diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:34:38 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:34:38 -0700 |
| commit | 75816241e92aa27b8812f7ccf13564b555440d29 (patch) | |
| tree | 81186eb185aefeb93a0d8be711bb381ee1fb7b8b /old | |
Diffstat (limited to 'old')
| -rw-r--r-- | old/10514-8.txt | 6890 | ||||
| -rw-r--r-- | old/10514-8.zip | bin | 0 -> 152077 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/10514.txt | 6890 | ||||
| -rw-r--r-- | old/10514.zip | bin | 0 -> 151452 bytes |
4 files changed, 13780 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/10514-8.txt b/old/10514-8.txt new file mode 100644 index 0000000..60d8d0e --- /dev/null +++ b/old/10514-8.txt @@ -0,0 +1,6890 @@ +The Project Gutenberg EBook of De jongere generatie, by E. D'Oliveira + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De jongere generatie + Gesprekken met vertegenwoordigers van de nieuwere richting in onze +literatuur; tevens een enquete naar enkele beginselen in ons nationaal +geestelijk leven. + +Author: E. D'Oliveira + +Release Date: December 22, 2003 [EBook #10514] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO Latin-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE JONGERE GENERATIE *** + + + + +Produced by Miranda Van de Heijning, Eric Casteleijn en de +PG Distributed Proofreaders. + + + + +[Transcriber's Note: Spelling, accents, use of quotation marks and +hyphenation are terribly inconsistent throughout the source text, and +have been left as they were. Only obvious printing errors have +been fixed.] + + + + +"DE JONGERE GENERATIE" + +door + +E. D'OLIVEIRA + + +(VERVOLG OP "DE MANNEN VAN '80") + + +GESPREKKEN MET VERTEGENWOORDIGERS VAN DE NIEUWERE RICHTING IN ONZE +LITERATUUR; TEVENS EEN ENQUÊTE NAAR ENKELE BEGINSELEN IN ONS NATIONAAL +GEESTELIJK LEVEN + + +GEÏLLUSTREERD + + +[Illustratie: LOUIS COUPERUS] + + + + +TER INLEIDING + + +Toen ik den tweeden druk van mijn "Mannen van Tachtig" de wereld in +zond, hoopte ik, in de hier volgende bladzijden een samenvatting te +kunnen geven van hetgeen mijn onderzoek naar sommige beginselen van +onze nieuwere literatuur mij had opgeleverd. Helaas, het gaat niet! De +medewerking van enkele representatieve personen, met name van Mevrouw +Henriëtte Roland Holst en van Herman Gorter, werd mij onthouden. + +Ik zal hier niet beoordeelen in hoeverre hun weigering gemotiveerd is +tegenover de algemeen erkende objectiviteit, die ik bij het weergeven +van hetgeen anderen mij wilden mededeelen heb betracht, tegenover de +onpartijdigheid die bovendien uit den geheelen opzet van mijn werk +logisch volgt en--tegenover de opoffering van ... persoonlijke +gevoeligheden welke anderen (en geen mindere goden!) zich hebben +getroost, toen ze mij te woord stonden. Ik berust. Zelfs in het verbod +van Gorter om--wie had 't ooit gedacht!--de redenen van zijn afwijzende +beschikking te vermelden. + +Daar echter de socialistische kunstenaars van deze school een +belangrijke functie vervullen in het schema van ons geestelijk leven dat +mij voor den geest zweeft, ontbreken mij de gegevens om, althans op +grond van dit boek, de ontworpen samenvatting uit te werken. O ja, ik +hoor 't al, uit hun _oeuvre_ is voor mijn doel heel veel op te maken, +doch, zooals de lezer uit de inleiding van "De Mannen van '80" weet, +daar was het mij in dit geval niet om te doen. Men zal mij echter niet +het gebruikelijke verwijt kunnen maken, dat ik deze richting in onze +literatuur heb willen negeeren. Integendeel, veel van wat ik zoek +groepeert zich om die richting--al schat ik in dit geval de +persoonlijkheden--wèl te onderscheiden van de individueele +hebbelijkheidjes--hooger dan de school.[1] Misschien was ik verder +gekomen als ik dit niet had gezegd, maar het toch had gedaan. + +Intusschen, de lezer, die, behalve een inleiding in het geestesleven en +de gemoedshouding van de hier behandelde auteurs, ook een blik op het +geheel zoekt, behoeft dit werkje niet teleurgesteld opzij te leggen. + +Het zal hem weldra duidelijk worden, dat er eenig verschil is tusschen +deze "interviews" (sit venia verbo!) en de oudste opstellen in "De +Mannen van '80". Wel heb ik mijzelf ook nù op den achtergrond gehouden, +al heb ik mijn persoonlijke indrukken hier en daar met een lichteren en +slechts in schijn oneerbiedigen toets neergezet. Maar ik heb, waar dit +pas gaf, mijn vragen en de verkregen antwoorden in onderling verband +beredeneerd, scherper dan voorheen gezegd: waarom ik een bepaald antwoord +onvoldoende achtte en in een bepaalde richting heb voortgestuurd. En zoo +zal het den opmerkzamen lezer--vlei ik mij--tòch wel duidelijk worden, +welke meening ik mij in den loop van het onderzoek over personen, +temperamenten, richtingen, heb gevormd. + +Echter zou ik mijn taak niet volbracht achten, indien ik hier niet +kortelijk aanduidde, over welke hoofdpunten de meeste gesprekken loopen +en bovendien: wat er vaak nog uit halve en ontwijkende antwoorden is te +"halen"; in het algemeen, hoe men naar mijn inzicht de antwoorden heeft +te lezen. + +Wat het eerste betreft, de uiteenzetting van persoonlijke omstandigheden, +waarmede de meeste schrijvers hun verhaal aanvangen, is een antwoord op +de vraag: hoe en wanneer hun bewust werd dat zij eens als taalkunstenaar, +dat is als leidsman, zouden optreden. + +Dit is een moment van groote psychologische beteekenis: Weet de +representatieve persoonlijkheid reeds in zijn eerste jeugd dat hij +publicist (in hoogeren zin) zal worden? Wat is in hem primair: een +zekere wereldkijk, een bepaalde overtuiging die tot uiting dringt; of +wel: een min of meer onbepaald vormgevend, dat is poëtisch vermogen, dat +naar een inhoud smacht? Op welke wijze hebben zich Idee en Kunstenaars- +aanleg in zijn latere ontwikkeling verstaan? Zijn ze harmonisch versmolten? +Trachten ze nog steeds naar een ontmoeting? Stooten ze elkander af? Heeft +de een den ander aan zich ondergeschikt gemaakt?--deze elementen (de lezer +voelt het) zijn beslissend voor den aard van zijn werk, voor de mindere of +meerdere mate waarin hij een eigen stijl zal bereiken en den algemeenen +stijl van zijn volk zal leiden. + +Naast deze vraag van algemeene strekking--en ook in verband met haar--is +voor ons doel van belang de speciale vraag: In hoeverre onze schrijvers +beïnvloed zijn door de beweging van '80, die, van huis-uit een cultuur- +verschijnsel meer dan een literatuur-verschijnsel, voor ons nationaal +geestelijk leven het begin is geweest van een nieuwe strooming, die wel +eens op iets groots zou kunnen uitloopen--dat dan echter niet veel op +zijn verwekker zal gelijken. + +Hierbij sluit zich direct aan de vraag: hoe men deze beweging definieert. +Slechts zij, die in de tijden van twijfel aan hunne blinde gemoedsdrangen +den tragen maar veiligen gids van de wijsgeerige scholing hebben +toegevoegd, zullen hierop een afdoend antwoord gereed hebben. Hebben zij +ook wellicht in de halle van 1880 op menig kronkelpad gedrenteld en +gedwaald, zij verlaten haar met opgeheven hoofde door de poort, waardoor +zij haar gebukt of wankelend of in een roes voor het eerst betraden. + +Hierop volgt dan de vraag, of men een eigenlijke levensovertuiging uit +de literatuur van '80 heeft kunnen putten en welke levenshouding men +daarna heeft veroverd. Hoe staat men tegenover de leuzen van de +socialistische kunst, die een tijdlang zoovelen in principe of in feite +hebben bekoord--totdat de practijk van den politieken strijd kentering +en afscheiding bracht? + +Deze vraag lost zich op in eene, die ik van wijder strekking acht (en +natuurlijk weet ik, dat velen dit niet met mij eens zijn), nl. deze: +Is de tot levensleer-vertolker uitgegroeide taalkunstenaar in wezen een +voorganger van zijn volk? (Afgezien dus van klasseverhoudingen.) En zoo +ja, is het dan niet zijn taak, zijn persoonlijkheid vrij te manifesteeren +en al wat hij in kunst geeft te bezielen met zijn hoogere zelf-kennis +--welke wereld-inzicht werd, van het oogenblik dat hij had doorschouwd +de duistre drangen zijns gemoeds--éven onbetrouwbaar en aanmatigend, +even onbewust en beweeglijk als De Massa? Of: moet hij zijn +persoonlijkheid "overwinnen" en de gevoelens van de massa vertolken? +Of: kan hij meenen dat zijn intiemste innerlijkheid in de belijdenis +van het proletariaat bevestiging en volmaking vindt? Of: wenscht hij +zijn persoonlijkheid--alsdan voor de verandering "persoonlijk gedoe", +oftewel "ik-heidje" gedoopt--te offeren om de massa tot zijne hoogte +langs wegen van strijd op te voeren;--in het midden latend of hij +geroepen is om de menschheid door rustige ontwikkeling van zijn Ik ook +grootere diensten te bewijzen? En, als hij dan klasse-kunst wil geven, +miskent hij daarmede niet de mystieke banden, die hem aan taal en oude +cultuur van zijn volk binden? om van een proletariaat dat--helaas--nog +nauwelijks wat geleende cultuur bezit een "nieuwe philosophie" te +leeren? Of gunt hij de massa gaarne alle goeds en draagt daartoe, waar +hij mag, vol vreugde het zijne bij (maar het mag niet vaak) +tegelijkertijd beseffend dat de ethisch nog verre van bewuste massa +(op haar best) onmogelijk de draagster kan zijn van de wijsheid der +toekomst? Of gelooft hij, ten slotte, dat Kunst en Massa elkander niet +verdragen, en elk een eigen weg hebben te zoeken? + +Ziehier dan de themata, welke in velerlei nuanceering door deze +gesprekken loopen. Ziehier de vragen, die door sommigen volgaarne +beantwoord, door anderen ontweken werden. In het laatste geval maken de +pogingen van den ondervrager om, binnen de grenzen der beleefdheid, +maar een enkel maal met een zorgvuldig beraamde psychologische +kunstgreep "het slachtoffer" in zijn baan te brengen, een element van +spanning in deze opstellen uit. Overigens is de practische +levenswijsheid, dat men altijd veel plaats moet laten voor het +onvoorziene, voor "le grand imprévu", hier gaarne toegepast. + +Maar zelfs indien ik in sommige quaesties niet of slechts ten deele +slaagde, zijn de verkregen antwoorden van meer belang dan men +oppervlakkig lezend zou vermoeden. Een glimlach, een gebaar, het tempo +waarin een kwinkslag wordt voorgedragen zeggen hier en daar meer dan +woorden zouden zeggen. Dit is de tweede hoofdzaak die ik wilde +toelichten en ik zal dit doen aan de hand van een concreet voorbeeld, +dat het toeval mij in handen speelde. + +Louis Couperus, de meest on-Hollandsche Hollander die ooit bestaan +heeft, naar men weet, had mij toegezegd, over mijn vragen van Florence, +later van München uit, met mij te correspondeeren. Een "interview" per +post, in de achttiende eeuw alledaagsch, in onzen tijd iets pikants. Ik +legde hem, op zijn verzoek, mijn vragen voor. Ik geef 't toe, ze zijn +niet malsch, en een overigens aller-charmantst beoordeelaar van mijn +"Mannen van '80" heeft ze mij dan ook al cadeau gedaan, waarmede ik zeer +was ingenomen. Couperus echter werd door ik weet niet welk on-Hollandsch +spot-duiveltje gekitteld, en toen schreef hij mij een "Korte Arabeske", +waaruit ik, met zijn toestemming, den lezer enkele brokjes zal toonen, +nadat ik hem verwezen heb naar het portret met opdracht, aan het begin +van dit boekje afgedrukt. + +"Het is maar goed dat u mij niet in München is komen bezoeken,--vergeef +mij, zoo u dit onhoffelijk klinkt, want waarlijk, ik zou aan uw vele, +successievelijk te beantwoorden vragen ergens door een geheime deur zijn +ontsnapt! Toch wil ik u nu, per brief, wel het een en ander zeggen, ook +al lijkt mij een categorische antwoordenlijst op uw vragenlijst wel van +meet aan uitgesloten." + +Ik heb echter niet gezonden een "vragenlijst", maar een papier met +eenige vragen er op, en een verzoek, dit te beschouwen als een leiddraad +(het staat er nog eens met kapitale letters boven!)[2] Nog veel minder +heb ik om een categorische antwoordenlijst gevraagd. Zelfs gezegd--ik +ken u, o Couperus--dat ik met een antwoord op enkele vragen, of met +korte aanduidingen al wat blij zou zijn. _Conclusie_: Overdreven +zwaartillendheid waar het enkele streng-intellectueele formuleeringen +geldt, echter door een kwinkslag bewimpeld. + +Dat was de opgaande krabbel, waarmee de arabesk begint. Nu volgt een +kronkelende neerhaal: + +"Werkelijk, ik heb over de meeste dingen die u mij vraagt nooit +nagedacht; eigenlijk denk ik nooit na en laat ik mij leven volgens mijn +gevoelens, want ik geloof dat ik meer voel dan denk. Welnu, hoe zal ik +dan hierover uitweiden? U vindt alles, wat misschien licht kan ontsteken +over mijn persoonlijkheid, in mijn boeken, te meer omdat ik mij in die +boeken eigenlijk geheel geef als ik ben en u dus, zoo u ze aandachtig +leest, mijn eigen analyse daar vindt en dan in een kunstvoller en +eigenaardiger wijze dan ik u nog zou kunnen geven, in brief of zelfs in +interview. + +"Ik zou u dus willen verzoeken, zoo u over mij schrijven wilt, lees mij +over, want ik ben ijdel genoeg te denken, dat u mij reeds gelezen +heeft." + +_Conclusie_: Een zich laten drijven op gevoelens, als gewoonlijk +slechts volgt op en de consequentie kan zijn van een mislukt trachten +naar een wijsgeerige of psychologische levensbeschouwing. Tien tegen +een, of de schrijver denkt, terwijl hij dit neerschrijft, reeds aan een +definitieve wending in zijn levenslijn. En zoowaar, hier volgt nu de +tweede ophaal van de arabesk, scherper, beslister, strakker dan de +eerste: + +"En vindt u dat overlezen een "mer à boire", dan zou ik u willen raden, +begin met te lezen mijn feuilletons in het "Vaderland"--reeds in enkele +bundels uitgegeven--en zoek daarna in mijn romans den auteur die er zich +toch zoo weinig verbergt. Ik ben overtuigd dat u mij vinden zult." + +De overgang "en vindt u dat overlezen een "mer à boire"" is onwezenlijk. +Het komt aan op de onderscheiding, die hier gemaakt wordt, tusschen het +oudere werk (hier aangeduid met het woordje "mij") en de feuilletons in +"Het Vaderland", die hier en daar aan een doorloopend interview doen +denken, en waar Couperus zich _rechtstreeks_ geeft, terwijl hij zich in +de romans alleen maar "niet verbergt". _Conclusie_: Hier is inderdaad de +wending in de levenslijn die wij voelden aankomen. + +En nu volgt de tweede neerhaal van de arabesk, een breed gelijnde boog, +die aan den eersten neerhaal parallel en in een zachte krul, die het +gehéel omslingert, verloopt. + +"Wanneer u dezen arbeid te zwaar vindt voor het doel, een studie over +mij te schrijven ... wel, dan moet ik u antwoorden, dat wat ge van mij +vergt nog veel zwaarder arbeid voor mij zou zijn en dat een antwoord op +uw vragen mij wel mijn geheele overige leven zou kunnen bezighouden. U +zult mij dus vergeven, dat ik u het werk opdraag, dat u mij zoudt +willen opdragen, tevens overtuigd, dat, zoo u dien arbeid op u wilt +nemen, veel eer tot uw doel zult geraken, het een en ander van mijn +innerlijk en zelfs uiterlijk bestaan te weten te komen. En ik hoop +hartelijk, dat u dit zeer ernstig bedoelde schrijven niet te veel als +die eene geheime deur zult beschouwen." + +_Conclusie_: De schrijver komt min of meer terug op zijn eerste +verklaring. Hij vindt dat hij mij wel heeft beantwoord. Hij laat zich +ook niet zoo uitsluitend op zijn gevoelens drijven, want hij weet nu al, +dat de beantwoording van mijn vragen--waarover hij niet zou hebben +nagedacht--zijn heele overige leven zou kunnen vullen (niet vervullen +natuurlijk)--zooveel verschieten openen zich hem, enkel bij de +onderstelling dat hij er over zou gàan denken. Hij zou dan een zwaarder +taak op zich laden dan de ondervrager zou doen, dien hij om zijn +schijnbaar wat mathematische denkwijze lichtelijk in 't ootje neemt. +Derhalve: Op het zoeken naar een levensleer is gevolgd een bewust en +moedwillig geborneerd zich opsluiten in eigen kring, waarbij echter een +ononderbroken "Begriffsdichtung" in de tòch bestaande behoefte aan een +geestelijk steunsel komt voorzien. + +Had ik ongelijk, toen ik hier van een "Korte Arabeske" sprak? Is uit dit +antwoord, dat, ik erken het, ik eerst mismoedigd in mijn la liet +fladderen, niet veel te leeren dat bij lectuur van Couperus' werk als +leid-hypothese zou kunnen dienen? + +Kortom, al heb ik sommigen, die ik hoogelijk waardeer, niet kunnen +bereiken--maar waartoe die lijdensgeschiedenissen hier opgehaald?--al +weet ik ook heel goed, dat nòg wel enkele persoonlijkheden, maar dan +meer op zichzelf staande figuren, voor opname in deze verzameling zijn +aan te wijzen (waar is 't eind'?)--wanneer men dit boekje leest in den +geest, dien ik boven heb ontvouwd, dan zal men niet alleen nader komen +tot vertegenwoordigers van de voornaamste richtingen, maar ook +onopzettelijk overzicht erlangen van de geschiedenis onzer nieuwere +literatuur. + +En ten slotte hoop ik dat de lezer met mij zal gevoelen en steeds beter +zal gevoelen, dat de omgang met groote mannen en vrouwen, in zooverre +als ze groot zijn, altijd vormend en bemoedigend werkt en niet zonder +schâ kan worden ontbeerd. Het is dan ook mijn liefste wensch, dat mijn +arbeid in handen moge komen van jongeren die in het leven hoûvast +zoeken. + +D'OLIVEIRA. + +Hilversum, Oudejaarsavond 1913. + + +VOETNOTEN: + +[1] De heer Heijermans heeft mij wèl te woord gestaan, maar toen een +eerste fragment van het interview in "Den Gulden Winckel" was +verschenen, uitte hij aan mijn adres eenige beschuldigingen, die mijn +roep van ernstig onderzoeker en getrouw weergever te na kwamen. Een +vriendelijk voorstel om over deze beschuldigingen het oordeel van een +scheidsgerecht uit te lokken, beantwoordde hij met een epistel dat in +cynische onheuschheid zijn wêerga zoekt. Hoewel H's klachten door den +heer Simons zijn onderzocht en ongegrond bevonden, druk ik het interview +niet af: 1° om te toonen dat ik geen kwade bedoelingen had; 2° omdat ik +mijn boek, dat een hoog cultureel doel nastreeft, niet wil blootstellen +aan verdere merkwaardigheden van den heer H., die weliswaar eventueel +slechts op één hoofdstuk gemunt zouden zijn, maar onvermijdelijk het +geheel zouden treffen.--De Ver. v. Letterk. heeft de zaak in handen.-- + +[2] Woordelijk hetzelfde stuk werd gezonden aan Carel Scharten. En wat +zegt deze in den aanhef van zijn brief? + + + + +JOHAN DE MEESTER + +[Illustratie: JOHAN DE MEESTER naar een krijtteekening van zijne +dochter, Annie de Meester] + + +(* 6 FEB. 1860) + +Hij is nu heelemaal niet zoo als ik hem mij had voorgesteld: Niet zwaar +in zijn bewegingen, niet provinciaal in zijn kleeren, niet melancholiek, +niet stroef. Het is een genot bij hem gast te zijn. Zijn Médoc wordt +geuriger door de vriendelijkheid waarmede hij ze aanbiedt en de +kwistigheid waarmede hij ze zelf geniet, en men kan zijn Henry Clay's +niet weigeren, al rookt hij niet mee, want voordat ge dit laatste hebt +begrepen, is hij, rad sprekend en druk gesticuleerend, al aan de pointe +van een interessante gebeurtenis uit zijn rijke ondervinding. Hij is een +geroutineerd gastheer, hij geeft onweêrstaanbaar leiding aan het +gesprek. Ik ben gekomen om te luisteren en hij brengt me aan het praten +over mijn beroepsbezigheden, over congressen die ik heb bijgewoond. Hij +is in de conversatie nooit onverschillig toehoorder. Hij volgt mij zéér +oplettend, en zijn vragen, langzaam, aarzelend begonnen,--dan eensklaps +uitloopend in een meesleependen woordenvloed, kerven als het ware in het +onderwerp, totdat zij het leven er van raken. Zijn stemgeluid doet niet +aangenaam aan. Men merkt op, dat hij scherp, heesch spreekt, zich nu en +dan al sprekend overspant, afbreekt met een droge kuch, een flinken +slok drinkt om zijn keel los te maken. Maar men vergeet dit al spoedig, +omdat men vol aandacht is voor het merkwaardige verschijnsel, dat hij in +Hollandsche woorden Fransch spreekt, haastig, haastig, een gedachte +omspelend met drie, vier zinnetjes die het maar zoo ongeveer doen, dan +plots zich bedenkend en het buitengewoon nauwkeurig zeggend, met een +Hollandsche _Derbheit_, die mij bijna te machtig zou worden, als ik er +niet in voelde een aansturen op niets sparende oprechtheid. Hij denkt +snel, hij denkt buitengewoon levendig, en als hij één gedachte uit laat, +worden de andere ideeën, weer door nieuwe volgsters opgedrongen, +ongeduldig, en hij komt krachten te kort om ze te formuleeren, zoo +levendig en roerig als hij ze voelt. Dan neemt hij zijn toevlucht tot +stopwoordjes: "Vreeselijk--heel erg--zoo verschrikkelijk," waarop hij +langdurig steunt en drukt, om dán met een zétje over te springen op het +woord dat hij eigenlijk bedoelt en dat daardoor in het spreken een +ongewoon relief krijgt. Het kost hem moeite zich los te maken van een +gedachtengang, die hem eenmaal heeft geboeid en ondanks zijn +converseertalent kan een onderhoud met hem niet verloopen als een spel +van korte vragen en vlotte, kernachtige antwoorden. Het deelt zich in +enkele groote vakken in, zware, uitbundig daarheen geworpen +woorden-massaas, door voorzichtige vraagjes van mij onderbroken. + +Nadat hij mij had gedwongen minstens een half uur over mij zelf te +spreken, een opzettelijke bescheidenheid van 'm, die mij echter menigen +zweetdroppel gekost heeft, omdat ik vreesde nooit tot het onderwerp te +zullen komen, verloste hij me uit de onzekerheid, door mij voor te gaan +naar zijn kamer: "waar u dat lampje van Betlehem ziet branden". Maar +zelfs dáár moest ik ten slotte hem met geweld de leiding ontnemen. Zijn +zoon bracht hem toen "wat hij hem gezegd had" en dat bleek een flesch +roode wijn te zijn. En bij die gelegenheid nam ik het besluit, niet te +dulden dat er nu zou worden gesproken over wijnsoorten--alcohol-- +geheelonthouding--en dan verder in die richting, en vroeg hem zonder +inleiding, onder welke levensomstandigheden hij was begonnen met +schrijven en of hij zich daarmede een bepaald doel had gesteld. + +Ja kijk, begon hij, ik heb niets van een dichter; ik ben een kerel die +voor een dichter wil knielen, maar hetgeen er toen in mij gebeurde kunt +u het best vergelijken met de wijze waarop het gedicht uit den dichter +zou voortkomen: Ik kreeg behoefte om rekenschap te geven van wat mij was +wedervaren, en dat heb ik vreeselijk jong gehad. Ik heb hier nog o.a. +staan een ding met verzen, die ik gemaakt heb zoo tusschen mijn +dertiende en vijftiende jaar, met Van Rappard, een vriend van mij, die +jong gestorven is. Het beteekent natuurlijk niets, maar toen zat al in +mij de behoefte om wat ik doorleefde uit te zeggen. + +Dat zit ook zoo'n beetje in verband met de behoefte aan eenzaamheid die +ik altijd gehad heb. Die Rappard was mijn eenige vriend in het groote +dorp, waar we toen woonden. We zijn vrienden gebleven tot aan zijn dood. +Hij was ook eenzaamachtig, net als ik, en we zaten maar altijd samen in +zijn roeiboot. + +In mijn kindschheid woonde ik in Harderwijk, waar mijn vader +burgemeester was. We hadden er een heel groot huis; daar behoeft men in +zoo'n stadje niet rijk voor te zijn. Het kamertje waar ik het liefste +zat was het zoogenaamde knechtskamertje op de zolder. Daar had vroeger +zeker een knecht gewoond. En ik stelde me voor, ik was nog een heel +klein kind, dat ik daar op dien eenzamen zolder later _mijn_ +huishoudentje zou hebben! Later heb ik vreeselijk gedwéépt met Robinson +Crusoe, maar wat ik eigenlijk nooit kon begrijpen was dat men hem zoo te +beklagen vond. Ik vond hem veeleer te benijden--zoo lekker alleen op dat +prettige eiland. + +Wanneer je dat in je hebt, dan kom je er vanzelf toe, je altijd +rekenschap te geven van wat je wedervaart, en dat is _au fond_ mijn +schrijven geweest. Ik geloof dat het bij een dichter net zoo gaat ... +niet dat ik zeg dat ik een dichter ben ... ik heb veel te veel bewondering +voor een dichter.... Het is dus het overdenken van wat je in je hebt en +dat opschrijven. + +Tusschen 1875 en '77, toen ik 16 jaar was, woonden we in Wageningen. +Mijn moeder was erg orthodox en ik ben als kind ook vroom geweest, en +nog op mijn dertiende jaar heb ik geld ingezameld voor de zending. Ik +was toen als externe op een Christelijke school, waar ik het onderwijs +wat was ontgroeid en privaatlessen kreeg. Ook had ik toen veel vrij en +maakte groote wandelingen met een kennis die vijf jaar ouder was. Je +kunt nergens in ons land zulke verschillende wandelingen maken als daar: +De eene keer heb je de hei en de heuvels met mooie vergezichten en de +andere keer weer de vruchtbare en vlakke Betuwe. Daar ben ik toen +serieus gaan hopen dat ik een dichter zou worden. + +Het was op een ochtend in den voorzomer en ik zat alleen op een heuvel +bij Veenendaal. Aan de Grebbe had ik een jongen man bezig gezien, naakt +tot aan den gordel, zich de borst te wasschen in een emmer koud water. +Ik had nog al eens last gehad van mijn borst en ik was jaloersch op die +kerel. Maar in dat heerlijke lenteweer--zooals we nu ook weer hebben--ga +je je sterker en gezonder voelen, en ik kreeg hoop, dat ik ook eens een +flinke kerel zou worden. + +Ik was namelijk een jongen, die overal bang voor was, en ik deed bijv. +heelemaal niet aan sport. Maar toen kreeg ik een gevoel: Jesis, je +ontgroeit het! En ik zie nog altijd voor me dat aanteekenboekje, waarin +ik toen neergeschreven heb die stemming van geluk, van daar op die mooie +hei te zitten. Ik heb altijd veel gehouden van natuur met heuvels, in +dat opzicht ben ik een echte Geldersman gebleven, en ik ging toen een +soort symboliek maken van dat vergezicht in verband met mijn eigen hoop +op de toekomst. + +In dat jaar werd ik door mijn vriend uitgenoodigd een reis te maken door +het Schwarzwald, een voetreis die wel zes weken geduurd heeft. Hij zou +schilder worden en maakte een reisboek met teekeningen. Ik beschreef +thuis mijn reis zonder teekeningen, maar met verzen, en dat werden acht +schoolschriften in klad, een lang verhaal, met erg veel citaten, zooals +je dat op dien leeftijd doet. + +Op mijn zeventiende jaar zijn we verhuisd naar Voorst bij Zutphen en +toen ben ik gekomen bij de registratie. Dat was iets ontzettends voor +me, maar aan den anderen kant wist ik hoe vreeselijk het zou zijn als +ik niet doorging. Ik ben uit een ambtenaren-familie, mijn vader en +grootvader waren burgemeester, een oom van me is notaris, mijn broer was +minister. In zulk een omgeving leer je zekere eischen van _comfort_ en +_social standing_ stellen, die je niet gemakkelijk opgeeft. En dan:--ik +leefde alleen met mijn moeder en zuster, in een aardig huisje met een +mooi strooien dak (later heb ik mij menigmaal voorgesteld dat ik mij +daarin zou vestigen). Mijn vader was vroeg overleden en we moesten +rondkomen van een f 1200 à f 1400. Mijn studie had al veel gekost aan +lessen en dergelijke dingen meer, en ik moest doorzetten, al voelde ik +er niets voor. + +Om mij zelf eenigszins schadeloos te stellen, heb ik er toen dit op +gevonden, dat ik wel zou doorwerken, maar intusschen zou schrijven ook. +Ik heb toen een klein bundeltje schetsjes gemaakt: "Kleingoed", waarin +ik mij braaf accuraat had toegelegd op een keurigen vorm, _enfin_ iets +van Potgieter er in, die ik toen druk had gelezen, keurige zinnetjes, +maar een beetje luchtiger en leniger dan Potgieter--zoo ver was ik toen +al. Ik was 's middags zoo tevreden als ik na kantoortijd weer in de +spoor zat naar Voorst. Maar ik had een uur te wachten aan den trein, en +daar ontmoette ik iemand die aan de _Zutphensche Courant_ was en mij van +zijn baantje vertelde. En een poosje later kreeg mijn moeder de +schrikbarende mededeeling, dat ik gesolliciteerd had aan een krant en +van de registratie af wilde. Toen was de man die mij geestelijk steunde +die Van Rappard. Hij schreef mij onmiddellijk. Hij was jonkheer ridder +Van Rappard en zijn vader vond wel goed dat hij schilder werd, maar +onder de kennissen vonden natuurlijk velen het een groot bezwaar, dat +een jonkheer artiest zou worden. En hij schreef mij: Ik ben er 50% op +achteruitgegaan, maar jij zult er 80% op achteruitgaan,--ofschoon je +niet van adel bent. Er was toen nog heelemaal geen sprake van, dat je +schrijver kon worden zonder een baantje te hebben. Later heb ik mij +afgevraagd of het niet beter was geweest, bij de registratie te blijven, +om vier uur Harer Majesteits kantoor te sluiten en dan voor me zelf aan +het werk te gaan. + +Toen ben ik al spoedig in Amsterdam gekomen, aan de "Amsterdammer" van +De Koo, en ik viel er dadelijk in een milieu van menschen van +beteekenis, (onder wie ook Van Deyssel) waardoor ik voelde wat er aan +mijn heele vorming ontbrak. Ik ontmoette tijdgenooten, niet alleen van +véél meer talent, maar ook veel rijper in levensbegrip. Ik leerde toen +ook Tak kennen die was vreeselijk aardig voor me. Hij was mijn chef en +ik zei "Meneer" tegen hem, maar als 's nachts de krant klaar was, nam +hij mij dikwijls mee naar zijn kamer, waar we dan een toddey dronken. +Hij was een idealistisch en vreeselijk ... innig-gemoedelijk man. Ik +herinner me nog, hij had een portret boven zijn schrijftafel, van een +nichtje van hem, en hij barstte op een morgen in tranen uit toen hij +over dat kind sprak. Om die sentimentaliteit van hem hield ik van hem +als van een ideëelen ouderen broer. Als ik om twaalf uur met een looden +kop op de krant kwam, dan had Tak zijn haren al gewasschen en zat weer +lustig te werken. Hij was zeer sterk en ik zwak, en toen ging ik voelen +de ellende van de onvrijheid door gemis aan fortuin. Dat gevoel ben ik +in de laatste jaren wat kwijt geraakt. Bij mijn huwelijk heeft sterk +gegolden het feit, dat mijn meisje aanleg dacht te hebben voor +schilderes en zei: Geen huishouden!--Ik dacht, dat gaat gemakkelijk: Jij +maakt schilderijen en ik schrijf, en zoo hebben wij geen zorg voor het +huishouden. Maar het is anders geloopen.--Ik geloof niet dat ik anders +den moed zou hebben gehad een huishouden te beginnen op de journalistiek, +waar ik steeds voelde: vrees voor het maatschappelijk leven. Ik ben +vreeselijk gauw op mijn teenen getrapt en den omgang met menschen heb ik +steeds gevoeld als iets dat meer zorgen gaf dan genot. Dat is wel niet +socialistisch, maar ik heb mij ook nooit voor een socialist uitgegeven. +Ik heb altijd geleden onder den druk van te moeten omgaan, nu eens met +die en dan weer met die--zooals een krantenman dat doen moet. Ik had heel +zwaar werk, veel werk, en ik herinner mij uit de Amsterdamsche jaren, dat +een vriend toen tegen me zei: "Kerel, sjouw jij zoo zwaar, of ben je +verliefd?" Want ik zag er zoo slecht uit. Maar dat kwam van het 's nachts +opzitten. Als verslaggever aan de oppositie-krant had ik het hard te +verantwoorden en ik wilde weg. De Koo begreep dat niet: Hij bood mij meer +geld aan en het tooneel, maar het was de kwestie, dat ik geen verslaggever +verkoos te blijven en Holland uit wou. + +Toen heeft mijn vriend Enklaar, met wien ik samenwoonde, die zelf aan het +Buitenland van het "Handelsblad" werkte en mijn angsten en ergernisjes +zoo gauw begreep, mij in relatie gebracht met Charles Boissevain. En voor +het "Handelsblad" mocht ik naar Parijs. Daar ben ik dan vijf jaar geweest, +en ik begon me meer en meer te voelen als de _entretenu_ van Boissevain.... +Ik blijf hem altijd dankbaar voor het baantje, maar ... het had zijn +bezwaren. Ik wist dat ik altijd in een bepaalden geest moest schrijven. +En in dien tijd begon ik Parijs onder een hoe langer hoe cynischer wordend +algemeen levensinzicht te bekijken. Ik had een zekere satanische vreugde +aan die opvatting van Parijs--maar ik had ook veel tijd om mij in de +literatuur te verdiepen en om musea en tentoonstellingen na te loopen, +waar ik veel om gaf. Ik moest altijd vroolijke en opgewekte stukjes voor +het "Handelsblad" schrijven, zooiets als Van Maurik. Het was een hoogst +oppervlakkig werk. Maar u begrijpt, ik deed het als broodwerk, met het +vaste voornemen ermede op te houden, als die oom in Australië van me, me +eens een half millioen naliet, zooals u uw broodwerk, hoeveel plezier u er +ook in hebt, zoudt laten varen als die rijke oom van u in Australië eens +kwam te sterven. + +Maar in dien tijd zag ik in het "Handelsblad" langzamerhand komen +uitingen over een kunst, die in ons land aan het ontstaan was, en +waarbij namen werden genoemd van goede kennissen van me, o.a. van Van +Deyssel, ook van menschen, die ik slechts uit hun werk kende en voor wie +ik sympathie voelde. Een daarvan was Couperus. En toen bracht het +"Handelsblad" het protest van Den Hertog, den paedagoog, tegen het +fatalisme in de werken van Couperus. Daar kon ik toch niet blijven! En +toen er open kwam een baantje aan de "Nieuwe Rotterdammer" heb ik, voor +een kwart in het besef dat ik het aan het "Handelsblad" niet kon +uithouden, en overigens om met mijn vrouw en het kind dat ons geboren +was naar Holland te gaan--zij kon in Parijs niet aarden--heb ik het +"Handelsblad" verlaten. + +En een van de eerste dingen, die mij toen gebeurden, was, dat ik had +geschreven zesentwintig blaadjes copy over en grootendeels tegen "Een +Passie" van Vosmaer de Spie, en toen ik er mede binnen kwam bij mijn +chef, scheurde hij die zesentwintig blaadjes meteen doormidden. Een +tweeden keer was op de beurs een algemeen gelach opgegaan over een +verslag van mij, dat in de krant had gestaan, over Toorop, wiens werk ik +mooi had durven vinden. Dat was toch wel al te gek!--Maar in latere +jaren zijn hier tentoonstellingen gehouden van Toorop, die met grooten +eerbied door het publiek zijn behandeld. Het is een énorme satisfactie +voor mij, te zien hoe de geest ook hier is veranderd, allicht ook een +beetje dank zij de krant. + +Maar toen heb ik ook hoe langer hoe meer vrijheid gekregen. Ik ben geen +vent om journalist te wezen. Ik houd van de eenzaamheid buiten. Maar ik +blijf de krant heel dankbaar, dat hij me vrij heeft gelaten. De vroegere +hoofdredacteur, Dr. Zaaijer, heeft mij herhaaldelijk heerlijk verdedigd, +ook tegen aandeelhouders, en daardoor heb ik iets in het publiek kunnen +doen voor de moderne kunst. Dat is een groote satisfactie voor me +geweest. Nadat ik er een poos mee bezig was, is het "Handelsblad" ook +begonnen. Maar toen ik aan de "Rotterdammer" kwam, was er geen sprake +van, dat Boissevain dat zou gedoogen. Ik geloof dat ik de eerste +journalist ben, die voor de nieuwe literatuur en de nieuwe kunst in de +journalistiek iets heeft kunnen doen--afgezien van wat door anderen is +gedaan in het weekblad "De Amsterdammer", hoewel Van Maurik daar toen in +de hoofdredactie zat en de jongeren vaak den voet dwars zette. + +Toch heb ik in Rotterdam heel moeilijke jaren gehad en van dat zware +leven heb ik nogal wat uitgesproken in een bundel verhalen: "Het Leed +van den Hartstocht" en ook in "Zeven Vertellingen". Ik woonde toen in +een huis, dat ik ook in "Geertje" beschrijf, en als ik 's nachts van de +krant thuis kwam en nauwelijks was ingeslapen, kwam mijn achterbuurman, +die schipper was, naar huis, en klotste mij met zijn klompen wakker. + +Langzamerhand, nu mijn kinderen groot zijn, ben ik gaan berusten in het +leven en ik hoop van berusting tot Levens-Bejahung te komen. Ik hoop dan +nog eens een boek te schrijven, dat zal heeten "Du Sollst"--daar heb ik +al heel lang plannen voor. + +Maar mijn boeken van vroeger, en dat is, geloof ik, een zuiver antwoord +op uw vraag--zijn een uiting van het levensinzicht, dat mij deed zeggen: +"God, God, moeten er nu nog kindertjes komen?" en dat mij die heele +procreatie-drang deed voelen als leed. + +--Mijn gastheer kuchte droog en nam een grooten slok wijn. Ik dankte hem +voor deze oprechte en uitvoerige beantwoording en vroeg hem nu, wat hem +dan noopte, dit levensinzicht op deze wijze te uiten. + +--Ik uitte dat omdat ... ik dacht er niet bij aan anderen, gelijk een +dichter die liefdes-sonnetten maakt denkt aan zijn meisje. Neen, ook +niet in den zin van wraak willen nemen. Maar ieder mensch heeft in zich +de behoefte aan uiting. Je wilt je kracht gebruiken. Door te schrijven +verminder ik mijn leed. U hebt dat ook wel eens in uw werk ondervonden: +Een burger, die verduiveld nijdig is om een besluit van den +gemeenteraad, ontlast zijn toorn door een stuk in de krant te schrijven, +dat mijnheer A of B zoo verduiveld leelijk heeft gesproken.--In het +begin wilde ik eenvoudig exploiteeren mijn begaafdheid als +verteller--maar "De Zonde in het Deftige Dorp" is een boek, waarin ik +uit mijn wrok over het schijn-fatsoen van de Hollandsche aristocratie en +zoo wat. Het is wel degelijk een boek.... Robbers heeft het genoemd "een +boek van haat", en dat is beslist onjuist, maar Coenen heeft het juister +gekenschetst in "De Amsterdammer" toen hij zei: Je moet een heel eind +boven je levenshaat geklommen zijn, om er zoo uit de hoogte op te kunnen +kijken. Dat is de geestelijke groei in mij, dat ik aan dergelijke +gevoelens van haat ontstijg, door de dingen uit de hoogte te bekijken. +Het "Leed van den Hartstocht" beziet de dingen van dichtbij. Dat is een +pijn, die ik vandaag voel, opgeschreven zooals hij is. Maar "Het Deftige +Dorp"--dat is de wêerzin die ik heb, van mijn vijftiende jaar, en die +nog bestaat, tegen de Hollandsche aristocratie--maar dan bewerkt tot +een soort spotlach uit de hoogte. En als u mij nu vraagt: Wat drong je +tot schrijven? dan zeg ik: De behoefte van dien man van het ingezonden +stuk. Er is dus niet geweest bij mij ooit--ik heb vreeselijken eerbied +voor "De Nieuwe Gids", maar in dat opzicht sta ik dichter bij Heijermans +en vooral bij Coenen--louter schoonheidsverlangen. Er was bij mij meer +menschgevoel dan schoonheidsverlangen. Mij is het vooral te doen om +menschelijkheid en levensbegrip, levensgewaarwording. Ik wilde mijn +levensgewaarwordingen opschrijven om ze te kristalliseeren tot een zeker +begrip. En je bent schrijver om dat te doen in de presentie van de +wezens die je je lezers noemt. + +--Of ik dan mocht zeggen, dat hij schrijft om zijn lezers in te +lichten? + +Maar hij stond driftig op en ging heen en weer loopen in zijn kamer. En +met zijn bewegelijke handen gebaren makend, alsof hij uit de lucht +muggen pakte en die met al zijn vingers tegen zijn palmen dooddrukte, +barstte hij los: + +--Neen, neen, o neen! Ik ben heelemaal niet paedagogisch. God neen! Maar +er is iets anders. Ik weet nog dat ik in Parijs eens opgeschreven heb: +Als ieder mensch eens heel oprecht zichzelf neerschreef, dan zou je +daardoor krijgen zuiver levensbegrip. Als alle menschen zich gaven, zoo +zuiver als ik mij heb gegeven--in mijn boeken--dan stel ik mij voor +--dat de menschen er uit konden leeren. Maar als ik schrijf--dan ben +ik niet de onderwijzer--maar de man die het openhartig zegt. Ik hecht +vreeselijk aan oprechtheid en openhartigheid. Toen ik mijn meisje pas +gevraagd had, was net klaar mijn eerste groote boek "Een Huwelijk". Toen +zei ik: "Hier heb je een boek, en daar vind je mij zelf in". Dat heeft +een deplorabelen indruk gemaakt. Ze vond die mijnheer in dat boek iets +verschrikkelijks. Ze vond dat heelemaal geen kunstwerk. Mijn vrouw is +een echte idealiste. Een en al schoonheidsverlangen. En het deed mij +vreeselijk plezier toen het boek is opgekamd door Van Deijssel, in "De +Nieuwe Gids" en "De Amsterdammer". Doch dat maakte alleen indruk op haar +hersens. Voor haar eigen gevoel was dat boek _profondément antipathique_. +--Die mijnheer Frans Koene uit dat boek (de echte Frans Coenen en ik +hebben daar dikwijls om gelachen) daar zit erg veel van me zelf in.... +Is er misschien een ijdelheid in, dat je met je indrukken te koop loopt, +zooals een coquette vrouw met haar snoet? Het is moeilijk te zeggen. Ik +weet het niet. Maar aanvankelijk was dat bij mij heelemaal niet het geval. +Toen ik die versjes maakte in Veenendaal, was het niet om te publiceeren, +maar om op papier te zien wat er in me omging. Dat is de oorsprong van +alle schrijven. + +En het groote verschil, waardoor ik buiten de "Nieuwe Gids"-beweging sta +en pas aansluiting heb gevonden bij Emants onder de ouderen, en bij +Coenen, dat is juist dat het ons te doen was om menschelijkheid en +levensbegrip--alle talenten-kwestie buiten rekening gelaten--terwijl die +anderen, die vol levensliefde zaten, kwamen met schoonheid. Je zou het +kunnen vergelijken: den een met bidden en den ander met vloeken. Een +levens-verneinend mensch vloekt, een levens-bejahend mensch bidt. Nu is +mijn levensproces dit, dat ik door het geluk dat ik vind in mijn gezin, +ook doordat ik rijper ben geworden, ben gekomen tot een levensberusting +--die echter nooit zegt: Wat is het leven heerlijk. Er is een groote +behoefte aan liefde in mij, en het boek dat ik met zeer besliste opzet +aan mijn vrouw heb opgedragen, dat is "Geertje", dat men een levens- +bejahend boek heeft genoemd,--dat is ook het eerste boek geweest, waarmee +ik succes heb gehad.... + +--Toen kwam de vraag bij mij op, of hij dan niet aan zijn indrukken iets +toe deed? Maar hij begreep dat niet aanstonds zoo als ik het bedoelde. + +--Dat is verschillend, antwoordde hij. In verschillende tijdperken en +verschillende werken is dat verschillend. + +_Geertje_ bijv. is van huis uit dit: We hebben eens gehad een dienstmeid +en ik wist wel dat die dienstmeid, voordat ze bij ons kwam, heeft gehad +de narigheid die het fundament is geworden van mijn roman. Op een avond, +toen ik met mijn vrouw wandelde, het was bij het ziekenhuis hier, +vertelde ze me dat en gaf me meer détails en zei: Nu weet je precies +hoe het met haar geloopen is, en ik riep: Godallemachtig, daar zit een +prachtige roman in--zooals ik vanmiddag, toen u me van uw gemeenteraden +vertelde, heb geroepen: Daar zit een prachtig stuk copy in!--Dat mensch +is korten tijd daarna van ons weggegaan, omdat ze teringachtig is +geworden. + +Waarom trok me dat nu zoo aan? Omdat ik in oude ontwerpen van verhalen, +die dateeren uit mijn vroegsten tijd, twee had gevonden, waarvan het +eene nooit uitgewerkt is en het andere als het ware is een omgewerkte +Geertje. Een meisje uit den burgerstand, dat een soort van held ziet in +iemand die maatschappelijk boven haar staat, en zich heelemaal voor dien +man weggooit. Dat heldhaftige er in, dat wilde ik weergeven. Ik heb in +een aantal détails, op het slot na, de werkelijkheid trouw gevolgd. En +nu is het bezwaar dat men tegen "Geertje" had dit, dat ze door dat +uitpluizen van haar sensaties te weinig dienstmeid is gebleven. Ik heb +me dan ook later afgevraagd, of ik niet beter had gedaan, haar een +kinderjuffrouw te maken uit een beetje hoogeren kring.... U ziet dus, +dat in dat boek de werkelijkheid de grondslag is. En meestal is dat bij +mij zoo geweest. De schetsen uit "Zeven Vertellingen" en "Het Leed van +den Hartstocht" zijn wel verzonnen, maar toch uit toestanden die ik had +ervaren, of ergens had gelezen. Een schets uit de "Zeven Vertellingen" +is "De Klompjes", een verhaal dat ik in de "Oprechte Haarlemmer Courant" +had gelezen--dat dus wel waar zal zijn!--als gebeurd met kinderen in de +buurt van Berlijn. En toen heeft aan den eenen kant mijn groot medelijden +met de menschen in het algemeen en de kinderen in het bijzonder en aan +den anderen kant mijn drang om over de aantrekkingskracht van den Dood te +schrijven mij doen zeggen: Daar zit een mooi verhaal in. Kijk, het is mij +er met mijn schrijven om te doen, mede te deelen mijn conclusies over wat +ik van het leven heb ervaren. Ik moet dus beginnen met te hebben +levenservaring en nu ga ik die analyseeren, onder het microscoop bekijken. +En nu valt er een heel persoonlijk licht op, dat spreekt van zelf, maar de +grondslag is eenvoudig: De uitwerking van een geval dat ik heb waargenomen +of vernomen. En nu heb ik de menschen zooveel mogelijk andere neuzen of +baarden gegeven en andere jassen aangetrokken, maar ik heb, om tot het +deftige dorp terug te keeren, van uit de hoogte willen behandelen +Nederlandsche fatsoens- en vroomheidsopvattingen (die in onzen +tegenwoordigen tijd weer zoo aardig aan het werk zijn) en ik heb daarvoor +genomen toestanden die hebben bestaan. Ik zoek dus naar dingen die +aansluiten bij mijn persoonlijke gevoelens. + +--Zoodat u volstrekt niet behoort bij hen, die ieder stuk werkelijkheid, +onverschillig welk, voldoende vinden om er over te schrijven of om het +te beschrijven? + +--O neen, dat kan ik niet, dan komt er niets van terecht. Op het fond +ligt altijd wat ook in den lyrischen dichter zit, mijn persoonlijk +gevoel. De aangedragen dingen kunnen hoogstens dienen ter illustratie +van dat persoonlijk gevoel. Wanneer later van mij dat boek zal zijn +verschenen, waarbij de menschen zullen spreken van optimisme, dan zal +dat wezen omdat ik werkelijk door levenservaring en door de indrukken +die teederheden op mij gemaakt hebben, ben gaan voelen de schatten +helderheid die er zitten in de gezinsliefde, en daardoor meer optimist +geworden ben, of althans een man van levensberusting. Ja--berusting--dat +is eigenlijk het goede woord. "Het Leed" is hier in deze zelfde kamer, +aan deze zelfde tafel geschreven, maar als het morgen een broertje +krijgt, dan zal dat een heel anderen geest hebben. Ik zoek dus mijn +onderwerpen, kleine verhalen en groote werken, zoodanig, dat mijn +levensinzicht er zich in kan uiten. + +--Een realist bent u dus in de opvatting van uw onderwerp nooit geweest? + +--Neen. + +--Maar nu wat de uitwerking betreft? + +--Ja, bij de uitwerking wel. Ik tracht om zoo te zeggen verantwoording +af te leggen, tegenover den lezer, van de ervaringen die ik in het leven +heb opgedaan. Dus moet ik het leven zoo zuiver mogelijk mededeelen. En +hoe kan ik dat anders doen dan realistisch? Maar nu is het verschil +tusschen het realisme en mij, dat het realisme de ervaring van zichzelf +weglaat. Wanneer u mij vertelt van uw gemeenteraden, dan kan een zuivere +realist een schets maken van zoo'n raadzaal, maar ik zal geven de +ervaring die ik heb van zoo'n raadzaal. + +--Maar U deelt die ervaring, of liever dat inzicht, niet afzonderlijk +mee. + +--Natuurlijk niet. Wanneer ik dat deed, zou ik een slecht auteur +zijn--(hier kon ik een beweging van tegenspraak niet weerhouden)--ja, +want dan maak je tendenz-boeken. Maar ik zit zelf heel sterk in +"Geertje".... + +Hij stond weer vlak voor mij en maakte met zijn handpalmen die +eigenaardige grijpbewegingen.... + +--Ik geef sterk in "Geertje" weer--mijn heel persoonlijke illusies--De +Meesters illusies--van vrouwenliefde. Dat is het subjectieve in het +boek. En het is voor mijn gevoel het werk van de critiek, uit te maken +in hoeverre ik, bij dat subjectieve, zuiver heb weten te houden de +teekening van de figuren. Dat laatste is natuurlijk de kunst. Van +Deijssel heeft naar aanleiding van "Geertje" geschreven: De Meester is +in onze generatie de man die hart in zijn werk legt.--Toen mijn vrouw +mij vertelde van die dienstmeid--toen zei ik dadelijk: Dat mensen +voldoet aan de verlangens, die ik als jongen van achttien jaar had van +vrouwenliefde. Nu kwam de werkelijkheid vóor mij te staan en gaf mij +zoo'n ideale figuur te aanschouwen. Ik had maar te copiëeren--maar ik +deed het met de vreugde van iemand die heeft gevonden zijn ideaal.... Ik +kan u dit misschien nog duidelijker maken door u te zeggen, dat mijn +lievelings-auteurs ook menschen waren die als het ware geestelijk +werkten. Vòor mijn vijftiende jaar al Multatuli, en daarna nog veel meer +Rousseau. Dat zijn geen zuivere vertellers en geen zuivere +schoonheidsmenschen. Dat zijn menschen die steeds hun inzicht in het +leven geven. Daarna ben ik komen te lezen pessimistische literatuur, die +aan mijn levensinzicht beantwoordde. Het is altijd geweest: mijn +philosophie ... of neen, ik heb niets van een wetenschappelijk man ... +mijn levensoverpeinzingen een vorm te geven door er vertellingen van te +maken ... dàt is mijn eigenlijk werk. + +--En vindt u niet, dat onze literatuur juist den anderen kant uitgaat? + +--Neen, ik zou juist zeggen, dat er in den laatsten tijd stroomingen +komen, die veel meer dien kant uit gaan. Scharten heeft naar aanleiding +van "Geertje" o.a. dit geschreven, dat de romanliteratuur in de toekomst +zoo zal zijn, dat er een soort van romantiek gaat door het realisme. Ik +geloof dat de menschen bij ons hoe langer hoe meer, o.a. ook geleerd +door uw vriend Goethe, komen tot het weer terug willen hebben van het +Levensinzicht als basis van alle literaire kunst. + +En als ik iets als onbelangrijk voel--als een ding dat me niet +interesseert--dan is 't het realisme, dat aan de loutere beschrijving +zonder meer van een brok werkelijkheid z'n volle kracht geeft. Dat zou +ik nooit kunnen doen. + +Vandaar dat mij terecht zoo vaak is verweten dat in mijn boeken de +plastiek schraal was. Die heeft mij altijd weinig geïnteresseerd. Om u +een voorbeeld te geven. Een figuur van wie ik altijd ontzettend veel +gehouden heb is geweest mevrouw Bosboom-Toussaint. Ik heb gedweept met +haar "Huis Lauernesse". Maar nu weet u wel, er zijn in het begin een +zestal pagina's waar het kasteel wordt beschreven. En tot op den +huidigen dag heb ik die niet kunnen lezen, terwijl ik het heele boek wel +twintig maal gelezen heb!... Ik weet geloof ik wat u vragen wilt. +Wanneer u in mijn huis een zeker streven naar schoonheid opmerkt,--o, +niets bijzonders,--maar een zeker pogen om door een beeldje hier en een +kleedje daar wat schoonheid te brengen, dan komt dat, doordat mijn vrouw +die in mijn leven heeft gebracht en heeft doen waardeeren. Mijn ideaal +is het ideaal van Schiller: een kamer met wit gekalkte muren en de meest +eenvoudige schrijftafel. En dat sluit aan bij mijn behoefte aan +eenzaamheid, om van een minimum te leven in den meest grooten eenvoud, +en dan te schrijven.... Dat ik dat niet gedaan heb, zit hem in mijn +groote behoefte, in allerlei opzichten, aan een vrouw. Het geestelijk +element van dat verlangen heb ik trachten te uiten in "Geertje", en het +andere element, het lichamelijk element en het leed daarvan, in de +"Zeven Vertellingen" en "Het Leed van den Hartstocht". Toen ik naar +Parijs zou gaan, had ik nog dat huisje in Voorst, waarvan ik u straks +vertelde, en daarin woonde mijn zuster alleen, en toen dacht ik: Als ik +nu maar hier bleef!--Maar het idee dat je van de boeken zou kunnen leven +was toen zoo veraf liggend, dat bij het beetje geld dat ik dan zou +hebben alle mogelijke ideeën van te kunnen trouwen waren uitgesloten. +Zoo is de intree in de maatschappij voor mij bepaald geweest niets dan +dwang. + +Deze uitlating bracht me er toe, hem te vragen naar zijn meening over +het socialisme, niet de politieke richting die zoo heet, maar meer in +het algemeen de geestelijke strooming, die het maatschappelijke, ook in +de kunst, zoo sterk op den voorgrond stelt. + +--Het socialisme, antwoordde hij, laat mij vrijwel onverschillig. Ik +vind het heel mooi, maar het lost voor mij de levensvragen niet op. Als +de socialistische maatschappij er is, dan stel ik mij voor, dat die, zoo +niet aan me zelf dan toch aan onze kinderen, zou brengen een vergemak- +kelijking van het leven. Maar--ik behoor ook tot de proletariërs--ik +stel mij voor, dat de levensvragen dan precies even bloot en onopgelost +voor ons zouden liggen.... + +--Wilt u meteen duidelijk zeggen wat die vragen zijn? + +--Die vragen zijn dan het gevoel dat het leven geen doel heeft, geen +reden en geen oorzaak heeft, waar ik "ja" op zeggen kan. En dat ik in +het leven zie voor iedereen veel leed en veel meer wreedheid dan lust. +Zoodat het _fond_ van mijn bestaan is een volstrekt ongeloof, het +tegendeel van godsdienstigheid, en ik alleen door menschenliefde ben +gaan berusten. Maar daarom nog niet zie in het socialisme, hoewel dat +natuurlijk ook op menschenliefde gebaseerd is, een ding, waarmede dat +zelfde leven wordt gemaakt tot een blij iets. Daar zou ik met veel +plezier over doorpraten als u het goedvindt.... + +--Ik zal u wel waarschuwen als u voor mijn doel te ver gaat. + +... Wanneer ik dan lees "Pan" van Gorter, dan voel ik, dat ik het werk +mislukt vind als geheel, maar er _magnifique_ dingen in vind, en een +streven dat mij _sympathique_ is. Ik vind Gorter een erge kraan ... we +spreken hier natuurlijk van mensch tot mensch ... maar op den bodem van +"Pan" ligt een levensblijheid, een levensvreugde ... een geloof in het +leven ... die ik bijna kinderlijk naïef vind. Ik voel me zelf als iemand +die nooit een kind is geweest. Daartegenover voel ik een man als Gorter +als iemand die altijd een kind is gebleven.... Wanneer nu morgen het +socialisme komt, dan zou daarmee o.a. zijn weggenomen de ... godvergeten +... groote ... onnoodige ... wréédheid van de armôe. Maar als het +socialisme morgen kwam, dan zou niet de wereld met al het andere dat nog +zou zijn goed te maken zooveel verder zijn gebracht. U hebt alles +noodig, niet waar? Ik geef u een paar schoenen en dat is heel wat voor u +waard. Maar wanneer uw kind doodelijk ziek lag, wanneer u voor goed +gebrouilleerd was met uw vader en moeder ... wat hebt u dan aan die +schoenen van mij?... _Au fond_, groote god, ga ik met de socialisten +heelemàal mee, maar ik vind niet dat hun strijd gaat tegen de dingen +waar ik tegen strijden zou--als ik streed. Maar ik strijd niet, omdat ik +geloof dat alle strijd daartegen nutteloos is. Het eenige dat ik doe--is +mijn leed er over uiten. + +--En dit nu in verband met de kunst? met die heele serie begrippen die +men thuis brengt onder de benaming "gemeenschapskunst"? + +--De eenige deugd, die ik aan mijn schrijverij toeken, is de deugd die +Van Oort er in heeft gezien, de oprechtheid. Ik geef me zelf in +volledige oprechtheid. Ik heb niets anders te geven. Iets anders doe ik +niet. De gemeenschapskunst is alleen voor menschen die het leven +liefhebben. Wat zullen we gaan wandelen--als we niet van wandelen +houden? Natuurlijk, als we gaan wandelen, dan spreken we af dat we +meenemen een paar schoenen, een veldflesch en een kaart.... Maar ik zeg +dikwijls: Jesus, vader en moeder, waarom heb je me gemaakt? Ik kan met +de menschen onmogelijk die plannen meemaken voor die wandelreis. Ik +blijf liever thuis.... Het verschil tusschen Kloos en mij is, dat hij de +Onbewustheid lief heeft, en ik er bang voor ben. Op den grond van alles +voel ik de natuur als een zich niet aan ons openbarende, even wreede als +prachtige macht. Ik heb in later jaren twee regels van Leconte de Lisle +leeren kennen, die voor mij een levensleus inhouden: + + La nature se rit des souffrances humaines + Ne contemplant jamais que sa propre grandeur. + +Aan den eenen kant die schoonheid van de natuur--aan den anderen kant +dat ze daar alles aan opoffert. Kloos is in zijn hart een godsdienstig +man. Ik ben godsdienstig opgevoed, maar mijn levensvrees was altijd te +groot. Ik zei u al, ik kom uit Harderwijk, een stadje van zesduizend +inwoners. Het stadje van de kolonialen, die er een groot _air_ van +triestheid aan gaven, iets vreeselijks.... Aan den eenen kant die wreed +calvinistische visschersbevolking, die niet tevreden was of de dominé +moest elke week van hel en verdoemenis preeken, aan den anderen kant die +exploitatie van de kolonialen, die in het stadje werden gehouden om er +hun geld te verteren. Na mijn vader's dood is mijn moeder daar nog +enkele jaren blijven wonen, in die eenzaamheid. En zij ging er +natuurlijk vreeselijk onder gebukt, dat ze zoo jong weduwe was geworden. +Maar ik dacht: Wanneer de broers het huis uit zijn, dan ga ik met moeder +wonen in Ermelo, omdat ik iets wilde dat nog veel stiller was dan +Harderwijk! En dat was nog vóor mijn negende jaar. Ik kende nooit die +dankbaarheid voor het leven, die vrome menschen moeten voelen. +Misschien voelt zoo'n calvinist wel de toorn van den oud-testamentischen +god, maar een vroom mensen moet god voelen als een liefhebbend vader. +Ik was nooit blij. Ik was geen vroolijk kind. Ik was bang voor alle +menschen. Ik was een lamme jongen op school. De jongens hadden allemaal +de pest aan me. Pas die vriend die ik u straks genoemd heb heeft van +mijn eenzelvigheid gemaakt een eenzelvigheid _à deux_.... En toch, +misschien dreef mij _au fond_ wat een godsdienstig man drijft.... Er +zijn natuurlijk wel godsdienstige socialisten, maar ik meen dat in den +regel iemand zich niet aan het socialisme zal geven als hij met den +godsdienst niet klaar is gekomen. Het socialisme is toch _au fond_ een +maatschàppelijk streven.... + +--Zit in dat gevoel van u niet een zekere vrees voor wat men noemt de +domme menigte, die u in deze pessimistische zelfbeschouwing zou storen +en u haar inzichten zou willen opdringen? + +--Ik heb een verdomde--Hàat--de mij eigen lichtgekwetstheid brengt mee +een zòo gemakkelijk medelijden met andere menschen, dat ik, hoezeer ik +als _artiste_ voel voor figuren als Napoleon, ze _au fond_ godvergeten +--Hàat. In zooverre zijn mijn boeken zuiver democratisch ... willen dat +tenminste zijn. Wat de toekomst zal brengen weet ik niet. Ik zou bijna +zeggen: Het kan mij geen.... + +--_Bijna_ zeggen, of _helemaal_ zeggen, mijnheer De Meester? + +--Het kan mij natuurlijk wel schelen. Omdat ik kinderen heb. Daarin zit +het zwakke punt van mijn heele zijn. Maar ik heb niet zooveel eerbied +voor het leven, dat het geestelijk leven mij veel kan schelen. + +Dat kan ik met alle mogelijke kniebuigingen nooit meevoelen met uw +vriend Goethe en ook niet met de talentvolste onder mijn tijdgenooten, +die ik juist wel eens heb gemeden, omdat er zooveel blije geestdrift +was in hun streven naar schoonheid en dergelijke dingen meer. Dat waren +dingen die mij ... pas in de tweede plaats konden schelen. + +--Dat komt dus neer op het gebrek aan een levensgeloof, dat voor mij een +van de kenmerken van onzen tijd is. + +--Als ik levensgeloof had, dan was ik misschien een partijganger +geworden, natuurlijk lang zoo kranig niet als Jet Holst, maar wel even +fel. Is het nu gebrek aan levensmoed, dat mij niet levensgeloovend +maakt--of is gemis aan levensgeloof de _fond_ van mijn geheele wezen? +Dat weet ik natuurlijk niet. Dat kun je niet zeggen. En in zooverre sta +ik nog veel nader tot de socialisten dan u, die tegenover hen staat. +Want ik sta niet onverschillig maar _blank_ en u heeft een zekere +aversie. Ik voel in dat "Pan" van Gorter: Goddome, als je zoo het leven +bekijkt, dan begrijp ik dat je het leven lief hebt. Maar de natuur is +heelemaal niet zoo te bewonderen als "Pan" dat doet. + +--Wanneer ik u zoo hoor spreken, wanneer ik u zie gesticuleeren en druk +door uw kamer zie loopen, dan krijg ik toch de gewaarwording dat in uw +heele optreden flink wat levensmoed steekt. + +--Van Deijssel heeft eens tegen mijn vrouw gezegd: Wat je man heeft, dat +is dat hij zijn zenuwen verwerken kan door ze te uiten. Daar is +misschien wel iets van aan. Dat is dat _exubérante_ in me. Dat was er al +voordat ik naar Parijs ging, maar dat is door het leven in Parijs +sterker geworden. Vandaar dat een oude dame eens tegen me zei: Vous ne +serez jamais un Parisien, mais vous avez tout l'air d'un Marseillais. + +Ik kan dagen lang gesloten zijn en dan ook eenzaam leven. Je vindt dat +o.a. ook bij _célibataires._ Als die los komen dan zijn ze luidruchtiger +dan andere menschen. Op de krant ben ik de minst gezellige van de +collega's, en ik voel ook wel dat het niet aardig is. Mijn aard is om +naar niemand zijn gezelschap te verlangen. Maar bén ik eenmaal in +gezelschap, dan ben ik de luidruchtigste. Verleden jaar heb ik ter wille +van mijn dochters (anders kom ik nooit in een vergadering) dat congres +van letterkundigen bijgewoond. Van Deijssel heeft toen een toast +gehouden op mijn vrouw en mij, en toen heb ik geantwoord in een erg +uitbundigen toast, waaruit de menschen wel heelemaal niet den indruk +hebben gekregen van een vent die liever in z'n eentje zit in een dorp +als Ermelo. Dit heb ik misschien van mijn geboorte. Mijn moeder was een +zwakke vrouw, getrouwd met haar neef, en ik was een nakomertje, acht +jaar na de anderen geboren. Mijn twee broers zijn flinke kerels. Van mij +werd altijd gezegd dat ik schoolziek was, en toen heeft een meester aan +de school van de Hernhutters eens gezegd: Neen, hij is niet schoolziek, +maar hij heeft gebrek aan physieken moed. Dat heeft mij erg getroffen en +ze moesten me thuis precies uitleggen wat dat was. Zoo iets résonneert +in je ziel, en zoo ontstaat literatuur. + +--Dat moet toch ongezonde, ziekelijke literatuur zijn? + +--Ja, dat spreekt van zelf. Ik zou bijna zeggen, dat menschen die +dergelijke boeken schrijven gezonde menschen aller-innigst moeten haten. +Gezonde menschen--dat zijn de forsche, sterke, de wreede typen van +levenslust, met alle hardheid die daar inhaerent aan is.... + +--U zegt inhaerent? + +--Met alle hardheid die daar inhaerent aan is. En daar staan licht +gekwetste menschen, die bang voor het leven zijn, natuurlijk fel +tegenover. Waarom leeft een mensch die aan het leven het land heeft, +voort? Omdat het leven sterker is dan jij bent. Als ik daar ooit een +voorbeeld van heb gezien, dan was het wel de autobandiet Dieudonné, de +felle revolutionnair, die een kniebuiging heeft gemaakt voor het Gezag, +met tranen in de oogen, toen hij vernam dat hij mocht blijven leven in +dien vorm, dat hij voor z'n heele leven naar de galeien ging. Dat +prefereert zoo'n stakker boven het momentje van den dood!... Het leven +is de sterkste en dat is voor menschen als ik ben een moeilijk proces, +om daarin te blijven berusten. Het is misschien verdomd egoïst, dat je +de moeite die je dat kost niet voor je zelf houdt, maar er boekjes van +maakt. Maar er staat tegenover dat je het doet in het besef, dat er heel +veel menschen zijn, die hetzelfde voelen als jij. Ik heb altijd een +gevoel dat de literatuur, zooals ik ze maak, is voor een kleine +minderheid. En nu heeft mij erg bevreemd: Ik heb hier voor een kring van +dames, die mij door een vriendelijke dame waren toegestroomd, gelezen +over de _Névrose_ in de nieuwe Fransche letteren. En toen is tot mijn +groote verbazing dit gebeurd, dat, nadat ik die vier lezingen had +gehouden voor negentig dames, er nog zoo velen waren die het ook wilden +hooren, dat ik ze herhaald heb voor een kring van meer den tachtig +dames. Ik beweer heelemaal niet dat ze met sympathie over die _Névrose_ +hebben hooren spreken. Maar ze wilden het toch maar weten. + +Dat blijft het tegenstrijdige van den levens-verneiner, dat je meeleeft +in en zelfs meedoet aan dat overbodige dat heet--de literatuur!-- + +Het was diep in den nacht, toen De Meester mij naar mijn hotel +geleidde--over het fel belichte asfalt van Nêerlands eerste koopstad. +Hij sprak in harde, stekelige woorden over het lot van de veile +schepseltjes, die in den prachtigen zomernacht over het asfalt zwierven. +En juist toen voelde ik dat ons gesprek mij hem nader had gebracht. + + +BIBLIOGRAPHIE: + +Kleingoed (schetsjes)--Een Huwelijk (roman)--Parijsche Schimmen--Zeven +Vertellingen--Deemoed--Allerlei Menschen--Louise van Breedevoort +(roman)--Het Leed van den Hartstocht--Geertje (roman)--Aristocraten +(roman)--De Zonde in het deftige Dorp (roman)--Op weg naar Transvaal +(Kinderboek)-- + +Voorts de brochures: + +De Menschenliefde in de werken van Zola--Een ongewoon meisje (Marie +Baykirtsef)--Iets over de literatuur onzer dagen. + + + + +KAREL VAN DE WOESTIJNE + +[Illustratie: KAREL VAN DE WOESTIJNE naar een teekening van zijn +broer, Guust van de Woestijne] + + +(* 1878) + +Ik had dien middag "op den buiten" bij Brussel doorgebracht, en, +toegevend aan een gril, in een landelijke herberg mijn maal gedaan van +brood met "platte keis" (een soort zure room) en rammenas. Een paar +mannen uit den omtrek dronken lambiek en schoten met handbogen pijpen +van een hoogen staak. Onder het genot van een potje witachtig bier, 't +soort dat op zeepsop gelijkt, trachtte ik me weer in te leven in de +Vlaamsche sfeer, waar ik welhaast tien jaren geleden thuis was. Het +gelukte maar half: de stemming van on-critische, goedmoedige +onbewustheid, die ik op de gezichten van de boogschutters las, kon ik +niet meer bereiken. Totdat een gesprek met een boschwachter, wien ik +naar den weg vroeg, en die geen Fransch verstond maar mijn +hoog-Nederlandsch voor een Italiaansch dialect scheen te houden, mij in +de gewenschte lijn-looze soezerigheid bracht. Zoo bereikte ik het huis +van mijn slachtoffer, gelegen aan een dreef met veel pleiziertuinen: +"melkerijen", waar menschen met roode gezichten, smeulende oogen en +luide stemmen krentebrood met harde eieren gebruikten, en glazen dunne +melk lieten staan.... + +... En plotseling leidde de blozende Vlaamsche meid mij in een kamer, +waar de raadselachtige scheemring met bloedkleur doortrokken scheen. In +mijn breede, vleezige hand legden zich de heel slanke, bleeke vingers +van den poëet. Ik had nooit gedacht dat een zoo smalle hand mogelijk +was. Zijn heele gestalte trouwens is van een opmerkelijke, +aristocratische fijnheid, wat vooral uitkwam als hij met vele +overbodige, doch rustige bewegingen door 't roode half-duister van zijn +kamer schreed, aan de strak tegen 't lijf gedrukte armen de handen +rechthoekig opgebogen. En ik kreeg, in deze vergeestelijkte omgeving te +plotseling overgeplant, de sensatie, dat de bleeke dichterhanden zouden +gaan wapperen als ik mijn adem niet inhield..... + +Doch nu zit hij tegenover mij, aan de schrijftafel, waar vele groene en +oranje bandjes Fransche philosophie van Alcan en Flammarion mij treffen, +en ik bespeur op dit indrukwekkende, starende baard-gezicht trekken, die +mij doen denken dat 't voorwaar! tot schooner dingen leidt, van den +wijn, van den hartstocht en den zinnenroes te zingen, dan er van te +léven. Mijn geoefend oog gaat opmerken. Ik bestudeer zijn ranke +bewegingen en zijn mimiek, ik blijf letten op het spottende in den +glimlach van sensueele lippen en helle puntige tanden, en het kost me +moeite, van de min of meer medische beschouwing naar de ideëele +beschouwing van dezen persoon terug te keeren. Doch de wijn rukt aan, +"het kan geen kwaad" meent hij, en ik krijg hem aan 't praten, zoodat +ik, noteerend en vragend, geen gelegenheid meer heb om mijn ontleding +van zijn uiterlijk voort te zetten. + +Van jongs af, zoo vertelt hij, ben ik geweest tweevoudig. Ik heb +geleefd binnen in mijzelf, en dàn met een groote fantaisie. + +Toen ik een kleine jongen was, heb ik heelemaal in mijzelf geleefd, en +daarbij kwam veel atavism, zal ik maar zeggen. Mijn vader was een man +die heelemaal naar binnen gekeerd was, maar langs den kant van mijn +moeder had ik een grootvader, die was heelemaal fantaisie. Hij sprak +alles op rijm en maakte om te kunnen rijmen de zonderlingste +gedachtensprongen. Hij was architect, maar hij deed niets aan zijn vak, +want hij kon gemakkelijk leven. Hij was als gemoedsmensch een echt +artiest. De groote ernst in mij kwam van mijn vader. Hij zou ingenieur +worden, maar op een zeker oogenblik is hij gedwongen geweest in de +nijverheidszaken van zijn eigen vader te gaan. Zoo lang ik hem gekend +heb, hij is maar tweeënveertig jaar geworden, hield hij zich heel den +tijd bezig met wiskunde en mechanica. Hij heeft verscheidene +uitvindingen gedaan. Een voorbeeld kon hij niet voor mij zijn, ik was +maar twaalf jaren toen hij stierf, maar zijn aard bleef er in. Ik heb +heel veel van hem gehouden, hoewel hij mij nooit veel liefde betoond +heeft. Dat lag in zijn aard niet. Toen mijn vader dood was, stond mijn +moeder aan het hoofd van een groote nijverheidszaak in Gent. Zij had +veel werk, en veel innigheid heb ik niet kunnen genieten. Een eenzame +van nature, ben ik heel jong gaan lezen. Aan kinderspelen heb ik nooit +gedaan, want mijn andere broers, die jonger waren, hadden gezelschap aan +de dienstboden. Ik had slechts mijn bibliotheek, een van de zotste +dingen die bestaan hebben, waar bijv. Homeros naast Jules Verne stond. +Het was een samenhooping van boeken, duizenden en duizenden. Wij hadden +in Brussel een familielid en die was boekhandelaar. Wanneer mijn vader +en moeder of mijn grootvader hem kwamen bezoeken en iets interessants +bij hem zagen, namen zij het maar mee. Dat werd een kamer vol, +literatuur, encyclopedieën, woordenboeken, atlassen.... Ik kon lezen +sedert mijn derde jaar. Ik heb op een zeer bijzondere manier leeren +lezen. Vlak over de deur hadden wij een jong onderwijzer wonen, die het +heel slecht had en in de vacantie lieten mijne ouders, toen ik pas twee +jaar was, hem les komen geven. Meer voor hem, dan voor mij. Ik zal u +zijn naam niet noemen, want hij heeft een zekere bekendheid gehad in +Nederland. Dat is voor mij het ergste geweest, dat mij kon gebeuren. +Want ik leerde heel vlug, met een echte koorts. Toen ik een jaar of +zeven was, had ik al een heele bibliotheek verslonden. Toen ik een jaar +of twaalf was, las ik ter zelfder tijd Pascal en Paul de Kock. Ik +herinner het mij zeer bepaald. + +Dat moet voor mijn ontwikkeling veel belang gehad hebben. De vage drang +naar oneindigheid en de geniepige, gevreesde sensualiteit die +aangestoken werden door zulke lectuur, hebben mij heelemaal voorbereid +tot wat ik geworden ben, mag ik wel zeggen. + +Toen mijn vader stierf had ik al gedichten gemaakt in het gebrekkigste +Vlaamsch dat men zich denken kan en dat dank ik weer aan dien zelfden +huisonderwijzer. Hij was toen leeraar geworden en zelf een dichter, +zonder veel beteekenis trouwens. Ik kende heel weinig Vlaamsch. Mijn +opleiding was in een privaatschool, die niets te maken had met de +gemeentescholen, waar nog iets Vlaamsch geleerd wordt. Niemand wist, dat +ik die verzen maakte. Een paar jaar later zijn zij verschenen in een +kindertijdschriftje. Het eerste gedicht, dat ik waarlijk gevoeld heb als +gedicht, maakte ik op den eersten verjaardag van den dood van mijn +vader. Toen was ik een goede dertien jaar. Intusschen waren een +heeleboel andere verzen van mij verschenen onder allerlei pseudoniemen, +die ik zelf niet meer ken. + +Intusschen was ik op het athenaeum gekomen en daar ben ik waarlijk een +flamingant geworden, onder den invloed van een paar leeraren, die mij +veel goed en ook veel kwaad gedaan hebben. Het was in '93 en de eerste +"Van nu en straks" was verschenen. Dat heeft een enormen invloed op mij +gehad. + +Dat is een punt van belang en men weet dat in Holland eigenlijk zoo +niet. "De Nieuwe Gids" heeft invloed gehad op de generatie die +onmiddellijk vóor de mijne gekomen is, die van Vermeylen, De Bom en +Hegenscheidt. Die hebben waarlijk den invloed van de "Nieuwe Gids" +ondergaan. Maar de man die, de eerste, eene eigenlijke vernieuwing in +Vlaanderen gebracht had, Van Langendonck, heeft dien invloed niet gehad. +Wel stond hij onder den invloed van Fransche dichters, onder den invloed +van de "Jeune Belgique", die baudelairiaansch was. Wel heeft hij verzen +geschreven die Kloosiaansch schijnen, maar dit voordat Kloos ooit in +Vlaanderen gelezen werd; verzen, die geschreven waren bijv. in '82 en +'83, vóor het verschijnen van de "Nieuwe Gids". Onze generatie kende de +"Nieuwe Gids" nog niet. Wij waren volop aan het dichten onder den +invloed van Pol de Mont en Hélène Swarth, toen wij door bemiddelling van +"Van nu en straks" de "Nieuwe Gids" leerden kennen. Maar het was Van +Langendonck vooral, die voor ons de openbaring was. Ik mag gerust +zeggen, dat de invloed van "De N.G." niet groot geweest is. Toen ik +zeventien, achttien jaar was, heb ik veel genoten van Kloos, veel meer +nog dan van Gorter, maar echten invloed heeft hij op mij nooit gehad, +niet meer dan bijv. Lamartine of Musset, en bepaald minder dan De Vigny. +Ik admireerde Kloos, omdat ik een zoo groote individualistische +personaliteit in hem vond. + +Wij zijn nu in '94 of '95. Ik was toen volop aan het dichten. Toussaint +heeft van mij geschreven, dat ik toen reeds een beroemdheid was onder de +athenae-jongens en studenten. Veel vroeger had Pol de Mont mij een +postkaart gestuurd, een postkaart, stel je voor, over een paar verzen +van mij in een tijdschrift. In die postkaart stond: "Tu Marcellus +eris."[3] + +Ik heb er trouwens niet op geantwoord. Want ik voelde wel, dat +verzenmaken was toen niet meer dan een bedrevenheid van mij, anders +niet. In '93 echter maakte ik kennis met "Van nu en straks" en de +anarchistische beweging in Frankrijk en België, waaruit de geest van +"Van nu en straks" gedeeltelijk was ontstaan. Ik mag u verzekeren, ik +was na den dood van mijn vader nog meer vereenzaamd en die opstandelijke +beweging heeft mij waarlijk gevormd. + +Wij gingen heelemaal in die beweging op, en ik heb op het punt gestaan +buiten de deur van het athenaeum te worden gezet om mijn revolutionnaire +ideeën. Van toen af kon ik mij met niets meer tevreden stellen dan na +rijp onderzoek, en sindsdien ben ik een opstandeling gebleven, of zeg: +laat ik mij niet gaarne bedwingen. Daarvan heb ik in Gent prachtige +voorgangers gehad, die tegenwoordig beroemd zijn, bijv. George Minne, +een groot beeldhouwer, en De Sadeleer, een bekend schilder. Die gingen +zoo ver dat zij wilden stelen om d'arme menschen hetgeen hun diefstal +opbracht te gaan uitdeelen. Zij gingen ook dagbladen op straat verkoopen +en bij iederen "Fakkel" dien zij verkochten, kregen zij een slag op hun +kop. Dat wil wat zeggen voor den zoon van een patriciër, zooals die +beeldhouwer was. Het was geestelijk een prachtige tijd. + +Mijn eerste verzen in "Van nu en straks" verschenen in '96. Victor de +Meyere had mij gevraagd mee te werken. Dat waren ook de eerste verzen +die onder mijn eigen naam verschenen. Ik ben een van de zeer weinigen, +die den geest van "Van nu en straks" getrouw zijn gebleven. Ik zei het +U: het is een van de gronden van mijn karakter gebleven, weinig gezag +te dulden. Gezag draag ik heel moeilijk, tenzij natuurlijk moreel gezag. + +Hiermede heb ik u dus een paar voorname factoren van mijn aanleg +opgenoemd: de vereenzaming van het kleine kind, vooral na het sterven +van mijn vader, die het gemoed verdiept heeft en leidde tot al te vroeg +ontwaakte sensualiteit; en den oneindigen dorst naar kennis. En dan, +mijne fancy. + +Ik heb het niet altijd gemakkelijk gehad in het leven, maar ik heb +altijd een grooten en blijden onafhankelijkheidsdrang gehad in mij, en +ik geloof dat ik dat te danken heb aan voorouders van moederlijken kant. +De ooms en de vader van mijn moeder waren allemaal geestelijk vrij, ik +bedoel vrij van kommer, en allemaal waren zij rijmelaars. Zij waren met +een zevental en praatten altijd op rijm met elkaar. Van hen heb ik +waarschijnlijk het vermogen, mij zoo gemakkelijk boven de werkelijkheid +te plaatsen en den geestigen, persoonlijk-humoristischen kant van de +dingen te zien, een optimisme waarbij ik mij telkens kan opwippen. + +Ik ben altijd godsdienstig van aard geweest, juist vanwege het naar +binnen gekeerde leven, hoewel ik thuis van godsdienstig leven weinig +gewaar ben geworden. Als ik 's Zondags, toen ik dertien à veertien jaar +oud was, naar de mis moest,--het museum lag toen naast de kerk--: +voelde ik telkens een strijd in mij of ik het museum, dan wel de kerk +binnen zou gaan, en het museum won het dan bijna altijd van de kerk, al +voelde ik er innig leed bij. Het godsdienstig gevoel is levendig in mij +gebleven, maar het gebeurt toch ook wel vaak nog, dat het museum het +wint. Daar komt altijd bij mijn afkeer voor al wat gezag is. Moreel +gezag neem ik natuurlijk aan, dat is van veel sterker werking, dat is +mijn eigen gezag, dat ik in mijzelf voel en waarvan ik niet afwijk. +Daardoor ben ik dan ook werkelijk onmaatschappelijk. Ik sta dan ook +tegenover de proletarische poëzie als een onverwoestbare individualist. + +Door natuur en door opleiding ben ik individualist. Maar in dit begrip +zelf is nog een onderscheiding te maken. Is het zuivere individualisme +waarlijk het impressionisme van 1880 en van de "Nieuwe Gids"? Dat moet +ik absoluut tegenspreken. Om te beginnen, ik zeide het u reeds, hebben +wij den invloed van 1880 niet rechtstreeks ondergaan. Ik behoor tot een +andere generatie. De mannen die bij ons den invloed van de "Nieuwe Gids" +ondergingen zijn, zooals ik reeds zei, Vermeylen en De Bom, en ik behoor +tot het volgend geslacht, dat dus als het ware van de "Nieuwe Gids" +heeft gehad een tweede afkooksel. Wat ons opviel in de "Nieuwe Gids" was +het impressionisme. Mijn individualisme is van geheel anderen aard. Het +is niet het onmiddellijk reageeren op zintuigelijke indrukken, het is +veel meer het opnemen van een algemeen wereldgevoel in de personaliteit. +En dan zal poëzie worden de weerspiegeling van een algemeen wereldgevoel +door het individu. Het is dus een tegenstelling van het zuivere +impressionisme, het picturaal impressionisme, zooals Van Deyssel en +Gorter het hebben geleverd. Tegenover de zintuigelijke gezichtsmenschen +stel ik mij als innerlijk gehoorsmensch, die meer in zich zelf hoort +dan hij buiten zich ziet, als muzikaal vertolker van de wereld. + +--U stelt hier gezicht en gehoor tegenover elkaar. Zoudt u niet beter +zintuigelijk en gedachtelijk tegenover elkaar stellen? + +--Neen, gedachtelijk is een verkeerd woord. Zie hier wat ik bedoel. Stel +u voor, dat Gorter zou zijn een geslepen staalplaat, waar de zonnestralen +en wat zij meebrengen onmiddellijk op afketsen. Als hij een indruk +krijgt, bedoelt hij den indruk onmiddellijk terug te kaatsen. Dat is +het schoone van zijn kunst en hij is eenig daarin: Zoodra ontvangen, +geeft hij den indruk terug.--Bij mij nu is het anders. Het is alsof de +straal dringt door de stalen plaat heen en komt op het gevoels-vlak. +Het is niet meer een zuivere impressie, maar een impressie die een +verwerking heeft ondergaan, een verwerking door het gevoel. Dat is in +den grond het bezinken van de impressie. Stel u voor een laag +doorschijnend ijs die op het water ligt. Als er een zonnestraal op +valt, dan wordt hij door de dikte van het ijs gebroken en dan komt hij +onder het ijs weer uit en ondergaat er aan kleur, aan wezen, aan wat +weet ik al, een nieuwe vervorming. Zoo is het gevoel bij veel dichters. +Inplaats van onmiddellijk af te ketsen op het waarnemingsvlak, dringt de +indruk door tot in het diepst van hun ziel en als hij dan, verwoord, weer +buiten dringt, is hij heel iets anders geworden. + +Dus mijn individualisme gaat meer uit naar dat van de Fransche +symbolisten, maar is toch weer heel iets anders. De eigenlijke +symbolisten, die ingeleid zijn door Henri de Régnier, systematiseeren. +Zij herleiden eiken persoonlijken indruk tot een beschouwingsvlak. Zij +deelen de verschillende indrukken in in sommige vakken. Dat is toch het +eigenlijke symbolisme, niet waar? Men moet onder een teeken een zekere +reeks van gedachten kunnen indeelen. Dat heb ik altijd verkeerd +gevonden. Dat wordt in den grond zoo iets als een wetenschap. + +Ik wil--voor zoover "willen" bij 't half-bewuste dichten te pas +komt--eenvoudig mijn eigen indrukken inleiden tot algemeene +menschelijkheid en ze algemeen begrijpelijk maken, ze dus eerst laten +bezinken tot eigen gevoel, en dat eigen gevoel daarna toetsen aan het +algemeen menschelijk gevoel, dat ik terugvind niet alleen bij de +menschen die mij omringen, niet alleen bij de lezers, maar bij de +dichters door de eeuwen heen. Dat is natuurlijk niet vanzelf gekomen. +Dat ware onmogelijk, het kan niet vanzelf komen. Als men begint te +dichten heeft men zijn eigen indrukken, al waren ze nog zoo klein en al +waren ze nog zoo pervers, zoo lief, dat men ze wil weergeven in de +aller-individueelste expressie. Maar er komt een tijd, dat die liefde +voor de aller-individueelste expressie afslijt. Men wordt meer algemeen, +het kleine détail gaat weg, men gaat alleen de groote lijnen betrachten +en zoo komt men tot wat ik durf noemen: een neo-classicisme. + +Door het individualisme heen komen wij tot het neo-classicisme, een +nieuwen classieken tijd, een periode van menschen die zich heelemaal +bewust zijn en zich in volkomen oprechtheid uiten, maar daarbij alles +laten wegvallen wat in hun persoonlijk geval te sterk-persoonlijk, te +zeer bijzonder zou zijn. Ik heb in de "Groene" gesproken van menschen +die op de hoogten wonen en elkaar herkennen. Zij wonen op verschillende +heuvelen, zij zien elkaar niet, maar de een begint te zingen, de tweede +hoort hem zingen, de derde ook, en zoo vernemen zij allemaal den zang +van den eerste en herkennen allen in dezen eenen zang hun eigen zang en +leeren elkander onderling kennen. Dat is voor mij de gemeenschapskunst. +Gij ziet, gemeenschapskunst kan heel iets anders zijn dan +maatschappelijke kunst. + +En dit zegt alles: Dit legt u ook uit wat ik gevoel tegenover de +socialistische kunst. Ik kan mij geen dichter voorstellen, die zou +dichten op iets dat niet berust op eigen diepe gronden maar alleen op +een theorie. Daarom is Gorter mij soms zoo hinderlijk, in dezen zin, dat +hij eerst en vooral toch is een impressionist, dat zijn schoonste werk +altijd blijft impressionistisch,--en dat hij dan ineens overslaat op +theoretiseeren en propageeren. "Pan" vind ik een magnifiek gedicht, maar +telkens als hij aan de propaganda komt is het mis, dan is het geen +poëzie meer. De goede gedeelten zijn eenvoudig impressionistische poëzie +en zoodra hij daar buiten gaat wordt het gezanik, heel eenvoudig. Het +wordt propagandistische proza, afgesneden op een vijfvoetige maat. +Daarentegen heeft Mevrouw Roland Holst, zij als vrouw, omdat zij vrouw +is, alles verwerkt. Zij heeft het socialisme en de democratie inderdaad +heelemaal in zich opgenomen. Bij haar is het heelemaal liefde en leven +geworden. Het is individualisme geworden en daardoor juist kan zij +waarlijk proletarische poëzie maken. Het is bij haar niet meer geestelijk +of gedachtelijk, het is doorvoeld, en juist daarom is zij de socialistische +dichteres in Holland. Neem Adama van Scheltema. De eenvoudige liedjes, die +hij misschien voor de minste houdt in zijn werk, die voor den gewonen lezer +ook wel minder zijn, neem een socialistischen marsch, die zoo echt is van +rythmus, zoo meegevoeld, zoo meegestapt, zou ik haast zeggen, dat is echte +proletarische poëzie, in tegenstelling met werk, waar heel wat diepere en +ingewikkelde bedoelingen achter zitten, maar dat juist daarom geen poëzie +kon worden. + +Wat betreft de mogelijkheid van proletarische poëzie kan ik dus zeggen, +dat die geheel afhangt van persoonlijkheid. Als in Holland honderd +dichters kunnen gevonden worden, die tegelijk proletarisch voelen, dan +hebt gij natuurlijk honderd proletarische dichters. Maar dat is nog geen +proletarische poëzie, niet waar, u begrijpt me. Mevrouw Roland Holst en +Adama van Scheltema maken proletarische poëzie als zij waarlijk +proletarisch voelen, niet denken. Maar van het oogenblik af dat men +proletarisch denkt maakt men geen poëzie meer, omdat men dan denkt en +niet leeft. + +Gorter heeft in de "School der Poëzie" geschreven van de burgerlijke +kunst, waar hij uit wilde. Heel de "Nieuwe Gids" is volgens hem +burgerlijk. Daar had hij groot gelijk in. Zoo was het. De "Nieuwe +Gids"-dichters waren burgerlijk, omdat het impressionistische gevoel +rechtstreeks straalde uit het burgerlijk leven. Er kon dus werkelijk +sprake zijn van een op haar uiterst levende burgerlijke poëzie. De +meeste menschen in dien tijd en ook de meeste dichters leefden en +teerden op sommige begrippen die heelemaal burgerlijk waren. Zij leefden +voort op de begrippen van 1848. En toen kon er sprake zijn van een +algemeen burgerlijke poëzie. Maar tegenwoordig kan er geen sprake zijn +van een algemeen socialistische poëzie, omdat de proletarische begrippen +nog niet zijn doorgedrongen in de menigte, omdat de proletarische +gevoelsdichters nog uitzonderingen zijn. Daaruit volgt, dat er volgens +mij natuurlijk een tijd kan komen van proletarische poëzie, gelijk er in +1900 sprake mocht zijn van burgerlijke. Ik geloof zelfs, dat die tijd er +misschien komt, mijn eigen idealen er natuurlijk buiten gelaten. + +Maar als het zoover komt, dan ben ik overtuigd, dat er ook reactie komt, +anarchistische of aristocratische reactie komt, waarin de individualisten +zullen spreken tegenover de meerderheid der maatschappelijke gemeenschaps- +dichters. En zoo gaat het voort. In Gent noemt het volk dat "den contour +van de wereld", het draait altijd zoo maar rond. + +Maar waar blijft, als de proletarische begrippen zijn doorgedrongen, +eigenlijk de poëzie? Is een socialistische toekomst wel vereenigbaar met +uw opvattingen van wat poëzie eigenlijk is? + +--Er zullen altijd dichters zijn. Denk eens aan den tijd van de +predikanten-poëzie, waar Kloos het over heeft. Die tijd was zoo duf, zoo +vermolmd, dat men zich moeilijk kan denken dat er toch nog dichters +waren. En nu is de laatste daad van Kloos juist geweest, deze dichters +op te delven. Beets en De Génestet waren geen groote dichters, maar zij +hadden het in zich. Beets met zijn "Camera" mag er toch wezen, en hij +leefde toch heelemaal in de Protestantsch burgerlijke Hollandsche +wereld.... Ik stel mij voor, dat er moeilijk iets kleiners is te vinden +dan deze wereldbeschouwing. Toch heeft hij er iets van gemaakt. Ik stel +mij voor, dat het ook zoo zal gaan in den socialistischen staat, wanneer +die er eenmaal komt. Er zullen dan ook menschen zijn, die dichter in hun +hart zullen zijn. Wij weten natuurlijk niet of het groote dichters +zullen worden, maar zij zullen den geest van hun tijd uitdrukken, gelijk +de individualisten hun tijd uitgedrukt hebben. + +En dat brengt mij weer op mijn eigen begrip van individualistische +poëzie. Er is waarlijk iets dat boven den tijd staat. Dat is het +menschelijk leven, het menschelijk aanvoelen, het menschelijk begrijpen, +het leven, het léven ... dat is alles. + +Vermeylen heeft gezegd, dat men de grootheid van een dichter meet aan de +ruimte van zijn ziel. Kunt gij ruim begrijpen, kunt gij ruim voelen en +kunt gij ruim mededeelen, dan zijt gij een groot dichter, maar dan staat +gij buiten de onmiddellijk u omringende maatschappij. + +Men zegt wel eens dat de hypertrophie van het gevoel een teeken is van +decadentie. Daar moet over gesproken worden. Wat is decadentie? Dat is +toch verslapping, nietwaar, en die is gewoonlijk het gevolg van +overspanning. En nu is het maar de vraag: kunnen wij deze in het +tegenwoordige individualisme vaststellen? Neen, dat kunnen wij niet +meer. Wij konden het in den tijd van Kloos. Zoo'n verslapping van de +zenuwen komt altijd voor, na een periode van groote inspanning. Zoo +hebben wij bijv. gezien bij Alfred de Musset, die dichter is tien jaar +van zijn leven, en daarna uit, juist omdat hij kwam na de groote +Napoleontische periode; en bij Baudelaire, die maar een korten tijd +dichter was, juist in het tweede Keizerrijk, na een oogenblik van groote +spanning. Kloos in Holland blijft maar een jaar of vijf, zes, eigenlijk +dichter. Hij volgt op het kwijnen-gaan van de burgerlijke opvatting die +stond tegenover de nieuwe levensbeschouwing: het Socialisme. Kloos is +een burgerlijk dichter geweest. Was hij zenuwsterk genoeg geweest, dan +had hij zich kunnen laten opslorpen door, of had weerstand kunnen bieden +aan de nieuwe beweging. Hij stond met zijn zintuigelijkheid tegenover de +verouderde wereld en kon geen stand houden. Wij hebben in Vlaanderen ook +zoo'n voorbeeld, wij hebben Van Langendonck, die niet mee wilde in den +opstandelijken strijd en bleef bij zijn burgerlijke opvatting. Hij was +daardoor te zeer gedwongen, in zichzelf in te keeren, en heeft zich niet +meer kunnen uiten. + +Daartegenover kan dit gesteld worden: boven die levensomstandigheden +uit, boven die maatschappelijke omstandigheden uit, rijst de algemeene +menschelijkheid van de menschen die op de kimmen wonen, die boven de +andere menschen uitreiken, die de groote menschelijkheid +vertegenwoordigen, die classiek van gevoel zijn. En die vind ik in alle +tijden terug, hoewel die in hun tijd meer dan waarschijnlijk ook +uitzonderings-dichters waren. + +Mijn opvatting is dus niet anti-maatschappelijk, zij is +a-maatschappelijk. Zij staat er buiten, zij is a-socialistisch, +a-moreel, maar anti- is zij niet. Het is heel goed mogelijk, dat de +sociaal-democratische staat er zou zijn en dat ik in dien staat +heelemaal mee kon voelen, dat ik dan een socialistisch dichter zou zijn. +Maar voor iedereen acht ik het onmogelijk, dat van nu af aan eene +socialistische poëzie geheel volledig in het leven zou worden geroepen. +Die poëzie zou heelemaal hersenwerk, uit de gedachten zijn, dus +onpoëtisch. Daarom heb ik juist zoo een grooten eerbied voor Mevrouw +Roland Holst, omdat zij dit alles heelemaal doorwerkt heeft, en kan ik +geen eerbied hebben voor een Gorter, als socialistisch dichter, omdat +bij hem alles stelsel, gedachte, organisatie blijft. Dat laatste woord +komt in zijn gedichten telkens terug en dat maakt een mensch kriegel. +Eerst geeft hij een prachtig brok poëzie, en dan zegt hij: zóó is nu de +socialistische organisatie. Dat is best mogelijk, mijnheer, maar ik wil +alleen poëzie hebben en heb niets te maken met uw socialisme. En dat is +nu juist het verkeerde van de poëzie in Holland tegenwoordig, dat zij +zoo weinig geeft om het onmiddellijke, spontane leven, dat zij alles +laat gaan door den geest en alles distilleert op eigen manier. Dat is +bijv. de kwade invloed geweest van Verwey, die de gewaarwordingen en het +gevoel heeft willen filtreeren door de idée. Daardoor zijn er een +heeleboel jonge menschen in Holland op verkeerde banen geraakt. En zou u +wel willen gelooven, dat ik niet veel vertrouwen heb in de poëzie van +Holland.... Ja, ja, ja, u hebt gelijk, ik bedoel dan de _toekomst_ van +de poëzie in Holland. Ziet u, ik wil niet onvriendelijk zijn.... Deze +hebbelijkheid vindt men zelfs bij de besten, Boutens bijv., iemand waar +ik grooten eerbied voor heb. Hij is de gevoeligheid-zelve, gevoelig tot +de meest gespannen mystiek toe. Maar er is dit bij, dat hij Hollander +is, en daardoor weer dit, dat hij, die uitgaat van het impressionisme, +geheel intellectueel is geworden, dat hij waarlijk weer alles herleidt +tot een intellectueel plan, even goed en misschien meer nog dan Gorter. +Stel u voor een Boutens, die even kinderlijk gebleven was als Annie +Salomons. Stel u voor wat dat zou zijn. Het is natuurlijk belachelijk, +zulke namen naast elkaar te stellen, want, niet waar, Annie Salomons is +nu nog niet bepaald wat men een groote dichteres noemt. Dus ik zeg dit +met allen eerbied voor Boutens, dien ik een zeer groot dichter acht. +Maar hoe doen de dichters in Holland? Zij hebben b.v. eenen indruk, dien +ik zal noemen: blank. Wat doen zij nu? In plaats van argeloos maar dien +indruk uit te zingen, nemen zij, zeer bedacht, wat wit, en zetten +daarnaast voorzichtig een klein beetje rose, en daarnaast behoedzaam +weer een klein beetje geel en maken daarvan de veertien regels van een +sonnet. Dat is heel fijn, het is een genot dat te lezen, maar welk +genot? Genot voor den geest. Het is geestelijke analyse geworden: een +synthetische gemoedsbeweging geeft het niet. Dan nog maar veel liever de +proletarische poëzie, waar tenminste nog een menschelijk gevoel in zit. + +--U vindt het dus wel een vreemd verschijnsel, dat de proletarische +opvattingen binnen gehaald worden door de dichters die eigenlijk de +grootste individualisten moesten zijn en zijn? + +--Ja, maar dat is een speciaal Hollandsch vreemd verschijnsel, en wat +ook speciaal Hollandsch is, is dat deze dichters uitgaan niet naar +menschenliefde, niet naar het christelijk begrip van broederliefde, +maar naar de organisatie. Dat heeft mij altijd zoo verwonderd. In +"Opwaartsche Wegen" kan men dat zoo goed zien. Daarin stond een zeer +schoon sonnet, dat men met genot las, tot bij het laatste terzine, +waarin de dichteres ineens zegt: dàt is nu het proletariaat,--waardoor +het heele gedicht kapot wordt gemaakt. Gorter maakt een prachtig beeld +van een jong meisje en onmiddellijk daarop zegt hij: dàt is nu de +organisatie,--of zoo iets. Dat is speciaal Hollandsch. Een Franschman +heeft eens gezegd: "Le Hollandais, c'est le Monsieur qui veut se rendre +compte et ... il se rend compte." Dat is waar. Zij willen altijd weten +waar het om gaat. Gorter, ik ben er overtuigd van, is een prachtig +mensch, als dichter wordt hij in oprechtheid door niemand overtroffen; +en ook in zijn liefde voor het proletariaat niet, dat valt niet te +betwisten. Maar als hij gaat denken, en als hij dan, al denkende, +gedichten gaat maken over het proletariaat, dan is hij "le monsieur qui +veut se rendre compte", dan gaat hij bedenken wie de voorzitter zal zijn +van de organisatie, en wie de secretaris zal zijn, en hoe hij dien +optocht zal inrichten, en wie de meeste stemmen zal halen bij de +verkiezing. En dat heet dan poëzie. Zoo zijn zij haast allemaal. Al +overdrijf ik hier natuurlijk met opzet, duidelijkheidshalve. + +Kortom, een proletarische poëzie zal mogelijk zijn als de proletarische +staat er is, waar de gedachte vleesch is geworden. Maar dan komt de +reactie, dat kan niet anders, gelijk ook voor twintig jaar in de +burgerlijke poëzie een reactie is gekomen. Als de proletarische- +gemeenschappelijke stijl bestaat, dan komt er natuurlijk een aristocratisch +-anarchistische beweging. Dat spreekt van zelf. Dat kan anders niet. + + +BIBLIOGRAPHIE: + +Het Vaderhuis (1903)--De Vlaamsche primitieven, hoe zij waren te Brugge +(1903)--Laethemsche brieven over de Lente (1902)---Verzen [_Het +vaderhuis, De Boomgaard der vogelen en der vruchten, Vroegere gedichten_ +(1905)]--Janus met het dubbele voorhoofd (1908)--De gulden schaduw +(1910) [_De rei der maanden: het Huis van den Dichter; Poëmata_] Homeros +Ilias, prozabewerking (1910) Afwijkingen (1910)--Kunst en geest in +Vlaanderen (1911)---Interludiën (1912) Het tweede boek der Interludiën +(ter perse)--De bestendige aanwezigheid (t.p.)--Het licht der kimmen +[_Het gelaat des dichters; De geestelijke woonst; De acht +verblindingen_] (in voorbereiding)--Omzettingen (i.v.) + + +VOETNOTEN: + +[3] P. Vergili Maronis "_Aeneidos_", lib. VI, 883. (Zeer vrij vertaald): +Gij zult nog eens de eerste van uw geslacht zijn. + + + + +JOSINE A. SIMONS-MEES + + +(* 1863) + +Toen ze mij na lange aarzeling ontving, was zij dermate onder den indruk +van haar afkeer, als publiek persoon te worden ondervraagd naar het +intieme van haar besloten zelf, dat het gesprek voor ondervraagde zoowel +als voor ondervrager nu en dan pijnlijk werd. Achteraf meende zij, dat +allerlei zaken niet tot haar recht waren gekomen en gaf mij in +overweging het interview niet te doen verschijnen. Op mijn verzoek heeft +mevrouw Simons-Mees mij echter gemachtigd, enkele uitlatingen uit het +gesprek met haar en haar echtgenoot, die mij met het oog op mijn geheel +belangwekkend voorkwamen, in mijn eigen woorden weer te geven. + +Het schrijven was haar van begin af een zelf-bevrijding. Zij is heel +gereserveerd en uit zich moeilijk. Vandaar dat ze trachtte, dit in haar +werk te doen. + +Al vrij jong had zij verwantschap gevoeld met Heine en met Multatuli. +Hun anti-conventionalisme, hun speelsch vernuft, hun afkeer van dwang +vonden weerklank bij wat leefde in haar zelf. Zoo had de beweging van +'80 haar geen bevrijding te brengen, noch naar wezen, noch naar vorm. De +rhetorica van de vóor-tachtigers, hun zwaar-op-de-handheid, hun +moraliseer-behoefte had zij voor zichzelf overwonnen. Zoo was veel in de +beweging der '80-ers haar zelf eigen. Alleen hun "woordkunst" is haar +altijd vreemd gebleven. Zij zelf voelde meer voor stijl "_in_ de +natuurlijkheid". Vandaar dat men in de natuurlijkheid van haar dialoog +ook wel "onnatuurlijks" kon aanwijzen. Het echte naturalisme was haar +nooit eigen. + +Dat gevoel voor "stijl" hangt wel samen met haar liefde voor de meest +"stijlvolle" aller kunsten, de Bouwkunst. Geen kunstwerk, zelfs niet de +muziek, geeft haar zulke ontroeringen als een mooi gebouw. Op reis is, +naast de natuur en de romantiek van het landschap, architectuur wat zij +het liefste zoekt. + +En hier komt de tweeheid van haar wezen uit, gelijk die zich heeft +geopenbaard in haar dramatische motieven en conflicten: + +Ordening en moralisme tegenover ongebondenheid; stijl-zin tegenover +vrije romantiek; joie de vivre tegenover zwaarmoedigheid, pessimisme, +sociaal meegevoel en zelfontzegging. Behoefte aan genieting en liefde +voor het eenvoudige. Zelftucht en punctualisme tegenover afkeer van +dwang; hollandsche nuchtere werkelijkheidszin tegenover behoefte aan een +verbeeldingswereld. Een zekere hereditaire liefde voor de wijsbegeerte +heeft zich bij haar geopenbaard in een vaak onbewuste behoefte om de +"idee" in haar kunst te verwezenlijken, en in een sterke neiging tot +psychologisch analyseeren, die, samen met haar mede heriditaire, +nauwgezetheid en behoefte om van alles rekenschap te geven--in de +menschen en situaties, die zij teekent--tot het uitspinnen leidt in haar +werk (van welk defect zij zich volkomen bewust is) zoowel als tot het +meest drie tot vier malen omwerken van een stuk eer zij het doet spelen +of verschijnen. + +Het zijn die tegenstellingen in en om haar zelf, dat worstelen tusschen +"het moet" en het "ik wil", die vooral de groote drijfveeren geworden +zijn voor haar arbeid, en den dramatischen vorm, met zijn conflicten, in +hoofdzaak bepaald hebben. Waarbij het feit dat het drama meer dan de +roman op "structuur" berust, en de personen onmiddellijk en buiten den +schrijver om zichzelf doet uitleven, die voorkeur voor dezen vorm wel +mede bepaald zullen hebben. Zij voelt er zich althans meest in thuis; al +denkt zij er ook over, den roman in brieven of dagboek eens te +beproeven, om af te zijn van tooneelpremières met hun emoties, +veelvuldige ontgoochelingen en "onmiddellijk hevig de publieke aandacht +trekken". + +Doordat zij, evenals Ibsen, uit een zekere puriteinsch-moralistische +omgeving spruit, zich evenals deze aangetrokken voelt tot de problemen +van het moreele leven en zich kant tegen de frase (vgl. Zijn Evenbeeld, +St. Elisabeth, Een Paladijn en Een Kasbloem) is wel eens de schijn +ontstaan, dat zij gewerkt heeft onder diens invloed. Indien dit zoo +mocht zijn, dan stellig niet bewust. + +Het is daarbij geenszins haar streven, als voorlichtster van het publiek +op te treden. Ze tracht haar figuren zoo onpartijdig mogelijk voor +zichzelf te laten leven, het aan het publiek overlatend, zelf een +conclusie te trekken. + +De taak van den kunstenaar--aldus mevr. Simons-Mees--is: De menschen +door het kunstwerk in staat te stellen, beter in zich zelf en in de +wereld te zien. Elk kunstwerk moet de menschen leiden naar meer +levensinzicht en levenswijsheid. Als het tenminste echt is. + +Daar kunst volgens haar eenvoudig ontstaat door en uit emoties in den +kunstenaar, onverschillig of die gedragen worden door een +maatschappelijk ideaal, of waardoor die gewekt zijn, acht zij onzen +hevig-geëmotioneerden tijd voor het ontstaan van kunstwerken zeer +gunstig: "Hoe meer emotie, hoe meer kunst". + + +BIBLIOGRAPHIE: + +Voor 't Diner, [blijspel in 1 bedrijf. Gespeeld te Rotterdam 1889. +Uitgaaf T.B.] 1911.--Droomleven, [tooneelspel in 3 bedrijven. Gespeeld +door het Rotterdamsch Tooneelgezelschap in 1890. Nooit gedrukt.] +--Ouders, tooneelspel in 2 bedrijven (samen met L. Simons). [Gespeeld +door de Tooneelvereeniging te Amsterdam (+/- 1895). Verschenen in het +tijdschrift _Nederland_.]--Ontgoocheld, tooneelspel in 2 bedrijven +(samen met L. Simons). [Gespeeld in den Tivolischouwburg te Rotterdam (± +1896). Nooit gedrukt.]--Koningsbruid, sprookjesdrama in 7 tafereelen +(1898). [Gespeeld door de Tooneelvereeniging te Amsterdam in 1911?. +Nooit gedrukt.]--Twee geslachten, tooneelspel in 3 bedrijver. [Onder +pseudoniem Dr. A.C.A. Kosters gedrukt in _Nederland_ 1902.]--Twee +Levenskringen, een ernstig stuk in 3 bedrijven. [Onder pseudoniem I.N.A. +in de _Gids_ 1902. Later onder eigen naam in bundel bij G. Schreuders te +Amsterdam (thans Mij. v. Goede en Goedkoope Lectuur)].--Van Hoogten en +Vlakten, een stuk in 3 bedrijven. [Voor het eerst verschenen in de +_Gids_, 1903, onder zelfde pseudoniem. Later in zelfden bundel als +vorige.]--Zijn Evenbeeld. Tooneelspel in 3 bedrijven. [Verschenen in +_Groot-Nederland_. Daarna in den 1sten bundel Tooneelspelen 1905.]--Een +Moeder, tooneelspel in 3 bedrijven. [Gespeeld door 't Nederlandsch +Tooneel te Amsterdam in 1905. Gedrukt in _Groot-Nederland_ in 1905. +Later in den 2den bundel, bij de mij. v. Goede en Goedkoope +Lectuur.]--De Veroveraar, een spel van stemmingen in 5 bedrijven. +[Gespeeld voorjaar 1906 door het Nederlandsch Tooneel te Amsterdam. +Gedrukt in _Nederland_ 1906. Daarna in de Ned. Bibliotheek (1906).] +--Atie's Huwelijk, tooneelspel in 4 bedrijven. [Gespeeld a.v. in 1907. +Gedrukt in _Groot-Nederland_. Daarna in de Ned. Bibliotheek in +1907.]--Sint Elisabeth, tooneelspel in 3 bedrijven. [Verschenen in +_Groot-Nederland_ 1907. Later opgenomen in den 2den bundel +Tooneelspelen.]--Kasbloem, tooneelspel in 3 bedrijven. [Verschenen in +_Groot-Nederland_ 1908. Later opgenomen in den 2den bundel +Tooneelspelen.]--Een Paladijn, blijspel in 4 bedrijven. [Gespeeld door +het Nederlandsch Tooneel te Amsterdam. Uitgaaf in de N.B.]---Het +Liefdesvers, blijspel in 1 bedrijf. [Gespeeld op het Letterkundig +Congres te Antwerpen in 1912. Niet uitgegeven.]--De Nimf, satyriek +tooneelspel in 4 bedrijven. [Gespeeld door het Rotterdamsch +Tooneelgezelschap in 1913. Verschenen in de T.B. 1913.]-- + + + + +CYRIEL BUYSSE + +[Illustratie: CYRIEL BUYSSE] + +[Illustratie: Op het balkon van zijn werkhuis] + + +(* 1859) + +Toen ik te Gent uit d'n Sint-Pieters-Statie stapte, werd ik aangesproken +door een zeer reusachtigen, blozenden, jovialen schoolknaap met +opgestreken blonde knevels en zware Amerikaansche rijglaarzen:--Cyriel +Buysse in zijn sportpak. Hij geleidde me naar zijn beroemde auto, liet +zijn armen in een paar wijde handschoenen glijden en weg tuften wij. Wij +gingen langs "het familiebuiten"; niet er in. Een zevental kilometers +verder ligt zijn werkhuis, in de wandeling "de kooi", "la maison à +pattes", of wel "de meulen" genaamd. + +Langs een omweg bereikten wij den top van een breeden heuvel en daar +stond op een getimmerte van balken, te midden van laag gewas, een +viertal meters van den beganen grond een houten gebouwtje met twee +balkons. Men noemt het huisje "de molen", omdat op dien heuvel ook een +molen staat, vele eeuwen oud, die, tusschen haakjes, nog steeds maalt. +Het bevat een keukentje, een slaapkamer voor een dienstbode en een vrij +ruime, doch primitieve werkkamer met groote openslaande vensters. + +Niemand zou hier een schrijver als Buysse gezocht hebben. Een lang +ganzenroer lag op het bed naast mijn brief, een handvol patronen over de +schrijftafel verspreid. + +Terwijl hij mij rondleidde en me de kasteelen in den omtrek toonde, +moest ik denken aan een grondbezitter in de Kempen, die jaren geleden +mij en een vriend door twee gewapende boschwachters deed aanhouden, +omdat we over zijn terrein liepen teneinde een stuk weg af te snijden, +en die ons minstens had laten opsluiten als hij had geweten dat we +hadden gezwommen, bovendien, in zijn beek. Ik ben maar liever zijn gast, +overwoog ik, tot Cyriel Buysse terugkeerend. Deze legde een twaalftal +half uitgebrande toebakspijpen opzij, zoodat ik op zijn tafel kon +schrijven, en keek met gefronsde wenkbrauwen over me heen toen ik met +mijn vragen aankwam. Het: "Ge zult niets uit 'm krijgen!", dat enkele +uren te voren een artiest mij had toegevoegd, spookte mij door het +hoofd. + +"Ik ben de zoon van een fabrikant,"--begon hij--en wachtte: Als u 't +hebt opgeschreven, waarschuwt u me wel. Dat was een grappige vergissing. +Ik beduidde hem, dat hij zich aan mij niet moest storen en toen ging het +vlot. Hij zette zijn gewone joviale gezicht en vertelde: + +--Ik ben de zoon van een fabrikant. Mijn vader had een fabriek een paar +uur hier vandaan, en het idée was, dat ik hem op zou volgen als +industriëel. Toen ik een jaar of vierentwintig was, werd ik voor zaken +naar Amerika gestuurd, met het idée om daar misschien wel enkele jaren +te blijven. Daar had ik vreeselijk te lijden van heimwee. Ik kon er +absoluut niet wennen en ik geloof dat werkelijk door het lijden van het +heimwee ik ben gaan zoeken: wat zal ik doen, ik moet iets anders doen. +En toen ben ik voor eigen pleizier een dingetje begonnen te schrijven, +iets van niemendal, het heette "Guustje en Zieneken", een +boerenverhaaltje. Dat liet ik lezen aan mijne tante, Virginie Loveling, +een zuster van mijne moeder. Die vond er iets in en zeide mij: met een +klein beetje er aan te veranderen kan het gepubliceerd worden, en ik zou +u aanraden om door te werken. Dat werd gepubliceerd in "Het Nederlandsch +Museum", dat toen in Gent werd uitgegeven, en verscheen daarna als een +afzonderlijk boekje. En van dat oogenblik af ben ik doorgegaan bijna +zonder onderbreking. Mijn eerste werk van beteekenis was "De +Biezenstekker", een groote novelle, die verscheen in "De Nieuwe Gids". +Heel kort daarna kwam "Het Recht van den Sterkste". Ik geloof, dat ik +daardoor in Holland bekend ben geworden. Wat zal ik u verder zeggen? de +lijst van mijn werken is heel lang, er zijn er in de twintig, ieder jaar +is er een nieuw boek geweest. + +Ik heb ook voor het tooneel gewerkt, een stuk uit den boerenstand "Het +Gezin van Paemel", dan nog een ander stuk, getrokken uit "De +Biezenstekker", "Driekoningenavond"; verder "Maria", getrokken uit Het +"Recht van den Sterkste"; en verder "Een sociale Misdaad", getrokken uit +een novelle van Wildstroopers. + +Een bedoeling heb ik met mijn werken nooit gehad. Ik geloof werkelijk, +dat er bij mij heel weinig achter zit. U moet mijn werk nemen zooals het +is, zonder bijbedoeling. Wel getrokken uit dingen die om mij heen +gebeurd zijn--ik zit hier midden in mijn onderwerpen--maar zonder de +bedoeling om met het schrijven iets te bereiken. Ik geloof, dat op mij +wel toepasselijk is de formule van "l'art pour l'art". De menschen +hebben er wel eens politieke bedoelingen in gezien. Eén ding is waar, ik +ben heelemaal niet een vriend van de clericalen. Die hebben telkens veel +aan mijn werk af te keuren gehad en van hen heb ik een geweldige +tegenkanting ondervonden. Ik ben voor mijn globale werken in den ban +geslagen. Mijn naam is om zoo te zeggen in den ban. + +--Hoe komt het, dat gij u bijna altijd bezighoudt met die +plattelandsmenschen? + +--Ten eerste omdat ik die het best ken. Ik ben een buitenmensch. Ik ben +heelemaal wat men kan noemen "un terrien", een man van den grond. Wat +buiten gebeurt interesseert mij doorgaans meer dan wat in de stad +gebeurt. Ik ben heelemaal geen stadsmensch. Ik kom alleen in de stad om +sigaren te koopen of om mijn automobiel in orde te laten maken. Het is +heel eigenaardig, ik denk bijna nooit aan de stad. Ik heb wel sommige +dingen geschreven die gedeeltelijk in de stad plaats hebben, maar +meestal komt er dan nog heel veel buitenleven bij. Ik voel mij absoluut +als uit den grond gegroeid. Ik word heelemaal niet aangetrokken door het +moderne leven in de stad. Dat lijkt mij dikwijls ziekelijk, en ik voel +veel voor het gezonde. + +--Maar is dan in het algemeen de schrijver niet een mensch met +niet-gezonde zenuwen, zooals men het wel eens heeft geformuleerd? + +--Neen, dat vind ik niet. Ik geloof meer aan het "mens sana in corpore +sano",--altijd wat mij betreft. U kunt mij beschouwen als een geweldig +individualist. Ik sluit mij heel moeilijk aan bij een ander. Ik ben wel +lid van enkele vereenigingen, maar ik kom er nooit. Ik sta in alle +opzichten heelemaal alleen. + +--Dus u gelooft niet aan de uitspraak: hoe zieker zenuwen, hoe beter +kunst? + +--Neen, voor mij is dat absoluut niet zoo. Je kunt wel heel goed en +scherp voelen en toch een heel gezond mensch zijn. Ik heb nooit de +behoefte gevoeld mij ziek te maken om te werken. Vroeger kon ik alleen +'s ochtends werken, maar nu kan ik een beetje werken wanneer ik wil. +Dat gaat mij nu gemakkelijker af dan in het begin. + +Ik ben op het oogenblik bezig met een nogal eigenaardig boekje. Ik noem +het "mijn zomerdagboek". Het zijn korte noteeringen van elken dag van +mijn leven hier in de natuur. Van wat ik zie en gevoel. Allerlei kleine +dingetjes dikwijls. Zeer afgewisseld. Een innig doordringen tot het +landelijk leven in zijn détails. En het is ongelooflijk wat gij kunt +afleggen als gij iederen dag werkt. Een-en-twintig Maart, den eersten +dag van de Lente, ben ik begonnen, en wilt ge wel gelooven dat ik met +iederen dag een paar bladzijden te schrijven, een boekje heb gekregen +van meer dan driehonderd pagina's? Ik heb het tot nog toe volgehouden en +nog geen enkelen dag overgeslagen van 's avonds iets neer te schrijven. +Dat boek zal iets heelemaal aparts zijn in mijn productie. Ik zal het +eindigen met den dag dat ik hier weg ga. Ik ga hier altijd weg als de +laatste blaadjes gevallen zijn, en dan sluit ik meteen mijn dagboek. + +--Hoe is eigenlijk de verhouding tusschen u en uw onderwerpen? + +Dat is de verhouding van iemand, dien zij denken heelemaal tot hun +gemoedsleven te behooren. Die menschen weten vagelijk dat ik schrijver +ben. Zij weten het maar heel onduidelijk. Zij weten niet wat het is een +schrijver te zijn. Ik praat met de boeren, ga in hun herbergen, tracteer +de lui en praat met de herbergiers. Zij beschouwen mij heelemaal als van +hun soort. Dat wil niet zeggen dat ik intiem met hen omga. Ik blijf voor +hen altijd de mijnheer, maar toch een mijnheer die hun leven begrijpt. +Het is wel gebeurd dat sommige menschen zeiden: mijnheer Buysse heeft +over ons geschreven. Maar dan werd er weer aan getwijfeld, omdat sommige +dingen niet precies klopten. Je componeert je boeken, nietwaar? je +neemt iets van die en neemt iets van een ander, en daarvan maak je je +personages. De menschen in mijn boeken zijn niet heelemaal integraal +zooals zij langs de wereld loopen. En zoo herkennen de menschen zich +meestal niet in mijn werk. Als gij hier moest rondgaan en vragen: wat +doet die mijnheer Buysse toch, zij zouden u zeggen: Mijnheer Buysse is +een mijnheer die op zijn goed leeft en niets uitvoert. + +Ik weet niet of u al gelezen hebt wat thans van mij in "Groot-Nederland" +is verschenen: "Van Hoog en Laag", de eerste van een serie van +waarschijnlijk drie romans onder den gemeenzamen titel van "Hoog en +Laag". Het eerste heet "Het eerste levensboek", en speelt hier. Het is +het landschap dat u hier om u heen ziet. Het leven op dit kasteel en dat +kasteel en dat van de dorpsmenschen zoo door elkaar. U zult er +waarschijnlijk wel dingen min of meer in herkennen. + +Natuurlijk met de transformatie die een artiest aan de werkelijkheid +geeft. Wij behoeven toch niet te praten over de quaestie van het +realisme? "Un coin de nature vu à travers un temperament" is een niet +kwade formule. De beschrijving van een realiteit is toch heel iets +anders dan die realiteit.... Het grond-motief van dit boek vereenigt +zich met een ander: ik zit hier namelijk hoog op een heuvel en ginder is +nog een heuvel met een kasteel er op en daaronder liggen de menschen van +het dorp hier.... + +--Laat ik u even vasthouden. U zegt, dat een beschrijving van de +werkelijkheid anders is dan de werkelijkheid zelf. Moet ik dit zoo +verstaan, dat u iets aan de werkelijkheid toevoegt? + +--Als de artiest niets aan de werkelijkheid toevoegde zou hij geen +artiest zijn. Het beschrijven van détails zonder meer, zooals Van +Deyssel wel eens heeft gedaan, daar voel ik niets voor. Dat kan ik niet +mooi vinden. "L'âme des choses", zooals de kunstenaar die voelt, moet +uit zijn werken spreken. + +--Maar _wat_ voegt gij dan aan de werkelijkheid toe? + +--Ik zie de werkelijkheid vóór mij en op de werkelijkheid, die als beeld +in mijn hoofd zit, ga ik bouwen. Maar er komt zooveel bij en er gaat +zooveel af. In mijn werk is het gedeelte van de verbeelding zeer groot. + +--Welke zijde van de werkelijkheid trekt u dan het meeste aan? + +--Ik weet niet of ik het ooit zal gebruiken, maar àl wat ik zie +interesseert mij. Alle verschijnselen van het leven zijn vol belang voor +mij. Van het grootste tot het kleinste vind ik alles belangrijk. + +--Welke voorgangers hebben op uw eerste werk invloed gehad? + +--Ze hebben mij dikwijls vergeleken met De Maupassant, en ik zie zelf +ook wel, dat ik op hem lijk in sommige dingen, doch dat is een +toevallige gelijkenis. Vroeger heb ik bepaaldelijk onder den invloed van +Zola gestaan. Hij heeft invloed op mij gehad, gelijk op alle joncheren +van dien tijd. Wie heeft niet onder zijn invloed gestaan, twintig of +vijfentwintig jaar geleden? "Het recht van den Sterkste" is bepaaldelijk +onder den invloed van Zola geschapen. Ik bedoel natuurlijk niet, dat ik +geïmiteerd heb, maar wel dat het procédé, de visie van Zola, is +toegepast op deze lui en deze toestanden. Ik voelde daar veel voor in +dien tijd, nu minder.... Maar aan de wetenschappelijke tendenz, bijv. +aan de quaestie van de herediteit, die bij Zola zoo op den voorgrond +treedt, hecht ik heelemaal niet. Dat is mij veel te gewild. Wat ik mooi +vind, dat is de gang die in zijn werk zit, het lyrisme in een boek als +"Germinal", de kolossale beweging van de massa's, het epos van een boek +als "l'Assommoir". + +--Hoe denkt u dan over de uitspraak dat het naturalisme dood is? + +--Waarom zou het dood zijn? Er is niets dood. Het heeft zijn tijd gehad. +Maar wie belet iemand met groot talent een heel mooi naturalistisch boek +te schrijven? Laten zij het maar probeeren als zij kunnen. Wat hebben +wij al nieuwe modes gezien in de literatuur. Waar is nu de mode van het +symbolisme en het mysticisme? In sommige landen is het nog een beetje +gaande, maar bijna overal heeft het afgedaan. Ik hecht niets aan al die +dingen, absoluut niets.... O neen, ik geef mij geen rekenschap.... Zegt +u maar gerust, dat alles bij mij direct gebeurt, spontaan en intuïtief, +dat ik niet weet te zeggen waarom of hoe. Ja, de Hollanders zitten +altijd met hun deductievermogen bezig en vragen altijd hoe het gekomen +is en waarom het gebeurd is, maar ik weet het heusch niet. Ik geloof dat +ik daarvoor te eenvoudig, te gezond in mijn natuur sta, om mij daarom +bezorgd te maken. + +--Dus dan heeft u geen bepaalde voorliefde voor een of andere richting? + +--Als ik een mooi schilderij zie of een mooi boek lees, dan denk ik niet +aan de richting. Dan kan het mij ook heelemaal niet schelen van welke +richting of het is. Bijvoorbeeld: hoever sta ik niet af van een man als +Maeterlinck? En toch bewonder ik zijn werken meestal enorm. + +--Ik kom nu aan de verhouding tusschen kunstenaar en maatschappij. Heeft +volgens u de schrijver een taak ten opzichte van de gemeenschap, moet +hij bijv. de menschen iets leeren...? + +--Ik wil niets leeren aan de menschen. Ik schrijf eenvoudig omdat ik +niet anders kan. Ik zou heel ongelukkig zijn als ik niet kon schrijven. +En waarom publiceer ik? Omdat hier en daar toch wel iemand is die met je +meevoelt. Ik ken slechts de behoefte om wat ik sterk voel mee te deelen. +Als je voor een mooi tafreel staat, dan heb je een kreet, dan zeg je: +wat is dat mooi! En wanneer je als schrijver iets ziet dat mooi is, dan +werk je het uit en geeft het aan de menschen te zien. + +Ik heb niet één van mijn werken herlezen. Ik zou het niet kunnen. +Eenmaal als het geschreven en gedrukt is, is het absoluut dood. Het gaat +zoover, dat ik heelemaal niet meer weet wat in mijn vorige werken +gebeurd is. Een boek dat eenmaal geschreven is, is een ding dat gebloeid +heeft en daarna is dood gegaan, een vrucht. Ik heb nooit het publiek +voor oogen als ik iets doe. Ik ken mijn publiek niet. Wie leest mijn +boeken? Ik weet het niet. + +--Met andere woorden: voor het streven naar gemeenschaps-kunst voelt u +niets. + +--Dat gaat geheel buiten mij om. Absoluut. Daarvoor ben ik veel te sterk +individualist. Ik sta alleen op de wereld. Ik begrijp niet wat bedoeld +wordt met gemeenschaps-kunst. Wat is gemeenschaps-kunst.... Ik meen dat +alles onbewust moet gebeuren en dat de gemeenschap naar de kunst moet +komen, aangetrokken door wat wel aardig is en wat zij mee kan voelen. Ik +kan mij niet voorstellen een gemeenschaps-kunst, een soort +vooropgestelde kunst om de gemeenschap te behagen of ten nutte te +zijn.... Ik weet het niet, ik kom er niet bij. Ik ben bang, dat het +dikwijls heel minderwaardige kunst zou zijn op die manier.... + +Nu zult u mij natuurlijk herinneren aan sommige van mijn tooneelstukken +en aan mijn relaties met de socialisten. Och, ik beschouw die menschen +als veel meer ontwikkeld dan de burgerij hier. Zij staan er bepaald ver +boven, wat intellectueele ontwikkeling betreft. En daardoor hebben zij +meer mijn sympathie gehad dan de anderen. Maar denkt u er om dat ik +heelemaal buiten de politiek sta en dat ik geen actief deel neem in geen +enkele partij. Ik ben zelfs geen kiezer, ik ga nooit naar de +verkiezingen. Het is toevallig, dat mijn kunst beter begrepen wordt door +de socialisten en beter in hun geest kwam. U zult zeggen "Het gezin van +Paemel" is een socialistisch stuk, de socialisten spelen het voortdurend +en spelen het goed, maar ik verzeker u dat het toevallig is en het zou +net zoo goed kunnen gebeuren dat ik een stuk schreef dat +anti-socialistisch was. Maar aangezien de mindere klassen menschen zijn +die veel onrecht wordt gedaan in de maatschappij, voel ik mij daartoe +meer aangetrokken. Er is veel meer van te zeggen dan van de andere +standen, die bevoordeeligd zijn door de maatschappelijke verhoudingen. +Ik ken de geheele opkomst van de Gentsche socialisten, hun economischen +en socialen strijd, en ik vind het bewonderenswaardig, ik kan het niet +helpen. Iederen keer dat ik voor "Vooruit" kom, bewonder ik wat zij +gedaan hebben en hoe die menschen zich trots alles ontwikkeld hebben. + +Als de proletarische kunst goed is, dan vind ik ze goed. Maar ik vind ze +wel eens leelijk. In de tooneelzaal van de socialisten te Gent hangen +schilderijen, symbolische voorstellingen van kapitaal en arbeid, die ik +niet kan bewonderen. Is dat gemeenschapskunst, dan zou ik zeggen: ik zie +liever salonkunst als het mooi is. Roland Holst en Gorter zijn twee echt +mooie artiesten, die ook zonder hun richting heel mooie dingen maken. Ik +ben overtuigd, dat zij het socialisme niet noodig hebben om prachtige +kunstwerken voort te brengen. + +Kortom, ik meen dat een artiest volkomen onafhankelijk moet willen zijn +... of liever, hij "moet" het niet "willen" zijn, hij _is_ het, hij is +absoluut vrij aan alle kanten, want als hij denkt dat hij het "moet" +zijn, dan is het ook al weer niet zuiver.... + +--En we tuften terug. De boeren die tegen 't land werkten stonden op om +hem te groeten. De zon scheen over den akker en hij wees mij op de kleur +van den grond: rose, met een gouden weerschijn, heelemaal niet zwart, +zooals een befaamd Hollandsch journalist, over Streuvels schrijvend "den +vetten Vlaamschen bodem" genoemd heeft. + +Nu kwamen wij op "het familiebuiten". + +Ik vond het verschrikkelijk jammer dat ik geen _smoking_ bij mij had, +maar het was nu eenmaal niet anders. Hij had een flink aantal +logé's--hij beweert tusschen haakjes dat men in Holland van "louché's" +spreekt--met klinkende vaderlandsche namen en we gingen bijna terstond +aan tafel. En terwijl een van zijn dochters mij vertelde, dat hij de +slaaf is van zijn louché's, hoorde ik uit een gesprek, dat aan het +andere eind der tafel gevoerd werd, dat men hem in zijn huis "de +artiest" noemt. Een grappige bijzonderheid, die boekdeelen spreekt, +zoowel over den man als over zijn omgeving. Met een goedhartig snuit +liet hij met zich sollen en één keer liep hij, groot en naïef in zijn +sportpak, van tafel om een exemplaar van zijn "Per auto" te halen, +waarin hij voor een "louchée" een opdracht schreef.... Ik moest er +vooral bij vermelden dat hij dit met een zeer defecte vulpen deed.... En +in één adem liet hij er op volgen: "Hebt u 't al gehoord? Mijnheer de +interfiefer (dat was ik) vindt mij een heel eenvoudig man!" Met +bewonderenswaardigen tact bracht de gastvrouw het gesprek op een ander +onderwerp. + +Hij had mij gaarne enkele dingen in den omtrek in verband met zijn werk +laten zien, doch het ging dien middag niet, want een paar jonge dames +die bij hem "loucheerden" moesten een bezoek afleggen in het Zuiden, en +daar hij de chauffeur is van de heele familie, was hij dien middag +bezet. + + +BIBLIOGRAPHIE: + +Het Recht van den Sterkste(1893)--Sursum Corda +(1894)--Wroeging(1895)--Mea Culpa (1896)--Op 't Blauwhuis +(1897)--Schoppenboer (1898)--Uit Vlaanderen (1899)--Te Lande (1899)--'n +Leeuw van Vlaanderen (1900)--Van Arme Menschen (1901)--Daarna +(1903)--Tusschen Leie en Schelde (1904)--Rozeke van Dalen (1905)--'t +Bolleken (1906)--Lente (1907)--In de Natuur (1907)--Het Volle Leven +(1908)--Ik Herinner Mij (1909)--Het Ezelken (1910)--De Vroolijke Tocht +(1911)--Stemmingen (1911)--De Nachtelijke Aanranding (1912)--Per Auto +(1913)--Van Hoog en Laag (1913). + +_Tooneel_: + +De Plaatsvervangende Vrederechter, satire.--Het Gezin van Paemel, +drama.--Maria, drama.--Driekoningenavond, drama.--Een sociale Misdaad, +drama. + + + + +FRANS BASTIAANSE + +[Illustratie: FRANS BASTIAANSE Jeugdportret] + +[Illustratie: Foto Brok--Hilversum FRANS BASTIAANSE (eind 1913)] + + +(* 1868) + +Onlangs ontmoette ik een dame, die al zijn verzen van buiten kent, zoo +vaak had ze die, bewonderend, gelezen. Kort daarop sprak ik die dame +weer. Ik heb hem gezien, zei ze, maar hij is mij bitter tegengevallen: +hij is zoo'n gewoon mannetje.... + +Mij is het juist andersom gegaan. In een plaats als Hilversum, waar het +meerendeel van de menschen tot een allerbanaalst type behoort, valt een +echte persoonlijkheid spoedig op, en zoo had ik allang het mijne gedacht +van een niet kleinen maar ineengedrongen mijnheer met norsch starend +gelaat, die in mijn buurt woonde. Hij was steeds bijzonder goed gekleed, +maar blijkbaar liefhebber van een soort rustieke deukhoeden, die, +vergeleken bij zijn overige kleedij, welhaast bizar zijn. En als hij mij +traag voorbijpeddelde of met afgemeten passen langs mij schreed, telkens +gaf hij mij de sensatie van een opgesloten en eenigszins beschaafden +leeuw, van wien men nooit zeker kan weten, of hij niet op klaarlichten +dag doodkalm zijn klauw, tusschen de traliën van zijn kooi door, in de +spieren van den toeschouwer zal slaan. De lezer begrijpe goed: Niet de +uiterlijke verschijning van dien mijnheer had gelijkenis met een leeuw, +maar zijn innerlijk, dat ik raadde, had voor mij iets ontembaars. + +Toen ik nu ontdekte dat die mijnheer Frans Bastiaanse heette, was ik +niet verwonderd. Ik aanvaardde de ontdekking gemakkelijk. Een +onafwijsbaar licht ging mij op over zijn verzen, nu ik wist dat de +dichter "van buiten ijs, van binnen gloed" was. + +In een huisje, niet ver van het mijne, met een ruim uitzicht over de hei +en dat hij, tot mijn verbazing zonder ironische bedoelingen, "De Vlakte" +heeft genoemd, woont deze idealist, die zich grimmig gelaten beweegt in +de burgerlijke positie van leeraar aan een burgerschool. En voor zoover +hij niet reeds uitteraard ongenaakbaar is, wordt hij dit met behulp van +zijne vrouw, die met een gezicht, zoo zonnig dat men het nog aangenaam +vindt op den koop toe, de bezoekers op een afstand houdt en zoo zijn +weinige vrije uren bewaakt. + +De lezer zal wel begrepen hebben dat Bastiaanse mij, toen de kennismaking +ondanks alles een feit was geworden, op sommige punten maar weinig nieuws +had te vertellen. Hij was daar trouwens niet toe geneigd, want hij had +een zeldzaam grimmige bui--dat zégt wat, niet waar?--en ik was al dra +een beetje afgetrokken. Want zelden heb ik zoo sterk het verschijnsel +waargenomen, ja getast, dat twee gedachtegangen (die van Bastiaanse en +de mijne dus, in dit geval) elkander ik zou bijna zeggen rakelings +voorbijgaan, zonder elkaar te ontmòeten. Nu was dit verschijnsel +vooral merkwaardig, omdat ik hier zoowaar te doen had met iemand van +academische opleiding, die reeds vele jaren docent is, en nog wel o.a. +in de geschiedenis, en die dus ongetwijfeld groote oefening en +vaardigheid bezit in het waardeeren van andermans meening. En toch, nu +het ging om het innigste, het eigenaardig-persoonlijke, kreeg hij het +gevoel dat ik vroeg om te strijden, en heel-even stonden we als +blazende katers tegenover elkaar; om het daarna glimlachend op te +geven en ons te verdiepen in de beschouwing van een mooie teekening. +Want we hadden de scheidingslijn geraakt. + +Doch ik loop vooruit. Hoor hem eerst van zijn jeugd vertellen, woordkarig, +zoo langzaam dat men aan het eind van ieder woord vreest dat hij er genoeg +van krijgt, en blij als hij gelegenheid heeft het een of ander te +verpletteren onder een zwaar woord, waar een languitgehaalde, dikke _l_ +uit rolt: + +"Ik ben uit een vo_l_komen ondichter_l_ijk milieu voortgekomen. Bij mij +thuis waren alleen te vinden wat Aurora's, de Heidelbergsche +catechismus, en Motley's "De opkomst van de Nederlandsche republiek". En +als ik iets aan mijn omgeving te danken heb, dan zou ik zeggen dat het +aan mijn vader is, een man van groot doorzettingsvermogen, die zich uit +de lagere standen door energie en intellect had opgewerkt. Die liet mij +ook volkomen vrij, en toen hij begreep dat ik niet in den handel wilde, +mocht ik het vak van mijn keuze kiezen. Maar hij waarschuwde mij er +voor, schoolmeester te worden: dat was het jammerlijkste vak dat ik +kiezen kon.... + +Op de lagere school, toen ik een jaar of tien was, begon ik de +verhaaltjes die wij moesten schrijven, in plaats van die in gewoon proza +na te vertellen, in verzen, natuurlijk prulverzen, na te vertellen. Dat +is het begin geweest. + +Ik ben ook een tijdlang op kostschool geweest in Oosterbeek en daar heb +ik bijzonder veel aan het natuurleven gehad, hetgeen dan op mijn denken +en gevoelsleven wel invloed heeft geoefend. + +Op de burgerschool in Utrecht, op mijn zestiende of zeventiende jaar, +ben ik weer gaan schrijven. Dat kwam spontaan. Tusschen mijn +allervroegste prematuur ontwaken en mijn eigenlijk gezegd bewust +optreden als dichter liggen dus een jaar of zes, zeven. Het begon toen +met prullaria: Ik herinner mij een gedicht op een historisch gegeven: De +slag op de Catalaunische velden. Ik had nog geen metriek geleerd en +voelde dat er aan mijn Alexandrijnen iets ontbrak. Ik kon er maar niet +achter komen wat. Later, het gedicht overlezend, zag ik dat de caesuur +op de verkeerde plaats viel.... + +Maar toen kwam een gewichtig oogenblik in mijn leven. Doordat mijn vader +mij nogal vrij liet, kon ik vrij wat boeken bestellen, en zoo was ik ook +op "De Gids" geabonneerd. Ik kwam toen bij mijn boekhandelaar, die mij +zeide: Er is ook een ander tijdschrift, wilt u het eens inzien? Dat was +"De nieuwe Gids". Ik ben ermede naar huis gegaan en heb de aflevering in +één stuk doorgelezen. Direct begreep ik, dat dat nu was wat ik eigenlijk +moest hebben. Men heeft wel eens opgemerkt: er staan in de "Nieuwe Gids" +van die dingen waar je eerst aan moet wennen en dan pas kon je achter de +schoonheid komen, maar ìk voelde het direct. Het was in den tijd dat Van +Deyssel zijn critieken schreef en Kloos zijn prachtige verzen, die zijn +opgenomen in het "Boek van kind en God". Daar had ik terstond een groote +bewondering voor, en dat is ongetwijfeld van invloed geweest op mijn +vorming. Meer invloed moet ik nog toekennen aan de theorieën van Kloos, +zooals die in het begin van die periode telkens verschenen in zijn +literaire kronieken. Het is mij vaak gebeurd dat ik van een schrijver +niet veel las, maar uit een aantal verzen mij de gevoelswereld, waarin +hij zich bewoog, eigen maakte. Dan ging ik weer mijn eigen gang. Zoo ook +toen. Ik zat in de vierde of vijfde klas van de H.B.S. en ging weer mijn +eigen verzen maken, doch die leken aanvankelijk wat veel op die van de +"Nieuwe Gids". Ik heb ze dan ook onrijp gevonden en ze later allemaal +achtergehouden.... In dien tijd kwam ik met de afleveringen van de +"Nieuwe Gids" op school, ik liep er mede door de gangen en droeg zorg +dat de leeraren het zagen. Zij vonden dat, naar ik dacht, een +huiveringwekkend gezicht. + +Toen ik eind-examen had gedaan, besloot ik na eenige aarzeling, in de +literatuur te gaan studeeren. Ik had van letterkunde, zooals die aan de +academie wordt onderwezen, geen goed begrip; ik dacht dat ik aan de +academie "de literatuur" zou hooren. Ik deed eind-examen gymnasium, en +ging in de Nederlandsche letteren studeeren. Ik was spoedig +teleurgesteld en heb ook lang overwogen, er maar den brui van te geven +en eenvoudig literator te worden. Maar mijn neigingen brachten mij +volstrekt niet tot realisme, en ik begreep wel, dat iemand die niets +anders deed dan verzen maken, om te kunnen leven in de een of andere +slavernij moest vervallen. Toch heeft het lang geduurd, voordat ik mij +resigneerde om te blijven studeeren: Anderhalf jaar heb ik geen college +geloopen. + +Ik nam mijn besluit juist in den tijd, toen het mis ging met de "Nieuwe +Gids". Het wegvallen van het geestelijk milieu in ons land deed me +pijnlijk aan. Want, niet waar, je leeft als individuen naast elkaar en +je hebt in de sfeer waarin je leeft wel eenige aanknoopingspunten +noodig. Dat maatschappelijk bankroet, dat ik in het ineenvallen van de +"Nieuwe Gids" proeven kon, heeft mij gedeeltelijk tot inkeer gebracht, +en heeft bij mij het voornemen doen rijpen om af te studeeren, zoodat ik +niet een maatschappelijk afhankelijk persoon zou worden, dat ik mij zelf +kon redden en daar bovenuit kunstenaar kon zijn.... + +Nog iets anders heeft daartoe meegewerkt. Max Nordau heeft een boek +geschreven: "Ontaarding"--een van de meest abjecte boeken die ik ken. +Hij beweerde o.a. dat de groote dichters als Goethe complete menschen +waren, maar bovendien nog kunstenaars, en dat de tegenwoordige dichters +incomplete menschen waren. Goethe was overcompleet, zei hij zoo +ongeveer, die had ergens een compartiment in zijn bestaan waar «en +volkomen burger in zat, en dat heb jullie niet. Ik vond dat dat +heelemaal onjuist was, en toen dacht ik: Ik zal die paar examens doen, +dan kan ik het maatschappelijk werk dat te doen is ook op mij nemen, +dan toon ik ook een overcompleet mensch te zijn. Ik beschouwde die +maatschappelijke taak wel niet als het schoonste, maar toch als een +noodzakelijke plicht. Ik besloot een gewoon mensch in de cultuur te +worden, waarvan ik in mijn eerste jeugd een hartgrondigen afkeer had +gehad. + +Ik ging toen een poosje naar buiten, en begon te werken voor mijn +candidaatsexamen. In den tusschentijd had ik eenige verzen geschreven, +die in enkele jaargangen van den Utrechtschen Studentenalmanak waren +verschenen. Eenigen daarvan zijn door Van Eeden beoordeeld, die tot de +conclusie kwam, dat Boutens, die toen ook verzen publiceerde, en ik +misschien weleens zouden weten van ons leven, wat een goed vers is. Een +van die gedichten is "Middag aan den heuvelrand", later opgenomen in +"Natuur en Leven". Van Deyssel heeft daar later over geschreven. + +Ik was toen 23 jaar. Wat voor den pianist de vingeroefeningen zijn, dat +was voor mij het schrijven van mijn vroegste gedichten. Zoo goed als +ieder ander kunstenaar heeft de dichter grondig zijn métier te leeren. + +Wat nu mijn levenshouding betreft--ik sta hoofdzakelijk op het standpunt +van den aristocratischen eenling. Ik vind dat het geestes-aristocratisme +steunen moet op een bijzonder groote mate van kennis en op het diepste +menschelijk gevoel. Een gevoel echter, dat nooit mag leiden tot den +ondergang van het individu. Ik bedoel dit: Ik zou nooit een leven kunnen +leiden als bijv. Verlaine--een leven van armôe en ellende. Dit heeft ook +gemaakt--die dingen werken allemaal op elkaar terug--dat ik mij +maatschappelijk zelve door het leven wenschte te slaan. + +Maar het spreekt wel van zelf dat ik geen kind zou zijn van mijn tijd, +wanneer ik niet ook op gegeven oogenblikken de behoefte in mij had +gevoeld naar aansluiting bij de massa van gelijkgezinden. Ik heb een +oogenblik gemeend, zooals zoovelen, dat ik dit wellicht in het +socialisme zou vinden, daar ik het in de nuchter-practische gemeenschap +van de bourgeoisie niet vond. Want voor een massa van die menschen is de +poëzie dood. Ze hebben er niets aan. Te midden van hen kun je je als +eenling voelen, maar nadere gemeenschap heb je niet met hen. Wat zij +zwart noemen, dat noem je gewoonlijk wit. Zoo ga je zoeken naar een +andere gemeenschap, en toen ben ik ook wel enkele malen op een +socialistische meeting geweest. + +Maar die toon van gemeenzaamheid, die vervlakking van de +persoonlijkheden, die daar voorkwamen, leken mij aan den anderen kant +weer even verkeerd. Want ik ben wel voor de vrijheid, maar zeer sterk +tegen de gelijkheid en de broederschap, in dien zin dan dat daardoor het +persoonlijkheidsbesef zou worden aangetast. En hoe meer iemand zich +differenciëert van de massa, des te meer zal hij in staat zijn om +datgene te maken wat de massa niet vermag. Dus: Ik ben voor de grootst +mogelijke ongelijkheid, en dat heb ik toen goed gevoeld. Eerst heb ik in +dien tijd met Gorter terloops gesproken en daarna grondiger met Tak. +Aan Tak heb ik één wijze raadgeving te danken, die ik nog dankbaar in +gedachten houd: Hij waarschuwde mij, mij niet in dit opzicht door mijn +gevoel, maar slechts door mijn intellect te laten leiden. En toen ben ik +het historisch materialisme en de socialistische theorieën gaan +bestudeeren, en ik heb gezien dat het niet mijn zaak was. Dat het +misschien mogelijk was voor; andere menschen, daar bezieling uit te +putten, menschen die het sentiment voor de massa hadden, maar dat het, +mij niet zou steunen. + +Hier besloot Bastiaanse "iets voor den dag te halen", dat wil zeggen, +hij nam uit zijn Oud-Hollandsche kast een paar kleine cartons, waarin +hij zijn keurig geschreven manuscripten bewaart. En eer ik er op +verdacht was las hij mij enkele fragmenten voor uit een uitvoerig +gedicht "Het Eiland der Schoonheid",[4] dat nog niet gepubliceerd is en +geschreven werd tusschen Sept. 1911 en Dec. 1912. Hier brak de +innerlijke gloed door het uiterlijke ijs. Hij had naar het gedicht +gegrepen, gelijk een musicus naar zijn speeltuig, omdat gesproken +woorden hier nietszeggend waren geworden. + +Hoe groot is het verschil tusschen de technische, op massa-effect +berekende kunst van den declamator en de stem van den dichter die zijn +eigen poëzie geeft. Hoe verteederd was deze stem hier en hoe zuiver deed +haar bevend rhytme mij gevoelen dat wij nu in een andere wereld waren +aangeland. Luister: + + "Ik hoorde menig stem van vroeger tijden, + Die van dat uitverkoren heeft gewaagd, + Maar mij daarheen door nood en nacht te leiden. + Heb ik vergeefs aan levenden gevraagd. + + Slechts vinden zullen zij die zelve zochten: + De weg van de een is die des anderen niet, + En zelden zien wij op eenzame tochten + Een wijkend zeil in 't schemerend verschiet. + + Dit wist ik van die verre reis te voren, + Maar zorg en vrees verdubbelden mijn moed, + Dus heb ik leed boven de rust verkoren, + Vage eindeloosheid boven eindig goed." + +Wat lijken ze toch veel op elkaar, als ze in dezen staat verkeeren, +overpeinsde ik, nog onder de bekoring van de week-speelsche +rhytme-grilligheid, waarmede de twee laatste verzen een hard besluit +verzoeten. (Ik moest n.l. onwillekeurig denken aan Albert Verwey, die +mij lang geleden iets uit zijn gedichten voorlas, en daarna aan onzen +wijsgeerigen kunstenaar Bierens de Haan.) + +En ziet, nadat Bastiaanse mij den aard van z'n alleen-zijn op deze wijze +had verduidelijkt, beter dan hij het in gewone woorden had kunnen doen, +vervolgde hij, nog steeds sprekend over het sentiment voor de massa: + +"Er is een oogenblik geweest, dat ik dit sentiment zelfs zeer +verderfelijk achtte. Maar ik erken nu: Als een kunstenaar zoo veel houdt +van die massa-idee als een ander bijv. van zijn geliefde of zijn moeder +kan houden, dan kan die massa-idee in hem dien ontroeringsstaat wekken, +die tot het kunstenaarsschap aanleiding geeft. Ik ben dus gaan zeggen, +dat ieder op zijn wijze moet worden aangedaan, de een door het massa +sentiment, de ander door een diep natuur-instinct, een derde door zijn +religieus gevoel. Die dingen liggen in iemands onder-bewustzijn vaak +naast elkaar, maar ze kunnen ook fel tegenover elkaar staan.... + +Ik ben dus weer geworden wat ik altijd geweest ben, n.l. individualist, +maar van ruimer opvatting dan te voren, vooral in den laatsten tijd. Ik +heb in de allerlaatste jaren het gevoel gehad, dat ik vroeger wel tegen +Gorter en mevr. Holst heb kunnen schrijven, maar dat die menschen met +hun artistiek temperament en hun hartstochtelijk gevoelsleven, ten +slotte dichter bij ons staan, dan de burgers, met wie we uiterlijk +gerekend kunnen worden overeen te stemmen. Het primaire van een +kunstwerk is de ontroering die er in schuilt, en of die ontroering bij +den kunstenaar nu gewekt wordt doordat hij haar krijgt uit het +massa-sentiment, of door het natuurleven, of wat dan ook, dat blijft ten +slotte hetzelfde, mits de diepre ontvankelijkheid en het +kunstenaars-temperament er zijn Ik vind nu dat de scheiding niet mag +loopen tusschen de artiesten onderling, maar dat die zich ook als een +massa moeten gevoelen--ondanks hun individueele verschillen--tegenover +de bruten en niet-ontvankelijken. Maar ik ben voor de ongelijkheid, +zooals ik u zei, en ik vind het bijv. ook een schromelijk onrecht, dat +er gelijk recht bestaat voor allen, want gelijk recht leidt tot onrecht. + +--Welken geestelijken inhoud heeft de "Nieuwe Gids" u gebracht? + +--Voor den geestelijken inhoud was ik in die dagen, waarvan ik u sprak, +nog niet rijp. Ik voelde niet de theorie die er achter kon worden +opgetrokken, maar ik onderging de directe schoonheid ervan. Het was mij +net eender of Thijm mij door zijn proza ontroerde of Kloos door zijn +verzen, en ik had ook plezier van de artikelen van Van der Goes. Ik had +in die dagen geen keus gedaan en leefde buitenmaatschappelijk voor de +Schoonheid. En wat ik later dóór het leven weer heb teruggewonnen, dat +had ik toen dus intuïtief.... Toen begon men van de zijde van de +socialisten die straffe houding aan te nemen. Mevr. Holst o.a. zei: dat +de burgerlijke dichters leeggeloopen waren en vol moesten worden gemaakt +uit het socialisme. Toen ben ik met mijn verstand gaan studeeren en heb +mij uit aversie te scherp tegen het socialisme gekant, in zooverre het +m.i. het kunstleven aantastte. Achteraf ben ik door de bewustheid heen +weer tot de overtuiging gekomen, dat het er heel weinig toe doet wat +iemand politiek gelooft, mits hij maar de kunstenaarsontroering kan +krijgen op de wijze die voor hem passend is. En dus--ik geniet weer--en +net zoo goed de verzen van mevr. Roland Holst als ik het werk van +Woestijne of Boutens geniet. + +--Ik mag dus constateeren, was mijn vraag, dat u op het standpunt van de +"Nieuwe Gids" is blijven staan? + +--We zijn ouder geworden, maar ik geloof dat mijn standpunt van nu +hetzelfde is. De "Nieuwe Gids" stond net zoo goed open voor Van der Goes +als voor Thijm, de ducdalf, zooals hij het noemde, van het +persoonlijkheidsbegrip, terwijl Van der Goes juist de tegengestelde pool +was. Er was dus de overtuiging, dat de schoonheid op verschillende +wijzen kan worden verwezenlijkt, en dat het voor den man die in de sfeer +van de schoonheid leeft, er volstrekt niet toe doet, wat zijn houding in +het maatschappelijke is.--Dat komt dan overeen met het gevoel dat de +kunstenaar twee dingen in zich moet hebben, den burger, die in het +maatschappelijk leven de menschelijke comedie meespeelt; en den man die +voor diepere ontroeringen vatbaar is.... + +Wij mogen dit leven niet beschouwen als een inleiding tot het mogelijke +hiernamaals, maar we hebben het leven nu door alle poriën te genieten en +te waardeeren. En als de menschen droef zijn, omdat ze achter het +kortstondige leven den dood voelen, die alles zal afsluiten, dan zeg ik: +kunnen we een symphonie van Beethoven niet in al haar volle geluk +genieten en waardeeren, ook als we weten dat over een half uur het einde +zal zijn gekomen?... U ziet, het is volkomen het heidensche standpunt, +dat ik als levenshouding heb aangenomen in den laatsten tijd. Het leven +in alles genieten--niet in plat-materiëelen zin, maar in ideëelen +zin:--van den morgenstond genieten, van het blad dat aan den berk +vergeelt, van een ree dat wegvlucht achter in het bosch--van muziek, van +schilderkunst, van alles kortom wat het leven biedt, maar dan in +hoogeren zin--niet te vragen: Waarom? en niet te vragen: Waarvoor?--maar +het schoonheidsgeluk van elk oogenblik te drinken--en het leed te nemen +en dat te transformeeren in de sfeer van de schoonheid, tot nieuw geluk. + +--Hier is dus niet een algemeen-menschelijk standpunt, dat u op +dichterlijke wijze vertolkt, merkte ik op, maar een speciaal +schoonheids-standpunt, een aesthetisch standpunt, een poëtenstandpunt.-- + +--Juist, want het aesthetisch beginsel kan zijn sappen trekken uit alle +levensbeschouwingen en alle tijden:--dat is het supreme standpunt. De +Katholiek kan zeggen: Er zijn dingen in het leven voor mij niet +weggelegd, en zoo heeft elke richting, wanneer men zich op +maatschappelijk standpunt stelt, de beperking van zijn eindigheid. +Alleen iemand die leeft naar het aesthetisch beginsel heeft een hoogte +en wijdte bereikt, waarin alle richtingen kunnen worden saamgesmolten. +Zooals je verschillende ertsen in één smeltkroes kunt doen en er ten +slotte een volkomen harmonisch beeld van kunt maken, zoo is het een zaak +van de dichterlijke persoonlijkheid, om uit zoo verschillende dingen een +eenheid te maken. + +--Als ik nu aanneem dat de dichter, als zoodanig, een apart staand +mensch is, dan kom ik van zelf tot de vraag: Heeft de dichter een +maatschappelijke functie, en zoo ja, welke? + +--De kunstenaar moet in de gelegenheid worden gesteld, het +maatschappelijk leven mede te leven, in zooverre en op de wijze als dat +voordeel geeft voor de ontwikkeling van zijn schoonheids-productie. Wat +mij betreft, ik zou tijdelijk in de volle maatschappij willen zijn, maar +de gelegenheid willen hebben om, op het oogenblik dat de verwerkelijking +van mijn kunst gekomen was, mij bijv. in de Zwitsersche bergen terug te +trekken. Ik acht het voor den kunstenaar absoluut noodig, dat hij zich +niet losmaakt uit het groote menschenverband, maar hij moet er zich +wanneer hij wil uit kunnen terugtrekken. + +--Dit, de lezer zal het toegeven, was geen rechtstreeksch antwoord op +mijn vraag, en ik trachtte mij dus duidelijker uit te drukken: Ik +bedoelde te vragen naar de beteekenis van den dichter voor de +samenleving, welke plaats hij inneemt in het maatschappelijk raderwerk, +of--laat ik daar maar mee beginnen: Welke beteekenis heeft in het +algemeen de dichter voor zijn volk? + +--Men pleegt altijd te zeggen, dat de kunst "de bloem" is van een +bepaalde beschaving. Volgens de schatting van velen is een volk zonder +kunst maatschappelijk dood, de kunst is de hoogste bloei van een volk. +In de tweede plaats, meer in het bijzonder wat den taalkunstenaar +betreft, is de taal heel het volk. Een man die tot den bloei van die +taal bijdraagt en den taalschat vermeerdert, bewijst aan zijn volk +minstens even groote diensten als een groot staatsman of een generaal. +Dus bestaat voor de overheid de plicht, om zulke allerverdienstelijkste +staatsburgers, behalve ze soms lofprijzingen te geven, ook in staat te +stellen om hun schoonheidsbedoelingen in absolute vrijheid te +verwezenlijken. Want de voorbereiding voor den kunstenaar is de meest +omvangrijke, die er voor welk maatschappelijk métier ook zou kunnen +bestaan. De noodzakelijkheid mag hem soms opleggen voor zijn +dagelijksch brood te zorgen, eigenlijk moest dit niet het geval zijn. De +kunstenaar moet in de tijden dat hij niet scheppend werkt door het zich +eigen maken van elke geestesbeschaving, uit welken tijd ook, zijn geest +kunnen verrijken. Niet om die geestesbeschaving na te maken, maar om aan +wat hij neerschrijft de geestelijke diepte van die culturen mede te +deelen. Al heeft een kind nog zoo goed de handgrepen van het pianospelen +geleerd, aan den toetsaanslag van den volwassen man hoort men toch de +levenservaring die in dien man leeft. Zoo kan de kunstenaar, na andere +culturen te hebben verwerkt, in schijnbaar met die culturen niets te +maken hebbende uitingen hun diepere gevoelsleven verwerken, naarmate hij +meer met het diepere gevoelsleven van anderen heeft kennis gemaakt. Ik +vind natuurlijk dat het goed is, eens aan te toonen, dat je als +kunstenaar ook die maatschappelijke bezigheden wel kunt verrichten, dat +je dus een normaal mensch bent, met iets er bij, maar ik acht dien +toestand toch vicieus. Zooals ik zei: Gelijk Van 't Hoff in Berlijn +gelegenheid kreeg om zich daar aan zijn studiën te wijden en maar één +uur college in de week te geven, zoo moest men eventueel ook een dichter +of proza-schrijver volkomen vrij maken. De menschen die arbeiden aan het +instrument waardoor een volk een natie is, bewijzen aan dat volk de +onwaardeerbaarste diensten, en die moeten worden op prijs gesteld.... + +Ja, ik geef u toe, practisch is het moeilijk uitvoerbaar, maar het zou +moeten gebeuren b.v. door een Instituut van schoone kunsten, dat gevormd +wordt niet door regeeringsambtenaren maar uit de gezaghebbende +kunstenaars zelve. Zooals u weet, is men bij ons van plan zulk een +instituut in het leven te roepen en dat zou eventueel kunnen uitmaken, +wie in de termen vielen om van overheidswege onbekrompen geholpen te +worden. + +--Ik begreep nu wel, waarde lezer, dat ik op mijn vraag geen +rechtstreeksch antwoord zou krijgen, en dat ik in het uitblijven van dit +antwoord--ook een antwoord moest trachten te vinden. Maar op gevaar af, +door Bastiaanse voor zeer onnoozel te worden gehouden, waagde ik nog een +kansje: + +--Ziet u, ik zal mij onduidelijk hebben uitgedrukt, zoo begon ik. Ik +wilde eigenlijk van u weten, wat volgens u de dichter uitvoert in de +maatschappij. Kan een betrekkelijk groote minderheid daar iets van +bemerken? Welken dienst bewijst de dichter eigenlijk aan zijn +lezerskring...? + +--Om dat te weten te komen, antwoordde hij, zou men van overheidswege +een decreet moeten uitvaardigen, dat in geen 25 jaren een boek, een +tijdschrift of een courant zou mogen verschijnen. Dan moesten de +menschen in den trein stom tegenover elkaar zitten, want dan hadden ze +geen "Handelsblad" en konden 's morgens niet over Falkland praten. Dan +konden de dochters van den huize niet den avond te voren den inhoud van +"De Kleine Johannes" uit haar hoofd leeren, om tegen den volgenden dag +conversatie te hebben, als ze op een studentensouper mede aanzaten. Dan +hadden de boudoirs geen Eline Vere meer. De burgers waren aan de +leegheid van hun eigen gedachten gedurende 25 jaren overgelaten. Dan zou +men leeren begrijpen, welke diensten scheppers van geestelijke waarden, +romanschrijvers, journalisten en ook dichters aan de gemeenschap +bewijzen. Als gas- of waterleiding worden afgesneden, als de treinen +niet meer loopen, dan weten de menschen pas wat ze daaraan gehad hebben. + +Ze zijn nu zoo gewoon voor een appel en een ei geestelijke waarden te +koopen, dat alleen de proefondervindelijkheid ze van de waarde daarvan +het juiste begrip kan bijbrengen. Ze moeten dan praten over hetgeen hun +eigen improductieve geesten opbrengen, ze zijn veroordeeld te leven in +de hopeloosheid van hun eigen onvruchtbaarheid, ze hebben geen +Heijermans en geen Royaards om hun avonden te vullen. Het is de dichter +en de prozaschrijver die voor de menschen voelt en denkt en ze nieuwe +stukken gedachten- en gevoelsleven geeft, dat ze uit hun eigen leven +niet kunnen scheppen. + +Het mag sommigen toeschijnen dat de scheppers van geestelijke waarden +lichter gemist kunnen worden dan de dichter in zijn "eigenwaan" denken +mag, lichter dan de scheppers van reeële, rendabele waarden. Daarop kan +ik antwoorden, dat nagenoeg _alles_ wat bestaat slechts onmisbaar is +voor een _deel_ van de menschheid of van de samenleving. Ik heb +bijvoorbeeld nooit een voetbal noodig gehad of een bioscoop-voorstelling +.... + +--Mijnheer Bastiaanse, zal ik u eens wat zeggen? Mijn vragen stuiten op +u af. + +--Ja, u woudt de voegen in mijn pantser ontdekken, hé? Maar ik sta vàst +in mijn overtuiging. + +--Dat is juist het merkwaardige. Ik _vraag_ en u denkt dat ik _strijd_. +U is het meest volmaakte type van den aesthetischen mensch, dat ik ooit +ontmoet heb. U treedt niet in mijn gedachtengang, maar wat doet u? U +leest mij verzen voor, u werpt brokken stemming in mijn schema, en ik +had gewenscht dat uw inzichten op dit punt de mijne zouden ontmoeten.... + +Wij keken elkander een oogenblik aan; blijkbaar om ons te vergewissen of +we goed waren of boos. Ik wilde verzachten: U begrijpt dat ik u begrijp, +niet waar? Sommige dingen làten zich door u niet meer in gewone woorden +zeggen en ik ben u dankbaar ... voor het genot ... voor de.... + +Toen lachten we beiden. Het gevaarlijke punt lag achter ons. De +intellectualistisch gezinde had den aesthetisch gezinde gewaardeerd. + +--Natuurlijk zei Bastiaanse, deze dingen kan niemand zoo uitdrukken als +de dichter, en daarom heb ik u een paar maal den dichter laten hooren. +In welken wezensstaat de mensch ook verkeert, wanneer hij als dichter de +dichterlijke droom in zich voelt komen, dan is hij _de_ complete +mensch.... + +--Dit is inderdaad een standpunt, merkte ik op. Waarom deed ik mij +nuchterder voor dan ik ben? + +Hij vertelde mij dien avond o.a. dat hij zijn vacantie in Zwitserland +ging doorbrengen om er de rust te zoeken, die hij hier bij zijn velerlei +bezigheden, waaronder het secretaris-schap van de Vereeniging van +Letterkundigen, niet kan vinden. Weet u, vroeg hij bij het afscheidnemen +op zijn langzame manier, weet u wat bij een vorige gelegenheid mijn +hoofdindruk was van Zwitserland?--Gelukkig, dat ze _dat_ niet plat +kunnen s_l_ijpen! + +--Heeft hij erg gebromd? vroeg zijn vrouw mij, toen ze me uitliet. + +Er lag een waereld van verstandhouding in die vraag. + + +BIBLIOGRAPHIE: + +"Natuur en Leven" (1900)--"Gedichten" (W.B., 1909) [Van "Het boek +Jeugd" verscheen een metrische vertaling in het Duitsch, van Peter +Mühlfarth.] + +Voorts een aantal verspreide studies, w.o. "Het spellings- en +taal-systeem van Kollewijn" (in 1911 afzonderlijk verschenen) en het +overzicht "Taal en Letteren" in het verzamelwerk "Nederland in de +twintigste eeuw". In verband met bovenstaand gesprek is vooral van +belang "Het geestelijk lied", een lijvige beoordeeling van Knuttel's +dissertatie, die in "Groot-Nederland" jrg. 1908 werd opgenomen en o.a. +uitvoerig over het historisch materialisme handelt. + + +VOETNOTEN: + +[4] Het hier volgende citaat is als manuscript gedrukt! + + + + +HERMAN ROBBERS + +[Illustratie: Foto Koene & Büttinghausen, A'dam HERMAN ROBBERS (Mei +1891)] + +[Illustratie: Foto J. Huijsen, A'dam HERMAN ROBBERS] + + +(* SEPT. 1868) + +De oogen van dezen man, die iets beschermends in zijn lange gestalte +heeft, zouden mij te nuchter lijken, indien niet de langdurige inwerking +van de brilleglazen hun uitdrukking vervaagd had. Neen, nu ik goed kijk +is er iets peinzends in, dat ook wel past bij den ietwat scheef +getrokken, breeden, een groote ontvankelijkheid teekenenden mond. Dat +hij het hoofd voorover draagt komt ook eigenlijk niet doordat hij van +zijn respectabele lichaamshoogte op alles wat hem omgeeft moet neerzien. +Nadenkend beluisteren van stilte en eigen stemming is er de oorzaak van. +En nu hij vóor mij zit met den aarzelenden glimlach van de eerste +kennismaking op het gelaat, begrijp ik ook waardoor zijn borstelige +pruik midden op het voorhoofd is uitgegraven. Kijk, hij heeft het, +ondanks betrekkelijke welgesteldheid, in het leven niet gemakkelijk +gehad en ook in deze gezellige, comfortabele studeerkamer heeft hij +menigmaal moeten vechten met zichzelf, en dan heeft hij de bevende +vingers op het plekje dat nu kaal is geworden tegen zijn voorhoofd +gedrukt.... Met zoo iemand kan ik goed praten: Deze hier weet, dat ons +innerlijk geen product van de omstandigheden is of mag zijn, maar--wat +ons brein ons ook wijs make,--zijn eigen weg moet zoeken. + +Als ik hem nu vraag onder welke omstandigheden het hem bewust is +geworden, dat hij als schrijver zou optreden, blijkt mij, geheel in +overeenstemming hiermede, hoe hij juist staat tusschen de mannen van '80 +die zich aan eigen gemoed verslaafden, en de jongere generatie, die de +inblazingen des gemoeds met verstandelijke overwegingen tracht te leiden +of te onderwerpen. In den loop van ons gesprek verwonder ik mij telkens, +hoe hij zich bijna blindelings tusschen die beide richtingen door +oriënteert, en ik zou hier aan philosophische vindingrijkheid gaan +denken,--ik heb pas van een buitenlandsch dichter vernomen dat wij, +Hollanders, richtingen scheppen of 't niets is--als ik zijn theorieën +niet belichaamd voor mij had zien staan, indien ik ze niet had +weergevonden in zijn blik, in de trekken om zijn ontvankelijk-wachtenden +mond, en in dat heldere, rustige wiskunstenaarsvoorhoofd, dat--als ik 't +eens zoo mag zeggen--meer denkt dan de ziel kan navoelen. Maar hierbij +word ik onmiddellijk getroffen door het inzicht, dat hij precies zijn +positie kent, dat ik zijn gelaat niet verder behoef te ontleden. Hij +vertelt het me precies zoo als ik het verwacht heb, hij is een Hollander +naar mijn hart, hij heeft "zich rekenschap gegeven"--zooals die +buitenlandsche kunstenaar mij zeide dat alle Hollanders doen. + +Hier volgt zijn antwoord op de allesbeheerschende vraag, die ik boven +kortelijk aangaf: + +--"Eigenlijk gezegd heb ik als kind zoolang ik mij herinneren kan al +geschreven. Ik was een jongen die altijd las en daarbij al gauw de +neiging kreeg zelf verhaaltjes en sprookjes te maken. Dat is _purement_ +een drang van mij geweest. Ik had als jongen van acht of negen jaar de +gekke gewoonte om, als ik een verhaaltje gelezen had, het op mijn manier +na te vertellen, liefst op rijm, en met dergelijke gedachten ben ik +altijd bezig geweest. Zooals u weet ben ik in Rotterdam geboren en +opgevoed, en als leerling van het gymnasium krijg je al gauw wat meer +quasi literairen omgang dan op andere scholen. In de derde of vierde +klasse hadden wij een zoogenaamde literaire club. Daar moesten wij dan +opstellen voor maken. Maar vóór dien tijd had ik al lang het plan dit +voor mij zelf te doen. Gelukkig heb ik niet vroeg gepubliceerd. Ik ben +daarmee pas begonnen toen ik vierentwintig was. + +--Dat was dan toch zeker werk van geheel anderen aard? vroeg ik, om het +gesprek op de principiëele zaak te brengen. + +--Och, bij mij is daar niet zoo'n groot verschil in. Het schrijven is +bij mij niet voortgekomen uit den lust om een of ander idee te +propageeren of om in een of ander opzicht aan de menschen iets te willen +geven. Ik heb slechts willen voldoen aan een zeker pleizier om een +verhaal te schrijven. Het was een soort liefhebberij van mij, zooals de +menschen alle mogelijke liefhebberijen kunnen hebben. De een timmert +graag, de ander schrijft graag. + +Dat eerste werk is een novelletje geweest. "Een Kalverliefde", dat +naderhand met twee andere novellen in een bundeltje is verschenen, +waarvoor ik geen gemeenschappelijken naam kon vinden en dat ik daarom +ook genoemd heb: "Een Kalverliefde, De Verloren Zoon en De Vreemde +Plant". + +Mijn leven is niet te beschouwen zonder daarbij te nemen mijn gewone +werk buiten de literatuur om. Ik was in den boekhandel. Ik had wel +altijd het plan gehad om schrijver te worden, maar ik wist ook heel +goed dat je daar niet van kunt leven en dat ik moest aanpakken. +Studeeren wilde ik niet, en zoo ben ik op mijn achttiende jaar bij mijn +vader in de zaak gekomen. _Daar_ werd onmogelijk hard gewerkt. +Daarenboven was ik vrij jong geëngageerd en ging graag 's avonds nog +even naar mijn meisje. Als ik daarna thuis kwam, ging ik zitten +schrijven. Mijn eerste novellen zijn dan ook geschreven 's nachts +tusschen twaalf en drie. Op Zondag was ik meestal te moe. U weet hoe dat +gaat, men werkt de heele week hard en rekent daarbij op den Zondag, en +dat valt tegen. Toen ik nu ging trouwen, heb ik in dit opzicht een +beteren levensregel aangenomen Ik zei tegen mijn vader en mijn broer: +wij moeten een verandering maken en de zaak vroeger sluiten. Er was een +tijd dat mijn oudste broer en ik tegen elkaar zeiden: "Is het al kwart?" +en dat beteekende kwart voor twaalf, als wij naar huis gingen. Nu +begonnen wij wat vroeger te werken en werkten door tot halfzeven, om 's +avonds vrij te hebben. Toen kon ik dus tusschen acht en negen beginnen. +Toen heb ik ook een grooter boek aangedurfd en "De roman van Bernard +Bandt" geschreven. + +Ondertusschen had ik natuurlijk wat meer algemeen benul gekregen. Laat +ik hierbij meteen behandelen mijn verhouding tot de "Nieuwe Gids", +waarnaar u mij schriftelijk gevraagd hebt. Dit is bij mij misschien +anders begonnen dan bij vele anderen, omdat ik weinig tijd had om van de +dingen nota te nemen. Ik had de "Nieuwe Gids" van het eerste nummer af +gekend. Ik heb hem nog op zestienjarigen leeftijd in mijn club tegen +anderen verdedigd. Toch kan ik niet zeggen, dat ik in de eerste jaren +ook zelfs maar geregeld nota heb genomen van wat er in verscheen. Ik las +maar te hooi en te gras, dan hier en dan daar. Soms kreeg ik +bevliegingen: ik moet een massa lezen,--en dan zat ik daarmee tot diep +in den nacht. En dan dacht ik weer: wat kan het mij allemaal schelen, ik +heb toch geen tijd. Niet waar, je hebt allemaal van die buien als je nog +jong bent.... Ik kende de "Nieuwe Gids" dus wel, en wist wel wat de +beweging beteekende, maar ik heb er mij pas goed ingewerkt toen ik +vijfentwintig of zesentwintig jaar was, getrouwd, en toen de boeken +verschenen van de menschen die vroeger in de Nieuwe Gids hadden gewerkt: +de Verzamelde Opstellen van Van Deijssel en de boeken van Van Looy. Van +Eeden had ik wel zoo tusschendoor gelezen. Toen kreeg ik eindelijk tijd +om met wat meer besef mijn positie ten opzichte van de literatuur vast +te stellen. Tot mijn trouwen heb ik in een soort van werkroes +doorgeleefd. De eerste jaren van mijn trouwen heb ik "De roman van +Bernard Bandt" en "De bruidstijd van Annie de Boogh" geschreven. Dat +moest veelal gebeuren in den laten avond, en ik merkte wel, dat dit geen +gunstigen invloed op mijn werk had. Je schrijft dikwijls in een soort +van overspanning, en dikwijls moest ik den volgenden ochtend verscheuren +wat ik den vorigen avond laat geschreven had. Toen kwam de behoefte, mij +geheel aan de literatuur te kunnen wijden. Eerst was er een tijd dat ik +meende, een transactie te kunnen maken met de firma waarin ik werkte. Ik +was nl. in '93 lid van de firma geworden. Ik had voorgesteld, een +gedeelte van den dag te werken, en ik heb dat ook een tijdje lang +geprobeerd. Ik zou om vier uur weg gaan, maar dat gebeurde eenvoudig +niet, mijn eigen zaken gingen mij toch te veel ter harte om ze te laten +loopen. Ik bleef dus toch zitten tot half zes, zes uur. Eindelijk heb ik +tot mijn broer en mijn vader gezegd: ik ga er doodeenvoudig uit. En op 1 +Januari 1905 heb ik dit ook gedaan. In den loop van het voorafgaande +jaar had mijn vader mij voorgesteld, om dan de redactie op mij te nemen +van "Elsevier". Dat was me natuurlijk aangenaam, want dat gaf meer +vastheid voor de toekomst. Ik was oorspronkelijk van plan ergens +driehoogachter te gaan leven en dan maar te schrijven. Maar dat behoefde +nu niet en ik kon er mij tenminste een beetje aangenamer doorslaan. Toen +bleek mij echter, dat ik mij in de laatste jaren wat overwerkt had, en +tweeëneenhalf jaar lang had ik erge moeite om te werken. In den loop van +1907 is dat pas overgegaan; toen heb ik wat langer vacantie kunnen nemen +en het af voelen trekken. Daarna heb ik een flinke werkperiode gehad, en +de twee deelen van mijn "Roman van een Gezin" kunnen schrijven, die in +1907--1909 in "Elsevier" zijn verschenen en daarna als boek. + +Daarna ben ik langzamerhand overstelpt geworden met werk van geheel +anderen aard, in verband met het vereenigingsleven. Ik heb in 1905 met +een paar anderen de Vereeniging van Letterkundigen opgericht, en ik heb +dat met erg veel animo gedaan. Maar zij hebben mij dikwijls voor het +werk laten opdraaien, zal ik maar zeggen, want daar komt het toch op +neer. Ik was in den boekhandel en uitgeverij geweest en kende een +heeleboel toestanden van nabij en beter misschien dan de anderen. Ook +was ik meer gewoon practisch te werken, en zoo was ik als het ware +aangewezen om allerlei werk te doen voor de vereeniging. Ik had ook +studie gemaakt van de quaestie van het auteursrecht en daarover +geschreven, en een van mijn bedoelingen met de Vereeniging van +Letterkundigen was, te verkrijgen aansluiting bij de Berner Conventie en +een betere auteurs-wet. In 1908 ben ik met enkele anderen door de +Regeering naar Berlijn gezonden, om de Staten-Conferentie over de +herziening van de Berner Conventie bij te wonen. In 1910 zijn we toen +begonnen met de stichting van het Verbond van Kunstenaarsvereenigingen, +dat in 1911 definitief is opgericht op initiatief van de Vereeniging van +Letterkundigen. Ik werd Voorzitter van het Verbond en dat heeft mij in +de laatste jaren verbazend veel werk gekost. Ik beklaag er mij niet +over, maar ik merk toch langzamerhand dat het mij te veel in beslag +neemt. Met Januari 1914 moet ik aftreden. Ik hoop dan buiten te gaan +wonen en mij weer heelemaal aan de literatuur te geven. + +Ik verzocht hem, nu weer terug te komen op zijn verhouding tot literaire +scholen en richtingen, waarover hij zooeven was begonnen. + +--Ik heb zeker het gevoel, zoo hernam hij, bij de literaire beweging van +dien tijd te behooren, zonder in engeren zin mij te hebben gerekend tot +de Nieuwe-Gids-beweging. + +Hoe omschrijft u eigenlijk de Nieuwe-Gidsbeweging? + +--Deze beweging is al dikwijls gedefiniëerd, en dat is in het algemeen +wel juist, als een kleinere renaissance, een weeropleving van de +persoonlijkheid tegenover de algemeenheid. Maar toch geloof ik, dat door +verschillenden in den laatsten tijd te sterk de nadruk gelegd is op het +"op de spits gedreven individualisme", zooals men het noemt, en daarmee +ben ik het niet eens. "Op de spits gedreven individualisme" is werkelijk +een ontzaglijk groot woord, en als gij nagaat wat het zou beduiden, dan +geloof ik, dat er heel wat anders voor den dag zou komen als de +Nieuwe-Gidsbeweging. Over het algemeen kan men zeggen: in Nederland +zoowel als in de omliggende landen is omstreeks 1880 een zekere +verfrissching ontstaan, vooral tegenover de sleur en de +zelfgenoegzaamheid van de liberale bourgeoisie, ongeveer hetzelfde als +ook gebeurd is in de periode van de romantiek, een vijandig staan van de +jongeren tegenover de zelfgenoegzaamheid van de gevestigde menschen, die +maar geld verdienen en daarmee tevreden zijn. Na de Fransche Revolutie +heb je meer en meer gekregen een tevreden burgerij die zijn doel bereikt +had, die kon doen wat hij wilde en een hoop geld kon verdienen. Dat +platte, banale, bevredigde de jongeren niet. Ze stelden daar tegenover +een zoeken naar idealen, dat dan vooral het oog richtte op de +middeleeuwen, op een avontuurlijk leven, waarin meer hoog en laag viel +te ontdekken. Dit nu is niet heelemaal hetzelfde als een op de spits +gedreven individualisme. Het is ook een behoefte om wat dieper te graven +in de dingen des levens. + +--Maar hoe staat het nu met de uiting: "hoe zieker zenuwen, hoe beter +kunst", die men in dien tijd zoo vaak kon vernemen? + +--Ook dat moet niet zoo letterlijk worden opgevat. U moet hier ook in +willen zien een drang om te komen uit het banale en normale, dat doodend +kan zijn voor het eigenlijke leven, een streven naar een meer intens +leven, en wanneer ik de "Nieuwe Gids" zoo bekijk, dan geloof ik, dat ze +over het algemeen is te vergelijken met hetgeen men ook in de omliggende +landen kon waarnemen. Wij Hollanders hadden het idee, dat wij tamelijk +eenig zijn geweest met onze Nieuwe-Gidsbeweging, maar wanneer wij de +zaken breeder bezien, dan is in de buitenlandsche literatuur toch overal +een dergelijke verfrissching merkbaar. + +Nou, het is natuurlijk verbazend moeilijk voor mij om te kunnen zeggen, +of het bij mij méér is geweest de omgevende wereld, die mij tot een +zekere verwantschap heeft gebracht met die beweging, of wel het +voorbeeld van de tachtigers, die ouder waren dan ik en wier bestaan ik +toch kende. Trouwens, al lees je ze niet veel, dan ruik je ze toch, de +dingen hangen in de lucht, nietwaar? Het is heel moeilijk uit te maken, +of dit mij sterk geïnfluenceerd heeft, dan wel of dezelfde oorzaken bij +mij en hen dezelfde gevolgen hebben gehad. + +Netscher heeft eens in de "Hollandsche Revue" geschreven, dat Phocius, +dat was ik, achter niemand aankwam,--en dat is betrekkelijk juist, al +kwam ik ook eenigszins achter de Franschen aan, voor zooverre ik die +gelezen had. Ik had de bedoeling, die verschillende moderne Fransche +schrijvers hadden, in de eerste plaats: werkelijk zoo eerlijk mogelijk +en zoo zuiver mogelijk mijzelf uit te spreken. Ik had en heb altijd +behouden de behoefte om absoluut niets te zeggen dat ik niet diep zou +kunnen verantwoorden. Natuurlijk, dat is iets dat je wel zeggen kunt, +maar je weet er tevens bij, dat je dikwijls meegesleept wordt door het +rhytme, den stijl, de beweging van wat je schrijft. Alles gaat +natuurlijk gepaard met een zekere opwinding en ik wil niet een soort van +veer op mijn hoed steken en niet beweren, dat ik mij altijd zòo diep heb +uitgesproken, dat ik niet eerlijker zou kunnen maken wat ik geschreven +heb. Maar ik heb mijn best gedaan, laten wij dit in het algemeen +vaststellen. + +--Ik vroeg nu, of hij dan de levensverschijnselen op dezelfde manier +appreciëerde en verklaarde als de Fransche naturalisten. Hij antwoordde +hierop: + +--Ik had er over het algemeen heel weinig van gelezen, zooals ik in het +algemeen weinig gelezen had op dien leeftijd. Wat ik er van verwerkt +had, is voornamelijk den drang om zuiver en eerlijk te zijn. In anderen +zin heb ik mij nooit naturalist gevoeld. Ook sta ik verder van Zola af, +in zooverre ik den zuiver beschrijvenden kant, dien hij zoo sterk heeft, +nooit krachtig in mij heb voelen leven. Ik heb nooit sterk geambiëerd +om dat in het Hollandsch te gaan doen. Ik heb het gevoel gehad, dat +daarvoor mijn werk niet was, daarvoor heb je schilders, dat wij er +voornamelijk voor waren de innerlijk-menschelijke bewegingen weer te +geven en de verhoudingen van de menschen onderling. Als ik zou moeten +samenvatten wat ik heb geschreven, en wat achteraf mijn bedoeling is +geweest, dan kan ik het zoo zeggen, dat ik de behoefte had, na te gaan +of in ons moderne leven, zooals het nu is, nog sommige sublieme +gevoelens mogelijk zijn, en zoo ja, welke. En wanneer ik die vond dan +was het mijn grootste heerlijkheid die te beschrijven. + +Ik geloof, dat dit min of meer bewust bij heel veel schrijvers de +bedoeling is. Ik geloof, dat de romantici hetzelfde wilden. + +Wanneer een man als Ary Prins schrijft zijn "Heilige Tocht", dan moet +hij dat met een dergelijke bedoeling doen. Met een eenigszins sterker +pessimistischen kijk op de moderne wereld, laat hij zich daarvan +afdrijven en tracht in een vroegeren tijd bij een heel ander leven het +sublieme terug te vinden. Ik geloof, dat er nog altijd in ons +dagelijksch leven heel fijne momenten zijn, waarin subliem gevoeld +wordt, en dat is het eenige dat mij aantrekt in het leven, dat mij ook +aantrekt in de kunst, en dat ik daarom geven wil. + +Nu is natuurlijk maar de vraag: wat bedoel je met "het sublieme"? In dat +opzicht ben ik misschien eenigszins een rare kerel. Ik vind bijv. +subliem, laat ik zeggen, in een stillen nacht een moeder, die met haar +kind zit bij een nachtlichtje en niet naar bed wil gaan, ofschoon haar +voeten ijskoud zijn, omdat het kind op haar schoot zoo lekker slaapt. Ik +geef maar een voorbeeld, om te zeggen, dat ik niet wil trachten in hoog +geestelijke gesprekken het sublieme te benaderen, omdat ik overtuigd +ben, dat iemand in zijn eenvoud, wanneer hij maar tracht zichzelf te +zijn, de subliemste momenten bereikt. Daarom ook voel ik mij in de +Nederlandsche literatuur het meest aangetrokken tot Van Looy, omdat +niemand meer dan hij in onze moderne literatuur dat bereikt heeft: de +verheerlijking van het leven en de goddelijkheid van den mensch te +bewijzen in zijn woord. + +--Hier merkte ik op, dat mij nu, evenals in de beschrijving van zijn +wording als schrijver, getroffen had, hoe hij uitging van het gewone +dagelijksche leven en hierbij stilzwijgend aannam, dat dit overwegenden +invloed uitoefende boven het hooger geestelijk leven, ja, daarboven te +stellen was. Is dit inzicht van mij juist? vroeg ik. + +--In zekeren zin komt het daarop neer. Het diepste gevoelsleven kan zich +dagelijks in de meeste dingen uiten, en juist wanneer je er hard naar +streeft, zul je het niet bereiken. Wanneer je gewoon maar je gang gaat, +en doorvoelt wat je voor de hand vindt te liggen en je het mooiste +vindt, dan zul je heel dikwijls vanzelf het sublieme bereiken. + +Ik kan dit ook toepassen op het terrein van de kunst. Er is een boel +zoogenaamde didactische literatuur geschreven, waarin getracht wordt de +menschen beter en braver te maken, terwijl de echte artiest wel weet, +dat dat allemaal eenvoudig verkeerd is en je niets beters kunt doen dan +mooie dingen maken. Dat komt doordat juist het aller-subliemste in den +mensch, het edelste, door iemand die er didactisch naar zou streven niet +kan worden bereikt. U moet weten, ik ben nu een beetje vol van de +"Heilige Tocht" van Prins, omdat ik dat boek juist ernstig bestudeerd +heb. Ik heb er van geschreven: dat er absoluut geen moralistische +strekking in gezocht kan worden, maar dat er wel een hoog moreele, of +liever ethische, werking van uitgaat, omdat er ethisch niets hoogers +bestaat dan de schoonheid. Ik geloof, dat iemand alleen maar goed is in +zijn schroomvollen eerbied voor het heilige, het kinderlijke en het +vrouwelijke. Wanneer men dat gevoelt is men goed. Maar zoodra men gaat +denken, komt men tot allerlei vertroebelingen. Dat zou Vader Cats den +menschen in zijn gedichten niet hebben kunnen vertellen, niet waar? +Zoodra je didactisch te werk gaat, moet je de menschen al redeneerend er +toe brengen goed te zijn. Maar wanneer je de menschen kunt ontroeren +door schoonheid, dan worden zij vanzelf goed. Ik herhaal: het is nooit +mijn bedoeling geweest, de menschen met mijn boeken beter te maken, maar +iedereen, ook een artiest, heeft toch behoefte aan de ethische +verdediging van zijn werk. + +Nu moet u _dit_ goed in het oog houden. In hoogeren zin erken ik geen +verschil tusschen ethiek en aesthetiek, en dat kan ik heel goed +verdedigen. + +Er bestaat maar één mooi, en dat is voor alle menschen hetzelfde. En of +dat nu is een boom of een stuk kunst of een daad, het blijft hetzelfde. +Ik geloof juist, dat de schoonheid van de daad voor de minst +ontwikkelden het meest begrijpelijk is. + +Als je gaat onder het volk, dan merk je wel, dat zij voor de kunst niet +voelen, de schoonheid in de natuur niet zien. Maar wanneer iemand +verricht een of andere faire daad, géén wraak neemt, of edelmoedigheid +betracht tegenover een vijand, of iemand hulp biedt onder moeilijke +omstandigheden, dan wordt door het volk gezegd: dat is mooi. En dat +soort ontroering, waarbij zij blij zijn dat zij menschen zijn, dat is +altijd weer de schoonheidsaandoening, en het is precies hetzelfde of je +een mooien boom ziet, een mooi landschap, een stuk kunst. In hoogeren +zin is er geen verschil tusschen ethisch en aesthetisch mooi; er is +maar één mooi. + +--Mocht ik dus aannemen, dat in zijn levens-systeem de eenvoudige daad +gesteld werd boven wat men zou kunnen noemen den geestelijken bovenbouw +in het menschelijk leven, dat de geestelijke uitingen beheerscht werden +door wat men zou kunnen noemen het practische leven,--"practisch" +genomen in de beteekenis van "handelend"? + +--Ik geloof, dat het geheele leven geleid wordt door het Onbewuste. Je +kunt je best doen om je leven uit te denken, om heelemaal bewust te +leven, maar de eigenlijke impulsen komen voort uit je diepere zijn, dat +op zich zelf een mysterie is en dat je begrip niet aanraken kan. Ik ben +wel lid van de S.D.A.P., maar ik zou heelemaal niet toe wenschen te +geven de theoretische bewering van het historisch materialisme, dat je +het geestelijke heelemaal kunt beschouwen als een bovenbouw, zooals de +gewone uitdrukking luidt, van de toestanden die ontstaan zijn door de +productiewijze. Ik begrijp volkomen, dat iemand tot deze bewering +gekomen is. Je ziet bij alle mogelijke ontdekkers in de wereld dat, +wanneer zij iets ontdekt hebben dat een groote waarheid bevat, zij de +neiging hebben om te denken dat dit nu _alles_ is. En zoo is het ook +gegaan met Marx en zijn tijdgenooten, die de groote waarde van de +productiewijze hebben doorzien. Maar zooals de theorie luidt, is zij een +uitschakeling van het mysterie. Er zijn geestelijke stroomingen, waarvan +de oorzaken geheel en al mysterieus zijn. Is het bijv. niet absoluut +geheimzinnig, dat alle geestelijke stroomingen gaan tot een zekere mate +van verzadiging en dan komen tot hun tegendeel en omslaan in reactie? +Dat kunt u onmogelijk verklaren uit een theorie, die eenvoudig aanneemt, +dat het geestelijke zou zijn een bovenbouw van het materiëele. Maar, al +ben je geen theoretisch aanhanger van het historisch materialisme en +alle theorieën van Marx, kun je heel goed lid zijn van de S.D.A.P. en +met alle kracht medewerken in die richting, omdat je overtuigd bent, dat +wij nu zeker een paar eeuwen lang werken moeten in de richting van het +gemeenschappelijke, voordat wij weer aan de rechten van het individu +denken. Want de waarheid ligt voor mij in een zoo natuurlijk mogelijke +harmonie van individu en gemeenschap, zooals dat bijv. in "Civitas", het +boek van Treslong, zoo juist is uitgedrukt. Hij zegt duidelijk, dat de +menschen niet alleen hebben neiging tot zelfbehoud en zelfverdediging, +maar dat ieder zich voortdurend voelt lid van de gemeenschap. Dat ieder +tot op zekere hoogte even goed kuddedier is als individualist, omdat +louter individu zijn met het menschelijke in het algemeen niet +vereenigbaar is, geestelijke afdwalingen daargelaten. En dat is ook +daardoor te bewijzen, dat zooveel van die boeken, die zoogenaamd sterk +individualistisch zijn, minstens voor tachtig procent algemeen +menschelijke gevoelens bevatten. + +--Geloofde hij dan niet, dat de groote waarde van den kunstenaar, en in +het bijzonder van den schrijver, daarin is gelegen, dat hij, staande +tegenover de gemeenschap, aan die gemeenschap nieuwe geestelijke wetten +toont, en haar leert de dingen met een nieuwen maatstaf te meten? Kon +hij niet toegeven, dat de schrijver wezenlijk is een held in den zin van +Carlyle, een absolute, bewegende kracht in de geschiedenis, die zijn +beteekenis juist aan zijn volstrekt alleenstaan ontleent? + +--Och ja, gaf hij ten antwoord, de beschouwingswijze van Carlyle heeft +ook haar tijd gehad. Hij kijkt zeer juist door den bril van de winnende +liberale bourgeoisie, en dat heeft ook zijn waarde. Maar voor mij is +het ideaal de toestand van de middeleeuwen, waarbij wij niet eens weten, +wie een bepaald kunstwerk gemaakt of een bepaald boek geschreven heeft. +De artiest is waarschijnlijk in veel opzichten een fijner bewerktuigd +wezen dan de meeste andere menschen, maar een held die verdienen zou +gewaardeerd of gehuldigd te worden boven andere menschen, die óók heel +verdienstelijk werk presteeren, ben ik heelemaal niet geneigd hem te +noemen. Hij kan ook nooit nieuwe waarden brengen, maar door zijn zuivere +uiting van wat er in zijn tijd, zooals die geworden is in de +ontwikkeling van de historie, diep leeft in de zielen van sommige +menschen, kan zijn beschouwingswijze voor veel andere menschen nieuw +lijken. Maar ik zie niet in, dat hij ooit nieuwe levenswaarden kan +schéppen. Trouwens, waarom zou een schrijver alleen zoo fijn bewerktuigd +zijn, dat men aanleiding ziet tot den paradox: hoe zieker zenuwen, hoe +beter kunst? Er loopen genoeg timmerlui en metselaars rond met zenuwen, +die op dezelfde manier ziek zijn. + +--Maar, merkte ik op, dit ziet men toch niet aan hun werk. Een +overgevoelig timmerman zal, als hij een lijst maakt, die evengoed +haaksch maken als een gewoon timmerman. + +--Natuurlijk is het waar, dat iemand die zich geestelijk uit, van zijn +zieke zenuwen meer in het openbaar zal doen blijken, en natuurlijk vind +ik een groot artiest en in zeker opzicht een genie, (want dat is nog een +heel ander begrip, laat ik dit even mogen opmerken) een fijn bewerktuigd +en zeer interessant mensch. Maar ik vind de artiesten volstrekt niet de +besten, zoodat ik ze helden of iets dergelijks zou moeten noemen. Ik +geloof ook, dat er diep eerbiedwaardige helden bestaan, waar wij nooit +van hebben gehoord en die, als ik ze kende, ik ontzaglijk veel beter +zou vinden dan,... nou dan zoo menig bekend artiest! Allemachtig! + +--Hier merkte ik op, dat uit hetgeen hij tot nog toe gezegd had, ook +zijn meening viel af te leiden over de toekomst van literaire kunst en +kunst in het algemeen, indien de samenleving zich in sterk +socialistische richting mocht ontwikkelen. Daar hij toch de grenzen +tusschen het ethisch schoone en het aesthetisch schoone vervaagde; de +waarde van den artiest meer zocht in een verheerlijking van het +eenvoudige dan van het geestelijk gespannene, van het algemeen +menschelijke, dan van het verfijnd individueele; en bovendien het +gemeenschapsgevoel in den modernen zin des woords beschouwde als een +ingeschapen trek van het oorspronkelijk menschelijk gemoed, en dus ook +de grenzen tusschen de huidige chaotische samenleving en een mogelijk +toekomstige, minder scherp zag dan de socialisten zoowel als hun +tegenstanders,--kon hij niet aannemen, zoo meende ik, dat een +ingrijpende verandering in het wezen der kunst door een min of meer +compleete overheersching van de massa viel te verwachten. + +--Inderdaad, zoo antwoordde hij mij, is de wereldgeschiedenis voor mij +een voortdurend voortgaande stroom. Een van mijn grootste bezwaren tegen +veel schrijverij van de socialisten is ook hun schelden op personen en +groepen van personen. Dat vind ik zeer verkeerd, want deze personen en +groepen zijn hoogst noodige schakels in de ontwikkeling, en die personen +zijn evengoed slachtoffers van de omstandigheden als de armste +proletariër. Je kunt absoluut niet helpen in welke wieg je geboren bent. +Er zijn maar heel weinig menschen die werkelijk hun arbeidsveld kiezen. +Dit inzicht blijkt ook duidelijk uit mijn "Roman van een Gezin". Daar +heb ik juist sympathie gevraagd voor een kapitalistisch patroon en, +dunkt mij, aangetoond, dat zoo iemand evengoed zijn functie vervult en +sympathie verdient als zijn arbeiders, die hij gedwongen is te +verdrukken. + +--Hier bracht ik bescheidenlijk de strekking van mijn uitvoerige en met +een Fénélon-geste voorgedragen vraag in herinnering: Zal het karakter +van het dichterschap onder den invloed van een overwinning der +arbeidende klasse, met wat daaraan vastzit, zich wijzigen?-- + +--Och, zei hij kalmpjes, ik geloof, dat ieder de neiging heeft zichzelf +te handhaven en te verdedigen en uit te spreken in zijn werk. Dat heeft +ieder die maar iets kan scheppen. Wanneer hij niet heelemaal bedorven +is, dan heeft hij de neiging om iets van zijn persoonlijkheid in zijn +werk te leggen. Als je boekhouder bent is het verduiveld moeilijk iets +van je persoon te leggen in de wijze waarop je de posten boekt, dat is +zoo, en toch is mij dikwijls opgevallen bij de verschillende +boekhouders, die ik gekend heb, dat daarin groote individueele +verschillen zijn waar te nemen. + +--Ik merkte op dat hij de scheidingslijn tusschen kunstenaar en massa +dus niet zoo scherp handhaafde als gewoonlijk gedaan wordt. + +--De oprichting van het Verbond van Kunstenaarsvereenigingen, zeide hij, +hangt met deze idee heelemaal samen. Ik vind dat de artiesten, de +geheele negentiende eeuw door, zich veel te veel afzijdig hebben gesteld +van de maatschappij. Zij zijn heelemaal een soort van wilde dieren +geworden, die met hevige belangstelling door de rest van de burgerij +worden bekeken. Zij hebben zich zeer buitenmaatschappelijk gevoeld en +doen dat voor een groot deel nog. Een man als Boutens, die intusschen +ook veel voor het vereenigingsleven doet en nog pas vice-voorzitter van +de Vereeniging van Letterkundigen is geworden, merkte mij onlangs op: ik +heb met de maatschappij niets te maken, die gaat mij niets aan. Ik vind, +dat de artiesten midden in de maatschappij moeten staan, en al wat zij +de maatschappij ten goede kunnen brengen, moeten zij geven. Ik vind het +een abnormale toestand, dat tegenwoordig door lichamen, die heelemaal +buiten de kunst staan, wordt geoordeeld over allerlei zaken van +schoonheid. Dit oordeel moet weer komen aan de geschoolde kunstenaars, +zooals het vroeger, en zéker in de middeleeuwen, is geweest. Denkt u, +dat die enorme werken in de middeleeuwen, die kathedralen, zouden +ontstaan zijn, zonder dat het artistieke element een ontzaglijken +invloed heeft gehad? Als toen de macht in handen was geweest van +menschen, die het te doen was om zooveel mogelijk geld te sparen en hun +politieke bedoelingen te verwerkelijken, dan waren die groote werken +nooit tot stand gekomen. Doch het is waar ... die groote eensgezindheid +van toen werd door het geloof geïnspireerd. + +De bedoeling van het Verbond van Kunstenaarsvereenigingen is tweeledig: +naar binnen en naar buiten. Naar binnen is het doel, om door +voortdurende aanraking van verschillende artiesten onderling, vooral +door ze te leeren samenwerken aan de gewoonste dingen, te doen ontstaan +meer eenswillendheid, daardoor meer harmonie, en zoo, willen wij hopen, +in een toekomst die ik heelemaal niet beleven zal, te krijgen een +monumentaler kunst. Wij kunnen niet meer komen tot den toestand van de +middeleeuwen, doch nu wij ons bewust zijn welke de groote voordeelen van +dien toestand zijn geweest, kunnen wij toch in die richting streven. En +naar buiten is de bedoeling eenvoudig, aan den geheelen artiestenstand +meer macht te verzekeren, en dan bedoel ik natuurlijk macht in de zaken +die hun het meest ter harte gaan. Vanaf de groote renaissance hebben +alle kunsten zich eenzijdig ontwikkeld, niet alleen de verschillende +kunsten, maar ook in de kunsten zelf de verschillende richtingen. Dat is +heel goed, daardoor zijn tal van verfijningen ontstaan, die anders nooit +zouden zijn geboren, wanneer men zich niet gespecialiseerd had, maar +daardoor is verloren gegaan de groote samenwerking tusschen de kunsten +onderling, en zoo ook het monumentale. Die kathedralen, die alleen door +de eensgezindheid van talrijke kunstenaars konden ontstaan, die zijn +voor mij het symbool van deze samenwerking. Op een manier die +voortgekomen is uit mijn inzicht in het maatschappelijke, wil ik komen +tot iets als Wagner bedoelde met zijn opera's. Die bedoelde ook: een +harmonie tusschen de verschillende kunsten. Hij schreef zijn teksten, +maakte zijn muziek, nam ook de leiding bij het vervaardigen van de +décors en zoo. En nu is het Verbond van Kunstenaars een poging, en dat +kan juist in een klein land als het onze, om de artiesten te oefenen in +het samenwerken. Ik maak mij geen illusie dat dit pogen direct tot +groote dingen leiden zal, ik vind het al prachtig dat voor verleden jaar +bijv., op de algemeene vergadering van het Verbond, allen gezamenlijk +zich hebben uitgesproken over het leelijke affiche van de +Vierjaarlijksche tentoonstelling van schilderkunst. Wanneer je dat +principe doorvoert op dingen van veel grooter beteekenis, dan zult u +begrijpen wat ik bedoel met "samenwerking naar binnen en naar buiten". + +Vóór dien tijd hebben de kunstenaars zich veel te veel als +buitenmaatschappelijke schepselen begrepen. Weet u wel, dat er vóór de +negentiende eeuw geen kwestie is van zoogenaamde "philisters"? Die +hebben wij in de negentiende eeuw uitgevonden. Ik weet wel dat er +tegenwoordig nog een heeleboel zijn, die wat wij nu trachten te doen ook +"philisterhaft" vinden, een soort van burgerlijk werk, en zij schelden +je uit voor vergaderingratten en denken, dat wij dit allemaal doen enkel +voor het pleizier van vergaderingen houden! Dat vergaderen is eenvoudig +een noodzakelijk kwaad, maar ook daarin kan wel iets moois zijn, en er +zijn heel mooie momenten geweest op sommige vergaderingen die wij hebben +gehouden. + +--Ik vroeg nu zijn meening over de richting die zegt weer te geven +hetgeen er omgaat of sluimert in de ziel des volks, en of hij niet +geloofde, dat een dichter nooit iets anders moet uitspreken dan wat +hijzelf rechtstreeks in eigen binnenste voelt. + +--Natuurlijk, zoo antwoordde hij, het eenige wat wij kunnen doen om +vooruit te komen, d.w.z. om beter kunstenaar te worden, is aan onszelf +werken. En wat wij altijd doen moeten is zuiver onszelf uitspreken. Er +is niet anders. Uitspreken wat in het algemeen eenige groep van menschen +voelt of denkt te voelen, dit is niet mogelijk. Ik tenminste houd het +voor absoluut onmogelijk. Critiek kan ook niet anders zijn dan +subjectief. Men heeft geen andere hulpmiddelen, men heeft geen ander +instrument, als zijn eigen innerlijk. Zooals je een peer alleen proeven +kunt met je eigen tong, zoo kun je een boek alleen proeven met je eigen +ziel. + +Iets anders is natuurlijk, dat men het gemeenschappelijke, het algemeen +menschelijke, in zichzelf min of meer kan aankweeken, kan trachten een +zoo breed mogelijk mensch te zijn en zooveel mogelijk menschen te +begrijpen, kortom zoo ruim mogelijk te worden. De tachtigers hebben over +het algemeen, uit een heel begrijpelijk streven om niet banaal te zijn, +wat ook een zeer artistiek streven is, het gezocht in een +uitdrukkingswijze die zij meenden dat van hen alleen was. Maar met dat +verschil in uitdrukkingswijze is heelemaal niet bewezen, dat wat zij uit +te drukken hadden sterk individueel was. + +--Hieruit zou bijna zijn af te leiden, dat volgens u zij, die zich er +wel op toeleggen uit te drukken wat in eenige groep menschen leeft, +zichzelf als kunstenaar benadeelen. + +--Ja, maar ik geloof niet, dat iemand het kan. Zoo iemand heeft +eenvoudig geen hoûvast meer, hij wordt tegenover zichzelf oneerlijk. Ik +zou durven zeggen, dat hetgeen hij voortbrengt geen kunst meer is. +Zoodra iemand voorbedachtelijk tracht gevoelens van een groep personen, +waartoe hij min of meer behoort, weer te geven, en niet zichzelf uit te +spreken, levert hij geen kunst meer. Bij dit zichzelf uitspreken, denken +wij voornamelijk aan de lyriek, maar in de epiek, in een verhaal, +spreekt iemand zich natuurlijk ook zuiver uit, in het algemeene idee van +een boek, het karakter, de compositie.... + +Laten wij er om denken, dat al onze onderscheidingen in de literatuur, +al de "ismen" en "ieken", de scheiding tusschen roman en novelle, zelfs +die tusschen proza en poëzie, heel nuttig zijn, maar toch betreffen +betrekkelijke bijzaken. Er is iets in ieder werk, en dat is het +voornaamste, dat hier boven uit gaat. Dat is de smaak van het boek, het +karakter, iets onuitsprekelijks, en dat is toch het essenciëele. Dat is +ook de persoonlijkheid. Men heeft gezegd: "le style, c'est l'homme". +Heel best, wanneer men het woord "style" neemt zoo breed mogelijk, ik +zou zeggen in de beteekenis van den "Gesamteindruck". Ieder doet toch +wat hij op het moment goed vindt. Hij kan er later wel over gaan +nadenken, nou ... ik voor mij heb altijd maar gedaan wat ik op het +moment voelde dat ik moest doen. + +--Ten slotte stelde ik nog de vraag of een verbetering in de +maatschappelijke verhoudingen, waardoor de vele conflicten die uit die +verhoudingen voortkomen worden vermeden, volgens hem geen nadeeligen +invloed zou hebben op het ontstaan en op de vorming van kunstenaars, die +toch een groot deel van hun taak vinden in het uitspreken van die +conflicten en van de inzichten die daar rechtstreeks uit voortkomen. + +--Als de maatschappij zich verbetert, zeide hij, en wanneer het +werkelijk komt tot een redelijker en zedelijk hooger staande +maatschappij, hoe meer men daartoe komt, des te meer zullen de +conflicten zich verfijnen, zij zullen zich verhoogen, mooier en grooter +worden. Er zullen wel altijd dichters zijn die blijven bezingen wat zij +waarnemen, de lyrische dichters, en epische kunstenaars die er van +vertellen, en dramatische kunstenaars die het vertoonen. En wanneer die +conflicten zullen zijn van meer geestelijken aard, in het algemeen van +een hoogere orde, welnu, _tant mieux_! + + +BIBLIOGRAPHIE: + +Kalverliefde, De Verloren Zoon en De Vreemde Plant (1895.)--De Roman van +Bernard Brandt (1897)--De Bruidstijd van Annie de Boogh (1901)--Van +Stilte en Stemming (1905)--De Roman van een Gezin I (1909), II +(1910)--Helene Servaes (1914) en een aantal verspreide opstellen. + + + + +IS. QUERIDO + + +(* 1874) + +Hij zat daar boven, aan zijn bureau, op den ouwerwetschen matten stoel, +dien men wel van de portretten kent.[5] Zeer eenvoudig, zijn +studeerkamer, maar royaal en practisch; groote boekenkasten: een er van +in vakken verdeeld, die, blijkens opschriften, bevatten het materiaal +voor de Rousseau-studie, het materiaal voor het werk over crimineele +anthropologie.... Enkele antieke gravures aan de wanden, een portret van +den pianist Schäfer, en een portret van Willem Royaards met opdracht ... +tullen gordijntjes ... in een hoek de telefoon, die ons opvallend +dikwijls stoort. Boven de schrijftafel een lamp met zacht-gele kap. +Bijna geen versiering, geen stijl-meubelen, geen dik tapijt, geen +Dante-kop. Wel een potkachel, die, omgeven door een wal van briquetten, +ongenadig gloeide. En de man, op wien ik het gemunt had, stierenek +bloot, in de tropische hitte erg op zijn gemak. + +De meid bracht koffie, de dichter rookgerei. En waarmee hij mij van +dienst kon zijn, vroeg-ie al gauw. Ik het gewone praatje, een beetje +mooier dan gewoonlijk, omdat iedereen zei, dat Querido wel veel +bedenkingen zou maken. Alle argumenten, die moeten bewijzen, dat een +dichter als hij aan het publiek een interview verschuldigd is, had ik al +bij de hand. + + Maar ik kon gauw inpakken, want hij was het +heelemaal met mij eens, zei, dat een auteur zich volgens zijn meening +moet geven aan het publiek, trad in een vergelijking tusschen de +rhetorica van Shelley, en de, volgens hem, onzedelijke debatteer-kunst +van de moderne parlementariërs, vertelde er in de gauwigheid bij, dat +hij zelf misschien wel in staat zou zijn, op te treden als redenaar, +maar dat hij geloofde, dat in de tegenwoordige tijdsomstandigheden zijn +sensitivistische woordkracht waarschijnlijk toch niet door de groote +massa zou worden begrepen; liet mij zijn archiefkamer zien, waar hij +alle gegevens, gedurende zijn jarenlange studie verzameld, met een +nauwkeurigheid, die men bij hem niet zou verwachten, in breede, hooge +loketkasten had gerangschikt. Sprak in groote geestdrift over +wijsbegeerte, determinisme, Darwin en Flaubert, Shakespeare en het +misdadigerstype.... Was heelemaal niet recalcitrant, zooals sommige +beroemdheden, nog minder schijnbescheiden, zooals velen. Gaf mij volle +vrijheid, te vragen, scheen geen geheimen te hebben, toonde mij de +ontwerpen van een zestal romans, waar hij over een jaar of wat aan denkt +te beginnen. + +Dat gaat gemakkelijk! dacht ik. Maar daar ontbrak wel eens wat aan: Een +enkel aarzelend vraagje gaf hem aanleiding, om zooveel te vertellen, dat +het mij dikwijls duizelde. En het ging hoe langer hoe sneller; dikwijls +sprak hij zoo schoon en beeldend, dat mijn bewondering mij belette te +schrijven, dat ik werd meegesleept door het woord, waarvan ik de +wording bijwoonde. + +En hij vertelde: + +--Mijn literaire werkzaamheid begon eigenlijk al op mijn tiende jaar. +Toen heb ik, geïnspireerd door de boeken van Aimard, geprobeerd een +roman samen te stellen. En ik was dood-ongelukkig, omdat een zoogenaamde +"knappe bol" uit de familie opmerkte, dat er wel veel talent in aanwezig +was, maar dat ik een onvergeeflijke fout had begaan. Ik had namelijk +iemand laten sterven, en ... niet voor zijn begrafenis gezorgd! Ik had +toentertijd al een ernstig literair geweten, en om u daar een bewijs van +te geven, vertel ik u, dat ik jarenlang onder den indruk ben gebleven +van die fout. + +Mijn omgeving was die van mijn vader, die diamantbewerker was, en wiens +psychisch bestaan ik pas later heb begrepen. Het was een man van +herculische gestalte, een man van ontzaglijke begaafdheid, maar +natuurlijk heelemaal onontwikkeld, iemand met een magistraal +natuurgevoel, een enorme boekenverslinder. Hij las alles wat er voor hem +maar te lezen viel. Hij was een onvergelijkelijk werker, en paarde aan +zijn groote kracht veel naïveteit. Dat zag ik toen nog niet zoo in, maar +door mijn literaire perceptie ben ik in staat geweest, later al die +eigenschappen van mijn vader te reconstrueeren. Ik geloof dan ook, dat +ik mijn eigenschappen als fantast, als vizioenair, als dramatisch +voeler, aan mijn vader te danken heb. Voor een gewoon waarnemer was er +misschien niet veel bijzonders aan hem te zien. Het was een +diamantbewerker met een mooien kop, een flinke gestalte, en hij werd op +de werkplaats algemeen genoemd: "de leugenaar". Hij had een absolute +behoefte, om op eenigerlei manier uiting te geven aan zijn scheppend +vermogen.... Maar op Vrijdagavond, meneer, dan ging hij, na afloop van +zijn werktijd, zes, zeven bibliotheken bezoeken, en kwam gewoonlijk na +zoo'n ontdekkingstocht met een stuk of twintig boeken thuis. Dan ging +hij zoo zitten lezen,--kijk hier, meneer,--met dien heelen stapel boeken +onder zijn kin. De grootsche, tragische dingen trokken hem het meest +aan, en wat langdradig was, of kalm, dat sloeg hij eenvoudig over. Als +hij zoo zat te lezen, dan was hij dood voor zijn heele omgeving, +--weggekoesterd in de heerlijke Vrijdagavond-atmosfeer, die mijn moeder +om hem heen had geweven.... Langzamerhand zag je zijn kin zakken ... kijk, +meneer, zóó!... en tegen een uur of twaalf had hij de heele bibliotheek +verslonden. + +Mijn vader heeft nooit iets gezien van mijn literaire neigingen. Ik werd +opgeleid als violist, maar daarmede mocht ik niet doorgaan, want ik +moest op Zaterdag spelen, en mijn moeder, die zeer religieus was, kon +dat niet hebben. Mijn muzikale aanleg werd verder totaal veronachtzaamd, +ten gevolge van het slechte onderwijs, dat ik kreeg: mijn leermeester +werd, als ik mij niet vergis, betaald met tien stuivers voor drie +lessen. Ik ben toen ook nog in het horlogemakersvak geweest en heb daar +zelfs een eersten prijs behaald, en later werd ik kloover. Maar in mijn +violistentijd, als jongetje van veertien jaar, speelde ik in de manège, +in de opera, en daar deed ik zeer veel vak-routine op. Ik verkeerde toen +veel met de lui uit den schouwburg: de zangers en de spelers, die, met +de muzikanten, afzakten naar de cantine. En ik, met mijn scherp +vizioenair leven, kwam daar in aanraking met al die Hamlet-figuren, die +schitterend uitgedoste graven en ridders ... ik vergat, dat het +theatermenschen waren ... ik leefde te midden van hèlden. En ik hield +er van, te verdwalen onder het tooneel, ik werd bekoord door al die +spookachtige lijnen, door het ondergrondsche gegrom van de muziek ... ik +ging heelemaal op in mijn visioenen.... + +Querido legde zijn linkerhand, vingers gespreid, voor zijn oogen en +sprak met passie: + +--Ik ben heelemààl niet wat men zou kunnen noemen: een realistisch +waarnemer. Ik heb tijden, dat ik neig naar contemplatie, dat ik niets +zie. Maar dan klinkt er een bestraffende stem in mij: Neem waar! En dan +kijk ik rond, en zie alles, àlles! Maar dat duurt nooit lang bij me; +uitwendig waarnemen is iets, dat ik niet kan volhouden ... ik moet met +mijn innerlijk leven ingaan op de dingen ... ik kan de dingen niet klein +zien: ik moet ze vergrooten, doorlichten ... ik moet er heelemaal door +vervoerd worden.... Ik heb niets aan de realiteit! + +--O lezer! Querido kan geen woordje, geen enkel woordje, "gewoon", +onverschillig zeggen. Zijn hooge stem beeft voortdurend van ontroering, +je voelt zijn zinnen worden, je ziet zijn lippen vertrekken en lachen en +grijnzen ... je hoort zijn breede borst zwaar hijgen ... je denkt ieder +oogenblik, dat hij zal neervallen, uitgeput. Maar hij is meester over +zichzelf, weet het woud van emoties, dat voor zijn oogen rijst bij het +kleinste zinnetje, terug te dringen, loopt telkens weer frischjes en +kalmpjes van stal. + +--"Dat leventje, meneer...." + +--"Ja, ik luister!" + +--Dat leventje dan duurde zoo tot mijn achttiende jaar. Toen maakte ik +kennis met mijn vrouw, die een buitengewoon artistieke persoonlijkheid +is--en die heeft mij mijn kunstenaarschap bewust gemaakt. Die heeft +onmiddellijk gezien--zooals zij het noemde--mijn zeer grootsche en +oorspronkelijke levensopvatting. En op hààr aandringen ben ik gaan +schrijven. Ik begon met heel individualistische gedichtjes, zonder iets +af te weten van de Nieuwe-Gids-beweging, die parallel liep met wat ik +zelf wilde, maar dat ontdekte ik pas later. Die gedichtjes van mij +werden o.a. door Toorop hoogelijk bewonderd. Ik zag echter vrij gauw in, +dat 't zeer onrijpe dingetjes waren, waarin zich een bijzonder streven +van mijn natuur openbaarde, en ik ben om die gedichtjes buitengewoon +uitgelachen. Ik had echter een diep vertrouwen in mijn eigen ziel, in +mijn eigen kunstenaarschap ... ik werkte door ... en een jaar later +verschenen mijn "Meditaties over literatuur en leven". + +Toen reeds was er een van de scherpste critici uit dien tijd, die in de +groene "Amsterdammer" uitsprak: dat ik de eigenschappen van Kloos, +Gorter en Van Deyssel bijeen had en een reusachtig kunstenaar zou +worden. Dat is nu tien jaar geleden. Het was mijn eerste boek. Ik ging +daarin vooral heftig te keer tegen Kloos, hoewel ik voor dien dichter +veel bewondering had. Maar daarover komt straks misschien nog wel het +een en ander. Mijn werk was een product van veel stille studie, maar +vooral van goddelijk ... van gòddelijk lyrisch genieten. Ik voelde, dat +lyriek, epiek en dramatiek, dat ik die te zamen noodig had, om mij te +uiten, dat die drie moesten samensmelten in volkomen harmonie. En nu ken +ik mijn gebreken zeer goed, meneer.... + +--Ik luister! + +--... Ik ken mijn gebreken zéér goed! Ik weet, dat ik als lyricus +dikwijls te veel geef, maar ik kan dat best verklaren in organisch +verband met mijn wezen. Ik geloof, dat alle kunstenaars, die het +universeele willen--en daarvan zijn er in ons land maar weinig,--ik +geloof, dat die allemaal te veel geven.... Bijvanck, in "De Gids", +heeft mijn boek genoemd: een zeer geniaal product, ondanks de vele +tekortkomingen. Ik zelf vind er zeer groote tekortkomingen in, maar +toch: mijn innerlijkste wezen, mijn diepste gevoelsleven heb ik er in +uitgestort. En Kloos, Klo-oos, die was mij direct vijandig gezind, die +maakte zich van mijn werk af met een klein, nietig aankondigingetje.... +Want als jong, onafhankelijk schrijver had ik den moed hem te wijzen op +zijn schandelijk subjectivisme.... Ja, onafhankelijk was ik ... ik heb +in dien tijd niemands bescherming ingeroepen ... alleen naar Van Deyssel +ben ik gegaan, en dat ook al weer met groote zelfstandigheid.... Niemand +heeft mij ooit de hand beschermend boven 't hoofd gehouden, meneer.... + +--Ik ben geheel oor. + +--... En wat ik ben, en àl wat ik heb, dat heb ik aan mij zelf alleen te +danken. + +Mijn tweede deel "Meditaties" en mijn "Studies over tijdgenooten" +verschenen in "De Jonge Gids". Heijermans, met wien ik vijandig +leefde--hij was redacteur aan "De Telegraaf" en ik was redacteur aan "De +Amsterdammer", en we hebben mekaar erg bespot--Heijermans, anders +buitengewoon fel en brutaal, en zonder veel critischen kijk, ontdekte, +dat wij er dezelfde levensbeschouwing op nahielden; wij waren in 1897 +beiden lid van de S.D.A.P. geworden, en hij kwam naar me toe, vroeg me +of ik aan "De Jonge Gids" wilde medewerken, en dat heb ik toen gedaan. + +Mijn meditaties hebben toen al direct veel besprekingen uitgelokt. Ik +behandelde er de encyclopedisten in, gaf een groote critiek op Voltaire +en de achttiend'eeuwsche literatuur, een wijsgeerige studie over Locke, +die als fragment verschijnen zal in een van mijn bundels critische +studies. Toen ik nu dat tweede deel van mijn meditaties af had, werd +mij plotseling mijn roeping nóg duidelijker. Ik begreep, dat ik niet +alleen critieken moest schrijven--hoewel ik voelde, het schrijven van +critiek tot een groote hoogte te kunnen opvoeren--maar dat ik mij +beslist moest gaan uiten in beeldend werk. Nu doet zich een +eigenaardigheid voor: ik heb nooit kleine schetsjes willen maken ... ik +moest ineens het enorme omvademen. Niet omdat ik groot wilde doen, +meneer ... d'Oliveira.... + +Ja? Ik luister.... + +--... maar omdat de drang naar groote lijnen in mij geboren was. Ik heb +niet twee dikke deelen geschreven, omdat ik dikke deelen wilde schrijven +... heelemaal niet, en Van Deyssel heeft dat in zijn critiek op +"Menschenwee" later treffend juist gezegd: Bij Querido is het niet +alleen de hoeveelheid, maar ook de manier, waarop de reusachtigheid van +zijn schepping ontstaat, die onze waardeering verdient.... Ik wilde +orkestreeren, en daardoor ontstaat juist mijn gebrek, waar ik straks +over sprak.... Ik voel het polyphonisch-literaire. Maar geen enkel +détail mag verloren gaan door de grootheid, binnen de groote lijnen +moeten de subtielste bijzonderheden tot haar recht komen.... Niet een +opeenstapeling van détails brengt een groot geheel. + +Toen ik nu aan Heijermans mijn voornemen mededeelde, keek die raar op: +Hé, zei-die, ga je daar zoo plotseling mee beginnen? Daar breng je nooit +iets van terecht, kerel; je hebt nog nooit iets van dien aard gedaan ... +je moet je eerst voorbereiden door kleine schetsjes.... + +Hij begreep mij ook niet, en ... vergiste zich. "Levensgang" had veel +succes, en er komt nu een vijfde druk van uit bij Veen. De figuur van +Bresser werd een ongeëvenaard meesterstuk in onze literatuur genoemd. + +En nu moet ik u nog even spreken over het vreeselijke realisme in dat +boek. Er is in onze critiek iemand, die over "Levensgang" mooie dingen +heeft gezegd,--ik bedoel dr. Van Deventer--maar over den schrijver één +treffend juist ding: hij noemde mij namelijk: de zelfkweller. Meneer! +Nooit is er een betere naam voor mij bedacht! Nooit! Van nature wàlg ik +van het gemeene en grove. Maar ik heb gemeend, dat het smerigste en het +gemeenste noodig waren, om de waarheid niet te kort te doen. In den +dialoog wilde ik naast het scheppende gedeelte behouden: het locale +element, ook al was dat gemeen en ordinair. En ik heb tot mijn vreugd +ondervonden, dat de beste schrijvers in ons land aan mijn realisme geen +aanstoot hebben genomen. Later is met sommige passages uit "Levensgang" +op een lage manier gewerkt, en werd ik voorgesteld als iemand, die +liefst in het vuil wroette. Maar dat is ook Zola, en alle groote +realisten naar 't hoofd gesmeten. + +Er is groot verschil tusschen het realisme in "Menschenwee" en het +realisme in "Levensgang".... + +De eenige man, die werkelijk heftig tegen mijn boek te keer is gegaan, +was mr. Van Hall in "De Gids". Hij zeide zoo ongeveer, dat hij zich niet +kon voorstellen, dat iemand van eenige beschaving zoo'n boek niet met +grooten afschuw aanvaardde. Maar wil ik u nu eens een aardige +bijzonderheid vertellen? Een paar weken eerder kreeg ik een brief van +dr. Bijvanck, eigenlijk den voornaamsten redacteur van "De Gids" ... en +over dien brief heb ik zeven jaar het stilzwijgen bewaard, terwijl van +het gezegde van mr. Van Hall op alle mogelijke manieren in de kleinere +blaadjes misbruik werd gemaakt. Maar nu dr. Bijvanck niet meer aan "De +Gids" is, mag ik spreken. Het is werkelijk karakteristiek! Hier heb ik +hem. Als u eens met mij mee wil lezen: + +"... Zoo wat haastig doorlezend, werd ik telkens getroffen door uw +wonder talent van beschrijving en dramatiseering van tooneelen, een +talent, dat waarlijk niet afneemt, als men het boek verder doorleest, en +nog eens op 't laatst schitterend uitkomt in het "Dwergje".... Tusschen +de beschrijvingen van het ruwe niet alleen een element van extase, maar +ook van sentimentaliteit. Gij behoeft deze opmerking niet te vergeven, +want het is een compliment...." + +Ik ben toen ook in anti-critiek getreden tegen Coenen, van wien ik vond, +dat hij mij op zeer onbillijke manier had besproken. Eigenaardig is, dat +hij wel wees op het kolossale te veel, dat ik geef, maar met geen enkel +woord repte van de sobere gedeelten. Anders was het met Marcellus +Emants, die zei: "U hebt groot talent, er staat veel te veel in uw boek, +maar toen ik kwam aan de figuur van Eva, toen vond ik dat een juweel van +beschrijving! Daar is geen woord te veel of te weinig in...." Maar +Coenen wist daar niets van te zeggen, die wees alleen maar op het te +veel. + +In het algemeen heb ik van mijn roman-debuut zeer veel succes gehad, en +dat werd nog sterker, toen ik na een paar jaar van afzondering +"Menschenwee" de wereld instuurde. Maar, laat ik het erkennen, het +ontzaglijke succes van dat werk heeft mij veel vijandschap berokkend. +Nooit heb ik den nijd en de afgunst van collega's zoo zien toenemen als +na de verschijning van "Menschenwee". Ik zou u veel brieven kunnen +toonen van de bekendste auteurs, van de echte "groote lui", die om zoo +te zeggen wegliepen met mijn boek maar het later op allerlei manieren +probeerden af te breken. + +--Querido stapte naar het venster en ging weer zitten, stond vervolgens +bruut op en zei met dichtgenepen, plots blauwe oogen, de vuisten omhoog: + +--Toen ik nog geen regel, nog geen réegel van "Menschenwee" of +"Levensgang" had geschreven, meneer d'Oliveira.... + +--Toen? + +--... Toen zei ik al tegen mijn broer: Als ik ooit iets ga schrijven, +dan moet ik minstens de hoogte van een Zola kunnen bereiken. (Zijn hand +met uitgespreide vingers patste neer.) Maar! op een geheel andere +manier, laat ik u dàt vooral zeggen! Ik heb een totaal ander innerlijk +leven dan Zola. Alleen in den beginne was aanwezig een overeenkomst in +het gebruik van naturalistische termen. Maar dat is ook feitelijk het +eenige, dat mij aan een school heeft gebonden. Wat niet weg neemt, dat +ik een buitengewone vereering heb voor Zola, niet _had_ zooals Van +Deyssel, maar nog _heb_. Ik vind Zola een van de allergrootste +scheppers. + +--Hij stapte weer naar 't venster. (Wat wilde hij toch? Verwachtte hij +iemand?) + +--Dan volgen mijn critische bundels "Zegepraal", "Kunstenaarsleven", en +daarmede--wil u daar vooral op letten?--daarmede is afgesloten de +periode van romanliteratuur, die voor een deel put uit eigen omgeving. +Van nu af ga ik zoogenaamde objectieve kunst geven in mijn epos. + +Zijn oogen leken nu zwart tusschen 't traliewerk van zijn blanke +vingers; de linker pink, lichtelijk gebogen, wees omhoog. + +--Critiek schrijven is voor mij iets heiligs, meneer. Werkelijk iets +heiligs. Dat wil zeggen: niet altijd ben ik in staat critieken te +schrijven, die naar mijn eigen meening aan dien eisch voldoen, omdat ik +natuurlijk moet offeren aan de noodzakelijkheid van beperkte ruimte.... +Ik vind, dat men dàn alleen volledig kan begrijpen, als men zich geheel +en met liefde aan een boek geeft.... Moet ik wel eens een enkelen keer +afwijken van dat beginsel, moet ik mij door oververmoeienis beperken tot +het geven van citaten, dan lijd ik daar zoo geweldig onder, dat ik mij +haast, een volgenden keer een critiek te maken, die getuigt, dat ik mij +heelemaal heb ingeleefd in het boek, dat ik bespreek. + +--Hij stapte warempel weer naar 't venster. Er zal nu wel direct iemand +komen, dacht ik. En dan is het gedaan. Dan moet ik weg of hij vertelt +niet meer. + +--Ik meen, dat tegenwoordig de critiek in ons land volkomen +ge-anarchiseerd is. Iedereen critiseert er maar op los. Ik wil in het +midden laten, wat daarvan de intellectueele oorzaken kunnen worden +genoemd. Ik constateer 't feit, en (hevige handslag door de lucht) ik +vind het een rámp. Ik geloof, dat iedereen het recht heeft er een +meening op na te houden, maar niet ieder heeft 't recht, die meening te +_uiten_. Critiek geven is een geweldig moeilijk werk en groote +kunst-critiek is even zeldzaam als groote romankunst of groote poëzie. +In mijn Rousseau-studie heb ik doen blijken, dat uit den aard der zaak +groote critiek, buiten Van Deyssel, in ons land niet aanwezig is. Ik +zelf wil weer heel wat anders dan Van Deyssel. Ik wil de drie +gevoelssferen: verbeelding, intellect en sentiment in mijn critieken +doen samenvloeien. Ik vind dat een spontaan-lyrische critiek, meneer.... + +--Ik ben geheel aandacht. + +... dat een spontaan-lyrische critiek alleen sterk kan leven in +dramatisch-lyrische critiek. Want waarom zou critiek niet evengoed +dramatisch kunnen zijn als een tooneelstuk? Dramatiek, psychologie, +lyriek, kennis, dat alles moet in de critiek even groot naar één hoog +punt worden opgewerkt. Uit den aard der zaak zijn maar heel weinig +menschen in staat dat te doen.... + +Dogmatische critiek haat ik het meest van alles. Die vind ik het meest +antipathiek belichaamd in Jet Holst en Herman Gorter. De leerstelligheid +van hun socialistisch beginsel, vind ik, maakt ze blind voor groote +schoonheid in dingen van burgerlijke kunstenaars. Het lijkt mij, dat men +den pathologischen zielestaat van een zenuwlijder als Baudelaire, die +toch een groot dichter is, met even groote innigheid van critisch besef +en schoonheidsgevoel in zich moet kunnen opnemen, kunnen uitbeelden, +kunnen verwerken, aan de menschheid moet kunnen toonen, als men dat kan +doen met den meest blozenden moreelen optimist in de kunst. Aangezien nu +het pessimisme door de Marxisten wordt verklaard voor een zeker deel als +gevolg van ideaal-breking, en een latent gebleven burgerlijk sentiment, +is het begrijpelijk, dat zij Baudelaire, en pessimistische literatoren +in het algemeen, niet kunnen omvatten, zooals die omvat moeten worden +door objectieve critici. + +Ik wil hebben, dat men alles begrijpt en doordringt in het leven. Dat +lijkt mij het eenige middel om boven alle tijdelijkheid van oordeel en +modesucces hoog uit te stijgen. De kleine critiek heeft ook wel +voorbijgaanden invloed, maar de tijd heeft noodig: groote onbevangen +werkers, en als er op een gegeven oogenblik zoo een opstaat, een met +groote comediek in zich, dan spuit 't er uit, en dan kan niemand 't +tegenhouden. + +Honderden malen is mij gezegd, dat ik geschapen ben om tooneelstukken te +schrijven, op grond van mijn vermogen tot dialoog en dramatische +conceptie. Zelfs heeft Robbers indertijd, sprekend over "Menschenwee", +geschreven, dat het maar van een luim, een gril van Querido afhangt, om +even schitterend voor het tooneel als voor de literatuur te schrijven. +Tallooze keeren heeft men dan ook tooneelstukken van mij verwacht, maar +ik wil u wel zeggen, waarom ik mij nog nooit op dat gebied begeven heb. +Evenmin als ik indertijd wou beginnen met het schrijven van kleine +schetsjes, om, later opklimmend, een zekere hoogte te bereiken, evenmin +kan ik het nu van mij verkrijgen, te beginnen met een aardig stukje, dat +misschien wel verdienste zou hebben, maar waarin toch niet het +allerhoogste vervat zou zijn. Dat mag pedant klinken. Goed! 't Kan mij +niet schelen. Elk kunstenaar, die het leven leeft, is dat verplicht aan +'t Leven: niet voort te brengen een werk, dat vertoont den tijdelijken +verschijningsvorm er van, maar een werk te scheppen, dat geeft het +eeuwig blijvende. Vandaar ook, dat het meeste tooneelwerk van den +tegenwoordigen tijd mij schijnt te facetteeren afschijningen van het +leven, niet te raken de _kern_. Maar ... de romankunst stel ik in ieder +geval nog hooger dan de tooneelkunst. Later zal ik mij daaromtrent +analytisch verklaren. Wat aan den eenen kant lijkt een tegemoet treden +aan de verbeelding door een aanschouwelijken vorm, brengt aan den +anderen kant beperkingen mee. Want de scheppende auteur hangt af van de +interpretatie van den speler, terwijl die op zijn beurt weer afhangt van +de bedoelingen van den auteur. Die geeft zijn sujetten de woorden in den +mond. Vandaar dat zich in verschillende vormen het feit openbaart, dat +de acteur boven zijn rol staat, of de rol boven den acteur. En wat komt +er dan van de kunst terecht?--Kort en goed: ik laat mij niet dwingen tot +iets, dat ik nog niet in mij zelf voel als een noodzakelijkheid, al +hebben Robbers en anderen het ook geschreven. Daar mogen ze om lachen: +'t laat mij koud! Ik wil het hoogste! Bij "Menschenwee" heb ik daar ook +naar getracht. En ik weet beter dan iemand, dat men geen compleet werk +kan leveren. Niemand is volmaakt, ook Van Looy in zijn beperkte +woordkunst is dat niet. Ik weet 't van mij zelf ook wel! + +--Ik zat in mijn easy-chair naast zijn schrijftafel. En terwijl ik nu en +dan iets opteekende, merkte ik dat hij zijn hals rekte, en over mij heen +naar buiten koekeloerde. Wat was daar toch te zien? + +---Met "Levensgang" heeft zich ook nog iets eigenaardigs voorgedaan. Ik +was destijds in Groningen, en Gorter, die in '97 al literaire critieken +had geschreven in "De Nieuwe Tijd", kwam (het was in 1902) met +uitgestoken hand naar mij toe. "U is Querido? Schrijver van +"Levensgang?" "Jawel." "O, ik gevoel groote bewondering voor u. Daar +staan prachtige dingen in: prachtig, prachtig, prachtig!" Daar ging ik +zelf nog tegenin, zei, dat het nog lang niet volmaakt was. "Ja," kreeg ik +ten antwoord, "dat verwachtten wij ook niet, maar 't is toch prachtig, +prachtig".... Later heb ik, mij over Gorter uitlatend, gezegd, ik wilde +eerlijk zijn: dat hij naar mijn meening als dichter dood was, en al heel +gauw kon ik een geweldige verkoeling waarnemen. Toen ik hem dan ook +vroeg zijn meening te schrijven over een van mijn boeken, heeft hij zich +er van afgemaakt, en gezegd: "Pardon, ik schrijf nooit critieken!" + +O, ik heb zooveel van de menschen, van de collega's te lijden gehad! Als +ik van het oordeel van sommigen onzer grootste schrijvers had +afgehangen, toen ik als broekje van 21 jaar Meditaties schreef, dan had +ik mij eenvoudig laten doodknijpen! O! die behandeling, die ik heb +ondervonden van Kloos, die ... die illustreert mij zijn onvermogen om +jonge auteurs, die aan het uitbotten zijn, te erkennen en te begrijpen. +Als ik mij aan hem had moeten storen, dan was ik doodeenvoudig +vernietigd geweest! Dan had ik nooit meer de pen opgenomen! Slechts +onder enkele omstandigheden is hij in staat de waarheid te +onderscheiden. Maar hij is erg gul in het pluimpjes geven aan zijn +vrindjes. En moordend ... móórdend is hij opgetreden tegenover jongeren, +die niet meededen aan de overdrijving van zijn kwaliteiten als dichter". + +Lezer, ik wil u niet beschrijven de korte, forsche, hartstochtelijke +gebaren van dezen vurigen mensch. En er is iets in mij, dat mij er van +terughoudt, soms. Mij dunkt, wie eenig gevoel heeft voor taal, die moet +uit Querido's woorden, zooals ik ze hier met groote toewijding tracht na +te smeden, voelen en zien,--zijn beeld voor oogen,--de trillingen van +zijn smallen mond; die moet weten, zooals ik altijd geweten heb, dat +vaak, als hij in vervoering komt, zijn rechtermondhoek omlaag zakt en +zich verbreedt; die moet zijn oogleden zien rimpelen, zijn schouders +zien schokken, zijn knuisten zien scharnieren open en toe; die moet hem +daar zien staan, zwaar 't krachtige lijf op korte, stevige beenen, den +kop met de kleurwisselende kijkers en de woest naar achteren gevaagde +manen: glans-zwart tegen de zacht-gelige kap van zijn lamp.... + +--Ik vind, dat onze letterkundige werking op het oogenblik in een +bloeiperiode verkeert, maar natuurlijk nog lang niet is wat ze zijn +moet. Alles is te essenciëel-klein, er wordt te veel nadruk gelegd op +geraffineerde détails. Zelfs een man als Streuvels, die in zijn eerste +werk de groote lijn heeft gevoeld, is weer aan het verbrokkelen, door +het feit, dat hij geen dramatiek, geen psychologie heeft. De strijd van +kleine werkertjes als Steynen en Van der Meer tegen het zoogenaamde +naturalisme is belachelijk, omdat zij hem voorstellen als iets nieuws, +terwijl hij door ons en anderen al veel eerder werd gevoerd. Alle groote +kunst, waarvan de maker ontroerd was, raakt op eenige manier het +Eeuwige, onverschillig of hij symboliek, naturalisme, mystiek brengt. +Shakespeare was volstrekt niet minder dan Dante, omdat hij meer +realistische mystiek gaf, en Dante meer transcendentale mystiek. De +verschillende mengsels van psychische eigenschappen kunnen er mij nooit +toe leiden, een heele figuur te verwerpen. Want in iederen kunstenaar is +iets onaantastbaar eeuwigs, dat de dingen overgiet met een innigen +glans, waaruit alles opbloeit naar het schoone. + +--Men zegt wel eens, dat ik niet voldoende zelfbeheersching heb. Mijn +intieme vrienden moeten wel tot het besluit komen, dat men zich vergist. +Nu reeds drie jaar lang ben ik bezig, rustig en bezonken, te verzamelen +een oneindig groot aantal impressies en waarnemingen. Dit woord, laat ik +het direct zeggen, lijkt mij veel te hard. Want _ik kan niet waarnemen_. +Als ik den geheelen dag rondloop, dan kan ik misschien een uurtje doen +wat men waarnemen noemt. Kijk, deze kleine boekjes heb ik altijd bij +mij. Daarin maak ik zeer korte aanteekeningen, en die zijn voldoende om +de impressie vast te houden. Ach, drie jaar geleden is het, dat ik op +een gloeienden Maandagmiddag in half Juli door den Jordaan liep. Dan +komt die ontzaglijke tros van orgels terug, die hun rondgang door de +stad hebben gemaakt, en dan hebben de orgellui wel eenige neiging om, +terwijl 't niet mag, in de Willemstraat eenvoudig een klein +muziektoevoegseltje te geven aan 't volk. Dan zie ik daar een grooten +kring van menschen, die op heel bijzondere wijze dansen. De heele straat +staat te branden in het goud-coloriet van den zomerdag. De witgejakte +meiden, met de prachtige bloote nekken, dansen in geweldige rijen, en de +kerels staan rustig te beschouwen het rokkengezwaai van die meiden. De +wasem van 't goud van den dag slaat je tegemoet en die goudbeschenen +meiden staan zich daar uit te leven, te midden van die angstwekkend- +vulgaire, doch triestig-eentonige muziek, die er stroomt uit de strotten +van die orgels, uit de kelen van de registers, te midden van dien gouden +zonnezang.... O, als ik daar bij ben, dan kan ik niet komen tot een +objectieve beschouwing van zoo'n straat. Dan zie ik alles als een +onmetelijk groot schilderij, met een wasem van Rembrandt-goud er over +heen. Zoo zie ik al de grachten van de oude stad, met haar oude +pakhuizen en haar wankele trapgevels. Ach, als een schilder heb ik op +alle uren van den dag de tonaliteit van de stad bestudeerd, en ik zeg +'t u, meneer, dat ik 't schande vind, dat ik daar nog nooit een +schilder heb ontmoet. Die oude stad Amsterdam is van een geheimzinnige +schoonheid, een wonder van atmosfeer en tonaliteit, en daarom zal ik +mij er nooit toe kunnen bepalen, alleen het menschenleven van de +Jordaan weer te geven. De omgeving moet erbij, altijd weer de omgeving +... een mensch op zichzelf bestaat niet!... Aan de Teertuinen, daar +heb ik 's morgens om vijf uur staan blauwbekken om mee te mogen doen +aan het sneeuwscheppen, en zeer diep is mij bijgebleven de impressie +van den zeldzaam-verlaten wit-sneeuwen ochtend. Er zijn geen twee in +ons heele land, die de woningtoestanden in de Jordaan zoo goed kennen +als ik, dat durf ik gerust te zeggen. De menschen_massa_, die vind ik +het schoonst, die beheerscht mij altijd. Een figuur op zichzelf +schilderen vind ik heel aardig, en mijn Bresser en mijn Strooper +toonen wel, dat ik dat niet versmaad, maar het meest voel ik voor den +_drom_. Mijn vrienden zeggen wel eens: Kerel, je bent absoluut +schilder, en ik voel 't: dikwijls heb ik een schilders-temperament. + +Ik wil in een van de deelen van mijn Epos het misdadigersleven beelden, +zooals het leeft en werkt in de duisternis en de angstige +buurtverborgenheid in de hoofdstad. Ik omgeef mij met misdadigers. Ik +leef met misdadigers, dikwijls in de gevaarlijkste omstandigheden. Dit +werk is, met het oog op de chantage, allerellendigst. De +hoofd-commissaris heeft 't mij indertijd gezegd: Kerel, je loopt er nog +eens leelijk tegen aan. En dat zal ook wel eens gebeuren. Maar ik _moet_ +dat meemaken. En hoewel ik dikwijls moet omgaan met kerels, die er niets +in zien, mij mijn oogen uit mijn hoofd te krabben, zoodra de lust bij +hen opkomt, gaat er van dat bandietenleven een eigenaardige bekoring +uit, omdat het mij toont de menschelijke hartstochten in hun absoluut +ongebreidelden vorm. Mijn eerste studie over crimineele anthropologie +zal nu verschijnen in "Groot Nederland". Hierbij doet zich het +eigenaardige feit voor, meneer.... + +--Ik luister. + +--... is er één natuur-historicus, meneer, die het in zijn hoofd haalt, +de wilde beesten te gaan bestudeeren in den dierentuin? Wat is een leeuw +in een beestentuin? Kun je hem achter de tralies ooit mooi zien knauwen +op zijn prooi, kun je daar ooit waarnemen dat onvergelijkelijk grootsche +zoeken naar zijn prooi? En waar, meneer, bestudeeren de weinige +crimineel-anthropologen, die wij hier hebben, den misdadiger? In de +gevangenis, meneer, nóóit in de vrijheid, nooit in de werkelijkheid. O! +die heeren kunnen misschien iets weten van den schedelbouw van een +misdadiger, van zijn morphologie, maar ga hun eens vragen wat zij u +kunnen vertellen van de verschrikkelijk diepe grotten en spelonken van +de misdadigersziel? Weten zij hoe de moordenaar, de souteneur, de +kinderen-verkrachter, de ontaarde, de prostitué, de inbreker denkt, +leeft, voelt, werkt?... + +En terwijl ik in het hartje van den Jordaan studie maak van de +alleruiterste depravatie, terwijl ik slaap bij het Leger des Heils, +samenwoon met moordenaars, kan het mij gebeuren, dat ik een enkel +verloren uurtje zit te studeeren in Darwin, Rousseau, mij dring in het +gekristalliseerde leven van vroegere eeuwen, die eeuwen, die ik +werkelijk zie, ieder in haar eigen kleur, als groote hallen, waar ik kan +wandelen. + +En ... mijn natuur is zeer pessimistisch. Is niet bij iederen idealist +de grondtoon zeer somber? Bij tijd en wijle vind ik 't heele leven, ook +'t allergrootste, nietig. Ach, vraag ik mij dan dikwijls af, waar heeft +toch zoo'n Rembrandt voor geleefd? Is een planeet, die daar zoo verre +staat te schitteren, in zijn eeuwigheid niet veel grooter, ondanks zijn +onbewustheid, dan wij, al zijn wij ons van ons innerlijk wezen bewust?" + +Weer stond hij op, Querido, en nu begreep ik wat zijn ongeduldig +halsgerek beduidde. Want plots sloeg hij de balkondeuren open en trok +mij naar buiten. Daar, voor ons, in de herfstschemering, in vochte +violette nevelen, lag de wei, en vaagjes zichtbaar, omsluierd, daar +achter het fijn geboomte van 't Willems-park. En was ik gevoeliger +geworden door de extatische ziele-stem van den dichter?... Ik weet het +niet ... maar een breede beklemming bezwaarde mij.... Want ik meende te +zien, dat de grijsgroene boompjes met d'r rengelende bladeren vormden in +de donker-violette nevelen een wijden kring en wachtten berustend den +avond af. Nog een paar minuten, en Querido, vóór zijn orgel, deed zoete +schemerharmonieën tonen door 't kamerruim.... + +Sinds ik dit boekte zijn zes jaren voorbijgegaan. Velen, die het in een +van onze groote dagbladen lazen, hebben mij te kennen gegeven dat ze er +een ophemelarij van Q. in zagen en het stuk te weinig zakelijk vonden. +Een brief van hem zelf, waarin het heette dat het artikel "met groote, +trillende liefde" was geschreven, heeft mij wel tot nadenken gestemd, +maar ik moet toch blijven bij mijn oorspronkelijke opvatting, dat ik +zijn mededeelingen met de grootst mogelijke objectiviteit heb +weergegeven. Ik zou niet alleen hem, maar vooral mij zelf te kort hebben +gedaan indien ik anders hadd' gehandeld.... + +Echter heb ik misschien te weinig gevraagd naar het verband tusschen +zijn socialistische opvattingen en zijn kunst, naar de evolutie van zijn +ideeën. + +Misschien had ik er ook wél naar gevraagd ... en mij ten slotte maar +neergelegd bij het feit, dat hij zich niet gemakkelijk laat onderbreken +... ja, geneigd is een schuchtere onderbreking als een onheuschheid te +beschouwen. Hoe dan ook, ik vroeg hem nog eens over die onderwerpen te +spreken en met het vaste voornemen, op mijn stuk te blijven staan, +klopte ik aan zijn deur. + +Wat hadden de jaren veel verandering gebracht! Ik voelde bij de eerste +woorden dat hij rustiger en meer gereserveerd was geworden. Zijn haren +waren pas gekortwiekt (vergeef mij de beeldspraak, als ge ze tenminste +bemerkt!). Hij zat nu niet in een zeer ruim studeervertrek met +aangrenzend archief, doch in een spaarzaam gemeubelde kamer in een +leelijke Amsterdamsche Pijp-straat. En had hij mij vroeger allerlei +soorten sigaren en sigaretten voorgezet, nu liet hij zich, toen hij +hoorde dat ik niet rookte, afgepast "twee stuks" halen. + +Alles deed zien dat hij op eenigerlei wijze pas een flinken klap van +het Leven had gekregen en dezen klap zoowel in zijn temperament als in +zijn overtuiging verwerkte.... Ik behoor tot hen die iets dergelijks al +vele jaren in stilte wenschen. Dus aangenaam gestemd, wel wetend dat +sommigen een zekere soort honger beter bekomt dan het brood des levens, +leidde ik het gesprek in met een vraag naar de evolutie van zijn ideeën +sinds het verschijnen van zijn eerste werk. Aanvankelijk ging het weer +goed. In zijn geliefkoosde houding, één voet op 'n stoel, de elleboog +steunend op zijn knie, zette hij mij uiteen, dat van evolutie eigenlijk +geen spraak kan zijn. De lezer beoordeele of het betoog, dat ik hier +weergeef, de conclusie dekt: + +"Zooals u waarschijnlijk weet, heeft "mijn Jordaan" een overweldigend +succes behaald, en uit de zeer groote rij van alle schitterende +besprekingen is o.m. één voor mij het opmerkelijkst geweest, en die is +pas gekomen, en wel de bespreking van Haspels. Mijn eerste boeken zijn +uitsluitend visionair en beladen met occulten geestesdrang geweest. Dat +zijn mijn ongelukkige in een heel vreemde psyche wortelende verzen. Mijn +"Meditaties" is een heel boek van transcendentale epiek. Het naturalisme +en realisme is meer een bepaalde overgangsvorm geweest van een school, +die zich tijdelijk op mij heeft afgestempeld. Maar de innerlijke kern +van mijn natuur is versmelting van deze drie dingen: tragiek, epiek en +lyriek. Het realisme is voor mij een uitwendig ding gebleven en zal dit +ook zijn. Ik smaad het niet, vooral niet. Ik vind ten slotte Rembrandt +een geweldig realist en Shakespeare ook, maar het zijn mystieke +realisten. Nu is men verbaasd dat ik met mijn "Melvina of de Legende van +den Vuurtoren" en "Saul en David" den z.g. romantischen kant uitga, doch +in mijn "Meditaties", toen was ik eenëntwintig, ziet gij _precies_ +hetzelfde: Ik keer terug tot iets dat altijd de grondtoon van mijn +wezen was. Haspels nu heeft gezegd, dat mijn "Jordaan" zoogenaamd +realisme is, uitsluitend verbeeldingskunst, geheel en al gedragen door +een ontzaggelijken visionairen stijl, "het werk van een genie" (ik haal +aan wat hij zegt!) dat zich met geweldig fantasmagorisch vermogen op de +realiteit werpt. + +Ik wil slechts te kennen geven, dat een boek als "Jordaan" nooit door +zijn uitwendig realisme dit succes zou hebben behaald, als niet die +heele kunst gebouwd was op een innerlijken grondslag, een samenvatting +van allerlei dingen, die zich in mijn wezen volstrekt niet afzonderlijk +hebben ontwikkeld, maar waarin het zich breeder, sterker, rustiger +uitspreekt naar allen kant en zich op alle mogelijke manieren verdiept. +Er is een groote psychische en technische afstand tusschen het +schilderen van de Nachtwacht en van de Staalmeesters, maar toch is het +visionair en innerlijk vermogen van een Rembrandt volstrekt essenciëel +en niet iets nieuws brengends geweest toen. + +Ik geloof, permiteer mij den overgang, dat ik onbewust in mijn natuur +altijd mijzelf trouw ben gebleven. Ik ben begonnen met visionair werk: +mijn "Meditaties". Ik heb toen een rauw en uiterst realistisch boek in +de wereld geschopt: "Levensgang", waarin twee elementen door plastisch +vermogen zijn samengevat, n.l. aan den eenen kant een door uitwendigen +waarheidszin beheerschte realistiek, terwijl het boek aan den anderen +kant verloopt in romantiek. Ik meende dat ieder ding in zijn waren, +diepen, uitwendigen waarheidsvorm moest worden gezegd. Daar ben ik in +"Menschenwee" van teruggekeerd. Dat boek heeft een heel groote beweging +in Nederland gebracht. In "De Jordaan" ben ik daar nog verder van af +gekeerd, en zoo had ik gelegenheid een boek te geven waar geen enkel +zoogenaamd--gelijk de burgerlijke moraal het noemt--onverkoren woord in +voorkomt. Het is voor mij geweest het scheppen van tallooze driften en +hartstochten, maar vast aan den mensch. Ik wilde geen ideeën en +symbolen, maar groote menschelijke innerlijken scheppen, waar van zelf +de ideeën en symbolen in leven.... + +--Ter verklaring van dezen overgang merk ik op, dat ik Q. geschreven +had, over "Ideeën" te willen spreken en denkelijk wel bij hem te boek +sta als iemand, die zich voorloopig nog te veel in wijsgeerige studiën +verdiept. Ik zal ook wel gevraagd hebben naar den _ideëelen_ inhoud van +zijn werken.-- + +Het najagen van een idée en van een symbool, ging hij voort, vind ik +ondergeschikt aan het scheppen van menschen die zelf ideeën en symbolen +hebben. Het symbool moet geboren worden uit den mensch, en niet de +mensch uit het symbool. Uit de innerlijkheid van de menschelijke natuur +moeten voor mij idée en symbool doorbreken. Vandaar dat ik Shakespeare +boven Goethe stel. Geen enkel symbool kan boven de groote +menschenscheppende kracht van den wezenlijk innerlijk menschelijk +scheppenden kunstenaar uit. Die omvat het allemaal. De meest ijle +geestelijke sfeer, waarin verschillende figuren van Shelley leven, +afzonderlijk genomen als symbolische ideeën, zijn met hun innerlijk en +hun hartstocht eerst ménschen geworden en tegelijkertijd symbool in +Shakespeare. + +Dat heb ik altijd sterk gevoeld. In "De Jordaan" heb ik gegeven de +figuur van Stijn, die in de critiek tot de grootste bewondering +aanleiding heeft gegeven. Daarin is in één persoon vereenigd teederheid +en verbijsterende waanzin, door alcoholische driften aangejaagd. Het +symbool van het bezeten zijn door den drankhartstocht, die ook een +zekere sexueele satyriasis als ondergrond heeft, te zamen met een +groote vaderlijke teederheid, en die twee elementen vast aan den man +verbonden. Dat was altijd mijn doel, daar ben ik nooit van afgeweken.... + +--In den loop van deze improvisatie deed hij nu en dan een nonchalante +greep in een kartonnen doos, die overvloedig gevuld was met recente +boekbesprekingen. Hij wilde mij een knipsel toonen,--'t was hem +toevallig in handen gekomen, en hij hechtte er overigens geen waarde +aan--dat volkomen bevestigde de meening die hij zooeven had geuit. Enfin +... hij zou mij die critiek wel sturen. + +--Maar--ging hij zonder overgang verder--maar dit wil ik wel zeggen: van +nature ben ik een diep proletarisch sociaal-democratisch voeler. + +Wat ik daarmee bedoel? Dit: met mijn proletarisch voelen bedoel ik, dat +ik ten allen tijde besef, dat deze maatschappij absoluut weg moet, omdat +het gelukslurpen van de bezittende klasse iets weerzinwekkends heeft. En +dat kan en moet en zal veranderen. En dat kan alleen veranderen door en +volgens de volslagen juiste critiek van het socialisme op de economische +elementen van de maatschappij. + +Maar nu heb ik dit opgelet, dat Gorter en mevrouw Holst, om maar twee +van de allervoortreffelijksten te noemen, die als dichter en als denker +zich hebben doen kennen, daarom afwijken van Heijermans en van mij, maar +vooral van mij, omdat zij absoluut niet beschikken over dramatisch +objectivatie-vermogen. Zij hebben nooit romans geschreven. Vandaar dat +wij als dramatici objectiever staan tegenover de menschelijke figuren +uit de burgerij. Lapidoth heeft gezegd (hij deed weer een nonchalante +greep in de rijk-gevulde kartonnen doos en trok er een recensie uit, die +hem toevallig in handen was gekomen), dat hij nooit een zoo objectief +boek gelezen had van een sociaal-democraat als "De Jordaan". Daar zit +niet de geringste tendenz in. Tendenz kan schitterend zijn als zij +voortgestuwd wordt door de beweegkracht van een ziel, die het gevoel als +een verinnerlijkt levens-systeem van eigen gedachten opstuwt. Maar dan +lijkt mij ook het woord "Tendenz" verkeerd. Maar verder is mijn +innerlijk zonder tendenz, en dit blijkt een gevolg uitsluitend van +dramatiek, epiek en lyriek die als persoonlijkheid in een andere +persoonlijkheid indringen en zich objectiveeren ten opzichte van de +levensverschijnselen. In onze kunst oordeelen wij niet. Met +ijzingwekkende kracht blijven wij onverschillig voor de persoonlijke +appreciatie, en in roerlooze schoonheid weerspiegelen wij het bosch, en +de maan en den mensch zelf. + +--Nu voelde ik mij toch genoopt te vragen naar de verhouding tusschen +dit levensinzicht en de levensbeschouwing van het proletariaat, de +wijsbegeerte van het historisch materialisme. + +--Ik geloof, kreeg ik ten antwoord, dat de wijsbegeerte van het +historisch materialisme, wat zijn zuiver dialectischen ondergrond en wat +zijn wezenlijk wijsgeerige kern betreft, door het proletariaat niet kan +worden beoordeeld, dat het wat daarover gezegd wordt door groote denkers +aanvaardt, terwijl die groote denkers m.i. niets anders doen dan op een +bepaalde manier hun eigen ik-heid manifesteeren, zonder iets hoogers te +geven dan iedere andere subjectieve wijsbegeerte. + +Doch dit heeft niets te maken met de maatschappij-critiek van het +historisch materialisme. Die vind ik voortreffelijk. Echter onderscheid +ik mij ten zeerste van sociaal-democraten als mevr. Holst en Gorter, +doordat ik ook een zeer bijzonder gevoel heb voor occulte wijsbegeerte +en mystieke dingen, die mij in hooge mate interesseeren. Zeker, het is +iets persoonlijks van mij. De studie dier verschijningen gaat buiten het +volk om en kan het niet schelen. Het is voor het eigenlijke proletariaat +van oneindig veel meer belang als het de wet van vraag en aanbod, van +meerwaarde en verbruikswaarde kent en economisch sterk onderlegd is. Ik +zou niet gaarne willen meedoen met de theosophische socialisten, die +volgens mij een geweldige verwarring brengen. Maar de wezenlijk +geestelijke problemen als zoodanig kunnen niet met een zwaai worden +betrokken in den gezichtskring van alle proletariërs. Hoe zou het ook +kunnen? + +De strijd van het proletariaat openbaart zich politiek en economisch in +een geweldig ideaal. Weet u wat ik mij altijd heb afgevraagd: wat leidt +die menschen er toe voor een betere maatschappij te strijden? Dat is +zuiver ideologisch sentiment ten slotte, maar het is een heerlijke +menschelijke ideologie. Ik erken, het bewustzijn daarvan kan je heele +leven vullen. + +Maar angstwekkend vind ik het, als diezelfde menschen op grond van hun +historisch materialisme het geestelijk leven probeeren vast te leggen in +bepaalde wetten, die ik heel anders beoordeel en heel anders bekijk. +Zelfs vind ik in den lyrischen drang van mevr. Holst en Gorter die +occulte neiging aanwezig. Haar psychische ontvlambaarheid is heelemaal +occult, al werpt die zich ook op dingen die juist den arbeider in +lichterlaaie zetten. Maar ook de manier waarop zij het doet is zuiver +occult. Zij wordt beheerscht door den angst, dat de ontwikkeling van de +massa zou worden tegengehouden door de vooropstelling van het +individueele. + +--Als nu, zoo vroeg ik, uw laatste werk zuiver een objectiveering is van +uw drieledigen en visionairen persoonlijken aanleg, en gij aan den +anderen kant de kloof tusschen uw diepere veelzijdigheid en de groote +massa zoo sterk voelt, dat gij toch wel niet overheerscht kunt worden +door de zucht om de menschen over bepaalde dingen feitelijk nauwkeurig +in te lichten,--hoe rechtvaardigt gij dan nu nog hetgeen gij vroeger mij +en anderen hebt medegedeeld omtrent uw buitengewoon uitvoerige +documenteele onderzoekingen, ook in den Jordaan? + +Ja, zei hij en zijn blanke hand streek door zijn zware lokken, die +hij--niet meer had--ja ... die documenteele arbeid, dien ik verricht +voordat ik aanvang met mijn werk, wekt den schijn alsof ik realistische +kunst lever, gericht op de zoogenaamde waarneming en objectieve +bestudeering van de feiten. Ik geef u toe, deze arbeid is, wat den +documenteelen inhoud in kleineren zin betreft, overbodig, en dat heb ik +in den laatsten tijd veel beter dan ooit ervaren. Toch meen ik, dat men +voor het aanvoelen van een levenssfeer de dingen goed moet kennen, al +gaat de visionaire verbeelding telkens op geheel andere manier de +realiteit in gloed of in schaduw of in licht zetten. Om u dit duidelijk +te maken kan ik er op wijzen, dat ik op dien boottocht, waarvan in het +vierde hoofdstuk van de Jordaan verteld is, maar één keer mee ben +geweest, en toch heb ik een heele synthese van al die nachten gegeven. +Wat ik daar geef, kan onmogelijk door de zinnen waargenomen zijn +geweest. Dat is een voortdurend peilen en invoelen, een visionair +verbeelden en fantastisch zien. Toch is dit de eenige manier waarop de +realiteit zich openbaart. Dat is het orgaan van den kunstenaar, waardoor +hij de realiteit naar voren haalt zooals zij is, al lijkt het +doorloopend fantasie. + +--Ik herhaal dus, dat hier wel degelijk een verandering van standpunt +uit blijkt. U hebt vroeger veel meer dan nu den nadruk gelegd op de +waarde van het voortdurend waarnemen en verzamelen van feiten. + +--Ik geef toe, veel van dien documenteelen arbeid was overbodig, maar ik +heb er toch ook zoo'n groote voldoening door gekregen. Toen die +nuchterling in een van de bladen mij zeide, dat ik de Jordaan niet +weergaf zooals zij was, toen kon ik met genot mijn documenteelen arbeid +aanhalen. Toen heb ik steegje voor steegje en kroeg voor kroeg met het +gehalte van het bier en den wijn en de jenever en met de namen er bij +kunnen behandelen. Ik vraag u: wie kan zeggen hoe de Jordaan _is_? Ik +zie hem zoo en een ander ziet hem weer zoo. Meijer, Dr. Meijer heeft in +"De Hervorming", geschreven dat hij den Jordaan zooals ik hem beschreven +heb, den mooisten vorm vindt dien de Jordaan kan hebben. + +Ik wilde met dit alles dit maar zeggen, dat ik mijn grondtoon nooit +veranderd heb, dat een onbewuste eenheid loopt door al mijn werk, die +zich op dezelfde manier steeds weer openbaart. Ik kan zonder +verschillende dingen, die ik allen even heerlijk en mooi vind, niet +leven. Vandaar mijn verheerlijking van muziek, schilderkunst, en soms +ook wijsbegeerte. Ik heb nooit geweten wat het zeggen wil enkel +romanschrijver te zijn. + +--Ook daarover heb ik u vroeger wel eens anders hooren spreken. Hebt gij +mij niet vroeger gezegd, dat gij u nooit in het kleine bestek en de +eenzijdigheid van een tooneelstuk geheel zoudt kunnen uitleven? + +--Dat moet gij verkeerd begrepen hebben. Ik weet wel, in een treurspel +zit iets dat in een roman nooit gegeven kan worden, al kan men in een +roman weer enorm dramatische dingen scheppen. Ik ben al heel lang +beheerscht door het gevoel een treurspel te willen schrijven. Zooals u +weet heeft Robbers gezegd, naar aanleiding van zijn critiek op +"Menschenwee": "als Q. het wil, behoeft het voor hem maar van een gril +of luim af te hangen en hij kan even schitterend voor het tooneel als +voor de literatuur schrijven". Dat sloeg blijkbaar op mijn vermogen om +de dingen in dialoog en in scène te zetten. Toen heb ik daarop +geantwoord: bij het moderne drama geloof ik niet dat dit kan. Ik geloof +niet, dat hetgeen ik indertijd heb gevoeld, op 't tooneel kon worden +gebracht, en daarom heb ik den romanvorm ook geschikter gevonden. Maar +hoe ben ik nu gekomen tot "Saul en David"? Al jaren lang heeft mij het +voornemen en het verlangen beheerscht om de ziel van Saul te geven. Ik +heb den Saul van Israëls gezien en dien van Rembrandt, en vooral die van +Rembrandt heeft mij ontzaggelijk ontroerd. Maar hij stijgt toch maar tot +een bepaalde hoogte van het ziels-drama van Saul, want zijn kunst is +niet voortschrijdend. Zij vat wel samen één moment, doch de +ontwikkeling, de wezenlijk tragische ontwikkeling van het karakter kan +alleen de treurspeldichter schrijven. Echter nog nooit onder de dichters +is Saul aangevat. Ik vind hem een ontzaggelijke figuur, evenals David +(Q. zegt Davied). Daar komt nog mijn semietisch bewustzijn bij. Ik voel +dagelijks, dat wij, Joden, als dichters wezenlijk de geheele lyriek en +dramatiek van den Bijbel in ons hebben. Ik voel mij geheel verwant aan +de vijfduizend jaar terug liggende atmosfeer van menschen en toestanden. + +--Ik snapte wel, dat hij bij al wat hij mij op verdere vragen zou +antwoorden aan zijn "Saul" zou denken. Ik nam mij daarom voor, hem +geduldig aan te hooren totdat hij zich van dien last zou hebben bevrijd. +Dàn zou ik weer vragen en aanteekenen. Doch ik vond zijn mededeelingen +en vooral zijn tempo zoo interessant, dat ik het tòch maar navertel. + +--Bij dit treurspel ging ik uit van deze idee: menschen als Saul en +David, zooals vage gegevens die doen kennen uit den bijbel, moeten +beweeggronden in zich hebben gehad, die voor ons, modernelingen, van +gelijke kracht zijn gebleven. Hun nijd, hun angst, hun berouw, hun haat, +hun wrok, hun ijverzucht, hun minnedrift, hun trots en onderwerping, al +die dingen openbaren zich, in anderen vorm misschien, maar in gelijk +hevige kracht, in ons. Ik wilde de figuren niet rethorisch en op een +bepaalde archaeologische manier naar voren brengen. Ik wilde hun geheele +menschelijk bestaan innerlijk voor ons neerzetten, zoodat gij den +geheelen Saul ziet leven, ziet schreien, ziet verkwijnen in opstand en +onderwerping. Dien geheelen geweldigen op- en neergang van zijn groot +gebroken leven, dat zich ten slotte zoo prachtig heeft verheven, heb ik +in zijn wezen willen teekenen. + +De semietische melancholie is anders dan bij eenig ander volk. Het is +een wezenlijke waanzin, die zich heenbreekt door angstig groot lyrisch, +religieus en nuchter psychisch en critisch levensgevoel; hij heeft een +dubbelkarakter. Die mengeling daarvan in den Saul van vijfduizend jaar +geleden, wilde ik geven en Saul zelf heb ik ademend vlak voor onze +voeten willen zetten. + +Ik heb studie gemaakt van de archaeologie en de oude ethnologie en van +tallooze dingen, maar ten slotte geef ik er niets om. Hierin sta ik op +één lijn, ik bedoel met de waardeering van historische feiten voor den +dichter, met wat Goethe en zelfs Napoleon heeft gezegd, dat de grootste +kijker naar de innerlijke levenswording van de geschiedenis de +treurspeldichter is; en al geeft hij de feiten, als feiten zuiver, raak, +oneindig veel meer openbaart hij de innerlijke kern van een tijdperk dan +welke zoogenaamde historie-speurder ook. Het kan Goethe niet schelen +dat Shakespeare van al die Romeinen eigenlijk Engelschen heeft gemaakt. +Napoleon heeft ook gezegd, dat het hem niet kan schelen of een dichter +ontrouw wordt aan de historische gegevens, en dat heeft Goethe zoo goed +uitgedrukt. Kautsky heeft in zijn boek over het Christendom zoo +merkwaardig gezegd, dat een dichter oneindig veel meer den innerlijken +geest van een tijd vat met zijn visioenen, dan ooit kan worden bereikt +door den meest nauwkeurigen geschiedkundige, omdat die feiten ten slotte +ook moeten worden geïnterpreteerd door dengeen die ze ziet en de +samenbindende geest kan alleen ontstaan in en door den ziener. + +Vondel heeft zich altijd overgegeven aan Bijbelsche treurspelen. Vondel +is mij voor altijd gebleven de beste _Amsterdamsche ziener_ en +beschouwer van de bijbelsche geschiedenis. Maar toch nooit heeft hij de +innig diepe, lyrische, dramatische en pathetische natuur van de oude +Jóódsche beschaving geheel gevoeld, omdat je daar, geloof ik, +rasverwantschap voor moet hebben. En ondanks de vele schitterende +dingen, als woordkunst boven ieders lof verheven, is het altijd de +Protestantsch-Katholieke natuur van Vondel die door de interpretatie van +de Joodsche zielen heen komt schijnen, zooals ik ook nooit een +opmerkelijker Joodsch-Katholiek heb gezien dan Mahler in zijn kunst. Het +feit, dat Rembrandt zoo ná is gekomen aan deze levenssfeer, lijkt mij +een gevolg van het feit, dat hij de Joodsche psyche occult gevoeld +heeft, in al zijn kleurige en wazige diepte, in al zijn gloeiing, maar +ook in al zijn duisterheid. + +--Ik heb mij (ik voorkom uw vraag) afgevraagd: wat hebben +sociaal-democraten en arbeiders aan zoo'n kunst in dezen tijd? Ja, wat +hebben zij aan de kunst van Beethoven, van Shakespeare, van Vondel, van +Goethe? In iedere groote kunst moet zijn een geestelijke inhoud, die +onafhankelijk is van tijd en persoon en waar iedereen, altijd, groote +lessen uit kan trekken. Er is in mijn tragedie een figuur, die tot +voorbeeld kan zijn voor iederen sociaal-democraat die door individueele +plagen wordt gehinderd. Hij is het bewijs van het feit, dat je je alleen +aan de goddelijke macht hebt over te geven, zooals ook de Jezuïten het +doen, alleen op een ander levensplan. David is het symbool van de eeuwig +levende kracht, de onverwelkbare Joodsche levensdrift, de +vreugdebloeseming van het bestaan. Zouden ook sociaal-democraten daar +niet aan hebben? Zou de geheele antieke beschaving niets voor hen wezen, +omdat zij zijn gekomen tot een andere levenssfeer? U zult vragen: waarom +moeten wij tot een tijd van vijfduizend jaren her terug, als wij in +dezen tijd toch gelijksoortige figuren kunnen vinden? Dat hangt +natuurlijk heelemaal af van de persoonlijke scheppingsdrift die in den +kunstenaar leeft. Waarom heeft Rembrandt in een tijd van opbloei van de +bourgeoisie getracht mannen als Saul of Homerus te scheppen? Omdat er in +Saul geweldig heroïsche elementen zijn, die in dezen tijd niet in die +mate worden gevonden. En och, is de schoonheid van het vers, de kunst +van het woord, ook niet voor de proletariërs een zeer genietbare +kunst,--àls die inderdaad schoon is, natuurlijk? Wat hebben zij aan Van +Oort, als zij zijn middeleeuwsche romans lezen, vol merkwaardige +middeleeuwsche feiten? Dat zij een visie krijgen op dat tijdperk. + +Ten slotte blijkt mij dat de natuur van ieder kunstenaar, al is hij ook +socialist, voor bepaalde werkzaamheden wordt aangewezen. Gorter zou +nooit iets anders kunnen zijn dan lyrisch dichter en propagandist, omdat +hij het episch en dramatisch vermogen mist.... + +Toen ik dien nacht naar mijn stille landhuis terugkeerde, speelden de +twee woorden "Querìdo" en "evolùùtsie" krijgertje door mijn bewustzijn. +En terwijl ik in bed stapte uitte ik deze lofspraak: "Ja.... "Du bist am +Ende--was du bist"". + + +VOETNOTEN: + +[5] Naar ik van terzijde verneem, wenscht de heer Q. er niet toe mede te +werken, dat zijn portret hier wordt afgedrukt. Ik betreur dit oprecht, +al vermoed ik, dat mijn lezers zijn beeltenis hier of daar weleens +hebben gezien. + + + + +CAREL SCHARTEN + +[Illustratie: CAREL SCHARTEN] + +[Illustratie: Foto CAREL SCHARTEN] + + +(* 1878.) + +Het volgende is een interview per post. In de meening verkeerend, dat ik +Scharten hier of daar kon ontmoeten, was ik met hem in briefwisseling +getreden. Mijn verwachting werd verijdeld, maar toen _zijn_ sympathie +voor mijn werk en _mijn_ instemming met vele zijner ideeën elkander +tegenkwamen, besloten wij de briefwisseling voort te zetten. Ik zou hem +mijn vragen niet beter kunnen stellen dan hij het zichzelf heeft gedaan, +en nadat ik hem mijn oprechte dankbaarheid heb betuigd voor de moeite +die hij zich gaf, leg ik den lezer zijn laatsten brief zonder commentaar +voor: + +Lerici, 5 Januari 1914. + +Waarde Heer d'Oliveira, + +Laat ik dus nu maar doen, of ik u op dezen zonnigen zomermiddag--de zee +bruischt en geurt--ontving op het blank terras der Villa Barbieri, en +onder een kopje thee (zij is niet zoo aromatisch als die gij in Holland +drinkt; onze theeleverancier is maar een Caprees) antwoordde op de +vragen van uwen "Leiddraad." + +Als alle mijn broeders en zusters in de letterkunde heb ik er al heel +vroeg "aan gedaan". Toen ik zeven jaar was en nauwelijks schrijven kon, +richtte ik al een geïllustreerd tijdschrift op--tekst en prenten waren +van de hand van den redacteur; abonné's: oma, oma's meid, tante, +enz.--een jaar later volgde een dagblad; dan een geïllustreerde +"vaderlandsche geschiedenis" en verzen op onze stadhouders en op +Mackenzy (spel ik goed?), den lijfarts van Keizer Friedrich--hoe ik +daaraan kwam, mag Joost weten. Elf jaar, schreef ik drama's in +verzen--geïllustreerd, als altijd.... Doch ik zie in dat alles volstrekt +geen voorteeken, noch eenig blijk van talent. Want met misschien nòg +meer pleizier gaf ik zingend, boem-tsjing, en een vol orkest nabootsend, +muziek-uitvoeringen; of speelde, opgetuigd met shako's en sjerpen van +mijn vader en mijn grootvader, voor "generaal"; of ranselde als +"leeuwentemmer" een tiental elastieke ballen onzen zolder rond.--En noch +voor generaal, noch voor leeuwentemmer heb ik later ooit eenigen aanleg +in mij bespeurd. + +Het is, geloof ik, heùsch begonnen--denk maar eens aan Scheltema's velen +ergerend gezegde daaromtrent!--toen ik veertien jaar en verliefd werd. +Het was het dichterlijk verhaal van een avondwandeling met een meisje, +of zoo maar een zangetje zonder veel zin, dat ik schreef. Zoo ging dat +enkele jaren door; voor den verstandig-toegeeflijken leeraar der H.B.S. +werden mijn opstellen novellen of reeksen verzen; eindelijk zelfs een +heele bundel op Oud-Hollandsch papier; want ik was inmiddels zestien +jaar geworden en vond mij een dichter, d.w.z. dat ik geen dag meer kende +zonder een sonnet of twee, drie. U voelt al, uit welken hoek de wind +woei! Toch was mijn eerste litteraire vorming er eerder een klassieke +geweest. Onze Duitsche leeraar was de bekende Limburgsche novellist +Emile Seipgens, en die fijne, wijze man, die een broertje dood had aan +lesgeven, vond het veel nuttiger voor ons (en plezieriger voor zichzelf) +ons de meesterstukken der Duitsche litteratuur voor te lezen, het eene +stuk voor, het andere na; van grammatica hoorden wij in geen jaren; +zoodat wij (ik beveel zijn methode volstrekt niet _onverdeeld_ aan!) +allemenschelijk slecht Duitsch leerden, maar veel smaak kregen, en de +beste smaak, in kunst. Het was merkwaardig hoe Seipgens, die in 't +dagelijksch leven hakkelde, en heel erg als hij boos werd, prachtig +voorlas zonder één hapering; die drama's van Schiller, van Goethe, van +Lessing, zij leefden voor ons! + +Maar ondertusschen had ik de "Nieuwe Gids" in handen gekregen, uit de +leesportefeuille; het was al in de negentiger jaren, in de +vervalperiode, en naast mooie dingen stonden er de verschrikkelijkste +"uitstuipingen" in,--en, gek nietwaar (men is toch altijd allereerst een +kind van zijn tijd) ik vond dat mooi, ik vond het mooier dan alle +klassieken (waarmee ik toch op zoo gunstige wijze had kennis +gemaakt)--omdat het mij aangreep, omdat het mij naar de keel greep, ik +weet niet hoe, het kwam van zoo dichtbij, en het was zoo sinister en +geheimzinnig. Gunstig ook om ervan te gaan houden, was de afkeer en de +bespotting, die iedereen uit mijn omgeving voor dat "idiote gedoe" over +had. En toen waren er twee boeken, die mij wat meer van "die nieuwe +richting" kennen leerden en mijn voorkeur ook in het redelijke schenen +te wettigen: de "Dichters van dezen tijd" en de "Pic-nic in Proza." Den +sterksten indruk uit dat laatste maakte "Harold" van Ary Prins op mij. +Zóó wonderlijk-klaar die middeleeuwen voor je te zien! Ik bootste de +ontvangen visie in fantastische schilderijtjes na; want ik schilderde +veel in dien tijd; ik dacht wel eens, of ik niet beter deed, schilder +te worden.--Bizonder genoot ik ook van de fonkelende "Conferentie" van +Erens. + +Dit alles was vóór mijn zeventiende jaar; toen bracht een dichterlijke +vriend, die jong is gestorven, mij drie boeken: "De kleine Johannes," de +"Verzen" van Kloos, en de "Mei" van Gorter. In díe volgorde. Het was een +openbaring! + +En ziedaar mijn stamboom! Ik ben, van letterkundigen huize uit, een kind +van "de Nieuwe Gids." Van dááruit eerst--via Verwey--leerde ik Vondel +kennen en Hooft. Ik moet er bij voegen, dat ik al op de burgerschool +veel hield van Racine; het was bij hem vooral de taal, het heerlijke +Fransch, en het statige, teêre vers dat mij boeiden. + +Maar ik was van de "Nieuwe Gids" al gauw een weerspannig kind. Het +critische heeft er al vroeg bij mij in gezeten; dit werd misschien +ontwikkeld door de studie van het recht, dat ik (men leidde mij voor de +Registratie op) met ambitie beoefende; en toen ik eenmaal de beste +producten der Nieuwe Gids-richting had leeren kennen, begon ik haar +verval in te zien en hoe dat voortging, toen met de Nieuwe Reeks van het +tijdschrift iedereen van een herleving sprak. Voor zoover ik zag in +couranten en bladen; want ik kende (ik woonde eerst in Leiden en daarna +in Harderwijk) geen enkelen "artist." + +In 1896 verliet ik de Registratie--het kantoorwerk werd mij te +machtig--voor de Letteren, en ik begon met de daartoe noodzakelijke +studie van het Latijn en Grieksch; op dien leeftijd heeft men zoowel aan +de klare logica, van het Latijn vooral, als aan de beide litteraturen, +veel meer dan als schoolknaap. En de geest der Ouden kon niet nalaten, +indruk op mij te maken. + +U begrijpt al lang, dat er overigens, op mijn achttiende jaar, nog +weinig sprake was van "wijsgeerige of aesthetische ideeën" (religieuze +misschien wel, ik was met heel mijn hart orthodox,--de noodige +dichterlijke vrijheid inbegrepen) of van een "uitgesproken meening over +de maatschappelijke, sociologische roeping of rol van den +kunstenaar."--Ik had de vage gedachte, dat de kunst de menschen gelukkig +moest maken, zooals ze mij gelukkig maakte, en ik ondervond bitterlijk +dat iedereen den draak stak met wat ik mooi vond. Als ik op mijn kamer +verzen voorlas aan geduldige vrinden, sprak mijn vader beneden van +"jammeren." Ik voelde het pijnlijke van het conflict, maar ik zag geen +oplossing--tenzij de vage hoop, dat later tijden harmonischer zouden +zijn; en in die hoop begon ik toen al gauw het socialisme te betrekken. + +In 1898--ik was twintig jaar--had Eduard Thorn Prikker (onder den naam +van Eduard Verburgh) "De Arbeid" gesticht. Het tijdschrift werd algemeen +bespot. Maar ik vond, dat hij groot gelijk had, dat het uit was met de +"Nieuwe Gids", en ik schreef in "De Kunstwereld" (heette dat blad niet +zoo?) een groot artikel over "De Arbeid." Het was een der eerste +opstellen, die ik heb gepubliceerd. + +Al gauw was ik aan "De Arbeid" medewerker. Samen met Prikker schreef ik +het tijdschrift vol. Maar wij hadden ook alweer, juist als de Nieuwe +Gidsers, alleen de reactie gemeen. Op enkele technische bezwaren na, had +ik aanvankelijk _in beginsel_ op de "Nieuwe Gids" niet zooveel tegen; ik +zag alleen, dat enkele hoofdmannen ervan zwegen, anderen +achteruitgingen, Kloos vooral, en mijn hartstochtelijke liefde voor de +machtige verzen uit diens grooten tijd, dreef mij er toe, even +hartstochtelijk hen te bestrijden, die, met een weeë vereering ook van +zijn latere bombastische Adoratie's, mij toeschenen, de Schoonheid-zelve +te schennen. Overigens sloot ik mij niet voor wat er nog goeds kon +komen uit dien hoek, en ik zou blij geweest zijn, op een dag nog weer +het oude mooi terug te vinden. Van Van Deijssel en Verwey (ondanks alles +wat ik tègen hen had) bleef ik altijd een bewonderaar; Van Looy leerde +ik eerst later ten volle waardeeren. + +Prikker daarentegen stond diametraal tegenover het beginsel-zelf van "de +Nieuwe Gids". Hij hoopte niets liever dan de heele bent "in compagnie +naar de haaien" te zien gaan. Er was in die houding, in zijn cynisme ook +tegen alle verheven edelaardigheden ontegenzeggelijk de noodige +blague,--maar hij was onderwijl een drommels oorspronkelijke jongen, met +een echt natuur-talent. Hoe dat--althans voorloopig, hij is nog +jong--niet tot zijn recht is gekomen, wil ik nu niet nagaan. Maar hij +had toch maar op zijn eentje uitgevonden, dat proza niet allereerst +moest zijn "het fel-rake woord," doch de stroomende volzin en de +periode,--en hij bracht die beginsels op boeiende wijze in praktijk. Hij +had eigen denkbeelden over schilderkunst en bouwkunst en sierkunst, die +dikwijls later als de juiste zijn erkend. Het is waar, hij leefde te +midden van allerlei geestelijke en artistieke stroomingen in Den Haag; +naast hem was ik zoo groen als gras; maar zeker is, dat ik heel wat van +hem heb geleerd. + +Prikker was ook sociaal-democraat, aangesloten bij de S.D.A.P. _Ik_ had +zoo maar godsdienstig-philosophische en socialistische ideeën op eigen +houtje. Op een avond zei hij opeens: "je hebt de typische kop van een +anarchist." En toen mij dat scheen te vleien: "ik bedoel, een anarchist +is eigenlijk het type van een bourgeois...." + +Inderdaad, ik was een anarchist! Eenigen tijd later hoorde ik van +Walden, ik las de beide brochures van Van Eeden; ik was overtuigd. Van +Eeden was mijn profeet, Walden mijn ideaal. Ik toog erheen, en mijn +geestdrift werd noch van streek gebracht door het vrijwel cynisch +gezelschap, dat ik daar ordeloos en tuchtloos leven vond op het +akelig-holle Kruisberg, nòch door de koude douche van Van Eeden, wien ik +heel naïef vragen kwam, welke boeken ik lezen moest, om mij nader in de +dingen van den heilstaat te bekwamen! + +Als ik denk, hoe extra-bespottelijk ik mij daar op Walden maakte!--En +toch, in het winteravondrood achter de sparreboschjes van Walden heb ik +het onuitsprekelijk geluk gekend van de zékerheid eener betere toekomst. + +Vaag waren mijn socialistische ideeën, maar zij lééfden ten minste. Ik +leefde op mijn gevoel. En, wat onze letterkunde aanging, zoo gevoelde ik +hoe langer hoe duidelijker, dat de tachtiger-kunst doodliep.--Ik zag +wat er verscheen: een poëet als Van 't Hoog was een "datum" in de Nieuwe +Gids-poëzie.... Was er uit onze burgerklassen, verdord door een +eeuwenlange, steeds meer uitdrogende "beschaving," nog ooit (althands in +poëzie, dat gevoeligste voertuig der ziel) een jonge, bloeiende kunst te +verwachten?--Ik maakte zelf ook verzen, en met hartstocht. Waarom zou +die wet voor mij niet opgaan? Ik aanvaardde haar, met de hoop misschien, +een uitzondering op den regel te zullen blijken. In 't algemeen geloofde +ik, desnoods ook met wegcijfering van eigen dichter-toekomst, dat de +groote nieuwe poëzie uit het ontwakende volk-zelf zou moeten ontstaan. + +En nòg, na vijftien jaar, vraag ik mij af.... Ten minste, ik zie wel dat +onze welvarende poëtrije, die in Verwey haar Meester erkent, maar +weinigen bereikt, omdat zij niet áánspreekt, niet open tot het hart +spreekt, te zeer ver-_kunst_ is.--En zelfs Adama v. Scheltema, die +begaafde en oorspronkelijke zanger, van wien ik zelf de inluider ben +geweest,--zijne verzen zijn eigenlijk nog maar het (zeer verdienstelijk +en soms waarlijk héél mooi) plaatsvervangend _kunst_-product, voor de +echte _natuur_-poëzie, waarnaar Holland wacht, om in woorden en rhythmen +en voorstellingen die heel een volk bezielen kunnen, zichzelf te vinden +en een eenheid te worden. + +Uit het ontwakend volk-zelf verwacht ik dus de nieuwe zangen?--Maar ons +volk is van aard reeds nuchter en zoolang het ontwaakt bij de +wiskunstige stralen van het Marxisme, zal het er, vrees ik, niet minder +nuchter op worden.... Wij moeten geduld hebben, en veel meer dan het +oude, vage vergezicht schiet er niet over. + +De poëzie blijft voorloopig een troost en een verpoozing voor eenzame +enkelingen--"een gave van weinigen voor weinigen"--en zal pas weer +opstaan _als een levende factor der samenleving, als een ding met +cultuurwaarde_, in een verjongde wereld. + +Er _kan_ toch altijd een groote dichter opstaan, meent gij?---_Zal_ er +een groote dichter opstaan, in een wereld, die naar geen dichters +omziet? + +Aan het proza echter, in het bizonder aan den roman, staat dagelijks een +breede taak te vervullen. + +Heijermans heeft u gezegd, dat alleen die kunstenaar van een _roeping_ +mocht spreken, die een welomschreven maatschappelijke overtuiging had +en, vanuit die overtuiging, overtuigend aan het schrijven ging. Hij zou +respect hebben voor een katholiek, voor een calvinist, die aldus op de +verovering der wereld uittrok. Hij voor zich voelde het als zijn +roeping, zijn plicht, te strijden voor het proletariaat, met zijne +uitbeeldingen van den klassenstrijd. Maar zulk een calvinist, of zulk +een katholiek, wàs er niet; en buiten de sociaal-democraten had geen +enkel Nederlandsch schrijver een roeping, omdat zij geen roeping kònden +hebben. Dies had hij de heele rommelzoo dier roepinglooze auteurs uit +zijn boekenkast gegooid. + +Ik zou niet durven zeggen, dat ik het onvriendelijk vind, want ìk hèb +hier niet eens een boekenkast, en jaarlijks gaan er wichtige kistjes +Hollandsche romans naar het lieve vaderland retour. Voor als wij weer +eens een eigen huis gaan betrekken en wij hadden het geluk, in dat huis +een zolder te bezitten, hebben wij het geheime plan, daar groote kasten +te improviseeren en in die kasten èrg veel Hollandsche bellettrie te +bergen. Ik mag dus niet zeggen, dat ik Heijermans onvriendelijk heb +gevonden. Maar wel onverstandig. Want al spreekt het vanzelf, dat een +klein land als het onze, hoe schrijfgraag ook, niet bij dozijnen de +groote talenten voortbrengt,--daarmee is toch niet uitgemaakt, dat er +geen roeping mogelijk is buiten de roeping van hen, die naar een zeker +stelsel de _maatschappij_ hervormen willen. + +Integendeel, zou ik zeggen. Ongetwijfeld zal een rechtvaardiger wereld, +met minder oeconomische en zedelijke misstanden, de menschheid meer +gelegenheid geven, wat geluk te bemachtigen. De gunstige of minder +gunstige omstandigheden _van buiten_ hebben zeker eenigen invloed op het +innerlijk van den mensch. Maar toch komt het mij voor, dat de +sociaal-democraten wat al te véél verwachten van die uiterlijke +omstandigheden en te weinig letten op het arme, verharde innerlijk der +lijdende menschheid, dat door géén uiterlijke omstandigheden diep-in te +wijzigen is. + +Zoolang de tijden van strijd daar zijn (en hoe min gevorderd de strijd, +hoe méér) zien begeesterden als Gorter en Roland Holst om zich heen of +in hun verbeelding, hoe andere begeesterden-voor-het-Ideaal schóón +worden en rein in zijn gloed.--Doch dit heeft niets te maken met _de +inwerking van betere toestanden op de massa_. En zoolang de kleinzielige +menschenkinderen niet geleerd hebben, met ruimte en met begrip +_elkander_ aan te zien, te beoordeelen, te verdragen,--zoolang is er +voor de menschheid geen werkelijk geluk weggelegd. Het geldt hier niet +de ontwikkeling van het intellect, doch de ontwikkeling van het gemoed. + +En ziehier de overoude en onverouderbare roeping van den epischen en den +dramatischen dichter, dat is, voor onzen tijd, van den romanschrijver en +van den tooneelschrijver. + +De roeping van den romanschrijver is, dringender dan ooit, (zijn kunnen +zij groot of beperkt): de menschheid aan zichzelve te onthullen, +zichzelve te doen verstaan. + +Een beroemd socialistisch auteur, wiens werk men het allerminst aan zou +zien!--wie het was, doet er niet toe, geen Hollander--bekende mij eens, +de tegenwoordige menschheid te haten; hij vond haar leelijk en enkel +afkeerwekkend. En dat is ook niet buiten de sociaal-democratische lijn; +het is geen quaestie van sentimenteele armenzorg, zeggen zij, maar van +Recht. + +Zeer juist; doch het lijkt mij geen gunstige praedispositie voor het +verstaan en doen verstaan dezer leelijke menschheid, haar slechts hatend +te schuwen. Men kan die leelijke menschheid, in al haar klassen en +soorten, ook liefhebben. + +En ziehier mijn overtuiging: dat de menschheid wel vooruit te brengen is +door het Recht, doch alleen te redden en gelukkig te maken door de +Liefde. + +Van die liefde zal de kunst éen der instrumenten zijn. + +In dien jeugd-tijd van Walden en van "De Arbeid" was mijn hoogste +droom, ééns te worden "de zanger aller menschenzielen" (het zijn de +laatste woorden van mijn Voorhal),--nu is (ik sta niet meer alleen) ons +beider beste gedachte, te pogen, de leelijke, de arme dwaze kinderen +onder de menschen, zoo goed als de lieve en de goedwillige, te +begrijpen, en te dóen begrijpen, door hen, innerlijk verklaard, te laten +herleven in onze boeken.--Denk vooral niet, dat wij, 't geen _wij_ +daarin tot nog toe gedaan hebben, overschatten; wij staan nog in het +begin van onze loopbaan en wij betalen nog leergeld met ieder boek. Maar +onder al onze fouten voelen wij, ongeschokt, waar wij heen willen. + +Men heeft ons verweten, voorkeurloos, en gelijk-op met hun omgeving, +verzamelingen van menschen uit te beelden, aldus leverend een +naturalisme op zijn smalst, of wel: een litteraire film.--Het is een +uitgebreid misverstand, waartoe--dat neem ik graag aan--sommige +_uiterlijke_ eigenaardigheden aanleiding hebben gegeven. Het is zeker +waar, dat er in onze boeken soms _te_ veel beschreven werd. Het +naturalisme had ons er aan gewend, _alles_ te zien, niets onvermeld te +laten, en zelfs het onbeschrijfbare te beschrijven. Zonder dit te +bedoelen, kan men zooiets "uit zijn litteraire afkomst houden." Wat een +aanwensel, een overblijfsel was, heeft men verkeerdelijk voor den _aard_ +van ons werk aangezien.--Er zijn bovendien enkele soorten van +beschrijving, die altijd goed en noodig zullen blijven; de stemming +gevende (doch zij zal, hoe langer hoe meer, liever suggereeren dan in +bizonderheden treden) en de enkel _psychologische_, die juist in +bizonderheden treedt, van een interieur bijv., om den bewoner ervan te +doen kennen. Een criticus--het was geloof ik Querido--zei eens van +zekere beschrijving van ons, dat zij stemmingloos was ... waar het +volstrekt niet om stemming was te doen! De opgenoemde voorwerpen even te +"omdompelen in goudgloed" ware niet zoo heel moeilijk, maar wel fout +geweest; het gold een opsomming van voorwerpen, welke, met een nauw +merkbaar lachje, de eigenaardigheden der bezitster moest te verstaan +geven. + +Doch dat wij geen felle voorkeur hebben voor onze personen, dat pleit, +dunkt mij, enkel vóór ons. Als er ééne verdienste is, bijv. in ons "Huis +vol Menschen," dan is het de geestes-houding der schijvers, die al deze +menschen uit dat huis met een gelijke genegenheid aanzien. Scherp wordt, +om iets te noemen, Aristide's egoïsme ontleed, doch de laatste maal dat +men hem ziet, het is wanneer Célestin hem vindt, in slaap gevallen bij +een kaars, en ontroert over zijn argelooze jeugd, zooals hij daar +slapend ligt, en stilletjes weer weggaat. Deze en dergelijke dingen vind +ik zelf, nu op een afstand van meer dan vijf jaren, het beste in "Een +Huis vol Menschen." + +"Sprotje" kenmerkt dezelfde eigenschap. Sprotje lijdt niet door de +schuld der anderen. Haar moeder is een beste vrouw, haar zusters hebben +het wel goed met haar voor, Juffrouw Jonkers en de armetierige "Mevrouw" +kunnen het al evenmin helpen. Sprotje lijdt--omdat het in de wereld zoo +is, en omdat zij-zelf zoo is als zij is. + +"Sprotje" is eigenlijk een zuiver historisch-materialistisch werkje, +maar het is zuiverder dan het waarschijnlijk zijn zou, indien een +historisch-materialistisch schrijver het geschreven had, omdat het +geheel zonder _tendenz_ is. + +Zoo is ook--één criticus, de vaak diep-gaande Van Campen heeft het +opgemerkt--"De Vreemde Heerschers" een zuiver-socialistische +roman,--zonder dat het dit zoozeer bedoelde te wezen. Maar wij leven in +de tegenwoordige wereld, wij buigen ons aandachtig over die wereld heen, +en wij beelden haar uit zooals wij zien dat zij is. En waar zij bewogen +wordt door kapitalistische drijfveeren, daar openbaren die zich in ons +werk. + +Evenwel, wij hebben geen vooropgezette voorkeur voor de verschillende +partijen, voor de _menschen_, en wij bestudeeren gelijkelijk de deugden +en de ondeugden van de Contessa Margherita, van de verschillende +priester-typen en van de bevolking der beide bergdorpen. + +Mijn critisch werk ontslaat mij van de beantwoording van verscheidene +uwer vragen. Daarin vindt gij, beter dan ik het hier in een paar woorden +zeggen kan, mijn antwoord; en zoo het nagaan van meer dan tien +"Gids"-jaargangen wat veel gevergd is, dan verwijs ik u naar "De +Krachten der Toekomst." Die nemen bijv. wanneer gij vraagt "hoe mijn +standpunt ten opzichte van de Nieuwe Gids-strooming zich in den loop der +jaren gewijzigd heeft," het antwoord over, waar deze brief u bij mijn +medewerking aan "De Arbeid" in den steek laat. (Zie o.a. het opstel +"Dichters van drie Geslachten" 1905, en vooral laatstelijk, mijn opstel +"De Roeping onzer Dichtkunst (Natuur en Kunst in de Poëzie)" in "De +Gids" van Mei 1913.) + +Bij een _algemeene_ kenschets van de Nieuwe Gids-beweging (zooals gij +mij vraagt--ik kan niet ontkennen, dat het onderwerp mij ietwat +vermoeit, ik zou liever over andere dingen spreken) bij een _algemeene_ +kenschets, zeg ik, kan men nooit heel _diep_ gaan, omdat dan altijd een +of meer persoonlijkheden dier beweging, die er zoo wijd-verscheidene +omsloot, buiten onze beschouwing geraken. + +Doch dít is de hoofdzaak, sinds lange jaren door mij en vele anderen +voor waar gehouden: dat deze beweging, na het _banaal_-algemeene van de +kunst vóór haar, het zocht in het individueele. De trotsch en de +hoogheid van dat individueele was het wat ons in onze jeugd, bij de +schoonste dier individualiteiten, Kloos, Van Deyssel en Gorter, +betooverde. Toen dat individualisme opsteigerde tot toppen, die boven de +stijgkracht weken van de taal, is het, juist bij de geniaalsten onder +hen, in gruizelementen ineengestort. + +Als zij zich weer oprichtten, was Kloos verbijsterd, Gorter stamelde +onnoozel proza; Van Deyssel had een nieuw schrijversleven te beginnen. +Van Eeden was maar in enkele werken na "De kleine Johannes" met de +eigenaardigheden der richting meegesleept. Maar alle de anderen, voor +zoover zij zich herstelden, hebben behouden uit hun jeugd (de prachtige +Van Looy niet uitgezonderd):--een voorkeur voor het afwijkende en +ongehoorde, een voorliefde zelfs voor het duistere, en een +anarchistische willekeur. + +Wij jongeren daarentegen (die na ons komen, mogen uitmaken, in welke +opzichten wij onderdoen voor onze voorgangers) begeeren in zoo zuiver en +beheerscht mogelijk Hollandsch zoo klaar mogelijk te zeggen wat wij te +zeggen hebben.[6] + +De Nieuwe Gidsers gaven er niet om, of zij al dan niet begrepen werden, +zij hadden lak aan "het publiek,"--wij zijn tot de menschheid +weergekeerd, waartoe wij wenschen te behooren, met wie wij wenschen te +leven om haar te begrijpen en wederkeerig door haar begrepen te worden. +En worden wij eens niet begrepen, dan vinden wij dat niet zoo tragisch, +omdat wij gereedelijk aannemen, dat het dan wel aan ons zal liggen ... +en aan onze "afkomst." + + "Hoe zieker zenuwen, hoe +beter kunst"--is dus een echte Nieuwe Gids-gedachte. De uitslag heeft de +onjuistheid ervan aangetoond. Er is uit de overspannen sensitivisten ten +slotte een onleesbare wankunst voortgekomen. + +Dus: "hoe gezonder zenuwen, hoe beter kunst?" Dat zou ik evenmin willen +zeggen, want wat ik voor juist houd is: "hoe _gevoeliger_ zenuwen, hoe +beter kunst," en gevoelige zenuwen, al zijn zij gezond (en zeker, dat +moeten zij, wil er blijvende kunst ontstaan, wel wezen), zullen altijd +licht-vatbaar blijken.... + +Overigens weet ik bij ondervinding, dat stoornissen in het zenuwgestel +een tijdlang bevorderlijk kunnen zijn voor de kunst-productie. Ik had +vroeger periodiek asthma-aanvallen; ik was gedwongen daarvoor +verdoovende geneesmiddelen te nemen; het vrijkomen uit die verdooving en +de beterschap was een verrukkelijke gewaarwording. Het gaf een soort +martelende en heerlijke eb-en-vloed in mijn leven, die zeer +"stemmingvol" was.... + +Toen de kwaal genas, miste ik dien eb-en-vloed terdeeg. Er was iets +leegs in die egale gezondheid. Nu na jaren het evenwicht zich hersteld +heeft, verlang ik heusch niet naar mijn eb-en-vloed terug.... + +----En nu wilt u weten, welke rol documenteele studie en verbeelding in +ons werk hebben?[7] + +De documenteele _studie_ bepaalt zich tot: _leven_. Wij leven, wij +leiden ons leven en wij ondergaan het leven, gevoelig blijkbaar voor +indrukken. Bij dat leven denken wij zelden of nooit aan schrijven. Een +enkele maal teekenen wij wel eens iets op, dat wij curieus vinden en "om +te vergeten".... Juist die dingen gebruiken wij vaak niet. + +Nu gaan wij aan het werk, met als archief: onze herinnering. Maar +vlak-af copieeren doen wij die nimmer. Op zijn minst wordt de +werkelijkheid onzer herinnering totaal verfantaseerd en gecomponeerd tot +een nieuw geheel. Het gebeurt ons niet zelden, dat wij er niet meer in +slagen, ons de werkelijkheid zelve, die tot een schepping aanleiding +gaf, nauwkeurig te binnen te brengen.--_Portretten_ komen in ons werk +weinig voor; komen zij voor, dan betreft het hoogstens de _uiterlijke_ +verschijning eener bijfiguur, die wij opeens vóór ons zien. + +Zoo "Een Huis vol Menschen"; zoo "De Vreemde Heerschers." Een jonge +schilder, van wien uiterlijk Aristide wat heeft, zijn wij eens +tegengekomen, in de huisgang, met een meisje, dat wij voor een +grisettetje hielden. Een juffrouw, die pastoorshoeden verkocht, zagen +wij in haar "magasin," toen wij haar appartement wenschten te huren. En +een oud, lief dametje, dat blijkbaar in ons huis woonde, vroeg mij +tweemaal op straat, hoe het met mijn vrouw ging, zij had iets van ziekte +bij den conciërge gehoord.... Hoe zij heette, wie zij was, of op welke +étage zij woonde, weten wij niet, en Jozette zal zij wel nooit hebben +gekend. Van Célestin is alleen de karbonkel op zijn muts authentiek. + +Van die menschen, over wie wij verder ook niet meer dachten of spraken +vóór wij het plan opvatten van dat boek, wisten wij dus al heel weinig +af; één indruk hunner persoonlijkheid; verder zijn zij geheel creaties. +En bij dat creëeren, uit allerlei onvermoede verten van uw leven, komen +dan verwonderlijk en vanzelf de tallooze trekken op u af, die gij noodig +hebt. + +Maar "Sprotje" is _louter_ verbeelding. De figuren leven zóó innig, +nietwaar, dat ik u eerlijk moet zeggen, mij niet meer te kunnen +voorstellen, dat zij niet werkelijk bestaan. + +En toch heeft de schrijfster ze geen van alle gekend. Voor de +voornaamste figuren, Sprotje zelf, de moeder, de zusters, Hein, Juffrouw +Jonkers, zou zij zelfs niet zekere prototypen, tenzij het _algemeene_ +menschentype, kunnen aanwijzen. Slechts voor enkele bijfiguren stonden +haar een paar gekende menschen soms een oogenblik voor den geest. + +En aan die waarachtige algemeen-menschelijkheid, aan dat geschapen-zijn +uit de diepte der menschheid zelve, dankt "Sprotje" ongetwijfeld de door +ieder erkende zeldzame qualiteiten, waarover de echtgenoot der +schrijfster dus zeker niet zedig hoeft te doen. + +Uw vraag ten slotte: wat ik denk van de kunst in een eventueel +socialistische toekomst "waarin economische en daarvan min of meer +afhankelijke zedelijke conflicten werden vermeden,"--die heb ik +eigenlijk al beantwoord. Er zal kunst zijn, zoolang er menschen zijn; en +werden die menschen engelen,--dan denk ik aan hetgeen die lieve +Franciscaner zei, die met mij voor een schilderij van Raphaël stond: "En +hòe zal hij niet schilderen, nu dat hij in den Hemel is!" + +Ik hoop, waarde heer d'Oliveira, u naar wensen te hebben ingelicht, +zonder al te langdradig te worden. Geloof mij, met onderscheiding, uw +dienstvaardige + +CAREL SCHARTEN. + + +BIBLIOGRAPHIE: + +Bijdragen in "Amsterdammer", "Arbeid", "Kroniek," "Spectator" en "De +Gids". In dit laatste tijdschrift, sedert 1903, aanvankelijk in +samenwerking met M. Scharten-Antink, het "Overzicht der Nederlandsche +Letteren"--Voorhal (Verzen) (1901)--Guido Gezelle (1902)--De Krachten +der Toekomst (1909)--Het Spelling-vraagstuk (1911)--Het wezen en de +zending der letterkundigkritiek. (1913). + +In samenwerking met M. Scharten-Antink: Een Huis vol Menschen, verhaal +uit het Parijsche leven (1908)--De Vreemde Heerschers, verhaal van de +Italiaansche meren (1911)--Julie Simon, de levensroman van R.C. +Bakhuizen v.d. Brink (1914). + +Vertalingen: + +Jules Renard, Natuurlijke Historietjes (1909) In samenwerking met M. +Scharten-Antink: Honoré de Balzac: Het gevloekte kind (1906) + + +VOETNOTEN: + +[6] Even opmerkenswaardig als verklaarbaar is, dat degenen onder de +jongeren, die het meest over hebben van de anarchistische exuberantie +der Nieuwegidsers, de Joodsche schrijvers zijn, die, van den anderen +kant, aan de "Nieuwe Gids" en diens zich-opsluiten-in-zich-zelf geheel +zijn ontgroeid, menschenscheppers als zij bij uitstek werden: Querido, +en Heijermans in zijn Diamantstad. + +[7] Ons laatste, _historische_, werk "Julie Simon", blijft natuurlijk +buiten de volgende mededeelingen. + + + + +ADAMA VAN SCHELTEMA + +[Illustratie: Foto Koene & Büttinghausen ADAMA VAN SCHELTEMA +(Amsterdamsche periode)] + +[Illustratie: ADAMA VAN SCHELTEMA] + + +(* 1877) + +Wie de leidende personen van ons nationaal geestelijk leven opzoekt, +leert daardoor tevens ons land in zijn meest karakteristieke plekken +kennen. Hij raakt zoo vertrouwd ook met de omgeving van denkers en +kunstenaars, dat hij verband en overeenstemming gaat bespeuren tusschen +man en woonplaats; niet alsof het milieu den man en zijn denkwijze +gemaakt had', maar aldus, dat de man na lang zwerven een zoo passende +woonplaats heeft gevonden, dat hij er uit schijnt te groeien. + +Ditmaal voerde mijn weg, van het doodsche asfalt, door stekelig +electriek beschenen, onzer eerste koopstad, langs bosch- en duinrand +naar de jonge kunstenaarskolonie Bergen. + +In deze streek, zoo bevallig door Hildebrand geteekend, hebben de +dorpers blijkbaar nog niet begrepen dat die stadsmenschen tòch wel +komen, en, misschien ook wel in verband met het sòort stadsmenschen dat +er komt, hebben ze, heel anders dan de Zandvoorters bijv., een bijna +kinderlijke beleefdheid, een natuurlijke welgemanierdheid bewaard, welke +herinnert aan de landlieden, door de dichters uit de Engelsche +meeren-school bezongen. Ze detoneeren niet in de mooie natuur. Men kan +zich ongestoord aan zijn stemming overgeven, en aan die eigenaardige +stilte, die door de nabijheid van de wijde zee veroorzaakt wordt--ook al +ontmoet men nu en dan een afgezwoegden, schonkigen dorpeling. + +--Hier, op de grens tusschen ons vette akker- en weiland en onze +hoogste duinen, waar men, ver van Amsterdam, toch iets van Amsterdam's +beste essence meent te proeven, heeft Adama van Scheltema zich onlangs +neergezet in zijn huisje genaamd "De Windroos". + +En als men in het portiek staat, naast de bakken met vroolijk-decoratieve +geraniums, leest men, voordat men de deur _verder_ openduwt, het opschrift: + + Ik zie naar ieder wind + Op elke verre kust + Doch in mij zelve vindt + Gij aller streken rust. + +een fiere uitspraak, die den dichter welke haar vormde op +karakteristieke wijze eert. + +Het lage huisje, onder zijn hooge roode dak, ligt verscholen achter een +boschje jong eikenhout, waarin men een toegangslaan heeft uitgehakt, +iets ter zijde van den hoofdweg. Er achter een weiland, dat tegen de +duinhelling verloopt, met veel bloemen, de eigenaardige flora van die +streken: naast de schimmig-armoedige witte klaver, de welgedane roode +klaver; naast de stijlige purpur-bloeiende bastaard-wederik, de thijm; +naast witte koekoeksbloem, de gele honing-klavers met hun doordringenden +geur van versch gesneden gras. Waar de duinen beginnen, staat de forsche +boer met donkeren ringbaard, die mij zooeven vriendelijk groetend den +weg wees, in de stralen van de dalende zon bedaard zijn hooi te keeren. +En om hem heen dartelt een wit paard, lezer, een paard dat zich +heelemaal vrij voelt en, naar ik verneem, bijna nooit werkt. Zijn lange +witte manen en zijn lange witte staart wapperen hem na, terwijl het in +wijde sprongen over de vlakte giert en zijn lenige flanken schudt om +toch maar vooral zijn vroolijkheid te uiten. We zien dit alles, geleund +aan een van de hooggeplaatste vensterkens van Scheltema's "werkhok", en +zijn toen overeengekomen, dit beest een "gepensioneerd paard" te noemen. + +Dit is niet maar een losse aardigheid van me, o lezer: Ik beweer dat ge +het volgende maar half begrijpt, als ge u niet telkens dit +gepensioneerde witte paard poogt voor oogen te stellen, zooals het dien +avond zorgeloos wentelde en sprong door de zomersche scheemring. Is niet +in de woorden van dezen dichter, ook als hij de ellende van het +menschenleven meet, een zorgelooze blijmoedigheid als van dit vrije +paard, dat ver van de menschen woont? + +Adama van Scheltema is een breedgeschouderde, nogal gezette en blozende +kerel met een wilden Sudermann-baard. Hij is zeer donker van haar en +oogopslag. Hij beweegt zich langzaam en toch vrij. Zijn vrouw is heel +rank en heel blond en zweeft meer dan ze loopt. + +Men leest in zijn blik dat hij veel van de waereld heeft gezien en toch +ook groote bescheidenheid, om niet te zeggen bedeesdheid. Hij spreekt +nogal moeilijk en houdt u toch gespannen. Zijn woorden komen traag; +daarentegen houdt hij, ondanks afdwalingen, aarzelingen en een zekere +verstrooidheid, steeds den draad van zijn verhaal vast, zoodat ons +gesprek rustig verloopt. Hij werkt ook zoo langzaam, vertelde hij mij. +Men voelt terstond hoe iedere gedachte bij hem een panorama van andere +gedachten wekt. Daardoor wordt hij natuurlijk wel eens afgeleid, vergeet +dat hij niet alleen is, kijkt een oogenblik het verschiet in dat zich +voor hem opdoet. Dit schijnt hem dan rust te geven en zichtbaar gesterkt +hervat hij het gesprek. + +Hetgeen ik hieronder weergeef bespraken we voor een deel in een erker +van zijn woonvertrek, terwijl voor onze oogen het witte paard zijn +sprongen maakte; boven hem in een wat te deftige lijst hing het +ondeugend tronie van Jopie Bremer, ons aller vriend, (geschilderd door +Marinus Broekman),--en dat kwam goed uit, want hij vertelde in +echt-Amsterdamsche woorden van zijn Amsterdamschen tijd.[8] Later droeg +zijn vrouw fluks alle lampen van het huis bijeen, en schikte ze in +verschillende hoekjes, waar ze gezellige schijnsels gingen gieten, maar +de kamer met zijn Italiaansche pleisterbeeldjes en gravures lieten in +halfduister, waarin de gebeitste betimmeringen, de witte muren met de +nog geurende rieten lambrizeering een geheimzinnig effect deden: en toen +kwam het meer diepzinnig gedeelte van ons onderhoud. + +Ik had hem vooraf geschreven wat ik ongeveer wilde weten, en dus kon hij +aanvankelijk zonder onderbreking voortpraten: + +Als gymnasiast van zeventien, achttien jaar maakte ik kennis met "De +Nieuwe Gids". We leefden in een kleine club op het gymnasium als +enthousiaste kleine literatoren, en we hadden een blad, waar ik ook in +schreef, ons orgaan, dat eigenlijk een klein nieuwegidsje was. Maar van +begin af heb ik altijd bij mijn enthousiasme voor die richting een +vreeselijke leegte gevoeld, ik heb er iets in gemist, iets dat je in het +leven zoekt als steun. De heele beweging berustte op een paar negaties. +Een opstandigheid tegen het vroegere geslacht, die we in ons eigen leven +ook sterk gevoelden, maar die je verder niets gaf dan een schralen +troost boven het gymnasiale leven uit, dat ik altijd ellendig ben +blijven vinden en tot op den huldigen dag heb vervloekt, zooals die +verschrikkelijke kerels, die zuivere philologen uit de school van Cobet +ons hebben geplaagd. + +Toen ik student werd kwam ik ook weer in een klein wereldje--je blijft +altijd in een klein wereldje opgesloten in je jeugdjaren, maar dan +groeit je begeerte uit naar de openbaring van wat je in je hebt als +jonge kunstziel. + +En toen kwam de tooneeltijd. + +We hadden als studenten een tooneelvereeniging, die bloeide toen nogal. +Elk jaar gaven we een groote uitvoering en daar besteedden we heel veel +tijd aan. Ik had veel aanleg voor het tooneel en ik speelde daar nogal +groote rollen. Zoodat ik hoe langer hoe meer van tooneel ben gaan houden +en tegelijkertijd bleef schrijven ... als klein kind heb ik eigenlijk al +geschreven. + +Mijn eerste jaar was een rauw studentenjaar, maar daarna kwam een beetje +de bezinning. Toen moest ik duchtig werken om al die verloren +studie-uren weer in te halen. Na mijn eerste examen, daar kwam ik +goddank door, het propaedeutisch in de medicijnen, begreep ik dat ik +eigenlijk moest kiezen. Ik merkte wel dat als ik in de medicijnen bleef +studeeren er van letterkundig werk niets zou komen ... ik heb nooit +kunnen begrijpen hoe Aletrino en Van Eeden dat hebben kunnen vereenigen +... ze dokteren ook trouwens niet meer. Ik vind: je moet überhaupt aan +één ding alles geven. Menschen die als bijgedoente schrijven, dat vind +ik uit den booze. + +Ik stond voor de keus en toen deed ik den grooten stap van aan het +tooneel te gaan. Achteraf is het heel aardig daar eens over te praten, +maar toen is het een verbazend besluit geweest. Daarna is die kwestie +ook al weer veel veranderd. Je hebt nu een heeleboel jongelui, en vooral +ook vrouwen, uit de betere standen, die aan het tooneel gaan, maar ik +was betrekkelijk een van de eersten, die overliep uit het kamp der +"fatsoenlijke wereld" naar het tooneel. Ik ben een tijdje geweest aan +den troep van Van der Horst en Ternooij Apèl, en toen heb ik nog hier +dicht bij, in Alkmaar, op de kermis, gedebuteerd. Ik ben er nog geen +half jaar aan geweest, maar in dien tijd maak je een heeleboel door. In +dien tijd stierf mijn vader, wat in mijn leven nogal verandering bracht. +Toen heb ik van de heeleboel de brui gegeven en tegen me zelf gezegd: Nu +moet je maken, dat je gauw een goede plaats in het burgerlijk leven +krijgt, want anders loopt het mis. Mijn zenuwen konden er niet tegen, +het is moordend. Je moet een stalen zenuwgestel hebben, den eenen avond +in Groningen spelen en den anderen avond in Middelburg ... dat heeft ten +slotte met de kunst al heel weinig te maken. + +Toen ben ik dan een poos in den kunsthandel geweest van Van Gogh. In +dien tijd viel mijn groote ommekeer. Parallel met al die uiterlijke +wisselingen in mijn leven viel mijn langzaam neigen naar het socialisme. +En wat later mijn groote vijanden werden, dat waren toen juist degenen +die mij ertoe gebracht hebben. Dat wil zeggen: Wat zij schreven had een +grooten invloed op mij. Dat was in het eerste begin van "de partij"--dat +was een heel gunstige tijd om er bij te komen, omdat alles toen nog +idealistisch ging. Ook een persoonlijk vriend van me, Bonger, heeft mij +er toe gebracht en dan--de figuur van Van der Goes. Er bestond toen een +studentenvereeniging, S.L., die sociale lezingen hield--tegenwoordig is +die in een beetje anderen vorm herrezen. Het was indertijd een zuiver +socialistische vereeniging en die oefende toen een grooten invloed uit. +Het was in den tijd van Gorter's bekeering, toen hij die bekende +voorrede voor zijn nieuwe verzen had geschreven. Ik ging langzamerhand +die dingen lezen en zoo kwam ik tot het socialisme, gedeeltelijk ook wel +van den gevoelskant en gedeeltelijk door de tijdsomstandigheden ... de +"Nieuwe Gids" begon ook te zakken en spatte uit elkaar ... de +afscheiding van het Tweemaandelijksch tijdschrift was toen ook al +gekomen. Ik was de leegte gaan voelen van wat mijn vroeger leven had +ge-enthousiasmeerd. Ik wist ook wel dat het mij in mijn leven nooit +hoûvast had gegeven. En dat heb ik altijd heel sterk gehad: de behoefte +aan hoûvast. Ik vind het leven onmogelijk, wanneer je niet een +overtuiging hebt, die je het leven naar een zeker bestel laat zien. Dat +is voor mij, eerlijk gezegd, de grondfactor van het socialisme: het +hebben van een levensbeschouwing. De menschen die komen tot het +socialisme uit medelijden met de arbeiders, dat is voor mij niet het +ware! Je kunt net zoo goed medelijden hebben met koningen als met +arbeiders.... Neen, je moet er komen van den wetenschappelijken kant, of +zeg van den theoretischen kant, wat neerkomt op een behoefte aan een +wereldbeschouwing, die je bevredigt met het leven, die je het leven naar +vaste lijnen leert zien. Dat is hoe langer hoe meer het socialisme voor +mij geworden. Daardoor kunnen de persoonlijke dingen en wrijvingen je +minder raken.... + +--Dit, de lezer begrijpe het wel, was een vriendelijke uitval naar mij: +Ik had te voren verteld van mijn ervaringen en teleurstellingen in het +socialistisch kamp. Maar ik zou dien avond toch niet gaan slapen, zonder +een groote voldoening te hebben gesmaakt. Die komt nog. + +Adama van Scheltema ging verder: Dat was net op het moment dat ik, in +die kunstzaak, na de tooneelwereld, een tipje van het handelsleven zag. +Dat was, evenals mijn tooneelleven, een geschiedenis van enkele maanden, +maar toch voldoende om de wereld niet op zijn gunstigst te zien.... Ik +had genoeg om te leven desnoods, op een heel bescheiden manier. Toen +dacht ik: Nu is het oogenblik gekomen, dat je alles er aan moet geven en +alleen voor je kunst leven. Die kunsthandel was toen een ding, waar heel +weinig omging. Ik zat altijd maar te schrijven in de leege kunstzalen, +waar nooit iemand kwam. Daar vóor had ik altijd proza geschreven. Maar +toen mijn leven, dat zoo vol van zenuwen was geweest en vol van +veranderingen en zoeken wat tot rust kwam--ik was uitgeput en ging naar +buiten om wat op streek te komen,--toen is met diezelfde inkeer en +verzachting van het leven, dat mij nogal geknauwd had, in mij het +poëtische leven naar boven gekomen, waar ik me heelemaal aan kon geven. +Toen had ik gevonden wat in mij eerst op andere wijze een uiting had +gezocht. + +En nu is het wel mijn geluk geweest, dat die verschillende +tijdsomstandigheden samen kwamen en ik juist toen langs natuurlijken weg +tot de sociaal-democratie ben gekomen. De eerste uitgave waartoe ik kwam +was "Een weg van verzen", waarvoor moeilijk een natuurlijker titel zou +te vinden zijn, want langs die dingen ben ik eigenlijk tot "de partij" +gekomen. Ik kreeg geweldig op mijn kop, zooals dat gebeurt na een eerste +uitgave. Maar ik voelde in mijn ziel, dat ik het eigenlijke gevonden +had, waar het heele leven mij toe gedreven had. Mijn leven daar vóor was +erg rumoerig geweest: een voortdurend zoeken en keeren, vol +kinderverdriet en jongensverdriet. Van dien tijd af is mijn +schrijversleven begonnen. Ik gaf mij heelemaal aan de poëzie en raakte +uit de gewone wereld. + +Ik zat lang buiten in de natuur en zocht de overeenstemming tusschen de +natuur--of mijn natuur, wat eigenlijk op hetzelfde neerkomt--en mijn +nieuwe wereldbeschouwing. Die overeenstemming is in dien eersten bundel +dikwijls wel erg gezocht, wat ik bijv., ook bij Roland Holst heb +gevoeld, en dat werd een moeilijk ding. Er is een tweespalt die zij haar +heele leven is blijven voelen, en waar ik, geloof ik, misschien omdat ik +tot een jonger geslacht behoor of misschien wel omdat ik niet zoo +dweepend ben aangelegd als zij, overheen ben gegroeid. Die tweespalt is +het verdriet van haar leven geworden.... Misschien ben ik niet heelemaal +duidelijk geweest en het is goed dat ik dit duidelijk zeg: ik bedoel de +tweespalt tusschen de socialistische levensbeschouwing en de poëzie.... +De wereld is après tout in zijn geheel iets grooter dan de +sociaal-democratie. Maar voor haar en Gorter is de sociaal-democratie de +roode lap gebleven in hun ziel, waar ze altijd min of meer dol van zijn +geworden, en dát, moet ik zeggen, is ze voor mij nooit geweest. + +Je moet de sociaal-democratie een beetje kunnen zien als een strooming +van dezen tijd, niet als een verzameling van ijzeren dogma's, die voor +de eeuwigheid zijn en waarin je je zelf opsluit. Je moet toch een +verband houden met de oneindigheid!--al is dat een groot woord. Dat is +hun ramp geweest en heeft hen op den verkeerden weg gedreven. Ze willen +hun kunst opsluiten in die verzameling van dogma's--dien band van +dogma's willen ze om hun kunst slaan. Dat heeft mij van hen verwijderd. +Dat deed mij voelen dat ze een verkeerde richting insloegen, waar ik +persoonlijk hoe langer hoe scherper en hartstochtelijker tegenover ben +komen te staan. Dit werd althans voor mij persoonlijk het dilemma. Ik +kreeg de behoefte, mijn levensbeschouwing in overeenstemming te brengen +met mijn kunst, een vast geheel daarvan op te bouwen, waarop ik mijn +kunst kon vestigen. Ik geloof dat het mij ten goede is gekomen dat ik +van dien kant het socialisme ben genaderd, omdat het de meer natuurlijke +kant is. Ik wilde de tendenzen die uit mijn eigen ziel groeiden in +overeenstemming zien met de wereld om mij heen. Wanneer ik den weg van +Roland Holst volgde, voelde ik, zou ik niet tot bevrediging komen. Uit +die overwegingen is toen gegroeid mijn boek "De Grondslagen", waarin ik +die overtuiging heb trachten neer te leggen. + +Vooral op het philosophische gedeelte daarvan zijn wel gegronde +opmerkingen te maken, die ik niet zoo gemakkelijk zou kunnen +beantwoorden, wanneer ik met een degelijk vak-philosoof, als ik het zoo +mag noemen, in conflict kwam. De wereld is zoo groot ... en je zou vele +jaren van je leven moeten geven om van den zuiver wetenschappelijken +kant je zoo te vervolmaken, dat je in de wereld van de vak-philosophen +als overwinnaar kwam te staan ... maar dat was voor mij niet de +hoofdzaak ... de hoofdzaak was voor mij om voor mijzelf bevrediging te +zoeken.... + +Hij was al zachter en afgetrokkener gaan spreken, ten slotte alleen voor +zichzelf, meer en meer verzonken in het geestelijk uitzicht dat zich +voor hem opende. Het eindigde in een verward mompelen. Slechts enkele +woorden, zonder samenhang, drongen tot mij door. Zijn bovenste +vingergewrichten tegen zijn tanden, als wilde hij die knauwen, staarde +hij over het ruime weiland, waar het witte paard zich rolde door het +zoetgeurende, versch gemaaide gras, de hoeven trappelend in de lucht.... +Eindelijk draaide hij zijn wilde knevels op en ging, mij weer aanziend, +verder: + +En dat werd voor mij een levens-program. Ik voelde dat dit in Holland +en in het algemeen aan de sociaal-democratie ontbrak, dat ze zich alleen +met het economische en politieke leven had bemoeid, en aan de kunst nog +niet toe was geweest.... Dat van Morris was een beetje idealisterij en +hield heel weinig verband met de grondslagen van de sociaal-democratie. +Hij was heelemaal een kind van de prae-Rafaelitische, utopistische +beweging. + +De grondslag die ik toen voor mijn kunst heb gewonnen heb ik in mijn +boek voor mijzelf, maar ook voor anderen, geloof ik, duidelijk +uiteengezet. En toen ik met mezelf in het reine was, ben ik van mijn +vroegere geestverwanten verder afgedreven. Die heele "Nieuwe Gids" was +mij vreeselijk widrig geworden, omdat ik er heel sterk het anarchisme in +voelde en het naturalisme, en dat is voor mij een onding! + +Sensitivisme, naturalisme enz. zijn kinderen van één systeem, dat zich +in Holland naar binnen keerde en naturalisme van de eigen ziel werd, de +momentopname van het eigen ziel-gebeuren, zooals Gorter in zijn "Verzen" +heeft gegeven, dat je met een grooten zwaai terug kunt brengen tot het +naturalisme van Zola, het "document humain". Dat voel ik om zoo te +zeggen als anti-kunst, omdat er zoo weinig opbouwends zit in de +wetenschappelijke ontleding als kunstbeginsel--dat onechte kind van de +rationalistische wetenschap. Ik ontken heelemaal niet dat er groote +dingen in geschapen zijn, en ik heb vurig gehouden van "L'éducation +sentimentale", dat ik als standaardwerk van naturalisme kan aanhalen. +Maar ik vind het eigenlijk, evenals "Madame Bovary", het meest +onartistieke dat je kunt hebben. Ik voel heel scherp dat de toekomstige +samenleving dien kant niet uit kan gaan en zich daarvan los moet maken. +Het heele naturalisme berust op het op zich laten inwerken van het +leven, maar niet omgekeerd: het inwerken op het leven door den +kunstenaar zelf. Het heeft nooit synthetisch kunnen wezen, het +naturalisme en alles wat er een kind van is. En de sociaal-democratie +wil worden de synthese van het leven en de nieuwe gemeenschap. _De kunst +die daaruit moet geboren worden kan nooit een kunst zijn, die ontledend +is, maar moet een kunst zijn die opbouwend is, een nieuwen stijl schept +... "een gestyleerd brok van het universum"_, zooals ik in mijn +"Grondslagen" heb gezegd. + +En nu werd in engeren zin in mijn lyriek het gedicht datgene, waar +zoowel bedoeling als techniek een groote rol in speelt, in dien zin dat +beide erop gericht zijn, om naar andere menschen te gaan. Daar heeft +over het algemeen de naturalistische en sensitivistische kunst nooit aan +gedacht.... U begrijpt wel, de theorie volgt in zeker opzicht den aanleg +en de practijk. Ik theoretiseer dat nu zoo, maar après tout was in mij +een sterke, natuurlijke aanleg in die richting om te bereiken wat ik +theoretisch omschrijf als bereikt te moeten worden. En ik heb in zeker +zin in mijn lyriek practisch bewezen, dat ik dit bereikt heb. Het is mij +altijd bewust geweest dat ik wilde bereiken het verband tusschen mensen +en mensch, waar de tachtigers van afgedreven zijn. Als element dat mij +daartoe gebracht heeft neem ik aan een sterk sociaal voelen voor mijn +medemenschen. Ik geloof ook dat het taal-element daar een groote rol bij +gespeeld heeft: het door en door Hollandsche van mijn taalgevoel. + +--Hier moest ik den verteller even onderbreken. De lezer moet weten dat +ik pas een bezoek had gebracht aan een paar socialistische dichters in +het Gooi en daar te hooren had gekregen dat ik, niet op hun standpunt +staande, hun meeningen toch niet zou begrijpen, zelfs niet objectief zou +kunnen wêergeven. Het had mij den heelen avond al verheugd, dézen +socialist opinies te hooren uiten, die ik volkomen kon onderschrijven, +en anderzijds bij hem steun te vinden voor mijn eigen opvattingen +--waarvan ik in alle bescheidenheid meen, dat ze het socialisme achter +den rug hebben. Maar nu werd het mij ... ja, mag ik het zeggen ... een +beetje al te bont. Deze socialistische dichter deelt mij mede dat zijn +werk er op is ingericht om te spreken van mensch tot mensch en de woorden +"klassenstrijd", "klassenkunst", "bourgeoisie" ... zou hij ze misschien +inderhaast vergeten? Het is te mooi om het te gelooven. + +Ik zet mijn onschuldigste gezicht en vraag of ik het goed heb begrepen, +of hij niet sterk het gevoel heeft, dat de lieden uit de bezittende +klasse toch niets van zijn kunst zullen snappen? of hij nu werkelijk +meent voor het geheele Nederlandsche publiek te schrijven, of alleen +voor het proletariaat? + +--"_Zooveel mogelijk voor het geheele Nederlandsche volk_" antwoordt hij +mij. Dit woordje "volk", lezer, is een welverdiende terechtwijzing aan +mijn adres. Ik had van "publiek" gesproken. Hierdoor geraakte ik in de +aandachtige stemming, die noodig is om het volgende geheel tot zijn +recht te doen komen: + +--In preciese tegenstelling tot Kloos' formuleering van de tachtigers: +"een gedicht is de individueelste expressie van de individueelste +gevoelens"--formuleerde ik in mijn "Grondslagen": "een gedicht moet zijn +een muziekstuk van woorden en gedachten, dat door zooveel mogelijk onzer +medemenschen kan worden gevoeld en begrepen." Hetgeen niet wegneemt, dat +men natuurlijk zijn poëzie ten slotte van uit een bepaalde +levensbeschouwing, in dit geval de sociaal-democratische, +componeert.--Zoo zal ik wel eens den eenen mensch niet geheel bereiken, +ook wel eens den anderen--ook wel eens de eene klasse, ook wel eens de +andere klasse--we leven nu eenmaal "op de kentering der tijden"--maar +inplaats van daarover eeuwig persoonlijk te lamenteeren als mevr. Holst +_acht ik dat_--_althans meestal_--_iets moois en gelukkigs_.... + +Het klinkt wel ijdel, maar ik mag toch zeggen, dat ik weer het publiek +om zoo te zeggen bereikt heb,--met mijn lyriek althans. De zwaardere +dingen, dat moet ik toegeven, worden niet zooveel gelezen. Dat heeft mij +gespeten--dat datgene, wat langzamerhand is geworden de diepere grond, +waarin ik mijn levensinzicht wilde uiten, "Levende steden" o.a., niet +zoozeer het publiek bereikt heeft. Het hoofdwerk "Amsterdam", dat ik +zelf als mijn beste werk beschouw, is betrekkelijk weinig bekend +geworden.... + +In "Amsterdam" heb ik gezocht naar de oplossing van ethische +vragen,--want een van mijn eerste pogingen, voor mij van groot belang, +is geweest in de sociaal-democratie te vinden den ethischen kant. U +spreekt van zwakke punten en van persoonlijke aanraking, die +teleurstelling geeft, maar voor mij is het allerbelangrijkste vraagstuk, +dat ik nooit heb kunnen oplossen, dat de sociaal-democratie geen ethiek +heeft, absoluut geen ethische grondslagen heeft. Zij geeft geen antwoord +op die honderd vragen, die in den mensch opkomen, vragen van leven en +moraal, de eeuwige vraag van goed en slecht, die zich in duizenderlei +nuance door het leven voordoet. Wat de toekomst hierin zal brengen, hoe +die nieuwe moraal groeien moet, dat vind ik voor den literairen +kunstenaar een van de belangrijkste vraagstukken die het socialisme +brengt. Aan de oplossing van dit vraagstuk zal m.i. het drama moeten +arbeiden, en dat moet voor den socialistischen kunstenaar de gang zijn +die hij het liefst gaat: hij moet trachten het nieuwe drama als zoodanig +te bereiken. In de "Grondslagen" heb ik op het laatst de naïve fout +begaan, te zeggen dat ik daarheen wôu. Je moet eigenlijk nooit een +program opstellen voor de buitenwereld. In ieder geval: de elementen van +dit drama heb ik zooveel mogelijk trachten te ontwikkelen in mijn +"Grondslagen", niet waar? En dan kom ik tot de gevaarlijke bewering, dat +het drama tendenz moet hebben. Dat staat voor mij als een paal boven +water. De duizenderlei dilemma's die de moraal in dezen tijd brengt, +moet het drama trachten op te lossen, het moet trachten zich daarvan te +bouwen.... Ja ja, dat zijn wel gekke dingen, die we op het oogenblik +bespreken--omdat je allicht het veel-omvattende zegt ... maar ... het +zijn toch de dingen ... waar altijd mijn intense belangstelling ... bij +is geweest.... De sociaal-democraten komen met vage algemeenheden, als +"gemeenschapsgevoel" en "solidariteitsgevoel" ... en daar zijn zeker +mooie elementen in, maar dat geeft volstrekt geen antwoord op het +wereldvraagstuk van het practisch-moreele leven--en dat geeft bijv. het +katholicisme wel. Daarom staat dat zoo sterk.... + +Daarop moet althans het nieuwe drama gebouwd worden.... Het antwoord dat +de meeste menschen op die honderd kleine practisch-moreele vragen geven, +is dat van de traditioneele moraal, maar daarmede hebben wij niet het +antwoord. Dat zal de toekomst brengen.... Ja, dat is zoo, men zal mij +misschien kwalijk nemen, dat ik deze leemte in de sociaal-democratie zoo +uitdrukkelijk constateer, maar ik heb dat immers geschreven ook in mijn +"Grondslagen" ... neemt u het maar gerust op--ik sta er voor.... Ja +zeker, u hebt gelijk, de menschen die beweren dat het socialisme thans +wel een moraal heeft of dat _men_ in het algemeen een moraal heeft--die +weten werkelijk en wezenlijk niet wat behoefte aan moraal en wat het +moraalprobleem in het algemeen beteekent. + +Nu vraagt u, wat het socialisme voor mij als kunstenaar dan nog voor +aanlokkelijks heeft. Ik begrijp wel dat gij van uw kant dat moet vragen. +Maar op het oogenblik is het socialisme toch het eenige houdbare +levens-systeem en ik vind: men moet het kind niet met het badwater +wegwerpen. + +Ik heb in het leven het geluk gehad, nadat ik enkele omwegen bewandeld +had, dat ik gevoeld heb, welke zijwegen ik niet moest inslaan. Daarna +ben ik bevredigd geworden door het leven en mijn eigen levenstaak. Die +taak voel ik nog heel sterk als zijnde aan het begin. Ik voel dat het +nog maar het opbouwen van de basis is. Ik hoop dat dit in de toekomst +een basis zal blijken. + + * * * * * + +Heer van De Windroos, in u heb ik werkelijk, gedurende onze lange +wandelingen langs bosch en duin, "aller streken rust" aangetroffen. +Hoewel met "de massa" haar ideaal deelend, hebt ge tegenover het volk de +houding weten te bewaren, die, naar ik meen te weten, den dichter +betaamt: Voor geen enkel wind sluit ge uw huis en blijft toch als +gesloten, wetgevende persoonlijkheid tegenover "al het Andere" +staan,--iets wat niet al uw geestverwanten u nadoen.... + +Mijn vraag is nu deze: Zoudt ge nog naar ieder wind en elke verre kust +kunnen schouwen, en zou ook aller streken rust in u bezonken blijven, +indien ge onder de bet-wetende, verbitterde en behoeftige menschen +dagelijks moest strijden en werken? + + +BIBLIOGRAPHIE: + +Een weg van Verzen (1900) [Uitverkocht]--Uit den Dool (1901) +[Uitverkocht]--Eerste Oogst (1912) [Bloemlezing uit "Een Weg van Verzen" +en "Uit den Dool"]--Van Zon en Zomer (1902)--Zwerversverzen +(1904)--Eenzame liedjes (1906)--Uit stilte en Strijd (1909). + +_Levende steden_: + +I. Londen. Een dramatisch gedicht (1903)--II. Dusseldorp of de +Ontmoetingen van Petrus Cordatus. Een satirisch-dramatisch gedicht +(1903)--III. Amsterdam. Een wijsgeerig leerdicht (1904). + +De Grondslagen eener nieuwe Poëzie. Proeve van een maatschappelijke +kunstleer tegenover het naturalisme en anarchisme, de tachtigers en hun +decadenten (1908) [Uitverkocht.]--Gelukwensch bij Troelstra's +vijftigsten Geboortedag. Een politiek gedicht. (1910) [niet in den +handel]--Goethe's Faust (Deel I) In Nederlandsche verzen vertaald, +ingeleid en toegelicht. (1911).--Meidroom. Een feestelijk +verbeeldingsspel in acht tooneelen (1912).--Italië. Indrukken en +Gedachten. Een causerie. [geïllustreerd], 1914. + + +VOETNOTEN: + +[8] Ik maak deze opmerking om te pas te brengen Scheltema's verklaring, +dat het gezelschap dat zich bij Jopie Breemer pleegde te +vereenigen--"dit soort van Bohemienachtige veelpraters en +weinig-doeners," hem nog altijd onsympatiek is. (Het schilderstukje +bezit hij al tien jaar en tot voor kort wist hij niet wien het +voorstelt.) + + + + +P.N. VAN EIJCK + +[Illustratie: Foto Vinkenbos & Dewald--Haag P.N. VAN EIJCK (1914)] + + +(* 1889) + +Uit de zacht-verhittende broeikas-atmospheer van het oudere Den Haag +trad ik teleurgesteld in een buurt van strakke en lange straten. + +Mijn gemoedstoestand was dien middag aldus: Ik had mij voorgesteld dat +de dichter van "De getooide Doolhof" en "De Sterren" eenzaam woonde op +het land, in een grillig huisje, ergens aan de ruige Veluwe; of wel bij +eenvoudige boerenmenschen. En het hinderde mij, dat ik naar de stad +moest om hem, die innerlijk zooveel met mij gemeen heeft, te spreken. +Echter, in het vroege middaguur, voorloopig doelloos zwervend door het +oudere Den Haag, had ik mij getroost: De gekunstelde witte schittering +uit de winkels overstemde het trage licht van den najaarsdag; en +velerlei indrukken--hartstochtelijke gezichten en blijmoedig kwijnende +gezichten die mij voorbijgleden; de moderne vrouwenkleedij waarin +stijlige lijn met losbandigheid van bont en kanten pervers coquetteert; +de kundig genuanceerde geuren van toiletten en de reuk van overspannen +driften; suggestieve boektitels en heerlijk dwaze weeldezaken, achter +spiegelglas fluks bespeurd; en steeds weer die snel voorbij-schimmende +troniën: trotsch-verdorven maskers en geschminkte en ontzenuwde en +verlangende maskers, die in mijn phantasie hun histories schetsten en +mengden ... àl die overstelpend-prikkelende indrukken omgaven mij met +een atmospheer van verfijnde cultuur, die ik evenzeer bemin als het +leven op 't land in wijde overpeinzing. Ook in zulk een milieu kan een +werkelijk dichter tieren, mits hij een zeer sterken geest heeft.... + +Doch toen belandde ik in de nieuwe buurt met leege gerekte straten, waar +het onwillige najaarsdaglicht terug kitste op de kille pensions en +ambtenaarswoningen met haar snel-vergane conventioneele praal: en ik +bemerkte dat ik mijn dichter moest zoeken in, de langste van die +schijn-deftige, eentonige huizenrijën. + +Geheel bekoeld, naar ik meende, kwam ik bij hem binnenvallen, en voordat +wij elkander eigenlijk hadden begroet of door onze so-easy's afdoende +hadden bekeken, moest ik 't zeggen, ik wilde niet en zei 't toch: Het +lijkt hier wel een studentenkamer!--Ons wereldstadje had mij als +gewoonlijk van streek gebracht, want zoo spontaan ben ik anders niet. + +Mijn opmerking, waarin ik mijn indrukken had samengevat, deed hem +blijkbaar pijnlijk aan, en hij zeide dat men in een studentenkamer toch +zooveel mooie boeken meestal niet vond, en toen vroeg hij mij +welwillend-ingehouden een nadere verklaring. In het bewustzijn dat hij +mij zou hebben uitgedaagd als hij een Duitscher was, en blij dus dat we +in het degelijke Holland zaten, zei ik een paar vriendelijke woorden, +die hij niet hoorde. Maar later heb ik begrepen dat ik dit bedoelde: + +In deze kamer met haar onverschillige en disparate meubels en tapijten +had zich door kleinigheden in schikking en versiering--verbeeld u, de +beeltenissen van Baudelaire en Stefan George stonden er op den +schoorsteenmantel (niet plechtig, als gravures, met eenige ontroering +gekocht, maar als ietwat verbleekte photographieën, men zou denken: van +verre familieleden, in banale lijstjes)--in deze kamer, zeg ik u, had +zich mij een sterke, jonge, strijdvaardige geest gemanifesteerd, men +voelde dat hier gewoonlijk naar den geest geleefd werd--al beeldde ik +mij in dat het "Gaudeamus igitur" er toch ook wel eens uit schorre kelen +had geschald. En dit maakte mij de kamer even eerbiedwaardig als de +smaakvol en kostbaar aus einem Guss gemeubelde schrijversheiligdommen, +die ik ken. + +Terwijl hij nu met vele, overigens belangwekkende woorden het begin van +het "interview" trachtte te verschuiven, herwon ik snel mijn gewone +bedaardheid. Ik werd bijna vaderlijk, toen ik hoorde dat hij nog iets +jonger was dan ik--men zou dit laatste niet zeggen, want dit bleeke +gelaat deed mij zelfs een oogenblik (ten onrechte!) veronderstellen, dat +hij al vroeg aan de zinnen gevraagd had wat slechts de geest kan geven, +en ik glimlachte niet, toen hij mij later vertelde: Ik heb 't gevoel dat +ik al een eeuwigheid heb geleefd.... + +Ik had mijn gereserveerde kalmte zeer noodig. Hij kon maar niet tot +zichzelf komen, en bekende dat de gedachte, zich zoo voor mij binnenste +buiten te keeren hem werkelijk angstig maakte. Zijn wangen, die geen +jongenswangen meer waren, bloosden, hij struikelde over zijn woorden, +onderbrak zich telkens met een: Dat is nou beroerd.... Neen, laat ik dit +niet zeggen.... Och, waarom?-- + +Ik vertelde maar veel van mijn eigen opinie's en trachtte daarbij +zooveel mogelijk de zijne te ontmoeten, ik wilde hem niet loslaten, en +toen ik hem uitvoerig het schema had uiteengezet dat de lezer kent, +werd hij door mijn uiterlijke onaandoenlijkheid gewonnen. + +Kalm is hij dien heelen middag niet geworden--vreemd toch, want hij leek +mij eer brutaal dan verlegen--voordat hij mij zijn mooie +bibliophiel-uitgaven vertoonde. Maar wél gaf hij mij gelegenheid, zijn +buitengewoon ree intellect (hij zal wel boos worden, als hij dit van me +leest! maar après nous le déluge) te bewonderen; en hij heeft me ondanks +alles vervuld van een bemoedigend enthousiasme. + +Als ik (op zijn verzoek) een massa onvoltooide gedachtetjes en +overtollige woorden, waarmede hij de leegten aanvulde, weglaat, dan komt +hetgeen hij mij vertelde, zittend op zijn schrijftafel, de beenen op de +vensterbank, hierop neer: + +--Ik was al begonnen met studies en verhalen te schrijven op ongeveer +vijftienjarigen leeftijd, toen ik, in verband met moeilijkheden in mijn +persoonlijk leven, in mijn 17de jaar plotseling in verzen los schoot. +Vóor dien tijd had ik al van mijn twaalfde jaar af rijmen, romannetjes +en novelletjes geschreven, maar toen werd ik bewust literator en begon +ik het ideaal van mijn leven te zien in het schrijversschap. Dat is +samengevallen met mijn eerste intree in de kunstwereld van de "Nieuwe +Gids", die de eerste jaren volkomen de mijne is geweest en waar ik mij +hartstochtelijk aan heb overgegeven, omdat hij in alle opzichten aan +mijn behoeften beantwoordde. Alles wat ik in dien tijd wilde voelde ik +in de "Nieuwe Gids"--vrij, zelfs losbandig innerlijk leven--leven voor +de schoonheid--je leven min of meer beschouwen als een gelegenheid om +altijd maar vol te zijn van enkel schoonheid. Vooral aan de lectuur van +Van Deijssel heb ik me hartstochtelijk overgegeven. Ik had de heele rij +boeken op den grond liggen, en zoodra ik thuis kwam, ging ik er bij +liggen om te lezen. Door de lectuur van Van Deijssel is mijn +individualisme met een jeugdige woestheid tot uiting gekomen, en ben ik +mij zelf, ook om ondervindingen, die zìj niet hadden, buiten de anderen +gaan stellen. + +--Hebt u nu eigenlijk de "Nieuwe Gids" verlaten of overwonnen, vroeg ik; +met andere woorden: kunt u mij den logischen ontwikkelingsgang +aanduiden, die er op uitliep, dat u op een goeden dag niet meer in die +geesteswereld thuis behoorde? + +--Toen ik rijper en ontwikkelder werd, ben ik gaan merken dat de "Nieuwe +Gids" mij onverschilliger werd en dat ik ergens anders moest heensturen. +Datgene wat ik voor mij zelf wilde worden--een centrale +persoonlijkheid--het klinkt een beetje aanmatigend, vindt u niet ... dat +is beroerd ... neen ... ik zal 't maar niet zeggen.... + +--Kom, zoodra men gedichtenbundels uitgeeft, werpt men zich op als +geestelijk leider van zijn volk en dan geeft het niet meer of men het +wil verbergen. Trouwens, als U de voorrede van mijn "Mannen van '80" +hebt gelezen, zult u weten dat u mij genoegen zult doen met nu verder te +gaan.... + +--Goed dan. Ik begon te voelen dat mijn persoonlijkheid anders gebouwd +was dan die van de Nieuwegidsers. Geestelijken inhoud hadden zij niet +voor mij, ik zeg voor mìj. Wat ik al vroeg ging zoeken, dat was den zin +van het leven, de vraag: wat ben ik eigenlijk, hoe is het leven, hoe +staan we tegenover de wereld? het gewone zoeken naar een +levensovertuiging. Naarmate die drang tot zoeken sterker in mij werd, +heb ik gezien dat ik in het leven van den typischen Nieuwegidser voor +mijzelf nooit antwoord zou vinden. Het is voor mij ten slotte gebleven +een beweging van buitengewoon interessante menschen, psychologisch en +artistiek, maar ze zijn voor mij nu, behalve om het mooie wat ze gaven, +vooral van belang, omdat onder hun handen de taal pas is geworden tot +een werktuig, in staat om het geheele moderne leven in zich op te nemen. +Hun beweging kreeg voor mij de beteekenis van een taalreactie, een +fijn-maken en los-maken van de taal. Ik had mij blindgestaard op die +hartstochtelijke jonge menschen die rondliepen in Amsterdam en hun leven +vulden met de Schoonheid, maar ik zag weldra de grenzen van deze +persoonlijkheden en hoe hun beweging verliep en verloopen _moest_. Ik +hield hen in het begin voor jonge Goden, en dacht dat nergens op de +wereld zoo iets was te vinden. Daarna, toen ik ouder werd en mij bij hun +werk onvoldaan bleef voelen, heb ik mij voornamelijk aan buitenlandsche +en oudere kunst gegeven, waarin ik een zoeken vond als het mijne en +waarin velen voor hún persoonlijkheid gevonden hadden, wat ík zocht. + +Die opmerking van een andere letterkundige over de "Nieuwe Gids" waarvan +u daarstraks sprak, trof me.[9] Dat zij alleen het midden en niet het +einde kenden. Volkomen waar. Maar ik zelf, mijn diepste wezen voelt zich +niet voldaan wanneer ik bij een dichter niets anders vind dan den zang +van het oogenblikkelijke leven, ik _mis_ dan het begin en het einde. Ik +wil datzelfde oogenblikkelijke leven, maar voelbaar als de golf van een +vloed, niet als afzonderlijke golf. En ik mis er óók in: het begrip, de +aanvoeling van het geheele leven, waartoe de oogenblikkelijkheden zich +kristalliseeren, waardoor zij allen als facetten worden die te zamen het +ééne kristal van de Levens-idee vormen en die feitelijk in haar essentie +dezelfde is als het wezen van dien onderstroom, waaruit het +oogenblikkelijk leven opgolft, of oprimpelt. Dat miste ik in de "Nieuwe +Gids", en daarom konden zij voor mij geen geestelijke leiders zijn, en +het in schoonheid geestelijk leider zijn lijkt mij een van de +állerbelangrijkste dingen van het dichterschap, niet als tendenz er van, +maar als wézensdeel van het dichterschap. + +--Maar u hebt voor u zelf toch wel een antwoord gevonden op de vragen, +die u straks noemde? + +--Ik heb het soms gedacht, maar ik moet zeggen: Neen. + +Mijn heele werk staat in het teeken van de zoekerij. In mijn +"Uitzichten" heb ik een afdeeling "Zoekers" geschreven, en ik heb daarna +later nog het gevoel gehad van volkomen "Bevrijding" uit die +onzekerheid, maar in den grond van de zaak ben ik gebleven in de periode +van de zoekerij, en dit vindt u dan ook in mijn geheele werk. Het is +misschien een veeg teeken voor mijn poëzie, dat ik na al die jaren van +zoeken nòg niet ben gekomen tot een levensinhoud, maar dichterlijk is +dit zoeken het motief van mijn werk, dus waarom zou ik het hier niet +zeggen? + +Ik ben altijd gestruikeld over den tweespalt tusschen gevoel en +verstand. Mijn gevoel zegt zus--mijn verstand begint het dialectisch te +ontleden en zegt: Neen, niet zus. Het is bij mij uitgegaan van de +epicuristische grondbeginselen, en ik ben nooit tot een andere conclusie +gekomen, dan dat het leven is een koorddansen boven den afgrond. Een +typisch voorbeeld vind ik De Régnier, een man van geweldige melancholie, +zeker een van de meest pessimistische menschen die ik mij ooit kan +voorstellen, en het eigenaardige is nu, dat de eene helft van zijn werk +dit gevoel zuiver weergeeft en de andere helft bestaat uit verzen van +enkel plastische schoonheid. Hij is innerlijk overtuigd van de ijdelheid +van het geheele leven, maar zijn oogen vonden de uiterlijke schoonheid +van de wereld en zijn daarmede vervuld. Dit genot hebbend, schijnt hij +dan zijn droefgeestigheid te kunnen vergeten. Maar ìk kan niet inzien, +hoe men dat voortdurend knagende gevoel van de redeloosheid van het +leven tot zwijgen kan brengen met de schoonheid, alsof die een +narcotisch middel daartegen ware, alsof niet juist de schoonheid er +voortdurend aan herinnert, dat zij een begoocheling is over een leegte. +Ik kàn het niet inzien, ik ben er misschien nog te jong voor.... + +De inhoud van mijn werk is dus zoeken en nog eens zoeken. Natuurlijk +zijn mijn verzen ingegeven door bepaalde ondervindingen, maar +ondervindingen zijn voor mij nooit impressionistische gegevens. Het gaat +bij mij zoo, dat iets dat ik beleef plotseling aanleiding kan zijn om te +schrijven, en een boel van dezelfde levenservaringen in mij los maakt. +Men heeft allerlei ervaringen die nooit tot een gedicht doen komen, maar +een bijzondere aandoening die veel sterker is--maar dat hoeft +niet--treft je zoo, dat al die andere van vroeger in je hart worden +losgemaakt ... en dan komt het vers ... als een lied, niet van dat eene +ding, maar van al die dingen te zamen.... Ja, hoe kwam ik daar ook weer +toe, wat was het begin van dien zin.... + +--U zocht naar de beteekenis van het menschelijk leven. Mag ik u vragen: +bedoelde u daarmede de beteekenis van uw leven, de vraag, waarom +bepaalde wederwaardigheden juist u getroffen hebben ... met heel in de +verte een idee aan een voorzienigheid ... of de beteekenis van het +menschelijk leven in het algemeen ... met de daaraan vastgeknoopte vraag +naar een wereldbeginsel? + +--Dat hangt samen. De groote grondstof, die het onderwerp is van de +poëzie, is het menschelijk leven. Ik word dikwijls aangezien voor een +aesteet, vooral vroeger was dat zoo, maar in de kunst is voor mij altijd +de mensch die er achter zat het belangrijkste geweest. Ik stel hooge +technische eischen, maar zoodra achter de kunst de mensch te voorschijn +komt, die zich krachtig of persoonlijk uit ... het moet natuurlijk geen +stumperen zijn ... dan kan de heele kunst me niet veel meer schelen, als +hij mij maar beweegt. Nietzsche zegt: ik ben eerst Schopenhaueriaan +geweest, maar toen ik de gebreken in het systeem ben gaan zien, heb ik +toch mijn liefde behouden, want: de groote philosoof staat voor honderd +philosophieën. Zoo mag ik zeggen: de groote dichter staat voor honderd +gedichten. Dat klinkt Heidensch, maar is 't niet. Want de naam "groote +dichter" vooronderstelt dat hij werkelijk dichter _is_, dat is vóór +alles een schepper. + +Een van mijn grootste liefden is Dostojefski, die toch de meest +chaotische dingen gemaakt heeft, die ik mij kan denken. Maar welk een +rijkdom aan menschelijke ervaring en ontroering en philosophie! Voor mij +is hij een van de allergrootste figuren van de negentiende eeuw geweest, +gelijk Goethe dan van de achttiende. Zijn geheele werk behandelt het +zoeken naar den zin van het leven, en naar een ethiek, daarop gebouwd. +En nu laat hij een van zijn figuren zeggen: Ge moet het leven liefhebben +boven den zin van het leven.... + +Daartoe heb ik nooit kunnen komen, en toch voel ik dat ik dàt noodig +heb. Ik ben er niet in geslaagd het leven met geheel mijn gevoel en +geheel mijn intellect te zaam lief te hebben, zoolang ik den zin van het +leven niet gevonden heb. + +Nu verhoudt mijn poëzie zich op een bijzondere manier tegenover mij +zelf. Onder het dichten zelf bereik ik, dat ik alle tweespalt geweken +voel. Daarom is het een hoogtepunt in mijn leven, ik voel mij als een +wijde organische eenheid, die geaard is als het leven zelf. Het is of +mijn gevoel zich dan meester gemaakt heeft van mijn intellect, of ze in +elkaar gevloeid zijn, en in elkaar gevloeid vereenigen zij hun +ervaringen, en soms zelfs het verhaal van mijn twijfel schrijvend, heb +ik een gevoel van vervuldheid, dat ik daarná dan weer moet missen. Dan +is de scheiding er weer, en dat het zoo gewéést is helpt mij niet, omdat +mijn verstand niet meer zeker is, _of_ het geen nederlaag geleden heeft +en _of_ dat gevoel van geluk geen valstrik was. Maar in zoo'n oogenblik +heb ik toch gevonden, heb ik het in mij, als gevoel.... + +--U verkondigt dus de levensbeschouwing dat...? + +--Ik vraag mij natuurlijk af wat het belang van mijn werk is, wat ik de +menschen geef voor positief geestelijk voedsel behalve de poëtische +schoonheid--en dan kan ik niet zeggen dat ik dat op het oogenblik in +mijn poëzie geef ... maar wanneer ik werkelijk iets zal hebben bereikt +en gevonden--dan zal al wat eraan voorafgaat het belang hebben dat het +is de weg, waarop een moderne mensch tot zijn oplossing is gekomen.... +Dit sluit in zich, dat ik over het innerlijk van mijn werk nog geen +bijzonder hooge gedachte heb.... + +--Maar u is het met mij eens, dat de sociologische beteekenis van den +dichter is, dat hij, zooals ik in mijn voorrede zeg, geeft het +voorgevoel van een levensbeschouwing? + +--Inderdaad heeft de dichter een groote functie in de gemeenschap, omdat +hij altijd de essencie van het leven zelf geeft en als aanvoeler van het +leven de groote dingen des levens laat voelen en denken, het leven van +anderen dus intensiever maakt. + +--Lezer, geen van de schrijvers die ik tot nu toe bezocht, heeft zich +zoo duidelijk met mij gesteld tegenover het ethisch agnosticisme, dat +naar ik meen de inhoud was van "De Nieuwe Gids". Ge kunt begrijpen dat +ik hier den jongen dichter onderbrak en met eenige spanning (in het +gesprek terug-grijpend) vroeg: + +... Zoeken, toch met de zekerheid dat het antwoord gevonden _kan_ +worden? + +Maar ik viel uit de wolken: + +--Ik zoek niet met de zekerheid dat gevonden kan worden, luidde het +antwoord, na lang peinzen gegeven, anders had ik het voornaamste al +gevonden. Als je weet dat de zin des levens er is, dan heb je hem al, +maar ik weet niet dat de zin des levens er is.... + +Ik kan mijzelf een gemeenschapsdichter noemen in een geheel anderen zin +dan de socialisten. Naar den schijn zoudt ge niet zeggen dat het zoo is, +maar in werkelijkheid is het zoo: De redeloosheid van het leven en het +verdriet van den mensen is mijn geheele aanleiding. Mijn geheele liefde +is voor het menschelijk leven, den mensch bezig zien in zijn doen en +laten is mijn grootste genot, al brengt het weer tot verdriet. Ik kan +mij niet uiten, zonder mij mensch onder de menschen te voelen, en het +kan niet anders of, wanneer ik mijn innerlijk leven uitspreek, spreek ik +ook voor de andere menschen. Ik voel me zelf niet als individu, maar als +mensch. + +--Maar toch niet als dichter van de gemeenschap? + +--Neen, tenminste wanneer u die uitdrukking in leerstelligen zin +gebruikt, want dan kom je precies op het verkeerde standpunt terecht. +Een dichter van de gemeenschap is voor mij bijna een onmogelijkheid. +Want de mensch heeft ongelooflijk veel aan een groote menschelijke +persoonlijkheid, en zoodra u spreekt van een dichter van de gemeenschap, +zoudt ge tot een poëzie komen die, wanneer ze werkelijk poëzie van de +gemeenschap wás, de opheffing van de persoonlijkheid des schrijvers zou +beteekenen. Poëzie wordt op die manier de grootste gemeene deeler op de +onderdeelen der gemeenschap. Wat blijft er dan over van haar hooge +idealiteit?... + +Daarom ben ik het zoo vreeselijk oneens met Adama van Scheltema, wanneer +hij zegt, dat je zoo moet schrijven dat zooveel mogelijk menschen het +begrijpen. Dat is voor mij eenvoudig anti-poëtisch. Ik geloof dat je een +van de meest wezenlijke dingen van de poëzie ontkent, door dit te +zeggen. Neen, je moet zoo schrijven dat je denkt: Nu is mijn gevoel +volkomen tot uiting gekomen, en of het nu voor velen of voor weinigen te +begrijpen is, daar heb je niets mee te maken. Anders ga je, consequent +redeneerend, het hoogere, het diepere geestelijke leven uit de poëzie +sluiten. Het groote geestelijke leven is niet voor de meerderheid. Die +heeft daar geen behoefte aan en ook niet de capaciteiten om het te +doordenken. De uitslag zou worden, dat de poëzie maar een klein stukje +van het menschelijk leven beslaat, en het allerbelangrijkste er buiten +laat. Zinrijk heeft Goethe dan ook gezegd: + + Wer den Dichter will verstehen + Muss in Dichters Lande gehen. + +Dat is een wet van alle tijden voor de poëzie. Is wat je denkt en voelt +moeilijk en ingewikkeld, dan zal het gedicht ook niet makkelijk zijn en +is toch voor den grooten hoop niet te doorvoelen. Je kunt probeeren het +niveau van de meerderheid naar je op te trekken,--dat is zelfs het +heerlijke doel van de kunst--maar zeker moet je niet je eigen niveau zoo +laag zetten, dat je kan hopen dat een zoo groot mogelijke meerderheid +erheen zal gaan. + +Een dichter moet in niets anders leven dan in de aandoening, in de idee +die hij aan het dichten is. Hij moet niet met zijn verstand een +geleidertje bij zijn werk zetten, dat toekijkt of hij wel zoo schrijft +dat vele menschen het zullen kunnen lezen. Dan is de toestand niet +zuiver meer en is de poëzie vertroebeld. De inhoud dwingt den vorm, die +dan zoo zeker al de eigenschappen van den inhoud aanneemt, dat zij niet +meer te scheiden zijn. Er is dus ook maar één goede vorm voor elk +gedicht, en het is dan ook niet aan den dichter, om dien willekeurig te +bepalen om redenen buiten het gedicht zelf. + +Ik heb nooit begrepen wat de socialisten met hun socialistische poëzie +bedoelen. Ik kan niet inzien dat de stof van poëzie ooit iets anders zou +zijn dan vormen en verschijnselen van menschelijke ontroeringen, zooals +liefde, haat, angst, vreugde, en ik kan mij niet voorstellen dat die in +hun essentie ooit veranderen zouden. Zoo blijft het voornaamste element +in de stof van poëzie altijd hetzelfde, de kleuren, nuances alleen +veranderen, en daarmee blijft een van de bestanddeelen van poëzie, die +haar haar groote waarde geven, altijd gelijk. Het andere bestanddeel zit +in het poëtische wezen zelf, de scheppingskracht in het gedicht. Ik heb +daar al eens over geschreven in "De Beweging". Voor mij is een gedicht +niet een soort middelaar, waardoor een dichter zijn leven overgiet in +een lezer, maar een heel eigenaardig, onafhankelijk wezen, dat een +mysterieus, vruchtbaar leven heeft. Er is een inhaerente en latente +levenscheppende kracht in, de poëtische potentie van een vers heb ik dat +genoemd, die is onverwoestelijk in elk goed gedicht en kàn niet vergaan. +Wanneer je goed nadenkt, is de algemeene menschelijke ontroering in het +gedicht misschien zelfs maar een vóoronderstelling van de poëtische +potentie, omdat die als scheppende kracht hoofdzakelijk algemeene, +oergevoelens moet bewerken, al zijn die dan door een dichterhart +heengegaan en al hebben zij de trekken van zijn persoonlijkheid +gekregen. Ach, al die dingen bepalen elkander eigenlijk allemaal over en +weer, dat maakt de poëzie juist zoo iets vreemds. Maar dat alles zien de +socialistische dichters als Henriëtte Holst en Gorter over het hoofd. +Over burgerlijk leven spreken ze, en over burgerlijke ideeën.... +Maar--als ideeën uit werkelijk gloeiend leven zijn opgekomen, dan hebben +ze altijd waarde, en zoo hebben de groote socialistische ideeën waarde +als de andere. Dat is het juist wat alle tijdelijke ideeën redt voor de +poëzie.... Zij leggen den klemtoon op het socialistische--ik op de +poëzie. Het socialisme is iets accidenteels en het essenciëele is de +poëzie. Ik geloof dan ook niet, dat ooit iets dat werkelijk poëzie is, +zijn waarde zal verliezen als eens een andere tijdsorde is aangebroken +met andere gedachten en andere verhoudingen. De groote waarde van de +kunst is juist dat ze al die tijdelijkheden overwint. + +--Hiermede had Van Eijck de voornaamste punten van mijn schema +behandeld. Gevraagd of hij hier nog iets aan toe had te voegen, zeide +hij, even te willen spreken over zijn positie in de Nederlandsche +literatuur van onzen tijd: + +--Ik ben--zoo begon hij--vaak uitgescholden (dat woord uitgescholden +deed het hier kostelijk!) voor volkomen richtingbewust. Ik ben dat in +zooverre, dat mijn streven er altijd op gericht is geweest ... och neen, +laat ik daar maar van zwijgen, daar heb ik straks al te veel van +gezegd..., en dat dan zuiver uit te drukken, maar men mag niet van me +denken, dat ik mijn geheele leven naar een intellectueel schema zou +opzetten, en daarvolgens zou leven en werken. Dat is absoluut niet +waar. Ik hèb geen intellectueel schema. Wanneer mijn werk wel eens den +indruk maakt van intellectualisme, dan komt dat, omdat in mijn +persoonlijkheid de intellectualiteit sterk werkt. Maar ik heb nooit een +gedicht geschreven dat niet een zuiver persoonlijke ervaring was. Ik wil +leven geven, en is in het menschelijk leven het intellect niet een van +de voornaamste factoren? Moet die dan buitengesloten worden? Ik begrijp +niet hoe Van de Woestijne altijd maar kan beweren, dat het, ik zal maar +zeggen ons, om bewuste reflectie en bewuste verbeelding te doen is. Hij +kan beter weten. Het intellect moet het gevoel bevruchten, en het gevoel +het verstand, en de vrucht zal dan zijn, dat warme, wijze, diepe +geestelijk leven, waarnaar ik verlang en waaraan eigenlijk de heele tijd +zoo'n behoefte heeft. Natuurlijk zal mijn poëzie anders zijn dan de +"Nieuwe Gids" ons heeft leeren te genieten en--men verwart zoo dikwijls +geestelijk leven met intellectualiteit. Ik ben voor mijzelf in de poëzie +zelfs zeer sterk een antipode daarvan. Ik word kriebelig, wanneer ik +intellectualistische poëzie lees. + +Een groot geestelijk leven--dat is het wat ik voor mijzelf zou willen en +in anderen zoo bewonder en dat is ook mijn groote bewondering voor +Dostojefsky, omdat die in alle richtingen het leven heeft doorpeild met +zijn gedachten, ook in richtingen die tegengesteld waren aan de zijne. +Maar gedachten zijn bij hem hartstochten! Zijn figuren zijn geen +menschen die behalve een heele boel andere, ook nog den hartstocht van +hun gedachte hebben, neen, zij worden door die eenen hartstocht +verslonden en alles, alles van hen wordt dóór dien hartstocht bepaald. +Zulke persoonlijkheden hebben op de menschheid grooten invloed en naar +zulke dichters vraagt de menschheid. Hij heeft voor zichzelf een +positieve levensbeschouwing gevonden. Ik sta nog aan den kant van de +menschen die hij in zijn werk tegenover zich zelf stelt. Hij geeft zijn +positieve idealen en stelt daartegenover het geestelijke dat hij in alle +richtingen heeft doorleefd--want niemand heeft zooveel aan den Twijfel +geleden als juist hij.... Zijn Iwan Karamasoff is een figuur waarin ik +mijzelf weerspiegel. Hij heeft het probleem van het werkelijke +atheïsme--niet wat de liberale burgerman daaronder verstaat!--doorvoeld, +en dat heeft hij in zijn figuren levend gemaakt--niet als gedachten, +maar als brokken brandend leven! Maar boven de groote gevoelens van het +moderne leven, van hartstocht en twijfel en wanhoop, heeft hij een +ideaal gevonden dat hem, niettegenstaande al zijn ellende, is gaan +vervullen en de hoogte van dat ideaal is te meten naar de diepte van +zijn twijfel, waarvan hij het volle begrip behouden heeft. + +Tegenover heel veel menschen met vaste levensopvattingen begin ik +sceptisch te staan, omdat ik niet weet uit welke basis die +levensopvatting is opgekomen--of er de groote Twijfel aan is +voorafgegaan--of er een diepe ziel achter zit,--maar wanneer ik +Dostojefsky's groote twijfelaars lees, dan weet ik uit welken ondergrond +zijn positief ideaal is opgerezen, en dat geeft mij ook de hoop en het +geloof dat ik voor mij zelf zal vinden. Vindt u het niet typisch, dat +bijna al die zelfkwellers van zijn boeken onder de dertig zijn? Dat +beteekent voor mij véél, want hij schreef ze toen hij veel ouder was.... +En ik weet, dat wanneer ik heb gevonden, ik niet heb gevonden voor +mijzelf alleen--maar voor duizenden. + +En wanneer ik dan talent genoeg heb--dan zal ik een geestelijk leider +kunnen zijn. Daar zit geen hoovaardigheid in--want er zijn twee +praemissen: Ten eerste dat ik zou vinden; ten tweede dat ik talent zou +hebben. Ik hoop op den goeden weg te zijn naar dit ideaal, en dat ik +bewust de dingen wil die voor den sterkeren dichter noodzakelijk zijn, +is voor mij van belang. Men moet toch reiken, wil men iets _be_reiken. +In den bouw van mannen als Kloos en Gorter ontbreken die elementen en +dit maakt dat ze nooit tot een van de groote leiders van de menschheid +konden worden, al was Kloos toch een groot dichter. En nu meen ik, dat +in hen die men thans de jongere dichters noemt, en die misschien wel +weer andere elementen missen, laat ik dat er bij zeggen, een paar +elementen zijn, noodwendig voor groote leiders--zoodat het alleen van +hun persoonlijk talent of genie afhangt of ze het werkelijk zullen zijn. + +Nu is u toch wel duidelijk geworden--niet waar--dat er in mij niets is +van een intellectueel schema, maar wel een streven naar zuiver en diep +leven--dat is: een door een sterke persoonlijkheid doorvoeld leven, dat +ik niet im Voraus in banden mag knellen. Dat _dit_ mijn streven is--een +van de meest karakteristieke dingen van mijn werken--de adem die er +doorheen gaat--is daarvan het bewijs. En ik wil even zeggen, dat iemand +die mij voor intellectualistisch houdt, mijn studies maar behoeft te +lezen om te zien, wat de hoofdzaak is wat ik begeer. In al mijn studies +tracht ik een psychologische synthese te geven van den mensch die in een +bepaald werk leeft en van de manier waarop hij het leven voelt. Mijn +critieken zijn opgebouwd uit bewondering en enthousiasme voor den mensch +die achter het werk zit. + +--Wij hebben nog lang gesproken over dingen die hier minder ter zake +doen. Hij meende dat ons onderhoud min of meer mislukt was, dat hij zich +te onbestemd, te woordenrijk, te aarzelend had uitgelaten. Ik echter +maakte hem het volgend compliment: In tegendeel, U lijkt wel een Belg. +Ik bedoelde dan: een intellectueele Belg. Dit zijn Belgen niet gauw +naar mijn ondervinding, maar àls ze het worden, zijn 't zeer fijne +cosmopolitische geesten en--dan zijn ze er vroeg bij, hebben een +gevestigd oordeel over de dingen des levens als een ander nog +studeert.... Om de waarheid te zeggen--ik overdreef een beetje om hem +gerust te stellen, want hij was bang dat hij dien nacht in bed allerlei +ideeën zou krijgen, die hij mij had moeten mededeelen. Ik twijfelde toch +wel een klein beetje, of ik den weg zou kunnen vinden in den berg +aanteekeningen, die ik had gemaakt, terwijl hij geagiteerd-moeilijk en +toch niet buitengewoon snel tot mij sprak. Maar zoodra ik buiten stond, +voelde ik de Eenheid in hem, en zijn enthousiasme bleef mij bij toen ik +dien avond mij gaan liet door het gistende Den Haag. + + +BIBLIOGRAPHIE: + +De getooide doolhof (1909)--Worstelingen, Getijden, (1910)--De Sterren +(1911)--Uitzichten (1912)--Bevrijding (1913). + + +VOETNOTEN: + +[9] Dit was een opmerking van mij zelf. Ik had beweerd, dat achter de +Nieuwe-Gidskunst de wereldbeschouwing van het positivisme voelbaar is, +die aanneemt dat men niet begin (oorzaak) en einde (doel) van de +verschijnselen kan kennen, maar slechts het "midden" (--heden). + + + + +BIERENS DE HAAN + +[Illustratie: Foto P. Clausing Jr.--Haarlem Dr. J.D. +BIERENS DE HAAN (eind 1913)] + + +(* 1866) + +De lezer wete, dat Bierens de Haan tot de zeer enkelen behoort, die mij +in den tijd dat ik mijn weg nog moest zoeken, zonder overhaasting hebben +aangehoord en mij den raad hebben gegeven, die over de moeilijkheden van +het begin heen voert. Voor 't eerst maakte ik toen intiemer kennis +meteen werkelijk wijsgeers-temperament. Mijn groote dankbaarheid heb ik +nooit nadrukkelijk geuit, maar wel in mijn houding doen blijken, en zoo +is er in den loop der jaren een zekere vertrouwelijkheid ontstaan. Dien +morgen echter zat hij tegenover me met een glimlach, dien ik nog niet +van hem kende. O, hij was mij niet vreemd geworden! Hij heeft de +eigenaardigheid, die ik overigens vooral bij schilders heb opgemerkt, +dat niemand hem absoluut vreemd is; zijn onbewust maar zeer actief +indringingsvermogen geeft reeds bij eerste ontmoeting de gewaarwording +dat hij u jaren kent. Maar de eigenlijke verkwikkende voeling kwam pas, +toen ons "interview" was afgeloopen en hij niet meer met een zekere +reserve dóór mijn aanteekenboek heen tot het publiek sprak. Na de eerste +verwelkoming--hij had in een fauteuil naast mij gezeten--stond hij +vastbesloten op en bereikte in een paar stappen zijn werktafel. Ik zeg +met voordacht: een paar stappen. Want terwijl zijn rijzige gestalte met +enkele losse en toch sierlijk-bedwongen bewegingen door de kamer ging, +had ik het gevoel dat hij een zaal doorschreed en dat er een groote +afstand lag tusschen de mij zoo bekende werktafel, waaraan hij plaats +nam, en mijn stoel bij het venster. Tot dezen prijs dus had ik het +korte, heusche briefje gekocht waarmede hij mijn verzoek om een +"vraag-gesprek" inwilligde! Ik besefte dat er voor hem groote +zelf-overwinning mee gemoeid was, dat hij het publiek den _groei_ van +zijn persoonlijkheid ging verhalen: Een sterk geconcentreerd gemoed is +een _geheel_ en sluit de wonden die aan zijn oorzaken herinneren; het is +zijn grootste genot zichzelf onafhankelijk te bezitten en zijn vroegere +afhankelijkheid te vergeten. Maar mijn gastheer, nu hij uit +vriendelijkheid en belangstelling voor mijn werk eenmaal had toegestemd, +deed van de moeilijkheid waarin hij zich bevond verder niets blijken. +Hij debiteerde niet de gemeenplaats, dat hij "het land had aan +persoonlijk gedoe", welke ik in den laatsten tijd wel eens heb hooren +uiten in een toon en een tempo, die de woorden ten duidelijkste +wêerspraken. Slechts dat fijne gebaar van zich terugtrekken verraadde +(of verkondigde?) de opoffering die hij overigens glimlachend +volvoerde,--gelijk oprechte offers plegen te worden gebracht. En zich +verontschuldigend, dat hij het een en ander had opgezocht en dus niet +onvoorbereid was en zijn antwoorden niet improviseerde, deelde hij mij +het volgende mede: + +In September 1887 is hij begonnen "De Nieuwe Gids" te lezen met groote +sympathie èn met een zekere terughoudendheid. De sympathie gold de +volkomen vrijmaking, die de nieuwe beweging bracht: Ik voelde dat dit +het punt was van overeenkomst tusschen hen en mij: er moest op dat +oogenblik absolute vrijheid zijn, dat wil zeggen: Het subject moest +geheel zich zelf kunnen wezen en dus de banden, de zeden die tot nu toe +waren vastgesteld, moesten losgemaakt worden. Dat was het, dat ik +sympathiek vond en daarbij kwam: Het doen gelden van de directe levende +waarde van het Woord. In het woord heb ik altijd mijn eigen leven +teruggevoeld: Het woord moest levend zijn, de mensch moest het woord +hebben om zijn innerlijk te uiten. Dat had ik al voorvoeld bij het lezen +van Milton en Shelley, maar omdat het geen Nederlanders waren, was toch +nooit het besef van het levende woord zoo tot mij doorgedrongen als toen +"De Nieuwe Gids" mij daarvan de openbaring gaf. + +Deze twee elementen zijn de aanknoopingspunten geweest, waardoor hij +zich--hoewel jonger dan de leiders--in de beweging voelde staan. Maar +tegelijkertijd voelde hij een zekere terughoudendheid, omdat hij inzag +dat het intellect, het geestelijk gehalte, ontbrak: Het was als het ware +"Lyriek zonder idee". Hoewel nog zeer in het onbepaalde, begreep hij wel +dat lyriek en idee op een of andere wijze verbonden moesten worden: Het +zoo uitsluitend impressionistisch gevormde woord heeft mij +tegelijkertijd aangetrokken en onbevredigd gelaten. + +Hij was toen student in Amsterdam, waar hij een jaar gestudeerd heeft, +voor hij naar Utrecht ging. Te Utrecht vond hij in de studentenwereld +een vrij duffen geest. Er was nog niets bekend van wat in de hoofdplaats +van ons land de gemoederen in beroering bracht. Hij poogde de +studentenmaatschappij wat schoonheidsgevoel en wat nieuw-letterkundig +gevoel bij te brengen, maar zonder succes. Hij schreef in dien tijd in +realistisch-impressionistischen trant eenige verhalen en naderhand onder +pseudoniem een enkel stuk in "Nederland", maar bij dien schrijftrant is +hij niet lang gebleven "omdat mijn studie mij ook riep naar meer +speculatieve waarden." Toen zijn een tijdlang Fransche schrijvers als +Verlaine, Maeterlinck, Hello zijn gidsen geweest, vooral de laatste om +de mystische grootschheid en idéerijkheid van zijn woord. Ik weet niet +of ik hen nu nog zoo hoog stel als vroeger. + +Dit heeft zijn heele denken geleid in een richting, verwant en toch weer +niet verwant aan "De Nieuwe Gids". Het eenige stuk waaruit dit duidelijk +blijkt is geweest, in den laatsten jaargang van de oude serie van dat +tijdschrift, een "Psychologie van het leven". "Dat stuk," zoo verhaalde +hij mij, is zeker heel onvolmaakt, maar het toont toch dat mijn werk een +andere richting uitging dan de zuiver literaire, waar ik mij tevoren toe +had geroepen gevoeld.... Ik blijf de "Nieuwe Gids" eeuwig dankbaar voor +de openbaring van de zinnelijke waarde van het woord, dat het woord niet +een abstractie is, maar een direct symbool, waarin ons innerlijk zijn +sprekend equivalent kan vinden. En wanneer ik bescheidenlijk zeggen mag, +dat ik eenigen stijl heb, dan is 't omdat het woord altijd voor mij die +waarde heeft behouden en nooit abstract geworden is. Ik meen dat dit ook +het groote onderscheid is tusschen de wijsgeerige schrijfwijze van +vroeger en mijn schrijfwijze--dat toen het woord alleen gold als term en +wij nu het woord als een levend bezit kunnen handhaven. Er is een zekere +zinnelijkheid in het woord, dat onmisbaar is om het woord zijn +beteekenis als levend equivalent van den geest te doen behouden. + +In dien tijd werd "De Kroniek" opgericht en dit was het terrein waarop +hij zijn eerste werk heeft geleverd. Hij woonde toen in een uiterste +hoekje van Twente. Hij genoot daar op bijzondere wijze van zijn +landelijke omgeving. Die landstreek had iets geheimzinnig eenzaams, dat +hij sindsdien nergens heeft teruggevonden. Typisch voor de +afgeslotenheid waarin hij leefde is wel, dat de menschen daar hem "de +Hollander" noemden. Het kan wel zijn dat het mijn gemoedsstemming was, +die zich daarin weerspiegelde, maar die geheimzinnige eenzaamheid, met +de eigenaardige flora, die ik ook nooit meer heb teruggezien, wekte een +sterke eenheid met de natuur in mij op. Dat geeft een zoo lokale kleur +aan je gemoed, dat het waarschijnlijk voor anderen niet zoo benaderbaar +is als voor den persoon die het zelf heeft doorleefd. Een streek--van +moeras en heuvels--in groote eenzaamheid--ver van alle verkeer gelegen. +Ik woonde er ook geheel als vreemdeling. En dit gaf mij die buitengewone +bekoring van terug te duiken in het natuurleven, en dus heel sterk dien +band te voelen met natuur en zinnen, die behoedt tegen louter abstract +zijn, waartoe de wijsbegeerte zoo licht aanleiding kan geven. + +In samenhang daarmee en in tegenstelling tegelijk, heb ik mij toen meer +rechtstreeks stelselmatig toegelegd op de wijsgeerige studie. Ik ben +begonnen met de positivistische philosophie van Hume--waarschijnlijk +omdat men meestal begint met met zijn vijanden af te rekenen. Die vijand +namelijk is een element van ons eigen gemoed. Als hij niet in ons woont +bestrijden we hem niet.... Ja, deze leer woonde in mijn gemoed en dat +was voor mij een aanleiding om het positivisme ernstig te onderzoeken en +tegen-motieven te vinden. En van Hume kwam ik op Spinoza. + +Mijn eerste studie in "De Kroniek" was een stuk over Spinoza. Ik meende +in hem een levensleer te vinden die uitgaat van de geestelijke Idee. + +Daarmede had ik mijn werk gericht in de lijn der wijsbegeerte en ben +toen uit de directe omgeving van de literatuur losgeraakt. En onderwijl +heb ik voor mij zelf een reeks kennis-theoretische studies ondernomen, +die ik nooit gepubliceerd heb en die wel zeer onrijp zullen wezen, maar +die voor mij dit voor hadden, dat ik nu het Kennen leerde beschouwen als +een geestesarbeid, en dus onzen geest als _activiteit_, in tegenstelling +tot de positivistische opvatting, die ons geheele geesteswerk beschouwt +als een associatie, als een soort van natuurproduct. + +Maar Spinoza heeft weldra mijn liefde gekregen, en er zijn weinig weken +in mijn eerste tiental studiejaren geweest, dat ik niet in Spinoza +gewerkt heb.... + +Wanneer u nu vraagt naar de vrucht van de periode, waarin dus eenerzijds +in mij het levende natuurgevoel en de zinnelijke waarde van het woord +versterkt werden en anderzijds in mij de bewustwording van de Idee werd +aangekweekt, dan verwijs ik u naar mijn bundel _Idee-studies_. Ik had +onderwijl een paar studies geschreven: de eerste was over het +oorzaak-begrip, en met de tweede was ik in de gewenschte lijn gekomen: +zij was getiteld: "De norm der Waarheid is in ons zelf". De geestelijke +waarde werd daarin vastgesteld als een eigenschap van eigen +subjectiviteit. Daardoor krijgen de denker zoowel als de artiest het +recht tot zelf-openbaring. En zooals de artiest zijn zelfopenbaring als +schoonheid aanziet, heeft de denker het recht zijn zelfopenbaring als +waarheid te erkennen. Ik stelde dus een parallel tusschen denker en +kunstenaar vast. Maar de idee-studies zijn dan, eigenlijk, laat ons +zeggen, de rijpe vrucht van die periode, waarvan ik de twee zijden nu +tegenover elkaar heb uiteengezet.... Ik heb daar veel pleizier van gehad +en ben juist bezig aan het bewerken van een tweeden druk: het is zeer +eigenaardig, weer in de sfeer te komen, waarin ik toen een pooslang heb +geleefd. Ik heb er eenige studies aan toegevoegd, die ook uit +denzelfden tijd zijn. Het blijkt mij ook, dat de idee-studies bij vele +verwante gemoederen sympathie hebben gevonden. + +--In hoeverre heeft, volgens u, de Nieuwe-Gidsbeweging leiding gegeven +aan het geestelijk leven in ons land? + +--Ik gevoelde dat er een groot verlangen was naar een nieuwe kunst en ik +was verzekerd dat de "Nieuwe Gids" die geven zou. Ik kon nog niet zien +de personen die hem zouden geven, omdat in de verschillende leiders zeer +schoone eigenschappen zichtbaar waren, maar geen aanwijzing van het +groote werk dat door henzelve beloofd werd. Ik meende ook dat de +nieuwere tijd een speculatiever inhoud zou hebben dan alsnog door de +"Nieuwe Gids" werd gegeven. Maar dat de beweging een noodige heilzame +was voor de vernieuwing van het bewustzijn, voor de vrijmaking van den +geest, en dat de nieuwere cultuur in het verlengde daarvan liggen zou, +dat heb ik direct geloofd. Ik meen ook dat de wijsgeerige beweging een +afstammelinge is van de Nieuwe-Gidsbeweging. Toen het tijdschrift voor +wijsbegeerte werd opgericht, heb ik een inleidend artikel ervoor +geschreven. Daarin heb ik gezegd.... Maar laat ik u liever een stukje +voorlezen:... "een wijsgeerige _beweging_ zou niet hierna gevolgd zijn, +zoo niet daar geweest ware de literatuur van '80. Want door deze werd in +het breede een intellectueele behoefte wakker, die niet door de exakte +wetenschap werd voldaan. Zoo kon voor de wijsbegeerte ontstaan een +terrein voor algemeener belangstelling dan der enkelen. Het lag +bovendien in den aard der beweging van '80, dat uit haar een wijsgeerige +behoefte ontwaakte. Immers zij was niet maar een aktie tot voortbrengst +van literaire werken, doch veeleer een kultuurbeweging, in welke zulke +werken werden voortgebracht. De uiting was hoofdzakelijk +belletristisch, maar de uiting is het wezen niet. De nieuwe literatuur +bracht een nieuwen factor in de geestelijke beschaving aan, nl. den +hartstocht der Taal. Zooals de oudere schrijvers een moraal, een geloof, +een roeping en een godsdienst hadden, en bovendien schrijvers waren, zoo +had de nieuwe literatuur geen moraal noch godsdienst dan den hartstocht +der Taal. De Taal te hebben was een geloof; de eigen verbeeldingswaarde +en het muzikaal karakter der Taal te kweeken was een roeping. Het Woord +was niet maar als een ongevoelde klank en uitdrukkingsmiddel ten bate +van voorstelling en begrip, doch een vrije Macht. De vrije vaan des +Woords, door haar gevoerd, was aanwijzing dat zich een kultuur +toebereidde--die breeder gebied zou omvatten dan roman en vers. Zoo kon +de literatuur van '80 voor het intellekt een aansporing zijn, die ook de +wijsbegeerte ten goede kwam.... Maar nu zou blijken waarheen de Taal +drong. Want de macht, die zij geeft over de stof, noodigt tot +wijsgeerige bezinning. Taal en denken zijn tweelingsuitingen des +geestes; en een kultuur die de vrije beweging des woords tot leus heeft, +kan wel beginnen bij het zinnelijke woord maar moet eindigen bij het +geestelijke. De Taal heeft een voorstellings- en een muzikale wereld in +zich, maar ook een begripswereld; want deze laatste is tegelijk met de +taal zelve uit den aard der menschelijke subjectiviteit (den geest zelf) +voortgevloeid ... dat de literatuur van '80 haar terrein verbreeden en +de grenzen der literatuur overschrijden moest (waaruit blijkt dat zij +inderdaad een kultuurbeweging en niet slechts een literaire school was) +volgde uit haar opzet, die voor haar literatuur te groot was. Want +terwijl de leiders een hervorming van het Nederlandsche geestesleven in +vooruitzicht stelden, was hun literatuur overwegend lyrisch. En alleen +een dramatische letterkunde heeft de breedheid die een kultuur omvat. +Zoo kon dan de beweging van '80, voor zoover zij literatuur was, haar +voornemens niet vervullen en werd juist in dezen kring de nood gevoeld +om de literaire inspiratie te voeden door aan het leven een breeder +inhoud te geven, gelijk bleek in die leiders, die hun arbeid verlegden +naar het terrein der maatschappelijke hervorming...." Boeken heeft mij +toen bestreden en gezegd dat de Nieuwe Gids niet direct den hartstocht +der Taal kweekte, maar met een nieuwe levensbeschouwing kwam. Ik heb +toen met citaten uit "De Nieuwe Gids" bewezen, dat voor hem de taal +werkelijk alles was waar het om ging, en zoo de intellectueele waarde +der Taal naar voren moest komen en de wijsgeerige beweging volgen kon of +moest. + +--Met de opvatting dat de beweging van '80 geen levensbeschouwing bracht +kon ik niet instemmen. Ik had in een buitenlandsch tijdschrift de +stelling verdedigd, dat de literatuur-beschouwing van de "Nieuwe Gids" +eigenlijk een levensbeschouwing was, en vroeg mijn gastheer dan ook, of +hij niet had opgemerkt dat alle jongere schrijvers van die generatie een +gemeenschappelijke levensopvatting waren toegedaan. Zijn antwoord stelde +mij teleur. + +--Ik weet alleen dat het in den beginne over het algemeen positivistisch +gezinde menschen waren. Ik denk dat dat kwam door de eenzijdige +voorliefde voor de zinnelijke waarde van het woord. Aanstonds zijn er +grootere gevoelens doorgebroken. Als u Van Eeden tegenover Verwey, Kloos +tegenover Van Deijssel stelt, dan ziet u toch, dat dit zoo heterogene +menschen zijn, dat van eenheid in levensbeschouwing heel weinig sprake +is geweest. Op dat oogenblik bestond de behoefte ook niet aan ontwaking, +omdat het leven voor de taal het heele gemoed van de Nieuwe Gidsers +innam. Dat was het nieuwe gebied dat door hen geopend werd. + +--Deze meening was mij ook reeds door anderen tegemoet gevoerd. Ik had +gehoopt dat Bierens de Haan mij zou bijspringen. Ik deed een laatste +poging om hem in mijn richting te leiden: Of dan niet juist een gebrek +aan levensbeschouwing de jongere dichters vereenigde? vroeg ik. + +--Dat zou u kunnen zeggen, kreeg ik ten antwoord, wanneer niet dat +gebrek een noodzakelijkheid geweest ware. Omdat de aandacht zich zoo +richtte op de schoonheid, was de revolutionnaire strekking van de +beweging niets anders dan dit voorop te stellen. Dat zou tenslotte +armoede zijn geworden, wanneer niet de beweging in de richting van het +wijsgeerig denken door was gegaan. + +--Het woord "armoede" leek mij in dit verband toch wat sterk gekozen, en +dit bracht mij tot de vraag, wat dan het onderscheid was tusschen de +romanliteratuur, door de tachtigers en hun verwanten gegeven, en de +wijsgeerige verdieping die mijn gastheer bedoelde? + +--Het onderscheid is dit, dat in het wijsgeerig denken de behoefte +ontstond aan een stelselmatige levensbeschouwing, dat wil zeggen: aan de +centrale Idee, de centrale gedachte, de gedachte van waaruit het leven +kan worden doorzien, de levensuitingen kunnen worden begrepen en +gewaardeerd--en die behoefte is in de romanliteratuur die u bedoelt +natuurlijk niet aanwezig. Ik heb die centrale gedachte aanvankelijk bij +Spinoza gevonden. Toen was mijn denken meer psychologisch-wijsgeerig, +terwijl ik het nu liever cosmologisch-wijsgeerig noemen zou. + +In Spinoza lag de grondgedachte dat het leven is een volharding in ons +eigen zijn. Van daaruit werden zoowel moraliteit als religie begrepen +en indirect ook de schoonheidszin, hoewel Spinoza dien factor van onzen +geest eigenlijk voorbijziet. Maar Spinoza had dit, dat hij althans tot +het diepste punt van onze natuur doordacht en van daaruit zijn +levensbeschouwing opbouwde. Dit was de noodige aanwijzing voor een +wijsgeerige levensleer. En nu is het merkwaardige dat Spinoza juist ook +aangewend werd door de meer positivistische denkers, de oudere +philosophen, zooals Van Vloten en Lotsy bij ons.... + +--Hier maakte ik de opmerking, dat van het gebrek aan levensbeschouwing +bij de tachtigers tot aan het streven naar meer wijsgeerige bezinning +nog een stap te doen bleef. Moest, zoo vroeg ik, niet eerst de +overtuiging postvatten, dat een centrale gedachte in principe te vinden +zou zijn? + +Mijn gastheer beaamde dit, en hij verduidelijkte mijn bedoeling door te +spreken van den stap van het positivisme naar het idealisme. Het was +juist in den strijd tegen het positivisme, dat het idee van de +activiteit van onzen geest naar voren kwam. Waar de geestelijke +activiteit is, daar heeft ze haar eigen begrippen, daar stelt ze haar +eigen beginselen, daar stelt ze ook de centrale gedachte. Het lag in de +consequentie van den strijd tegen het positivisme, dat men de centrale +gedachte vond. + +--De eenigszins wijsgeerig georiënteerde lezer begrijpt, dat ik zeer +gesticht was door deze duidelijke verklaring. Hier had ik dan uit den +mond van een philosoof, die rechtstreeks stamt uit de Nieuwe +Gidsbeweging, die in die beweging tot wijsgeer is geschoold, een +bevestiging van mijn hypothese, dat de grond-idee, die bewust of +onbewust in de Nieuwe Gidskunst is neergelegd, is de pseudo-philosophie +van hen, die zeggen geen wijsgeer te willen zijn. De schijn-verlichtheid +van het Comtisme, het spooksel dat men had te overwinnen om uit de +kunst van tachtig tot een werkelijk hoogere trap van cultuur te +komen.... + +Het speet mij niet dat ik Bierens de Haan had afgeleid van Lotsy, met +wien hij, ik ontveins het mij niet, nog gaarne een appeltje had +geschild. En in mijn milde stemming liet ik hem nu maar voortspinnen aan +een denkbeeld, dat eigenlijk niet in mijn lijn lag,--al behoort het tot +het grootste dat het wijsgeerig vorschen ten onzent in de laatste +vijfentwintig jaar heeft opgeleverd. + +... Maar--zoo hernam hij--om op de oudere Spinozisten terug te komen: Ik +heb met Lotsy verscheiden malen in "De Kroniek" gepolemiseerd, maar dat +bepaalde zich meestal tot het stellen van onvriendelijke noten van +weerszijden onder de pagina's. Wat mij overtuigd heeft dat Spinoza +inderdaad _idealistisch_ dacht, is het einde van de Ethiek, waar de +"intellectueele liefde tot God" als het hoogst bereikbare van het leven +gesteld wordt, als geheel liggend in de lijn van de volharding des +menschen in zijn eigen zijn. Daarom meende ik dat ook een idealistische +interpretatie van het Spinozistisch levenssysteem geoorloofd was. De +vrucht daarvan is geweest mijn boek "_Levensleer naar de beginselen van +Spinoza_," dat ik in 1900 uitgegeven heb bij Martinus Nijhoff. + +Al meer ben ik toen ons geestesleven gaan opvatten als een bewustwording +van ons innerlijke wezen en in die lijn is mijn geheele gedachteleven +doorgegaan. En dat Spinoza nog steeds mijn sympathie heeft, kan hieruit +blijken, dat ik op verzoek van de "Hollandia-drukkerij" geschreven heb +de vertaling van de hoofdpassage's uit Spinoza's Ethica, met een +inleiding over het Spinozistisch denken. Maar daar komt nu juist weer +meer een cosmologische opvatting van het leven voor den dag, die ook in +Spinoza steekt en die ik vroeger wel wat heel sterk afscheidde van de +psychologische, nl. in deze uitspraak: De mensch is "God voor zoover hij +niet-eindig is"--dat wil zeggen, dat er een eenheid is van het +menschelijke en het goddelijke en ook het geestesleven als verschijning +van den Cosmos moet worden doordacht. Dit echter is een verbreeding van +het psychologisch denken--geen afwijking ervan. + +U ziet dus dat wij een heel andere richting opgaan dan de veel +beperktere van den psychologischen roman, die niet veel verder gaat dan +directe analyse. Maar wel kan ik hierop laten volgen, dat, wat betreft +den inhoud waarover dit denken zich uitlaat, het zich vooral beweegt in +de innerlijke zielswaarden. Terwijl vroeger de theologie het menschelijk +denken beheerschte en de onderwerpen waren bijv. "Praedestinatie en +Wonder", of "De eigenschappen Gods", of "Godsbestuur en het kwade"--zijn +in deze nieuwere speculatie de onderwerpen vooral: "Het ironische", "De +eros", "Vrijheid en gezag", "Het verband van schoonheid en denken", +"Geluk, geest en zinnen", "Het tragische", "De cultuur" e.d. Het +zwaartepunt van de aandacht ligt in de sfeer der Psyche, wat niet +wegneemt dat die zielsinhoud opgevat wordt als verschijnsel van +cosmische beweging. Wat in den mensch is, is hetzelfde als in de geheele +ontwikkeling van het wereldleven wordt vertoond. Zoo wordt echter de +wijsbegeerte veel meer cultuur-denken en gaat veel meer in den breede +dan de psychologische roman dit kan doen. + +--Ik verzocht mijn gastheer nu, zijn standpunt scherp af te bakenen ten +opzichte van de twee stroomingen, die na de "Nieuwe Gids" ons geestelijk +leven trachten te beheerschen, de wijsbegeerte van het Proletariaat en +die van de Zuivere Rede, welke Bolland's volgelingen hebben gesticht. + +--Het moet altijd--zoo leidde hij op het eerste zijn antwoord in--de +grondgedachte zijn van een wijsgeerige beweging, dat zij de cultuur +hervormen wil van binnen uit en niet gelooft aan een werkelijke +verhooging van de cultuur door economische maatregelen. Dat wil niet +zeggen dat er een bepaald vijandige verhouding is tegenover die +opvatting--het kan zelfs in zich sluiten een zekere erkenning van de +onmisbaarheid van economische hervormingen. Maar het is niet de +verwachting, dat daaruit werkelijk iets hoogers geboren zal worden. Dat +wil dus zeggen: De maatschappelijke rechtvaardigheid is een ondergeschikt +denkbeeld van de cultuur, maar het is niet gezegd, dat de maatschappelijke +rechtvaardigheid een socialistisch stelsel van maatschappelijke vorming +of hervorming meebrengt. In het algemeen _lijkt het_ mij, alsof de +wijsgeerig gezinde een zeker aversie heeft tegenover afgesloten meeningen +over de inrichting van de maatschappij. Ook moet men altijd een +tegenstelling tusschen maatschappij en innerlijk zien, en daaruit volgt, +dat dàn pas een hooger cultuur aanbreekt, wanneer de innerlijkheden op +een hooger plan zijn gebracht. De wijsgeerig gezinde streeft er naar, het +innerlijk te verhoogen en in zoo uitgestrekt mogelijke kringen werkzaam +te zijn tot verheffing van het zedelijk bewustzijn. Hij onthoudt zich +allicht van de propaganda voor zuiver uitwendige maatschappelijke +verbeteringen. Dat komt dus neer op een eenigszins negatieve verhouding +tegenover de socialistische strooming.--Deze is de begrippenvorming van +de behoefte aan economische verbetering en gaat niet uit van het +cosmologische begrip der Idee. Zij moet dus de geesteswaarden als surplus +of toevoegsel beschouwen, terwijl deze juist de grondleggende zijn. Het +is niet gezegd dat in een socialistisch goed geordende maatschappij het +gedachteleven, het gemoedsleven, het kunstleven, hooger staan dan in een +chaotische. Want tot nu toe zijn kunst en wijsbegeerte en poëzie in hun +hoogste vormen geweest bij alle mogelijke soorten van maatschappijen. Een +negatieve verhouding dus, die niet exclusief is tegenover maatschappelijke +wijziging, maar er het intellectueele heil niet van inziet. + +--Heeft dus volgens u de intellectueel niet veel te leeren van de grootsche +gevoelens en ideeën die er leven in de massa, speciaal in het zich +organiseerende proletariaat? + +Zacht, beslist en precies luidde hierop het antwoord: + +--Ik wijs af een opvatting, waarbij het innerlijk niet uit zichzelf +leeft en waarbij de menigte naar economische motieven over het +geestesleven wil heerschen.... + +--Heeft dan het innerlijk leven, zooals u het verstaat, te vreezen van +een overwinning van de menigte? + +Het antwoord ging even langs de vraag heen, maar ook hierin lag voor mij +een antwoord besloten: + +--Vrees heb ik er niet voor, omdat ik niet geloof dat ooit het innerlijk +weerlegd kan worden door het economische. En omdat ik er toch ook in zie +een poging tot wijziging van het maatschappelijk samenstel, waartoe op +zichzelf een zekere grond bestaat. Treffend vind ik, dat in de latere +gedichten van Gorter, de socialistische, datgene schoon is waarin het +oude geluid van "Mei" naklinkt, zoodat men zeggen kan: Wanneer een +socialistische maatschappij bestond, ook dan zou de schoonheid niet +daaraan ontleend zijn, maar aan het innerlijke. Het innerlijke heeft +zijn zelfstandigheid en geeft die niet op. Het is het eigenlijke +dieptepunt, het centrale punt van leven en werkelijkheid. De loochening +daarvan staat gelijk aan de ontkenning dat de cirkel een middelpunt zou +hebben. De geestdrift der idee blijft altijd het ontspringpunt van +schoonheid en waarheid en ook van goedheid. Elke maatschappij zal ten +slotte weer haar waarde moeten ontleenen aan deze geestdrift, die niet +uit het maatschappelijke maar uit het innerlijke komt.-- + +Wat nu de strooming van "Zuivere Rede" betreft, in het algemeen zou ik +zeggen, dat de mensch altijd aangewezen is op de centrale gedachte om +van daar uit persoonlijk het leven te doorzien--maar dat het stelsel in +zijn naaktheid nooit deze rechtstreeksche zienswijze kan vervangen.... +Wat niet wegneemt dat Hegel zelf een ziener is en voor hem de Idee de +levende kracht is, die geheel de natuur en de cultuur draagt. Men krijgt +bij hem heel sterk den indruk, met een ziener te doen te hebben. Dat +echter de idee van Hegel alleen maar in zijn stelsel uitgewerkt zou +kunnen worden, met andere woorden, dat het Hegelsche stelsel de +noodzakelijke uitingsvorm is van de Hegelsche grondgedachte--dat stem ik +niet toe. Althans, dunkt mij, _zal wel nooit de wijsbegeerte de kunst +mogen of kunnen vervangen, maar juist de bezielende kracht moeten zijn +voor kunst en moraliteit en religie tegelijkertijd_. + +--Hoe is dan het verband tusschen kunstenaarwijsgeer en maatschappij; +denkt hij, al speculeerend, daarbij aan hen die van zijn werk kennis +zullen nemen, met andere woorden, stelt hij zich in dienst van zijn +medemenschen? + +--Dat vind ik een aardige vraag. Het is juist een vraag die dikwijls +mijzelf bezighoudt, maar waarop een tweevoudig antwoord moet worden +gegeven: + +Het eerste antwoord is, dat ik mij verklaar tegen alle wijsgeerig +aristocratisme, dat alleen aan zichzelf denkt. + +En het tweede antwoord is, dat in hoogsten zin toch de wijsgeerige +beschouwing, en het geheele denkerschap, een innerlijk heiligdom +betreedt van het gemoed--waar zij ontoegankelijk is voor een ander. + +Laat ik nu het eerste antwoord een beetje verbreeden: Het denkerschap +heeft een roeping voor de maatschappij, nu wel niet in den preciezen zin +van het woord, maar toch wel voor een zoo breed mogelijke groep van +intellectueel gezinden. Ik geloof dat wijsgeerige beschouwingen +helderheid kunnen geven, licht kunnen brengen aan veel meer geesten dan +op het oogenblik daar nog van genieten. Ik zou er zelfs voor zijn, om +bij het onderwijs aan de H.B.S. en het gymnasium te beginnen met het +doceeren van wijsgeerige gedachtengangen. Op het gymnasium kan dat zeer +goed door een uur vrij te maken voor de studie van de Grieksche +wijsgeeren, en ook op de H.B.S. kan men met de kapitaalste figuren uit +de geschiedenis der wijsbegeerte kennis maken. Dan moest men eenvoudig +maar iets van het andere onderwijs opgeven, daar kan men wel wat van +missen! Men zou bijv. de hoofdgedachten uit de "Kritik der reinen +Vernunft" in de hoogste klassen van de H.B.S. kunnen toelichten. Er zou +belangstelling kunnen gewekt worden voor Socrates, voor Cartesius, voor +Spinoza en voor Kant--men zou desnoods kunnen werken met een gedeelte +van de klassen, waarin zich belangstelling voor het intellectueele had +geopenbaard, om zoodoende zooveel mogelijk aan een ontwikkelde +meerderheid een begrip bij te brengen van intellectueele waarheden. + +U ziet dus, dat het mijn bedoeling niet is, de wijsbegeerte af te +zonderen voor een kleine groep. Maar boven deze ontwikkelden zal er +blijven een speculatief gezinde minderheid, die zelf ook arbeidzaam kan +zijn in het behandelen van wijsgeerige vragen, die zelf het denken meer +als kunst zal kunnen behandelen. Dat is de groep die een eigen +scheppingsdrang voelt en dezen niet slechts in kunst- en andere werken, +maar ook in gedachtengangen wil omzetten, menschen die een enorm +levensgeluk kunnen ontleenen aan hun actief-wijsgeerige belangstelling. +Menschen die met goede leiding heel wat gedaan kunnen krijgen, terwijl +ze nu in het onbestemde ronddwalen. Zoo meen ik zeker dat de +wijsbegeerte nog heel wat meer kan doen voor de verheffing van zekere +lagen der maatschappij dan ze tot nu toe gedaan heeft. + +Maar ten slotte--en nu kom ik weer aan het tweede antwoord,--zal toch +weer de wijsbegeerte zijn het denken voor de denkers zelf, die op de +Pyramide een hoogere trap bereikt hebben, dan waarop de meerderheid zal +kunnen komen. + +Ik meen echter, dat de kunst al zooveel meer toegang zich verschaft +heeft tot een grooter publiek dan er voor jaren was en ook de +letterkunde, de poëzie en de dramatiek al zooveel meer gedaan hebben +voor de geestelijke opvoeding van ons geslacht, dat hierin een +aanwijzing ligt, dat ook de wijsbegeerte meer kan doen. En daarom +begroet ik ook zulke inrichtingen als de Volksuniversiteit te Amsterdam, +waar ik zelf ook les zal geven, met dankbaarheid. + +Men ziet hieruit, dat naar mijn meening de wijsbegeerte van het +innerlijke uit hervormingen zal verwekken, die misschien meer resultaat +hebben voor den geestelijken bloei van ons vaderland dan oeconomische +hervormingen. Niet dat ik die laatste gering schat natuurlijk, maar mijn +liefde tot het geestesleven maakt, dat voor mij altijd weer de nadruk +valt op de eerste. + +Wanneer de wijsbegeerte zich niet open wou stellen voor een grootere +schare, maar een apart bezit werd voor enkelen, die haar zorgvuldig +omsloten hielden met hun zelfbewustzijn, dan kregen we heel licht een +quasi wijsgeerige cultuur van velen, die zich de enkelen willen +wanen--wat het Nietzscheanisme bij de Duitschers is--die ieder meenen +dat zij den Uebermensch zijn--_omdat zij de scheidingslijn tusschen +intellect en menigte met voorliefde trekken inplaats van met zekere +teleurstelling_. + +--Hoewel mijn gastheer--wat trouwens wel uit keus en geest zijner +woorden voelbaar is--zeer rustig en met slechts weinig nuanceering in +stem en toon sprak, klonk uit deze laatste woorden weemoed genoeg om +mijn volgende vraag te motiveeren en deze luidde: + +--Is het echter bij deze opvatting niet te vreezen, dat men zich zal +laten verleiden tot een al te populairen zeggingsvorm, waarin dan de +wetenschappelijke juistheid te loor gaat? + +Neen--er is een zekere artistiek wijsgeerige bewoording, waarin aan de +waarde der idee niets wordt afgedaan, maar wel een toegankelijkheid voor +een grooter kring wordt geopend. De schoone vorm is voor velen, die +anders van het abstract gehouden woord een zekeren afkeer hebben, het +middel tot toenadering. Mijn ideestudies zijn niet strikt wijsgeerig, +maar het innerlijk gehalte is het toch wel. Er is bij velen de +mogelijkheid om zich in de centrale gedachte in te denken, zonder dat +het geheele stelsel voor hen toegankelijk is. Deze menschen hebben meer +intuïtief vermogen van speculatie dan zij didactisch vermogen hebben, +maar ze zijn dan toch in de wijsgeerige cultuur mede inbegrepen. Een +minder stelselmatige en meer artistieke voordracht kan toch hebben de +hoogte of de diepte der idee die wordt benaderd. Ik geloof dat er veel +meer menschen dan men vermoedt vatbaar zijn voor zelfbezinning en dat +dit niet zoozeer een prerogatief is voor enkelen! + +Het hangt allemaal af van de aanwezigheid van beschouwelijk temperament. +Ik kan niet beoordeelen of dit beschouwelijk temperament in onze +beschaving veel of weinig voorkomt. Het komt zeker veel voor bij +menschen van wie men het niet weet. Men weet het alleen van menschen die +zich uiten, niet van menschen die zich beschouwen. Althans, de +hoogstrevendheid van het willen om wereld en leven te bezien vanaf de +berghoogte--deze hoogstrevendheid is wel een innig-menschelijke behoefte +en een innig-menschelijk belang; en moet dus wel aanwezig zijn bij meer +menschen dan van wie men het merkt. En zoo vermoed ik dat er wel een +grooter kring van bewoners dezer maatschappij aanwezig zal zijn, die +vatbaar zal zijn voor het wijsgeerig woord. + +--Ik merkte op dat ik thans aan de grens was gekomen van hetgeen voor +mijn enquête, die immers hoofdzakelijk van letterkundigen aard is, van +nut kon worden geacht, maar hij verzocht mij aan al hetgeen hij had +gezegd eigener beweging iets te mogen toevoegen, dat ook verband hield +met mijn gedachtengang. + +--Het pessimisme, zoo zeide hij, is in de negentiende eeuw vrij algemeen +de grondstemming geweest. Ik geloof dat ieder denker het pessimisme +heeft doorgemaakt, dat zeer vele gemoederen in het pessimisme zijn +blijven steken. Ik weet echter, dat zij die erin terecht zijn gekomen, +in de wijsgeerige speculatie een kracht hebben om zich er uit te heffen. +Dat slaat niet alleen op het stemmings-pessimisme van een voorafgaande +periode of het Schopenhaueriaansch pessimisme dat een levenshaat tot +inhoud heeft, maar ook en nog meer op het intellectueel pessimisme dat +men sceptiek noemt. Want dat is eigenlijk de meest knagende vorm van +pessimistischen gemoedsaard, die zekere sceptiek, waarbij men zich eigen +gedachten niet vertrouwt, altijd zichzelf weerlegt, nooit met zichzelf +in het reine komt, altijd als het ware achter zijn eigen gedachten gaat +staan om die voor louter subjectiviteit uit te krijten. Dit +intellectueel pessimisme wordt overwonnen, zoodra onze geestelijke +energie zichzelf erkent, van zichzelf uitgaat en daarmede een vast punt +heeft dat onverzettelijk is. Ik heb in mijn werk _De Weg tot het +Inzicht_ ook niets anders bedoeld als den weg te wijzen tot dit vaste +punt, als het denken--niet over allerlei onderwerpen, maar over +zichzelf. Als toch het denken zichzelf erkent, erkent het meer dan eigen +zielsinhoud: het erkent zijn eigen grond. Die grond is een cosmisch +feit. Van daaruit kan het Denken het leven veroveren en met dat +zelfbezit is pessimisme en sceptiek overwonnen. Zoo heeft de +wijsbegeerte des te meer een cultuur-beteekenis voor het moderne +geslacht der menschen. + +Naar mijn meening vindt het geheele geestesleven zijn hoogtepunt in de +religie, die niet de kerkelijke is en ook niet een aantal dogmen +verkondigt, maar is het bewuste een-zijn met den wereldgrond, met God, +dat wil zeggen: de innerlijke beleving van de waarheid zelf. Daardoor +voelt de mensch verwantschap met de religies, zooals ze zich in de +historie hebben voorgedaan. Daardoor zondert het wijsgeerig denken zich +niet af tot een aparte cultuur, maar sluit zich geheel aan bij de +religieuze cultuur aller eeuwen. + +Het hoogste woord onzer wijsheid zal wel zijn de vereering, de eerbied +voor God. Ik ben niet bang voor een verkeerde opvatting bij het woord +God: het is beter dat men er een naïeve opvatting bij heeft dan +heelemaal geen. Het zich los voelen en apart voelen uit het wereldgeheel +is het noodlottigste sentiment: dat is de machteloosheid, dat is de +onvrijheid. Het bewustzijn der eenheid met God is de vrijheid. Daarom +eindigt Spinoza zijn Ethiek ook met de verheerlijking van de geestelijke +liefde tot God als hoogste levensmoment.-- + +Hier eindigde ons gesprek, voor zoover het betrekking had op den trek +van Kunst naar Bespiegeling, die niet alleen voor Bierens de Haan maar +tevens voor het geestelijk leven in ons land zoo kenmerkend is. Het +overige gaat buiten den lezer om. Maar één eigenaardigheid moet ik nog +vermelden. Ik had dien namiddag enkele uren door te brengen in het +gezelschap van een veertigtal woelige en ongevormde Hoogere Burgers en +-burgeressen. Het is opmerkelijk dat zulke ongecultiveerde jongelui, +zoodra ze in een _groep_ zijn vereenigd, volkomen onbewust voelen of ge +u zelf zijt of niet. Door hun gedrag vertellen ze u of ge vermoeid zijt +of afgetrokken, en menig leeraar raakte het stuur over zijn klasse kwijt +door _buiten_ zichzelf te treden. Welnu, mijn jongelui toonden dien +middag bijna ademlooze aandacht voor het weinigje dat ik hun mocht +voordragen, en ik weet zeker dat dit is toe te schrijven aan den moed en +zekerheid die ik uit dit gesprek had geput. + +We spraken dus en ten slotte vroeg ik hem wat toch de beteekenis is van +'t beeldhouwwerk aan zijn schoorsteenmantel. Hij deelde het mij mede, en +een beschrijving van zijn (weliswaar niet huiselijken, doch +persoonlijken) haard moge niet alleen dit opstel, maar ook het relaas +van geheel mijn onderzoek besluiten en symboliseeren: + +De hooge schouw is omgeven door een eikenhouten lijst, waaruit, te +weerszijden, het borstbeeld van een Faun en een denkerskop te voorschijn +treden. Zij kijken elkander aan over den haard van mijn gastheer, maar +men weet niet of ze elkander wel zien. De Faun heeft het oog gericht op +een figuur, bestaande uit twee dooreengevlochten driehoeken in een +cirkel. Hij stelt voor de natuur in haar dubbel-karakter van grilligheid +èn planmatigheid. De denkerskop (hij gelijkt iets op Goethe in zijn +laatste jaren) ziet uit naar een stralende ster: hij stelt voor het +geestesleven, door het geestelijk Licht bestraald. Tusschen beide +borstbeelden slingeren guirlandes over den houten lijst, die elkander +halverwege in een vlammend altaar--den wereldhaard--boven den +menschelijken haard ontmoeten. Achter den Faun (in een afzonderlijk vak) +prijkt een boom, de natuurkracht; achter den Denker de duif met aureool, +aldus de geestelijke bezieling voorstellend. + +Deze schouwlijst wordt geschraagd door zandsteenen zuiltjes, waaruit de +kop van den denker Plato en de kop van den dichter Dante te voorschijn +komen en de kamer in staren. + +Het moet schoon zijn, zijn haard te vestigen tusschen natuurkracht en +geestelijke bezieling, wanneer die beiden elkander in een vlammend +altaar ontmoeten. + +Moge onze Nederlandsche cultuur zich harmonisch en wel-bewust +ontwikkelen volgens dit symbool. Dan staan wij schrap tegenover +geestelijke vijanden die onze cultuur bedreigen--gelijk onze duinen, +waar deze ménschelijke haard geplant is, schrap stonden en staan tegen +een materiëelen belager. + +Kerstmis 1913. + + +BIBLIOGRAPHIE: + +De psychische afkomst van het oorzaakbegrip. Een studie tot kennis van +menschelijk denken (1895)--De norm der waarheid is in onszelf +(1897)--Idee-studies (1898)--Levensleer naar de beginselen van Spinoza +(1900)--Plutarchus als godsdienstig denker. Een gestalte uit de +Grieksch-Romeinsche godsdienstgeschiedenis (1902)--Wijsgeerige studies +(1904)--De weg tot het inzicht, eene inleiding in de wijsbegeerte +(1909)--Uren met Spinoza, een keur van stukken uit zijne werken, +vertaald en met een inleiding en aanteekeningen voorzien (1913). + + + + +INHOUD + + Ter Inleiding + Johan de Meester + Karel van de Woestijne + Josine A. Simons-Mees + Cyriel Buysse + Frans Bastiaanse + Herman Robbers + Is. Querido + Carel Scharten + Adama van Scheltema + P.N. van Eijck + Dr. J.D. Bierens de Haan + + + + +ILLUSTRATIËN + + Frontespiece: Louis Couperus + Johan de Meester + Karel van de Woestijne + Cyriel Buysse + Id. Op het balkon van zijn werkhuis + Frans Bastiaanse + Id. + Herman Robbers + Id. + Carel Scharten. + Id. + Adama van Scheltema + Id. + P.N. van Eijck + Dr. J.D. Bierens de Haan + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De jongere generatie, by E. D'Oliveira + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE JONGERE GENERATIE *** + +***** This file should be named 10514-8.txt or 10514-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/0/5/1/10514/ + +Produced by Miranda Van de Heijning, Eric Casteleijn en de +PG Distributed Proofreaders. + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's +eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII, +compressed (zipped), HTML and others. + +Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over +the old filename and etext number. The replaced older file is renamed. +VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving +new filenames and etext numbers. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000, +are filed in directories based on their release date. If you want to +download any of these eBooks directly, rather than using the regular +search system you may utilize the following addresses and just +download by the etext year. + + https://www.gutenberg.org/etext06 + + (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99, + 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90) + +EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are +filed in a different way. The year of a release date is no longer part +of the directory path. The path is based on the etext number (which is +identical to the filename). The path to the file is made up of single +digits corresponding to all but the last digit in the filename. For +example an eBook of filename 10234 would be found at: + + https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234 + +or filename 24689 would be found at: + https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689 + +An alternative method of locating eBooks: + https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL + + diff --git a/old/10514-8.zip b/old/10514-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5937608 --- /dev/null +++ b/old/10514-8.zip diff --git a/old/10514.txt b/old/10514.txt new file mode 100644 index 0000000..0730af5 --- /dev/null +++ b/old/10514.txt @@ -0,0 +1,6890 @@ +The Project Gutenberg EBook of De jongere generatie, by E. D'Oliveira + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De jongere generatie + Gesprekken met vertegenwoordigers van de nieuwere richting in onze +literatuur; tevens een enquete naar enkele beginselen in ons nationaal +geestelijk leven. + +Author: E. D'Oliveira + +Release Date: December 22, 2003 [EBook #10514] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO Latin-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE JONGERE GENERATIE *** + + + + +Produced by Miranda Van de Heijning, Eric Casteleijn en de +PG Distributed Proofreaders. + + + + +[Transcriber's Note: Spelling, accents, use of quotation marks and +hyphenation are terribly inconsistent throughout the source text, and +have been left as they were. Only obvious printing errors have +been fixed.] + + + + +"DE JONGERE GENERATIE" + +door + +E. D'OLIVEIRA + + +(VERVOLG OP "DE MANNEN VAN '80") + + +GESPREKKEN MET VERTEGENWOORDIGERS VAN DE NIEUWERE RICHTING IN ONZE +LITERATUUR; TEVENS EEN ENQUETE NAAR ENKELE BEGINSELEN IN ONS NATIONAAL +GEESTELIJK LEVEN + + +GEILLUSTREERD + + +[Illustratie: LOUIS COUPERUS] + + + + +TER INLEIDING + + +Toen ik den tweeden druk van mijn "Mannen van Tachtig" de wereld in +zond, hoopte ik, in de hier volgende bladzijden een samenvatting te +kunnen geven van hetgeen mijn onderzoek naar sommige beginselen van +onze nieuwere literatuur mij had opgeleverd. Helaas, het gaat niet! De +medewerking van enkele representatieve personen, met name van Mevrouw +Henriette Roland Holst en van Herman Gorter, werd mij onthouden. + +Ik zal hier niet beoordeelen in hoeverre hun weigering gemotiveerd is +tegenover de algemeen erkende objectiviteit, die ik bij het weergeven +van hetgeen anderen mij wilden mededeelen heb betracht, tegenover de +onpartijdigheid die bovendien uit den geheelen opzet van mijn werk +logisch volgt en--tegenover de opoffering van ... persoonlijke +gevoeligheden welke anderen (en geen mindere goden!) zich hebben +getroost, toen ze mij te woord stonden. Ik berust. Zelfs in het verbod +van Gorter om--wie had 't ooit gedacht!--de redenen van zijn afwijzende +beschikking te vermelden. + +Daar echter de socialistische kunstenaars van deze school een +belangrijke functie vervullen in het schema van ons geestelijk leven dat +mij voor den geest zweeft, ontbreken mij de gegevens om, althans op +grond van dit boek, de ontworpen samenvatting uit te werken. O ja, ik +hoor 't al, uit hun _oeuvre_ is voor mijn doel heel veel op te maken, +doch, zooals de lezer uit de inleiding van "De Mannen van '80" weet, +daar was het mij in dit geval niet om te doen. Men zal mij echter niet +het gebruikelijke verwijt kunnen maken, dat ik deze richting in onze +literatuur heb willen negeeren. Integendeel, veel van wat ik zoek +groepeert zich om die richting--al schat ik in dit geval de +persoonlijkheden--wel te onderscheiden van de individueele +hebbelijkheidjes--hooger dan de school.[1] Misschien was ik verder +gekomen als ik dit niet had gezegd, maar het toch had gedaan. + +Intusschen, de lezer, die, behalve een inleiding in het geestesleven en +de gemoedshouding van de hier behandelde auteurs, ook een blik op het +geheel zoekt, behoeft dit werkje niet teleurgesteld opzij te leggen. + +Het zal hem weldra duidelijk worden, dat er eenig verschil is tusschen +deze "interviews" (sit venia verbo!) en de oudste opstellen in "De +Mannen van '80". Wel heb ik mijzelf ook nu op den achtergrond gehouden, +al heb ik mijn persoonlijke indrukken hier en daar met een lichteren en +slechts in schijn oneerbiedigen toets neergezet. Maar ik heb, waar dit +pas gaf, mijn vragen en de verkregen antwoorden in onderling verband +beredeneerd, scherper dan voorheen gezegd: waarom ik een bepaald antwoord +onvoldoende achtte en in een bepaalde richting heb voortgestuurd. En zoo +zal het den opmerkzamen lezer--vlei ik mij--toch wel duidelijk worden, +welke meening ik mij in den loop van het onderzoek over personen, +temperamenten, richtingen, heb gevormd. + +Echter zou ik mijn taak niet volbracht achten, indien ik hier niet +kortelijk aanduidde, over welke hoofdpunten de meeste gesprekken loopen +en bovendien: wat er vaak nog uit halve en ontwijkende antwoorden is te +"halen"; in het algemeen, hoe men naar mijn inzicht de antwoorden heeft +te lezen. + +Wat het eerste betreft, de uiteenzetting van persoonlijke omstandigheden, +waarmede de meeste schrijvers hun verhaal aanvangen, is een antwoord op +de vraag: hoe en wanneer hun bewust werd dat zij eens als taalkunstenaar, +dat is als leidsman, zouden optreden. + +Dit is een moment van groote psychologische beteekenis: Weet de +representatieve persoonlijkheid reeds in zijn eerste jeugd dat hij +publicist (in hoogeren zin) zal worden? Wat is in hem primair: een +zekere wereldkijk, een bepaalde overtuiging die tot uiting dringt; of +wel: een min of meer onbepaald vormgevend, dat is poetisch vermogen, dat +naar een inhoud smacht? Op welke wijze hebben zich Idee en Kunstenaars- +aanleg in zijn latere ontwikkeling verstaan? Zijn ze harmonisch versmolten? +Trachten ze nog steeds naar een ontmoeting? Stooten ze elkander af? Heeft +de een den ander aan zich ondergeschikt gemaakt?--deze elementen (de lezer +voelt het) zijn beslissend voor den aard van zijn werk, voor de mindere of +meerdere mate waarin hij een eigen stijl zal bereiken en den algemeenen +stijl van zijn volk zal leiden. + +Naast deze vraag van algemeene strekking--en ook in verband met haar--is +voor ons doel van belang de speciale vraag: In hoeverre onze schrijvers +beinvloed zijn door de beweging van '80, die, van huis-uit een cultuur- +verschijnsel meer dan een literatuur-verschijnsel, voor ons nationaal +geestelijk leven het begin is geweest van een nieuwe strooming, die wel +eens op iets groots zou kunnen uitloopen--dat dan echter niet veel op +zijn verwekker zal gelijken. + +Hierbij sluit zich direct aan de vraag: hoe men deze beweging definieert. +Slechts zij, die in de tijden van twijfel aan hunne blinde gemoedsdrangen +den tragen maar veiligen gids van de wijsgeerige scholing hebben +toegevoegd, zullen hierop een afdoend antwoord gereed hebben. Hebben zij +ook wellicht in de halle van 1880 op menig kronkelpad gedrenteld en +gedwaald, zij verlaten haar met opgeheven hoofde door de poort, waardoor +zij haar gebukt of wankelend of in een roes voor het eerst betraden. + +Hierop volgt dan de vraag, of men een eigenlijke levensovertuiging uit +de literatuur van '80 heeft kunnen putten en welke levenshouding men +daarna heeft veroverd. Hoe staat men tegenover de leuzen van de +socialistische kunst, die een tijdlang zoovelen in principe of in feite +hebben bekoord--totdat de practijk van den politieken strijd kentering +en afscheiding bracht? + +Deze vraag lost zich op in eene, die ik van wijder strekking acht (en +natuurlijk weet ik, dat velen dit niet met mij eens zijn), nl. deze: +Is de tot levensleer-vertolker uitgegroeide taalkunstenaar in wezen een +voorganger van zijn volk? (Afgezien dus van klasseverhoudingen.) En zoo +ja, is het dan niet zijn taak, zijn persoonlijkheid vrij te manifesteeren +en al wat hij in kunst geeft te bezielen met zijn hoogere zelf-kennis +--welke wereld-inzicht werd, van het oogenblik dat hij had doorschouwd +de duistre drangen zijns gemoeds--even onbetrouwbaar en aanmatigend, +even onbewust en beweeglijk als De Massa? Of: moet hij zijn +persoonlijkheid "overwinnen" en de gevoelens van de massa vertolken? +Of: kan hij meenen dat zijn intiemste innerlijkheid in de belijdenis +van het proletariaat bevestiging en volmaking vindt? Of: wenscht hij +zijn persoonlijkheid--alsdan voor de verandering "persoonlijk gedoe", +oftewel "ik-heidje" gedoopt--te offeren om de massa tot zijne hoogte +langs wegen van strijd op te voeren;--in het midden latend of hij +geroepen is om de menschheid door rustige ontwikkeling van zijn Ik ook +grootere diensten te bewijzen? En, als hij dan klasse-kunst wil geven, +miskent hij daarmede niet de mystieke banden, die hem aan taal en oude +cultuur van zijn volk binden? om van een proletariaat dat--helaas--nog +nauwelijks wat geleende cultuur bezit een "nieuwe philosophie" te +leeren? Of gunt hij de massa gaarne alle goeds en draagt daartoe, waar +hij mag, vol vreugde het zijne bij (maar het mag niet vaak) +tegelijkertijd beseffend dat de ethisch nog verre van bewuste massa +(op haar best) onmogelijk de draagster kan zijn van de wijsheid der +toekomst? Of gelooft hij, ten slotte, dat Kunst en Massa elkander niet +verdragen, en elk een eigen weg hebben te zoeken? + +Ziehier dan de themata, welke in velerlei nuanceering door deze +gesprekken loopen. Ziehier de vragen, die door sommigen volgaarne +beantwoord, door anderen ontweken werden. In het laatste geval maken de +pogingen van den ondervrager om, binnen de grenzen der beleefdheid, +maar een enkel maal met een zorgvuldig beraamde psychologische +kunstgreep "het slachtoffer" in zijn baan te brengen, een element van +spanning in deze opstellen uit. Overigens is de practische +levenswijsheid, dat men altijd veel plaats moet laten voor het +onvoorziene, voor "le grand imprevu", hier gaarne toegepast. + +Maar zelfs indien ik in sommige quaesties niet of slechts ten deele +slaagde, zijn de verkregen antwoorden van meer belang dan men +oppervlakkig lezend zou vermoeden. Een glimlach, een gebaar, het tempo +waarin een kwinkslag wordt voorgedragen zeggen hier en daar meer dan +woorden zouden zeggen. Dit is de tweede hoofdzaak die ik wilde +toelichten en ik zal dit doen aan de hand van een concreet voorbeeld, +dat het toeval mij in handen speelde. + +Louis Couperus, de meest on-Hollandsche Hollander die ooit bestaan +heeft, naar men weet, had mij toegezegd, over mijn vragen van Florence, +later van Muenchen uit, met mij te correspondeeren. Een "interview" per +post, in de achttiende eeuw alledaagsch, in onzen tijd iets pikants. Ik +legde hem, op zijn verzoek, mijn vragen voor. Ik geef 't toe, ze zijn +niet malsch, en een overigens aller-charmantst beoordeelaar van mijn +"Mannen van '80" heeft ze mij dan ook al cadeau gedaan, waarmede ik zeer +was ingenomen. Couperus echter werd door ik weet niet welk on-Hollandsch +spot-duiveltje gekitteld, en toen schreef hij mij een "Korte Arabeske", +waaruit ik, met zijn toestemming, den lezer enkele brokjes zal toonen, +nadat ik hem verwezen heb naar het portret met opdracht, aan het begin +van dit boekje afgedrukt. + +"Het is maar goed dat u mij niet in Muenchen is komen bezoeken,--vergeef +mij, zoo u dit onhoffelijk klinkt, want waarlijk, ik zou aan uw vele, +successievelijk te beantwoorden vragen ergens door een geheime deur zijn +ontsnapt! Toch wil ik u nu, per brief, wel het een en ander zeggen, ook +al lijkt mij een categorische antwoordenlijst op uw vragenlijst wel van +meet aan uitgesloten." + +Ik heb echter niet gezonden een "vragenlijst", maar een papier met +eenige vragen er op, en een verzoek, dit te beschouwen als een leiddraad +(het staat er nog eens met kapitale letters boven!)[2] Nog veel minder +heb ik om een categorische antwoordenlijst gevraagd. Zelfs gezegd--ik +ken u, o Couperus--dat ik met een antwoord op enkele vragen, of met +korte aanduidingen al wat blij zou zijn. _Conclusie_: Overdreven +zwaartillendheid waar het enkele streng-intellectueele formuleeringen +geldt, echter door een kwinkslag bewimpeld. + +Dat was de opgaande krabbel, waarmee de arabesk begint. Nu volgt een +kronkelende neerhaal: + +"Werkelijk, ik heb over de meeste dingen die u mij vraagt nooit +nagedacht; eigenlijk denk ik nooit na en laat ik mij leven volgens mijn +gevoelens, want ik geloof dat ik meer voel dan denk. Welnu, hoe zal ik +dan hierover uitweiden? U vindt alles, wat misschien licht kan ontsteken +over mijn persoonlijkheid, in mijn boeken, te meer omdat ik mij in die +boeken eigenlijk geheel geef als ik ben en u dus, zoo u ze aandachtig +leest, mijn eigen analyse daar vindt en dan in een kunstvoller en +eigenaardiger wijze dan ik u nog zou kunnen geven, in brief of zelfs in +interview. + +"Ik zou u dus willen verzoeken, zoo u over mij schrijven wilt, lees mij +over, want ik ben ijdel genoeg te denken, dat u mij reeds gelezen +heeft." + +_Conclusie_: Een zich laten drijven op gevoelens, als gewoonlijk +slechts volgt op en de consequentie kan zijn van een mislukt trachten +naar een wijsgeerige of psychologische levensbeschouwing. Tien tegen +een, of de schrijver denkt, terwijl hij dit neerschrijft, reeds aan een +definitieve wending in zijn levenslijn. En zoowaar, hier volgt nu de +tweede ophaal van de arabesk, scherper, beslister, strakker dan de +eerste: + +"En vindt u dat overlezen een "mer a boire", dan zou ik u willen raden, +begin met te lezen mijn feuilletons in het "Vaderland"--reeds in enkele +bundels uitgegeven--en zoek daarna in mijn romans den auteur die er zich +toch zoo weinig verbergt. Ik ben overtuigd dat u mij vinden zult." + +De overgang "en vindt u dat overlezen een "mer a boire"" is onwezenlijk. +Het komt aan op de onderscheiding, die hier gemaakt wordt, tusschen het +oudere werk (hier aangeduid met het woordje "mij") en de feuilletons in +"Het Vaderland", die hier en daar aan een doorloopend interview doen +denken, en waar Couperus zich _rechtstreeks_ geeft, terwijl hij zich in +de romans alleen maar "niet verbergt". _Conclusie_: Hier is inderdaad de +wending in de levenslijn die wij voelden aankomen. + +En nu volgt de tweede neerhaal van de arabesk, een breed gelijnde boog, +die aan den eersten neerhaal parallel en in een zachte krul, die het +geheel omslingert, verloopt. + +"Wanneer u dezen arbeid te zwaar vindt voor het doel, een studie over +mij te schrijven ... wel, dan moet ik u antwoorden, dat wat ge van mij +vergt nog veel zwaarder arbeid voor mij zou zijn en dat een antwoord op +uw vragen mij wel mijn geheele overige leven zou kunnen bezighouden. U +zult mij dus vergeven, dat ik u het werk opdraag, dat u mij zoudt +willen opdragen, tevens overtuigd, dat, zoo u dien arbeid op u wilt +nemen, veel eer tot uw doel zult geraken, het een en ander van mijn +innerlijk en zelfs uiterlijk bestaan te weten te komen. En ik hoop +hartelijk, dat u dit zeer ernstig bedoelde schrijven niet te veel als +die eene geheime deur zult beschouwen." + +_Conclusie_: De schrijver komt min of meer terug op zijn eerste +verklaring. Hij vindt dat hij mij wel heeft beantwoord. Hij laat zich +ook niet zoo uitsluitend op zijn gevoelens drijven, want hij weet nu al, +dat de beantwoording van mijn vragen--waarover hij niet zou hebben +nagedacht--zijn heele overige leven zou kunnen vullen (niet vervullen +natuurlijk)--zooveel verschieten openen zich hem, enkel bij de +onderstelling dat hij er over zou gaan denken. Hij zou dan een zwaarder +taak op zich laden dan de ondervrager zou doen, dien hij om zijn +schijnbaar wat mathematische denkwijze lichtelijk in 't ootje neemt. +Derhalve: Op het zoeken naar een levensleer is gevolgd een bewust en +moedwillig geborneerd zich opsluiten in eigen kring, waarbij echter een +ononderbroken "Begriffsdichtung" in de toch bestaande behoefte aan een +geestelijk steunsel komt voorzien. + +Had ik ongelijk, toen ik hier van een "Korte Arabeske" sprak? Is uit dit +antwoord, dat, ik erken het, ik eerst mismoedigd in mijn la liet +fladderen, niet veel te leeren dat bij lectuur van Couperus' werk als +leid-hypothese zou kunnen dienen? + +Kortom, al heb ik sommigen, die ik hoogelijk waardeer, niet kunnen +bereiken--maar waartoe die lijdensgeschiedenissen hier opgehaald?--al +weet ik ook heel goed, dat nog wel enkele persoonlijkheden, maar dan +meer op zichzelf staande figuren, voor opname in deze verzameling zijn +aan te wijzen (waar is 't eind'?)--wanneer men dit boekje leest in den +geest, dien ik boven heb ontvouwd, dan zal men niet alleen nader komen +tot vertegenwoordigers van de voornaamste richtingen, maar ook +onopzettelijk overzicht erlangen van de geschiedenis onzer nieuwere +literatuur. + +En ten slotte hoop ik dat de lezer met mij zal gevoelen en steeds beter +zal gevoelen, dat de omgang met groote mannen en vrouwen, in zooverre +als ze groot zijn, altijd vormend en bemoedigend werkt en niet zonder +scha kan worden ontbeerd. Het is dan ook mijn liefste wensch, dat mijn +arbeid in handen moge komen van jongeren die in het leven houvast +zoeken. + +D'OLIVEIRA. + +Hilversum, Oudejaarsavond 1913. + + +VOETNOTEN: + +[1] De heer Heijermans heeft mij wel te woord gestaan, maar toen een +eerste fragment van het interview in "Den Gulden Winckel" was +verschenen, uitte hij aan mijn adres eenige beschuldigingen, die mijn +roep van ernstig onderzoeker en getrouw weergever te na kwamen. Een +vriendelijk voorstel om over deze beschuldigingen het oordeel van een +scheidsgerecht uit te lokken, beantwoordde hij met een epistel dat in +cynische onheuschheid zijn weerga zoekt. Hoewel H's klachten door den +heer Simons zijn onderzocht en ongegrond bevonden, druk ik het interview +niet af: 1 deg. om te toonen dat ik geen kwade bedoelingen had; 2 deg. omdat ik +mijn boek, dat een hoog cultureel doel nastreeft, niet wil blootstellen +aan verdere merkwaardigheden van den heer H., die weliswaar eventueel +slechts op een hoofdstuk gemunt zouden zijn, maar onvermijdelijk het +geheel zouden treffen.--De Ver. v. Letterk. heeft de zaak in handen.-- + +[2] Woordelijk hetzelfde stuk werd gezonden aan Carel Scharten. En wat +zegt deze in den aanhef van zijn brief? + + + + +JOHAN DE MEESTER + +[Illustratie: JOHAN DE MEESTER naar een krijtteekening van zijne +dochter, Annie de Meester] + + +(* 6 FEB. 1860) + +Hij is nu heelemaal niet zoo als ik hem mij had voorgesteld: Niet zwaar +in zijn bewegingen, niet provinciaal in zijn kleeren, niet melancholiek, +niet stroef. Het is een genot bij hem gast te zijn. Zijn Medoc wordt +geuriger door de vriendelijkheid waarmede hij ze aanbiedt en de +kwistigheid waarmede hij ze zelf geniet, en men kan zijn Henry Clay's +niet weigeren, al rookt hij niet mee, want voordat ge dit laatste hebt +begrepen, is hij, rad sprekend en druk gesticuleerend, al aan de pointe +van een interessante gebeurtenis uit zijn rijke ondervinding. Hij is een +geroutineerd gastheer, hij geeft onweerstaanbaar leiding aan het +gesprek. Ik ben gekomen om te luisteren en hij brengt me aan het praten +over mijn beroepsbezigheden, over congressen die ik heb bijgewoond. Hij +is in de conversatie nooit onverschillig toehoorder. Hij volgt mij zeer +oplettend, en zijn vragen, langzaam, aarzelend begonnen,--dan eensklaps +uitloopend in een meesleependen woordenvloed, kerven als het ware in het +onderwerp, totdat zij het leven er van raken. Zijn stemgeluid doet niet +aangenaam aan. Men merkt op, dat hij scherp, heesch spreekt, zich nu en +dan al sprekend overspant, afbreekt met een droge kuch, een flinken +slok drinkt om zijn keel los te maken. Maar men vergeet dit al spoedig, +omdat men vol aandacht is voor het merkwaardige verschijnsel, dat hij in +Hollandsche woorden Fransch spreekt, haastig, haastig, een gedachte +omspelend met drie, vier zinnetjes die het maar zoo ongeveer doen, dan +plots zich bedenkend en het buitengewoon nauwkeurig zeggend, met een +Hollandsche _Derbheit_, die mij bijna te machtig zou worden, als ik er +niet in voelde een aansturen op niets sparende oprechtheid. Hij denkt +snel, hij denkt buitengewoon levendig, en als hij een gedachte uit laat, +worden de andere ideeen, weer door nieuwe volgsters opgedrongen, +ongeduldig, en hij komt krachten te kort om ze te formuleeren, zoo +levendig en roerig als hij ze voelt. Dan neemt hij zijn toevlucht tot +stopwoordjes: "Vreeselijk--heel erg--zoo verschrikkelijk," waarop hij +langdurig steunt en drukt, om dan met een zetje over te springen op het +woord dat hij eigenlijk bedoelt en dat daardoor in het spreken een +ongewoon relief krijgt. Het kost hem moeite zich los te maken van een +gedachtengang, die hem eenmaal heeft geboeid en ondanks zijn +converseertalent kan een onderhoud met hem niet verloopen als een spel +van korte vragen en vlotte, kernachtige antwoorden. Het deelt zich in +enkele groote vakken in, zware, uitbundig daarheen geworpen +woorden-massaas, door voorzichtige vraagjes van mij onderbroken. + +Nadat hij mij had gedwongen minstens een half uur over mij zelf te +spreken, een opzettelijke bescheidenheid van 'm, die mij echter menigen +zweetdroppel gekost heeft, omdat ik vreesde nooit tot het onderwerp te +zullen komen, verloste hij me uit de onzekerheid, door mij voor te gaan +naar zijn kamer: "waar u dat lampje van Betlehem ziet branden". Maar +zelfs daar moest ik ten slotte hem met geweld de leiding ontnemen. Zijn +zoon bracht hem toen "wat hij hem gezegd had" en dat bleek een flesch +roode wijn te zijn. En bij die gelegenheid nam ik het besluit, niet te +dulden dat er nu zou worden gesproken over wijnsoorten--alcohol-- +geheelonthouding--en dan verder in die richting, en vroeg hem zonder +inleiding, onder welke levensomstandigheden hij was begonnen met +schrijven en of hij zich daarmede een bepaald doel had gesteld. + +Ja kijk, begon hij, ik heb niets van een dichter; ik ben een kerel die +voor een dichter wil knielen, maar hetgeen er toen in mij gebeurde kunt +u het best vergelijken met de wijze waarop het gedicht uit den dichter +zou voortkomen: Ik kreeg behoefte om rekenschap te geven van wat mij was +wedervaren, en dat heb ik vreeselijk jong gehad. Ik heb hier nog o.a. +staan een ding met verzen, die ik gemaakt heb zoo tusschen mijn +dertiende en vijftiende jaar, met Van Rappard, een vriend van mij, die +jong gestorven is. Het beteekent natuurlijk niets, maar toen zat al in +mij de behoefte om wat ik doorleefde uit te zeggen. + +Dat zit ook zoo'n beetje in verband met de behoefte aan eenzaamheid die +ik altijd gehad heb. Die Rappard was mijn eenige vriend in het groote +dorp, waar we toen woonden. We zijn vrienden gebleven tot aan zijn dood. +Hij was ook eenzaamachtig, net als ik, en we zaten maar altijd samen in +zijn roeiboot. + +In mijn kindschheid woonde ik in Harderwijk, waar mijn vader +burgemeester was. We hadden er een heel groot huis; daar behoeft men in +zoo'n stadje niet rijk voor te zijn. Het kamertje waar ik het liefste +zat was het zoogenaamde knechtskamertje op de zolder. Daar had vroeger +zeker een knecht gewoond. En ik stelde me voor, ik was nog een heel +klein kind, dat ik daar op dien eenzamen zolder later _mijn_ +huishoudentje zou hebben! Later heb ik vreeselijk gedweept met Robinson +Crusoe, maar wat ik eigenlijk nooit kon begrijpen was dat men hem zoo te +beklagen vond. Ik vond hem veeleer te benijden--zoo lekker alleen op dat +prettige eiland. + +Wanneer je dat in je hebt, dan kom je er vanzelf toe, je altijd +rekenschap te geven van wat je wedervaart, en dat is _au fond_ mijn +schrijven geweest. Ik geloof dat het bij een dichter net zoo gaat ... +niet dat ik zeg dat ik een dichter ben ... ik heb veel te veel bewondering +voor een dichter.... Het is dus het overdenken van wat je in je hebt en +dat opschrijven. + +Tusschen 1875 en '77, toen ik 16 jaar was, woonden we in Wageningen. +Mijn moeder was erg orthodox en ik ben als kind ook vroom geweest, en +nog op mijn dertiende jaar heb ik geld ingezameld voor de zending. Ik +was toen als externe op een Christelijke school, waar ik het onderwijs +wat was ontgroeid en privaatlessen kreeg. Ook had ik toen veel vrij en +maakte groote wandelingen met een kennis die vijf jaar ouder was. Je +kunt nergens in ons land zulke verschillende wandelingen maken als daar: +De eene keer heb je de hei en de heuvels met mooie vergezichten en de +andere keer weer de vruchtbare en vlakke Betuwe. Daar ben ik toen +serieus gaan hopen dat ik een dichter zou worden. + +Het was op een ochtend in den voorzomer en ik zat alleen op een heuvel +bij Veenendaal. Aan de Grebbe had ik een jongen man bezig gezien, naakt +tot aan den gordel, zich de borst te wasschen in een emmer koud water. +Ik had nog al eens last gehad van mijn borst en ik was jaloersch op die +kerel. Maar in dat heerlijke lenteweer--zooals we nu ook weer hebben--ga +je je sterker en gezonder voelen, en ik kreeg hoop, dat ik ook eens een +flinke kerel zou worden. + +Ik was namelijk een jongen, die overal bang voor was, en ik deed bijv. +heelemaal niet aan sport. Maar toen kreeg ik een gevoel: Jesis, je +ontgroeit het! En ik zie nog altijd voor me dat aanteekenboekje, waarin +ik toen neergeschreven heb die stemming van geluk, van daar op die mooie +hei te zitten. Ik heb altijd veel gehouden van natuur met heuvels, in +dat opzicht ben ik een echte Geldersman gebleven, en ik ging toen een +soort symboliek maken van dat vergezicht in verband met mijn eigen hoop +op de toekomst. + +In dat jaar werd ik door mijn vriend uitgenoodigd een reis te maken door +het Schwarzwald, een voetreis die wel zes weken geduurd heeft. Hij zou +schilder worden en maakte een reisboek met teekeningen. Ik beschreef +thuis mijn reis zonder teekeningen, maar met verzen, en dat werden acht +schoolschriften in klad, een lang verhaal, met erg veel citaten, zooals +je dat op dien leeftijd doet. + +Op mijn zeventiende jaar zijn we verhuisd naar Voorst bij Zutphen en +toen ben ik gekomen bij de registratie. Dat was iets ontzettends voor +me, maar aan den anderen kant wist ik hoe vreeselijk het zou zijn als +ik niet doorging. Ik ben uit een ambtenaren-familie, mijn vader en +grootvader waren burgemeester, een oom van me is notaris, mijn broer was +minister. In zulk een omgeving leer je zekere eischen van _comfort_ en +_social standing_ stellen, die je niet gemakkelijk opgeeft. En dan:--ik +leefde alleen met mijn moeder en zuster, in een aardig huisje met een +mooi strooien dak (later heb ik mij menigmaal voorgesteld dat ik mij +daarin zou vestigen). Mijn vader was vroeg overleden en we moesten +rondkomen van een f 1200 a f 1400. Mijn studie had al veel gekost aan +lessen en dergelijke dingen meer, en ik moest doorzetten, al voelde ik +er niets voor. + +Om mij zelf eenigszins schadeloos te stellen, heb ik er toen dit op +gevonden, dat ik wel zou doorwerken, maar intusschen zou schrijven ook. +Ik heb toen een klein bundeltje schetsjes gemaakt: "Kleingoed", waarin +ik mij braaf accuraat had toegelegd op een keurigen vorm, _enfin_ iets +van Potgieter er in, die ik toen druk had gelezen, keurige zinnetjes, +maar een beetje luchtiger en leniger dan Potgieter--zoo ver was ik toen +al. Ik was 's middags zoo tevreden als ik na kantoortijd weer in de +spoor zat naar Voorst. Maar ik had een uur te wachten aan den trein, en +daar ontmoette ik iemand die aan de _Zutphensche Courant_ was en mij van +zijn baantje vertelde. En een poosje later kreeg mijn moeder de +schrikbarende mededeeling, dat ik gesolliciteerd had aan een krant en +van de registratie af wilde. Toen was de man die mij geestelijk steunde +die Van Rappard. Hij schreef mij onmiddellijk. Hij was jonkheer ridder +Van Rappard en zijn vader vond wel goed dat hij schilder werd, maar +onder de kennissen vonden natuurlijk velen het een groot bezwaar, dat +een jonkheer artiest zou worden. En hij schreef mij: Ik ben er 50% op +achteruitgegaan, maar jij zult er 80% op achteruitgaan,--ofschoon je +niet van adel bent. Er was toen nog heelemaal geen sprake van, dat je +schrijver kon worden zonder een baantje te hebben. Later heb ik mij +afgevraagd of het niet beter was geweest, bij de registratie te blijven, +om vier uur Harer Majesteits kantoor te sluiten en dan voor me zelf aan +het werk te gaan. + +Toen ben ik al spoedig in Amsterdam gekomen, aan de "Amsterdammer" van +De Koo, en ik viel er dadelijk in een milieu van menschen van +beteekenis, (onder wie ook Van Deyssel) waardoor ik voelde wat er aan +mijn heele vorming ontbrak. Ik ontmoette tijdgenooten, niet alleen van +veel meer talent, maar ook veel rijper in levensbegrip. Ik leerde toen +ook Tak kennen die was vreeselijk aardig voor me. Hij was mijn chef en +ik zei "Meneer" tegen hem, maar als 's nachts de krant klaar was, nam +hij mij dikwijls mee naar zijn kamer, waar we dan een toddey dronken. +Hij was een idealistisch en vreeselijk ... innig-gemoedelijk man. Ik +herinner me nog, hij had een portret boven zijn schrijftafel, van een +nichtje van hem, en hij barstte op een morgen in tranen uit toen hij +over dat kind sprak. Om die sentimentaliteit van hem hield ik van hem +als van een ideeelen ouderen broer. Als ik om twaalf uur met een looden +kop op de krant kwam, dan had Tak zijn haren al gewasschen en zat weer +lustig te werken. Hij was zeer sterk en ik zwak, en toen ging ik voelen +de ellende van de onvrijheid door gemis aan fortuin. Dat gevoel ben ik +in de laatste jaren wat kwijt geraakt. Bij mijn huwelijk heeft sterk +gegolden het feit, dat mijn meisje aanleg dacht te hebben voor +schilderes en zei: Geen huishouden!--Ik dacht, dat gaat gemakkelijk: Jij +maakt schilderijen en ik schrijf, en zoo hebben wij geen zorg voor het +huishouden. Maar het is anders geloopen.--Ik geloof niet dat ik anders +den moed zou hebben gehad een huishouden te beginnen op de journalistiek, +waar ik steeds voelde: vrees voor het maatschappelijk leven. Ik ben +vreeselijk gauw op mijn teenen getrapt en den omgang met menschen heb ik +steeds gevoeld als iets dat meer zorgen gaf dan genot. Dat is wel niet +socialistisch, maar ik heb mij ook nooit voor een socialist uitgegeven. +Ik heb altijd geleden onder den druk van te moeten omgaan, nu eens met +die en dan weer met die--zooals een krantenman dat doen moet. Ik had heel +zwaar werk, veel werk, en ik herinner mij uit de Amsterdamsche jaren, dat +een vriend toen tegen me zei: "Kerel, sjouw jij zoo zwaar, of ben je +verliefd?" Want ik zag er zoo slecht uit. Maar dat kwam van het 's nachts +opzitten. Als verslaggever aan de oppositie-krant had ik het hard te +verantwoorden en ik wilde weg. De Koo begreep dat niet: Hij bood mij meer +geld aan en het tooneel, maar het was de kwestie, dat ik geen verslaggever +verkoos te blijven en Holland uit wou. + +Toen heeft mijn vriend Enklaar, met wien ik samenwoonde, die zelf aan het +Buitenland van het "Handelsblad" werkte en mijn angsten en ergernisjes +zoo gauw begreep, mij in relatie gebracht met Charles Boissevain. En voor +het "Handelsblad" mocht ik naar Parijs. Daar ben ik dan vijf jaar geweest, +en ik begon me meer en meer te voelen als de _entretenu_ van Boissevain.... +Ik blijf hem altijd dankbaar voor het baantje, maar ... het had zijn +bezwaren. Ik wist dat ik altijd in een bepaalden geest moest schrijven. +En in dien tijd begon ik Parijs onder een hoe langer hoe cynischer wordend +algemeen levensinzicht te bekijken. Ik had een zekere satanische vreugde +aan die opvatting van Parijs--maar ik had ook veel tijd om mij in de +literatuur te verdiepen en om musea en tentoonstellingen na te loopen, +waar ik veel om gaf. Ik moest altijd vroolijke en opgewekte stukjes voor +het "Handelsblad" schrijven, zooiets als Van Maurik. Het was een hoogst +oppervlakkig werk. Maar u begrijpt, ik deed het als broodwerk, met het +vaste voornemen ermede op te houden, als die oom in Australie van me, me +eens een half millioen naliet, zooals u uw broodwerk, hoeveel plezier u er +ook in hebt, zoudt laten varen als die rijke oom van u in Australie eens +kwam te sterven. + +Maar in dien tijd zag ik in het "Handelsblad" langzamerhand komen +uitingen over een kunst, die in ons land aan het ontstaan was, en +waarbij namen werden genoemd van goede kennissen van me, o.a. van Van +Deyssel, ook van menschen, die ik slechts uit hun werk kende en voor wie +ik sympathie voelde. Een daarvan was Couperus. En toen bracht het +"Handelsblad" het protest van Den Hertog, den paedagoog, tegen het +fatalisme in de werken van Couperus. Daar kon ik toch niet blijven! En +toen er open kwam een baantje aan de "Nieuwe Rotterdammer" heb ik, voor +een kwart in het besef dat ik het aan het "Handelsblad" niet kon +uithouden, en overigens om met mijn vrouw en het kind dat ons geboren +was naar Holland te gaan--zij kon in Parijs niet aarden--heb ik het +"Handelsblad" verlaten. + +En een van de eerste dingen, die mij toen gebeurden, was, dat ik had +geschreven zesentwintig blaadjes copy over en grootendeels tegen "Een +Passie" van Vosmaer de Spie, en toen ik er mede binnen kwam bij mijn +chef, scheurde hij die zesentwintig blaadjes meteen doormidden. Een +tweeden keer was op de beurs een algemeen gelach opgegaan over een +verslag van mij, dat in de krant had gestaan, over Toorop, wiens werk ik +mooi had durven vinden. Dat was toch wel al te gek!--Maar in latere +jaren zijn hier tentoonstellingen gehouden van Toorop, die met grooten +eerbied door het publiek zijn behandeld. Het is een enorme satisfactie +voor mij, te zien hoe de geest ook hier is veranderd, allicht ook een +beetje dank zij de krant. + +Maar toen heb ik ook hoe langer hoe meer vrijheid gekregen. Ik ben geen +vent om journalist te wezen. Ik houd van de eenzaamheid buiten. Maar ik +blijf de krant heel dankbaar, dat hij me vrij heeft gelaten. De vroegere +hoofdredacteur, Dr. Zaaijer, heeft mij herhaaldelijk heerlijk verdedigd, +ook tegen aandeelhouders, en daardoor heb ik iets in het publiek kunnen +doen voor de moderne kunst. Dat is een groote satisfactie voor me +geweest. Nadat ik er een poos mee bezig was, is het "Handelsblad" ook +begonnen. Maar toen ik aan de "Rotterdammer" kwam, was er geen sprake +van, dat Boissevain dat zou gedoogen. Ik geloof dat ik de eerste +journalist ben, die voor de nieuwe literatuur en de nieuwe kunst in de +journalistiek iets heeft kunnen doen--afgezien van wat door anderen is +gedaan in het weekblad "De Amsterdammer", hoewel Van Maurik daar toen in +de hoofdredactie zat en de jongeren vaak den voet dwars zette. + +Toch heb ik in Rotterdam heel moeilijke jaren gehad en van dat zware +leven heb ik nogal wat uitgesproken in een bundel verhalen: "Het Leed +van den Hartstocht" en ook in "Zeven Vertellingen". Ik woonde toen in +een huis, dat ik ook in "Geertje" beschrijf, en als ik 's nachts van de +krant thuis kwam en nauwelijks was ingeslapen, kwam mijn achterbuurman, +die schipper was, naar huis, en klotste mij met zijn klompen wakker. + +Langzamerhand, nu mijn kinderen groot zijn, ben ik gaan berusten in het +leven en ik hoop van berusting tot Levens-Bejahung te komen. Ik hoop dan +nog eens een boek te schrijven, dat zal heeten "Du Sollst"--daar heb ik +al heel lang plannen voor. + +Maar mijn boeken van vroeger, en dat is, geloof ik, een zuiver antwoord +op uw vraag--zijn een uiting van het levensinzicht, dat mij deed zeggen: +"God, God, moeten er nu nog kindertjes komen?" en dat mij die heele +procreatie-drang deed voelen als leed. + +--Mijn gastheer kuchte droog en nam een grooten slok wijn. Ik dankte hem +voor deze oprechte en uitvoerige beantwoording en vroeg hem nu, wat hem +dan noopte, dit levensinzicht op deze wijze te uiten. + +--Ik uitte dat omdat ... ik dacht er niet bij aan anderen, gelijk een +dichter die liefdes-sonnetten maakt denkt aan zijn meisje. Neen, ook +niet in den zin van wraak willen nemen. Maar ieder mensch heeft in zich +de behoefte aan uiting. Je wilt je kracht gebruiken. Door te schrijven +verminder ik mijn leed. U hebt dat ook wel eens in uw werk ondervonden: +Een burger, die verduiveld nijdig is om een besluit van den +gemeenteraad, ontlast zijn toorn door een stuk in de krant te schrijven, +dat mijnheer A of B zoo verduiveld leelijk heeft gesproken.--In het +begin wilde ik eenvoudig exploiteeren mijn begaafdheid als +verteller--maar "De Zonde in het Deftige Dorp" is een boek, waarin ik +uit mijn wrok over het schijn-fatsoen van de Hollandsche aristocratie en +zoo wat. Het is wel degelijk een boek.... Robbers heeft het genoemd "een +boek van haat", en dat is beslist onjuist, maar Coenen heeft het juister +gekenschetst in "De Amsterdammer" toen hij zei: Je moet een heel eind +boven je levenshaat geklommen zijn, om er zoo uit de hoogte op te kunnen +kijken. Dat is de geestelijke groei in mij, dat ik aan dergelijke +gevoelens van haat ontstijg, door de dingen uit de hoogte te bekijken. +Het "Leed van den Hartstocht" beziet de dingen van dichtbij. Dat is een +pijn, die ik vandaag voel, opgeschreven zooals hij is. Maar "Het Deftige +Dorp"--dat is de weerzin die ik heb, van mijn vijftiende jaar, en die +nog bestaat, tegen de Hollandsche aristocratie--maar dan bewerkt tot +een soort spotlach uit de hoogte. En als u mij nu vraagt: Wat drong je +tot schrijven? dan zeg ik: De behoefte van dien man van het ingezonden +stuk. Er is dus niet geweest bij mij ooit--ik heb vreeselijken eerbied +voor "De Nieuwe Gids", maar in dat opzicht sta ik dichter bij Heijermans +en vooral bij Coenen--louter schoonheidsverlangen. Er was bij mij meer +menschgevoel dan schoonheidsverlangen. Mij is het vooral te doen om +menschelijkheid en levensbegrip, levensgewaarwording. Ik wilde mijn +levensgewaarwordingen opschrijven om ze te kristalliseeren tot een zeker +begrip. En je bent schrijver om dat te doen in de presentie van de +wezens die je je lezers noemt. + +--Of ik dan mocht zeggen, dat hij schrijft om zijn lezers in te +lichten? + +Maar hij stond driftig op en ging heen en weer loopen in zijn kamer. En +met zijn bewegelijke handen gebaren makend, alsof hij uit de lucht +muggen pakte en die met al zijn vingers tegen zijn palmen dooddrukte, +barstte hij los: + +--Neen, neen, o neen! Ik ben heelemaal niet paedagogisch. God neen! Maar +er is iets anders. Ik weet nog dat ik in Parijs eens opgeschreven heb: +Als ieder mensch eens heel oprecht zichzelf neerschreef, dan zou je +daardoor krijgen zuiver levensbegrip. Als alle menschen zich gaven, zoo +zuiver als ik mij heb gegeven--in mijn boeken--dan stel ik mij voor +--dat de menschen er uit konden leeren. Maar als ik schrijf--dan ben +ik niet de onderwijzer--maar de man die het openhartig zegt. Ik hecht +vreeselijk aan oprechtheid en openhartigheid. Toen ik mijn meisje pas +gevraagd had, was net klaar mijn eerste groote boek "Een Huwelijk". Toen +zei ik: "Hier heb je een boek, en daar vind je mij zelf in". Dat heeft +een deplorabelen indruk gemaakt. Ze vond die mijnheer in dat boek iets +verschrikkelijks. Ze vond dat heelemaal geen kunstwerk. Mijn vrouw is +een echte idealiste. Een en al schoonheidsverlangen. En het deed mij +vreeselijk plezier toen het boek is opgekamd door Van Deijssel, in "De +Nieuwe Gids" en "De Amsterdammer". Doch dat maakte alleen indruk op haar +hersens. Voor haar eigen gevoel was dat boek _profondement antipathique_. +--Die mijnheer Frans Koene uit dat boek (de echte Frans Coenen en ik +hebben daar dikwijls om gelachen) daar zit erg veel van me zelf in.... +Is er misschien een ijdelheid in, dat je met je indrukken te koop loopt, +zooals een coquette vrouw met haar snoet? Het is moeilijk te zeggen. Ik +weet het niet. Maar aanvankelijk was dat bij mij heelemaal niet het geval. +Toen ik die versjes maakte in Veenendaal, was het niet om te publiceeren, +maar om op papier te zien wat er in me omging. Dat is de oorsprong van +alle schrijven. + +En het groote verschil, waardoor ik buiten de "Nieuwe Gids"-beweging sta +en pas aansluiting heb gevonden bij Emants onder de ouderen, en bij +Coenen, dat is juist dat het ons te doen was om menschelijkheid en +levensbegrip--alle talenten-kwestie buiten rekening gelaten--terwijl die +anderen, die vol levensliefde zaten, kwamen met schoonheid. Je zou het +kunnen vergelijken: den een met bidden en den ander met vloeken. Een +levens-verneinend mensch vloekt, een levens-bejahend mensch bidt. Nu is +mijn levensproces dit, dat ik door het geluk dat ik vind in mijn gezin, +ook doordat ik rijper ben geworden, ben gekomen tot een levensberusting +--die echter nooit zegt: Wat is het leven heerlijk. Er is een groote +behoefte aan liefde in mij, en het boek dat ik met zeer besliste opzet +aan mijn vrouw heb opgedragen, dat is "Geertje", dat men een levens- +bejahend boek heeft genoemd,--dat is ook het eerste boek geweest, waarmee +ik succes heb gehad.... + +--Toen kwam de vraag bij mij op, of hij dan niet aan zijn indrukken iets +toe deed? Maar hij begreep dat niet aanstonds zoo als ik het bedoelde. + +--Dat is verschillend, antwoordde hij. In verschillende tijdperken en +verschillende werken is dat verschillend. + +_Geertje_ bijv. is van huis uit dit: We hebben eens gehad een dienstmeid +en ik wist wel dat die dienstmeid, voordat ze bij ons kwam, heeft gehad +de narigheid die het fundament is geworden van mijn roman. Op een avond, +toen ik met mijn vrouw wandelde, het was bij het ziekenhuis hier, +vertelde ze me dat en gaf me meer details en zei: Nu weet je precies +hoe het met haar geloopen is, en ik riep: Godallemachtig, daar zit een +prachtige roman in--zooals ik vanmiddag, toen u me van uw gemeenteraden +vertelde, heb geroepen: Daar zit een prachtig stuk copy in!--Dat mensch +is korten tijd daarna van ons weggegaan, omdat ze teringachtig is +geworden. + +Waarom trok me dat nu zoo aan? Omdat ik in oude ontwerpen van verhalen, +die dateeren uit mijn vroegsten tijd, twee had gevonden, waarvan het +eene nooit uitgewerkt is en het andere als het ware is een omgewerkte +Geertje. Een meisje uit den burgerstand, dat een soort van held ziet in +iemand die maatschappelijk boven haar staat, en zich heelemaal voor dien +man weggooit. Dat heldhaftige er in, dat wilde ik weergeven. Ik heb in +een aantal details, op het slot na, de werkelijkheid trouw gevolgd. En +nu is het bezwaar dat men tegen "Geertje" had dit, dat ze door dat +uitpluizen van haar sensaties te weinig dienstmeid is gebleven. Ik heb +me dan ook later afgevraagd, of ik niet beter had gedaan, haar een +kinderjuffrouw te maken uit een beetje hoogeren kring.... U ziet dus, +dat in dat boek de werkelijkheid de grondslag is. En meestal is dat bij +mij zoo geweest. De schetsen uit "Zeven Vertellingen" en "Het Leed van +den Hartstocht" zijn wel verzonnen, maar toch uit toestanden die ik had +ervaren, of ergens had gelezen. Een schets uit de "Zeven Vertellingen" +is "De Klompjes", een verhaal dat ik in de "Oprechte Haarlemmer Courant" +had gelezen--dat dus wel waar zal zijn!--als gebeurd met kinderen in de +buurt van Berlijn. En toen heeft aan den eenen kant mijn groot medelijden +met de menschen in het algemeen en de kinderen in het bijzonder en aan +den anderen kant mijn drang om over de aantrekkingskracht van den Dood te +schrijven mij doen zeggen: Daar zit een mooi verhaal in. Kijk, het is mij +er met mijn schrijven om te doen, mede te deelen mijn conclusies over wat +ik van het leven heb ervaren. Ik moet dus beginnen met te hebben +levenservaring en nu ga ik die analyseeren, onder het microscoop bekijken. +En nu valt er een heel persoonlijk licht op, dat spreekt van zelf, maar de +grondslag is eenvoudig: De uitwerking van een geval dat ik heb waargenomen +of vernomen. En nu heb ik de menschen zooveel mogelijk andere neuzen of +baarden gegeven en andere jassen aangetrokken, maar ik heb, om tot het +deftige dorp terug te keeren, van uit de hoogte willen behandelen +Nederlandsche fatsoens- en vroomheidsopvattingen (die in onzen +tegenwoordigen tijd weer zoo aardig aan het werk zijn) en ik heb daarvoor +genomen toestanden die hebben bestaan. Ik zoek dus naar dingen die +aansluiten bij mijn persoonlijke gevoelens. + +--Zoodat u volstrekt niet behoort bij hen, die ieder stuk werkelijkheid, +onverschillig welk, voldoende vinden om er over te schrijven of om het +te beschrijven? + +--O neen, dat kan ik niet, dan komt er niets van terecht. Op het fond +ligt altijd wat ook in den lyrischen dichter zit, mijn persoonlijk +gevoel. De aangedragen dingen kunnen hoogstens dienen ter illustratie +van dat persoonlijk gevoel. Wanneer later van mij dat boek zal zijn +verschenen, waarbij de menschen zullen spreken van optimisme, dan zal +dat wezen omdat ik werkelijk door levenservaring en door de indrukken +die teederheden op mij gemaakt hebben, ben gaan voelen de schatten +helderheid die er zitten in de gezinsliefde, en daardoor meer optimist +geworden ben, of althans een man van levensberusting. Ja--berusting--dat +is eigenlijk het goede woord. "Het Leed" is hier in deze zelfde kamer, +aan deze zelfde tafel geschreven, maar als het morgen een broertje +krijgt, dan zal dat een heel anderen geest hebben. Ik zoek dus mijn +onderwerpen, kleine verhalen en groote werken, zoodanig, dat mijn +levensinzicht er zich in kan uiten. + +--Een realist bent u dus in de opvatting van uw onderwerp nooit geweest? + +--Neen. + +--Maar nu wat de uitwerking betreft? + +--Ja, bij de uitwerking wel. Ik tracht om zoo te zeggen verantwoording +af te leggen, tegenover den lezer, van de ervaringen die ik in het leven +heb opgedaan. Dus moet ik het leven zoo zuiver mogelijk mededeelen. En +hoe kan ik dat anders doen dan realistisch? Maar nu is het verschil +tusschen het realisme en mij, dat het realisme de ervaring van zichzelf +weglaat. Wanneer u mij vertelt van uw gemeenteraden, dan kan een zuivere +realist een schets maken van zoo'n raadzaal, maar ik zal geven de +ervaring die ik heb van zoo'n raadzaal. + +--Maar U deelt die ervaring, of liever dat inzicht, niet afzonderlijk +mee. + +--Natuurlijk niet. Wanneer ik dat deed, zou ik een slecht auteur +zijn--(hier kon ik een beweging van tegenspraak niet weerhouden)--ja, +want dan maak je tendenz-boeken. Maar ik zit zelf heel sterk in +"Geertje".... + +Hij stond weer vlak voor mij en maakte met zijn handpalmen die +eigenaardige grijpbewegingen.... + +--Ik geef sterk in "Geertje" weer--mijn heel persoonlijke illusies--De +Meesters illusies--van vrouwenliefde. Dat is het subjectieve in het +boek. En het is voor mijn gevoel het werk van de critiek, uit te maken +in hoeverre ik, bij dat subjectieve, zuiver heb weten te houden de +teekening van de figuren. Dat laatste is natuurlijk de kunst. Van +Deijssel heeft naar aanleiding van "Geertje" geschreven: De Meester is +in onze generatie de man die hart in zijn werk legt.--Toen mijn vrouw +mij vertelde van die dienstmeid--toen zei ik dadelijk: Dat mensen +voldoet aan de verlangens, die ik als jongen van achttien jaar had van +vrouwenliefde. Nu kwam de werkelijkheid voor mij te staan en gaf mij +zoo'n ideale figuur te aanschouwen. Ik had maar te copieeren--maar ik +deed het met de vreugde van iemand die heeft gevonden zijn ideaal.... Ik +kan u dit misschien nog duidelijker maken door u te zeggen, dat mijn +lievelings-auteurs ook menschen waren die als het ware geestelijk +werkten. Voor mijn vijftiende jaar al Multatuli, en daarna nog veel meer +Rousseau. Dat zijn geen zuivere vertellers en geen zuivere +schoonheidsmenschen. Dat zijn menschen die steeds hun inzicht in het +leven geven. Daarna ben ik komen te lezen pessimistische literatuur, die +aan mijn levensinzicht beantwoordde. Het is altijd geweest: mijn +philosophie ... of neen, ik heb niets van een wetenschappelijk man ... +mijn levensoverpeinzingen een vorm te geven door er vertellingen van te +maken ... dat is mijn eigenlijk werk. + +--En vindt u niet, dat onze literatuur juist den anderen kant uitgaat? + +--Neen, ik zou juist zeggen, dat er in den laatsten tijd stroomingen +komen, die veel meer dien kant uit gaan. Scharten heeft naar aanleiding +van "Geertje" o.a. dit geschreven, dat de romanliteratuur in de toekomst +zoo zal zijn, dat er een soort van romantiek gaat door het realisme. Ik +geloof dat de menschen bij ons hoe langer hoe meer, o.a. ook geleerd +door uw vriend Goethe, komen tot het weer terug willen hebben van het +Levensinzicht als basis van alle literaire kunst. + +En als ik iets als onbelangrijk voel--als een ding dat me niet +interesseert--dan is 't het realisme, dat aan de loutere beschrijving +zonder meer van een brok werkelijkheid z'n volle kracht geeft. Dat zou +ik nooit kunnen doen. + +Vandaar dat mij terecht zoo vaak is verweten dat in mijn boeken de +plastiek schraal was. Die heeft mij altijd weinig geinteresseerd. Om u +een voorbeeld te geven. Een figuur van wie ik altijd ontzettend veel +gehouden heb is geweest mevrouw Bosboom-Toussaint. Ik heb gedweept met +haar "Huis Lauernesse". Maar nu weet u wel, er zijn in het begin een +zestal pagina's waar het kasteel wordt beschreven. En tot op den +huidigen dag heb ik die niet kunnen lezen, terwijl ik het heele boek wel +twintig maal gelezen heb!... Ik weet geloof ik wat u vragen wilt. +Wanneer u in mijn huis een zeker streven naar schoonheid opmerkt,--o, +niets bijzonders,--maar een zeker pogen om door een beeldje hier en een +kleedje daar wat schoonheid te brengen, dan komt dat, doordat mijn vrouw +die in mijn leven heeft gebracht en heeft doen waardeeren. Mijn ideaal +is het ideaal van Schiller: een kamer met wit gekalkte muren en de meest +eenvoudige schrijftafel. En dat sluit aan bij mijn behoefte aan +eenzaamheid, om van een minimum te leven in den meest grooten eenvoud, +en dan te schrijven.... Dat ik dat niet gedaan heb, zit hem in mijn +groote behoefte, in allerlei opzichten, aan een vrouw. Het geestelijk +element van dat verlangen heb ik trachten te uiten in "Geertje", en het +andere element, het lichamelijk element en het leed daarvan, in de +"Zeven Vertellingen" en "Het Leed van den Hartstocht". Toen ik naar +Parijs zou gaan, had ik nog dat huisje in Voorst, waarvan ik u straks +vertelde, en daarin woonde mijn zuster alleen, en toen dacht ik: Als ik +nu maar hier bleef!--Maar het idee dat je van de boeken zou kunnen leven +was toen zoo veraf liggend, dat bij het beetje geld dat ik dan zou +hebben alle mogelijke ideeen van te kunnen trouwen waren uitgesloten. +Zoo is de intree in de maatschappij voor mij bepaald geweest niets dan +dwang. + +Deze uitlating bracht me er toe, hem te vragen naar zijn meening over +het socialisme, niet de politieke richting die zoo heet, maar meer in +het algemeen de geestelijke strooming, die het maatschappelijke, ook in +de kunst, zoo sterk op den voorgrond stelt. + +--Het socialisme, antwoordde hij, laat mij vrijwel onverschillig. Ik +vind het heel mooi, maar het lost voor mij de levensvragen niet op. Als +de socialistische maatschappij er is, dan stel ik mij voor, dat die, zoo +niet aan me zelf dan toch aan onze kinderen, zou brengen een vergemak- +kelijking van het leven. Maar--ik behoor ook tot de proletariers--ik +stel mij voor, dat de levensvragen dan precies even bloot en onopgelost +voor ons zouden liggen.... + +--Wilt u meteen duidelijk zeggen wat die vragen zijn? + +--Die vragen zijn dan het gevoel dat het leven geen doel heeft, geen +reden en geen oorzaak heeft, waar ik "ja" op zeggen kan. En dat ik in +het leven zie voor iedereen veel leed en veel meer wreedheid dan lust. +Zoodat het _fond_ van mijn bestaan is een volstrekt ongeloof, het +tegendeel van godsdienstigheid, en ik alleen door menschenliefde ben +gaan berusten. Maar daarom nog niet zie in het socialisme, hoewel dat +natuurlijk ook op menschenliefde gebaseerd is, een ding, waarmede dat +zelfde leven wordt gemaakt tot een blij iets. Daar zou ik met veel +plezier over doorpraten als u het goedvindt.... + +--Ik zal u wel waarschuwen als u voor mijn doel te ver gaat. + +... Wanneer ik dan lees "Pan" van Gorter, dan voel ik, dat ik het werk +mislukt vind als geheel, maar er _magnifique_ dingen in vind, en een +streven dat mij _sympathique_ is. Ik vind Gorter een erge kraan ... we +spreken hier natuurlijk van mensch tot mensch ... maar op den bodem van +"Pan" ligt een levensblijheid, een levensvreugde ... een geloof in het +leven ... die ik bijna kinderlijk naief vind. Ik voel me zelf als iemand +die nooit een kind is geweest. Daartegenover voel ik een man als Gorter +als iemand die altijd een kind is gebleven.... Wanneer nu morgen het +socialisme komt, dan zou daarmee o.a. zijn weggenomen de ... godvergeten +... groote ... onnoodige ... wreedheid van de armoe. Maar als het +socialisme morgen kwam, dan zou niet de wereld met al het andere dat nog +zou zijn goed te maken zooveel verder zijn gebracht. U hebt alles +noodig, niet waar? Ik geef u een paar schoenen en dat is heel wat voor u +waard. Maar wanneer uw kind doodelijk ziek lag, wanneer u voor goed +gebrouilleerd was met uw vader en moeder ... wat hebt u dan aan die +schoenen van mij?... _Au fond_, groote god, ga ik met de socialisten +heelemaal mee, maar ik vind niet dat hun strijd gaat tegen de dingen +waar ik tegen strijden zou--als ik streed. Maar ik strijd niet, omdat ik +geloof dat alle strijd daartegen nutteloos is. Het eenige dat ik doe--is +mijn leed er over uiten. + +--En dit nu in verband met de kunst? met die heele serie begrippen die +men thuis brengt onder de benaming "gemeenschapskunst"? + +--De eenige deugd, die ik aan mijn schrijverij toeken, is de deugd die +Van Oort er in heeft gezien, de oprechtheid. Ik geef me zelf in +volledige oprechtheid. Ik heb niets anders te geven. Iets anders doe ik +niet. De gemeenschapskunst is alleen voor menschen die het leven +liefhebben. Wat zullen we gaan wandelen--als we niet van wandelen +houden? Natuurlijk, als we gaan wandelen, dan spreken we af dat we +meenemen een paar schoenen, een veldflesch en een kaart.... Maar ik zeg +dikwijls: Jesus, vader en moeder, waarom heb je me gemaakt? Ik kan met +de menschen onmogelijk die plannen meemaken voor die wandelreis. Ik +blijf liever thuis.... Het verschil tusschen Kloos en mij is, dat hij de +Onbewustheid lief heeft, en ik er bang voor ben. Op den grond van alles +voel ik de natuur als een zich niet aan ons openbarende, even wreede als +prachtige macht. Ik heb in later jaren twee regels van Leconte de Lisle +leeren kennen, die voor mij een levensleus inhouden: + + La nature se rit des souffrances humaines + Ne contemplant jamais que sa propre grandeur. + +Aan den eenen kant die schoonheid van de natuur--aan den anderen kant +dat ze daar alles aan opoffert. Kloos is in zijn hart een godsdienstig +man. Ik ben godsdienstig opgevoed, maar mijn levensvrees was altijd te +groot. Ik zei u al, ik kom uit Harderwijk, een stadje van zesduizend +inwoners. Het stadje van de kolonialen, die er een groot _air_ van +triestheid aan gaven, iets vreeselijks.... Aan den eenen kant die wreed +calvinistische visschersbevolking, die niet tevreden was of de domine +moest elke week van hel en verdoemenis preeken, aan den anderen kant die +exploitatie van de kolonialen, die in het stadje werden gehouden om er +hun geld te verteren. Na mijn vader's dood is mijn moeder daar nog +enkele jaren blijven wonen, in die eenzaamheid. En zij ging er +natuurlijk vreeselijk onder gebukt, dat ze zoo jong weduwe was geworden. +Maar ik dacht: Wanneer de broers het huis uit zijn, dan ga ik met moeder +wonen in Ermelo, omdat ik iets wilde dat nog veel stiller was dan +Harderwijk! En dat was nog voor mijn negende jaar. Ik kende nooit die +dankbaarheid voor het leven, die vrome menschen moeten voelen. +Misschien voelt zoo'n calvinist wel de toorn van den oud-testamentischen +god, maar een vroom mensen moet god voelen als een liefhebbend vader. +Ik was nooit blij. Ik was geen vroolijk kind. Ik was bang voor alle +menschen. Ik was een lamme jongen op school. De jongens hadden allemaal +de pest aan me. Pas die vriend die ik u straks genoemd heb heeft van +mijn eenzelvigheid gemaakt een eenzelvigheid _a deux_.... En toch, +misschien dreef mij _au fond_ wat een godsdienstig man drijft.... Er +zijn natuurlijk wel godsdienstige socialisten, maar ik meen dat in den +regel iemand zich niet aan het socialisme zal geven als hij met den +godsdienst niet klaar is gekomen. Het socialisme is toch _au fond_ een +maatschappelijk streven.... + +--Zit in dat gevoel van u niet een zekere vrees voor wat men noemt de +domme menigte, die u in deze pessimistische zelfbeschouwing zou storen +en u haar inzichten zou willen opdringen? + +--Ik heb een verdomde--Haat--de mij eigen lichtgekwetstheid brengt mee +een zoo gemakkelijk medelijden met andere menschen, dat ik, hoezeer ik +als _artiste_ voel voor figuren als Napoleon, ze _au fond_ godvergeten +--Haat. In zooverre zijn mijn boeken zuiver democratisch ... willen dat +tenminste zijn. Wat de toekomst zal brengen weet ik niet. Ik zou bijna +zeggen: Het kan mij geen.... + +--_Bijna_ zeggen, of _helemaal_ zeggen, mijnheer De Meester? + +--Het kan mij natuurlijk wel schelen. Omdat ik kinderen heb. Daarin zit +het zwakke punt van mijn heele zijn. Maar ik heb niet zooveel eerbied +voor het leven, dat het geestelijk leven mij veel kan schelen. + +Dat kan ik met alle mogelijke kniebuigingen nooit meevoelen met uw +vriend Goethe en ook niet met de talentvolste onder mijn tijdgenooten, +die ik juist wel eens heb gemeden, omdat er zooveel blije geestdrift +was in hun streven naar schoonheid en dergelijke dingen meer. Dat waren +dingen die mij ... pas in de tweede plaats konden schelen. + +--Dat komt dus neer op het gebrek aan een levensgeloof, dat voor mij een +van de kenmerken van onzen tijd is. + +--Als ik levensgeloof had, dan was ik misschien een partijganger +geworden, natuurlijk lang zoo kranig niet als Jet Holst, maar wel even +fel. Is het nu gebrek aan levensmoed, dat mij niet levensgeloovend +maakt--of is gemis aan levensgeloof de _fond_ van mijn geheele wezen? +Dat weet ik natuurlijk niet. Dat kun je niet zeggen. En in zooverre sta +ik nog veel nader tot de socialisten dan u, die tegenover hen staat. +Want ik sta niet onverschillig maar _blank_ en u heeft een zekere +aversie. Ik voel in dat "Pan" van Gorter: Goddome, als je zoo het leven +bekijkt, dan begrijp ik dat je het leven lief hebt. Maar de natuur is +heelemaal niet zoo te bewonderen als "Pan" dat doet. + +--Wanneer ik u zoo hoor spreken, wanneer ik u zie gesticuleeren en druk +door uw kamer zie loopen, dan krijg ik toch de gewaarwording dat in uw +heele optreden flink wat levensmoed steekt. + +--Van Deijssel heeft eens tegen mijn vrouw gezegd: Wat je man heeft, dat +is dat hij zijn zenuwen verwerken kan door ze te uiten. Daar is +misschien wel iets van aan. Dat is dat _exuberante_ in me. Dat was er al +voordat ik naar Parijs ging, maar dat is door het leven in Parijs +sterker geworden. Vandaar dat een oude dame eens tegen me zei: Vous ne +serez jamais un Parisien, mais vous avez tout l'air d'un Marseillais. + +Ik kan dagen lang gesloten zijn en dan ook eenzaam leven. Je vindt dat +o.a. ook bij _celibataires._ Als die los komen dan zijn ze luidruchtiger +dan andere menschen. Op de krant ben ik de minst gezellige van de +collega's, en ik voel ook wel dat het niet aardig is. Mijn aard is om +naar niemand zijn gezelschap te verlangen. Maar ben ik eenmaal in +gezelschap, dan ben ik de luidruchtigste. Verleden jaar heb ik ter wille +van mijn dochters (anders kom ik nooit in een vergadering) dat congres +van letterkundigen bijgewoond. Van Deijssel heeft toen een toast +gehouden op mijn vrouw en mij, en toen heb ik geantwoord in een erg +uitbundigen toast, waaruit de menschen wel heelemaal niet den indruk +hebben gekregen van een vent die liever in z'n eentje zit in een dorp +als Ermelo. Dit heb ik misschien van mijn geboorte. Mijn moeder was een +zwakke vrouw, getrouwd met haar neef, en ik was een nakomertje, acht +jaar na de anderen geboren. Mijn twee broers zijn flinke kerels. Van mij +werd altijd gezegd dat ik schoolziek was, en toen heeft een meester aan +de school van de Hernhutters eens gezegd: Neen, hij is niet schoolziek, +maar hij heeft gebrek aan physieken moed. Dat heeft mij erg getroffen en +ze moesten me thuis precies uitleggen wat dat was. Zoo iets resonneert +in je ziel, en zoo ontstaat literatuur. + +--Dat moet toch ongezonde, ziekelijke literatuur zijn? + +--Ja, dat spreekt van zelf. Ik zou bijna zeggen, dat menschen die +dergelijke boeken schrijven gezonde menschen aller-innigst moeten haten. +Gezonde menschen--dat zijn de forsche, sterke, de wreede typen van +levenslust, met alle hardheid die daar inhaerent aan is.... + +--U zegt inhaerent? + +--Met alle hardheid die daar inhaerent aan is. En daar staan licht +gekwetste menschen, die bang voor het leven zijn, natuurlijk fel +tegenover. Waarom leeft een mensch die aan het leven het land heeft, +voort? Omdat het leven sterker is dan jij bent. Als ik daar ooit een +voorbeeld van heb gezien, dan was het wel de autobandiet Dieudonne, de +felle revolutionnair, die een kniebuiging heeft gemaakt voor het Gezag, +met tranen in de oogen, toen hij vernam dat hij mocht blijven leven in +dien vorm, dat hij voor z'n heele leven naar de galeien ging. Dat +prefereert zoo'n stakker boven het momentje van den dood!... Het leven +is de sterkste en dat is voor menschen als ik ben een moeilijk proces, +om daarin te blijven berusten. Het is misschien verdomd egoist, dat je +de moeite die je dat kost niet voor je zelf houdt, maar er boekjes van +maakt. Maar er staat tegenover dat je het doet in het besef, dat er heel +veel menschen zijn, die hetzelfde voelen als jij. Ik heb altijd een +gevoel dat de literatuur, zooals ik ze maak, is voor een kleine +minderheid. En nu heeft mij erg bevreemd: Ik heb hier voor een kring van +dames, die mij door een vriendelijke dame waren toegestroomd, gelezen +over de _Nevrose_ in de nieuwe Fransche letteren. En toen is tot mijn +groote verbazing dit gebeurd, dat, nadat ik die vier lezingen had +gehouden voor negentig dames, er nog zoo velen waren die het ook wilden +hooren, dat ik ze herhaald heb voor een kring van meer den tachtig +dames. Ik beweer heelemaal niet dat ze met sympathie over die _Nevrose_ +hebben hooren spreken. Maar ze wilden het toch maar weten. + +Dat blijft het tegenstrijdige van den levens-verneiner, dat je meeleeft +in en zelfs meedoet aan dat overbodige dat heet--de literatuur!-- + +Het was diep in den nacht, toen De Meester mij naar mijn hotel +geleidde--over het fel belichte asfalt van Neerlands eerste koopstad. +Hij sprak in harde, stekelige woorden over het lot van de veile +schepseltjes, die in den prachtigen zomernacht over het asfalt zwierven. +En juist toen voelde ik dat ons gesprek mij hem nader had gebracht. + + +BIBLIOGRAPHIE: + +Kleingoed (schetsjes)--Een Huwelijk (roman)--Parijsche Schimmen--Zeven +Vertellingen--Deemoed--Allerlei Menschen--Louise van Breedevoort +(roman)--Het Leed van den Hartstocht--Geertje (roman)--Aristocraten +(roman)--De Zonde in het deftige Dorp (roman)--Op weg naar Transvaal +(Kinderboek)-- + +Voorts de brochures: + +De Menschenliefde in de werken van Zola--Een ongewoon meisje (Marie +Baykirtsef)--Iets over de literatuur onzer dagen. + + + + +KAREL VAN DE WOESTIJNE + +[Illustratie: KAREL VAN DE WOESTIJNE naar een teekening van zijn +broer, Guust van de Woestijne] + + +(* 1878) + +Ik had dien middag "op den buiten" bij Brussel doorgebracht, en, +toegevend aan een gril, in een landelijke herberg mijn maal gedaan van +brood met "platte keis" (een soort zure room) en rammenas. Een paar +mannen uit den omtrek dronken lambiek en schoten met handbogen pijpen +van een hoogen staak. Onder het genot van een potje witachtig bier, 't +soort dat op zeepsop gelijkt, trachtte ik me weer in te leven in de +Vlaamsche sfeer, waar ik welhaast tien jaren geleden thuis was. Het +gelukte maar half: de stemming van on-critische, goedmoedige +onbewustheid, die ik op de gezichten van de boogschutters las, kon ik +niet meer bereiken. Totdat een gesprek met een boschwachter, wien ik +naar den weg vroeg, en die geen Fransch verstond maar mijn +hoog-Nederlandsch voor een Italiaansch dialect scheen te houden, mij in +de gewenschte lijn-looze soezerigheid bracht. Zoo bereikte ik het huis +van mijn slachtoffer, gelegen aan een dreef met veel pleiziertuinen: +"melkerijen", waar menschen met roode gezichten, smeulende oogen en +luide stemmen krentebrood met harde eieren gebruikten, en glazen dunne +melk lieten staan.... + +... En plotseling leidde de blozende Vlaamsche meid mij in een kamer, +waar de raadselachtige scheemring met bloedkleur doortrokken scheen. In +mijn breede, vleezige hand legden zich de heel slanke, bleeke vingers +van den poeet. Ik had nooit gedacht dat een zoo smalle hand mogelijk +was. Zijn heele gestalte trouwens is van een opmerkelijke, +aristocratische fijnheid, wat vooral uitkwam als hij met vele +overbodige, doch rustige bewegingen door 't roode half-duister van zijn +kamer schreed, aan de strak tegen 't lijf gedrukte armen de handen +rechthoekig opgebogen. En ik kreeg, in deze vergeestelijkte omgeving te +plotseling overgeplant, de sensatie, dat de bleeke dichterhanden zouden +gaan wapperen als ik mijn adem niet inhield..... + +Doch nu zit hij tegenover mij, aan de schrijftafel, waar vele groene en +oranje bandjes Fransche philosophie van Alcan en Flammarion mij treffen, +en ik bespeur op dit indrukwekkende, starende baard-gezicht trekken, die +mij doen denken dat 't voorwaar! tot schooner dingen leidt, van den +wijn, van den hartstocht en den zinnenroes te zingen, dan er van te +leven. Mijn geoefend oog gaat opmerken. Ik bestudeer zijn ranke +bewegingen en zijn mimiek, ik blijf letten op het spottende in den +glimlach van sensueele lippen en helle puntige tanden, en het kost me +moeite, van de min of meer medische beschouwing naar de ideeele +beschouwing van dezen persoon terug te keeren. Doch de wijn rukt aan, +"het kan geen kwaad" meent hij, en ik krijg hem aan 't praten, zoodat +ik, noteerend en vragend, geen gelegenheid meer heb om mijn ontleding +van zijn uiterlijk voort te zetten. + +Van jongs af, zoo vertelt hij, ben ik geweest tweevoudig. Ik heb +geleefd binnen in mijzelf, en dan met een groote fantaisie. + +Toen ik een kleine jongen was, heb ik heelemaal in mijzelf geleefd, en +daarbij kwam veel atavism, zal ik maar zeggen. Mijn vader was een man +die heelemaal naar binnen gekeerd was, maar langs den kant van mijn +moeder had ik een grootvader, die was heelemaal fantaisie. Hij sprak +alles op rijm en maakte om te kunnen rijmen de zonderlingste +gedachtensprongen. Hij was architect, maar hij deed niets aan zijn vak, +want hij kon gemakkelijk leven. Hij was als gemoedsmensch een echt +artiest. De groote ernst in mij kwam van mijn vader. Hij zou ingenieur +worden, maar op een zeker oogenblik is hij gedwongen geweest in de +nijverheidszaken van zijn eigen vader te gaan. Zoo lang ik hem gekend +heb, hij is maar tweeenveertig jaar geworden, hield hij zich heel den +tijd bezig met wiskunde en mechanica. Hij heeft verscheidene +uitvindingen gedaan. Een voorbeeld kon hij niet voor mij zijn, ik was +maar twaalf jaren toen hij stierf, maar zijn aard bleef er in. Ik heb +heel veel van hem gehouden, hoewel hij mij nooit veel liefde betoond +heeft. Dat lag in zijn aard niet. Toen mijn vader dood was, stond mijn +moeder aan het hoofd van een groote nijverheidszaak in Gent. Zij had +veel werk, en veel innigheid heb ik niet kunnen genieten. Een eenzame +van nature, ben ik heel jong gaan lezen. Aan kinderspelen heb ik nooit +gedaan, want mijn andere broers, die jonger waren, hadden gezelschap aan +de dienstboden. Ik had slechts mijn bibliotheek, een van de zotste +dingen die bestaan hebben, waar bijv. Homeros naast Jules Verne stond. +Het was een samenhooping van boeken, duizenden en duizenden. Wij hadden +in Brussel een familielid en die was boekhandelaar. Wanneer mijn vader +en moeder of mijn grootvader hem kwamen bezoeken en iets interessants +bij hem zagen, namen zij het maar mee. Dat werd een kamer vol, +literatuur, encyclopedieen, woordenboeken, atlassen.... Ik kon lezen +sedert mijn derde jaar. Ik heb op een zeer bijzondere manier leeren +lezen. Vlak over de deur hadden wij een jong onderwijzer wonen, die het +heel slecht had en in de vacantie lieten mijne ouders, toen ik pas twee +jaar was, hem les komen geven. Meer voor hem, dan voor mij. Ik zal u +zijn naam niet noemen, want hij heeft een zekere bekendheid gehad in +Nederland. Dat is voor mij het ergste geweest, dat mij kon gebeuren. +Want ik leerde heel vlug, met een echte koorts. Toen ik een jaar of +zeven was, had ik al een heele bibliotheek verslonden. Toen ik een jaar +of twaalf was, las ik ter zelfder tijd Pascal en Paul de Kock. Ik +herinner het mij zeer bepaald. + +Dat moet voor mijn ontwikkeling veel belang gehad hebben. De vage drang +naar oneindigheid en de geniepige, gevreesde sensualiteit die +aangestoken werden door zulke lectuur, hebben mij heelemaal voorbereid +tot wat ik geworden ben, mag ik wel zeggen. + +Toen mijn vader stierf had ik al gedichten gemaakt in het gebrekkigste +Vlaamsch dat men zich denken kan en dat dank ik weer aan dien zelfden +huisonderwijzer. Hij was toen leeraar geworden en zelf een dichter, +zonder veel beteekenis trouwens. Ik kende heel weinig Vlaamsch. Mijn +opleiding was in een privaatschool, die niets te maken had met de +gemeentescholen, waar nog iets Vlaamsch geleerd wordt. Niemand wist, dat +ik die verzen maakte. Een paar jaar later zijn zij verschenen in een +kindertijdschriftje. Het eerste gedicht, dat ik waarlijk gevoeld heb als +gedicht, maakte ik op den eersten verjaardag van den dood van mijn +vader. Toen was ik een goede dertien jaar. Intusschen waren een +heeleboel andere verzen van mij verschenen onder allerlei pseudoniemen, +die ik zelf niet meer ken. + +Intusschen was ik op het athenaeum gekomen en daar ben ik waarlijk een +flamingant geworden, onder den invloed van een paar leeraren, die mij +veel goed en ook veel kwaad gedaan hebben. Het was in '93 en de eerste +"Van nu en straks" was verschenen. Dat heeft een enormen invloed op mij +gehad. + +Dat is een punt van belang en men weet dat in Holland eigenlijk zoo +niet. "De Nieuwe Gids" heeft invloed gehad op de generatie die +onmiddellijk voor de mijne gekomen is, die van Vermeylen, De Bom en +Hegenscheidt. Die hebben waarlijk den invloed van de "Nieuwe Gids" +ondergaan. Maar de man die, de eerste, eene eigenlijke vernieuwing in +Vlaanderen gebracht had, Van Langendonck, heeft dien invloed niet gehad. +Wel stond hij onder den invloed van Fransche dichters, onder den invloed +van de "Jeune Belgique", die baudelairiaansch was. Wel heeft hij verzen +geschreven die Kloosiaansch schijnen, maar dit voordat Kloos ooit in +Vlaanderen gelezen werd; verzen, die geschreven waren bijv. in '82 en +'83, voor het verschijnen van de "Nieuwe Gids". Onze generatie kende de +"Nieuwe Gids" nog niet. Wij waren volop aan het dichten onder den +invloed van Pol de Mont en Helene Swarth, toen wij door bemiddelling van +"Van nu en straks" de "Nieuwe Gids" leerden kennen. Maar het was Van +Langendonck vooral, die voor ons de openbaring was. Ik mag gerust +zeggen, dat de invloed van "De N.G." niet groot geweest is. Toen ik +zeventien, achttien jaar was, heb ik veel genoten van Kloos, veel meer +nog dan van Gorter, maar echten invloed heeft hij op mij nooit gehad, +niet meer dan bijv. Lamartine of Musset, en bepaald minder dan De Vigny. +Ik admireerde Kloos, omdat ik een zoo groote individualistische +personaliteit in hem vond. + +Wij zijn nu in '94 of '95. Ik was toen volop aan het dichten. Toussaint +heeft van mij geschreven, dat ik toen reeds een beroemdheid was onder de +athenae-jongens en studenten. Veel vroeger had Pol de Mont mij een +postkaart gestuurd, een postkaart, stel je voor, over een paar verzen +van mij in een tijdschrift. In die postkaart stond: "Tu Marcellus +eris."[3] + +Ik heb er trouwens niet op geantwoord. Want ik voelde wel, dat +verzenmaken was toen niet meer dan een bedrevenheid van mij, anders +niet. In '93 echter maakte ik kennis met "Van nu en straks" en de +anarchistische beweging in Frankrijk en Belgie, waaruit de geest van +"Van nu en straks" gedeeltelijk was ontstaan. Ik mag u verzekeren, ik +was na den dood van mijn vader nog meer vereenzaamd en die opstandelijke +beweging heeft mij waarlijk gevormd. + +Wij gingen heelemaal in die beweging op, en ik heb op het punt gestaan +buiten de deur van het athenaeum te worden gezet om mijn revolutionnaire +ideeen. Van toen af kon ik mij met niets meer tevreden stellen dan na +rijp onderzoek, en sindsdien ben ik een opstandeling gebleven, of zeg: +laat ik mij niet gaarne bedwingen. Daarvan heb ik in Gent prachtige +voorgangers gehad, die tegenwoordig beroemd zijn, bijv. George Minne, +een groot beeldhouwer, en De Sadeleer, een bekend schilder. Die gingen +zoo ver dat zij wilden stelen om d'arme menschen hetgeen hun diefstal +opbracht te gaan uitdeelen. Zij gingen ook dagbladen op straat verkoopen +en bij iederen "Fakkel" dien zij verkochten, kregen zij een slag op hun +kop. Dat wil wat zeggen voor den zoon van een patricier, zooals die +beeldhouwer was. Het was geestelijk een prachtige tijd. + +Mijn eerste verzen in "Van nu en straks" verschenen in '96. Victor de +Meyere had mij gevraagd mee te werken. Dat waren ook de eerste verzen +die onder mijn eigen naam verschenen. Ik ben een van de zeer weinigen, +die den geest van "Van nu en straks" getrouw zijn gebleven. Ik zei het +U: het is een van de gronden van mijn karakter gebleven, weinig gezag +te dulden. Gezag draag ik heel moeilijk, tenzij natuurlijk moreel gezag. + +Hiermede heb ik u dus een paar voorname factoren van mijn aanleg +opgenoemd: de vereenzaming van het kleine kind, vooral na het sterven +van mijn vader, die het gemoed verdiept heeft en leidde tot al te vroeg +ontwaakte sensualiteit; en den oneindigen dorst naar kennis. En dan, +mijne fancy. + +Ik heb het niet altijd gemakkelijk gehad in het leven, maar ik heb +altijd een grooten en blijden onafhankelijkheidsdrang gehad in mij, en +ik geloof dat ik dat te danken heb aan voorouders van moederlijken kant. +De ooms en de vader van mijn moeder waren allemaal geestelijk vrij, ik +bedoel vrij van kommer, en allemaal waren zij rijmelaars. Zij waren met +een zevental en praatten altijd op rijm met elkaar. Van hen heb ik +waarschijnlijk het vermogen, mij zoo gemakkelijk boven de werkelijkheid +te plaatsen en den geestigen, persoonlijk-humoristischen kant van de +dingen te zien, een optimisme waarbij ik mij telkens kan opwippen. + +Ik ben altijd godsdienstig van aard geweest, juist vanwege het naar +binnen gekeerde leven, hoewel ik thuis van godsdienstig leven weinig +gewaar ben geworden. Als ik 's Zondags, toen ik dertien a veertien jaar +oud was, naar de mis moest,--het museum lag toen naast de kerk--: +voelde ik telkens een strijd in mij of ik het museum, dan wel de kerk +binnen zou gaan, en het museum won het dan bijna altijd van de kerk, al +voelde ik er innig leed bij. Het godsdienstig gevoel is levendig in mij +gebleven, maar het gebeurt toch ook wel vaak nog, dat het museum het +wint. Daar komt altijd bij mijn afkeer voor al wat gezag is. Moreel +gezag neem ik natuurlijk aan, dat is van veel sterker werking, dat is +mijn eigen gezag, dat ik in mijzelf voel en waarvan ik niet afwijk. +Daardoor ben ik dan ook werkelijk onmaatschappelijk. Ik sta dan ook +tegenover de proletarische poezie als een onverwoestbare individualist. + +Door natuur en door opleiding ben ik individualist. Maar in dit begrip +zelf is nog een onderscheiding te maken. Is het zuivere individualisme +waarlijk het impressionisme van 1880 en van de "Nieuwe Gids"? Dat moet +ik absoluut tegenspreken. Om te beginnen, ik zeide het u reeds, hebben +wij den invloed van 1880 niet rechtstreeks ondergaan. Ik behoor tot een +andere generatie. De mannen die bij ons den invloed van de "Nieuwe Gids" +ondergingen zijn, zooals ik reeds zei, Vermeylen en De Bom, en ik behoor +tot het volgend geslacht, dat dus als het ware van de "Nieuwe Gids" +heeft gehad een tweede afkooksel. Wat ons opviel in de "Nieuwe Gids" was +het impressionisme. Mijn individualisme is van geheel anderen aard. Het +is niet het onmiddellijk reageeren op zintuigelijke indrukken, het is +veel meer het opnemen van een algemeen wereldgevoel in de personaliteit. +En dan zal poezie worden de weerspiegeling van een algemeen wereldgevoel +door het individu. Het is dus een tegenstelling van het zuivere +impressionisme, het picturaal impressionisme, zooals Van Deyssel en +Gorter het hebben geleverd. Tegenover de zintuigelijke gezichtsmenschen +stel ik mij als innerlijk gehoorsmensch, die meer in zich zelf hoort +dan hij buiten zich ziet, als muzikaal vertolker van de wereld. + +--U stelt hier gezicht en gehoor tegenover elkaar. Zoudt u niet beter +zintuigelijk en gedachtelijk tegenover elkaar stellen? + +--Neen, gedachtelijk is een verkeerd woord. Zie hier wat ik bedoel. Stel +u voor, dat Gorter zou zijn een geslepen staalplaat, waar de zonnestralen +en wat zij meebrengen onmiddellijk op afketsen. Als hij een indruk +krijgt, bedoelt hij den indruk onmiddellijk terug te kaatsen. Dat is +het schoone van zijn kunst en hij is eenig daarin: Zoodra ontvangen, +geeft hij den indruk terug.--Bij mij nu is het anders. Het is alsof de +straal dringt door de stalen plaat heen en komt op het gevoels-vlak. +Het is niet meer een zuivere impressie, maar een impressie die een +verwerking heeft ondergaan, een verwerking door het gevoel. Dat is in +den grond het bezinken van de impressie. Stel u voor een laag +doorschijnend ijs die op het water ligt. Als er een zonnestraal op +valt, dan wordt hij door de dikte van het ijs gebroken en dan komt hij +onder het ijs weer uit en ondergaat er aan kleur, aan wezen, aan wat +weet ik al, een nieuwe vervorming. Zoo is het gevoel bij veel dichters. +Inplaats van onmiddellijk af te ketsen op het waarnemingsvlak, dringt de +indruk door tot in het diepst van hun ziel en als hij dan, verwoord, weer +buiten dringt, is hij heel iets anders geworden. + +Dus mijn individualisme gaat meer uit naar dat van de Fransche +symbolisten, maar is toch weer heel iets anders. De eigenlijke +symbolisten, die ingeleid zijn door Henri de Regnier, systematiseeren. +Zij herleiden eiken persoonlijken indruk tot een beschouwingsvlak. Zij +deelen de verschillende indrukken in in sommige vakken. Dat is toch het +eigenlijke symbolisme, niet waar? Men moet onder een teeken een zekere +reeks van gedachten kunnen indeelen. Dat heb ik altijd verkeerd +gevonden. Dat wordt in den grond zoo iets als een wetenschap. + +Ik wil--voor zoover "willen" bij 't half-bewuste dichten te pas +komt--eenvoudig mijn eigen indrukken inleiden tot algemeene +menschelijkheid en ze algemeen begrijpelijk maken, ze dus eerst laten +bezinken tot eigen gevoel, en dat eigen gevoel daarna toetsen aan het +algemeen menschelijk gevoel, dat ik terugvind niet alleen bij de +menschen die mij omringen, niet alleen bij de lezers, maar bij de +dichters door de eeuwen heen. Dat is natuurlijk niet vanzelf gekomen. +Dat ware onmogelijk, het kan niet vanzelf komen. Als men begint te +dichten heeft men zijn eigen indrukken, al waren ze nog zoo klein en al +waren ze nog zoo pervers, zoo lief, dat men ze wil weergeven in de +aller-individueelste expressie. Maar er komt een tijd, dat die liefde +voor de aller-individueelste expressie afslijt. Men wordt meer algemeen, +het kleine detail gaat weg, men gaat alleen de groote lijnen betrachten +en zoo komt men tot wat ik durf noemen: een neo-classicisme. + +Door het individualisme heen komen wij tot het neo-classicisme, een +nieuwen classieken tijd, een periode van menschen die zich heelemaal +bewust zijn en zich in volkomen oprechtheid uiten, maar daarbij alles +laten wegvallen wat in hun persoonlijk geval te sterk-persoonlijk, te +zeer bijzonder zou zijn. Ik heb in de "Groene" gesproken van menschen +die op de hoogten wonen en elkaar herkennen. Zij wonen op verschillende +heuvelen, zij zien elkaar niet, maar de een begint te zingen, de tweede +hoort hem zingen, de derde ook, en zoo vernemen zij allemaal den zang +van den eerste en herkennen allen in dezen eenen zang hun eigen zang en +leeren elkander onderling kennen. Dat is voor mij de gemeenschapskunst. +Gij ziet, gemeenschapskunst kan heel iets anders zijn dan +maatschappelijke kunst. + +En dit zegt alles: Dit legt u ook uit wat ik gevoel tegenover de +socialistische kunst. Ik kan mij geen dichter voorstellen, die zou +dichten op iets dat niet berust op eigen diepe gronden maar alleen op +een theorie. Daarom is Gorter mij soms zoo hinderlijk, in dezen zin, dat +hij eerst en vooral toch is een impressionist, dat zijn schoonste werk +altijd blijft impressionistisch,--en dat hij dan ineens overslaat op +theoretiseeren en propageeren. "Pan" vind ik een magnifiek gedicht, maar +telkens als hij aan de propaganda komt is het mis, dan is het geen +poezie meer. De goede gedeelten zijn eenvoudig impressionistische poezie +en zoodra hij daar buiten gaat wordt het gezanik, heel eenvoudig. Het +wordt propagandistische proza, afgesneden op een vijfvoetige maat. +Daarentegen heeft Mevrouw Roland Holst, zij als vrouw, omdat zij vrouw +is, alles verwerkt. Zij heeft het socialisme en de democratie inderdaad +heelemaal in zich opgenomen. Bij haar is het heelemaal liefde en leven +geworden. Het is individualisme geworden en daardoor juist kan zij +waarlijk proletarische poezie maken. Het is bij haar niet meer geestelijk +of gedachtelijk, het is doorvoeld, en juist daarom is zij de socialistische +dichteres in Holland. Neem Adama van Scheltema. De eenvoudige liedjes, die +hij misschien voor de minste houdt in zijn werk, die voor den gewonen lezer +ook wel minder zijn, neem een socialistischen marsch, die zoo echt is van +rythmus, zoo meegevoeld, zoo meegestapt, zou ik haast zeggen, dat is echte +proletarische poezie, in tegenstelling met werk, waar heel wat diepere en +ingewikkelde bedoelingen achter zitten, maar dat juist daarom geen poezie +kon worden. + +Wat betreft de mogelijkheid van proletarische poezie kan ik dus zeggen, +dat die geheel afhangt van persoonlijkheid. Als in Holland honderd +dichters kunnen gevonden worden, die tegelijk proletarisch voelen, dan +hebt gij natuurlijk honderd proletarische dichters. Maar dat is nog geen +proletarische poezie, niet waar, u begrijpt me. Mevrouw Roland Holst en +Adama van Scheltema maken proletarische poezie als zij waarlijk +proletarisch voelen, niet denken. Maar van het oogenblik af dat men +proletarisch denkt maakt men geen poezie meer, omdat men dan denkt en +niet leeft. + +Gorter heeft in de "School der Poezie" geschreven van de burgerlijke +kunst, waar hij uit wilde. Heel de "Nieuwe Gids" is volgens hem +burgerlijk. Daar had hij groot gelijk in. Zoo was het. De "Nieuwe +Gids"-dichters waren burgerlijk, omdat het impressionistische gevoel +rechtstreeks straalde uit het burgerlijk leven. Er kon dus werkelijk +sprake zijn van een op haar uiterst levende burgerlijke poezie. De +meeste menschen in dien tijd en ook de meeste dichters leefden en +teerden op sommige begrippen die heelemaal burgerlijk waren. Zij leefden +voort op de begrippen van 1848. En toen kon er sprake zijn van een +algemeen burgerlijke poezie. Maar tegenwoordig kan er geen sprake zijn +van een algemeen socialistische poezie, omdat de proletarische begrippen +nog niet zijn doorgedrongen in de menigte, omdat de proletarische +gevoelsdichters nog uitzonderingen zijn. Daaruit volgt, dat er volgens +mij natuurlijk een tijd kan komen van proletarische poezie, gelijk er in +1900 sprake mocht zijn van burgerlijke. Ik geloof zelfs, dat die tijd er +misschien komt, mijn eigen idealen er natuurlijk buiten gelaten. + +Maar als het zoover komt, dan ben ik overtuigd, dat er ook reactie komt, +anarchistische of aristocratische reactie komt, waarin de individualisten +zullen spreken tegenover de meerderheid der maatschappelijke gemeenschaps- +dichters. En zoo gaat het voort. In Gent noemt het volk dat "den contour +van de wereld", het draait altijd zoo maar rond. + +Maar waar blijft, als de proletarische begrippen zijn doorgedrongen, +eigenlijk de poezie? Is een socialistische toekomst wel vereenigbaar met +uw opvattingen van wat poezie eigenlijk is? + +--Er zullen altijd dichters zijn. Denk eens aan den tijd van de +predikanten-poezie, waar Kloos het over heeft. Die tijd was zoo duf, zoo +vermolmd, dat men zich moeilijk kan denken dat er toch nog dichters +waren. En nu is de laatste daad van Kloos juist geweest, deze dichters +op te delven. Beets en De Genestet waren geen groote dichters, maar zij +hadden het in zich. Beets met zijn "Camera" mag er toch wezen, en hij +leefde toch heelemaal in de Protestantsch burgerlijke Hollandsche +wereld.... Ik stel mij voor, dat er moeilijk iets kleiners is te vinden +dan deze wereldbeschouwing. Toch heeft hij er iets van gemaakt. Ik stel +mij voor, dat het ook zoo zal gaan in den socialistischen staat, wanneer +die er eenmaal komt. Er zullen dan ook menschen zijn, die dichter in hun +hart zullen zijn. Wij weten natuurlijk niet of het groote dichters +zullen worden, maar zij zullen den geest van hun tijd uitdrukken, gelijk +de individualisten hun tijd uitgedrukt hebben. + +En dat brengt mij weer op mijn eigen begrip van individualistische +poezie. Er is waarlijk iets dat boven den tijd staat. Dat is het +menschelijk leven, het menschelijk aanvoelen, het menschelijk begrijpen, +het leven, het leven ... dat is alles. + +Vermeylen heeft gezegd, dat men de grootheid van een dichter meet aan de +ruimte van zijn ziel. Kunt gij ruim begrijpen, kunt gij ruim voelen en +kunt gij ruim mededeelen, dan zijt gij een groot dichter, maar dan staat +gij buiten de onmiddellijk u omringende maatschappij. + +Men zegt wel eens dat de hypertrophie van het gevoel een teeken is van +decadentie. Daar moet over gesproken worden. Wat is decadentie? Dat is +toch verslapping, nietwaar, en die is gewoonlijk het gevolg van +overspanning. En nu is het maar de vraag: kunnen wij deze in het +tegenwoordige individualisme vaststellen? Neen, dat kunnen wij niet +meer. Wij konden het in den tijd van Kloos. Zoo'n verslapping van de +zenuwen komt altijd voor, na een periode van groote inspanning. Zoo +hebben wij bijv. gezien bij Alfred de Musset, die dichter is tien jaar +van zijn leven, en daarna uit, juist omdat hij kwam na de groote +Napoleontische periode; en bij Baudelaire, die maar een korten tijd +dichter was, juist in het tweede Keizerrijk, na een oogenblik van groote +spanning. Kloos in Holland blijft maar een jaar of vijf, zes, eigenlijk +dichter. Hij volgt op het kwijnen-gaan van de burgerlijke opvatting die +stond tegenover de nieuwe levensbeschouwing: het Socialisme. Kloos is +een burgerlijk dichter geweest. Was hij zenuwsterk genoeg geweest, dan +had hij zich kunnen laten opslorpen door, of had weerstand kunnen bieden +aan de nieuwe beweging. Hij stond met zijn zintuigelijkheid tegenover de +verouderde wereld en kon geen stand houden. Wij hebben in Vlaanderen ook +zoo'n voorbeeld, wij hebben Van Langendonck, die niet mee wilde in den +opstandelijken strijd en bleef bij zijn burgerlijke opvatting. Hij was +daardoor te zeer gedwongen, in zichzelf in te keeren, en heeft zich niet +meer kunnen uiten. + +Daartegenover kan dit gesteld worden: boven die levensomstandigheden +uit, boven die maatschappelijke omstandigheden uit, rijst de algemeene +menschelijkheid van de menschen die op de kimmen wonen, die boven de +andere menschen uitreiken, die de groote menschelijkheid +vertegenwoordigen, die classiek van gevoel zijn. En die vind ik in alle +tijden terug, hoewel die in hun tijd meer dan waarschijnlijk ook +uitzonderings-dichters waren. + +Mijn opvatting is dus niet anti-maatschappelijk, zij is +a-maatschappelijk. Zij staat er buiten, zij is a-socialistisch, +a-moreel, maar anti- is zij niet. Het is heel goed mogelijk, dat de +sociaal-democratische staat er zou zijn en dat ik in dien staat +heelemaal mee kon voelen, dat ik dan een socialistisch dichter zou zijn. +Maar voor iedereen acht ik het onmogelijk, dat van nu af aan eene +socialistische poezie geheel volledig in het leven zou worden geroepen. +Die poezie zou heelemaal hersenwerk, uit de gedachten zijn, dus +onpoetisch. Daarom heb ik juist zoo een grooten eerbied voor Mevrouw +Roland Holst, omdat zij dit alles heelemaal doorwerkt heeft, en kan ik +geen eerbied hebben voor een Gorter, als socialistisch dichter, omdat +bij hem alles stelsel, gedachte, organisatie blijft. Dat laatste woord +komt in zijn gedichten telkens terug en dat maakt een mensch kriegel. +Eerst geeft hij een prachtig brok poezie, en dan zegt hij: zoo is nu de +socialistische organisatie. Dat is best mogelijk, mijnheer, maar ik wil +alleen poezie hebben en heb niets te maken met uw socialisme. En dat is +nu juist het verkeerde van de poezie in Holland tegenwoordig, dat zij +zoo weinig geeft om het onmiddellijke, spontane leven, dat zij alles +laat gaan door den geest en alles distilleert op eigen manier. Dat is +bijv. de kwade invloed geweest van Verwey, die de gewaarwordingen en het +gevoel heeft willen filtreeren door de idee. Daardoor zijn er een +heeleboel jonge menschen in Holland op verkeerde banen geraakt. En zou u +wel willen gelooven, dat ik niet veel vertrouwen heb in de poezie van +Holland.... Ja, ja, ja, u hebt gelijk, ik bedoel dan de _toekomst_ van +de poezie in Holland. Ziet u, ik wil niet onvriendelijk zijn.... Deze +hebbelijkheid vindt men zelfs bij de besten, Boutens bijv., iemand waar +ik grooten eerbied voor heb. Hij is de gevoeligheid-zelve, gevoelig tot +de meest gespannen mystiek toe. Maar er is dit bij, dat hij Hollander +is, en daardoor weer dit, dat hij, die uitgaat van het impressionisme, +geheel intellectueel is geworden, dat hij waarlijk weer alles herleidt +tot een intellectueel plan, even goed en misschien meer nog dan Gorter. +Stel u voor een Boutens, die even kinderlijk gebleven was als Annie +Salomons. Stel u voor wat dat zou zijn. Het is natuurlijk belachelijk, +zulke namen naast elkaar te stellen, want, niet waar, Annie Salomons is +nu nog niet bepaald wat men een groote dichteres noemt. Dus ik zeg dit +met allen eerbied voor Boutens, dien ik een zeer groot dichter acht. +Maar hoe doen de dichters in Holland? Zij hebben b.v. eenen indruk, dien +ik zal noemen: blank. Wat doen zij nu? In plaats van argeloos maar dien +indruk uit te zingen, nemen zij, zeer bedacht, wat wit, en zetten +daarnaast voorzichtig een klein beetje rose, en daarnaast behoedzaam +weer een klein beetje geel en maken daarvan de veertien regels van een +sonnet. Dat is heel fijn, het is een genot dat te lezen, maar welk +genot? Genot voor den geest. Het is geestelijke analyse geworden: een +synthetische gemoedsbeweging geeft het niet. Dan nog maar veel liever de +proletarische poezie, waar tenminste nog een menschelijk gevoel in zit. + +--U vindt het dus wel een vreemd verschijnsel, dat de proletarische +opvattingen binnen gehaald worden door de dichters die eigenlijk de +grootste individualisten moesten zijn en zijn? + +--Ja, maar dat is een speciaal Hollandsch vreemd verschijnsel, en wat +ook speciaal Hollandsch is, is dat deze dichters uitgaan niet naar +menschenliefde, niet naar het christelijk begrip van broederliefde, +maar naar de organisatie. Dat heeft mij altijd zoo verwonderd. In +"Opwaartsche Wegen" kan men dat zoo goed zien. Daarin stond een zeer +schoon sonnet, dat men met genot las, tot bij het laatste terzine, +waarin de dichteres ineens zegt: dat is nu het proletariaat,--waardoor +het heele gedicht kapot wordt gemaakt. Gorter maakt een prachtig beeld +van een jong meisje en onmiddellijk daarop zegt hij: dat is nu de +organisatie,--of zoo iets. Dat is speciaal Hollandsch. Een Franschman +heeft eens gezegd: "Le Hollandais, c'est le Monsieur qui veut se rendre +compte et ... il se rend compte." Dat is waar. Zij willen altijd weten +waar het om gaat. Gorter, ik ben er overtuigd van, is een prachtig +mensch, als dichter wordt hij in oprechtheid door niemand overtroffen; +en ook in zijn liefde voor het proletariaat niet, dat valt niet te +betwisten. Maar als hij gaat denken, en als hij dan, al denkende, +gedichten gaat maken over het proletariaat, dan is hij "le monsieur qui +veut se rendre compte", dan gaat hij bedenken wie de voorzitter zal zijn +van de organisatie, en wie de secretaris zal zijn, en hoe hij dien +optocht zal inrichten, en wie de meeste stemmen zal halen bij de +verkiezing. En dat heet dan poezie. Zoo zijn zij haast allemaal. Al +overdrijf ik hier natuurlijk met opzet, duidelijkheidshalve. + +Kortom, een proletarische poezie zal mogelijk zijn als de proletarische +staat er is, waar de gedachte vleesch is geworden. Maar dan komt de +reactie, dat kan niet anders, gelijk ook voor twintig jaar in de +burgerlijke poezie een reactie is gekomen. Als de proletarische- +gemeenschappelijke stijl bestaat, dan komt er natuurlijk een aristocratisch +-anarchistische beweging. Dat spreekt van zelf. Dat kan anders niet. + + +BIBLIOGRAPHIE: + +Het Vaderhuis (1903)--De Vlaamsche primitieven, hoe zij waren te Brugge +(1903)--Laethemsche brieven over de Lente (1902)---Verzen [_Het +vaderhuis, De Boomgaard der vogelen en der vruchten, Vroegere gedichten_ +(1905)]--Janus met het dubbele voorhoofd (1908)--De gulden schaduw +(1910) [_De rei der maanden: het Huis van den Dichter; Poemata_] Homeros +Ilias, prozabewerking (1910) Afwijkingen (1910)--Kunst en geest in +Vlaanderen (1911)---Interludien (1912) Het tweede boek der Interludien +(ter perse)--De bestendige aanwezigheid (t.p.)--Het licht der kimmen +[_Het gelaat des dichters; De geestelijke woonst; De acht +verblindingen_] (in voorbereiding)--Omzettingen (i.v.) + + +VOETNOTEN: + +[3] P. Vergili Maronis "_Aeneidos_", lib. VI, 883. (Zeer vrij vertaald): +Gij zult nog eens de eerste van uw geslacht zijn. + + + + +JOSINE A. SIMONS-MEES + + +(* 1863) + +Toen ze mij na lange aarzeling ontving, was zij dermate onder den indruk +van haar afkeer, als publiek persoon te worden ondervraagd naar het +intieme van haar besloten zelf, dat het gesprek voor ondervraagde zoowel +als voor ondervrager nu en dan pijnlijk werd. Achteraf meende zij, dat +allerlei zaken niet tot haar recht waren gekomen en gaf mij in +overweging het interview niet te doen verschijnen. Op mijn verzoek heeft +mevrouw Simons-Mees mij echter gemachtigd, enkele uitlatingen uit het +gesprek met haar en haar echtgenoot, die mij met het oog op mijn geheel +belangwekkend voorkwamen, in mijn eigen woorden weer te geven. + +Het schrijven was haar van begin af een zelf-bevrijding. Zij is heel +gereserveerd en uit zich moeilijk. Vandaar dat ze trachtte, dit in haar +werk te doen. + +Al vrij jong had zij verwantschap gevoeld met Heine en met Multatuli. +Hun anti-conventionalisme, hun speelsch vernuft, hun afkeer van dwang +vonden weerklank bij wat leefde in haar zelf. Zoo had de beweging van +'80 haar geen bevrijding te brengen, noch naar wezen, noch naar vorm. De +rhetorica van de voor-tachtigers, hun zwaar-op-de-handheid, hun +moraliseer-behoefte had zij voor zichzelf overwonnen. Zoo was veel in de +beweging der '80-ers haar zelf eigen. Alleen hun "woordkunst" is haar +altijd vreemd gebleven. Zij zelf voelde meer voor stijl "_in_ de +natuurlijkheid". Vandaar dat men in de natuurlijkheid van haar dialoog +ook wel "onnatuurlijks" kon aanwijzen. Het echte naturalisme was haar +nooit eigen. + +Dat gevoel voor "stijl" hangt wel samen met haar liefde voor de meest +"stijlvolle" aller kunsten, de Bouwkunst. Geen kunstwerk, zelfs niet de +muziek, geeft haar zulke ontroeringen als een mooi gebouw. Op reis is, +naast de natuur en de romantiek van het landschap, architectuur wat zij +het liefste zoekt. + +En hier komt de tweeheid van haar wezen uit, gelijk die zich heeft +geopenbaard in haar dramatische motieven en conflicten: + +Ordening en moralisme tegenover ongebondenheid; stijl-zin tegenover +vrije romantiek; joie de vivre tegenover zwaarmoedigheid, pessimisme, +sociaal meegevoel en zelfontzegging. Behoefte aan genieting en liefde +voor het eenvoudige. Zelftucht en punctualisme tegenover afkeer van +dwang; hollandsche nuchtere werkelijkheidszin tegenover behoefte aan een +verbeeldingswereld. Een zekere hereditaire liefde voor de wijsbegeerte +heeft zich bij haar geopenbaard in een vaak onbewuste behoefte om de +"idee" in haar kunst te verwezenlijken, en in een sterke neiging tot +psychologisch analyseeren, die, samen met haar mede heriditaire, +nauwgezetheid en behoefte om van alles rekenschap te geven--in de +menschen en situaties, die zij teekent--tot het uitspinnen leidt in haar +werk (van welk defect zij zich volkomen bewust is) zoowel als tot het +meest drie tot vier malen omwerken van een stuk eer zij het doet spelen +of verschijnen. + +Het zijn die tegenstellingen in en om haar zelf, dat worstelen tusschen +"het moet" en het "ik wil", die vooral de groote drijfveeren geworden +zijn voor haar arbeid, en den dramatischen vorm, met zijn conflicten, in +hoofdzaak bepaald hebben. Waarbij het feit dat het drama meer dan de +roman op "structuur" berust, en de personen onmiddellijk en buiten den +schrijver om zichzelf doet uitleven, die voorkeur voor dezen vorm wel +mede bepaald zullen hebben. Zij voelt er zich althans meest in thuis; al +denkt zij er ook over, den roman in brieven of dagboek eens te +beproeven, om af te zijn van tooneelpremieres met hun emoties, +veelvuldige ontgoochelingen en "onmiddellijk hevig de publieke aandacht +trekken". + +Doordat zij, evenals Ibsen, uit een zekere puriteinsch-moralistische +omgeving spruit, zich evenals deze aangetrokken voelt tot de problemen +van het moreele leven en zich kant tegen de frase (vgl. Zijn Evenbeeld, +St. Elisabeth, Een Paladijn en Een Kasbloem) is wel eens de schijn +ontstaan, dat zij gewerkt heeft onder diens invloed. Indien dit zoo +mocht zijn, dan stellig niet bewust. + +Het is daarbij geenszins haar streven, als voorlichtster van het publiek +op te treden. Ze tracht haar figuren zoo onpartijdig mogelijk voor +zichzelf te laten leven, het aan het publiek overlatend, zelf een +conclusie te trekken. + +De taak van den kunstenaar--aldus mevr. Simons-Mees--is: De menschen +door het kunstwerk in staat te stellen, beter in zich zelf en in de +wereld te zien. Elk kunstwerk moet de menschen leiden naar meer +levensinzicht en levenswijsheid. Als het tenminste echt is. + +Daar kunst volgens haar eenvoudig ontstaat door en uit emoties in den +kunstenaar, onverschillig of die gedragen worden door een +maatschappelijk ideaal, of waardoor die gewekt zijn, acht zij onzen +hevig-geemotioneerden tijd voor het ontstaan van kunstwerken zeer +gunstig: "Hoe meer emotie, hoe meer kunst". + + +BIBLIOGRAPHIE: + +Voor 't Diner, [blijspel in 1 bedrijf. Gespeeld te Rotterdam 1889. +Uitgaaf T.B.] 1911.--Droomleven, [tooneelspel in 3 bedrijven. Gespeeld +door het Rotterdamsch Tooneelgezelschap in 1890. Nooit gedrukt.] +--Ouders, tooneelspel in 2 bedrijven (samen met L. Simons). [Gespeeld +door de Tooneelvereeniging te Amsterdam (+/- 1895). Verschenen in het +tijdschrift _Nederland_.]--Ontgoocheld, tooneelspel in 2 bedrijven +(samen met L. Simons). [Gespeeld in den Tivolischouwburg te Rotterdam (+- +1896). Nooit gedrukt.]--Koningsbruid, sprookjesdrama in 7 tafereelen +(1898). [Gespeeld door de Tooneelvereeniging te Amsterdam in 1911?. +Nooit gedrukt.]--Twee geslachten, tooneelspel in 3 bedrijver. [Onder +pseudoniem Dr. A.C.A. Kosters gedrukt in _Nederland_ 1902.]--Twee +Levenskringen, een ernstig stuk in 3 bedrijven. [Onder pseudoniem I.N.A. +in de _Gids_ 1902. Later onder eigen naam in bundel bij G. Schreuders te +Amsterdam (thans Mij. v. Goede en Goedkoope Lectuur)].--Van Hoogten en +Vlakten, een stuk in 3 bedrijven. [Voor het eerst verschenen in de +_Gids_, 1903, onder zelfde pseudoniem. Later in zelfden bundel als +vorige.]--Zijn Evenbeeld. Tooneelspel in 3 bedrijven. [Verschenen in +_Groot-Nederland_. Daarna in den 1sten bundel Tooneelspelen 1905.]--Een +Moeder, tooneelspel in 3 bedrijven. [Gespeeld door 't Nederlandsch +Tooneel te Amsterdam in 1905. Gedrukt in _Groot-Nederland_ in 1905. +Later in den 2den bundel, bij de mij. v. Goede en Goedkoope +Lectuur.]--De Veroveraar, een spel van stemmingen in 5 bedrijven. +[Gespeeld voorjaar 1906 door het Nederlandsch Tooneel te Amsterdam. +Gedrukt in _Nederland_ 1906. Daarna in de Ned. Bibliotheek (1906).] +--Atie's Huwelijk, tooneelspel in 4 bedrijven. [Gespeeld a.v. in 1907. +Gedrukt in _Groot-Nederland_. Daarna in de Ned. Bibliotheek in +1907.]--Sint Elisabeth, tooneelspel in 3 bedrijven. [Verschenen in +_Groot-Nederland_ 1907. Later opgenomen in den 2den bundel +Tooneelspelen.]--Kasbloem, tooneelspel in 3 bedrijven. [Verschenen in +_Groot-Nederland_ 1908. Later opgenomen in den 2den bundel +Tooneelspelen.]--Een Paladijn, blijspel in 4 bedrijven. [Gespeeld door +het Nederlandsch Tooneel te Amsterdam. Uitgaaf in de N.B.]---Het +Liefdesvers, blijspel in 1 bedrijf. [Gespeeld op het Letterkundig +Congres te Antwerpen in 1912. Niet uitgegeven.]--De Nimf, satyriek +tooneelspel in 4 bedrijven. [Gespeeld door het Rotterdamsch +Tooneelgezelschap in 1913. Verschenen in de T.B. 1913.]-- + + + + +CYRIEL BUYSSE + +[Illustratie: CYRIEL BUYSSE] + +[Illustratie: Op het balkon van zijn werkhuis] + + +(* 1859) + +Toen ik te Gent uit d'n Sint-Pieters-Statie stapte, werd ik aangesproken +door een zeer reusachtigen, blozenden, jovialen schoolknaap met +opgestreken blonde knevels en zware Amerikaansche rijglaarzen:--Cyriel +Buysse in zijn sportpak. Hij geleidde me naar zijn beroemde auto, liet +zijn armen in een paar wijde handschoenen glijden en weg tuften wij. Wij +gingen langs "het familiebuiten"; niet er in. Een zevental kilometers +verder ligt zijn werkhuis, in de wandeling "de kooi", "la maison a +pattes", of wel "de meulen" genaamd. + +Langs een omweg bereikten wij den top van een breeden heuvel en daar +stond op een getimmerte van balken, te midden van laag gewas, een +viertal meters van den beganen grond een houten gebouwtje met twee +balkons. Men noemt het huisje "de molen", omdat op dien heuvel ook een +molen staat, vele eeuwen oud, die, tusschen haakjes, nog steeds maalt. +Het bevat een keukentje, een slaapkamer voor een dienstbode en een vrij +ruime, doch primitieve werkkamer met groote openslaande vensters. + +Niemand zou hier een schrijver als Buysse gezocht hebben. Een lang +ganzenroer lag op het bed naast mijn brief, een handvol patronen over de +schrijftafel verspreid. + +Terwijl hij mij rondleidde en me de kasteelen in den omtrek toonde, +moest ik denken aan een grondbezitter in de Kempen, die jaren geleden +mij en een vriend door twee gewapende boschwachters deed aanhouden, +omdat we over zijn terrein liepen teneinde een stuk weg af te snijden, +en die ons minstens had laten opsluiten als hij had geweten dat we +hadden gezwommen, bovendien, in zijn beek. Ik ben maar liever zijn gast, +overwoog ik, tot Cyriel Buysse terugkeerend. Deze legde een twaalftal +half uitgebrande toebakspijpen opzij, zoodat ik op zijn tafel kon +schrijven, en keek met gefronsde wenkbrauwen over me heen toen ik met +mijn vragen aankwam. Het: "Ge zult niets uit 'm krijgen!", dat enkele +uren te voren een artiest mij had toegevoegd, spookte mij door het +hoofd. + +"Ik ben de zoon van een fabrikant,"--begon hij--en wachtte: Als u 't +hebt opgeschreven, waarschuwt u me wel. Dat was een grappige vergissing. +Ik beduidde hem, dat hij zich aan mij niet moest storen en toen ging het +vlot. Hij zette zijn gewone joviale gezicht en vertelde: + +--Ik ben de zoon van een fabrikant. Mijn vader had een fabriek een paar +uur hier vandaan, en het idee was, dat ik hem op zou volgen als +industrieel. Toen ik een jaar of vierentwintig was, werd ik voor zaken +naar Amerika gestuurd, met het idee om daar misschien wel enkele jaren +te blijven. Daar had ik vreeselijk te lijden van heimwee. Ik kon er +absoluut niet wennen en ik geloof dat werkelijk door het lijden van het +heimwee ik ben gaan zoeken: wat zal ik doen, ik moet iets anders doen. +En toen ben ik voor eigen pleizier een dingetje begonnen te schrijven, +iets van niemendal, het heette "Guustje en Zieneken", een +boerenverhaaltje. Dat liet ik lezen aan mijne tante, Virginie Loveling, +een zuster van mijne moeder. Die vond er iets in en zeide mij: met een +klein beetje er aan te veranderen kan het gepubliceerd worden, en ik zou +u aanraden om door te werken. Dat werd gepubliceerd in "Het Nederlandsch +Museum", dat toen in Gent werd uitgegeven, en verscheen daarna als een +afzonderlijk boekje. En van dat oogenblik af ben ik doorgegaan bijna +zonder onderbreking. Mijn eerste werk van beteekenis was "De +Biezenstekker", een groote novelle, die verscheen in "De Nieuwe Gids". +Heel kort daarna kwam "Het Recht van den Sterkste". Ik geloof, dat ik +daardoor in Holland bekend ben geworden. Wat zal ik u verder zeggen? de +lijst van mijn werken is heel lang, er zijn er in de twintig, ieder jaar +is er een nieuw boek geweest. + +Ik heb ook voor het tooneel gewerkt, een stuk uit den boerenstand "Het +Gezin van Paemel", dan nog een ander stuk, getrokken uit "De +Biezenstekker", "Driekoningenavond"; verder "Maria", getrokken uit Het +"Recht van den Sterkste"; en verder "Een sociale Misdaad", getrokken uit +een novelle van Wildstroopers. + +Een bedoeling heb ik met mijn werken nooit gehad. Ik geloof werkelijk, +dat er bij mij heel weinig achter zit. U moet mijn werk nemen zooals het +is, zonder bijbedoeling. Wel getrokken uit dingen die om mij heen +gebeurd zijn--ik zit hier midden in mijn onderwerpen--maar zonder de +bedoeling om met het schrijven iets te bereiken. Ik geloof, dat op mij +wel toepasselijk is de formule van "l'art pour l'art". De menschen +hebben er wel eens politieke bedoelingen in gezien. Een ding is waar, ik +ben heelemaal niet een vriend van de clericalen. Die hebben telkens veel +aan mijn werk af te keuren gehad en van hen heb ik een geweldige +tegenkanting ondervonden. Ik ben voor mijn globale werken in den ban +geslagen. Mijn naam is om zoo te zeggen in den ban. + +--Hoe komt het, dat gij u bijna altijd bezighoudt met die +plattelandsmenschen? + +--Ten eerste omdat ik die het best ken. Ik ben een buitenmensch. Ik ben +heelemaal wat men kan noemen "un terrien", een man van den grond. Wat +buiten gebeurt interesseert mij doorgaans meer dan wat in de stad +gebeurt. Ik ben heelemaal geen stadsmensch. Ik kom alleen in de stad om +sigaren te koopen of om mijn automobiel in orde te laten maken. Het is +heel eigenaardig, ik denk bijna nooit aan de stad. Ik heb wel sommige +dingen geschreven die gedeeltelijk in de stad plaats hebben, maar +meestal komt er dan nog heel veel buitenleven bij. Ik voel mij absoluut +als uit den grond gegroeid. Ik word heelemaal niet aangetrokken door het +moderne leven in de stad. Dat lijkt mij dikwijls ziekelijk, en ik voel +veel voor het gezonde. + +--Maar is dan in het algemeen de schrijver niet een mensch met +niet-gezonde zenuwen, zooals men het wel eens heeft geformuleerd? + +--Neen, dat vind ik niet. Ik geloof meer aan het "mens sana in corpore +sano",--altijd wat mij betreft. U kunt mij beschouwen als een geweldig +individualist. Ik sluit mij heel moeilijk aan bij een ander. Ik ben wel +lid van enkele vereenigingen, maar ik kom er nooit. Ik sta in alle +opzichten heelemaal alleen. + +--Dus u gelooft niet aan de uitspraak: hoe zieker zenuwen, hoe beter +kunst? + +--Neen, voor mij is dat absoluut niet zoo. Je kunt wel heel goed en +scherp voelen en toch een heel gezond mensch zijn. Ik heb nooit de +behoefte gevoeld mij ziek te maken om te werken. Vroeger kon ik alleen +'s ochtends werken, maar nu kan ik een beetje werken wanneer ik wil. +Dat gaat mij nu gemakkelijker af dan in het begin. + +Ik ben op het oogenblik bezig met een nogal eigenaardig boekje. Ik noem +het "mijn zomerdagboek". Het zijn korte noteeringen van elken dag van +mijn leven hier in de natuur. Van wat ik zie en gevoel. Allerlei kleine +dingetjes dikwijls. Zeer afgewisseld. Een innig doordringen tot het +landelijk leven in zijn details. En het is ongelooflijk wat gij kunt +afleggen als gij iederen dag werkt. Een-en-twintig Maart, den eersten +dag van de Lente, ben ik begonnen, en wilt ge wel gelooven dat ik met +iederen dag een paar bladzijden te schrijven, een boekje heb gekregen +van meer dan driehonderd pagina's? Ik heb het tot nog toe volgehouden en +nog geen enkelen dag overgeslagen van 's avonds iets neer te schrijven. +Dat boek zal iets heelemaal aparts zijn in mijn productie. Ik zal het +eindigen met den dag dat ik hier weg ga. Ik ga hier altijd weg als de +laatste blaadjes gevallen zijn, en dan sluit ik meteen mijn dagboek. + +--Hoe is eigenlijk de verhouding tusschen u en uw onderwerpen? + +Dat is de verhouding van iemand, dien zij denken heelemaal tot hun +gemoedsleven te behooren. Die menschen weten vagelijk dat ik schrijver +ben. Zij weten het maar heel onduidelijk. Zij weten niet wat het is een +schrijver te zijn. Ik praat met de boeren, ga in hun herbergen, tracteer +de lui en praat met de herbergiers. Zij beschouwen mij heelemaal als van +hun soort. Dat wil niet zeggen dat ik intiem met hen omga. Ik blijf voor +hen altijd de mijnheer, maar toch een mijnheer die hun leven begrijpt. +Het is wel gebeurd dat sommige menschen zeiden: mijnheer Buysse heeft +over ons geschreven. Maar dan werd er weer aan getwijfeld, omdat sommige +dingen niet precies klopten. Je componeert je boeken, nietwaar? je +neemt iets van die en neemt iets van een ander, en daarvan maak je je +personages. De menschen in mijn boeken zijn niet heelemaal integraal +zooals zij langs de wereld loopen. En zoo herkennen de menschen zich +meestal niet in mijn werk. Als gij hier moest rondgaan en vragen: wat +doet die mijnheer Buysse toch, zij zouden u zeggen: Mijnheer Buysse is +een mijnheer die op zijn goed leeft en niets uitvoert. + +Ik weet niet of u al gelezen hebt wat thans van mij in "Groot-Nederland" +is verschenen: "Van Hoog en Laag", de eerste van een serie van +waarschijnlijk drie romans onder den gemeenzamen titel van "Hoog en +Laag". Het eerste heet "Het eerste levensboek", en speelt hier. Het is +het landschap dat u hier om u heen ziet. Het leven op dit kasteel en dat +kasteel en dat van de dorpsmenschen zoo door elkaar. U zult er +waarschijnlijk wel dingen min of meer in herkennen. + +Natuurlijk met de transformatie die een artiest aan de werkelijkheid +geeft. Wij behoeven toch niet te praten over de quaestie van het +realisme? "Un coin de nature vu a travers un temperament" is een niet +kwade formule. De beschrijving van een realiteit is toch heel iets +anders dan die realiteit.... Het grond-motief van dit boek vereenigt +zich met een ander: ik zit hier namelijk hoog op een heuvel en ginder is +nog een heuvel met een kasteel er op en daaronder liggen de menschen van +het dorp hier.... + +--Laat ik u even vasthouden. U zegt, dat een beschrijving van de +werkelijkheid anders is dan de werkelijkheid zelf. Moet ik dit zoo +verstaan, dat u iets aan de werkelijkheid toevoegt? + +--Als de artiest niets aan de werkelijkheid toevoegde zou hij geen +artiest zijn. Het beschrijven van details zonder meer, zooals Van +Deyssel wel eens heeft gedaan, daar voel ik niets voor. Dat kan ik niet +mooi vinden. "L'ame des choses", zooals de kunstenaar die voelt, moet +uit zijn werken spreken. + +--Maar _wat_ voegt gij dan aan de werkelijkheid toe? + +--Ik zie de werkelijkheid voor mij en op de werkelijkheid, die als beeld +in mijn hoofd zit, ga ik bouwen. Maar er komt zooveel bij en er gaat +zooveel af. In mijn werk is het gedeelte van de verbeelding zeer groot. + +--Welke zijde van de werkelijkheid trekt u dan het meeste aan? + +--Ik weet niet of ik het ooit zal gebruiken, maar al wat ik zie +interesseert mij. Alle verschijnselen van het leven zijn vol belang voor +mij. Van het grootste tot het kleinste vind ik alles belangrijk. + +--Welke voorgangers hebben op uw eerste werk invloed gehad? + +--Ze hebben mij dikwijls vergeleken met De Maupassant, en ik zie zelf +ook wel, dat ik op hem lijk in sommige dingen, doch dat is een +toevallige gelijkenis. Vroeger heb ik bepaaldelijk onder den invloed van +Zola gestaan. Hij heeft invloed op mij gehad, gelijk op alle joncheren +van dien tijd. Wie heeft niet onder zijn invloed gestaan, twintig of +vijfentwintig jaar geleden? "Het recht van den Sterkste" is bepaaldelijk +onder den invloed van Zola geschapen. Ik bedoel natuurlijk niet, dat ik +geimiteerd heb, maar wel dat het procede, de visie van Zola, is +toegepast op deze lui en deze toestanden. Ik voelde daar veel voor in +dien tijd, nu minder.... Maar aan de wetenschappelijke tendenz, bijv. +aan de quaestie van de herediteit, die bij Zola zoo op den voorgrond +treedt, hecht ik heelemaal niet. Dat is mij veel te gewild. Wat ik mooi +vind, dat is de gang die in zijn werk zit, het lyrisme in een boek als +"Germinal", de kolossale beweging van de massa's, het epos van een boek +als "l'Assommoir". + +--Hoe denkt u dan over de uitspraak dat het naturalisme dood is? + +--Waarom zou het dood zijn? Er is niets dood. Het heeft zijn tijd gehad. +Maar wie belet iemand met groot talent een heel mooi naturalistisch boek +te schrijven? Laten zij het maar probeeren als zij kunnen. Wat hebben +wij al nieuwe modes gezien in de literatuur. Waar is nu de mode van het +symbolisme en het mysticisme? In sommige landen is het nog een beetje +gaande, maar bijna overal heeft het afgedaan. Ik hecht niets aan al die +dingen, absoluut niets.... O neen, ik geef mij geen rekenschap.... Zegt +u maar gerust, dat alles bij mij direct gebeurt, spontaan en intuitief, +dat ik niet weet te zeggen waarom of hoe. Ja, de Hollanders zitten +altijd met hun deductievermogen bezig en vragen altijd hoe het gekomen +is en waarom het gebeurd is, maar ik weet het heusch niet. Ik geloof dat +ik daarvoor te eenvoudig, te gezond in mijn natuur sta, om mij daarom +bezorgd te maken. + +--Dus dan heeft u geen bepaalde voorliefde voor een of andere richting? + +--Als ik een mooi schilderij zie of een mooi boek lees, dan denk ik niet +aan de richting. Dan kan het mij ook heelemaal niet schelen van welke +richting of het is. Bijvoorbeeld: hoever sta ik niet af van een man als +Maeterlinck? En toch bewonder ik zijn werken meestal enorm. + +--Ik kom nu aan de verhouding tusschen kunstenaar en maatschappij. Heeft +volgens u de schrijver een taak ten opzichte van de gemeenschap, moet +hij bijv. de menschen iets leeren...? + +--Ik wil niets leeren aan de menschen. Ik schrijf eenvoudig omdat ik +niet anders kan. Ik zou heel ongelukkig zijn als ik niet kon schrijven. +En waarom publiceer ik? Omdat hier en daar toch wel iemand is die met je +meevoelt. Ik ken slechts de behoefte om wat ik sterk voel mee te deelen. +Als je voor een mooi tafreel staat, dan heb je een kreet, dan zeg je: +wat is dat mooi! En wanneer je als schrijver iets ziet dat mooi is, dan +werk je het uit en geeft het aan de menschen te zien. + +Ik heb niet een van mijn werken herlezen. Ik zou het niet kunnen. +Eenmaal als het geschreven en gedrukt is, is het absoluut dood. Het gaat +zoover, dat ik heelemaal niet meer weet wat in mijn vorige werken +gebeurd is. Een boek dat eenmaal geschreven is, is een ding dat gebloeid +heeft en daarna is dood gegaan, een vrucht. Ik heb nooit het publiek +voor oogen als ik iets doe. Ik ken mijn publiek niet. Wie leest mijn +boeken? Ik weet het niet. + +--Met andere woorden: voor het streven naar gemeenschaps-kunst voelt u +niets. + +--Dat gaat geheel buiten mij om. Absoluut. Daarvoor ben ik veel te sterk +individualist. Ik sta alleen op de wereld. Ik begrijp niet wat bedoeld +wordt met gemeenschaps-kunst. Wat is gemeenschaps-kunst.... Ik meen dat +alles onbewust moet gebeuren en dat de gemeenschap naar de kunst moet +komen, aangetrokken door wat wel aardig is en wat zij mee kan voelen. Ik +kan mij niet voorstellen een gemeenschaps-kunst, een soort +vooropgestelde kunst om de gemeenschap te behagen of ten nutte te +zijn.... Ik weet het niet, ik kom er niet bij. Ik ben bang, dat het +dikwijls heel minderwaardige kunst zou zijn op die manier.... + +Nu zult u mij natuurlijk herinneren aan sommige van mijn tooneelstukken +en aan mijn relaties met de socialisten. Och, ik beschouw die menschen +als veel meer ontwikkeld dan de burgerij hier. Zij staan er bepaald ver +boven, wat intellectueele ontwikkeling betreft. En daardoor hebben zij +meer mijn sympathie gehad dan de anderen. Maar denkt u er om dat ik +heelemaal buiten de politiek sta en dat ik geen actief deel neem in geen +enkele partij. Ik ben zelfs geen kiezer, ik ga nooit naar de +verkiezingen. Het is toevallig, dat mijn kunst beter begrepen wordt door +de socialisten en beter in hun geest kwam. U zult zeggen "Het gezin van +Paemel" is een socialistisch stuk, de socialisten spelen het voortdurend +en spelen het goed, maar ik verzeker u dat het toevallig is en het zou +net zoo goed kunnen gebeuren dat ik een stuk schreef dat +anti-socialistisch was. Maar aangezien de mindere klassen menschen zijn +die veel onrecht wordt gedaan in de maatschappij, voel ik mij daartoe +meer aangetrokken. Er is veel meer van te zeggen dan van de andere +standen, die bevoordeeligd zijn door de maatschappelijke verhoudingen. +Ik ken de geheele opkomst van de Gentsche socialisten, hun economischen +en socialen strijd, en ik vind het bewonderenswaardig, ik kan het niet +helpen. Iederen keer dat ik voor "Vooruit" kom, bewonder ik wat zij +gedaan hebben en hoe die menschen zich trots alles ontwikkeld hebben. + +Als de proletarische kunst goed is, dan vind ik ze goed. Maar ik vind ze +wel eens leelijk. In de tooneelzaal van de socialisten te Gent hangen +schilderijen, symbolische voorstellingen van kapitaal en arbeid, die ik +niet kan bewonderen. Is dat gemeenschapskunst, dan zou ik zeggen: ik zie +liever salonkunst als het mooi is. Roland Holst en Gorter zijn twee echt +mooie artiesten, die ook zonder hun richting heel mooie dingen maken. Ik +ben overtuigd, dat zij het socialisme niet noodig hebben om prachtige +kunstwerken voort te brengen. + +Kortom, ik meen dat een artiest volkomen onafhankelijk moet willen zijn +... of liever, hij "moet" het niet "willen" zijn, hij _is_ het, hij is +absoluut vrij aan alle kanten, want als hij denkt dat hij het "moet" +zijn, dan is het ook al weer niet zuiver.... + +--En we tuften terug. De boeren die tegen 't land werkten stonden op om +hem te groeten. De zon scheen over den akker en hij wees mij op de kleur +van den grond: rose, met een gouden weerschijn, heelemaal niet zwart, +zooals een befaamd Hollandsch journalist, over Streuvels schrijvend "den +vetten Vlaamschen bodem" genoemd heeft. + +Nu kwamen wij op "het familiebuiten". + +Ik vond het verschrikkelijk jammer dat ik geen _smoking_ bij mij had, +maar het was nu eenmaal niet anders. Hij had een flink aantal +loge's--hij beweert tusschen haakjes dat men in Holland van "louche's" +spreekt--met klinkende vaderlandsche namen en we gingen bijna terstond +aan tafel. En terwijl een van zijn dochters mij vertelde, dat hij de +slaaf is van zijn louche's, hoorde ik uit een gesprek, dat aan het +andere eind der tafel gevoerd werd, dat men hem in zijn huis "de +artiest" noemt. Een grappige bijzonderheid, die boekdeelen spreekt, +zoowel over den man als over zijn omgeving. Met een goedhartig snuit +liet hij met zich sollen en een keer liep hij, groot en naief in zijn +sportpak, van tafel om een exemplaar van zijn "Per auto" te halen, +waarin hij voor een "louchee" een opdracht schreef.... Ik moest er +vooral bij vermelden dat hij dit met een zeer defecte vulpen deed.... En +in een adem liet hij er op volgen: "Hebt u 't al gehoord? Mijnheer de +interfiefer (dat was ik) vindt mij een heel eenvoudig man!" Met +bewonderenswaardigen tact bracht de gastvrouw het gesprek op een ander +onderwerp. + +Hij had mij gaarne enkele dingen in den omtrek in verband met zijn werk +laten zien, doch het ging dien middag niet, want een paar jonge dames +die bij hem "loucheerden" moesten een bezoek afleggen in het Zuiden, en +daar hij de chauffeur is van de heele familie, was hij dien middag +bezet. + + +BIBLIOGRAPHIE: + +Het Recht van den Sterkste(1893)--Sursum Corda +(1894)--Wroeging(1895)--Mea Culpa (1896)--Op 't Blauwhuis +(1897)--Schoppenboer (1898)--Uit Vlaanderen (1899)--Te Lande (1899)--'n +Leeuw van Vlaanderen (1900)--Van Arme Menschen (1901)--Daarna +(1903)--Tusschen Leie en Schelde (1904)--Rozeke van Dalen (1905)--'t +Bolleken (1906)--Lente (1907)--In de Natuur (1907)--Het Volle Leven +(1908)--Ik Herinner Mij (1909)--Het Ezelken (1910)--De Vroolijke Tocht +(1911)--Stemmingen (1911)--De Nachtelijke Aanranding (1912)--Per Auto +(1913)--Van Hoog en Laag (1913). + +_Tooneel_: + +De Plaatsvervangende Vrederechter, satire.--Het Gezin van Paemel, +drama.--Maria, drama.--Driekoningenavond, drama.--Een sociale Misdaad, +drama. + + + + +FRANS BASTIAANSE + +[Illustratie: FRANS BASTIAANSE Jeugdportret] + +[Illustratie: Foto Brok--Hilversum FRANS BASTIAANSE (eind 1913)] + + +(* 1868) + +Onlangs ontmoette ik een dame, die al zijn verzen van buiten kent, zoo +vaak had ze die, bewonderend, gelezen. Kort daarop sprak ik die dame +weer. Ik heb hem gezien, zei ze, maar hij is mij bitter tegengevallen: +hij is zoo'n gewoon mannetje.... + +Mij is het juist andersom gegaan. In een plaats als Hilversum, waar het +meerendeel van de menschen tot een allerbanaalst type behoort, valt een +echte persoonlijkheid spoedig op, en zoo had ik allang het mijne gedacht +van een niet kleinen maar ineengedrongen mijnheer met norsch starend +gelaat, die in mijn buurt woonde. Hij was steeds bijzonder goed gekleed, +maar blijkbaar liefhebber van een soort rustieke deukhoeden, die, +vergeleken bij zijn overige kleedij, welhaast bizar zijn. En als hij mij +traag voorbijpeddelde of met afgemeten passen langs mij schreed, telkens +gaf hij mij de sensatie van een opgesloten en eenigszins beschaafden +leeuw, van wien men nooit zeker kan weten, of hij niet op klaarlichten +dag doodkalm zijn klauw, tusschen de tralien van zijn kooi door, in de +spieren van den toeschouwer zal slaan. De lezer begrijpe goed: Niet de +uiterlijke verschijning van dien mijnheer had gelijkenis met een leeuw, +maar zijn innerlijk, dat ik raadde, had voor mij iets ontembaars. + +Toen ik nu ontdekte dat die mijnheer Frans Bastiaanse heette, was ik +niet verwonderd. Ik aanvaardde de ontdekking gemakkelijk. Een +onafwijsbaar licht ging mij op over zijn verzen, nu ik wist dat de +dichter "van buiten ijs, van binnen gloed" was. + +In een huisje, niet ver van het mijne, met een ruim uitzicht over de hei +en dat hij, tot mijn verbazing zonder ironische bedoelingen, "De Vlakte" +heeft genoemd, woont deze idealist, die zich grimmig gelaten beweegt in +de burgerlijke positie van leeraar aan een burgerschool. En voor zoover +hij niet reeds uitteraard ongenaakbaar is, wordt hij dit met behulp van +zijne vrouw, die met een gezicht, zoo zonnig dat men het nog aangenaam +vindt op den koop toe, de bezoekers op een afstand houdt en zoo zijn +weinige vrije uren bewaakt. + +De lezer zal wel begrepen hebben dat Bastiaanse mij, toen de kennismaking +ondanks alles een feit was geworden, op sommige punten maar weinig nieuws +had te vertellen. Hij was daar trouwens niet toe geneigd, want hij had +een zeldzaam grimmige bui--dat zegt wat, niet waar?--en ik was al dra +een beetje afgetrokken. Want zelden heb ik zoo sterk het verschijnsel +waargenomen, ja getast, dat twee gedachtegangen (die van Bastiaanse en +de mijne dus, in dit geval) elkander ik zou bijna zeggen rakelings +voorbijgaan, zonder elkaar te ontmoeten. Nu was dit verschijnsel +vooral merkwaardig, omdat ik hier zoowaar te doen had met iemand van +academische opleiding, die reeds vele jaren docent is, en nog wel o.a. +in de geschiedenis, en die dus ongetwijfeld groote oefening en +vaardigheid bezit in het waardeeren van andermans meening. En toch, nu +het ging om het innigste, het eigenaardig-persoonlijke, kreeg hij het +gevoel dat ik vroeg om te strijden, en heel-even stonden we als +blazende katers tegenover elkaar; om het daarna glimlachend op te +geven en ons te verdiepen in de beschouwing van een mooie teekening. +Want we hadden de scheidingslijn geraakt. + +Doch ik loop vooruit. Hoor hem eerst van zijn jeugd vertellen, woordkarig, +zoo langzaam dat men aan het eind van ieder woord vreest dat hij er genoeg +van krijgt, en blij als hij gelegenheid heeft het een of ander te +verpletteren onder een zwaar woord, waar een languitgehaalde, dikke _l_ +uit rolt: + +"Ik ben uit een vo_l_komen ondichter_l_ijk milieu voortgekomen. Bij mij +thuis waren alleen te vinden wat Aurora's, de Heidelbergsche +catechismus, en Motley's "De opkomst van de Nederlandsche republiek". En +als ik iets aan mijn omgeving te danken heb, dan zou ik zeggen dat het +aan mijn vader is, een man van groot doorzettingsvermogen, die zich uit +de lagere standen door energie en intellect had opgewerkt. Die liet mij +ook volkomen vrij, en toen hij begreep dat ik niet in den handel wilde, +mocht ik het vak van mijn keuze kiezen. Maar hij waarschuwde mij er +voor, schoolmeester te worden: dat was het jammerlijkste vak dat ik +kiezen kon.... + +Op de lagere school, toen ik een jaar of tien was, begon ik de +verhaaltjes die wij moesten schrijven, in plaats van die in gewoon proza +na te vertellen, in verzen, natuurlijk prulverzen, na te vertellen. Dat +is het begin geweest. + +Ik ben ook een tijdlang op kostschool geweest in Oosterbeek en daar heb +ik bijzonder veel aan het natuurleven gehad, hetgeen dan op mijn denken +en gevoelsleven wel invloed heeft geoefend. + +Op de burgerschool in Utrecht, op mijn zestiende of zeventiende jaar, +ben ik weer gaan schrijven. Dat kwam spontaan. Tusschen mijn +allervroegste prematuur ontwaken en mijn eigenlijk gezegd bewust +optreden als dichter liggen dus een jaar of zes, zeven. Het begon toen +met prullaria: Ik herinner mij een gedicht op een historisch gegeven: De +slag op de Catalaunische velden. Ik had nog geen metriek geleerd en +voelde dat er aan mijn Alexandrijnen iets ontbrak. Ik kon er maar niet +achter komen wat. Later, het gedicht overlezend, zag ik dat de caesuur +op de verkeerde plaats viel.... + +Maar toen kwam een gewichtig oogenblik in mijn leven. Doordat mijn vader +mij nogal vrij liet, kon ik vrij wat boeken bestellen, en zoo was ik ook +op "De Gids" geabonneerd. Ik kwam toen bij mijn boekhandelaar, die mij +zeide: Er is ook een ander tijdschrift, wilt u het eens inzien? Dat was +"De nieuwe Gids". Ik ben ermede naar huis gegaan en heb de aflevering in +een stuk doorgelezen. Direct begreep ik, dat dat nu was wat ik eigenlijk +moest hebben. Men heeft wel eens opgemerkt: er staan in de "Nieuwe Gids" +van die dingen waar je eerst aan moet wennen en dan pas kon je achter de +schoonheid komen, maar ik voelde het direct. Het was in den tijd dat Van +Deyssel zijn critieken schreef en Kloos zijn prachtige verzen, die zijn +opgenomen in het "Boek van kind en God". Daar had ik terstond een groote +bewondering voor, en dat is ongetwijfeld van invloed geweest op mijn +vorming. Meer invloed moet ik nog toekennen aan de theorieen van Kloos, +zooals die in het begin van die periode telkens verschenen in zijn +literaire kronieken. Het is mij vaak gebeurd dat ik van een schrijver +niet veel las, maar uit een aantal verzen mij de gevoelswereld, waarin +hij zich bewoog, eigen maakte. Dan ging ik weer mijn eigen gang. Zoo ook +toen. Ik zat in de vierde of vijfde klas van de H.B.S. en ging weer mijn +eigen verzen maken, doch die leken aanvankelijk wat veel op die van de +"Nieuwe Gids". Ik heb ze dan ook onrijp gevonden en ze later allemaal +achtergehouden.... In dien tijd kwam ik met de afleveringen van de +"Nieuwe Gids" op school, ik liep er mede door de gangen en droeg zorg +dat de leeraren het zagen. Zij vonden dat, naar ik dacht, een +huiveringwekkend gezicht. + +Toen ik eind-examen had gedaan, besloot ik na eenige aarzeling, in de +literatuur te gaan studeeren. Ik had van letterkunde, zooals die aan de +academie wordt onderwezen, geen goed begrip; ik dacht dat ik aan de +academie "de literatuur" zou hooren. Ik deed eind-examen gymnasium, en +ging in de Nederlandsche letteren studeeren. Ik was spoedig +teleurgesteld en heb ook lang overwogen, er maar den brui van te geven +en eenvoudig literator te worden. Maar mijn neigingen brachten mij +volstrekt niet tot realisme, en ik begreep wel, dat iemand die niets +anders deed dan verzen maken, om te kunnen leven in de een of andere +slavernij moest vervallen. Toch heeft het lang geduurd, voordat ik mij +resigneerde om te blijven studeeren: Anderhalf jaar heb ik geen college +geloopen. + +Ik nam mijn besluit juist in den tijd, toen het mis ging met de "Nieuwe +Gids". Het wegvallen van het geestelijk milieu in ons land deed me +pijnlijk aan. Want, niet waar, je leeft als individuen naast elkaar en +je hebt in de sfeer waarin je leeft wel eenige aanknoopingspunten +noodig. Dat maatschappelijk bankroet, dat ik in het ineenvallen van de +"Nieuwe Gids" proeven kon, heeft mij gedeeltelijk tot inkeer gebracht, +en heeft bij mij het voornemen doen rijpen om af te studeeren, zoodat ik +niet een maatschappelijk afhankelijk persoon zou worden, dat ik mij zelf +kon redden en daar bovenuit kunstenaar kon zijn.... + +Nog iets anders heeft daartoe meegewerkt. Max Nordau heeft een boek +geschreven: "Ontaarding"--een van de meest abjecte boeken die ik ken. +Hij beweerde o.a. dat de groote dichters als Goethe complete menschen +waren, maar bovendien nog kunstenaars, en dat de tegenwoordige dichters +incomplete menschen waren. Goethe was overcompleet, zei hij zoo +ongeveer, die had ergens een compartiment in zijn bestaan waar "en +volkomen burger in zat, en dat heb jullie niet. Ik vond dat dat +heelemaal onjuist was, en toen dacht ik: Ik zal die paar examens doen, +dan kan ik het maatschappelijk werk dat te doen is ook op mij nemen, +dan toon ik ook een overcompleet mensch te zijn. Ik beschouwde die +maatschappelijke taak wel niet als het schoonste, maar toch als een +noodzakelijke plicht. Ik besloot een gewoon mensch in de cultuur te +worden, waarvan ik in mijn eerste jeugd een hartgrondigen afkeer had +gehad. + +Ik ging toen een poosje naar buiten, en begon te werken voor mijn +candidaatsexamen. In den tusschentijd had ik eenige verzen geschreven, +die in enkele jaargangen van den Utrechtschen Studentenalmanak waren +verschenen. Eenigen daarvan zijn door Van Eeden beoordeeld, die tot de +conclusie kwam, dat Boutens, die toen ook verzen publiceerde, en ik +misschien weleens zouden weten van ons leven, wat een goed vers is. Een +van die gedichten is "Middag aan den heuvelrand", later opgenomen in +"Natuur en Leven". Van Deyssel heeft daar later over geschreven. + +Ik was toen 23 jaar. Wat voor den pianist de vingeroefeningen zijn, dat +was voor mij het schrijven van mijn vroegste gedichten. Zoo goed als +ieder ander kunstenaar heeft de dichter grondig zijn metier te leeren. + +Wat nu mijn levenshouding betreft--ik sta hoofdzakelijk op het standpunt +van den aristocratischen eenling. Ik vind dat het geestes-aristocratisme +steunen moet op een bijzonder groote mate van kennis en op het diepste +menschelijk gevoel. Een gevoel echter, dat nooit mag leiden tot den +ondergang van het individu. Ik bedoel dit: Ik zou nooit een leven kunnen +leiden als bijv. Verlaine--een leven van armoe en ellende. Dit heeft ook +gemaakt--die dingen werken allemaal op elkaar terug--dat ik mij +maatschappelijk zelve door het leven wenschte te slaan. + +Maar het spreekt wel van zelf dat ik geen kind zou zijn van mijn tijd, +wanneer ik niet ook op gegeven oogenblikken de behoefte in mij had +gevoeld naar aansluiting bij de massa van gelijkgezinden. Ik heb een +oogenblik gemeend, zooals zoovelen, dat ik dit wellicht in het +socialisme zou vinden, daar ik het in de nuchter-practische gemeenschap +van de bourgeoisie niet vond. Want voor een massa van die menschen is de +poezie dood. Ze hebben er niets aan. Te midden van hen kun je je als +eenling voelen, maar nadere gemeenschap heb je niet met hen. Wat zij +zwart noemen, dat noem je gewoonlijk wit. Zoo ga je zoeken naar een +andere gemeenschap, en toen ben ik ook wel enkele malen op een +socialistische meeting geweest. + +Maar die toon van gemeenzaamheid, die vervlakking van de +persoonlijkheden, die daar voorkwamen, leken mij aan den anderen kant +weer even verkeerd. Want ik ben wel voor de vrijheid, maar zeer sterk +tegen de gelijkheid en de broederschap, in dien zin dan dat daardoor het +persoonlijkheidsbesef zou worden aangetast. En hoe meer iemand zich +differencieert van de massa, des te meer zal hij in staat zijn om +datgene te maken wat de massa niet vermag. Dus: Ik ben voor de grootst +mogelijke ongelijkheid, en dat heb ik toen goed gevoeld. Eerst heb ik in +dien tijd met Gorter terloops gesproken en daarna grondiger met Tak. +Aan Tak heb ik een wijze raadgeving te danken, die ik nog dankbaar in +gedachten houd: Hij waarschuwde mij, mij niet in dit opzicht door mijn +gevoel, maar slechts door mijn intellect te laten leiden. En toen ben ik +het historisch materialisme en de socialistische theorieen gaan +bestudeeren, en ik heb gezien dat het niet mijn zaak was. Dat het +misschien mogelijk was voor; andere menschen, daar bezieling uit te +putten, menschen die het sentiment voor de massa hadden, maar dat het, +mij niet zou steunen. + +Hier besloot Bastiaanse "iets voor den dag te halen", dat wil zeggen, +hij nam uit zijn Oud-Hollandsche kast een paar kleine cartons, waarin +hij zijn keurig geschreven manuscripten bewaart. En eer ik er op +verdacht was las hij mij enkele fragmenten voor uit een uitvoerig +gedicht "Het Eiland der Schoonheid",[4] dat nog niet gepubliceerd is en +geschreven werd tusschen Sept. 1911 en Dec. 1912. Hier brak de +innerlijke gloed door het uiterlijke ijs. Hij had naar het gedicht +gegrepen, gelijk een musicus naar zijn speeltuig, omdat gesproken +woorden hier nietszeggend waren geworden. + +Hoe groot is het verschil tusschen de technische, op massa-effect +berekende kunst van den declamator en de stem van den dichter die zijn +eigen poezie geeft. Hoe verteederd was deze stem hier en hoe zuiver deed +haar bevend rhytme mij gevoelen dat wij nu in een andere wereld waren +aangeland. Luister: + + "Ik hoorde menig stem van vroeger tijden, + Die van dat uitverkoren heeft gewaagd, + Maar mij daarheen door nood en nacht te leiden. + Heb ik vergeefs aan levenden gevraagd. + + Slechts vinden zullen zij die zelve zochten: + De weg van de een is die des anderen niet, + En zelden zien wij op eenzame tochten + Een wijkend zeil in 't schemerend verschiet. + + Dit wist ik van die verre reis te voren, + Maar zorg en vrees verdubbelden mijn moed, + Dus heb ik leed boven de rust verkoren, + Vage eindeloosheid boven eindig goed." + +Wat lijken ze toch veel op elkaar, als ze in dezen staat verkeeren, +overpeinsde ik, nog onder de bekoring van de week-speelsche +rhytme-grilligheid, waarmede de twee laatste verzen een hard besluit +verzoeten. (Ik moest n.l. onwillekeurig denken aan Albert Verwey, die +mij lang geleden iets uit zijn gedichten voorlas, en daarna aan onzen +wijsgeerigen kunstenaar Bierens de Haan.) + +En ziet, nadat Bastiaanse mij den aard van z'n alleen-zijn op deze wijze +had verduidelijkt, beter dan hij het in gewone woorden had kunnen doen, +vervolgde hij, nog steeds sprekend over het sentiment voor de massa: + +"Er is een oogenblik geweest, dat ik dit sentiment zelfs zeer +verderfelijk achtte. Maar ik erken nu: Als een kunstenaar zoo veel houdt +van die massa-idee als een ander bijv. van zijn geliefde of zijn moeder +kan houden, dan kan die massa-idee in hem dien ontroeringsstaat wekken, +die tot het kunstenaarsschap aanleiding geeft. Ik ben dus gaan zeggen, +dat ieder op zijn wijze moet worden aangedaan, de een door het massa +sentiment, de ander door een diep natuur-instinct, een derde door zijn +religieus gevoel. Die dingen liggen in iemands onder-bewustzijn vaak +naast elkaar, maar ze kunnen ook fel tegenover elkaar staan.... + +Ik ben dus weer geworden wat ik altijd geweest ben, n.l. individualist, +maar van ruimer opvatting dan te voren, vooral in den laatsten tijd. Ik +heb in de allerlaatste jaren het gevoel gehad, dat ik vroeger wel tegen +Gorter en mevr. Holst heb kunnen schrijven, maar dat die menschen met +hun artistiek temperament en hun hartstochtelijk gevoelsleven, ten +slotte dichter bij ons staan, dan de burgers, met wie we uiterlijk +gerekend kunnen worden overeen te stemmen. Het primaire van een +kunstwerk is de ontroering die er in schuilt, en of die ontroering bij +den kunstenaar nu gewekt wordt doordat hij haar krijgt uit het +massa-sentiment, of door het natuurleven, of wat dan ook, dat blijft ten +slotte hetzelfde, mits de diepre ontvankelijkheid en het +kunstenaars-temperament er zijn Ik vind nu dat de scheiding niet mag +loopen tusschen de artiesten onderling, maar dat die zich ook als een +massa moeten gevoelen--ondanks hun individueele verschillen--tegenover +de bruten en niet-ontvankelijken. Maar ik ben voor de ongelijkheid, +zooals ik u zei, en ik vind het bijv. ook een schromelijk onrecht, dat +er gelijk recht bestaat voor allen, want gelijk recht leidt tot onrecht. + +--Welken geestelijken inhoud heeft de "Nieuwe Gids" u gebracht? + +--Voor den geestelijken inhoud was ik in die dagen, waarvan ik u sprak, +nog niet rijp. Ik voelde niet de theorie die er achter kon worden +opgetrokken, maar ik onderging de directe schoonheid ervan. Het was mij +net eender of Thijm mij door zijn proza ontroerde of Kloos door zijn +verzen, en ik had ook plezier van de artikelen van Van der Goes. Ik had +in die dagen geen keus gedaan en leefde buitenmaatschappelijk voor de +Schoonheid. En wat ik later door het leven weer heb teruggewonnen, dat +had ik toen dus intuitief.... Toen begon men van de zijde van de +socialisten die straffe houding aan te nemen. Mevr. Holst o.a. zei: dat +de burgerlijke dichters leeggeloopen waren en vol moesten worden gemaakt +uit het socialisme. Toen ben ik met mijn verstand gaan studeeren en heb +mij uit aversie te scherp tegen het socialisme gekant, in zooverre het +m.i. het kunstleven aantastte. Achteraf ben ik door de bewustheid heen +weer tot de overtuiging gekomen, dat het er heel weinig toe doet wat +iemand politiek gelooft, mits hij maar de kunstenaarsontroering kan +krijgen op de wijze die voor hem passend is. En dus--ik geniet weer--en +net zoo goed de verzen van mevr. Roland Holst als ik het werk van +Woestijne of Boutens geniet. + +--Ik mag dus constateeren, was mijn vraag, dat u op het standpunt van de +"Nieuwe Gids" is blijven staan? + +--We zijn ouder geworden, maar ik geloof dat mijn standpunt van nu +hetzelfde is. De "Nieuwe Gids" stond net zoo goed open voor Van der Goes +als voor Thijm, de ducdalf, zooals hij het noemde, van het +persoonlijkheidsbegrip, terwijl Van der Goes juist de tegengestelde pool +was. Er was dus de overtuiging, dat de schoonheid op verschillende +wijzen kan worden verwezenlijkt, en dat het voor den man die in de sfeer +van de schoonheid leeft, er volstrekt niet toe doet, wat zijn houding in +het maatschappelijke is.--Dat komt dan overeen met het gevoel dat de +kunstenaar twee dingen in zich moet hebben, den burger, die in het +maatschappelijk leven de menschelijke comedie meespeelt; en den man die +voor diepere ontroeringen vatbaar is.... + +Wij mogen dit leven niet beschouwen als een inleiding tot het mogelijke +hiernamaals, maar we hebben het leven nu door alle porien te genieten en +te waardeeren. En als de menschen droef zijn, omdat ze achter het +kortstondige leven den dood voelen, die alles zal afsluiten, dan zeg ik: +kunnen we een symphonie van Beethoven niet in al haar volle geluk +genieten en waardeeren, ook als we weten dat over een half uur het einde +zal zijn gekomen?... U ziet, het is volkomen het heidensche standpunt, +dat ik als levenshouding heb aangenomen in den laatsten tijd. Het leven +in alles genieten--niet in plat-materieelen zin, maar in ideeelen +zin:--van den morgenstond genieten, van het blad dat aan den berk +vergeelt, van een ree dat wegvlucht achter in het bosch--van muziek, van +schilderkunst, van alles kortom wat het leven biedt, maar dan in +hoogeren zin--niet te vragen: Waarom? en niet te vragen: Waarvoor?--maar +het schoonheidsgeluk van elk oogenblik te drinken--en het leed te nemen +en dat te transformeeren in de sfeer van de schoonheid, tot nieuw geluk. + +--Hier is dus niet een algemeen-menschelijk standpunt, dat u op +dichterlijke wijze vertolkt, merkte ik op, maar een speciaal +schoonheids-standpunt, een aesthetisch standpunt, een poetenstandpunt.-- + +--Juist, want het aesthetisch beginsel kan zijn sappen trekken uit alle +levensbeschouwingen en alle tijden:--dat is het supreme standpunt. De +Katholiek kan zeggen: Er zijn dingen in het leven voor mij niet +weggelegd, en zoo heeft elke richting, wanneer men zich op +maatschappelijk standpunt stelt, de beperking van zijn eindigheid. +Alleen iemand die leeft naar het aesthetisch beginsel heeft een hoogte +en wijdte bereikt, waarin alle richtingen kunnen worden saamgesmolten. +Zooals je verschillende ertsen in een smeltkroes kunt doen en er ten +slotte een volkomen harmonisch beeld van kunt maken, zoo is het een zaak +van de dichterlijke persoonlijkheid, om uit zoo verschillende dingen een +eenheid te maken. + +--Als ik nu aanneem dat de dichter, als zoodanig, een apart staand +mensch is, dan kom ik van zelf tot de vraag: Heeft de dichter een +maatschappelijke functie, en zoo ja, welke? + +--De kunstenaar moet in de gelegenheid worden gesteld, het +maatschappelijk leven mede te leven, in zooverre en op de wijze als dat +voordeel geeft voor de ontwikkeling van zijn schoonheids-productie. Wat +mij betreft, ik zou tijdelijk in de volle maatschappij willen zijn, maar +de gelegenheid willen hebben om, op het oogenblik dat de verwerkelijking +van mijn kunst gekomen was, mij bijv. in de Zwitsersche bergen terug te +trekken. Ik acht het voor den kunstenaar absoluut noodig, dat hij zich +niet losmaakt uit het groote menschenverband, maar hij moet er zich +wanneer hij wil uit kunnen terugtrekken. + +--Dit, de lezer zal het toegeven, was geen rechtstreeksch antwoord op +mijn vraag, en ik trachtte mij dus duidelijker uit te drukken: Ik +bedoelde te vragen naar de beteekenis van den dichter voor de +samenleving, welke plaats hij inneemt in het maatschappelijk raderwerk, +of--laat ik daar maar mee beginnen: Welke beteekenis heeft in het +algemeen de dichter voor zijn volk? + +--Men pleegt altijd te zeggen, dat de kunst "de bloem" is van een +bepaalde beschaving. Volgens de schatting van velen is een volk zonder +kunst maatschappelijk dood, de kunst is de hoogste bloei van een volk. +In de tweede plaats, meer in het bijzonder wat den taalkunstenaar +betreft, is de taal heel het volk. Een man die tot den bloei van die +taal bijdraagt en den taalschat vermeerdert, bewijst aan zijn volk +minstens even groote diensten als een groot staatsman of een generaal. +Dus bestaat voor de overheid de plicht, om zulke allerverdienstelijkste +staatsburgers, behalve ze soms lofprijzingen te geven, ook in staat te +stellen om hun schoonheidsbedoelingen in absolute vrijheid te +verwezenlijken. Want de voorbereiding voor den kunstenaar is de meest +omvangrijke, die er voor welk maatschappelijk metier ook zou kunnen +bestaan. De noodzakelijkheid mag hem soms opleggen voor zijn +dagelijksch brood te zorgen, eigenlijk moest dit niet het geval zijn. De +kunstenaar moet in de tijden dat hij niet scheppend werkt door het zich +eigen maken van elke geestesbeschaving, uit welken tijd ook, zijn geest +kunnen verrijken. Niet om die geestesbeschaving na te maken, maar om aan +wat hij neerschrijft de geestelijke diepte van die culturen mede te +deelen. Al heeft een kind nog zoo goed de handgrepen van het pianospelen +geleerd, aan den toetsaanslag van den volwassen man hoort men toch de +levenservaring die in dien man leeft. Zoo kan de kunstenaar, na andere +culturen te hebben verwerkt, in schijnbaar met die culturen niets te +maken hebbende uitingen hun diepere gevoelsleven verwerken, naarmate hij +meer met het diepere gevoelsleven van anderen heeft kennis gemaakt. Ik +vind natuurlijk dat het goed is, eens aan te toonen, dat je als +kunstenaar ook die maatschappelijke bezigheden wel kunt verrichten, dat +je dus een normaal mensch bent, met iets er bij, maar ik acht dien +toestand toch vicieus. Zooals ik zei: Gelijk Van 't Hoff in Berlijn +gelegenheid kreeg om zich daar aan zijn studien te wijden en maar een +uur college in de week te geven, zoo moest men eventueel ook een dichter +of proza-schrijver volkomen vrij maken. De menschen die arbeiden aan het +instrument waardoor een volk een natie is, bewijzen aan dat volk de +onwaardeerbaarste diensten, en die moeten worden op prijs gesteld.... + +Ja, ik geef u toe, practisch is het moeilijk uitvoerbaar, maar het zou +moeten gebeuren b.v. door een Instituut van schoone kunsten, dat gevormd +wordt niet door regeeringsambtenaren maar uit de gezaghebbende +kunstenaars zelve. Zooals u weet, is men bij ons van plan zulk een +instituut in het leven te roepen en dat zou eventueel kunnen uitmaken, +wie in de termen vielen om van overheidswege onbekrompen geholpen te +worden. + +--Ik begreep nu wel, waarde lezer, dat ik op mijn vraag geen +rechtstreeksch antwoord zou krijgen, en dat ik in het uitblijven van dit +antwoord--ook een antwoord moest trachten te vinden. Maar op gevaar af, +door Bastiaanse voor zeer onnoozel te worden gehouden, waagde ik nog een +kansje: + +--Ziet u, ik zal mij onduidelijk hebben uitgedrukt, zoo begon ik. Ik +wilde eigenlijk van u weten, wat volgens u de dichter uitvoert in de +maatschappij. Kan een betrekkelijk groote minderheid daar iets van +bemerken? Welken dienst bewijst de dichter eigenlijk aan zijn +lezerskring...? + +--Om dat te weten te komen, antwoordde hij, zou men van overheidswege +een decreet moeten uitvaardigen, dat in geen 25 jaren een boek, een +tijdschrift of een courant zou mogen verschijnen. Dan moesten de +menschen in den trein stom tegenover elkaar zitten, want dan hadden ze +geen "Handelsblad" en konden 's morgens niet over Falkland praten. Dan +konden de dochters van den huize niet den avond te voren den inhoud van +"De Kleine Johannes" uit haar hoofd leeren, om tegen den volgenden dag +conversatie te hebben, als ze op een studentensouper mede aanzaten. Dan +hadden de boudoirs geen Eline Vere meer. De burgers waren aan de +leegheid van hun eigen gedachten gedurende 25 jaren overgelaten. Dan zou +men leeren begrijpen, welke diensten scheppers van geestelijke waarden, +romanschrijvers, journalisten en ook dichters aan de gemeenschap +bewijzen. Als gas- of waterleiding worden afgesneden, als de treinen +niet meer loopen, dan weten de menschen pas wat ze daaraan gehad hebben. + +Ze zijn nu zoo gewoon voor een appel en een ei geestelijke waarden te +koopen, dat alleen de proefondervindelijkheid ze van de waarde daarvan +het juiste begrip kan bijbrengen. Ze moeten dan praten over hetgeen hun +eigen improductieve geesten opbrengen, ze zijn veroordeeld te leven in +de hopeloosheid van hun eigen onvruchtbaarheid, ze hebben geen +Heijermans en geen Royaards om hun avonden te vullen. Het is de dichter +en de prozaschrijver die voor de menschen voelt en denkt en ze nieuwe +stukken gedachten- en gevoelsleven geeft, dat ze uit hun eigen leven +niet kunnen scheppen. + +Het mag sommigen toeschijnen dat de scheppers van geestelijke waarden +lichter gemist kunnen worden dan de dichter in zijn "eigenwaan" denken +mag, lichter dan de scheppers van reeele, rendabele waarden. Daarop kan +ik antwoorden, dat nagenoeg _alles_ wat bestaat slechts onmisbaar is +voor een _deel_ van de menschheid of van de samenleving. Ik heb +bijvoorbeeld nooit een voetbal noodig gehad of een bioscoop-voorstelling +.... + +--Mijnheer Bastiaanse, zal ik u eens wat zeggen? Mijn vragen stuiten op +u af. + +--Ja, u woudt de voegen in mijn pantser ontdekken, he? Maar ik sta vast +in mijn overtuiging. + +--Dat is juist het merkwaardige. Ik _vraag_ en u denkt dat ik _strijd_. +U is het meest volmaakte type van den aesthetischen mensch, dat ik ooit +ontmoet heb. U treedt niet in mijn gedachtengang, maar wat doet u? U +leest mij verzen voor, u werpt brokken stemming in mijn schema, en ik +had gewenscht dat uw inzichten op dit punt de mijne zouden ontmoeten.... + +Wij keken elkander een oogenblik aan; blijkbaar om ons te vergewissen of +we goed waren of boos. Ik wilde verzachten: U begrijpt dat ik u begrijp, +niet waar? Sommige dingen laten zich door u niet meer in gewone woorden +zeggen en ik ben u dankbaar ... voor het genot ... voor de.... + +Toen lachten we beiden. Het gevaarlijke punt lag achter ons. De +intellectualistisch gezinde had den aesthetisch gezinde gewaardeerd. + +--Natuurlijk zei Bastiaanse, deze dingen kan niemand zoo uitdrukken als +de dichter, en daarom heb ik u een paar maal den dichter laten hooren. +In welken wezensstaat de mensch ook verkeert, wanneer hij als dichter de +dichterlijke droom in zich voelt komen, dan is hij _de_ complete +mensch.... + +--Dit is inderdaad een standpunt, merkte ik op. Waarom deed ik mij +nuchterder voor dan ik ben? + +Hij vertelde mij dien avond o.a. dat hij zijn vacantie in Zwitserland +ging doorbrengen om er de rust te zoeken, die hij hier bij zijn velerlei +bezigheden, waaronder het secretaris-schap van de Vereeniging van +Letterkundigen, niet kan vinden. Weet u, vroeg hij bij het afscheidnemen +op zijn langzame manier, weet u wat bij een vorige gelegenheid mijn +hoofdindruk was van Zwitserland?--Gelukkig, dat ze _dat_ niet plat +kunnen s_l_ijpen! + +--Heeft hij erg gebromd? vroeg zijn vrouw mij, toen ze me uitliet. + +Er lag een waereld van verstandhouding in die vraag. + + +BIBLIOGRAPHIE: + +"Natuur en Leven" (1900)--"Gedichten" (W.B., 1909) [Van "Het boek +Jeugd" verscheen een metrische vertaling in het Duitsch, van Peter +Muehlfarth.] + +Voorts een aantal verspreide studies, w.o. "Het spellings- en +taal-systeem van Kollewijn" (in 1911 afzonderlijk verschenen) en het +overzicht "Taal en Letteren" in het verzamelwerk "Nederland in de +twintigste eeuw". In verband met bovenstaand gesprek is vooral van +belang "Het geestelijk lied", een lijvige beoordeeling van Knuttel's +dissertatie, die in "Groot-Nederland" jrg. 1908 werd opgenomen en o.a. +uitvoerig over het historisch materialisme handelt. + + +VOETNOTEN: + +[4] Het hier volgende citaat is als manuscript gedrukt! + + + + +HERMAN ROBBERS + +[Illustratie: Foto Koene & Buettinghausen, A'dam HERMAN ROBBERS (Mei +1891)] + +[Illustratie: Foto J. Huijsen, A'dam HERMAN ROBBERS] + + +(* SEPT. 1868) + +De oogen van dezen man, die iets beschermends in zijn lange gestalte +heeft, zouden mij te nuchter lijken, indien niet de langdurige inwerking +van de brilleglazen hun uitdrukking vervaagd had. Neen, nu ik goed kijk +is er iets peinzends in, dat ook wel past bij den ietwat scheef +getrokken, breeden, een groote ontvankelijkheid teekenenden mond. Dat +hij het hoofd voorover draagt komt ook eigenlijk niet doordat hij van +zijn respectabele lichaamshoogte op alles wat hem omgeeft moet neerzien. +Nadenkend beluisteren van stilte en eigen stemming is er de oorzaak van. +En nu hij voor mij zit met den aarzelenden glimlach van de eerste +kennismaking op het gelaat, begrijp ik ook waardoor zijn borstelige +pruik midden op het voorhoofd is uitgegraven. Kijk, hij heeft het, +ondanks betrekkelijke welgesteldheid, in het leven niet gemakkelijk +gehad en ook in deze gezellige, comfortabele studeerkamer heeft hij +menigmaal moeten vechten met zichzelf, en dan heeft hij de bevende +vingers op het plekje dat nu kaal is geworden tegen zijn voorhoofd +gedrukt.... Met zoo iemand kan ik goed praten: Deze hier weet, dat ons +innerlijk geen product van de omstandigheden is of mag zijn, maar--wat +ons brein ons ook wijs make,--zijn eigen weg moet zoeken. + +Als ik hem nu vraag onder welke omstandigheden het hem bewust is +geworden, dat hij als schrijver zou optreden, blijkt mij, geheel in +overeenstemming hiermede, hoe hij juist staat tusschen de mannen van '80 +die zich aan eigen gemoed verslaafden, en de jongere generatie, die de +inblazingen des gemoeds met verstandelijke overwegingen tracht te leiden +of te onderwerpen. In den loop van ons gesprek verwonder ik mij telkens, +hoe hij zich bijna blindelings tusschen die beide richtingen door +orienteert, en ik zou hier aan philosophische vindingrijkheid gaan +denken,--ik heb pas van een buitenlandsch dichter vernomen dat wij, +Hollanders, richtingen scheppen of 't niets is--als ik zijn theorieen +niet belichaamd voor mij had zien staan, indien ik ze niet had +weergevonden in zijn blik, in de trekken om zijn ontvankelijk-wachtenden +mond, en in dat heldere, rustige wiskunstenaarsvoorhoofd, dat--als ik 't +eens zoo mag zeggen--meer denkt dan de ziel kan navoelen. Maar hierbij +word ik onmiddellijk getroffen door het inzicht, dat hij precies zijn +positie kent, dat ik zijn gelaat niet verder behoef te ontleden. Hij +vertelt het me precies zoo als ik het verwacht heb, hij is een Hollander +naar mijn hart, hij heeft "zich rekenschap gegeven"--zooals die +buitenlandsche kunstenaar mij zeide dat alle Hollanders doen. + +Hier volgt zijn antwoord op de allesbeheerschende vraag, die ik boven +kortelijk aangaf: + +--"Eigenlijk gezegd heb ik als kind zoolang ik mij herinneren kan al +geschreven. Ik was een jongen die altijd las en daarbij al gauw de +neiging kreeg zelf verhaaltjes en sprookjes te maken. Dat is _purement_ +een drang van mij geweest. Ik had als jongen van acht of negen jaar de +gekke gewoonte om, als ik een verhaaltje gelezen had, het op mijn manier +na te vertellen, liefst op rijm, en met dergelijke gedachten ben ik +altijd bezig geweest. Zooals u weet ben ik in Rotterdam geboren en +opgevoed, en als leerling van het gymnasium krijg je al gauw wat meer +quasi literairen omgang dan op andere scholen. In de derde of vierde +klasse hadden wij een zoogenaamde literaire club. Daar moesten wij dan +opstellen voor maken. Maar voor dien tijd had ik al lang het plan dit +voor mij zelf te doen. Gelukkig heb ik niet vroeg gepubliceerd. Ik ben +daarmee pas begonnen toen ik vierentwintig was. + +--Dat was dan toch zeker werk van geheel anderen aard? vroeg ik, om het +gesprek op de principieele zaak te brengen. + +--Och, bij mij is daar niet zoo'n groot verschil in. Het schrijven is +bij mij niet voortgekomen uit den lust om een of ander idee te +propageeren of om in een of ander opzicht aan de menschen iets te willen +geven. Ik heb slechts willen voldoen aan een zeker pleizier om een +verhaal te schrijven. Het was een soort liefhebberij van mij, zooals de +menschen alle mogelijke liefhebberijen kunnen hebben. De een timmert +graag, de ander schrijft graag. + +Dat eerste werk is een novelletje geweest. "Een Kalverliefde", dat +naderhand met twee andere novellen in een bundeltje is verschenen, +waarvoor ik geen gemeenschappelijken naam kon vinden en dat ik daarom +ook genoemd heb: "Een Kalverliefde, De Verloren Zoon en De Vreemde +Plant". + +Mijn leven is niet te beschouwen zonder daarbij te nemen mijn gewone +werk buiten de literatuur om. Ik was in den boekhandel. Ik had wel +altijd het plan gehad om schrijver te worden, maar ik wist ook heel +goed dat je daar niet van kunt leven en dat ik moest aanpakken. +Studeeren wilde ik niet, en zoo ben ik op mijn achttiende jaar bij mijn +vader in de zaak gekomen. _Daar_ werd onmogelijk hard gewerkt. +Daarenboven was ik vrij jong geengageerd en ging graag 's avonds nog +even naar mijn meisje. Als ik daarna thuis kwam, ging ik zitten +schrijven. Mijn eerste novellen zijn dan ook geschreven 's nachts +tusschen twaalf en drie. Op Zondag was ik meestal te moe. U weet hoe dat +gaat, men werkt de heele week hard en rekent daarbij op den Zondag, en +dat valt tegen. Toen ik nu ging trouwen, heb ik in dit opzicht een +beteren levensregel aangenomen Ik zei tegen mijn vader en mijn broer: +wij moeten een verandering maken en de zaak vroeger sluiten. Er was een +tijd dat mijn oudste broer en ik tegen elkaar zeiden: "Is het al kwart?" +en dat beteekende kwart voor twaalf, als wij naar huis gingen. Nu +begonnen wij wat vroeger te werken en werkten door tot halfzeven, om 's +avonds vrij te hebben. Toen kon ik dus tusschen acht en negen beginnen. +Toen heb ik ook een grooter boek aangedurfd en "De roman van Bernard +Bandt" geschreven. + +Ondertusschen had ik natuurlijk wat meer algemeen benul gekregen. Laat +ik hierbij meteen behandelen mijn verhouding tot de "Nieuwe Gids", +waarnaar u mij schriftelijk gevraagd hebt. Dit is bij mij misschien +anders begonnen dan bij vele anderen, omdat ik weinig tijd had om van de +dingen nota te nemen. Ik had de "Nieuwe Gids" van het eerste nummer af +gekend. Ik heb hem nog op zestienjarigen leeftijd in mijn club tegen +anderen verdedigd. Toch kan ik niet zeggen, dat ik in de eerste jaren +ook zelfs maar geregeld nota heb genomen van wat er in verscheen. Ik las +maar te hooi en te gras, dan hier en dan daar. Soms kreeg ik +bevliegingen: ik moet een massa lezen,--en dan zat ik daarmee tot diep +in den nacht. En dan dacht ik weer: wat kan het mij allemaal schelen, ik +heb toch geen tijd. Niet waar, je hebt allemaal van die buien als je nog +jong bent.... Ik kende de "Nieuwe Gids" dus wel, en wist wel wat de +beweging beteekende, maar ik heb er mij pas goed ingewerkt toen ik +vijfentwintig of zesentwintig jaar was, getrouwd, en toen de boeken +verschenen van de menschen die vroeger in de Nieuwe Gids hadden gewerkt: +de Verzamelde Opstellen van Van Deijssel en de boeken van Van Looy. Van +Eeden had ik wel zoo tusschendoor gelezen. Toen kreeg ik eindelijk tijd +om met wat meer besef mijn positie ten opzichte van de literatuur vast +te stellen. Tot mijn trouwen heb ik in een soort van werkroes +doorgeleefd. De eerste jaren van mijn trouwen heb ik "De roman van +Bernard Bandt" en "De bruidstijd van Annie de Boogh" geschreven. Dat +moest veelal gebeuren in den laten avond, en ik merkte wel, dat dit geen +gunstigen invloed op mijn werk had. Je schrijft dikwijls in een soort +van overspanning, en dikwijls moest ik den volgenden ochtend verscheuren +wat ik den vorigen avond laat geschreven had. Toen kwam de behoefte, mij +geheel aan de literatuur te kunnen wijden. Eerst was er een tijd dat ik +meende, een transactie te kunnen maken met de firma waarin ik werkte. Ik +was nl. in '93 lid van de firma geworden. Ik had voorgesteld, een +gedeelte van den dag te werken, en ik heb dat ook een tijdje lang +geprobeerd. Ik zou om vier uur weg gaan, maar dat gebeurde eenvoudig +niet, mijn eigen zaken gingen mij toch te veel ter harte om ze te laten +loopen. Ik bleef dus toch zitten tot half zes, zes uur. Eindelijk heb ik +tot mijn broer en mijn vader gezegd: ik ga er doodeenvoudig uit. En op 1 +Januari 1905 heb ik dit ook gedaan. In den loop van het voorafgaande +jaar had mijn vader mij voorgesteld, om dan de redactie op mij te nemen +van "Elsevier". Dat was me natuurlijk aangenaam, want dat gaf meer +vastheid voor de toekomst. Ik was oorspronkelijk van plan ergens +driehoogachter te gaan leven en dan maar te schrijven. Maar dat behoefde +nu niet en ik kon er mij tenminste een beetje aangenamer doorslaan. Toen +bleek mij echter, dat ik mij in de laatste jaren wat overwerkt had, en +tweeeneenhalf jaar lang had ik erge moeite om te werken. In den loop van +1907 is dat pas overgegaan; toen heb ik wat langer vacantie kunnen nemen +en het af voelen trekken. Daarna heb ik een flinke werkperiode gehad, en +de twee deelen van mijn "Roman van een Gezin" kunnen schrijven, die in +1907--1909 in "Elsevier" zijn verschenen en daarna als boek. + +Daarna ben ik langzamerhand overstelpt geworden met werk van geheel +anderen aard, in verband met het vereenigingsleven. Ik heb in 1905 met +een paar anderen de Vereeniging van Letterkundigen opgericht, en ik heb +dat met erg veel animo gedaan. Maar zij hebben mij dikwijls voor het +werk laten opdraaien, zal ik maar zeggen, want daar komt het toch op +neer. Ik was in den boekhandel en uitgeverij geweest en kende een +heeleboel toestanden van nabij en beter misschien dan de anderen. Ook +was ik meer gewoon practisch te werken, en zoo was ik als het ware +aangewezen om allerlei werk te doen voor de vereeniging. Ik had ook +studie gemaakt van de quaestie van het auteursrecht en daarover +geschreven, en een van mijn bedoelingen met de Vereeniging van +Letterkundigen was, te verkrijgen aansluiting bij de Berner Conventie en +een betere auteurs-wet. In 1908 ben ik met enkele anderen door de +Regeering naar Berlijn gezonden, om de Staten-Conferentie over de +herziening van de Berner Conventie bij te wonen. In 1910 zijn we toen +begonnen met de stichting van het Verbond van Kunstenaarsvereenigingen, +dat in 1911 definitief is opgericht op initiatief van de Vereeniging van +Letterkundigen. Ik werd Voorzitter van het Verbond en dat heeft mij in +de laatste jaren verbazend veel werk gekost. Ik beklaag er mij niet +over, maar ik merk toch langzamerhand dat het mij te veel in beslag +neemt. Met Januari 1914 moet ik aftreden. Ik hoop dan buiten te gaan +wonen en mij weer heelemaal aan de literatuur te geven. + +Ik verzocht hem, nu weer terug te komen op zijn verhouding tot literaire +scholen en richtingen, waarover hij zooeven was begonnen. + +--Ik heb zeker het gevoel, zoo hernam hij, bij de literaire beweging van +dien tijd te behooren, zonder in engeren zin mij te hebben gerekend tot +de Nieuwe-Gids-beweging. + +Hoe omschrijft u eigenlijk de Nieuwe-Gidsbeweging? + +--Deze beweging is al dikwijls gedefinieerd, en dat is in het algemeen +wel juist, als een kleinere renaissance, een weeropleving van de +persoonlijkheid tegenover de algemeenheid. Maar toch geloof ik, dat door +verschillenden in den laatsten tijd te sterk de nadruk gelegd is op het +"op de spits gedreven individualisme", zooals men het noemt, en daarmee +ben ik het niet eens. "Op de spits gedreven individualisme" is werkelijk +een ontzaglijk groot woord, en als gij nagaat wat het zou beduiden, dan +geloof ik, dat er heel wat anders voor den dag zou komen als de +Nieuwe-Gidsbeweging. Over het algemeen kan men zeggen: in Nederland +zoowel als in de omliggende landen is omstreeks 1880 een zekere +verfrissching ontstaan, vooral tegenover de sleur en de +zelfgenoegzaamheid van de liberale bourgeoisie, ongeveer hetzelfde als +ook gebeurd is in de periode van de romantiek, een vijandig staan van de +jongeren tegenover de zelfgenoegzaamheid van de gevestigde menschen, die +maar geld verdienen en daarmee tevreden zijn. Na de Fransche Revolutie +heb je meer en meer gekregen een tevreden burgerij die zijn doel bereikt +had, die kon doen wat hij wilde en een hoop geld kon verdienen. Dat +platte, banale, bevredigde de jongeren niet. Ze stelden daar tegenover +een zoeken naar idealen, dat dan vooral het oog richtte op de +middeleeuwen, op een avontuurlijk leven, waarin meer hoog en laag viel +te ontdekken. Dit nu is niet heelemaal hetzelfde als een op de spits +gedreven individualisme. Het is ook een behoefte om wat dieper te graven +in de dingen des levens. + +--Maar hoe staat het nu met de uiting: "hoe zieker zenuwen, hoe beter +kunst", die men in dien tijd zoo vaak kon vernemen? + +--Ook dat moet niet zoo letterlijk worden opgevat. U moet hier ook in +willen zien een drang om te komen uit het banale en normale, dat doodend +kan zijn voor het eigenlijke leven, een streven naar een meer intens +leven, en wanneer ik de "Nieuwe Gids" zoo bekijk, dan geloof ik, dat ze +over het algemeen is te vergelijken met hetgeen men ook in de omliggende +landen kon waarnemen. Wij Hollanders hadden het idee, dat wij tamelijk +eenig zijn geweest met onze Nieuwe-Gidsbeweging, maar wanneer wij de +zaken breeder bezien, dan is in de buitenlandsche literatuur toch overal +een dergelijke verfrissching merkbaar. + +Nou, het is natuurlijk verbazend moeilijk voor mij om te kunnen zeggen, +of het bij mij meer is geweest de omgevende wereld, die mij tot een +zekere verwantschap heeft gebracht met die beweging, of wel het +voorbeeld van de tachtigers, die ouder waren dan ik en wier bestaan ik +toch kende. Trouwens, al lees je ze niet veel, dan ruik je ze toch, de +dingen hangen in de lucht, nietwaar? Het is heel moeilijk uit te maken, +of dit mij sterk geinfluenceerd heeft, dan wel of dezelfde oorzaken bij +mij en hen dezelfde gevolgen hebben gehad. + +Netscher heeft eens in de "Hollandsche Revue" geschreven, dat Phocius, +dat was ik, achter niemand aankwam,--en dat is betrekkelijk juist, al +kwam ik ook eenigszins achter de Franschen aan, voor zooverre ik die +gelezen had. Ik had de bedoeling, die verschillende moderne Fransche +schrijvers hadden, in de eerste plaats: werkelijk zoo eerlijk mogelijk +en zoo zuiver mogelijk mijzelf uit te spreken. Ik had en heb altijd +behouden de behoefte om absoluut niets te zeggen dat ik niet diep zou +kunnen verantwoorden. Natuurlijk, dat is iets dat je wel zeggen kunt, +maar je weet er tevens bij, dat je dikwijls meegesleept wordt door het +rhytme, den stijl, de beweging van wat je schrijft. Alles gaat +natuurlijk gepaard met een zekere opwinding en ik wil niet een soort van +veer op mijn hoed steken en niet beweren, dat ik mij altijd zoo diep heb +uitgesproken, dat ik niet eerlijker zou kunnen maken wat ik geschreven +heb. Maar ik heb mijn best gedaan, laten wij dit in het algemeen +vaststellen. + +--Ik vroeg nu, of hij dan de levensverschijnselen op dezelfde manier +apprecieerde en verklaarde als de Fransche naturalisten. Hij antwoordde +hierop: + +--Ik had er over het algemeen heel weinig van gelezen, zooals ik in het +algemeen weinig gelezen had op dien leeftijd. Wat ik er van verwerkt +had, is voornamelijk den drang om zuiver en eerlijk te zijn. In anderen +zin heb ik mij nooit naturalist gevoeld. Ook sta ik verder van Zola af, +in zooverre ik den zuiver beschrijvenden kant, dien hij zoo sterk heeft, +nooit krachtig in mij heb voelen leven. Ik heb nooit sterk geambieerd +om dat in het Hollandsch te gaan doen. Ik heb het gevoel gehad, dat +daarvoor mijn werk niet was, daarvoor heb je schilders, dat wij er +voornamelijk voor waren de innerlijk-menschelijke bewegingen weer te +geven en de verhoudingen van de menschen onderling. Als ik zou moeten +samenvatten wat ik heb geschreven, en wat achteraf mijn bedoeling is +geweest, dan kan ik het zoo zeggen, dat ik de behoefte had, na te gaan +of in ons moderne leven, zooals het nu is, nog sommige sublieme +gevoelens mogelijk zijn, en zoo ja, welke. En wanneer ik die vond dan +was het mijn grootste heerlijkheid die te beschrijven. + +Ik geloof, dat dit min of meer bewust bij heel veel schrijvers de +bedoeling is. Ik geloof, dat de romantici hetzelfde wilden. + +Wanneer een man als Ary Prins schrijft zijn "Heilige Tocht", dan moet +hij dat met een dergelijke bedoeling doen. Met een eenigszins sterker +pessimistischen kijk op de moderne wereld, laat hij zich daarvan +afdrijven en tracht in een vroegeren tijd bij een heel ander leven het +sublieme terug te vinden. Ik geloof, dat er nog altijd in ons +dagelijksch leven heel fijne momenten zijn, waarin subliem gevoeld +wordt, en dat is het eenige dat mij aantrekt in het leven, dat mij ook +aantrekt in de kunst, en dat ik daarom geven wil. + +Nu is natuurlijk maar de vraag: wat bedoel je met "het sublieme"? In dat +opzicht ben ik misschien eenigszins een rare kerel. Ik vind bijv. +subliem, laat ik zeggen, in een stillen nacht een moeder, die met haar +kind zit bij een nachtlichtje en niet naar bed wil gaan, ofschoon haar +voeten ijskoud zijn, omdat het kind op haar schoot zoo lekker slaapt. Ik +geef maar een voorbeeld, om te zeggen, dat ik niet wil trachten in hoog +geestelijke gesprekken het sublieme te benaderen, omdat ik overtuigd +ben, dat iemand in zijn eenvoud, wanneer hij maar tracht zichzelf te +zijn, de subliemste momenten bereikt. Daarom ook voel ik mij in de +Nederlandsche literatuur het meest aangetrokken tot Van Looy, omdat +niemand meer dan hij in onze moderne literatuur dat bereikt heeft: de +verheerlijking van het leven en de goddelijkheid van den mensch te +bewijzen in zijn woord. + +--Hier merkte ik op, dat mij nu, evenals in de beschrijving van zijn +wording als schrijver, getroffen had, hoe hij uitging van het gewone +dagelijksche leven en hierbij stilzwijgend aannam, dat dit overwegenden +invloed uitoefende boven het hooger geestelijk leven, ja, daarboven te +stellen was. Is dit inzicht van mij juist? vroeg ik. + +--In zekeren zin komt het daarop neer. Het diepste gevoelsleven kan zich +dagelijks in de meeste dingen uiten, en juist wanneer je er hard naar +streeft, zul je het niet bereiken. Wanneer je gewoon maar je gang gaat, +en doorvoelt wat je voor de hand vindt te liggen en je het mooiste +vindt, dan zul je heel dikwijls vanzelf het sublieme bereiken. + +Ik kan dit ook toepassen op het terrein van de kunst. Er is een boel +zoogenaamde didactische literatuur geschreven, waarin getracht wordt de +menschen beter en braver te maken, terwijl de echte artiest wel weet, +dat dat allemaal eenvoudig verkeerd is en je niets beters kunt doen dan +mooie dingen maken. Dat komt doordat juist het aller-subliemste in den +mensch, het edelste, door iemand die er didactisch naar zou streven niet +kan worden bereikt. U moet weten, ik ben nu een beetje vol van de +"Heilige Tocht" van Prins, omdat ik dat boek juist ernstig bestudeerd +heb. Ik heb er van geschreven: dat er absoluut geen moralistische +strekking in gezocht kan worden, maar dat er wel een hoog moreele, of +liever ethische, werking van uitgaat, omdat er ethisch niets hoogers +bestaat dan de schoonheid. Ik geloof, dat iemand alleen maar goed is in +zijn schroomvollen eerbied voor het heilige, het kinderlijke en het +vrouwelijke. Wanneer men dat gevoelt is men goed. Maar zoodra men gaat +denken, komt men tot allerlei vertroebelingen. Dat zou Vader Cats den +menschen in zijn gedichten niet hebben kunnen vertellen, niet waar? +Zoodra je didactisch te werk gaat, moet je de menschen al redeneerend er +toe brengen goed te zijn. Maar wanneer je de menschen kunt ontroeren +door schoonheid, dan worden zij vanzelf goed. Ik herhaal: het is nooit +mijn bedoeling geweest, de menschen met mijn boeken beter te maken, maar +iedereen, ook een artiest, heeft toch behoefte aan de ethische +verdediging van zijn werk. + +Nu moet u _dit_ goed in het oog houden. In hoogeren zin erken ik geen +verschil tusschen ethiek en aesthetiek, en dat kan ik heel goed +verdedigen. + +Er bestaat maar een mooi, en dat is voor alle menschen hetzelfde. En of +dat nu is een boom of een stuk kunst of een daad, het blijft hetzelfde. +Ik geloof juist, dat de schoonheid van de daad voor de minst +ontwikkelden het meest begrijpelijk is. + +Als je gaat onder het volk, dan merk je wel, dat zij voor de kunst niet +voelen, de schoonheid in de natuur niet zien. Maar wanneer iemand +verricht een of andere faire daad, geen wraak neemt, of edelmoedigheid +betracht tegenover een vijand, of iemand hulp biedt onder moeilijke +omstandigheden, dan wordt door het volk gezegd: dat is mooi. En dat +soort ontroering, waarbij zij blij zijn dat zij menschen zijn, dat is +altijd weer de schoonheidsaandoening, en het is precies hetzelfde of je +een mooien boom ziet, een mooi landschap, een stuk kunst. In hoogeren +zin is er geen verschil tusschen ethisch en aesthetisch mooi; er is +maar een mooi. + +--Mocht ik dus aannemen, dat in zijn levens-systeem de eenvoudige daad +gesteld werd boven wat men zou kunnen noemen den geestelijken bovenbouw +in het menschelijk leven, dat de geestelijke uitingen beheerscht werden +door wat men zou kunnen noemen het practische leven,--"practisch" +genomen in de beteekenis van "handelend"? + +--Ik geloof, dat het geheele leven geleid wordt door het Onbewuste. Je +kunt je best doen om je leven uit te denken, om heelemaal bewust te +leven, maar de eigenlijke impulsen komen voort uit je diepere zijn, dat +op zich zelf een mysterie is en dat je begrip niet aanraken kan. Ik ben +wel lid van de S.D.A.P., maar ik zou heelemaal niet toe wenschen te +geven de theoretische bewering van het historisch materialisme, dat je +het geestelijke heelemaal kunt beschouwen als een bovenbouw, zooals de +gewone uitdrukking luidt, van de toestanden die ontstaan zijn door de +productiewijze. Ik begrijp volkomen, dat iemand tot deze bewering +gekomen is. Je ziet bij alle mogelijke ontdekkers in de wereld dat, +wanneer zij iets ontdekt hebben dat een groote waarheid bevat, zij de +neiging hebben om te denken dat dit nu _alles_ is. En zoo is het ook +gegaan met Marx en zijn tijdgenooten, die de groote waarde van de +productiewijze hebben doorzien. Maar zooals de theorie luidt, is zij een +uitschakeling van het mysterie. Er zijn geestelijke stroomingen, waarvan +de oorzaken geheel en al mysterieus zijn. Is het bijv. niet absoluut +geheimzinnig, dat alle geestelijke stroomingen gaan tot een zekere mate +van verzadiging en dan komen tot hun tegendeel en omslaan in reactie? +Dat kunt u onmogelijk verklaren uit een theorie, die eenvoudig aanneemt, +dat het geestelijke zou zijn een bovenbouw van het materieele. Maar, al +ben je geen theoretisch aanhanger van het historisch materialisme en +alle theorieen van Marx, kun je heel goed lid zijn van de S.D.A.P. en +met alle kracht medewerken in die richting, omdat je overtuigd bent, dat +wij nu zeker een paar eeuwen lang werken moeten in de richting van het +gemeenschappelijke, voordat wij weer aan de rechten van het individu +denken. Want de waarheid ligt voor mij in een zoo natuurlijk mogelijke +harmonie van individu en gemeenschap, zooals dat bijv. in "Civitas", het +boek van Treslong, zoo juist is uitgedrukt. Hij zegt duidelijk, dat de +menschen niet alleen hebben neiging tot zelfbehoud en zelfverdediging, +maar dat ieder zich voortdurend voelt lid van de gemeenschap. Dat ieder +tot op zekere hoogte even goed kuddedier is als individualist, omdat +louter individu zijn met het menschelijke in het algemeen niet +vereenigbaar is, geestelijke afdwalingen daargelaten. En dat is ook +daardoor te bewijzen, dat zooveel van die boeken, die zoogenaamd sterk +individualistisch zijn, minstens voor tachtig procent algemeen +menschelijke gevoelens bevatten. + +--Geloofde hij dan niet, dat de groote waarde van den kunstenaar, en in +het bijzonder van den schrijver, daarin is gelegen, dat hij, staande +tegenover de gemeenschap, aan die gemeenschap nieuwe geestelijke wetten +toont, en haar leert de dingen met een nieuwen maatstaf te meten? Kon +hij niet toegeven, dat de schrijver wezenlijk is een held in den zin van +Carlyle, een absolute, bewegende kracht in de geschiedenis, die zijn +beteekenis juist aan zijn volstrekt alleenstaan ontleent? + +--Och ja, gaf hij ten antwoord, de beschouwingswijze van Carlyle heeft +ook haar tijd gehad. Hij kijkt zeer juist door den bril van de winnende +liberale bourgeoisie, en dat heeft ook zijn waarde. Maar voor mij is +het ideaal de toestand van de middeleeuwen, waarbij wij niet eens weten, +wie een bepaald kunstwerk gemaakt of een bepaald boek geschreven heeft. +De artiest is waarschijnlijk in veel opzichten een fijner bewerktuigd +wezen dan de meeste andere menschen, maar een held die verdienen zou +gewaardeerd of gehuldigd te worden boven andere menschen, die ook heel +verdienstelijk werk presteeren, ben ik heelemaal niet geneigd hem te +noemen. Hij kan ook nooit nieuwe waarden brengen, maar door zijn zuivere +uiting van wat er in zijn tijd, zooals die geworden is in de +ontwikkeling van de historie, diep leeft in de zielen van sommige +menschen, kan zijn beschouwingswijze voor veel andere menschen nieuw +lijken. Maar ik zie niet in, dat hij ooit nieuwe levenswaarden kan +scheppen. Trouwens, waarom zou een schrijver alleen zoo fijn bewerktuigd +zijn, dat men aanleiding ziet tot den paradox: hoe zieker zenuwen, hoe +beter kunst? Er loopen genoeg timmerlui en metselaars rond met zenuwen, +die op dezelfde manier ziek zijn. + +--Maar, merkte ik op, dit ziet men toch niet aan hun werk. Een +overgevoelig timmerman zal, als hij een lijst maakt, die evengoed +haaksch maken als een gewoon timmerman. + +--Natuurlijk is het waar, dat iemand die zich geestelijk uit, van zijn +zieke zenuwen meer in het openbaar zal doen blijken, en natuurlijk vind +ik een groot artiest en in zeker opzicht een genie, (want dat is nog een +heel ander begrip, laat ik dit even mogen opmerken) een fijn bewerktuigd +en zeer interessant mensch. Maar ik vind de artiesten volstrekt niet de +besten, zoodat ik ze helden of iets dergelijks zou moeten noemen. Ik +geloof ook, dat er diep eerbiedwaardige helden bestaan, waar wij nooit +van hebben gehoord en die, als ik ze kende, ik ontzaglijk veel beter +zou vinden dan,... nou dan zoo menig bekend artiest! Allemachtig! + +--Hier merkte ik op, dat uit hetgeen hij tot nog toe gezegd had, ook +zijn meening viel af te leiden over de toekomst van literaire kunst en +kunst in het algemeen, indien de samenleving zich in sterk +socialistische richting mocht ontwikkelen. Daar hij toch de grenzen +tusschen het ethisch schoone en het aesthetisch schoone vervaagde; de +waarde van den artiest meer zocht in een verheerlijking van het +eenvoudige dan van het geestelijk gespannene, van het algemeen +menschelijke, dan van het verfijnd individueele; en bovendien het +gemeenschapsgevoel in den modernen zin des woords beschouwde als een +ingeschapen trek van het oorspronkelijk menschelijk gemoed, en dus ook +de grenzen tusschen de huidige chaotische samenleving en een mogelijk +toekomstige, minder scherp zag dan de socialisten zoowel als hun +tegenstanders,--kon hij niet aannemen, zoo meende ik, dat een +ingrijpende verandering in het wezen der kunst door een min of meer +compleete overheersching van de massa viel te verwachten. + +--Inderdaad, zoo antwoordde hij mij, is de wereldgeschiedenis voor mij +een voortdurend voortgaande stroom. Een van mijn grootste bezwaren tegen +veel schrijverij van de socialisten is ook hun schelden op personen en +groepen van personen. Dat vind ik zeer verkeerd, want deze personen en +groepen zijn hoogst noodige schakels in de ontwikkeling, en die personen +zijn evengoed slachtoffers van de omstandigheden als de armste +proletarier. Je kunt absoluut niet helpen in welke wieg je geboren bent. +Er zijn maar heel weinig menschen die werkelijk hun arbeidsveld kiezen. +Dit inzicht blijkt ook duidelijk uit mijn "Roman van een Gezin". Daar +heb ik juist sympathie gevraagd voor een kapitalistisch patroon en, +dunkt mij, aangetoond, dat zoo iemand evengoed zijn functie vervult en +sympathie verdient als zijn arbeiders, die hij gedwongen is te +verdrukken. + +--Hier bracht ik bescheidenlijk de strekking van mijn uitvoerige en met +een Fenelon-geste voorgedragen vraag in herinnering: Zal het karakter +van het dichterschap onder den invloed van een overwinning der +arbeidende klasse, met wat daaraan vastzit, zich wijzigen?-- + +--Och, zei hij kalmpjes, ik geloof, dat ieder de neiging heeft zichzelf +te handhaven en te verdedigen en uit te spreken in zijn werk. Dat heeft +ieder die maar iets kan scheppen. Wanneer hij niet heelemaal bedorven +is, dan heeft hij de neiging om iets van zijn persoonlijkheid in zijn +werk te leggen. Als je boekhouder bent is het verduiveld moeilijk iets +van je persoon te leggen in de wijze waarop je de posten boekt, dat is +zoo, en toch is mij dikwijls opgevallen bij de verschillende +boekhouders, die ik gekend heb, dat daarin groote individueele +verschillen zijn waar te nemen. + +--Ik merkte op dat hij de scheidingslijn tusschen kunstenaar en massa +dus niet zoo scherp handhaafde als gewoonlijk gedaan wordt. + +--De oprichting van het Verbond van Kunstenaarsvereenigingen, zeide hij, +hangt met deze idee heelemaal samen. Ik vind dat de artiesten, de +geheele negentiende eeuw door, zich veel te veel afzijdig hebben gesteld +van de maatschappij. Zij zijn heelemaal een soort van wilde dieren +geworden, die met hevige belangstelling door de rest van de burgerij +worden bekeken. Zij hebben zich zeer buitenmaatschappelijk gevoeld en +doen dat voor een groot deel nog. Een man als Boutens, die intusschen +ook veel voor het vereenigingsleven doet en nog pas vice-voorzitter van +de Vereeniging van Letterkundigen is geworden, merkte mij onlangs op: ik +heb met de maatschappij niets te maken, die gaat mij niets aan. Ik vind, +dat de artiesten midden in de maatschappij moeten staan, en al wat zij +de maatschappij ten goede kunnen brengen, moeten zij geven. Ik vind het +een abnormale toestand, dat tegenwoordig door lichamen, die heelemaal +buiten de kunst staan, wordt geoordeeld over allerlei zaken van +schoonheid. Dit oordeel moet weer komen aan de geschoolde kunstenaars, +zooals het vroeger, en zeker in de middeleeuwen, is geweest. Denkt u, +dat die enorme werken in de middeleeuwen, die kathedralen, zouden +ontstaan zijn, zonder dat het artistieke element een ontzaglijken +invloed heeft gehad? Als toen de macht in handen was geweest van +menschen, die het te doen was om zooveel mogelijk geld te sparen en hun +politieke bedoelingen te verwerkelijken, dan waren die groote werken +nooit tot stand gekomen. Doch het is waar ... die groote eensgezindheid +van toen werd door het geloof geinspireerd. + +De bedoeling van het Verbond van Kunstenaarsvereenigingen is tweeledig: +naar binnen en naar buiten. Naar binnen is het doel, om door +voortdurende aanraking van verschillende artiesten onderling, vooral +door ze te leeren samenwerken aan de gewoonste dingen, te doen ontstaan +meer eenswillendheid, daardoor meer harmonie, en zoo, willen wij hopen, +in een toekomst die ik heelemaal niet beleven zal, te krijgen een +monumentaler kunst. Wij kunnen niet meer komen tot den toestand van de +middeleeuwen, doch nu wij ons bewust zijn welke de groote voordeelen van +dien toestand zijn geweest, kunnen wij toch in die richting streven. En +naar buiten is de bedoeling eenvoudig, aan den geheelen artiestenstand +meer macht te verzekeren, en dan bedoel ik natuurlijk macht in de zaken +die hun het meest ter harte gaan. Vanaf de groote renaissance hebben +alle kunsten zich eenzijdig ontwikkeld, niet alleen de verschillende +kunsten, maar ook in de kunsten zelf de verschillende richtingen. Dat is +heel goed, daardoor zijn tal van verfijningen ontstaan, die anders nooit +zouden zijn geboren, wanneer men zich niet gespecialiseerd had, maar +daardoor is verloren gegaan de groote samenwerking tusschen de kunsten +onderling, en zoo ook het monumentale. Die kathedralen, die alleen door +de eensgezindheid van talrijke kunstenaars konden ontstaan, die zijn +voor mij het symbool van deze samenwerking. Op een manier die +voortgekomen is uit mijn inzicht in het maatschappelijke, wil ik komen +tot iets als Wagner bedoelde met zijn opera's. Die bedoelde ook: een +harmonie tusschen de verschillende kunsten. Hij schreef zijn teksten, +maakte zijn muziek, nam ook de leiding bij het vervaardigen van de +decors en zoo. En nu is het Verbond van Kunstenaars een poging, en dat +kan juist in een klein land als het onze, om de artiesten te oefenen in +het samenwerken. Ik maak mij geen illusie dat dit pogen direct tot +groote dingen leiden zal, ik vind het al prachtig dat voor verleden jaar +bijv., op de algemeene vergadering van het Verbond, allen gezamenlijk +zich hebben uitgesproken over het leelijke affiche van de +Vierjaarlijksche tentoonstelling van schilderkunst. Wanneer je dat +principe doorvoert op dingen van veel grooter beteekenis, dan zult u +begrijpen wat ik bedoel met "samenwerking naar binnen en naar buiten". + +Voor dien tijd hebben de kunstenaars zich veel te veel als +buitenmaatschappelijke schepselen begrepen. Weet u wel, dat er voor de +negentiende eeuw geen kwestie is van zoogenaamde "philisters"? Die +hebben wij in de negentiende eeuw uitgevonden. Ik weet wel dat er +tegenwoordig nog een heeleboel zijn, die wat wij nu trachten te doen ook +"philisterhaft" vinden, een soort van burgerlijk werk, en zij schelden +je uit voor vergaderingratten en denken, dat wij dit allemaal doen enkel +voor het pleizier van vergaderingen houden! Dat vergaderen is eenvoudig +een noodzakelijk kwaad, maar ook daarin kan wel iets moois zijn, en er +zijn heel mooie momenten geweest op sommige vergaderingen die wij hebben +gehouden. + +--Ik vroeg nu zijn meening over de richting die zegt weer te geven +hetgeen er omgaat of sluimert in de ziel des volks, en of hij niet +geloofde, dat een dichter nooit iets anders moet uitspreken dan wat +hijzelf rechtstreeks in eigen binnenste voelt. + +--Natuurlijk, zoo antwoordde hij, het eenige wat wij kunnen doen om +vooruit te komen, d.w.z. om beter kunstenaar te worden, is aan onszelf +werken. En wat wij altijd doen moeten is zuiver onszelf uitspreken. Er +is niet anders. Uitspreken wat in het algemeen eenige groep van menschen +voelt of denkt te voelen, dit is niet mogelijk. Ik tenminste houd het +voor absoluut onmogelijk. Critiek kan ook niet anders zijn dan +subjectief. Men heeft geen andere hulpmiddelen, men heeft geen ander +instrument, als zijn eigen innerlijk. Zooals je een peer alleen proeven +kunt met je eigen tong, zoo kun je een boek alleen proeven met je eigen +ziel. + +Iets anders is natuurlijk, dat men het gemeenschappelijke, het algemeen +menschelijke, in zichzelf min of meer kan aankweeken, kan trachten een +zoo breed mogelijk mensch te zijn en zooveel mogelijk menschen te +begrijpen, kortom zoo ruim mogelijk te worden. De tachtigers hebben over +het algemeen, uit een heel begrijpelijk streven om niet banaal te zijn, +wat ook een zeer artistiek streven is, het gezocht in een +uitdrukkingswijze die zij meenden dat van hen alleen was. Maar met dat +verschil in uitdrukkingswijze is heelemaal niet bewezen, dat wat zij uit +te drukken hadden sterk individueel was. + +--Hieruit zou bijna zijn af te leiden, dat volgens u zij, die zich er +wel op toeleggen uit te drukken wat in eenige groep menschen leeft, +zichzelf als kunstenaar benadeelen. + +--Ja, maar ik geloof niet, dat iemand het kan. Zoo iemand heeft +eenvoudig geen houvast meer, hij wordt tegenover zichzelf oneerlijk. Ik +zou durven zeggen, dat hetgeen hij voortbrengt geen kunst meer is. +Zoodra iemand voorbedachtelijk tracht gevoelens van een groep personen, +waartoe hij min of meer behoort, weer te geven, en niet zichzelf uit te +spreken, levert hij geen kunst meer. Bij dit zichzelf uitspreken, denken +wij voornamelijk aan de lyriek, maar in de epiek, in een verhaal, +spreekt iemand zich natuurlijk ook zuiver uit, in het algemeene idee van +een boek, het karakter, de compositie.... + +Laten wij er om denken, dat al onze onderscheidingen in de literatuur, +al de "ismen" en "ieken", de scheiding tusschen roman en novelle, zelfs +die tusschen proza en poezie, heel nuttig zijn, maar toch betreffen +betrekkelijke bijzaken. Er is iets in ieder werk, en dat is het +voornaamste, dat hier boven uit gaat. Dat is de smaak van het boek, het +karakter, iets onuitsprekelijks, en dat is toch het essencieele. Dat is +ook de persoonlijkheid. Men heeft gezegd: "le style, c'est l'homme". +Heel best, wanneer men het woord "style" neemt zoo breed mogelijk, ik +zou zeggen in de beteekenis van den "Gesamteindruck". Ieder doet toch +wat hij op het moment goed vindt. Hij kan er later wel over gaan +nadenken, nou ... ik voor mij heb altijd maar gedaan wat ik op het +moment voelde dat ik moest doen. + +--Ten slotte stelde ik nog de vraag of een verbetering in de +maatschappelijke verhoudingen, waardoor de vele conflicten die uit die +verhoudingen voortkomen worden vermeden, volgens hem geen nadeeligen +invloed zou hebben op het ontstaan en op de vorming van kunstenaars, die +toch een groot deel van hun taak vinden in het uitspreken van die +conflicten en van de inzichten die daar rechtstreeks uit voortkomen. + +--Als de maatschappij zich verbetert, zeide hij, en wanneer het +werkelijk komt tot een redelijker en zedelijk hooger staande +maatschappij, hoe meer men daartoe komt, des te meer zullen de +conflicten zich verfijnen, zij zullen zich verhoogen, mooier en grooter +worden. Er zullen wel altijd dichters zijn die blijven bezingen wat zij +waarnemen, de lyrische dichters, en epische kunstenaars die er van +vertellen, en dramatische kunstenaars die het vertoonen. En wanneer die +conflicten zullen zijn van meer geestelijken aard, in het algemeen van +een hoogere orde, welnu, _tant mieux_! + + +BIBLIOGRAPHIE: + +Kalverliefde, De Verloren Zoon en De Vreemde Plant (1895.)--De Roman van +Bernard Brandt (1897)--De Bruidstijd van Annie de Boogh (1901)--Van +Stilte en Stemming (1905)--De Roman van een Gezin I (1909), II +(1910)--Helene Servaes (1914) en een aantal verspreide opstellen. + + + + +IS. QUERIDO + + +(* 1874) + +Hij zat daar boven, aan zijn bureau, op den ouwerwetschen matten stoel, +dien men wel van de portretten kent.[5] Zeer eenvoudig, zijn +studeerkamer, maar royaal en practisch; groote boekenkasten: een er van +in vakken verdeeld, die, blijkens opschriften, bevatten het materiaal +voor de Rousseau-studie, het materiaal voor het werk over crimineele +anthropologie.... Enkele antieke gravures aan de wanden, een portret van +den pianist Schaefer, en een portret van Willem Royaards met opdracht ... +tullen gordijntjes ... in een hoek de telefoon, die ons opvallend +dikwijls stoort. Boven de schrijftafel een lamp met zacht-gele kap. +Bijna geen versiering, geen stijl-meubelen, geen dik tapijt, geen +Dante-kop. Wel een potkachel, die, omgeven door een wal van briquetten, +ongenadig gloeide. En de man, op wien ik het gemunt had, stierenek +bloot, in de tropische hitte erg op zijn gemak. + +De meid bracht koffie, de dichter rookgerei. En waarmee hij mij van +dienst kon zijn, vroeg-ie al gauw. Ik het gewone praatje, een beetje +mooier dan gewoonlijk, omdat iedereen zei, dat Querido wel veel +bedenkingen zou maken. Alle argumenten, die moeten bewijzen, dat een +dichter als hij aan het publiek een interview verschuldigd is, had ik al +bij de hand. + + Maar ik kon gauw inpakken, want hij was het +heelemaal met mij eens, zei, dat een auteur zich volgens zijn meening +moet geven aan het publiek, trad in een vergelijking tusschen de +rhetorica van Shelley, en de, volgens hem, onzedelijke debatteer-kunst +van de moderne parlementariers, vertelde er in de gauwigheid bij, dat +hij zelf misschien wel in staat zou zijn, op te treden als redenaar, +maar dat hij geloofde, dat in de tegenwoordige tijdsomstandigheden zijn +sensitivistische woordkracht waarschijnlijk toch niet door de groote +massa zou worden begrepen; liet mij zijn archiefkamer zien, waar hij +alle gegevens, gedurende zijn jarenlange studie verzameld, met een +nauwkeurigheid, die men bij hem niet zou verwachten, in breede, hooge +loketkasten had gerangschikt. Sprak in groote geestdrift over +wijsbegeerte, determinisme, Darwin en Flaubert, Shakespeare en het +misdadigerstype.... Was heelemaal niet recalcitrant, zooals sommige +beroemdheden, nog minder schijnbescheiden, zooals velen. Gaf mij volle +vrijheid, te vragen, scheen geen geheimen te hebben, toonde mij de +ontwerpen van een zestal romans, waar hij over een jaar of wat aan denkt +te beginnen. + +Dat gaat gemakkelijk! dacht ik. Maar daar ontbrak wel eens wat aan: Een +enkel aarzelend vraagje gaf hem aanleiding, om zooveel te vertellen, dat +het mij dikwijls duizelde. En het ging hoe langer hoe sneller; dikwijls +sprak hij zoo schoon en beeldend, dat mijn bewondering mij belette te +schrijven, dat ik werd meegesleept door het woord, waarvan ik de +wording bijwoonde. + +En hij vertelde: + +--Mijn literaire werkzaamheid begon eigenlijk al op mijn tiende jaar. +Toen heb ik, geinspireerd door de boeken van Aimard, geprobeerd een +roman samen te stellen. En ik was dood-ongelukkig, omdat een zoogenaamde +"knappe bol" uit de familie opmerkte, dat er wel veel talent in aanwezig +was, maar dat ik een onvergeeflijke fout had begaan. Ik had namelijk +iemand laten sterven, en ... niet voor zijn begrafenis gezorgd! Ik had +toentertijd al een ernstig literair geweten, en om u daar een bewijs van +te geven, vertel ik u, dat ik jarenlang onder den indruk ben gebleven +van die fout. + +Mijn omgeving was die van mijn vader, die diamantbewerker was, en wiens +psychisch bestaan ik pas later heb begrepen. Het was een man van +herculische gestalte, een man van ontzaglijke begaafdheid, maar +natuurlijk heelemaal onontwikkeld, iemand met een magistraal +natuurgevoel, een enorme boekenverslinder. Hij las alles wat er voor hem +maar te lezen viel. Hij was een onvergelijkelijk werker, en paarde aan +zijn groote kracht veel naiveteit. Dat zag ik toen nog niet zoo in, maar +door mijn literaire perceptie ben ik in staat geweest, later al die +eigenschappen van mijn vader te reconstrueeren. Ik geloof dan ook, dat +ik mijn eigenschappen als fantast, als vizioenair, als dramatisch +voeler, aan mijn vader te danken heb. Voor een gewoon waarnemer was er +misschien niet veel bijzonders aan hem te zien. Het was een +diamantbewerker met een mooien kop, een flinke gestalte, en hij werd op +de werkplaats algemeen genoemd: "de leugenaar". Hij had een absolute +behoefte, om op eenigerlei manier uiting te geven aan zijn scheppend +vermogen.... Maar op Vrijdagavond, meneer, dan ging hij, na afloop van +zijn werktijd, zes, zeven bibliotheken bezoeken, en kwam gewoonlijk na +zoo'n ontdekkingstocht met een stuk of twintig boeken thuis. Dan ging +hij zoo zitten lezen,--kijk hier, meneer,--met dien heelen stapel boeken +onder zijn kin. De grootsche, tragische dingen trokken hem het meest +aan, en wat langdradig was, of kalm, dat sloeg hij eenvoudig over. Als +hij zoo zat te lezen, dan was hij dood voor zijn heele omgeving, +--weggekoesterd in de heerlijke Vrijdagavond-atmosfeer, die mijn moeder +om hem heen had geweven.... Langzamerhand zag je zijn kin zakken ... kijk, +meneer, zoo!... en tegen een uur of twaalf had hij de heele bibliotheek +verslonden. + +Mijn vader heeft nooit iets gezien van mijn literaire neigingen. Ik werd +opgeleid als violist, maar daarmede mocht ik niet doorgaan, want ik +moest op Zaterdag spelen, en mijn moeder, die zeer religieus was, kon +dat niet hebben. Mijn muzikale aanleg werd verder totaal veronachtzaamd, +ten gevolge van het slechte onderwijs, dat ik kreeg: mijn leermeester +werd, als ik mij niet vergis, betaald met tien stuivers voor drie +lessen. Ik ben toen ook nog in het horlogemakersvak geweest en heb daar +zelfs een eersten prijs behaald, en later werd ik kloover. Maar in mijn +violistentijd, als jongetje van veertien jaar, speelde ik in de manege, +in de opera, en daar deed ik zeer veel vak-routine op. Ik verkeerde toen +veel met de lui uit den schouwburg: de zangers en de spelers, die, met +de muzikanten, afzakten naar de cantine. En ik, met mijn scherp +vizioenair leven, kwam daar in aanraking met al die Hamlet-figuren, die +schitterend uitgedoste graven en ridders ... ik vergat, dat het +theatermenschen waren ... ik leefde te midden van helden. En ik hield +er van, te verdwalen onder het tooneel, ik werd bekoord door al die +spookachtige lijnen, door het ondergrondsche gegrom van de muziek ... ik +ging heelemaal op in mijn visioenen.... + +Querido legde zijn linkerhand, vingers gespreid, voor zijn oogen en +sprak met passie: + +--Ik ben heelemaal niet wat men zou kunnen noemen: een realistisch +waarnemer. Ik heb tijden, dat ik neig naar contemplatie, dat ik niets +zie. Maar dan klinkt er een bestraffende stem in mij: Neem waar! En dan +kijk ik rond, en zie alles, alles! Maar dat duurt nooit lang bij me; +uitwendig waarnemen is iets, dat ik niet kan volhouden ... ik moet met +mijn innerlijk leven ingaan op de dingen ... ik kan de dingen niet klein +zien: ik moet ze vergrooten, doorlichten ... ik moet er heelemaal door +vervoerd worden.... Ik heb niets aan de realiteit! + +--O lezer! Querido kan geen woordje, geen enkel woordje, "gewoon", +onverschillig zeggen. Zijn hooge stem beeft voortdurend van ontroering, +je voelt zijn zinnen worden, je ziet zijn lippen vertrekken en lachen en +grijnzen ... je hoort zijn breede borst zwaar hijgen ... je denkt ieder +oogenblik, dat hij zal neervallen, uitgeput. Maar hij is meester over +zichzelf, weet het woud van emoties, dat voor zijn oogen rijst bij het +kleinste zinnetje, terug te dringen, loopt telkens weer frischjes en +kalmpjes van stal. + +--"Dat leventje, meneer...." + +--"Ja, ik luister!" + +--Dat leventje dan duurde zoo tot mijn achttiende jaar. Toen maakte ik +kennis met mijn vrouw, die een buitengewoon artistieke persoonlijkheid +is--en die heeft mij mijn kunstenaarschap bewust gemaakt. Die heeft +onmiddellijk gezien--zooals zij het noemde--mijn zeer grootsche en +oorspronkelijke levensopvatting. En op haar aandringen ben ik gaan +schrijven. Ik begon met heel individualistische gedichtjes, zonder iets +af te weten van de Nieuwe-Gids-beweging, die parallel liep met wat ik +zelf wilde, maar dat ontdekte ik pas later. Die gedichtjes van mij +werden o.a. door Toorop hoogelijk bewonderd. Ik zag echter vrij gauw in, +dat 't zeer onrijpe dingetjes waren, waarin zich een bijzonder streven +van mijn natuur openbaarde, en ik ben om die gedichtjes buitengewoon +uitgelachen. Ik had echter een diep vertrouwen in mijn eigen ziel, in +mijn eigen kunstenaarschap ... ik werkte door ... en een jaar later +verschenen mijn "Meditaties over literatuur en leven". + +Toen reeds was er een van de scherpste critici uit dien tijd, die in de +groene "Amsterdammer" uitsprak: dat ik de eigenschappen van Kloos, +Gorter en Van Deyssel bijeen had en een reusachtig kunstenaar zou +worden. Dat is nu tien jaar geleden. Het was mijn eerste boek. Ik ging +daarin vooral heftig te keer tegen Kloos, hoewel ik voor dien dichter +veel bewondering had. Maar daarover komt straks misschien nog wel het +een en ander. Mijn werk was een product van veel stille studie, maar +vooral van goddelijk ... van goddelijk lyrisch genieten. Ik voelde, dat +lyriek, epiek en dramatiek, dat ik die te zamen noodig had, om mij te +uiten, dat die drie moesten samensmelten in volkomen harmonie. En nu ken +ik mijn gebreken zeer goed, meneer.... + +--Ik luister! + +--... Ik ken mijn gebreken zeer goed! Ik weet, dat ik als lyricus +dikwijls te veel geef, maar ik kan dat best verklaren in organisch +verband met mijn wezen. Ik geloof, dat alle kunstenaars, die het +universeele willen--en daarvan zijn er in ons land maar weinig,--ik +geloof, dat die allemaal te veel geven.... Bijvanck, in "De Gids", +heeft mijn boek genoemd: een zeer geniaal product, ondanks de vele +tekortkomingen. Ik zelf vind er zeer groote tekortkomingen in, maar +toch: mijn innerlijkste wezen, mijn diepste gevoelsleven heb ik er in +uitgestort. En Kloos, Klo-oos, die was mij direct vijandig gezind, die +maakte zich van mijn werk af met een klein, nietig aankondigingetje.... +Want als jong, onafhankelijk schrijver had ik den moed hem te wijzen op +zijn schandelijk subjectivisme.... Ja, onafhankelijk was ik ... ik heb +in dien tijd niemands bescherming ingeroepen ... alleen naar Van Deyssel +ben ik gegaan, en dat ook al weer met groote zelfstandigheid.... Niemand +heeft mij ooit de hand beschermend boven 't hoofd gehouden, meneer.... + +--Ik ben geheel oor. + +--... En wat ik ben, en al wat ik heb, dat heb ik aan mij zelf alleen te +danken. + +Mijn tweede deel "Meditaties" en mijn "Studies over tijdgenooten" +verschenen in "De Jonge Gids". Heijermans, met wien ik vijandig +leefde--hij was redacteur aan "De Telegraaf" en ik was redacteur aan "De +Amsterdammer", en we hebben mekaar erg bespot--Heijermans, anders +buitengewoon fel en brutaal, en zonder veel critischen kijk, ontdekte, +dat wij er dezelfde levensbeschouwing op nahielden; wij waren in 1897 +beiden lid van de S.D.A.P. geworden, en hij kwam naar me toe, vroeg me +of ik aan "De Jonge Gids" wilde medewerken, en dat heb ik toen gedaan. + +Mijn meditaties hebben toen al direct veel besprekingen uitgelokt. Ik +behandelde er de encyclopedisten in, gaf een groote critiek op Voltaire +en de achttiend'eeuwsche literatuur, een wijsgeerige studie over Locke, +die als fragment verschijnen zal in een van mijn bundels critische +studies. Toen ik nu dat tweede deel van mijn meditaties af had, werd +mij plotseling mijn roeping nog duidelijker. Ik begreep, dat ik niet +alleen critieken moest schrijven--hoewel ik voelde, het schrijven van +critiek tot een groote hoogte te kunnen opvoeren--maar dat ik mij +beslist moest gaan uiten in beeldend werk. Nu doet zich een +eigenaardigheid voor: ik heb nooit kleine schetsjes willen maken ... ik +moest ineens het enorme omvademen. Niet omdat ik groot wilde doen, +meneer ... d'Oliveira.... + +Ja? Ik luister.... + +--... maar omdat de drang naar groote lijnen in mij geboren was. Ik heb +niet twee dikke deelen geschreven, omdat ik dikke deelen wilde schrijven +... heelemaal niet, en Van Deyssel heeft dat in zijn critiek op +"Menschenwee" later treffend juist gezegd: Bij Querido is het niet +alleen de hoeveelheid, maar ook de manier, waarop de reusachtigheid van +zijn schepping ontstaat, die onze waardeering verdient.... Ik wilde +orkestreeren, en daardoor ontstaat juist mijn gebrek, waar ik straks +over sprak.... Ik voel het polyphonisch-literaire. Maar geen enkel +detail mag verloren gaan door de grootheid, binnen de groote lijnen +moeten de subtielste bijzonderheden tot haar recht komen.... Niet een +opeenstapeling van details brengt een groot geheel. + +Toen ik nu aan Heijermans mijn voornemen mededeelde, keek die raar op: +He, zei-die, ga je daar zoo plotseling mee beginnen? Daar breng je nooit +iets van terecht, kerel; je hebt nog nooit iets van dien aard gedaan ... +je moet je eerst voorbereiden door kleine schetsjes.... + +Hij begreep mij ook niet, en ... vergiste zich. "Levensgang" had veel +succes, en er komt nu een vijfde druk van uit bij Veen. De figuur van +Bresser werd een ongeevenaard meesterstuk in onze literatuur genoemd. + +En nu moet ik u nog even spreken over het vreeselijke realisme in dat +boek. Er is in onze critiek iemand, die over "Levensgang" mooie dingen +heeft gezegd,--ik bedoel dr. Van Deventer--maar over den schrijver een +treffend juist ding: hij noemde mij namelijk: de zelfkweller. Meneer! +Nooit is er een betere naam voor mij bedacht! Nooit! Van nature walg ik +van het gemeene en grove. Maar ik heb gemeend, dat het smerigste en het +gemeenste noodig waren, om de waarheid niet te kort te doen. In den +dialoog wilde ik naast het scheppende gedeelte behouden: het locale +element, ook al was dat gemeen en ordinair. En ik heb tot mijn vreugd +ondervonden, dat de beste schrijvers in ons land aan mijn realisme geen +aanstoot hebben genomen. Later is met sommige passages uit "Levensgang" +op een lage manier gewerkt, en werd ik voorgesteld als iemand, die +liefst in het vuil wroette. Maar dat is ook Zola, en alle groote +realisten naar 't hoofd gesmeten. + +Er is groot verschil tusschen het realisme in "Menschenwee" en het +realisme in "Levensgang".... + +De eenige man, die werkelijk heftig tegen mijn boek te keer is gegaan, +was mr. Van Hall in "De Gids". Hij zeide zoo ongeveer, dat hij zich niet +kon voorstellen, dat iemand van eenige beschaving zoo'n boek niet met +grooten afschuw aanvaardde. Maar wil ik u nu eens een aardige +bijzonderheid vertellen? Een paar weken eerder kreeg ik een brief van +dr. Bijvanck, eigenlijk den voornaamsten redacteur van "De Gids" ... en +over dien brief heb ik zeven jaar het stilzwijgen bewaard, terwijl van +het gezegde van mr. Van Hall op alle mogelijke manieren in de kleinere +blaadjes misbruik werd gemaakt. Maar nu dr. Bijvanck niet meer aan "De +Gids" is, mag ik spreken. Het is werkelijk karakteristiek! Hier heb ik +hem. Als u eens met mij mee wil lezen: + +"... Zoo wat haastig doorlezend, werd ik telkens getroffen door uw +wonder talent van beschrijving en dramatiseering van tooneelen, een +talent, dat waarlijk niet afneemt, als men het boek verder doorleest, en +nog eens op 't laatst schitterend uitkomt in het "Dwergje".... Tusschen +de beschrijvingen van het ruwe niet alleen een element van extase, maar +ook van sentimentaliteit. Gij behoeft deze opmerking niet te vergeven, +want het is een compliment...." + +Ik ben toen ook in anti-critiek getreden tegen Coenen, van wien ik vond, +dat hij mij op zeer onbillijke manier had besproken. Eigenaardig is, dat +hij wel wees op het kolossale te veel, dat ik geef, maar met geen enkel +woord repte van de sobere gedeelten. Anders was het met Marcellus +Emants, die zei: "U hebt groot talent, er staat veel te veel in uw boek, +maar toen ik kwam aan de figuur van Eva, toen vond ik dat een juweel van +beschrijving! Daar is geen woord te veel of te weinig in...." Maar +Coenen wist daar niets van te zeggen, die wees alleen maar op het te +veel. + +In het algemeen heb ik van mijn roman-debuut zeer veel succes gehad, en +dat werd nog sterker, toen ik na een paar jaar van afzondering +"Menschenwee" de wereld instuurde. Maar, laat ik het erkennen, het +ontzaglijke succes van dat werk heeft mij veel vijandschap berokkend. +Nooit heb ik den nijd en de afgunst van collega's zoo zien toenemen als +na de verschijning van "Menschenwee". Ik zou u veel brieven kunnen +toonen van de bekendste auteurs, van de echte "groote lui", die om zoo +te zeggen wegliepen met mijn boek maar het later op allerlei manieren +probeerden af te breken. + +--Querido stapte naar het venster en ging weer zitten, stond vervolgens +bruut op en zei met dichtgenepen, plots blauwe oogen, de vuisten omhoog: + +--Toen ik nog geen regel, nog geen reegel van "Menschenwee" of +"Levensgang" had geschreven, meneer d'Oliveira.... + +--Toen? + +--... Toen zei ik al tegen mijn broer: Als ik ooit iets ga schrijven, +dan moet ik minstens de hoogte van een Zola kunnen bereiken. (Zijn hand +met uitgespreide vingers patste neer.) Maar! op een geheel andere +manier, laat ik u dat vooral zeggen! Ik heb een totaal ander innerlijk +leven dan Zola. Alleen in den beginne was aanwezig een overeenkomst in +het gebruik van naturalistische termen. Maar dat is ook feitelijk het +eenige, dat mij aan een school heeft gebonden. Wat niet weg neemt, dat +ik een buitengewone vereering heb voor Zola, niet _had_ zooals Van +Deyssel, maar nog _heb_. Ik vind Zola een van de allergrootste +scheppers. + +--Hij stapte weer naar 't venster. (Wat wilde hij toch? Verwachtte hij +iemand?) + +--Dan volgen mijn critische bundels "Zegepraal", "Kunstenaarsleven", en +daarmede--wil u daar vooral op letten?--daarmede is afgesloten de +periode van romanliteratuur, die voor een deel put uit eigen omgeving. +Van nu af ga ik zoogenaamde objectieve kunst geven in mijn epos. + +Zijn oogen leken nu zwart tusschen 't traliewerk van zijn blanke +vingers; de linker pink, lichtelijk gebogen, wees omhoog. + +--Critiek schrijven is voor mij iets heiligs, meneer. Werkelijk iets +heiligs. Dat wil zeggen: niet altijd ben ik in staat critieken te +schrijven, die naar mijn eigen meening aan dien eisch voldoen, omdat ik +natuurlijk moet offeren aan de noodzakelijkheid van beperkte ruimte.... +Ik vind, dat men dan alleen volledig kan begrijpen, als men zich geheel +en met liefde aan een boek geeft.... Moet ik wel eens een enkelen keer +afwijken van dat beginsel, moet ik mij door oververmoeienis beperken tot +het geven van citaten, dan lijd ik daar zoo geweldig onder, dat ik mij +haast, een volgenden keer een critiek te maken, die getuigt, dat ik mij +heelemaal heb ingeleefd in het boek, dat ik bespreek. + +--Hij stapte warempel weer naar 't venster. Er zal nu wel direct iemand +komen, dacht ik. En dan is het gedaan. Dan moet ik weg of hij vertelt +niet meer. + +--Ik meen, dat tegenwoordig de critiek in ons land volkomen +ge-anarchiseerd is. Iedereen critiseert er maar op los. Ik wil in het +midden laten, wat daarvan de intellectueele oorzaken kunnen worden +genoemd. Ik constateer 't feit, en (hevige handslag door de lucht) ik +vind het een ramp. Ik geloof, dat iedereen het recht heeft er een +meening op na te houden, maar niet ieder heeft 't recht, die meening te +_uiten_. Critiek geven is een geweldig moeilijk werk en groote +kunst-critiek is even zeldzaam als groote romankunst of groote poezie. +In mijn Rousseau-studie heb ik doen blijken, dat uit den aard der zaak +groote critiek, buiten Van Deyssel, in ons land niet aanwezig is. Ik +zelf wil weer heel wat anders dan Van Deyssel. Ik wil de drie +gevoelssferen: verbeelding, intellect en sentiment in mijn critieken +doen samenvloeien. Ik vind dat een spontaan-lyrische critiek, meneer.... + +--Ik ben geheel aandacht. + +... dat een spontaan-lyrische critiek alleen sterk kan leven in +dramatisch-lyrische critiek. Want waarom zou critiek niet evengoed +dramatisch kunnen zijn als een tooneelstuk? Dramatiek, psychologie, +lyriek, kennis, dat alles moet in de critiek even groot naar een hoog +punt worden opgewerkt. Uit den aard der zaak zijn maar heel weinig +menschen in staat dat te doen.... + +Dogmatische critiek haat ik het meest van alles. Die vind ik het meest +antipathiek belichaamd in Jet Holst en Herman Gorter. De leerstelligheid +van hun socialistisch beginsel, vind ik, maakt ze blind voor groote +schoonheid in dingen van burgerlijke kunstenaars. Het lijkt mij, dat men +den pathologischen zielestaat van een zenuwlijder als Baudelaire, die +toch een groot dichter is, met even groote innigheid van critisch besef +en schoonheidsgevoel in zich moet kunnen opnemen, kunnen uitbeelden, +kunnen verwerken, aan de menschheid moet kunnen toonen, als men dat kan +doen met den meest blozenden moreelen optimist in de kunst. Aangezien nu +het pessimisme door de Marxisten wordt verklaard voor een zeker deel als +gevolg van ideaal-breking, en een latent gebleven burgerlijk sentiment, +is het begrijpelijk, dat zij Baudelaire, en pessimistische literatoren +in het algemeen, niet kunnen omvatten, zooals die omvat moeten worden +door objectieve critici. + +Ik wil hebben, dat men alles begrijpt en doordringt in het leven. Dat +lijkt mij het eenige middel om boven alle tijdelijkheid van oordeel en +modesucces hoog uit te stijgen. De kleine critiek heeft ook wel +voorbijgaanden invloed, maar de tijd heeft noodig: groote onbevangen +werkers, en als er op een gegeven oogenblik zoo een opstaat, een met +groote comediek in zich, dan spuit 't er uit, en dan kan niemand 't +tegenhouden. + +Honderden malen is mij gezegd, dat ik geschapen ben om tooneelstukken te +schrijven, op grond van mijn vermogen tot dialoog en dramatische +conceptie. Zelfs heeft Robbers indertijd, sprekend over "Menschenwee", +geschreven, dat het maar van een luim, een gril van Querido afhangt, om +even schitterend voor het tooneel als voor de literatuur te schrijven. +Tallooze keeren heeft men dan ook tooneelstukken van mij verwacht, maar +ik wil u wel zeggen, waarom ik mij nog nooit op dat gebied begeven heb. +Evenmin als ik indertijd wou beginnen met het schrijven van kleine +schetsjes, om, later opklimmend, een zekere hoogte te bereiken, evenmin +kan ik het nu van mij verkrijgen, te beginnen met een aardig stukje, dat +misschien wel verdienste zou hebben, maar waarin toch niet het +allerhoogste vervat zou zijn. Dat mag pedant klinken. Goed! 't Kan mij +niet schelen. Elk kunstenaar, die het leven leeft, is dat verplicht aan +'t Leven: niet voort te brengen een werk, dat vertoont den tijdelijken +verschijningsvorm er van, maar een werk te scheppen, dat geeft het +eeuwig blijvende. Vandaar ook, dat het meeste tooneelwerk van den +tegenwoordigen tijd mij schijnt te facetteeren afschijningen van het +leven, niet te raken de _kern_. Maar ... de romankunst stel ik in ieder +geval nog hooger dan de tooneelkunst. Later zal ik mij daaromtrent +analytisch verklaren. Wat aan den eenen kant lijkt een tegemoet treden +aan de verbeelding door een aanschouwelijken vorm, brengt aan den +anderen kant beperkingen mee. Want de scheppende auteur hangt af van de +interpretatie van den speler, terwijl die op zijn beurt weer afhangt van +de bedoelingen van den auteur. Die geeft zijn sujetten de woorden in den +mond. Vandaar dat zich in verschillende vormen het feit openbaart, dat +de acteur boven zijn rol staat, of de rol boven den acteur. En wat komt +er dan van de kunst terecht?--Kort en goed: ik laat mij niet dwingen tot +iets, dat ik nog niet in mij zelf voel als een noodzakelijkheid, al +hebben Robbers en anderen het ook geschreven. Daar mogen ze om lachen: +'t laat mij koud! Ik wil het hoogste! Bij "Menschenwee" heb ik daar ook +naar getracht. En ik weet beter dan iemand, dat men geen compleet werk +kan leveren. Niemand is volmaakt, ook Van Looy in zijn beperkte +woordkunst is dat niet. Ik weet 't van mij zelf ook wel! + +--Ik zat in mijn easy-chair naast zijn schrijftafel. En terwijl ik nu en +dan iets opteekende, merkte ik dat hij zijn hals rekte, en over mij heen +naar buiten koekeloerde. Wat was daar toch te zien? + +---Met "Levensgang" heeft zich ook nog iets eigenaardigs voorgedaan. Ik +was destijds in Groningen, en Gorter, die in '97 al literaire critieken +had geschreven in "De Nieuwe Tijd", kwam (het was in 1902) met +uitgestoken hand naar mij toe. "U is Querido? Schrijver van +"Levensgang?" "Jawel." "O, ik gevoel groote bewondering voor u. Daar +staan prachtige dingen in: prachtig, prachtig, prachtig!" Daar ging ik +zelf nog tegenin, zei, dat het nog lang niet volmaakt was. "Ja," kreeg ik +ten antwoord, "dat verwachtten wij ook niet, maar 't is toch prachtig, +prachtig".... Later heb ik, mij over Gorter uitlatend, gezegd, ik wilde +eerlijk zijn: dat hij naar mijn meening als dichter dood was, en al heel +gauw kon ik een geweldige verkoeling waarnemen. Toen ik hem dan ook +vroeg zijn meening te schrijven over een van mijn boeken, heeft hij zich +er van afgemaakt, en gezegd: "Pardon, ik schrijf nooit critieken!" + +O, ik heb zooveel van de menschen, van de collega's te lijden gehad! Als +ik van het oordeel van sommigen onzer grootste schrijvers had +afgehangen, toen ik als broekje van 21 jaar Meditaties schreef, dan had +ik mij eenvoudig laten doodknijpen! O! die behandeling, die ik heb +ondervonden van Kloos, die ... die illustreert mij zijn onvermogen om +jonge auteurs, die aan het uitbotten zijn, te erkennen en te begrijpen. +Als ik mij aan hem had moeten storen, dan was ik doodeenvoudig +vernietigd geweest! Dan had ik nooit meer de pen opgenomen! Slechts +onder enkele omstandigheden is hij in staat de waarheid te +onderscheiden. Maar hij is erg gul in het pluimpjes geven aan zijn +vrindjes. En moordend ... moordend is hij opgetreden tegenover jongeren, +die niet meededen aan de overdrijving van zijn kwaliteiten als dichter". + +Lezer, ik wil u niet beschrijven de korte, forsche, hartstochtelijke +gebaren van dezen vurigen mensch. En er is iets in mij, dat mij er van +terughoudt, soms. Mij dunkt, wie eenig gevoel heeft voor taal, die moet +uit Querido's woorden, zooals ik ze hier met groote toewijding tracht na +te smeden, voelen en zien,--zijn beeld voor oogen,--de trillingen van +zijn smallen mond; die moet weten, zooals ik altijd geweten heb, dat +vaak, als hij in vervoering komt, zijn rechtermondhoek omlaag zakt en +zich verbreedt; die moet zijn oogleden zien rimpelen, zijn schouders +zien schokken, zijn knuisten zien scharnieren open en toe; die moet hem +daar zien staan, zwaar 't krachtige lijf op korte, stevige beenen, den +kop met de kleurwisselende kijkers en de woest naar achteren gevaagde +manen: glans-zwart tegen de zacht-gelige kap van zijn lamp.... + +--Ik vind, dat onze letterkundige werking op het oogenblik in een +bloeiperiode verkeert, maar natuurlijk nog lang niet is wat ze zijn +moet. Alles is te essencieel-klein, er wordt te veel nadruk gelegd op +geraffineerde details. Zelfs een man als Streuvels, die in zijn eerste +werk de groote lijn heeft gevoeld, is weer aan het verbrokkelen, door +het feit, dat hij geen dramatiek, geen psychologie heeft. De strijd van +kleine werkertjes als Steynen en Van der Meer tegen het zoogenaamde +naturalisme is belachelijk, omdat zij hem voorstellen als iets nieuws, +terwijl hij door ons en anderen al veel eerder werd gevoerd. Alle groote +kunst, waarvan de maker ontroerd was, raakt op eenige manier het +Eeuwige, onverschillig of hij symboliek, naturalisme, mystiek brengt. +Shakespeare was volstrekt niet minder dan Dante, omdat hij meer +realistische mystiek gaf, en Dante meer transcendentale mystiek. De +verschillende mengsels van psychische eigenschappen kunnen er mij nooit +toe leiden, een heele figuur te verwerpen. Want in iederen kunstenaar is +iets onaantastbaar eeuwigs, dat de dingen overgiet met een innigen +glans, waaruit alles opbloeit naar het schoone. + +--Men zegt wel eens, dat ik niet voldoende zelfbeheersching heb. Mijn +intieme vrienden moeten wel tot het besluit komen, dat men zich vergist. +Nu reeds drie jaar lang ben ik bezig, rustig en bezonken, te verzamelen +een oneindig groot aantal impressies en waarnemingen. Dit woord, laat ik +het direct zeggen, lijkt mij veel te hard. Want _ik kan niet waarnemen_. +Als ik den geheelen dag rondloop, dan kan ik misschien een uurtje doen +wat men waarnemen noemt. Kijk, deze kleine boekjes heb ik altijd bij +mij. Daarin maak ik zeer korte aanteekeningen, en die zijn voldoende om +de impressie vast te houden. Ach, drie jaar geleden is het, dat ik op +een gloeienden Maandagmiddag in half Juli door den Jordaan liep. Dan +komt die ontzaglijke tros van orgels terug, die hun rondgang door de +stad hebben gemaakt, en dan hebben de orgellui wel eenige neiging om, +terwijl 't niet mag, in de Willemstraat eenvoudig een klein +muziektoevoegseltje te geven aan 't volk. Dan zie ik daar een grooten +kring van menschen, die op heel bijzondere wijze dansen. De heele straat +staat te branden in het goud-coloriet van den zomerdag. De witgejakte +meiden, met de prachtige bloote nekken, dansen in geweldige rijen, en de +kerels staan rustig te beschouwen het rokkengezwaai van die meiden. De +wasem van 't goud van den dag slaat je tegemoet en die goudbeschenen +meiden staan zich daar uit te leven, te midden van die angstwekkend- +vulgaire, doch triestig-eentonige muziek, die er stroomt uit de strotten +van die orgels, uit de kelen van de registers, te midden van dien gouden +zonnezang.... O, als ik daar bij ben, dan kan ik niet komen tot een +objectieve beschouwing van zoo'n straat. Dan zie ik alles als een +onmetelijk groot schilderij, met een wasem van Rembrandt-goud er over +heen. Zoo zie ik al de grachten van de oude stad, met haar oude +pakhuizen en haar wankele trapgevels. Ach, als een schilder heb ik op +alle uren van den dag de tonaliteit van de stad bestudeerd, en ik zeg +'t u, meneer, dat ik 't schande vind, dat ik daar nog nooit een +schilder heb ontmoet. Die oude stad Amsterdam is van een geheimzinnige +schoonheid, een wonder van atmosfeer en tonaliteit, en daarom zal ik +mij er nooit toe kunnen bepalen, alleen het menschenleven van de +Jordaan weer te geven. De omgeving moet erbij, altijd weer de omgeving +... een mensch op zichzelf bestaat niet!... Aan de Teertuinen, daar +heb ik 's morgens om vijf uur staan blauwbekken om mee te mogen doen +aan het sneeuwscheppen, en zeer diep is mij bijgebleven de impressie +van den zeldzaam-verlaten wit-sneeuwen ochtend. Er zijn geen twee in +ons heele land, die de woningtoestanden in de Jordaan zoo goed kennen +als ik, dat durf ik gerust te zeggen. De menschen_massa_, die vind ik +het schoonst, die beheerscht mij altijd. Een figuur op zichzelf +schilderen vind ik heel aardig, en mijn Bresser en mijn Strooper +toonen wel, dat ik dat niet versmaad, maar het meest voel ik voor den +_drom_. Mijn vrienden zeggen wel eens: Kerel, je bent absoluut +schilder, en ik voel 't: dikwijls heb ik een schilders-temperament. + +Ik wil in een van de deelen van mijn Epos het misdadigersleven beelden, +zooals het leeft en werkt in de duisternis en de angstige +buurtverborgenheid in de hoofdstad. Ik omgeef mij met misdadigers. Ik +leef met misdadigers, dikwijls in de gevaarlijkste omstandigheden. Dit +werk is, met het oog op de chantage, allerellendigst. De +hoofd-commissaris heeft 't mij indertijd gezegd: Kerel, je loopt er nog +eens leelijk tegen aan. En dat zal ook wel eens gebeuren. Maar ik _moet_ +dat meemaken. En hoewel ik dikwijls moet omgaan met kerels, die er niets +in zien, mij mijn oogen uit mijn hoofd te krabben, zoodra de lust bij +hen opkomt, gaat er van dat bandietenleven een eigenaardige bekoring +uit, omdat het mij toont de menschelijke hartstochten in hun absoluut +ongebreidelden vorm. Mijn eerste studie over crimineele anthropologie +zal nu verschijnen in "Groot Nederland". Hierbij doet zich het +eigenaardige feit voor, meneer.... + +--Ik luister. + +--... is er een natuur-historicus, meneer, die het in zijn hoofd haalt, +de wilde beesten te gaan bestudeeren in den dierentuin? Wat is een leeuw +in een beestentuin? Kun je hem achter de tralies ooit mooi zien knauwen +op zijn prooi, kun je daar ooit waarnemen dat onvergelijkelijk grootsche +zoeken naar zijn prooi? En waar, meneer, bestudeeren de weinige +crimineel-anthropologen, die wij hier hebben, den misdadiger? In de +gevangenis, meneer, nooit in de vrijheid, nooit in de werkelijkheid. O! +die heeren kunnen misschien iets weten van den schedelbouw van een +misdadiger, van zijn morphologie, maar ga hun eens vragen wat zij u +kunnen vertellen van de verschrikkelijk diepe grotten en spelonken van +de misdadigersziel? Weten zij hoe de moordenaar, de souteneur, de +kinderen-verkrachter, de ontaarde, de prostitue, de inbreker denkt, +leeft, voelt, werkt?... + +En terwijl ik in het hartje van den Jordaan studie maak van de +alleruiterste depravatie, terwijl ik slaap bij het Leger des Heils, +samenwoon met moordenaars, kan het mij gebeuren, dat ik een enkel +verloren uurtje zit te studeeren in Darwin, Rousseau, mij dring in het +gekristalliseerde leven van vroegere eeuwen, die eeuwen, die ik +werkelijk zie, ieder in haar eigen kleur, als groote hallen, waar ik kan +wandelen. + +En ... mijn natuur is zeer pessimistisch. Is niet bij iederen idealist +de grondtoon zeer somber? Bij tijd en wijle vind ik 't heele leven, ook +'t allergrootste, nietig. Ach, vraag ik mij dan dikwijls af, waar heeft +toch zoo'n Rembrandt voor geleefd? Is een planeet, die daar zoo verre +staat te schitteren, in zijn eeuwigheid niet veel grooter, ondanks zijn +onbewustheid, dan wij, al zijn wij ons van ons innerlijk wezen bewust?" + +Weer stond hij op, Querido, en nu begreep ik wat zijn ongeduldig +halsgerek beduidde. Want plots sloeg hij de balkondeuren open en trok +mij naar buiten. Daar, voor ons, in de herfstschemering, in vochte +violette nevelen, lag de wei, en vaagjes zichtbaar, omsluierd, daar +achter het fijn geboomte van 't Willems-park. En was ik gevoeliger +geworden door de extatische ziele-stem van den dichter?... Ik weet het +niet ... maar een breede beklemming bezwaarde mij.... Want ik meende te +zien, dat de grijsgroene boompjes met d'r rengelende bladeren vormden in +de donker-violette nevelen een wijden kring en wachtten berustend den +avond af. Nog een paar minuten, en Querido, voor zijn orgel, deed zoete +schemerharmonieen tonen door 't kamerruim.... + +Sinds ik dit boekte zijn zes jaren voorbijgegaan. Velen, die het in een +van onze groote dagbladen lazen, hebben mij te kennen gegeven dat ze er +een ophemelarij van Q. in zagen en het stuk te weinig zakelijk vonden. +Een brief van hem zelf, waarin het heette dat het artikel "met groote, +trillende liefde" was geschreven, heeft mij wel tot nadenken gestemd, +maar ik moet toch blijven bij mijn oorspronkelijke opvatting, dat ik +zijn mededeelingen met de grootst mogelijke objectiviteit heb +weergegeven. Ik zou niet alleen hem, maar vooral mij zelf te kort hebben +gedaan indien ik anders hadd' gehandeld.... + +Echter heb ik misschien te weinig gevraagd naar het verband tusschen +zijn socialistische opvattingen en zijn kunst, naar de evolutie van zijn +ideeen. + +Misschien had ik er ook wel naar gevraagd ... en mij ten slotte maar +neergelegd bij het feit, dat hij zich niet gemakkelijk laat onderbreken +... ja, geneigd is een schuchtere onderbreking als een onheuschheid te +beschouwen. Hoe dan ook, ik vroeg hem nog eens over die onderwerpen te +spreken en met het vaste voornemen, op mijn stuk te blijven staan, +klopte ik aan zijn deur. + +Wat hadden de jaren veel verandering gebracht! Ik voelde bij de eerste +woorden dat hij rustiger en meer gereserveerd was geworden. Zijn haren +waren pas gekortwiekt (vergeef mij de beeldspraak, als ge ze tenminste +bemerkt!). Hij zat nu niet in een zeer ruim studeervertrek met +aangrenzend archief, doch in een spaarzaam gemeubelde kamer in een +leelijke Amsterdamsche Pijp-straat. En had hij mij vroeger allerlei +soorten sigaren en sigaretten voorgezet, nu liet hij zich, toen hij +hoorde dat ik niet rookte, afgepast "twee stuks" halen. + +Alles deed zien dat hij op eenigerlei wijze pas een flinken klap van +het Leven had gekregen en dezen klap zoowel in zijn temperament als in +zijn overtuiging verwerkte.... Ik behoor tot hen die iets dergelijks al +vele jaren in stilte wenschen. Dus aangenaam gestemd, wel wetend dat +sommigen een zekere soort honger beter bekomt dan het brood des levens, +leidde ik het gesprek in met een vraag naar de evolutie van zijn ideeen +sinds het verschijnen van zijn eerste werk. Aanvankelijk ging het weer +goed. In zijn geliefkoosde houding, een voet op 'n stoel, de elleboog +steunend op zijn knie, zette hij mij uiteen, dat van evolutie eigenlijk +geen spraak kan zijn. De lezer beoordeele of het betoog, dat ik hier +weergeef, de conclusie dekt: + +"Zooals u waarschijnlijk weet, heeft "mijn Jordaan" een overweldigend +succes behaald, en uit de zeer groote rij van alle schitterende +besprekingen is o.m. een voor mij het opmerkelijkst geweest, en die is +pas gekomen, en wel de bespreking van Haspels. Mijn eerste boeken zijn +uitsluitend visionair en beladen met occulten geestesdrang geweest. Dat +zijn mijn ongelukkige in een heel vreemde psyche wortelende verzen. Mijn +"Meditaties" is een heel boek van transcendentale epiek. Het naturalisme +en realisme is meer een bepaalde overgangsvorm geweest van een school, +die zich tijdelijk op mij heeft afgestempeld. Maar de innerlijke kern +van mijn natuur is versmelting van deze drie dingen: tragiek, epiek en +lyriek. Het realisme is voor mij een uitwendig ding gebleven en zal dit +ook zijn. Ik smaad het niet, vooral niet. Ik vind ten slotte Rembrandt +een geweldig realist en Shakespeare ook, maar het zijn mystieke +realisten. Nu is men verbaasd dat ik met mijn "Melvina of de Legende van +den Vuurtoren" en "Saul en David" den z.g. romantischen kant uitga, doch +in mijn "Meditaties", toen was ik eenentwintig, ziet gij _precies_ +hetzelfde: Ik keer terug tot iets dat altijd de grondtoon van mijn +wezen was. Haspels nu heeft gezegd, dat mijn "Jordaan" zoogenaamd +realisme is, uitsluitend verbeeldingskunst, geheel en al gedragen door +een ontzaggelijken visionairen stijl, "het werk van een genie" (ik haal +aan wat hij zegt!) dat zich met geweldig fantasmagorisch vermogen op de +realiteit werpt. + +Ik wil slechts te kennen geven, dat een boek als "Jordaan" nooit door +zijn uitwendig realisme dit succes zou hebben behaald, als niet die +heele kunst gebouwd was op een innerlijken grondslag, een samenvatting +van allerlei dingen, die zich in mijn wezen volstrekt niet afzonderlijk +hebben ontwikkeld, maar waarin het zich breeder, sterker, rustiger +uitspreekt naar allen kant en zich op alle mogelijke manieren verdiept. +Er is een groote psychische en technische afstand tusschen het +schilderen van de Nachtwacht en van de Staalmeesters, maar toch is het +visionair en innerlijk vermogen van een Rembrandt volstrekt essencieel +en niet iets nieuws brengends geweest toen. + +Ik geloof, permiteer mij den overgang, dat ik onbewust in mijn natuur +altijd mijzelf trouw ben gebleven. Ik ben begonnen met visionair werk: +mijn "Meditaties". Ik heb toen een rauw en uiterst realistisch boek in +de wereld geschopt: "Levensgang", waarin twee elementen door plastisch +vermogen zijn samengevat, n.l. aan den eenen kant een door uitwendigen +waarheidszin beheerschte realistiek, terwijl het boek aan den anderen +kant verloopt in romantiek. Ik meende dat ieder ding in zijn waren, +diepen, uitwendigen waarheidsvorm moest worden gezegd. Daar ben ik in +"Menschenwee" van teruggekeerd. Dat boek heeft een heel groote beweging +in Nederland gebracht. In "De Jordaan" ben ik daar nog verder van af +gekeerd, en zoo had ik gelegenheid een boek te geven waar geen enkel +zoogenaamd--gelijk de burgerlijke moraal het noemt--onverkoren woord in +voorkomt. Het is voor mij geweest het scheppen van tallooze driften en +hartstochten, maar vast aan den mensch. Ik wilde geen ideeen en +symbolen, maar groote menschelijke innerlijken scheppen, waar van zelf +de ideeen en symbolen in leven.... + +--Ter verklaring van dezen overgang merk ik op, dat ik Q. geschreven +had, over "Ideeen" te willen spreken en denkelijk wel bij hem te boek +sta als iemand, die zich voorloopig nog te veel in wijsgeerige studien +verdiept. Ik zal ook wel gevraagd hebben naar den _ideeelen_ inhoud van +zijn werken.-- + +Het najagen van een idee en van een symbool, ging hij voort, vind ik +ondergeschikt aan het scheppen van menschen die zelf ideeen en symbolen +hebben. Het symbool moet geboren worden uit den mensch, en niet de +mensch uit het symbool. Uit de innerlijkheid van de menschelijke natuur +moeten voor mij idee en symbool doorbreken. Vandaar dat ik Shakespeare +boven Goethe stel. Geen enkel symbool kan boven de groote +menschenscheppende kracht van den wezenlijk innerlijk menschelijk +scheppenden kunstenaar uit. Die omvat het allemaal. De meest ijle +geestelijke sfeer, waarin verschillende figuren van Shelley leven, +afzonderlijk genomen als symbolische ideeen, zijn met hun innerlijk en +hun hartstocht eerst menschen geworden en tegelijkertijd symbool in +Shakespeare. + +Dat heb ik altijd sterk gevoeld. In "De Jordaan" heb ik gegeven de +figuur van Stijn, die in de critiek tot de grootste bewondering +aanleiding heeft gegeven. Daarin is in een persoon vereenigd teederheid +en verbijsterende waanzin, door alcoholische driften aangejaagd. Het +symbool van het bezeten zijn door den drankhartstocht, die ook een +zekere sexueele satyriasis als ondergrond heeft, te zamen met een +groote vaderlijke teederheid, en die twee elementen vast aan den man +verbonden. Dat was altijd mijn doel, daar ben ik nooit van afgeweken.... + +--In den loop van deze improvisatie deed hij nu en dan een nonchalante +greep in een kartonnen doos, die overvloedig gevuld was met recente +boekbesprekingen. Hij wilde mij een knipsel toonen,--'t was hem +toevallig in handen gekomen, en hij hechtte er overigens geen waarde +aan--dat volkomen bevestigde de meening die hij zooeven had geuit. Enfin +... hij zou mij die critiek wel sturen. + +--Maar--ging hij zonder overgang verder--maar dit wil ik wel zeggen: van +nature ben ik een diep proletarisch sociaal-democratisch voeler. + +Wat ik daarmee bedoel? Dit: met mijn proletarisch voelen bedoel ik, dat +ik ten allen tijde besef, dat deze maatschappij absoluut weg moet, omdat +het gelukslurpen van de bezittende klasse iets weerzinwekkends heeft. En +dat kan en moet en zal veranderen. En dat kan alleen veranderen door en +volgens de volslagen juiste critiek van het socialisme op de economische +elementen van de maatschappij. + +Maar nu heb ik dit opgelet, dat Gorter en mevrouw Holst, om maar twee +van de allervoortreffelijksten te noemen, die als dichter en als denker +zich hebben doen kennen, daarom afwijken van Heijermans en van mij, maar +vooral van mij, omdat zij absoluut niet beschikken over dramatisch +objectivatie-vermogen. Zij hebben nooit romans geschreven. Vandaar dat +wij als dramatici objectiever staan tegenover de menschelijke figuren +uit de burgerij. Lapidoth heeft gezegd (hij deed weer een nonchalante +greep in de rijk-gevulde kartonnen doos en trok er een recensie uit, die +hem toevallig in handen was gekomen), dat hij nooit een zoo objectief +boek gelezen had van een sociaal-democraat als "De Jordaan". Daar zit +niet de geringste tendenz in. Tendenz kan schitterend zijn als zij +voortgestuwd wordt door de beweegkracht van een ziel, die het gevoel als +een verinnerlijkt levens-systeem van eigen gedachten opstuwt. Maar dan +lijkt mij ook het woord "Tendenz" verkeerd. Maar verder is mijn +innerlijk zonder tendenz, en dit blijkt een gevolg uitsluitend van +dramatiek, epiek en lyriek die als persoonlijkheid in een andere +persoonlijkheid indringen en zich objectiveeren ten opzichte van de +levensverschijnselen. In onze kunst oordeelen wij niet. Met +ijzingwekkende kracht blijven wij onverschillig voor de persoonlijke +appreciatie, en in roerlooze schoonheid weerspiegelen wij het bosch, en +de maan en den mensch zelf. + +--Nu voelde ik mij toch genoopt te vragen naar de verhouding tusschen +dit levensinzicht en de levensbeschouwing van het proletariaat, de +wijsbegeerte van het historisch materialisme. + +--Ik geloof, kreeg ik ten antwoord, dat de wijsbegeerte van het +historisch materialisme, wat zijn zuiver dialectischen ondergrond en wat +zijn wezenlijk wijsgeerige kern betreft, door het proletariaat niet kan +worden beoordeeld, dat het wat daarover gezegd wordt door groote denkers +aanvaardt, terwijl die groote denkers m.i. niets anders doen dan op een +bepaalde manier hun eigen ik-heid manifesteeren, zonder iets hoogers te +geven dan iedere andere subjectieve wijsbegeerte. + +Doch dit heeft niets te maken met de maatschappij-critiek van het +historisch materialisme. Die vind ik voortreffelijk. Echter onderscheid +ik mij ten zeerste van sociaal-democraten als mevr. Holst en Gorter, +doordat ik ook een zeer bijzonder gevoel heb voor occulte wijsbegeerte +en mystieke dingen, die mij in hooge mate interesseeren. Zeker, het is +iets persoonlijks van mij. De studie dier verschijningen gaat buiten het +volk om en kan het niet schelen. Het is voor het eigenlijke proletariaat +van oneindig veel meer belang als het de wet van vraag en aanbod, van +meerwaarde en verbruikswaarde kent en economisch sterk onderlegd is. Ik +zou niet gaarne willen meedoen met de theosophische socialisten, die +volgens mij een geweldige verwarring brengen. Maar de wezenlijk +geestelijke problemen als zoodanig kunnen niet met een zwaai worden +betrokken in den gezichtskring van alle proletariers. Hoe zou het ook +kunnen? + +De strijd van het proletariaat openbaart zich politiek en economisch in +een geweldig ideaal. Weet u wat ik mij altijd heb afgevraagd: wat leidt +die menschen er toe voor een betere maatschappij te strijden? Dat is +zuiver ideologisch sentiment ten slotte, maar het is een heerlijke +menschelijke ideologie. Ik erken, het bewustzijn daarvan kan je heele +leven vullen. + +Maar angstwekkend vind ik het, als diezelfde menschen op grond van hun +historisch materialisme het geestelijk leven probeeren vast te leggen in +bepaalde wetten, die ik heel anders beoordeel en heel anders bekijk. +Zelfs vind ik in den lyrischen drang van mevr. Holst en Gorter die +occulte neiging aanwezig. Haar psychische ontvlambaarheid is heelemaal +occult, al werpt die zich ook op dingen die juist den arbeider in +lichterlaaie zetten. Maar ook de manier waarop zij het doet is zuiver +occult. Zij wordt beheerscht door den angst, dat de ontwikkeling van de +massa zou worden tegengehouden door de vooropstelling van het +individueele. + +--Als nu, zoo vroeg ik, uw laatste werk zuiver een objectiveering is van +uw drieledigen en visionairen persoonlijken aanleg, en gij aan den +anderen kant de kloof tusschen uw diepere veelzijdigheid en de groote +massa zoo sterk voelt, dat gij toch wel niet overheerscht kunt worden +door de zucht om de menschen over bepaalde dingen feitelijk nauwkeurig +in te lichten,--hoe rechtvaardigt gij dan nu nog hetgeen gij vroeger mij +en anderen hebt medegedeeld omtrent uw buitengewoon uitvoerige +documenteele onderzoekingen, ook in den Jordaan? + +Ja, zei hij en zijn blanke hand streek door zijn zware lokken, die +hij--niet meer had--ja ... die documenteele arbeid, dien ik verricht +voordat ik aanvang met mijn werk, wekt den schijn alsof ik realistische +kunst lever, gericht op de zoogenaamde waarneming en objectieve +bestudeering van de feiten. Ik geef u toe, deze arbeid is, wat den +documenteelen inhoud in kleineren zin betreft, overbodig, en dat heb ik +in den laatsten tijd veel beter dan ooit ervaren. Toch meen ik, dat men +voor het aanvoelen van een levenssfeer de dingen goed moet kennen, al +gaat de visionaire verbeelding telkens op geheel andere manier de +realiteit in gloed of in schaduw of in licht zetten. Om u dit duidelijk +te maken kan ik er op wijzen, dat ik op dien boottocht, waarvan in het +vierde hoofdstuk van de Jordaan verteld is, maar een keer mee ben +geweest, en toch heb ik een heele synthese van al die nachten gegeven. +Wat ik daar geef, kan onmogelijk door de zinnen waargenomen zijn +geweest. Dat is een voortdurend peilen en invoelen, een visionair +verbeelden en fantastisch zien. Toch is dit de eenige manier waarop de +realiteit zich openbaart. Dat is het orgaan van den kunstenaar, waardoor +hij de realiteit naar voren haalt zooals zij is, al lijkt het +doorloopend fantasie. + +--Ik herhaal dus, dat hier wel degelijk een verandering van standpunt +uit blijkt. U hebt vroeger veel meer dan nu den nadruk gelegd op de +waarde van het voortdurend waarnemen en verzamelen van feiten. + +--Ik geef toe, veel van dien documenteelen arbeid was overbodig, maar ik +heb er toch ook zoo'n groote voldoening door gekregen. Toen die +nuchterling in een van de bladen mij zeide, dat ik de Jordaan niet +weergaf zooals zij was, toen kon ik met genot mijn documenteelen arbeid +aanhalen. Toen heb ik steegje voor steegje en kroeg voor kroeg met het +gehalte van het bier en den wijn en de jenever en met de namen er bij +kunnen behandelen. Ik vraag u: wie kan zeggen hoe de Jordaan _is_? Ik +zie hem zoo en een ander ziet hem weer zoo. Meijer, Dr. Meijer heeft in +"De Hervorming", geschreven dat hij den Jordaan zooals ik hem beschreven +heb, den mooisten vorm vindt dien de Jordaan kan hebben. + +Ik wilde met dit alles dit maar zeggen, dat ik mijn grondtoon nooit +veranderd heb, dat een onbewuste eenheid loopt door al mijn werk, die +zich op dezelfde manier steeds weer openbaart. Ik kan zonder +verschillende dingen, die ik allen even heerlijk en mooi vind, niet +leven. Vandaar mijn verheerlijking van muziek, schilderkunst, en soms +ook wijsbegeerte. Ik heb nooit geweten wat het zeggen wil enkel +romanschrijver te zijn. + +--Ook daarover heb ik u vroeger wel eens anders hooren spreken. Hebt gij +mij niet vroeger gezegd, dat gij u nooit in het kleine bestek en de +eenzijdigheid van een tooneelstuk geheel zoudt kunnen uitleven? + +--Dat moet gij verkeerd begrepen hebben. Ik weet wel, in een treurspel +zit iets dat in een roman nooit gegeven kan worden, al kan men in een +roman weer enorm dramatische dingen scheppen. Ik ben al heel lang +beheerscht door het gevoel een treurspel te willen schrijven. Zooals u +weet heeft Robbers gezegd, naar aanleiding van zijn critiek op +"Menschenwee": "als Q. het wil, behoeft het voor hem maar van een gril +of luim af te hangen en hij kan even schitterend voor het tooneel als +voor de literatuur schrijven". Dat sloeg blijkbaar op mijn vermogen om +de dingen in dialoog en in scene te zetten. Toen heb ik daarop +geantwoord: bij het moderne drama geloof ik niet dat dit kan. Ik geloof +niet, dat hetgeen ik indertijd heb gevoeld, op 't tooneel kon worden +gebracht, en daarom heb ik den romanvorm ook geschikter gevonden. Maar +hoe ben ik nu gekomen tot "Saul en David"? Al jaren lang heeft mij het +voornemen en het verlangen beheerscht om de ziel van Saul te geven. Ik +heb den Saul van Israels gezien en dien van Rembrandt, en vooral die van +Rembrandt heeft mij ontzaggelijk ontroerd. Maar hij stijgt toch maar tot +een bepaalde hoogte van het ziels-drama van Saul, want zijn kunst is +niet voortschrijdend. Zij vat wel samen een moment, doch de +ontwikkeling, de wezenlijk tragische ontwikkeling van het karakter kan +alleen de treurspeldichter schrijven. Echter nog nooit onder de dichters +is Saul aangevat. Ik vind hem een ontzaggelijke figuur, evenals David +(Q. zegt Davied). Daar komt nog mijn semietisch bewustzijn bij. Ik voel +dagelijks, dat wij, Joden, als dichters wezenlijk de geheele lyriek en +dramatiek van den Bijbel in ons hebben. Ik voel mij geheel verwant aan +de vijfduizend jaar terug liggende atmosfeer van menschen en toestanden. + +--Ik snapte wel, dat hij bij al wat hij mij op verdere vragen zou +antwoorden aan zijn "Saul" zou denken. Ik nam mij daarom voor, hem +geduldig aan te hooren totdat hij zich van dien last zou hebben bevrijd. +Dan zou ik weer vragen en aanteekenen. Doch ik vond zijn mededeelingen +en vooral zijn tempo zoo interessant, dat ik het toch maar navertel. + +--Bij dit treurspel ging ik uit van deze idee: menschen als Saul en +David, zooals vage gegevens die doen kennen uit den bijbel, moeten +beweeggronden in zich hebben gehad, die voor ons, modernelingen, van +gelijke kracht zijn gebleven. Hun nijd, hun angst, hun berouw, hun haat, +hun wrok, hun ijverzucht, hun minnedrift, hun trots en onderwerping, al +die dingen openbaren zich, in anderen vorm misschien, maar in gelijk +hevige kracht, in ons. Ik wilde de figuren niet rethorisch en op een +bepaalde archaeologische manier naar voren brengen. Ik wilde hun geheele +menschelijk bestaan innerlijk voor ons neerzetten, zoodat gij den +geheelen Saul ziet leven, ziet schreien, ziet verkwijnen in opstand en +onderwerping. Dien geheelen geweldigen op- en neergang van zijn groot +gebroken leven, dat zich ten slotte zoo prachtig heeft verheven, heb ik +in zijn wezen willen teekenen. + +De semietische melancholie is anders dan bij eenig ander volk. Het is +een wezenlijke waanzin, die zich heenbreekt door angstig groot lyrisch, +religieus en nuchter psychisch en critisch levensgevoel; hij heeft een +dubbelkarakter. Die mengeling daarvan in den Saul van vijfduizend jaar +geleden, wilde ik geven en Saul zelf heb ik ademend vlak voor onze +voeten willen zetten. + +Ik heb studie gemaakt van de archaeologie en de oude ethnologie en van +tallooze dingen, maar ten slotte geef ik er niets om. Hierin sta ik op +een lijn, ik bedoel met de waardeering van historische feiten voor den +dichter, met wat Goethe en zelfs Napoleon heeft gezegd, dat de grootste +kijker naar de innerlijke levenswording van de geschiedenis de +treurspeldichter is; en al geeft hij de feiten, als feiten zuiver, raak, +oneindig veel meer openbaart hij de innerlijke kern van een tijdperk dan +welke zoogenaamde historie-speurder ook. Het kan Goethe niet schelen +dat Shakespeare van al die Romeinen eigenlijk Engelschen heeft gemaakt. +Napoleon heeft ook gezegd, dat het hem niet kan schelen of een dichter +ontrouw wordt aan de historische gegevens, en dat heeft Goethe zoo goed +uitgedrukt. Kautsky heeft in zijn boek over het Christendom zoo +merkwaardig gezegd, dat een dichter oneindig veel meer den innerlijken +geest van een tijd vat met zijn visioenen, dan ooit kan worden bereikt +door den meest nauwkeurigen geschiedkundige, omdat die feiten ten slotte +ook moeten worden geinterpreteerd door dengeen die ze ziet en de +samenbindende geest kan alleen ontstaan in en door den ziener. + +Vondel heeft zich altijd overgegeven aan Bijbelsche treurspelen. Vondel +is mij voor altijd gebleven de beste _Amsterdamsche ziener_ en +beschouwer van de bijbelsche geschiedenis. Maar toch nooit heeft hij de +innig diepe, lyrische, dramatische en pathetische natuur van de oude +Joodsche beschaving geheel gevoeld, omdat je daar, geloof ik, +rasverwantschap voor moet hebben. En ondanks de vele schitterende +dingen, als woordkunst boven ieders lof verheven, is het altijd de +Protestantsch-Katholieke natuur van Vondel die door de interpretatie van +de Joodsche zielen heen komt schijnen, zooals ik ook nooit een +opmerkelijker Joodsch-Katholiek heb gezien dan Mahler in zijn kunst. Het +feit, dat Rembrandt zoo na is gekomen aan deze levenssfeer, lijkt mij +een gevolg van het feit, dat hij de Joodsche psyche occult gevoeld +heeft, in al zijn kleurige en wazige diepte, in al zijn gloeiing, maar +ook in al zijn duisterheid. + +--Ik heb mij (ik voorkom uw vraag) afgevraagd: wat hebben +sociaal-democraten en arbeiders aan zoo'n kunst in dezen tijd? Ja, wat +hebben zij aan de kunst van Beethoven, van Shakespeare, van Vondel, van +Goethe? In iedere groote kunst moet zijn een geestelijke inhoud, die +onafhankelijk is van tijd en persoon en waar iedereen, altijd, groote +lessen uit kan trekken. Er is in mijn tragedie een figuur, die tot +voorbeeld kan zijn voor iederen sociaal-democraat die door individueele +plagen wordt gehinderd. Hij is het bewijs van het feit, dat je je alleen +aan de goddelijke macht hebt over te geven, zooals ook de Jezuiten het +doen, alleen op een ander levensplan. David is het symbool van de eeuwig +levende kracht, de onverwelkbare Joodsche levensdrift, de +vreugdebloeseming van het bestaan. Zouden ook sociaal-democraten daar +niet aan hebben? Zou de geheele antieke beschaving niets voor hen wezen, +omdat zij zijn gekomen tot een andere levenssfeer? U zult vragen: waarom +moeten wij tot een tijd van vijfduizend jaren her terug, als wij in +dezen tijd toch gelijksoortige figuren kunnen vinden? Dat hangt +natuurlijk heelemaal af van de persoonlijke scheppingsdrift die in den +kunstenaar leeft. Waarom heeft Rembrandt in een tijd van opbloei van de +bourgeoisie getracht mannen als Saul of Homerus te scheppen? Omdat er in +Saul geweldig heroische elementen zijn, die in dezen tijd niet in die +mate worden gevonden. En och, is de schoonheid van het vers, de kunst +van het woord, ook niet voor de proletariers een zeer genietbare +kunst,--als die inderdaad schoon is, natuurlijk? Wat hebben zij aan Van +Oort, als zij zijn middeleeuwsche romans lezen, vol merkwaardige +middeleeuwsche feiten? Dat zij een visie krijgen op dat tijdperk. + +Ten slotte blijkt mij dat de natuur van ieder kunstenaar, al is hij ook +socialist, voor bepaalde werkzaamheden wordt aangewezen. Gorter zou +nooit iets anders kunnen zijn dan lyrisch dichter en propagandist, omdat +hij het episch en dramatisch vermogen mist.... + +Toen ik dien nacht naar mijn stille landhuis terugkeerde, speelden de +twee woorden "Querido" en "evoluutsie" krijgertje door mijn bewustzijn. +En terwijl ik in bed stapte uitte ik deze lofspraak: "Ja.... "Du bist am +Ende--was du bist"". + + +VOETNOTEN: + +[5] Naar ik van terzijde verneem, wenscht de heer Q. er niet toe mede te +werken, dat zijn portret hier wordt afgedrukt. Ik betreur dit oprecht, +al vermoed ik, dat mijn lezers zijn beeltenis hier of daar weleens +hebben gezien. + + + + +CAREL SCHARTEN + +[Illustratie: CAREL SCHARTEN] + +[Illustratie: Foto CAREL SCHARTEN] + + +(* 1878.) + +Het volgende is een interview per post. In de meening verkeerend, dat ik +Scharten hier of daar kon ontmoeten, was ik met hem in briefwisseling +getreden. Mijn verwachting werd verijdeld, maar toen _zijn_ sympathie +voor mijn werk en _mijn_ instemming met vele zijner ideeen elkander +tegenkwamen, besloten wij de briefwisseling voort te zetten. Ik zou hem +mijn vragen niet beter kunnen stellen dan hij het zichzelf heeft gedaan, +en nadat ik hem mijn oprechte dankbaarheid heb betuigd voor de moeite +die hij zich gaf, leg ik den lezer zijn laatsten brief zonder commentaar +voor: + +Lerici, 5 Januari 1914. + +Waarde Heer d'Oliveira, + +Laat ik dus nu maar doen, of ik u op dezen zonnigen zomermiddag--de zee +bruischt en geurt--ontving op het blank terras der Villa Barbieri, en +onder een kopje thee (zij is niet zoo aromatisch als die gij in Holland +drinkt; onze theeleverancier is maar een Caprees) antwoordde op de +vragen van uwen "Leiddraad." + +Als alle mijn broeders en zusters in de letterkunde heb ik er al heel +vroeg "aan gedaan". Toen ik zeven jaar was en nauwelijks schrijven kon, +richtte ik al een geillustreerd tijdschrift op--tekst en prenten waren +van de hand van den redacteur; abonne's: oma, oma's meid, tante, +enz.--een jaar later volgde een dagblad; dan een geillustreerde +"vaderlandsche geschiedenis" en verzen op onze stadhouders en op +Mackenzy (spel ik goed?), den lijfarts van Keizer Friedrich--hoe ik +daaraan kwam, mag Joost weten. Elf jaar, schreef ik drama's in +verzen--geillustreerd, als altijd.... Doch ik zie in dat alles volstrekt +geen voorteeken, noch eenig blijk van talent. Want met misschien nog +meer pleizier gaf ik zingend, boem-tsjing, en een vol orkest nabootsend, +muziek-uitvoeringen; of speelde, opgetuigd met shako's en sjerpen van +mijn vader en mijn grootvader, voor "generaal"; of ranselde als +"leeuwentemmer" een tiental elastieke ballen onzen zolder rond.--En noch +voor generaal, noch voor leeuwentemmer heb ik later ooit eenigen aanleg +in mij bespeurd. + +Het is, geloof ik, heusch begonnen--denk maar eens aan Scheltema's velen +ergerend gezegde daaromtrent!--toen ik veertien jaar en verliefd werd. +Het was het dichterlijk verhaal van een avondwandeling met een meisje, +of zoo maar een zangetje zonder veel zin, dat ik schreef. Zoo ging dat +enkele jaren door; voor den verstandig-toegeeflijken leeraar der H.B.S. +werden mijn opstellen novellen of reeksen verzen; eindelijk zelfs een +heele bundel op Oud-Hollandsch papier; want ik was inmiddels zestien +jaar geworden en vond mij een dichter, d.w.z. dat ik geen dag meer kende +zonder een sonnet of twee, drie. U voelt al, uit welken hoek de wind +woei! Toch was mijn eerste litteraire vorming er eerder een klassieke +geweest. Onze Duitsche leeraar was de bekende Limburgsche novellist +Emile Seipgens, en die fijne, wijze man, die een broertje dood had aan +lesgeven, vond het veel nuttiger voor ons (en plezieriger voor zichzelf) +ons de meesterstukken der Duitsche litteratuur voor te lezen, het eene +stuk voor, het andere na; van grammatica hoorden wij in geen jaren; +zoodat wij (ik beveel zijn methode volstrekt niet _onverdeeld_ aan!) +allemenschelijk slecht Duitsch leerden, maar veel smaak kregen, en de +beste smaak, in kunst. Het was merkwaardig hoe Seipgens, die in 't +dagelijksch leven hakkelde, en heel erg als hij boos werd, prachtig +voorlas zonder een hapering; die drama's van Schiller, van Goethe, van +Lessing, zij leefden voor ons! + +Maar ondertusschen had ik de "Nieuwe Gids" in handen gekregen, uit de +leesportefeuille; het was al in de negentiger jaren, in de +vervalperiode, en naast mooie dingen stonden er de verschrikkelijkste +"uitstuipingen" in,--en, gek nietwaar (men is toch altijd allereerst een +kind van zijn tijd) ik vond dat mooi, ik vond het mooier dan alle +klassieken (waarmee ik toch op zoo gunstige wijze had kennis +gemaakt)--omdat het mij aangreep, omdat het mij naar de keel greep, ik +weet niet hoe, het kwam van zoo dichtbij, en het was zoo sinister en +geheimzinnig. Gunstig ook om ervan te gaan houden, was de afkeer en de +bespotting, die iedereen uit mijn omgeving voor dat "idiote gedoe" over +had. En toen waren er twee boeken, die mij wat meer van "die nieuwe +richting" kennen leerden en mijn voorkeur ook in het redelijke schenen +te wettigen: de "Dichters van dezen tijd" en de "Pic-nic in Proza." Den +sterksten indruk uit dat laatste maakte "Harold" van Ary Prins op mij. +Zoo wonderlijk-klaar die middeleeuwen voor je te zien! Ik bootste de +ontvangen visie in fantastische schilderijtjes na; want ik schilderde +veel in dien tijd; ik dacht wel eens, of ik niet beter deed, schilder +te worden.--Bizonder genoot ik ook van de fonkelende "Conferentie" van +Erens. + +Dit alles was voor mijn zeventiende jaar; toen bracht een dichterlijke +vriend, die jong is gestorven, mij drie boeken: "De kleine Johannes," de +"Verzen" van Kloos, en de "Mei" van Gorter. In die volgorde. Het was een +openbaring! + +En ziedaar mijn stamboom! Ik ben, van letterkundigen huize uit, een kind +van "de Nieuwe Gids." Van daaruit eerst--via Verwey--leerde ik Vondel +kennen en Hooft. Ik moet er bij voegen, dat ik al op de burgerschool +veel hield van Racine; het was bij hem vooral de taal, het heerlijke +Fransch, en het statige, teere vers dat mij boeiden. + +Maar ik was van de "Nieuwe Gids" al gauw een weerspannig kind. Het +critische heeft er al vroeg bij mij in gezeten; dit werd misschien +ontwikkeld door de studie van het recht, dat ik (men leidde mij voor de +Registratie op) met ambitie beoefende; en toen ik eenmaal de beste +producten der Nieuwe Gids-richting had leeren kennen, begon ik haar +verval in te zien en hoe dat voortging, toen met de Nieuwe Reeks van het +tijdschrift iedereen van een herleving sprak. Voor zoover ik zag in +couranten en bladen; want ik kende (ik woonde eerst in Leiden en daarna +in Harderwijk) geen enkelen "artist." + +In 1896 verliet ik de Registratie--het kantoorwerk werd mij te +machtig--voor de Letteren, en ik begon met de daartoe noodzakelijke +studie van het Latijn en Grieksch; op dien leeftijd heeft men zoowel aan +de klare logica, van het Latijn vooral, als aan de beide litteraturen, +veel meer dan als schoolknaap. En de geest der Ouden kon niet nalaten, +indruk op mij te maken. + +U begrijpt al lang, dat er overigens, op mijn achttiende jaar, nog +weinig sprake was van "wijsgeerige of aesthetische ideeen" (religieuze +misschien wel, ik was met heel mijn hart orthodox,--de noodige +dichterlijke vrijheid inbegrepen) of van een "uitgesproken meening over +de maatschappelijke, sociologische roeping of rol van den +kunstenaar."--Ik had de vage gedachte, dat de kunst de menschen gelukkig +moest maken, zooals ze mij gelukkig maakte, en ik ondervond bitterlijk +dat iedereen den draak stak met wat ik mooi vond. Als ik op mijn kamer +verzen voorlas aan geduldige vrinden, sprak mijn vader beneden van +"jammeren." Ik voelde het pijnlijke van het conflict, maar ik zag geen +oplossing--tenzij de vage hoop, dat later tijden harmonischer zouden +zijn; en in die hoop begon ik toen al gauw het socialisme te betrekken. + +In 1898--ik was twintig jaar--had Eduard Thorn Prikker (onder den naam +van Eduard Verburgh) "De Arbeid" gesticht. Het tijdschrift werd algemeen +bespot. Maar ik vond, dat hij groot gelijk had, dat het uit was met de +"Nieuwe Gids", en ik schreef in "De Kunstwereld" (heette dat blad niet +zoo?) een groot artikel over "De Arbeid." Het was een der eerste +opstellen, die ik heb gepubliceerd. + +Al gauw was ik aan "De Arbeid" medewerker. Samen met Prikker schreef ik +het tijdschrift vol. Maar wij hadden ook alweer, juist als de Nieuwe +Gidsers, alleen de reactie gemeen. Op enkele technische bezwaren na, had +ik aanvankelijk _in beginsel_ op de "Nieuwe Gids" niet zooveel tegen; ik +zag alleen, dat enkele hoofdmannen ervan zwegen, anderen +achteruitgingen, Kloos vooral, en mijn hartstochtelijke liefde voor de +machtige verzen uit diens grooten tijd, dreef mij er toe, even +hartstochtelijk hen te bestrijden, die, met een weee vereering ook van +zijn latere bombastische Adoratie's, mij toeschenen, de Schoonheid-zelve +te schennen. Overigens sloot ik mij niet voor wat er nog goeds kon +komen uit dien hoek, en ik zou blij geweest zijn, op een dag nog weer +het oude mooi terug te vinden. Van Van Deijssel en Verwey (ondanks alles +wat ik tegen hen had) bleef ik altijd een bewonderaar; Van Looy leerde +ik eerst later ten volle waardeeren. + +Prikker daarentegen stond diametraal tegenover het beginsel-zelf van "de +Nieuwe Gids". Hij hoopte niets liever dan de heele bent "in compagnie +naar de haaien" te zien gaan. Er was in die houding, in zijn cynisme ook +tegen alle verheven edelaardigheden ontegenzeggelijk de noodige +blague,--maar hij was onderwijl een drommels oorspronkelijke jongen, met +een echt natuur-talent. Hoe dat--althans voorloopig, hij is nog +jong--niet tot zijn recht is gekomen, wil ik nu niet nagaan. Maar hij +had toch maar op zijn eentje uitgevonden, dat proza niet allereerst +moest zijn "het fel-rake woord," doch de stroomende volzin en de +periode,--en hij bracht die beginsels op boeiende wijze in praktijk. Hij +had eigen denkbeelden over schilderkunst en bouwkunst en sierkunst, die +dikwijls later als de juiste zijn erkend. Het is waar, hij leefde te +midden van allerlei geestelijke en artistieke stroomingen in Den Haag; +naast hem was ik zoo groen als gras; maar zeker is, dat ik heel wat van +hem heb geleerd. + +Prikker was ook sociaal-democraat, aangesloten bij de S.D.A.P. _Ik_ had +zoo maar godsdienstig-philosophische en socialistische ideeen op eigen +houtje. Op een avond zei hij opeens: "je hebt de typische kop van een +anarchist." En toen mij dat scheen te vleien: "ik bedoel, een anarchist +is eigenlijk het type van een bourgeois...." + +Inderdaad, ik was een anarchist! Eenigen tijd later hoorde ik van +Walden, ik las de beide brochures van Van Eeden; ik was overtuigd. Van +Eeden was mijn profeet, Walden mijn ideaal. Ik toog erheen, en mijn +geestdrift werd noch van streek gebracht door het vrijwel cynisch +gezelschap, dat ik daar ordeloos en tuchtloos leven vond op het +akelig-holle Kruisberg, noch door de koude douche van Van Eeden, wien ik +heel naief vragen kwam, welke boeken ik lezen moest, om mij nader in de +dingen van den heilstaat te bekwamen! + +Als ik denk, hoe extra-bespottelijk ik mij daar op Walden maakte!--En +toch, in het winteravondrood achter de sparreboschjes van Walden heb ik +het onuitsprekelijk geluk gekend van de zekerheid eener betere toekomst. + +Vaag waren mijn socialistische ideeen, maar zij leefden ten minste. Ik +leefde op mijn gevoel. En, wat onze letterkunde aanging, zoo gevoelde ik +hoe langer hoe duidelijker, dat de tachtiger-kunst doodliep.--Ik zag +wat er verscheen: een poeet als Van 't Hoog was een "datum" in de Nieuwe +Gids-poezie.... Was er uit onze burgerklassen, verdord door een +eeuwenlange, steeds meer uitdrogende "beschaving," nog ooit (althands in +poezie, dat gevoeligste voertuig der ziel) een jonge, bloeiende kunst te +verwachten?--Ik maakte zelf ook verzen, en met hartstocht. Waarom zou +die wet voor mij niet opgaan? Ik aanvaardde haar, met de hoop misschien, +een uitzondering op den regel te zullen blijken. In 't algemeen geloofde +ik, desnoods ook met wegcijfering van eigen dichter-toekomst, dat de +groote nieuwe poezie uit het ontwakende volk-zelf zou moeten ontstaan. + +En nog, na vijftien jaar, vraag ik mij af.... Ten minste, ik zie wel dat +onze welvarende poetrije, die in Verwey haar Meester erkent, maar +weinigen bereikt, omdat zij niet aanspreekt, niet open tot het hart +spreekt, te zeer ver-_kunst_ is.--En zelfs Adama v. Scheltema, die +begaafde en oorspronkelijke zanger, van wien ik zelf de inluider ben +geweest,--zijne verzen zijn eigenlijk nog maar het (zeer verdienstelijk +en soms waarlijk heel mooi) plaatsvervangend _kunst_-product, voor de +echte _natuur_-poezie, waarnaar Holland wacht, om in woorden en rhythmen +en voorstellingen die heel een volk bezielen kunnen, zichzelf te vinden +en een eenheid te worden. + +Uit het ontwakend volk-zelf verwacht ik dus de nieuwe zangen?--Maar ons +volk is van aard reeds nuchter en zoolang het ontwaakt bij de +wiskunstige stralen van het Marxisme, zal het er, vrees ik, niet minder +nuchter op worden.... Wij moeten geduld hebben, en veel meer dan het +oude, vage vergezicht schiet er niet over. + +De poezie blijft voorloopig een troost en een verpoozing voor eenzame +enkelingen--"een gave van weinigen voor weinigen"--en zal pas weer +opstaan _als een levende factor der samenleving, als een ding met +cultuurwaarde_, in een verjongde wereld. + +Er _kan_ toch altijd een groote dichter opstaan, meent gij?---_Zal_ er +een groote dichter opstaan, in een wereld, die naar geen dichters +omziet? + +Aan het proza echter, in het bizonder aan den roman, staat dagelijks een +breede taak te vervullen. + +Heijermans heeft u gezegd, dat alleen die kunstenaar van een _roeping_ +mocht spreken, die een welomschreven maatschappelijke overtuiging had +en, vanuit die overtuiging, overtuigend aan het schrijven ging. Hij zou +respect hebben voor een katholiek, voor een calvinist, die aldus op de +verovering der wereld uittrok. Hij voor zich voelde het als zijn +roeping, zijn plicht, te strijden voor het proletariaat, met zijne +uitbeeldingen van den klassenstrijd. Maar zulk een calvinist, of zulk +een katholiek, was er niet; en buiten de sociaal-democraten had geen +enkel Nederlandsch schrijver een roeping, omdat zij geen roeping konden +hebben. Dies had hij de heele rommelzoo dier roepinglooze auteurs uit +zijn boekenkast gegooid. + +Ik zou niet durven zeggen, dat ik het onvriendelijk vind, want ik heb +hier niet eens een boekenkast, en jaarlijks gaan er wichtige kistjes +Hollandsche romans naar het lieve vaderland retour. Voor als wij weer +eens een eigen huis gaan betrekken en wij hadden het geluk, in dat huis +een zolder te bezitten, hebben wij het geheime plan, daar groote kasten +te improviseeren en in die kasten erg veel Hollandsche bellettrie te +bergen. Ik mag dus niet zeggen, dat ik Heijermans onvriendelijk heb +gevonden. Maar wel onverstandig. Want al spreekt het vanzelf, dat een +klein land als het onze, hoe schrijfgraag ook, niet bij dozijnen de +groote talenten voortbrengt,--daarmee is toch niet uitgemaakt, dat er +geen roeping mogelijk is buiten de roeping van hen, die naar een zeker +stelsel de _maatschappij_ hervormen willen. + +Integendeel, zou ik zeggen. Ongetwijfeld zal een rechtvaardiger wereld, +met minder oeconomische en zedelijke misstanden, de menschheid meer +gelegenheid geven, wat geluk te bemachtigen. De gunstige of minder +gunstige omstandigheden _van buiten_ hebben zeker eenigen invloed op het +innerlijk van den mensch. Maar toch komt het mij voor, dat de +sociaal-democraten wat al te veel verwachten van die uiterlijke +omstandigheden en te weinig letten op het arme, verharde innerlijk der +lijdende menschheid, dat door geen uiterlijke omstandigheden diep-in te +wijzigen is. + +Zoolang de tijden van strijd daar zijn (en hoe min gevorderd de strijd, +hoe meer) zien begeesterden als Gorter en Roland Holst om zich heen of +in hun verbeelding, hoe andere begeesterden-voor-het-Ideaal schoon +worden en rein in zijn gloed.--Doch dit heeft niets te maken met _de +inwerking van betere toestanden op de massa_. En zoolang de kleinzielige +menschenkinderen niet geleerd hebben, met ruimte en met begrip +_elkander_ aan te zien, te beoordeelen, te verdragen,--zoolang is er +voor de menschheid geen werkelijk geluk weggelegd. Het geldt hier niet +de ontwikkeling van het intellect, doch de ontwikkeling van het gemoed. + +En ziehier de overoude en onverouderbare roeping van den epischen en den +dramatischen dichter, dat is, voor onzen tijd, van den romanschrijver en +van den tooneelschrijver. + +De roeping van den romanschrijver is, dringender dan ooit, (zijn kunnen +zij groot of beperkt): de menschheid aan zichzelve te onthullen, +zichzelve te doen verstaan. + +Een beroemd socialistisch auteur, wiens werk men het allerminst aan zou +zien!--wie het was, doet er niet toe, geen Hollander--bekende mij eens, +de tegenwoordige menschheid te haten; hij vond haar leelijk en enkel +afkeerwekkend. En dat is ook niet buiten de sociaal-democratische lijn; +het is geen quaestie van sentimenteele armenzorg, zeggen zij, maar van +Recht. + +Zeer juist; doch het lijkt mij geen gunstige praedispositie voor het +verstaan en doen verstaan dezer leelijke menschheid, haar slechts hatend +te schuwen. Men kan die leelijke menschheid, in al haar klassen en +soorten, ook liefhebben. + +En ziehier mijn overtuiging: dat de menschheid wel vooruit te brengen is +door het Recht, doch alleen te redden en gelukkig te maken door de +Liefde. + +Van die liefde zal de kunst een der instrumenten zijn. + +In dien jeugd-tijd van Walden en van "De Arbeid" was mijn hoogste +droom, eens te worden "de zanger aller menschenzielen" (het zijn de +laatste woorden van mijn Voorhal),--nu is (ik sta niet meer alleen) ons +beider beste gedachte, te pogen, de leelijke, de arme dwaze kinderen +onder de menschen, zoo goed als de lieve en de goedwillige, te +begrijpen, en te doen begrijpen, door hen, innerlijk verklaard, te laten +herleven in onze boeken.--Denk vooral niet, dat wij, 't geen _wij_ +daarin tot nog toe gedaan hebben, overschatten; wij staan nog in het +begin van onze loopbaan en wij betalen nog leergeld met ieder boek. Maar +onder al onze fouten voelen wij, ongeschokt, waar wij heen willen. + +Men heeft ons verweten, voorkeurloos, en gelijk-op met hun omgeving, +verzamelingen van menschen uit te beelden, aldus leverend een +naturalisme op zijn smalst, of wel: een litteraire film.--Het is een +uitgebreid misverstand, waartoe--dat neem ik graag aan--sommige +_uiterlijke_ eigenaardigheden aanleiding hebben gegeven. Het is zeker +waar, dat er in onze boeken soms _te_ veel beschreven werd. Het +naturalisme had ons er aan gewend, _alles_ te zien, niets onvermeld te +laten, en zelfs het onbeschrijfbare te beschrijven. Zonder dit te +bedoelen, kan men zooiets "uit zijn litteraire afkomst houden." Wat een +aanwensel, een overblijfsel was, heeft men verkeerdelijk voor den _aard_ +van ons werk aangezien.--Er zijn bovendien enkele soorten van +beschrijving, die altijd goed en noodig zullen blijven; de stemming +gevende (doch zij zal, hoe langer hoe meer, liever suggereeren dan in +bizonderheden treden) en de enkel _psychologische_, die juist in +bizonderheden treedt, van een interieur bijv., om den bewoner ervan te +doen kennen. Een criticus--het was geloof ik Querido--zei eens van +zekere beschrijving van ons, dat zij stemmingloos was ... waar het +volstrekt niet om stemming was te doen! De opgenoemde voorwerpen even te +"omdompelen in goudgloed" ware niet zoo heel moeilijk, maar wel fout +geweest; het gold een opsomming van voorwerpen, welke, met een nauw +merkbaar lachje, de eigenaardigheden der bezitster moest te verstaan +geven. + +Doch dat wij geen felle voorkeur hebben voor onze personen, dat pleit, +dunkt mij, enkel voor ons. Als er eene verdienste is, bijv. in ons "Huis +vol Menschen," dan is het de geestes-houding der schijvers, die al deze +menschen uit dat huis met een gelijke genegenheid aanzien. Scherp wordt, +om iets te noemen, Aristide's egoisme ontleed, doch de laatste maal dat +men hem ziet, het is wanneer Celestin hem vindt, in slaap gevallen bij +een kaars, en ontroert over zijn argelooze jeugd, zooals hij daar +slapend ligt, en stilletjes weer weggaat. Deze en dergelijke dingen vind +ik zelf, nu op een afstand van meer dan vijf jaren, het beste in "Een +Huis vol Menschen." + +"Sprotje" kenmerkt dezelfde eigenschap. Sprotje lijdt niet door de +schuld der anderen. Haar moeder is een beste vrouw, haar zusters hebben +het wel goed met haar voor, Juffrouw Jonkers en de armetierige "Mevrouw" +kunnen het al evenmin helpen. Sprotje lijdt--omdat het in de wereld zoo +is, en omdat zij-zelf zoo is als zij is. + +"Sprotje" is eigenlijk een zuiver historisch-materialistisch werkje, +maar het is zuiverder dan het waarschijnlijk zijn zou, indien een +historisch-materialistisch schrijver het geschreven had, omdat het +geheel zonder _tendenz_ is. + +Zoo is ook--een criticus, de vaak diep-gaande Van Campen heeft het +opgemerkt--"De Vreemde Heerschers" een zuiver-socialistische +roman,--zonder dat het dit zoozeer bedoelde te wezen. Maar wij leven in +de tegenwoordige wereld, wij buigen ons aandachtig over die wereld heen, +en wij beelden haar uit zooals wij zien dat zij is. En waar zij bewogen +wordt door kapitalistische drijfveeren, daar openbaren die zich in ons +werk. + +Evenwel, wij hebben geen vooropgezette voorkeur voor de verschillende +partijen, voor de _menschen_, en wij bestudeeren gelijkelijk de deugden +en de ondeugden van de Contessa Margherita, van de verschillende +priester-typen en van de bevolking der beide bergdorpen. + +Mijn critisch werk ontslaat mij van de beantwoording van verscheidene +uwer vragen. Daarin vindt gij, beter dan ik het hier in een paar woorden +zeggen kan, mijn antwoord; en zoo het nagaan van meer dan tien +"Gids"-jaargangen wat veel gevergd is, dan verwijs ik u naar "De +Krachten der Toekomst." Die nemen bijv. wanneer gij vraagt "hoe mijn +standpunt ten opzichte van de Nieuwe Gids-strooming zich in den loop der +jaren gewijzigd heeft," het antwoord over, waar deze brief u bij mijn +medewerking aan "De Arbeid" in den steek laat. (Zie o.a. het opstel +"Dichters van drie Geslachten" 1905, en vooral laatstelijk, mijn opstel +"De Roeping onzer Dichtkunst (Natuur en Kunst in de Poezie)" in "De +Gids" van Mei 1913.) + +Bij een _algemeene_ kenschets van de Nieuwe Gids-beweging (zooals gij +mij vraagt--ik kan niet ontkennen, dat het onderwerp mij ietwat +vermoeit, ik zou liever over andere dingen spreken) bij een _algemeene_ +kenschets, zeg ik, kan men nooit heel _diep_ gaan, omdat dan altijd een +of meer persoonlijkheden dier beweging, die er zoo wijd-verscheidene +omsloot, buiten onze beschouwing geraken. + +Doch dit is de hoofdzaak, sinds lange jaren door mij en vele anderen +voor waar gehouden: dat deze beweging, na het _banaal_-algemeene van de +kunst voor haar, het zocht in het individueele. De trotsch en de +hoogheid van dat individueele was het wat ons in onze jeugd, bij de +schoonste dier individualiteiten, Kloos, Van Deyssel en Gorter, +betooverde. Toen dat individualisme opsteigerde tot toppen, die boven de +stijgkracht weken van de taal, is het, juist bij de geniaalsten onder +hen, in gruizelementen ineengestort. + +Als zij zich weer oprichtten, was Kloos verbijsterd, Gorter stamelde +onnoozel proza; Van Deyssel had een nieuw schrijversleven te beginnen. +Van Eeden was maar in enkele werken na "De kleine Johannes" met de +eigenaardigheden der richting meegesleept. Maar alle de anderen, voor +zoover zij zich herstelden, hebben behouden uit hun jeugd (de prachtige +Van Looy niet uitgezonderd):--een voorkeur voor het afwijkende en +ongehoorde, een voorliefde zelfs voor het duistere, en een +anarchistische willekeur. + +Wij jongeren daarentegen (die na ons komen, mogen uitmaken, in welke +opzichten wij onderdoen voor onze voorgangers) begeeren in zoo zuiver en +beheerscht mogelijk Hollandsch zoo klaar mogelijk te zeggen wat wij te +zeggen hebben.[6] + +De Nieuwe Gidsers gaven er niet om, of zij al dan niet begrepen werden, +zij hadden lak aan "het publiek,"--wij zijn tot de menschheid +weergekeerd, waartoe wij wenschen te behooren, met wie wij wenschen te +leven om haar te begrijpen en wederkeerig door haar begrepen te worden. +En worden wij eens niet begrepen, dan vinden wij dat niet zoo tragisch, +omdat wij gereedelijk aannemen, dat het dan wel aan ons zal liggen ... +en aan onze "afkomst." + + "Hoe zieker zenuwen, hoe +beter kunst"--is dus een echte Nieuwe Gids-gedachte. De uitslag heeft de +onjuistheid ervan aangetoond. Er is uit de overspannen sensitivisten ten +slotte een onleesbare wankunst voortgekomen. + +Dus: "hoe gezonder zenuwen, hoe beter kunst?" Dat zou ik evenmin willen +zeggen, want wat ik voor juist houd is: "hoe _gevoeliger_ zenuwen, hoe +beter kunst," en gevoelige zenuwen, al zijn zij gezond (en zeker, dat +moeten zij, wil er blijvende kunst ontstaan, wel wezen), zullen altijd +licht-vatbaar blijken.... + +Overigens weet ik bij ondervinding, dat stoornissen in het zenuwgestel +een tijdlang bevorderlijk kunnen zijn voor de kunst-productie. Ik had +vroeger periodiek asthma-aanvallen; ik was gedwongen daarvoor +verdoovende geneesmiddelen te nemen; het vrijkomen uit die verdooving en +de beterschap was een verrukkelijke gewaarwording. Het gaf een soort +martelende en heerlijke eb-en-vloed in mijn leven, die zeer +"stemmingvol" was.... + +Toen de kwaal genas, miste ik dien eb-en-vloed terdeeg. Er was iets +leegs in die egale gezondheid. Nu na jaren het evenwicht zich hersteld +heeft, verlang ik heusch niet naar mijn eb-en-vloed terug.... + +----En nu wilt u weten, welke rol documenteele studie en verbeelding in +ons werk hebben?[7] + +De documenteele _studie_ bepaalt zich tot: _leven_. Wij leven, wij +leiden ons leven en wij ondergaan het leven, gevoelig blijkbaar voor +indrukken. Bij dat leven denken wij zelden of nooit aan schrijven. Een +enkele maal teekenen wij wel eens iets op, dat wij curieus vinden en "om +te vergeten".... Juist die dingen gebruiken wij vaak niet. + +Nu gaan wij aan het werk, met als archief: onze herinnering. Maar +vlak-af copieeren doen wij die nimmer. Op zijn minst wordt de +werkelijkheid onzer herinnering totaal verfantaseerd en gecomponeerd tot +een nieuw geheel. Het gebeurt ons niet zelden, dat wij er niet meer in +slagen, ons de werkelijkheid zelve, die tot een schepping aanleiding +gaf, nauwkeurig te binnen te brengen.--_Portretten_ komen in ons werk +weinig voor; komen zij voor, dan betreft het hoogstens de _uiterlijke_ +verschijning eener bijfiguur, die wij opeens voor ons zien. + +Zoo "Een Huis vol Menschen"; zoo "De Vreemde Heerschers." Een jonge +schilder, van wien uiterlijk Aristide wat heeft, zijn wij eens +tegengekomen, in de huisgang, met een meisje, dat wij voor een +grisettetje hielden. Een juffrouw, die pastoorshoeden verkocht, zagen +wij in haar "magasin," toen wij haar appartement wenschten te huren. En +een oud, lief dametje, dat blijkbaar in ons huis woonde, vroeg mij +tweemaal op straat, hoe het met mijn vrouw ging, zij had iets van ziekte +bij den concierge gehoord.... Hoe zij heette, wie zij was, of op welke +etage zij woonde, weten wij niet, en Jozette zal zij wel nooit hebben +gekend. Van Celestin is alleen de karbonkel op zijn muts authentiek. + +Van die menschen, over wie wij verder ook niet meer dachten of spraken +voor wij het plan opvatten van dat boek, wisten wij dus al heel weinig +af; een indruk hunner persoonlijkheid; verder zijn zij geheel creaties. +En bij dat creeeren, uit allerlei onvermoede verten van uw leven, komen +dan verwonderlijk en vanzelf de tallooze trekken op u af, die gij noodig +hebt. + +Maar "Sprotje" is _louter_ verbeelding. De figuren leven zoo innig, +nietwaar, dat ik u eerlijk moet zeggen, mij niet meer te kunnen +voorstellen, dat zij niet werkelijk bestaan. + +En toch heeft de schrijfster ze geen van alle gekend. Voor de +voornaamste figuren, Sprotje zelf, de moeder, de zusters, Hein, Juffrouw +Jonkers, zou zij zelfs niet zekere prototypen, tenzij het _algemeene_ +menschentype, kunnen aanwijzen. Slechts voor enkele bijfiguren stonden +haar een paar gekende menschen soms een oogenblik voor den geest. + +En aan die waarachtige algemeen-menschelijkheid, aan dat geschapen-zijn +uit de diepte der menschheid zelve, dankt "Sprotje" ongetwijfeld de door +ieder erkende zeldzame qualiteiten, waarover de echtgenoot der +schrijfster dus zeker niet zedig hoeft te doen. + +Uw vraag ten slotte: wat ik denk van de kunst in een eventueel +socialistische toekomst "waarin economische en daarvan min of meer +afhankelijke zedelijke conflicten werden vermeden,"--die heb ik +eigenlijk al beantwoord. Er zal kunst zijn, zoolang er menschen zijn; en +werden die menschen engelen,--dan denk ik aan hetgeen die lieve +Franciscaner zei, die met mij voor een schilderij van Raphael stond: "En +hoe zal hij niet schilderen, nu dat hij in den Hemel is!" + +Ik hoop, waarde heer d'Oliveira, u naar wensen te hebben ingelicht, +zonder al te langdradig te worden. Geloof mij, met onderscheiding, uw +dienstvaardige + +CAREL SCHARTEN. + + +BIBLIOGRAPHIE: + +Bijdragen in "Amsterdammer", "Arbeid", "Kroniek," "Spectator" en "De +Gids". In dit laatste tijdschrift, sedert 1903, aanvankelijk in +samenwerking met M. Scharten-Antink, het "Overzicht der Nederlandsche +Letteren"--Voorhal (Verzen) (1901)--Guido Gezelle (1902)--De Krachten +der Toekomst (1909)--Het Spelling-vraagstuk (1911)--Het wezen en de +zending der letterkundigkritiek. (1913). + +In samenwerking met M. Scharten-Antink: Een Huis vol Menschen, verhaal +uit het Parijsche leven (1908)--De Vreemde Heerschers, verhaal van de +Italiaansche meren (1911)--Julie Simon, de levensroman van R.C. +Bakhuizen v.d. Brink (1914). + +Vertalingen: + +Jules Renard, Natuurlijke Historietjes (1909) In samenwerking met M. +Scharten-Antink: Honore de Balzac: Het gevloekte kind (1906) + + +VOETNOTEN: + +[6] Even opmerkenswaardig als verklaarbaar is, dat degenen onder de +jongeren, die het meest over hebben van de anarchistische exuberantie +der Nieuwegidsers, de Joodsche schrijvers zijn, die, van den anderen +kant, aan de "Nieuwe Gids" en diens zich-opsluiten-in-zich-zelf geheel +zijn ontgroeid, menschenscheppers als zij bij uitstek werden: Querido, +en Heijermans in zijn Diamantstad. + +[7] Ons laatste, _historische_, werk "Julie Simon", blijft natuurlijk +buiten de volgende mededeelingen. + + + + +ADAMA VAN SCHELTEMA + +[Illustratie: Foto Koene & Buettinghausen ADAMA VAN SCHELTEMA +(Amsterdamsche periode)] + +[Illustratie: ADAMA VAN SCHELTEMA] + + +(* 1877) + +Wie de leidende personen van ons nationaal geestelijk leven opzoekt, +leert daardoor tevens ons land in zijn meest karakteristieke plekken +kennen. Hij raakt zoo vertrouwd ook met de omgeving van denkers en +kunstenaars, dat hij verband en overeenstemming gaat bespeuren tusschen +man en woonplaats; niet alsof het milieu den man en zijn denkwijze +gemaakt had', maar aldus, dat de man na lang zwerven een zoo passende +woonplaats heeft gevonden, dat hij er uit schijnt te groeien. + +Ditmaal voerde mijn weg, van het doodsche asfalt, door stekelig +electriek beschenen, onzer eerste koopstad, langs bosch- en duinrand +naar de jonge kunstenaarskolonie Bergen. + +In deze streek, zoo bevallig door Hildebrand geteekend, hebben de +dorpers blijkbaar nog niet begrepen dat die stadsmenschen toch wel +komen, en, misschien ook wel in verband met het soort stadsmenschen dat +er komt, hebben ze, heel anders dan de Zandvoorters bijv., een bijna +kinderlijke beleefdheid, een natuurlijke welgemanierdheid bewaard, welke +herinnert aan de landlieden, door de dichters uit de Engelsche +meeren-school bezongen. Ze detoneeren niet in de mooie natuur. Men kan +zich ongestoord aan zijn stemming overgeven, en aan die eigenaardige +stilte, die door de nabijheid van de wijde zee veroorzaakt wordt--ook al +ontmoet men nu en dan een afgezwoegden, schonkigen dorpeling. + +--Hier, op de grens tusschen ons vette akker- en weiland en onze +hoogste duinen, waar men, ver van Amsterdam, toch iets van Amsterdam's +beste essence meent te proeven, heeft Adama van Scheltema zich onlangs +neergezet in zijn huisje genaamd "De Windroos". + +En als men in het portiek staat, naast de bakken met vroolijk-decoratieve +geraniums, leest men, voordat men de deur _verder_ openduwt, het opschrift: + + Ik zie naar ieder wind + Op elke verre kust + Doch in mij zelve vindt + Gij aller streken rust. + +een fiere uitspraak, die den dichter welke haar vormde op +karakteristieke wijze eert. + +Het lage huisje, onder zijn hooge roode dak, ligt verscholen achter een +boschje jong eikenhout, waarin men een toegangslaan heeft uitgehakt, +iets ter zijde van den hoofdweg. Er achter een weiland, dat tegen de +duinhelling verloopt, met veel bloemen, de eigenaardige flora van die +streken: naast de schimmig-armoedige witte klaver, de welgedane roode +klaver; naast de stijlige purpur-bloeiende bastaard-wederik, de thijm; +naast witte koekoeksbloem, de gele honing-klavers met hun doordringenden +geur van versch gesneden gras. Waar de duinen beginnen, staat de forsche +boer met donkeren ringbaard, die mij zooeven vriendelijk groetend den +weg wees, in de stralen van de dalende zon bedaard zijn hooi te keeren. +En om hem heen dartelt een wit paard, lezer, een paard dat zich +heelemaal vrij voelt en, naar ik verneem, bijna nooit werkt. Zijn lange +witte manen en zijn lange witte staart wapperen hem na, terwijl het in +wijde sprongen over de vlakte giert en zijn lenige flanken schudt om +toch maar vooral zijn vroolijkheid te uiten. We zien dit alles, geleund +aan een van de hooggeplaatste vensterkens van Scheltema's "werkhok", en +zijn toen overeengekomen, dit beest een "gepensioneerd paard" te noemen. + +Dit is niet maar een losse aardigheid van me, o lezer: Ik beweer dat ge +het volgende maar half begrijpt, als ge u niet telkens dit +gepensioneerde witte paard poogt voor oogen te stellen, zooals het dien +avond zorgeloos wentelde en sprong door de zomersche scheemring. Is niet +in de woorden van dezen dichter, ook als hij de ellende van het +menschenleven meet, een zorgelooze blijmoedigheid als van dit vrije +paard, dat ver van de menschen woont? + +Adama van Scheltema is een breedgeschouderde, nogal gezette en blozende +kerel met een wilden Sudermann-baard. Hij is zeer donker van haar en +oogopslag. Hij beweegt zich langzaam en toch vrij. Zijn vrouw is heel +rank en heel blond en zweeft meer dan ze loopt. + +Men leest in zijn blik dat hij veel van de waereld heeft gezien en toch +ook groote bescheidenheid, om niet te zeggen bedeesdheid. Hij spreekt +nogal moeilijk en houdt u toch gespannen. Zijn woorden komen traag; +daarentegen houdt hij, ondanks afdwalingen, aarzelingen en een zekere +verstrooidheid, steeds den draad van zijn verhaal vast, zoodat ons +gesprek rustig verloopt. Hij werkt ook zoo langzaam, vertelde hij mij. +Men voelt terstond hoe iedere gedachte bij hem een panorama van andere +gedachten wekt. Daardoor wordt hij natuurlijk wel eens afgeleid, vergeet +dat hij niet alleen is, kijkt een oogenblik het verschiet in dat zich +voor hem opdoet. Dit schijnt hem dan rust te geven en zichtbaar gesterkt +hervat hij het gesprek. + +Hetgeen ik hieronder weergeef bespraken we voor een deel in een erker +van zijn woonvertrek, terwijl voor onze oogen het witte paard zijn +sprongen maakte; boven hem in een wat te deftige lijst hing het +ondeugend tronie van Jopie Bremer, ons aller vriend, (geschilderd door +Marinus Broekman),--en dat kwam goed uit, want hij vertelde in +echt-Amsterdamsche woorden van zijn Amsterdamschen tijd.[8] Later droeg +zijn vrouw fluks alle lampen van het huis bijeen, en schikte ze in +verschillende hoekjes, waar ze gezellige schijnsels gingen gieten, maar +de kamer met zijn Italiaansche pleisterbeeldjes en gravures lieten in +halfduister, waarin de gebeitste betimmeringen, de witte muren met de +nog geurende rieten lambrizeering een geheimzinnig effect deden: en toen +kwam het meer diepzinnig gedeelte van ons onderhoud. + +Ik had hem vooraf geschreven wat ik ongeveer wilde weten, en dus kon hij +aanvankelijk zonder onderbreking voortpraten: + +Als gymnasiast van zeventien, achttien jaar maakte ik kennis met "De +Nieuwe Gids". We leefden in een kleine club op het gymnasium als +enthousiaste kleine literatoren, en we hadden een blad, waar ik ook in +schreef, ons orgaan, dat eigenlijk een klein nieuwegidsje was. Maar van +begin af heb ik altijd bij mijn enthousiasme voor die richting een +vreeselijke leegte gevoeld, ik heb er iets in gemist, iets dat je in het +leven zoekt als steun. De heele beweging berustte op een paar negaties. +Een opstandigheid tegen het vroegere geslacht, die we in ons eigen leven +ook sterk gevoelden, maar die je verder niets gaf dan een schralen +troost boven het gymnasiale leven uit, dat ik altijd ellendig ben +blijven vinden en tot op den huldigen dag heb vervloekt, zooals die +verschrikkelijke kerels, die zuivere philologen uit de school van Cobet +ons hebben geplaagd. + +Toen ik student werd kwam ik ook weer in een klein wereldje--je blijft +altijd in een klein wereldje opgesloten in je jeugdjaren, maar dan +groeit je begeerte uit naar de openbaring van wat je in je hebt als +jonge kunstziel. + +En toen kwam de tooneeltijd. + +We hadden als studenten een tooneelvereeniging, die bloeide toen nogal. +Elk jaar gaven we een groote uitvoering en daar besteedden we heel veel +tijd aan. Ik had veel aanleg voor het tooneel en ik speelde daar nogal +groote rollen. Zoodat ik hoe langer hoe meer van tooneel ben gaan houden +en tegelijkertijd bleef schrijven ... als klein kind heb ik eigenlijk al +geschreven. + +Mijn eerste jaar was een rauw studentenjaar, maar daarna kwam een beetje +de bezinning. Toen moest ik duchtig werken om al die verloren +studie-uren weer in te halen. Na mijn eerste examen, daar kwam ik +goddank door, het propaedeutisch in de medicijnen, begreep ik dat ik +eigenlijk moest kiezen. Ik merkte wel dat als ik in de medicijnen bleef +studeeren er van letterkundig werk niets zou komen ... ik heb nooit +kunnen begrijpen hoe Aletrino en Van Eeden dat hebben kunnen vereenigen +... ze dokteren ook trouwens niet meer. Ik vind: je moet ueberhaupt aan +een ding alles geven. Menschen die als bijgedoente schrijven, dat vind +ik uit den booze. + +Ik stond voor de keus en toen deed ik den grooten stap van aan het +tooneel te gaan. Achteraf is het heel aardig daar eens over te praten, +maar toen is het een verbazend besluit geweest. Daarna is die kwestie +ook al weer veel veranderd. Je hebt nu een heeleboel jongelui, en vooral +ook vrouwen, uit de betere standen, die aan het tooneel gaan, maar ik +was betrekkelijk een van de eersten, die overliep uit het kamp der +"fatsoenlijke wereld" naar het tooneel. Ik ben een tijdje geweest aan +den troep van Van der Horst en Ternooij Apel, en toen heb ik nog hier +dicht bij, in Alkmaar, op de kermis, gedebuteerd. Ik ben er nog geen +half jaar aan geweest, maar in dien tijd maak je een heeleboel door. In +dien tijd stierf mijn vader, wat in mijn leven nogal verandering bracht. +Toen heb ik van de heeleboel de brui gegeven en tegen me zelf gezegd: Nu +moet je maken, dat je gauw een goede plaats in het burgerlijk leven +krijgt, want anders loopt het mis. Mijn zenuwen konden er niet tegen, +het is moordend. Je moet een stalen zenuwgestel hebben, den eenen avond +in Groningen spelen en den anderen avond in Middelburg ... dat heeft ten +slotte met de kunst al heel weinig te maken. + +Toen ben ik dan een poos in den kunsthandel geweest van Van Gogh. In +dien tijd viel mijn groote ommekeer. Parallel met al die uiterlijke +wisselingen in mijn leven viel mijn langzaam neigen naar het socialisme. +En wat later mijn groote vijanden werden, dat waren toen juist degenen +die mij ertoe gebracht hebben. Dat wil zeggen: Wat zij schreven had een +grooten invloed op mij. Dat was in het eerste begin van "de partij"--dat +was een heel gunstige tijd om er bij te komen, omdat alles toen nog +idealistisch ging. Ook een persoonlijk vriend van me, Bonger, heeft mij +er toe gebracht en dan--de figuur van Van der Goes. Er bestond toen een +studentenvereeniging, S.L., die sociale lezingen hield--tegenwoordig is +die in een beetje anderen vorm herrezen. Het was indertijd een zuiver +socialistische vereeniging en die oefende toen een grooten invloed uit. +Het was in den tijd van Gorter's bekeering, toen hij die bekende +voorrede voor zijn nieuwe verzen had geschreven. Ik ging langzamerhand +die dingen lezen en zoo kwam ik tot het socialisme, gedeeltelijk ook wel +van den gevoelskant en gedeeltelijk door de tijdsomstandigheden ... de +"Nieuwe Gids" begon ook te zakken en spatte uit elkaar ... de +afscheiding van het Tweemaandelijksch tijdschrift was toen ook al +gekomen. Ik was de leegte gaan voelen van wat mijn vroeger leven had +ge-enthousiasmeerd. Ik wist ook wel dat het mij in mijn leven nooit +houvast had gegeven. En dat heb ik altijd heel sterk gehad: de behoefte +aan houvast. Ik vind het leven onmogelijk, wanneer je niet een +overtuiging hebt, die je het leven naar een zeker bestel laat zien. Dat +is voor mij, eerlijk gezegd, de grondfactor van het socialisme: het +hebben van een levensbeschouwing. De menschen die komen tot het +socialisme uit medelijden met de arbeiders, dat is voor mij niet het +ware! Je kunt net zoo goed medelijden hebben met koningen als met +arbeiders.... Neen, je moet er komen van den wetenschappelijken kant, of +zeg van den theoretischen kant, wat neerkomt op een behoefte aan een +wereldbeschouwing, die je bevredigt met het leven, die je het leven naar +vaste lijnen leert zien. Dat is hoe langer hoe meer het socialisme voor +mij geworden. Daardoor kunnen de persoonlijke dingen en wrijvingen je +minder raken.... + +--Dit, de lezer begrijpe het wel, was een vriendelijke uitval naar mij: +Ik had te voren verteld van mijn ervaringen en teleurstellingen in het +socialistisch kamp. Maar ik zou dien avond toch niet gaan slapen, zonder +een groote voldoening te hebben gesmaakt. Die komt nog. + +Adama van Scheltema ging verder: Dat was net op het moment dat ik, in +die kunstzaak, na de tooneelwereld, een tipje van het handelsleven zag. +Dat was, evenals mijn tooneelleven, een geschiedenis van enkele maanden, +maar toch voldoende om de wereld niet op zijn gunstigst te zien.... Ik +had genoeg om te leven desnoods, op een heel bescheiden manier. Toen +dacht ik: Nu is het oogenblik gekomen, dat je alles er aan moet geven en +alleen voor je kunst leven. Die kunsthandel was toen een ding, waar heel +weinig omging. Ik zat altijd maar te schrijven in de leege kunstzalen, +waar nooit iemand kwam. Daar voor had ik altijd proza geschreven. Maar +toen mijn leven, dat zoo vol van zenuwen was geweest en vol van +veranderingen en zoeken wat tot rust kwam--ik was uitgeput en ging naar +buiten om wat op streek te komen,--toen is met diezelfde inkeer en +verzachting van het leven, dat mij nogal geknauwd had, in mij het +poetische leven naar boven gekomen, waar ik me heelemaal aan kon geven. +Toen had ik gevonden wat in mij eerst op andere wijze een uiting had +gezocht. + +En nu is het wel mijn geluk geweest, dat die verschillende +tijdsomstandigheden samen kwamen en ik juist toen langs natuurlijken weg +tot de sociaal-democratie ben gekomen. De eerste uitgave waartoe ik kwam +was "Een weg van verzen", waarvoor moeilijk een natuurlijker titel zou +te vinden zijn, want langs die dingen ben ik eigenlijk tot "de partij" +gekomen. Ik kreeg geweldig op mijn kop, zooals dat gebeurt na een eerste +uitgave. Maar ik voelde in mijn ziel, dat ik het eigenlijke gevonden +had, waar het heele leven mij toe gedreven had. Mijn leven daar voor was +erg rumoerig geweest: een voortdurend zoeken en keeren, vol +kinderverdriet en jongensverdriet. Van dien tijd af is mijn +schrijversleven begonnen. Ik gaf mij heelemaal aan de poezie en raakte +uit de gewone wereld. + +Ik zat lang buiten in de natuur en zocht de overeenstemming tusschen de +natuur--of mijn natuur, wat eigenlijk op hetzelfde neerkomt--en mijn +nieuwe wereldbeschouwing. Die overeenstemming is in dien eersten bundel +dikwijls wel erg gezocht, wat ik bijv., ook bij Roland Holst heb +gevoeld, en dat werd een moeilijk ding. Er is een tweespalt die zij haar +heele leven is blijven voelen, en waar ik, geloof ik, misschien omdat ik +tot een jonger geslacht behoor of misschien wel omdat ik niet zoo +dweepend ben aangelegd als zij, overheen ben gegroeid. Die tweespalt is +het verdriet van haar leven geworden.... Misschien ben ik niet heelemaal +duidelijk geweest en het is goed dat ik dit duidelijk zeg: ik bedoel de +tweespalt tusschen de socialistische levensbeschouwing en de poezie.... +De wereld is apres tout in zijn geheel iets grooter dan de +sociaal-democratie. Maar voor haar en Gorter is de sociaal-democratie de +roode lap gebleven in hun ziel, waar ze altijd min of meer dol van zijn +geworden, en dat, moet ik zeggen, is ze voor mij nooit geweest. + +Je moet de sociaal-democratie een beetje kunnen zien als een strooming +van dezen tijd, niet als een verzameling van ijzeren dogma's, die voor +de eeuwigheid zijn en waarin je je zelf opsluit. Je moet toch een +verband houden met de oneindigheid!--al is dat een groot woord. Dat is +hun ramp geweest en heeft hen op den verkeerden weg gedreven. Ze willen +hun kunst opsluiten in die verzameling van dogma's--dien band van +dogma's willen ze om hun kunst slaan. Dat heeft mij van hen verwijderd. +Dat deed mij voelen dat ze een verkeerde richting insloegen, waar ik +persoonlijk hoe langer hoe scherper en hartstochtelijker tegenover ben +komen te staan. Dit werd althans voor mij persoonlijk het dilemma. Ik +kreeg de behoefte, mijn levensbeschouwing in overeenstemming te brengen +met mijn kunst, een vast geheel daarvan op te bouwen, waarop ik mijn +kunst kon vestigen. Ik geloof dat het mij ten goede is gekomen dat ik +van dien kant het socialisme ben genaderd, omdat het de meer natuurlijke +kant is. Ik wilde de tendenzen die uit mijn eigen ziel groeiden in +overeenstemming zien met de wereld om mij heen. Wanneer ik den weg van +Roland Holst volgde, voelde ik, zou ik niet tot bevrediging komen. Uit +die overwegingen is toen gegroeid mijn boek "De Grondslagen", waarin ik +die overtuiging heb trachten neer te leggen. + +Vooral op het philosophische gedeelte daarvan zijn wel gegronde +opmerkingen te maken, die ik niet zoo gemakkelijk zou kunnen +beantwoorden, wanneer ik met een degelijk vak-philosoof, als ik het zoo +mag noemen, in conflict kwam. De wereld is zoo groot ... en je zou vele +jaren van je leven moeten geven om van den zuiver wetenschappelijken +kant je zoo te vervolmaken, dat je in de wereld van de vak-philosophen +als overwinnaar kwam te staan ... maar dat was voor mij niet de +hoofdzaak ... de hoofdzaak was voor mij om voor mijzelf bevrediging te +zoeken.... + +Hij was al zachter en afgetrokkener gaan spreken, ten slotte alleen voor +zichzelf, meer en meer verzonken in het geestelijk uitzicht dat zich +voor hem opende. Het eindigde in een verward mompelen. Slechts enkele +woorden, zonder samenhang, drongen tot mij door. Zijn bovenste +vingergewrichten tegen zijn tanden, als wilde hij die knauwen, staarde +hij over het ruime weiland, waar het witte paard zich rolde door het +zoetgeurende, versch gemaaide gras, de hoeven trappelend in de lucht.... +Eindelijk draaide hij zijn wilde knevels op en ging, mij weer aanziend, +verder: + +En dat werd voor mij een levens-program. Ik voelde dat dit in Holland +en in het algemeen aan de sociaal-democratie ontbrak, dat ze zich alleen +met het economische en politieke leven had bemoeid, en aan de kunst nog +niet toe was geweest.... Dat van Morris was een beetje idealisterij en +hield heel weinig verband met de grondslagen van de sociaal-democratie. +Hij was heelemaal een kind van de prae-Rafaelitische, utopistische +beweging. + +De grondslag die ik toen voor mijn kunst heb gewonnen heb ik in mijn +boek voor mijzelf, maar ook voor anderen, geloof ik, duidelijk +uiteengezet. En toen ik met mezelf in het reine was, ben ik van mijn +vroegere geestverwanten verder afgedreven. Die heele "Nieuwe Gids" was +mij vreeselijk widrig geworden, omdat ik er heel sterk het anarchisme in +voelde en het naturalisme, en dat is voor mij een onding! + +Sensitivisme, naturalisme enz. zijn kinderen van een systeem, dat zich +in Holland naar binnen keerde en naturalisme van de eigen ziel werd, de +momentopname van het eigen ziel-gebeuren, zooals Gorter in zijn "Verzen" +heeft gegeven, dat je met een grooten zwaai terug kunt brengen tot het +naturalisme van Zola, het "document humain". Dat voel ik om zoo te +zeggen als anti-kunst, omdat er zoo weinig opbouwends zit in de +wetenschappelijke ontleding als kunstbeginsel--dat onechte kind van de +rationalistische wetenschap. Ik ontken heelemaal niet dat er groote +dingen in geschapen zijn, en ik heb vurig gehouden van "L'education +sentimentale", dat ik als standaardwerk van naturalisme kan aanhalen. +Maar ik vind het eigenlijk, evenals "Madame Bovary", het meest +onartistieke dat je kunt hebben. Ik voel heel scherp dat de toekomstige +samenleving dien kant niet uit kan gaan en zich daarvan los moet maken. +Het heele naturalisme berust op het op zich laten inwerken van het +leven, maar niet omgekeerd: het inwerken op het leven door den +kunstenaar zelf. Het heeft nooit synthetisch kunnen wezen, het +naturalisme en alles wat er een kind van is. En de sociaal-democratie +wil worden de synthese van het leven en de nieuwe gemeenschap. _De kunst +die daaruit moet geboren worden kan nooit een kunst zijn, die ontledend +is, maar moet een kunst zijn die opbouwend is, een nieuwen stijl schept +... "een gestyleerd brok van het universum"_, zooals ik in mijn +"Grondslagen" heb gezegd. + +En nu werd in engeren zin in mijn lyriek het gedicht datgene, waar +zoowel bedoeling als techniek een groote rol in speelt, in dien zin dat +beide erop gericht zijn, om naar andere menschen te gaan. Daar heeft +over het algemeen de naturalistische en sensitivistische kunst nooit aan +gedacht.... U begrijpt wel, de theorie volgt in zeker opzicht den aanleg +en de practijk. Ik theoretiseer dat nu zoo, maar apres tout was in mij +een sterke, natuurlijke aanleg in die richting om te bereiken wat ik +theoretisch omschrijf als bereikt te moeten worden. En ik heb in zeker +zin in mijn lyriek practisch bewezen, dat ik dit bereikt heb. Het is mij +altijd bewust geweest dat ik wilde bereiken het verband tusschen mensen +en mensch, waar de tachtigers van afgedreven zijn. Als element dat mij +daartoe gebracht heeft neem ik aan een sterk sociaal voelen voor mijn +medemenschen. Ik geloof ook dat het taal-element daar een groote rol bij +gespeeld heeft: het door en door Hollandsche van mijn taalgevoel. + +--Hier moest ik den verteller even onderbreken. De lezer moet weten dat +ik pas een bezoek had gebracht aan een paar socialistische dichters in +het Gooi en daar te hooren had gekregen dat ik, niet op hun standpunt +staande, hun meeningen toch niet zou begrijpen, zelfs niet objectief zou +kunnen weergeven. Het had mij den heelen avond al verheugd, dezen +socialist opinies te hooren uiten, die ik volkomen kon onderschrijven, +en anderzijds bij hem steun te vinden voor mijn eigen opvattingen +--waarvan ik in alle bescheidenheid meen, dat ze het socialisme achter +den rug hebben. Maar nu werd het mij ... ja, mag ik het zeggen ... een +beetje al te bont. Deze socialistische dichter deelt mij mede dat zijn +werk er op is ingericht om te spreken van mensch tot mensch en de woorden +"klassenstrijd", "klassenkunst", "bourgeoisie" ... zou hij ze misschien +inderhaast vergeten? Het is te mooi om het te gelooven. + +Ik zet mijn onschuldigste gezicht en vraag of ik het goed heb begrepen, +of hij niet sterk het gevoel heeft, dat de lieden uit de bezittende +klasse toch niets van zijn kunst zullen snappen? of hij nu werkelijk +meent voor het geheele Nederlandsche publiek te schrijven, of alleen +voor het proletariaat? + +--"_Zooveel mogelijk voor het geheele Nederlandsche volk_" antwoordt hij +mij. Dit woordje "volk", lezer, is een welverdiende terechtwijzing aan +mijn adres. Ik had van "publiek" gesproken. Hierdoor geraakte ik in de +aandachtige stemming, die noodig is om het volgende geheel tot zijn +recht te doen komen: + +--In preciese tegenstelling tot Kloos' formuleering van de tachtigers: +"een gedicht is de individueelste expressie van de individueelste +gevoelens"--formuleerde ik in mijn "Grondslagen": "een gedicht moet zijn +een muziekstuk van woorden en gedachten, dat door zooveel mogelijk onzer +medemenschen kan worden gevoeld en begrepen." Hetgeen niet wegneemt, dat +men natuurlijk zijn poezie ten slotte van uit een bepaalde +levensbeschouwing, in dit geval de sociaal-democratische, +componeert.--Zoo zal ik wel eens den eenen mensch niet geheel bereiken, +ook wel eens den anderen--ook wel eens de eene klasse, ook wel eens de +andere klasse--we leven nu eenmaal "op de kentering der tijden"--maar +inplaats van daarover eeuwig persoonlijk te lamenteeren als mevr. Holst +_acht ik dat_--_althans meestal_--_iets moois en gelukkigs_.... + +Het klinkt wel ijdel, maar ik mag toch zeggen, dat ik weer het publiek +om zoo te zeggen bereikt heb,--met mijn lyriek althans. De zwaardere +dingen, dat moet ik toegeven, worden niet zooveel gelezen. Dat heeft mij +gespeten--dat datgene, wat langzamerhand is geworden de diepere grond, +waarin ik mijn levensinzicht wilde uiten, "Levende steden" o.a., niet +zoozeer het publiek bereikt heeft. Het hoofdwerk "Amsterdam", dat ik +zelf als mijn beste werk beschouw, is betrekkelijk weinig bekend +geworden.... + +In "Amsterdam" heb ik gezocht naar de oplossing van ethische +vragen,--want een van mijn eerste pogingen, voor mij van groot belang, +is geweest in de sociaal-democratie te vinden den ethischen kant. U +spreekt van zwakke punten en van persoonlijke aanraking, die +teleurstelling geeft, maar voor mij is het allerbelangrijkste vraagstuk, +dat ik nooit heb kunnen oplossen, dat de sociaal-democratie geen ethiek +heeft, absoluut geen ethische grondslagen heeft. Zij geeft geen antwoord +op die honderd vragen, die in den mensch opkomen, vragen van leven en +moraal, de eeuwige vraag van goed en slecht, die zich in duizenderlei +nuance door het leven voordoet. Wat de toekomst hierin zal brengen, hoe +die nieuwe moraal groeien moet, dat vind ik voor den literairen +kunstenaar een van de belangrijkste vraagstukken die het socialisme +brengt. Aan de oplossing van dit vraagstuk zal m.i. het drama moeten +arbeiden, en dat moet voor den socialistischen kunstenaar de gang zijn +die hij het liefst gaat: hij moet trachten het nieuwe drama als zoodanig +te bereiken. In de "Grondslagen" heb ik op het laatst de naive fout +begaan, te zeggen dat ik daarheen wou. Je moet eigenlijk nooit een +program opstellen voor de buitenwereld. In ieder geval: de elementen van +dit drama heb ik zooveel mogelijk trachten te ontwikkelen in mijn +"Grondslagen", niet waar? En dan kom ik tot de gevaarlijke bewering, dat +het drama tendenz moet hebben. Dat staat voor mij als een paal boven +water. De duizenderlei dilemma's die de moraal in dezen tijd brengt, +moet het drama trachten op te lossen, het moet trachten zich daarvan te +bouwen.... Ja ja, dat zijn wel gekke dingen, die we op het oogenblik +bespreken--omdat je allicht het veel-omvattende zegt ... maar ... het +zijn toch de dingen ... waar altijd mijn intense belangstelling ... bij +is geweest.... De sociaal-democraten komen met vage algemeenheden, als +"gemeenschapsgevoel" en "solidariteitsgevoel" ... en daar zijn zeker +mooie elementen in, maar dat geeft volstrekt geen antwoord op het +wereldvraagstuk van het practisch-moreele leven--en dat geeft bijv. het +katholicisme wel. Daarom staat dat zoo sterk.... + +Daarop moet althans het nieuwe drama gebouwd worden.... Het antwoord dat +de meeste menschen op die honderd kleine practisch-moreele vragen geven, +is dat van de traditioneele moraal, maar daarmede hebben wij niet het +antwoord. Dat zal de toekomst brengen.... Ja, dat is zoo, men zal mij +misschien kwalijk nemen, dat ik deze leemte in de sociaal-democratie zoo +uitdrukkelijk constateer, maar ik heb dat immers geschreven ook in mijn +"Grondslagen" ... neemt u het maar gerust op--ik sta er voor.... Ja +zeker, u hebt gelijk, de menschen die beweren dat het socialisme thans +wel een moraal heeft of dat _men_ in het algemeen een moraal heeft--die +weten werkelijk en wezenlijk niet wat behoefte aan moraal en wat het +moraalprobleem in het algemeen beteekent. + +Nu vraagt u, wat het socialisme voor mij als kunstenaar dan nog voor +aanlokkelijks heeft. Ik begrijp wel dat gij van uw kant dat moet vragen. +Maar op het oogenblik is het socialisme toch het eenige houdbare +levens-systeem en ik vind: men moet het kind niet met het badwater +wegwerpen. + +Ik heb in het leven het geluk gehad, nadat ik enkele omwegen bewandeld +had, dat ik gevoeld heb, welke zijwegen ik niet moest inslaan. Daarna +ben ik bevredigd geworden door het leven en mijn eigen levenstaak. Die +taak voel ik nog heel sterk als zijnde aan het begin. Ik voel dat het +nog maar het opbouwen van de basis is. Ik hoop dat dit in de toekomst +een basis zal blijken. + + * * * * * + +Heer van De Windroos, in u heb ik werkelijk, gedurende onze lange +wandelingen langs bosch en duin, "aller streken rust" aangetroffen. +Hoewel met "de massa" haar ideaal deelend, hebt ge tegenover het volk de +houding weten te bewaren, die, naar ik meen te weten, den dichter +betaamt: Voor geen enkel wind sluit ge uw huis en blijft toch als +gesloten, wetgevende persoonlijkheid tegenover "al het Andere" +staan,--iets wat niet al uw geestverwanten u nadoen.... + +Mijn vraag is nu deze: Zoudt ge nog naar ieder wind en elke verre kust +kunnen schouwen, en zou ook aller streken rust in u bezonken blijven, +indien ge onder de bet-wetende, verbitterde en behoeftige menschen +dagelijks moest strijden en werken? + + +BIBLIOGRAPHIE: + +Een weg van Verzen (1900) [Uitverkocht]--Uit den Dool (1901) +[Uitverkocht]--Eerste Oogst (1912) [Bloemlezing uit "Een Weg van Verzen" +en "Uit den Dool"]--Van Zon en Zomer (1902)--Zwerversverzen +(1904)--Eenzame liedjes (1906)--Uit stilte en Strijd (1909). + +_Levende steden_: + +I. Londen. Een dramatisch gedicht (1903)--II. Dusseldorp of de +Ontmoetingen van Petrus Cordatus. Een satirisch-dramatisch gedicht +(1903)--III. Amsterdam. Een wijsgeerig leerdicht (1904). + +De Grondslagen eener nieuwe Poezie. Proeve van een maatschappelijke +kunstleer tegenover het naturalisme en anarchisme, de tachtigers en hun +decadenten (1908) [Uitverkocht.]--Gelukwensch bij Troelstra's +vijftigsten Geboortedag. Een politiek gedicht. (1910) [niet in den +handel]--Goethe's Faust (Deel I) In Nederlandsche verzen vertaald, +ingeleid en toegelicht. (1911).--Meidroom. Een feestelijk +verbeeldingsspel in acht tooneelen (1912).--Italie. Indrukken en +Gedachten. Een causerie. [geillustreerd], 1914. + + +VOETNOTEN: + +[8] Ik maak deze opmerking om te pas te brengen Scheltema's verklaring, +dat het gezelschap dat zich bij Jopie Breemer pleegde te +vereenigen--"dit soort van Bohemienachtige veelpraters en +weinig-doeners," hem nog altijd onsympatiek is. (Het schilderstukje +bezit hij al tien jaar en tot voor kort wist hij niet wien het +voorstelt.) + + + + +P.N. VAN EIJCK + +[Illustratie: Foto Vinkenbos & Dewald--Haag P.N. VAN EIJCK (1914)] + + +(* 1889) + +Uit de zacht-verhittende broeikas-atmospheer van het oudere Den Haag +trad ik teleurgesteld in een buurt van strakke en lange straten. + +Mijn gemoedstoestand was dien middag aldus: Ik had mij voorgesteld dat +de dichter van "De getooide Doolhof" en "De Sterren" eenzaam woonde op +het land, in een grillig huisje, ergens aan de ruige Veluwe; of wel bij +eenvoudige boerenmenschen. En het hinderde mij, dat ik naar de stad +moest om hem, die innerlijk zooveel met mij gemeen heeft, te spreken. +Echter, in het vroege middaguur, voorloopig doelloos zwervend door het +oudere Den Haag, had ik mij getroost: De gekunstelde witte schittering +uit de winkels overstemde het trage licht van den najaarsdag; en +velerlei indrukken--hartstochtelijke gezichten en blijmoedig kwijnende +gezichten die mij voorbijgleden; de moderne vrouwenkleedij waarin +stijlige lijn met losbandigheid van bont en kanten pervers coquetteert; +de kundig genuanceerde geuren van toiletten en de reuk van overspannen +driften; suggestieve boektitels en heerlijk dwaze weeldezaken, achter +spiegelglas fluks bespeurd; en steeds weer die snel voorbij-schimmende +tronien: trotsch-verdorven maskers en geschminkte en ontzenuwde en +verlangende maskers, die in mijn phantasie hun histories schetsten en +mengden ... al die overstelpend-prikkelende indrukken omgaven mij met +een atmospheer van verfijnde cultuur, die ik evenzeer bemin als het +leven op 't land in wijde overpeinzing. Ook in zulk een milieu kan een +werkelijk dichter tieren, mits hij een zeer sterken geest heeft.... + +Doch toen belandde ik in de nieuwe buurt met leege gerekte straten, waar +het onwillige najaarsdaglicht terug kitste op de kille pensions en +ambtenaarswoningen met haar snel-vergane conventioneele praal: en ik +bemerkte dat ik mijn dichter moest zoeken in, de langste van die +schijn-deftige, eentonige huizenrijen. + +Geheel bekoeld, naar ik meende, kwam ik bij hem binnenvallen, en voordat +wij elkander eigenlijk hadden begroet of door onze so-easy's afdoende +hadden bekeken, moest ik 't zeggen, ik wilde niet en zei 't toch: Het +lijkt hier wel een studentenkamer!--Ons wereldstadje had mij als +gewoonlijk van streek gebracht, want zoo spontaan ben ik anders niet. + +Mijn opmerking, waarin ik mijn indrukken had samengevat, deed hem +blijkbaar pijnlijk aan, en hij zeide dat men in een studentenkamer toch +zooveel mooie boeken meestal niet vond, en toen vroeg hij mij +welwillend-ingehouden een nadere verklaring. In het bewustzijn dat hij +mij zou hebben uitgedaagd als hij een Duitscher was, en blij dus dat we +in het degelijke Holland zaten, zei ik een paar vriendelijke woorden, +die hij niet hoorde. Maar later heb ik begrepen dat ik dit bedoelde: + +In deze kamer met haar onverschillige en disparate meubels en tapijten +had zich door kleinigheden in schikking en versiering--verbeeld u, de +beeltenissen van Baudelaire en Stefan George stonden er op den +schoorsteenmantel (niet plechtig, als gravures, met eenige ontroering +gekocht, maar als ietwat verbleekte photographieen, men zou denken: van +verre familieleden, in banale lijstjes)--in deze kamer, zeg ik u, had +zich mij een sterke, jonge, strijdvaardige geest gemanifesteerd, men +voelde dat hier gewoonlijk naar den geest geleefd werd--al beeldde ik +mij in dat het "Gaudeamus igitur" er toch ook wel eens uit schorre kelen +had geschald. En dit maakte mij de kamer even eerbiedwaardig als de +smaakvol en kostbaar aus einem Guss gemeubelde schrijversheiligdommen, +die ik ken. + +Terwijl hij nu met vele, overigens belangwekkende woorden het begin van +het "interview" trachtte te verschuiven, herwon ik snel mijn gewone +bedaardheid. Ik werd bijna vaderlijk, toen ik hoorde dat hij nog iets +jonger was dan ik--men zou dit laatste niet zeggen, want dit bleeke +gelaat deed mij zelfs een oogenblik (ten onrechte!) veronderstellen, dat +hij al vroeg aan de zinnen gevraagd had wat slechts de geest kan geven, +en ik glimlachte niet, toen hij mij later vertelde: Ik heb 't gevoel dat +ik al een eeuwigheid heb geleefd.... + +Ik had mijn gereserveerde kalmte zeer noodig. Hij kon maar niet tot +zichzelf komen, en bekende dat de gedachte, zich zoo voor mij binnenste +buiten te keeren hem werkelijk angstig maakte. Zijn wangen, die geen +jongenswangen meer waren, bloosden, hij struikelde over zijn woorden, +onderbrak zich telkens met een: Dat is nou beroerd.... Neen, laat ik dit +niet zeggen.... Och, waarom?-- + +Ik vertelde maar veel van mijn eigen opinie's en trachtte daarbij +zooveel mogelijk de zijne te ontmoeten, ik wilde hem niet loslaten, en +toen ik hem uitvoerig het schema had uiteengezet dat de lezer kent, +werd hij door mijn uiterlijke onaandoenlijkheid gewonnen. + +Kalm is hij dien heelen middag niet geworden--vreemd toch, want hij leek +mij eer brutaal dan verlegen--voordat hij mij zijn mooie +bibliophiel-uitgaven vertoonde. Maar wel gaf hij mij gelegenheid, zijn +buitengewoon ree intellect (hij zal wel boos worden, als hij dit van me +leest! maar apres nous le deluge) te bewonderen; en hij heeft me ondanks +alles vervuld van een bemoedigend enthousiasme. + +Als ik (op zijn verzoek) een massa onvoltooide gedachtetjes en +overtollige woorden, waarmede hij de leegten aanvulde, weglaat, dan komt +hetgeen hij mij vertelde, zittend op zijn schrijftafel, de beenen op de +vensterbank, hierop neer: + +--Ik was al begonnen met studies en verhalen te schrijven op ongeveer +vijftienjarigen leeftijd, toen ik, in verband met moeilijkheden in mijn +persoonlijk leven, in mijn 17de jaar plotseling in verzen los schoot. +Voor dien tijd had ik al van mijn twaalfde jaar af rijmen, romannetjes +en novelletjes geschreven, maar toen werd ik bewust literator en begon +ik het ideaal van mijn leven te zien in het schrijversschap. Dat is +samengevallen met mijn eerste intree in de kunstwereld van de "Nieuwe +Gids", die de eerste jaren volkomen de mijne is geweest en waar ik mij +hartstochtelijk aan heb overgegeven, omdat hij in alle opzichten aan +mijn behoeften beantwoordde. Alles wat ik in dien tijd wilde voelde ik +in de "Nieuwe Gids"--vrij, zelfs losbandig innerlijk leven--leven voor +de schoonheid--je leven min of meer beschouwen als een gelegenheid om +altijd maar vol te zijn van enkel schoonheid. Vooral aan de lectuur van +Van Deijssel heb ik me hartstochtelijk overgegeven. Ik had de heele rij +boeken op den grond liggen, en zoodra ik thuis kwam, ging ik er bij +liggen om te lezen. Door de lectuur van Van Deijssel is mijn +individualisme met een jeugdige woestheid tot uiting gekomen, en ben ik +mij zelf, ook om ondervindingen, die zij niet hadden, buiten de anderen +gaan stellen. + +--Hebt u nu eigenlijk de "Nieuwe Gids" verlaten of overwonnen, vroeg ik; +met andere woorden: kunt u mij den logischen ontwikkelingsgang +aanduiden, die er op uitliep, dat u op een goeden dag niet meer in die +geesteswereld thuis behoorde? + +--Toen ik rijper en ontwikkelder werd, ben ik gaan merken dat de "Nieuwe +Gids" mij onverschilliger werd en dat ik ergens anders moest heensturen. +Datgene wat ik voor mij zelf wilde worden--een centrale +persoonlijkheid--het klinkt een beetje aanmatigend, vindt u niet ... dat +is beroerd ... neen ... ik zal 't maar niet zeggen.... + +--Kom, zoodra men gedichtenbundels uitgeeft, werpt men zich op als +geestelijk leider van zijn volk en dan geeft het niet meer of men het +wil verbergen. Trouwens, als U de voorrede van mijn "Mannen van '80" +hebt gelezen, zult u weten dat u mij genoegen zult doen met nu verder te +gaan.... + +--Goed dan. Ik begon te voelen dat mijn persoonlijkheid anders gebouwd +was dan die van de Nieuwegidsers. Geestelijken inhoud hadden zij niet +voor mij, ik zeg voor mij. Wat ik al vroeg ging zoeken, dat was den zin +van het leven, de vraag: wat ben ik eigenlijk, hoe is het leven, hoe +staan we tegenover de wereld? het gewone zoeken naar een +levensovertuiging. Naarmate die drang tot zoeken sterker in mij werd, +heb ik gezien dat ik in het leven van den typischen Nieuwegidser voor +mijzelf nooit antwoord zou vinden. Het is voor mij ten slotte gebleven +een beweging van buitengewoon interessante menschen, psychologisch en +artistiek, maar ze zijn voor mij nu, behalve om het mooie wat ze gaven, +vooral van belang, omdat onder hun handen de taal pas is geworden tot +een werktuig, in staat om het geheele moderne leven in zich op te nemen. +Hun beweging kreeg voor mij de beteekenis van een taalreactie, een +fijn-maken en los-maken van de taal. Ik had mij blindgestaard op die +hartstochtelijke jonge menschen die rondliepen in Amsterdam en hun leven +vulden met de Schoonheid, maar ik zag weldra de grenzen van deze +persoonlijkheden en hoe hun beweging verliep en verloopen _moest_. Ik +hield hen in het begin voor jonge Goden, en dacht dat nergens op de +wereld zoo iets was te vinden. Daarna, toen ik ouder werd en mij bij hun +werk onvoldaan bleef voelen, heb ik mij voornamelijk aan buitenlandsche +en oudere kunst gegeven, waarin ik een zoeken vond als het mijne en +waarin velen voor hun persoonlijkheid gevonden hadden, wat ik zocht. + +Die opmerking van een andere letterkundige over de "Nieuwe Gids" waarvan +u daarstraks sprak, trof me.[9] Dat zij alleen het midden en niet het +einde kenden. Volkomen waar. Maar ik zelf, mijn diepste wezen voelt zich +niet voldaan wanneer ik bij een dichter niets anders vind dan den zang +van het oogenblikkelijke leven, ik _mis_ dan het begin en het einde. Ik +wil datzelfde oogenblikkelijke leven, maar voelbaar als de golf van een +vloed, niet als afzonderlijke golf. En ik mis er ook in: het begrip, de +aanvoeling van het geheele leven, waartoe de oogenblikkelijkheden zich +kristalliseeren, waardoor zij allen als facetten worden die te zamen het +eene kristal van de Levens-idee vormen en die feitelijk in haar essentie +dezelfde is als het wezen van dien onderstroom, waaruit het +oogenblikkelijk leven opgolft, of oprimpelt. Dat miste ik in de "Nieuwe +Gids", en daarom konden zij voor mij geen geestelijke leiders zijn, en +het in schoonheid geestelijk leider zijn lijkt mij een van de +allerbelangrijkste dingen van het dichterschap, niet als tendenz er van, +maar als wezensdeel van het dichterschap. + +--Maar u hebt voor u zelf toch wel een antwoord gevonden op de vragen, +die u straks noemde? + +--Ik heb het soms gedacht, maar ik moet zeggen: Neen. + +Mijn heele werk staat in het teeken van de zoekerij. In mijn +"Uitzichten" heb ik een afdeeling "Zoekers" geschreven, en ik heb daarna +later nog het gevoel gehad van volkomen "Bevrijding" uit die +onzekerheid, maar in den grond van de zaak ben ik gebleven in de periode +van de zoekerij, en dit vindt u dan ook in mijn geheele werk. Het is +misschien een veeg teeken voor mijn poezie, dat ik na al die jaren van +zoeken nog niet ben gekomen tot een levensinhoud, maar dichterlijk is +dit zoeken het motief van mijn werk, dus waarom zou ik het hier niet +zeggen? + +Ik ben altijd gestruikeld over den tweespalt tusschen gevoel en +verstand. Mijn gevoel zegt zus--mijn verstand begint het dialectisch te +ontleden en zegt: Neen, niet zus. Het is bij mij uitgegaan van de +epicuristische grondbeginselen, en ik ben nooit tot een andere conclusie +gekomen, dan dat het leven is een koorddansen boven den afgrond. Een +typisch voorbeeld vind ik De Regnier, een man van geweldige melancholie, +zeker een van de meest pessimistische menschen die ik mij ooit kan +voorstellen, en het eigenaardige is nu, dat de eene helft van zijn werk +dit gevoel zuiver weergeeft en de andere helft bestaat uit verzen van +enkel plastische schoonheid. Hij is innerlijk overtuigd van de ijdelheid +van het geheele leven, maar zijn oogen vonden de uiterlijke schoonheid +van de wereld en zijn daarmede vervuld. Dit genot hebbend, schijnt hij +dan zijn droefgeestigheid te kunnen vergeten. Maar ik kan niet inzien, +hoe men dat voortdurend knagende gevoel van de redeloosheid van het +leven tot zwijgen kan brengen met de schoonheid, alsof die een +narcotisch middel daartegen ware, alsof niet juist de schoonheid er +voortdurend aan herinnert, dat zij een begoocheling is over een leegte. +Ik kan het niet inzien, ik ben er misschien nog te jong voor.... + +De inhoud van mijn werk is dus zoeken en nog eens zoeken. Natuurlijk +zijn mijn verzen ingegeven door bepaalde ondervindingen, maar +ondervindingen zijn voor mij nooit impressionistische gegevens. Het gaat +bij mij zoo, dat iets dat ik beleef plotseling aanleiding kan zijn om te +schrijven, en een boel van dezelfde levenservaringen in mij los maakt. +Men heeft allerlei ervaringen die nooit tot een gedicht doen komen, maar +een bijzondere aandoening die veel sterker is--maar dat hoeft +niet--treft je zoo, dat al die andere van vroeger in je hart worden +losgemaakt ... en dan komt het vers ... als een lied, niet van dat eene +ding, maar van al die dingen te zamen.... Ja, hoe kwam ik daar ook weer +toe, wat was het begin van dien zin.... + +--U zocht naar de beteekenis van het menschelijk leven. Mag ik u vragen: +bedoelde u daarmede de beteekenis van uw leven, de vraag, waarom +bepaalde wederwaardigheden juist u getroffen hebben ... met heel in de +verte een idee aan een voorzienigheid ... of de beteekenis van het +menschelijk leven in het algemeen ... met de daaraan vastgeknoopte vraag +naar een wereldbeginsel? + +--Dat hangt samen. De groote grondstof, die het onderwerp is van de +poezie, is het menschelijk leven. Ik word dikwijls aangezien voor een +aesteet, vooral vroeger was dat zoo, maar in de kunst is voor mij altijd +de mensch die er achter zat het belangrijkste geweest. Ik stel hooge +technische eischen, maar zoodra achter de kunst de mensch te voorschijn +komt, die zich krachtig of persoonlijk uit ... het moet natuurlijk geen +stumperen zijn ... dan kan de heele kunst me niet veel meer schelen, als +hij mij maar beweegt. Nietzsche zegt: ik ben eerst Schopenhaueriaan +geweest, maar toen ik de gebreken in het systeem ben gaan zien, heb ik +toch mijn liefde behouden, want: de groote philosoof staat voor honderd +philosophieen. Zoo mag ik zeggen: de groote dichter staat voor honderd +gedichten. Dat klinkt Heidensch, maar is 't niet. Want de naam "groote +dichter" vooronderstelt dat hij werkelijk dichter _is_, dat is voor +alles een schepper. + +Een van mijn grootste liefden is Dostojefski, die toch de meest +chaotische dingen gemaakt heeft, die ik mij kan denken. Maar welk een +rijkdom aan menschelijke ervaring en ontroering en philosophie! Voor mij +is hij een van de allergrootste figuren van de negentiende eeuw geweest, +gelijk Goethe dan van de achttiende. Zijn geheele werk behandelt het +zoeken naar den zin van het leven, en naar een ethiek, daarop gebouwd. +En nu laat hij een van zijn figuren zeggen: Ge moet het leven liefhebben +boven den zin van het leven.... + +Daartoe heb ik nooit kunnen komen, en toch voel ik dat ik dat noodig +heb. Ik ben er niet in geslaagd het leven met geheel mijn gevoel en +geheel mijn intellect te zaam lief te hebben, zoolang ik den zin van het +leven niet gevonden heb. + +Nu verhoudt mijn poezie zich op een bijzondere manier tegenover mij +zelf. Onder het dichten zelf bereik ik, dat ik alle tweespalt geweken +voel. Daarom is het een hoogtepunt in mijn leven, ik voel mij als een +wijde organische eenheid, die geaard is als het leven zelf. Het is of +mijn gevoel zich dan meester gemaakt heeft van mijn intellect, of ze in +elkaar gevloeid zijn, en in elkaar gevloeid vereenigen zij hun +ervaringen, en soms zelfs het verhaal van mijn twijfel schrijvend, heb +ik een gevoel van vervuldheid, dat ik daarna dan weer moet missen. Dan +is de scheiding er weer, en dat het zoo geweest is helpt mij niet, omdat +mijn verstand niet meer zeker is, _of_ het geen nederlaag geleden heeft +en _of_ dat gevoel van geluk geen valstrik was. Maar in zoo'n oogenblik +heb ik toch gevonden, heb ik het in mij, als gevoel.... + +--U verkondigt dus de levensbeschouwing dat...? + +--Ik vraag mij natuurlijk af wat het belang van mijn werk is, wat ik de +menschen geef voor positief geestelijk voedsel behalve de poetische +schoonheid--en dan kan ik niet zeggen dat ik dat op het oogenblik in +mijn poezie geef ... maar wanneer ik werkelijk iets zal hebben bereikt +en gevonden--dan zal al wat eraan voorafgaat het belang hebben dat het +is de weg, waarop een moderne mensch tot zijn oplossing is gekomen.... +Dit sluit in zich, dat ik over het innerlijk van mijn werk nog geen +bijzonder hooge gedachte heb.... + +--Maar u is het met mij eens, dat de sociologische beteekenis van den +dichter is, dat hij, zooals ik in mijn voorrede zeg, geeft het +voorgevoel van een levensbeschouwing? + +--Inderdaad heeft de dichter een groote functie in de gemeenschap, omdat +hij altijd de essencie van het leven zelf geeft en als aanvoeler van het +leven de groote dingen des levens laat voelen en denken, het leven van +anderen dus intensiever maakt. + +--Lezer, geen van de schrijvers die ik tot nu toe bezocht, heeft zich +zoo duidelijk met mij gesteld tegenover het ethisch agnosticisme, dat +naar ik meen de inhoud was van "De Nieuwe Gids". Ge kunt begrijpen dat +ik hier den jongen dichter onderbrak en met eenige spanning (in het +gesprek terug-grijpend) vroeg: + +... Zoeken, toch met de zekerheid dat het antwoord gevonden _kan_ +worden? + +Maar ik viel uit de wolken: + +--Ik zoek niet met de zekerheid dat gevonden kan worden, luidde het +antwoord, na lang peinzen gegeven, anders had ik het voornaamste al +gevonden. Als je weet dat de zin des levens er is, dan heb je hem al, +maar ik weet niet dat de zin des levens er is.... + +Ik kan mijzelf een gemeenschapsdichter noemen in een geheel anderen zin +dan de socialisten. Naar den schijn zoudt ge niet zeggen dat het zoo is, +maar in werkelijkheid is het zoo: De redeloosheid van het leven en het +verdriet van den mensen is mijn geheele aanleiding. Mijn geheele liefde +is voor het menschelijk leven, den mensch bezig zien in zijn doen en +laten is mijn grootste genot, al brengt het weer tot verdriet. Ik kan +mij niet uiten, zonder mij mensch onder de menschen te voelen, en het +kan niet anders of, wanneer ik mijn innerlijk leven uitspreek, spreek ik +ook voor de andere menschen. Ik voel me zelf niet als individu, maar als +mensch. + +--Maar toch niet als dichter van de gemeenschap? + +--Neen, tenminste wanneer u die uitdrukking in leerstelligen zin +gebruikt, want dan kom je precies op het verkeerde standpunt terecht. +Een dichter van de gemeenschap is voor mij bijna een onmogelijkheid. +Want de mensch heeft ongelooflijk veel aan een groote menschelijke +persoonlijkheid, en zoodra u spreekt van een dichter van de gemeenschap, +zoudt ge tot een poezie komen die, wanneer ze werkelijk poezie van de +gemeenschap was, de opheffing van de persoonlijkheid des schrijvers zou +beteekenen. Poezie wordt op die manier de grootste gemeene deeler op de +onderdeelen der gemeenschap. Wat blijft er dan over van haar hooge +idealiteit?... + +Daarom ben ik het zoo vreeselijk oneens met Adama van Scheltema, wanneer +hij zegt, dat je zoo moet schrijven dat zooveel mogelijk menschen het +begrijpen. Dat is voor mij eenvoudig anti-poetisch. Ik geloof dat je een +van de meest wezenlijke dingen van de poezie ontkent, door dit te +zeggen. Neen, je moet zoo schrijven dat je denkt: Nu is mijn gevoel +volkomen tot uiting gekomen, en of het nu voor velen of voor weinigen te +begrijpen is, daar heb je niets mee te maken. Anders ga je, consequent +redeneerend, het hoogere, het diepere geestelijke leven uit de poezie +sluiten. Het groote geestelijke leven is niet voor de meerderheid. Die +heeft daar geen behoefte aan en ook niet de capaciteiten om het te +doordenken. De uitslag zou worden, dat de poezie maar een klein stukje +van het menschelijk leven beslaat, en het allerbelangrijkste er buiten +laat. Zinrijk heeft Goethe dan ook gezegd: + + Wer den Dichter will verstehen + Muss in Dichters Lande gehen. + +Dat is een wet van alle tijden voor de poezie. Is wat je denkt en voelt +moeilijk en ingewikkeld, dan zal het gedicht ook niet makkelijk zijn en +is toch voor den grooten hoop niet te doorvoelen. Je kunt probeeren het +niveau van de meerderheid naar je op te trekken,--dat is zelfs het +heerlijke doel van de kunst--maar zeker moet je niet je eigen niveau zoo +laag zetten, dat je kan hopen dat een zoo groot mogelijke meerderheid +erheen zal gaan. + +Een dichter moet in niets anders leven dan in de aandoening, in de idee +die hij aan het dichten is. Hij moet niet met zijn verstand een +geleidertje bij zijn werk zetten, dat toekijkt of hij wel zoo schrijft +dat vele menschen het zullen kunnen lezen. Dan is de toestand niet +zuiver meer en is de poezie vertroebeld. De inhoud dwingt den vorm, die +dan zoo zeker al de eigenschappen van den inhoud aanneemt, dat zij niet +meer te scheiden zijn. Er is dus ook maar een goede vorm voor elk +gedicht, en het is dan ook niet aan den dichter, om dien willekeurig te +bepalen om redenen buiten het gedicht zelf. + +Ik heb nooit begrepen wat de socialisten met hun socialistische poezie +bedoelen. Ik kan niet inzien dat de stof van poezie ooit iets anders zou +zijn dan vormen en verschijnselen van menschelijke ontroeringen, zooals +liefde, haat, angst, vreugde, en ik kan mij niet voorstellen dat die in +hun essentie ooit veranderen zouden. Zoo blijft het voornaamste element +in de stof van poezie altijd hetzelfde, de kleuren, nuances alleen +veranderen, en daarmee blijft een van de bestanddeelen van poezie, die +haar haar groote waarde geven, altijd gelijk. Het andere bestanddeel zit +in het poetische wezen zelf, de scheppingskracht in het gedicht. Ik heb +daar al eens over geschreven in "De Beweging". Voor mij is een gedicht +niet een soort middelaar, waardoor een dichter zijn leven overgiet in +een lezer, maar een heel eigenaardig, onafhankelijk wezen, dat een +mysterieus, vruchtbaar leven heeft. Er is een inhaerente en latente +levenscheppende kracht in, de poetische potentie van een vers heb ik dat +genoemd, die is onverwoestelijk in elk goed gedicht en kan niet vergaan. +Wanneer je goed nadenkt, is de algemeene menschelijke ontroering in het +gedicht misschien zelfs maar een vooronderstelling van de poetische +potentie, omdat die als scheppende kracht hoofdzakelijk algemeene, +oergevoelens moet bewerken, al zijn die dan door een dichterhart +heengegaan en al hebben zij de trekken van zijn persoonlijkheid +gekregen. Ach, al die dingen bepalen elkander eigenlijk allemaal over en +weer, dat maakt de poezie juist zoo iets vreemds. Maar dat alles zien de +socialistische dichters als Henriette Holst en Gorter over het hoofd. +Over burgerlijk leven spreken ze, en over burgerlijke ideeen.... +Maar--als ideeen uit werkelijk gloeiend leven zijn opgekomen, dan hebben +ze altijd waarde, en zoo hebben de groote socialistische ideeen waarde +als de andere. Dat is het juist wat alle tijdelijke ideeen redt voor de +poezie.... Zij leggen den klemtoon op het socialistische--ik op de +poezie. Het socialisme is iets accidenteels en het essencieele is de +poezie. Ik geloof dan ook niet, dat ooit iets dat werkelijk poezie is, +zijn waarde zal verliezen als eens een andere tijdsorde is aangebroken +met andere gedachten en andere verhoudingen. De groote waarde van de +kunst is juist dat ze al die tijdelijkheden overwint. + +--Hiermede had Van Eijck de voornaamste punten van mijn schema +behandeld. Gevraagd of hij hier nog iets aan toe had te voegen, zeide +hij, even te willen spreken over zijn positie in de Nederlandsche +literatuur van onzen tijd: + +--Ik ben--zoo begon hij--vaak uitgescholden (dat woord uitgescholden +deed het hier kostelijk!) voor volkomen richtingbewust. Ik ben dat in +zooverre, dat mijn streven er altijd op gericht is geweest ... och neen, +laat ik daar maar van zwijgen, daar heb ik straks al te veel van +gezegd..., en dat dan zuiver uit te drukken, maar men mag niet van me +denken, dat ik mijn geheele leven naar een intellectueel schema zou +opzetten, en daarvolgens zou leven en werken. Dat is absoluut niet +waar. Ik heb geen intellectueel schema. Wanneer mijn werk wel eens den +indruk maakt van intellectualisme, dan komt dat, omdat in mijn +persoonlijkheid de intellectualiteit sterk werkt. Maar ik heb nooit een +gedicht geschreven dat niet een zuiver persoonlijke ervaring was. Ik wil +leven geven, en is in het menschelijk leven het intellect niet een van +de voornaamste factoren? Moet die dan buitengesloten worden? Ik begrijp +niet hoe Van de Woestijne altijd maar kan beweren, dat het, ik zal maar +zeggen ons, om bewuste reflectie en bewuste verbeelding te doen is. Hij +kan beter weten. Het intellect moet het gevoel bevruchten, en het gevoel +het verstand, en de vrucht zal dan zijn, dat warme, wijze, diepe +geestelijk leven, waarnaar ik verlang en waaraan eigenlijk de heele tijd +zoo'n behoefte heeft. Natuurlijk zal mijn poezie anders zijn dan de +"Nieuwe Gids" ons heeft leeren te genieten en--men verwart zoo dikwijls +geestelijk leven met intellectualiteit. Ik ben voor mijzelf in de poezie +zelfs zeer sterk een antipode daarvan. Ik word kriebelig, wanneer ik +intellectualistische poezie lees. + +Een groot geestelijk leven--dat is het wat ik voor mijzelf zou willen en +in anderen zoo bewonder en dat is ook mijn groote bewondering voor +Dostojefsky, omdat die in alle richtingen het leven heeft doorpeild met +zijn gedachten, ook in richtingen die tegengesteld waren aan de zijne. +Maar gedachten zijn bij hem hartstochten! Zijn figuren zijn geen +menschen die behalve een heele boel andere, ook nog den hartstocht van +hun gedachte hebben, neen, zij worden door die eenen hartstocht +verslonden en alles, alles van hen wordt door dien hartstocht bepaald. +Zulke persoonlijkheden hebben op de menschheid grooten invloed en naar +zulke dichters vraagt de menschheid. Hij heeft voor zichzelf een +positieve levensbeschouwing gevonden. Ik sta nog aan den kant van de +menschen die hij in zijn werk tegenover zich zelf stelt. Hij geeft zijn +positieve idealen en stelt daartegenover het geestelijke dat hij in alle +richtingen heeft doorleefd--want niemand heeft zooveel aan den Twijfel +geleden als juist hij.... Zijn Iwan Karamasoff is een figuur waarin ik +mijzelf weerspiegel. Hij heeft het probleem van het werkelijke +atheisme--niet wat de liberale burgerman daaronder verstaat!--doorvoeld, +en dat heeft hij in zijn figuren levend gemaakt--niet als gedachten, +maar als brokken brandend leven! Maar boven de groote gevoelens van het +moderne leven, van hartstocht en twijfel en wanhoop, heeft hij een +ideaal gevonden dat hem, niettegenstaande al zijn ellende, is gaan +vervullen en de hoogte van dat ideaal is te meten naar de diepte van +zijn twijfel, waarvan hij het volle begrip behouden heeft. + +Tegenover heel veel menschen met vaste levensopvattingen begin ik +sceptisch te staan, omdat ik niet weet uit welke basis die +levensopvatting is opgekomen--of er de groote Twijfel aan is +voorafgegaan--of er een diepe ziel achter zit,--maar wanneer ik +Dostojefsky's groote twijfelaars lees, dan weet ik uit welken ondergrond +zijn positief ideaal is opgerezen, en dat geeft mij ook de hoop en het +geloof dat ik voor mij zelf zal vinden. Vindt u het niet typisch, dat +bijna al die zelfkwellers van zijn boeken onder de dertig zijn? Dat +beteekent voor mij veel, want hij schreef ze toen hij veel ouder was.... +En ik weet, dat wanneer ik heb gevonden, ik niet heb gevonden voor +mijzelf alleen--maar voor duizenden. + +En wanneer ik dan talent genoeg heb--dan zal ik een geestelijk leider +kunnen zijn. Daar zit geen hoovaardigheid in--want er zijn twee +praemissen: Ten eerste dat ik zou vinden; ten tweede dat ik talent zou +hebben. Ik hoop op den goeden weg te zijn naar dit ideaal, en dat ik +bewust de dingen wil die voor den sterkeren dichter noodzakelijk zijn, +is voor mij van belang. Men moet toch reiken, wil men iets _be_reiken. +In den bouw van mannen als Kloos en Gorter ontbreken die elementen en +dit maakt dat ze nooit tot een van de groote leiders van de menschheid +konden worden, al was Kloos toch een groot dichter. En nu meen ik, dat +in hen die men thans de jongere dichters noemt, en die misschien wel +weer andere elementen missen, laat ik dat er bij zeggen, een paar +elementen zijn, noodwendig voor groote leiders--zoodat het alleen van +hun persoonlijk talent of genie afhangt of ze het werkelijk zullen zijn. + +Nu is u toch wel duidelijk geworden--niet waar--dat er in mij niets is +van een intellectueel schema, maar wel een streven naar zuiver en diep +leven--dat is: een door een sterke persoonlijkheid doorvoeld leven, dat +ik niet im Voraus in banden mag knellen. Dat _dit_ mijn streven is--een +van de meest karakteristieke dingen van mijn werken--de adem die er +doorheen gaat--is daarvan het bewijs. En ik wil even zeggen, dat iemand +die mij voor intellectualistisch houdt, mijn studies maar behoeft te +lezen om te zien, wat de hoofdzaak is wat ik begeer. In al mijn studies +tracht ik een psychologische synthese te geven van den mensch die in een +bepaald werk leeft en van de manier waarop hij het leven voelt. Mijn +critieken zijn opgebouwd uit bewondering en enthousiasme voor den mensch +die achter het werk zit. + +--Wij hebben nog lang gesproken over dingen die hier minder ter zake +doen. Hij meende dat ons onderhoud min of meer mislukt was, dat hij zich +te onbestemd, te woordenrijk, te aarzelend had uitgelaten. Ik echter +maakte hem het volgend compliment: In tegendeel, U lijkt wel een Belg. +Ik bedoelde dan: een intellectueele Belg. Dit zijn Belgen niet gauw +naar mijn ondervinding, maar als ze het worden, zijn 't zeer fijne +cosmopolitische geesten en--dan zijn ze er vroeg bij, hebben een +gevestigd oordeel over de dingen des levens als een ander nog +studeert.... Om de waarheid te zeggen--ik overdreef een beetje om hem +gerust te stellen, want hij was bang dat hij dien nacht in bed allerlei +ideeen zou krijgen, die hij mij had moeten mededeelen. Ik twijfelde toch +wel een klein beetje, of ik den weg zou kunnen vinden in den berg +aanteekeningen, die ik had gemaakt, terwijl hij geagiteerd-moeilijk en +toch niet buitengewoon snel tot mij sprak. Maar zoodra ik buiten stond, +voelde ik de Eenheid in hem, en zijn enthousiasme bleef mij bij toen ik +dien avond mij gaan liet door het gistende Den Haag. + + +BIBLIOGRAPHIE: + +De getooide doolhof (1909)--Worstelingen, Getijden, (1910)--De Sterren +(1911)--Uitzichten (1912)--Bevrijding (1913). + + +VOETNOTEN: + +[9] Dit was een opmerking van mij zelf. Ik had beweerd, dat achter de +Nieuwe-Gidskunst de wereldbeschouwing van het positivisme voelbaar is, +die aanneemt dat men niet begin (oorzaak) en einde (doel) van de +verschijnselen kan kennen, maar slechts het "midden" (--heden). + + + + +BIERENS DE HAAN + +[Illustratie: Foto P. Clausing Jr.--Haarlem Dr. J.D. +BIERENS DE HAAN (eind 1913)] + + +(* 1866) + +De lezer wete, dat Bierens de Haan tot de zeer enkelen behoort, die mij +in den tijd dat ik mijn weg nog moest zoeken, zonder overhaasting hebben +aangehoord en mij den raad hebben gegeven, die over de moeilijkheden van +het begin heen voert. Voor 't eerst maakte ik toen intiemer kennis +meteen werkelijk wijsgeers-temperament. Mijn groote dankbaarheid heb ik +nooit nadrukkelijk geuit, maar wel in mijn houding doen blijken, en zoo +is er in den loop der jaren een zekere vertrouwelijkheid ontstaan. Dien +morgen echter zat hij tegenover me met een glimlach, dien ik nog niet +van hem kende. O, hij was mij niet vreemd geworden! Hij heeft de +eigenaardigheid, die ik overigens vooral bij schilders heb opgemerkt, +dat niemand hem absoluut vreemd is; zijn onbewust maar zeer actief +indringingsvermogen geeft reeds bij eerste ontmoeting de gewaarwording +dat hij u jaren kent. Maar de eigenlijke verkwikkende voeling kwam pas, +toen ons "interview" was afgeloopen en hij niet meer met een zekere +reserve door mijn aanteekenboek heen tot het publiek sprak. Na de eerste +verwelkoming--hij had in een fauteuil naast mij gezeten--stond hij +vastbesloten op en bereikte in een paar stappen zijn werktafel. Ik zeg +met voordacht: een paar stappen. Want terwijl zijn rijzige gestalte met +enkele losse en toch sierlijk-bedwongen bewegingen door de kamer ging, +had ik het gevoel dat hij een zaal doorschreed en dat er een groote +afstand lag tusschen de mij zoo bekende werktafel, waaraan hij plaats +nam, en mijn stoel bij het venster. Tot dezen prijs dus had ik het +korte, heusche briefje gekocht waarmede hij mijn verzoek om een +"vraag-gesprek" inwilligde! Ik besefte dat er voor hem groote +zelf-overwinning mee gemoeid was, dat hij het publiek den _groei_ van +zijn persoonlijkheid ging verhalen: Een sterk geconcentreerd gemoed is +een _geheel_ en sluit de wonden die aan zijn oorzaken herinneren; het is +zijn grootste genot zichzelf onafhankelijk te bezitten en zijn vroegere +afhankelijkheid te vergeten. Maar mijn gastheer, nu hij uit +vriendelijkheid en belangstelling voor mijn werk eenmaal had toegestemd, +deed van de moeilijkheid waarin hij zich bevond verder niets blijken. +Hij debiteerde niet de gemeenplaats, dat hij "het land had aan +persoonlijk gedoe", welke ik in den laatsten tijd wel eens heb hooren +uiten in een toon en een tempo, die de woorden ten duidelijkste +weerspraken. Slechts dat fijne gebaar van zich terugtrekken verraadde +(of verkondigde?) de opoffering die hij overigens glimlachend +volvoerde,--gelijk oprechte offers plegen te worden gebracht. En zich +verontschuldigend, dat hij het een en ander had opgezocht en dus niet +onvoorbereid was en zijn antwoorden niet improviseerde, deelde hij mij +het volgende mede: + +In September 1887 is hij begonnen "De Nieuwe Gids" te lezen met groote +sympathie en met een zekere terughoudendheid. De sympathie gold de +volkomen vrijmaking, die de nieuwe beweging bracht: Ik voelde dat dit +het punt was van overeenkomst tusschen hen en mij: er moest op dat +oogenblik absolute vrijheid zijn, dat wil zeggen: Het subject moest +geheel zich zelf kunnen wezen en dus de banden, de zeden die tot nu toe +waren vastgesteld, moesten losgemaakt worden. Dat was het, dat ik +sympathiek vond en daarbij kwam: Het doen gelden van de directe levende +waarde van het Woord. In het woord heb ik altijd mijn eigen leven +teruggevoeld: Het woord moest levend zijn, de mensch moest het woord +hebben om zijn innerlijk te uiten. Dat had ik al voorvoeld bij het lezen +van Milton en Shelley, maar omdat het geen Nederlanders waren, was toch +nooit het besef van het levende woord zoo tot mij doorgedrongen als toen +"De Nieuwe Gids" mij daarvan de openbaring gaf. + +Deze twee elementen zijn de aanknoopingspunten geweest, waardoor hij +zich--hoewel jonger dan de leiders--in de beweging voelde staan. Maar +tegelijkertijd voelde hij een zekere terughoudendheid, omdat hij inzag +dat het intellect, het geestelijk gehalte, ontbrak: Het was als het ware +"Lyriek zonder idee". Hoewel nog zeer in het onbepaalde, begreep hij wel +dat lyriek en idee op een of andere wijze verbonden moesten worden: Het +zoo uitsluitend impressionistisch gevormde woord heeft mij +tegelijkertijd aangetrokken en onbevredigd gelaten. + +Hij was toen student in Amsterdam, waar hij een jaar gestudeerd heeft, +voor hij naar Utrecht ging. Te Utrecht vond hij in de studentenwereld +een vrij duffen geest. Er was nog niets bekend van wat in de hoofdplaats +van ons land de gemoederen in beroering bracht. Hij poogde de +studentenmaatschappij wat schoonheidsgevoel en wat nieuw-letterkundig +gevoel bij te brengen, maar zonder succes. Hij schreef in dien tijd in +realistisch-impressionistischen trant eenige verhalen en naderhand onder +pseudoniem een enkel stuk in "Nederland", maar bij dien schrijftrant is +hij niet lang gebleven "omdat mijn studie mij ook riep naar meer +speculatieve waarden." Toen zijn een tijdlang Fransche schrijvers als +Verlaine, Maeterlinck, Hello zijn gidsen geweest, vooral de laatste om +de mystische grootschheid en ideerijkheid van zijn woord. Ik weet niet +of ik hen nu nog zoo hoog stel als vroeger. + +Dit heeft zijn heele denken geleid in een richting, verwant en toch weer +niet verwant aan "De Nieuwe Gids". Het eenige stuk waaruit dit duidelijk +blijkt is geweest, in den laatsten jaargang van de oude serie van dat +tijdschrift, een "Psychologie van het leven". "Dat stuk," zoo verhaalde +hij mij, is zeker heel onvolmaakt, maar het toont toch dat mijn werk een +andere richting uitging dan de zuiver literaire, waar ik mij tevoren toe +had geroepen gevoeld.... Ik blijf de "Nieuwe Gids" eeuwig dankbaar voor +de openbaring van de zinnelijke waarde van het woord, dat het woord niet +een abstractie is, maar een direct symbool, waarin ons innerlijk zijn +sprekend equivalent kan vinden. En wanneer ik bescheidenlijk zeggen mag, +dat ik eenigen stijl heb, dan is 't omdat het woord altijd voor mij die +waarde heeft behouden en nooit abstract geworden is. Ik meen dat dit ook +het groote onderscheid is tusschen de wijsgeerige schrijfwijze van +vroeger en mijn schrijfwijze--dat toen het woord alleen gold als term en +wij nu het woord als een levend bezit kunnen handhaven. Er is een zekere +zinnelijkheid in het woord, dat onmisbaar is om het woord zijn +beteekenis als levend equivalent van den geest te doen behouden. + +In dien tijd werd "De Kroniek" opgericht en dit was het terrein waarop +hij zijn eerste werk heeft geleverd. Hij woonde toen in een uiterste +hoekje van Twente. Hij genoot daar op bijzondere wijze van zijn +landelijke omgeving. Die landstreek had iets geheimzinnig eenzaams, dat +hij sindsdien nergens heeft teruggevonden. Typisch voor de +afgeslotenheid waarin hij leefde is wel, dat de menschen daar hem "de +Hollander" noemden. Het kan wel zijn dat het mijn gemoedsstemming was, +die zich daarin weerspiegelde, maar die geheimzinnige eenzaamheid, met +de eigenaardige flora, die ik ook nooit meer heb teruggezien, wekte een +sterke eenheid met de natuur in mij op. Dat geeft een zoo lokale kleur +aan je gemoed, dat het waarschijnlijk voor anderen niet zoo benaderbaar +is als voor den persoon die het zelf heeft doorleefd. Een streek--van +moeras en heuvels--in groote eenzaamheid--ver van alle verkeer gelegen. +Ik woonde er ook geheel als vreemdeling. En dit gaf mij die buitengewone +bekoring van terug te duiken in het natuurleven, en dus heel sterk dien +band te voelen met natuur en zinnen, die behoedt tegen louter abstract +zijn, waartoe de wijsbegeerte zoo licht aanleiding kan geven. + +In samenhang daarmee en in tegenstelling tegelijk, heb ik mij toen meer +rechtstreeks stelselmatig toegelegd op de wijsgeerige studie. Ik ben +begonnen met de positivistische philosophie van Hume--waarschijnlijk +omdat men meestal begint met met zijn vijanden af te rekenen. Die vijand +namelijk is een element van ons eigen gemoed. Als hij niet in ons woont +bestrijden we hem niet.... Ja, deze leer woonde in mijn gemoed en dat +was voor mij een aanleiding om het positivisme ernstig te onderzoeken en +tegen-motieven te vinden. En van Hume kwam ik op Spinoza. + +Mijn eerste studie in "De Kroniek" was een stuk over Spinoza. Ik meende +in hem een levensleer te vinden die uitgaat van de geestelijke Idee. + +Daarmede had ik mijn werk gericht in de lijn der wijsbegeerte en ben +toen uit de directe omgeving van de literatuur losgeraakt. En onderwijl +heb ik voor mij zelf een reeks kennis-theoretische studies ondernomen, +die ik nooit gepubliceerd heb en die wel zeer onrijp zullen wezen, maar +die voor mij dit voor hadden, dat ik nu het Kennen leerde beschouwen als +een geestesarbeid, en dus onzen geest als _activiteit_, in tegenstelling +tot de positivistische opvatting, die ons geheele geesteswerk beschouwt +als een associatie, als een soort van natuurproduct. + +Maar Spinoza heeft weldra mijn liefde gekregen, en er zijn weinig weken +in mijn eerste tiental studiejaren geweest, dat ik niet in Spinoza +gewerkt heb.... + +Wanneer u nu vraagt naar de vrucht van de periode, waarin dus eenerzijds +in mij het levende natuurgevoel en de zinnelijke waarde van het woord +versterkt werden en anderzijds in mij de bewustwording van de Idee werd +aangekweekt, dan verwijs ik u naar mijn bundel _Idee-studies_. Ik had +onderwijl een paar studies geschreven: de eerste was over het +oorzaak-begrip, en met de tweede was ik in de gewenschte lijn gekomen: +zij was getiteld: "De norm der Waarheid is in ons zelf". De geestelijke +waarde werd daarin vastgesteld als een eigenschap van eigen +subjectiviteit. Daardoor krijgen de denker zoowel als de artiest het +recht tot zelf-openbaring. En zooals de artiest zijn zelfopenbaring als +schoonheid aanziet, heeft de denker het recht zijn zelfopenbaring als +waarheid te erkennen. Ik stelde dus een parallel tusschen denker en +kunstenaar vast. Maar de idee-studies zijn dan, eigenlijk, laat ons +zeggen, de rijpe vrucht van die periode, waarvan ik de twee zijden nu +tegenover elkaar heb uiteengezet.... Ik heb daar veel pleizier van gehad +en ben juist bezig aan het bewerken van een tweeden druk: het is zeer +eigenaardig, weer in de sfeer te komen, waarin ik toen een pooslang heb +geleefd. Ik heb er eenige studies aan toegevoegd, die ook uit +denzelfden tijd zijn. Het blijkt mij ook, dat de idee-studies bij vele +verwante gemoederen sympathie hebben gevonden. + +--In hoeverre heeft, volgens u, de Nieuwe-Gidsbeweging leiding gegeven +aan het geestelijk leven in ons land? + +--Ik gevoelde dat er een groot verlangen was naar een nieuwe kunst en ik +was verzekerd dat de "Nieuwe Gids" die geven zou. Ik kon nog niet zien +de personen die hem zouden geven, omdat in de verschillende leiders zeer +schoone eigenschappen zichtbaar waren, maar geen aanwijzing van het +groote werk dat door henzelve beloofd werd. Ik meende ook dat de +nieuwere tijd een speculatiever inhoud zou hebben dan alsnog door de +"Nieuwe Gids" werd gegeven. Maar dat de beweging een noodige heilzame +was voor de vernieuwing van het bewustzijn, voor de vrijmaking van den +geest, en dat de nieuwere cultuur in het verlengde daarvan liggen zou, +dat heb ik direct geloofd. Ik meen ook dat de wijsgeerige beweging een +afstammelinge is van de Nieuwe-Gidsbeweging. Toen het tijdschrift voor +wijsbegeerte werd opgericht, heb ik een inleidend artikel ervoor +geschreven. Daarin heb ik gezegd.... Maar laat ik u liever een stukje +voorlezen:... "een wijsgeerige _beweging_ zou niet hierna gevolgd zijn, +zoo niet daar geweest ware de literatuur van '80. Want door deze werd in +het breede een intellectueele behoefte wakker, die niet door de exakte +wetenschap werd voldaan. Zoo kon voor de wijsbegeerte ontstaan een +terrein voor algemeener belangstelling dan der enkelen. Het lag +bovendien in den aard der beweging van '80, dat uit haar een wijsgeerige +behoefte ontwaakte. Immers zij was niet maar een aktie tot voortbrengst +van literaire werken, doch veeleer een kultuurbeweging, in welke zulke +werken werden voortgebracht. De uiting was hoofdzakelijk +belletristisch, maar de uiting is het wezen niet. De nieuwe literatuur +bracht een nieuwen factor in de geestelijke beschaving aan, nl. den +hartstocht der Taal. Zooals de oudere schrijvers een moraal, een geloof, +een roeping en een godsdienst hadden, en bovendien schrijvers waren, zoo +had de nieuwe literatuur geen moraal noch godsdienst dan den hartstocht +der Taal. De Taal te hebben was een geloof; de eigen verbeeldingswaarde +en het muzikaal karakter der Taal te kweeken was een roeping. Het Woord +was niet maar als een ongevoelde klank en uitdrukkingsmiddel ten bate +van voorstelling en begrip, doch een vrije Macht. De vrije vaan des +Woords, door haar gevoerd, was aanwijzing dat zich een kultuur +toebereidde--die breeder gebied zou omvatten dan roman en vers. Zoo kon +de literatuur van '80 voor het intellekt een aansporing zijn, die ook de +wijsbegeerte ten goede kwam.... Maar nu zou blijken waarheen de Taal +drong. Want de macht, die zij geeft over de stof, noodigt tot +wijsgeerige bezinning. Taal en denken zijn tweelingsuitingen des +geestes; en een kultuur die de vrije beweging des woords tot leus heeft, +kan wel beginnen bij het zinnelijke woord maar moet eindigen bij het +geestelijke. De Taal heeft een voorstellings- en een muzikale wereld in +zich, maar ook een begripswereld; want deze laatste is tegelijk met de +taal zelve uit den aard der menschelijke subjectiviteit (den geest zelf) +voortgevloeid ... dat de literatuur van '80 haar terrein verbreeden en +de grenzen der literatuur overschrijden moest (waaruit blijkt dat zij +inderdaad een kultuurbeweging en niet slechts een literaire school was) +volgde uit haar opzet, die voor haar literatuur te groot was. Want +terwijl de leiders een hervorming van het Nederlandsche geestesleven in +vooruitzicht stelden, was hun literatuur overwegend lyrisch. En alleen +een dramatische letterkunde heeft de breedheid die een kultuur omvat. +Zoo kon dan de beweging van '80, voor zoover zij literatuur was, haar +voornemens niet vervullen en werd juist in dezen kring de nood gevoeld +om de literaire inspiratie te voeden door aan het leven een breeder +inhoud te geven, gelijk bleek in die leiders, die hun arbeid verlegden +naar het terrein der maatschappelijke hervorming...." Boeken heeft mij +toen bestreden en gezegd dat de Nieuwe Gids niet direct den hartstocht +der Taal kweekte, maar met een nieuwe levensbeschouwing kwam. Ik heb +toen met citaten uit "De Nieuwe Gids" bewezen, dat voor hem de taal +werkelijk alles was waar het om ging, en zoo de intellectueele waarde +der Taal naar voren moest komen en de wijsgeerige beweging volgen kon of +moest. + +--Met de opvatting dat de beweging van '80 geen levensbeschouwing bracht +kon ik niet instemmen. Ik had in een buitenlandsch tijdschrift de +stelling verdedigd, dat de literatuur-beschouwing van de "Nieuwe Gids" +eigenlijk een levensbeschouwing was, en vroeg mijn gastheer dan ook, of +hij niet had opgemerkt dat alle jongere schrijvers van die generatie een +gemeenschappelijke levensopvatting waren toegedaan. Zijn antwoord stelde +mij teleur. + +--Ik weet alleen dat het in den beginne over het algemeen positivistisch +gezinde menschen waren. Ik denk dat dat kwam door de eenzijdige +voorliefde voor de zinnelijke waarde van het woord. Aanstonds zijn er +grootere gevoelens doorgebroken. Als u Van Eeden tegenover Verwey, Kloos +tegenover Van Deijssel stelt, dan ziet u toch, dat dit zoo heterogene +menschen zijn, dat van eenheid in levensbeschouwing heel weinig sprake +is geweest. Op dat oogenblik bestond de behoefte ook niet aan ontwaking, +omdat het leven voor de taal het heele gemoed van de Nieuwe Gidsers +innam. Dat was het nieuwe gebied dat door hen geopend werd. + +--Deze meening was mij ook reeds door anderen tegemoet gevoerd. Ik had +gehoopt dat Bierens de Haan mij zou bijspringen. Ik deed een laatste +poging om hem in mijn richting te leiden: Of dan niet juist een gebrek +aan levensbeschouwing de jongere dichters vereenigde? vroeg ik. + +--Dat zou u kunnen zeggen, kreeg ik ten antwoord, wanneer niet dat +gebrek een noodzakelijkheid geweest ware. Omdat de aandacht zich zoo +richtte op de schoonheid, was de revolutionnaire strekking van de +beweging niets anders dan dit voorop te stellen. Dat zou tenslotte +armoede zijn geworden, wanneer niet de beweging in de richting van het +wijsgeerig denken door was gegaan. + +--Het woord "armoede" leek mij in dit verband toch wat sterk gekozen, en +dit bracht mij tot de vraag, wat dan het onderscheid was tusschen de +romanliteratuur, door de tachtigers en hun verwanten gegeven, en de +wijsgeerige verdieping die mijn gastheer bedoelde? + +--Het onderscheid is dit, dat in het wijsgeerig denken de behoefte +ontstond aan een stelselmatige levensbeschouwing, dat wil zeggen: aan de +centrale Idee, de centrale gedachte, de gedachte van waaruit het leven +kan worden doorzien, de levensuitingen kunnen worden begrepen en +gewaardeerd--en die behoefte is in de romanliteratuur die u bedoelt +natuurlijk niet aanwezig. Ik heb die centrale gedachte aanvankelijk bij +Spinoza gevonden. Toen was mijn denken meer psychologisch-wijsgeerig, +terwijl ik het nu liever cosmologisch-wijsgeerig noemen zou. + +In Spinoza lag de grondgedachte dat het leven is een volharding in ons +eigen zijn. Van daaruit werden zoowel moraliteit als religie begrepen +en indirect ook de schoonheidszin, hoewel Spinoza dien factor van onzen +geest eigenlijk voorbijziet. Maar Spinoza had dit, dat hij althans tot +het diepste punt van onze natuur doordacht en van daaruit zijn +levensbeschouwing opbouwde. Dit was de noodige aanwijzing voor een +wijsgeerige levensleer. En nu is het merkwaardige dat Spinoza juist ook +aangewend werd door de meer positivistische denkers, de oudere +philosophen, zooals Van Vloten en Lotsy bij ons.... + +--Hier maakte ik de opmerking, dat van het gebrek aan levensbeschouwing +bij de tachtigers tot aan het streven naar meer wijsgeerige bezinning +nog een stap te doen bleef. Moest, zoo vroeg ik, niet eerst de +overtuiging postvatten, dat een centrale gedachte in principe te vinden +zou zijn? + +Mijn gastheer beaamde dit, en hij verduidelijkte mijn bedoeling door te +spreken van den stap van het positivisme naar het idealisme. Het was +juist in den strijd tegen het positivisme, dat het idee van de +activiteit van onzen geest naar voren kwam. Waar de geestelijke +activiteit is, daar heeft ze haar eigen begrippen, daar stelt ze haar +eigen beginselen, daar stelt ze ook de centrale gedachte. Het lag in de +consequentie van den strijd tegen het positivisme, dat men de centrale +gedachte vond. + +--De eenigszins wijsgeerig georienteerde lezer begrijpt, dat ik zeer +gesticht was door deze duidelijke verklaring. Hier had ik dan uit den +mond van een philosoof, die rechtstreeks stamt uit de Nieuwe +Gidsbeweging, die in die beweging tot wijsgeer is geschoold, een +bevestiging van mijn hypothese, dat de grond-idee, die bewust of +onbewust in de Nieuwe Gidskunst is neergelegd, is de pseudo-philosophie +van hen, die zeggen geen wijsgeer te willen zijn. De schijn-verlichtheid +van het Comtisme, het spooksel dat men had te overwinnen om uit de +kunst van tachtig tot een werkelijk hoogere trap van cultuur te +komen.... + +Het speet mij niet dat ik Bierens de Haan had afgeleid van Lotsy, met +wien hij, ik ontveins het mij niet, nog gaarne een appeltje had +geschild. En in mijn milde stemming liet ik hem nu maar voortspinnen aan +een denkbeeld, dat eigenlijk niet in mijn lijn lag,--al behoort het tot +het grootste dat het wijsgeerig vorschen ten onzent in de laatste +vijfentwintig jaar heeft opgeleverd. + +... Maar--zoo hernam hij--om op de oudere Spinozisten terug te komen: Ik +heb met Lotsy verscheiden malen in "De Kroniek" gepolemiseerd, maar dat +bepaalde zich meestal tot het stellen van onvriendelijke noten van +weerszijden onder de pagina's. Wat mij overtuigd heeft dat Spinoza +inderdaad _idealistisch_ dacht, is het einde van de Ethiek, waar de +"intellectueele liefde tot God" als het hoogst bereikbare van het leven +gesteld wordt, als geheel liggend in de lijn van de volharding des +menschen in zijn eigen zijn. Daarom meende ik dat ook een idealistische +interpretatie van het Spinozistisch levenssysteem geoorloofd was. De +vrucht daarvan is geweest mijn boek "_Levensleer naar de beginselen van +Spinoza_," dat ik in 1900 uitgegeven heb bij Martinus Nijhoff. + +Al meer ben ik toen ons geestesleven gaan opvatten als een bewustwording +van ons innerlijke wezen en in die lijn is mijn geheele gedachteleven +doorgegaan. En dat Spinoza nog steeds mijn sympathie heeft, kan hieruit +blijken, dat ik op verzoek van de "Hollandia-drukkerij" geschreven heb +de vertaling van de hoofdpassage's uit Spinoza's Ethica, met een +inleiding over het Spinozistisch denken. Maar daar komt nu juist weer +meer een cosmologische opvatting van het leven voor den dag, die ook in +Spinoza steekt en die ik vroeger wel wat heel sterk afscheidde van de +psychologische, nl. in deze uitspraak: De mensch is "God voor zoover hij +niet-eindig is"--dat wil zeggen, dat er een eenheid is van het +menschelijke en het goddelijke en ook het geestesleven als verschijning +van den Cosmos moet worden doordacht. Dit echter is een verbreeding van +het psychologisch denken--geen afwijking ervan. + +U ziet dus dat wij een heel andere richting opgaan dan de veel +beperktere van den psychologischen roman, die niet veel verder gaat dan +directe analyse. Maar wel kan ik hierop laten volgen, dat, wat betreft +den inhoud waarover dit denken zich uitlaat, het zich vooral beweegt in +de innerlijke zielswaarden. Terwijl vroeger de theologie het menschelijk +denken beheerschte en de onderwerpen waren bijv. "Praedestinatie en +Wonder", of "De eigenschappen Gods", of "Godsbestuur en het kwade"--zijn +in deze nieuwere speculatie de onderwerpen vooral: "Het ironische", "De +eros", "Vrijheid en gezag", "Het verband van schoonheid en denken", +"Geluk, geest en zinnen", "Het tragische", "De cultuur" e.d. Het +zwaartepunt van de aandacht ligt in de sfeer der Psyche, wat niet +wegneemt dat die zielsinhoud opgevat wordt als verschijnsel van +cosmische beweging. Wat in den mensch is, is hetzelfde als in de geheele +ontwikkeling van het wereldleven wordt vertoond. Zoo wordt echter de +wijsbegeerte veel meer cultuur-denken en gaat veel meer in den breede +dan de psychologische roman dit kan doen. + +--Ik verzocht mijn gastheer nu, zijn standpunt scherp af te bakenen ten +opzichte van de twee stroomingen, die na de "Nieuwe Gids" ons geestelijk +leven trachten te beheerschen, de wijsbegeerte van het Proletariaat en +die van de Zuivere Rede, welke Bolland's volgelingen hebben gesticht. + +--Het moet altijd--zoo leidde hij op het eerste zijn antwoord in--de +grondgedachte zijn van een wijsgeerige beweging, dat zij de cultuur +hervormen wil van binnen uit en niet gelooft aan een werkelijke +verhooging van de cultuur door economische maatregelen. Dat wil niet +zeggen dat er een bepaald vijandige verhouding is tegenover die +opvatting--het kan zelfs in zich sluiten een zekere erkenning van de +onmisbaarheid van economische hervormingen. Maar het is niet de +verwachting, dat daaruit werkelijk iets hoogers geboren zal worden. Dat +wil dus zeggen: De maatschappelijke rechtvaardigheid is een ondergeschikt +denkbeeld van de cultuur, maar het is niet gezegd, dat de maatschappelijke +rechtvaardigheid een socialistisch stelsel van maatschappelijke vorming +of hervorming meebrengt. In het algemeen _lijkt het_ mij, alsof de +wijsgeerig gezinde een zeker aversie heeft tegenover afgesloten meeningen +over de inrichting van de maatschappij. Ook moet men altijd een +tegenstelling tusschen maatschappij en innerlijk zien, en daaruit volgt, +dat dan pas een hooger cultuur aanbreekt, wanneer de innerlijkheden op +een hooger plan zijn gebracht. De wijsgeerig gezinde streeft er naar, het +innerlijk te verhoogen en in zoo uitgestrekt mogelijke kringen werkzaam +te zijn tot verheffing van het zedelijk bewustzijn. Hij onthoudt zich +allicht van de propaganda voor zuiver uitwendige maatschappelijke +verbeteringen. Dat komt dus neer op een eenigszins negatieve verhouding +tegenover de socialistische strooming.--Deze is de begrippenvorming van +de behoefte aan economische verbetering en gaat niet uit van het +cosmologische begrip der Idee. Zij moet dus de geesteswaarden als surplus +of toevoegsel beschouwen, terwijl deze juist de grondleggende zijn. Het +is niet gezegd dat in een socialistisch goed geordende maatschappij het +gedachteleven, het gemoedsleven, het kunstleven, hooger staan dan in een +chaotische. Want tot nu toe zijn kunst en wijsbegeerte en poezie in hun +hoogste vormen geweest bij alle mogelijke soorten van maatschappijen. Een +negatieve verhouding dus, die niet exclusief is tegenover maatschappelijke +wijziging, maar er het intellectueele heil niet van inziet. + +--Heeft dus volgens u de intellectueel niet veel te leeren van de grootsche +gevoelens en ideeen die er leven in de massa, speciaal in het zich +organiseerende proletariaat? + +Zacht, beslist en precies luidde hierop het antwoord: + +--Ik wijs af een opvatting, waarbij het innerlijk niet uit zichzelf +leeft en waarbij de menigte naar economische motieven over het +geestesleven wil heerschen.... + +--Heeft dan het innerlijk leven, zooals u het verstaat, te vreezen van +een overwinning van de menigte? + +Het antwoord ging even langs de vraag heen, maar ook hierin lag voor mij +een antwoord besloten: + +--Vrees heb ik er niet voor, omdat ik niet geloof dat ooit het innerlijk +weerlegd kan worden door het economische. En omdat ik er toch ook in zie +een poging tot wijziging van het maatschappelijk samenstel, waartoe op +zichzelf een zekere grond bestaat. Treffend vind ik, dat in de latere +gedichten van Gorter, de socialistische, datgene schoon is waarin het +oude geluid van "Mei" naklinkt, zoodat men zeggen kan: Wanneer een +socialistische maatschappij bestond, ook dan zou de schoonheid niet +daaraan ontleend zijn, maar aan het innerlijke. Het innerlijke heeft +zijn zelfstandigheid en geeft die niet op. Het is het eigenlijke +dieptepunt, het centrale punt van leven en werkelijkheid. De loochening +daarvan staat gelijk aan de ontkenning dat de cirkel een middelpunt zou +hebben. De geestdrift der idee blijft altijd het ontspringpunt van +schoonheid en waarheid en ook van goedheid. Elke maatschappij zal ten +slotte weer haar waarde moeten ontleenen aan deze geestdrift, die niet +uit het maatschappelijke maar uit het innerlijke komt.-- + +Wat nu de strooming van "Zuivere Rede" betreft, in het algemeen zou ik +zeggen, dat de mensch altijd aangewezen is op de centrale gedachte om +van daar uit persoonlijk het leven te doorzien--maar dat het stelsel in +zijn naaktheid nooit deze rechtstreeksche zienswijze kan vervangen.... +Wat niet wegneemt dat Hegel zelf een ziener is en voor hem de Idee de +levende kracht is, die geheel de natuur en de cultuur draagt. Men krijgt +bij hem heel sterk den indruk, met een ziener te doen te hebben. Dat +echter de idee van Hegel alleen maar in zijn stelsel uitgewerkt zou +kunnen worden, met andere woorden, dat het Hegelsche stelsel de +noodzakelijke uitingsvorm is van de Hegelsche grondgedachte--dat stem ik +niet toe. Althans, dunkt mij, _zal wel nooit de wijsbegeerte de kunst +mogen of kunnen vervangen, maar juist de bezielende kracht moeten zijn +voor kunst en moraliteit en religie tegelijkertijd_. + +--Hoe is dan het verband tusschen kunstenaarwijsgeer en maatschappij; +denkt hij, al speculeerend, daarbij aan hen die van zijn werk kennis +zullen nemen, met andere woorden, stelt hij zich in dienst van zijn +medemenschen? + +--Dat vind ik een aardige vraag. Het is juist een vraag die dikwijls +mijzelf bezighoudt, maar waarop een tweevoudig antwoord moet worden +gegeven: + +Het eerste antwoord is, dat ik mij verklaar tegen alle wijsgeerig +aristocratisme, dat alleen aan zichzelf denkt. + +En het tweede antwoord is, dat in hoogsten zin toch de wijsgeerige +beschouwing, en het geheele denkerschap, een innerlijk heiligdom +betreedt van het gemoed--waar zij ontoegankelijk is voor een ander. + +Laat ik nu het eerste antwoord een beetje verbreeden: Het denkerschap +heeft een roeping voor de maatschappij, nu wel niet in den preciezen zin +van het woord, maar toch wel voor een zoo breed mogelijke groep van +intellectueel gezinden. Ik geloof dat wijsgeerige beschouwingen +helderheid kunnen geven, licht kunnen brengen aan veel meer geesten dan +op het oogenblik daar nog van genieten. Ik zou er zelfs voor zijn, om +bij het onderwijs aan de H.B.S. en het gymnasium te beginnen met het +doceeren van wijsgeerige gedachtengangen. Op het gymnasium kan dat zeer +goed door een uur vrij te maken voor de studie van de Grieksche +wijsgeeren, en ook op de H.B.S. kan men met de kapitaalste figuren uit +de geschiedenis der wijsbegeerte kennis maken. Dan moest men eenvoudig +maar iets van het andere onderwijs opgeven, daar kan men wel wat van +missen! Men zou bijv. de hoofdgedachten uit de "Kritik der reinen +Vernunft" in de hoogste klassen van de H.B.S. kunnen toelichten. Er zou +belangstelling kunnen gewekt worden voor Socrates, voor Cartesius, voor +Spinoza en voor Kant--men zou desnoods kunnen werken met een gedeelte +van de klassen, waarin zich belangstelling voor het intellectueele had +geopenbaard, om zoodoende zooveel mogelijk aan een ontwikkelde +meerderheid een begrip bij te brengen van intellectueele waarheden. + +U ziet dus, dat het mijn bedoeling niet is, de wijsbegeerte af te +zonderen voor een kleine groep. Maar boven deze ontwikkelden zal er +blijven een speculatief gezinde minderheid, die zelf ook arbeidzaam kan +zijn in het behandelen van wijsgeerige vragen, die zelf het denken meer +als kunst zal kunnen behandelen. Dat is de groep die een eigen +scheppingsdrang voelt en dezen niet slechts in kunst- en andere werken, +maar ook in gedachtengangen wil omzetten, menschen die een enorm +levensgeluk kunnen ontleenen aan hun actief-wijsgeerige belangstelling. +Menschen die met goede leiding heel wat gedaan kunnen krijgen, terwijl +ze nu in het onbestemde ronddwalen. Zoo meen ik zeker dat de +wijsbegeerte nog heel wat meer kan doen voor de verheffing van zekere +lagen der maatschappij dan ze tot nu toe gedaan heeft. + +Maar ten slotte--en nu kom ik weer aan het tweede antwoord,--zal toch +weer de wijsbegeerte zijn het denken voor de denkers zelf, die op de +Pyramide een hoogere trap bereikt hebben, dan waarop de meerderheid zal +kunnen komen. + +Ik meen echter, dat de kunst al zooveel meer toegang zich verschaft +heeft tot een grooter publiek dan er voor jaren was en ook de +letterkunde, de poezie en de dramatiek al zooveel meer gedaan hebben +voor de geestelijke opvoeding van ons geslacht, dat hierin een +aanwijzing ligt, dat ook de wijsbegeerte meer kan doen. En daarom +begroet ik ook zulke inrichtingen als de Volksuniversiteit te Amsterdam, +waar ik zelf ook les zal geven, met dankbaarheid. + +Men ziet hieruit, dat naar mijn meening de wijsbegeerte van het +innerlijke uit hervormingen zal verwekken, die misschien meer resultaat +hebben voor den geestelijken bloei van ons vaderland dan oeconomische +hervormingen. Niet dat ik die laatste gering schat natuurlijk, maar mijn +liefde tot het geestesleven maakt, dat voor mij altijd weer de nadruk +valt op de eerste. + +Wanneer de wijsbegeerte zich niet open wou stellen voor een grootere +schare, maar een apart bezit werd voor enkelen, die haar zorgvuldig +omsloten hielden met hun zelfbewustzijn, dan kregen we heel licht een +quasi wijsgeerige cultuur van velen, die zich de enkelen willen +wanen--wat het Nietzscheanisme bij de Duitschers is--die ieder meenen +dat zij den Uebermensch zijn--_omdat zij de scheidingslijn tusschen +intellect en menigte met voorliefde trekken inplaats van met zekere +teleurstelling_. + +--Hoewel mijn gastheer--wat trouwens wel uit keus en geest zijner +woorden voelbaar is--zeer rustig en met slechts weinig nuanceering in +stem en toon sprak, klonk uit deze laatste woorden weemoed genoeg om +mijn volgende vraag te motiveeren en deze luidde: + +--Is het echter bij deze opvatting niet te vreezen, dat men zich zal +laten verleiden tot een al te populairen zeggingsvorm, waarin dan de +wetenschappelijke juistheid te loor gaat? + +Neen--er is een zekere artistiek wijsgeerige bewoording, waarin aan de +waarde der idee niets wordt afgedaan, maar wel een toegankelijkheid voor +een grooter kring wordt geopend. De schoone vorm is voor velen, die +anders van het abstract gehouden woord een zekeren afkeer hebben, het +middel tot toenadering. Mijn ideestudies zijn niet strikt wijsgeerig, +maar het innerlijk gehalte is het toch wel. Er is bij velen de +mogelijkheid om zich in de centrale gedachte in te denken, zonder dat +het geheele stelsel voor hen toegankelijk is. Deze menschen hebben meer +intuitief vermogen van speculatie dan zij didactisch vermogen hebben, +maar ze zijn dan toch in de wijsgeerige cultuur mede inbegrepen. Een +minder stelselmatige en meer artistieke voordracht kan toch hebben de +hoogte of de diepte der idee die wordt benaderd. Ik geloof dat er veel +meer menschen dan men vermoedt vatbaar zijn voor zelfbezinning en dat +dit niet zoozeer een prerogatief is voor enkelen! + +Het hangt allemaal af van de aanwezigheid van beschouwelijk temperament. +Ik kan niet beoordeelen of dit beschouwelijk temperament in onze +beschaving veel of weinig voorkomt. Het komt zeker veel voor bij +menschen van wie men het niet weet. Men weet het alleen van menschen die +zich uiten, niet van menschen die zich beschouwen. Althans, de +hoogstrevendheid van het willen om wereld en leven te bezien vanaf de +berghoogte--deze hoogstrevendheid is wel een innig-menschelijke behoefte +en een innig-menschelijk belang; en moet dus wel aanwezig zijn bij meer +menschen dan van wie men het merkt. En zoo vermoed ik dat er wel een +grooter kring van bewoners dezer maatschappij aanwezig zal zijn, die +vatbaar zal zijn voor het wijsgeerig woord. + +--Ik merkte op dat ik thans aan de grens was gekomen van hetgeen voor +mijn enquete, die immers hoofdzakelijk van letterkundigen aard is, van +nut kon worden geacht, maar hij verzocht mij aan al hetgeen hij had +gezegd eigener beweging iets te mogen toevoegen, dat ook verband hield +met mijn gedachtengang. + +--Het pessimisme, zoo zeide hij, is in de negentiende eeuw vrij algemeen +de grondstemming geweest. Ik geloof dat ieder denker het pessimisme +heeft doorgemaakt, dat zeer vele gemoederen in het pessimisme zijn +blijven steken. Ik weet echter, dat zij die erin terecht zijn gekomen, +in de wijsgeerige speculatie een kracht hebben om zich er uit te heffen. +Dat slaat niet alleen op het stemmings-pessimisme van een voorafgaande +periode of het Schopenhaueriaansch pessimisme dat een levenshaat tot +inhoud heeft, maar ook en nog meer op het intellectueel pessimisme dat +men sceptiek noemt. Want dat is eigenlijk de meest knagende vorm van +pessimistischen gemoedsaard, die zekere sceptiek, waarbij men zich eigen +gedachten niet vertrouwt, altijd zichzelf weerlegt, nooit met zichzelf +in het reine komt, altijd als het ware achter zijn eigen gedachten gaat +staan om die voor louter subjectiviteit uit te krijten. Dit +intellectueel pessimisme wordt overwonnen, zoodra onze geestelijke +energie zichzelf erkent, van zichzelf uitgaat en daarmede een vast punt +heeft dat onverzettelijk is. Ik heb in mijn werk _De Weg tot het +Inzicht_ ook niets anders bedoeld als den weg te wijzen tot dit vaste +punt, als het denken--niet over allerlei onderwerpen, maar over +zichzelf. Als toch het denken zichzelf erkent, erkent het meer dan eigen +zielsinhoud: het erkent zijn eigen grond. Die grond is een cosmisch +feit. Van daaruit kan het Denken het leven veroveren en met dat +zelfbezit is pessimisme en sceptiek overwonnen. Zoo heeft de +wijsbegeerte des te meer een cultuur-beteekenis voor het moderne +geslacht der menschen. + +Naar mijn meening vindt het geheele geestesleven zijn hoogtepunt in de +religie, die niet de kerkelijke is en ook niet een aantal dogmen +verkondigt, maar is het bewuste een-zijn met den wereldgrond, met God, +dat wil zeggen: de innerlijke beleving van de waarheid zelf. Daardoor +voelt de mensch verwantschap met de religies, zooals ze zich in de +historie hebben voorgedaan. Daardoor zondert het wijsgeerig denken zich +niet af tot een aparte cultuur, maar sluit zich geheel aan bij de +religieuze cultuur aller eeuwen. + +Het hoogste woord onzer wijsheid zal wel zijn de vereering, de eerbied +voor God. Ik ben niet bang voor een verkeerde opvatting bij het woord +God: het is beter dat men er een naieve opvatting bij heeft dan +heelemaal geen. Het zich los voelen en apart voelen uit het wereldgeheel +is het noodlottigste sentiment: dat is de machteloosheid, dat is de +onvrijheid. Het bewustzijn der eenheid met God is de vrijheid. Daarom +eindigt Spinoza zijn Ethiek ook met de verheerlijking van de geestelijke +liefde tot God als hoogste levensmoment.-- + +Hier eindigde ons gesprek, voor zoover het betrekking had op den trek +van Kunst naar Bespiegeling, die niet alleen voor Bierens de Haan maar +tevens voor het geestelijk leven in ons land zoo kenmerkend is. Het +overige gaat buiten den lezer om. Maar een eigenaardigheid moet ik nog +vermelden. Ik had dien namiddag enkele uren door te brengen in het +gezelschap van een veertigtal woelige en ongevormde Hoogere Burgers en +-burgeressen. Het is opmerkelijk dat zulke ongecultiveerde jongelui, +zoodra ze in een _groep_ zijn vereenigd, volkomen onbewust voelen of ge +u zelf zijt of niet. Door hun gedrag vertellen ze u of ge vermoeid zijt +of afgetrokken, en menig leeraar raakte het stuur over zijn klasse kwijt +door _buiten_ zichzelf te treden. Welnu, mijn jongelui toonden dien +middag bijna ademlooze aandacht voor het weinigje dat ik hun mocht +voordragen, en ik weet zeker dat dit is toe te schrijven aan den moed en +zekerheid die ik uit dit gesprek had geput. + +We spraken dus en ten slotte vroeg ik hem wat toch de beteekenis is van +'t beeldhouwwerk aan zijn schoorsteenmantel. Hij deelde het mij mede, en +een beschrijving van zijn (weliswaar niet huiselijken, doch +persoonlijken) haard moge niet alleen dit opstel, maar ook het relaas +van geheel mijn onderzoek besluiten en symboliseeren: + +De hooge schouw is omgeven door een eikenhouten lijst, waaruit, te +weerszijden, het borstbeeld van een Faun en een denkerskop te voorschijn +treden. Zij kijken elkander aan over den haard van mijn gastheer, maar +men weet niet of ze elkander wel zien. De Faun heeft het oog gericht op +een figuur, bestaande uit twee dooreengevlochten driehoeken in een +cirkel. Hij stelt voor de natuur in haar dubbel-karakter van grilligheid +en planmatigheid. De denkerskop (hij gelijkt iets op Goethe in zijn +laatste jaren) ziet uit naar een stralende ster: hij stelt voor het +geestesleven, door het geestelijk Licht bestraald. Tusschen beide +borstbeelden slingeren guirlandes over den houten lijst, die elkander +halverwege in een vlammend altaar--den wereldhaard--boven den +menschelijken haard ontmoeten. Achter den Faun (in een afzonderlijk vak) +prijkt een boom, de natuurkracht; achter den Denker de duif met aureool, +aldus de geestelijke bezieling voorstellend. + +Deze schouwlijst wordt geschraagd door zandsteenen zuiltjes, waaruit de +kop van den denker Plato en de kop van den dichter Dante te voorschijn +komen en de kamer in staren. + +Het moet schoon zijn, zijn haard te vestigen tusschen natuurkracht en +geestelijke bezieling, wanneer die beiden elkander in een vlammend +altaar ontmoeten. + +Moge onze Nederlandsche cultuur zich harmonisch en wel-bewust +ontwikkelen volgens dit symbool. Dan staan wij schrap tegenover +geestelijke vijanden die onze cultuur bedreigen--gelijk onze duinen, +waar deze menschelijke haard geplant is, schrap stonden en staan tegen +een materieelen belager. + +Kerstmis 1913. + + +BIBLIOGRAPHIE: + +De psychische afkomst van het oorzaakbegrip. Een studie tot kennis van +menschelijk denken (1895)--De norm der waarheid is in onszelf +(1897)--Idee-studies (1898)--Levensleer naar de beginselen van Spinoza +(1900)--Plutarchus als godsdienstig denker. Een gestalte uit de +Grieksch-Romeinsche godsdienstgeschiedenis (1902)--Wijsgeerige studies +(1904)--De weg tot het inzicht, eene inleiding in de wijsbegeerte +(1909)--Uren met Spinoza, een keur van stukken uit zijne werken, +vertaald en met een inleiding en aanteekeningen voorzien (1913). + + + + +INHOUD + + Ter Inleiding + Johan de Meester + Karel van de Woestijne + Josine A. Simons-Mees + Cyriel Buysse + Frans Bastiaanse + Herman Robbers + Is. Querido + Carel Scharten + Adama van Scheltema + P.N. van Eijck + Dr. J.D. Bierens de Haan + + + + +ILLUSTRATIEN + + Frontespiece: Louis Couperus + Johan de Meester + Karel van de Woestijne + Cyriel Buysse + Id. Op het balkon van zijn werkhuis + Frans Bastiaanse + Id. + Herman Robbers + Id. + Carel Scharten. + Id. + Adama van Scheltema + Id. + P.N. van Eijck + Dr. J.D. Bierens de Haan + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De jongere generatie, by E. D'Oliveira + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE JONGERE GENERATIE *** + +***** This file should be named 10514.txt or 10514.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/0/5/1/10514/ + +Produced by Miranda Van de Heijning, Eric Casteleijn en de +PG Distributed Proofreaders. + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's +eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII, +compressed (zipped), HTML and others. + +Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over +the old filename and etext number. The replaced older file is renamed. +VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving +new filenames and etext numbers. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000, +are filed in directories based on their release date. If you want to +download any of these eBooks directly, rather than using the regular +search system you may utilize the following addresses and just +download by the etext year. + + https://www.gutenberg.org/etext06 + + (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99, + 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90) + +EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are +filed in a different way. The year of a release date is no longer part +of the directory path. The path is based on the etext number (which is +identical to the filename). The path to the file is made up of single +digits corresponding to all but the last digit in the filename. For +example an eBook of filename 10234 would be found at: + + https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234 + +or filename 24689 would be found at: + https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689 + +An alternative method of locating eBooks: + https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL + + diff --git a/old/10514.zip b/old/10514.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..94dda2f --- /dev/null +++ b/old/10514.zip |
