summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:34:38 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:34:38 -0700
commit75816241e92aa27b8812f7ccf13564b555440d29 (patch)
tree81186eb185aefeb93a0d8be711bb381ee1fb7b8b /old
initial commit of ebook 10514HEADmain
Diffstat (limited to 'old')
-rw-r--r--old/10514-8.txt6890
-rw-r--r--old/10514-8.zipbin0 -> 152077 bytes
-rw-r--r--old/10514.txt6890
-rw-r--r--old/10514.zipbin0 -> 151452 bytes
4 files changed, 13780 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/10514-8.txt b/old/10514-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..60d8d0e
--- /dev/null
+++ b/old/10514-8.txt
@@ -0,0 +1,6890 @@
+The Project Gutenberg EBook of De jongere generatie, by E. D'Oliveira
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De jongere generatie
+ Gesprekken met vertegenwoordigers van de nieuwere richting in onze
+literatuur; tevens een enquete naar enkele beginselen in ons nationaal
+geestelijk leven.
+
+Author: E. D'Oliveira
+
+Release Date: December 22, 2003 [EBook #10514]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO Latin-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE JONGERE GENERATIE ***
+
+
+
+
+Produced by Miranda Van de Heijning, Eric Casteleijn en de
+PG Distributed Proofreaders.
+
+
+
+
+[Transcriber's Note: Spelling, accents, use of quotation marks and
+hyphenation are terribly inconsistent throughout the source text, and
+have been left as they were. Only obvious printing errors have
+been fixed.]
+
+
+
+
+"DE JONGERE GENERATIE"
+
+door
+
+E. D'OLIVEIRA
+
+
+(VERVOLG OP "DE MANNEN VAN '80")
+
+
+GESPREKKEN MET VERTEGENWOORDIGERS VAN DE NIEUWERE RICHTING IN ONZE
+LITERATUUR; TEVENS EEN ENQUÊTE NAAR ENKELE BEGINSELEN IN ONS NATIONAAL
+GEESTELIJK LEVEN
+
+
+GEÏLLUSTREERD
+
+
+[Illustratie: LOUIS COUPERUS]
+
+
+
+
+TER INLEIDING
+
+
+Toen ik den tweeden druk van mijn "Mannen van Tachtig" de wereld in
+zond, hoopte ik, in de hier volgende bladzijden een samenvatting te
+kunnen geven van hetgeen mijn onderzoek naar sommige beginselen van
+onze nieuwere literatuur mij had opgeleverd. Helaas, het gaat niet! De
+medewerking van enkele representatieve personen, met name van Mevrouw
+Henriëtte Roland Holst en van Herman Gorter, werd mij onthouden.
+
+Ik zal hier niet beoordeelen in hoeverre hun weigering gemotiveerd is
+tegenover de algemeen erkende objectiviteit, die ik bij het weergeven
+van hetgeen anderen mij wilden mededeelen heb betracht, tegenover de
+onpartijdigheid die bovendien uit den geheelen opzet van mijn werk
+logisch volgt en--tegenover de opoffering van ... persoonlijke
+gevoeligheden welke anderen (en geen mindere goden!) zich hebben
+getroost, toen ze mij te woord stonden. Ik berust. Zelfs in het verbod
+van Gorter om--wie had 't ooit gedacht!--de redenen van zijn afwijzende
+beschikking te vermelden.
+
+Daar echter de socialistische kunstenaars van deze school een
+belangrijke functie vervullen in het schema van ons geestelijk leven dat
+mij voor den geest zweeft, ontbreken mij de gegevens om, althans op
+grond van dit boek, de ontworpen samenvatting uit te werken. O ja, ik
+hoor 't al, uit hun _oeuvre_ is voor mijn doel heel veel op te maken,
+doch, zooals de lezer uit de inleiding van "De Mannen van '80" weet,
+daar was het mij in dit geval niet om te doen. Men zal mij echter niet
+het gebruikelijke verwijt kunnen maken, dat ik deze richting in onze
+literatuur heb willen negeeren. Integendeel, veel van wat ik zoek
+groepeert zich om die richting--al schat ik in dit geval de
+persoonlijkheden--wèl te onderscheiden van de individueele
+hebbelijkheidjes--hooger dan de school.[1] Misschien was ik verder
+gekomen als ik dit niet had gezegd, maar het toch had gedaan.
+
+Intusschen, de lezer, die, behalve een inleiding in het geestesleven en
+de gemoedshouding van de hier behandelde auteurs, ook een blik op het
+geheel zoekt, behoeft dit werkje niet teleurgesteld opzij te leggen.
+
+Het zal hem weldra duidelijk worden, dat er eenig verschil is tusschen
+deze "interviews" (sit venia verbo!) en de oudste opstellen in "De
+Mannen van '80". Wel heb ik mijzelf ook nù op den achtergrond gehouden,
+al heb ik mijn persoonlijke indrukken hier en daar met een lichteren en
+slechts in schijn oneerbiedigen toets neergezet. Maar ik heb, waar dit
+pas gaf, mijn vragen en de verkregen antwoorden in onderling verband
+beredeneerd, scherper dan voorheen gezegd: waarom ik een bepaald antwoord
+onvoldoende achtte en in een bepaalde richting heb voortgestuurd. En zoo
+zal het den opmerkzamen lezer--vlei ik mij--tòch wel duidelijk worden,
+welke meening ik mij in den loop van het onderzoek over personen,
+temperamenten, richtingen, heb gevormd.
+
+Echter zou ik mijn taak niet volbracht achten, indien ik hier niet
+kortelijk aanduidde, over welke hoofdpunten de meeste gesprekken loopen
+en bovendien: wat er vaak nog uit halve en ontwijkende antwoorden is te
+"halen"; in het algemeen, hoe men naar mijn inzicht de antwoorden heeft
+te lezen.
+
+Wat het eerste betreft, de uiteenzetting van persoonlijke omstandigheden,
+waarmede de meeste schrijvers hun verhaal aanvangen, is een antwoord op
+de vraag: hoe en wanneer hun bewust werd dat zij eens als taalkunstenaar,
+dat is als leidsman, zouden optreden.
+
+Dit is een moment van groote psychologische beteekenis: Weet de
+representatieve persoonlijkheid reeds in zijn eerste jeugd dat hij
+publicist (in hoogeren zin) zal worden? Wat is in hem primair: een
+zekere wereldkijk, een bepaalde overtuiging die tot uiting dringt; of
+wel: een min of meer onbepaald vormgevend, dat is poëtisch vermogen, dat
+naar een inhoud smacht? Op welke wijze hebben zich Idee en Kunstenaars-
+aanleg in zijn latere ontwikkeling verstaan? Zijn ze harmonisch versmolten?
+Trachten ze nog steeds naar een ontmoeting? Stooten ze elkander af? Heeft
+de een den ander aan zich ondergeschikt gemaakt?--deze elementen (de lezer
+voelt het) zijn beslissend voor den aard van zijn werk, voor de mindere of
+meerdere mate waarin hij een eigen stijl zal bereiken en den algemeenen
+stijl van zijn volk zal leiden.
+
+Naast deze vraag van algemeene strekking--en ook in verband met haar--is
+voor ons doel van belang de speciale vraag: In hoeverre onze schrijvers
+beïnvloed zijn door de beweging van '80, die, van huis-uit een cultuur-
+verschijnsel meer dan een literatuur-verschijnsel, voor ons nationaal
+geestelijk leven het begin is geweest van een nieuwe strooming, die wel
+eens op iets groots zou kunnen uitloopen--dat dan echter niet veel op
+zijn verwekker zal gelijken.
+
+Hierbij sluit zich direct aan de vraag: hoe men deze beweging definieert.
+Slechts zij, die in de tijden van twijfel aan hunne blinde gemoedsdrangen
+den tragen maar veiligen gids van de wijsgeerige scholing hebben
+toegevoegd, zullen hierop een afdoend antwoord gereed hebben. Hebben zij
+ook wellicht in de halle van 1880 op menig kronkelpad gedrenteld en
+gedwaald, zij verlaten haar met opgeheven hoofde door de poort, waardoor
+zij haar gebukt of wankelend of in een roes voor het eerst betraden.
+
+Hierop volgt dan de vraag, of men een eigenlijke levensovertuiging uit
+de literatuur van '80 heeft kunnen putten en welke levenshouding men
+daarna heeft veroverd. Hoe staat men tegenover de leuzen van de
+socialistische kunst, die een tijdlang zoovelen in principe of in feite
+hebben bekoord--totdat de practijk van den politieken strijd kentering
+en afscheiding bracht?
+
+Deze vraag lost zich op in eene, die ik van wijder strekking acht (en
+natuurlijk weet ik, dat velen dit niet met mij eens zijn), nl. deze:
+Is de tot levensleer-vertolker uitgegroeide taalkunstenaar in wezen een
+voorganger van zijn volk? (Afgezien dus van klasseverhoudingen.) En zoo
+ja, is het dan niet zijn taak, zijn persoonlijkheid vrij te manifesteeren
+en al wat hij in kunst geeft te bezielen met zijn hoogere zelf-kennis
+--welke wereld-inzicht werd, van het oogenblik dat hij had doorschouwd
+de duistre drangen zijns gemoeds--éven onbetrouwbaar en aanmatigend,
+even onbewust en beweeglijk als De Massa? Of: moet hij zijn
+persoonlijkheid "overwinnen" en de gevoelens van de massa vertolken?
+Of: kan hij meenen dat zijn intiemste innerlijkheid in de belijdenis
+van het proletariaat bevestiging en volmaking vindt? Of: wenscht hij
+zijn persoonlijkheid--alsdan voor de verandering "persoonlijk gedoe",
+oftewel "ik-heidje" gedoopt--te offeren om de massa tot zijne hoogte
+langs wegen van strijd op te voeren;--in het midden latend of hij
+geroepen is om de menschheid door rustige ontwikkeling van zijn Ik ook
+grootere diensten te bewijzen? En, als hij dan klasse-kunst wil geven,
+miskent hij daarmede niet de mystieke banden, die hem aan taal en oude
+cultuur van zijn volk binden? om van een proletariaat dat--helaas--nog
+nauwelijks wat geleende cultuur bezit een "nieuwe philosophie" te
+leeren? Of gunt hij de massa gaarne alle goeds en draagt daartoe, waar
+hij mag, vol vreugde het zijne bij (maar het mag niet vaak)
+tegelijkertijd beseffend dat de ethisch nog verre van bewuste massa
+(op haar best) onmogelijk de draagster kan zijn van de wijsheid der
+toekomst? Of gelooft hij, ten slotte, dat Kunst en Massa elkander niet
+verdragen, en elk een eigen weg hebben te zoeken?
+
+Ziehier dan de themata, welke in velerlei nuanceering door deze
+gesprekken loopen. Ziehier de vragen, die door sommigen volgaarne
+beantwoord, door anderen ontweken werden. In het laatste geval maken de
+pogingen van den ondervrager om, binnen de grenzen der beleefdheid,
+maar een enkel maal met een zorgvuldig beraamde psychologische
+kunstgreep "het slachtoffer" in zijn baan te brengen, een element van
+spanning in deze opstellen uit. Overigens is de practische
+levenswijsheid, dat men altijd veel plaats moet laten voor het
+onvoorziene, voor "le grand imprévu", hier gaarne toegepast.
+
+Maar zelfs indien ik in sommige quaesties niet of slechts ten deele
+slaagde, zijn de verkregen antwoorden van meer belang dan men
+oppervlakkig lezend zou vermoeden. Een glimlach, een gebaar, het tempo
+waarin een kwinkslag wordt voorgedragen zeggen hier en daar meer dan
+woorden zouden zeggen. Dit is de tweede hoofdzaak die ik wilde
+toelichten en ik zal dit doen aan de hand van een concreet voorbeeld,
+dat het toeval mij in handen speelde.
+
+Louis Couperus, de meest on-Hollandsche Hollander die ooit bestaan
+heeft, naar men weet, had mij toegezegd, over mijn vragen van Florence,
+later van München uit, met mij te correspondeeren. Een "interview" per
+post, in de achttiende eeuw alledaagsch, in onzen tijd iets pikants. Ik
+legde hem, op zijn verzoek, mijn vragen voor. Ik geef 't toe, ze zijn
+niet malsch, en een overigens aller-charmantst beoordeelaar van mijn
+"Mannen van '80" heeft ze mij dan ook al cadeau gedaan, waarmede ik zeer
+was ingenomen. Couperus echter werd door ik weet niet welk on-Hollandsch
+spot-duiveltje gekitteld, en toen schreef hij mij een "Korte Arabeske",
+waaruit ik, met zijn toestemming, den lezer enkele brokjes zal toonen,
+nadat ik hem verwezen heb naar het portret met opdracht, aan het begin
+van dit boekje afgedrukt.
+
+"Het is maar goed dat u mij niet in München is komen bezoeken,--vergeef
+mij, zoo u dit onhoffelijk klinkt, want waarlijk, ik zou aan uw vele,
+successievelijk te beantwoorden vragen ergens door een geheime deur zijn
+ontsnapt! Toch wil ik u nu, per brief, wel het een en ander zeggen, ook
+al lijkt mij een categorische antwoordenlijst op uw vragenlijst wel van
+meet aan uitgesloten."
+
+Ik heb echter niet gezonden een "vragenlijst", maar een papier met
+eenige vragen er op, en een verzoek, dit te beschouwen als een leiddraad
+(het staat er nog eens met kapitale letters boven!)[2] Nog veel minder
+heb ik om een categorische antwoordenlijst gevraagd. Zelfs gezegd--ik
+ken u, o Couperus--dat ik met een antwoord op enkele vragen, of met
+korte aanduidingen al wat blij zou zijn. _Conclusie_: Overdreven
+zwaartillendheid waar het enkele streng-intellectueele formuleeringen
+geldt, echter door een kwinkslag bewimpeld.
+
+Dat was de opgaande krabbel, waarmee de arabesk begint. Nu volgt een
+kronkelende neerhaal:
+
+"Werkelijk, ik heb over de meeste dingen die u mij vraagt nooit
+nagedacht; eigenlijk denk ik nooit na en laat ik mij leven volgens mijn
+gevoelens, want ik geloof dat ik meer voel dan denk. Welnu, hoe zal ik
+dan hierover uitweiden? U vindt alles, wat misschien licht kan ontsteken
+over mijn persoonlijkheid, in mijn boeken, te meer omdat ik mij in die
+boeken eigenlijk geheel geef als ik ben en u dus, zoo u ze aandachtig
+leest, mijn eigen analyse daar vindt en dan in een kunstvoller en
+eigenaardiger wijze dan ik u nog zou kunnen geven, in brief of zelfs in
+interview.
+
+"Ik zou u dus willen verzoeken, zoo u over mij schrijven wilt, lees mij
+over, want ik ben ijdel genoeg te denken, dat u mij reeds gelezen
+heeft."
+
+_Conclusie_: Een zich laten drijven op gevoelens, als gewoonlijk
+slechts volgt op en de consequentie kan zijn van een mislukt trachten
+naar een wijsgeerige of psychologische levensbeschouwing. Tien tegen
+een, of de schrijver denkt, terwijl hij dit neerschrijft, reeds aan een
+definitieve wending in zijn levenslijn. En zoowaar, hier volgt nu de
+tweede ophaal van de arabesk, scherper, beslister, strakker dan de
+eerste:
+
+"En vindt u dat overlezen een "mer à boire", dan zou ik u willen raden,
+begin met te lezen mijn feuilletons in het "Vaderland"--reeds in enkele
+bundels uitgegeven--en zoek daarna in mijn romans den auteur die er zich
+toch zoo weinig verbergt. Ik ben overtuigd dat u mij vinden zult."
+
+De overgang "en vindt u dat overlezen een "mer à boire"" is onwezenlijk.
+Het komt aan op de onderscheiding, die hier gemaakt wordt, tusschen het
+oudere werk (hier aangeduid met het woordje "mij") en de feuilletons in
+"Het Vaderland", die hier en daar aan een doorloopend interview doen
+denken, en waar Couperus zich _rechtstreeks_ geeft, terwijl hij zich in
+de romans alleen maar "niet verbergt". _Conclusie_: Hier is inderdaad de
+wending in de levenslijn die wij voelden aankomen.
+
+En nu volgt de tweede neerhaal van de arabesk, een breed gelijnde boog,
+die aan den eersten neerhaal parallel en in een zachte krul, die het
+gehéel omslingert, verloopt.
+
+"Wanneer u dezen arbeid te zwaar vindt voor het doel, een studie over
+mij te schrijven ... wel, dan moet ik u antwoorden, dat wat ge van mij
+vergt nog veel zwaarder arbeid voor mij zou zijn en dat een antwoord op
+uw vragen mij wel mijn geheele overige leven zou kunnen bezighouden. U
+zult mij dus vergeven, dat ik u het werk opdraag, dat u mij zoudt
+willen opdragen, tevens overtuigd, dat, zoo u dien arbeid op u wilt
+nemen, veel eer tot uw doel zult geraken, het een en ander van mijn
+innerlijk en zelfs uiterlijk bestaan te weten te komen. En ik hoop
+hartelijk, dat u dit zeer ernstig bedoelde schrijven niet te veel als
+die eene geheime deur zult beschouwen."
+
+_Conclusie_: De schrijver komt min of meer terug op zijn eerste
+verklaring. Hij vindt dat hij mij wel heeft beantwoord. Hij laat zich
+ook niet zoo uitsluitend op zijn gevoelens drijven, want hij weet nu al,
+dat de beantwoording van mijn vragen--waarover hij niet zou hebben
+nagedacht--zijn heele overige leven zou kunnen vullen (niet vervullen
+natuurlijk)--zooveel verschieten openen zich hem, enkel bij de
+onderstelling dat hij er over zou gàan denken. Hij zou dan een zwaarder
+taak op zich laden dan de ondervrager zou doen, dien hij om zijn
+schijnbaar wat mathematische denkwijze lichtelijk in 't ootje neemt.
+Derhalve: Op het zoeken naar een levensleer is gevolgd een bewust en
+moedwillig geborneerd zich opsluiten in eigen kring, waarbij echter een
+ononderbroken "Begriffsdichtung" in de tòch bestaande behoefte aan een
+geestelijk steunsel komt voorzien.
+
+Had ik ongelijk, toen ik hier van een "Korte Arabeske" sprak? Is uit dit
+antwoord, dat, ik erken het, ik eerst mismoedigd in mijn la liet
+fladderen, niet veel te leeren dat bij lectuur van Couperus' werk als
+leid-hypothese zou kunnen dienen?
+
+Kortom, al heb ik sommigen, die ik hoogelijk waardeer, niet kunnen
+bereiken--maar waartoe die lijdensgeschiedenissen hier opgehaald?--al
+weet ik ook heel goed, dat nòg wel enkele persoonlijkheden, maar dan
+meer op zichzelf staande figuren, voor opname in deze verzameling zijn
+aan te wijzen (waar is 't eind'?)--wanneer men dit boekje leest in den
+geest, dien ik boven heb ontvouwd, dan zal men niet alleen nader komen
+tot vertegenwoordigers van de voornaamste richtingen, maar ook
+onopzettelijk overzicht erlangen van de geschiedenis onzer nieuwere
+literatuur.
+
+En ten slotte hoop ik dat de lezer met mij zal gevoelen en steeds beter
+zal gevoelen, dat de omgang met groote mannen en vrouwen, in zooverre
+als ze groot zijn, altijd vormend en bemoedigend werkt en niet zonder
+schâ kan worden ontbeerd. Het is dan ook mijn liefste wensch, dat mijn
+arbeid in handen moge komen van jongeren die in het leven hoûvast
+zoeken.
+
+D'OLIVEIRA.
+
+Hilversum, Oudejaarsavond 1913.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[1] De heer Heijermans heeft mij wèl te woord gestaan, maar toen een
+eerste fragment van het interview in "Den Gulden Winckel" was
+verschenen, uitte hij aan mijn adres eenige beschuldigingen, die mijn
+roep van ernstig onderzoeker en getrouw weergever te na kwamen. Een
+vriendelijk voorstel om over deze beschuldigingen het oordeel van een
+scheidsgerecht uit te lokken, beantwoordde hij met een epistel dat in
+cynische onheuschheid zijn wêerga zoekt. Hoewel H's klachten door den
+heer Simons zijn onderzocht en ongegrond bevonden, druk ik het interview
+niet af: 1° om te toonen dat ik geen kwade bedoelingen had; 2° omdat ik
+mijn boek, dat een hoog cultureel doel nastreeft, niet wil blootstellen
+aan verdere merkwaardigheden van den heer H., die weliswaar eventueel
+slechts op één hoofdstuk gemunt zouden zijn, maar onvermijdelijk het
+geheel zouden treffen.--De Ver. v. Letterk. heeft de zaak in handen.--
+
+[2] Woordelijk hetzelfde stuk werd gezonden aan Carel Scharten. En wat
+zegt deze in den aanhef van zijn brief?
+
+
+
+
+JOHAN DE MEESTER
+
+[Illustratie: JOHAN DE MEESTER naar een krijtteekening van zijne
+dochter, Annie de Meester]
+
+
+(* 6 FEB. 1860)
+
+Hij is nu heelemaal niet zoo als ik hem mij had voorgesteld: Niet zwaar
+in zijn bewegingen, niet provinciaal in zijn kleeren, niet melancholiek,
+niet stroef. Het is een genot bij hem gast te zijn. Zijn Médoc wordt
+geuriger door de vriendelijkheid waarmede hij ze aanbiedt en de
+kwistigheid waarmede hij ze zelf geniet, en men kan zijn Henry Clay's
+niet weigeren, al rookt hij niet mee, want voordat ge dit laatste hebt
+begrepen, is hij, rad sprekend en druk gesticuleerend, al aan de pointe
+van een interessante gebeurtenis uit zijn rijke ondervinding. Hij is een
+geroutineerd gastheer, hij geeft onweêrstaanbaar leiding aan het
+gesprek. Ik ben gekomen om te luisteren en hij brengt me aan het praten
+over mijn beroepsbezigheden, over congressen die ik heb bijgewoond. Hij
+is in de conversatie nooit onverschillig toehoorder. Hij volgt mij zéér
+oplettend, en zijn vragen, langzaam, aarzelend begonnen,--dan eensklaps
+uitloopend in een meesleependen woordenvloed, kerven als het ware in het
+onderwerp, totdat zij het leven er van raken. Zijn stemgeluid doet niet
+aangenaam aan. Men merkt op, dat hij scherp, heesch spreekt, zich nu en
+dan al sprekend overspant, afbreekt met een droge kuch, een flinken
+slok drinkt om zijn keel los te maken. Maar men vergeet dit al spoedig,
+omdat men vol aandacht is voor het merkwaardige verschijnsel, dat hij in
+Hollandsche woorden Fransch spreekt, haastig, haastig, een gedachte
+omspelend met drie, vier zinnetjes die het maar zoo ongeveer doen, dan
+plots zich bedenkend en het buitengewoon nauwkeurig zeggend, met een
+Hollandsche _Derbheit_, die mij bijna te machtig zou worden, als ik er
+niet in voelde een aansturen op niets sparende oprechtheid. Hij denkt
+snel, hij denkt buitengewoon levendig, en als hij één gedachte uit laat,
+worden de andere ideeën, weer door nieuwe volgsters opgedrongen,
+ongeduldig, en hij komt krachten te kort om ze te formuleeren, zoo
+levendig en roerig als hij ze voelt. Dan neemt hij zijn toevlucht tot
+stopwoordjes: "Vreeselijk--heel erg--zoo verschrikkelijk," waarop hij
+langdurig steunt en drukt, om dán met een zétje over te springen op het
+woord dat hij eigenlijk bedoelt en dat daardoor in het spreken een
+ongewoon relief krijgt. Het kost hem moeite zich los te maken van een
+gedachtengang, die hem eenmaal heeft geboeid en ondanks zijn
+converseertalent kan een onderhoud met hem niet verloopen als een spel
+van korte vragen en vlotte, kernachtige antwoorden. Het deelt zich in
+enkele groote vakken in, zware, uitbundig daarheen geworpen
+woorden-massaas, door voorzichtige vraagjes van mij onderbroken.
+
+Nadat hij mij had gedwongen minstens een half uur over mij zelf te
+spreken, een opzettelijke bescheidenheid van 'm, die mij echter menigen
+zweetdroppel gekost heeft, omdat ik vreesde nooit tot het onderwerp te
+zullen komen, verloste hij me uit de onzekerheid, door mij voor te gaan
+naar zijn kamer: "waar u dat lampje van Betlehem ziet branden". Maar
+zelfs dáár moest ik ten slotte hem met geweld de leiding ontnemen. Zijn
+zoon bracht hem toen "wat hij hem gezegd had" en dat bleek een flesch
+roode wijn te zijn. En bij die gelegenheid nam ik het besluit, niet te
+dulden dat er nu zou worden gesproken over wijnsoorten--alcohol--
+geheelonthouding--en dan verder in die richting, en vroeg hem zonder
+inleiding, onder welke levensomstandigheden hij was begonnen met
+schrijven en of hij zich daarmede een bepaald doel had gesteld.
+
+Ja kijk, begon hij, ik heb niets van een dichter; ik ben een kerel die
+voor een dichter wil knielen, maar hetgeen er toen in mij gebeurde kunt
+u het best vergelijken met de wijze waarop het gedicht uit den dichter
+zou voortkomen: Ik kreeg behoefte om rekenschap te geven van wat mij was
+wedervaren, en dat heb ik vreeselijk jong gehad. Ik heb hier nog o.a.
+staan een ding met verzen, die ik gemaakt heb zoo tusschen mijn
+dertiende en vijftiende jaar, met Van Rappard, een vriend van mij, die
+jong gestorven is. Het beteekent natuurlijk niets, maar toen zat al in
+mij de behoefte om wat ik doorleefde uit te zeggen.
+
+Dat zit ook zoo'n beetje in verband met de behoefte aan eenzaamheid die
+ik altijd gehad heb. Die Rappard was mijn eenige vriend in het groote
+dorp, waar we toen woonden. We zijn vrienden gebleven tot aan zijn dood.
+Hij was ook eenzaamachtig, net als ik, en we zaten maar altijd samen in
+zijn roeiboot.
+
+In mijn kindschheid woonde ik in Harderwijk, waar mijn vader
+burgemeester was. We hadden er een heel groot huis; daar behoeft men in
+zoo'n stadje niet rijk voor te zijn. Het kamertje waar ik het liefste
+zat was het zoogenaamde knechtskamertje op de zolder. Daar had vroeger
+zeker een knecht gewoond. En ik stelde me voor, ik was nog een heel
+klein kind, dat ik daar op dien eenzamen zolder later _mijn_
+huishoudentje zou hebben! Later heb ik vreeselijk gedwéépt met Robinson
+Crusoe, maar wat ik eigenlijk nooit kon begrijpen was dat men hem zoo te
+beklagen vond. Ik vond hem veeleer te benijden--zoo lekker alleen op dat
+prettige eiland.
+
+Wanneer je dat in je hebt, dan kom je er vanzelf toe, je altijd
+rekenschap te geven van wat je wedervaart, en dat is _au fond_ mijn
+schrijven geweest. Ik geloof dat het bij een dichter net zoo gaat ...
+niet dat ik zeg dat ik een dichter ben ... ik heb veel te veel bewondering
+voor een dichter.... Het is dus het overdenken van wat je in je hebt en
+dat opschrijven.
+
+Tusschen 1875 en '77, toen ik 16 jaar was, woonden we in Wageningen.
+Mijn moeder was erg orthodox en ik ben als kind ook vroom geweest, en
+nog op mijn dertiende jaar heb ik geld ingezameld voor de zending. Ik
+was toen als externe op een Christelijke school, waar ik het onderwijs
+wat was ontgroeid en privaatlessen kreeg. Ook had ik toen veel vrij en
+maakte groote wandelingen met een kennis die vijf jaar ouder was. Je
+kunt nergens in ons land zulke verschillende wandelingen maken als daar:
+De eene keer heb je de hei en de heuvels met mooie vergezichten en de
+andere keer weer de vruchtbare en vlakke Betuwe. Daar ben ik toen
+serieus gaan hopen dat ik een dichter zou worden.
+
+Het was op een ochtend in den voorzomer en ik zat alleen op een heuvel
+bij Veenendaal. Aan de Grebbe had ik een jongen man bezig gezien, naakt
+tot aan den gordel, zich de borst te wasschen in een emmer koud water.
+Ik had nog al eens last gehad van mijn borst en ik was jaloersch op die
+kerel. Maar in dat heerlijke lenteweer--zooals we nu ook weer hebben--ga
+je je sterker en gezonder voelen, en ik kreeg hoop, dat ik ook eens een
+flinke kerel zou worden.
+
+Ik was namelijk een jongen, die overal bang voor was, en ik deed bijv.
+heelemaal niet aan sport. Maar toen kreeg ik een gevoel: Jesis, je
+ontgroeit het! En ik zie nog altijd voor me dat aanteekenboekje, waarin
+ik toen neergeschreven heb die stemming van geluk, van daar op die mooie
+hei te zitten. Ik heb altijd veel gehouden van natuur met heuvels, in
+dat opzicht ben ik een echte Geldersman gebleven, en ik ging toen een
+soort symboliek maken van dat vergezicht in verband met mijn eigen hoop
+op de toekomst.
+
+In dat jaar werd ik door mijn vriend uitgenoodigd een reis te maken door
+het Schwarzwald, een voetreis die wel zes weken geduurd heeft. Hij zou
+schilder worden en maakte een reisboek met teekeningen. Ik beschreef
+thuis mijn reis zonder teekeningen, maar met verzen, en dat werden acht
+schoolschriften in klad, een lang verhaal, met erg veel citaten, zooals
+je dat op dien leeftijd doet.
+
+Op mijn zeventiende jaar zijn we verhuisd naar Voorst bij Zutphen en
+toen ben ik gekomen bij de registratie. Dat was iets ontzettends voor
+me, maar aan den anderen kant wist ik hoe vreeselijk het zou zijn als
+ik niet doorging. Ik ben uit een ambtenaren-familie, mijn vader en
+grootvader waren burgemeester, een oom van me is notaris, mijn broer was
+minister. In zulk een omgeving leer je zekere eischen van _comfort_ en
+_social standing_ stellen, die je niet gemakkelijk opgeeft. En dan:--ik
+leefde alleen met mijn moeder en zuster, in een aardig huisje met een
+mooi strooien dak (later heb ik mij menigmaal voorgesteld dat ik mij
+daarin zou vestigen). Mijn vader was vroeg overleden en we moesten
+rondkomen van een f 1200 à f 1400. Mijn studie had al veel gekost aan
+lessen en dergelijke dingen meer, en ik moest doorzetten, al voelde ik
+er niets voor.
+
+Om mij zelf eenigszins schadeloos te stellen, heb ik er toen dit op
+gevonden, dat ik wel zou doorwerken, maar intusschen zou schrijven ook.
+Ik heb toen een klein bundeltje schetsjes gemaakt: "Kleingoed", waarin
+ik mij braaf accuraat had toegelegd op een keurigen vorm, _enfin_ iets
+van Potgieter er in, die ik toen druk had gelezen, keurige zinnetjes,
+maar een beetje luchtiger en leniger dan Potgieter--zoo ver was ik toen
+al. Ik was 's middags zoo tevreden als ik na kantoortijd weer in de
+spoor zat naar Voorst. Maar ik had een uur te wachten aan den trein, en
+daar ontmoette ik iemand die aan de _Zutphensche Courant_ was en mij van
+zijn baantje vertelde. En een poosje later kreeg mijn moeder de
+schrikbarende mededeeling, dat ik gesolliciteerd had aan een krant en
+van de registratie af wilde. Toen was de man die mij geestelijk steunde
+die Van Rappard. Hij schreef mij onmiddellijk. Hij was jonkheer ridder
+Van Rappard en zijn vader vond wel goed dat hij schilder werd, maar
+onder de kennissen vonden natuurlijk velen het een groot bezwaar, dat
+een jonkheer artiest zou worden. En hij schreef mij: Ik ben er 50% op
+achteruitgegaan, maar jij zult er 80% op achteruitgaan,--ofschoon je
+niet van adel bent. Er was toen nog heelemaal geen sprake van, dat je
+schrijver kon worden zonder een baantje te hebben. Later heb ik mij
+afgevraagd of het niet beter was geweest, bij de registratie te blijven,
+om vier uur Harer Majesteits kantoor te sluiten en dan voor me zelf aan
+het werk te gaan.
+
+Toen ben ik al spoedig in Amsterdam gekomen, aan de "Amsterdammer" van
+De Koo, en ik viel er dadelijk in een milieu van menschen van
+beteekenis, (onder wie ook Van Deyssel) waardoor ik voelde wat er aan
+mijn heele vorming ontbrak. Ik ontmoette tijdgenooten, niet alleen van
+véél meer talent, maar ook veel rijper in levensbegrip. Ik leerde toen
+ook Tak kennen die was vreeselijk aardig voor me. Hij was mijn chef en
+ik zei "Meneer" tegen hem, maar als 's nachts de krant klaar was, nam
+hij mij dikwijls mee naar zijn kamer, waar we dan een toddey dronken.
+Hij was een idealistisch en vreeselijk ... innig-gemoedelijk man. Ik
+herinner me nog, hij had een portret boven zijn schrijftafel, van een
+nichtje van hem, en hij barstte op een morgen in tranen uit toen hij
+over dat kind sprak. Om die sentimentaliteit van hem hield ik van hem
+als van een ideëelen ouderen broer. Als ik om twaalf uur met een looden
+kop op de krant kwam, dan had Tak zijn haren al gewasschen en zat weer
+lustig te werken. Hij was zeer sterk en ik zwak, en toen ging ik voelen
+de ellende van de onvrijheid door gemis aan fortuin. Dat gevoel ben ik
+in de laatste jaren wat kwijt geraakt. Bij mijn huwelijk heeft sterk
+gegolden het feit, dat mijn meisje aanleg dacht te hebben voor
+schilderes en zei: Geen huishouden!--Ik dacht, dat gaat gemakkelijk: Jij
+maakt schilderijen en ik schrijf, en zoo hebben wij geen zorg voor het
+huishouden. Maar het is anders geloopen.--Ik geloof niet dat ik anders
+den moed zou hebben gehad een huishouden te beginnen op de journalistiek,
+waar ik steeds voelde: vrees voor het maatschappelijk leven. Ik ben
+vreeselijk gauw op mijn teenen getrapt en den omgang met menschen heb ik
+steeds gevoeld als iets dat meer zorgen gaf dan genot. Dat is wel niet
+socialistisch, maar ik heb mij ook nooit voor een socialist uitgegeven.
+Ik heb altijd geleden onder den druk van te moeten omgaan, nu eens met
+die en dan weer met die--zooals een krantenman dat doen moet. Ik had heel
+zwaar werk, veel werk, en ik herinner mij uit de Amsterdamsche jaren, dat
+een vriend toen tegen me zei: "Kerel, sjouw jij zoo zwaar, of ben je
+verliefd?" Want ik zag er zoo slecht uit. Maar dat kwam van het 's nachts
+opzitten. Als verslaggever aan de oppositie-krant had ik het hard te
+verantwoorden en ik wilde weg. De Koo begreep dat niet: Hij bood mij meer
+geld aan en het tooneel, maar het was de kwestie, dat ik geen verslaggever
+verkoos te blijven en Holland uit wou.
+
+Toen heeft mijn vriend Enklaar, met wien ik samenwoonde, die zelf aan het
+Buitenland van het "Handelsblad" werkte en mijn angsten en ergernisjes
+zoo gauw begreep, mij in relatie gebracht met Charles Boissevain. En voor
+het "Handelsblad" mocht ik naar Parijs. Daar ben ik dan vijf jaar geweest,
+en ik begon me meer en meer te voelen als de _entretenu_ van Boissevain....
+Ik blijf hem altijd dankbaar voor het baantje, maar ... het had zijn
+bezwaren. Ik wist dat ik altijd in een bepaalden geest moest schrijven.
+En in dien tijd begon ik Parijs onder een hoe langer hoe cynischer wordend
+algemeen levensinzicht te bekijken. Ik had een zekere satanische vreugde
+aan die opvatting van Parijs--maar ik had ook veel tijd om mij in de
+literatuur te verdiepen en om musea en tentoonstellingen na te loopen,
+waar ik veel om gaf. Ik moest altijd vroolijke en opgewekte stukjes voor
+het "Handelsblad" schrijven, zooiets als Van Maurik. Het was een hoogst
+oppervlakkig werk. Maar u begrijpt, ik deed het als broodwerk, met het
+vaste voornemen ermede op te houden, als die oom in Australië van me, me
+eens een half millioen naliet, zooals u uw broodwerk, hoeveel plezier u er
+ook in hebt, zoudt laten varen als die rijke oom van u in Australië eens
+kwam te sterven.
+
+Maar in dien tijd zag ik in het "Handelsblad" langzamerhand komen
+uitingen over een kunst, die in ons land aan het ontstaan was, en
+waarbij namen werden genoemd van goede kennissen van me, o.a. van Van
+Deyssel, ook van menschen, die ik slechts uit hun werk kende en voor wie
+ik sympathie voelde. Een daarvan was Couperus. En toen bracht het
+"Handelsblad" het protest van Den Hertog, den paedagoog, tegen het
+fatalisme in de werken van Couperus. Daar kon ik toch niet blijven! En
+toen er open kwam een baantje aan de "Nieuwe Rotterdammer" heb ik, voor
+een kwart in het besef dat ik het aan het "Handelsblad" niet kon
+uithouden, en overigens om met mijn vrouw en het kind dat ons geboren
+was naar Holland te gaan--zij kon in Parijs niet aarden--heb ik het
+"Handelsblad" verlaten.
+
+En een van de eerste dingen, die mij toen gebeurden, was, dat ik had
+geschreven zesentwintig blaadjes copy over en grootendeels tegen "Een
+Passie" van Vosmaer de Spie, en toen ik er mede binnen kwam bij mijn
+chef, scheurde hij die zesentwintig blaadjes meteen doormidden. Een
+tweeden keer was op de beurs een algemeen gelach opgegaan over een
+verslag van mij, dat in de krant had gestaan, over Toorop, wiens werk ik
+mooi had durven vinden. Dat was toch wel al te gek!--Maar in latere
+jaren zijn hier tentoonstellingen gehouden van Toorop, die met grooten
+eerbied door het publiek zijn behandeld. Het is een énorme satisfactie
+voor mij, te zien hoe de geest ook hier is veranderd, allicht ook een
+beetje dank zij de krant.
+
+Maar toen heb ik ook hoe langer hoe meer vrijheid gekregen. Ik ben geen
+vent om journalist te wezen. Ik houd van de eenzaamheid buiten. Maar ik
+blijf de krant heel dankbaar, dat hij me vrij heeft gelaten. De vroegere
+hoofdredacteur, Dr. Zaaijer, heeft mij herhaaldelijk heerlijk verdedigd,
+ook tegen aandeelhouders, en daardoor heb ik iets in het publiek kunnen
+doen voor de moderne kunst. Dat is een groote satisfactie voor me
+geweest. Nadat ik er een poos mee bezig was, is het "Handelsblad" ook
+begonnen. Maar toen ik aan de "Rotterdammer" kwam, was er geen sprake
+van, dat Boissevain dat zou gedoogen. Ik geloof dat ik de eerste
+journalist ben, die voor de nieuwe literatuur en de nieuwe kunst in de
+journalistiek iets heeft kunnen doen--afgezien van wat door anderen is
+gedaan in het weekblad "De Amsterdammer", hoewel Van Maurik daar toen in
+de hoofdredactie zat en de jongeren vaak den voet dwars zette.
+
+Toch heb ik in Rotterdam heel moeilijke jaren gehad en van dat zware
+leven heb ik nogal wat uitgesproken in een bundel verhalen: "Het Leed
+van den Hartstocht" en ook in "Zeven Vertellingen". Ik woonde toen in
+een huis, dat ik ook in "Geertje" beschrijf, en als ik 's nachts van de
+krant thuis kwam en nauwelijks was ingeslapen, kwam mijn achterbuurman,
+die schipper was, naar huis, en klotste mij met zijn klompen wakker.
+
+Langzamerhand, nu mijn kinderen groot zijn, ben ik gaan berusten in het
+leven en ik hoop van berusting tot Levens-Bejahung te komen. Ik hoop dan
+nog eens een boek te schrijven, dat zal heeten "Du Sollst"--daar heb ik
+al heel lang plannen voor.
+
+Maar mijn boeken van vroeger, en dat is, geloof ik, een zuiver antwoord
+op uw vraag--zijn een uiting van het levensinzicht, dat mij deed zeggen:
+"God, God, moeten er nu nog kindertjes komen?" en dat mij die heele
+procreatie-drang deed voelen als leed.
+
+--Mijn gastheer kuchte droog en nam een grooten slok wijn. Ik dankte hem
+voor deze oprechte en uitvoerige beantwoording en vroeg hem nu, wat hem
+dan noopte, dit levensinzicht op deze wijze te uiten.
+
+--Ik uitte dat omdat ... ik dacht er niet bij aan anderen, gelijk een
+dichter die liefdes-sonnetten maakt denkt aan zijn meisje. Neen, ook
+niet in den zin van wraak willen nemen. Maar ieder mensch heeft in zich
+de behoefte aan uiting. Je wilt je kracht gebruiken. Door te schrijven
+verminder ik mijn leed. U hebt dat ook wel eens in uw werk ondervonden:
+Een burger, die verduiveld nijdig is om een besluit van den
+gemeenteraad, ontlast zijn toorn door een stuk in de krant te schrijven,
+dat mijnheer A of B zoo verduiveld leelijk heeft gesproken.--In het
+begin wilde ik eenvoudig exploiteeren mijn begaafdheid als
+verteller--maar "De Zonde in het Deftige Dorp" is een boek, waarin ik
+uit mijn wrok over het schijn-fatsoen van de Hollandsche aristocratie en
+zoo wat. Het is wel degelijk een boek.... Robbers heeft het genoemd "een
+boek van haat", en dat is beslist onjuist, maar Coenen heeft het juister
+gekenschetst in "De Amsterdammer" toen hij zei: Je moet een heel eind
+boven je levenshaat geklommen zijn, om er zoo uit de hoogte op te kunnen
+kijken. Dat is de geestelijke groei in mij, dat ik aan dergelijke
+gevoelens van haat ontstijg, door de dingen uit de hoogte te bekijken.
+Het "Leed van den Hartstocht" beziet de dingen van dichtbij. Dat is een
+pijn, die ik vandaag voel, opgeschreven zooals hij is. Maar "Het Deftige
+Dorp"--dat is de wêerzin die ik heb, van mijn vijftiende jaar, en die
+nog bestaat, tegen de Hollandsche aristocratie--maar dan bewerkt tot
+een soort spotlach uit de hoogte. En als u mij nu vraagt: Wat drong je
+tot schrijven? dan zeg ik: De behoefte van dien man van het ingezonden
+stuk. Er is dus niet geweest bij mij ooit--ik heb vreeselijken eerbied
+voor "De Nieuwe Gids", maar in dat opzicht sta ik dichter bij Heijermans
+en vooral bij Coenen--louter schoonheidsverlangen. Er was bij mij meer
+menschgevoel dan schoonheidsverlangen. Mij is het vooral te doen om
+menschelijkheid en levensbegrip, levensgewaarwording. Ik wilde mijn
+levensgewaarwordingen opschrijven om ze te kristalliseeren tot een zeker
+begrip. En je bent schrijver om dat te doen in de presentie van de
+wezens die je je lezers noemt.
+
+--Of ik dan mocht zeggen, dat hij schrijft om zijn lezers in te
+lichten?
+
+Maar hij stond driftig op en ging heen en weer loopen in zijn kamer. En
+met zijn bewegelijke handen gebaren makend, alsof hij uit de lucht
+muggen pakte en die met al zijn vingers tegen zijn palmen dooddrukte,
+barstte hij los:
+
+--Neen, neen, o neen! Ik ben heelemaal niet paedagogisch. God neen! Maar
+er is iets anders. Ik weet nog dat ik in Parijs eens opgeschreven heb:
+Als ieder mensch eens heel oprecht zichzelf neerschreef, dan zou je
+daardoor krijgen zuiver levensbegrip. Als alle menschen zich gaven, zoo
+zuiver als ik mij heb gegeven--in mijn boeken--dan stel ik mij voor
+--dat de menschen er uit konden leeren. Maar als ik schrijf--dan ben
+ik niet de onderwijzer--maar de man die het openhartig zegt. Ik hecht
+vreeselijk aan oprechtheid en openhartigheid. Toen ik mijn meisje pas
+gevraagd had, was net klaar mijn eerste groote boek "Een Huwelijk". Toen
+zei ik: "Hier heb je een boek, en daar vind je mij zelf in". Dat heeft
+een deplorabelen indruk gemaakt. Ze vond die mijnheer in dat boek iets
+verschrikkelijks. Ze vond dat heelemaal geen kunstwerk. Mijn vrouw is
+een echte idealiste. Een en al schoonheidsverlangen. En het deed mij
+vreeselijk plezier toen het boek is opgekamd door Van Deijssel, in "De
+Nieuwe Gids" en "De Amsterdammer". Doch dat maakte alleen indruk op haar
+hersens. Voor haar eigen gevoel was dat boek _profondément antipathique_.
+--Die mijnheer Frans Koene uit dat boek (de echte Frans Coenen en ik
+hebben daar dikwijls om gelachen) daar zit erg veel van me zelf in....
+Is er misschien een ijdelheid in, dat je met je indrukken te koop loopt,
+zooals een coquette vrouw met haar snoet? Het is moeilijk te zeggen. Ik
+weet het niet. Maar aanvankelijk was dat bij mij heelemaal niet het geval.
+Toen ik die versjes maakte in Veenendaal, was het niet om te publiceeren,
+maar om op papier te zien wat er in me omging. Dat is de oorsprong van
+alle schrijven.
+
+En het groote verschil, waardoor ik buiten de "Nieuwe Gids"-beweging sta
+en pas aansluiting heb gevonden bij Emants onder de ouderen, en bij
+Coenen, dat is juist dat het ons te doen was om menschelijkheid en
+levensbegrip--alle talenten-kwestie buiten rekening gelaten--terwijl die
+anderen, die vol levensliefde zaten, kwamen met schoonheid. Je zou het
+kunnen vergelijken: den een met bidden en den ander met vloeken. Een
+levens-verneinend mensch vloekt, een levens-bejahend mensch bidt. Nu is
+mijn levensproces dit, dat ik door het geluk dat ik vind in mijn gezin,
+ook doordat ik rijper ben geworden, ben gekomen tot een levensberusting
+--die echter nooit zegt: Wat is het leven heerlijk. Er is een groote
+behoefte aan liefde in mij, en het boek dat ik met zeer besliste opzet
+aan mijn vrouw heb opgedragen, dat is "Geertje", dat men een levens-
+bejahend boek heeft genoemd,--dat is ook het eerste boek geweest, waarmee
+ik succes heb gehad....
+
+--Toen kwam de vraag bij mij op, of hij dan niet aan zijn indrukken iets
+toe deed? Maar hij begreep dat niet aanstonds zoo als ik het bedoelde.
+
+--Dat is verschillend, antwoordde hij. In verschillende tijdperken en
+verschillende werken is dat verschillend.
+
+_Geertje_ bijv. is van huis uit dit: We hebben eens gehad een dienstmeid
+en ik wist wel dat die dienstmeid, voordat ze bij ons kwam, heeft gehad
+de narigheid die het fundament is geworden van mijn roman. Op een avond,
+toen ik met mijn vrouw wandelde, het was bij het ziekenhuis hier,
+vertelde ze me dat en gaf me meer détails en zei: Nu weet je precies
+hoe het met haar geloopen is, en ik riep: Godallemachtig, daar zit een
+prachtige roman in--zooals ik vanmiddag, toen u me van uw gemeenteraden
+vertelde, heb geroepen: Daar zit een prachtig stuk copy in!--Dat mensch
+is korten tijd daarna van ons weggegaan, omdat ze teringachtig is
+geworden.
+
+Waarom trok me dat nu zoo aan? Omdat ik in oude ontwerpen van verhalen,
+die dateeren uit mijn vroegsten tijd, twee had gevonden, waarvan het
+eene nooit uitgewerkt is en het andere als het ware is een omgewerkte
+Geertje. Een meisje uit den burgerstand, dat een soort van held ziet in
+iemand die maatschappelijk boven haar staat, en zich heelemaal voor dien
+man weggooit. Dat heldhaftige er in, dat wilde ik weergeven. Ik heb in
+een aantal détails, op het slot na, de werkelijkheid trouw gevolgd. En
+nu is het bezwaar dat men tegen "Geertje" had dit, dat ze door dat
+uitpluizen van haar sensaties te weinig dienstmeid is gebleven. Ik heb
+me dan ook later afgevraagd, of ik niet beter had gedaan, haar een
+kinderjuffrouw te maken uit een beetje hoogeren kring.... U ziet dus,
+dat in dat boek de werkelijkheid de grondslag is. En meestal is dat bij
+mij zoo geweest. De schetsen uit "Zeven Vertellingen" en "Het Leed van
+den Hartstocht" zijn wel verzonnen, maar toch uit toestanden die ik had
+ervaren, of ergens had gelezen. Een schets uit de "Zeven Vertellingen"
+is "De Klompjes", een verhaal dat ik in de "Oprechte Haarlemmer Courant"
+had gelezen--dat dus wel waar zal zijn!--als gebeurd met kinderen in de
+buurt van Berlijn. En toen heeft aan den eenen kant mijn groot medelijden
+met de menschen in het algemeen en de kinderen in het bijzonder en aan
+den anderen kant mijn drang om over de aantrekkingskracht van den Dood te
+schrijven mij doen zeggen: Daar zit een mooi verhaal in. Kijk, het is mij
+er met mijn schrijven om te doen, mede te deelen mijn conclusies over wat
+ik van het leven heb ervaren. Ik moet dus beginnen met te hebben
+levenservaring en nu ga ik die analyseeren, onder het microscoop bekijken.
+En nu valt er een heel persoonlijk licht op, dat spreekt van zelf, maar de
+grondslag is eenvoudig: De uitwerking van een geval dat ik heb waargenomen
+of vernomen. En nu heb ik de menschen zooveel mogelijk andere neuzen of
+baarden gegeven en andere jassen aangetrokken, maar ik heb, om tot het
+deftige dorp terug te keeren, van uit de hoogte willen behandelen
+Nederlandsche fatsoens- en vroomheidsopvattingen (die in onzen
+tegenwoordigen tijd weer zoo aardig aan het werk zijn) en ik heb daarvoor
+genomen toestanden die hebben bestaan. Ik zoek dus naar dingen die
+aansluiten bij mijn persoonlijke gevoelens.
+
+--Zoodat u volstrekt niet behoort bij hen, die ieder stuk werkelijkheid,
+onverschillig welk, voldoende vinden om er over te schrijven of om het
+te beschrijven?
+
+--O neen, dat kan ik niet, dan komt er niets van terecht. Op het fond
+ligt altijd wat ook in den lyrischen dichter zit, mijn persoonlijk
+gevoel. De aangedragen dingen kunnen hoogstens dienen ter illustratie
+van dat persoonlijk gevoel. Wanneer later van mij dat boek zal zijn
+verschenen, waarbij de menschen zullen spreken van optimisme, dan zal
+dat wezen omdat ik werkelijk door levenservaring en door de indrukken
+die teederheden op mij gemaakt hebben, ben gaan voelen de schatten
+helderheid die er zitten in de gezinsliefde, en daardoor meer optimist
+geworden ben, of althans een man van levensberusting. Ja--berusting--dat
+is eigenlijk het goede woord. "Het Leed" is hier in deze zelfde kamer,
+aan deze zelfde tafel geschreven, maar als het morgen een broertje
+krijgt, dan zal dat een heel anderen geest hebben. Ik zoek dus mijn
+onderwerpen, kleine verhalen en groote werken, zoodanig, dat mijn
+levensinzicht er zich in kan uiten.
+
+--Een realist bent u dus in de opvatting van uw onderwerp nooit geweest?
+
+--Neen.
+
+--Maar nu wat de uitwerking betreft?
+
+--Ja, bij de uitwerking wel. Ik tracht om zoo te zeggen verantwoording
+af te leggen, tegenover den lezer, van de ervaringen die ik in het leven
+heb opgedaan. Dus moet ik het leven zoo zuiver mogelijk mededeelen. En
+hoe kan ik dat anders doen dan realistisch? Maar nu is het verschil
+tusschen het realisme en mij, dat het realisme de ervaring van zichzelf
+weglaat. Wanneer u mij vertelt van uw gemeenteraden, dan kan een zuivere
+realist een schets maken van zoo'n raadzaal, maar ik zal geven de
+ervaring die ik heb van zoo'n raadzaal.
+
+--Maar U deelt die ervaring, of liever dat inzicht, niet afzonderlijk
+mee.
+
+--Natuurlijk niet. Wanneer ik dat deed, zou ik een slecht auteur
+zijn--(hier kon ik een beweging van tegenspraak niet weerhouden)--ja,
+want dan maak je tendenz-boeken. Maar ik zit zelf heel sterk in
+"Geertje"....
+
+Hij stond weer vlak voor mij en maakte met zijn handpalmen die
+eigenaardige grijpbewegingen....
+
+--Ik geef sterk in "Geertje" weer--mijn heel persoonlijke illusies--De
+Meesters illusies--van vrouwenliefde. Dat is het subjectieve in het
+boek. En het is voor mijn gevoel het werk van de critiek, uit te maken
+in hoeverre ik, bij dat subjectieve, zuiver heb weten te houden de
+teekening van de figuren. Dat laatste is natuurlijk de kunst. Van
+Deijssel heeft naar aanleiding van "Geertje" geschreven: De Meester is
+in onze generatie de man die hart in zijn werk legt.--Toen mijn vrouw
+mij vertelde van die dienstmeid--toen zei ik dadelijk: Dat mensen
+voldoet aan de verlangens, die ik als jongen van achttien jaar had van
+vrouwenliefde. Nu kwam de werkelijkheid vóor mij te staan en gaf mij
+zoo'n ideale figuur te aanschouwen. Ik had maar te copiëeren--maar ik
+deed het met de vreugde van iemand die heeft gevonden zijn ideaal.... Ik
+kan u dit misschien nog duidelijker maken door u te zeggen, dat mijn
+lievelings-auteurs ook menschen waren die als het ware geestelijk
+werkten. Vòor mijn vijftiende jaar al Multatuli, en daarna nog veel meer
+Rousseau. Dat zijn geen zuivere vertellers en geen zuivere
+schoonheidsmenschen. Dat zijn menschen die steeds hun inzicht in het
+leven geven. Daarna ben ik komen te lezen pessimistische literatuur, die
+aan mijn levensinzicht beantwoordde. Het is altijd geweest: mijn
+philosophie ... of neen, ik heb niets van een wetenschappelijk man ...
+mijn levensoverpeinzingen een vorm te geven door er vertellingen van te
+maken ... dàt is mijn eigenlijk werk.
+
+--En vindt u niet, dat onze literatuur juist den anderen kant uitgaat?
+
+--Neen, ik zou juist zeggen, dat er in den laatsten tijd stroomingen
+komen, die veel meer dien kant uit gaan. Scharten heeft naar aanleiding
+van "Geertje" o.a. dit geschreven, dat de romanliteratuur in de toekomst
+zoo zal zijn, dat er een soort van romantiek gaat door het realisme. Ik
+geloof dat de menschen bij ons hoe langer hoe meer, o.a. ook geleerd
+door uw vriend Goethe, komen tot het weer terug willen hebben van het
+Levensinzicht als basis van alle literaire kunst.
+
+En als ik iets als onbelangrijk voel--als een ding dat me niet
+interesseert--dan is 't het realisme, dat aan de loutere beschrijving
+zonder meer van een brok werkelijkheid z'n volle kracht geeft. Dat zou
+ik nooit kunnen doen.
+
+Vandaar dat mij terecht zoo vaak is verweten dat in mijn boeken de
+plastiek schraal was. Die heeft mij altijd weinig geïnteresseerd. Om u
+een voorbeeld te geven. Een figuur van wie ik altijd ontzettend veel
+gehouden heb is geweest mevrouw Bosboom-Toussaint. Ik heb gedweept met
+haar "Huis Lauernesse". Maar nu weet u wel, er zijn in het begin een
+zestal pagina's waar het kasteel wordt beschreven. En tot op den
+huidigen dag heb ik die niet kunnen lezen, terwijl ik het heele boek wel
+twintig maal gelezen heb!... Ik weet geloof ik wat u vragen wilt.
+Wanneer u in mijn huis een zeker streven naar schoonheid opmerkt,--o,
+niets bijzonders,--maar een zeker pogen om door een beeldje hier en een
+kleedje daar wat schoonheid te brengen, dan komt dat, doordat mijn vrouw
+die in mijn leven heeft gebracht en heeft doen waardeeren. Mijn ideaal
+is het ideaal van Schiller: een kamer met wit gekalkte muren en de meest
+eenvoudige schrijftafel. En dat sluit aan bij mijn behoefte aan
+eenzaamheid, om van een minimum te leven in den meest grooten eenvoud,
+en dan te schrijven.... Dat ik dat niet gedaan heb, zit hem in mijn
+groote behoefte, in allerlei opzichten, aan een vrouw. Het geestelijk
+element van dat verlangen heb ik trachten te uiten in "Geertje", en het
+andere element, het lichamelijk element en het leed daarvan, in de
+"Zeven Vertellingen" en "Het Leed van den Hartstocht". Toen ik naar
+Parijs zou gaan, had ik nog dat huisje in Voorst, waarvan ik u straks
+vertelde, en daarin woonde mijn zuster alleen, en toen dacht ik: Als ik
+nu maar hier bleef!--Maar het idee dat je van de boeken zou kunnen leven
+was toen zoo veraf liggend, dat bij het beetje geld dat ik dan zou
+hebben alle mogelijke ideeën van te kunnen trouwen waren uitgesloten.
+Zoo is de intree in de maatschappij voor mij bepaald geweest niets dan
+dwang.
+
+Deze uitlating bracht me er toe, hem te vragen naar zijn meening over
+het socialisme, niet de politieke richting die zoo heet, maar meer in
+het algemeen de geestelijke strooming, die het maatschappelijke, ook in
+de kunst, zoo sterk op den voorgrond stelt.
+
+--Het socialisme, antwoordde hij, laat mij vrijwel onverschillig. Ik
+vind het heel mooi, maar het lost voor mij de levensvragen niet op. Als
+de socialistische maatschappij er is, dan stel ik mij voor, dat die, zoo
+niet aan me zelf dan toch aan onze kinderen, zou brengen een vergemak-
+kelijking van het leven. Maar--ik behoor ook tot de proletariërs--ik
+stel mij voor, dat de levensvragen dan precies even bloot en onopgelost
+voor ons zouden liggen....
+
+--Wilt u meteen duidelijk zeggen wat die vragen zijn?
+
+--Die vragen zijn dan het gevoel dat het leven geen doel heeft, geen
+reden en geen oorzaak heeft, waar ik "ja" op zeggen kan. En dat ik in
+het leven zie voor iedereen veel leed en veel meer wreedheid dan lust.
+Zoodat het _fond_ van mijn bestaan is een volstrekt ongeloof, het
+tegendeel van godsdienstigheid, en ik alleen door menschenliefde ben
+gaan berusten. Maar daarom nog niet zie in het socialisme, hoewel dat
+natuurlijk ook op menschenliefde gebaseerd is, een ding, waarmede dat
+zelfde leven wordt gemaakt tot een blij iets. Daar zou ik met veel
+plezier over doorpraten als u het goedvindt....
+
+--Ik zal u wel waarschuwen als u voor mijn doel te ver gaat.
+
+... Wanneer ik dan lees "Pan" van Gorter, dan voel ik, dat ik het werk
+mislukt vind als geheel, maar er _magnifique_ dingen in vind, en een
+streven dat mij _sympathique_ is. Ik vind Gorter een erge kraan ... we
+spreken hier natuurlijk van mensch tot mensch ... maar op den bodem van
+"Pan" ligt een levensblijheid, een levensvreugde ... een geloof in het
+leven ... die ik bijna kinderlijk naïef vind. Ik voel me zelf als iemand
+die nooit een kind is geweest. Daartegenover voel ik een man als Gorter
+als iemand die altijd een kind is gebleven.... Wanneer nu morgen het
+socialisme komt, dan zou daarmee o.a. zijn weggenomen de ... godvergeten
+... groote ... onnoodige ... wréédheid van de armôe. Maar als het
+socialisme morgen kwam, dan zou niet de wereld met al het andere dat nog
+zou zijn goed te maken zooveel verder zijn gebracht. U hebt alles
+noodig, niet waar? Ik geef u een paar schoenen en dat is heel wat voor u
+waard. Maar wanneer uw kind doodelijk ziek lag, wanneer u voor goed
+gebrouilleerd was met uw vader en moeder ... wat hebt u dan aan die
+schoenen van mij?... _Au fond_, groote god, ga ik met de socialisten
+heelemàal mee, maar ik vind niet dat hun strijd gaat tegen de dingen
+waar ik tegen strijden zou--als ik streed. Maar ik strijd niet, omdat ik
+geloof dat alle strijd daartegen nutteloos is. Het eenige dat ik doe--is
+mijn leed er over uiten.
+
+--En dit nu in verband met de kunst? met die heele serie begrippen die
+men thuis brengt onder de benaming "gemeenschapskunst"?
+
+--De eenige deugd, die ik aan mijn schrijverij toeken, is de deugd die
+Van Oort er in heeft gezien, de oprechtheid. Ik geef me zelf in
+volledige oprechtheid. Ik heb niets anders te geven. Iets anders doe ik
+niet. De gemeenschapskunst is alleen voor menschen die het leven
+liefhebben. Wat zullen we gaan wandelen--als we niet van wandelen
+houden? Natuurlijk, als we gaan wandelen, dan spreken we af dat we
+meenemen een paar schoenen, een veldflesch en een kaart.... Maar ik zeg
+dikwijls: Jesus, vader en moeder, waarom heb je me gemaakt? Ik kan met
+de menschen onmogelijk die plannen meemaken voor die wandelreis. Ik
+blijf liever thuis.... Het verschil tusschen Kloos en mij is, dat hij de
+Onbewustheid lief heeft, en ik er bang voor ben. Op den grond van alles
+voel ik de natuur als een zich niet aan ons openbarende, even wreede als
+prachtige macht. Ik heb in later jaren twee regels van Leconte de Lisle
+leeren kennen, die voor mij een levensleus inhouden:
+
+ La nature se rit des souffrances humaines
+ Ne contemplant jamais que sa propre grandeur.
+
+Aan den eenen kant die schoonheid van de natuur--aan den anderen kant
+dat ze daar alles aan opoffert. Kloos is in zijn hart een godsdienstig
+man. Ik ben godsdienstig opgevoed, maar mijn levensvrees was altijd te
+groot. Ik zei u al, ik kom uit Harderwijk, een stadje van zesduizend
+inwoners. Het stadje van de kolonialen, die er een groot _air_ van
+triestheid aan gaven, iets vreeselijks.... Aan den eenen kant die wreed
+calvinistische visschersbevolking, die niet tevreden was of de dominé
+moest elke week van hel en verdoemenis preeken, aan den anderen kant die
+exploitatie van de kolonialen, die in het stadje werden gehouden om er
+hun geld te verteren. Na mijn vader's dood is mijn moeder daar nog
+enkele jaren blijven wonen, in die eenzaamheid. En zij ging er
+natuurlijk vreeselijk onder gebukt, dat ze zoo jong weduwe was geworden.
+Maar ik dacht: Wanneer de broers het huis uit zijn, dan ga ik met moeder
+wonen in Ermelo, omdat ik iets wilde dat nog veel stiller was dan
+Harderwijk! En dat was nog vóor mijn negende jaar. Ik kende nooit die
+dankbaarheid voor het leven, die vrome menschen moeten voelen.
+Misschien voelt zoo'n calvinist wel de toorn van den oud-testamentischen
+god, maar een vroom mensen moet god voelen als een liefhebbend vader.
+Ik was nooit blij. Ik was geen vroolijk kind. Ik was bang voor alle
+menschen. Ik was een lamme jongen op school. De jongens hadden allemaal
+de pest aan me. Pas die vriend die ik u straks genoemd heb heeft van
+mijn eenzelvigheid gemaakt een eenzelvigheid _à deux_.... En toch,
+misschien dreef mij _au fond_ wat een godsdienstig man drijft.... Er
+zijn natuurlijk wel godsdienstige socialisten, maar ik meen dat in den
+regel iemand zich niet aan het socialisme zal geven als hij met den
+godsdienst niet klaar is gekomen. Het socialisme is toch _au fond_ een
+maatschàppelijk streven....
+
+--Zit in dat gevoel van u niet een zekere vrees voor wat men noemt de
+domme menigte, die u in deze pessimistische zelfbeschouwing zou storen
+en u haar inzichten zou willen opdringen?
+
+--Ik heb een verdomde--Hàat--de mij eigen lichtgekwetstheid brengt mee
+een zòo gemakkelijk medelijden met andere menschen, dat ik, hoezeer ik
+als _artiste_ voel voor figuren als Napoleon, ze _au fond_ godvergeten
+--Hàat. In zooverre zijn mijn boeken zuiver democratisch ... willen dat
+tenminste zijn. Wat de toekomst zal brengen weet ik niet. Ik zou bijna
+zeggen: Het kan mij geen....
+
+--_Bijna_ zeggen, of _helemaal_ zeggen, mijnheer De Meester?
+
+--Het kan mij natuurlijk wel schelen. Omdat ik kinderen heb. Daarin zit
+het zwakke punt van mijn heele zijn. Maar ik heb niet zooveel eerbied
+voor het leven, dat het geestelijk leven mij veel kan schelen.
+
+Dat kan ik met alle mogelijke kniebuigingen nooit meevoelen met uw
+vriend Goethe en ook niet met de talentvolste onder mijn tijdgenooten,
+die ik juist wel eens heb gemeden, omdat er zooveel blije geestdrift
+was in hun streven naar schoonheid en dergelijke dingen meer. Dat waren
+dingen die mij ... pas in de tweede plaats konden schelen.
+
+--Dat komt dus neer op het gebrek aan een levensgeloof, dat voor mij een
+van de kenmerken van onzen tijd is.
+
+--Als ik levensgeloof had, dan was ik misschien een partijganger
+geworden, natuurlijk lang zoo kranig niet als Jet Holst, maar wel even
+fel. Is het nu gebrek aan levensmoed, dat mij niet levensgeloovend
+maakt--of is gemis aan levensgeloof de _fond_ van mijn geheele wezen?
+Dat weet ik natuurlijk niet. Dat kun je niet zeggen. En in zooverre sta
+ik nog veel nader tot de socialisten dan u, die tegenover hen staat.
+Want ik sta niet onverschillig maar _blank_ en u heeft een zekere
+aversie. Ik voel in dat "Pan" van Gorter: Goddome, als je zoo het leven
+bekijkt, dan begrijp ik dat je het leven lief hebt. Maar de natuur is
+heelemaal niet zoo te bewonderen als "Pan" dat doet.
+
+--Wanneer ik u zoo hoor spreken, wanneer ik u zie gesticuleeren en druk
+door uw kamer zie loopen, dan krijg ik toch de gewaarwording dat in uw
+heele optreden flink wat levensmoed steekt.
+
+--Van Deijssel heeft eens tegen mijn vrouw gezegd: Wat je man heeft, dat
+is dat hij zijn zenuwen verwerken kan door ze te uiten. Daar is
+misschien wel iets van aan. Dat is dat _exubérante_ in me. Dat was er al
+voordat ik naar Parijs ging, maar dat is door het leven in Parijs
+sterker geworden. Vandaar dat een oude dame eens tegen me zei: Vous ne
+serez jamais un Parisien, mais vous avez tout l'air d'un Marseillais.
+
+Ik kan dagen lang gesloten zijn en dan ook eenzaam leven. Je vindt dat
+o.a. ook bij _célibataires._ Als die los komen dan zijn ze luidruchtiger
+dan andere menschen. Op de krant ben ik de minst gezellige van de
+collega's, en ik voel ook wel dat het niet aardig is. Mijn aard is om
+naar niemand zijn gezelschap te verlangen. Maar bén ik eenmaal in
+gezelschap, dan ben ik de luidruchtigste. Verleden jaar heb ik ter wille
+van mijn dochters (anders kom ik nooit in een vergadering) dat congres
+van letterkundigen bijgewoond. Van Deijssel heeft toen een toast
+gehouden op mijn vrouw en mij, en toen heb ik geantwoord in een erg
+uitbundigen toast, waaruit de menschen wel heelemaal niet den indruk
+hebben gekregen van een vent die liever in z'n eentje zit in een dorp
+als Ermelo. Dit heb ik misschien van mijn geboorte. Mijn moeder was een
+zwakke vrouw, getrouwd met haar neef, en ik was een nakomertje, acht
+jaar na de anderen geboren. Mijn twee broers zijn flinke kerels. Van mij
+werd altijd gezegd dat ik schoolziek was, en toen heeft een meester aan
+de school van de Hernhutters eens gezegd: Neen, hij is niet schoolziek,
+maar hij heeft gebrek aan physieken moed. Dat heeft mij erg getroffen en
+ze moesten me thuis precies uitleggen wat dat was. Zoo iets résonneert
+in je ziel, en zoo ontstaat literatuur.
+
+--Dat moet toch ongezonde, ziekelijke literatuur zijn?
+
+--Ja, dat spreekt van zelf. Ik zou bijna zeggen, dat menschen die
+dergelijke boeken schrijven gezonde menschen aller-innigst moeten haten.
+Gezonde menschen--dat zijn de forsche, sterke, de wreede typen van
+levenslust, met alle hardheid die daar inhaerent aan is....
+
+--U zegt inhaerent?
+
+--Met alle hardheid die daar inhaerent aan is. En daar staan licht
+gekwetste menschen, die bang voor het leven zijn, natuurlijk fel
+tegenover. Waarom leeft een mensch die aan het leven het land heeft,
+voort? Omdat het leven sterker is dan jij bent. Als ik daar ooit een
+voorbeeld van heb gezien, dan was het wel de autobandiet Dieudonné, de
+felle revolutionnair, die een kniebuiging heeft gemaakt voor het Gezag,
+met tranen in de oogen, toen hij vernam dat hij mocht blijven leven in
+dien vorm, dat hij voor z'n heele leven naar de galeien ging. Dat
+prefereert zoo'n stakker boven het momentje van den dood!... Het leven
+is de sterkste en dat is voor menschen als ik ben een moeilijk proces,
+om daarin te blijven berusten. Het is misschien verdomd egoïst, dat je
+de moeite die je dat kost niet voor je zelf houdt, maar er boekjes van
+maakt. Maar er staat tegenover dat je het doet in het besef, dat er heel
+veel menschen zijn, die hetzelfde voelen als jij. Ik heb altijd een
+gevoel dat de literatuur, zooals ik ze maak, is voor een kleine
+minderheid. En nu heeft mij erg bevreemd: Ik heb hier voor een kring van
+dames, die mij door een vriendelijke dame waren toegestroomd, gelezen
+over de _Névrose_ in de nieuwe Fransche letteren. En toen is tot mijn
+groote verbazing dit gebeurd, dat, nadat ik die vier lezingen had
+gehouden voor negentig dames, er nog zoo velen waren die het ook wilden
+hooren, dat ik ze herhaald heb voor een kring van meer den tachtig
+dames. Ik beweer heelemaal niet dat ze met sympathie over die _Névrose_
+hebben hooren spreken. Maar ze wilden het toch maar weten.
+
+Dat blijft het tegenstrijdige van den levens-verneiner, dat je meeleeft
+in en zelfs meedoet aan dat overbodige dat heet--de literatuur!--
+
+Het was diep in den nacht, toen De Meester mij naar mijn hotel
+geleidde--over het fel belichte asfalt van Nêerlands eerste koopstad.
+Hij sprak in harde, stekelige woorden over het lot van de veile
+schepseltjes, die in den prachtigen zomernacht over het asfalt zwierven.
+En juist toen voelde ik dat ons gesprek mij hem nader had gebracht.
+
+
+BIBLIOGRAPHIE:
+
+Kleingoed (schetsjes)--Een Huwelijk (roman)--Parijsche Schimmen--Zeven
+Vertellingen--Deemoed--Allerlei Menschen--Louise van Breedevoort
+(roman)--Het Leed van den Hartstocht--Geertje (roman)--Aristocraten
+(roman)--De Zonde in het deftige Dorp (roman)--Op weg naar Transvaal
+(Kinderboek)--
+
+Voorts de brochures:
+
+De Menschenliefde in de werken van Zola--Een ongewoon meisje (Marie
+Baykirtsef)--Iets over de literatuur onzer dagen.
+
+
+
+
+KAREL VAN DE WOESTIJNE
+
+[Illustratie: KAREL VAN DE WOESTIJNE naar een teekening van zijn
+broer, Guust van de Woestijne]
+
+
+(* 1878)
+
+Ik had dien middag "op den buiten" bij Brussel doorgebracht, en,
+toegevend aan een gril, in een landelijke herberg mijn maal gedaan van
+brood met "platte keis" (een soort zure room) en rammenas. Een paar
+mannen uit den omtrek dronken lambiek en schoten met handbogen pijpen
+van een hoogen staak. Onder het genot van een potje witachtig bier, 't
+soort dat op zeepsop gelijkt, trachtte ik me weer in te leven in de
+Vlaamsche sfeer, waar ik welhaast tien jaren geleden thuis was. Het
+gelukte maar half: de stemming van on-critische, goedmoedige
+onbewustheid, die ik op de gezichten van de boogschutters las, kon ik
+niet meer bereiken. Totdat een gesprek met een boschwachter, wien ik
+naar den weg vroeg, en die geen Fransch verstond maar mijn
+hoog-Nederlandsch voor een Italiaansch dialect scheen te houden, mij in
+de gewenschte lijn-looze soezerigheid bracht. Zoo bereikte ik het huis
+van mijn slachtoffer, gelegen aan een dreef met veel pleiziertuinen:
+"melkerijen", waar menschen met roode gezichten, smeulende oogen en
+luide stemmen krentebrood met harde eieren gebruikten, en glazen dunne
+melk lieten staan....
+
+... En plotseling leidde de blozende Vlaamsche meid mij in een kamer,
+waar de raadselachtige scheemring met bloedkleur doortrokken scheen. In
+mijn breede, vleezige hand legden zich de heel slanke, bleeke vingers
+van den poëet. Ik had nooit gedacht dat een zoo smalle hand mogelijk
+was. Zijn heele gestalte trouwens is van een opmerkelijke,
+aristocratische fijnheid, wat vooral uitkwam als hij met vele
+overbodige, doch rustige bewegingen door 't roode half-duister van zijn
+kamer schreed, aan de strak tegen 't lijf gedrukte armen de handen
+rechthoekig opgebogen. En ik kreeg, in deze vergeestelijkte omgeving te
+plotseling overgeplant, de sensatie, dat de bleeke dichterhanden zouden
+gaan wapperen als ik mijn adem niet inhield.....
+
+Doch nu zit hij tegenover mij, aan de schrijftafel, waar vele groene en
+oranje bandjes Fransche philosophie van Alcan en Flammarion mij treffen,
+en ik bespeur op dit indrukwekkende, starende baard-gezicht trekken, die
+mij doen denken dat 't voorwaar! tot schooner dingen leidt, van den
+wijn, van den hartstocht en den zinnenroes te zingen, dan er van te
+léven. Mijn geoefend oog gaat opmerken. Ik bestudeer zijn ranke
+bewegingen en zijn mimiek, ik blijf letten op het spottende in den
+glimlach van sensueele lippen en helle puntige tanden, en het kost me
+moeite, van de min of meer medische beschouwing naar de ideëele
+beschouwing van dezen persoon terug te keeren. Doch de wijn rukt aan,
+"het kan geen kwaad" meent hij, en ik krijg hem aan 't praten, zoodat
+ik, noteerend en vragend, geen gelegenheid meer heb om mijn ontleding
+van zijn uiterlijk voort te zetten.
+
+Van jongs af, zoo vertelt hij, ben ik geweest tweevoudig. Ik heb
+geleefd binnen in mijzelf, en dàn met een groote fantaisie.
+
+Toen ik een kleine jongen was, heb ik heelemaal in mijzelf geleefd, en
+daarbij kwam veel atavism, zal ik maar zeggen. Mijn vader was een man
+die heelemaal naar binnen gekeerd was, maar langs den kant van mijn
+moeder had ik een grootvader, die was heelemaal fantaisie. Hij sprak
+alles op rijm en maakte om te kunnen rijmen de zonderlingste
+gedachtensprongen. Hij was architect, maar hij deed niets aan zijn vak,
+want hij kon gemakkelijk leven. Hij was als gemoedsmensch een echt
+artiest. De groote ernst in mij kwam van mijn vader. Hij zou ingenieur
+worden, maar op een zeker oogenblik is hij gedwongen geweest in de
+nijverheidszaken van zijn eigen vader te gaan. Zoo lang ik hem gekend
+heb, hij is maar tweeënveertig jaar geworden, hield hij zich heel den
+tijd bezig met wiskunde en mechanica. Hij heeft verscheidene
+uitvindingen gedaan. Een voorbeeld kon hij niet voor mij zijn, ik was
+maar twaalf jaren toen hij stierf, maar zijn aard bleef er in. Ik heb
+heel veel van hem gehouden, hoewel hij mij nooit veel liefde betoond
+heeft. Dat lag in zijn aard niet. Toen mijn vader dood was, stond mijn
+moeder aan het hoofd van een groote nijverheidszaak in Gent. Zij had
+veel werk, en veel innigheid heb ik niet kunnen genieten. Een eenzame
+van nature, ben ik heel jong gaan lezen. Aan kinderspelen heb ik nooit
+gedaan, want mijn andere broers, die jonger waren, hadden gezelschap aan
+de dienstboden. Ik had slechts mijn bibliotheek, een van de zotste
+dingen die bestaan hebben, waar bijv. Homeros naast Jules Verne stond.
+Het was een samenhooping van boeken, duizenden en duizenden. Wij hadden
+in Brussel een familielid en die was boekhandelaar. Wanneer mijn vader
+en moeder of mijn grootvader hem kwamen bezoeken en iets interessants
+bij hem zagen, namen zij het maar mee. Dat werd een kamer vol,
+literatuur, encyclopedieën, woordenboeken, atlassen.... Ik kon lezen
+sedert mijn derde jaar. Ik heb op een zeer bijzondere manier leeren
+lezen. Vlak over de deur hadden wij een jong onderwijzer wonen, die het
+heel slecht had en in de vacantie lieten mijne ouders, toen ik pas twee
+jaar was, hem les komen geven. Meer voor hem, dan voor mij. Ik zal u
+zijn naam niet noemen, want hij heeft een zekere bekendheid gehad in
+Nederland. Dat is voor mij het ergste geweest, dat mij kon gebeuren.
+Want ik leerde heel vlug, met een echte koorts. Toen ik een jaar of
+zeven was, had ik al een heele bibliotheek verslonden. Toen ik een jaar
+of twaalf was, las ik ter zelfder tijd Pascal en Paul de Kock. Ik
+herinner het mij zeer bepaald.
+
+Dat moet voor mijn ontwikkeling veel belang gehad hebben. De vage drang
+naar oneindigheid en de geniepige, gevreesde sensualiteit die
+aangestoken werden door zulke lectuur, hebben mij heelemaal voorbereid
+tot wat ik geworden ben, mag ik wel zeggen.
+
+Toen mijn vader stierf had ik al gedichten gemaakt in het gebrekkigste
+Vlaamsch dat men zich denken kan en dat dank ik weer aan dien zelfden
+huisonderwijzer. Hij was toen leeraar geworden en zelf een dichter,
+zonder veel beteekenis trouwens. Ik kende heel weinig Vlaamsch. Mijn
+opleiding was in een privaatschool, die niets te maken had met de
+gemeentescholen, waar nog iets Vlaamsch geleerd wordt. Niemand wist, dat
+ik die verzen maakte. Een paar jaar later zijn zij verschenen in een
+kindertijdschriftje. Het eerste gedicht, dat ik waarlijk gevoeld heb als
+gedicht, maakte ik op den eersten verjaardag van den dood van mijn
+vader. Toen was ik een goede dertien jaar. Intusschen waren een
+heeleboel andere verzen van mij verschenen onder allerlei pseudoniemen,
+die ik zelf niet meer ken.
+
+Intusschen was ik op het athenaeum gekomen en daar ben ik waarlijk een
+flamingant geworden, onder den invloed van een paar leeraren, die mij
+veel goed en ook veel kwaad gedaan hebben. Het was in '93 en de eerste
+"Van nu en straks" was verschenen. Dat heeft een enormen invloed op mij
+gehad.
+
+Dat is een punt van belang en men weet dat in Holland eigenlijk zoo
+niet. "De Nieuwe Gids" heeft invloed gehad op de generatie die
+onmiddellijk vóor de mijne gekomen is, die van Vermeylen, De Bom en
+Hegenscheidt. Die hebben waarlijk den invloed van de "Nieuwe Gids"
+ondergaan. Maar de man die, de eerste, eene eigenlijke vernieuwing in
+Vlaanderen gebracht had, Van Langendonck, heeft dien invloed niet gehad.
+Wel stond hij onder den invloed van Fransche dichters, onder den invloed
+van de "Jeune Belgique", die baudelairiaansch was. Wel heeft hij verzen
+geschreven die Kloosiaansch schijnen, maar dit voordat Kloos ooit in
+Vlaanderen gelezen werd; verzen, die geschreven waren bijv. in '82 en
+'83, vóor het verschijnen van de "Nieuwe Gids". Onze generatie kende de
+"Nieuwe Gids" nog niet. Wij waren volop aan het dichten onder den
+invloed van Pol de Mont en Hélène Swarth, toen wij door bemiddelling van
+"Van nu en straks" de "Nieuwe Gids" leerden kennen. Maar het was Van
+Langendonck vooral, die voor ons de openbaring was. Ik mag gerust
+zeggen, dat de invloed van "De N.G." niet groot geweest is. Toen ik
+zeventien, achttien jaar was, heb ik veel genoten van Kloos, veel meer
+nog dan van Gorter, maar echten invloed heeft hij op mij nooit gehad,
+niet meer dan bijv. Lamartine of Musset, en bepaald minder dan De Vigny.
+Ik admireerde Kloos, omdat ik een zoo groote individualistische
+personaliteit in hem vond.
+
+Wij zijn nu in '94 of '95. Ik was toen volop aan het dichten. Toussaint
+heeft van mij geschreven, dat ik toen reeds een beroemdheid was onder de
+athenae-jongens en studenten. Veel vroeger had Pol de Mont mij een
+postkaart gestuurd, een postkaart, stel je voor, over een paar verzen
+van mij in een tijdschrift. In die postkaart stond: "Tu Marcellus
+eris."[3]
+
+Ik heb er trouwens niet op geantwoord. Want ik voelde wel, dat
+verzenmaken was toen niet meer dan een bedrevenheid van mij, anders
+niet. In '93 echter maakte ik kennis met "Van nu en straks" en de
+anarchistische beweging in Frankrijk en België, waaruit de geest van
+"Van nu en straks" gedeeltelijk was ontstaan. Ik mag u verzekeren, ik
+was na den dood van mijn vader nog meer vereenzaamd en die opstandelijke
+beweging heeft mij waarlijk gevormd.
+
+Wij gingen heelemaal in die beweging op, en ik heb op het punt gestaan
+buiten de deur van het athenaeum te worden gezet om mijn revolutionnaire
+ideeën. Van toen af kon ik mij met niets meer tevreden stellen dan na
+rijp onderzoek, en sindsdien ben ik een opstandeling gebleven, of zeg:
+laat ik mij niet gaarne bedwingen. Daarvan heb ik in Gent prachtige
+voorgangers gehad, die tegenwoordig beroemd zijn, bijv. George Minne,
+een groot beeldhouwer, en De Sadeleer, een bekend schilder. Die gingen
+zoo ver dat zij wilden stelen om d'arme menschen hetgeen hun diefstal
+opbracht te gaan uitdeelen. Zij gingen ook dagbladen op straat verkoopen
+en bij iederen "Fakkel" dien zij verkochten, kregen zij een slag op hun
+kop. Dat wil wat zeggen voor den zoon van een patriciër, zooals die
+beeldhouwer was. Het was geestelijk een prachtige tijd.
+
+Mijn eerste verzen in "Van nu en straks" verschenen in '96. Victor de
+Meyere had mij gevraagd mee te werken. Dat waren ook de eerste verzen
+die onder mijn eigen naam verschenen. Ik ben een van de zeer weinigen,
+die den geest van "Van nu en straks" getrouw zijn gebleven. Ik zei het
+U: het is een van de gronden van mijn karakter gebleven, weinig gezag
+te dulden. Gezag draag ik heel moeilijk, tenzij natuurlijk moreel gezag.
+
+Hiermede heb ik u dus een paar voorname factoren van mijn aanleg
+opgenoemd: de vereenzaming van het kleine kind, vooral na het sterven
+van mijn vader, die het gemoed verdiept heeft en leidde tot al te vroeg
+ontwaakte sensualiteit; en den oneindigen dorst naar kennis. En dan,
+mijne fancy.
+
+Ik heb het niet altijd gemakkelijk gehad in het leven, maar ik heb
+altijd een grooten en blijden onafhankelijkheidsdrang gehad in mij, en
+ik geloof dat ik dat te danken heb aan voorouders van moederlijken kant.
+De ooms en de vader van mijn moeder waren allemaal geestelijk vrij, ik
+bedoel vrij van kommer, en allemaal waren zij rijmelaars. Zij waren met
+een zevental en praatten altijd op rijm met elkaar. Van hen heb ik
+waarschijnlijk het vermogen, mij zoo gemakkelijk boven de werkelijkheid
+te plaatsen en den geestigen, persoonlijk-humoristischen kant van de
+dingen te zien, een optimisme waarbij ik mij telkens kan opwippen.
+
+Ik ben altijd godsdienstig van aard geweest, juist vanwege het naar
+binnen gekeerde leven, hoewel ik thuis van godsdienstig leven weinig
+gewaar ben geworden. Als ik 's Zondags, toen ik dertien à veertien jaar
+oud was, naar de mis moest,--het museum lag toen naast de kerk--:
+voelde ik telkens een strijd in mij of ik het museum, dan wel de kerk
+binnen zou gaan, en het museum won het dan bijna altijd van de kerk, al
+voelde ik er innig leed bij. Het godsdienstig gevoel is levendig in mij
+gebleven, maar het gebeurt toch ook wel vaak nog, dat het museum het
+wint. Daar komt altijd bij mijn afkeer voor al wat gezag is. Moreel
+gezag neem ik natuurlijk aan, dat is van veel sterker werking, dat is
+mijn eigen gezag, dat ik in mijzelf voel en waarvan ik niet afwijk.
+Daardoor ben ik dan ook werkelijk onmaatschappelijk. Ik sta dan ook
+tegenover de proletarische poëzie als een onverwoestbare individualist.
+
+Door natuur en door opleiding ben ik individualist. Maar in dit begrip
+zelf is nog een onderscheiding te maken. Is het zuivere individualisme
+waarlijk het impressionisme van 1880 en van de "Nieuwe Gids"? Dat moet
+ik absoluut tegenspreken. Om te beginnen, ik zeide het u reeds, hebben
+wij den invloed van 1880 niet rechtstreeks ondergaan. Ik behoor tot een
+andere generatie. De mannen die bij ons den invloed van de "Nieuwe Gids"
+ondergingen zijn, zooals ik reeds zei, Vermeylen en De Bom, en ik behoor
+tot het volgend geslacht, dat dus als het ware van de "Nieuwe Gids"
+heeft gehad een tweede afkooksel. Wat ons opviel in de "Nieuwe Gids" was
+het impressionisme. Mijn individualisme is van geheel anderen aard. Het
+is niet het onmiddellijk reageeren op zintuigelijke indrukken, het is
+veel meer het opnemen van een algemeen wereldgevoel in de personaliteit.
+En dan zal poëzie worden de weerspiegeling van een algemeen wereldgevoel
+door het individu. Het is dus een tegenstelling van het zuivere
+impressionisme, het picturaal impressionisme, zooals Van Deyssel en
+Gorter het hebben geleverd. Tegenover de zintuigelijke gezichtsmenschen
+stel ik mij als innerlijk gehoorsmensch, die meer in zich zelf hoort
+dan hij buiten zich ziet, als muzikaal vertolker van de wereld.
+
+--U stelt hier gezicht en gehoor tegenover elkaar. Zoudt u niet beter
+zintuigelijk en gedachtelijk tegenover elkaar stellen?
+
+--Neen, gedachtelijk is een verkeerd woord. Zie hier wat ik bedoel. Stel
+u voor, dat Gorter zou zijn een geslepen staalplaat, waar de zonnestralen
+en wat zij meebrengen onmiddellijk op afketsen. Als hij een indruk
+krijgt, bedoelt hij den indruk onmiddellijk terug te kaatsen. Dat is
+het schoone van zijn kunst en hij is eenig daarin: Zoodra ontvangen,
+geeft hij den indruk terug.--Bij mij nu is het anders. Het is alsof de
+straal dringt door de stalen plaat heen en komt op het gevoels-vlak.
+Het is niet meer een zuivere impressie, maar een impressie die een
+verwerking heeft ondergaan, een verwerking door het gevoel. Dat is in
+den grond het bezinken van de impressie. Stel u voor een laag
+doorschijnend ijs die op het water ligt. Als er een zonnestraal op
+valt, dan wordt hij door de dikte van het ijs gebroken en dan komt hij
+onder het ijs weer uit en ondergaat er aan kleur, aan wezen, aan wat
+weet ik al, een nieuwe vervorming. Zoo is het gevoel bij veel dichters.
+Inplaats van onmiddellijk af te ketsen op het waarnemingsvlak, dringt de
+indruk door tot in het diepst van hun ziel en als hij dan, verwoord, weer
+buiten dringt, is hij heel iets anders geworden.
+
+Dus mijn individualisme gaat meer uit naar dat van de Fransche
+symbolisten, maar is toch weer heel iets anders. De eigenlijke
+symbolisten, die ingeleid zijn door Henri de Régnier, systematiseeren.
+Zij herleiden eiken persoonlijken indruk tot een beschouwingsvlak. Zij
+deelen de verschillende indrukken in in sommige vakken. Dat is toch het
+eigenlijke symbolisme, niet waar? Men moet onder een teeken een zekere
+reeks van gedachten kunnen indeelen. Dat heb ik altijd verkeerd
+gevonden. Dat wordt in den grond zoo iets als een wetenschap.
+
+Ik wil--voor zoover "willen" bij 't half-bewuste dichten te pas
+komt--eenvoudig mijn eigen indrukken inleiden tot algemeene
+menschelijkheid en ze algemeen begrijpelijk maken, ze dus eerst laten
+bezinken tot eigen gevoel, en dat eigen gevoel daarna toetsen aan het
+algemeen menschelijk gevoel, dat ik terugvind niet alleen bij de
+menschen die mij omringen, niet alleen bij de lezers, maar bij de
+dichters door de eeuwen heen. Dat is natuurlijk niet vanzelf gekomen.
+Dat ware onmogelijk, het kan niet vanzelf komen. Als men begint te
+dichten heeft men zijn eigen indrukken, al waren ze nog zoo klein en al
+waren ze nog zoo pervers, zoo lief, dat men ze wil weergeven in de
+aller-individueelste expressie. Maar er komt een tijd, dat die liefde
+voor de aller-individueelste expressie afslijt. Men wordt meer algemeen,
+het kleine détail gaat weg, men gaat alleen de groote lijnen betrachten
+en zoo komt men tot wat ik durf noemen: een neo-classicisme.
+
+Door het individualisme heen komen wij tot het neo-classicisme, een
+nieuwen classieken tijd, een periode van menschen die zich heelemaal
+bewust zijn en zich in volkomen oprechtheid uiten, maar daarbij alles
+laten wegvallen wat in hun persoonlijk geval te sterk-persoonlijk, te
+zeer bijzonder zou zijn. Ik heb in de "Groene" gesproken van menschen
+die op de hoogten wonen en elkaar herkennen. Zij wonen op verschillende
+heuvelen, zij zien elkaar niet, maar de een begint te zingen, de tweede
+hoort hem zingen, de derde ook, en zoo vernemen zij allemaal den zang
+van den eerste en herkennen allen in dezen eenen zang hun eigen zang en
+leeren elkander onderling kennen. Dat is voor mij de gemeenschapskunst.
+Gij ziet, gemeenschapskunst kan heel iets anders zijn dan
+maatschappelijke kunst.
+
+En dit zegt alles: Dit legt u ook uit wat ik gevoel tegenover de
+socialistische kunst. Ik kan mij geen dichter voorstellen, die zou
+dichten op iets dat niet berust op eigen diepe gronden maar alleen op
+een theorie. Daarom is Gorter mij soms zoo hinderlijk, in dezen zin, dat
+hij eerst en vooral toch is een impressionist, dat zijn schoonste werk
+altijd blijft impressionistisch,--en dat hij dan ineens overslaat op
+theoretiseeren en propageeren. "Pan" vind ik een magnifiek gedicht, maar
+telkens als hij aan de propaganda komt is het mis, dan is het geen
+poëzie meer. De goede gedeelten zijn eenvoudig impressionistische poëzie
+en zoodra hij daar buiten gaat wordt het gezanik, heel eenvoudig. Het
+wordt propagandistische proza, afgesneden op een vijfvoetige maat.
+Daarentegen heeft Mevrouw Roland Holst, zij als vrouw, omdat zij vrouw
+is, alles verwerkt. Zij heeft het socialisme en de democratie inderdaad
+heelemaal in zich opgenomen. Bij haar is het heelemaal liefde en leven
+geworden. Het is individualisme geworden en daardoor juist kan zij
+waarlijk proletarische poëzie maken. Het is bij haar niet meer geestelijk
+of gedachtelijk, het is doorvoeld, en juist daarom is zij de socialistische
+dichteres in Holland. Neem Adama van Scheltema. De eenvoudige liedjes, die
+hij misschien voor de minste houdt in zijn werk, die voor den gewonen lezer
+ook wel minder zijn, neem een socialistischen marsch, die zoo echt is van
+rythmus, zoo meegevoeld, zoo meegestapt, zou ik haast zeggen, dat is echte
+proletarische poëzie, in tegenstelling met werk, waar heel wat diepere en
+ingewikkelde bedoelingen achter zitten, maar dat juist daarom geen poëzie
+kon worden.
+
+Wat betreft de mogelijkheid van proletarische poëzie kan ik dus zeggen,
+dat die geheel afhangt van persoonlijkheid. Als in Holland honderd
+dichters kunnen gevonden worden, die tegelijk proletarisch voelen, dan
+hebt gij natuurlijk honderd proletarische dichters. Maar dat is nog geen
+proletarische poëzie, niet waar, u begrijpt me. Mevrouw Roland Holst en
+Adama van Scheltema maken proletarische poëzie als zij waarlijk
+proletarisch voelen, niet denken. Maar van het oogenblik af dat men
+proletarisch denkt maakt men geen poëzie meer, omdat men dan denkt en
+niet leeft.
+
+Gorter heeft in de "School der Poëzie" geschreven van de burgerlijke
+kunst, waar hij uit wilde. Heel de "Nieuwe Gids" is volgens hem
+burgerlijk. Daar had hij groot gelijk in. Zoo was het. De "Nieuwe
+Gids"-dichters waren burgerlijk, omdat het impressionistische gevoel
+rechtstreeks straalde uit het burgerlijk leven. Er kon dus werkelijk
+sprake zijn van een op haar uiterst levende burgerlijke poëzie. De
+meeste menschen in dien tijd en ook de meeste dichters leefden en
+teerden op sommige begrippen die heelemaal burgerlijk waren. Zij leefden
+voort op de begrippen van 1848. En toen kon er sprake zijn van een
+algemeen burgerlijke poëzie. Maar tegenwoordig kan er geen sprake zijn
+van een algemeen socialistische poëzie, omdat de proletarische begrippen
+nog niet zijn doorgedrongen in de menigte, omdat de proletarische
+gevoelsdichters nog uitzonderingen zijn. Daaruit volgt, dat er volgens
+mij natuurlijk een tijd kan komen van proletarische poëzie, gelijk er in
+1900 sprake mocht zijn van burgerlijke. Ik geloof zelfs, dat die tijd er
+misschien komt, mijn eigen idealen er natuurlijk buiten gelaten.
+
+Maar als het zoover komt, dan ben ik overtuigd, dat er ook reactie komt,
+anarchistische of aristocratische reactie komt, waarin de individualisten
+zullen spreken tegenover de meerderheid der maatschappelijke gemeenschaps-
+dichters. En zoo gaat het voort. In Gent noemt het volk dat "den contour
+van de wereld", het draait altijd zoo maar rond.
+
+Maar waar blijft, als de proletarische begrippen zijn doorgedrongen,
+eigenlijk de poëzie? Is een socialistische toekomst wel vereenigbaar met
+uw opvattingen van wat poëzie eigenlijk is?
+
+--Er zullen altijd dichters zijn. Denk eens aan den tijd van de
+predikanten-poëzie, waar Kloos het over heeft. Die tijd was zoo duf, zoo
+vermolmd, dat men zich moeilijk kan denken dat er toch nog dichters
+waren. En nu is de laatste daad van Kloos juist geweest, deze dichters
+op te delven. Beets en De Génestet waren geen groote dichters, maar zij
+hadden het in zich. Beets met zijn "Camera" mag er toch wezen, en hij
+leefde toch heelemaal in de Protestantsch burgerlijke Hollandsche
+wereld.... Ik stel mij voor, dat er moeilijk iets kleiners is te vinden
+dan deze wereldbeschouwing. Toch heeft hij er iets van gemaakt. Ik stel
+mij voor, dat het ook zoo zal gaan in den socialistischen staat, wanneer
+die er eenmaal komt. Er zullen dan ook menschen zijn, die dichter in hun
+hart zullen zijn. Wij weten natuurlijk niet of het groote dichters
+zullen worden, maar zij zullen den geest van hun tijd uitdrukken, gelijk
+de individualisten hun tijd uitgedrukt hebben.
+
+En dat brengt mij weer op mijn eigen begrip van individualistische
+poëzie. Er is waarlijk iets dat boven den tijd staat. Dat is het
+menschelijk leven, het menschelijk aanvoelen, het menschelijk begrijpen,
+het leven, het léven ... dat is alles.
+
+Vermeylen heeft gezegd, dat men de grootheid van een dichter meet aan de
+ruimte van zijn ziel. Kunt gij ruim begrijpen, kunt gij ruim voelen en
+kunt gij ruim mededeelen, dan zijt gij een groot dichter, maar dan staat
+gij buiten de onmiddellijk u omringende maatschappij.
+
+Men zegt wel eens dat de hypertrophie van het gevoel een teeken is van
+decadentie. Daar moet over gesproken worden. Wat is decadentie? Dat is
+toch verslapping, nietwaar, en die is gewoonlijk het gevolg van
+overspanning. En nu is het maar de vraag: kunnen wij deze in het
+tegenwoordige individualisme vaststellen? Neen, dat kunnen wij niet
+meer. Wij konden het in den tijd van Kloos. Zoo'n verslapping van de
+zenuwen komt altijd voor, na een periode van groote inspanning. Zoo
+hebben wij bijv. gezien bij Alfred de Musset, die dichter is tien jaar
+van zijn leven, en daarna uit, juist omdat hij kwam na de groote
+Napoleontische periode; en bij Baudelaire, die maar een korten tijd
+dichter was, juist in het tweede Keizerrijk, na een oogenblik van groote
+spanning. Kloos in Holland blijft maar een jaar of vijf, zes, eigenlijk
+dichter. Hij volgt op het kwijnen-gaan van de burgerlijke opvatting die
+stond tegenover de nieuwe levensbeschouwing: het Socialisme. Kloos is
+een burgerlijk dichter geweest. Was hij zenuwsterk genoeg geweest, dan
+had hij zich kunnen laten opslorpen door, of had weerstand kunnen bieden
+aan de nieuwe beweging. Hij stond met zijn zintuigelijkheid tegenover de
+verouderde wereld en kon geen stand houden. Wij hebben in Vlaanderen ook
+zoo'n voorbeeld, wij hebben Van Langendonck, die niet mee wilde in den
+opstandelijken strijd en bleef bij zijn burgerlijke opvatting. Hij was
+daardoor te zeer gedwongen, in zichzelf in te keeren, en heeft zich niet
+meer kunnen uiten.
+
+Daartegenover kan dit gesteld worden: boven die levensomstandigheden
+uit, boven die maatschappelijke omstandigheden uit, rijst de algemeene
+menschelijkheid van de menschen die op de kimmen wonen, die boven de
+andere menschen uitreiken, die de groote menschelijkheid
+vertegenwoordigen, die classiek van gevoel zijn. En die vind ik in alle
+tijden terug, hoewel die in hun tijd meer dan waarschijnlijk ook
+uitzonderings-dichters waren.
+
+Mijn opvatting is dus niet anti-maatschappelijk, zij is
+a-maatschappelijk. Zij staat er buiten, zij is a-socialistisch,
+a-moreel, maar anti- is zij niet. Het is heel goed mogelijk, dat de
+sociaal-democratische staat er zou zijn en dat ik in dien staat
+heelemaal mee kon voelen, dat ik dan een socialistisch dichter zou zijn.
+Maar voor iedereen acht ik het onmogelijk, dat van nu af aan eene
+socialistische poëzie geheel volledig in het leven zou worden geroepen.
+Die poëzie zou heelemaal hersenwerk, uit de gedachten zijn, dus
+onpoëtisch. Daarom heb ik juist zoo een grooten eerbied voor Mevrouw
+Roland Holst, omdat zij dit alles heelemaal doorwerkt heeft, en kan ik
+geen eerbied hebben voor een Gorter, als socialistisch dichter, omdat
+bij hem alles stelsel, gedachte, organisatie blijft. Dat laatste woord
+komt in zijn gedichten telkens terug en dat maakt een mensch kriegel.
+Eerst geeft hij een prachtig brok poëzie, en dan zegt hij: zóó is nu de
+socialistische organisatie. Dat is best mogelijk, mijnheer, maar ik wil
+alleen poëzie hebben en heb niets te maken met uw socialisme. En dat is
+nu juist het verkeerde van de poëzie in Holland tegenwoordig, dat zij
+zoo weinig geeft om het onmiddellijke, spontane leven, dat zij alles
+laat gaan door den geest en alles distilleert op eigen manier. Dat is
+bijv. de kwade invloed geweest van Verwey, die de gewaarwordingen en het
+gevoel heeft willen filtreeren door de idée. Daardoor zijn er een
+heeleboel jonge menschen in Holland op verkeerde banen geraakt. En zou u
+wel willen gelooven, dat ik niet veel vertrouwen heb in de poëzie van
+Holland.... Ja, ja, ja, u hebt gelijk, ik bedoel dan de _toekomst_ van
+de poëzie in Holland. Ziet u, ik wil niet onvriendelijk zijn.... Deze
+hebbelijkheid vindt men zelfs bij de besten, Boutens bijv., iemand waar
+ik grooten eerbied voor heb. Hij is de gevoeligheid-zelve, gevoelig tot
+de meest gespannen mystiek toe. Maar er is dit bij, dat hij Hollander
+is, en daardoor weer dit, dat hij, die uitgaat van het impressionisme,
+geheel intellectueel is geworden, dat hij waarlijk weer alles herleidt
+tot een intellectueel plan, even goed en misschien meer nog dan Gorter.
+Stel u voor een Boutens, die even kinderlijk gebleven was als Annie
+Salomons. Stel u voor wat dat zou zijn. Het is natuurlijk belachelijk,
+zulke namen naast elkaar te stellen, want, niet waar, Annie Salomons is
+nu nog niet bepaald wat men een groote dichteres noemt. Dus ik zeg dit
+met allen eerbied voor Boutens, dien ik een zeer groot dichter acht.
+Maar hoe doen de dichters in Holland? Zij hebben b.v. eenen indruk, dien
+ik zal noemen: blank. Wat doen zij nu? In plaats van argeloos maar dien
+indruk uit te zingen, nemen zij, zeer bedacht, wat wit, en zetten
+daarnaast voorzichtig een klein beetje rose, en daarnaast behoedzaam
+weer een klein beetje geel en maken daarvan de veertien regels van een
+sonnet. Dat is heel fijn, het is een genot dat te lezen, maar welk
+genot? Genot voor den geest. Het is geestelijke analyse geworden: een
+synthetische gemoedsbeweging geeft het niet. Dan nog maar veel liever de
+proletarische poëzie, waar tenminste nog een menschelijk gevoel in zit.
+
+--U vindt het dus wel een vreemd verschijnsel, dat de proletarische
+opvattingen binnen gehaald worden door de dichters die eigenlijk de
+grootste individualisten moesten zijn en zijn?
+
+--Ja, maar dat is een speciaal Hollandsch vreemd verschijnsel, en wat
+ook speciaal Hollandsch is, is dat deze dichters uitgaan niet naar
+menschenliefde, niet naar het christelijk begrip van broederliefde,
+maar naar de organisatie. Dat heeft mij altijd zoo verwonderd. In
+"Opwaartsche Wegen" kan men dat zoo goed zien. Daarin stond een zeer
+schoon sonnet, dat men met genot las, tot bij het laatste terzine,
+waarin de dichteres ineens zegt: dàt is nu het proletariaat,--waardoor
+het heele gedicht kapot wordt gemaakt. Gorter maakt een prachtig beeld
+van een jong meisje en onmiddellijk daarop zegt hij: dàt is nu de
+organisatie,--of zoo iets. Dat is speciaal Hollandsch. Een Franschman
+heeft eens gezegd: "Le Hollandais, c'est le Monsieur qui veut se rendre
+compte et ... il se rend compte." Dat is waar. Zij willen altijd weten
+waar het om gaat. Gorter, ik ben er overtuigd van, is een prachtig
+mensch, als dichter wordt hij in oprechtheid door niemand overtroffen;
+en ook in zijn liefde voor het proletariaat niet, dat valt niet te
+betwisten. Maar als hij gaat denken, en als hij dan, al denkende,
+gedichten gaat maken over het proletariaat, dan is hij "le monsieur qui
+veut se rendre compte", dan gaat hij bedenken wie de voorzitter zal zijn
+van de organisatie, en wie de secretaris zal zijn, en hoe hij dien
+optocht zal inrichten, en wie de meeste stemmen zal halen bij de
+verkiezing. En dat heet dan poëzie. Zoo zijn zij haast allemaal. Al
+overdrijf ik hier natuurlijk met opzet, duidelijkheidshalve.
+
+Kortom, een proletarische poëzie zal mogelijk zijn als de proletarische
+staat er is, waar de gedachte vleesch is geworden. Maar dan komt de
+reactie, dat kan niet anders, gelijk ook voor twintig jaar in de
+burgerlijke poëzie een reactie is gekomen. Als de proletarische-
+gemeenschappelijke stijl bestaat, dan komt er natuurlijk een aristocratisch
+-anarchistische beweging. Dat spreekt van zelf. Dat kan anders niet.
+
+
+BIBLIOGRAPHIE:
+
+Het Vaderhuis (1903)--De Vlaamsche primitieven, hoe zij waren te Brugge
+(1903)--Laethemsche brieven over de Lente (1902)---Verzen [_Het
+vaderhuis, De Boomgaard der vogelen en der vruchten, Vroegere gedichten_
+(1905)]--Janus met het dubbele voorhoofd (1908)--De gulden schaduw
+(1910) [_De rei der maanden: het Huis van den Dichter; Poëmata_] Homeros
+Ilias, prozabewerking (1910) Afwijkingen (1910)--Kunst en geest in
+Vlaanderen (1911)---Interludiën (1912) Het tweede boek der Interludiën
+(ter perse)--De bestendige aanwezigheid (t.p.)--Het licht der kimmen
+[_Het gelaat des dichters; De geestelijke woonst; De acht
+verblindingen_] (in voorbereiding)--Omzettingen (i.v.)
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[3] P. Vergili Maronis "_Aeneidos_", lib. VI, 883. (Zeer vrij vertaald):
+Gij zult nog eens de eerste van uw geslacht zijn.
+
+
+
+
+JOSINE A. SIMONS-MEES
+
+
+(* 1863)
+
+Toen ze mij na lange aarzeling ontving, was zij dermate onder den indruk
+van haar afkeer, als publiek persoon te worden ondervraagd naar het
+intieme van haar besloten zelf, dat het gesprek voor ondervraagde zoowel
+als voor ondervrager nu en dan pijnlijk werd. Achteraf meende zij, dat
+allerlei zaken niet tot haar recht waren gekomen en gaf mij in
+overweging het interview niet te doen verschijnen. Op mijn verzoek heeft
+mevrouw Simons-Mees mij echter gemachtigd, enkele uitlatingen uit het
+gesprek met haar en haar echtgenoot, die mij met het oog op mijn geheel
+belangwekkend voorkwamen, in mijn eigen woorden weer te geven.
+
+Het schrijven was haar van begin af een zelf-bevrijding. Zij is heel
+gereserveerd en uit zich moeilijk. Vandaar dat ze trachtte, dit in haar
+werk te doen.
+
+Al vrij jong had zij verwantschap gevoeld met Heine en met Multatuli.
+Hun anti-conventionalisme, hun speelsch vernuft, hun afkeer van dwang
+vonden weerklank bij wat leefde in haar zelf. Zoo had de beweging van
+'80 haar geen bevrijding te brengen, noch naar wezen, noch naar vorm. De
+rhetorica van de vóor-tachtigers, hun zwaar-op-de-handheid, hun
+moraliseer-behoefte had zij voor zichzelf overwonnen. Zoo was veel in de
+beweging der '80-ers haar zelf eigen. Alleen hun "woordkunst" is haar
+altijd vreemd gebleven. Zij zelf voelde meer voor stijl "_in_ de
+natuurlijkheid". Vandaar dat men in de natuurlijkheid van haar dialoog
+ook wel "onnatuurlijks" kon aanwijzen. Het echte naturalisme was haar
+nooit eigen.
+
+Dat gevoel voor "stijl" hangt wel samen met haar liefde voor de meest
+"stijlvolle" aller kunsten, de Bouwkunst. Geen kunstwerk, zelfs niet de
+muziek, geeft haar zulke ontroeringen als een mooi gebouw. Op reis is,
+naast de natuur en de romantiek van het landschap, architectuur wat zij
+het liefste zoekt.
+
+En hier komt de tweeheid van haar wezen uit, gelijk die zich heeft
+geopenbaard in haar dramatische motieven en conflicten:
+
+Ordening en moralisme tegenover ongebondenheid; stijl-zin tegenover
+vrije romantiek; joie de vivre tegenover zwaarmoedigheid, pessimisme,
+sociaal meegevoel en zelfontzegging. Behoefte aan genieting en liefde
+voor het eenvoudige. Zelftucht en punctualisme tegenover afkeer van
+dwang; hollandsche nuchtere werkelijkheidszin tegenover behoefte aan een
+verbeeldingswereld. Een zekere hereditaire liefde voor de wijsbegeerte
+heeft zich bij haar geopenbaard in een vaak onbewuste behoefte om de
+"idee" in haar kunst te verwezenlijken, en in een sterke neiging tot
+psychologisch analyseeren, die, samen met haar mede heriditaire,
+nauwgezetheid en behoefte om van alles rekenschap te geven--in de
+menschen en situaties, die zij teekent--tot het uitspinnen leidt in haar
+werk (van welk defect zij zich volkomen bewust is) zoowel als tot het
+meest drie tot vier malen omwerken van een stuk eer zij het doet spelen
+of verschijnen.
+
+Het zijn die tegenstellingen in en om haar zelf, dat worstelen tusschen
+"het moet" en het "ik wil", die vooral de groote drijfveeren geworden
+zijn voor haar arbeid, en den dramatischen vorm, met zijn conflicten, in
+hoofdzaak bepaald hebben. Waarbij het feit dat het drama meer dan de
+roman op "structuur" berust, en de personen onmiddellijk en buiten den
+schrijver om zichzelf doet uitleven, die voorkeur voor dezen vorm wel
+mede bepaald zullen hebben. Zij voelt er zich althans meest in thuis; al
+denkt zij er ook over, den roman in brieven of dagboek eens te
+beproeven, om af te zijn van tooneelpremières met hun emoties,
+veelvuldige ontgoochelingen en "onmiddellijk hevig de publieke aandacht
+trekken".
+
+Doordat zij, evenals Ibsen, uit een zekere puriteinsch-moralistische
+omgeving spruit, zich evenals deze aangetrokken voelt tot de problemen
+van het moreele leven en zich kant tegen de frase (vgl. Zijn Evenbeeld,
+St. Elisabeth, Een Paladijn en Een Kasbloem) is wel eens de schijn
+ontstaan, dat zij gewerkt heeft onder diens invloed. Indien dit zoo
+mocht zijn, dan stellig niet bewust.
+
+Het is daarbij geenszins haar streven, als voorlichtster van het publiek
+op te treden. Ze tracht haar figuren zoo onpartijdig mogelijk voor
+zichzelf te laten leven, het aan het publiek overlatend, zelf een
+conclusie te trekken.
+
+De taak van den kunstenaar--aldus mevr. Simons-Mees--is: De menschen
+door het kunstwerk in staat te stellen, beter in zich zelf en in de
+wereld te zien. Elk kunstwerk moet de menschen leiden naar meer
+levensinzicht en levenswijsheid. Als het tenminste echt is.
+
+Daar kunst volgens haar eenvoudig ontstaat door en uit emoties in den
+kunstenaar, onverschillig of die gedragen worden door een
+maatschappelijk ideaal, of waardoor die gewekt zijn, acht zij onzen
+hevig-geëmotioneerden tijd voor het ontstaan van kunstwerken zeer
+gunstig: "Hoe meer emotie, hoe meer kunst".
+
+
+BIBLIOGRAPHIE:
+
+Voor 't Diner, [blijspel in 1 bedrijf. Gespeeld te Rotterdam 1889.
+Uitgaaf T.B.] 1911.--Droomleven, [tooneelspel in 3 bedrijven. Gespeeld
+door het Rotterdamsch Tooneelgezelschap in 1890. Nooit gedrukt.]
+--Ouders, tooneelspel in 2 bedrijven (samen met L. Simons). [Gespeeld
+door de Tooneelvereeniging te Amsterdam (+/- 1895). Verschenen in het
+tijdschrift _Nederland_.]--Ontgoocheld, tooneelspel in 2 bedrijven
+(samen met L. Simons). [Gespeeld in den Tivolischouwburg te Rotterdam (±
+1896). Nooit gedrukt.]--Koningsbruid, sprookjesdrama in 7 tafereelen
+(1898). [Gespeeld door de Tooneelvereeniging te Amsterdam in 1911?.
+Nooit gedrukt.]--Twee geslachten, tooneelspel in 3 bedrijver. [Onder
+pseudoniem Dr. A.C.A. Kosters gedrukt in _Nederland_ 1902.]--Twee
+Levenskringen, een ernstig stuk in 3 bedrijven. [Onder pseudoniem I.N.A.
+in de _Gids_ 1902. Later onder eigen naam in bundel bij G. Schreuders te
+Amsterdam (thans Mij. v. Goede en Goedkoope Lectuur)].--Van Hoogten en
+Vlakten, een stuk in 3 bedrijven. [Voor het eerst verschenen in de
+_Gids_, 1903, onder zelfde pseudoniem. Later in zelfden bundel als
+vorige.]--Zijn Evenbeeld. Tooneelspel in 3 bedrijven. [Verschenen in
+_Groot-Nederland_. Daarna in den 1sten bundel Tooneelspelen 1905.]--Een
+Moeder, tooneelspel in 3 bedrijven. [Gespeeld door 't Nederlandsch
+Tooneel te Amsterdam in 1905. Gedrukt in _Groot-Nederland_ in 1905.
+Later in den 2den bundel, bij de mij. v. Goede en Goedkoope
+Lectuur.]--De Veroveraar, een spel van stemmingen in 5 bedrijven.
+[Gespeeld voorjaar 1906 door het Nederlandsch Tooneel te Amsterdam.
+Gedrukt in _Nederland_ 1906. Daarna in de Ned. Bibliotheek (1906).]
+--Atie's Huwelijk, tooneelspel in 4 bedrijven. [Gespeeld a.v. in 1907.
+Gedrukt in _Groot-Nederland_. Daarna in de Ned. Bibliotheek in
+1907.]--Sint Elisabeth, tooneelspel in 3 bedrijven. [Verschenen in
+_Groot-Nederland_ 1907. Later opgenomen in den 2den bundel
+Tooneelspelen.]--Kasbloem, tooneelspel in 3 bedrijven. [Verschenen in
+_Groot-Nederland_ 1908. Later opgenomen in den 2den bundel
+Tooneelspelen.]--Een Paladijn, blijspel in 4 bedrijven. [Gespeeld door
+het Nederlandsch Tooneel te Amsterdam. Uitgaaf in de N.B.]---Het
+Liefdesvers, blijspel in 1 bedrijf. [Gespeeld op het Letterkundig
+Congres te Antwerpen in 1912. Niet uitgegeven.]--De Nimf, satyriek
+tooneelspel in 4 bedrijven. [Gespeeld door het Rotterdamsch
+Tooneelgezelschap in 1913. Verschenen in de T.B. 1913.]--
+
+
+
+
+CYRIEL BUYSSE
+
+[Illustratie: CYRIEL BUYSSE]
+
+[Illustratie: Op het balkon van zijn werkhuis]
+
+
+(* 1859)
+
+Toen ik te Gent uit d'n Sint-Pieters-Statie stapte, werd ik aangesproken
+door een zeer reusachtigen, blozenden, jovialen schoolknaap met
+opgestreken blonde knevels en zware Amerikaansche rijglaarzen:--Cyriel
+Buysse in zijn sportpak. Hij geleidde me naar zijn beroemde auto, liet
+zijn armen in een paar wijde handschoenen glijden en weg tuften wij. Wij
+gingen langs "het familiebuiten"; niet er in. Een zevental kilometers
+verder ligt zijn werkhuis, in de wandeling "de kooi", "la maison à
+pattes", of wel "de meulen" genaamd.
+
+Langs een omweg bereikten wij den top van een breeden heuvel en daar
+stond op een getimmerte van balken, te midden van laag gewas, een
+viertal meters van den beganen grond een houten gebouwtje met twee
+balkons. Men noemt het huisje "de molen", omdat op dien heuvel ook een
+molen staat, vele eeuwen oud, die, tusschen haakjes, nog steeds maalt.
+Het bevat een keukentje, een slaapkamer voor een dienstbode en een vrij
+ruime, doch primitieve werkkamer met groote openslaande vensters.
+
+Niemand zou hier een schrijver als Buysse gezocht hebben. Een lang
+ganzenroer lag op het bed naast mijn brief, een handvol patronen over de
+schrijftafel verspreid.
+
+Terwijl hij mij rondleidde en me de kasteelen in den omtrek toonde,
+moest ik denken aan een grondbezitter in de Kempen, die jaren geleden
+mij en een vriend door twee gewapende boschwachters deed aanhouden,
+omdat we over zijn terrein liepen teneinde een stuk weg af te snijden,
+en die ons minstens had laten opsluiten als hij had geweten dat we
+hadden gezwommen, bovendien, in zijn beek. Ik ben maar liever zijn gast,
+overwoog ik, tot Cyriel Buysse terugkeerend. Deze legde een twaalftal
+half uitgebrande toebakspijpen opzij, zoodat ik op zijn tafel kon
+schrijven, en keek met gefronsde wenkbrauwen over me heen toen ik met
+mijn vragen aankwam. Het: "Ge zult niets uit 'm krijgen!", dat enkele
+uren te voren een artiest mij had toegevoegd, spookte mij door het
+hoofd.
+
+"Ik ben de zoon van een fabrikant,"--begon hij--en wachtte: Als u 't
+hebt opgeschreven, waarschuwt u me wel. Dat was een grappige vergissing.
+Ik beduidde hem, dat hij zich aan mij niet moest storen en toen ging het
+vlot. Hij zette zijn gewone joviale gezicht en vertelde:
+
+--Ik ben de zoon van een fabrikant. Mijn vader had een fabriek een paar
+uur hier vandaan, en het idée was, dat ik hem op zou volgen als
+industriëel. Toen ik een jaar of vierentwintig was, werd ik voor zaken
+naar Amerika gestuurd, met het idée om daar misschien wel enkele jaren
+te blijven. Daar had ik vreeselijk te lijden van heimwee. Ik kon er
+absoluut niet wennen en ik geloof dat werkelijk door het lijden van het
+heimwee ik ben gaan zoeken: wat zal ik doen, ik moet iets anders doen.
+En toen ben ik voor eigen pleizier een dingetje begonnen te schrijven,
+iets van niemendal, het heette "Guustje en Zieneken", een
+boerenverhaaltje. Dat liet ik lezen aan mijne tante, Virginie Loveling,
+een zuster van mijne moeder. Die vond er iets in en zeide mij: met een
+klein beetje er aan te veranderen kan het gepubliceerd worden, en ik zou
+u aanraden om door te werken. Dat werd gepubliceerd in "Het Nederlandsch
+Museum", dat toen in Gent werd uitgegeven, en verscheen daarna als een
+afzonderlijk boekje. En van dat oogenblik af ben ik doorgegaan bijna
+zonder onderbreking. Mijn eerste werk van beteekenis was "De
+Biezenstekker", een groote novelle, die verscheen in "De Nieuwe Gids".
+Heel kort daarna kwam "Het Recht van den Sterkste". Ik geloof, dat ik
+daardoor in Holland bekend ben geworden. Wat zal ik u verder zeggen? de
+lijst van mijn werken is heel lang, er zijn er in de twintig, ieder jaar
+is er een nieuw boek geweest.
+
+Ik heb ook voor het tooneel gewerkt, een stuk uit den boerenstand "Het
+Gezin van Paemel", dan nog een ander stuk, getrokken uit "De
+Biezenstekker", "Driekoningenavond"; verder "Maria", getrokken uit Het
+"Recht van den Sterkste"; en verder "Een sociale Misdaad", getrokken uit
+een novelle van Wildstroopers.
+
+Een bedoeling heb ik met mijn werken nooit gehad. Ik geloof werkelijk,
+dat er bij mij heel weinig achter zit. U moet mijn werk nemen zooals het
+is, zonder bijbedoeling. Wel getrokken uit dingen die om mij heen
+gebeurd zijn--ik zit hier midden in mijn onderwerpen--maar zonder de
+bedoeling om met het schrijven iets te bereiken. Ik geloof, dat op mij
+wel toepasselijk is de formule van "l'art pour l'art". De menschen
+hebben er wel eens politieke bedoelingen in gezien. Eén ding is waar, ik
+ben heelemaal niet een vriend van de clericalen. Die hebben telkens veel
+aan mijn werk af te keuren gehad en van hen heb ik een geweldige
+tegenkanting ondervonden. Ik ben voor mijn globale werken in den ban
+geslagen. Mijn naam is om zoo te zeggen in den ban.
+
+--Hoe komt het, dat gij u bijna altijd bezighoudt met die
+plattelandsmenschen?
+
+--Ten eerste omdat ik die het best ken. Ik ben een buitenmensch. Ik ben
+heelemaal wat men kan noemen "un terrien", een man van den grond. Wat
+buiten gebeurt interesseert mij doorgaans meer dan wat in de stad
+gebeurt. Ik ben heelemaal geen stadsmensch. Ik kom alleen in de stad om
+sigaren te koopen of om mijn automobiel in orde te laten maken. Het is
+heel eigenaardig, ik denk bijna nooit aan de stad. Ik heb wel sommige
+dingen geschreven die gedeeltelijk in de stad plaats hebben, maar
+meestal komt er dan nog heel veel buitenleven bij. Ik voel mij absoluut
+als uit den grond gegroeid. Ik word heelemaal niet aangetrokken door het
+moderne leven in de stad. Dat lijkt mij dikwijls ziekelijk, en ik voel
+veel voor het gezonde.
+
+--Maar is dan in het algemeen de schrijver niet een mensch met
+niet-gezonde zenuwen, zooals men het wel eens heeft geformuleerd?
+
+--Neen, dat vind ik niet. Ik geloof meer aan het "mens sana in corpore
+sano",--altijd wat mij betreft. U kunt mij beschouwen als een geweldig
+individualist. Ik sluit mij heel moeilijk aan bij een ander. Ik ben wel
+lid van enkele vereenigingen, maar ik kom er nooit. Ik sta in alle
+opzichten heelemaal alleen.
+
+--Dus u gelooft niet aan de uitspraak: hoe zieker zenuwen, hoe beter
+kunst?
+
+--Neen, voor mij is dat absoluut niet zoo. Je kunt wel heel goed en
+scherp voelen en toch een heel gezond mensch zijn. Ik heb nooit de
+behoefte gevoeld mij ziek te maken om te werken. Vroeger kon ik alleen
+'s ochtends werken, maar nu kan ik een beetje werken wanneer ik wil.
+Dat gaat mij nu gemakkelijker af dan in het begin.
+
+Ik ben op het oogenblik bezig met een nogal eigenaardig boekje. Ik noem
+het "mijn zomerdagboek". Het zijn korte noteeringen van elken dag van
+mijn leven hier in de natuur. Van wat ik zie en gevoel. Allerlei kleine
+dingetjes dikwijls. Zeer afgewisseld. Een innig doordringen tot het
+landelijk leven in zijn détails. En het is ongelooflijk wat gij kunt
+afleggen als gij iederen dag werkt. Een-en-twintig Maart, den eersten
+dag van de Lente, ben ik begonnen, en wilt ge wel gelooven dat ik met
+iederen dag een paar bladzijden te schrijven, een boekje heb gekregen
+van meer dan driehonderd pagina's? Ik heb het tot nog toe volgehouden en
+nog geen enkelen dag overgeslagen van 's avonds iets neer te schrijven.
+Dat boek zal iets heelemaal aparts zijn in mijn productie. Ik zal het
+eindigen met den dag dat ik hier weg ga. Ik ga hier altijd weg als de
+laatste blaadjes gevallen zijn, en dan sluit ik meteen mijn dagboek.
+
+--Hoe is eigenlijk de verhouding tusschen u en uw onderwerpen?
+
+Dat is de verhouding van iemand, dien zij denken heelemaal tot hun
+gemoedsleven te behooren. Die menschen weten vagelijk dat ik schrijver
+ben. Zij weten het maar heel onduidelijk. Zij weten niet wat het is een
+schrijver te zijn. Ik praat met de boeren, ga in hun herbergen, tracteer
+de lui en praat met de herbergiers. Zij beschouwen mij heelemaal als van
+hun soort. Dat wil niet zeggen dat ik intiem met hen omga. Ik blijf voor
+hen altijd de mijnheer, maar toch een mijnheer die hun leven begrijpt.
+Het is wel gebeurd dat sommige menschen zeiden: mijnheer Buysse heeft
+over ons geschreven. Maar dan werd er weer aan getwijfeld, omdat sommige
+dingen niet precies klopten. Je componeert je boeken, nietwaar? je
+neemt iets van die en neemt iets van een ander, en daarvan maak je je
+personages. De menschen in mijn boeken zijn niet heelemaal integraal
+zooals zij langs de wereld loopen. En zoo herkennen de menschen zich
+meestal niet in mijn werk. Als gij hier moest rondgaan en vragen: wat
+doet die mijnheer Buysse toch, zij zouden u zeggen: Mijnheer Buysse is
+een mijnheer die op zijn goed leeft en niets uitvoert.
+
+Ik weet niet of u al gelezen hebt wat thans van mij in "Groot-Nederland"
+is verschenen: "Van Hoog en Laag", de eerste van een serie van
+waarschijnlijk drie romans onder den gemeenzamen titel van "Hoog en
+Laag". Het eerste heet "Het eerste levensboek", en speelt hier. Het is
+het landschap dat u hier om u heen ziet. Het leven op dit kasteel en dat
+kasteel en dat van de dorpsmenschen zoo door elkaar. U zult er
+waarschijnlijk wel dingen min of meer in herkennen.
+
+Natuurlijk met de transformatie die een artiest aan de werkelijkheid
+geeft. Wij behoeven toch niet te praten over de quaestie van het
+realisme? "Un coin de nature vu à travers un temperament" is een niet
+kwade formule. De beschrijving van een realiteit is toch heel iets
+anders dan die realiteit.... Het grond-motief van dit boek vereenigt
+zich met een ander: ik zit hier namelijk hoog op een heuvel en ginder is
+nog een heuvel met een kasteel er op en daaronder liggen de menschen van
+het dorp hier....
+
+--Laat ik u even vasthouden. U zegt, dat een beschrijving van de
+werkelijkheid anders is dan de werkelijkheid zelf. Moet ik dit zoo
+verstaan, dat u iets aan de werkelijkheid toevoegt?
+
+--Als de artiest niets aan de werkelijkheid toevoegde zou hij geen
+artiest zijn. Het beschrijven van détails zonder meer, zooals Van
+Deyssel wel eens heeft gedaan, daar voel ik niets voor. Dat kan ik niet
+mooi vinden. "L'âme des choses", zooals de kunstenaar die voelt, moet
+uit zijn werken spreken.
+
+--Maar _wat_ voegt gij dan aan de werkelijkheid toe?
+
+--Ik zie de werkelijkheid vóór mij en op de werkelijkheid, die als beeld
+in mijn hoofd zit, ga ik bouwen. Maar er komt zooveel bij en er gaat
+zooveel af. In mijn werk is het gedeelte van de verbeelding zeer groot.
+
+--Welke zijde van de werkelijkheid trekt u dan het meeste aan?
+
+--Ik weet niet of ik het ooit zal gebruiken, maar àl wat ik zie
+interesseert mij. Alle verschijnselen van het leven zijn vol belang voor
+mij. Van het grootste tot het kleinste vind ik alles belangrijk.
+
+--Welke voorgangers hebben op uw eerste werk invloed gehad?
+
+--Ze hebben mij dikwijls vergeleken met De Maupassant, en ik zie zelf
+ook wel, dat ik op hem lijk in sommige dingen, doch dat is een
+toevallige gelijkenis. Vroeger heb ik bepaaldelijk onder den invloed van
+Zola gestaan. Hij heeft invloed op mij gehad, gelijk op alle joncheren
+van dien tijd. Wie heeft niet onder zijn invloed gestaan, twintig of
+vijfentwintig jaar geleden? "Het recht van den Sterkste" is bepaaldelijk
+onder den invloed van Zola geschapen. Ik bedoel natuurlijk niet, dat ik
+geïmiteerd heb, maar wel dat het procédé, de visie van Zola, is
+toegepast op deze lui en deze toestanden. Ik voelde daar veel voor in
+dien tijd, nu minder.... Maar aan de wetenschappelijke tendenz, bijv.
+aan de quaestie van de herediteit, die bij Zola zoo op den voorgrond
+treedt, hecht ik heelemaal niet. Dat is mij veel te gewild. Wat ik mooi
+vind, dat is de gang die in zijn werk zit, het lyrisme in een boek als
+"Germinal", de kolossale beweging van de massa's, het epos van een boek
+als "l'Assommoir".
+
+--Hoe denkt u dan over de uitspraak dat het naturalisme dood is?
+
+--Waarom zou het dood zijn? Er is niets dood. Het heeft zijn tijd gehad.
+Maar wie belet iemand met groot talent een heel mooi naturalistisch boek
+te schrijven? Laten zij het maar probeeren als zij kunnen. Wat hebben
+wij al nieuwe modes gezien in de literatuur. Waar is nu de mode van het
+symbolisme en het mysticisme? In sommige landen is het nog een beetje
+gaande, maar bijna overal heeft het afgedaan. Ik hecht niets aan al die
+dingen, absoluut niets.... O neen, ik geef mij geen rekenschap.... Zegt
+u maar gerust, dat alles bij mij direct gebeurt, spontaan en intuïtief,
+dat ik niet weet te zeggen waarom of hoe. Ja, de Hollanders zitten
+altijd met hun deductievermogen bezig en vragen altijd hoe het gekomen
+is en waarom het gebeurd is, maar ik weet het heusch niet. Ik geloof dat
+ik daarvoor te eenvoudig, te gezond in mijn natuur sta, om mij daarom
+bezorgd te maken.
+
+--Dus dan heeft u geen bepaalde voorliefde voor een of andere richting?
+
+--Als ik een mooi schilderij zie of een mooi boek lees, dan denk ik niet
+aan de richting. Dan kan het mij ook heelemaal niet schelen van welke
+richting of het is. Bijvoorbeeld: hoever sta ik niet af van een man als
+Maeterlinck? En toch bewonder ik zijn werken meestal enorm.
+
+--Ik kom nu aan de verhouding tusschen kunstenaar en maatschappij. Heeft
+volgens u de schrijver een taak ten opzichte van de gemeenschap, moet
+hij bijv. de menschen iets leeren...?
+
+--Ik wil niets leeren aan de menschen. Ik schrijf eenvoudig omdat ik
+niet anders kan. Ik zou heel ongelukkig zijn als ik niet kon schrijven.
+En waarom publiceer ik? Omdat hier en daar toch wel iemand is die met je
+meevoelt. Ik ken slechts de behoefte om wat ik sterk voel mee te deelen.
+Als je voor een mooi tafreel staat, dan heb je een kreet, dan zeg je:
+wat is dat mooi! En wanneer je als schrijver iets ziet dat mooi is, dan
+werk je het uit en geeft het aan de menschen te zien.
+
+Ik heb niet één van mijn werken herlezen. Ik zou het niet kunnen.
+Eenmaal als het geschreven en gedrukt is, is het absoluut dood. Het gaat
+zoover, dat ik heelemaal niet meer weet wat in mijn vorige werken
+gebeurd is. Een boek dat eenmaal geschreven is, is een ding dat gebloeid
+heeft en daarna is dood gegaan, een vrucht. Ik heb nooit het publiek
+voor oogen als ik iets doe. Ik ken mijn publiek niet. Wie leest mijn
+boeken? Ik weet het niet.
+
+--Met andere woorden: voor het streven naar gemeenschaps-kunst voelt u
+niets.
+
+--Dat gaat geheel buiten mij om. Absoluut. Daarvoor ben ik veel te sterk
+individualist. Ik sta alleen op de wereld. Ik begrijp niet wat bedoeld
+wordt met gemeenschaps-kunst. Wat is gemeenschaps-kunst.... Ik meen dat
+alles onbewust moet gebeuren en dat de gemeenschap naar de kunst moet
+komen, aangetrokken door wat wel aardig is en wat zij mee kan voelen. Ik
+kan mij niet voorstellen een gemeenschaps-kunst, een soort
+vooropgestelde kunst om de gemeenschap te behagen of ten nutte te
+zijn.... Ik weet het niet, ik kom er niet bij. Ik ben bang, dat het
+dikwijls heel minderwaardige kunst zou zijn op die manier....
+
+Nu zult u mij natuurlijk herinneren aan sommige van mijn tooneelstukken
+en aan mijn relaties met de socialisten. Och, ik beschouw die menschen
+als veel meer ontwikkeld dan de burgerij hier. Zij staan er bepaald ver
+boven, wat intellectueele ontwikkeling betreft. En daardoor hebben zij
+meer mijn sympathie gehad dan de anderen. Maar denkt u er om dat ik
+heelemaal buiten de politiek sta en dat ik geen actief deel neem in geen
+enkele partij. Ik ben zelfs geen kiezer, ik ga nooit naar de
+verkiezingen. Het is toevallig, dat mijn kunst beter begrepen wordt door
+de socialisten en beter in hun geest kwam. U zult zeggen "Het gezin van
+Paemel" is een socialistisch stuk, de socialisten spelen het voortdurend
+en spelen het goed, maar ik verzeker u dat het toevallig is en het zou
+net zoo goed kunnen gebeuren dat ik een stuk schreef dat
+anti-socialistisch was. Maar aangezien de mindere klassen menschen zijn
+die veel onrecht wordt gedaan in de maatschappij, voel ik mij daartoe
+meer aangetrokken. Er is veel meer van te zeggen dan van de andere
+standen, die bevoordeeligd zijn door de maatschappelijke verhoudingen.
+Ik ken de geheele opkomst van de Gentsche socialisten, hun economischen
+en socialen strijd, en ik vind het bewonderenswaardig, ik kan het niet
+helpen. Iederen keer dat ik voor "Vooruit" kom, bewonder ik wat zij
+gedaan hebben en hoe die menschen zich trots alles ontwikkeld hebben.
+
+Als de proletarische kunst goed is, dan vind ik ze goed. Maar ik vind ze
+wel eens leelijk. In de tooneelzaal van de socialisten te Gent hangen
+schilderijen, symbolische voorstellingen van kapitaal en arbeid, die ik
+niet kan bewonderen. Is dat gemeenschapskunst, dan zou ik zeggen: ik zie
+liever salonkunst als het mooi is. Roland Holst en Gorter zijn twee echt
+mooie artiesten, die ook zonder hun richting heel mooie dingen maken. Ik
+ben overtuigd, dat zij het socialisme niet noodig hebben om prachtige
+kunstwerken voort te brengen.
+
+Kortom, ik meen dat een artiest volkomen onafhankelijk moet willen zijn
+... of liever, hij "moet" het niet "willen" zijn, hij _is_ het, hij is
+absoluut vrij aan alle kanten, want als hij denkt dat hij het "moet"
+zijn, dan is het ook al weer niet zuiver....
+
+--En we tuften terug. De boeren die tegen 't land werkten stonden op om
+hem te groeten. De zon scheen over den akker en hij wees mij op de kleur
+van den grond: rose, met een gouden weerschijn, heelemaal niet zwart,
+zooals een befaamd Hollandsch journalist, over Streuvels schrijvend "den
+vetten Vlaamschen bodem" genoemd heeft.
+
+Nu kwamen wij op "het familiebuiten".
+
+Ik vond het verschrikkelijk jammer dat ik geen _smoking_ bij mij had,
+maar het was nu eenmaal niet anders. Hij had een flink aantal
+logé's--hij beweert tusschen haakjes dat men in Holland van "louché's"
+spreekt--met klinkende vaderlandsche namen en we gingen bijna terstond
+aan tafel. En terwijl een van zijn dochters mij vertelde, dat hij de
+slaaf is van zijn louché's, hoorde ik uit een gesprek, dat aan het
+andere eind der tafel gevoerd werd, dat men hem in zijn huis "de
+artiest" noemt. Een grappige bijzonderheid, die boekdeelen spreekt,
+zoowel over den man als over zijn omgeving. Met een goedhartig snuit
+liet hij met zich sollen en één keer liep hij, groot en naïef in zijn
+sportpak, van tafel om een exemplaar van zijn "Per auto" te halen,
+waarin hij voor een "louchée" een opdracht schreef.... Ik moest er
+vooral bij vermelden dat hij dit met een zeer defecte vulpen deed.... En
+in één adem liet hij er op volgen: "Hebt u 't al gehoord? Mijnheer de
+interfiefer (dat was ik) vindt mij een heel eenvoudig man!" Met
+bewonderenswaardigen tact bracht de gastvrouw het gesprek op een ander
+onderwerp.
+
+Hij had mij gaarne enkele dingen in den omtrek in verband met zijn werk
+laten zien, doch het ging dien middag niet, want een paar jonge dames
+die bij hem "loucheerden" moesten een bezoek afleggen in het Zuiden, en
+daar hij de chauffeur is van de heele familie, was hij dien middag
+bezet.
+
+
+BIBLIOGRAPHIE:
+
+Het Recht van den Sterkste(1893)--Sursum Corda
+(1894)--Wroeging(1895)--Mea Culpa (1896)--Op 't Blauwhuis
+(1897)--Schoppenboer (1898)--Uit Vlaanderen (1899)--Te Lande (1899)--'n
+Leeuw van Vlaanderen (1900)--Van Arme Menschen (1901)--Daarna
+(1903)--Tusschen Leie en Schelde (1904)--Rozeke van Dalen (1905)--'t
+Bolleken (1906)--Lente (1907)--In de Natuur (1907)--Het Volle Leven
+(1908)--Ik Herinner Mij (1909)--Het Ezelken (1910)--De Vroolijke Tocht
+(1911)--Stemmingen (1911)--De Nachtelijke Aanranding (1912)--Per Auto
+(1913)--Van Hoog en Laag (1913).
+
+_Tooneel_:
+
+De Plaatsvervangende Vrederechter, satire.--Het Gezin van Paemel,
+drama.--Maria, drama.--Driekoningenavond, drama.--Een sociale Misdaad,
+drama.
+
+
+
+
+FRANS BASTIAANSE
+
+[Illustratie: FRANS BASTIAANSE Jeugdportret]
+
+[Illustratie: Foto Brok--Hilversum FRANS BASTIAANSE (eind 1913)]
+
+
+(* 1868)
+
+Onlangs ontmoette ik een dame, die al zijn verzen van buiten kent, zoo
+vaak had ze die, bewonderend, gelezen. Kort daarop sprak ik die dame
+weer. Ik heb hem gezien, zei ze, maar hij is mij bitter tegengevallen:
+hij is zoo'n gewoon mannetje....
+
+Mij is het juist andersom gegaan. In een plaats als Hilversum, waar het
+meerendeel van de menschen tot een allerbanaalst type behoort, valt een
+echte persoonlijkheid spoedig op, en zoo had ik allang het mijne gedacht
+van een niet kleinen maar ineengedrongen mijnheer met norsch starend
+gelaat, die in mijn buurt woonde. Hij was steeds bijzonder goed gekleed,
+maar blijkbaar liefhebber van een soort rustieke deukhoeden, die,
+vergeleken bij zijn overige kleedij, welhaast bizar zijn. En als hij mij
+traag voorbijpeddelde of met afgemeten passen langs mij schreed, telkens
+gaf hij mij de sensatie van een opgesloten en eenigszins beschaafden
+leeuw, van wien men nooit zeker kan weten, of hij niet op klaarlichten
+dag doodkalm zijn klauw, tusschen de traliën van zijn kooi door, in de
+spieren van den toeschouwer zal slaan. De lezer begrijpe goed: Niet de
+uiterlijke verschijning van dien mijnheer had gelijkenis met een leeuw,
+maar zijn innerlijk, dat ik raadde, had voor mij iets ontembaars.
+
+Toen ik nu ontdekte dat die mijnheer Frans Bastiaanse heette, was ik
+niet verwonderd. Ik aanvaardde de ontdekking gemakkelijk. Een
+onafwijsbaar licht ging mij op over zijn verzen, nu ik wist dat de
+dichter "van buiten ijs, van binnen gloed" was.
+
+In een huisje, niet ver van het mijne, met een ruim uitzicht over de hei
+en dat hij, tot mijn verbazing zonder ironische bedoelingen, "De Vlakte"
+heeft genoemd, woont deze idealist, die zich grimmig gelaten beweegt in
+de burgerlijke positie van leeraar aan een burgerschool. En voor zoover
+hij niet reeds uitteraard ongenaakbaar is, wordt hij dit met behulp van
+zijne vrouw, die met een gezicht, zoo zonnig dat men het nog aangenaam
+vindt op den koop toe, de bezoekers op een afstand houdt en zoo zijn
+weinige vrije uren bewaakt.
+
+De lezer zal wel begrepen hebben dat Bastiaanse mij, toen de kennismaking
+ondanks alles een feit was geworden, op sommige punten maar weinig nieuws
+had te vertellen. Hij was daar trouwens niet toe geneigd, want hij had
+een zeldzaam grimmige bui--dat zégt wat, niet waar?--en ik was al dra
+een beetje afgetrokken. Want zelden heb ik zoo sterk het verschijnsel
+waargenomen, ja getast, dat twee gedachtegangen (die van Bastiaanse en
+de mijne dus, in dit geval) elkander ik zou bijna zeggen rakelings
+voorbijgaan, zonder elkaar te ontmòeten. Nu was dit verschijnsel
+vooral merkwaardig, omdat ik hier zoowaar te doen had met iemand van
+academische opleiding, die reeds vele jaren docent is, en nog wel o.a.
+in de geschiedenis, en die dus ongetwijfeld groote oefening en
+vaardigheid bezit in het waardeeren van andermans meening. En toch, nu
+het ging om het innigste, het eigenaardig-persoonlijke, kreeg hij het
+gevoel dat ik vroeg om te strijden, en heel-even stonden we als
+blazende katers tegenover elkaar; om het daarna glimlachend op te
+geven en ons te verdiepen in de beschouwing van een mooie teekening.
+Want we hadden de scheidingslijn geraakt.
+
+Doch ik loop vooruit. Hoor hem eerst van zijn jeugd vertellen, woordkarig,
+zoo langzaam dat men aan het eind van ieder woord vreest dat hij er genoeg
+van krijgt, en blij als hij gelegenheid heeft het een of ander te
+verpletteren onder een zwaar woord, waar een languitgehaalde, dikke _l_
+uit rolt:
+
+"Ik ben uit een vo_l_komen ondichter_l_ijk milieu voortgekomen. Bij mij
+thuis waren alleen te vinden wat Aurora's, de Heidelbergsche
+catechismus, en Motley's "De opkomst van de Nederlandsche republiek". En
+als ik iets aan mijn omgeving te danken heb, dan zou ik zeggen dat het
+aan mijn vader is, een man van groot doorzettingsvermogen, die zich uit
+de lagere standen door energie en intellect had opgewerkt. Die liet mij
+ook volkomen vrij, en toen hij begreep dat ik niet in den handel wilde,
+mocht ik het vak van mijn keuze kiezen. Maar hij waarschuwde mij er
+voor, schoolmeester te worden: dat was het jammerlijkste vak dat ik
+kiezen kon....
+
+Op de lagere school, toen ik een jaar of tien was, begon ik de
+verhaaltjes die wij moesten schrijven, in plaats van die in gewoon proza
+na te vertellen, in verzen, natuurlijk prulverzen, na te vertellen. Dat
+is het begin geweest.
+
+Ik ben ook een tijdlang op kostschool geweest in Oosterbeek en daar heb
+ik bijzonder veel aan het natuurleven gehad, hetgeen dan op mijn denken
+en gevoelsleven wel invloed heeft geoefend.
+
+Op de burgerschool in Utrecht, op mijn zestiende of zeventiende jaar,
+ben ik weer gaan schrijven. Dat kwam spontaan. Tusschen mijn
+allervroegste prematuur ontwaken en mijn eigenlijk gezegd bewust
+optreden als dichter liggen dus een jaar of zes, zeven. Het begon toen
+met prullaria: Ik herinner mij een gedicht op een historisch gegeven: De
+slag op de Catalaunische velden. Ik had nog geen metriek geleerd en
+voelde dat er aan mijn Alexandrijnen iets ontbrak. Ik kon er maar niet
+achter komen wat. Later, het gedicht overlezend, zag ik dat de caesuur
+op de verkeerde plaats viel....
+
+Maar toen kwam een gewichtig oogenblik in mijn leven. Doordat mijn vader
+mij nogal vrij liet, kon ik vrij wat boeken bestellen, en zoo was ik ook
+op "De Gids" geabonneerd. Ik kwam toen bij mijn boekhandelaar, die mij
+zeide: Er is ook een ander tijdschrift, wilt u het eens inzien? Dat was
+"De nieuwe Gids". Ik ben ermede naar huis gegaan en heb de aflevering in
+één stuk doorgelezen. Direct begreep ik, dat dat nu was wat ik eigenlijk
+moest hebben. Men heeft wel eens opgemerkt: er staan in de "Nieuwe Gids"
+van die dingen waar je eerst aan moet wennen en dan pas kon je achter de
+schoonheid komen, maar ìk voelde het direct. Het was in den tijd dat Van
+Deyssel zijn critieken schreef en Kloos zijn prachtige verzen, die zijn
+opgenomen in het "Boek van kind en God". Daar had ik terstond een groote
+bewondering voor, en dat is ongetwijfeld van invloed geweest op mijn
+vorming. Meer invloed moet ik nog toekennen aan de theorieën van Kloos,
+zooals die in het begin van die periode telkens verschenen in zijn
+literaire kronieken. Het is mij vaak gebeurd dat ik van een schrijver
+niet veel las, maar uit een aantal verzen mij de gevoelswereld, waarin
+hij zich bewoog, eigen maakte. Dan ging ik weer mijn eigen gang. Zoo ook
+toen. Ik zat in de vierde of vijfde klas van de H.B.S. en ging weer mijn
+eigen verzen maken, doch die leken aanvankelijk wat veel op die van de
+"Nieuwe Gids". Ik heb ze dan ook onrijp gevonden en ze later allemaal
+achtergehouden.... In dien tijd kwam ik met de afleveringen van de
+"Nieuwe Gids" op school, ik liep er mede door de gangen en droeg zorg
+dat de leeraren het zagen. Zij vonden dat, naar ik dacht, een
+huiveringwekkend gezicht.
+
+Toen ik eind-examen had gedaan, besloot ik na eenige aarzeling, in de
+literatuur te gaan studeeren. Ik had van letterkunde, zooals die aan de
+academie wordt onderwezen, geen goed begrip; ik dacht dat ik aan de
+academie "de literatuur" zou hooren. Ik deed eind-examen gymnasium, en
+ging in de Nederlandsche letteren studeeren. Ik was spoedig
+teleurgesteld en heb ook lang overwogen, er maar den brui van te geven
+en eenvoudig literator te worden. Maar mijn neigingen brachten mij
+volstrekt niet tot realisme, en ik begreep wel, dat iemand die niets
+anders deed dan verzen maken, om te kunnen leven in de een of andere
+slavernij moest vervallen. Toch heeft het lang geduurd, voordat ik mij
+resigneerde om te blijven studeeren: Anderhalf jaar heb ik geen college
+geloopen.
+
+Ik nam mijn besluit juist in den tijd, toen het mis ging met de "Nieuwe
+Gids". Het wegvallen van het geestelijk milieu in ons land deed me
+pijnlijk aan. Want, niet waar, je leeft als individuen naast elkaar en
+je hebt in de sfeer waarin je leeft wel eenige aanknoopingspunten
+noodig. Dat maatschappelijk bankroet, dat ik in het ineenvallen van de
+"Nieuwe Gids" proeven kon, heeft mij gedeeltelijk tot inkeer gebracht,
+en heeft bij mij het voornemen doen rijpen om af te studeeren, zoodat ik
+niet een maatschappelijk afhankelijk persoon zou worden, dat ik mij zelf
+kon redden en daar bovenuit kunstenaar kon zijn....
+
+Nog iets anders heeft daartoe meegewerkt. Max Nordau heeft een boek
+geschreven: "Ontaarding"--een van de meest abjecte boeken die ik ken.
+Hij beweerde o.a. dat de groote dichters als Goethe complete menschen
+waren, maar bovendien nog kunstenaars, en dat de tegenwoordige dichters
+incomplete menschen waren. Goethe was overcompleet, zei hij zoo
+ongeveer, die had ergens een compartiment in zijn bestaan waar «en
+volkomen burger in zat, en dat heb jullie niet. Ik vond dat dat
+heelemaal onjuist was, en toen dacht ik: Ik zal die paar examens doen,
+dan kan ik het maatschappelijk werk dat te doen is ook op mij nemen,
+dan toon ik ook een overcompleet mensch te zijn. Ik beschouwde die
+maatschappelijke taak wel niet als het schoonste, maar toch als een
+noodzakelijke plicht. Ik besloot een gewoon mensch in de cultuur te
+worden, waarvan ik in mijn eerste jeugd een hartgrondigen afkeer had
+gehad.
+
+Ik ging toen een poosje naar buiten, en begon te werken voor mijn
+candidaatsexamen. In den tusschentijd had ik eenige verzen geschreven,
+die in enkele jaargangen van den Utrechtschen Studentenalmanak waren
+verschenen. Eenigen daarvan zijn door Van Eeden beoordeeld, die tot de
+conclusie kwam, dat Boutens, die toen ook verzen publiceerde, en ik
+misschien weleens zouden weten van ons leven, wat een goed vers is. Een
+van die gedichten is "Middag aan den heuvelrand", later opgenomen in
+"Natuur en Leven". Van Deyssel heeft daar later over geschreven.
+
+Ik was toen 23 jaar. Wat voor den pianist de vingeroefeningen zijn, dat
+was voor mij het schrijven van mijn vroegste gedichten. Zoo goed als
+ieder ander kunstenaar heeft de dichter grondig zijn métier te leeren.
+
+Wat nu mijn levenshouding betreft--ik sta hoofdzakelijk op het standpunt
+van den aristocratischen eenling. Ik vind dat het geestes-aristocratisme
+steunen moet op een bijzonder groote mate van kennis en op het diepste
+menschelijk gevoel. Een gevoel echter, dat nooit mag leiden tot den
+ondergang van het individu. Ik bedoel dit: Ik zou nooit een leven kunnen
+leiden als bijv. Verlaine--een leven van armôe en ellende. Dit heeft ook
+gemaakt--die dingen werken allemaal op elkaar terug--dat ik mij
+maatschappelijk zelve door het leven wenschte te slaan.
+
+Maar het spreekt wel van zelf dat ik geen kind zou zijn van mijn tijd,
+wanneer ik niet ook op gegeven oogenblikken de behoefte in mij had
+gevoeld naar aansluiting bij de massa van gelijkgezinden. Ik heb een
+oogenblik gemeend, zooals zoovelen, dat ik dit wellicht in het
+socialisme zou vinden, daar ik het in de nuchter-practische gemeenschap
+van de bourgeoisie niet vond. Want voor een massa van die menschen is de
+poëzie dood. Ze hebben er niets aan. Te midden van hen kun je je als
+eenling voelen, maar nadere gemeenschap heb je niet met hen. Wat zij
+zwart noemen, dat noem je gewoonlijk wit. Zoo ga je zoeken naar een
+andere gemeenschap, en toen ben ik ook wel enkele malen op een
+socialistische meeting geweest.
+
+Maar die toon van gemeenzaamheid, die vervlakking van de
+persoonlijkheden, die daar voorkwamen, leken mij aan den anderen kant
+weer even verkeerd. Want ik ben wel voor de vrijheid, maar zeer sterk
+tegen de gelijkheid en de broederschap, in dien zin dan dat daardoor het
+persoonlijkheidsbesef zou worden aangetast. En hoe meer iemand zich
+differenciëert van de massa, des te meer zal hij in staat zijn om
+datgene te maken wat de massa niet vermag. Dus: Ik ben voor de grootst
+mogelijke ongelijkheid, en dat heb ik toen goed gevoeld. Eerst heb ik in
+dien tijd met Gorter terloops gesproken en daarna grondiger met Tak.
+Aan Tak heb ik één wijze raadgeving te danken, die ik nog dankbaar in
+gedachten houd: Hij waarschuwde mij, mij niet in dit opzicht door mijn
+gevoel, maar slechts door mijn intellect te laten leiden. En toen ben ik
+het historisch materialisme en de socialistische theorieën gaan
+bestudeeren, en ik heb gezien dat het niet mijn zaak was. Dat het
+misschien mogelijk was voor; andere menschen, daar bezieling uit te
+putten, menschen die het sentiment voor de massa hadden, maar dat het,
+mij niet zou steunen.
+
+Hier besloot Bastiaanse "iets voor den dag te halen", dat wil zeggen,
+hij nam uit zijn Oud-Hollandsche kast een paar kleine cartons, waarin
+hij zijn keurig geschreven manuscripten bewaart. En eer ik er op
+verdacht was las hij mij enkele fragmenten voor uit een uitvoerig
+gedicht "Het Eiland der Schoonheid",[4] dat nog niet gepubliceerd is en
+geschreven werd tusschen Sept. 1911 en Dec. 1912. Hier brak de
+innerlijke gloed door het uiterlijke ijs. Hij had naar het gedicht
+gegrepen, gelijk een musicus naar zijn speeltuig, omdat gesproken
+woorden hier nietszeggend waren geworden.
+
+Hoe groot is het verschil tusschen de technische, op massa-effect
+berekende kunst van den declamator en de stem van den dichter die zijn
+eigen poëzie geeft. Hoe verteederd was deze stem hier en hoe zuiver deed
+haar bevend rhytme mij gevoelen dat wij nu in een andere wereld waren
+aangeland. Luister:
+
+ "Ik hoorde menig stem van vroeger tijden,
+ Die van dat uitverkoren heeft gewaagd,
+ Maar mij daarheen door nood en nacht te leiden.
+ Heb ik vergeefs aan levenden gevraagd.
+
+ Slechts vinden zullen zij die zelve zochten:
+ De weg van de een is die des anderen niet,
+ En zelden zien wij op eenzame tochten
+ Een wijkend zeil in 't schemerend verschiet.
+
+ Dit wist ik van die verre reis te voren,
+ Maar zorg en vrees verdubbelden mijn moed,
+ Dus heb ik leed boven de rust verkoren,
+ Vage eindeloosheid boven eindig goed."
+
+Wat lijken ze toch veel op elkaar, als ze in dezen staat verkeeren,
+overpeinsde ik, nog onder de bekoring van de week-speelsche
+rhytme-grilligheid, waarmede de twee laatste verzen een hard besluit
+verzoeten. (Ik moest n.l. onwillekeurig denken aan Albert Verwey, die
+mij lang geleden iets uit zijn gedichten voorlas, en daarna aan onzen
+wijsgeerigen kunstenaar Bierens de Haan.)
+
+En ziet, nadat Bastiaanse mij den aard van z'n alleen-zijn op deze wijze
+had verduidelijkt, beter dan hij het in gewone woorden had kunnen doen,
+vervolgde hij, nog steeds sprekend over het sentiment voor de massa:
+
+"Er is een oogenblik geweest, dat ik dit sentiment zelfs zeer
+verderfelijk achtte. Maar ik erken nu: Als een kunstenaar zoo veel houdt
+van die massa-idee als een ander bijv. van zijn geliefde of zijn moeder
+kan houden, dan kan die massa-idee in hem dien ontroeringsstaat wekken,
+die tot het kunstenaarsschap aanleiding geeft. Ik ben dus gaan zeggen,
+dat ieder op zijn wijze moet worden aangedaan, de een door het massa
+sentiment, de ander door een diep natuur-instinct, een derde door zijn
+religieus gevoel. Die dingen liggen in iemands onder-bewustzijn vaak
+naast elkaar, maar ze kunnen ook fel tegenover elkaar staan....
+
+Ik ben dus weer geworden wat ik altijd geweest ben, n.l. individualist,
+maar van ruimer opvatting dan te voren, vooral in den laatsten tijd. Ik
+heb in de allerlaatste jaren het gevoel gehad, dat ik vroeger wel tegen
+Gorter en mevr. Holst heb kunnen schrijven, maar dat die menschen met
+hun artistiek temperament en hun hartstochtelijk gevoelsleven, ten
+slotte dichter bij ons staan, dan de burgers, met wie we uiterlijk
+gerekend kunnen worden overeen te stemmen. Het primaire van een
+kunstwerk is de ontroering die er in schuilt, en of die ontroering bij
+den kunstenaar nu gewekt wordt doordat hij haar krijgt uit het
+massa-sentiment, of door het natuurleven, of wat dan ook, dat blijft ten
+slotte hetzelfde, mits de diepre ontvankelijkheid en het
+kunstenaars-temperament er zijn Ik vind nu dat de scheiding niet mag
+loopen tusschen de artiesten onderling, maar dat die zich ook als een
+massa moeten gevoelen--ondanks hun individueele verschillen--tegenover
+de bruten en niet-ontvankelijken. Maar ik ben voor de ongelijkheid,
+zooals ik u zei, en ik vind het bijv. ook een schromelijk onrecht, dat
+er gelijk recht bestaat voor allen, want gelijk recht leidt tot onrecht.
+
+--Welken geestelijken inhoud heeft de "Nieuwe Gids" u gebracht?
+
+--Voor den geestelijken inhoud was ik in die dagen, waarvan ik u sprak,
+nog niet rijp. Ik voelde niet de theorie die er achter kon worden
+opgetrokken, maar ik onderging de directe schoonheid ervan. Het was mij
+net eender of Thijm mij door zijn proza ontroerde of Kloos door zijn
+verzen, en ik had ook plezier van de artikelen van Van der Goes. Ik had
+in die dagen geen keus gedaan en leefde buitenmaatschappelijk voor de
+Schoonheid. En wat ik later dóór het leven weer heb teruggewonnen, dat
+had ik toen dus intuïtief.... Toen begon men van de zijde van de
+socialisten die straffe houding aan te nemen. Mevr. Holst o.a. zei: dat
+de burgerlijke dichters leeggeloopen waren en vol moesten worden gemaakt
+uit het socialisme. Toen ben ik met mijn verstand gaan studeeren en heb
+mij uit aversie te scherp tegen het socialisme gekant, in zooverre het
+m.i. het kunstleven aantastte. Achteraf ben ik door de bewustheid heen
+weer tot de overtuiging gekomen, dat het er heel weinig toe doet wat
+iemand politiek gelooft, mits hij maar de kunstenaarsontroering kan
+krijgen op de wijze die voor hem passend is. En dus--ik geniet weer--en
+net zoo goed de verzen van mevr. Roland Holst als ik het werk van
+Woestijne of Boutens geniet.
+
+--Ik mag dus constateeren, was mijn vraag, dat u op het standpunt van de
+"Nieuwe Gids" is blijven staan?
+
+--We zijn ouder geworden, maar ik geloof dat mijn standpunt van nu
+hetzelfde is. De "Nieuwe Gids" stond net zoo goed open voor Van der Goes
+als voor Thijm, de ducdalf, zooals hij het noemde, van het
+persoonlijkheidsbegrip, terwijl Van der Goes juist de tegengestelde pool
+was. Er was dus de overtuiging, dat de schoonheid op verschillende
+wijzen kan worden verwezenlijkt, en dat het voor den man die in de sfeer
+van de schoonheid leeft, er volstrekt niet toe doet, wat zijn houding in
+het maatschappelijke is.--Dat komt dan overeen met het gevoel dat de
+kunstenaar twee dingen in zich moet hebben, den burger, die in het
+maatschappelijk leven de menschelijke comedie meespeelt; en den man die
+voor diepere ontroeringen vatbaar is....
+
+Wij mogen dit leven niet beschouwen als een inleiding tot het mogelijke
+hiernamaals, maar we hebben het leven nu door alle poriën te genieten en
+te waardeeren. En als de menschen droef zijn, omdat ze achter het
+kortstondige leven den dood voelen, die alles zal afsluiten, dan zeg ik:
+kunnen we een symphonie van Beethoven niet in al haar volle geluk
+genieten en waardeeren, ook als we weten dat over een half uur het einde
+zal zijn gekomen?... U ziet, het is volkomen het heidensche standpunt,
+dat ik als levenshouding heb aangenomen in den laatsten tijd. Het leven
+in alles genieten--niet in plat-materiëelen zin, maar in ideëelen
+zin:--van den morgenstond genieten, van het blad dat aan den berk
+vergeelt, van een ree dat wegvlucht achter in het bosch--van muziek, van
+schilderkunst, van alles kortom wat het leven biedt, maar dan in
+hoogeren zin--niet te vragen: Waarom? en niet te vragen: Waarvoor?--maar
+het schoonheidsgeluk van elk oogenblik te drinken--en het leed te nemen
+en dat te transformeeren in de sfeer van de schoonheid, tot nieuw geluk.
+
+--Hier is dus niet een algemeen-menschelijk standpunt, dat u op
+dichterlijke wijze vertolkt, merkte ik op, maar een speciaal
+schoonheids-standpunt, een aesthetisch standpunt, een poëtenstandpunt.--
+
+--Juist, want het aesthetisch beginsel kan zijn sappen trekken uit alle
+levensbeschouwingen en alle tijden:--dat is het supreme standpunt. De
+Katholiek kan zeggen: Er zijn dingen in het leven voor mij niet
+weggelegd, en zoo heeft elke richting, wanneer men zich op
+maatschappelijk standpunt stelt, de beperking van zijn eindigheid.
+Alleen iemand die leeft naar het aesthetisch beginsel heeft een hoogte
+en wijdte bereikt, waarin alle richtingen kunnen worden saamgesmolten.
+Zooals je verschillende ertsen in één smeltkroes kunt doen en er ten
+slotte een volkomen harmonisch beeld van kunt maken, zoo is het een zaak
+van de dichterlijke persoonlijkheid, om uit zoo verschillende dingen een
+eenheid te maken.
+
+--Als ik nu aanneem dat de dichter, als zoodanig, een apart staand
+mensch is, dan kom ik van zelf tot de vraag: Heeft de dichter een
+maatschappelijke functie, en zoo ja, welke?
+
+--De kunstenaar moet in de gelegenheid worden gesteld, het
+maatschappelijk leven mede te leven, in zooverre en op de wijze als dat
+voordeel geeft voor de ontwikkeling van zijn schoonheids-productie. Wat
+mij betreft, ik zou tijdelijk in de volle maatschappij willen zijn, maar
+de gelegenheid willen hebben om, op het oogenblik dat de verwerkelijking
+van mijn kunst gekomen was, mij bijv. in de Zwitsersche bergen terug te
+trekken. Ik acht het voor den kunstenaar absoluut noodig, dat hij zich
+niet losmaakt uit het groote menschenverband, maar hij moet er zich
+wanneer hij wil uit kunnen terugtrekken.
+
+--Dit, de lezer zal het toegeven, was geen rechtstreeksch antwoord op
+mijn vraag, en ik trachtte mij dus duidelijker uit te drukken: Ik
+bedoelde te vragen naar de beteekenis van den dichter voor de
+samenleving, welke plaats hij inneemt in het maatschappelijk raderwerk,
+of--laat ik daar maar mee beginnen: Welke beteekenis heeft in het
+algemeen de dichter voor zijn volk?
+
+--Men pleegt altijd te zeggen, dat de kunst "de bloem" is van een
+bepaalde beschaving. Volgens de schatting van velen is een volk zonder
+kunst maatschappelijk dood, de kunst is de hoogste bloei van een volk.
+In de tweede plaats, meer in het bijzonder wat den taalkunstenaar
+betreft, is de taal heel het volk. Een man die tot den bloei van die
+taal bijdraagt en den taalschat vermeerdert, bewijst aan zijn volk
+minstens even groote diensten als een groot staatsman of een generaal.
+Dus bestaat voor de overheid de plicht, om zulke allerverdienstelijkste
+staatsburgers, behalve ze soms lofprijzingen te geven, ook in staat te
+stellen om hun schoonheidsbedoelingen in absolute vrijheid te
+verwezenlijken. Want de voorbereiding voor den kunstenaar is de meest
+omvangrijke, die er voor welk maatschappelijk métier ook zou kunnen
+bestaan. De noodzakelijkheid mag hem soms opleggen voor zijn
+dagelijksch brood te zorgen, eigenlijk moest dit niet het geval zijn. De
+kunstenaar moet in de tijden dat hij niet scheppend werkt door het zich
+eigen maken van elke geestesbeschaving, uit welken tijd ook, zijn geest
+kunnen verrijken. Niet om die geestesbeschaving na te maken, maar om aan
+wat hij neerschrijft de geestelijke diepte van die culturen mede te
+deelen. Al heeft een kind nog zoo goed de handgrepen van het pianospelen
+geleerd, aan den toetsaanslag van den volwassen man hoort men toch de
+levenservaring die in dien man leeft. Zoo kan de kunstenaar, na andere
+culturen te hebben verwerkt, in schijnbaar met die culturen niets te
+maken hebbende uitingen hun diepere gevoelsleven verwerken, naarmate hij
+meer met het diepere gevoelsleven van anderen heeft kennis gemaakt. Ik
+vind natuurlijk dat het goed is, eens aan te toonen, dat je als
+kunstenaar ook die maatschappelijke bezigheden wel kunt verrichten, dat
+je dus een normaal mensch bent, met iets er bij, maar ik acht dien
+toestand toch vicieus. Zooals ik zei: Gelijk Van 't Hoff in Berlijn
+gelegenheid kreeg om zich daar aan zijn studiën te wijden en maar één
+uur college in de week te geven, zoo moest men eventueel ook een dichter
+of proza-schrijver volkomen vrij maken. De menschen die arbeiden aan het
+instrument waardoor een volk een natie is, bewijzen aan dat volk de
+onwaardeerbaarste diensten, en die moeten worden op prijs gesteld....
+
+Ja, ik geef u toe, practisch is het moeilijk uitvoerbaar, maar het zou
+moeten gebeuren b.v. door een Instituut van schoone kunsten, dat gevormd
+wordt niet door regeeringsambtenaren maar uit de gezaghebbende
+kunstenaars zelve. Zooals u weet, is men bij ons van plan zulk een
+instituut in het leven te roepen en dat zou eventueel kunnen uitmaken,
+wie in de termen vielen om van overheidswege onbekrompen geholpen te
+worden.
+
+--Ik begreep nu wel, waarde lezer, dat ik op mijn vraag geen
+rechtstreeksch antwoord zou krijgen, en dat ik in het uitblijven van dit
+antwoord--ook een antwoord moest trachten te vinden. Maar op gevaar af,
+door Bastiaanse voor zeer onnoozel te worden gehouden, waagde ik nog een
+kansje:
+
+--Ziet u, ik zal mij onduidelijk hebben uitgedrukt, zoo begon ik. Ik
+wilde eigenlijk van u weten, wat volgens u de dichter uitvoert in de
+maatschappij. Kan een betrekkelijk groote minderheid daar iets van
+bemerken? Welken dienst bewijst de dichter eigenlijk aan zijn
+lezerskring...?
+
+--Om dat te weten te komen, antwoordde hij, zou men van overheidswege
+een decreet moeten uitvaardigen, dat in geen 25 jaren een boek, een
+tijdschrift of een courant zou mogen verschijnen. Dan moesten de
+menschen in den trein stom tegenover elkaar zitten, want dan hadden ze
+geen "Handelsblad" en konden 's morgens niet over Falkland praten. Dan
+konden de dochters van den huize niet den avond te voren den inhoud van
+"De Kleine Johannes" uit haar hoofd leeren, om tegen den volgenden dag
+conversatie te hebben, als ze op een studentensouper mede aanzaten. Dan
+hadden de boudoirs geen Eline Vere meer. De burgers waren aan de
+leegheid van hun eigen gedachten gedurende 25 jaren overgelaten. Dan zou
+men leeren begrijpen, welke diensten scheppers van geestelijke waarden,
+romanschrijvers, journalisten en ook dichters aan de gemeenschap
+bewijzen. Als gas- of waterleiding worden afgesneden, als de treinen
+niet meer loopen, dan weten de menschen pas wat ze daaraan gehad hebben.
+
+Ze zijn nu zoo gewoon voor een appel en een ei geestelijke waarden te
+koopen, dat alleen de proefondervindelijkheid ze van de waarde daarvan
+het juiste begrip kan bijbrengen. Ze moeten dan praten over hetgeen hun
+eigen improductieve geesten opbrengen, ze zijn veroordeeld te leven in
+de hopeloosheid van hun eigen onvruchtbaarheid, ze hebben geen
+Heijermans en geen Royaards om hun avonden te vullen. Het is de dichter
+en de prozaschrijver die voor de menschen voelt en denkt en ze nieuwe
+stukken gedachten- en gevoelsleven geeft, dat ze uit hun eigen leven
+niet kunnen scheppen.
+
+Het mag sommigen toeschijnen dat de scheppers van geestelijke waarden
+lichter gemist kunnen worden dan de dichter in zijn "eigenwaan" denken
+mag, lichter dan de scheppers van reeële, rendabele waarden. Daarop kan
+ik antwoorden, dat nagenoeg _alles_ wat bestaat slechts onmisbaar is
+voor een _deel_ van de menschheid of van de samenleving. Ik heb
+bijvoorbeeld nooit een voetbal noodig gehad of een bioscoop-voorstelling
+....
+
+--Mijnheer Bastiaanse, zal ik u eens wat zeggen? Mijn vragen stuiten op
+u af.
+
+--Ja, u woudt de voegen in mijn pantser ontdekken, hé? Maar ik sta vàst
+in mijn overtuiging.
+
+--Dat is juist het merkwaardige. Ik _vraag_ en u denkt dat ik _strijd_.
+U is het meest volmaakte type van den aesthetischen mensch, dat ik ooit
+ontmoet heb. U treedt niet in mijn gedachtengang, maar wat doet u? U
+leest mij verzen voor, u werpt brokken stemming in mijn schema, en ik
+had gewenscht dat uw inzichten op dit punt de mijne zouden ontmoeten....
+
+Wij keken elkander een oogenblik aan; blijkbaar om ons te vergewissen of
+we goed waren of boos. Ik wilde verzachten: U begrijpt dat ik u begrijp,
+niet waar? Sommige dingen làten zich door u niet meer in gewone woorden
+zeggen en ik ben u dankbaar ... voor het genot ... voor de....
+
+Toen lachten we beiden. Het gevaarlijke punt lag achter ons. De
+intellectualistisch gezinde had den aesthetisch gezinde gewaardeerd.
+
+--Natuurlijk zei Bastiaanse, deze dingen kan niemand zoo uitdrukken als
+de dichter, en daarom heb ik u een paar maal den dichter laten hooren.
+In welken wezensstaat de mensch ook verkeert, wanneer hij als dichter de
+dichterlijke droom in zich voelt komen, dan is hij _de_ complete
+mensch....
+
+--Dit is inderdaad een standpunt, merkte ik op. Waarom deed ik mij
+nuchterder voor dan ik ben?
+
+Hij vertelde mij dien avond o.a. dat hij zijn vacantie in Zwitserland
+ging doorbrengen om er de rust te zoeken, die hij hier bij zijn velerlei
+bezigheden, waaronder het secretaris-schap van de Vereeniging van
+Letterkundigen, niet kan vinden. Weet u, vroeg hij bij het afscheidnemen
+op zijn langzame manier, weet u wat bij een vorige gelegenheid mijn
+hoofdindruk was van Zwitserland?--Gelukkig, dat ze _dat_ niet plat
+kunnen s_l_ijpen!
+
+--Heeft hij erg gebromd? vroeg zijn vrouw mij, toen ze me uitliet.
+
+Er lag een waereld van verstandhouding in die vraag.
+
+
+BIBLIOGRAPHIE:
+
+"Natuur en Leven" (1900)--"Gedichten" (W.B., 1909) [Van "Het boek
+Jeugd" verscheen een metrische vertaling in het Duitsch, van Peter
+Mühlfarth.]
+
+Voorts een aantal verspreide studies, w.o. "Het spellings- en
+taal-systeem van Kollewijn" (in 1911 afzonderlijk verschenen) en het
+overzicht "Taal en Letteren" in het verzamelwerk "Nederland in de
+twintigste eeuw". In verband met bovenstaand gesprek is vooral van
+belang "Het geestelijk lied", een lijvige beoordeeling van Knuttel's
+dissertatie, die in "Groot-Nederland" jrg. 1908 werd opgenomen en o.a.
+uitvoerig over het historisch materialisme handelt.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[4] Het hier volgende citaat is als manuscript gedrukt!
+
+
+
+
+HERMAN ROBBERS
+
+[Illustratie: Foto Koene & Büttinghausen, A'dam HERMAN ROBBERS (Mei
+1891)]
+
+[Illustratie: Foto J. Huijsen, A'dam HERMAN ROBBERS]
+
+
+(* SEPT. 1868)
+
+De oogen van dezen man, die iets beschermends in zijn lange gestalte
+heeft, zouden mij te nuchter lijken, indien niet de langdurige inwerking
+van de brilleglazen hun uitdrukking vervaagd had. Neen, nu ik goed kijk
+is er iets peinzends in, dat ook wel past bij den ietwat scheef
+getrokken, breeden, een groote ontvankelijkheid teekenenden mond. Dat
+hij het hoofd voorover draagt komt ook eigenlijk niet doordat hij van
+zijn respectabele lichaamshoogte op alles wat hem omgeeft moet neerzien.
+Nadenkend beluisteren van stilte en eigen stemming is er de oorzaak van.
+En nu hij vóor mij zit met den aarzelenden glimlach van de eerste
+kennismaking op het gelaat, begrijp ik ook waardoor zijn borstelige
+pruik midden op het voorhoofd is uitgegraven. Kijk, hij heeft het,
+ondanks betrekkelijke welgesteldheid, in het leven niet gemakkelijk
+gehad en ook in deze gezellige, comfortabele studeerkamer heeft hij
+menigmaal moeten vechten met zichzelf, en dan heeft hij de bevende
+vingers op het plekje dat nu kaal is geworden tegen zijn voorhoofd
+gedrukt.... Met zoo iemand kan ik goed praten: Deze hier weet, dat ons
+innerlijk geen product van de omstandigheden is of mag zijn, maar--wat
+ons brein ons ook wijs make,--zijn eigen weg moet zoeken.
+
+Als ik hem nu vraag onder welke omstandigheden het hem bewust is
+geworden, dat hij als schrijver zou optreden, blijkt mij, geheel in
+overeenstemming hiermede, hoe hij juist staat tusschen de mannen van '80
+die zich aan eigen gemoed verslaafden, en de jongere generatie, die de
+inblazingen des gemoeds met verstandelijke overwegingen tracht te leiden
+of te onderwerpen. In den loop van ons gesprek verwonder ik mij telkens,
+hoe hij zich bijna blindelings tusschen die beide richtingen door
+oriënteert, en ik zou hier aan philosophische vindingrijkheid gaan
+denken,--ik heb pas van een buitenlandsch dichter vernomen dat wij,
+Hollanders, richtingen scheppen of 't niets is--als ik zijn theorieën
+niet belichaamd voor mij had zien staan, indien ik ze niet had
+weergevonden in zijn blik, in de trekken om zijn ontvankelijk-wachtenden
+mond, en in dat heldere, rustige wiskunstenaarsvoorhoofd, dat--als ik 't
+eens zoo mag zeggen--meer denkt dan de ziel kan navoelen. Maar hierbij
+word ik onmiddellijk getroffen door het inzicht, dat hij precies zijn
+positie kent, dat ik zijn gelaat niet verder behoef te ontleden. Hij
+vertelt het me precies zoo als ik het verwacht heb, hij is een Hollander
+naar mijn hart, hij heeft "zich rekenschap gegeven"--zooals die
+buitenlandsche kunstenaar mij zeide dat alle Hollanders doen.
+
+Hier volgt zijn antwoord op de allesbeheerschende vraag, die ik boven
+kortelijk aangaf:
+
+--"Eigenlijk gezegd heb ik als kind zoolang ik mij herinneren kan al
+geschreven. Ik was een jongen die altijd las en daarbij al gauw de
+neiging kreeg zelf verhaaltjes en sprookjes te maken. Dat is _purement_
+een drang van mij geweest. Ik had als jongen van acht of negen jaar de
+gekke gewoonte om, als ik een verhaaltje gelezen had, het op mijn manier
+na te vertellen, liefst op rijm, en met dergelijke gedachten ben ik
+altijd bezig geweest. Zooals u weet ben ik in Rotterdam geboren en
+opgevoed, en als leerling van het gymnasium krijg je al gauw wat meer
+quasi literairen omgang dan op andere scholen. In de derde of vierde
+klasse hadden wij een zoogenaamde literaire club. Daar moesten wij dan
+opstellen voor maken. Maar vóór dien tijd had ik al lang het plan dit
+voor mij zelf te doen. Gelukkig heb ik niet vroeg gepubliceerd. Ik ben
+daarmee pas begonnen toen ik vierentwintig was.
+
+--Dat was dan toch zeker werk van geheel anderen aard? vroeg ik, om het
+gesprek op de principiëele zaak te brengen.
+
+--Och, bij mij is daar niet zoo'n groot verschil in. Het schrijven is
+bij mij niet voortgekomen uit den lust om een of ander idee te
+propageeren of om in een of ander opzicht aan de menschen iets te willen
+geven. Ik heb slechts willen voldoen aan een zeker pleizier om een
+verhaal te schrijven. Het was een soort liefhebberij van mij, zooals de
+menschen alle mogelijke liefhebberijen kunnen hebben. De een timmert
+graag, de ander schrijft graag.
+
+Dat eerste werk is een novelletje geweest. "Een Kalverliefde", dat
+naderhand met twee andere novellen in een bundeltje is verschenen,
+waarvoor ik geen gemeenschappelijken naam kon vinden en dat ik daarom
+ook genoemd heb: "Een Kalverliefde, De Verloren Zoon en De Vreemde
+Plant".
+
+Mijn leven is niet te beschouwen zonder daarbij te nemen mijn gewone
+werk buiten de literatuur om. Ik was in den boekhandel. Ik had wel
+altijd het plan gehad om schrijver te worden, maar ik wist ook heel
+goed dat je daar niet van kunt leven en dat ik moest aanpakken.
+Studeeren wilde ik niet, en zoo ben ik op mijn achttiende jaar bij mijn
+vader in de zaak gekomen. _Daar_ werd onmogelijk hard gewerkt.
+Daarenboven was ik vrij jong geëngageerd en ging graag 's avonds nog
+even naar mijn meisje. Als ik daarna thuis kwam, ging ik zitten
+schrijven. Mijn eerste novellen zijn dan ook geschreven 's nachts
+tusschen twaalf en drie. Op Zondag was ik meestal te moe. U weet hoe dat
+gaat, men werkt de heele week hard en rekent daarbij op den Zondag, en
+dat valt tegen. Toen ik nu ging trouwen, heb ik in dit opzicht een
+beteren levensregel aangenomen Ik zei tegen mijn vader en mijn broer:
+wij moeten een verandering maken en de zaak vroeger sluiten. Er was een
+tijd dat mijn oudste broer en ik tegen elkaar zeiden: "Is het al kwart?"
+en dat beteekende kwart voor twaalf, als wij naar huis gingen. Nu
+begonnen wij wat vroeger te werken en werkten door tot halfzeven, om 's
+avonds vrij te hebben. Toen kon ik dus tusschen acht en negen beginnen.
+Toen heb ik ook een grooter boek aangedurfd en "De roman van Bernard
+Bandt" geschreven.
+
+Ondertusschen had ik natuurlijk wat meer algemeen benul gekregen. Laat
+ik hierbij meteen behandelen mijn verhouding tot de "Nieuwe Gids",
+waarnaar u mij schriftelijk gevraagd hebt. Dit is bij mij misschien
+anders begonnen dan bij vele anderen, omdat ik weinig tijd had om van de
+dingen nota te nemen. Ik had de "Nieuwe Gids" van het eerste nummer af
+gekend. Ik heb hem nog op zestienjarigen leeftijd in mijn club tegen
+anderen verdedigd. Toch kan ik niet zeggen, dat ik in de eerste jaren
+ook zelfs maar geregeld nota heb genomen van wat er in verscheen. Ik las
+maar te hooi en te gras, dan hier en dan daar. Soms kreeg ik
+bevliegingen: ik moet een massa lezen,--en dan zat ik daarmee tot diep
+in den nacht. En dan dacht ik weer: wat kan het mij allemaal schelen, ik
+heb toch geen tijd. Niet waar, je hebt allemaal van die buien als je nog
+jong bent.... Ik kende de "Nieuwe Gids" dus wel, en wist wel wat de
+beweging beteekende, maar ik heb er mij pas goed ingewerkt toen ik
+vijfentwintig of zesentwintig jaar was, getrouwd, en toen de boeken
+verschenen van de menschen die vroeger in de Nieuwe Gids hadden gewerkt:
+de Verzamelde Opstellen van Van Deijssel en de boeken van Van Looy. Van
+Eeden had ik wel zoo tusschendoor gelezen. Toen kreeg ik eindelijk tijd
+om met wat meer besef mijn positie ten opzichte van de literatuur vast
+te stellen. Tot mijn trouwen heb ik in een soort van werkroes
+doorgeleefd. De eerste jaren van mijn trouwen heb ik "De roman van
+Bernard Bandt" en "De bruidstijd van Annie de Boogh" geschreven. Dat
+moest veelal gebeuren in den laten avond, en ik merkte wel, dat dit geen
+gunstigen invloed op mijn werk had. Je schrijft dikwijls in een soort
+van overspanning, en dikwijls moest ik den volgenden ochtend verscheuren
+wat ik den vorigen avond laat geschreven had. Toen kwam de behoefte, mij
+geheel aan de literatuur te kunnen wijden. Eerst was er een tijd dat ik
+meende, een transactie te kunnen maken met de firma waarin ik werkte. Ik
+was nl. in '93 lid van de firma geworden. Ik had voorgesteld, een
+gedeelte van den dag te werken, en ik heb dat ook een tijdje lang
+geprobeerd. Ik zou om vier uur weg gaan, maar dat gebeurde eenvoudig
+niet, mijn eigen zaken gingen mij toch te veel ter harte om ze te laten
+loopen. Ik bleef dus toch zitten tot half zes, zes uur. Eindelijk heb ik
+tot mijn broer en mijn vader gezegd: ik ga er doodeenvoudig uit. En op 1
+Januari 1905 heb ik dit ook gedaan. In den loop van het voorafgaande
+jaar had mijn vader mij voorgesteld, om dan de redactie op mij te nemen
+van "Elsevier". Dat was me natuurlijk aangenaam, want dat gaf meer
+vastheid voor de toekomst. Ik was oorspronkelijk van plan ergens
+driehoogachter te gaan leven en dan maar te schrijven. Maar dat behoefde
+nu niet en ik kon er mij tenminste een beetje aangenamer doorslaan. Toen
+bleek mij echter, dat ik mij in de laatste jaren wat overwerkt had, en
+tweeëneenhalf jaar lang had ik erge moeite om te werken. In den loop van
+1907 is dat pas overgegaan; toen heb ik wat langer vacantie kunnen nemen
+en het af voelen trekken. Daarna heb ik een flinke werkperiode gehad, en
+de twee deelen van mijn "Roman van een Gezin" kunnen schrijven, die in
+1907--1909 in "Elsevier" zijn verschenen en daarna als boek.
+
+Daarna ben ik langzamerhand overstelpt geworden met werk van geheel
+anderen aard, in verband met het vereenigingsleven. Ik heb in 1905 met
+een paar anderen de Vereeniging van Letterkundigen opgericht, en ik heb
+dat met erg veel animo gedaan. Maar zij hebben mij dikwijls voor het
+werk laten opdraaien, zal ik maar zeggen, want daar komt het toch op
+neer. Ik was in den boekhandel en uitgeverij geweest en kende een
+heeleboel toestanden van nabij en beter misschien dan de anderen. Ook
+was ik meer gewoon practisch te werken, en zoo was ik als het ware
+aangewezen om allerlei werk te doen voor de vereeniging. Ik had ook
+studie gemaakt van de quaestie van het auteursrecht en daarover
+geschreven, en een van mijn bedoelingen met de Vereeniging van
+Letterkundigen was, te verkrijgen aansluiting bij de Berner Conventie en
+een betere auteurs-wet. In 1908 ben ik met enkele anderen door de
+Regeering naar Berlijn gezonden, om de Staten-Conferentie over de
+herziening van de Berner Conventie bij te wonen. In 1910 zijn we toen
+begonnen met de stichting van het Verbond van Kunstenaarsvereenigingen,
+dat in 1911 definitief is opgericht op initiatief van de Vereeniging van
+Letterkundigen. Ik werd Voorzitter van het Verbond en dat heeft mij in
+de laatste jaren verbazend veel werk gekost. Ik beklaag er mij niet
+over, maar ik merk toch langzamerhand dat het mij te veel in beslag
+neemt. Met Januari 1914 moet ik aftreden. Ik hoop dan buiten te gaan
+wonen en mij weer heelemaal aan de literatuur te geven.
+
+Ik verzocht hem, nu weer terug te komen op zijn verhouding tot literaire
+scholen en richtingen, waarover hij zooeven was begonnen.
+
+--Ik heb zeker het gevoel, zoo hernam hij, bij de literaire beweging van
+dien tijd te behooren, zonder in engeren zin mij te hebben gerekend tot
+de Nieuwe-Gids-beweging.
+
+Hoe omschrijft u eigenlijk de Nieuwe-Gidsbeweging?
+
+--Deze beweging is al dikwijls gedefiniëerd, en dat is in het algemeen
+wel juist, als een kleinere renaissance, een weeropleving van de
+persoonlijkheid tegenover de algemeenheid. Maar toch geloof ik, dat door
+verschillenden in den laatsten tijd te sterk de nadruk gelegd is op het
+"op de spits gedreven individualisme", zooals men het noemt, en daarmee
+ben ik het niet eens. "Op de spits gedreven individualisme" is werkelijk
+een ontzaglijk groot woord, en als gij nagaat wat het zou beduiden, dan
+geloof ik, dat er heel wat anders voor den dag zou komen als de
+Nieuwe-Gidsbeweging. Over het algemeen kan men zeggen: in Nederland
+zoowel als in de omliggende landen is omstreeks 1880 een zekere
+verfrissching ontstaan, vooral tegenover de sleur en de
+zelfgenoegzaamheid van de liberale bourgeoisie, ongeveer hetzelfde als
+ook gebeurd is in de periode van de romantiek, een vijandig staan van de
+jongeren tegenover de zelfgenoegzaamheid van de gevestigde menschen, die
+maar geld verdienen en daarmee tevreden zijn. Na de Fransche Revolutie
+heb je meer en meer gekregen een tevreden burgerij die zijn doel bereikt
+had, die kon doen wat hij wilde en een hoop geld kon verdienen. Dat
+platte, banale, bevredigde de jongeren niet. Ze stelden daar tegenover
+een zoeken naar idealen, dat dan vooral het oog richtte op de
+middeleeuwen, op een avontuurlijk leven, waarin meer hoog en laag viel
+te ontdekken. Dit nu is niet heelemaal hetzelfde als een op de spits
+gedreven individualisme. Het is ook een behoefte om wat dieper te graven
+in de dingen des levens.
+
+--Maar hoe staat het nu met de uiting: "hoe zieker zenuwen, hoe beter
+kunst", die men in dien tijd zoo vaak kon vernemen?
+
+--Ook dat moet niet zoo letterlijk worden opgevat. U moet hier ook in
+willen zien een drang om te komen uit het banale en normale, dat doodend
+kan zijn voor het eigenlijke leven, een streven naar een meer intens
+leven, en wanneer ik de "Nieuwe Gids" zoo bekijk, dan geloof ik, dat ze
+over het algemeen is te vergelijken met hetgeen men ook in de omliggende
+landen kon waarnemen. Wij Hollanders hadden het idee, dat wij tamelijk
+eenig zijn geweest met onze Nieuwe-Gidsbeweging, maar wanneer wij de
+zaken breeder bezien, dan is in de buitenlandsche literatuur toch overal
+een dergelijke verfrissching merkbaar.
+
+Nou, het is natuurlijk verbazend moeilijk voor mij om te kunnen zeggen,
+of het bij mij méér is geweest de omgevende wereld, die mij tot een
+zekere verwantschap heeft gebracht met die beweging, of wel het
+voorbeeld van de tachtigers, die ouder waren dan ik en wier bestaan ik
+toch kende. Trouwens, al lees je ze niet veel, dan ruik je ze toch, de
+dingen hangen in de lucht, nietwaar? Het is heel moeilijk uit te maken,
+of dit mij sterk geïnfluenceerd heeft, dan wel of dezelfde oorzaken bij
+mij en hen dezelfde gevolgen hebben gehad.
+
+Netscher heeft eens in de "Hollandsche Revue" geschreven, dat Phocius,
+dat was ik, achter niemand aankwam,--en dat is betrekkelijk juist, al
+kwam ik ook eenigszins achter de Franschen aan, voor zooverre ik die
+gelezen had. Ik had de bedoeling, die verschillende moderne Fransche
+schrijvers hadden, in de eerste plaats: werkelijk zoo eerlijk mogelijk
+en zoo zuiver mogelijk mijzelf uit te spreken. Ik had en heb altijd
+behouden de behoefte om absoluut niets te zeggen dat ik niet diep zou
+kunnen verantwoorden. Natuurlijk, dat is iets dat je wel zeggen kunt,
+maar je weet er tevens bij, dat je dikwijls meegesleept wordt door het
+rhytme, den stijl, de beweging van wat je schrijft. Alles gaat
+natuurlijk gepaard met een zekere opwinding en ik wil niet een soort van
+veer op mijn hoed steken en niet beweren, dat ik mij altijd zòo diep heb
+uitgesproken, dat ik niet eerlijker zou kunnen maken wat ik geschreven
+heb. Maar ik heb mijn best gedaan, laten wij dit in het algemeen
+vaststellen.
+
+--Ik vroeg nu, of hij dan de levensverschijnselen op dezelfde manier
+appreciëerde en verklaarde als de Fransche naturalisten. Hij antwoordde
+hierop:
+
+--Ik had er over het algemeen heel weinig van gelezen, zooals ik in het
+algemeen weinig gelezen had op dien leeftijd. Wat ik er van verwerkt
+had, is voornamelijk den drang om zuiver en eerlijk te zijn. In anderen
+zin heb ik mij nooit naturalist gevoeld. Ook sta ik verder van Zola af,
+in zooverre ik den zuiver beschrijvenden kant, dien hij zoo sterk heeft,
+nooit krachtig in mij heb voelen leven. Ik heb nooit sterk geambiëerd
+om dat in het Hollandsch te gaan doen. Ik heb het gevoel gehad, dat
+daarvoor mijn werk niet was, daarvoor heb je schilders, dat wij er
+voornamelijk voor waren de innerlijk-menschelijke bewegingen weer te
+geven en de verhoudingen van de menschen onderling. Als ik zou moeten
+samenvatten wat ik heb geschreven, en wat achteraf mijn bedoeling is
+geweest, dan kan ik het zoo zeggen, dat ik de behoefte had, na te gaan
+of in ons moderne leven, zooals het nu is, nog sommige sublieme
+gevoelens mogelijk zijn, en zoo ja, welke. En wanneer ik die vond dan
+was het mijn grootste heerlijkheid die te beschrijven.
+
+Ik geloof, dat dit min of meer bewust bij heel veel schrijvers de
+bedoeling is. Ik geloof, dat de romantici hetzelfde wilden.
+
+Wanneer een man als Ary Prins schrijft zijn "Heilige Tocht", dan moet
+hij dat met een dergelijke bedoeling doen. Met een eenigszins sterker
+pessimistischen kijk op de moderne wereld, laat hij zich daarvan
+afdrijven en tracht in een vroegeren tijd bij een heel ander leven het
+sublieme terug te vinden. Ik geloof, dat er nog altijd in ons
+dagelijksch leven heel fijne momenten zijn, waarin subliem gevoeld
+wordt, en dat is het eenige dat mij aantrekt in het leven, dat mij ook
+aantrekt in de kunst, en dat ik daarom geven wil.
+
+Nu is natuurlijk maar de vraag: wat bedoel je met "het sublieme"? In dat
+opzicht ben ik misschien eenigszins een rare kerel. Ik vind bijv.
+subliem, laat ik zeggen, in een stillen nacht een moeder, die met haar
+kind zit bij een nachtlichtje en niet naar bed wil gaan, ofschoon haar
+voeten ijskoud zijn, omdat het kind op haar schoot zoo lekker slaapt. Ik
+geef maar een voorbeeld, om te zeggen, dat ik niet wil trachten in hoog
+geestelijke gesprekken het sublieme te benaderen, omdat ik overtuigd
+ben, dat iemand in zijn eenvoud, wanneer hij maar tracht zichzelf te
+zijn, de subliemste momenten bereikt. Daarom ook voel ik mij in de
+Nederlandsche literatuur het meest aangetrokken tot Van Looy, omdat
+niemand meer dan hij in onze moderne literatuur dat bereikt heeft: de
+verheerlijking van het leven en de goddelijkheid van den mensch te
+bewijzen in zijn woord.
+
+--Hier merkte ik op, dat mij nu, evenals in de beschrijving van zijn
+wording als schrijver, getroffen had, hoe hij uitging van het gewone
+dagelijksche leven en hierbij stilzwijgend aannam, dat dit overwegenden
+invloed uitoefende boven het hooger geestelijk leven, ja, daarboven te
+stellen was. Is dit inzicht van mij juist? vroeg ik.
+
+--In zekeren zin komt het daarop neer. Het diepste gevoelsleven kan zich
+dagelijks in de meeste dingen uiten, en juist wanneer je er hard naar
+streeft, zul je het niet bereiken. Wanneer je gewoon maar je gang gaat,
+en doorvoelt wat je voor de hand vindt te liggen en je het mooiste
+vindt, dan zul je heel dikwijls vanzelf het sublieme bereiken.
+
+Ik kan dit ook toepassen op het terrein van de kunst. Er is een boel
+zoogenaamde didactische literatuur geschreven, waarin getracht wordt de
+menschen beter en braver te maken, terwijl de echte artiest wel weet,
+dat dat allemaal eenvoudig verkeerd is en je niets beters kunt doen dan
+mooie dingen maken. Dat komt doordat juist het aller-subliemste in den
+mensch, het edelste, door iemand die er didactisch naar zou streven niet
+kan worden bereikt. U moet weten, ik ben nu een beetje vol van de
+"Heilige Tocht" van Prins, omdat ik dat boek juist ernstig bestudeerd
+heb. Ik heb er van geschreven: dat er absoluut geen moralistische
+strekking in gezocht kan worden, maar dat er wel een hoog moreele, of
+liever ethische, werking van uitgaat, omdat er ethisch niets hoogers
+bestaat dan de schoonheid. Ik geloof, dat iemand alleen maar goed is in
+zijn schroomvollen eerbied voor het heilige, het kinderlijke en het
+vrouwelijke. Wanneer men dat gevoelt is men goed. Maar zoodra men gaat
+denken, komt men tot allerlei vertroebelingen. Dat zou Vader Cats den
+menschen in zijn gedichten niet hebben kunnen vertellen, niet waar?
+Zoodra je didactisch te werk gaat, moet je de menschen al redeneerend er
+toe brengen goed te zijn. Maar wanneer je de menschen kunt ontroeren
+door schoonheid, dan worden zij vanzelf goed. Ik herhaal: het is nooit
+mijn bedoeling geweest, de menschen met mijn boeken beter te maken, maar
+iedereen, ook een artiest, heeft toch behoefte aan de ethische
+verdediging van zijn werk.
+
+Nu moet u _dit_ goed in het oog houden. In hoogeren zin erken ik geen
+verschil tusschen ethiek en aesthetiek, en dat kan ik heel goed
+verdedigen.
+
+Er bestaat maar één mooi, en dat is voor alle menschen hetzelfde. En of
+dat nu is een boom of een stuk kunst of een daad, het blijft hetzelfde.
+Ik geloof juist, dat de schoonheid van de daad voor de minst
+ontwikkelden het meest begrijpelijk is.
+
+Als je gaat onder het volk, dan merk je wel, dat zij voor de kunst niet
+voelen, de schoonheid in de natuur niet zien. Maar wanneer iemand
+verricht een of andere faire daad, géén wraak neemt, of edelmoedigheid
+betracht tegenover een vijand, of iemand hulp biedt onder moeilijke
+omstandigheden, dan wordt door het volk gezegd: dat is mooi. En dat
+soort ontroering, waarbij zij blij zijn dat zij menschen zijn, dat is
+altijd weer de schoonheidsaandoening, en het is precies hetzelfde of je
+een mooien boom ziet, een mooi landschap, een stuk kunst. In hoogeren
+zin is er geen verschil tusschen ethisch en aesthetisch mooi; er is
+maar één mooi.
+
+--Mocht ik dus aannemen, dat in zijn levens-systeem de eenvoudige daad
+gesteld werd boven wat men zou kunnen noemen den geestelijken bovenbouw
+in het menschelijk leven, dat de geestelijke uitingen beheerscht werden
+door wat men zou kunnen noemen het practische leven,--"practisch"
+genomen in de beteekenis van "handelend"?
+
+--Ik geloof, dat het geheele leven geleid wordt door het Onbewuste. Je
+kunt je best doen om je leven uit te denken, om heelemaal bewust te
+leven, maar de eigenlijke impulsen komen voort uit je diepere zijn, dat
+op zich zelf een mysterie is en dat je begrip niet aanraken kan. Ik ben
+wel lid van de S.D.A.P., maar ik zou heelemaal niet toe wenschen te
+geven de theoretische bewering van het historisch materialisme, dat je
+het geestelijke heelemaal kunt beschouwen als een bovenbouw, zooals de
+gewone uitdrukking luidt, van de toestanden die ontstaan zijn door de
+productiewijze. Ik begrijp volkomen, dat iemand tot deze bewering
+gekomen is. Je ziet bij alle mogelijke ontdekkers in de wereld dat,
+wanneer zij iets ontdekt hebben dat een groote waarheid bevat, zij de
+neiging hebben om te denken dat dit nu _alles_ is. En zoo is het ook
+gegaan met Marx en zijn tijdgenooten, die de groote waarde van de
+productiewijze hebben doorzien. Maar zooals de theorie luidt, is zij een
+uitschakeling van het mysterie. Er zijn geestelijke stroomingen, waarvan
+de oorzaken geheel en al mysterieus zijn. Is het bijv. niet absoluut
+geheimzinnig, dat alle geestelijke stroomingen gaan tot een zekere mate
+van verzadiging en dan komen tot hun tegendeel en omslaan in reactie?
+Dat kunt u onmogelijk verklaren uit een theorie, die eenvoudig aanneemt,
+dat het geestelijke zou zijn een bovenbouw van het materiëele. Maar, al
+ben je geen theoretisch aanhanger van het historisch materialisme en
+alle theorieën van Marx, kun je heel goed lid zijn van de S.D.A.P. en
+met alle kracht medewerken in die richting, omdat je overtuigd bent, dat
+wij nu zeker een paar eeuwen lang werken moeten in de richting van het
+gemeenschappelijke, voordat wij weer aan de rechten van het individu
+denken. Want de waarheid ligt voor mij in een zoo natuurlijk mogelijke
+harmonie van individu en gemeenschap, zooals dat bijv. in "Civitas", het
+boek van Treslong, zoo juist is uitgedrukt. Hij zegt duidelijk, dat de
+menschen niet alleen hebben neiging tot zelfbehoud en zelfverdediging,
+maar dat ieder zich voortdurend voelt lid van de gemeenschap. Dat ieder
+tot op zekere hoogte even goed kuddedier is als individualist, omdat
+louter individu zijn met het menschelijke in het algemeen niet
+vereenigbaar is, geestelijke afdwalingen daargelaten. En dat is ook
+daardoor te bewijzen, dat zooveel van die boeken, die zoogenaamd sterk
+individualistisch zijn, minstens voor tachtig procent algemeen
+menschelijke gevoelens bevatten.
+
+--Geloofde hij dan niet, dat de groote waarde van den kunstenaar, en in
+het bijzonder van den schrijver, daarin is gelegen, dat hij, staande
+tegenover de gemeenschap, aan die gemeenschap nieuwe geestelijke wetten
+toont, en haar leert de dingen met een nieuwen maatstaf te meten? Kon
+hij niet toegeven, dat de schrijver wezenlijk is een held in den zin van
+Carlyle, een absolute, bewegende kracht in de geschiedenis, die zijn
+beteekenis juist aan zijn volstrekt alleenstaan ontleent?
+
+--Och ja, gaf hij ten antwoord, de beschouwingswijze van Carlyle heeft
+ook haar tijd gehad. Hij kijkt zeer juist door den bril van de winnende
+liberale bourgeoisie, en dat heeft ook zijn waarde. Maar voor mij is
+het ideaal de toestand van de middeleeuwen, waarbij wij niet eens weten,
+wie een bepaald kunstwerk gemaakt of een bepaald boek geschreven heeft.
+De artiest is waarschijnlijk in veel opzichten een fijner bewerktuigd
+wezen dan de meeste andere menschen, maar een held die verdienen zou
+gewaardeerd of gehuldigd te worden boven andere menschen, die óók heel
+verdienstelijk werk presteeren, ben ik heelemaal niet geneigd hem te
+noemen. Hij kan ook nooit nieuwe waarden brengen, maar door zijn zuivere
+uiting van wat er in zijn tijd, zooals die geworden is in de
+ontwikkeling van de historie, diep leeft in de zielen van sommige
+menschen, kan zijn beschouwingswijze voor veel andere menschen nieuw
+lijken. Maar ik zie niet in, dat hij ooit nieuwe levenswaarden kan
+schéppen. Trouwens, waarom zou een schrijver alleen zoo fijn bewerktuigd
+zijn, dat men aanleiding ziet tot den paradox: hoe zieker zenuwen, hoe
+beter kunst? Er loopen genoeg timmerlui en metselaars rond met zenuwen,
+die op dezelfde manier ziek zijn.
+
+--Maar, merkte ik op, dit ziet men toch niet aan hun werk. Een
+overgevoelig timmerman zal, als hij een lijst maakt, die evengoed
+haaksch maken als een gewoon timmerman.
+
+--Natuurlijk is het waar, dat iemand die zich geestelijk uit, van zijn
+zieke zenuwen meer in het openbaar zal doen blijken, en natuurlijk vind
+ik een groot artiest en in zeker opzicht een genie, (want dat is nog een
+heel ander begrip, laat ik dit even mogen opmerken) een fijn bewerktuigd
+en zeer interessant mensch. Maar ik vind de artiesten volstrekt niet de
+besten, zoodat ik ze helden of iets dergelijks zou moeten noemen. Ik
+geloof ook, dat er diep eerbiedwaardige helden bestaan, waar wij nooit
+van hebben gehoord en die, als ik ze kende, ik ontzaglijk veel beter
+zou vinden dan,... nou dan zoo menig bekend artiest! Allemachtig!
+
+--Hier merkte ik op, dat uit hetgeen hij tot nog toe gezegd had, ook
+zijn meening viel af te leiden over de toekomst van literaire kunst en
+kunst in het algemeen, indien de samenleving zich in sterk
+socialistische richting mocht ontwikkelen. Daar hij toch de grenzen
+tusschen het ethisch schoone en het aesthetisch schoone vervaagde; de
+waarde van den artiest meer zocht in een verheerlijking van het
+eenvoudige dan van het geestelijk gespannene, van het algemeen
+menschelijke, dan van het verfijnd individueele; en bovendien het
+gemeenschapsgevoel in den modernen zin des woords beschouwde als een
+ingeschapen trek van het oorspronkelijk menschelijk gemoed, en dus ook
+de grenzen tusschen de huidige chaotische samenleving en een mogelijk
+toekomstige, minder scherp zag dan de socialisten zoowel als hun
+tegenstanders,--kon hij niet aannemen, zoo meende ik, dat een
+ingrijpende verandering in het wezen der kunst door een min of meer
+compleete overheersching van de massa viel te verwachten.
+
+--Inderdaad, zoo antwoordde hij mij, is de wereldgeschiedenis voor mij
+een voortdurend voortgaande stroom. Een van mijn grootste bezwaren tegen
+veel schrijverij van de socialisten is ook hun schelden op personen en
+groepen van personen. Dat vind ik zeer verkeerd, want deze personen en
+groepen zijn hoogst noodige schakels in de ontwikkeling, en die personen
+zijn evengoed slachtoffers van de omstandigheden als de armste
+proletariër. Je kunt absoluut niet helpen in welke wieg je geboren bent.
+Er zijn maar heel weinig menschen die werkelijk hun arbeidsveld kiezen.
+Dit inzicht blijkt ook duidelijk uit mijn "Roman van een Gezin". Daar
+heb ik juist sympathie gevraagd voor een kapitalistisch patroon en,
+dunkt mij, aangetoond, dat zoo iemand evengoed zijn functie vervult en
+sympathie verdient als zijn arbeiders, die hij gedwongen is te
+verdrukken.
+
+--Hier bracht ik bescheidenlijk de strekking van mijn uitvoerige en met
+een Fénélon-geste voorgedragen vraag in herinnering: Zal het karakter
+van het dichterschap onder den invloed van een overwinning der
+arbeidende klasse, met wat daaraan vastzit, zich wijzigen?--
+
+--Och, zei hij kalmpjes, ik geloof, dat ieder de neiging heeft zichzelf
+te handhaven en te verdedigen en uit te spreken in zijn werk. Dat heeft
+ieder die maar iets kan scheppen. Wanneer hij niet heelemaal bedorven
+is, dan heeft hij de neiging om iets van zijn persoonlijkheid in zijn
+werk te leggen. Als je boekhouder bent is het verduiveld moeilijk iets
+van je persoon te leggen in de wijze waarop je de posten boekt, dat is
+zoo, en toch is mij dikwijls opgevallen bij de verschillende
+boekhouders, die ik gekend heb, dat daarin groote individueele
+verschillen zijn waar te nemen.
+
+--Ik merkte op dat hij de scheidingslijn tusschen kunstenaar en massa
+dus niet zoo scherp handhaafde als gewoonlijk gedaan wordt.
+
+--De oprichting van het Verbond van Kunstenaarsvereenigingen, zeide hij,
+hangt met deze idee heelemaal samen. Ik vind dat de artiesten, de
+geheele negentiende eeuw door, zich veel te veel afzijdig hebben gesteld
+van de maatschappij. Zij zijn heelemaal een soort van wilde dieren
+geworden, die met hevige belangstelling door de rest van de burgerij
+worden bekeken. Zij hebben zich zeer buitenmaatschappelijk gevoeld en
+doen dat voor een groot deel nog. Een man als Boutens, die intusschen
+ook veel voor het vereenigingsleven doet en nog pas vice-voorzitter van
+de Vereeniging van Letterkundigen is geworden, merkte mij onlangs op: ik
+heb met de maatschappij niets te maken, die gaat mij niets aan. Ik vind,
+dat de artiesten midden in de maatschappij moeten staan, en al wat zij
+de maatschappij ten goede kunnen brengen, moeten zij geven. Ik vind het
+een abnormale toestand, dat tegenwoordig door lichamen, die heelemaal
+buiten de kunst staan, wordt geoordeeld over allerlei zaken van
+schoonheid. Dit oordeel moet weer komen aan de geschoolde kunstenaars,
+zooals het vroeger, en zéker in de middeleeuwen, is geweest. Denkt u,
+dat die enorme werken in de middeleeuwen, die kathedralen, zouden
+ontstaan zijn, zonder dat het artistieke element een ontzaglijken
+invloed heeft gehad? Als toen de macht in handen was geweest van
+menschen, die het te doen was om zooveel mogelijk geld te sparen en hun
+politieke bedoelingen te verwerkelijken, dan waren die groote werken
+nooit tot stand gekomen. Doch het is waar ... die groote eensgezindheid
+van toen werd door het geloof geïnspireerd.
+
+De bedoeling van het Verbond van Kunstenaarsvereenigingen is tweeledig:
+naar binnen en naar buiten. Naar binnen is het doel, om door
+voortdurende aanraking van verschillende artiesten onderling, vooral
+door ze te leeren samenwerken aan de gewoonste dingen, te doen ontstaan
+meer eenswillendheid, daardoor meer harmonie, en zoo, willen wij hopen,
+in een toekomst die ik heelemaal niet beleven zal, te krijgen een
+monumentaler kunst. Wij kunnen niet meer komen tot den toestand van de
+middeleeuwen, doch nu wij ons bewust zijn welke de groote voordeelen van
+dien toestand zijn geweest, kunnen wij toch in die richting streven. En
+naar buiten is de bedoeling eenvoudig, aan den geheelen artiestenstand
+meer macht te verzekeren, en dan bedoel ik natuurlijk macht in de zaken
+die hun het meest ter harte gaan. Vanaf de groote renaissance hebben
+alle kunsten zich eenzijdig ontwikkeld, niet alleen de verschillende
+kunsten, maar ook in de kunsten zelf de verschillende richtingen. Dat is
+heel goed, daardoor zijn tal van verfijningen ontstaan, die anders nooit
+zouden zijn geboren, wanneer men zich niet gespecialiseerd had, maar
+daardoor is verloren gegaan de groote samenwerking tusschen de kunsten
+onderling, en zoo ook het monumentale. Die kathedralen, die alleen door
+de eensgezindheid van talrijke kunstenaars konden ontstaan, die zijn
+voor mij het symbool van deze samenwerking. Op een manier die
+voortgekomen is uit mijn inzicht in het maatschappelijke, wil ik komen
+tot iets als Wagner bedoelde met zijn opera's. Die bedoelde ook: een
+harmonie tusschen de verschillende kunsten. Hij schreef zijn teksten,
+maakte zijn muziek, nam ook de leiding bij het vervaardigen van de
+décors en zoo. En nu is het Verbond van Kunstenaars een poging, en dat
+kan juist in een klein land als het onze, om de artiesten te oefenen in
+het samenwerken. Ik maak mij geen illusie dat dit pogen direct tot
+groote dingen leiden zal, ik vind het al prachtig dat voor verleden jaar
+bijv., op de algemeene vergadering van het Verbond, allen gezamenlijk
+zich hebben uitgesproken over het leelijke affiche van de
+Vierjaarlijksche tentoonstelling van schilderkunst. Wanneer je dat
+principe doorvoert op dingen van veel grooter beteekenis, dan zult u
+begrijpen wat ik bedoel met "samenwerking naar binnen en naar buiten".
+
+Vóór dien tijd hebben de kunstenaars zich veel te veel als
+buitenmaatschappelijke schepselen begrepen. Weet u wel, dat er vóór de
+negentiende eeuw geen kwestie is van zoogenaamde "philisters"? Die
+hebben wij in de negentiende eeuw uitgevonden. Ik weet wel dat er
+tegenwoordig nog een heeleboel zijn, die wat wij nu trachten te doen ook
+"philisterhaft" vinden, een soort van burgerlijk werk, en zij schelden
+je uit voor vergaderingratten en denken, dat wij dit allemaal doen enkel
+voor het pleizier van vergaderingen houden! Dat vergaderen is eenvoudig
+een noodzakelijk kwaad, maar ook daarin kan wel iets moois zijn, en er
+zijn heel mooie momenten geweest op sommige vergaderingen die wij hebben
+gehouden.
+
+--Ik vroeg nu zijn meening over de richting die zegt weer te geven
+hetgeen er omgaat of sluimert in de ziel des volks, en of hij niet
+geloofde, dat een dichter nooit iets anders moet uitspreken dan wat
+hijzelf rechtstreeks in eigen binnenste voelt.
+
+--Natuurlijk, zoo antwoordde hij, het eenige wat wij kunnen doen om
+vooruit te komen, d.w.z. om beter kunstenaar te worden, is aan onszelf
+werken. En wat wij altijd doen moeten is zuiver onszelf uitspreken. Er
+is niet anders. Uitspreken wat in het algemeen eenige groep van menschen
+voelt of denkt te voelen, dit is niet mogelijk. Ik tenminste houd het
+voor absoluut onmogelijk. Critiek kan ook niet anders zijn dan
+subjectief. Men heeft geen andere hulpmiddelen, men heeft geen ander
+instrument, als zijn eigen innerlijk. Zooals je een peer alleen proeven
+kunt met je eigen tong, zoo kun je een boek alleen proeven met je eigen
+ziel.
+
+Iets anders is natuurlijk, dat men het gemeenschappelijke, het algemeen
+menschelijke, in zichzelf min of meer kan aankweeken, kan trachten een
+zoo breed mogelijk mensch te zijn en zooveel mogelijk menschen te
+begrijpen, kortom zoo ruim mogelijk te worden. De tachtigers hebben over
+het algemeen, uit een heel begrijpelijk streven om niet banaal te zijn,
+wat ook een zeer artistiek streven is, het gezocht in een
+uitdrukkingswijze die zij meenden dat van hen alleen was. Maar met dat
+verschil in uitdrukkingswijze is heelemaal niet bewezen, dat wat zij uit
+te drukken hadden sterk individueel was.
+
+--Hieruit zou bijna zijn af te leiden, dat volgens u zij, die zich er
+wel op toeleggen uit te drukken wat in eenige groep menschen leeft,
+zichzelf als kunstenaar benadeelen.
+
+--Ja, maar ik geloof niet, dat iemand het kan. Zoo iemand heeft
+eenvoudig geen hoûvast meer, hij wordt tegenover zichzelf oneerlijk. Ik
+zou durven zeggen, dat hetgeen hij voortbrengt geen kunst meer is.
+Zoodra iemand voorbedachtelijk tracht gevoelens van een groep personen,
+waartoe hij min of meer behoort, weer te geven, en niet zichzelf uit te
+spreken, levert hij geen kunst meer. Bij dit zichzelf uitspreken, denken
+wij voornamelijk aan de lyriek, maar in de epiek, in een verhaal,
+spreekt iemand zich natuurlijk ook zuiver uit, in het algemeene idee van
+een boek, het karakter, de compositie....
+
+Laten wij er om denken, dat al onze onderscheidingen in de literatuur,
+al de "ismen" en "ieken", de scheiding tusschen roman en novelle, zelfs
+die tusschen proza en poëzie, heel nuttig zijn, maar toch betreffen
+betrekkelijke bijzaken. Er is iets in ieder werk, en dat is het
+voornaamste, dat hier boven uit gaat. Dat is de smaak van het boek, het
+karakter, iets onuitsprekelijks, en dat is toch het essenciëele. Dat is
+ook de persoonlijkheid. Men heeft gezegd: "le style, c'est l'homme".
+Heel best, wanneer men het woord "style" neemt zoo breed mogelijk, ik
+zou zeggen in de beteekenis van den "Gesamteindruck". Ieder doet toch
+wat hij op het moment goed vindt. Hij kan er later wel over gaan
+nadenken, nou ... ik voor mij heb altijd maar gedaan wat ik op het
+moment voelde dat ik moest doen.
+
+--Ten slotte stelde ik nog de vraag of een verbetering in de
+maatschappelijke verhoudingen, waardoor de vele conflicten die uit die
+verhoudingen voortkomen worden vermeden, volgens hem geen nadeeligen
+invloed zou hebben op het ontstaan en op de vorming van kunstenaars, die
+toch een groot deel van hun taak vinden in het uitspreken van die
+conflicten en van de inzichten die daar rechtstreeks uit voortkomen.
+
+--Als de maatschappij zich verbetert, zeide hij, en wanneer het
+werkelijk komt tot een redelijker en zedelijk hooger staande
+maatschappij, hoe meer men daartoe komt, des te meer zullen de
+conflicten zich verfijnen, zij zullen zich verhoogen, mooier en grooter
+worden. Er zullen wel altijd dichters zijn die blijven bezingen wat zij
+waarnemen, de lyrische dichters, en epische kunstenaars die er van
+vertellen, en dramatische kunstenaars die het vertoonen. En wanneer die
+conflicten zullen zijn van meer geestelijken aard, in het algemeen van
+een hoogere orde, welnu, _tant mieux_!
+
+
+BIBLIOGRAPHIE:
+
+Kalverliefde, De Verloren Zoon en De Vreemde Plant (1895.)--De Roman van
+Bernard Brandt (1897)--De Bruidstijd van Annie de Boogh (1901)--Van
+Stilte en Stemming (1905)--De Roman van een Gezin I (1909), II
+(1910)--Helene Servaes (1914) en een aantal verspreide opstellen.
+
+
+
+
+IS. QUERIDO
+
+
+(* 1874)
+
+Hij zat daar boven, aan zijn bureau, op den ouwerwetschen matten stoel,
+dien men wel van de portretten kent.[5] Zeer eenvoudig, zijn
+studeerkamer, maar royaal en practisch; groote boekenkasten: een er van
+in vakken verdeeld, die, blijkens opschriften, bevatten het materiaal
+voor de Rousseau-studie, het materiaal voor het werk over crimineele
+anthropologie.... Enkele antieke gravures aan de wanden, een portret van
+den pianist Schäfer, en een portret van Willem Royaards met opdracht ...
+tullen gordijntjes ... in een hoek de telefoon, die ons opvallend
+dikwijls stoort. Boven de schrijftafel een lamp met zacht-gele kap.
+Bijna geen versiering, geen stijl-meubelen, geen dik tapijt, geen
+Dante-kop. Wel een potkachel, die, omgeven door een wal van briquetten,
+ongenadig gloeide. En de man, op wien ik het gemunt had, stierenek
+bloot, in de tropische hitte erg op zijn gemak.
+
+De meid bracht koffie, de dichter rookgerei. En waarmee hij mij van
+dienst kon zijn, vroeg-ie al gauw. Ik het gewone praatje, een beetje
+mooier dan gewoonlijk, omdat iedereen zei, dat Querido wel veel
+bedenkingen zou maken. Alle argumenten, die moeten bewijzen, dat een
+dichter als hij aan het publiek een interview verschuldigd is, had ik al
+bij de hand.
+
+ Maar ik kon gauw inpakken, want hij was het
+heelemaal met mij eens, zei, dat een auteur zich volgens zijn meening
+moet geven aan het publiek, trad in een vergelijking tusschen de
+rhetorica van Shelley, en de, volgens hem, onzedelijke debatteer-kunst
+van de moderne parlementariërs, vertelde er in de gauwigheid bij, dat
+hij zelf misschien wel in staat zou zijn, op te treden als redenaar,
+maar dat hij geloofde, dat in de tegenwoordige tijdsomstandigheden zijn
+sensitivistische woordkracht waarschijnlijk toch niet door de groote
+massa zou worden begrepen; liet mij zijn archiefkamer zien, waar hij
+alle gegevens, gedurende zijn jarenlange studie verzameld, met een
+nauwkeurigheid, die men bij hem niet zou verwachten, in breede, hooge
+loketkasten had gerangschikt. Sprak in groote geestdrift over
+wijsbegeerte, determinisme, Darwin en Flaubert, Shakespeare en het
+misdadigerstype.... Was heelemaal niet recalcitrant, zooals sommige
+beroemdheden, nog minder schijnbescheiden, zooals velen. Gaf mij volle
+vrijheid, te vragen, scheen geen geheimen te hebben, toonde mij de
+ontwerpen van een zestal romans, waar hij over een jaar of wat aan denkt
+te beginnen.
+
+Dat gaat gemakkelijk! dacht ik. Maar daar ontbrak wel eens wat aan: Een
+enkel aarzelend vraagje gaf hem aanleiding, om zooveel te vertellen, dat
+het mij dikwijls duizelde. En het ging hoe langer hoe sneller; dikwijls
+sprak hij zoo schoon en beeldend, dat mijn bewondering mij belette te
+schrijven, dat ik werd meegesleept door het woord, waarvan ik de
+wording bijwoonde.
+
+En hij vertelde:
+
+--Mijn literaire werkzaamheid begon eigenlijk al op mijn tiende jaar.
+Toen heb ik, geïnspireerd door de boeken van Aimard, geprobeerd een
+roman samen te stellen. En ik was dood-ongelukkig, omdat een zoogenaamde
+"knappe bol" uit de familie opmerkte, dat er wel veel talent in aanwezig
+was, maar dat ik een onvergeeflijke fout had begaan. Ik had namelijk
+iemand laten sterven, en ... niet voor zijn begrafenis gezorgd! Ik had
+toentertijd al een ernstig literair geweten, en om u daar een bewijs van
+te geven, vertel ik u, dat ik jarenlang onder den indruk ben gebleven
+van die fout.
+
+Mijn omgeving was die van mijn vader, die diamantbewerker was, en wiens
+psychisch bestaan ik pas later heb begrepen. Het was een man van
+herculische gestalte, een man van ontzaglijke begaafdheid, maar
+natuurlijk heelemaal onontwikkeld, iemand met een magistraal
+natuurgevoel, een enorme boekenverslinder. Hij las alles wat er voor hem
+maar te lezen viel. Hij was een onvergelijkelijk werker, en paarde aan
+zijn groote kracht veel naïveteit. Dat zag ik toen nog niet zoo in, maar
+door mijn literaire perceptie ben ik in staat geweest, later al die
+eigenschappen van mijn vader te reconstrueeren. Ik geloof dan ook, dat
+ik mijn eigenschappen als fantast, als vizioenair, als dramatisch
+voeler, aan mijn vader te danken heb. Voor een gewoon waarnemer was er
+misschien niet veel bijzonders aan hem te zien. Het was een
+diamantbewerker met een mooien kop, een flinke gestalte, en hij werd op
+de werkplaats algemeen genoemd: "de leugenaar". Hij had een absolute
+behoefte, om op eenigerlei manier uiting te geven aan zijn scheppend
+vermogen.... Maar op Vrijdagavond, meneer, dan ging hij, na afloop van
+zijn werktijd, zes, zeven bibliotheken bezoeken, en kwam gewoonlijk na
+zoo'n ontdekkingstocht met een stuk of twintig boeken thuis. Dan ging
+hij zoo zitten lezen,--kijk hier, meneer,--met dien heelen stapel boeken
+onder zijn kin. De grootsche, tragische dingen trokken hem het meest
+aan, en wat langdradig was, of kalm, dat sloeg hij eenvoudig over. Als
+hij zoo zat te lezen, dan was hij dood voor zijn heele omgeving,
+--weggekoesterd in de heerlijke Vrijdagavond-atmosfeer, die mijn moeder
+om hem heen had geweven.... Langzamerhand zag je zijn kin zakken ... kijk,
+meneer, zóó!... en tegen een uur of twaalf had hij de heele bibliotheek
+verslonden.
+
+Mijn vader heeft nooit iets gezien van mijn literaire neigingen. Ik werd
+opgeleid als violist, maar daarmede mocht ik niet doorgaan, want ik
+moest op Zaterdag spelen, en mijn moeder, die zeer religieus was, kon
+dat niet hebben. Mijn muzikale aanleg werd verder totaal veronachtzaamd,
+ten gevolge van het slechte onderwijs, dat ik kreeg: mijn leermeester
+werd, als ik mij niet vergis, betaald met tien stuivers voor drie
+lessen. Ik ben toen ook nog in het horlogemakersvak geweest en heb daar
+zelfs een eersten prijs behaald, en later werd ik kloover. Maar in mijn
+violistentijd, als jongetje van veertien jaar, speelde ik in de manège,
+in de opera, en daar deed ik zeer veel vak-routine op. Ik verkeerde toen
+veel met de lui uit den schouwburg: de zangers en de spelers, die, met
+de muzikanten, afzakten naar de cantine. En ik, met mijn scherp
+vizioenair leven, kwam daar in aanraking met al die Hamlet-figuren, die
+schitterend uitgedoste graven en ridders ... ik vergat, dat het
+theatermenschen waren ... ik leefde te midden van hèlden. En ik hield
+er van, te verdwalen onder het tooneel, ik werd bekoord door al die
+spookachtige lijnen, door het ondergrondsche gegrom van de muziek ... ik
+ging heelemaal op in mijn visioenen....
+
+Querido legde zijn linkerhand, vingers gespreid, voor zijn oogen en
+sprak met passie:
+
+--Ik ben heelemààl niet wat men zou kunnen noemen: een realistisch
+waarnemer. Ik heb tijden, dat ik neig naar contemplatie, dat ik niets
+zie. Maar dan klinkt er een bestraffende stem in mij: Neem waar! En dan
+kijk ik rond, en zie alles, àlles! Maar dat duurt nooit lang bij me;
+uitwendig waarnemen is iets, dat ik niet kan volhouden ... ik moet met
+mijn innerlijk leven ingaan op de dingen ... ik kan de dingen niet klein
+zien: ik moet ze vergrooten, doorlichten ... ik moet er heelemaal door
+vervoerd worden.... Ik heb niets aan de realiteit!
+
+--O lezer! Querido kan geen woordje, geen enkel woordje, "gewoon",
+onverschillig zeggen. Zijn hooge stem beeft voortdurend van ontroering,
+je voelt zijn zinnen worden, je ziet zijn lippen vertrekken en lachen en
+grijnzen ... je hoort zijn breede borst zwaar hijgen ... je denkt ieder
+oogenblik, dat hij zal neervallen, uitgeput. Maar hij is meester over
+zichzelf, weet het woud van emoties, dat voor zijn oogen rijst bij het
+kleinste zinnetje, terug te dringen, loopt telkens weer frischjes en
+kalmpjes van stal.
+
+--"Dat leventje, meneer...."
+
+--"Ja, ik luister!"
+
+--Dat leventje dan duurde zoo tot mijn achttiende jaar. Toen maakte ik
+kennis met mijn vrouw, die een buitengewoon artistieke persoonlijkheid
+is--en die heeft mij mijn kunstenaarschap bewust gemaakt. Die heeft
+onmiddellijk gezien--zooals zij het noemde--mijn zeer grootsche en
+oorspronkelijke levensopvatting. En op hààr aandringen ben ik gaan
+schrijven. Ik begon met heel individualistische gedichtjes, zonder iets
+af te weten van de Nieuwe-Gids-beweging, die parallel liep met wat ik
+zelf wilde, maar dat ontdekte ik pas later. Die gedichtjes van mij
+werden o.a. door Toorop hoogelijk bewonderd. Ik zag echter vrij gauw in,
+dat 't zeer onrijpe dingetjes waren, waarin zich een bijzonder streven
+van mijn natuur openbaarde, en ik ben om die gedichtjes buitengewoon
+uitgelachen. Ik had echter een diep vertrouwen in mijn eigen ziel, in
+mijn eigen kunstenaarschap ... ik werkte door ... en een jaar later
+verschenen mijn "Meditaties over literatuur en leven".
+
+Toen reeds was er een van de scherpste critici uit dien tijd, die in de
+groene "Amsterdammer" uitsprak: dat ik de eigenschappen van Kloos,
+Gorter en Van Deyssel bijeen had en een reusachtig kunstenaar zou
+worden. Dat is nu tien jaar geleden. Het was mijn eerste boek. Ik ging
+daarin vooral heftig te keer tegen Kloos, hoewel ik voor dien dichter
+veel bewondering had. Maar daarover komt straks misschien nog wel het
+een en ander. Mijn werk was een product van veel stille studie, maar
+vooral van goddelijk ... van gòddelijk lyrisch genieten. Ik voelde, dat
+lyriek, epiek en dramatiek, dat ik die te zamen noodig had, om mij te
+uiten, dat die drie moesten samensmelten in volkomen harmonie. En nu ken
+ik mijn gebreken zeer goed, meneer....
+
+--Ik luister!
+
+--... Ik ken mijn gebreken zéér goed! Ik weet, dat ik als lyricus
+dikwijls te veel geef, maar ik kan dat best verklaren in organisch
+verband met mijn wezen. Ik geloof, dat alle kunstenaars, die het
+universeele willen--en daarvan zijn er in ons land maar weinig,--ik
+geloof, dat die allemaal te veel geven.... Bijvanck, in "De Gids",
+heeft mijn boek genoemd: een zeer geniaal product, ondanks de vele
+tekortkomingen. Ik zelf vind er zeer groote tekortkomingen in, maar
+toch: mijn innerlijkste wezen, mijn diepste gevoelsleven heb ik er in
+uitgestort. En Kloos, Klo-oos, die was mij direct vijandig gezind, die
+maakte zich van mijn werk af met een klein, nietig aankondigingetje....
+Want als jong, onafhankelijk schrijver had ik den moed hem te wijzen op
+zijn schandelijk subjectivisme.... Ja, onafhankelijk was ik ... ik heb
+in dien tijd niemands bescherming ingeroepen ... alleen naar Van Deyssel
+ben ik gegaan, en dat ook al weer met groote zelfstandigheid.... Niemand
+heeft mij ooit de hand beschermend boven 't hoofd gehouden, meneer....
+
+--Ik ben geheel oor.
+
+--... En wat ik ben, en àl wat ik heb, dat heb ik aan mij zelf alleen te
+danken.
+
+Mijn tweede deel "Meditaties" en mijn "Studies over tijdgenooten"
+verschenen in "De Jonge Gids". Heijermans, met wien ik vijandig
+leefde--hij was redacteur aan "De Telegraaf" en ik was redacteur aan "De
+Amsterdammer", en we hebben mekaar erg bespot--Heijermans, anders
+buitengewoon fel en brutaal, en zonder veel critischen kijk, ontdekte,
+dat wij er dezelfde levensbeschouwing op nahielden; wij waren in 1897
+beiden lid van de S.D.A.P. geworden, en hij kwam naar me toe, vroeg me
+of ik aan "De Jonge Gids" wilde medewerken, en dat heb ik toen gedaan.
+
+Mijn meditaties hebben toen al direct veel besprekingen uitgelokt. Ik
+behandelde er de encyclopedisten in, gaf een groote critiek op Voltaire
+en de achttiend'eeuwsche literatuur, een wijsgeerige studie over Locke,
+die als fragment verschijnen zal in een van mijn bundels critische
+studies. Toen ik nu dat tweede deel van mijn meditaties af had, werd
+mij plotseling mijn roeping nóg duidelijker. Ik begreep, dat ik niet
+alleen critieken moest schrijven--hoewel ik voelde, het schrijven van
+critiek tot een groote hoogte te kunnen opvoeren--maar dat ik mij
+beslist moest gaan uiten in beeldend werk. Nu doet zich een
+eigenaardigheid voor: ik heb nooit kleine schetsjes willen maken ... ik
+moest ineens het enorme omvademen. Niet omdat ik groot wilde doen,
+meneer ... d'Oliveira....
+
+Ja? Ik luister....
+
+--... maar omdat de drang naar groote lijnen in mij geboren was. Ik heb
+niet twee dikke deelen geschreven, omdat ik dikke deelen wilde schrijven
+... heelemaal niet, en Van Deyssel heeft dat in zijn critiek op
+"Menschenwee" later treffend juist gezegd: Bij Querido is het niet
+alleen de hoeveelheid, maar ook de manier, waarop de reusachtigheid van
+zijn schepping ontstaat, die onze waardeering verdient.... Ik wilde
+orkestreeren, en daardoor ontstaat juist mijn gebrek, waar ik straks
+over sprak.... Ik voel het polyphonisch-literaire. Maar geen enkel
+détail mag verloren gaan door de grootheid, binnen de groote lijnen
+moeten de subtielste bijzonderheden tot haar recht komen.... Niet een
+opeenstapeling van détails brengt een groot geheel.
+
+Toen ik nu aan Heijermans mijn voornemen mededeelde, keek die raar op:
+Hé, zei-die, ga je daar zoo plotseling mee beginnen? Daar breng je nooit
+iets van terecht, kerel; je hebt nog nooit iets van dien aard gedaan ...
+je moet je eerst voorbereiden door kleine schetsjes....
+
+Hij begreep mij ook niet, en ... vergiste zich. "Levensgang" had veel
+succes, en er komt nu een vijfde druk van uit bij Veen. De figuur van
+Bresser werd een ongeëvenaard meesterstuk in onze literatuur genoemd.
+
+En nu moet ik u nog even spreken over het vreeselijke realisme in dat
+boek. Er is in onze critiek iemand, die over "Levensgang" mooie dingen
+heeft gezegd,--ik bedoel dr. Van Deventer--maar over den schrijver één
+treffend juist ding: hij noemde mij namelijk: de zelfkweller. Meneer!
+Nooit is er een betere naam voor mij bedacht! Nooit! Van nature wàlg ik
+van het gemeene en grove. Maar ik heb gemeend, dat het smerigste en het
+gemeenste noodig waren, om de waarheid niet te kort te doen. In den
+dialoog wilde ik naast het scheppende gedeelte behouden: het locale
+element, ook al was dat gemeen en ordinair. En ik heb tot mijn vreugd
+ondervonden, dat de beste schrijvers in ons land aan mijn realisme geen
+aanstoot hebben genomen. Later is met sommige passages uit "Levensgang"
+op een lage manier gewerkt, en werd ik voorgesteld als iemand, die
+liefst in het vuil wroette. Maar dat is ook Zola, en alle groote
+realisten naar 't hoofd gesmeten.
+
+Er is groot verschil tusschen het realisme in "Menschenwee" en het
+realisme in "Levensgang"....
+
+De eenige man, die werkelijk heftig tegen mijn boek te keer is gegaan,
+was mr. Van Hall in "De Gids". Hij zeide zoo ongeveer, dat hij zich niet
+kon voorstellen, dat iemand van eenige beschaving zoo'n boek niet met
+grooten afschuw aanvaardde. Maar wil ik u nu eens een aardige
+bijzonderheid vertellen? Een paar weken eerder kreeg ik een brief van
+dr. Bijvanck, eigenlijk den voornaamsten redacteur van "De Gids" ... en
+over dien brief heb ik zeven jaar het stilzwijgen bewaard, terwijl van
+het gezegde van mr. Van Hall op alle mogelijke manieren in de kleinere
+blaadjes misbruik werd gemaakt. Maar nu dr. Bijvanck niet meer aan "De
+Gids" is, mag ik spreken. Het is werkelijk karakteristiek! Hier heb ik
+hem. Als u eens met mij mee wil lezen:
+
+"... Zoo wat haastig doorlezend, werd ik telkens getroffen door uw
+wonder talent van beschrijving en dramatiseering van tooneelen, een
+talent, dat waarlijk niet afneemt, als men het boek verder doorleest, en
+nog eens op 't laatst schitterend uitkomt in het "Dwergje".... Tusschen
+de beschrijvingen van het ruwe niet alleen een element van extase, maar
+ook van sentimentaliteit. Gij behoeft deze opmerking niet te vergeven,
+want het is een compliment...."
+
+Ik ben toen ook in anti-critiek getreden tegen Coenen, van wien ik vond,
+dat hij mij op zeer onbillijke manier had besproken. Eigenaardig is, dat
+hij wel wees op het kolossale te veel, dat ik geef, maar met geen enkel
+woord repte van de sobere gedeelten. Anders was het met Marcellus
+Emants, die zei: "U hebt groot talent, er staat veel te veel in uw boek,
+maar toen ik kwam aan de figuur van Eva, toen vond ik dat een juweel van
+beschrijving! Daar is geen woord te veel of te weinig in...." Maar
+Coenen wist daar niets van te zeggen, die wees alleen maar op het te
+veel.
+
+In het algemeen heb ik van mijn roman-debuut zeer veel succes gehad, en
+dat werd nog sterker, toen ik na een paar jaar van afzondering
+"Menschenwee" de wereld instuurde. Maar, laat ik het erkennen, het
+ontzaglijke succes van dat werk heeft mij veel vijandschap berokkend.
+Nooit heb ik den nijd en de afgunst van collega's zoo zien toenemen als
+na de verschijning van "Menschenwee". Ik zou u veel brieven kunnen
+toonen van de bekendste auteurs, van de echte "groote lui", die om zoo
+te zeggen wegliepen met mijn boek maar het later op allerlei manieren
+probeerden af te breken.
+
+--Querido stapte naar het venster en ging weer zitten, stond vervolgens
+bruut op en zei met dichtgenepen, plots blauwe oogen, de vuisten omhoog:
+
+--Toen ik nog geen regel, nog geen réegel van "Menschenwee" of
+"Levensgang" had geschreven, meneer d'Oliveira....
+
+--Toen?
+
+--... Toen zei ik al tegen mijn broer: Als ik ooit iets ga schrijven,
+dan moet ik minstens de hoogte van een Zola kunnen bereiken. (Zijn hand
+met uitgespreide vingers patste neer.) Maar! op een geheel andere
+manier, laat ik u dàt vooral zeggen! Ik heb een totaal ander innerlijk
+leven dan Zola. Alleen in den beginne was aanwezig een overeenkomst in
+het gebruik van naturalistische termen. Maar dat is ook feitelijk het
+eenige, dat mij aan een school heeft gebonden. Wat niet weg neemt, dat
+ik een buitengewone vereering heb voor Zola, niet _had_ zooals Van
+Deyssel, maar nog _heb_. Ik vind Zola een van de allergrootste
+scheppers.
+
+--Hij stapte weer naar 't venster. (Wat wilde hij toch? Verwachtte hij
+iemand?)
+
+--Dan volgen mijn critische bundels "Zegepraal", "Kunstenaarsleven", en
+daarmede--wil u daar vooral op letten?--daarmede is afgesloten de
+periode van romanliteratuur, die voor een deel put uit eigen omgeving.
+Van nu af ga ik zoogenaamde objectieve kunst geven in mijn epos.
+
+Zijn oogen leken nu zwart tusschen 't traliewerk van zijn blanke
+vingers; de linker pink, lichtelijk gebogen, wees omhoog.
+
+--Critiek schrijven is voor mij iets heiligs, meneer. Werkelijk iets
+heiligs. Dat wil zeggen: niet altijd ben ik in staat critieken te
+schrijven, die naar mijn eigen meening aan dien eisch voldoen, omdat ik
+natuurlijk moet offeren aan de noodzakelijkheid van beperkte ruimte....
+Ik vind, dat men dàn alleen volledig kan begrijpen, als men zich geheel
+en met liefde aan een boek geeft.... Moet ik wel eens een enkelen keer
+afwijken van dat beginsel, moet ik mij door oververmoeienis beperken tot
+het geven van citaten, dan lijd ik daar zoo geweldig onder, dat ik mij
+haast, een volgenden keer een critiek te maken, die getuigt, dat ik mij
+heelemaal heb ingeleefd in het boek, dat ik bespreek.
+
+--Hij stapte warempel weer naar 't venster. Er zal nu wel direct iemand
+komen, dacht ik. En dan is het gedaan. Dan moet ik weg of hij vertelt
+niet meer.
+
+--Ik meen, dat tegenwoordig de critiek in ons land volkomen
+ge-anarchiseerd is. Iedereen critiseert er maar op los. Ik wil in het
+midden laten, wat daarvan de intellectueele oorzaken kunnen worden
+genoemd. Ik constateer 't feit, en (hevige handslag door de lucht) ik
+vind het een rámp. Ik geloof, dat iedereen het recht heeft er een
+meening op na te houden, maar niet ieder heeft 't recht, die meening te
+_uiten_. Critiek geven is een geweldig moeilijk werk en groote
+kunst-critiek is even zeldzaam als groote romankunst of groote poëzie.
+In mijn Rousseau-studie heb ik doen blijken, dat uit den aard der zaak
+groote critiek, buiten Van Deyssel, in ons land niet aanwezig is. Ik
+zelf wil weer heel wat anders dan Van Deyssel. Ik wil de drie
+gevoelssferen: verbeelding, intellect en sentiment in mijn critieken
+doen samenvloeien. Ik vind dat een spontaan-lyrische critiek, meneer....
+
+--Ik ben geheel aandacht.
+
+... dat een spontaan-lyrische critiek alleen sterk kan leven in
+dramatisch-lyrische critiek. Want waarom zou critiek niet evengoed
+dramatisch kunnen zijn als een tooneelstuk? Dramatiek, psychologie,
+lyriek, kennis, dat alles moet in de critiek even groot naar één hoog
+punt worden opgewerkt. Uit den aard der zaak zijn maar heel weinig
+menschen in staat dat te doen....
+
+Dogmatische critiek haat ik het meest van alles. Die vind ik het meest
+antipathiek belichaamd in Jet Holst en Herman Gorter. De leerstelligheid
+van hun socialistisch beginsel, vind ik, maakt ze blind voor groote
+schoonheid in dingen van burgerlijke kunstenaars. Het lijkt mij, dat men
+den pathologischen zielestaat van een zenuwlijder als Baudelaire, die
+toch een groot dichter is, met even groote innigheid van critisch besef
+en schoonheidsgevoel in zich moet kunnen opnemen, kunnen uitbeelden,
+kunnen verwerken, aan de menschheid moet kunnen toonen, als men dat kan
+doen met den meest blozenden moreelen optimist in de kunst. Aangezien nu
+het pessimisme door de Marxisten wordt verklaard voor een zeker deel als
+gevolg van ideaal-breking, en een latent gebleven burgerlijk sentiment,
+is het begrijpelijk, dat zij Baudelaire, en pessimistische literatoren
+in het algemeen, niet kunnen omvatten, zooals die omvat moeten worden
+door objectieve critici.
+
+Ik wil hebben, dat men alles begrijpt en doordringt in het leven. Dat
+lijkt mij het eenige middel om boven alle tijdelijkheid van oordeel en
+modesucces hoog uit te stijgen. De kleine critiek heeft ook wel
+voorbijgaanden invloed, maar de tijd heeft noodig: groote onbevangen
+werkers, en als er op een gegeven oogenblik zoo een opstaat, een met
+groote comediek in zich, dan spuit 't er uit, en dan kan niemand 't
+tegenhouden.
+
+Honderden malen is mij gezegd, dat ik geschapen ben om tooneelstukken te
+schrijven, op grond van mijn vermogen tot dialoog en dramatische
+conceptie. Zelfs heeft Robbers indertijd, sprekend over "Menschenwee",
+geschreven, dat het maar van een luim, een gril van Querido afhangt, om
+even schitterend voor het tooneel als voor de literatuur te schrijven.
+Tallooze keeren heeft men dan ook tooneelstukken van mij verwacht, maar
+ik wil u wel zeggen, waarom ik mij nog nooit op dat gebied begeven heb.
+Evenmin als ik indertijd wou beginnen met het schrijven van kleine
+schetsjes, om, later opklimmend, een zekere hoogte te bereiken, evenmin
+kan ik het nu van mij verkrijgen, te beginnen met een aardig stukje, dat
+misschien wel verdienste zou hebben, maar waarin toch niet het
+allerhoogste vervat zou zijn. Dat mag pedant klinken. Goed! 't Kan mij
+niet schelen. Elk kunstenaar, die het leven leeft, is dat verplicht aan
+'t Leven: niet voort te brengen een werk, dat vertoont den tijdelijken
+verschijningsvorm er van, maar een werk te scheppen, dat geeft het
+eeuwig blijvende. Vandaar ook, dat het meeste tooneelwerk van den
+tegenwoordigen tijd mij schijnt te facetteeren afschijningen van het
+leven, niet te raken de _kern_. Maar ... de romankunst stel ik in ieder
+geval nog hooger dan de tooneelkunst. Later zal ik mij daaromtrent
+analytisch verklaren. Wat aan den eenen kant lijkt een tegemoet treden
+aan de verbeelding door een aanschouwelijken vorm, brengt aan den
+anderen kant beperkingen mee. Want de scheppende auteur hangt af van de
+interpretatie van den speler, terwijl die op zijn beurt weer afhangt van
+de bedoelingen van den auteur. Die geeft zijn sujetten de woorden in den
+mond. Vandaar dat zich in verschillende vormen het feit openbaart, dat
+de acteur boven zijn rol staat, of de rol boven den acteur. En wat komt
+er dan van de kunst terecht?--Kort en goed: ik laat mij niet dwingen tot
+iets, dat ik nog niet in mij zelf voel als een noodzakelijkheid, al
+hebben Robbers en anderen het ook geschreven. Daar mogen ze om lachen:
+'t laat mij koud! Ik wil het hoogste! Bij "Menschenwee" heb ik daar ook
+naar getracht. En ik weet beter dan iemand, dat men geen compleet werk
+kan leveren. Niemand is volmaakt, ook Van Looy in zijn beperkte
+woordkunst is dat niet. Ik weet 't van mij zelf ook wel!
+
+--Ik zat in mijn easy-chair naast zijn schrijftafel. En terwijl ik nu en
+dan iets opteekende, merkte ik dat hij zijn hals rekte, en over mij heen
+naar buiten koekeloerde. Wat was daar toch te zien?
+
+---Met "Levensgang" heeft zich ook nog iets eigenaardigs voorgedaan. Ik
+was destijds in Groningen, en Gorter, die in '97 al literaire critieken
+had geschreven in "De Nieuwe Tijd", kwam (het was in 1902) met
+uitgestoken hand naar mij toe. "U is Querido? Schrijver van
+"Levensgang?" "Jawel." "O, ik gevoel groote bewondering voor u. Daar
+staan prachtige dingen in: prachtig, prachtig, prachtig!" Daar ging ik
+zelf nog tegenin, zei, dat het nog lang niet volmaakt was. "Ja," kreeg ik
+ten antwoord, "dat verwachtten wij ook niet, maar 't is toch prachtig,
+prachtig".... Later heb ik, mij over Gorter uitlatend, gezegd, ik wilde
+eerlijk zijn: dat hij naar mijn meening als dichter dood was, en al heel
+gauw kon ik een geweldige verkoeling waarnemen. Toen ik hem dan ook
+vroeg zijn meening te schrijven over een van mijn boeken, heeft hij zich
+er van afgemaakt, en gezegd: "Pardon, ik schrijf nooit critieken!"
+
+O, ik heb zooveel van de menschen, van de collega's te lijden gehad! Als
+ik van het oordeel van sommigen onzer grootste schrijvers had
+afgehangen, toen ik als broekje van 21 jaar Meditaties schreef, dan had
+ik mij eenvoudig laten doodknijpen! O! die behandeling, die ik heb
+ondervonden van Kloos, die ... die illustreert mij zijn onvermogen om
+jonge auteurs, die aan het uitbotten zijn, te erkennen en te begrijpen.
+Als ik mij aan hem had moeten storen, dan was ik doodeenvoudig
+vernietigd geweest! Dan had ik nooit meer de pen opgenomen! Slechts
+onder enkele omstandigheden is hij in staat de waarheid te
+onderscheiden. Maar hij is erg gul in het pluimpjes geven aan zijn
+vrindjes. En moordend ... móórdend is hij opgetreden tegenover jongeren,
+die niet meededen aan de overdrijving van zijn kwaliteiten als dichter".
+
+Lezer, ik wil u niet beschrijven de korte, forsche, hartstochtelijke
+gebaren van dezen vurigen mensch. En er is iets in mij, dat mij er van
+terughoudt, soms. Mij dunkt, wie eenig gevoel heeft voor taal, die moet
+uit Querido's woorden, zooals ik ze hier met groote toewijding tracht na
+te smeden, voelen en zien,--zijn beeld voor oogen,--de trillingen van
+zijn smallen mond; die moet weten, zooals ik altijd geweten heb, dat
+vaak, als hij in vervoering komt, zijn rechtermondhoek omlaag zakt en
+zich verbreedt; die moet zijn oogleden zien rimpelen, zijn schouders
+zien schokken, zijn knuisten zien scharnieren open en toe; die moet hem
+daar zien staan, zwaar 't krachtige lijf op korte, stevige beenen, den
+kop met de kleurwisselende kijkers en de woest naar achteren gevaagde
+manen: glans-zwart tegen de zacht-gelige kap van zijn lamp....
+
+--Ik vind, dat onze letterkundige werking op het oogenblik in een
+bloeiperiode verkeert, maar natuurlijk nog lang niet is wat ze zijn
+moet. Alles is te essenciëel-klein, er wordt te veel nadruk gelegd op
+geraffineerde détails. Zelfs een man als Streuvels, die in zijn eerste
+werk de groote lijn heeft gevoeld, is weer aan het verbrokkelen, door
+het feit, dat hij geen dramatiek, geen psychologie heeft. De strijd van
+kleine werkertjes als Steynen en Van der Meer tegen het zoogenaamde
+naturalisme is belachelijk, omdat zij hem voorstellen als iets nieuws,
+terwijl hij door ons en anderen al veel eerder werd gevoerd. Alle groote
+kunst, waarvan de maker ontroerd was, raakt op eenige manier het
+Eeuwige, onverschillig of hij symboliek, naturalisme, mystiek brengt.
+Shakespeare was volstrekt niet minder dan Dante, omdat hij meer
+realistische mystiek gaf, en Dante meer transcendentale mystiek. De
+verschillende mengsels van psychische eigenschappen kunnen er mij nooit
+toe leiden, een heele figuur te verwerpen. Want in iederen kunstenaar is
+iets onaantastbaar eeuwigs, dat de dingen overgiet met een innigen
+glans, waaruit alles opbloeit naar het schoone.
+
+--Men zegt wel eens, dat ik niet voldoende zelfbeheersching heb. Mijn
+intieme vrienden moeten wel tot het besluit komen, dat men zich vergist.
+Nu reeds drie jaar lang ben ik bezig, rustig en bezonken, te verzamelen
+een oneindig groot aantal impressies en waarnemingen. Dit woord, laat ik
+het direct zeggen, lijkt mij veel te hard. Want _ik kan niet waarnemen_.
+Als ik den geheelen dag rondloop, dan kan ik misschien een uurtje doen
+wat men waarnemen noemt. Kijk, deze kleine boekjes heb ik altijd bij
+mij. Daarin maak ik zeer korte aanteekeningen, en die zijn voldoende om
+de impressie vast te houden. Ach, drie jaar geleden is het, dat ik op
+een gloeienden Maandagmiddag in half Juli door den Jordaan liep. Dan
+komt die ontzaglijke tros van orgels terug, die hun rondgang door de
+stad hebben gemaakt, en dan hebben de orgellui wel eenige neiging om,
+terwijl 't niet mag, in de Willemstraat eenvoudig een klein
+muziektoevoegseltje te geven aan 't volk. Dan zie ik daar een grooten
+kring van menschen, die op heel bijzondere wijze dansen. De heele straat
+staat te branden in het goud-coloriet van den zomerdag. De witgejakte
+meiden, met de prachtige bloote nekken, dansen in geweldige rijen, en de
+kerels staan rustig te beschouwen het rokkengezwaai van die meiden. De
+wasem van 't goud van den dag slaat je tegemoet en die goudbeschenen
+meiden staan zich daar uit te leven, te midden van die angstwekkend-
+vulgaire, doch triestig-eentonige muziek, die er stroomt uit de strotten
+van die orgels, uit de kelen van de registers, te midden van dien gouden
+zonnezang.... O, als ik daar bij ben, dan kan ik niet komen tot een
+objectieve beschouwing van zoo'n straat. Dan zie ik alles als een
+onmetelijk groot schilderij, met een wasem van Rembrandt-goud er over
+heen. Zoo zie ik al de grachten van de oude stad, met haar oude
+pakhuizen en haar wankele trapgevels. Ach, als een schilder heb ik op
+alle uren van den dag de tonaliteit van de stad bestudeerd, en ik zeg
+'t u, meneer, dat ik 't schande vind, dat ik daar nog nooit een
+schilder heb ontmoet. Die oude stad Amsterdam is van een geheimzinnige
+schoonheid, een wonder van atmosfeer en tonaliteit, en daarom zal ik
+mij er nooit toe kunnen bepalen, alleen het menschenleven van de
+Jordaan weer te geven. De omgeving moet erbij, altijd weer de omgeving
+... een mensch op zichzelf bestaat niet!... Aan de Teertuinen, daar
+heb ik 's morgens om vijf uur staan blauwbekken om mee te mogen doen
+aan het sneeuwscheppen, en zeer diep is mij bijgebleven de impressie
+van den zeldzaam-verlaten wit-sneeuwen ochtend. Er zijn geen twee in
+ons heele land, die de woningtoestanden in de Jordaan zoo goed kennen
+als ik, dat durf ik gerust te zeggen. De menschen_massa_, die vind ik
+het schoonst, die beheerscht mij altijd. Een figuur op zichzelf
+schilderen vind ik heel aardig, en mijn Bresser en mijn Strooper
+toonen wel, dat ik dat niet versmaad, maar het meest voel ik voor den
+_drom_. Mijn vrienden zeggen wel eens: Kerel, je bent absoluut
+schilder, en ik voel 't: dikwijls heb ik een schilders-temperament.
+
+Ik wil in een van de deelen van mijn Epos het misdadigersleven beelden,
+zooals het leeft en werkt in de duisternis en de angstige
+buurtverborgenheid in de hoofdstad. Ik omgeef mij met misdadigers. Ik
+leef met misdadigers, dikwijls in de gevaarlijkste omstandigheden. Dit
+werk is, met het oog op de chantage, allerellendigst. De
+hoofd-commissaris heeft 't mij indertijd gezegd: Kerel, je loopt er nog
+eens leelijk tegen aan. En dat zal ook wel eens gebeuren. Maar ik _moet_
+dat meemaken. En hoewel ik dikwijls moet omgaan met kerels, die er niets
+in zien, mij mijn oogen uit mijn hoofd te krabben, zoodra de lust bij
+hen opkomt, gaat er van dat bandietenleven een eigenaardige bekoring
+uit, omdat het mij toont de menschelijke hartstochten in hun absoluut
+ongebreidelden vorm. Mijn eerste studie over crimineele anthropologie
+zal nu verschijnen in "Groot Nederland". Hierbij doet zich het
+eigenaardige feit voor, meneer....
+
+--Ik luister.
+
+--... is er één natuur-historicus, meneer, die het in zijn hoofd haalt,
+de wilde beesten te gaan bestudeeren in den dierentuin? Wat is een leeuw
+in een beestentuin? Kun je hem achter de tralies ooit mooi zien knauwen
+op zijn prooi, kun je daar ooit waarnemen dat onvergelijkelijk grootsche
+zoeken naar zijn prooi? En waar, meneer, bestudeeren de weinige
+crimineel-anthropologen, die wij hier hebben, den misdadiger? In de
+gevangenis, meneer, nóóit in de vrijheid, nooit in de werkelijkheid. O!
+die heeren kunnen misschien iets weten van den schedelbouw van een
+misdadiger, van zijn morphologie, maar ga hun eens vragen wat zij u
+kunnen vertellen van de verschrikkelijk diepe grotten en spelonken van
+de misdadigersziel? Weten zij hoe de moordenaar, de souteneur, de
+kinderen-verkrachter, de ontaarde, de prostitué, de inbreker denkt,
+leeft, voelt, werkt?...
+
+En terwijl ik in het hartje van den Jordaan studie maak van de
+alleruiterste depravatie, terwijl ik slaap bij het Leger des Heils,
+samenwoon met moordenaars, kan het mij gebeuren, dat ik een enkel
+verloren uurtje zit te studeeren in Darwin, Rousseau, mij dring in het
+gekristalliseerde leven van vroegere eeuwen, die eeuwen, die ik
+werkelijk zie, ieder in haar eigen kleur, als groote hallen, waar ik kan
+wandelen.
+
+En ... mijn natuur is zeer pessimistisch. Is niet bij iederen idealist
+de grondtoon zeer somber? Bij tijd en wijle vind ik 't heele leven, ook
+'t allergrootste, nietig. Ach, vraag ik mij dan dikwijls af, waar heeft
+toch zoo'n Rembrandt voor geleefd? Is een planeet, die daar zoo verre
+staat te schitteren, in zijn eeuwigheid niet veel grooter, ondanks zijn
+onbewustheid, dan wij, al zijn wij ons van ons innerlijk wezen bewust?"
+
+Weer stond hij op, Querido, en nu begreep ik wat zijn ongeduldig
+halsgerek beduidde. Want plots sloeg hij de balkondeuren open en trok
+mij naar buiten. Daar, voor ons, in de herfstschemering, in vochte
+violette nevelen, lag de wei, en vaagjes zichtbaar, omsluierd, daar
+achter het fijn geboomte van 't Willems-park. En was ik gevoeliger
+geworden door de extatische ziele-stem van den dichter?... Ik weet het
+niet ... maar een breede beklemming bezwaarde mij.... Want ik meende te
+zien, dat de grijsgroene boompjes met d'r rengelende bladeren vormden in
+de donker-violette nevelen een wijden kring en wachtten berustend den
+avond af. Nog een paar minuten, en Querido, vóór zijn orgel, deed zoete
+schemerharmonieën tonen door 't kamerruim....
+
+Sinds ik dit boekte zijn zes jaren voorbijgegaan. Velen, die het in een
+van onze groote dagbladen lazen, hebben mij te kennen gegeven dat ze er
+een ophemelarij van Q. in zagen en het stuk te weinig zakelijk vonden.
+Een brief van hem zelf, waarin het heette dat het artikel "met groote,
+trillende liefde" was geschreven, heeft mij wel tot nadenken gestemd,
+maar ik moet toch blijven bij mijn oorspronkelijke opvatting, dat ik
+zijn mededeelingen met de grootst mogelijke objectiviteit heb
+weergegeven. Ik zou niet alleen hem, maar vooral mij zelf te kort hebben
+gedaan indien ik anders hadd' gehandeld....
+
+Echter heb ik misschien te weinig gevraagd naar het verband tusschen
+zijn socialistische opvattingen en zijn kunst, naar de evolutie van zijn
+ideeën.
+
+Misschien had ik er ook wél naar gevraagd ... en mij ten slotte maar
+neergelegd bij het feit, dat hij zich niet gemakkelijk laat onderbreken
+... ja, geneigd is een schuchtere onderbreking als een onheuschheid te
+beschouwen. Hoe dan ook, ik vroeg hem nog eens over die onderwerpen te
+spreken en met het vaste voornemen, op mijn stuk te blijven staan,
+klopte ik aan zijn deur.
+
+Wat hadden de jaren veel verandering gebracht! Ik voelde bij de eerste
+woorden dat hij rustiger en meer gereserveerd was geworden. Zijn haren
+waren pas gekortwiekt (vergeef mij de beeldspraak, als ge ze tenminste
+bemerkt!). Hij zat nu niet in een zeer ruim studeervertrek met
+aangrenzend archief, doch in een spaarzaam gemeubelde kamer in een
+leelijke Amsterdamsche Pijp-straat. En had hij mij vroeger allerlei
+soorten sigaren en sigaretten voorgezet, nu liet hij zich, toen hij
+hoorde dat ik niet rookte, afgepast "twee stuks" halen.
+
+Alles deed zien dat hij op eenigerlei wijze pas een flinken klap van
+het Leven had gekregen en dezen klap zoowel in zijn temperament als in
+zijn overtuiging verwerkte.... Ik behoor tot hen die iets dergelijks al
+vele jaren in stilte wenschen. Dus aangenaam gestemd, wel wetend dat
+sommigen een zekere soort honger beter bekomt dan het brood des levens,
+leidde ik het gesprek in met een vraag naar de evolutie van zijn ideeën
+sinds het verschijnen van zijn eerste werk. Aanvankelijk ging het weer
+goed. In zijn geliefkoosde houding, één voet op 'n stoel, de elleboog
+steunend op zijn knie, zette hij mij uiteen, dat van evolutie eigenlijk
+geen spraak kan zijn. De lezer beoordeele of het betoog, dat ik hier
+weergeef, de conclusie dekt:
+
+"Zooals u waarschijnlijk weet, heeft "mijn Jordaan" een overweldigend
+succes behaald, en uit de zeer groote rij van alle schitterende
+besprekingen is o.m. één voor mij het opmerkelijkst geweest, en die is
+pas gekomen, en wel de bespreking van Haspels. Mijn eerste boeken zijn
+uitsluitend visionair en beladen met occulten geestesdrang geweest. Dat
+zijn mijn ongelukkige in een heel vreemde psyche wortelende verzen. Mijn
+"Meditaties" is een heel boek van transcendentale epiek. Het naturalisme
+en realisme is meer een bepaalde overgangsvorm geweest van een school,
+die zich tijdelijk op mij heeft afgestempeld. Maar de innerlijke kern
+van mijn natuur is versmelting van deze drie dingen: tragiek, epiek en
+lyriek. Het realisme is voor mij een uitwendig ding gebleven en zal dit
+ook zijn. Ik smaad het niet, vooral niet. Ik vind ten slotte Rembrandt
+een geweldig realist en Shakespeare ook, maar het zijn mystieke
+realisten. Nu is men verbaasd dat ik met mijn "Melvina of de Legende van
+den Vuurtoren" en "Saul en David" den z.g. romantischen kant uitga, doch
+in mijn "Meditaties", toen was ik eenëntwintig, ziet gij _precies_
+hetzelfde: Ik keer terug tot iets dat altijd de grondtoon van mijn
+wezen was. Haspels nu heeft gezegd, dat mijn "Jordaan" zoogenaamd
+realisme is, uitsluitend verbeeldingskunst, geheel en al gedragen door
+een ontzaggelijken visionairen stijl, "het werk van een genie" (ik haal
+aan wat hij zegt!) dat zich met geweldig fantasmagorisch vermogen op de
+realiteit werpt.
+
+Ik wil slechts te kennen geven, dat een boek als "Jordaan" nooit door
+zijn uitwendig realisme dit succes zou hebben behaald, als niet die
+heele kunst gebouwd was op een innerlijken grondslag, een samenvatting
+van allerlei dingen, die zich in mijn wezen volstrekt niet afzonderlijk
+hebben ontwikkeld, maar waarin het zich breeder, sterker, rustiger
+uitspreekt naar allen kant en zich op alle mogelijke manieren verdiept.
+Er is een groote psychische en technische afstand tusschen het
+schilderen van de Nachtwacht en van de Staalmeesters, maar toch is het
+visionair en innerlijk vermogen van een Rembrandt volstrekt essenciëel
+en niet iets nieuws brengends geweest toen.
+
+Ik geloof, permiteer mij den overgang, dat ik onbewust in mijn natuur
+altijd mijzelf trouw ben gebleven. Ik ben begonnen met visionair werk:
+mijn "Meditaties". Ik heb toen een rauw en uiterst realistisch boek in
+de wereld geschopt: "Levensgang", waarin twee elementen door plastisch
+vermogen zijn samengevat, n.l. aan den eenen kant een door uitwendigen
+waarheidszin beheerschte realistiek, terwijl het boek aan den anderen
+kant verloopt in romantiek. Ik meende dat ieder ding in zijn waren,
+diepen, uitwendigen waarheidsvorm moest worden gezegd. Daar ben ik in
+"Menschenwee" van teruggekeerd. Dat boek heeft een heel groote beweging
+in Nederland gebracht. In "De Jordaan" ben ik daar nog verder van af
+gekeerd, en zoo had ik gelegenheid een boek te geven waar geen enkel
+zoogenaamd--gelijk de burgerlijke moraal het noemt--onverkoren woord in
+voorkomt. Het is voor mij geweest het scheppen van tallooze driften en
+hartstochten, maar vast aan den mensch. Ik wilde geen ideeën en
+symbolen, maar groote menschelijke innerlijken scheppen, waar van zelf
+de ideeën en symbolen in leven....
+
+--Ter verklaring van dezen overgang merk ik op, dat ik Q. geschreven
+had, over "Ideeën" te willen spreken en denkelijk wel bij hem te boek
+sta als iemand, die zich voorloopig nog te veel in wijsgeerige studiën
+verdiept. Ik zal ook wel gevraagd hebben naar den _ideëelen_ inhoud van
+zijn werken.--
+
+Het najagen van een idée en van een symbool, ging hij voort, vind ik
+ondergeschikt aan het scheppen van menschen die zelf ideeën en symbolen
+hebben. Het symbool moet geboren worden uit den mensch, en niet de
+mensch uit het symbool. Uit de innerlijkheid van de menschelijke natuur
+moeten voor mij idée en symbool doorbreken. Vandaar dat ik Shakespeare
+boven Goethe stel. Geen enkel symbool kan boven de groote
+menschenscheppende kracht van den wezenlijk innerlijk menschelijk
+scheppenden kunstenaar uit. Die omvat het allemaal. De meest ijle
+geestelijke sfeer, waarin verschillende figuren van Shelley leven,
+afzonderlijk genomen als symbolische ideeën, zijn met hun innerlijk en
+hun hartstocht eerst ménschen geworden en tegelijkertijd symbool in
+Shakespeare.
+
+Dat heb ik altijd sterk gevoeld. In "De Jordaan" heb ik gegeven de
+figuur van Stijn, die in de critiek tot de grootste bewondering
+aanleiding heeft gegeven. Daarin is in één persoon vereenigd teederheid
+en verbijsterende waanzin, door alcoholische driften aangejaagd. Het
+symbool van het bezeten zijn door den drankhartstocht, die ook een
+zekere sexueele satyriasis als ondergrond heeft, te zamen met een
+groote vaderlijke teederheid, en die twee elementen vast aan den man
+verbonden. Dat was altijd mijn doel, daar ben ik nooit van afgeweken....
+
+--In den loop van deze improvisatie deed hij nu en dan een nonchalante
+greep in een kartonnen doos, die overvloedig gevuld was met recente
+boekbesprekingen. Hij wilde mij een knipsel toonen,--'t was hem
+toevallig in handen gekomen, en hij hechtte er overigens geen waarde
+aan--dat volkomen bevestigde de meening die hij zooeven had geuit. Enfin
+... hij zou mij die critiek wel sturen.
+
+--Maar--ging hij zonder overgang verder--maar dit wil ik wel zeggen: van
+nature ben ik een diep proletarisch sociaal-democratisch voeler.
+
+Wat ik daarmee bedoel? Dit: met mijn proletarisch voelen bedoel ik, dat
+ik ten allen tijde besef, dat deze maatschappij absoluut weg moet, omdat
+het gelukslurpen van de bezittende klasse iets weerzinwekkends heeft. En
+dat kan en moet en zal veranderen. En dat kan alleen veranderen door en
+volgens de volslagen juiste critiek van het socialisme op de economische
+elementen van de maatschappij.
+
+Maar nu heb ik dit opgelet, dat Gorter en mevrouw Holst, om maar twee
+van de allervoortreffelijksten te noemen, die als dichter en als denker
+zich hebben doen kennen, daarom afwijken van Heijermans en van mij, maar
+vooral van mij, omdat zij absoluut niet beschikken over dramatisch
+objectivatie-vermogen. Zij hebben nooit romans geschreven. Vandaar dat
+wij als dramatici objectiever staan tegenover de menschelijke figuren
+uit de burgerij. Lapidoth heeft gezegd (hij deed weer een nonchalante
+greep in de rijk-gevulde kartonnen doos en trok er een recensie uit, die
+hem toevallig in handen was gekomen), dat hij nooit een zoo objectief
+boek gelezen had van een sociaal-democraat als "De Jordaan". Daar zit
+niet de geringste tendenz in. Tendenz kan schitterend zijn als zij
+voortgestuwd wordt door de beweegkracht van een ziel, die het gevoel als
+een verinnerlijkt levens-systeem van eigen gedachten opstuwt. Maar dan
+lijkt mij ook het woord "Tendenz" verkeerd. Maar verder is mijn
+innerlijk zonder tendenz, en dit blijkt een gevolg uitsluitend van
+dramatiek, epiek en lyriek die als persoonlijkheid in een andere
+persoonlijkheid indringen en zich objectiveeren ten opzichte van de
+levensverschijnselen. In onze kunst oordeelen wij niet. Met
+ijzingwekkende kracht blijven wij onverschillig voor de persoonlijke
+appreciatie, en in roerlooze schoonheid weerspiegelen wij het bosch, en
+de maan en den mensch zelf.
+
+--Nu voelde ik mij toch genoopt te vragen naar de verhouding tusschen
+dit levensinzicht en de levensbeschouwing van het proletariaat, de
+wijsbegeerte van het historisch materialisme.
+
+--Ik geloof, kreeg ik ten antwoord, dat de wijsbegeerte van het
+historisch materialisme, wat zijn zuiver dialectischen ondergrond en wat
+zijn wezenlijk wijsgeerige kern betreft, door het proletariaat niet kan
+worden beoordeeld, dat het wat daarover gezegd wordt door groote denkers
+aanvaardt, terwijl die groote denkers m.i. niets anders doen dan op een
+bepaalde manier hun eigen ik-heid manifesteeren, zonder iets hoogers te
+geven dan iedere andere subjectieve wijsbegeerte.
+
+Doch dit heeft niets te maken met de maatschappij-critiek van het
+historisch materialisme. Die vind ik voortreffelijk. Echter onderscheid
+ik mij ten zeerste van sociaal-democraten als mevr. Holst en Gorter,
+doordat ik ook een zeer bijzonder gevoel heb voor occulte wijsbegeerte
+en mystieke dingen, die mij in hooge mate interesseeren. Zeker, het is
+iets persoonlijks van mij. De studie dier verschijningen gaat buiten het
+volk om en kan het niet schelen. Het is voor het eigenlijke proletariaat
+van oneindig veel meer belang als het de wet van vraag en aanbod, van
+meerwaarde en verbruikswaarde kent en economisch sterk onderlegd is. Ik
+zou niet gaarne willen meedoen met de theosophische socialisten, die
+volgens mij een geweldige verwarring brengen. Maar de wezenlijk
+geestelijke problemen als zoodanig kunnen niet met een zwaai worden
+betrokken in den gezichtskring van alle proletariërs. Hoe zou het ook
+kunnen?
+
+De strijd van het proletariaat openbaart zich politiek en economisch in
+een geweldig ideaal. Weet u wat ik mij altijd heb afgevraagd: wat leidt
+die menschen er toe voor een betere maatschappij te strijden? Dat is
+zuiver ideologisch sentiment ten slotte, maar het is een heerlijke
+menschelijke ideologie. Ik erken, het bewustzijn daarvan kan je heele
+leven vullen.
+
+Maar angstwekkend vind ik het, als diezelfde menschen op grond van hun
+historisch materialisme het geestelijk leven probeeren vast te leggen in
+bepaalde wetten, die ik heel anders beoordeel en heel anders bekijk.
+Zelfs vind ik in den lyrischen drang van mevr. Holst en Gorter die
+occulte neiging aanwezig. Haar psychische ontvlambaarheid is heelemaal
+occult, al werpt die zich ook op dingen die juist den arbeider in
+lichterlaaie zetten. Maar ook de manier waarop zij het doet is zuiver
+occult. Zij wordt beheerscht door den angst, dat de ontwikkeling van de
+massa zou worden tegengehouden door de vooropstelling van het
+individueele.
+
+--Als nu, zoo vroeg ik, uw laatste werk zuiver een objectiveering is van
+uw drieledigen en visionairen persoonlijken aanleg, en gij aan den
+anderen kant de kloof tusschen uw diepere veelzijdigheid en de groote
+massa zoo sterk voelt, dat gij toch wel niet overheerscht kunt worden
+door de zucht om de menschen over bepaalde dingen feitelijk nauwkeurig
+in te lichten,--hoe rechtvaardigt gij dan nu nog hetgeen gij vroeger mij
+en anderen hebt medegedeeld omtrent uw buitengewoon uitvoerige
+documenteele onderzoekingen, ook in den Jordaan?
+
+Ja, zei hij en zijn blanke hand streek door zijn zware lokken, die
+hij--niet meer had--ja ... die documenteele arbeid, dien ik verricht
+voordat ik aanvang met mijn werk, wekt den schijn alsof ik realistische
+kunst lever, gericht op de zoogenaamde waarneming en objectieve
+bestudeering van de feiten. Ik geef u toe, deze arbeid is, wat den
+documenteelen inhoud in kleineren zin betreft, overbodig, en dat heb ik
+in den laatsten tijd veel beter dan ooit ervaren. Toch meen ik, dat men
+voor het aanvoelen van een levenssfeer de dingen goed moet kennen, al
+gaat de visionaire verbeelding telkens op geheel andere manier de
+realiteit in gloed of in schaduw of in licht zetten. Om u dit duidelijk
+te maken kan ik er op wijzen, dat ik op dien boottocht, waarvan in het
+vierde hoofdstuk van de Jordaan verteld is, maar één keer mee ben
+geweest, en toch heb ik een heele synthese van al die nachten gegeven.
+Wat ik daar geef, kan onmogelijk door de zinnen waargenomen zijn
+geweest. Dat is een voortdurend peilen en invoelen, een visionair
+verbeelden en fantastisch zien. Toch is dit de eenige manier waarop de
+realiteit zich openbaart. Dat is het orgaan van den kunstenaar, waardoor
+hij de realiteit naar voren haalt zooals zij is, al lijkt het
+doorloopend fantasie.
+
+--Ik herhaal dus, dat hier wel degelijk een verandering van standpunt
+uit blijkt. U hebt vroeger veel meer dan nu den nadruk gelegd op de
+waarde van het voortdurend waarnemen en verzamelen van feiten.
+
+--Ik geef toe, veel van dien documenteelen arbeid was overbodig, maar ik
+heb er toch ook zoo'n groote voldoening door gekregen. Toen die
+nuchterling in een van de bladen mij zeide, dat ik de Jordaan niet
+weergaf zooals zij was, toen kon ik met genot mijn documenteelen arbeid
+aanhalen. Toen heb ik steegje voor steegje en kroeg voor kroeg met het
+gehalte van het bier en den wijn en de jenever en met de namen er bij
+kunnen behandelen. Ik vraag u: wie kan zeggen hoe de Jordaan _is_? Ik
+zie hem zoo en een ander ziet hem weer zoo. Meijer, Dr. Meijer heeft in
+"De Hervorming", geschreven dat hij den Jordaan zooals ik hem beschreven
+heb, den mooisten vorm vindt dien de Jordaan kan hebben.
+
+Ik wilde met dit alles dit maar zeggen, dat ik mijn grondtoon nooit
+veranderd heb, dat een onbewuste eenheid loopt door al mijn werk, die
+zich op dezelfde manier steeds weer openbaart. Ik kan zonder
+verschillende dingen, die ik allen even heerlijk en mooi vind, niet
+leven. Vandaar mijn verheerlijking van muziek, schilderkunst, en soms
+ook wijsbegeerte. Ik heb nooit geweten wat het zeggen wil enkel
+romanschrijver te zijn.
+
+--Ook daarover heb ik u vroeger wel eens anders hooren spreken. Hebt gij
+mij niet vroeger gezegd, dat gij u nooit in het kleine bestek en de
+eenzijdigheid van een tooneelstuk geheel zoudt kunnen uitleven?
+
+--Dat moet gij verkeerd begrepen hebben. Ik weet wel, in een treurspel
+zit iets dat in een roman nooit gegeven kan worden, al kan men in een
+roman weer enorm dramatische dingen scheppen. Ik ben al heel lang
+beheerscht door het gevoel een treurspel te willen schrijven. Zooals u
+weet heeft Robbers gezegd, naar aanleiding van zijn critiek op
+"Menschenwee": "als Q. het wil, behoeft het voor hem maar van een gril
+of luim af te hangen en hij kan even schitterend voor het tooneel als
+voor de literatuur schrijven". Dat sloeg blijkbaar op mijn vermogen om
+de dingen in dialoog en in scène te zetten. Toen heb ik daarop
+geantwoord: bij het moderne drama geloof ik niet dat dit kan. Ik geloof
+niet, dat hetgeen ik indertijd heb gevoeld, op 't tooneel kon worden
+gebracht, en daarom heb ik den romanvorm ook geschikter gevonden. Maar
+hoe ben ik nu gekomen tot "Saul en David"? Al jaren lang heeft mij het
+voornemen en het verlangen beheerscht om de ziel van Saul te geven. Ik
+heb den Saul van Israëls gezien en dien van Rembrandt, en vooral die van
+Rembrandt heeft mij ontzaggelijk ontroerd. Maar hij stijgt toch maar tot
+een bepaalde hoogte van het ziels-drama van Saul, want zijn kunst is
+niet voortschrijdend. Zij vat wel samen één moment, doch de
+ontwikkeling, de wezenlijk tragische ontwikkeling van het karakter kan
+alleen de treurspeldichter schrijven. Echter nog nooit onder de dichters
+is Saul aangevat. Ik vind hem een ontzaggelijke figuur, evenals David
+(Q. zegt Davied). Daar komt nog mijn semietisch bewustzijn bij. Ik voel
+dagelijks, dat wij, Joden, als dichters wezenlijk de geheele lyriek en
+dramatiek van den Bijbel in ons hebben. Ik voel mij geheel verwant aan
+de vijfduizend jaar terug liggende atmosfeer van menschen en toestanden.
+
+--Ik snapte wel, dat hij bij al wat hij mij op verdere vragen zou
+antwoorden aan zijn "Saul" zou denken. Ik nam mij daarom voor, hem
+geduldig aan te hooren totdat hij zich van dien last zou hebben bevrijd.
+Dàn zou ik weer vragen en aanteekenen. Doch ik vond zijn mededeelingen
+en vooral zijn tempo zoo interessant, dat ik het tòch maar navertel.
+
+--Bij dit treurspel ging ik uit van deze idee: menschen als Saul en
+David, zooals vage gegevens die doen kennen uit den bijbel, moeten
+beweeggronden in zich hebben gehad, die voor ons, modernelingen, van
+gelijke kracht zijn gebleven. Hun nijd, hun angst, hun berouw, hun haat,
+hun wrok, hun ijverzucht, hun minnedrift, hun trots en onderwerping, al
+die dingen openbaren zich, in anderen vorm misschien, maar in gelijk
+hevige kracht, in ons. Ik wilde de figuren niet rethorisch en op een
+bepaalde archaeologische manier naar voren brengen. Ik wilde hun geheele
+menschelijk bestaan innerlijk voor ons neerzetten, zoodat gij den
+geheelen Saul ziet leven, ziet schreien, ziet verkwijnen in opstand en
+onderwerping. Dien geheelen geweldigen op- en neergang van zijn groot
+gebroken leven, dat zich ten slotte zoo prachtig heeft verheven, heb ik
+in zijn wezen willen teekenen.
+
+De semietische melancholie is anders dan bij eenig ander volk. Het is
+een wezenlijke waanzin, die zich heenbreekt door angstig groot lyrisch,
+religieus en nuchter psychisch en critisch levensgevoel; hij heeft een
+dubbelkarakter. Die mengeling daarvan in den Saul van vijfduizend jaar
+geleden, wilde ik geven en Saul zelf heb ik ademend vlak voor onze
+voeten willen zetten.
+
+Ik heb studie gemaakt van de archaeologie en de oude ethnologie en van
+tallooze dingen, maar ten slotte geef ik er niets om. Hierin sta ik op
+één lijn, ik bedoel met de waardeering van historische feiten voor den
+dichter, met wat Goethe en zelfs Napoleon heeft gezegd, dat de grootste
+kijker naar de innerlijke levenswording van de geschiedenis de
+treurspeldichter is; en al geeft hij de feiten, als feiten zuiver, raak,
+oneindig veel meer openbaart hij de innerlijke kern van een tijdperk dan
+welke zoogenaamde historie-speurder ook. Het kan Goethe niet schelen
+dat Shakespeare van al die Romeinen eigenlijk Engelschen heeft gemaakt.
+Napoleon heeft ook gezegd, dat het hem niet kan schelen of een dichter
+ontrouw wordt aan de historische gegevens, en dat heeft Goethe zoo goed
+uitgedrukt. Kautsky heeft in zijn boek over het Christendom zoo
+merkwaardig gezegd, dat een dichter oneindig veel meer den innerlijken
+geest van een tijd vat met zijn visioenen, dan ooit kan worden bereikt
+door den meest nauwkeurigen geschiedkundige, omdat die feiten ten slotte
+ook moeten worden geïnterpreteerd door dengeen die ze ziet en de
+samenbindende geest kan alleen ontstaan in en door den ziener.
+
+Vondel heeft zich altijd overgegeven aan Bijbelsche treurspelen. Vondel
+is mij voor altijd gebleven de beste _Amsterdamsche ziener_ en
+beschouwer van de bijbelsche geschiedenis. Maar toch nooit heeft hij de
+innig diepe, lyrische, dramatische en pathetische natuur van de oude
+Jóódsche beschaving geheel gevoeld, omdat je daar, geloof ik,
+rasverwantschap voor moet hebben. En ondanks de vele schitterende
+dingen, als woordkunst boven ieders lof verheven, is het altijd de
+Protestantsch-Katholieke natuur van Vondel die door de interpretatie van
+de Joodsche zielen heen komt schijnen, zooals ik ook nooit een
+opmerkelijker Joodsch-Katholiek heb gezien dan Mahler in zijn kunst. Het
+feit, dat Rembrandt zoo ná is gekomen aan deze levenssfeer, lijkt mij
+een gevolg van het feit, dat hij de Joodsche psyche occult gevoeld
+heeft, in al zijn kleurige en wazige diepte, in al zijn gloeiing, maar
+ook in al zijn duisterheid.
+
+--Ik heb mij (ik voorkom uw vraag) afgevraagd: wat hebben
+sociaal-democraten en arbeiders aan zoo'n kunst in dezen tijd? Ja, wat
+hebben zij aan de kunst van Beethoven, van Shakespeare, van Vondel, van
+Goethe? In iedere groote kunst moet zijn een geestelijke inhoud, die
+onafhankelijk is van tijd en persoon en waar iedereen, altijd, groote
+lessen uit kan trekken. Er is in mijn tragedie een figuur, die tot
+voorbeeld kan zijn voor iederen sociaal-democraat die door individueele
+plagen wordt gehinderd. Hij is het bewijs van het feit, dat je je alleen
+aan de goddelijke macht hebt over te geven, zooals ook de Jezuïten het
+doen, alleen op een ander levensplan. David is het symbool van de eeuwig
+levende kracht, de onverwelkbare Joodsche levensdrift, de
+vreugdebloeseming van het bestaan. Zouden ook sociaal-democraten daar
+niet aan hebben? Zou de geheele antieke beschaving niets voor hen wezen,
+omdat zij zijn gekomen tot een andere levenssfeer? U zult vragen: waarom
+moeten wij tot een tijd van vijfduizend jaren her terug, als wij in
+dezen tijd toch gelijksoortige figuren kunnen vinden? Dat hangt
+natuurlijk heelemaal af van de persoonlijke scheppingsdrift die in den
+kunstenaar leeft. Waarom heeft Rembrandt in een tijd van opbloei van de
+bourgeoisie getracht mannen als Saul of Homerus te scheppen? Omdat er in
+Saul geweldig heroïsche elementen zijn, die in dezen tijd niet in die
+mate worden gevonden. En och, is de schoonheid van het vers, de kunst
+van het woord, ook niet voor de proletariërs een zeer genietbare
+kunst,--àls die inderdaad schoon is, natuurlijk? Wat hebben zij aan Van
+Oort, als zij zijn middeleeuwsche romans lezen, vol merkwaardige
+middeleeuwsche feiten? Dat zij een visie krijgen op dat tijdperk.
+
+Ten slotte blijkt mij dat de natuur van ieder kunstenaar, al is hij ook
+socialist, voor bepaalde werkzaamheden wordt aangewezen. Gorter zou
+nooit iets anders kunnen zijn dan lyrisch dichter en propagandist, omdat
+hij het episch en dramatisch vermogen mist....
+
+Toen ik dien nacht naar mijn stille landhuis terugkeerde, speelden de
+twee woorden "Querìdo" en "evolùùtsie" krijgertje door mijn bewustzijn.
+En terwijl ik in bed stapte uitte ik deze lofspraak: "Ja.... "Du bist am
+Ende--was du bist"".
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[5] Naar ik van terzijde verneem, wenscht de heer Q. er niet toe mede te
+werken, dat zijn portret hier wordt afgedrukt. Ik betreur dit oprecht,
+al vermoed ik, dat mijn lezers zijn beeltenis hier of daar weleens
+hebben gezien.
+
+
+
+
+CAREL SCHARTEN
+
+[Illustratie: CAREL SCHARTEN]
+
+[Illustratie: Foto CAREL SCHARTEN]
+
+
+(* 1878.)
+
+Het volgende is een interview per post. In de meening verkeerend, dat ik
+Scharten hier of daar kon ontmoeten, was ik met hem in briefwisseling
+getreden. Mijn verwachting werd verijdeld, maar toen _zijn_ sympathie
+voor mijn werk en _mijn_ instemming met vele zijner ideeën elkander
+tegenkwamen, besloten wij de briefwisseling voort te zetten. Ik zou hem
+mijn vragen niet beter kunnen stellen dan hij het zichzelf heeft gedaan,
+en nadat ik hem mijn oprechte dankbaarheid heb betuigd voor de moeite
+die hij zich gaf, leg ik den lezer zijn laatsten brief zonder commentaar
+voor:
+
+Lerici, 5 Januari 1914.
+
+Waarde Heer d'Oliveira,
+
+Laat ik dus nu maar doen, of ik u op dezen zonnigen zomermiddag--de zee
+bruischt en geurt--ontving op het blank terras der Villa Barbieri, en
+onder een kopje thee (zij is niet zoo aromatisch als die gij in Holland
+drinkt; onze theeleverancier is maar een Caprees) antwoordde op de
+vragen van uwen "Leiddraad."
+
+Als alle mijn broeders en zusters in de letterkunde heb ik er al heel
+vroeg "aan gedaan". Toen ik zeven jaar was en nauwelijks schrijven kon,
+richtte ik al een geïllustreerd tijdschrift op--tekst en prenten waren
+van de hand van den redacteur; abonné's: oma, oma's meid, tante,
+enz.--een jaar later volgde een dagblad; dan een geïllustreerde
+"vaderlandsche geschiedenis" en verzen op onze stadhouders en op
+Mackenzy (spel ik goed?), den lijfarts van Keizer Friedrich--hoe ik
+daaraan kwam, mag Joost weten. Elf jaar, schreef ik drama's in
+verzen--geïllustreerd, als altijd.... Doch ik zie in dat alles volstrekt
+geen voorteeken, noch eenig blijk van talent. Want met misschien nòg
+meer pleizier gaf ik zingend, boem-tsjing, en een vol orkest nabootsend,
+muziek-uitvoeringen; of speelde, opgetuigd met shako's en sjerpen van
+mijn vader en mijn grootvader, voor "generaal"; of ranselde als
+"leeuwentemmer" een tiental elastieke ballen onzen zolder rond.--En noch
+voor generaal, noch voor leeuwentemmer heb ik later ooit eenigen aanleg
+in mij bespeurd.
+
+Het is, geloof ik, heùsch begonnen--denk maar eens aan Scheltema's velen
+ergerend gezegde daaromtrent!--toen ik veertien jaar en verliefd werd.
+Het was het dichterlijk verhaal van een avondwandeling met een meisje,
+of zoo maar een zangetje zonder veel zin, dat ik schreef. Zoo ging dat
+enkele jaren door; voor den verstandig-toegeeflijken leeraar der H.B.S.
+werden mijn opstellen novellen of reeksen verzen; eindelijk zelfs een
+heele bundel op Oud-Hollandsch papier; want ik was inmiddels zestien
+jaar geworden en vond mij een dichter, d.w.z. dat ik geen dag meer kende
+zonder een sonnet of twee, drie. U voelt al, uit welken hoek de wind
+woei! Toch was mijn eerste litteraire vorming er eerder een klassieke
+geweest. Onze Duitsche leeraar was de bekende Limburgsche novellist
+Emile Seipgens, en die fijne, wijze man, die een broertje dood had aan
+lesgeven, vond het veel nuttiger voor ons (en plezieriger voor zichzelf)
+ons de meesterstukken der Duitsche litteratuur voor te lezen, het eene
+stuk voor, het andere na; van grammatica hoorden wij in geen jaren;
+zoodat wij (ik beveel zijn methode volstrekt niet _onverdeeld_ aan!)
+allemenschelijk slecht Duitsch leerden, maar veel smaak kregen, en de
+beste smaak, in kunst. Het was merkwaardig hoe Seipgens, die in 't
+dagelijksch leven hakkelde, en heel erg als hij boos werd, prachtig
+voorlas zonder één hapering; die drama's van Schiller, van Goethe, van
+Lessing, zij leefden voor ons!
+
+Maar ondertusschen had ik de "Nieuwe Gids" in handen gekregen, uit de
+leesportefeuille; het was al in de negentiger jaren, in de
+vervalperiode, en naast mooie dingen stonden er de verschrikkelijkste
+"uitstuipingen" in,--en, gek nietwaar (men is toch altijd allereerst een
+kind van zijn tijd) ik vond dat mooi, ik vond het mooier dan alle
+klassieken (waarmee ik toch op zoo gunstige wijze had kennis
+gemaakt)--omdat het mij aangreep, omdat het mij naar de keel greep, ik
+weet niet hoe, het kwam van zoo dichtbij, en het was zoo sinister en
+geheimzinnig. Gunstig ook om ervan te gaan houden, was de afkeer en de
+bespotting, die iedereen uit mijn omgeving voor dat "idiote gedoe" over
+had. En toen waren er twee boeken, die mij wat meer van "die nieuwe
+richting" kennen leerden en mijn voorkeur ook in het redelijke schenen
+te wettigen: de "Dichters van dezen tijd" en de "Pic-nic in Proza." Den
+sterksten indruk uit dat laatste maakte "Harold" van Ary Prins op mij.
+Zóó wonderlijk-klaar die middeleeuwen voor je te zien! Ik bootste de
+ontvangen visie in fantastische schilderijtjes na; want ik schilderde
+veel in dien tijd; ik dacht wel eens, of ik niet beter deed, schilder
+te worden.--Bizonder genoot ik ook van de fonkelende "Conferentie" van
+Erens.
+
+Dit alles was vóór mijn zeventiende jaar; toen bracht een dichterlijke
+vriend, die jong is gestorven, mij drie boeken: "De kleine Johannes," de
+"Verzen" van Kloos, en de "Mei" van Gorter. In díe volgorde. Het was een
+openbaring!
+
+En ziedaar mijn stamboom! Ik ben, van letterkundigen huize uit, een kind
+van "de Nieuwe Gids." Van dááruit eerst--via Verwey--leerde ik Vondel
+kennen en Hooft. Ik moet er bij voegen, dat ik al op de burgerschool
+veel hield van Racine; het was bij hem vooral de taal, het heerlijke
+Fransch, en het statige, teêre vers dat mij boeiden.
+
+Maar ik was van de "Nieuwe Gids" al gauw een weerspannig kind. Het
+critische heeft er al vroeg bij mij in gezeten; dit werd misschien
+ontwikkeld door de studie van het recht, dat ik (men leidde mij voor de
+Registratie op) met ambitie beoefende; en toen ik eenmaal de beste
+producten der Nieuwe Gids-richting had leeren kennen, begon ik haar
+verval in te zien en hoe dat voortging, toen met de Nieuwe Reeks van het
+tijdschrift iedereen van een herleving sprak. Voor zoover ik zag in
+couranten en bladen; want ik kende (ik woonde eerst in Leiden en daarna
+in Harderwijk) geen enkelen "artist."
+
+In 1896 verliet ik de Registratie--het kantoorwerk werd mij te
+machtig--voor de Letteren, en ik begon met de daartoe noodzakelijke
+studie van het Latijn en Grieksch; op dien leeftijd heeft men zoowel aan
+de klare logica, van het Latijn vooral, als aan de beide litteraturen,
+veel meer dan als schoolknaap. En de geest der Ouden kon niet nalaten,
+indruk op mij te maken.
+
+U begrijpt al lang, dat er overigens, op mijn achttiende jaar, nog
+weinig sprake was van "wijsgeerige of aesthetische ideeën" (religieuze
+misschien wel, ik was met heel mijn hart orthodox,--de noodige
+dichterlijke vrijheid inbegrepen) of van een "uitgesproken meening over
+de maatschappelijke, sociologische roeping of rol van den
+kunstenaar."--Ik had de vage gedachte, dat de kunst de menschen gelukkig
+moest maken, zooals ze mij gelukkig maakte, en ik ondervond bitterlijk
+dat iedereen den draak stak met wat ik mooi vond. Als ik op mijn kamer
+verzen voorlas aan geduldige vrinden, sprak mijn vader beneden van
+"jammeren." Ik voelde het pijnlijke van het conflict, maar ik zag geen
+oplossing--tenzij de vage hoop, dat later tijden harmonischer zouden
+zijn; en in die hoop begon ik toen al gauw het socialisme te betrekken.
+
+In 1898--ik was twintig jaar--had Eduard Thorn Prikker (onder den naam
+van Eduard Verburgh) "De Arbeid" gesticht. Het tijdschrift werd algemeen
+bespot. Maar ik vond, dat hij groot gelijk had, dat het uit was met de
+"Nieuwe Gids", en ik schreef in "De Kunstwereld" (heette dat blad niet
+zoo?) een groot artikel over "De Arbeid." Het was een der eerste
+opstellen, die ik heb gepubliceerd.
+
+Al gauw was ik aan "De Arbeid" medewerker. Samen met Prikker schreef ik
+het tijdschrift vol. Maar wij hadden ook alweer, juist als de Nieuwe
+Gidsers, alleen de reactie gemeen. Op enkele technische bezwaren na, had
+ik aanvankelijk _in beginsel_ op de "Nieuwe Gids" niet zooveel tegen; ik
+zag alleen, dat enkele hoofdmannen ervan zwegen, anderen
+achteruitgingen, Kloos vooral, en mijn hartstochtelijke liefde voor de
+machtige verzen uit diens grooten tijd, dreef mij er toe, even
+hartstochtelijk hen te bestrijden, die, met een weeë vereering ook van
+zijn latere bombastische Adoratie's, mij toeschenen, de Schoonheid-zelve
+te schennen. Overigens sloot ik mij niet voor wat er nog goeds kon
+komen uit dien hoek, en ik zou blij geweest zijn, op een dag nog weer
+het oude mooi terug te vinden. Van Van Deijssel en Verwey (ondanks alles
+wat ik tègen hen had) bleef ik altijd een bewonderaar; Van Looy leerde
+ik eerst later ten volle waardeeren.
+
+Prikker daarentegen stond diametraal tegenover het beginsel-zelf van "de
+Nieuwe Gids". Hij hoopte niets liever dan de heele bent "in compagnie
+naar de haaien" te zien gaan. Er was in die houding, in zijn cynisme ook
+tegen alle verheven edelaardigheden ontegenzeggelijk de noodige
+blague,--maar hij was onderwijl een drommels oorspronkelijke jongen, met
+een echt natuur-talent. Hoe dat--althans voorloopig, hij is nog
+jong--niet tot zijn recht is gekomen, wil ik nu niet nagaan. Maar hij
+had toch maar op zijn eentje uitgevonden, dat proza niet allereerst
+moest zijn "het fel-rake woord," doch de stroomende volzin en de
+periode,--en hij bracht die beginsels op boeiende wijze in praktijk. Hij
+had eigen denkbeelden over schilderkunst en bouwkunst en sierkunst, die
+dikwijls later als de juiste zijn erkend. Het is waar, hij leefde te
+midden van allerlei geestelijke en artistieke stroomingen in Den Haag;
+naast hem was ik zoo groen als gras; maar zeker is, dat ik heel wat van
+hem heb geleerd.
+
+Prikker was ook sociaal-democraat, aangesloten bij de S.D.A.P. _Ik_ had
+zoo maar godsdienstig-philosophische en socialistische ideeën op eigen
+houtje. Op een avond zei hij opeens: "je hebt de typische kop van een
+anarchist." En toen mij dat scheen te vleien: "ik bedoel, een anarchist
+is eigenlijk het type van een bourgeois...."
+
+Inderdaad, ik was een anarchist! Eenigen tijd later hoorde ik van
+Walden, ik las de beide brochures van Van Eeden; ik was overtuigd. Van
+Eeden was mijn profeet, Walden mijn ideaal. Ik toog erheen, en mijn
+geestdrift werd noch van streek gebracht door het vrijwel cynisch
+gezelschap, dat ik daar ordeloos en tuchtloos leven vond op het
+akelig-holle Kruisberg, nòch door de koude douche van Van Eeden, wien ik
+heel naïef vragen kwam, welke boeken ik lezen moest, om mij nader in de
+dingen van den heilstaat te bekwamen!
+
+Als ik denk, hoe extra-bespottelijk ik mij daar op Walden maakte!--En
+toch, in het winteravondrood achter de sparreboschjes van Walden heb ik
+het onuitsprekelijk geluk gekend van de zékerheid eener betere toekomst.
+
+Vaag waren mijn socialistische ideeën, maar zij lééfden ten minste. Ik
+leefde op mijn gevoel. En, wat onze letterkunde aanging, zoo gevoelde ik
+hoe langer hoe duidelijker, dat de tachtiger-kunst doodliep.--Ik zag
+wat er verscheen: een poëet als Van 't Hoog was een "datum" in de Nieuwe
+Gids-poëzie.... Was er uit onze burgerklassen, verdord door een
+eeuwenlange, steeds meer uitdrogende "beschaving," nog ooit (althands in
+poëzie, dat gevoeligste voertuig der ziel) een jonge, bloeiende kunst te
+verwachten?--Ik maakte zelf ook verzen, en met hartstocht. Waarom zou
+die wet voor mij niet opgaan? Ik aanvaardde haar, met de hoop misschien,
+een uitzondering op den regel te zullen blijken. In 't algemeen geloofde
+ik, desnoods ook met wegcijfering van eigen dichter-toekomst, dat de
+groote nieuwe poëzie uit het ontwakende volk-zelf zou moeten ontstaan.
+
+En nòg, na vijftien jaar, vraag ik mij af.... Ten minste, ik zie wel dat
+onze welvarende poëtrije, die in Verwey haar Meester erkent, maar
+weinigen bereikt, omdat zij niet áánspreekt, niet open tot het hart
+spreekt, te zeer ver-_kunst_ is.--En zelfs Adama v. Scheltema, die
+begaafde en oorspronkelijke zanger, van wien ik zelf de inluider ben
+geweest,--zijne verzen zijn eigenlijk nog maar het (zeer verdienstelijk
+en soms waarlijk héél mooi) plaatsvervangend _kunst_-product, voor de
+echte _natuur_-poëzie, waarnaar Holland wacht, om in woorden en rhythmen
+en voorstellingen die heel een volk bezielen kunnen, zichzelf te vinden
+en een eenheid te worden.
+
+Uit het ontwakend volk-zelf verwacht ik dus de nieuwe zangen?--Maar ons
+volk is van aard reeds nuchter en zoolang het ontwaakt bij de
+wiskunstige stralen van het Marxisme, zal het er, vrees ik, niet minder
+nuchter op worden.... Wij moeten geduld hebben, en veel meer dan het
+oude, vage vergezicht schiet er niet over.
+
+De poëzie blijft voorloopig een troost en een verpoozing voor eenzame
+enkelingen--"een gave van weinigen voor weinigen"--en zal pas weer
+opstaan _als een levende factor der samenleving, als een ding met
+cultuurwaarde_, in een verjongde wereld.
+
+Er _kan_ toch altijd een groote dichter opstaan, meent gij?---_Zal_ er
+een groote dichter opstaan, in een wereld, die naar geen dichters
+omziet?
+
+Aan het proza echter, in het bizonder aan den roman, staat dagelijks een
+breede taak te vervullen.
+
+Heijermans heeft u gezegd, dat alleen die kunstenaar van een _roeping_
+mocht spreken, die een welomschreven maatschappelijke overtuiging had
+en, vanuit die overtuiging, overtuigend aan het schrijven ging. Hij zou
+respect hebben voor een katholiek, voor een calvinist, die aldus op de
+verovering der wereld uittrok. Hij voor zich voelde het als zijn
+roeping, zijn plicht, te strijden voor het proletariaat, met zijne
+uitbeeldingen van den klassenstrijd. Maar zulk een calvinist, of zulk
+een katholiek, wàs er niet; en buiten de sociaal-democraten had geen
+enkel Nederlandsch schrijver een roeping, omdat zij geen roeping kònden
+hebben. Dies had hij de heele rommelzoo dier roepinglooze auteurs uit
+zijn boekenkast gegooid.
+
+Ik zou niet durven zeggen, dat ik het onvriendelijk vind, want ìk hèb
+hier niet eens een boekenkast, en jaarlijks gaan er wichtige kistjes
+Hollandsche romans naar het lieve vaderland retour. Voor als wij weer
+eens een eigen huis gaan betrekken en wij hadden het geluk, in dat huis
+een zolder te bezitten, hebben wij het geheime plan, daar groote kasten
+te improviseeren en in die kasten èrg veel Hollandsche bellettrie te
+bergen. Ik mag dus niet zeggen, dat ik Heijermans onvriendelijk heb
+gevonden. Maar wel onverstandig. Want al spreekt het vanzelf, dat een
+klein land als het onze, hoe schrijfgraag ook, niet bij dozijnen de
+groote talenten voortbrengt,--daarmee is toch niet uitgemaakt, dat er
+geen roeping mogelijk is buiten de roeping van hen, die naar een zeker
+stelsel de _maatschappij_ hervormen willen.
+
+Integendeel, zou ik zeggen. Ongetwijfeld zal een rechtvaardiger wereld,
+met minder oeconomische en zedelijke misstanden, de menschheid meer
+gelegenheid geven, wat geluk te bemachtigen. De gunstige of minder
+gunstige omstandigheden _van buiten_ hebben zeker eenigen invloed op het
+innerlijk van den mensch. Maar toch komt het mij voor, dat de
+sociaal-democraten wat al te véél verwachten van die uiterlijke
+omstandigheden en te weinig letten op het arme, verharde innerlijk der
+lijdende menschheid, dat door géén uiterlijke omstandigheden diep-in te
+wijzigen is.
+
+Zoolang de tijden van strijd daar zijn (en hoe min gevorderd de strijd,
+hoe méér) zien begeesterden als Gorter en Roland Holst om zich heen of
+in hun verbeelding, hoe andere begeesterden-voor-het-Ideaal schóón
+worden en rein in zijn gloed.--Doch dit heeft niets te maken met _de
+inwerking van betere toestanden op de massa_. En zoolang de kleinzielige
+menschenkinderen niet geleerd hebben, met ruimte en met begrip
+_elkander_ aan te zien, te beoordeelen, te verdragen,--zoolang is er
+voor de menschheid geen werkelijk geluk weggelegd. Het geldt hier niet
+de ontwikkeling van het intellect, doch de ontwikkeling van het gemoed.
+
+En ziehier de overoude en onverouderbare roeping van den epischen en den
+dramatischen dichter, dat is, voor onzen tijd, van den romanschrijver en
+van den tooneelschrijver.
+
+De roeping van den romanschrijver is, dringender dan ooit, (zijn kunnen
+zij groot of beperkt): de menschheid aan zichzelve te onthullen,
+zichzelve te doen verstaan.
+
+Een beroemd socialistisch auteur, wiens werk men het allerminst aan zou
+zien!--wie het was, doet er niet toe, geen Hollander--bekende mij eens,
+de tegenwoordige menschheid te haten; hij vond haar leelijk en enkel
+afkeerwekkend. En dat is ook niet buiten de sociaal-democratische lijn;
+het is geen quaestie van sentimenteele armenzorg, zeggen zij, maar van
+Recht.
+
+Zeer juist; doch het lijkt mij geen gunstige praedispositie voor het
+verstaan en doen verstaan dezer leelijke menschheid, haar slechts hatend
+te schuwen. Men kan die leelijke menschheid, in al haar klassen en
+soorten, ook liefhebben.
+
+En ziehier mijn overtuiging: dat de menschheid wel vooruit te brengen is
+door het Recht, doch alleen te redden en gelukkig te maken door de
+Liefde.
+
+Van die liefde zal de kunst éen der instrumenten zijn.
+
+In dien jeugd-tijd van Walden en van "De Arbeid" was mijn hoogste
+droom, ééns te worden "de zanger aller menschenzielen" (het zijn de
+laatste woorden van mijn Voorhal),--nu is (ik sta niet meer alleen) ons
+beider beste gedachte, te pogen, de leelijke, de arme dwaze kinderen
+onder de menschen, zoo goed als de lieve en de goedwillige, te
+begrijpen, en te dóen begrijpen, door hen, innerlijk verklaard, te laten
+herleven in onze boeken.--Denk vooral niet, dat wij, 't geen _wij_
+daarin tot nog toe gedaan hebben, overschatten; wij staan nog in het
+begin van onze loopbaan en wij betalen nog leergeld met ieder boek. Maar
+onder al onze fouten voelen wij, ongeschokt, waar wij heen willen.
+
+Men heeft ons verweten, voorkeurloos, en gelijk-op met hun omgeving,
+verzamelingen van menschen uit te beelden, aldus leverend een
+naturalisme op zijn smalst, of wel: een litteraire film.--Het is een
+uitgebreid misverstand, waartoe--dat neem ik graag aan--sommige
+_uiterlijke_ eigenaardigheden aanleiding hebben gegeven. Het is zeker
+waar, dat er in onze boeken soms _te_ veel beschreven werd. Het
+naturalisme had ons er aan gewend, _alles_ te zien, niets onvermeld te
+laten, en zelfs het onbeschrijfbare te beschrijven. Zonder dit te
+bedoelen, kan men zooiets "uit zijn litteraire afkomst houden." Wat een
+aanwensel, een overblijfsel was, heeft men verkeerdelijk voor den _aard_
+van ons werk aangezien.--Er zijn bovendien enkele soorten van
+beschrijving, die altijd goed en noodig zullen blijven; de stemming
+gevende (doch zij zal, hoe langer hoe meer, liever suggereeren dan in
+bizonderheden treden) en de enkel _psychologische_, die juist in
+bizonderheden treedt, van een interieur bijv., om den bewoner ervan te
+doen kennen. Een criticus--het was geloof ik Querido--zei eens van
+zekere beschrijving van ons, dat zij stemmingloos was ... waar het
+volstrekt niet om stemming was te doen! De opgenoemde voorwerpen even te
+"omdompelen in goudgloed" ware niet zoo heel moeilijk, maar wel fout
+geweest; het gold een opsomming van voorwerpen, welke, met een nauw
+merkbaar lachje, de eigenaardigheden der bezitster moest te verstaan
+geven.
+
+Doch dat wij geen felle voorkeur hebben voor onze personen, dat pleit,
+dunkt mij, enkel vóór ons. Als er ééne verdienste is, bijv. in ons "Huis
+vol Menschen," dan is het de geestes-houding der schijvers, die al deze
+menschen uit dat huis met een gelijke genegenheid aanzien. Scherp wordt,
+om iets te noemen, Aristide's egoïsme ontleed, doch de laatste maal dat
+men hem ziet, het is wanneer Célestin hem vindt, in slaap gevallen bij
+een kaars, en ontroert over zijn argelooze jeugd, zooals hij daar
+slapend ligt, en stilletjes weer weggaat. Deze en dergelijke dingen vind
+ik zelf, nu op een afstand van meer dan vijf jaren, het beste in "Een
+Huis vol Menschen."
+
+"Sprotje" kenmerkt dezelfde eigenschap. Sprotje lijdt niet door de
+schuld der anderen. Haar moeder is een beste vrouw, haar zusters hebben
+het wel goed met haar voor, Juffrouw Jonkers en de armetierige "Mevrouw"
+kunnen het al evenmin helpen. Sprotje lijdt--omdat het in de wereld zoo
+is, en omdat zij-zelf zoo is als zij is.
+
+"Sprotje" is eigenlijk een zuiver historisch-materialistisch werkje,
+maar het is zuiverder dan het waarschijnlijk zijn zou, indien een
+historisch-materialistisch schrijver het geschreven had, omdat het
+geheel zonder _tendenz_ is.
+
+Zoo is ook--één criticus, de vaak diep-gaande Van Campen heeft het
+opgemerkt--"De Vreemde Heerschers" een zuiver-socialistische
+roman,--zonder dat het dit zoozeer bedoelde te wezen. Maar wij leven in
+de tegenwoordige wereld, wij buigen ons aandachtig over die wereld heen,
+en wij beelden haar uit zooals wij zien dat zij is. En waar zij bewogen
+wordt door kapitalistische drijfveeren, daar openbaren die zich in ons
+werk.
+
+Evenwel, wij hebben geen vooropgezette voorkeur voor de verschillende
+partijen, voor de _menschen_, en wij bestudeeren gelijkelijk de deugden
+en de ondeugden van de Contessa Margherita, van de verschillende
+priester-typen en van de bevolking der beide bergdorpen.
+
+Mijn critisch werk ontslaat mij van de beantwoording van verscheidene
+uwer vragen. Daarin vindt gij, beter dan ik het hier in een paar woorden
+zeggen kan, mijn antwoord; en zoo het nagaan van meer dan tien
+"Gids"-jaargangen wat veel gevergd is, dan verwijs ik u naar "De
+Krachten der Toekomst." Die nemen bijv. wanneer gij vraagt "hoe mijn
+standpunt ten opzichte van de Nieuwe Gids-strooming zich in den loop der
+jaren gewijzigd heeft," het antwoord over, waar deze brief u bij mijn
+medewerking aan "De Arbeid" in den steek laat. (Zie o.a. het opstel
+"Dichters van drie Geslachten" 1905, en vooral laatstelijk, mijn opstel
+"De Roeping onzer Dichtkunst (Natuur en Kunst in de Poëzie)" in "De
+Gids" van Mei 1913.)
+
+Bij een _algemeene_ kenschets van de Nieuwe Gids-beweging (zooals gij
+mij vraagt--ik kan niet ontkennen, dat het onderwerp mij ietwat
+vermoeit, ik zou liever over andere dingen spreken) bij een _algemeene_
+kenschets, zeg ik, kan men nooit heel _diep_ gaan, omdat dan altijd een
+of meer persoonlijkheden dier beweging, die er zoo wijd-verscheidene
+omsloot, buiten onze beschouwing geraken.
+
+Doch dít is de hoofdzaak, sinds lange jaren door mij en vele anderen
+voor waar gehouden: dat deze beweging, na het _banaal_-algemeene van de
+kunst vóór haar, het zocht in het individueele. De trotsch en de
+hoogheid van dat individueele was het wat ons in onze jeugd, bij de
+schoonste dier individualiteiten, Kloos, Van Deyssel en Gorter,
+betooverde. Toen dat individualisme opsteigerde tot toppen, die boven de
+stijgkracht weken van de taal, is het, juist bij de geniaalsten onder
+hen, in gruizelementen ineengestort.
+
+Als zij zich weer oprichtten, was Kloos verbijsterd, Gorter stamelde
+onnoozel proza; Van Deyssel had een nieuw schrijversleven te beginnen.
+Van Eeden was maar in enkele werken na "De kleine Johannes" met de
+eigenaardigheden der richting meegesleept. Maar alle de anderen, voor
+zoover zij zich herstelden, hebben behouden uit hun jeugd (de prachtige
+Van Looy niet uitgezonderd):--een voorkeur voor het afwijkende en
+ongehoorde, een voorliefde zelfs voor het duistere, en een
+anarchistische willekeur.
+
+Wij jongeren daarentegen (die na ons komen, mogen uitmaken, in welke
+opzichten wij onderdoen voor onze voorgangers) begeeren in zoo zuiver en
+beheerscht mogelijk Hollandsch zoo klaar mogelijk te zeggen wat wij te
+zeggen hebben.[6]
+
+De Nieuwe Gidsers gaven er niet om, of zij al dan niet begrepen werden,
+zij hadden lak aan "het publiek,"--wij zijn tot de menschheid
+weergekeerd, waartoe wij wenschen te behooren, met wie wij wenschen te
+leven om haar te begrijpen en wederkeerig door haar begrepen te worden.
+En worden wij eens niet begrepen, dan vinden wij dat niet zoo tragisch,
+omdat wij gereedelijk aannemen, dat het dan wel aan ons zal liggen ...
+en aan onze "afkomst."
+
+ "Hoe zieker zenuwen, hoe
+beter kunst"--is dus een echte Nieuwe Gids-gedachte. De uitslag heeft de
+onjuistheid ervan aangetoond. Er is uit de overspannen sensitivisten ten
+slotte een onleesbare wankunst voortgekomen.
+
+Dus: "hoe gezonder zenuwen, hoe beter kunst?" Dat zou ik evenmin willen
+zeggen, want wat ik voor juist houd is: "hoe _gevoeliger_ zenuwen, hoe
+beter kunst," en gevoelige zenuwen, al zijn zij gezond (en zeker, dat
+moeten zij, wil er blijvende kunst ontstaan, wel wezen), zullen altijd
+licht-vatbaar blijken....
+
+Overigens weet ik bij ondervinding, dat stoornissen in het zenuwgestel
+een tijdlang bevorderlijk kunnen zijn voor de kunst-productie. Ik had
+vroeger periodiek asthma-aanvallen; ik was gedwongen daarvoor
+verdoovende geneesmiddelen te nemen; het vrijkomen uit die verdooving en
+de beterschap was een verrukkelijke gewaarwording. Het gaf een soort
+martelende en heerlijke eb-en-vloed in mijn leven, die zeer
+"stemmingvol" was....
+
+Toen de kwaal genas, miste ik dien eb-en-vloed terdeeg. Er was iets
+leegs in die egale gezondheid. Nu na jaren het evenwicht zich hersteld
+heeft, verlang ik heusch niet naar mijn eb-en-vloed terug....
+
+----En nu wilt u weten, welke rol documenteele studie en verbeelding in
+ons werk hebben?[7]
+
+De documenteele _studie_ bepaalt zich tot: _leven_. Wij leven, wij
+leiden ons leven en wij ondergaan het leven, gevoelig blijkbaar voor
+indrukken. Bij dat leven denken wij zelden of nooit aan schrijven. Een
+enkele maal teekenen wij wel eens iets op, dat wij curieus vinden en "om
+te vergeten".... Juist die dingen gebruiken wij vaak niet.
+
+Nu gaan wij aan het werk, met als archief: onze herinnering. Maar
+vlak-af copieeren doen wij die nimmer. Op zijn minst wordt de
+werkelijkheid onzer herinnering totaal verfantaseerd en gecomponeerd tot
+een nieuw geheel. Het gebeurt ons niet zelden, dat wij er niet meer in
+slagen, ons de werkelijkheid zelve, die tot een schepping aanleiding
+gaf, nauwkeurig te binnen te brengen.--_Portretten_ komen in ons werk
+weinig voor; komen zij voor, dan betreft het hoogstens de _uiterlijke_
+verschijning eener bijfiguur, die wij opeens vóór ons zien.
+
+Zoo "Een Huis vol Menschen"; zoo "De Vreemde Heerschers." Een jonge
+schilder, van wien uiterlijk Aristide wat heeft, zijn wij eens
+tegengekomen, in de huisgang, met een meisje, dat wij voor een
+grisettetje hielden. Een juffrouw, die pastoorshoeden verkocht, zagen
+wij in haar "magasin," toen wij haar appartement wenschten te huren. En
+een oud, lief dametje, dat blijkbaar in ons huis woonde, vroeg mij
+tweemaal op straat, hoe het met mijn vrouw ging, zij had iets van ziekte
+bij den conciërge gehoord.... Hoe zij heette, wie zij was, of op welke
+étage zij woonde, weten wij niet, en Jozette zal zij wel nooit hebben
+gekend. Van Célestin is alleen de karbonkel op zijn muts authentiek.
+
+Van die menschen, over wie wij verder ook niet meer dachten of spraken
+vóór wij het plan opvatten van dat boek, wisten wij dus al heel weinig
+af; één indruk hunner persoonlijkheid; verder zijn zij geheel creaties.
+En bij dat creëeren, uit allerlei onvermoede verten van uw leven, komen
+dan verwonderlijk en vanzelf de tallooze trekken op u af, die gij noodig
+hebt.
+
+Maar "Sprotje" is _louter_ verbeelding. De figuren leven zóó innig,
+nietwaar, dat ik u eerlijk moet zeggen, mij niet meer te kunnen
+voorstellen, dat zij niet werkelijk bestaan.
+
+En toch heeft de schrijfster ze geen van alle gekend. Voor de
+voornaamste figuren, Sprotje zelf, de moeder, de zusters, Hein, Juffrouw
+Jonkers, zou zij zelfs niet zekere prototypen, tenzij het _algemeene_
+menschentype, kunnen aanwijzen. Slechts voor enkele bijfiguren stonden
+haar een paar gekende menschen soms een oogenblik voor den geest.
+
+En aan die waarachtige algemeen-menschelijkheid, aan dat geschapen-zijn
+uit de diepte der menschheid zelve, dankt "Sprotje" ongetwijfeld de door
+ieder erkende zeldzame qualiteiten, waarover de echtgenoot der
+schrijfster dus zeker niet zedig hoeft te doen.
+
+Uw vraag ten slotte: wat ik denk van de kunst in een eventueel
+socialistische toekomst "waarin economische en daarvan min of meer
+afhankelijke zedelijke conflicten werden vermeden,"--die heb ik
+eigenlijk al beantwoord. Er zal kunst zijn, zoolang er menschen zijn; en
+werden die menschen engelen,--dan denk ik aan hetgeen die lieve
+Franciscaner zei, die met mij voor een schilderij van Raphaël stond: "En
+hòe zal hij niet schilderen, nu dat hij in den Hemel is!"
+
+Ik hoop, waarde heer d'Oliveira, u naar wensen te hebben ingelicht,
+zonder al te langdradig te worden. Geloof mij, met onderscheiding, uw
+dienstvaardige
+
+CAREL SCHARTEN.
+
+
+BIBLIOGRAPHIE:
+
+Bijdragen in "Amsterdammer", "Arbeid", "Kroniek," "Spectator" en "De
+Gids". In dit laatste tijdschrift, sedert 1903, aanvankelijk in
+samenwerking met M. Scharten-Antink, het "Overzicht der Nederlandsche
+Letteren"--Voorhal (Verzen) (1901)--Guido Gezelle (1902)--De Krachten
+der Toekomst (1909)--Het Spelling-vraagstuk (1911)--Het wezen en de
+zending der letterkundigkritiek. (1913).
+
+In samenwerking met M. Scharten-Antink: Een Huis vol Menschen, verhaal
+uit het Parijsche leven (1908)--De Vreemde Heerschers, verhaal van de
+Italiaansche meren (1911)--Julie Simon, de levensroman van R.C.
+Bakhuizen v.d. Brink (1914).
+
+Vertalingen:
+
+Jules Renard, Natuurlijke Historietjes (1909) In samenwerking met M.
+Scharten-Antink: Honoré de Balzac: Het gevloekte kind (1906)
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[6] Even opmerkenswaardig als verklaarbaar is, dat degenen onder de
+jongeren, die het meest over hebben van de anarchistische exuberantie
+der Nieuwegidsers, de Joodsche schrijvers zijn, die, van den anderen
+kant, aan de "Nieuwe Gids" en diens zich-opsluiten-in-zich-zelf geheel
+zijn ontgroeid, menschenscheppers als zij bij uitstek werden: Querido,
+en Heijermans in zijn Diamantstad.
+
+[7] Ons laatste, _historische_, werk "Julie Simon", blijft natuurlijk
+buiten de volgende mededeelingen.
+
+
+
+
+ADAMA VAN SCHELTEMA
+
+[Illustratie: Foto Koene & Büttinghausen ADAMA VAN SCHELTEMA
+(Amsterdamsche periode)]
+
+[Illustratie: ADAMA VAN SCHELTEMA]
+
+
+(* 1877)
+
+Wie de leidende personen van ons nationaal geestelijk leven opzoekt,
+leert daardoor tevens ons land in zijn meest karakteristieke plekken
+kennen. Hij raakt zoo vertrouwd ook met de omgeving van denkers en
+kunstenaars, dat hij verband en overeenstemming gaat bespeuren tusschen
+man en woonplaats; niet alsof het milieu den man en zijn denkwijze
+gemaakt had', maar aldus, dat de man na lang zwerven een zoo passende
+woonplaats heeft gevonden, dat hij er uit schijnt te groeien.
+
+Ditmaal voerde mijn weg, van het doodsche asfalt, door stekelig
+electriek beschenen, onzer eerste koopstad, langs bosch- en duinrand
+naar de jonge kunstenaarskolonie Bergen.
+
+In deze streek, zoo bevallig door Hildebrand geteekend, hebben de
+dorpers blijkbaar nog niet begrepen dat die stadsmenschen tòch wel
+komen, en, misschien ook wel in verband met het sòort stadsmenschen dat
+er komt, hebben ze, heel anders dan de Zandvoorters bijv., een bijna
+kinderlijke beleefdheid, een natuurlijke welgemanierdheid bewaard, welke
+herinnert aan de landlieden, door de dichters uit de Engelsche
+meeren-school bezongen. Ze detoneeren niet in de mooie natuur. Men kan
+zich ongestoord aan zijn stemming overgeven, en aan die eigenaardige
+stilte, die door de nabijheid van de wijde zee veroorzaakt wordt--ook al
+ontmoet men nu en dan een afgezwoegden, schonkigen dorpeling.
+
+--Hier, op de grens tusschen ons vette akker- en weiland en onze
+hoogste duinen, waar men, ver van Amsterdam, toch iets van Amsterdam's
+beste essence meent te proeven, heeft Adama van Scheltema zich onlangs
+neergezet in zijn huisje genaamd "De Windroos".
+
+En als men in het portiek staat, naast de bakken met vroolijk-decoratieve
+geraniums, leest men, voordat men de deur _verder_ openduwt, het opschrift:
+
+ Ik zie naar ieder wind
+ Op elke verre kust
+ Doch in mij zelve vindt
+ Gij aller streken rust.
+
+een fiere uitspraak, die den dichter welke haar vormde op
+karakteristieke wijze eert.
+
+Het lage huisje, onder zijn hooge roode dak, ligt verscholen achter een
+boschje jong eikenhout, waarin men een toegangslaan heeft uitgehakt,
+iets ter zijde van den hoofdweg. Er achter een weiland, dat tegen de
+duinhelling verloopt, met veel bloemen, de eigenaardige flora van die
+streken: naast de schimmig-armoedige witte klaver, de welgedane roode
+klaver; naast de stijlige purpur-bloeiende bastaard-wederik, de thijm;
+naast witte koekoeksbloem, de gele honing-klavers met hun doordringenden
+geur van versch gesneden gras. Waar de duinen beginnen, staat de forsche
+boer met donkeren ringbaard, die mij zooeven vriendelijk groetend den
+weg wees, in de stralen van de dalende zon bedaard zijn hooi te keeren.
+En om hem heen dartelt een wit paard, lezer, een paard dat zich
+heelemaal vrij voelt en, naar ik verneem, bijna nooit werkt. Zijn lange
+witte manen en zijn lange witte staart wapperen hem na, terwijl het in
+wijde sprongen over de vlakte giert en zijn lenige flanken schudt om
+toch maar vooral zijn vroolijkheid te uiten. We zien dit alles, geleund
+aan een van de hooggeplaatste vensterkens van Scheltema's "werkhok", en
+zijn toen overeengekomen, dit beest een "gepensioneerd paard" te noemen.
+
+Dit is niet maar een losse aardigheid van me, o lezer: Ik beweer dat ge
+het volgende maar half begrijpt, als ge u niet telkens dit
+gepensioneerde witte paard poogt voor oogen te stellen, zooals het dien
+avond zorgeloos wentelde en sprong door de zomersche scheemring. Is niet
+in de woorden van dezen dichter, ook als hij de ellende van het
+menschenleven meet, een zorgelooze blijmoedigheid als van dit vrije
+paard, dat ver van de menschen woont?
+
+Adama van Scheltema is een breedgeschouderde, nogal gezette en blozende
+kerel met een wilden Sudermann-baard. Hij is zeer donker van haar en
+oogopslag. Hij beweegt zich langzaam en toch vrij. Zijn vrouw is heel
+rank en heel blond en zweeft meer dan ze loopt.
+
+Men leest in zijn blik dat hij veel van de waereld heeft gezien en toch
+ook groote bescheidenheid, om niet te zeggen bedeesdheid. Hij spreekt
+nogal moeilijk en houdt u toch gespannen. Zijn woorden komen traag;
+daarentegen houdt hij, ondanks afdwalingen, aarzelingen en een zekere
+verstrooidheid, steeds den draad van zijn verhaal vast, zoodat ons
+gesprek rustig verloopt. Hij werkt ook zoo langzaam, vertelde hij mij.
+Men voelt terstond hoe iedere gedachte bij hem een panorama van andere
+gedachten wekt. Daardoor wordt hij natuurlijk wel eens afgeleid, vergeet
+dat hij niet alleen is, kijkt een oogenblik het verschiet in dat zich
+voor hem opdoet. Dit schijnt hem dan rust te geven en zichtbaar gesterkt
+hervat hij het gesprek.
+
+Hetgeen ik hieronder weergeef bespraken we voor een deel in een erker
+van zijn woonvertrek, terwijl voor onze oogen het witte paard zijn
+sprongen maakte; boven hem in een wat te deftige lijst hing het
+ondeugend tronie van Jopie Bremer, ons aller vriend, (geschilderd door
+Marinus Broekman),--en dat kwam goed uit, want hij vertelde in
+echt-Amsterdamsche woorden van zijn Amsterdamschen tijd.[8] Later droeg
+zijn vrouw fluks alle lampen van het huis bijeen, en schikte ze in
+verschillende hoekjes, waar ze gezellige schijnsels gingen gieten, maar
+de kamer met zijn Italiaansche pleisterbeeldjes en gravures lieten in
+halfduister, waarin de gebeitste betimmeringen, de witte muren met de
+nog geurende rieten lambrizeering een geheimzinnig effect deden: en toen
+kwam het meer diepzinnig gedeelte van ons onderhoud.
+
+Ik had hem vooraf geschreven wat ik ongeveer wilde weten, en dus kon hij
+aanvankelijk zonder onderbreking voortpraten:
+
+Als gymnasiast van zeventien, achttien jaar maakte ik kennis met "De
+Nieuwe Gids". We leefden in een kleine club op het gymnasium als
+enthousiaste kleine literatoren, en we hadden een blad, waar ik ook in
+schreef, ons orgaan, dat eigenlijk een klein nieuwegidsje was. Maar van
+begin af heb ik altijd bij mijn enthousiasme voor die richting een
+vreeselijke leegte gevoeld, ik heb er iets in gemist, iets dat je in het
+leven zoekt als steun. De heele beweging berustte op een paar negaties.
+Een opstandigheid tegen het vroegere geslacht, die we in ons eigen leven
+ook sterk gevoelden, maar die je verder niets gaf dan een schralen
+troost boven het gymnasiale leven uit, dat ik altijd ellendig ben
+blijven vinden en tot op den huldigen dag heb vervloekt, zooals die
+verschrikkelijke kerels, die zuivere philologen uit de school van Cobet
+ons hebben geplaagd.
+
+Toen ik student werd kwam ik ook weer in een klein wereldje--je blijft
+altijd in een klein wereldje opgesloten in je jeugdjaren, maar dan
+groeit je begeerte uit naar de openbaring van wat je in je hebt als
+jonge kunstziel.
+
+En toen kwam de tooneeltijd.
+
+We hadden als studenten een tooneelvereeniging, die bloeide toen nogal.
+Elk jaar gaven we een groote uitvoering en daar besteedden we heel veel
+tijd aan. Ik had veel aanleg voor het tooneel en ik speelde daar nogal
+groote rollen. Zoodat ik hoe langer hoe meer van tooneel ben gaan houden
+en tegelijkertijd bleef schrijven ... als klein kind heb ik eigenlijk al
+geschreven.
+
+Mijn eerste jaar was een rauw studentenjaar, maar daarna kwam een beetje
+de bezinning. Toen moest ik duchtig werken om al die verloren
+studie-uren weer in te halen. Na mijn eerste examen, daar kwam ik
+goddank door, het propaedeutisch in de medicijnen, begreep ik dat ik
+eigenlijk moest kiezen. Ik merkte wel dat als ik in de medicijnen bleef
+studeeren er van letterkundig werk niets zou komen ... ik heb nooit
+kunnen begrijpen hoe Aletrino en Van Eeden dat hebben kunnen vereenigen
+... ze dokteren ook trouwens niet meer. Ik vind: je moet überhaupt aan
+één ding alles geven. Menschen die als bijgedoente schrijven, dat vind
+ik uit den booze.
+
+Ik stond voor de keus en toen deed ik den grooten stap van aan het
+tooneel te gaan. Achteraf is het heel aardig daar eens over te praten,
+maar toen is het een verbazend besluit geweest. Daarna is die kwestie
+ook al weer veel veranderd. Je hebt nu een heeleboel jongelui, en vooral
+ook vrouwen, uit de betere standen, die aan het tooneel gaan, maar ik
+was betrekkelijk een van de eersten, die overliep uit het kamp der
+"fatsoenlijke wereld" naar het tooneel. Ik ben een tijdje geweest aan
+den troep van Van der Horst en Ternooij Apèl, en toen heb ik nog hier
+dicht bij, in Alkmaar, op de kermis, gedebuteerd. Ik ben er nog geen
+half jaar aan geweest, maar in dien tijd maak je een heeleboel door. In
+dien tijd stierf mijn vader, wat in mijn leven nogal verandering bracht.
+Toen heb ik van de heeleboel de brui gegeven en tegen me zelf gezegd: Nu
+moet je maken, dat je gauw een goede plaats in het burgerlijk leven
+krijgt, want anders loopt het mis. Mijn zenuwen konden er niet tegen,
+het is moordend. Je moet een stalen zenuwgestel hebben, den eenen avond
+in Groningen spelen en den anderen avond in Middelburg ... dat heeft ten
+slotte met de kunst al heel weinig te maken.
+
+Toen ben ik dan een poos in den kunsthandel geweest van Van Gogh. In
+dien tijd viel mijn groote ommekeer. Parallel met al die uiterlijke
+wisselingen in mijn leven viel mijn langzaam neigen naar het socialisme.
+En wat later mijn groote vijanden werden, dat waren toen juist degenen
+die mij ertoe gebracht hebben. Dat wil zeggen: Wat zij schreven had een
+grooten invloed op mij. Dat was in het eerste begin van "de partij"--dat
+was een heel gunstige tijd om er bij te komen, omdat alles toen nog
+idealistisch ging. Ook een persoonlijk vriend van me, Bonger, heeft mij
+er toe gebracht en dan--de figuur van Van der Goes. Er bestond toen een
+studentenvereeniging, S.L., die sociale lezingen hield--tegenwoordig is
+die in een beetje anderen vorm herrezen. Het was indertijd een zuiver
+socialistische vereeniging en die oefende toen een grooten invloed uit.
+Het was in den tijd van Gorter's bekeering, toen hij die bekende
+voorrede voor zijn nieuwe verzen had geschreven. Ik ging langzamerhand
+die dingen lezen en zoo kwam ik tot het socialisme, gedeeltelijk ook wel
+van den gevoelskant en gedeeltelijk door de tijdsomstandigheden ... de
+"Nieuwe Gids" begon ook te zakken en spatte uit elkaar ... de
+afscheiding van het Tweemaandelijksch tijdschrift was toen ook al
+gekomen. Ik was de leegte gaan voelen van wat mijn vroeger leven had
+ge-enthousiasmeerd. Ik wist ook wel dat het mij in mijn leven nooit
+hoûvast had gegeven. En dat heb ik altijd heel sterk gehad: de behoefte
+aan hoûvast. Ik vind het leven onmogelijk, wanneer je niet een
+overtuiging hebt, die je het leven naar een zeker bestel laat zien. Dat
+is voor mij, eerlijk gezegd, de grondfactor van het socialisme: het
+hebben van een levensbeschouwing. De menschen die komen tot het
+socialisme uit medelijden met de arbeiders, dat is voor mij niet het
+ware! Je kunt net zoo goed medelijden hebben met koningen als met
+arbeiders.... Neen, je moet er komen van den wetenschappelijken kant, of
+zeg van den theoretischen kant, wat neerkomt op een behoefte aan een
+wereldbeschouwing, die je bevredigt met het leven, die je het leven naar
+vaste lijnen leert zien. Dat is hoe langer hoe meer het socialisme voor
+mij geworden. Daardoor kunnen de persoonlijke dingen en wrijvingen je
+minder raken....
+
+--Dit, de lezer begrijpe het wel, was een vriendelijke uitval naar mij:
+Ik had te voren verteld van mijn ervaringen en teleurstellingen in het
+socialistisch kamp. Maar ik zou dien avond toch niet gaan slapen, zonder
+een groote voldoening te hebben gesmaakt. Die komt nog.
+
+Adama van Scheltema ging verder: Dat was net op het moment dat ik, in
+die kunstzaak, na de tooneelwereld, een tipje van het handelsleven zag.
+Dat was, evenals mijn tooneelleven, een geschiedenis van enkele maanden,
+maar toch voldoende om de wereld niet op zijn gunstigst te zien.... Ik
+had genoeg om te leven desnoods, op een heel bescheiden manier. Toen
+dacht ik: Nu is het oogenblik gekomen, dat je alles er aan moet geven en
+alleen voor je kunst leven. Die kunsthandel was toen een ding, waar heel
+weinig omging. Ik zat altijd maar te schrijven in de leege kunstzalen,
+waar nooit iemand kwam. Daar vóor had ik altijd proza geschreven. Maar
+toen mijn leven, dat zoo vol van zenuwen was geweest en vol van
+veranderingen en zoeken wat tot rust kwam--ik was uitgeput en ging naar
+buiten om wat op streek te komen,--toen is met diezelfde inkeer en
+verzachting van het leven, dat mij nogal geknauwd had, in mij het
+poëtische leven naar boven gekomen, waar ik me heelemaal aan kon geven.
+Toen had ik gevonden wat in mij eerst op andere wijze een uiting had
+gezocht.
+
+En nu is het wel mijn geluk geweest, dat die verschillende
+tijdsomstandigheden samen kwamen en ik juist toen langs natuurlijken weg
+tot de sociaal-democratie ben gekomen. De eerste uitgave waartoe ik kwam
+was "Een weg van verzen", waarvoor moeilijk een natuurlijker titel zou
+te vinden zijn, want langs die dingen ben ik eigenlijk tot "de partij"
+gekomen. Ik kreeg geweldig op mijn kop, zooals dat gebeurt na een eerste
+uitgave. Maar ik voelde in mijn ziel, dat ik het eigenlijke gevonden
+had, waar het heele leven mij toe gedreven had. Mijn leven daar vóor was
+erg rumoerig geweest: een voortdurend zoeken en keeren, vol
+kinderverdriet en jongensverdriet. Van dien tijd af is mijn
+schrijversleven begonnen. Ik gaf mij heelemaal aan de poëzie en raakte
+uit de gewone wereld.
+
+Ik zat lang buiten in de natuur en zocht de overeenstemming tusschen de
+natuur--of mijn natuur, wat eigenlijk op hetzelfde neerkomt--en mijn
+nieuwe wereldbeschouwing. Die overeenstemming is in dien eersten bundel
+dikwijls wel erg gezocht, wat ik bijv., ook bij Roland Holst heb
+gevoeld, en dat werd een moeilijk ding. Er is een tweespalt die zij haar
+heele leven is blijven voelen, en waar ik, geloof ik, misschien omdat ik
+tot een jonger geslacht behoor of misschien wel omdat ik niet zoo
+dweepend ben aangelegd als zij, overheen ben gegroeid. Die tweespalt is
+het verdriet van haar leven geworden.... Misschien ben ik niet heelemaal
+duidelijk geweest en het is goed dat ik dit duidelijk zeg: ik bedoel de
+tweespalt tusschen de socialistische levensbeschouwing en de poëzie....
+De wereld is après tout in zijn geheel iets grooter dan de
+sociaal-democratie. Maar voor haar en Gorter is de sociaal-democratie de
+roode lap gebleven in hun ziel, waar ze altijd min of meer dol van zijn
+geworden, en dát, moet ik zeggen, is ze voor mij nooit geweest.
+
+Je moet de sociaal-democratie een beetje kunnen zien als een strooming
+van dezen tijd, niet als een verzameling van ijzeren dogma's, die voor
+de eeuwigheid zijn en waarin je je zelf opsluit. Je moet toch een
+verband houden met de oneindigheid!--al is dat een groot woord. Dat is
+hun ramp geweest en heeft hen op den verkeerden weg gedreven. Ze willen
+hun kunst opsluiten in die verzameling van dogma's--dien band van
+dogma's willen ze om hun kunst slaan. Dat heeft mij van hen verwijderd.
+Dat deed mij voelen dat ze een verkeerde richting insloegen, waar ik
+persoonlijk hoe langer hoe scherper en hartstochtelijker tegenover ben
+komen te staan. Dit werd althans voor mij persoonlijk het dilemma. Ik
+kreeg de behoefte, mijn levensbeschouwing in overeenstemming te brengen
+met mijn kunst, een vast geheel daarvan op te bouwen, waarop ik mijn
+kunst kon vestigen. Ik geloof dat het mij ten goede is gekomen dat ik
+van dien kant het socialisme ben genaderd, omdat het de meer natuurlijke
+kant is. Ik wilde de tendenzen die uit mijn eigen ziel groeiden in
+overeenstemming zien met de wereld om mij heen. Wanneer ik den weg van
+Roland Holst volgde, voelde ik, zou ik niet tot bevrediging komen. Uit
+die overwegingen is toen gegroeid mijn boek "De Grondslagen", waarin ik
+die overtuiging heb trachten neer te leggen.
+
+Vooral op het philosophische gedeelte daarvan zijn wel gegronde
+opmerkingen te maken, die ik niet zoo gemakkelijk zou kunnen
+beantwoorden, wanneer ik met een degelijk vak-philosoof, als ik het zoo
+mag noemen, in conflict kwam. De wereld is zoo groot ... en je zou vele
+jaren van je leven moeten geven om van den zuiver wetenschappelijken
+kant je zoo te vervolmaken, dat je in de wereld van de vak-philosophen
+als overwinnaar kwam te staan ... maar dat was voor mij niet de
+hoofdzaak ... de hoofdzaak was voor mij om voor mijzelf bevrediging te
+zoeken....
+
+Hij was al zachter en afgetrokkener gaan spreken, ten slotte alleen voor
+zichzelf, meer en meer verzonken in het geestelijk uitzicht dat zich
+voor hem opende. Het eindigde in een verward mompelen. Slechts enkele
+woorden, zonder samenhang, drongen tot mij door. Zijn bovenste
+vingergewrichten tegen zijn tanden, als wilde hij die knauwen, staarde
+hij over het ruime weiland, waar het witte paard zich rolde door het
+zoetgeurende, versch gemaaide gras, de hoeven trappelend in de lucht....
+Eindelijk draaide hij zijn wilde knevels op en ging, mij weer aanziend,
+verder:
+
+En dat werd voor mij een levens-program. Ik voelde dat dit in Holland
+en in het algemeen aan de sociaal-democratie ontbrak, dat ze zich alleen
+met het economische en politieke leven had bemoeid, en aan de kunst nog
+niet toe was geweest.... Dat van Morris was een beetje idealisterij en
+hield heel weinig verband met de grondslagen van de sociaal-democratie.
+Hij was heelemaal een kind van de prae-Rafaelitische, utopistische
+beweging.
+
+De grondslag die ik toen voor mijn kunst heb gewonnen heb ik in mijn
+boek voor mijzelf, maar ook voor anderen, geloof ik, duidelijk
+uiteengezet. En toen ik met mezelf in het reine was, ben ik van mijn
+vroegere geestverwanten verder afgedreven. Die heele "Nieuwe Gids" was
+mij vreeselijk widrig geworden, omdat ik er heel sterk het anarchisme in
+voelde en het naturalisme, en dat is voor mij een onding!
+
+Sensitivisme, naturalisme enz. zijn kinderen van één systeem, dat zich
+in Holland naar binnen keerde en naturalisme van de eigen ziel werd, de
+momentopname van het eigen ziel-gebeuren, zooals Gorter in zijn "Verzen"
+heeft gegeven, dat je met een grooten zwaai terug kunt brengen tot het
+naturalisme van Zola, het "document humain". Dat voel ik om zoo te
+zeggen als anti-kunst, omdat er zoo weinig opbouwends zit in de
+wetenschappelijke ontleding als kunstbeginsel--dat onechte kind van de
+rationalistische wetenschap. Ik ontken heelemaal niet dat er groote
+dingen in geschapen zijn, en ik heb vurig gehouden van "L'éducation
+sentimentale", dat ik als standaardwerk van naturalisme kan aanhalen.
+Maar ik vind het eigenlijk, evenals "Madame Bovary", het meest
+onartistieke dat je kunt hebben. Ik voel heel scherp dat de toekomstige
+samenleving dien kant niet uit kan gaan en zich daarvan los moet maken.
+Het heele naturalisme berust op het op zich laten inwerken van het
+leven, maar niet omgekeerd: het inwerken op het leven door den
+kunstenaar zelf. Het heeft nooit synthetisch kunnen wezen, het
+naturalisme en alles wat er een kind van is. En de sociaal-democratie
+wil worden de synthese van het leven en de nieuwe gemeenschap. _De kunst
+die daaruit moet geboren worden kan nooit een kunst zijn, die ontledend
+is, maar moet een kunst zijn die opbouwend is, een nieuwen stijl schept
+... "een gestyleerd brok van het universum"_, zooals ik in mijn
+"Grondslagen" heb gezegd.
+
+En nu werd in engeren zin in mijn lyriek het gedicht datgene, waar
+zoowel bedoeling als techniek een groote rol in speelt, in dien zin dat
+beide erop gericht zijn, om naar andere menschen te gaan. Daar heeft
+over het algemeen de naturalistische en sensitivistische kunst nooit aan
+gedacht.... U begrijpt wel, de theorie volgt in zeker opzicht den aanleg
+en de practijk. Ik theoretiseer dat nu zoo, maar après tout was in mij
+een sterke, natuurlijke aanleg in die richting om te bereiken wat ik
+theoretisch omschrijf als bereikt te moeten worden. En ik heb in zeker
+zin in mijn lyriek practisch bewezen, dat ik dit bereikt heb. Het is mij
+altijd bewust geweest dat ik wilde bereiken het verband tusschen mensen
+en mensch, waar de tachtigers van afgedreven zijn. Als element dat mij
+daartoe gebracht heeft neem ik aan een sterk sociaal voelen voor mijn
+medemenschen. Ik geloof ook dat het taal-element daar een groote rol bij
+gespeeld heeft: het door en door Hollandsche van mijn taalgevoel.
+
+--Hier moest ik den verteller even onderbreken. De lezer moet weten dat
+ik pas een bezoek had gebracht aan een paar socialistische dichters in
+het Gooi en daar te hooren had gekregen dat ik, niet op hun standpunt
+staande, hun meeningen toch niet zou begrijpen, zelfs niet objectief zou
+kunnen wêergeven. Het had mij den heelen avond al verheugd, dézen
+socialist opinies te hooren uiten, die ik volkomen kon onderschrijven,
+en anderzijds bij hem steun te vinden voor mijn eigen opvattingen
+--waarvan ik in alle bescheidenheid meen, dat ze het socialisme achter
+den rug hebben. Maar nu werd het mij ... ja, mag ik het zeggen ... een
+beetje al te bont. Deze socialistische dichter deelt mij mede dat zijn
+werk er op is ingericht om te spreken van mensch tot mensch en de woorden
+"klassenstrijd", "klassenkunst", "bourgeoisie" ... zou hij ze misschien
+inderhaast vergeten? Het is te mooi om het te gelooven.
+
+Ik zet mijn onschuldigste gezicht en vraag of ik het goed heb begrepen,
+of hij niet sterk het gevoel heeft, dat de lieden uit de bezittende
+klasse toch niets van zijn kunst zullen snappen? of hij nu werkelijk
+meent voor het geheele Nederlandsche publiek te schrijven, of alleen
+voor het proletariaat?
+
+--"_Zooveel mogelijk voor het geheele Nederlandsche volk_" antwoordt hij
+mij. Dit woordje "volk", lezer, is een welverdiende terechtwijzing aan
+mijn adres. Ik had van "publiek" gesproken. Hierdoor geraakte ik in de
+aandachtige stemming, die noodig is om het volgende geheel tot zijn
+recht te doen komen:
+
+--In preciese tegenstelling tot Kloos' formuleering van de tachtigers:
+"een gedicht is de individueelste expressie van de individueelste
+gevoelens"--formuleerde ik in mijn "Grondslagen": "een gedicht moet zijn
+een muziekstuk van woorden en gedachten, dat door zooveel mogelijk onzer
+medemenschen kan worden gevoeld en begrepen." Hetgeen niet wegneemt, dat
+men natuurlijk zijn poëzie ten slotte van uit een bepaalde
+levensbeschouwing, in dit geval de sociaal-democratische,
+componeert.--Zoo zal ik wel eens den eenen mensch niet geheel bereiken,
+ook wel eens den anderen--ook wel eens de eene klasse, ook wel eens de
+andere klasse--we leven nu eenmaal "op de kentering der tijden"--maar
+inplaats van daarover eeuwig persoonlijk te lamenteeren als mevr. Holst
+_acht ik dat_--_althans meestal_--_iets moois en gelukkigs_....
+
+Het klinkt wel ijdel, maar ik mag toch zeggen, dat ik weer het publiek
+om zoo te zeggen bereikt heb,--met mijn lyriek althans. De zwaardere
+dingen, dat moet ik toegeven, worden niet zooveel gelezen. Dat heeft mij
+gespeten--dat datgene, wat langzamerhand is geworden de diepere grond,
+waarin ik mijn levensinzicht wilde uiten, "Levende steden" o.a., niet
+zoozeer het publiek bereikt heeft. Het hoofdwerk "Amsterdam", dat ik
+zelf als mijn beste werk beschouw, is betrekkelijk weinig bekend
+geworden....
+
+In "Amsterdam" heb ik gezocht naar de oplossing van ethische
+vragen,--want een van mijn eerste pogingen, voor mij van groot belang,
+is geweest in de sociaal-democratie te vinden den ethischen kant. U
+spreekt van zwakke punten en van persoonlijke aanraking, die
+teleurstelling geeft, maar voor mij is het allerbelangrijkste vraagstuk,
+dat ik nooit heb kunnen oplossen, dat de sociaal-democratie geen ethiek
+heeft, absoluut geen ethische grondslagen heeft. Zij geeft geen antwoord
+op die honderd vragen, die in den mensch opkomen, vragen van leven en
+moraal, de eeuwige vraag van goed en slecht, die zich in duizenderlei
+nuance door het leven voordoet. Wat de toekomst hierin zal brengen, hoe
+die nieuwe moraal groeien moet, dat vind ik voor den literairen
+kunstenaar een van de belangrijkste vraagstukken die het socialisme
+brengt. Aan de oplossing van dit vraagstuk zal m.i. het drama moeten
+arbeiden, en dat moet voor den socialistischen kunstenaar de gang zijn
+die hij het liefst gaat: hij moet trachten het nieuwe drama als zoodanig
+te bereiken. In de "Grondslagen" heb ik op het laatst de naïve fout
+begaan, te zeggen dat ik daarheen wôu. Je moet eigenlijk nooit een
+program opstellen voor de buitenwereld. In ieder geval: de elementen van
+dit drama heb ik zooveel mogelijk trachten te ontwikkelen in mijn
+"Grondslagen", niet waar? En dan kom ik tot de gevaarlijke bewering, dat
+het drama tendenz moet hebben. Dat staat voor mij als een paal boven
+water. De duizenderlei dilemma's die de moraal in dezen tijd brengt,
+moet het drama trachten op te lossen, het moet trachten zich daarvan te
+bouwen.... Ja ja, dat zijn wel gekke dingen, die we op het oogenblik
+bespreken--omdat je allicht het veel-omvattende zegt ... maar ... het
+zijn toch de dingen ... waar altijd mijn intense belangstelling ... bij
+is geweest.... De sociaal-democraten komen met vage algemeenheden, als
+"gemeenschapsgevoel" en "solidariteitsgevoel" ... en daar zijn zeker
+mooie elementen in, maar dat geeft volstrekt geen antwoord op het
+wereldvraagstuk van het practisch-moreele leven--en dat geeft bijv. het
+katholicisme wel. Daarom staat dat zoo sterk....
+
+Daarop moet althans het nieuwe drama gebouwd worden.... Het antwoord dat
+de meeste menschen op die honderd kleine practisch-moreele vragen geven,
+is dat van de traditioneele moraal, maar daarmede hebben wij niet het
+antwoord. Dat zal de toekomst brengen.... Ja, dat is zoo, men zal mij
+misschien kwalijk nemen, dat ik deze leemte in de sociaal-democratie zoo
+uitdrukkelijk constateer, maar ik heb dat immers geschreven ook in mijn
+"Grondslagen" ... neemt u het maar gerust op--ik sta er voor.... Ja
+zeker, u hebt gelijk, de menschen die beweren dat het socialisme thans
+wel een moraal heeft of dat _men_ in het algemeen een moraal heeft--die
+weten werkelijk en wezenlijk niet wat behoefte aan moraal en wat het
+moraalprobleem in het algemeen beteekent.
+
+Nu vraagt u, wat het socialisme voor mij als kunstenaar dan nog voor
+aanlokkelijks heeft. Ik begrijp wel dat gij van uw kant dat moet vragen.
+Maar op het oogenblik is het socialisme toch het eenige houdbare
+levens-systeem en ik vind: men moet het kind niet met het badwater
+wegwerpen.
+
+Ik heb in het leven het geluk gehad, nadat ik enkele omwegen bewandeld
+had, dat ik gevoeld heb, welke zijwegen ik niet moest inslaan. Daarna
+ben ik bevredigd geworden door het leven en mijn eigen levenstaak. Die
+taak voel ik nog heel sterk als zijnde aan het begin. Ik voel dat het
+nog maar het opbouwen van de basis is. Ik hoop dat dit in de toekomst
+een basis zal blijken.
+
+ * * * * *
+
+Heer van De Windroos, in u heb ik werkelijk, gedurende onze lange
+wandelingen langs bosch en duin, "aller streken rust" aangetroffen.
+Hoewel met "de massa" haar ideaal deelend, hebt ge tegenover het volk de
+houding weten te bewaren, die, naar ik meen te weten, den dichter
+betaamt: Voor geen enkel wind sluit ge uw huis en blijft toch als
+gesloten, wetgevende persoonlijkheid tegenover "al het Andere"
+staan,--iets wat niet al uw geestverwanten u nadoen....
+
+Mijn vraag is nu deze: Zoudt ge nog naar ieder wind en elke verre kust
+kunnen schouwen, en zou ook aller streken rust in u bezonken blijven,
+indien ge onder de bet-wetende, verbitterde en behoeftige menschen
+dagelijks moest strijden en werken?
+
+
+BIBLIOGRAPHIE:
+
+Een weg van Verzen (1900) [Uitverkocht]--Uit den Dool (1901)
+[Uitverkocht]--Eerste Oogst (1912) [Bloemlezing uit "Een Weg van Verzen"
+en "Uit den Dool"]--Van Zon en Zomer (1902)--Zwerversverzen
+(1904)--Eenzame liedjes (1906)--Uit stilte en Strijd (1909).
+
+_Levende steden_:
+
+I. Londen. Een dramatisch gedicht (1903)--II. Dusseldorp of de
+Ontmoetingen van Petrus Cordatus. Een satirisch-dramatisch gedicht
+(1903)--III. Amsterdam. Een wijsgeerig leerdicht (1904).
+
+De Grondslagen eener nieuwe Poëzie. Proeve van een maatschappelijke
+kunstleer tegenover het naturalisme en anarchisme, de tachtigers en hun
+decadenten (1908) [Uitverkocht.]--Gelukwensch bij Troelstra's
+vijftigsten Geboortedag. Een politiek gedicht. (1910) [niet in den
+handel]--Goethe's Faust (Deel I) In Nederlandsche verzen vertaald,
+ingeleid en toegelicht. (1911).--Meidroom. Een feestelijk
+verbeeldingsspel in acht tooneelen (1912).--Italië. Indrukken en
+Gedachten. Een causerie. [geïllustreerd], 1914.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[8] Ik maak deze opmerking om te pas te brengen Scheltema's verklaring,
+dat het gezelschap dat zich bij Jopie Breemer pleegde te
+vereenigen--"dit soort van Bohemienachtige veelpraters en
+weinig-doeners," hem nog altijd onsympatiek is. (Het schilderstukje
+bezit hij al tien jaar en tot voor kort wist hij niet wien het
+voorstelt.)
+
+
+
+
+P.N. VAN EIJCK
+
+[Illustratie: Foto Vinkenbos & Dewald--Haag P.N. VAN EIJCK (1914)]
+
+
+(* 1889)
+
+Uit de zacht-verhittende broeikas-atmospheer van het oudere Den Haag
+trad ik teleurgesteld in een buurt van strakke en lange straten.
+
+Mijn gemoedstoestand was dien middag aldus: Ik had mij voorgesteld dat
+de dichter van "De getooide Doolhof" en "De Sterren" eenzaam woonde op
+het land, in een grillig huisje, ergens aan de ruige Veluwe; of wel bij
+eenvoudige boerenmenschen. En het hinderde mij, dat ik naar de stad
+moest om hem, die innerlijk zooveel met mij gemeen heeft, te spreken.
+Echter, in het vroege middaguur, voorloopig doelloos zwervend door het
+oudere Den Haag, had ik mij getroost: De gekunstelde witte schittering
+uit de winkels overstemde het trage licht van den najaarsdag; en
+velerlei indrukken--hartstochtelijke gezichten en blijmoedig kwijnende
+gezichten die mij voorbijgleden; de moderne vrouwenkleedij waarin
+stijlige lijn met losbandigheid van bont en kanten pervers coquetteert;
+de kundig genuanceerde geuren van toiletten en de reuk van overspannen
+driften; suggestieve boektitels en heerlijk dwaze weeldezaken, achter
+spiegelglas fluks bespeurd; en steeds weer die snel voorbij-schimmende
+troniën: trotsch-verdorven maskers en geschminkte en ontzenuwde en
+verlangende maskers, die in mijn phantasie hun histories schetsten en
+mengden ... àl die overstelpend-prikkelende indrukken omgaven mij met
+een atmospheer van verfijnde cultuur, die ik evenzeer bemin als het
+leven op 't land in wijde overpeinzing. Ook in zulk een milieu kan een
+werkelijk dichter tieren, mits hij een zeer sterken geest heeft....
+
+Doch toen belandde ik in de nieuwe buurt met leege gerekte straten, waar
+het onwillige najaarsdaglicht terug kitste op de kille pensions en
+ambtenaarswoningen met haar snel-vergane conventioneele praal: en ik
+bemerkte dat ik mijn dichter moest zoeken in, de langste van die
+schijn-deftige, eentonige huizenrijën.
+
+Geheel bekoeld, naar ik meende, kwam ik bij hem binnenvallen, en voordat
+wij elkander eigenlijk hadden begroet of door onze so-easy's afdoende
+hadden bekeken, moest ik 't zeggen, ik wilde niet en zei 't toch: Het
+lijkt hier wel een studentenkamer!--Ons wereldstadje had mij als
+gewoonlijk van streek gebracht, want zoo spontaan ben ik anders niet.
+
+Mijn opmerking, waarin ik mijn indrukken had samengevat, deed hem
+blijkbaar pijnlijk aan, en hij zeide dat men in een studentenkamer toch
+zooveel mooie boeken meestal niet vond, en toen vroeg hij mij
+welwillend-ingehouden een nadere verklaring. In het bewustzijn dat hij
+mij zou hebben uitgedaagd als hij een Duitscher was, en blij dus dat we
+in het degelijke Holland zaten, zei ik een paar vriendelijke woorden,
+die hij niet hoorde. Maar later heb ik begrepen dat ik dit bedoelde:
+
+In deze kamer met haar onverschillige en disparate meubels en tapijten
+had zich door kleinigheden in schikking en versiering--verbeeld u, de
+beeltenissen van Baudelaire en Stefan George stonden er op den
+schoorsteenmantel (niet plechtig, als gravures, met eenige ontroering
+gekocht, maar als ietwat verbleekte photographieën, men zou denken: van
+verre familieleden, in banale lijstjes)--in deze kamer, zeg ik u, had
+zich mij een sterke, jonge, strijdvaardige geest gemanifesteerd, men
+voelde dat hier gewoonlijk naar den geest geleefd werd--al beeldde ik
+mij in dat het "Gaudeamus igitur" er toch ook wel eens uit schorre kelen
+had geschald. En dit maakte mij de kamer even eerbiedwaardig als de
+smaakvol en kostbaar aus einem Guss gemeubelde schrijversheiligdommen,
+die ik ken.
+
+Terwijl hij nu met vele, overigens belangwekkende woorden het begin van
+het "interview" trachtte te verschuiven, herwon ik snel mijn gewone
+bedaardheid. Ik werd bijna vaderlijk, toen ik hoorde dat hij nog iets
+jonger was dan ik--men zou dit laatste niet zeggen, want dit bleeke
+gelaat deed mij zelfs een oogenblik (ten onrechte!) veronderstellen, dat
+hij al vroeg aan de zinnen gevraagd had wat slechts de geest kan geven,
+en ik glimlachte niet, toen hij mij later vertelde: Ik heb 't gevoel dat
+ik al een eeuwigheid heb geleefd....
+
+Ik had mijn gereserveerde kalmte zeer noodig. Hij kon maar niet tot
+zichzelf komen, en bekende dat de gedachte, zich zoo voor mij binnenste
+buiten te keeren hem werkelijk angstig maakte. Zijn wangen, die geen
+jongenswangen meer waren, bloosden, hij struikelde over zijn woorden,
+onderbrak zich telkens met een: Dat is nou beroerd.... Neen, laat ik dit
+niet zeggen.... Och, waarom?--
+
+Ik vertelde maar veel van mijn eigen opinie's en trachtte daarbij
+zooveel mogelijk de zijne te ontmoeten, ik wilde hem niet loslaten, en
+toen ik hem uitvoerig het schema had uiteengezet dat de lezer kent,
+werd hij door mijn uiterlijke onaandoenlijkheid gewonnen.
+
+Kalm is hij dien heelen middag niet geworden--vreemd toch, want hij leek
+mij eer brutaal dan verlegen--voordat hij mij zijn mooie
+bibliophiel-uitgaven vertoonde. Maar wél gaf hij mij gelegenheid, zijn
+buitengewoon ree intellect (hij zal wel boos worden, als hij dit van me
+leest! maar après nous le déluge) te bewonderen; en hij heeft me ondanks
+alles vervuld van een bemoedigend enthousiasme.
+
+Als ik (op zijn verzoek) een massa onvoltooide gedachtetjes en
+overtollige woorden, waarmede hij de leegten aanvulde, weglaat, dan komt
+hetgeen hij mij vertelde, zittend op zijn schrijftafel, de beenen op de
+vensterbank, hierop neer:
+
+--Ik was al begonnen met studies en verhalen te schrijven op ongeveer
+vijftienjarigen leeftijd, toen ik, in verband met moeilijkheden in mijn
+persoonlijk leven, in mijn 17de jaar plotseling in verzen los schoot.
+Vóor dien tijd had ik al van mijn twaalfde jaar af rijmen, romannetjes
+en novelletjes geschreven, maar toen werd ik bewust literator en begon
+ik het ideaal van mijn leven te zien in het schrijversschap. Dat is
+samengevallen met mijn eerste intree in de kunstwereld van de "Nieuwe
+Gids", die de eerste jaren volkomen de mijne is geweest en waar ik mij
+hartstochtelijk aan heb overgegeven, omdat hij in alle opzichten aan
+mijn behoeften beantwoordde. Alles wat ik in dien tijd wilde voelde ik
+in de "Nieuwe Gids"--vrij, zelfs losbandig innerlijk leven--leven voor
+de schoonheid--je leven min of meer beschouwen als een gelegenheid om
+altijd maar vol te zijn van enkel schoonheid. Vooral aan de lectuur van
+Van Deijssel heb ik me hartstochtelijk overgegeven. Ik had de heele rij
+boeken op den grond liggen, en zoodra ik thuis kwam, ging ik er bij
+liggen om te lezen. Door de lectuur van Van Deijssel is mijn
+individualisme met een jeugdige woestheid tot uiting gekomen, en ben ik
+mij zelf, ook om ondervindingen, die zìj niet hadden, buiten de anderen
+gaan stellen.
+
+--Hebt u nu eigenlijk de "Nieuwe Gids" verlaten of overwonnen, vroeg ik;
+met andere woorden: kunt u mij den logischen ontwikkelingsgang
+aanduiden, die er op uitliep, dat u op een goeden dag niet meer in die
+geesteswereld thuis behoorde?
+
+--Toen ik rijper en ontwikkelder werd, ben ik gaan merken dat de "Nieuwe
+Gids" mij onverschilliger werd en dat ik ergens anders moest heensturen.
+Datgene wat ik voor mij zelf wilde worden--een centrale
+persoonlijkheid--het klinkt een beetje aanmatigend, vindt u niet ... dat
+is beroerd ... neen ... ik zal 't maar niet zeggen....
+
+--Kom, zoodra men gedichtenbundels uitgeeft, werpt men zich op als
+geestelijk leider van zijn volk en dan geeft het niet meer of men het
+wil verbergen. Trouwens, als U de voorrede van mijn "Mannen van '80"
+hebt gelezen, zult u weten dat u mij genoegen zult doen met nu verder te
+gaan....
+
+--Goed dan. Ik begon te voelen dat mijn persoonlijkheid anders gebouwd
+was dan die van de Nieuwegidsers. Geestelijken inhoud hadden zij niet
+voor mij, ik zeg voor mìj. Wat ik al vroeg ging zoeken, dat was den zin
+van het leven, de vraag: wat ben ik eigenlijk, hoe is het leven, hoe
+staan we tegenover de wereld? het gewone zoeken naar een
+levensovertuiging. Naarmate die drang tot zoeken sterker in mij werd,
+heb ik gezien dat ik in het leven van den typischen Nieuwegidser voor
+mijzelf nooit antwoord zou vinden. Het is voor mij ten slotte gebleven
+een beweging van buitengewoon interessante menschen, psychologisch en
+artistiek, maar ze zijn voor mij nu, behalve om het mooie wat ze gaven,
+vooral van belang, omdat onder hun handen de taal pas is geworden tot
+een werktuig, in staat om het geheele moderne leven in zich op te nemen.
+Hun beweging kreeg voor mij de beteekenis van een taalreactie, een
+fijn-maken en los-maken van de taal. Ik had mij blindgestaard op die
+hartstochtelijke jonge menschen die rondliepen in Amsterdam en hun leven
+vulden met de Schoonheid, maar ik zag weldra de grenzen van deze
+persoonlijkheden en hoe hun beweging verliep en verloopen _moest_. Ik
+hield hen in het begin voor jonge Goden, en dacht dat nergens op de
+wereld zoo iets was te vinden. Daarna, toen ik ouder werd en mij bij hun
+werk onvoldaan bleef voelen, heb ik mij voornamelijk aan buitenlandsche
+en oudere kunst gegeven, waarin ik een zoeken vond als het mijne en
+waarin velen voor hún persoonlijkheid gevonden hadden, wat ík zocht.
+
+Die opmerking van een andere letterkundige over de "Nieuwe Gids" waarvan
+u daarstraks sprak, trof me.[9] Dat zij alleen het midden en niet het
+einde kenden. Volkomen waar. Maar ik zelf, mijn diepste wezen voelt zich
+niet voldaan wanneer ik bij een dichter niets anders vind dan den zang
+van het oogenblikkelijke leven, ik _mis_ dan het begin en het einde. Ik
+wil datzelfde oogenblikkelijke leven, maar voelbaar als de golf van een
+vloed, niet als afzonderlijke golf. En ik mis er óók in: het begrip, de
+aanvoeling van het geheele leven, waartoe de oogenblikkelijkheden zich
+kristalliseeren, waardoor zij allen als facetten worden die te zamen het
+ééne kristal van de Levens-idee vormen en die feitelijk in haar essentie
+dezelfde is als het wezen van dien onderstroom, waaruit het
+oogenblikkelijk leven opgolft, of oprimpelt. Dat miste ik in de "Nieuwe
+Gids", en daarom konden zij voor mij geen geestelijke leiders zijn, en
+het in schoonheid geestelijk leider zijn lijkt mij een van de
+állerbelangrijkste dingen van het dichterschap, niet als tendenz er van,
+maar als wézensdeel van het dichterschap.
+
+--Maar u hebt voor u zelf toch wel een antwoord gevonden op de vragen,
+die u straks noemde?
+
+--Ik heb het soms gedacht, maar ik moet zeggen: Neen.
+
+Mijn heele werk staat in het teeken van de zoekerij. In mijn
+"Uitzichten" heb ik een afdeeling "Zoekers" geschreven, en ik heb daarna
+later nog het gevoel gehad van volkomen "Bevrijding" uit die
+onzekerheid, maar in den grond van de zaak ben ik gebleven in de periode
+van de zoekerij, en dit vindt u dan ook in mijn geheele werk. Het is
+misschien een veeg teeken voor mijn poëzie, dat ik na al die jaren van
+zoeken nòg niet ben gekomen tot een levensinhoud, maar dichterlijk is
+dit zoeken het motief van mijn werk, dus waarom zou ik het hier niet
+zeggen?
+
+Ik ben altijd gestruikeld over den tweespalt tusschen gevoel en
+verstand. Mijn gevoel zegt zus--mijn verstand begint het dialectisch te
+ontleden en zegt: Neen, niet zus. Het is bij mij uitgegaan van de
+epicuristische grondbeginselen, en ik ben nooit tot een andere conclusie
+gekomen, dan dat het leven is een koorddansen boven den afgrond. Een
+typisch voorbeeld vind ik De Régnier, een man van geweldige melancholie,
+zeker een van de meest pessimistische menschen die ik mij ooit kan
+voorstellen, en het eigenaardige is nu, dat de eene helft van zijn werk
+dit gevoel zuiver weergeeft en de andere helft bestaat uit verzen van
+enkel plastische schoonheid. Hij is innerlijk overtuigd van de ijdelheid
+van het geheele leven, maar zijn oogen vonden de uiterlijke schoonheid
+van de wereld en zijn daarmede vervuld. Dit genot hebbend, schijnt hij
+dan zijn droefgeestigheid te kunnen vergeten. Maar ìk kan niet inzien,
+hoe men dat voortdurend knagende gevoel van de redeloosheid van het
+leven tot zwijgen kan brengen met de schoonheid, alsof die een
+narcotisch middel daartegen ware, alsof niet juist de schoonheid er
+voortdurend aan herinnert, dat zij een begoocheling is over een leegte.
+Ik kàn het niet inzien, ik ben er misschien nog te jong voor....
+
+De inhoud van mijn werk is dus zoeken en nog eens zoeken. Natuurlijk
+zijn mijn verzen ingegeven door bepaalde ondervindingen, maar
+ondervindingen zijn voor mij nooit impressionistische gegevens. Het gaat
+bij mij zoo, dat iets dat ik beleef plotseling aanleiding kan zijn om te
+schrijven, en een boel van dezelfde levenservaringen in mij los maakt.
+Men heeft allerlei ervaringen die nooit tot een gedicht doen komen, maar
+een bijzondere aandoening die veel sterker is--maar dat hoeft
+niet--treft je zoo, dat al die andere van vroeger in je hart worden
+losgemaakt ... en dan komt het vers ... als een lied, niet van dat eene
+ding, maar van al die dingen te zamen.... Ja, hoe kwam ik daar ook weer
+toe, wat was het begin van dien zin....
+
+--U zocht naar de beteekenis van het menschelijk leven. Mag ik u vragen:
+bedoelde u daarmede de beteekenis van uw leven, de vraag, waarom
+bepaalde wederwaardigheden juist u getroffen hebben ... met heel in de
+verte een idee aan een voorzienigheid ... of de beteekenis van het
+menschelijk leven in het algemeen ... met de daaraan vastgeknoopte vraag
+naar een wereldbeginsel?
+
+--Dat hangt samen. De groote grondstof, die het onderwerp is van de
+poëzie, is het menschelijk leven. Ik word dikwijls aangezien voor een
+aesteet, vooral vroeger was dat zoo, maar in de kunst is voor mij altijd
+de mensch die er achter zat het belangrijkste geweest. Ik stel hooge
+technische eischen, maar zoodra achter de kunst de mensch te voorschijn
+komt, die zich krachtig of persoonlijk uit ... het moet natuurlijk geen
+stumperen zijn ... dan kan de heele kunst me niet veel meer schelen, als
+hij mij maar beweegt. Nietzsche zegt: ik ben eerst Schopenhaueriaan
+geweest, maar toen ik de gebreken in het systeem ben gaan zien, heb ik
+toch mijn liefde behouden, want: de groote philosoof staat voor honderd
+philosophieën. Zoo mag ik zeggen: de groote dichter staat voor honderd
+gedichten. Dat klinkt Heidensch, maar is 't niet. Want de naam "groote
+dichter" vooronderstelt dat hij werkelijk dichter _is_, dat is vóór
+alles een schepper.
+
+Een van mijn grootste liefden is Dostojefski, die toch de meest
+chaotische dingen gemaakt heeft, die ik mij kan denken. Maar welk een
+rijkdom aan menschelijke ervaring en ontroering en philosophie! Voor mij
+is hij een van de allergrootste figuren van de negentiende eeuw geweest,
+gelijk Goethe dan van de achttiende. Zijn geheele werk behandelt het
+zoeken naar den zin van het leven, en naar een ethiek, daarop gebouwd.
+En nu laat hij een van zijn figuren zeggen: Ge moet het leven liefhebben
+boven den zin van het leven....
+
+Daartoe heb ik nooit kunnen komen, en toch voel ik dat ik dàt noodig
+heb. Ik ben er niet in geslaagd het leven met geheel mijn gevoel en
+geheel mijn intellect te zaam lief te hebben, zoolang ik den zin van het
+leven niet gevonden heb.
+
+Nu verhoudt mijn poëzie zich op een bijzondere manier tegenover mij
+zelf. Onder het dichten zelf bereik ik, dat ik alle tweespalt geweken
+voel. Daarom is het een hoogtepunt in mijn leven, ik voel mij als een
+wijde organische eenheid, die geaard is als het leven zelf. Het is of
+mijn gevoel zich dan meester gemaakt heeft van mijn intellect, of ze in
+elkaar gevloeid zijn, en in elkaar gevloeid vereenigen zij hun
+ervaringen, en soms zelfs het verhaal van mijn twijfel schrijvend, heb
+ik een gevoel van vervuldheid, dat ik daarná dan weer moet missen. Dan
+is de scheiding er weer, en dat het zoo gewéést is helpt mij niet, omdat
+mijn verstand niet meer zeker is, _of_ het geen nederlaag geleden heeft
+en _of_ dat gevoel van geluk geen valstrik was. Maar in zoo'n oogenblik
+heb ik toch gevonden, heb ik het in mij, als gevoel....
+
+--U verkondigt dus de levensbeschouwing dat...?
+
+--Ik vraag mij natuurlijk af wat het belang van mijn werk is, wat ik de
+menschen geef voor positief geestelijk voedsel behalve de poëtische
+schoonheid--en dan kan ik niet zeggen dat ik dat op het oogenblik in
+mijn poëzie geef ... maar wanneer ik werkelijk iets zal hebben bereikt
+en gevonden--dan zal al wat eraan voorafgaat het belang hebben dat het
+is de weg, waarop een moderne mensch tot zijn oplossing is gekomen....
+Dit sluit in zich, dat ik over het innerlijk van mijn werk nog geen
+bijzonder hooge gedachte heb....
+
+--Maar u is het met mij eens, dat de sociologische beteekenis van den
+dichter is, dat hij, zooals ik in mijn voorrede zeg, geeft het
+voorgevoel van een levensbeschouwing?
+
+--Inderdaad heeft de dichter een groote functie in de gemeenschap, omdat
+hij altijd de essencie van het leven zelf geeft en als aanvoeler van het
+leven de groote dingen des levens laat voelen en denken, het leven van
+anderen dus intensiever maakt.
+
+--Lezer, geen van de schrijvers die ik tot nu toe bezocht, heeft zich
+zoo duidelijk met mij gesteld tegenover het ethisch agnosticisme, dat
+naar ik meen de inhoud was van "De Nieuwe Gids". Ge kunt begrijpen dat
+ik hier den jongen dichter onderbrak en met eenige spanning (in het
+gesprek terug-grijpend) vroeg:
+
+... Zoeken, toch met de zekerheid dat het antwoord gevonden _kan_
+worden?
+
+Maar ik viel uit de wolken:
+
+--Ik zoek niet met de zekerheid dat gevonden kan worden, luidde het
+antwoord, na lang peinzen gegeven, anders had ik het voornaamste al
+gevonden. Als je weet dat de zin des levens er is, dan heb je hem al,
+maar ik weet niet dat de zin des levens er is....
+
+Ik kan mijzelf een gemeenschapsdichter noemen in een geheel anderen zin
+dan de socialisten. Naar den schijn zoudt ge niet zeggen dat het zoo is,
+maar in werkelijkheid is het zoo: De redeloosheid van het leven en het
+verdriet van den mensen is mijn geheele aanleiding. Mijn geheele liefde
+is voor het menschelijk leven, den mensch bezig zien in zijn doen en
+laten is mijn grootste genot, al brengt het weer tot verdriet. Ik kan
+mij niet uiten, zonder mij mensch onder de menschen te voelen, en het
+kan niet anders of, wanneer ik mijn innerlijk leven uitspreek, spreek ik
+ook voor de andere menschen. Ik voel me zelf niet als individu, maar als
+mensch.
+
+--Maar toch niet als dichter van de gemeenschap?
+
+--Neen, tenminste wanneer u die uitdrukking in leerstelligen zin
+gebruikt, want dan kom je precies op het verkeerde standpunt terecht.
+Een dichter van de gemeenschap is voor mij bijna een onmogelijkheid.
+Want de mensch heeft ongelooflijk veel aan een groote menschelijke
+persoonlijkheid, en zoodra u spreekt van een dichter van de gemeenschap,
+zoudt ge tot een poëzie komen die, wanneer ze werkelijk poëzie van de
+gemeenschap wás, de opheffing van de persoonlijkheid des schrijvers zou
+beteekenen. Poëzie wordt op die manier de grootste gemeene deeler op de
+onderdeelen der gemeenschap. Wat blijft er dan over van haar hooge
+idealiteit?...
+
+Daarom ben ik het zoo vreeselijk oneens met Adama van Scheltema, wanneer
+hij zegt, dat je zoo moet schrijven dat zooveel mogelijk menschen het
+begrijpen. Dat is voor mij eenvoudig anti-poëtisch. Ik geloof dat je een
+van de meest wezenlijke dingen van de poëzie ontkent, door dit te
+zeggen. Neen, je moet zoo schrijven dat je denkt: Nu is mijn gevoel
+volkomen tot uiting gekomen, en of het nu voor velen of voor weinigen te
+begrijpen is, daar heb je niets mee te maken. Anders ga je, consequent
+redeneerend, het hoogere, het diepere geestelijke leven uit de poëzie
+sluiten. Het groote geestelijke leven is niet voor de meerderheid. Die
+heeft daar geen behoefte aan en ook niet de capaciteiten om het te
+doordenken. De uitslag zou worden, dat de poëzie maar een klein stukje
+van het menschelijk leven beslaat, en het allerbelangrijkste er buiten
+laat. Zinrijk heeft Goethe dan ook gezegd:
+
+ Wer den Dichter will verstehen
+ Muss in Dichters Lande gehen.
+
+Dat is een wet van alle tijden voor de poëzie. Is wat je denkt en voelt
+moeilijk en ingewikkeld, dan zal het gedicht ook niet makkelijk zijn en
+is toch voor den grooten hoop niet te doorvoelen. Je kunt probeeren het
+niveau van de meerderheid naar je op te trekken,--dat is zelfs het
+heerlijke doel van de kunst--maar zeker moet je niet je eigen niveau zoo
+laag zetten, dat je kan hopen dat een zoo groot mogelijke meerderheid
+erheen zal gaan.
+
+Een dichter moet in niets anders leven dan in de aandoening, in de idee
+die hij aan het dichten is. Hij moet niet met zijn verstand een
+geleidertje bij zijn werk zetten, dat toekijkt of hij wel zoo schrijft
+dat vele menschen het zullen kunnen lezen. Dan is de toestand niet
+zuiver meer en is de poëzie vertroebeld. De inhoud dwingt den vorm, die
+dan zoo zeker al de eigenschappen van den inhoud aanneemt, dat zij niet
+meer te scheiden zijn. Er is dus ook maar één goede vorm voor elk
+gedicht, en het is dan ook niet aan den dichter, om dien willekeurig te
+bepalen om redenen buiten het gedicht zelf.
+
+Ik heb nooit begrepen wat de socialisten met hun socialistische poëzie
+bedoelen. Ik kan niet inzien dat de stof van poëzie ooit iets anders zou
+zijn dan vormen en verschijnselen van menschelijke ontroeringen, zooals
+liefde, haat, angst, vreugde, en ik kan mij niet voorstellen dat die in
+hun essentie ooit veranderen zouden. Zoo blijft het voornaamste element
+in de stof van poëzie altijd hetzelfde, de kleuren, nuances alleen
+veranderen, en daarmee blijft een van de bestanddeelen van poëzie, die
+haar haar groote waarde geven, altijd gelijk. Het andere bestanddeel zit
+in het poëtische wezen zelf, de scheppingskracht in het gedicht. Ik heb
+daar al eens over geschreven in "De Beweging". Voor mij is een gedicht
+niet een soort middelaar, waardoor een dichter zijn leven overgiet in
+een lezer, maar een heel eigenaardig, onafhankelijk wezen, dat een
+mysterieus, vruchtbaar leven heeft. Er is een inhaerente en latente
+levenscheppende kracht in, de poëtische potentie van een vers heb ik dat
+genoemd, die is onverwoestelijk in elk goed gedicht en kàn niet vergaan.
+Wanneer je goed nadenkt, is de algemeene menschelijke ontroering in het
+gedicht misschien zelfs maar een vóoronderstelling van de poëtische
+potentie, omdat die als scheppende kracht hoofdzakelijk algemeene,
+oergevoelens moet bewerken, al zijn die dan door een dichterhart
+heengegaan en al hebben zij de trekken van zijn persoonlijkheid
+gekregen. Ach, al die dingen bepalen elkander eigenlijk allemaal over en
+weer, dat maakt de poëzie juist zoo iets vreemds. Maar dat alles zien de
+socialistische dichters als Henriëtte Holst en Gorter over het hoofd.
+Over burgerlijk leven spreken ze, en over burgerlijke ideeën....
+Maar--als ideeën uit werkelijk gloeiend leven zijn opgekomen, dan hebben
+ze altijd waarde, en zoo hebben de groote socialistische ideeën waarde
+als de andere. Dat is het juist wat alle tijdelijke ideeën redt voor de
+poëzie.... Zij leggen den klemtoon op het socialistische--ik op de
+poëzie. Het socialisme is iets accidenteels en het essenciëele is de
+poëzie. Ik geloof dan ook niet, dat ooit iets dat werkelijk poëzie is,
+zijn waarde zal verliezen als eens een andere tijdsorde is aangebroken
+met andere gedachten en andere verhoudingen. De groote waarde van de
+kunst is juist dat ze al die tijdelijkheden overwint.
+
+--Hiermede had Van Eijck de voornaamste punten van mijn schema
+behandeld. Gevraagd of hij hier nog iets aan toe had te voegen, zeide
+hij, even te willen spreken over zijn positie in de Nederlandsche
+literatuur van onzen tijd:
+
+--Ik ben--zoo begon hij--vaak uitgescholden (dat woord uitgescholden
+deed het hier kostelijk!) voor volkomen richtingbewust. Ik ben dat in
+zooverre, dat mijn streven er altijd op gericht is geweest ... och neen,
+laat ik daar maar van zwijgen, daar heb ik straks al te veel van
+gezegd..., en dat dan zuiver uit te drukken, maar men mag niet van me
+denken, dat ik mijn geheele leven naar een intellectueel schema zou
+opzetten, en daarvolgens zou leven en werken. Dat is absoluut niet
+waar. Ik hèb geen intellectueel schema. Wanneer mijn werk wel eens den
+indruk maakt van intellectualisme, dan komt dat, omdat in mijn
+persoonlijkheid de intellectualiteit sterk werkt. Maar ik heb nooit een
+gedicht geschreven dat niet een zuiver persoonlijke ervaring was. Ik wil
+leven geven, en is in het menschelijk leven het intellect niet een van
+de voornaamste factoren? Moet die dan buitengesloten worden? Ik begrijp
+niet hoe Van de Woestijne altijd maar kan beweren, dat het, ik zal maar
+zeggen ons, om bewuste reflectie en bewuste verbeelding te doen is. Hij
+kan beter weten. Het intellect moet het gevoel bevruchten, en het gevoel
+het verstand, en de vrucht zal dan zijn, dat warme, wijze, diepe
+geestelijk leven, waarnaar ik verlang en waaraan eigenlijk de heele tijd
+zoo'n behoefte heeft. Natuurlijk zal mijn poëzie anders zijn dan de
+"Nieuwe Gids" ons heeft leeren te genieten en--men verwart zoo dikwijls
+geestelijk leven met intellectualiteit. Ik ben voor mijzelf in de poëzie
+zelfs zeer sterk een antipode daarvan. Ik word kriebelig, wanneer ik
+intellectualistische poëzie lees.
+
+Een groot geestelijk leven--dat is het wat ik voor mijzelf zou willen en
+in anderen zoo bewonder en dat is ook mijn groote bewondering voor
+Dostojefsky, omdat die in alle richtingen het leven heeft doorpeild met
+zijn gedachten, ook in richtingen die tegengesteld waren aan de zijne.
+Maar gedachten zijn bij hem hartstochten! Zijn figuren zijn geen
+menschen die behalve een heele boel andere, ook nog den hartstocht van
+hun gedachte hebben, neen, zij worden door die eenen hartstocht
+verslonden en alles, alles van hen wordt dóór dien hartstocht bepaald.
+Zulke persoonlijkheden hebben op de menschheid grooten invloed en naar
+zulke dichters vraagt de menschheid. Hij heeft voor zichzelf een
+positieve levensbeschouwing gevonden. Ik sta nog aan den kant van de
+menschen die hij in zijn werk tegenover zich zelf stelt. Hij geeft zijn
+positieve idealen en stelt daartegenover het geestelijke dat hij in alle
+richtingen heeft doorleefd--want niemand heeft zooveel aan den Twijfel
+geleden als juist hij.... Zijn Iwan Karamasoff is een figuur waarin ik
+mijzelf weerspiegel. Hij heeft het probleem van het werkelijke
+atheïsme--niet wat de liberale burgerman daaronder verstaat!--doorvoeld,
+en dat heeft hij in zijn figuren levend gemaakt--niet als gedachten,
+maar als brokken brandend leven! Maar boven de groote gevoelens van het
+moderne leven, van hartstocht en twijfel en wanhoop, heeft hij een
+ideaal gevonden dat hem, niettegenstaande al zijn ellende, is gaan
+vervullen en de hoogte van dat ideaal is te meten naar de diepte van
+zijn twijfel, waarvan hij het volle begrip behouden heeft.
+
+Tegenover heel veel menschen met vaste levensopvattingen begin ik
+sceptisch te staan, omdat ik niet weet uit welke basis die
+levensopvatting is opgekomen--of er de groote Twijfel aan is
+voorafgegaan--of er een diepe ziel achter zit,--maar wanneer ik
+Dostojefsky's groote twijfelaars lees, dan weet ik uit welken ondergrond
+zijn positief ideaal is opgerezen, en dat geeft mij ook de hoop en het
+geloof dat ik voor mij zelf zal vinden. Vindt u het niet typisch, dat
+bijna al die zelfkwellers van zijn boeken onder de dertig zijn? Dat
+beteekent voor mij véél, want hij schreef ze toen hij veel ouder was....
+En ik weet, dat wanneer ik heb gevonden, ik niet heb gevonden voor
+mijzelf alleen--maar voor duizenden.
+
+En wanneer ik dan talent genoeg heb--dan zal ik een geestelijk leider
+kunnen zijn. Daar zit geen hoovaardigheid in--want er zijn twee
+praemissen: Ten eerste dat ik zou vinden; ten tweede dat ik talent zou
+hebben. Ik hoop op den goeden weg te zijn naar dit ideaal, en dat ik
+bewust de dingen wil die voor den sterkeren dichter noodzakelijk zijn,
+is voor mij van belang. Men moet toch reiken, wil men iets _be_reiken.
+In den bouw van mannen als Kloos en Gorter ontbreken die elementen en
+dit maakt dat ze nooit tot een van de groote leiders van de menschheid
+konden worden, al was Kloos toch een groot dichter. En nu meen ik, dat
+in hen die men thans de jongere dichters noemt, en die misschien wel
+weer andere elementen missen, laat ik dat er bij zeggen, een paar
+elementen zijn, noodwendig voor groote leiders--zoodat het alleen van
+hun persoonlijk talent of genie afhangt of ze het werkelijk zullen zijn.
+
+Nu is u toch wel duidelijk geworden--niet waar--dat er in mij niets is
+van een intellectueel schema, maar wel een streven naar zuiver en diep
+leven--dat is: een door een sterke persoonlijkheid doorvoeld leven, dat
+ik niet im Voraus in banden mag knellen. Dat _dit_ mijn streven is--een
+van de meest karakteristieke dingen van mijn werken--de adem die er
+doorheen gaat--is daarvan het bewijs. En ik wil even zeggen, dat iemand
+die mij voor intellectualistisch houdt, mijn studies maar behoeft te
+lezen om te zien, wat de hoofdzaak is wat ik begeer. In al mijn studies
+tracht ik een psychologische synthese te geven van den mensch die in een
+bepaald werk leeft en van de manier waarop hij het leven voelt. Mijn
+critieken zijn opgebouwd uit bewondering en enthousiasme voor den mensch
+die achter het werk zit.
+
+--Wij hebben nog lang gesproken over dingen die hier minder ter zake
+doen. Hij meende dat ons onderhoud min of meer mislukt was, dat hij zich
+te onbestemd, te woordenrijk, te aarzelend had uitgelaten. Ik echter
+maakte hem het volgend compliment: In tegendeel, U lijkt wel een Belg.
+Ik bedoelde dan: een intellectueele Belg. Dit zijn Belgen niet gauw
+naar mijn ondervinding, maar àls ze het worden, zijn 't zeer fijne
+cosmopolitische geesten en--dan zijn ze er vroeg bij, hebben een
+gevestigd oordeel over de dingen des levens als een ander nog
+studeert.... Om de waarheid te zeggen--ik overdreef een beetje om hem
+gerust te stellen, want hij was bang dat hij dien nacht in bed allerlei
+ideeën zou krijgen, die hij mij had moeten mededeelen. Ik twijfelde toch
+wel een klein beetje, of ik den weg zou kunnen vinden in den berg
+aanteekeningen, die ik had gemaakt, terwijl hij geagiteerd-moeilijk en
+toch niet buitengewoon snel tot mij sprak. Maar zoodra ik buiten stond,
+voelde ik de Eenheid in hem, en zijn enthousiasme bleef mij bij toen ik
+dien avond mij gaan liet door het gistende Den Haag.
+
+
+BIBLIOGRAPHIE:
+
+De getooide doolhof (1909)--Worstelingen, Getijden, (1910)--De Sterren
+(1911)--Uitzichten (1912)--Bevrijding (1913).
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[9] Dit was een opmerking van mij zelf. Ik had beweerd, dat achter de
+Nieuwe-Gidskunst de wereldbeschouwing van het positivisme voelbaar is,
+die aanneemt dat men niet begin (oorzaak) en einde (doel) van de
+verschijnselen kan kennen, maar slechts het "midden" (--heden).
+
+
+
+
+BIERENS DE HAAN
+
+[Illustratie: Foto P. Clausing Jr.--Haarlem Dr. J.D.
+BIERENS DE HAAN (eind 1913)]
+
+
+(* 1866)
+
+De lezer wete, dat Bierens de Haan tot de zeer enkelen behoort, die mij
+in den tijd dat ik mijn weg nog moest zoeken, zonder overhaasting hebben
+aangehoord en mij den raad hebben gegeven, die over de moeilijkheden van
+het begin heen voert. Voor 't eerst maakte ik toen intiemer kennis
+meteen werkelijk wijsgeers-temperament. Mijn groote dankbaarheid heb ik
+nooit nadrukkelijk geuit, maar wel in mijn houding doen blijken, en zoo
+is er in den loop der jaren een zekere vertrouwelijkheid ontstaan. Dien
+morgen echter zat hij tegenover me met een glimlach, dien ik nog niet
+van hem kende. O, hij was mij niet vreemd geworden! Hij heeft de
+eigenaardigheid, die ik overigens vooral bij schilders heb opgemerkt,
+dat niemand hem absoluut vreemd is; zijn onbewust maar zeer actief
+indringingsvermogen geeft reeds bij eerste ontmoeting de gewaarwording
+dat hij u jaren kent. Maar de eigenlijke verkwikkende voeling kwam pas,
+toen ons "interview" was afgeloopen en hij niet meer met een zekere
+reserve dóór mijn aanteekenboek heen tot het publiek sprak. Na de eerste
+verwelkoming--hij had in een fauteuil naast mij gezeten--stond hij
+vastbesloten op en bereikte in een paar stappen zijn werktafel. Ik zeg
+met voordacht: een paar stappen. Want terwijl zijn rijzige gestalte met
+enkele losse en toch sierlijk-bedwongen bewegingen door de kamer ging,
+had ik het gevoel dat hij een zaal doorschreed en dat er een groote
+afstand lag tusschen de mij zoo bekende werktafel, waaraan hij plaats
+nam, en mijn stoel bij het venster. Tot dezen prijs dus had ik het
+korte, heusche briefje gekocht waarmede hij mijn verzoek om een
+"vraag-gesprek" inwilligde! Ik besefte dat er voor hem groote
+zelf-overwinning mee gemoeid was, dat hij het publiek den _groei_ van
+zijn persoonlijkheid ging verhalen: Een sterk geconcentreerd gemoed is
+een _geheel_ en sluit de wonden die aan zijn oorzaken herinneren; het is
+zijn grootste genot zichzelf onafhankelijk te bezitten en zijn vroegere
+afhankelijkheid te vergeten. Maar mijn gastheer, nu hij uit
+vriendelijkheid en belangstelling voor mijn werk eenmaal had toegestemd,
+deed van de moeilijkheid waarin hij zich bevond verder niets blijken.
+Hij debiteerde niet de gemeenplaats, dat hij "het land had aan
+persoonlijk gedoe", welke ik in den laatsten tijd wel eens heb hooren
+uiten in een toon en een tempo, die de woorden ten duidelijkste
+wêerspraken. Slechts dat fijne gebaar van zich terugtrekken verraadde
+(of verkondigde?) de opoffering die hij overigens glimlachend
+volvoerde,--gelijk oprechte offers plegen te worden gebracht. En zich
+verontschuldigend, dat hij het een en ander had opgezocht en dus niet
+onvoorbereid was en zijn antwoorden niet improviseerde, deelde hij mij
+het volgende mede:
+
+In September 1887 is hij begonnen "De Nieuwe Gids" te lezen met groote
+sympathie èn met een zekere terughoudendheid. De sympathie gold de
+volkomen vrijmaking, die de nieuwe beweging bracht: Ik voelde dat dit
+het punt was van overeenkomst tusschen hen en mij: er moest op dat
+oogenblik absolute vrijheid zijn, dat wil zeggen: Het subject moest
+geheel zich zelf kunnen wezen en dus de banden, de zeden die tot nu toe
+waren vastgesteld, moesten losgemaakt worden. Dat was het, dat ik
+sympathiek vond en daarbij kwam: Het doen gelden van de directe levende
+waarde van het Woord. In het woord heb ik altijd mijn eigen leven
+teruggevoeld: Het woord moest levend zijn, de mensch moest het woord
+hebben om zijn innerlijk te uiten. Dat had ik al voorvoeld bij het lezen
+van Milton en Shelley, maar omdat het geen Nederlanders waren, was toch
+nooit het besef van het levende woord zoo tot mij doorgedrongen als toen
+"De Nieuwe Gids" mij daarvan de openbaring gaf.
+
+Deze twee elementen zijn de aanknoopingspunten geweest, waardoor hij
+zich--hoewel jonger dan de leiders--in de beweging voelde staan. Maar
+tegelijkertijd voelde hij een zekere terughoudendheid, omdat hij inzag
+dat het intellect, het geestelijk gehalte, ontbrak: Het was als het ware
+"Lyriek zonder idee". Hoewel nog zeer in het onbepaalde, begreep hij wel
+dat lyriek en idee op een of andere wijze verbonden moesten worden: Het
+zoo uitsluitend impressionistisch gevormde woord heeft mij
+tegelijkertijd aangetrokken en onbevredigd gelaten.
+
+Hij was toen student in Amsterdam, waar hij een jaar gestudeerd heeft,
+voor hij naar Utrecht ging. Te Utrecht vond hij in de studentenwereld
+een vrij duffen geest. Er was nog niets bekend van wat in de hoofdplaats
+van ons land de gemoederen in beroering bracht. Hij poogde de
+studentenmaatschappij wat schoonheidsgevoel en wat nieuw-letterkundig
+gevoel bij te brengen, maar zonder succes. Hij schreef in dien tijd in
+realistisch-impressionistischen trant eenige verhalen en naderhand onder
+pseudoniem een enkel stuk in "Nederland", maar bij dien schrijftrant is
+hij niet lang gebleven "omdat mijn studie mij ook riep naar meer
+speculatieve waarden." Toen zijn een tijdlang Fransche schrijvers als
+Verlaine, Maeterlinck, Hello zijn gidsen geweest, vooral de laatste om
+de mystische grootschheid en idéerijkheid van zijn woord. Ik weet niet
+of ik hen nu nog zoo hoog stel als vroeger.
+
+Dit heeft zijn heele denken geleid in een richting, verwant en toch weer
+niet verwant aan "De Nieuwe Gids". Het eenige stuk waaruit dit duidelijk
+blijkt is geweest, in den laatsten jaargang van de oude serie van dat
+tijdschrift, een "Psychologie van het leven". "Dat stuk," zoo verhaalde
+hij mij, is zeker heel onvolmaakt, maar het toont toch dat mijn werk een
+andere richting uitging dan de zuiver literaire, waar ik mij tevoren toe
+had geroepen gevoeld.... Ik blijf de "Nieuwe Gids" eeuwig dankbaar voor
+de openbaring van de zinnelijke waarde van het woord, dat het woord niet
+een abstractie is, maar een direct symbool, waarin ons innerlijk zijn
+sprekend equivalent kan vinden. En wanneer ik bescheidenlijk zeggen mag,
+dat ik eenigen stijl heb, dan is 't omdat het woord altijd voor mij die
+waarde heeft behouden en nooit abstract geworden is. Ik meen dat dit ook
+het groote onderscheid is tusschen de wijsgeerige schrijfwijze van
+vroeger en mijn schrijfwijze--dat toen het woord alleen gold als term en
+wij nu het woord als een levend bezit kunnen handhaven. Er is een zekere
+zinnelijkheid in het woord, dat onmisbaar is om het woord zijn
+beteekenis als levend equivalent van den geest te doen behouden.
+
+In dien tijd werd "De Kroniek" opgericht en dit was het terrein waarop
+hij zijn eerste werk heeft geleverd. Hij woonde toen in een uiterste
+hoekje van Twente. Hij genoot daar op bijzondere wijze van zijn
+landelijke omgeving. Die landstreek had iets geheimzinnig eenzaams, dat
+hij sindsdien nergens heeft teruggevonden. Typisch voor de
+afgeslotenheid waarin hij leefde is wel, dat de menschen daar hem "de
+Hollander" noemden. Het kan wel zijn dat het mijn gemoedsstemming was,
+die zich daarin weerspiegelde, maar die geheimzinnige eenzaamheid, met
+de eigenaardige flora, die ik ook nooit meer heb teruggezien, wekte een
+sterke eenheid met de natuur in mij op. Dat geeft een zoo lokale kleur
+aan je gemoed, dat het waarschijnlijk voor anderen niet zoo benaderbaar
+is als voor den persoon die het zelf heeft doorleefd. Een streek--van
+moeras en heuvels--in groote eenzaamheid--ver van alle verkeer gelegen.
+Ik woonde er ook geheel als vreemdeling. En dit gaf mij die buitengewone
+bekoring van terug te duiken in het natuurleven, en dus heel sterk dien
+band te voelen met natuur en zinnen, die behoedt tegen louter abstract
+zijn, waartoe de wijsbegeerte zoo licht aanleiding kan geven.
+
+In samenhang daarmee en in tegenstelling tegelijk, heb ik mij toen meer
+rechtstreeks stelselmatig toegelegd op de wijsgeerige studie. Ik ben
+begonnen met de positivistische philosophie van Hume--waarschijnlijk
+omdat men meestal begint met met zijn vijanden af te rekenen. Die vijand
+namelijk is een element van ons eigen gemoed. Als hij niet in ons woont
+bestrijden we hem niet.... Ja, deze leer woonde in mijn gemoed en dat
+was voor mij een aanleiding om het positivisme ernstig te onderzoeken en
+tegen-motieven te vinden. En van Hume kwam ik op Spinoza.
+
+Mijn eerste studie in "De Kroniek" was een stuk over Spinoza. Ik meende
+in hem een levensleer te vinden die uitgaat van de geestelijke Idee.
+
+Daarmede had ik mijn werk gericht in de lijn der wijsbegeerte en ben
+toen uit de directe omgeving van de literatuur losgeraakt. En onderwijl
+heb ik voor mij zelf een reeks kennis-theoretische studies ondernomen,
+die ik nooit gepubliceerd heb en die wel zeer onrijp zullen wezen, maar
+die voor mij dit voor hadden, dat ik nu het Kennen leerde beschouwen als
+een geestesarbeid, en dus onzen geest als _activiteit_, in tegenstelling
+tot de positivistische opvatting, die ons geheele geesteswerk beschouwt
+als een associatie, als een soort van natuurproduct.
+
+Maar Spinoza heeft weldra mijn liefde gekregen, en er zijn weinig weken
+in mijn eerste tiental studiejaren geweest, dat ik niet in Spinoza
+gewerkt heb....
+
+Wanneer u nu vraagt naar de vrucht van de periode, waarin dus eenerzijds
+in mij het levende natuurgevoel en de zinnelijke waarde van het woord
+versterkt werden en anderzijds in mij de bewustwording van de Idee werd
+aangekweekt, dan verwijs ik u naar mijn bundel _Idee-studies_. Ik had
+onderwijl een paar studies geschreven: de eerste was over het
+oorzaak-begrip, en met de tweede was ik in de gewenschte lijn gekomen:
+zij was getiteld: "De norm der Waarheid is in ons zelf". De geestelijke
+waarde werd daarin vastgesteld als een eigenschap van eigen
+subjectiviteit. Daardoor krijgen de denker zoowel als de artiest het
+recht tot zelf-openbaring. En zooals de artiest zijn zelfopenbaring als
+schoonheid aanziet, heeft de denker het recht zijn zelfopenbaring als
+waarheid te erkennen. Ik stelde dus een parallel tusschen denker en
+kunstenaar vast. Maar de idee-studies zijn dan, eigenlijk, laat ons
+zeggen, de rijpe vrucht van die periode, waarvan ik de twee zijden nu
+tegenover elkaar heb uiteengezet.... Ik heb daar veel pleizier van gehad
+en ben juist bezig aan het bewerken van een tweeden druk: het is zeer
+eigenaardig, weer in de sfeer te komen, waarin ik toen een pooslang heb
+geleefd. Ik heb er eenige studies aan toegevoegd, die ook uit
+denzelfden tijd zijn. Het blijkt mij ook, dat de idee-studies bij vele
+verwante gemoederen sympathie hebben gevonden.
+
+--In hoeverre heeft, volgens u, de Nieuwe-Gidsbeweging leiding gegeven
+aan het geestelijk leven in ons land?
+
+--Ik gevoelde dat er een groot verlangen was naar een nieuwe kunst en ik
+was verzekerd dat de "Nieuwe Gids" die geven zou. Ik kon nog niet zien
+de personen die hem zouden geven, omdat in de verschillende leiders zeer
+schoone eigenschappen zichtbaar waren, maar geen aanwijzing van het
+groote werk dat door henzelve beloofd werd. Ik meende ook dat de
+nieuwere tijd een speculatiever inhoud zou hebben dan alsnog door de
+"Nieuwe Gids" werd gegeven. Maar dat de beweging een noodige heilzame
+was voor de vernieuwing van het bewustzijn, voor de vrijmaking van den
+geest, en dat de nieuwere cultuur in het verlengde daarvan liggen zou,
+dat heb ik direct geloofd. Ik meen ook dat de wijsgeerige beweging een
+afstammelinge is van de Nieuwe-Gidsbeweging. Toen het tijdschrift voor
+wijsbegeerte werd opgericht, heb ik een inleidend artikel ervoor
+geschreven. Daarin heb ik gezegd.... Maar laat ik u liever een stukje
+voorlezen:... "een wijsgeerige _beweging_ zou niet hierna gevolgd zijn,
+zoo niet daar geweest ware de literatuur van '80. Want door deze werd in
+het breede een intellectueele behoefte wakker, die niet door de exakte
+wetenschap werd voldaan. Zoo kon voor de wijsbegeerte ontstaan een
+terrein voor algemeener belangstelling dan der enkelen. Het lag
+bovendien in den aard der beweging van '80, dat uit haar een wijsgeerige
+behoefte ontwaakte. Immers zij was niet maar een aktie tot voortbrengst
+van literaire werken, doch veeleer een kultuurbeweging, in welke zulke
+werken werden voortgebracht. De uiting was hoofdzakelijk
+belletristisch, maar de uiting is het wezen niet. De nieuwe literatuur
+bracht een nieuwen factor in de geestelijke beschaving aan, nl. den
+hartstocht der Taal. Zooals de oudere schrijvers een moraal, een geloof,
+een roeping en een godsdienst hadden, en bovendien schrijvers waren, zoo
+had de nieuwe literatuur geen moraal noch godsdienst dan den hartstocht
+der Taal. De Taal te hebben was een geloof; de eigen verbeeldingswaarde
+en het muzikaal karakter der Taal te kweeken was een roeping. Het Woord
+was niet maar als een ongevoelde klank en uitdrukkingsmiddel ten bate
+van voorstelling en begrip, doch een vrije Macht. De vrije vaan des
+Woords, door haar gevoerd, was aanwijzing dat zich een kultuur
+toebereidde--die breeder gebied zou omvatten dan roman en vers. Zoo kon
+de literatuur van '80 voor het intellekt een aansporing zijn, die ook de
+wijsbegeerte ten goede kwam.... Maar nu zou blijken waarheen de Taal
+drong. Want de macht, die zij geeft over de stof, noodigt tot
+wijsgeerige bezinning. Taal en denken zijn tweelingsuitingen des
+geestes; en een kultuur die de vrije beweging des woords tot leus heeft,
+kan wel beginnen bij het zinnelijke woord maar moet eindigen bij het
+geestelijke. De Taal heeft een voorstellings- en een muzikale wereld in
+zich, maar ook een begripswereld; want deze laatste is tegelijk met de
+taal zelve uit den aard der menschelijke subjectiviteit (den geest zelf)
+voortgevloeid ... dat de literatuur van '80 haar terrein verbreeden en
+de grenzen der literatuur overschrijden moest (waaruit blijkt dat zij
+inderdaad een kultuurbeweging en niet slechts een literaire school was)
+volgde uit haar opzet, die voor haar literatuur te groot was. Want
+terwijl de leiders een hervorming van het Nederlandsche geestesleven in
+vooruitzicht stelden, was hun literatuur overwegend lyrisch. En alleen
+een dramatische letterkunde heeft de breedheid die een kultuur omvat.
+Zoo kon dan de beweging van '80, voor zoover zij literatuur was, haar
+voornemens niet vervullen en werd juist in dezen kring de nood gevoeld
+om de literaire inspiratie te voeden door aan het leven een breeder
+inhoud te geven, gelijk bleek in die leiders, die hun arbeid verlegden
+naar het terrein der maatschappelijke hervorming...." Boeken heeft mij
+toen bestreden en gezegd dat de Nieuwe Gids niet direct den hartstocht
+der Taal kweekte, maar met een nieuwe levensbeschouwing kwam. Ik heb
+toen met citaten uit "De Nieuwe Gids" bewezen, dat voor hem de taal
+werkelijk alles was waar het om ging, en zoo de intellectueele waarde
+der Taal naar voren moest komen en de wijsgeerige beweging volgen kon of
+moest.
+
+--Met de opvatting dat de beweging van '80 geen levensbeschouwing bracht
+kon ik niet instemmen. Ik had in een buitenlandsch tijdschrift de
+stelling verdedigd, dat de literatuur-beschouwing van de "Nieuwe Gids"
+eigenlijk een levensbeschouwing was, en vroeg mijn gastheer dan ook, of
+hij niet had opgemerkt dat alle jongere schrijvers van die generatie een
+gemeenschappelijke levensopvatting waren toegedaan. Zijn antwoord stelde
+mij teleur.
+
+--Ik weet alleen dat het in den beginne over het algemeen positivistisch
+gezinde menschen waren. Ik denk dat dat kwam door de eenzijdige
+voorliefde voor de zinnelijke waarde van het woord. Aanstonds zijn er
+grootere gevoelens doorgebroken. Als u Van Eeden tegenover Verwey, Kloos
+tegenover Van Deijssel stelt, dan ziet u toch, dat dit zoo heterogene
+menschen zijn, dat van eenheid in levensbeschouwing heel weinig sprake
+is geweest. Op dat oogenblik bestond de behoefte ook niet aan ontwaking,
+omdat het leven voor de taal het heele gemoed van de Nieuwe Gidsers
+innam. Dat was het nieuwe gebied dat door hen geopend werd.
+
+--Deze meening was mij ook reeds door anderen tegemoet gevoerd. Ik had
+gehoopt dat Bierens de Haan mij zou bijspringen. Ik deed een laatste
+poging om hem in mijn richting te leiden: Of dan niet juist een gebrek
+aan levensbeschouwing de jongere dichters vereenigde? vroeg ik.
+
+--Dat zou u kunnen zeggen, kreeg ik ten antwoord, wanneer niet dat
+gebrek een noodzakelijkheid geweest ware. Omdat de aandacht zich zoo
+richtte op de schoonheid, was de revolutionnaire strekking van de
+beweging niets anders dan dit voorop te stellen. Dat zou tenslotte
+armoede zijn geworden, wanneer niet de beweging in de richting van het
+wijsgeerig denken door was gegaan.
+
+--Het woord "armoede" leek mij in dit verband toch wat sterk gekozen, en
+dit bracht mij tot de vraag, wat dan het onderscheid was tusschen de
+romanliteratuur, door de tachtigers en hun verwanten gegeven, en de
+wijsgeerige verdieping die mijn gastheer bedoelde?
+
+--Het onderscheid is dit, dat in het wijsgeerig denken de behoefte
+ontstond aan een stelselmatige levensbeschouwing, dat wil zeggen: aan de
+centrale Idee, de centrale gedachte, de gedachte van waaruit het leven
+kan worden doorzien, de levensuitingen kunnen worden begrepen en
+gewaardeerd--en die behoefte is in de romanliteratuur die u bedoelt
+natuurlijk niet aanwezig. Ik heb die centrale gedachte aanvankelijk bij
+Spinoza gevonden. Toen was mijn denken meer psychologisch-wijsgeerig,
+terwijl ik het nu liever cosmologisch-wijsgeerig noemen zou.
+
+In Spinoza lag de grondgedachte dat het leven is een volharding in ons
+eigen zijn. Van daaruit werden zoowel moraliteit als religie begrepen
+en indirect ook de schoonheidszin, hoewel Spinoza dien factor van onzen
+geest eigenlijk voorbijziet. Maar Spinoza had dit, dat hij althans tot
+het diepste punt van onze natuur doordacht en van daaruit zijn
+levensbeschouwing opbouwde. Dit was de noodige aanwijzing voor een
+wijsgeerige levensleer. En nu is het merkwaardige dat Spinoza juist ook
+aangewend werd door de meer positivistische denkers, de oudere
+philosophen, zooals Van Vloten en Lotsy bij ons....
+
+--Hier maakte ik de opmerking, dat van het gebrek aan levensbeschouwing
+bij de tachtigers tot aan het streven naar meer wijsgeerige bezinning
+nog een stap te doen bleef. Moest, zoo vroeg ik, niet eerst de
+overtuiging postvatten, dat een centrale gedachte in principe te vinden
+zou zijn?
+
+Mijn gastheer beaamde dit, en hij verduidelijkte mijn bedoeling door te
+spreken van den stap van het positivisme naar het idealisme. Het was
+juist in den strijd tegen het positivisme, dat het idee van de
+activiteit van onzen geest naar voren kwam. Waar de geestelijke
+activiteit is, daar heeft ze haar eigen begrippen, daar stelt ze haar
+eigen beginselen, daar stelt ze ook de centrale gedachte. Het lag in de
+consequentie van den strijd tegen het positivisme, dat men de centrale
+gedachte vond.
+
+--De eenigszins wijsgeerig georiënteerde lezer begrijpt, dat ik zeer
+gesticht was door deze duidelijke verklaring. Hier had ik dan uit den
+mond van een philosoof, die rechtstreeks stamt uit de Nieuwe
+Gidsbeweging, die in die beweging tot wijsgeer is geschoold, een
+bevestiging van mijn hypothese, dat de grond-idee, die bewust of
+onbewust in de Nieuwe Gidskunst is neergelegd, is de pseudo-philosophie
+van hen, die zeggen geen wijsgeer te willen zijn. De schijn-verlichtheid
+van het Comtisme, het spooksel dat men had te overwinnen om uit de
+kunst van tachtig tot een werkelijk hoogere trap van cultuur te
+komen....
+
+Het speet mij niet dat ik Bierens de Haan had afgeleid van Lotsy, met
+wien hij, ik ontveins het mij niet, nog gaarne een appeltje had
+geschild. En in mijn milde stemming liet ik hem nu maar voortspinnen aan
+een denkbeeld, dat eigenlijk niet in mijn lijn lag,--al behoort het tot
+het grootste dat het wijsgeerig vorschen ten onzent in de laatste
+vijfentwintig jaar heeft opgeleverd.
+
+... Maar--zoo hernam hij--om op de oudere Spinozisten terug te komen: Ik
+heb met Lotsy verscheiden malen in "De Kroniek" gepolemiseerd, maar dat
+bepaalde zich meestal tot het stellen van onvriendelijke noten van
+weerszijden onder de pagina's. Wat mij overtuigd heeft dat Spinoza
+inderdaad _idealistisch_ dacht, is het einde van de Ethiek, waar de
+"intellectueele liefde tot God" als het hoogst bereikbare van het leven
+gesteld wordt, als geheel liggend in de lijn van de volharding des
+menschen in zijn eigen zijn. Daarom meende ik dat ook een idealistische
+interpretatie van het Spinozistisch levenssysteem geoorloofd was. De
+vrucht daarvan is geweest mijn boek "_Levensleer naar de beginselen van
+Spinoza_," dat ik in 1900 uitgegeven heb bij Martinus Nijhoff.
+
+Al meer ben ik toen ons geestesleven gaan opvatten als een bewustwording
+van ons innerlijke wezen en in die lijn is mijn geheele gedachteleven
+doorgegaan. En dat Spinoza nog steeds mijn sympathie heeft, kan hieruit
+blijken, dat ik op verzoek van de "Hollandia-drukkerij" geschreven heb
+de vertaling van de hoofdpassage's uit Spinoza's Ethica, met een
+inleiding over het Spinozistisch denken. Maar daar komt nu juist weer
+meer een cosmologische opvatting van het leven voor den dag, die ook in
+Spinoza steekt en die ik vroeger wel wat heel sterk afscheidde van de
+psychologische, nl. in deze uitspraak: De mensch is "God voor zoover hij
+niet-eindig is"--dat wil zeggen, dat er een eenheid is van het
+menschelijke en het goddelijke en ook het geestesleven als verschijning
+van den Cosmos moet worden doordacht. Dit echter is een verbreeding van
+het psychologisch denken--geen afwijking ervan.
+
+U ziet dus dat wij een heel andere richting opgaan dan de veel
+beperktere van den psychologischen roman, die niet veel verder gaat dan
+directe analyse. Maar wel kan ik hierop laten volgen, dat, wat betreft
+den inhoud waarover dit denken zich uitlaat, het zich vooral beweegt in
+de innerlijke zielswaarden. Terwijl vroeger de theologie het menschelijk
+denken beheerschte en de onderwerpen waren bijv. "Praedestinatie en
+Wonder", of "De eigenschappen Gods", of "Godsbestuur en het kwade"--zijn
+in deze nieuwere speculatie de onderwerpen vooral: "Het ironische", "De
+eros", "Vrijheid en gezag", "Het verband van schoonheid en denken",
+"Geluk, geest en zinnen", "Het tragische", "De cultuur" e.d. Het
+zwaartepunt van de aandacht ligt in de sfeer der Psyche, wat niet
+wegneemt dat die zielsinhoud opgevat wordt als verschijnsel van
+cosmische beweging. Wat in den mensch is, is hetzelfde als in de geheele
+ontwikkeling van het wereldleven wordt vertoond. Zoo wordt echter de
+wijsbegeerte veel meer cultuur-denken en gaat veel meer in den breede
+dan de psychologische roman dit kan doen.
+
+--Ik verzocht mijn gastheer nu, zijn standpunt scherp af te bakenen ten
+opzichte van de twee stroomingen, die na de "Nieuwe Gids" ons geestelijk
+leven trachten te beheerschen, de wijsbegeerte van het Proletariaat en
+die van de Zuivere Rede, welke Bolland's volgelingen hebben gesticht.
+
+--Het moet altijd--zoo leidde hij op het eerste zijn antwoord in--de
+grondgedachte zijn van een wijsgeerige beweging, dat zij de cultuur
+hervormen wil van binnen uit en niet gelooft aan een werkelijke
+verhooging van de cultuur door economische maatregelen. Dat wil niet
+zeggen dat er een bepaald vijandige verhouding is tegenover die
+opvatting--het kan zelfs in zich sluiten een zekere erkenning van de
+onmisbaarheid van economische hervormingen. Maar het is niet de
+verwachting, dat daaruit werkelijk iets hoogers geboren zal worden. Dat
+wil dus zeggen: De maatschappelijke rechtvaardigheid is een ondergeschikt
+denkbeeld van de cultuur, maar het is niet gezegd, dat de maatschappelijke
+rechtvaardigheid een socialistisch stelsel van maatschappelijke vorming
+of hervorming meebrengt. In het algemeen _lijkt het_ mij, alsof de
+wijsgeerig gezinde een zeker aversie heeft tegenover afgesloten meeningen
+over de inrichting van de maatschappij. Ook moet men altijd een
+tegenstelling tusschen maatschappij en innerlijk zien, en daaruit volgt,
+dat dàn pas een hooger cultuur aanbreekt, wanneer de innerlijkheden op
+een hooger plan zijn gebracht. De wijsgeerig gezinde streeft er naar, het
+innerlijk te verhoogen en in zoo uitgestrekt mogelijke kringen werkzaam
+te zijn tot verheffing van het zedelijk bewustzijn. Hij onthoudt zich
+allicht van de propaganda voor zuiver uitwendige maatschappelijke
+verbeteringen. Dat komt dus neer op een eenigszins negatieve verhouding
+tegenover de socialistische strooming.--Deze is de begrippenvorming van
+de behoefte aan economische verbetering en gaat niet uit van het
+cosmologische begrip der Idee. Zij moet dus de geesteswaarden als surplus
+of toevoegsel beschouwen, terwijl deze juist de grondleggende zijn. Het
+is niet gezegd dat in een socialistisch goed geordende maatschappij het
+gedachteleven, het gemoedsleven, het kunstleven, hooger staan dan in een
+chaotische. Want tot nu toe zijn kunst en wijsbegeerte en poëzie in hun
+hoogste vormen geweest bij alle mogelijke soorten van maatschappijen. Een
+negatieve verhouding dus, die niet exclusief is tegenover maatschappelijke
+wijziging, maar er het intellectueele heil niet van inziet.
+
+--Heeft dus volgens u de intellectueel niet veel te leeren van de grootsche
+gevoelens en ideeën die er leven in de massa, speciaal in het zich
+organiseerende proletariaat?
+
+Zacht, beslist en precies luidde hierop het antwoord:
+
+--Ik wijs af een opvatting, waarbij het innerlijk niet uit zichzelf
+leeft en waarbij de menigte naar economische motieven over het
+geestesleven wil heerschen....
+
+--Heeft dan het innerlijk leven, zooals u het verstaat, te vreezen van
+een overwinning van de menigte?
+
+Het antwoord ging even langs de vraag heen, maar ook hierin lag voor mij
+een antwoord besloten:
+
+--Vrees heb ik er niet voor, omdat ik niet geloof dat ooit het innerlijk
+weerlegd kan worden door het economische. En omdat ik er toch ook in zie
+een poging tot wijziging van het maatschappelijk samenstel, waartoe op
+zichzelf een zekere grond bestaat. Treffend vind ik, dat in de latere
+gedichten van Gorter, de socialistische, datgene schoon is waarin het
+oude geluid van "Mei" naklinkt, zoodat men zeggen kan: Wanneer een
+socialistische maatschappij bestond, ook dan zou de schoonheid niet
+daaraan ontleend zijn, maar aan het innerlijke. Het innerlijke heeft
+zijn zelfstandigheid en geeft die niet op. Het is het eigenlijke
+dieptepunt, het centrale punt van leven en werkelijkheid. De loochening
+daarvan staat gelijk aan de ontkenning dat de cirkel een middelpunt zou
+hebben. De geestdrift der idee blijft altijd het ontspringpunt van
+schoonheid en waarheid en ook van goedheid. Elke maatschappij zal ten
+slotte weer haar waarde moeten ontleenen aan deze geestdrift, die niet
+uit het maatschappelijke maar uit het innerlijke komt.--
+
+Wat nu de strooming van "Zuivere Rede" betreft, in het algemeen zou ik
+zeggen, dat de mensch altijd aangewezen is op de centrale gedachte om
+van daar uit persoonlijk het leven te doorzien--maar dat het stelsel in
+zijn naaktheid nooit deze rechtstreeksche zienswijze kan vervangen....
+Wat niet wegneemt dat Hegel zelf een ziener is en voor hem de Idee de
+levende kracht is, die geheel de natuur en de cultuur draagt. Men krijgt
+bij hem heel sterk den indruk, met een ziener te doen te hebben. Dat
+echter de idee van Hegel alleen maar in zijn stelsel uitgewerkt zou
+kunnen worden, met andere woorden, dat het Hegelsche stelsel de
+noodzakelijke uitingsvorm is van de Hegelsche grondgedachte--dat stem ik
+niet toe. Althans, dunkt mij, _zal wel nooit de wijsbegeerte de kunst
+mogen of kunnen vervangen, maar juist de bezielende kracht moeten zijn
+voor kunst en moraliteit en religie tegelijkertijd_.
+
+--Hoe is dan het verband tusschen kunstenaarwijsgeer en maatschappij;
+denkt hij, al speculeerend, daarbij aan hen die van zijn werk kennis
+zullen nemen, met andere woorden, stelt hij zich in dienst van zijn
+medemenschen?
+
+--Dat vind ik een aardige vraag. Het is juist een vraag die dikwijls
+mijzelf bezighoudt, maar waarop een tweevoudig antwoord moet worden
+gegeven:
+
+Het eerste antwoord is, dat ik mij verklaar tegen alle wijsgeerig
+aristocratisme, dat alleen aan zichzelf denkt.
+
+En het tweede antwoord is, dat in hoogsten zin toch de wijsgeerige
+beschouwing, en het geheele denkerschap, een innerlijk heiligdom
+betreedt van het gemoed--waar zij ontoegankelijk is voor een ander.
+
+Laat ik nu het eerste antwoord een beetje verbreeden: Het denkerschap
+heeft een roeping voor de maatschappij, nu wel niet in den preciezen zin
+van het woord, maar toch wel voor een zoo breed mogelijke groep van
+intellectueel gezinden. Ik geloof dat wijsgeerige beschouwingen
+helderheid kunnen geven, licht kunnen brengen aan veel meer geesten dan
+op het oogenblik daar nog van genieten. Ik zou er zelfs voor zijn, om
+bij het onderwijs aan de H.B.S. en het gymnasium te beginnen met het
+doceeren van wijsgeerige gedachtengangen. Op het gymnasium kan dat zeer
+goed door een uur vrij te maken voor de studie van de Grieksche
+wijsgeeren, en ook op de H.B.S. kan men met de kapitaalste figuren uit
+de geschiedenis der wijsbegeerte kennis maken. Dan moest men eenvoudig
+maar iets van het andere onderwijs opgeven, daar kan men wel wat van
+missen! Men zou bijv. de hoofdgedachten uit de "Kritik der reinen
+Vernunft" in de hoogste klassen van de H.B.S. kunnen toelichten. Er zou
+belangstelling kunnen gewekt worden voor Socrates, voor Cartesius, voor
+Spinoza en voor Kant--men zou desnoods kunnen werken met een gedeelte
+van de klassen, waarin zich belangstelling voor het intellectueele had
+geopenbaard, om zoodoende zooveel mogelijk aan een ontwikkelde
+meerderheid een begrip bij te brengen van intellectueele waarheden.
+
+U ziet dus, dat het mijn bedoeling niet is, de wijsbegeerte af te
+zonderen voor een kleine groep. Maar boven deze ontwikkelden zal er
+blijven een speculatief gezinde minderheid, die zelf ook arbeidzaam kan
+zijn in het behandelen van wijsgeerige vragen, die zelf het denken meer
+als kunst zal kunnen behandelen. Dat is de groep die een eigen
+scheppingsdrang voelt en dezen niet slechts in kunst- en andere werken,
+maar ook in gedachtengangen wil omzetten, menschen die een enorm
+levensgeluk kunnen ontleenen aan hun actief-wijsgeerige belangstelling.
+Menschen die met goede leiding heel wat gedaan kunnen krijgen, terwijl
+ze nu in het onbestemde ronddwalen. Zoo meen ik zeker dat de
+wijsbegeerte nog heel wat meer kan doen voor de verheffing van zekere
+lagen der maatschappij dan ze tot nu toe gedaan heeft.
+
+Maar ten slotte--en nu kom ik weer aan het tweede antwoord,--zal toch
+weer de wijsbegeerte zijn het denken voor de denkers zelf, die op de
+Pyramide een hoogere trap bereikt hebben, dan waarop de meerderheid zal
+kunnen komen.
+
+Ik meen echter, dat de kunst al zooveel meer toegang zich verschaft
+heeft tot een grooter publiek dan er voor jaren was en ook de
+letterkunde, de poëzie en de dramatiek al zooveel meer gedaan hebben
+voor de geestelijke opvoeding van ons geslacht, dat hierin een
+aanwijzing ligt, dat ook de wijsbegeerte meer kan doen. En daarom
+begroet ik ook zulke inrichtingen als de Volksuniversiteit te Amsterdam,
+waar ik zelf ook les zal geven, met dankbaarheid.
+
+Men ziet hieruit, dat naar mijn meening de wijsbegeerte van het
+innerlijke uit hervormingen zal verwekken, die misschien meer resultaat
+hebben voor den geestelijken bloei van ons vaderland dan oeconomische
+hervormingen. Niet dat ik die laatste gering schat natuurlijk, maar mijn
+liefde tot het geestesleven maakt, dat voor mij altijd weer de nadruk
+valt op de eerste.
+
+Wanneer de wijsbegeerte zich niet open wou stellen voor een grootere
+schare, maar een apart bezit werd voor enkelen, die haar zorgvuldig
+omsloten hielden met hun zelfbewustzijn, dan kregen we heel licht een
+quasi wijsgeerige cultuur van velen, die zich de enkelen willen
+wanen--wat het Nietzscheanisme bij de Duitschers is--die ieder meenen
+dat zij den Uebermensch zijn--_omdat zij de scheidingslijn tusschen
+intellect en menigte met voorliefde trekken inplaats van met zekere
+teleurstelling_.
+
+--Hoewel mijn gastheer--wat trouwens wel uit keus en geest zijner
+woorden voelbaar is--zeer rustig en met slechts weinig nuanceering in
+stem en toon sprak, klonk uit deze laatste woorden weemoed genoeg om
+mijn volgende vraag te motiveeren en deze luidde:
+
+--Is het echter bij deze opvatting niet te vreezen, dat men zich zal
+laten verleiden tot een al te populairen zeggingsvorm, waarin dan de
+wetenschappelijke juistheid te loor gaat?
+
+Neen--er is een zekere artistiek wijsgeerige bewoording, waarin aan de
+waarde der idee niets wordt afgedaan, maar wel een toegankelijkheid voor
+een grooter kring wordt geopend. De schoone vorm is voor velen, die
+anders van het abstract gehouden woord een zekeren afkeer hebben, het
+middel tot toenadering. Mijn ideestudies zijn niet strikt wijsgeerig,
+maar het innerlijk gehalte is het toch wel. Er is bij velen de
+mogelijkheid om zich in de centrale gedachte in te denken, zonder dat
+het geheele stelsel voor hen toegankelijk is. Deze menschen hebben meer
+intuïtief vermogen van speculatie dan zij didactisch vermogen hebben,
+maar ze zijn dan toch in de wijsgeerige cultuur mede inbegrepen. Een
+minder stelselmatige en meer artistieke voordracht kan toch hebben de
+hoogte of de diepte der idee die wordt benaderd. Ik geloof dat er veel
+meer menschen dan men vermoedt vatbaar zijn voor zelfbezinning en dat
+dit niet zoozeer een prerogatief is voor enkelen!
+
+Het hangt allemaal af van de aanwezigheid van beschouwelijk temperament.
+Ik kan niet beoordeelen of dit beschouwelijk temperament in onze
+beschaving veel of weinig voorkomt. Het komt zeker veel voor bij
+menschen van wie men het niet weet. Men weet het alleen van menschen die
+zich uiten, niet van menschen die zich beschouwen. Althans, de
+hoogstrevendheid van het willen om wereld en leven te bezien vanaf de
+berghoogte--deze hoogstrevendheid is wel een innig-menschelijke behoefte
+en een innig-menschelijk belang; en moet dus wel aanwezig zijn bij meer
+menschen dan van wie men het merkt. En zoo vermoed ik dat er wel een
+grooter kring van bewoners dezer maatschappij aanwezig zal zijn, die
+vatbaar zal zijn voor het wijsgeerig woord.
+
+--Ik merkte op dat ik thans aan de grens was gekomen van hetgeen voor
+mijn enquête, die immers hoofdzakelijk van letterkundigen aard is, van
+nut kon worden geacht, maar hij verzocht mij aan al hetgeen hij had
+gezegd eigener beweging iets te mogen toevoegen, dat ook verband hield
+met mijn gedachtengang.
+
+--Het pessimisme, zoo zeide hij, is in de negentiende eeuw vrij algemeen
+de grondstemming geweest. Ik geloof dat ieder denker het pessimisme
+heeft doorgemaakt, dat zeer vele gemoederen in het pessimisme zijn
+blijven steken. Ik weet echter, dat zij die erin terecht zijn gekomen,
+in de wijsgeerige speculatie een kracht hebben om zich er uit te heffen.
+Dat slaat niet alleen op het stemmings-pessimisme van een voorafgaande
+periode of het Schopenhaueriaansch pessimisme dat een levenshaat tot
+inhoud heeft, maar ook en nog meer op het intellectueel pessimisme dat
+men sceptiek noemt. Want dat is eigenlijk de meest knagende vorm van
+pessimistischen gemoedsaard, die zekere sceptiek, waarbij men zich eigen
+gedachten niet vertrouwt, altijd zichzelf weerlegt, nooit met zichzelf
+in het reine komt, altijd als het ware achter zijn eigen gedachten gaat
+staan om die voor louter subjectiviteit uit te krijten. Dit
+intellectueel pessimisme wordt overwonnen, zoodra onze geestelijke
+energie zichzelf erkent, van zichzelf uitgaat en daarmede een vast punt
+heeft dat onverzettelijk is. Ik heb in mijn werk _De Weg tot het
+Inzicht_ ook niets anders bedoeld als den weg te wijzen tot dit vaste
+punt, als het denken--niet over allerlei onderwerpen, maar over
+zichzelf. Als toch het denken zichzelf erkent, erkent het meer dan eigen
+zielsinhoud: het erkent zijn eigen grond. Die grond is een cosmisch
+feit. Van daaruit kan het Denken het leven veroveren en met dat
+zelfbezit is pessimisme en sceptiek overwonnen. Zoo heeft de
+wijsbegeerte des te meer een cultuur-beteekenis voor het moderne
+geslacht der menschen.
+
+Naar mijn meening vindt het geheele geestesleven zijn hoogtepunt in de
+religie, die niet de kerkelijke is en ook niet een aantal dogmen
+verkondigt, maar is het bewuste een-zijn met den wereldgrond, met God,
+dat wil zeggen: de innerlijke beleving van de waarheid zelf. Daardoor
+voelt de mensch verwantschap met de religies, zooals ze zich in de
+historie hebben voorgedaan. Daardoor zondert het wijsgeerig denken zich
+niet af tot een aparte cultuur, maar sluit zich geheel aan bij de
+religieuze cultuur aller eeuwen.
+
+Het hoogste woord onzer wijsheid zal wel zijn de vereering, de eerbied
+voor God. Ik ben niet bang voor een verkeerde opvatting bij het woord
+God: het is beter dat men er een naïeve opvatting bij heeft dan
+heelemaal geen. Het zich los voelen en apart voelen uit het wereldgeheel
+is het noodlottigste sentiment: dat is de machteloosheid, dat is de
+onvrijheid. Het bewustzijn der eenheid met God is de vrijheid. Daarom
+eindigt Spinoza zijn Ethiek ook met de verheerlijking van de geestelijke
+liefde tot God als hoogste levensmoment.--
+
+Hier eindigde ons gesprek, voor zoover het betrekking had op den trek
+van Kunst naar Bespiegeling, die niet alleen voor Bierens de Haan maar
+tevens voor het geestelijk leven in ons land zoo kenmerkend is. Het
+overige gaat buiten den lezer om. Maar één eigenaardigheid moet ik nog
+vermelden. Ik had dien namiddag enkele uren door te brengen in het
+gezelschap van een veertigtal woelige en ongevormde Hoogere Burgers en
+-burgeressen. Het is opmerkelijk dat zulke ongecultiveerde jongelui,
+zoodra ze in een _groep_ zijn vereenigd, volkomen onbewust voelen of ge
+u zelf zijt of niet. Door hun gedrag vertellen ze u of ge vermoeid zijt
+of afgetrokken, en menig leeraar raakte het stuur over zijn klasse kwijt
+door _buiten_ zichzelf te treden. Welnu, mijn jongelui toonden dien
+middag bijna ademlooze aandacht voor het weinigje dat ik hun mocht
+voordragen, en ik weet zeker dat dit is toe te schrijven aan den moed en
+zekerheid die ik uit dit gesprek had geput.
+
+We spraken dus en ten slotte vroeg ik hem wat toch de beteekenis is van
+'t beeldhouwwerk aan zijn schoorsteenmantel. Hij deelde het mij mede, en
+een beschrijving van zijn (weliswaar niet huiselijken, doch
+persoonlijken) haard moge niet alleen dit opstel, maar ook het relaas
+van geheel mijn onderzoek besluiten en symboliseeren:
+
+De hooge schouw is omgeven door een eikenhouten lijst, waaruit, te
+weerszijden, het borstbeeld van een Faun en een denkerskop te voorschijn
+treden. Zij kijken elkander aan over den haard van mijn gastheer, maar
+men weet niet of ze elkander wel zien. De Faun heeft het oog gericht op
+een figuur, bestaande uit twee dooreengevlochten driehoeken in een
+cirkel. Hij stelt voor de natuur in haar dubbel-karakter van grilligheid
+èn planmatigheid. De denkerskop (hij gelijkt iets op Goethe in zijn
+laatste jaren) ziet uit naar een stralende ster: hij stelt voor het
+geestesleven, door het geestelijk Licht bestraald. Tusschen beide
+borstbeelden slingeren guirlandes over den houten lijst, die elkander
+halverwege in een vlammend altaar--den wereldhaard--boven den
+menschelijken haard ontmoeten. Achter den Faun (in een afzonderlijk vak)
+prijkt een boom, de natuurkracht; achter den Denker de duif met aureool,
+aldus de geestelijke bezieling voorstellend.
+
+Deze schouwlijst wordt geschraagd door zandsteenen zuiltjes, waaruit de
+kop van den denker Plato en de kop van den dichter Dante te voorschijn
+komen en de kamer in staren.
+
+Het moet schoon zijn, zijn haard te vestigen tusschen natuurkracht en
+geestelijke bezieling, wanneer die beiden elkander in een vlammend
+altaar ontmoeten.
+
+Moge onze Nederlandsche cultuur zich harmonisch en wel-bewust
+ontwikkelen volgens dit symbool. Dan staan wij schrap tegenover
+geestelijke vijanden die onze cultuur bedreigen--gelijk onze duinen,
+waar deze ménschelijke haard geplant is, schrap stonden en staan tegen
+een materiëelen belager.
+
+Kerstmis 1913.
+
+
+BIBLIOGRAPHIE:
+
+De psychische afkomst van het oorzaakbegrip. Een studie tot kennis van
+menschelijk denken (1895)--De norm der waarheid is in onszelf
+(1897)--Idee-studies (1898)--Levensleer naar de beginselen van Spinoza
+(1900)--Plutarchus als godsdienstig denker. Een gestalte uit de
+Grieksch-Romeinsche godsdienstgeschiedenis (1902)--Wijsgeerige studies
+(1904)--De weg tot het inzicht, eene inleiding in de wijsbegeerte
+(1909)--Uren met Spinoza, een keur van stukken uit zijne werken,
+vertaald en met een inleiding en aanteekeningen voorzien (1913).
+
+
+
+
+INHOUD
+
+ Ter Inleiding
+ Johan de Meester
+ Karel van de Woestijne
+ Josine A. Simons-Mees
+ Cyriel Buysse
+ Frans Bastiaanse
+ Herman Robbers
+ Is. Querido
+ Carel Scharten
+ Adama van Scheltema
+ P.N. van Eijck
+ Dr. J.D. Bierens de Haan
+
+
+
+
+ILLUSTRATIËN
+
+ Frontespiece: Louis Couperus
+ Johan de Meester
+ Karel van de Woestijne
+ Cyriel Buysse
+ Id. Op het balkon van zijn werkhuis
+ Frans Bastiaanse
+ Id.
+ Herman Robbers
+ Id.
+ Carel Scharten.
+ Id.
+ Adama van Scheltema
+ Id.
+ P.N. van Eijck
+ Dr. J.D. Bierens de Haan
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of De jongere generatie, by E. D'Oliveira
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE JONGERE GENERATIE ***
+
+***** This file should be named 10514-8.txt or 10514-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/0/5/1/10514/
+
+Produced by Miranda Van de Heijning, Eric Casteleijn en de
+PG Distributed Proofreaders.
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's
+eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII,
+compressed (zipped), HTML and others.
+
+Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over
+the old filename and etext number. The replaced older file is renamed.
+VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving
+new filenames and etext numbers.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000,
+are filed in directories based on their release date. If you want to
+download any of these eBooks directly, rather than using the regular
+search system you may utilize the following addresses and just
+download by the etext year.
+
+ https://www.gutenberg.org/etext06
+
+ (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99,
+ 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90)
+
+EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are
+filed in a different way. The year of a release date is no longer part
+of the directory path. The path is based on the etext number (which is
+identical to the filename). The path to the file is made up of single
+digits corresponding to all but the last digit in the filename. For
+example an eBook of filename 10234 would be found at:
+
+ https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234
+
+or filename 24689 would be found at:
+ https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689
+
+An alternative method of locating eBooks:
+ https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL
+
+
diff --git a/old/10514-8.zip b/old/10514-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..5937608
--- /dev/null
+++ b/old/10514-8.zip
Binary files differ
diff --git a/old/10514.txt b/old/10514.txt
new file mode 100644
index 0000000..0730af5
--- /dev/null
+++ b/old/10514.txt
@@ -0,0 +1,6890 @@
+The Project Gutenberg EBook of De jongere generatie, by E. D'Oliveira
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De jongere generatie
+ Gesprekken met vertegenwoordigers van de nieuwere richting in onze
+literatuur; tevens een enquete naar enkele beginselen in ons nationaal
+geestelijk leven.
+
+Author: E. D'Oliveira
+
+Release Date: December 22, 2003 [EBook #10514]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO Latin-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE JONGERE GENERATIE ***
+
+
+
+
+Produced by Miranda Van de Heijning, Eric Casteleijn en de
+PG Distributed Proofreaders.
+
+
+
+
+[Transcriber's Note: Spelling, accents, use of quotation marks and
+hyphenation are terribly inconsistent throughout the source text, and
+have been left as they were. Only obvious printing errors have
+been fixed.]
+
+
+
+
+"DE JONGERE GENERATIE"
+
+door
+
+E. D'OLIVEIRA
+
+
+(VERVOLG OP "DE MANNEN VAN '80")
+
+
+GESPREKKEN MET VERTEGENWOORDIGERS VAN DE NIEUWERE RICHTING IN ONZE
+LITERATUUR; TEVENS EEN ENQUETE NAAR ENKELE BEGINSELEN IN ONS NATIONAAL
+GEESTELIJK LEVEN
+
+
+GEILLUSTREERD
+
+
+[Illustratie: LOUIS COUPERUS]
+
+
+
+
+TER INLEIDING
+
+
+Toen ik den tweeden druk van mijn "Mannen van Tachtig" de wereld in
+zond, hoopte ik, in de hier volgende bladzijden een samenvatting te
+kunnen geven van hetgeen mijn onderzoek naar sommige beginselen van
+onze nieuwere literatuur mij had opgeleverd. Helaas, het gaat niet! De
+medewerking van enkele representatieve personen, met name van Mevrouw
+Henriette Roland Holst en van Herman Gorter, werd mij onthouden.
+
+Ik zal hier niet beoordeelen in hoeverre hun weigering gemotiveerd is
+tegenover de algemeen erkende objectiviteit, die ik bij het weergeven
+van hetgeen anderen mij wilden mededeelen heb betracht, tegenover de
+onpartijdigheid die bovendien uit den geheelen opzet van mijn werk
+logisch volgt en--tegenover de opoffering van ... persoonlijke
+gevoeligheden welke anderen (en geen mindere goden!) zich hebben
+getroost, toen ze mij te woord stonden. Ik berust. Zelfs in het verbod
+van Gorter om--wie had 't ooit gedacht!--de redenen van zijn afwijzende
+beschikking te vermelden.
+
+Daar echter de socialistische kunstenaars van deze school een
+belangrijke functie vervullen in het schema van ons geestelijk leven dat
+mij voor den geest zweeft, ontbreken mij de gegevens om, althans op
+grond van dit boek, de ontworpen samenvatting uit te werken. O ja, ik
+hoor 't al, uit hun _oeuvre_ is voor mijn doel heel veel op te maken,
+doch, zooals de lezer uit de inleiding van "De Mannen van '80" weet,
+daar was het mij in dit geval niet om te doen. Men zal mij echter niet
+het gebruikelijke verwijt kunnen maken, dat ik deze richting in onze
+literatuur heb willen negeeren. Integendeel, veel van wat ik zoek
+groepeert zich om die richting--al schat ik in dit geval de
+persoonlijkheden--wel te onderscheiden van de individueele
+hebbelijkheidjes--hooger dan de school.[1] Misschien was ik verder
+gekomen als ik dit niet had gezegd, maar het toch had gedaan.
+
+Intusschen, de lezer, die, behalve een inleiding in het geestesleven en
+de gemoedshouding van de hier behandelde auteurs, ook een blik op het
+geheel zoekt, behoeft dit werkje niet teleurgesteld opzij te leggen.
+
+Het zal hem weldra duidelijk worden, dat er eenig verschil is tusschen
+deze "interviews" (sit venia verbo!) en de oudste opstellen in "De
+Mannen van '80". Wel heb ik mijzelf ook nu op den achtergrond gehouden,
+al heb ik mijn persoonlijke indrukken hier en daar met een lichteren en
+slechts in schijn oneerbiedigen toets neergezet. Maar ik heb, waar dit
+pas gaf, mijn vragen en de verkregen antwoorden in onderling verband
+beredeneerd, scherper dan voorheen gezegd: waarom ik een bepaald antwoord
+onvoldoende achtte en in een bepaalde richting heb voortgestuurd. En zoo
+zal het den opmerkzamen lezer--vlei ik mij--toch wel duidelijk worden,
+welke meening ik mij in den loop van het onderzoek over personen,
+temperamenten, richtingen, heb gevormd.
+
+Echter zou ik mijn taak niet volbracht achten, indien ik hier niet
+kortelijk aanduidde, over welke hoofdpunten de meeste gesprekken loopen
+en bovendien: wat er vaak nog uit halve en ontwijkende antwoorden is te
+"halen"; in het algemeen, hoe men naar mijn inzicht de antwoorden heeft
+te lezen.
+
+Wat het eerste betreft, de uiteenzetting van persoonlijke omstandigheden,
+waarmede de meeste schrijvers hun verhaal aanvangen, is een antwoord op
+de vraag: hoe en wanneer hun bewust werd dat zij eens als taalkunstenaar,
+dat is als leidsman, zouden optreden.
+
+Dit is een moment van groote psychologische beteekenis: Weet de
+representatieve persoonlijkheid reeds in zijn eerste jeugd dat hij
+publicist (in hoogeren zin) zal worden? Wat is in hem primair: een
+zekere wereldkijk, een bepaalde overtuiging die tot uiting dringt; of
+wel: een min of meer onbepaald vormgevend, dat is poetisch vermogen, dat
+naar een inhoud smacht? Op welke wijze hebben zich Idee en Kunstenaars-
+aanleg in zijn latere ontwikkeling verstaan? Zijn ze harmonisch versmolten?
+Trachten ze nog steeds naar een ontmoeting? Stooten ze elkander af? Heeft
+de een den ander aan zich ondergeschikt gemaakt?--deze elementen (de lezer
+voelt het) zijn beslissend voor den aard van zijn werk, voor de mindere of
+meerdere mate waarin hij een eigen stijl zal bereiken en den algemeenen
+stijl van zijn volk zal leiden.
+
+Naast deze vraag van algemeene strekking--en ook in verband met haar--is
+voor ons doel van belang de speciale vraag: In hoeverre onze schrijvers
+beinvloed zijn door de beweging van '80, die, van huis-uit een cultuur-
+verschijnsel meer dan een literatuur-verschijnsel, voor ons nationaal
+geestelijk leven het begin is geweest van een nieuwe strooming, die wel
+eens op iets groots zou kunnen uitloopen--dat dan echter niet veel op
+zijn verwekker zal gelijken.
+
+Hierbij sluit zich direct aan de vraag: hoe men deze beweging definieert.
+Slechts zij, die in de tijden van twijfel aan hunne blinde gemoedsdrangen
+den tragen maar veiligen gids van de wijsgeerige scholing hebben
+toegevoegd, zullen hierop een afdoend antwoord gereed hebben. Hebben zij
+ook wellicht in de halle van 1880 op menig kronkelpad gedrenteld en
+gedwaald, zij verlaten haar met opgeheven hoofde door de poort, waardoor
+zij haar gebukt of wankelend of in een roes voor het eerst betraden.
+
+Hierop volgt dan de vraag, of men een eigenlijke levensovertuiging uit
+de literatuur van '80 heeft kunnen putten en welke levenshouding men
+daarna heeft veroverd. Hoe staat men tegenover de leuzen van de
+socialistische kunst, die een tijdlang zoovelen in principe of in feite
+hebben bekoord--totdat de practijk van den politieken strijd kentering
+en afscheiding bracht?
+
+Deze vraag lost zich op in eene, die ik van wijder strekking acht (en
+natuurlijk weet ik, dat velen dit niet met mij eens zijn), nl. deze:
+Is de tot levensleer-vertolker uitgegroeide taalkunstenaar in wezen een
+voorganger van zijn volk? (Afgezien dus van klasseverhoudingen.) En zoo
+ja, is het dan niet zijn taak, zijn persoonlijkheid vrij te manifesteeren
+en al wat hij in kunst geeft te bezielen met zijn hoogere zelf-kennis
+--welke wereld-inzicht werd, van het oogenblik dat hij had doorschouwd
+de duistre drangen zijns gemoeds--even onbetrouwbaar en aanmatigend,
+even onbewust en beweeglijk als De Massa? Of: moet hij zijn
+persoonlijkheid "overwinnen" en de gevoelens van de massa vertolken?
+Of: kan hij meenen dat zijn intiemste innerlijkheid in de belijdenis
+van het proletariaat bevestiging en volmaking vindt? Of: wenscht hij
+zijn persoonlijkheid--alsdan voor de verandering "persoonlijk gedoe",
+oftewel "ik-heidje" gedoopt--te offeren om de massa tot zijne hoogte
+langs wegen van strijd op te voeren;--in het midden latend of hij
+geroepen is om de menschheid door rustige ontwikkeling van zijn Ik ook
+grootere diensten te bewijzen? En, als hij dan klasse-kunst wil geven,
+miskent hij daarmede niet de mystieke banden, die hem aan taal en oude
+cultuur van zijn volk binden? om van een proletariaat dat--helaas--nog
+nauwelijks wat geleende cultuur bezit een "nieuwe philosophie" te
+leeren? Of gunt hij de massa gaarne alle goeds en draagt daartoe, waar
+hij mag, vol vreugde het zijne bij (maar het mag niet vaak)
+tegelijkertijd beseffend dat de ethisch nog verre van bewuste massa
+(op haar best) onmogelijk de draagster kan zijn van de wijsheid der
+toekomst? Of gelooft hij, ten slotte, dat Kunst en Massa elkander niet
+verdragen, en elk een eigen weg hebben te zoeken?
+
+Ziehier dan de themata, welke in velerlei nuanceering door deze
+gesprekken loopen. Ziehier de vragen, die door sommigen volgaarne
+beantwoord, door anderen ontweken werden. In het laatste geval maken de
+pogingen van den ondervrager om, binnen de grenzen der beleefdheid,
+maar een enkel maal met een zorgvuldig beraamde psychologische
+kunstgreep "het slachtoffer" in zijn baan te brengen, een element van
+spanning in deze opstellen uit. Overigens is de practische
+levenswijsheid, dat men altijd veel plaats moet laten voor het
+onvoorziene, voor "le grand imprevu", hier gaarne toegepast.
+
+Maar zelfs indien ik in sommige quaesties niet of slechts ten deele
+slaagde, zijn de verkregen antwoorden van meer belang dan men
+oppervlakkig lezend zou vermoeden. Een glimlach, een gebaar, het tempo
+waarin een kwinkslag wordt voorgedragen zeggen hier en daar meer dan
+woorden zouden zeggen. Dit is de tweede hoofdzaak die ik wilde
+toelichten en ik zal dit doen aan de hand van een concreet voorbeeld,
+dat het toeval mij in handen speelde.
+
+Louis Couperus, de meest on-Hollandsche Hollander die ooit bestaan
+heeft, naar men weet, had mij toegezegd, over mijn vragen van Florence,
+later van Muenchen uit, met mij te correspondeeren. Een "interview" per
+post, in de achttiende eeuw alledaagsch, in onzen tijd iets pikants. Ik
+legde hem, op zijn verzoek, mijn vragen voor. Ik geef 't toe, ze zijn
+niet malsch, en een overigens aller-charmantst beoordeelaar van mijn
+"Mannen van '80" heeft ze mij dan ook al cadeau gedaan, waarmede ik zeer
+was ingenomen. Couperus echter werd door ik weet niet welk on-Hollandsch
+spot-duiveltje gekitteld, en toen schreef hij mij een "Korte Arabeske",
+waaruit ik, met zijn toestemming, den lezer enkele brokjes zal toonen,
+nadat ik hem verwezen heb naar het portret met opdracht, aan het begin
+van dit boekje afgedrukt.
+
+"Het is maar goed dat u mij niet in Muenchen is komen bezoeken,--vergeef
+mij, zoo u dit onhoffelijk klinkt, want waarlijk, ik zou aan uw vele,
+successievelijk te beantwoorden vragen ergens door een geheime deur zijn
+ontsnapt! Toch wil ik u nu, per brief, wel het een en ander zeggen, ook
+al lijkt mij een categorische antwoordenlijst op uw vragenlijst wel van
+meet aan uitgesloten."
+
+Ik heb echter niet gezonden een "vragenlijst", maar een papier met
+eenige vragen er op, en een verzoek, dit te beschouwen als een leiddraad
+(het staat er nog eens met kapitale letters boven!)[2] Nog veel minder
+heb ik om een categorische antwoordenlijst gevraagd. Zelfs gezegd--ik
+ken u, o Couperus--dat ik met een antwoord op enkele vragen, of met
+korte aanduidingen al wat blij zou zijn. _Conclusie_: Overdreven
+zwaartillendheid waar het enkele streng-intellectueele formuleeringen
+geldt, echter door een kwinkslag bewimpeld.
+
+Dat was de opgaande krabbel, waarmee de arabesk begint. Nu volgt een
+kronkelende neerhaal:
+
+"Werkelijk, ik heb over de meeste dingen die u mij vraagt nooit
+nagedacht; eigenlijk denk ik nooit na en laat ik mij leven volgens mijn
+gevoelens, want ik geloof dat ik meer voel dan denk. Welnu, hoe zal ik
+dan hierover uitweiden? U vindt alles, wat misschien licht kan ontsteken
+over mijn persoonlijkheid, in mijn boeken, te meer omdat ik mij in die
+boeken eigenlijk geheel geef als ik ben en u dus, zoo u ze aandachtig
+leest, mijn eigen analyse daar vindt en dan in een kunstvoller en
+eigenaardiger wijze dan ik u nog zou kunnen geven, in brief of zelfs in
+interview.
+
+"Ik zou u dus willen verzoeken, zoo u over mij schrijven wilt, lees mij
+over, want ik ben ijdel genoeg te denken, dat u mij reeds gelezen
+heeft."
+
+_Conclusie_: Een zich laten drijven op gevoelens, als gewoonlijk
+slechts volgt op en de consequentie kan zijn van een mislukt trachten
+naar een wijsgeerige of psychologische levensbeschouwing. Tien tegen
+een, of de schrijver denkt, terwijl hij dit neerschrijft, reeds aan een
+definitieve wending in zijn levenslijn. En zoowaar, hier volgt nu de
+tweede ophaal van de arabesk, scherper, beslister, strakker dan de
+eerste:
+
+"En vindt u dat overlezen een "mer a boire", dan zou ik u willen raden,
+begin met te lezen mijn feuilletons in het "Vaderland"--reeds in enkele
+bundels uitgegeven--en zoek daarna in mijn romans den auteur die er zich
+toch zoo weinig verbergt. Ik ben overtuigd dat u mij vinden zult."
+
+De overgang "en vindt u dat overlezen een "mer a boire"" is onwezenlijk.
+Het komt aan op de onderscheiding, die hier gemaakt wordt, tusschen het
+oudere werk (hier aangeduid met het woordje "mij") en de feuilletons in
+"Het Vaderland", die hier en daar aan een doorloopend interview doen
+denken, en waar Couperus zich _rechtstreeks_ geeft, terwijl hij zich in
+de romans alleen maar "niet verbergt". _Conclusie_: Hier is inderdaad de
+wending in de levenslijn die wij voelden aankomen.
+
+En nu volgt de tweede neerhaal van de arabesk, een breed gelijnde boog,
+die aan den eersten neerhaal parallel en in een zachte krul, die het
+geheel omslingert, verloopt.
+
+"Wanneer u dezen arbeid te zwaar vindt voor het doel, een studie over
+mij te schrijven ... wel, dan moet ik u antwoorden, dat wat ge van mij
+vergt nog veel zwaarder arbeid voor mij zou zijn en dat een antwoord op
+uw vragen mij wel mijn geheele overige leven zou kunnen bezighouden. U
+zult mij dus vergeven, dat ik u het werk opdraag, dat u mij zoudt
+willen opdragen, tevens overtuigd, dat, zoo u dien arbeid op u wilt
+nemen, veel eer tot uw doel zult geraken, het een en ander van mijn
+innerlijk en zelfs uiterlijk bestaan te weten te komen. En ik hoop
+hartelijk, dat u dit zeer ernstig bedoelde schrijven niet te veel als
+die eene geheime deur zult beschouwen."
+
+_Conclusie_: De schrijver komt min of meer terug op zijn eerste
+verklaring. Hij vindt dat hij mij wel heeft beantwoord. Hij laat zich
+ook niet zoo uitsluitend op zijn gevoelens drijven, want hij weet nu al,
+dat de beantwoording van mijn vragen--waarover hij niet zou hebben
+nagedacht--zijn heele overige leven zou kunnen vullen (niet vervullen
+natuurlijk)--zooveel verschieten openen zich hem, enkel bij de
+onderstelling dat hij er over zou gaan denken. Hij zou dan een zwaarder
+taak op zich laden dan de ondervrager zou doen, dien hij om zijn
+schijnbaar wat mathematische denkwijze lichtelijk in 't ootje neemt.
+Derhalve: Op het zoeken naar een levensleer is gevolgd een bewust en
+moedwillig geborneerd zich opsluiten in eigen kring, waarbij echter een
+ononderbroken "Begriffsdichtung" in de toch bestaande behoefte aan een
+geestelijk steunsel komt voorzien.
+
+Had ik ongelijk, toen ik hier van een "Korte Arabeske" sprak? Is uit dit
+antwoord, dat, ik erken het, ik eerst mismoedigd in mijn la liet
+fladderen, niet veel te leeren dat bij lectuur van Couperus' werk als
+leid-hypothese zou kunnen dienen?
+
+Kortom, al heb ik sommigen, die ik hoogelijk waardeer, niet kunnen
+bereiken--maar waartoe die lijdensgeschiedenissen hier opgehaald?--al
+weet ik ook heel goed, dat nog wel enkele persoonlijkheden, maar dan
+meer op zichzelf staande figuren, voor opname in deze verzameling zijn
+aan te wijzen (waar is 't eind'?)--wanneer men dit boekje leest in den
+geest, dien ik boven heb ontvouwd, dan zal men niet alleen nader komen
+tot vertegenwoordigers van de voornaamste richtingen, maar ook
+onopzettelijk overzicht erlangen van de geschiedenis onzer nieuwere
+literatuur.
+
+En ten slotte hoop ik dat de lezer met mij zal gevoelen en steeds beter
+zal gevoelen, dat de omgang met groote mannen en vrouwen, in zooverre
+als ze groot zijn, altijd vormend en bemoedigend werkt en niet zonder
+scha kan worden ontbeerd. Het is dan ook mijn liefste wensch, dat mijn
+arbeid in handen moge komen van jongeren die in het leven houvast
+zoeken.
+
+D'OLIVEIRA.
+
+Hilversum, Oudejaarsavond 1913.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[1] De heer Heijermans heeft mij wel te woord gestaan, maar toen een
+eerste fragment van het interview in "Den Gulden Winckel" was
+verschenen, uitte hij aan mijn adres eenige beschuldigingen, die mijn
+roep van ernstig onderzoeker en getrouw weergever te na kwamen. Een
+vriendelijk voorstel om over deze beschuldigingen het oordeel van een
+scheidsgerecht uit te lokken, beantwoordde hij met een epistel dat in
+cynische onheuschheid zijn weerga zoekt. Hoewel H's klachten door den
+heer Simons zijn onderzocht en ongegrond bevonden, druk ik het interview
+niet af: 1 deg. om te toonen dat ik geen kwade bedoelingen had; 2 deg. omdat ik
+mijn boek, dat een hoog cultureel doel nastreeft, niet wil blootstellen
+aan verdere merkwaardigheden van den heer H., die weliswaar eventueel
+slechts op een hoofdstuk gemunt zouden zijn, maar onvermijdelijk het
+geheel zouden treffen.--De Ver. v. Letterk. heeft de zaak in handen.--
+
+[2] Woordelijk hetzelfde stuk werd gezonden aan Carel Scharten. En wat
+zegt deze in den aanhef van zijn brief?
+
+
+
+
+JOHAN DE MEESTER
+
+[Illustratie: JOHAN DE MEESTER naar een krijtteekening van zijne
+dochter, Annie de Meester]
+
+
+(* 6 FEB. 1860)
+
+Hij is nu heelemaal niet zoo als ik hem mij had voorgesteld: Niet zwaar
+in zijn bewegingen, niet provinciaal in zijn kleeren, niet melancholiek,
+niet stroef. Het is een genot bij hem gast te zijn. Zijn Medoc wordt
+geuriger door de vriendelijkheid waarmede hij ze aanbiedt en de
+kwistigheid waarmede hij ze zelf geniet, en men kan zijn Henry Clay's
+niet weigeren, al rookt hij niet mee, want voordat ge dit laatste hebt
+begrepen, is hij, rad sprekend en druk gesticuleerend, al aan de pointe
+van een interessante gebeurtenis uit zijn rijke ondervinding. Hij is een
+geroutineerd gastheer, hij geeft onweerstaanbaar leiding aan het
+gesprek. Ik ben gekomen om te luisteren en hij brengt me aan het praten
+over mijn beroepsbezigheden, over congressen die ik heb bijgewoond. Hij
+is in de conversatie nooit onverschillig toehoorder. Hij volgt mij zeer
+oplettend, en zijn vragen, langzaam, aarzelend begonnen,--dan eensklaps
+uitloopend in een meesleependen woordenvloed, kerven als het ware in het
+onderwerp, totdat zij het leven er van raken. Zijn stemgeluid doet niet
+aangenaam aan. Men merkt op, dat hij scherp, heesch spreekt, zich nu en
+dan al sprekend overspant, afbreekt met een droge kuch, een flinken
+slok drinkt om zijn keel los te maken. Maar men vergeet dit al spoedig,
+omdat men vol aandacht is voor het merkwaardige verschijnsel, dat hij in
+Hollandsche woorden Fransch spreekt, haastig, haastig, een gedachte
+omspelend met drie, vier zinnetjes die het maar zoo ongeveer doen, dan
+plots zich bedenkend en het buitengewoon nauwkeurig zeggend, met een
+Hollandsche _Derbheit_, die mij bijna te machtig zou worden, als ik er
+niet in voelde een aansturen op niets sparende oprechtheid. Hij denkt
+snel, hij denkt buitengewoon levendig, en als hij een gedachte uit laat,
+worden de andere ideeen, weer door nieuwe volgsters opgedrongen,
+ongeduldig, en hij komt krachten te kort om ze te formuleeren, zoo
+levendig en roerig als hij ze voelt. Dan neemt hij zijn toevlucht tot
+stopwoordjes: "Vreeselijk--heel erg--zoo verschrikkelijk," waarop hij
+langdurig steunt en drukt, om dan met een zetje over te springen op het
+woord dat hij eigenlijk bedoelt en dat daardoor in het spreken een
+ongewoon relief krijgt. Het kost hem moeite zich los te maken van een
+gedachtengang, die hem eenmaal heeft geboeid en ondanks zijn
+converseertalent kan een onderhoud met hem niet verloopen als een spel
+van korte vragen en vlotte, kernachtige antwoorden. Het deelt zich in
+enkele groote vakken in, zware, uitbundig daarheen geworpen
+woorden-massaas, door voorzichtige vraagjes van mij onderbroken.
+
+Nadat hij mij had gedwongen minstens een half uur over mij zelf te
+spreken, een opzettelijke bescheidenheid van 'm, die mij echter menigen
+zweetdroppel gekost heeft, omdat ik vreesde nooit tot het onderwerp te
+zullen komen, verloste hij me uit de onzekerheid, door mij voor te gaan
+naar zijn kamer: "waar u dat lampje van Betlehem ziet branden". Maar
+zelfs daar moest ik ten slotte hem met geweld de leiding ontnemen. Zijn
+zoon bracht hem toen "wat hij hem gezegd had" en dat bleek een flesch
+roode wijn te zijn. En bij die gelegenheid nam ik het besluit, niet te
+dulden dat er nu zou worden gesproken over wijnsoorten--alcohol--
+geheelonthouding--en dan verder in die richting, en vroeg hem zonder
+inleiding, onder welke levensomstandigheden hij was begonnen met
+schrijven en of hij zich daarmede een bepaald doel had gesteld.
+
+Ja kijk, begon hij, ik heb niets van een dichter; ik ben een kerel die
+voor een dichter wil knielen, maar hetgeen er toen in mij gebeurde kunt
+u het best vergelijken met de wijze waarop het gedicht uit den dichter
+zou voortkomen: Ik kreeg behoefte om rekenschap te geven van wat mij was
+wedervaren, en dat heb ik vreeselijk jong gehad. Ik heb hier nog o.a.
+staan een ding met verzen, die ik gemaakt heb zoo tusschen mijn
+dertiende en vijftiende jaar, met Van Rappard, een vriend van mij, die
+jong gestorven is. Het beteekent natuurlijk niets, maar toen zat al in
+mij de behoefte om wat ik doorleefde uit te zeggen.
+
+Dat zit ook zoo'n beetje in verband met de behoefte aan eenzaamheid die
+ik altijd gehad heb. Die Rappard was mijn eenige vriend in het groote
+dorp, waar we toen woonden. We zijn vrienden gebleven tot aan zijn dood.
+Hij was ook eenzaamachtig, net als ik, en we zaten maar altijd samen in
+zijn roeiboot.
+
+In mijn kindschheid woonde ik in Harderwijk, waar mijn vader
+burgemeester was. We hadden er een heel groot huis; daar behoeft men in
+zoo'n stadje niet rijk voor te zijn. Het kamertje waar ik het liefste
+zat was het zoogenaamde knechtskamertje op de zolder. Daar had vroeger
+zeker een knecht gewoond. En ik stelde me voor, ik was nog een heel
+klein kind, dat ik daar op dien eenzamen zolder later _mijn_
+huishoudentje zou hebben! Later heb ik vreeselijk gedweept met Robinson
+Crusoe, maar wat ik eigenlijk nooit kon begrijpen was dat men hem zoo te
+beklagen vond. Ik vond hem veeleer te benijden--zoo lekker alleen op dat
+prettige eiland.
+
+Wanneer je dat in je hebt, dan kom je er vanzelf toe, je altijd
+rekenschap te geven van wat je wedervaart, en dat is _au fond_ mijn
+schrijven geweest. Ik geloof dat het bij een dichter net zoo gaat ...
+niet dat ik zeg dat ik een dichter ben ... ik heb veel te veel bewondering
+voor een dichter.... Het is dus het overdenken van wat je in je hebt en
+dat opschrijven.
+
+Tusschen 1875 en '77, toen ik 16 jaar was, woonden we in Wageningen.
+Mijn moeder was erg orthodox en ik ben als kind ook vroom geweest, en
+nog op mijn dertiende jaar heb ik geld ingezameld voor de zending. Ik
+was toen als externe op een Christelijke school, waar ik het onderwijs
+wat was ontgroeid en privaatlessen kreeg. Ook had ik toen veel vrij en
+maakte groote wandelingen met een kennis die vijf jaar ouder was. Je
+kunt nergens in ons land zulke verschillende wandelingen maken als daar:
+De eene keer heb je de hei en de heuvels met mooie vergezichten en de
+andere keer weer de vruchtbare en vlakke Betuwe. Daar ben ik toen
+serieus gaan hopen dat ik een dichter zou worden.
+
+Het was op een ochtend in den voorzomer en ik zat alleen op een heuvel
+bij Veenendaal. Aan de Grebbe had ik een jongen man bezig gezien, naakt
+tot aan den gordel, zich de borst te wasschen in een emmer koud water.
+Ik had nog al eens last gehad van mijn borst en ik was jaloersch op die
+kerel. Maar in dat heerlijke lenteweer--zooals we nu ook weer hebben--ga
+je je sterker en gezonder voelen, en ik kreeg hoop, dat ik ook eens een
+flinke kerel zou worden.
+
+Ik was namelijk een jongen, die overal bang voor was, en ik deed bijv.
+heelemaal niet aan sport. Maar toen kreeg ik een gevoel: Jesis, je
+ontgroeit het! En ik zie nog altijd voor me dat aanteekenboekje, waarin
+ik toen neergeschreven heb die stemming van geluk, van daar op die mooie
+hei te zitten. Ik heb altijd veel gehouden van natuur met heuvels, in
+dat opzicht ben ik een echte Geldersman gebleven, en ik ging toen een
+soort symboliek maken van dat vergezicht in verband met mijn eigen hoop
+op de toekomst.
+
+In dat jaar werd ik door mijn vriend uitgenoodigd een reis te maken door
+het Schwarzwald, een voetreis die wel zes weken geduurd heeft. Hij zou
+schilder worden en maakte een reisboek met teekeningen. Ik beschreef
+thuis mijn reis zonder teekeningen, maar met verzen, en dat werden acht
+schoolschriften in klad, een lang verhaal, met erg veel citaten, zooals
+je dat op dien leeftijd doet.
+
+Op mijn zeventiende jaar zijn we verhuisd naar Voorst bij Zutphen en
+toen ben ik gekomen bij de registratie. Dat was iets ontzettends voor
+me, maar aan den anderen kant wist ik hoe vreeselijk het zou zijn als
+ik niet doorging. Ik ben uit een ambtenaren-familie, mijn vader en
+grootvader waren burgemeester, een oom van me is notaris, mijn broer was
+minister. In zulk een omgeving leer je zekere eischen van _comfort_ en
+_social standing_ stellen, die je niet gemakkelijk opgeeft. En dan:--ik
+leefde alleen met mijn moeder en zuster, in een aardig huisje met een
+mooi strooien dak (later heb ik mij menigmaal voorgesteld dat ik mij
+daarin zou vestigen). Mijn vader was vroeg overleden en we moesten
+rondkomen van een f 1200 a f 1400. Mijn studie had al veel gekost aan
+lessen en dergelijke dingen meer, en ik moest doorzetten, al voelde ik
+er niets voor.
+
+Om mij zelf eenigszins schadeloos te stellen, heb ik er toen dit op
+gevonden, dat ik wel zou doorwerken, maar intusschen zou schrijven ook.
+Ik heb toen een klein bundeltje schetsjes gemaakt: "Kleingoed", waarin
+ik mij braaf accuraat had toegelegd op een keurigen vorm, _enfin_ iets
+van Potgieter er in, die ik toen druk had gelezen, keurige zinnetjes,
+maar een beetje luchtiger en leniger dan Potgieter--zoo ver was ik toen
+al. Ik was 's middags zoo tevreden als ik na kantoortijd weer in de
+spoor zat naar Voorst. Maar ik had een uur te wachten aan den trein, en
+daar ontmoette ik iemand die aan de _Zutphensche Courant_ was en mij van
+zijn baantje vertelde. En een poosje later kreeg mijn moeder de
+schrikbarende mededeeling, dat ik gesolliciteerd had aan een krant en
+van de registratie af wilde. Toen was de man die mij geestelijk steunde
+die Van Rappard. Hij schreef mij onmiddellijk. Hij was jonkheer ridder
+Van Rappard en zijn vader vond wel goed dat hij schilder werd, maar
+onder de kennissen vonden natuurlijk velen het een groot bezwaar, dat
+een jonkheer artiest zou worden. En hij schreef mij: Ik ben er 50% op
+achteruitgegaan, maar jij zult er 80% op achteruitgaan,--ofschoon je
+niet van adel bent. Er was toen nog heelemaal geen sprake van, dat je
+schrijver kon worden zonder een baantje te hebben. Later heb ik mij
+afgevraagd of het niet beter was geweest, bij de registratie te blijven,
+om vier uur Harer Majesteits kantoor te sluiten en dan voor me zelf aan
+het werk te gaan.
+
+Toen ben ik al spoedig in Amsterdam gekomen, aan de "Amsterdammer" van
+De Koo, en ik viel er dadelijk in een milieu van menschen van
+beteekenis, (onder wie ook Van Deyssel) waardoor ik voelde wat er aan
+mijn heele vorming ontbrak. Ik ontmoette tijdgenooten, niet alleen van
+veel meer talent, maar ook veel rijper in levensbegrip. Ik leerde toen
+ook Tak kennen die was vreeselijk aardig voor me. Hij was mijn chef en
+ik zei "Meneer" tegen hem, maar als 's nachts de krant klaar was, nam
+hij mij dikwijls mee naar zijn kamer, waar we dan een toddey dronken.
+Hij was een idealistisch en vreeselijk ... innig-gemoedelijk man. Ik
+herinner me nog, hij had een portret boven zijn schrijftafel, van een
+nichtje van hem, en hij barstte op een morgen in tranen uit toen hij
+over dat kind sprak. Om die sentimentaliteit van hem hield ik van hem
+als van een ideeelen ouderen broer. Als ik om twaalf uur met een looden
+kop op de krant kwam, dan had Tak zijn haren al gewasschen en zat weer
+lustig te werken. Hij was zeer sterk en ik zwak, en toen ging ik voelen
+de ellende van de onvrijheid door gemis aan fortuin. Dat gevoel ben ik
+in de laatste jaren wat kwijt geraakt. Bij mijn huwelijk heeft sterk
+gegolden het feit, dat mijn meisje aanleg dacht te hebben voor
+schilderes en zei: Geen huishouden!--Ik dacht, dat gaat gemakkelijk: Jij
+maakt schilderijen en ik schrijf, en zoo hebben wij geen zorg voor het
+huishouden. Maar het is anders geloopen.--Ik geloof niet dat ik anders
+den moed zou hebben gehad een huishouden te beginnen op de journalistiek,
+waar ik steeds voelde: vrees voor het maatschappelijk leven. Ik ben
+vreeselijk gauw op mijn teenen getrapt en den omgang met menschen heb ik
+steeds gevoeld als iets dat meer zorgen gaf dan genot. Dat is wel niet
+socialistisch, maar ik heb mij ook nooit voor een socialist uitgegeven.
+Ik heb altijd geleden onder den druk van te moeten omgaan, nu eens met
+die en dan weer met die--zooals een krantenman dat doen moet. Ik had heel
+zwaar werk, veel werk, en ik herinner mij uit de Amsterdamsche jaren, dat
+een vriend toen tegen me zei: "Kerel, sjouw jij zoo zwaar, of ben je
+verliefd?" Want ik zag er zoo slecht uit. Maar dat kwam van het 's nachts
+opzitten. Als verslaggever aan de oppositie-krant had ik het hard te
+verantwoorden en ik wilde weg. De Koo begreep dat niet: Hij bood mij meer
+geld aan en het tooneel, maar het was de kwestie, dat ik geen verslaggever
+verkoos te blijven en Holland uit wou.
+
+Toen heeft mijn vriend Enklaar, met wien ik samenwoonde, die zelf aan het
+Buitenland van het "Handelsblad" werkte en mijn angsten en ergernisjes
+zoo gauw begreep, mij in relatie gebracht met Charles Boissevain. En voor
+het "Handelsblad" mocht ik naar Parijs. Daar ben ik dan vijf jaar geweest,
+en ik begon me meer en meer te voelen als de _entretenu_ van Boissevain....
+Ik blijf hem altijd dankbaar voor het baantje, maar ... het had zijn
+bezwaren. Ik wist dat ik altijd in een bepaalden geest moest schrijven.
+En in dien tijd begon ik Parijs onder een hoe langer hoe cynischer wordend
+algemeen levensinzicht te bekijken. Ik had een zekere satanische vreugde
+aan die opvatting van Parijs--maar ik had ook veel tijd om mij in de
+literatuur te verdiepen en om musea en tentoonstellingen na te loopen,
+waar ik veel om gaf. Ik moest altijd vroolijke en opgewekte stukjes voor
+het "Handelsblad" schrijven, zooiets als Van Maurik. Het was een hoogst
+oppervlakkig werk. Maar u begrijpt, ik deed het als broodwerk, met het
+vaste voornemen ermede op te houden, als die oom in Australie van me, me
+eens een half millioen naliet, zooals u uw broodwerk, hoeveel plezier u er
+ook in hebt, zoudt laten varen als die rijke oom van u in Australie eens
+kwam te sterven.
+
+Maar in dien tijd zag ik in het "Handelsblad" langzamerhand komen
+uitingen over een kunst, die in ons land aan het ontstaan was, en
+waarbij namen werden genoemd van goede kennissen van me, o.a. van Van
+Deyssel, ook van menschen, die ik slechts uit hun werk kende en voor wie
+ik sympathie voelde. Een daarvan was Couperus. En toen bracht het
+"Handelsblad" het protest van Den Hertog, den paedagoog, tegen het
+fatalisme in de werken van Couperus. Daar kon ik toch niet blijven! En
+toen er open kwam een baantje aan de "Nieuwe Rotterdammer" heb ik, voor
+een kwart in het besef dat ik het aan het "Handelsblad" niet kon
+uithouden, en overigens om met mijn vrouw en het kind dat ons geboren
+was naar Holland te gaan--zij kon in Parijs niet aarden--heb ik het
+"Handelsblad" verlaten.
+
+En een van de eerste dingen, die mij toen gebeurden, was, dat ik had
+geschreven zesentwintig blaadjes copy over en grootendeels tegen "Een
+Passie" van Vosmaer de Spie, en toen ik er mede binnen kwam bij mijn
+chef, scheurde hij die zesentwintig blaadjes meteen doormidden. Een
+tweeden keer was op de beurs een algemeen gelach opgegaan over een
+verslag van mij, dat in de krant had gestaan, over Toorop, wiens werk ik
+mooi had durven vinden. Dat was toch wel al te gek!--Maar in latere
+jaren zijn hier tentoonstellingen gehouden van Toorop, die met grooten
+eerbied door het publiek zijn behandeld. Het is een enorme satisfactie
+voor mij, te zien hoe de geest ook hier is veranderd, allicht ook een
+beetje dank zij de krant.
+
+Maar toen heb ik ook hoe langer hoe meer vrijheid gekregen. Ik ben geen
+vent om journalist te wezen. Ik houd van de eenzaamheid buiten. Maar ik
+blijf de krant heel dankbaar, dat hij me vrij heeft gelaten. De vroegere
+hoofdredacteur, Dr. Zaaijer, heeft mij herhaaldelijk heerlijk verdedigd,
+ook tegen aandeelhouders, en daardoor heb ik iets in het publiek kunnen
+doen voor de moderne kunst. Dat is een groote satisfactie voor me
+geweest. Nadat ik er een poos mee bezig was, is het "Handelsblad" ook
+begonnen. Maar toen ik aan de "Rotterdammer" kwam, was er geen sprake
+van, dat Boissevain dat zou gedoogen. Ik geloof dat ik de eerste
+journalist ben, die voor de nieuwe literatuur en de nieuwe kunst in de
+journalistiek iets heeft kunnen doen--afgezien van wat door anderen is
+gedaan in het weekblad "De Amsterdammer", hoewel Van Maurik daar toen in
+de hoofdredactie zat en de jongeren vaak den voet dwars zette.
+
+Toch heb ik in Rotterdam heel moeilijke jaren gehad en van dat zware
+leven heb ik nogal wat uitgesproken in een bundel verhalen: "Het Leed
+van den Hartstocht" en ook in "Zeven Vertellingen". Ik woonde toen in
+een huis, dat ik ook in "Geertje" beschrijf, en als ik 's nachts van de
+krant thuis kwam en nauwelijks was ingeslapen, kwam mijn achterbuurman,
+die schipper was, naar huis, en klotste mij met zijn klompen wakker.
+
+Langzamerhand, nu mijn kinderen groot zijn, ben ik gaan berusten in het
+leven en ik hoop van berusting tot Levens-Bejahung te komen. Ik hoop dan
+nog eens een boek te schrijven, dat zal heeten "Du Sollst"--daar heb ik
+al heel lang plannen voor.
+
+Maar mijn boeken van vroeger, en dat is, geloof ik, een zuiver antwoord
+op uw vraag--zijn een uiting van het levensinzicht, dat mij deed zeggen:
+"God, God, moeten er nu nog kindertjes komen?" en dat mij die heele
+procreatie-drang deed voelen als leed.
+
+--Mijn gastheer kuchte droog en nam een grooten slok wijn. Ik dankte hem
+voor deze oprechte en uitvoerige beantwoording en vroeg hem nu, wat hem
+dan noopte, dit levensinzicht op deze wijze te uiten.
+
+--Ik uitte dat omdat ... ik dacht er niet bij aan anderen, gelijk een
+dichter die liefdes-sonnetten maakt denkt aan zijn meisje. Neen, ook
+niet in den zin van wraak willen nemen. Maar ieder mensch heeft in zich
+de behoefte aan uiting. Je wilt je kracht gebruiken. Door te schrijven
+verminder ik mijn leed. U hebt dat ook wel eens in uw werk ondervonden:
+Een burger, die verduiveld nijdig is om een besluit van den
+gemeenteraad, ontlast zijn toorn door een stuk in de krant te schrijven,
+dat mijnheer A of B zoo verduiveld leelijk heeft gesproken.--In het
+begin wilde ik eenvoudig exploiteeren mijn begaafdheid als
+verteller--maar "De Zonde in het Deftige Dorp" is een boek, waarin ik
+uit mijn wrok over het schijn-fatsoen van de Hollandsche aristocratie en
+zoo wat. Het is wel degelijk een boek.... Robbers heeft het genoemd "een
+boek van haat", en dat is beslist onjuist, maar Coenen heeft het juister
+gekenschetst in "De Amsterdammer" toen hij zei: Je moet een heel eind
+boven je levenshaat geklommen zijn, om er zoo uit de hoogte op te kunnen
+kijken. Dat is de geestelijke groei in mij, dat ik aan dergelijke
+gevoelens van haat ontstijg, door de dingen uit de hoogte te bekijken.
+Het "Leed van den Hartstocht" beziet de dingen van dichtbij. Dat is een
+pijn, die ik vandaag voel, opgeschreven zooals hij is. Maar "Het Deftige
+Dorp"--dat is de weerzin die ik heb, van mijn vijftiende jaar, en die
+nog bestaat, tegen de Hollandsche aristocratie--maar dan bewerkt tot
+een soort spotlach uit de hoogte. En als u mij nu vraagt: Wat drong je
+tot schrijven? dan zeg ik: De behoefte van dien man van het ingezonden
+stuk. Er is dus niet geweest bij mij ooit--ik heb vreeselijken eerbied
+voor "De Nieuwe Gids", maar in dat opzicht sta ik dichter bij Heijermans
+en vooral bij Coenen--louter schoonheidsverlangen. Er was bij mij meer
+menschgevoel dan schoonheidsverlangen. Mij is het vooral te doen om
+menschelijkheid en levensbegrip, levensgewaarwording. Ik wilde mijn
+levensgewaarwordingen opschrijven om ze te kristalliseeren tot een zeker
+begrip. En je bent schrijver om dat te doen in de presentie van de
+wezens die je je lezers noemt.
+
+--Of ik dan mocht zeggen, dat hij schrijft om zijn lezers in te
+lichten?
+
+Maar hij stond driftig op en ging heen en weer loopen in zijn kamer. En
+met zijn bewegelijke handen gebaren makend, alsof hij uit de lucht
+muggen pakte en die met al zijn vingers tegen zijn palmen dooddrukte,
+barstte hij los:
+
+--Neen, neen, o neen! Ik ben heelemaal niet paedagogisch. God neen! Maar
+er is iets anders. Ik weet nog dat ik in Parijs eens opgeschreven heb:
+Als ieder mensch eens heel oprecht zichzelf neerschreef, dan zou je
+daardoor krijgen zuiver levensbegrip. Als alle menschen zich gaven, zoo
+zuiver als ik mij heb gegeven--in mijn boeken--dan stel ik mij voor
+--dat de menschen er uit konden leeren. Maar als ik schrijf--dan ben
+ik niet de onderwijzer--maar de man die het openhartig zegt. Ik hecht
+vreeselijk aan oprechtheid en openhartigheid. Toen ik mijn meisje pas
+gevraagd had, was net klaar mijn eerste groote boek "Een Huwelijk". Toen
+zei ik: "Hier heb je een boek, en daar vind je mij zelf in". Dat heeft
+een deplorabelen indruk gemaakt. Ze vond die mijnheer in dat boek iets
+verschrikkelijks. Ze vond dat heelemaal geen kunstwerk. Mijn vrouw is
+een echte idealiste. Een en al schoonheidsverlangen. En het deed mij
+vreeselijk plezier toen het boek is opgekamd door Van Deijssel, in "De
+Nieuwe Gids" en "De Amsterdammer". Doch dat maakte alleen indruk op haar
+hersens. Voor haar eigen gevoel was dat boek _profondement antipathique_.
+--Die mijnheer Frans Koene uit dat boek (de echte Frans Coenen en ik
+hebben daar dikwijls om gelachen) daar zit erg veel van me zelf in....
+Is er misschien een ijdelheid in, dat je met je indrukken te koop loopt,
+zooals een coquette vrouw met haar snoet? Het is moeilijk te zeggen. Ik
+weet het niet. Maar aanvankelijk was dat bij mij heelemaal niet het geval.
+Toen ik die versjes maakte in Veenendaal, was het niet om te publiceeren,
+maar om op papier te zien wat er in me omging. Dat is de oorsprong van
+alle schrijven.
+
+En het groote verschil, waardoor ik buiten de "Nieuwe Gids"-beweging sta
+en pas aansluiting heb gevonden bij Emants onder de ouderen, en bij
+Coenen, dat is juist dat het ons te doen was om menschelijkheid en
+levensbegrip--alle talenten-kwestie buiten rekening gelaten--terwijl die
+anderen, die vol levensliefde zaten, kwamen met schoonheid. Je zou het
+kunnen vergelijken: den een met bidden en den ander met vloeken. Een
+levens-verneinend mensch vloekt, een levens-bejahend mensch bidt. Nu is
+mijn levensproces dit, dat ik door het geluk dat ik vind in mijn gezin,
+ook doordat ik rijper ben geworden, ben gekomen tot een levensberusting
+--die echter nooit zegt: Wat is het leven heerlijk. Er is een groote
+behoefte aan liefde in mij, en het boek dat ik met zeer besliste opzet
+aan mijn vrouw heb opgedragen, dat is "Geertje", dat men een levens-
+bejahend boek heeft genoemd,--dat is ook het eerste boek geweest, waarmee
+ik succes heb gehad....
+
+--Toen kwam de vraag bij mij op, of hij dan niet aan zijn indrukken iets
+toe deed? Maar hij begreep dat niet aanstonds zoo als ik het bedoelde.
+
+--Dat is verschillend, antwoordde hij. In verschillende tijdperken en
+verschillende werken is dat verschillend.
+
+_Geertje_ bijv. is van huis uit dit: We hebben eens gehad een dienstmeid
+en ik wist wel dat die dienstmeid, voordat ze bij ons kwam, heeft gehad
+de narigheid die het fundament is geworden van mijn roman. Op een avond,
+toen ik met mijn vrouw wandelde, het was bij het ziekenhuis hier,
+vertelde ze me dat en gaf me meer details en zei: Nu weet je precies
+hoe het met haar geloopen is, en ik riep: Godallemachtig, daar zit een
+prachtige roman in--zooals ik vanmiddag, toen u me van uw gemeenteraden
+vertelde, heb geroepen: Daar zit een prachtig stuk copy in!--Dat mensch
+is korten tijd daarna van ons weggegaan, omdat ze teringachtig is
+geworden.
+
+Waarom trok me dat nu zoo aan? Omdat ik in oude ontwerpen van verhalen,
+die dateeren uit mijn vroegsten tijd, twee had gevonden, waarvan het
+eene nooit uitgewerkt is en het andere als het ware is een omgewerkte
+Geertje. Een meisje uit den burgerstand, dat een soort van held ziet in
+iemand die maatschappelijk boven haar staat, en zich heelemaal voor dien
+man weggooit. Dat heldhaftige er in, dat wilde ik weergeven. Ik heb in
+een aantal details, op het slot na, de werkelijkheid trouw gevolgd. En
+nu is het bezwaar dat men tegen "Geertje" had dit, dat ze door dat
+uitpluizen van haar sensaties te weinig dienstmeid is gebleven. Ik heb
+me dan ook later afgevraagd, of ik niet beter had gedaan, haar een
+kinderjuffrouw te maken uit een beetje hoogeren kring.... U ziet dus,
+dat in dat boek de werkelijkheid de grondslag is. En meestal is dat bij
+mij zoo geweest. De schetsen uit "Zeven Vertellingen" en "Het Leed van
+den Hartstocht" zijn wel verzonnen, maar toch uit toestanden die ik had
+ervaren, of ergens had gelezen. Een schets uit de "Zeven Vertellingen"
+is "De Klompjes", een verhaal dat ik in de "Oprechte Haarlemmer Courant"
+had gelezen--dat dus wel waar zal zijn!--als gebeurd met kinderen in de
+buurt van Berlijn. En toen heeft aan den eenen kant mijn groot medelijden
+met de menschen in het algemeen en de kinderen in het bijzonder en aan
+den anderen kant mijn drang om over de aantrekkingskracht van den Dood te
+schrijven mij doen zeggen: Daar zit een mooi verhaal in. Kijk, het is mij
+er met mijn schrijven om te doen, mede te deelen mijn conclusies over wat
+ik van het leven heb ervaren. Ik moet dus beginnen met te hebben
+levenservaring en nu ga ik die analyseeren, onder het microscoop bekijken.
+En nu valt er een heel persoonlijk licht op, dat spreekt van zelf, maar de
+grondslag is eenvoudig: De uitwerking van een geval dat ik heb waargenomen
+of vernomen. En nu heb ik de menschen zooveel mogelijk andere neuzen of
+baarden gegeven en andere jassen aangetrokken, maar ik heb, om tot het
+deftige dorp terug te keeren, van uit de hoogte willen behandelen
+Nederlandsche fatsoens- en vroomheidsopvattingen (die in onzen
+tegenwoordigen tijd weer zoo aardig aan het werk zijn) en ik heb daarvoor
+genomen toestanden die hebben bestaan. Ik zoek dus naar dingen die
+aansluiten bij mijn persoonlijke gevoelens.
+
+--Zoodat u volstrekt niet behoort bij hen, die ieder stuk werkelijkheid,
+onverschillig welk, voldoende vinden om er over te schrijven of om het
+te beschrijven?
+
+--O neen, dat kan ik niet, dan komt er niets van terecht. Op het fond
+ligt altijd wat ook in den lyrischen dichter zit, mijn persoonlijk
+gevoel. De aangedragen dingen kunnen hoogstens dienen ter illustratie
+van dat persoonlijk gevoel. Wanneer later van mij dat boek zal zijn
+verschenen, waarbij de menschen zullen spreken van optimisme, dan zal
+dat wezen omdat ik werkelijk door levenservaring en door de indrukken
+die teederheden op mij gemaakt hebben, ben gaan voelen de schatten
+helderheid die er zitten in de gezinsliefde, en daardoor meer optimist
+geworden ben, of althans een man van levensberusting. Ja--berusting--dat
+is eigenlijk het goede woord. "Het Leed" is hier in deze zelfde kamer,
+aan deze zelfde tafel geschreven, maar als het morgen een broertje
+krijgt, dan zal dat een heel anderen geest hebben. Ik zoek dus mijn
+onderwerpen, kleine verhalen en groote werken, zoodanig, dat mijn
+levensinzicht er zich in kan uiten.
+
+--Een realist bent u dus in de opvatting van uw onderwerp nooit geweest?
+
+--Neen.
+
+--Maar nu wat de uitwerking betreft?
+
+--Ja, bij de uitwerking wel. Ik tracht om zoo te zeggen verantwoording
+af te leggen, tegenover den lezer, van de ervaringen die ik in het leven
+heb opgedaan. Dus moet ik het leven zoo zuiver mogelijk mededeelen. En
+hoe kan ik dat anders doen dan realistisch? Maar nu is het verschil
+tusschen het realisme en mij, dat het realisme de ervaring van zichzelf
+weglaat. Wanneer u mij vertelt van uw gemeenteraden, dan kan een zuivere
+realist een schets maken van zoo'n raadzaal, maar ik zal geven de
+ervaring die ik heb van zoo'n raadzaal.
+
+--Maar U deelt die ervaring, of liever dat inzicht, niet afzonderlijk
+mee.
+
+--Natuurlijk niet. Wanneer ik dat deed, zou ik een slecht auteur
+zijn--(hier kon ik een beweging van tegenspraak niet weerhouden)--ja,
+want dan maak je tendenz-boeken. Maar ik zit zelf heel sterk in
+"Geertje"....
+
+Hij stond weer vlak voor mij en maakte met zijn handpalmen die
+eigenaardige grijpbewegingen....
+
+--Ik geef sterk in "Geertje" weer--mijn heel persoonlijke illusies--De
+Meesters illusies--van vrouwenliefde. Dat is het subjectieve in het
+boek. En het is voor mijn gevoel het werk van de critiek, uit te maken
+in hoeverre ik, bij dat subjectieve, zuiver heb weten te houden de
+teekening van de figuren. Dat laatste is natuurlijk de kunst. Van
+Deijssel heeft naar aanleiding van "Geertje" geschreven: De Meester is
+in onze generatie de man die hart in zijn werk legt.--Toen mijn vrouw
+mij vertelde van die dienstmeid--toen zei ik dadelijk: Dat mensen
+voldoet aan de verlangens, die ik als jongen van achttien jaar had van
+vrouwenliefde. Nu kwam de werkelijkheid voor mij te staan en gaf mij
+zoo'n ideale figuur te aanschouwen. Ik had maar te copieeren--maar ik
+deed het met de vreugde van iemand die heeft gevonden zijn ideaal.... Ik
+kan u dit misschien nog duidelijker maken door u te zeggen, dat mijn
+lievelings-auteurs ook menschen waren die als het ware geestelijk
+werkten. Voor mijn vijftiende jaar al Multatuli, en daarna nog veel meer
+Rousseau. Dat zijn geen zuivere vertellers en geen zuivere
+schoonheidsmenschen. Dat zijn menschen die steeds hun inzicht in het
+leven geven. Daarna ben ik komen te lezen pessimistische literatuur, die
+aan mijn levensinzicht beantwoordde. Het is altijd geweest: mijn
+philosophie ... of neen, ik heb niets van een wetenschappelijk man ...
+mijn levensoverpeinzingen een vorm te geven door er vertellingen van te
+maken ... dat is mijn eigenlijk werk.
+
+--En vindt u niet, dat onze literatuur juist den anderen kant uitgaat?
+
+--Neen, ik zou juist zeggen, dat er in den laatsten tijd stroomingen
+komen, die veel meer dien kant uit gaan. Scharten heeft naar aanleiding
+van "Geertje" o.a. dit geschreven, dat de romanliteratuur in de toekomst
+zoo zal zijn, dat er een soort van romantiek gaat door het realisme. Ik
+geloof dat de menschen bij ons hoe langer hoe meer, o.a. ook geleerd
+door uw vriend Goethe, komen tot het weer terug willen hebben van het
+Levensinzicht als basis van alle literaire kunst.
+
+En als ik iets als onbelangrijk voel--als een ding dat me niet
+interesseert--dan is 't het realisme, dat aan de loutere beschrijving
+zonder meer van een brok werkelijkheid z'n volle kracht geeft. Dat zou
+ik nooit kunnen doen.
+
+Vandaar dat mij terecht zoo vaak is verweten dat in mijn boeken de
+plastiek schraal was. Die heeft mij altijd weinig geinteresseerd. Om u
+een voorbeeld te geven. Een figuur van wie ik altijd ontzettend veel
+gehouden heb is geweest mevrouw Bosboom-Toussaint. Ik heb gedweept met
+haar "Huis Lauernesse". Maar nu weet u wel, er zijn in het begin een
+zestal pagina's waar het kasteel wordt beschreven. En tot op den
+huidigen dag heb ik die niet kunnen lezen, terwijl ik het heele boek wel
+twintig maal gelezen heb!... Ik weet geloof ik wat u vragen wilt.
+Wanneer u in mijn huis een zeker streven naar schoonheid opmerkt,--o,
+niets bijzonders,--maar een zeker pogen om door een beeldje hier en een
+kleedje daar wat schoonheid te brengen, dan komt dat, doordat mijn vrouw
+die in mijn leven heeft gebracht en heeft doen waardeeren. Mijn ideaal
+is het ideaal van Schiller: een kamer met wit gekalkte muren en de meest
+eenvoudige schrijftafel. En dat sluit aan bij mijn behoefte aan
+eenzaamheid, om van een minimum te leven in den meest grooten eenvoud,
+en dan te schrijven.... Dat ik dat niet gedaan heb, zit hem in mijn
+groote behoefte, in allerlei opzichten, aan een vrouw. Het geestelijk
+element van dat verlangen heb ik trachten te uiten in "Geertje", en het
+andere element, het lichamelijk element en het leed daarvan, in de
+"Zeven Vertellingen" en "Het Leed van den Hartstocht". Toen ik naar
+Parijs zou gaan, had ik nog dat huisje in Voorst, waarvan ik u straks
+vertelde, en daarin woonde mijn zuster alleen, en toen dacht ik: Als ik
+nu maar hier bleef!--Maar het idee dat je van de boeken zou kunnen leven
+was toen zoo veraf liggend, dat bij het beetje geld dat ik dan zou
+hebben alle mogelijke ideeen van te kunnen trouwen waren uitgesloten.
+Zoo is de intree in de maatschappij voor mij bepaald geweest niets dan
+dwang.
+
+Deze uitlating bracht me er toe, hem te vragen naar zijn meening over
+het socialisme, niet de politieke richting die zoo heet, maar meer in
+het algemeen de geestelijke strooming, die het maatschappelijke, ook in
+de kunst, zoo sterk op den voorgrond stelt.
+
+--Het socialisme, antwoordde hij, laat mij vrijwel onverschillig. Ik
+vind het heel mooi, maar het lost voor mij de levensvragen niet op. Als
+de socialistische maatschappij er is, dan stel ik mij voor, dat die, zoo
+niet aan me zelf dan toch aan onze kinderen, zou brengen een vergemak-
+kelijking van het leven. Maar--ik behoor ook tot de proletariers--ik
+stel mij voor, dat de levensvragen dan precies even bloot en onopgelost
+voor ons zouden liggen....
+
+--Wilt u meteen duidelijk zeggen wat die vragen zijn?
+
+--Die vragen zijn dan het gevoel dat het leven geen doel heeft, geen
+reden en geen oorzaak heeft, waar ik "ja" op zeggen kan. En dat ik in
+het leven zie voor iedereen veel leed en veel meer wreedheid dan lust.
+Zoodat het _fond_ van mijn bestaan is een volstrekt ongeloof, het
+tegendeel van godsdienstigheid, en ik alleen door menschenliefde ben
+gaan berusten. Maar daarom nog niet zie in het socialisme, hoewel dat
+natuurlijk ook op menschenliefde gebaseerd is, een ding, waarmede dat
+zelfde leven wordt gemaakt tot een blij iets. Daar zou ik met veel
+plezier over doorpraten als u het goedvindt....
+
+--Ik zal u wel waarschuwen als u voor mijn doel te ver gaat.
+
+... Wanneer ik dan lees "Pan" van Gorter, dan voel ik, dat ik het werk
+mislukt vind als geheel, maar er _magnifique_ dingen in vind, en een
+streven dat mij _sympathique_ is. Ik vind Gorter een erge kraan ... we
+spreken hier natuurlijk van mensch tot mensch ... maar op den bodem van
+"Pan" ligt een levensblijheid, een levensvreugde ... een geloof in het
+leven ... die ik bijna kinderlijk naief vind. Ik voel me zelf als iemand
+die nooit een kind is geweest. Daartegenover voel ik een man als Gorter
+als iemand die altijd een kind is gebleven.... Wanneer nu morgen het
+socialisme komt, dan zou daarmee o.a. zijn weggenomen de ... godvergeten
+... groote ... onnoodige ... wreedheid van de armoe. Maar als het
+socialisme morgen kwam, dan zou niet de wereld met al het andere dat nog
+zou zijn goed te maken zooveel verder zijn gebracht. U hebt alles
+noodig, niet waar? Ik geef u een paar schoenen en dat is heel wat voor u
+waard. Maar wanneer uw kind doodelijk ziek lag, wanneer u voor goed
+gebrouilleerd was met uw vader en moeder ... wat hebt u dan aan die
+schoenen van mij?... _Au fond_, groote god, ga ik met de socialisten
+heelemaal mee, maar ik vind niet dat hun strijd gaat tegen de dingen
+waar ik tegen strijden zou--als ik streed. Maar ik strijd niet, omdat ik
+geloof dat alle strijd daartegen nutteloos is. Het eenige dat ik doe--is
+mijn leed er over uiten.
+
+--En dit nu in verband met de kunst? met die heele serie begrippen die
+men thuis brengt onder de benaming "gemeenschapskunst"?
+
+--De eenige deugd, die ik aan mijn schrijverij toeken, is de deugd die
+Van Oort er in heeft gezien, de oprechtheid. Ik geef me zelf in
+volledige oprechtheid. Ik heb niets anders te geven. Iets anders doe ik
+niet. De gemeenschapskunst is alleen voor menschen die het leven
+liefhebben. Wat zullen we gaan wandelen--als we niet van wandelen
+houden? Natuurlijk, als we gaan wandelen, dan spreken we af dat we
+meenemen een paar schoenen, een veldflesch en een kaart.... Maar ik zeg
+dikwijls: Jesus, vader en moeder, waarom heb je me gemaakt? Ik kan met
+de menschen onmogelijk die plannen meemaken voor die wandelreis. Ik
+blijf liever thuis.... Het verschil tusschen Kloos en mij is, dat hij de
+Onbewustheid lief heeft, en ik er bang voor ben. Op den grond van alles
+voel ik de natuur als een zich niet aan ons openbarende, even wreede als
+prachtige macht. Ik heb in later jaren twee regels van Leconte de Lisle
+leeren kennen, die voor mij een levensleus inhouden:
+
+ La nature se rit des souffrances humaines
+ Ne contemplant jamais que sa propre grandeur.
+
+Aan den eenen kant die schoonheid van de natuur--aan den anderen kant
+dat ze daar alles aan opoffert. Kloos is in zijn hart een godsdienstig
+man. Ik ben godsdienstig opgevoed, maar mijn levensvrees was altijd te
+groot. Ik zei u al, ik kom uit Harderwijk, een stadje van zesduizend
+inwoners. Het stadje van de kolonialen, die er een groot _air_ van
+triestheid aan gaven, iets vreeselijks.... Aan den eenen kant die wreed
+calvinistische visschersbevolking, die niet tevreden was of de domine
+moest elke week van hel en verdoemenis preeken, aan den anderen kant die
+exploitatie van de kolonialen, die in het stadje werden gehouden om er
+hun geld te verteren. Na mijn vader's dood is mijn moeder daar nog
+enkele jaren blijven wonen, in die eenzaamheid. En zij ging er
+natuurlijk vreeselijk onder gebukt, dat ze zoo jong weduwe was geworden.
+Maar ik dacht: Wanneer de broers het huis uit zijn, dan ga ik met moeder
+wonen in Ermelo, omdat ik iets wilde dat nog veel stiller was dan
+Harderwijk! En dat was nog voor mijn negende jaar. Ik kende nooit die
+dankbaarheid voor het leven, die vrome menschen moeten voelen.
+Misschien voelt zoo'n calvinist wel de toorn van den oud-testamentischen
+god, maar een vroom mensen moet god voelen als een liefhebbend vader.
+Ik was nooit blij. Ik was geen vroolijk kind. Ik was bang voor alle
+menschen. Ik was een lamme jongen op school. De jongens hadden allemaal
+de pest aan me. Pas die vriend die ik u straks genoemd heb heeft van
+mijn eenzelvigheid gemaakt een eenzelvigheid _a deux_.... En toch,
+misschien dreef mij _au fond_ wat een godsdienstig man drijft.... Er
+zijn natuurlijk wel godsdienstige socialisten, maar ik meen dat in den
+regel iemand zich niet aan het socialisme zal geven als hij met den
+godsdienst niet klaar is gekomen. Het socialisme is toch _au fond_ een
+maatschappelijk streven....
+
+--Zit in dat gevoel van u niet een zekere vrees voor wat men noemt de
+domme menigte, die u in deze pessimistische zelfbeschouwing zou storen
+en u haar inzichten zou willen opdringen?
+
+--Ik heb een verdomde--Haat--de mij eigen lichtgekwetstheid brengt mee
+een zoo gemakkelijk medelijden met andere menschen, dat ik, hoezeer ik
+als _artiste_ voel voor figuren als Napoleon, ze _au fond_ godvergeten
+--Haat. In zooverre zijn mijn boeken zuiver democratisch ... willen dat
+tenminste zijn. Wat de toekomst zal brengen weet ik niet. Ik zou bijna
+zeggen: Het kan mij geen....
+
+--_Bijna_ zeggen, of _helemaal_ zeggen, mijnheer De Meester?
+
+--Het kan mij natuurlijk wel schelen. Omdat ik kinderen heb. Daarin zit
+het zwakke punt van mijn heele zijn. Maar ik heb niet zooveel eerbied
+voor het leven, dat het geestelijk leven mij veel kan schelen.
+
+Dat kan ik met alle mogelijke kniebuigingen nooit meevoelen met uw
+vriend Goethe en ook niet met de talentvolste onder mijn tijdgenooten,
+die ik juist wel eens heb gemeden, omdat er zooveel blije geestdrift
+was in hun streven naar schoonheid en dergelijke dingen meer. Dat waren
+dingen die mij ... pas in de tweede plaats konden schelen.
+
+--Dat komt dus neer op het gebrek aan een levensgeloof, dat voor mij een
+van de kenmerken van onzen tijd is.
+
+--Als ik levensgeloof had, dan was ik misschien een partijganger
+geworden, natuurlijk lang zoo kranig niet als Jet Holst, maar wel even
+fel. Is het nu gebrek aan levensmoed, dat mij niet levensgeloovend
+maakt--of is gemis aan levensgeloof de _fond_ van mijn geheele wezen?
+Dat weet ik natuurlijk niet. Dat kun je niet zeggen. En in zooverre sta
+ik nog veel nader tot de socialisten dan u, die tegenover hen staat.
+Want ik sta niet onverschillig maar _blank_ en u heeft een zekere
+aversie. Ik voel in dat "Pan" van Gorter: Goddome, als je zoo het leven
+bekijkt, dan begrijp ik dat je het leven lief hebt. Maar de natuur is
+heelemaal niet zoo te bewonderen als "Pan" dat doet.
+
+--Wanneer ik u zoo hoor spreken, wanneer ik u zie gesticuleeren en druk
+door uw kamer zie loopen, dan krijg ik toch de gewaarwording dat in uw
+heele optreden flink wat levensmoed steekt.
+
+--Van Deijssel heeft eens tegen mijn vrouw gezegd: Wat je man heeft, dat
+is dat hij zijn zenuwen verwerken kan door ze te uiten. Daar is
+misschien wel iets van aan. Dat is dat _exuberante_ in me. Dat was er al
+voordat ik naar Parijs ging, maar dat is door het leven in Parijs
+sterker geworden. Vandaar dat een oude dame eens tegen me zei: Vous ne
+serez jamais un Parisien, mais vous avez tout l'air d'un Marseillais.
+
+Ik kan dagen lang gesloten zijn en dan ook eenzaam leven. Je vindt dat
+o.a. ook bij _celibataires._ Als die los komen dan zijn ze luidruchtiger
+dan andere menschen. Op de krant ben ik de minst gezellige van de
+collega's, en ik voel ook wel dat het niet aardig is. Mijn aard is om
+naar niemand zijn gezelschap te verlangen. Maar ben ik eenmaal in
+gezelschap, dan ben ik de luidruchtigste. Verleden jaar heb ik ter wille
+van mijn dochters (anders kom ik nooit in een vergadering) dat congres
+van letterkundigen bijgewoond. Van Deijssel heeft toen een toast
+gehouden op mijn vrouw en mij, en toen heb ik geantwoord in een erg
+uitbundigen toast, waaruit de menschen wel heelemaal niet den indruk
+hebben gekregen van een vent die liever in z'n eentje zit in een dorp
+als Ermelo. Dit heb ik misschien van mijn geboorte. Mijn moeder was een
+zwakke vrouw, getrouwd met haar neef, en ik was een nakomertje, acht
+jaar na de anderen geboren. Mijn twee broers zijn flinke kerels. Van mij
+werd altijd gezegd dat ik schoolziek was, en toen heeft een meester aan
+de school van de Hernhutters eens gezegd: Neen, hij is niet schoolziek,
+maar hij heeft gebrek aan physieken moed. Dat heeft mij erg getroffen en
+ze moesten me thuis precies uitleggen wat dat was. Zoo iets resonneert
+in je ziel, en zoo ontstaat literatuur.
+
+--Dat moet toch ongezonde, ziekelijke literatuur zijn?
+
+--Ja, dat spreekt van zelf. Ik zou bijna zeggen, dat menschen die
+dergelijke boeken schrijven gezonde menschen aller-innigst moeten haten.
+Gezonde menschen--dat zijn de forsche, sterke, de wreede typen van
+levenslust, met alle hardheid die daar inhaerent aan is....
+
+--U zegt inhaerent?
+
+--Met alle hardheid die daar inhaerent aan is. En daar staan licht
+gekwetste menschen, die bang voor het leven zijn, natuurlijk fel
+tegenover. Waarom leeft een mensch die aan het leven het land heeft,
+voort? Omdat het leven sterker is dan jij bent. Als ik daar ooit een
+voorbeeld van heb gezien, dan was het wel de autobandiet Dieudonne, de
+felle revolutionnair, die een kniebuiging heeft gemaakt voor het Gezag,
+met tranen in de oogen, toen hij vernam dat hij mocht blijven leven in
+dien vorm, dat hij voor z'n heele leven naar de galeien ging. Dat
+prefereert zoo'n stakker boven het momentje van den dood!... Het leven
+is de sterkste en dat is voor menschen als ik ben een moeilijk proces,
+om daarin te blijven berusten. Het is misschien verdomd egoist, dat je
+de moeite die je dat kost niet voor je zelf houdt, maar er boekjes van
+maakt. Maar er staat tegenover dat je het doet in het besef, dat er heel
+veel menschen zijn, die hetzelfde voelen als jij. Ik heb altijd een
+gevoel dat de literatuur, zooals ik ze maak, is voor een kleine
+minderheid. En nu heeft mij erg bevreemd: Ik heb hier voor een kring van
+dames, die mij door een vriendelijke dame waren toegestroomd, gelezen
+over de _Nevrose_ in de nieuwe Fransche letteren. En toen is tot mijn
+groote verbazing dit gebeurd, dat, nadat ik die vier lezingen had
+gehouden voor negentig dames, er nog zoo velen waren die het ook wilden
+hooren, dat ik ze herhaald heb voor een kring van meer den tachtig
+dames. Ik beweer heelemaal niet dat ze met sympathie over die _Nevrose_
+hebben hooren spreken. Maar ze wilden het toch maar weten.
+
+Dat blijft het tegenstrijdige van den levens-verneiner, dat je meeleeft
+in en zelfs meedoet aan dat overbodige dat heet--de literatuur!--
+
+Het was diep in den nacht, toen De Meester mij naar mijn hotel
+geleidde--over het fel belichte asfalt van Neerlands eerste koopstad.
+Hij sprak in harde, stekelige woorden over het lot van de veile
+schepseltjes, die in den prachtigen zomernacht over het asfalt zwierven.
+En juist toen voelde ik dat ons gesprek mij hem nader had gebracht.
+
+
+BIBLIOGRAPHIE:
+
+Kleingoed (schetsjes)--Een Huwelijk (roman)--Parijsche Schimmen--Zeven
+Vertellingen--Deemoed--Allerlei Menschen--Louise van Breedevoort
+(roman)--Het Leed van den Hartstocht--Geertje (roman)--Aristocraten
+(roman)--De Zonde in het deftige Dorp (roman)--Op weg naar Transvaal
+(Kinderboek)--
+
+Voorts de brochures:
+
+De Menschenliefde in de werken van Zola--Een ongewoon meisje (Marie
+Baykirtsef)--Iets over de literatuur onzer dagen.
+
+
+
+
+KAREL VAN DE WOESTIJNE
+
+[Illustratie: KAREL VAN DE WOESTIJNE naar een teekening van zijn
+broer, Guust van de Woestijne]
+
+
+(* 1878)
+
+Ik had dien middag "op den buiten" bij Brussel doorgebracht, en,
+toegevend aan een gril, in een landelijke herberg mijn maal gedaan van
+brood met "platte keis" (een soort zure room) en rammenas. Een paar
+mannen uit den omtrek dronken lambiek en schoten met handbogen pijpen
+van een hoogen staak. Onder het genot van een potje witachtig bier, 't
+soort dat op zeepsop gelijkt, trachtte ik me weer in te leven in de
+Vlaamsche sfeer, waar ik welhaast tien jaren geleden thuis was. Het
+gelukte maar half: de stemming van on-critische, goedmoedige
+onbewustheid, die ik op de gezichten van de boogschutters las, kon ik
+niet meer bereiken. Totdat een gesprek met een boschwachter, wien ik
+naar den weg vroeg, en die geen Fransch verstond maar mijn
+hoog-Nederlandsch voor een Italiaansch dialect scheen te houden, mij in
+de gewenschte lijn-looze soezerigheid bracht. Zoo bereikte ik het huis
+van mijn slachtoffer, gelegen aan een dreef met veel pleiziertuinen:
+"melkerijen", waar menschen met roode gezichten, smeulende oogen en
+luide stemmen krentebrood met harde eieren gebruikten, en glazen dunne
+melk lieten staan....
+
+... En plotseling leidde de blozende Vlaamsche meid mij in een kamer,
+waar de raadselachtige scheemring met bloedkleur doortrokken scheen. In
+mijn breede, vleezige hand legden zich de heel slanke, bleeke vingers
+van den poeet. Ik had nooit gedacht dat een zoo smalle hand mogelijk
+was. Zijn heele gestalte trouwens is van een opmerkelijke,
+aristocratische fijnheid, wat vooral uitkwam als hij met vele
+overbodige, doch rustige bewegingen door 't roode half-duister van zijn
+kamer schreed, aan de strak tegen 't lijf gedrukte armen de handen
+rechthoekig opgebogen. En ik kreeg, in deze vergeestelijkte omgeving te
+plotseling overgeplant, de sensatie, dat de bleeke dichterhanden zouden
+gaan wapperen als ik mijn adem niet inhield.....
+
+Doch nu zit hij tegenover mij, aan de schrijftafel, waar vele groene en
+oranje bandjes Fransche philosophie van Alcan en Flammarion mij treffen,
+en ik bespeur op dit indrukwekkende, starende baard-gezicht trekken, die
+mij doen denken dat 't voorwaar! tot schooner dingen leidt, van den
+wijn, van den hartstocht en den zinnenroes te zingen, dan er van te
+leven. Mijn geoefend oog gaat opmerken. Ik bestudeer zijn ranke
+bewegingen en zijn mimiek, ik blijf letten op het spottende in den
+glimlach van sensueele lippen en helle puntige tanden, en het kost me
+moeite, van de min of meer medische beschouwing naar de ideeele
+beschouwing van dezen persoon terug te keeren. Doch de wijn rukt aan,
+"het kan geen kwaad" meent hij, en ik krijg hem aan 't praten, zoodat
+ik, noteerend en vragend, geen gelegenheid meer heb om mijn ontleding
+van zijn uiterlijk voort te zetten.
+
+Van jongs af, zoo vertelt hij, ben ik geweest tweevoudig. Ik heb
+geleefd binnen in mijzelf, en dan met een groote fantaisie.
+
+Toen ik een kleine jongen was, heb ik heelemaal in mijzelf geleefd, en
+daarbij kwam veel atavism, zal ik maar zeggen. Mijn vader was een man
+die heelemaal naar binnen gekeerd was, maar langs den kant van mijn
+moeder had ik een grootvader, die was heelemaal fantaisie. Hij sprak
+alles op rijm en maakte om te kunnen rijmen de zonderlingste
+gedachtensprongen. Hij was architect, maar hij deed niets aan zijn vak,
+want hij kon gemakkelijk leven. Hij was als gemoedsmensch een echt
+artiest. De groote ernst in mij kwam van mijn vader. Hij zou ingenieur
+worden, maar op een zeker oogenblik is hij gedwongen geweest in de
+nijverheidszaken van zijn eigen vader te gaan. Zoo lang ik hem gekend
+heb, hij is maar tweeenveertig jaar geworden, hield hij zich heel den
+tijd bezig met wiskunde en mechanica. Hij heeft verscheidene
+uitvindingen gedaan. Een voorbeeld kon hij niet voor mij zijn, ik was
+maar twaalf jaren toen hij stierf, maar zijn aard bleef er in. Ik heb
+heel veel van hem gehouden, hoewel hij mij nooit veel liefde betoond
+heeft. Dat lag in zijn aard niet. Toen mijn vader dood was, stond mijn
+moeder aan het hoofd van een groote nijverheidszaak in Gent. Zij had
+veel werk, en veel innigheid heb ik niet kunnen genieten. Een eenzame
+van nature, ben ik heel jong gaan lezen. Aan kinderspelen heb ik nooit
+gedaan, want mijn andere broers, die jonger waren, hadden gezelschap aan
+de dienstboden. Ik had slechts mijn bibliotheek, een van de zotste
+dingen die bestaan hebben, waar bijv. Homeros naast Jules Verne stond.
+Het was een samenhooping van boeken, duizenden en duizenden. Wij hadden
+in Brussel een familielid en die was boekhandelaar. Wanneer mijn vader
+en moeder of mijn grootvader hem kwamen bezoeken en iets interessants
+bij hem zagen, namen zij het maar mee. Dat werd een kamer vol,
+literatuur, encyclopedieen, woordenboeken, atlassen.... Ik kon lezen
+sedert mijn derde jaar. Ik heb op een zeer bijzondere manier leeren
+lezen. Vlak over de deur hadden wij een jong onderwijzer wonen, die het
+heel slecht had en in de vacantie lieten mijne ouders, toen ik pas twee
+jaar was, hem les komen geven. Meer voor hem, dan voor mij. Ik zal u
+zijn naam niet noemen, want hij heeft een zekere bekendheid gehad in
+Nederland. Dat is voor mij het ergste geweest, dat mij kon gebeuren.
+Want ik leerde heel vlug, met een echte koorts. Toen ik een jaar of
+zeven was, had ik al een heele bibliotheek verslonden. Toen ik een jaar
+of twaalf was, las ik ter zelfder tijd Pascal en Paul de Kock. Ik
+herinner het mij zeer bepaald.
+
+Dat moet voor mijn ontwikkeling veel belang gehad hebben. De vage drang
+naar oneindigheid en de geniepige, gevreesde sensualiteit die
+aangestoken werden door zulke lectuur, hebben mij heelemaal voorbereid
+tot wat ik geworden ben, mag ik wel zeggen.
+
+Toen mijn vader stierf had ik al gedichten gemaakt in het gebrekkigste
+Vlaamsch dat men zich denken kan en dat dank ik weer aan dien zelfden
+huisonderwijzer. Hij was toen leeraar geworden en zelf een dichter,
+zonder veel beteekenis trouwens. Ik kende heel weinig Vlaamsch. Mijn
+opleiding was in een privaatschool, die niets te maken had met de
+gemeentescholen, waar nog iets Vlaamsch geleerd wordt. Niemand wist, dat
+ik die verzen maakte. Een paar jaar later zijn zij verschenen in een
+kindertijdschriftje. Het eerste gedicht, dat ik waarlijk gevoeld heb als
+gedicht, maakte ik op den eersten verjaardag van den dood van mijn
+vader. Toen was ik een goede dertien jaar. Intusschen waren een
+heeleboel andere verzen van mij verschenen onder allerlei pseudoniemen,
+die ik zelf niet meer ken.
+
+Intusschen was ik op het athenaeum gekomen en daar ben ik waarlijk een
+flamingant geworden, onder den invloed van een paar leeraren, die mij
+veel goed en ook veel kwaad gedaan hebben. Het was in '93 en de eerste
+"Van nu en straks" was verschenen. Dat heeft een enormen invloed op mij
+gehad.
+
+Dat is een punt van belang en men weet dat in Holland eigenlijk zoo
+niet. "De Nieuwe Gids" heeft invloed gehad op de generatie die
+onmiddellijk voor de mijne gekomen is, die van Vermeylen, De Bom en
+Hegenscheidt. Die hebben waarlijk den invloed van de "Nieuwe Gids"
+ondergaan. Maar de man die, de eerste, eene eigenlijke vernieuwing in
+Vlaanderen gebracht had, Van Langendonck, heeft dien invloed niet gehad.
+Wel stond hij onder den invloed van Fransche dichters, onder den invloed
+van de "Jeune Belgique", die baudelairiaansch was. Wel heeft hij verzen
+geschreven die Kloosiaansch schijnen, maar dit voordat Kloos ooit in
+Vlaanderen gelezen werd; verzen, die geschreven waren bijv. in '82 en
+'83, voor het verschijnen van de "Nieuwe Gids". Onze generatie kende de
+"Nieuwe Gids" nog niet. Wij waren volop aan het dichten onder den
+invloed van Pol de Mont en Helene Swarth, toen wij door bemiddelling van
+"Van nu en straks" de "Nieuwe Gids" leerden kennen. Maar het was Van
+Langendonck vooral, die voor ons de openbaring was. Ik mag gerust
+zeggen, dat de invloed van "De N.G." niet groot geweest is. Toen ik
+zeventien, achttien jaar was, heb ik veel genoten van Kloos, veel meer
+nog dan van Gorter, maar echten invloed heeft hij op mij nooit gehad,
+niet meer dan bijv. Lamartine of Musset, en bepaald minder dan De Vigny.
+Ik admireerde Kloos, omdat ik een zoo groote individualistische
+personaliteit in hem vond.
+
+Wij zijn nu in '94 of '95. Ik was toen volop aan het dichten. Toussaint
+heeft van mij geschreven, dat ik toen reeds een beroemdheid was onder de
+athenae-jongens en studenten. Veel vroeger had Pol de Mont mij een
+postkaart gestuurd, een postkaart, stel je voor, over een paar verzen
+van mij in een tijdschrift. In die postkaart stond: "Tu Marcellus
+eris."[3]
+
+Ik heb er trouwens niet op geantwoord. Want ik voelde wel, dat
+verzenmaken was toen niet meer dan een bedrevenheid van mij, anders
+niet. In '93 echter maakte ik kennis met "Van nu en straks" en de
+anarchistische beweging in Frankrijk en Belgie, waaruit de geest van
+"Van nu en straks" gedeeltelijk was ontstaan. Ik mag u verzekeren, ik
+was na den dood van mijn vader nog meer vereenzaamd en die opstandelijke
+beweging heeft mij waarlijk gevormd.
+
+Wij gingen heelemaal in die beweging op, en ik heb op het punt gestaan
+buiten de deur van het athenaeum te worden gezet om mijn revolutionnaire
+ideeen. Van toen af kon ik mij met niets meer tevreden stellen dan na
+rijp onderzoek, en sindsdien ben ik een opstandeling gebleven, of zeg:
+laat ik mij niet gaarne bedwingen. Daarvan heb ik in Gent prachtige
+voorgangers gehad, die tegenwoordig beroemd zijn, bijv. George Minne,
+een groot beeldhouwer, en De Sadeleer, een bekend schilder. Die gingen
+zoo ver dat zij wilden stelen om d'arme menschen hetgeen hun diefstal
+opbracht te gaan uitdeelen. Zij gingen ook dagbladen op straat verkoopen
+en bij iederen "Fakkel" dien zij verkochten, kregen zij een slag op hun
+kop. Dat wil wat zeggen voor den zoon van een patricier, zooals die
+beeldhouwer was. Het was geestelijk een prachtige tijd.
+
+Mijn eerste verzen in "Van nu en straks" verschenen in '96. Victor de
+Meyere had mij gevraagd mee te werken. Dat waren ook de eerste verzen
+die onder mijn eigen naam verschenen. Ik ben een van de zeer weinigen,
+die den geest van "Van nu en straks" getrouw zijn gebleven. Ik zei het
+U: het is een van de gronden van mijn karakter gebleven, weinig gezag
+te dulden. Gezag draag ik heel moeilijk, tenzij natuurlijk moreel gezag.
+
+Hiermede heb ik u dus een paar voorname factoren van mijn aanleg
+opgenoemd: de vereenzaming van het kleine kind, vooral na het sterven
+van mijn vader, die het gemoed verdiept heeft en leidde tot al te vroeg
+ontwaakte sensualiteit; en den oneindigen dorst naar kennis. En dan,
+mijne fancy.
+
+Ik heb het niet altijd gemakkelijk gehad in het leven, maar ik heb
+altijd een grooten en blijden onafhankelijkheidsdrang gehad in mij, en
+ik geloof dat ik dat te danken heb aan voorouders van moederlijken kant.
+De ooms en de vader van mijn moeder waren allemaal geestelijk vrij, ik
+bedoel vrij van kommer, en allemaal waren zij rijmelaars. Zij waren met
+een zevental en praatten altijd op rijm met elkaar. Van hen heb ik
+waarschijnlijk het vermogen, mij zoo gemakkelijk boven de werkelijkheid
+te plaatsen en den geestigen, persoonlijk-humoristischen kant van de
+dingen te zien, een optimisme waarbij ik mij telkens kan opwippen.
+
+Ik ben altijd godsdienstig van aard geweest, juist vanwege het naar
+binnen gekeerde leven, hoewel ik thuis van godsdienstig leven weinig
+gewaar ben geworden. Als ik 's Zondags, toen ik dertien a veertien jaar
+oud was, naar de mis moest,--het museum lag toen naast de kerk--:
+voelde ik telkens een strijd in mij of ik het museum, dan wel de kerk
+binnen zou gaan, en het museum won het dan bijna altijd van de kerk, al
+voelde ik er innig leed bij. Het godsdienstig gevoel is levendig in mij
+gebleven, maar het gebeurt toch ook wel vaak nog, dat het museum het
+wint. Daar komt altijd bij mijn afkeer voor al wat gezag is. Moreel
+gezag neem ik natuurlijk aan, dat is van veel sterker werking, dat is
+mijn eigen gezag, dat ik in mijzelf voel en waarvan ik niet afwijk.
+Daardoor ben ik dan ook werkelijk onmaatschappelijk. Ik sta dan ook
+tegenover de proletarische poezie als een onverwoestbare individualist.
+
+Door natuur en door opleiding ben ik individualist. Maar in dit begrip
+zelf is nog een onderscheiding te maken. Is het zuivere individualisme
+waarlijk het impressionisme van 1880 en van de "Nieuwe Gids"? Dat moet
+ik absoluut tegenspreken. Om te beginnen, ik zeide het u reeds, hebben
+wij den invloed van 1880 niet rechtstreeks ondergaan. Ik behoor tot een
+andere generatie. De mannen die bij ons den invloed van de "Nieuwe Gids"
+ondergingen zijn, zooals ik reeds zei, Vermeylen en De Bom, en ik behoor
+tot het volgend geslacht, dat dus als het ware van de "Nieuwe Gids"
+heeft gehad een tweede afkooksel. Wat ons opviel in de "Nieuwe Gids" was
+het impressionisme. Mijn individualisme is van geheel anderen aard. Het
+is niet het onmiddellijk reageeren op zintuigelijke indrukken, het is
+veel meer het opnemen van een algemeen wereldgevoel in de personaliteit.
+En dan zal poezie worden de weerspiegeling van een algemeen wereldgevoel
+door het individu. Het is dus een tegenstelling van het zuivere
+impressionisme, het picturaal impressionisme, zooals Van Deyssel en
+Gorter het hebben geleverd. Tegenover de zintuigelijke gezichtsmenschen
+stel ik mij als innerlijk gehoorsmensch, die meer in zich zelf hoort
+dan hij buiten zich ziet, als muzikaal vertolker van de wereld.
+
+--U stelt hier gezicht en gehoor tegenover elkaar. Zoudt u niet beter
+zintuigelijk en gedachtelijk tegenover elkaar stellen?
+
+--Neen, gedachtelijk is een verkeerd woord. Zie hier wat ik bedoel. Stel
+u voor, dat Gorter zou zijn een geslepen staalplaat, waar de zonnestralen
+en wat zij meebrengen onmiddellijk op afketsen. Als hij een indruk
+krijgt, bedoelt hij den indruk onmiddellijk terug te kaatsen. Dat is
+het schoone van zijn kunst en hij is eenig daarin: Zoodra ontvangen,
+geeft hij den indruk terug.--Bij mij nu is het anders. Het is alsof de
+straal dringt door de stalen plaat heen en komt op het gevoels-vlak.
+Het is niet meer een zuivere impressie, maar een impressie die een
+verwerking heeft ondergaan, een verwerking door het gevoel. Dat is in
+den grond het bezinken van de impressie. Stel u voor een laag
+doorschijnend ijs die op het water ligt. Als er een zonnestraal op
+valt, dan wordt hij door de dikte van het ijs gebroken en dan komt hij
+onder het ijs weer uit en ondergaat er aan kleur, aan wezen, aan wat
+weet ik al, een nieuwe vervorming. Zoo is het gevoel bij veel dichters.
+Inplaats van onmiddellijk af te ketsen op het waarnemingsvlak, dringt de
+indruk door tot in het diepst van hun ziel en als hij dan, verwoord, weer
+buiten dringt, is hij heel iets anders geworden.
+
+Dus mijn individualisme gaat meer uit naar dat van de Fransche
+symbolisten, maar is toch weer heel iets anders. De eigenlijke
+symbolisten, die ingeleid zijn door Henri de Regnier, systematiseeren.
+Zij herleiden eiken persoonlijken indruk tot een beschouwingsvlak. Zij
+deelen de verschillende indrukken in in sommige vakken. Dat is toch het
+eigenlijke symbolisme, niet waar? Men moet onder een teeken een zekere
+reeks van gedachten kunnen indeelen. Dat heb ik altijd verkeerd
+gevonden. Dat wordt in den grond zoo iets als een wetenschap.
+
+Ik wil--voor zoover "willen" bij 't half-bewuste dichten te pas
+komt--eenvoudig mijn eigen indrukken inleiden tot algemeene
+menschelijkheid en ze algemeen begrijpelijk maken, ze dus eerst laten
+bezinken tot eigen gevoel, en dat eigen gevoel daarna toetsen aan het
+algemeen menschelijk gevoel, dat ik terugvind niet alleen bij de
+menschen die mij omringen, niet alleen bij de lezers, maar bij de
+dichters door de eeuwen heen. Dat is natuurlijk niet vanzelf gekomen.
+Dat ware onmogelijk, het kan niet vanzelf komen. Als men begint te
+dichten heeft men zijn eigen indrukken, al waren ze nog zoo klein en al
+waren ze nog zoo pervers, zoo lief, dat men ze wil weergeven in de
+aller-individueelste expressie. Maar er komt een tijd, dat die liefde
+voor de aller-individueelste expressie afslijt. Men wordt meer algemeen,
+het kleine detail gaat weg, men gaat alleen de groote lijnen betrachten
+en zoo komt men tot wat ik durf noemen: een neo-classicisme.
+
+Door het individualisme heen komen wij tot het neo-classicisme, een
+nieuwen classieken tijd, een periode van menschen die zich heelemaal
+bewust zijn en zich in volkomen oprechtheid uiten, maar daarbij alles
+laten wegvallen wat in hun persoonlijk geval te sterk-persoonlijk, te
+zeer bijzonder zou zijn. Ik heb in de "Groene" gesproken van menschen
+die op de hoogten wonen en elkaar herkennen. Zij wonen op verschillende
+heuvelen, zij zien elkaar niet, maar de een begint te zingen, de tweede
+hoort hem zingen, de derde ook, en zoo vernemen zij allemaal den zang
+van den eerste en herkennen allen in dezen eenen zang hun eigen zang en
+leeren elkander onderling kennen. Dat is voor mij de gemeenschapskunst.
+Gij ziet, gemeenschapskunst kan heel iets anders zijn dan
+maatschappelijke kunst.
+
+En dit zegt alles: Dit legt u ook uit wat ik gevoel tegenover de
+socialistische kunst. Ik kan mij geen dichter voorstellen, die zou
+dichten op iets dat niet berust op eigen diepe gronden maar alleen op
+een theorie. Daarom is Gorter mij soms zoo hinderlijk, in dezen zin, dat
+hij eerst en vooral toch is een impressionist, dat zijn schoonste werk
+altijd blijft impressionistisch,--en dat hij dan ineens overslaat op
+theoretiseeren en propageeren. "Pan" vind ik een magnifiek gedicht, maar
+telkens als hij aan de propaganda komt is het mis, dan is het geen
+poezie meer. De goede gedeelten zijn eenvoudig impressionistische poezie
+en zoodra hij daar buiten gaat wordt het gezanik, heel eenvoudig. Het
+wordt propagandistische proza, afgesneden op een vijfvoetige maat.
+Daarentegen heeft Mevrouw Roland Holst, zij als vrouw, omdat zij vrouw
+is, alles verwerkt. Zij heeft het socialisme en de democratie inderdaad
+heelemaal in zich opgenomen. Bij haar is het heelemaal liefde en leven
+geworden. Het is individualisme geworden en daardoor juist kan zij
+waarlijk proletarische poezie maken. Het is bij haar niet meer geestelijk
+of gedachtelijk, het is doorvoeld, en juist daarom is zij de socialistische
+dichteres in Holland. Neem Adama van Scheltema. De eenvoudige liedjes, die
+hij misschien voor de minste houdt in zijn werk, die voor den gewonen lezer
+ook wel minder zijn, neem een socialistischen marsch, die zoo echt is van
+rythmus, zoo meegevoeld, zoo meegestapt, zou ik haast zeggen, dat is echte
+proletarische poezie, in tegenstelling met werk, waar heel wat diepere en
+ingewikkelde bedoelingen achter zitten, maar dat juist daarom geen poezie
+kon worden.
+
+Wat betreft de mogelijkheid van proletarische poezie kan ik dus zeggen,
+dat die geheel afhangt van persoonlijkheid. Als in Holland honderd
+dichters kunnen gevonden worden, die tegelijk proletarisch voelen, dan
+hebt gij natuurlijk honderd proletarische dichters. Maar dat is nog geen
+proletarische poezie, niet waar, u begrijpt me. Mevrouw Roland Holst en
+Adama van Scheltema maken proletarische poezie als zij waarlijk
+proletarisch voelen, niet denken. Maar van het oogenblik af dat men
+proletarisch denkt maakt men geen poezie meer, omdat men dan denkt en
+niet leeft.
+
+Gorter heeft in de "School der Poezie" geschreven van de burgerlijke
+kunst, waar hij uit wilde. Heel de "Nieuwe Gids" is volgens hem
+burgerlijk. Daar had hij groot gelijk in. Zoo was het. De "Nieuwe
+Gids"-dichters waren burgerlijk, omdat het impressionistische gevoel
+rechtstreeks straalde uit het burgerlijk leven. Er kon dus werkelijk
+sprake zijn van een op haar uiterst levende burgerlijke poezie. De
+meeste menschen in dien tijd en ook de meeste dichters leefden en
+teerden op sommige begrippen die heelemaal burgerlijk waren. Zij leefden
+voort op de begrippen van 1848. En toen kon er sprake zijn van een
+algemeen burgerlijke poezie. Maar tegenwoordig kan er geen sprake zijn
+van een algemeen socialistische poezie, omdat de proletarische begrippen
+nog niet zijn doorgedrongen in de menigte, omdat de proletarische
+gevoelsdichters nog uitzonderingen zijn. Daaruit volgt, dat er volgens
+mij natuurlijk een tijd kan komen van proletarische poezie, gelijk er in
+1900 sprake mocht zijn van burgerlijke. Ik geloof zelfs, dat die tijd er
+misschien komt, mijn eigen idealen er natuurlijk buiten gelaten.
+
+Maar als het zoover komt, dan ben ik overtuigd, dat er ook reactie komt,
+anarchistische of aristocratische reactie komt, waarin de individualisten
+zullen spreken tegenover de meerderheid der maatschappelijke gemeenschaps-
+dichters. En zoo gaat het voort. In Gent noemt het volk dat "den contour
+van de wereld", het draait altijd zoo maar rond.
+
+Maar waar blijft, als de proletarische begrippen zijn doorgedrongen,
+eigenlijk de poezie? Is een socialistische toekomst wel vereenigbaar met
+uw opvattingen van wat poezie eigenlijk is?
+
+--Er zullen altijd dichters zijn. Denk eens aan den tijd van de
+predikanten-poezie, waar Kloos het over heeft. Die tijd was zoo duf, zoo
+vermolmd, dat men zich moeilijk kan denken dat er toch nog dichters
+waren. En nu is de laatste daad van Kloos juist geweest, deze dichters
+op te delven. Beets en De Genestet waren geen groote dichters, maar zij
+hadden het in zich. Beets met zijn "Camera" mag er toch wezen, en hij
+leefde toch heelemaal in de Protestantsch burgerlijke Hollandsche
+wereld.... Ik stel mij voor, dat er moeilijk iets kleiners is te vinden
+dan deze wereldbeschouwing. Toch heeft hij er iets van gemaakt. Ik stel
+mij voor, dat het ook zoo zal gaan in den socialistischen staat, wanneer
+die er eenmaal komt. Er zullen dan ook menschen zijn, die dichter in hun
+hart zullen zijn. Wij weten natuurlijk niet of het groote dichters
+zullen worden, maar zij zullen den geest van hun tijd uitdrukken, gelijk
+de individualisten hun tijd uitgedrukt hebben.
+
+En dat brengt mij weer op mijn eigen begrip van individualistische
+poezie. Er is waarlijk iets dat boven den tijd staat. Dat is het
+menschelijk leven, het menschelijk aanvoelen, het menschelijk begrijpen,
+het leven, het leven ... dat is alles.
+
+Vermeylen heeft gezegd, dat men de grootheid van een dichter meet aan de
+ruimte van zijn ziel. Kunt gij ruim begrijpen, kunt gij ruim voelen en
+kunt gij ruim mededeelen, dan zijt gij een groot dichter, maar dan staat
+gij buiten de onmiddellijk u omringende maatschappij.
+
+Men zegt wel eens dat de hypertrophie van het gevoel een teeken is van
+decadentie. Daar moet over gesproken worden. Wat is decadentie? Dat is
+toch verslapping, nietwaar, en die is gewoonlijk het gevolg van
+overspanning. En nu is het maar de vraag: kunnen wij deze in het
+tegenwoordige individualisme vaststellen? Neen, dat kunnen wij niet
+meer. Wij konden het in den tijd van Kloos. Zoo'n verslapping van de
+zenuwen komt altijd voor, na een periode van groote inspanning. Zoo
+hebben wij bijv. gezien bij Alfred de Musset, die dichter is tien jaar
+van zijn leven, en daarna uit, juist omdat hij kwam na de groote
+Napoleontische periode; en bij Baudelaire, die maar een korten tijd
+dichter was, juist in het tweede Keizerrijk, na een oogenblik van groote
+spanning. Kloos in Holland blijft maar een jaar of vijf, zes, eigenlijk
+dichter. Hij volgt op het kwijnen-gaan van de burgerlijke opvatting die
+stond tegenover de nieuwe levensbeschouwing: het Socialisme. Kloos is
+een burgerlijk dichter geweest. Was hij zenuwsterk genoeg geweest, dan
+had hij zich kunnen laten opslorpen door, of had weerstand kunnen bieden
+aan de nieuwe beweging. Hij stond met zijn zintuigelijkheid tegenover de
+verouderde wereld en kon geen stand houden. Wij hebben in Vlaanderen ook
+zoo'n voorbeeld, wij hebben Van Langendonck, die niet mee wilde in den
+opstandelijken strijd en bleef bij zijn burgerlijke opvatting. Hij was
+daardoor te zeer gedwongen, in zichzelf in te keeren, en heeft zich niet
+meer kunnen uiten.
+
+Daartegenover kan dit gesteld worden: boven die levensomstandigheden
+uit, boven die maatschappelijke omstandigheden uit, rijst de algemeene
+menschelijkheid van de menschen die op de kimmen wonen, die boven de
+andere menschen uitreiken, die de groote menschelijkheid
+vertegenwoordigen, die classiek van gevoel zijn. En die vind ik in alle
+tijden terug, hoewel die in hun tijd meer dan waarschijnlijk ook
+uitzonderings-dichters waren.
+
+Mijn opvatting is dus niet anti-maatschappelijk, zij is
+a-maatschappelijk. Zij staat er buiten, zij is a-socialistisch,
+a-moreel, maar anti- is zij niet. Het is heel goed mogelijk, dat de
+sociaal-democratische staat er zou zijn en dat ik in dien staat
+heelemaal mee kon voelen, dat ik dan een socialistisch dichter zou zijn.
+Maar voor iedereen acht ik het onmogelijk, dat van nu af aan eene
+socialistische poezie geheel volledig in het leven zou worden geroepen.
+Die poezie zou heelemaal hersenwerk, uit de gedachten zijn, dus
+onpoetisch. Daarom heb ik juist zoo een grooten eerbied voor Mevrouw
+Roland Holst, omdat zij dit alles heelemaal doorwerkt heeft, en kan ik
+geen eerbied hebben voor een Gorter, als socialistisch dichter, omdat
+bij hem alles stelsel, gedachte, organisatie blijft. Dat laatste woord
+komt in zijn gedichten telkens terug en dat maakt een mensch kriegel.
+Eerst geeft hij een prachtig brok poezie, en dan zegt hij: zoo is nu de
+socialistische organisatie. Dat is best mogelijk, mijnheer, maar ik wil
+alleen poezie hebben en heb niets te maken met uw socialisme. En dat is
+nu juist het verkeerde van de poezie in Holland tegenwoordig, dat zij
+zoo weinig geeft om het onmiddellijke, spontane leven, dat zij alles
+laat gaan door den geest en alles distilleert op eigen manier. Dat is
+bijv. de kwade invloed geweest van Verwey, die de gewaarwordingen en het
+gevoel heeft willen filtreeren door de idee. Daardoor zijn er een
+heeleboel jonge menschen in Holland op verkeerde banen geraakt. En zou u
+wel willen gelooven, dat ik niet veel vertrouwen heb in de poezie van
+Holland.... Ja, ja, ja, u hebt gelijk, ik bedoel dan de _toekomst_ van
+de poezie in Holland. Ziet u, ik wil niet onvriendelijk zijn.... Deze
+hebbelijkheid vindt men zelfs bij de besten, Boutens bijv., iemand waar
+ik grooten eerbied voor heb. Hij is de gevoeligheid-zelve, gevoelig tot
+de meest gespannen mystiek toe. Maar er is dit bij, dat hij Hollander
+is, en daardoor weer dit, dat hij, die uitgaat van het impressionisme,
+geheel intellectueel is geworden, dat hij waarlijk weer alles herleidt
+tot een intellectueel plan, even goed en misschien meer nog dan Gorter.
+Stel u voor een Boutens, die even kinderlijk gebleven was als Annie
+Salomons. Stel u voor wat dat zou zijn. Het is natuurlijk belachelijk,
+zulke namen naast elkaar te stellen, want, niet waar, Annie Salomons is
+nu nog niet bepaald wat men een groote dichteres noemt. Dus ik zeg dit
+met allen eerbied voor Boutens, dien ik een zeer groot dichter acht.
+Maar hoe doen de dichters in Holland? Zij hebben b.v. eenen indruk, dien
+ik zal noemen: blank. Wat doen zij nu? In plaats van argeloos maar dien
+indruk uit te zingen, nemen zij, zeer bedacht, wat wit, en zetten
+daarnaast voorzichtig een klein beetje rose, en daarnaast behoedzaam
+weer een klein beetje geel en maken daarvan de veertien regels van een
+sonnet. Dat is heel fijn, het is een genot dat te lezen, maar welk
+genot? Genot voor den geest. Het is geestelijke analyse geworden: een
+synthetische gemoedsbeweging geeft het niet. Dan nog maar veel liever de
+proletarische poezie, waar tenminste nog een menschelijk gevoel in zit.
+
+--U vindt het dus wel een vreemd verschijnsel, dat de proletarische
+opvattingen binnen gehaald worden door de dichters die eigenlijk de
+grootste individualisten moesten zijn en zijn?
+
+--Ja, maar dat is een speciaal Hollandsch vreemd verschijnsel, en wat
+ook speciaal Hollandsch is, is dat deze dichters uitgaan niet naar
+menschenliefde, niet naar het christelijk begrip van broederliefde,
+maar naar de organisatie. Dat heeft mij altijd zoo verwonderd. In
+"Opwaartsche Wegen" kan men dat zoo goed zien. Daarin stond een zeer
+schoon sonnet, dat men met genot las, tot bij het laatste terzine,
+waarin de dichteres ineens zegt: dat is nu het proletariaat,--waardoor
+het heele gedicht kapot wordt gemaakt. Gorter maakt een prachtig beeld
+van een jong meisje en onmiddellijk daarop zegt hij: dat is nu de
+organisatie,--of zoo iets. Dat is speciaal Hollandsch. Een Franschman
+heeft eens gezegd: "Le Hollandais, c'est le Monsieur qui veut se rendre
+compte et ... il se rend compte." Dat is waar. Zij willen altijd weten
+waar het om gaat. Gorter, ik ben er overtuigd van, is een prachtig
+mensch, als dichter wordt hij in oprechtheid door niemand overtroffen;
+en ook in zijn liefde voor het proletariaat niet, dat valt niet te
+betwisten. Maar als hij gaat denken, en als hij dan, al denkende,
+gedichten gaat maken over het proletariaat, dan is hij "le monsieur qui
+veut se rendre compte", dan gaat hij bedenken wie de voorzitter zal zijn
+van de organisatie, en wie de secretaris zal zijn, en hoe hij dien
+optocht zal inrichten, en wie de meeste stemmen zal halen bij de
+verkiezing. En dat heet dan poezie. Zoo zijn zij haast allemaal. Al
+overdrijf ik hier natuurlijk met opzet, duidelijkheidshalve.
+
+Kortom, een proletarische poezie zal mogelijk zijn als de proletarische
+staat er is, waar de gedachte vleesch is geworden. Maar dan komt de
+reactie, dat kan niet anders, gelijk ook voor twintig jaar in de
+burgerlijke poezie een reactie is gekomen. Als de proletarische-
+gemeenschappelijke stijl bestaat, dan komt er natuurlijk een aristocratisch
+-anarchistische beweging. Dat spreekt van zelf. Dat kan anders niet.
+
+
+BIBLIOGRAPHIE:
+
+Het Vaderhuis (1903)--De Vlaamsche primitieven, hoe zij waren te Brugge
+(1903)--Laethemsche brieven over de Lente (1902)---Verzen [_Het
+vaderhuis, De Boomgaard der vogelen en der vruchten, Vroegere gedichten_
+(1905)]--Janus met het dubbele voorhoofd (1908)--De gulden schaduw
+(1910) [_De rei der maanden: het Huis van den Dichter; Poemata_] Homeros
+Ilias, prozabewerking (1910) Afwijkingen (1910)--Kunst en geest in
+Vlaanderen (1911)---Interludien (1912) Het tweede boek der Interludien
+(ter perse)--De bestendige aanwezigheid (t.p.)--Het licht der kimmen
+[_Het gelaat des dichters; De geestelijke woonst; De acht
+verblindingen_] (in voorbereiding)--Omzettingen (i.v.)
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[3] P. Vergili Maronis "_Aeneidos_", lib. VI, 883. (Zeer vrij vertaald):
+Gij zult nog eens de eerste van uw geslacht zijn.
+
+
+
+
+JOSINE A. SIMONS-MEES
+
+
+(* 1863)
+
+Toen ze mij na lange aarzeling ontving, was zij dermate onder den indruk
+van haar afkeer, als publiek persoon te worden ondervraagd naar het
+intieme van haar besloten zelf, dat het gesprek voor ondervraagde zoowel
+als voor ondervrager nu en dan pijnlijk werd. Achteraf meende zij, dat
+allerlei zaken niet tot haar recht waren gekomen en gaf mij in
+overweging het interview niet te doen verschijnen. Op mijn verzoek heeft
+mevrouw Simons-Mees mij echter gemachtigd, enkele uitlatingen uit het
+gesprek met haar en haar echtgenoot, die mij met het oog op mijn geheel
+belangwekkend voorkwamen, in mijn eigen woorden weer te geven.
+
+Het schrijven was haar van begin af een zelf-bevrijding. Zij is heel
+gereserveerd en uit zich moeilijk. Vandaar dat ze trachtte, dit in haar
+werk te doen.
+
+Al vrij jong had zij verwantschap gevoeld met Heine en met Multatuli.
+Hun anti-conventionalisme, hun speelsch vernuft, hun afkeer van dwang
+vonden weerklank bij wat leefde in haar zelf. Zoo had de beweging van
+'80 haar geen bevrijding te brengen, noch naar wezen, noch naar vorm. De
+rhetorica van de voor-tachtigers, hun zwaar-op-de-handheid, hun
+moraliseer-behoefte had zij voor zichzelf overwonnen. Zoo was veel in de
+beweging der '80-ers haar zelf eigen. Alleen hun "woordkunst" is haar
+altijd vreemd gebleven. Zij zelf voelde meer voor stijl "_in_ de
+natuurlijkheid". Vandaar dat men in de natuurlijkheid van haar dialoog
+ook wel "onnatuurlijks" kon aanwijzen. Het echte naturalisme was haar
+nooit eigen.
+
+Dat gevoel voor "stijl" hangt wel samen met haar liefde voor de meest
+"stijlvolle" aller kunsten, de Bouwkunst. Geen kunstwerk, zelfs niet de
+muziek, geeft haar zulke ontroeringen als een mooi gebouw. Op reis is,
+naast de natuur en de romantiek van het landschap, architectuur wat zij
+het liefste zoekt.
+
+En hier komt de tweeheid van haar wezen uit, gelijk die zich heeft
+geopenbaard in haar dramatische motieven en conflicten:
+
+Ordening en moralisme tegenover ongebondenheid; stijl-zin tegenover
+vrije romantiek; joie de vivre tegenover zwaarmoedigheid, pessimisme,
+sociaal meegevoel en zelfontzegging. Behoefte aan genieting en liefde
+voor het eenvoudige. Zelftucht en punctualisme tegenover afkeer van
+dwang; hollandsche nuchtere werkelijkheidszin tegenover behoefte aan een
+verbeeldingswereld. Een zekere hereditaire liefde voor de wijsbegeerte
+heeft zich bij haar geopenbaard in een vaak onbewuste behoefte om de
+"idee" in haar kunst te verwezenlijken, en in een sterke neiging tot
+psychologisch analyseeren, die, samen met haar mede heriditaire,
+nauwgezetheid en behoefte om van alles rekenschap te geven--in de
+menschen en situaties, die zij teekent--tot het uitspinnen leidt in haar
+werk (van welk defect zij zich volkomen bewust is) zoowel als tot het
+meest drie tot vier malen omwerken van een stuk eer zij het doet spelen
+of verschijnen.
+
+Het zijn die tegenstellingen in en om haar zelf, dat worstelen tusschen
+"het moet" en het "ik wil", die vooral de groote drijfveeren geworden
+zijn voor haar arbeid, en den dramatischen vorm, met zijn conflicten, in
+hoofdzaak bepaald hebben. Waarbij het feit dat het drama meer dan de
+roman op "structuur" berust, en de personen onmiddellijk en buiten den
+schrijver om zichzelf doet uitleven, die voorkeur voor dezen vorm wel
+mede bepaald zullen hebben. Zij voelt er zich althans meest in thuis; al
+denkt zij er ook over, den roman in brieven of dagboek eens te
+beproeven, om af te zijn van tooneelpremieres met hun emoties,
+veelvuldige ontgoochelingen en "onmiddellijk hevig de publieke aandacht
+trekken".
+
+Doordat zij, evenals Ibsen, uit een zekere puriteinsch-moralistische
+omgeving spruit, zich evenals deze aangetrokken voelt tot de problemen
+van het moreele leven en zich kant tegen de frase (vgl. Zijn Evenbeeld,
+St. Elisabeth, Een Paladijn en Een Kasbloem) is wel eens de schijn
+ontstaan, dat zij gewerkt heeft onder diens invloed. Indien dit zoo
+mocht zijn, dan stellig niet bewust.
+
+Het is daarbij geenszins haar streven, als voorlichtster van het publiek
+op te treden. Ze tracht haar figuren zoo onpartijdig mogelijk voor
+zichzelf te laten leven, het aan het publiek overlatend, zelf een
+conclusie te trekken.
+
+De taak van den kunstenaar--aldus mevr. Simons-Mees--is: De menschen
+door het kunstwerk in staat te stellen, beter in zich zelf en in de
+wereld te zien. Elk kunstwerk moet de menschen leiden naar meer
+levensinzicht en levenswijsheid. Als het tenminste echt is.
+
+Daar kunst volgens haar eenvoudig ontstaat door en uit emoties in den
+kunstenaar, onverschillig of die gedragen worden door een
+maatschappelijk ideaal, of waardoor die gewekt zijn, acht zij onzen
+hevig-geemotioneerden tijd voor het ontstaan van kunstwerken zeer
+gunstig: "Hoe meer emotie, hoe meer kunst".
+
+
+BIBLIOGRAPHIE:
+
+Voor 't Diner, [blijspel in 1 bedrijf. Gespeeld te Rotterdam 1889.
+Uitgaaf T.B.] 1911.--Droomleven, [tooneelspel in 3 bedrijven. Gespeeld
+door het Rotterdamsch Tooneelgezelschap in 1890. Nooit gedrukt.]
+--Ouders, tooneelspel in 2 bedrijven (samen met L. Simons). [Gespeeld
+door de Tooneelvereeniging te Amsterdam (+/- 1895). Verschenen in het
+tijdschrift _Nederland_.]--Ontgoocheld, tooneelspel in 2 bedrijven
+(samen met L. Simons). [Gespeeld in den Tivolischouwburg te Rotterdam (+-
+1896). Nooit gedrukt.]--Koningsbruid, sprookjesdrama in 7 tafereelen
+(1898). [Gespeeld door de Tooneelvereeniging te Amsterdam in 1911?.
+Nooit gedrukt.]--Twee geslachten, tooneelspel in 3 bedrijver. [Onder
+pseudoniem Dr. A.C.A. Kosters gedrukt in _Nederland_ 1902.]--Twee
+Levenskringen, een ernstig stuk in 3 bedrijven. [Onder pseudoniem I.N.A.
+in de _Gids_ 1902. Later onder eigen naam in bundel bij G. Schreuders te
+Amsterdam (thans Mij. v. Goede en Goedkoope Lectuur)].--Van Hoogten en
+Vlakten, een stuk in 3 bedrijven. [Voor het eerst verschenen in de
+_Gids_, 1903, onder zelfde pseudoniem. Later in zelfden bundel als
+vorige.]--Zijn Evenbeeld. Tooneelspel in 3 bedrijven. [Verschenen in
+_Groot-Nederland_. Daarna in den 1sten bundel Tooneelspelen 1905.]--Een
+Moeder, tooneelspel in 3 bedrijven. [Gespeeld door 't Nederlandsch
+Tooneel te Amsterdam in 1905. Gedrukt in _Groot-Nederland_ in 1905.
+Later in den 2den bundel, bij de mij. v. Goede en Goedkoope
+Lectuur.]--De Veroveraar, een spel van stemmingen in 5 bedrijven.
+[Gespeeld voorjaar 1906 door het Nederlandsch Tooneel te Amsterdam.
+Gedrukt in _Nederland_ 1906. Daarna in de Ned. Bibliotheek (1906).]
+--Atie's Huwelijk, tooneelspel in 4 bedrijven. [Gespeeld a.v. in 1907.
+Gedrukt in _Groot-Nederland_. Daarna in de Ned. Bibliotheek in
+1907.]--Sint Elisabeth, tooneelspel in 3 bedrijven. [Verschenen in
+_Groot-Nederland_ 1907. Later opgenomen in den 2den bundel
+Tooneelspelen.]--Kasbloem, tooneelspel in 3 bedrijven. [Verschenen in
+_Groot-Nederland_ 1908. Later opgenomen in den 2den bundel
+Tooneelspelen.]--Een Paladijn, blijspel in 4 bedrijven. [Gespeeld door
+het Nederlandsch Tooneel te Amsterdam. Uitgaaf in de N.B.]---Het
+Liefdesvers, blijspel in 1 bedrijf. [Gespeeld op het Letterkundig
+Congres te Antwerpen in 1912. Niet uitgegeven.]--De Nimf, satyriek
+tooneelspel in 4 bedrijven. [Gespeeld door het Rotterdamsch
+Tooneelgezelschap in 1913. Verschenen in de T.B. 1913.]--
+
+
+
+
+CYRIEL BUYSSE
+
+[Illustratie: CYRIEL BUYSSE]
+
+[Illustratie: Op het balkon van zijn werkhuis]
+
+
+(* 1859)
+
+Toen ik te Gent uit d'n Sint-Pieters-Statie stapte, werd ik aangesproken
+door een zeer reusachtigen, blozenden, jovialen schoolknaap met
+opgestreken blonde knevels en zware Amerikaansche rijglaarzen:--Cyriel
+Buysse in zijn sportpak. Hij geleidde me naar zijn beroemde auto, liet
+zijn armen in een paar wijde handschoenen glijden en weg tuften wij. Wij
+gingen langs "het familiebuiten"; niet er in. Een zevental kilometers
+verder ligt zijn werkhuis, in de wandeling "de kooi", "la maison a
+pattes", of wel "de meulen" genaamd.
+
+Langs een omweg bereikten wij den top van een breeden heuvel en daar
+stond op een getimmerte van balken, te midden van laag gewas, een
+viertal meters van den beganen grond een houten gebouwtje met twee
+balkons. Men noemt het huisje "de molen", omdat op dien heuvel ook een
+molen staat, vele eeuwen oud, die, tusschen haakjes, nog steeds maalt.
+Het bevat een keukentje, een slaapkamer voor een dienstbode en een vrij
+ruime, doch primitieve werkkamer met groote openslaande vensters.
+
+Niemand zou hier een schrijver als Buysse gezocht hebben. Een lang
+ganzenroer lag op het bed naast mijn brief, een handvol patronen over de
+schrijftafel verspreid.
+
+Terwijl hij mij rondleidde en me de kasteelen in den omtrek toonde,
+moest ik denken aan een grondbezitter in de Kempen, die jaren geleden
+mij en een vriend door twee gewapende boschwachters deed aanhouden,
+omdat we over zijn terrein liepen teneinde een stuk weg af te snijden,
+en die ons minstens had laten opsluiten als hij had geweten dat we
+hadden gezwommen, bovendien, in zijn beek. Ik ben maar liever zijn gast,
+overwoog ik, tot Cyriel Buysse terugkeerend. Deze legde een twaalftal
+half uitgebrande toebakspijpen opzij, zoodat ik op zijn tafel kon
+schrijven, en keek met gefronsde wenkbrauwen over me heen toen ik met
+mijn vragen aankwam. Het: "Ge zult niets uit 'm krijgen!", dat enkele
+uren te voren een artiest mij had toegevoegd, spookte mij door het
+hoofd.
+
+"Ik ben de zoon van een fabrikant,"--begon hij--en wachtte: Als u 't
+hebt opgeschreven, waarschuwt u me wel. Dat was een grappige vergissing.
+Ik beduidde hem, dat hij zich aan mij niet moest storen en toen ging het
+vlot. Hij zette zijn gewone joviale gezicht en vertelde:
+
+--Ik ben de zoon van een fabrikant. Mijn vader had een fabriek een paar
+uur hier vandaan, en het idee was, dat ik hem op zou volgen als
+industrieel. Toen ik een jaar of vierentwintig was, werd ik voor zaken
+naar Amerika gestuurd, met het idee om daar misschien wel enkele jaren
+te blijven. Daar had ik vreeselijk te lijden van heimwee. Ik kon er
+absoluut niet wennen en ik geloof dat werkelijk door het lijden van het
+heimwee ik ben gaan zoeken: wat zal ik doen, ik moet iets anders doen.
+En toen ben ik voor eigen pleizier een dingetje begonnen te schrijven,
+iets van niemendal, het heette "Guustje en Zieneken", een
+boerenverhaaltje. Dat liet ik lezen aan mijne tante, Virginie Loveling,
+een zuster van mijne moeder. Die vond er iets in en zeide mij: met een
+klein beetje er aan te veranderen kan het gepubliceerd worden, en ik zou
+u aanraden om door te werken. Dat werd gepubliceerd in "Het Nederlandsch
+Museum", dat toen in Gent werd uitgegeven, en verscheen daarna als een
+afzonderlijk boekje. En van dat oogenblik af ben ik doorgegaan bijna
+zonder onderbreking. Mijn eerste werk van beteekenis was "De
+Biezenstekker", een groote novelle, die verscheen in "De Nieuwe Gids".
+Heel kort daarna kwam "Het Recht van den Sterkste". Ik geloof, dat ik
+daardoor in Holland bekend ben geworden. Wat zal ik u verder zeggen? de
+lijst van mijn werken is heel lang, er zijn er in de twintig, ieder jaar
+is er een nieuw boek geweest.
+
+Ik heb ook voor het tooneel gewerkt, een stuk uit den boerenstand "Het
+Gezin van Paemel", dan nog een ander stuk, getrokken uit "De
+Biezenstekker", "Driekoningenavond"; verder "Maria", getrokken uit Het
+"Recht van den Sterkste"; en verder "Een sociale Misdaad", getrokken uit
+een novelle van Wildstroopers.
+
+Een bedoeling heb ik met mijn werken nooit gehad. Ik geloof werkelijk,
+dat er bij mij heel weinig achter zit. U moet mijn werk nemen zooals het
+is, zonder bijbedoeling. Wel getrokken uit dingen die om mij heen
+gebeurd zijn--ik zit hier midden in mijn onderwerpen--maar zonder de
+bedoeling om met het schrijven iets te bereiken. Ik geloof, dat op mij
+wel toepasselijk is de formule van "l'art pour l'art". De menschen
+hebben er wel eens politieke bedoelingen in gezien. Een ding is waar, ik
+ben heelemaal niet een vriend van de clericalen. Die hebben telkens veel
+aan mijn werk af te keuren gehad en van hen heb ik een geweldige
+tegenkanting ondervonden. Ik ben voor mijn globale werken in den ban
+geslagen. Mijn naam is om zoo te zeggen in den ban.
+
+--Hoe komt het, dat gij u bijna altijd bezighoudt met die
+plattelandsmenschen?
+
+--Ten eerste omdat ik die het best ken. Ik ben een buitenmensch. Ik ben
+heelemaal wat men kan noemen "un terrien", een man van den grond. Wat
+buiten gebeurt interesseert mij doorgaans meer dan wat in de stad
+gebeurt. Ik ben heelemaal geen stadsmensch. Ik kom alleen in de stad om
+sigaren te koopen of om mijn automobiel in orde te laten maken. Het is
+heel eigenaardig, ik denk bijna nooit aan de stad. Ik heb wel sommige
+dingen geschreven die gedeeltelijk in de stad plaats hebben, maar
+meestal komt er dan nog heel veel buitenleven bij. Ik voel mij absoluut
+als uit den grond gegroeid. Ik word heelemaal niet aangetrokken door het
+moderne leven in de stad. Dat lijkt mij dikwijls ziekelijk, en ik voel
+veel voor het gezonde.
+
+--Maar is dan in het algemeen de schrijver niet een mensch met
+niet-gezonde zenuwen, zooals men het wel eens heeft geformuleerd?
+
+--Neen, dat vind ik niet. Ik geloof meer aan het "mens sana in corpore
+sano",--altijd wat mij betreft. U kunt mij beschouwen als een geweldig
+individualist. Ik sluit mij heel moeilijk aan bij een ander. Ik ben wel
+lid van enkele vereenigingen, maar ik kom er nooit. Ik sta in alle
+opzichten heelemaal alleen.
+
+--Dus u gelooft niet aan de uitspraak: hoe zieker zenuwen, hoe beter
+kunst?
+
+--Neen, voor mij is dat absoluut niet zoo. Je kunt wel heel goed en
+scherp voelen en toch een heel gezond mensch zijn. Ik heb nooit de
+behoefte gevoeld mij ziek te maken om te werken. Vroeger kon ik alleen
+'s ochtends werken, maar nu kan ik een beetje werken wanneer ik wil.
+Dat gaat mij nu gemakkelijker af dan in het begin.
+
+Ik ben op het oogenblik bezig met een nogal eigenaardig boekje. Ik noem
+het "mijn zomerdagboek". Het zijn korte noteeringen van elken dag van
+mijn leven hier in de natuur. Van wat ik zie en gevoel. Allerlei kleine
+dingetjes dikwijls. Zeer afgewisseld. Een innig doordringen tot het
+landelijk leven in zijn details. En het is ongelooflijk wat gij kunt
+afleggen als gij iederen dag werkt. Een-en-twintig Maart, den eersten
+dag van de Lente, ben ik begonnen, en wilt ge wel gelooven dat ik met
+iederen dag een paar bladzijden te schrijven, een boekje heb gekregen
+van meer dan driehonderd pagina's? Ik heb het tot nog toe volgehouden en
+nog geen enkelen dag overgeslagen van 's avonds iets neer te schrijven.
+Dat boek zal iets heelemaal aparts zijn in mijn productie. Ik zal het
+eindigen met den dag dat ik hier weg ga. Ik ga hier altijd weg als de
+laatste blaadjes gevallen zijn, en dan sluit ik meteen mijn dagboek.
+
+--Hoe is eigenlijk de verhouding tusschen u en uw onderwerpen?
+
+Dat is de verhouding van iemand, dien zij denken heelemaal tot hun
+gemoedsleven te behooren. Die menschen weten vagelijk dat ik schrijver
+ben. Zij weten het maar heel onduidelijk. Zij weten niet wat het is een
+schrijver te zijn. Ik praat met de boeren, ga in hun herbergen, tracteer
+de lui en praat met de herbergiers. Zij beschouwen mij heelemaal als van
+hun soort. Dat wil niet zeggen dat ik intiem met hen omga. Ik blijf voor
+hen altijd de mijnheer, maar toch een mijnheer die hun leven begrijpt.
+Het is wel gebeurd dat sommige menschen zeiden: mijnheer Buysse heeft
+over ons geschreven. Maar dan werd er weer aan getwijfeld, omdat sommige
+dingen niet precies klopten. Je componeert je boeken, nietwaar? je
+neemt iets van die en neemt iets van een ander, en daarvan maak je je
+personages. De menschen in mijn boeken zijn niet heelemaal integraal
+zooals zij langs de wereld loopen. En zoo herkennen de menschen zich
+meestal niet in mijn werk. Als gij hier moest rondgaan en vragen: wat
+doet die mijnheer Buysse toch, zij zouden u zeggen: Mijnheer Buysse is
+een mijnheer die op zijn goed leeft en niets uitvoert.
+
+Ik weet niet of u al gelezen hebt wat thans van mij in "Groot-Nederland"
+is verschenen: "Van Hoog en Laag", de eerste van een serie van
+waarschijnlijk drie romans onder den gemeenzamen titel van "Hoog en
+Laag". Het eerste heet "Het eerste levensboek", en speelt hier. Het is
+het landschap dat u hier om u heen ziet. Het leven op dit kasteel en dat
+kasteel en dat van de dorpsmenschen zoo door elkaar. U zult er
+waarschijnlijk wel dingen min of meer in herkennen.
+
+Natuurlijk met de transformatie die een artiest aan de werkelijkheid
+geeft. Wij behoeven toch niet te praten over de quaestie van het
+realisme? "Un coin de nature vu a travers un temperament" is een niet
+kwade formule. De beschrijving van een realiteit is toch heel iets
+anders dan die realiteit.... Het grond-motief van dit boek vereenigt
+zich met een ander: ik zit hier namelijk hoog op een heuvel en ginder is
+nog een heuvel met een kasteel er op en daaronder liggen de menschen van
+het dorp hier....
+
+--Laat ik u even vasthouden. U zegt, dat een beschrijving van de
+werkelijkheid anders is dan de werkelijkheid zelf. Moet ik dit zoo
+verstaan, dat u iets aan de werkelijkheid toevoegt?
+
+--Als de artiest niets aan de werkelijkheid toevoegde zou hij geen
+artiest zijn. Het beschrijven van details zonder meer, zooals Van
+Deyssel wel eens heeft gedaan, daar voel ik niets voor. Dat kan ik niet
+mooi vinden. "L'ame des choses", zooals de kunstenaar die voelt, moet
+uit zijn werken spreken.
+
+--Maar _wat_ voegt gij dan aan de werkelijkheid toe?
+
+--Ik zie de werkelijkheid voor mij en op de werkelijkheid, die als beeld
+in mijn hoofd zit, ga ik bouwen. Maar er komt zooveel bij en er gaat
+zooveel af. In mijn werk is het gedeelte van de verbeelding zeer groot.
+
+--Welke zijde van de werkelijkheid trekt u dan het meeste aan?
+
+--Ik weet niet of ik het ooit zal gebruiken, maar al wat ik zie
+interesseert mij. Alle verschijnselen van het leven zijn vol belang voor
+mij. Van het grootste tot het kleinste vind ik alles belangrijk.
+
+--Welke voorgangers hebben op uw eerste werk invloed gehad?
+
+--Ze hebben mij dikwijls vergeleken met De Maupassant, en ik zie zelf
+ook wel, dat ik op hem lijk in sommige dingen, doch dat is een
+toevallige gelijkenis. Vroeger heb ik bepaaldelijk onder den invloed van
+Zola gestaan. Hij heeft invloed op mij gehad, gelijk op alle joncheren
+van dien tijd. Wie heeft niet onder zijn invloed gestaan, twintig of
+vijfentwintig jaar geleden? "Het recht van den Sterkste" is bepaaldelijk
+onder den invloed van Zola geschapen. Ik bedoel natuurlijk niet, dat ik
+geimiteerd heb, maar wel dat het procede, de visie van Zola, is
+toegepast op deze lui en deze toestanden. Ik voelde daar veel voor in
+dien tijd, nu minder.... Maar aan de wetenschappelijke tendenz, bijv.
+aan de quaestie van de herediteit, die bij Zola zoo op den voorgrond
+treedt, hecht ik heelemaal niet. Dat is mij veel te gewild. Wat ik mooi
+vind, dat is de gang die in zijn werk zit, het lyrisme in een boek als
+"Germinal", de kolossale beweging van de massa's, het epos van een boek
+als "l'Assommoir".
+
+--Hoe denkt u dan over de uitspraak dat het naturalisme dood is?
+
+--Waarom zou het dood zijn? Er is niets dood. Het heeft zijn tijd gehad.
+Maar wie belet iemand met groot talent een heel mooi naturalistisch boek
+te schrijven? Laten zij het maar probeeren als zij kunnen. Wat hebben
+wij al nieuwe modes gezien in de literatuur. Waar is nu de mode van het
+symbolisme en het mysticisme? In sommige landen is het nog een beetje
+gaande, maar bijna overal heeft het afgedaan. Ik hecht niets aan al die
+dingen, absoluut niets.... O neen, ik geef mij geen rekenschap.... Zegt
+u maar gerust, dat alles bij mij direct gebeurt, spontaan en intuitief,
+dat ik niet weet te zeggen waarom of hoe. Ja, de Hollanders zitten
+altijd met hun deductievermogen bezig en vragen altijd hoe het gekomen
+is en waarom het gebeurd is, maar ik weet het heusch niet. Ik geloof dat
+ik daarvoor te eenvoudig, te gezond in mijn natuur sta, om mij daarom
+bezorgd te maken.
+
+--Dus dan heeft u geen bepaalde voorliefde voor een of andere richting?
+
+--Als ik een mooi schilderij zie of een mooi boek lees, dan denk ik niet
+aan de richting. Dan kan het mij ook heelemaal niet schelen van welke
+richting of het is. Bijvoorbeeld: hoever sta ik niet af van een man als
+Maeterlinck? En toch bewonder ik zijn werken meestal enorm.
+
+--Ik kom nu aan de verhouding tusschen kunstenaar en maatschappij. Heeft
+volgens u de schrijver een taak ten opzichte van de gemeenschap, moet
+hij bijv. de menschen iets leeren...?
+
+--Ik wil niets leeren aan de menschen. Ik schrijf eenvoudig omdat ik
+niet anders kan. Ik zou heel ongelukkig zijn als ik niet kon schrijven.
+En waarom publiceer ik? Omdat hier en daar toch wel iemand is die met je
+meevoelt. Ik ken slechts de behoefte om wat ik sterk voel mee te deelen.
+Als je voor een mooi tafreel staat, dan heb je een kreet, dan zeg je:
+wat is dat mooi! En wanneer je als schrijver iets ziet dat mooi is, dan
+werk je het uit en geeft het aan de menschen te zien.
+
+Ik heb niet een van mijn werken herlezen. Ik zou het niet kunnen.
+Eenmaal als het geschreven en gedrukt is, is het absoluut dood. Het gaat
+zoover, dat ik heelemaal niet meer weet wat in mijn vorige werken
+gebeurd is. Een boek dat eenmaal geschreven is, is een ding dat gebloeid
+heeft en daarna is dood gegaan, een vrucht. Ik heb nooit het publiek
+voor oogen als ik iets doe. Ik ken mijn publiek niet. Wie leest mijn
+boeken? Ik weet het niet.
+
+--Met andere woorden: voor het streven naar gemeenschaps-kunst voelt u
+niets.
+
+--Dat gaat geheel buiten mij om. Absoluut. Daarvoor ben ik veel te sterk
+individualist. Ik sta alleen op de wereld. Ik begrijp niet wat bedoeld
+wordt met gemeenschaps-kunst. Wat is gemeenschaps-kunst.... Ik meen dat
+alles onbewust moet gebeuren en dat de gemeenschap naar de kunst moet
+komen, aangetrokken door wat wel aardig is en wat zij mee kan voelen. Ik
+kan mij niet voorstellen een gemeenschaps-kunst, een soort
+vooropgestelde kunst om de gemeenschap te behagen of ten nutte te
+zijn.... Ik weet het niet, ik kom er niet bij. Ik ben bang, dat het
+dikwijls heel minderwaardige kunst zou zijn op die manier....
+
+Nu zult u mij natuurlijk herinneren aan sommige van mijn tooneelstukken
+en aan mijn relaties met de socialisten. Och, ik beschouw die menschen
+als veel meer ontwikkeld dan de burgerij hier. Zij staan er bepaald ver
+boven, wat intellectueele ontwikkeling betreft. En daardoor hebben zij
+meer mijn sympathie gehad dan de anderen. Maar denkt u er om dat ik
+heelemaal buiten de politiek sta en dat ik geen actief deel neem in geen
+enkele partij. Ik ben zelfs geen kiezer, ik ga nooit naar de
+verkiezingen. Het is toevallig, dat mijn kunst beter begrepen wordt door
+de socialisten en beter in hun geest kwam. U zult zeggen "Het gezin van
+Paemel" is een socialistisch stuk, de socialisten spelen het voortdurend
+en spelen het goed, maar ik verzeker u dat het toevallig is en het zou
+net zoo goed kunnen gebeuren dat ik een stuk schreef dat
+anti-socialistisch was. Maar aangezien de mindere klassen menschen zijn
+die veel onrecht wordt gedaan in de maatschappij, voel ik mij daartoe
+meer aangetrokken. Er is veel meer van te zeggen dan van de andere
+standen, die bevoordeeligd zijn door de maatschappelijke verhoudingen.
+Ik ken de geheele opkomst van de Gentsche socialisten, hun economischen
+en socialen strijd, en ik vind het bewonderenswaardig, ik kan het niet
+helpen. Iederen keer dat ik voor "Vooruit" kom, bewonder ik wat zij
+gedaan hebben en hoe die menschen zich trots alles ontwikkeld hebben.
+
+Als de proletarische kunst goed is, dan vind ik ze goed. Maar ik vind ze
+wel eens leelijk. In de tooneelzaal van de socialisten te Gent hangen
+schilderijen, symbolische voorstellingen van kapitaal en arbeid, die ik
+niet kan bewonderen. Is dat gemeenschapskunst, dan zou ik zeggen: ik zie
+liever salonkunst als het mooi is. Roland Holst en Gorter zijn twee echt
+mooie artiesten, die ook zonder hun richting heel mooie dingen maken. Ik
+ben overtuigd, dat zij het socialisme niet noodig hebben om prachtige
+kunstwerken voort te brengen.
+
+Kortom, ik meen dat een artiest volkomen onafhankelijk moet willen zijn
+... of liever, hij "moet" het niet "willen" zijn, hij _is_ het, hij is
+absoluut vrij aan alle kanten, want als hij denkt dat hij het "moet"
+zijn, dan is het ook al weer niet zuiver....
+
+--En we tuften terug. De boeren die tegen 't land werkten stonden op om
+hem te groeten. De zon scheen over den akker en hij wees mij op de kleur
+van den grond: rose, met een gouden weerschijn, heelemaal niet zwart,
+zooals een befaamd Hollandsch journalist, over Streuvels schrijvend "den
+vetten Vlaamschen bodem" genoemd heeft.
+
+Nu kwamen wij op "het familiebuiten".
+
+Ik vond het verschrikkelijk jammer dat ik geen _smoking_ bij mij had,
+maar het was nu eenmaal niet anders. Hij had een flink aantal
+loge's--hij beweert tusschen haakjes dat men in Holland van "louche's"
+spreekt--met klinkende vaderlandsche namen en we gingen bijna terstond
+aan tafel. En terwijl een van zijn dochters mij vertelde, dat hij de
+slaaf is van zijn louche's, hoorde ik uit een gesprek, dat aan het
+andere eind der tafel gevoerd werd, dat men hem in zijn huis "de
+artiest" noemt. Een grappige bijzonderheid, die boekdeelen spreekt,
+zoowel over den man als over zijn omgeving. Met een goedhartig snuit
+liet hij met zich sollen en een keer liep hij, groot en naief in zijn
+sportpak, van tafel om een exemplaar van zijn "Per auto" te halen,
+waarin hij voor een "louchee" een opdracht schreef.... Ik moest er
+vooral bij vermelden dat hij dit met een zeer defecte vulpen deed.... En
+in een adem liet hij er op volgen: "Hebt u 't al gehoord? Mijnheer de
+interfiefer (dat was ik) vindt mij een heel eenvoudig man!" Met
+bewonderenswaardigen tact bracht de gastvrouw het gesprek op een ander
+onderwerp.
+
+Hij had mij gaarne enkele dingen in den omtrek in verband met zijn werk
+laten zien, doch het ging dien middag niet, want een paar jonge dames
+die bij hem "loucheerden" moesten een bezoek afleggen in het Zuiden, en
+daar hij de chauffeur is van de heele familie, was hij dien middag
+bezet.
+
+
+BIBLIOGRAPHIE:
+
+Het Recht van den Sterkste(1893)--Sursum Corda
+(1894)--Wroeging(1895)--Mea Culpa (1896)--Op 't Blauwhuis
+(1897)--Schoppenboer (1898)--Uit Vlaanderen (1899)--Te Lande (1899)--'n
+Leeuw van Vlaanderen (1900)--Van Arme Menschen (1901)--Daarna
+(1903)--Tusschen Leie en Schelde (1904)--Rozeke van Dalen (1905)--'t
+Bolleken (1906)--Lente (1907)--In de Natuur (1907)--Het Volle Leven
+(1908)--Ik Herinner Mij (1909)--Het Ezelken (1910)--De Vroolijke Tocht
+(1911)--Stemmingen (1911)--De Nachtelijke Aanranding (1912)--Per Auto
+(1913)--Van Hoog en Laag (1913).
+
+_Tooneel_:
+
+De Plaatsvervangende Vrederechter, satire.--Het Gezin van Paemel,
+drama.--Maria, drama.--Driekoningenavond, drama.--Een sociale Misdaad,
+drama.
+
+
+
+
+FRANS BASTIAANSE
+
+[Illustratie: FRANS BASTIAANSE Jeugdportret]
+
+[Illustratie: Foto Brok--Hilversum FRANS BASTIAANSE (eind 1913)]
+
+
+(* 1868)
+
+Onlangs ontmoette ik een dame, die al zijn verzen van buiten kent, zoo
+vaak had ze die, bewonderend, gelezen. Kort daarop sprak ik die dame
+weer. Ik heb hem gezien, zei ze, maar hij is mij bitter tegengevallen:
+hij is zoo'n gewoon mannetje....
+
+Mij is het juist andersom gegaan. In een plaats als Hilversum, waar het
+meerendeel van de menschen tot een allerbanaalst type behoort, valt een
+echte persoonlijkheid spoedig op, en zoo had ik allang het mijne gedacht
+van een niet kleinen maar ineengedrongen mijnheer met norsch starend
+gelaat, die in mijn buurt woonde. Hij was steeds bijzonder goed gekleed,
+maar blijkbaar liefhebber van een soort rustieke deukhoeden, die,
+vergeleken bij zijn overige kleedij, welhaast bizar zijn. En als hij mij
+traag voorbijpeddelde of met afgemeten passen langs mij schreed, telkens
+gaf hij mij de sensatie van een opgesloten en eenigszins beschaafden
+leeuw, van wien men nooit zeker kan weten, of hij niet op klaarlichten
+dag doodkalm zijn klauw, tusschen de tralien van zijn kooi door, in de
+spieren van den toeschouwer zal slaan. De lezer begrijpe goed: Niet de
+uiterlijke verschijning van dien mijnheer had gelijkenis met een leeuw,
+maar zijn innerlijk, dat ik raadde, had voor mij iets ontembaars.
+
+Toen ik nu ontdekte dat die mijnheer Frans Bastiaanse heette, was ik
+niet verwonderd. Ik aanvaardde de ontdekking gemakkelijk. Een
+onafwijsbaar licht ging mij op over zijn verzen, nu ik wist dat de
+dichter "van buiten ijs, van binnen gloed" was.
+
+In een huisje, niet ver van het mijne, met een ruim uitzicht over de hei
+en dat hij, tot mijn verbazing zonder ironische bedoelingen, "De Vlakte"
+heeft genoemd, woont deze idealist, die zich grimmig gelaten beweegt in
+de burgerlijke positie van leeraar aan een burgerschool. En voor zoover
+hij niet reeds uitteraard ongenaakbaar is, wordt hij dit met behulp van
+zijne vrouw, die met een gezicht, zoo zonnig dat men het nog aangenaam
+vindt op den koop toe, de bezoekers op een afstand houdt en zoo zijn
+weinige vrije uren bewaakt.
+
+De lezer zal wel begrepen hebben dat Bastiaanse mij, toen de kennismaking
+ondanks alles een feit was geworden, op sommige punten maar weinig nieuws
+had te vertellen. Hij was daar trouwens niet toe geneigd, want hij had
+een zeldzaam grimmige bui--dat zegt wat, niet waar?--en ik was al dra
+een beetje afgetrokken. Want zelden heb ik zoo sterk het verschijnsel
+waargenomen, ja getast, dat twee gedachtegangen (die van Bastiaanse en
+de mijne dus, in dit geval) elkander ik zou bijna zeggen rakelings
+voorbijgaan, zonder elkaar te ontmoeten. Nu was dit verschijnsel
+vooral merkwaardig, omdat ik hier zoowaar te doen had met iemand van
+academische opleiding, die reeds vele jaren docent is, en nog wel o.a.
+in de geschiedenis, en die dus ongetwijfeld groote oefening en
+vaardigheid bezit in het waardeeren van andermans meening. En toch, nu
+het ging om het innigste, het eigenaardig-persoonlijke, kreeg hij het
+gevoel dat ik vroeg om te strijden, en heel-even stonden we als
+blazende katers tegenover elkaar; om het daarna glimlachend op te
+geven en ons te verdiepen in de beschouwing van een mooie teekening.
+Want we hadden de scheidingslijn geraakt.
+
+Doch ik loop vooruit. Hoor hem eerst van zijn jeugd vertellen, woordkarig,
+zoo langzaam dat men aan het eind van ieder woord vreest dat hij er genoeg
+van krijgt, en blij als hij gelegenheid heeft het een of ander te
+verpletteren onder een zwaar woord, waar een languitgehaalde, dikke _l_
+uit rolt:
+
+"Ik ben uit een vo_l_komen ondichter_l_ijk milieu voortgekomen. Bij mij
+thuis waren alleen te vinden wat Aurora's, de Heidelbergsche
+catechismus, en Motley's "De opkomst van de Nederlandsche republiek". En
+als ik iets aan mijn omgeving te danken heb, dan zou ik zeggen dat het
+aan mijn vader is, een man van groot doorzettingsvermogen, die zich uit
+de lagere standen door energie en intellect had opgewerkt. Die liet mij
+ook volkomen vrij, en toen hij begreep dat ik niet in den handel wilde,
+mocht ik het vak van mijn keuze kiezen. Maar hij waarschuwde mij er
+voor, schoolmeester te worden: dat was het jammerlijkste vak dat ik
+kiezen kon....
+
+Op de lagere school, toen ik een jaar of tien was, begon ik de
+verhaaltjes die wij moesten schrijven, in plaats van die in gewoon proza
+na te vertellen, in verzen, natuurlijk prulverzen, na te vertellen. Dat
+is het begin geweest.
+
+Ik ben ook een tijdlang op kostschool geweest in Oosterbeek en daar heb
+ik bijzonder veel aan het natuurleven gehad, hetgeen dan op mijn denken
+en gevoelsleven wel invloed heeft geoefend.
+
+Op de burgerschool in Utrecht, op mijn zestiende of zeventiende jaar,
+ben ik weer gaan schrijven. Dat kwam spontaan. Tusschen mijn
+allervroegste prematuur ontwaken en mijn eigenlijk gezegd bewust
+optreden als dichter liggen dus een jaar of zes, zeven. Het begon toen
+met prullaria: Ik herinner mij een gedicht op een historisch gegeven: De
+slag op de Catalaunische velden. Ik had nog geen metriek geleerd en
+voelde dat er aan mijn Alexandrijnen iets ontbrak. Ik kon er maar niet
+achter komen wat. Later, het gedicht overlezend, zag ik dat de caesuur
+op de verkeerde plaats viel....
+
+Maar toen kwam een gewichtig oogenblik in mijn leven. Doordat mijn vader
+mij nogal vrij liet, kon ik vrij wat boeken bestellen, en zoo was ik ook
+op "De Gids" geabonneerd. Ik kwam toen bij mijn boekhandelaar, die mij
+zeide: Er is ook een ander tijdschrift, wilt u het eens inzien? Dat was
+"De nieuwe Gids". Ik ben ermede naar huis gegaan en heb de aflevering in
+een stuk doorgelezen. Direct begreep ik, dat dat nu was wat ik eigenlijk
+moest hebben. Men heeft wel eens opgemerkt: er staan in de "Nieuwe Gids"
+van die dingen waar je eerst aan moet wennen en dan pas kon je achter de
+schoonheid komen, maar ik voelde het direct. Het was in den tijd dat Van
+Deyssel zijn critieken schreef en Kloos zijn prachtige verzen, die zijn
+opgenomen in het "Boek van kind en God". Daar had ik terstond een groote
+bewondering voor, en dat is ongetwijfeld van invloed geweest op mijn
+vorming. Meer invloed moet ik nog toekennen aan de theorieen van Kloos,
+zooals die in het begin van die periode telkens verschenen in zijn
+literaire kronieken. Het is mij vaak gebeurd dat ik van een schrijver
+niet veel las, maar uit een aantal verzen mij de gevoelswereld, waarin
+hij zich bewoog, eigen maakte. Dan ging ik weer mijn eigen gang. Zoo ook
+toen. Ik zat in de vierde of vijfde klas van de H.B.S. en ging weer mijn
+eigen verzen maken, doch die leken aanvankelijk wat veel op die van de
+"Nieuwe Gids". Ik heb ze dan ook onrijp gevonden en ze later allemaal
+achtergehouden.... In dien tijd kwam ik met de afleveringen van de
+"Nieuwe Gids" op school, ik liep er mede door de gangen en droeg zorg
+dat de leeraren het zagen. Zij vonden dat, naar ik dacht, een
+huiveringwekkend gezicht.
+
+Toen ik eind-examen had gedaan, besloot ik na eenige aarzeling, in de
+literatuur te gaan studeeren. Ik had van letterkunde, zooals die aan de
+academie wordt onderwezen, geen goed begrip; ik dacht dat ik aan de
+academie "de literatuur" zou hooren. Ik deed eind-examen gymnasium, en
+ging in de Nederlandsche letteren studeeren. Ik was spoedig
+teleurgesteld en heb ook lang overwogen, er maar den brui van te geven
+en eenvoudig literator te worden. Maar mijn neigingen brachten mij
+volstrekt niet tot realisme, en ik begreep wel, dat iemand die niets
+anders deed dan verzen maken, om te kunnen leven in de een of andere
+slavernij moest vervallen. Toch heeft het lang geduurd, voordat ik mij
+resigneerde om te blijven studeeren: Anderhalf jaar heb ik geen college
+geloopen.
+
+Ik nam mijn besluit juist in den tijd, toen het mis ging met de "Nieuwe
+Gids". Het wegvallen van het geestelijk milieu in ons land deed me
+pijnlijk aan. Want, niet waar, je leeft als individuen naast elkaar en
+je hebt in de sfeer waarin je leeft wel eenige aanknoopingspunten
+noodig. Dat maatschappelijk bankroet, dat ik in het ineenvallen van de
+"Nieuwe Gids" proeven kon, heeft mij gedeeltelijk tot inkeer gebracht,
+en heeft bij mij het voornemen doen rijpen om af te studeeren, zoodat ik
+niet een maatschappelijk afhankelijk persoon zou worden, dat ik mij zelf
+kon redden en daar bovenuit kunstenaar kon zijn....
+
+Nog iets anders heeft daartoe meegewerkt. Max Nordau heeft een boek
+geschreven: "Ontaarding"--een van de meest abjecte boeken die ik ken.
+Hij beweerde o.a. dat de groote dichters als Goethe complete menschen
+waren, maar bovendien nog kunstenaars, en dat de tegenwoordige dichters
+incomplete menschen waren. Goethe was overcompleet, zei hij zoo
+ongeveer, die had ergens een compartiment in zijn bestaan waar "en
+volkomen burger in zat, en dat heb jullie niet. Ik vond dat dat
+heelemaal onjuist was, en toen dacht ik: Ik zal die paar examens doen,
+dan kan ik het maatschappelijk werk dat te doen is ook op mij nemen,
+dan toon ik ook een overcompleet mensch te zijn. Ik beschouwde die
+maatschappelijke taak wel niet als het schoonste, maar toch als een
+noodzakelijke plicht. Ik besloot een gewoon mensch in de cultuur te
+worden, waarvan ik in mijn eerste jeugd een hartgrondigen afkeer had
+gehad.
+
+Ik ging toen een poosje naar buiten, en begon te werken voor mijn
+candidaatsexamen. In den tusschentijd had ik eenige verzen geschreven,
+die in enkele jaargangen van den Utrechtschen Studentenalmanak waren
+verschenen. Eenigen daarvan zijn door Van Eeden beoordeeld, die tot de
+conclusie kwam, dat Boutens, die toen ook verzen publiceerde, en ik
+misschien weleens zouden weten van ons leven, wat een goed vers is. Een
+van die gedichten is "Middag aan den heuvelrand", later opgenomen in
+"Natuur en Leven". Van Deyssel heeft daar later over geschreven.
+
+Ik was toen 23 jaar. Wat voor den pianist de vingeroefeningen zijn, dat
+was voor mij het schrijven van mijn vroegste gedichten. Zoo goed als
+ieder ander kunstenaar heeft de dichter grondig zijn metier te leeren.
+
+Wat nu mijn levenshouding betreft--ik sta hoofdzakelijk op het standpunt
+van den aristocratischen eenling. Ik vind dat het geestes-aristocratisme
+steunen moet op een bijzonder groote mate van kennis en op het diepste
+menschelijk gevoel. Een gevoel echter, dat nooit mag leiden tot den
+ondergang van het individu. Ik bedoel dit: Ik zou nooit een leven kunnen
+leiden als bijv. Verlaine--een leven van armoe en ellende. Dit heeft ook
+gemaakt--die dingen werken allemaal op elkaar terug--dat ik mij
+maatschappelijk zelve door het leven wenschte te slaan.
+
+Maar het spreekt wel van zelf dat ik geen kind zou zijn van mijn tijd,
+wanneer ik niet ook op gegeven oogenblikken de behoefte in mij had
+gevoeld naar aansluiting bij de massa van gelijkgezinden. Ik heb een
+oogenblik gemeend, zooals zoovelen, dat ik dit wellicht in het
+socialisme zou vinden, daar ik het in de nuchter-practische gemeenschap
+van de bourgeoisie niet vond. Want voor een massa van die menschen is de
+poezie dood. Ze hebben er niets aan. Te midden van hen kun je je als
+eenling voelen, maar nadere gemeenschap heb je niet met hen. Wat zij
+zwart noemen, dat noem je gewoonlijk wit. Zoo ga je zoeken naar een
+andere gemeenschap, en toen ben ik ook wel enkele malen op een
+socialistische meeting geweest.
+
+Maar die toon van gemeenzaamheid, die vervlakking van de
+persoonlijkheden, die daar voorkwamen, leken mij aan den anderen kant
+weer even verkeerd. Want ik ben wel voor de vrijheid, maar zeer sterk
+tegen de gelijkheid en de broederschap, in dien zin dan dat daardoor het
+persoonlijkheidsbesef zou worden aangetast. En hoe meer iemand zich
+differencieert van de massa, des te meer zal hij in staat zijn om
+datgene te maken wat de massa niet vermag. Dus: Ik ben voor de grootst
+mogelijke ongelijkheid, en dat heb ik toen goed gevoeld. Eerst heb ik in
+dien tijd met Gorter terloops gesproken en daarna grondiger met Tak.
+Aan Tak heb ik een wijze raadgeving te danken, die ik nog dankbaar in
+gedachten houd: Hij waarschuwde mij, mij niet in dit opzicht door mijn
+gevoel, maar slechts door mijn intellect te laten leiden. En toen ben ik
+het historisch materialisme en de socialistische theorieen gaan
+bestudeeren, en ik heb gezien dat het niet mijn zaak was. Dat het
+misschien mogelijk was voor; andere menschen, daar bezieling uit te
+putten, menschen die het sentiment voor de massa hadden, maar dat het,
+mij niet zou steunen.
+
+Hier besloot Bastiaanse "iets voor den dag te halen", dat wil zeggen,
+hij nam uit zijn Oud-Hollandsche kast een paar kleine cartons, waarin
+hij zijn keurig geschreven manuscripten bewaart. En eer ik er op
+verdacht was las hij mij enkele fragmenten voor uit een uitvoerig
+gedicht "Het Eiland der Schoonheid",[4] dat nog niet gepubliceerd is en
+geschreven werd tusschen Sept. 1911 en Dec. 1912. Hier brak de
+innerlijke gloed door het uiterlijke ijs. Hij had naar het gedicht
+gegrepen, gelijk een musicus naar zijn speeltuig, omdat gesproken
+woorden hier nietszeggend waren geworden.
+
+Hoe groot is het verschil tusschen de technische, op massa-effect
+berekende kunst van den declamator en de stem van den dichter die zijn
+eigen poezie geeft. Hoe verteederd was deze stem hier en hoe zuiver deed
+haar bevend rhytme mij gevoelen dat wij nu in een andere wereld waren
+aangeland. Luister:
+
+ "Ik hoorde menig stem van vroeger tijden,
+ Die van dat uitverkoren heeft gewaagd,
+ Maar mij daarheen door nood en nacht te leiden.
+ Heb ik vergeefs aan levenden gevraagd.
+
+ Slechts vinden zullen zij die zelve zochten:
+ De weg van de een is die des anderen niet,
+ En zelden zien wij op eenzame tochten
+ Een wijkend zeil in 't schemerend verschiet.
+
+ Dit wist ik van die verre reis te voren,
+ Maar zorg en vrees verdubbelden mijn moed,
+ Dus heb ik leed boven de rust verkoren,
+ Vage eindeloosheid boven eindig goed."
+
+Wat lijken ze toch veel op elkaar, als ze in dezen staat verkeeren,
+overpeinsde ik, nog onder de bekoring van de week-speelsche
+rhytme-grilligheid, waarmede de twee laatste verzen een hard besluit
+verzoeten. (Ik moest n.l. onwillekeurig denken aan Albert Verwey, die
+mij lang geleden iets uit zijn gedichten voorlas, en daarna aan onzen
+wijsgeerigen kunstenaar Bierens de Haan.)
+
+En ziet, nadat Bastiaanse mij den aard van z'n alleen-zijn op deze wijze
+had verduidelijkt, beter dan hij het in gewone woorden had kunnen doen,
+vervolgde hij, nog steeds sprekend over het sentiment voor de massa:
+
+"Er is een oogenblik geweest, dat ik dit sentiment zelfs zeer
+verderfelijk achtte. Maar ik erken nu: Als een kunstenaar zoo veel houdt
+van die massa-idee als een ander bijv. van zijn geliefde of zijn moeder
+kan houden, dan kan die massa-idee in hem dien ontroeringsstaat wekken,
+die tot het kunstenaarsschap aanleiding geeft. Ik ben dus gaan zeggen,
+dat ieder op zijn wijze moet worden aangedaan, de een door het massa
+sentiment, de ander door een diep natuur-instinct, een derde door zijn
+religieus gevoel. Die dingen liggen in iemands onder-bewustzijn vaak
+naast elkaar, maar ze kunnen ook fel tegenover elkaar staan....
+
+Ik ben dus weer geworden wat ik altijd geweest ben, n.l. individualist,
+maar van ruimer opvatting dan te voren, vooral in den laatsten tijd. Ik
+heb in de allerlaatste jaren het gevoel gehad, dat ik vroeger wel tegen
+Gorter en mevr. Holst heb kunnen schrijven, maar dat die menschen met
+hun artistiek temperament en hun hartstochtelijk gevoelsleven, ten
+slotte dichter bij ons staan, dan de burgers, met wie we uiterlijk
+gerekend kunnen worden overeen te stemmen. Het primaire van een
+kunstwerk is de ontroering die er in schuilt, en of die ontroering bij
+den kunstenaar nu gewekt wordt doordat hij haar krijgt uit het
+massa-sentiment, of door het natuurleven, of wat dan ook, dat blijft ten
+slotte hetzelfde, mits de diepre ontvankelijkheid en het
+kunstenaars-temperament er zijn Ik vind nu dat de scheiding niet mag
+loopen tusschen de artiesten onderling, maar dat die zich ook als een
+massa moeten gevoelen--ondanks hun individueele verschillen--tegenover
+de bruten en niet-ontvankelijken. Maar ik ben voor de ongelijkheid,
+zooals ik u zei, en ik vind het bijv. ook een schromelijk onrecht, dat
+er gelijk recht bestaat voor allen, want gelijk recht leidt tot onrecht.
+
+--Welken geestelijken inhoud heeft de "Nieuwe Gids" u gebracht?
+
+--Voor den geestelijken inhoud was ik in die dagen, waarvan ik u sprak,
+nog niet rijp. Ik voelde niet de theorie die er achter kon worden
+opgetrokken, maar ik onderging de directe schoonheid ervan. Het was mij
+net eender of Thijm mij door zijn proza ontroerde of Kloos door zijn
+verzen, en ik had ook plezier van de artikelen van Van der Goes. Ik had
+in die dagen geen keus gedaan en leefde buitenmaatschappelijk voor de
+Schoonheid. En wat ik later door het leven weer heb teruggewonnen, dat
+had ik toen dus intuitief.... Toen begon men van de zijde van de
+socialisten die straffe houding aan te nemen. Mevr. Holst o.a. zei: dat
+de burgerlijke dichters leeggeloopen waren en vol moesten worden gemaakt
+uit het socialisme. Toen ben ik met mijn verstand gaan studeeren en heb
+mij uit aversie te scherp tegen het socialisme gekant, in zooverre het
+m.i. het kunstleven aantastte. Achteraf ben ik door de bewustheid heen
+weer tot de overtuiging gekomen, dat het er heel weinig toe doet wat
+iemand politiek gelooft, mits hij maar de kunstenaarsontroering kan
+krijgen op de wijze die voor hem passend is. En dus--ik geniet weer--en
+net zoo goed de verzen van mevr. Roland Holst als ik het werk van
+Woestijne of Boutens geniet.
+
+--Ik mag dus constateeren, was mijn vraag, dat u op het standpunt van de
+"Nieuwe Gids" is blijven staan?
+
+--We zijn ouder geworden, maar ik geloof dat mijn standpunt van nu
+hetzelfde is. De "Nieuwe Gids" stond net zoo goed open voor Van der Goes
+als voor Thijm, de ducdalf, zooals hij het noemde, van het
+persoonlijkheidsbegrip, terwijl Van der Goes juist de tegengestelde pool
+was. Er was dus de overtuiging, dat de schoonheid op verschillende
+wijzen kan worden verwezenlijkt, en dat het voor den man die in de sfeer
+van de schoonheid leeft, er volstrekt niet toe doet, wat zijn houding in
+het maatschappelijke is.--Dat komt dan overeen met het gevoel dat de
+kunstenaar twee dingen in zich moet hebben, den burger, die in het
+maatschappelijk leven de menschelijke comedie meespeelt; en den man die
+voor diepere ontroeringen vatbaar is....
+
+Wij mogen dit leven niet beschouwen als een inleiding tot het mogelijke
+hiernamaals, maar we hebben het leven nu door alle porien te genieten en
+te waardeeren. En als de menschen droef zijn, omdat ze achter het
+kortstondige leven den dood voelen, die alles zal afsluiten, dan zeg ik:
+kunnen we een symphonie van Beethoven niet in al haar volle geluk
+genieten en waardeeren, ook als we weten dat over een half uur het einde
+zal zijn gekomen?... U ziet, het is volkomen het heidensche standpunt,
+dat ik als levenshouding heb aangenomen in den laatsten tijd. Het leven
+in alles genieten--niet in plat-materieelen zin, maar in ideeelen
+zin:--van den morgenstond genieten, van het blad dat aan den berk
+vergeelt, van een ree dat wegvlucht achter in het bosch--van muziek, van
+schilderkunst, van alles kortom wat het leven biedt, maar dan in
+hoogeren zin--niet te vragen: Waarom? en niet te vragen: Waarvoor?--maar
+het schoonheidsgeluk van elk oogenblik te drinken--en het leed te nemen
+en dat te transformeeren in de sfeer van de schoonheid, tot nieuw geluk.
+
+--Hier is dus niet een algemeen-menschelijk standpunt, dat u op
+dichterlijke wijze vertolkt, merkte ik op, maar een speciaal
+schoonheids-standpunt, een aesthetisch standpunt, een poetenstandpunt.--
+
+--Juist, want het aesthetisch beginsel kan zijn sappen trekken uit alle
+levensbeschouwingen en alle tijden:--dat is het supreme standpunt. De
+Katholiek kan zeggen: Er zijn dingen in het leven voor mij niet
+weggelegd, en zoo heeft elke richting, wanneer men zich op
+maatschappelijk standpunt stelt, de beperking van zijn eindigheid.
+Alleen iemand die leeft naar het aesthetisch beginsel heeft een hoogte
+en wijdte bereikt, waarin alle richtingen kunnen worden saamgesmolten.
+Zooals je verschillende ertsen in een smeltkroes kunt doen en er ten
+slotte een volkomen harmonisch beeld van kunt maken, zoo is het een zaak
+van de dichterlijke persoonlijkheid, om uit zoo verschillende dingen een
+eenheid te maken.
+
+--Als ik nu aanneem dat de dichter, als zoodanig, een apart staand
+mensch is, dan kom ik van zelf tot de vraag: Heeft de dichter een
+maatschappelijke functie, en zoo ja, welke?
+
+--De kunstenaar moet in de gelegenheid worden gesteld, het
+maatschappelijk leven mede te leven, in zooverre en op de wijze als dat
+voordeel geeft voor de ontwikkeling van zijn schoonheids-productie. Wat
+mij betreft, ik zou tijdelijk in de volle maatschappij willen zijn, maar
+de gelegenheid willen hebben om, op het oogenblik dat de verwerkelijking
+van mijn kunst gekomen was, mij bijv. in de Zwitsersche bergen terug te
+trekken. Ik acht het voor den kunstenaar absoluut noodig, dat hij zich
+niet losmaakt uit het groote menschenverband, maar hij moet er zich
+wanneer hij wil uit kunnen terugtrekken.
+
+--Dit, de lezer zal het toegeven, was geen rechtstreeksch antwoord op
+mijn vraag, en ik trachtte mij dus duidelijker uit te drukken: Ik
+bedoelde te vragen naar de beteekenis van den dichter voor de
+samenleving, welke plaats hij inneemt in het maatschappelijk raderwerk,
+of--laat ik daar maar mee beginnen: Welke beteekenis heeft in het
+algemeen de dichter voor zijn volk?
+
+--Men pleegt altijd te zeggen, dat de kunst "de bloem" is van een
+bepaalde beschaving. Volgens de schatting van velen is een volk zonder
+kunst maatschappelijk dood, de kunst is de hoogste bloei van een volk.
+In de tweede plaats, meer in het bijzonder wat den taalkunstenaar
+betreft, is de taal heel het volk. Een man die tot den bloei van die
+taal bijdraagt en den taalschat vermeerdert, bewijst aan zijn volk
+minstens even groote diensten als een groot staatsman of een generaal.
+Dus bestaat voor de overheid de plicht, om zulke allerverdienstelijkste
+staatsburgers, behalve ze soms lofprijzingen te geven, ook in staat te
+stellen om hun schoonheidsbedoelingen in absolute vrijheid te
+verwezenlijken. Want de voorbereiding voor den kunstenaar is de meest
+omvangrijke, die er voor welk maatschappelijk metier ook zou kunnen
+bestaan. De noodzakelijkheid mag hem soms opleggen voor zijn
+dagelijksch brood te zorgen, eigenlijk moest dit niet het geval zijn. De
+kunstenaar moet in de tijden dat hij niet scheppend werkt door het zich
+eigen maken van elke geestesbeschaving, uit welken tijd ook, zijn geest
+kunnen verrijken. Niet om die geestesbeschaving na te maken, maar om aan
+wat hij neerschrijft de geestelijke diepte van die culturen mede te
+deelen. Al heeft een kind nog zoo goed de handgrepen van het pianospelen
+geleerd, aan den toetsaanslag van den volwassen man hoort men toch de
+levenservaring die in dien man leeft. Zoo kan de kunstenaar, na andere
+culturen te hebben verwerkt, in schijnbaar met die culturen niets te
+maken hebbende uitingen hun diepere gevoelsleven verwerken, naarmate hij
+meer met het diepere gevoelsleven van anderen heeft kennis gemaakt. Ik
+vind natuurlijk dat het goed is, eens aan te toonen, dat je als
+kunstenaar ook die maatschappelijke bezigheden wel kunt verrichten, dat
+je dus een normaal mensch bent, met iets er bij, maar ik acht dien
+toestand toch vicieus. Zooals ik zei: Gelijk Van 't Hoff in Berlijn
+gelegenheid kreeg om zich daar aan zijn studien te wijden en maar een
+uur college in de week te geven, zoo moest men eventueel ook een dichter
+of proza-schrijver volkomen vrij maken. De menschen die arbeiden aan het
+instrument waardoor een volk een natie is, bewijzen aan dat volk de
+onwaardeerbaarste diensten, en die moeten worden op prijs gesteld....
+
+Ja, ik geef u toe, practisch is het moeilijk uitvoerbaar, maar het zou
+moeten gebeuren b.v. door een Instituut van schoone kunsten, dat gevormd
+wordt niet door regeeringsambtenaren maar uit de gezaghebbende
+kunstenaars zelve. Zooals u weet, is men bij ons van plan zulk een
+instituut in het leven te roepen en dat zou eventueel kunnen uitmaken,
+wie in de termen vielen om van overheidswege onbekrompen geholpen te
+worden.
+
+--Ik begreep nu wel, waarde lezer, dat ik op mijn vraag geen
+rechtstreeksch antwoord zou krijgen, en dat ik in het uitblijven van dit
+antwoord--ook een antwoord moest trachten te vinden. Maar op gevaar af,
+door Bastiaanse voor zeer onnoozel te worden gehouden, waagde ik nog een
+kansje:
+
+--Ziet u, ik zal mij onduidelijk hebben uitgedrukt, zoo begon ik. Ik
+wilde eigenlijk van u weten, wat volgens u de dichter uitvoert in de
+maatschappij. Kan een betrekkelijk groote minderheid daar iets van
+bemerken? Welken dienst bewijst de dichter eigenlijk aan zijn
+lezerskring...?
+
+--Om dat te weten te komen, antwoordde hij, zou men van overheidswege
+een decreet moeten uitvaardigen, dat in geen 25 jaren een boek, een
+tijdschrift of een courant zou mogen verschijnen. Dan moesten de
+menschen in den trein stom tegenover elkaar zitten, want dan hadden ze
+geen "Handelsblad" en konden 's morgens niet over Falkland praten. Dan
+konden de dochters van den huize niet den avond te voren den inhoud van
+"De Kleine Johannes" uit haar hoofd leeren, om tegen den volgenden dag
+conversatie te hebben, als ze op een studentensouper mede aanzaten. Dan
+hadden de boudoirs geen Eline Vere meer. De burgers waren aan de
+leegheid van hun eigen gedachten gedurende 25 jaren overgelaten. Dan zou
+men leeren begrijpen, welke diensten scheppers van geestelijke waarden,
+romanschrijvers, journalisten en ook dichters aan de gemeenschap
+bewijzen. Als gas- of waterleiding worden afgesneden, als de treinen
+niet meer loopen, dan weten de menschen pas wat ze daaraan gehad hebben.
+
+Ze zijn nu zoo gewoon voor een appel en een ei geestelijke waarden te
+koopen, dat alleen de proefondervindelijkheid ze van de waarde daarvan
+het juiste begrip kan bijbrengen. Ze moeten dan praten over hetgeen hun
+eigen improductieve geesten opbrengen, ze zijn veroordeeld te leven in
+de hopeloosheid van hun eigen onvruchtbaarheid, ze hebben geen
+Heijermans en geen Royaards om hun avonden te vullen. Het is de dichter
+en de prozaschrijver die voor de menschen voelt en denkt en ze nieuwe
+stukken gedachten- en gevoelsleven geeft, dat ze uit hun eigen leven
+niet kunnen scheppen.
+
+Het mag sommigen toeschijnen dat de scheppers van geestelijke waarden
+lichter gemist kunnen worden dan de dichter in zijn "eigenwaan" denken
+mag, lichter dan de scheppers van reeele, rendabele waarden. Daarop kan
+ik antwoorden, dat nagenoeg _alles_ wat bestaat slechts onmisbaar is
+voor een _deel_ van de menschheid of van de samenleving. Ik heb
+bijvoorbeeld nooit een voetbal noodig gehad of een bioscoop-voorstelling
+....
+
+--Mijnheer Bastiaanse, zal ik u eens wat zeggen? Mijn vragen stuiten op
+u af.
+
+--Ja, u woudt de voegen in mijn pantser ontdekken, he? Maar ik sta vast
+in mijn overtuiging.
+
+--Dat is juist het merkwaardige. Ik _vraag_ en u denkt dat ik _strijd_.
+U is het meest volmaakte type van den aesthetischen mensch, dat ik ooit
+ontmoet heb. U treedt niet in mijn gedachtengang, maar wat doet u? U
+leest mij verzen voor, u werpt brokken stemming in mijn schema, en ik
+had gewenscht dat uw inzichten op dit punt de mijne zouden ontmoeten....
+
+Wij keken elkander een oogenblik aan; blijkbaar om ons te vergewissen of
+we goed waren of boos. Ik wilde verzachten: U begrijpt dat ik u begrijp,
+niet waar? Sommige dingen laten zich door u niet meer in gewone woorden
+zeggen en ik ben u dankbaar ... voor het genot ... voor de....
+
+Toen lachten we beiden. Het gevaarlijke punt lag achter ons. De
+intellectualistisch gezinde had den aesthetisch gezinde gewaardeerd.
+
+--Natuurlijk zei Bastiaanse, deze dingen kan niemand zoo uitdrukken als
+de dichter, en daarom heb ik u een paar maal den dichter laten hooren.
+In welken wezensstaat de mensch ook verkeert, wanneer hij als dichter de
+dichterlijke droom in zich voelt komen, dan is hij _de_ complete
+mensch....
+
+--Dit is inderdaad een standpunt, merkte ik op. Waarom deed ik mij
+nuchterder voor dan ik ben?
+
+Hij vertelde mij dien avond o.a. dat hij zijn vacantie in Zwitserland
+ging doorbrengen om er de rust te zoeken, die hij hier bij zijn velerlei
+bezigheden, waaronder het secretaris-schap van de Vereeniging van
+Letterkundigen, niet kan vinden. Weet u, vroeg hij bij het afscheidnemen
+op zijn langzame manier, weet u wat bij een vorige gelegenheid mijn
+hoofdindruk was van Zwitserland?--Gelukkig, dat ze _dat_ niet plat
+kunnen s_l_ijpen!
+
+--Heeft hij erg gebromd? vroeg zijn vrouw mij, toen ze me uitliet.
+
+Er lag een waereld van verstandhouding in die vraag.
+
+
+BIBLIOGRAPHIE:
+
+"Natuur en Leven" (1900)--"Gedichten" (W.B., 1909) [Van "Het boek
+Jeugd" verscheen een metrische vertaling in het Duitsch, van Peter
+Muehlfarth.]
+
+Voorts een aantal verspreide studies, w.o. "Het spellings- en
+taal-systeem van Kollewijn" (in 1911 afzonderlijk verschenen) en het
+overzicht "Taal en Letteren" in het verzamelwerk "Nederland in de
+twintigste eeuw". In verband met bovenstaand gesprek is vooral van
+belang "Het geestelijk lied", een lijvige beoordeeling van Knuttel's
+dissertatie, die in "Groot-Nederland" jrg. 1908 werd opgenomen en o.a.
+uitvoerig over het historisch materialisme handelt.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[4] Het hier volgende citaat is als manuscript gedrukt!
+
+
+
+
+HERMAN ROBBERS
+
+[Illustratie: Foto Koene & Buettinghausen, A'dam HERMAN ROBBERS (Mei
+1891)]
+
+[Illustratie: Foto J. Huijsen, A'dam HERMAN ROBBERS]
+
+
+(* SEPT. 1868)
+
+De oogen van dezen man, die iets beschermends in zijn lange gestalte
+heeft, zouden mij te nuchter lijken, indien niet de langdurige inwerking
+van de brilleglazen hun uitdrukking vervaagd had. Neen, nu ik goed kijk
+is er iets peinzends in, dat ook wel past bij den ietwat scheef
+getrokken, breeden, een groote ontvankelijkheid teekenenden mond. Dat
+hij het hoofd voorover draagt komt ook eigenlijk niet doordat hij van
+zijn respectabele lichaamshoogte op alles wat hem omgeeft moet neerzien.
+Nadenkend beluisteren van stilte en eigen stemming is er de oorzaak van.
+En nu hij voor mij zit met den aarzelenden glimlach van de eerste
+kennismaking op het gelaat, begrijp ik ook waardoor zijn borstelige
+pruik midden op het voorhoofd is uitgegraven. Kijk, hij heeft het,
+ondanks betrekkelijke welgesteldheid, in het leven niet gemakkelijk
+gehad en ook in deze gezellige, comfortabele studeerkamer heeft hij
+menigmaal moeten vechten met zichzelf, en dan heeft hij de bevende
+vingers op het plekje dat nu kaal is geworden tegen zijn voorhoofd
+gedrukt.... Met zoo iemand kan ik goed praten: Deze hier weet, dat ons
+innerlijk geen product van de omstandigheden is of mag zijn, maar--wat
+ons brein ons ook wijs make,--zijn eigen weg moet zoeken.
+
+Als ik hem nu vraag onder welke omstandigheden het hem bewust is
+geworden, dat hij als schrijver zou optreden, blijkt mij, geheel in
+overeenstemming hiermede, hoe hij juist staat tusschen de mannen van '80
+die zich aan eigen gemoed verslaafden, en de jongere generatie, die de
+inblazingen des gemoeds met verstandelijke overwegingen tracht te leiden
+of te onderwerpen. In den loop van ons gesprek verwonder ik mij telkens,
+hoe hij zich bijna blindelings tusschen die beide richtingen door
+orienteert, en ik zou hier aan philosophische vindingrijkheid gaan
+denken,--ik heb pas van een buitenlandsch dichter vernomen dat wij,
+Hollanders, richtingen scheppen of 't niets is--als ik zijn theorieen
+niet belichaamd voor mij had zien staan, indien ik ze niet had
+weergevonden in zijn blik, in de trekken om zijn ontvankelijk-wachtenden
+mond, en in dat heldere, rustige wiskunstenaarsvoorhoofd, dat--als ik 't
+eens zoo mag zeggen--meer denkt dan de ziel kan navoelen. Maar hierbij
+word ik onmiddellijk getroffen door het inzicht, dat hij precies zijn
+positie kent, dat ik zijn gelaat niet verder behoef te ontleden. Hij
+vertelt het me precies zoo als ik het verwacht heb, hij is een Hollander
+naar mijn hart, hij heeft "zich rekenschap gegeven"--zooals die
+buitenlandsche kunstenaar mij zeide dat alle Hollanders doen.
+
+Hier volgt zijn antwoord op de allesbeheerschende vraag, die ik boven
+kortelijk aangaf:
+
+--"Eigenlijk gezegd heb ik als kind zoolang ik mij herinneren kan al
+geschreven. Ik was een jongen die altijd las en daarbij al gauw de
+neiging kreeg zelf verhaaltjes en sprookjes te maken. Dat is _purement_
+een drang van mij geweest. Ik had als jongen van acht of negen jaar de
+gekke gewoonte om, als ik een verhaaltje gelezen had, het op mijn manier
+na te vertellen, liefst op rijm, en met dergelijke gedachten ben ik
+altijd bezig geweest. Zooals u weet ben ik in Rotterdam geboren en
+opgevoed, en als leerling van het gymnasium krijg je al gauw wat meer
+quasi literairen omgang dan op andere scholen. In de derde of vierde
+klasse hadden wij een zoogenaamde literaire club. Daar moesten wij dan
+opstellen voor maken. Maar voor dien tijd had ik al lang het plan dit
+voor mij zelf te doen. Gelukkig heb ik niet vroeg gepubliceerd. Ik ben
+daarmee pas begonnen toen ik vierentwintig was.
+
+--Dat was dan toch zeker werk van geheel anderen aard? vroeg ik, om het
+gesprek op de principieele zaak te brengen.
+
+--Och, bij mij is daar niet zoo'n groot verschil in. Het schrijven is
+bij mij niet voortgekomen uit den lust om een of ander idee te
+propageeren of om in een of ander opzicht aan de menschen iets te willen
+geven. Ik heb slechts willen voldoen aan een zeker pleizier om een
+verhaal te schrijven. Het was een soort liefhebberij van mij, zooals de
+menschen alle mogelijke liefhebberijen kunnen hebben. De een timmert
+graag, de ander schrijft graag.
+
+Dat eerste werk is een novelletje geweest. "Een Kalverliefde", dat
+naderhand met twee andere novellen in een bundeltje is verschenen,
+waarvoor ik geen gemeenschappelijken naam kon vinden en dat ik daarom
+ook genoemd heb: "Een Kalverliefde, De Verloren Zoon en De Vreemde
+Plant".
+
+Mijn leven is niet te beschouwen zonder daarbij te nemen mijn gewone
+werk buiten de literatuur om. Ik was in den boekhandel. Ik had wel
+altijd het plan gehad om schrijver te worden, maar ik wist ook heel
+goed dat je daar niet van kunt leven en dat ik moest aanpakken.
+Studeeren wilde ik niet, en zoo ben ik op mijn achttiende jaar bij mijn
+vader in de zaak gekomen. _Daar_ werd onmogelijk hard gewerkt.
+Daarenboven was ik vrij jong geengageerd en ging graag 's avonds nog
+even naar mijn meisje. Als ik daarna thuis kwam, ging ik zitten
+schrijven. Mijn eerste novellen zijn dan ook geschreven 's nachts
+tusschen twaalf en drie. Op Zondag was ik meestal te moe. U weet hoe dat
+gaat, men werkt de heele week hard en rekent daarbij op den Zondag, en
+dat valt tegen. Toen ik nu ging trouwen, heb ik in dit opzicht een
+beteren levensregel aangenomen Ik zei tegen mijn vader en mijn broer:
+wij moeten een verandering maken en de zaak vroeger sluiten. Er was een
+tijd dat mijn oudste broer en ik tegen elkaar zeiden: "Is het al kwart?"
+en dat beteekende kwart voor twaalf, als wij naar huis gingen. Nu
+begonnen wij wat vroeger te werken en werkten door tot halfzeven, om 's
+avonds vrij te hebben. Toen kon ik dus tusschen acht en negen beginnen.
+Toen heb ik ook een grooter boek aangedurfd en "De roman van Bernard
+Bandt" geschreven.
+
+Ondertusschen had ik natuurlijk wat meer algemeen benul gekregen. Laat
+ik hierbij meteen behandelen mijn verhouding tot de "Nieuwe Gids",
+waarnaar u mij schriftelijk gevraagd hebt. Dit is bij mij misschien
+anders begonnen dan bij vele anderen, omdat ik weinig tijd had om van de
+dingen nota te nemen. Ik had de "Nieuwe Gids" van het eerste nummer af
+gekend. Ik heb hem nog op zestienjarigen leeftijd in mijn club tegen
+anderen verdedigd. Toch kan ik niet zeggen, dat ik in de eerste jaren
+ook zelfs maar geregeld nota heb genomen van wat er in verscheen. Ik las
+maar te hooi en te gras, dan hier en dan daar. Soms kreeg ik
+bevliegingen: ik moet een massa lezen,--en dan zat ik daarmee tot diep
+in den nacht. En dan dacht ik weer: wat kan het mij allemaal schelen, ik
+heb toch geen tijd. Niet waar, je hebt allemaal van die buien als je nog
+jong bent.... Ik kende de "Nieuwe Gids" dus wel, en wist wel wat de
+beweging beteekende, maar ik heb er mij pas goed ingewerkt toen ik
+vijfentwintig of zesentwintig jaar was, getrouwd, en toen de boeken
+verschenen van de menschen die vroeger in de Nieuwe Gids hadden gewerkt:
+de Verzamelde Opstellen van Van Deijssel en de boeken van Van Looy. Van
+Eeden had ik wel zoo tusschendoor gelezen. Toen kreeg ik eindelijk tijd
+om met wat meer besef mijn positie ten opzichte van de literatuur vast
+te stellen. Tot mijn trouwen heb ik in een soort van werkroes
+doorgeleefd. De eerste jaren van mijn trouwen heb ik "De roman van
+Bernard Bandt" en "De bruidstijd van Annie de Boogh" geschreven. Dat
+moest veelal gebeuren in den laten avond, en ik merkte wel, dat dit geen
+gunstigen invloed op mijn werk had. Je schrijft dikwijls in een soort
+van overspanning, en dikwijls moest ik den volgenden ochtend verscheuren
+wat ik den vorigen avond laat geschreven had. Toen kwam de behoefte, mij
+geheel aan de literatuur te kunnen wijden. Eerst was er een tijd dat ik
+meende, een transactie te kunnen maken met de firma waarin ik werkte. Ik
+was nl. in '93 lid van de firma geworden. Ik had voorgesteld, een
+gedeelte van den dag te werken, en ik heb dat ook een tijdje lang
+geprobeerd. Ik zou om vier uur weg gaan, maar dat gebeurde eenvoudig
+niet, mijn eigen zaken gingen mij toch te veel ter harte om ze te laten
+loopen. Ik bleef dus toch zitten tot half zes, zes uur. Eindelijk heb ik
+tot mijn broer en mijn vader gezegd: ik ga er doodeenvoudig uit. En op 1
+Januari 1905 heb ik dit ook gedaan. In den loop van het voorafgaande
+jaar had mijn vader mij voorgesteld, om dan de redactie op mij te nemen
+van "Elsevier". Dat was me natuurlijk aangenaam, want dat gaf meer
+vastheid voor de toekomst. Ik was oorspronkelijk van plan ergens
+driehoogachter te gaan leven en dan maar te schrijven. Maar dat behoefde
+nu niet en ik kon er mij tenminste een beetje aangenamer doorslaan. Toen
+bleek mij echter, dat ik mij in de laatste jaren wat overwerkt had, en
+tweeeneenhalf jaar lang had ik erge moeite om te werken. In den loop van
+1907 is dat pas overgegaan; toen heb ik wat langer vacantie kunnen nemen
+en het af voelen trekken. Daarna heb ik een flinke werkperiode gehad, en
+de twee deelen van mijn "Roman van een Gezin" kunnen schrijven, die in
+1907--1909 in "Elsevier" zijn verschenen en daarna als boek.
+
+Daarna ben ik langzamerhand overstelpt geworden met werk van geheel
+anderen aard, in verband met het vereenigingsleven. Ik heb in 1905 met
+een paar anderen de Vereeniging van Letterkundigen opgericht, en ik heb
+dat met erg veel animo gedaan. Maar zij hebben mij dikwijls voor het
+werk laten opdraaien, zal ik maar zeggen, want daar komt het toch op
+neer. Ik was in den boekhandel en uitgeverij geweest en kende een
+heeleboel toestanden van nabij en beter misschien dan de anderen. Ook
+was ik meer gewoon practisch te werken, en zoo was ik als het ware
+aangewezen om allerlei werk te doen voor de vereeniging. Ik had ook
+studie gemaakt van de quaestie van het auteursrecht en daarover
+geschreven, en een van mijn bedoelingen met de Vereeniging van
+Letterkundigen was, te verkrijgen aansluiting bij de Berner Conventie en
+een betere auteurs-wet. In 1908 ben ik met enkele anderen door de
+Regeering naar Berlijn gezonden, om de Staten-Conferentie over de
+herziening van de Berner Conventie bij te wonen. In 1910 zijn we toen
+begonnen met de stichting van het Verbond van Kunstenaarsvereenigingen,
+dat in 1911 definitief is opgericht op initiatief van de Vereeniging van
+Letterkundigen. Ik werd Voorzitter van het Verbond en dat heeft mij in
+de laatste jaren verbazend veel werk gekost. Ik beklaag er mij niet
+over, maar ik merk toch langzamerhand dat het mij te veel in beslag
+neemt. Met Januari 1914 moet ik aftreden. Ik hoop dan buiten te gaan
+wonen en mij weer heelemaal aan de literatuur te geven.
+
+Ik verzocht hem, nu weer terug te komen op zijn verhouding tot literaire
+scholen en richtingen, waarover hij zooeven was begonnen.
+
+--Ik heb zeker het gevoel, zoo hernam hij, bij de literaire beweging van
+dien tijd te behooren, zonder in engeren zin mij te hebben gerekend tot
+de Nieuwe-Gids-beweging.
+
+Hoe omschrijft u eigenlijk de Nieuwe-Gidsbeweging?
+
+--Deze beweging is al dikwijls gedefinieerd, en dat is in het algemeen
+wel juist, als een kleinere renaissance, een weeropleving van de
+persoonlijkheid tegenover de algemeenheid. Maar toch geloof ik, dat door
+verschillenden in den laatsten tijd te sterk de nadruk gelegd is op het
+"op de spits gedreven individualisme", zooals men het noemt, en daarmee
+ben ik het niet eens. "Op de spits gedreven individualisme" is werkelijk
+een ontzaglijk groot woord, en als gij nagaat wat het zou beduiden, dan
+geloof ik, dat er heel wat anders voor den dag zou komen als de
+Nieuwe-Gidsbeweging. Over het algemeen kan men zeggen: in Nederland
+zoowel als in de omliggende landen is omstreeks 1880 een zekere
+verfrissching ontstaan, vooral tegenover de sleur en de
+zelfgenoegzaamheid van de liberale bourgeoisie, ongeveer hetzelfde als
+ook gebeurd is in de periode van de romantiek, een vijandig staan van de
+jongeren tegenover de zelfgenoegzaamheid van de gevestigde menschen, die
+maar geld verdienen en daarmee tevreden zijn. Na de Fransche Revolutie
+heb je meer en meer gekregen een tevreden burgerij die zijn doel bereikt
+had, die kon doen wat hij wilde en een hoop geld kon verdienen. Dat
+platte, banale, bevredigde de jongeren niet. Ze stelden daar tegenover
+een zoeken naar idealen, dat dan vooral het oog richtte op de
+middeleeuwen, op een avontuurlijk leven, waarin meer hoog en laag viel
+te ontdekken. Dit nu is niet heelemaal hetzelfde als een op de spits
+gedreven individualisme. Het is ook een behoefte om wat dieper te graven
+in de dingen des levens.
+
+--Maar hoe staat het nu met de uiting: "hoe zieker zenuwen, hoe beter
+kunst", die men in dien tijd zoo vaak kon vernemen?
+
+--Ook dat moet niet zoo letterlijk worden opgevat. U moet hier ook in
+willen zien een drang om te komen uit het banale en normale, dat doodend
+kan zijn voor het eigenlijke leven, een streven naar een meer intens
+leven, en wanneer ik de "Nieuwe Gids" zoo bekijk, dan geloof ik, dat ze
+over het algemeen is te vergelijken met hetgeen men ook in de omliggende
+landen kon waarnemen. Wij Hollanders hadden het idee, dat wij tamelijk
+eenig zijn geweest met onze Nieuwe-Gidsbeweging, maar wanneer wij de
+zaken breeder bezien, dan is in de buitenlandsche literatuur toch overal
+een dergelijke verfrissching merkbaar.
+
+Nou, het is natuurlijk verbazend moeilijk voor mij om te kunnen zeggen,
+of het bij mij meer is geweest de omgevende wereld, die mij tot een
+zekere verwantschap heeft gebracht met die beweging, of wel het
+voorbeeld van de tachtigers, die ouder waren dan ik en wier bestaan ik
+toch kende. Trouwens, al lees je ze niet veel, dan ruik je ze toch, de
+dingen hangen in de lucht, nietwaar? Het is heel moeilijk uit te maken,
+of dit mij sterk geinfluenceerd heeft, dan wel of dezelfde oorzaken bij
+mij en hen dezelfde gevolgen hebben gehad.
+
+Netscher heeft eens in de "Hollandsche Revue" geschreven, dat Phocius,
+dat was ik, achter niemand aankwam,--en dat is betrekkelijk juist, al
+kwam ik ook eenigszins achter de Franschen aan, voor zooverre ik die
+gelezen had. Ik had de bedoeling, die verschillende moderne Fransche
+schrijvers hadden, in de eerste plaats: werkelijk zoo eerlijk mogelijk
+en zoo zuiver mogelijk mijzelf uit te spreken. Ik had en heb altijd
+behouden de behoefte om absoluut niets te zeggen dat ik niet diep zou
+kunnen verantwoorden. Natuurlijk, dat is iets dat je wel zeggen kunt,
+maar je weet er tevens bij, dat je dikwijls meegesleept wordt door het
+rhytme, den stijl, de beweging van wat je schrijft. Alles gaat
+natuurlijk gepaard met een zekere opwinding en ik wil niet een soort van
+veer op mijn hoed steken en niet beweren, dat ik mij altijd zoo diep heb
+uitgesproken, dat ik niet eerlijker zou kunnen maken wat ik geschreven
+heb. Maar ik heb mijn best gedaan, laten wij dit in het algemeen
+vaststellen.
+
+--Ik vroeg nu, of hij dan de levensverschijnselen op dezelfde manier
+apprecieerde en verklaarde als de Fransche naturalisten. Hij antwoordde
+hierop:
+
+--Ik had er over het algemeen heel weinig van gelezen, zooals ik in het
+algemeen weinig gelezen had op dien leeftijd. Wat ik er van verwerkt
+had, is voornamelijk den drang om zuiver en eerlijk te zijn. In anderen
+zin heb ik mij nooit naturalist gevoeld. Ook sta ik verder van Zola af,
+in zooverre ik den zuiver beschrijvenden kant, dien hij zoo sterk heeft,
+nooit krachtig in mij heb voelen leven. Ik heb nooit sterk geambieerd
+om dat in het Hollandsch te gaan doen. Ik heb het gevoel gehad, dat
+daarvoor mijn werk niet was, daarvoor heb je schilders, dat wij er
+voornamelijk voor waren de innerlijk-menschelijke bewegingen weer te
+geven en de verhoudingen van de menschen onderling. Als ik zou moeten
+samenvatten wat ik heb geschreven, en wat achteraf mijn bedoeling is
+geweest, dan kan ik het zoo zeggen, dat ik de behoefte had, na te gaan
+of in ons moderne leven, zooals het nu is, nog sommige sublieme
+gevoelens mogelijk zijn, en zoo ja, welke. En wanneer ik die vond dan
+was het mijn grootste heerlijkheid die te beschrijven.
+
+Ik geloof, dat dit min of meer bewust bij heel veel schrijvers de
+bedoeling is. Ik geloof, dat de romantici hetzelfde wilden.
+
+Wanneer een man als Ary Prins schrijft zijn "Heilige Tocht", dan moet
+hij dat met een dergelijke bedoeling doen. Met een eenigszins sterker
+pessimistischen kijk op de moderne wereld, laat hij zich daarvan
+afdrijven en tracht in een vroegeren tijd bij een heel ander leven het
+sublieme terug te vinden. Ik geloof, dat er nog altijd in ons
+dagelijksch leven heel fijne momenten zijn, waarin subliem gevoeld
+wordt, en dat is het eenige dat mij aantrekt in het leven, dat mij ook
+aantrekt in de kunst, en dat ik daarom geven wil.
+
+Nu is natuurlijk maar de vraag: wat bedoel je met "het sublieme"? In dat
+opzicht ben ik misschien eenigszins een rare kerel. Ik vind bijv.
+subliem, laat ik zeggen, in een stillen nacht een moeder, die met haar
+kind zit bij een nachtlichtje en niet naar bed wil gaan, ofschoon haar
+voeten ijskoud zijn, omdat het kind op haar schoot zoo lekker slaapt. Ik
+geef maar een voorbeeld, om te zeggen, dat ik niet wil trachten in hoog
+geestelijke gesprekken het sublieme te benaderen, omdat ik overtuigd
+ben, dat iemand in zijn eenvoud, wanneer hij maar tracht zichzelf te
+zijn, de subliemste momenten bereikt. Daarom ook voel ik mij in de
+Nederlandsche literatuur het meest aangetrokken tot Van Looy, omdat
+niemand meer dan hij in onze moderne literatuur dat bereikt heeft: de
+verheerlijking van het leven en de goddelijkheid van den mensch te
+bewijzen in zijn woord.
+
+--Hier merkte ik op, dat mij nu, evenals in de beschrijving van zijn
+wording als schrijver, getroffen had, hoe hij uitging van het gewone
+dagelijksche leven en hierbij stilzwijgend aannam, dat dit overwegenden
+invloed uitoefende boven het hooger geestelijk leven, ja, daarboven te
+stellen was. Is dit inzicht van mij juist? vroeg ik.
+
+--In zekeren zin komt het daarop neer. Het diepste gevoelsleven kan zich
+dagelijks in de meeste dingen uiten, en juist wanneer je er hard naar
+streeft, zul je het niet bereiken. Wanneer je gewoon maar je gang gaat,
+en doorvoelt wat je voor de hand vindt te liggen en je het mooiste
+vindt, dan zul je heel dikwijls vanzelf het sublieme bereiken.
+
+Ik kan dit ook toepassen op het terrein van de kunst. Er is een boel
+zoogenaamde didactische literatuur geschreven, waarin getracht wordt de
+menschen beter en braver te maken, terwijl de echte artiest wel weet,
+dat dat allemaal eenvoudig verkeerd is en je niets beters kunt doen dan
+mooie dingen maken. Dat komt doordat juist het aller-subliemste in den
+mensch, het edelste, door iemand die er didactisch naar zou streven niet
+kan worden bereikt. U moet weten, ik ben nu een beetje vol van de
+"Heilige Tocht" van Prins, omdat ik dat boek juist ernstig bestudeerd
+heb. Ik heb er van geschreven: dat er absoluut geen moralistische
+strekking in gezocht kan worden, maar dat er wel een hoog moreele, of
+liever ethische, werking van uitgaat, omdat er ethisch niets hoogers
+bestaat dan de schoonheid. Ik geloof, dat iemand alleen maar goed is in
+zijn schroomvollen eerbied voor het heilige, het kinderlijke en het
+vrouwelijke. Wanneer men dat gevoelt is men goed. Maar zoodra men gaat
+denken, komt men tot allerlei vertroebelingen. Dat zou Vader Cats den
+menschen in zijn gedichten niet hebben kunnen vertellen, niet waar?
+Zoodra je didactisch te werk gaat, moet je de menschen al redeneerend er
+toe brengen goed te zijn. Maar wanneer je de menschen kunt ontroeren
+door schoonheid, dan worden zij vanzelf goed. Ik herhaal: het is nooit
+mijn bedoeling geweest, de menschen met mijn boeken beter te maken, maar
+iedereen, ook een artiest, heeft toch behoefte aan de ethische
+verdediging van zijn werk.
+
+Nu moet u _dit_ goed in het oog houden. In hoogeren zin erken ik geen
+verschil tusschen ethiek en aesthetiek, en dat kan ik heel goed
+verdedigen.
+
+Er bestaat maar een mooi, en dat is voor alle menschen hetzelfde. En of
+dat nu is een boom of een stuk kunst of een daad, het blijft hetzelfde.
+Ik geloof juist, dat de schoonheid van de daad voor de minst
+ontwikkelden het meest begrijpelijk is.
+
+Als je gaat onder het volk, dan merk je wel, dat zij voor de kunst niet
+voelen, de schoonheid in de natuur niet zien. Maar wanneer iemand
+verricht een of andere faire daad, geen wraak neemt, of edelmoedigheid
+betracht tegenover een vijand, of iemand hulp biedt onder moeilijke
+omstandigheden, dan wordt door het volk gezegd: dat is mooi. En dat
+soort ontroering, waarbij zij blij zijn dat zij menschen zijn, dat is
+altijd weer de schoonheidsaandoening, en het is precies hetzelfde of je
+een mooien boom ziet, een mooi landschap, een stuk kunst. In hoogeren
+zin is er geen verschil tusschen ethisch en aesthetisch mooi; er is
+maar een mooi.
+
+--Mocht ik dus aannemen, dat in zijn levens-systeem de eenvoudige daad
+gesteld werd boven wat men zou kunnen noemen den geestelijken bovenbouw
+in het menschelijk leven, dat de geestelijke uitingen beheerscht werden
+door wat men zou kunnen noemen het practische leven,--"practisch"
+genomen in de beteekenis van "handelend"?
+
+--Ik geloof, dat het geheele leven geleid wordt door het Onbewuste. Je
+kunt je best doen om je leven uit te denken, om heelemaal bewust te
+leven, maar de eigenlijke impulsen komen voort uit je diepere zijn, dat
+op zich zelf een mysterie is en dat je begrip niet aanraken kan. Ik ben
+wel lid van de S.D.A.P., maar ik zou heelemaal niet toe wenschen te
+geven de theoretische bewering van het historisch materialisme, dat je
+het geestelijke heelemaal kunt beschouwen als een bovenbouw, zooals de
+gewone uitdrukking luidt, van de toestanden die ontstaan zijn door de
+productiewijze. Ik begrijp volkomen, dat iemand tot deze bewering
+gekomen is. Je ziet bij alle mogelijke ontdekkers in de wereld dat,
+wanneer zij iets ontdekt hebben dat een groote waarheid bevat, zij de
+neiging hebben om te denken dat dit nu _alles_ is. En zoo is het ook
+gegaan met Marx en zijn tijdgenooten, die de groote waarde van de
+productiewijze hebben doorzien. Maar zooals de theorie luidt, is zij een
+uitschakeling van het mysterie. Er zijn geestelijke stroomingen, waarvan
+de oorzaken geheel en al mysterieus zijn. Is het bijv. niet absoluut
+geheimzinnig, dat alle geestelijke stroomingen gaan tot een zekere mate
+van verzadiging en dan komen tot hun tegendeel en omslaan in reactie?
+Dat kunt u onmogelijk verklaren uit een theorie, die eenvoudig aanneemt,
+dat het geestelijke zou zijn een bovenbouw van het materieele. Maar, al
+ben je geen theoretisch aanhanger van het historisch materialisme en
+alle theorieen van Marx, kun je heel goed lid zijn van de S.D.A.P. en
+met alle kracht medewerken in die richting, omdat je overtuigd bent, dat
+wij nu zeker een paar eeuwen lang werken moeten in de richting van het
+gemeenschappelijke, voordat wij weer aan de rechten van het individu
+denken. Want de waarheid ligt voor mij in een zoo natuurlijk mogelijke
+harmonie van individu en gemeenschap, zooals dat bijv. in "Civitas", het
+boek van Treslong, zoo juist is uitgedrukt. Hij zegt duidelijk, dat de
+menschen niet alleen hebben neiging tot zelfbehoud en zelfverdediging,
+maar dat ieder zich voortdurend voelt lid van de gemeenschap. Dat ieder
+tot op zekere hoogte even goed kuddedier is als individualist, omdat
+louter individu zijn met het menschelijke in het algemeen niet
+vereenigbaar is, geestelijke afdwalingen daargelaten. En dat is ook
+daardoor te bewijzen, dat zooveel van die boeken, die zoogenaamd sterk
+individualistisch zijn, minstens voor tachtig procent algemeen
+menschelijke gevoelens bevatten.
+
+--Geloofde hij dan niet, dat de groote waarde van den kunstenaar, en in
+het bijzonder van den schrijver, daarin is gelegen, dat hij, staande
+tegenover de gemeenschap, aan die gemeenschap nieuwe geestelijke wetten
+toont, en haar leert de dingen met een nieuwen maatstaf te meten? Kon
+hij niet toegeven, dat de schrijver wezenlijk is een held in den zin van
+Carlyle, een absolute, bewegende kracht in de geschiedenis, die zijn
+beteekenis juist aan zijn volstrekt alleenstaan ontleent?
+
+--Och ja, gaf hij ten antwoord, de beschouwingswijze van Carlyle heeft
+ook haar tijd gehad. Hij kijkt zeer juist door den bril van de winnende
+liberale bourgeoisie, en dat heeft ook zijn waarde. Maar voor mij is
+het ideaal de toestand van de middeleeuwen, waarbij wij niet eens weten,
+wie een bepaald kunstwerk gemaakt of een bepaald boek geschreven heeft.
+De artiest is waarschijnlijk in veel opzichten een fijner bewerktuigd
+wezen dan de meeste andere menschen, maar een held die verdienen zou
+gewaardeerd of gehuldigd te worden boven andere menschen, die ook heel
+verdienstelijk werk presteeren, ben ik heelemaal niet geneigd hem te
+noemen. Hij kan ook nooit nieuwe waarden brengen, maar door zijn zuivere
+uiting van wat er in zijn tijd, zooals die geworden is in de
+ontwikkeling van de historie, diep leeft in de zielen van sommige
+menschen, kan zijn beschouwingswijze voor veel andere menschen nieuw
+lijken. Maar ik zie niet in, dat hij ooit nieuwe levenswaarden kan
+scheppen. Trouwens, waarom zou een schrijver alleen zoo fijn bewerktuigd
+zijn, dat men aanleiding ziet tot den paradox: hoe zieker zenuwen, hoe
+beter kunst? Er loopen genoeg timmerlui en metselaars rond met zenuwen,
+die op dezelfde manier ziek zijn.
+
+--Maar, merkte ik op, dit ziet men toch niet aan hun werk. Een
+overgevoelig timmerman zal, als hij een lijst maakt, die evengoed
+haaksch maken als een gewoon timmerman.
+
+--Natuurlijk is het waar, dat iemand die zich geestelijk uit, van zijn
+zieke zenuwen meer in het openbaar zal doen blijken, en natuurlijk vind
+ik een groot artiest en in zeker opzicht een genie, (want dat is nog een
+heel ander begrip, laat ik dit even mogen opmerken) een fijn bewerktuigd
+en zeer interessant mensch. Maar ik vind de artiesten volstrekt niet de
+besten, zoodat ik ze helden of iets dergelijks zou moeten noemen. Ik
+geloof ook, dat er diep eerbiedwaardige helden bestaan, waar wij nooit
+van hebben gehoord en die, als ik ze kende, ik ontzaglijk veel beter
+zou vinden dan,... nou dan zoo menig bekend artiest! Allemachtig!
+
+--Hier merkte ik op, dat uit hetgeen hij tot nog toe gezegd had, ook
+zijn meening viel af te leiden over de toekomst van literaire kunst en
+kunst in het algemeen, indien de samenleving zich in sterk
+socialistische richting mocht ontwikkelen. Daar hij toch de grenzen
+tusschen het ethisch schoone en het aesthetisch schoone vervaagde; de
+waarde van den artiest meer zocht in een verheerlijking van het
+eenvoudige dan van het geestelijk gespannene, van het algemeen
+menschelijke, dan van het verfijnd individueele; en bovendien het
+gemeenschapsgevoel in den modernen zin des woords beschouwde als een
+ingeschapen trek van het oorspronkelijk menschelijk gemoed, en dus ook
+de grenzen tusschen de huidige chaotische samenleving en een mogelijk
+toekomstige, minder scherp zag dan de socialisten zoowel als hun
+tegenstanders,--kon hij niet aannemen, zoo meende ik, dat een
+ingrijpende verandering in het wezen der kunst door een min of meer
+compleete overheersching van de massa viel te verwachten.
+
+--Inderdaad, zoo antwoordde hij mij, is de wereldgeschiedenis voor mij
+een voortdurend voortgaande stroom. Een van mijn grootste bezwaren tegen
+veel schrijverij van de socialisten is ook hun schelden op personen en
+groepen van personen. Dat vind ik zeer verkeerd, want deze personen en
+groepen zijn hoogst noodige schakels in de ontwikkeling, en die personen
+zijn evengoed slachtoffers van de omstandigheden als de armste
+proletarier. Je kunt absoluut niet helpen in welke wieg je geboren bent.
+Er zijn maar heel weinig menschen die werkelijk hun arbeidsveld kiezen.
+Dit inzicht blijkt ook duidelijk uit mijn "Roman van een Gezin". Daar
+heb ik juist sympathie gevraagd voor een kapitalistisch patroon en,
+dunkt mij, aangetoond, dat zoo iemand evengoed zijn functie vervult en
+sympathie verdient als zijn arbeiders, die hij gedwongen is te
+verdrukken.
+
+--Hier bracht ik bescheidenlijk de strekking van mijn uitvoerige en met
+een Fenelon-geste voorgedragen vraag in herinnering: Zal het karakter
+van het dichterschap onder den invloed van een overwinning der
+arbeidende klasse, met wat daaraan vastzit, zich wijzigen?--
+
+--Och, zei hij kalmpjes, ik geloof, dat ieder de neiging heeft zichzelf
+te handhaven en te verdedigen en uit te spreken in zijn werk. Dat heeft
+ieder die maar iets kan scheppen. Wanneer hij niet heelemaal bedorven
+is, dan heeft hij de neiging om iets van zijn persoonlijkheid in zijn
+werk te leggen. Als je boekhouder bent is het verduiveld moeilijk iets
+van je persoon te leggen in de wijze waarop je de posten boekt, dat is
+zoo, en toch is mij dikwijls opgevallen bij de verschillende
+boekhouders, die ik gekend heb, dat daarin groote individueele
+verschillen zijn waar te nemen.
+
+--Ik merkte op dat hij de scheidingslijn tusschen kunstenaar en massa
+dus niet zoo scherp handhaafde als gewoonlijk gedaan wordt.
+
+--De oprichting van het Verbond van Kunstenaarsvereenigingen, zeide hij,
+hangt met deze idee heelemaal samen. Ik vind dat de artiesten, de
+geheele negentiende eeuw door, zich veel te veel afzijdig hebben gesteld
+van de maatschappij. Zij zijn heelemaal een soort van wilde dieren
+geworden, die met hevige belangstelling door de rest van de burgerij
+worden bekeken. Zij hebben zich zeer buitenmaatschappelijk gevoeld en
+doen dat voor een groot deel nog. Een man als Boutens, die intusschen
+ook veel voor het vereenigingsleven doet en nog pas vice-voorzitter van
+de Vereeniging van Letterkundigen is geworden, merkte mij onlangs op: ik
+heb met de maatschappij niets te maken, die gaat mij niets aan. Ik vind,
+dat de artiesten midden in de maatschappij moeten staan, en al wat zij
+de maatschappij ten goede kunnen brengen, moeten zij geven. Ik vind het
+een abnormale toestand, dat tegenwoordig door lichamen, die heelemaal
+buiten de kunst staan, wordt geoordeeld over allerlei zaken van
+schoonheid. Dit oordeel moet weer komen aan de geschoolde kunstenaars,
+zooals het vroeger, en zeker in de middeleeuwen, is geweest. Denkt u,
+dat die enorme werken in de middeleeuwen, die kathedralen, zouden
+ontstaan zijn, zonder dat het artistieke element een ontzaglijken
+invloed heeft gehad? Als toen de macht in handen was geweest van
+menschen, die het te doen was om zooveel mogelijk geld te sparen en hun
+politieke bedoelingen te verwerkelijken, dan waren die groote werken
+nooit tot stand gekomen. Doch het is waar ... die groote eensgezindheid
+van toen werd door het geloof geinspireerd.
+
+De bedoeling van het Verbond van Kunstenaarsvereenigingen is tweeledig:
+naar binnen en naar buiten. Naar binnen is het doel, om door
+voortdurende aanraking van verschillende artiesten onderling, vooral
+door ze te leeren samenwerken aan de gewoonste dingen, te doen ontstaan
+meer eenswillendheid, daardoor meer harmonie, en zoo, willen wij hopen,
+in een toekomst die ik heelemaal niet beleven zal, te krijgen een
+monumentaler kunst. Wij kunnen niet meer komen tot den toestand van de
+middeleeuwen, doch nu wij ons bewust zijn welke de groote voordeelen van
+dien toestand zijn geweest, kunnen wij toch in die richting streven. En
+naar buiten is de bedoeling eenvoudig, aan den geheelen artiestenstand
+meer macht te verzekeren, en dan bedoel ik natuurlijk macht in de zaken
+die hun het meest ter harte gaan. Vanaf de groote renaissance hebben
+alle kunsten zich eenzijdig ontwikkeld, niet alleen de verschillende
+kunsten, maar ook in de kunsten zelf de verschillende richtingen. Dat is
+heel goed, daardoor zijn tal van verfijningen ontstaan, die anders nooit
+zouden zijn geboren, wanneer men zich niet gespecialiseerd had, maar
+daardoor is verloren gegaan de groote samenwerking tusschen de kunsten
+onderling, en zoo ook het monumentale. Die kathedralen, die alleen door
+de eensgezindheid van talrijke kunstenaars konden ontstaan, die zijn
+voor mij het symbool van deze samenwerking. Op een manier die
+voortgekomen is uit mijn inzicht in het maatschappelijke, wil ik komen
+tot iets als Wagner bedoelde met zijn opera's. Die bedoelde ook: een
+harmonie tusschen de verschillende kunsten. Hij schreef zijn teksten,
+maakte zijn muziek, nam ook de leiding bij het vervaardigen van de
+decors en zoo. En nu is het Verbond van Kunstenaars een poging, en dat
+kan juist in een klein land als het onze, om de artiesten te oefenen in
+het samenwerken. Ik maak mij geen illusie dat dit pogen direct tot
+groote dingen leiden zal, ik vind het al prachtig dat voor verleden jaar
+bijv., op de algemeene vergadering van het Verbond, allen gezamenlijk
+zich hebben uitgesproken over het leelijke affiche van de
+Vierjaarlijksche tentoonstelling van schilderkunst. Wanneer je dat
+principe doorvoert op dingen van veel grooter beteekenis, dan zult u
+begrijpen wat ik bedoel met "samenwerking naar binnen en naar buiten".
+
+Voor dien tijd hebben de kunstenaars zich veel te veel als
+buitenmaatschappelijke schepselen begrepen. Weet u wel, dat er voor de
+negentiende eeuw geen kwestie is van zoogenaamde "philisters"? Die
+hebben wij in de negentiende eeuw uitgevonden. Ik weet wel dat er
+tegenwoordig nog een heeleboel zijn, die wat wij nu trachten te doen ook
+"philisterhaft" vinden, een soort van burgerlijk werk, en zij schelden
+je uit voor vergaderingratten en denken, dat wij dit allemaal doen enkel
+voor het pleizier van vergaderingen houden! Dat vergaderen is eenvoudig
+een noodzakelijk kwaad, maar ook daarin kan wel iets moois zijn, en er
+zijn heel mooie momenten geweest op sommige vergaderingen die wij hebben
+gehouden.
+
+--Ik vroeg nu zijn meening over de richting die zegt weer te geven
+hetgeen er omgaat of sluimert in de ziel des volks, en of hij niet
+geloofde, dat een dichter nooit iets anders moet uitspreken dan wat
+hijzelf rechtstreeks in eigen binnenste voelt.
+
+--Natuurlijk, zoo antwoordde hij, het eenige wat wij kunnen doen om
+vooruit te komen, d.w.z. om beter kunstenaar te worden, is aan onszelf
+werken. En wat wij altijd doen moeten is zuiver onszelf uitspreken. Er
+is niet anders. Uitspreken wat in het algemeen eenige groep van menschen
+voelt of denkt te voelen, dit is niet mogelijk. Ik tenminste houd het
+voor absoluut onmogelijk. Critiek kan ook niet anders zijn dan
+subjectief. Men heeft geen andere hulpmiddelen, men heeft geen ander
+instrument, als zijn eigen innerlijk. Zooals je een peer alleen proeven
+kunt met je eigen tong, zoo kun je een boek alleen proeven met je eigen
+ziel.
+
+Iets anders is natuurlijk, dat men het gemeenschappelijke, het algemeen
+menschelijke, in zichzelf min of meer kan aankweeken, kan trachten een
+zoo breed mogelijk mensch te zijn en zooveel mogelijk menschen te
+begrijpen, kortom zoo ruim mogelijk te worden. De tachtigers hebben over
+het algemeen, uit een heel begrijpelijk streven om niet banaal te zijn,
+wat ook een zeer artistiek streven is, het gezocht in een
+uitdrukkingswijze die zij meenden dat van hen alleen was. Maar met dat
+verschil in uitdrukkingswijze is heelemaal niet bewezen, dat wat zij uit
+te drukken hadden sterk individueel was.
+
+--Hieruit zou bijna zijn af te leiden, dat volgens u zij, die zich er
+wel op toeleggen uit te drukken wat in eenige groep menschen leeft,
+zichzelf als kunstenaar benadeelen.
+
+--Ja, maar ik geloof niet, dat iemand het kan. Zoo iemand heeft
+eenvoudig geen houvast meer, hij wordt tegenover zichzelf oneerlijk. Ik
+zou durven zeggen, dat hetgeen hij voortbrengt geen kunst meer is.
+Zoodra iemand voorbedachtelijk tracht gevoelens van een groep personen,
+waartoe hij min of meer behoort, weer te geven, en niet zichzelf uit te
+spreken, levert hij geen kunst meer. Bij dit zichzelf uitspreken, denken
+wij voornamelijk aan de lyriek, maar in de epiek, in een verhaal,
+spreekt iemand zich natuurlijk ook zuiver uit, in het algemeene idee van
+een boek, het karakter, de compositie....
+
+Laten wij er om denken, dat al onze onderscheidingen in de literatuur,
+al de "ismen" en "ieken", de scheiding tusschen roman en novelle, zelfs
+die tusschen proza en poezie, heel nuttig zijn, maar toch betreffen
+betrekkelijke bijzaken. Er is iets in ieder werk, en dat is het
+voornaamste, dat hier boven uit gaat. Dat is de smaak van het boek, het
+karakter, iets onuitsprekelijks, en dat is toch het essencieele. Dat is
+ook de persoonlijkheid. Men heeft gezegd: "le style, c'est l'homme".
+Heel best, wanneer men het woord "style" neemt zoo breed mogelijk, ik
+zou zeggen in de beteekenis van den "Gesamteindruck". Ieder doet toch
+wat hij op het moment goed vindt. Hij kan er later wel over gaan
+nadenken, nou ... ik voor mij heb altijd maar gedaan wat ik op het
+moment voelde dat ik moest doen.
+
+--Ten slotte stelde ik nog de vraag of een verbetering in de
+maatschappelijke verhoudingen, waardoor de vele conflicten die uit die
+verhoudingen voortkomen worden vermeden, volgens hem geen nadeeligen
+invloed zou hebben op het ontstaan en op de vorming van kunstenaars, die
+toch een groot deel van hun taak vinden in het uitspreken van die
+conflicten en van de inzichten die daar rechtstreeks uit voortkomen.
+
+--Als de maatschappij zich verbetert, zeide hij, en wanneer het
+werkelijk komt tot een redelijker en zedelijk hooger staande
+maatschappij, hoe meer men daartoe komt, des te meer zullen de
+conflicten zich verfijnen, zij zullen zich verhoogen, mooier en grooter
+worden. Er zullen wel altijd dichters zijn die blijven bezingen wat zij
+waarnemen, de lyrische dichters, en epische kunstenaars die er van
+vertellen, en dramatische kunstenaars die het vertoonen. En wanneer die
+conflicten zullen zijn van meer geestelijken aard, in het algemeen van
+een hoogere orde, welnu, _tant mieux_!
+
+
+BIBLIOGRAPHIE:
+
+Kalverliefde, De Verloren Zoon en De Vreemde Plant (1895.)--De Roman van
+Bernard Brandt (1897)--De Bruidstijd van Annie de Boogh (1901)--Van
+Stilte en Stemming (1905)--De Roman van een Gezin I (1909), II
+(1910)--Helene Servaes (1914) en een aantal verspreide opstellen.
+
+
+
+
+IS. QUERIDO
+
+
+(* 1874)
+
+Hij zat daar boven, aan zijn bureau, op den ouwerwetschen matten stoel,
+dien men wel van de portretten kent.[5] Zeer eenvoudig, zijn
+studeerkamer, maar royaal en practisch; groote boekenkasten: een er van
+in vakken verdeeld, die, blijkens opschriften, bevatten het materiaal
+voor de Rousseau-studie, het materiaal voor het werk over crimineele
+anthropologie.... Enkele antieke gravures aan de wanden, een portret van
+den pianist Schaefer, en een portret van Willem Royaards met opdracht ...
+tullen gordijntjes ... in een hoek de telefoon, die ons opvallend
+dikwijls stoort. Boven de schrijftafel een lamp met zacht-gele kap.
+Bijna geen versiering, geen stijl-meubelen, geen dik tapijt, geen
+Dante-kop. Wel een potkachel, die, omgeven door een wal van briquetten,
+ongenadig gloeide. En de man, op wien ik het gemunt had, stierenek
+bloot, in de tropische hitte erg op zijn gemak.
+
+De meid bracht koffie, de dichter rookgerei. En waarmee hij mij van
+dienst kon zijn, vroeg-ie al gauw. Ik het gewone praatje, een beetje
+mooier dan gewoonlijk, omdat iedereen zei, dat Querido wel veel
+bedenkingen zou maken. Alle argumenten, die moeten bewijzen, dat een
+dichter als hij aan het publiek een interview verschuldigd is, had ik al
+bij de hand.
+
+ Maar ik kon gauw inpakken, want hij was het
+heelemaal met mij eens, zei, dat een auteur zich volgens zijn meening
+moet geven aan het publiek, trad in een vergelijking tusschen de
+rhetorica van Shelley, en de, volgens hem, onzedelijke debatteer-kunst
+van de moderne parlementariers, vertelde er in de gauwigheid bij, dat
+hij zelf misschien wel in staat zou zijn, op te treden als redenaar,
+maar dat hij geloofde, dat in de tegenwoordige tijdsomstandigheden zijn
+sensitivistische woordkracht waarschijnlijk toch niet door de groote
+massa zou worden begrepen; liet mij zijn archiefkamer zien, waar hij
+alle gegevens, gedurende zijn jarenlange studie verzameld, met een
+nauwkeurigheid, die men bij hem niet zou verwachten, in breede, hooge
+loketkasten had gerangschikt. Sprak in groote geestdrift over
+wijsbegeerte, determinisme, Darwin en Flaubert, Shakespeare en het
+misdadigerstype.... Was heelemaal niet recalcitrant, zooals sommige
+beroemdheden, nog minder schijnbescheiden, zooals velen. Gaf mij volle
+vrijheid, te vragen, scheen geen geheimen te hebben, toonde mij de
+ontwerpen van een zestal romans, waar hij over een jaar of wat aan denkt
+te beginnen.
+
+Dat gaat gemakkelijk! dacht ik. Maar daar ontbrak wel eens wat aan: Een
+enkel aarzelend vraagje gaf hem aanleiding, om zooveel te vertellen, dat
+het mij dikwijls duizelde. En het ging hoe langer hoe sneller; dikwijls
+sprak hij zoo schoon en beeldend, dat mijn bewondering mij belette te
+schrijven, dat ik werd meegesleept door het woord, waarvan ik de
+wording bijwoonde.
+
+En hij vertelde:
+
+--Mijn literaire werkzaamheid begon eigenlijk al op mijn tiende jaar.
+Toen heb ik, geinspireerd door de boeken van Aimard, geprobeerd een
+roman samen te stellen. En ik was dood-ongelukkig, omdat een zoogenaamde
+"knappe bol" uit de familie opmerkte, dat er wel veel talent in aanwezig
+was, maar dat ik een onvergeeflijke fout had begaan. Ik had namelijk
+iemand laten sterven, en ... niet voor zijn begrafenis gezorgd! Ik had
+toentertijd al een ernstig literair geweten, en om u daar een bewijs van
+te geven, vertel ik u, dat ik jarenlang onder den indruk ben gebleven
+van die fout.
+
+Mijn omgeving was die van mijn vader, die diamantbewerker was, en wiens
+psychisch bestaan ik pas later heb begrepen. Het was een man van
+herculische gestalte, een man van ontzaglijke begaafdheid, maar
+natuurlijk heelemaal onontwikkeld, iemand met een magistraal
+natuurgevoel, een enorme boekenverslinder. Hij las alles wat er voor hem
+maar te lezen viel. Hij was een onvergelijkelijk werker, en paarde aan
+zijn groote kracht veel naiveteit. Dat zag ik toen nog niet zoo in, maar
+door mijn literaire perceptie ben ik in staat geweest, later al die
+eigenschappen van mijn vader te reconstrueeren. Ik geloof dan ook, dat
+ik mijn eigenschappen als fantast, als vizioenair, als dramatisch
+voeler, aan mijn vader te danken heb. Voor een gewoon waarnemer was er
+misschien niet veel bijzonders aan hem te zien. Het was een
+diamantbewerker met een mooien kop, een flinke gestalte, en hij werd op
+de werkplaats algemeen genoemd: "de leugenaar". Hij had een absolute
+behoefte, om op eenigerlei manier uiting te geven aan zijn scheppend
+vermogen.... Maar op Vrijdagavond, meneer, dan ging hij, na afloop van
+zijn werktijd, zes, zeven bibliotheken bezoeken, en kwam gewoonlijk na
+zoo'n ontdekkingstocht met een stuk of twintig boeken thuis. Dan ging
+hij zoo zitten lezen,--kijk hier, meneer,--met dien heelen stapel boeken
+onder zijn kin. De grootsche, tragische dingen trokken hem het meest
+aan, en wat langdradig was, of kalm, dat sloeg hij eenvoudig over. Als
+hij zoo zat te lezen, dan was hij dood voor zijn heele omgeving,
+--weggekoesterd in de heerlijke Vrijdagavond-atmosfeer, die mijn moeder
+om hem heen had geweven.... Langzamerhand zag je zijn kin zakken ... kijk,
+meneer, zoo!... en tegen een uur of twaalf had hij de heele bibliotheek
+verslonden.
+
+Mijn vader heeft nooit iets gezien van mijn literaire neigingen. Ik werd
+opgeleid als violist, maar daarmede mocht ik niet doorgaan, want ik
+moest op Zaterdag spelen, en mijn moeder, die zeer religieus was, kon
+dat niet hebben. Mijn muzikale aanleg werd verder totaal veronachtzaamd,
+ten gevolge van het slechte onderwijs, dat ik kreeg: mijn leermeester
+werd, als ik mij niet vergis, betaald met tien stuivers voor drie
+lessen. Ik ben toen ook nog in het horlogemakersvak geweest en heb daar
+zelfs een eersten prijs behaald, en later werd ik kloover. Maar in mijn
+violistentijd, als jongetje van veertien jaar, speelde ik in de manege,
+in de opera, en daar deed ik zeer veel vak-routine op. Ik verkeerde toen
+veel met de lui uit den schouwburg: de zangers en de spelers, die, met
+de muzikanten, afzakten naar de cantine. En ik, met mijn scherp
+vizioenair leven, kwam daar in aanraking met al die Hamlet-figuren, die
+schitterend uitgedoste graven en ridders ... ik vergat, dat het
+theatermenschen waren ... ik leefde te midden van helden. En ik hield
+er van, te verdwalen onder het tooneel, ik werd bekoord door al die
+spookachtige lijnen, door het ondergrondsche gegrom van de muziek ... ik
+ging heelemaal op in mijn visioenen....
+
+Querido legde zijn linkerhand, vingers gespreid, voor zijn oogen en
+sprak met passie:
+
+--Ik ben heelemaal niet wat men zou kunnen noemen: een realistisch
+waarnemer. Ik heb tijden, dat ik neig naar contemplatie, dat ik niets
+zie. Maar dan klinkt er een bestraffende stem in mij: Neem waar! En dan
+kijk ik rond, en zie alles, alles! Maar dat duurt nooit lang bij me;
+uitwendig waarnemen is iets, dat ik niet kan volhouden ... ik moet met
+mijn innerlijk leven ingaan op de dingen ... ik kan de dingen niet klein
+zien: ik moet ze vergrooten, doorlichten ... ik moet er heelemaal door
+vervoerd worden.... Ik heb niets aan de realiteit!
+
+--O lezer! Querido kan geen woordje, geen enkel woordje, "gewoon",
+onverschillig zeggen. Zijn hooge stem beeft voortdurend van ontroering,
+je voelt zijn zinnen worden, je ziet zijn lippen vertrekken en lachen en
+grijnzen ... je hoort zijn breede borst zwaar hijgen ... je denkt ieder
+oogenblik, dat hij zal neervallen, uitgeput. Maar hij is meester over
+zichzelf, weet het woud van emoties, dat voor zijn oogen rijst bij het
+kleinste zinnetje, terug te dringen, loopt telkens weer frischjes en
+kalmpjes van stal.
+
+--"Dat leventje, meneer...."
+
+--"Ja, ik luister!"
+
+--Dat leventje dan duurde zoo tot mijn achttiende jaar. Toen maakte ik
+kennis met mijn vrouw, die een buitengewoon artistieke persoonlijkheid
+is--en die heeft mij mijn kunstenaarschap bewust gemaakt. Die heeft
+onmiddellijk gezien--zooals zij het noemde--mijn zeer grootsche en
+oorspronkelijke levensopvatting. En op haar aandringen ben ik gaan
+schrijven. Ik begon met heel individualistische gedichtjes, zonder iets
+af te weten van de Nieuwe-Gids-beweging, die parallel liep met wat ik
+zelf wilde, maar dat ontdekte ik pas later. Die gedichtjes van mij
+werden o.a. door Toorop hoogelijk bewonderd. Ik zag echter vrij gauw in,
+dat 't zeer onrijpe dingetjes waren, waarin zich een bijzonder streven
+van mijn natuur openbaarde, en ik ben om die gedichtjes buitengewoon
+uitgelachen. Ik had echter een diep vertrouwen in mijn eigen ziel, in
+mijn eigen kunstenaarschap ... ik werkte door ... en een jaar later
+verschenen mijn "Meditaties over literatuur en leven".
+
+Toen reeds was er een van de scherpste critici uit dien tijd, die in de
+groene "Amsterdammer" uitsprak: dat ik de eigenschappen van Kloos,
+Gorter en Van Deyssel bijeen had en een reusachtig kunstenaar zou
+worden. Dat is nu tien jaar geleden. Het was mijn eerste boek. Ik ging
+daarin vooral heftig te keer tegen Kloos, hoewel ik voor dien dichter
+veel bewondering had. Maar daarover komt straks misschien nog wel het
+een en ander. Mijn werk was een product van veel stille studie, maar
+vooral van goddelijk ... van goddelijk lyrisch genieten. Ik voelde, dat
+lyriek, epiek en dramatiek, dat ik die te zamen noodig had, om mij te
+uiten, dat die drie moesten samensmelten in volkomen harmonie. En nu ken
+ik mijn gebreken zeer goed, meneer....
+
+--Ik luister!
+
+--... Ik ken mijn gebreken zeer goed! Ik weet, dat ik als lyricus
+dikwijls te veel geef, maar ik kan dat best verklaren in organisch
+verband met mijn wezen. Ik geloof, dat alle kunstenaars, die het
+universeele willen--en daarvan zijn er in ons land maar weinig,--ik
+geloof, dat die allemaal te veel geven.... Bijvanck, in "De Gids",
+heeft mijn boek genoemd: een zeer geniaal product, ondanks de vele
+tekortkomingen. Ik zelf vind er zeer groote tekortkomingen in, maar
+toch: mijn innerlijkste wezen, mijn diepste gevoelsleven heb ik er in
+uitgestort. En Kloos, Klo-oos, die was mij direct vijandig gezind, die
+maakte zich van mijn werk af met een klein, nietig aankondigingetje....
+Want als jong, onafhankelijk schrijver had ik den moed hem te wijzen op
+zijn schandelijk subjectivisme.... Ja, onafhankelijk was ik ... ik heb
+in dien tijd niemands bescherming ingeroepen ... alleen naar Van Deyssel
+ben ik gegaan, en dat ook al weer met groote zelfstandigheid.... Niemand
+heeft mij ooit de hand beschermend boven 't hoofd gehouden, meneer....
+
+--Ik ben geheel oor.
+
+--... En wat ik ben, en al wat ik heb, dat heb ik aan mij zelf alleen te
+danken.
+
+Mijn tweede deel "Meditaties" en mijn "Studies over tijdgenooten"
+verschenen in "De Jonge Gids". Heijermans, met wien ik vijandig
+leefde--hij was redacteur aan "De Telegraaf" en ik was redacteur aan "De
+Amsterdammer", en we hebben mekaar erg bespot--Heijermans, anders
+buitengewoon fel en brutaal, en zonder veel critischen kijk, ontdekte,
+dat wij er dezelfde levensbeschouwing op nahielden; wij waren in 1897
+beiden lid van de S.D.A.P. geworden, en hij kwam naar me toe, vroeg me
+of ik aan "De Jonge Gids" wilde medewerken, en dat heb ik toen gedaan.
+
+Mijn meditaties hebben toen al direct veel besprekingen uitgelokt. Ik
+behandelde er de encyclopedisten in, gaf een groote critiek op Voltaire
+en de achttiend'eeuwsche literatuur, een wijsgeerige studie over Locke,
+die als fragment verschijnen zal in een van mijn bundels critische
+studies. Toen ik nu dat tweede deel van mijn meditaties af had, werd
+mij plotseling mijn roeping nog duidelijker. Ik begreep, dat ik niet
+alleen critieken moest schrijven--hoewel ik voelde, het schrijven van
+critiek tot een groote hoogte te kunnen opvoeren--maar dat ik mij
+beslist moest gaan uiten in beeldend werk. Nu doet zich een
+eigenaardigheid voor: ik heb nooit kleine schetsjes willen maken ... ik
+moest ineens het enorme omvademen. Niet omdat ik groot wilde doen,
+meneer ... d'Oliveira....
+
+Ja? Ik luister....
+
+--... maar omdat de drang naar groote lijnen in mij geboren was. Ik heb
+niet twee dikke deelen geschreven, omdat ik dikke deelen wilde schrijven
+... heelemaal niet, en Van Deyssel heeft dat in zijn critiek op
+"Menschenwee" later treffend juist gezegd: Bij Querido is het niet
+alleen de hoeveelheid, maar ook de manier, waarop de reusachtigheid van
+zijn schepping ontstaat, die onze waardeering verdient.... Ik wilde
+orkestreeren, en daardoor ontstaat juist mijn gebrek, waar ik straks
+over sprak.... Ik voel het polyphonisch-literaire. Maar geen enkel
+detail mag verloren gaan door de grootheid, binnen de groote lijnen
+moeten de subtielste bijzonderheden tot haar recht komen.... Niet een
+opeenstapeling van details brengt een groot geheel.
+
+Toen ik nu aan Heijermans mijn voornemen mededeelde, keek die raar op:
+He, zei-die, ga je daar zoo plotseling mee beginnen? Daar breng je nooit
+iets van terecht, kerel; je hebt nog nooit iets van dien aard gedaan ...
+je moet je eerst voorbereiden door kleine schetsjes....
+
+Hij begreep mij ook niet, en ... vergiste zich. "Levensgang" had veel
+succes, en er komt nu een vijfde druk van uit bij Veen. De figuur van
+Bresser werd een ongeevenaard meesterstuk in onze literatuur genoemd.
+
+En nu moet ik u nog even spreken over het vreeselijke realisme in dat
+boek. Er is in onze critiek iemand, die over "Levensgang" mooie dingen
+heeft gezegd,--ik bedoel dr. Van Deventer--maar over den schrijver een
+treffend juist ding: hij noemde mij namelijk: de zelfkweller. Meneer!
+Nooit is er een betere naam voor mij bedacht! Nooit! Van nature walg ik
+van het gemeene en grove. Maar ik heb gemeend, dat het smerigste en het
+gemeenste noodig waren, om de waarheid niet te kort te doen. In den
+dialoog wilde ik naast het scheppende gedeelte behouden: het locale
+element, ook al was dat gemeen en ordinair. En ik heb tot mijn vreugd
+ondervonden, dat de beste schrijvers in ons land aan mijn realisme geen
+aanstoot hebben genomen. Later is met sommige passages uit "Levensgang"
+op een lage manier gewerkt, en werd ik voorgesteld als iemand, die
+liefst in het vuil wroette. Maar dat is ook Zola, en alle groote
+realisten naar 't hoofd gesmeten.
+
+Er is groot verschil tusschen het realisme in "Menschenwee" en het
+realisme in "Levensgang"....
+
+De eenige man, die werkelijk heftig tegen mijn boek te keer is gegaan,
+was mr. Van Hall in "De Gids". Hij zeide zoo ongeveer, dat hij zich niet
+kon voorstellen, dat iemand van eenige beschaving zoo'n boek niet met
+grooten afschuw aanvaardde. Maar wil ik u nu eens een aardige
+bijzonderheid vertellen? Een paar weken eerder kreeg ik een brief van
+dr. Bijvanck, eigenlijk den voornaamsten redacteur van "De Gids" ... en
+over dien brief heb ik zeven jaar het stilzwijgen bewaard, terwijl van
+het gezegde van mr. Van Hall op alle mogelijke manieren in de kleinere
+blaadjes misbruik werd gemaakt. Maar nu dr. Bijvanck niet meer aan "De
+Gids" is, mag ik spreken. Het is werkelijk karakteristiek! Hier heb ik
+hem. Als u eens met mij mee wil lezen:
+
+"... Zoo wat haastig doorlezend, werd ik telkens getroffen door uw
+wonder talent van beschrijving en dramatiseering van tooneelen, een
+talent, dat waarlijk niet afneemt, als men het boek verder doorleest, en
+nog eens op 't laatst schitterend uitkomt in het "Dwergje".... Tusschen
+de beschrijvingen van het ruwe niet alleen een element van extase, maar
+ook van sentimentaliteit. Gij behoeft deze opmerking niet te vergeven,
+want het is een compliment...."
+
+Ik ben toen ook in anti-critiek getreden tegen Coenen, van wien ik vond,
+dat hij mij op zeer onbillijke manier had besproken. Eigenaardig is, dat
+hij wel wees op het kolossale te veel, dat ik geef, maar met geen enkel
+woord repte van de sobere gedeelten. Anders was het met Marcellus
+Emants, die zei: "U hebt groot talent, er staat veel te veel in uw boek,
+maar toen ik kwam aan de figuur van Eva, toen vond ik dat een juweel van
+beschrijving! Daar is geen woord te veel of te weinig in...." Maar
+Coenen wist daar niets van te zeggen, die wees alleen maar op het te
+veel.
+
+In het algemeen heb ik van mijn roman-debuut zeer veel succes gehad, en
+dat werd nog sterker, toen ik na een paar jaar van afzondering
+"Menschenwee" de wereld instuurde. Maar, laat ik het erkennen, het
+ontzaglijke succes van dat werk heeft mij veel vijandschap berokkend.
+Nooit heb ik den nijd en de afgunst van collega's zoo zien toenemen als
+na de verschijning van "Menschenwee". Ik zou u veel brieven kunnen
+toonen van de bekendste auteurs, van de echte "groote lui", die om zoo
+te zeggen wegliepen met mijn boek maar het later op allerlei manieren
+probeerden af te breken.
+
+--Querido stapte naar het venster en ging weer zitten, stond vervolgens
+bruut op en zei met dichtgenepen, plots blauwe oogen, de vuisten omhoog:
+
+--Toen ik nog geen regel, nog geen reegel van "Menschenwee" of
+"Levensgang" had geschreven, meneer d'Oliveira....
+
+--Toen?
+
+--... Toen zei ik al tegen mijn broer: Als ik ooit iets ga schrijven,
+dan moet ik minstens de hoogte van een Zola kunnen bereiken. (Zijn hand
+met uitgespreide vingers patste neer.) Maar! op een geheel andere
+manier, laat ik u dat vooral zeggen! Ik heb een totaal ander innerlijk
+leven dan Zola. Alleen in den beginne was aanwezig een overeenkomst in
+het gebruik van naturalistische termen. Maar dat is ook feitelijk het
+eenige, dat mij aan een school heeft gebonden. Wat niet weg neemt, dat
+ik een buitengewone vereering heb voor Zola, niet _had_ zooals Van
+Deyssel, maar nog _heb_. Ik vind Zola een van de allergrootste
+scheppers.
+
+--Hij stapte weer naar 't venster. (Wat wilde hij toch? Verwachtte hij
+iemand?)
+
+--Dan volgen mijn critische bundels "Zegepraal", "Kunstenaarsleven", en
+daarmede--wil u daar vooral op letten?--daarmede is afgesloten de
+periode van romanliteratuur, die voor een deel put uit eigen omgeving.
+Van nu af ga ik zoogenaamde objectieve kunst geven in mijn epos.
+
+Zijn oogen leken nu zwart tusschen 't traliewerk van zijn blanke
+vingers; de linker pink, lichtelijk gebogen, wees omhoog.
+
+--Critiek schrijven is voor mij iets heiligs, meneer. Werkelijk iets
+heiligs. Dat wil zeggen: niet altijd ben ik in staat critieken te
+schrijven, die naar mijn eigen meening aan dien eisch voldoen, omdat ik
+natuurlijk moet offeren aan de noodzakelijkheid van beperkte ruimte....
+Ik vind, dat men dan alleen volledig kan begrijpen, als men zich geheel
+en met liefde aan een boek geeft.... Moet ik wel eens een enkelen keer
+afwijken van dat beginsel, moet ik mij door oververmoeienis beperken tot
+het geven van citaten, dan lijd ik daar zoo geweldig onder, dat ik mij
+haast, een volgenden keer een critiek te maken, die getuigt, dat ik mij
+heelemaal heb ingeleefd in het boek, dat ik bespreek.
+
+--Hij stapte warempel weer naar 't venster. Er zal nu wel direct iemand
+komen, dacht ik. En dan is het gedaan. Dan moet ik weg of hij vertelt
+niet meer.
+
+--Ik meen, dat tegenwoordig de critiek in ons land volkomen
+ge-anarchiseerd is. Iedereen critiseert er maar op los. Ik wil in het
+midden laten, wat daarvan de intellectueele oorzaken kunnen worden
+genoemd. Ik constateer 't feit, en (hevige handslag door de lucht) ik
+vind het een ramp. Ik geloof, dat iedereen het recht heeft er een
+meening op na te houden, maar niet ieder heeft 't recht, die meening te
+_uiten_. Critiek geven is een geweldig moeilijk werk en groote
+kunst-critiek is even zeldzaam als groote romankunst of groote poezie.
+In mijn Rousseau-studie heb ik doen blijken, dat uit den aard der zaak
+groote critiek, buiten Van Deyssel, in ons land niet aanwezig is. Ik
+zelf wil weer heel wat anders dan Van Deyssel. Ik wil de drie
+gevoelssferen: verbeelding, intellect en sentiment in mijn critieken
+doen samenvloeien. Ik vind dat een spontaan-lyrische critiek, meneer....
+
+--Ik ben geheel aandacht.
+
+... dat een spontaan-lyrische critiek alleen sterk kan leven in
+dramatisch-lyrische critiek. Want waarom zou critiek niet evengoed
+dramatisch kunnen zijn als een tooneelstuk? Dramatiek, psychologie,
+lyriek, kennis, dat alles moet in de critiek even groot naar een hoog
+punt worden opgewerkt. Uit den aard der zaak zijn maar heel weinig
+menschen in staat dat te doen....
+
+Dogmatische critiek haat ik het meest van alles. Die vind ik het meest
+antipathiek belichaamd in Jet Holst en Herman Gorter. De leerstelligheid
+van hun socialistisch beginsel, vind ik, maakt ze blind voor groote
+schoonheid in dingen van burgerlijke kunstenaars. Het lijkt mij, dat men
+den pathologischen zielestaat van een zenuwlijder als Baudelaire, die
+toch een groot dichter is, met even groote innigheid van critisch besef
+en schoonheidsgevoel in zich moet kunnen opnemen, kunnen uitbeelden,
+kunnen verwerken, aan de menschheid moet kunnen toonen, als men dat kan
+doen met den meest blozenden moreelen optimist in de kunst. Aangezien nu
+het pessimisme door de Marxisten wordt verklaard voor een zeker deel als
+gevolg van ideaal-breking, en een latent gebleven burgerlijk sentiment,
+is het begrijpelijk, dat zij Baudelaire, en pessimistische literatoren
+in het algemeen, niet kunnen omvatten, zooals die omvat moeten worden
+door objectieve critici.
+
+Ik wil hebben, dat men alles begrijpt en doordringt in het leven. Dat
+lijkt mij het eenige middel om boven alle tijdelijkheid van oordeel en
+modesucces hoog uit te stijgen. De kleine critiek heeft ook wel
+voorbijgaanden invloed, maar de tijd heeft noodig: groote onbevangen
+werkers, en als er op een gegeven oogenblik zoo een opstaat, een met
+groote comediek in zich, dan spuit 't er uit, en dan kan niemand 't
+tegenhouden.
+
+Honderden malen is mij gezegd, dat ik geschapen ben om tooneelstukken te
+schrijven, op grond van mijn vermogen tot dialoog en dramatische
+conceptie. Zelfs heeft Robbers indertijd, sprekend over "Menschenwee",
+geschreven, dat het maar van een luim, een gril van Querido afhangt, om
+even schitterend voor het tooneel als voor de literatuur te schrijven.
+Tallooze keeren heeft men dan ook tooneelstukken van mij verwacht, maar
+ik wil u wel zeggen, waarom ik mij nog nooit op dat gebied begeven heb.
+Evenmin als ik indertijd wou beginnen met het schrijven van kleine
+schetsjes, om, later opklimmend, een zekere hoogte te bereiken, evenmin
+kan ik het nu van mij verkrijgen, te beginnen met een aardig stukje, dat
+misschien wel verdienste zou hebben, maar waarin toch niet het
+allerhoogste vervat zou zijn. Dat mag pedant klinken. Goed! 't Kan mij
+niet schelen. Elk kunstenaar, die het leven leeft, is dat verplicht aan
+'t Leven: niet voort te brengen een werk, dat vertoont den tijdelijken
+verschijningsvorm er van, maar een werk te scheppen, dat geeft het
+eeuwig blijvende. Vandaar ook, dat het meeste tooneelwerk van den
+tegenwoordigen tijd mij schijnt te facetteeren afschijningen van het
+leven, niet te raken de _kern_. Maar ... de romankunst stel ik in ieder
+geval nog hooger dan de tooneelkunst. Later zal ik mij daaromtrent
+analytisch verklaren. Wat aan den eenen kant lijkt een tegemoet treden
+aan de verbeelding door een aanschouwelijken vorm, brengt aan den
+anderen kant beperkingen mee. Want de scheppende auteur hangt af van de
+interpretatie van den speler, terwijl die op zijn beurt weer afhangt van
+de bedoelingen van den auteur. Die geeft zijn sujetten de woorden in den
+mond. Vandaar dat zich in verschillende vormen het feit openbaart, dat
+de acteur boven zijn rol staat, of de rol boven den acteur. En wat komt
+er dan van de kunst terecht?--Kort en goed: ik laat mij niet dwingen tot
+iets, dat ik nog niet in mij zelf voel als een noodzakelijkheid, al
+hebben Robbers en anderen het ook geschreven. Daar mogen ze om lachen:
+'t laat mij koud! Ik wil het hoogste! Bij "Menschenwee" heb ik daar ook
+naar getracht. En ik weet beter dan iemand, dat men geen compleet werk
+kan leveren. Niemand is volmaakt, ook Van Looy in zijn beperkte
+woordkunst is dat niet. Ik weet 't van mij zelf ook wel!
+
+--Ik zat in mijn easy-chair naast zijn schrijftafel. En terwijl ik nu en
+dan iets opteekende, merkte ik dat hij zijn hals rekte, en over mij heen
+naar buiten koekeloerde. Wat was daar toch te zien?
+
+---Met "Levensgang" heeft zich ook nog iets eigenaardigs voorgedaan. Ik
+was destijds in Groningen, en Gorter, die in '97 al literaire critieken
+had geschreven in "De Nieuwe Tijd", kwam (het was in 1902) met
+uitgestoken hand naar mij toe. "U is Querido? Schrijver van
+"Levensgang?" "Jawel." "O, ik gevoel groote bewondering voor u. Daar
+staan prachtige dingen in: prachtig, prachtig, prachtig!" Daar ging ik
+zelf nog tegenin, zei, dat het nog lang niet volmaakt was. "Ja," kreeg ik
+ten antwoord, "dat verwachtten wij ook niet, maar 't is toch prachtig,
+prachtig".... Later heb ik, mij over Gorter uitlatend, gezegd, ik wilde
+eerlijk zijn: dat hij naar mijn meening als dichter dood was, en al heel
+gauw kon ik een geweldige verkoeling waarnemen. Toen ik hem dan ook
+vroeg zijn meening te schrijven over een van mijn boeken, heeft hij zich
+er van afgemaakt, en gezegd: "Pardon, ik schrijf nooit critieken!"
+
+O, ik heb zooveel van de menschen, van de collega's te lijden gehad! Als
+ik van het oordeel van sommigen onzer grootste schrijvers had
+afgehangen, toen ik als broekje van 21 jaar Meditaties schreef, dan had
+ik mij eenvoudig laten doodknijpen! O! die behandeling, die ik heb
+ondervonden van Kloos, die ... die illustreert mij zijn onvermogen om
+jonge auteurs, die aan het uitbotten zijn, te erkennen en te begrijpen.
+Als ik mij aan hem had moeten storen, dan was ik doodeenvoudig
+vernietigd geweest! Dan had ik nooit meer de pen opgenomen! Slechts
+onder enkele omstandigheden is hij in staat de waarheid te
+onderscheiden. Maar hij is erg gul in het pluimpjes geven aan zijn
+vrindjes. En moordend ... moordend is hij opgetreden tegenover jongeren,
+die niet meededen aan de overdrijving van zijn kwaliteiten als dichter".
+
+Lezer, ik wil u niet beschrijven de korte, forsche, hartstochtelijke
+gebaren van dezen vurigen mensch. En er is iets in mij, dat mij er van
+terughoudt, soms. Mij dunkt, wie eenig gevoel heeft voor taal, die moet
+uit Querido's woorden, zooals ik ze hier met groote toewijding tracht na
+te smeden, voelen en zien,--zijn beeld voor oogen,--de trillingen van
+zijn smallen mond; die moet weten, zooals ik altijd geweten heb, dat
+vaak, als hij in vervoering komt, zijn rechtermondhoek omlaag zakt en
+zich verbreedt; die moet zijn oogleden zien rimpelen, zijn schouders
+zien schokken, zijn knuisten zien scharnieren open en toe; die moet hem
+daar zien staan, zwaar 't krachtige lijf op korte, stevige beenen, den
+kop met de kleurwisselende kijkers en de woest naar achteren gevaagde
+manen: glans-zwart tegen de zacht-gelige kap van zijn lamp....
+
+--Ik vind, dat onze letterkundige werking op het oogenblik in een
+bloeiperiode verkeert, maar natuurlijk nog lang niet is wat ze zijn
+moet. Alles is te essencieel-klein, er wordt te veel nadruk gelegd op
+geraffineerde details. Zelfs een man als Streuvels, die in zijn eerste
+werk de groote lijn heeft gevoeld, is weer aan het verbrokkelen, door
+het feit, dat hij geen dramatiek, geen psychologie heeft. De strijd van
+kleine werkertjes als Steynen en Van der Meer tegen het zoogenaamde
+naturalisme is belachelijk, omdat zij hem voorstellen als iets nieuws,
+terwijl hij door ons en anderen al veel eerder werd gevoerd. Alle groote
+kunst, waarvan de maker ontroerd was, raakt op eenige manier het
+Eeuwige, onverschillig of hij symboliek, naturalisme, mystiek brengt.
+Shakespeare was volstrekt niet minder dan Dante, omdat hij meer
+realistische mystiek gaf, en Dante meer transcendentale mystiek. De
+verschillende mengsels van psychische eigenschappen kunnen er mij nooit
+toe leiden, een heele figuur te verwerpen. Want in iederen kunstenaar is
+iets onaantastbaar eeuwigs, dat de dingen overgiet met een innigen
+glans, waaruit alles opbloeit naar het schoone.
+
+--Men zegt wel eens, dat ik niet voldoende zelfbeheersching heb. Mijn
+intieme vrienden moeten wel tot het besluit komen, dat men zich vergist.
+Nu reeds drie jaar lang ben ik bezig, rustig en bezonken, te verzamelen
+een oneindig groot aantal impressies en waarnemingen. Dit woord, laat ik
+het direct zeggen, lijkt mij veel te hard. Want _ik kan niet waarnemen_.
+Als ik den geheelen dag rondloop, dan kan ik misschien een uurtje doen
+wat men waarnemen noemt. Kijk, deze kleine boekjes heb ik altijd bij
+mij. Daarin maak ik zeer korte aanteekeningen, en die zijn voldoende om
+de impressie vast te houden. Ach, drie jaar geleden is het, dat ik op
+een gloeienden Maandagmiddag in half Juli door den Jordaan liep. Dan
+komt die ontzaglijke tros van orgels terug, die hun rondgang door de
+stad hebben gemaakt, en dan hebben de orgellui wel eenige neiging om,
+terwijl 't niet mag, in de Willemstraat eenvoudig een klein
+muziektoevoegseltje te geven aan 't volk. Dan zie ik daar een grooten
+kring van menschen, die op heel bijzondere wijze dansen. De heele straat
+staat te branden in het goud-coloriet van den zomerdag. De witgejakte
+meiden, met de prachtige bloote nekken, dansen in geweldige rijen, en de
+kerels staan rustig te beschouwen het rokkengezwaai van die meiden. De
+wasem van 't goud van den dag slaat je tegemoet en die goudbeschenen
+meiden staan zich daar uit te leven, te midden van die angstwekkend-
+vulgaire, doch triestig-eentonige muziek, die er stroomt uit de strotten
+van die orgels, uit de kelen van de registers, te midden van dien gouden
+zonnezang.... O, als ik daar bij ben, dan kan ik niet komen tot een
+objectieve beschouwing van zoo'n straat. Dan zie ik alles als een
+onmetelijk groot schilderij, met een wasem van Rembrandt-goud er over
+heen. Zoo zie ik al de grachten van de oude stad, met haar oude
+pakhuizen en haar wankele trapgevels. Ach, als een schilder heb ik op
+alle uren van den dag de tonaliteit van de stad bestudeerd, en ik zeg
+'t u, meneer, dat ik 't schande vind, dat ik daar nog nooit een
+schilder heb ontmoet. Die oude stad Amsterdam is van een geheimzinnige
+schoonheid, een wonder van atmosfeer en tonaliteit, en daarom zal ik
+mij er nooit toe kunnen bepalen, alleen het menschenleven van de
+Jordaan weer te geven. De omgeving moet erbij, altijd weer de omgeving
+... een mensch op zichzelf bestaat niet!... Aan de Teertuinen, daar
+heb ik 's morgens om vijf uur staan blauwbekken om mee te mogen doen
+aan het sneeuwscheppen, en zeer diep is mij bijgebleven de impressie
+van den zeldzaam-verlaten wit-sneeuwen ochtend. Er zijn geen twee in
+ons heele land, die de woningtoestanden in de Jordaan zoo goed kennen
+als ik, dat durf ik gerust te zeggen. De menschen_massa_, die vind ik
+het schoonst, die beheerscht mij altijd. Een figuur op zichzelf
+schilderen vind ik heel aardig, en mijn Bresser en mijn Strooper
+toonen wel, dat ik dat niet versmaad, maar het meest voel ik voor den
+_drom_. Mijn vrienden zeggen wel eens: Kerel, je bent absoluut
+schilder, en ik voel 't: dikwijls heb ik een schilders-temperament.
+
+Ik wil in een van de deelen van mijn Epos het misdadigersleven beelden,
+zooals het leeft en werkt in de duisternis en de angstige
+buurtverborgenheid in de hoofdstad. Ik omgeef mij met misdadigers. Ik
+leef met misdadigers, dikwijls in de gevaarlijkste omstandigheden. Dit
+werk is, met het oog op de chantage, allerellendigst. De
+hoofd-commissaris heeft 't mij indertijd gezegd: Kerel, je loopt er nog
+eens leelijk tegen aan. En dat zal ook wel eens gebeuren. Maar ik _moet_
+dat meemaken. En hoewel ik dikwijls moet omgaan met kerels, die er niets
+in zien, mij mijn oogen uit mijn hoofd te krabben, zoodra de lust bij
+hen opkomt, gaat er van dat bandietenleven een eigenaardige bekoring
+uit, omdat het mij toont de menschelijke hartstochten in hun absoluut
+ongebreidelden vorm. Mijn eerste studie over crimineele anthropologie
+zal nu verschijnen in "Groot Nederland". Hierbij doet zich het
+eigenaardige feit voor, meneer....
+
+--Ik luister.
+
+--... is er een natuur-historicus, meneer, die het in zijn hoofd haalt,
+de wilde beesten te gaan bestudeeren in den dierentuin? Wat is een leeuw
+in een beestentuin? Kun je hem achter de tralies ooit mooi zien knauwen
+op zijn prooi, kun je daar ooit waarnemen dat onvergelijkelijk grootsche
+zoeken naar zijn prooi? En waar, meneer, bestudeeren de weinige
+crimineel-anthropologen, die wij hier hebben, den misdadiger? In de
+gevangenis, meneer, nooit in de vrijheid, nooit in de werkelijkheid. O!
+die heeren kunnen misschien iets weten van den schedelbouw van een
+misdadiger, van zijn morphologie, maar ga hun eens vragen wat zij u
+kunnen vertellen van de verschrikkelijk diepe grotten en spelonken van
+de misdadigersziel? Weten zij hoe de moordenaar, de souteneur, de
+kinderen-verkrachter, de ontaarde, de prostitue, de inbreker denkt,
+leeft, voelt, werkt?...
+
+En terwijl ik in het hartje van den Jordaan studie maak van de
+alleruiterste depravatie, terwijl ik slaap bij het Leger des Heils,
+samenwoon met moordenaars, kan het mij gebeuren, dat ik een enkel
+verloren uurtje zit te studeeren in Darwin, Rousseau, mij dring in het
+gekristalliseerde leven van vroegere eeuwen, die eeuwen, die ik
+werkelijk zie, ieder in haar eigen kleur, als groote hallen, waar ik kan
+wandelen.
+
+En ... mijn natuur is zeer pessimistisch. Is niet bij iederen idealist
+de grondtoon zeer somber? Bij tijd en wijle vind ik 't heele leven, ook
+'t allergrootste, nietig. Ach, vraag ik mij dan dikwijls af, waar heeft
+toch zoo'n Rembrandt voor geleefd? Is een planeet, die daar zoo verre
+staat te schitteren, in zijn eeuwigheid niet veel grooter, ondanks zijn
+onbewustheid, dan wij, al zijn wij ons van ons innerlijk wezen bewust?"
+
+Weer stond hij op, Querido, en nu begreep ik wat zijn ongeduldig
+halsgerek beduidde. Want plots sloeg hij de balkondeuren open en trok
+mij naar buiten. Daar, voor ons, in de herfstschemering, in vochte
+violette nevelen, lag de wei, en vaagjes zichtbaar, omsluierd, daar
+achter het fijn geboomte van 't Willems-park. En was ik gevoeliger
+geworden door de extatische ziele-stem van den dichter?... Ik weet het
+niet ... maar een breede beklemming bezwaarde mij.... Want ik meende te
+zien, dat de grijsgroene boompjes met d'r rengelende bladeren vormden in
+de donker-violette nevelen een wijden kring en wachtten berustend den
+avond af. Nog een paar minuten, en Querido, voor zijn orgel, deed zoete
+schemerharmonieen tonen door 't kamerruim....
+
+Sinds ik dit boekte zijn zes jaren voorbijgegaan. Velen, die het in een
+van onze groote dagbladen lazen, hebben mij te kennen gegeven dat ze er
+een ophemelarij van Q. in zagen en het stuk te weinig zakelijk vonden.
+Een brief van hem zelf, waarin het heette dat het artikel "met groote,
+trillende liefde" was geschreven, heeft mij wel tot nadenken gestemd,
+maar ik moet toch blijven bij mijn oorspronkelijke opvatting, dat ik
+zijn mededeelingen met de grootst mogelijke objectiviteit heb
+weergegeven. Ik zou niet alleen hem, maar vooral mij zelf te kort hebben
+gedaan indien ik anders hadd' gehandeld....
+
+Echter heb ik misschien te weinig gevraagd naar het verband tusschen
+zijn socialistische opvattingen en zijn kunst, naar de evolutie van zijn
+ideeen.
+
+Misschien had ik er ook wel naar gevraagd ... en mij ten slotte maar
+neergelegd bij het feit, dat hij zich niet gemakkelijk laat onderbreken
+... ja, geneigd is een schuchtere onderbreking als een onheuschheid te
+beschouwen. Hoe dan ook, ik vroeg hem nog eens over die onderwerpen te
+spreken en met het vaste voornemen, op mijn stuk te blijven staan,
+klopte ik aan zijn deur.
+
+Wat hadden de jaren veel verandering gebracht! Ik voelde bij de eerste
+woorden dat hij rustiger en meer gereserveerd was geworden. Zijn haren
+waren pas gekortwiekt (vergeef mij de beeldspraak, als ge ze tenminste
+bemerkt!). Hij zat nu niet in een zeer ruim studeervertrek met
+aangrenzend archief, doch in een spaarzaam gemeubelde kamer in een
+leelijke Amsterdamsche Pijp-straat. En had hij mij vroeger allerlei
+soorten sigaren en sigaretten voorgezet, nu liet hij zich, toen hij
+hoorde dat ik niet rookte, afgepast "twee stuks" halen.
+
+Alles deed zien dat hij op eenigerlei wijze pas een flinken klap van
+het Leven had gekregen en dezen klap zoowel in zijn temperament als in
+zijn overtuiging verwerkte.... Ik behoor tot hen die iets dergelijks al
+vele jaren in stilte wenschen. Dus aangenaam gestemd, wel wetend dat
+sommigen een zekere soort honger beter bekomt dan het brood des levens,
+leidde ik het gesprek in met een vraag naar de evolutie van zijn ideeen
+sinds het verschijnen van zijn eerste werk. Aanvankelijk ging het weer
+goed. In zijn geliefkoosde houding, een voet op 'n stoel, de elleboog
+steunend op zijn knie, zette hij mij uiteen, dat van evolutie eigenlijk
+geen spraak kan zijn. De lezer beoordeele of het betoog, dat ik hier
+weergeef, de conclusie dekt:
+
+"Zooals u waarschijnlijk weet, heeft "mijn Jordaan" een overweldigend
+succes behaald, en uit de zeer groote rij van alle schitterende
+besprekingen is o.m. een voor mij het opmerkelijkst geweest, en die is
+pas gekomen, en wel de bespreking van Haspels. Mijn eerste boeken zijn
+uitsluitend visionair en beladen met occulten geestesdrang geweest. Dat
+zijn mijn ongelukkige in een heel vreemde psyche wortelende verzen. Mijn
+"Meditaties" is een heel boek van transcendentale epiek. Het naturalisme
+en realisme is meer een bepaalde overgangsvorm geweest van een school,
+die zich tijdelijk op mij heeft afgestempeld. Maar de innerlijke kern
+van mijn natuur is versmelting van deze drie dingen: tragiek, epiek en
+lyriek. Het realisme is voor mij een uitwendig ding gebleven en zal dit
+ook zijn. Ik smaad het niet, vooral niet. Ik vind ten slotte Rembrandt
+een geweldig realist en Shakespeare ook, maar het zijn mystieke
+realisten. Nu is men verbaasd dat ik met mijn "Melvina of de Legende van
+den Vuurtoren" en "Saul en David" den z.g. romantischen kant uitga, doch
+in mijn "Meditaties", toen was ik eenentwintig, ziet gij _precies_
+hetzelfde: Ik keer terug tot iets dat altijd de grondtoon van mijn
+wezen was. Haspels nu heeft gezegd, dat mijn "Jordaan" zoogenaamd
+realisme is, uitsluitend verbeeldingskunst, geheel en al gedragen door
+een ontzaggelijken visionairen stijl, "het werk van een genie" (ik haal
+aan wat hij zegt!) dat zich met geweldig fantasmagorisch vermogen op de
+realiteit werpt.
+
+Ik wil slechts te kennen geven, dat een boek als "Jordaan" nooit door
+zijn uitwendig realisme dit succes zou hebben behaald, als niet die
+heele kunst gebouwd was op een innerlijken grondslag, een samenvatting
+van allerlei dingen, die zich in mijn wezen volstrekt niet afzonderlijk
+hebben ontwikkeld, maar waarin het zich breeder, sterker, rustiger
+uitspreekt naar allen kant en zich op alle mogelijke manieren verdiept.
+Er is een groote psychische en technische afstand tusschen het
+schilderen van de Nachtwacht en van de Staalmeesters, maar toch is het
+visionair en innerlijk vermogen van een Rembrandt volstrekt essencieel
+en niet iets nieuws brengends geweest toen.
+
+Ik geloof, permiteer mij den overgang, dat ik onbewust in mijn natuur
+altijd mijzelf trouw ben gebleven. Ik ben begonnen met visionair werk:
+mijn "Meditaties". Ik heb toen een rauw en uiterst realistisch boek in
+de wereld geschopt: "Levensgang", waarin twee elementen door plastisch
+vermogen zijn samengevat, n.l. aan den eenen kant een door uitwendigen
+waarheidszin beheerschte realistiek, terwijl het boek aan den anderen
+kant verloopt in romantiek. Ik meende dat ieder ding in zijn waren,
+diepen, uitwendigen waarheidsvorm moest worden gezegd. Daar ben ik in
+"Menschenwee" van teruggekeerd. Dat boek heeft een heel groote beweging
+in Nederland gebracht. In "De Jordaan" ben ik daar nog verder van af
+gekeerd, en zoo had ik gelegenheid een boek te geven waar geen enkel
+zoogenaamd--gelijk de burgerlijke moraal het noemt--onverkoren woord in
+voorkomt. Het is voor mij geweest het scheppen van tallooze driften en
+hartstochten, maar vast aan den mensch. Ik wilde geen ideeen en
+symbolen, maar groote menschelijke innerlijken scheppen, waar van zelf
+de ideeen en symbolen in leven....
+
+--Ter verklaring van dezen overgang merk ik op, dat ik Q. geschreven
+had, over "Ideeen" te willen spreken en denkelijk wel bij hem te boek
+sta als iemand, die zich voorloopig nog te veel in wijsgeerige studien
+verdiept. Ik zal ook wel gevraagd hebben naar den _ideeelen_ inhoud van
+zijn werken.--
+
+Het najagen van een idee en van een symbool, ging hij voort, vind ik
+ondergeschikt aan het scheppen van menschen die zelf ideeen en symbolen
+hebben. Het symbool moet geboren worden uit den mensch, en niet de
+mensch uit het symbool. Uit de innerlijkheid van de menschelijke natuur
+moeten voor mij idee en symbool doorbreken. Vandaar dat ik Shakespeare
+boven Goethe stel. Geen enkel symbool kan boven de groote
+menschenscheppende kracht van den wezenlijk innerlijk menschelijk
+scheppenden kunstenaar uit. Die omvat het allemaal. De meest ijle
+geestelijke sfeer, waarin verschillende figuren van Shelley leven,
+afzonderlijk genomen als symbolische ideeen, zijn met hun innerlijk en
+hun hartstocht eerst menschen geworden en tegelijkertijd symbool in
+Shakespeare.
+
+Dat heb ik altijd sterk gevoeld. In "De Jordaan" heb ik gegeven de
+figuur van Stijn, die in de critiek tot de grootste bewondering
+aanleiding heeft gegeven. Daarin is in een persoon vereenigd teederheid
+en verbijsterende waanzin, door alcoholische driften aangejaagd. Het
+symbool van het bezeten zijn door den drankhartstocht, die ook een
+zekere sexueele satyriasis als ondergrond heeft, te zamen met een
+groote vaderlijke teederheid, en die twee elementen vast aan den man
+verbonden. Dat was altijd mijn doel, daar ben ik nooit van afgeweken....
+
+--In den loop van deze improvisatie deed hij nu en dan een nonchalante
+greep in een kartonnen doos, die overvloedig gevuld was met recente
+boekbesprekingen. Hij wilde mij een knipsel toonen,--'t was hem
+toevallig in handen gekomen, en hij hechtte er overigens geen waarde
+aan--dat volkomen bevestigde de meening die hij zooeven had geuit. Enfin
+... hij zou mij die critiek wel sturen.
+
+--Maar--ging hij zonder overgang verder--maar dit wil ik wel zeggen: van
+nature ben ik een diep proletarisch sociaal-democratisch voeler.
+
+Wat ik daarmee bedoel? Dit: met mijn proletarisch voelen bedoel ik, dat
+ik ten allen tijde besef, dat deze maatschappij absoluut weg moet, omdat
+het gelukslurpen van de bezittende klasse iets weerzinwekkends heeft. En
+dat kan en moet en zal veranderen. En dat kan alleen veranderen door en
+volgens de volslagen juiste critiek van het socialisme op de economische
+elementen van de maatschappij.
+
+Maar nu heb ik dit opgelet, dat Gorter en mevrouw Holst, om maar twee
+van de allervoortreffelijksten te noemen, die als dichter en als denker
+zich hebben doen kennen, daarom afwijken van Heijermans en van mij, maar
+vooral van mij, omdat zij absoluut niet beschikken over dramatisch
+objectivatie-vermogen. Zij hebben nooit romans geschreven. Vandaar dat
+wij als dramatici objectiever staan tegenover de menschelijke figuren
+uit de burgerij. Lapidoth heeft gezegd (hij deed weer een nonchalante
+greep in de rijk-gevulde kartonnen doos en trok er een recensie uit, die
+hem toevallig in handen was gekomen), dat hij nooit een zoo objectief
+boek gelezen had van een sociaal-democraat als "De Jordaan". Daar zit
+niet de geringste tendenz in. Tendenz kan schitterend zijn als zij
+voortgestuwd wordt door de beweegkracht van een ziel, die het gevoel als
+een verinnerlijkt levens-systeem van eigen gedachten opstuwt. Maar dan
+lijkt mij ook het woord "Tendenz" verkeerd. Maar verder is mijn
+innerlijk zonder tendenz, en dit blijkt een gevolg uitsluitend van
+dramatiek, epiek en lyriek die als persoonlijkheid in een andere
+persoonlijkheid indringen en zich objectiveeren ten opzichte van de
+levensverschijnselen. In onze kunst oordeelen wij niet. Met
+ijzingwekkende kracht blijven wij onverschillig voor de persoonlijke
+appreciatie, en in roerlooze schoonheid weerspiegelen wij het bosch, en
+de maan en den mensch zelf.
+
+--Nu voelde ik mij toch genoopt te vragen naar de verhouding tusschen
+dit levensinzicht en de levensbeschouwing van het proletariaat, de
+wijsbegeerte van het historisch materialisme.
+
+--Ik geloof, kreeg ik ten antwoord, dat de wijsbegeerte van het
+historisch materialisme, wat zijn zuiver dialectischen ondergrond en wat
+zijn wezenlijk wijsgeerige kern betreft, door het proletariaat niet kan
+worden beoordeeld, dat het wat daarover gezegd wordt door groote denkers
+aanvaardt, terwijl die groote denkers m.i. niets anders doen dan op een
+bepaalde manier hun eigen ik-heid manifesteeren, zonder iets hoogers te
+geven dan iedere andere subjectieve wijsbegeerte.
+
+Doch dit heeft niets te maken met de maatschappij-critiek van het
+historisch materialisme. Die vind ik voortreffelijk. Echter onderscheid
+ik mij ten zeerste van sociaal-democraten als mevr. Holst en Gorter,
+doordat ik ook een zeer bijzonder gevoel heb voor occulte wijsbegeerte
+en mystieke dingen, die mij in hooge mate interesseeren. Zeker, het is
+iets persoonlijks van mij. De studie dier verschijningen gaat buiten het
+volk om en kan het niet schelen. Het is voor het eigenlijke proletariaat
+van oneindig veel meer belang als het de wet van vraag en aanbod, van
+meerwaarde en verbruikswaarde kent en economisch sterk onderlegd is. Ik
+zou niet gaarne willen meedoen met de theosophische socialisten, die
+volgens mij een geweldige verwarring brengen. Maar de wezenlijk
+geestelijke problemen als zoodanig kunnen niet met een zwaai worden
+betrokken in den gezichtskring van alle proletariers. Hoe zou het ook
+kunnen?
+
+De strijd van het proletariaat openbaart zich politiek en economisch in
+een geweldig ideaal. Weet u wat ik mij altijd heb afgevraagd: wat leidt
+die menschen er toe voor een betere maatschappij te strijden? Dat is
+zuiver ideologisch sentiment ten slotte, maar het is een heerlijke
+menschelijke ideologie. Ik erken, het bewustzijn daarvan kan je heele
+leven vullen.
+
+Maar angstwekkend vind ik het, als diezelfde menschen op grond van hun
+historisch materialisme het geestelijk leven probeeren vast te leggen in
+bepaalde wetten, die ik heel anders beoordeel en heel anders bekijk.
+Zelfs vind ik in den lyrischen drang van mevr. Holst en Gorter die
+occulte neiging aanwezig. Haar psychische ontvlambaarheid is heelemaal
+occult, al werpt die zich ook op dingen die juist den arbeider in
+lichterlaaie zetten. Maar ook de manier waarop zij het doet is zuiver
+occult. Zij wordt beheerscht door den angst, dat de ontwikkeling van de
+massa zou worden tegengehouden door de vooropstelling van het
+individueele.
+
+--Als nu, zoo vroeg ik, uw laatste werk zuiver een objectiveering is van
+uw drieledigen en visionairen persoonlijken aanleg, en gij aan den
+anderen kant de kloof tusschen uw diepere veelzijdigheid en de groote
+massa zoo sterk voelt, dat gij toch wel niet overheerscht kunt worden
+door de zucht om de menschen over bepaalde dingen feitelijk nauwkeurig
+in te lichten,--hoe rechtvaardigt gij dan nu nog hetgeen gij vroeger mij
+en anderen hebt medegedeeld omtrent uw buitengewoon uitvoerige
+documenteele onderzoekingen, ook in den Jordaan?
+
+Ja, zei hij en zijn blanke hand streek door zijn zware lokken, die
+hij--niet meer had--ja ... die documenteele arbeid, dien ik verricht
+voordat ik aanvang met mijn werk, wekt den schijn alsof ik realistische
+kunst lever, gericht op de zoogenaamde waarneming en objectieve
+bestudeering van de feiten. Ik geef u toe, deze arbeid is, wat den
+documenteelen inhoud in kleineren zin betreft, overbodig, en dat heb ik
+in den laatsten tijd veel beter dan ooit ervaren. Toch meen ik, dat men
+voor het aanvoelen van een levenssfeer de dingen goed moet kennen, al
+gaat de visionaire verbeelding telkens op geheel andere manier de
+realiteit in gloed of in schaduw of in licht zetten. Om u dit duidelijk
+te maken kan ik er op wijzen, dat ik op dien boottocht, waarvan in het
+vierde hoofdstuk van de Jordaan verteld is, maar een keer mee ben
+geweest, en toch heb ik een heele synthese van al die nachten gegeven.
+Wat ik daar geef, kan onmogelijk door de zinnen waargenomen zijn
+geweest. Dat is een voortdurend peilen en invoelen, een visionair
+verbeelden en fantastisch zien. Toch is dit de eenige manier waarop de
+realiteit zich openbaart. Dat is het orgaan van den kunstenaar, waardoor
+hij de realiteit naar voren haalt zooals zij is, al lijkt het
+doorloopend fantasie.
+
+--Ik herhaal dus, dat hier wel degelijk een verandering van standpunt
+uit blijkt. U hebt vroeger veel meer dan nu den nadruk gelegd op de
+waarde van het voortdurend waarnemen en verzamelen van feiten.
+
+--Ik geef toe, veel van dien documenteelen arbeid was overbodig, maar ik
+heb er toch ook zoo'n groote voldoening door gekregen. Toen die
+nuchterling in een van de bladen mij zeide, dat ik de Jordaan niet
+weergaf zooals zij was, toen kon ik met genot mijn documenteelen arbeid
+aanhalen. Toen heb ik steegje voor steegje en kroeg voor kroeg met het
+gehalte van het bier en den wijn en de jenever en met de namen er bij
+kunnen behandelen. Ik vraag u: wie kan zeggen hoe de Jordaan _is_? Ik
+zie hem zoo en een ander ziet hem weer zoo. Meijer, Dr. Meijer heeft in
+"De Hervorming", geschreven dat hij den Jordaan zooals ik hem beschreven
+heb, den mooisten vorm vindt dien de Jordaan kan hebben.
+
+Ik wilde met dit alles dit maar zeggen, dat ik mijn grondtoon nooit
+veranderd heb, dat een onbewuste eenheid loopt door al mijn werk, die
+zich op dezelfde manier steeds weer openbaart. Ik kan zonder
+verschillende dingen, die ik allen even heerlijk en mooi vind, niet
+leven. Vandaar mijn verheerlijking van muziek, schilderkunst, en soms
+ook wijsbegeerte. Ik heb nooit geweten wat het zeggen wil enkel
+romanschrijver te zijn.
+
+--Ook daarover heb ik u vroeger wel eens anders hooren spreken. Hebt gij
+mij niet vroeger gezegd, dat gij u nooit in het kleine bestek en de
+eenzijdigheid van een tooneelstuk geheel zoudt kunnen uitleven?
+
+--Dat moet gij verkeerd begrepen hebben. Ik weet wel, in een treurspel
+zit iets dat in een roman nooit gegeven kan worden, al kan men in een
+roman weer enorm dramatische dingen scheppen. Ik ben al heel lang
+beheerscht door het gevoel een treurspel te willen schrijven. Zooals u
+weet heeft Robbers gezegd, naar aanleiding van zijn critiek op
+"Menschenwee": "als Q. het wil, behoeft het voor hem maar van een gril
+of luim af te hangen en hij kan even schitterend voor het tooneel als
+voor de literatuur schrijven". Dat sloeg blijkbaar op mijn vermogen om
+de dingen in dialoog en in scene te zetten. Toen heb ik daarop
+geantwoord: bij het moderne drama geloof ik niet dat dit kan. Ik geloof
+niet, dat hetgeen ik indertijd heb gevoeld, op 't tooneel kon worden
+gebracht, en daarom heb ik den romanvorm ook geschikter gevonden. Maar
+hoe ben ik nu gekomen tot "Saul en David"? Al jaren lang heeft mij het
+voornemen en het verlangen beheerscht om de ziel van Saul te geven. Ik
+heb den Saul van Israels gezien en dien van Rembrandt, en vooral die van
+Rembrandt heeft mij ontzaggelijk ontroerd. Maar hij stijgt toch maar tot
+een bepaalde hoogte van het ziels-drama van Saul, want zijn kunst is
+niet voortschrijdend. Zij vat wel samen een moment, doch de
+ontwikkeling, de wezenlijk tragische ontwikkeling van het karakter kan
+alleen de treurspeldichter schrijven. Echter nog nooit onder de dichters
+is Saul aangevat. Ik vind hem een ontzaggelijke figuur, evenals David
+(Q. zegt Davied). Daar komt nog mijn semietisch bewustzijn bij. Ik voel
+dagelijks, dat wij, Joden, als dichters wezenlijk de geheele lyriek en
+dramatiek van den Bijbel in ons hebben. Ik voel mij geheel verwant aan
+de vijfduizend jaar terug liggende atmosfeer van menschen en toestanden.
+
+--Ik snapte wel, dat hij bij al wat hij mij op verdere vragen zou
+antwoorden aan zijn "Saul" zou denken. Ik nam mij daarom voor, hem
+geduldig aan te hooren totdat hij zich van dien last zou hebben bevrijd.
+Dan zou ik weer vragen en aanteekenen. Doch ik vond zijn mededeelingen
+en vooral zijn tempo zoo interessant, dat ik het toch maar navertel.
+
+--Bij dit treurspel ging ik uit van deze idee: menschen als Saul en
+David, zooals vage gegevens die doen kennen uit den bijbel, moeten
+beweeggronden in zich hebben gehad, die voor ons, modernelingen, van
+gelijke kracht zijn gebleven. Hun nijd, hun angst, hun berouw, hun haat,
+hun wrok, hun ijverzucht, hun minnedrift, hun trots en onderwerping, al
+die dingen openbaren zich, in anderen vorm misschien, maar in gelijk
+hevige kracht, in ons. Ik wilde de figuren niet rethorisch en op een
+bepaalde archaeologische manier naar voren brengen. Ik wilde hun geheele
+menschelijk bestaan innerlijk voor ons neerzetten, zoodat gij den
+geheelen Saul ziet leven, ziet schreien, ziet verkwijnen in opstand en
+onderwerping. Dien geheelen geweldigen op- en neergang van zijn groot
+gebroken leven, dat zich ten slotte zoo prachtig heeft verheven, heb ik
+in zijn wezen willen teekenen.
+
+De semietische melancholie is anders dan bij eenig ander volk. Het is
+een wezenlijke waanzin, die zich heenbreekt door angstig groot lyrisch,
+religieus en nuchter psychisch en critisch levensgevoel; hij heeft een
+dubbelkarakter. Die mengeling daarvan in den Saul van vijfduizend jaar
+geleden, wilde ik geven en Saul zelf heb ik ademend vlak voor onze
+voeten willen zetten.
+
+Ik heb studie gemaakt van de archaeologie en de oude ethnologie en van
+tallooze dingen, maar ten slotte geef ik er niets om. Hierin sta ik op
+een lijn, ik bedoel met de waardeering van historische feiten voor den
+dichter, met wat Goethe en zelfs Napoleon heeft gezegd, dat de grootste
+kijker naar de innerlijke levenswording van de geschiedenis de
+treurspeldichter is; en al geeft hij de feiten, als feiten zuiver, raak,
+oneindig veel meer openbaart hij de innerlijke kern van een tijdperk dan
+welke zoogenaamde historie-speurder ook. Het kan Goethe niet schelen
+dat Shakespeare van al die Romeinen eigenlijk Engelschen heeft gemaakt.
+Napoleon heeft ook gezegd, dat het hem niet kan schelen of een dichter
+ontrouw wordt aan de historische gegevens, en dat heeft Goethe zoo goed
+uitgedrukt. Kautsky heeft in zijn boek over het Christendom zoo
+merkwaardig gezegd, dat een dichter oneindig veel meer den innerlijken
+geest van een tijd vat met zijn visioenen, dan ooit kan worden bereikt
+door den meest nauwkeurigen geschiedkundige, omdat die feiten ten slotte
+ook moeten worden geinterpreteerd door dengeen die ze ziet en de
+samenbindende geest kan alleen ontstaan in en door den ziener.
+
+Vondel heeft zich altijd overgegeven aan Bijbelsche treurspelen. Vondel
+is mij voor altijd gebleven de beste _Amsterdamsche ziener_ en
+beschouwer van de bijbelsche geschiedenis. Maar toch nooit heeft hij de
+innig diepe, lyrische, dramatische en pathetische natuur van de oude
+Joodsche beschaving geheel gevoeld, omdat je daar, geloof ik,
+rasverwantschap voor moet hebben. En ondanks de vele schitterende
+dingen, als woordkunst boven ieders lof verheven, is het altijd de
+Protestantsch-Katholieke natuur van Vondel die door de interpretatie van
+de Joodsche zielen heen komt schijnen, zooals ik ook nooit een
+opmerkelijker Joodsch-Katholiek heb gezien dan Mahler in zijn kunst. Het
+feit, dat Rembrandt zoo na is gekomen aan deze levenssfeer, lijkt mij
+een gevolg van het feit, dat hij de Joodsche psyche occult gevoeld
+heeft, in al zijn kleurige en wazige diepte, in al zijn gloeiing, maar
+ook in al zijn duisterheid.
+
+--Ik heb mij (ik voorkom uw vraag) afgevraagd: wat hebben
+sociaal-democraten en arbeiders aan zoo'n kunst in dezen tijd? Ja, wat
+hebben zij aan de kunst van Beethoven, van Shakespeare, van Vondel, van
+Goethe? In iedere groote kunst moet zijn een geestelijke inhoud, die
+onafhankelijk is van tijd en persoon en waar iedereen, altijd, groote
+lessen uit kan trekken. Er is in mijn tragedie een figuur, die tot
+voorbeeld kan zijn voor iederen sociaal-democraat die door individueele
+plagen wordt gehinderd. Hij is het bewijs van het feit, dat je je alleen
+aan de goddelijke macht hebt over te geven, zooals ook de Jezuiten het
+doen, alleen op een ander levensplan. David is het symbool van de eeuwig
+levende kracht, de onverwelkbare Joodsche levensdrift, de
+vreugdebloeseming van het bestaan. Zouden ook sociaal-democraten daar
+niet aan hebben? Zou de geheele antieke beschaving niets voor hen wezen,
+omdat zij zijn gekomen tot een andere levenssfeer? U zult vragen: waarom
+moeten wij tot een tijd van vijfduizend jaren her terug, als wij in
+dezen tijd toch gelijksoortige figuren kunnen vinden? Dat hangt
+natuurlijk heelemaal af van de persoonlijke scheppingsdrift die in den
+kunstenaar leeft. Waarom heeft Rembrandt in een tijd van opbloei van de
+bourgeoisie getracht mannen als Saul of Homerus te scheppen? Omdat er in
+Saul geweldig heroische elementen zijn, die in dezen tijd niet in die
+mate worden gevonden. En och, is de schoonheid van het vers, de kunst
+van het woord, ook niet voor de proletariers een zeer genietbare
+kunst,--als die inderdaad schoon is, natuurlijk? Wat hebben zij aan Van
+Oort, als zij zijn middeleeuwsche romans lezen, vol merkwaardige
+middeleeuwsche feiten? Dat zij een visie krijgen op dat tijdperk.
+
+Ten slotte blijkt mij dat de natuur van ieder kunstenaar, al is hij ook
+socialist, voor bepaalde werkzaamheden wordt aangewezen. Gorter zou
+nooit iets anders kunnen zijn dan lyrisch dichter en propagandist, omdat
+hij het episch en dramatisch vermogen mist....
+
+Toen ik dien nacht naar mijn stille landhuis terugkeerde, speelden de
+twee woorden "Querido" en "evoluutsie" krijgertje door mijn bewustzijn.
+En terwijl ik in bed stapte uitte ik deze lofspraak: "Ja.... "Du bist am
+Ende--was du bist"".
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[5] Naar ik van terzijde verneem, wenscht de heer Q. er niet toe mede te
+werken, dat zijn portret hier wordt afgedrukt. Ik betreur dit oprecht,
+al vermoed ik, dat mijn lezers zijn beeltenis hier of daar weleens
+hebben gezien.
+
+
+
+
+CAREL SCHARTEN
+
+[Illustratie: CAREL SCHARTEN]
+
+[Illustratie: Foto CAREL SCHARTEN]
+
+
+(* 1878.)
+
+Het volgende is een interview per post. In de meening verkeerend, dat ik
+Scharten hier of daar kon ontmoeten, was ik met hem in briefwisseling
+getreden. Mijn verwachting werd verijdeld, maar toen _zijn_ sympathie
+voor mijn werk en _mijn_ instemming met vele zijner ideeen elkander
+tegenkwamen, besloten wij de briefwisseling voort te zetten. Ik zou hem
+mijn vragen niet beter kunnen stellen dan hij het zichzelf heeft gedaan,
+en nadat ik hem mijn oprechte dankbaarheid heb betuigd voor de moeite
+die hij zich gaf, leg ik den lezer zijn laatsten brief zonder commentaar
+voor:
+
+Lerici, 5 Januari 1914.
+
+Waarde Heer d'Oliveira,
+
+Laat ik dus nu maar doen, of ik u op dezen zonnigen zomermiddag--de zee
+bruischt en geurt--ontving op het blank terras der Villa Barbieri, en
+onder een kopje thee (zij is niet zoo aromatisch als die gij in Holland
+drinkt; onze theeleverancier is maar een Caprees) antwoordde op de
+vragen van uwen "Leiddraad."
+
+Als alle mijn broeders en zusters in de letterkunde heb ik er al heel
+vroeg "aan gedaan". Toen ik zeven jaar was en nauwelijks schrijven kon,
+richtte ik al een geillustreerd tijdschrift op--tekst en prenten waren
+van de hand van den redacteur; abonne's: oma, oma's meid, tante,
+enz.--een jaar later volgde een dagblad; dan een geillustreerde
+"vaderlandsche geschiedenis" en verzen op onze stadhouders en op
+Mackenzy (spel ik goed?), den lijfarts van Keizer Friedrich--hoe ik
+daaraan kwam, mag Joost weten. Elf jaar, schreef ik drama's in
+verzen--geillustreerd, als altijd.... Doch ik zie in dat alles volstrekt
+geen voorteeken, noch eenig blijk van talent. Want met misschien nog
+meer pleizier gaf ik zingend, boem-tsjing, en een vol orkest nabootsend,
+muziek-uitvoeringen; of speelde, opgetuigd met shako's en sjerpen van
+mijn vader en mijn grootvader, voor "generaal"; of ranselde als
+"leeuwentemmer" een tiental elastieke ballen onzen zolder rond.--En noch
+voor generaal, noch voor leeuwentemmer heb ik later ooit eenigen aanleg
+in mij bespeurd.
+
+Het is, geloof ik, heusch begonnen--denk maar eens aan Scheltema's velen
+ergerend gezegde daaromtrent!--toen ik veertien jaar en verliefd werd.
+Het was het dichterlijk verhaal van een avondwandeling met een meisje,
+of zoo maar een zangetje zonder veel zin, dat ik schreef. Zoo ging dat
+enkele jaren door; voor den verstandig-toegeeflijken leeraar der H.B.S.
+werden mijn opstellen novellen of reeksen verzen; eindelijk zelfs een
+heele bundel op Oud-Hollandsch papier; want ik was inmiddels zestien
+jaar geworden en vond mij een dichter, d.w.z. dat ik geen dag meer kende
+zonder een sonnet of twee, drie. U voelt al, uit welken hoek de wind
+woei! Toch was mijn eerste litteraire vorming er eerder een klassieke
+geweest. Onze Duitsche leeraar was de bekende Limburgsche novellist
+Emile Seipgens, en die fijne, wijze man, die een broertje dood had aan
+lesgeven, vond het veel nuttiger voor ons (en plezieriger voor zichzelf)
+ons de meesterstukken der Duitsche litteratuur voor te lezen, het eene
+stuk voor, het andere na; van grammatica hoorden wij in geen jaren;
+zoodat wij (ik beveel zijn methode volstrekt niet _onverdeeld_ aan!)
+allemenschelijk slecht Duitsch leerden, maar veel smaak kregen, en de
+beste smaak, in kunst. Het was merkwaardig hoe Seipgens, die in 't
+dagelijksch leven hakkelde, en heel erg als hij boos werd, prachtig
+voorlas zonder een hapering; die drama's van Schiller, van Goethe, van
+Lessing, zij leefden voor ons!
+
+Maar ondertusschen had ik de "Nieuwe Gids" in handen gekregen, uit de
+leesportefeuille; het was al in de negentiger jaren, in de
+vervalperiode, en naast mooie dingen stonden er de verschrikkelijkste
+"uitstuipingen" in,--en, gek nietwaar (men is toch altijd allereerst een
+kind van zijn tijd) ik vond dat mooi, ik vond het mooier dan alle
+klassieken (waarmee ik toch op zoo gunstige wijze had kennis
+gemaakt)--omdat het mij aangreep, omdat het mij naar de keel greep, ik
+weet niet hoe, het kwam van zoo dichtbij, en het was zoo sinister en
+geheimzinnig. Gunstig ook om ervan te gaan houden, was de afkeer en de
+bespotting, die iedereen uit mijn omgeving voor dat "idiote gedoe" over
+had. En toen waren er twee boeken, die mij wat meer van "die nieuwe
+richting" kennen leerden en mijn voorkeur ook in het redelijke schenen
+te wettigen: de "Dichters van dezen tijd" en de "Pic-nic in Proza." Den
+sterksten indruk uit dat laatste maakte "Harold" van Ary Prins op mij.
+Zoo wonderlijk-klaar die middeleeuwen voor je te zien! Ik bootste de
+ontvangen visie in fantastische schilderijtjes na; want ik schilderde
+veel in dien tijd; ik dacht wel eens, of ik niet beter deed, schilder
+te worden.--Bizonder genoot ik ook van de fonkelende "Conferentie" van
+Erens.
+
+Dit alles was voor mijn zeventiende jaar; toen bracht een dichterlijke
+vriend, die jong is gestorven, mij drie boeken: "De kleine Johannes," de
+"Verzen" van Kloos, en de "Mei" van Gorter. In die volgorde. Het was een
+openbaring!
+
+En ziedaar mijn stamboom! Ik ben, van letterkundigen huize uit, een kind
+van "de Nieuwe Gids." Van daaruit eerst--via Verwey--leerde ik Vondel
+kennen en Hooft. Ik moet er bij voegen, dat ik al op de burgerschool
+veel hield van Racine; het was bij hem vooral de taal, het heerlijke
+Fransch, en het statige, teere vers dat mij boeiden.
+
+Maar ik was van de "Nieuwe Gids" al gauw een weerspannig kind. Het
+critische heeft er al vroeg bij mij in gezeten; dit werd misschien
+ontwikkeld door de studie van het recht, dat ik (men leidde mij voor de
+Registratie op) met ambitie beoefende; en toen ik eenmaal de beste
+producten der Nieuwe Gids-richting had leeren kennen, begon ik haar
+verval in te zien en hoe dat voortging, toen met de Nieuwe Reeks van het
+tijdschrift iedereen van een herleving sprak. Voor zoover ik zag in
+couranten en bladen; want ik kende (ik woonde eerst in Leiden en daarna
+in Harderwijk) geen enkelen "artist."
+
+In 1896 verliet ik de Registratie--het kantoorwerk werd mij te
+machtig--voor de Letteren, en ik begon met de daartoe noodzakelijke
+studie van het Latijn en Grieksch; op dien leeftijd heeft men zoowel aan
+de klare logica, van het Latijn vooral, als aan de beide litteraturen,
+veel meer dan als schoolknaap. En de geest der Ouden kon niet nalaten,
+indruk op mij te maken.
+
+U begrijpt al lang, dat er overigens, op mijn achttiende jaar, nog
+weinig sprake was van "wijsgeerige of aesthetische ideeen" (religieuze
+misschien wel, ik was met heel mijn hart orthodox,--de noodige
+dichterlijke vrijheid inbegrepen) of van een "uitgesproken meening over
+de maatschappelijke, sociologische roeping of rol van den
+kunstenaar."--Ik had de vage gedachte, dat de kunst de menschen gelukkig
+moest maken, zooals ze mij gelukkig maakte, en ik ondervond bitterlijk
+dat iedereen den draak stak met wat ik mooi vond. Als ik op mijn kamer
+verzen voorlas aan geduldige vrinden, sprak mijn vader beneden van
+"jammeren." Ik voelde het pijnlijke van het conflict, maar ik zag geen
+oplossing--tenzij de vage hoop, dat later tijden harmonischer zouden
+zijn; en in die hoop begon ik toen al gauw het socialisme te betrekken.
+
+In 1898--ik was twintig jaar--had Eduard Thorn Prikker (onder den naam
+van Eduard Verburgh) "De Arbeid" gesticht. Het tijdschrift werd algemeen
+bespot. Maar ik vond, dat hij groot gelijk had, dat het uit was met de
+"Nieuwe Gids", en ik schreef in "De Kunstwereld" (heette dat blad niet
+zoo?) een groot artikel over "De Arbeid." Het was een der eerste
+opstellen, die ik heb gepubliceerd.
+
+Al gauw was ik aan "De Arbeid" medewerker. Samen met Prikker schreef ik
+het tijdschrift vol. Maar wij hadden ook alweer, juist als de Nieuwe
+Gidsers, alleen de reactie gemeen. Op enkele technische bezwaren na, had
+ik aanvankelijk _in beginsel_ op de "Nieuwe Gids" niet zooveel tegen; ik
+zag alleen, dat enkele hoofdmannen ervan zwegen, anderen
+achteruitgingen, Kloos vooral, en mijn hartstochtelijke liefde voor de
+machtige verzen uit diens grooten tijd, dreef mij er toe, even
+hartstochtelijk hen te bestrijden, die, met een weee vereering ook van
+zijn latere bombastische Adoratie's, mij toeschenen, de Schoonheid-zelve
+te schennen. Overigens sloot ik mij niet voor wat er nog goeds kon
+komen uit dien hoek, en ik zou blij geweest zijn, op een dag nog weer
+het oude mooi terug te vinden. Van Van Deijssel en Verwey (ondanks alles
+wat ik tegen hen had) bleef ik altijd een bewonderaar; Van Looy leerde
+ik eerst later ten volle waardeeren.
+
+Prikker daarentegen stond diametraal tegenover het beginsel-zelf van "de
+Nieuwe Gids". Hij hoopte niets liever dan de heele bent "in compagnie
+naar de haaien" te zien gaan. Er was in die houding, in zijn cynisme ook
+tegen alle verheven edelaardigheden ontegenzeggelijk de noodige
+blague,--maar hij was onderwijl een drommels oorspronkelijke jongen, met
+een echt natuur-talent. Hoe dat--althans voorloopig, hij is nog
+jong--niet tot zijn recht is gekomen, wil ik nu niet nagaan. Maar hij
+had toch maar op zijn eentje uitgevonden, dat proza niet allereerst
+moest zijn "het fel-rake woord," doch de stroomende volzin en de
+periode,--en hij bracht die beginsels op boeiende wijze in praktijk. Hij
+had eigen denkbeelden over schilderkunst en bouwkunst en sierkunst, die
+dikwijls later als de juiste zijn erkend. Het is waar, hij leefde te
+midden van allerlei geestelijke en artistieke stroomingen in Den Haag;
+naast hem was ik zoo groen als gras; maar zeker is, dat ik heel wat van
+hem heb geleerd.
+
+Prikker was ook sociaal-democraat, aangesloten bij de S.D.A.P. _Ik_ had
+zoo maar godsdienstig-philosophische en socialistische ideeen op eigen
+houtje. Op een avond zei hij opeens: "je hebt de typische kop van een
+anarchist." En toen mij dat scheen te vleien: "ik bedoel, een anarchist
+is eigenlijk het type van een bourgeois...."
+
+Inderdaad, ik was een anarchist! Eenigen tijd later hoorde ik van
+Walden, ik las de beide brochures van Van Eeden; ik was overtuigd. Van
+Eeden was mijn profeet, Walden mijn ideaal. Ik toog erheen, en mijn
+geestdrift werd noch van streek gebracht door het vrijwel cynisch
+gezelschap, dat ik daar ordeloos en tuchtloos leven vond op het
+akelig-holle Kruisberg, noch door de koude douche van Van Eeden, wien ik
+heel naief vragen kwam, welke boeken ik lezen moest, om mij nader in de
+dingen van den heilstaat te bekwamen!
+
+Als ik denk, hoe extra-bespottelijk ik mij daar op Walden maakte!--En
+toch, in het winteravondrood achter de sparreboschjes van Walden heb ik
+het onuitsprekelijk geluk gekend van de zekerheid eener betere toekomst.
+
+Vaag waren mijn socialistische ideeen, maar zij leefden ten minste. Ik
+leefde op mijn gevoel. En, wat onze letterkunde aanging, zoo gevoelde ik
+hoe langer hoe duidelijker, dat de tachtiger-kunst doodliep.--Ik zag
+wat er verscheen: een poeet als Van 't Hoog was een "datum" in de Nieuwe
+Gids-poezie.... Was er uit onze burgerklassen, verdord door een
+eeuwenlange, steeds meer uitdrogende "beschaving," nog ooit (althands in
+poezie, dat gevoeligste voertuig der ziel) een jonge, bloeiende kunst te
+verwachten?--Ik maakte zelf ook verzen, en met hartstocht. Waarom zou
+die wet voor mij niet opgaan? Ik aanvaardde haar, met de hoop misschien,
+een uitzondering op den regel te zullen blijken. In 't algemeen geloofde
+ik, desnoods ook met wegcijfering van eigen dichter-toekomst, dat de
+groote nieuwe poezie uit het ontwakende volk-zelf zou moeten ontstaan.
+
+En nog, na vijftien jaar, vraag ik mij af.... Ten minste, ik zie wel dat
+onze welvarende poetrije, die in Verwey haar Meester erkent, maar
+weinigen bereikt, omdat zij niet aanspreekt, niet open tot het hart
+spreekt, te zeer ver-_kunst_ is.--En zelfs Adama v. Scheltema, die
+begaafde en oorspronkelijke zanger, van wien ik zelf de inluider ben
+geweest,--zijne verzen zijn eigenlijk nog maar het (zeer verdienstelijk
+en soms waarlijk heel mooi) plaatsvervangend _kunst_-product, voor de
+echte _natuur_-poezie, waarnaar Holland wacht, om in woorden en rhythmen
+en voorstellingen die heel een volk bezielen kunnen, zichzelf te vinden
+en een eenheid te worden.
+
+Uit het ontwakend volk-zelf verwacht ik dus de nieuwe zangen?--Maar ons
+volk is van aard reeds nuchter en zoolang het ontwaakt bij de
+wiskunstige stralen van het Marxisme, zal het er, vrees ik, niet minder
+nuchter op worden.... Wij moeten geduld hebben, en veel meer dan het
+oude, vage vergezicht schiet er niet over.
+
+De poezie blijft voorloopig een troost en een verpoozing voor eenzame
+enkelingen--"een gave van weinigen voor weinigen"--en zal pas weer
+opstaan _als een levende factor der samenleving, als een ding met
+cultuurwaarde_, in een verjongde wereld.
+
+Er _kan_ toch altijd een groote dichter opstaan, meent gij?---_Zal_ er
+een groote dichter opstaan, in een wereld, die naar geen dichters
+omziet?
+
+Aan het proza echter, in het bizonder aan den roman, staat dagelijks een
+breede taak te vervullen.
+
+Heijermans heeft u gezegd, dat alleen die kunstenaar van een _roeping_
+mocht spreken, die een welomschreven maatschappelijke overtuiging had
+en, vanuit die overtuiging, overtuigend aan het schrijven ging. Hij zou
+respect hebben voor een katholiek, voor een calvinist, die aldus op de
+verovering der wereld uittrok. Hij voor zich voelde het als zijn
+roeping, zijn plicht, te strijden voor het proletariaat, met zijne
+uitbeeldingen van den klassenstrijd. Maar zulk een calvinist, of zulk
+een katholiek, was er niet; en buiten de sociaal-democraten had geen
+enkel Nederlandsch schrijver een roeping, omdat zij geen roeping konden
+hebben. Dies had hij de heele rommelzoo dier roepinglooze auteurs uit
+zijn boekenkast gegooid.
+
+Ik zou niet durven zeggen, dat ik het onvriendelijk vind, want ik heb
+hier niet eens een boekenkast, en jaarlijks gaan er wichtige kistjes
+Hollandsche romans naar het lieve vaderland retour. Voor als wij weer
+eens een eigen huis gaan betrekken en wij hadden het geluk, in dat huis
+een zolder te bezitten, hebben wij het geheime plan, daar groote kasten
+te improviseeren en in die kasten erg veel Hollandsche bellettrie te
+bergen. Ik mag dus niet zeggen, dat ik Heijermans onvriendelijk heb
+gevonden. Maar wel onverstandig. Want al spreekt het vanzelf, dat een
+klein land als het onze, hoe schrijfgraag ook, niet bij dozijnen de
+groote talenten voortbrengt,--daarmee is toch niet uitgemaakt, dat er
+geen roeping mogelijk is buiten de roeping van hen, die naar een zeker
+stelsel de _maatschappij_ hervormen willen.
+
+Integendeel, zou ik zeggen. Ongetwijfeld zal een rechtvaardiger wereld,
+met minder oeconomische en zedelijke misstanden, de menschheid meer
+gelegenheid geven, wat geluk te bemachtigen. De gunstige of minder
+gunstige omstandigheden _van buiten_ hebben zeker eenigen invloed op het
+innerlijk van den mensch. Maar toch komt het mij voor, dat de
+sociaal-democraten wat al te veel verwachten van die uiterlijke
+omstandigheden en te weinig letten op het arme, verharde innerlijk der
+lijdende menschheid, dat door geen uiterlijke omstandigheden diep-in te
+wijzigen is.
+
+Zoolang de tijden van strijd daar zijn (en hoe min gevorderd de strijd,
+hoe meer) zien begeesterden als Gorter en Roland Holst om zich heen of
+in hun verbeelding, hoe andere begeesterden-voor-het-Ideaal schoon
+worden en rein in zijn gloed.--Doch dit heeft niets te maken met _de
+inwerking van betere toestanden op de massa_. En zoolang de kleinzielige
+menschenkinderen niet geleerd hebben, met ruimte en met begrip
+_elkander_ aan te zien, te beoordeelen, te verdragen,--zoolang is er
+voor de menschheid geen werkelijk geluk weggelegd. Het geldt hier niet
+de ontwikkeling van het intellect, doch de ontwikkeling van het gemoed.
+
+En ziehier de overoude en onverouderbare roeping van den epischen en den
+dramatischen dichter, dat is, voor onzen tijd, van den romanschrijver en
+van den tooneelschrijver.
+
+De roeping van den romanschrijver is, dringender dan ooit, (zijn kunnen
+zij groot of beperkt): de menschheid aan zichzelve te onthullen,
+zichzelve te doen verstaan.
+
+Een beroemd socialistisch auteur, wiens werk men het allerminst aan zou
+zien!--wie het was, doet er niet toe, geen Hollander--bekende mij eens,
+de tegenwoordige menschheid te haten; hij vond haar leelijk en enkel
+afkeerwekkend. En dat is ook niet buiten de sociaal-democratische lijn;
+het is geen quaestie van sentimenteele armenzorg, zeggen zij, maar van
+Recht.
+
+Zeer juist; doch het lijkt mij geen gunstige praedispositie voor het
+verstaan en doen verstaan dezer leelijke menschheid, haar slechts hatend
+te schuwen. Men kan die leelijke menschheid, in al haar klassen en
+soorten, ook liefhebben.
+
+En ziehier mijn overtuiging: dat de menschheid wel vooruit te brengen is
+door het Recht, doch alleen te redden en gelukkig te maken door de
+Liefde.
+
+Van die liefde zal de kunst een der instrumenten zijn.
+
+In dien jeugd-tijd van Walden en van "De Arbeid" was mijn hoogste
+droom, eens te worden "de zanger aller menschenzielen" (het zijn de
+laatste woorden van mijn Voorhal),--nu is (ik sta niet meer alleen) ons
+beider beste gedachte, te pogen, de leelijke, de arme dwaze kinderen
+onder de menschen, zoo goed als de lieve en de goedwillige, te
+begrijpen, en te doen begrijpen, door hen, innerlijk verklaard, te laten
+herleven in onze boeken.--Denk vooral niet, dat wij, 't geen _wij_
+daarin tot nog toe gedaan hebben, overschatten; wij staan nog in het
+begin van onze loopbaan en wij betalen nog leergeld met ieder boek. Maar
+onder al onze fouten voelen wij, ongeschokt, waar wij heen willen.
+
+Men heeft ons verweten, voorkeurloos, en gelijk-op met hun omgeving,
+verzamelingen van menschen uit te beelden, aldus leverend een
+naturalisme op zijn smalst, of wel: een litteraire film.--Het is een
+uitgebreid misverstand, waartoe--dat neem ik graag aan--sommige
+_uiterlijke_ eigenaardigheden aanleiding hebben gegeven. Het is zeker
+waar, dat er in onze boeken soms _te_ veel beschreven werd. Het
+naturalisme had ons er aan gewend, _alles_ te zien, niets onvermeld te
+laten, en zelfs het onbeschrijfbare te beschrijven. Zonder dit te
+bedoelen, kan men zooiets "uit zijn litteraire afkomst houden." Wat een
+aanwensel, een overblijfsel was, heeft men verkeerdelijk voor den _aard_
+van ons werk aangezien.--Er zijn bovendien enkele soorten van
+beschrijving, die altijd goed en noodig zullen blijven; de stemming
+gevende (doch zij zal, hoe langer hoe meer, liever suggereeren dan in
+bizonderheden treden) en de enkel _psychologische_, die juist in
+bizonderheden treedt, van een interieur bijv., om den bewoner ervan te
+doen kennen. Een criticus--het was geloof ik Querido--zei eens van
+zekere beschrijving van ons, dat zij stemmingloos was ... waar het
+volstrekt niet om stemming was te doen! De opgenoemde voorwerpen even te
+"omdompelen in goudgloed" ware niet zoo heel moeilijk, maar wel fout
+geweest; het gold een opsomming van voorwerpen, welke, met een nauw
+merkbaar lachje, de eigenaardigheden der bezitster moest te verstaan
+geven.
+
+Doch dat wij geen felle voorkeur hebben voor onze personen, dat pleit,
+dunkt mij, enkel voor ons. Als er eene verdienste is, bijv. in ons "Huis
+vol Menschen," dan is het de geestes-houding der schijvers, die al deze
+menschen uit dat huis met een gelijke genegenheid aanzien. Scherp wordt,
+om iets te noemen, Aristide's egoisme ontleed, doch de laatste maal dat
+men hem ziet, het is wanneer Celestin hem vindt, in slaap gevallen bij
+een kaars, en ontroert over zijn argelooze jeugd, zooals hij daar
+slapend ligt, en stilletjes weer weggaat. Deze en dergelijke dingen vind
+ik zelf, nu op een afstand van meer dan vijf jaren, het beste in "Een
+Huis vol Menschen."
+
+"Sprotje" kenmerkt dezelfde eigenschap. Sprotje lijdt niet door de
+schuld der anderen. Haar moeder is een beste vrouw, haar zusters hebben
+het wel goed met haar voor, Juffrouw Jonkers en de armetierige "Mevrouw"
+kunnen het al evenmin helpen. Sprotje lijdt--omdat het in de wereld zoo
+is, en omdat zij-zelf zoo is als zij is.
+
+"Sprotje" is eigenlijk een zuiver historisch-materialistisch werkje,
+maar het is zuiverder dan het waarschijnlijk zijn zou, indien een
+historisch-materialistisch schrijver het geschreven had, omdat het
+geheel zonder _tendenz_ is.
+
+Zoo is ook--een criticus, de vaak diep-gaande Van Campen heeft het
+opgemerkt--"De Vreemde Heerschers" een zuiver-socialistische
+roman,--zonder dat het dit zoozeer bedoelde te wezen. Maar wij leven in
+de tegenwoordige wereld, wij buigen ons aandachtig over die wereld heen,
+en wij beelden haar uit zooals wij zien dat zij is. En waar zij bewogen
+wordt door kapitalistische drijfveeren, daar openbaren die zich in ons
+werk.
+
+Evenwel, wij hebben geen vooropgezette voorkeur voor de verschillende
+partijen, voor de _menschen_, en wij bestudeeren gelijkelijk de deugden
+en de ondeugden van de Contessa Margherita, van de verschillende
+priester-typen en van de bevolking der beide bergdorpen.
+
+Mijn critisch werk ontslaat mij van de beantwoording van verscheidene
+uwer vragen. Daarin vindt gij, beter dan ik het hier in een paar woorden
+zeggen kan, mijn antwoord; en zoo het nagaan van meer dan tien
+"Gids"-jaargangen wat veel gevergd is, dan verwijs ik u naar "De
+Krachten der Toekomst." Die nemen bijv. wanneer gij vraagt "hoe mijn
+standpunt ten opzichte van de Nieuwe Gids-strooming zich in den loop der
+jaren gewijzigd heeft," het antwoord over, waar deze brief u bij mijn
+medewerking aan "De Arbeid" in den steek laat. (Zie o.a. het opstel
+"Dichters van drie Geslachten" 1905, en vooral laatstelijk, mijn opstel
+"De Roeping onzer Dichtkunst (Natuur en Kunst in de Poezie)" in "De
+Gids" van Mei 1913.)
+
+Bij een _algemeene_ kenschets van de Nieuwe Gids-beweging (zooals gij
+mij vraagt--ik kan niet ontkennen, dat het onderwerp mij ietwat
+vermoeit, ik zou liever over andere dingen spreken) bij een _algemeene_
+kenschets, zeg ik, kan men nooit heel _diep_ gaan, omdat dan altijd een
+of meer persoonlijkheden dier beweging, die er zoo wijd-verscheidene
+omsloot, buiten onze beschouwing geraken.
+
+Doch dit is de hoofdzaak, sinds lange jaren door mij en vele anderen
+voor waar gehouden: dat deze beweging, na het _banaal_-algemeene van de
+kunst voor haar, het zocht in het individueele. De trotsch en de
+hoogheid van dat individueele was het wat ons in onze jeugd, bij de
+schoonste dier individualiteiten, Kloos, Van Deyssel en Gorter,
+betooverde. Toen dat individualisme opsteigerde tot toppen, die boven de
+stijgkracht weken van de taal, is het, juist bij de geniaalsten onder
+hen, in gruizelementen ineengestort.
+
+Als zij zich weer oprichtten, was Kloos verbijsterd, Gorter stamelde
+onnoozel proza; Van Deyssel had een nieuw schrijversleven te beginnen.
+Van Eeden was maar in enkele werken na "De kleine Johannes" met de
+eigenaardigheden der richting meegesleept. Maar alle de anderen, voor
+zoover zij zich herstelden, hebben behouden uit hun jeugd (de prachtige
+Van Looy niet uitgezonderd):--een voorkeur voor het afwijkende en
+ongehoorde, een voorliefde zelfs voor het duistere, en een
+anarchistische willekeur.
+
+Wij jongeren daarentegen (die na ons komen, mogen uitmaken, in welke
+opzichten wij onderdoen voor onze voorgangers) begeeren in zoo zuiver en
+beheerscht mogelijk Hollandsch zoo klaar mogelijk te zeggen wat wij te
+zeggen hebben.[6]
+
+De Nieuwe Gidsers gaven er niet om, of zij al dan niet begrepen werden,
+zij hadden lak aan "het publiek,"--wij zijn tot de menschheid
+weergekeerd, waartoe wij wenschen te behooren, met wie wij wenschen te
+leven om haar te begrijpen en wederkeerig door haar begrepen te worden.
+En worden wij eens niet begrepen, dan vinden wij dat niet zoo tragisch,
+omdat wij gereedelijk aannemen, dat het dan wel aan ons zal liggen ...
+en aan onze "afkomst."
+
+ "Hoe zieker zenuwen, hoe
+beter kunst"--is dus een echte Nieuwe Gids-gedachte. De uitslag heeft de
+onjuistheid ervan aangetoond. Er is uit de overspannen sensitivisten ten
+slotte een onleesbare wankunst voortgekomen.
+
+Dus: "hoe gezonder zenuwen, hoe beter kunst?" Dat zou ik evenmin willen
+zeggen, want wat ik voor juist houd is: "hoe _gevoeliger_ zenuwen, hoe
+beter kunst," en gevoelige zenuwen, al zijn zij gezond (en zeker, dat
+moeten zij, wil er blijvende kunst ontstaan, wel wezen), zullen altijd
+licht-vatbaar blijken....
+
+Overigens weet ik bij ondervinding, dat stoornissen in het zenuwgestel
+een tijdlang bevorderlijk kunnen zijn voor de kunst-productie. Ik had
+vroeger periodiek asthma-aanvallen; ik was gedwongen daarvoor
+verdoovende geneesmiddelen te nemen; het vrijkomen uit die verdooving en
+de beterschap was een verrukkelijke gewaarwording. Het gaf een soort
+martelende en heerlijke eb-en-vloed in mijn leven, die zeer
+"stemmingvol" was....
+
+Toen de kwaal genas, miste ik dien eb-en-vloed terdeeg. Er was iets
+leegs in die egale gezondheid. Nu na jaren het evenwicht zich hersteld
+heeft, verlang ik heusch niet naar mijn eb-en-vloed terug....
+
+----En nu wilt u weten, welke rol documenteele studie en verbeelding in
+ons werk hebben?[7]
+
+De documenteele _studie_ bepaalt zich tot: _leven_. Wij leven, wij
+leiden ons leven en wij ondergaan het leven, gevoelig blijkbaar voor
+indrukken. Bij dat leven denken wij zelden of nooit aan schrijven. Een
+enkele maal teekenen wij wel eens iets op, dat wij curieus vinden en "om
+te vergeten".... Juist die dingen gebruiken wij vaak niet.
+
+Nu gaan wij aan het werk, met als archief: onze herinnering. Maar
+vlak-af copieeren doen wij die nimmer. Op zijn minst wordt de
+werkelijkheid onzer herinnering totaal verfantaseerd en gecomponeerd tot
+een nieuw geheel. Het gebeurt ons niet zelden, dat wij er niet meer in
+slagen, ons de werkelijkheid zelve, die tot een schepping aanleiding
+gaf, nauwkeurig te binnen te brengen.--_Portretten_ komen in ons werk
+weinig voor; komen zij voor, dan betreft het hoogstens de _uiterlijke_
+verschijning eener bijfiguur, die wij opeens voor ons zien.
+
+Zoo "Een Huis vol Menschen"; zoo "De Vreemde Heerschers." Een jonge
+schilder, van wien uiterlijk Aristide wat heeft, zijn wij eens
+tegengekomen, in de huisgang, met een meisje, dat wij voor een
+grisettetje hielden. Een juffrouw, die pastoorshoeden verkocht, zagen
+wij in haar "magasin," toen wij haar appartement wenschten te huren. En
+een oud, lief dametje, dat blijkbaar in ons huis woonde, vroeg mij
+tweemaal op straat, hoe het met mijn vrouw ging, zij had iets van ziekte
+bij den concierge gehoord.... Hoe zij heette, wie zij was, of op welke
+etage zij woonde, weten wij niet, en Jozette zal zij wel nooit hebben
+gekend. Van Celestin is alleen de karbonkel op zijn muts authentiek.
+
+Van die menschen, over wie wij verder ook niet meer dachten of spraken
+voor wij het plan opvatten van dat boek, wisten wij dus al heel weinig
+af; een indruk hunner persoonlijkheid; verder zijn zij geheel creaties.
+En bij dat creeeren, uit allerlei onvermoede verten van uw leven, komen
+dan verwonderlijk en vanzelf de tallooze trekken op u af, die gij noodig
+hebt.
+
+Maar "Sprotje" is _louter_ verbeelding. De figuren leven zoo innig,
+nietwaar, dat ik u eerlijk moet zeggen, mij niet meer te kunnen
+voorstellen, dat zij niet werkelijk bestaan.
+
+En toch heeft de schrijfster ze geen van alle gekend. Voor de
+voornaamste figuren, Sprotje zelf, de moeder, de zusters, Hein, Juffrouw
+Jonkers, zou zij zelfs niet zekere prototypen, tenzij het _algemeene_
+menschentype, kunnen aanwijzen. Slechts voor enkele bijfiguren stonden
+haar een paar gekende menschen soms een oogenblik voor den geest.
+
+En aan die waarachtige algemeen-menschelijkheid, aan dat geschapen-zijn
+uit de diepte der menschheid zelve, dankt "Sprotje" ongetwijfeld de door
+ieder erkende zeldzame qualiteiten, waarover de echtgenoot der
+schrijfster dus zeker niet zedig hoeft te doen.
+
+Uw vraag ten slotte: wat ik denk van de kunst in een eventueel
+socialistische toekomst "waarin economische en daarvan min of meer
+afhankelijke zedelijke conflicten werden vermeden,"--die heb ik
+eigenlijk al beantwoord. Er zal kunst zijn, zoolang er menschen zijn; en
+werden die menschen engelen,--dan denk ik aan hetgeen die lieve
+Franciscaner zei, die met mij voor een schilderij van Raphael stond: "En
+hoe zal hij niet schilderen, nu dat hij in den Hemel is!"
+
+Ik hoop, waarde heer d'Oliveira, u naar wensen te hebben ingelicht,
+zonder al te langdradig te worden. Geloof mij, met onderscheiding, uw
+dienstvaardige
+
+CAREL SCHARTEN.
+
+
+BIBLIOGRAPHIE:
+
+Bijdragen in "Amsterdammer", "Arbeid", "Kroniek," "Spectator" en "De
+Gids". In dit laatste tijdschrift, sedert 1903, aanvankelijk in
+samenwerking met M. Scharten-Antink, het "Overzicht der Nederlandsche
+Letteren"--Voorhal (Verzen) (1901)--Guido Gezelle (1902)--De Krachten
+der Toekomst (1909)--Het Spelling-vraagstuk (1911)--Het wezen en de
+zending der letterkundigkritiek. (1913).
+
+In samenwerking met M. Scharten-Antink: Een Huis vol Menschen, verhaal
+uit het Parijsche leven (1908)--De Vreemde Heerschers, verhaal van de
+Italiaansche meren (1911)--Julie Simon, de levensroman van R.C.
+Bakhuizen v.d. Brink (1914).
+
+Vertalingen:
+
+Jules Renard, Natuurlijke Historietjes (1909) In samenwerking met M.
+Scharten-Antink: Honore de Balzac: Het gevloekte kind (1906)
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[6] Even opmerkenswaardig als verklaarbaar is, dat degenen onder de
+jongeren, die het meest over hebben van de anarchistische exuberantie
+der Nieuwegidsers, de Joodsche schrijvers zijn, die, van den anderen
+kant, aan de "Nieuwe Gids" en diens zich-opsluiten-in-zich-zelf geheel
+zijn ontgroeid, menschenscheppers als zij bij uitstek werden: Querido,
+en Heijermans in zijn Diamantstad.
+
+[7] Ons laatste, _historische_, werk "Julie Simon", blijft natuurlijk
+buiten de volgende mededeelingen.
+
+
+
+
+ADAMA VAN SCHELTEMA
+
+[Illustratie: Foto Koene & Buettinghausen ADAMA VAN SCHELTEMA
+(Amsterdamsche periode)]
+
+[Illustratie: ADAMA VAN SCHELTEMA]
+
+
+(* 1877)
+
+Wie de leidende personen van ons nationaal geestelijk leven opzoekt,
+leert daardoor tevens ons land in zijn meest karakteristieke plekken
+kennen. Hij raakt zoo vertrouwd ook met de omgeving van denkers en
+kunstenaars, dat hij verband en overeenstemming gaat bespeuren tusschen
+man en woonplaats; niet alsof het milieu den man en zijn denkwijze
+gemaakt had', maar aldus, dat de man na lang zwerven een zoo passende
+woonplaats heeft gevonden, dat hij er uit schijnt te groeien.
+
+Ditmaal voerde mijn weg, van het doodsche asfalt, door stekelig
+electriek beschenen, onzer eerste koopstad, langs bosch- en duinrand
+naar de jonge kunstenaarskolonie Bergen.
+
+In deze streek, zoo bevallig door Hildebrand geteekend, hebben de
+dorpers blijkbaar nog niet begrepen dat die stadsmenschen toch wel
+komen, en, misschien ook wel in verband met het soort stadsmenschen dat
+er komt, hebben ze, heel anders dan de Zandvoorters bijv., een bijna
+kinderlijke beleefdheid, een natuurlijke welgemanierdheid bewaard, welke
+herinnert aan de landlieden, door de dichters uit de Engelsche
+meeren-school bezongen. Ze detoneeren niet in de mooie natuur. Men kan
+zich ongestoord aan zijn stemming overgeven, en aan die eigenaardige
+stilte, die door de nabijheid van de wijde zee veroorzaakt wordt--ook al
+ontmoet men nu en dan een afgezwoegden, schonkigen dorpeling.
+
+--Hier, op de grens tusschen ons vette akker- en weiland en onze
+hoogste duinen, waar men, ver van Amsterdam, toch iets van Amsterdam's
+beste essence meent te proeven, heeft Adama van Scheltema zich onlangs
+neergezet in zijn huisje genaamd "De Windroos".
+
+En als men in het portiek staat, naast de bakken met vroolijk-decoratieve
+geraniums, leest men, voordat men de deur _verder_ openduwt, het opschrift:
+
+ Ik zie naar ieder wind
+ Op elke verre kust
+ Doch in mij zelve vindt
+ Gij aller streken rust.
+
+een fiere uitspraak, die den dichter welke haar vormde op
+karakteristieke wijze eert.
+
+Het lage huisje, onder zijn hooge roode dak, ligt verscholen achter een
+boschje jong eikenhout, waarin men een toegangslaan heeft uitgehakt,
+iets ter zijde van den hoofdweg. Er achter een weiland, dat tegen de
+duinhelling verloopt, met veel bloemen, de eigenaardige flora van die
+streken: naast de schimmig-armoedige witte klaver, de welgedane roode
+klaver; naast de stijlige purpur-bloeiende bastaard-wederik, de thijm;
+naast witte koekoeksbloem, de gele honing-klavers met hun doordringenden
+geur van versch gesneden gras. Waar de duinen beginnen, staat de forsche
+boer met donkeren ringbaard, die mij zooeven vriendelijk groetend den
+weg wees, in de stralen van de dalende zon bedaard zijn hooi te keeren.
+En om hem heen dartelt een wit paard, lezer, een paard dat zich
+heelemaal vrij voelt en, naar ik verneem, bijna nooit werkt. Zijn lange
+witte manen en zijn lange witte staart wapperen hem na, terwijl het in
+wijde sprongen over de vlakte giert en zijn lenige flanken schudt om
+toch maar vooral zijn vroolijkheid te uiten. We zien dit alles, geleund
+aan een van de hooggeplaatste vensterkens van Scheltema's "werkhok", en
+zijn toen overeengekomen, dit beest een "gepensioneerd paard" te noemen.
+
+Dit is niet maar een losse aardigheid van me, o lezer: Ik beweer dat ge
+het volgende maar half begrijpt, als ge u niet telkens dit
+gepensioneerde witte paard poogt voor oogen te stellen, zooals het dien
+avond zorgeloos wentelde en sprong door de zomersche scheemring. Is niet
+in de woorden van dezen dichter, ook als hij de ellende van het
+menschenleven meet, een zorgelooze blijmoedigheid als van dit vrije
+paard, dat ver van de menschen woont?
+
+Adama van Scheltema is een breedgeschouderde, nogal gezette en blozende
+kerel met een wilden Sudermann-baard. Hij is zeer donker van haar en
+oogopslag. Hij beweegt zich langzaam en toch vrij. Zijn vrouw is heel
+rank en heel blond en zweeft meer dan ze loopt.
+
+Men leest in zijn blik dat hij veel van de waereld heeft gezien en toch
+ook groote bescheidenheid, om niet te zeggen bedeesdheid. Hij spreekt
+nogal moeilijk en houdt u toch gespannen. Zijn woorden komen traag;
+daarentegen houdt hij, ondanks afdwalingen, aarzelingen en een zekere
+verstrooidheid, steeds den draad van zijn verhaal vast, zoodat ons
+gesprek rustig verloopt. Hij werkt ook zoo langzaam, vertelde hij mij.
+Men voelt terstond hoe iedere gedachte bij hem een panorama van andere
+gedachten wekt. Daardoor wordt hij natuurlijk wel eens afgeleid, vergeet
+dat hij niet alleen is, kijkt een oogenblik het verschiet in dat zich
+voor hem opdoet. Dit schijnt hem dan rust te geven en zichtbaar gesterkt
+hervat hij het gesprek.
+
+Hetgeen ik hieronder weergeef bespraken we voor een deel in een erker
+van zijn woonvertrek, terwijl voor onze oogen het witte paard zijn
+sprongen maakte; boven hem in een wat te deftige lijst hing het
+ondeugend tronie van Jopie Bremer, ons aller vriend, (geschilderd door
+Marinus Broekman),--en dat kwam goed uit, want hij vertelde in
+echt-Amsterdamsche woorden van zijn Amsterdamschen tijd.[8] Later droeg
+zijn vrouw fluks alle lampen van het huis bijeen, en schikte ze in
+verschillende hoekjes, waar ze gezellige schijnsels gingen gieten, maar
+de kamer met zijn Italiaansche pleisterbeeldjes en gravures lieten in
+halfduister, waarin de gebeitste betimmeringen, de witte muren met de
+nog geurende rieten lambrizeering een geheimzinnig effect deden: en toen
+kwam het meer diepzinnig gedeelte van ons onderhoud.
+
+Ik had hem vooraf geschreven wat ik ongeveer wilde weten, en dus kon hij
+aanvankelijk zonder onderbreking voortpraten:
+
+Als gymnasiast van zeventien, achttien jaar maakte ik kennis met "De
+Nieuwe Gids". We leefden in een kleine club op het gymnasium als
+enthousiaste kleine literatoren, en we hadden een blad, waar ik ook in
+schreef, ons orgaan, dat eigenlijk een klein nieuwegidsje was. Maar van
+begin af heb ik altijd bij mijn enthousiasme voor die richting een
+vreeselijke leegte gevoeld, ik heb er iets in gemist, iets dat je in het
+leven zoekt als steun. De heele beweging berustte op een paar negaties.
+Een opstandigheid tegen het vroegere geslacht, die we in ons eigen leven
+ook sterk gevoelden, maar die je verder niets gaf dan een schralen
+troost boven het gymnasiale leven uit, dat ik altijd ellendig ben
+blijven vinden en tot op den huldigen dag heb vervloekt, zooals die
+verschrikkelijke kerels, die zuivere philologen uit de school van Cobet
+ons hebben geplaagd.
+
+Toen ik student werd kwam ik ook weer in een klein wereldje--je blijft
+altijd in een klein wereldje opgesloten in je jeugdjaren, maar dan
+groeit je begeerte uit naar de openbaring van wat je in je hebt als
+jonge kunstziel.
+
+En toen kwam de tooneeltijd.
+
+We hadden als studenten een tooneelvereeniging, die bloeide toen nogal.
+Elk jaar gaven we een groote uitvoering en daar besteedden we heel veel
+tijd aan. Ik had veel aanleg voor het tooneel en ik speelde daar nogal
+groote rollen. Zoodat ik hoe langer hoe meer van tooneel ben gaan houden
+en tegelijkertijd bleef schrijven ... als klein kind heb ik eigenlijk al
+geschreven.
+
+Mijn eerste jaar was een rauw studentenjaar, maar daarna kwam een beetje
+de bezinning. Toen moest ik duchtig werken om al die verloren
+studie-uren weer in te halen. Na mijn eerste examen, daar kwam ik
+goddank door, het propaedeutisch in de medicijnen, begreep ik dat ik
+eigenlijk moest kiezen. Ik merkte wel dat als ik in de medicijnen bleef
+studeeren er van letterkundig werk niets zou komen ... ik heb nooit
+kunnen begrijpen hoe Aletrino en Van Eeden dat hebben kunnen vereenigen
+... ze dokteren ook trouwens niet meer. Ik vind: je moet ueberhaupt aan
+een ding alles geven. Menschen die als bijgedoente schrijven, dat vind
+ik uit den booze.
+
+Ik stond voor de keus en toen deed ik den grooten stap van aan het
+tooneel te gaan. Achteraf is het heel aardig daar eens over te praten,
+maar toen is het een verbazend besluit geweest. Daarna is die kwestie
+ook al weer veel veranderd. Je hebt nu een heeleboel jongelui, en vooral
+ook vrouwen, uit de betere standen, die aan het tooneel gaan, maar ik
+was betrekkelijk een van de eersten, die overliep uit het kamp der
+"fatsoenlijke wereld" naar het tooneel. Ik ben een tijdje geweest aan
+den troep van Van der Horst en Ternooij Apel, en toen heb ik nog hier
+dicht bij, in Alkmaar, op de kermis, gedebuteerd. Ik ben er nog geen
+half jaar aan geweest, maar in dien tijd maak je een heeleboel door. In
+dien tijd stierf mijn vader, wat in mijn leven nogal verandering bracht.
+Toen heb ik van de heeleboel de brui gegeven en tegen me zelf gezegd: Nu
+moet je maken, dat je gauw een goede plaats in het burgerlijk leven
+krijgt, want anders loopt het mis. Mijn zenuwen konden er niet tegen,
+het is moordend. Je moet een stalen zenuwgestel hebben, den eenen avond
+in Groningen spelen en den anderen avond in Middelburg ... dat heeft ten
+slotte met de kunst al heel weinig te maken.
+
+Toen ben ik dan een poos in den kunsthandel geweest van Van Gogh. In
+dien tijd viel mijn groote ommekeer. Parallel met al die uiterlijke
+wisselingen in mijn leven viel mijn langzaam neigen naar het socialisme.
+En wat later mijn groote vijanden werden, dat waren toen juist degenen
+die mij ertoe gebracht hebben. Dat wil zeggen: Wat zij schreven had een
+grooten invloed op mij. Dat was in het eerste begin van "de partij"--dat
+was een heel gunstige tijd om er bij te komen, omdat alles toen nog
+idealistisch ging. Ook een persoonlijk vriend van me, Bonger, heeft mij
+er toe gebracht en dan--de figuur van Van der Goes. Er bestond toen een
+studentenvereeniging, S.L., die sociale lezingen hield--tegenwoordig is
+die in een beetje anderen vorm herrezen. Het was indertijd een zuiver
+socialistische vereeniging en die oefende toen een grooten invloed uit.
+Het was in den tijd van Gorter's bekeering, toen hij die bekende
+voorrede voor zijn nieuwe verzen had geschreven. Ik ging langzamerhand
+die dingen lezen en zoo kwam ik tot het socialisme, gedeeltelijk ook wel
+van den gevoelskant en gedeeltelijk door de tijdsomstandigheden ... de
+"Nieuwe Gids" begon ook te zakken en spatte uit elkaar ... de
+afscheiding van het Tweemaandelijksch tijdschrift was toen ook al
+gekomen. Ik was de leegte gaan voelen van wat mijn vroeger leven had
+ge-enthousiasmeerd. Ik wist ook wel dat het mij in mijn leven nooit
+houvast had gegeven. En dat heb ik altijd heel sterk gehad: de behoefte
+aan houvast. Ik vind het leven onmogelijk, wanneer je niet een
+overtuiging hebt, die je het leven naar een zeker bestel laat zien. Dat
+is voor mij, eerlijk gezegd, de grondfactor van het socialisme: het
+hebben van een levensbeschouwing. De menschen die komen tot het
+socialisme uit medelijden met de arbeiders, dat is voor mij niet het
+ware! Je kunt net zoo goed medelijden hebben met koningen als met
+arbeiders.... Neen, je moet er komen van den wetenschappelijken kant, of
+zeg van den theoretischen kant, wat neerkomt op een behoefte aan een
+wereldbeschouwing, die je bevredigt met het leven, die je het leven naar
+vaste lijnen leert zien. Dat is hoe langer hoe meer het socialisme voor
+mij geworden. Daardoor kunnen de persoonlijke dingen en wrijvingen je
+minder raken....
+
+--Dit, de lezer begrijpe het wel, was een vriendelijke uitval naar mij:
+Ik had te voren verteld van mijn ervaringen en teleurstellingen in het
+socialistisch kamp. Maar ik zou dien avond toch niet gaan slapen, zonder
+een groote voldoening te hebben gesmaakt. Die komt nog.
+
+Adama van Scheltema ging verder: Dat was net op het moment dat ik, in
+die kunstzaak, na de tooneelwereld, een tipje van het handelsleven zag.
+Dat was, evenals mijn tooneelleven, een geschiedenis van enkele maanden,
+maar toch voldoende om de wereld niet op zijn gunstigst te zien.... Ik
+had genoeg om te leven desnoods, op een heel bescheiden manier. Toen
+dacht ik: Nu is het oogenblik gekomen, dat je alles er aan moet geven en
+alleen voor je kunst leven. Die kunsthandel was toen een ding, waar heel
+weinig omging. Ik zat altijd maar te schrijven in de leege kunstzalen,
+waar nooit iemand kwam. Daar voor had ik altijd proza geschreven. Maar
+toen mijn leven, dat zoo vol van zenuwen was geweest en vol van
+veranderingen en zoeken wat tot rust kwam--ik was uitgeput en ging naar
+buiten om wat op streek te komen,--toen is met diezelfde inkeer en
+verzachting van het leven, dat mij nogal geknauwd had, in mij het
+poetische leven naar boven gekomen, waar ik me heelemaal aan kon geven.
+Toen had ik gevonden wat in mij eerst op andere wijze een uiting had
+gezocht.
+
+En nu is het wel mijn geluk geweest, dat die verschillende
+tijdsomstandigheden samen kwamen en ik juist toen langs natuurlijken weg
+tot de sociaal-democratie ben gekomen. De eerste uitgave waartoe ik kwam
+was "Een weg van verzen", waarvoor moeilijk een natuurlijker titel zou
+te vinden zijn, want langs die dingen ben ik eigenlijk tot "de partij"
+gekomen. Ik kreeg geweldig op mijn kop, zooals dat gebeurt na een eerste
+uitgave. Maar ik voelde in mijn ziel, dat ik het eigenlijke gevonden
+had, waar het heele leven mij toe gedreven had. Mijn leven daar voor was
+erg rumoerig geweest: een voortdurend zoeken en keeren, vol
+kinderverdriet en jongensverdriet. Van dien tijd af is mijn
+schrijversleven begonnen. Ik gaf mij heelemaal aan de poezie en raakte
+uit de gewone wereld.
+
+Ik zat lang buiten in de natuur en zocht de overeenstemming tusschen de
+natuur--of mijn natuur, wat eigenlijk op hetzelfde neerkomt--en mijn
+nieuwe wereldbeschouwing. Die overeenstemming is in dien eersten bundel
+dikwijls wel erg gezocht, wat ik bijv., ook bij Roland Holst heb
+gevoeld, en dat werd een moeilijk ding. Er is een tweespalt die zij haar
+heele leven is blijven voelen, en waar ik, geloof ik, misschien omdat ik
+tot een jonger geslacht behoor of misschien wel omdat ik niet zoo
+dweepend ben aangelegd als zij, overheen ben gegroeid. Die tweespalt is
+het verdriet van haar leven geworden.... Misschien ben ik niet heelemaal
+duidelijk geweest en het is goed dat ik dit duidelijk zeg: ik bedoel de
+tweespalt tusschen de socialistische levensbeschouwing en de poezie....
+De wereld is apres tout in zijn geheel iets grooter dan de
+sociaal-democratie. Maar voor haar en Gorter is de sociaal-democratie de
+roode lap gebleven in hun ziel, waar ze altijd min of meer dol van zijn
+geworden, en dat, moet ik zeggen, is ze voor mij nooit geweest.
+
+Je moet de sociaal-democratie een beetje kunnen zien als een strooming
+van dezen tijd, niet als een verzameling van ijzeren dogma's, die voor
+de eeuwigheid zijn en waarin je je zelf opsluit. Je moet toch een
+verband houden met de oneindigheid!--al is dat een groot woord. Dat is
+hun ramp geweest en heeft hen op den verkeerden weg gedreven. Ze willen
+hun kunst opsluiten in die verzameling van dogma's--dien band van
+dogma's willen ze om hun kunst slaan. Dat heeft mij van hen verwijderd.
+Dat deed mij voelen dat ze een verkeerde richting insloegen, waar ik
+persoonlijk hoe langer hoe scherper en hartstochtelijker tegenover ben
+komen te staan. Dit werd althans voor mij persoonlijk het dilemma. Ik
+kreeg de behoefte, mijn levensbeschouwing in overeenstemming te brengen
+met mijn kunst, een vast geheel daarvan op te bouwen, waarop ik mijn
+kunst kon vestigen. Ik geloof dat het mij ten goede is gekomen dat ik
+van dien kant het socialisme ben genaderd, omdat het de meer natuurlijke
+kant is. Ik wilde de tendenzen die uit mijn eigen ziel groeiden in
+overeenstemming zien met de wereld om mij heen. Wanneer ik den weg van
+Roland Holst volgde, voelde ik, zou ik niet tot bevrediging komen. Uit
+die overwegingen is toen gegroeid mijn boek "De Grondslagen", waarin ik
+die overtuiging heb trachten neer te leggen.
+
+Vooral op het philosophische gedeelte daarvan zijn wel gegronde
+opmerkingen te maken, die ik niet zoo gemakkelijk zou kunnen
+beantwoorden, wanneer ik met een degelijk vak-philosoof, als ik het zoo
+mag noemen, in conflict kwam. De wereld is zoo groot ... en je zou vele
+jaren van je leven moeten geven om van den zuiver wetenschappelijken
+kant je zoo te vervolmaken, dat je in de wereld van de vak-philosophen
+als overwinnaar kwam te staan ... maar dat was voor mij niet de
+hoofdzaak ... de hoofdzaak was voor mij om voor mijzelf bevrediging te
+zoeken....
+
+Hij was al zachter en afgetrokkener gaan spreken, ten slotte alleen voor
+zichzelf, meer en meer verzonken in het geestelijk uitzicht dat zich
+voor hem opende. Het eindigde in een verward mompelen. Slechts enkele
+woorden, zonder samenhang, drongen tot mij door. Zijn bovenste
+vingergewrichten tegen zijn tanden, als wilde hij die knauwen, staarde
+hij over het ruime weiland, waar het witte paard zich rolde door het
+zoetgeurende, versch gemaaide gras, de hoeven trappelend in de lucht....
+Eindelijk draaide hij zijn wilde knevels op en ging, mij weer aanziend,
+verder:
+
+En dat werd voor mij een levens-program. Ik voelde dat dit in Holland
+en in het algemeen aan de sociaal-democratie ontbrak, dat ze zich alleen
+met het economische en politieke leven had bemoeid, en aan de kunst nog
+niet toe was geweest.... Dat van Morris was een beetje idealisterij en
+hield heel weinig verband met de grondslagen van de sociaal-democratie.
+Hij was heelemaal een kind van de prae-Rafaelitische, utopistische
+beweging.
+
+De grondslag die ik toen voor mijn kunst heb gewonnen heb ik in mijn
+boek voor mijzelf, maar ook voor anderen, geloof ik, duidelijk
+uiteengezet. En toen ik met mezelf in het reine was, ben ik van mijn
+vroegere geestverwanten verder afgedreven. Die heele "Nieuwe Gids" was
+mij vreeselijk widrig geworden, omdat ik er heel sterk het anarchisme in
+voelde en het naturalisme, en dat is voor mij een onding!
+
+Sensitivisme, naturalisme enz. zijn kinderen van een systeem, dat zich
+in Holland naar binnen keerde en naturalisme van de eigen ziel werd, de
+momentopname van het eigen ziel-gebeuren, zooals Gorter in zijn "Verzen"
+heeft gegeven, dat je met een grooten zwaai terug kunt brengen tot het
+naturalisme van Zola, het "document humain". Dat voel ik om zoo te
+zeggen als anti-kunst, omdat er zoo weinig opbouwends zit in de
+wetenschappelijke ontleding als kunstbeginsel--dat onechte kind van de
+rationalistische wetenschap. Ik ontken heelemaal niet dat er groote
+dingen in geschapen zijn, en ik heb vurig gehouden van "L'education
+sentimentale", dat ik als standaardwerk van naturalisme kan aanhalen.
+Maar ik vind het eigenlijk, evenals "Madame Bovary", het meest
+onartistieke dat je kunt hebben. Ik voel heel scherp dat de toekomstige
+samenleving dien kant niet uit kan gaan en zich daarvan los moet maken.
+Het heele naturalisme berust op het op zich laten inwerken van het
+leven, maar niet omgekeerd: het inwerken op het leven door den
+kunstenaar zelf. Het heeft nooit synthetisch kunnen wezen, het
+naturalisme en alles wat er een kind van is. En de sociaal-democratie
+wil worden de synthese van het leven en de nieuwe gemeenschap. _De kunst
+die daaruit moet geboren worden kan nooit een kunst zijn, die ontledend
+is, maar moet een kunst zijn die opbouwend is, een nieuwen stijl schept
+... "een gestyleerd brok van het universum"_, zooals ik in mijn
+"Grondslagen" heb gezegd.
+
+En nu werd in engeren zin in mijn lyriek het gedicht datgene, waar
+zoowel bedoeling als techniek een groote rol in speelt, in dien zin dat
+beide erop gericht zijn, om naar andere menschen te gaan. Daar heeft
+over het algemeen de naturalistische en sensitivistische kunst nooit aan
+gedacht.... U begrijpt wel, de theorie volgt in zeker opzicht den aanleg
+en de practijk. Ik theoretiseer dat nu zoo, maar apres tout was in mij
+een sterke, natuurlijke aanleg in die richting om te bereiken wat ik
+theoretisch omschrijf als bereikt te moeten worden. En ik heb in zeker
+zin in mijn lyriek practisch bewezen, dat ik dit bereikt heb. Het is mij
+altijd bewust geweest dat ik wilde bereiken het verband tusschen mensen
+en mensch, waar de tachtigers van afgedreven zijn. Als element dat mij
+daartoe gebracht heeft neem ik aan een sterk sociaal voelen voor mijn
+medemenschen. Ik geloof ook dat het taal-element daar een groote rol bij
+gespeeld heeft: het door en door Hollandsche van mijn taalgevoel.
+
+--Hier moest ik den verteller even onderbreken. De lezer moet weten dat
+ik pas een bezoek had gebracht aan een paar socialistische dichters in
+het Gooi en daar te hooren had gekregen dat ik, niet op hun standpunt
+staande, hun meeningen toch niet zou begrijpen, zelfs niet objectief zou
+kunnen weergeven. Het had mij den heelen avond al verheugd, dezen
+socialist opinies te hooren uiten, die ik volkomen kon onderschrijven,
+en anderzijds bij hem steun te vinden voor mijn eigen opvattingen
+--waarvan ik in alle bescheidenheid meen, dat ze het socialisme achter
+den rug hebben. Maar nu werd het mij ... ja, mag ik het zeggen ... een
+beetje al te bont. Deze socialistische dichter deelt mij mede dat zijn
+werk er op is ingericht om te spreken van mensch tot mensch en de woorden
+"klassenstrijd", "klassenkunst", "bourgeoisie" ... zou hij ze misschien
+inderhaast vergeten? Het is te mooi om het te gelooven.
+
+Ik zet mijn onschuldigste gezicht en vraag of ik het goed heb begrepen,
+of hij niet sterk het gevoel heeft, dat de lieden uit de bezittende
+klasse toch niets van zijn kunst zullen snappen? of hij nu werkelijk
+meent voor het geheele Nederlandsche publiek te schrijven, of alleen
+voor het proletariaat?
+
+--"_Zooveel mogelijk voor het geheele Nederlandsche volk_" antwoordt hij
+mij. Dit woordje "volk", lezer, is een welverdiende terechtwijzing aan
+mijn adres. Ik had van "publiek" gesproken. Hierdoor geraakte ik in de
+aandachtige stemming, die noodig is om het volgende geheel tot zijn
+recht te doen komen:
+
+--In preciese tegenstelling tot Kloos' formuleering van de tachtigers:
+"een gedicht is de individueelste expressie van de individueelste
+gevoelens"--formuleerde ik in mijn "Grondslagen": "een gedicht moet zijn
+een muziekstuk van woorden en gedachten, dat door zooveel mogelijk onzer
+medemenschen kan worden gevoeld en begrepen." Hetgeen niet wegneemt, dat
+men natuurlijk zijn poezie ten slotte van uit een bepaalde
+levensbeschouwing, in dit geval de sociaal-democratische,
+componeert.--Zoo zal ik wel eens den eenen mensch niet geheel bereiken,
+ook wel eens den anderen--ook wel eens de eene klasse, ook wel eens de
+andere klasse--we leven nu eenmaal "op de kentering der tijden"--maar
+inplaats van daarover eeuwig persoonlijk te lamenteeren als mevr. Holst
+_acht ik dat_--_althans meestal_--_iets moois en gelukkigs_....
+
+Het klinkt wel ijdel, maar ik mag toch zeggen, dat ik weer het publiek
+om zoo te zeggen bereikt heb,--met mijn lyriek althans. De zwaardere
+dingen, dat moet ik toegeven, worden niet zooveel gelezen. Dat heeft mij
+gespeten--dat datgene, wat langzamerhand is geworden de diepere grond,
+waarin ik mijn levensinzicht wilde uiten, "Levende steden" o.a., niet
+zoozeer het publiek bereikt heeft. Het hoofdwerk "Amsterdam", dat ik
+zelf als mijn beste werk beschouw, is betrekkelijk weinig bekend
+geworden....
+
+In "Amsterdam" heb ik gezocht naar de oplossing van ethische
+vragen,--want een van mijn eerste pogingen, voor mij van groot belang,
+is geweest in de sociaal-democratie te vinden den ethischen kant. U
+spreekt van zwakke punten en van persoonlijke aanraking, die
+teleurstelling geeft, maar voor mij is het allerbelangrijkste vraagstuk,
+dat ik nooit heb kunnen oplossen, dat de sociaal-democratie geen ethiek
+heeft, absoluut geen ethische grondslagen heeft. Zij geeft geen antwoord
+op die honderd vragen, die in den mensch opkomen, vragen van leven en
+moraal, de eeuwige vraag van goed en slecht, die zich in duizenderlei
+nuance door het leven voordoet. Wat de toekomst hierin zal brengen, hoe
+die nieuwe moraal groeien moet, dat vind ik voor den literairen
+kunstenaar een van de belangrijkste vraagstukken die het socialisme
+brengt. Aan de oplossing van dit vraagstuk zal m.i. het drama moeten
+arbeiden, en dat moet voor den socialistischen kunstenaar de gang zijn
+die hij het liefst gaat: hij moet trachten het nieuwe drama als zoodanig
+te bereiken. In de "Grondslagen" heb ik op het laatst de naive fout
+begaan, te zeggen dat ik daarheen wou. Je moet eigenlijk nooit een
+program opstellen voor de buitenwereld. In ieder geval: de elementen van
+dit drama heb ik zooveel mogelijk trachten te ontwikkelen in mijn
+"Grondslagen", niet waar? En dan kom ik tot de gevaarlijke bewering, dat
+het drama tendenz moet hebben. Dat staat voor mij als een paal boven
+water. De duizenderlei dilemma's die de moraal in dezen tijd brengt,
+moet het drama trachten op te lossen, het moet trachten zich daarvan te
+bouwen.... Ja ja, dat zijn wel gekke dingen, die we op het oogenblik
+bespreken--omdat je allicht het veel-omvattende zegt ... maar ... het
+zijn toch de dingen ... waar altijd mijn intense belangstelling ... bij
+is geweest.... De sociaal-democraten komen met vage algemeenheden, als
+"gemeenschapsgevoel" en "solidariteitsgevoel" ... en daar zijn zeker
+mooie elementen in, maar dat geeft volstrekt geen antwoord op het
+wereldvraagstuk van het practisch-moreele leven--en dat geeft bijv. het
+katholicisme wel. Daarom staat dat zoo sterk....
+
+Daarop moet althans het nieuwe drama gebouwd worden.... Het antwoord dat
+de meeste menschen op die honderd kleine practisch-moreele vragen geven,
+is dat van de traditioneele moraal, maar daarmede hebben wij niet het
+antwoord. Dat zal de toekomst brengen.... Ja, dat is zoo, men zal mij
+misschien kwalijk nemen, dat ik deze leemte in de sociaal-democratie zoo
+uitdrukkelijk constateer, maar ik heb dat immers geschreven ook in mijn
+"Grondslagen" ... neemt u het maar gerust op--ik sta er voor.... Ja
+zeker, u hebt gelijk, de menschen die beweren dat het socialisme thans
+wel een moraal heeft of dat _men_ in het algemeen een moraal heeft--die
+weten werkelijk en wezenlijk niet wat behoefte aan moraal en wat het
+moraalprobleem in het algemeen beteekent.
+
+Nu vraagt u, wat het socialisme voor mij als kunstenaar dan nog voor
+aanlokkelijks heeft. Ik begrijp wel dat gij van uw kant dat moet vragen.
+Maar op het oogenblik is het socialisme toch het eenige houdbare
+levens-systeem en ik vind: men moet het kind niet met het badwater
+wegwerpen.
+
+Ik heb in het leven het geluk gehad, nadat ik enkele omwegen bewandeld
+had, dat ik gevoeld heb, welke zijwegen ik niet moest inslaan. Daarna
+ben ik bevredigd geworden door het leven en mijn eigen levenstaak. Die
+taak voel ik nog heel sterk als zijnde aan het begin. Ik voel dat het
+nog maar het opbouwen van de basis is. Ik hoop dat dit in de toekomst
+een basis zal blijken.
+
+ * * * * *
+
+Heer van De Windroos, in u heb ik werkelijk, gedurende onze lange
+wandelingen langs bosch en duin, "aller streken rust" aangetroffen.
+Hoewel met "de massa" haar ideaal deelend, hebt ge tegenover het volk de
+houding weten te bewaren, die, naar ik meen te weten, den dichter
+betaamt: Voor geen enkel wind sluit ge uw huis en blijft toch als
+gesloten, wetgevende persoonlijkheid tegenover "al het Andere"
+staan,--iets wat niet al uw geestverwanten u nadoen....
+
+Mijn vraag is nu deze: Zoudt ge nog naar ieder wind en elke verre kust
+kunnen schouwen, en zou ook aller streken rust in u bezonken blijven,
+indien ge onder de bet-wetende, verbitterde en behoeftige menschen
+dagelijks moest strijden en werken?
+
+
+BIBLIOGRAPHIE:
+
+Een weg van Verzen (1900) [Uitverkocht]--Uit den Dool (1901)
+[Uitverkocht]--Eerste Oogst (1912) [Bloemlezing uit "Een Weg van Verzen"
+en "Uit den Dool"]--Van Zon en Zomer (1902)--Zwerversverzen
+(1904)--Eenzame liedjes (1906)--Uit stilte en Strijd (1909).
+
+_Levende steden_:
+
+I. Londen. Een dramatisch gedicht (1903)--II. Dusseldorp of de
+Ontmoetingen van Petrus Cordatus. Een satirisch-dramatisch gedicht
+(1903)--III. Amsterdam. Een wijsgeerig leerdicht (1904).
+
+De Grondslagen eener nieuwe Poezie. Proeve van een maatschappelijke
+kunstleer tegenover het naturalisme en anarchisme, de tachtigers en hun
+decadenten (1908) [Uitverkocht.]--Gelukwensch bij Troelstra's
+vijftigsten Geboortedag. Een politiek gedicht. (1910) [niet in den
+handel]--Goethe's Faust (Deel I) In Nederlandsche verzen vertaald,
+ingeleid en toegelicht. (1911).--Meidroom. Een feestelijk
+verbeeldingsspel in acht tooneelen (1912).--Italie. Indrukken en
+Gedachten. Een causerie. [geillustreerd], 1914.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[8] Ik maak deze opmerking om te pas te brengen Scheltema's verklaring,
+dat het gezelschap dat zich bij Jopie Breemer pleegde te
+vereenigen--"dit soort van Bohemienachtige veelpraters en
+weinig-doeners," hem nog altijd onsympatiek is. (Het schilderstukje
+bezit hij al tien jaar en tot voor kort wist hij niet wien het
+voorstelt.)
+
+
+
+
+P.N. VAN EIJCK
+
+[Illustratie: Foto Vinkenbos & Dewald--Haag P.N. VAN EIJCK (1914)]
+
+
+(* 1889)
+
+Uit de zacht-verhittende broeikas-atmospheer van het oudere Den Haag
+trad ik teleurgesteld in een buurt van strakke en lange straten.
+
+Mijn gemoedstoestand was dien middag aldus: Ik had mij voorgesteld dat
+de dichter van "De getooide Doolhof" en "De Sterren" eenzaam woonde op
+het land, in een grillig huisje, ergens aan de ruige Veluwe; of wel bij
+eenvoudige boerenmenschen. En het hinderde mij, dat ik naar de stad
+moest om hem, die innerlijk zooveel met mij gemeen heeft, te spreken.
+Echter, in het vroege middaguur, voorloopig doelloos zwervend door het
+oudere Den Haag, had ik mij getroost: De gekunstelde witte schittering
+uit de winkels overstemde het trage licht van den najaarsdag; en
+velerlei indrukken--hartstochtelijke gezichten en blijmoedig kwijnende
+gezichten die mij voorbijgleden; de moderne vrouwenkleedij waarin
+stijlige lijn met losbandigheid van bont en kanten pervers coquetteert;
+de kundig genuanceerde geuren van toiletten en de reuk van overspannen
+driften; suggestieve boektitels en heerlijk dwaze weeldezaken, achter
+spiegelglas fluks bespeurd; en steeds weer die snel voorbij-schimmende
+tronien: trotsch-verdorven maskers en geschminkte en ontzenuwde en
+verlangende maskers, die in mijn phantasie hun histories schetsten en
+mengden ... al die overstelpend-prikkelende indrukken omgaven mij met
+een atmospheer van verfijnde cultuur, die ik evenzeer bemin als het
+leven op 't land in wijde overpeinzing. Ook in zulk een milieu kan een
+werkelijk dichter tieren, mits hij een zeer sterken geest heeft....
+
+Doch toen belandde ik in de nieuwe buurt met leege gerekte straten, waar
+het onwillige najaarsdaglicht terug kitste op de kille pensions en
+ambtenaarswoningen met haar snel-vergane conventioneele praal: en ik
+bemerkte dat ik mijn dichter moest zoeken in, de langste van die
+schijn-deftige, eentonige huizenrijen.
+
+Geheel bekoeld, naar ik meende, kwam ik bij hem binnenvallen, en voordat
+wij elkander eigenlijk hadden begroet of door onze so-easy's afdoende
+hadden bekeken, moest ik 't zeggen, ik wilde niet en zei 't toch: Het
+lijkt hier wel een studentenkamer!--Ons wereldstadje had mij als
+gewoonlijk van streek gebracht, want zoo spontaan ben ik anders niet.
+
+Mijn opmerking, waarin ik mijn indrukken had samengevat, deed hem
+blijkbaar pijnlijk aan, en hij zeide dat men in een studentenkamer toch
+zooveel mooie boeken meestal niet vond, en toen vroeg hij mij
+welwillend-ingehouden een nadere verklaring. In het bewustzijn dat hij
+mij zou hebben uitgedaagd als hij een Duitscher was, en blij dus dat we
+in het degelijke Holland zaten, zei ik een paar vriendelijke woorden,
+die hij niet hoorde. Maar later heb ik begrepen dat ik dit bedoelde:
+
+In deze kamer met haar onverschillige en disparate meubels en tapijten
+had zich door kleinigheden in schikking en versiering--verbeeld u, de
+beeltenissen van Baudelaire en Stefan George stonden er op den
+schoorsteenmantel (niet plechtig, als gravures, met eenige ontroering
+gekocht, maar als ietwat verbleekte photographieen, men zou denken: van
+verre familieleden, in banale lijstjes)--in deze kamer, zeg ik u, had
+zich mij een sterke, jonge, strijdvaardige geest gemanifesteerd, men
+voelde dat hier gewoonlijk naar den geest geleefd werd--al beeldde ik
+mij in dat het "Gaudeamus igitur" er toch ook wel eens uit schorre kelen
+had geschald. En dit maakte mij de kamer even eerbiedwaardig als de
+smaakvol en kostbaar aus einem Guss gemeubelde schrijversheiligdommen,
+die ik ken.
+
+Terwijl hij nu met vele, overigens belangwekkende woorden het begin van
+het "interview" trachtte te verschuiven, herwon ik snel mijn gewone
+bedaardheid. Ik werd bijna vaderlijk, toen ik hoorde dat hij nog iets
+jonger was dan ik--men zou dit laatste niet zeggen, want dit bleeke
+gelaat deed mij zelfs een oogenblik (ten onrechte!) veronderstellen, dat
+hij al vroeg aan de zinnen gevraagd had wat slechts de geest kan geven,
+en ik glimlachte niet, toen hij mij later vertelde: Ik heb 't gevoel dat
+ik al een eeuwigheid heb geleefd....
+
+Ik had mijn gereserveerde kalmte zeer noodig. Hij kon maar niet tot
+zichzelf komen, en bekende dat de gedachte, zich zoo voor mij binnenste
+buiten te keeren hem werkelijk angstig maakte. Zijn wangen, die geen
+jongenswangen meer waren, bloosden, hij struikelde over zijn woorden,
+onderbrak zich telkens met een: Dat is nou beroerd.... Neen, laat ik dit
+niet zeggen.... Och, waarom?--
+
+Ik vertelde maar veel van mijn eigen opinie's en trachtte daarbij
+zooveel mogelijk de zijne te ontmoeten, ik wilde hem niet loslaten, en
+toen ik hem uitvoerig het schema had uiteengezet dat de lezer kent,
+werd hij door mijn uiterlijke onaandoenlijkheid gewonnen.
+
+Kalm is hij dien heelen middag niet geworden--vreemd toch, want hij leek
+mij eer brutaal dan verlegen--voordat hij mij zijn mooie
+bibliophiel-uitgaven vertoonde. Maar wel gaf hij mij gelegenheid, zijn
+buitengewoon ree intellect (hij zal wel boos worden, als hij dit van me
+leest! maar apres nous le deluge) te bewonderen; en hij heeft me ondanks
+alles vervuld van een bemoedigend enthousiasme.
+
+Als ik (op zijn verzoek) een massa onvoltooide gedachtetjes en
+overtollige woorden, waarmede hij de leegten aanvulde, weglaat, dan komt
+hetgeen hij mij vertelde, zittend op zijn schrijftafel, de beenen op de
+vensterbank, hierop neer:
+
+--Ik was al begonnen met studies en verhalen te schrijven op ongeveer
+vijftienjarigen leeftijd, toen ik, in verband met moeilijkheden in mijn
+persoonlijk leven, in mijn 17de jaar plotseling in verzen los schoot.
+Voor dien tijd had ik al van mijn twaalfde jaar af rijmen, romannetjes
+en novelletjes geschreven, maar toen werd ik bewust literator en begon
+ik het ideaal van mijn leven te zien in het schrijversschap. Dat is
+samengevallen met mijn eerste intree in de kunstwereld van de "Nieuwe
+Gids", die de eerste jaren volkomen de mijne is geweest en waar ik mij
+hartstochtelijk aan heb overgegeven, omdat hij in alle opzichten aan
+mijn behoeften beantwoordde. Alles wat ik in dien tijd wilde voelde ik
+in de "Nieuwe Gids"--vrij, zelfs losbandig innerlijk leven--leven voor
+de schoonheid--je leven min of meer beschouwen als een gelegenheid om
+altijd maar vol te zijn van enkel schoonheid. Vooral aan de lectuur van
+Van Deijssel heb ik me hartstochtelijk overgegeven. Ik had de heele rij
+boeken op den grond liggen, en zoodra ik thuis kwam, ging ik er bij
+liggen om te lezen. Door de lectuur van Van Deijssel is mijn
+individualisme met een jeugdige woestheid tot uiting gekomen, en ben ik
+mij zelf, ook om ondervindingen, die zij niet hadden, buiten de anderen
+gaan stellen.
+
+--Hebt u nu eigenlijk de "Nieuwe Gids" verlaten of overwonnen, vroeg ik;
+met andere woorden: kunt u mij den logischen ontwikkelingsgang
+aanduiden, die er op uitliep, dat u op een goeden dag niet meer in die
+geesteswereld thuis behoorde?
+
+--Toen ik rijper en ontwikkelder werd, ben ik gaan merken dat de "Nieuwe
+Gids" mij onverschilliger werd en dat ik ergens anders moest heensturen.
+Datgene wat ik voor mij zelf wilde worden--een centrale
+persoonlijkheid--het klinkt een beetje aanmatigend, vindt u niet ... dat
+is beroerd ... neen ... ik zal 't maar niet zeggen....
+
+--Kom, zoodra men gedichtenbundels uitgeeft, werpt men zich op als
+geestelijk leider van zijn volk en dan geeft het niet meer of men het
+wil verbergen. Trouwens, als U de voorrede van mijn "Mannen van '80"
+hebt gelezen, zult u weten dat u mij genoegen zult doen met nu verder te
+gaan....
+
+--Goed dan. Ik begon te voelen dat mijn persoonlijkheid anders gebouwd
+was dan die van de Nieuwegidsers. Geestelijken inhoud hadden zij niet
+voor mij, ik zeg voor mij. Wat ik al vroeg ging zoeken, dat was den zin
+van het leven, de vraag: wat ben ik eigenlijk, hoe is het leven, hoe
+staan we tegenover de wereld? het gewone zoeken naar een
+levensovertuiging. Naarmate die drang tot zoeken sterker in mij werd,
+heb ik gezien dat ik in het leven van den typischen Nieuwegidser voor
+mijzelf nooit antwoord zou vinden. Het is voor mij ten slotte gebleven
+een beweging van buitengewoon interessante menschen, psychologisch en
+artistiek, maar ze zijn voor mij nu, behalve om het mooie wat ze gaven,
+vooral van belang, omdat onder hun handen de taal pas is geworden tot
+een werktuig, in staat om het geheele moderne leven in zich op te nemen.
+Hun beweging kreeg voor mij de beteekenis van een taalreactie, een
+fijn-maken en los-maken van de taal. Ik had mij blindgestaard op die
+hartstochtelijke jonge menschen die rondliepen in Amsterdam en hun leven
+vulden met de Schoonheid, maar ik zag weldra de grenzen van deze
+persoonlijkheden en hoe hun beweging verliep en verloopen _moest_. Ik
+hield hen in het begin voor jonge Goden, en dacht dat nergens op de
+wereld zoo iets was te vinden. Daarna, toen ik ouder werd en mij bij hun
+werk onvoldaan bleef voelen, heb ik mij voornamelijk aan buitenlandsche
+en oudere kunst gegeven, waarin ik een zoeken vond als het mijne en
+waarin velen voor hun persoonlijkheid gevonden hadden, wat ik zocht.
+
+Die opmerking van een andere letterkundige over de "Nieuwe Gids" waarvan
+u daarstraks sprak, trof me.[9] Dat zij alleen het midden en niet het
+einde kenden. Volkomen waar. Maar ik zelf, mijn diepste wezen voelt zich
+niet voldaan wanneer ik bij een dichter niets anders vind dan den zang
+van het oogenblikkelijke leven, ik _mis_ dan het begin en het einde. Ik
+wil datzelfde oogenblikkelijke leven, maar voelbaar als de golf van een
+vloed, niet als afzonderlijke golf. En ik mis er ook in: het begrip, de
+aanvoeling van het geheele leven, waartoe de oogenblikkelijkheden zich
+kristalliseeren, waardoor zij allen als facetten worden die te zamen het
+eene kristal van de Levens-idee vormen en die feitelijk in haar essentie
+dezelfde is als het wezen van dien onderstroom, waaruit het
+oogenblikkelijk leven opgolft, of oprimpelt. Dat miste ik in de "Nieuwe
+Gids", en daarom konden zij voor mij geen geestelijke leiders zijn, en
+het in schoonheid geestelijk leider zijn lijkt mij een van de
+allerbelangrijkste dingen van het dichterschap, niet als tendenz er van,
+maar als wezensdeel van het dichterschap.
+
+--Maar u hebt voor u zelf toch wel een antwoord gevonden op de vragen,
+die u straks noemde?
+
+--Ik heb het soms gedacht, maar ik moet zeggen: Neen.
+
+Mijn heele werk staat in het teeken van de zoekerij. In mijn
+"Uitzichten" heb ik een afdeeling "Zoekers" geschreven, en ik heb daarna
+later nog het gevoel gehad van volkomen "Bevrijding" uit die
+onzekerheid, maar in den grond van de zaak ben ik gebleven in de periode
+van de zoekerij, en dit vindt u dan ook in mijn geheele werk. Het is
+misschien een veeg teeken voor mijn poezie, dat ik na al die jaren van
+zoeken nog niet ben gekomen tot een levensinhoud, maar dichterlijk is
+dit zoeken het motief van mijn werk, dus waarom zou ik het hier niet
+zeggen?
+
+Ik ben altijd gestruikeld over den tweespalt tusschen gevoel en
+verstand. Mijn gevoel zegt zus--mijn verstand begint het dialectisch te
+ontleden en zegt: Neen, niet zus. Het is bij mij uitgegaan van de
+epicuristische grondbeginselen, en ik ben nooit tot een andere conclusie
+gekomen, dan dat het leven is een koorddansen boven den afgrond. Een
+typisch voorbeeld vind ik De Regnier, een man van geweldige melancholie,
+zeker een van de meest pessimistische menschen die ik mij ooit kan
+voorstellen, en het eigenaardige is nu, dat de eene helft van zijn werk
+dit gevoel zuiver weergeeft en de andere helft bestaat uit verzen van
+enkel plastische schoonheid. Hij is innerlijk overtuigd van de ijdelheid
+van het geheele leven, maar zijn oogen vonden de uiterlijke schoonheid
+van de wereld en zijn daarmede vervuld. Dit genot hebbend, schijnt hij
+dan zijn droefgeestigheid te kunnen vergeten. Maar ik kan niet inzien,
+hoe men dat voortdurend knagende gevoel van de redeloosheid van het
+leven tot zwijgen kan brengen met de schoonheid, alsof die een
+narcotisch middel daartegen ware, alsof niet juist de schoonheid er
+voortdurend aan herinnert, dat zij een begoocheling is over een leegte.
+Ik kan het niet inzien, ik ben er misschien nog te jong voor....
+
+De inhoud van mijn werk is dus zoeken en nog eens zoeken. Natuurlijk
+zijn mijn verzen ingegeven door bepaalde ondervindingen, maar
+ondervindingen zijn voor mij nooit impressionistische gegevens. Het gaat
+bij mij zoo, dat iets dat ik beleef plotseling aanleiding kan zijn om te
+schrijven, en een boel van dezelfde levenservaringen in mij los maakt.
+Men heeft allerlei ervaringen die nooit tot een gedicht doen komen, maar
+een bijzondere aandoening die veel sterker is--maar dat hoeft
+niet--treft je zoo, dat al die andere van vroeger in je hart worden
+losgemaakt ... en dan komt het vers ... als een lied, niet van dat eene
+ding, maar van al die dingen te zamen.... Ja, hoe kwam ik daar ook weer
+toe, wat was het begin van dien zin....
+
+--U zocht naar de beteekenis van het menschelijk leven. Mag ik u vragen:
+bedoelde u daarmede de beteekenis van uw leven, de vraag, waarom
+bepaalde wederwaardigheden juist u getroffen hebben ... met heel in de
+verte een idee aan een voorzienigheid ... of de beteekenis van het
+menschelijk leven in het algemeen ... met de daaraan vastgeknoopte vraag
+naar een wereldbeginsel?
+
+--Dat hangt samen. De groote grondstof, die het onderwerp is van de
+poezie, is het menschelijk leven. Ik word dikwijls aangezien voor een
+aesteet, vooral vroeger was dat zoo, maar in de kunst is voor mij altijd
+de mensch die er achter zat het belangrijkste geweest. Ik stel hooge
+technische eischen, maar zoodra achter de kunst de mensch te voorschijn
+komt, die zich krachtig of persoonlijk uit ... het moet natuurlijk geen
+stumperen zijn ... dan kan de heele kunst me niet veel meer schelen, als
+hij mij maar beweegt. Nietzsche zegt: ik ben eerst Schopenhaueriaan
+geweest, maar toen ik de gebreken in het systeem ben gaan zien, heb ik
+toch mijn liefde behouden, want: de groote philosoof staat voor honderd
+philosophieen. Zoo mag ik zeggen: de groote dichter staat voor honderd
+gedichten. Dat klinkt Heidensch, maar is 't niet. Want de naam "groote
+dichter" vooronderstelt dat hij werkelijk dichter _is_, dat is voor
+alles een schepper.
+
+Een van mijn grootste liefden is Dostojefski, die toch de meest
+chaotische dingen gemaakt heeft, die ik mij kan denken. Maar welk een
+rijkdom aan menschelijke ervaring en ontroering en philosophie! Voor mij
+is hij een van de allergrootste figuren van de negentiende eeuw geweest,
+gelijk Goethe dan van de achttiende. Zijn geheele werk behandelt het
+zoeken naar den zin van het leven, en naar een ethiek, daarop gebouwd.
+En nu laat hij een van zijn figuren zeggen: Ge moet het leven liefhebben
+boven den zin van het leven....
+
+Daartoe heb ik nooit kunnen komen, en toch voel ik dat ik dat noodig
+heb. Ik ben er niet in geslaagd het leven met geheel mijn gevoel en
+geheel mijn intellect te zaam lief te hebben, zoolang ik den zin van het
+leven niet gevonden heb.
+
+Nu verhoudt mijn poezie zich op een bijzondere manier tegenover mij
+zelf. Onder het dichten zelf bereik ik, dat ik alle tweespalt geweken
+voel. Daarom is het een hoogtepunt in mijn leven, ik voel mij als een
+wijde organische eenheid, die geaard is als het leven zelf. Het is of
+mijn gevoel zich dan meester gemaakt heeft van mijn intellect, of ze in
+elkaar gevloeid zijn, en in elkaar gevloeid vereenigen zij hun
+ervaringen, en soms zelfs het verhaal van mijn twijfel schrijvend, heb
+ik een gevoel van vervuldheid, dat ik daarna dan weer moet missen. Dan
+is de scheiding er weer, en dat het zoo geweest is helpt mij niet, omdat
+mijn verstand niet meer zeker is, _of_ het geen nederlaag geleden heeft
+en _of_ dat gevoel van geluk geen valstrik was. Maar in zoo'n oogenblik
+heb ik toch gevonden, heb ik het in mij, als gevoel....
+
+--U verkondigt dus de levensbeschouwing dat...?
+
+--Ik vraag mij natuurlijk af wat het belang van mijn werk is, wat ik de
+menschen geef voor positief geestelijk voedsel behalve de poetische
+schoonheid--en dan kan ik niet zeggen dat ik dat op het oogenblik in
+mijn poezie geef ... maar wanneer ik werkelijk iets zal hebben bereikt
+en gevonden--dan zal al wat eraan voorafgaat het belang hebben dat het
+is de weg, waarop een moderne mensch tot zijn oplossing is gekomen....
+Dit sluit in zich, dat ik over het innerlijk van mijn werk nog geen
+bijzonder hooge gedachte heb....
+
+--Maar u is het met mij eens, dat de sociologische beteekenis van den
+dichter is, dat hij, zooals ik in mijn voorrede zeg, geeft het
+voorgevoel van een levensbeschouwing?
+
+--Inderdaad heeft de dichter een groote functie in de gemeenschap, omdat
+hij altijd de essencie van het leven zelf geeft en als aanvoeler van het
+leven de groote dingen des levens laat voelen en denken, het leven van
+anderen dus intensiever maakt.
+
+--Lezer, geen van de schrijvers die ik tot nu toe bezocht, heeft zich
+zoo duidelijk met mij gesteld tegenover het ethisch agnosticisme, dat
+naar ik meen de inhoud was van "De Nieuwe Gids". Ge kunt begrijpen dat
+ik hier den jongen dichter onderbrak en met eenige spanning (in het
+gesprek terug-grijpend) vroeg:
+
+... Zoeken, toch met de zekerheid dat het antwoord gevonden _kan_
+worden?
+
+Maar ik viel uit de wolken:
+
+--Ik zoek niet met de zekerheid dat gevonden kan worden, luidde het
+antwoord, na lang peinzen gegeven, anders had ik het voornaamste al
+gevonden. Als je weet dat de zin des levens er is, dan heb je hem al,
+maar ik weet niet dat de zin des levens er is....
+
+Ik kan mijzelf een gemeenschapsdichter noemen in een geheel anderen zin
+dan de socialisten. Naar den schijn zoudt ge niet zeggen dat het zoo is,
+maar in werkelijkheid is het zoo: De redeloosheid van het leven en het
+verdriet van den mensen is mijn geheele aanleiding. Mijn geheele liefde
+is voor het menschelijk leven, den mensch bezig zien in zijn doen en
+laten is mijn grootste genot, al brengt het weer tot verdriet. Ik kan
+mij niet uiten, zonder mij mensch onder de menschen te voelen, en het
+kan niet anders of, wanneer ik mijn innerlijk leven uitspreek, spreek ik
+ook voor de andere menschen. Ik voel me zelf niet als individu, maar als
+mensch.
+
+--Maar toch niet als dichter van de gemeenschap?
+
+--Neen, tenminste wanneer u die uitdrukking in leerstelligen zin
+gebruikt, want dan kom je precies op het verkeerde standpunt terecht.
+Een dichter van de gemeenschap is voor mij bijna een onmogelijkheid.
+Want de mensch heeft ongelooflijk veel aan een groote menschelijke
+persoonlijkheid, en zoodra u spreekt van een dichter van de gemeenschap,
+zoudt ge tot een poezie komen die, wanneer ze werkelijk poezie van de
+gemeenschap was, de opheffing van de persoonlijkheid des schrijvers zou
+beteekenen. Poezie wordt op die manier de grootste gemeene deeler op de
+onderdeelen der gemeenschap. Wat blijft er dan over van haar hooge
+idealiteit?...
+
+Daarom ben ik het zoo vreeselijk oneens met Adama van Scheltema, wanneer
+hij zegt, dat je zoo moet schrijven dat zooveel mogelijk menschen het
+begrijpen. Dat is voor mij eenvoudig anti-poetisch. Ik geloof dat je een
+van de meest wezenlijke dingen van de poezie ontkent, door dit te
+zeggen. Neen, je moet zoo schrijven dat je denkt: Nu is mijn gevoel
+volkomen tot uiting gekomen, en of het nu voor velen of voor weinigen te
+begrijpen is, daar heb je niets mee te maken. Anders ga je, consequent
+redeneerend, het hoogere, het diepere geestelijke leven uit de poezie
+sluiten. Het groote geestelijke leven is niet voor de meerderheid. Die
+heeft daar geen behoefte aan en ook niet de capaciteiten om het te
+doordenken. De uitslag zou worden, dat de poezie maar een klein stukje
+van het menschelijk leven beslaat, en het allerbelangrijkste er buiten
+laat. Zinrijk heeft Goethe dan ook gezegd:
+
+ Wer den Dichter will verstehen
+ Muss in Dichters Lande gehen.
+
+Dat is een wet van alle tijden voor de poezie. Is wat je denkt en voelt
+moeilijk en ingewikkeld, dan zal het gedicht ook niet makkelijk zijn en
+is toch voor den grooten hoop niet te doorvoelen. Je kunt probeeren het
+niveau van de meerderheid naar je op te trekken,--dat is zelfs het
+heerlijke doel van de kunst--maar zeker moet je niet je eigen niveau zoo
+laag zetten, dat je kan hopen dat een zoo groot mogelijke meerderheid
+erheen zal gaan.
+
+Een dichter moet in niets anders leven dan in de aandoening, in de idee
+die hij aan het dichten is. Hij moet niet met zijn verstand een
+geleidertje bij zijn werk zetten, dat toekijkt of hij wel zoo schrijft
+dat vele menschen het zullen kunnen lezen. Dan is de toestand niet
+zuiver meer en is de poezie vertroebeld. De inhoud dwingt den vorm, die
+dan zoo zeker al de eigenschappen van den inhoud aanneemt, dat zij niet
+meer te scheiden zijn. Er is dus ook maar een goede vorm voor elk
+gedicht, en het is dan ook niet aan den dichter, om dien willekeurig te
+bepalen om redenen buiten het gedicht zelf.
+
+Ik heb nooit begrepen wat de socialisten met hun socialistische poezie
+bedoelen. Ik kan niet inzien dat de stof van poezie ooit iets anders zou
+zijn dan vormen en verschijnselen van menschelijke ontroeringen, zooals
+liefde, haat, angst, vreugde, en ik kan mij niet voorstellen dat die in
+hun essentie ooit veranderen zouden. Zoo blijft het voornaamste element
+in de stof van poezie altijd hetzelfde, de kleuren, nuances alleen
+veranderen, en daarmee blijft een van de bestanddeelen van poezie, die
+haar haar groote waarde geven, altijd gelijk. Het andere bestanddeel zit
+in het poetische wezen zelf, de scheppingskracht in het gedicht. Ik heb
+daar al eens over geschreven in "De Beweging". Voor mij is een gedicht
+niet een soort middelaar, waardoor een dichter zijn leven overgiet in
+een lezer, maar een heel eigenaardig, onafhankelijk wezen, dat een
+mysterieus, vruchtbaar leven heeft. Er is een inhaerente en latente
+levenscheppende kracht in, de poetische potentie van een vers heb ik dat
+genoemd, die is onverwoestelijk in elk goed gedicht en kan niet vergaan.
+Wanneer je goed nadenkt, is de algemeene menschelijke ontroering in het
+gedicht misschien zelfs maar een vooronderstelling van de poetische
+potentie, omdat die als scheppende kracht hoofdzakelijk algemeene,
+oergevoelens moet bewerken, al zijn die dan door een dichterhart
+heengegaan en al hebben zij de trekken van zijn persoonlijkheid
+gekregen. Ach, al die dingen bepalen elkander eigenlijk allemaal over en
+weer, dat maakt de poezie juist zoo iets vreemds. Maar dat alles zien de
+socialistische dichters als Henriette Holst en Gorter over het hoofd.
+Over burgerlijk leven spreken ze, en over burgerlijke ideeen....
+Maar--als ideeen uit werkelijk gloeiend leven zijn opgekomen, dan hebben
+ze altijd waarde, en zoo hebben de groote socialistische ideeen waarde
+als de andere. Dat is het juist wat alle tijdelijke ideeen redt voor de
+poezie.... Zij leggen den klemtoon op het socialistische--ik op de
+poezie. Het socialisme is iets accidenteels en het essencieele is de
+poezie. Ik geloof dan ook niet, dat ooit iets dat werkelijk poezie is,
+zijn waarde zal verliezen als eens een andere tijdsorde is aangebroken
+met andere gedachten en andere verhoudingen. De groote waarde van de
+kunst is juist dat ze al die tijdelijkheden overwint.
+
+--Hiermede had Van Eijck de voornaamste punten van mijn schema
+behandeld. Gevraagd of hij hier nog iets aan toe had te voegen, zeide
+hij, even te willen spreken over zijn positie in de Nederlandsche
+literatuur van onzen tijd:
+
+--Ik ben--zoo begon hij--vaak uitgescholden (dat woord uitgescholden
+deed het hier kostelijk!) voor volkomen richtingbewust. Ik ben dat in
+zooverre, dat mijn streven er altijd op gericht is geweest ... och neen,
+laat ik daar maar van zwijgen, daar heb ik straks al te veel van
+gezegd..., en dat dan zuiver uit te drukken, maar men mag niet van me
+denken, dat ik mijn geheele leven naar een intellectueel schema zou
+opzetten, en daarvolgens zou leven en werken. Dat is absoluut niet
+waar. Ik heb geen intellectueel schema. Wanneer mijn werk wel eens den
+indruk maakt van intellectualisme, dan komt dat, omdat in mijn
+persoonlijkheid de intellectualiteit sterk werkt. Maar ik heb nooit een
+gedicht geschreven dat niet een zuiver persoonlijke ervaring was. Ik wil
+leven geven, en is in het menschelijk leven het intellect niet een van
+de voornaamste factoren? Moet die dan buitengesloten worden? Ik begrijp
+niet hoe Van de Woestijne altijd maar kan beweren, dat het, ik zal maar
+zeggen ons, om bewuste reflectie en bewuste verbeelding te doen is. Hij
+kan beter weten. Het intellect moet het gevoel bevruchten, en het gevoel
+het verstand, en de vrucht zal dan zijn, dat warme, wijze, diepe
+geestelijk leven, waarnaar ik verlang en waaraan eigenlijk de heele tijd
+zoo'n behoefte heeft. Natuurlijk zal mijn poezie anders zijn dan de
+"Nieuwe Gids" ons heeft leeren te genieten en--men verwart zoo dikwijls
+geestelijk leven met intellectualiteit. Ik ben voor mijzelf in de poezie
+zelfs zeer sterk een antipode daarvan. Ik word kriebelig, wanneer ik
+intellectualistische poezie lees.
+
+Een groot geestelijk leven--dat is het wat ik voor mijzelf zou willen en
+in anderen zoo bewonder en dat is ook mijn groote bewondering voor
+Dostojefsky, omdat die in alle richtingen het leven heeft doorpeild met
+zijn gedachten, ook in richtingen die tegengesteld waren aan de zijne.
+Maar gedachten zijn bij hem hartstochten! Zijn figuren zijn geen
+menschen die behalve een heele boel andere, ook nog den hartstocht van
+hun gedachte hebben, neen, zij worden door die eenen hartstocht
+verslonden en alles, alles van hen wordt door dien hartstocht bepaald.
+Zulke persoonlijkheden hebben op de menschheid grooten invloed en naar
+zulke dichters vraagt de menschheid. Hij heeft voor zichzelf een
+positieve levensbeschouwing gevonden. Ik sta nog aan den kant van de
+menschen die hij in zijn werk tegenover zich zelf stelt. Hij geeft zijn
+positieve idealen en stelt daartegenover het geestelijke dat hij in alle
+richtingen heeft doorleefd--want niemand heeft zooveel aan den Twijfel
+geleden als juist hij.... Zijn Iwan Karamasoff is een figuur waarin ik
+mijzelf weerspiegel. Hij heeft het probleem van het werkelijke
+atheisme--niet wat de liberale burgerman daaronder verstaat!--doorvoeld,
+en dat heeft hij in zijn figuren levend gemaakt--niet als gedachten,
+maar als brokken brandend leven! Maar boven de groote gevoelens van het
+moderne leven, van hartstocht en twijfel en wanhoop, heeft hij een
+ideaal gevonden dat hem, niettegenstaande al zijn ellende, is gaan
+vervullen en de hoogte van dat ideaal is te meten naar de diepte van
+zijn twijfel, waarvan hij het volle begrip behouden heeft.
+
+Tegenover heel veel menschen met vaste levensopvattingen begin ik
+sceptisch te staan, omdat ik niet weet uit welke basis die
+levensopvatting is opgekomen--of er de groote Twijfel aan is
+voorafgegaan--of er een diepe ziel achter zit,--maar wanneer ik
+Dostojefsky's groote twijfelaars lees, dan weet ik uit welken ondergrond
+zijn positief ideaal is opgerezen, en dat geeft mij ook de hoop en het
+geloof dat ik voor mij zelf zal vinden. Vindt u het niet typisch, dat
+bijna al die zelfkwellers van zijn boeken onder de dertig zijn? Dat
+beteekent voor mij veel, want hij schreef ze toen hij veel ouder was....
+En ik weet, dat wanneer ik heb gevonden, ik niet heb gevonden voor
+mijzelf alleen--maar voor duizenden.
+
+En wanneer ik dan talent genoeg heb--dan zal ik een geestelijk leider
+kunnen zijn. Daar zit geen hoovaardigheid in--want er zijn twee
+praemissen: Ten eerste dat ik zou vinden; ten tweede dat ik talent zou
+hebben. Ik hoop op den goeden weg te zijn naar dit ideaal, en dat ik
+bewust de dingen wil die voor den sterkeren dichter noodzakelijk zijn,
+is voor mij van belang. Men moet toch reiken, wil men iets _be_reiken.
+In den bouw van mannen als Kloos en Gorter ontbreken die elementen en
+dit maakt dat ze nooit tot een van de groote leiders van de menschheid
+konden worden, al was Kloos toch een groot dichter. En nu meen ik, dat
+in hen die men thans de jongere dichters noemt, en die misschien wel
+weer andere elementen missen, laat ik dat er bij zeggen, een paar
+elementen zijn, noodwendig voor groote leiders--zoodat het alleen van
+hun persoonlijk talent of genie afhangt of ze het werkelijk zullen zijn.
+
+Nu is u toch wel duidelijk geworden--niet waar--dat er in mij niets is
+van een intellectueel schema, maar wel een streven naar zuiver en diep
+leven--dat is: een door een sterke persoonlijkheid doorvoeld leven, dat
+ik niet im Voraus in banden mag knellen. Dat _dit_ mijn streven is--een
+van de meest karakteristieke dingen van mijn werken--de adem die er
+doorheen gaat--is daarvan het bewijs. En ik wil even zeggen, dat iemand
+die mij voor intellectualistisch houdt, mijn studies maar behoeft te
+lezen om te zien, wat de hoofdzaak is wat ik begeer. In al mijn studies
+tracht ik een psychologische synthese te geven van den mensch die in een
+bepaald werk leeft en van de manier waarop hij het leven voelt. Mijn
+critieken zijn opgebouwd uit bewondering en enthousiasme voor den mensch
+die achter het werk zit.
+
+--Wij hebben nog lang gesproken over dingen die hier minder ter zake
+doen. Hij meende dat ons onderhoud min of meer mislukt was, dat hij zich
+te onbestemd, te woordenrijk, te aarzelend had uitgelaten. Ik echter
+maakte hem het volgend compliment: In tegendeel, U lijkt wel een Belg.
+Ik bedoelde dan: een intellectueele Belg. Dit zijn Belgen niet gauw
+naar mijn ondervinding, maar als ze het worden, zijn 't zeer fijne
+cosmopolitische geesten en--dan zijn ze er vroeg bij, hebben een
+gevestigd oordeel over de dingen des levens als een ander nog
+studeert.... Om de waarheid te zeggen--ik overdreef een beetje om hem
+gerust te stellen, want hij was bang dat hij dien nacht in bed allerlei
+ideeen zou krijgen, die hij mij had moeten mededeelen. Ik twijfelde toch
+wel een klein beetje, of ik den weg zou kunnen vinden in den berg
+aanteekeningen, die ik had gemaakt, terwijl hij geagiteerd-moeilijk en
+toch niet buitengewoon snel tot mij sprak. Maar zoodra ik buiten stond,
+voelde ik de Eenheid in hem, en zijn enthousiasme bleef mij bij toen ik
+dien avond mij gaan liet door het gistende Den Haag.
+
+
+BIBLIOGRAPHIE:
+
+De getooide doolhof (1909)--Worstelingen, Getijden, (1910)--De Sterren
+(1911)--Uitzichten (1912)--Bevrijding (1913).
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[9] Dit was een opmerking van mij zelf. Ik had beweerd, dat achter de
+Nieuwe-Gidskunst de wereldbeschouwing van het positivisme voelbaar is,
+die aanneemt dat men niet begin (oorzaak) en einde (doel) van de
+verschijnselen kan kennen, maar slechts het "midden" (--heden).
+
+
+
+
+BIERENS DE HAAN
+
+[Illustratie: Foto P. Clausing Jr.--Haarlem Dr. J.D.
+BIERENS DE HAAN (eind 1913)]
+
+
+(* 1866)
+
+De lezer wete, dat Bierens de Haan tot de zeer enkelen behoort, die mij
+in den tijd dat ik mijn weg nog moest zoeken, zonder overhaasting hebben
+aangehoord en mij den raad hebben gegeven, die over de moeilijkheden van
+het begin heen voert. Voor 't eerst maakte ik toen intiemer kennis
+meteen werkelijk wijsgeers-temperament. Mijn groote dankbaarheid heb ik
+nooit nadrukkelijk geuit, maar wel in mijn houding doen blijken, en zoo
+is er in den loop der jaren een zekere vertrouwelijkheid ontstaan. Dien
+morgen echter zat hij tegenover me met een glimlach, dien ik nog niet
+van hem kende. O, hij was mij niet vreemd geworden! Hij heeft de
+eigenaardigheid, die ik overigens vooral bij schilders heb opgemerkt,
+dat niemand hem absoluut vreemd is; zijn onbewust maar zeer actief
+indringingsvermogen geeft reeds bij eerste ontmoeting de gewaarwording
+dat hij u jaren kent. Maar de eigenlijke verkwikkende voeling kwam pas,
+toen ons "interview" was afgeloopen en hij niet meer met een zekere
+reserve door mijn aanteekenboek heen tot het publiek sprak. Na de eerste
+verwelkoming--hij had in een fauteuil naast mij gezeten--stond hij
+vastbesloten op en bereikte in een paar stappen zijn werktafel. Ik zeg
+met voordacht: een paar stappen. Want terwijl zijn rijzige gestalte met
+enkele losse en toch sierlijk-bedwongen bewegingen door de kamer ging,
+had ik het gevoel dat hij een zaal doorschreed en dat er een groote
+afstand lag tusschen de mij zoo bekende werktafel, waaraan hij plaats
+nam, en mijn stoel bij het venster. Tot dezen prijs dus had ik het
+korte, heusche briefje gekocht waarmede hij mijn verzoek om een
+"vraag-gesprek" inwilligde! Ik besefte dat er voor hem groote
+zelf-overwinning mee gemoeid was, dat hij het publiek den _groei_ van
+zijn persoonlijkheid ging verhalen: Een sterk geconcentreerd gemoed is
+een _geheel_ en sluit de wonden die aan zijn oorzaken herinneren; het is
+zijn grootste genot zichzelf onafhankelijk te bezitten en zijn vroegere
+afhankelijkheid te vergeten. Maar mijn gastheer, nu hij uit
+vriendelijkheid en belangstelling voor mijn werk eenmaal had toegestemd,
+deed van de moeilijkheid waarin hij zich bevond verder niets blijken.
+Hij debiteerde niet de gemeenplaats, dat hij "het land had aan
+persoonlijk gedoe", welke ik in den laatsten tijd wel eens heb hooren
+uiten in een toon en een tempo, die de woorden ten duidelijkste
+weerspraken. Slechts dat fijne gebaar van zich terugtrekken verraadde
+(of verkondigde?) de opoffering die hij overigens glimlachend
+volvoerde,--gelijk oprechte offers plegen te worden gebracht. En zich
+verontschuldigend, dat hij het een en ander had opgezocht en dus niet
+onvoorbereid was en zijn antwoorden niet improviseerde, deelde hij mij
+het volgende mede:
+
+In September 1887 is hij begonnen "De Nieuwe Gids" te lezen met groote
+sympathie en met een zekere terughoudendheid. De sympathie gold de
+volkomen vrijmaking, die de nieuwe beweging bracht: Ik voelde dat dit
+het punt was van overeenkomst tusschen hen en mij: er moest op dat
+oogenblik absolute vrijheid zijn, dat wil zeggen: Het subject moest
+geheel zich zelf kunnen wezen en dus de banden, de zeden die tot nu toe
+waren vastgesteld, moesten losgemaakt worden. Dat was het, dat ik
+sympathiek vond en daarbij kwam: Het doen gelden van de directe levende
+waarde van het Woord. In het woord heb ik altijd mijn eigen leven
+teruggevoeld: Het woord moest levend zijn, de mensch moest het woord
+hebben om zijn innerlijk te uiten. Dat had ik al voorvoeld bij het lezen
+van Milton en Shelley, maar omdat het geen Nederlanders waren, was toch
+nooit het besef van het levende woord zoo tot mij doorgedrongen als toen
+"De Nieuwe Gids" mij daarvan de openbaring gaf.
+
+Deze twee elementen zijn de aanknoopingspunten geweest, waardoor hij
+zich--hoewel jonger dan de leiders--in de beweging voelde staan. Maar
+tegelijkertijd voelde hij een zekere terughoudendheid, omdat hij inzag
+dat het intellect, het geestelijk gehalte, ontbrak: Het was als het ware
+"Lyriek zonder idee". Hoewel nog zeer in het onbepaalde, begreep hij wel
+dat lyriek en idee op een of andere wijze verbonden moesten worden: Het
+zoo uitsluitend impressionistisch gevormde woord heeft mij
+tegelijkertijd aangetrokken en onbevredigd gelaten.
+
+Hij was toen student in Amsterdam, waar hij een jaar gestudeerd heeft,
+voor hij naar Utrecht ging. Te Utrecht vond hij in de studentenwereld
+een vrij duffen geest. Er was nog niets bekend van wat in de hoofdplaats
+van ons land de gemoederen in beroering bracht. Hij poogde de
+studentenmaatschappij wat schoonheidsgevoel en wat nieuw-letterkundig
+gevoel bij te brengen, maar zonder succes. Hij schreef in dien tijd in
+realistisch-impressionistischen trant eenige verhalen en naderhand onder
+pseudoniem een enkel stuk in "Nederland", maar bij dien schrijftrant is
+hij niet lang gebleven "omdat mijn studie mij ook riep naar meer
+speculatieve waarden." Toen zijn een tijdlang Fransche schrijvers als
+Verlaine, Maeterlinck, Hello zijn gidsen geweest, vooral de laatste om
+de mystische grootschheid en ideerijkheid van zijn woord. Ik weet niet
+of ik hen nu nog zoo hoog stel als vroeger.
+
+Dit heeft zijn heele denken geleid in een richting, verwant en toch weer
+niet verwant aan "De Nieuwe Gids". Het eenige stuk waaruit dit duidelijk
+blijkt is geweest, in den laatsten jaargang van de oude serie van dat
+tijdschrift, een "Psychologie van het leven". "Dat stuk," zoo verhaalde
+hij mij, is zeker heel onvolmaakt, maar het toont toch dat mijn werk een
+andere richting uitging dan de zuiver literaire, waar ik mij tevoren toe
+had geroepen gevoeld.... Ik blijf de "Nieuwe Gids" eeuwig dankbaar voor
+de openbaring van de zinnelijke waarde van het woord, dat het woord niet
+een abstractie is, maar een direct symbool, waarin ons innerlijk zijn
+sprekend equivalent kan vinden. En wanneer ik bescheidenlijk zeggen mag,
+dat ik eenigen stijl heb, dan is 't omdat het woord altijd voor mij die
+waarde heeft behouden en nooit abstract geworden is. Ik meen dat dit ook
+het groote onderscheid is tusschen de wijsgeerige schrijfwijze van
+vroeger en mijn schrijfwijze--dat toen het woord alleen gold als term en
+wij nu het woord als een levend bezit kunnen handhaven. Er is een zekere
+zinnelijkheid in het woord, dat onmisbaar is om het woord zijn
+beteekenis als levend equivalent van den geest te doen behouden.
+
+In dien tijd werd "De Kroniek" opgericht en dit was het terrein waarop
+hij zijn eerste werk heeft geleverd. Hij woonde toen in een uiterste
+hoekje van Twente. Hij genoot daar op bijzondere wijze van zijn
+landelijke omgeving. Die landstreek had iets geheimzinnig eenzaams, dat
+hij sindsdien nergens heeft teruggevonden. Typisch voor de
+afgeslotenheid waarin hij leefde is wel, dat de menschen daar hem "de
+Hollander" noemden. Het kan wel zijn dat het mijn gemoedsstemming was,
+die zich daarin weerspiegelde, maar die geheimzinnige eenzaamheid, met
+de eigenaardige flora, die ik ook nooit meer heb teruggezien, wekte een
+sterke eenheid met de natuur in mij op. Dat geeft een zoo lokale kleur
+aan je gemoed, dat het waarschijnlijk voor anderen niet zoo benaderbaar
+is als voor den persoon die het zelf heeft doorleefd. Een streek--van
+moeras en heuvels--in groote eenzaamheid--ver van alle verkeer gelegen.
+Ik woonde er ook geheel als vreemdeling. En dit gaf mij die buitengewone
+bekoring van terug te duiken in het natuurleven, en dus heel sterk dien
+band te voelen met natuur en zinnen, die behoedt tegen louter abstract
+zijn, waartoe de wijsbegeerte zoo licht aanleiding kan geven.
+
+In samenhang daarmee en in tegenstelling tegelijk, heb ik mij toen meer
+rechtstreeks stelselmatig toegelegd op de wijsgeerige studie. Ik ben
+begonnen met de positivistische philosophie van Hume--waarschijnlijk
+omdat men meestal begint met met zijn vijanden af te rekenen. Die vijand
+namelijk is een element van ons eigen gemoed. Als hij niet in ons woont
+bestrijden we hem niet.... Ja, deze leer woonde in mijn gemoed en dat
+was voor mij een aanleiding om het positivisme ernstig te onderzoeken en
+tegen-motieven te vinden. En van Hume kwam ik op Spinoza.
+
+Mijn eerste studie in "De Kroniek" was een stuk over Spinoza. Ik meende
+in hem een levensleer te vinden die uitgaat van de geestelijke Idee.
+
+Daarmede had ik mijn werk gericht in de lijn der wijsbegeerte en ben
+toen uit de directe omgeving van de literatuur losgeraakt. En onderwijl
+heb ik voor mij zelf een reeks kennis-theoretische studies ondernomen,
+die ik nooit gepubliceerd heb en die wel zeer onrijp zullen wezen, maar
+die voor mij dit voor hadden, dat ik nu het Kennen leerde beschouwen als
+een geestesarbeid, en dus onzen geest als _activiteit_, in tegenstelling
+tot de positivistische opvatting, die ons geheele geesteswerk beschouwt
+als een associatie, als een soort van natuurproduct.
+
+Maar Spinoza heeft weldra mijn liefde gekregen, en er zijn weinig weken
+in mijn eerste tiental studiejaren geweest, dat ik niet in Spinoza
+gewerkt heb....
+
+Wanneer u nu vraagt naar de vrucht van de periode, waarin dus eenerzijds
+in mij het levende natuurgevoel en de zinnelijke waarde van het woord
+versterkt werden en anderzijds in mij de bewustwording van de Idee werd
+aangekweekt, dan verwijs ik u naar mijn bundel _Idee-studies_. Ik had
+onderwijl een paar studies geschreven: de eerste was over het
+oorzaak-begrip, en met de tweede was ik in de gewenschte lijn gekomen:
+zij was getiteld: "De norm der Waarheid is in ons zelf". De geestelijke
+waarde werd daarin vastgesteld als een eigenschap van eigen
+subjectiviteit. Daardoor krijgen de denker zoowel als de artiest het
+recht tot zelf-openbaring. En zooals de artiest zijn zelfopenbaring als
+schoonheid aanziet, heeft de denker het recht zijn zelfopenbaring als
+waarheid te erkennen. Ik stelde dus een parallel tusschen denker en
+kunstenaar vast. Maar de idee-studies zijn dan, eigenlijk, laat ons
+zeggen, de rijpe vrucht van die periode, waarvan ik de twee zijden nu
+tegenover elkaar heb uiteengezet.... Ik heb daar veel pleizier van gehad
+en ben juist bezig aan het bewerken van een tweeden druk: het is zeer
+eigenaardig, weer in de sfeer te komen, waarin ik toen een pooslang heb
+geleefd. Ik heb er eenige studies aan toegevoegd, die ook uit
+denzelfden tijd zijn. Het blijkt mij ook, dat de idee-studies bij vele
+verwante gemoederen sympathie hebben gevonden.
+
+--In hoeverre heeft, volgens u, de Nieuwe-Gidsbeweging leiding gegeven
+aan het geestelijk leven in ons land?
+
+--Ik gevoelde dat er een groot verlangen was naar een nieuwe kunst en ik
+was verzekerd dat de "Nieuwe Gids" die geven zou. Ik kon nog niet zien
+de personen die hem zouden geven, omdat in de verschillende leiders zeer
+schoone eigenschappen zichtbaar waren, maar geen aanwijzing van het
+groote werk dat door henzelve beloofd werd. Ik meende ook dat de
+nieuwere tijd een speculatiever inhoud zou hebben dan alsnog door de
+"Nieuwe Gids" werd gegeven. Maar dat de beweging een noodige heilzame
+was voor de vernieuwing van het bewustzijn, voor de vrijmaking van den
+geest, en dat de nieuwere cultuur in het verlengde daarvan liggen zou,
+dat heb ik direct geloofd. Ik meen ook dat de wijsgeerige beweging een
+afstammelinge is van de Nieuwe-Gidsbeweging. Toen het tijdschrift voor
+wijsbegeerte werd opgericht, heb ik een inleidend artikel ervoor
+geschreven. Daarin heb ik gezegd.... Maar laat ik u liever een stukje
+voorlezen:... "een wijsgeerige _beweging_ zou niet hierna gevolgd zijn,
+zoo niet daar geweest ware de literatuur van '80. Want door deze werd in
+het breede een intellectueele behoefte wakker, die niet door de exakte
+wetenschap werd voldaan. Zoo kon voor de wijsbegeerte ontstaan een
+terrein voor algemeener belangstelling dan der enkelen. Het lag
+bovendien in den aard der beweging van '80, dat uit haar een wijsgeerige
+behoefte ontwaakte. Immers zij was niet maar een aktie tot voortbrengst
+van literaire werken, doch veeleer een kultuurbeweging, in welke zulke
+werken werden voortgebracht. De uiting was hoofdzakelijk
+belletristisch, maar de uiting is het wezen niet. De nieuwe literatuur
+bracht een nieuwen factor in de geestelijke beschaving aan, nl. den
+hartstocht der Taal. Zooals de oudere schrijvers een moraal, een geloof,
+een roeping en een godsdienst hadden, en bovendien schrijvers waren, zoo
+had de nieuwe literatuur geen moraal noch godsdienst dan den hartstocht
+der Taal. De Taal te hebben was een geloof; de eigen verbeeldingswaarde
+en het muzikaal karakter der Taal te kweeken was een roeping. Het Woord
+was niet maar als een ongevoelde klank en uitdrukkingsmiddel ten bate
+van voorstelling en begrip, doch een vrije Macht. De vrije vaan des
+Woords, door haar gevoerd, was aanwijzing dat zich een kultuur
+toebereidde--die breeder gebied zou omvatten dan roman en vers. Zoo kon
+de literatuur van '80 voor het intellekt een aansporing zijn, die ook de
+wijsbegeerte ten goede kwam.... Maar nu zou blijken waarheen de Taal
+drong. Want de macht, die zij geeft over de stof, noodigt tot
+wijsgeerige bezinning. Taal en denken zijn tweelingsuitingen des
+geestes; en een kultuur die de vrije beweging des woords tot leus heeft,
+kan wel beginnen bij het zinnelijke woord maar moet eindigen bij het
+geestelijke. De Taal heeft een voorstellings- en een muzikale wereld in
+zich, maar ook een begripswereld; want deze laatste is tegelijk met de
+taal zelve uit den aard der menschelijke subjectiviteit (den geest zelf)
+voortgevloeid ... dat de literatuur van '80 haar terrein verbreeden en
+de grenzen der literatuur overschrijden moest (waaruit blijkt dat zij
+inderdaad een kultuurbeweging en niet slechts een literaire school was)
+volgde uit haar opzet, die voor haar literatuur te groot was. Want
+terwijl de leiders een hervorming van het Nederlandsche geestesleven in
+vooruitzicht stelden, was hun literatuur overwegend lyrisch. En alleen
+een dramatische letterkunde heeft de breedheid die een kultuur omvat.
+Zoo kon dan de beweging van '80, voor zoover zij literatuur was, haar
+voornemens niet vervullen en werd juist in dezen kring de nood gevoeld
+om de literaire inspiratie te voeden door aan het leven een breeder
+inhoud te geven, gelijk bleek in die leiders, die hun arbeid verlegden
+naar het terrein der maatschappelijke hervorming...." Boeken heeft mij
+toen bestreden en gezegd dat de Nieuwe Gids niet direct den hartstocht
+der Taal kweekte, maar met een nieuwe levensbeschouwing kwam. Ik heb
+toen met citaten uit "De Nieuwe Gids" bewezen, dat voor hem de taal
+werkelijk alles was waar het om ging, en zoo de intellectueele waarde
+der Taal naar voren moest komen en de wijsgeerige beweging volgen kon of
+moest.
+
+--Met de opvatting dat de beweging van '80 geen levensbeschouwing bracht
+kon ik niet instemmen. Ik had in een buitenlandsch tijdschrift de
+stelling verdedigd, dat de literatuur-beschouwing van de "Nieuwe Gids"
+eigenlijk een levensbeschouwing was, en vroeg mijn gastheer dan ook, of
+hij niet had opgemerkt dat alle jongere schrijvers van die generatie een
+gemeenschappelijke levensopvatting waren toegedaan. Zijn antwoord stelde
+mij teleur.
+
+--Ik weet alleen dat het in den beginne over het algemeen positivistisch
+gezinde menschen waren. Ik denk dat dat kwam door de eenzijdige
+voorliefde voor de zinnelijke waarde van het woord. Aanstonds zijn er
+grootere gevoelens doorgebroken. Als u Van Eeden tegenover Verwey, Kloos
+tegenover Van Deijssel stelt, dan ziet u toch, dat dit zoo heterogene
+menschen zijn, dat van eenheid in levensbeschouwing heel weinig sprake
+is geweest. Op dat oogenblik bestond de behoefte ook niet aan ontwaking,
+omdat het leven voor de taal het heele gemoed van de Nieuwe Gidsers
+innam. Dat was het nieuwe gebied dat door hen geopend werd.
+
+--Deze meening was mij ook reeds door anderen tegemoet gevoerd. Ik had
+gehoopt dat Bierens de Haan mij zou bijspringen. Ik deed een laatste
+poging om hem in mijn richting te leiden: Of dan niet juist een gebrek
+aan levensbeschouwing de jongere dichters vereenigde? vroeg ik.
+
+--Dat zou u kunnen zeggen, kreeg ik ten antwoord, wanneer niet dat
+gebrek een noodzakelijkheid geweest ware. Omdat de aandacht zich zoo
+richtte op de schoonheid, was de revolutionnaire strekking van de
+beweging niets anders dan dit voorop te stellen. Dat zou tenslotte
+armoede zijn geworden, wanneer niet de beweging in de richting van het
+wijsgeerig denken door was gegaan.
+
+--Het woord "armoede" leek mij in dit verband toch wat sterk gekozen, en
+dit bracht mij tot de vraag, wat dan het onderscheid was tusschen de
+romanliteratuur, door de tachtigers en hun verwanten gegeven, en de
+wijsgeerige verdieping die mijn gastheer bedoelde?
+
+--Het onderscheid is dit, dat in het wijsgeerig denken de behoefte
+ontstond aan een stelselmatige levensbeschouwing, dat wil zeggen: aan de
+centrale Idee, de centrale gedachte, de gedachte van waaruit het leven
+kan worden doorzien, de levensuitingen kunnen worden begrepen en
+gewaardeerd--en die behoefte is in de romanliteratuur die u bedoelt
+natuurlijk niet aanwezig. Ik heb die centrale gedachte aanvankelijk bij
+Spinoza gevonden. Toen was mijn denken meer psychologisch-wijsgeerig,
+terwijl ik het nu liever cosmologisch-wijsgeerig noemen zou.
+
+In Spinoza lag de grondgedachte dat het leven is een volharding in ons
+eigen zijn. Van daaruit werden zoowel moraliteit als religie begrepen
+en indirect ook de schoonheidszin, hoewel Spinoza dien factor van onzen
+geest eigenlijk voorbijziet. Maar Spinoza had dit, dat hij althans tot
+het diepste punt van onze natuur doordacht en van daaruit zijn
+levensbeschouwing opbouwde. Dit was de noodige aanwijzing voor een
+wijsgeerige levensleer. En nu is het merkwaardige dat Spinoza juist ook
+aangewend werd door de meer positivistische denkers, de oudere
+philosophen, zooals Van Vloten en Lotsy bij ons....
+
+--Hier maakte ik de opmerking, dat van het gebrek aan levensbeschouwing
+bij de tachtigers tot aan het streven naar meer wijsgeerige bezinning
+nog een stap te doen bleef. Moest, zoo vroeg ik, niet eerst de
+overtuiging postvatten, dat een centrale gedachte in principe te vinden
+zou zijn?
+
+Mijn gastheer beaamde dit, en hij verduidelijkte mijn bedoeling door te
+spreken van den stap van het positivisme naar het idealisme. Het was
+juist in den strijd tegen het positivisme, dat het idee van de
+activiteit van onzen geest naar voren kwam. Waar de geestelijke
+activiteit is, daar heeft ze haar eigen begrippen, daar stelt ze haar
+eigen beginselen, daar stelt ze ook de centrale gedachte. Het lag in de
+consequentie van den strijd tegen het positivisme, dat men de centrale
+gedachte vond.
+
+--De eenigszins wijsgeerig georienteerde lezer begrijpt, dat ik zeer
+gesticht was door deze duidelijke verklaring. Hier had ik dan uit den
+mond van een philosoof, die rechtstreeks stamt uit de Nieuwe
+Gidsbeweging, die in die beweging tot wijsgeer is geschoold, een
+bevestiging van mijn hypothese, dat de grond-idee, die bewust of
+onbewust in de Nieuwe Gidskunst is neergelegd, is de pseudo-philosophie
+van hen, die zeggen geen wijsgeer te willen zijn. De schijn-verlichtheid
+van het Comtisme, het spooksel dat men had te overwinnen om uit de
+kunst van tachtig tot een werkelijk hoogere trap van cultuur te
+komen....
+
+Het speet mij niet dat ik Bierens de Haan had afgeleid van Lotsy, met
+wien hij, ik ontveins het mij niet, nog gaarne een appeltje had
+geschild. En in mijn milde stemming liet ik hem nu maar voortspinnen aan
+een denkbeeld, dat eigenlijk niet in mijn lijn lag,--al behoort het tot
+het grootste dat het wijsgeerig vorschen ten onzent in de laatste
+vijfentwintig jaar heeft opgeleverd.
+
+... Maar--zoo hernam hij--om op de oudere Spinozisten terug te komen: Ik
+heb met Lotsy verscheiden malen in "De Kroniek" gepolemiseerd, maar dat
+bepaalde zich meestal tot het stellen van onvriendelijke noten van
+weerszijden onder de pagina's. Wat mij overtuigd heeft dat Spinoza
+inderdaad _idealistisch_ dacht, is het einde van de Ethiek, waar de
+"intellectueele liefde tot God" als het hoogst bereikbare van het leven
+gesteld wordt, als geheel liggend in de lijn van de volharding des
+menschen in zijn eigen zijn. Daarom meende ik dat ook een idealistische
+interpretatie van het Spinozistisch levenssysteem geoorloofd was. De
+vrucht daarvan is geweest mijn boek "_Levensleer naar de beginselen van
+Spinoza_," dat ik in 1900 uitgegeven heb bij Martinus Nijhoff.
+
+Al meer ben ik toen ons geestesleven gaan opvatten als een bewustwording
+van ons innerlijke wezen en in die lijn is mijn geheele gedachteleven
+doorgegaan. En dat Spinoza nog steeds mijn sympathie heeft, kan hieruit
+blijken, dat ik op verzoek van de "Hollandia-drukkerij" geschreven heb
+de vertaling van de hoofdpassage's uit Spinoza's Ethica, met een
+inleiding over het Spinozistisch denken. Maar daar komt nu juist weer
+meer een cosmologische opvatting van het leven voor den dag, die ook in
+Spinoza steekt en die ik vroeger wel wat heel sterk afscheidde van de
+psychologische, nl. in deze uitspraak: De mensch is "God voor zoover hij
+niet-eindig is"--dat wil zeggen, dat er een eenheid is van het
+menschelijke en het goddelijke en ook het geestesleven als verschijning
+van den Cosmos moet worden doordacht. Dit echter is een verbreeding van
+het psychologisch denken--geen afwijking ervan.
+
+U ziet dus dat wij een heel andere richting opgaan dan de veel
+beperktere van den psychologischen roman, die niet veel verder gaat dan
+directe analyse. Maar wel kan ik hierop laten volgen, dat, wat betreft
+den inhoud waarover dit denken zich uitlaat, het zich vooral beweegt in
+de innerlijke zielswaarden. Terwijl vroeger de theologie het menschelijk
+denken beheerschte en de onderwerpen waren bijv. "Praedestinatie en
+Wonder", of "De eigenschappen Gods", of "Godsbestuur en het kwade"--zijn
+in deze nieuwere speculatie de onderwerpen vooral: "Het ironische", "De
+eros", "Vrijheid en gezag", "Het verband van schoonheid en denken",
+"Geluk, geest en zinnen", "Het tragische", "De cultuur" e.d. Het
+zwaartepunt van de aandacht ligt in de sfeer der Psyche, wat niet
+wegneemt dat die zielsinhoud opgevat wordt als verschijnsel van
+cosmische beweging. Wat in den mensch is, is hetzelfde als in de geheele
+ontwikkeling van het wereldleven wordt vertoond. Zoo wordt echter de
+wijsbegeerte veel meer cultuur-denken en gaat veel meer in den breede
+dan de psychologische roman dit kan doen.
+
+--Ik verzocht mijn gastheer nu, zijn standpunt scherp af te bakenen ten
+opzichte van de twee stroomingen, die na de "Nieuwe Gids" ons geestelijk
+leven trachten te beheerschen, de wijsbegeerte van het Proletariaat en
+die van de Zuivere Rede, welke Bolland's volgelingen hebben gesticht.
+
+--Het moet altijd--zoo leidde hij op het eerste zijn antwoord in--de
+grondgedachte zijn van een wijsgeerige beweging, dat zij de cultuur
+hervormen wil van binnen uit en niet gelooft aan een werkelijke
+verhooging van de cultuur door economische maatregelen. Dat wil niet
+zeggen dat er een bepaald vijandige verhouding is tegenover die
+opvatting--het kan zelfs in zich sluiten een zekere erkenning van de
+onmisbaarheid van economische hervormingen. Maar het is niet de
+verwachting, dat daaruit werkelijk iets hoogers geboren zal worden. Dat
+wil dus zeggen: De maatschappelijke rechtvaardigheid is een ondergeschikt
+denkbeeld van de cultuur, maar het is niet gezegd, dat de maatschappelijke
+rechtvaardigheid een socialistisch stelsel van maatschappelijke vorming
+of hervorming meebrengt. In het algemeen _lijkt het_ mij, alsof de
+wijsgeerig gezinde een zeker aversie heeft tegenover afgesloten meeningen
+over de inrichting van de maatschappij. Ook moet men altijd een
+tegenstelling tusschen maatschappij en innerlijk zien, en daaruit volgt,
+dat dan pas een hooger cultuur aanbreekt, wanneer de innerlijkheden op
+een hooger plan zijn gebracht. De wijsgeerig gezinde streeft er naar, het
+innerlijk te verhoogen en in zoo uitgestrekt mogelijke kringen werkzaam
+te zijn tot verheffing van het zedelijk bewustzijn. Hij onthoudt zich
+allicht van de propaganda voor zuiver uitwendige maatschappelijke
+verbeteringen. Dat komt dus neer op een eenigszins negatieve verhouding
+tegenover de socialistische strooming.--Deze is de begrippenvorming van
+de behoefte aan economische verbetering en gaat niet uit van het
+cosmologische begrip der Idee. Zij moet dus de geesteswaarden als surplus
+of toevoegsel beschouwen, terwijl deze juist de grondleggende zijn. Het
+is niet gezegd dat in een socialistisch goed geordende maatschappij het
+gedachteleven, het gemoedsleven, het kunstleven, hooger staan dan in een
+chaotische. Want tot nu toe zijn kunst en wijsbegeerte en poezie in hun
+hoogste vormen geweest bij alle mogelijke soorten van maatschappijen. Een
+negatieve verhouding dus, die niet exclusief is tegenover maatschappelijke
+wijziging, maar er het intellectueele heil niet van inziet.
+
+--Heeft dus volgens u de intellectueel niet veel te leeren van de grootsche
+gevoelens en ideeen die er leven in de massa, speciaal in het zich
+organiseerende proletariaat?
+
+Zacht, beslist en precies luidde hierop het antwoord:
+
+--Ik wijs af een opvatting, waarbij het innerlijk niet uit zichzelf
+leeft en waarbij de menigte naar economische motieven over het
+geestesleven wil heerschen....
+
+--Heeft dan het innerlijk leven, zooals u het verstaat, te vreezen van
+een overwinning van de menigte?
+
+Het antwoord ging even langs de vraag heen, maar ook hierin lag voor mij
+een antwoord besloten:
+
+--Vrees heb ik er niet voor, omdat ik niet geloof dat ooit het innerlijk
+weerlegd kan worden door het economische. En omdat ik er toch ook in zie
+een poging tot wijziging van het maatschappelijk samenstel, waartoe op
+zichzelf een zekere grond bestaat. Treffend vind ik, dat in de latere
+gedichten van Gorter, de socialistische, datgene schoon is waarin het
+oude geluid van "Mei" naklinkt, zoodat men zeggen kan: Wanneer een
+socialistische maatschappij bestond, ook dan zou de schoonheid niet
+daaraan ontleend zijn, maar aan het innerlijke. Het innerlijke heeft
+zijn zelfstandigheid en geeft die niet op. Het is het eigenlijke
+dieptepunt, het centrale punt van leven en werkelijkheid. De loochening
+daarvan staat gelijk aan de ontkenning dat de cirkel een middelpunt zou
+hebben. De geestdrift der idee blijft altijd het ontspringpunt van
+schoonheid en waarheid en ook van goedheid. Elke maatschappij zal ten
+slotte weer haar waarde moeten ontleenen aan deze geestdrift, die niet
+uit het maatschappelijke maar uit het innerlijke komt.--
+
+Wat nu de strooming van "Zuivere Rede" betreft, in het algemeen zou ik
+zeggen, dat de mensch altijd aangewezen is op de centrale gedachte om
+van daar uit persoonlijk het leven te doorzien--maar dat het stelsel in
+zijn naaktheid nooit deze rechtstreeksche zienswijze kan vervangen....
+Wat niet wegneemt dat Hegel zelf een ziener is en voor hem de Idee de
+levende kracht is, die geheel de natuur en de cultuur draagt. Men krijgt
+bij hem heel sterk den indruk, met een ziener te doen te hebben. Dat
+echter de idee van Hegel alleen maar in zijn stelsel uitgewerkt zou
+kunnen worden, met andere woorden, dat het Hegelsche stelsel de
+noodzakelijke uitingsvorm is van de Hegelsche grondgedachte--dat stem ik
+niet toe. Althans, dunkt mij, _zal wel nooit de wijsbegeerte de kunst
+mogen of kunnen vervangen, maar juist de bezielende kracht moeten zijn
+voor kunst en moraliteit en religie tegelijkertijd_.
+
+--Hoe is dan het verband tusschen kunstenaarwijsgeer en maatschappij;
+denkt hij, al speculeerend, daarbij aan hen die van zijn werk kennis
+zullen nemen, met andere woorden, stelt hij zich in dienst van zijn
+medemenschen?
+
+--Dat vind ik een aardige vraag. Het is juist een vraag die dikwijls
+mijzelf bezighoudt, maar waarop een tweevoudig antwoord moet worden
+gegeven:
+
+Het eerste antwoord is, dat ik mij verklaar tegen alle wijsgeerig
+aristocratisme, dat alleen aan zichzelf denkt.
+
+En het tweede antwoord is, dat in hoogsten zin toch de wijsgeerige
+beschouwing, en het geheele denkerschap, een innerlijk heiligdom
+betreedt van het gemoed--waar zij ontoegankelijk is voor een ander.
+
+Laat ik nu het eerste antwoord een beetje verbreeden: Het denkerschap
+heeft een roeping voor de maatschappij, nu wel niet in den preciezen zin
+van het woord, maar toch wel voor een zoo breed mogelijke groep van
+intellectueel gezinden. Ik geloof dat wijsgeerige beschouwingen
+helderheid kunnen geven, licht kunnen brengen aan veel meer geesten dan
+op het oogenblik daar nog van genieten. Ik zou er zelfs voor zijn, om
+bij het onderwijs aan de H.B.S. en het gymnasium te beginnen met het
+doceeren van wijsgeerige gedachtengangen. Op het gymnasium kan dat zeer
+goed door een uur vrij te maken voor de studie van de Grieksche
+wijsgeeren, en ook op de H.B.S. kan men met de kapitaalste figuren uit
+de geschiedenis der wijsbegeerte kennis maken. Dan moest men eenvoudig
+maar iets van het andere onderwijs opgeven, daar kan men wel wat van
+missen! Men zou bijv. de hoofdgedachten uit de "Kritik der reinen
+Vernunft" in de hoogste klassen van de H.B.S. kunnen toelichten. Er zou
+belangstelling kunnen gewekt worden voor Socrates, voor Cartesius, voor
+Spinoza en voor Kant--men zou desnoods kunnen werken met een gedeelte
+van de klassen, waarin zich belangstelling voor het intellectueele had
+geopenbaard, om zoodoende zooveel mogelijk aan een ontwikkelde
+meerderheid een begrip bij te brengen van intellectueele waarheden.
+
+U ziet dus, dat het mijn bedoeling niet is, de wijsbegeerte af te
+zonderen voor een kleine groep. Maar boven deze ontwikkelden zal er
+blijven een speculatief gezinde minderheid, die zelf ook arbeidzaam kan
+zijn in het behandelen van wijsgeerige vragen, die zelf het denken meer
+als kunst zal kunnen behandelen. Dat is de groep die een eigen
+scheppingsdrang voelt en dezen niet slechts in kunst- en andere werken,
+maar ook in gedachtengangen wil omzetten, menschen die een enorm
+levensgeluk kunnen ontleenen aan hun actief-wijsgeerige belangstelling.
+Menschen die met goede leiding heel wat gedaan kunnen krijgen, terwijl
+ze nu in het onbestemde ronddwalen. Zoo meen ik zeker dat de
+wijsbegeerte nog heel wat meer kan doen voor de verheffing van zekere
+lagen der maatschappij dan ze tot nu toe gedaan heeft.
+
+Maar ten slotte--en nu kom ik weer aan het tweede antwoord,--zal toch
+weer de wijsbegeerte zijn het denken voor de denkers zelf, die op de
+Pyramide een hoogere trap bereikt hebben, dan waarop de meerderheid zal
+kunnen komen.
+
+Ik meen echter, dat de kunst al zooveel meer toegang zich verschaft
+heeft tot een grooter publiek dan er voor jaren was en ook de
+letterkunde, de poezie en de dramatiek al zooveel meer gedaan hebben
+voor de geestelijke opvoeding van ons geslacht, dat hierin een
+aanwijzing ligt, dat ook de wijsbegeerte meer kan doen. En daarom
+begroet ik ook zulke inrichtingen als de Volksuniversiteit te Amsterdam,
+waar ik zelf ook les zal geven, met dankbaarheid.
+
+Men ziet hieruit, dat naar mijn meening de wijsbegeerte van het
+innerlijke uit hervormingen zal verwekken, die misschien meer resultaat
+hebben voor den geestelijken bloei van ons vaderland dan oeconomische
+hervormingen. Niet dat ik die laatste gering schat natuurlijk, maar mijn
+liefde tot het geestesleven maakt, dat voor mij altijd weer de nadruk
+valt op de eerste.
+
+Wanneer de wijsbegeerte zich niet open wou stellen voor een grootere
+schare, maar een apart bezit werd voor enkelen, die haar zorgvuldig
+omsloten hielden met hun zelfbewustzijn, dan kregen we heel licht een
+quasi wijsgeerige cultuur van velen, die zich de enkelen willen
+wanen--wat het Nietzscheanisme bij de Duitschers is--die ieder meenen
+dat zij den Uebermensch zijn--_omdat zij de scheidingslijn tusschen
+intellect en menigte met voorliefde trekken inplaats van met zekere
+teleurstelling_.
+
+--Hoewel mijn gastheer--wat trouwens wel uit keus en geest zijner
+woorden voelbaar is--zeer rustig en met slechts weinig nuanceering in
+stem en toon sprak, klonk uit deze laatste woorden weemoed genoeg om
+mijn volgende vraag te motiveeren en deze luidde:
+
+--Is het echter bij deze opvatting niet te vreezen, dat men zich zal
+laten verleiden tot een al te populairen zeggingsvorm, waarin dan de
+wetenschappelijke juistheid te loor gaat?
+
+Neen--er is een zekere artistiek wijsgeerige bewoording, waarin aan de
+waarde der idee niets wordt afgedaan, maar wel een toegankelijkheid voor
+een grooter kring wordt geopend. De schoone vorm is voor velen, die
+anders van het abstract gehouden woord een zekeren afkeer hebben, het
+middel tot toenadering. Mijn ideestudies zijn niet strikt wijsgeerig,
+maar het innerlijk gehalte is het toch wel. Er is bij velen de
+mogelijkheid om zich in de centrale gedachte in te denken, zonder dat
+het geheele stelsel voor hen toegankelijk is. Deze menschen hebben meer
+intuitief vermogen van speculatie dan zij didactisch vermogen hebben,
+maar ze zijn dan toch in de wijsgeerige cultuur mede inbegrepen. Een
+minder stelselmatige en meer artistieke voordracht kan toch hebben de
+hoogte of de diepte der idee die wordt benaderd. Ik geloof dat er veel
+meer menschen dan men vermoedt vatbaar zijn voor zelfbezinning en dat
+dit niet zoozeer een prerogatief is voor enkelen!
+
+Het hangt allemaal af van de aanwezigheid van beschouwelijk temperament.
+Ik kan niet beoordeelen of dit beschouwelijk temperament in onze
+beschaving veel of weinig voorkomt. Het komt zeker veel voor bij
+menschen van wie men het niet weet. Men weet het alleen van menschen die
+zich uiten, niet van menschen die zich beschouwen. Althans, de
+hoogstrevendheid van het willen om wereld en leven te bezien vanaf de
+berghoogte--deze hoogstrevendheid is wel een innig-menschelijke behoefte
+en een innig-menschelijk belang; en moet dus wel aanwezig zijn bij meer
+menschen dan van wie men het merkt. En zoo vermoed ik dat er wel een
+grooter kring van bewoners dezer maatschappij aanwezig zal zijn, die
+vatbaar zal zijn voor het wijsgeerig woord.
+
+--Ik merkte op dat ik thans aan de grens was gekomen van hetgeen voor
+mijn enquete, die immers hoofdzakelijk van letterkundigen aard is, van
+nut kon worden geacht, maar hij verzocht mij aan al hetgeen hij had
+gezegd eigener beweging iets te mogen toevoegen, dat ook verband hield
+met mijn gedachtengang.
+
+--Het pessimisme, zoo zeide hij, is in de negentiende eeuw vrij algemeen
+de grondstemming geweest. Ik geloof dat ieder denker het pessimisme
+heeft doorgemaakt, dat zeer vele gemoederen in het pessimisme zijn
+blijven steken. Ik weet echter, dat zij die erin terecht zijn gekomen,
+in de wijsgeerige speculatie een kracht hebben om zich er uit te heffen.
+Dat slaat niet alleen op het stemmings-pessimisme van een voorafgaande
+periode of het Schopenhaueriaansch pessimisme dat een levenshaat tot
+inhoud heeft, maar ook en nog meer op het intellectueel pessimisme dat
+men sceptiek noemt. Want dat is eigenlijk de meest knagende vorm van
+pessimistischen gemoedsaard, die zekere sceptiek, waarbij men zich eigen
+gedachten niet vertrouwt, altijd zichzelf weerlegt, nooit met zichzelf
+in het reine komt, altijd als het ware achter zijn eigen gedachten gaat
+staan om die voor louter subjectiviteit uit te krijten. Dit
+intellectueel pessimisme wordt overwonnen, zoodra onze geestelijke
+energie zichzelf erkent, van zichzelf uitgaat en daarmede een vast punt
+heeft dat onverzettelijk is. Ik heb in mijn werk _De Weg tot het
+Inzicht_ ook niets anders bedoeld als den weg te wijzen tot dit vaste
+punt, als het denken--niet over allerlei onderwerpen, maar over
+zichzelf. Als toch het denken zichzelf erkent, erkent het meer dan eigen
+zielsinhoud: het erkent zijn eigen grond. Die grond is een cosmisch
+feit. Van daaruit kan het Denken het leven veroveren en met dat
+zelfbezit is pessimisme en sceptiek overwonnen. Zoo heeft de
+wijsbegeerte des te meer een cultuur-beteekenis voor het moderne
+geslacht der menschen.
+
+Naar mijn meening vindt het geheele geestesleven zijn hoogtepunt in de
+religie, die niet de kerkelijke is en ook niet een aantal dogmen
+verkondigt, maar is het bewuste een-zijn met den wereldgrond, met God,
+dat wil zeggen: de innerlijke beleving van de waarheid zelf. Daardoor
+voelt de mensch verwantschap met de religies, zooals ze zich in de
+historie hebben voorgedaan. Daardoor zondert het wijsgeerig denken zich
+niet af tot een aparte cultuur, maar sluit zich geheel aan bij de
+religieuze cultuur aller eeuwen.
+
+Het hoogste woord onzer wijsheid zal wel zijn de vereering, de eerbied
+voor God. Ik ben niet bang voor een verkeerde opvatting bij het woord
+God: het is beter dat men er een naieve opvatting bij heeft dan
+heelemaal geen. Het zich los voelen en apart voelen uit het wereldgeheel
+is het noodlottigste sentiment: dat is de machteloosheid, dat is de
+onvrijheid. Het bewustzijn der eenheid met God is de vrijheid. Daarom
+eindigt Spinoza zijn Ethiek ook met de verheerlijking van de geestelijke
+liefde tot God als hoogste levensmoment.--
+
+Hier eindigde ons gesprek, voor zoover het betrekking had op den trek
+van Kunst naar Bespiegeling, die niet alleen voor Bierens de Haan maar
+tevens voor het geestelijk leven in ons land zoo kenmerkend is. Het
+overige gaat buiten den lezer om. Maar een eigenaardigheid moet ik nog
+vermelden. Ik had dien namiddag enkele uren door te brengen in het
+gezelschap van een veertigtal woelige en ongevormde Hoogere Burgers en
+-burgeressen. Het is opmerkelijk dat zulke ongecultiveerde jongelui,
+zoodra ze in een _groep_ zijn vereenigd, volkomen onbewust voelen of ge
+u zelf zijt of niet. Door hun gedrag vertellen ze u of ge vermoeid zijt
+of afgetrokken, en menig leeraar raakte het stuur over zijn klasse kwijt
+door _buiten_ zichzelf te treden. Welnu, mijn jongelui toonden dien
+middag bijna ademlooze aandacht voor het weinigje dat ik hun mocht
+voordragen, en ik weet zeker dat dit is toe te schrijven aan den moed en
+zekerheid die ik uit dit gesprek had geput.
+
+We spraken dus en ten slotte vroeg ik hem wat toch de beteekenis is van
+'t beeldhouwwerk aan zijn schoorsteenmantel. Hij deelde het mij mede, en
+een beschrijving van zijn (weliswaar niet huiselijken, doch
+persoonlijken) haard moge niet alleen dit opstel, maar ook het relaas
+van geheel mijn onderzoek besluiten en symboliseeren:
+
+De hooge schouw is omgeven door een eikenhouten lijst, waaruit, te
+weerszijden, het borstbeeld van een Faun en een denkerskop te voorschijn
+treden. Zij kijken elkander aan over den haard van mijn gastheer, maar
+men weet niet of ze elkander wel zien. De Faun heeft het oog gericht op
+een figuur, bestaande uit twee dooreengevlochten driehoeken in een
+cirkel. Hij stelt voor de natuur in haar dubbel-karakter van grilligheid
+en planmatigheid. De denkerskop (hij gelijkt iets op Goethe in zijn
+laatste jaren) ziet uit naar een stralende ster: hij stelt voor het
+geestesleven, door het geestelijk Licht bestraald. Tusschen beide
+borstbeelden slingeren guirlandes over den houten lijst, die elkander
+halverwege in een vlammend altaar--den wereldhaard--boven den
+menschelijken haard ontmoeten. Achter den Faun (in een afzonderlijk vak)
+prijkt een boom, de natuurkracht; achter den Denker de duif met aureool,
+aldus de geestelijke bezieling voorstellend.
+
+Deze schouwlijst wordt geschraagd door zandsteenen zuiltjes, waaruit de
+kop van den denker Plato en de kop van den dichter Dante te voorschijn
+komen en de kamer in staren.
+
+Het moet schoon zijn, zijn haard te vestigen tusschen natuurkracht en
+geestelijke bezieling, wanneer die beiden elkander in een vlammend
+altaar ontmoeten.
+
+Moge onze Nederlandsche cultuur zich harmonisch en wel-bewust
+ontwikkelen volgens dit symbool. Dan staan wij schrap tegenover
+geestelijke vijanden die onze cultuur bedreigen--gelijk onze duinen,
+waar deze menschelijke haard geplant is, schrap stonden en staan tegen
+een materieelen belager.
+
+Kerstmis 1913.
+
+
+BIBLIOGRAPHIE:
+
+De psychische afkomst van het oorzaakbegrip. Een studie tot kennis van
+menschelijk denken (1895)--De norm der waarheid is in onszelf
+(1897)--Idee-studies (1898)--Levensleer naar de beginselen van Spinoza
+(1900)--Plutarchus als godsdienstig denker. Een gestalte uit de
+Grieksch-Romeinsche godsdienstgeschiedenis (1902)--Wijsgeerige studies
+(1904)--De weg tot het inzicht, eene inleiding in de wijsbegeerte
+(1909)--Uren met Spinoza, een keur van stukken uit zijne werken,
+vertaald en met een inleiding en aanteekeningen voorzien (1913).
+
+
+
+
+INHOUD
+
+ Ter Inleiding
+ Johan de Meester
+ Karel van de Woestijne
+ Josine A. Simons-Mees
+ Cyriel Buysse
+ Frans Bastiaanse
+ Herman Robbers
+ Is. Querido
+ Carel Scharten
+ Adama van Scheltema
+ P.N. van Eijck
+ Dr. J.D. Bierens de Haan
+
+
+
+
+ILLUSTRATIEN
+
+ Frontespiece: Louis Couperus
+ Johan de Meester
+ Karel van de Woestijne
+ Cyriel Buysse
+ Id. Op het balkon van zijn werkhuis
+ Frans Bastiaanse
+ Id.
+ Herman Robbers
+ Id.
+ Carel Scharten.
+ Id.
+ Adama van Scheltema
+ Id.
+ P.N. van Eijck
+ Dr. J.D. Bierens de Haan
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of De jongere generatie, by E. D'Oliveira
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE JONGERE GENERATIE ***
+
+***** This file should be named 10514.txt or 10514.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/0/5/1/10514/
+
+Produced by Miranda Van de Heijning, Eric Casteleijn en de
+PG Distributed Proofreaders.
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's
+eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII,
+compressed (zipped), HTML and others.
+
+Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over
+the old filename and etext number. The replaced older file is renamed.
+VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving
+new filenames and etext numbers.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000,
+are filed in directories based on their release date. If you want to
+download any of these eBooks directly, rather than using the regular
+search system you may utilize the following addresses and just
+download by the etext year.
+
+ https://www.gutenberg.org/etext06
+
+ (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99,
+ 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90)
+
+EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are
+filed in a different way. The year of a release date is no longer part
+of the directory path. The path is based on the etext number (which is
+identical to the filename). The path to the file is made up of single
+digits corresponding to all but the last digit in the filename. For
+example an eBook of filename 10234 would be found at:
+
+ https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234
+
+or filename 24689 would be found at:
+ https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689
+
+An alternative method of locating eBooks:
+ https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL
+
+
diff --git a/old/10514.zip b/old/10514.zip
new file mode 100644
index 0000000..94dda2f
--- /dev/null
+++ b/old/10514.zip
Binary files differ