diff options
Diffstat (limited to '10512-0.txt')
| -rw-r--r-- | 10512-0.txt | 7873 |
1 files changed, 7873 insertions, 0 deletions
diff --git a/10512-0.txt b/10512-0.txt new file mode 100644 index 0000000..06b8841 --- /dev/null +++ b/10512-0.txt @@ -0,0 +1,7873 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10512 *** + +HET PORTRET VAN DORIAN GRAY + + +door OSCAR WILDE + + + +Vertaald door MEVROUW LOUIS COUPERUS + + +1919 + + + + +I. + + +Het atelier was vol rijken geur van rozen, en zoodra de lichte zomerwind +in de boomen van den tuin trilde, kwam er door de opene deur een zware +adem van seringen, eene fijnere aroom van den roze-bloeienden meidoorn +binnen. + +Uit den hoek van een Perzischen divan, waarop hij naar gewoonte +ontelbare cigaretten lag te rooken, kon Lord Henry Wotton juist den +glans zien der honig-zoete en honigkleurige bloesems van gouden +regens; de trillende takken schenen nauwlijks dien last van vlammend +mooi te kunnen dragen. Fantastische schaduwen van vogels in vlucht +schoten over de lange tussore-zijden gordijnen, die voor het groote +raam hingen; zij deden er iets van een Japansch effect; zij +herinnerden aan de anemieke schilders van Tokio, die, trots eene zoo +noodzakelijke onbewegelijke kunst als de hunne, idee van snelheid en +beweging trachteden te beelden. Het doffe gegons der bijen, die +schuurden door het hooge ongemaaide gras of, met eentonig geduld, +cirkelden om de stoffig gouden horens van den strengelenden kamperfoelie, +scheen de stilte nog zwaarder te maken. Het vage gebruis van Londen was +als de bastoon van een ver orgel. + +In het midden van de kamer, geklampt op een ezel, stond, ten voeten +uit, het portret van een jongen man van bizondere schoonheid; op +eenigen afstand zat de schilder zelve; Basil Hallward, wiens +plotselinge verdwijning eenige jaren geleden zoo eene algemeene +nieuwsgierigheid verwekte en aanleiding gaf tot menig vreemd vermoeden +... + +Nu de schilder naar de gracieuze gedaante keek, die hij zoo knap in +zijne kunst had weêrspiegeld, kwam er een lach van genot over zijn +gelaat; lang bleef die daar glanzen. + +Maar plotseling hief hij zich op, en, de oogen dicht, drukte hij met +de vingers op dier leden, als zocht hij een vreemden droom, waaruit +hij ontwaking vreesde, in zijn brein vast te houden. + +--Het is je mooiste werk, Basil. Het beste wat je ooit gedaan hebt, +zei Lord Henry slapjes. Je moet dat het volgende jaar bepaald naar den +Grosvenor zenden. De Academy is te groot en te algemeen. Wanneer ik +daar ook kwam, waren er òf zooveel menschen, dat ik de schilderijen +niet zien kon,--en dat was vervelend,--òf zooveel schilderijen, dat +ik de menschen niet kon zien, en dat was nog vervelender. Heusch, de +Grosvenor is de eenige plaats. + +--Ik denk niet, dat ik dit ergens naar toe zal zenden, antwoordde +Basil, terwijl hij zijn hoofd met dat vreemde gebaar achterover wierp, +waarom zijne vrienden in Oxford gewoon waren hem uit te lachen. Neen, +ik zend het nergens naar toe. + +Lord Henry trok zijne wenkbrauwen op en keek hem verbaasd aan door de +dunne blauwe kransjes van rook, die grilligjes van zijn opiumcigarette +opkrulden. + +--Nergens naar toe? Beste jongen, waarom? Heb je daar een reden voor? +Wat zijn jullie schilders toch malle kerels. Je doet alles ter wereld +om naam te maken; zoodra je naam hèbt, verlang je niets liever dan hem +te verliezen. Het is mal van je, want er is maar één ding in de wereld +slechter dan bepraat te worden; dat is: niet bepraat te worden. Zoo +een portret zoû je stellen boven alle jonge schilders in Engeland en +het zoû de oude jaloersch maken, als oude menschen nog zoo een emotie +konden ondervinden. + +--Ik weet, dat je het dwaas van me zal vinden, antwoordde Basil; maar, +waarlijk, ik kan het niet expozeeren; ik heb er te veel van mij in +gelegd. + +Lord Henry strekte zich op den divan uit en lachte. + +--Ja ik wist wel, dat je zoû lachen, maar het is toch zoo ... + +--Te veel van jou! Waarlijk Basil, ik wist niet, dat je zoo ijdel was, +en ik kan heusch geen gelijkenis zien tusschen jou, met je ruw +gezicht, vol rimpels, en je zwart haar, en dezen Adonis, die er uit +ziet of hij uit ivoor en rozeblâren gemaakt is. Beste Basil! hij is +een jonge god! en jij--nu je ziet er intelligent uit en zoo al meer, +maar schoonheid, heusche schoonheid eindigt waar een intelligente +expressie begint. Intellect is in zichzelve een soort van overdrijving +en verstoort de harmonie van elk gezicht; zoodra iemand gaat zitten om +te denken, wordt hij een en al neus of voorhoofd of iets ander +leelijks. Kijk naar alle mannen, die beroemd zijn in geleerdheid; hoe +verschrikkelijk leelijk zijn ze; natuurlijk niet in de kerk, maar in +de kerk denken ze niet. Een bisschop zegt, als hij tachtig is, nog +precies wat hij moest zeggen toen hij achttien was en, als een +natuurlijk gevolg, ziet hij er altijd even stralend uit. Jouw +geheimzinnige jonge vriend, dien je mij nog nooit genoemd hebt, maar +wiens portret me bepaald betoovert, denkt nooit; daar ben ik zeker +van. Hij is een mooie jongen zonder hersens, die hier altijd in den +winter moest zijn, als we weinig bloemen hebben om naar te kijken, of +in den zomer, als we ons verstand wat willen afkoelen. Vlei jezelven +maar niet; Basil, je lijkt niet het minst op hem! + +--Je begrijpt me niet, Harry, antwoordde de schilder. Natuurlijk lijk +ik niet op hem, ik weet dat heel goed; en ik zoû niet gaarne op hem +willen lijken. Je gelooft me niet? Ik zeg je de waarheid. Er rust een +noodlot op alle fyzieke en intellectueele distinctie, het zelfde +noodlot, dat op vorsten schijnt te rusten. Men moet niet verschillen +van zijn evenmenschen. Leelijken en dommen zijn het best af in de +wereld. Zij zitten op hun gemak en kijken naar de pret. Weten zij +niets van succes, zij kennen ook geen teleurstelling. Zij leven zooals +wij allen moesten leven, ongestoord en onverschillig en zonder onrust. +Zij brengen nooit ellende over anderen en krijgen die ook nooit van +anderen. Jij, door je rang en rijkdom, Harry; ik, door mijn hersens en +kunst, wat die dan ook waard zijn; Dorian Gray, door zijn mooi +gezicht, we moeten allen lijden door wat de goden ons geven, +verschrikkelijk lijden. + +--Dorian Gray? Heet hij zoo? vroeg Lord Henry. + +--Ja, zoo heet hij. Ik was niet van plan het je te vertellen. + +--Waarom niet? + +--O, ik weet het niet. Als ik veel van iemand hoû, zeg ik nooit zijn +naam. Het is of ik dan iets van hem weggeef. Ik heb me aangewend van +mysterie te houden. Het schijnt het eenige wat het moderne leven +interessant of bizonder maakt. Het gewoonste wordt mooi als je het +maar verbergt. Als ik uit de stad ga, geef ik nooit mijn adres op; +als ik dat deed, zoû ik nooit pleizier hebben. Het is zeker een gekke +gewoonte, maar het geeft iets romantisch' aan je leven. Ik geloof, dat +je me erg dwaas vindt. + +--O neen, antwoordde Lord Henry, volstrekt niet, waarde Basil. Je +schijnt te vergeten, dat ik getrouwd ben, en de eenige bekoring van +het huwelijk is, dat het een leven van voor-den-gek-houden noodig +maakt voor beide partijen. Ik weet nooit waar mijn vrouw is, en mijn +vrouw weet nooit wat ik doe. Als we elkaâr ontmoeten--we ontmoeten +elkaâr nu en dan op een diner of bij den Hertog--dan vertellen we +elkaâr de onzinnigste histories met de ernstigste gezichten. Mijn +vrouw kan dat heel goed, bepaald veel beter dan ik; zij vergist zich +nooit in haar datums, en ik altijd; maar als zij dat ontdekt, maakt +zij er nooit een scène van; soms woû ik wel dat ze dit deed, maar ze +lacht me alleen uit. + +--Ik hoû er niet van zooals je over je huwelijksleven praat, zei Basil +Hallward, en hij ging naar de tuindeur. Ik geloof, dat je heusch een +goed man bent, maar dat je je bar schaamt over je eigen deugden. Je +bent een bizondere kerel: je zegt nooit iets goeds en je doet nooit +iets kwaads. Je scepticisme is maar een poze. + +--Natuurlijk te zijn is ook een poze, en de vervelendste, die ik ken, +lachte Lord Henry. + +Zij gingen den tuin in en lieten zich behagelijk op een rieten bank +neêr, in de schaduw van een hoogen laurierboom. Het zonlicht slipte +over de gepolijste bladeren. In het gras trilden witte madelieven. +Na eene pooze haalde Lord Henry zijn horloge uit. + +--Ik denk, dat ik gaan moet, Basil, zei hij zacht, en voor ik wegga, +woû ik nu wel, dat je mij antwoordde op de vraag, die ik je zoo even +deed. + +--Wat dan? vroeg de schilder, turende naar den grond. + +--Dat weet je heel goed. + +--Neen, werkelijk niet, Harry. + +--Nu, dan zal ik ze nog eens herhalen. Ik woû dat je nu zei, waarom je +het portret van Dorian Gray niet wilt expozeeren. Ik wil de werkelijke +reden weten. + +--Die heb ik je al gezegd. + +--Neen, dat heb je niet. Je zei: omdat er te veel van jou in was. Nu, +dàt is kinderachtig. + +--Harry, zeide Basil Hallward, hem recht in de oogen ziende; een +portret, dat met gevoel is geschilderd, is een beeld van den artist, +niet van hem, die er voor gezeten heeft. Het model is louter toeval en +bij-omstandigheid. Dàt wordt hier geopenbaard door den schilder, maar +de schilder openbaart zichzelven op het doek. De reden, dat ik dit +portret niet wil ten toon stellen is: dat ik bang ben het geheim van +mijn eigen ziel er in te toonen. + +Lord Henry lachte. + +--En wat is dat geheim? + +--Ik zal het je zeggen, zei Hallward, maar iets van verlegenheid gleed +over zijn gelaat. + +--Ik ben een en al verwachting, Basil! + +--Och, het is in een paar woorden gezegd, Harry, en ik denk, dat je +het niet eens begrijpen zal. Misschien, geloof je het ook niet. + +Lord Henry glimlachte, en, zich buigende, plukte hij een roodbladig +madeliefje uit het gras, en keek er naar. + +--Ik ben overtuigd, dat ik het begrijpen zal, sprak hij, en hij bleef +aandachtig het goud-en wit-stralige zonnetje in zijne hand bezien; en +wat gelooven aangaat, ik kan alles gelooven, als het maar heel +ongelooflijk is. + +De wind schudde wat bloesems van de boomen af, en de zware +seringentakken, vol trossen van sterretjes wiegelden heen en weêr in +de zwoele lucht. Een sprinkhaan tjirpte bij den muur, en als een +blauwe draad vloog eene lange, dunne libel voorbij op bruinig gazen +vleugels. Lord Henry meende Basil Hallwards hart te hooren kloppen; +hij was nieuwsgierig wat er komen zoû. + +--Het is eenvoudig dit, zei de schilder na een oogenblik. Twee maanden +geleden ging ik naar een receptie bij Lady Brandon. Je weet, wij arme +artisten moeten ons van tijd tot tijd in gezelschap vertoonen om het +publiek te herinneren, dat wij geen wilden zijn. Met een rok en een +witte das, heb jij eens gezegd, kan iedereen, zelfs een aannemer, zich +de reputatie maken een man van de wereld te zijn. + +Nu, toen ik tien minuten binnen was, en gepraat had met dikke, +opgekleede douairières en vervelende Academisten voelde ik in eens, +dat iemand naar mij keek. Ik draaide mij half om en zag Dorian Gray, +voor de eerste maal. Toen onze oogen elkaâr ontmoetten, voelde ik, dat +ik bleek werd. Een curieus gevoel van angst kwam over me. Ik wist, dat +ik stond tegenover iemand, wiens persoonlijkheid alleen al zóó een +charme was, dat, als ik mij niet tegen ze verzette, mijn geheele +natuur, mijn ziel, mijn kunst zelfs zich in ze zoû oplossen. Ik wilde +geen invloed van buiten op mijn leven. Je weet, Harry, hoe +onafhankelijk ik van natuur ben. Ik ben altijd mijn eigen baas +geweest; ten minste: tot ik Dorian Gray ontmoette. Toen--maar ik weet +niet hoe het je uit te leggen. Iets zei mij, dat ik stond op de grens +van een geweldige crizis in mijn leven. Ik had een vreemd voorgevoel, +dat het Noodlot bizondere genietingen en bizonder verdriet voor mij +klaar hield. Ik werd bang en woû de kamer uitgaan. Het was niet mijn +geweten, dat mij hiertoe dwong, het was een soort lafheid. Het was een +onwillekeurige aandrang om te vluchten. + +--Geweten en lafheid is heusch precies het zelfde, Basil. Geweten is +maar de naam, die de firma in den handel aanneemt. Dat is het eenige +verschil. + +--Daar geloof ik niets van, Harry, en jij ook niet. In ieder geval, +wat er mij ook toe dwong--misschien een soort trots, want ik was +vroeger heel trotsch--dit is zeker: ik probeerde de deur uit te gaan. +Maar ik bonsde natuurlijk juist tegen Lady Brandon aan: + +--U is toch niet van plan nu al weg te gaan, Mr. Hallward? riep zij. + +--Je kent haar schelle stem. + +--Ja, ze is in alles een pauw, behalve in schoonheid, zei Lord Henry, +terwijl hij het madeliefje met zijne lange, zenuwachtige vingers aan +stukken trok. + +--Ik kon niet van haar afkomen. Zij prezenteerde me aan koninklijke +personen, en be-Starde en be-Kousenbande menschen en oude dames met +reusachtige tiara's en kakatoe-neuzen. Ze sprak over me als over een +intiemen vriend. Ik had haar maar eens ontmoet, maar ze had het er op +gezet me te lanceeren. Ik geloof, dat er toen juist een schilderij van +mij nog al succes had gehad; er was tenminste over geschreven in +couranten van een penny; je weet, het negentiend'eeuwsche boek van +onsterfelijkheid. Op eens kwam ik vlak bij den jongen. Wij stonden +naast elkaâr en raakten elkaâr bijna aan. Wij keken elkaâr in de +oogen. Het was roekeloos van me, maar ik vroeg Lady Brandon mij aan +hem voor te stellen; misschien was het toch niet gewaagd, het was +eenvoudig onvermijdelijk; wij zouden met elkaâr gesproken hebben, ook +zonder presentatie, ben ik zeker van. Dorian vertelde mij dat later; +voelde ook, dat wij voorbestemd waren elkaâr te kennen. + +--En hoe beschreef Lady Brandon dat jonge wonder-mensch? Ik weet, dat +zij gaarne van al haar gasten een vlug doopceel licht. Ik herinner me, +dat ze me bracht naar een woesten, ouden meneer met een rood gezicht +en heelemaal behangen met plaques en lintjes en siste toen, met een +tragisch gefluister, dat volmaakt hoorbaar voor de geheele zaal moet +geweest zijn, de verwonderlijkste détails in het oor. Ik ging er van +door: ik hoû er van zelve mijn menschen uit te vinden, maar Lady +Brandon behandelt haar gasten als een afslager zijn waren behandelt. +Zij pluist ze of heelemaal uit, of vertelt alles van ze, behalve dàt +wat men juist van ze zoû willen weten. + +--Arme Lady Brandon. Je bent hard voor haar, Harry, zei Hallward +lusteloos. + +--Mijn beste jongen, ze probeert een salon te houden en houdt alleen +een restauratie: hoe kan ik haar bewonderen? Maar zeg nu, wat zei ze +van Mr. Dorian Gray? + +--O, zoo iets van: lieve jongen; zijn arme beste moeder en ik waren +onafscheidelijk; ik ben heelemaal vergeten wat hij uitvoert; ik ben +bang, dat hij niets doet. O ja, hij speelt piano, of is het viool, +beste Mr. Gray? Wij moesten allebei lachen, en werden dadelijk +vrienden. + +--Lachen is volstrekt geen kwaad begin voor vriendschap en het is +zeker het beste einde er voor, zei de jonge lord, terwijl hij een +andere madelief plukte, Hallward schudde het hoofd. + +--Je weet niet wat vriendschap is, Harry, of wat vijandschap is. Je +houdt van iedereen, ik meen je houdt van niemand. + +--Wat ben je verschrikkelijk onrechtvaardig, zei Lord Henry. Hij zette +zijn hoed achterover en keek naar de wolkjes, die als uiteengerafelde +strengen glanzend witte zijde dreven door het gewelfde turkoois van de +zomerlucht.--Ja, verschrikkelijk onrechtvaardig. Ik maak een groot +verschil tusschen menschen: ik kies mijn vrienden voor hun mooie +gezichten, mijn kennissen voor hun goede karakters en mijn vijanden +voor hun goede hersenen. Men kan niet te moeielijk zijn in de keuze +van zijn vijanden. Ik heb er geen een, die dom is; zij zijn allen +mannen van ontwikkeling en bijgevolg apprecieeren ze me allemaal. +Is dat heel ijdel van me? Ik geloof wel, dat het dàt nog al is ... + +--Dat geloof ik ook Harry, maar, naar je verdeeling, schijn ik dus +maar een kennis te zijn. + +--Mijn beste oude jongen, je bent veel meer dan een kennis. + +--En minder dan een vriend; een soort broêr, denk ik. + +--O broêrs, ik geef niets om broêrs; mijn oudste broêr wil niet dood +gaan, en mijn jongere broêrs doen niet anders. + +--Harry! riep Hallward met een frons uit. + +--Mijn beste jongen, ik spreek niet heelemaal in ernst, maar ik kan +het niet helpen, dat ik een hekel heb aan mijn familie. Ik denk, dat +het komt omdat we niemand uit kunnen staan, die onze zelfde fouten +heeft. Ik voel volkomen sympathie voor de woede van de Engelsche +demokraten tegen wat ze de ondeugden van de hoogere klassen noemen. +Het volk voelt, dat dronkenschap, stomheid en onzedelijkheid hun eigen +privaat bezit behooren te zijn en dat, als iemand van ons zich +vergooit, hij zich op hun terrein waagt. Toen die arme Southwark voor +het Hof van Echtscheiding kwam, waren zij prachtig verontwaardigd, en +toch geloof ik, dat geen tien percent van het proletariaat netjes +leeft. + +--Ik ben het in geen woord met je eens, Harry, en buitendien jijzelf +ook niet. + +Lord Henry streek over zijn bruine puntbaardje en tikte aan de punt +van zijn verlakte laars met zijn ebbenhouten stokje met kwasten. + +--Wat ben je door en door Engelsch, Basil! Het is de tweede maal, dat +je die opmerking maakt. Als je een idee meêdeelt aan een goed +Engelschman, en dat is al een onvoorzichtig ding!--dan komt het niet +bij hem op te overwegen of het idee goed of kwaad is. Het eenige, +waaraan hij hecht, is, of je het zelf gelooft. Nu, de waarde van een +idee heeft niets ter wereld te maken met de oprechtheid van hem, die +het verkondigt. Hoe minder hij het meent, des te meer kans heb je, dat +de opinie van eenige waarde is, want in dat geval hebben noch zijn +behoeften, noch zijn wenschen of vooroordeelen er eenigen invloed op +gehad. Daarbij, ik heb in het geheel geen plan politiek, sociologie of +metafyzica met jou te bepraten. Ik hoû meer van menschen dan van +principes, en ik hoû het meest van alles van menschen zonder principes. +Vertel nog het een en ander van Mr. Dorian Gray. Zie je hem dikwijls? + +--Iederen dag. Ik zoû niet gelukkig kunnen zijn, als ik hem niet +iederen dag zag. Hij is mij een behoefte geworden. + +--Hoe vreemd! Ik dacht, dat jij nooit om iets anders dan om je kunst +zoû geven. + +--Hij is nu geheel mijn kunst voor mij, zei de schilder met ernst. Ik +denk wel eens, Harry, dat er maar twee oogenblikken zijn van eenig +gewicht voor de wereldgeschiedenis. Ten eerste: de geboorte van een +nieuwe kunstmanier; ten tweede: de geboorte van een nieuwe +persoonlijkheid voor de kunst. Wat de uitvinding van schilderen in +olieverf was voor de Venetianen, was het gelaat van Antinous voor +latere Grieksche beeldhouwkunst, en zal het gezicht van Dorian Gray +ook eens voor mij zijn. Het is niet alleen, dat ik naar hem schilder, +teeken of schets. Natuurlijk heb ik dat alles gedaan. Maar hij is mij +meer dan een model. Ik zeg niet, dat ik ontevreden ben met wat ik van +hem gemaakt heb, of dat zijn mooi niet door kunst kan worden +uitgedrukt. Er is niets, dat kunst niet kan teruggeven, en ik weet, +dat mijn werk, sinds ik Dorian Gray ontmoette, knap is, het beste, dat +ik ooit doen zal. Maar ik ben benieuwd of je me begrijpen zal? Zijn +persoonlijkheid heeft mij een geheel nieuwe manier ingegeven. Ik zie +de dingen anders, ik denk anders over die dingen. Ik kan nu het leven +herscheppen op een manier, die mij vroeger verborgen was. Een droom +van lijnen in dagen van gedachten, wie heeft dat ook weêr gezegd? Ik +weet niet meer, maar dàt is het wat Dorian Gray voor mij is. Niets dan +het uiterlijke bijzijn van dien jongen--want voor mij is hij nog een +jongen, hoewel hij toch over de twintig is--niets dan zijn uiterlijke +bijzijn--oh! begrijp je wat dat in zich heeft? Zonder te weten, opent +hij mij een nieuwe school, een school, waarin heel de passie van den +romantieken geest, en heel de volmaaktheid van den Griekschen geest +is. Harmonie van ziel en lichaam--hoeveel is dat niet! Wij, in onze +dwaasheid hebben ze van elkaâr gescheiden en hebben een realisme +uitgevonden, dat vulgair en een idealisme, dat hol is.--Harry, als je +weten kon wat Dorian Gray voor mij is! Herinner je je dat landschap +van me, waar Agnew zooveel voor bood, maar waar ik niet van woû +scheiden? Het is een van mijn beste werken. En waarom? Omdat, terwijl +ik het schilderde, Dorian Gray naast mij zat. Een subtiele invloed +ging van hem over op mij, en, voor het eerst in mijn leven, zag ik in +het eenvoudige boomlandschap dàt, wat ik altijd zocht, en altijd +miste. + +--Basil, dat alles is bepaald interessant. Ik moet dien Dorian Gray +eens zien. + +Hallward stond op, liep den tuin op en neêr. Na een korte poos kwam +hij terug. + +--Harry, zeide hij. Dorian Gray is niets dan een motief in mijn kunst. +Jij zoû niets in hem zien. Ik zie alles in hem. Hij is nooit meer in +mijn werk, dan wanneer zijn wezen niet om mij is. Hij is, zooals ik +zei, een suggestie van iets nieuws. Ik vind hem terug in de rondingen +van zekere lijnen, in de lieflijkheid en fijnheid van zekere kleuren. +Dat is alles. + +--Maar waarom wil je dan zijn portret niet expozeeren? vroeg Lord +Henry. + +--Omdat, zonder het te willen, ik er iets in heb gelegd van deze +curieuze artistieke idolatrie, waar ik natuurlijk met hem nooit over +gesproken heb. Hij weet daar niets van. Hij zal er ook nooit iets van +weten. Maar de wereld mocht het eens raden, en ik wil mijn ziel niet +bloot geven aan hun domme nieuwsgierige oogen. Mijn hart zal nooit +onder hun microscoop komen. Daar is te veel van mijzelven in dat doek, +Harry,--te veel van mijzelven! + +--Dichters zijn niet zoo teêrgevoelig als jij. Zij weten best hun +passies te gebruiken om naam te maken. Een gebroken hart geeft +tegenwoordig telkens nieuwe uitgaven. + +--Ik haat ze daarom! riep Hallward uit. Een artist moet mooie dingen +scheppen, maar er niets van zijn eigen leven in leggen. We leven in +een eeuw waarin kunst als een soort autobiografie beschouwd wordt. Wij +hebben het abstracte idee van schoonheid verloren. Eens zal ik de +wereld toonen wat dat is, en daarom zal de wereld ook nooit mijn +portret van Dorian Gray zien. + +--Ik geloof, dat je ongelijk hebt, Basil, maar ik wil niet met je +kibbelen. Intellectueel verloren is iedereen, die redeneert. Zeg eens, +is Dorian Gray erg op jou gesteld? + +De schilder dacht even na. + +--Hij houdt van me, zei hij toen; ik weet, dat hij van mij houdt. +Natuurlijk vlei ik hem vreeselijk. Ik vind er een vreemd genoegen in +hem dingen te zeggen, waarvan ik later spijt heb. Over het algemeen, +is hij heel aardig tegen me, en kunnen we heel gezellig over allerlei +dingen zitten praten in mijn atelier. Maar nu en dan is hij erg +onnadenkend en schijnt hij er pleizier in te hebben mij pijn te doen. +En Harry, dan voel ik, dat ik mijn heele ziel gegeven heb aan iemand, +die ze beschouwt als een bloem, om in zijn knoopsgat te steken. + +--Misschien zal het jou nog eerder gaan vervelen dan hem, Basil, +murmelde Lord Henry. Het is treurig, maar genie duurt ongetwijfeld +altijd langer dan schoonheid; daarom jagen we allemaal zoo naar +overbeschaving. In onzen strijd voor het bestaan zoeken we naar iets, +dat stand houdt, en daarom vullen we onze hersens op met nonsens en +met feiten, in de dwaze hoop dàn te zullen blijven staan. Een man, die +van alles op de hoogte is, dat is het moderne ideaal. En de hersens +van zoo een man zijn een vreeselijke chaos; het is er net als in een +galanteriewinkel; niets dan stoffige prullen, geprijsd boven de +eigenlijke waarde ... O ja, hij zal jou het eerste gaan vervelen. Op +een goeden dag zal je je vriend aanzien en hem niet goed van lijn of +leelijk van kleur vinden, of iets dergelijks. Je zal het hem in je +binnenste erg verwijten, en heusch vinden, dat hij je slecht behandeld +heeft. Den volgenden keer, dat hij bij je komt, ben je koud en +onverschillig. Het zal jammer zijn, want het zal jou ook heelemaal +veranderen. Wat je mij vertelde is een roman; je zoû kunnen zeggen: +een roman van kunst en het nadeel van elken roman is, dat het jezelven +zoo geheel en al onromantisch achterlaat. + +--Harry, spreek zoo niet. Zoolang ik leef zal de persoon van Dorian +Gray mij domineeren. Jij kan niet voelen, wat ik voel. Je bent te +veranderlijk. + +--Wel, mijn beste Basil, daarom juist kan ik dat voelen. Die getrouw +zijn, kennen alleen den trivialen kant van de liefde, de ontrouwen +alleen kennen de liefdedrama's. + +En Lord Henry streek een lucifer af op zijn kleine zilveren doos, en +begon eene cigarette te rooken met een zelfbewust en zeer tevreden +gezicht, als had hij de wereld in één woord samengevat. Er was een +geritsel van trirpende spreeuwen in de groen verlakte bladeren van den +klimop, en blauwe wolkschimmen schaduwden elkaâr na over het gras, als +zwaluwen. Hoe heerlijk was het in den tuin ... En wat waren de emoties +van anderen toch aangenaam! veel aangenamer dan hunne gedachten, vond +Lord Henry. Je eigen ziel, en de passies van je vrienden--dàt waren de +bekoringen van het leven. Hij stelde zich met een stil genot de +vervelende lunch voor, die hij was misgeloopen door zoo lang bij Basil +Hallward gebleven te zijn. Was hij naar zijne tante gegaan, hij zoû +daar zeker Lord Goodbody hebben ontmoet, en het geheele gesprek zoû +geloopen hebben over armen eten geven en over de noodzakelijkheid van +modelslaapplaatsen. Iedereen zoû geredeneerd hebben over de +belangrijkheid van deugden, die in zijn leven niet waren. De rijke zoû +uitgevaren over de spilzucht, de luiaard welbespraakt geworden zijn +over het goede van arbeidzaamheid. Het was zalig dat alles misgeloopen +te hebben. Terwijl hij aan zijne tante dacht, schemerde iets door hem +heen. Hij wendde zich tot Hallward en zei: + +--Mijn beste kerel, ik herinner me daar juist iets. + +--Wat dan, Harry? + +--Waar ik den naam van Dorian Gray hoorde. + +--Waar was dat? vroeg Hallward met een lichten frons. + +--Kijk toch zoo boos niet, Basil. Het was bij mijn tante Lady Agatha. +Ze zei me, dat ze een voorbeeldig jongmensch gevonden had, die haar in +East End zoû helpen, en dat hij Dorian Gray heette. Ik moet bekennen, +dat ze me nooit gezegd heeft hoe hij er uitzag. Vrouwen kunnen daar +trouwens niet over oordeelen, tenminste, brave vrouwen niet. Ze zei, +dat hij zeer ernstig was, en een prachtig karakter had. Ik stelde me +dadelijk voor; een wezen met een bril op, sluik haar, veel sproeten en +ontzettend groote voeten. Ik woû, dat ik geweten had, dat hij een +vriend van jou was. + +--Ik ben heel blij, dat je dat niet wist, Harry. + +--Waarom? + +--Ik wil niet, dat je hem ontmoet. + +--Wil je niet, dat ik hem ontmoet? + +--Neen. + +--Mr. Dorian Gray is in het atelier, meneer! zei de knecht, die in den +tuin kwam. + +--Nu moet je me wel aan hem voorstellen! schaterde Lord Henry. + +De schilder wendde zich tot den knecht, die in de zon stond te +knipoogen: + +--Vraag Mr. Gray even te wachten, Parker, ik kom dadelijk. + +De knecht boog en ging het pad terug. + +Toen keek Basil naar Lord Henry. + +--Dorian Gray is mijn beste vriend, hernam hij. Hij is een eenvoudig +naïef kind. Je tante had gelijk, toen zij zooveel goeds van hem zei. +Bederf hem niet. Probeer niet hem te influenceeren. Je invloed zoû +slecht zijn. De wereld is ruim, en interessante menschen zijn er +genoeg te vinden. Ontneem mij niet de eenige persoon, die aan mijn +kunst alle bekoring geeft, die ze bezit: mijn leven als artist hangt +van hem af. Denk er om Harry; ik, ik ... reken ... op ... je ... + +Hij sprak zeer langzaam en de woorden schenen tegen zijn wil uit hem +gewrongen te worden. + +--Wat een nonsens zeg je toch! zei Lord Henry, glimlachend, en +Hallward bij den arm nemend, drong hij hem bijna het huis binnen. + + + + +II. + + +Toen zij binnenkwamen zagen zij Dorian Gray. Hij zat voor de piano, +met zijn rug naar hen toe en hij bladerde in een deel van Schuberts +Waldscenen. + +--Je moet ze me leenen, Basil! riep hij uit. Ik wil ze leeren, ze zijn +allerliefst. + +--Dat zal er heelemaal van afhangen hoe je vandaag pozeert, Dorian! + +--O, ik ben moê van dat pozeeren, en ik heb geen levensgroot portret +van mij noodig, antwoordde hij, op den muziekstoel omdraaiende met de +ongeduldige beweging van een bedorven jongen. + +Toen hij Lord Henry in het oog kreeg, tintte een flauwe blos zijne +wangen en schrikte hij op. + +--Pardon Basil, maar ik wist niet, dat je iemand bij je hadt. + +--Lord Henry Wotton, Dorian, een oud vriend uit Oxford. Ik heb hem +juist verteld hoe uitstekend je pozeerde, en nu bederf je alles. + +--Maar u bederft niet mijn genoegen om u te ontmoeten, Mr. Gray, zei +Lord Henry, terwijl hij nader kwam en zijn hand uitstak. Mijn tante +heeft mij dikwijls over u gesproken; u is een van haar lievelingen en, +naar ik vrees, ook een van haar slachtoffers. + +--Ik sta tegenwoordig in een zwart blaadje bij Lady Agatha, antwoordde +Dorian, als een kind, dat stout is. Ik beloofde verleden Dinsdag met +haar naar een liefdadigheidsvoorstelling in West End te gaan, en ik +vergat het heelemaal. Wij zouden samen een quatre-mains gespeeld +hebben, drie quatre-mains', geloof ik. Ik weet heusch niet hoe ze me +ontvangen zal; ik ben veel te bang haar nu een visite te maken. + +--O, ik zal bij tante wel een goed woordje voor u doen; ze is dol op +u, en ik denk niet, dat het er toe deed of u er was of niet. Het +publiek zal wel gedacht hebben, dat het een quatre-mains was; als +tante Agatha voor de piano zit, maakt ze leven voor twee. + +--Dat is een affront voor haar en geen compliment voor mij, antwoordde +Dorian lachend. + +Lord Henry zag hem aan. Ja, hij was waarlijk buitengewoon mooi, met +zijne fijn besneden lippen, zijne open blauwe oogen en zijn goud +kroeshaar. Er was iets in zijn gezicht, waarom men hem dadelijk +vertrouwde. Alle openhartigheid van jeugd, en alle jeugdige +hartstochtelijkheid: toch voelde men iets of hij zich onbezoedeld van +de wereld had gehouden. Geen wonder, dat Basil Hallward hem vergoodde. + +--U heeft te veel charme om aan filanthropie te doen, Mr. Gray, veel +te veel ... + +De schilder was bezig geweest zijne kleuren te mengen en schikte zijne +penseelen klaar. Hij zag er moê uit; toen hij Lord Henry's opmerking +hoorde, zag hij hem aan, aarzelde even, en zei: + +--Harry, ik zoû vandaag graag dit portret af maken. Vindt je het erg +onbeleefd van me, als ik je vraag weg te gaan? + +Lord Henry glimlachte en keek naar Dorian Gray. + +--Moet ik gaan, Mr. Gray? vroeg hij. + +--O toe, neen, Lord Henry. Ik merk, dat Basil in een van zijn +vervelende buien is, en ik kan hem niet uitstaan, als hij zoo saai is. +Buitendien ik woû, dat u mij vertelde waarom ik niet aan filanthropie +moet doen. + +--Ik geloof niet, dat ik het u vertellen zal, Mr. Gray. Het is zoo een +vervelend onderwerp, dat ik er ernstig over zoû moeten spreken. Maar +ik zal zeker niet weggaan, nu dat u mij gevraagd heeft te blijven. Het +kan je immers zooveel niet schelen, Basil? Je hebt me dikwijls gezegd, +dat je het aangenaam vond, als je modellen met iemand konden praten. + +Hallward beet zich op zijn lip. + +--Als Dorian het gaarne heeft, kan je natuurlijk blijven. Dorians +grillen zijn voor iedereen wetten, behalve voor hemzelven. + +--Je meent het goed, Basil, maar ik moet heusch weg. Ik heb een +afspraak om iemand te ontmoeten bij Orleans. Adieu, Mr. Gray, kom eens +op een middag bij me in Curzon-street. Om een uur of vijf ben ik +meestal thuis. Schrijf mij als u komt. Ik zoû u niet gaarne missen. + +--Basil! riep Dorian Gray; als Lord Henry weggaat, ga ik er ook van +door. Jij maakt geen mond open als je aan het schilderen bent, en het +is afschuwelijk vervelend op een estrade te staan en lief te moeten +kijken. Vraag hem te blijven. Ik wil het. + +--Blijf, Harry, om Dorian pleizier te doen en om mij pleizier te doen, +zei Hallward, met een strakken blik naar de schilderij. Het is waar, +ik spreek nooit als ik werk en ik luister dan ook niet, en dat moet +heel vervelend zijn voor mijn ongelukkige modellen. Ik verzoek je +vriendelijk te blijven. + +--Maar hoe dan met mijn afspraak? + +De schilder lachte. + +--O, dat komt wel terecht. Ga weêr zitten, Harry. En Dorian, ga jij nu +weêr op de estrade, beweeg je niet en luister niet te veel naar Lord +Henry. Hij heeft op al zijn vrienden een slechten invloed, behalve op +mij. + +Dorian Gray stapte op de verhevenheid met het gezicht van een jongen +Griekschen martelaar en trok een moue van verveling tegen Lord Henry, +tot wien hij zich, in eens, getrokken voelde. Lord Henry was zoo heel +anders dan Basil; zij waren een aardig contrast. En hij had zoo een +aangename stem. Na eenige oogenblikken: + +--Heeft u waarlijk zoo een slechten invloed, Lord Henry, zooals Basil +beweert? + +--Er bestaan geen goede invloeden, Mr. Gray. Iedere invloed is +immoreel, immoreel uit een psychologisch oogpunt. + +--Waarom? + +--Omdat, zoodra men iemand influenceert, men dien persoon iets van +zijn eigen ziel geeft. Hij denkt niet meer zijn eigen gedachten, hij +voelt niet meer zijn eigen passies. Zijn deugden zijn niet de zijne. +Zijn zonden, als er zoo iets bestaat, zijn geleend. Hij wordt de echo +van een anders muziek, de acteur van een rol, die niet voor hem +geschreven werd. Het levensdoel is zelfontwikkeling, zooveel mogelijk +zichzelve te zijn; daarvoor bestaat men. Tegenwoordig zijn de menschen +bang voor zichzelven. Zij hebben den hoogsten plicht vergeten, den +plicht jegens zichzelven. O ja, zij zijn barmhartig genoeg. Zij voeden +de hongerigen en kleeden de bedelaars. Maar hun eigen zielen +verhongeren en zijn naakt. Er is geen moed meer in ons geslacht. +Misschien hebben we dien ook nooit gehad. Vrees voor de menschen; de +bazis van alle moraliteit; vrees voor God: het geheim van den +godsdienst--zijn de twee dingen, die ons regeeren. En toch ... + +--Draai je hoofd een beetje meer naar rechts Dorian, zei de schilder, +verdiept in zijn werk, zich slechts bewust, dat over Dorian's gelaat +eene uitdrukking kwam, die hij daar nooit te voren gezien had. + +--En toch--ging Lord Henry voort met zijne zachte stem vol muziek, en +met die bevallige wuiving van hand, die zoo karakteristiek in hem was, +al van Eton af--toch geloof ik, dat als iemand eens zijn leven geheel +en volkomen woû leven, als hij oor gaf aan ieder gevoel, uiting aan +iedere gedachte, werkelijkheid aan iederen droom--de wereld een +frissche wind van genot over zich zoû voelen waaien en wij al onze +middeneeuwsche ziekelijkheden zouden vergeten om terug te keeren tot +het Helleensche ideaal of ... misschien tot iets mooiers, rijkers, dan +het Helleensche ideaal. Maar de moedigste van ons is bang voor +zichzelven. Het aan banden leggen van den wilde in ons wordt ons +tragisch door een zelfontzegging, die het leven verbittert. Wij worden +gestraft voor onze zelfmartelingen. Iedere impulsie, die wij trachten +te smoren, kankert voort in onzen geest en vergiftigt ons. Het vleesch +zondigt ééns en dan is het gedaan, want actie is een soort van +reiniging. Daarna blijft er niets over dan de herinnering aan een +genot of de weelde van een verdriet. De eenige manier om aan een +verleiding te ontkomen, is er aan toe te geven. Strijd er tegen en +je ziel krijgt een ziekelijk verlangen naar de dingen, die ze zich +ontzegd heeft, een wensch naar alles, wat onze slechte wetten slecht +en onredelijk hebben gemaakt. Men zegt, dat de groote wereld- +gebeurtenissen plaats grijpen in de hersens van de menschen. Het +is ook in die zelfde hersens, en ook alleen dáárin, dat de groote +zonden van de wereld gebeuren. Uzelf, Mr. Gray, met uw jonge jeugd, +uzelf heeft al passies gekend, die u angst hebben aangejaagd, +gedachten, die u schrik gaven; droomen, als u sliep, en droomen, als +u wakker was en waaraan de herinnering alleen u doet blozen ... + +--Schei uit! stamelde Dorian Gray, schei uit! U overstelpt me. Ik weet +niets te zeggen. Er _is_ een antwoord op alles wat u gezegd heeft, +maar _ik_ kan het niet vinden. Spreek niet. Laat mij denken. Of neen, +laat ik liever niet nadenken ... + +Lang stond hij daar, bewegingloos, de lippen half open, de oogen +vreemd glanzend. Hij was zich flauw bewust, dat geheel nieuwe +invloeden in hem werkten. Toch scheen het hem of alles waarlijk uit +hemzelven kwam. De enkele woorden, die Basils vriend tot hem gezegd +had,--woorden, bij toeval geuit, grillige paradoxen--ze hadden eene +geheime snaar geraakt, die nooit te voren beroerd was geworden ... + +Muziek had dien zelfden invloed op hem. Muziek had reeds dikwijls hem +zóó getroffen. Maar muziek kon niet spreken. Ze schept niet een nieuwe +wereld, maar een nieuwe chaos in ons. Maar woorden! Woorden! Hoe +vreeselijk waren ze! Hoe klaar, hoe vol van het leven, hoe wreed! Men +kon ze niet ontvluchten. En toch, wat subtiele tooverkracht school in +ze! Ze schenen een plastischen vorm aan vormlooze dingen te geven, en +een geluid te bezitten, even zacht als van een viool. Louter woorden! +Bestond er iets reëelers dan woorden? + +Ja, er waren dingen, die hij als jongen nooit begrepen had. Hij +begreep ze nu! Het leven schitterde eensklaps als purper om hem heen. +Het was hem of hij midden door vuur liep. Waarom had hij het nooit te +voren gevoeld ...! + +Lord Henry bestudeerde hem met een fijnen glimlach. Hij wist op het +juiste psychologische moment te zwijgen. Zijn studie interesseerde +hem. Hij was getroffen door de plotselinge uitwerking zijner woorden, +en, zich een boek herinnerend, dat hij op zijn zestiende jaar gelezen +had--een boek, dat hèm veel geopenbaard had,--vroeg hij zich af of +Dorian Gray nu een dergelijk oogenblik doorleefde. Hij had een enkele +pijl afgeschoten. Had die getroffen? + +Hallward schilderde voort met de breede, krachtige streek, die hem +eigen was, fijn en delicaat van toets, de streek, die men te danken +heeft aan kracht. Hij merkte de stilte niet op. + +--Basil, ik ben moê van dat staan, riep Dorian Gray eensklaps uit. Ik +kan niet meer, ik ga wat in den tuin zitten. Het is hier om te +stikken. + +--Arme jongen, het spijt me. Als ik aan het werk ben, denk ik aan +niets anders. Maar je hebt nooit beter gepozeerd. Je was doodstil. En +ik heb juist de uitdrukking getroffen, die ik hebben woû, die +lichtschittering in de oogen. Ik weet niet wat Henry je heeft zitten +vertellen, maar dit is zeker, dat hij je gezicht in de juiste plooi +heeft gebracht. Hij heeft je zeker complimentjes gemaakt. Geloof er +maar geen woord van. + +--Het waren alles behalve complimentjes. Misschien geloof ik juist +daarom niets van alles wat hij me verteld heeft. + +--U weet heel goed, dat u àlles gelooft, zei Lord Henry, met een blik +van droomerige oogen. We zullen samen wat in den tuin gaan. Het is +hier ontzettend warm. Basil, geef ons eens iets koels te drinken, iets +met aardbeien. + +--Zeker Harry, bel maar even, en als Parker komt, zal ik hem zeggen +wat te brengen. Ik moet den achtergrond nog wat bijwerken, ik kom +later wel bij je. Dit wordt mijn meesterstuk. Trouwens, het is het nu +al, zooals het daar staat. + +Lord Henry ging den tuin in; hij zag hoe Dorian Gray het gezicht +begroef in de volle, koele seringen-trossen en koortsachtig den geur +ervan indronk, als ware die wijn. Hij kwam vlak bij hem en legde de +hand op zijn schouder. + +--Dat is heel goed wat u daar doet, fluisterde hij. De ziel geneest +het best door de zinnen, evenals de zinnen door de ziel. + +De jongen schrikte en trok zich terug. Hij was blootshoofds, en de +bladeren hadden het gouddraad van zijn haar verward. Vrees was in zijn +oogen, zooals bij iemand, die in eens wakker is gemaakt. Zijne dunne +neusvleugels trilden en een geheime zenuw deed zijn lippen beven. + +--Ja, herhaalde Lord Henry, dat is een van de groote mysteries van het +leven: de ziel te genezen door de zinnen en de zinnen door de ziel. U +is een vreemd amalgama. U weet meer dan u zich bewust is, en u weet +minder dan u wilt weten. + +Dorian Gray fronste zijn wenkbrauwen en wendde het hoofd om. Maar hij +kon niet nalaten sympathie te voelen voor dien grooten, gracieuzen +jongen man, met zijn romantisch, olijfkleurig gezicht, waarover +vermoeide uitdrukking waasde. Er was iets zeer aantrekkelijks in zijne +zachte, matte stem; zelfs zijne koele, witte handen, fijn als bloemen, +hadden vreemde betoovering in zich. Zij bewogen zich, wanneer hij +sprak, als muziek en schenen zelve taal uit te drukken. Maar toch was +Dorian bang voor hem en hij schaamde zich dien angst. Waarom had een +vreemde hem aan zichzelven moeten openbaren? Hij had Basil Hallward +maanden gekend: die vriendschap zoû hem nooit veranderd hebben. +Plotseling was er iemand gekomen, die hem het mysterie van het leven +had ontdekt. En waar was hij nu bang voor? Hij was toch geen +schooljongen, toch geen meisje? Dwaas was het bang te zijn. + +--Laat ons wat in de schaduw gaan zitten, zei Lord Henry. Parker heeft +iets te drinken gebracht en als u hier nog langer in de zon blijft, +verbrandt u en zal Basil u nooit meer schilderen. U moet u niet zoo +laten verbruinen. Dat flatteert niets! + +--Wat kan dat schelen? riep Dorian Gray lachend, terwijl zij achter in +den tuin gingen zitten. + +--Het moet u juist heel veel kunnen schelen, Mr. Gray. + +--Waarom toch? + +--Omdat u een bewonderenswaardigheid van jeugd heeft en jeugd is het +eenige op de wereld, de moeite van het bezitten waard. + +--Dat voel ik zoo niet, Lord Henry. + +--Neen, nu niet. Maar later, als u oud en gerimpeld en leelijk +geworden is, als er lijnen zijn gekomen over uw voorhoofd door het +denken en uw lippen geschroeid zijn door het vuur van afschuwelijke +passies, dàn zal u het voelen, het intens voelen. Overal waar u nu +gaat, palmt u de wereld in. Zal het altijd zoo zijn?... U heeft een +buitengewoon mooi gezicht, Mr. Gray. Fronst niet. Het is zoo. En +schoonheid is een soort van genie, zelfs hooger, want geen uitlegging +is er bij noodig. Het is een van de groote principes van de wereld, +evenals de zon of het voorjaar. De menschen zeggen soms, dat +schoonheid oppervlakkig is; dat is mogelijk, maar ze is tenminste niet +zoo oppervlakkig als gedachte. Schoonheid is voor mij het grootste +wonder, dat er bestaat. O, geniet van uw jeugd zoolang u ze heeft. +Leef. Leef het leven, dat in u is. Laat niets verloren gaan. Zoek +altijd naar nieuwe sensaties. Wees nergens bang voor ... + +Dorian Gray luisterde verwonderd met open oogen. Het takje seringen +viel uit zijne hand op het grint. Een bij kwam en gonsde er een +oogenblïk om heen. Toen kroop ze over die bestarrelde globe van kleine +bloemen. Dorian zag er naar met die vreemde belangstelling in +kleinigheden, die wij aan den dag leggen, als iets belangrijks ons +vrees aanjaagt, als een nieuw gevoel in ons trilt, waarvoor wij geene +woorden kunnen vinden; als eene gedachte vol schrik eensklaps beslag +legt op onze hersenen en ons dwingt toe te geven. Na eene pooze vloog +de bij weg. Hij zag haar toen kruipen in den getijgerden kelk van een +Tyreensche convolvulus. De bloem scheen even te sidderen, toen wuifde +ze zachtjes heen en weêr. + +De schilder verscheen aan de deur van het atelier en wenkte om te +komen. Zij zagen elkaâr aan en glimlachten. + +--Ik wacht! riep hij. Komt binnen. Het licht is uitstekend, en je kan +je glazen meêbrengen. + +Zij stonden op en volgden langzaam het pad. Twee wit-en-groene +kapellen fladderden om hen rond; in den pereboom in den hoek van den +tuin begon een merel te zingen. + +--Doet het u plezier mij ontmoet te hebben, Mr. Gray? vroeg Lord +Henry, hem aanziende. + +--Ja, nu wel. Zal ik het altijd blijven? + +--Altijd! Dat is een verschrikkelijk woord. Ik krijg een huivering als +ik het hoor. Vrouwen gebruiken het zoo dikwijls. Ze bederven iederen +roman door hem _altijd_ te willen laten voortduren. En het is een +woord zonder eenige beteekenis. Het eenige verschil tusschen een gril +en een levenslange passie is, dat de gril een beetje langer duurt. + +Terwijl zij het atelier binnentraden, legde Dorian Gray zijn hand op +Lord Henry's arm. + +--Als dat zoo is, laat onze vriendschap dan een gril zijn, fluisterde +hij, kleurende over zijn eigen vrijmoedigheid; toen stapte hij op de +estrade en nam zijne poze aan. + +Lord Henry wierp zich in een groten rieten stoel. De op-en neêrstreek +van het penseel over het doek was het eenige geluid, dat de stilte +brak, tenzij Hallward een paar passen achteruit ging om zijn werk op +een afstand te bezien. In de schuine stralen, die door de opene deur +naar binnen stroomden, dansten de stofatoompjes en zij waren als goud. +De geur der rozen scheen zwaar over alles te drijven. Na een kwartier +hield Hallward op met schilderen, zag Dorian Gray lang aan, beet op +een van zijne lange penseelen, rimpels in zijn voorhoofd. + +--Het is klaar! riep hij ten laatste en zich bukkend, schreef hij zijn +naam met lange vermiljoenen letters in den linkerhoek van het doek. + +Lord Henry stond op en bezag de schilderij. Het was zeker een +wondervol stuk van kunst, wondervol van gelijkenis. + +--Kerel! ik feliciteer je van harte! sprak hij. Het is het mooiste +moderne portret, dat ik tot nu zag. Komt eens hier, Mr. Gray, en +bekijk uzelven. + +De jongen schrikte op, als uit een droom. + +--Is het waarlijk klaar? murmelde hij, van de estrade stappend. + +--Geheel en al! zei de schilder. En je hebt vandaag uitstekend +gezeten, dat moet ik zeggen. + +--Dat heb je aan mij te danken, viel Lord Henry daarop in. Niet waar, +Mr. Gray? + +Dorian antwoordde niet en langzaam, zonder belangstelling, ging hij +voor het portret staan. Toen ging hij een paar passen terug en een +rood van plezier kwam over zijne wangen. Glans van vreugde kwam in +zijne oogen, als zag hij zich voor het eerst. Hij stond daar stil en +verwonderd, zich flauwtjes bewust, dat Hallward tot hem sprak, maar de +beteekenis zijner woorden niet vattend. Het wezen zijner schoonheid +kwam over hem als eene openbaring. Nooit te voren was dat zoo geweest. +Basil Hallwards complimenten hadden hem steeds toegeschenen als de +lieve overdrijvingen van hun vriendschapsgevoel. Hij had ze +aangehoord, over ze gelachen en ze weêr vergeten. Zij hadden niets op +hem uitgewerkt. Toen was Lord Henry gekomen met zijne vreemde +panegyrie over jeugd; dit had hem een oogenblik getroffen en nu, +terwijl hij stond te kijken naar de afschaduwing van zijn eigen mooi, +nu flitste de waarheid door hem heen. Ja er zoû een dag komen, dat +zijn gezicht oud en gerimpeld zoû zijn, zijn oog dof en zonder kleur, +de gratie van zijn lichaam gebogen en misvormd. Het rood zoû van zijn +lippen verbleeken, het goud uit zijn haar verdwijnen. Het leven, dat +zijne ziel was, zoû zijn lichaam slijten. Hij zoû leelijk worden, +afschuwelijk onsmakelijk. De gedachte hieraan doorstak hem als met de +pijn van een mes en deed iedere zenuw van zijn delicaat wezen +sidderen. Zijn oogen diep-blauwden tot amethyst en er kwam een waas +van vocht over. Het scheen of eene ijzige hand op zijn hart was +gelegd. + +--Vindt je het niet mooi? riep Hallward, een beetje geprikkeld, door +het stilzwijgen van den jongen, dien hij niet begreep. + +--Natuurlijk vind hij het mooi, zei Lord Henry. Wie zoû het niet mooi +vinden?! Het is een van de mooiste, knapste dingen in moderne kunst. +Ik geef je alles wat je er voor vraagt, ik moet het hebben. + +--Het is niet van mij, Henry. + +--Van wien dan? + +--Van Dorian natuurlijk! antwoordde de schilder. + +--Hij is wel af! + +--Hoe vreeselijk! murmelde Dorian Gray, starend op het portret. Hoe +vreeselijk! Ik zal oud, leelijk, afzichtelijk worden. Maar dit portret +zal altijd jong blijven. Het zal nooit ouder zijn, dan zooals het nu +is, op dezen dag, in Juni ... O, was het maar omgekeerd! Was _ik_ het +maar die altijd jong bleef, en werd het portret maar ouder! Daarvoor +... dáárvoor! zoû ik alles geven. + +--Daar zoû jij dan toch wel tegen zijn, Basil! riep Lord Henry +lachend. Het zoû niet erg flatteus zijn voor je werk. + +--Daar zoû ik zeer zeker op tegen hebben, Henry, zei Hallward. + +Dorian Gray wendde zich om en zag hem aan. + +--Ja, dat geloof ik ook, Basil. Je hebt je kunst meer lief dan je +vrienden. Voor jou ben ik niet meer dan een bronzen beeld. Niet eens +zooveel misschien. + +De schilder zag hem met verbazing aan. Het was niets voor Dorian zoo +te spreken. Wat was er gebeurd? Hij scheen zeer boos, zijne wangen +gloeiden. + +--Ja, ging hij voort. Voor jou ben ik nog minder dan die ivoren Hermes +of die zilveren Faun. Van die dingen zal je altijd blijven houden. Hoe +lang van mij? Tot ik mijn eersten rimpel heb, zeker! Ik weet nu, dat +als je leelijk wordt, je daarmeê ook alles en alles verliest. Je +schilderij leerde me dat. Lord Henry Wotton heeft volkomen gelijk. +Jeugd is alles. Als ik merk, dat ik oud word ... maak ik me van kant. + +Hallward werd bleek en pakte zijne hand. + +--Dorian! Dorian! riep hij; spreek zoo niet. Ik had nooit een vriend +zooals jij, en nooit zal ik een ander zoo hebben. Je bent toch niet +jaloersch van dingen van materie, jij, die mooier bent dan wat ook! + +--Ik ben jaloersch van alles wat mooi is en mooi blijft, altijd mooi +blijft. Ik ben jaloersch van dat portret, dat je van mij gemaakt hebt. +Waarom zal dàt altijd behouden, wat ik verliezen moet! Ieder moment, +dat voorbij gaat, neemt iets van mij weg, en geeft het aan dat +portret. O, was het dan toch omgekeerd! Veranderde dat portret maar, +en bleef ik altijd, die ik nu ben! Waarom heb je het geschilderd? Eens +zal het mij bespotten, verschrikkelijk bespotten! + +Heete tranen kwamen in zijne oogen; hij trok zijne hand weg, gooide +zich op den divan, verborg het gezicht in de kussens, als bad hij. + +--Dat is jouw werk, Harry, zei de schilder bitter. + +Lord Henry haalde de schouders op. + +--Het is de ware Dorian Gray, dat is alles. + +--Dat is het niet. + +--Als het niet zoo is, wat heb ik er meê te maken? + +--Je hadt weg moeten gaan, toen ik het je vroeg, mompelde Basil. + +--Ik bleef, toen jij me dat ook vroeg, was het antwoord. + +--Harry, ik kan niet op het zelfde oogenblik met mijn twee beste +vrienden kibbelen, maar jullie met je beiden hebt me mijn mooiste werk +leeren haten en ik zal het vernietigen. Wat is het anders dan een doek +met wat kleuren? Ik wil niet, dat het iets leelijks wordt in onze drie +levens. + +Dorian Gray hief zich op uit de kussens; met een bleek gezicht met +betraande oogen zag hij naar Basil: hij ging naar de schildertafel +voor het hooge raam. Wat deed hij daar? Zijne vingers rommelden +tusschen tinnen tubes en droge penseelen, als zochten zij iets. Ja, +zij zochten het lange schildersmes met het dunne lemmet van fijn +staal. Eindelijk vond hij het. Hij zoû het doek doorrijten ... + +Met een onderdrukten snik sprong de jongen van de bank, vloog op +Hallward toe, wrong hem het mes uit de hand en slingerde het in een +hoek van het atelier. + +--Niet doen, Basil, niet doen! kreet hij, het zoû een moord zijn!! + +--Ik ben blij, dat je eindelijk mijn werk op éénige waarde stelt, +Dorian, zei de schilder, koelweg. Ik dacht niet, dat je dat nog doen +zoû. + +--Op waarde stellen? Maar ik ben er verliefd op, Basil. Het is een +deel van mijzelven. Dat voel ik. + +--Nu ... zoodra je droog bent, zal ik je laten vernissen, encadreeren +en thuis zenden. Dan kan je met je eigen doen wat je wilt. + +En hij ging naar een hoek van de kamer om voor de thee te bellen. + +--Jij drinkt natuurlijk thee, Dorian, niet waar? En jij Harry? Of heb +je een diepe minachting voor zoo een onschuldig genot? + +--Ik hoû heel veel van onschuldige genoegens. Maar ik hoû niet van +scènes, behalve op het tooneel natuurlijk. Wat een dwaze kerels zijn +jullie toch allebei! Wie heeft ook weêr gezegd, dat een mensch een +beredeneerd dier was! Het is het voorbarigst oordeel, dat ik ooit +gehoord heb. Een mensch is een heele boel, maar beredeneerd; alles +behalve! Eigenlijk, ben ik er blij om, maar ik woû, dat jullie nu +nooit meer kibbelden over dat portret. Je moest het mij maar geven, +Basil. Het kan dien flauwen jongen eigenlijk niets schelen, en mij +wel. + +--Als je het aan iemand anders geeft dan aan mij, Basil, vergeef ik +het je nooit! riep Dorian Gray, en ik geef niemand permissie mij een +flauwen jongen te noemen. + +--Je weet, dat het portret van jou is, Dorian. Ik gaf het je, nog vóór +het bestond. + +--En u weet heel goed, dat u een heel klein beetje flauw geweest is, +en dat u het eigenlijk ook zoo heel naar niet vind er aan herinnerd te +worden, dat u nog zeer jong is. + +--Ik zoû het van morgen wel degelijk heel naar gevonden hebben, Lord +Henry. + +--O van morgen! U heeft "geleefd" na dien tijd ... + +Een klop op de deur en de butler kwam binnen met een beladen theeblad; +hij zette het neêr op een Japansch tafeltje. Daar was een gerinkel van +kopjes en schoteltjes en het sissen van een geribden zilveren ketel. +Twee porceleinen schalen werden door een knechtje binnen gebracht. + +Dorian Gray ging naar het tafeltje en schonk thee. + +--Laat ons van avond naar de komedie gaan, zei Lord Henry. Daar zal +ergens wel wat moois gegeven worden. Ik heb wel een afspraak om in +White te komen dineeren, maar het is een oud vriend; ik kan hem dus +wel telegrafeeren, dat ik ziek ben, of dat ik verhinderd ben te komen +door een latere afspraak. Mij dunkt, dat is nogal een aardig succes; +het zoû de verrassing van openhartigheid hebben. + +--Het is zoo vervelend je in een rok te steken, mompelde Hallward. En +als je hem eens aan hebt, ben je afschuwelijk. + +--Ja, antwoordde Lord Henry; ons toilet van de 19de eeuw is heel +leelijk. Het is zoo somber, zoo saai. Zonde, dat is eigenlijk het +éénige wat een kleurtje geeft aan het moderne leven. + +--Je moet werkelijk zulke dingen niet zeggen, als Dorian er bij is, +Harry! + +--Welke Dorian? Die daar voor ons thee schenkt of die van het portret? + +--Voor geen van beiden. + +--Ik zoû wel met u naar de opera willen gaan, Lord Henry, zei de +jongen. + +--Dat is heel goed: jij gaat toch ook meê, Basil? + +--Neen, ik kan niet, waarlijk liever niet. Ik heb nog een boel te +doen. + +--Nu, dan zullen wij samen gaan, Mr. Gray. + +--Dat vind ik heel prettig. + +De schilder beet zich op de lippen en ging met zijn kopje in de hand +voor de schilderij staan. + +--Ik zal bij den waren Dorian blijven, sprak hij weemoedig. + +--Is dat de ware Dorian? vroeg het origineel bij hem komend. Lijk ik +daar heusch op? + +--Ja precies. + +--Hoe wreed, Basil! + +--Ten minste uiterlijk. Maar dàt zal nooit veranderen! zuchtte +Hallward. Dat is tenminste iets. + +--Wat een drukte maken de menschen toch over trouw! riep Lord Henry +uit. Lieve hemel! zelfs in de liefde is het niets dan een fyziologisch +verschijnsel. Het heeft niets met onzen wil te maken. Jonge lui willen +trouw zijn, maar blijven het niet; oude lui willen ontrouw zijn, maar +kunnen niet; dat is alles wat je er van zeggen kan. + +--Ga van avond niet naar de opera, Dorian! zei Hallward. Blijf bij mij +dineeren. + +--Ik kan niet, Basil. + +--Waarom niet? + +--Omdat ik Lord Henry Wotton beloofd heb met hem meê te gaan. + +--Hij zal niets meer van je houden, omdat jij je belofte trouw bent. +Hij verbreekt altijd de zijne. Ik verzoek je niet te gaan. + +Dorian Gray lachte en schudde het hoofd. + +--Ik smeek je. + +De jongen aarzelde en zag naar Lord Henry, die hen met een glimlach +vol vermaak opnam. + +--Ik moet heusch gaan, Basil, antwoordde hij. + +--Heel goed, zei Hallward, en hij zette zijn kopje op het blad neêr. +Het is al laat en daar je je nog kleeden moet, mag je wel gaan. Dag +Harry. Dag Dorian. Kom weêr eens gauw bij mij. Kom morgen. + +--Goed. + +--Zal je het niet vergeten? + +--Neen, natuurlijk niet! riep Dorian. + +--En ... Harry! + +--Ja, Basil. + +--Denk aan hetgeen ik je vroeg, vanmorgen, in den tuin. + +--Ik ben het vergeten. + +--Ik vertrouw op je. + +--Ik woû, dat ik mezelven kon vertrouwen, lachte Lord Henry. Kom, Mr. +Gray, mijn coureuse is voor en ik kan u even thuis afzetten. Adieu +Basil. Ik heb een interessanten middag gehad. + +Terwijl de deur achter hen dicht sloeg, wierp de schilder zich op zijn +bank; een trek van smart kwam over zijn gelaat. + + + + +III. + + +Den volgenden morgen, om half een, wandelde Lord Henry Wotton van +Curzonstreet naar Albany om zijn oom op te zoeken, Lord Fermor, een +joviale, wel wat ruwe oude vrijer: de wereld noemde hem egoïst, omdat +zij geen voordeel van hem trok, maar onder zijne kennissen had hij den +naam vrijgevig te zijn, omdat hij de menschen, die hem amuzeerden, te +eten gaf. Zijn vader was onze ambassadeur in Madrid geweest, toen +Isabella nog jong was en er aan Prim niet gedacht werd, maar hij had +zich uit de diplomatie teruggetrokken in een haastig oogenblik van +ontevredenheid, omdat men hem de ambassade te Parijs niet had +aangeboden, een post, waarop hij alleen aanspraak meende te hebben, op +grond van: zijne geboorte, zijne indolentie, het goede Engelsch van +zijne telegrammen, en zijn dolle passie voor genot. De zoon, die de +secretaris van zijn vader was geweest, had tegelijkertijd zijn ontslag +ingediend, dat wel wat dwaas werd gevonden, en toen hij eenige maanden +later den titel van hem erfde, had hij zich gewijd aan een ernstige +studie van de groote aristocratische kunst, om absoluut _niets_ te +doen. Hij had twee groote huizen in de stad, maar gaf er de voorkeur +aan op kamers te wonen, omdat dit minder last gaf; hij at meestal in +zijn club. Hij bemoeide zich een beetje met de exploitatie zijner +kolenmijnen in het Graafschap Midland en waschte zich schoon van de +smet dezer industrie met de bewering, dat het eenige voordeel van het +bezit van kolen was, dat men met fatsoen hout kon branden in zijn +eigen huis. In de politiek was hij een Tory, behalve wanneer de Tories +de bovenhand hadden, want dan maakte hij ze kalm uit voor een hoop +Radicalen. Hij was een held voor zijn knecht, die hem op den kop zat, +en een schrik voor de meeste zijner familieleden, die hij weêr op zijn +beurt op den kop zat. Alleen Engeland kon hem hebben voortgebracht, en +toch, hij beweerde altijd, dat Engeland op de flesch ging. Zijne +principes waren van voor den zondvloed, maar er was veel te zeggen +voor zijn vooroordeelen. + +Toen Lord Henry de kamer binnen kwam, vond hij zijn oom, in een dik +jachtbuis, met een cigarette, brommende over de Times. + +--Zoo Harry, sprak de oude heer, wat kom jij zoo vroeg doen? Ik dacht, +dat jullie dandies nooit opstonden vóór tweeën en niet zichtbaar waren +vóór vijven. + +--Pure familie-affectie, dat verzeker ik u, oom George. Ik moet wat +van u hebben. + +--Geld natuurlijk, zei Lord Fermor met een leelijk gezicht. Nu, ga +zitten en vertel de kwestie. Tegenwoordige jongelui denken, dat geld +alles is. + +--Ja, antwoordde Lord Henry, de bloem in zijn knoopsgat wat vaster +zettend; en als ze ouder worden, dan weten ze het zeker. Maar ik kom +niet om geld. Alleen menschen, die hun rekeningen betalen, hebben dat +noodig. Krediet is het kapitaal van een jongeren zoon en je leeft er +heel goed van. Buitendien ben ik altijd bij de leveranciers van +Dartmoor en die laten me met rust. Wat ik noodig heb is informatie: +geen nuttige natuurlijk, informatie zonder nut. + +--Nu, ik kan je alles vertellen wat er staat in een Engelsch +Blue-Book, hoewel de lui tegenwoordig een hoop nonsens schrijven. Toen +ik bij de diplomatie was, was het veel beter. Maar ik hoor, dat ze ze +tegenwoordig examens laten doen. Wat kan je daar dan ook van +verwachten. Examens, meneer, zijn niets dan humbug van het begin tot +het eind. Is iemand een heer, dan weet hij meer dan genoeg, en is hij +het niet, dan is alles wat hij ook weet of kent, slecht voor hem. + +--Mr. Dorian Gray behoort niet tot de Blue-Books, oom George? vroeg +Lord Henry kwijnend. + +--Mr. Dorian Gray? Wie is dat? vroeg Lord Fermor, zijn zware witte +wenkbrauwen fronsend. + +--Dat kom ik juist van u hooren, oom George, of liever, ik weet wie +hij is. Hij is de kleinzoon van den laatsten Lord Kelso. Zijn moeder +was een Devereux. Lady Margaret Devereux. Ik woû, dat u me wat van +zijn moeder vertelde. Wat was ze voor een vrouw. Met wien is zij +getrouwd? U heeft iedereen uit uw tijd gekend, dus haar zeker ook wel. +Ik ben nogal geïnteresseerd in Mr. Gray voor het oogenblik. Ik heb hem +pas ontmoet. + +--Een kleinzoon van Kelso, herhaalde de oude heer. Een kleinzoon van +Kelso!... Natuurlijk ... Ik heb zijn moeder heel goed gekend. Ik +geloof, dat ik bij haar doop was. Zij was een pracht van een meid, +Margaret Devereux, en zij heeft alle mannen dol gemaakt door weg te +loopen met een jongen zonder een cent, meneer, een onderofficier bij +de infanterie of zoo iemand. Wel ja, ik herinner me de heele +geschiedenis, alsof het gisteren gebeurd was. De arme kerel werd een +paar maanden na zijn huwelijk te Spa in een duel doodgeschoten. Dat +was een leelijke historie. Ze zeggen, dat Kelso een gemeenen +avonturier, een Belgischen schurk, heeft opgedragen zijn schoonzoon in +het publiek te beleedigen--en hem ervoor betaald heeft, meneer, +betaald heeft om het te doen; dat de kerel hem moest doorsteken alsof +hij een hond was. De zaak is toen gesust geworden, maar, voor den +donder, Kelso heeft een heelen tijd in de club alleen kunnen eten. Hij +heeft zijn dochter weêr in huis genomen, heb ik gehoord, maar ze heeft +nooit meer tegen hem gesproken. Ja, ja, het was een leelijke boel. En +het meisje is ook gestorven binnen het jaar. En ze heeft dus een zoon +nagelaten? Zoo, dat was ik vergeten. Wat is hij voor een jongen? Als +hij op zijn moeder lijkt, is hij een knappe vent. + +--Hij ziet er heel goed uit, bevestigde Lord Henry. + +--Ik hoop, dat hij in goede handen valt, ging de oude man voort. Hij +moest een hoop geld te wachten hebben, als Kelso voor hem gedaan heeft +wat recht was. Zijn moeder had ook geld. Al het fortuin van de Selby's +kwam ook aan haar, door haar grootvader. Haar grootvader had een haat +aan Kelso, vond hem een gemeenen kerel. Nou, dat was hij ook. Is te +Madrid geweest, toen ik er was. Waarachtig, ik schaamde me voor hem. +De koningin vroeg me altijd naar dien Engelschman, die altijd standjes +had met de koetsiers over hun fooien. Ze hadden er een heele legende +van gemaakt. Ik heb me een maand lang niet aan het Hof durven +vertoonen. Ik hoop, dat hij zijn kleinzoon beter behandelde? + +--Dat weet ik niet, antwoordde Lord Henry. Ik geloof, dat hij er goed +in zit. Hij is nog niet meerderjarig. Hij heet Selby, dat weet ik. Dat +vertelde hij mij. En ... was zijn moeder zoo mooi? + +--Margaret was een van de mooiste vrouwen, die ik ooit gezien heb, +Harry. Wat haar ooit bezield heeft zoo iets te doen, begrijp ik nog +niet. Zij kon iedereen gehad hebben, die zij woû. Carlington was gek +op haar. Maar, ze was zoo romantisch uitgevallen. Trouwens, dat waren +al de vrouwen uit die familie. De mannen waren niet veel bizonders, +maar de vrouwen waren prachtig. Carlington is voor haar op zijn knieën +geweest. Hij heeft het me zelf verteld. Ze lachte hem uit, en daar was +geen meisje in Londen, dat niet op hem vlaste. A propos, Harry, over +malle huwelijken gesproken, wat is dat toch voor een praatje van je +vader, dat Dartmoor met een Amerikaansch meisje wil trouwen. Zijn de +Engelsche meisjes niet goed genoeg voor hem? + +--Het is mode tegenwoordig Amerikaansche meisjes te trouwen, oom +George. + +--Ik hoû het op de Engelsche vrouwen, Harry, donderde Lord Fermor en +sloeg met de vuist op de tafel. + +--De Amerikaansche zijn toch het meest gewild. + +--Ze houden niet lang vol, hoor ik, mompelde zijn oom. + +--Een lang engagement sloopt ze wel af, maar in een steeplechase zijn +ze van staal. Ze doen de dingen vliegend. Ik geloof niet, dat Dartmoor +er nog af zal kunnen. + +--Ziet ze er aardig uit? + +--Ze doet of ze heel mooi is. Dat doen de meeste Amerikaansche +vrouwen. Het is het geheim van haar charme. + +--Waarom kunnen die Amerikaansche vrouwen niet in hun eigen land +blijven? Ze zeggen altijd, dat het daar het Paradijs voor vrouwen is. + +--Dat is zoo. Maar dat is ook de reden, waarom ze, evenals Eva, er zoo +vreeselijk graag uit willen, zei Lord Henry. Adieu, oom. Ik kom te +laat voor de lunch als ik langer blijf. Dank voor de inlichtingen. Ik +weet graag _alles_ van mijn nieuwe vrienden, en liefst niets van mijn +oude. + +--Waar ga je lunchen, Harry? + +--Bij tante Agatha. Ik heb er mezelven geïnviteerd, met Mr. Gray. Hij +is haar laatste protégé. + +--Hm, zeg aan je tante Agatha, Harry, dat ze me niet meer komt zaniken +met haar weldadigheidsinschrijvingen. Ik ben er wee van. Wel, het +goede mensch denkt, dat ik niets te doen heb dan wissels in te vullen +voor haar bevliegingen. + +--All right, oom, ik zal het haar zeggen, maar het zal niet geven. +Filanthropische menschen verliezen alle idee van menschelijkheid. Dat +is hun grootste karaktertrek. + +De oude heer bromde goedkeurend en belde voor de knecht. Lord Henry +kwam door den lagen portiek in Burlingtonstreet en richtte zijne +schreden naar Berkely Square. + +Dat was dus de geschiedenis van Dorian Gray's afkomst. Rondweg +verteld, had ze hem toch getroffen door den vreemden, bijna modernen +roman, die er achter school. Een mooie vrouw, alles opofferend voor +een dolle passie. Een paar weken van hartstochtelijk geluk, +onderbroken door een lage, verraderlijke misdaad. Maanden van stomme +smart, een kind in verdriet geboren. De moeder, door den dood +weggerukt; de jongen, overgelaten aan de eenzaamheid en de tirannie +van een ouden man zonder hart. Ja, het was een artistieke achtergrond. +De jongen kwam er goed tegen uit; het volmaakte hem. Achter ieder mooi +ding schuilt iets tragisch ... + +Hoe bekoorlijk was hij geweest, den vorigen avond aan het diner, toen +hij met verschrikte oogen en half geopende lippen in een genot vol +huivering tegenover hem had gezeten in de club, waar de roode +kaarsschermpjes de ontwakende verwondering op zijn gelaat nog warmer +purperden! Tot hem te spreken was als het spelen op een fijnbesnaarde +viool. Hij trilde bij iedere aanraking, iedere streek van den stok ... + +Er was iets schrikkelijk bezielends in het uitoefenen van invloed. +Geene andere bezigheid was aan die gelijk ... O, men kon van hem een +wereldveroveraar of een stuk speelgoed maken. Hoe jammer, dat zoo iets +moois vergaan moest ... En Basil, hoe interessant was die niet, uit +een psychologisch oogpunt beschouwd. Een nieuwe manier in zijn kunst, +een frissche blik op het leven, hem zoo vreemd ingegeven door het +fyzieke bijzijn van iemand, die zich zijne eigene bekoring zoo geheel +onbewust was. + +...Ja, hij zoû probeeren te zijn voor Dorian Gray, wat de jongen, +zonder het te weten, was voor den schilder, die dat portret gemaakt +had. Hij zoû trachten hem te beheerschen, hij was inderdaad al goed op +weg. Hij zoû die vreemde ziel tot zijn eigendom maken. Daar was iets +boeiends in dat kind van Dood en Liefde. + +Eensklaps stond hij stil, en zag op naar de gevels. Hij bemerkte, dat +hij het huis zijner tante voorbij was, en, lachend over zichzelven, +keerde hij terug. Toen hij de, ietwat donkere gang binnenkwam, zeide +de butler hem, dat men reeds aan tafel was. Hij gaf een van de knechts +hoed en stok en ging in de eetzaal. + + + + +IV. + + +Een maand later. Dorian Gray lag in een fauteuil in de bibliotheek van +Lord Henry's huis in Mayfair. + +Lord Henry was er zelve nog niet. Hij was laat uit principe; zijn +principe was, dat stiptheid de dief van den tijd is. De jongen zag er +wat gemelijk uit, terwijl hij met lustelooze vingers bladerde in een +prachtexemplaar van Manon Lescaut, dat hij op een der boekenplanken +had gevonden. + +Het deftige, eentonige getik van de Louis XIV klok verveelde hem. Een +paar malen had hij reeds weg willen gaan. + +Eindelijk hoorde hij buiten een stap en de deur ging open. + +--Wat ben je laat, Harry, sprak hij zacht. + +--Ik vrees, dat het Harry niet is, Mr. Gray, antwoordde een hooge +stem. + +Hij wendde zich om, stond op. + +--O pardon, ik dacht ... + +--U dacht, dat het mijn man was. Het is maar zijn vrouw. Ik zal +mijzelve maar voorstellen. Ik ken u heel goed door uw portretten. Ik +geloof, dat mijn man er zeventien van heeft. + +--Zeventien, Lady Henry? + +--Nu, achttien dan. En ik zag u laatst met hem in de opera. + +Zij lachte zenuwachtig, terwijl zij sprak en hem opnam met haar vage +vergeet-me-niet-blauwe oogen. Zij was eene vreemde vrouw; haar +toiletten schenen in een warrelwind ontworpen en in een stormwind +aangedaan te zijn. Zij was gewoonlijk verliefd op iemand en daar hare +passies nooit beantwoord werden, had zij al hare illuzies behouden. +Zij deed haar best er schilderachtig uit te zien, maar bracht het niet +verder dan slordigheid. Zij heette Victoria en had een manie van naar +de kerk te gaan. + +--Dat was met Lohengrin, Lady Henry, geloof ik. + +--Ja, het was met dien heerlijken Lohengrin. Ik hoû het allermeest van +Wagners muziek. Die klinkt zoo hard, dat je altijd door kan spreken, +zonder dat iemand het hoort, vindt u niet, Mr. Gray? + +Hetzelfde zenuwachtige staccato-lachje kwam weêr over hare dunne +lippen en hare vingers speelden met een lang schildpadden vouwbeen. + +Dorian glimlachte en schudde het hoofd. + +--Ik vrees, dat ik het niet met u eens zal zijn, Lady Henry. Ik spreek +nooit onder muziek, tenminste onder goede muziek. Wanneer men slechte +muziek hoort, is het niet meer dan zijn plicht die te overpraten. + +--O dat is iets van Harry, nietwaar Mr. Gray? Ik hoor altijd Harry's +ideeën door zijn vrienden. Dat is voor mij de eenige manier ze te +hooren. Maar u moet niet denken, dat ik niet van goede muziek hoû. Ik +ben er dol op, maar ik ben er bang voor. Het windt me te veel op! Ik +heb pianisten aangebeden, soms twee te gelijk, beweert Henry. Ik weet +niet wat ze voor charme voor me hebben. Misschien is het omdat ze +vreemdelingen zijn. Dat zijn ze toch allemaal, niet waar? Zelfs zij, +die in Engeland geboren zijn, worden vreemdeling na een poosje, niet +waar? Het is erg knap van hen, een heel compliment aan de kunst. Het +wordt daardoor ook heel cosmopolitisch, vindt u niet? U is nooit op +een van mijn soirées geweest, niet waar Mr. Gray. Maar u moet bepaald +eens komen. Orchideeën zijn me te duur, maar ik spaar geen moeite om +vreemdelingen te hebben. Zij stoffeeren een salon zoo aardig. Maar +hier is Harry. Harry, ik kwam hier om je wat te vragen, ik ben het nu +vergeten, en ik vond Mr. Gray. Wij hebben heel prettig samen gesproken +over muziek. Wij hebben zoo precies dezelfde ideeën. O neen, toch +niet, zij waren juist zeer uiteenloopend. Maar hij is heel aardig +geweest. Ik ben blij hem ontmoet te hebben. + +--Dat doet me pleizier, lieve, zeer veel pleizier, zei Lord Henry, de +sikkels zijner donkere wenkbrauwen optrekkend en beiden aanziende met +een glimlach van-voor-den-gek-houden ... + +--Het spijt me, dat ik zoo laat ben, Dorian. Ik was uitgegaan op een +stuk oud brokaat in Wardour Street en ik moest wel een uur bieden en +loven. Tegenwoordig weet iedereen den prijs van alles en niemand de +waarde van iets. + +--Maar ik moet nu weg, riep Lady Henry, een benauwende stilte +verbrekend, met haar kinderachtig lachje. Ik heb beloofd met de +Hertogin te gaan rijden. Goeden dag, Mr. Gray. Adieu Harry. Je gaat +zeker uit dineeren, niet waar? Ik ook. Misschien zie ik je nog wel bij +Lady Thornburg. + +--Dat kan wel, zei Lord Henry, de deur achter haar sluitend, terwijl +zij de kamer uitzweefde, met iets van een paradijsvogel, die een nacht +in den regen heeft gestaan, een geur van frangipani achter zich +latend. Toen stak hij een cigarette op en wierp zich neêr op de bank. + +--Trouw nooit een vrouw met geel haar, Dorian, zei hij, na een paar +trekken. + +--Waarom? + +--Omdat ze zoo sentimenteel zijn. + +--Maar ik hoû wel van sentimenteele menschen. + +--Trouw nooit, Dorian. Mannen trouwen uit moêheid en vrouwen uit +nieuwsgierigheid; beiden worden teleurgesteld. + +--Ik geloof niet, dat ik ooit trouwen zal, Harry. Ik ben veel te +verliefd. Dat is een van je aforismen. Ik breng ze nu in praktijk, +zooals alles wat jij zegt. + +--En wie is de gelukkige? vroeg Lord Henry na een pauze. + +--Een actrice, zei Dorian Gray met een kleur. Lord Henry haalde de +schouders op. + +--Nog al een banaal debuut. + +--Als je haar zag, zoû je dat niet zeggen, Harry. + +--Wie is ze? + +--Ze heet Sybil Vane. + +--Nooit gehoord. + +--Neen, niemand heeft van haar gehoord. Maar eens zal ze beroemd +worden, want ze is een genie. + +--Beste jongen, geen vrouw is ooit een genie. Vrouwen zijn het +decoratieve geslacht. Ze hebben nooit veel bizonders te vertellen, +maar wàt ze zeggen, zeggen ze aardig. + +--Harry! + +--Beste Dorian, het is de zuivere waarheid. Ik bestudeer op het +oogenblik de vrouwen. Ik moet het dus wel weten. Ik ben tot de slotsom +gekomen, dat er maar twee soorten van vrouwen zijn: leelijke en +geverfde. Leelijke vrouwen zijn heel nuttig. Als je een reputatie van +soliditeit wilt maken, heb je er maar een aan het souper te brengen. +De andere vrouwen zijn allerliefst, maar ze hebben één fout. Ze verven +zich om er jong uit te zien. Onze grootmoeders verfden zich om een +brillante conversatie te hebben. Vroeger gingen rouge en esprit samen. +Dat is nu voorbij. Zoolang een vrouw er tien jaar jonger uitziet dan +haar dochter, is ze volmaakt tevreden. + +Maar wat de conversatie betreft, zijn er in heel Londen maar vijf +vrouwen, waar je meê praten kan, en twee ervan kan je niet in +fatsoenlijk gezelschap brengen. Maar vertel jij nu over je genie. Hoe +lang ken je haar? + +--O Harry, je maakt me bang. + +--Kom! Trek het je maar niet aan. Hoe lang ken je haar? + +--Drie weken. + +--En waar heb je haar ontmoet? + +--Dat zal ik je vertellen, Harry, maar je moet er niet om lachen. Want +eigenlijk zoû het ook nooit gebeurd zijn, als ik jou niet ontmoet had. +Je hebt me een dol verlangen gegeven om alles van het leven te kennen. +Dagen nadat ik je ontmoet had, scheen een vuur in mij te gloeien. In +de lucht om mij heen scheen een exquis vergift te hangen. Ik had een +passie voor sensaties ... Wel, op een avond, om een uur of zeven, ging +ik op avonuren uit. Ik voelde, dat ons grijs, wijd Londen met zijn +duizenden menschen, en zijn schitterende zonden, zooals je het eens +noemde, iets voor mij in petto had. Ik dacht me duizend dingen. Het +gevaar alleen al gaf me een gevoel van heerlijkheid. Ik herinnerde mij +wat je den eersten wonderen avond, toen wij samen dineerden, gezegd +had: omtrent het zoeken naar schoonheid als naar het werkelijke geheim +van het leven. Ik weet niet wat ik verwachtte, maar ik ging uit en +dwaalde naar East End, waar ik gauw mijn weg verloor in een labyrinth +van vuile straatjes, en donkere dorre pleinen. Om een uur of half +negen kwam ik voorbij een bespottelijk klein theater, met groote +flikkerende gaslichten en bonte affiches. Een afschuwelijke jood in +den vreemdsten rok, dien ik ooit zag, stond in de entrée met een +gemeene sigaar in den mond. Hij had vettige lokken, en een kolossale +diamant schitterde in het midden van zijn vuil hemd. + +--Een loge, meneer? riep hij, toen hij mij zag en hij nam zijn hoed af +met een vertoon van pompeuze nederigheid. + +Er was iets in hem, Harry, dat mij amuzeerde. Hij was zoo leelijk. Je +zal mij uitlachen, denk ik, maar ik ging er in en betaalde niet minder +dan een pond voor de loge. Tot op het huidige oogenblik weet ik niet, +waarom ik zoo deed, en toch, als ik het niet gedaan had, mijn beste +Harry, zoû ik den interessantsten roman van mijn leven gemist +hebben.--Ik zie wel, dat je me uitlacht. Het is niet aardig van je. + +--Ik lach volstrekt niet, Dorian, tenminste niet om jou. Maar je moet +niet zeggen: de interessantste roman van je leven; je moet zeggen: de +eerste roman van je leven. Ze zullen altijd van je houden en jij zal +altijd verliefd zijn, om verliefd te zijn. Een grande passion is het +privilege van menschen, die niets te doen hebben. Dat is de eenige +bezigheid voor werkeloozen. Wees niet bang, daar is nog een heele boel +moois voor je weggelegd. Dit is alleen het begin. + +--Denk je, dat ik zoo klein voel? riep Dorian boos. + +--Neen, ik geloof juist, dat je diep voelt. + +--Hoe meen je dat? + +--Beste jongen, menschen die maar ééns in hun leven liefhebben, zijn +in werkelijkheid klein voelend. Wat zij hun loyaliteit en hun +getrouwheid noemen, noem ik óf luiheid van gewoonte of gemis aan +verbeelding. Getrouwheid is voor het gevoelsleven, wat conservatisme +is voor het verstandsleven; niets dan de bekentenis van onmacht. +Trouw, dat moet ik toch eens analyzeeren ... De passie voor het bezit +is er in. Er zijn veel dingen, die we zouden weggooien als we niet +bang waren, dat anderen ze zouden oprapen. Maar laat me je niet +storen, ga voort met je verhaal. + +--Nu, daar zat ik dan in een klein leelijk logetje met een gemeen +gordijn voor mij. Ik zag van achteren het gordijntje uit en keek door +de zaal. Het was een kling-klang-boel, niets dan engeltjes en horens +van overvloed, als een bruiloftskaart van de derde soort. De galerij +en de pit waren zoo goed als vol, maar de twee rijen vuile stalles +waren heelemaal leêg, en er was nauwlijks iemand in wat de dresscircle +moest verbeelden. Vrouwen gingen rond met china's-appelen en +gemberbier en door de geheele zaal werden noten geknabbeld. + +--Het moet iets geweest zijn als in de gulden dagen van het Britsche +drama. + +--Ja zoo iets dergelijks, denk ik, en zeer beklemmend. Ik begon me af +te vragen, wat ik in godsnaam doen zoû, toen ik het affiche zag. Wat +denk je, dat ze gaven, Harry? + +--De idioten jongen, of Stom maar onschuldig. Onze voorvaders hielden +van dat stuk, geloof ik. Hoe langer ik leef, Dorian, hoe duidelijker +ik voel, dat wat genoeg was voor onze voorvaders, niet goed genoeg is +voor ons. Zoowel in kunst als in politiek: les grands-pères ont +toujours tort. + +--Dit stuk was ook voor ons goed genoeg, Harry. Het was Romeo and +Juliet. Ik moet bekennen, dat het mij hinderde Shakespeare te zien +spelen in zoo een plaats. Maar ik was toch benieuwd. Ik besloot in +ieder geval op de eerste acte te wachten. Er was een afschuwelijk +orkest, gedirigeerd door een jongen jood, die voor een rammelkast van +een piano zat, en dat joeg mij bijna weg. Maar eindelijk ging het +gordijn op en begonnen ze te spelen. Romeo was een dikke oude meneer, +met gekurkte wenkbrauwen, een schone drakenstem en een figuur als een +bierton. Mercutio was bijna even slecht. Hij werd gespeeld door den +bas-comique, die moppen van zijn eigen er in laschte en op den besten +voet was met de pit. Zij waren beiden zoo grotesk als de decoraties en +die waren als uit een kermistent. Maar Julia, Harry! Stel je voor een +meisje, nauwlijks zeventien, een klein gezichtje als een bloem, een +klein Grieksch hoofdje met donkerbruine vlechten, violette oogen als +bronnen van passie! en een mondje als een roos. Ze was het liefste +ding, dat ik ooit in mijn leven gezien had. Je hebt me eens gezegd, +dat pathos je ongevoelig liet, maar dat schoonheid, niets dan +schoonheid, je tot tranen kon roeren. Nu Harry, ik kan je zeggen, dat +ik dit kind nauwlijks kon zien door den nevel, dien ik voor mijn oogen +had. En haar stem--ik heb nooit zoo een stem gehoord. Zij klonk eerst +heel zacht met diepe volle tonen, die je ieder apart scheen te hooren. +Toen klonk zij wat harder en het werd als een fluit of een hobo, in de +verte. In de tuin-scène hoorde je de trillende extaze van nachtegalen, +als zij 's morgens heel vroeg zingen. Later waren er momenten, dat je +de wilde passie van violen in heur stem hoorde. Je weet zelf hoe een +stem je aan kan doen. Jouw stem en die van Sibyl Vane zijn twee +dingen, die ik nooit zal vergeten. Als ik mijn oogen sluit, hoor ik +ze, en ze zeggen ieder iets verschillends. Ik weet niet welke ik +volgen moet. Waarom zoû ik niet van haar houden!--Harry, ik heb haar +lief. Zij is alles voor mij.--Avond aan avond zie ik haar spelen.--Den +eenen avond is zij Rosalind en den volgenden Imogen. Ik heb haar zien +sterven in de somberte van een Italiaansch graf, terwijl zij het +vergift opzoog van de lippen van haar geliefde. Ik heb haar zien +dwalen door de bosschen van de Ardennen, verkleed als een aardige +jongen, in een broek en buis, met een coquet petje op. Zij is +krankzinnig geweest en ze is bij een schuldigen koning gekomen en zij +heeft hem met berouw overstelpt en hem bittere kruiden laten proeven. +Zij is onschuldig geweest en de zwarte handen van jaloezie hebben heur +teeren hals omkneld. Ik heb haar gezien in iedere eeuw en in ieder +kostuum. Gewone vrouwen werken niets op je verbeelding. Ze zijn +begrensd door hun eeuw. Ze veranderen nooit door een toovermacht. Je +kan ze ook altijd vinden. Daar is niets geheimzinnigs om haar heen. +Zij rijden 's morgens in het Park en babbelen 's middags op tea's. Ze +hebben stereotype glimlachjes en geleerde momentjes. Je kent ze door +en door. Maar een actrice! Een actrice is heel wat anders. Harry, +waarom heb je me nooit gezegd, dat de eenige vrouw van wie je houden +kan een actrice is. + +--Ik ben er zelf op zooveel verliefd geweest, Dorian. + +--O ja, verschrikkelijke wezens met geverfd haar en geverfde +gezichten. + +--Vaar nu niet uit tegen geverfd haar en geverfde gezichten. Zij +hebben soms heel veel charme, zei Lord Henry. + +--Ik woû, dat ik je niet verteld had van Sybil Vane. + +--Dat kon je toch niet nalaten, Dorian. Je heele leven zal je me alles +vertellen wat je doet. + +--Ja Harry, dat geloof ik ook. Ik mòet je alles vertellen. Je hebt +zulk een vreemden invloed op me. Als ik ooit een misdaad deed, zoû ik +dat jou bekennen. Jij zoû me begrijpen. + +--Menschen zooals jij, de zonnestralen van het leven, begaan geen +misdaden, Dorian. Maar ik dank je in ieder geval voor je compliment. +En zeg me eens--geef me even de lucifers; dank je:--op welken voet sta +je nu eigenlijk met Sybil Vane ... + +Dorian vloog op, gloeiende wangen, schitterende oogen. + +--Harry! Sybil Vane is heilig! + +--Alleen heilige dingen zijn ook de moeite van het aanraken waard, +Dorian, zei Lord Henry, met een vreemden tint van weemoed in zijne +stem. Maar waarom ben je daar boos om? Ze zal toch eens van jou zijn. +Als men verliefd is, begint men zichzelven voor den gek te houden en +eindigt anderen voor den gek te houden. Dat is wat de wereld een roman +noemt. Maar je kent haar toch zeker? + +--O, natuurlijk. Den eersten keer, toen ik in dat theater was, kwam +die afschuwelijke oude jood na afloop van de voorstelling bij me en +offreerde me, mij achter de schermen te brengen en aan haar voor te +stellen. Ik was woedend op hem en antwoordde, dat Juliet al eeuwen +dood was en dat haar lijk in een marmeren graf in Verona lag. Ik +geloof, te oordeelen naar zijn blik vol stomme verbazing, dat hij +dacht, dat ik te veel champagne had gedronken. + +--Dat verwondert me niets. + +--Toen vroeg hij mij of ik voor een van de couranten schreef. Ik zei +hem, dat ik er nooit één las. Toen scheen hij erg teleurgesteld en +vertelde me, dat al de critici tegen hem samenspanden, en dat hij ze +allen zoû moeten omkoopen. + +--Dat zoû me niets verwonderen. Maar aan den anderen kant geloof ik, +dat ze niet heel duur zijn. + +--Nu, ze schenen hèm te duur te zijn, lachte Dorian. Maar in dien +tusschentijd waren de lichten in de zaal uitgedraaid en ik moest weg. +Hij woû mij een paar sigaren laten probeeren, die hij erg +recommandeerde. Ik bedankte. Den volgenden dag was ik natuurlijk weêr +op dezelfde plaats. Toen hij mij zag, boog hij heel diep en verzekerde +me, dat ik een machtig beschermer van de kunst was. Hij was een +brutale kerel, maar hij had een passie voor Shakespeare. Hij heeft me +verteld, met een soort van trots, dat zijn vijf bankroeten het gevolg +waren van zijne admiratie voor den "Bard", zooals hij hem noemde. Hij +scheen dat een heele distinctie te vinden. + +--Het is een distinctie, mijn beste Dorian, een heele distinctie. De +meesten gaan bankroet, omdat ze te veel hebben gezet op het proza van +het leven. Je te ruïneeren door poëzie is een eer. Maar wanneer sprak +je Miss Sybil Vane voor het eerst? + +--Den derden avond. Ze had Rosalind gespeeld. Ik kon niet nalaten +achter de schermen te gaan. Ik had haar bloemen toegegooid, en zij had +me aangezien: tenminste,--dat verbeeldde ik me. De oude jood drong +weêr aan. Hij scheen besloten mij bij haar te brengen, ik gaf dus toe. +Vindt je het niet curieus, dat ik in het geheel niet verlangde haar te +kennen? + +--Neen, dat vind ik niet. + +--Maar Harry, waarom? + +--Dat zal ik je wel eens later vertellen. Nu woû ik graag alles van +het meisje hooren. + +--Sybil? O ze was erg verlegen en heel lief. Ze heeft iets zeer +kinderlijks. Haar oogen vergrootten zich in een zalige verwondering, +toen ik haar zei wat ik van haar spel dacht, en ze scheen geheel +onbewust van haar talent. Ik geloof, dat we beiden nogal zenuwachtig +waren. De oude jood stond te grinniken in de deur van den muffen foyer +en hield hoogdravende redeneeringen over ons beiden, terwijl wij als +kinderen elkaâr stonden aan te zien. Hij hield vol mij altijd door "My +Lord" te noemen, zoodat ik Sybil moest verzekeren, dat ik volstrekt +geen aanspraak had op dien titel. Toen zei ze heel eenvoudig-weg: + +--U lijkt meer op een prins. Ik zal u Prins Charmant noemen. + +--Op mijn woord, Dorian, Miss Sybil kan goed complimentjes maken. + +--Je begrijpt haar niet, Harry. Ze beschouwde me als iemand uit een +van haar stukken. Ze kent niets van het leven. Ze woont met haar +moeder, een verlepte vrouw, die Lady Capulet speelde in een soort van +magenta-rooden peignoir, en er uitziet of ze betere dagen gekend +heeft. + +--O, dat ken ik. Zoo iets maakt me akelig, murmelde Lord Henry, naar +zijne ringen turend. + +--De jood woû me haar geschiedenis vertellen, maar ik zei, dat het me +niet schelen kon. + +--Je hadt groot gelijk. Daar is altijd ontzettend veel vulgaire in de +tragedies van andere menschen. + +--Sybil is het eenige waar ik om geef. Wat kan het mij schelen! waar +zij vandaan komt. Van haar hoofdje tot haar voetjes is zij volmaakt +hemelsch. Iederen avond ga ik haar zien spelen en iederen avond is zij +verrukkelijker. + +--O, is dat de reden, dat je tegenwoordig nooit meer met me dineert. +Ik dacht, dat je iets heel interessants om handen had. Dat heb je nu +ook wel, maar het is toch niet wat ik verwachtte. + +--Maar Harry, iederen dag lunchen en soupeeren we toch samen, en ik +ben heel dikwijls naar de opera geweest met je, zei Dorian, met +verwondering in zijn blauwe oogen. + +--Je bent altijd verschrikkelijk laat. + +--Maar ik moet Sybil gaan zien, riep hij, al is het dan ook één acte. +Ik smacht naar haar tegenwoordigheid en als ik denk aan de wondere +ziel, verborgen in dat kleine ivoren lichaam, voel ik een eerbiedige +vrees in me. + +--Je kunt van avond toch wel met me dineeren, Dorian, niet waar? + +Hij schudde het hoofd. + +--Van avond is zij Imogen, antwoordde hij, en morgen Juliet. + +--Wanneer is zij Sybil Vane? + +--Nooit. + +--Ik feliciteer je. + +--Je bent afschuwelijk. In haar zijn al de heldinnen van de wereld +vereenigd. Zij is meer dan één persoon. Je lacht, maar ik verzeker je, +dat zij een genie is. Ik heb haar lief en ik moet maken, dat zij mij +ook lief krijgt. Jij, die alle geheimen van het leven kent, zeg me hoe +ik Sybil Vane daartoe moet betooveren. Ik wil Romeo jaloersch maken. +Ik wil, dat al haar minnaars, die nu dood zijn, ons lachend geluk +zullen hooren en er om treuren. Ik wil, dat de adem van onze passie +hun stof zal opwekken en hun asch zal doen lijden. Groote God, Harry, +ik aanbid haar. + +Terwijl hij sprak, liep hij de kamer op en neêr. Koortsig rood gloeide +op zijne wangen. Hij was zeer opgewonden. + +Lord Henry volgde hem met een verfijnd genot. Hoezeer verschilde hij +nu van den verlegen knaap, dien hij in het atelier van Basil Hallward +ontmoet had. Zijne natuur had zich ontwikkeld als eene bloem en droeg +bloesems als vurig purper. Zijne ziel was geslopen uit hare geheime +schuilplaats, hartstocht tegemoet. + +--En wat denk je nu te doen? vroeg Lord Henry eindelijk. + +--Ik woû, dat jij en Basil eens met me meêgingt om haar te zien +spelen. Ik ben niets bang voor den uitslag. Je zal dan zeker moeten +bekennen, dat ze talent heeft. Dan moeten wij haar uit de handen van +dien jood zien te krijgen. Zij is aan hem verbonden voor drie jaar, +tenminste twee jaar en acht maanden. Ik zal hem natuurlijk wat moeten +betalen. Als dat alles geregeld is, koop ik een West-End theater en +lanceer haar. Zij zal het publiek stormenderhand innemen, zooals zij +het mij gedaan heeft. + +--Dat is onmogelijk, mijn beste jongen. + +--Toch zal ze het doen. Ze heeft niet alleen kunst in zich, fijn +instinct voor kunst, maar zij is een persoonlijkheid, en je hebt mij +dikwijls gezegd, dat de wereld beheerscht wordt door personaliteiten, +en niet door principes. + +--Nu, wanneer zullen we gaan? + +--Laat eens zien: vandaag is het Dinsdag. Laat ons het op morgen +houden. Ze speelt Juliet morgen. + +--Goed. Om acht uur in de Bristol, en ik zal Basil meêtroonen. + +--Acht uur! Maar Harry, als je blieft niet. Half zeven. We moeten er +zijn vóór het gordijn opgaat. Je moet haar zien in de eerste acte, als +ze Romeo ontmoet. + +--Half zeven?... Wat een uur! Het zal iets zijn of je slappen bouillon +drinkt of dat je een Engelsch romannetje leest. Laten we dan zeven uur +zeggen. Welk fatsoenlijk mensch dineert nu vóór zeven? Zie je Basil +nog vóór dien tijd, of zal ik hem schrijven? + +--Die goede Basil. Ik heb hem de geheele week nog niet gezien. Het is +niets lief van me, want hij heeft me mijn portret gezonden in een +prachtige lijst, door hemzelven ontworpen, en hoewel ik wel een beetje +jaloersch ben van dat portret, dat een heele maand jonger is dan ik, +moet ik bekennen, dat het mij toch aangenaam aandoet ... Misschien is +het toch maar beter, dat jij hem schrijft. Ik zie hem liever niet +alleen. Hij zegt dingen, die mij hinderen. Hij geeft me altijd goeden +raad. + +Lord Henry glimlachte. + +--De menschen houden er van juist dat weg te geven, wat ze zelf het +meest noodig hebben. Ik noem dat overmaat van edelmoedigheid. + +--O, Basil is een goede vent, maar voor mij heeft hij iets van een +Filistijn. Sedert ik jou ken, Harry, heb ik dat uitgevonden. + +--Mijn beste jongen, Basil legt al het moois, dat hij heeft, in zijn +werk. Bijgevolg blijft er niets over voor het leven dan zijn +vooroordeelen, zijn principes en zijn verstand. De eenige artisten, +die ik gekend heb met persoonlijke charmes, waren slechte artisten. +Goede artisten bestaan alleen in hetgeen zij voortbrengen, en zijn dus +bijgevolg alleronbeduidenst als mensch. Een groot dichter, een +werkelijk groot dichter is het meest prozaïsche van alle schepsels. +Maar mindere dichters zijn allercharmantst. Hoe slechter hun rijm is, +hoe schilderachtiger, zij er zelf uitzien. Alleen het feit een boek +uitgegeven te hebben met sonnetten van de tweede soort, maakt een man +onweêrstaanbaar. Hij leeft de poëzie, die hij niet uiten kan; anderen +uiten de poëzie, die zij niet tot werkelijkheid durven maken. + +--Zoû dat waarlijk zoo zijn, Harry? vroeg Dorian Gray. Het zal wel, +als jij het zegt. Vergeet onze afspraak niet voor morgen. Adieu. + +Toen hij de kamer verliet, vielen Lord Henry's zware oogleden toe en +begon hij te denken. Het was waar: weinig menschen hadden hem zoo +geïnteresseerd als Dorian Gray en toch gevoelde hij niet de minste +pijn van verongelijking of afgunst om de opgewonden aanbidding van den +jongen voor een ander. Het deed hem zelfs pleizier. Het maakte de +studie nog belangwekkender. Hij was altijd aangetrokken door de +methode van natuurlijke historie; maar hare gewone onderwerpen vond +hij triviaal en van weinig belang. Hij was dus begonnen zichzelven te +ontleden, zooals hij nu eindigde met anderen te ontleden. Alleen het +leven van de ziel scheen hem de moeite van uitpluizen waard. Daarbij +kon niets vergeleken worden. Bij het bestudeeren van het leven, met +zijn vreemd dooreengewarrel van smart en geluk, kon men zich het +gelaat niet bedekken met een masker van glas, kon men niet beletten, +dat mist kroop over de hersenen en de verbeelding troebel maakte met +monsterideeën en wanschapen droomen. Er bestonden zulke subtiele +vergiften, dat men ze, tot walgens toe, moest gebruiken, wilde men er +de essence van weten. Er bestonden ziekten, zoo vreemd, dat men ze +moest doorgemaakt hebben, wilde men hun karakter kennen. En toch, hoe +groot de belooning! Hoe vreemd het geheele samenstel van de wereld! +Welk een genot de vreemd-harde logica van het passieleven tegen het +emotievolle kleurrijke leven van het verstand. Op te merken, waar ze +elkaâr ontmoeten en waar ze zich scheiden, waar ze samen smelten en +waarin zij verschil vormen! Wie vroeg naar den prijs? Men kon immers +eene sensatie nooit te duur betalen. + +Hij was zich bewust--en de gedachte bracht glans van genoegen in zijne +bruine agaten oogen: het was door woorden van hèm,--woorden van muziek +met eene stem van muziek geuit,--dat Dorians ziel zich getrokken +voelde tot die vrouw vol blanke reinheid en zich voor haar boog in +aanbidding. De jongen was voor een groot gedeelte zijne eigen +schepping. Hij had hem vroeg rijp gemaakt. Dat was reeds iets. Gewone +menschen wachten tot het leven zijne geheimen aan hen openbaart, maar +enkelen, den uitverkorenen, worden de mysteries van het leven +geopenbaard, nog vóór de sluier is weggetrokken. Soms was dit het +effect der kunst, en vooral van literatuur, die onmiddellijk werkt op +passies en intellect. Maar nu en dan nam eene gecompliceerde +persoonlijkheid de plaats in en deed het werk van de kunst, was in +zijn genre een waar kunstvoorwerp, want het leven zelve ook heeft +zijne elaborate meesterstukken, evenals poëzie, plastiek of +schilderkunst. + +Ja, de jongen was vroeg rijp. Hij haalde zijn oogst al binnen, terwijl +het nog lente was. Het leven en de hartstocht der jeugd sliepen nog in +hem, maar hij werd zichzelven al bewust. Het was heerlijk hem gade te +slaan. Met zijn mooi gezicht en zijne mooie ziel, was hij wel iets om +te bewonderen. Het deed er niet toe hoe dit alles eindigen zoû, hoe +het voorbestemd was te eindigen. Hij was als een van die gracieuze +figuren in een marionettenspel of in eene feërie, wier genoegens ver +van ons staan, maar wier smarten ons schoonheidsgevoel roeren, en wier +wonden zijn als roode rozen.--Ziel en lichaam, lichaam en ziel, hoe +mysterievol waren zij. Daar was dierlijkheid in de ziel en het lichaam +had zijne oogenblikken van spiritualiteit. De zinnen konden zich +verfijnen en het intellect kon verbeestelijken. Wie kon zeggen waar +het impulsie van het vleesch eindigde, waar de impulsie van de ziel +begon? Hoe kleingeestig waren de tegenstrijdige beschrijvingen van +psychologen. En toch, hoe moeilijk was het te kiezen tusschen de +verschillende richtingen. Was de ziel slechts eene schim, die spookte +in een huis vol zonden? Of was het lichaam waarlijk eene +verpersoonlijking van de ziel, zooals Giordano Bruno beweert. De +scheiding van geest en materie was een geheim, evenals de eenwording +van geest en materie een geheim was. Hij vroeg zich af of de +psychologie ooit zoû opgevoerd worden tot zulk eene absolute +wetenschap, dat zelfs de kleinste bron van het leven ons geopenbaard +zoû worden. Zooals zij nu was, begrepen wij onszelven altijd verkeerd +en anderen in het geheel niet. Ondervinding was van geene ethische +waarde. Het was slechts een naam, die de menschen gaven aan hunne +mistastingen. Zedemeesters beschouwden ze in den regel als eene +waarschuwing, hechtten ethische waarde aan ze bij de vorming van +karakters, prezen ze als iets, dat ons leerde, wat wij volgen, wàt +ontwijken moesten, maar er was geene oorspronkelijke kracht in +ondervinding. Ze was evenmin een middel tot handeling als het geweten. +Het eenige, wat ze aanduidde, was: dat de toekomst gelijk zoû zijn aan +het verleden en dat men de zonde, die men ééns gedaan had met afschuw, +nog vele malen zoû doen met genot. + +Het was duidelijk, dat de proefondervindelijke methode de eenige was, +waarmeê men tot eene wetenschappelijke analyze van passies kon komen, +en zeker was Dorian Gray een prachtig sujet, dat een rijk en +vruchtbaar resultaat beloofde. Zijne plotselinge opgewonden liefde +voor Sybil Vane was een psychologisch verschijnsel van geen kleine +beteekenis. Zonder twijfel was er veel nieuwsgierigheid bij in het +spel; nieuwsgierigheid en de zucht naar nieuwe sensaties; toch was het +geen eenvoudige maar eene zeer ingewikkelde passie. Wat er in school +van zuiver zinnelijk instinct der jeugd was herschapen door de werking +der verbeelding, veranderd in iets, dat den jongen zelven toescheen +geheel belangeloos te zijn--en het was juist om die reden des te +gevaarlijker.--Want het waren de hartstochten, in de origine waarvan +wij ons bedrogen, die ons het zeerst overheerschten. + +Onze zwakste motieven waren die, welke wij ons bewust zijn. Het +gebeurde dikwijls, dat, als wij dachten op anderen proeven te nemen, +wij in werkelijkheid proeven namen op onszelve. + +Terwijl Lord Henry hierover zat te droomen, klonk een klop op de deur +en de knecht kwam binnen om hem te herinneren, dat het tijd was zich +voor het diner te kleeden. Hij stond op en zag op straat. De +ondergaande zon had de bovenste ruiten van het huis tegenover gesmeed +in vurig goud. De dakpannen glansden als platen gloeiend metaal. De +lucht daarboven was als eene verwelkte roos. Hij dacht aan het jonge +leven, vlammend rood, van zijn vriend, en vroeg zich af wat het einde +zoû zijn ... + +Toen hij over half twaalf thuis kwam, lag een telegram op de tafel in +de gang. Hij opende het en zag, dat het van Dorian Gray was. Hij +meldde, dat hij geëngageerd was met Sybil Vane. + + + + +V. + + +--Moeder, moeder, ik ben zoo gelukkig, fluisterde het meisje, het +gelaat verbergend in den schoot van de verlepte, afgetakelde vrouw, +die, met haar rug gekeerd naar het schelle, binnen dringen de licht, +zat in den lagen fauteuil van hun vuil morsig zitkamertje. + +--Ik ben zoo gelukkig, herhaalde zij; en nu moet u ook gelukkig zijn. + +Mrs. Vane ontstelde en legde hare magere bismuth-witte handen op het +hoofd van haar dochter. + +--Gelukkig! riep zij; ik ben alleen gelukkig, Sybil, als ik jou zie +spelen. Je moet aan niets denken dan aan het spelen. Mr. Isaacs is +heel goed voor ons geweest en wij zijn hem geld schuldig. + +Het meisje zag op en trok een pruilend gezichtje. + +--Geld, moeder! riep ze; wat kan dat geld nu schelen! Liefde is toch +meer dan geld? + +--Mr. Isaacs heeft ons vijftig pond voorgeschoten om onze schulden af +te betalen en een uitzet voor James te koopen. Dat moet je niet +vergeten, Sybil; Mr. Isaacs is heel goed voor ons geweest. + +--Hij is volstrekt geen heer, moeder, en ik haat zijn manier van tegen +me te spreken, antwoordde het meisje, terwijl zij opstond en voor het +raam ging kijken. + +--Ik weet niet hoe we zonder hem zouden kunnen doen, antwoordde de +oude vrouw, tobberig. + +Sybil Vane schudde het hoofd en lachte. + +--Wij hebben hem niet meer noodig, moeder. Een tooverprins maakt nu +ons leven voor ons! + +Toen hield zij stil. Gloed trilde in haar bloed en overschaduwde haar +wang. Snelle ademhaling opende de bloembladen harer lippen. Zij +trilden. Een zuidewind van passie woei als door haar heen, en beroerde +de dunne plooien van haar kleed. + +--Ik heb hem lief! sprak ze eenvoudig. + +--Dwaas kind! Dwaas kind! was het papegaaien-antwoord.--Het schudden +van kromgetrokken, met valsche juweelen versierde vingers, maakte de +woorden nog grotesker. + +Het meisje lachte weêr. Het gejubel van een getralied vogeltje was in +hare stem. Hare oogen namen de melodie in zich op, en juichten meê in +hun geglans; toen sloten zij zich even als om hun geheim te verbergen. +Toen zij zich openden was de nevel van een droom over ze heen +gestreken. + +Dun gelipte wijsheid sprak tot haar uit den versleten stoel, maande +tot voorzichtigheid, deed aanhalingen uit het boek van lafheid, +waarvan de auteur schuilt onder den naam van gezond verstand. Zij +luisterde niet. Zij gevoelde zich vrij in haar gevangenis van +hartstocht. Haar prins, haar tooverprins was bij haar. Zij had +Herinnering gelast hem op te roepen. Zij had haar ziel gezonden om hem +te zoeken--en zij had hem teruggebracht. Zijn kus brandde weêr op haar +mond. Haar oogleden waren warm van zijn adem. + +Toen veranderde wijsheid van methode en sprak van bespionneering en +ontdekking. Die jonge man kon rijk zijn. Was dit het geval, dan moest +er aan een huwelijk gedacht worden. Maar tegen haar fijne oorschelp +braken de golven van wereldsche berekening. De listige pijlen wondden +niet. Zij zag slechts de dunne lippen bewegen en glimlachte. + +Op eens voelde zij als moest zij spreken. Die woordenrijke stilte +hinderde haar. + +--Moeder, moeder, waarom houdt hij zoo van me? Ik weet waarom ik van +hem hoû. Ik heb hem lief omdat hij de liefde zelf is. Maar wat ziet +hij in mij? Ik ben hem niet waard.--En toch,--waarom, kan ik niet +zeggen--toch, hoewel ik me zoover beneden hem weet, voel ik mij niet +nederig. Ik ben trotsch, verschrikkelijk trotsch. Moeder, had u mijn +vader zoo lief als ik mijn tooverprins? + +De oude vrouw werd bleek onder het grove poeier, dat hare wangen +besmeurde, en hare dorre lippen vertrokken met eene stuiptrekking van +pijn. Sybil vloog op haar toe, sloeg de armen om haar heen, en kuste +haar. + +--Vergeef mij, moeder. Ik weet, dat het u verdriet doet over onzen +vader te spreken. Maar dat is ook alleen omdat u zooveel van hem +hield. Kijk nu niet zoo treurig. Ik ben vandaag zoo gelukkig als u +twintig jaar geleden was. O, laat me altijd zoo gelukkig zijn! + +--Mijn kind je bent nog veel te jong om er over te denken, van iemand +te houden. Buitendien, wat weet je van dien jongen meneer? Je weet +niet eens zijn naam. De heele zaak is erg lastig en waarlijk, nu James +op het punt staat naar Australië te gaan en ik zooveel aan het hoofd +heb, moet ik zeggen, dat je toch wel wat meer aan mij had kunnen +denken. Maar zooals ik zei: als hij rijk is ... + +--O moeder, moeder laat mij gelukkig zijn! + +Mrs. Vane zag haar aan en met een van die gemaakte theatrale gebaren, +die een acteur zoo dikwijls tot tweede natuur worden, sloot zij haar +in de armen. + +Op dit oogenblik ging de deur open en een jongen met dik bruin haar +kwam binnen. Zijn figuur was kort, stevig; zijn handen en voeten waren +groot en onhandig van beweging. Hij was niet zoo fijn opgevoed als +zijn zuster. Men kon nauwelijks aan die verwantschap tusschen hen +gelooven. Mrs. Vane vestigde hare oogen op hem en verbreedde haar +glimlach. Zij zag in haar zoon een groot publiek. Zij was overtuigd +dat zij een tableau vormden. + +--Je kon wel wat van je zoenen voor mij overhouden, Sybil, zei de +jongen, met een goedig gebrom. + +--O, maar je houdt er niets van omhelsd te worden, Jim, riep zij. Je +bent een verschrikkelijke oude brompot. + +En zij vloog op hem toe om hem te omhelzen. Jim Vane keek zijn zuster +in het gezicht vol teederheid. + +--Ik woû, dat je wat met me ging wandelen, Sybil. Ik denk niet, dat ik +ooit dit nare Londen terug zal zien. En ik hoop het ook niet. + +--Mijn zoon, zeg niet zulke verschrikkelijke dingen, murmelde Mrs. +Vane, terwijl zij een opgeschikt theatercostuum nam en met een zucht +begon te verstellen. Zij was een weinig teleurgesteld, dat hij zich +niet gevoegd had bij de groep. Het zoû de melodramatische +schilderachtigheid er van verhoogd hebben. + +--Waarom niet? Ik meen het. + +--Je doet me verdriet, mijn jongen. Ik vertrouw, dat je uit Australië +zult terugkeeren met een invloedrijke pozitie. Ik geloof, dat er in de +kolonies geen goed gezelschap is, tenminste niet wat ik goed +gezelschap noem; wanneer je dus je fortuin gemaakt hebt, moet je hier +terugkeeren en je in Londen een naam maken. + +--Naam maken! mompelde de jongen. Daar moet ik niets van hebben. Ik +zoû geld willen verdienen om u en Sybil van het tooneel te kunnen +nemen. Want dàt haat ik. + +--Hé Jim! lachte Sybil. Hoe leelijk van je. Maar wil je heusch met me +gaan wandelen! Dat is prettig. Ik was bang, dat je afscheid zoû gaan +nemen van je vrienden--Tom Hardy, die je die afschuwelijke pijp gaf, +of Ned Langton, die je uitlacht omdat je er uit rookt. Het is heel +lief van je mij je laatsten middag te geven. Waar zullen we heen gaan. +Naar het Park? + +--Ik zie er te slordig uit, antwoordde hij met een een frons. Alleen +chique lui gaan naar het Park. + +--Nonsens, Jim, sprak zij zacht, en streek over de mouw van zijn jas. + +Hij aarzelde even. + +--Nu goed dan, zei hij ten laatste; maar treuzel dan niet met kleeden. + +Zij danste de deur uit. Men hoorde haar zingen, toen zij de trap +opvloog. Hare kleine voetjes tribbelden boven hen. Hij liep een paar +keer de kamers op en neêr--toen wendde hij zich tot de stille gestalte +op den stoel. + +--Moeder is mijn boel klaar? vroeg hij. + +--Alles is klaar, James, antwoordde zij de oogen op haar werk. + +Sedert eenige maanden voelden zij zich niet op haar gemak alleen met +haar ruwen, strengen zoon. Haar kleine, onoprechte natuur werd +onrustig, als hunne oogen elkaâr ontmoetten. Zij vroeg zich dikwijls +af of hij iets wantrouwde. De stilte--want hij maakte geen andere +opmerkingen,--werd onhoudbaar voor haar. Zij begon te klagen. Vrouwen +verdedigen zich door aan te vallen, evenals zij ook aanvallen door +eene plotselinge vreemde overgave. + +--Ik hoop, dat je tevreden zult zijn, James, in je leven op zee. Denk +er om, dat je het zelf gekozen hebt, zei ze. Je hadt op een +notariskantoor kunnen gaan. Notarissen zijn zeer fatsoenlijke menschen +en buiten dineeren zij met de eerste families. + +--Ik haat kantoren en ik haat klerken, hernam hij. Maar u heeft +gelijk. Ik heb mijn leven nu zelf gekozen. Alles wat ik te zeggen heb, +is pas op Sybil! Laat haar niets overkomen. Moeder, pas op haar. + +--James, wat praat je toch vreemd! Natuurlijk pas ik op Sybil. + +--Ik hoor, dat een heer iederen avond in de komedie komt en achter de +schermen gaat om met haar te spreken. Is dat zoo? Wat beteekent dat? + +--Je spreekt over dingen, waar je geen verstand van hebt, James. Wij +zijn bij ons gewend vele attenties te krijgen. Ik kreeg in mijn tijd +zeer veel bouquetten. Dat was toen het tooneel nog op prijs werd +gesteld. Wat Sybil betreft: ik weet nu nog niet of zij het meent of +niet. Maar de jonge man in kwestie is geheel en al een heer. Hij is +altijd heel beleefd tegen mij. Buitendien schijnt hij rijk te zijn en +de bloemen die hij zendt, zijn prachtig. + +--Maar u weet niet hoe hij heet, zei de jongen hard. + +--Neen, antwoordde zijn moeder rustig. Hij heeft ons zijn naam nog +niet gezegd. Dat is zeer romantisch. Hij is waarschijnlijk iemand van +de aristocratie. + +James Vane beet zich op de lippen. + +--Pas op Sybil, moeder! riep hij; pas op haar hoor! + +--Mijn jongen, wat wil je toch? Sybil is altijd onder mijn oogen. Maar +wanneer die heer rijk is, bestaat er geen reden waarom zij geen +betrekking met hem zoû aanknoopen. Ik geloof, dat hij van adel is. Hij +heeft er alle schijn van. Het zoû een schitterend huwelijk zijn voor +Sybil. Zij zouden een knap paar zijn. Hij ziet er buitengewoon goed +uit; ieder merkt hem op. + +De jongen mompelde iets in zichzelven, en trommelde op de ruiten met +zijn breede vingers. Hij keerde zich juist om, om weêr wat te zeggen, +toen de deur openging en Sybil binnenvloog. + +--Wat zijn jullie ernstig! riep zij. Wat is er? + +--Niets, antwoordde hij. Een mensch moet wel eens ernstig zijn. Goeden +dag, moeder; ik zal om vijf uur eten. Alles is ingepakt, behalve mijn +hemden; u hoeft dus niet ongerust te zijn. + +--Dag, mijn kind, antwoordde zij, met een koele statige buiging van +het hoofd. + +De toon, dien hij tegen haar gebezigd had, hinderde haar zeer, en er +was iets in zijn blik, dat haar een gevoel van angst gaf. + +--Geef mij een zoen, moeder, zei het meisje. + +Haar frissche lippen beroerden de verwelkte wangen en deden de vorst +er van ontdooien. + +--Mijn kind, mijn kind! riep Mrs. Vane, naar het plafond opziende, als +zocht zij een denkbeeldig publiek. + +--Kom Sybil! maande haar broeder ongeduldig. Hij hield niet van die +affectaties zijner moeder. + +Zij gingen naar buiten in het flikkerende zonlicht, en liepen door den +eentonigen Euston Road. De voorbijgangers zagen vol verwondering naar +den plompen, zwaren jongen, die, in een grof pak, liep met zulk een +bekoorlijk, mooi, lief meisje. Hij was als een tuinman, wandelend met +eene roos. + +Jim fronste van tijd tot tijd zijne wenkbrauwen, wanneer hij een +onderzoekenden blik van een vreemde opving. + +Sybil echter was zich den indruk, dien zij maakte, geheel onbewust. +Hare liefde trilde in een lach op hare lippen. Zij dacht aan haar +prins, en om des te meer aan hem te kunnen denken, sprak zij niet over +hem, maar babbelde over het schip, waarmeê Jim zoû uitzeilen, over het +goud, dat hij natuurlijk vinden zoû, over de rijke erfgename, die hij +redden zoû uit de handen van woeste struikroovers met roode hemden. +Want hij zoû niet altijd matroos of bootsman of zoo iets blijven. O +neen. Het zeemansleven was verschrikkelijk. Verbeeldt je, opgesloten +te zitten in zoo een akelig schip, waar de schorre, gebochelde golven +over heen slaan, als een zware storm de masten omwaait en de zeilen +aan flarden scheurt. Hij moest te Melbourne dadelijk het schip +verlaten, afscheid nemen van den kapitein, naar de goudvelden gaan. +Binnen een week zoû hij een klomp zuiver goud vinden, zoo groot als +nog nooit gevonden was, en hij zoû dien vervoeren naar de kust in een +kar, bewaakt door zes politieagenten te paard. De struikroovers zouden +ze wel drie keer aanvallen, maar ze werden met groot verlies telkens +teruggeslagen. Of neen, hij moest heelemaal niet naar de goudvelden +gaan; dat waren nare plaatsen, waar de mannen dronken werden, elkaâr +in de herbergen doodschoten, en verschrikkelijk vloekten. Hij moest +maar schapenfokker worden en, op een avond naar huis rijdende, zoû hij +een mooie erfdochter zien stelen door een roover op een zwart paard; +hij zoû haar achterna gaan en haar redden. Natuurlijk werd zij +verliefd op hem, en hij op haar en ze zouden trouwen en naar Engeland +terugkomen en in een prachtig huis in Londen wonen. Ja, daar was een +heele boel prettigs voor hem weggelegd. Maar hij moest maar goed +oppassen en niet driftig worden of zijn geld onnoodig uitgeven. Zij +was maar een jaar ouder dan hij, maar zij wist toch veel meer van het +leven af. Hij moest haar ook iederen mail schrijven en iederen avond, +voor hij slapen ging, moest hij zijn gebed zeggen. God was zoo goed en +zoû dan zeker over hem waken. Zij ook zoû voor hem bidden en over een +paar jaar zoû hij rijk en gelukkig terugkomen. + +De jongen luisterde somber toe en gaf geen antwoord. Hij voelde zich +treurig, dat hij ver weg zoû gaan. + +Toch was het dit niet alleen wat hem somber en melancholiek maakte. +Onervaren als hij was, had hij toch een intens gevoel van gevaar van +Sybils toestand. Die jonge dandy, die haar zoo het hof maakte, had +zeker niet veel goeds in den zin. Hij was een heer, en hij haatte hem +daarom, haatte hem met een vreemd ras-instinct, dat hij niet kon +beredeneeren, dat daarom des te sterker in hem was. Hij kende ook de +ijdelheid en oppervlakkigheid van zijne moeder, en zag daarin een +groot gevaar voor Sybil, voor Sybils geluk. + +Kinderen beginnen met hunne ouders lief te hebben; als zij ouder +worden gaan zij beoordeelen; soms vergeven zij ze. + +Zijne moeder! Hij had haar iets willen vragen, iets waarover hij +maanden in stilte had gepeinsd. Een los gezegde, toevallig eens aan +het theater gehoord; een minachtend gefluister, tot hem gekomen, een +avond, dat hij aan de artistendeur wachtte, had verschrikkelijke +gedachten in hem gewekt. Het heugde hem nog, als had hij toen een slag +met de karwats over het gelaat gehad. Diepe rimpels groefden zich nu +in zijn voorhoofd; hij beet zich op de lip met een trek van pijn. + +--Maar je luistert heelcmaal niet naar me, Jim, riep Sybil en ik maak +nog wel allerlei plannen voor je toekomst. Zeg toch eens wat? + +--Wat wil je dat ik zeg? + +--O, dat je een brave jongen zal zijn en ons niet vergeten zal, +antwoordde zij hem toelachend. + +Hij haalde de schouders op. + +--Er is meer kans, dat jij mij vergeet, dan ik jou, Sybil. + +Zij kreeg een kleur. + +--Wat meen je daarmeê, Jim? vroeg ze. + +--Je hebt een vreemden vriend, hoor ik. Wie is hij? Waarom heb je mij +niet over hem gesproken? Hij heeft zeker niet veel goeds met je voor? + +--Stil Jim! riep zij. Je mag geen kwaad van hem zeggen, ik hoû van +hem. + +--Zoo, en je weet niet eens zijn naam, antwoordde de jongen. Wie is +hij? Mij dunkt, ik heb toch wel recht dat te weten. + +--Hij is mijn tooverprins. Vindt je dat geen mooie naam?... O, jou +dwaze jongen, je moet dien naam nooit vergeten. Als je hem zag, zoû je +hem het mooist van de wereld vinden. Je zult hem eens ontmoeten, als +je uit Australië terugkomt. Je zult zeker veel van hem houden. +Iedereen houdt van hem en ik ... ik heb hem lief. Ik woû, dat je van +avond in de komedie kon komen. Hij zal er van avond zijn en ik zal +Juliet spelen. Verbeeldt je Jim, lief te hebben en dan Juliet te +moeten spelen! Hem daar te zien zitten. Voor hem te spelen! Ik ben +bang, dat ik het publiek zal afstooten of zal meêslepen. Want lief te +hebben, is zichzelf overtreffen. En ik, ik ben van hem, van hem +alleen, van mijn tooverprins, mijn God, mijn alles! Maar ik ben arm! +Arm?... Wat doet dat er toe? Komt armoede de deur in, dan vliegt de +liefde er uit, zegt het spreekwoord. Maar toen dat uitgevonden werd, +was het winter en nu is het zomer; voor mij is het lente, een +hoogfeest van bloesems in blauwe luchten. + +--Hij is een groote meneer, zei de jongen somber. + +--Een prins, riep zij met haar stem van muziek. Wat wil je meer? + +--Hij wil je zijn slavin maken. + +--Ik zoû het vreeselijk vinden vrij te zijn. + +--Ik woû, dat je voor hem oppaste. + +--Hem te zien is hem aanbidden, hem te kennen is hem vertrouwen. + +--Sybil, je bent dol met dien man. + +Zij lachte en nam zijn arm. + +--Jou oude gezellige Jim, je praat alsof je honderd jaar was. Jij zal +zelf ook nog wel eens verliefd worden, en dan zal je zelf ondervinden +wat het is. Kijk nu niet zoo brommig! Je moest blij zijn, dat je mij, +nu jij weggaat, zoo gelukkig achterlaat, als ik nooit geweest ben. Het +leven is tot nu toe alles behalve prettig en gemakkelijk voor ons +geweest, maar het zal nu anders worden. Jij gaat naar een nieuwe +wereld en ik heb er een gevonden. Kijk hier zijn juist twee stoelen; +laat ons hier nu gaan zitten en naar de mooie menschen kijken. + +Zij zetten zich onder een menigte toeschouwers. De tulpenbedden aan de +andere zijde van den weg vlamden als met trillende ringen van vuur. +Een witte stof, als een bevende wolk van stuifmeel, hing in de +hijgende lucht. Heldere parasols dansten op en neêr als groote +kapellen. Zij liet haar broêr spreken over zichzelven, zijne +uitzichten, zijne verwachtingen. Zij spraken langzaam en met moeite; +zij wisselden woorden zooals spelers, bij een spel, fiches wisselen. +Sybil voelde zich onderdrukt, zij kon haar genot niet uiten; een +zwakke glimlach om dien mokkenden mond, was al wat zij tot antwoord +kreeg. Na eenigen tijd werd zij stil. Daar ving zij een glans op van +goud haar en lachende lippen; in een open rijtuig, met twee dames, +reed Dorian Gray voorbij. Zij sprong op. + +--Daar is hij! riep zij. + +--Wie? vroeg Jim Vane. + +--Mijn tooverprins, antwoordde zij, en keek de victoria na. + +Hij vloog op en greep haar ruw bij den arm. + +--Wijs hem mij! Wie? Waar? Wijs hem mij goed. Ik moet hem zien! riep +hij uit. + +Maar op dat oogenblik kwam de four-in-hand van den Hertog van Berwick +voorbij en toen die de ruimte had opengelaten, was het rijtuig al uit +het park weggezwaaid. + +--Hij is weg, murmelde Sybil treurig. Ik woû zoo graag, dat je hem +gezien had. + +--Ik woû het ook, zoo waar als er een God is; als hij je ooit eenig +kwaad doet, maak ik hem dood. + +Zij keek naar hem op in angst. Hij herhaalde zijne woorden. Zij sneden +de lucht als met messen. De menschen rondom begonnen hen aan te zien. +Een dame, dicht naast haar, gichelde. + +--Kom meê, Jim, kom meê, drong zij. + +Hij volgde haar norsch, terwijl ze door de menigte duwden. Hij was +blij om wat hij gezegd had. + +Toen zij het beeld van Achilles bereikt hadden, zag zij tot hem op; er +was medelijden in hare oogen, dat een glimlach om haar lippen werd. +Zij schudde haar hoofd. + +--Je bent dwaas, Jim, heel dwaas. Jij bent uit je humeur vandaag, dat +is de heele zaak. Hoe kan je nu zulke akelige dingen zeggen. Je weet +niet eens waar je over spreekt. Je bent jaloersch en niets lief, hoor. +O, ik woû, dat jij heel veel van iemand ging houden. Dat maakt je goed +en wat jij zoo even zei, was slecht. + +--Ik ben zestien jaar, antwoordde hij; en ik weet heel goed wat ik zeg +en wat ik meen. Moeder is geen steun voor jou. Ze kan heelemaal niet +op je passen. Ik woû nu, dat ik maar niet naar Australië ging. Ik heb +grooten lust de boel te laten waaien. En ik zoû het ook, als mijn +papieren maar niet geteekend waren. + +--O, wees toch niet zoo akelig ernstig, Jim. Je bent net zoo een held +uit een van die draken, die moeder zoo graag speelt. Ik wil niet met +je kibbelen. Ik heb hem gezien, en o! hem te zien maakt mij zoo +gelukkig, dat ik niets geen lust voel, met je te kibbelen. En je zal +toch ook nooit iemand kwaad doen van wien ik hoû, niet waar? + +--Niet zoolang je van hem houdt, was het onwillige antwoord. + +--O, en ik zal altijd van hem houden! riep zij uit. + +--En hij? + +--Och, natuurlijk. + +--Dat zoû ik hem ook raden. + +Zij ontstelde even. Toen lachte zij weêr en stak haar hand door zijn +arm. Hij was nog maar zoo een jongen. + +Bij Marble Arch riepen zij een omnibus aan, die hen vlak bij hun +armoedig huisje in Euston Road afzette. + +Het was over vijven en Sybil moest nog een paar uren rusten, vóór zij +zoû optreden; dat wilde Jim. Hij wilde ook liever afscheid van haar +nemen, zonder dat hunne moeder er bij was. Zij zoû natuurlijk weêr een +heele scène maken, en daar had hij een vreeselijken hekel aan. + +In Sybils eigen kamer namen zij afscheid. De jonge man voelde in zijn +hart eene jaloezie; een bittere, wreede haat tegen dien vreemde, die, +naar het hem scheen, tusschen hen was gekomen. Maar toen hare armen om +zijn hals lagen en hare vingers door zijn haar streelden, werd hij +zachter gestemd; hij gaf haar een zoen vol teederheid. Er waren tranen +in zijne oogen, toen hij naar beneden ging. Zijne moeder wachtte hem. +Zij knorde over zijn te-laat komen, toen hij binnentrad. Hij gaf geen +antwoord, maar zette zich voor zijn sober maaltje. De vliegen suisden +om en kropen over het gevlekte tafellaken. Tusschen het rammelen van +omnibussen en het geratel van cabs op straat door, luisterde hij hoe +die dreunerige stem iedere minuut, die hij nog voor zich had, +wegzeurde. + +Na een oogenblik schoof hij zijn bord weg, verborg het gelaat in de +handen. Hij voelde, dat hij recht had te weten. En was het zooals hij +vreesde, dan had men hem het al vroeger moeten zeggen. Bezwaard met +vrees, keek zijne moeder hem aan. Woorden vielen werktuigelijk van +haar lippen. In haar vingers wrong zij zenuwachtig een gescheurde +kanten zakdoek. Toen de klok zes uur sloeg, stond hij op en ging naar +de deur. Daar keerde hij zich om en zag haar aan. Hunne oogen +ontmoetten elkaâr. Hij las in de hare eene wanhopige bede om genade. +Het maakte hem dol. + +--Moeder, ik moet u wat vragen, zei hij. + +Haar oogen dwaalden vaag door de kamer. Zij gaf geen antwoord. + +--Zeg mij de waarheid. Ik heb recht te weten. Was u getrouwd met mijn +vader? + +Zij zuchtte diep. Het was een zucht van verlichting. Het vreeselijke +oogenblik, het oogenblik, dat zij nacht en dag, weken en maanden +gevreesd had, was ten laatste gekomen en toch voelde zij geen angst. +In een zeker opzicht was het haar zelfs tegengevallen. De vulgaire +kortheid van de vraag wilde ook een kort antwoord. Hij was niet +geleidelijk tot die vraag gekomen. Zoo was het te ruw. Het liet haar +denken aan een slechte repetitie. + +--Neen, antwoordde zij, verwonderd over den eenvoud in het leven. + +--Dan was mijn vader een ellendeling! riep de jongen uit met gebalde +vuisten. + +Zij schudde het hoofd. + +--Ik wist, dat hij niet vrij was. Wij hielden veel van elkaâr. Als hij +was blijven leven, zoû hij zeker voor ons gezorgd hebben. Spreek geen +kwaad van hem, mijn jongen. Hij was toch je vader en een fatsoenlijk +man. Hij was ook van goede familie. Een vloek kwam over zijn lippen. + +--Het kan voor mijzelf niets schelen, riep hij uit, maar laat Sybil +... Het is een heer, niet waar, die op haar verliefd is, of ten minste +doet alsof? En zeker ook van goede familie? + +Een oogenblik kwam er een afschuwelijk gevoel van vernedering over de +arme vrouw. Zij boog het hoofd. Zij veegde haar oogen met bevende +hand. + +--Sybil heeft een moeder, fluisterde zij; die had ik niet. De jongen +was getroffen. Hij ging naar haar toe en boog zich om haar te kussen. + +--Het spijt mij, dat ik u verdriet deed met te vragen naar mijn vader, +maar ik kon er niets aan doen. En nu moet ik weg. Dag moeder. Vergeet +niet, dat u nu maar één kind hebt om op te letten, en geloof me, als +die kerel mijn zuster ooit kwaad doet, ik vind hem uit en vermoord hem +als een hond. Dat zweer ik. + +De overdreven dwaasheid van de bedreiging, de hartstochtelijke +beweging, die hij er bij maakte, de opgewonden melodramatische woorden +schenen meer werkelijkheid aan het leven voor haar te geven. Zij +gevoelde zich thuis in die atmosfeer. Zij ademde vrijer en voor het +eerst in langen tijd bewonderde zij haar zoon waarlijk. Zij had gaarne +de scène op denzelfden voet voortgezet, maar hij maakte er een eind +aan. Koffers moesten naar beneden gesjouwd en jassen en plaids bij +elkaâr gezocht worden. + +Het sloofje van het commensalenhuis liep telkens in en uit. Toen het +onderhandelen met den koetsier. Het oogenblik ging verloren in +alledaagsche kleinigheden. En het was met een nieuw gevoel van +teleurstelling, dat zij den lorrigen kanten zakdoek wuifde voor het +raam, terwijl haar zoon wegreed. Zij was zich bewust, dat een +prachtige gelegenheid was voorbijgegaan. Zij troostte zich echter met +Sybil te vertellen hoe eenzaam nu het leven voor haar zijn zoû, nu zij +maar één kind had om op te letten. Zij had dien zin goed onthouden. +Hij klonk goed. Van de bedreiging vertelde zij niets. Ze was met vuur +en met dramatische kracht voorgedragen, maar zij vreesde, dat er om +gelachen zoû worden. + + + + +VI. + + +--Je hebt zeker het nieuws al gehoord, Basil? zei Lord Henry dien +avond, toen Hallward binnen kwam in den Bristol, waar een tafel voor +drie gedekt stond. + +--Neen Harry, antwoordde de schilder, terwijl hij hoed en jas gaf aan +den knecht, die boog. Wat is het? Toch niets in de politiek, hoop ik? +Dat interesseert me niets. + +--Dorian Gray is geëngageerd en gaat trouwen, sprak Lord Henry, hem +aanziende, terwijl hij dit zei. + +Hallward schrikte op en fronsrte de wenkbrauwen. + +--Dorian trouwen, riep hij. Onmogelijk! + +--Het is toch waarlijk waar. + +--Met wie? + +--Een of ander klein actricetje. + +--Ik kan het niet gelooven. Dorian is veel te verstandig. + +--Dorian is veel te verstandig, om niet nu en dan eens iets dwaas te +doen, mijn beste Basil. + +--Een huwelijk is toch niet iets, dat je zoo nu en dan eens doet, +Harry. + +--Wel in Amerika, wierp Lord Henry kwijnend tegen. Maar ik heb niet +gezegd dat hij al getrouwd was. Ik heb gezegd, dat hij nog maar +geëngageerd was. Dat is een groot verschil. Ik heb een vage +herinnering van mijn huwelijk, maar van mijn engagement weet ik niets +meer. Ik geloof eigenlijk, dat ik nooit geëngageerd ben geweest. + +--Ja maar, bedenk toch eens: Dorian, met zijn naam, zijn pozitie, en +zijn geld. Het zoû toch bespottelijk zijn als hij zich zoo +mésallieerde. + +--Als je nu wilt, dat hij dat kind trouwt, heb je hem dit maar te +vertellen. Dan zal hij het juist doen. Iederen keer als een mensch +iets erg stoms doet, heeft hij er juist de edelste bedoelingen meê. + +--Ik hoop tenminste, dat het een fatsoenlijk meisje is. Ik zoû het +verschrikkelijk vinden, Dorian gebonden te zien aan een gemeen +schepsel, dat hem fyziek en moreel zoû bederven. + +--O, zij is beter dan fatsoenlijk, murmelde Lord Henry, en nam een +slokje van zijn glas vermouth met oranjebitter; Dorian zegt, dat ze +prachtig mooi is, en op dat punt is zijn opinie nogal te vertrouwen. +Zijn portret heeft zijn smaak voor uiterlijk schoon wel ontwikkeld. +Het is trouwens een van de vele goede uitwerkingen, die het gehad +heeft. Wij zullen haar van avond zien, als die jongen tenminste zijn +afspraak niet vergeet. + +--Meen je het in ernst? + +--In vollen ernst, Basil. Ik zoû het een ellendig perspectief vinden, +als ik ooit nog ernstiger moest zijn dan nu. + +--Maar keur jij het goed Harry? vroeg de schilder, terwijl hij de +kamer op en neêr liep en op zijn lip beet. Je kunt het toch onmogelijk +goedkeuren. Het is een dolle verliefdheid. + +--Ik keur nooit iets goed of af. Dat is maar nonsens. We zijn niet op +de wereld om onze moreele vooroordeelen te luchten. Ik luister nooit +naar wat banale menschen vertellen, en ik bemoei me nooit met wat +interessante menschen doen. Als iemand mij aantrekt, is iedere uiting +van die persoonlijkheid mij even lief. Dorian Gray wordt verliefd op +een mooie meid, die voor Juliet speelt en hij wil met haar trouwen. +Wel waarom niet? Al trouwde hij met Messalina in eigen persoon, hij +zoû daarom niet minder interessant blijven. Je weet heel goed, dat ik +geen voorstander van het huwelijk ben. Een nadeel van het huwelijk is, +dat het het egoïsme in een mensch doodt. Menschen zonder zelfzucht +zijn kleurloos. Ze missen individualiteit. En toch zijn er enkele +temperamenten, die door het huwelijk nog ingewikkelder worden. Ze +behouden hun egoïsme en krijgen er nog verschillende andere ego's bij. +Ze zijn gedwongen meer dan één leven te hebben. Ze worden edeler +geörganizeerd, en edel geörganizeerd te zijn is, dunkt me, het doel +van het leven. Buitendien heeft iedere ondervinding zijn waarde, en +wat je ook tegen het huwelijk zeggen kan, het is in ieder geval altijd +een ondervinding. Ik hoop, dat Dorian Gray dat kind zal trouwen, haar +zes maanden op de handen zal dragen, en dan in eens op een ander zal +verliefd worden. Het zoû een prachtige studie zijn. + +--Je meent geen woord van wat je zegt, Harry, geen woord. Als het met +Dorian Gray slecht afliep, zoû het niemand meer verdriet doen dan jou. +Je bent beter dan je je voordoet. + +Lord Henry lachte. + +--De reden, dat wij zoo graag goed denken van onze vrienden, is: dat +we allen doodsbang zijn voor onszelven. De bazis van optimisme is +zuivere angst. We denken, dat we al heel edel zijn omdat wij anderen +kwaliteiten toeschrijven, waar wij voordeel van kunnen trekken. We +prijzen een bankier om een hoogeren wissel op hem te kunnen nemen, en +we vinden goede kwaliteiten in een struikroover in de hoop, dat hij +onze beurs sparen zal. Ik meen ieder woord, dat ik gezegd heb. Ik heb +de grootste minachting voor optimisme. En wat dat huwelijk betreft, +het zoû natuurlijk een dolheid zijn, maar er zijn nog andere +verhoudingen tusschen een man en een vrouw. En die zal ik zeker +aanmoedigen. Maar hier is Dorian zelf. Hij kan je er meer van +vertellen dan ik. + +--Harry, Basil, je mag me feliciteeren! riep de jongen, terwijl hij +zijn ulster afwierp en zijn vrienden beurtelings de hand schudde. Ik +ben nog nooit zoo gelukkig geweest. Het is wel nogal onverwachts +gebeurd, maar alle genotvolle dingen komen onverwachts. En toch is het +mij alsof ik er mijn heele leven naar heb uitgezien! + +Hij had eene kleur van opgewondenheid en genoegen en was mooier dan +ooit. + +--Ik hoop, dat je altijd gelukkig zal zijn, Dorian, zei Hallward, maar +ik vergeef je maar half, dat je mij niets van je engagement hebt laten +weten. Je hebt het Harry wel verteld. + +--En _ik_ vergeef je niet te laat te zijn voor het diner, viel Lord +Henry in, en legde hem met een glimlach de hand op den schouder. Kom, +laat ons nu gaan zitten en zien hoe de nieuwe "chef" hier is; in dien +tijd kan jij vertellen hoe alles gebeurd is. + +--O, daar is niet veel te vertellen, riep Dorian uit, toen zij om de +kleine ronde tafel gingen zitten. Het ging heel eenvoudig. Toen ik +gisteren avond van je weg ging, Harry, kleedde ik mij, dineerde in die +kleine Italiaansche restauratie in Ruperstreet, waar je me +geïntroduceerd hebt, en ging om acht uur naar het theater. Sybil +speelde Roselind. Het décor was natuurlijk afschuwelijk en Orlando +bespottelijk. Maar Sybil! Je hadt haar moeten zien toen zij opkwam in +haar jongenspakje! Ze was om te stelen. Ze droeg een groenachtig +fluweel buisje met havanna mouwen, een donker bruin nauw broekje, en +een coquet groen mutsje, waarop een haviksveêr met een juweel, en een +kleinen mantel, gevoerd met dof rood. Ik heb haar nog nooit zoo mooi +gezien. Ze had die fijne gratie van dat Tanagra-beeldje in je atelier, +Basil! Het haar krulde om haar gezichtje als donkere blâren om een +bleeke roos. En haar actie ... maar dat zal je van avond zelf zien. +Zij is een geboren artiste. + +Ik zat als betooverd in die smerige loge. Ik vergat, dat ik in Londen, +in de negentiende eeuw was. Ik was weg met mijn liefde; in een woud, +dat niemand ooit gezien had. Zoodra de voorstelling afgeloopen was +ging ik achter de coulisses en sprak met haar. En toen wij daar zoo +samen zaten, kwam er iets in haar oogen, iets wat ik er vroeger nooit +in gezien heb. Mijn lippen bogen zich naar de hare, wij kusten elkaâr. +Ik kan je niet zeggen, wat ik op dat moment voelde. Het was mij of +mijn geheele leven zich concentreerde in die eene stip van rooskleurig +geluk. Zij beefde en trilde als een witte narcis. Toen gooide zij zich +op de knieën en kuste mijn handen. O! ik voel, dat ik je dit alles +niet zoo moest vertellen, maar ik kan niet anders. Ons engagement is +vooreerst natuurlijk nog een diep geheim. Ze heeft er zelfs haar +moeder niets van verteld. Ik ben benieuwd wat mijn voogden er van +zullen zeggen. Lord Radley zal natuurlijk razend zijn. Het kan mij +niets schelen. Ik word dit jaar nog meerderjarig en dan kan ik doen +wat ik wil. Heb ik geen gelijk gehad, Basil, mijn liefde te putten uit +de poëzie en mijne vrouw te vinden in Shakespeare's drama's! Rosalind +sloeg haar armen om mij heen en Juliet kuste ik op den mond. + +--Ja Dorian, ik geloof, dat je goed deed! antwoordde Hallward +langzaam. + +--Heb je haar van daag nog gezien? vroeg Lord Henry. + +Dorian Gray schudde het hoofd. + +--Ik nam afscheid van haar in het bosch van Arden en ik zal haar terug +vinden in de tuinen van Verona. + +Lord Henry dronk peinzend van zijne champagne. + +--Bij welk gewichtig moment heb jij het eerst van een huwelijk +gesproken, Dorian? En wat antwoordde zij daarop? Of ben je alles weêr +vergeten? + +--Maar Harry, het is geen handelszaak en ik heb haar ook niet in +optima forma gevraagd. Ik zei haar, dat ik haar liefhad, en zij +antwoordde, dat zij niet goed genoeg was om mijn vrouw te zijn. Niet +goed genoeg! De heele wereld is _niets_ voor mij bij haar vergeleken. + +--Vrouwen zijn toch verbazend practisch, murmelde Lord Henry; veel +meer dan wij. Bij zulke gelegenheden vergeten wij meestal te spreken +van een huwelijk maar zij herinneren het ons altijd vast. + +Hallward legde hem de hand op den arm. + +--Spreek zoo niet, Harry. Je doet Dorian verdriet. Hij is niet als +andere mannen. Hij zoû niemand ooit ongelukkig maken. Daar is hij te +goed voor. + +Lord Henry zag over de tafel heen. + +--Ik doe Dorian geen verdriet, antwoordde hij. Ik vroeg en de eenige +reden, die ik als excuus kan aanvoeren was: dat ik vroeg uit +nieuwsgierigheid. Het is mijn theorie, dat het de vrouwen zijn, die +ons mannen vragen, maar wij nooit de vrouwen. Behalve bij den +burgerstand natuurlijk. Maar de burgerstand is ook niet modern. + +Dorian Gray lachte en schudde het hoofd. + +--Je bent onverbeterlijk Harry, maar het kan mij niet schelen. Het is +onmogelijk boos op je te zijn. Als je Sybil Vane ziet, zal je zelf +voelen, dat de man, die haar ongelukkig kan maken, een ellendeling +moet zijn, een ellendeling zonder hart. Ik kan me niet begrijpen, hoe +je iemand, die je lief is, verdriet kan doen. Ik heb Sybil Vane lief +en ik zal haar zetten op een gouden piedestal, en de heele wereld zal +de vrouw aanbidden, die de mijne is. Wat is het huwelijk? Een +onverbreekbare belofte. Daarom bespot je het. O, lach niet. Het is +juist wat ik doen wil. Haar vertrouwen, haar geloof in mij, maakt mij +goed. Wanneer ik met haar ben, hindert mij alles wat jij me geleerd +hebt. Ik word heel anders dan jij me kent totnogtoe. Ik word geheel +veranderd en de enkele aanraking van haar handje, doet mij al je +slechte, tooverachtig giftige en toch heerlijke theorieën vergeten. + +--En die zijn ...? vroeg Lord Henry, zich aan een weinig slâ helpend. + +--O! je theorieën over het leven, je theorieën over liefde, je +theorieën over genot. Kortom, al je theorieën Harry! + +--Genot: dat is het eenige een theorie waard, antwoordde hij met zijne +zachte stem, vol muziek. Maar ik mag niet beweren, dat die theorie van +mij is. Het is een theorie van de natuur zelf. Genot is de toetssteen +van de natuur, haar teeken van goedkeuring. Wanneer we ons gelukkig +voelen, zijn wij altijd goed, maar wanneer wij goed zijn, voelen we +ons niet altijd gelukkig. + +--Maar wat versta je onder "goed"? riep Basil Hallward. + +--Ja, herhaalde Dorian, zich in zijn stoel achterover werpend en Lord +Henry aanziende over de zware trossen van purperkleurige irissen, die +midden op de tafel stonden; wat versta je onder "goed", Harry? + +--In harmonie te zijn met jezelf, hernam hij, de fijne poot van zijn +glas even aanroerend met zijne witte, spitse vingers. Het wordt +wanklank, als je gedwongen wordt in harmonie te zijn met een ander. Je +eigen individueel leven is het voornaamste. + +--Maar als je nu voor niemand leeft dan voor je eigen ik, Harry, moet +je die harmonie toch ook heel duur betalen, wierp de schilder tegen. + +--Ja, tegenwoordig is alles duur. En de tragedie van de armen is ook, +dat zij zich niets kunnen permitteeren dan zelf ontzegging. Mooie +zonden zijn, even als alle dingen, het privaat eigendom van de rijken. + +--Je betaalt die dingen niet alleen met geld. + +--Waarmeê dan, Basil? + +--Nu, ik zoû denken met berouw, met verdriet en ... met het +bewustzijn, dat je hoe langer hoe lager zinkt. + +Lord Henry haalde de schouders op. + +--Hoor eens kerel, mediaevistische kunst is charmant, maar +mediaevistische emoties zijn heelemaal verouderd. In fictie kan je ze +natuurlijk altijd gebruiken. Maar de eenige dingen, die je ook in +fictie gebruiken kan, zijn juist die, welke je opgehouden hebt als +feiten te beschouwen. Geloof me, geen gecivilizeerd mensch heeft ooit +berouw van genot, en een ongecivilizeerd mensch weet nooit wat genot +is. + +--Ik weet het! riep Dorian. Iemand te aanbidden! + +--Het is zeker beter dan aangebeden te worden, antwoordde hij en +speelde met een paar vruchten. Want dat is altijd een vervelend iets. +Vrouwen behandelen ons precies, zooals de menschheid haar goden. Zij +aanbidden ons, maar hebben altijd iets van ons te verlangen. + +--Ik zoû zeggen, dat, wat zij ons ook mogen vragen, zij het ons toch +altijd eerst gegeven hebben, murmelde de jongen ernstig. Zij scheppen +liefde in ons; ze hebben dus ook het recht die terug te vragen. + +--Volkomen waar, Dorian! riep Hallward. + +--Niets is ooit volkomen waar, zei Lord Henry. + +--Dit wel, viel Dorian in. Je zult toch toestemmen, Harry, dat een +vrouw het goud van haar leven geeft aan haar man! + +--Mogelijk, zuchtte hij; maar ze willen het altijd in kleingeld terug +hebben. Dat is juist het vervelende. Een geestig Franschman heeft eens +gezegd: Vrouwen inspireeren tot meesterwerken, maar verhinderen de +uitvoering ervan. + +--Harry, je bent onuitstaanbaar. Ik begrijp eigenlijk niet waarom ik +van je hoû. + +--Je zult altijd van me blijven houden, Dorian, antwoordde hij. Willen +jullie koffie drinken? Breng koffie, fine-champagne en cigaretten. Of +neen, geen cigaretten, ik heb ze zelf wel. Basil, je moet waarachtig +geen sigaren rooken, neem nu een cigarette. Een cigarette is het +volmaaktste type van een volmaakt genot. Het is iets exquis, en het +laat je onbevredigd. Wat wil je meer. Ja Dorian, je zal altijd van mij +blijven houden. Ik ben voor jou de verpersoonlijking van alle zonden, +die je nooit hebt durven begaan. + +--Wat een nonsens, Harry, riep de jongen en stak zijne cigarette met +een vuurtongig zilveren draakje aan, dat de knecht op tafel geplaatst +had. Maar laat ons nu gaan. Als Sybil opkomt, zal je een nieuw +levensideaal hebben. Je zal iets in haar zien, wat je nog geheel nieuw +en onbekend is. + +--Ik geloof niet, dat er iets onbekends voor mij is, zei Lord Harry, +met een moede uitdrukking in zijne oogen; maar ik ben altijd klaar +voor een nieuwe emotie. Hoewel ik niet geloof, dat er nog zoo iets +voor mij is weggelegd. Maar je mooi vriendinnetje kan mij misschien +interesseeren. Ik zie graag goed acteeren. Dat is veel reëeler dan het +leven. Kom, laat ons nu gaan. Dorian, ga jij met mij meê. Het spijt me +wel, Basil, maar ik heb maar twee plaatsen in mijn brougham. Neem jij +dan een cab achter ons. + +Zij stonden op, deden hunne overjassen aan en dronken de koffie even, +staande, uit. De schilder was stil en zichtbaar afgetrokken. Er hing +een nevel over hem. Dit huwelijk deed hem pijn en toch scheen het hem, +dat er iets nog veel ergers had kunnen gebeuren. Na eenige minuten +gingen zij de trap af. Hij reed alleen, zooals afgesproken was, en hij +staarde naar de flikkerende lichten van het rijtuig vóór hem. Een +vreemd gevoel, als had hij iets verloren, kwam over hem. Hij voelde, +dat Dorian Gray voor hem nooit meer zijn zoû wat hij vroeger geweest +was. Het leven was tusschen hen gedrongen ... Zijne oogen +verduisterden en de woelige, lichtende straten mistteden weg. Toen de +cab stilhield voor het gebouw was het hem of hij jaren ouder was +geworden. + + + + +VII. + + +Bij toeval was het theater dien avond zeer vol en de dikke Joodsche +directeur, die hen bij de deur ontving, glom van genoegen met een +vettigen breeden glimlach. Hij begeleidde ze naar hun loge met een +pompeuze nederigheid, gesticuleerde met zijn dikke, bejuweelde handen +en sprak veel, met een hooge schelle stem. Dorian Gray verafschuwde +hem meer dan ooit. Het scheen hem toe of hij Miranda zocht, en Caliban +ontmoette. Lord Henry mocht hem integendeel wel, tenminste hij +beweerde dat; hij gaf hem ook de hand en verzekerde, dat hij blij was +iemand te ontmoeten, die een genie had ontdekt en bankroet ging door +een dichter. Hallward vermaakte zich met de gezichten uit de pit te +bestudeeren. De hitte was er benauwend en de kroon vlamde als een +reusachtige dahlia met meeldraden van gelig vuur. De mannen in de +galerij hadden hunne jassen en vesten uitgetrokken en over de +balustrade gehangen. Zij schreeuwden elkaâr over en weêr toe, deelden +hunne china'sappelen met de viezig opgedirkte meisjes naast hen. Een +paar vrouwen gilden en lachten in de pit. Haar stemmen klonken ruw en +schel. Geluiden van ontkurkende flesschen kwamen van het buffet. + +--Wat een plaats om een godheid te vinden! zei Lord Henry. + +--Ja, antwoordde Dorian Gray. Hier vond ik haar en zij is een +godinnetje. Als ze acteert, vergeet je alles om je heen. Dit vulgaire +publiek met zijn grove gezichten en gemeene gebaren verandert, als zij +op het tooneel komt. Zij zitten als gemagnetizeerd naar haar te +kijken. Zij laat ze huilen of lachen, zij speelt op ze als op een +viool. Zij spiritualizeert ze, en dan voel je pas, dat ze toch +eigenlijk van hetzelfde vleesch en bloed zijn als jijzelf. + +--Hetzelfde vleesch en bloed! Dat hoop ik niet! riep Lord Henry uit, +die door zijn binocle het publiek in de galerij beschouwde. + +--Hoor maar niet naar hem, Dorian, sprak de schilder. Ik begrijp wat +je bedoelt en ik geloof in dit kind. Iedereen van wie jij houdt moet +iets buitengewoons zijn en een vrouw, die doen kan, wat jij van haar +vertelt, is braaf en edel. Je eigen eeuw te spiratualizeeren, dat is +iets heel moois. Als zij een ziel geven aan menschen, die altijd +zonder ziel leefden, als zij den zin voor het schoone kan wekken in +menschen, die altijd leelijk en vuil leefden, als zij hun egoïsme kan +ontnemen, en kan doen huilen van verdriet, dat niet van hunzelf is, is +zij je aanbidding waard, is zij de aanbidding van de geheele wereld +waard. Ik geloof, dat je huwelijk uitstekend is. Sybil Vane is voor +jou geschapen. Zonder haar zoû je niet compleet zijn. + +--Dank je, Basil, antwoordde Dorian Gray hem de hand drukkend. Ik +wist, dat jij me begrijpen zoû. Harry is soms zoo cynisch, dat hij me +bang maakt. Maar daar begint het orkest. Het is afschuwelijk, maar het +duurt gelukkig niet langer dan vijf minuten. Dan gaat het gordijn op +en dan zal je de vrouw zien, aan wie ik mijn heele leven geven zal, +aan wie ik gegeven heb alles wat goed in mij is ... + +Na een kwartier kwam, onder een daverend applaus, Sybil Vane op. Ja, +ze zag er zeker allerliefst uit, een van de mooiste schepseltjes, die +hij ooit gezien had, vond Lord Henry. Er was iets van een ree in hare +schuwe bevalligheid en in hare groote, verschrikte oogen. Een lichte +blos, als de schim van een roos in, een zilveren spiegel, kwam op hare +wangen toen zij even rondzag in de volle, enthusiaste zaal. Zij trad +een paar passen achteruit en hare lippen schenen te beven. Basil +Hallward sprong op en applaudisseerde. Onbewegelijk, als in een droom, +zat Dorian Gray en staarde haar aan. Lord Henry tuurde door zijn +binocle en murmelde: + +--Allerliefst! Allerliefst! + +Het tooneel stelde voor een zaal in Capulets huis en Romeo, in +pelgrimsgewaad, was binnengekomen met Mercutio en zijne andere +vrienden. Het zoogenaamde orkest speelde een paar noten en het bal +begon. Sybil Vane bewoog zich onder dien troep onbevallige, slecht +gekleede acteurs als een schepsel uit eene andere wereld. Terwijl zij +danste dreef haar figuurtje op de muziek als een bloem op het water. +De teedere buigingen van haar hals waren als de rondingen van een +blanke lelie. + +En toch was zij zeer mat. Zij toonde geene vreugde, toen hare oogen +Romeo zagen. De enkele woorden die zij te spreken had: + + O, goede pelgrim, smaad uw hand niet langer. + Welpassend eerbetoon bewijst ge aldus; + Een heilge gunt zijn hand den beêvaartganger. + Een hand in hand is vrome pelgrimskus; + +de korte dialoog die volgde, werd zeer gekunsteld gezegd. De stem +zelve was als muziek, maar de toon was valsch. De kleur ervan was +slecht. Die nam al het leven uit de poëzie weg. Die maakte de passie +onwaar. + +Dorian Gray verbleekte terwijl hij haar zag. Hij begreep haar niet en +werd bang. Geen van beide vrienden durfde iets zeggen. Zij waren zeer +teleurgesteld. Maar zij voelden, dat een Juliet niet beoordeeld moest +worden voor de balconscène in de tweede acte. Dat was hun laatste +hoop. Mislukte zij daarin, dan beteekende zij ook niets. + +Zij zag er allerbekoorlijkst uit, toen zij in den maneschijn naar +buiten trad. Dat moest gezegd worden. Maar het tooneelmatige van haar +actie was onverdragelijk en werd hoe langer hoe slechter. Hare gebaren +werden bespottelijk gemaakt. Zij gaf een noodeloozen nadruk op alles +wat zij te zeggen had. Die mooie passage: + + Ge weet, de nacht omsluiert mijn gelaat. + Mijn wang bleke anders door een blos geverfd + Om wat deez' nacht u daar verraden heeft, + +werd opgezegd met de pijnlijke juistheid van een schoolkind, ingepompt +door een declamatie-onderwijzer. + +Toen zij over het balcon leunde en kwam aan de exquize regels: + + 'k begroet u blij, maar niet + Dat wisseln van geloften in deez' nacht. + Dat is te snel, te plotseling, te onberaden, + Te zeer als 't weêrlicht dat verdwijnt nog eer + Men zegt: het licht! Vaarwel! Deez' liefdeknop, + Door 's zomers aâm gekoesterd, is misschien + Een schoone bloem bij 't volgend wederzien[1] + +sprak zij de woorden als hadden zij geen beteekenis voor haar. Het was +geene zenuwachtigheid. Integendeel, zij was geheel zichzelve. Het was +eenvoudig-weg slechte kunst. Zij was geheel mis. + +Zelfs het ruwe onontwikkelde publiek van de pit en de galerij verloren +hun belangstelling. Zij werden onrustig en begonnen hard te spreken en +te fluiten. De Joodsche directeur stond vloekend en stampvoetend +achter in den dress-circle. De eenige die kalm bleef was het meisje +zelve. + +Na de tweede acte kwam er een storm van gesis en Lord Henry stond op +en deed zijn overjas aan. + +--Ze is prachtig, Dorian, maar ze kan niet acteeren. Kom, laat ons +weggaan. + +--Neen, ik blijf tot het laatste, antwoordde de jongen, met een +harden, bitteren klank in zijn stem. Het spijt me, dat ik je een avond +heb laten verliezen, Harry. Ik maak je beiden wel mijn excuzes. + +--Beste jongen, ik geloof dat Miss Vane niet wel is, viel Hallward in. +We zullen nog eens een anderen avond terugkomen. + +--Ik woû, dat het waar was, dat zij ziek is, antwoordde hij. Maar ik +geloof, dat zij eenvoudig inkoud en ongevoelig is. Zij is veranderd +als een blad aan een boom. Gisteren avond was zij een groote artiste. +Van avond is zij niets meer dan een heel gewone, heel middelmatige +actrice. + +--Spreek zoo niet over iemand van wien je houdt, Dorian. Liefde is +hooger dan kunst. + +--Beide zijn imitaties, merkte Lord Henry op. Maar laat ons nu gaan, +Dorian. Blijf nu niet langer hier. Het is niet goed voor je moreel om +slechte actie aan te zien. Buitendien denk ik, dat je je vrouw toch +niet zal laten spelen. Wat kan het je dus schelen, of zij Juliet +speelt als een houten pop. Ze ziet er allerliefst uit en als ze van +het leven een weinig afweet als van acteeren, is zij een charmant +tijdverdrijf. Er zijn maar twee soorten van menschen, die werkelijk +interessant zijn: menschen, die àlles weten en menschen, die totaal +niets weten. Goede hemel, kerel, kijk toch zoo tragisch niet! Het +geheim om jong te blijven is: nooit emotie te hebben, die niet goed +staat. Ga met ons meê naar de club. We zullen wat cigaretten rooken en +op de charmes van Sybil Vane drinken. Ze is prachtig. Wat wil je nu +meer? + +--Ga heen, Harry, riep de jongen uit; ik wil alleen zijn; Basil, jij +moet weg. O, zie je dan niet, dat mijn hart breekt? + +Tranen kwamen in zijne oogen, zijne lippen beefden. Hij vloog achter +in de loge en tegen den muur leunend, verborg hij het gelaat in de +handen. + +--Kom meê, Basil, sprak Lord Henry met eene vreemde teederheid in +zijne stem en zij gingen samen weg. Na een oogenblik vlamde het +voetlicht weder op voor de derde acte. Dorian ging op zijne plaats +terug. Hij zag bleek, trotsch, onverschillig. Het stuk sleepte voort +en scheen eindeloos. Het halve publiek ging weg, lachend en stampend +met de zware schoenen. Het geheele ding was een fiasco. De laatste +acte werd voor bijna geheel leêge banken gespeeld. Het gordijn viel +onder gegichel en hier en daar een zucht. + +Zoodra het uit was, vloog Dorian Gray achter de coulissen naar den +foyer. Het meisje stond daar alleen, met een glans van voldoening op +haar gezichtje. Haar oogen schitterden van een exquis vuur. Er scheen +een glorie om haar heen te stralen. Haar halfgeopende lippen +glimlachten om een geheim, dat zij alleen kenden. + +Toen hij binnenkwam, zag zij hem aan en eene uitdrukking van onzegbaar +geluk kwam over hare trekken. + +--Wat heb ik van avond slecht gespeeld, Dorian! jubelde zij. + +--Afschuwelijk! antwoordde hij, ze vol verbazing aanziende. +Afschuwelijk! Het was verschrikkelijk!! Ben je ziek? Je weet niet hoe +verschrikkelijk het geweest is. Je hebt geen idee van hetgeen ik +geleden heb. + +Zij glimlachte. + +--Dorian, antwoordde ze en streelde zijn naam met een langen toon van +muziek, als was die naam zoeter dan honig voor de purperen meêldraden +van hare lippen. Dorian, je hadt het toch kunnen begrijpen. Maar nu, +nu begrijp je toch, niet waar? + +--Wat begrijpen? vroeg hij boos. + +--Waarom ik zoo slecht was? Waarom ik altijd zoo slecht zal zijn. +Waarom ik nooit meer goed zal spelen. Hij haalde de schouders op. + +--Ach, je bent ziek. En als je ziek bent, moet je niet spelen. Je +maakt jezelf bespottelijk. Mijn vrienden hadden het land. En ik had +ook het land. + +Zij scheen hem niet te hooren. Zij stond als verheerlijkt van vreugde. +Een glorie van geluk omstraalde haar. + +--Dorian, Dorian, riep zij, vóór ik jou kende was mijn spel mij de +eenige werkelijkheid in het leven. Ik leefde eerst waarlijk als ik +speelde. Ik dacht, dat alles waar was. Ik was den eenen keer Rosalind +en den volgenden keer Portia. Ik was gelukkig in Rosalind, ik leed in +Cordelia. Ik geloofde in alles. Die slechte acteurs om mij heen, +schenen mij goden toe. De geschilderde decoraties waren mijn wereld. +Ik kende alleen schimmen en ik dacht, dat zij het leven waren. Toen +kwam jij, o, mijn heerlijke lieveling! en je maakte mijn ziel los uit +haar gevangenis. Jij leerde mij eerst wat waar is. Ik voelde van avond +voor het eerst hoe leêg, hoe hol, hoe nutteloos alles was in de +wereld, waar ik totnogtoe leefde. Voor het eerst viel het mij op, dat +Romeo leelijk, oud, en geverfd, dat het maanlicht in den tuin valsch, +dat het decor vulgair was, en dat de woorden, die ik zeggen moest, +onwaar klonken, dat zij niet mijne woorden waren, dat zij niet +uitdrukten wat ik zeggen woû. Je hebt mij iets moois, iets hoogs +gegeven en waarvan iedere kunst maar een flauwe weêrkaatsing is. Je +hebt mij geleerd wat liefde waarlijk is. Mijn lieveling! Mijn +lieveling! Mijn tooverprins, prins van mijn leven! O, ik ben nu zoo +moê van al die schimmen. Je bent voor mij méér dan alle kunst ooit +voor mij zijn kan. Toen ik zoo even opkwam, begreep ik niet waarom +alles zoo ver van mij afscheen. Ik dacht juist nu zoo goed te spelen, +en ik merkte, dat ik niets meer kon. Opeens lichtte het in mijne ziel, +wat dat alles was. En die kennis was mij zalig. Ik hoorde ze fluiten +en ik lachte. Wat weten zij van een liefde als de onze. O! neem mij +meê, Dorian, neem mij met je meê, ergens waar wij heel alleen zijn. Ik +heb een afkeer van dat tooneel. Ik kon een passie imiteeren, die ik +niet voel, maar een, die mij brandt als een vuur, kan ik niet spelen. +O! Dorian, Dorian, nu begrijp je het, niet waar? Zelfs als ik het kon, +zoû het profanatie voor mij zijn, zoo ik op de planken deed of ik +liefhad. Zie je, dat heb je me geleerd. + +Hij wierp zich op een bank en keerde het gezicht af. + +--Je hebt mijn liefde vermoord! steunde hij. + +Zij zag hem aan met verwondering en lachte. Hij gaf geen antwoord. Zij +kwam bij hem en streelde zijn haar met hare dunne vingers. Zij knielde +neêr en drukte zijne handen aan haar lippen. Hij trok ze terug en een +rilling liep over hem. + +Toen vloog hij op en liep naar de deur. + +--Ja, wierp hij haar toe, je hebt mijn liefde vermoord. Vroeger +streelde je mijn verbeelding, nu wek je niet eens nieuwsgierigheid in +mij op. Je maakt geen indruk meer op me. Ik had je lief, omdat je mooi +was, omdat je talent en ontwikkeling bezat, omdat je droomen van +groote dichters tot werkelijkheid maakte, omdat je leven en kleur gaf +aan de schaduwen van de kunst. Dat alles heb je nu weggegooid. Je bent +klein en dom. Mijn God, ik was gek zooveel van je te houden! Ik was +dwaas! Je bent nu immers niet meer voor me! Ik wil je niet meer zien! +Ik wil niet meer aan je denken! Ik wil je naam niet meer uitspreken! +O! je weet niet wat je voor me geweest bent, vroeger. Waarom +vroeger?... O! ik kan er niet aan denken. Ik woû, dat ik je nooit +gezien had. Je hebt de poëzie van mijn leven bedorven. Hoe weinig weet +je wat liefde is, als je zegt, dat het niet samengaat met kunst. +Zonder je kunst ben je niets. Ik zoû je beroemd, schitterend en rijk +gemaakt hebben. De wereld zoû je aanbeden hebben, en je zoû mijn naam +hebben gedragen. Wat ben je nu? Een slechte actrice met een mooi +gezichtje. + +Ze werd wit en trilde. Ze klampte haar handen samen en de stem scheen +haar in de keel te hokken. + +--Je meent het zoo niet, Dorian? fluisterde zij. Je speelt met me. + +--Spelen! Dat laat ik aan jou over. Jij doet het zoo mooi, antwoordde +hij bitter. + +Ze richtte zich op, en met een smart over haar gelaat kwam zij naar +hem toe. Zij legde haar hand op zijn arm en zag hem in de oogen. Hij +duwde haar weg. + +--Raak me niet aan! schreeuwde hij. Een doffe snik, en zij wierp zich +aan zijne voeten. Zoo bleef zij liggen als een bloem, die vertrapt +was. + +--Dorian, Dorian, ga niet van mij weg, stamelde zij. Het spijt me zoo, +dat ik slecht speelde. Ik dacht ook altijd door aan jou. Maar ik zal +mijn best doen, waarlijk, ik zal mijn best doen. Het kwam zoo +onverwachts, mijn liefde voor jou. Ik zoû het nooit zoo geweten +hebben, als je mij niet omhelsd hadt, als wij elkaâr niet gekust +hadden. O, zoen me nog eens! Ga niet van mij weg. Dat zoû ik niet +kunnen verdragen. O, ga niet van mij weg! Mijn broêr ... Ach neen, het +is niets! Hij meende het niet. Het was maar gekheid van hem ... Maar +jij ... O! kan je mij dezen éénen avond niet vergeven?! Ik zal hàrd +studeeren en gòed mijn best doen! Wees niet wreed tegen me, omdat ik +meer van jou hoû dan van iets ter wereld. En dan, het is toch maar één +keer geweest, dat ik niet goed gespeeld heb! Maar je hebt gelijk, +Dorian. Ik had meer artiste moeten blijven. Het was heel dwaas van me, +maar ik kon het niet helpen! O, laat me niet alleen, laat me niet +alleen! + +Een hartstochtelijk gesnik scheen haar te doen stikken. Zij kroop over +den grond als een gewond dier, en Dorian Gray zag met zijne mooie +oogen op haar neêr, en zijne fijne lippen krulden van minachting, er +is altijd iets dwaas' in de emoties van iemand, die men opgehouden +heeft lief te hebben. Hij vond Sybil Vane bespottelijk melodramatisch. +Haar tranen en snikken verveelden hem. + +--Ik ga weg! sprak hij eindelijk met zijn kalme, heldere stem. Ik wil +niet boos op je zijn, maar ik kan je niet meer zien. Je bent me een +groote teleurstelling geweest! + +Zij weende stilletjes, gaf geen antwoord, maar kroop dichter bij hem. +Hare handjes strekten zich in het vage uit als zochten zij hem. Hij +keerde zich om en ging de kamer uit. Een paar seconden later had hij +het gebouw verlaten. Waar hij ging, wist hij nauwlijks. Hij herinnerde +zich later gedwaald te hebben door flauw verlichte straten, door nauwe +spookachtige poortjes, langs verdachte huizen. Vrouwen hadden met +schorre stemmen en ruw gelach hem toegeroepen. Dronken kerels waren +langs hem gezwaaid, vloekende en in zichzelven pratende, als +reusachtige apen. Hij had misvormde kinderen bij elkaâr zien kruipen +op de stoepen voor de deuren, hij had gegil, gevloek gehoord uit +sombere holen ... + +Tegen den morgen merkte hij, dat hij dicht bij Covent Garden was. De +duisternis trok op en, zich vervelende met hier en daar een flauwen +weêrglans, rondde de hemel zich tot een zuivere parel. Groote karren +opgehoopt met knakkende lelies, rammelden langzaam door de leeg +geveegde straat. De lucht werd zoo zwaar van dien bloemengeur; uit die +kelken steeg als een tegengift voor zijne smart. Hij volgde de karren +naar de markt en zag hoe de mannen ze ontlaadden. Een wit-gekielde +karreman bood hem een paar kersen aan. Hij dankte hem en verwonderde +zich, dat de man weigerde er geld voor te nemen; hij begon ze +lusteloos op te eten. Ze waren 's nachts geplukt en ze hadden de kilte +der maan nog in zich. Een lange rij jongens met bonte tulpen, roode en +witte rozen, liep voor hem uit; ze zochten hun weg door hooge, +fletsgroene hoopen groenten. Onder de loods met grijze, zonverbleekte +pilaren, drentelde een troep vuile meisjes met bloote hoofden, te +wachtten tot de markt afgeloopen was. Anderen verdrongen zich om de +open-en dichtslaande deuren van een café. De zware karrepaarden +trappelden en stampten op de ruwe steenen en schudden tuig en bellen. +Een paar karrevoerders lagen te slapen op een hoop zakken. Duiven +trippelden heen en weêr met roode pootjes en bogen hare glanzige +nekjes. + +Na een poosje riep hij een hansom aan en reed naar huis. Even draalde +hij nog voor de open deur, zag om zich heen, in het slapende Square, +met zijn stil gesloten vensters en blank starende luiken. De lucht was +helder opaal geworden; de daken der huizen glinsterden als zilver er +tegen af. Uit een enkelen schoorsteen steeg een dun streepje rook. Het +kronkelde als een violet lint, door de lucht van parelmoêr. + +In de groote vergulde Venetiaansche lantaren,--gestolen uit de bark +van een Doge,--die in de ruime eikenhouten vestibule huig, brandden +nog drie flikkerende lichtjes; dunne blauwe vlamblaadjes met randen +van wit vuur. Hij draaide ze uit, wierp hoed en jas op de tafel, ging +door de bibliotheek naar zijne slaapkamer: een groot achthoekig +vertrek, dat hij in zijn nieuwe zucht naar luxe juist had laten +inrichten en behangen met kostbare Renaissance-gobelins, gevonden op +een ongebruikten zolder in Selby Royal. Hij draaide de deur open; zijn +oog viel op het portret, dat Basil Hallward geschilderd had. Hij +schrikte terug als in ontsteltenis. Toen ging hij naar zijne zitkamer, +verwarring in zijne oogen. Hij nam de bloem uit zijn knoopsgat; bleef +even staan, als draalde hij. Toen keerde hij terug, bleef voor het +portret staan en beschouwde het met aandacht. In het half gedempte +licht, dat door neêrgelaten crême zijden gordijnen viel, scheen het of +het portret veranderd was. De uitdrukking was niet meer dezelfde. Iets +als een grijns van wreedheid lag om den mond. Het was zeer vreemd. + +Hij ging naar het raam en trok het gordijn op. Het nieuwe daglicht +viel in de kamer, drong fantastische schaduwen terug in +schemerhoekjes, waar zij sidderend bleven liggen. Maar het vreemde op +het gezicht van dat portret was er nog, scheen zelfs intenser. Het +warm levende zonlicht toonde hem die lijnen van wreedheid om den mond +even duidelijk, als had hij zich in den spiegel bezien, na iets +slechts gedaan te hebben. + +Hij deinsde terug, nam van de tafel een ovalen spiegel, vastgehouden +door ivoren kupido's, een van Lord Henry's vele geschenken, en zag +haastig in die gepolijste diepte. + +Geen trek verwrong zijne lippen. Wat beteekende dat? Hij wreef zich de +oogen, kwam vlak bij het portret en beschouwde het weêr. In het werk +zelf was niets te bespeuren; toch was de geheele uitdrukking +veranderd. Het was geene verbeelding. Het was akelig duidelijk. + +Hij gooide zich in een stoel en dacht na. In eens bliksemde door hem +heen wat hij gezegd had in Basils atelier, toen het portret voltooid +was. Ja, hij herinnerde het zich nu heel goed. Hij had toen dien +dollen wensch geuit: hij altijd jong; het portret zoû ouder worden; +hij zijne eigen schoonheid en frischheid; het gezicht op het doek zoû +den last zijner hartstochten en zonden dragen; het geschilderde beeld +zoû doorgroefd worden met lijnen van smart en ouderdom; aan hem de +teedere bloesem van zijn jeugd, altijd! En die wensch, werd die nu +vervuld? Zulke dingen waren toch onmogelijk. Het was zelfs monsterlijk +zoo iets te bedenken. Toch stond het portret daar voor hem, met dien +trek, om den mond. Wreedheid! Was hij dan wreed geweest! Het was haar +schuld en niet de zijne. Hij had zich haar gedroomd als een groot +artiste, had haar zijn liefde gegeven omdat hij haar groot waande. +Toen had zij hem teleurgesteld. Zij was klein en min geweest. En toch +rees er een groote spijt in hem op, nu hij haar zich voorstelde, +liggende aan zijn voeten, snikkende als een kind. Hij herinnerde zich +hoe ongevoelig hij toen op haar had neêrgezien. Waarom was hij zoo +geweest? Waarom was hem zulk een ziel gegeven? Maar hij had toch ook +geleden. Die drie verschrikkelijke uren, dat het stuk geduurd had, had +hij eeuwen van smart, aeonen van folterpijn doorstaan. Zij stonden nu +gelijk. Had hij haar voor het leven gewond, zij had hem een moment +gemarteld. Buitendien kunnen vrouwen beter lijden dan mannen. Zij +leven van hare emoties. Ze denken alleen aan hare emoties. Houden ze +van je, dan is het alleen om iemand te hebben, waar zij scènes meê +kunnen maken. Dat had Lord Henry hem verteld, en die wist immers wat +de vrouwen waren? Waarom zoû hij nu tobben over Sybil Vane? Zij was nu +niets meer voor hem. + +Maar het portret? Hoe moest hij dat uitleggen? Het bezat het geheim +van zijn leven, van zijn doen en laten. Het had hem geleerd zijne +eigen schoonheid lief te krijgen. Zoû het hem nu ook leeren, zijne +eigene ziel te verafschuwen? Zoû hij er ooit weêr op zien? + +Neen, het was slechts een droom zijner verwarde zinnen. De +verschrikkelijke nacht doorleefd, had spookbeelden achter zich +gelaten. Op zijne hersens was plotseling dat kleine purperen spatje +gevallen, waardoor een mensch gek wordt. Het portret wàs niet +veranderd. Het was dwaasheid zoo iets te denken. + +En toch zag het hem aan met dat vertrokken, mooie gelaat en dien +wreeden lach. Het haar gulde zich in dit vroege zonlicht. De blauwe +oogen ontmoetten de zijne. Een gevoel van oneindig medelijden, niet +met zichzelven, met zijn geschilderd beeld, kwam over hem. Het was nu +al veranderd; het zoû al meer en meer veranderen. Dat goud zoû grijs +worden. Die roode en witte rozen zouden verleppen. Voor iedere zonde +zoû een smet die bloesem-frischheid bezoedelen. Maar hij wilde niet +zondigen. Dat portret, veranderd of niet, zoû hem zijn zichtbaar +geweten zijn. Hij zoû de verleiding weêrstaan. Hij wilde Lord Henry +niet meer zien, wilde in ieder geval niet meer hooren naar die fijn +geslepen theorieën vol gift, welke in Basils tuin voor hem passie +hadden opgezweept. Hij zoû teruggaan naar Sybil Vane, haar vergeving +vragen, haar trouwen, pogen haar weêr lief te hebben, ja, het was zijn +plicht. Zij moest meer geleden hebben dan hij. Arm kind! Hij was +egoïst en hard tegen haar geweest. De bekoring, die zij op hem had, +zoû weêr komen. Zij zouden gelukkig zijn. Zijn leven met haar zoû mooi +en rein zijn. + +Hij rees uit zijn stoel op, schoof een groot scherm recht voor het +portret, rilde toen hij er naar zag. + +--Hoe verschrikkelijk! murmelde hij, terwijl hij naar het deurvenster +liep en het open wierp. Hij ging naar buiten, op het gras, haalde diep +adem. De zuivere ochtendlucht scheen al zijn somber lijden weg te +blazen. Hij dacht alleen aan Sybil. Flauwe echo van zijne liefde +zuchtte tot hem door. Hij sprak haar naam telkens, telkens weêr uit. +De vogels die zongen in de bedauwde tuinen, schenen de bloemen van +haar te vertellen. + + +Noot: + +[1] Dr. A. L. J. Burgersdijk: Romeo en Julia. + + + + +VIII. + + +Het was lang over twaalven, toen hij wakker werd. De knecht was +verscheidene malen op de teenen binnengeslopen om te zien of hij zich +bewoog, en verwonderde zich, dat zijn jonge meester toch zoo lang +sliep. Eindelijk klonk zijn bel, en Victor kwam zachtjes binnen, een +kop thee en een stapeltje brieven op een antiek Sèvres blaadje; hij +trok de olijfgroene satijnen gordijnen, blauwig gevoerd, voor de drie +hooge vensters open. + +--Meneer heeft goed geslapen van morgen, sprak hij met een glimlach. + +--Hoe laat is het, Victor? vroeg Dorian Gray nog loom. + +--Kwart over eenen, meneer. + +Wat was het al laat! Hij ging opzitten, dronk wat thee, bezag zijne +brieven. Een was er van Lord Henry, zooeven aangereikt. Hij weifelde, +legde dien toen terzij. De anderen opende hij zonder interest, Het was +de gewone verzameling kaartjes, invitaties voor diners, entrées voor +de eene of andere liefhebberijvoorstelling, programma's van +liefdadigheidsconcerten, die ieder uitgaand jongmensch gedurende den +season krijgt. Er was ook bij eene heel hooge rekening van een +gedreven zilveren Louis XV toiletgarnituur, die hij nog geen moed had +gehad aan zijne voogden op te zenden: ouderwetsche menschen, die niet +begrepen, dat men leeft in eene eeuw, waarin onnoodige zaken juist de +meest noodige zijn. Ook waren er verscheidene zeer beleefde +aanbiedingen van geldschieters uit Jermyn Street, om tegen de meest +billijke interesten geld voor te schieten. + +Na tien minuten stond hij op, wierp een vreemd geborduurden cachemiren +chambercloak om en ging naar de onyx-geplaveide badkamer. Het koude +water frischte hem op na zijn langen slaap. Hij scheen alles wat er +gebeurd was te zijn vergeten. Even nog kreeg hij het vage gevoel of +hij had meêgespeeld in een vreemde tragedie, maar het scheen hem toe +als een droom. + +Zoodra hij gekleed was, ging hij naar de bibliotheek, en zette zich +voor een licht ontbijt, voor het open raam. Het was een heerlijke dag. +De warme lucht scheen zwaar van sterke aroom. Een bij vloog binnen en +gonsde om de groenblauwe vaas, gevuld met zwavelgele rozen vóór hem. +Hij gevoelde zich volmaakt gelukkig. Eensklaps viel zijn oog op het +scherm voor het portret; hij ontstelde. + +--Heeft meneer het koud? vroeg de knecht, die een omelette op tafel +zette. Zal ik het raam dicht doen? Dorian schudde het hoofd. + +--Ik heb het niet koud, fluisterde hij. + +Zoû het waar zijn? Zoû het portret werkelijk veranderd zijn? Of was +het maar een spel van verbeelding geweest? Een beschilderd doek kon +toch niet veranderen? Het was te dwaas. Hij zoû het later eens aan +Basil vertellen. Die zoû er wel om lachen. + +En toch, hoe levendig zag hij het nog voor zich! Eerst in de flauwe +schemering, toen in het volle licht had hij dien trek van wreedheid +opgelet, de verwrongen lippen. Hij voelde bijna angst voor het +oogenblik, dat de knecht de kamer zoû verlaten. Hij voelde dat, zoodra +hij alleen was, hij het portret zoû bezien. En hij huiverde voor de +zekerheid. Toen de knecht koffie en cigaretten gebracht had, wegging, +had Dorian grooten lust hem te zeggen te blijven. En toen hij de deur +achter zich sloot, riep hij hem terug. De man stond weêr vóór hem. +Dorian zag hem aan. + +--Ik ben vandaag voor niemand thuis, Victor, sprak hij met een zucht. + +De knecht boog, en vertrok. + +Toen stond Dorian van tafel op, stak een cigarette aan en wierp zich +op een lage bank voor het scherm. Het was een oud scherm van Spaansch +goudleer met bloemerig Louis XIV patroon. Hij beschouwde het vol +aandacht, zich afvragend of het de eerste maal was, dat het een geheim +van menschenleven verborg. + +Zoû hij het op zij schuiven? Waarom het maar niet laten staan? Wat gaf +het te weten? Was het werkelijkheid, dan was die verschrikkelijk. Zoo +niet, waarom er dan over te tobben? Maar als, door eene noodlottige +omstandigheid, andere oogen dan de zijne het bespiedden en die +afschuwelijke verandering zagen, wat dan? Als Basil Hallward het nog +eens wilde zien? Neen, hij moest het onderzoeken, en dadelijk. Alles +was beter dan die verschrikkelijke onzekerheid. + +Hij stond op, sloot beide deuren af. Hij wilde tenminste alleen zijn +bij het beschouwen van zijne schaduw van schande. Toen schoof hij het +scherm weg en zag zichzelven in het gelaat. Het was waar. Het portret +was veranderd ... + +Hij herinnerde zich later dikwijls en met niet geringe verbazing dat +hij het portret eerst een geheelen tijd met zuiver wetenschappelijke +nieuwsgierigheid had beschouwd. Hij kon niet begrijpen, dat zoo iets +gebeuren kon. En toch was het een feit. Bestond er dan eene affiniteit +tusschen de chemische atomen, die zich op doek tot vorm en kleur +lieten voegen, en zijne ziel in hem? Kon het wezen, dat zij +terugkaatsten, wat die ziel dacht, dat zij tot werkelijkheid maakten, +wat die ziel droomde? Hij huiverde, voelde zich bang, kroop terug naar +de bank, lag daar te staren naar zijn beeld, in angstig afgrijzen. + +Eén ding wist hij nu, had het hem geleerd. Het had hem doen inzien, +hoe onrechtvaardig, hoe wreed hij tegen Sybil Vane geweest was. Het +was niet te laat om dat goed te maken. Zij kon nog zijn vrouw worden. +Zijn egoïste en valsche liefde zoû zich voegen naar een hoogeren +invloed, zoû herschapen worden in een mooier gevoel en het portret, +dat Basil Hallward van hem geschilderd had, zoû voor hem zijn, wat +heiligheid voor den een, geweten voor den ander, vreeze voor God voor +ons allen is. Al bestonden er verdoovende middelen voor het berouw, +kruiden, die moreel in slaap wiegden, hier was een zichtbaar symbool +van ondergang door zonde, hier was een altijd zichtbaar beeld van de +ellende, die de ziel over zich brengen kan. + +De klok sloeg drie, vier uur, half vijf, maar Dorian Gray bewoog zich +niet. Hij was bezig de purperen draden van het leven samen te vatten, +ze tot een patroon samen te weven; hij trachtte zijn weg te vinden +door het bloedig labyrinth van passie, waarin hij ronddoolde. Hij wist +niet wat te doen, wat te denken. Eindelijk zette hij zich aan de tafel +en schreef een brief, vol hartstocht, aan de vrouw, die hij had +liefgehad, haar smeekend om vergeving, zichzelven beschuldigend van +dolle drift. Hij beschreef bladzijde op bladzijde met gloeiende +betuigingen van smart. Er is weelde in zelfverwijt. Door onszelven te +beschuldigen, ontnemen wij anderen het recht dit te doen! Het is door +de biecht zelve, maar niet door den priester, dat wij absolutie +krijgen. Toen Dorian zijn brief had geëindigd, voelde hij zich als +ware hij reeds vergeven. Een klop op de deur; hij hoorde Lord Henry's +stem, buiten. + +--Beste jongen, ik moet je absoluut zien. Laat me toch binnen. Ik vind +het zoo naar, dat je je zoo opsluit. + +Hij gaf eerst geen antwoord en bleef roerloos.--Het kloppen hield aan, +werd dringend. Ja, het was beter Lord Henry binnen te laten, te +zeggen, dat hij een nieuw leven wenschte, met hem te kibbelen, zoo dit +noodig ware, afscheid van hem te nemen, zoo dit onvermijdelijk was. +Hij sprong op, trok het scherm weêr voor het portret en ontsloot de +deur. + +--Ik heb diep medelijden met je, Dorian, sprak Lord Henry +binnenkomend. Maar je moet er maar niet al te veel over denken. + +--Meen je over Sybil Vane? vroeg de jongen. + +--Ja natuurlijk, antwoordde Lord Henry, terwijl hij in een stoel zonk +en langzaam zijn gele handschoenen afschoof. Het is natuurlijk iets +verschrikkelijks, maar jij kon er toch niets aan doen. Zeg eens: ben +je later, na het stuk nog bij haar geweest? En heb je haar nog +gesproken? + +--Ja. + +--Dat dacht ik wel! Heb je een scène met haar gehad? + +--Ik was schandelijk, Harry, schandelijk. Maar nu is alles in orde. Ik +heb geen spijt van hetgeen er gebeurd is. Het heeft mij mezelf beter +leeren kennen. + +--Wel Dorian, ik ben blij, dat je het zoo opneemt. Ik was al bang je +diep wanhopig te vinden, met je handen in dat mooie haar! + +--Dat heb ik al doorgemaakt, sprak Dorian, met een glimlach zijn hoofd +schuddend. Ik ben zeer tevreden. Ik weet nu wat een geweten is. Het is +niet, dat wat jij beweêrt. Het is het mooiste in ons, Je hoeft er niet +om te lachen, Harry, ten minste niet als ik er bij ben. Ik wil goed +worden. Ik vind het een onverdragelijk idee, een leelijke ziel te +hebben. + +--Een zeer artistieke bazis voor een moraal, Dorian. Ik feliciteer je +er meê. En hoe begin je? + +--Door Sybil Vane te trouwen. + +--Sybil Vane te trouwen! riep Lord Henry opstaande en hem in stomme +verbazing aanziende. Maar beste jongen. + +--Ja, Harry, ik weet wat je zeggen wil. Iets leelijks over het +huwelijk, natuurlijk. Zeg het maar niet. Zeg nooit meer zoo iets tegen +mij. Twee dagen geleden vroeg ik Sybil Vane mijn vrouw te worden. Ik +wil mijn woord niet verbreken. Zij zal het worden! + +--Je vrouw, Dorian!... Heb je mijn brief niet gekregen? Ik heb je van +morgen geschreven en den brief met den knecht gezonden. + +--Je brief? O ja, nu herinner ik het me. Ik heb hem nog niet gelezen, +Harry. Ik was bang, dat er iets in zoû staan, wat ik niet prettig zoû +vinden. Je trekt het leven aan flarden, met al je aardigheden. + +--Je weet dus niets? + +--Wat meen je toch? + +Lord Henry liep de kamer door, ging naast Dorian zitten, nam beide +zijne handen in de zijne, en hield ze vast. + +--Dorian, zei hij; die brief--schrik niet--was om je te zeggen, dat +Sybil Vane dood is. + +Een kreet van pijn kwam over Dorians lippen, hij vloog op en trok +zijne handen weg. + +--Dood! Sybil dood! Het is niet waar! Het is een afschuwelijke leugen! +Hoe durf je het te zeggen! + +--Het is waarlijk waar, Dorian! zei Lord Henry ernstig. Het staat +alles in de couranten van van morgen. Ik schreef je om je te vragen +niemand te zien vóór ik bij je kwam. Daar zal natuurlijk een onderzoek +komen, maar jij moet er je buiten houden. In Parijs zoû door zoo een +geschiedenis je naam gemaakt zijn. Maar hier in Londen zijn ze nog zoo +ouderwetsch op dat punt. Hier moet je maar liever niet je débuut maken +met een schandaaltje. Dat moet je hier maar bewaren om een tintje +interest aan je ouden dag te geven. Niemand weet zeker je naam daar +aan dat theater. Dan is alles in orde. Heeft iemand je naar haar toe +zien gaan? Dat is een gewichtig punt. + +Dorian bleef een paar seconden zonder antwoord. Hij was versuft van +schrik. Eindelijk stamelde hij met een stem die dichtgeknepen was: + +--Harry, sprak je over een onderzoek? Wat meende je daarmeê? Heeft +Sybil ...? O, Harry, ik kan het niet begrijpen. Zeg me alles, zeg me +gauw alles. + +--Ik geloof zeker, dat het een ongeluk is, Dorian, hoewel ze het +natuurlijk niet zoo aan het publiek zullen voorstellen. Het schijnt +dat ze juist klaar was met haar moeder naar huis te gaan, om half één +zoowat, toen zij beweerde, boven wat vergeten te hebben. Zij wachtten +even op haar, maar Sybil kwam niet terug. En eindelijk vonden ze haar +dood op den grond in de kleedkamer. Zij schijnt iets ingenomen te +hebben, een vergift, dat zij noodig hebben bij het grimeeren. Ik weet +niet wat het was, maar er moet pruisisch zuur of loodwit in gezeten +hebben. Ik heb idee: pruisisch zuur, want ze moet onmiddellijk +gestorven zijn. + +--Harry, Harry, o God, het is verschrikkelijk! kreet de jongen. + +--Ja, het is een allertreurigste historie, maar je moet je er buiten +zien te houden. Ik zag in den Standard, dat zij zeventien jaar was. Ik +had haar nog jonger gegeven. Zij was nog een kind, en kon niets van +acteeren.--Dorian, trek je dit nu niet te veel aan. Ga met mij meê +dineeren, dan kunnen we later eens even naar de opera gaan. Patti +zingt van avond en iedereen zal er zijn. Je kan in de loge van mijn +zuster zitten. En ze heeft een paar mooie vriendinnen bij zich. + +--Ik heb Sybil Vane vermoord, stamelde Dorian Gray, half tot +zichzelven; ik heb het gedaan, evengoed of ik haar met een mes had +doorstoken. En toch zingen de vogels even vroolijk in den tuin. En van +avond ga ik met je dineeren, dan naar de Opera en daarna nog ergens +soupeeren, zeker. Hoe vreemd is het leven! Als ik dit alles in een +boek gelezen had, Harry zoû ik er over gehuild hebben. En nu dat het +werkelijk gebeurd is, en met mijzelven, nu schijnt het mij zoo vreemd, +te vreemd voor tranen. Hier is mijn eerste brief van liefde, dien ik +in mijn leven schreef aan een doode. Zouden ze nog voelen die witte, +stille menschen, die wij de dooden noemen? Sybil! Zoû zij nog voelen, +nog weten, nog hooren! O Harry! Ik had haar zoo lief! Het is mij nu of +dat jaren geleden is. Ze was mijn alles. Toen kwam die avond--was dat +pas gisteren?--die verschrikkelijke avond toen zij zoo slecht speelde, +en toen mijn hart brak. Ze heeft mij later alles verklaard. Het was +zoo treurig, zoo in-treurig. Maar toen deed het mij niets. Ik vond +haar klein. En op eens gebeurde er iets dat me angstig maakte!!! Ik +kan je niet zeggen wat, maar het was afschuwelijk! Ik zei, dat ik tot +haar terug zoû gaan. Ik voelde, dat ik slecht was geweest. God! Mijn +God! Harry! Wat moet ik beginnen! Je weet niet hoe gevaarlijk ik sta, +en er is niets, niemand om mij staande te houden. Zij zoû het gedaan +hebben. O, ze had het recht niet dood te gaan. Het was egoïst van +haar. + +--Beste Dorian, antwoordde Lord Henry,--hij nam een cigarette uit zijn +koker, een gouden luciferdoosje uit den zak; de eenige manier van een +vrouw om een man staande te houden is hem zoo te vervelen, dat hij +alle interest in het leven verliest. Als je dit kind getrouwd hadt, +was je diep ongelukkig geworden. Je zoû natuurlijk wel aardig tegen +haar geweest zijn, ach, het is zoo gemakkelijk lief te zijn voor +menschen, die je niet schelen kunnen. Maar zij zoû heel gauw +uitgevonden hebben, dat je totaal niets om haar gaf en als een vrouw +dàt merkt van haar man, wordt ze òf verschrikkelijk slordig òf ze +draagt heel coquette hoedjes, die ze door den man van een ander laat +betalen. Ik spreek nog niet eens over het verschil van stand; in ieder +geval was het je ongeluk geweest. + +--Misschien wel, fluisterde de jongen, terwijl hij de kamer op en neêr +liep, doodelijk bleek. Maar ik dacht, dat ik het doen moest. Het is +niet mijn schuld, dat dit drama mij belet heeft mijn plicht te doen. +Ik herinner me, dat je eens gezegd hebt: er rust een noodlot op goede +voornemens. Zij komen altijd te laat. Dat doen de mijne zeker. + +--Goede voornemens zijn nuttelooze tegenstribbelingen tegen de wetten +van de natuur. Ze komen voort uit ijdelheid. Hun uitslag is nihil. Het +zijn wissels, getrokken op een bank, die niet uitbetaalt. + +--Harry! riep Dorian Gray opeens, en hij zette zich bij hem; hoe komt +het toch, dat ik al dit drama niet voel, zooals ik het zoû willen +voelen? Ik geloof toch niet, dat ik ongevoelig ben, vindt jij wel? + +--Je hebt de laatste veertien dagen te veel dwaze dingen gedaan, om +dat te kunnen zijn, Dorian! antwoordde Lord Henry, met zijn zachten +glimlach van melancholie. + +De jongen fronste even het voorhoofd. + +--Ik vind dat geen prettige verklaring, maar ik ben blij, dat je mij +niet ongevoelig vindt. Dat ben ik waarlijk niet. En toch moet ik +bekennen, dat het gebeurde mij niet zoo aandoet, als het moest doen. +Het is voor mij niets dan een mooi slot van een mooi stuk. Het heeft +de verschrikkelijke schoonheid van een Grieksche tragedie, een +tragedie, waarin ik een groote rol speelde, maar niet gewond werd. + +--Het is zeker een interessant geval, zei Lord Henry, die er een +verfijnd genot in vond te spelen met het naïeve egoïsme van den +jongen; heel interessant. Ik geloof, dat je het zoo kunt uitleggen, +dat de werkelijke tragedies in het leven meestal op zoo een +onartistieke manier gebeuren, dat zij ons afstooten door ruwe kracht, +absolute onsamenhangendheid, bespottelijke nutteloosheid, totaal +gebrek aan stijl. Ze geven ons een impressie van énkel dommekracht en +daar verzetten wij ons tegen. Maar een enkele maal komt er in ons +leven een tragedie met artistieke elementen voor. Zijn deze elementen +waar en levend, toch maakt het geheel een theatralen indruk op ons. Op +eens zijn wij niet langer de acteurs, maar het publiek. Of liever, wij +zijn beiden. Wij beschouwen onszelve en alleen het wonder van het +drama houdt ons als betooverd. Wat is er nu in dit geval gebeurd. +Iemand heeft zich uit liefde voor jou om het leven gebracht. Wel, ik +woû, dat mij ook eens zoo iets overkwam. Ik zoû mijn geheele verdere +leven verliefd op mezelf zijn geweest. Maar de menschen, die mij +aanbeden hebben,--het zijn er niet veel: een paar--zijn zoo dom +geweest te blijven leven, lang nadat ik opgehouden had iets voor ze te +voelen, en zij voor mij. Ze zijn dik en vervelend geworden, en als ik +ze ontmoet, halen ze allerlei oude souvenirs op. O, dat geheugen van +een vrouw! Ik ken niets verschrikkelijkers, en wat een bewijs is het +van haar volslagen intellectueelen stilstand! Een mensch moet alleen +de essence van het leven in zich opnemen, maar hij moet de details +vergeten: details zijn altijd vulgair. + +--Ik zal papavers in mijn leven moeten zaaien, zuchtte Dorian. + +--O, dat is niet noodig. Het leven biedt overal papavers aan. +Natuurlijk blijft er nu en dan wat hangen. Ik heb eens een heelen +season niets dan viooltjes gedragen, als een artistieken rouw over een +roman, die maar niet in me sterven woû. Maar eindelijk is het toch +voorbij gegaan. Ik weet niet hoe. Ik geloof, door haar voorstel om de +heele wereld aan mij op te offeren. Dat is altijd een gevaarlijk +moment. Je krijgt zoo, in eens, angst voor de eeuwigheid. Nu, wil je +wel gelooven, dat toen ik verleden week aan een diner bij Lady +Hampshire naast de dame in quaestie zat, ze absoluut de geheele +geschiedenis weêr over woû doen?! Ik had mijn roman begraven onder +affodillen en zij groef hem weêr op en verweet me haar leven verwoest +te hebben. Ik moet er bij vertellen, dat ze copieus dineerde, dus had +ik niet de minste gewetenswroeging; maar wat een gemis aan smaak nu +toch! De eenige charme van het verleden is juist, dat het het verleden +is. Maar vrouwen weten nooit, wanneer het gordijn vallen moet. Ze +willen altijd nog een zesde acte. Als je ze haar eigen gang liet gaan, +zoû iedere comedie eindigen in een treurspel, en iedere tragedie in +een klucht. Zij zijn allerliefst gekunsteld maar van kunst weten ze +niets af. Jij bent gelukkiger dan ik. Ik verzeker je, Dorian, dat geen +van de vrouwen, die ik gekend heb, voor mij zoû gedaan hebben wat +Sybil Vane voor jou deed. Gewoonlijk troosten de vrouwen zich wel. +Sommigen doen het door sentimenteele kleuren te dragen. Vertrouw nooit +een vrouw, van welken leeftijd ook, die mauve draagt of een vrouw +boven de vijf-en-dertig, die houdt van roze lintjes. Het is altijd een +bewijs, dat ze een geschiedenis in haar leven gehad hebben. Anderen +troosten zich weêr door eensklaps allerlei deugden in haar +echtgenooten te vinden. Godsdienst is ook een uitstekende troost; een +vrouw heeft me eens gezegd, dat de mysteries van den godsdienst +dezelfde charme hadden als van flirt, en ik kan het mij best +begrijpen. Zoo zie je, de vrouwen vinden genoeg troostmiddelen in ons +modern leven en o, ik vergat nog de voornaamste ... + +--Welke dan, Harry, vroeg de jongen lusteloos. + +--Die het meest voor de hand ligt. Den adorateur van een ander te +nemen, als je je eigen verliest. Maar Dorian, hoe geheel anders dan de +meeste vrouwen, moet Sybil Vane geweest zijn. Ik vind zoo iets moois +in haar dood! Ik ben blij, dat ik leef in een eeuw, waarin zulke +dingen nog gebeuren. Het maakt, dat je heusch gaat gelooven aan dat, +waar we meestal maar meê spelen, aan hartstocht en liefde. + +--Ik was verschrikkelijk wreed tegen haar, dat vergeet je. + +--Ik geloof, dat vrouwen wreedheid meer apprecieeren dan wat ook. Zij +hebben curieuze, primitive instincten. Wij hebben ze wel wat +geëmancipeerd, maar zij blijven slavinnen, die naar hun meesters +opzien. Zij houden ervan overheerscht te worden. Je zal er prachtig +uitgezien hebben in je drift, daar ben ik zeker van. Ik heb je nog +nooit werkelijk goed kwaad gezien, maar ik kan me voorstellen hoe +prachtig je moet geweest zijn. En ... nu herinner ik me in eens iets +wat je me eergisteren zei. Ik beschouwde het eerst als een los +gezegde, maar ik zie nu, dat het niet alleen, zeer waar is, maar ook +alles verklaart. + +--Je zei, dat Sybil Vane voor jou de verpersoonlijking was van alle +Shakespeare's heldinnen, dat zij den eenen avond Desdemona en den +volgenden Ofelia was; dat, zoo zij stierf als Juliet, zij weêr tot het +leven keerde als Imogen. + +--Maar nu zal zij nooit meer tot het leven terugkeeren, fluisterde +Dorian en verborg het gelaat in de handen. + +--Neen, dat is zoo. Zij heeft haar laatste rol afgespeeld. En je moet +je dat sterven in een armoedig kleedkamertje eenvoudig voorstellen als +een vreemd, somber fragment uit een Jacobijnsche tragedie, als een +scène van Webster, of Ford, of Cyril Tourneur. Dat kind heeft nooit +werkelijk geleefd, dus kan zij ook niet werkelijk sterven. Voor jou +tenminste was zij altijd als een droom; een schim, die even zweefde +door Shakespeare's drama's, en ze mooier maakte door haar wezen; een +riet, waarin Shakespeare's muziek rijker en voller klonk. Het +oogenblik, dat het werkelijke leven tot haar kwam, botste het tegen +haar aan; daardoor verdween zij. Draag rouw Ofelia, als je wilt. +Bestrooi je hoofd met asch, omdat Cordelia geworgd werd. Schreeuw ten +hemel, dat Brabantio's dochter stierf. Maar verspil je tranen niet, om +Sybil Vane. Zij was minder waar dan dezen. + +Er was eene stilte. De avond donkerde in de kamer. Geluideloos, op +zilveren voeten, slopen de schaduwen uit den tuin naar binnen. Moê +welkten de kleuren uit alles weg. Na een oogenblik zag Dorian Gray op. + +--Je hebt mij mezelven verklaard, Harry, fluisterde hij mat, met een +zucht van verlossing. Ik voelde wel alles wat je zei, maar toch was ik +er bang voor en ik begreep mijzelven niet. Wat ken je mij toch goed. +Maar we zullen niet meer spreken, over wat er gebeurd is. Het is een +wondermooie ondervinding geweest. Dat is alles. Zoû het leven nog iets +voor mij in hebben, zoo mooi als dit? + +--Het leven heeft nog heel veel voor je weggelegd, Dorian. Daar is +niets, wat jij, met je mooie gezicht niet zoû kunnen doen. + +--Maar stel eens voor, Harry, dat ik leelijk, oud en gerimpeld word? +Wat dan? + +--O, dan, sprak Lord Henry opstaande; dan zal je moeten strijden voor +je overwinningen. Nu worden ze je op een zilver blaadje aangeboden. +Neen, je moet je mooie jeugd trachten te behouden. We leven in een +tijd, waarin men te veel leest, om verstandig te zijn en te veel +denkt, om mooi te blijven. We kunnen je niet missen. En nu moest je je +gaan kleeden en meê naar de club rijden. Het is al mooi laat. + +--Ik zal liever in de opera bij je komen, Harry. Ik ben te moe om te +eten. Wat is het nummer van de loge van je zuster? + +--Zeven-en-twintig, geloof ik. Je zal haar naam wel op de deur zien. +Maar het spijt me, dat je niet meê komt dineeren. + +--Ik voel me heusch niet in staat, zei Dorian mat. Maar ik ben je +dankbaar voor alles wat je met mij gesproken hebt. Je bent mijn +liefste vriend. Niemand begrijpt me zooals jij. + +--We zijn pas aan het begin van onze vriendschap, Dorian, antwoordde +Lord Henry, hem de hand schuddend. Nu adieu. Ik hoop je vóór half tien +te zien. Denk er om, Patti zingt. + +Toen hij de deur achter zich sloot, trok Dorian Gray aan de bel, en +Victor kwam met de lampen, liet de gordijnen vallen. Dorian wachtte +ongeduldig, tot hij weg zoû gaan. De knecht scheen voor alles +eeuwiglang tijd noodig te hebben. + +Zoodra hij de kamer uit was, stortte Dorian op het scherm toe en trok +het weg. Neen, er was geene verdere verandering in het portret te +zien. Het had Sybil dood geweten, vóórdat hij het zelve nog wist. Het +werd de dingen van het leven bewust zoodra zij gebeurden. De slechte +wreedheid, die fijne lijnen om dien mond verwrongen had, was daar +ongetwijfeld gekomen op het oogenblik, dat het vergif was ingenomen. +Hij dacht er over na, en hoopte, dat hij eens die verandering zoû zien +gebeuren onder zijne oogen. Eene rilling liep over hem, terwijl hij +dit hoopte. Arme Sybil! Wat een drama was het geweest. Zij had zoo +dikwijls verbeeld te sterven op de planken. Toen had de dood zelve +haar beroerd en haar met zich meêgenomen. Hoe had zij die wanhopige +laatste scène afgespeeld? Had zij hem vervloekt, toen zij stierf? +Neen, zij was uit liefde voor hem gestorven, en voortaan zoû liefde +een heilig sacrament voor hem zijn. Zij had voor alles boete gedaan, +door de opoffering van haar leven. Hij wilde niet denken aan wat zij +hem had doen lijden op dien verschrikkelijken avond. Wanneer hij aan +haar dacht, zoû het zijn als aan een tooverachtig tragisch figuur op +het wereld-tooneel, gezonden om de hooge waarheid van de liefde te +verkondigen. Een tooverachtig tragisch figuur? Tranen kwamen in zijne +oogen, terwijl hij zich haar blik vol kinderlijkheid, hare +vriendelijke, innemend aardige maniertjes, en hare verlegen, +aarzelende gratie herinnerde. Hij veegde de tranen haastig weg en zag +weêr naar het portret. + +Hij gevoelde, dat de tijd gekomen was om zijne keuze te doen. Of had +hij dit reeds gedaan? Ja, het leven had reeds voor hem gekozen, het +leven en zijn eigen groote nieuwsgierigheid naar het leven. Eeuwige +jeugd, eindelooze passies, subtiele en geheime genoegens, woeste +vreugden en nog woester zonden, dit alles zoû hij hebben. Het portret +zoû den last zijner schande dragen, dat was alles. + +Een gevoel van pijn sneed in hem; de gedachte aan de onteering, +weggelegd voor dat mooie gezicht op het doek. Eens, in een +jongensachtig nadoen van Narcissus, had hij ze gekust, die +geschilderde lippen, welke hem nu zoo wreed toelachten. Morgen aan +morgen had hij voor het portret gezeten, de schoonheid ervan +bewonderend, als er op verliefd. Zoû het nu veranderen met iederen +gril, waaraan hij toegaf? Zoû het een monsterachtig, afschuwelijk iets +worden, dat men moest wegstoppen in een donkere kamer, ver van het +zonlicht, dat zoo vaak het krulgoud van het haar helder had verguld? +O, het was jammer, zoo jammer, Even nog dacht hij er over te bidden, +dat die afgrijslijke sympathie tusschen hem en dat portret zoû +ophouden. Het was veranderd in verhooring van een gebed, misschien zoû +het onveranderd blijven in verhooring van een ander gebed. En toch, +wie, die iets van het leven afwist, zoû de kans van altijd jong te +kunnen blijven willen verliezen, hoe fantastisch die kans ook scheen, +met welke noodlottige gevolgen die ook gekocht werd. Buitendien, kon +hij er waarlijk iets aan doen? Was het werkelijk het gevolg van zijn +gebed geweest? Kon er niet de eene of andere wetenschappelijke reden +voor zijn? Zoo gedachte invloed kon hebben op een levend organisme, +kon het dan ook geen invloed hebben op doode en anorganische dingen? +Neen, zoû het niet kunnen, dat, zonder suggestie of bewusten wensch, +uiterlijke dingen met onze eigen stemmingen en passies in harmonie +samentrillen, en atoom zich voegt naar atoom in geheime liefde, +vreemde affiniteit? + +Maar wat deed het er toe, hoe het gebeurde. Hij zoû nooit door eenig +gebed een verschrikkelijke macht verzoeken. Zoo het portret veranderen +moest, moest het dan maar veranderen. Dat was al. Waarom er zoo diep +in door te dringen. + +En dan, het zoû hem een genoegen zijn die veranderingen langzaam te +zien worden. Hij zoû zijne ziel kunnen volgen tot in haar geheimste +hoekjes. Dit portret zoû voor hem zijn als een magische spiegel. +Zooals het hem zijn lichaam had geopenbaard, zoo zoû het hem nu ook +zijne ziel openbaren. En kwam er de winter overheen, hij zoû nog staan +op de grens van zomer en lente. Wanneer het bloed wegkroop uit dat +gezicht, en een bleek masker van kalk met doode oogen achterliet, zoû +hij nog alle glans en jeugd behouden hebben. Niet één bloesem zijner +schoonheid zoû verwelken. Geen polsslag van zijn leven zoû verzwakken. +Als de goden der Grieken, zoû hij steeds krachtig, jong en vroolijk +blijven. Wat deed het er toe wat er gebeurde met dat geschilderde +beeld op doek. Hij zoû veilig zijn, dat was het voornaamste! Hij +schoof het scherm weêr op zijne plaats vlak voor de schilderij +lachende toen hij zoo deed, en hij ging in zijne kleedkamer, waar de +knecht al wachtte. + +Een uur later was hij in de opera, en leunde Lord Henry over zijn +stoel heen. + + + + +IX. + + +Terwijl hij den volgenden morgen aan het ontbijt zat, werd Basil +Hallward binnengelaten. + +--Ik ben blij je te vinden, Dorian, begon hij ernstig; ik ben gisteren +avond ook bij je geweest, maar hoorde, dat je naar de opera was. Ik +wist, dat dat natuurlijk niet waar kon zijn. Maar ik had zoo gaarne +geweten, waar je werkelijk was. Ik bracht een verschrikkelijken avond +door, bang, dat de eene tragedie door de andere zoû gevolgd worden. Je +hadt mij toch wel kunnen telegrafeeren, om bij je te komen, toen je +het hoorde. Ik las het bij toeval in een vel van de Globe, die ik in +de club opnam. Ik kwam toen direct hier, en was wanhopig je niet te +vinden. Ik kan je niet zeggen hoe ellendig ik ben onder die +geschiedenis. Ik begrijp wat je lijden moet. Maar waar was je nu toch? +Ben je naar haar moeder geweest? Ik dacht een oogenblik je daar te +gaan zoeken. Het adres stond in de courant. Ergens in Euston Road, +niet waar? Maar ik was bang mij op te dringen bij een verdriet, waar +ik niet aan helpen kon. Arme vrouw! In wat een toestand moet zij zijn! +En haar eenig kind! Hoe was zij er onder? + +--Beste Basil, hoe weet ik dat? fluisterde Dorian en nipte aan bleeken +gelen wijn uit een doorzichtigen kelk van Venetiaansch glas met gouden +facetten. Ik was in de opera. Je hadt daar ook moeten komen. Ik +ontmoette voor de eerste maal Lady Gwendolen, Harry's zuster. We zaten +in haar loge. Ze is allerliefst, en Patti zingt goddelijk. En spreek +nu niet over akelige dingen. Als je maar niet over de dingen spreekt, +is het net alsof ze niet gebeurd zijn. Ik moet je ook zeggen, dat het +niet haar eenig kind is. Daar is nog een zoon, een goede kerel, geloof +ik. Maar hij is niet aan het tooneel. Hij is matroos of zoo iets. En +vertel me nu wat over jezelf en wat je bezig bent te schilderen. + +--Je ging naar de opera? vroeg Hallward langzaam, met een klank van +pijn in zijne stem. Je ging naar de opera, terwijl Sybil Vane dood lag +in een treurig kamertje? Je kan me vertellen van andere vrouwen, die +allerliefst waren en van Patti die goddelijk zingt, vóórdat het +meisje, dat je lief hadt, nog zelfs de rust heeft om in te slapen. + +--Hoû op, Basil! Ik wil het niet hooren! riep Dorian opvliegend. Je +moet er niet meer over spreken. Wat gedaan is, is gedaan. Wat het +verleden is, is het verleden. + +--Noem je gisteren het verleden? + +--Wat heeft het tijdsverloop er meê te maken? Alleen kleinzielige +menschen hebben jaren noodig om zich over een emotie heen te zetten. +Een man, die meester is over zichzelf, kan even gemakkelijk een einde +maken aan een verdriet als een genot beginnen. Ik heb geen lust de +slaaf van mijn emoties te zijn. Ik wil ze gebruiken, van ze genieten +en ze beheerschen. + +--Dorian, dat is afschuwelijk! Je bent heelemaal veranderd. Uiterlijk +ben je nog dezelfde mooie jongen, die iederen dag in mijn atelier kwam +pozeeren voor zijn portret. Maar toen was je eenvoudig, natuurlijk en +hartelijk. Je was het onbedorvenste schepsel van de wereld. Nu weet ik +niet wat er met je gebeurd is. Je spreekt alsof er geen hart, geen +medelijden in je is. Het is de invloed van Harry, dat is duidelijk. + +De jongen kreeg een kleur, en voor het venster bleef hij een oogenblik +staan kijken in den groenen tuin, waardoor de zon heen flitste. + +--Ik ben Harry heel veel verschuldigd, Basil, sprak hij ten laatste, +meer dan aan jou. Jij leerde me alleen ijdel zijn. + +--Daar ben ik nu wel voor gestraft, Dorian. + +--Ik weet niet wat je wilt. Wat wil je eigenlijk? + +--Ik wil den Dorian Gray, dien ik vroeger schilderde, zei Hallward +treurig. + +--Basil, sprak de jongen; hij ging naar hem toe en legde hem de hand +op den schouder. Je komt te laat. Toen ik gisteren hoorde, dat Sybil +Vane zich van kant had gemaakt ... + +--Van kant gemaakt! Groote God! Is dat zeker? riep Hallward, hem +aanziende vol ontsteltenis. + +--Maar Basil, je dacht toch niet, dat het een gewoon ongeluk was. +Natuurlijk deed zij het zelf. + +Hallward verborg het gelaat in de handen. + +--Hoe verschrikkelijk! mompelde hij, en een rilling liep over hem. + +--Neen, sprak Dorian Gray; daar is niets verschrikkelijks aan. Het is +een van de meest romantische tragedies van deze eeuw. Gewoonlijk +hebben acteurs en actrices de meest gewone banale levens. Ze zijn +goede huisvaders of trouwe moeders, of zoo iets vervelends. Je +begrijpt wat ik meen: zoo van die burgerlijke deugden. Hoe geheel +anders van Sybil. Ze leefde haar mooiste tragedie. Zij was altijd een +heldin. Den laatsten avond, dat zij speelde, toen jij haar gezien +hebt, speelde ze slecht, omdat zij de realiteit van de liefde leerde +kennen. Toen zij zag, dat liefde gedaan was, stierf zij, zooals Juliet +zoû gestorven zijn. Er is iets van een martyre in haar. Haar dood +heeft de pathetische nutteloosheid van het martelaarschap en heel de +weggegooide schoonheid daarvan. Maar, zooals ik je al zei, je moet +niet denken, dat ik zelf niet geleden heb. Als je gisteren op het +juiste moment gekomen was--over half vijf of kwart voor zessen--dan +zoû je me in tranen gevonden hebben. Zelfs Harry, die hier was, die +mij het bericht meêdeelde, had geen idee van hetgeen ik doormaakte. Ik +leed een onmenschelijk verdriet. Toen ging het voorbij. Ik kan een +emotie niet repeteeren. Dat kunnen alleen sentimenteele menschen. En +je bent gruwelijk onrechtvaardig, Basil. Je komt hier om mij te +troosten. Nu, dat is heel lief van je. Je vindt me al getroost, en je +bent woedend. Dat is toch niet erg sympathiek. Je herinnert me aan een +verhaal van Harry, over een zekeren filantroop, die twintig jaar lang +ijverde tegen een onrechtvaardige wet of zoo iets; ik ben vergeten wat +het precies was. Eindelijk kreeg hij zijn zin en toen was hij +verschrikkelijk teleurgesteld. Hij had totaal niets meer te doen, +verveelde zich half dood en werd de hevigste menschenhater. Buitendien +Basil, als je me werkelijk wilt troosten, dan moest je mij helpen te +vergeten wat er gebeurd is, of het te beschouwen uit een artistiek +oogpunt. Was het niet Grautier, die altijd schreef over "la +consolation des arts"? Ik herinner me dat eens gelezen te hebben in +een klein perkamenten boekje in je atelier. Wel, ik ben nu niet als +die jongen, waar je meê in Marlow geweest ben, die jongen, die altijd +zei, dat geel satijn hem kon troosten in alle misères van het leven. +Ik hoû van mooie dingen om mij heen te zien en ze te gebruiken. +Antieke brokaten, groene bronzen, lakwerk, uitgesneden ivoren, een +exquize omgeving, luxe pracht, daar is in dat alles zeker veel te +vinden. Maar het artistieke temperament, dat die dingen opwekken, of +liever openbaren, is mij nog meer waard. Toeschouwer van je eigen +leven te worden is, zooals Harry zegt, ontsnappen aan je eigen +verdriet. Ik merk, dat je verbaasd bent mij zoo te hooren spreken. Je +kunt je niet voorstellen hoe veranderd ik ben. Ik was een +schooljongen, toen jij me leerde kennen. En nu ben ik een man. Ik heb +nieuwe passies, nieuwe gedachten, nieuwe ideeën. Ik ben veranderd, +maar daarom moet je niet minder van mij houden. Ik ben niet meer +dezelfde, maar je moet toch mijn vriend blijven. Ik hoû natuurlijk +heel veel van Harry. Maar ik voel, dat jij beter bent dan hij. Je bent +niet zoo sterk,--je bent zoo bang voor het leven--maar je bent beter. +En wat konden we vroeger prettig samen zijn. Laat mij niet aan mijn +lot over, Basil, en wees niet boos op mij. Ik ben zooals ik ben. Daar +is niets aan te doen. + +De schilder voelde zich geroerd. De jongen was hem innig lief, en +zijne persoonlijkheid was het hoogste motief in zijne kunst geweest. +Hij had het hart niet hem nog meer verwijtingen te doen. En misschien +was die onverschilligheid maar een bui die gauw zoû overdrijven. Er +was zooveel moois, zooveel hoogs in hem. + +--Wel, Dorian, sprak hij eindelijk met droevigen glimlach. Ik zal na +vandaag niet meer met je spreken over die treurige geschiedenis. Ik +hoop alleen, dat je naam er niet in genoemd zal worden. Morgen middag +is het onderzoek. Ben je opgeroepen? + +Dorian schudde het hoofd en een waas van ontevredenheid kwam er over +zijn gelaat bij het woord "onderzoek". Er was zoo iets ruws en banaals +in. + +--Ze weten mijn naam niet, antwoordde hij. + +--Maar zij toch wel? + +--Alleen mijn voornaam, en ik ben zeker, dat zij dien nooit aan een +ander zal gezegd hebben. Ze vertelde mij eens, dat iedereen erg +nieuwsgierig was hoe ik heette, maar dat zij altijd antwoordde, dat +mijn naam was: de "Tooverprins". Dat was lief van haar. Je moet mij +een schets van Sybil maken, Basil. Ik zoû gaarne nog iets meer van +haar hebben dan de herinnering aan een paar kussen en enkele lieve +woordjes. + +--Ik zal het probeeren, Dorian, als ik je er een pleizier meê kan +doen. Maar je moet zelf nog eens voor me komen pozeeren. Ik kan niets +doen zonder jou. + +--Ik kan nooit meer voor jou pozeeren, Basil. Dat is onmogelijk! riep +hij uit, opschrikkend. + +De schilder staarde hem aan. + +--Maar jongenlief, wat een nonsens! Vindt je dat portret, dat ik van +je maakte niet goed? Waar is het? Waarom heb je dat scherm er voor +getrokken? Laat mij het zien. Het is het beste wat ik ooit deed. Toe, +neem het scherm weg, Dorian. Het is toch schande van je knecht, mijn +werk zoo te verstoppen. Ik voelde, dat de kamer anders was, toen ik +binnenkwam. + +--Mijn knecht heeft er niets meê te maken, Basil. Je denkt toch niet, +dat ik hem mijn kamer laat arrangeeren. Hij maakt soms een bouquet +voor mij, dat is het eenige. Neen, ik deed het zelf. Het licht viel er +zoo sterk op. + +--Het licht! Dat kan niet, kerel. Het is een prachtige plaats er voor. +Laat mij het eens zien. + +En Hallward liep naar den hoek van de kamer. Een kreet van angst +ontsnapte aan Dorian Gray's lippen; hij vloog tusschen de schilderij +en het scherm. + +--Basil, sprak hij, zeer bleek; je mag het niet zien. Ik wil het niet. + +--Mijn eigen werk niet zien! Je meent het niet! Waarom zoû ik het niet +zien? riep Hallward lachend. + +--Als je probeert het te zien, Basil, dan geef ik je mijn woord van +eer, dat ik nooit meer een woord tegen je spreek zoolang ik leef. Ik +meen het in vollen ernst. Ik geef je geen uitlegging, en ik verzoek je +er ook niet naar te vragen. Maar denk er aan, dat wanneer je dit +scherm aanraakt, alles tusschen ons uit is. + +Hallward stond als van den bliksem getroffen. Hij zag Dorian Gray in +stomme verbazing aan. Hij had hem nooit zoo gezien. De jongen was +doodsbleek van drift. Zijne handen waren gebald en de pupillen zijner +oogen waren schijven blauw vuur. Hij trilde over het geheele lichaam. + +--Dorian! + +--Spreek niet! + +--Maar wat scheelt er aan? Ik zal natuurlijk niet er naar kijken, als +je het niet wilt, sprak Basil, een weinig koud, en zich omkeerend, +ging hij voor het raam staan. Maar het is allerdolst, dat ik mijn +eigen werk niet zien mag; vooral omdat ik het van dit najaar wil +expozeeren in Parijs. Ik zal het nog moeten oververnissen en dan zie +ik het toch. Waarom dus niet vandaag? + +--Het expozeeren! Je wilt het expozeeren! riep Dorian Gray uit en een +vreemde huivering van angst kroop over hem. Zoû zijn geheim aan de +wereld overgeleverd worden. Zouden de menschen de mysteries van zijn +leven staan aan te gapen? Dat kon niet zijn. Iets, hij wist niet wat, +moest het verhinderen. + +--Ja, daar zal je toch niets tegen hebben? Georges Petit is van plan +mijn beste stukken te verzamelen voor een speciale expozitie in de rue +de Sèze; de eerste week van October wordt ze geopend. Het portret zal +hoogstens een maand weg zijn. Zoo lang kan je het toch wel missen, +dunkt mij. Buitendien ben je dan toch de stad uit. En als je het toch +achter een scherm houdt, zal het je wel niet kunnen schelen. + +Dorian Gray streek zich met de hand langs het voorhoofd. Daar +spikkelden zich druppels zweet. Hij voelde dat hij op den rand van een +afschuwelijken afgrond stond. + +--Je zei me een maand geleden, dat je het nooit woû expozeeren. Waarom +ben je nu veranderd? Jullie menschen, die voor standvastig door wilt +gaan, hebben evenveel grillen en nukken als anderen. Het eenige +onderscheid is, dat jullie grillen erg onbeduidend zijn. Je bent toch +niet vergeten, dat je me plechtig verzekerde: dat niets je zoû kunnen +dwingen het naar een tentoonstelling te zenden. Je hebt tegen Harry +precies hetzelfde beweerd ... + +Hij hield eensklaps op, een licht kwam in zijn oogen. Hij herinnerde +zich, dat Lord Henry eens tot hem gezegd had; "als je iets curieus" +wilt hooren, moet je Basil vragen waarom hij je portret niet wil +expozeeren. Hij heeft het mij verteld en het was als een openbaring. +Ja, hij, Basil, had ook een geheim! Hij zoû er hem naar vragen. + +--Basil, sprak hij; hij ging voor hem staan en zag hem vlak in het +gezicht; wij hebben elk een geheim. Zeg mij het jouwe en jij zult het +mijne weten. Wat voor reden had je vroeger, mijn portret niet te +willen expozeeren? + +De schilder huiverde in weêrwil van zichzelven. + +--Dorian, zoo ik het je vertelde, zoû je zeker nog minder van mij +houden, dan je al doet, en je zoû mij uitlachen. Geen van beiden zoû +ik kunnen verdragen. Wil je, dat ik nooit meer je portret zien zal, +het is goed. Ik heb jou altijd om naar te kijken. Wil je, dat mijn +beste stuk verborgen blijft voor de wereld, het is goed. Jouw +vriendschap is mij meer waard dan mijn naam of mijn roem. + +--Neen, Basil, je moèt het mij vertellen, drong Dorian Gray. Ik heb +recht het te weten. + +Zijn gevoel van angst was voorbij; nieuwsgierigheid was in de plaats +gekomen. Hij was besloten Basil Hallwards geheim uit te vinden. + +--Laat ons gaan zitten, Dorian, zei de schilder, een weinig verward. +Laat ons gaan zitten. En antwoord mij op één vraag. Heb je in het +portret iets opgemerkt, iets dat je misschien in het begin niet +getroffen heeft, maar dat zich eensklaps aan je geopenbaard heeft? + +--Basil! kreet de jongen, en klemde zich met trillende handen aan de +armen van zijn stoel vast; hij staarde hem aan met woeste, angstige +oogen. + +--Je hebt het gezien. Zeg niets! Wacht tot je gehoord hebt, wat ik je +te zeggen heb. Dorian, van het oogenblik, dat ik je ontmoette, had je +persoonlijk een invloed op mij, als ik nooit te voren ondervonden had. +Ik was overheerscht door jou; mijn ziel, mijn geest, mijn kracht was +vervuld van jou. Je werd voor mij de zichtbare belichaming van dat +nooit aanschouwde ideaal, waarvan de herinnering in ons artisten +rondspookt als eene exquize droom. Ik aanbad je. Ik werd jaloersch van +iedereen, tegen wien je sprak. Ik woû je geheel voor mij zelf hebben. +Ik was alleen gelukkig als ik met jou was. Wanneer je van mij weg was, +was je toch nog aanwezig in mijn kunst ...! Natuurlijk heb ik je hier +nooit iets van laten merken. Dat zoû onmogelijk geweest zijn. Je zoû +het niet begrepen hebben. Ik begreep het zelf ook nauwlijks. Ik wist +alleen, dat ik een volmaking had aanschouwd en de wereld werd +wondermooi in mijn oogen, te mooi misschien, want zulke aanbiddingen +zijn gevaarlijk, gevaarlijk om te verliezen, gevaarlijk om te hebben +... Weken en weken gingen voorbij en ik ging meer en meer in je op. +Toen kwam er een nieuwe faze. Ik had je geschilderd als Paris in een +sierlijk harnas en als Adonis in een jagersvel met blinkende speer. +Gekroond met zware lotosbloesems heb je gezeten vóór op de bark van +Adrianus, starenden over den groenen, woeligen Nijl. Je hadt gebogen +over den stillen vijver in een Grieksch woud en in het vlakke zilver +van het water je eigen schoonheid bewonderd. En het was geweest wat +kunst altijd zijn moest, onbewust, ideaal en ver af. Eens,--het was +een dag van noodlot, denk ik nu wel,--besloot ik een portret van je te +maken, zooals je werkelijk bent, niet in een kostuum uit doode eeuwen, +maar in je eigen kleêren en in je eigen tijd. Of het kwam door het +realisme van de methode of door zuivere bewondering van je wezen; zoo +zonder sluier aan mij geopenbaard, ik kan het niet zeggen, maar ik +weet, terwijl ik er aan werkte, scheen ieder vliesje, ieder vlokje +kleur mijn geheim te openbaren. Ik werd bang, dat vreemden mijn +aanbidding er in zouden zien. Ik voelde, Dorian, dat ik te veel van +mezelven er in had gelegd. Toen nam ik mij vast voor het portret nooit +te expozeeren. Je was een beetje boos, maar je begreep toen ook niet +wat het voor mij was. Harry, wien ik er over sprak, lachte mij uit. +Maar dat kon mij niet schelen. Toen het portret af was, en ik er +alleen vóór zat, voelde ik, dat ik goed deed. Wel, een paar dagen +daarna zond ik het uit mijn atelier weg, en zoodra ik de vreemde +bekoring, die het uitstraalde, kwijt was, scheen het mij toe, dat ik +heel dwaas was geweest er iets meer in te zien, dan dat jij een mooie +jongen was, en ik tamelijk goed schilderen kon. Zelfs nu nog meen ik, +dat het verkeerd is te denken, dat de passie, die men voelt onder het +scheppen zichtbaar zoû zijn in het geschapene. Kunst wordt altijd veel +abstracter dan onze gedachte is. Lijnen en kleuren spreken tot ons van +kleuren en lijnen, dat is alles. Ik vind dikwijls, dat kunst den +artist veel meer bedekt, dan dat ze hem openbaart. En toen ik dus nu +dit aanbod kreeg voor Parijs, besloot ik jouw portret tot het +voornaamste in mijn verzameling te maken. Het kwam nooit bij mij op, +dat je weigeren zoû. Ik zie nu, dat je gelijk hebt. Het portret kan +niet geëxpozeerd worden. Wees niet boos op me, Dorian, om hetgeen ik +je verteld heb. Want, zooals ik eens tot Harry zei, je bent geboren om +aangebeden te worden. + +Dorian Gray haalde diep adem, de kleur kwam terug op zijne wangen, de +glimlach op zijne lippen. Het gevaar was voorbij. Hij was voor het +oogenblik veilig. Doch hij kon niet nalaten een oneindig medelijden te +voelen voor den schilder, die hem deze vreemde biecht had afgelegd, en +hij vroeg zichzelven af, of hij ook eens zóó overheerscht zoû worden +door het wezen van een vriend. Lord Henry bezat de charme van zeer +gevaarlijk te zijn. Dat was alles. Hij was te knap en te cynisch om +werkelijk van te houden. Zoû er ooit iemand komen, die hem zoû +vervullen met zoo eene vreemde aanbidding? Was dat een van de dingen, +die het leven voor hem weggelegd had? + +--Het is buitengewoon, Dorian, zei Hallward, dat je dit in het portret +zoû opgemerkt hebben. Heb je het waarlijk er in gezien? + +--Ik zag er iets in, antwoordde hij, iets, dat mij vreemd toescheen. + +--Mag ik het nu even zien? + +Dorian schudde het hoofd. + +--Dat moet je mij niet vragen, Basil. Ik zoû je onmogelijk voor het +portret kunnen brengen. + +--Maar een anderen keer toch wel? + +--Nooit. + +--Wel misschien heb je gelijk. En nu adieu, Dorian. Je bent de eenige +persoon, die invloed op mijn kunst gehad heeft. Wat ik ooit goed deed, +heb ik aan jou te danken. Oh! je weet niet wat het mij kostte je alles +te vertellen, wat ik zoo even zei. + +--Maar Basil, wat heb je mij nu verteld? Eenvoudig, dat je mij te veel +bewonderde. Dat is niet eens een compliment. + +--Het was een biecht. Nu, dat ik die gedaan heb, is het of er iets uit +mij weg is. Misschien moest een mensch nooit zijn aanbidding onder +woorden brengen. + +--Het was een biecht, die mij erg tegenviel. + +--Maar wat verwachtte je dan, Dorian? Je hebt toch niets anders in het +portret gezien, wel? Daar was immers niets anders aan te zien. + +--Neen, niets anders. Waarom vraag je dat? Maar je moet niet zoo van +aanbidden spreken. Wij zijn vrienden, Basil en dat moeten wij blijven. + +--Je hebt Harry immers, sprak de schilder treurig. + +--O Harry! lachte de jongen. Harry brengt zijn dagen door met +onmogelijke dingen te zeggen, en zijn avonden met onmogelijke dingen +te doen. Zoo een leven wil ik ook leiden. Maar toch geloof ik niet, +dat ik naar Harry zoû gaan, als ik verdriet had. Ik zoû eerder bij jou +komen, Basil. + +Wil je weêr eens voor mij pozeeren? + +--Onmogelijk! + +--Je vernietigt mijn leven als artist door te weigeren, Dorian. +Niemand ontmoet twee idealen. Enkelen maar één. + +--Ik mag je niet zeggen waarom, Basil, maar ik kan nooit meer voor je +pozeeren. Er is iets noodlottigs in een portret. Het heeft een leven +van zichzelf. Ik zal bij je komen theedrinken, dat is even gezellig. + +--Alleen voor jou, vrees ik, mompelde Hallward met een zucht van +spijt. En nu, adieu. Het spijt me, dat ik het portret nog niet eens +zien kan. Maar er is niets aan te doen. Ik begrijp heel goed, waarom +je het liever niet wilt. + +Toen hij de kamer verlaten had, glimlachte Dorian Gray. Arme Basil! +hoe weinig vermoedde hij de ware reden! En hoe vreemd, dat in plaats +van zijn eigen geheim te moeten openbaren, hij bijna bij toeval +gedrongen was in het geheim van zijn vriend. Hoe vele dingen maakte +die vreemde biecht hem nu niet duidelijk! Die dwaze buien van +jaloezie, zijne hartstochtelijke toewijding, zijne buitensporige +loftuitingen, zijn vreemde terughoudingen--hij begreep ze nu allen en +hij voelde er spijt over. Er scheen hem iets tragisch' te schuilen in +een vriendschap, met zooveel verbeelding gekleurd. + +Hij zuchtte en drukte op de bel. Het portret moest verborgen worden. +Hij kun niet weêr zoo aan ontdekking blootgesteld worden. Het was dom +van hem het ding langer dan een uur te houden in een kamer, waarin al +zijne kennisen toegang hadden. + + + + +X. + + +Toen de knecht binnenkwam, zag hij hem onderzoekend aan, zich +afvragend of hij er aan gedacht zoû hebben achter het scherm te +gluren. De man stond onbewegelijk en wachtte af. Dorian stak een +cigarette op, ging voor den spiegel staan en wierp een blik er in. Hij +kon zoo juist de weêrkaatsing van Victors gezicht zien. Met een +placide masker van dienstbaarheid. Van hem was dus nog niets te +vreezen. Maar het was altijd goed op zijne hoede te zijn. + +Langzaam verzocht hij hem de huishoudster bij zich te laten komen, +vervolgens naar den lijstenmaker te gaan en hem te vragen twee knechts +te zenden. Het scheen hem toe, dat toen de knecht de kamer verliet, +zijne oogen naar het scherm dwaalden. Of verbeeldde hij het zich maar? + +Kort daarop ritselde Mrs. Leaf in haar zwart zijden kleed, met +ouderwetsche katoenen mitaines over de gerimpelde handen, de +bibliotheek binnen. Hij vroeg naar den sleutel van de leerkamer. + +--De oude leerkamer, Mr. Dorian? riep zij uit. Maar die is vol stof. +Ik moet ze eerst schoonmaken en opruimen vóór u er in kunt. U kunt er +zoo heusch niet ingaan, waarlijk niet. + +--Het hoeft niet opgeruimd te worden, Leaf. Geef mij den sleutel maar. + +--Maar meneer, u zal begraven worden onder de spinnewebben. Het is in +geen vijf jaar open geweest. Niet meer na den dood van den ouden Lord. + +Hij schrikte op bij de herinnering van zijn grootvader. Hij had geen +prettig souvenir van hem. + +--Dat doet er niet toe, antwoordde hij. Ik wil ze maar eens zien, dat +is al. Geef mij den sleutel. + +--Hier is de sleutel, meneer, sprak de oude dame, zocht met bevende +onzekere vingers aan haar sleutelbos. Hier is de sleutel. Ik zal hem +dadelijk van den ring afdoen. Maar u denkt er toch niet over boven uw +kamer te nemen? Het is hier pas zoo netjes gemaakt. + +--Neen, neen, riep hij ongeduldig. Dank je wel, Leaf. Zoo is het in +orde. + +Zij draalde nog eenige oogenblikken en had het erg druk over een +kleinigheid in het huishouden. + +Hij zuchtte en zei haar, dat zij doen mocht wat ze woû. Zij verliet de +kamer glanzend in glimlachjes. + +Toen de deur dicht was, stak Dorian den sleutel in zijn zak en zag in +de kamer rond. Zijn oog viel op een groot purper satijnen kleed, zwaar +geborduurd met goud, een prachtig stuk van de zeventiende eeuw, +Venetiaansch werk, door zijn grootvader in een klooster te Bologna +gevonden. Ja, dat was uitstekend geschikt om dat nare ding meê te +dekken. Het had wellicht al vaak gediend als lijkkleed voor dooden. Nu +zoû het iets verbergen, dat een bederf in zichzelve had, erger nog dan +het bederf van den dood; iets, dat tot gruwel zoû ontbinden, maar toch +nooit sterven zoû. Wat de worm was voor het lichaam, zouden zijne +zonden zijn voor het geschilderde beeld. Zij zouden die schoonheid +ontsieren, en die gratie doen wegrotten; zij zouden het bezoedelen en +onteeren. En toch zoû het steeds blijven bestaan. Het zoû altijd +blijven leven. + +Hij rilde, en even voelde hij spijt Basil niet alles eerlijk gezegd te +hebben. Basil zoû hem geholpen hebben Lord Henry's invloed, en de nog +giftiger essences van zijn eigen temperament te niet te doen. De +liefde, die Basil hem toedroeg--want het was waarlijk liefde, had +niets in zich, dat niet mooi en intellectueel was. Het was niet de +fyzieke bewondering van schoonheid, geboren uit de zinnen en stervende +als de zinnen verzadigd zijn. Het was eene liefde als Michel Angelo, +Montaigne, Shakespeare en Winckelman gekend hadden. Ja, Basil had hem +kunnen redden. Maar het was nu te laat. Het verleden kon altijd +uitgewischt worden door berouw, zelfopoffering of ... vergeten. Maar +de toekomst was onvermijdelijk. Er waren passies in hem, die zich +geweldigen uitweg zouden banen, droomen, die de schimmen van zonde tot +werkelijkheid zouden maken. Hij lichtte van de bank het groote +purpergouden weefsel, en nam het meê achter het scherm. Was het +gezicht op het doek nog slechter dan vroeger? Het scheen hem hetzelfde +toe, maar zijn afschuw ervan was intenser geworden. Gouden haren, +blauwe oogen, roode lippen, dat alles was er nog. Slechts de +uitdrukking was veranderd. Hoe flauwtjes waren Basils verwijten +geweest over Sybil Vane, vergeleken bij wat hij er in zag van +veroordeeling en verwijt!--hoe flauwtjes en van hoe weinig beteekenis. +Zijne eigen ziel staarde hem van het doek aan en riep hem op ten +oordeel. Een trek van pijn kwam in zijn oogen en hij slingerde het +kostbare lijkkleed over de schilderij. Terwijl hij dit deed, klopte +men op de deur. Hij liep op en neêr, toen de knecht binnenkwam. + +--De werklui zijn daar, meneer! + +Hij voelde, dat hij dien man voor eenige oogenblikken kwijt moest +zijn. Hij mocht niet weten, waar het portret werd gebracht. + +Er was zoo iets sluiperigs in hem en hij had zulke slimme, +verraderlijke oogen. Hij zette zich voor zijn schrijftafel, krabbelde +een briefje aan Lord Henry, vroeg hem wat lectuur te zenden, en +herinnerde hem er aan, dat zij elkaâr dien avond om kwart over achten +zouden ontmoeten. + +--Op antwoord wachten ... sprak hij, het briefje reikend: en laat die +menschen maar hier binnen. + +Twee, drie minuten later werd er weêr geklopt en Mr. Hubbard, de +beroemde lijstenmaker van South-Audley Street kwam binnen, met een +jongen knecht, lomp van uiterlijk. Mr. Hubbard was een blozend +mannetje met rosse knevels, wiens bewondering voor de kunst +aanmerkelijk gekalmeerd was door de ingekankerde geldeloosheid der +artisten, waarmeê hij te doen had. In den regel verliet hij nooit zijn +winkel. Hij liet de menschen bij zich komen. Maar hij maakte altijd +een uitzondering met Dorian Gray. Er was iets in Dorian Gray, dat +iedereen betooverde. Het was alleen al genot hem te zien. + +--Wat kan ik voor u doen, Mr. Gray? zei hij, zich wrijvende in zijne +vette, gerimpelde handen. Ik dacht maar de vrijheid te nemen zelf bij +u te komen. Ik heb juist een pracht van een lijst op een verkooping +gekocht. Oud-Florentijnsch, van Fonthill afkomstig, denk ik. Juist +geschikt voor een godsdienstig onderwerp, Mr. Gray. + +--Het spijt mij, dat u de moeite heeft genomen zelf te komen, Mr. +Hubbard. Ik zal zeker eens komen om de lijst te zien, hoewel ik op het +oogenblik niet veel doe aan kerkelijke kunst. Maar vandaag woû ik +alleen maar een schilderij naar boven gedragen hebben. Het is heel +zwaar en daarom woû ik gaarne een paar werklui van u hebben. + +--In het geheel geen moeite, Mr. Gray. Ik ben zeer blij u van dienst +te kunnen zijn. Waar is het stuk, meneer? + +--Hier, antwoordde Dorian en schoof het scherm weg. Kunt u het met +kleed en al, zooals het nu is plaatsen? Ik ben bang, dat het anders op +de gang gekrast zal worden. + +--Dat zal heel goed gaan, meneer, sprak de gulle lijstenmaker en begon +met zijn helper de schilderij van de lange koperen kettingen, waaraan +het hing, los te haken. En waar zullen wij het nu brengen, Mr. Gray? + +--Ik zal u den weg wijzen, Mr. Hubbard, als u zoo goed wilt zijn mij +te volgen. Of misschien is het beter, dat u vooruit gaat. Het is +heelemaal op de bovenste verdieping. Wij zullen de groote trap maar +opgaan, die is ruimer. + +Hij hield de deur voor ze open, ze gingen de gang door en begonnen den +tocht. De rijk versierde lijst had het portret kolossaal gemaakt en nu +en dan moest Dorian zelve een handje meêhelpen om het gevaarte te +besturen, trots het hevig protest van Mr. Hubbard, die, evenals iedere +werkman er een hekel aan had, een heer iets nuttigs te zien doen. + +--Het is een vrachtje, meneer, steunde het mannetje, toen zij boven +aan de trap kwamen. En hij veegde zich zijn glimmend voorhoofd af. + +--Ja, het is nogal zwaar, murmelde Dorian, terwijl hij de deur opende +van de kamer, waar hij dit vreemd mysterie van zijn leven zoû bewaren, +waar hij zijne ziel zoû verbergen voor de oogen der menschen. Hij was +in geen vier jaar in die kamer geweest, niet meer sedert ze eerst als +kinderkamer en later als leerkamer was gebruikt geworden. Het was een +groot, ruim vertrek, door Lord Kelso gebouwd voor het speciaal gebruik +van zijn kleinzoon, dien hij om de gelijkenis met zijne moeder en om +nog andere redenen altijd gehaat en zoover mogelijk van zich had +gehouden. Dorian vond de kamer weinig veranderd. Daar stond de groote +Italiaansche cassone, met fantastisch uitgesneden paneelen en dof +vergulde kantlijnen, waarin hij zich als jongen zoo vaak verborgen +had. Hier de boekenkast vol schoolboeken met ezelsooren. Aan den muur +hing hetzelfde versleten Vlaamsche gobelin, waar een verkleurde koning +en koningin schaak speelden in een tuin, terwijl een stoet valkeniers, +overkapte vogels op de geharnasde polsen, voorbij reed. Hoe goed +herinnerde hij zich alles nog. Oogenblik na oogenblik zijner eenzame +kinderjaren kwam weêr bij hem op, terwijl hij rondzag. Hij zag de +reinheid van zijn jongensleven weêr voor zich en het was hem +verschrikkelijk, dat juist hier dat noodlottig portret verborgen moest +worden. Hoe weinig had hij in die afgestorven dagen kunnen vermoeden, +wat hem nog te wachten stond. Maar er was in het geheele huis geen +andere plaats zoo veilig als deze, voor onbescheiden blikken. Hij had +den sleutel en niemand kon er binnen. Onder het purperen lijkkleed kon +dat gelaat vrij verdierlijken, bezoedeld en onteerd worden. Wat deed +het er toe? Niemand zoû het zien. Hijzelve ook niet. Waarom zoû hij +die afschuwelijke ontbinding zijner ziel gadeslaan? Hij behield zijn +jeugd, dat was hem genoeg. En buitendien, zoû het niet kunnen, dat +zijn karakter zich veredelde? Er was geen reden, waarom de toekomst +zoo vol schande zoû zijn. Wellicht zoû een mooie liefde zich in zijn +leven weven, hem louteren, hem beschermen voor de zonden, die reeds in +geest en lichaam woelden: vreemde, onzegbare zonden, die bekoring en +subtiliteit ontleenden aan dat onzegbare. Misschien zoû de wreede trek +om dien fijnen mond eens verdwijnen, zoû hij de wereld Basil Halwards +meesterstuk te zien geven. Neen, dat was toch onmogelijk. Van uur tot +uur, van dag tot dag werd dat beeld ouder. Het kon de afzichtelijkheid +van zonden ontloopen, maar de afzichtelijkheid van ouderdom niet. De +wangen zouden hol en slap worden. Gele hanepooten zouden kruipen om de +fletse oogen. Het haar zoû zijn glans verliezen, de mond invallen, +openhangen, idioot of grof worden, zooals de monden van oude menschen. +Het zoû de gerimpelde hals, de kille, blauw geaderde handen, het +gebogen lichaam krijgen van zijn grootvader, die zoo streng voor hem +was geweest in zijn jongensjaren. Het portret moest verborgen worden. +Daar was niets aan te doen. + +--Breng het maar binnen, Mr. Hubbard, sprak hij moê, zich omkeerend. +Het spijt mij, dat ik u zoo lang liet wachten. Ik dacht aan iets +anders. + +--Het doet altijd goed wat uit te rusten, Mr. Gray, antwoordde de +lijsten maker, die nog naar adem snakte. Waar moet het staan meneer? + +--O, dat doet er niet toe. Hier, hier is het goed. Ik wil het niet +ophangen. Zet het maar tegen den muur aan. Dank u. + +--Mag ik het kunstwerk eens zien, meneer? + +Dorian ontstelde. + +--Het zoû u niet interesseeren, Mr. Hubbard, sprak hij, hem vast +aanziende. Hij voelde zich klaar op hem te springen, hem op den grond +te gooien, als hij maar een vinger uitstak naar het schitterende +voorhang, dat het geheim van zijn leven bedekte. + +--Anders heb ik niet meer voor u te doen. Ik dank u voor de moeite, +dat u zelf gekomen is. + +--In het geheel niet, Mr. Gray. Altijd bereid iets voor u te doen, +meneer. En Mr. Hubbard strompelde de trap af, gevolgd door zijn +knecht, die terug opzag naar Dorian, met een blik van verlegen +bewondering in zijn grof, leelijk gezicht. Hij had nog nooit iemand +gezien, die zóó mooi was. + +Toen het geluid hunner voetstappen weggeklonken was, sloot Dorian de +deur en stak den sleutel in zijn zak. Nu gevoelde hij zich veilig. +Niemand zoû ooit het gruwelijke ding zien, geen oog zijne schande +aanschouwen. Terug in de bibliotheek, zag hij, dat het juist vijf uur +was, dat de thee al klaar stond. Er lag een briefje van Lord Henry, +daarnaast een boek in gelen band, de omslag half gescheurd, hier en +daar gevlekt. Een blad van de derde editie van de St. James Gazette +lag op het theeblad. Victor was klaarblijkelijk terug. Zoû hij die +mannen in de gang ontmoet, hen uitgehoord hebben wat ze gedaan hadden? +Hij zoû natuurlijk de schilderij missen, had ze zeker al gemist, +terwijl hij het theeblad binnenbracht. Het scherm was nog niet +geplaatst en er was eene leêgte aan den muur. Als Victor 's nachts +eens naar boven sloop en de deur van de kamer trachtte open te breken? +Het was ellendig een spion in huis te hebben. Hij had gehoord van +rijke lui, die hun geheele leven waren lastig gevallen, omdat de +knecht een brief gelezen, een gesprek gehoord, een kaartje met een +adres opengemaakt, of op een kussen een verwelkte bloem, een stukje +kant gevonden had. Hij zuchtte, schonk zich een kop thee, opende Lord +Henry's briefje. Het was eenvoudig om te zeggen, dat hij hem een +courant zond en een boek, dat hem misschien interesseeren zoû en dat +hij kwart over achten in de club zoû zijn. Langzaam vouwde hij de St. +James Gazette open en zag ze door. Een roode potloodstreep op het +vijfde blad trok zijn aandacht. Het wees op de volgende paragraaf: + +"Lijkschouwing van een actrice". + +"Dezen morgen heeft in de Bell Tavern, Hoxton Road, Mr. Danby, +district-rechter, het lijk van Sybil Vane onderzocht, een jonge +actrice van het Royal Theatre, Holborn. De uitspraak was dat de dood +door een ongeluk was teweeggebracht. Groot medelijden werd aan den dag +gelegd voor de moeder der overledene, die zeer aangedaan was onder het +afleggen van haar getuigenis en dat van Dr. Birell, die de +lijkschouwing gedaan had." + +Hij fronste de wenkbrauwen en het blad in tweeën scheurend, liep hij +door de kamer en wierp de stukken weg. Hoe leelijk was dat alles. En +wat maakt leelijkheid de dingen toch hinderlijk waar. Hij was +ontstemd, dat Lord Henry hem dat bericht gezonden had. En het was heel +dom van hem het zoo met rood potlood aan te streepen. Victor kon het +gelezen hebben. De man kende er meer dan genoeg Engelsch voor. + +Misschien had hij het gelezen en begon hij al iets ervan te denken. +Maar wat kon het schelen. Wat had Dorian Gray te maken met den dood +van Sybil Vane? Daar was immers niets te vreezen. Dorian Gray had haar +immers niet vermoord. + +Zijn blik viel op het gele boek, dat Lord Henry hem gezonden had. Wat +zoû het zijn? Hij ging naar het parelkleurige, achtkantige tafeltje, +dat hem altijd toescheen de arbeid te zijn van vreemde Egyptische +bijen, die in zilver werken; het deeltje opnemend, wierp hij zich in +een fauteuil en begon de bladen om te slaan. Spoedig was hij er in +verdiept. Het was het vreemdste boek, dat hij ooit gelezen had. Het +was of alle zonden der wereld in fijne sluiers als een zwijgende +processie voor hem heen trokken op de zilveren tonen van fluiten. +Dingen, waarvan hij nooit gedroomd had, trokken hem langzaam als +openbaringen voorbij. + +Het was eene novelle zonder intrigue en met slechts één karakter, eene +psychologische studie naar een jong Parijzenaar, die zijn leven +doorbrengt met het doel in de negentiende eeuw alle passies en +denkwijzen der vorige eeuwen te verwezenlijken en als het ware in +zichzelven op te sommen alle verschillende fazes, door den geest der +wereld doorleefd. De stijl ervan was die stijl, vol juweelen, levendig +en duister tegelijkertijd, vol argot en archaïsme, technische +uitdrukkingen en overladen beelden, die enkelen van de beste der +Fransche symbolisten kenmerkt. Er waren metaforen, fantastisch als +orchideeën en even subtiel van kleur. Het leven der zinnen werd +beschreven in termen van mystieke wijsbegeerte. Men wist soms niet of +men las van de spiritueele extazes van een middeneeuwschen heilige of +van de sombere biecht van een modern zondaar. Het was een boek vol +gift. Zware geur van wierook scheen aan de bladen te hangen en de +hersens te bedwelmen. Het rhytme der zinnen, de geraffineerde +eentonigheid der muziek, met complexe refreinen en vaak terugkeerende +maten, bracht den geest van den jongen, terwijl hij van hoofdstuk tot +hoofdstuk las, in een stemming van gepeins, iets als een ziekte van +gedroom, die hem onbewust maakte voor den wegstervenden dag en de +binnensluipende schaduwen. + +Strak, zonder wolken, slechts doorpriemd met één enkele ster, glom een +kopergroene lucht door de ramen. Hij las bij dat fletste schijnsel, +tot hij niet meer lezen kon. Toen, nadat zijn knecht hem eenige malen +had gewaarschuwd, dat het al laat was, stond hij op, ging naar de +andere kamer, legde het boek op het Florentijnsche tafeltje naast zijn +bed en begon zich te kleeden. + +Het was bijna negen uur, vóór hij in de club was, waar hij Lord Henry +vond zitten, met een allervervelendst gezicht. + +--Het spijt mij zoo, Harry, maar het was waarlijk jouw schuld. Je boek +hield mij zoo in betoovering, dat ik den tijd vergat. + +--Ja, ik dacht wel, dat je het mooi zoû vinden, antwoordde Lord Henry +opstaande. + +--Dat heb ik niet gezegd, Harry; ik zei, dat het mij zoo betooverde. +Daar is een groot verschil in. + +--Zoo, heb je dat nu ontdekt? fluisterde Lord Henry. En zij gingen in +de eetzaal. + + + + +XI. + + +Gedurende verscheiden jaren kon Dorian Gray den invloed van dit boek +niet van zich afschudden. Misschien is het juister te zeggen, dat hij +het nooit met kracht poogde. Hij bestelde uit Parijs niet minder dan +negen prachtexemplaren en liet ze in verschillende kleuren binden, +opdat zo met de veranderlijke buien en wisselende stemmingen zijner +natuur, die hij in het geheel niet meer scheen te kunnen beheerschen, +in harmonie zouden zijn. De held, een jong Parijzenaar, in wien het +romantische en het wetenschappelijke temperament zoo vreemd +dooreengemengeld was, werd hem als een type van zichzelven. En +inderdaad scheen het hem toe of het boek zijne eigen levensgeschiedenis +bevatte, geschreven vóór hij nog geboren was. + +In één opzicht was hij gelukkiger dan de fantastische held uit zijn +roman. Hij kende nooit, behoefde ook trouwens nooit te kennen, dien +grotesken angst, voor spiegels, gepolijste metalen en stille waters, +dien de jonge Parijzenaar reeds vroeg in zijn leven leerde kennen, +door het plotselinge verval van zijne, eens buitengewone, schoonheid. + +Het was met bijna een wreed genot,--en misschien schuilt er in ieder +genot, zoowel als in ieder genoegen een zweempje wreedheid--dat hij +het laatste gedeelte van het boek las, dat gedeelte met de tragische +wel wat overdreven beschrijving van het verdriet en de wanhoop van +iemand, die zelve verloren had, hetgeen hij bij anderen in de wereld +het meest op prijs stelde. + +Want die bizondere schoonheid, welke Basil Hallward zoo bekoord had en +vele anderen met hem, scheen hem nooit te verlaten. Zelfs zij, die +zeer veel slechts van hem gehoord hadden,--want nu en dan kropen +vreemde geruchten over zijne manier van leven in Londen rond en werden +de praatjes der clubs,--ze konden niet aan zijne schande gelooven, +wanneer zij hem zagen. Hij zag er altoos uit of hij zich smetteloos +hield van de wereld. Ruwe woorden verstomden, als Dorian Gray de kamer +binnentrad. Er was iets in de reinheid van zijn gelaat, dat het +zwijgen oplegde. Zijne tegenwoordigheid alleen scheen te herinneren +aan de onschuld, die anderen bezoedeld hadden. Men verwonderde zich, +dat iemand zoo bekoorlijk en bevallig als hij, ontsnapte aan de +besmetting eener eeuw, even gemeen als zinnelijk. Terugkeerende van +eene dier geheimzinnige en langdurige afwezigheden die tot zulke +vreemde gevolgtrekkingen aanleiding gaven, sloop hij vaak stil naar +boven, naar de dichte kamer, opende de deur met den sleutel, die hem +nu nooit meer verliet, en stond dan met een spiegel voor het portret, +zag van het slechte afgeleefde gezicht op het doek naar dat mooie, +jonge gelaat, dat hem uit het glas toelachte. Juist dat scherpe +contrast prikkelde zijn genoegen. Hij werd meer en meer verliefd op +zijn eigene schoonheid, meer en meer geïnteresseerd in het bederf +zijner eigen ziel. Hij kon met de meeste zorg en somtijds met een +monsterachtig afschuwelijk genoegen de slechte lijnen nagaan, die het +gerimpelde voorhoofd doorgroeven, of kropen om den dikken, zinnelijken +mond, en hij vroeg zich af welke eigenlijk de gruwelijkste waren, de +teekenen der zonde, of die van den ouderdom. Hij hield zijn blanke +handen naast de grove, gezwollen handen van het portret, en +glimlachte. Hij bespotte het misvormde lichaam, die verwelkende leden. + +Het is waar, er waren oogenblikken,--'s nachts, wanneer hij slapeloos +lag in zijn eigen zacht geurige kamer, of in een smerig hok van de +beruchte herberg bij de Dokken, waar hij vaak, onder een anderen naam, +verkleed, kwam--oogenblikken, dat hij met medelijden dacht, aan de +ellende, die hij over zijne ziel gebracht had, een medelijden, des te +pijnlijker omdat het zuiver egoïst was. Maar oogenblikken als deze +waren zeldzaam. De nieuwsgierigheid naar het leven, welke Lord Henry +het eerst in hem had gewekt, toen zij samen waren in den tuin van hun +vriend, scheen zich reusachtig te ontwikkelen. Hoe meer hij wist, hoe +meer hij weten wilde. Hij had een dollen honger, en hoe meer hij dezen +voelde, des te gulziger werd hij. + +Toch was hij niet onverschillig in het vervullen van zijne plichten +tegenover de wereld. Eens of twee keer in de maand gedurende den +winter en iederen Woensdagavond gedurende den season stond zijn +prachtig huis open voor de menschen en ontving hij de grootste musici +om zijn gasten met de wonderen van hunne kunst te bekoren. Zijne +kleine dinertjes, waarin Lord Henry hem trouw bijstond, waren bekend +zoowel om de zorgvuldige keuze en plaatsing der invités, als om den +exquizen smaak in de décoraties der tafel met fijn symfonische +arrangementen van exotische bloemen, geborduurd damast en antieke +gouden en zilveren servies. Velen, vooral onder de jongeren, zagen dan +ook in Dorian Gray de verwezenlijking van het type, dat zij zich in +Eton of Oxford gedroomd hadden; type, waarin de ontwikkeling van een +geleerde samenvloeide met de distinctie en manieren van een man van de +wereld. + +Zijne wijze van kleeden, zijn doen en laten oefenden zeer grooten +invloed uit op de jonge fatjes van de May-fair bals en de +Pall-mallclub, die hem in alles wat hij deed en droeg, volgden en +nadeden. En hoewel hij maar al te klaar stond om de pozitie aan te +nemen, die hem dadelijk na zijne meerderjarigheid werd toegekend en +werkelijk een fijn genot vond in de gedachte voor Londen te kunnen +zijn, wat de auteur van den Satyricon ééns voor het keizerlijke Rome +van Nero geweest was, wenschte hij toch, diep in zijn hart, iets meer +te zijn dan een arbiter elegantiarum, dien men kon raadplegen over hoe +te dragen een juweel, hoe te binden een das of te houden een stok. Hij +zocht een nieuw schema van het leven uit te spinnen, dat beredeneerd +zoû zijn van filozofie en geordend van principe, en waarin de +vergeestelijking der zinnen het hoogste doel zoû zijn. De eeredienst +der zinnen was dikwijls, en met zeer veel recht, veroordeeld geworden, +omdat de mensch een natuurlijk instinct van vrees had voor gevoelens +en passies, sterker dan hemzelven, en gevoeld met de lager +geörganiseerde uiterlijkheid van het bestaan. Maar het scheen Dorian +Gray, dat de ware natuur der zinnen nooit was begrepen en dat zij +woest en dierlijk bleven omdat de wereld ze trachtte te onderdrukken +door uithongering of ze te dooden door marteling; in plaats van te +streven ze tot elementen van nieuwe spiritualiteit te herscheppen, +waarin instinct voor het schoone de overheerschende karaktertrek zoû +zijn. Ziende op den mensch, zich als een schim voortbewegend in de +Historie, doorspookte hem een gevoel van oneindig verlies. Zooveel was +er opgeofferd en met welken uitslag? Extatische, willekeurige +ontzeggingen, monsterachtige zelfmartelingen en onthoudingen, +voortkomend uit angst, uitloopende in eene schande, oneindig +verschrikkelijker dan die, welke zij in hun onschuld hadden gezocht te +ontvluchten, nu de natuur, in haar vreemde ironie, den anachoreet +dreef zich te voeden samen met de dieren der wildernis en den hermiet +de beesten van het veld tot makkers gaf. + +Ja, er zoû, zooals Lord Henry geprofeteerd had, een nieuw Hedonisme +komen, dat het leven zoû herscheppen, en redden van het ruwe harde +puritanisme, zoo vreemd herlevend in onzen tijd. Het zoû natuurlijk +ten dienste staan van het intellect; maar zoû het eene theorie of een +systeem aannemen, waarin de opoffering eener ondervinding van passie +gevraagd werd. Het doel zoû zijn: ondervinding zelve, en niet de +vruchten van ondervinding, zoet of bitter, wat ze ook waren. Het zoû +niet weten van ascetisme, dat de zinnen doodt of van vulgaire +losbandigheid, die ze verdooft. Maar het zoû den mensch leeren zich te +concentreeren op de momenten van een leven, dat zelve slechts een +oogenblik is. + +Men wordt wel eens wakker vóór de dag begint, na een van die +droomelooze nachten, die ons doen verlangen naar den dood of naar een +nacht van verschrikking en verwrongen genot; dan zweven er door de +zalen van onzen geest fantomen, verschrikkelijker dan realiteit; ze +trillen van leven in groteske onmogelijkheid. Dan sluipen witte +vingers tusschen de gordijnen door en ze schijnen te beven. In zwarten +fantastischen vorm kruipen geluidelooze schaduwen in de hoeken en +blijven gedoken. Buiten het geritsel der vogels tusschen de blâren, +het geluid van mannen, gaande naar hun werk, het zuchtend snikken van +wind, ver komende over de bergen, dwalende om het stille huis, als +vreesde hij den slaap te wekken uit zijn zwartpurperen grot. Dunne +grijzige, gazige sluiers trekken op, na elkaâr; vorm en kleur klaren +op; de dag schept de wereld opnieuw. De fletse, bleeke spiegels +krijgen hun geleend leven terug. De uitgebrande kaarsen staan, waar +wij ze lieten; er naast ligt het half opengesneden boek, dat ons +boeide, de verwelkte bloem, die wij droegen, den brief, dien wij te +dikwijls al lazen. Niets schijnt ouder geworden. Uit de onware +schaduwen van den Nacht komt het werkelijke leven terug, dat wij +kennen. Wij moeten het opnemen, waar wij het lieten liggen en over ons +komt een benauwend gevoel van de noodzakelijkheid van energie in dien +tredmolen van stereotype gewoontetjes; we krijgen een dol verlangen, +dat onze oogen zich op een morgen openen op een wereld in het donker +hernieuwd, wereld, waarin de dingen frissche kleur en nieuw geheim +hebben, wereld, waarin het verleden geen plaats heeft, waarin de +herinnering in ieder geval geen leed meer kan doen. + +Het scheppen van werelden als deze scheen Dorian Gray het ware doel, +minstens één der ware doeleinden, van het leven te zijn, en in zijn +jacht naar sensaties, die zouden zijn zoowel nieuw als zalig, schiep +hij zich dikwijls stemmingen, vreemd aan zijne natuur; zoo hij dan +hare kleur in zich had opgenomen en zijner geestelijke nieuwsgierigheid +voldaan had, schudde hij ze af met die vreemde onverschilligheid, die +niet onvereenigbaar is met een temperament vol heftigheden, dikwijls +zelfs--meenen moderne psychologen--een bewijs daarvan. + +Het praatje liep eens, dat hij tot den Roomsch-Katholieken godsdienst +zoû overgaan en de Roomsch-Katholieke ritualiën hadden zeker altijd +een groote aantrekkelijkheid voor hem gehad. Het dagelijksche Offer, +meer verschrikkelijk waar dan al de offers der antieke wereld, roerde +hem door de grootsche verwerping van wat de zinnen bewijsbaar wilden, +door den primitiven eenvoud zijner essence, door de eeuwige pathos der +menschelijke tragedie, die het bracht in symbool. Hij vond het zalig +neêr te knielen op het koude marmer, te zien naar den priester; in +zijnen stijven, gebloemden dalmatiek; met witte handen schoof hij den +voorhang van den tabernakel weg, hief de juweelen lantaren van den +monstrans op, den bleeken ouwel er in, die het panis coelestis, het +brood der Engelen is; in het misgewaad van de passie van Christus, +brak hij de Hostie in den kelk, sloeg zich de borst om zijne zonden. +De walmende wierookvaten, die ernstige jongens in hun kant en +scharlaken, als groote gouden bloemen de lucht inzwaaiden, hadden +fijne bekoring voor hem. En als hij dan wegging, zag hij met wonder +naar de zwarte biechtstoelen, voelde den wensch in zich: in de grijze +schaduw van een pilaar te zitten, te hooren naar de mannen en vrouwen, +die voor het gesloten rasterwerk fluisterden hun ware leven. + +Maar hij had nooit de dwaasheid zijne intellectueele ontwikkeling te +doen ophouden door het aannemen van eenig geloof of systeem. +Mysticisme, met zijn wondere kracht van gewone dingen een schijn van +vreemdheid en onzegbaarheid te geven, bekoorde hem voor een tijd; voor +een tijd gaf hij zich over aan de materialistische leerstellingen van +de Darwinistische beweging in Duitschland, en vond er een genoegen in +gedachten en passies der menschen terug te brengen tot een parelachtig +celletje der hersenen, tot eene witte zenuw in het lichaam. Maar geen +theorie van het leven scheen hem zoo belangrijk toe als het Leven +zelve. Hij voelde intens, hoe dor iedere geestelijke berekening is, +zonder actie en ondervinding. Hij voelde, dat de zinnen, zoo goed als +de ziel, spiritueele mysteries konden openbaren. + +En zoo maakte hij nu een studie van geuren, van de geheimen hunner +samenstelling; hij distilleerde zwaar geurende oliën en brandde +welriekende harsen van het Oosten. + +Hij zag, dat iedere stemming der ziel zijn evenwicht vond in het leven +der zinnen, trachtte nu dier ware verhoudingen te kennen, onderzocht +wat er toch is in wierook, dat mystiek doet werken, in amber, dat +passies wekt, in nardus, dat doet walgen, in de aloë, dat de +melancholie der ziel verdrijft. + +Een ander maal wijdde hij zich der muziek, gaf vreemde concerten, in +een lang vertrek met antieke ruitjes, purpergouden zoldering, muren +van olijfgroen lakwerk; woeste zigeuners tokkelden er hartstochtelijke +melodieën op kleine cithers; ernstige Tunisiërs, in gele châles, +plukten er aan de gespannen snaren van reusachtige luiten; grinnikende +negers sloegen er eentonig op koperen trommen; magere hindoes, met +witte tulbanden, op purperen matjes, bliezen er op lange fluitjes van +riet; zij betooverden er reusachtige slangen, gehorende pythons. Hij +verzamelde uit alle deelen der wereld de vreemdste instrumenten, die +men vinden kon. Hij bezat de geheimzinnige juruparis van de Rio-Negro +Indianen, die de vrouwen niet zien mogen, de jonge lieden eerst na +veel vasten en geeseling; de kruiken der Peruanen, die met het schelle +geluid van vogels klinken; de fluiten van menschenbeenderen, zooals +Alfonso de Ovalle in Chili ze hoorde; de klankvolle groene +jaspis-steenen, die men vindt bij Cuzco, die een toon geven van +wonderlijke zoetheid. De lange clarin der Mexicanen; de speler blaast +er niet in, maar zuigt er door de lucht op; de schorre ture der +Amazone-stammen; de schildwachten blazen ze; ze zitten in hooge +boomen; men hoort ze drie mijlen ver; de teponaztli, met twee +trillende tongen van hout; geslagen wordt ze met stokken, die gesmeerd +zijn met gom uit melkig sap van planten; de yotlbellen der Azteken: in +trossen hangen ze neêr als druiven; de groote cylindertrom, met +slangenvel: Bernal Diaz zag dien met Cortes in den Mexcicaanschen +tempel en hij beschreef zoo mooi er den klagenden klank van. + +Het fantastische karakter dier instrumenten bekoorde hem en hij vond +het zalig te zien dat Kunst, zoowel als Natuur, hare monsters bezit: +dingen, beestelijk van vorm, afschuwelijk van toon. + +Toen de studie van juweelen. Hij verscheen op een gekostumeerd bal als +Anne de Joyeuse, admiraal van Frankrijk, vijfhonderdzestig parelen op +zijn kostuum. Deze voorliefde behield hij jaren; ze verliet hem nooit +geheel en al. Hij hield van het roode goud in den zonnesteen, de +parelige blankheid van den maansteen, de gebroken regenboog in de +melkwitte opaal. Fabelachtige legenden vond hij uit van juweelen. In +Alphonso's Clericalis Disciplina komt eene slang voor met oogen van +echt hyacinth; Alexander, overwinnaar van Emathia, vond in de valleien +van den Jordaan slangen met snoeren van smaragd, die hun groeiden op +den rug. De granaat verdreef de demonen, de spiegelsteen wies en kromp +in met de maan. De bezoar, gevonden in het hart van een Arabisch hert, +was een talisman tegen de pest. + +Toen borduursels en gobelins, die fresco's der kille kamers van het +Noorden. En terwijl hij zich hierin verdiepte, werd hij bijna treurig +gestemd door het bederf, dat de tijd bracht in alle mooie dingen. Hij, +tenminste was dat ontkomen! Geen winter verstijfde zijn gelaat, +bevroor de frisschheid zijner jeugd. Hoe anders was dat met dingen van +materie! Waar waren zij gebleven? Waar was het groote crocuskleurig +kleed, waarop de goden vochten tegen de reuzen, gewerkt door bruine +meisjes van Athena? Waar, het ontzettende velum, dat Nero gehangen had +voor het Colosseum in Rome, dat Titanische zeil van purper, met de +sterrenlucht en Apollo in een kar, getrokken door witte, +goudgestrengde rossen? Hij wenschte te zien de tafelkleeden van den +Priester van de Zon, waarop alle lekkernijen en spijzen voor een +feest, het lijkkleed van Chilperic met drie honderd gouden bijen. Een +geheel jaar lang verzamelde hij de mooiste weefselen, die hij krijgen +kon: teedere Delhi mousselines met gouden palmen en regenbogende +vleugels van kevers; Dacca-gazen; in het Oosten noemt men ze: geweven +lucht en stroomende wateren en avonddauw; vreemd geteekende kleeden +van Java; rijk gele Chineesche gordijnen; sluiers van laciswerk uit +Hongarije; Siciliaansche brokaten; stijve Spaansche fluweelen; +Georgische borduursels met gouden hoeken; Japansche Foukousas met +groenig goud en kleurige vogels. En dan zijns speciale passie voor +Kerkelijke gewaden, als voor alles wat tot de Kerk in betrekking +stond. + +Al deze schatten, alles wat hij in zijn mooi huis verzamelde, alles +was voor hem: middel van vergetelheid; alles werd hem rage, waardoor +hij voor een tijd trachtte te ontkomen aan den angst, die hem soms te +zwaar scheen om te dragen. Aan den muur van de eenzame, geslotene +kamer, waar hij zoovele zijner jongensjaren had doorgebracht, had hij +met eigen hand dat ontzettende portret gehangen; de veranderende +trekken ervan toonden hem de schande van zijn leven zoo duidelijk! Er +voor hing het purpergouden lijkkleed, als een gordijn. Soms gingen er +weken voorbij, zonder dat hij daar kwam; dan vergat hij dat geschilderd +beeld van gruwel, hervond hij zijne luchthartigheid, zijne vroolijkheid, +zijn hartstochtelijk opgaan in het leven. Dan, op eens, sloop hij +'s nachts weg uit zijn huis naar een van die verschrikkelijke plaatsen +bij Blue Gate Fields en bleef daar dagen achtereen, tot hij weggejaagd +werd. Teruggekomen, zette hij zich voor zijn portret, het beeld, en +zichzelven vervloekend; vaak ook vervuld met een trots van +individualiteit, die de halve bekoring is der zonde; dan lachte hij +met geheim genoegen over de misvormde schaduw, gedoemd den last te +dragen die de zijne was. Enkele jaren later kon hij zelfs niet lang +uit Engeland wegblijven, verkocht hij zoowel de villa, die hij in +Trouville samen met Lord Henry bewoonde, als het kleine, wit ommuurde +huis in Algiers, waar hij zoovele winters had doorgebracht. Hij kon +niet gescheiden zijn van het portret, dat zooveel in zijn leven was; +ook vreesde hij, dat iemand in zijne afwezigheid de kamer zoû +binnendringen, in weêrwil van hare bewerkelijke sloten en grendels. + +Hij begreep wel, dat men er toch niets van zoude begrijpen. Het was +waar, dat het portret nog onder al die laagheid en leelijkheid +sprekend op hem geleek, maar wat gaf dat? Hij had het immers niet +geschilderd? Wat kon het hem schelen hoe afschuwelijk en vol schande +dit er uit zag! Zelfs al vertelde hij zijn geheim, niemand zoû het +gelooven. En toch was hij bang. Soms op zijn groot buiten in +Nottinghamshire, feestvierend met zijne vrienden, jongelui van de +wereld, ieder verbazende door de lichtzinnige luxe, de schitterende +splendeur zijner levenswijze, verliet hij in eens zijne gasten, vloog +hij naar de stad om te zien of iemand aan de deur geweest was, of het +portret er nog hing. Als het eens gestolen was! De gedachte alleen +maakte hem koud van angst. De wereld zoû zijn geheim dan weten. +Misschien vermoedde de wereld al iets! + +Want al bekoorde hij velen, er waren er toch die hem wantrouwden. Hij +werd bijna gedeballoteerd uit de West-End Club, waarvan hij toch, om +geboorte en pozitie, volkomen recht had lid te zijn; men vertelde, +dat, geïntroduceerd in de rookkamer van den Churchill, de Hertog van +Berwick en een andere heer zeer gemarqueerd op waren gestaan, waren +heengegaan. Vreemde geschiedenissen liepen over hem om. Er werd +verteld, dat hij gezien was, vloekende met vreemde matrozen in +White-Chapel, dat hij omging met dieven en valsche munters, ingewijd +was in al hunne geheimen. Zijne geheimzinnige verdwijningen werden +ruchtbaar; wanneer hij zich dan weêr vertoonde, fluisterde men in +hoekjes of ging hem voorbij vol minachting, zag hem aan met koude, +doordringende blikken als wilde men zijn geheim weten. Van zulke +veronachtzamingen of beleedigingen nam hij natuurlijk geen notitie; +voor de meesten waren zijne openhartige, gulle manieren, zijn glimlach +vol innemendheid, zijne jeugd vol bekoring, die hem nooit scheen te +verlaten, het beste antwoord op alle lasterpraat. Maar opmerkelijk was +het, dat zij, die het meest intiem met hem geweest waren, hem later +vermeden. Vrouwen, die hem aangebeden, voor hem wereld en conventie +getrotseerd hadden, ze werden bleek van schaamte en afschuw, als +Dorian Gray binnenkwam! In de oogen van velen echter verhoogden deze +gefluisterde schandaaltjes nog de vreemde en gevaarlijke bekoring, die +van hem uitging. Zijn rijkdom gaf hem veiligheid. De wereld, de +gecivilizeerde wereld ten minste, wil nooit gaarne gelooven ten +nadeele van iemand, die rijk is en weet in te nemen. Zij voelt als bij +instinct, dat goede manieren meer waard zijn dan moraliteit en in haar +oordeel weegt de hoogste respectabiliteit niet op tegen het bezit van +een goeden kok. En eigenlijk is het ook een schrale troost te hooren, +dat iemand bij wien men een slecht diner of slechten wijn gehad heeft, +een onberispelijk leven leidt. De stelregels voor het leven van de +wereld, zijn of moeten dezelfde zijn als die van de kunst. Vorm is +vereischte. Kunst moet zoowel de waardigheid als de onwerkelijkheid +eener ceremonie hebben, en het onware karakter van een romantisch +voordoen vereenigen met die geestigheid en schoonheid, waardoor zulk +voordoen ons bekoort. Is onoprechtheid dan zoo iets vreeselijks? Ze is +immers maar eene manier om onze persoonlijkheid te vermenigvuldigen. +Dit was ten minste Dorian Gray's oordeel. Hij verwonderde zich over de +kleinzieligheid van hen, die beweren dat de Ikheid in een mensch, iets +primitiefs blijvends, standvastigs is, ééne essence. Voor hem was een +mensch een wezen met myriaden levens en myriaden sensaties, complexe +veelvuldigheid vreemder overervingen van gedachte en passie, het +lichaam bezet door afzichtelijkste ziekten der dooden zelve. + +Hij hield ervan te dwalen door de holle, koude schilderijengalerij van +zijn kasteel, te zien naar de verschillende portretten van hen, wier +bloed vloeide door zijne aderen. Hier Philip Herbert, door Francis +Osborne, in zijne memories uit de Regeering van Koningin Elizabeth en +Koning James beschreven: "Iemand door het hof vertroeteld om zijn knap +uiterlijk, dat hij niet lang behield." Leidde hij soms het leven van +den jongen Herbert? Was een vreemde, giftige kiem gekropen van lichaam +tot lichaam, totdat ze nu in het zijne was? Was het door onbewuste +herinnering aan de verloren schoonheid, dat hij zoo plotseling, zonder +reden, dien wensch geuit had in Basil Hallwards atelier? Daar, in een +rood met goud geborduurd wambuis, in overrok vol juweelen, goudgerande +kraag en polsbanden, Sir Anthony Sherard, de zilver-en-zwarte +wapenrusting aan zijne voeten opgehoopt. Had die minnaar van Giovanna +van Napels hem een erfenis van zonde en schande nagelaten? Waren zijne +eigen handelingen slechts droomen geweest voor den doode, die ze niet +tot werkelijkheid had durven maken? Hier glimlachte Lady Elizabeth +Devereux. Een gazen coiffe, parelen keurs, roze puntmouwen. Een bloem +in haar linkerhand, in haar rechter een geëmailleerde keten van witte +en roze rozen. Op een tafel naast haar een mandoline, een appel. +Groote groene rozetten op haar kleine puntige schoentjes. Hij kende +haar leven en de zonderlinge geschiedenissen over haar minnaars. Had +hij iets van haar temperament in zich? Die matte ovale oogen blikten +hem zoo vreemd toe. En wat had hij van George Willoughby, met zijn +gepoeierde pruik en mouches. Hoe slecht zag hij er uit! Het gezicht +was stuursch en tanig, de zinnelijke lippen minachtend samengetrokken. +Fijne kanten vielen over de magere, gele handen, overladen met ringen. +Hij was een dandy geweest in de achttiende eeuw en een vriend van Lord +Ferrars. Dan de tweede Lord Beckenham, een vriend van den Prins Regent +uit zijne wildste dagen, getuige bij diens geheim huwelijk met Mr. +Fitzherbet. Hoe trotsch en knap was hij, met zijne bruine krullen en +zijn overmoedige houding! Welke passies had hij hem nagelaten? De +wereld had hem een schandvlek genoemd. Hij had de orgieën van Carlton +House geleid. De orde van den Kouseband schitterde op zijn borst. +Naast hem het portret zijner vrouw, een bleeke, dunlippige dame in het +zwart. Ook haar bloed stroomde in het zijne. Hoe vreemd scheen dat +alles! En dan zijne moeder, met haar Lady-Hamiltongezichtje en haar +van wijn vochtige lippen; hij wist wat hij van haar had: zijne +schoonheid, en zijne passie voor de schoonheid van anderen. Zij lachte +hem toe in haar los Bacchante-kleed. Druivenbladeren had zij in het +haar. Het purpervocht stortte uit den beker in haar hand. De kleuren +van de schilderij waren verbleekt, maar de oogen waren nog prachtig in +diepte en schittering. Zij schenen hem te volgen, overal waar hij +ging. En dan had een mensch nog voorouders van literatuur, zoowel als +van zijn eigen geslacht, en nader nog in type en temperament, van nòg +meer invloed. Er waren oogenblikken, dat het Dorian Gray scheen, of de +geheele historie slechts een kort begrip was van zijn eigen leven, +niet als hij het leefde door daden en omstandigheid, maar als hij het +zich schiep in verbeelding en passie. Hij voelde, dat hij ze allen +kende, die vreemde, verschrikkelijke spelers van het wereldtooneel, +die de zonde hadden zoo heerlijk, het kwaad zoo subtiel gemaakt. Het +scheen hem, dat op mysterieuze wijze hunne levens waren zijn eigen +leven geweest. Ook de held uit zijn roman had deze curieuze sensatie +doorleefd. In het zevende hoofdstuk vertelde hij: als Tiberius, +gekroond met laurieren, dat de bliksem hem niet trof, gezeten te +hebben in den tuin van Capri; hij las er de schandelijke boeken van +Elefantis, dwergen en pauwen rondom hem heen, vol statigheid; als +Caligula had hij gedronken met knechten in den stal, had gegeten uit +de ivoren ruif van een paard, met juweelen getuigd; als Heliogabalus +had hij geverfd het gelaat, gezeten aan het spinnewiel met vrouwen, en +de Maan gehaald van Carthago en haar in mystisch huwelijk gegeven aan +de Zon. + +Telkens en telkens herlas Dorian Gray dit fantastisch hoofdstuk; ook +de twee volgende, waar, als in tapijtwerk en email, de verschrikkelijke +schoone beelden stonden van hen, die door zonde of bloed of spleen, +monsterachtig waren geworden en krankzinnig. Filippo, hertog van Milaan, +die zijne vrouw vermoordde en haar lippen wreef met een purper vergif, +dat haar minnaar den dood mocht kussen van het ding, dat hij liefkoosde. +Pietro Riario, de jonge Kardinaal-Aartsbisschop van Florence, kind en +geliefde van Sixtus IV, zijne schoonheid alleen gelijk aan zijn verderf +en die Leonora van Arragon ontving in een paviljoen van witte en roze +zijde, gevuld met nymfen en centauren, en die een knaap vergulde om hem +te doen zijn op een feest Ganymedes of Hylas; Karel VI, die zijn broêrs +vrouw zóó had bemind, dat een lepra hem waarschuwde voor de +krankzinnigheid, die hem bedreigde, en die, zijne hersens ziek en vreemd, +slechts kalm kon worden met Saraceensche kaarten, waarop beelden van +liefde van dood en van dolheid ... + +Er was afschuwelijke bekoring in alle dezen. Hij zag ze 's nachts vóór +zich, en overdag spookten zij in zijne verbeelding. De Renaissance +kende vele wijzen van vergiftiging door een helm, een aangestoken +toorts, door geborduurde handschoenen, een waaier met juweelen, en een +keten van amber. Dorian Gray was vergiftigd door een boek. + + + + +XII. + + +Het was de negende November, de avond van zijn acht-en-dertigste +verjaardag, zooals hij zich later herinnerde. Hij wandelde om elf uur +naar huis terug van Lord Henry, waar hij gedineerd had, warm in dik +bont; het was koud en mistig. Op den hoek van Grosvenor-Square en +South-Audly-street liep een man hem snel voorbij in den mist, den +kraag van zijn ulster op. Hij had een valies in de hand. Dorian +herkende hem. Het was Basil Hallward. Een vreemd gevoel van angst, +waarvan hij zich geen rekenschap kon geven, kwam over hem. Hij gaf +geen teeken van herkenning, en liep vlug voort in de richting van zijn +huis. + +Maar Hallward had hem gezien. Dorian hoorde hem eerst stilstaan op het +trottoir en hem toen vlug achter-oploopen. Na enkele oogenblikken lag +eene hand op zijn arm. + +--Dorian! Wat een gelukkig toeval! Ik heb van negen uur af in je +bibliotheek op je zitten wachten. Eindelijk kreeg ik medelijden met +den knecht en heb hem gezegd naar bed te gaan, toen hij mij uitliet. +Ik ga vannacht naar Parijs, en ik woû je gaarne nog zien, vóór ik +wegging. Ik dacht wel, dat jij het was, of liever gezegd: je pels, +toen je me passeerde. Maar ik was toch niet heelemaal zeker. Herkende +jij me niet? + +--In dezen mist, maar mijn beste Basil! Ik kan niet eens +Grosvenor-Square herkennen. Ik geloof, dat mijn huis hier ergens moet +zijn, maar zeker weet ik het niet. Het spijt mij, dat je weggaat; ik +heb je in geen eeuw gezien. Maar je komt toch zeker gauw terug? + +--Neen. Ik ga voor zes maanden uit Engeland. Ik ben van plan een +atelier in Parijs te nemen en mij op te sluiten tot ik het schilderij +af heb, dat ik in mijn hoofd heb. Maar ik kwam niet bij je om over +mijzelven te spreken. Hier zijn we bij de deur. Ik ga nog even met je +naar binnen. Ik heb je iets te zeggen. + +--Uitstekend. Maar zal je je trein niet misloopen? sprak Dorian Gray +kwijnend, terwijl hij de stoep opging en den sleutel in de deur stak. + +Het lamplicht drong naar buiten door den mist heen en Hallward zag op +zijn horloge. + +--Ik heb allen tijd, antwoordde hij. De trein gaat pas kwart over +twaalf en het is pas elf uur. Ik was trouwens op weg naar de club om +te zien of je daar was, toen ik je ontmoette. En ik heb niets te doen +met bagage, want ik heb mijn koffers al vooruit gezonden. Ik heb niets +dan dit valiesje en ik loop gemakkelijk in twintig minuten naar +Victoria Station. + +Dorian zag hem aan en glimlachte. + +--Wat een curieuze manier van reizen voor een modern schilder van +naam. Een Gladstone-bag en een ulster! Kom binnen, anders krijgen we +al dien mist in huis. En denk er om, dat je over niets ernstigs +spreekt. Niets is ernstig tegenwoordig. Tenminste zoo hoort het. + +Hallward schudde het hoofd terwijl hij binnentrad en Dorian volgde in +de bibliotheek. Een groot houtvuur vlamde in de open haard. De lampen +waren opgestoken en een open zilveren likeurkastje stond met sifons +soda-water en hooge kristallen bekers op een marquetterie-tafel. + +--Je ziet, de knecht heeft het mij heel prettig gemaakt. Hij gaf me +alles wat ik noodig had, zelfs je fijne cigaretten met gouden puntjes. +Hij is een goede kerel. Ik mag hem liever dan den Franschman, die je +vroeger hadt. Wat is er van hem geworden? + +Dorian haalde de schouders op. + +--Ik geloof, dat hij Lady Radley's kamenier getrouwd heeft, en haar in +Parijs als Engelsche modiste heeft geïnstalleerd. Anglomanie is er de +rage tegenwoordig, hoor ik. Bespottelijk, vindt je niet? Maar hij was +niet slecht, zie je. Ik hield niet van hem, maar ik had niet over hem +te klagen. Je verbeeldt je soms van die dingen, die kant noch wal +raken. Hij was heusch aan mij gehecht, en scheen erg treurig, toen hij +weg moest. Wil je nog een brandy-soda? Of heb je liever hock-seltzer? +Ik neem zelf altijd hock-seltzer en seltzerwater. Daar zal hiernaast +nog wel wat zijn. + +--Dank je, ik zal niets meer gebruiken, sprak de schilder, terwijl hij +hoed en overjas afdeed, en ze over zijn valies in een hoek wierp. + +--En nu, kerel, moet ik eens ernstig met je praten. Trek nu niet zulke +rimpels. Dan maak je het nog maar moeilijker voor me. + +--Waarover is het? riep Dorian kregel, terwijl hij zich op een bank +wierp. Ik hoop niet over mezelven? Ik heb vandaag genoeg van me eigen. +Ik zoû dolgraag iemand anders willen zijn. + +--Het is over jezelven, antwoordde Hallward, met zijne ernstige diepe +stem; en ik moet het je zeggen. Ik zal je niet langer dan een half uur +lastig vallen. + +--Een half uur, zuchtte Dorian en stak een cigarette op. + +--Dat is toch niet te veel van je gevergd, Dorian, en het is voor je +bestwil. Ik geloof, dat het mijn plicht is, je te zeggen, dat de +verschrikkelijkste praatjes van jou in Londen verteld worden. + +--Daar wil ik niets over hooren. Ik hoû er wel van praatjes over +anderen te hooren, maar die over mijzelven kunnen me niets schelen. Ze +missen voor mij de bekoring van het nieuwe. + +--Ze moeten je kunnen schelen, Dorian. Ieder gentleman is +geïnteresseerd in zijn goeden naam. Je wil toch niet, dat de menschen +over je spreken als over iets laags en gemeens. Je hebt natuurlijk je +pozitie, je geld, en al zoo meer. Maar geld en pozitie is niet alles. +Begrijp me goed, ik geloof niets van al die praatjes. Tenminste, ik +kan ze niet gelooven als ik jou zie. De zonde drukt zijn stempel op +ieders gezicht. Die kan je niet verbergen. Menschen spreken soms van +geheime zonden, die bestaan niet. Heeft iemand een zonde, dan zie je +het direct aan de lijnen van zijn mond, aan den vorm van zijn handen. +Verleden jaar kwam er iemand bij me, ik zal zijn naam niet noemen, +maar jij kent hem, om zijn portret te laten maken. Ik had hem nooit +gezien, en toen nog nooit iets van hem gehoord, nu wel. Daar was iets +in den vorm van zijn vingers, dat mij afstootte. Hij bood een +kolossale som. Ik weigerde. Nu weet ik, dat ik gelijk had in mijn +antipathie. Zijn leven is afschuwelijk. Maar jij, Dorian, jij met je +mooi, frisch gezicht, met je mooie frissche jeugd, van jou kàn ik het +niet gelooven. En toch zie ik je maar zelden, en kom je nooit meer bij +me in mijn atelier: als ik dan niet bij je ben en ik hoor al de +horreurs, die de menschen fluisteren, weet ik niets te zeggen. Dorian, +hoe komt het, dat een man als de Hertog van Berwick opstaat en +weggaat, als jij een kamer binnenkomt? Hoe komt het, dat zooveel lui +in Londen je niet bij zich inviteeren en niet bij jou aan huis komen! +Je was vroeger een vriend van Lord Savely. Ik dineerde verleden week +met hem. Toevallig werd je naam genoemd, sprekende over de miniaturen, +die je aan de Dudley-tentoonstelling leende. Savely trok de lippen op +en zei, dat jij misschien heel artistiek was, maar dat geen jong +meisje je kennen mocht en geen fatsoenlijke vrouw met je in dezelfde +kamer kon zitten. Ik herinnerde hem er aan, dat ik een vriend van je +was, en vroeg hem wat hij meende. Hij zei het me. Hij vertelde het +hardop voor het geheele gezelschap. Het was afschuwelijk. Waarom is +jouw omgang zoo fataal voor jongelui? Daar heb je die arme jongen in +de Guards, die zich van kant maakte. Je was een intieme vriend van +hem. Daar heb je Sir Henry Ashthon, die Engeland moest verlaten en een +heel leelijken naam achterliet. Jullie waren onafscheidelijk. En Arian +Singleton, die zoo ellendig aan zijn eind kwam. En de eenige zoon van +Lord Kent? Ik ontmoette gisteren in St. Jamesstreet den vader. Hij was +kapot van verdriet en schaamte. En de jonge hertog van Perth? Hoe +leeft hij nu? Wie zoû met hem willen omgaan? + +--Hoû op, Basil. Je praat over dingen, waar je niets van weet, zei +Dorian Gray, op zijn lip bijtend, diepe minachting in zijne stem. Je +vraagt mij waarom Berwick de kamer uitgaat, als ik binnenkom. Omdat +_ik_ alles weet van zijn leven en hij niets van het mijne. Met zulk +bloed als hij in zijn aderen heeft, kan je niets anders verwachten. Je +vraagt me naar Henry Ashton en den jongen Perth? Heb ik den een zijn +ondeugden, en den ander zijn uitspattingen geleerd? En als die flauwe +jongen van Kent zijn vrouw van de straat opraapt, wat kan ik daaraan +doen? En als Adrian Singleton een valsche handteekening maakt, moet ik +soms op hem passen? Ik weet, hoe de menschen kletsen hier in Londen. +En hoe leven zij, die zoo over anderen moralizeeren! Beste kerel, je +vergeet, dat we leven in het geboorteland van de veinzerij. + +--Dorian! riep Hallward; dat heeft er niets meê te maken. Engeland is +slecht, dat weet ik en de Engelsche wereld beroerd. En dat is ook de +reden waarom ik jou goed wil hebben. Dat ben je niet geweest. Men +heeft het recht iemand te beoordeelen naar den invloed, dien hij op +zijn vrienden heeft. Die schijnen door jou alle begrippen van eer en +fatsoen te verliezen. Je hebt in ze opgezweept een dolle jacht naar +genot. Ze zijn in de diepte gezonken. En daar heb jij ze gebracht. Ja, +jij bracht ze daar en toch kan je glimlachen, zooals je nu glimlacht. +En er is nog erger. Ik weet, dat jij en Harry onafscheidelijk zijn. +Mij dunkt, daarom alleen hadt je moeten vermijden zijn zuster in +opspraak te brengen. + +--Pas op, Basil, je gaat te ver. + +--Ik moet spreken, en je moet luisteren. Je zult luisteren. Toen jij +Lady Gwendolen ontmoette, was er nooit in het minst over haar +gesproken. En is er nu in heel Londen één fatsoenlijke vrouw, die met +haar in het Park zoû rijden? Zelfs haar kinderen mogen niet bij haar +blijven. En dan zijn er andere verhalen, verhalen, waarin je gezien +bent geworden, terwijl je 's morgens vroeg sloop uit slechte huizen en +terwijl je verkleed verdween in de smerigste krotten van Londen. Is +dat waar? Kan het waar zijn? Toen ik dat voor het eerst hoorde, lachte +ik. Als ik het nu hoor, krijg ik een rilling over mij heen. Wat is er +van het leven, dat je geleid hebt buiten op je kasteel? Dorian, je +weet wat er van je gezegd wordt, en ik wil, dat je je naam zuivert en +niet meer omgaat met al die gemeene menschen. Trek nu niet je +schouders op. Wees niet zoo onverschillig. Je hebt een ontzettenden +invloed. Laat dien zijn ten goede en niet ten kwade. Men zegt, dat je +iedereen, die met je in aanraking komt, verderft en dat, als jij een +huis binnenkomt, de een of andere schande altijd volgt. Ik weet niet +wat er van aan is. Hoe zoû ik dat weten. Maar het wordt van je +verteld. Er zijn mij dingen verteld, waar ik niet aan twijfelen kan. +Lord Gloucester was een van mijn beste vrienden in Oxford. Hij toonde +mij een brief, die zijn vrouw hem schreef, toen zij alleen stervende +lag in haar villa te Mentone. En in die biecht, de verschrikkelijkste, +die ik ooit las, werd jouw naam genoemd. Ik zei hem, dat het +onmogelijk was, dat ik je door en door kende, en dat je tot zoo iets +niet in staat was. Dat ik je kende? Ken ik je? Voordat ik dat zeggen +kan, moest ik tot in je ziel kunnen zien. + +--Mijn ziel kunnen zien! mompelde Dorian Gray van de bank opschrikkend +en bijna wit van angst. + +--Ja, antwoordde Hallward ernstig, diepe smart in zijne stem; dan zoû +ik je ziel moeten zien. Maar dat kan alleen God. + +Een bittere lach van spot kwam over Dorians lippen. + +--Je zult die zien, van avond nog! riep hij en greep eene lamp van de +tafel. Kom, het is je eigen werk. Waarom zoû jij het niet zien? Je kan +dan later alles er van vertellen aan de wereld! Niemand zoû je +gelooven. Als ze je geloofden, zouden ze nog meer van mij houden. Ik +ken onze eeuw beter dan jij, al praat je er nog zooveel over. Ga meê, +zeg ik je! Je hebt genoeg gekletst over bederf. Nu zal je het ook zien +met je eigen oogen! + +Krankzinnigheid van trots klonk in ieder woord, dat hij uitte. Hij +stampte met den voet op den grond, als een kinderachtige, ongeduldige +jongen. Hij voelde helsche vreugde, dat een ander zijn geheim met hem +zoû deelen, dat de man, die dat portret, de oorsprong zijner schande, +geteekend had, zijn heele verder leven zoû gebukt gaan onder de +martelende herinnering van hetgeen hij gedaan had. + +--Ja, ging hij voort, voor hem staande, hem vlak in de oogen ziende. +Ik zal je mijn ziel toonen. Je zal met je eigen oogen zien wat je +denkt, dat alleen God kan zien. + +Hallward schrikte terug. + +--Dat is godslastering, Dorian! riep hij. Je moet zoo niet spreken. +Die woorden klinken afschuwelijk en ze beteekenen niets. + +--Zoo, denk je dat? + +Hij lachte weêr. + +--Ik weet het! En alles wat ik tot je gesproken heb, was tot je +bestwil. Je weet, ik ben altijd een goed vriend voor je geweest. + +--Raak me niet aan. Zeg wat je te zeggen hebt. + +Een scherpe trek van pijn schoot over het gelaat van den schilder. Hij +bleef stil, een wild gevoel van medelijden in hem. Maar dan, wat had +hij, Basil zich eigenlijk te mengen met het leven van Dorian Gray? +Huiverend richtte hij zich op en bleef stil staan kijken voor den +haard naar de brandende houtblokken, met een sneeuw van asch en +gloeiende kern van vlam. + +--Ik wacht Basil, riep de jongen, met hard heldere stem. + +Basil keerde zich om. + +--Wat ik te zeggen heb is dit. Je moet mij een antwoord geven op al +die verschrikkelijke beschuldigingen. Als je mij zegt, dat ze van het +begin tot het eind leugen zijn, zal ik je gelooven. Ontken ze dan, +Dorian, ontken ze! Zie je niet wat ik nu doorsta. Mijn God! Zeg me, +dat je niet slecht bent en verdorven en vol schande. + +Dorian Gray glimlachte. Minachting krulde om zijne lippen. + +--Ga meê naar boven, Basil! sprak hij rustig. Ik hoû een dagboek en +dat komt nooit de kamer uit, waar het geschreven wordt. Ik zal het je +toonen, als je met mij meêkomt. + +--Ik zal met je meêgaan, Dorian, als je het dan wilt. Ik zie, dat ik +mijn trein gemist heb. Maar dat doet er niet toe. Ik kan ook morgen +gaan. Maar vraag mij niet iets te lezen. Geef mij een eenvoudig +antwoord. + +--Dat zal je boven gegeven worden! Hier kan het niet. Je hoeft niet +lang te lezen. + + + + +XIII. + + +Hij ging de kamer uit, de trap op. Basil Hallward volgde hem. Zij +liepen zacht, zooals men doet in den nacht. + +De lamp sloeg fantastische schaduwen neêr over den muur en de trap. +Een wind stak op, rammelde aan de vensters. Toen zij heel boven waren, +zette Dorian de lamp op den grond neer, nam den sleutel uit zijn zak +en draaide het slot om. + +--Je staat er immers op het te weten, Basil, vroeg hij gedempt. + +--Ja. + +--Dat doet me plezier, antwoordde hij, glimlachend. Hij voegde er bij, +ietwat ruw: + +--Je bent de eenige man in de wereld, die alles van mij weten moet. Je +bent in mijn leven meer dan je wel denkt. + +De lamp opnemend, stootte hij de deur open en trad binnen. Een koude +tocht woei over hem en het licht schoot even op in een vlam van somber +oranje. + +--Sluit de deur achter je, fluisterde hij, terwijl hij de lamp op de +tafel zette. + +Hallward zag om zich heen met een blik van niet begrijpen. De kamer +zag er uit of er in jaren lang niet gewoond was. Een verschoten +Vlaamsch behang; een schilderij met een gordijn er voor; een oude +Italiaansche cassone en een bijna leêge boekenkast; dan nog een stoel +en een tafel. Terwijl Dorian Gray een half afgebrande kaars op den +schoorsteenmantel aanstak, zag Basil, dat alles vol stof lag, dat er +gaten in het tapijt waren. Een muis liep schuifelend achter het +behangsel. Er was een vochtige lucht van schimmel. + +--Je denkt, dat God alleen de ziel van een mensch zien kan, Basil? +Trek dat gordijn weg, en je zal de mijne zien. + +Zijn stem klonk koud en wreed. + +--Je bent gek, Dorian of je speelt komedie, mompelde Hallward met een +frons. + +--Wil je niet? Dan zal ik het zelf doen, sprak hij, rukte het gordijn +van de roe af en wierp het op den grond. + +Een kreet van afschuw ontsnapte den schilder, toen, in het flauwe +licht, het verschrikkelijke masker hem tegengrijnsde. Groote God! het +was het gelaat van Dorian Gray. De gruwel, of wat ook, had die wondere +schoonheid niet geheel kunnen vernietigen. Er was nog een tikje goud +in het dunne haar, nog een waasje van purper op den zinnelijken mond. +De doffe oogen hadden nog iets van hun blauw; de edele, klassieke +lijnen waren niet geheel verdwenen van de fijne neusvleugels, van den +plastischen hals. Ja, het was Dorian! Maar wie had dat gedaan? Hij +scheen zijn eigen penseelstreek te herkennen, en de lijst had hijzelve +ontworpen. De gedachte was monsterachtig en hij was bang. Hij greep de +kaars en hield het licht vlak bij de schilderij. Links in den hoek +stond zijn eigen naam in lange letters van helder vermiljoen. + +Het was een lage parodie, een schandelijke, ignoble satire. Dat had +hij nooit gedaan. En toch, het was zijn werk, dat voelde hij, en het +was of zijn bloed in hem opeens van brandend vuur veranderde in traag +kruipend ijs. Zijn eigen werk! Wat beteekende het? Waarom was het +veranderd? Hij keerde zich om en zag naar Dorian Gray met de oogen van +een ziek mensch. Zijn mond trok en zijn verdroogde tong scheen +onmachtig tot spreken. Hij streek met de hand langs het voorhoofd. Het +was vochtig van een klam zweet. + +De jonge man leunde tegen den schoorsteenmantel en sloeg hem gade met +de vreemde uitdrukking op zijn gelaat van iemand, die verdiept is in +het spel van een groot artist. Verdriet nog genoegen was er op te +lezen. Slechts de passie van den toeschouwer, met misschien een tintje +van triomf in de oogen. Hij had zijne bloem uit het knoopsgat genomen +en rook eraan, of deed alsof. + +--Wat beteekent dat? riep Hallward eindelijk. Zijn eigen stem klonk +hem schril en vreemd in de ooren. + +--Jaren geleden, toen ik nog een jongen was, begon Dorian Gray, de +bloem in zijn hand verkreukelend, leerde je mij kennen, vleide je mij +en leerde je mij trotsch te zijn op mijn mooi gezicht. Op een dag +stelde je mij voor aan een vriend van je, die mij de tooverkracht van +de jeugd uitlegde, en je maakte een portret van me, dat mij de +tooverkracht van de jeugd openbaarde. In een opgewonden oogenblik, ik +weet nog niet of ik er spijt van heb of niet, deed ik een wensch, +misschien zoû jij het een gebed noemen ... + +--Ik herinner het mij, o! ik herinner het mij maar al te goed. Maar +dat is onmogelijk. De kamer is vochtig. Daar zit schimmel op het doek. +Daar moet een of ander mineraal vergif gezeten hebben in mijn verf. Ik +zeg je dat het onmogelijk is. + +--Ach, wat is onmogelijk? murmelde Dorian naar het venster gaande en +zijn voorhoofd drukkende tegen het koude, mistbeslagen glas. + +--Je vertelde mij, dat je het vernietigd had. + +--Dat was niet zoo. Het heeft mij vernietigd. + +--Ik kan niet gelooven, dat het mijn schilderij is. + +--Herken je je ideaal er niet meer uit? vroeg Dorian bitter. + +--Mijn ideaal, zooals jij het noemt ... + +--Zooals jijzelf het noemde. + +--Daar was niets slechts, niets schandelijks in. Je was voor me een +ideaal, als ik er nooit meer een zien zal. Maar dit, dit is het masker +van een sater. + +--Het is het masker van mijn ziel. + +--Groote God? Wat een monster heb ik verafgood. Het heeft de oogen van +den duivel! + +--Ieder van ons heeft in zich iets van den hemel en iets van de hel, +Basil, riep Dorian, met een wild gebaar van wanhoop. + +Hallward staarde weêr op het portret. + +--Mijn God! als het waar is en als dit het beeld is van je leven, dan +moet je nog slechter zijn dan de menschen zeggen!! + +Wederom hield hij het licht bij het doek en onderzocht het nauwkeurig. +De oppervlakte scheen onberoerd. Klaarblijkelijk kwam de laagheid en +afschuwelijkheid van binnen uit. Door eene onbegrijpelijke werking van +innerlijk leven, werd dat beeld op linnen langzaam weggevreten door de +lepra der zonde. Het wegrotten van een lichaam in een vochtig graf was +niet zoo afschuwelijk. + +Zijne hand beefde, de kaars viel uit den blaker op den grond en +spatterde daar. Hij zette zijn voet er op en trapte ze uit. Toen wierp +hij zich in den rieten stoel bij de tafel en verborg het gelaat in de +handen. + +--Groote God! Dorian, wat een les! Wat een verschrikkelijke les! + +Er kwam geen antwoord maar hij hoorde hem snikken bij het venster. + +--Bid Dorian, bid! fluisterde hij. Hoe was hetook weêr, wat wij als +kinderen leerden? Leid ons niet in verzoeking. Vergeef ons onze +zonden. Zuiver ons van onze ongerechtigheden. Laat ons dat samen +bidden. Je gebed van trots is verhoord. Het gebed van je berouw zal +misschien ook verhoord worden. Ik stelde je te hoog. Daar ben ik voor +gestraft. Je stelde jezelven te hoog. Wij zijn nu beiden gestraft. + +Dorian Gray keerde zich langzaam om en zag hem aan met betraande +oogen. + +--Het is te laat, Basil, snikte hij. + +--Het is nooit te laat, Dorian. Laat ons neêrknielen en ons een gebed +trachten te herinneren. Is er niet ergens een tekst: Al zijn uw zonden +rood als bloed, ik zal ze maken wit als sneeuw? + +--Die woorden zeggen mij niets. + +--Chut! Zeg dat niet. Je hebt genoeg kwaad gedaan in je leven. Mijn +God! Zie je dan niet hoe dat vervloekte beeld ons aangrijnst!!! + +Dorian Gray zag naar het portret; eensklaps kwam een onbedwingbaar +gevoel van haat tegen Basil Hallward over hem, al werd het hem +ingegeven door dat beeld, ingefluisterd door die grijnzende lippen. + +De wanhopige passies van een gejaagd dier woedden in hem en hij +verafschuwde dien man daar aan tafel meer dan hij ooit iets +verafschuwd had. Hij blikte woest rond. Er glinsterde iets op die kist +voor hem. Zijn oog viel er op. Hij wist wat het was. Het was een mes, +dat hij een paar dagen geleden boven had gebracht om een touw meê door +te snijden, en hij had vergeten het weg te brengen. Voorzichtig sloop +hij er heen, langs Basil om. Achter hem gekomen, greep hij het beet. +Hallward bewoog zich in zijn stoel, als wilde hij opstaan. Dorian +vloog op hem toe, stootte het mes diep in den slagader achter het oor, +het hoofd op de tafel neêrdrukkend, en stiet toen nog eens, en nog +eens. + +Er was even een onderdrukt gesteun en het verschrikkelijke geluid van +iemand, die in zijn bloed stikt. Tot drie keer toe verhieven de +uitgestrekte armen zich krampachtig en bewogen de stijve handen zich +wanhopig in de lucht. Hij stiet nog tweemaal, maar het lichaam bewoog +niet meer. Er begon iets te tikkelen op den grond. Hij wachtte nog +even, het hoofd steeds naar beneden duwend. Toen wierp hij het mes op +de tafel en luisterde. + +Hij hoorde niets dan: tik, tik, op het afgesleten tapijt. Hij deed de +deur open en stond op het portaal. Het huis was doodstil. Er was +niemand op. Even stond hij geleund over de balustrade en tuuroogde in +den zwarten put van donkerte. Toen nam hij den sleutel van buiten uit +de deur, ging weêr de kamer binnen en sloot er zich op. + +Het ding zat daar nog in den stoel, geleund over de tafel met gebogen +hoofd, ronden rug en lange spookachtige armen. Alleen om de roode keep +in den hals en de zwarte, klonterige poel, die langzaam grooter werd +op de tafel, zoû men niet kunnen gezegd hebben, dat de man sliep. Hoe +vlug was alles gebeurd. Hij voelde zich vreemd kalm, en naar het +venster gaande, opende hij het en trad op het balkon. De wind had den +mist weggevaagd en de lucht was als een reusachtige pauwenstaart, met +oogen van myriaden sterren. Hij keek naar beneden; zag den agent zijne +ronde doen, een lange straal uit zijn lantaren richtende op de deuren, +der slapende huizen. Het roode lichtje van een cab flikkerde even om +den hoek en verdween weêr. Eene vrouw, met een fladderende shawl, +kroop waggelend langs het hekwerk. Zij begon te zingen met een schorre +stem. + +De agent kwam op haar toe en zeide iets tot haar. Zij waggelde weg, +lachend. Een koude wind blies over het Square. De gaslantarens +flikkerden en werden blauw en de bladerlooze boomen schudden hunne +ijzer-zwarte takken heen en weêr. Hij huiverde en ging naar binnen, +het raam sluitend. Bij de deur gekomen, opende hij die. Hij zag niet +naar den vermoorden man. Hij gevoelde, dat het nu van geen belang was: +zich geene rekenschap te geven van het gebeurde. De vriend, die dat +noodlottig portret geschilderd had, was verdwenen uit het leven. Dat +was hem genoeg. Toen dacht hij aan de lamp. Het was een Moorsch ding +van dof zilver, ingelegd met arabesken van gebrand staal, met hier en +daar ruwe turkooizen. Misschien zoû de knecht het missen en er naar +vragen. Hij aarzelde even. Hij moest nu wel dat doode ding zien. Wat +lag het stil. Akelig wit waren die lange handen. Het was als een +afschuwelijk wassen beeld. + +De deur achter zich gesloten hebbend, kroop hij voorzichtig naar +beneden. Het hout kraakte en scheen te steunen als was het in pijn. +Hij hield verscheiden malen stil en wachtte. Neen, alles was stil. Het +was slechts het geluid van zijne eigen voetstappen. + +In de bibliotheek zag hij het valies en de overjas, in een hoek. Die +moesten verborgen worden. Hij opende een geheime kast in den muur, een +kast, waar hij zijne vermommingen borg, en stopte alles er in. Hij kon +ze later gemakkelijk eens verbranden. Toen haalde hij zijn horloge +uit. Het was tien minuten voor half een. + +Hij ging zitten en dacht na. Ieder jaar, iedere maand bijna, werden er +in Engeland menschen opgehangen om hetgeen hij nu gedaan had. Een +drang naar moorden hing er in de lucht. Er was zeker een roode ster te +dicht bij de aarde gekomen ... Maar welke bewijzen waren er tegen hem? +Basil Hallward had het huis om elf uur verlaten. Niemand had hem weêr +binnen zien komen. De meesten der bedienden waren op Selby Royal. Zijn +knecht was naar bed ... Parijs! Ja, Basil was naar Parijs gegaan, met +den nachttrein, zooals zijn plan was. Er zouden maanden voorbij gaan, +eer hij gemist werd. Maanden! Alles kon immers lang vóór dien tijd +vernietigd worden. + +Eene plotselinge gedachte weêrlichtte in hem op. Hij deed zijn pels +aan, zette zijn hoed op en ging in de gang. Daar bleef hij stil staan +en luisterde naar de langzame, zware stappen van den agent buiten, en +hij zag het licht zijner lantaren weêrkaatst in het venster. Hij +wachtte en hield zijn adem in. Na enkele oogenblikken trok hij de knip +weg en sloop naar buiten, de deur zachtjes dichttrekkend. Toen begon +hij aan de bel te luiden; binnen vijf minuten verscheen de knecht, +half gekleed, slaperig. + +--Het spijt me, dat ik je moest opbellen, Francis, sprak hij +binnenkomend, maar ik had mijn sleutel vergeten. Hoe laat is het? + +--Tien minuten over tweeën, meneer, antwoordde de man, op de klok +ziende, knipoogend. + +--Tien minuten over tweeën. Hoe verschrikkelijk laat! Je moet me +morgen om negen uur wekken. Ik heb wat te doen. + +--Goed, meneer. + +--Is er iemand geweest? + +--Mr. Hallward, meneer; hij bleef tot elf uur en ging toen weg om den +trein te halen. + +--Zoo! Dat spijt me. Heeft hij een boodschap achtergelaten? + +--Neen, meneer; alleen, dat hij u uit Parijs zoû schrijven, als hij u +niet in de club vond. + +--Goed Francis. Vergeet niet me morgen op te roepen, om negen uur. + +--Neen, meneer. + +De man slofte op zijn pantoffels de hall door. Dorian Gray wierp jas +en hoed op de tafel en ging in de bibliotheek. Een kwartier lang liep +hij in de kamer op en neêr na te denken, op zijne lip bijtend. Toen +nam hij een adresboek van een van de planken en zocht er in: + +Alan Campbell, 152 Hertford Street, Mayfair. Ja, dat was de man, dien +hij noodig had. + + + + +XIV. + + +Den volgenden morgen om negen uur, kwam de knecht bij hem met een kop +chocolade op een blad, en deed de blinden open. Dorian lag rustig te +slapen, eene hand onder zijn wang. Hij lag daar als een jongen, die +moê was geweest van spelen of van leeren. + +De knecht moest hem tweemaal bij den schouder aanstooten, voor hij +wakker werd, en toen hij zijn oogen opende, speelde een lichte +glimlach om zijne lippen, als ontwaakte hij uit een zaligen droom. +En toch had hij in het geheel niet gedroomd. Zijne nacht was blank +geweest, zonder beelden van verdriet of vreugde. Maar de jeugd +glimlacht zonder reden. Het is een van hare liefste bekoringen. + +Hij keerde zich om en, op zijn elleboog leunend, begon hij zijn +chocola te drinken. De bleeke Novemberzon kwam zijne kamer binnen. +De lucht stond helder en het was aangenaam warm. Het was bijna als +een dag in Mei. + +Langzamerhand kropen de gebeurtenissen van den nacht, op zachte +bloedbevlekle voeten, terug in zijne hersens, en stapelden zich daar +met hatelijke duidelijkheid op. Hij kromp ineen bij de herinnering aan +alles wat hij had doorstaan en voor een oogenblik kwam dat gevoel van +haat tegen Basil Hallward weêr in hem boven, zooals toen hij hem +vermoord had in zijn stoel; hij werd koud van haat. De doode man was +daar nog steeds, en nu, nu zat hij daar in de zon. Dat was +verschrikkelijk! Zulke gruwelen waren voor den nacht en niet voor den +dag. + +Hij gevoelde, dat zoo hij bleef peinzen over wat er gebeurd was, hij +van zichzelven walgen of gek zoû worden. Er waren zonden, wier +bekoring meer school in de herinnering dan in de daad zelven; +vreemdsoortige triomfen, die meer de ijdelheid dan de hartstochten +streelden, en het intellect grootere vreugde gaven, dan zij ooit den +zinnen bereiden konden. Maar deze was niet zoo eene. Deze moest +verdreven worden, uit den geest weg, bedwelmd met papavers, +omgebracht, uit vreeze, dat ze zichzelven ombrengen zoû. + +Toen het halve uur sloeg, streek hij de hand langs het voorhoofd, +stond haastig op en kleedde zich met nog meer zorg dan gewoonlijk, +zocht nauwkeurig zijn das en dasspeld uit, en veranderde een paar +keer zijne ringen. Hij deed lang over zijn ontbijt, proefde van de +verschillende schotels, sprak met den knecht over de nieuwe liverei, +die hij voor zijne bedienden in Selby wilde bestellen en las zijne +correspondentie. Bij een paar brieven glimlachte hij. Drie ervan +verveelden hem. Een las hij dikwijls over en verscheurde dien toen +met een ontevreden uitdrukking op zijn gezicht. + +--Een lastig ding, zoo een vrouwengeheugen! zooals Lord Henry eens +gezegd had. + +Toen hij zijn café-noir op had, veegde hij zich voorzichtig de lippen +met zijn servet, wenkte den knecht even te wachten en schreef twee +briefjes. Het eene stak hij in den zak en het andere gaf hij den +knecht. + +--Breng dit naar Hertford Street 152, Francis, en als Mr. Campbell uit +de stad is, moet je zijn adres vragen. + +Zoodra hij alleen was, stak hij een cigarette op en begon wat te +krabbelen op een stukje papier; eerst schetste hij bloemen, toen +stukjes architectuur en toen gezichten. Op eens merkte hij, dat ieder +gezicht eene fantastische gelijkenis had met Basil Hallward. Hij +fronste de wenkbrauwen en stond op, ging naar de boekenkast en nam het +eerste het beste boek er uit. Hij nam zich voor niet te denken over +het gebeurde, vóór het hoog noodzakelijk was. Op de bank zich +neervlijend las hij het titelblad. Het was Gautier's Emaux et Camées, +uitgave van Charpentier op Japansch papier, met de etsen van +Jacquemart. Het was gebonden in citroen-geel leder, met figuren van +verguld traliewerk en gespikkelde granaatappels. Hij had het gekregen +van Adrian Singleton. Er in bladerende viel zijn oog op het gedicht +over de hand van Lacenaire: die kille, gele hand, "du supplice encore +mal lavée", met enkele rossige haren en zijn "doigts de faune". Hij +zag naar zijne eigen dunne, witte vingers, rilde in weêrwil van +zichzelven, en bladerde verder tot hij kwam bij de mooie coupletten +over Venetië: + + + Sur une gamme chromatique + Le sein de perles ruisselant + La Venus de l'Adriatique + Sort de l'au son corps rose et blanc. + + Les dômes sur l'azur des ondes, + Suivant la phrase au pur contour, + S'enflent comme des gorges rondes, + Que soulève un soupir d'Amour. + + L'esquif aborde et me dépose; + Jetant son amarre au pilier, + Devant une façade rose, + Sur le marbre d'un escalier. + + +Hoe exquis waren zij. Als men ze las, was het of men dreef over de +groene waterwegen van die stad van purper en parelmoêr, in een zwarten +gondel met zilveren voorsteven en lange, neêrhangende gordijnen. De +regels alleen schenen hem toe als de lange lijnen van turkooizen-blauw, +die ons volgen, wanneer wij naar de Lido roeien. De plotselinge +opschietingen van kleur herinnerden hem aan de flikkeringen der duiven, +die met hunne kleuren van opaal en regenboog fladderden om de honigraten +van den Campanile, of, met statige gratie, wandelden door de grijze, +donkere arcades. Met gesloten oogen achterover liggend, herhaalde hij +in zichzelven: + + Devant une façade rose, + Sur le marbre d'un escalier. + + +Heel Venetië lag in die twee lijnen. Hij herinnerde zich het najaar, +dat hij daar geweest was, toen een wonderschoone liefde hem verleid +had tot heerlijke dolle daden. Er was poëzie in ieder plekje. Maar +Venetië had, als Oxford, dien juisten achtergrond voor poëzie en voor +de waarlijk romantischen is het décor alles, of bijna alles. Basil was +toen ook lang bij hem geweest, en had gedweept met Tintoretto. Arme +Basil! Wat een verschrikkelijk einde! + +Hij zuchtte, nam het deel weêr op, en trachtte te vergeten. Hij las +van de zwaluwen, die in en uit vliegen in het kleine café te Smyrna, +waar de Hadjis hunne amberen kralen tellen en getulbande kooplieden +hunne lange pijpen rooken en ernstig praten; hij las van de Obelisk +op de Place de la Concorde, die tranen van graniet weent, in eenzame, +zonlooze verbanning, en terug verlangt naar den warmen lotos-bloeienden +Nijl, met zijn sfinxen en roze-roode ibissen, en witte roofvogels met +gouden klauwen, zijne krokodillen met kleine oogjes van beril, die +kruipen over de groene dampende modder; hij begon te peinzen over die +verzen, welke, muziek ontlokkend aan het kus-bezoedeld marmer, ons +verhalen van het beeld, dat Gautier vergelijkt bij een altstem, het +"monstre charmant", dat neêrligt in de porfieren zaal van het Louvre. + +Maar na een poos viel het boek uit zijn hand; hij werd zenuwachtig, +een doodelijke angst kwam over hem. Als Alan Campbell eens niet in +Engeland was? Dagen konden er verloopen eer hij terugkwam. Misschien +zoû hij weigeren te komen. Wat dan te doen? Ieder oogenblik was van +het grootste gewicht voor hem. + +Zij waren eens intieme vrienden geweest, vijf jaar geleden, bijna +onafscheidelijk. Toen was die intimiteit op eens gebroken. Wanneer zij +nu elkaâr in gezelschap ontmoetten, was het alleen Dorian Gray, die +glimlachte; Alan Campbell nooit. + +Hij was een bizonder knappe jonge man, hoewel hij geen gevoel had voor +plastieke kunst; het weinigje gevoel, dat hij nog had voor poëzie, was +hem door Dorian Gray ingeprent. Zijne alles overheerschende +intellectueele passie was voor de wetenschap. In Cambridge werkte hij +lange uren in het Laboratorium en had een hoogen graad gehaald in +natuurwetenschap. Ook nu nog deed hij veel aan chemie, had een eigen +laboratorium, waarin hij zich dagen opsloot. Maar bovendien was hij +een uitstekend musicus en bespeelde viool en piano beter dan de meeste +amateurs. Het was ook de muziek, die hem en Dorian Gray samenbracht, +en dan de onzegbare aantrekkingskracht, die Dorian altijd had als hij +wilde, ja vaak zelfs zonder dat. Zij hadden elkaâr ontmoet bij Lady +Berkshire, toen Rubinstein er speelde en na dien tijd werden zij +altijd samen gezien in de opera of op ieder goed concert. Achttien +maanden had hunne intimiteit geduurd. Campbell was of in Selby Royal +of in Grosvenor Square. Voor hem was Dorian Gray de hoogste type van +het leven. Of zij samen getwist hadden, wist niemand. Maar in eens +merkte men op, dat ze bijna niet tegen elkaâr spraken als zij elkaâr +ontmoetten, en dat Campbell vroeg wegging van een soiree, zoo Dorian +Gray daar ook was. Hij was ook veranderd, was melancholiek, scheen een +afkeer van muziek te hebben, en speelde zelfs nooit meer; hij gaf als +excuus op, dat hij te veel opging in de chemie en geen tijd had tot +studeeren. En dit was volkomen waar. Meer en meer scheen hij nu +verdiept in biologie, en zijn naam verscheen een paar malen in +wetenschappelijke bladen, in verband met curieuze proefnemingen. + +Dit was de man, dien Dorian Gray wachtte. + +Iedere seconde zag hij op de klok. Bij iedere minuut, die verstreek, +werd hij hoe langer hoe zenuwachtiger. Eindelijk stond hij op, liep de +kamer op en neêr, als een mooi dier, in een kooi gesloten. Hij nam +lange, sluipende stappen. Zijn handen werden ijskoud. De onzekerheid +werd ondragelijk. De tijd scheen hem als met looden voeten voort te +kruipen, terwijl hij door monsterachtige orkanen werd opgezweept naar +den steilen kant van een donkeren afgrond. Hij wist wat hem daar +wachtte, zag het en, rillende, drukte hij met klamme handen zijne +brandende oogleden toe, als wilde hij zijne hersens het gezicht +ontnemen en zijne oogen terugduwen in hunne kassen. Het was +vruchteloos. Het brein mestte zich met zijn eigen voedsel, en de +verbeelding, grotesk van angst, draaide en wrong zich als een levend +wezen in marteling, sprong als een hansworst, en grijnsde achter +beweegbare maskers. Toen, op eens, stond de tijd stil voor hem. +Ja, dat blinde, langzaam ademende ding kroop niet meer voort, en +afschuwelijke gedachten snelden, nu de tijd dood was, vlug naar voren +en trokken de afgrijselijkste toekomst uit een graf op. Hij staarde er +naar. De gruwelen er van versteenden hem. Eindelijk ging de deur open, +en de knecht kwam binnen. + +Met glazige oogen zag Dorian hem aan. + +--Mr. Campbell, meneer, diende de man aan. Een zucht van verlichting +kwam over Dorians verdroogde lippen en de kleur kwam terug in zijne +wangen. + +--Vraag hem dadelijk binnen te komen, Francis. + +Hij gevoelde, dat hij weêr zichzelven was. Zijne bui van halfheid was +voorbij. + +De man boog en trok zich terug. Na enkele minuten kwam Alan Campbell +binnen; zijn gezicht was ernstig en bleek, nog bleeker door het +koolzwarte haar en de donkere wenkbrauwen. + +--Alan, het is vriendelijk van je, dat je gekomen bent. Ik ben er je +dankbaar voor. + +--Ik had mij voorgenomen nooit meer bij je in huis te komen, Gray. +Maar je schreef, dat het een levenskwestie was. + +Zijne stem klonk hard en koud. Hij sprak met langzaam overleg. Er lag +diepe verachting in den vasten, onderzoekenden blik, dien hij op +Dorian Gray vestigde. Hij hield de handen in de zakken van zijn +astrakan pels, en scheen het gebaar, waarmeê hij ontvangen werd, niet +opgemerkt te hebben. + +--Ja, het is een zaak van leven of dood, Alan en voor meer dan één +persoon. Ga zitten. + +Campbell nam een stoel bij de tafel, Dorian zette zich over hem. Hunne +oogen ontmoetten elkaâr. In die van Dorian lag oneindig medelijden. +Hij wist, dat wat hij ging doen, ontzettend was. + +Na een pijnlijke stilte, boog hij voorover en sprak rustig, den indruk +van ieder woord nagaande op het gelaat van den ander: + +--Alan, heel boven in een gesloten kamer, een kamer, waar niemand in +komt dan ik, zit een doode man aan de tafel. Hij is nu tien uren dood. +Verroer je niet, en zie me niet zoo aan. Wie die man is, waarom hij +stierf, gaat je niet aan. Wat jij te doen hebt is dit ... + +--Hoû op, Gray. Ik wil niets verder weten. Of hetgeen je verteld hebt, +waar is of niet, kan mij niet schelen. Ik weiger _iets_ met je leven +te doen te hebben. Hoû je afschuwelijke geheimen voor jezelven. Ze +hebben voor mij geen belang meer. + +--Alan, ze moeten belang voor je hebben. Ze moeten je kunnen schelen. +Het spijt mij verschrikkelijk voor jou, Alan. Maar ik kan er niets aan +doen. Je bent de eenige, die mij redden kan. Ik ben gedwongen je er in +te betrekken. Ik heb geen keus, Alan. Je bent knap. Je weet veel van +chemie, en dat alles. Je hebt proeven genomen. Wat je nu te doen hebt, +is, dat wat daar boven zit, te vernietigen, zóó te vernietigen, dat er +niet één spoor van overblijft. Niemand zag dien persoon hier in huis +komen. En op dit oogenblik denkt iedereen, dat hij in Parijs is. Hij +zal in maanden niet gemist worden. Wordt hij gemist, dan moet hier +geen spoor van hem te vinden zijn. Jij, Alan, jij moet hem, en alles +wat van hem is, veranderen, oplossen in een handvol asch, die ik in de +lucht weg kan strooien. + +--Je bent gek, Dorian. + +--O! Ik wachtte al, dat je mij Dorian zoû noemen. + +--Je bent gek, zeg ik je, gek om te verbeelden, dat ik een vinger zoû +verroeren om je te helpen, gek om mij die monsterachtige biecht te +doen. Ik wil er niets meê te doen hebben, wat het ook zij. Denk je, +dat ik voor jou mijn naam in gevaar zal brengen. Wat kan het mij +schelen wat voor duivelsch werk je doet. + +--Het was zelfmoord, Alan. + +--Dat doet mij pleizier, maar wie dreef hem er toe. Jij, natuurlijk. + +--Weiger je nog dit voor mij te doen? + +--Natuurlijk weiger ik. Ik wil er niets meê te doen hebben. Het gaat +mij niet aan welke schande er over jou komt. Je hebt het dubbel en +dwars verdiend, Het zoû me niets spijten, zoo ik je ontmaskerd, in het +publiek onteerd zag. Hoe durf je mij, juist mij, te vragen je te +helpen in dit gruwelijk werk. Ik had gedacht, dat je beter inzicht zoû +hebben in het karakter van de menschen. Je vriend Lord Henry Wotton +heeft je dan toch niet veel psychologie geleerd. Niets zal mij bewegen +iets, wat ook, te doen om je te helpen. Je bent aan een verkeerd +kantoor. Ga liever naar een van je vrienden. Vraag het mij niet. + +--Alan, het was een moord. _Ik_ vermoordde hem. Je weet niet wat hij +mij had doen lijden. Zooals mijn leven nu is, heeft hij er meer meê te +maken dan die arme Harry. Misschien heeft hij het zoo niet bedoeld, +maar de uitslag blijft dezelfde. + +--Een moord! Groote God! Dorian, ben je daartoe gekomen? Ik zal je +niet aangeven. Het is niet mijn zaak. Buitendien, zal je zonder mij +ook wel opgepakt worden. Niemand begaat ooit een misdaad, zonder er +iets stoms bij te doen. Maar ik wil er niets meê te maken hebben. + +--Je _moet_ er iets meê te maken hebben. Wacht, wacht een oogenblik, +luister naar mij. Luister even, Alan. Al wat ik je vraag is niets dan +een wetenschappelijke proef. Je gaat wel naar hospitalen en +sterfhuizen, en de gruwelen, die je daar doet, kunnen je niet schelen. +Als je in zoo een akelige ontleedkamer of in een vunzig laboratorium +dezen man vond liggen op een looden tafel met roode gootjes, waar het +bloed in weg kan loopen, zoû je hem niet anders beschouwen dan als een +prachtig sujet. Je zoû er je hand niet om verdraaien. Je zoû niet +gelooven, dat je iets slechts deed. Integendeel, je zoû vinden, dat je +de menschheid een weldaad deed, of de wetenschap verrijkte, of aan de +intellectuele nieuwsgierigheid voldeed, of zoo iets moois. Wat ik je +vraag, is iets wat je al honderden malen deed. Er is de totale +vernietiging van een lichaam niet eigenlijk veel minder dan wat jij +gewoon bent te doen. En denk er om, dat het het eenige bewijs tegen +mij is. Als het ontdekt wordt, ben ik verloren en natuurlijk wordt het +ontdekt, als je mij niet helpt. + +--Maar ik wil je niet helpen: dat vergeet je. De heele zaak laat mij +koud. Ik heb er niets meê te maken. + +--Alan, Ik bid je! Denk toch in welken toestand ik ben. Even vóór je +kwam, viel ik bijna flauw van angst. Je zoû later ook zoo een angst +kunnen kennen. Of neen, denk daar niet aan. Bezie de zaak uit een +zuiver wetenschappelijk oogpunt. Je vraagt immers ook niet, waarvan de +doode lichamen komen, waar jij je proeven op neemt. Vraag er dan nu +ook niet naar. Ik heb je er al te veel van verteld. Maar ik bezweer +je, dit voor mij te doen. Eens waren wij vrienden, Alan. + +--Spreek niet over die dagen, Dorian, zij zijn dood. + +--De dooden verwijten soms. Die man daarboven gaat niet weg. Hij zit +aan de tafel met gebogen hoofd en uitgestrekte armen. Alan! Alan! als +je mij niet helpt, ben ik verloren. Mijn God, Alan, zij zullen mij +ophangen voor wat ik gedaan heb. + +--Het is onnoodig deze scène langer te rekken. Ik weiger _iets_ in de +zaak te doen te hebben. Het is onzinnig van je mij dit te vragen. + +--Je weigert dus? + +--Ja. + +--Ik smeek je, Alan. + +--Voor niets. + +Die zelfde blik van medelijden kwam er in Dorian Gray's oogen. Toen +stak hij de hand uit, nam een stuk papier en schreef er iets op. Hij +las het twee keer over, vouwde het zorgvuldig en schoof het over de +tafel heen. Toen stond hij op en ging naar het venster. Campbell zag +hem verbaasd aan, nam het papier en vouwde het open. + +Terwijl hij las, werd zijn gezicht doodsbleek, en viel hij terug in +zijn stoel. Een verschrikkelijk gevoel van walging kwam over hem. Het +was hem of zijn hart ten doode toe bonsde in een ledige holte. + +Na twee, drie minuten van een huiverende stilte, keerde Dorian zich +om, stond achter hem stil en legde hem de hand op den schouder. + +--Het spijt me zoo voor jou, Alan, fluisterde hij; maar je laat mij +geen anderen uitweg. Ik had den brief al geschreven. Hier is hij. Je +ziet het adres. Als je mij niet helpt, moet ik hem verzenden. Als je +mij niet helpt, zàl ik hem verzenden. Je weet wat de uitslag zal zijn. +Maar je zult me helpen. Je kunt niet meer weigeren. Ik woû je sparen. +Dat zal je mij toch toegeven. Je was streng, hard, beleedigend. Je +behandelde mij als geen wezen mij ooit durfde te behandelen, geen +levend wezen tenminste. Ik verdroeg alles. Nu is het aan mij om +voorwaarden te stellen. + +Campbell verborg het gelaat in de handen en een huivering liep over +hem. + +--Ja, nu is het mijn beurt, orders te geven, Alan. Je weet wat ik wil. +Het is doodeenvoudig. Kom, wind je nu niet zoo op. Het moet gedaan +worden. Pak het aan en doe het. + +Gekreun kwam over Campbells lippen, en hij rilde over het geheele +lichaam. Het tikken van de klok op den schoorsteenmantel scheen den +tijd te verdeelen in afzonderlijke atomen van foltering, ieder te +zwaar om geleden te worden. Hij gevoelde als werd een ijzeren ring +langzaam nauw gekneld om zijn voorhoofd, als was de schande, die hem +bedreigde, reeds over hem gekomen. De hand op zijn schouder drukte als +lood. Het was ondragelijk. Ze scheen hem te verpletteren. + +--Kom, Allan, neem een besluit. + +--Ik kan het niet doen, sprak hij, werktuigelijk als konden woorden de +zaak verhinderen. + +--Je moèt. Er staat je geen keuze. Stel nu niet langer uit. + +Hij aarzelde een oogenblik. + +--Brandt er boven vuur? + +--Ja, er brandt gas. + +--Ik moet naar huis om het een en ander uit het laboratorium te halen. + +--Neen Alan, je mag hier niet vandaan. Schrijf op een briefje wat je +noodig hebt, dan zal de knecht het in een cab gaan halen. + +Campbell krabbelde een paar woorden, vloeide ze en schreef het adres +van zijn assistent. Dorian nam het briefje op en las het nauwkeurig +na. Toen belde hij, gaf het den knecht met het bevel zoo spoedig +mogelijk terug te komen en de dingen meê te brengen. Toen de deur van +de gang dicht viel, schrikte Campbell zenuwachtig op, en opstaande, +ging hij naar den schoorsteenmantel. Hij rilde als in koorts. Twintig +minuten lang sprak er niemand. Een vlieg gonsde door de kamer, en het +tikken van de klok was als hamerslagen. + +Toen het één sloeg, keerde Campbell zich om en Dorian Gray aanziende, +zag hij tranen in zijn oogen. Er was iets in de volmaaktheid en de +verfijning van dat treurige gezicht, dat hem razend maakte. + +--Je bent laag, schandelijk laag, mompelde hij. + +--Stil Alan, je hebt mijn leven gered, sprak Dorian. + +--Je leven? Groote God wat een leven! Je bent van slechtheid tot +slechtheid gevallen en nu tot misdaad toe. Bij wat je mij dwingt te +doen, denk ik niet aan jouw leven. + +--Alan, fluisterde Dorian, met een zucht. Ik woû, dat je voor mij een +duizendste gedeelte van het medelijden voelde, dat ik nu voor jou +voel. + +Campbell antwoordde niet. + +Tien minuten later werd er geklopt; de knecht kwam binnen, hij droeg +een groote houten kist met scheikundige stoffen; een lange streng +staal-en platinadraad en twee vreemd gevormde ijzeren schragen. + +--Zal ik alles maar hier neêrzetten, meneer? vroeg hij aan Campbell. + +--Ja, zei Dorian. En Francis, dan heb ik nog een boodschap voor je. +Hoe heet die man in Richmond, die altijd orchideeën levert op Selby? + +--Harden, meneer. + +--Juist, Harden. Je moest nu dadelijk naar Richmond gaan, Harden zelf +spreken en zeggen, dat ik tweemaal zooveel orchideeën moet hebben, als +ik besteld had, en zoo weinig mogelijk witte. Het is een prachtige +dag, Francis, en Richmond is een aardige plaats; ik zoû er je anders +niet meê lastig vallen. + +--O, het is niets geen moeite, meneer. Om hoe laat moet ik terug zijn? + +Dorian zag naar Campbell. + +--Hoe lang zal je proef duren, Alan? vroeg hij met rustige, +onverschillige stem. De tegenwoordigheid van een derde in de kamer +scheen hem moed in te boezemen. Campbell fronsde zijn wenkbrauwen en +beet zich op de lippen. + +--Vijf uur, denk ik, antwoordde hij. + +--Dan is het tijd genoeg als je om half acht terug bent, Francis. Of +weet je wat; leg alles voor mij klaar om mij te kleeden, dan kan je +den avond voor jou hebben. Ik eet toch niet thuis, dus heb ik je +verder niet noodig. + +--Dank u, meneer, sprak de knecht, en verliet de kamer. + +--Nu, Alan verlies nu geen minuut. Wat is die kist zwaar. Ik zal hem +voor je dragen. Breng jij de andere dingen dan meê. + +Hij sprak haastig en bevelend. Campbell gevoelde zich door hem +overheerscht. Zij gingen samen de kamer uit. + +Boven gekomen nam Dorian den sleutel uit zijn zak en draaide het slot +open. Toen stond hij even stil, angst in zijn oogen. Hij rilde. + +--Ik kan niet binnen gaan, Alan, fluisterde hij. + +--Het kan mij niet schelen. Ik heb je niet noodig, sprak Campbell +koud. + +Dorian opende half de deur; toen zag hij het gezicht op het portret +grijnzen in de zon. Op den grond er voor lag het afgetrokken gordijn. +Hij herinnerde zich, dat hij van nacht voor het eerst vergeten had het +noodlottige doek te bedekken, en hij wilde er op toesnellen, maar +huiverend week hij terug. + +Wat was die walgelijke roode dauw daar, nat, parelende op een van de +handen, als had het doek bloed gezweet! Het was verschrikkelijk, +verschrikkelijker nog dan dat stille ding daar aan de tafel, waarvan +de grotesk misvormde schaduw op het bevlekte kleed hem aantoonde, dat +het zich niet verroerd had, maar daar nog zat, zooals hij het gelaten +had. + +Hij zuchtte zwaar, opende de deur wat wijder en liep met half gesloten +oogen en afgewend gelaat de kamer binnen, besloten geen blik te werpen +op den dooden man. Toen, zich bukkend, raapte hij den purpergouden +voorhang op, en wierp het over de schilderij. + +Hij bleef stil, bang zich om te draaien en zijne oogen staarden op het +ingewikkeld patroon vóór hem. Hij hoorde Campbell de zware kist +binnenbrengen, en de ijzers, en al het andere wat hij noodig had voor +zijn gruwzaam werk. Hij vroeg zich af, of hij en Basil Hallward elkaâr +ontmoet hadden, en wat zij toen van elkaâr hadden gedacht. + +--Laat mij alleen, sprak een strenge stem achter hem. + +Hij keerde om en haastte zich weg; nog juist bemerkte hij, dat de +doode man achterover was gelegd in den stoel, en dat Campbell staarde +in een glanzig geel gezicht. Toen hij naar beneden ging, hoorde hij +den sleutel in het slot omdraaien. + + * * * * * + +Lang over zeven kwam Campbell terug in de biblioteek. Hij was bleek, +maar volkomen kalm. + +--Ik heb gedaan, wat je mij vroeg, fluisterde hij. En nu vaarwel. Laat +ons elkaár nooit meer zien. + +--Je hebt me gered van den ondergang, Alan. Dat zal ik nooit vergeten, +sprak Dorian eenvoudig. + +Zoodra Campbell weg was, ging hij naar boven. Er was een sterke lucht +van salpeterzuur in de kamer. Maar dat wat aan de tafel had gezeten, +was er niet meer. Een paar gevaarlijke dingen moesten nog vernietigd +worden. Hij huiverde. Hij had een afschuw er aan te raken. + +Toch moest het gedaan worden. Dat begreep hij en de deur van de +bibliotheek gesloten hebbende, opende hij de geheime kast, waarin hij +Basil Hallwards valies en jas geworpen had. Een groot vuur vlamde. Hij +wierp er nog een blok op. + +De lucht van verbrande kleêren en leder was afschuwelijk. Het duurde +drie kwartier eer alles vergaan was. Toen het gedaan was, voelde hij +zich flauw en misselijk; hij stak een paar Algiersche pastilles aan in +een koperen wierookvaatje, en waschte hoofd en handen met een koel, +muskus-geurend toiletwater. Plotseling schrikte hij op. Zijne oogen +werden vreemd schitterend en hij beet zenuwachtig op zijn onderlip. +Tusschen de twee ramen stond een groote Florentijnsche kast van +ebbenhout, ingelegd met ivoor en blauwe lapis. Hij staarde er naar als +een ding, dat betooveren kon en bang kon maken en als hield het iets +in, waarnaar hij verlangde en dat hij toch verafschuwde. Zijn adem +ging vlug, hijgend. Een dol verlangen kwam over hem. Hij stak een +cigarette op en wierp ze weder weg. Zijne oogleden vielen neêr, tot de +lange wimpers rustteden op zijn wang. Maar nog steeds staarde hij naar +de kast. + +Eindelijk stond hij op van de bank, waar hij lag, ging er heen, opende +ze en drukte op een geheime veer. Een driehoekig laadje draaide +langzaam naar buiten. Zijne vingers grepen er instinctmatig iets uit. +Het was een klein chineesch doosje van zwart-en-goudlak, rijk bewerkt; +aan de zijden koorden hingen ronde kristallen en waren metalen draden +doorweven. Hij opende het. Binnen was groene zalf, glanzig als was, +zwaar doordringend van geur. Hij aarzelde nog even, met een vreemden, +strakken glimlach op het gelaat. Hij huiverde, hoewel de atmosfeer van +de kamer stikkend was, en zag op de klok. Het was twintig minuten voor +twaalven. Hij legde de doos weêr weg, deed de deuren van de kast +dicht, en ging naar zijne slaapkamer. + +Terwijl het twaalf uur sloeg met heldere, bronzen slagen, sloop Dorian +Gray, in een oud, ruw pak met een bouffante om den hals, stil zijn +huis uit. In Bond-Street vond hij een hansom met een flink paard. Hij +riep aan en gaf het adres aan den koetsier, met zachte stem. De man +schudde het hoofd. + +--Het is te ver, mompelde hij. + +--Hier heb je een sovereign, zei Dorian, en als je hardt rijdt, krijg +je er nog een. + +--Goed meneer, antwoordde de man; u zal er binnen het uur zijn! + +Toen Dorian ingestapt was, draaide hij om en reed in galop naar de +richting van de Thames. + + + + +XV. + + +Een koude regen begon te vallen en de doffe straatlantarens flikkerden +spookachtig in den druipenden mist. De herbergen werden juist gesloten +en vage mannen en vrouwen verdrongen zich om de deuren. Uit enkele +kroegen klonk een akelig gelach; dronken lui vloekten en schreeuwden. +Achterover in den hansom, zijn hoed diep in de oogen, bezag Dorian +Gray lusteloos die vuile schande van de groote stad, en nu en dan +herhaalde hij de woorden, die Lord Henry eens tot hem gezegd had. De +ziel te genezen door de zinnen, de zinnen door de ziel, Ja, dat was +het geheele geheim. Vaak had hij het beproefd, nu zoû hij het weêr +beproeven. Er waren opiumkitten, waar men vergetelheid kon koopen; +holen vol gruwel, waar de herinnering aan oude zonden uitgewischt +wordt door den hartstocht van nieuwe. + +De maan hing laag in de lucht als een geel doodshoofd. Van tijd tot +tijd strekte een kolossale misvormde wolk een langen arm uit en +verborg haar. De gaslantarens werden zeldzamer, de straten nauwer en +somberder. Eens reed de koetsier verkeerd en moest hij den halven mijl +terugrijden. Damp steeg van het paard op, terwijl het ploeterde door +de plassen. De raampjes van den hansom waren beslagen als met een waas +van grijs flanel. + +De ziel te genezen door de zinnen, de zinnen door de ziel! Hoe zongen +die woorden in zijne ooren! Waarlijk zijne ziel was ziek, tot stervens +toe. Was het waar, dat de zinnen haar konden genezen? Er was +schuldeloos bloed vergoten. Wat kon dat goed maken? O! daar was geen +herstel voor; maar waar vergeving onmogelijk was, was nog vergetelheid +te vinden, en hij had besloten te vergeten, het uit zich weg te +trappen, zooals men een adder, die gestoken heeft, trapt. Welk recht +had Basil gehad tot hem te spreken als hij gedaan had? Wie had hem tot +rechter over anderen gesteld? Hij had dingen gezegd, die afschuwelijk +wreed en niet te verdragen waren geweest. + +De hansom zwoegde voort en het was hem of hij steeds langzamer ging. +Hij boog zich naar buiten en riep den koetsier toe harder te rijden. +Een snerpende honger naar opium begon in hem te bijten. Zijne keel +verschroeide en zijne fijne handen trokken zenuwachtig samen. Boos +sloeg hij naar het paard met zijn stok. De koetsier lachte en zette +het dier wat aan. Hij lachte ook en de man zweeg stil. + +De weg scheen oneindig en de straten waren als een zwart spinneweb. De +eentonigheid werd onverdragelijk, en terwijl de mist dikker en dikker +werd, voelde hij zich bang worden. Zij gingen voorbij eenzame +steenvelden. De mist was hier veel lichter en hij kon de vreemde, +fleschachtige steenovens zien met hun oranje, waaiervormige +vuurtongen. Een hond blafte, terwijl zij voorbij gingen, en ver weg in +de donkerte, krijschte een verdwaalde zeemeeuw. Het paard strompelde +in een goot, zwaaide weêr op zij en zette het toen op een galop. + +Na een poosje verlieten zij den kleiweg en ratelden weêr over ruw +bekeide straten. De meeste vensters waren donker, maar nu en dan +silhouetteden zich een paar schaduwen af op gordijnen. Hij staarde er +naar. Ze bewogen zich als reusachtige marionetten en zij maakten +gebaren als levende wezens. Hij haatte ze. Een stille woede raasde in +zijn hart. Toen zij den hoek omreden, gilde een vrouw ze uit een open +deur iets toe en twee mannen liepen den hansom lang na. De koetsier +sloeg naar ze met zijn zweep. + +Eensklaps hield hij op, met een ruk, aan het eind van een donkere +laan. Boven de lage daken, de uitgekartelde schoorsteenen, de zwarte +masten der schepen. Flarden witte mist hingen als spookzeilen aan de +masten. + +--Hier ergens, meneer? vroeg de koetsier schor door het luikje. + +Dorian schrikte op, zag naar buiten. + +--Hoû hier maar op, antwoordde hij; hij stapte haastig uit, gaf den +koetsier wat hij beloofd had en liep vlug in de richting van de kade. +Hier en daar glom een lantaren in den masttop van eea grooten +koopvaarder. Het licht wiebelde en glinsterde in de plassen. Een roode +gloed kwam van een buitenlandschen steamer, die kolen laadde. De +modderige weg glom als nat gutta-percha. + +Hij spoedde zich voort, keek nu en dan om als werd hij achtervolgd. +Binnen acht minuten bereikte hij een klein, smerig huisje, tusschen +twee kolossale fabrieken. Voor een van de ramen boven was een lamp. +Hij stond stil en gaf een bizonderen klop. Na een poosje hoorde hij +stappen in de gang en werd de ketting opgelicht. De deur ging zachtjes +open en hij trad binnen, zonder een woord voor den gebochelden vorm, +die in de schaduw van de deur neêrhurkte. Aan het einde van de gang +hing een vuil groen gordijn, dat in den wind heen en weêr zwaaide. Hij +trok het op zij in een lange, lage kamer, die er uitzag als een +gemeene danszaal. + +Schel flikkerende gasvlammen brandden aan de muren en werden dof en +verdraaid weêrkaatst in vuile spiegels. Vettige reflectors van geribd +tin hingen er achter en vormden trillende schijven van licht. De grond +was bedekt met geelachtig zaagsel, hier en daar tot modder getrapt. +Een paar Maleiers hurkten bij een klein kolenvuurtje en speelden met +beenen penningen; ze toonden hunne witte tanden, terwijl zij spraken. +In een hoek lag een matroos over de tafel heen, het hoofd in de armen +verborgen; bij de gemeen bont geschilderde toonbank, stonden twee +verloopen vrouwen een ouden man uit te lachen, die zich met walging de +mouwen veegde. + +--Hij denkt dat er roode mieren op zitten, lachte een van haar, toen +Dorian voorbijging. De man zag haar als in vrees aan en begon te +huilen. Aan het eind van de kamer was een trap, die naar een donkere +kamer leidde. Terwijl Dorian de drie wankelende trapjes opsnelde, kwam +zware geur van opium hem tegen. Hij haalde diep adem en zijne +neusvleugels trilden van genot. Toen hij binnenkwam, zag een jonge man +met glad geel haar op van de lamp, waaraan hij een lange dunne pijp +stak en knikte hem aarzelend toe. + +--Jij hier, Adrian? mompelde Dorian. + +--Waar zoû ik anders zijn? antwoorde hij lusteloos. Niemand wil meer +met me spreken. + +--Ik dacht, dat je Engeland verlaten hadt. + +--Darlington is niet van plan iets te doen. Mijn broêr heeft den +wissel betaald. George spreekt ook niet tegen mij ... het kan me ook +niet schelen, voegde hij er bij met een zucht. Zoolang als je dit goed +hebt, heb je geen vrienden noodig. Ik geloof, dat ik er te veel gehad +heb. + +Dorian huiverde. Groteske vormen lagen op gescheurde matrassen. De +verdraaide ledematen, de open monden, de starende oogen bekoorden hem. +Hij wist in welke vreemde hemelen zij nu leden, welke hellekrochten +hun het geheim van een nieuw genot leerden. Zij waren er beter aan toe +dan hij. Hij was gevangen in gedachte. Zijne ziel werd als door eene +afschuwelijke ziekte weggevreten: door herinnering. Van tijd tot tijd +was het hem of de oogen van Basil Hallward hem aanstaarden. Hij +voelde, dat hij hier niet blijven kon. De tegenwoordigheid van Adrian +Singleton hinderde hem. Hij wilde ergens zijn, waar niemand hem kende. +Hij wilde zichzelven ontvluchten. + +--Ik ga ergens anders, zei hij, na stilte. + +--Op de werf? + +--Ja. + +--Die dolle kat zal daar zeker weêr zijn. Ze willen haar hier niet +meer hebben. + +Dorian haalde de schouders op. + +--Ik ben beu van die verliefde vrouwen. Een vrouw, die je haat, is +veel interessanter. Bovendien is de opium daar beter. + +--Vrij wel hetzelfde. + +--Ik vind die andere beter. Ga meê wat drinken. Ik moet iets hebben. + +--Ik wil niets hebben, mompelde de jonge man. + +--Kom! + +Singleton stond lusteloos op en volgde Dorian naar de toonbank. Een +kleurling, met een gescheurden tulband, in een vuilen ulster, grijnsde +hem een groet toe, terwijl hij een flesch brandy en twee glazen +toeschoof. De vrouwen kropen bij elkaâr en begonnen te kakelen. Dorian +keerde ze den rug toe en fluisterde Adrian Singleton iets toe. + +Een verwrongen glimlach striemde over het gelaat van een der vrouwen. + +--Wat zijn we trotsch vandaag! krijschte zij. + +--Spreek in Gods naam niet tegen me! riep Dorian, op den grond +stampend. Wat wil je hebben? Geld? Hier heb je het. En spreek nu nooit +meer tegen me! + +Twee roode vonkjes flikkerden even in hare verglaasde oogen, en +doofden weêr uit. Zij schudde het hoofd en pakte met begeerige vingers +het geld van de toonbank. Haar kameraad zag haar jaloersch aan. + +--Het geeft niets, zuchtte Adrian Singleton. Het kan me niet schelen +om terug te gaan. Wat doet het er toe? Ik ben hier heel tevreden. + +--Zal je mij schrijven, als je wat noodig hebt, sprak Dorian na een +stilte. + +--Misschien. + +--Goeden nacht dan. + +--Goeden nacht, antwoordde de jonge man, terwijl hij de trap weêr +opging en zijn verdroogden mond veegde met een zakdoek. Dorian ging +naar de deur, een trek van pijn op het gelaat. Toen hij de gordijn +wegtrok, brak een afschuwelijke lach over de geverfde lippen van de +vrouw, die zijn geld had aangenomen. + +--Daar gaat het zoontje van den duivel, lachte zij schor. + +--Vervloekt! riep hij uit. Noem mij zoo niet! + +Zij knipte met de vingers. + +--Tooverprins, dat heet je liever, hé! jouwde zij hem achterna. De +slapende matroos sprong op, toen zij dat zeide en zag woest rond. Hij +hoorde de gangdeur dichtvallen. Hij vloog hem achterna. + +Dorian Gray spoedde zich in den druipenden regen langs de kade. Zijne +ontmoeting met Adrian Singleton had hem geroerd, en hij vroeg zich af +of het verlies van dat jonge leven waarlijk zijn schuld was, zooals +Basil Hallward hem zoo beleedigend had verweten. Hij beet zich op de +lippen en een paar seconden was er treurigheid in zijne oogen. Maar +wat kon het hem eigenlijk schelen. Het leven was te kort om nog de +schuld van anderen op zich te nemen. Ieder mensen leefde zijn eigen +leven, en betaalde er den prijs voor. Het was alleen jammer, dat men +zoo dikwijls voor dezelfde fout moest betalen. In zijn zaken met den +mensch, sluit het noodlot nooit zijn boeken. + +En ongevoelig, de zinnen gezet op zonde, met een besmetten geest, eene +ziel in opstand, haastte Dorian Gray zich voort, versnelde zijn stap, +maar terwijl hij afsloeg in een donkere poort,--een kortere weg naar +het beruchte hol,--voelde hij zich op eens beetgepakt van achteren, en +vóór hij zich had kunnen verweren, was hij gekwakt tegen den muur door +een forsche hand om zijn nek. + +Hij vocht als een dolle om zijn leven, en met geweldige inspanning +rukte hij de knellende vingers weg. Dadelijk hoorde hij het overhalen +van een haan en zag hij een loop blinken vlak tegen zijn voorhoofd, +zag hij een korten, breeden man voor zich. + +--Wat moet je? steunde hij. + +--Hoû je stil, sprak de man. Als je je verroert, schiet ik. + +--Je bent gek. Wat heb ik je gedaan? + +--Je verwoestte het leven van Sibyl Vane, was het antwoord. Sibyl Vane +was mijn zuster. Ze heeft zich van kant gemaakt. Ik weet het. En dat +is jouw schuld. Ik heb gezworen, dat ik jou op je beurt vermoorden +zoû. Ik zoek je al jaren. Ik wist heelemaal niet hoe je er uitzag. De +twee menschen, die je hadden kunnen beschrijven, zijn dood. Ik wist +niets van je dan den naam, dien zij je gaf. Ik hoorde dien van nacht +bij toeval. Bid God, want van nacht zul je sterven. + +Dorian Gray werd ziek van angst. + +--Ik heb haar nooit gekend, stamelde hij; ik heb nooit van haar +gehoord. Je bent gek. + +--Je deed beter alles te bekennen, want zoo waar ik James Vane heet, +ik schiet hoor! + +Het was een verschrikkelijk oogenblik. Dorian wist niet wat hij doen +of zeggen zoû. + +--Op je knieën, donderde de man. Ik geef je een minuut om je zonden te +bedenken, geen seconde meer. Ik ga van nacht onder zeil naar Indië, ik +moet hiermeê klaar zijn. Eén minuut en dan uit. + +Dorians armen vielen slap langs zijn lijf. Verlamd van schrik wist hij +niet meer wat te doen. Op eens schoot een radelooze hoop door zijn +brein. + +Hoû op, riep hij. Hoe lang is het geleden, dat je zuster stief? Gauw, +zeg op. + +--Achtien jaar, sprak de man. Waarom vroeg je dat? Wat doen de jaren +er toe! + +--Achtien jaren! lachte Dorian Gray, triomf in zijne stem! Achtien +jaar! Zet me onder die lantaren en kijk me eens goed aan! + +James Vane aarzelde, niet begrijpend wat hij wilde. Toen pakte hij +Dorian Gray beet, en sleurde hem weg uit de poort. Flauw en flikkerend +als het verwaaide lichtje was, toch toonde het hem genoeg zijne +vergissing, zooals het scheen, want het gelaat van den man, dien hij +had willen dooden, was nog frisch en jong. Hij scheen een jongen van +twintig jaar, niet veel ouder dan zijne zuster, toen zij jaren geleden +afscheid hadden genomen. Het was duidelijk, dat deze man het niet kon +geweest zijn. Hij liet zijn greep los en deinsde terug. + +--Mijn God! Mijn God! riep hij; en ik zoû je vermoord hebben! + +Dorian haalde diep adem. + +--Je bebt bijna een verschrikkelijken misdaad begaan, sprak hij +streng. Laat het je een waarschuwing zijn om de wraak niet in eigen +handen te nemen. + +--Vergeef me, meneer, mompelde James Vane. Ik heb me vergist. Een +enkel woord, dat ik hoorde in dat vervloekte hol, bracht me op een +verkeerd spoor. + +--Je deed beter naar huis te gaan, en dat pistool weg te bergen; +anders kom je nog in moeilijkheden, sprak Dorian, die zich omdraaide +en wegging. + +James Vane stond vol ontzetting op de straat. Hij beefde van het hoofd +tot de voeten. Na een korte pooze kwam een zwarte schaduw, die langs +de druipende muren was geslopen, in het licht, bij hem. Hij voelde een +hand op zijn arm en zag met schrik om. Het was een van de vrouwen, die +aan de bar hadden staan drinken. + +--Waarom schoot je niet, siste zij, het uitgeteerde gelaat vlak bij. +Ik wist wel, dat je hem achterna zat, toen je wegvloog van Daly. Ezel! +Je hadt hem moeten vermoorden. Hij heeft schatten van geld en hij is +zoo slecht als je het maar hebben kunt. + +--Hij is niet de man dien ik zoek, antwoordde hij, en ik heb zijn geld +niet noodig. De man, dien ik hebben moet, zal nu een veertig jaar +zijn. Deze is nog een jongen. Goddank! zijn bloed kleeft niet aan mijn +handen. + +De vrouw lachte bitter. + +--Nog een jongen! grijnsde zij. Kerel, het is bijna achttien jaar +geleden, dat de Tooverprins van mij maakte, wat ik nu ben. + +--Je liegt! riep James Vane. + +Zij hief de hand op naar den hemel. + +--Bij God! ik zeg de waarheid, riep zij uit. + +--Bij God? + +--Ik mag dood gaan als het niet zoo is. Hij is de gemeenste kerel, die +hier ooit komt. Ze zeggen, dat hij zich aan den duivel verkocht heeft, +voor een mooi gezicht. Het is bijna achttien jaar geleden, dat ik hem +ontmoette. En hij is niet veel veranderd. Ik wel, voegde zij er bij +met een ellendig gegrinnik. + +--Zweer je het? + +--Ik zweer het, kwam er als met een heesche echo over haar lippen. +Maar verraad me niet aan hem, smeekte ze. Ik ben bang voor hem. Geef +me wat geld voor mijn nachtlogies. + +Hij rukte zich van haar los met een vloek, en rende naar den hoek van +de straat, maar Dorian Gray was verdwenen. Toen hij terug kwam, was de +vrouw ook weg. + + + + +XVI. + + +Een week later zat Dorian Gray in de serre van Selby Royal te praten +met het aardige hertoginnetje van Monmouth, die met haar echtgenoot, +een vermoeiden man van zestig jaar, onder zijne gasten was. Het was +theetijd, en het zachte schijnsel van de groote, met kant gesluierde +lamp op de tafel verlichtte het porcelein en het zilver van het +theeservies, waarover de hertogin prezideerde. Hare witte handen +bewogen zich met gratie tusschen de kopjes en haar volle roode lippen +glimlachten over iets, dat Dorian fluisterde. + +Lord Henry, achterover in een, met zijde gedrapeerden, stoel lag hen +gade te slaan. Lady Narborough deed of zij luisterde naar de +beschrijving, die de hertog haar gaf van den Braziliaanschen kever, +dien hij aan zijne verzameling had toegevoegd. Drie jongelui in +elegante smokings prezenteerden gebakjes aan de dames. Het gezelschap +bestond uit twaalf personen en den volgenden dag werden er meer +verwacht. + +--Waar hebben jullie het over? vroeg Lord Henry, bij de tafel komend +om zijn kopje neêr te zetten. Ik hoop, dat Dorian je verteld heeft van +mijn plan om alles te herdoopen, Gladys. Zoû je het geen aardig idee +vinden? + +--Maar ik heb geen lust herdoopt te worden, Harry, antwoordde de +hertogin, hem aanziende met haar oogen vol charme. Ik ben heel +tevreden met mijn naam, en Mr. Gray zeker ook met den zijne. + +--Gladyslief, ik zoû geen van die twee namen willen veranderen. Ze +zijn beide uitstekend. Ik dacht voornamelijk aan bloemen. Gisteren +plukte ik een orchidee voor mijn knoopsgat. Het was een prachtige +gevlekte, bijna zoo mooi als een van de zeven doodzonden. Op een +ondoordacht oogenblik vroeg ik den tuinman, hoe ze heette. Hij zei zoo +iets van Robinsoniama of iets dergelijks barbaarsch. Het is treurig, +maar we schijnen verleerd te hebben de dingen mooie namen te geven. En +een naam is alles. Ik vecht nooit tegen feiten. Ik vecht alleen tegen +namen. Dat is ook de reden, waarom ik niet van realisme hoû in +literatuur. De persoon, die een spâ, een spâ noemt, moest veroordeeld +worden er zelf een te gebruiken. Dat is het eenige, waarvoor hij +geschikt is. + +--Hoe zouden wij jou dan wel moeten noemen, Harry? vroeg zij. + +--Prins Paradox, zei Dorian. + +--Ja uitstekend, riep de hertogin uit. + +--Ik wil er niets van weten, hoor, lachte Lord Henry, neêrzinkend in +zijn stoel. Een bijnaam raak je nooit kwijt. Ik weiger den titel. + +--Vorsten mogen geen afstand doen, waarschuwden een paar aardige +lipjes. + +--Moet ik dus mijn troon verdedigen? + +--Ja. + +--Ik heb meer hoop op de waarheden van de toekomst. + +--Ik prefereer de mindere perfectie van het heden, antwoordde zij. + +--Je ontwapent me, Gladys, riep hij, in haar dartelheid komend. + +--Alleen van je schild, Harry: je hebt nog je speer. + +--Die hef ik nooit op tegen schoonheid. + +--Dat is juist een fout van je, Harry, geloof me. Je hecht veel te +veel aan uiterlijk schoon. + +--Hoe kan je dat zeggen? Ik geef toe, dat ik liever mooi ben dan +braaf. Maar daarentegen zal ik de eerste zijn om toe te stemmen, dat +braafheid nòg beter is dan leelijkheid. + +--Leelijkheid is dus een van de zeven doodzonden? riep de hertogin. +Wat wordt er dan van je symbool van de orchidee? + +--Leelijkheid is een van de zeven hoofddeugden, Gladys. Jij, als een +goede Tory, móet ze waarlijk niet minachten. Bier, de Bijbel en de +zeven hoofddeugden hebben Engeland gemaakt wat het is. + +--Je houdt dus niet van je land? vroeg zij. + +--Ach, ik leef er in. + +--Om er zelf over te kunnen oordeelen? + +--Woû je dan, dat ik de opinie van heel Europa er over raadpleegde? + +--Wat zeggen ze dan van ons? + +--Dat Tartuffe is overgestoken naar Engeland en er een winkel heeft +opgezet. + +--Is die van jou, Harry? + +--Je mag hem hebben. + +--Ik zoû hem toch niet kunnen gebruiken. Hij is te waar. + +--O, daar behoef je niet bang voor te zijn; de Engelschen herkennen +zichzelve nooit in een beschrijving. + +--Ze zijn er te practisch voor. + +--Ze zijn meer geslepen dan wel practisch. Als ze hun grootboek +opmaken, laten ze stomheid opwegen tegen beleid, en slechtheid tegen +veinzerij. + +--En toch hebben we groote dingen gedaan. + +--Groote dingen zijn ons toegeworpen, Gladys. + +--Wij hebben dan toch den last ervan gedragen. + +--Nu ja, maar ook niet verder dan de effectenbeurs. + +Zij schudde het hoofd. + +--Ik heb nog al vertrouwen in het ras, riep zij. + +--Het reprezenteert de opkomst van parvenu's. + +--Het bezit vooruitgang. + +--Ik hoû meer van verval. + +--Wat denk je dan van kunst? vroeg ze. + +--Een ziekte. + +--Illuzie. + +--Godsdienst? + +--Een moderne plaatsvervanger van geloof. + +--Je bent een sceptikus. + +--Nooit! Scepticisme is het begin van geloof. + +--Wat ben je eigenlijk? + +--Beschrijven is begrenzen. + +--Geef mij een draad, een kluwen. + +--Draden breken. Je zoû verdwalen in een labyrinth. + +--Je bent vermoeiend! Laat ons over iets anders spreken. + +--Onze gastheer is een verrukkelijk onderwerp van gesprek. + +--Jaren geleden is hij gedoopt als: Tooverprins. + +--O, herinner mij daar niet aan! riep Dorian Gray. + +--Onze gastheer is niets aardig van avond, antwoordde de hertogin met +een kleur. Ik geloof, dat hij denkt, dat Monmouth mij alleen getrouwd +heeft om het beste exemplaar te bezitten van een moderne kapel. + +--Nu, ik hoop, dat hij u niet met spelden zal prikken, lachte Dorian. + +--O, dat doet mijn kamenier al, als ze boos op mij is. + +--En waarom is zij dan boos op u? + +--Om de kleinste kleinigheid, dat verzeker ik u. Meestal omdat ik tien +minuten voor negenen thuis kom, en haar dan zeg, dat ik om half negen +klaar moet zijn. + +--Hoe onredelijk van haar. Ik zoû haar den dienst opzeggen. + +--Ik durf niet, Mr. Gray. Verbeeldt u, ze verzint hoeden voor mij. +Herinnert u zich den hoed, dien ik droeg op de garden-party van Lady +Hilstone? U is hem glad vergeten, maar het is toch aardig van u, dat u +doet alsof u het weet. Nu, die heeft ze uit niets gemaakt. Alle goede +hoeden worden gemaakt uit niets. + +--Evenals goede reputaties, Gladys, viel Lord Henry in. Ieder effekt +kost je een vijand. Om populair te zijn moet je een middelmatigheid +wezen. + +--Niet bij de vrouwen, zeide de hertogin het hoofd schuddend; en +vrouwen regeeren de wereld. Ik verzeker je, dat wij middelmatigheden +niet kunnen uitstaan. Wij vrouwen hebben lief met onze ooren, zooals +jullie mannen liefhebt met je oogen, als jullie tenminste ooit lief +hebben. + +--Ik geloof, dat wij nooit iets anders doen, murmelde Dorian. + +--O! maar dan zal u nooit werkelijk liefhebben, Mr. Gray, antwoordde +de hertogin met grappige treurigheid. + +--Mijn lieve Gladys! riep Lord Henry. Hoe kan je dat zeggen? lederen +keer, dat je van iemand houdt, is die weêr de eenige, dien je +liefhebt. Wij kunnen in het leven hoogstens ééne groote ondervinding +doen, en het geheim is juist, die ondervinding te herhalen, zoo +dikwijls het mogelijk is. + +--Zelfs wanneer je er door verwond bent geweest, vroeg de hertogin na +eene pauze. + +--Dan juist, antwoordde Lord Henry. + +De hertogin wendde zich om en zag naar Dorian Gray, met vreemde +uitdrukking in haar oogen. + +--Wat zegt u daarvan, Mr. Gray? vroeg zij. + +Dorian Gray aarzelde even. Toen wierp hij het hoofd terug en lachte. + +--Ik ben het altijd eens met Harry. + +--Zelfs als hij ongelijk heeft? + +--Harry heeft nooit ongelijk. + +--En maakt deze filozofie u gelukkig? + +--Daar heb ik nooit naar gestreefd. Wie wil nu gelukkig zijn? Ik heb +genot gezocht. + +--En gevonden? + +--Dikwijls. Te dikwijls. + +De hertogin zuchtte. + +--Ik streef naar vrede, zeide zij; en als ik mij nu niet ga kleeden, +zal ik dien van avond niet vinden. + +--Mag ik u een paar orchideeën halen, hertogin? vroeg Dorian Gray, +terwijl hij vlug opstond en naar de oranjerie liep. + +Je flirt schandelijk met hem, zei Lord Henry tot zijn nichtje. Je mag +wel oppassen. Hij kan je direkt inpalmen. Hij heeft veel charme. + +--Als hij dat niet had, zoû er geen aardigheid aan zijn. + +--Het zijn dus Grieken tegen Grieken? + +--Ik ben aan de zijde van de Trojanen. Die vochten om een vrouw. + +--Ze werden verslagen. + +--Er bestaan erger dingen dan verslagen te worden, antwoordde zij. + +--Je galoppeert met een lossen teugel. + +--Zoo een galop brengt je bloed in beweging. + +--Ik zal het van avond in mijn journaal opschrijven. + +--Wat! + +--Dat een kind, dat zich ééns gebrand heeft, liefst met vuur speelt. + +--Ik ben niet eens geschroeid. Mijn vleugels zijn nog heel. + +--Je gebruikt ze voor alles behalve om te vliegen. + +--De moed is van de mannen overgegaan op de vrouwen. Het is niets +nieuws voor ons. + +--Je hebt een rivale. + +--Wie? + +Hij lachte. + +--Lady Narborough! fluisterde hij. Ze is dol op hem. + +--Je maakt me bang. Een beroep op de oudheid is altijd noodlottig voor +ons romantisten. + +--Romantisten? Je bent van alles wat. + +--De mannen hebben ons opgevoed. + +--Maar nooit doorgrond. + +--Beschrijf ons eens als sekse, daagde zij uit. + +--Sfinxen zonder geheimen. + +Zij zag hem aan en glimlachte. + +--Wat blijft Mr. Gray lang weg. Willen wij hem gaan helpen? Ik heb hem +nog niet de kleur van mijn toilet gezegd. + +--O, die moet je regelen naar zijn bloemen, Gladys. Dat zoû een +voorbarige overgave zijn. + +--Romantische kunst begint bij het toppunt. + +--Ik moet een uitweg open houden. + +--Zooals de Parthen? + +--Die waren veilig in de woestijn. Dat kan ik niet zijn. + +--Vrouwen wordt niet altijd een keus gelaten, antwoordde hij ... maar +pas had hij dit gezegd of van het andere einde van de serre kwam het +geluid van een onderdrukt gekreun, gevolgd door den doffen slag van +een zwaren val. Ieder schrikte op. De hertogin stond bewegingloos van +vrees. Met angst in de oogen vloog Lord Henry langs de wuivende palmen +en vond Dorian Gray doodsflauw liggen, het gelaat op den grond. + +Hij werd dadelijk in den blauwen salon gedragen en op een der sofa's +gelegd. Spoedig kwam hij bij en zag verbaasd rond. + +--Wat is er gebeurd? vroeg hij. O, ik weet het al weêr. Ben ik hier +veilig, Harry? + +En hij begon te sidderen. + +--Je bent even flauw geweest, Dorian, anders niet. Je hebt je zeker +oververmoeid. Je moest maar niet aan het diner komen. Ik zal je plaats +wel innemen. + +--Neen, ik kom beneden, sprak hij, moeilijk oprijzend. Ik kom liever +beneden. Ik moet niet alleen blijven. + +Hij ging naar zijn kamer en kleedde zich. + +Hij was luidruchtig vroolijk aan tafel, maar nu en dan liep er een +straal van angst over hem, als hij zich herinnerde hoe hij tegen een +ruit van de serre, als een witten doek, het gelaat van James Vane had +gezien, die hem bespiedde. + + + + +XVII. + + +Den volgenden dag ging hij het huis niet uit, en was hij meest alleen +in zijne kamer, zielsbang om te sterven en toch onverschillig voor het +leven zelve. De gedachte, dat hij nagespoord, achtervolgd werd, hing +als een donkere wolk steeds over hem. Als de gordijnen in de wind heen +en weêr bewogen, begon hij te beven. De doode blaren, die tegen de +ruiten opgezwiept werden, waren hem als zijn eigen verwaaide +voornemens en berouwvolle buien. Sloot hij zijne oogen, dan zag hij +weêr voor zich het gelaat van den matroos, dat gluurde door het +beslagen glas en angst scheen weêr zijne hand te leggen op zijn hart. + +Maar misschien was het slechts verbeelding, die de wraak had +opgeroepen en folterstraffen voor zijne oogen deed verrijzen! Het +leven was een chaos, maar er was zoo iets verschrikkelijk logisch in +de verbeelding. Het was de verbeelding, die het berouw aanhitste op de +zonde! Het was de verbeelding, die iedere misdaad bevruchtte met +misvormd gebroedsel. In het gewone leven der feiten werd de zonde niet +gestraft, noch de deugd beloond. De sterke overwon, de zwakke moest +het onderspit delven. Dat was al. Buitendien, als een vreemde zoo +geslopen had om het huis, zoû hij toch gezien zijn door de tuinlui of +de opzichters. Hadden er voetstappen gestaan op de bloemperken, dan +zouden de tuinlui het aangegeven hebben. Ja, het was zuivere +verbeelding; Sibyl Vane's broêr was niet teruggekomen om hem te +vermoorden. Hij was weggezeild op zijn schip en ergens op zee. Voor +hem was hij in ieder geval veilig. De man wist immers niet wie hij +was, kon het ook nooit weten. Het masker der jeugd had hem gered. Maar +al was het ook slechts een spel der verbeelding geweest, hoe +verschrikkelijk was het toch te denken, dat het geweten zoo +afschuwelijke spoken kon oproepen, ze een vorm kon geven, ze kon doen +bewegen, voor ons heen! Wat zoû zijn leven zijn, zoo die spooksels +zijner zonden hem bij dag en nacht uit stille hoekjes aangluurden, hem +uit schuilplaatsen uitlachten, hem in het oor fluisterden als hij aan +een diner zat, en hem wekten met ijzige vingers, als hij sliep. +Terwijl deze gedachte in zijn brein kroop, werd hij bleek van +ontzetting; de atmosfeer om hem heen scheen te verkillen. O! in een +uur van krankzinnigheid had hij zijn vriend vermoord! Spookachtig was +de herinnering aan die scène. Hij zag het alles weêr. Iedere +kleinigheid kwam met wreede juistheid bij hem op. Uit de zwarte +spelonk van den tijd rees het beeld zijner zonde, als een purper +fantoom van ontzetting. Toen Lord Henry om zes u bij hem kwam vond hij +hem snikken, als zoû zijn hart breken. + +Den derden dag eerst durfde hij naar buiten gaan. Er was iets in de +heldere, dennengeurende lucht van dien wintermorgen, dat hem +vroolijkheid en levenskracht scheen terug te geven. + +Na het ontbijt wandelde hij een uur langer met de hertogin in den +tuin, en reed toen door het park om zich bij de jagers te voegen. +Heele fijne ijzel lag als zout op het gras. De lucht was een klok van +blauw metaal. Een dun vliesje ijs voor aan de rieten boorden van het +meer. Aan den hoek van een dennenbosch zag hij Sir Geoffry Clouston, +den broêr der hertogin, die een paar geketste kogels uit zijn geweer +haalde. Hij sprong van zijn wagentje af, beval den groom naar huis te +gaan, en baande zich een weg naar zijne gasten, door het verdorde +hakhout. + +--Goede jacht, Geoffry? vroeg hij. + +--Niet al te best, Dorian. Ik denk, dat de vogels allemaal naar het +open veld zijn getrokken. Het zal na het lunch wel beter gaan, als we +op het nieuwe terrein jagen. + +Dorian wandelde naast hem voort. De scherp gekruidde lucht, de bruine +en roode lichtjes, die in het bosch schitterden van tijd tot tijd, de +kreten der drijvers en daarop het knallen der geweren, deed hem +aangenaam aan, vervulde hem met zalig gevoel van vrijheid. Hij werd +overheerscht door eene zorgeloosheid van geluk, door de +onverschilligheid van het genot. + +Op eens sprong er uit een hoopje verdord gras, enkelen afstand voor +hem uit, een haas, de zwartgestipte ooren steil overeind, de lange +achterpooten rechtuit gestrekt. Hij vluchtte naar een elzenboschje. +Sir Geoffrey legde aan, maar er was iets in de gracieuze bewegingen +van het dier, dat Dorian bekoorde, en hij riep: + +--Niet schieten, Geoffrey, laat hem! + +--Wat een nonsens, Dorian! lachte de ander, en toen de haas in het +boschje sprong, vuurde hij. Twee kreten werden gehoord, de kreet van +een haas in pijn, die verschrikkelijk is, de kreet van een mensch in +doodsnood, die vreeslijker klinkt. + +--Groote God! Ik heb een van de drijvers getroffen, riep Sir Geoffrey +uit. Wat een ezel ook om voor de geweren te komen. Hoû op met +schieten! riep hij zoo hard mogelijk; er is iemand geraakt! + +De opperjager kwam aanloopen, een stok in de hand. + +--Waar meneer? Waar is hij? riep hij uit. Tegelijkertijd hield het +vuren overal op. + +--Hier, antwoordde Sir Geoffry ontstemd, ijlend naar het boschje. +Waarom hoû je je menschen toch niet uit den weg? Mijn geheele dag is +er door bedorven. + +Dorian volgde hen met den blik toen zij in het elzenboschje drongen en +de buigzame, dunne takken op zij schoven. Spoedig verschenen zij weêr, +zij trokken een lichaam achter zich voort, in het zonlicht. Hij keerde +zich om in afschuw. Het was hem of het ongeluk hem volgde waar hij +ging. Hij hoorde Sir Geoffry vragen of de man waarlijk dood was; toen +het ja van de jager. Het was hem of het bosch begon te leven, als met +vele gezichten. Hij hoorde het getrappel van duizenden voeten, het +doffe gemurmel van stemmen. Een groote fazant, met koperkleurige +borst, fladderde door de takken boven hen. + +Na eenige oogenblikken, eindelooze uren van marteling, voelde hij een +hand op zijn schouder. Hij schrikte, en zag om. + +--Dorian, zei Lord Henry; zoû ik maar niet zeggen, dat de jacht van +daag moet ophouden. Het staat niet om er meê door te gaan. + +--Ik woû, dat ze nooit meer jaagden, Harry! antwoordde hij bitter. Het +is verschrikkelijk wreed. Zoû de man waarlijk ... + +Hij kon zijn zin niet voleindigen. + +--Ik vrees van ja, hernam Lord Henry. Hij kreeg het volle schot in de +borst. Hij moet bijna onmiddelijk dood geweest zijn. Kom, ga meê naar +huis. + +Zij liepen samen in de richting van de laan, en spraken geen woord. +Eindelijk zag Dorian Lord Henry aan, en, met een zucht: + +--Het is een slecht teeken Harry, een slecht voorteeken. + +--Wat? vroeg Lord Henry. O, dit ongeluk zeker. Maar kerel, daar kon +niemand iets aan doen. Het was zijn eigen schuld. Waarom kwam hij ook +voor de geweren? Buitendien, hebben wij er heelemaal niets meê te +maken. Het is natuurlijk heel vervelend voor Geoffrey. Je mag zoo maar +geen drijvers schieten. En de menschen zullen zeggen, dat hij een +slecht jager is. Nu dat is niet zoo. Geoffrey mikt uitstekend. Maar +het geeft niets of we daar nu al over spreken. + +Dorian schudde het hoofd. + +--Het is een slecht voorteeken, Harry. Ik heb een gevoel of er iets +vreeselijks gebeuren zal met iemand van ons. Misschien met mij, voegde +hij er bij, en streek zich met de hand langs de oogen als had hij +pijn. + +Lord Henry lachte. + +--Het eenige vreeselijke in de wereld is je te vervelen, Dorian. Dat +is de eenige zonde, waarvoor geen vergeving is. Maar daar zullen wij +geen last van hebben, als ze er tenminste niet over kakelen aan het +diner. Ik zal ze zeggen, dat ze er niet over moeten spreken. En dan, +er bestaan geen voorteekens. Het noodlot zendt heusch geen herauten +uit. Trouwens, wat zoû jou nu kunnen gebeuren? Je hebt alles wat een +mensch maar verlangen kan. Iedereen zoû met je willen ruilen. + +--En ik zelf zoû met den eerste den beste willen ruilen, Harry, lach +niet. Ik zeg de waarheid. De stakkerd die pas doodgeschoten is, is er +beter aan toe dan ik. Ik ben niet bang voor den dood zelf. Het is het +aankomen van den dood, dat me zoo akelig maakt. Het is of ik zijn vale +vleugels hoor wapperen in de zware lucht om mij heen ...! Groote God! +Zie je daar niemand achter de boomen, die mij beloert? + +Lord Henry zag in de richting die de trillende hand wees. + +--Ja, zeide hij, met een glimlach; ik zie den tuinman. Hij zal je +moeten vragen, welke bloemen je van avond voor je tafel hebben wilt. +Wat ben je toch nerveus. Je moet maar eens met me meêgaan naar mijn +dokter als we weêr in de stad zijn. + +Dorian slaakte een zucht van verlichting toen hij den tuinman naderbij +zag komen. De man kwam even aan zijn hoed en zag aarzelend naar Lord +Henry. Toen haalde hij een brief te voorschijn, dien hij zijn meester +overhandigde. + +--De hertogin zei mij, op antwoord te wachten, fluisterde hij. + +Dorian stak den brief in zijn zak. + +--Zeg aan de hertogin, dat ik zoo thuis kom, zei hij koel. De man +keerde terug naar het huis. + +--Wat kunnen vrouwen toch gewaagde dingen doen! lachte Lord Henry. Het +is een van haar kwaliteiten, die ik het meest bewonder ... Een vrouw +zal met den eersten den besten man flirten, zoolang er maar iemand is, +die er op let. + +--En wat kan jij gewaagde dingen zeggen, Harry. Op het oogenblik ben +je glad mis. Ik vind het hertoginnetje heel aardig, maar ik hoû niet +van haar. + +--En het hertoginnetje houdt heel veel van jou, maar vindt je niet +bizonder aardig, dus jullie staan gelijk. + +--Je spreekt kwaad, Harry, en kwaadsprekerij is altijd ongegrond. + +--De bazis van ieder schandaaltje is een onzedelijke zekerheid, zei +Lord Henry, een cigarette opstekend. + +--Je ontziet niemand of niets, als het je te doen is om een epigram, +was het antwoord. + +--Ik woû, dat ik kon liefhebben! Maar ik schijn de passie verloren en +den lust er toe vergeten te hebben. Ik ga te veel op in mijzelven. +Mijn eigen persoon is mij een last geworden. Ik wil weg, ver weg, en +vergeten. Het was dom van me hier te komen. Ik zal Harvey +telegrafeeren om mijn yacht uit te rusten. Op een schip ben je pas +veilig. + +--Veilig waarvoor? Dorian? Je zit in moeilijkheid. Waarom zeg je mij +het niet? Je weet, ik zoû je helpen. + +--Ik kan het je niet zeggen, Harry, antwoordde hij treurig. En +misschien is het ook maar verbeelding van me. Dit ongeluk heeft mij +overstuur gemaakt. Ik heb een afschuwelijk voorgevoel, dat zoo iets +ook met mij zal gebeuren. + +--Wat een nonsens! + +--Ik hoop het niet, maar ik voel het toch. O! daar is de hertogin; ze +ziet er uit als Artemis in een tailor made toilet. U ziet, we zijn +terug, mevrouw. + +--Ik weet er alles van, Mr. Gray, antwoordde zij. Die arme Geoffrey is +er heel naar onder. En het schijnt, dat u hem net nog vraagde, niet te +schieten, niet waar? Hoe vreemd! + +--Ja, het was heel vreemd. Ik weet niet, hoe ik daartoe kwam. Een +gril, denk ik. Het beestje zag er zoo aardig uit. Maar het spijt me, +dat ze u verteld hebben van dien man. Het is een verschrikkelijke +geschiedenis. + +--Een verschrikkelijke geschiedenis! viel Lord Henry in. Het heeft +niet de minste psychologische waarde. Als Geoffrey het expres gedaan +had, zoû het veel interessanter zijn. Ik woû, dat ik iemand kende, die +een moord begaan had. + +--Harry, je bent verschrikkelijk! riep de hertogin. Vindt u ook niet, +Mr. Gray? Harry, Mr. Gray wordt weêr niet wel! Hij zal flauw vallen. + +Dorian overheerschte zich en glimlachte. + +--Het is niets, murmelde hij; mijn zenuwen zijn wat in de war. Dat is +alles. Ik heb zeker te ver geloopen van morgen. Ik heb niet gehoord +wat Harry zei. Was het erg slecht? U moet het mij bij gelegenheid +vertellen. Ik denk, dat ik nu wat zal gaan liggen. U excuseert me, +niet waar? + +Ze hadden de breede trap bereikt, die van de serre leidde naar het +terras. Toen de deur zich achter Dorian sloot, zag Lord Henry de +hertogin aan met zijne half geloken oogen. + +--Hoû je erg veel van hem? vroeg hij. + +Zij antwoordde eerst niet, en staarde naar het parkgezicht buiten. + +--Ik woû, dat ik het wist, zei ze ten laatste. + +Hij schudde het hoofd. + +--Kennis is noodlottig. Onzekerheid bekoort. In een schemerlicht zijn +de dingen veel mooier. + +--Maar je kan dan verdwalen. + +--Alle wegen komen op het zelfde punt uit, Gladys-lief. + +Welk punt? + +--Desilluzie. + +--Dat was mijn debuut in het leven, zuchtte zij. + +--Het kwam gekroond tot je. + +--Ik heb genoeg van fleurons. + +--Ze staan je toch goed. + +--Alleen in het publiek. + +--Je zoû ze missen. + +--Ik zal ook geen blaadje weg doen ... + +--Pas op, Monmouth zal hooren ... + +--De ouderdom is hardhoorig. + +--Is hij nooit jaloersch geweest? + +--Ik woû het. + +Hij zag rond als zocht hij iets. + +--Wat zoek je? vroeg zij. + +--Het dopje van je floret, antwoordde hij. Je hebt het laten vallen. + +Zij lachte. + +--Ik heb mijn masker nog. + +--Dat maakt je oogen nòg mooier. + +Zij lachte weêr. Hare tanden waren als de blanke pitten in een +purperen vrucht. + +In zijne kamer lag Dorian Gray op een bank, terwijl een angst tintelde +in iedere zenuw van zijn lichaam. Het leven was hem plotseling te +zwaar geworden. De dood van den ongelukkigen drijver scheen hem een +noodlottig teeken toe. Hij was bijna flauw gevallen bij wat Lord Henry +zei in cynische scherts. + +Om vijf uur belde hij den knecht, gaf zijne orders om in te pakken +voor den nachttrein naar Londen, en bestelde den brougham voor half +negen. Hij wilde geen nacht langer in Selby Royal slapen. Het was een +noodlottige plaats. De dood wandelde hier rond in den zonneschijn. Het +gras in het bosch was gedrenkt met bloed. + +Toen schreef hij aan Lord Henry, dat hij naar de stad ging om zijn +dokter te consulteeren en vroeg hem tevens de honeurs waar te nemen +bij zijne gasten. Terwijl hij het briefje in een enveloppe schoof, +werd er geklopt en kwam de knecht zeggen, dat de opperjager hem +spreken wilde. Zijn voorhoofd rimpelde zich en hij beet zich op de +lip. + +--Laat hem binnenkomen, sprak hij na korte aarzeling. + +Zoodra de man binnenkwam, nam Dorian zijn cheque-boek uit een lade, en +legde het open vóór zich. + +--Je komt zeker voor dat ongeluk van van morgen, Thomson? zei hij, +eene pen opnemend. + +--Ja meneer. + +--Was de arme kerel getrouwd? Laat hij familie achter? Dan zal ik ze +geld zenden, zooveel als je denkt, dat ze noodig hebben. + +--Wij weten niet, wie hij is, meneer. Dat kwam ik u juist zeggen. + +--Weet je niet wie hij is? vroeg Dorian mat. + +--Wat meen je? Was hij dan niet een van de drijvers? + +--Neen, meneer. Niemand heeft hem vroeger ooit gezien, hij lijkt wel +een matroos of zoo iets. + +De pen viel Dorian uit de hand; het was of zijn hart plotseling stil +stond. + +--Een matroos? riep hij uit. Een matroos, zeg je? + +--Ja meneer. Ik geloof het wel, hij is tenminste getatoueerd op beide +armen. + +--Is er iets bij hem gevonden? zei Dorian voorover leunend en den man +gejaagd aanziend. + +--Iets waaruit je zijn naam kan opmaken? + +--Wat geld, meneer, niet veel en een revolver. Daar was geen naam op +of iets. Hij ziet er vrij fatsoenlijk uit, wat ruw. Ik geloof zeker +een matroos. + +Dorian sprong op. Een machtige hoop fladderde door hem heen. + +Hij klampte er zich aan vast. + +--Waar is het lijk? riep hij. Gauw, ik moet het zien. + +--Het ligt in een leêge stal in de Home Farm. De menschen willen zoo +iets liever niet in huis hebben. Ze zeggen, dat een lijk ongeluk +aanbrengt. + +--De Home Farm! ga gauw vooruit, ik kom dadelijk. Zeg aan den groom om +mijn paard te zadelen. Neen het hoeft niet. Ik zal zelf naar de +stallen gaan. Dat gaat gauwer. + +In minder dan een kwartier galoppeerde Dorian Gray zoo hard hij kon de +lange laan door. De boomen zweefden als een spectrale processie langs +hem heen, en wilde schaduwen wierpen zich voor hem neer op het pad. +Het paard schrikte voor een wit hek en wierp hem bijna af. Hij +ranselde het met zijn karwats. Het doorkliefde de lucht als een pijl. +De steenen vlogen onder zijn hoeven weg. + +Hij bereikte Home Farm. Twee mannen stonden in den hof. Hij sprong uit +het zadel en wierp ze zijn teugels toe. In den versten stal glinsterde +een lichtje. Er was iets, dat hem zeide, dat daar het lijk lag, en hij +ging naar de deur en legde de hand op den knop. + +Toen aarzelde hij even, voelende, dat hij iets ontdekken zoû, waaraan +zijn leven hing. Daarna wierp hij de deur open, en trad binnen. + +Op een hoop zakken, in een hoek, lag het lijk van een man, gekleed in +een grof hemd en een blauwe broek. Een gevlekte zakdoek was over het +gezicht gespreid. Een kaars in een flesch spatterde er naast. + +Dorian Gray rilde. Hij voelde, dat zijne hand dien zakdoek niet weg +kon nemen en riep een van de boerenknechts om bij hem te komen. + +--Neem dat ding van het gezicht weg. Ik wil hem zien, sprak hij, en +pakte de deurpost als steun. + +Toen de knecht het gedaan had, trad hij wat vooruit. Een jubelkreet +kwam over zijne lippen. De man, die in het boschje was doodgeschoten, +was James Vane. + +Hij bleef nog eenige oogenblikken staren op het lijk. Toen hij naar +huis reed, stonden zijn oogen vol tranen; hij wist, dat hij nu veilig +was. + + + + +XVIII. + + +--Het geeft je toch niet of je mij al vertelt, dat je braaf gaat +worden, riep Lord Henry, terwijl hij zijne witte vingers doopte in een +rood koperen kom met rozewater. Je bent uitstekend zooals je bent. +Verander dus niets aan jezelf. + +Dorian Gray schudde het hoofd. + +--Neen Harry, ik heb te veel slechts gedaan in mijn leven. Ik ga mijn +leven beteren. Gisteren ben ik er mee begonnen. + +--Waar was je gisteren? + +--Buiten. Ik logeerde heel alleen in een klein logementje. + +--Maar jongenlief, iedereen kan braaf zijn buiten. Daar is niet de +minste verleiding. Dat is ook de reden, waarom buitenmenschen zoo +ongecivilizeerd zijn. Civilizatie is niet zoo gemakkelijk te bereiken. +Je kunt er op twee manieren aan komen. Door ontwikkeling en door +zedenbederf. Buitenmenschen kennen geen van beiden, dus blijven zij +staan. + +--Ontwikkeling en zedenbederf, herhaalde Dorian. Ik heb van beide iets +gekend. Ik vind het verschrikkelijk, dat ze altijd samen moeten gaan. +Want ik heb een nieuw ideaal, Harry. Ik ga me beteren. Ik geloof, dat +ik al goed op weg ben. + +--Je hebt me nog niet verteld, wat je brave daad van gisteren was. Of +heb je er meer dan één gedaan? vroeg Lord Henry, en hij stapelde op +zijn bord eene kleine pyramide van aardbeien, besneeuwde ze met +suiker. + +--Ik zal het je vertellen, Harry. Het is niet iets wat ik aan een +ander zeggen zoû. Ik heb iemand gespaard. Het klinkt erg ijdel, maar +je weet wat ik er meê bedoel. Ze was heel mooi, heel lief. Ze leek op +Sibyl Vane. Ik geloof, dat mij dat het eerst tot haar aantrok. Je +herinnert je Sibyl nog, niet waar? Wat schijnt dat lang geleden! Nu, +Hetty was niet van onzen stand natuurlijk. Ze was een boerenmeisje. +Maar ik hield waarlijk van haar. Ik weet zeker, dat ik van haar hield. +De heele mooie maand Mei, ging ik twee-, driemaal in de week naar haar +toe. Gisteren wachtte zij mij op in den kleinen boomgaard. De +appelbloesems regenden over haar heen en zij lachte. Wij zouden van +morgen vroeg zijn weggeloopen. Op eens besloot ik haar te verlaten, +zooals ik haar gevonden had, rein als een bloem. + +--Ik geloof gaarne, dat de nieuwigheid van die emotie je een prettig +gevoel gegeven moet hebben, Dorian, viel Lord Henry in. Maar ik kan de +idylle voor je afmaken. Je gaf haar een goeden raad en brak meteen +haar hart. Dat is nu het begin van je hervorming. + +--Harry, je bent onverdragelijk! Je moet zulke akelige dingen niet +zeggen, Hetty's hart is volstrekt niet gebroken. Natuurlijk huilde +zij, en zoo wat meer. Maar er ligt geen schande op haar. Zij kan als +Perdita voortleven in haar hof van kruizemunt en goudsbloemen. + +--En treuren over een trouweloozen Florizel, lachte Lord Henry. Dorian +je kan verschrikkelijke naïeve idees hebben. Denk je nu werkelijk, dat +het kind ooit tevreden zal zijn met iemand uit haar stand. Ze zal wel +eens trouwen met een ruwen karrevoerder of een grinnekenden boer. Maar +het feit alleen, dat ze je ontmoet heeft en dat ze van je gehouden +heeft, zal haar leeren haar man te minachten en zal ze diep ongelukkig +worden. Uit een zedelijk oogpunt kan ik nu niet zeggen, dat ik je +opoffering heel bizonder vind. Zelfs voor een begin heeft het weinig +te beteekenen. Buitendien, hoe weet je, dat Hetty nu op dit moment +niet drijft in een plas met sterren boven haar en mooie waterlelies om +haar heen, als Ofelia. + +--O, Harry! Je bespot eerst alles en dan haal je de grootste tragedies +op. Het spijt me nu, dat ik het je vertelde. Het kan mij niet schelen, +wat je ook beweert. Ik voel, dat ik goed deed. Arme Hetty! Toen ik van +morgen de boerderij voorbijreed, zag ik haar wit gezichtje aan een +raam, als een bleek jasmijnentakje. Laat ons er niet meer over praten +en tracht nu maar niet te bewijzen dat mijn eerste goede daad, de +eerste opoffering, die ik mij sedert jaren getroostte, eigenlijk weêr +een soort van zonde is. Ik wil beter worden. Ik zal beter worden. +Vertel me maar iets over jezelven. Wat gebeurt er hier in de stad? Ik +ben in dagen niet meer naar de club geweest. + +--Ze hebben het nog erg druk over de verdwijning van Basil. + +--Ik begrijp niet, dat ze daar nog niet genoeg van hebben, zei Dorian, +terwijl hij zich een glas wijn inschonk, en zijn voorhoofd rimpelde. + +--Jongenlief, ze praten er pas zes weken over, en het Britsche publiek +is heusch niet in staat om meer dan één onderwerp in de drie maanden +te bepraten. In den laatsten tijd hebben ze het erg druk gehad. Eerst +mijn divorce, toen de zelfmoord van Alan Campbell en nu de +geheimzinnige verdwijning van een voornaam artist. Scotland Yard houdt +vol, dat de man in den grijzen ulster, die den 9den Nov. met den +nachttrein naar Parijs vertrok, Basil was, en de Fransche politie +verklaart, dat Basil nooit in Parijs is aangekomen. Over een dag of +veertien zullen ze vertellen, dat hij in San Francisco gezien is. Het +is zeker een heerlijke stad, met al de attracties van de wereld +hiernamaals. + +--Wat denk jij, dat er met Basil gebeurd is? vroeg Dorian, zijn +Bourgonje tegen het licht houdend, zelve verwonderd, dat hij zoo kalm +over de zaak kon spreken. + +--Ik heb er niet het minste idee van. Als Basil plezier heeft zich +schuil te houden, gaat het mij niet aan, en als hij dood is, dan denk +ik er liefst zoo min mogelijk aan. Dood-gaan is het eenige waar ik +bang voor ben. Ik vind het iets verschrikkelijks. + +--Waarom? vroeg Dorian moê. + +--Omdat, sprak Lord Henry, je tegenwoordig alles kunt overleven, +behalve juist dat eene. Dood en vulgariteit zijn de twee eenige +dingen, die je in onze eeuw niet kan wegcijferen. Laat ons in de +muziekkamer onze koffie drinken. Je moest eens wat Chopin voor me +spelen. De man, met wien mijn vrouw wegliep, speelde Chopin +verrukkelijk. Arme Victoria! Ik mocht haar wel. Het huis is +uitgestorven zonder haar. Het huwelijksleven is niets dan een +gewoonte. Maar de mensch is zoo, dat hij zelfs het verlies van zijn +slechtste gewoonten regretteert. Misschien die wel het meest. Ze zijn +zoo een deel van je persoonlijkheid. + +Dorian antwoordde niet, maar stond van tafel op en zette zich in de +kamer voor de piano, de vingers dwalende over het zwart en wit ivoor +der noten; toen de koffie was binnengebracht, stond hij op en, +omziende naar Lord Henry, zeide hij: + +--Harry, is het ooit bij je opgekomen, dat Basil vermoord kon zijn? + +Lord Henry gaapte. + +--Basil was heel populair en hij droeg altijd een Waterburyhorloge. +Waarom zoû hij vermoord zijn? Hij was niet knap genoeg om vijanden te +hebben, O, hij had een prachtig talent voor schilderen. Maar je kan +wel zoo mooi schilderen als Velasquez en toch aartsvervelend zijn. En +Basil was heel vervelend. Hij heeft mij maar eens geïnteresseerd, en +dat was toen hij me, jaren geleden, vertelde van zijn passie voor jou. + +--Ik hield heel veel van Basil, sprak Dorian, een klank van +treurigheid in zijne stem. Maar wordt er niet verteld, dat hij +vermoord is? + +--O ja, sommige couranten beweren het. Maar ik vind het niet +waarschijnlijk. Ik geef toe, dat er in Parijs gevaarlijke buurten +zijn, maar Basil was niet iemand om daar heen te gaan. Hij was niets +nieuwsgierig, dat was trouwens zijn grootste fout. + +--Harry, wat zoû je er van zeggen, als ik je vertelde, dat ik Basil +vermoord had? vroeg Dorian. + +Hij zag Lord Henry strak aan. + +--Beste kerel, ik zoû zeggen, dat je pozeert voor iets, waar je niet +geschikt voor bent. Iedere misdaad is banaal, evenals iedere +banaliteit een misdaad is. Het zit niet in je, Dorian, om een moord te +begaan. Het spijt me als ik je ijdelheid hiermeê een knak geef, maar +ik verzeker je, dat het zoo is. De misdaad komt uitsluitend van het +volk. Ik veroordeel ze er ook niet om. Ik geloof, dat het voor hun +hetzelfde is, als voor ons kunst; niets anders dan een manier om +buitengewone emoties te ondervinden. + +--Een manier om emoties te ondervinden? Denk je dan, dat een man, die +eens een moord beging, diezelfde daad nog eens over kan doen? Dat zal +je toch niet beweren? + +--O, alles wordt een genot als je het maar dikwijls genoeg doet, +lachte Lord Henry. Dat is een van de grootste geheimen van het leven. +Ik voor mij geloof, dat een moord altijd een vergissing is. Je moet +nooit iets doen, waarover je na het diner niet praten kan. Maar laat +ons nu Basil laten rusten. Ik woû, dat ik gelooven kon, dat hij een +zoo romantisch einde heeft gehad, als je beweert, maar ik geloof het +niet. Ik denk eerder, dat hij boven van een omnibus in de Seine viel, +en dat de conducteur de zaak doodzweeg. Ja, dat geloof ik bepaald. Ik +zie hem al liggen op zijn rug in dat vuile, groene water, terwijl +zware booten over hem heen varen en lange wurmen zich in zijn haren +hechten. Ik geloof niet, dat hij in staat was nog iets moois te +leveren. De laatste tien jaren is zijn kunst erg achteruit gegaan. + +Dorian zuchtte diep, en Lord Henry liep de kamer door en begon den kop +van een Javaanschen papegaai te krauwen, een groote grijze vogel met +roode borst en staart, die wiegelde op een bamboestokje. + +Toen zijne puntige vingers het dier aanraakten sloot het de witte +oogleden over de zwarte kralen van oogen en wiegde heen en weêr. + +--Ja, ging hij voort; zijn kunst is erg achteruit gegaan. Het is net +of er iets aan mankeerde, of het zijn ideaal verloren had. Toen jullie +ophielden intieme vrienden te zijn, hield hij op een groot artist te +wezen. Wat is er eigenlijk tusschen jullie gebeurd? Verveelde hij je? +Dat zal hij je nooit vergeven hebben. Dat is een eigenschap van +vervelende lui. A propos, wat is er toch geworden van dat mooie +portret, dat hij van jou gemaakt heeft? Ik geloof niet, dat ik het +ooit weêr gezien heb. O, ik herinner me, dat je me jaren geleden +vertelde het naar Selby gezonden te hebben, en dat het onderweg zoek +is geraakt. Heb je het nooit teruggekregen?! Jammer! Het was een +meesterstuk. Ik herinner me, dat ik het koopen wilde. Had ik het maar +gedaan! Het was een van Basils beste stukken. Na dien tijd is zijn +werk een mengelmoes geworden van slecht schilderen en goede +bedoelingen, het kenmerk van een Engelsch artist. Heb je er onderzoek +naar gedaan? Dat moest je toch doen! + +--Ik weet het niet meer, zei Dorian; ik geloof het wel. Maar ik gaf +niet veel om het ding. Het spijt me nog, dat ik er voor gezeten heb. +De herinnering alleen is mij al hatelijk. Waarom spreek je er over? +Het herinnerde mij altijd aan die regels uit ... Hamlet, geloof ik ... +hoe was het ook weêr: + + + Een gelaat zonder een hart. + + +Ja, daar had het veel van. + +Lord Henry lachte. + +--Als je het leven artistiek opneemt, zit je hart in je hersens, +antwoordde hij, in een stoel zinkend. + +Dorian Gray schudde het hoofd en sloeg een paar tonen aan op de piano. + +--...Een gelaat zonder een hart! herhaalde hij. + +Lord Henry lag achterover en zag naar hem met half gesloten oogen. + +--Dorian, vroeg hij na een stilte; welk nut heeft de mensch of hij de +geheele wereld wint en ... hoe was het ook weêr ... zijn eigen ziel +verliest? + +De muziek vervalschte en Dorian schrikte op en staarde zijn vriend +ontzet aan. + +--Waarom vraag je me dat, Harry? + +--Maar mijn beste jongen, zei Lord Henry, verbaasd de wenkbrauwen +optrekkend; omdat ik dacht dat jij er misschien het antwoord op zoû +kunnen geven. Dat is alles. Verleden Zondag liep ik door het Park, en +vlak bij Marble Arch stond een troepje arme lui te luisteren naar een +gewonen straatprediker. En toen ik voorbij ging hoorde ik den man dien +zin uitgillen. Het frappeerde me als iets dramatisch. Je vindt in +Londen meer zulke effectjes. Een regenachtige Zondag, een onsmakelijke +Christen in een regenjas, een kring van ziekelijk witte gezichten +onder het gebroken dak van druipende parapluies, en een vreemden tekst +uitgegalmd door schrille hysterische lippen, dat was een aardig +effect, zoo alles bij elkaâr, iets als een suggestie. Ik dacht er nog +over den profeet te vertellen, dat de kunst wèl een ziel, maar de +mensch er geen heeft. Maar ik was bang, dat hij me toch niet begrepen +zoû hebben. + +--Harry, schei uit! De ziel is een realiteit, die verschrikkelijk is. +Je kunt haar koopen, verkoopen, verdobbelen. Je kunt haar vergiftigen +of je kunt er iets heel moois van maken. In ieder van ons is een ziel. +Dat voel ik. + +--Ben je daar wel heel zeker van, Dorian? + +--Heel zeker. + +--Dan is het een illuzie. De dingen, waar je zoo heel zeker van bent +zijn nooit waar. Dat is het noodlottige van Geloof en de canon van het +Romantisme. Wat ben je ernstig! Dat moet je niet zijn. Wat hebben jij +of ik te maken met het bijgeloof van onze eeuw! Neen, wij gelooven +immers niet meer aan een ziel. Speel eens wat. Een nocturne, Dorian, +en vertel me dan onder het spelen, zachtjes, wat je gedaan hebt, om +zoo jong te blijven. Daar moet je toch een geheim voor hebben. Ik ben +maar tien jaar ouder dan jij, en ik ben gerimpeld en uitgeteerd en +geel. Je bent bepaald een wonder, Dorian. Je hebt er nooit zoo goed +uitgezien als van avond. Je herinnert me aan den eersten keer, toen ik +je zag. Je was wat bleu, wat schichtig en zoo geheel en al iets buiten +model. Je bent verandert, natuurlijk, maar niet in je uiterlijk. Ik +woû, dat je mij je geheim vertelde. Om mijn jeugd terug te krijgen, +zoû ik alles kunnen doen, behalve beweging nemen, vroeg opstaan en +solide leven. Jong te zijn! Daar gaat toch niets boven. Het is +bespottelijk om te praten over de onwetendheid van de jeugd. De eenige +opinies waar ik naar luister, zijn de opinies van de jongeren. Zij +zijn op ons vooruit. En de ouderen spreek ik altijd tegen. Dat doe ik +uit principe. Als je hun opinie vraagt over iets, dat gisteren gebeurd +is, geven ze je heel plechtig idees ten beste uit 1820, toen de +menschen hooge hakken droegen, en alles geloofden en niets wisten. Wat +is dat mooi, wat je daar speelde. Zoû Chopin het gecomponeerd hebben +op Majorca met het weenen van de zee om zijn villa heen, en het zoute +gesprinkel op de glazen? Het is iets bijzonder moois. Wat een geluk, +dat er nog één kunst is, die het nabootst. Schei nog niet uit. Ik heb +behoefte aan muziek van avond. Ik stel me zoo voor, dat jij Apollo +bent, ik Marsyas, die naar je luistert. Ik heb veel verdriet, Dorian, +verdriet van mijzelven, waar jij niets van weet. De tragedie van den +ouderdom is niet, dat je oud wordt, maar dat je jong bent. Ik sta soms +verbaasd over mijn eigen openhartigheid. O, Dorian, wat ben jij +gelukkig! Wat heb jij een heerlijk leven gehad! Je hebt van alles +genoten. Je hebt de druif tegen je verhemelte plat gedrukt. Niets is +je verborgen gebleven. En dat alles is niets meer voor je geweest dan +de klanken van muziek. Je bent er niet door bezoedeld, je bent +dezelfde gebleven. + +--Ik ben niet dezelfde, Harry. + +--Ja, dat ben je wel. Hoe zal je verder leven zijn. Bederf het niet +door onthoudingen; op het oogenblik ben je een type. Bederf niets aan +jezelven. Je bent nu zonder fout. Je hoeft zoo niet je hoofd te +schudden, je weet het zelf ook. Buitendien, Dorian, bedrieg jezelven +niet. Je kunt het leven niet regeeren met wil of met bedoelingen. Het +leven is een kwestie van zenuwen en spieren, en langzaam opgebouwde +celletjes, waarin de gedachte schuilhoudt en de passie zijn droomen +droomt. Je voelt je zeker van jezelven, je denkt sterk te zijn. Maar +Dorian, ik zeg je, ons leven hangt af van een kleinigheid, een nuance, +die je ziet in een lucht of in een kamer, een parfum, dat je eens lief +was, dat nu wazige heugenissen in je optoovert; een regel uit een lang +vergeten gedicht, dat je toevallig weêr ontmoet; een cadenz uit een +stuk, dat je niet meer speelt. Er zijn momenten dat de geur van witte +seringen over mij heen strijkt, en ik de vreemdste maand uit mijn +leven weêr opnieuw moet doorvoelen. Ik woû, dat ik met je ruilen kon, +Dorian. De wereld heeft veel over ons beiden gesproken, maar jou heeft +ze toch altijd aangebeden. En dat zal ze je altijd blijven doen. Je +bent het type van wat onze eeuw zoekt en wat ze vreest gevonden te +hebben. Ik ben blij, dat je nooit iets gedaan hebt, nooit een beeld in +marmer gehouwen, nooit een schilderij geschilderd, nooit iets +geschapen hebt, behalve jezelven. Het leven is je kunst geweest. Je +hebt jezelven op muziek gezet. Sonnetten zijn je levensdagen. + +Dorian stond van de piano op, en streek zich met de hand door het +haar. + +--Ja, het leven is voor mij geweest als een exquize kunst, en toch +Harry, zal ik niet meer dat zelfde leven leven. En je moet niet zoo +overdreven tot me spreken. Je weet niet alles van me. Ik geloof, dat +zoo je alles wist, zelfs jij je van mij af zoû wenden. O, je lacht. +Lach niet Harry! + +--Waarom speel je niet meer, Dorian? Toe, speel die nocturne nog eens +over. Zie die groote gele maan daar hangen in een lucht van mist. Ze +wacht, dat je haar bekoren zal, en als je speelt zal ze dichter bij de +aarde komen. Wil je niet? Ga dan meê naar de club. Het is een +gezellige avond geweest en we zullen hem ook prettig eindigen. Daar is +iemand bij White, die erg verlangend is kennis met je te maken: de +jonge Lord Poole, de oudste zoon van Bournemouth. Hij draagt al +dezelfde dassen als jij, en vroeg mij hem aan je voor te stellen. Hij +is een charmante jongen--en laat me wel wat aan jou denken. + +--Dat hoop ik niet, zei Dorian, met een treurige blik in de oogen. +Maar ik ben wat moê, Harry. Ik ga liever niet meê naar de club. Het is +bij elven, en ik ga vroeg naar bed. + +--Kom, blijf nog wat op. Je hebt nooit zoo mooi gespeeld als van +avond. Je hadt in je aanslag een uitdrukking, die ik er nooit van te +voren in gehoord heb. + +--Dat komt misschien omdat ik braaf ga worden, antwoordde hij met een +glimlach. Ik ben al een beetje veranderd. + +--Voor mij kan je nooit veranderen, Dorian. Wij zullen altijd vrienden +blijven. + +--En toch heb je me eens vergiftigd met een boek. Dat kan ik je niet +vergeven. Harry, beloof me, dat je dat boek nooit aan een ander zal +leenen. Het maakt slecht. + +--Jongenlief, je begint waarachtig te moralizeeren, en dat moet je +niet doen: je bent er veel te amusant voor. En wat geeft het. Jij en +ik zijn wat we zijn en zullen dat ook altijd blijven. En dat je +vergiftigd bent door een boek, dat is onmogelijk. Kunst heeft geen +invloed op je handelingen. Het vernietigt integendeel je kracht tot +handelen. De boeken, die de wereld immoreel vindt, zijn die, welke de +wereld haar eigen schande toonden. Dat is alles. Maar laat ons niet +over litteratuur praten. Kom je morgen bij me? Ik ga om elf uur +rijden. We kunnen dan samen gaan dejeuneeren bij Lady Branksome. Ze is +een aardige vrouw en ze woû je raadplegen over een paar gobelins, die +ze koopen wil. Zal je komen? Of wil je liever lunchen met ons +hertoginnetje. Heb je misschien genoeg van Gladys? Ik kan het me best +begrijpen. Haar vlug tongetje werkt op je zenuwen. Enfin, kom in ieder +geval om elf uur. + +--Is het bepaald noodig, Harry? + +--Natuurlijk. Het Park is nu beeldig. Ik geloof, dat de seringen in +jaren niet zoo prachtig gebloeid hebben. + +--Nu ik zal komen, zei Dorian. Goeden nacht, Harry. + +Bij de deur aarzelde hij even, als had hij nog iets te zeggen. + + + + +XIX. + + +Het was een heerlijke avond zoo warm, dat hij zijn jas over zijn arm +nam, en zelfs de zijden das niet om zijn hals sloeg. Terwijl hij naar +huis wandelde, een cigarette rookend, gingen twee jongelui in rok hem +voorbij. Hij hoorde ze fluisteren: + +--Dat is Dorian Gray. + +Hij herinnerde zich hoe heerlijk hij het vroeger vond, wanneer men +naar hem wees, hem aankeek of over hem sprak. Nu was hij moê van zijn +eigen naam te hooren. Een groote bekoring van het kleine dorpje, waar +hij den laatsten tijd zoo vaak geweest was, was dat niemand daar zijn +naam wist. + +Hij had het meisje, dat hij betooverd had hem lief te hebben, verteld, +dat hij arm was, en zij had hem geloofd. Hij had haar eens gezegd, dat +hij heel slecht was, en zij had gelachen en geantwoord, dat slechte +menschen altijd oud en leelijk zijn. Wat klonk haar lach! als het +geparel van een leeuwerik. En hoe lief zag zij er uit in haar katoenen +japonnetje en grooten strooien hoed. Ze wist niets, maar zij bezat +alles, wat hij verloren had. + +Thuis vond hij den knecht nog op hem wachten. Hij zond hem naar bed, +en wierp zich neêr op de bank in zijn bibliotheek en dacht na over wat +Lord Henry gezegd had. + +Zoû het waar zijn, dat een mensen nooit veranderen kan? Hij gevoelde +een intens verlangen naar de smettelooze reinheid zijner jeugd, zijner +bloesemblanke jeugd, zooals Lord Henry eens gezegd had. Hij wist, dat +hij zichzelven had bezoedeld, zijn geest had verdorven, zijn +verbeelding had wanschapen en dat hij een duivel was geweest voor +anderen; en dat hij er een helsch genot in had gevonden dat te zijn, +en dat hij de schoonste, de bloeiendste levens, die hij had ontmoet, +tot schande had gebracht. Maar was dit alles dan onherroepelijk? Was +er dan geen hoop meer voor hem! + +Oh! in welk monsterachtig oogenblik van ijdelheid en passie had hij +dan gebeden, dat het portret den last zijner dagen zoû torsen, opdat +hijzelve de vlekkelooze glorie der eeuwige jeugd zoû dragen. Dat was +de schuld van alles. Het ware hem beter geweest zoo iedere zonde in +zijn leven de straf onverbiddelijk met zich had meêgesleept. Daar was +reiniging in straf. De mensch moest niet bidden: Vergeef ons onze +zonden, maar kastijd ons voor onze ongerechtigheden! + +De fijn gebeeldhouwde ivoren spiegel, dien Lord Henry hem gegeven had, +jaren geleden, stond op de tafel, en de blanke amortjes dartelden er +om rond als altijd. Hij nam dien op, zooals hij deed den avond van +afschuw, toen hij voor het eerst de verandering bemerkt had op het +noodlottig portret, en nu blikte hij met vochtige oogen in de +gepolijste diepte. + +Hem was eens een wanhopige brief geschreven door iemand die hem +afgodisch liefhad, en die brief eindigde met de opgewonde woorden: de +wereld is verouderd, omdat jij van goud en ivoor bent; door jouw +lippen wordt de historie weêr opnieuw geschreven. + +Die zin drong zich bij hem op en hij herhaalde ze telkens en telkens +weêr. Toen vervloekte hij zijn eigen schoonheid en den spiegel op den +grond smijtend, vertrapte hij hem met den voet tot zilveren gruizels. +Zijne schoonheid had hem ten onder gebracht, zijne schoonheid en +jeugd, voor welks behoud hij gebeden had. Zonder deze twee factoren +zoû zijn leven vrij zijn gebleven van iederen smet. Zijne schoonheid +was hem slechts een masker, zijn jeugd een narrenpak geweest. + +Wat was jeugd? Een tijd van groene wrangheid, een tijd van kleine +verlangens, van ziekelijke gedachten. Waarom had hij dan die liverei +gedragen? Zijn jeugd had hem bedorven. + +Het was beter niet te denken aan het verleden. Niets kon dat +veranderen. Hij moest aan zichzelven en aan zijn toekomst denken. + +James Vane lag in een onbekend graf in het kerkhof van Selby Royal. +Alan Campbell had zich dood geschoten in zijn laboratorium, maar het +geheim, dat hij gedwongen was geweest te kennen, niet geopenbaard. De +drukte over Basil Hallwards verdwijning zoû weldra voorbij zijn. Ze +was nu reeds verflauwd. Hij was volmaakt veilig. Bovendien was het ook +niet Basils dood, die hem het meest drukte. Het was de levende mummie +zijner ziel, die hem het zeerst verontrustte. Basil had het portret +geschilderd, waardoor zijn leven bedorven was. Hij kon hem dat niet +vergeven. Het portret was de schuld van alles. Basil had harde dingen +tegen hem gezegd, en toch had hij ze lijdzaam aangehoord. De moord was +de opgewondenheid geweest van één oogenblik. + +En Alan Campbells zelfmoord was diens eigen zaak. Hij had het zoo +gewild. Daar kon hij, Dorian, niets aan doen. + +Een nieuw leven! Dat was wat hij wenschte. + +Daar wachtte hij op. Hij was immers al begonnen. Een onschuldig +schepsel had hij gespaard. Hij zoû de onschuld niet meer verleiden. +Hij zoû braaf worden. Denkend aan Hetty, vroeg hij zich af, of het +portret boven in de gesloten kamer ook veranderd zoû zijn. Het kon +toch zoo afschuwelijk niet meer wezen. Misschien, zoo zijn leven rein +werd, zoû hij iederen trek van wreede passie op het gelaat kunnen +uitwisschen. Wellicht was er al iets verzacht. Hij zoû gaan zien. + +Hij nam de lamp van de tafel en sloop naar boven. Terwijl hij de deur +opensloot, verlichtte een glimlach van genot zijn vreemd jong gezicht +en verwijlde even om zijn lippen. Ja, hij zoû goed worden, en het +ding, dat hij steeds verborgen hield, zoû geen schrik meer voor hem +zijn. Het was hem of al een gewicht van hem werd afgenomen. + +Hij trad snel binnen, sloot de deur achter zich, volgens gewoonte, en +rukte het purperen gordijn voor het portret weg. Hij stiet een kreet +van verontwaardiging uit. Hij zag geene verandering, dan dat er in de +oogen iets geslepens blonk en een rimpel van veinzerij zich om den +mond krulde. Het was nog altijd een ding van afschuw--zoo mogelijk nog +terugstootender dan vroeger--en het roode zweet, dat parelde op de +hand scheen heller en was als pas gestort bloed. Hij beefde. Was het +dan ijdelheid geweest, die hem die goede daad had doen begaan? Of was +het zucht geweest naar nieuwe sensatie, zooals Lord Henry beweerd had +niet zijn lach vol spot. Of was het die passie tot comedie spelen, +welke ons vaak een rol doet spelen, edeler dan ons-zelven? Of was het +misschien dat alles te zamen? En waarom was de roode vlak grooter dan +te voren? Ze scheen als een melaatschheid te vreten over de gerimpelde +vingers. Zelfs op de voeten lag bloed als was het daarop neêrgedrupt, +zelfs bloed op de hand, die het mes niet had vastgehouden. Bekennen? +Zoû het meenen, dat hij zijn misdaad moest bekennen? Zichzelven +aangeven en ter dood doen veroordeelen? Hij lachte. Hij gevoelde, dat +de gedachte alleen reeds onmogelijk was. Buitendien, zelfs al bekende +hij, wie zoû hem gelooven? Van den vermoorde man was geen spoor meer +te vinden. Alles wat hem behoorde was vernietigd geworden. Wat er +beneden van hem gebleven was, had hij verbrand. De wereld zoû hem gek +verklaren. Men zoû hem opsluiten, zoo hij volhield ... toch was het +zijn plicht te bekennen, openlijk zijne schande te lijden, openlijk +zijn straf te ondergaan. Er was een God, die de menschen opriep om +hunne zonden te belijden voor de aarde en voor den hemel. Niets kon +hem meer zuiveren vóór hij zijne zonden beleden had. Zijne Zonde! Hij +haalde de schouders op. + +Basils dood scheen hem van weinig beteekenis toe. Het was een +onrechtvaardige spiegel, de spiegel van zijn ziel, waarin hij blikte. +IJdelheid? Veinzerij? Was er dan niets anders geweest in zijne +zelfonthouding? Ja, er was meer geweest. Ten minste, hij meende het. +Maar wie kon het zeggen?... Neen. Er was niets meer in geweest. Uit +ijdelheid had hij haar gespaard. Uit huichelarij had hij het masker +van braafheid gedragen. Uit nieuwsgierigheid had hij die +zelfonthouding beproefd. Dat zag hij nu alles in. + +Maar die moord, zoû die hem zijn geheele leven achtervolgen? zoû zijn +verleden steeds als een last op hem blijven drukken? + +Moest hij waarlijk bekennen? Nooit! Slechts één bewijs bestond er +tegen hem. Het portret, dat was het bewijs. Hij zoû ook dit +vernietigen. Waarom het zoo lang bewaard? Eens had hij er genoegen in +gevonden het te zien veranderen en verouderen. Sinds lang was dit +genoegen voorbij. Het hield hem 's nachts wakker. Als hij weg was +geweest, had hij angsten gevoeld, dat andere oogen het zouden zien. +Het had melancholie gebracht over zijne passies. De herinnering er aan +had hem menig oogenblik van genot vergald. Het was hem geweest als een +geweten. Ja, het was zijn geweten zelve. Hij zoû het vernietigen. + +Hij zag rond en bemerkte het mes waarmeê Basil Hallward vermoord was. +Hij had het vele malen schoongemaakt, tot er geen smetje meer op +bleef. Het was schoon en het glinsterde. Zooals het den schilder +gedood had, zoo zoû het nu ook zijn werk vernietigen en alles wat +daarmeê samenhing. Het zoû het verleden dooden, en was dat eenmaal +dood, dan was hij vrij. Het zoû dat gruwelijk leven van zijn ziel +vermoorden en zonder die afgrijselijke waarschuwing, zoû hij tot rust +komen. Hij greep het mes en stootte naar het portret. + +Er klonk een kreet en een val. De schreeuw klonk zoo verschrikkelijk, +als in doodsangst, dat de bedienden wakker schrikten en uit hunne +kamers slopen. Twee heeren, die op straat voorbij gingen, stonden stil +en zagen op naar het groote huis. Zij liepen door tot zij een agent +ontmoetten en brachten hem meê terug. De agent belde eenige malen, +maar er kwam geen antwoord. Behalve het licht boven voor een der +zoldervensters, was het geheele huis donker. Na een pooze ging hij +terug en zette zich onder een portiek dicht bij, en zag toe. + +--Wie woont daar? vroeg de oudste der twee heeren. + +--Meneer Gray, meneer, antwoordde de agent. + +Zij zagen elkaâr aan en liepen verder, een trek van minachting op het +gelaat. Binnen stonden de half gekleede bedienden bij elkaâr en +fluisterden zacht. De oude Mrs. Leaf schreide en wrong de handen. +Francis zag zoo bleek als een doek. + +Na een kwartier sloop hij met den koetsier en een van de knechts naar +boven. Zij klopten ... geen antwoord. Ze riepen ... alles bleef stil. +Eindelijk, daar de deur niet ontsloten kon worden, klommen zij over +het dak en kwamen zoo op het balcon. De ramen gingen gemakkelijk open, +de grendels waren oud. + +Toen zij binnenkwamen vonden zij tegen den muur een portret van hun +meester, in al zijne schoonheid en jeugd, zooals zij hem het laatst +gezien hadden. Op den grond lag een doode man in rok, met een mes door +het hart. Zijn gelaat was verwrongen, gerimpeld en leelijk. Zij +herkende hem alleen aan zijn ringen. + + +DEN HAAG, Febr. '93. + + + + + + + +End of Project Gutenberg's Het portret van Dorian Gray, by Oscar Wilde + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10512 *** |
