en weer regelrecht koers hield naar Dries.
+
+"Op zij! Op zij!" schreeuwde Jan.
+
+Maar op 't volgende oogenblik bonsde hij tegen Dries aan. Jan sloeg
+hem in de verwarring de armen om den hals, en klemde zich krampachtig
+aan den zwarten schoorsteenveger vast. Zij wang kwam tegen de wang
+van Dries terecht, die dadelijk iets kleverigs voelde. Dat was de
+verf van den lantaarnpaal, die Jan op zijn gezicht had.
+
+O, wat lachte Dries.
+
+"Wel, wel, houd je zooveel van me, dat je me omarmen wilt?" vroeg
+hij. "Dan zal ik je wel een handje helpen."
+
+En hij wreef met zijn zwarte gezicht tegen de wangen van Jan, precies
+als eene moeder doet, die haar kindje knuffelt.
+
+"Daar dan! Is het zoo goed?" vroeg Dries, die schaterlachte van
+de pret.
+
+De fiets was op den grond gevallen, en Jan hing nog aan den hals van
+zijn plaaggeest.
+
+Karel trok de fiets weg en Jan liet zich op de grond zakken. Maar wat
+zag hij er uit. Hij was zoo zwart als een moriaan, en 't leek wel,
+of hij al de schoorsteenen van het dorp had geveegd.
+
+Hij werd braaf uitgelachen, en ging zoo spoedig mogelijk naar huis
+om zich te wasschen.
+
+En zijn vader plaagde hem ook niet zoo'n beetje.
+
+
+
+
+Tiende Hoofdstuk.
+
+Hoe Flipsen zocht.
+
+
+Frans Thor en Klaas Zwart hadden zich van lieverlede zeer nauw bij
+elkander aangesloten, en waren boezemvrienden geworden. Eindelijk
+waren zij samen een handeltje begonnen. Steeds kon men hen in elkanders
+gezelschap vinden met een mand tusschen hen in, of ieder met een zak
+op den arm of over den schouder. Dan trokken zij er op uit om vodden
+en beenen te zoeken, die langs de wegkanten, bij huizen en schuren,
+of in weilanden en boschjes verspreid lagen. En 't was inderdaad niet
+weinig, wat zij vonden. Elken avond keerden zij met een goed gevulden
+zak huiswaarts, en als de voorraad groot genoeg was, verkochten zij
+dien aan den pottenschipper.
+
+De pottenschipper was een man, die eenzaam in een zolderschuit
+leefde. Hij had vrouw noch kind op de wereld, en ging met niemand
+om. De menschen hielden ook niet veel van hem, want het was bekend,
+dat hij geen gunstig verleden achter zich had. En in elk geval had
+hij een zeer ongunstig uiterlijk. Hij leefde van zijn handel in potten
+en pannen, en ook kocht hij vodden en beenen op.
+
+Alles, wat Klaas Zwart en Frans Thor vonden, brachten zij bij den
+pottenschipper, zooals hij algemeen werd genoemd. En zij ontvingen
+er menig centje voor. Soms verkochten zij wel voor dertig à vijftig
+centen in eene week, en al dat geld versnoepten zij. Of zij kochten
+er sigaren voor, en rookten die op.
+
+Maar langzamerhand begon hun vondst kleiner te worden, want ze
+hadden het geheele dorp al meermalen afgezocht. En eindelijk raakte
+de voorraad uitgeput.
+
+Dat merkte de pottenschipper, en hij zei:
+
+"Wat hebben jullie een beetje, jongens. Ik geef voor dit zoodje niet
+meer dan vijf centen. Je bent een paar groote domkoppen, dat moet
+ik zeggen,"
+
+"Domkoppen?" vroeg Frans. "Wij kunnen er toch niets aan doen, dat we
+maar zoo weinig hebben? 't Heele dorp hebben we al meermalen afgezocht,
+en er is eenvoudig niet meer. Ik zie niet in, dat wij daarom domkoppen
+moeten zijn."
+
+"Neen," zei Klaas Zwart, "ik ook niet."
+
+De pottenschipper lachte slim.
+
+"Toch is het zoo," zei hij. "Toen ik nog een jongen was, wist ik
+altijd wel aan een zakduitje te komen. Vond ik geen vodden en beenen,
+dan wist ik wel wat anders te bemachtigen. Ha, ha,--als je maar slim
+bent en zorgt, dat de menschen 't niet zien."
+
+Frans en Klaas keken hem vragend aan.
+
+De pottenschipper legde zijn wijsvinger tegen den neus, en knipoogde
+tegen de jongens.
+
+"Och wat," zei hij, "als je 't slim weet te overleggen, is er nog
+genoeg te vinden. Je behoeft me juist geen vodden te brengen,
+jongens. Ik kan wel hemden, broeken, borstrokken en andere
+kleedingstukken ook gebruiken. Er zijn menschen genoeg, die hun wasch
+den geheelen nacht buiten laten liggen.--Ha, ha, ik zeg, als je maar
+slim bent en er voor zorgt, dat de menschen je niet zien..."
+
+"Maar dat is stelen," zei Klaas Zwart.
+
+"Ja," zei Frans, "dat is stelen."
+
+De pottenschipper richtte zich op.
+
+"Zooals ik zeg, jongens, ik geef voor dit zoodje niet meer dan
+vijf centen. 't Is maar een rommeltje. Voor goede kleedingstukken,
+die nog gedragen kunnen worden, geef ik natuurlijk heel wat meer,
+en voor ijzer, zink, lood en wat dies meer zij, wil ik je zelfs wel
+guldens betalen in plaats van centen."
+
+"Ja, maar dat hebben we niet," zei Frans.
+
+"Als je wilt, is er genoeg te vinden," lachte de schipper weer. "Bij
+den smid, bij den loodgieter, bij den timmerman, overal is wel wat
+te snorren, als je maar goed uit je oogen kijkt en voorzichtig te
+werk gaat."
+
+"Maar," herhaalden de jongens, die eerst niet goed begrepen, wat de
+pottenschipper bedoelde, "dat is stelen..."
+
+"Ik zeg niet, dat je 't stelen moet," zei de schipper weer met een
+listig knipoogje, "je moet die dingen vinden, jongens, je moet ze
+eerlijk vinden. Alles wat je vindt, al is het ook nog zoo gek, wil
+ik wel van je opkoopen. Als je er maar eerlijk aankomt..."
+
+De jongens gingen heen.
+
+Maar na dien tijd vermisten de menschen op het dorp telkens
+kleinigheden. Van Dril raakte op voor hem onbegrijpelijke wijze
+een nijptang kwijt, de loodgieter een soldeerbout, de timmerman
+een hamer en een zaag, en vele huismoeders vermisten verschillende
+kleedingstukken. Van de een waren kousen zoek, van een ander een hemd,
+van een derde een nachtjapon, en zoo verder.
+
+Toch dacht men eerst niet aan diefstal. Van Dril vertelde het verlies
+van zijn nijptang niet aan anderen, om de eenvoudige reden, dat hij
+wel eens meer een of ander stuk gereedschap kwijtraakte.
+
+"Zeker hier of daar laten liggen," dacht hij. En spoedig was zijn
+verlies vergeten. De knechts gingen wel eens meer slordig met het
+gereedschap te werk, niet allen natuurlijk, maar enkelen. Op dezelfde
+wijze dachten ook de andere menschen er over, die het een of ander
+vermisten.
+
+Maar toen het winter werd en er lange, donkere avonden kwamen,
+verdwenen er op geheimzinnige wijze allerlei voorwerpen uit
+werkplaatsen en huizen, en 't werd zoo erg, dat de menschen er onder
+elkander over spraken.
+
+"Er wordt bepaald gestolen," was de algemeene opinie. En menigeen
+sloot 's avonds de deuren van huis en werkplaats zorgvuldiger dan
+vroeger. De ondervinding leerde, dat wat men 's nachts buiten liet
+staan, den volgenden morgen gewoonlijk verdwenen was. En niemand kon
+er eenig vermoeden van krijgen, wie de dief was en waar de gestolen
+voorwerpen belandden.
+
+Van Dril pruttelde tegen zijn knechts, als er weer 't een of ander
+spoorloos verdwenen was, maar dezen verklaarden, dat zij het vermiste
+voorwerp niet hadden laten slingeren. 't Was op geheimzinnige wijze
+verdwenen.
+
+Eindelijk kwam een en ander den burgemeester ter oore, en hij liet
+Flipsen bij zich komen.
+
+"Zeg Flipsen, heb je ook gehoord, dat er den laatsten tijd op 't dorp
+gestolen wordt? Telkens worden kleinigheden van meer of minder waarde
+vermist, en het waschgoed van de huismoeders ligt niet meer veilig
+op de bleek."
+
+"Ja burgemeester, ik heb er ook van gehoord," zei Flipsen.
+
+"En heb je al eens hier en daar gesurveilleerd?" vroeg de burgemeester.
+
+"O ja, al meermalen, maar tot nog toe is het mij niet gelukt, den
+dader op 't spoor te komen."
+
+"Zoo, 't is een gek geval. Ik begrijp ook niet, wie de dief zou
+kunnen zijn. Voor zoover ik weet, wonen er enkel knappe menschen op
+het dorp. Waar zouden die gestolen voorwerpen toch allemaal blijven?"
+
+"Ik denk in de stad, burgemeester. Daar wonen wel menschen, die
+gestolen goederen opkoopen. Ik vermoed, dat zij in den nacht naar
+Amsterdam worden vervoerd..."
+
+"Dan zou ik eens een oog in 't zeil houden, wie bij nacht of
+ontijd daarheen gaat, Flipsen. 't Is best mogelijk, dat je gelijk
+hebt. In elk geval is het hoog tijd, dat de dief gesnapt wordt. De
+menschen dienen in 't rustige bezit te kunnen blijven van 't geen
+hun eigendom is. Zoolang ik hier burgemeester ben, is er van geen
+dieverij sprake geweest, en wij moeten het kwaad zoo spoedig mogelijk
+den kop indrukken."
+
+Flipsen sloeg op militaire wijze aan, en zeide:
+
+"Ik zal m'n best doen, burgemeester. 't Zal aan mij niet liggen,
+als de dief niet gesnapt wordt."
+
+"Dat is goed, en daar vertrouw ik ook op."
+
+Met eene handbeweging gaf de burgemeester Flipsen zijn afscheid,
+en deze was vastbesloten zijn uiterste best te doen, om den dief te
+ontdekken. Maar dat het moeilijk zou gaan, stond bij hem vast.
+
+Den geheelen avond liep hij buiten het dorp te loeren, of ook iemand
+zich verwijderde in de richting van Amsterdam,--maar tevergeefs. Alles
+was en bleef rustig op het dorp. 't Was dan ook een koude, gure avond,
+en de menschen bleven liever bij de warme kachel. Flipsen zag den
+geheelen avond geen levende ziel buiten, en hij liep te bibberen van
+de koû. 't Was al haast elf uur geworden, en nog stond hij trouw op
+zijn post. Eindelijk hoorde hij in de verte iets naderen.
+
+"Wacht," dacht hij, "nu zal het komen."
+
+Hij verschool zich achter een boom.
+
+'t Geluid kwam nader. Duidelijk hoorde hij, dat het een wagen was.
+
+"'t Is een hondenkar," prevelde Flipsen. "Ik denk, dat ik den dief op
+het spoor ben. De gestolen voorwerpen worden zeker met een hondenkar
+naar Amsterdam gebracht."
+
+"Halt!" riep hij plotseling, want het voertuig was hem nu genaderd.
+
+De man, die op de kar zat, schrok er niet weinig van, en sprong
+dadelijk van den wagen. Maar zijn stok hield hij opgeheven, want hij
+dacht niet anders, of hij had met een aanrander te doen.
+
+Flipsen sprong van achter zijn boom te voorschijn.
+
+"Wie ben je,--en waarheen ga je?" vroeg hij op bevelenden toon.
+
+"O, Flipsen, ben jij het?" vroeg de man van de hondenkar. "Kerel,
+is me dat laten schrikken. Ik dacht waarlijk met..."
+
+"'t Doet er niet toe, wat jij denkt," viel Flipsen norsch in. "Ik
+vraag, wie je bent,--maar dat zie ik nu al,--en waar je heengaat."
+
+"Wel, ik ben Dirk Kroeze, de slager, en ik ga naar Amsterdam. Daar
+steekt toch niets achter, zou ik zeggen?"
+
+"Juist, Kroeze, de slager. Wat heb je in dien wagen?"
+
+"Twee doode schapen, anders niet," was het antwoord. "Ik ga ze
+naar Amsterdam brengen, waar ze met een dood schaap altijd wel raad
+weten. Nu er zoo'n strenge keuring is op het vleesch, worden doode
+beesten altijd 's nachts de stad ingevoerd. Vroeger gebeurde dat
+overdag. Zie je, dat is het eenige verschil..."
+
+Kroeze was een derderangs-slager. Hij kocht bij de boeren de doode
+beesten op, die andere slagers niet hebben wilden, en wist daarmede het
+brood te verdienen voor zich en zijn gezin. En de kroegbazen kregen
+er ook rijkelijk hun deel van, want Kroeze maakte veel misbruik van
+sterken drank. Hij was dikwijls dronken.
+
+Flipsen was den wagen genaderd en bekeek den inhoud.
+
+"Denk je soms, dat ik een dief ben?" vroeg Kroeze een beetje
+beleedigd. "Ik verdien op eerlijke manier mijn brood, man, en ik heb
+mijn vingers nog nooit uitgestoken naar een andermans goed. Of weet
+jij iemand te noemen, die iets op Kroeze te zeggen heeft?"
+
+"Neen," zei Flipsen. "Maar er wordt tegenwoordig gestolen op 't dorp,
+en 't is meer dan tijd, dat wij den dief vinden."
+
+"Ach zoo, is dàt de zaak?" zei Kroeze. "Dan is het goed, hoor, en
+kijk mijn wagen maar na. Je hebt gelijk, er wordt tegenwoordig meer
+gestolen, dan mij lief is. Verleden week ben ik mijn beste mes uit
+de slagerij kwijt geraakt, en nog een zwaren vleeschhaak op den koop
+toe. Ik heb m'n hoofd gek gezocht om ze terug te vinden, maar jawel,
+ze zijn weg en ze blijven weg. En ik zal ze wel nooit terugzien,
+vrees ik."
+
+"Dat vrees ik ook," zei Flipsen. "Je kunt wel verder gaan, Kroeze,
+ik heb er het mijne van gezien. Goeden avond."
+
+"Ook goeden avond," zei Kroeze. Hij duwde de kar voort, en riep:
+
+"Allo, honden, kssssss, kssssss! Vooruit zeg 'k! Allo!"
+
+Hij sloeg met zijn stok tegen den wagen.
+
+De honden, die tijdens het onderzoek op den weg waren gaan liggen,
+richtten zich met tegenzin op, en trokken den wagen voort. Maar 't ging
+Kroeze niet hard genoeg. Hij maakte veel lawaai met zijn stok, en riep:
+
+"Ksssss! Ksssss! Allo, Allo! Vooruit honden. Kssssss!"
+
+Een oogenblik later sprong hij op den wagen, en weldra was hij in de
+duisternis verdwenen.
+
+"Dat was mis!" mompelde Flipsen, huiverend van de koude. Hij trok
+den kraag van zijn jas en zijne schouders omhoog, en bleef geduldig
+wachten. Maar toen er na een uur nog niemand gekomen was, besloot
+hij naar huis te gaan.
+
+Den volgenden avond was hij echter weer op zijn post, want hij
+was iemand, die zijne plichten trouw nakwam. Als hij zich eenmaal
+voorgenomen had, dit of dat te doen, was hem geen moeite te veel,
+en stoorde hij zich aan koude noch warmte.
+
+Maar hoe hij zich ook inspande, het gelukte hem niet, den dief
+te snappen. Daarom besloot hij de wacht te houden op den weg, die
+naar Haarlem voerde. Avond aan avond verschool hij zich op eenigen
+afstand buiten het dorp, maar alweer tevergeefs. Hij vond van den
+dief geen spoor.
+
+"Dan zal ik gedurende enkele avonden in het dorp zelf eens goed
+uitkijken. Wie weet betrap ik den dief dan niet op heeterdaad,"
+dacht hij.
+
+En zoo deed hij ook.
+
+Zoodra het donker geworden was en in de huizen overal de lichten
+opgestoken waren, verliet Flipsen zijn woning, om over de
+veiligheid van zijne medeburgers te waken. Eerst begaf hij zich
+naar verschillende werkplaatsen, van welke het hem bekend was, dat
+er al meermalen voorwerpen vermist waren. Hij vond ze echter alle
+zorgvuldig gesloten. De menschen waren, door de ondervinding geleerd,
+al voorzichtiger geworden.
+
+Eindelijk bemerkte hij, dat er achter het huis van de weduwe Butter
+eenig waschgoed op een bleekveldje lag.
+
+"Wacht," dacht hij. "Hier zal ik mij ergens verschuilen. Waschgoed
+is den laatsten tijd ook dikwijls ontvreemd."
+
+Achter het schuurtje stond, naast het bleekveld, een groote ton, waarin
+het regenwater, dat van het schuurtje in de goot kwam, opgevangen
+werd. Achter die ton maakte Flipsen zich zoo klein mogelijk. Geduldig
+wachtte hij, of de dief komen zou.
+
+Dat gebeurde echter niet. Toen hij een half uur in zijne gebogen
+houding had doorgebracht, kon hij bijna niet blijven zitten van de
+pijn, die hij in zijne beenen kreeg. Voorzichtig richtte hij zich
+een weinigje op.
+
+Alles bleef stil in den omtrek.
+
+Flipsen gaf echter den moed nog niet verloren.
+
+En waarlijk, eer er een tweede half uur voorbijgegaan was, hoorde
+hij eenig gerucht.
+
+Hij richtte zich op en keek over de ton.
+
+Ha, daar zag hij een gestalte, die haastig naar het bleekveld ging
+en vliegensvlug enkele kleedingstukken bij elkaar greep.
+
+Met een vluggen sprong kwam Flipsen op de gestalte af.
+
+"Ha, dief, daar heb ik je!" schreeuwde hij in de vreugde zijns harten,
+nu hij eindelijk in zijn pogingen geslaagd was.
+
+Een hevige gil was het antwoord. Flipsen hoorde, dat het een
+vrouwenstem was, hetgeen hem verwonderde.
+
+Met groote snelheid liep hij op de gestalte af, en greep haar bij
+den schouder. De onbekende sloeg de armen ten hemel en slaakte een
+tweeden, hartverscheurenden gil.
+
+"Wie ben jij?" beet Flipsen haar toe.
+
+Er kwam geen antwoord. De schrik verlamde als het ware haar tong.
+
+"Hoor je me niet? Wie ben jij?" herhaalde Flipsen.
+
+"O,--ik ben--ik ben Trijntje--de meid.--O, wat een schrik!"
+
+"Trijntje--de meid?" vroeg Flipsen spijtig. "Ik dacht, dat jij de
+dief was. Waarom laat je dat waschgoed ook buiten liggen?"
+
+"Ik--de dief!" riep het meisje uit, half schreiende van schrik en
+half lachende van blijdschap, nu zij bemerkte, dat zij met geen
+spoken te doen had. Want Trijntje geloofde nog aan spoken. "Ja,--dat
+zei de juffrouw ook, dat ik het waschgoed niet mocht laten liggen,
+en daarom ging ik het nog maar gauw eventjes halen. Hè--hè--ik beef
+over mijn heele lijf van den schrik..."
+
+Flipsen ging zonder groeten heen. Het speet hem, dat hij zich ten
+tweeden male vergist had.
+
+Maar het meest speet het hem, dat hij den volgenden dag moest
+vernemen van den burgemeester, dat er bij den molenaar tien meelzakken
+gestolen waren en dat er bij Legels, een herbergier, een mandje met
+ledige flesschen verdwenen was. Flipsen begreep daaruit, dat hij in
+een geheel verkeerde richting had gezocht. Hij wist er, zooals men
+dat wel noemt, geen touw meer aan vast te knoopen, en hij verdiepte
+zich in gissingen, wie toch wel de brutale dief kon zijn. Het trok
+zijn opmerkzaamheid, dat het altijd kleinigheden waren, die gestolen
+werden, en dat er nooit sprake was van inbraak. Langzamerhand vestigde
+zich de overtuiging bij hem, dat de dief geen man, maar een jongen
+moest zijn. En hij besloot voortaan in die richting te zoeken.
+
+Jan Trom merkte op, dat Flipsen hem telkens onderzoekend aankeek,
+als hij hem tegenkwam. Eens, toen hij met zijn bokkenwagen bij Van
+Dril vandaan kwam, schoot plotseling Flipsen op hem af, en vroeg hem:
+
+"Waar kom jij vandaan?"
+
+"Van Van Dril," zei Jan.
+
+"Zoo,--wat heb je daar gedaan?"
+
+"Eventjes in de smederij gekeken," was het antwoord.
+
+"Stap eens uit je wagen!" gebood Flipsen.
+
+Jan gehoorzaamde dadelijk, niet weinig verwonderd, wat dit alles wel
+te beduiden had.
+
+Flipsen doorsnuffelde het geheele karretje. Het bankje bestond uit een
+bak met een plankje er op als deksel. Flipsen lichtte dat plankje op
+en keek, wat er zich in den bak bevond. Maar hij zag niets verdachts.
+
+"'t Is goed," zeide hij. "Je kunt wel weer gaan." En Jan ging.
+
+Dienzelfden middag kwam Flipsen Frans Thor en Klaas Zwart tegen. Hij
+zag ze uit het schoolboschje komen. De school werd door drie boschjes
+elzenhout omringd, die te zamen altoos het schoolbosch werden
+genoemd. Tusschen die boschjes in lagen vrije strooken gronds, die
+tot speelplaats dienden.
+
+Frans en Klaas droegen een mand tusschen zich in. Elk hield een
+oor vast.
+
+"Daar is Flipsen," zei Klaas Zwart. Hij voelde zich nooit bizonder
+op zijn gemak, als hij den politiedienaar zag. Geen wonder trouwens,
+want hij en zijn makker hadden al menig diefstalletje op hun geweten.
+
+"Ja, dat zie ik," zei Frans. "'t Hindert niet; laat hem komen."
+
+Zoodra Flipsen deze jongens zag, schoot hem dadelijk de gedachte
+door het hoofd, dat zij wel eens de schuldigen konden zijn, want zij
+liepen altoos overal te "schuimen," zooals Flipsen dat noemde. En
+'t verwonderde hem, dat hij al niet eerder aan deze twee knapen had
+gedacht. Met groote schreden liep hij op hen af, en 't scheen wel,
+of zijne scherpe oogen hen wilden doorboren.
+
+Klaas Zwart werd er bang van en keek een anderen kant op, wat Flipsen
+niet ontging.
+
+"Waar komen jullie vandaan?" vroeg hij barsch. Hij boog zich voorover
+en hield zijn blik stijf op Klaas Zwart gericht. Klaas werd er bleek
+van, en zijne stem hokte hem in de keel.
+
+"Uit het boschje," zei Frans, die niet zoo bang was als Klaas.
+
+"En wat deed je daar?"
+
+"Wij zoeken beenen en vodden," gaf Frans ten antwoord. En hij hield de
+mand een weinig naar voren, om er Flipsen in te laten kijken. Deze
+wierp er een blik in en zag, dat er inderdaad enkele beenderen
+in lagen.
+
+"Vind-je die in het schoolboschje?" vroeg Flipsen verwonderd. "Hoe
+komen die daar dan?"
+
+"Misschien door de honden, die er daar aan kluiven, omdat het er
+een rustig plekje is," zei Frans. "Wij vinden er daar maar zelden
+een. Eigenlijk is er op het geheele dorp bijna geen beentje meer te
+vinden, want wij hebben alles al meermalen afgezocht."
+
+"Zoo," zei Flipsen. "Ja, aan alles komt een einde. En aan wien verkoop
+je dien rommel?"
+
+"Och," zei Frans, "aan voddenkoopers..."
+
+"En aan den pot..." zei Klaas. Maar Frans viel hem in de rede:
+
+"Aan voddenkoopers uit Haarlem, die hier wel met hondenwagens komen."
+
+"Ja, ja," zei Flipsen. "Houd jij je mond nu maar eens. Wat wou jij
+straks zeggen, Klaas Zwart? Aan den pot..."
+
+"Dat heb ik niet gezegd," loog Klaas. "U heeft me verkeerd verstaan. Ik
+zei: aan de vod.... Maar toen viel Frans mij in de rede."
+
+"Juist,--juist," zei Flipsen met een onmerkbaar lachje om zijne
+lippen. "Nu jongens, zoekt maar goed. Er zal hier of daar nog wel
+wat te vinden zijn."
+
+Hij liet de jongens staan en ging naar huis. Maar hij lachte inwendig
+van pret, want hij twijfelde niet, of hij was thans de daders wel
+degelijk op het spoor.
+
+"De pottenschipper," mompelde hij tusschen de tanden. "Ja, ja, die
+jongen verklapte het leelijk: de pottenschipper is de opkooper. Wacht
+maar, zij zullen mij niet ontsnappen..."
+
+Frans en Klaas gingen zwijgend verder. Het korte onderhoud met den
+veldwachter had hun eenigen schrik aangejaagd. Na een poosje zei Frans:
+
+"Stommerd!--Jij had de heele zaak daar bijna verklapt."
+
+"Ja," zei Klaas angstig. "Maar ik geloof niet, dat hij het verstaan
+heeft. Zou je denken, dat hij me verstond?"
+
+"Dat weet ik niet," zei Frans, "'k Geloof haast van niet, maar toch
+moeten wij voorzichtig zijn. We dienen ons een poos althans rustig
+te houden. Ik vertrouw Flipsen niet."
+
+"Ik ook niet," zei Klaas met een zucht. "Als hij me maar niet verstaan
+heeft. Pot lijkt erg veel op vod. Zeg Frans, ik ga naar huis; ik heb
+geen zin meer in het zoeken."
+
+"Ga dan," zei Frans.
+
+Zoo scheidden de jongens.
+
+Flipsen lette na dien dag zorgvuldig op de zolderschuit van den
+pottenschipper. Hij twijfelde er niet aan, of den een of anderen dag
+zou het raadsel nu wel worden opgelost.
+
+Maar dagen en zelfs enkele weken gingen voorbij, en Flipsen bleef
+even wijs, als hij was. De pottenschipper leefde even eenzaam en
+verlaten in zijn schuit als altoos, en Frans en Klaas zag Flipsen er
+nooit heengaan.
+
+Doch,--en dit trok zijne opmerkzaamheid, er werd niet meer gestolen
+ook op het dorp. En dat was hem een troost.
+
+
+
+Elfde Hoofdstuk.
+
+De bestorming van het sneeuwkasteel, en eene heldendaad van Jan.
+
+
+'t Was in het begin van December. De winter was vroeg ingevallen,
+en het vroor, dat het kraakte. Eerst had het geducht gesneeuwd,
+tot groot vermaak van Jan Trom en zijne makkers. Ha, wat hadden zij
+gesneeuwbald! De kogels vlogen de jongens om de ooren. Toen hadden zij
+bedacht op het marktplein een fort op te werpen. Dat was een heel werk
+voor hen, want zij waren maar niet tevreden met een opgeworpen hoogte
+van sneeuw, neen, zij wilden een mooi fort hebben met schuin afloopende
+kanten, met torens op de hoeken en kanteelen daartusschen. 't Leek,
+toen het klaar was, veel meer op een kasteel dan op een fort. De
+jongens vonden het prachtig, en zij werkten er aan met een ijver en
+toewijding, zooals die alleen bij jongens gevonden kan worden.
+
+Eindelijk was het kasteel klaar, en nu besloten zij, zich in twee
+gelijke troepen te verdeelen. De eene helft zou het kasteel aanvallen,
+de andere zou het verdedigen.
+
+Aan de twee vrienden Jan Trom en Karel van Dril viel eene groote
+onderscheiding ten deel. Jan Trom werd namelijk verkozen tot
+bevelhebber van het sneeuwslot, en Karel tot aanvoerder van de
+vijanden.
+
+"Eventjes wachten, jongens!" riep Jan zijn makkers toe. "We moeten
+twee vlaggen hebben, voor elke troep één."
+
+"Ja, best!" zei Karel. "Maar weet je, wat het ergste is? Alle vlaggen
+zijn rood, wit en blauw, en 't is niet aardig, als onze vlaggen
+hetzelfde zijn."
+
+"O, daar weet ik wel raad op. 't Kasteel is een Hollandsch slot,
+dus daar zetten we de nationale vlag op, dat spreekt vanzelf. Als
+jij nu je vlag onderst-boven aan den stok bindt, lijkt hij heel veel
+op de Duitsche vlag. Jullie stelt dan het Duitsche leger voor, dat
+een inval doet op Hollandsch grondgebied. Zeg jongens, dat kan leuk
+worden, zou ik meenen."
+
+Dit voorstel vond algemeen goedkeuring, en Jan en Karel haastten
+zich naar huis, om eene vlag te halen. Binnen tien minuten waren zij
+terug. De Hollandsche vlag werd op den hoogsten toren van het kasteel
+geplant, en Karel benoemde een van zijne soldaten tot vaandrig. Jan
+en zijne krijgers maakten een ontzaglijken voorraad sneeuwballen,
+die achter de kanteelen werden opgestapeld, maar ook de Duitsche
+veldheer maakte zich zijn tijd ten nutte. Eindelijk waren beide
+partijen slagvaardig.
+
+De Duitschers omringden het fort aan alle kanten, en wachtten op het
+sein om aan te vallen. Karel, als bevelhebber, ging met den vaandrig
+aan zijn zijde naar het fort, en riep de bezetting toe:
+
+"Hallo! Hei daar!"
+
+"Werda!" antwoordde Jan Trom, wiens bovenlijf boven den gekanteelden
+muur verscheen. "Wat is er van uw begeeren."
+
+"In naam van mijn meester, den Keizer van Duitschland, eisch ik dit
+kasteel op," was het antwoord van Karel. "Mijn soldaten omringen het
+van alle kanten, geef u dus goedschiks over, dan beloof ik vrijen
+uittocht aan de manschappen. Zoo niet, wacht u dan voor de gevolgen."
+
+"Die komen voor mijne verantwoording. Dit slot behoort aan Koningin
+Wilhelmina der Nederlanden, en zoolang ik leef, zal geen Duitscher
+het binnenkomen. Dat is mijn antwoord. Leve de Koningin!"
+
+"Leve de Koningin!" juichten Jan's volgelingen.
+
+"Leve de Keizer!" riep Karel van Dril, en zijn krijgers herhaalden:
+
+"Leve de Keizer!"
+
+"Dan is het oorlog!" riep Karel zijn vriend Jan nog toe, terwijl hij
+zich met zijn vaandrig verwijderde.
+
+"Oorlog op leven of dood!" schreeuwde Jan.
+
+Weldra vloog de eerste sneeuwbal over de muren van het kasteel,
+en de belegerden keken hem lachend na.
+
+"Je moet beter mikken, mannetje!" riep Willem Kroeze, de zoon van
+den slager. "Op deze manier!"
+
+En hij wierp den Duitschen bevelhebber heel netjes zijne pet van het
+hoofd, tot groot vermaak van de andere Hollanders.
+
+Maar toen kwam er een regen van kogels op het kasteel af. De Hollanders
+moesten zich zelfs achter de kanteelen verbergen, want de Duitschers
+ontzagen hen niet. Zij wierpen uit alle macht, en de ballen kwamen
+hard aan, als zij raakten.
+
+"Hoera, zij worden bang!" riep Karel zijne mannen toe. "Allo, allo,
+beklimt de muren, en werpt den vijand naar beneden."
+
+'t Werd een geweldige bestorming. Van alle kanten schoten de vijanden
+toe, en behendig klauterden zij tegen de hoogte op.
+
+Maar Jan zag het gevaar.
+
+"Zij wagen eene bestorming, jongens! Geeft ze de volle laag!" riep
+hij. Zijn bevel werd uitgevoerd, en de Duitschers werden haast
+onder de sneeuw bedolven. Sommigen kregen oogen, mond en neus vol,
+zoodat zij hoestend en proestend het hazenpad moesten kiezen, en
+anderen kregen een flinken voorraad tusschen den kraag van hun jas,
+zoodat het water hun over den rug liep. Weldra was de storm met glans
+afgeslagen. De Duitschers trokken zich terug. De vaandrig liep zelfs
+wel wat erg hard voor 't mooi. Hij viel met vaandel en al voorover
+in eene greppel, tot groot vermaak van de Hollanders.
+
+"Het Duitsche vaandel valt!" riepen zij lachend. "Dat is een goed
+voorteeken. Hoera! Leve de Koningin!"
+
+"Kijk ze eens loopen!" riep Jan, wiens oogen schitterden van
+opgewondenheid. "Die storm is afgeslagen, jongens, en tot een tweeden
+zullen zij zoo spoedig wel niet overgaan."
+
+Dat was ook zoo. Er werd zelfs geen bal meer gegooid. Karel hield
+met zijn makkers krijgsraad, want het was hem gebleken, dat het niet
+gemakkelijk zou gaan het fort te veroveren.
+
+"Wat dunkt je, jongens," zei hij, "als we met ons allen eens
+op één punt een zóó geweldig vuur openden, dat de kanteelen in
+puin vallen? Dan zijn de belegerden ongedekt en vinden nergens
+beschutting. Als we ze dan de volle laag geven, kunnen zij het
+onmogelijk uithouden."
+
+"Ja, ja, dat is goed. De kanteelen moeten we wegkogelen," zei de
+vaandrig, "en dan wil ik wel eens zien, of ze 't volhouden."
+
+"Afgesproken!" zei Karel. "Hierheen, jongens, aan dezen kant hebben we
+de sneeuw maar voor 't grijpen. Zeg, weet je, wat we in ons voordeel
+hebben?"
+
+"Wat dan?"
+
+"Wel,--wij kunnen zooveel sneeuwballen maken, als we willen, maar
+hun voorraad raakt eenmaal uitgeput. En dan kunnen zij niets meer
+beginnen."
+
+"Dat is waar, ha ja, dat is waar!" lachten de Duitschers.
+
+Op 't volgende oogenblik openden zij een zoo geweldig bombardement
+op de kanteelen, dat deze het werkelijk kwaad te verantwoorden
+kregen. Hier en daar begonnen zij al spoedig af te brokkelen en
+in te storten, tot groote vreugde van de vijanden, die soms even
+ophielden om hunne vingers in den mond te steken,--want die werden
+erg koud,--en dan maakten zij tevens van de gelegenheid gebruik,
+om een oorverdoovend gejuich aan te heffen. Onder 't sneeuwballen
+gunden zij zich daar den tijd niet toe.
+
+Inderdaad kreeg de bezetting het kwaad te verantwoorden.
+
+Maar Jan toonde zich iemand van groote veldheerstalenten. Hij zag
+niet alleen het gevaar, dat hem dreigde, maar hij doorzag ook de
+bedoeling van zijne vijanden.
+
+"Jongens," riep hij zijne soldaten toe, "als we de kanteelen niet
+behouden, zijn we verloren. Neemt de schoppen en werpt op elke bres
+een nieuwen muur op. Maar slaat de sneeuw stevig in elkander, zoodat
+de kogels er geen vat op hebben. Weest echter voorzichtig, want als
+je een bal tegen je gezicht krijgt, dan ben je--zuur!"
+
+De soldaten lachten smakelijk om deze laaste uitdrukking, maar zij
+begrepen de bedoeling van hun aanvoerder toch zeer goed, en gingen
+dadelijk met ijver aan 't werk. Een deel van hen wierp de bressen
+dicht, en zij zorgden er voor, dat de sneeuw goed in elkaar geslagen
+werd, zoodat zij een harde koek vormde,--een ander deel maakte nieuwe
+sneeuwballen, waarvoor zij het fort als het ware onder hunne voeten
+moesten afbreken, en de rest bekogelde den vijand.
+
+Al spoedig verstomde daar het gejuich, want 't was duidelijk, dat de
+pogingen om de gekanteelde muren te vernietigen, schipbreuk zouden
+lijden. Zoodra was het den Duitschers niet gelukt een bres in den
+muur te schieten, of op 't volgende oogenblik waren wel tien handen
+gereed om het gat weer te stoppen. De vijanden waren verder van de
+overwinning dan ooit, en zij werden er moedeloos onder. Hun ijver
+verflauwde, het bombardement werd minder hevig, en eindelijk trokken
+zij af om opnieuw krijgsraad te beleggen.
+
+Wat de Hollanders juichten!
+
+Zij zwaaiden met hunne mutsen, en riepen:
+
+"Hoezee! Leve de Koningin! Hoezee!"
+
+Zij waren echter wel blij, dat zij nu ook een poosje rust kregen,
+want de strijd was hevig geweest, en zij waren erg vermoeid.
+
+"Ik kan haast niet meer," zei Willem Kroeze.
+
+"Ik ook niet," zuchtte Jacob Boors. "En wat zijn mijne vingers
+koud. Ze tintelen!"
+
+Hij kreeg haast tranen in de oogen van de pijn, die ze hem deden.
+
+"Steek ze een poosje in je mond, en blaas dan hard. Dan worden ze
+wel weer warm," zei Jan Trom. "Zeg jongens, wat hebben we ons goed
+gehouden, hè? Als we oppassen, krijgen zij ons fort nooit. Kijk ze
+'t eens druk hebben. Ze houden zeker weer krijgsraad."
+
+"Laat ze maar!" zei Tines Wobbe. "We zullen ze ontvangen, zooals het
+behoort. Weg met de Duitschers!"
+
+"Weg met de Duitschers!" riepen ze allen, en weer zwaaiden ze met
+hunne hoofddeksels.
+
+"En leve de Koningin!" juichte Jan Trom.
+
+"Ja, ja, leve de Koningin!" riepen allen.
+
+Na een paar minuten werd de krijg hervat. De vijanden waren tot
+het besluit gekomen, eene nieuwe bestorming te wagen. In gesloten
+rijen liepen zij op het fort toe, en opnieuw probeerden zij tegen
+den schuinen kant op te klauteren. Maar weer werden zij lang niet
+malsch ontvangen.
+
+Een hagelbui van sneeuwballen begroette hen, en de verdedigers wierpen
+schoppen vol losse sneeuw over hunne hoofden uit.
+
+Maar Karel wilde niet opnieuw wijken.
+
+"Sterven of overwinnen!" riep hij zijne volgelingen toe, en hij
+klauterde moedig omhoog, zich niet storende aan de projectielen
+der belegerden.
+
+Zijne soldaten, aangevuurd door zijn geestdrift, volgden hem met
+mannenmoed. Ha, daar had Karel den gekanteelden muur bereikt, en
+reeds richtte hij zich op om victorie te roepen, toen Jan plotseling
+op hem toesprong, en hem pardoes achterover naar beneden wierp.
+
+"Weg met de Duitschers!" schreeuwde hij.
+
+Karel was veel gauwer beneden, dan hij boven gekomen was. Eerst keek
+hij een oogenblik beteuterd rond, maar toen hij zag, dat zijne soldaten
+voet bij stuk hielden, bestormde hij de vesting opnieuw. 't Was een
+verwoede aanval, en de belegerden konden niet dan met de uiterste
+inspanning stand houden. Met ongebreidelde geestdrift drongen de
+Duitschers op hen in, maar de een na den ander werd van de borstwering
+afgeduwd en naar beneden geworpen. Daar werden zij haast onder de
+sneeuw bedolven, die hun bij schoppenvol nageworpen werd.
+
+Eindelijk deinsden de Duitschers af. Zij waren opnieuw afgeslagen. Maar
+het fort verkeerde in een deerniswaardigen toestand, want om zich te
+verdedigen waren de Hollanders genoodzaakt geweest, zich den grond
+onder de voeten weg te spitten. De torens helden dientengevolge sterk
+over naar den binnenkant van het slot, en dreigden elk oogenblik in
+te storten. Ook de muren geleken wel bouwvallen. Maar nog wapperde
+de Hollandsche vlag fier van den hoofdtoren. Jan was daar trotsch op,
+en hij prees zijne soldaten om den betoonden moed.
+
+"Maar mijne vingers vallen haast af van de kou!" zei Tines.
+
+"Dat doet er niet toe!" riep Jan hem toe. "Zoolang de vlag nog van
+den toren wappert, is er niets verloren, al hadden wij geen van allen
+meer een vinger over! Leve de Koningin!"
+
+"Leve de Koningin, en weg met de Duitschers!" schreeuwden zij om
+het hardst.
+
+"Dat is niet om uit te staan!" riep Karel zijne soldaten toe. "Komt
+jongens, opnieuw aangevallen, en niet gerust, voordat het fort ons is!"
+
+De vijanden bestormden den burcht opnieuw, en de aanval was zoo
+mogelijk nog verwoeder dan de vorige.
+
+"Nu of nooit!" schreeuwde Karel, die zich op en top krijgsman voelde.
+
+"Sterven of overwinnen!" antwoordde Jan Trom, en de jongens vochten
+van weerskanten als leeuwen.
+
+Eindelijk gelukte het Karel ten tweeden male op het fort te komen,
+vlak bij den hoofdtoren. Maar Jan en zijne soldaten wierpen zooveel
+sneeuw tegen zijn hoofd en schouders, dat hij zijn evenwicht verloor
+en tegen den toren viel. Deze was echter al zoo bouwvallig, dat hij
+den schok niet meer kon weerstaan en instortte. De vlag der Hollanders
+verdween van hare hooge standplaats.
+
+"De toren stort in!" riep Willem Kroeze.
+
+"De vlag duikt!" schreeuwden de Duitschers.
+
+"Hoera! Hoera!"
+
+Karel lag te spartelen onder de sneeuw in het fort, want de toren
+had hem half bedolven. De Hollanders sprongen op hem aan en grepen hem.
+
+"Een gevangene! Een gevangene!" juichten zij. "De bevelhebber is
+gevangen! Weg met de Duitschers! Leve de Koningin!"
+
+De Duitschers, ontsteld door het gevangennemen van hun Commandant,
+deinsden af, maar spoedig kwamen zij terug met het stellige voornemen,
+hun hoofdman te verlossen.
+
+Het kasteel was nu een puinhoop geworden. De torens waren ingestort,
+en van de gekanteelde muren was geen spoor meer overgebleven. De
+belegerden waren thans geheel ongedekt aan het vuur der vijanden
+blootgesteld, en het maken van nieuwe sneeuwballen, of zooals zij
+zeiden het gieten van nieuwe kogels was hun zoo goed als onmogelijk
+geworden, omdat de sneeuw, waarop zij stonden, door de soldaten als
+het ware tot een harden koek was vastgestampt. Met hunne schoppen
+moesten zij de sneeuw omspitten om kogels te kunnen gieten.
+
+En toen kwam een nieuwe storm. De vijanden klauterden als katten
+tegen den muur op, en de belegerden hadden geen middelen meer om
+hen te keeren. Zij vochten nog wel als leeuwen en wierpen menigen
+Duitscher naar beneden, maar tevergeefs. Het fort was verloren. Voor
+en na verschenen de vijanden op de hoogte, en eindelijk moest Jan
+zich overgeven.
+
+"Hoera! Hoera!" riepen Karel en zijn mannen. "Het kasteel is ons! Leve
+de Keizer!"
+
+De Hollandsche vlag, waarvan de stok gewoon in de sneeuw gestoken
+was, daar de torens totaal verdwenen waren, werd omvergeworpen,
+en de vijandelijke vlag kwam er voor in de plaats.
+
+"Leve de Keizer!" juichten de Duitschers, en zij zwaaiden met hunne
+mutsen.
+
+"Goed, goed!" zei Jan. "Maar wat heb je nu? Wat is er van het kasteel
+overgeschoten? Een puinhoop, meer niet. Veel pleizier er mede."
+
+"Ja, ja, dat is waar!" zei Karel. "Jelui hebt je kolossaal goed
+gehouden, dat moet ik zeggen.--Hè, hè, jongens, dat was een mooi
+spelletje!--'t Is nu tijd om naar huis te gaan. Doen we het morgen
+weer?"
+
+"Ja, ja!" werd er van alle kanten geroepen. "Dat is afgesproken."
+
+Zingende verlieten vriend en vijand het marktplein, om naar huis te
+gaan. Zij hadden heerlijk gespeeld en dachten er nog lang daarna met
+pleizier aan. Zij waren vast besloten, den volgenden dag een nieuw
+kasteel te bouwen en den strijd te hervatten.
+
+Maar den volgenden morgen merkten zij al dadelijk, dat het niet
+kon. 't Had namelijk dien nacht verbazend hard gevroren, en 't
+was daardoor onmogelijk geworden sneeuwballen te maken. De sneeuw
+wilde niet pakken. Zij vonden dat wel erg jammer, maar daarentegen
+verheugden zij er zich weer in, dat het zoo hard gevroren had, en
+zij hoopten, dat het ijs spoedig sterk zou worden. De twee kanalen,
+die in het hart van het dorp elkander kruisten, lagen al dicht. De
+jongens wierpen er steentjes op, om te zien, of zij er doorheen konden
+gooien, maar dat konden zij niet. Alleen klinkers gingen er ongeveer
+voor de helft doorheen.
+
+Zij vermaakten zich nu met glijbanen te maken en daar in lange risten
+overheen te glijden. De grond werd hier en daar spiegelglad. Opeens
+bedachten zij, dat het nu prachtig zou glijden langs de helling
+buiten het dorp, bij het fort, waar Jan met zijn automobile den
+veldwachter bij ongeluk van de been gereden had. En nauwelijks hadden
+zij dat bedacht, of zij snelden er heen. Ha ja, ze hadden zich niet
+bedrogen. De helling was er prachtig voor geschikt, en er lag dik
+sneeuw. Spoedig was het er zoo glad, dat men er haast niet op de beenen
+kon blijven staan, en als de jongens eenmaal op de helling waren,
+mòèsten zij verder, of zij wilden of niet. Zij vonden het meer dan
+verrukkelijk, en wisten van geen ophouden. 't Was een koddig gezicht,
+als een van hen het ongeluk had te vallen. Dan buitelden allen, die
+achter hem kwamen aanglijden, hals over kop over hem heen, en werd
+het een levende berg van jongens.
+
+Menigeen riep dan au, au! en sommigen kwamen erg in de verdrukking,
+maar daarom werd niet getreurd. Een volgend oogenblik gleed de geheele
+rij weer met statie verder, en 't ging vliegensvlug.
+
+'t Was al laat, eer de jongens thuiskwamen, en voordat zij de deur
+instapten, wierpen zij eerst nog een blik op het hemelgewelf om
+te zien, of de lucht naar vorst stond. En dat deed ze gelukkig. De
+sterretjes fonkelden aan den hemel, en er was geen wolkje aan te zien.
+
+Dien nacht vroor het kolossaal! Toen Jan 's morgens zijn neus buiten
+de bedgordijnen stak, zag hij al dadelijk, dat de bloemen dik op de
+ruiten stonden.
+
+"De pomp is bevroren!" riep zijn vader van uit de keuken. "Jongen,
+jongen, wat een vorst. 't Is buitengewoon! Zeg Jan, nog één nachtje
+zoo, en we kunnen schaatsenrijden. Dan is het kanaal sterk genoeg. Maar
+vandaag nog voorzichtig wezen, hoor, 't kan nog niet vertrouwd zijn."
+
+"Ja Vader," zei Jan.
+
+Hij was van nature geen waaghals. Niet, dat hij bang was, in het
+geheel niet, maar hij vond het dwaasheid zijn leven roekeloos in
+gevaar te stellen. Toch waren er wel jongens, die zich al op het kanaal
+waagden. Voorzichtig, voetje voor voetje, liepen zij het ijs op, dat
+door een sterk gekraak waarschuwde om terug te gaan. De waaghalzen
+hoorden het wel, en als het heel erg kraakte, bleven zij even
+stilstaan, maar spoedig gingen zij weer verder. Tines Wobbe bereikte
+zelfs de overzijde van het kanaal, waar hij niet weinig trotsch op was.
+
+'s Middags na schooltijd liep Jan met zijn vriend Karel van Dril het
+dorp in, en kwam bij de drie bruggen. Zij zagen, dat het water daar
+nog open lag. Dat was bijna altoos zoo in den winter. Alleen als het
+lang bleef vriezen, werd het daar ook sterk genoeg, om er over te
+loopen. Zij stonden er een poosje naar te kijken, toen plotseling
+hunne aandacht werd getrokken door Frans Thor, die een vuilen hond
+vervolgde. Hij wierp het beest met steenen. 't Was een broodmager
+beest, dat er vreeselijk vervuild uitzag. De jongens herkenden dadelijk
+Fik in hem, den hond van den orgeldraaier Klaas Touw.
+
+"Houdt hem! Houdt hem!" riep Frans hun toe.
+
+"Een heldendaad van Frans," zei Jan tot Karel. "Hij kan geen hond
+met rust laten."
+
+"Houdt hem! Houdt hem!" riep Frans nog eens.
+
+De hond was nu op het midden van de brug. Jan en Karel deden, of zij
+Frans niet hoorden. Maar juist kwam Klaas Zwart van den anderen kant
+de brug op.
+
+"Houd hem, Klaas!" riep Frans zijn vriend toe. "Jaag hem op!"
+
+"Ja,--ja!" was het antwoord. En met zijn armen zwaaiende en onder
+een luid geschreeuw joeg hij het verhongerde beest terug.
+
+Spoedig kwam Fik nu Frans weer tegen, en deze joeg hem ook terug. De
+dierenkwellers hadden braaf schik in den angst van den hond, die,
+naarmate de jongens elkander naderden, meer in het nauw gedreven
+werd. Eindelijk wist het arme dier geen raad meer, en toen het
+probeerde om langs de beenen van Frans te ontsnappen, op gevaar af
+een schop van dien jongen te krijgen, gaf deze hem een duw, waardoor
+hij van de brug af in het water viel.
+
+Wat hadden Frans en Klaas een pret. En hoe vermaakten zij zich met
+de wanhopige pogingen van het dier om zich te redden.
+
+De lantaarnopsteker, die op zijn laddertje stond, om de lantaren schoon
+te maken en de peer van de lamp te vullen, was er verontwaardigd over,
+en hij riep de jongens toe, dat zij zich schamen moesten. Hij klom
+naar beneden en zag, hoe het beest tevergeefs poogde zich te redden.
+
+"'t Is meer dan schandelijk!" riep de man nog eens. "'t Beest is
+onherroepelijk verloren. Wie zal het wagen, het te redden? Wie het
+doet, loopt groot gevaar om zelf te verdrinken. Zulke dierenbeulen!"
+
+Ook Jan en Karel zagen met smart de pogingen van den armen hond, om
+zich te redden, 't Was duidelijk, dat het beest verdrinken moest. Eene
+hevige verontwaardiging maakte zich van Jan meester, en ook Karel
+vond het eene schandelijke daad.
+
+Fik zwom in het breede wak rond, nu hier, dan daar pogingen doende,
+om op het ijs te klimmen. Maar dit was te glad. Telkens gleden zijn
+pootjes uit en zakte hij in het water terug.
+
+Jan kon het niet langer aanzien.
+
+"Mag ik dat laddertje gebruiken?" vroeg hij aan den
+lantaarnopsteker. Zonder antwoord af te wachten, lichtte hij de haken
+los, waarmede het aan den paal bevestigd was, en liep er mede naar
+den kanaalkant.
+
+"Niet doen, Jan, niet doen!" riep Karel hem toe.
+
+Maar Jan antwoordde niet.
+
+"Dàn zal ik je helpen!" hernam Karel, en hij voegde zich bij zijn
+vriend. Maar deze stond al op het ijs.
+
+"Blijf daar, Karel, ik ben lichter," zei Jan kortaf.
+
+Hij schoof het laddertje voor zich uit en naderde behoedzaam het
+wak. Al was Jan nòg zoo mager, en al woog zijn lichaampje nòg zoo
+licht, toch liet het ijs, dat bij de brug erg dun was, een dreigend
+gekraak hooren. Jan liet er zich echter niet door weerhouden. Bedaard
+ging hij verder, half steunende op het laddertje, dat hij met kleine
+stootjes voortduwde.
+
+"Fik! Fik!" riep hij den hond toe.
+
+Het beest zag hem komen. Met verkleumde pooten zwom het in het
+ijskoude water. Het jankte van vreugde.... Bijna kon het zich niet
+meer bewegen. Het uiterste einde van het laddertje had het begin van
+het wak bereikt.
+
+Vele menschen verzamelden zich langs de brugleuning, en met angstige
+spanning volgden zij de bewegingen van den knaap. Ook Jan's vader
+was op de brug. Zijne oogen waren geen seconde van zijn dapperen
+jongen af. Ha, hoe verheugde hij zich over deze kranige daad van zijn
+kind. Hij was trotsch op hem!
+
+Jan keek op noch om. Al zijne gedachten waren op één punt gericht,
+namelijk, dat het zijn plicht was den armen hond te redden. Op handen
+en knieën kroop hij behoedzaam verder.
+
+Het ijs boog door. Er kwam water op. De ladder werd nat. Maar Jan
+keerde niet terug. Hij zag, dat de hond op 't punt was van verdrinken.
+
+Nog een sport,--daarna nog een....
+
+Hij legde zich lang-uit op de ladder. Zijne kleêren werden nat. Toen
+strekte hij den arm uit, en met een krachtigen greep trok hij den
+hond uit het wak. Verkleumd bleef het dier liggen.
+
+Jan durfde zich niet omkeeren. Hij wist bijna zeker, dat het ijs
+dan breken zou. Zoo voorzichtig mogelijk kroop hij achteruit,
+langzaam--langzaam verder. Den hond trok hij meê.
+
+Eindelijk had hij het achtereinde van het laddertje bereikt en moest
+hij op het ijs stappen. Maar daar was het niet zoo erg zwak meer. De
+hond kwam eenigszins tot zichzelven. Bevend op zijne pooten liep het
+dier naar den walkant. Daar hielp Karel het omhoog, tegen den walkant
+op. Eindelijk had ook Jan den oever bereikt....
+
+En op 't zelfde oogenblik klonk een daverend handgeklap hem in
+de ooren. De menschen, die gezien hadden, welk heldenstuk hij had
+verricht, verbraken de stilte en juichten hem toe. Jan kreeg er een
+kleur van. En zijn vader drong door het volk heen en drukte hem in
+zijn armen. Hij had er zoowaar tranen van in de oogen.
+
+"Ben je erg nat?" vroeg Dik.
+
+"Haast niet, Vader," zei Jan. "Ik ga met Karel den hond even
+thuisbrengen, want hij kan bijna niet loopen."
+
+"Goed, goed," zei Dik, "maar dan direct droog goed aantrekken."
+
+Jan en Karel vertrokken met den verkleumden hond, en de menschen
+vervolgden hun weg. Met lof werd over Jan gesproken. Iedereen had er
+den mond vol van. Maar de dierenbeulen Frans en Klaas waren stilletjes
+afgedropen.
+
+Het huisje van Klaas Touw, den orgeldraaier, stond een weinigje
+achteraf, aan een achterweg. De jongens hadden het spoedig bereikt. Zij
+deden de deur van het armoedig hutje open en traden binnen.
+
+Mietje zat bij de tafel. Zij zag er bleek en mager uit, en hare oogen
+keken de jongens droevig aan. De bedsteêdeuren aan den achterkant
+van het kamertje stonden open, en de jongens zagen, dat Klaas Touw
+te bed lag. Hij was ziek.
+
+"Hier is uw hond, Mietje," zei Jan, die den hond in de kamer liet
+loopen. "We hebben hem uit het water gehaald. Hij lag in het wak bij
+de brug."
+
+"Neen, wij niet, maar Jan heeft hem er uitgehaald," zei Karel, die
+zijn vriend om diens heldendaad bewonderde. "Met levensgevaar heeft
+hij hem gered."
+
+"Zoo,--arme Fik," zei Mietje. "Was hij maar verdronken."
+
+"Waarom?" vroegen de jongens als uit één mond. Zij waren niet weinig
+verwonderd over die woorden.
+
+"Waarom? Wel, dan was hij meteen uit zijn lijden. Klaas is ziek,
+en hij zal wel zoo gauw niet beter wezen, zegt de dokter. We hebben
+zelf niet eens te eten, hoe zal ik dan voor den hond zorgen?"
+
+De jongens keken de vrouw zwijgend aan. En hun blik dwaalde door
+het armoedige vertrek en naar het bed van den zieke. Zij zagen ook,
+dat er geen vuur was in de oude kachel, en dat de bloemen dik op de
+ruiten stonden.
+
+"En uw orgel dan?" vroeg Jan na een poosje.
+
+"Dat is weggehaald, omdat wij de huur ervan niet betalen konden,"
+zei Mietje, en zij kreeg de oogen vol tranen. "Wij lijden armoê,
+jongens, erger dan ik het zeggen kan."
+
+De jongens wisten niet veel te zeggen, maar zij kregen diep medelijden
+met die arme menschen.
+
+"Weet je wat, Mietje," zei Jan. "Morgen is het ijs wel sterk. Ga dan
+met een tentje op het ijs staan, om melk en koek te verkoopen."
+
+Vrouw Touw lachte droevig.
+
+"Hoe moet ik aan melk komen?" zei ze met een zucht. "En aan chocolade
+en suiker en koek? Wie zal mij dat alles borgen?"
+
+"Mijn vader wel," zei Jan beslist. "Ik ga het hem vragen. Ga je mee,
+Karel?"
+
+De jongens liepen op een drafje naar huis. En toen Jan verteld had,
+hoe het met den orgeldraaier en diens vrouw gesteld was, zei Dik:
+
+"Zeker wil ik helpen, jongen! Ga maar aan Mietje zeggen, dat ik haar
+alles wil voorschieten, wat zij noodig heeft."
+
+"Hoera!" riep Jan. "Wat is u toch goed, Vader. En mogen ze een paar
+oude stoelen hebben, en wat palen en een paar banken?"
+
+"Ja," zei Dik lachend, want het verheugde hem, dat Jan en Karel zich
+zoo druk maakten om een paar arme menschen te helpen, die in nood
+verkeerden. "Maar weet je, wat in de eerste plaats noodig is? De
+stakkers hebben niets in huis, zelfs geen brandstof om de kachel
+te stoken. Span je bok voor den wagen, en breng er dadelijk flink
+wat turven naar toe. Ik zal dan meteen een en ander uit den winkel
+inpakken, zoodat ze van avond wat te eten hebben ook."
+
+"Ja, ja,--ik met den bokkenwagen, en Karel met de automobiel! Dat
+zal leuk wezen."
+
+'t Was intusschen al donker geworden, en de sterretjes begonnen al
+weder aan het hemelgewelf te flonkeren.
+
+Jan en Karel hadden het druk, want zij maakten van Dik's mildheid
+een ruim gebruik. De automobile werd volgestapeld met turven en
+kachelblokjes, en in het bakje van den bokkenwagen kwamen verscheidene
+zakjes met levensmiddelen. Dik wist wel, wat het meest noodig was.
+
+Toen de jongens wegreden, keken Dik en Anneke hen lachend na, en Dik
+herinnerde zich op dat oogenblik weer levendig, hoe hij zich als kind
+op een donkeren avond geheel alleen op weg begeven had, om aan de
+heks op den achterweg, die ook in nood verkeerde, levensmiddelen te
+brengen. En hij voelde zich gelukkig, dat hij zulk een goed kind had.
+
+In het hutje van de twee arme menschen heerschte dien avond groote
+blijdschap. Jan en Karel werden hartelijk door den orgeldraaier en
+diens vrouw bedankt.
+
+"Morgen zullen we een tent voor u bouwen, Mietje," zei Jan. "En Vader
+wil u al het noodige voorschieten, om alles te kunnen inslaan. Wacht
+maar, u zal eens zien, hoe 'n mooie tent wij zullen maken."
+
+De jongens keerden naar huis terug. De bok liep met opgetrokken
+pooten, want hij vond de bevroren sneeuw erg koud, en hij was
+er slecht over gestemd, dat hij zijn warm plaatsje bij den hit
+had moeten verlaten. Karel draaide lustig aan het wiel van de
+automobile. "Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf klonk het achter den bokkenwagen. De
+beide lantarens gaven een helder licht, en de jongens vonden het een
+prettig tochtje. Zij spraken af, den volgenden morgen vroeg op te
+staan en dan ijverig te gaan bouwen aan de tent. Met een prettig
+gevoel in hun borst keerden zij in huis terug. Zij voelden zich
+tevreden en gelukkig.
+
+
+
+
+Twaalfde Hoofdstuk.
+
+Een goede daad, een vroolijke dag en een treurige morgen.
+
+
+Wat was Jan Trom vroeg wakker. 't Was nog maar kwart over zessen,
+toen hij uit zijn bed stapte. Zijn vader werd er wakker van, toen
+Jan de luiken opende.
+
+"Wie is daar?" vroeg Dik.
+
+"Ik Vader," zei Jan. "Weet u niet meer, dat we eene tent zouden bouwen
+voor Mietje van Klaas Touw. De bloemen staan weer dik op de ruiten. 't
+Heeft bepaald erg hard gevroren."
+
+"Zeker wel," zei Dik.
+
+Jan was spoedig aangekleed. Hij opende de provisiekast en nam er een
+paar sneden brood uit, die hij gebruikte met een glas melk. Daarna
+verliet hij het huis, om zijn vriend te gaan wekken. Nauwelijks was
+hij vertrokken, of ook Dik stapte zijn bed uit. Hij was bang, dat het
+bouwen van een ijstent de krachten der jongens te boven zou gaan, en
+daarom wilde hij gereed zijn om zoo noodig een handje te kunnen helpen.
+
+Karel van Dril was al op, toen Jan hem kwam roepen.
+
+"Wat is het koud, hè?" zei Karel huiverend.
+
+"Ja, erg koud," zei Jan. "Maar wij zullen ons wel warm werken. Om
+negen uur moet de tent klaar zijn, want dan gaat de school aan en
+moeten wij binnen zijn."
+
+"Ja," zei Karel. "Ik ben klaar, Jan. Zullen we gaan?"
+
+"Goed."
+
+De jongens gingen naar buiten. Lange, dunne palen namen zij op de
+schouders en droegen die naar het ijs. Het kanaal was dicht bij hun
+huis. Zij hadden den weg maar over te steken om het te bereiken. Een
+goed plaatsje was spoedig gevonden. Zij besloten de tent te bouwen
+vlak voor den winkel van Dik Trom. Een paar malen liepen zij heen en
+weer om alles te halen, wat zij noodig hadden.
+
+Daarna gingen zij aan het werk.
+
+Eerst moesten er met een bijl gaten in het ijs worden gemaakt. Jan
+begon te hakken. O, wat was het ijs hard. De splinters spatten hem
+bij elken hak om de ooren, en rinkelend vlogen zij een eind ver over
+de gladde ijsvlakte.
+
+'t Was een zwaar werkje. Al spoedig had Jan geen last meer van de koû,
+en hij merkte, dat het niet gemakkelijk zou gaan, een gat in het ijs
+te hakken. Hij zuchtte zoo hard, dat Karel er om lachen moest.
+
+"Toe maar, hak maar raak," zei hij. "Ik zal wel voor je zuchten."
+
+Jan begon te wanhopen, of hij er wel mee klaar zou komen. Maar
+eindelijk toch zakte zijn bijl door het ijs. Het water drong er
+doorheen. Nog een paar slagen, en het schotsje was los. Met de bijl
+wipte hij het stuk ijs omhoog.
+
+"Zie zoo, dat is er één," zei hij. "Nu den paal er in."
+
+"Doe jij dat maar, dan zal ik intusschen het tweede gat hakken,"
+zei Karel. Hij nam de bijl, en trok aan 't werk. Op dit oogenblik
+kwam Dik Trom aanstappen. Hij kwam eens kijken, of de jongens het
+klaar zouden spelen.
+
+"Gaat het goed?" vroeg hij.
+
+"Best, Vader," zei Jan. "O, maar wat is dat ijs hard. Ik kan er bijna
+niet doorheen slaan met de bijl."
+
+"Ja, dat dacht ik wel. Daarom kwam ik juist even kijken. Maar ik zie
+wel, dat mijn hulp niet noodig is. Hoeveel palen moeten er in?"
+
+"Wij dachten van zeven," zei Karel. "'t Zou met minder kunnen, maar
+als het dan wat hard gaat waaien, is de tent niet sterk genoeg."
+
+"Je hebt gelijk," zei Dik. "Wel, wel, wat is dat ijs gl...."
+
+"Glad," wilde hij zeggen, maar zoover kwam hij niet, want plotseling
+gleden zijne beenen onder hem weg, en viel de dikke Dik met een
+geweldigen bom op het ijs. Het ging zoo snel en onverwachts, dat hij
+eerst niet wist, wat er gebeurde. Het ijs kraakte niet zoo'n beetje,
+en er kwam een groote ster in.
+
+Gelukkig bezeerde Dik zich niet, en de jongens konden er dus naar
+hartelust om lachen. Doch zij gunden zich daar niet veel tijd toe,
+want zij moesten hard werken om op tijd klaar te komen. Om de beurt
+hakten zij een gat in het ijs, en toen Dik koud werd, hakte hij er
+ook een. De tent schoot flink op. Aan drie kanten werden er zeilen
+aan de palen bevestigd, en de vierde kant bleef natuurlijk open. Om
+acht uur waren zij met hun arbeid gereed. Toen repten zij zich naar
+huis, om een oude tafel, wat afgedankte stoelen en een paar banken te
+halen. Ook namen zij ieder eene vlag mêe, en die werden aan de twee
+voorste palen bevestigd. Om half negen was de tent kant en klaar. Dik
+was al lang naar huis, want hij zag, dat de jongens zijne hulp best
+konden ontberen, en hij vond het een prettiger idee voor hen, dat
+zij de tent geheel alleen bouwden. Toen om half negen Mietje op het
+ijs verscheen, sloeg zij van verbazing de handen in elkaar, en zij
+was wat grootsch op de mooie tent, die de jongens voor haar hadden
+gemaakt. En alles was gereed. Zij had er om zoo te zeggen zóó maar
+in te stappen. Alleen moest zij nog melk koken en de noodige koeken
+bij den bakker bestellen. De arme ziel wist geen woorden te vinden,
+om de jongens te bedanken voor alles, wat zij voor haar en haar zieken
+man hadden gedaan.
+
+"Hoe is het met Klaas?" vroeg Jan.
+
+"Nog hetzelfde," was het antwoord. "Hij ligt nu al vier weken te
+bed, en ik zie niet den minsten vooruitgang. Maar hoe zou dat ook
+kunnen? Wij zijn te arm, om de versterkende middelen te kunnen koopen,
+die zijn verzwakt lichaam noodig heeft, want hij is door en door
+verzwakt, zegt de dokter."
+
+"Nu, wie weet, hoeveel u vandaag nog verdient," zei Karel. "En hoe
+is het met Fik?"
+
+"O, die is weer geheel en al in orde. Hij houdt den baas
+gezelschap. Die moet natuurlijk den heelen middag alleen in huis
+blijven. Maar hij zal zich wel redden. Ik zal de tafel bij zijn bed
+schuiven en alles, wat hij noodig heeft, daarop klaar zetten. Vóór
+twee uur van middag behoef ik niet in de tent te staan, en om vijf
+uur kan ik wel al weer thuis zijn. Dan wordt het donker en gaan de
+schaatsenrijders naar huis. Dus langer dan een uur of drie, vier is
+hij niet aan zijn lot overgelaten. O jongens, wat redden jullie me
+heerlijk uit den nood; je weet niet, hoe dankbaar ik ben."
+
+"Dat is niet noodig, Mietje. We hopen, dat je vandaag nu maar
+flink geld verdient. Maar 't wordt voor ons tijd om naar school te
+gaan. Vanmiddag zullen we wel vacantie krijgen, denk ik, nu het zulk
+mooi ijs is."
+
+"'t Is te hopen," zei Karel. "Hè, wat heb ik een zin om te gaan
+rijden."
+
+"En ik!--Dag Mietje, tot vanmiddag!"
+
+De jongens gingen naar huis. Het gebruikte gereedschap namen zij mee,
+en eenige minuten later stapten zij de school binnen. Zij dachten
+dien morgen meer aan het mooie ijs, dan aan de lessen.
+
+Mietje was intusschen druk in de weer om alles voor den middag in
+gereedheid te brengen. Bij den bakker bestelde zij een groot getal
+ijskoeken, die ook wel dikke Pieten werden genoemd, eene lekkernij,
+waar de jongens verzot op waren, en die de meisjes ook wel lustten. Dik
+Trom had aan den bakker gezegd, dat hij voor de goede betaling borg
+stond. Ook gaf Dik de noodige chocolade en suiker, en mocht zij bij
+Wobbe op zijne rekening zooveel melk bestellen, als zij dacht noodig
+te hebben. Mietje vloeide over van dankbaarheid.
+
+"Zorg nu," zei Dik, "dat alles er netjes en zindelijk uitziet in je
+tent, en maak de kopjes telkens schoon, als er uit gedronken is. De
+menschen hebben een hekel aan vuile koppen en schotels."
+
+Dik wist wel, dat Mietje niet aan overdreven zindelijkheid leed.
+
+"Daar zal ik voor zorgen," zei Mietje.
+
+Van een kastelein had zij de noodige koppen en schotels geleend. Zoo
+werd Mietje door de hulp van verschillende menschen, die medelijden
+met haar hadden, netjes ingespannen, en om één uur stond zij al in
+hare tent, gereed om de gasten te ontvangen.
+
+Jan en Karel hadden goed geraden. Dien middag kregen zij inderdaad
+vacantie. Dat gaf eene vreugde. Onder een luid gejoel verlieten de
+kinderen de school, om te gaan eten. Sommigen gunden zich daar haast
+den tijd niet eens toe, zoo verlangden zij om op 't ijs te komen.
+
+Om een uur krioelde het al van jongens en meisjes op de baan, en Mietje
+kreeg het al aardig druk in hare tent. Jan en Karel waren er ook. Hun
+eerste gang was naar Mietje, want zij wilden graag de eersten zijn,
+die wat bij haar kochten. En Mietje zag er wat helder uit. Van Anneke
+had zij een grooten huishoudboezelaar gekregen, die hare armoedige
+plunje geheel bedekte. Ook de kopjes waren helder gewasschen, en
+'t zag er gezellig bij haar uit. Jan en Karel zagen met genoegen,
+dat zij het verbazend druk kreeg. Dat was trouwens geen wonder, want
+zij was de eenige, wier tent geheel klaar was. Er waren er nog wel
+verscheidene in aanbouw, maar gereed was er nog maar een, en dat
+was de hare. Wat hadden de twee jongens er een pret in. Vroolijk
+zwierden zij op de baan heen en weer, want zij konden goed rijden,
+vooral Jan. Die kon al zwieren als de beste. Dat had hij van zijn
+vader geleerd die ook een groot liefhebber van het ijsvermaak was. En
+als zij een poosje gereden hadden, gingen zij uitrusten in de tent
+van Mietje, die er recht gelukkig en tevreden uitzag, want zij kon
+wel aan het bedienen blijven.
+
+"Dikke Pieten! Dikke Pieten!" riep Karel lachend zijne kameraden
+toe. "Steekt er eens op, en legt er eens aan! Lekkere, versche dikke
+Pieten! De mooiste ijskoeken van de wereld!"
+
+De jongens en meisjes lachten er om, en toen zij hoorden, dat Mietje
+het zoo erg arm had en dat haar man ziek was, en daarbij vernamen, dat
+Karel en Jan samen die mooie tent voor haar hadden gebouwd, kijk,--toen
+wilde iedereen ook een steentje bijdragen om den nood der arme menschen
+te lenigen, en wie wat koopen wilde, deed het daarom bij Mietje.
+
+Jan ging ook achter de tafel staan, en riep zoo hard hij kon:
+
+
+ "Heete melk en koude Jan,
+ Steekt er eens op en legt er eens an!"
+
+
+De kinderen moesten er hartelijk om lachen, maar 't gevolg was toch,
+dat de koeken als 't ware wegvlogen, en dat Mietje telkens een nieuwen
+voorraad melk moest koken. Hare zaakjes gingen best, opperbest, en
+zij ontving zooveel geld, als zij in haar heele leven nog niet bij
+elkaar had gezien.
+
+Later op den middag kreeg zij het nog drukker. Toen kwamen de groote
+menschen op de baan. Ook Dik Trom stapte met zijn schaatsen onder
+den arm het ijs op. En even later verschenen de twee mannen, met
+wie hij al van zijne vroegste jeugd af trouwe vrienden was geweest,
+namelijk Piet van Dril, de smid, en Jan Vos, de metselaar. In de
+tent van Mietje bonden zij de schaatsen onder. Dik trakteerde eenige
+jongens, die dicht in de nabijheid stonden, op dikke Pieten, en even
+later zwierde het drietal lustig over de baan. Wat kreeg deze meer en
+meer een vroolijk aanzien. De andere tenten waren nu langzamerhand ook
+gereed gekomen, en de vlaggen wapperden vroolijk in den wind. En wat
+kwamen er een menschen op het ijs! 't Werd er hoe langer hoe voller,
+en soms, als de menschen erg dicht op een hoop stonden, gaf het ijs
+een geweldigen krak, zoodat iedereen er van schrikte en men ijlings
+uit elkander stoof.
+
+De baanvegers hadden weinig te doen, want het ijs was spiegelglad. Des
+te meer tijd hadden zij om geld op te halen.
+
+"Een centje voor den baanveger!" klonk het hier. "Een centje voor den
+baanveger," klok het daar. 't Leek wel, of de baanvegers uit den bodem
+van het kanaal opstegen, zooveel kwamen er. Maar de schaatsenrijders
+genoten volop, en zij hadden een gulle bui. Dik Trom, wiens winkel
+thans verreweg de grootste was van het geheele dorp, zoodat hij veel
+geld verdiende en van nabij met den toestand der baanvegers bekend was,
+liet menig dubbeltje in de handen der baanvegers overgaan. Hij was
+niet gierig, en als hij wist, dat hier of daar armoede geleden werd,
+was hij altoos bereid om te helpen. Hij was dan ook verbazend bemind
+onder zijne dorpsgenooten. Iedereen had een vriendelijk woord voor
+hem over, en niemand passeerde hem zonder een groet.
+
+"Dag Dik!" werd er overal geroepen, waar hij voorbij reed. "Dag
+Dik! Dat is nog eens een echt ouderwetsch dagje, hè?"
+
+'t Was vreemd, maar Dik werd op het dorp nog bijna door iedereen Dik
+genoemd. Zelden zeide men Trom tegen hem.
+
+Hij kon mooi schaatsenrijden, veel mooier, dan men van zoo'n
+dikken man verwacht zou hebben. Als hij goed aan het zwieren was,
+had hij aan de breede baan niet genoeg, neen, dan gebruikte hij
+wel de halve breedte van het kanaal. En 't was grappig om te zien,
+als Jan achter hem aanzwierde. Dik had altoos een ijsstok bij zich,
+met aan elk einde een knop. Soms hield Dik het eene einde onder den
+arm, en Jan het andere, en dan zwierden zij samen zoo kolossaal,
+dat de menschen bleven staan om er naar te kijken. En 't was een
+grappig gezicht, dien dikken Dik en dien mageren Jan samen aan den
+stok te zien zwieren. Iedereen lachte er om, en Dik zelf ook.... Ha,
+wat was Jantje dan grootsch. Dan reed hij zoo prachtig beentje-over,
+dat Karel van Dril er jaloersch op was.
+
+Het drukste punt van de geheele ijsbaan was, waar de tent van Mietje
+stond. Karel en Jan zagen met onbeschrijflijk veel genoegen, dat hare
+tent nooit leeg was. Altijd zaten er menschen op de stoelen of banken,
+om uit te rusten, en iedereen gebruikte wat bij haar. De koek was om
+drie uur al uitverkocht, maar melk had zij in overvloed. Haar zak
+was zwaar van de centen, die zij ontvangen had, en steeds kwam er
+meer bij. Iedereen wilde haar helpen in den nood. Alleen de andere
+tenters waren er een beetje boos om, maar toch niet heel erg, want
+het was zóó druk op de baan, dat ook zij een heel goeden dag maakten.
+
+Frans Thor en Klaas Zwart waren ook aan het schaatsenrijden, maar de
+andere jongens ontweken hen zooveel mogelijk. Zij wilden 't liefst
+niet met hen te maken hebben.
+
+Eindelijk begon de schemering te vallen, en de drukte op het ijs
+verminderde gaandeweg. Vele boerenjongens en -meisjes moesten naar
+huis, om de koeien te melken en het vee te voederen, en langzamerhand
+zakten ook de anderen op huis af. Jan en Karel waren onder de laatsten,
+die vertrokken.
+
+"Kunnen we je helpen, om een en ander naar huis te brengen,
+Mietje?" vroegen zij. Want zij hadden zich nu eenmaal voorgenomen,
+Mietje zooveel zij konden terzijde te staan.
+
+"Neen, jongens, dank je vriendelijk," was het antwoord. "De kopjes
+en schoteltjes doe ik in een sleetje en neem ik meê naar huis. Maar
+den vuurpot en den ketel laat ik van nacht hier maar staan. Dat wordt
+anders maar heen- en weer sjouwen voor niemendal."
+
+"En heb-je goede zaken gemaakt?" vroegen de jongens blij, want zij
+wisten wel, hoe het antwoord zou zijn.
+
+"Goede zaken?"--Of ik!" zei Mietje, en zij klopte met hare hand
+op den zak, die onder haar boezelaar hing. De jongens hoorden een
+rinkelend geluid.
+
+"Allemaal centen, Mietje!" plaagde Jan. "Dat beschiet niet veel."
+
+"Allemaal centen?" herhaalde Mietje, terwijl zij een flinken
+greep in den zak deed, en den inhoud van hare hand op de tafel
+uitstortte. "Allemaal centen? Kijk eens, een dubbeltje, weer een, hier
+nog een, een kwartje, nog een kwartje, daar nog een dubbeltje,--neen,
+neen, als het nog een paar dagen mag blijven vriezen, ga ik den winter
+zonder zorg tegemoet.--En dat heb ik alles aan jelui te danken,--en
+aan je vader, Jan."
+
+Zij deed het geld weer in den zak, pakte alles wat meegenomen moest
+worden, in de slede, schoof de tafels en stoelen zooveel mogelijk in
+elkaar en ging naar huis.
+
+"Zeg aan je vader, dat ik vanavond met hem kom afrekenen," zei ze
+nog tegen Jan. "Ik heb vandaag wel zooveel verdiend, dat ik mezelf
+verder redden kan. 't Is een pak van m'n hart, jongens."
+
+Jan en Karel gingen recht vergenoegd naar huis. De lucht zag er wel
+naar uit, dat het weer geducht vriezen zou.
+
+'s Avonds kwam Mietje inderdaad met Dik afrekenen en zij deelde hem
+mede, dat zij wel meer dan twintig gulden had verdiend. Dik was er
+recht blijde om, en hij gaf Jan een knipoogje, of hij zeggen wilde:
+"Zie je, Jan, dat is het werk van jou en je vriend. Je hebt eene
+goede daad gedaan."
+
+Vol vreugde keerde Mietje naar haar hutje terug. Klaas en zijne vrouw
+hadden zich in langen tijd niet zoo gelukkig gevoeld.
+
+Helaas, de blijdschap van Mietje zou al spoedig in verdriet
+veranderen. Toen zij den volgenden morgen in de tent kwam, om alles
+voor den middag in orde te brengen, want het had weer sterk gevroren,
+bemerkte zij tot haar grooten schrik, dat de ijzeren pot, dien zij
+van Van Dril te leen had gekregen, en de mooie koperen ketel, dien
+De Vries, de kastelein, haar ten gebruike had afgestaan, verdwenen
+waren. Eerst meende zij nog, dat de andere tenters een grapje hadden
+willen hebben en een en ander hadden weggehaald, maar dat bleek niet
+zoo te zijn. Die menschen vermisten ook voorwerpen, die zij in de
+tenten hadden achtergelaten, en zij waren erg boos en terneergeslagen.
+
+"'t Is eene schande," zei er een. "Ik dacht zóó, dat de diefstallen
+ten einde waren, en nu komen zij ons armoedje nog wegstelen."
+
+"Ja, 't is eene schande," zei een ander. "De politie doet hier ook
+niets. Maar ik ga naar den burgemeester om mij te beklagen. 't Is
+verregaand, dat er niets meer veilig is op 't dorp."
+
+"Ik ga meê," riep een derde.
+
+"En ik! En ik," zeiden de anderen.
+
+En te zamen verlieten zij het ijs, om naar den burgemeester te gaan
+en hem te zeggen, dat er verschillende voorwerpen uit de tenten
+ontvreemd waren.
+
+Mietje kreeg de tranen in de oogen. Al hare verdiensten waren weer
+weg, want zij moest de gestolen voorwerpen natuurlijk vergoeden, dat
+begreep zij zeer goed. Allereerst ging zij naar Van Dril, om hem te
+zeggen, wat er gebeurd was.
+
+"Dat is verregaand!" riep hij uit. "'t Wordt hoog tijd, dat de dieven
+gesnapt worden, want zóó kan het niet langer. Maar jij, arme ziel,
+behoeft de schade niet te lijden. Hier staat nog een andere pot met
+toebehooren. Gebruik dien maar, doch laat hem 's nachts niet meer op
+het ijs staan. Alles, wat je in de tent gebruikt, moet je vanavond
+opbergen. Anders heb je kans, dat morgen alles weer verdwenen is."
+
+Mietje bedankte van Dril voor zijn goedheid, en begaf zich dadelijk
+naar de Vries. Maar deze was lang zoo vriendelijk niet als de smid. Hij
+werd zelfs onbillijk.
+
+"Daar heb je 't al," riep hij uit, toen Mietje hem het gebeurde had
+verteld. "Dan leen je aan zulk volk je beste spullen, en in plaats,
+dat zij er dankbaar voor zijn en er goed op passen, maken ze, dat
+je ze nooit terugziet. Maar je zult me den ketel betalen, wat ik
+je zeg! 't Was een beste, koperen ketel, een zware koperen ketel,
+en ik laat hem maar niet goedschiks verdonkeremanen! Wie weet, wat
+je er mêe uitgevoerd hebt."
+
+"Ik? Er mêe uitgevoerd?" zei Mietje schreiend. "Ach, wat heb ik er een
+spijt van, dat ik hem niet meegenomen heb naar huis, gisterenavond,
+maar de andere tenters lieten hun boeltje ook in de tent achter,
+net zoo goed als ik. Wie kon ook denken, dat de menschen zoo slecht
+zouden zijn, om ons armoedje weg te stelen."
+
+"Alles goed en wel, maar ik moet den ketel terughebben, of je zult
+mij de schade vergoeden. Met minder dan vijf gulden ben ik niet
+tevreden. 't Was een dure ketel, en nog zoo goed als nieuw!"
+
+"Vijf gulden?" stamelde Mietje verschrikt. "Vijf gulden, zegt u?"
+
+"Ja, vijf gulden minstens," was het antwoord. "Koper is duur."
+
+Verdrietig keerde Mietje naar de tent terug. Zij wist geen raad om
+zich te helpen.
+
+"Wie zal mij weer een ketel leenen?" vroeg zij droevig.
+
+"Dat zal ik doen," zei Anneke. "Je kunt mijn ketel gebruiken, Mietje,
+als je er maar voor zorgt, dat hij elken avond bij mij binnengebracht
+wordt."
+
+"O, dat zal ik zeker," zei Mietje. "Een ezel zelfs stoot zich geen
+tweemaal aan denzelfden steen."
+
+'t Ging als een loopend vuurtje door het dorp, dat de dief weer aan
+den gang was geweest. En de burgemeester vond, dat er hoog noodig
+een einde aan moest komen. Zoodra hij het gebeurde vernomen had,
+liet hij dadelijk Flipsen bij zich ontbieden. Deze kwam direct, en
+onderweg vernam hij al, wat er aan de hand was. Maar de burgemeester
+vertelde het hem nog eens dunnetjes over. Flipsen hoorde hem zwijgend
+aan; er speelde een bijna onmerkbaar glimlachje om zijne lippen. Hij
+meende te weten, waar hij thans zoeken moest.
+
+"Je moet bij de tenters eerst gaan onderzoeken, welke voorwerpen door
+hen worden vermist, en dan zoek je maar net zoo lang, tot je den dief
+gevonden hebt," besloot de burgemeester.
+
+"Laat het maar aan mij over, burgemeester," zei Flipsen met een hooge
+borst. "Ik zal het zaakje wel afwikkelen."
+
+Hij stapte op het ijs, en begaf zich met een zakboekje in de linker
+en een potlood in de rechterhand van de eene tent naar de andere,
+en overal vroeg hij, welke voorwerpen gestolen waren. Het bleek hem,
+dat alle tenters hun ijzeren pot en grooten ketel hadden achtergelaten,
+en dat die nu vermist werden.
+
+De tenters waren er bitter slecht over te spreken, en Flipsen moest
+menig onaangenaam woord hooren.
+
+"Waarom heb je niet beter uitgekeken?" vroeg er een. "Je doet ook
+niet veel voor den kost, Flipsen."
+
+En een ander merkte op:
+
+"Of wij politie op het dorp hebben of geen politie, dat komt op
+hetzelfde neer. De dieven doen toch maar, wat ze willen."
+
+"'t Is jullie eigen schuld," gaf Flipsen ten antwoord. "Wie laat
+zulke dingen bij nacht en ontijd ook buiten staan? Je bent te lui om
+voor je spullen te zorgen, en als ze dan gestolen worden, krijgt de
+politie de schuld. Zoo is het altijd. 't Is het oude liedje en anders
+niet. Doch heb maar geduld. Dezen keer zul-je eens zien, dat Flipsen
+wèl uit zijne oogen gekeken heeft, en terdege ook. Eer we een halven
+dag verder zijn, heb ik de dieven gesnapt, want er is er niet één,
+maar er zijn er twee."
+
+De menschen keken hem ongeloovig aan.
+
+"Twee?" vroegen ze. "Zijn er twee? Weet je dan, wie de daders zijn?"
+
+"Ik weet, wat ik weet," gaf Flipsen gewichtig ten antwoord. "En ik
+zeg, hebt maar geduld. Je zult je verloren zaakjes spoedig genoeg
+terug hebben, veel vlugger zelfs, dan je denkt."
+
+Flipsen keerde zich om en begaf zich regelrecht op weg naar--den
+pottenschipper. De menschen zagen dat tot hunne verbazing, en ook zij
+begaven zich naar de hun welbekende schuit, die niet ver van de tent
+van Mietje aan den wal lag. Dat was hare vaste plaats. Een plank
+lag van de schuit naar den walkant om te maken, dat de bezoekers
+gemakkelijk op de schuit konden komen.
+
+Flipsen liep de plank over en deed het deurtje van de kajuit open,
+die den pottenschipper tot woonvertrek diende. Eene warme lucht kwam
+den veldwachter tegemoet. Hij zag dadelijk, dat de pottenschipper bij
+een klein tafeltje zat met een pijpje in den mond. De rook dwarrelde
+door het geopende deurtje naar buiten.
+
+"Goeden dag," zei Flipsen binnentredende. Zijne oogen dwaalden
+onderzoekend in het kleine vertrekje rond.
+
+"Dag Flipsen," was het antwoord. "Kom binnen. Wat is er van je dienst?"
+
+"Dat zal ik je zeggen. Er zijn ijzeren potten en verscheidene ketels
+gestolen uit de tenten, die op het ijs staan."
+
+"Is het waar?" vroeg de pottenschipper. En hij liet er op volgen:
+"Wat zijn die menschen onvoorzichtig, om zulke dingen 's nachts te
+laten staan. 't Is meer dan dom."
+
+"Dat is het," zei Flipsen.
+
+"Maar ik begrijp niet, wat ik daarmede te maken heb," hernam de
+schipper. "Ik ben gelukkig geen dief, en heb ze niet gestolen."
+
+"Zoo--ja, dat kan wel," zei Flipsen, die wel een beetje in de
+war raakte, toen hij den schipper zoo kalm zag zitten. De man was
+blijkbaar in 't geheel niet geschrokken door zijn bezoek, wat Flipsen
+toch stellig verwacht had.
+
+"Zoo--ja, dat kan wel," herhaalde hij. "En dat wil ik wel gelooven ook,
+maar ik dacht, de pottenschipper is iemand, die vodden, beenen, oud
+ijzer en dergelijke dingen opkoopt. Misschien kan hij me inlichtingen
+geven, die me een beetje op weg helpen. Want die dieven moeten gevonden
+worden, dat spreekt van zelf."
+
+"Juist, hoe gauwer, hoe beter," zei de pottenschipper. "Ik heb,
+zooals je weet, heel wat potten en pannen boven op mijn schuit staan,
+en ik houd mijn hart in mijn lijf vast, dat de dieven daar ook een
+bezoek zullen brengen. Wat zou ik lachen, als je ze snappen kon,
+Flipsen; 't is meer dan tijd. Maar inlichtingen,--neen, die kan ik
+niet geven. Ik heb van niets gemerkt."
+
+"En is u niets van dien aard te koop aangeboden ook?" vroeg Flipsen,
+terwijl hij zijn oogen strak op die van den schipper gevestigd hield.
+
+"Nu nog mooier!" riep deze uit. "Ze moesten het eens wagen met
+gestolen goed bij me aan te komen! Wat zouden ze gauw mijne schuit
+uit zijn. Neen man, voor zoo iets zijn ze bij mij aan het verkeerde
+kantoor. Daar moet ik niets,--niemendal van hebben. Dank je hartelijk!"
+
+De veldwachter stond op. Hij begreep thans zeer goed, dat de
+pottenschipper òf totaal onschuldig was, òf dat deze te slim was om
+zich te laten uithooren. Hij zeide dus:
+
+"'t Spijt me, dat u me geen inlichtingen kan geven. Mag ik nu de
+schuit nog even van binnen bekijken?"
+
+"Wel, nu nog mooier!" riep de schipper boos uit. "Wou je mijn schuit
+doorzoeken? 't Is fraai, dat moet ik zeggen. En met welk doel, als
+ik vragen mag?"
+
+"Louter uit nieuwsgierigheid," zei Flipsen. Hij klom op het dek
+en begaf zich naar de voorzijde van de schuit. Hij wist, dat daar
+de ingang was van het ruim, waar de schipper zijne meeste goederen
+bewaarde. Deze volgde hem onwillig, en hij deed niets dan mopperen
+over de onbeschaamdheid van Flipsen.
+
+"'t Is een schande, om een fatsoenlijk mensch van diefstal te
+verdenken," zei hij. "Welke reden heb je daarvoor? Wie heeft er iets
+op mij aan te merken?"
+
+Flipsen zei niets. Hij ging het ruim binnen en keek onderzoekend
+rond. Maar hij zag niets dan steenen voorwerpen voor huishoudelijk
+gebruik, en alles fonkelnieuw. Achter in het ruim, in een donkeren
+hoek, vond hij ook nog een hoop vodden, beenen en oud-roest. Hij
+was er te vies van, om het met zijne handen aan te raken. Daarom
+trok hij zijn sabel en wroette in den hoop rond. Maar hij ontdekte
+niets verdachts, wat hem geducht tegenviel, want hij had er stellig
+op gerekend, de gestolen voorwerpen hier aan te treffen. Er bleef
+geen gaatje ondoorzocht, en eindelijk verliet hij de schuit, zonder
+iets wijzer geworden te zijn.
+
+Er hadden zich heel wat menschen op den kanaalkant verzameld,
+om den afloop van Flipsen's onderzoek af te wachten. Maar zij
+zagen al dadelijk aan zijn gezicht, dat hij niets gevonden had. De
+pottenschipper beklaagde zich met luider stem tegen de menschen
+over de schande, die Flipsen hem had aangedaan, en zijn toehoorders
+vonden, dat hij wel een beetje gelijk had. Ook Frans Thor en Klaas
+Zwart bevonden zich onder de toeschouwers. Zij zeiden niets, en Klaas
+Zwart zag zelfs een beetje bleek. De pottenschipper zag hen staan,
+en hij zeide zoo luid tegen Flipsen, dat iedereen het hooren kon:
+
+"Als er nu weer eens wat vermist wordt, hoop ik van je vereerend
+verzoek verschoond te blijven, Flipsen. Je weet nu eenmaal, dat ik
+part noch deel aan de zaak heb. Ik ben een eerlijk koopman, en houd
+mij met slechte practijken niet op."
+
+Een zucht van verlichting ontsnapte bij die woorden aan de borst
+der beide jongens, en onmerkbaar stootten zij elkander met den
+elleboog aan.
+
+Flipsen was erg teleurgesteld. Hij begreep, dat hij het spoor van
+den dief weer geheel bijster was, en hij wist niet, wáár thans te
+zoeken. Toch gaf hij het nog niet op. Regelrecht ging hij naar de
+woning van Klaas Zwart, en ook daar doorzocht hij het heele huis en de
+schuur. Maar alweer tevergeefs. Daarna begaf hij zich naar 't huis van
+Thor, den oud-gediende uit Indië. Deze ontving hem ver van vriendelijk,
+maar daar stoorde Flipsen zich niet aan. Hij doorsnuffelde ook diens
+woning van boven tot beneden, echter zonder het gewenschte gevolg. Hij
+kwam tot de conclusie, dat hij zich totaal vergist had. En toch stond
+het bij hem vast, dat de dief op het dorp woonde.
+
+
+
+Dertiende Hoofdstuk.
+
+Hoe Jantje op een gelukkig idée kwam.
+
+
+Er werd 's avonds, toen de lampen opgestoken waren en de menschen
+gezellig in de kamer rondom de kachels zaten, heel veel over het
+gebeurde gesproken. Zoo ook bij Dik Trom. Jan Vos en Piet van Dril
+waren bij hem op visite, en Anneke had anijsmelk gekookt, tot groote
+vreugde van Jan, die zijn vriendje Karel ook bij zich mocht hebben,
+en bizonder veel van anijsmelk hield.
+
+'t Was een recht prettige avond, want de drie oude vrienden zaten te
+praten over hunne kinderjaren, en de twee jongens luisterden met open
+mond naar hetgeen er verteld werd. Eindelijk kwam het gesprek ook
+op den gepleegden diefstal, en algemeen waren zij het er over eens,
+dat het een laaghartige daad was. Ja, vroeger was er ook meermalen
+gestolen, maar nu had de dief zelfs de laagheid gehad de spulletjes
+weg te stelen van de armsten onder de armen. 't Was wel zoo erg,
+als het maar wezen kon.
+
+"En Flipsen was de plank heelemaal mis," zei Dik. "Hoe kwam hij er
+ook toe, den pottenscihpper van den diefstal te verdenken? Die man
+komt zelden of nooit zijne schuit uit."
+
+"Dat is wel mogelijk," zei Jan Vos, "maar vroeger moet hij een echte
+deugniet geweest zijn, heb ik wel eens gehoord."
+
+"O, vroeger!"--meende Piet van Dril, "vroeger, dat is nù niet. Een
+mensch kan zich beteren."
+
+"Dat is waar," zei Dik. "Ik geloof er trouwens ook niets van, dat hij
+er aan schuldig is. Maar 't is toch wonderlijk, dat de dief zoo lang
+met zijne diefstallen kan doorgaan, zonder betrapt te worden. Flipsen
+loert avond aan avond op hem, en hij is waarlijk toch niet voor
+de poes."
+
+"Neen, dat geloof ik ook!" zei Piet van Dril lachend. "Daar weten wij
+van mêe te praten, hè?--Denk nog maar eens aan een zeker avondje in
+den tuin van den burgemeester...!"
+
+Allen schoten in den lach.
+
+"Ja, maar toen waren wij hem toch te knap af!" zei Dik.
+
+Zoo zaten zij nog lang te praten, tot Jan Vos opeens zeide: "Als het
+zoo blijft voortvriezen, zal de visch het gauw benauwd krijgen onder
+het ijs. Morgen moet ik toch eens probeeren, of ik niet een lekker
+maaltje paling kan vangen."
+
+"Ja, doe dat maar," zei zijne vrouw, die intusschen druk met de andere
+vrouwen had zitten praten. "Overmorgen is het Zondag, en dan wil ik
+wel graag een lekker maaltje hebben."
+
+"Paling vangen? Hoe doet u dat dan?" vroeg Jan nieuwsgierig.
+
+"Wel jongen, als 't ijs erg dik is, krijgt de paling het er benauwd
+onder en begeeft zich naar de bijten en wakken, waar open water
+is. Met een sikkel, die aan een langen stok bevestigd is, kun-je ze
+gemakkelijk uit het water op het ijs wippen. Dat vereischt alleen
+maar wat behendigheid."
+
+"Zwemmen ze dan niet weg?" vroeg Karel.
+
+"Neen jongens," zei Dik. "Of het van de koû komt, of van wat anders,
+dat weet ik niet, maar zij zijn bij sterk ijs min of meer suf. Je
+kunt ze dan vrij gemakkelijk vangen."
+
+"Willen wij dat morgen ook eens gaan doen?" vroeg Karel aan Jan. "Wij
+hebben dan toch den heelen dag vrij."
+
+"Ik vind het best," zei Jan. "Graag zelfs. Van Dril, heeft u voor
+ons elk ook een sikkel? Dan gaan wij morgen op de vangst."
+
+"Zeker wel, jongens, er liggen oude sikkels genoeg in de smederij. Als
+je er zelf dan maar een langer handvat aan maakt, want het gewone
+handvat is voor dat werk te kort. Je moet er een stok aan doen,
+ongeveer zoo lang als je arm."
+
+"Een gewone lat is wel goed," zei Dik.
+
+Jan en Karel spraken af, dat zij er na het ontbijt samen op uit zouden
+trekken. De sikkels zouden spoedig genoeg in orde zijn, daar waren
+zij het over eens.
+
+En zoo gebeurde het ook. Toen Jan ontbeten had, ging hij naar Karel,
+die al twee goede sikkels had opgezocht. Zij haalden de handvatten er
+af, en deden er langere voor in de plaats. In een kwartiertje waren zij
+daarmede klaar. Karel nam een emmertje meê, om er de visch in te doen,
+en zoo trokken zij er samen op uit. Ook namen zij elk een bijl mede,
+om hier en daar een gat te hakken. 't Eerst gingen zij naar de bijt,
+die voor het huis van Dik Trom gehakt was. Het ijs van den laatsten
+nacht lag er nog in. Zij hakten het los en trokken de schotsen op
+het ijs. Toen keken zij in de bijt, en waarlijk, heel rustig lag daar
+een dikke paling op den bodem.
+
+"Kijk, kijk, daar ligt er een," zei Jan, die hem het eerst zag.
+
+Hij stak den sikkel voorzichtig onder het beest door en wipte hem met
+een snelle beweging omhoog. Daar spartelde de paling op het ijs. Ha,
+wat kronkelde hij zich! De jongens sprongen beiden op hem toe, want
+hij lag dicht bij den rand van de bijt.
+
+"Grijp hem, grijp hem!" riep Jan zijn vriend toe, want deze was het
+dichtst bij hem. Maar Karel kwam te laat. Wel gelukte het hem nog
+den paling te grijpen, maar deze kronkelde zich om zijn arm heen,
+en dat vond Kareltje zoo'n eng gevoel, dat hij het beest met een
+rilling over de leden losliet. Op 't volgende oogenblik verdween de
+paling in de bijt, en de jongens hadden nakijk.
+
+"Hè, wat is dat jammer!" riep Jan spijtig uit. "Hoe dom ook van je,
+om hem weer los te laten, toen je hem zoo mooi vast hadt."
+
+"Hu, wat glibberig was hij, en wat kronkelde hij akelig om mijn
+arm heen," zei Karel, wien opnieuw eene huivering over den rug
+ging. "Precies een slang."
+
+"Dat zal jij wel weten," zei Jan. "Je hebt nog nooit een slang gezien."
+
+"Genoeg,--meer dan jij," meende Karel. "In Artis."
+
+"O, in, Artis. Daar liggen ze achter glas.--Nu, deze is in elk geval
+weg, en wij zullen hem wel nooit terugzien. Wat was het een dikkerd."
+
+"Of hij dik was," zei Karel. "Akelig dik."
+
+"In deze bijt is niets meer te zien. Willen we naar die van den
+burgemeester gaan aan den overkant? Dat is ook eene groote bijt."
+
+"Mij goed," zei Karel. "Maar ik pak ze vast niet meer met mijne handen
+beet. Hu, wat een akelige beesten."
+
+"Je bent een bangerd, hoor!" spotte Jan.
+
+"Jij bent een held!" zei Karel. "Dat weet ik wel."
+
+"In elk geval zou ik hem niet loslaten, als ik hem eenmaal te pakken
+had," zei Jan.
+
+Zij liepen het kanaal over, en kwamen bij de bijt van den
+burgemeester. Hun eerste werk was ook hier het ijs van den laatsten
+nacht los te hakken en de schotsen op het ijs te trekken. Toen dat
+gebeurd was, keken zij in het water.
+
+"Ik zie er een," zei Karel.
+
+"Ik ook,--wel twee," zei Jan.
+
+Zij brachten de sikkels in het water, en op 't volgende oogenblik
+spartelden twee palinkjes op het ijs. Jan wierp er een van in
+het emmertje, maar Karel was niet te bewegen, den tweeden aan te
+grijpen. Jan moest er om lachen.
+
+"Help, help, hier is er een," schreeuwde Karel, die moeite had om
+het beest met zijn sikkel van de bijt weg te houden. 't Beest wilde
+met alle geweld weer in 't water.
+
+"Pak hem dan!" riep Jan hem lachend toe.
+
+"Ik dank je,--ik moet er niets van hebben. Toe dan, Jan, grijp hem,
+of we zijn hem kwijt."
+
+Jan kwam zijn vriend te hulp, en spoedig was ook de tweede paling in
+het emmertje opgeborgen. Maar van den derden was, toen zij weer in
+de bijt keken, geen spoor meer te vinden. De jongens hadden hem wat
+al te veel lawaai gemaakt naar zijn zin, zoodat hij het verstandig
+geoordeeld had, zich wat uit hunne nabijheid te verwijderen. Maar Jan
+en Karel waren toch wat in hun schik met hunne vangst, en zij begaven
+zich van de eene bijt naar de andere. De voorraad in hun emmertje
+werd steeds grooter, en zij twijfelden niet, of zij zouden wel een
+flink maal bij elkander krijgen.
+
+Lachend zei Karel tot Jan:
+
+"Als Vos op de vangst gaat, zooals zijn plan was, zal hij niet erg
+veel meer vangen. Wij hebben zoetjes-aan alle bijten van het dorp
+afgevischt."
+
+Jan lachte ook.
+
+"Dan vischt hij achter het net," zei hij. "Kijk, ginds gaan Frans
+Thor en Klaas Zwart. Zij hebben ook bijlen bij zich. Ik denk, dat
+zij ook op de vangst uitgaan."
+
+"Laat hen maar vooruitgaan," zei Karel. "Wij zijn op hun gezelschap
+niet gesteld. Willen wij nu buiten het dorp gaan, voorbij het
+fort? Daar zijn wel geen bijten, maar vader zegt, dat de visch zich
+aan de kanten van het kanaal ophoudt, zeker om beter lucht te kunnen
+krijgen. Dan hakken wij hier en daar eene schots los."
+
+"Mij goed,--best zelfs," zei Jan.
+
+De jongens gingen langs het fort en deden als gezegd is. En 't was
+inderdaad een prettig werkje voor hen, want zij vingen veel meer,
+dan zij verwacht hadden. Er waren palingen bij, wel zoo dik als hun
+pols. De jongens hadden de grootste moeite, om die dikke beesten in
+het emmertje te houden. Telkens keken de koppen boven den rand uit,
+en eens, toen het Karels beurt was om den emmer te dragen, kronkelde
+plotseling alweer zoo'n dier tegen zijn arm op. 't Gebeurde zoo
+onverwachts, dat hij er hevig van schrikte. Met een gil liet hij den
+emmer op het ijs vallen, en alle palingen kronkelden in het rond.
+
+"Jou ezel!" riep Jan uit. Maar veel tijd tot praten had hij niet, want
+hij moest dadelijk aan het vangen. En 't ging lang niet gemakkelijk,
+om de dieren weer in den emmer te krijgen, vooral nu hij alles alleen
+moest doen. Karel was niet te bewegen eene hand uit te steken. Hij
+vond de beesten zóó eng, dat hij ze niet durfde aanraken. Eindelijk
+had Jan ze alle weer verzameld.
+
+"Geef mij den emmer maar," zei hij. "Anders ligt het heele zaakje
+aanstonds weer op het ijs. Draag jij dan de bijlen."
+
+De jongens verwijderden zich hoe langer hoe verder van het dorp. Hier
+en daar waren kleine, vierkante bijtjes gehakt. Een schots lag er
+naast, om de schaatsendrijders te waarschuwen.
+
+"Dat zijn bijtjes van de visschers," zei Jan. "Die brengen er hunne
+netten door onder het ijs. Ik wed, dat ze heel wat vangen."
+
+"Dat denk ik ook," zei Karel. "Als je nagaat, wat wij al hebben,
+kun-je wel begrijpen, wat zij moeten vangen."
+
+Jan had het druk om de palingen naar beneden te duwen, die telkens
+opnieuw uit het emmertje wilden kruipen.
+
+"Heidaar, blijven waar je bent!" zei hij tegen een dikkerd, die
+nieuwsgierig over den rand keek. "Bij je kameraden blijven!"
+
+Bij een van de visschersbijtjes deden de jongens eene gelukkige
+vondst. In het riet namelijk zagen zij een groot stuk net liggen,
+dat zeker door de visschers weggeworpen was. Karel zag het het eerst.
+
+"Kijk eens, Jan,--dáár," zei hij. "Daar ligt een groot stuk net. Laten
+wij daar de palingen in doen, dan kunnen zij niet ontsnappen en hebben
+wij er geen last meer van."
+
+"Daar zeg je zoo wat," zei Jan.
+
+De jongens haalden het net uit het riet. Zij zagen, dat het een
+palingfuik wast geweest. Op verschillende plaatsen was het stuk.
+
+"De visschers hebben het zeker weggegooid," zei Jan. "En ons komt
+het mooi te pas."
+
+Zij deden de palingen in het net en bonden het dicht met een touwtje,
+dat Jan in den zak had.
+
+"Zie zoo, nu zitten ze goed bewaard," zei Jan.
+
+"Ja,--lekker warm. Ze zullen nu geen last meer van de kou hebben.--Zeg,
+wat hebben we er al veel, hè?"
+
+"Ja, heel wat. Mij dunkt, dat we er al meer hebben, dan we
+oplusten. Willen we nu weer naar huis gaan?"
+
+"Goed," zei Karel. "Het begint mij zoetjes-aan te vervelen ook. Zullen
+we vanmiddag gaan schaatsenrijden?"
+
+"Ja,--dat is afgesproken."
+
+Karel had de sikkels en de bijlen op den schouder, en Jan droeg het
+net met de paling. Zoo kuierden zij samen naar het dorp terug.
+
+Toen zij dicht bij het fort gekomen waren, en dus het dorp bijna
+hadden bereikt, hoorden zij achter zich het krassen van schaatsen
+op het ijs, en het schuifelen van een slede. Omziende zagen zij,
+dat het twee visschers waren, die eene slede voortduwden. Zij kenden
+de mannen niet. 't Waren zeker lieden van een ander dorp. Zoodra die
+menschen hen bereikt hadden, hielden zij stil.
+
+"Hola, jongens, wacht eens even," riep een van hen hun toe.
+
+Zij bleven staan, en de twee mannen kwamen met groote schreden op
+hen af.
+
+"Zie je wel?" zei de een tegen den ander. "Daar heb je de dieven al."
+
+"Ja," was het antwoord van den tweede.
+
+Deze greep het net en rukte het Jan driftig uit de hand.
+
+"Hoe kom jij aan dat net?" vroeg hij op barschen toon.
+
+"Ja, hoe kom jij aan dat net, kleine dief!" zei de andere visscherman.
+
+"Dat hebben wij gevonden, ginds in het riet," zei Jan. "Hoe zouden
+wij er anders aankomen?"
+
+"En die paling dan?" vroeg een der visschers smalend. "Die heb je
+zeker ook gevonden, hè kereltje?"
+
+"Neen," zei Jan, "die hebben we gevangen."
+
+"Juist, die hebben we gevangen," zei ook Karel.
+
+"In dit net zeker, hè, en dit net heb je onder het ijs gevonden,
+hè? Ja, ja, eerlijk gevonden, hè?"
+
+"Eerlijk gestolen," zei de andere visscher. "Houdt je maar niet van den
+domme, want dat baat je niemendal. Dit net is van òns, en jullie hebt
+onze fuiken gelicht. Maar dat zal je berouwen, wat ik je zeg. Vooruit,
+kereltjes, gaat maar eens mee naar den burgemeester."
+
+"Ik zeg, dat het niet waar is!" riep Jan de visschers driftig toe,
+en hij werd rood van kwaadheid. "Wij zijn geen dieven, en dat net
+hebben we eerlijk gevonden. 't Is op verschillende plaatsen stuk,
+en 't lag in 't riet. Daarom meenden we, dat het door de visschers
+weggegooid was, daar het toch niet meer gebruikt kon worden. Wij
+hebben het niet gestolen."
+
+"Jongen, jij kunt liegen, of het gedrukt is," zei een der
+visschers. "Maar ons zul-je er niet meê bedriegen. Jelui hebt onze
+fuiken gelicht, en dat is strafbaar..."
+
+"Niet zoo'n beetje ook!" viel de andere visscher zijn kameraad
+in de rede. "En dat is maar goed ook. Is 't geen schande, onze
+netten te verscheuren, en onze visch te stelen? Maar het zal je
+berouwen. Vooruit, zeg ik je, naar den burgemeester!"
+
+"Dat doe ik niet!" zei Jan driftig. "Wij zijn geen dieven."
+
+"Je praat dom, jongen, want de bewijzen droeg je in de handen."
+
+"Ja," zei de ander, "je bent er gloeiend bij!"
+
+"Vooruit, jongens, en als je niet goedschiks gaat, dan moet het
+maar kwaadschiks gebeuren. Vooruit, zeg ik je, en een beetje vlug,
+asjeblieft!"
+
+De jongens begrepen, dat er niet veel anders opzat dan te
+gehoorzamen. Met hun vieren vervolgden zij hun tocht naar het dorp.
+
+Eerst was Jan meer dan kwaad, maar dat bedaarde langzamerhand,
+en eindelijk vond hij het wel goed, dat zij naar den burgemeester
+gingen. Deze zou wel dadelijk begrijpen, dat zij onschuldig waren.
+
+Maar dat was niet zoo. De burgemeester was bijzonder slecht gehumeurd,
+omdat het Flipsen nog niet gelukt was, de dieven te ontdekken. Zoodra
+nu de visschers, die hem tot hun genoegen thuis getroffen hadden, hem
+vertelden, wat er aan de hand was, geloofde de burgemeester stellig,
+dat hij de dieven thans op het spoor was, en hij besloot de jongens
+scherp te ondervragen.
+
+Jan en Karel betuigden echter hunne onschuld. Zij vertelden dat zij
+de palingen gevangen en het net gevonden hadden. Maar de visschers
+lachten om die verklaring.
+
+"Dat zou al heel toevallig zijn, burgemeester," zei een van hen. "De
+jongens kwamen uit de richting van onze vischbijtjes, en zij hadden
+het net in de hand, met een flink zoodje paling daarbij. 't Lijdt geen
+twijfel, of zij hebben onze netten gelicht en de brutaliteit gehad,
+een van de netten zelfs stuk te maken en meê te nemen."
+
+"'t Is niet waar!" riep Jan den spreker toe.
+
+"Houd je mond verder maar, jongen," gebood de burgemeester kortaf. "De
+bewijzen zijn tegen jullie, en 't staat bij mij vast, dat jullie en
+niemand anders de daders zijt. En wie weet, aan welke diefstallen je
+meer schuldig bent. Ik zou dat nooit, nooit, zeg ik, van je gedacht
+hebben. Twee jongens van zulke brave ouders. 't Is een schande!
+
+Vertel me nu meteen maar, waar de potten en ketels uit de ijstenten
+gebleven zijn, want daar zul-je ook wel meer van weten."
+
+"Wij weten nergens van, burgemeester," zei Jan,
+
+"Neen, nergens van," zei Karel. "Wij hebben ze niet weggenomen."
+
+"Dat zeg je van dit net en deze visch ook, en toch liep je er mede
+in je handen," sprak de burgemeester streng, en hij keek de jongens
+beurtelings doordringend aan. "Komaan, spreek de waarheid maar,
+dat is in allen gevalle het beste voor je. Beken het maar..."
+
+"Ik heb niets te bekennen," zei Jan.
+
+"Ik ook niet," zei Karel.
+
+"Zoo, zoo," hernam de burgemeester. "Dan zal ik je tijd geven, om er
+eens ernstig over na te denken."
+
+Hij vroeg de namen der visschers en schreef die op. Daarna sprak hij
+tot de beide mannen:
+
+"U kunt nu wel gaan. Neemt mede, wat je eigendom is. Met deze jongens
+zal ik wel afrekenen."
+
+De visschers namen het net en de palingen, groetten den burgemeester
+en verlieten het vertrek. Jan en Karel moesten blijven. Met leede
+oogen zagen zij de visschers met hunne palingen heengaan, en Jan
+sprongen van spijt de tranen in de oogen.
+
+De burgemeester liet zijn blik nog een poosje op de jongens rusten,
+en zei toen ernstig:
+
+"Ontkennen baat niet langer, jongens. Je hebt je aan een ernstig
+vergrijp schuldig gemaakt en..."
+
+"Maar we hebben het niet gedaan," riep Jan uit.
+
+"Zwijg jongen, en lieg niet langer. Je hebt het wèl gedaan, en dat
+spijt me heel erg. Zeg me nu ook maar, waar je die andere voorwerpen
+gelaten hebt, die den laatsten tijd verdwenen zijn. Als je me eerlijk
+de waarheid zegt, zal ik zien, wat ik in de gegeven omstandigheden
+nog voor je doen kan."
+
+"'t Baat niet, of wij al zeggen, dat wij onschuldig zijn," sprak
+Jan. "U gelooft ons toch niet."
+
+"Neen, dat doe ik ook niet. Enfin, als je dan niet hooren wilt,
+moet je maar voelen. Ik zal je tijd geven om je te bedenken."
+
+Hij ging aan zijne schrijftafel zitten en schreef het volgende briefje:
+
+
+Flipsen!
+
+Ik geloof, dat ik de daders van de gepleegde diefstallen op het
+spoor ben. Sluit deze twee jongens elk in eene afzonderlijke cel,
+dan hebben zij gelegenheid om eens goed na te denken en kunnen geen
+afspraakjes maken. Tegen den avond zal ik hen opnieuw verhooren.
+
+De Burgemeester.
+
+
+Hij vouwde den brief dicht en deed hem in eene enveloppe, die hij
+zorgvuldig toelakte.
+
+"Ziedaar," sprak hij. "Breng dezen brief voor mij aan Flipsen. Hij
+is in het raadhuis. Je kunt gaan."
+
+De jongens gingen heen. Wat er in den brief stond, wisten zij
+natuurlijk niet. Zij keken tamelijk bedrukt, toen zij de deur
+uitstapten, maar toen zij op den weg gekomen waren, ontsnapte een
+zucht van verlichting aan de borst van Karel.
+
+"Hè, hè, dat was een benauwd half-elfje," zei hij. "Daar zaten wij
+er geducht tusschen, maar 't is bij slot van rekening toch nog al
+goed afgeloopen. We zijn alleen onze palingen kwijt."
+
+"En dit briefje dan?" vroeg Jan. "Ik vertrouw dit papiertje geen
+zier. Waarom zei de burgemeester dan telkens, dat hij ons gelegenheid
+zou geven, om eens goed na te denken?"
+
+Langzaam liepen zij verder, met de bijlen en de sikkels over den
+schouder. Karel hernam na een poosje:
+
+"Dat briefje heeft niets met ons te maken, en wij niets met dat
+briefje. We moeten het alleen even bij Flipsen brengen, anders
+niet. Neen, ik zeg, dat wij er goed afgekomen zijn. 't Had veel
+leelijker kunnen uitpakken.--Kijk, daar komen Frans en Klaas ook
+van de vischvangst terug."
+
+Dat was zoo. Die twee jongens hadden hen spoedig ingehaald. Samen
+droegen zij een emmertje, dat blijkbaar nog al zwaar was.
+
+"Zeg," riep Frans hun toe, "komen jullie platzak thuis?'
+
+"Ja!" zei Jan kortaf. Hij had niet veel lust tot spreken.
+
+"Wij niet!" zei Frans. "Kijk maar eens hier, wat een paling we
+hebben. De emmer is bijna vol."
+
+De jongens stonden stil en keken in den emmer, 't Was inderdaad een
+kolossale voorraad, dien zij gevangen hadden.
+
+Frans en Klaas hadden er pret in. Zij deden niet anders dan elkaar
+aanstooten en lachen.
+
+"Zoo knap zijn jullie niet, hè? Maar zeg, weet je, wat we gedaan
+hebben? Een kwartiertje voorbij het fort hebben we stilletjes een net
+van de visschers opgehaald. Jongens, wat zat daar een paling in. Niet
+oververtellen, hoor! Slim hè?"
+
+Jan en Karel keken Frans met open mond aan.
+
+"Hebben jullie dat net gelicht en stuk gemaakt?" vroeg Jan. "Wij
+hebben het ... tusschen het riet zien liggen."
+
+"Ja," lachte Frans. "Wij konden het niet goed meer onder het ijs
+krijgen, en hebben het toen maar in het riet gegooid. Wat zullen die
+visschers leelijk op hun neus gekeken hebben, toen zij bij hun bijt
+kwamen. Ha-ha-ha, wat eene leuke grap, hè?"
+
+Dat vond Jan ook, en hij knipoogde Karel toe, dat hij niets moest
+zeggen. Hij had een mooi plannetje.
+
+"En voor die leuke grap hebben wij voor den burgemeester moeten
+verschijnen," zei Jan tot de twee jongens. "Wij hadden het net
+opgeraapt en er onze paling ingedaan. Maar even later kwamen de
+visschers, en die hebben ons om zoo te zeggen opgebracht. Noem jij
+het maar een leuke grap!"
+
+"Ja," zei Karel. "Ik zie er het leuke niet van in."
+
+Frans en Klaas moesten er smakelijk om lachen.
+
+"Nu wordt de grap nog leuker!" zei Frans.
+
+"Ja, maar ik laat het er niet bij zitten," zei Jan. "Ik ga dadelijk
+naar den burgemeester terug, om hem te zeggen, dat julie het gedaan
+hebt..."
+
+"Je zult wel wijzer wezen!" zei Frans, die nu in 't geheel niet meer
+lachen moest. "Als je nog voor den burgemeester verschijnen moest,
+o ja, dan was het een ander geval. Dan zou ik het in jouw plaats ook
+zeggen. Maar nu je het standje van den burgemeester al achter den
+rug hebt, zou het een leelijke streek wezen. Dan speelde je gewoonweg
+voor verklikker!"
+
+"Ja, voor verklikker!" beaamde Klaas Zwart.
+
+"Dat kan me niet schelen," zei Jan, "ik zeg het tòch. 't Is me ook wat
+moois, om voor jullie pleizier een uitbrander van den burgemeester
+op te loopen, en een ander met je paling weg te zien gaan. Ik laat
+me dat maar niet welgevallen."
+
+Hij keerde zich om en deed net, of hij naar den burgemeester wilde
+gaan. Maar Frans en Klaas hielden hem tegen.
+
+"Je kunt wel de helft van onze paling krijgen," zei Frans. "Toe Jan,
+vertel het nu niet aan den burgemeester. Daar worden jullie toch
+niets beter van. En je krijgt de helft van..."
+
+"Je gestolen paling wil ik niet eens hebben," zei Jan. "Maar 't is
+goed. Ik zal niet naar den burgemeester gaan, onder één voorwaarde..."
+
+"Welke?" vroegen de twee jongens tegelijk.
+
+"Een, die gemakkelijk te vervullen is," zei Jan. "Zie je dezen
+brief? Dien moesten wij naar Flipsen brengen, in het raadhuis. Jullie
+moet er toch voorbij. Als jij nu die boodschap voor mij doet, zal ik
+er verder geen werk van maken."
+
+"Och, is 't anders niet?" vroeg Frans. "Geef hem maar hier, dan zullen
+wij hem wel even aanreiken."
+
+"Wel zeker, met alle pleizier," zei Klaas.
+
+Jan gaf den brief over, en Klaas en Frans begaven zich regelrecht naar
+het raadhuis. Zij stapten het gebouw binnen en gaven den brief aan
+Flipsen, die in de vestibule stond te praten met een rijksveldwachter.
+
+"Zoo jongens, dank-je!" zei Flipsen. "Wacht maar even."
+
+"Wij behoeven niet te wachten," zei Frans.
+
+"Als ik zeg, dat je wachten moet, dan doe je dat!" zei Flipsen.
+
+Hij brak den brief open en las hem vlug door.
+
+"Ha zoo," zei hij, "zoo! Dat is goed. Gaat maar even meê, jongens,
+hier, de gang door."
+
+Frans en Klaas keken elkander vragend aan, maar durfden niet
+weigeren. Zwijgend volgden zij Flipsen, die een sleutelring uit zijn
+zak haalde en een sleutel uitzocht.
+
+"Mooi zoo. Nu dit trapje af.--Goed zoo."
+
+Hij stak den sleutel in het slot en draaide hem om. De deur ging open.
+
+"Maar Flipsen," zei Frans met schrik. "Wat gaat u doen? Dat is
+een cel!"
+
+"Ha ha!" lachte Flipsen, terwijl hij Frans bij den schouder pakte en
+hem naar binnen duwde. "Dàt ga ik doen."
+
+Flap! De deur ging dicht en op slot.
+
+Klaas werd bleek van den schrik. Hij begon te beven over al zijne
+leden, en het angstzweet brak hem uit.
+
+Hij hoorde Frans schreeuwen.
+
+"Flipsen! Maar Flipsen!" jammerde Klaas. "Dat is eene vergissing,
+geloof me. U moet ons niet opsluiten, want..."
+
+Klaas bleef midden in zijne redevoering steken, want Flipsen had
+de tweede deur geopend en duwde Klaas naar binnen. Op 't volgende
+oogenblik was ook deze deur gesloten.
+
+"Ja, ja, net zooals ik dacht," mompelde Flipsen. "Die twee jongens
+zijn de dieven, en wij zullen ze wel aan het praten krijgen. Als ze
+hier eerst maar een paar uurtjes opgesloten gezeten hebben, zullen
+ze wel makker geworden zijn."
+
+Hij ging naar zijn confrater terug en vertelde hem het geval. "Grappig,
+dat die twee jongens zelf niet wisten, wat zij hier zouden
+ondervinden," zei hij. "Zij liepen dood-gemoedereerd met mij mee,
+en kregen er pas erg in, toen de deur open stond. Je hadt ze moeten
+zien kijken!"
+
+Intusschen waren Jan en Karel de richting ingeslagen van hun huis. Zij
+staken schuin het ijs over. 't Was nog vroeg, nog geen elf uur. En
+voor twaalven aten zij niet.
+
+"Hè," zei Jan, "wat heb ik een spijt, als ik aan onze paling denk,
+die de visschers hebben meegenomen. Zoo'n prachtigen voorraad te
+hebben en dan toch nog platzak thuis te komen. 't Is onuitstaanbaar!"
+
+"Ja," zei Karel, "dat zeg ik ook. Kijk de pottenschipper eens aan
+'t hakken geweest zijn. Zijn schuit ligt rondom in 't open water."
+
+"Ja, anders vriest ze stuk," zei Jan. "Willen wij daar nog even kijken,
+of we wat vangen kunnen?"
+
+"Goed," zei Karel.
+
+Zij legden hunne bijlen op het ijs, en gingen met den sikkel in de
+hand naar de schuit. Opmerkzaam tuurden zij in de diepte.
+
+"Daar zie ik er een," zei Karel
+
+"Wip hem er dan uit!" riep Jan. "Zeg, misschien komen we toch niet
+platzak thuis."
+
+"Daar is hij!" riep Karel. En Jan schoot hem te hulp want de paling
+lag dicht bij het open water.
+
+Spoedig was hij in het emmertje overgebracht, en de jongens liepen
+voorzichtig langs de schuit verder. Opeens hoorden zij zich toeroepen:
+
+"Wat moeten jullie daar? Wil je wel eens maken, dat je wegkomt!"
+
+'t Was de pottenschipper, die zijne kajuit verlaten had en hun dit
+toeriep.
+
+"We kijken maar even, of er paling zit!" riep Jan terug.
+
+"Dat wil ik niet hebben!" hernam de pottenschipper. Hij klom op de
+schuit en stak dreigend de vuist op.
+
+Maar Jan zei tegen Karel:
+
+"Wij doen hier volstrekt geen kwaad. Laat hem maar praten."
+
+Zij stoorden zich verder aan den schipper niet en keken in de
+diepte. Zij waren nu dicht bij het roer gekomen.
+
+"Kijk, daar zit er weer een!" zei Jan.
+
+Hij stak zijn sikkel onder water, en wilde hem met een ruk bovenhalen,
+doch dat gelukte hem niet. De sikkel bleef ergens aan vastzitten.
+
+De pottenschipper nam een langen stok, en schreeuwde den jongens toe:
+
+"Als je niet weggaat, sla ik er op! Vooruit, kwâjongens, je hebt hier
+geen boodschap."
+
+Jan trok zoo hard hij kon aan den sikkel, om hem los te krijgen,
+maar dat ging niet. Er zat iets zwaars aan.
+
+"Help me even!" riep hij Karel toe. En tot den boozen schipper
+zeide hij:
+
+"Wij gaan dadelijk heen. Maar eerst moet ik mijn sikkel losmaken."
+
+"Vooruit, zeg ik je!"--schreeuwde de schipper. "Allo, marsch!"
+
+De twee jongens trokken, wat zij konden.
+
+Zij voelden, dat er iets zwaars naar boven kwam. De pottenschipper werd
+hoe langer hoe boozer. Hij schreeuwde zóó hard, dat de voorbijgangers
+op den weg bleven staan.
+
+Maar Jan en Karel waren niet van plan hun sikkel in den steek te
+laten. Zij spanden al hunne krachten in.
+
+Ha, daar stak iets boven water uit. Jan bukte zich, en pakte het beet.
+
+"Een ketel!" riep hij uit. "En daar zit er nog een aan vast. Een
+pot! Help Karel,--hier zijn, geloof ik, de gestolen voorwerpen uit
+de tenten..."
+
+'t Was werkelijk zoo. De jongens haalden verscheidene dingen op
+het ijs, en zij herkenden ook den koperen ketel van Mietje. Tot
+hun groote verbazing bemerkten zij, dat al die voorwerpen met een
+koperdraad aan elkander verbonden waren, en dat het einde van dat
+draad een paar centimeter onder water aan het roer bevestigd was.
+
+De jongens werden verbazend opgewonden, en zij riepen den menschen
+op den weg luidkeels toe, dat zij de gestolen voorwerpen gevonden
+hadden. In minder dan geen tijd waren zij door een groot aantal
+menschen omringd, die luide hunne verbazing te kennen gaven.
+
+"Dat moet de burgemeester weten!" riep er een uit, en hij ijlde naar
+de woning, die Jan en Karel nog maar kort geleden verlaten hadden.
+
+'t Leek wel, of de menschen konden ruiken, dat er iets bizonders aan
+de hand was. Van alle kanten kwamen zij toeloopen, en de kring om de
+schuit van den pottenschipper werd bij de minuut grooter. Het ijs,
+al was het nog zoo sterk, kon de samengepakte menschenmassa bijna
+niet dragen. De ijsvloer boog sterk door, en er kwam veel water op.
+
+De pottenschipper zei niets meer. Hij stond op zijne schuit, en hield
+de oogen op de gevonden voorwerpen gericht, maar af en toe keek hij
+de twee jongens aan, en dan zag hij er alles behalve vriendelijk uit.
+
+"Wat is daar te doen?" riep eene stem.
+
+Opziende zag Jan zijn vader, die met den hit en den wagen van 't
+venten terugkeerde. Jan zwaaide met beide armen, en riep:
+
+"O Vader, we hebben de gestolen potten en ketels gevonden. Kom maar
+gauw kijken. Hier liggen ze!"
+
+In een oogenblik was Dik van den wagen gesprongen. Hij wierp de
+leidsels op den rug van den hit en snelde het ijs op.
+
+Och, och, wat een drukte hadden de menschen.
+
+"Of de pottenschipper er dan toch van wist!" riep de een.
+
+"Zoo komen zijne schelmerijen aan het licht," zei een tweede.
+
+"Hij zal nu zijn gerechte straf niet ontloopen," profeteerde een derde.
+
+Iedereen had wat te zeggen, en velen beweerden, dat zij het altijd
+wel van den pottenschipper gedacht hadden.
+
+Opeens kwam er stilte onder den drom en eerbiedig week men op zijde,
+om den burgemeester door te laten. Weldra had hij de schuit bereikt
+en zag hij de gevonden voorwerpen op het ijs liggen.
+
+"Wie heeft die dingen opgehaald?" vroeg hij. Jan en Karel namen hunne
+petten af, en zeiden:
+
+"Wij waren hier aan het paling vangen, burgemeester, en toen bleef een
+van de sikkels er aan vastzitten. Kijk, ze zijn met een koperdraad aan
+elkander verbonden, en het einde daarvan is aan het roer bevestigd."
+
+"Ja, ja," zei de burgemeester, die de jongens met de grootste verbazing
+aanstaarde. "Maar hoe heb ik het nu? Heb ik jullie dan niet opgedragen,
+een briefje voor mij aan Flipsen te brengen in het raadhuis? En hoe
+kom je dan hier? Daar begrijp ik niets van!"
+
+Jan nam zijn pet nu geheel af, en zeide:
+
+"Dat is waar, burgemeester, maar ik vertrouwde dat briefje niet. Ik
+geloofde stellig, dat Flipsen ons moest opsluiten..."
+
+"Dat was ook zoo," viel de burgemeester driftig in. "En waarom heeft
+hij dat niet gedaan?"
+
+"Wij waren onschuldig, burgemeester," zei Jan.
+
+"Die praatjes kennen wij, en zij doen ook niets ter zake. In dien
+brief gaf ik Flipsen last, jullie op te sluiten,--en nu sta je alle
+twee hier? Hoe komt dat?"
+
+"Burgemeester," zei Jan, "wij hadden het niet gedaan, maar twee andere
+jongens waren de schuldigen. Toen wij op weg waren naar het raadhuis,
+hebben die twee ons zelf verteld dat zij het uit de grap gedaan hadden,
+en ziet u..."
+
+"Wat ... ziet u?" viel de burgemeester in, toen Jan een oogenblik
+met zijn verhaal haperde.
+
+"Toen dacht ik," vervolgde Jan, "dat het voor ons beter was, als zij
+dat briefje maar aan Flipsen brachten, en vroeg ik hun, of zij het
+even wilden aanreiken..."
+
+"En toen?" vervolgde de burgemeester.
+
+"Dat hebben zij gedaan," zei Jan.
+
+"Maar dan zitten op 't oogenblik die twee jongens onder het raadhuis
+opgesloten, in plaats van jelui!" riep de burgemeester uit.
+
+"Dat zal dan zoo wel wezen, burgemeester," zei Jan.
+
+De menschen schoten in een onbedaarlijk gelach, want zij vonden de
+geheele zaak verbazend grappig. Ook de burgemeester kon haast zijn
+lachen niet bedwingen. En eindelijk gelukte hem dat in het geheel
+niet meer. Hij proestte het opeens uit.
+
+"Ha-ha-ha!" riep hij lachend uit, "wat is dat een grappige historie. En
+hadden jullie dan echt die fuiken niet gelicht?"
+
+"Neen burgemeester, dat hebben die twee jongens gedaan."
+
+"Ha-ha-ha,--en wie zijn dat dan?"
+
+"Frans Thor en Klaas Zwart, burgemeester," zei Jan.
+
+Op dit oogenblik drong Flipsen tusschen het volk door. Hij kwam uit
+het raadhuis en wilde zien, wat er aan de hand was. Nauwelijks zag
+hij den burgemeester, of hij sloeg aan en zei:
+
+"Uw bevel is uitgevoerd, burgemeester, de jongens zitten elk in
+een cel. Ik geloof ook wel, dat wij de rechte personen op den kop
+hebben getikt."
+
+"Maar het zijn de verkeerde!" riep de burgemeester hem lachend
+toe. "Deze twee had-je moeten hebben!"
+
+Wat keek Flipsen verwonderd, en zijne verbazing nam nog toe, toen
+hij de gevonden voorwerpen op het ijs zag liggen. De burgemeester
+vertelde hem in korte woorden, wat er gebeurd was.
+
+Flipsen lachte slim. Hij bekeek de potten en ketels met aandacht
+en liet ook het koperdraad door zijne vingers glijden. Toen zag hij
+meteen, dat dit aan het roer bevestigd was.
+
+"Burgemeester," zei hij, "U zegt, dat wij de verkeerde jongens
+opgesloten hebben, maar ik beweer, dat het, al is het dan ook bij
+toeval, de goede zijn. Frans Thor en Klaas Zwart hebben deze dingen
+gestolen, en ze hebben ze verkocht aan den pottenschipper, die ze
+in het water heeft laten zinken om ze te verbergen. Hij is wèl slim
+geweest maar toch niet slim genoeg."
+
+"'t Is een grove leugen!" zei de pottenschipper. "Die jongens zullen
+ze vermoedelijk zelf hier in het water hebben laten zakken, om de
+verdenking op mij te schuiven."
+
+"Zoo," zei Flipsen, "dan hebben ze zeker aan jou een stukje koperdraad
+te leen gevraagd, niet waar? Want in je schuit heb ik precies zulk
+koperdraad zien liggen."
+
+De pottenschipper werd doodsbleek.
+
+"Ga het halen, Flipsen," gebood de burgemeester.
+
+Flipsen verdween in de schuit, en kwam weldra met een rol koperdraad
+terug. Het bleek, dat het draad aan de ketels en potten daarmede
+precies overeenstemde.
+
+"Burgemeester," zei Flipsen, "de jongens, die op 't oogenblik onder
+'t raadhuis opgesloten zitten, zijn de stelers, en de pottenschipper
+is de heler. Ondervraagt u de jongens maar één voor één, dan zal u
+zien, hoe gauw zij door de mand vallen. Vooral Klaas Zwart."
+
+"Zoo zal het gebeuren," zei de burgemeester. "Schipper, je gaat mede
+naar het raadhuis, en Flipsen, neem jij die voorwerpen in beslag. Ik
+houd mij overtuigd, dat wij de bende thans op het spoor zijn. En jelui,
+jongens," vervolgde hij vriendelijk tot Jan en Karel, "zal ik het voor
+dezen keer vergeven, dat je mijn bevel, om den brief bij Flipsen te
+bezorgen, niet hebt uitgevoerd. Je bent een paar slimme rotten!"
+
+Och och, wat had Dik een pret, toen hij aan Anneke vertelde, wat Jan
+gedaan had. Hij schoot er telkens opnieuw over in een lach, en ook
+Grootvader en Grootmoeder moesten het dadelijk vernemen, toen zij
+even bij Dik en Anneke kwamen aanloopen.
+
+De oude Trom vond het blijkbaar een verbazend scherpzinnigen zet van
+Jantje. Hij trok een poosje aan zijn bakkebaardjes en zei toen:
+
+"Ja, Dik, zie-je, ik heb het altoos wel gezegd: Jan is ook een bizonder
+kind, en dat is-ie."
+
+
+
+Veertiende Hoofdstuk.
+
+Besluit.
+
+
+'t Gebeurde werkelijk, zooals Flipsen voorspeld had. Niet zoodra
+verscheen Klaas Zwart in de burgemeesterskamer, en zag hij daar den
+pottenschipper staan naast de potten en ketels, die uit het water
+waren opgevischt, of hij begon over al zijne leden te beven, en de
+tranen sprongen hem in de oogen.
+
+"Kom nader," gebood de burgemeester.
+
+Klaas kwam tot vlak voor de tafel, waarachter het hoofd der gemeente
+in een leuningstoel gezeten was. Deze keek hem doordringend aan,
+maar zeide niets. Klaas sloeg de oogen naar den grond.
+
+Eindelijk zei de burgemeester kortaf:
+
+"Vertel mij alles, wat je daarvan weet. Maar vergeet niet, dat ik
+enkel waarheid wil hooren. Leugens zouden je trouwens niet meer baten,
+want alles is ontdekt. Spreek op!"
+
+Zweetdroppels parelden Klaas op het voorhoofd van angst.
+
+Hij hief de samengevouwen handen op en zeide snikkend:
+
+"O burgemeester, vergeef u het me voor dezen keer astublief. O,
+ik heb er zoo'n spijt van."
+
+"Waarvan?" vroeg de burgemeester gestreng. "Spreek op, jongen, wààr
+heb je spijt van?"
+
+"Dat ik gestolen heb," zei Klaas zacht.
+
+"Die potten en ketels?"
+
+"Ja burgemeester."
+
+"En al die dingen, die bij de verschillende menschen op het dorp
+worden vermist?"
+
+"Ja burgemeester."
+
+"Heb je dat alles alleen gedaan?"
+
+"Neen, met Frans, burgemeester."
+
+"Zoo, zoo.--'t Is wat fraais. En wie hebben dat net gelicht van
+morgen?"
+
+"Wij ook," zei Klaas.
+
+"En waar liet je al die gestolen voorwerpen?" vroeg de burgemeester,
+terwijl hij Klaas opnieuw doordringend aanzag.
+
+"De pottenschipper kocht ze van ons."
+
+"Maar ik wist niet, dat het gestolen goed was," viel de pottenschipper
+in, die voelde, dat hij den grond onder zijne voeten thans geheel
+verloor.
+
+"Dat wist iedereen op het dorp, tot den kleinsten jongen toe,"
+gaf de burgemeester op gestrengen toon ten antwoord. "Doe maar geen
+moeite meer, om je baantje schoon te praten. 't Is een schande voor
+een man op uw leeftijd! Eene dubbele schande, omdat je ook nog twee
+jongens in je val meesleept. Jij en jij alleen hebt die kinderen in
+het ongeluk gestort. 't Is diep treurig."
+
+Even later werd Frans Thor binnengebracht. Deze was brutaler dan Klaas
+Zwart, en hij meende den burgemeester eerst nog met allerlei praatjes
+om den tuin te kunnen leiden. Maar toen hij vernam, dat Klaas reeds
+eene volledige bekentenis had afgelegd, raakte hij geheel in de war
+en in zijn eigen leugens verward. Het einde was, dat ook hij bekende
+aan de gepleegde diefstallen schuldig te zijn.
+
+De burgemeester maakte van alles proces-verbaal op, en toen hij
+daarmede klaar was, zeide hij:
+
+"Flipsen, doe de deur maar open. Zij kunnnen alle drie
+vertrekken. Later zullen zij wel meer van de zaak hooren."
+
+Zwijgend verlieten zij het raadhuis.
+
+Den Maandag daaropvolgende kwamen Frans en Klaas weer gewoon school,
+maar zij waren nu nog meer afgezonderd van de overige jongens, dan
+zij vroeger al geweest waren. Iedereen vermeed hun gezelschap. In
+het midden van Februari bleven zij absent, en iedereen wist er
+de reden van. Zij waren namelijk opgeroepen om voor de rechtbank
+te verschijnen. Ook de pottenschipper moest daar verantwoording
+afleggen van zijne daden. Hij kreeg eene geduchte betraffing, omdat
+hij de beide jongens tot diefstal had overgehaald en hen daardoor
+ongelukkig had gemaakt. Eene gevangenisstraf van eenige maanden was
+zijn welverdiende loon.
+
+De jongens werden niet veroordeeld, omdat zij nog zoo jong waren, maar
+de rechtbank stelde hen tot hun achttiende jaar ter beschikking van
+de regeering, om in een rijksopvoedingsgesticht geplaatst te worden.
+
+Dat gebeurde evenwel niet dadelijk. Den volgenden dag zagen de
+schooljongens hen opnieuw verschijnen, en zij hoorden er dagen en
+weken lang niet meer van.
+
+Zoo kwam de eenendertigste Maart, de laatste dag, dien Jan en Karel
+op de school zouden doorbrengen. Karel zou bij zijn vader in de
+smederij komen, en Jan kwam in den winkel. Dik kon alles onmogelijk
+meer alleen af, want nog steeds nam het aantal zijner klanten toe,
+en elken dag kreeg hij het drukker. Hij verdiende dan ook veel geld,
+en was mooi op weg, om een rijk man te worden.
+
+Frans en Klaas zaten ook voor de laatste maal op de schoolbanken. Niet
+dat zij een vak gingen leeren. Daar kon geen sprake van zijn, omdat
+zij toch den een of anderen dag weggevoerd zouden worden.
+
+'t Was in den middag. Het laatste schooluur was aangebroken. De leien,
+boeken en schriften waren opgehaald en de onderwijzer maakte zich juist
+gereed om een woord van afscheid te spreken tot de jongens en meisjes,
+die de school voor goed verlieten, toen er aan de deur werd geklopt.
+
+"Jan Trom, doe even open," zei de meester.
+
+Jan deed het, en hij zag Flipsen en een rijksveldwachter in de
+vestibule staan. Zij kwamen het lokaal binnen.
+
+"Mijnheer," zei Flipsen, "wij hebben de opdracht Frans Thor en Klaas
+Zwart meê te nemen."
+
+'t Was doodstil in de klasse.
+
+Frans en Klaas werden doodsbleek, en niet zij alleen, neen,
+verscheidene jongens en meisjes voelden zich eene rilling door de
+leden gaan, en menig meisjesoog vulde zich met tranen.
+
+"Zoo," zei de onderwijzer zacht, en zijn toon klonk droevig. De
+kinderen konden het hem aanzien, dat ook hij ontroerd was. "Zoo, dat
+is wel eene treurige opdracht, Flipsen.--Frans en Klaas, komt hier."
+
+De jongens stapten de bank uit en kwamen voor de klasse. Beiden
+barstten in tranen uit. De onderwijzer gaf hun de hand.
+
+"Dag Frans,--dag Klaas," zei hij droevig. "Ik hoop je eenmaal terug
+te zien als brave mannen, die voor niemand de oogen behoeven neer te
+slaan. Beloof je me, dat je daartoe je best zult doen?"
+
+De jongens konden niet antwoorden. Met gebogen hoofd verlieten zij
+het lokaal, om weggebracht te worden ver van hunne ouders, naar een
+vreemde plaats....
+
+Hun vertrek maakte een diepen indruk op de achterblijvenden. De
+onderwijzer had de gewoonte den laatsten schooldag eene vertelling te
+doen. En dezen keer deed hij dat met meer gloed dan ooit te voren. Hij
+deed een verhaal van schoolkameraden, waarvan er een goed oppaste en
+tot een braaf man opgroeide, terwijl de andere door eigen schuld al
+dieper en dieper zonk en eindelijk in de gevangenis terecht kwam. En
+toen het verhaal uit was, drukte hij hun allen op het hart, toch
+nooit den weg van eer en plicht te verlaten, maar steeds het goede
+te doen en het kwade te haten.
+
+Met deze wijze les verlieten Jan en Karel voor goed de school, en
+zij vergaten haar hun leven lang niet.
+
+
+
+ EINDE.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of De Zoon van Dik Trom, by C. Joh. Kieviet
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZOON VAN DIK TROM ***
+
+***** This file should be named 10971-8.txt or 10971-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.net/1/0/9/7/10971/
+
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.net/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.net
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.net),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's
+eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII,
+compressed (zipped), HTML and others.
+
+Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over
+the old filename and etext number. The replaced older file is renamed.
+VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving
+new filenames and etext numbers.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.net
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000,
+are filed in directories based on their release date. If you want to
+download any of these eBooks directly, rather than using the regular
+search system you may utilize the following addresses and just
+download by the etext year.
+
+ http://www.gutenberg.net/etext06
+
+ (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99,
+ 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90)
+
+EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are
+filed in a different way. The year of a release date is no longer part
+of the directory path. The path is based on the etext number (which is
+identical to the filename). The path to the file is made up of single
+digits corresponding to all but the last digit in the filename. For
+example an eBook of filename 10234 would be found at:
+
+ http://www.gutenberg.net/1/0/2/3/10234
+
+or filename 24689 would be found at:
+ http://www.gutenberg.net/2/4/6/8/24689
+
+An alternative method of locating eBooks:
+ http://www.gutenberg.net/GUTINDEX.ALL
+
+
diff --git a/old/old/10971.20040207-8.zip b/old/old/10971.20040207-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..66cbf09
--- /dev/null
+++ b/old/old/10971.20040207-8.zip
Binary files differ